summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/68155-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/68155-0.txt')
-rw-r--r--old/68155-0.txt6719
1 files changed, 0 insertions, 6719 deletions
diff --git a/old/68155-0.txt b/old/68155-0.txt
deleted file mode 100644
index f28514e..0000000
--- a/old/68155-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,6719 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Leliane, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Leliane
- een modern sprookje
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: May 23, 2022 [eBook #68155]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- file was produced from images generously made available by
- the Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIANE ***
-
-
-
-
- LELIANE
-
- EEN MODERN SPROOKJE
-
-
- DOOR
- HENRI BOREL
-
-
- AMSTERDAM
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-Reeds tien jaren geleden liep ik met het plan rond voor dit boek,
-waarvan ik toen het begin al had geschreven, dat echter in den loop der
-tijden is weggeraakt. Ik durfde er nooit weer aan, omdat er zulke
-onwaarschijnlijke dingen in voorkwamen, die niemand zou gelooven. Dat
-groote bosch, zoo vlak bij de beschaving, die oude man, die daar zoo
-eenzaam woonde met zijn kleinzoontje, die verdwaalde prinses, en dat in
-ónze tijden!.....
-
-Neen, dat ging niet, en daar zou niemand aan willen.
-
-Toch ben ik nu, in 1901, dit boek opnieuw begonnen, en heb ik het
-geschreven, zooals mijn plan was. En omdat zoo veel erin niet gebeurd
-kan zijn, en zeker erg onmogelijk is, heb ik het een sprookje genoemd,
-al is het dan ook een „modern sprookje”.
-
-Nu ben ik niet bang meer. Want in een sprookje, niet waar, kan alles
-wat in de werkelijkheid niet kan, en nu kunnen al de dingen, die erin
-voorkomen, dat oude bosch, en die eenzame grijsaard, en die mooie
-prinses, en dat vreemde kleinzoontje, ook best bestaan hebben. En zóó
-ben ik dan nu gedekt, hoop ik.
-
-
-
-Ten slotte nog dit. De schrijver wil niet de meeningen of beschouwingen
-van personen uit het laatste gedeelte van zijn boek als per se ook de
-zijne geven, en blijft hierin—althans voor den lezer—het liefst
-objectief.
-
- H. B.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK I.
-
-
-Paulus heette hij, en hij woonde met zijn grootvader in een oer-oud
-bosch, ver van de beschaafde wereld.
-
-Het kleine huis, van riet en hout, stond wèlbeschut onder ernstige,
-hooge boomen. Die gaven schaduw voor de zon en vingen den wind op met
-hun breede, sterke ruggen, dat hij het huisje niet zou deren. Hoe kende
-Paulus ze allemaal, die rond zijn woning stonden! Hoe waren ze hem
-vertrouwd, en wist hij van elk de eigenaardigheden! ’s Ochtends zeide
-hij ze goeden dag, en dan zongen ze met hun bladeren een morgenlied in
-de lucht. Dat was dan de muziek, die hij daar, ver van de wereld,
-hoorde. En ’s avonds, als ze, op hun ruige, massieve stammen geleund,
-moê van al het dagleven stonden te slapen, zwaar en zwijgend, dan
-wenkte Paulus ze goênacht, vóór hij het venster sloot van zijn
-kamertje. En dan ritselde er wel eens wat in de blaren, of een boom hem
-nog even bedankte in zijn slaap. Zijn goede, sterke, groote broeders
-waren het, die boomen.
-
-Zijn grootvader was Willebrordus, een oud, oud man.—Zooals een heel
-oude boom leek hij wel, nog altijd groot en sterk, maar al wat gebogen,
-met diepe, donkere rimpels, en, zooals bossen oude luchtwortels, hing
-een ruige, grijze baard golvend neder van zijn kin. Hij liep erg
-langzaam, met de rechterhand gesteund op een gaanstok. Maar zijn oogen
-waren nog helder als sterren in den nacht, en zijn stem was duidelijk
-en klaar. Hoe zijn grootvader daar zoo in het bosch was komen te wonen,
-wist Paulus niet. En hij herinnerde zich ook niet, ooit iets anders te
-hebben gezien dan zijn grootvader, en het huisje, waarin hij woonde, en
-de hooge boomen, en de sterren, die flikkerden door de bladeren, en de
-bloemen en de vogels in het bosch. Dan nog het trouwe gezicht van
-Mareta, een oud vrouwtje, dat kookte en schoonmaakte, thuis, en aan den
-grijzen Willebrordus gehecht was als een goed, trouw dier. Andere
-gezichten waren er niet in het leven van Paulus.
-
-Maar tóch was het heel vol en heerlijk, dat leven, en ge moet niet
-denken, dat het zoo erg was voor dat jongetje, om daar zoo ver weg in
-een bosch te wonen.
-
-Want zooals andere kinderen met kinderen en menschen omgaan, zoo ging
-hij om met de boomen en de bloemen. En nu zeggen ze wel dat die niet
-leven, en geen ziel hebben als de menschen, maar dan weten ze er niets
-van. Dat hadden ze eens aan Paulus moeten vertellen! Hoe zou hij
-gelachen hebben! Alsof die boomen en die bloemen niet ieder hun eigen
-leven en hun eigen karakteristieke dingen hadden, net als de menschen!
-Praten konden ze niet. Dat is zoo. Maar zoo’n boom kan zoo
-vertrouwelijk doen met zijn bladeren, en ook zoo diep zuchten, met
-vreemd gekreun, en dan kan hij ook weer ineens zoo heel stil zijn, of
-hij iets heel volzaligs ergens zag in de lucht, en dan zóó roerloos van
-aandacht zijn blaadjes uitgespreid houden, dat je al heel dom moet zijn
-om niet te begrijpen, dat er iets van innig leven in hem omgaat. En dan
-een bloem! Zooals die ’s morgens vriendelijk staat te lachen, met
-dauwdroppeltjes in haar oogen, en zooals die zijn geur naar je toe
-wuift! En zooals die ’s avonds zachtjes wat gaat neigen, en knikkebolt,
-als een meisje, dat slaap heeft, en dan voorzichtigjes de blaadjes
-heenvouwt om haar hoofdje, om het niet te koud te hebben ’s nachts! En
-zoo gelukkig en deemoedig-tevreden als ze dan staan te slapen, die
-bloemen, tot het goede licht weer komt, dat ze wekt! Dan doen ze
-allemaal hun blaadjes weer open, en lachen tegen de zon.
-
-Maar behalve de bloemen en de boomen had Paulus nog andere vrienden. De
-vogels. En die konden wèl praten. Daar behoefde je niet zoo erg knap
-voor te wezen om te verstaan wat die zeiden. Ze waren ook niets bang
-voor hem, en vlogen niet weg als hij aankwam. Hij zou ook nooit
-geprobeerd hebben er een te vangen. Zijn grootvader had hem geleerd,
-dat hij géén levend wezen, hoe klein ook, ooit mocht pijn doen. Want
-alle levende schepselen waren als hij, had Willebrordus gezegd, en
-hadden met hem éénen Vader. Evenmin als onder de menschen iemand zijn
-broeder of zuster mocht dooden, mocht je ooit een levend wezen pijn
-doen. Paulus had dat trouwens altijd heel natuurlijk gevonden. Het zou
-bijvoorbeeld niet in hem op zijn gekomen om zoo’n vogeltje te vangen.
-Het was veel te heerlijk voor zoo’n beestje om zijn vlerkjes uit te
-spreiden, en dan vèr weg te vliegen, waar hij maar wilde. Hij benijdde
-ze wel eens. Vooral de leeuwerik. Hoe die op zijn trillende vleugeltjes
-in den hemel vloog, naar de zon, en dan heel, heel hoog, een zwart
-tipje in het goud, hing te kwetteren van pleizier!
-
-Ook kwam hij wel eens herten en reeën tegen als hij ver wandelde in het
-bosch. Die lieten zich gerust door hem streelen, en keken hem
-vertrouwelijk aan met hun groote, bruine oogen. Nog mooier oogen hadden
-ze dan honden of paarden, vond hij. Ze konden zoo lief en goedig
-kijken, zoo heelemaal oprecht, en zonder iets achter te houden. Zoo of
-ze wilden zeggen: daar heb je me nu, heelemaal zooals ik ben. Paulus
-was altijd erg blij als hij er een tegenkwam, en dat vertelde hij dan
-later aan zijn grootvader, zooals een ander zou vertellen van een
-vriend, dien hij ontmoet had. Van héél ver kwamen ze, zeide
-Willebrordus, van dagen aan dagen vèr loopen, en als er veel in de
-buurt kwamen, was dat een teeken, dat de menschen van ’t Leliënland een
-groote jacht hadden gehouden.
-
-Dat was iets verschrikkelijks voor Paulus. Grootvader vertelde het hem,
-hoe die menschen de arme herten opjoegen, en doodschoten met pijlen, en
-er woeste bloedhonden op af stuurden, als ze gewond waren en vluchtten.
-En als de jager dan kwam stak hij het hert nog eens met een scherp
-jachtmes in de keel.
-
-De menschen.... Dat was iets vaag beangstigends voor hem. Niet de
-enkele menschen, die hij wel eens ver in ’t bosch ontmoette, en die
-thuis de oude Mareta dingen brachten voor de huishouding. Dat waren
-boeren van de grenzen, zeide grootvader, en zij waren goedaardig en
-vriendelijk van aard. Maar de menschen ... dat waren de menschen van de
-steden, vèr, vèr weg gelukkig, waar hij nooit naar toe mocht gaan, en
-waar hij ook instinctmatig bang voor was als voor iets
-verschrikkelijks.
-
-Dagen en dagen ver loopen, eerst het groote bosch uit, en dàn een
-rivier over, dàn over bergen en dàn een verre vlakte, daar moest ergens
-de stad zijn, waar de menschen woonden. Dáár woonden ze, niet bij de
-boomen, in de open, vrije lucht, maar in groote, groote gebouwen van
-steen, die ze huizen noemden, duizenden aan duizenden naast elkaar en
-boven elkaar, dat je nooit iets anders zag dan steenen; en daar waren
-donkere holen, die ze fabrieken noemden en waar duizenden slaven
-werkten, die nooit buiten de zon konden zien en nooit bloemen hadden;
-daar werden koeien en kalveren en paarden geslacht, vogels en lammeren
-vermoord, en hun vleesch en hun bloed verzwolgen. Daar moesten bij
-honderdduizenden naast elkaar de „menschen” wonen, die allemaal in die
-steenen hokken moesten bestaan, en, zooals grootvader zeide, altijd
-maar doorvochten, als wilde roofbeesten eigenlijk, wie leven zou ten
-koste van den ander. Als ze buiten op het land wilden wonen zou er voor
-ieder ruim genoeg zijn, maar dat wilden ze niet. Ze zouden en ze
-moesten hokken blijven in hun steenen kooien, die ze steden noemden,
-allemaal dicht op elkaar gekropen en elkaar verdringend, als vee, dat
-in een te nauwe ruimte is gedreven.
-
-Paulus had zijn grootvader moeten beloven om nooit, nooit te vragen met
-hem de stad te gaan zien, en het ook nooit te verzwijgen, als hij lust
-mocht krijgen uit de eenzaamheid weg te gaan naar de menschen. Als
-Paulus absoluut wilde, en zich anders ongelukkig voelde, zou
-Willebrordus hem niet tegen houden, en hem laten gaan. Doch met hem
-medegaan zou hij nooit.
-
-Maar dit boek is een sprookje, en Paulus voelde geen behoefte om weg te
-gaan uit zijn goed, schoon bosch, al dacht hij veel om de menschen daar
-ginds ver, en hoe zij er wel zouden uit zien, en wat zij doen zouden.
-Hij had genoeg te doen in al het mooie om zich heen om zich niet te
-vervelen, en niet naar méér te verlangen dan hij had. ’s Ochtends kreeg
-hij geregeld les van zijn grootvader, die heel wijs en knap was, en hem
-veel kon vertellen. Hij leerde Paulus véél van de sterren, en hoe zij
-rondwentelen in de eeuwigheid, op rythmus van vaste wetten, en hoe die
-rythmus even schoon en volheerlijk was als die van de verzen der oude,
-ware dichters, die hij hem voorlas. Hij leerde hem van de poëzie der
-eindelooze getallen, en hoe de wiskunde even warm van poëzie was als ál
-het andere bestaande, en hij leerde hem, hoe het alles één en hetzelfde
-groote was, dat de sterren voortstuwde in hun baan, en het zaadje van
-een bloem deed kiemen tot een zoo wondere schoonheid als van een lelie
-of een roos. En bij alles, bij de sterrenkunde als bij de botanie, bij
-de wiskunde als bij de poëzie vertelde Willebrordus hem van den éénen
-Geest, die het Al doordringt, en die zich manifesteert zoowel in het
-simpele viooltje als in den statigen eik, in het licht der blinkende
-Avondster zoowel als in de zachte, bruine oogen van de ree. Niet in den
-Hemel, ergens boven de wolken en de luchten, woonde die Geest, maar in
-alles en allen was Hij geopenbaard, en Hij leefde in alle dingen
-onsterfelijk en onvernietigbaar. Als de boomen doodgingen, of de
-vogels, of de bloemen, of de menschen, dan was dat maar éven een
-weggaan van een uiterlijken schijn. Want de Geest, die er in geleefd
-had, was gaaf en puur gebleven, en uitte zich drá weer in nieuwe
-openbaringen, even schoon.
-
-Dat had Paulus trouwens ook altijd intuïtief gevoeld, óók vóór zijn
-grootvader het hem leerde. Want in de groote eenzaamheid van de natuur
-zie je God het dichtste nabij. Als het morgen was, en het goede Licht
-kwam aan in het Oosten, en ging zegenend over het bosch; als dan de
-bladeren van de wakker geworden boomen zachtjes ruischend dat licht
-begroetten, en al de vogeltjes hun stemmetjes probeerden voor de muziek
-van den dag, dan kwam dat over hem als een groote blijheid, als iets
-dat hem door iemand gegeven werd die heel goed en lief voor hem was, en
-alles met hem deelde. En hij wist vanzelf ook wel dat het alles
-hetzelfde was, het bladeren-ruischen, en het schijnen van het licht,
-het vogelen-gezang en de geuren van de bloemen, het wind-gewaai en het
-vertrouwelijk gepraat van de beekjes. Het was telkens op andere wijze
-geuit, de eene nog mooier dan de andere, maar het moest van Eenen zijn
-gegeven, en Één leefde in al de dingen om hem.
-
-Of ’s avonds, als het licht weg was gegaan, en de sterren begonnen op
-te blinken aan den hemel. Hoe dan ineens al die boomen ernstig werden,
-en toch zachter dan overdag, met al hun stammen en takken véél
-duidelijker uitgekomen, hoe ze stil werden van aandacht, en hoe ze dan
-soms inééns met hun breede kruinen éven opruischten, zoo héél anders
-dan overdag, plechtig alsof ze fluisterden een gebed. Hoe wijs waren ze
-dan geworden, zoo verdiept in gedachten, en hoe rustig, alsof het zóó
-nu eigenlijk pas goed was, en dít nu de allergrootste innigheid was,
-waartoe ze in staat waren te komen. Den gehéélen dag hadden ze er over
-gedaan om dít nu te kunnen worden, en het zóó te zeggen. Ik zeg te
-zeggen, omdat al die ranke takjes met hun teere gebaren, en al die
-fijne loovertjes zoo doodstil uitgespreid, heusch net zoo spraken tegen
-den kleinen Paulus alsof iemand hem toefluisterde iets heel goeds en
-innigs. Als het dan zoo stil was, en roerloos stonden de boomen te
-droomen, en het loover bewoog niet meer, dan voelde hij even duidelijk
-of iemand vlak naast hem stond, dat Eéne, dat de eeuwige, goddelijke
-Geest was, dicht, heel dicht bij hem, zoo dicht als een moeder bij het
-kind, dat rustigjes slaapt aan haar borst.
-
-Hij was ook nooit bang, Paulus. Hij wist niet wat het was, en er wás
-ook niets om bang voor te zijn. Alles om hem heen was veilig en
-vertrouwd. Hij wist ook ’s nachts precies waar alles stond, al was het
-donker, en de zwarte boomstammen waren even gewoon als de donkere
-lichamen van vrienden zouden zijn, die om hem heen stonden. De dingen
-van den nacht waren hem allen even eigen als die van den dag. Vooral de
-sterren. O! De sterren! De sterren! Die had hij eigenlijk nóg liever
-dan de bloemen, al noemde hij ze wel eens de bloemen, die bloeiden in
-den hemel. Grootvader had hem heel wat er van geleerd, en hij kende
-veel sterren, zooals hij veel bloemen kende.—Hij vond het altijd zoo
-heerlijk op hen te wachten als het donker werd, en ze kwamen opdagen,
-trouw als vrienden op hun tijd. Hij wist het, eerst moet déze
-komen—kijk, daar was zij al—, dan díe—daar was zij—en nu díe, en dan
-díe, totdat er inééns te veel waren om goed te onderscheiden. O! kijk!
-kijk! daar waren ze, hier, en daar, en daar, en overal, daar hingen ze
-hem inééns aan te zien met hun gouden en zilveren gezichtjes, en
-groetten hem met hun reine licht. Als het dan zoo héél groot en
-schitterend was, op een bizonder helderen nacht, dan kreeg hij dikwijls
-een vreemd, vaag verlangen, dat bijna droefheid en toch óók zalig geluk
-was, om bij hen te zijn. Het was hem dan, of hem iets riep, wat wist
-hij niet, maar iets dat liever en beter was dan het allerliefste en
-beste, hem meer vertrouwd nog dan grootvader, en zijn kamertje thuis,
-en zijn liefste vogels en bloemen. Dan gevoelde hij een behoefte, om
-dichter en dichter bij die sterren te zijn, en hij klom in den hoogsten
-boom, zoo ver hij kon, in de kruin. Daar bleef hij dan roerloos zitten.
-Beneden hem stonden vèr en vèr de stille, donkere boomen rustig te
-droomen in den nacht, tevreden en zacht als kinderen, die slapen zijn
-gegaan. Alles was verzonken in roerloozen sluimer, waar alle geluiden
-zwegen. Dan keek hij in groot verlangen naar boven, naar de sterren,
-die zoo hoog boven al de dingen van de wereld stonden te schitteren, in
-de eindelooze stilte van de sferen. Maar ach! hij was niet dichterbij
-gekomen, al waren zijn armen en beenen van ’t klimmen moe. Altijd waren
-de sterren nog even ver. Dan voelde hij wel eens een vreemde pijn, en
-welden hem de tranen in de oogen, omdat het zoo ver, zoo eindeloos ver
-was, dat mooie licht, dat hij liefhad, en grooter en grooter werd het
-verlangen in zijn onbewuste ziel om nu zacht, zacht omhoog te mogen
-zweven, en ál die toch zoo lieve en vertrouwde dingen van beneden ver
-onder zich te laten, om daarboven in dat volheerlijke, zalige licht van
-de sterren te vergaan...
-
-Dat was zoo vreemd voor hem. Hij had alles om hem heen zoo lief. Zijn
-grootvader. De oude Mareta. Zijn kamertje thuis. Zijn bloemen en vogels
-en dieren. En tóch was er iets, dat hem van al die lieve dingen
-wegriep, en waar hij altijd bij verlangde te wezen, héél, héél ver. Het
-was zoo vreemd, en toch zóó innig, dat hij het nooit aan grootvader had
-gezegd, wien hij toch alles toevertrouwde. Het was ook maar heel
-zelden, en nooit dikwijls achter elkaar, dat gevoel, en altijd alleen
-als de avond was gevallen.
