diff options
Diffstat (limited to 'old/68155-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/68155-0.txt | 6719 |
1 files changed, 0 insertions, 6719 deletions
diff --git a/old/68155-0.txt b/old/68155-0.txt deleted file mode 100644 index f28514e..0000000 --- a/old/68155-0.txt +++ /dev/null @@ -1,6719 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Leliane, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Leliane - een modern sprookje - -Author: Henri Borel - -Release Date: May 23, 2022 [eBook #68155] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - file was produced from images generously made available by - the Koninklijke Bibliotheek, The Hague) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIANE *** - - - - - LELIANE - - EEN MODERN SPROOKJE - - - DOOR - HENRI BOREL - - - AMSTERDAM - P. N. VAN KAMPEN & ZOON - - - - - - - - -VOORWOORD. - - -Reeds tien jaren geleden liep ik met het plan rond voor dit boek, -waarvan ik toen het begin al had geschreven, dat echter in den loop der -tijden is weggeraakt. Ik durfde er nooit weer aan, omdat er zulke -onwaarschijnlijke dingen in voorkwamen, die niemand zou gelooven. Dat -groote bosch, zoo vlak bij de beschaving, die oude man, die daar zoo -eenzaam woonde met zijn kleinzoontje, die verdwaalde prinses, en dat in -ónze tijden!..... - -Neen, dat ging niet, en daar zou niemand aan willen. - -Toch ben ik nu, in 1901, dit boek opnieuw begonnen, en heb ik het -geschreven, zooals mijn plan was. En omdat zoo veel erin niet gebeurd -kan zijn, en zeker erg onmogelijk is, heb ik het een sprookje genoemd, -al is het dan ook een „modern sprookje”. - -Nu ben ik niet bang meer. Want in een sprookje, niet waar, kan alles -wat in de werkelijkheid niet kan, en nu kunnen al de dingen, die erin -voorkomen, dat oude bosch, en die eenzame grijsaard, en die mooie -prinses, en dat vreemde kleinzoontje, ook best bestaan hebben. En zóó -ben ik dan nu gedekt, hoop ik. - - - -Ten slotte nog dit. De schrijver wil niet de meeningen of beschouwingen -van personen uit het laatste gedeelte van zijn boek als per se ook de -zijne geven, en blijft hierin—althans voor den lezer—het liefst -objectief. - - H. B. - - - - - - - - -HOOFDSTUK I. - - -Paulus heette hij, en hij woonde met zijn grootvader in een oer-oud -bosch, ver van de beschaafde wereld. - -Het kleine huis, van riet en hout, stond wèlbeschut onder ernstige, -hooge boomen. Die gaven schaduw voor de zon en vingen den wind op met -hun breede, sterke ruggen, dat hij het huisje niet zou deren. Hoe kende -Paulus ze allemaal, die rond zijn woning stonden! Hoe waren ze hem -vertrouwd, en wist hij van elk de eigenaardigheden! ’s Ochtends zeide -hij ze goeden dag, en dan zongen ze met hun bladeren een morgenlied in -de lucht. Dat was dan de muziek, die hij daar, ver van de wereld, -hoorde. En ’s avonds, als ze, op hun ruige, massieve stammen geleund, -moê van al het dagleven stonden te slapen, zwaar en zwijgend, dan -wenkte Paulus ze goênacht, vóór hij het venster sloot van zijn -kamertje. En dan ritselde er wel eens wat in de blaren, of een boom hem -nog even bedankte in zijn slaap. Zijn goede, sterke, groote broeders -waren het, die boomen. - -Zijn grootvader was Willebrordus, een oud, oud man.—Zooals een heel -oude boom leek hij wel, nog altijd groot en sterk, maar al wat gebogen, -met diepe, donkere rimpels, en, zooals bossen oude luchtwortels, hing -een ruige, grijze baard golvend neder van zijn kin. Hij liep erg -langzaam, met de rechterhand gesteund op een gaanstok. Maar zijn oogen -waren nog helder als sterren in den nacht, en zijn stem was duidelijk -en klaar. Hoe zijn grootvader daar zoo in het bosch was komen te wonen, -wist Paulus niet. En hij herinnerde zich ook niet, ooit iets anders te -hebben gezien dan zijn grootvader, en het huisje, waarin hij woonde, en -de hooge boomen, en de sterren, die flikkerden door de bladeren, en de -bloemen en de vogels in het bosch. Dan nog het trouwe gezicht van -Mareta, een oud vrouwtje, dat kookte en schoonmaakte, thuis, en aan den -grijzen Willebrordus gehecht was als een goed, trouw dier. Andere -gezichten waren er niet in het leven van Paulus. - -Maar tóch was het heel vol en heerlijk, dat leven, en ge moet niet -denken, dat het zoo erg was voor dat jongetje, om daar zoo ver weg in -een bosch te wonen. - -Want zooals andere kinderen met kinderen en menschen omgaan, zoo ging -hij om met de boomen en de bloemen. En nu zeggen ze wel dat die niet -leven, en geen ziel hebben als de menschen, maar dan weten ze er niets -van. Dat hadden ze eens aan Paulus moeten vertellen! Hoe zou hij -gelachen hebben! Alsof die boomen en die bloemen niet ieder hun eigen -leven en hun eigen karakteristieke dingen hadden, net als de menschen! -Praten konden ze niet. Dat is zoo. Maar zoo’n boom kan zoo -vertrouwelijk doen met zijn bladeren, en ook zoo diep zuchten, met -vreemd gekreun, en dan kan hij ook weer ineens zoo heel stil zijn, of -hij iets heel volzaligs ergens zag in de lucht, en dan zóó roerloos van -aandacht zijn blaadjes uitgespreid houden, dat je al heel dom moet zijn -om niet te begrijpen, dat er iets van innig leven in hem omgaat. En dan -een bloem! Zooals die ’s morgens vriendelijk staat te lachen, met -dauwdroppeltjes in haar oogen, en zooals die zijn geur naar je toe -wuift! En zooals die ’s avonds zachtjes wat gaat neigen, en knikkebolt, -als een meisje, dat slaap heeft, en dan voorzichtigjes de blaadjes -heenvouwt om haar hoofdje, om het niet te koud te hebben ’s nachts! En -zoo gelukkig en deemoedig-tevreden als ze dan staan te slapen, die -bloemen, tot het goede licht weer komt, dat ze wekt! Dan doen ze -allemaal hun blaadjes weer open, en lachen tegen de zon. - -Maar behalve de bloemen en de boomen had Paulus nog andere vrienden. De -vogels. En die konden wèl praten. Daar behoefde je niet zoo erg knap -voor te wezen om te verstaan wat die zeiden. Ze waren ook niets bang -voor hem, en vlogen niet weg als hij aankwam. Hij zou ook nooit -geprobeerd hebben er een te vangen. Zijn grootvader had hem geleerd, -dat hij géén levend wezen, hoe klein ook, ooit mocht pijn doen. Want -alle levende schepselen waren als hij, had Willebrordus gezegd, en -hadden met hem éénen Vader. Evenmin als onder de menschen iemand zijn -broeder of zuster mocht dooden, mocht je ooit een levend wezen pijn -doen. Paulus had dat trouwens altijd heel natuurlijk gevonden. Het zou -bijvoorbeeld niet in hem op zijn gekomen om zoo’n vogeltje te vangen. -Het was veel te heerlijk voor zoo’n beestje om zijn vlerkjes uit te -spreiden, en dan vèr weg te vliegen, waar hij maar wilde. Hij benijdde -ze wel eens. Vooral de leeuwerik. Hoe die op zijn trillende vleugeltjes -in den hemel vloog, naar de zon, en dan heel, heel hoog, een zwart -tipje in het goud, hing te kwetteren van pleizier! - -Ook kwam hij wel eens herten en reeën tegen als hij ver wandelde in het -bosch. Die lieten zich gerust door hem streelen, en keken hem -vertrouwelijk aan met hun groote, bruine oogen. Nog mooier oogen hadden -ze dan honden of paarden, vond hij. Ze konden zoo lief en goedig -kijken, zoo heelemaal oprecht, en zonder iets achter te houden. Zoo of -ze wilden zeggen: daar heb je me nu, heelemaal zooals ik ben. Paulus -was altijd erg blij als hij er een tegenkwam, en dat vertelde hij dan -later aan zijn grootvader, zooals een ander zou vertellen van een -vriend, dien hij ontmoet had. Van héél ver kwamen ze, zeide -Willebrordus, van dagen aan dagen vèr loopen, en als er veel in de -buurt kwamen, was dat een teeken, dat de menschen van ’t Leliënland een -groote jacht hadden gehouden. - -Dat was iets verschrikkelijks voor Paulus. Grootvader vertelde het hem, -hoe die menschen de arme herten opjoegen, en doodschoten met pijlen, en -er woeste bloedhonden op af stuurden, als ze gewond waren en vluchtten. -En als de jager dan kwam stak hij het hert nog eens met een scherp -jachtmes in de keel. - -De menschen.... Dat was iets vaag beangstigends voor hem. Niet de -enkele menschen, die hij wel eens ver in ’t bosch ontmoette, en die -thuis de oude Mareta dingen brachten voor de huishouding. Dat waren -boeren van de grenzen, zeide grootvader, en zij waren goedaardig en -vriendelijk van aard. Maar de menschen ... dat waren de menschen van de -steden, vèr, vèr weg gelukkig, waar hij nooit naar toe mocht gaan, en -waar hij ook instinctmatig bang voor was als voor iets -verschrikkelijks. - -Dagen en dagen ver loopen, eerst het groote bosch uit, en dàn een -rivier over, dàn over bergen en dàn een verre vlakte, daar moest ergens -de stad zijn, waar de menschen woonden. Dáár woonden ze, niet bij de -boomen, in de open, vrije lucht, maar in groote, groote gebouwen van -steen, die ze huizen noemden, duizenden aan duizenden naast elkaar en -boven elkaar, dat je nooit iets anders zag dan steenen; en daar waren -donkere holen, die ze fabrieken noemden en waar duizenden slaven -werkten, die nooit buiten de zon konden zien en nooit bloemen hadden; -daar werden koeien en kalveren en paarden geslacht, vogels en lammeren -vermoord, en hun vleesch en hun bloed verzwolgen. Daar moesten bij -honderdduizenden naast elkaar de „menschen” wonen, die allemaal in die -steenen hokken moesten bestaan, en, zooals grootvader zeide, altijd -maar doorvochten, als wilde roofbeesten eigenlijk, wie leven zou ten -koste van den ander. Als ze buiten op het land wilden wonen zou er voor -ieder ruim genoeg zijn, maar dat wilden ze niet. Ze zouden en ze -moesten hokken blijven in hun steenen kooien, die ze steden noemden, -allemaal dicht op elkaar gekropen en elkaar verdringend, als vee, dat -in een te nauwe ruimte is gedreven. - -Paulus had zijn grootvader moeten beloven om nooit, nooit te vragen met -hem de stad te gaan zien, en het ook nooit te verzwijgen, als hij lust -mocht krijgen uit de eenzaamheid weg te gaan naar de menschen. Als -Paulus absoluut wilde, en zich anders ongelukkig voelde, zou -Willebrordus hem niet tegen houden, en hem laten gaan. Doch met hem -medegaan zou hij nooit. - -Maar dit boek is een sprookje, en Paulus voelde geen behoefte om weg te -gaan uit zijn goed, schoon bosch, al dacht hij veel om de menschen daar -ginds ver, en hoe zij er wel zouden uit zien, en wat zij doen zouden. -Hij had genoeg te doen in al het mooie om zich heen om zich niet te -vervelen, en niet naar méér te verlangen dan hij had. ’s Ochtends kreeg -hij geregeld les van zijn grootvader, die heel wijs en knap was, en hem -veel kon vertellen. Hij leerde Paulus véél van de sterren, en hoe zij -rondwentelen in de eeuwigheid, op rythmus van vaste wetten, en hoe die -rythmus even schoon en volheerlijk was als die van de verzen der oude, -ware dichters, die hij hem voorlas. Hij leerde hem van de poëzie der -eindelooze getallen, en hoe de wiskunde even warm van poëzie was als ál -het andere bestaande, en hij leerde hem, hoe het alles één en hetzelfde -groote was, dat de sterren voortstuwde in hun baan, en het zaadje van -een bloem deed kiemen tot een zoo wondere schoonheid als van een lelie -of een roos. En bij alles, bij de sterrenkunde als bij de botanie, bij -de wiskunde als bij de poëzie vertelde Willebrordus hem van den éénen -Geest, die het Al doordringt, en die zich manifesteert zoowel in het -simpele viooltje als in den statigen eik, in het licht der blinkende -Avondster zoowel als in de zachte, bruine oogen van de ree. Niet in den -Hemel, ergens boven de wolken en de luchten, woonde die Geest, maar in -alles en allen was Hij geopenbaard, en Hij leefde in alle dingen -onsterfelijk en onvernietigbaar. Als de boomen doodgingen, of de -vogels, of de bloemen, of de menschen, dan was dat maar éven een -weggaan van een uiterlijken schijn. Want de Geest, die er in geleefd -had, was gaaf en puur gebleven, en uitte zich drá weer in nieuwe -openbaringen, even schoon. - -Dat had Paulus trouwens ook altijd intuïtief gevoeld, óók vóór zijn -grootvader het hem leerde. Want in de groote eenzaamheid van de natuur -zie je God het dichtste nabij. Als het morgen was, en het goede Licht -kwam aan in het Oosten, en ging zegenend over het bosch; als dan de -bladeren van de wakker geworden boomen zachtjes ruischend dat licht -begroetten, en al de vogeltjes hun stemmetjes probeerden voor de muziek -van den dag, dan kwam dat over hem als een groote blijheid, als iets -dat hem door iemand gegeven werd die heel goed en lief voor hem was, en -alles met hem deelde. En hij wist vanzelf ook wel dat het alles -hetzelfde was, het bladeren-ruischen, en het schijnen van het licht, -het vogelen-gezang en de geuren van de bloemen, het wind-gewaai en het -vertrouwelijk gepraat van de beekjes. Het was telkens op andere wijze -geuit, de eene nog mooier dan de andere, maar het moest van Eenen zijn -gegeven, en Één leefde in al de dingen om hem. - -Of ’s avonds, als het licht weg was gegaan, en de sterren begonnen op -te blinken aan den hemel. Hoe dan ineens al die boomen ernstig werden, -en toch zachter dan overdag, met al hun stammen en takken véél -duidelijker uitgekomen, hoe ze stil werden van aandacht, en hoe ze dan -soms inééns met hun breede kruinen éven opruischten, zoo héél anders -dan overdag, plechtig alsof ze fluisterden een gebed. Hoe wijs waren ze -dan geworden, zoo verdiept in gedachten, en hoe rustig, alsof het zóó -nu eigenlijk pas goed was, en dít nu de allergrootste innigheid was, -waartoe ze in staat waren te komen. Den gehéélen dag hadden ze er over -gedaan om dít nu te kunnen worden, en het zóó te zeggen. Ik zeg te -zeggen, omdat al die ranke takjes met hun teere gebaren, en al die -fijne loovertjes zoo doodstil uitgespreid, heusch net zoo spraken tegen -den kleinen Paulus alsof iemand hem toefluisterde iets heel goeds en -innigs. Als het dan zoo stil was, en roerloos stonden de boomen te -droomen, en het loover bewoog niet meer, dan voelde hij even duidelijk -of iemand vlak naast hem stond, dat Eéne, dat de eeuwige, goddelijke -Geest was, dicht, heel dicht bij hem, zoo dicht als een moeder bij het -kind, dat rustigjes slaapt aan haar borst. - -Hij was ook nooit bang, Paulus. Hij wist niet wat het was, en er wás -ook niets om bang voor te zijn. Alles om hem heen was veilig en -vertrouwd. Hij wist ook ’s nachts precies waar alles stond, al was het -donker, en de zwarte boomstammen waren even gewoon als de donkere -lichamen van vrienden zouden zijn, die om hem heen stonden. De dingen -van den nacht waren hem allen even eigen als die van den dag. Vooral de -sterren. O! De sterren! De sterren! Die had hij eigenlijk nóg liever -dan de bloemen, al noemde hij ze wel eens de bloemen, die bloeiden in -den hemel. Grootvader had hem heel wat er van geleerd, en hij kende -veel sterren, zooals hij veel bloemen kende.—Hij vond het altijd zoo -heerlijk op hen te wachten als het donker werd, en ze kwamen opdagen, -trouw als vrienden op hun tijd. Hij wist het, eerst moet déze -komen—kijk, daar was zij al—, dan díe—daar was zij—en nu díe, en dan -díe, totdat er inééns te veel waren om goed te onderscheiden. O! kijk! -kijk! daar waren ze, hier, en daar, en daar, en overal, daar hingen ze -hem inééns aan te zien met hun gouden en zilveren gezichtjes, en -groetten hem met hun reine licht. Als het dan zoo héél groot en -schitterend was, op een bizonder helderen nacht, dan kreeg hij dikwijls -een vreemd, vaag verlangen, dat bijna droefheid en toch óók zalig geluk -was, om bij hen te zijn. Het was hem dan, of hem iets riep, wat wist -hij niet, maar iets dat liever en beter was dan het allerliefste en -beste, hem meer vertrouwd nog dan grootvader, en zijn kamertje thuis, -en zijn liefste vogels en bloemen. Dan gevoelde hij een behoefte, om -dichter en dichter bij die sterren te zijn, en hij klom in den hoogsten -boom, zoo ver hij kon, in de kruin. Daar bleef hij dan roerloos zitten. -Beneden hem stonden vèr en vèr de stille, donkere boomen rustig te -droomen in den nacht, tevreden en zacht als kinderen, die slapen zijn -gegaan. Alles was verzonken in roerloozen sluimer, waar alle geluiden -zwegen. Dan keek hij in groot verlangen naar boven, naar de sterren, -die zoo hoog boven al de dingen van de wereld stonden te schitteren, in -de eindelooze stilte van de sferen. Maar ach! hij was niet dichterbij -gekomen, al waren zijn armen en beenen van ’t klimmen moe. Altijd waren -de sterren nog even ver. Dan voelde hij wel eens een vreemde pijn, en -welden hem de tranen in de oogen, omdat het zoo ver, zoo eindeloos ver -was, dat mooie licht, dat hij liefhad, en grooter en grooter werd het -verlangen in zijn onbewuste ziel om nu zacht, zacht omhoog te mogen -zweven, en ál die toch zoo lieve en vertrouwde dingen van beneden ver -onder zich te laten, om daarboven in dat volheerlijke, zalige licht van -de sterren te vergaan... - -Dat was zoo vreemd voor hem. Hij had alles om hem heen zoo lief. Zijn -grootvader. De oude Mareta. Zijn kamertje thuis. Zijn bloemen en vogels -en dieren. En tóch was er iets, dat hem van al die lieve dingen -wegriep, en waar hij altijd bij verlangde te wezen, héél, héél ver. Het -was zoo vreemd, en toch zóó innig, dat hij het nooit aan grootvader had -gezegd, wien hij toch alles toevertrouwde. Het was ook maar heel -zelden, en nooit dikwijls achter elkaar, dat gevoel, en altijd alleen -als de avond was gevallen. - -’s Ochtends voelde hij het nooit. Dan was alles goed zooals het was, en -alle dingen waren blij en tevreden. Hij had overdag ook te veel te -doen, om zoo weg te verlangen naar het vreemde en verre. De lessen van -grootvader, het werken in den tuin om het huisje, het baden, en de -wandelingen door het bosch, het roeien op de rivier, en het lezen. Daar -was hij ’s avonds meestal moe van, zoodat hij vroeg naar bed ging, waar -hij dadelijk insliep, rustig en gezond, zooals een vogel slaapt en een -bloem. Het licht maakte hem ’s morgens wakker, sterk en tevreden, en -hij aanvaardde blij den nieuwen dag, zooals alle dingen om hem in de -natuur. - -Hij had een paar lievelingsplekjes in het bosch waar hij zich -gelukkiger voelde dan ergens anders. Een er van was een groep van -groote purperbeuken, met een open plek in het midden, waar -rood-en-gouden blaren waren opgehoopt tot een bed. Daar lag hij dan, -met het hoofd op een arm geleund, uren lang te lezen in de boeken met -verhalen en verzen, die grootvader hem gaf. Dat was zoo heerlijk, zich -te laten wiegen op de rythmen van een vers, dat zoo wonderwèl aanpaste -aan het zacht geruisch van de boomenkruinen op de ademen van den wind. -Somtijds, als hij ophield met lezen, was het of het gedicht nog altijd -voortruischte, hoog boven zijn hoofd, en dan in de luchten verging. - -Dán was er nog een andere plek, waar hij het liefste zat als hij zich -alleen voelde, en behoefte had aan iets vriendelijks van vertrouwen. -Het was een groepje rotsblokken, waar steenachtige heuvelen omhoog -stegen, en beken met kleine watervallen kletterden neêr. Dat deed zoo -goed, het mededeelzame gepraat van het vallende water, dat maar niet -kon ophouden te vertellen van allerlei blijde en vroolijke dingen. -Nooit hielden die beekjes hun mondjes stil, altijd ratelden ze maar -door, voortdurend bereid om iets te zeggen, zoodra hij maar kwam. Ook -’s nachts hield het niet op, en te midden van al het donker dat zweeg, -babbelde het water maar altijd door, onbezorgd en expansief als een -kind, dat ’s nachts in bed niet slapen kan, te blij om zich te uiten in -vreugdevol vertellen. - -Maar de mooiste plek in het geheele bosch was een stille vijver, heel -ver weg, in de schaduw van hooge, rechte boomen, wier breede kruinen -bijna nooit bewogen, en roerloos uitgespreid bleven boven het vlakke -water. En in dien vijver, rustig drijvende op den kalmen spiegel, -bloeiden de witte waterlelies, met hun gouden bloemen-harten wijd open -naar het licht, als om hun ziel ganschelijk heen te geven aan de zon. -Hoe die bladen zich kuischelijk ontsloten, hoe die gouden harten -vreezeloos open lagen, en hoe aandachtig die witte lelies opzagen naar -omhoog, van waar het licht moest komen dat hen drenkte! Zoo stil, zoo -roereloos rein als die blanke bloemen op het pure water lagen, in zoo -groote oprechtheid, van zoo kalme, gewijde rust overtogen! Hoe heerlijk -vooral, als de avond begon te dalen, en alle geluiden zwegen, hoe dat -vlekkelooze wit dan opscheen in het donker, met een zachte innigheid, -vroom als een gebed! Dan ging Paulus stil aan den oever van den vijver -zitten, alle dingen om hem heen begonnen langzaam te vervagen, en hij -zag niets meer dan die heilige bloemen van wit, hoe die bewegingloos op -het rimpellooze water dreven, tot de tranen van een onbewuste, vreemde -zaligheid, droef en toch eindeloos blij, hem in de oogen kwamen, en hij -droomde wonderen droom.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - - -Zóó werd de vijver van de waterlelies het allermooiste uit zijn leven. -Hij durfde er maar zelden heen te wandelen. Niet alle dagen waren daar -goed voor. Het moest zacht, stil weer zijn, en hij moest zich erg -rustig en sterk voelen om het te kunnen doen. Als hij moê was of -opgewonden van veel lezen durfde hij het niet. Want van alle mooie -dingen in de natuur om hem heen, waarin de groote, goede Geest zich -openbaarde, dien Willebrordus hem God had leeren noemen, was er géén, -waarin hij Zijn heilige tegenwoordigheid zóó voelde als in de -waterlelie. Uit haar smettelooze blankheid, roerloos op het reine water -gedragen, straalde Zijn kalme glorie hem tegen, van aangezicht tot -aangezicht. - -„Kijk goed en aandachtig naar die lelies,” had Willebrordus eens -gezegd, „en zie ze altijd vóór je, mijn jongen, je gehééle leven, dat -je tracht te worden zooals zij, zóó rein, en zóó rustig, en zóó wáár.” - -En toen heeft Paulus dikwijls verlangd om geen mensch meer te wezen, -maar zoo’n blanke, kalme bloem, en altijd zóó rustig op het water te -liggen, zonder bewegen, opziende naar het Licht, in wijs vertrouwen. - -Vooral als hij slapen ging dacht hij dikwijls om de lelies. Die -behoefden niet op te staan, en te loopen, en te bewegen als hij; die -waren niet altijd ergens anders, nu hier en dan daar, maar altijd lagen -ze rustig drijvende in den vijver, en hadden niets te doen dan zacht -hun blanke bladen te ontvouwen, en hun gouden harten omhoog te houden -tot het licht. O! Altijd zóó stil te liggen droomen in de schaduw van -roerlooze boomen, zich zóó uit te kunnen spreiden in bloote blankheid, -dat het heilige licht diep doorstraalt in je hart! - -En dan dacht hij, met huiverenden eerbied en vage ontzetting aan een -wonder wezen, vèr, vèr over de bosschen, en de rivieren, en de bergen, -dáár waar de menschen woonden in de Leliënstad, aan de prinses Leliane, -die het kind van de witte waterlelie moest zijn. - -In de oude legende had hij het gelezen, hoe ééns, eeuwen en eeuwen -geleden, in een oer-oud bosch, een groote, wondere lelie had gebloeid, -waaruit het heilige zonnelicht zelve, door een vroom mirakel, een kind -had verwekt. Dat kind was door de priesteren en wijzen van het land tot -koning uitverkoren, en uit dat ras van leliën-menschen, uit het licht -van de heilige Zon zelve, stamde in rechte lijn af de kroonprinses -Leliane, die eenmaal koningin zou zijn van de Leliënstad. De koningen -en koninginnen van dat roemrijke ras waren menschen geweest van vleesch -en bloed, als de anderen, maar in hunne aderen was de essence gevloeid -van het licht der Zon, de bron van alle leven en warmte, en daarom -waren ze heilig en onaantastbaar als God zelf. Hun fijne, blanke -koningshuid was veel witter en teêrder dan die der gewone stervelingen, -en de telgen van het edele leliën-ras waren dadelijk te herkennen aan -het eigenaardige, vreemde licht, dat schemerde met een zachten toover -onder transparante huid. En hun lange, zijdezachte lokken straalden van -een verblindenden glans, omdat de essence er in gloeide van het gouden -licht van de zon. - -Nu waren ze allen uitgestorven, die het heilige licht in zich hadden -geäbsorbeerd, en alleen de prinses Leliane was over, als de -allerlaatste van het blanke bloemenras. - -Paulus had dikwijls aan Willebrordus over de prinses gevraagd, maar de -oude man had hem gezegd, liever niet over haar en haar volk van -Leliënstad te willen spreken. Zij was heerscheres over de wreede -stadsmenschen, die in de groote, afschuwelijke opeenhoopingen van -steenen woonden, die leefden van elkanders ellende, en hun -mede-schepselen doodden tot eigen genot. En hij wilde haar daarom niet -erkennen en vèr leven van haar af, zooals hij vèr bleef van de menschen -en hun stad. - -Maar toch moest Paulus dikwijls denken aan dat wondere wezen, zoo vaag -en vèr voor zijne verbeelding, die in haar aderen het vlekkeloos blank -moest hebben van de witte waterlelie, en het stralende goud van de zon. -Zij moest wel even roerloos-rustig en genadevol kalm zijn als die -vredige bloemen, drijvende in den vijver. - -Hoe blank moest haar menschen-lichaam wezen, als het de blankheid had -van de wijd-uitgespreide bladen op het water! En zou zij haar hart even -oprechtelijk in de wereld openhouden, in zoo gansche, goddelijke -gulheid, als het heilige bloemenhart opziende naar het licht? - -Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van -reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden -konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en -beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest -wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam -nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al -de vogels jubelden haar toe met hun gezang. - -Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over -die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou -zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie -Gods, die het mirakel had doen gebeuren van de onbevlekte -menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch. - -En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag -verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de -bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij. -Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar -inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind -worden, alsof je te diep in de zon keek. - -Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om -een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel -angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen -avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn -hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen -sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er -was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later -begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar -in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer -begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd, -totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar -hij nog nooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel -even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde, -open vlakte. Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien -waar hij was. - -Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht -gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere -hemelen van dien glans. - -En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar -lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom -gevallen. - -Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den -weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had -Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden -lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het -toch niet willen gelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de -ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende -aan verren horizon. - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - - -Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak. Er -stond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een -boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat -het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje -voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en -hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open. -En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag. -De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen -zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en -wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag -als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo -vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een -gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die -krachtige geur van jong hout en pas wakker geworden bloemen kwam naar -hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in -eindelooze mildheid. - -Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen -liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone -wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in -hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien -goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en -hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven. - -Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de -roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie -rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen -gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om -haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp -gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog. - -Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang -blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht -dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze -dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte -wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht -door de laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl, -dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was, -dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest -wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar -toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest -ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn, -in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven -opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw -zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in -de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste -apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven -kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond. - -Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde -boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich -altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen -ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan -zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was -geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en -de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was -ontsproten. Als dan het donker met zachte schaduwen begon te dalen over -het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje. - -Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu -duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden -teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven -uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was -verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en -ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde -het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende -bosch. - -Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren -sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het -diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die -eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog -volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier -beneden. - -En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van -goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren, -aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en -alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt -zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne -oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te -omvatten, die wemelde in de hemelen en over de aarde, en hij weende -zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht. - - - -Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen -maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en -niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij -dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds -vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet -weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid -willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom. - -Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen, -wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem -er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die -er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het -dan van zelf zou geven. - -Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in -zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog -eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste -dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En -dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn -ziel maar intuïtief vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de -dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit -Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een -slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en -vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand -gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde -hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al -het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als -uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was -aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en -edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien, -zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen, -die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de -witte waterlelies woonden! - -Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij, -maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij -natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van -het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het -werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den -naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie -gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen -vóórgevoelde hij de wereld en het leven van de menschen als iets -vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor -Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid -van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van -Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn -voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk -strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was -aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had -geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem -woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij -hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was -zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige, -eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren -zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere -wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen -te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en -bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich -koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de -hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú -was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem -door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar -hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist. Hij noemde het -zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de -bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne -goedertierenheid. - -Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele -wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede -konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre -landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en -hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde -verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die -gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij -was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als -hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie -boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd -midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn -ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen -donkere gedachten lang konden verstoren. - -Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en -groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of -een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet -begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten -en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als -koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was -dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij -had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf -mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om, -en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe -droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil -stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in -die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets -was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de -menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het -vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag -rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om -hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht? - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - - -Den geheelen middag had hij geroeid op de rivier. - -Nu was de schemering over het bosch gedaald, en hij wilde teruggaan, -naar huis. Juist wilde hij het bootje vastleggen aan den oever, en er -uit stappen, toen hij opeens hevig schrikte. - -Want hoor! daar klonk opeens weer het gezang van het vreemde vogeltje, -dat hij al ééns gehoord had, lang geleden, en dat hem zoo wonder had -beroerd. Hoe hij het was gevolgd, het vreemde lied, tot hij ganschelijk -was verdwaald, en vèr aan den horizon het groote licht had zien -schemeren van Leliane’s ziel! - -Het wondde hem diep in zijn hart. Wat wàs het dan toch, dat het zoo -pijn deed, en tòch zoo heerlijk was en volzalig, dat hij van angst en -vreugde de adem voelde stokken in zijn keel, en bang zijn hart klopte, -dat het zeer deed in zijn borst? - -Hoor! hoor! hoe het vreemde vogeltje daar klaagde in het donker wordend -woud! Moest hij nu weer meêgaan, willoos, doelloos meêgaan, overal waar -het vogeltje maar wou, moê, moê meeloopen tot vèr, vèr het bosch uit, -waar het wondere Licht was, dat hem zoo had doen schrikken met zijn -bleeken gloed? Neen, nú zou hij sterk en dapper zijn. Hij zou in de -boot blijven tot het vogeltje ophield met zingen, en dan stil naar huis -gaan. Vastbesloten, maar toch angstig, bleef hij zitten. - -De avond begon nu dieper te vallen over het bosch. In het Westen, waar -de rivier heenstroomde, begon een teeder droomenspel van kleuren. Zacht -roze, en bleek goud, en wazig blauw, en allerlei weifelende, langzaam -vervloeiende tinten schemerden op, van innigheid zalig in elkaar -vergaand bij ’t eerste samenbeven. En onder het geheimzinnig kweelen -van ’t vogeltje bleef Paulus angstig in die verre kleuren staren. Hoe -vreemd werd het nu ineens voor hem! - -Want het was juist, of die kleuren hem nu evenzoo pijn deden als het -klagelijk zingen boven zijn hoofd. Opeens was het hem, of hij er iets -in miste, of er iets was, dat al die teêre tinten voor hem verborgen, -en dat toch het heerlijkste van alles zou zijn. O! Dat oude, oude, en -toch nooit gekende gevoel, dat zoo dikwijls in hem opgezwollen was als -hij eenzaam zat te droomen bij de waterlelies, als hij hoog in den top -van een boom naar de sterren opzag, of als hij het aanzag aan zijn open -venster, hoe de stille boomen hun biddende kruinen roerloos omhoog -hielden tot den hemel! Dan kwam die wondere weemoed, die droefenis was -en zaligheid, en de tranen welden naar zijn oogen, en hij wist niet -waarom! - -Maar nú was het sterker dan het ooit geweest was. Nú wist hij opeens -dat hij verlangde naar iets, dat nog schooner en volheerlijker was dan -alle mooie en goede dingen in het bosch. Maar wat?.... maar wat?.... -Hij staarde in de kleuren daar ginds, ver, die altijd maar vervaagden -en in elkaar verdroomden, het goud, het rood, het roze, het geel, het -blauw. O! Dat teêre, teêre blauw daar! Zóó fijn en transparant was het -nooit geweest, niet in den mooisten lentehemel zóó als het nú was, daar -aan dien verren horizon. En toch, en toch.... Tóch kon het nóg -teederder, nóg zachter zijn dan nú, tóch was het nog niet genoeg om te -stillen dat vreemde verlangen naar iets nóg heerlijkers, dat in zijn -hart aanzwol, en waar het vogeltje van zong. Het vogeltje! Waar was -het?.... Zat het boven zijn hoofd in de boomen?.... of zong het in zijn -eigen hart?.... En had het ook in zijn eigen hart gezongen en hem -rusteloos voortgedreven dien éénen avond, toen hij het vreemde licht -had gezien, daar vèr waar de menschen woonden in de Leliënstad?.... Hoe -vreemd, hoe vreemd het toch zong! Wat wilde het hem dan toch -zeggen?.... En dan die kleuren, die kleuren, die óók zoo wonder zongen -in de verte, die kleuren, die iets zeggen wilden, en die riepen, die -riepen.... Dat blauw, dat bíjna goed was, dat bíjna troostte zijn -verlangen van weemoed, als het maar anders was, maar hoe?.... maar -hoe?.... - -En het verlangen in hem zwol en zwol, en het werd sterker dan zijn -sterke wil om rustig te blijven, en niet met het gezang mede te gaan. - -En het vogeltje riep en riep, vaag-droevig en toch zalig, en hij wist -niet of het in zijn ziel was, en het haar vooruit dreef, of dat zijn -ziel vanzelf voortmoest, achter het vogeltje aan. - -En hij voelde zich gaan, zacht, maar onweerstaanbaar voortgestuwd door -iets dat sterker was dan alles, wat hem ooit had bewogen. Maar zijn -hart klopte angstig, alsof het vóórgevoelde en al wist. - -De boomen stonden toch als altijd voorheen, de oude, goede kameraden, -en al werd het al donkerder en donkerder, wèl kende hij den weg als -veilig en vertrouwd. Maar toch was er iets vreemds en beklemmends in -die welbekende dingen, als dreigde ergens een vaag gevaar, dat breken -zou het lief-intieme van verstandhouding tusschen het rustige, reine -woud en zijn jonge ziel. - -Willoos dwaalde Paulus verder, als in een droom, waarin hij nu en dan -het vreemde vogeltje hoorde zingen, nu van hier, dan van daar, nú -buiten hem, ver, dàn heel dicht bij hem, in zijn eigen binnenste. - -Hij liep, en liep en liep.... - -En nu was hij bij de open plek gekomen onder de purperen beuken. - -Plotseling hield het vogeltje op met zingen, en van schrik bleef Paulus -onbeweeglijk staan. - -Want daar, in ’t midden van de donker-gouden blaren lag iets wits, iets -innig wits, met een eigen, zachten glans opschijnend in het donker. En -ergens in dat wit een wreede, roode vlek, hel op het matte donkergoud -van de oude blâren.