-
-’s Ochtends voelde hij het nooit. Dan was alles goed zooals het was, en
-alle dingen waren blij en tevreden. Hij had overdag ook te veel te
-doen, om zoo weg te verlangen naar het vreemde en verre. De lessen van
-grootvader, het werken in den tuin om het huisje, het baden, en de
-wandelingen door het bosch, het roeien op de rivier, en het lezen. Daar
-was hij ’s avonds meestal moe van, zoodat hij vroeg naar bed ging, waar
-hij dadelijk insliep, rustig en gezond, zooals een vogel slaapt en een
-bloem. Het licht maakte hem ’s morgens wakker, sterk en tevreden, en
-hij aanvaardde blij den nieuwen dag, zooals alle dingen om hem in de
-natuur.
-
-Hij had een paar lievelingsplekjes in het bosch waar hij zich
-gelukkiger voelde dan ergens anders. Een er van was een groep van
-groote purperbeuken, met een open plek in het midden, waar
-rood-en-gouden blaren waren opgehoopt tot een bed. Daar lag hij dan,
-met het hoofd op een arm geleund, uren lang te lezen in de boeken met
-verhalen en verzen, die grootvader hem gaf. Dat was zoo heerlijk, zich
-te laten wiegen op de rythmen van een vers, dat zoo wonderwèl aanpaste
-aan het zacht geruisch van de boomenkruinen op de ademen van den wind.
-Somtijds, als hij ophield met lezen, was het of het gedicht nog altijd
-voortruischte, hoog boven zijn hoofd, en dan in de luchten verging.
-
-Dán was er nog een andere plek, waar hij het liefste zat als hij zich
-alleen voelde, en behoefte had aan iets vriendelijks van vertrouwen.
-Het was een groepje rotsblokken, waar steenachtige heuvelen omhoog
-stegen, en beken met kleine watervallen kletterden neêr. Dat deed zoo
-goed, het mededeelzame gepraat van het vallende water, dat maar niet
-kon ophouden te vertellen van allerlei blijde en vroolijke dingen.
-Nooit hielden die beekjes hun mondjes stil, altijd ratelden ze maar
-door, voortdurend bereid om iets te zeggen, zoodra hij maar kwam. Ook
-’s nachts hield het niet op, en te midden van al het donker dat zweeg,
-babbelde het water maar altijd door, onbezorgd en expansief als een
-kind, dat ’s nachts in bed niet slapen kan, te blij om zich te uiten in
-vreugdevol vertellen.
-
-Maar de mooiste plek in het geheele bosch was een stille vijver, heel
-ver weg, in de schaduw van hooge, rechte boomen, wier breede kruinen
-bijna nooit bewogen, en roerloos uitgespreid bleven boven het vlakke
-water. En in dien vijver, rustig drijvende op den kalmen spiegel,
-bloeiden de witte waterlelies, met hun gouden bloemen-harten wijd open
-naar het licht, als om hun ziel ganschelijk heen te geven aan de zon.
-Hoe die bladen zich kuischelijk ontsloten, hoe die gouden harten
-vreezeloos open lagen, en hoe aandachtig die witte lelies opzagen naar
-omhoog, van waar het licht moest komen dat hen drenkte! Zoo stil, zoo
-roereloos rein als die blanke bloemen op het pure water lagen, in zoo
-groote oprechtheid, van zoo kalme, gewijde rust overtogen! Hoe heerlijk
-vooral, als de avond begon te dalen, en alle geluiden zwegen, hoe dat
-vlekkelooze wit dan opscheen in het donker, met een zachte innigheid,
-vroom als een gebed! Dan ging Paulus stil aan den oever van den vijver
-zitten, alle dingen om hem heen begonnen langzaam te vervagen, en hij
-zag niets meer dan die heilige bloemen van wit, hoe die bewegingloos op
-het rimpellooze water dreven, tot de tranen van een onbewuste, vreemde
-zaligheid, droef en toch eindeloos blij, hem in de oogen kwamen, en hij
-droomde wonderen droom....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-
-Zóó werd de vijver van de waterlelies het allermooiste uit zijn leven.
-Hij durfde er maar zelden heen te wandelen. Niet alle dagen waren daar
-goed voor. Het moest zacht, stil weer zijn, en hij moest zich erg
-rustig en sterk voelen om het te kunnen doen. Als hij moê was of
-opgewonden van veel lezen durfde hij het niet. Want van alle mooie
-dingen in de natuur om hem heen, waarin de groote, goede Geest zich
-openbaarde, dien Willebrordus hem God had leeren noemen, was er géén,
-waarin hij Zijn heilige tegenwoordigheid zóó voelde als in de
-waterlelie. Uit haar smettelooze blankheid, roerloos op het reine water
-gedragen, straalde Zijn kalme glorie hem tegen, van aangezicht tot
-aangezicht.
-
-„Kijk goed en aandachtig naar die lelies,” had Willebrordus eens
-gezegd, „en zie ze altijd vóór je, mijn jongen, je gehééle leven, dat
-je tracht te worden zooals zij, zóó rein, en zóó rustig, en zóó wáár.”
-
-En toen heeft Paulus dikwijls verlangd om geen mensch meer te wezen,
-maar zoo’n blanke, kalme bloem, en altijd zóó rustig op het water te
-liggen, zonder bewegen, opziende naar het Licht, in wijs vertrouwen.
-
-Vooral als hij slapen ging dacht hij dikwijls om de lelies. Die
-behoefden niet op te staan, en te loopen, en te bewegen als hij; die
-waren niet altijd ergens anders, nu hier en dan daar, maar altijd lagen
-ze rustig drijvende in den vijver, en hadden niets te doen dan zacht
-hun blanke bladen te ontvouwen, en hun gouden harten omhoog te houden
-tot het licht. O! Altijd zóó stil te liggen droomen in de schaduw van
-roerlooze boomen, zich zóó uit te kunnen spreiden in bloote blankheid,
-dat het heilige licht diep doorstraalt in je hart!
-
-En dan dacht hij, met huiverenden eerbied en vage ontzetting aan een
-wonder wezen, vèr, vèr over de bosschen, en de rivieren, en de bergen,
-dáár waar de menschen woonden in de Leliënstad, aan de prinses Leliane,
-die het kind van de witte waterlelie moest zijn.
-
-In de oude legende had hij het gelezen, hoe ééns, eeuwen en eeuwen
-geleden, in een oer-oud bosch, een groote, wondere lelie had gebloeid,
-waaruit het heilige zonnelicht zelve, door een vroom mirakel, een kind
-had verwekt. Dat kind was door de priesteren en wijzen van het land tot
-koning uitverkoren, en uit dat ras van leliën-menschen, uit het licht
-van de heilige Zon zelve, stamde in rechte lijn af de kroonprinses
-Leliane, die eenmaal koningin zou zijn van de Leliënstad. De koningen
-en koninginnen van dat roemrijke ras waren menschen geweest van vleesch
-en bloed, als de anderen, maar in hunne aderen was de essence gevloeid
-van het licht der Zon, de bron van alle leven en warmte, en daarom
-waren ze heilig en onaantastbaar als God zelf. Hun fijne, blanke
-koningshuid was veel witter en teêrder dan die der gewone stervelingen,
-en de telgen van het edele leliën-ras waren dadelijk te herkennen aan
-het eigenaardige, vreemde licht, dat schemerde met een zachten toover
-onder transparante huid. En hun lange, zijdezachte lokken straalden van
-een verblindenden glans, omdat de essence er in gloeide van het gouden
-licht van de zon.
-
-Nu waren ze allen uitgestorven, die het heilige licht in zich hadden
-geäbsorbeerd, en alleen de prinses Leliane was over, als de
-allerlaatste van het blanke bloemenras.
-
-Paulus had dikwijls aan Willebrordus over de prinses gevraagd, maar de
-oude man had hem gezegd, liever niet over haar en haar volk van
-Leliënstad te willen spreken. Zij was heerscheres over de wreede
-stadsmenschen, die in de groote, afschuwelijke opeenhoopingen van
-steenen woonden, die leefden van elkanders ellende, en hun
-mede-schepselen doodden tot eigen genot. En hij wilde haar daarom niet
-erkennen en vèr leven van haar af, zooals hij vèr bleef van de menschen
-en hun stad.
-
-Maar toch moest Paulus dikwijls denken aan dat wondere wezen, zoo vaag
-en vèr voor zijne verbeelding, die in haar aderen het vlekkeloos blank
-moest hebben van de witte waterlelie, en het stralende goud van de zon.
-Zij moest wel even roerloos-rustig en genadevol kalm zijn als die
-vredige bloemen, drijvende in den vijver.
-
-Hoe blank moest haar menschen-lichaam wezen, als het de blankheid had
-van de wijd-uitgespreide bladen op het water! En zou zij haar hart even
-oprechtelijk in de wereld openhouden, in zoo gansche, goddelijke
-gulheid, als het heilige bloemenhart opziende naar het licht?
-
-Zij woonde in een paleis van wit marmer en goud, in witte gewaden van
-reinheid ging ze, en op haar blonde haren blonk de gouden
-konings-diadeem. Als zij aanschreed bogen de hoofden van duizenden, en
-beefde de lucht van het gejubel der saamgestroomde scharen. Het moest
-wel zijn zooals in het woud, als de zon opging aan de kim, en langzaam
-nader steeg. Dan ruischten de boomen heinde en ver haar tegemoet, en al
-de vogels jubelden haar toe met hun gezang.
-
-Honderdduizenden-en-duizenden moesten hare onderdanen wezen. En over
-die allen gebood zij, de prinses Leliane, die weldra koninginne zou
-zijn, over die allen was zij de souvereine heerscheres, bij de gratie
-Gods, die het mirakel had doen gebeuren van de onbevlekte
-menschengeboorte uit een witte waterlelie van het heilige bosch.
-
-En dikwijls kwam over het hart van den jongen Paulus een stil, vaag
-verlangen om de prinses te zien. Zij moest mooier nog zijn dan de
-bloemen, dan de vlinders, dan de vogels, dan de sterren, dacht hij.
-Misschien zou je wel dood gaan van zaligheid en ontzetting als je haar
-inééns voor je zag, of van haar groote schoonheids-schittering blind
-worden, alsof je te diep in de zon keek.
-
-Ééns was hij verdwaald geweest, toen hij te ver geloopen was, om
-een vreemd vogeltje te hooren, dat hij nog niet kende. Dat was heel
-angstig en tóch verrukkelijk geweest. In de schemering van een’ stillen
-avond had hij opeens een wonder, wonder gezang gehoord boven zijn
-hoofd, zoo vreemd, en zóó innig, dat de tranen er hem van in de oogen
-sprongen. Hij had in de boomen om zich al gekeken en gekeken, maar er
-was geen vogeltje te zien. Toen zweeg het zingen een poos, maar later
-begon het weer, nu véél verder. Hij was het nageloopen en keek al maar
-in de boomen, zonder iets te zien, totdat het telkens vérder weer
-begon. Zóó was hij, doodmoe, twee dagen het vreemde vogeltje gevolgd,
-totdat hij eindelijk aan een onbekende grens van het bosch kwam, waar
-hij nog nooit was geweest. Het was een donkere avond, met maar heel
-even wat maanlicht tusschen zwarte wolken. Vóór hem lag een wijde,
-open vlakte. Hij was toen in een hoogen boom geklommen om uit te zien
-waar hij was.
-
-Toen had hij, vèr, héél ver aan den horizon een vreemd, bevend licht
-gezien, wonderteêr en aetherisch in den nacht. Bleek waren de donkere
-hemelen van dien glans.
-
-En Paulus dacht dat het de weerschijn was van Leliane’s ziel, die daar
-lichtte aan den horizon, en was van ontzetting bijna uit den boom
-gevallen.
-
-Later, toen hij, na dagen zwerven, eindelijk door goede houthakkers den
-weg gewezen, weer bij zijn grootvader terecht was gekomen, had
-Willebrordus hem verteld, dat het de weerschijn was van de duizenden
-lichten in een stad, die hij gezien had. Maar heimelijk had Paulus het
-toch niet willen gelooven, en altijd verbeeldde hij zich dat hij de
-ziel van de prinses gezien had in dat wondere licht, zoo vreemd bevende
-aan verren horizon.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-
-Paulus had een klein kamertje, boven, onder de balken van het dak. Er
-stond niets in dan een houten bed, een tafel, een kleerenkast, een
-boekenrek en een paar stoelen, maar het was er toch erg gezellig, omdat
-het zoo licht en proper was. Er was maar een dun, hagelwit gordijntje
-voor het raam, zoodat ’s morgens het licht al heel vroeg binnenkwam en
-hem wakker maakte. Dan stond hij dadelijk op, en schoof het raam open.
-En al de goede, groote boomen ruischten hem dan vriendelijk goeden dag.
-De vogelen waren dan druk bezig aan hun morgenlied, en de bloemen
-zonden hun jonge, frissche geuren op. Het was hem altijd zoo licht en
-wonder wèl te moede ’s ochtends, en hij aanvaardde elken nieuwen dag
-als een kostbaar, heerlijk geschenk dat hij had gekregen. Als alles zoo
-vroolijk ruischte om hem heen, waar hij versterkt opstond van een
-gezonden slaap, en hij hoorde dat vogelen-gejubel overal, en die
-krachtige geur van jong hout en pas wakker geworden bloemen kwam naar
-hem op, dan was het hem, of hem dat alles persoonlijk werd gegeven, in
-eindelooze mildheid.
-
-Ja, er moest een goede Vader zijn, die voor al het schoone om hem heen
-liefderijk zorgde, en wiens Geest die groote, groote wereld van schoone
-wonderen doordrong. En dan kwam een groot gevoel van dankbaarheid in
-hem op voor al die goede gaven, en wenschte hij vurig, dat hij dien
-goeden Vader toch éénmaal zien mocht van aangezicht tot aangezicht, en
-hem knielend danken voor het lichte geluk van te leven.
-
-Boven zijn bed hing een schilderij van de heilige Leliane. Uit de
-roerloos-uitgespreide, blanke bladen van een groote, wondere waterlelie
-rees de koninklijke Maagd, de oogen biddend omhoog geheven, de handen
-gevouwen, in de kuische plooien van een wuivend, wit gewaad gehuld. Om
-haar heen zweefden kleine, kinderlijke engelen, met de wieken hoog-óp
-gestoken, recht stijgende naar een groot, roze hemellicht omhoog.
-
-Naar die uit een blanke bloem geboren maagd kon Paulus lang, lang
-blijven staren. Zachter en van véél teerder kleur was haar aangezicht
-dan de mooiste bloem, die hij kende, witter dan de lelie, zachter roze
-dan de reinste roos. Het geleek nog het meest op heel vage, witte
-wolkjes, die hij wel eens ver aan de hemelen had zien drijven, verlicht
-door de laatste glanzen van de ondergaande zon. Zóó broos en zóó ijl,
-dat één luchte winde-adem ze dra zou breken. En het vreemde er van was,
-dat hij wel zag, hoe dit kuische aetherische lichaam van vleesch moest
-wezen als het zijne, en het aanschijn hebben moest van een mensch, maar
-toch zoo héél anders, als een lichaam, dat door goddelijken geest
-ontvluchtigd is aan de materie. Zóó als bloemen wel eens konden zijn,
-in late schemering, als ze met bleeke, vervagende kleuren nog éven
-opschijnen, of zoo als heel fijne, teêre takjes nog éven, nauw
-zichtbaar, gevoelig staan te doen tegen late lucht. Dan is er inééns in
-de stille schemering als eene vergeestelijking, een allerteederste
-apothéoze, weifelend en voorzichtig, als de ziel der dingen éven
-kuischelijk ópdroomt in de vage, veilige sfeer van den vallenden avond.
-
-Ja, wèl was de morgen schoon, als het goede licht zich wijd uitbreidde
-boven de wereld, maar in de schemering van den avond voelde Paulus zich
-altijd het beste, als die groote, teedere zachtheid over alle dingen
-ging, die ze nóg schooner en inniger maakte dan overdag. Hij durfde dan
-zoo veilig denken aan de Maagd Leliane, die uit de witte waterlelie was
-geboren, en aan de prinses, daar, vèr over de bosschen en de vlakten en
-de bergen, die uit háár heilige zonne- en bloemen-essence was
-ontsproten. Als dan het donker met zachte schaduwen begon te dalen over
-het woud, zat hij peinzend aan het open venster van zijn kamertje.
-
-Hoe het dan ineens stil werd! Hoe die statige stammen der boomen nu
-duidelijk en zacht uitstonden in de atmosfeer! Hoe al die duizenden
-teere takjes en blaadjes uitkwamen tegen de lucht, roerloos bleven
-uitgespreid, van rust en genade overtogen. Het gezang der vogelen was
-verstomd. Somtijds zuchtte er nog ergens een zwak stemmetje, en
-ritselde er iets boven in een boom. Dan was alles weer stil, en suisde
-het ernstige zwijgen plechtig-monotoon door het donkere, slapende
-bosch.
-
-Door het gebladerte, hier en daar, zag Paulus langzaam de zilveren
-sterren opdagen. Rustig flikkerden zij daar met hun lichtjes in het
-diepe blauw, zoo ver, zoo veilig, en zoo ver. O! Hoog in die
-eindelooze, blauwe hemelen daar boven! Daar moest het nog
-volheerlijker, nóg wonderbaarlijker schoon zijn dan op de wereld hier
-beneden.
-
-En als dan de maan opkwam, en haar bleeke nachtgezicht, stralende van
-goddelijke rust en genade boven de aarde ophief, dat de zilveren,
-aetherische vrede-stralen zacht-biddend neerzegenden over het bosch, en
-alles in den slaap ópklaarde tot een apothéoze van heilig-verheerlijkt
-zijn, dan voelde Paulus opeens een groot verlangen opwellen naar zijne
-oogen, wijd breidde hij de armen uit, om die eindelooze Liefde te
-omvatten, die wemelde in de hemelen en over de aarde, en hij weende
-zacht, zacht van zaligheid en heerlijk onbewusten weemoed in den nacht.
-
-
-
-Somtijds schreef hij ook wel eens verzen. Heel korte, eenvoudige verzen
-maar, van acht of twaalf regels, enkel maar zijn onvermooide gevoel, en
-niets meer dan dat, op het rythmusje, waarop zijn hart klopte. Hij
-dichtte er in van het vreemde, onbewuste verlangen, dat hem somtijds
-vervulde, van het inééns diep bedroefd zijn, en weenen moeten, en niet
-weten om wàt, over het ineens vólzalig zijn van geluk, en het luid
-willen uitschreeuwen van vreugde, en evenmin weten waarom.
-
-Hij durfde die verzen niet eens aan zijn grootvader te laten lezen,
-wien hij toch alles van zijn leven toevertrouwde. Er was iets, dat hem
-er van weerhield. Het was of hij ze nog moest bewaren voor iemand, die
-er nog niet was, maar misschien ééns, ééns komen zou, en wien hij het
-dan van zelf zou geven.