—Het was te donker om goed te onderscheiden, en -Paulus zag nog maar alleen het roerlooze wit, als een groote sneeuwvlek -onbewegelijk over het goud, en pijnlijk de roode plek daar in. - -Hij durfde nog altijd niet naderbij te komen, en staarde en staarde, -met duizelig hoofd, voelend het angstige bonzen van zijn hart. - -Tot, als een zegen van Boven, opeens een fijne bundel lichte -manestralen neêrzilverde door de takken der boomen, en daar lag, in die -zachte apothéoze van hemelsch licht, slapende, de Prinses.— - -Rustig lag ze, een kalm kind in een wit gewaad van fijn, zacht laken, -nauw omsluitend haar ranke, tengere figuur. Haar bleeke gezichtje was -van de stille reinheid der blanke waterlelies, en van even rustige -kalmte genadevol overtogen. Maar onder het transparant bleeke van haar -huid beefde een wondere glans, alsof het reine licht van hare ziel daar -lag te gloeien. Zoo als de fijne nerven in teedere bloemen, droomden -broze aderen hier en daar over het zachte blank van haar hals.—En als -een groote golf goud van de zon, met een glorie van glans opschitterend -in het weeke maanlicht, waren haar lokken uitgestroomd om haar heen, -over de donkerder gouden blâren. - -Naast haar, klagelijk en droef, lag een doode, witte ree, de fijne -pootjes stijf uitgestrekt, de gewonde hals pijnlijk gerekt, met een -felle pijl-wonde, waaruit een roode stroom bloed was gegolfd, en waar -langzaam donkerroode bloed-druppelen uit drupten. - -Een felle pijn doorschrijnde hem een oogenblik... Hoe kon dit zijn? Dit -uiterst teedere en genadevolle van het Meisje, niets dan liefde en -barmhartigheid.... en daarnaast koud en stijf, de argelooze onschuld -van een ree, met een wreede pijlwonde in de keel. Hoe kon dit naast -elkaar bestaan, dat de liefde hier de onschuld niet beveiligd had, door -de sterkte van haar wezen? - -Maar hij zag weer van de doode reê naar het levende Meisje, en in het -aanzien van haar schoonen schijn was het wreede naast haar weêr -vergeten. - -Zacht bewoog de borst van de Prinses op de rustige deining van haar -ademhalen, en Paulus voelde dat teedere, kalme bewegen als een wonder -rythme in zijn ziel, dat haar vervulde met een zaligheid, inniger dan -muziek. - -Nu was het dan gekomen..., nú was het dan eindelijk, eindelijk gekomen, -waar hij zoo naar verlangd had, waar hij op gewacht had al die jaren -lang, en nooit had hij het geweten.... altijd was zij dus in zijn ziel -geweest, en altijd had hij haar met zich omgedragen, zijn geheele leven -lang, tot het nu, op dezen eindelijken avond, eerst in hem bewust werd, -en hij het aan mocht zien, van aangezicht tot aangezicht, en het voelen -van ziel tot ziel.... - -Want hij voélde het nu, in wélbewust herkennen: dat roerloos rustige, -dat genadevol kalme, dat reine rythme van haar zacht adem-bewegen, die -stille lijnen van haar sluimerend lichaam, die teêre sfeer van goud- en -leliënglans, die om haar beefde, dáárin openbaarde zich kuischelijk de -ziel van de slapende Prinses, het allerinnigste van haar wezen, zooals -hij de ziel van het woud had gevoeld in den droom van een -maanlicht-stille nacht. - -Een wondere zaligheid daalde over hem neer, alsof opeens de eindelooze -Hemel met al zijn eeuwigheid van blauw en diamanten sterren over hem -neder was gedroomd, en hij duizelde in die oneindigheid van pracht. Hij -voelde zijn lijf niet meer, hij voelde zich niet meer staan, maar het -was of hij nu die eindelooze Hemel zelf werd, en grooter en grooter -werd het om hem, wijder en wijder, vèr en vèr, en alles wemelde weg in -zaligheden en helle horizonnen van licht.... - -Tot het ophield door een geluid, en hij op eens weer terug was. Even -bewoog de Prinses en zeide iets, zwak, in haar slaap. Hij schrikte op, -angstig, als een die wakker schrikt. - -Ai! Ging het nu breken?... Stil dan, stil... Dat niets die genadevolle -stilte nu verbrak.... Want hij voelde het, helder in zijn ziel, zonder -het bewust te weten: dit was het allerbeste... het stille aanzien, -roerloos, van der Liefste ziel, als de reine slaap het leven in haar -zacht gedoofd heeft, en haar heilig licht beeft in de sfeer van rust, -die droomende is om haar heen.... - -Weêr was zij stil, en rustig deinde het ademhalen van haar borst. Hare -blanke, kleine handen, gevouwen in haar schoot, bewogen niet, en -roerloos lagen hare lange, gouden lokken in het donkerder goud van de -blâren, licht als stralen van de zon. - -De avond was winde-loos over het woud. Stil stonden de statige stammen -omhoog, en hieven hun breede bladerkruinen onbewegelijk op ten -maanlicht-reinen hemel. Hier en daar flikkerde een ster door de -bladeren heen, hoog en ernstig. En in het ademlooze zwijgen van alle -wereld-dingen om hem heen voelde Paulus in wondere zaligheid zijne ziel -één zijn met die eindelooze rust àlom, met het sluimerende Meisje, met -het stille woud, met de heldere sterren daar Boven, en den eindeloozen -Hemel van blauw, want als kinderen van éénen goeden Vader lagen zij -allen samen gelijkelijk gekoesterd in dien éénen vrede van genade, die -het Wezen is, dat al het zijnde liefderijk houdt omvat.... - - - -Daar bewoog de Prinses weêr, en een huivering ging over haar gelaat, -alsof zij het koud had. Eerbiedig kwam hij nader. Zou hij haar -wekken?.... - -Zou hij durven?.... Zou het misschien niet beter zijn, dat zij rustte -en sliep?.... Hoe was zij hier gekomen?.... Ze zag moe en bleek, al -scheen die wondere glans zoo prachtig onder haar transparante huid.... -Zou ze hier, moe van ’t zwerven en dwalen, zijn neêrgevallen, omdat ze -niet meer verder kon?.... Dan zou rust juist noodig zijn. Maar ze had -het koud, ze had gehuiverd zooeven. Dát mocht niet, dat was gevaarlijk. - -Hij deed den mantel af dien hij ’s avonds altijd droeg, en legde dien -voorzichtig over haar heen, hem plooiend met eerbiedige vingeren, dat -hij goed haar fijne schoudertjes bedekte. De gouden beukeblâren waren -droog en zacht, en geen vocht was in de late zomer-lucht. Met den -warmen mantel goed over haar gevouwen was het gezond slapen in het -bosch met zulk stil, winde-loos weer. - -Zij sliep nu rustig door, en geen zucht kwam meer over hare lippen, -noch beroerde eene huivering de stille vrede van haar rustig-rein -gelaat. - -En Paulus stond roerloos bij haar, en waakte over de slapende Prinses, -uren aan uren lang, en er was geen tijd meer voor hem, waar hij in -stille contemplatie staarde in de teêre sfeer van goddelijken vrede, -die beefde om haar heen. Hij voelde niet de moêheid in zijn beenen, en -de koude van den nacht, hij wist haar niet, waar hij in zijn luchte -zomerkleeren wakende stond. Het leek hem, of deze zaligheid altijd zoo -geweest was, en ook altijd zoo moest duren, altijd die plechtige stilte -van het woud, en de zegen van het blanke maanlicht over de wereld en de -rustige schoonheid van de slapende maagd, vredig en vol genade in zijn -ziel. - -Zóó droomde Paulus, in groote zaligheid verzonken, waar hij roerloos -waakte, uren en uren, die hij in vrome aandacht niet wist, totdat de -roze Dageraad de bleeke nachtlucht kleurde, en de stilte van het woud -uitbrak in luid vogelen-gerucht. - - - -Toen het eerste vogeltje tjilpte, in een boom vlak boven zijn hoofd, -dacht Paulus: „nu zal zij ontwaken,” en hij schrikte, bang dat het -gebeuren zou. Een vaag voorgevoel waarschuwde hem: „nu zal het breken, -nu zal het breken, nooit komt dit zalige zóó weerom.” Hij voelde niet -de koû die hem omhuiverde, noch de stijfheid in zijn beenen, want in de -hoogste spanning, die zijn ziel ooit had bereikt, rustte hij méde in de -rust, waarin de Prinses lag verzonken. En hij dacht: „kon ik nu maar -die vogeltjes stil laten zijn, kon ik nu maar de winden tegenhouden, -die door de takken komen ruischen.” - -In angstige spanning zag hij naar het liefelijke, slapende wezen. De -oogleden waren nog altijd geloken, waarboven de fijne, teêre -wenkbrauwen zachtkens omhoog golfden met het vage, gevoelige gebaar, -dat hij wel eens gezien had van de verre bergen, als hij stond aan den -zoom van het woud. - -Toen, eindelijk, ging het gebeuren. Een zucht, een éven bewegen van een -arm, een schuiven van den kleinen voet, ritselend door de blaren. -Opeens gingen de oogleden zachtjes omhoog. - -En het was Paulus, of gingen de poorten open van het Rijk des Lichts, -en zijn ziel staarde in zaligheid eindeloos. - -Eene wemeling van lichter dan hemelsblauw, met eene verrukking zóó -innig, dat hij er van rilde tot in de diepste geheimenissen van zijn -binnenste, die nú eerst sidderend van genot in hem bewust werden. - -Dát was de kleur, de éénige, volheerlijkste kleur, die hij gisteren -avond had vóórgevoeld in de weifelende tinten van de schemering, dat -was het ééne, ontbrekende, waar hij onbewust zoo droef naar had -verlangd. En de vreemde zaligheid, grooter dan alle ontroeringen, die -hij ooit had gevoeld, trilde zóó innig in hem door dat het genot bijna -pijn werd, en een kreet van smart-geluk schreeuwde uit zijn borst. - -In een waas van tranen, als door een fijn diamanten nevel, zag hij het -wondere, witte wezen zich oprichten, tot zij vóór hem stond, fier en -trotsch, en toch teêrder dan een bloem, in zachte, edele lijnen die als -een gebed van muziek zongen in zijn ziel. Deemoedig stond hij voor -haar, wachtend tot het wonder van haar spreken begon. En zij sprak, -melodieuzer dan de stem van zangerigsten vogel: - -„Wie ben je?” - -„Ik ben maar Paulus,” antwoordde hij, wetend dat ze hem niet kende, dat -hij maar een heel nietig schepsel voor haar was. - -„Ik ken je niet,” zeide ze, streng en misschien hard, maar voor hém nog -altijd zoeter dan het kweelen van liefsten vogel. „Ik ben verdwaald.... -gevallen ben ik van mijn paard, op de jacht.... Wáár is mijn witte -ree?.... Wat doe je hier bij me?”.... - -Het eerste dacht ze om het wild, waar ze dagen en dagen woest naar had -gejaagd, tot ze alleen, ver van haar gevolg, verdwaald was in het -bosch. - -Toén pas zag Paulus weer het doode dier, klagelijk en erbarmelijk, de -bloedende hals pijnlijk uitgerekt, de pooten stijf gestrekt, met de -oogen droeviglijk gebroken. - -En met een schok barstte de opgekropte ontroering in hem los. - -Snikkend viel hij bij de doode ree op de knieën, en schreide luid uit: - -„Hier is de ree, het lieve, mooie, zachte dier... zie je niet het -bloed, dat druipt op haar witte vacht.... zie je niet hoe wit ze is, en -hoe mooi.... Mijn arm, arm hertje.... wie heeft haar doodgemaakt.... en -hoe kon dit wreede, roode bloed bestaan naast je reine, blanke wezen?” - -Het Meisje zag hem aan in verbazen, niet begrijpend de smart om een -dood stuk wild, wat verschrikt door de heftigheid van dien vreemden, -hartstochtelijken jongen. - -„Weet je wel wie ik ben?” vroeg ze, en trachtte onbevreesd en fier voor -hem te staan. - -Hij zag haar aan. - -En hij wist het. Hij had het dádelijk geweten toen hij haar gezien had, -al was het toen nog niet bewust. Maar ééne kon zóó lelie-blank zijn, -met het haar zoo gouden. - -„Je bent prinses Leliane,” zeide hij zacht. - -„Ik ben Hare Koninklijke Hoogheid de Kroonprinses Leliane,” verbeterde -zij. „En je moogt geen „je” tegen mij zeggen, of ik je gelijke was, -maar U. Men spreekt mij slechts aan met „Koninklijke Hoogheid” en -wéldra zal het „Uwe Majesteit” zijn, als ik Koningin ben.” - -En door de muziek van hare stem was hij de doode ree en het roode bloed -vergeten. Hij zag nog slechts de verblindende pracht van hare lokken, -het eindeloos teedere blauw van hare oogen, dat over zijn ziel wemelde, -die van verrukking beefde. - -„Uw Koninklijke Hoogheid,” prevelde hij eerbiedig, en zonk op eene knie -voor haar. „Uwe Majesteit, ik wil Uw dienaar zijn, tot in den dood.” - -Verrast keek zij neer op den knielenden jongeling aan hare voeten. Welk -een ridderlijkheid in dien eenvoudigen jongen uit het volk, hier in dit -bosch! Met welk edel gebaar was hij voor haar neêrgezonken, en hoe vol -gratie neeg hij het hoofd voor haar, of hij een edelman was van het -Hof! En nú pas zag ze dat hij een mooie jongen was, sterk en krachtig, -en toch vol teedere bevalligheid. Nu was zij ook niet bang meer, dat -hij haar kwaad zou kunnen doen. - -„Ja, ik ben uw gebiedster,” zeide zij trotsch. „En nu moet je mij den -weg wijzen uit dit bosch, dan zal ik je rijkelijk beloonen.” - -Zij wilde verder spreken, maar gaf opeens een gil. Toen zij een stap -vooruit had willen doen, voelde zij, hoe haar voet was gezwollen, die -gewond was bij den val van haar paard. En zij viel van pijn weer neder -op de purpergouden blâren. - -Paulus knielde verschrikt bij haar neer. - -„Mijn Prinses,” vroeg hij angstig, „mijn Koningin, ben je gewond?” - -Hij kon het „U” niet zeggen in zijne emotie, nooit gewoon geweest dat -woord te spreken. - -Aan den angst en den eerbied in zijn stem hoorde zij wel, dat het geen -opzet was, als hij de vormen tegenover haar vergat. - -„O! Mijn voet doet pijn,” klaagde zij, „nu kan ik niet weg.... wat zal -men aan het Hof wel denken.... waar ben ik hier?.... is hier nergens -hulp?.... kan je me niet ergens brengen, waar ik rusten kan?.... hoe -lang heb ik hier al gelegen?.... ik weet het niet meer, mijn hoofd is -zoo duizelig, en ik herinner mij niet....” - -Zooals zij daar neerlag, hulpbehoevend en zwak, durfde hij meer te -zeggen dan toen zij zooeven voor hem stond, fier opgericht. - -En hij vertelde haar, hoe hij haar gevonden had, den vorigen avond, -slapend onder de purperen beuken, op het zachte bed van de blaren. Hoe -hij haar niet had durven wekken, en hoe hij het gewaagd had zijn mantel -over haar te plooien, omdat hij haar had zien huiveren van koû. En hij -zeide haar, dat Willebrordus, zijn grootvader, woonde in het bosch, en -dat zijn huis niet zoo heel ver was, een uur loopen maar, den kortsten -weg. - -„Mag ik je daar brengen?” vroeg hij nederig. „Ik ben sterk en ik kan je -steunen. Ik kan je ook misschien wel dragen, als je niet meer kunt. Of -wil ik Willebrordus halen, en met hem terugkomen, met een draagbaar?” - -Zij trachtte op te staan, en steunde op zijn arm. Een trek van pijn -kwam op haar gezichtje, maar zij bedwong zich en klemde de fijne lipjes -vastberaden op elkaar. - -Toen probeerde zij te loopen, maar het ging heel moeilijk. - -„Zóó zal het niet gaan,” zeide zij.... „ik zal mijn arm om je hals -slaan... dan heb ik méér steun...” - -En zij sloeg haar zachten arm om zijn hals, vertrouwelijk, en steun -zoekend bij zijn jonge, sterke lichaam. - -Een vreemd, ongekend gevoel doortrilde hem, en het bloed steeg naar -zijn hoofd, dat gloeide, als duizelig. Het was hem, of hij dit niet -lang zou kunnen dragen, en hij sterven zou van zaligheid. - -Maar hij moest sterk zijn... sterk, omdat zij op hem steunde, omdat zij -genezen moest worden van haar pijn, in zijn veilig huis. Hij vermande -zich, en vocht tegen het wild geduizel van geluk, dat door zijn -innigste wezen ging. - -En zóó liepen zij voort, langzaam, langzaam, een kwartier. Met moeite -herkende hij den weg, zóó schemerde alles voor zijn oogen. Het was hem -of hij droomde een zaligen droom, of hij met de Prinses Leliane door -heilige paradijzen dwaalde, en of deze wonne altijd zóó zou duren, tot -hij er van zaligheid door sterven zou. Haar zachte lijf ademde dicht -tegen hem aan, haar gouden lokken, schitterend van licht, beroerden -zijn wang. - -Totdat zij opeens weer een gil gaf van pijn, en zij zich zacht liet -neerglijden op den grond. - -„Ik kán niet meer... ik kán niet meer...” zuchtte zij... „laat me hier -liggen, en ga hulp zoeken... ai! mijn voet!...” - -Wanhopig keek Paulus in het rond. En hij zag, dat ze bij den -lelie-vijver waren gekomen. - -„Blijf hier rustig liggen, Uwe Koninklijke Hoogheid,” zeide hij, moeite -doende om den vreemden titel te zeggen. „Hier bij dezen vijver is -schaduw, en het is er koel, als straks de zon gaat stijgen. Ik zal hard -loopen, en terugkomen met mijn’ grootvader Willebrordus.—” - -Dankbaar zag ze hem aan. Toen keek ze in ’t rond, om goed te weten waar -ze was.— - -Het zonlicht begon al helderder en helderder te zeven door het fijne -gebladerte. En vóór haar, aan hare voeten, lag roerloos kalm de klare -vijver, waar op het reine water de witte waterlelies dreven.—Rustig, in -groote eerwaardigheid, hieven zij de blanke hoofden omhoog tot het -licht. - -„O! De mooie lelies!” zeide zij, verrukt. „Zóó mooi heb ik ze nog nooit -gezien!” - -„Die lelies, zijn het niet je zusteren!” riep hij ineens in geestdrift, -door de extaze de vormen weer vergetend. „Heb je niet in je de ziel van -het lelie-wit, dat opdronk het goud van de zon! Hoe dikwijls heb ik -hier gelegen, en naar die blanke lelies gezien... Toen dacht ik: dit is -nu het allermooiste, dat op de wereld kan bestaan... zóó rein, zóó -rustig, en zóó wit... dikwijls heb ik er van geschreid, om ze zoo heel -stil te zien liggen, die bladen zoo zacht uit-geplooid om toch het -gouden licht kuisch te ontvangen.... Maar nu ik jou gezien heb, weet ik -dat je mooier bent dan deze mooiste lelies ... en de glans van de -blankste bloemen is nu verbleekt, nu ik in je wondere gezicht heb -gezien ... want het is mooier dan de lelies, dan de sterren, dan álles -wat ik weet....” - -Verwonderd keek ze hem aan. Zóó, met dàt accent had nog nooit een -hoveling tot haar gesproken. Dit was als uit de oude sproken en de -romans, die zij had gelezen. En dit was zuivere ernst, dát zag zij aan -zijn schitterende oogen, aan den deemoed, waarin hij vóór haar stond, -het hoofd gebogen voor zich uit sprekend, met nederig gebaar, alsof hij -zijn ziel aan haar voeten wilde leggen. - -Dat stille bosch ... die kalme, rustige vijver ... die witte bloemen, -roerloos drijvend op het water ... die sterke, eenvoudige jongen met de -heldere bruine oogen, en het glanzende zwarte haar in lokken vrij langs -zijn hals ... die woorden van aanbidding, met een nooit gehoorden klank -van waarheid.... Het was haar of zij droomde, en zij wist niet wat te -zeggen. Sprakeloos zag zij hem aan, niet begrijpend en toch vaag -voorgevoelend, dat hier iets bizonders voor haar gebeurde. - -Toen boog hij diep, met eene nobele neiging van zijn slank lichaam -zooals zij aan het Hof nooit had gezien. - -En hij snelde voort, op vlugge voeten, om hulp te halen voor zijne -gewonde Prinses. - - - -Willebrordus zat kalm te lezen in een leunstoel voor de deur, toen -Paulus ademloos aan kwam snellen. - -„Grootvader!... zij is er!...” riep hij, in extaze... „zij is gekomen, -de prinses Leliane!... en zij is mooier dan de bloemen, dan de -sterren.... dan álles.... maar och! zij is gewond aan haar voet.... zij -kan niet loopen.... gauw, grootvader.... wij moeten haar helpen....” - -Met moeite kreeg Willebrordus hem zóó tot bedaren dat hij een geregeld -verhaal kon doen van wat gebeurd was. - -Toen lachte hij, droevigjes, en zeide verwijtend: - -„Mooier dan de bloemen?.... Dan de sterren, Paulus?.... Foei!.... maar -ik kén het, ik kén het, wat je beroert.... en ik weet dat er niets aan -te doen is.... nu zal je me ook verlaten, Paulus, dat kàn niet -anders....” - -Verschrikt keek Paulus hem aan. - -En nu eerst kwam er een vaag begrip in hem tot bewustzijn van wat -eigenlijk gebeuren ging in hun beider leven. Maar hij wilde, hij kón -het niet gelooven. - -„Jou verlaten grootvader!... jou verlaten!... en mijn bosch, mijn lief, -goed bosch verlaten!... nooit!... nooit!...” - -Maar beslist en zonder beven zeide het grootvaders stem, die altijd -waarheid had gesproken: - -„Nu zal je gaan, waar zij gaat, mijn jongen.... arm kereltje, je moét -wel, zooals het vlindertje móet naar de vlam... zóó zal je ziel beven -om den schoonen schijn van dat Meisje.... Maar nu is het geen tijd om -te praten.... nu gauw een baar gereed gemaakt om haar te zoeken....” - -En een kwartier later waren Willebrordus en Paulus op weg, zoo snel zij -loopen konden, naar den vijver van de witte water-lelies. - -Nooit zou Paulus kunnen vergeten, hoe Willebrordus de prinses aanzag, -toen zij bij haar waren gekomen. Hoe die wijze, rustige oogen van den -grijzen oude naar de frêle schoonheid van het Meisje zagen, kalm en -onbewogen! Zij werd een beetje angstig onder dien diepen, in haar -dóór-zienden blik, en probeerde weer in trots daaraan te ontkomen. - -„Ik ben de prinses Leliane,” zeide zij fier. „Ik zal eenmaal de -koningin zijn van Leliënland. Met Koninklijke Hoogheid word ik -aangesproken.” - -Maar Willebrordus antwoordde kalm. „Er is niemand koninklijk en hoog -dan God, mijn kind, en Hij is de éénige Majesteit.... je bent een kind, -en meer niet, en een kind dat gewond is, en hulp van medemenschen -behoeft.... en ik zal je helpen, als medemensch, maar niet als -onderdaan....” - -Toen, zacht, zooals men een kind doet, tilde de grijsaard haar op, en -legde haar op de baar, met eene teedere zachtheid, die van heel uit de -hoogte kwam zijner groote liefde voor alles wat leefde. - -„Mijn ree!” riep zij nog, „mijn witte ree! Ik heb haar eerlijk zelf -gejaagd, en niemand kon haar vangen dan ik. Zij moet mede.... Ik wil -haar huid mede-hebben, om den opperjagermeester te toonen!....” - -Maar Willebrordus antwoordde, gestreng: - -„Dit arme beestje, dat je zoo wreed vermoord hebt zal ik hier komen -begraven. Wat had dit zachtaardige dier misdaan, dat het geslacht moest -worden? Je moest je schamen, zulk een gruwelijken moord te doen!” - -En hij streelde liefderijk het kille, stijve lijk van de ree, alsof hij -met nog wat liefde de verschrikking van het onrecht wilde verzachten. - -Zij wilde nog wat tegenspreken van trots, maar er was iets in zijn -edel, wijs gezicht, dat haar van onwederstaanbaren eerbied vervulde. En -zij voelde heel goed, dat zij zijn hulp absoluut behoefde, en klagelijk -zou blijven liggen, als zij hem weerstond. - -Maar Paulus, voor de eerste maal in zijn leven niet oprecht meer tegen -zijn ouden Meester en grootvader, door zijn op het uiterste gespannen -aanbidding tot haar gedreven, boog zich voorzichtig tot haar neder, -waar hij het hoofdeinde droeg van de baar, en fluisterde haar eerbiedig -toe: - -„Uwe Koninklijke Hoogheid.... Uwe Majesteit.... Mijn hooge gebiedster.” - -Zij dankte hem met een goedkeurenden, vriendelijke blik. - -En zoo droegen Willebrordus en Paulus de prinses Leliane door het woud, -waar hun rustig, rein leven in had gewoond. In hun simpele huis onder -de oude, wijze boomen, in Paulus’ eigen kamer, op zijn hard, eenvoudig -bed legden zij het liefelijk meisjeslichaam te rusten, dat broos en -teêr was als de reine lelie, en schooner van aanschijn dan de pure -sterren aan den trans. - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - - -Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met -gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde -plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest -als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses -twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou -kunnen loopen. - -Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in -zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en -haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en -haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van -de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging. -Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem. - -Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet -volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en -blank, als een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment -van extaze zóó opgeschenen. - -En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu -en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel -roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met -van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat. - -Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud -liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze -ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het -witte laken gevouwen. - -En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor -’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen. - -Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen. - -En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan. - -En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder, -klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger -dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen. - -Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar -alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat -wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die -eindelooze rust van maagd. - -Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw, -met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar -lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op -het witte laken gevouwen. - -En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een -rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde. - -Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen -in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde -teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over -het woud was nedergedaald. - -Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje. - -„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik....” - -En inééns dacht hij angstig: - -„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij....” - -O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk -vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en -altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!... - -Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan -heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige -oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang, -en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding -van genade, die reine, roerlooze rust, schooner en van goddelijker -wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón -dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het -eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde? - -Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het -licht dat neerdaalt over nacht: - -„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het -onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele -verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.” - -Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist -niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd -niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en -hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van -reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare -pracht... - - - -Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste -gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in -zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze -wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor -goed. - -Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem -gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend -als ze moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze -eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk -voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder -hofhouding om haar heen. - -Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit -intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel -bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht -was. - -Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het -hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins -is.” - -Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot -Willebrordus het hem den derden avond zeide: - -„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van -het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel -houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En -nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of -hier blijven bij mij.” - -Paulus schrikte op. - -Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was -gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend. - -Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag -vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid -en het wreede er van. - -„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je -heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend -gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof. -Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo -vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een -verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je -haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene -koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar -hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen -uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van -hier...” - -Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de -prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen. - -En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid -weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij -vervulde van de wondere essence van haar wezen. - -Hier was het nog, het geluk... hier was het dan nog, innig, reëel voor -zijn ziel... nóg was het niet vervloden... en o! het kón ook niet, het -kón ook niet weggaan... deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn. - -En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit: - -„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.... je zult niet -weggaan van mij.... als je weggaat is al het licht voor mij hene, en -duister zal over alles gaan in mijn ziel.... ik heb zoo op je gewacht, -zooveel jaren en jaren.... ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb, -een eeuwigheid al, door alle tijden heen.... ik wéét het niet meer. En -het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.... o! -er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet -geweten.... die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel -stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren.... -dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat -niets dan wachten was.... dat rustige droomen van de witte water-lelies -in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende, -omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.... dat vreemde geluk, als -ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het -woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al -dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen -zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.... al die lieve, -mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu -weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen -zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen.... -want het is te groot, te groot.... het is grooter dan dageraad en -weêrlicht en aller sterren glans.... zóó moet misschien de zee zijn, -waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.... en nu -kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.... nu -zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam -zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was -voor goed.... o! ga niet heen!.... blijf bij me en bij het bosch.... Ik -zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.... ik -geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.... en de -bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn -van het bosch.... dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en -je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.... Maar ga niet heen, ga niet -terug naar de steden en de menschen.... ze zijn slecht, zegt -Willebrordus....” - -In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél -vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en -sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó -mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat -scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn -stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij -intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets -aparts en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was -misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot -in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij -maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij -was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel -vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas -van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots, -dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad. - -Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig -gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend: - -„Ga niet heen!... ga niet heen!... ik kan nu niet meer alleen leven in -het bosch!....” - -Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem -neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij -verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te -leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller -dingen zelven over hem nederdaalde. - -En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar -vervullend met eene wondere harmonie: - -„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een -trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en -flink zijn, en doen wat ik zeg. - -„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar -Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het -Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik -zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je -me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven -rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om -zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel -iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je -een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn -eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in -de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.” - -„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel -graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou -waardig zijn.” - -„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog -nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van -de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er -wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een -hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten -ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en -wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste -bestaan, dat op aarde voor een sterveling mogelijk is. De roem van -Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten -zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou -je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?” - -En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen -en te verheffen: - -„Je moogt niet tegenspreken, Paulus... ook als je geen verlangen voelt -naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je -gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.” - -Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil. - -Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen -tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan, -moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en -gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár -wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn -groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er -voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er -nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien -slechts Haar koninklijke wil geschiedde. - -Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar -koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was -zij voor hem het allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit -hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig -waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem -geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader, -maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat -hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard. - -Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig -geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het -allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie -woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote -gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor -zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote -schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze -allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich -dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan -haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was -wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken: - -„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der -wereld, en als het kán tot in den dood.” - -Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig -vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken -oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan. - -„Vader,” zeide hij, „ik ga.... Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet -omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.... maar -omdat ik niet anders kán.... Wat mij mede-voert met de prinses is -sterker dan alles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en -zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering... het is -heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen -vijver.... en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel -met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid -van Leliane.... de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen -zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles -immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in -verheerlijkt wordt... Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij -zijn, en zult ge mij vergeven.... want ik voel het niet als slecht wat -ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil....” - -Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm: - -„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen... ééns had het tóch moeten -komen.... het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield, -terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen -tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop -ik, voor goed heb gevonden.... alles wat je nu beroert heb ik óók -doorgemaakt, mijn jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér -bedriegelijk.... en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet -begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de -hoogste schoonheid zou kunnen zijn.... want zij is veranderlijk en -eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.... zie goed uit, -zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu -zoo wonderlijk beroeren.... en dan zal het misschien zijn, dat je pas -gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste -voor je gaat verloren....” - -Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde -hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens -om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij -hem was. - -„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.... Je -zult je verlaten en eenzaam voelen.” - -En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man -dit leed ging aandoen. - -Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen, -als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den -eindeloozen nachthemel staat. - -„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God, -mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in -het groote Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees -alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik -ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden, -toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een -groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte -ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende, -koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde, -dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig -gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt -tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel -hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem -van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun -schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren -schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien -diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van -offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien -vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen -van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu -begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille -vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin -is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben hier als -een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige -haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.” - -Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep -hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind -als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s -uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar -prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het -nu eenmaal niet anders kón. - -En hij ging. - -Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste, -jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een -enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de -prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus -zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk -aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van -houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de -vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood -en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren. - -Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn -grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover -Leliane regeerde. - -Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den -kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op -de grenzen. - -Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem -nam. - -Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand -zegenend op zijn hoofd gelegd. - -„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t -pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik -je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den -schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál -in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben -gezien, en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over -zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je -wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de -wind vergaan. Wil je mij dat beloven?” - -Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar -voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en -gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid! - -Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige, -rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een -laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven, altijd -bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel. - -Hij zag nog eens goed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast -elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij -hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud -hem waarschuwend riep. - -Een oogenblik weifelde hij. - -Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid -bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking. - -„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!” - -Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles. - -De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde -hand, die hij eerbiediglijk kuste. - -„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf -mij!” - -„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij -met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd -voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!” - -Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en -van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen -en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat -de prinses Leliane omstraalde.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - - -Door de houthakkers geleid liepen zij nu nog twee uren langs een goed -gebaanden weg door het gebergte.—Paulus hield met sterken greep het -wilde bergpaardje bij den teugel, dat Leliane, gewend aan goed -gedresseerde raspaarden, niet kon besturen. Zijn licht geschoeide -voeten, gewend aan zacht zand en mos, deden pijn op het harde, steenige -pad vol scherpe punten, maar hij had zóó wel uren willen voortloopen, -als Leliane maar bij hem bleef. - -Aldoor dacht hij, angstig: - -„Nu zal het uit zijn... nu komt het einde... als wij bij de menschen -komen mag ik niet bij haar blijven.” - -Eindelijk kwamen zij aan de grens van de bergen, waar de weg afdwaalde -naar een groote, verre vlakte. Hij had, gewend aan boomen overal om hem -heen, nog nooit zoo’n wijde vlakte gezien, eindeloos uit, zonder -belemmering, met horizonnen wijd en ver. En toen zijne oogen gewend -waren aan het ruime perspectief zag hij het eerst kleurige stippen, -dolende hier en daar. Hij wees er naar met de vingers. Toen zagen de -houthakkers het ook. Zij legden de vingers in den mond, en lieten een -scherp, doordringend gefluit hooren, door de bergen wijd en zijd -weerkaatst. - -De prinses had zich hoog in den zadel opgericht, en keek, de hand voor -de oogen in groote spanning uit. - -De stippen kwamen al nader en nader naarmate zij daalden, al sneller en -sneller... er schitterde hier en daar al iets van zilver en goud... en -nu werden zij rood tegen het witte van den grond... al nader en nader -kwamen zij... - -Totdat de prinses het blijde uitriep, de handen wenkend bewegend: - -„Mijn huzaren!... mijn huzaren!...” - - - -De stippen werden zwarte paarden, waarop roode mannen waren gezeten. -Zilver en goud van sjabrakken en passementen schitterden in de zon, en -stalen wapenen blonken. Één ruiter hief een donderend „hoera!” aan en -rende opeens van al de andere hollende cavaleristen weg, de sabel -omhoog, flikkerend in de zon. Het was of zijn paard, zonder zwaarte, -voort-vloog door de ruimte. - -„Dat kan alleen Marcelio zijn,” riep de prinses Leliane verheugd uit. -„Het is graaf Marcelio!” - -Een paar minuten later zag Paulus een jongen, donkeruitzienden man op -een met wit schuim bedekt gitzwart paard uit vollen galop op eens -onbewegelijk stil houden voor de prinses. Hij hield de rechterhand met -uitgestrekte vingers aan den kolbak, zwijgend tot de prinses hem -aansprak. - -„Hier zijn wij, graaf Marcelio... veilig en ongedeerd, dank zij dit -jonge mensch hier, dat ons geholpen heeft... Wij zijn verdwaald geweest -op de jacht, de witte ree, ge weet wel, wij wenschen deze vreemde -geschiedenis zoo geheim mogelijk te houden, en ophef te vermijden... er -zal niet zoo heel ver van hier wel een station zijn... wij hebben ons -rijkleed aan en kunnen tot zoo ver rijden... laat de huzaren ons maar -op een afstand volgen, en beloon deze goede mannen met wat geld... dit -jonge mensch hier beveel ik aan uwe speciale zorgen aan, ik zal u later -wel mijne nadere beschikking omtrent hem geven... en dit alles voorál -zonder ophef, hebt gij mij begrepen, graaf Marcelio?” - -Paulus was verbaasd over de hooge waardigheid van waaruit deze woorden -bevelend werden gesproken. Was dit het Meisje, dat Willebrordus „kind” -had genoemd, en dat klagelijk en hulpeloos in het mos had gelegen bij -de water-lelies, steunend van pijn? Wat was er dan opeens in haar -gekomen, dat zij nu zoo gebiedend sprak, en de sterke, groote jonge man -vóór haar, eerbiedig het hoofd boog, de hand nog steeds eerbiedig ten -groetenis geheven? Wat was er in haar, dat nu opeens de aangekomen -ruiters als standbeelden voor haar stilstonden, de stalen wapenen -onbewegelijk voor de borst houdend, in reverent gebaar? - -En een vage vrees beving hem voor dat geheimzinnig vreemde in haar, dat -een sfeer van eerbied en ontzag om haar heen deed gaan, waarin de -handen der menschen ten groetenis werden bewogen. - -Hij voelde zich of hij droomde, en was niet meer zeker van wat hij de -laatste dagen beleefd had. - -Was het dan wáár, of was het gedroomd, dat hij tot dat wondere wezen -had durven spreken, waar die groote, van goud en zilver schitterende -officier van eerbied voor was blijven zwijgen, deemoediglijk wachtend -op een bevel van hare lippen? Had hij werkelijk als een vriend aan haar -bed gezeten, had zij vertrouwelijk en steunend op zijn arm geleund, als -een gewoon kind, die nu in die fiere, gebiedende houding heerschend -tegenover die sterke, met moordtuig gewapende mannen stond? Was er dan -iets bovenmenschelijks aan haar, iets misschien van God zelf, dat -Willebrordus niet aan haar gezien had, en had hij dan misschien haar -hooge majesteit geschonden, door tot haar te durven spreken als een -gewoon menschenkind? - -Angstig, van stomme ontzetting vervuld, keek hij om zich heen. Hij -voelde, hoe de jonge officier, die graaf Marcelio heette, hem aanzag. -Twee donkere, vreemde menschen-oogen opeens in de eenzaamheid van zijn -ziel. Maar ze waren niet vijandig. Hij raadde ze intuïtief als iets -vriendelijks, dat hem wilde bemoedigen. - -Dit was dus een van de menschen uit de groote stad, waar Willebrordus -voor was gevlucht. Het blinkende staal, dat hij in de hand hield, was -een sabel. Dat wist Paulus van de platen in zijn boeken. En al die -andere mannen op die zwarte paarden hadden sabels in de hand. Toch -waren ze mooi. Gekleed in heldere kleuren, met roode figuren, en -geflikker van metaal. En mooi was hun rechte, flinke zitten in het -zadel. Dit waren nu de soldaten van prinses Leliane, en zoo waren er -nog duizenden en duizenden, die gehoorzaamden aan haar bevel. Duizenden -en duizenden groote, sterke mannen, en op één wenk van haar teedere, -blanke hand zouden zij voor haar voort-stormen in den dood. Dat wist -hij uit de boeken. - -Zij leek hem nu opeens onbereikbaar ver, verder dan de sterren, die hij -gezien had in de stilte van den nacht. Hoe klein en nietig moest hij -voor haar zijn! Hoe’n onbeduidend, armzalig wezentje moest hij haar -lijken! En hoe nutteloos was al zijn spreken tot haar geweest, die zoo -oneindig ver van hem was gebleven, al had zij vlak voor hem gestaan! -Zijn denken werd in raadselen verward. Vèr was ze nu, onbereikbaar ver. -Maar toch lag haar beeld van slapende maagd, in reine rust, zacht in -zijn eigen ziel. En dat beeld, zoo veilig en vertrouwd, het leek nu van -heel ander wezen dan die jonge vorstin daar op het zwarte paard, die -hem opeens bijna vreemd was. De arme Paulus begreep niet meer wat in -hem gebeurde, en hij voelde het duizelen in zijn hoofd. Niet voor die -vreemde vorstin daar had hij zijn grootvader en het mooie bosch -verlaten. Zij leek nu een vreemde, een geheel andere, die eigenlijk -niet dezelfde kon zijn, die hij in vredigen slaap had zien rusten onder -de groene boomen. En tóch moest zij het zijn.... - -Moê en angstig liet hij zich nu gewillig leiden. Graaf Marcelio hielp -hem op een mak huzarenpaard, en wees hem hoe hij de teugels moest -houden. Het beest liep vanzelf achter dat van Marcelio aan. - -Na een langen tijd rijden kwamen nog meer ruiters hun te gemoet. Er was -een heel oud man bij, met langen, grijzen baard, in een van goud -schitterende uniform die óók eerbiedig, diep neigend voor de koningin -stilhield. - -Met dezen ouden man reed opeens prinses Leliane in vollen galop -vooruit, de andere ruiters achterlatend. - -Paulus hitste zijn paard aan, en wilde haar volgen, maar graaf Marcelio -hield hem tegen. - -„Hare Koninklijke Hoogheid wenscht onopgemerkt, alleen in den trein te -gaan,” zeide hij. „Wij moeten achterblijven, en je bent aan mijn hoede -toevertrouwd. Haar Koninklijke Hoogheid wil dat je bij mij blijft. Daar -in de verte zie je al een paar huizen, en de groote kap van het -station. Kijk.... dáár.... Daar moeten we heen. De huzaren gaan nu al -terug.... Maar wij moeten daar samen in den trein, die ook hare -Hoogheid naar Leliënstad zal brengen. Alleen mijn oppasser volgt ons -nu.” - -Paulus zag in de verte de roode daken van huizen, vriendelijk en blij. -Déze woningen van menschen leken niet benauwd, zooals grootvader -verteld had. Het dorpje lag omgeven van dichte bosschen, en het leek -hem wel heerlijk daar te wandelen. Maar links, iets verder, zag hij -groote, zwarte gebouwen, somber-leelijk, met grove vormen in de lucht, -dreigend. - -„Dáár is het station,” zeide Marcelio. „Als die bosschen er niet waren -zou je treinen kunnen zien.” - -Toen zij bij het dorp waren gekomen—een kleine plaats met lage, -eenvoudige huizen—stapte graaf Marcelio af, en hielp ook Paulus van het -paard. Toen nam hij hem bij de hand, en ging met hem een groot, -monsterachtig gebouw binnen, waar een donderend leven lawaaide. Gegil, -gefluit, gedaver, rollend geratel. Paulus wist niet wat hij hoorde, en -angstig voelde hij zijn hart kloppen. - -Heel stil, heel klein liep hij naast graaf Marcelio, bang om van hem te -verdwalen, en alleen te zijn onder al die vreemde, onvertrouwde -menschen. O! Het benauwde van dat zwarte, donkere dak boven zijn hoofd! -Waar was de Hemel?—En die duistere, nauwe doozen op rollen, waar hij -straks in zou moeten! En die groote, gillende monsters, sissend en -stoomend van kwaadaardigheid, met vlammend vuur in hun lijven! Ja, hij -wist wel wat het was, van platen en uit boeken, het was een station, -met treinen en locomotieven, maar tóch sloeg het hem met een vage -ontzetting, het gedaver en het lawaai. Een groote onrust huiverde -overal om hem heen, en het was of al de menschen hier een vreeselijk -verdriet hadden of angstig waren voor iets, dat ze allen weg wilden met -die vervaarlijke monsters, die als opgerezen schenen uit een -onderwereld van helsche verschrikking. Het gesteun en gebriesch van de -locomotieven deed zijn hart bang kloppen van schrik, alsof ze hem kwaad -wilden, en er iets verschrikkelijks hem wachtte. - -„Het is hier wat druk,” zeide Marcelio vriendelijk. „Een grensstation -met douanen moet je denken. Alles moet hier uitstappen. Een beetje -vreemd voor je, natuurlijk. Maar daar wen je wel aan. Ha! daar is onze -trein.” - -Paulus stoof verschrikt achteruit. - -Donderend-lawaaiend daverde een sneltrein aan, wolken blinkenden stoom -voor zich uitstootend. Een wind van lucht stroomde langs zijn ooren, en -heel de grond trilde. Bellen klingelden, fluitjes trillerden, mannen -schreeuwden. Brieschend stond de locomotief stil. - -Uit de donkere wagens kwamen menschen, haastig, als op de vlucht voor -iets, ijlden weg, als bang. Anderen stormden er in, zenuwachtig, als -vliedend voor een gevaar. - -Wat was er dan toch, dat al die menschen zoo voortdreef? Paulus voelde -een vreemde benauwing bij al dat haastige, gejaagde om hem heen. Het -was of een verschrikkelijk noodlot al die menschen dreigde, dat ze zoo -hals over kop vluchtten onder het gebel en gesis en gestoom alom. - -Maar reeds had Marcelio hem bij den arm gegrepen, en met zich -voortgeduwd. En vóór hij goed tot besef was gekomen wat er gebeurde, -zat hij op zeer zachte, rood fluweelen kussens in een nauw, laag -kamertje. - -„Dit is nu een eerste klasse-wagen,” zeide Marcelio. „Behoorlijk zacht, -hè, maar een beetje nauw. Het is een vóór-coupétje voor twee plaatsen -maar. Juist geschikt voor de gelegenheid.” - -„Klets!” ging het portier dicht, dat Paulus met een schok opsprong. - -Door het raampje zag hij de menschen op het perron haast je rep je! -door elkaar woelen. Het was als zochten ze allen iets angstig. Wat -zochten ze? - -Vragend zag hij Marcelio aan. De jonge officier lachte, en had schik in -zijne verwondering. - -„Al die menschen.... wat doen ze?...” vroeg hij. „Wat zoeken ze -toch?.... of vluchten ze.... zijn ze bang?” - -„—Wel neen, mijn beste jongen.... die menschen hebben haast.... aan een -station heeft iedereen haast.... meestal lui van zaken.... dat leer je -later wel.... tijd is geld, moet je weten.... dat leer je óók wel.... -wat een drukte hé.... en eigenlijk allemaal voor niets.... zóó haasten -ze zich jachtend hun leven door tot ze dood zijn, en dan is ’t uit.... -allemaal voor niets geweest....” - -Paulus voelde opeens een vage pijn. Er was iets in graaf Marcelio’s -stem, dat schrijnde. Zoo heel anders dan het rustige, gedragen geluid -van Willebrordus. - -Hij zag hem eens goed, aandachtig aan. - -Een mooi, fijnbesneden gezicht. Schitterende, zwarte oogen. Een zwarte, -zachte snor, met spitse punten. Gezonde, roode wangen. Het donkere, -glanzende haar gekruld. Een slanke, rijzige gestalte in de -nauwsluitende uniform. Zijn blik was vriendelijk en beschermend. Maar -met iets lichtelijk spottends, iets vreemds, dat misschien wel -droefheid was, en dat Paulus onrustig maakte en aan het vriendelijke -tegelijk iets schrijnends gaf. - -Opeens een hoog gegil.... een stoot.... en Paulus voelde zijn wagon -bewegen, eerst langzaam, dan sneller, sneller en sneller... alles langs -het raampje ijlde weg, menschen en dingen... hij voelde zich vooruit -vliegen in de ruimte.... - -En hij riep, angstig: - -„De prinses!.... waar is de prinses?....” - -Marcelio stelde hem gerust. - -„Haar Koninklijke Hoogheid zit veilig in een salonwagen.... zij rust nu -op een goed bed van de vermoeienissen uit. Haar wagen is vlak achter de -onze, en als zij op een knopje drukt gaat hier een schelletje af en kan -ik door dit deurtje in de koninklijke appartementen komen. Wij gaan nu -rechtdoor naar Leliënstad, waar wij tegen den avond aankomen. Er is -behoorlijk getelegrafeerd, en men zal Haar Koninklijke Hoogheid aan het -station ontvangen. Maar vertel me nu eens goed, wat er toch met Haar -Koninklijke Hoogheid gebeurd is. Wij hebben haar verloren op de jacht, -daar bij de blauwe bergen. Wij jaagden een witte ree, die alleen met -een pijl mag worden gewond, en in de opwinding van de jacht was Haar -Koninklijke Hoogheid ineens verdwenen.” - -Toen vertelde Paulus, eenvoudig, zonder iets achter te houden, hoe hij -de prinses had gevonden. Hij had nog niet geleerd zijn gevoel te -verbergen, en zeide alles zooals het hem opwelde uit zijn jong, -geest-driftig hart. Zijne oogen schitterden daarbij, zijne wangen -gloeiden, toen hij het uitzegde, hoe de schoonheid van de prinses zijne -ziel had beroerd. - -Met welgevallen zag Marcelio hem daarbij aan. Wat een vreemde, aardige -jongen! Zóó waren er niet meer op dien leeftijd in Leliënstad. -Zeventien jaar kon hij wezen, misschien achttien. En wat een naïeveteit -nog om zóó je gevoelens aan den eerste den beste te vertellen! - -„Maar je bent een dichter, Paulus!” zeide hij vriendelijk. „Waarachtig, -een dichter! We kunnen misschien nog plezier van je beleven! Heb je wel -eens verzen gemaakt?” - -„Ja,” zeide Paulus, eenvoudig. - -„Wat een trouvaille! Een jonge dichter, zóó maar uit de eenzaamheid van -een bosch! Wat zouden Wederich en Lavelane wel zeggen! Dat wordt een -evenement! Een dagteekening! Maar nu iets anders. Haar Koninklijke -Hoogheid wenscht, dat het gebeurde strikt geheim blijve. De bladen -hadden al bevel gekregen om niets van het verdwijnen der koningin te -reppen. Je moogt niemand, wien ook, iets vertellen van het gebeurde. We -zullen er wel wat op vinden om de couranten officieel een of ander -verhaal te doen. Haar Koninklijke Hoogheid mag niet de heldin van een -roman worden. Het zou anders een kapitaal sensatie-verhaal voor de pers -zijn. Je moogt dus niets, absoluut niets ooit reppen van hoe je de -prinses hebt gevonden. Begrepen? Het is Haar Koninklijke Wil.” - -Paulus knikte van ja en beloofde. Maar hij begréép het niet. Waarom -mocht niet iedereen het weten, hoe hij de prinses had gevonden? Zou het -volk niet blij zijn, dat zij veilig behouden was? En waarom moest het -nu misleid worden door eene voorstelling, die niet waar was? Neen, hij -begreep het absoluut niet. Maar het was Haar Koninklijke Wil, had -Marcelio gezegd. Dus zou hij zwijgen. - -Hij keek door het raampje naar de nieuwe wereld, waarin hij nu kwam. En -hij was verrast. Niets meer van groote klompen steenen en massieve -gevaarten. Wijde landen met wuivend graan gleden vierkantend weg in de -snelheid van den trein. Rijen mooie boompjes bewogen zachtjes in de -verte. Hier en daar, rustig, een landelijk huisje, met rood pannen dak. -De hemel een wijde blauwe ruimte met blinkend witte wolken. Alles -rustig en tevreden, alleen als weg-deinzend door de vliegende vaart van -de trein. - -Marcelio zag zijne verrassing, en zeide: - -„Ja, het zijn niet allemaal steden, hier in Leliënland, dát moet je nu -niet denken. Dít is nu het land. Zonder het land zouden de steden niet -kunnen bestaan. Want van het land, dáár moet alles vandaan komen om de -steden te voeden. Het graan, de tarwe, de runderen, de melk, de boter, -de groenten, dat komt allemaal van het land. Je begrijpt hoeveel land -en hoeveel boeren er noodig zijn om iederen dag zoo’n stad van twee -millioen menschen aan eten te helpen. Met groote, vliegende treinen -wordt dat zelfs van verre landen in Leliënstad aangevoerd.” - -De avond begon te vallen. - -Een dunne, ijle mist was opgedroomd boven de landen, die er zachtjes in -verwaasden. Huisjes en boomen vervaagden, en stonden als onzekere, -weifelende vormen in het grijze. Hier en daar somtijds, moeilijk, een -lichtje. - -En de trein daverde, daverde voort, een paar uur. - -Paulus was ingesoesd, moê van al het ongewone, toen een schel, hoog -gefluit hem wakker maakte. Het deed hem pijn, dat felle ineens, zoo -onverwacht. - -„Leliënstad!” zeide Marcelio, „eindelijk! We komen nu bij de -voorsteden.” - -Paulus keek uit het portiervenster. - -En door den vagen mist, wijd-uit, zagen duizenden lichtjes, mat en -flauw door den nevel pinkend, hem aan. Het was als een groot, -vervaarlijk monster, met duizenden oogen loerend. - -Een onbestemde angst legde zich over zijn hart. Hij tuurde, angstig, en -tuurde. - -Nu zag hij groote, donkere vormen zich oprichten uit het vage. Met -dreigende, donkere schaduwen stonden zij in den schemer. - -„Huizen,” wist hij, „dit moeten huizen zijn, naast elkaar, in een -straat.” - -Het waren doode, gevoellooze dingen. Niet als de boomen van zijn bosch, -die leefden, en vertrouwd waren aan zijn ziel. Maar dit waren duistere, -koude gevaartes van steen, onbewogen, massief, van roerlooze hardheid. -Het leken hooge, zwarte graven, opgerezen in de lucht. - -Marcelio zag zijn schrik. - -„Wat donker hier, hè, die hooge huizen, bijna zonder licht. Maar je -bent hier in de buitenwijken. Dit zijn de arme buurten. Maar straks -wordt het wel beter.” - -De trein reed nu op een viaduct. En overal zag Paulus vreemde, gebogen -monsterdingen, als armen met sombere gebaren uitgestoken in de lucht. -Het was of ze dreigden, en er was iets siniesters in dat uitgestrekte -van kromme, zwarte pijpen, uit die donkere huizen gestoken. Zoo ver hij -zien kon waren er nu overal van die zwarte vuile steenen huizenklompen, -met die kromme armen wanhopig grijpend omhoog. - -„Schoorsteenen,” zeide Marcelio, glimlachend. - -Hij lachte over Paulus’ verwondering. - -En hij wist niet, hoe bang het was in dat jonge hart naast hem. Die -zware, donkere gevaarten wierpen bange schaduwen in Paulus’ aan licht -en zonneschijn en wuivend groen gewende ziel. Konden hier menschen -wonen? Waren er heusch levende wezens in die genadelooze, steenen -graven? - -Hier en daar was al een eenzaam petroleumlichtje op, in een nauw, -vunzig hol. Door armoedige, gebroken ruiten, spookachtig voorbij door -de vaart van den trein, zag Paulus dan éven vreemde gezichten van -havelooze menschen, stukken vuil goed aan touwen, onoogelijke, donkere -dingen. Het leek hem een booze droom. - -Langzamerhand werd het beter. Hier en daar, perspectief, inééns een -lang, nauw ópen, met véél lichtjes, en benéden honderden zwarte -stipjes: een straat, die wègdeinsde. Nu werd het al lichter en lichter. -Breede pleinen gingen open, met groote bollen wit licht in ’t midden, -licht, dat hij nog nooit gezien had, bleek als van de maan. De huizen -hadden hier vensters, blinkend van licht. Beneden kon hij drommen -menschen zien loopen, duidelijk, of het dag was. Zij liepen allen -haastig, alsof zij iets zochten. Hij zag nu ook wagens en rijtuigen met -paarden. En ineens, met sterren licht pinkend er boven, een groote -wagen met glazen wanden, van zelf vooruit ijlend in vliegende vaart. -Binnen een rij zwarte menschen, dicht tegen elkaar. Alles warrelde en -wemelde dooreen. Het was onrustig, of een vaag gevaar door die pleinen -en straten waarde, waar al die menschen angstig voor vluchtten. - -De trein daverde en daverde altijd maar door, boven al dat gedwarrel -uit, en Paulus verwonderde zich, dat de menschen beneden niet staan -bleven en angstig opkeken, of het stoomende gevaarte niet op hen zou -vallen. - -De nevel, die uit de landen buiten was opgestegen, hing nu niet meer -over de steenen straten. Daar was nu alles helder licht. En Paulus vond -het vreemd dat de menschen hier in de stad den nacht met dat kunstlicht -hadden verjaagd, den nacht, die hem altijd zoo vertrouwd was geweest in -het bosch, vol mooi geheim. Zouden de menschen dan bang zijn voor den -nacht? Waarom waren ze nog niet te ruste gegaan, of wat stil in hun -kamer? Wat dreef hen dan toch allen zoo voort?.... - -De stad scheen eindeloos. Want de trein daverde altijd maar door, in -vliegende vaart, telkens deinsden nieuwe straten en pleinen voorbij, en -overal liepen nieuwe drommen menschen, wriemelend klein en zwart daar -beneden, nietig tegen het hooge van de huizen, waarlangs ze gingen. - -Opeens zag hij in de verte, hoog in de lucht opgerezen, een wonderen, -vreemden bouw. Het was vaag en onzeker door den afstand, maar het leek -hem fijn en gevoelig als boomen van het bosch. Teêre, luchtige vormen, -ijl cantille-werk als van bladeren, met twee ranke torens in de lucht. -Er was iets heiligs aan van gewijd leven. Innig, een levende schepping, -fijn als bladeren van verre boomen, rees het zachtkens op in de donkere -lucht, hoog boven de doode, starre huizingen. - -Vragend zag hij Marcelio aan, en wees met de hand naar het wonder. - -„De Cathedraal,” zeide Marcelio. „Hier worden de bladeren bewaard van -de heilige Water-lelie, waaruit het koninklijk geslacht van prinses -Leliane werd geboren.” - -De trein daverde altijd door.... - -En nu zag Paulus, hoog boven de stad, evenals de cathedraal, op een -heuvel, een wit paleis. Honderden witte ballons, gloeiend van zilver -maanlicht bloeiden daar heilig blank op in het duister van den avond, -en het paleis was er duidelijk door te zien, van eene verblindende, -sneeuwen blankheid, met een transparanten, reinen glans, als van fijn -porselein. - -Toen hoorde hij Marcelio eerbiedig zeggen, maar met toch nog iets van -vagen spot in zijn stem: - -„Het paleis van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Leliane.” - -En hij voelde eene blijde verlichting, dat het paleis zoo hoog boven de -stad stond, in zoo’n heerlijke sfeer van lucht. Zóó behoorde Leliane -ook te wezen, dacht hij, hoog en ver boven de menschen, in een eigen -glorie van reinheid, zooals de sterren pralende zijn boven de aarde. - -Wèg was opeens het paleis, toen de trein een bocht om ijlde, altijd -maar verder en verder, daverend en lawaaiend. - -Toen, eindelijk, verminderde zijn vaart, remmen knarsten, kettingen -rammelden, en Paulus voelde de wagon om hem schudden en beven, tot hij -eindelijk met een schok stilstond. - -Weêr een station als dien middag op de grens, maar veel grooter. Toen -Paulus uit de wagen was gestapt en op het perron stond duizelde hij -even. Want naast hem, vóór hem, overal daverden snuivende, stoomende -locomotieven-monsters aan, dreigend lichtende uit roode oogen. Zwarte -menschen drongen en holden schreeuwend om hem heen, of ze hem kwaad -wilden doen, als vijandig. - -Stijf hield hij Marcelio’s hand vast. Wagens rolden donderend over den -houten vloer, locomotieven gilden snijdend, zware schellen klingelden. -Tusschen een saamgestroomde bende van menschen, dicht tegen hen -aangedrongen, voelde Paulus zich voort worden geloopen. Eerst trappen -af, naar beneden, toen een donkere gang, en weer trappen af, steeds -voortgestuwd door de menschen. - -En dán ineens buiten, op een groot plein, stralende van lichte -maan-ballonnen, met ratelend rumoer van wagens, en schrijnend lawaai -van stemmen. Mannen in lange jassen met gouden knoopen gilden namen -uit, die hij niet begreep. Jongens met couranten schreeuwden klagelijk -uit, als noodgeschrei. Alles dreunde en schetterde en gonsde om hem -heen, pijnlijk, grof, vijandig. Stijf omklemde hij Marcelio’s hand. - -„De prinses.... de prinses.... waar is zij?....” vroeg hij angstig, -allereerst denkend om haar, in dat gevaar. - -„De prinses gaat heel stil naar het paleis,” antwoordde Marcelio -geruststellend. „Zij is hier afgehaald door vertrouwde dienaren, die -getelegrafeerd zijn. Om geen opzien te wekken gaat zij heel eenvoudig -in een gewoon rijtuig naar het paleis.” - -„Wat willen hier al die menschen?” vroeg Paulus nog. „Wat zoeken -ze?.... waarom schreeuwen ze zoo?....” - -Marcelio lachte. - -„Wat ze zoeken?.... Ja, als ze dát maar wisten, dan was alles in -orde.... En waarom ze schreeuwen?.... Dat weten ze misschien zelf -niet... Maar zoo is het altijd aan een station, mijn jongen, en overal -op straat is het lawaai. Daar moet je aan wennen.” - -Hij wenkte een koetsier, en liet Paulus in een coupé stijgen. - -„Koninginnestraat,” hoorde Paulus hem zeggen. - -En voort! voelde hij zich rijden, het breede plein over, waar overal -andere rijtuigen weg ratelden, haastig, als door angst en onrust -gedreven. - -Hoe dat alles ijlde en draafde en heen-holde! Waar moesten die menschen -dan allemaal heen? Wat dreef hen dan allemaal zoo vooruit in zoo -zenuwachtige haast? - -Hij keek uit het portierraampje, sprakeloos, in altijd stijgende -verbazing, zonder begrijpen. Dat leven, dat lawaai, dat gedreun, en -gedaver, en geschreeuw! Al die menschen, rusteloos voorbijdravend, -elkaar verdringend, waar gingen ze dan toch heen, wat zochten ze dan -toch? En die groote, hooge, steenen huizen, wat waren ze koud en hoe -strak keken ze hem aan! Doode, onbewegelijke dingen. De menschen -leefden hier tusschen starre, steenen gevaarten, die hoog en koud om -hen heen stonden, onbewogen. En tusschen al dat doode en steenen gingen -ze rusteloos voort, ál maar voort, bij duizenden en duizenden. Zoo bij -tweeën of drieën schenen ze elkaar vertrouwd, praatten ze met elkaar. -Maar de anderen leken zij niet te kennen. En allen gingen een eigen -gang, haastig, of ze voor iets vluchtten, of iets hen voort-jaagde. -Winkels met groote uitstalramen, blinkend van licht, praalden met -allerlei schitterende dingen, veilig achter glas bewaard. Groote -restaurants en cafés hadden tafeltjes op straat, waar menschen zaten te -eten en te drinken, midden in de drukte van ’t voorbijloopend publiek. -Krantenjongens schreeuwden met een monotoon, klagend geluid. Rechts en -links gingen andere rijtuigen voorbij, en groote vrachtwagens met -kisten, en omnibussen met zwarte menschen er boven, de koetsier op den -hoogen bok, ingebakerd. Dat hoste en ratelde en lawaaide alles door -elkaar. Hier en daar, op den hoogsten nokrand der kolossale huizen, -vlammende annonces in electrisch licht, die ineens uitdoofden en dan -plotseling weer opschenen. Paulus’ oogen traanden van ’t zien in al dat -scherpe licht, en zijn hoofd begon te duizelen van ’t rumoer. Het was -hem of hij er straks nog onder zou bezwijken. - -Somtijds hield het rijtuig opeens stil. Dan kon het niet verder, omdat -de straat versperd was, zeide Marcelio. Een groote, dikke kop van een -omnibus-paard was ééns vlak bij ’t portierraam, dreigende het te -breken. Links en rechts knellend geklap van zweepen, geschreeuw en -gevloek van koetsiers. Tot het rijtuig eindlijk, langzaam weer -doorreed. - -Nu en dan zag Paulus een lange zijstraat opengaan, en weêr hetzelfde: -files van rijtuigen in ’t midden, gewemel van lichten door elkaar, -zwarte rijen menschen op de trottoirs, geschitter van vlammen-annonces -in de lucht. Hij begreep niet, hoe alles elkaar op ’t laatst niet -vertrapte, tegen elkaar inreed, elkaar verpletterde in uiterste -verwarring. - -Zóó ging het een half uur door, langzaam, langzaam door propvolle -straten. Het was nog erger dan in den trein. Hij zag somtijds alles -voor zich draaien, in warrelenden dans. De wagens ratelden nu in zijn -hoofd, dat pijnlijk aanvoelde, met felle steken. Een angstige -beklemming drukte op zijn borst, en hij haalde moeilijk adem. Het leek -hem, of alles straks inééns zwaar over hem heen zou gaan, waar hij -hulpeloos neér zou vallen, en verpletterd worden door al dat zware, -genadelooze, groote. - -Hij voelde moede loomheid zijn oogleden drukken, en wilde het liefste -maar de oogen sluiten om niets meer te zien, en zich voor al dat leven -te verschuilen in den slaap. En werkelijk sliep hij een oogenblik in, -met het hoofd achterover in het gecapitonneerde kussen geleund. - -Een groot licht zengde zijn oogen opeens pijnlijk weer open. Hij -schrikte op. - -Rechts en links van het portiervenster, waar het rijtuig geruischloos -over houten straatvloer gleed, straalden helle ballonnen schitterend -wit licht hem tegen. Alles fonkelde en tintelde in het rond, en het -leek hem, of het bliksemlicht van den hemel hier overal getemd lag te -gloeien. - -Achter glinsterende spiegelruiten lagen kostbare luxe-dingen weelderig -te pralen. In de groote juwelierswinkels lagen diamanten en brillanten -als kleine sterren te lumineeren. De winkels waren hier paleizen, -ruischende van licht, en de straat was er lichter van dan overdag. Het -leek iets uit de sprookjes van 1001 Nacht, die grootvader hem eens had -gegeven. - -„De Koninginnestraat,” zeide graaf Marcelio. „Dit is de rijkste -winkelstraat van de wereld. Hier heb ik mijn appartementen, boven een -juwelier. En vannacht moet je maar zoolang bij mij logeeren.” - -Het rijtuig hield stil. - -Paulus bleef stevig de hand van Marcelio vasthouden toen zij op het -trottoir vóór een grooten juwelierswinkel stonden. - -Al die menschen ineens om hem heen! Vreemd, onverschillig, bijna -vijandig. - -Ze liepen maar áldoor iets te zoeken, of vluchtten misschien wel voor -iets. Een groote onrust, als van gevaar, joeg door de groote straat -heen. - -Marcelio nam hem mee, een lange gang in, ging twee trappen met hem op, -en deed de deur van een kamer open, die nog geheel donker was. Toen hij -even op een knop drukte bij de deur, bloeiden opeens in ’t midden van -de kamer bloemen op van licht en kleur. Ook aan de wanden waren er -enkelen opgeschenen. - -Marcelio zag hoe Paulus verwonderd opkeek. - -„Dit is nu electrisch licht,” zeide hij lachend. „Hetzelfde licht dat -in den bliksem flitst. Dat hebben we gevangen en getemd, en hier gloeit -het nu in mijn kleurige bloemen-ballonnetjes, heel onschadelijk. Dat is -nu de beschaving, weet je.” - -Paulus kon er eerst niet goed in kijken. Zijn oogen traanden er van. En -hij vond het leelijk. Hij voelde dat het valsch was, nagemaakt. Het -licht van den bliksem was toch véél mooier. - -Toen hij er wat aan gewend was, begon hij de groote kamer pas te zien. -Er stonden dingen van weelde in, die hij nog niet kende. Kostbare -perzische tapijten, chineesche en japansche lappen aan den muur, -porseleinen vazen, kasten van fijn lakwerk, beelden van porselein en -ivoor. Het was weêr als in een sprookje. - -Marcelio was een man van echten, fijnen smaak, en al de dingen in zijn -kamer waren in volledige harmonie, van nobele vormen en kleuren. Hij -was gewoon te leven in eene voortdurende streeling van exquize -kunst-weelde. - -En toch, ondanks zijn groote verbazing, en de overweldiging van al dat -uitgezochte schoon, voelde Paulus intuïtief, dat het rustige, sobere -wouden-mooi echter was, dat zijn heel gewone kamertje thuis met het -uitzicht op de groote, eenvoudige boomen buiten hem altijd liever zou -blijven. - -Maar hij was te moe om er lang over te denken. Hij voelde het nog -altijd warrelen en duizelen in zijn hoofd, en moest zich goed houden om -niet neer te vallen. - -Marcelio zag hem wankelen, en begreep dadelijk, dat hij nu vóór alles -rust behoefde. Vriendelijk zeide hij, hem bij een hand nemend: - -„Arme kerel, je moet wel moê zijn.... al die emoties ineens, na die -eenzaamheid van je.... en dan die lange tocht van vanochtend vroeg af, -en die trein.... ik zal je even naar je slaapkamer brengen.... dan ga -je maar dadelijk in bed liggen, zonder om iets te denken, hoor. Je doet -je oogen maar toe, en denkt dat je thuis bent, dan slaap je vanzelf wel -in.... Ik zal je morgen ochtend wel wakker komen maken, dan is het tijd -genoeg om te praten....” - -Paulus liet zich gewillig leiden, een gang door, naar een kleinere -kamer achter. - -Hij hield zich nog goed, maar zag alles om zich draaien en duizelen. - -Toen voelde hij nog hoe Marcelio hem met een arm ondersteunde, en hem -hielp bij ’t uitkleeden. Hij hoorde nog wat vriendelijke, bemoedigende -woorden, en kreeg opeens de sensatie van rust, van heerlijk lekker -uitgestrekt liggen op een veilig, zacht bed. - -Toen verzonk alles in vergetelheid, en voor de eerste maal in zijn -leven sliep Paulus in de groote stad van weelde en ellende, die -Leliënstad heet, nog onbewust van het leven der millioenen, dat nu -woelde als een wilde zee om zijn eigen, eenzaam bestaan. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - - -De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote, -breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin -de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het -meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en -edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten -achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren -en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan -goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te -zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van -kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van -Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het -was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden -vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare -creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee -vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb, sluiers, die in -een kinderhand konden verdwijnen. - -Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren -honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de -eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren -al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls -in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste -weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun -dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in -de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld -zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen. - -De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere -groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste -meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste -comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten -maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van -voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een -sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame -pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste -boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen -het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan -wijsheid en poëzie hadden geschreven. - -De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit -de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag -onuitputtelijke schatten worden aangedragen. - -Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de -élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam -er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was. -Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der -aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje, -van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn. -Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder -zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en -zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over -het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met -oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en -heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan -koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge -aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend, -zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel -wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was. - -De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde, -haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en -haar exquize bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de -allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets -exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld. - -De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de -straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle -aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs -tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar -vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat -van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel -millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale -winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en -diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft -van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad -van de wereld. - - - -Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor -een venster te kijken in de mooie straat. - -Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken -uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat -hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat -hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en -benauwend, als Willebrordus hem altijd verteld had. De groote huizen -vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en -van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten -vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten -blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden -schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad -geen vuile of onreine dingen bestonden. - -Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij -voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog -hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De -menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren -avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude, -vertrouwde zonlicht van in het bosch. - -Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen -Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend, -wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was -blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen. - -Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij -zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen -boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog -meer. Toen nog in twee andere winkels, voor een hoed, en een paar -schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich -fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de -schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn -kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met -zijn geleider mee. - -In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die -brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even -heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of -hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden -als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder, -heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien. - -Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels. -Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes, -’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te -doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als -broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel -fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist -toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor -gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de -kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs -in Leliënstad te hebben gevonden. - -Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel -boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er -waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in -de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien. -Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane. - -Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat -een genot zou het zijn, die allemaal te lezen! - -Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij -wilde weten. - -Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande -om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij -eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte. - -Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein, -waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie ter rechter- en -linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was -een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in -modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere -aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde. -De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes. -Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met -gouden reuzen-letters een spreuk: - - - Ziet ik ben bij - U alle dagen tot aan - Der wereld einde - -en - - Ons geloof is - De Overwinning die de wereld - Overwint. - - -Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van -somberheid, zonder leven. Met ontzetting las hij de geweldige spreuken, -die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem -zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd. - -„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg -hij. - -Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den -vorigen avond al had getroffen: - -„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een -moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen -heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met -ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en -allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een -opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik -niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd -jaar geleden een kerk bouwden moet je nog een eind verder wezen. Dan -gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is. -Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat -aan God was gewijd.” - -Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten -door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren -met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien -hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote -stad? - -Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan -stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren, -recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede -Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar -boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring -opscheen voor Paulus’ verrukte ziel. - -En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij -nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in -eenzaamheid had gewacht. - -Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend -leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die -groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum -der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te -staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar -geheel in ’t rond omgaf. De blanke cathedraal scheen geheel van kant te -zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl -moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar -toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn -droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen. -Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een -breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de -Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard -stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een -apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne -weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke -bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en -teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder -weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het -paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke -droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en -zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde -sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is -in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van -steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen, -onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere -gebouwen uit die vroegste oorsprongen van het rijk hadden vernietigd. -Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en -plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de -Leliane-kerk gespaard. - -En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was -dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of -God zelf hierin woonde. En waar alle andere bouwsels van menschenhanden -in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en -het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker -dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de -cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een -geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde. - -Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant -voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met -zijn geheele ziel. - -Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit -de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes, -maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen, -uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde -schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren -adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort -menschen als die wezens, die daar beneden in de stad zoo -angstig-gejaagd door de straten krioelden? - -En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo -leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige, -levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had -toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was -in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?.... - -Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël, -die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden -duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat -hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie -versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane, -die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen -kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en -maagdelijke blankheid. - -En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen -boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun -biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in -de eindeloosheid, boven de aarde uit! - -En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk -doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen -wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome vlucht -te nemen, en op te wieken in het paradijs! - -Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd -bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze -teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en -diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de -heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en -essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de -heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was -ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in -een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor -omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare -maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den -menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit -dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden. - -De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo -engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die -allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote -Godswonder was gebeurd. - -Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den -Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van -de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In -vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als -een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede, -windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden -in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien -leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den -laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage -sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid -als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze -hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde -electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet -goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van -het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere -sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige -steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der -schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die -glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan -geloofden. - -Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als -achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en -bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit -wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle -deelen van de wereld was voor den bouw bijeengebracht, en, uit de verte -van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein -blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend -wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig -paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich -omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon. - - - -Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde -dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad, -even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de -gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis -heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier -plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een -flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte, -binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet -zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van -de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor -recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar -omgaf. - -Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van -onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke -paleis te betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses -Leliane te worden toegelaten! - -En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van -uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses -ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj -gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig -de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te -mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met -Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde -naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar -beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog -daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in -haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En -vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu -wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de -aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning -van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het -heerlijkste had geöpenbaard. - - - - - - - - -HOOFDSTUK VIII. - - -Langzaam daalden zij den Boulevard weer af. - -Maar beneden, in een drukke winkelstraat, kwam opeens iets -afschuwelijks Paulus’ vredige vreugde over Leliane’s hooge veiligheid -verstoren. - -Hij liep in druk gesprek met zijn geleider, toen hij plotseling ontzet -bleef stilstaan, met angstige oogen. - -„Wat is er?” riep Marcelio. „Waar schrik je zoo van?” - -„Dáár, dáár,” riep Paulus, en wees ontsteld naar een oude vrouw die -voor hem stond, met een mand. Want in de mand lagen, dicht -opeengehoopt, bloederig en jammerlijk, de lijkjes van lijsters, die zij -te koop ventte, de lijkjes van zijn lieve zang-vriendjes uit het bosch. -Ze waren gruwelijk om aan te zien, met de fijne pootjes ruw -saamgebonden, met geloken, blinde oogjes, en de halsjes bebloed. -Treurig hingen de doode kopjes uitgestrekt, verstard van pijn. - -De tranen stonden Paulus in de oogen. - -„Mijn lievelingen... mijn lievelingen,” zeide hij. - -„Kom,” zeide Marcelio, een beetje ruw. „Je moet niet zoo week zijn, -kereltje. Dat zijn doode lijsters, anders niets. Ga nu door... De -menschen kijken...” - -Werkelijk stonden een paar voorbijgangers stil. Een loopjongen riep -wat, spottend. - -Paulus zag harde, roode gezichten. Daar wás het weer ineens terug, het -angstige, vijandige, van gisteren avond. - -„Je moet je nu maar goed houden,” zeide Marcelio. „We zijn hier in de -Wild-straat, en hier wonen veel poeliers. Nu asjeblieft niet wéék -zijn... doorloopen hoor... geen gekheid...” - -En Paulus liep door. Maar tóch zag hij het, en hij beet zich op de -lippen om niet uit te barsten in snikken en wild wraakgeroep. - -Want daar lagen ze—uitgestald als het goud, en de diamanten, en de -kanten weefsels—de slappe, bleeke lijkjes van zijn lievelingen, -vinkjes, bij lange rissen aan touw gebonden, lijsters, snippen, -patrijzen, vermoord bij honderden, in wreede, laffe slachting. Overal -lag bloed in gore, sombere vlekken, zooals het eerste bloed dat hij -gezien had op de doode witte ree, bij Leliane. - -En dit alles als heel gewoon. Alsof er niets gebeurd was, en dit zoo -hoorde. De menschen op straat keken er niet naar. Het was voor hen als -al die dingen, die achter winkelramen te koop lagen. Zij zagen niet den -jammer in al die blinde oogjes, de pijn in dat uitgestrekte van hals en -pooten, het teêre en lieve in die zachte, bebloede keeltjes, dié ééns -vroolijk hadden gezongen zoo mooi lied. - -En het was „week” had Marcelio gezegd, om dit droef te vinden. - -Maar o! als die menschen dàt doen konden, als die menschen, die daar om -hem heen liepen met strakke, onverschillige gezichten, dit zonder -mededoogen konden aanzien, dan konden zij ook ál het teedere en lieve -vermoorden, dat in hem zelf was. - -En opeens, met een fellen steek in hem door, de gedachte: - -„Maar God, die aller schepselen Vader is, maar God, zonder Wiens wil -geen muschje sterft? Gedoogt Hij dit?...” - -En vlak naast hem zag hij opeens het lijk van een zachte, lichtbruine -ree, ruw opgehangen aan de achterpooten, het fijne, vertrouwelijke -kopje klagelijk hangend naar beneden, de bleeke tong ver uitgerekt, -waar bloed langs drupte. Op straat lag een kleine, ronde plas van dat -afgedroppelde bloed. En het was hem, of hij nog pijn zag in de groote, -angstig gebroken oogen. - -Hij kón het niet langer uithouden, en bleef even ontzet staan, de oogen -vol tranen. - -„Arme lieveling,” zeide hij, en streelde medelijdend met zijn hand de -zachte, verstijfde haren, en kuste den dooden bloederigen kop. - -Maar Marcelio greep hem stijf bij de hand, en trok hem met zich mede. - -„Ben je nu gek?” zeide hij. „Wat moeten de menschen denken? Kom, ga nu -mee....” - -En hij ging mede, gewillig, liep hard door, met groote stappen, om niet -langer dat verschrikkelijke te zien van al zijn lieve, zachtaardige -vriendjes uit het bosch, die daar jammerlijk waren uitgestald als -koopwaar, lafhartig vermoord, als bloederige lijkjes, door niemand -betreurd.... - - - -Toen, in een breede, rijke straat, nam Marcelio hem opeens mede in een -groot, aanzienlijk huis. - -Door een glazen deur, met prachtige figuren, in zachte kleuren -geschilderd, kwamen zij in een roode zaal van weelde. Het zachte -tapijt, waar de voeten onhoorbaar in wegdonsden, was donker-rood, en -langs de groote ruiten hingen donker-roode gordijnen. Het plafond was -van dezelfde kleur, met gouden arabesken, en goud praalde ook op de -donker-gemarmerde pilaren. Hel-wit plekten de lakens van gedekte -tafeltjes, waar kristal en zilver op blonk. - -Een voornaam heer in ’t zwart, met glanzend wit overhemd, kwam op hun -af, buigend, onderdanig, en noodigde hen vriendelijk uit, te gaan -zitten. Zoo hartelijk als een vriend, die een ander iets goeds wil -aandoen, dacht Paulus. En toch was er iets vreemds bij, iets kouds, dat -hij niet kon thuis brengen. - -„Dit is nu een restaurant,” zeide Marcelio, „en een goed ook. Zelfs als -je bang bent om vleesch te eten, zoo als jij, is er hier nog heel wat -lekkers te krijgen. En om je pleizier te doen zullen we nu eens als -echte vegetariërs het menu opmaken.” - -Er kwam nu weer een andere deftige heer aan, wien Marcelio opgaf, wat -hij hebben wilde, en die toen weer eerbiedig boog, en heenging, om -alles te halen. - -Paulus verwonderde zich een beetje, en vond het zoo vreemd, dat de eene -mensch maar commandeerde, en er dan anderen klaarstonden om voor hem te -zorgen. Maar hij durfde nog niet dadelijk alles te vragen, bang dat het -weer „week” zou worden gevonden. - -Er zaten nog méér menschen aan zulke mooie tafeltjes, als waar hij nu -aan zat. En telkens kwamen van die zwart gerokte heeren hen bedienen, -eerbiedig en voorkomend. Wat vreemd, dat er zoo waren, die maar -behoefden te gaan zitten, om van de anderen alles te krijgen! - -Marcelio zag zijne verwondering, en lachte. - -„Dat zijn nu kellners,” zeide hij, „die luitjes in die mooie rokken. -Kijk ze maar eens goed aan, het zijn hier goede typen.... de -voorkomendheid zelve, als je gewoon bent ze een goede fooi te -geven....” - -Nú herinnerde Paulus zich iets. O ja... kellners en restaurants... in -die en die boeken er immers van gelezen.... - -Maar toch bleef het begrip nog vaag, nu hij er zoo ineens in de -werkelijkheid voor stond. - -Hij vond het erg voornaam, zoo’n zaal. Al dat rood en dat goud. En dat -alleen om even te eten! Deden de menschen dat altijd in zoo’n praal? - -De gerechten werden nu voor hem aangedragen, plechtig, met groote zorg, -of het heilige dingen waren. - -Hoe gracieus bood zoo’n kellner-heer een schotel aan, bijna of hij het -zelf een groot pleizier vond, hun zoo iets te mogen geven! - -En hoe geurig waren al die spijzen, hoe prachtig opgedischt, met groen -en bloemen! Hij durfde er bijna niet van te nemen, bang om de mooie -harmonie van den schotel te bederven. - -„Neem maar gerust!” zeide Marcelio bemoedigend. „Er is niets van -vleesch of wild bij, hoor!” - -Paulus had honger, en liet zich alles goed smaken, de fijne -eierschotels, de crême-zachte asperges, de malsche salade. Zóó heerlijk -had hij nog nooit gegeten. En met blijdschap zag hij aan het dessert de -sappige, lekkere vruchten komen, perziken, en peren, en druiven. - -Hij liet zich ook door Marcelio een zoeten wijn inschenken. Enkel van -druiven, werd hem gezegd, dat kon toch heusch geen kwaad. En hij genoot -van den streelenden, vleienden smaak van de goudgele Haut-Sauternes op -zijn tong, dronk nog eens en nog eens. - -Zijn angst van zooeven dreef er onmerkbaar door weg, en een lichte, -ongekende vreugde voelde hij er van in hem opstijgen. Een gevoel van -voldaanheid, van zacht bien-être, kwam over hem heen. - -Deze mooie, kleurenrijke zaal, die witte, heldere tafeltjes met bloemen -en kristal, die vroolijk pratende menschen om hem heen, die wèlbekende, -heerlijke vruchten met den ouden, vertrouwden geur, het was toch wèl -aangenaam zoo te eten, en dan die lichte vreugde in je hoofd te -voelen... Het was misschien niet zoo verschrikkelijk in de stad... - -Maar toch was hij een beetje moe. Hij zou nu eigenlijk wel wat willen -liggen, heel rustig en niet praten. En hij zeide het ook maar aan -Marcelio, dat hij nu wel weer wat naar huis wilde. - -Marcelio riep den kellner en vroeg om de rekening, die op een lang blad -glanzend papier werd gebracht. Paulus zag, hoe hij groote geldstukken -uit zijn portemonnaie nam. De kellner bedankte, en boog weer diep. Een -andere kellner bracht hun hoeden en jassen, en geleidde hen naar de -deur, die hij buigend opende. - -Marcelio riep een koetsier, die met een leeg open rijtuig voorbijging, -en hen naar de Koninginnestraat reed. - -Weer dacht Paulus even, hoe vreemd het was dat alles dadelijk voor -Marcelio klaarstond, die maar had te commandeeren, om door andere -menschen bediend te worden, die alles voor hem deden. Maar daar zou hij -later liever eens over vragen. - -Toen hij weer op zijn kamer was voelde hij pas hoe moê hij was van al -dat nieuwe, in de drukte van de stad. En Marcelio begreep dat ook. - -„Je blijft nu maar wat kalm hier op een canapé liggen,” zeide hij. „Als -je je verveelt, in deze kast zijn boeken hoor, en je neemt er maar uit, -wat je áánstaat. Ik ga weer uit, ook nog naar ’t paleis even. Om zes -uur kom ik je weer halen en zal ik je nog meer van Leliënstad laten -zien. Nu eerst maar eens wat goed uitrusten.” - -En Paulus was weer alleen. - -Zijn hoofd duizelde nog wat. Het gedruisch van de stad en het ratelen -van de wagens dreunde nog vaag om zijn ooren. Hier in de stilte van de -kamer was het nóg niet weg. Hij leunde met het hoofd op het kussen van -de canapé en hield de handen tegen zijn ooren, om niet meer te hooren -dat suizende leven. - -Toen sliep hij in, en alles zonk weg in rustige stilte.... - -Toen hij wakker werd, was het bijna vijf uur. Hij voelde zich weer -geheel frisch, toen hij zich flink gewasschen had, en schoon linnen had -aangedaan. Nog een heel uur, dan zou Marcelio pas komen. Als hij -zoolang eens wat ging lezen? - -Kijk, daar stonden juist zijn lievelingsverzen op de eerste plank van -de boekenkast: Wederich, Gedichten. Hoe dikwijls had hij ze in het -Bosch niet gelezen, op zijn lievelingsplekje bij de witte waterlelies! - -Hij kende ze al zoolang, maar nooit had hij ze zoo innig gevoeld als -nu, nu hij het groote stadsleven had gezien. Want zij vertelden van -Wederich’s eenzaam leven te midden van die honderdduizenden, die hem -vreemd waren, van zijn trotsche, bittere armoede in de weelde-stad, -waarin hij zich toch rijker voelde dan allen door de groote, mooie -liefde, die bloeide in zijn hart, en die hij met zich meedroeg als een -heiligen, kostbaren schat, dien niemand zien mocht. Het waren verzen -van stille gepeinzen in afgelegen parken, van vroom doorgeleden uren -onder Liefste’s venster, van trotsche verachting voor ’s werelds roem -en faam, van sober, arm, onbekend leven nú, in de heerlijke zekerheid -van ééns onsterfelijk te zijn. - -Hij had ze altijd prachtig gevonden van trots en grooten eenvoud, maar -nu hij zelf de donkere drommen van koude menschen om zich gezien had, -besefte hij pas, wat Wederich bedoeld had met het stille ronddragen van -zijn kostbaren ziele-schat te midden der duistere duizenden. - -O! Dat die groote dichter leefde in diezelfde stad waarin hij nu ook -woonde, dat hij misschien kans had, hem ééns te zien, van aangezicht -tot aangezicht, wat was dat opeens een heerlijk denkbeeld voor hem! Hij -zou hem natuurlijk van-zelf herkennen, zonder dat iémand het hem zeide. -Dadelijk zou hij het zien, aan zijn donkere Christus-oogen, aan zijn -hoog, bleek voorhoofd, verheerlijkt door zooveel heilige gedachten! - -En als hij hem ééns kennen mocht, dan zou hij hem geven het liefste, -dat in zijn ziel was, en hem vertellen van het bosch, en de vogels, en -de bloemen, en van de rustige schoonheid van de witte water-lelies, en -van de rustige schoonheid van Leliane.... - -Marcelio’s binnenkomen schrikte hem wakker uit zijn gepeins over den -geliefden dichter. - -Hij was in het paleis geweest, bij de prinses, die genadiglijk naar -Paulus gevraagd had. En hij moest Paulus vertellen, hoe zij er had -uitgezien, en hoe het toch wel was in haar koninklijke vertrekken, en -ieder woord, dat zij gezegd had. - -„Maar nu neem ik je weer mee uit,” zeide Marcelio. „De eerste dagen zal -ik je zoo’n beetje den weg wijzen, en dán moet je zelf maar je heil -zoeken. Je zult het leven hier gauw genoeg kennen. Dat wént wel. Dan -begrijp je niet, hoe je ooit buiten Leliënstad hebt kunnen leven.” - -En weêr gingen zij de drukke Koninginnestraat door, waar de lantarens -al werden ontstoken, en de weelderige winkels al schitterden van licht. -Rijtuigen ratelden, omnibussen rolden voorbij, en angstig klonk het -getoet van automobielen. Op de trottoirs schuifelden honderden -menschen, zenuwachtig-bewegelijk, roezemoezend. Jongens met couranten -schreeuwden nieuws uit, doordringend, hoog van toon, als kreten van -angst. En een oogenblik beving het Paulus weer met schrik, en voelde -hij lust om terug te gaan naar zijn kamer, om stil in Wederich’s verzen -te lezen. - -„Het is of al die menschen bang voor iets zijn, of heel gejaagd naar -iets vreeselijks moeten,” zeide hij tegen zijn geleider. „Ik zie nog -altijd zoo iets angstigs in een straat. Net of er iets ergs moet -gebeuren.” - -Marcelio lachte even. - -„Maar dat is juist het mooie van Leliënstad, mijn beste kerel! Dat -nerveuze, dat heerlijk gejaagde! Nu komt de avond, weet je, en den -nacht. Dan beginnen de echte lui hier pas te leven, en worden de -zenuwen pas geprikkeld. Overdag is het hier je ware nog niet, dat is -eigenlijk maar zoo’n soort voorspel, maar ’s nachts is het leven hier -op zijn hevigst. Je moet eerst nog een beetje wennen. Dan zal ik je -later eens het groote nachtleven laten zien. En de Leliënstadsche -vrouwen vooral, de mooiste, de elegantste, de geestigste van de -wereld....” - -Paulus begreep nog niet, wat Marcelio hier eigenlijk mede bedoelde. -Door zijn eenzaam leven in het bosch, en door zijn lezen van verzen en -romans, buiten het realiteits-leven om, had hij van vrouwen nog het -vage, romantische idee, dat zij iets veel beters waren dan mannen, iets -bijna heiligs, zooals bijvoorbeeld engelen of feeën. - -Hij zag heel goed de vrouwen, die hem voorbijgingen op de straat, en -hij zag haar zooals hij altijd bloemen had gezien, met blijdschap over -haar mooie kleuren en lijnen. Er liepen rijk-gekleede vrouwen in de -Koninginnestraat, die gracieus den rok ophielden voor het stof van ’t -trottoir, en wiegend gingen, alsof een zachte muziek binnen in haar -ziel haar begeleidde. Bewonderend keek Paulus ze aan. Somtijds lachte -een vrouw hem lief toe, en dat vond hij dan erg vriendelijk.—Hij zag -ook, hoe andere heeren die mooie vrouwen nakeken, bewonderend. Zonder -erg zeide hij het aan zijn leidsman, hoe mooi hij een vrouw vond, die -voorbijging, en dan lachte Marcelio schalks geheimzinnig. - -Na wat rond-geflaneer, met nu en dan wat kijken voor mooie winkels, nam -Marcelio hem mede naar een Boulevard, waar veel restaurants en café’s -waren. En nu gebeurde weer hetzelfde als dien middag. Een groote zaal, -nú lichtgroen, met veel goud en marmer, en de wit-gedekte tafeltjes, en -de kellners in rok en witte das. Alleen at Marcelio nu vleesch, groote, -roode stukken, die hij fijn sneed, met een scherp mes. Paulus vond dat -het wee en akelig rook, en het idee dat het stukjes lijk waren van een -koe vond hij verschrikkelijk. Hij had moeite, zelf zijn eigen -vegetarische spijzen op te eten, met dat vleesch van een vermoord dier -onder zijn oogen. Maar hij hield zich goed, om toch vooral niet week te -schijnen. En alle andere menschen in het volle restaurant deden als -Marcelio, en aten vleesch van doode runderen, en schapen, en vogels. -Het scheen iets heel natuurlijks te zijn hier in de stad, dat nu -eenmaal zoo hoorde, en zonder de verschrikking was, die hij er in vond. - -Na het diner, dat bijna een uur duurde, kwam de koffie, fijne -Mocca-essence, in heel kleine kopjes, geserveerd in broos servies, op -zilveren schaal, met groote zorg, of het heilige dingen betrof. En -Paulus verwonderde zich weer over het gewicht, dat hier in de stad aan -het eten werd gehecht, en aan die plechtigheid er bij, of het een -godsdienstige ceremonie gold. Het scheen heel natuurlijk te zijn, dat -al die mooi gekleede heeren en dames daar in die weelde-zaal kwamen -zitten, en dat dan vanzelf al die heerlijke gerechten voor hen klaar -stonden, en met praal voor hen werden opgediend. Maar het was hem toch -niet recht duidelijk, hoe het allemaal precies in elkaar zat, en waarom -de een bediend moest worden en de ander hem bedienen moest. Het was -toch wel erg gemakkelijk, vond hij, dat leven van Marcelio. - -Na het diner liepen zij weer over groote Boulevards, waar hij nog nooit -geweest was, en waar het zoo vol was, dat zij maar langzaam voort -konden gaan. In het midden de rij-weg met lange files rijtuigen achter -elkaar, aan weerszijden de trottoirs met wandelaars, die langs hel -verlichte winkels liepen. Veel van die winkels waren café’s, waar -menschen aan tafeltjes zaten te drinken. Hij begon nu langzamerhand te -gewennen aan het lawaai en de herrie, maar toch bleef hij alles heel -vreemd vinden. Waarom waren al die duizenden saamgehokt in die groote -stad, tusschen die hooge, steenen huizen, die toch doode dingen waren? -Buiten was het toch veel mooier, met de boomen, en de luchten, en de -horizonnen... - -Somtijds kwam hem een meisje voorbij die bloemen te koop had. Verlepte, -half-doode viooltjes, ruw in een mand gepakt. En het deed hem pijn, als -de arme vogelen-lijkjes, die hij ’s middags gezien had, die teere, -lieve bloempjes van buiten, hier rondgedragen in de benauwing, waar ze -in moesten sterven. Zag dan niemand hoe wreed dit was? - -Zóó liep hij met Marcelio rond, die hem de groote Boulevards wilde -toonen, met het avond-leven, dat lawaaiend op en neer ging, en die nu -en dan even in een groote café met hem ging zitten, om hem te gewennen -aan de drukte. - -Tegen tien uur ging hij een groot gebouw met hem binnen, waar in helle, -roode gas-letters vlammend het opschrift: „Théâtre des Variétés” boven -de deur prijkte. - -„Nu moet ik je toch eens even een groot Café-Chantant laten zien,” -zeide Marcelio. „Het ballet van Rosita zal nu wel zoowat beginnen.” - -En het was als een apothéoze voor zijn jonge, onervaren oogen. - -Eerst een groote Hall, in moorschen stijl, schitterend van goud en -zilver, en arabesken, en mozaiek. Zijne voeten gingen zachter dan in -gras, op donzig, oostersch tapijt, en zijne oogen pinkten heftig voor -het helle verblindende licht overal, eer zij er aan wenden. Deftige -heeren liepen er heen en weer, en dames in prachtige, rijk-ruischende -robes van zijde en kant, met lange slepen, statig glijdend achter haar -aan. Haar blanke borsten en armen deden hem aan als dingen van mooi, -die hem verrukten. Haar oogen glinsterden als sterren, en zij lachten -lief in het rond. Dat waren erg mooie, lieve vrouwen, vond Paulus. De -menschen waren toch niet zoo leelijk als hij gevreesd had. Zij deden -lief en vriendelijk tegen elkaar. - -Een vage geur van bloemen droomde nu en dan langs hem heen, waar eene -vrouw voorbijging. - -Marcelio lachte somtijds tegen een mooi gekleede vrouw, die hij scheen -te kennen. Zeker eene goede vriendin, dacht Paulus. - -Door een zwaar fluweelen gordijn kwamen zij nu in de groote theaterzaal -van het Variété.