-
-Paulus had een kleine, maar uitverkoren verzameling van gedichten in
-zijn boekenkastje. En hoewel hij van het groote leven der menschen nog
-eigenlijk niets had meêgeleefd voelde hij toch intuïtief de meeste
-dingen uit de verzen, waarvan de emotie hem nog nooit had beroerd. En
-dikwijls zat hij stil te weenen om verdriet of geluk, dat enkel zijn
-ziel maar intuïtief vóórgevoelde. Het liefste van allen had hij de
-dichters van den Lotus-krans, eene jonge generatie van kunstenaars uit
-Leliënstad, die de sinds eeuwen in verval geraakte dichtkunst uit een
-slaap van rhetorica en conventie hadden gewekt, en, tegen hoon en
-vervolging in, de groote revolutie in de literatuur hadden tot stand
-gebracht. Als hij van hun gloeiende, geestdriftige verzen las, voelde
-hij dikwijls een verlangen om hen éénmaal te zien, en te danken voor al
-het geluk, dat zij hem hadden gegeven. Hij stelde zich hen voor als
-uitverkoren, gezegende menschen, wien het bij het eerste gezicht was
-aan te zien, dat zij van God begenadigd waren met het reinste en
-edelste wat Hij aan stervelingen had bedeeld. O! hen éénmaal te zien,
-zijn geliefde dichters, hun te kunnen vertellen van de stille tranen,
-die hij hun had gewijd in de plechtige stonden bij den vijver, waar de
-witte waterlelies woonden!
-
-Willebrordus had hem véél geleerd van de menschen en de maatschappij,
-maar alles alleen in theorie, en van het practische leven had hij
-natuurlijk niets gezien, omdat hij was gebleven in de eenzaamheid van
-het woud. Zijn grootvader had hem enkel verteld, dat alles in het
-werkelijke leven niet dát was, waar het den schijn van aannam en den
-naam, maar ook de logen en het onrecht hiervan had hij enkel in theorie
-gevoeld, en nog niet brandend voelen gloeien in zijn ziel. Alleen
-vóórgevoelde hij de wereld en het leven van de menschen als iets
-vaag-vijandigs aan het liefste en beste in zijn ziel, waarvoor
-Willebrordus en hij zich ver verborgen hielden, diep in de veiligheid
-van het bosch. Met eene fijne intuïtie voelde hij in de uitdrukking van
-Willebrordus’ gezicht, in de breede, grievende rimpels van zijn
-voorhoofd, in de ernstige trekken om neus en mond, in het pijnlijk
-strakke kijken van zijn oogen, dat hem oneindig groot leed was
-aangedaan, leed van de menschen en de wereld, waarin hij ééns had
-geleefd, en hij begreep wel, dat Willebrordus nu zoo eenzaam met hem
-woonde in het stille bosch, om hem te bewaren voor het kwaad, dat zij
-hem zeker zouden doen, als hij óók onder hen moest leven. En hij was
-zóó tevreden en vertrouwd met de woud-eenzaamheid en zijn rustige,
-eenvoudige leven, dat hij er nooit over dacht, wat met hem gebeuren
-zou, als grootvader eens stierf, of als hij eens op de een of andere
-wijze, geheel onvoorbereid in het groote leven der menschen zou komen
-te staan. Zijn bestaan was onbezorgd en blijde als dat der vogelen en
-bloemen, die niet kunnen denken om den dag van morgen, maar zich
-koesteren in het zonlicht van den dag van heden, en onbevreesd de
-hoofdjes neigen als de avond komt. Hij nam het leven aan, zooals het nú
-was, onbewust en zonder denken, omdat het vreugde was en zegen, hem
-door iets heel goeds en heiligs gegeven, dat hij niet kende, maar waar
-hij zich toch het dankbare, welverzorgde kind van wist. Hij noemde het
-zijn’ Vader, en wist dat het ook de Vader was van de sterren, en de
-bloemen, en de boomen en de dieren, en van alles wat bestond door Zijne
-goedertierenheid.
-
-Wèl had hij tusschenbeide eens gedacht, waarom dan niet de geheele
-wereld vertrouwd was als het woud, waarom niet alle menschen in vrede
-konden leven als Willebrordus en Mareta en hij, waarom er dan die verre
-landen en die steden waren, waaruit zijn grootvader was gevlucht, en
-hoe het kwam, dat die Vader de wereld niet had bewaard in dezelfde
-verdraagzaamheid en dezelfde oprechtheid van het woud. Maar uit die
-gedachten was hij nooit tot een rijpe klaarheid kunnen komen, en hij
-was ze gaan schuwen, en drong ze terug, achter in zijn binnenste, als
-hij ze op voelde komen. Door het altijd om zich heen zien van mooie
-boomen en bloemen, in vrede bloeiende naast elkaar, door het altijd
-midden in de groote, oprechte waarheid leven van de natuur, was in zijn
-ziel bijna voortdurend een rustige, weldadige harmonie, die geen
-donkere gedachten lang konden verstoren.
-
-Zijn eenvoudige voedsel bestond uit brood en vruchten, boonen en
-groenten, zijn drinken uit melk en water. Nooit was één bete vleesch of
-een alkohol houdende drank over zijne lippen gekomen. Hij kon zich niet
-begrijpen, hoe de menschen in de steden levende beesten konden slachten
-en zich voeden konden met de lijken van zoo zachtaardige dieren als
-koeien en schapen, kippen en duiven. In zijn naieve voorstelling was
-dit even wreed en bloeddorstig als het menscheneten van de wilden. Hij
-had twee koeien in een klein grasveld dicht bij de hut, die hij zelf
-mocht verzorgen. Hoe gewillig en vertrouwelijk gingen die met hem om,
-en hoe goedig konden die hem aanzien met hun groote oogen. Hoe
-droomerig konden die soms den kop geheven houden, als ze roerloos stil
-stonden in de stilte van een vallenden avond! Dan voelde hij, dat er in
-die stomme, hulpelooze dieren, die niet konden spreken, onbewust iets
-was, dat met iets van hém was verwant. Hoe kón het ooit bestaan, dat de
-menschen zoo’n goedig dier den hals afsneden, en zich voedden met het
-vleesch en het bloed van zijn lijk? Liepen zij dan een ganschen dag
-rond met in hun lijven verterend stukken lijk van beesten die om
-hunnentwille in gruwel en jammer waren geslacht?
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-
-Den geheelen middag had hij geroeid op de rivier.
-
-Nu was de schemering over het bosch gedaald, en hij wilde teruggaan,
-naar huis. Juist wilde hij het bootje vastleggen aan den oever, en er
-uit stappen, toen hij opeens hevig schrikte.
-
-Want hoor! daar klonk opeens weer het gezang van het vreemde vogeltje,
-dat hij al ééns gehoord had, lang geleden, en dat hem zoo wonder had
-beroerd. Hoe hij het was gevolgd, het vreemde lied, tot hij ganschelijk
-was verdwaald, en vèr aan den horizon het groote licht had zien
-schemeren van Leliane’s ziel!
-
-Het wondde hem diep in zijn hart. Wat wàs het dan toch, dat het zoo
-pijn deed, en tòch zoo heerlijk was en volzalig, dat hij van angst en
-vreugde de adem voelde stokken in zijn keel, en bang zijn hart klopte,
-dat het zeer deed in zijn borst?
-
-Hoor! hoor! hoe het vreemde vogeltje daar klaagde in het donker wordend
-woud! Moest hij nu weer meêgaan, willoos, doelloos meêgaan, overal waar
-het vogeltje maar wou, moê, moê meeloopen tot vèr, vèr het bosch uit,
-waar het wondere Licht was, dat hem zoo had doen schrikken met zijn
-bleeken gloed? Neen, nú zou hij sterk en dapper zijn. Hij zou in de
-boot blijven tot het vogeltje ophield met zingen, en dan stil naar huis
-gaan. Vastbesloten, maar toch angstig, bleef hij zitten.
-
-De avond begon nu dieper te vallen over het bosch. In het Westen, waar
-de rivier heenstroomde, begon een teeder droomenspel van kleuren. Zacht
-roze, en bleek goud, en wazig blauw, en allerlei weifelende, langzaam
-vervloeiende tinten schemerden op, van innigheid zalig in elkaar
-vergaand bij ’t eerste samenbeven. En onder het geheimzinnig kweelen
-van ’t vogeltje bleef Paulus angstig in die verre kleuren staren. Hoe
-vreemd werd het nu ineens voor hem!
-
-Want het was juist, of die kleuren hem nu evenzoo pijn deden als het
-klagelijk zingen boven zijn hoofd. Opeens was het hem, of hij er iets
-in miste, of er iets was, dat al die teêre tinten voor hem verborgen,
-en dat toch het heerlijkste van alles zou zijn. O! Dat oude, oude, en
-toch nooit gekende gevoel, dat zoo dikwijls in hem opgezwollen was als
-hij eenzaam zat te droomen bij de waterlelies, als hij hoog in den top
-van een boom naar de sterren opzag, of als hij het aanzag aan zijn open
-venster, hoe de stille boomen hun biddende kruinen roerloos omhoog
-hielden tot den hemel! Dan kwam die wondere weemoed, die droefenis was
-en zaligheid, en de tranen welden naar zijn oogen, en hij wist niet
-waarom!
-
-Maar nú was het sterker dan het ooit geweest was. Nú wist hij opeens
-dat hij verlangde naar iets, dat nog schooner en volheerlijker was dan
-alle mooie en goede dingen in het bosch. Maar wat?.... maar wat?....
-Hij staarde in de kleuren daar ginds, ver, die altijd maar vervaagden
-en in elkaar verdroomden, het goud, het rood, het roze, het geel, het
-blauw. O! Dat teêre, teêre blauw daar! Zóó fijn en transparant was het
-nooit geweest, niet in den mooisten lentehemel zóó als het nú was, daar
-aan dien verren horizon. En toch, en toch.... Tóch kon het nóg
-teederder, nóg zachter zijn dan nú, tóch was het nog niet genoeg om te
-stillen dat vreemde verlangen naar iets nóg heerlijkers, dat in zijn
-hart aanzwol, en waar het vogeltje van zong. Het vogeltje! Waar was
-het?.... Zat het boven zijn hoofd in de boomen?.... of zong het in zijn
-eigen hart?.... En had het ook in zijn eigen hart gezongen en hem
-rusteloos voortgedreven dien éénen avond, toen hij het vreemde licht
-had gezien, daar vèr waar de menschen woonden in de Leliënstad?.... Hoe
-vreemd, hoe vreemd het toch zong! Wat wilde het hem dan toch
-zeggen?.... En dan die kleuren, die kleuren, die óók zoo wonder zongen
-in de verte, die kleuren, die iets zeggen wilden, en die riepen, die
-riepen.... Dat blauw, dat bíjna goed was, dat bíjna troostte zijn
-verlangen van weemoed, als het maar anders was, maar hoe?.... maar
-hoe?....
-
-En het verlangen in hem zwol en zwol, en het werd sterker dan zijn
-sterke wil om rustig te blijven, en niet met het gezang mede te gaan.
-
-En het vogeltje riep en riep, vaag-droevig en toch zalig, en hij wist
-niet of het in zijn ziel was, en het haar vooruit dreef, of dat zijn
-ziel vanzelf voortmoest, achter het vogeltje aan.
-
-En hij voelde zich gaan, zacht, maar onweerstaanbaar voortgestuwd door
-iets dat sterker was dan alles, wat hem ooit had bewogen. Maar zijn
-hart klopte angstig, alsof het vóórgevoelde en al wist.
-
-De boomen stonden toch als altijd voorheen, de oude, goede kameraden,
-en al werd het al donkerder en donkerder, wèl kende hij den weg als
-veilig en vertrouwd. Maar toch was er iets vreemds en beklemmends in
-die welbekende dingen, als dreigde ergens een vaag gevaar, dat breken
-zou het lief-intieme van verstandhouding tusschen het rustige, reine
-woud en zijn jonge ziel.
-
-Willoos dwaalde Paulus verder, als in een droom, waarin hij nu en dan
-het vreemde vogeltje hoorde zingen, nu van hier, dan van daar, nú
-buiten hem, ver, dàn heel dicht bij hem, in zijn eigen binnenste.
-
-Hij liep, en liep en liep....
-
-En nu was hij bij de open plek gekomen onder de purperen beuken.
-
-Plotseling hield het vogeltje op met zingen, en van schrik bleef Paulus
-onbeweeglijk staan.
-
-Want daar, in ’t midden van de donker-gouden blaren lag iets wits, iets
-innig wits, met een eigen, zachten glans opschijnend in het donker. En
-ergens in dat wit een wreede, roode vlek, hel op het matte donkergoud
-van de oude blâren.—Het was te donker om goed te onderscheiden, en
-Paulus zag nog maar alleen het roerlooze wit, als een groote sneeuwvlek
-onbewegelijk over het goud, en pijnlijk de roode plek daar in.
-
-Hij durfde nog altijd niet naderbij te komen, en staarde en staarde,
-met duizelig hoofd, voelend het angstige bonzen van zijn hart.
-
-Tot, als een zegen van Boven, opeens een fijne bundel lichte
-manestralen neêrzilverde door de takken der boomen, en daar lag, in die
-zachte apothéoze van hemelsch licht, slapende, de Prinses.—
-
-Rustig lag ze, een kalm kind in een wit gewaad van fijn, zacht laken,
-nauw omsluitend haar ranke, tengere figuur. Haar bleeke gezichtje was
-van de stille reinheid der blanke waterlelies, en van even rustige
-kalmte genadevol overtogen. Maar onder het transparant bleeke van haar
-huid beefde een wondere glans, alsof het reine licht van hare ziel daar
-lag te gloeien. Zoo als de fijne nerven in teedere bloemen, droomden
-broze aderen hier en daar over het zachte blank van haar hals.—En als
-een groote golf goud van de zon, met een glorie van glans opschitterend
-in het weeke maanlicht, waren haar lokken uitgestroomd om haar heen,
-over de donkerder gouden blâren.
-
-Naast haar, klagelijk en droef, lag een doode, witte ree, de fijne
-pootjes stijf uitgestrekt, de gewonde hals pijnlijk gerekt, met een
-felle pijl-wonde, waaruit een roode stroom bloed was gegolfd, en waar
-langzaam donkerroode bloed-druppelen uit drupten.
-
-Een felle pijn doorschrijnde hem een oogenblik... Hoe kon dit zijn? Dit
-uiterst teedere en genadevolle van het Meisje, niets dan liefde en
-barmhartigheid.... en daarnaast koud en stijf, de argelooze onschuld
-van een ree, met een wreede pijlwonde in de keel. Hoe kon dit naast
-elkaar bestaan, dat de liefde hier de onschuld niet beveiligd had, door
-de sterkte van haar wezen?
-
-Maar hij zag weer van de doode reê naar het levende Meisje, en in het
-aanzien van haar schoonen schijn was het wreede naast haar weêr
-vergeten.
-
-Zacht bewoog de borst van de Prinses op de rustige deining van haar
-ademhalen, en Paulus voelde dat teedere, kalme bewegen als een wonder
-rythme in zijn ziel, dat haar vervulde met een zaligheid, inniger dan
-muziek.
-
-Nu was het dan gekomen..., nú was het dan eindelijk, eindelijk gekomen,
-waar hij zoo naar verlangd had, waar hij op gewacht had al die jaren
-lang, en nooit had hij het geweten.... altijd was zij dus in zijn ziel
-geweest, en altijd had hij haar met zich omgedragen, zijn geheele leven
-lang, tot het nu, op dezen eindelijken avond, eerst in hem bewust werd,
-en hij het aan mocht zien, van aangezicht tot aangezicht, en het voelen
-van ziel tot ziel....
-
-Want hij voélde het nu, in wélbewust herkennen: dat roerloos rustige,
-dat genadevol kalme, dat reine rythme van haar zacht adem-bewegen, die
-stille lijnen van haar sluimerend lichaam, die teêre sfeer van goud- en
-leliënglans, die om haar beefde, dáárin openbaarde zich kuischelijk de
-ziel van de slapende Prinses, het allerinnigste van haar wezen, zooals
-hij de ziel van het woud had gevoeld in den droom van een
-maanlicht-stille nacht.
-
-Een wondere zaligheid daalde over hem neer, alsof opeens de eindelooze
-Hemel met al zijn eeuwigheid van blauw en diamanten sterren over hem
-neder was gedroomd, en hij duizelde in die oneindigheid van pracht. Hij
-voelde zijn lijf niet meer, hij voelde zich niet meer staan, maar het
-was of hij nu die eindelooze Hemel zelf werd, en grooter en grooter
-werd het om hem, wijder en wijder, vèr en vèr, en alles wemelde weg in
-zaligheden en helle horizonnen van licht....
-
-Tot het ophield door een geluid, en hij op eens weer terug was. Even
-bewoog de Prinses en zeide iets, zwak, in haar slaap. Hij schrikte op,
-angstig, als een die wakker schrikt.
-
-Ai! Ging het nu breken?... Stil dan, stil... Dat niets die genadevolle
-stilte nu verbrak.... Want hij voelde het, helder in zijn ziel, zonder
-het bewust te weten: dit was het allerbeste... het stille aanzien,
-roerloos, van der Liefste ziel, als de reine slaap het leven in haar
-zacht gedoofd heeft, en haar heilig licht beeft in de sfeer van rust,
-die droomende is om haar heen....
-
-Weêr was zij stil, en rustig deinde het ademhalen van haar borst. Hare
-blanke, kleine handen, gevouwen in haar schoot, bewogen niet, en
-roerloos lagen hare lange, gouden lokken in het donkerder goud van de
-blâren, licht als stralen van de zon.
-
-De avond was winde-loos over het woud. Stil stonden de statige stammen
-omhoog, en hieven hun breede bladerkruinen onbewegelijk op ten
-maanlicht-reinen hemel. Hier en daar flikkerde een ster door de
-bladeren heen, hoog en ernstig. En in het ademlooze zwijgen van alle
-wereld-dingen om hem heen voelde Paulus in wondere zaligheid zijne ziel
-één zijn met die eindelooze rust àlom, met het sluimerende Meisje, met
-het stille woud, met de heldere sterren daar Boven, en den eindeloozen
-Hemel van blauw, want als kinderen van éénen goeden Vader lagen zij
-allen samen gelijkelijk gekoesterd in dien éénen vrede van genade, die
-het Wezen is, dat al het zijnde liefderijk houdt omvat....
-
-
-
-Daar bewoog de Prinses weêr, en een huivering ging over haar gelaat,
-alsof zij het koud had. Eerbiedig kwam hij nader. Zou hij haar
-wekken?....
-
-Zou hij durven?.... Zou het misschien niet beter zijn, dat zij rustte
-en sliep?.... Hoe was zij hier gekomen?.... Ze zag moe en bleek, al
-scheen die wondere glans zoo prachtig onder haar transparante huid....
-Zou ze hier, moe van ’t zwerven en dwalen, zijn neêrgevallen, omdat ze
-niet meer verder kon?.... Dan zou rust juist noodig zijn. Maar ze had
-het koud, ze had gehuiverd zooeven. Dát mocht niet, dat was gevaarlijk.
-
-Hij deed den mantel af dien hij ’s avonds altijd droeg, en legde dien
-voorzichtig over haar heen, hem plooiend met eerbiedige vingeren, dat
-hij goed haar fijne schoudertjes bedekte. De gouden beukeblâren waren
-droog en zacht, en geen vocht was in de late zomer-lucht. Met den
-warmen mantel goed over haar gevouwen was het gezond slapen in het
-bosch met zulk stil, winde-loos weer.
-
-Zij sliep nu rustig door, en geen zucht kwam meer over hare lippen,
-noch beroerde eene huivering de stille vrede van haar rustig-rein
-gelaat.
-
-En Paulus stond roerloos bij haar, en waakte over de slapende Prinses,
-uren aan uren lang, en er was geen tijd meer voor hem, waar hij in
-stille contemplatie staarde in de teêre sfeer van goddelijken vrede,
-die beefde om haar heen. Hij voelde niet de moêheid in zijn beenen, en
-de koude van den nacht, hij wist haar niet, waar hij in zijn luchte
-zomerkleeren wakende stond. Het leek hem, of deze zaligheid altijd zoo
-geweest was, en ook altijd zoo moest duren, altijd die plechtige stilte
-van het woud, en de zegen van het blanke maanlicht over de wereld en de
-rustige schoonheid van de slapende maagd, vredig en vol genade in zijn
-ziel.
-
-Zóó droomde Paulus, in groote zaligheid verzonken, waar hij roerloos
-waakte, uren en uren, die hij in vrome aandacht niet wist, totdat de
-roze Dageraad de bleeke nachtlucht kleurde, en de stilte van het woud
-uitbrak in luid vogelen-gerucht.
-
-
-
-Toen het eerste vogeltje tjilpte, in een boom vlak boven zijn hoofd,
-dacht Paulus: „nu zal zij ontwaken,” en hij schrikte, bang dat het
-gebeuren zou. Een vaag voorgevoel waarschuwde hem: „nu zal het breken,
-nu zal het breken, nooit komt dit zalige zóó weerom.” Hij voelde niet
-de koû die hem omhuiverde, noch de stijfheid in zijn beenen, want in de
-hoogste spanning, die zijn ziel ooit had bereikt, rustte hij méde in de
-rust, waarin de Prinses lag verzonken. En hij dacht: „kon ik nu maar
-die vogeltjes stil laten zijn, kon ik nu maar de winden tegenhouden,
-die door de takken komen ruischen.”
-
-In angstige spanning zag hij naar het liefelijke, slapende wezen. De
-oogleden waren nog altijd geloken, waarboven de fijne, teêre
-wenkbrauwen zachtkens omhoog golfden met het vage, gevoelige gebaar,
-dat hij wel eens gezien had van de verre bergen, als hij stond aan den
-zoom van het woud.
-
-Toen, eindelijk, ging het gebeuren. Een zucht, een éven bewegen van een
-arm, een schuiven van den kleinen voet, ritselend door de blaren.
-Opeens gingen de oogleden zachtjes omhoog.
-
-En het was Paulus, of gingen de poorten open van het Rijk des Lichts,
-en zijn ziel staarde in zaligheid eindeloos.
-
-Eene wemeling van lichter dan hemelsblauw, met eene verrukking zóó
-innig, dat hij er van rilde tot in de diepste geheimenissen van zijn
-binnenste, die nú eerst sidderend van genot in hem bewust werden.
-
-Dát was de kleur, de éénige, volheerlijkste kleur, die hij gisteren
-avond had vóórgevoeld in de weifelende tinten van de schemering, dat
-was het ééne, ontbrekende, waar hij onbewust zoo droef naar had
-verlangd. En de vreemde zaligheid, grooter dan alle ontroeringen, die
-hij ooit had gevoeld, trilde zóó innig in hem door dat het genot bijna
-pijn werd, en een kreet van smart-geluk schreeuwde uit zijn borst.
-
-In een waas van tranen, als door een fijn diamanten nevel, zag hij het
-wondere, witte wezen zich oprichten, tot zij vóór hem stond, fier en
-trotsch, en toch teêrder dan een bloem, in zachte, edele lijnen die als
-een gebed van muziek zongen in zijn ziel. Deemoedig stond hij voor
-haar, wachtend tot het wonder van haar spreken begon. En zij sprak,
-melodieuzer dan de stem van zangerigsten vogel:
-
-„Wie ben je?”
-
-„Ik ben maar Paulus,” antwoordde hij, wetend dat ze hem niet kende, dat
-hij maar een heel nietig schepsel voor haar was.
-
-„Ik ken je niet,” zeide ze, streng en misschien hard, maar voor hém nog
-altijd zoeter dan het kweelen van liefsten vogel. „Ik ben verdwaald....
-gevallen ben ik van mijn paard, op de jacht.... Wáár is mijn witte
-ree?.... Wat doe je hier bij me?”....
-
-Het eerste dacht ze om het wild, waar ze dagen en dagen woest naar had
-gejaagd, tot ze alleen, ver van haar gevolg, verdwaald was in het
-bosch.
-
-Toén pas zag Paulus weer het doode dier, klagelijk en erbarmelijk, de
-bloedende hals pijnlijk uitgerekt, de pooten stijf gestrekt, met de
-oogen droeviglijk gebroken.
-
-En met een schok barstte de opgekropte ontroering in hem los.
-
-Snikkend viel hij bij de doode ree op de knieën, en schreide luid uit:
-
-„Hier is de ree, het lieve, mooie, zachte dier... zie je niet het
-bloed, dat druipt op haar witte vacht.... zie je niet hoe wit ze is, en
-hoe mooi.... Mijn arm, arm hertje.... wie heeft haar doodgemaakt.... en
-hoe kon dit wreede, roode bloed bestaan naast je reine, blanke wezen?”
-
-Het Meisje zag hem aan in verbazen, niet begrijpend de smart om een
-dood stuk wild, wat verschrikt door de heftigheid van dien vreemden,
-hartstochtelijken jongen.
-
-„Weet je wel wie ik ben?” vroeg ze, en trachtte onbevreesd en fier voor
-hem te staan.
-
-Hij zag haar aan.
-
-En hij wist het. Hij had het dádelijk geweten toen hij haar gezien had,
-al was het toen nog niet bewust. Maar ééne kon zóó lelie-blank zijn,
-met het haar zoo gouden.
-
-„Je bent prinses Leliane,” zeide hij zacht.
-
-„Ik ben Hare Koninklijke Hoogheid de Kroonprinses Leliane,” verbeterde
-zij. „En je moogt geen „je” tegen mij zeggen, of ik je gelijke was,
-maar U. Men spreekt mij slechts aan met „Koninklijke Hoogheid” en
-wéldra zal het „Uwe Majesteit” zijn, als ik Koningin ben.”
-
-En door de muziek van hare stem was hij de doode ree en het roode bloed
-vergeten. Hij zag nog slechts de verblindende pracht van hare lokken,
-het eindeloos teedere blauw van hare oogen, dat over zijn ziel wemelde,
-die van verrukking beefde.
-
-„Uw Koninklijke Hoogheid,” prevelde hij eerbiedig, en zonk op eene knie
-voor haar. „Uwe Majesteit, ik wil Uw dienaar zijn, tot in den dood.”
-
-Verrast keek zij neer op den knielenden jongeling aan hare voeten. Welk
-een ridderlijkheid in dien eenvoudigen jongen uit het volk, hier in dit
-bosch! Met welk edel gebaar was hij voor haar neêrgezonken, en hoe vol
-gratie neeg hij het hoofd voor haar, of hij een edelman was van het
-Hof! En nú pas zag ze dat hij een mooie jongen was, sterk en krachtig,
-en toch vol teedere bevalligheid. Nu was zij ook niet bang meer, dat
-hij haar kwaad zou kunnen doen.
-
-„Ja, ik ben uw gebiedster,” zeide zij trotsch. „En nu moet je mij den
-weg wijzen uit dit bosch, dan zal ik je rijkelijk beloonen.”
-
-Zij wilde verder spreken, maar gaf opeens een gil. Toen zij een stap
-vooruit had willen doen, voelde zij, hoe haar voet was gezwollen, die
-gewond was bij den val van haar paard. En zij viel van pijn weer neder
-op de purpergouden blâren.
-
-Paulus knielde verschrikt bij haar neer.
-
-„Mijn Prinses,” vroeg hij angstig, „mijn Koningin, ben je gewond?”
-
-Hij kon het „U” niet zeggen in zijne emotie, nooit gewoon geweest dat
-woord te spreken.
-
-Aan den angst en den eerbied in zijn stem hoorde zij wel, dat het geen
-opzet was, als hij de vormen tegenover haar vergat.
-
-„O! Mijn voet doet pijn,” klaagde zij, „nu kan ik niet weg.... wat zal
-men aan het Hof wel denken.... waar ben ik hier?.... is hier nergens
-hulp?.... kan je me niet ergens brengen, waar ik rusten kan?.... hoe
-lang heb ik hier al gelegen?.... ik weet het niet meer, mijn hoofd is
-zoo duizelig, en ik herinner mij niet....”
-
-Zooals zij daar neerlag, hulpbehoevend en zwak, durfde hij meer te
-zeggen dan toen zij zooeven voor hem stond, fier opgericht.
-
-En hij vertelde haar, hoe hij haar gevonden had, den vorigen avond,
-slapend onder de purperen beuken, op het zachte bed van de blaren. Hoe
-hij haar niet had durven wekken, en hoe hij het gewaagd had zijn mantel
-over haar te plooien, omdat hij haar had zien huiveren van koû. En hij
-zeide haar, dat Willebrordus, zijn grootvader, woonde in het bosch, en
-dat zijn huis niet zoo heel ver was, een uur loopen maar, den kortsten
-weg.
-
-„Mag ik je daar brengen?” vroeg hij nederig. „Ik ben sterk en ik kan je
-steunen. Ik kan je ook misschien wel dragen, als je niet meer kunt. Of
-wil ik Willebrordus halen, en met hem terugkomen, met een draagbaar?”
-
-Zij trachtte op te staan, en steunde op zijn arm. Een trek van pijn
-kwam op haar gezichtje, maar zij bedwong zich en klemde de fijne lipjes
-vastberaden op elkaar.
-
-Toen probeerde zij te loopen, maar het ging heel moeilijk.
-
-„Zóó zal het niet gaan,” zeide zij.... „ik zal mijn arm om je hals
-slaan... dan heb ik méér steun...”
-
-En zij sloeg haar zachten arm om zijn hals, vertrouwelijk, en steun
-zoekend bij zijn jonge, sterke lichaam.
-
-Een vreemd, ongekend gevoel doortrilde hem, en het bloed steeg naar
-zijn hoofd, dat gloeide, als duizelig. Het was hem, of hij dit niet
-lang zou kunnen dragen, en hij sterven zou van zaligheid.
-
-Maar hij moest sterk zijn... sterk, omdat zij op hem steunde, omdat zij
-genezen moest worden van haar pijn, in zijn veilig huis. Hij vermande
-zich, en vocht tegen het wild geduizel van geluk, dat door zijn
-innigste wezen ging.
-
-En zóó liepen zij voort, langzaam, langzaam, een kwartier. Met moeite
-herkende hij den weg, zóó schemerde alles voor zijn oogen. Het was hem
-of hij droomde een zaligen droom, of hij met de Prinses Leliane door
-heilige paradijzen dwaalde, en of deze wonne altijd zóó zou duren, tot
-hij er van zaligheid door sterven zou. Haar zachte lijf ademde dicht
-tegen hem aan, haar gouden lokken, schitterend van licht, beroerden
-zijn wang.
-
-Totdat zij opeens weer een gil gaf van pijn, en zij zich zacht liet
-neerglijden op den grond.
-
-„Ik kán niet meer... ik kán niet meer...” zuchtte zij... „laat me hier
-liggen, en ga hulp zoeken... ai! mijn voet!...”
-
-Wanhopig keek Paulus in het rond. En hij zag, dat ze bij den
-lelie-vijver waren gekomen.
-
-„Blijf hier rustig liggen, Uwe Koninklijke Hoogheid,” zeide hij, moeite
-doende om den vreemden titel te zeggen. „Hier bij dezen vijver is
-schaduw, en het is er koel, als straks de zon gaat stijgen. Ik zal hard
-loopen, en terugkomen met mijn’ grootvader Willebrordus.—”
-
-Dankbaar zag ze hem aan. Toen keek ze in ’t rond, om goed te weten waar
-ze was.—
-
-Het zonlicht begon al helderder en helderder te zeven door het fijne
-gebladerte. En vóór haar, aan hare voeten, lag roerloos kalm de klare
-vijver, waar op het reine water de witte waterlelies dreven.—Rustig, in
-groote eerwaardigheid, hieven zij de blanke hoofden omhoog tot het
-licht.
-
-„O! De mooie lelies!” zeide zij, verrukt. „Zóó mooi heb ik ze nog nooit
-gezien!”
-
-„Die lelies, zijn het niet je zusteren!” riep hij ineens in geestdrift,
-door de extaze de vormen weer vergetend. „Heb je niet in je de ziel van
-het lelie-wit, dat opdronk het goud van de zon! Hoe dikwijls heb ik
-hier gelegen, en naar die blanke lelies gezien... Toen dacht ik: dit is
-nu het allermooiste, dat op de wereld kan bestaan... zóó rein, zóó
-rustig, en zóó wit... dikwijls heb ik er van geschreid, om ze zoo heel
-stil te zien liggen, die bladen zoo zacht uit-geplooid om toch het
-gouden licht kuisch te ontvangen.... Maar nu ik jou gezien heb, weet ik
-dat je mooier bent dan deze mooiste lelies ... en de glans van de
-blankste bloemen is nu verbleekt, nu ik in je wondere gezicht heb
-gezien ... want het is mooier dan de lelies, dan de sterren, dan álles
-wat ik weet....”
-
-Verwonderd keek ze hem aan. Zóó, met dàt accent had nog nooit een
-hoveling tot haar gesproken. Dit was als uit de oude sproken en de
-romans, die zij had gelezen. En dit was zuivere ernst, dát zag zij aan
-zijn schitterende oogen, aan den deemoed, waarin hij vóór haar stond,
-het hoofd gebogen voor zich uit sprekend, met nederig gebaar, alsof hij
-zijn ziel aan haar voeten wilde leggen.
-
-Dat stille bosch ... die kalme, rustige vijver ... die witte bloemen,
-roerloos drijvend op het water ... die sterke, eenvoudige jongen met de
-heldere bruine oogen, en het glanzende zwarte haar in lokken vrij langs
-zijn hals ... die woorden van aanbidding, met een nooit gehoorden klank
-van waarheid.... Het was haar of zij droomde, en zij wist niet wat te
-zeggen. Sprakeloos zag zij hem aan, niet begrijpend en toch vaag
-voorgevoelend, dat hier iets bizonders voor haar gebeurde.
-
-Toen boog hij diep, met eene nobele neiging van zijn slank lichaam
-zooals zij aan het Hof nooit had gezien.
-
-En hij snelde voort, op vlugge voeten, om hulp te halen voor zijne
-gewonde Prinses.
-
-
-
-Willebrordus zat kalm te lezen in een leunstoel voor de deur, toen
-Paulus ademloos aan kwam snellen.
-
-„Grootvader!... zij is er!...” riep hij, in extaze... „zij is gekomen,
-de prinses Leliane!... en zij is mooier dan de bloemen, dan de
-sterren.... dan álles.... maar och! zij is gewond aan haar voet.... zij
-kan niet loopen.... gauw, grootvader.... wij moeten haar helpen....”
-
-Met moeite kreeg Willebrordus hem zóó tot bedaren dat hij een geregeld
-verhaal kon doen van wat gebeurd was.
-
-Toen lachte hij, droevigjes, en zeide verwijtend:
-
-„Mooier dan de bloemen?.... Dan de sterren, Paulus?.... Foei!.... maar
-ik kén het, ik kén het, wat je beroert.... en ik weet dat er niets aan
-te doen is.... nu zal je me ook verlaten, Paulus, dat kàn niet
-anders....”
-
-Verschrikt keek Paulus hem aan.
-
-En nu eerst kwam er een vaag begrip in hem tot bewustzijn van wat
-eigenlijk gebeuren ging in hun beider leven. Maar hij wilde, hij kón
-het niet gelooven.
-
-„Jou verlaten grootvader!... jou verlaten!... en mijn bosch, mijn lief,
-goed bosch verlaten!... nooit!... nooit!...”
-
-Maar beslist en zonder beven zeide het grootvaders stem, die altijd
-waarheid had gesproken:
-
-„Nu zal je gaan, waar zij gaat, mijn jongen.... arm kereltje, je moét
-wel, zooals het vlindertje móet naar de vlam... zóó zal je ziel beven
-om den schoonen schijn van dat Meisje.... Maar nu is het geen tijd om
-te praten.... nu gauw een baar gereed gemaakt om haar te zoeken....”
-
-En een kwartier later waren Willebrordus en Paulus op weg, zoo snel zij
-loopen konden, naar den vijver van de witte water-lelies.
-
-Nooit zou Paulus kunnen vergeten, hoe Willebrordus de prinses aanzag,
-toen zij bij haar waren gekomen. Hoe die wijze, rustige oogen van den
-grijzen oude naar de frêle schoonheid van het Meisje zagen, kalm en
-onbewogen! Zij werd een beetje angstig onder dien diepen, in haar
-dóór-zienden blik, en probeerde weer in trots daaraan te ontkomen.
-
-„Ik ben de prinses Leliane,” zeide zij fier. „Ik zal eenmaal de
-koningin zijn van Leliënland. Met Koninklijke Hoogheid word ik
-aangesproken.”
-
-Maar Willebrordus antwoordde kalm. „Er is niemand koninklijk en hoog
-dan God, mijn kind, en Hij is de éénige Majesteit.... je bent een kind,
-en meer niet, en een kind dat gewond is, en hulp van medemenschen
-behoeft.... en ik zal je helpen, als medemensch, maar niet als
-onderdaan....”
-
-Toen, zacht, zooals men een kind doet, tilde de grijsaard haar op, en
-legde haar op de baar, met eene teedere zachtheid, die van heel uit de
-hoogte kwam zijner groote liefde voor alles wat leefde.
-
-„Mijn ree!” riep zij nog, „mijn witte ree! Ik heb haar eerlijk zelf
-gejaagd, en niemand kon haar vangen dan ik. Zij moet mede.... Ik wil
-haar huid mede-hebben, om den opperjagermeester te toonen!....”
-
-Maar Willebrordus antwoordde, gestreng:
-
-„Dit arme beestje, dat je zoo wreed vermoord hebt zal ik hier komen
-begraven. Wat had dit zachtaardige dier misdaan, dat het geslacht moest
-worden? Je moest je schamen, zulk een gruwelijken moord te doen!”
-
-En hij streelde liefderijk het kille, stijve lijk van de ree, alsof hij
-met nog wat liefde de verschrikking van het onrecht wilde verzachten.
-
-Zij wilde nog wat tegenspreken van trots, maar er was iets in zijn
-edel, wijs gezicht, dat haar van onwederstaanbaren eerbied vervulde. En
-zij voelde heel goed, dat zij zijn hulp absoluut behoefde, en klagelijk
-zou blijven liggen, als zij hem weerstond.
-
-Maar Paulus, voor de eerste maal in zijn leven niet oprecht meer tegen
-zijn ouden Meester en grootvader, door zijn op het uiterste gespannen
-aanbidding tot haar gedreven, boog zich voorzichtig tot haar neder,
-waar hij het hoofdeinde droeg van de baar, en fluisterde haar eerbiedig
-toe:
-
-„Uwe Koninklijke Hoogheid.... Uwe Majesteit.... Mijn hooge gebiedster.”
-
-Zij dankte hem met een goedkeurenden, vriendelijke blik.