—De eerste indruk was teêr licht-groen en goud. Goud -van zware lichtkronen en ornamenten, licht-groen van boiserieën en -lambrizeering. Ook het zachte tapijt op den grond was licht-groen. - -Het plafond, hoog boven hem, leek wel een teer-groene Hemel met vreemde -sterren. Honderden lichtjes van allerlei kleuren, blauwe, roode, -paarsche, gele, schenen in zachte bloem-kelken, die uit dien lichten -hemel neerbloeiden. - -Hier en daar, achter in de zaal, waren kleine grotten met palmen, en -met murmelende water-fonteintjes, en groene priëeltjes van latwerk en -klimop, waar heeren en dames vriendelijk lachend met elkaar zaten te -praten en te drinken. - -Marcelio leidde Paulus mede naar voren, waar de menschen in breede -rijen groen-met-gouden fauteuils aandachtig zaten te kijken naar wat -heel vooraan zou gebeuren, waar een zwaar, breed groenfluweelen gordijn -nog dicht hing. - -Het orchest begon juist een langzame, slepende wals, en een vreemde -siddering ging er van door Paulus’ ziel. - -Zwijgend van aandoening ging hij naast Marcelio in een fauteuil zitten. -Hij keek rechts en links, een beetje bang voor al die menschen.—Aan -beide zijden zag hij nu groene loges, intiem als kamertjes, met deuren. -Daar zaten rijk gekleede menschen in, vrouwen met roze-en-blanke -bloemengezichten, met fijn, glanzend haar, waar diamanten in -schitterden, als zon-befonkelde dauwdroppelen. Het zachte blank van -haar halzen en armen was inniger dan van witte lelies, en haar oogen -glansden licht als sterren. Zij lachten hartelijk en lief, en hij -voelde een ongekende vreugde, dat al die menschen zoo blij waren en zoo -vriendelijk. Neen, zij waren toch zoo leelijk en zoo slecht niet, als -hij wel gevreesd had. Alles om hem heen was welwillend en meende het -goed. - -En dan die vreemde, slapende wals-muziek, die zijn ziel deed beven! Zij -was om zacht van te huilen, en toch heel gelukkig om te zijn. Het was -hem of er iets in hem ging bewegen wat altijd roerloos was geweest, en -nu ineens zacht, zacht te wiegen begon. - -Daar ging ineens de zware draperie geruischloos uit elkaar, door -onzichtbare handen bewogen, en hij zag een wonderen bloemen-tuin op het -tooneel, een feeërie, alsof hij opeens een nieuwe, nooit gevonden plek -had ontdekt in het Bosch. - -Langzaam begon nu de muziek een vreemden, betooverenden dans, en het -was of die tokkelende tonen geheime sferen opentikten in zijn ziel, -waar zalige ontroeringen aanbewogen. - -Toen... waren het bloemen?... waren het blank-en-roze vlinders?... -zweefden, in wolkjes van witte tulle en gaas, zachtekens broze, -fee-achtige wezentjes door den tuin. Hun lichte, slanke lijven -wiegelden en balanceerden als roze lelies in lichte winden, en zonder -zwaarte droomden zij langzaam, op vage rythmen vooruit, éven maar den -grond beroerend, met de punten der spitse voeten. - -Als bovenaardsche wezens, uit manestralen en lichte veder-wolkjes -geboren, zag Paulus ze naderen, materieloos, zooals de elfen en feeën -moesten zijn. Een huivering van eerbied ging door zijn ziel, als toen -hij voor het eerst Leliane had gezien, slapende in de zilveren -mane-stralen. Er was iets van Leliane zelve in die wondere, lichte -wezens van gratie en droom. - -Ademloos, zooals hij wel eens stil naar vreemde vogels en onbekende -vlinders had gezien, bang ze te verschrikken, zag hij de luchte feeën -in hun wuivende wolkjes van tulle heen-en-weder zweven, nu hier en dan -daar tusschen de bloemen, hun vlugge voeten maar even rakend den grond, -als zouden zij straks ópvliegen, verdwijnend in ijle sferen. - -Totdat zij opeens stil bleven staan, de handen gracieus wenkend naar -boven uitgestrekt, wachtend op iets heerlijks, iets goddelijks, dat -komen ging. - -En als een roze vogel, zacht-neerstrijkend tusschen niets dan witte, -zweefde opeens Rosita aan, neêrdalend uit de lucht, op groote, -trillende vleugels van transparant gaas. - -Dit moest een engel zijn, dacht Paulus. - -Want, luchtig wiegend in de lucht, zonder steun, niet rakend den grond, -door eigen fijne ijlheid gedragen, danste zij op vage rythmen langzaam -door het ledig, als een roze droom-verschijning boven de witte feeën, -die de armen biddend naar haar hielden uitgestrekt. Zij scheen een -ziel, zwevend in reine sferen van aether, broos als de roze wolkjes van -het eerste morgenrood, op eigen glans van schoonheid gedragen, boven de -werkelijkheid van materie, dra vervagend in het niet... - -Totdat zij genadiglijk nederdaalde op de aarde, maar enkel haar met de -punten der voeten éven vluchtig bezwevend, en, altijd zacht -door-wiegelend, de roze rozen plukte uit den tuin. - -Luchtigjes voortgestuwd op rythmen van de heel zachte muziek, droomde -zij heen en weder, ijl als een roze zeepbel op vage trillingen van -lucht. - -Toen voelde Paulus eene wondere ontroering opwellen in zijn borst, en -het was hem, of iets van het schoone van Leliane weer voor zijne oogen -was verschenen, goddelijk en genadig. De tranen schitterden in zijn -oogen. O! Hier was het dan terug, zijn liefste ziele-mooi, dat niet had -durven opbloeien in de benauwing van de stad. Want dit was van het mooi -der blanke-en-roze vlinders, der teeder-kleurige bloemen, der -zacht-veerige vogels, dit was transparant als vage nevelen boven het -water, en broos als de witte wolkjes in de lucht, dit was in de sfeer -van droom, waar enkel ijle ziele-dingen kunnen wonen.... - -Hij was de zaal en al de menschen om hem heen vergeten, en het weten -van de werkelijkheid was in hem weg. - -Onschuldig en argeloos, zooals een kind naar mooie kleuren ziet, en -strekt de armpjes verlangend uit, zoo staarde Paulus in verrukking naar -die broze verschijning van vrouw, die maar áldoor zachtkens -voortwiegelde door de rozen, en dán weer ópzweefde in de lucht, zonder -zwaarte, in edele golvingen en soepele lijnen, als een engel, -spelemeiend van louter zaligheid, die haar eigen liefelijkheid luchtig -uitdanst op lichte cadanzen.... - -De vlinderachtige feeën trachtten het hemelsche wezen te naderen, en -wilden haar liefkoozend omvatten, maar telkens ontglipte zij haar, met -bevallige zwenking, en het was als een charmant gespeel van witte -kapellen, waartusschen een ijle, roze libel wijkend zweefde, en in -luchtigste luchtheid hooger ópdroomde, in sferen, waartoe zij niet -konden rijzen. - -Totdat eindelijk het roze lucht-wezen met wijd-gespreide vleugels in -rechte rijzing omhoog wiekte, en de witte feeën droef-ontmoedigd bleven -staan, de blanke armen verlangend uitgestrekt naar die hooger sferen, -waarin de hemelsche verschijning als een liefelijk wonder van glans en -droom was verdwenen.... - - - -Toen viel het zware gordijn voor het kleurige visioen, en ’t -stormachtig handgeklap van het publiek riep Paulus tot de werkelijkheid -terug. - -„Nu?” hoorde hij Marcelio zeggen. - -„Is Rosita een elf?.... een fee?....” vroeg Paulus, verrukt. „Ze is een -hemelsch wezen!” - -„Vin-je!.... Zou je haar wel eens willen kennen?” antwoordde Marcelio, -met een fijn lachje. „Ze is een vriendinnetje van mij. Ik zal je eens -aan haar voorstellen bij gelegenheid.” - -„Ja! breng mij bij haar!....” riep Paulus. „Ze is zoo mooi, zoo mooi -als een lichte engel....” - -En zijn argelooze ziel wilde met een heel kuisch en rein verlangen naar -dit mooi van vrouw, zonder vreeze, zooals een wit vlindertje, dat een -groot licht gezien heeft, en trillende van zaligheid de vleugels -spreidt om naar dat verre schoon te wiegelen, dat het zoo wonder -ontroerde. - -Moe van al de emoties kwam hij ’s nachts thuis. Marcelio ging dadelijk -weer uit, toen hij hem op zijn kamer had gebracht. - -Vóór Paulus naar bed ging schoof hij nog even een gordijn open, en keek -naar buiten. - -De straat was nu ineens heel anders dan overdag. De groote -winkel-paleizen waren nu allen donker, lichte-loos, met hun blinkende -spiegelruiten blind, door ijzeren luiken er voor. Ook de ramen boven, -in de hooge verdiepingen, waren dicht. Zwijgend, koud en donker stonden -nu de groote huizen-gevaarten, met al hun schitterende weelde geniepig -verstopt achter het zwarte, geslotene. - -Alleen de straatlantarens brandden wat licht, telkens één uitgedoofd na -één die vlamde. Dat gaf wel wat licht op straat en beneden aan de -huizen, maar boven waren het duistere dingen, die met een zware -nachtschaduw dreigden. De houten vloer glom van regen, en de geheele -straat lag nat en triestig in het donker. - -Kon dit dezelfde weelde-straat zijn van enkele uren geleden, stralend -van heerlijke, wondere luxe-dingen, achter schitterend verlichte -glazen? - -Kijk, er liepen toch nog menschen. Hoe klein en zwart beneden onder die -hooge, duistere huizen. Nu zag hij pas hoe hoog die huizen waren. Wat -deden die menschen hier nu nog buiten, zoo laat, in den regen? Waarom -waren ze nu niet veilig thuis? - -Hij zag, dat het meest vrouwen waren. Ze liepen nu niet, of ze haast -hadden. Ze slenterden op en neer, of ze op iets wachtten, dat wel eens -komen zou, dat misschien ook niet komen zou. - -„Waar wachten ze op?” dacht hij. - -Het moest toch niet prettig zijn, in zoo’n koude, duistere straat, met -die dreigende, hooge schaduwen boven je in den regen te loopen, zonder -bladerendak dat beschutte. - -Er liepen ook wel mannen, maar niet zoo veel. Zij keken naar die -vrouwen. Somtijds bleef er een staan. Dan keken de vrouwen naar hem. Er -kwam er wel eens een die hem aansprak. Die kende hij zeker. Ze praatten -even.... Wat zouden ze elkaar wel zeggen?.... Dan ging de man weer -door. De vrouw keek hem na. Ging dan weer verder, langzaam. Wachtte -weer. - -Hij begreep het niet. - -Waar wachtten ze dan op?.... - -De zwarte gedaanten, zoo klein en nietig daar beneden, tegen die hooge -nacht-gevaarten, zij draalden ál maar door. - -Hier en daar stond er een tegen een kozijn geleund, of stil, onder een -pui. Stond maar aldoor stil te wachten, te wachten. Strekte nu en dan -den hals uit, keek, en keek. Waar keek ze naar?.... - -Ze zochten iets, dat begreep hij. Maar wat zochten ze dan?.... - -Somtijds sprak er een een man weer aan, die voorbijkwam, en dan gingen -ze wel eens samen weg, gearmd. Die hadden dan zeker afgesproken elkaar -daar te vinden. Ze had dan op hém gewacht zeker, nu begreep hij het. - -Maar dan die anderen? Die maar alleen bleven en niemand vonden? - -Hoe triestig, die donkere figuren, slenterend in den regen, hoe -vreemd.... - -En ineens voelde hij intuïtief het tragische in dat sombere dwalen daar -van al die donkere vrouwen in den nacht. Een vaag voorgevoel van angst -bekroop hem, voor een onbestemd gevaar. Hij voelde onraad. Er moest -ergens iets niet in orde zijn. Er wàs daar iets, er wàs iets.... - -Dat dwalen, dat dwalen, hopeloos, gelaten, van al die vrouwen daar, dat -wachten en wachten op wat niet kwam.... - -Bij een lantaarn onder zijn venster zag hij een jonge vrouw staan. - -Zoo heel anders dan de mooi aangekleede, vroolijke menschen van ’s -middags in de straat, en van dien avond in het theater. - -Ze scheen het koud te hebben, want ze rilde. Haar kleeren leken oud en -dun. Een bleek, moê gezicht had ze, onvriendelijk, hard. En toch zag -hij er iets erg treurigs in, iets als van een hond, die geslagen is en -nu alles wantrouwt. Iets brutaals, en toch iets erg schuws ook. - -Wat moest die vrouw daar nu?... Waarom bleef ze daar bij die lantaren -staan, in dien regen... Zou ze ziek zijn? Zou hij haar kunnen helpen? -Naar beneden gaan, en haar aanspreken? - -Maar een geheime angst weerhield hem. - - - -Nog lang bleef hij staren naar het vreemd gedwaal daar beneden, niet -begrijpend. De zwarte gestalten werden nu al minder, er waren er al -heen gegaan, maar de enkelen, die over waren, kwamen nu nog somberder -uit. - -Die bleven maar langzaam doorloopen, op en neer, in den regen, zoekend -en speurend wat ze niet vonden, of bleven roerloos geleund tegen een -raamkozijn, wachtend, almaar wachtend op wat niet kwam. - -En ’t bleeke vrouwtje, met het harde, schuwe gezicht stond nog altijd -beneden, hangerig tegen de lantaren gesteund... - -Eindelijk ging hij naar bed, moê-op van al het geziene dien dag. Hij -kon in ’t eerst niet inslapen. Hij zag nóg aldoor die donkere -vrouwengestalten, triestig en somber, dwalende zonder doel... Wat -zochten ze toch, wat zochten ze?... - -Er wás iets, er wàs iets, iets vreeselijks, iets van bang gevaar en -gruwzame verschrikking... Maar wat?.... - -Morgen zou hij het Marcelio vragen. Het was maar beter er nu niet meer -over te denken. Er waren toch nog zooveel andere dingen. De groote -Cathedraal bijvoorbeeld. De Cathedraal van de heilige Leliane. - -En ineens zag hij het ranke Godshuis weer voor zich oprijzen, in al -zijn teedere, kanten pracht van fijne figuren, hij zag de twee hooge -torenen als bloemen omhoog gaan, en de fijne spitsen zich verliezen in -de lucht... En ziet! Daar hoog boven, tusschen witte wolkjes, zweefde -de roze-figuur van Rosita, engelen-zacht.... - -Toen begon alles te vervagen, en sloot een rustige slaap -voorzichtiglijk zijn moede oogen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IX. - - -Den volgenden morgen stond hij frisch en verlicht op. In het heldere -daglicht, met de nieuwe, klare ochtend-dingen om zich heen, dacht hij -niet meer om de donkere avond-figuren, die hem ’s avonds zoo angstig -hadden gemaakt. - -En Marcelio had hem dien dag zooveel te vertellen, dat hij geen tijd -had hem nog te vragen wat toch die eenzame gestalten in de donkere -straat hadden gezocht. - -’s Ochtends was Marcelio in het witte paleis bij de prinses geweest, -die hem had opgedragen, wat er met Paulus moest gedaan worden. - -Prinses Leliane was heel dankbaar voor de diensten die Willebrordus en -Paulus haar hadden bewezen, maar zij wilde dat alles strikt geheim zou -blijven en er nooit iets van uitlekte. Paulus moest op zijn eerewoord -beloven, dat hij er nooit, aan wien ook, iets van zeggen zou. - -Om hem te bewijzen, hoe erkentelijk zij was, zou de prinses hem op haar -kosten doen studeeren, en kende zij hem een jaargeld toe, dat zij hem, -om ruchtbaarheid te voorkomen, door Marcelio zou doen uitkeeren. Hij -zou lessen krijgen van de professoren die Hare Koninklijke Hoogheid -zelve onderwezen hadden, en, na voldoenden proeftijd, zou hij dan wel -zelf kunnen kiezen, welke studie hem het meeste aantrok. Als hij hard -studeerde, zou hij misschien nog wel toegelaten kunnen worden tot de -Militaire School, waar de garde-officieren werden opgeleid van de -koninklijke lijfwacht, en de beroemde „Ridders van den Dood.”—De -prinses zou zich door de professoren op de hoogte laten houden van -zijne vorderingen.—Ook zou zij inlichtingen laten inwinnen omtrent -Paulus’ afkomst, waarvan hij zelf niets wist. Marcelio kon hem nog -niets zeker er van zeggen, maar het was zeer waarschijnlijk, dat -Willebrordus indertijd een bekende persoonlijkheid geweest was in -Leliënstad. - -Toen Marcelio hem vroeg, of hij goedvond wat de prinses over hem -beschikt had, antwoordde Paulus dat hij alles zou doen, wat zij wilde, -omdat alles natuurlijk was welgedaan, wat van háár tot hem kwam. En dit -meende hij, zonder er nader over te denken. Alléén vroeg hij, heel -deemoedig, of hij prinses Leliane nog wel eens zou mogen zien. - -Maar dat zou vooreerst heel moeilijk gaan, zeide Marcelio. Alleen de -heeren en dames van de hofhouding mochten Hare Koninklijke Hoogheid -zien, en de hooge edelen en officieren, die op audiëntie gingen, en -genoodigd waren op de hoffeesten. Later misschien, als Paulus officier -was geworden van de garde, en als hij waardig was bevonden, in het -keurkorps te worden opgenomen van de „Ridders van den Dood”, dan zou de -prinses hem zelve beëedigen, en mocht hij ook misschien wel eens dienst -doen als ordonnance aan het hof. Die gunst zou Hare Koninklijke -Hoogheid hem misschien wel bewijzen, omdat hij haar gevonden en -verpleegd had toen zij verdwaald was in ’t bosch. - -En Paulus vond het een groote genade, dat hij misschien ééns in haar -tegenwoordigheid zou mogen leven. Het kon ook niet zoo maar inééns -gaan. Hij moest eigenlijk eerst iets doen om zoo groote zaligheid te -verdienen. O! Kon hij toch maar ooit iets groots doen ter harer eere! -En hij nam zich voor te werken, te studeeren met al zijn macht, om dan -later misschien ééns uit te blinken, en haar te toonen, dat hij haar -hooge gunst waardig was. - -Marcelio begon hem nu te ondervragen over wat hij alzoo gestudeerd had -met zijn grootvader in het bosch, en hij stond verbaasd, hoeveel Paulus -eigenlijk al wist. Wel stond hij nog erg onbeholpen in het groote -stadsleven, waarin hij nooit gewoond had, maar van de theorie der -dingen wist hij al veel, en er ontbrak nog alleen maar practische -ondervinding aan zijne ontwikkeling. - -Marcelio vond het een interessant geval, en begon hoe langer hoe meer -belang te stellen in zijn’ jongen protégé. Hij voelde zich zoo’n beetje -als een oude corps-student, die alles heeft medegemaakt, en een -onervaren groen onder zijn bescherming heeft genomen. - -Jong en rijk, in de verte zelfs geparenteerd aan het koninklijke huis, -en zeer gezien bij de prinses, die hem in hare hofhouding had -opgenomen, was graaf Marcelio altijd als een verwend kindje door het -leven gegaan, dat nooit ernst had gekend. Hij had een fijn gevoel voor -kunst, vooral waar die weelderig was, en een nog fijner gevoel voor -contrasten. De moderne strooming der tijden had hem niet hevig -voortgestuwd. Om op de hoogte te blijven, had hij ook aan politiek -gedaan, en eene studie gemaakt van de sociaal-democratische ideeën, -maar van alle toestanden in de maatschappij, en alle beschouwingen er -over, had hij alleen den humor van de contrasten gesavoureerd. -Verstandelijk was hij het met de sociaal-democraten eigenlijk eens, dat -de toestanden in de maatschappij ellendig en onrechtvaardig waren, maar -in zijn ziel was niet het groote sentiment, dat hem partij kon doen -kiezen. Hij leefde nu eenmaal zooals hij leefde, weelderig en -zinnelijk, en gaf toch gelijk aan degenen, die zulk een leven -nietswaardig noemden. Goedhartig en edelmoedig, vol ridderlijke -opwellingen, zat hij te vast in de sleur van zijn door hem zelf, -verstandelijk, inferieur gevonden leven, om zich aan de groote zaak van -het volk te wijden. Hij hield van goed eten, van elegante kleeren, en -van mooie vrouwen, en kon niet leven zonder de fijne emoties van -literatuur, schilderkunst en muziek, die hij als iets geheel buiten de -realiteit beschouwde, welke hij nu eenmaal gewoon dacht, wel met -prettige, streelende ontroeringen, maar toch gewoon. Hooge Liefde, en -reine Godsvereering raadde hij alleen intuïtief uit verzen en muziek, -maar in het leven kende hij enkel het zinnelijke genot, dat lief en -verrukkelijk aandeed, maar nooit zijn innerlijke ziel beroerde. Het was -de bewustheid van het nietige in zijn eigen bestaan, en van het onware -in de menschen en toestanden om hem, die hem in den lichtelijk -spottenden toon deed spreken, dien velen juist de charme in hem vonden. -Alleen als hij sprak over wat hij bewonderde in kunst en literatuur, -was die spot uit zijn stem verdwenen, maar liefst sprak hij er niet -over, en bewaarde dat eenige ernstige en heilige in hem als iets, dat -hij beter deed te verbergen. - -Hij zat nu met zijn vreemden beschermeling eigenlijk een beetje in de -war. Er was nog zoo weinig in hem, dat hij als contrast genieten kon. -Hij leek nog zoo’n wezentje van droom en verbeelding, dat nergens steun -aan had, en als zweefde in een ledig. Zóó zou hij toch nooit in het -leven van de werkelijkheid terecht kunnen komen. Hij zou eerst wat -ontgroend moeten worden, dat was duidelijk. Anders kwam hij er nooit. -En zóó voelde hij iets van het medelijden voor Paulus, dat een ervaren -student heeft voor een groentje, die het leven nog niet kent, en nog -„maagd” is. Volkomen te goeder trouw en in allen ernst dacht hij, dat -het goed zou zijn hem te leeren kennen, wat hij „hèt leven” noemde, het -mondaine leven van Leliënstad, dat als het toppunt van westersche -beschaving gold voor de geheele wereld. Daartoe behoorde in de eerste -plaats wat hij met een onbewuste minachting „de vrouwen” noemde. - -Hij genoot van de verbazing, die Paulus toonde over alle dingen in het -wereldsche stadsleven, waar híj al geblaseerd van was, en die hem niet -meer ontroerden. Somtijds werd hij ook wel eens werkelijk getroffen -door den angst en den afschuw, die Paulus toonde over zaken, die voor -hém doodgewoon waren, en waar hij het leelijke nooit van had gezien. Er -was eene prikkelende streeling voor hem in, zijn jongen protégé voor -allerlei nieuwe dingen te zetten, en dan te zien, welken indruk zij op -hem maakten. Het meest verbaasde hem zijn groote, ideale vereering voor -prinses Leliane, als voor een wezen, dat eigenlijk niet op de aarde -behoorde, maar in heilige, hemelsche sferen. Hij kende haar van zijne -vroegste jeugd af, kwam door zijn dienst als ordonnance dikwijls aan -het hof, en hij had haar nooit anders gezien dan als de vorstin, die -hij nu eenmaal eerbied betoonde, omdat dit zoo in de orde der dingen -lag, maar een eerbied, die uitsluitend uiterlijk vertoon was, en niet -wortelde in zijn ziel. - -Paulus begon langzamerhand te gewennen aan het leven in Leliënstad. - -Marcelio had hem den weg gewezen in de voornaamste straten, die hij -doormoest, en met de kaarten van Baedeker wist hij al overal te komen. - -Met geld wist hij al heel gauw om te gaan, en Marcelio had hem genoeg -gegeven, om ruim mede rond te komen. Alles ging zoo gemakkelijk en -geleidelijk met dat geld, dat Paulus niet beter wist, of het hoorde nu -eenmaal zoo dat je in een winkel of een restaurant kwam, en dan zóó en -zóóveel muntstukken gaf in ruil voor de dingen, die je hebben wilde. -Maar over de eigenlijke waarde van dat geld, en de manier, waarop het -onder de verschillende menschen verdeeld was, dacht hij nog niet diep -na. Hij vond het nog te onbeduidend en te gewoon, om er kwaad of gevaar -in te zien. - -’s Ochtends en ’s middags kreeg hij nu les van erg geleerde -professoren, die alles wisten, of volgde hij een college, of maakte -aanteekeningen bij boeken, die hij bestudeerde in de groote, -koninklijke Bibliotheek. Dat was een heerlijk ding voor hem geweest, -toen hij voor de eerste maal door Marcelio in die bibliotheek was -gebracht, waar al die duizenden boeken waren, waar hij uit mocht kiezen -wat hij wilde. De eerste dagen studeerde hij veel over -staathuishoudkunde en de inrichting van het rijk. Het allereerst wilde -hij weten, wat betrekking had op prinses Leliane. - -Toen las hij, dat in Leliënland eene kroonprinses eerst dàn koningin -kon worden, als zij in het huwelijk was getreden, en haar achttiende -jaar had bereikt. Prinses Leliane, eene weeze, was de laatste -afstammelinge van een eeuwenoud geslacht, waarvan alle mannelijke -nakomelingen waren gestorven, en zij voerde nog den titel van prinses, -totdat zij eenmaal getrouwd zou zijn. Een raad van voogdij bestuurde -tot zoolang het land in haren naam, en hare tante, de oude hertogin -Marcelia, die eene verre nicht was van graaf Marcelio, was met de -moederlijke zorgen over haar belast. - -Er werd nu al veel geschreven in de couranten over een aanstaand -huwelijk van de kroonprinses, nu zij al ruim zeventien jaar was, wie -alzoo de pretendenten konden zijn, enz. - -Paulus dacht over deze dingen niet eens veel na. Hij besefte nog te -weinig, wat een huwelijk eigenlijk was, en zag Leliane nog altijd als -het héél verre schoon dat, hoog boven de stad, troonde in haar witte -paleis, in haar eigen sfeer van heilig licht, buiten het -werkelijkheidsleven van alle dag. Het was of de couranten een geheel -ander wezen bedoelden in hun geschrijf. - -Marcelio had hem verteld, wanneer de prinses gewoonlijk uitreed om te -toeren, en dan stond hij, tusschen het volk verscholen, te wachten op -den Leliën-Boulevard, als zij van haar hooge woning nederdaalde naar de -stad. - -Dan reed zij hem voorbij, een goddelijke verschijning, in witte kant -gekleed, leunende in de blauwe kussens van de koninklijke victoria, -frêle en bevallig als een fee van louter licht en glans. - -Alle ontbloote hoofden bogen eerbiedig, en vriendelijk knikte zij de -menschen toe, die voor haar negen in vereering en groetenis. - -En dit éven haar mogen zien was hem een groote, genadevolle zegen, die -hem rust en vrede gaf in het leven onder al die vreemde menschen. -Alleen het denkbeeld, dat hij in hare nabijheid mocht wonen, dat hij -haar morgen, of overmorgen weer éven zou mogen zien, en diep het hoofd -voor haar buigen, maakte hem al gelukkig. - -Dikwijls liep hij den Leliën-Boulevard op om, boven bij de Cathedraal -staande, in de verte haar lichte paleis te zien. En als hij dan het -schitterende licht zag, waarin haar koninklijke huis als blank -porselein stond te glanzen, voelde hij den vrede weer terugkomen in -zijn ziel. Dáár ademde haar maagdelijke, lelie-reine leven, dáár woonde -zijne goddelijke gebiedster, die schooner was dan de witte water-lelies -in het bosch, dáár woonde zij, die heerlijker praalde voor zijn ziel -dan de stille sterren.... en dít was genoeg, alléén dit weten, dat het -wonder bestond van haar leven, en niets meer.... - - - -Hij raakte nu ook langzamerhand gewoon aan het drukke gewoel van de -straten. Dikwijls ging hij nu ’s avonds ook alleen uit, zonder -Marcelio. - -Hij at nu geregeld elken dag in een vegetarisch restaurant, waar de -lucht van vleesch en wild hem niet hinderde, en om aan het ongewone -leven te wennen wandelde hij na het diner de groote Boulevards op en -af. - -Het vreemde werd daardoor langzamerhand gewoon, maar toch had hij nog -dikwijls de sensatie van een onbestemden angst en een vaag vermoeden -van onraad, als hij ’s avonds te midden van het luid lawaaien van de -stad liep. Er moest iets in die straten zijn, dat hij nog niet zien -kon, maar dat gevaar was, en verschrikking.... - -Die jagende herrie, dat áltijd door gejoel en gejacht, kregen iets -tragisch voor hem, dat hij niet kwijt kon worden. Al die menschen, die -daar voortjoegen, of die zoo schijnbaar vroolijk opgepropt zaten in de -cafe’s, zij zagen er niet uit of zij gelukkig waren. Hij had nog géén -gezicht gezien zoo rustig en sereen als het maanlicht-vredige gelaat -van Willebrordus. Allen hadden zij iets zenuwachtigs, iets angstigs, -iets van onrust pijnlijke spanning. - -Hij voelde het zóó: die menschen moesten geen lief „home” hebben, -zooals zijn eenvoudige kamertje in het bosch, zij moesten niet rustig -ergens alleen kunnen droomen, in stil verkeer met eigen, mooie -gedachten, dat ze allemaal maar zoo roezemoezig door elkaar woelden -tusschen die koude, doode huizen-gevaarten, of nauw samenhokten aan -tafeltjes met flesschen en glazen, in zoo’n muffe café-zaal vol weeë -menschen-lucht en verstikkenden tabaks-damp. Kende hier dan niemand den -stillen droom van boomen, en het wijze spiegelen van vlakken vijver, en -het vaag gevlied van transparante wolkjes in de lucht? En wat joeg hen -toch zoo angstig door elkaar, met geratel van rammelende wagens, en -triestig getoet van horens, en schel klokkengebel, door die steenen, -troostelooze straten, waar geen bloemen uit bloeiden, en waar alle -dingen koud en gevoelloos strak stonden om hen heen? - - - -Zóó gingen de eerste weken voor Paulus voorbij, in studie van -stil-doorpeinsde uren bij lessen of werken in de bibliotheek, met ’s -avonds het altijd nog vreemde en vaag-beangstigende van ’t drukke -straatleven, waar hij al meer en meer aan wende, maar dat hij tóch nog -niet begreep, en dat hem niet vertrouwd werd. - -Een groote troost was hem de Cathedraal, met zijn innig, heilig leven -boven de stad. Dikwijls, als de huizen-straten hem te angstig -benauwden, ging hij zich even veilig voelen bij de Cathedraal. Zij had -een eigen, apart bestaan, als een levend schepsel, en hij kende haar, -zooals zij was op vele uren van den dag. - -Hoe het witte, reine Godsgebouw boven de stad opbloeide uit de -duisternis, met het eerste dagen van het licht, als eene groote, blanke -bloem, oprankende ten hemel! En vooral, hoe het ’s avonds ernstig vroom -werd van stille aandacht, met al de pracht van zijn ijle kantwerk -oprechtelijk uitgespreid, fijn als de loovertjes van boomen tegen -donker wordende lucht! Wat werd die wijze, kalme cathedraal een steun -in zijn moeizaam leven daar in de duistere stad! Somtijds, als hij er -langs ging, leunde hij zich vertrouwelijk tegen een harer oude muren, -zooals een kind, dat tegen zijn moeder steunt. En, zooals hij vroeger -wel eens de stammen der boomen in het bosch gestreeld had, ging hij -liefkoozend met zijne handen langs de grijze steen om het beter te -voelen, hoe het heilige wezen bij hem was. Eéns, op een laten avond, -toen hij had staan droomen in een portaal, waar vrome heiligenbeelden -op hem neerzagen, was opeens het machtige klokkenspel uitgeklingeld in -statig-bronzen carrillon, en in zalige verrukking was hij -nedergeknield, denkende dat hij de heilige muziek hoorde der engelen, -jubileerend in de luchten. En de zware, sonoor-gedragen klokkeslagen, -daarna nedergalmend van omhoog, wijd-uit gonzend over de groote, -donkere stad beneden, waren hem als ontzaglijke woorden Gods, -metaal-rein, van rechte gestrengheid... - - - - - - - - -HOOFDSTUK X. - - -De luchtige feeën-gratie van Rosita was al die dagen niet van hem -weggeweest, en als een kleurige vlinder, telkens weer terug-fladderend, -was zij door zijn ernstige gedachten heengewiegeld. - -Avond aan avond was hij teruggekomen in het Variété, op de voorste rij -van de stalles d’orchestre, om haar voor hem te zien verschijnen als -een licht visioen, zwevend met haar roze droom-lijfje in de witte -wolkjes van kant en tulle, ijl in het ledig, als een broze, kleurige -vogel, zonder den grond te raken, een liefelijk licht-wezen van enkel -droom en glans. - -Zij verscheen hem na het drukkende, moeitevolle bestaan van den dag -tusschen de kille huizen en de vreemde menschen, als het mooiste en -teerste uit zijn vroegere, jonge leven, met al de bekoring van zijn -boomen uit het bosch, met de fijne transparantheid der morgen-nevelen -over het gras, met de weifelende kleur-nuances van avond-schemering, -met de pure schittering van de sterren. - -Maar een vage droefheid kwam weleens in hem opgeweld, door al zijne -verrukking heen, hoe het zijn kon, dat dit schoon zoo bedriegelijk op -Leliane geleek, en toch Leliane niet zijn kon, omdat het Rosita was. -Ook kwam er somtijds een ongekende, vreemde ontroering in hem, die hij -nooit bij het biddend aanschouwen van Leliane gevoeld had, een -onbestemde angstigheid, wee en huiverig, die pijn deed, en zijn ziel -deed sidderen.... - -Hij had Marcelio verteld, hoe hij dikwijls naar het Variété werd -toegedreven door een zenuwachtig gevoel, dat sterker was dan zijn wil, -en hoe hij somtijds niet kalm kon zitten studeeren, omdat hij dan -altijd die vlinderachtige roze vrouwen-figuur vóór zich zag zweven. Het -liet hem geen rust, telkens kwam het terug, en dikwijls was zijn leven -een onbewust wachten op het uur, dat hij haar zou zien verschijnen. En -hoe meer hij haar nu al gezien had, des te sterker kwam het terug.... - -Dan lachte Marcelio guitig-geheimzinnig, zooals hij wel meer gedaan -had. Hij raadde Paulus aan, haar eens wat bloemen te sturen, zooals de -gewoonte was, als iemand haar erg mooi vond, en haar dat wilde zeggen. -En Paulus vond dat heerlijk. Ja, spreken was eigenlijk te gewoon tegen -zoo’n luchtig droom-wezen, dat in het ijle zweefde. Veel mooier was -het, haar met bloemen te zeggen, hoe zij zijn ziel verrukte. - -Zijn liefste bloemen moesten het zijn, die het innigste waren, en -teeder als de dingen, die hij haar toch niet zou durven zeggen. En hij -kocht nu elken avond een corbeille met enkel viooltjes voor haar, die -haar op het tooneel werd gebracht. - -Hoe heerlijk, als zij dan, lachende, op de toppen der fijne voetjes -zwevend, terugkwam voor het voetlicht, en genadiglijk de bloemen tot -zich nam! Dan was het Paulus, of zij de liefste gedachten van innigheid -had medegenomen uit zijn binnenste. Zoo ging het avond na avond, en -nooit dacht Paulus er aan, haar dichter te durven naderen dan met die -simpele viooltjes uit zijn hart, tot eindelijk Marcelio hem kwam -vertellen, dat hij haar gesproken had, en zij naar zijn jongen vriend -gevraagd had, die altijd zoo galant voor bloemen zorgde als zij optrad. - -„Ze vindt het zóó aardig van je,” zeide hij, „dat ze je door me laat -vragen, of je eens met haar wilt soupeeren, en met haar in haar rijtuig -naar huis gaan, na de voorstelling. Ze wil absoluut eens kennis met je -maken.” - -Paulus schrikte. - -Het leek hem zoo onmogelijk. - -Dat wezentje van glans en droom, dat luchtig zweefde in de luchten, dat -hij altijd had gezien in een verre, aparte sfeer, buiten het reëele, -hoe zou zij ooit tegen hem spreken kunnen, gewoon als ieder ander, hoe -zou hij naast haar kunnen zitten in een rijtuig, ratelend door de -straten? - -En hij begreep het niet. - -„Hoe kán dat?....” zeide hij, verwonderd. „Marcelio, dat kán toch -niet....” - -En weer lachte Marcelio geheimzinnig. - -Hij had niet aan Paulus verteld, hoe goed hij Rosita kende, die eene -oude vriendin van hem was, en hoe dikwijls hij haar van zijn jong, -onervaren vriendje verteld had, die de vrouwen nog niet kende, en -ontgroend moest worden. En hoe Rosita nieuwsgierig geprikkeld, en ook -vereerd door zulk een simpele aanbidding, zich door Marcelio had laten -overhalen, om het jonge droomertje eens te vragen. - -Dien avond zat Paulus in angstige spanning in het Variété. Hij had met -Marcelio gedineerd, die hem had overgehaald, weer wat champagne te -drinken. - -Toen hij Rosita weer zag aanzweven boven de bloemen, als een -lucht-wezen van niets dan droom en liefelijkheid, kon hij zich -onmogelijk voorstellen, dat zij straks in de heel gewone werkelijkheid -als een vrouw voor hem zou staan, en tegen hem zou spreken. En -heimelijk hoopte hij eigenlijk, dat het ook niet zou kunnen gebeuren, -al verlangde hij er tegelijkertijd tóch naar. - -Toen zij ná het ballet weer omhoog zweefde tusschen de witte wolken, -dacht hij stellig, „nu is ze ook heen in hooger sferen, nu kan ik haar -ook niet meer zien.” Maar Marcelio schrikte hem weldra wakker. - -„Kom nu mee,” zeide hij, „ze gaat zich kleeden, en haar rijtuig staat -te wachten in het zijstraatje links naast het gebouw. Maar drink eerst -nog een gobelet goede champagne. Dat wekt je wat op.” - -Een beetje bang, half onwillig ging Paulus mede, en liep toen met -Marcelio wat op en neer in de zijstraat buiten. - -Tot een deur openging, en een luchte gestalte met zilverachtig geruisch -van zijde aan kwam wuiven. - -Nu gebeurde verder alles aan Paulus als in een roes. Zachte, melodieuze -woorden dreven als muziek over zijn ziel. Hij voelde zich buigen, -hoorde zich wat beleefdheidswoorden prevelen, en zag opeens, dat hij in -een rijtuig zat, met een vreemd, zacht vrouwenlichaam naast zich. Er -kwam zoete, bedwelmende geur van haar, als van een bloem. - -Hij kon haar niet goed zien in het donker van den coupé. Nu en dan, als -zij voorbij een lantaarn reden, schemerde haar lief, lachend gezicht -even voor hem op, om dan weer te vervagen, als iets dat even oplicht in -een droom, en dra weer in het niet verdwijnt. - -Hij wilde even voorzichtig met zijne hand haar aanraken, om te weten of -hij niet droomde, maar voelde niets dan weg-ritselende kant en donzen -veeren. - -Eindelijk hield het rijtuig stil. Hij voelde een zachte hand die hem -medenam, hem voortleidde, een trap op, naar boven. - -En opeens stond hij in de werkelijkheid, in een lichte kamer. - -Zij stond voor hem, lachend, met al de betoovering van haar luchte -gratie naar hem toe. Ook zij, evenals Leliane, was mooier dan een -vlinder of een bloem, vond hij. Een zachte, vreemde geur van viooltjes -droomde van haar af; zijn al van de champagne lichtelijk dronken hoofd -duizelde er van. Zij had een lichtroze lijfje aan van glanzende zijde, -en toen zij een donzige sortie van witte veeren afdeed was haar blanke -hals en decolleté open. De voorzichtige, zachte opwelving van haar -borst was van een groote teederheid, en zij deed hem aan als een gebaar -van haar ziel. Haar volle, witte armen kwamen nu en dan uit het veeren -dons, als vreemde, betooverende verschijningen. - -Aan hare gestalte was iets luchtigs, iets van trilling en ruisching, -als van een vogel, die straks zou opvliegen in de lucht. Zóó zou zij -ieder oogenblik kunnen opspringen, en dansen dien luchtigen, zwevenden -dans, waarin hij haar zooeven als een vlinder zwevend had zien -wiegelen. - -Haar zijden rok ruischte, en aan haar arm ritselde zacht-zilveren -geluid van schuivende edelsteenen. Zij zag hem aan, nieuwsgierig hoe -haar nieuwe aanbidder er van dichtbij uitzag. Een aardig, jong -kereltje, vond zij. Die nog niet goed durfde. Die zeker nog erg -verlegen zou zijn. Zij hield wel van zulke maagd-jongelingen. - -En ze lachte. - -Hij vond het erg vriendelijk van haar, en hij was er heel blij mee. Hoe -zacht en glanzend was alles aan haar! Al die zijde, en dat dons, en die -schitterende steenen, waar heilig vuur en licht in leefden! Hoe fijn en -ijl waren die gouden haren van haar kapsel, als uit zonnestralen -geweven! Ja, het was toch waar. Een vrouw was mooier nog dan bloemen. -Dit liefelijke en lachende daar voór hem was van inniger uitdrukking -nog dan een lichte lente-roos. Maar vooral dat even, vage opwelven van -haar blanke, zachte borst deed hem aan met eene wonderlijke ontroering, -blijde en toch om van te weenen, heilig, en toch met een bijna -pijnlijke schrijning van lust, die hij voor den eersten keer in zich -voelde opwellen uit verre onbewustheden van zijn wezen. - -En,—vreemd! dit leek op Leliane, dit had zéér bedriegelijk iets van -Leliane in zich, en kon tóch Leliane niet zijn. Bij het eerbiedig -aanschouwen van de slapende prinses, met haar blanken boezem zachtekens -deinend op het teere rythme van hare ademing, had hij iets anders -gevoeld, niet dit schrijnende in hem, dat bijna pijn deed. Éven -weifelde hij, hoorde hij als eene vage waarschuwing in zich fluisteren, -nu op zijn hoede te zijn... - -Maar Rosita had al gesproken met een melodieuze, vleiende stem, die hem -zachtelijk bedwelmde, even zeer als de weeë bloemenlucht die van haar -afdroomde, en die iets van viooltjesgeur had, maar toch niet hetzelfde -zijn kon. Dat zoete parfum, die weeke stem, dat duizelen van -champagne-opwinding in zijn hoofd, maakten dat hij zich als een willoos -kind overgaf aan de bekoring. - -„Wou je met me soupeeren?” vroeg ze, en keek hem guitig-lachend aan, -met haar gezicht vlak bij het zijne. „Waarom zag je me altijd zoo aan -en stuurde je me bloemen?” - -En hij zeide het, eerlijk: - -„Ik heb je immers zien dansen! Je was zoo mooi en zoo licht. Mooier dan -een bloem was je. Je wiegde liefelijker dan een wit-en-roze vlinder. Ik -moest er van lachen en schreien tegelijk. Ik heb nog nooit zoo iets -gezien. Altijd zou ik je zoo willen zien, in dat schitterende licht, -met je ranke, luchtige lijf bewegend in wuivende tulle rokjes, die als -witte wolkjes om je zijn. Je kleine voeten doen dan zoo heel vreemde -dingen. Het is of ze me allerlei sprookjes vertellen, die ik lang -vergeten was, en dán ineens weer weet. Maar als