-
-En zoo droegen Willebrordus en Paulus de prinses Leliane door het woud,
-waar hun rustig, rein leven in had gewoond. In hun simpele huis onder
-de oude, wijze boomen, in Paulus’ eigen kamer, op zijn hard, eenvoudig
-bed legden zij het liefelijk meisjeslichaam te rusten, dat broos en
-teêr was als de reine lelie, en schooner van aanschijn dan de pure
-sterren aan den trans.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-
-Willebrordus had prinses Leliane’s verstuikten voet onderzocht, en met
-gedroogde, geneeskrachtige kruiden uit het bosch had hij de gewonde
-plekken zacht gewreven. De opzwelling was niet zoo gevaarlijk geweest
-als hij op ’t eerste gezicht gevreesd had, maar tóch moest de prinses
-twee geheele dagen rust houden, en te bed blijven, vóór zij weer zou
-kunnen loopen.
-
-Twee heerlijke dagen van ongekende zaligheid voor Paulus. Hij mocht in
-zijn eigen, vertrouwd kamertje bij haar bed—zijn eigen bed—zitten, en
-haar zijn platen en gravures laten zien, om haar afleiding te geven, en
-haar voorlezen uit zijn boeken. Hij vertelde haar van het bosch, en van
-de boomen, en de bloemen, en de vogels, met welke hij dagelijks omging.
-Ook zong hij wel eens een liedje voor haar met zijn jonge stem.
-
-Zij moest aldoor maar heel stil, bewegingloos neder liggen, om den voet
-volkomen rust te geven, en in die onbewegelijkheid lag ze, rein en
-blank, als een subtiele openbaring van droom, in een allerhoogst moment
-van extaze zóó opgeschenen.
-
-En terwijl Paulus woorden na woorden sprak om haar te vermeien, en nu
-en dan zijn handen bewogen met reverent gebaar, was het in zijn ziel
-roerloos van aanbidding, als in de heilige stilte van een woud, dat met
-van aandacht biddende kruinen onbewegelijk ten hemel staat.
-
-Den tweeden avond, in late schemering, toen hij weer een oud, oud
-liedje voor haar zong, dat grootvader hem geleerd had, was ze
-ongemerkt, moê van het stil-liggen, in slaap gevallen, de handen op het
-witte laken gevouwen.
-
-En daar lag zij weder voor hem, de prinses Leliane, zooals zij hem voor
-’t eerst was verschenen, sluimerende onder de stille boomen.
-
-Hij durfde van eerbied nauwelijks te ademen.
-
-En vervuld van een wonder-vroom schromen zag zijn ziel het zalig aan.
-
-En wéér voelde hij het als een goddelijke openbaring, in een helder,
-klaar licht van binnen: dít is het hoogste, het állerhoogste, en hooger
-dan dit wonnevol genot kan géén ontroering stijgen.
-
-Rustig, rein en rustig, werd het in zijn ziel, als in een woud, waar
-alle vogelen zwijgen, en geen ritselend takje stoort. Zóó als heel dat
-wijde woud den hemel roerloos áánziet, zag zijn ziel naar die
-eindelooze rust van maagd.
-
-Blank, van goddelijke genade overtogen, lag haar hoofdje in de peluw,
-met de oogen zacht geloken onder dien vromen vrede. Goud golfden haar
-lokken het witte kussen langs. Als roze bloemen lagen haar handjes op
-het witte laken gevouwen.
-
-En éven, éven bewoog haar borst, ademde zachtjes, op en neer, op een
-rustig rythme, dat zijn ziel met een wondere muziek vervulde.
-
-Buiten, door het geopende venster, zag Paulus de groote, zware boomen
-in het schemerende licht te droomen staan, en een onbestemde, vreemde
-teederheid verzachtte hun donkere vormen, als een vage liefde, die over
-het woud was nedergedaald.
-
-Opeens schrikte hij pijnlijk op van het tikken van zijn klokje.
-
-„Tik tik!” zei het, „tik tik, tik tik tik....”
-
-En inééns dacht hij angstig:
-
-„Dit gaat voorbij, dit gaat voorbij....”
-
-O! Het vast te houden, dit heerlijk oogenblik, het innig-onverbrekelijk
-vast te houden in zijn leven, dat het nooit, nooit meer weg kon, en
-altijd zóó bleef, zóó zalig en zóó stil!...
-
-Het was géén droom. Het was hooge werkelijkheid, heerlijker dan
-heerlijkste droom ooit zijn kon. Dáár lag ze, vóór zijn aandachtige
-oogen, de prinses Leliane, van wie zijn ziel gedroomd had, jaren lang,
-en hij had het niet geweten. Die veilige, rustige vrede, die wijding
-van genade, die reine, roerlooze rust, schooner en van goddelijker
-wezen dan ál wat ooit zijn oogen en zijn ziel hadden aanschouwd! Kón
-dit ooit vlieden in den tijd, kon dit ooit wijken in ’t niet voor het
-eentonig klok-getik, dat in zijn ooren pijnde?
-
-Toen legde zich opeens een groote zekerheid in zijn ziel, zooals het
-licht dat neerdaalt over nacht:
-
-„Dit wondere schoon kan nooit verloren gaan, en áltijd zal het
-onvernietigbaar in mijn wezen blijven, al wisselen van buiten ook vele
-verschijningen, die niet van goddelijken oorsprong zijn als deze.”
-
-Hij knielde neder, in diepen ootmoed, en bleef zóó liggen, hij wist
-niet hoe lang. Want het was hem in die stille contemplatie, of de tijd
-niet meer bestond, of zijn kamertje, en het bosch, en alles weg was, en
-hij was heengedroomd in de eeuwigheid, waar dit blanke visioen van
-reine schoonheid voor zijn ziel zou blijven stralen, in ondoofbare
-pracht...
-
-
-
-Zóó leefde Paulus de twee dagen door, met zijn ziel tot op het uiterste
-gespannen in aanbidding en stille zaligheid. Hij was zóó ganschelijk in
-zijn geluk verzonken, dat hij er in ’t geheel niet aan dacht, hoe deze
-wonne nog maar kort kon duren, en de prinses weer heen zou gaan, voor
-goed.
-
-Ze had hem er ook niet over gesproken. Ze had maar weinig tegen hem
-gezegd, en zich maar laten afleiden door zijn stem, moê en vervelend
-als ze moest liggen in haar onbewegelijke houding. Ook wist ze
-eigenlijk niet wat ze hem wel zou zeggen. Het was alles zoo wonderlijk
-voor haar, dat stille, sobere kamertje, en die vreemde menschen, zonder
-hofhouding om haar heen.
-
-Toch was er voor haar een stille charme in zijn stem, en zij raadde uit
-intuïtie zijne jonge, sterke, eerbiedige aanbidding, als iets heel
-bizonders en aparts, kostbaarder dan alle hulde, die haar ooit gebracht
-was.
-
-Ze vond hem mooi en dacht dat hij een goed figuur zou maken aan het
-hof. Ééns zelfs dacht ze „hoe jammer dat hij geen koninklijke prins
-is.”
-
-Maar Paulus dacht in ’t geheel niet, verloren in zijn extaze, tot
-Willebrordus het hem den derden avond zeide:
-
-„Morgen ochtend vroeg zal ik de prinses brengen tot aan den zoom van
-het woud, waar je in de verte de blauwe bergen ziet. Daar vind ik wel
-houthakkers of bergbewoners, die haar verder den weg kunnen wijzen. En
-nú moet je beslissen, mijn jongen, of je met haar mede wilt gaan, of
-hier blijven bij mij.”
-
-Paulus schrikte op.
-
-Het leek te onmogelijk dat zij nu weg zou gaan, nu ze eindelijk was
-gekomen. En hij keek zijn grootvader aan, als niet begrijpend.
-
-Willebrordus voelde wel, wat er in zijn jonge ziel gebeurde. Het lag
-vèr achter hem, deze emotie, maar hij wist nog zéér goed de hevigheid
-en het wreede er van.
-
-„Hoor mij goed, mijn jongen, en kijk nu niet of alles onreëel is om je
-heen. Want je droom zou breken tegen de werkelijkheid. Morgen ochtend
-gaat ze heen, de prinses Leliane, terug naar haar land, naar haar hof.
-Dit is de laatste avond, dat je zoo dicht bij haar moogt zijn, en zoo
-vertrouwelijk leven in haar omgeving. Aan het hof leeft ze in een
-verre, vreemde sfeer voor je. En alleen van heel uit de verte zal je
-haar mogen zien. Zij is wat de menschen een prinses noemen, eene
-koningin weldra. Het is iets buitengewoons, dat je zóó dicht bij haar
-hebt mogen leven, en haar toe hebt mogen spreken. Denk er om, alleen
-uit de verte zal je haar voortaan mogen zien. Morgen is ze weg van
-hier...”
-
-Toen wendde Paulus zich droevig af, en ging naar zijn kamertje, waar de
-prinses te rusten lag. Hij klopte eerbiedig en mocht binnen komen.
-
-En een groot licht glansde over zijn ziel, toen hij haar schoonheid
-weder zag. Een sfeer van heiligheid trilde in de kamer, die zij
-vervulde van de wondere essence van haar wezen.
-
-Hier was het nog, het geluk... hier was het dan nog, innig, reëel voor
-zijn ziel... nóg was het niet vervloden... en o! het kón ook niet, het
-kón ook niet weggaan... deze wonne moést eeuwig, altijddurend zijn.
-
-En in zijn opgewondenheid van geluk en angst barstte hij uit:
-
-„O! Prinses, het is niet waar, het kán niet waar zijn.... je zult niet
-weggaan van mij.... als je weggaat is al het licht voor mij hene, en
-duister zal over alles gaan in mijn ziel.... ik heb zoo op je gewacht,
-zooveel jaren en jaren.... ik geloof dat ik áltijd op je gewacht heb,
-een eeuwigheid al, door alle tijden heen.... ik wéét het niet meer. En
-het bosch heeft op je gewacht, en de water-lelies, en de sterren.... o!
-er is altijd iets van je in mijn ziel geweest, en ik heb het niet
-geweten.... die avonden, die op je wachtten, als de boomen zoo heel
-stil stonden, met hun kruinen eerbiedig tot den hemel vol sterren....
-dat diepe, plechtige zwijgen álom, op de aarde en in de luchten, dat
-niets dan wachten was.... dat rustige droomen van de witte water-lelies
-in den stillen vijver, en ik daarbij zacht verlangende, verlangende,
-omdat mijn ziel wel wist dat je komen zoudt.... dat vreemde geluk, als
-ik hoog in de boomen te staren zat naar de sterren, en over heel het
-woud zag ik heen, en alles werd zoo wijd en zoo ruim en ik weende om al
-dat groote, tóen wist ik het niet, maar het was alléén omdat je kómen
-zoudt, en ik dat eindeloos geluk niet kon dragen.... al die lieve,
-mooie dingen van vroeger zijn nu ineens zoo heerlijk verlicht en nu
-weet ik, dat het alles maar voorzichtig voorbereiden was dat je komen
-zoudt, en ik anders zou gestorven zijn als het inééns was gekomen....
-want het is te groot, te groot.... het is grooter dan dageraad en
-weêrlicht en aller sterren glans.... zóó moet misschien de zee zijn,
-waarvan ik ééns droomde, en die mijn ziel alleen gezien heeft.... en nu
-kán je niet weggaan, nu kán ik niet meer leven zonder je te zien.... nu
-zouden het bosch, en de sterren, en de lelies, en alle dingen eenzaam
-zijn, omdat ik niet meer op je wachten kon, als ik wist dat je hene was
-voor goed.... o! ga niet heen!.... blijf bij me en bij het bosch.... Ik
-zal je vertellen van de sterren, die ik allemaal heel goed ken.... ik
-geloof dat ze mij ook kennen, zoo zien ze me somtijds aan.... en de
-bloemen zullen allemaal voor je bloeien, en je zult de koningin zijn
-van het bosch.... dan wil ik mijn geheele leven lang je slaaf zijn en
-je dienen en aanbidden tot aan mijn dood.... Maar ga niet heen, ga niet
-terug naar de steden en de menschen.... ze zijn slecht, zegt
-Willebrordus....”
-
-In sprakelooze verbazing zag de prinses hem aan. Hij was wel een héél
-vreemde jongen. Hij praatte altijd maar door als uit oude boeken en
-sproken. Dat kwam zeker omdat hij nooit onder menschen was geweest. Zóó
-mocht hij ook een zoo hooge prinses als zij niet toespreken, maar dat
-scheen hij niet te weten. En tóch was er een groote eerbied in zijn
-stem, oprechter dan de trouwste hoveling haar ooit gewijd had. Bij
-intuïtie voelde zij, dat hier iets groots aan haar werd gegeven, iets
-aparts en bizonders, dat wèl waard was te worden aangenomen. Er was
-misschien een loyaal onderdaan uit hem te maken, die trouw zou zijn tot
-in den dood, en die groote dingen voor haar zou kunnen doen. Als hij
-maar eerst eens wat beschaafd werd en onder de menschen kwam. En hij
-was een mooie jongen, met prachtige oogen. Ook voelde zij, maar heel
-vaag en onbewust, in het innigste van haar meisje zijn, door het waas
-van koninklijke hooghartigheid heen, eene zachte streeling van trots,
-dat hij haar zoo hartstochtelijk aanbad.
-
-Hij was nu van aandoening voor haar nedergeknield, het hoofd ootmoedig
-gebogen, in algeheele overgave, en herhaalde nog eens, snikkend:
-
-„Ga niet heen!... ga niet heen!... ik kan nu niet meer alleen leven in
-het bosch!....”
-
-Vriendelijk, maar tóch van uit hare vorstelijke hoogte zag zij op hem
-neer. Hoe fraai was zijn glanzende, kastanjebruine haar! Zij
-verwaardigde zich, hare zachte hand beschermend op zijn hoofd te
-leggen, en het was hem, of eene zegening van den goeden Vader aller
-dingen zelven over hem nederdaalde.
-
-En de muziek van hare stem zong weder diep door in zijn ziel, haar
-vervullend met eene wondere harmonie:
-
-„Je moogt hier niet alleen blijven in dit bosch, Paulus, en je kunt een
-trouwe onderdaan van mij worden, als je wilt. Maar dan moet je sterk en
-flink zijn, en doen wat ik zeg.
-
-„Ik zal je meênemen en morgen ga je in mijn gevolg mede naar
-Leliënstad. Je moogt hier niet rond blijven sukkelen in dit bosch. Het
-Leven moet je zien, het groote Leven van de menschen in mijn land. Ik
-zal je meenemen naar Leliënstad, en je laten leeren. Eigenlijk heb je
-me zoowat het leven gered, want als ik in dat eenzame bosch was blijven
-rondzwerven, was ik misschien van honger gestorven. Vroeger werd je om
-zooiets een edelman, maar nú gaat dat zoo niet meer. Toch zal ik er wel
-iets op vinden. Als je dan goed leert en je onderscheidt, maak ik je
-een baron of een graaf. En dan mag je als ridder komen in mijn
-eere-garde, de „ridders van den Dood”, die hebben gezworen dat zij in
-de ure van ’t gevaar voor mij zullen sterven.”
-
-„Dat wil ik nú al zweren,” zeide Paulus, geestdriftig. „Ik wil heel
-graag voor u sterven. Nu al dadelijk, als ik dit groote geluk zou
-waardig zijn.”
-
-„Morgen ga je mede naar Leliënstad,” ging de prinses door. „Je hebt nog
-nooit zoo’n groote, prachtige stad gezien. Het is de mooiste stad van
-de wereld, de „goddelijke stad” zooals de vreemdelingen haar noemen. Er
-wonen meer dan twee millioen menschen. Mijn paleis staat boven op een
-hoogte, en ziet over de geheele Leliënstad heen, die aan mijne voeten
-ligt, in eerbied. Mijn stad is het middelpunt van alle kunst en
-wetenschap van de wereld. Het leven in mijn stad is het allerhoogste
-bestaan, dat op aarde voor een sterveling mogelijk is. De roem van
-Leliënstad is over de geheele aarde verspreid, en in het verre Oosten
-zegt een spreekwoord: „Eerst Leliënstad zien en dán sterven.” Wat zou
-je hier je jonge leven begraven in dit sombere, stille bosch?”
-
-En toen zij zag, dat Paulus spreken wilde om zijn bosch te verdedigen
-en te verheffen:
-
-„Je moogt niet tegenspreken, Paulus... ook als je geen verlangen voelt
-naar de beschaving van mijn stad, tóch moet je gaan. Want ik ben je
-gebiedster, en ik bevéél het je. Het is mijn Wil.”
-
-Toen boog hij het hoofd, ten teeken van onderwerping aan haar wil.
-
-Van af het oogenblik dat zij het wilde en beval, was er geen
-tegenwerping voor hem meer mogelijk. Waar Zij hem gelastte te gaan,
-moest het goed zijn, en al ware het een oord van verschrikking en
-gevaar, toch was het zoet, dáár te wonen door de heiligheid van háár
-wil. Wat hem aan haar hechtte was zóó sterk en onverbrekelijk, dat zijn
-groote liefde voor het woud en alles wat zijn jeugd omringd had, er
-voor zwichten moest. En het deed er ook absoluut niets meer toe, wat er
-nu verder met hem gebeuren zou, hem klein, nietig wezentje, indien
-slechts Haar koninklijke wil geschiedde.
-
-Zooals zij daar lag op de rustbank, in de kalme gratie van haar
-koninklijk maagden-lijf, met zoo wonder-zachte golvingen en lijnen, was
-zij voor hem het allerheerlijkste, wat zijne oogen en zijn ziel ooit
-hadden gevonden. De glans der sterren verbleekte er bij, en zóó heilig
-waren niet de reine water-lelies in het woud. Wel had grootvader hem
-geleerd, dat alle levende dingen manifestaties waren van God den Vader,
-maar zij moest dan voorzeker zijn uitverkoren, gezegend kind zijn, dat
-hij in háár zijn hoogste schoonheid had geopenbaard.
-
-Het beste, wat hij háár kon geven, was toch maar een erg nietig
-geschenk voor haar. Maar liet hij voor háár dan toch maar geven het
-allerliefste wat hij had, zijn geheele leven van vroeger, zijn mooie
-woud, met al de vogelen en de bloemen, en ook dat éénige en groote
-gevoel voor een menschelijk wezen dat hij koesterde, de liefde voor
-zijn’ grootvader Willebrordus. Het was niet véél bij háár zoo groote
-schoonheid van genade, maar het was alles wat hij bezat. Hij zou ze
-allen verlaten, alles wat hij liefhad zou hij van zich afdoen, en zich
-dan, geheel verlaten en berooid van lief, als een slaaf overgeven aan
-haar koninklijken wil, en wat zij over hem beschikken zou was
-wèlgedaan. En zacht durfde hij nu spreken:
-
-„Ik zal U volgen, Uwe Koninklijke Hoogheid, tot aan het einde der
-wereld, en als het kán tot in den dood.”
-
-Toen ging hij, vastbesloten, terug naar Willebrordus, dien hij bezig
-vond met houthakken, dicht bij huis. En vreezeloos, met eerlijken
-oogopslag, zag hij zijn’ grootvader aan.
-
-„Vader,” zeide hij, „ik ga.... Niet omdat ik u niet meer liefheb, niet
-omdat ik niet gelukkig ben geweest in ons mooie, goede bosch.... maar
-omdat ik niet anders kán.... Wat mij mede-voert met de prinses is
-sterker dan alles, wat ik ooit gevoeld heb. Het is heerlijker en
-zaliger dan de mooiste dageraad, dan de teêrste schemering... het is
-heiliger dan de reine water-lelies, die drijven in den kalmen
-vijver.... en nooit heb ik met grooter eerbied naar den hoogen hemel
-met sterren gestaard, dan zooals ik nú opzie naar de wondere schoonheid
-van Leliane.... de wereld, de steden, de menschen, zóó leelijk kunnen
-zij niet zijn, dat ik ze schuwen zou voor goed, omdat ik toch alles
-immers zien zal door den glans van háre schoonheid heen, waar alles in
-verheerlijkt wordt... Vader, als ik heenga moogt ge niet boos op mij
-zijn, en zult ge mij vergeven.... want ik voel het niet als slecht wat
-ik nu doen ga, en wat mij van u wegvoert is sterker dan mijn wil....”