je ophoudt met dansen -ben ik ze ook weer vergeten. Zóó wuiven de fijnste varens niet in het -bosch, op zóó zachten adem, als toen je zooeven je lijf liet voort -droomen op dat bevende Adagio van de violen.... Je bent zoo mooi, zoo -mooi, zoo mooi,... je lijkt wel uit de bladen van roze rozen, en de -gouden stralen van de zon, en de witte wolkjes in de lucht geboren te -zijn, en je vervult mijn ziel met lieve, zachte muziek...” - -Bewonderend, met schitterende oogen zag hij haar aan, in argelooze -overgave, en geen gevaar meer voorgevoelend in den glans van het enkel -maar mooie, dat óók op Leliane geleek. Hij zeide nu zelfs ook veel van -de woorden uit zijn ziel, die hij eens tot Leliane had durven spreken. - -Rosita zag hem verrast aan. Toch wel aardig, zoo’n jong mannetje nog. -Wat een heerlijke kleur op zijn wangen! Die hadden haar aanbidders -gewoonlijk niet meer, met hun bleeke, verveelde blasé-gezichten! En zóó -spraken ze ook niet tegen haar. - -„Ik dank je nog wèl voor je mooie bloemen,” zeide zij, lief. „Ik houd -veel van bloemen. Vooral van viooltjes, die krijg ik bijna nooit. Het -zijn altijd rozen. Niemand die ooit om viooltjes denkt. En die zijn -juist mijn lievelingen. Mijn parfum is ook altijd violettes de Parme. -Ruik je het niet? Ik sprenkel het altijd op mijn schouders en mijn -hals.” - -Ze boog zich nu tot hem over, met haar verblindend blanke hals dicht -bij zijn hoofd. - -Hij rook den geur van zijn liefste bloemen uit het bosch, maar -scherper, doordringender dan ooit, met een bedwelmende, weeë innigheid, -die weer den ongekenden, brandenden gloed met een golf door zijn -rillend lijf deed gaan. Zóó hevig had hij nooit een bloemengeur -gevoeld, die bijna pijnlijk was, en toch lief deed met warme streeling. - -„Je bent eigenlijk zélf een bloem,” zeide hij, met zijne oogen aldoor -bewonderend opgeslagen tot de hare. „Je ruikt zelf als een bloem van -wonderen geur. Maar je bent nóg zachter en teêrder. En je bedwelmt me -nog, als je zoo dicht bij me bent. Mijn hoofd wordt er moê van en loom. -Maar toch is het heerlijk, al doet het bijna pijn. Ik ben ook een -beetje bang van je, geloof ik.” - -„Malle jongen!” zei ze lachend. „Bang? Ik zal je niet opeten, hoor, al -heb je wangen als roode belle-fleurs! Ik zal je misschien alleen een -zoen geven. Heb je wel eens goed gezoend? Wil je me wel eens een kus -geven, zeg?” - -Ze sloeg haar zachte armen om zijn hals, en zoende hem op zijn wang. - -Het was zóó innig, en kwam zóó onverwacht voor hem, dat hij een zachten -gil gaf, en het hoofd tegen haar borst liet zinken van duizeling. En -hij dacht er niet aan, haar terug te kussen. - -Éven voelde hij nog héél achter in ziel, flauw en vaag, als een zachte -stem, waarschuwend en bang. Maar door de duizeling van zijn hoofd zonk -het weg, verdoofd, kwam niet meer tot bewustzijn. - -En hoe langer hoe meer begon het mooie van haar op Leliane te gelijken. - -Later, als hij om deze emoties dacht, wist hij nog zeker, dat hij -alleen het mooie van haar zag, en niets anders wist dat hem zoo -verrukte.... - -„En nu gaan we eens gezellig wat soupeeren,” zeide zij, hem meetronend -naar het canapétje voor een sierlijk gedekt tafeltje. - -Daar lagen zijne welbekende, vertrouwde vruchten, zachte, blozende -perziken, roze, fluweelige peren, innig blauwe druiven, in frisch, -dauw-bepareld groen. Het leek alles intiem, zonder slechtheid. - -Zij had, op Marcelio’s raad, geen wild doen klaarzetten, alleen zacht, -wit luxebrood, en honig, en gebak. Maar champagne moest hij toch -drinken. En het edele vocht zag zoo nobel, met goud-gelen glans, dat -hij het met vreugde opdronk, toen zij hem den fijn geslepen kelk -toereikte, met vriendelijken lach. Er was stille vertrouwelijkheid in -het rustige, roode boudoirtje, met het mollige tapijt, en de -schitterende Venetiaansche spiegels, de étagèretjes met broze bibelots, -de gezellige poufs, en de roze gloei-kelkjes electrisch licht op tafel. - -Bloemen lagen hier en daar op het witte damast, en zagen vriendelijk -uit ranke vaasjes. Zij zelve had lichte rozen in het blonde haar. Het -was hem als beleefde hij nu iets uit een sprookje, niets dan -vriendelijkheid en liefelijkheid, en enkel mooie dingen. Nog zag hij -enkel het mooie er van, en hij genoot het in blij verbazen, zooals een -kind dat, met schitterende oogen, de handjes uitstrekt naar dingen die -licht zijn en kleurig. - -De champagne benevelde hem. Een zacht suizen ging door zijn hoofd. Hij -hoorde somtijds het melodieuze klinken van haar lieve stem als van -verre, en voelde neiging, om nu ergens neer te liggen en in te slapen -onder dat gezang, zooals hij in het bosch wel eens gesluimerd had onder -het zingen van een vogel. Dán voelde hij ineens weer dien vreemden -gloed in zich, of om zijn ziel iets begon te branden, een gloed, die -opsteeg van zijn voeten naar zijn hoofd, met lange, rekkende rillingen -over zijn lijf. - -Dán was het even angstig, tot het weer zacht vervloeide in loomheid, -vaag zalig. - -Die zoete geur, die om haar was, die teere rondingen van haar borst, -die blankheid van haar armen, die vochtig-warme blik van hare oogen! -Hij voelde zich langzamerhand als bezwijmen onder het warme, innige, -dat van haar uitging als van eene exotische bloem, die verdooven doet. -Zijne wangen gloeiden, hoogrood, en zijne oogen schitterden als van -koorts. En telkens steeg de vreemde gloed weer in hem op, met -ontstuimiger golving. - -Tot zij hem opeens in haar armen nam, met haar warme, geurige lijf op -zijn schoot, en hem hartstochtelijk kuste op zijn mond. - -Toen sloeg de roode vlam eindelijk omhoog, uit den gloed waarin zijn -ziel nu zou verteren, en hij voelde het felle vuur iets van de liefste -en teerste dingen verschroeien, die in hem waren geweest. Met een kreet -van pijn en lust gaf hij zijn jongenslichaam over aan den ongekenden -hartstocht-storm, en zijn ziel van droom en mijmering duisterde angstig -weg, waar zijn armen het schoone vrouwenbeeld van ideaal nu -krampachtig, bijna vijandig omklemden, om met haar samen heerlijk in -dat heete vuur te vergaan. - -Hij voelde nog vaag, hoe hij, dicht tegen haar aangedrongen, door een -roode ruimte liep, een andere kamer in, waar alles brandde, hoe hij -toen met haar neerzonk, duizelend, in een verre, roode diepte, en -overal waren vlammen, en alles was rood voor zijn oogen, tot hij bang -en tóch zalig, wegzwijmde in het felle vuur, verschroeid, als dood.... - - - -Het bleeke, triestige schemerlicht van een donkeren regenmorgen, -druilend door zware, geel-kanten gordijnen, maakte hem wakker uit een -loomen droom van diep, zwart niets. - -Hij wreef zich de oogen, rekte langzaam uit zijn leden, die slap waren -en lam. Dat bleeke, gele licht.... Hoe vreemd.... Hoe vreemd.... Waar -wàs hij?.... - -En opeens staarde hij angstig in het rond, een gil ópkroppend in zijn -keel, die van schrik niet uit kon schreeuwen. - -Wat was dat, daar naast hem?.... Het leefde, het bewoog.... - -Rillend kroop hij terug in het groote bed, om het niet aan te raken.... - -Toen kwam opeens het bewustzijn in hem terug van wat gebeurd was. - -O God! O God!... Het was Rosita, neen, Leliane... Neen, dat kon niet, -dat mócht niet.... niet Leliane, niet Leliane.... Rosita was het, -Rosita.... Neen, óók Rosita kon het niet zijn. - -Maar het was toch een vrouw.... Een vrouw, een mensch.... Een -menschenlichaam was het, dat sliep, en zwaar ademhaalde... Ja, het leek -wel op Rosita... en tóch kon het Rosita niet zijn, die zweefde in de -lucht, een wiegelende ziel, zonder materie.... - -Een vrouwengezicht, moê, bleek, de blonde haren verward, slordig langs -het kussen.... er waren vegen rood op, ineen geloopen, als gesmolten -verf, die los gelaten had.... daaronder was de huid geel bleek, zonder -kleur.... onder de dichte oogen diepe, blauwe kringen.... de mond was -half open, niet teeder meer, met een groven trek van lust.... - -De fijne kanten van haar hemd waren verfrommeld, geknakt als -bloemen.... haar borst was onbedekt, blank, mollig vleesch, dat op en -neer ging, bij iedere ademhaling, en leefde.... maar zonder wijding nu, -als gewoon.... - -Op het hoofdkussen lagen gescheurde, verlepte blaadjes van rozen, uit -haar los-geraakte coiffure.... - -Een weeë, doode geur van viooltjes kwam van dat slapende lichaam, -benauwd, zonder innigheid.... - -Wie was dit?.... Een vrouw, die op Rosita leek, maar niet Rosita... Een -vreemde, die hij niet kende... Een vreemd, apart, warm-ademend leven, -heelemaal buiten hem, waar hij niet bij hoorde.... - -Toen kwam de herinnering aan den afgeloopen nacht al meer en meer in -hem tot klaarheid.... Met ontzetting zag hij het ineens helder voor -zich terug, wat in een roes, bijna onbewust, gebeurd was. - -Eerst was het een droom, een lieve verschijning van fee, licht en -luchtig, als een wolk.... Toen was het al dichter en dichterbij -gekomen.... al zwaarder en zwaarder was het geworden, levend en -warm.... En hij had gegrepen, met bevende handen gegrepen naar het -mooie, dat eerst zijne oogen enkel durfden aanbidden.... het mooie, dat -óók op Leliane geleek, en daarom heilig was.... - -En toen... die gloed, die helle vlam, die roode hartstocht-storm, en -dat woedend kloppen van zijn driftig hart!... Hoe het brandde, hoe het -brandde tegen hem aan!... Hoe zijn mond het heet gedronken had van haar -brandende lippen!.. Hoe hij het had omklemd, hoe hij het tegen zich aan -had durven prangen, hard, bijna vijandig, of hij dat broze breken wou, -uit woede, hoe het teedere eerst had uitgeschreid en toen een heete -vlam was geworden, die verteerde!.. - -O! Hij wist het opeens weer, die armen om zijn hals, het warme, zachte, -schreiend tegen hem aan, de gloeiende kussen, dóórbrandend in zijn -lijf... En het moede, loome neerzinken, gebroken, en dan het hoog -oplaaien van vlammen, telkens en telkens weer opnieuw... Zóó woedt niet -een storm in stille boomen... - -En nú dit, en anders niet... Die bleeke, moede vrouw... die doode, weeë -geur, de oogen gloedloos, zonder pracht, en het weeke vleesch zoo mat, -zoo lam, zoo vreemd... zoo heel apart dat zwaar-ademende lichaam daar -naast hem, hij kende het niet, hij had het nooit gezien... het kon ook -nooit Rosita zijn geweest... - -En al het teêre, lieve, vriendelijke nu henen, om nooit weerom te -komen.... - - - -Voorzichtig stapte hij uit het bed, bang om haar wakker te maken. -Gelukkig, op het dikke, donzige tapijt was zijn voetstap onhoorbaar. -Zij ademde rustig door, zwaar, met een piepend geluid.— - -Nu zich maar gauw aankleeden, zachtjes. Straks thuis zou hij zich wel -wasschen. Het water zou te veel plassen in de kom, en haar misschien -wekken. Wacht, toch even voorhoofd en wangen nat maken met een -handdoek! Ha! hoe heerlijk koel was dat op zijn brandend gezicht! Hoe -gloeide hij! Als de muur van een uitgebrand huis voelde zijn lichaam -aan van buiten. Het vuur was nu verteerd, maar toch gloeide zijn huid -nog na. O! Het blusschende, koele, stillende water, wat deed het goed! -Nu allereerst hier weg, uit deze ondragelijke bedompte -slaapkamer-atmosfeer. Hij zou hier anders nog stikken. - -Zenuwachtig trok hij zijn kleeren aan, schrikkend bij ieder geluid, dat -hij maakte. Wat was het benauwd!... O! Lucht, lucht, het was niet uit -te houden... Voorzichtig deed hij de gordijnen op zijde, en trok het -venster wat open. - -Gelukkig, het liep goed in de rollen, in elkaar gezet door bekwame -handen, en het schoof geruischloos op. Een frissche stroom lucht waaide -hem tegemoet. - -Buiten druilde het eerste schemerig morgenlicht door grauwe wolken over -de dingen. - -Paulus zag een klein binnenplaatsje, ongure, verweerde, oude muren, en -leelijke daken van huizen. Alles stond triestig en doodsch te drenzen -in lamme verveling. Alleen in het kleine tuintje achter Rosita’s woning -stond een dunne, hooge populier, eenzaam en vervreemd. Een vogeltje -begon er zacht in te tjilpen. En een groote weemoed kwam er van in -Paulus’ ziel. Hij dacht om den morgen in het bosch. Hoe kwam dit lieve -vogeltje hier zoo verdwaald in dien eenzamen boom?... - -In de verte hoorde hij gerommel van een wagen, en een vaag gedruisch -ruischte aan, onbestemd. De groote stad begon te bewegen, zachtjes, -voorzichtig nog. Nú een rijtuig, ratelend over een straat, een geklets -van paardehoeven. - -Hoor! Een haan kraaide, schel, hoog geluid. - -Het grijze geschemer werd al lichter, en achter de donkere wolken begon -iets te glanzen. De nieuwe dag brak aan over de wereld. - - - -Toen stroomden de tranen wild uit zijne oogen, en snikken kropten op -uit zijn borst. - -Hij viel op een zachte divan neer, en verborg het hoofd in een kussen, -dat die vreemde vrouw daar zijn snikken niet zou hooren. - -„Leliane!... Leliane!...” fluisterde het in zijn ziel. „Mag ik haar nu -nog aanbidden, Leliane?...” - -Totdat de wilde tranenvloed eindelijk bedaarde, en hij angstig de kamer -uit kon sluipen, zachtjes op de punten der teenen, de trap af naar de -voordeur, heimelijk, als een dief.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XI. - - -Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk -vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was -geweest. - -Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op -straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige -leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie -uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat. - -O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten, -loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust, -die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit -verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook -in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild, -begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van -Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch -hevig haatte, die enkel het witte, rustige, reine wilde van stille -contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest -misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou -drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht! - -En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk -waren voor de menschen! - -Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn -nacht bij Rosita had verteld. - -„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je -zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van -je, anders had ze je niet gevraagd... Er zijn er honderden, wien ze -voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen... -Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil... Je -mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar -een hartelijke attentie sturen... je bent te benijden, mijn beste...” - -Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen -zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou -zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen -opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend -en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon -concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de -rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam, in het -neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille -boomen.... - -Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor -dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen -waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met -schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van -zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd -bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven -had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane. - -En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen -strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen -van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de -dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van -zijn ziel. - -Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was -hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria -zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende -voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en -diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en -hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het -hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er -niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach. - -Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere -menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem -teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de -straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen, -ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards. - -En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit -kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich -tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen. - - - -Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend. - -Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man -opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken, -met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich. -Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen, -waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan -haar verwante in dien somberen jongeling. - -Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in -kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden -weg. - -Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk heel verrast, toen -Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had -geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen, -pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen. - -„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij. - -Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde -hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het -gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van -de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat -al die menschen eigenlijk dreef. - -„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias. - -„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend. - -Toen was Elias even wantrouwend geworden. - -„Graaf Marcelio?”.... zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?.... -Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.... Dat wist ik -niet.... Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.... Wat een -weelde hè, hièr in Leliënstad.... Wat rijk en goed en edel allemaal, -hè?....” - -Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich -vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond -van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die -ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen, -wat toch wel dat verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet -kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die -schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die -vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich -hadden.... - -Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in -het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid -gezien, die blonken in zijn oogen. - -En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik -dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak. - -In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem -ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het -mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie -dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik -je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote -meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan -je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien -waardoor zij alleen bestaan kan.” - -Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht -met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van -mededoogen. - -Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook -over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen, -die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even -smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met -Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien -iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven -vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren -begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen -en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En -weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s -avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten -verhuren om te kunnen leven. - -„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,” -zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan -zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad -van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar -weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar -minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens -vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van -hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.” - - - -Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen. - -Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange, -hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen -whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken. De vies-schitterende -mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die -onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten, -keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen, -vleierig. - -Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt -lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was. - -Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal -en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken, -luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag -alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve -en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor -brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen. - -„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide -Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme -schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk -minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées -óók vrouwen zijn, als hun moeders en zusters, en het heiligst -vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun -zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben, -en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan -zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!” - -Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij -dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar -zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij.... - -De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met -goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht. - -Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde -langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan -tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren. - -Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig -gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de -deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het -knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze -cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de -groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van -kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal, -prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote -poppen in den arm, prachtig aangekleed met dure kant en kostbare -juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was -iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij -vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier. [1] - -„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus. - -En Elias, bitter: - -„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten. -Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort -bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die -arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen -genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.” - -Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de -armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de -feestende mannen scheen er iets van te zien. - -Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken -champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die -voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden -koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht -voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag. - -Hier en daar slenterden een paar vrouwen door de zaal, die nog geen -mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren, -die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias -wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was, -omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in -beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen -krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen. -Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het -eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe -weinig echt ze waren. - -„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias. -„Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een -zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en -het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet -je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere -gelegenheden zijn.” - -En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der -stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope -bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren -nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als -alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne -gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen. -Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden -en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes -werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar -aangepropt, zaten te eten. - -Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste -prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het -restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten -hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch, -of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie. - -De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud. - -Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen. - -Hier zaten derderangs artiesten uit kleine theatertjes, bohémiens -zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen, -poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele -bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen, -in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen -op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch -grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns -misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar -te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe borst, een -opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een -toevallig vooruitgestoken been. - -Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen, -zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand -over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een die -klappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de -mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die -vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove, -obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte. - -Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet -op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die -ze eindelijk medenam, het café uit. - -„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias. -„Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf -francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar -triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en -kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t -weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw -die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote -beschaving van Leliënstad....” - -„Hare zusteren... háre zusteren,” dacht Paulus àl maar door, en pijnend -ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane... van de -kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het -bosch...” - -„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door, „het kan -nóg minder, nóg afzichtelijker... er is hier niets zóó afschuwelijk, of -het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is... het geld -regelt alles...” - -En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door, -met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een -nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis -was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor -het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en -zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode -gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij -riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten -en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van -harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van -faecaliën en lekkende riolen. - -Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij -een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek. - -Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat -uit. - -Elias had hem spoedig ingehaald. - -„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de -misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen... -dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme... waar hij met een -ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over -vrouwen... Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók, -op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft... en -die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden -zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de -productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld... Niet zij zijn de -schuld van haar verdierlijking... In onze lichte, mooie Leliënstad, -rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die -vrouwen, die van hun schande moeten leven... vergeet dit niet, veertig -duizend... In het centrum van de beschaving...” - -Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door. - -Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het -mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat -zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme -dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed -schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en -bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan, -zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de -maatschappij! - -Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en -afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote -Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen -op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens. -Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van -ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of -doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als -je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de -laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met -vlagen door de straten. - -O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende -even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van -kuischheid, om weer te gelooven! - -En ineens dacht hij om de Cathedraal.— - -O! De Cathedraal, veilig hoog boven de stad van zonde en vooze schande! - -Haastig liep hij door, ijlings straat na straat uit, als een die dorst -heeft en zoekt een lavende bron. Daar was de Leliën-Boulevard! Nu -stijgen, stijgen, dat de duistere stad beneden verzinkt! En hij snelde -naar boven, hijgend de steile helling op, in groot verlangen. -Eindelijk, daar was het, eindelijk! - -Het reine. Het vrome. Het heilig rijzende omhoog. Roerloos rees de -kalme Cathedraal op tot den blauwen maanlicht-hemel vol sterren. - -En zóó als nú in den lichten nacht had hij haar nog nooit gezien. De -adem Gods omdroomde haar, en beefde geruischloos langs haar biddende -bogen, en gleed onzichtbaar langs haar teêre lijnen. In het -zachtjes-zilverende maanlicht was zij blank als een heilige bloem, en -alles wat er van materie aan was werd vergeestelijkt in dien glans. Het -fijne weefsel van haar kanten figuren was als aetherisch gespeel van -sterren-stralen, dat dra vergaan zou in niets bij luchtigste beving van -wind. - -Zóó luchtig en ijl was het kanten gedroom omhoog, dat het Paulus was, -als stond de Cathedraal heel vaag te beven in nauw merkbare trilling, -als een spinsel van veeren varens, van eigen lichtheid rillend in de -lucht. De dunste, teederste blâren van boomen die hij gezien had, in -stillen wouden-nacht, waren niet zóó innig en broos. En hoog in die -kanten pracht stonden vrome heiligen met biddende handen, en engelen -met recht-gestrekt zwaard, roerloos, met wijd gespreide vleugelen. - -Toen welden de lang opgekropte tranen eindelijk op in Paulus’ oogen. - -O! Zóó hoog zijn, zóó statig, en zoo rein! Zóó biddend te mogen -oprijzen boven de duistere wereld, en in uiterste, rechte strekking, -zich uit te rekken naar God, in allerhoogste spanning van innigst -wezen! - -Hoe kalm was dit alles, hoe rustig, hoe eenvoudig, zooals een bloem -rijst uit den grond, zoekend het licht! En hoe klein leek nu ineens al -dat groot-verschrikkelijke van zooeven! - -Kijk, al die huizen daar beneden, het eene naast het andere, en dit wat -hooger, en dat wat lager, als een stomme kudde, de koppen op elkaar, -die zich in duister verdringt! En hoe triestig en armzalig, al die -rijen lichtjes daar, weifelend en pinkend in den nacht! Hoe nietig -waren ze nu ineens, de leventjes van al die honderdduizenden -saamgehokte menschen daar beneden, die er rondploeterden met hun laffe -lustjes en verlangentjes! Was het wel zoo verschrikkelijk als hij het -daar net gevoeld had, en was het wel waard, zoo fel te beroeren zijn -ziel van louter vrede en rust? - -Hier bij die hooge, kalme Cathedraal, opbloeiend als een heilige, -blanke bloem naar den eindeloozen hemel vol sterren, was al dat geknoei -daar ver beneden toch eigenlijk maar als dat van stoute, kleine -kinderen, die morsen en nog geen zindelijkheid hebben geleerd. - -En waar al die kleine lustjes van de kleine menschjes daar zouden -verteren, en al die knoeiende stumperts weldra zouden vergaan in het -stof, daar zou die blanke Cathedraal heerlijk blijven staan, door de -eeuwen heen, onvernietigbaar, in goddelijke glorie.... - - - - - - - - -HOOFDSTUK XII. - - -Toen leerde Elias hem de ware inrichting van de groote -menschen-maatschappij in Leliënland, en hoe schoon haar schijn was, met -de leugens van wetten en rechten, die enkel de rijken, de bezitters ten -goede kwamen, maar de armen onderdrukt hielden in brood-slavernij, -erger dan die van de slaven onder wilde negerstammen. Hoe heerlijk -schoon waren die leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoe -edel leek dat beginsel, het volk geregeerd door het volk, door de -vijfhonderd mannen uit het Parlement, die zij zelf kozen, en de koning -of koningin genadiglijk bekrachtigend wat het volk wilde! Die vrijheid, -waar honderdduizenden moesten zwoegen en bloedig zweeten voor een -hongerloon, omdat zij anders als honden zouden sterven, die gelijkheid, -waar de eerste de beste poen met geld in weelde zwelgde, en de arme -arbeider wegkwijnde in honger en gebrek, die broederschap, waar ieder -koud zijn eigen weg ging, ongeroerd door anderer ellende en verdriet! -Die volks-regeering, waar juist de meerderheid, de arme stakkers, niet -konden kiezen, omdat zij waren uitgesloten van de stemming, en de -bezitters, liberalen of clericalen, enkel die mannen kozen die hun -bezit zouden verzekeren ten koste van de jammerlijke stumperts, die -daarvoor verdrukt moesten blijven! - -En Elias overstelpte Paulus met boeken en brochures, waarin het onrecht -der huidige maatschappij werd aan den dag gelegd. Hij trachtte ze met -aandacht te lezen, maar al de daarin neergelegde theorieën, ze -warrelden door zijn hoofd, zonder tot klaarheid te komen. Die -diepzinnige beschouwingen omtrent den oorsprong van het kapitaal, de -overproductie, de rente, de meer-waarde, de sociale evolutie, de -loonen, zij deden zijn hoofd duizelen. - -Maar dat was niets, zeide Elias. Er was ook eerst jarenlange studie -voor noodig, en als hij maar een paar jaar ijverig studeerde, zou hij -wel goed op de hoogte komen. - -Nú voelde Paulus vast alleen heel helder en klaar dat ééne, eenvoudige -feit, dat de kleinere helft van de menschen in weelde en overdaad -leefde, en dat de overgroote helft moest zwoegen in gebrek en kommer, -om dien toestand van onrecht te doen voortduren. - -Daar waren geen dikke, geleerde boeken vol theorieën en beschouwingen -voor noodig, dat zag je van zelf, als je maar éven je oogen gebruikte -en je verstand liet werken. - -Maar juist dit ééne, eenvoudige feit, waar toch alles op neerkwam, -schenen de menschen niet te zien of niet te willen zien. - -Ook begreep Paulus zonder studie die tweede, voorname waarheid, dat de -aarde voor allen gelijkelijk was bedoeld, en ieder mensch dezelfde -rechten had op alles wat uit de aarde voortkwam, zooals de vogels -gelijke, natuurlijke rechten hadden in het bosch. - -Zeker, hij zou leeren, hij nam zich voor alles met aandacht te lezen, -wat Elias hem geven zou, maar déze twee simpele, groote waarheden droeg -hij alvast als kostbare, maar droeve schatten in zich om. - -En langzamerhand begon hij ook de vreeselijke, verdoemenswaardige macht -in te zien van het geld. - -In ’t eerst, toen hij pas de goud- en zilverstukken in zijn bezit had -gekregen, leken ze zulke onschadelijke, gemakkelijke dingen, meer -goedig dan gevaarlijk. - -Maar nú begon hij hoe langer hoe duidelijker te voelen de laffe kracht, -die in die blinkende stukken metaal lag. Want geld, oorspronkelijk als -eenvoudig ruilmiddel bedoeld, dat was enkel de macht die de bezitter er -van heeft over een medemensch, die het niet bezit, had Elias hem -geleerd, en bij een weinig nadenken had hij ingezien, hoe juist dit -was. Voor geld was alles te krijg. Voor geld kon een man zelfs een -vrouw koopen, haar lichaam huren, om het te bevuilen met zijn lust, als -de vrouw het geld niet bezat. Hij had zich geschaamd, toen hij zag, hoe -de beeltenis van Leliane op al die geldstukken was gegraveerd, en hij -voelde opeens de gedachte in zich opkomen, dat hij, indien hij zoo -bleef dóórvoelen, zou moeten eindigen met géén geld meer te mogen -aannemen, zelfs niet van Háár. - -En alles in de groote maatschappij werd door dat geld beheerscht, -zonder uitzondering. Al de conventies, al de instellingen, het gezin, -het fatsoen, het huwelijk, zij stonden allen onder den invloed van het -geld. Er was geen diepe studie noodig om dit te zien, enkel het -eenvoudige, oprechte voelen van een kind. - -Ook veel schoone dingen liet Elias hem zien in Leliënstad. Hij leerde -hem te waardeeren wat de groote schilders van het land hadden -voortgebracht. Hij nam hem mede naar concerten, waar Paulus uren van -verrukking doorleefde, zooals hij ze in het Bosch zelfs niet had -gekend. Beethoven en Bach begon hij te vereeren als heiligen, en hij -vergat al zijn verdriet als hun heerlijke harmonieën hem omruischten. -Dan leek het hem, of hij nú eerst de mooie werkelijkheid van het -menschenleven voelde, en al het andere maar booze schijn van droom was -geweest. En het was hem dan ineens, of Leliane weer heel dicht bij hem -was, en nooit eigenlijk weg was geweest. - -„O! Niets te hooren dan dit!” had