-
-Willebrordus legde liefderijk de hand op zijn hoofd, en zeide kalm:
-
-„Dit heeft zoo móeten zijn, mijn jongen... ééns had het tóch moeten
-komen.... het was mijn eigen zwakheid, die je zoo lang bij me hield,
-terwijl ik toch wist, dat je alléén door het leven der menschen heen
-tot de groote, volle eenzaamheid van ziel kunt komen, die ik nu, hoop
-ik, voor goed heb gevonden.... alles wat je nu beroert heb ik óók
-doorgemaakt, mijn jongen, en ik weet hoe zalig het is, schoon zéér
-bedriegelijk.... en ik mag het je wel zeggen, al zal je ’t nú nog niet
-begrijpen: meen niet dat dit broze uiterlijke schoon van Meisje ooit de
-hoogste schoonheid zou kunnen zijn.... want zij is veranderlijk en
-eindig, en zal ééns tot stof vergaan, zooals alles.... zie goed uit,
-zie goéd uit, mijn brave, wáár de kern is van al de emoties, die je nu
-zoo wonderlijk beroeren.... en dan zal het misschien zijn, dat je pas
-gevonden hebt wat onbewust je ziel nu zocht, als juist het allerliefste
-voor je gaat verloren....”
-
-Maar Paulus begreep den diepen zin zijner woorden nog niet, al voelde
-hij den ernst, die doorklonk in zijne stem.—Toen dacht hij er ineens
-om, hoe eenzaam Willebrordus zou achterblijven, als hij niet meer bij
-hem was.
-
-„Arme grootvader!” zeide hij, „nu moet je alléén achterblijven.... Je
-zult je verlaten en eenzaam voelen.”
-
-En een angstig zelfverwijt schrijnde in hem op, dat hij den ouden man
-dit leed ging aandoen.
-
-Maar Willebrordus’ gelaat was rustig en van heilige kalmte overtogen,
-als de stille maan die eenzaam, maar in grooten vrede aan den
-eindeloozen nachthemel staat.
-
-„Wie in een innige vertrouwelijkheid leeft met de natuur en met God,
-mijn jongen, kan nooit verlaten zijn. Ik voel mij daarvoor te innig in
-het groote Gods-verband van alle levende creaturen en dingen. Ik vrees
-alleen, mijn brave, dat jij je eenmaal verlatener zult voelen dan ik
-ooit geweest ben. En ik denk met rilling terug aan die duistere tijden,
-toen ik nog wist wat verlatenheid was, verlatenheid te midden van een
-groote stad vol weelde en ellende, met je eenzame, gevoelige, aparte
-ziel tusschen al die duizenden en duizenden in ’t harde versteende,
-koude wezens, waaronder je genadeloozer alleen bent dan in een wijde,
-dorre woestenij. Verlaten zijn, dat is enkel als je met een echt, innig
-gevoel, met een reine gedachte, met een mooi ideaal eenzaam rondloopt
-tusschen de donkere drommen van duizenden, die het met hun schel
-hoongelach zouden begroeten, en het verstikken onder hun vunzen adem
-van smaad, als je eens argeloos dat teedere en fijne in je voor hun
-schennende blikken vertoonde. Dát is verlatenheid, om met een kostbaren
-schat in je ziel door de tallooze benden der heidenen te gaan, om dien
-diep in je te verbergen, maar eindelijk in een krankzinnig élan van
-offering dat kostbare aan het grove volk te toonen, en het te zien
-vaneenrijten en verscheuren als een bloô, wit lam door de ruige troepen
-van wolven. Je zult ééns weten wat ik met deze woorden bedoel. Nu
-begrijp je ze nog niet zoo. Maar denk nooit, dat ik in de stille
-vertrouwelijkheid van de natuur verlaten zou kunnen zijn, want evenmin
-is een kind verlaten, dat rust in moeders schoot. En ik ben hier als
-een schip, dat na veel verre, stormachtige reizen, voor goed in veilige
-haven ligt geänkerd, tegen wind en weêr beschut.”
-
-Later zou Paulus nog dikwijls om deze woorden denken. Maar nú begreep
-hij ze niet, en kon hij ook niet in hun klare wijsheid zien, verblind
-als hij was door den schoonen lichtschijn, die van prinses Leliane’s
-uiterlijk wezen straalde. Hij wist alléén maar dit ééne ding: waar
-prinses Leliane heenging, moest hij ook gaan, onvermijdelijk, omdat het
-nu eenmaal niet anders kón.
-
-En hij ging.
-
-Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, toen het eerste,
-jonge licht voorzichtig schemerde door de bladeren, en hier en daar een
-enkele, vroege vogel ritselde in het groen, geleidde Willebrordus de
-prinses en zijn kleinzoon uit het bosch. Zij namen een weg, dien Paulus
-zelden was opgegaan. Zes lange uren liepen zij door, tot zij eindelijk
-aankwamen bij een zoom van het bosch, waar een paar hutten van
-houthakkers stonden. Dáár rustte de prinses een paar uur uit van de
-vermoeienis. De goede, eenvoudige boschbewoners gaven haar melk, brood
-en vruchten, en bereidden een bed voor haar van mos en droge blâren.
-
-Paulus zag in de verte blauwe bergen rijzen en dalen, en zijn
-grootvader zeide hem, dat dáárachter het Leliënland lag, waarover
-Leliane regeerde.
-
-Willebrordus sprak met de houthakkers af, dat zij de prinses langs den
-kortsten weg over de bergen zouden brengen naar een dorpje, dichtbij op
-de grenzen.
-
-Het was wèl even hard vóór Paulus, toen de oude man afscheid van hem
-nam.
-
-Rustig, in groote waardigheid stond Willebrordus voor hem, de hand
-zegenend op zijn hoofd gelegd.
-
-„Vaarwel, mijn jongen,” zeide hij, met vaste stem. „Misschien zal je ’t
-pas véél later begrijpen, maar onthoudt goed den laatsten raad, dien ik
-je medegeef. Laat je toch voorál niet van de wijs brengen door den
-schijn der dingen, maar zoek de kern van alles het wezen. Denk voorál
-in eenzaamheid na over alles wat je oogen onder de menschen hebben
-gezien, en luister dan goed, wat een innerlijke stem in je ziel er over
-zeggen zal. Ga voorál te rade met die intuïtie in het diepste van je
-wezen. En ga nooit enkel af op menschen-woorden, die sneller als de
-wind vergaan. Wil je mij dat beloven?”
-
-Hoe eerbiedwaardig, sterk en oprecht stond zijn grijze grootvader daar
-voor hem! En hoe teeder tegelijk was zijn wijs gezicht, waar leed en
-gedachten de diepe rimpels in hadden geplooid!
-
-Opeens voelde Paulus hoe vreeselijk het zou wezen, als hij dit veilige,
-rustige, liefderijk beschermende niet meer bij zich hebben zou. En een
-laatste opwelling om in zijn armen te snellen en hem te beloven, altijd
-bij hem te blijven, welde op in het innigste van zijn ziel.
-
-Hij zag nog eens goed naar de boomen, die daar vertrouwelijk naast
-elkaar stonden, als goede kameraden, hartelijk en eensgezind. Hij
-hoorde hun breede kruinen ruischen en ruischen. En het was of het woud
-hem waarschuwend riep.
-
-Een oogenblik weifelde hij.
-
-Toen klonk opeens weer Leliane’s stem, en dat heerlijke geluid
-bedwelmde zijn ziel met bevende verrukking.
-
-„Gáán wij nu?” riep zij, „ik ben nu uitgerust. Kom, Paulus!”
-
-Neen, hij kon niet terug, hij kón niet meer, het was sterker dan alles.
-
-De tranen vloeiden uit zijn oogen op Willebrordus’ oude, gerimpelde
-hand, die hij eerbiediglijk kuste.
-
-„Ik kán niet, grootvader, ik kán niet anders,” snikte hij. „Vergééf
-mij!”
-
-„Ik héb je niets te vergeven, mijn jongen. Ga, mijn brave, en God zij
-met je. En weet! als je eenmaal terug wilt komen zal je kamertje altijd
-voor je klaar staan, en zal je welkom zijn als altijd. God zegen je!”
-
-Toen wendde Paulus weenend het hoofd af van zijn’ goeden grootvader en
-van het stille woud, en aanvaardde hij den zwaren gang naar de menschen
-en hunne stedingen, om het groote licht van schoonheid te volgen, dat
-de prinses Leliane omstraalde....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-
-Door de houthakkers geleid liepen zij nu nog twee uren langs een goed
-gebaanden weg door het gebergte.—Paulus hield met sterken greep het
-wilde bergpaardje bij den teugel, dat Leliane, gewend aan goed
-gedresseerde raspaarden, niet kon besturen. Zijn licht geschoeide
-voeten, gewend aan zacht zand en mos, deden pijn op het harde, steenige
-pad vol scherpe punten, maar hij had zóó wel uren willen voortloopen,
-als Leliane maar bij hem bleef.
-
-Aldoor dacht hij, angstig:
-
-„Nu zal het uit zijn... nu komt het einde... als wij bij de menschen
-komen mag ik niet bij haar blijven.”
-
-Eindelijk kwamen zij aan de grens van de bergen, waar de weg afdwaalde
-naar een groote, verre vlakte. Hij had, gewend aan boomen overal om hem
-heen, nog nooit zoo’n wijde vlakte gezien, eindeloos uit, zonder
-belemmering, met horizonnen wijd en ver. En toen zijne oogen gewend
-waren aan het ruime perspectief zag hij het eerst kleurige stippen,
-dolende hier en daar. Hij wees er naar met de vingers. Toen zagen de
-houthakkers het ook. Zij legden de vingers in den mond, en lieten een
-scherp, doordringend gefluit hooren, door de bergen wijd en zijd
-weerkaatst.
-
-De prinses had zich hoog in den zadel opgericht, en keek, de hand voor
-de oogen in groote spanning uit.
-
-De stippen kwamen al nader en nader naarmate zij daalden, al sneller en
-sneller... er schitterde hier en daar al iets van zilver en goud... en
-nu werden zij rood tegen het witte van den grond... al nader en nader
-kwamen zij...
-
-Totdat de prinses het blijde uitriep, de handen wenkend bewegend:
-
-„Mijn huzaren!... mijn huzaren!...”
-
-
-
-De stippen werden zwarte paarden, waarop roode mannen waren gezeten.
-Zilver en goud van sjabrakken en passementen schitterden in de zon, en
-stalen wapenen blonken. Één ruiter hief een donderend „hoera!” aan en
-rende opeens van al de andere hollende cavaleristen weg, de sabel
-omhoog, flikkerend in de zon. Het was of zijn paard, zonder zwaarte,
-voort-vloog door de ruimte.
-
-„Dat kan alleen Marcelio zijn,” riep de prinses Leliane verheugd uit.
-„Het is graaf Marcelio!”
-
-Een paar minuten later zag Paulus een jongen, donkeruitzienden man op
-een met wit schuim bedekt gitzwart paard uit vollen galop op eens
-onbewegelijk stil houden voor de prinses. Hij hield de rechterhand met
-uitgestrekte vingers aan den kolbak, zwijgend tot de prinses hem
-aansprak.
-
-„Hier zijn wij, graaf Marcelio... veilig en ongedeerd, dank zij dit
-jonge mensch hier, dat ons geholpen heeft... Wij zijn verdwaald geweest
-op de jacht, de witte ree, ge weet wel, wij wenschen deze vreemde
-geschiedenis zoo geheim mogelijk te houden, en ophef te vermijden... er
-zal niet zoo heel ver van hier wel een station zijn... wij hebben ons
-rijkleed aan en kunnen tot zoo ver rijden... laat de huzaren ons maar
-op een afstand volgen, en beloon deze goede mannen met wat geld... dit
-jonge mensch hier beveel ik aan uwe speciale zorgen aan, ik zal u later
-wel mijne nadere beschikking omtrent hem geven... en dit alles voorál
-zonder ophef, hebt gij mij begrepen, graaf Marcelio?”
-
-Paulus was verbaasd over de hooge waardigheid van waaruit deze woorden
-bevelend werden gesproken. Was dit het Meisje, dat Willebrordus „kind”
-had genoemd, en dat klagelijk en hulpeloos in het mos had gelegen bij
-de water-lelies, steunend van pijn? Wat was er dan opeens in haar
-gekomen, dat zij nu zoo gebiedend sprak, en de sterke, groote jonge man
-vóór haar, eerbiedig het hoofd boog, de hand nog steeds eerbiedig ten
-groetenis geheven? Wat was er in haar, dat nu opeens de aangekomen
-ruiters als standbeelden voor haar stilstonden, de stalen wapenen
-onbewegelijk voor de borst houdend, in reverent gebaar?
-
-En een vage vrees beving hem voor dat geheimzinnig vreemde in haar, dat
-een sfeer van eerbied en ontzag om haar heen deed gaan, waarin de
-handen der menschen ten groetenis werden bewogen.
-
-Hij voelde zich of hij droomde, en was niet meer zeker van wat hij de
-laatste dagen beleefd had.
-
-Was het dan wáár, of was het gedroomd, dat hij tot dat wondere wezen
-had durven spreken, waar die groote, van goud en zilver schitterende
-officier van eerbied voor was blijven zwijgen, deemoediglijk wachtend
-op een bevel van hare lippen? Had hij werkelijk als een vriend aan haar
-bed gezeten, had zij vertrouwelijk en steunend op zijn arm geleund, als
-een gewoon kind, die nu in die fiere, gebiedende houding heerschend
-tegenover die sterke, met moordtuig gewapende mannen stond? Was er dan
-iets bovenmenschelijks aan haar, iets misschien van God zelf, dat
-Willebrordus niet aan haar gezien had, en had hij dan misschien haar
-hooge majesteit geschonden, door tot haar te durven spreken als een
-gewoon menschenkind?
-
-Angstig, van stomme ontzetting vervuld, keek hij om zich heen. Hij
-voelde, hoe de jonge officier, die graaf Marcelio heette, hem aanzag.
-Twee donkere, vreemde menschen-oogen opeens in de eenzaamheid van zijn
-ziel. Maar ze waren niet vijandig. Hij raadde ze intuïtief als iets
-vriendelijks, dat hem wilde bemoedigen.
-
-Dit was dus een van de menschen uit de groote stad, waar Willebrordus
-voor was gevlucht. Het blinkende staal, dat hij in de hand hield, was
-een sabel. Dat wist Paulus van de platen in zijn boeken. En al die
-andere mannen op die zwarte paarden hadden sabels in de hand. Toch
-waren ze mooi. Gekleed in heldere kleuren, met roode figuren, en
-geflikker van metaal. En mooi was hun rechte, flinke zitten in het
-zadel. Dit waren nu de soldaten van prinses Leliane, en zoo waren er
-nog duizenden en duizenden, die gehoorzaamden aan haar bevel. Duizenden
-en duizenden groote, sterke mannen, en op één wenk van haar teedere,
-blanke hand zouden zij voor haar voort-stormen in den dood. Dat wist
-hij uit de boeken.
-
-Zij leek hem nu opeens onbereikbaar ver, verder dan de sterren, die hij
-gezien had in de stilte van den nacht. Hoe klein en nietig moest hij
-voor haar zijn! Hoe’n onbeduidend, armzalig wezentje moest hij haar
-lijken! En hoe nutteloos was al zijn spreken tot haar geweest, die zoo
-oneindig ver van hem was gebleven, al had zij vlak voor hem gestaan!
-Zijn denken werd in raadselen verward. Vèr was ze nu, onbereikbaar ver.
-Maar toch lag haar beeld van slapende maagd, in reine rust, zacht in
-zijn eigen ziel. En dat beeld, zoo veilig en vertrouwd, het leek nu van
-heel ander wezen dan die jonge vorstin daar op het zwarte paard, die
-hem opeens bijna vreemd was. De arme Paulus begreep niet meer wat in
-hem gebeurde, en hij voelde het duizelen in zijn hoofd. Niet voor die
-vreemde vorstin daar had hij zijn grootvader en het mooie bosch
-verlaten. Zij leek nu een vreemde, een geheel andere, die eigenlijk
-niet dezelfde kon zijn, die hij in vredigen slaap had zien rusten onder
-de groene boomen. En tóch moest zij het zijn....
-
-Moê en angstig liet hij zich nu gewillig leiden. Graaf Marcelio hielp
-hem op een mak huzarenpaard, en wees hem hoe hij de teugels moest
-houden. Het beest liep vanzelf achter dat van Marcelio aan.
-
-Na een langen tijd rijden kwamen nog meer ruiters hun te gemoet. Er was
-een heel oud man bij, met langen, grijzen baard, in een van goud
-schitterende uniform die óók eerbiedig, diep neigend voor de koningin
-stilhield.
-
-Met dezen ouden man reed opeens prinses Leliane in vollen galop
-vooruit, de andere ruiters achterlatend.
-
-Paulus hitste zijn paard aan, en wilde haar volgen, maar graaf Marcelio
-hield hem tegen.
-
-„Hare Koninklijke Hoogheid wenscht onopgemerkt, alleen in den trein te
-gaan,” zeide hij. „Wij moeten achterblijven, en je bent aan mijn hoede
-toevertrouwd. Haar Koninklijke Hoogheid wil dat je bij mij blijft. Daar
-in de verte zie je al een paar huizen, en de groote kap van het
-station. Kijk.... dáár.... Daar moeten we heen. De huzaren gaan nu al
-terug.... Maar wij moeten daar samen in den trein, die ook hare
-Hoogheid naar Leliënstad zal brengen. Alleen mijn oppasser volgt ons
-nu.”
-
-Paulus zag in de verte de roode daken van huizen, vriendelijk en blij.
-Déze woningen van menschen leken niet benauwd, zooals grootvader
-verteld had. Het dorpje lag omgeven van dichte bosschen, en het leek
-hem wel heerlijk daar te wandelen. Maar links, iets verder, zag hij
-groote, zwarte gebouwen, somber-leelijk, met grove vormen in de lucht,
-dreigend.
-
-„Dáár is het station,” zeide Marcelio. „Als die bosschen er niet waren
-zou je treinen kunnen zien.”
-
-Toen zij bij het dorp waren gekomen—een kleine plaats met lage,
-eenvoudige huizen—stapte graaf Marcelio af, en hielp ook Paulus van het
-paard. Toen nam hij hem bij de hand, en ging met hem een groot,
-monsterachtig gebouw binnen, waar een donderend leven lawaaide. Gegil,
-gefluit, gedaver, rollend geratel. Paulus wist niet wat hij hoorde, en
-angstig voelde hij zijn hart kloppen.
-
-Heel stil, heel klein liep hij naast graaf Marcelio, bang om van hem te
-verdwalen, en alleen te zijn onder al die vreemde, onvertrouwde
-menschen. O! Het benauwde van dat zwarte, donkere dak boven zijn hoofd!
-Waar was de Hemel?—En die duistere, nauwe doozen op rollen, waar hij
-straks in zou moeten! En die groote, gillende monsters, sissend en
-stoomend van kwaadaardigheid, met vlammend vuur in hun lijven! Ja, hij
-wist wel wat het was, van platen en uit boeken, het was een station,
-met treinen en locomotieven, maar tóch sloeg het hem met een vage
-ontzetting, het gedaver en het lawaai. Een groote onrust huiverde
-overal om hem heen, en het was of al de menschen hier een vreeselijk
-verdriet hadden of angstig waren voor iets, dat ze allen weg wilden met
-die vervaarlijke monsters, die als opgerezen schenen uit een
-onderwereld van helsche verschrikking. Het gesteun en gebriesch van de
-locomotieven deed zijn hart bang kloppen van schrik, alsof ze hem kwaad
-wilden, en er iets verschrikkelijks hem wachtte.
-
-„Het is hier wat druk,” zeide Marcelio vriendelijk. „Een grensstation
-met douanen moet je denken. Alles moet hier uitstappen. Een beetje
-vreemd voor je, natuurlijk. Maar daar wen je wel aan. Ha! daar is onze
-trein.”
-
-Paulus stoof verschrikt achteruit.
-
-Donderend-lawaaiend daverde een sneltrein aan, wolken blinkenden stoom
-voor zich uitstootend. Een wind van lucht stroomde langs zijn ooren, en
-heel de grond trilde. Bellen klingelden, fluitjes trillerden, mannen
-schreeuwden. Brieschend stond de locomotief stil.
-
-Uit de donkere wagens kwamen menschen, haastig, als op de vlucht voor
-iets, ijlden weg, als bang. Anderen stormden er in, zenuwachtig, als
-vliedend voor een gevaar.
-
-Wat was er dan toch, dat al die menschen zoo voortdreef? Paulus voelde
-een vreemde benauwing bij al dat haastige, gejaagde om hem heen. Het
-was of een verschrikkelijk noodlot al die menschen dreigde, dat ze zoo
-hals over kop vluchtten onder het gebel en gesis en gestoom alom.
-
-Maar reeds had Marcelio hem bij den arm gegrepen, en met zich
-voortgeduwd. En vóór hij goed tot besef was gekomen wat er gebeurde,
-zat hij op zeer zachte, rood fluweelen kussens in een nauw, laag
-kamertje.
-
-„Dit is nu een eerste klasse-wagen,” zeide Marcelio. „Behoorlijk zacht,
-hè, maar een beetje nauw. Het is een vóór-coupétje voor twee plaatsen
-maar. Juist geschikt voor de gelegenheid.”
-
-„Klets!” ging het portier dicht, dat Paulus met een schok opsprong.
-
-Door het raampje zag hij de menschen op het perron haast je rep je!
-door elkaar woelen. Het was als zochten ze allen iets angstig. Wat
-zochten ze?
-
-Vragend zag hij Marcelio aan. De jonge officier lachte, en had schik in
-zijne verwondering.
-
-„Al die menschen.... wat doen ze?...” vroeg hij. „Wat zoeken ze
-toch?.... of vluchten ze.... zijn ze bang?”
-
-„—Wel neen, mijn beste jongen.... die menschen hebben haast.... aan een
-station heeft iedereen haast.... meestal lui van zaken.... dat leer je
-later wel.... tijd is geld, moet je weten.... dat leer je óók wel....
-wat een drukte hé.... en eigenlijk allemaal voor niets.... zóó haasten
-ze zich jachtend hun leven door tot ze dood zijn, en dan is ’t uit....
-allemaal voor niets geweest....”
-
-Paulus voelde opeens een vage pijn. Er was iets in graaf Marcelio’s
-stem, dat schrijnde. Zoo heel anders dan het rustige, gedragen geluid
-van Willebrordus.
-
-Hij zag hem eens goed, aandachtig aan.
-
-Een mooi, fijnbesneden gezicht. Schitterende, zwarte oogen. Een zwarte,
-zachte snor, met spitse punten. Gezonde, roode wangen. Het donkere,
-glanzende haar gekruld. Een slanke, rijzige gestalte in de
-nauwsluitende uniform. Zijn blik was vriendelijk en beschermend. Maar
-met iets lichtelijk spottends, iets vreemds, dat misschien wel
-droefheid was, en dat Paulus onrustig maakte en aan het vriendelijke
-tegelijk iets schrijnends gaf.
-
-Opeens een hoog gegil.... een stoot.... en Paulus voelde zijn wagon
-bewegen, eerst langzaam, dan sneller, sneller en sneller... alles langs
-het raampje ijlde weg, menschen en dingen... hij voelde zich vooruit
-vliegen in de ruimte....
-
-En hij riep, angstig:
-
-„De prinses!.... waar is de prinses?....”
-
-Marcelio stelde hem gerust.
-
-„Haar Koninklijke Hoogheid zit veilig in een salonwagen.... zij rust nu
-op een goed bed van de vermoeienissen uit. Haar wagen is vlak achter de
-onze, en als zij op een knopje drukt gaat hier een schelletje af en kan
-ik door dit deurtje in de koninklijke appartementen komen. Wij gaan nu
-rechtdoor naar Leliënstad, waar wij tegen den avond aankomen. Er is
-behoorlijk getelegrafeerd, en men zal Haar Koninklijke Hoogheid aan het
-station ontvangen. Maar vertel me nu eens goed, wat er toch met Haar
-Koninklijke Hoogheid gebeurd is. Wij hebben haar verloren op de jacht,
-daar bij de blauwe bergen. Wij jaagden een witte ree, die alleen met
-een pijl mag worden gewond, en in de opwinding van de jacht was Haar
-Koninklijke Hoogheid ineens verdwenen.”
-
-Toen vertelde Paulus, eenvoudig, zonder iets achter te houden, hoe hij
-de prinses had gevonden. Hij had nog niet geleerd zijn gevoel te
-verbergen, en zeide alles zooals het hem opwelde uit zijn jong,
-geest-driftig hart. Zijne oogen schitterden daarbij, zijne wangen
-gloeiden, toen hij het uitzegde, hoe de schoonheid van de prinses zijne
-ziel had beroerd.
-
-Met welgevallen zag Marcelio hem daarbij aan. Wat een vreemde, aardige
-jongen! Zóó waren er niet meer op dien leeftijd in Leliënstad.
-Zeventien jaar kon hij wezen, misschien achttien. En wat een naïeveteit
-nog om zóó je gevoelens aan den eerste den beste te vertellen!
-
-„Maar je bent een dichter, Paulus!” zeide hij vriendelijk. „Waarachtig,
-een dichter! We kunnen misschien nog plezier van je beleven! Heb je wel
-eens verzen gemaakt?”
-
-„Ja,” zeide Paulus, eenvoudig.
-
-„Wat een trouvaille! Een jonge dichter, zóó maar uit de eenzaamheid van
-een bosch! Wat zouden Wederich en Lavelane wel zeggen! Dat wordt een
-evenement! Een dagteekening! Maar nu iets anders. Haar Koninklijke
-Hoogheid wenscht, dat het gebeurde strikt geheim blijve. De bladen
-hadden al bevel gekregen om niets van het verdwijnen der koningin te
-reppen. Je moogt niemand, wien ook, iets vertellen van het gebeurde. We
-zullen er wel wat op vinden om de couranten officieel een of ander
-verhaal te doen. Haar Koninklijke Hoogheid mag niet de heldin van een
-roman worden. Het zou anders een kapitaal sensatie-verhaal voor de pers
-zijn. Je moogt dus niets, absoluut niets ooit reppen van hoe je de
-prinses hebt gevonden. Begrepen? Het is Haar Koninklijke Wil.”
-
-Paulus knikte van ja en beloofde. Maar hij begréép het niet. Waarom
-mocht niet iedereen het weten, hoe hij de prinses had gevonden? Zou het
-volk niet blij zijn, dat zij veilig behouden was? En waarom moest het
-nu misleid worden door eene voorstelling, die niet waar was? Neen, hij
-begreep het absoluut niet. Maar het was Haar Koninklijke Wil, had
-Marcelio gezegd. Dus zou hij zwijgen.
-
-Hij keek door het raampje naar de nieuwe wereld, waarin hij nu kwam. En
-hij was verrast. Niets meer van groote klompen steenen en massieve
-gevaarten. Wijde landen met wuivend graan gleden vierkantend weg in de
-snelheid van den trein. Rijen mooie boompjes bewogen zachtjes in de
-verte. Hier en daar, rustig, een landelijk huisje, met rood pannen dak.
-De hemel een wijde blauwe ruimte met blinkend witte wolken. Alles
-rustig en tevreden, alleen als weg-deinzend door de vliegende vaart van
-de trein.
-
-Marcelio zag zijne verrassing, en zeide:
-
-„Ja, het zijn niet allemaal steden, hier in Leliënland, dát moet je nu
-niet denken. Dít is nu het land. Zonder het land zouden de steden niet
-kunnen bestaan. Want van het land, dáár moet alles vandaan komen om de
-steden te voeden. Het graan, de tarwe, de runderen, de melk, de boter,
-de groenten, dat komt allemaal van het land. Je begrijpt hoeveel land
-en hoeveel boeren er noodig zijn om iederen dag zoo’n stad van twee
-millioen menschen aan eten te helpen. Met groote, vliegende treinen
-wordt dat zelfs van verre landen in Leliënstad aangevoerd.”
-
-De avond begon te vallen.
-
-Een dunne, ijle mist was opgedroomd boven de landen, die er zachtjes in
-verwaasden. Huisjes en boomen vervaagden, en stonden als onzekere,
-weifelende vormen in het grijze. Hier en daar somtijds, moeilijk, een
-lichtje.
-
-En de trein daverde, daverde voort, een paar uur.
-
-Paulus was ingesoesd, moê van al het ongewone, toen een schel, hoog
-gefluit hem wakker maakte. Het deed hem pijn, dat felle ineens, zoo
-onverwacht.
-
-„Leliënstad!” zeide Marcelio, „eindelijk! We komen nu bij de
-voorsteden.”
-
-Paulus keek uit het portiervenster.
-
-En door den vagen mist, wijd-uit, zagen duizenden lichtjes, mat en
-flauw door den nevel pinkend, hem aan. Het was als een groot,
-vervaarlijk monster, met duizenden oogen loerend.
-
-Een onbestemde angst legde zich over zijn hart. Hij tuurde, angstig, en
-tuurde.
-
-Nu zag hij groote, donkere vormen zich oprichten uit het vage. Met
-dreigende, donkere schaduwen stonden zij in den schemer.
-
-„Huizen,” wist hij, „dit moeten huizen zijn, naast elkaar, in een
-straat.”
-
-Het waren doode, gevoellooze dingen. Niet als de boomen van zijn bosch,
-die leefden, en vertrouwd waren aan zijn ziel. Maar dit waren duistere,
-koude gevaartes van steen, onbewogen, massief, van roerlooze hardheid.
-Het leken hooge, zwarte graven, opgerezen in de lucht.
-
-Marcelio zag zijn schrik.
-
-„Wat donker hier, hè, die hooge huizen, bijna zonder licht. Maar je
-bent hier in de buitenwijken. Dit zijn de arme buurten. Maar straks
-wordt het wel beter.”
-
-De trein reed nu op een viaduct. En overal zag Paulus vreemde, gebogen
-monsterdingen, als armen met sombere gebaren uitgestoken in de lucht.
-Het was of ze dreigden, en er was iets siniesters in dat uitgestrekte
-van kromme, zwarte pijpen, uit die donkere huizen gestoken. Zoo ver hij
-zien kon waren er nu overal van die zwarte vuile steenen huizenklompen,
-met die kromme armen wanhopig grijpend omhoog.
-
-„Schoorsteenen,” zeide Marcelio, glimlachend.
-
-Hij lachte over Paulus’ verwondering.
-
-En hij wist niet, hoe bang het was in dat jonge hart naast hem. Die
-zware, donkere gevaarten wierpen bange schaduwen in Paulus’ aan licht
-en zonneschijn en wuivend groen gewende ziel. Konden hier menschen
-wonen? Waren er heusch levende wezens in die genadelooze, steenen
-graven?
-
-Hier en daar was al een eenzaam petroleumlichtje op, in een nauw,
-vunzig hol. Door armoedige, gebroken ruiten, spookachtig voorbij door
-de vaart van den trein, zag Paulus dan éven vreemde gezichten van
-havelooze menschen, stukken vuil goed aan touwen, onoogelijke, donkere
-dingen. Het leek hem een booze droom.
-
-Langzamerhand werd het beter. Hier en daar, perspectief, inééns een
-lang, nauw ópen, met véél lichtjes, en benéden honderden zwarte
-stipjes: een straat, die wègdeinsde. Nu werd het al lichter en lichter.
-Breede pleinen gingen open, met groote bollen wit licht in ’t midden,
-licht, dat hij nog nooit gezien had, bleek als van de maan. De huizen
-hadden hier vensters, blinkend van licht. Beneden kon hij drommen
-menschen zien loopen, duidelijk, of het dag was. Zij liepen allen
-haastig, alsof zij iets zochten. Hij zag nu ook wagens en rijtuigen met
-paarden. En ineens, met sterren licht pinkend er boven, een groote
-wagen met glazen wanden, van zelf vooruit ijlend in vliegende vaart.
-Binnen een rij zwarte menschen, dicht tegen elkaar. Alles warrelde en
-wemelde dooreen. Het was onrustig, of een vaag gevaar door die pleinen
-en straten waarde, waar al die menschen angstig voor vluchtten.
-
-De trein daverde en daverde altijd maar door, boven al dat gedwarrel
-uit, en Paulus verwonderde zich, dat de menschen beneden niet staan
-bleven en angstig opkeken, of het stoomende gevaarte niet op hen zou
-vallen.
-
-De nevel, die uit de landen buiten was opgestegen, hing nu niet meer
-over de steenen straten. Daar was nu alles helder licht. En Paulus vond
-het vreemd dat de menschen hier in de stad den nacht met dat kunstlicht
-hadden verjaagd, den nacht, die hem altijd zoo vertrouwd was geweest in
-het bosch, vol mooi geheim. Zouden de menschen dan bang zijn voor den
-nacht? Waarom waren ze nog niet te ruste gegaan, of wat stil in hun
-kamer? Wat dreef hen dan toch allen zoo voort?....
-
-De stad scheen eindeloos. Want de trein daverde altijd maar door, in
-vliegende vaart, telkens deinsden nieuwe straten en pleinen voorbij, en
-overal liepen nieuwe drommen menschen, wriemelend klein en zwart daar
-beneden, nietig tegen het hooge van de huizen, waarlangs ze gingen.
-
-Opeens zag hij in de verte, hoog in de lucht opgerezen, een wonderen,
-vreemden bouw. Het was vaag en onzeker door den afstand, maar het leek
-hem fijn en gevoelig als boomen van het bosch. Teêre, luchtige vormen,
-ijl cantille-werk als van bladeren, met twee ranke torens in de lucht.
-Er was iets heiligs aan van gewijd leven. Innig, een levende schepping,
-fijn als bladeren van verre boomen, rees het zachtkens op in de donkere
-lucht, hoog boven de doode, starre huizingen.
-
-Vragend zag hij Marcelio aan, en wees met de hand naar het wonder.
-
-„De Cathedraal,” zeide Marcelio. „Hier worden de bladeren bewaard van
-de heilige Water-lelie, waaruit het koninklijk geslacht van prinses
-Leliane werd geboren.”
-
-De trein daverde altijd door....
-
-En nu zag Paulus, hoog boven de stad, evenals de cathedraal, op een
-heuvel, een wit paleis. Honderden witte ballons, gloeiend van zilver
-maanlicht bloeiden daar heilig blank op in het duister van den avond,
-en het paleis was er duidelijk door te zien, van eene verblindende,
-sneeuwen blankheid, met een transparanten, reinen glans, als van fijn
-porselein.
-
-Toen hoorde hij Marcelio eerbiedig zeggen, maar met toch nog iets van
-vagen spot in zijn stem:
-
-„Het paleis van Hare Koninklijke Hoogheid prinses Leliane.”
-
-En hij voelde eene blijde verlichting, dat het paleis zoo hoog boven de
-stad stond, in zoo’n heerlijke sfeer van lucht. Zóó behoorde Leliane
-ook te wezen, dacht hij, hoog en ver boven de menschen, in een eigen
-glorie van reinheid, zooals de sterren pralende zijn boven de aarde.
-
-Wèg was opeens het paleis, toen de trein een bocht om ijlde, altijd
-maar verder en verder, daverend en lawaaiend.
-
-Toen, eindelijk, verminderde zijn vaart, remmen knarsten, kettingen
-rammelden, en Paulus voelde de wagon om hem schudden en beven, tot hij
-eindelijk met een schok stilstond.
-
-Weêr een station als dien middag op de grens, maar veel grooter. Toen
-Paulus uit de wagen was gestapt en op het perron stond duizelde hij
-even. Want naast hem, vóór hem, overal daverden snuivende, stoomende
-locomotieven-monsters aan, dreigend lichtende uit roode oogen. Zwarte
-menschen drongen en holden schreeuwend om hem heen, of ze hem kwaad
-wilden doen, als vijandig.
-
-Stijf hield hij Marcelio’s hand vast. Wagens rolden donderend over den
-houten vloer, locomotieven gilden snijdend, zware schellen klingelden.
-Tusschen een saamgestroomde bende van menschen, dicht tegen hen
-aangedrongen, voelde Paulus zich voort worden geloopen. Eerst trappen
-af, naar beneden, toen een donkere gang, en weer trappen af, steeds
-voortgestuwd door de menschen.
-
-En dán ineens buiten, op een groot plein, stralende van lichte
-maan-ballonnen, met ratelend rumoer van wagens, en schrijnend lawaai
-van stemmen. Mannen in lange jassen met gouden knoopen gilden namen
-uit, die hij niet begreep. Jongens met couranten schreeuwden klagelijk
-uit, als noodgeschrei. Alles dreunde en schetterde en gonsde om hem
-heen, pijnlijk, grof, vijandig. Stijf omklemde hij Marcelio’s hand.
-
-„De prinses.... de prinses.... waar is zij?....” vroeg hij angstig,
-allereerst denkend om haar, in dat gevaar.
-
-„De prinses gaat heel stil naar het paleis,” antwoordde Marcelio
-geruststellend. „Zij is hier afgehaald door vertrouwde dienaren, die
-getelegrafeerd zijn. Om geen opzien te wekken gaat zij heel eenvoudig
-in een gewoon rijtuig naar het paleis.”
-
-„Wat willen hier al die menschen?” vroeg Paulus nog. „Wat zoeken
-ze?.... waarom schreeuwen ze zoo?....”
-
-Marcelio lachte.
-
-„Wat ze zoeken?.... Ja, als ze dát maar wisten, dan was alles in
-orde.... En waarom ze schreeuwen?.... Dat weten ze misschien zelf
-niet... Maar zoo is het altijd aan een station, mijn jongen, en overal
-op straat is het lawaai. Daar moet je aan wennen.”
-
-Hij wenkte een koetsier, en liet Paulus in een coupé stijgen.
-
-„Koninginnestraat,” hoorde Paulus hem zeggen.
-
-En voort! voelde hij zich rijden, het breede plein over, waar overal
-andere rijtuigen weg ratelden, haastig, als door angst en onrust
-gedreven.
-
-Hoe dat alles ijlde en draafde en heen-holde! Waar moesten die menschen
-dan allemaal heen? Wat dreef hen dan allemaal zoo vooruit in zoo
-zenuwachtige haast?