hij tegen Elias gezegd. „Zou je zóó -niet kunnen leven? Al het leelijke uit den weg gaan, en enkel maar met -idealen leven? Niets bij je willen hebben dan mooie schilderijen, en -verzen, en muziek?” - -En Elias had gezegd: - -„Zeker kán dat. De meesten van die verfijnde menschen doen dat, die -zich tegenwoordig „artiesten” noemen. Maar vergeet niet, dat al die -mooie dingen weer alleen voor die kleíne minderheid van de menschen -zijn, die er met de macht van het geld bij kunnen komen. Voor de -tobbende stakkerts zijn die mooie dingen niet. Ze zouden ze ook niet -begrijpen, zoolang ze in de verstomping leven van beestachtig werk en -hongerig gebrek. En zou je al dat mooie kunnen genieten als je weet dat -honderdduizenden van je medemenschen in ontbering hun deel er niet van -krijgen?” - -Toen was er iets in Paulus gekomen, dat het hoogste genot voor hem -bedierf. - -In zoo’n concertzaal zitten, en dan in eens te denken aan al het -onrecht en de leugen daarbuiten! ’s Avonds na afloop op straat komen, -en de sombere figuren van zoekende prostituées te zien ronddolen in -regen en kou! Dan vond hij zich wel eens een onwaardige, dat hij had -kunnen genieten, wijl het weten van de ellende zijner medemenschen -bewust in zijn ziel was. - -Het groote stads-leven werd nu opeens voor hem als een booze droom, nu -hij de verschrikkelijke motieven had gezien, die al die droeve drommen -van menschen bewogen in dat warrelende gewoel. Zoo op het eerste -gezicht leken al die menschen eer belachelijk dan gevaarlijk, in hun -smakelooze kleeren, met hun onbevallige, hoekige gebaren, maar nu hij -beter wist wat ze wilden, verschrikten ze hem als wilde dieren, die -enkel op de bevrediging van hun vraatzucht zijn belust. - -Het zenuwachtige gejaag op de breede, rijke boulevards, het gejoel in -theaters en groote restaurants, al het gedoe en gescharrel was toch -maar op één ding gericht: den dierlijken hartstocht, van allen -schoonheidsglans ontdaan. - -En het getob en gezwoeg in ’t dagelijksche leven van zaken en -bezigheden, het geknoei op de beurzen, het gewoeker met effecten en -papieren, het gegraai naar meer en meer bezit, het was toch eigenlijk -allemaal maar om dat ééne genot te hebben van vrouwen, en vrouwen, en -nóg eens vrouwen, enkel haar lijven, en anders niets. Dáárvoor alleen -waren de leugen en het geweld van de rijken, dáárvoor alleen leden de -misdeelden armoede en honger, en werden zij afgebeuld tot het laatste -zweet van hun uitgemergelde lichamen. - -En, het ergste, tóch waren die bevoorrechte menschen, die dan alles -hadden wat weelde en geld hun konden geven, niet gelukkig. Dat zag hij -wel aan hun harde, expressie-looze gezichten. Het genot dat zij -voorgaven te hebben, was een leugen. En de lach van de vrouwen, die met -diamanten en zijden gewaden prijkten, was geen lach van vreugde. In -allen was de onrust, die hen altijd maar voortdreef naar nieuwe -genieting, die nooit voldeed, en hij wist niet wie meer te beklagen -waren, de slaven der maatschappij, afgebeuld door hard werken, of de -rijke meesters, afgejakkerd door hun altijd onbevredigde begeerten, -zonder één oogenblik van kalme rust, zooals een hert dan tenminste nog -heeft, dat stil ligt te droomen in het bosch, zonder zorgen. - -Of zoo iets mensch-onteerends als de Zondagsche pantoffel-parade in het -Koningspark, ’s middags tusschen twee en vier. - -Dan vierde de afschuwelijke bourgeoisie haar hoogtijd, en kwam zij tot -haar opperste moment van leelijk zijn. - -Het onuitstaanbare van een combinatie mama-papa-en-de-kinderen, -allemaal in Zondagsche pakken gestoken, papa met een hoogen hoed op, -mama in een zwarten mantel met gitten, de kinderen met de vingers -stijf, wijd-uit in de ongewone handschoenen. Het nadoen van de echte -aristocratie, die tenminste nog iets van gratie had, door kruideniers -en kappers en winkelbedienden, dezelfde menschen, die socialistische -neigingen hadden en praatten over veredeling der maatschappij! - -Het schijnbaar zedige en niet-mogen-kijken van damesachtige meisjes, -die de oogen moesten neerslaan als een man ze aanzag, maar toch -dadelijk heelemaal te krijgen waren voor den eersten den besten lomperd -met een „positie” die een vrouw, of ’t een beest was, kon -„onderhouden!” - -En, het ergste van alles, dat welgestelde van die Zondagsche -Park-wandelaars in hun goedkoope heeren-en-dames-plunje, dat -egoïstische van met-je-vrouw-en-je-kinderen-goed-te-eten-hebben, en -„fatsoenlijk” te kunnen leven als „nette menschen,” zonder een aasje -idee van de ellende der anderen, die niet in dat Park kwamen wandelen, -omdat zij honger leden en koû! Juist die aparte groepjes van familie -onder elkaar lieten zoo duidelijk zien hun absoluut egoïsme, hun totale -onverschilligheid voor alles, wat niet tot het troepje behoorde. -Eigenlijk wandelden al die Zondagsmenschen daar schaamteloos hun -egoïsme rond. Maar ’s ochtends waren zij naar de kerk geweest en hadden -gebeden met den priester of den dominé, en een paar koperen duiten in -het groene zakje gegooid. O! Al dat leelijke te zien, dat grove, dat -schijnheilige van Zondagsmenschen op de wandeling, en dán nog te -gelooven aan de machtige woorden van Christus, dat dit zijn broederen -en zusteren waren! Dikwijls kwam er onwillekeurig een bittere spotlach -om Paulus’ lippen als hij hierom dacht. - -De leugen van alles drukte hem nu zoo zwaar, dat hij soms moeilijk -ademhaalde als hij onder veel menschen was, en zich wel eens moest -bedwingen om niet uit te huilen van pijn, of hoog uit te schreeuwen -zijn gloeiende verontwaardiging. - -Bizonder sterk was het op den Zondag, als al de menschen met een -Zondagsch gelegenheidsgezicht in andere kleederen dan door de week over -straat gingen. Het verschrikkelijke, van die menschen ’s ochtends -kerkwaarts te zien gaan, hun gezangboek onder den arm, den leelijken, -monsterachtigen Dom in, om een heel gewoon mannetje in leelijke, zwarte -toga rhetorica te hooren galmen over wat hij wel durfde te noemen God! -Of, nog erger, als hij ze in hun leelijke, stijllooze kleeren de -wondermooie Cathedraal zag binnentreden, wetende de goddeloosheid en -het egoïsme in hun harten!— - -Heel erg kon de benauwing ook voor hem worden in een concertzaal. Te -hooren de wondervolle extaze van Tristan en Isolde, en dan al die -fatsoenlijke, correcte menschen te zien, met uitgestreken gezichten, -die net deden of ze zoo iets mooi vonden, en barbaarsch lawaai maakten -met hun handen als het uit was, als een troep wilden! De leugen, dat -zij die extaze werkelijk mooi zouden vinden, en dus diep in zich -voelen, terwijl zij zelf opgepropt waren met berekening en egoïsme, en -hun zoogenaamde liefde borneerden door dwang-ideeën van stand en -fatsoen, die alle heiligheid verstikten! Die menschen, die de eersten -zouden zijn om al hun laster en kwaadaardigheid uit te storten, waar -ergens eens eene liefde dorst op te bloeien als die van Tristan en -Isolde, die hun dochters opvoedden tot duffe marktwaar, te verkwanselen -op bals en dinertjes, waar ze uitgestald werden als nuchtere kalveren, -die huwelijken sloten uit listige speculatie, en zich dan toch niet -schaamden, Gods zegen te komen halen over hun miezerig gedoe! En dat -zat dan in opgeschroefde extaze zich aan te stellen bij zulke -wonder-heerlijke muziek als van Tristan en Isolde! - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIII. - - -Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij -opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden -op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong -zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat -erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm -nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde -met niemand te doen hebben. - -„Vader!... vader!...” riep hij maar. - -Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in -den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn -kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje -het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems -klingelend en rinkelend voorbij stoven. - -„Vader!... vader!...” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel -armpjes, om zijn vader te zoeken, door het lawaaiende gevaar van het -groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer -te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware -electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede -gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de -rails.... - -Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide -onverschillig voorbij. - -Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in -zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en -honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was. - -„Mijn vadertje!... mijn vadertje!...” huilde hij, „waar is vadertje?” - -Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was -nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf -jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel -klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad -van zonde en ellende en gevaren! - -Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de -straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij -den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke -plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met -vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu -ook bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat -gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en -een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe -alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis -was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk -bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging! - -Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat -kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen -gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.... was -hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het -groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet -verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem -niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne -gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot -hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet -precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij -zooeven bij moeder thuis had gebracht? - -En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de -gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun -Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige -door, zonder ooit het veilige Thuis te vinden? Liepen zóó ook niet in -de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en -meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het -heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al -hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het -verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de -misère? - -O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind -hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en -bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het -bergen, veilig in zijn sterke armen? - -Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in -de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den -avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke -winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de -stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de -wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk -alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand -reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit -allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het -hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend -voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam van dien Vader, -die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten -vergaan! - -En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste -weken maar niet kon vergeten: - - - Ziet ik ben bij - U alle dagen tot aan - Der wereld einde. - - -Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud -waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander, -hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen -doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en -vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de -stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen -ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder -denzelfden vaderlijken wind voor allen.... - - - -Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over -al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed -zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was -om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen. - -Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er onvoorzichtig iets van -los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis -ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de -benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal. - -De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige -licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren -valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de -nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen -hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had. - -„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die -vrouwen allemaal?” - -Maar de aristocraat begreep hem niet. - -„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd -over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.” - -Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het -vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn -weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere -zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte -uit. - -„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat -het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt... Dacht -je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n ellendig -métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze -beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele -leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of -onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door -echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor -rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben -gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten... Al die vrouwen zijn -toch ééns kinderen en meisjes geweest... Hoe kan je zoo iets -verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd -worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk... Ik -begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van -de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze -weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn -verzonken... hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen -van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar -voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het -gelukkig zélf niet... en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene -wijven” te noemen... zijn de andere vrouwen niet gemeener, die -eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes -leven?...” - -Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend: - -„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?” - -„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te -zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals -Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de -ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg -me eens, Marcelio... Weet de prinses de verschrikking van de -prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren -van schande en bezoedeling moeten leven?” - -„De prinses?...” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?... Maar -wat bezielt je nu, Paulus?... Dacht je dat die zich druk zou maken om -al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!... Daar -staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische -parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen... Die -kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven...” - -Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen. - -Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de -nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld... - -Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels, -waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel -voor de rijken en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En -daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde -ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele -guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer.... - -Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg -hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes -zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke -prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit -marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld -in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de -ellende.... - -Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het -allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog -eens breken zou. - -Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag -tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden -van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in -eigen schoonheidsglans gehuld. - -De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem -te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende -vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld. - -En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog iets anders in hem was -gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre -horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot -zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en -dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien -zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het -wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om -schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen -deelen. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XIV. - - -Op een avond, tegen vijf uur, toen zij uit de Bibliotheek kwamen, vroeg -Elias of Paulus nu eens even mee wilde wandelen door de arme buurten, -waar de ellendigen woonden. - -„Waar wij zoo loopen is het gewoonlijk nog al netjes,” zeide hij, „en -de meeste menschen, die het zoo’n beetje doen kunnen, zien nooit iets -van al het akelige en afschuwelijke. Er zijn hier honderdduizenden, die -nooit in de wijken der misère geweest zijn.” - -Met een electrische trem reden zij drie kwartier lang naar een -westelijke buurt van de stad, waar Paulus nooit was geweest. - -En nu werd het als een booze droom, te bar om werkelijkheid te -gelijken. Straten, bedekt met vastgekoekte modder, vol koolstronken en -sinaasappelschillen, krotten, vooroverhangend van ouderdom, zwart en -verweerd, met gebarsten ruiten, waar het wemelde van havelooze, woest -uitziende stakkerts. Kinderen speelden in het vuil van de straat, -tusschen afval en lorren, als morsige honden. Overal hing walmende -stank van slechte rioleering en vuile kleeren. Joden met wagens vol -rotte vruchten en bedorven eetwaren liepen door de buurt, twistend met -wijven in afzakkende jakken en vuile rokken. Overal klonk gevloek en -gescheld uit heesche kelen. - -Uit de gebroken vensters hingen vieze lompen te drogen, gore hemden en -broeken vol gaten. - -„Dit is nu het begin pas van de ellende-buurten,” zeide Elias. „Hier -wonen duizenden en duizenden menschen in verdierlijking en vervuiling. -Het is niet deze eene straat hoor, maar een geheele wijk, die zoo is, -een kleine stad apart. Het vuil is er zóó ingeroest, dat het niet meer -weg te krijgen is. De heele buurt zou verbrand moeten worden en nieuw -opgebouwd. Zie je die kleine venstertjes overal, daar heel boven zelfs -nog, op de vierde verdieping? Daar zijn hokken van kamertjes onder de -kapotte pannen, waar de wind door waait, en de regen binnen gutst. En -daar huizen geheele gezinnen, man, vrouw, en kinderen, in weêr en wind, -in den stank van hun eigen faecaliën. De paarden en de honden van de -rijkelui hebben het beter. Maar hier is het nog mooi. De aristocratie -van de misère zou je het kunnen noemen. Dit is nog een breede straat, -waar lucht door den pestwalm heen kan komen. Nu moet je nog eens verder -zien, in de stegen en sloppen.” - -En hij nam Paulus mede, nauwe zijstraatjes in, waar het licht niet -doordrong, zoo dicht stonden de krotten op elkaar, tot zij in een -doolhof van nauwe gangen kwamen, in een verstikkende atmosfeer. - -Paulus hield Elias’ hand stijf vast, bang hem te verliezen en alleen te -blijven, zonder ooit den weg weer te vinden. - -„Dit zijn de zoogenaamde „Sloppen der Verlorenen”” zeide Elias. „Hier -wonen menschen, die nooit buiten een bloem hebben gezien. Ik zou je -hier niet graag ’s avonds meenemen. Dan zouden we niet meer terugkomen, -vrees ik. Ze zouden ons vermoorden als kippen, alleen om onze kleeren.” - -Strompelend over scherven en hoopen afval liepen zij door de duistere -steegjes, de oogen verblind door stof en damp. De huizen-krotjes leken -hier zwarte gaten, waar donkere figuren in rondkrioelden. Het leken -holen voor wilde dieren, die in hun vuil waren opgesloten. Hier en daar -walmde een olielampje, miserabel en triestig, en dan zag Paulus iets -wat op een mensch geleek door het zwarte hol bewegen, vaag en -siniester. In die krotten klonk geschreeuw en gebrom, als van beesten. -Hier en daar, op een wrak planken balconnetje was een wijf bezig -morsige lappen goed op te hangen, om te drogen in de muffe lucht vol -stof en dampen. De logge keien van de straat waren hobbelig en puntig, -en hier en daar waren gaten in den grond, vol slijk, waar halfnaakte -schepseltjes van kinderen met stokken in morsten, en popjes maakten van -modder. - -„Dat is nu het speelgoed van die kinderen,” zeide Elias bitter. „Ze -hebben niet anders.... Ik zie aan je gezicht, dat je je misselijk voelt -worden. Maar in dezen stank leven duizenden menschen, hoor, die niet -beter weten of ’t hóórt zoo.... En deze vunze krotten zijn het „home”, -waar afgetobde stakkerts in terugkomen nadat ze den geheelen dag -gesjouwd hebben in donkere fabrieksholen, of diep onder den grond, in -het metselwerk van de rioleering.... Je ziet het nu alleen maar van -buiten, maar je moest deze krotten eens van binnen zien.... Geen -beesten, maar ménschen huizen hier in die kamertjes met vochtige muren, -waar de vuilniston in een hoek staat, en de pijpen der privaten -dóórlekken.... vijf, zes kinderen, jongens en meisjes door elkaar, -liggen daar in één nest, want een bed kan je zoo iets niet noemen, als -jonge honden, en dat nest blijft dag en nacht warm omdat er zijn die -overdag, en die ’s nachts moeten werken.... die kinderen hebben dan -eerst tien of twaalf uren aan een wiel gedraaid ergens in een fabriek, -of giftige verfstoffen aangedragen, of kalk gebrand.... en die heele -familie leeft van slechte aardappelen, of afval van den slager als ze -eens bizonder getracteerd worden.... Pas op! Val niet over dat -wurm!....” - -Paulus was bijna gevallen over een rondkruipend wichtje van zoowat twee -jaar, dat uit een van de krotten, op handen en voeten, door den modder -in de straat was gekropen. Het leek meer op een ongelukkig diertje dan -op een kind. - -Het was Paulus, of hij dit alles zag in eene nachtmerrie, die geen -realiteit kon zijn. - -Hoe kon dit bestaan, vlak bij de weelde van de Boulevards en de -Koninginnestraat vol millioenen, die daar nutteloos voor de vensters -lagen uitgestald? Hoe was het mogelijk, dat levende wezens in die -duistere krotten waren samengehokt, terwijl buiten de velden waren, en -de weiden, en de bosschen, vol frissche geuren en zuivere lucht? En de -aarde was toch zoo groot, vol vruchtbaren, sappigen grond, die altijd -gul-bereid was te geven, als hij werd bewerkt! Maar, het ergste—hoe -konden al de welgekleede, goed gevoede menschen zoo rustig en kalmpjes -blijven leven, als ze toch wisten dat al die ellende bestond?.... - -Opeens zag hij een woest gezicht vol haat tegen hem aankijken. - -Een havelooze kerel was uit een der krotten gekomen. Een gescheurd hemd -hing om zijn lichaam, en een gelapte, vette broek flodderde om zijn -beenen. Zijn bloote voeten, vies, vol korsten, stonden op de koude -steenen. De ongewasschen, door elkaar verwarde haren en de vuile baard -gaven hem iets van een verwilderd beest. Gemeene vloeken en ruwe -scheldwoorden schreeuwden schor uit zijn vuilen mond tegen Paulus aan. - -„Doorloopen,” waarschuwde Elias. „Niets antwoorden. Die kerel wordt -woedend, omdat hij ons hier ziet slenteren in goede kleeren.... Ze -kunnen het niet velen, dat hier heeren komen kijken.... Ze willen dan -tenminste hun ellende nog voor zich zelf hebben.... Kom mee, ik weet -hier den weg....” - -En zij liepen haastig verder, de sloppen uit, terug naar de hoofdstraat -van de misère. - -Paulus beefde van zenuwachtigheid. - -„Wat keek die man mij aan!” zeide hij, angstig. „Waarom haat die man -mij?... Ik heb hem toch niets gedaan!...” - -Elias glimlachte droefjes. - -„Die man haat je, omdat hij ziet dat je warm gekleed en goed doorvoed -bent, en omdat híj in lompen gaat, en honger heeft... En wij allen, die -het goed hebben, we hebben hem eigenlijk allen wat gedaan, al weet hij -niet bewust, hoe het precies in elkaar zit... Dat zegt zijn intuïtie -hem, zijn instinct als je wilt... Allemaal, hoor je, allemaal hebben -wij iets gedaan, al die menschen, die het nu goed hebben en lekker -leven, hebben dien stakkert indirect iets gedaan, al denken ze heel -oprecht dat ze eerlijke, christelijke, rechtschapen menschen zijn... -Zeker, er wonen hier boeven, en dieven, en moordenaars, en de gemeenste -misdadigers in deze buurten. Denk niet, dat het alleen maar -ongelukkigen zijn, buiten hun schuld... Maar tóch zijn ál de nette, -fatsoenlijke, eervolle bezitters, die lekker eten en prettig leven, er -de eigenlijke medeplichtigen aan, dat al deze ellende bestaat... zij -handhaven den staat van de maatschappij zooals die nu is, en die -onvermijdelijk het bestaan van al die ellende medebrengt, zoolang -alles, wat de aarde opbrengt, in de macht blijft van een heel kleine -minderheid bezitters... vergeet dát niet... onbewust doet iéder er aan -mede, die van dien toestand van roof en onrecht profiteert...” - -Maar Paulus kon nog niet goed theoretisch alles volgen, wat Elias -bedoelde. Hij had nog niet genoeg gestudeerd, om de geheele portée -zijner woorden te begrijpen. Hij zag nog maar alleen die twee felle -contrasten tegen elkaar: de weelde van de Boulevards, de rijke -restaurants, de Koninginnestraat, en het witte, marmeren paleis van -Leliane, met daartegen de smadelijke schande van de prostitutie, en de -dierlijke verwildering der armen in de verschrikkelijke helle-buurten, -waar hij nu pas geweest was. - -O! Het was toch nog véél erger, dan hij ooit vermoed had, toen -Willebrordus hem van het onrecht der menschen in Leliënland vertelde! -En het allerwreedste had zijn grootvader hem nog gespaard... - - - -Moê en ziek van al de geziene ellende kwam Paulus met zijn’ vriend in -de deftige wijken van de stad terug. - -Zij gingen nu den grooten Boulevard van de Beurs op, door het volk -„Rijkelui’s Boulevard” genoemd, omdat er enkel zéér rijke menschen -woonden. - -„Als je nu eens eene scherpe tegenstelling wilt zien met de ellende van -zooeven, en tegelijk een typische ironie,” zeide Elias scherp, „kijk -dan hier eens naar dit mooie, hooge huis.” - -Het was een hoog, crême-geel huis, met statig bordes, en een groot air -van voornaamheid en gedistingeerde weelde. Zware en toch ragfijne -kanten gordijnen, van de duurste, zeldzaamste kant die in Leliënstad te -krijgen was, prijkten aan alle vensters. Porseleinen vazen met kostbare -orchideeën stonden beneden voor de groote spiegelruiten. Een -schitterende equipage met twee koolzwarte paarden in rijk met zilver -gemonteerd tuig, stond voor de deur te wachten. - -Paulus zag het aan, vijandig, met al den wrok over de zooeven geziene -ellende nog jong in zijn hart. - -„Hier woont Larivois, de groote schilder,” zeide Elias lachend, „je -weet wel, de beroemde, die zoo prachtig de misère weergeeft van het -arme fabrieksvolk en de mijnwerkers. Ik verzeker je dat al die armoede -hem rijk gemaakt heeft, puissant rijk, hoor!” - -Paulus schrikte op. - -Hij herinnerde zich, hoe hij een paar dagen geleden met betraande -oogen, diep geschokt, in een kleine zijzaal van het Koninklijk Museum -had gestaan, waar de beroemde, groote schilderij van Larivois: „De -stervende arbeider” een geheelen zijwand besloeg. - -In de triestige schemering van een nevelachtigen winternamiddag, in een -armoedige, donkere bedsteê van een kale, poovere achterkamer, met -schamel, gebroken huisraad, lag onder vuil-grauwe lakens, doodsbleek, -van honger uitgeteerd, een jonge arbeider te sterven. Zijne vrouw, eene -magere, afgesloofde ellende-figuur zat met groote wanhoops-oogen naar -haar stervenden man te zien, en jammerend—wellicht van koû of -honger—lag een kind, haveloos en akelig vervuild, op den steenen vloer. - -Het diepe, en toch zoo eenvoudig tragische van het schilderij lag in -het stervende, wegkwijnende licht, waarin men de ziel van den -uitgetobden, afgebeulden werkman voelde heenglijden, en dat een sfeer -van het vreemde mysterie deed voorgevoelen, dat buiten het leven ligt. -Wèl moest de schilder zijn aangegrepen door de ellende van de -verdrukten, om haar zoo groot-eenvoudig in kunst van schoonheid te -hebben verheerlijkt! Deze man, had hij gedacht, was dan toch één van de -gevoeligen en zeldzamen, die het lijden van anderen vrijwillig op hun -ziel hadden geladen, om het meê te helpen dragen. - -En nu stond hij daar voor dat hooge, rijke huis van weelde en comfort, -met de schitterende equipage wachtend voor de deur, waar de beroemde -schilder der armoede woonde als de eerste de beste bankier of trust-man -van de haute finance! - -Elias zag zijn teleurstelling, en liet hem nog niet met rust. - -„Kijk nú eens verder,” zeide hij, „je bent hier op den „Rijkelui’s -Boulevard,” vergeet dat niet. Hier, twee huizen verder van Larivois, -woont zij, die zich Dolorosa noemt, de dichteres van de armoede, zooals -hij de schilder er van was. Je weet toch wel, die van het groote -tooneelspel „De Weversvrouwen”, dat zoo’n enorm succes heeft gehad, en -de geheele wereld over is geweest. En dan die prachtige bundel „De -troost der verdrukten,” waar zij de eeremédaille voor kreeg van de -Academie voor Letterkunde. Je ziet, dat zij het er gemakkelijk van -neemt, om over de armoede te dichten. Het is nu wel waar, dat ze véél -bij de armen komt. Ze bezoekt zelfs wel eens de „Sloppen der -Verlorenen”, en is erg weldadig. Maar wat ze weggeeft zijn toch heusch -maar kruimeltjes van haar kolossaal vermogen, en ze zorgt er wel -wijselijk voor, dat ze haar eigen bezit niet verliest, en altijd zelf -in de weelde blijft. Haar kapitaal is onaangetast, en, met al haar -weldadigheid, verteert zij niet eens de rente. Maar in haar -tooneelstukken en haar verzen huilt zij erg over de ellende van de -verdrukten, en zegt ze dat al hun leed als een zware last is op hare -ziel, die er langzaam door zal versterven. Zie je, dat is nu het -onderscheid tusschen het literaire en de practijk van het leven... Er -is niets zoo schijnheilig en voos als het literaire...” - -En toen hij zag dat Paulus, nog te diep onder den indruk van zijne -treurige verbazing, hem niet begreep: - -„Weet je wat ik met dat literaire bedoel?... Kijk eens, dit. Als je het -echte, ware wezen van de gevoelens niet hebt, maar er, voor je eigen -genot of je eigen voordeel, kunst van gaat maken, zóógenaamde kunst ten -minste, dát noem ik het literaire, in den tegenwoordigen, slechten zin. -Als die Larivois en die Dolorosa, en zooveel anderen, wérkelijk hadden -geleden om de ellende van het volk, dan zouden ze nú zelf niet zoo -weelderig kunnen leven, met al die misère van hun mede-menschen -brandende in hun ziel. Maar ze hebben met hun zwakke gevoel geknoeid, -en er zoogenaamde kunst van gemaakt, die ze verkwanseld hebben, om rijk -te worden. In den grond van hun hart zijn ze geen aasje beter dan -geld-woekeraars of trust-mannen. Zooals vroeger meer met den -godsdienst, wordt nú met de kunst geknoeid op een jammerlijke manier. -En allemaal om het geld, om het bezit, om maar lekker méér te hebben -dan een ander, en het wat ze noemen „goed” te hebben. De méésten van -die mooie gevoelens van liefde, van vrijheid, van recht, die je van -onze moderne artiesten leest, zijn niet echt, niet -waarachtig-van-wezen, maar literair. Dat wil zeggen, geen deel van hun -innigste wezen, maar aanstellerij. Met al hun hooge en schitterende -ideeën passen ze wel op, dat ze niet in den regen komen, maar veiligjes -op het droge blijven. Er zijn dan ook geen erger conventie-bourgeois -dan de artiesten. Dat trouwt, als ’t kan vooral met rijke vrouwen, dat -pousseert kaartjes, dat zet geld uit op rente, dat zorgt lekker binnen -te zijn en zooveel mogelijk geld te graaien, dat is ijdel en tuk op -lof, houdt conventies aan, die ’t inwendig veracht, voor een goede -pers, dat buigt, en flikflooit, en draagt ridderorden als de gewoonste -grenadier, dat viert jubileums en houdt toasten, dat lauwert met ijdel -gekrans, en dat schrijft en dicht van hooge, en ernstige, en goddelijke -zaken, waar niet één voor sterven zou, zelfs niet één zijn bezit en -positie voor zou geven, als het er eens werkelijk op áánkwam. Zij -voelen die hooge zaken alleen als literair, maar niet als een deel van -hun innigste wezen. En daarom is het, dat „de kunst” nog altijd als -iets buiten-issigs, iets bizonders, iets buiten-het-leven-òm wordt -beschouwd, terwijl zij eene uiting direct van het hoogste Leven zélf -moest zijn, in dat Leven gekiemd en gegroeid, en er uit opgerezen als -een bloem uit den grond.” - -Toen zeide Paulus, meer tot zich zelve dan tot zijn’ geleider: - -„Dus al dat mooie van de tegenwoordige literatuur zou dan eigenlijk -maar waan zijn, en schijn, en leugen? Maar dat kan toch niet....” - -Elias antwoordde er niet dadelijk op. Maar na een tijdje zwijgend te -hebben doorgeloopen zeide hij: - -„Als je nú nog eens wat zien wilt, vandaag.... kom dan tegen negen uur -hier op den hoek, in het restaurant de Ster.... Je hebt het groote -nieuws toch wel gehoord?.... De dichter Wederich is ridder van de -diamanten Roos geworden.... en nu wordt hem vanavond een groot diner -aangeboden, om die ontzaglijke gebeurtenis te vieren....” - -Paulus keek hem ongeloovig aan. Dat kón niet, dat kón niet, Wederich, -en een eerekruis, en een diner!.... - -En hij herinnerde zich, hoe hij in zijn stille kamertje in het bosch de -groote, nobele figuur van Wederich voor hem had zien opstaan. Hij had -het tien jaar nádat alles gebeurd was gelezen, maar voor hém was het of -hij alles zelf had medegemaakt, zóó had hij er zich ingeleefd. Wederich -had met Lavelane en een paar jonge vrienden het tijdschrift „De Lotus” -opgericht, in eene periode waarin de literatuur van Leliënland was -doodgeloopen in holle rhetorica en deftige mooidoenerij. Geestdriftige -artikelen had Wederich geschreven over de heiligheid, de onaantastbare, -boven alle conventie en wetten staande heiligheid van de literatuur. De -literatuur, dat was iets, waar de leelijke, onzuivere dingen van de -maatschappij niet bij konden, vér, in een geheel andere, reinere sfeer -dan het leven van alledaagsch gedoe, niets te maken hebbend met het -gekuip, het geïntrigeer, het ijdele geflikflooi en den leegen glans van -het leven der maatschappelijke Streber, die geld en roem en wereldsche -eer voor het hoogste en kostbaarste hielden op aarde. Fel had Wederich -gegeeseld de toenmalige gezaghebbers der literatuur, die hij allemaal -deftige, fatsoenlijke, geposeerde bourgeois noemde, zwaar met -ridderorden gedecoreerd, die zij op welgesneden, voorname kleeren -droegen als de negers wat blinkende kralen. In superieure, hautaine -woorden had Wederich dien wereldschen waan afgewezen van de literatuur, -die boven allen ijdelen schijn stond, eene afspiegeling van het -waarachtige leven Gods, uit den mensch-dichter geöpenbaard. Maar de -éénige onderscheiding van den waren kunstenaar, waarover géén koning of -minister had te beschikken, dat was de onsterflijkheid. - -En zij hadden geleefd, Wederich en Lavelane en hun vrienden, in armoede -en smaad, gehoond en uitgelachen, gescholden voor krankzinnigen en -verdwaasden. Maar in dien hoon en die vuile verguizing hadden zij van -uit hun rijke, trotsche armoede hun goddelijke verzen uitgezegd, welker -klank met de jaren was doorgegalmd met al sterker en sterker geluid, -door géén spotgelach meer te overstemmen. - -O! Hoe velen waren de avonden geweest, dat Paulus, ademloos van -aandoening over Wederich’s verzen zat gebogen, de oogen verduisterd -door diep uit zijn ziel op-gewelde tranen van zalige smart! Nog pas had -hij dien eersten middag in de groote stad geweend om die heilige verzen -van ééns. - -Maar nu was het tien jaren later dan dien schoonen tijd, waarin de -dichter zijn ziele-verzen zong. - -Er was sinds véél gebeurd in Wederich’s leven. Hij was getrouwd met een -rijke vrouw uit de wereld. Deftig getrouwd, met een stoet van koetsen, -met een nasleep van verwanten en vrienden uit de voorname kringen, met -al de vastgestelde ceremonies van stadhuis en kerk. De jonge -literatuur, na veel strijd en tegenwerking, was doorgedrongen tot het -geheele volk, de oudere tijdschriften en weekbladen hadden haar -overgenomen, nieuwe schrijvers hadden haar nagevolgd en handig -overgenomen, en wat de zoogenaamde nieuwe richting was geweest, was -langzamerhand officieel en eindelijk zelve ook weer tot rhetorica -geworden. Wederich, rijk en geëerd, was nu een van de officiëele, -gepozeerde gezaghebbers in de literatuur geworden. - -Maar Paulus had van dit laatste niets geweten, omdat Willebrordus het -hem had willen sparen, en hem ook Wederich’s laatste werken niet had -gegeven. De laatste werken van den geréusseerden, deftigen, gepozeerden -Wederich, die nu in zijn eigen, op groote schaal geëxploiteerd -tijdschrift op schoolmeesterachtige, pedante wijze leeraarde en -betweterde over allen, die nú weer nieuw en oorspronkelijk waren, en -niet eerst eerbiedig voor zijn souvereine hoogheid hadden gebogen, -waren dan ook de rhetorica van zijn vroegere, echte kunst geworden. - -Dit alles wist Paulus nog niet geheel en al, toen hij met Elias om -negen uur het restaurant binnenging. - -In het midden van de rijke, van goud en marmer glanzende zaal, was een -kolossale tafel gedekt, schitterende van zilver en kristal. Een deftige -schare zwart gerokte heeren, de meesten gedecoreerd, met bloemen in het -knoopsgat, was om den feestdisch gezeten. Het leken allen rijke -kapitalisten, bankiers, koningen van de haute finance, zoo correct en -voornaam waren zij daar aangezeten, onberispelijk met hun spiegelblank -gestreken overhemden, hun glanzende, gefrizeerde haar, hun hooge, -opstaande boorden met witte das. Een groot air van wèlgesteldheid, van -goeden doen, van veilig in het leven bezorgd zijn was om hen heen. De -lakeien van het etablissement, in groene rokken met zilver, gingen -eerbiedig, geruischloos, rond met allerfijnste gerechten, keurig in -blank-porseleinen schalen opgedischt. - -Elias en Paulus gingen aan een klein tafeltje in een hoek van de groote -zaal zitten, zóó, dat zij de feestende heeren goed konden zien. - -„Zie je dien bleeken, langen meneer daar?” zeide Elias, met een -spottend accent. „Daar in ’t midden, rechts. Zijn stoel is groen -gemaakt. Dat is Wederich!” - -En Paulus zag hem, voor ’t eerst, hem, dien hij had liefgehad als een -verren vriend, in een wonder licht van glorie gezien. Hij was een -lange, bleeke man, met een scherp geteekend, knokig gezicht, dat -misschien nog interessant zou geweest zijn, als het niet zoo vreemd was -komen oprijzen uit een te nauwen, hoogen boord, die het -stijf-onbewegelijk ophield. De gele, borstelige haren waren door eene -scheiding, die er niet in thuis hoorde, precies in tweeën gedeeld, en -lagen weerbarstig aan weerszijden neer onder een laag pommade, met hier -en daar een ópstekende piek. Zijn rok zat te wijd over zijn mager -lichaam, zonder snit, en in zijn overhemd was al een scheeve, lange -plooi. Het was hem aan te zien, dat hem dit uniforme kleedingstuk van -„heer” niet stond, omdat hij nu eenmaal geen heer was, en het ook nooit -worden zou. Dat air van correctheid, waarin hij zijn mager gezicht had -geplooid, gaf hem iets onaangenaams en onrustigs, dat er de eigenlijke -uitdrukking van verborgen hield, en zóó was er iets potsierlijks en -ridicuuls in zijn uiterlijk gekomen, dat hij zeker oorspronkelijk niet -had. Op zijn borst schitterde een fonkelnieuw ridderkruis met diamanten -roos. - -Om zijn stoel hingen kransen van eikenloof. - -En bij het zien van dat frissche groen in die omgeving kreeg Paulus -opeens zoo hevig de sensatie van scherpen, jongen bosch-geur, dat hij -met moeite een kreet onderdrukte. Als uit de verte hoorde hij Elias -verder spreken: - -„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die -lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en -Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.... en die magere, -oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude -tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen -uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.... De heeren zijn nu -verzoend.... Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks -hadden, de schilder van de Armoede.... wat een kleine dikzak, hè, en -hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.... En -daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo -leelijk van langs kreeg van Wederich.... dat is nu vergeven en vergeten -natuurlijk.... en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.... ik kan -wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te -noemen.... daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan -die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het -allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren.... -Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen, -als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven, -zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later -gelukkig weer vergeten zijn....” - -„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de -tranen in zijn oogen staan. „Liever dood met ál zijn heerlijke verzen -over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding -over zijn groote hart.” - -Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in -waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven. - -En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen, -verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich -vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze -zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend -klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen. - -„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van -het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.... allemaal -menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen -zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat -er is.... wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen, -hebben zij veroverd met hun kunst.... daar moet je niet licht over -denken.... Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods -genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid, -zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven -is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een -goed verzorgde familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de -ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet -schitteren... ... Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden. -Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.... ik zie het aan je gezicht.... je -denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een -derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,” -over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche -bohémien noemde: - -„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.” - -„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en -waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan -twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die -hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed -van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale, -onmerkbaar je als een willoos ding langzaam voortstuwende van het -leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar -of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze -restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren -door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn -glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t -succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.” - -Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit -zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het -met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende, -die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der -maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende -feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest -noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid -openbaarde. - -„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen. -„Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn -pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat -begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt... -En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor -hij ineens beroemd werd... Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat -nu die pasteitjes op het menu staan....” - -En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den -geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang -over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen -maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een -stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn -herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware -kronen van bladeren roerloos uitgespreid, het maanlicht zilverend neer -in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de -rustige eenzaamheid van zijn jeugd. - -Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als -de ontroering hem overweldigde. - -„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak -zijn in dit leven.... De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu -toch, en de sterken trappen over hen heen... je moet nu eenmaal òf -getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.... die -menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al -zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.... maar die menschen -daar aan die tafel, dat zijn de sterken... die trappen zèlf, door hun -leven ten koste van anderen... Wederich is ook een sterke, en al die -kunstenaars.... En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar -toch zeker óók niet door hen getrapt worden... denk er aan, als je zwak -bent trappen zij over je heen...” - -„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar. - -Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien. - -Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun -hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het -uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de hoofden rooder, -en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst. - -Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een -stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot -Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister -van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het -Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden. - -Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit -zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met -emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar. - -„De kunst van Leliënland.... een sieraad van de Leliënlandsche -literatuur.... het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele -dichterborst versieren.... door eigen jarenlangen, onverdroten -arbeid.... de glorie van onze kunst, over de gansche wereld -verspreid.... een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons -land.... vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste -jeugd.... doldriftig als een jong steppenpaard.... maar thans, tot -rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.... tot hij gewrocht -had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des -Vaderlands”.... dat epos van oude helden en koningen......” - -Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal -hij leven”, het gekletterklink van de glazen, het knallen der -champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai. - -Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger -oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd -ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen -boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde -onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in -zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende -woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond. - -De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de -gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!” - -„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf. - -Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden -geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht -door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed -genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld -hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar -werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen -behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals -in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald. - - - - - - - - -HOOFDSTUK XV. - - -Het was bijna één uur toen Paulus, na nog wat in een stil café met hem -gepraat te hebben, dien avond van zijn vriend afscheid nam.—Bang voor -zijn eigen gedachten, als hij nu eenzaam in bed ging liggen, liep hij -nog wat door de natte, glibberige straten, met den kouden mistregen -driezelend langs zijn hoofd. - -De Koninginnestraat was nu weer de ongure, griezelige nacht-allée, met -de hooge lantaren-pitten gelig-valsch brandend, en de groote -winkel-paleizen zwart en dicht, met ijzeren rol-gordijnen straf -gesloten. Al de weelde was nu weg, veilig achter slot en grendel, nu de -rijke bezitters toch niet meer in de straat kwamen, en de ellende nu -voorbijtrok. En er was iets in dat onmeedoogend, brutaal gesloten zijn, -dat veilig weggeborgene van al de luxe, die hij achter die machtige -sluitingen wist, dat hem opeens woedend irriteerde. - -Er waren nu maar weinig menschen op de been, met het gure weêr. Maar -tóch liepen hier en daar nog kerels, het hoofd diep in de kragen van -hunne overjassen gestoken, den hoed stijf ingedrukt voor den wind, -haastig heen en weer om nog wat vrouwen te zoeken. - -Wat misère-prostituées van den derden rang,—die het éénigszins konden -doen bleven nu thuis,—slecht gekleed, bibberend onder hun would-be -chicque confectiemantels, de schoenen kletsend in de plassen, de haren -verwaaid en nat van regen, slenterden hier en daar nog langs de -winkels, of stonden te schuilen onder een marquise, de heeren -aanroepend die voorbijgingen. Er was iets ontzettend tragisch in die -donkere, sjofele figuren, daar rondwarend in regen en wind, in de -genadelooze nachtstraat, met al die ijzer-gesloten deuren en vensters, -waarachter millioenen aan weelde lagen opgehoopt. - -En weêr voelde Paulus het klagen in zijn ziel, dat maar niet woû -ophouden, en met niets van denken en redeneeren was te sussen: - -„Het zijn háár zusteren... háár zusteren... de zusteren van Leliane...” - -In de laatste tijden was het als een obsessie geworden. Het liet hem -niet meer los, wáár hij ook was, niet in hel verlichte vreugde-zalen, -niet in de eenzame uren ’s nachts in bed. Wat in Leliane van heilige -essence was, dat moest ook in álle vrouwen zijn, hare zusteren. - -En naarmate hij de misère van de prostitutie beter begon te kennen, -werd het leed, waarmede zij hem sloeg, universeeler. Het werden nu niet -enkel meer aparte, uitgestooten wezens, die genadeloos te gronde -gingen, het was iets van Leliane zelve, dat hij zag verkwijnen, avond -aan avond, in de wreede stad van weelde en weedom. Hij had het nu -gezien, van nabij: in al de afgebeulde, besmette, beleedigde meisjes- -en vrouwenlijven, die hij nu gezien had, was toch altijd iets van het -oorspronkelijke mooie en reine behouden gebleven. Hier een altijd -rein-gebleven blankheid van huid, dáár een nobele golving van arm of -been, nú een wonderteêre drooming van lijnen langs borst of buik, dan -het lieve, kinderlijke lachen van in slaap weêr kuischgeworden lippen, -áltijd was nog iets van het maagdelijke mooi bewaard, dat onaantastbaar -was gebleven, en dat het klagelijk óndergaan van al het andere des te -droever maakte. En nú was het hem in de laatste tijden geworden, of het -eigenlijk ook Leliane zelve was, die hij in al die misère zag -verkwijnen, en het deed hem aan met al feller en feller wordende pijn. -Al het lieve en mooie, dat overal te sterven ging, het was eigenlijk -van Leliane zelve, evengoed als van al die ongelukkige schepselen, en -juist waar het, hier en daar, plotseling in de misère opscheen, met een -lachje, met een gebaartje, met een lijn of golving, was het opeens of -hij Leliane daarin herkende, en schrikte hij, iets van háár te zien -waar hij het nooit had verwacht. En het werd ten laatste zoo, dat hij -werkelijk angstig werd voor háár, dat hij zich verwonderde, met een -blijden zucht van verlichting, als hij de prinses weer ergens voorbij -zag rijden, nog even ongeschonden rein als immer, en hij zich afvroeg -in diepe verbazing hoe het toch mogelijk geweest was, dat al het -leelijke en droeve wat hij van zooveel vrouwen, hare zusteren, gezien -had, zoo ganschelijk buiten haar om was gegaan. En eene geheime -intuïtie bleef hem zeggen, al zekerder en zékerder, dat het in innigste -essence toch hetzelfde moest zijn, Leliane, en de stille water-lelies -in den vijver, en het mysterie van de reliquieën in de Cathedraal, en -wat verkwijnde in die droeve, duistere vrouwen en meisjes, die daar nu -klagelijk om hem heen doolden, in de wreede straat van weelde en -gruwzaam onrecht. - -Peinzend liep hij door, met al die gedachten over onrecht en ellende -warrelend door zijn hoofd, tot hij opeens op het groote Domplein stond. - -Dáar stonden de kolossale gebouwen, het Paleis van Justitie en het -Parlement. Het Paleis van Justitie, waar gesproken moest worden het -Recht! Het Recht!—De Justitie, die de rijke bezitters beschermde, die -het schrikkelijk onrecht hielp handhaven, en die de ongelukkigen en -misdeelden, of andere slachtoffers der gedegenereerde Maatschappij met -wreede straffen strafte, omdat zij daden begingen, die zij, door hun -ellendige omstandigheden daartoe gedreven, wel móesten doen! De -Justitie, wèl blind inderdaad, die niet zag, hoe God de schoone wereld -aan allen gelijkelijk had gegeven, die niet zag welk een hemeltergend -onrecht het was, dat eene kleine minderheid van—zij het voor ’t -meerendeel onbewuste—geweldenaars en farizeeërs rijkelijk en -over-weelderig leefde van de ellende van duizenden! De Justitie, die -zich vermat de drager van het Recht te willen wezen, waar zij in -waarheid de verdedigster was van het onrecht, dat Gods heilig recht met -voeten trad! - -En daar stond het Parlement, het luxueuze weelde-gebouw, waar de -vijfhonderd mannen, zoogenaamd uit vrijen wil door het volk gekozen, -over het wèl en wee van het volk moesten beraadslagen en de wetten -formuleeren, die de algemeene welvaart van het land moesten bevorderen. - -Nú wist hij het, hoe die vrije keuze een leege logen was, en hoe de -meerderheid van het volk, de getrapten en ellendigen, die ook de armen -waren van geest, waar Jezus van had gesproken, van alle deelneming was -uitgesloten aan het kiezen van hen, die over hun treurig lot moesten -beschikken. O! Elias had hem er van verteld, van de vuile intrigues en -de duivelsche logens, waarmede die kamerleden in het Parlement werden -gekozen, van den fellen partijhaat en het grove eigenbelang, die altijd -vóór het belang van het volk gingen, het gekuip, het gelieg, het -geknoei en de omkooperij, waardoor het verheven idee van eene -vertegenwoordiging van het volk was verkracht, en tot een valsche leus -van schijn en bedrog was gemaakt! - -Hoe zwaar van waan en goddeloosheid stonden daar die enorme gebouwen óp -van de aarde, groot-massief, onwankelbaar opgerezen tempels van leugen. - -Maar het allerergste nog, daar vóór hem, aan het uiteinde van het -plein, blokte op de immense massa van den Dom, al hooger en hooger -stijgend op zijn zware marmeren pilaren, vierkant en resoluut, met zijn -vier oprondende koepels aan de zijden, en in ’t midden den grootsten -koepel van allen, een ontzaglijk luchtgevaarte, blauw glanzend -opbollend tegen donkeren hemel. Een ontzettende, zwarte reuzen-schaduw -maakte het in de lucht, hoog boven de hoogste daken der omringende -huizingen. - -Het breede plein, glinsterend van natten modder en kille plassen, lag -onguur te glimmen, en de wind, door geen muren gestuit, huilde er -klagend overheen. - -En ook hier, erbarmelijk en tragisch, waarden nog enkele veege -gestalten van vrouwen in ’t rond. Onder de groote lantaren, op een -rotonde in ’t midden, stonden er een paar onbewegelijk te wachten, de -afgetrapte, natte rokken opgehouden, met sjofele parapluies boven het -hoofd. Somber en doodsch deden die zwarte gestalten in ’t midden van ’t -uitgestrekte, wind en regen doorwaaide plein. Groot en koud stond de -donkere Dom, het huis van God, voor Paulus’ oogen, een dood en -levenloos ding. - -En nu zag hij, naderbij komend, hoe onder de hooge, dichte voor-poort -van de kerk nog een paar misère-wezens schuilden, bibberend van de -vochtige koû, loerend met gretige oogen, of nu eindelijk wat heeren het -Plein af zouden komen, die een vrouw zochten. Miserabel en klein, -treurige, nietige schepseltjes, stonden zij klagelijk onder den hoogen, -ontzaglijken Dom van God. En,—bittere ironie,—in vlammen-schrift zag -Paulus, vlak boven zijn hoofd, de machtige spreuk, die ’s avonds -electrisch werd verlicht, en hoog uitschitterde in het donker: - - - Ziet ik ben bij - U alle dagen tot aan - Der wereld einde. - - -Toen voelde hij eene groote verlatenheid, en wanhoop aan alles, waaraan -hij tot nu toe nog had vastgehouden, begon op te wellen in zijn -binnenste. - -Was dan deze geheele, groote stad, de koninklijke residentie van -prinses Leliane, één afschuwelijke, hemeltergende leugen? Hadden zij -dan misschien niet gelijk, de dolle anarchisten, die nergens meer licht -van hoop zagen in een verrotte wereld als deze, en eerst alles wilden -vernielen, eer aan een betere kon worden begonnen? - -Hij wist het, als hij nu nog een klein uur verder liep, kwam hij aan de -groote ellende-wijken, de vunze sloppen en holen, waar duizenden in -afzichtelijke vervuiling en ontaarding een mensch-onwaardig bestaan -doorleden. En hoe koud en bewogen hadden daar die groote -weelde-paleizen gestaan in de Koninginnestraat, waar millioenen van -overtollige luxe werden bewaard! Hoe veilig waren nu de bezitters in -hun prachtige woningen, waar hier die arme uitgeworpenen, vrouwen, -zusteren van Leliane, ellendig ronddoolden door den regen, hun -jammerlijk lichaam aanbiedend voor wat geld! In de groote Boulevards en -de Leliënstraat—wreede ironie van een naam!—waren de groote -nacht-restaurants nu vol van feestende, zwijnende rijken met hun -maîtressen, en de dure champagne vloeide er bij stroomen. Vuile wellust -en de gemeenste, dierlijke hartstochten vierden daar uit, door de macht -van het geld; waar duizend arbeiders in ’t zweet huns aanschijns voor -werkten, werd daar in enkele nachten baldadig verbrast. En in de -groote, grimmige kazernes waren áltijd de met moordtuig gewapende -soldaten gereed—de soldaten van prinses Leliane, dienende in háren -naam—om het onrecht te verdedigen, waar de verdrukten ooit mochten -opstaan, vragend hún deel van wat allen gelijkelijk toekwam. - -„Háár zusteren.... háár zusteren,” dacht hij, toen weer een paar -vrouwen hem voorbijgingen, wenkend, en roepend obscene woorden, „haar -zusteren.... en zij slaapt nu gansch onbewogen in een koninklijke zaal, -in koninklijke gewaden gehuld, en over hare oogleden is nu die heilige, -gewijde rust als op dien éénen avond, toen zij sliep onder het reine -maanlicht, neêrzilverend door de stille boomen....” - -„Wáár is dan God.... waar is dan God?....” riep hij uit, en schrikte -van zijn stem, daar zoo ineens uitbrekend in de stilte van het plein. - -De donkere stad, akelig glimmend van regen, met de blikkerende plassen -en doorwaaid van huilenden wind, was daar siniester en dreigend om hem -heen, van God verlaten. - -Hoe eenzaam, wreed en koud stonden daar al die steenen huizengevaarten, -elk apart, wantrouwend allemaal gesloten, ieder wangunstig bergend -eigen, gierig bezit! Daarbinnen hadden ze zich opgesloten, de menschen, -allen bij kleine klompjes apart, in hun veilige, lekkere bedjes -gelegen, met hun kleine lustjes onbespied, muren en deuren stevig om -hen heen, en wat buiten hen gebeurde, het deerde hen niet. ’s Ochtends -kwamen ze er weer uit, als beesten uit hun hol, en ze spraken en -gebaarden in ’t actieve leven, sjouwend soms en knoeiend om wat méér -bezit. Spraken en redeneerden ook over vrijheid, over recht, over God, -over sociale toestanden, en verbetering, en economische maatregelen, -schreven ook wat, over kunst, en literatuur, en de hoogste, goddelijke -dingen. En kropen eindelijk weer weg, in hun eigen hokjes, veilig -vasthoudend elk eigen bezit, weer er bij nemend wat ze gegraaid hadden -naar zich toe, en lagen lekker en lui onder de wol gekoesterd, achter -de stevig gegrendelde muren en deuren, de troepjes weer allemaal apart -die bij elkaar waren gehokt in ’t leven, en wat buiten gebeurde van -kommer en ellende, het stoorde geen enkele ademhaling van hun rust. Al -die wèlbezorgde, goed achter deuren en grendels van eigen bezit levende -menschen, dat waren de vette, vlijtige burgers, loyale onderdanen, de -nuttige leden der Maatschappij. Zij gehoorzaamden de wetten en de -zeden, waren trouw aan vorstenhuis en vaderland, en ’s Zondags galmden -de hooge gewelven van den Dom van hun gezang. - -En om hun rustig, ordelijk, fatsoenlijk leven te onderhouden, zwoegden -duizenden aan duizenden in het zweet huns aanschijns en moesten die -vrééselijke wijken van ellende en gruwel bestaan, waar menschen als -beesten leefden in ongedierte en vuil, en werden vrouwen en kinderen -afgebeuld in mijnen en fabrieken, zonder genade, zonder erbarmen. Maar -van den goddeloozen, van onheilig geld gebouwden Dom durfde het met -vlammende letters te lichten: - - - Ziet ik ben bij - U alle dagen tot aan - Der wereld einde - - -Die ontzaglijke, machtige woorden, in vlammend schrift uitstralend -boven de van God verlaten stad! En daaronder die poovere, afgebeulde -wezentjes, hulpeloos, erbarmelijk rillende in regen en wind, wachtend -op oneer en schande, om den broode! - -Waar was dan God, dat hij zijn kinderen alleen liet in bittersten nood, -en niet strekte hij liefderijk een hand uit om op te beuren die in -diepste ellende waren gebogen in het stof?.... - -Het lasterlijke praatje van zonde en straf, dat welgekleede, -dik-doorvoede geestelijken durfden verkonden van den kansel, hij wist -hoe ’n lage leugen het was. Een groot deel dier ongelukkige schepsels -was er door diepe misère, buiten haar schuld, toe gekomen, dikwijls -door ellendelingen misleid, wien zij zich eerst in vertrouwen, uit -natuurlijke liefde hadden gegeven, en allen zonder uitzondering waren -zij noodzakelijke slachtoffers van de verdorven inrichting der -maatschappij. - -En wat hem wondde met felle pijn, tot in de fijnste weefselen van zijn -ziel, dat was hun uiterste verlatenheid, hun genadeloos aan ellende en -verderf overgegeven zijn, onherroepelijk. Dit was onrecht, hard, wreed -onrecht, en hij voelde, hoe hij den God wilde vervloeken, die dit -onrecht deed voortbestaan, onbewogen. - -Ja, hij had Hem gevoeld, dicht aan zijn ziel, in de stilte van het -woud, als de boomen aandachtig hun roerlooze kruinen hieven óp tot den -statigen sterrennacht, als de witte water-lelies kuischelijk -ontplooiden hun heilige harten tot het licht, als het eerste morgenrood -in teederlijk gebed de verre kimmen kleurde. Toen had hij geweten dat -het een God van eindelooze schoonheid en goedertierenheid en wonnevolle -vreugde was. - -Maar als Hij het onbewogen aan kon zien, den ondergang van het teêre en -zwakke, de grove besmetting van wat edel was en rein van wezen, dan kon -hij dienzelfden God niet meer aanbidden, en kon het ook geen God van -goedertierenheid zijn! - -Wáár hij ook om zich heen zag, in de groote stad, overal tierde welig -het onrecht, brutaal, onbeschaamd. Alles was leugen, schijn, waan, -bedrog. De godsdienst, de kunst, voorál de literatuur, de liefde, de -vrijheid, de vriendschap, álles was leugen. De geheele inrichting der -maatschappij was leugen, en droeg schaamteloos het kleed van godsdienst -en menschenliefde daarover heen. Van alles wat hij nu om zich heen -gezien had in de groote Leliënstad was niets echt, behalve de ellende -der verdrukten. En, het ergste van alles, met bruut geweld van wetten, -waarachter bajonetten en kanonnen, werd dat alles gehandhaafd in naam -van God, en in naam der Koninklijke Prinses. Een God dus van leugen en -onrecht, en van leugen en onrecht de Prinses. - -Zoo stond hij, tegen een pilaar van den Dom geleund, eenzaam te -peinzen. - -Tot hij werd opgeschrikt door een moede, lievig-zoet gemaakte stem: - -„Zoo, lieveling... sta je daar zoo alléén?... kom, ga met me mee naar -huis...” - -Een miserabel, mager figuurtje, in een verschoten manteltje, een -verflensten hoed op. Beverig rillend als een moêgezworven, natte hond. -Een bleek, geelachtig gezichtje, met waterige oogen. Piekerig haar, nat -van regen, verwaaid. - -Een groot medelijden zwelde op naar zijne oogen. Zoo klein, zoo -hulpeloos, zoo van alles verlaten, dat schepseltje daar voor hem! En -wat ze hem aanbood, hoe erbarmelijk, hoe poovertjes, hoe niets meer -waard dan afschuw en walging! Een verdwaald, afgejakkerd kind van de -ellende, genadeloos, overgelaten aan ’t Lot, en geen goede Vader, die -zich over dat zwervende, droeve kind ooit zou ontfermen. - -Hij legde de hand op haar schouder, en zag haar liefdevol aan, door de -tranen, die schemerden in zijn oogen. - -„Arm kind!” zeide hij medelijdend, „arm, arm kind! Kon ik je maar -helpen!” - -Zijn stem stokte, en hij kon niet voortgaan, van aandoening. Maar zij -begreep hem niet. - -„Bah!... ben je dronken!” zei ze. - -En ging door, haar kapotte schoenen kletsend door een plas, verder, het -Plein op, loerend, spiedend of niet een ander kwam, die haar schande -even zou willen huren voor wat geld. - -Hij voelde, dat de warme tranen over zijn wangen rolden. Een besef van -absolute machteloosheid kwam over hem. Het was alles veel te groot, te -massaal, te star verhard in ’t kwade, om iets uit te kunnen richten met -zijn zwakke krachten, uit enkelen drang van zijn eenzaam pijnend hart. -O! Als hij macht had, macht! Als hij een prins was, of een koning! - -Hij wist het wel, hoe weinig er nog maar over was van de macht der -vorsten. Hoe zij maar luttel direct vermochten, gebonden als zij waren -door de wetten en de constitutie, die leugen-wetten, schijnbaar voor -het volk gemaakt, als waarborg tegen de willekeur van den koning, om de -rechten van het volk te beschermen—maar in waarheid om te handhaven een -andere, véél wreeder tirannie dan ooit bestaan had, het geweld der -koude, egoïstische bezitters, die alléén konden bestaan van de ellende -der overgroote meerderheid. - -Maar hoeveel kracht zou er toch nog van een koning of eene koningin -kunnen uitgaan alléén door hun invloed en hun moreelen steun, als zij -innerlijk waren bewogen door echte liefde voor het volk, omdat -werkelijk het lijden der ellendigen eens in al zijn ontzetting -geschrijnd had door hun ziel! - -Rusteloos liep hij door, altijd maar door, gemarteld door droeve -gedachten, niet wetende waar hij ging, tot hij eindelijk van -uitputting, door enkel dierlijke moeheid, stil stond. - -Waar was hij?.... Hij keek om zich heen. - -Dit was eene straat die hij niet kende, en die zacht naar boven begon -te stijgen. Waar zou zij heen leiden? Hij keek omhoog. - -De regen had opgehouden. Witte wolken dreven af van een groote, heldere -ruimte lucht, diep blauw. En in een zachte zegening van blank maanlicht -zag hij opeens vèr omhoog het witte paleis van prinses Leliane, zoo -fijn en teer als blank porselein, in een eigen sfeer van heiligen -glans. Honderden lichtjes van electrische lampen schenen als sterren op -om het pralende paleis, dat daar lag in de verre hoogte als een -lichtende droom uit een sprookje. - -Daar woonde de prinses Leliane, veilig en hoog boven het -verschrikkelijke leed van het volk in ellende, dat de koningen hadden -beloofd te verzorgen als een goede vader zijn kinderen. - -Zij woonde maar altijd heerlijk en warm in haar witte pracht, omglansd -van licht en weelde, wijl beneden bitter onrecht en duistere leugen het -volk sloegen met ellenden, onnoembaar wreed en vuil.... - -Toen voelde hij ineens die verschrikkelijke waarheid in hem bewust -worden, dat daar niet de prinses kon wonen, die zijne ziel aanbad. - -Wat zijne ziel gevonden had, op dien wonderen avond in het bosch, toen -zij in de vredig slapende maagd het hoogste schoon aanschouwd had, dat -nóg inniger was dan de stille tinteling der sterren, dat nog heiliger -was dan de wijding der witte lelies tot het licht, en dat de hoogste -openbaring was, door den goeden Vader aller dingen in al Zijn -liefdevolle uitingen hem gedaan, dat kon niet het koude, onbewogene, -onverschillige zijn voor het jammerlijk leed Zijner arme, verdoolde -kinderen.... - -Maar wie was het dan, die hij gevolgd had uit de lieve eenzaamheid van -zijn stille bosch? Voor wie had hij dan zijn goede, trouwe vrienden, de -boomen en de bloemen en de vogels, verlaten, om in de harde -aangezichten der donkere menschen te zien, die een schaduw wierpen in -zijn ziel?.... - -Wat wás het dan, dat hem had voortgedreven uit zijn rustig evenwicht, -weg van alles, dat hij liefhad, weg van zijn wijzen, zachten -grootvader, om onder levenlooze, koude dingen te komen, onverwant? - -En wat was dan het groot verlangen geweest, dat altijd in hem gedroomd -had, onbewust, als het niet prinses Leliane was, die het stillen kon -met het groote, zachte licht, dat afstraalde van haar koninklijke -schoonheid?.... - - - -Toen hij thuis doodmoê op bed lag, snikte hij hartstochtelijk uit in de -kussens. Het was alles voor niets geweest, en voor niets had hij zijn -liefste dingen verlaten om de prinses te volgen naar de groote stad! -Want de Leliane, die daar woonde in het verre paleis van koud marmer, -was niet dezelfde Leliane meer, voor wie zijne ziel het hoogste had -geofferd. Nu was er dus niets meer voor hem, niets, en, als het arme -verdwaalde jongetje, dat zijn vader had verloren, was hij alleen -tusschen de doode huizen-dingen, met de harde menschen-gezichten -hoonend om zich heen. - -„O! Willebrordus! Willebrordus!” riep hij... „Neem mij toch weer bij -u!... Nu is álles verloren... ik wil terugkomen in ons stille rustige -huis in ’t bosch... ik kan niet meer, ik kán niet meer... goede -grootvader, wacht mij!... ik kom!... ik kom!...” - - - -Maar in het eerste, teedere licht van den morgen schemerde voor hem op -een heerlijk visioen van zalige troosting. - -Hij was ontwaakt uit een zwaren, diepen slaap, en voelde, dat hij nu -niet meer droomde, zooals anders, al hield hij de oogen nog dicht. Hij -wist ook zeker, dat zijn lichaam nog in het warme bed lag, en de -zwaarte van de dekens drukte hem reëel. - -Maar toch voelde hij zich tegelijkertijd heel ver weggedragen, en -ineens lag hij onder de ernstige groene boomen van het bosch, aan den -oever van den stillen vijver, waar de water-lelies bloeiden. Het was -alles heel duidelijk, de oude, ruige boomstammen, die hij zoo goed -kende, met het zachte, glinsterende mos, en de roerlooze schaduwen in -het donkere water. En met een mystieken, heiligen glans van blankheid -dreven daar onbewegelijk de witte water-lelies, de bladen kuischelijk -uitgespreid, in gansche oprechtheid de gouden harten blootgelegd voor -het licht. - -Het was natuurlijk en vertrouwd als vroeger. Er was niets verloren. En -zonder vreezen, in onbewogen rust zag hij het reine wonder aan, dat -zijne ziel dadelijk herkende. - -Was er dan niets gebeurd, wat hem veranderd had, en was het mooie nog -altijd onbesmet? - -Zie, naast hem zat Leliane, zooals zij ook dien morgen bij hem gezeten -had, toen zij neer was gezonken bij den vijver. Hare blanke handen -rustten op het mos, teêr als bloemen, hare rustige oogen zagen naar de -lelies, peinzend. Plechtig suisde de stilte door het bosch, en geen -blad bewoog. Alles in het rond was van goddelijken vrede overtogen, en -stond zoo, aandachtig, in hoogste volkomenheid van wezen. Nú was het -hoogste en beste bereikt, zoo was alles goed en tevreden.... Alleen -maar dit, en zoo nu altijd blijven, dit roerlooze, tot aller-innigste -kalmte gekomen, tot in eeuwigheid.... - -Een groote vrede daalde ook over zijn ziel, waar al zijn angst en -droefheid uit waren gevloden. Hij voelde zich nu rustig en rein als het -bosch, met al zijn rechte, stille stammen, waar geen blad bewoog, en de -schaduwen van breede kruinen roerloos over den blanken vijver-spiegel -lagen. - -En dit alles was zóó innig en ontwijfelbaar reëel, dat het hem niet -was, of hij droomde, maar of hij nú eerst uit een droom tot hoogste -werkelijkheid was ontwaakt, en dit ook het eenig mogelijke en stellig -zekere was, waartoe hij ooit had kunnen komen. - -Al dat andere, wat hij nu pas beleefd had, het heengaan uit het bosch, -het reizen naar de stad, het doelloos dolen door de sombere -huizen-straten, hoe ongeloofelijk leek het nu ineens, hoe ongerijmd, en -hoe had de schijn hiervan toch voor de hand gelegen! - -En dan die vreemde koorts-droom, die vreeselijke hartstocht-storm met -die onverwante vrouw, dat wezen zoo gansch buiten hem, dat hij nooit -gekend had, hoe had hij er ooit onder lijden kunnen, in angst en -pijnen! Zij was toch nooit een lieve vriendin geweest van zijne ziel, -en nooit had haar stem de rust van het stille bosch verstoord.... - -Want de éénige werkelijkheid, die altijd onvergankelijk in zijn ziel -was blijven leven, was dit reine, rustige woud, waren de blanke lelies, -altijd onbesmet, in groote eerwaardigheid hun gouden kern ontplooiend, -en het witte beeld van de prinses, zooals zij rustig slapende lag, in -onschuld gehuld. - -En het éénige genot, dat ooit zijn innigste wezen zalig had gemaakt, -was enkel het rustige aanzien van Leliane, in vrome contemplatie, -verlangeloos zooals de gouden lelie-harten durfden opzien naar het -licht. - -Hij herinnerde zich opeens zijn vrees van ééns, in het kamertje waar -Leliane sliep, toen hij het getik-tak hoorde van de klok, en hij bang -was, dat dit heilige oogenblik voorbij zou gaan, en weg wezen, voor -goed. Maar nu voelde hij, dat het niet weg was geweest, dat het ook -nooit weg zou kúnnen gaan, want dat dit heilige was gebeurd aan zijne -ziel in de sfeer van het tijdelooze, die niet van de aarde is. En -zooals onsterfelijk was zijn ziel, zoo moest ook dit allerhoogste -zielsgenot onsterfelijk zijn, van eeuwigen duur, en onvernietigbaar -door de vage dingen van het dra voorbij-vliedende leven.... - -Wat hij gedroomd had, hoog in de toppen van de boomen, turende naar de -verre sterren, wat hij geweend had aan zijn open venster, waar de -nacht-boomen buiten ruischten stil gebed, wat hij voor heiligs gevoeld -had als de witte lelies hun bladen ontplooiden, er kon niets van -verloren zijn gegaan, omdat niets van God ooit verloren gaat.... - -Ook niet Leliane... - -Leliane!... - -Kon dit de prinses zijn, die in haar witte paleis was gebleven, -ongedeerd en ongenaakbaar, waar haar volk in onrecht en leugen -verkwijnde, veilig in kostbare weelde tronend, alsof er geen honger en -armoede bestonden?... - -Neen, dat kón niet, dat kón Leliane niet wezen, het moest eene andere -zijn... - -Want deze Leliane, enkel genade, enkel goddelijke vrede, die reiner was -dan de witte water-lelies, en van zachter kleuren dan de hemel, en -schooner dan der sterren glans, dat kon niet de koude prinses zijn van -een volk in ellende, ongeroerd in haar hoog paleis... En toch zág hij -dat beeld, dat zoo op haar geleek, het kalme maagde-kind, dáár, -peinzend bij den stillen vijver, in een zóó goddelijken glans, dat zijn -gansche ziel er van bad... - -Was er dan een andere sfeer dan de vage werkelijkheid der aarde, waarin -alle dingen, hier maar in droevigen, onvolmaakten staat, een -verheerlijkt, heilig, hooger bestaan leven? En werd hij door zijn jonge -droomen dan somtijds tot die hooge sfeer verheven, waarin de ware -Leliane leefde, die misschien wel de eigenlijke, onsterfelijke ziel was -van die andere in de droeve werkelijkheid, die op haar geleek?... - -Want alleen déze had hij lief, die hij nu naast zich zag zitten, -roerloos de handen als teere bloemen in het mos, het lange, gouden haar -als een aureool van licht om haar heen... - -O! Wat lagen die stille water-lelies rustigjes, rustigjes op den kalmen -vijver-spiegel, en hielden hun gouden harten oprechtelijk open tot het -licht! Overal om hem heen keken bloemen, zacht als kinderen, uit het -gras, en hoor! de vogelen zongen, zijn lieve vriendjes, hun lied van -blijheid om het leven! De goede, trouwe boomen stonden als oude -vrienden in het rond. Alles, alles was als vroeger, maar nóg mooier, -nóg heerlijker... - -En in die opperste extaze van een transcendent visioen voelde Paulus, -hoe de goede Vader aller dingen nog altijd bij hem was, en woonde als -een trouwe hoeder in zijn ziel, die door géén vaag gevaar van -menschen-dingen ooit besmet kon worden, onvernietigbaar en veilig in -eigen, heilige sfeer.... - - - Brussel—Scheveningen. - 1901–1902. - - - - - - - - -Op dit werk zal een vervolg verschijnen getiteld: „Leliënstad.” - - - - - - - - -*** De spreuk voorkomende op blz. 103 en verder is opzettelijk -letterlijk vertaald, omdat zij in dezen versvorm prijkt op den grooten -Dom te Berlijn.—Vergelijk Matthaeus XVIII: 20: „Ziet, ik ben met -ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.” - - - - - - - - -AANTEEKENING - - -[1] In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het -restaurant Maxim te Parijs. - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIANE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