-
-Hij keek uit het portierraampje, sprakeloos, in altijd stijgende
-verbazing, zonder begrijpen. Dat leven, dat lawaai, dat gedreun, en
-gedaver, en geschreeuw! Al die menschen, rusteloos voorbijdravend,
-elkaar verdringend, waar gingen ze dan toch heen, wat zochten ze dan
-toch? En die groote, hooge, steenen huizen, wat waren ze koud en hoe
-strak keken ze hem aan! Doode, onbewegelijke dingen. De menschen
-leefden hier tusschen starre, steenen gevaarten, die hoog en koud om
-hen heen stonden, onbewogen. En tusschen al dat doode en steenen gingen
-ze rusteloos voort, ál maar voort, bij duizenden en duizenden. Zoo bij
-tweeën of drieën schenen ze elkaar vertrouwd, praatten ze met elkaar.
-Maar de anderen leken zij niet te kennen. En allen gingen een eigen
-gang, haastig, of ze voor iets vluchtten, of iets hen voort-jaagde.
-Winkels met groote uitstalramen, blinkend van licht, praalden met
-allerlei schitterende dingen, veilig achter glas bewaard. Groote
-restaurants en cafés hadden tafeltjes op straat, waar menschen zaten te
-eten en te drinken, midden in de drukte van ’t voorbijloopend publiek.
-Krantenjongens schreeuwden met een monotoon, klagend geluid. Rechts en
-links gingen andere rijtuigen voorbij, en groote vrachtwagens met
-kisten, en omnibussen met zwarte menschen er boven, de koetsier op den
-hoogen bok, ingebakerd. Dat hoste en ratelde en lawaaide alles door
-elkaar. Hier en daar, op den hoogsten nokrand der kolossale huizen,
-vlammende annonces in electrisch licht, die ineens uitdoofden en dan
-plotseling weer opschenen. Paulus’ oogen traanden van ’t zien in al dat
-scherpe licht, en zijn hoofd begon te duizelen van ’t rumoer. Het was
-hem of hij er straks nog onder zou bezwijken.
-
-Somtijds hield het rijtuig opeens stil. Dan kon het niet verder, omdat
-de straat versperd was, zeide Marcelio. Een groote, dikke kop van een
-omnibus-paard was ééns vlak bij ’t portierraam, dreigende het te
-breken. Links en rechts knellend geklap van zweepen, geschreeuw en
-gevloek van koetsiers. Tot het rijtuig eindlijk, langzaam weer
-doorreed.
-
-Nu en dan zag Paulus een lange zijstraat opengaan, en weêr hetzelfde:
-files van rijtuigen in ’t midden, gewemel van lichten door elkaar,
-zwarte rijen menschen op de trottoirs, geschitter van vlammen-annonces
-in de lucht. Hij begreep niet, hoe alles elkaar op ’t laatst niet
-vertrapte, tegen elkaar inreed, elkaar verpletterde in uiterste
-verwarring.
-
-Zóó ging het een half uur door, langzaam, langzaam door propvolle
-straten. Het was nog erger dan in den trein. Hij zag somtijds alles
-voor zich draaien, in warrelenden dans. De wagens ratelden nu in zijn
-hoofd, dat pijnlijk aanvoelde, met felle steken. Een angstige
-beklemming drukte op zijn borst, en hij haalde moeilijk adem. Het leek
-hem, of alles straks inééns zwaar over hem heen zou gaan, waar hij
-hulpeloos neér zou vallen, en verpletterd worden door al dat zware,
-genadelooze, groote.
-
-Hij voelde moede loomheid zijn oogleden drukken, en wilde het liefste
-maar de oogen sluiten om niets meer te zien, en zich voor al dat leven
-te verschuilen in den slaap. En werkelijk sliep hij een oogenblik in,
-met het hoofd achterover in het gecapitonneerde kussen geleund.
-
-Een groot licht zengde zijn oogen opeens pijnlijk weer open. Hij
-schrikte op.
-
-Rechts en links van het portiervenster, waar het rijtuig geruischloos
-over houten straatvloer gleed, straalden helle ballonnen schitterend
-wit licht hem tegen. Alles fonkelde en tintelde in het rond, en het
-leek hem, of het bliksemlicht van den hemel hier overal getemd lag te
-gloeien.
-
-Achter glinsterende spiegelruiten lagen kostbare luxe-dingen weelderig
-te pralen. In de groote juwelierswinkels lagen diamanten en brillanten
-als kleine sterren te lumineeren. De winkels waren hier paleizen,
-ruischende van licht, en de straat was er lichter van dan overdag. Het
-leek iets uit de sprookjes van 1001 Nacht, die grootvader hem eens had
-gegeven.
-
-„De Koninginnestraat,” zeide graaf Marcelio. „Dit is de rijkste
-winkelstraat van de wereld. Hier heb ik mijn appartementen, boven een
-juwelier. En vannacht moet je maar zoolang bij mij logeeren.”
-
-Het rijtuig hield stil.
-
-Paulus bleef stevig de hand van Marcelio vasthouden toen zij op het
-trottoir vóór een grooten juwelierswinkel stonden.
-
-Al die menschen ineens om hem heen! Vreemd, onverschillig, bijna
-vijandig.
-
-Ze liepen maar áldoor iets te zoeken, of vluchtten misschien wel voor
-iets. Een groote onrust, als van gevaar, joeg door de groote straat
-heen.
-
-Marcelio nam hem mee, een lange gang in, ging twee trappen met hem op,
-en deed de deur van een kamer open, die nog geheel donker was. Toen hij
-even op een knop drukte bij de deur, bloeiden opeens in ’t midden van
-de kamer bloemen op van licht en kleur. Ook aan de wanden waren er
-enkelen opgeschenen.
-
-Marcelio zag hoe Paulus verwonderd opkeek.
-
-„Dit is nu electrisch licht,” zeide hij lachend. „Hetzelfde licht dat
-in den bliksem flitst. Dat hebben we gevangen en getemd, en hier gloeit
-het nu in mijn kleurige bloemen-ballonnetjes, heel onschadelijk. Dat is
-nu de beschaving, weet je.”
-
-Paulus kon er eerst niet goed in kijken. Zijn oogen traanden er van. En
-hij vond het leelijk. Hij voelde dat het valsch was, nagemaakt. Het
-licht van den bliksem was toch véél mooier.
-
-Toen hij er wat aan gewend was, begon hij de groote kamer pas te zien.
-Er stonden dingen van weelde in, die hij nog niet kende. Kostbare
-perzische tapijten, chineesche en japansche lappen aan den muur,
-porseleinen vazen, kasten van fijn lakwerk, beelden van porselein en
-ivoor. Het was weêr als in een sprookje.
-
-Marcelio was een man van echten, fijnen smaak, en al de dingen in zijn
-kamer waren in volledige harmonie, van nobele vormen en kleuren. Hij
-was gewoon te leven in eene voortdurende streeling van exquize
-kunst-weelde.
-
-En toch, ondanks zijn groote verbazing, en de overweldiging van al dat
-uitgezochte schoon, voelde Paulus intuïtief, dat het rustige, sobere
-wouden-mooi echter was, dat zijn heel gewone kamertje thuis met het
-uitzicht op de groote, eenvoudige boomen buiten hem altijd liever zou
-blijven.
-
-Maar hij was te moe om er lang over te denken. Hij voelde het nog
-altijd warrelen en duizelen in zijn hoofd, en moest zich goed houden om
-niet neer te vallen.
-
-Marcelio zag hem wankelen, en begreep dadelijk, dat hij nu vóór alles
-rust behoefde. Vriendelijk zeide hij, hem bij een hand nemend:
-
-„Arme kerel, je moet wel moê zijn.... al die emoties ineens, na die
-eenzaamheid van je.... en dan die lange tocht van vanochtend vroeg af,
-en die trein.... ik zal je even naar je slaapkamer brengen.... dan ga
-je maar dadelijk in bed liggen, zonder om iets te denken, hoor. Je doet
-je oogen maar toe, en denkt dat je thuis bent, dan slaap je vanzelf wel
-in.... Ik zal je morgen ochtend wel wakker komen maken, dan is het tijd
-genoeg om te praten....”
-
-Paulus liet zich gewillig leiden, een gang door, naar een kleinere
-kamer achter.
-
-Hij hield zich nog goed, maar zag alles om zich draaien en duizelen.
-
-Toen voelde hij nog hoe Marcelio hem met een arm ondersteunde, en hem
-hielp bij ’t uitkleeden. Hij hoorde nog wat vriendelijke, bemoedigende
-woorden, en kreeg opeens de sensatie van rust, van heerlijk lekker
-uitgestrekt liggen op een veilig, zacht bed.
-
-Toen verzonk alles in vergetelheid, en voor de eerste maal in zijn
-leven sliep Paulus in de groote stad van weelde en ellende, die
-Leliënstad heet, nog onbewust van het leven der millioenen, dat nu
-woelde als een wilde zee om zijn eigen, eenzaam bestaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-
-De rijkste straat van Leliënstad was de Koninginnestraat. Een groote,
-breede luxestraat met aan weerszijden kolossale winkel-paleizen, waarin
-de kostbaarste weelde van het geheele rijk was uitgestald. Het
-meerendeel er van waren juwelierswinkels met vitrines vol diamanten en
-edelgesteenten. Als lumineerende sterren schitterden de brillanten
-achter de groote spiegelruiten, en de zeldzaamste robijnen, saffieren
-en turkooizen straalden van kleurig licht. Voor honderdduizenden aan
-goudswaarde lag daar in één zoo’n winkel geëtaleerd, voor iedereen te
-zien die maar langs kwam. Na de juwelierspaleizen waren de winkels van
-kant en borduursels de talrijkste. Van oudsher af waren de bewoners van
-Leliënstad beroemd om hun kunst in het met de hand werken van kant. Het
-was of de kunstenaressen, die het kantwerk maakten, de materie konden
-vervluchtigen tot bijna enkel droom, zóó ijl en ragfijn waren hare
-creaties geweven. Zakdoekjes, die zich in een propje tusschen twee
-vingers lieten verbergen, weefsels fijn als spinneweb, sluiers, die in
-een kinderhand konden verdwijnen.
-
-Aan de bruidsjapon van de prinses, waar nú al aan gewerkt werd, waren
-honderden maagden bezig, en zij moest lucht en aetherisch worden als de
-eerste fijne nevelen, die ’s avonds om de heuvelen droomden. Er waren
-al eenige werksters van blind geworden, maar dit gebeurde heel dikwijls
-in de kant-industrie. Van de meisjes, die zich aan het allerfijnste
-weefsel wijdden, werden bijna de helft zoo goed als blind op hun
-dertigste jaar. Maar daarvoor praalden dan ook die prachtige winkels in
-de Koninginnestraat, en konden de edele en rijke menschen met hun geld
-zooveel luxueuze, in de geheele wereld beroemde artikelen koopen.
-
-De groote meubel-magazijnen etaleerden geheele inrichtingen—iedere
-groote vitrine een kamer—van de allergemakkelijkste, kunstigste
-meubelen, naar den modernsten smaak, van het weelderigste en elegantste
-comfort, dat de hoogst opgevoerde verfijning van decadente artisten
-maar kon uitdenken, de groote mode-magazijnen stalden toiletten uit van
-voorname, schitterende luxe, als van prinsessen-gewaden uit een
-sprookje, de bontwinkels hadden een geheele menagerie van zeldzame
-pelsdieren uit Noordelijke poolstreken achter de vitrines; en de eerste
-boekhandelaren toonden in rijkgebonden marokijn en gouden banden alleen
-het beste wat de uitverkoren denkers en dichters van het land aan
-wijsheid en poëzie hadden geschreven.
-
-De Koninginnestraat was als een straat uit eene feeërie of een rijk uit
-de Duizend-en-één Nacht, waar alle menschen pacha’s zijn en iederen dag
-onuitputtelijke schatten worden aangedragen.
-
-Overdag zag men er alleen rijk aangekleede, voorname menschen uit de
-élite van Leliënstad. Wie er niet deftig en goedverzorgd uitzag, kwam
-er vanzelf niet, zonder dat een politiereglement er voor noodig was.
-Hij zou ook al heel gauw weggekeken zijn door de strenge blikken der
-aristocraten en rijke parvenu’s, of dra wegschuilen in een zijstraatje,
-van schaamte over zijn eigen nietigheid van arm te durven zijn.
-Schitterende equipages, zacht wiegend op elastische veeren, als zonder
-zwaarte, getrokken door paarden van het edelste ras, rijk met goud en
-zilver gemonteerd, gingen geruischloos vlug op gummi wielbanden over
-het zacht houten plaveisel.—Keurig correcte palfreniers hielden met
-oude wapens pronkende portieren open, waar prachtig gekleede dames en
-heeren deftig uitstapten om van de weelde in de luxe-paleizen te gaan
-koopen. Op de trottoirs flaneerden de jongelui uit de hooge
-aristocratie en de schatrijke parvenu-kringen, dan dineerend,
-zorgeloos, en met een blasé-airtje, slap en lamlendig, maar dit ook wel
-wetend, en juist zoo willend, omdat het zoo chic was.
-
-De geheele straat met haar overvloedige duizend-en-één-nacht weelde,
-haar zes verdiepingen hooge paleizen, haar altijd propere plaveisel, en
-haar exquize bevolking van correct aangekleede dames-en-heeren uit de
-allerhoogste en rijkste standen, had iets apart respectabels, iets
-exlusiefs, dat haar éénig maakte in de geheele wereld.
-
-De koningen en koninginnen hadden altijd een bijzonder belang in de
-straat gesteld, en zij hadden zich het recht voorbehouden, in alle
-aangelegenheden die de straat betroffen, te mogen ingrijpen, zelfs
-tegen de besluiten van den gemeenteraad in. Niet alleen het volk, maar
-vooral de koningen waren altijd trotsch geweest op de Koninginnestraat
-van Leliënstad. In geen enkele straat op de wereld waren zóóveel
-millioenen uitgestald als achter de vitrines van haar kolossale
-winkels. Leliënstad, in de onmiddellijke nabijheid van de goud- en
-diamantmijnen, die door den Staat geëxploiteerd werden, met de helft
-van de opbrengst voor het Koninklijke huis, was dan ook de rijkste stad
-van de wereld.
-
-
-
-Paulus zat den eersten morgen na zijn aankomst vol verwondering voor
-een venster te kijken in de mooie straat.
-
-Marcelio had met hem thee gedronken, en was daarna voor dienstzaken
-uitgegaan, hem belovende weer terug te zijn na een paar uur. En nu zat
-hij maar stil, in verbazing, het leven buiten aan te zien. Hij vond wat
-hij nu van de stad zag, in den lichten morgen, niet zoo leelijk en
-benauwend, als Willebrordus hem altijd verteld had. De groote huizen
-vond hij nog altijd levenlooze, koude dingen, maar zij waren schoon en
-van lichte, vroolijke kleuren, die blij deden in de zon. De houten
-vloer van de straat was rein gewasschen, en de kolossale spiegelruiten
-blonken zonder smet. De menschen, die in de straat liepen, hadden
-schoone, nette kleeren aan, en alles zag er uit alsof in Leliënstad
-geen vuile of onreine dingen bestonden.
-
-Mooi vond hij vooral de paarden van equipages, die voorbijgingen. Hij
-voelde vriendschap voor die edele dieren, die de koppen zoo fier omhoog
-hielden, en zoo trotsch hun prachtig gelijnde lijven bewogen. De
-menschen leken hem nu ook niet meer zoo gejaagd en angstig als gisteren
-avond. En het zonlicht lag glanzend en rijk over alle dingen, het oude,
-vertrouwde zonlicht van in het bosch.
-
-Paulus voelde zich opgewekt en nieuwsgierig om Leliënstad te zien, toen
-Marcelio terugkwam.—Hij bleef nog wat praten met zijn’ nieuwen vriend,
-wien hij nog veel moest vertellen van zijn leven in het woud, en was
-blij, toen Marcelio hem voorstelde, eene wandeling te gaan doen.
-
-Eerst nam Marcelio hem mede naar een grooten winkel vlak bij, waar hij
-zich gewillig in een nieuw pak kleeren liet steken, met een hoogen
-boord, en een das, en manchetten, en waar men hem de maat nam voor nog
-meer. Toen nog in twee andere winkels, voor een hoed, en een paar
-schoenen, en nu was hij eindelijk geschikt, zeide Marcelio, om zich
-fatsoenlijk op straat te vertoonen. De kleeren zaten hem vreemd, de
-schoenen knelden een beetje, en het hooge boordje schrijnde tegen zijn
-kin, maar hij durfde er niets van te zeggen, en liep gehoorzaam met
-zijn geleider mee.
-
-In stomme verbazing zag hij naar de winkels. Hoe prachtig waren al die
-brillanten en edele steenen! Als sterren schitterden zij, van even
-heerlijk, innig vuur. Anderen waren fijn en teer als dauwdroppels, of
-hadden het diep-mystieke van donker groene keverschilden, of glansden
-als roode oogjes van kapellen. Zij leken te gloeien van een bizonder,
-heilig, innerlijk leven. Zóó iets had hij nog nooit gezien.
-
-Na de edele steenen vond hij het kantwerk het mooiste in de winkels.
-Dat was als de heel teêre samen-drooming van fijne, verre boom-takjes,
-’s avonds als het schemeren gaat, en zij zoo stil gevoelig staan te
-doen in late lucht. Sommige waren ijl als herfstdraden, subtiel als
-broos spinnerag. Hij voelde er een innige teederheid in, als van heel
-fijne varens, die bij de vaagste winden trillen in de lucht. Hij wist
-toen nog niet het vreeselijke, gezicht-bedervende werk, dat er voor
-gedaan was. Dit was iets heel nieuws in zijn leven, de juweelen en de
-kanten weefsels, en hij voelde zich gelukkig, zóó iets fijns en innigs
-in Leliënstad te hebben gevonden.
-
-Lang bleef hij ook kijken naar de boekwinkels. Daar lagen zooveel
-boeken, die hij nog niet kende, en die hij nu alle zou gaan lezen. Er
-waren er ook van goede vrienden bij, met wie hij samen geleefd had in
-de eenzaamheid van het woud, al had hij hun gezichten nooit gezien.
-Kijk, daar lagen de eerste verzen van Wederich en van Lavelane.
-
-Maar ook nog meer boeken waren er van hen, die hij nog niet kende. Wat
-een genot zou het zijn, die allemaal te lezen!
-
-Marcelio had schik in zijne verbazing, en legde hem alles uit, wat hij
-wilde weten.
-
-Zóó liepen zij langzaam de Koninginnestraat door, telkens stilstaande
-om iets te bekijken, wat nieuw en vreemd was voor Paulus, tot zij
-eindelijk uitkwamen in een groote, ronde ruimte.
-
-Aan de Noordzijde liep de straat uit in een enorm plein, het Domplein,
-waar het Parlementsgebouw en het Paleis van Justitie ter rechter- en
-linkerzijde stonden, en een groote Dom in den achtergrond. De Dom was
-een ontzagwekkend groot monster-gebouw van kolossale structuur in
-modernen stijl, met een hoogen koepel in het midden, en een kleinere
-aan weerszijden, dat alleen door zijn verbazende afmetingen imponeerde.
-De menschen, die er onder langs gingen, leken kleine, zwarte stipjes.
-Boven elk der zijdeuren aan weerszijden van den hoofdingang stond met
-gouden reuzen-letters een spreuk:
-
-
- Ziet ik ben bij
- U alle dagen tot aan
- Der wereld einde
-
-en
-
- Ons geloof is
- De Overwinning die de wereld
- Overwint.
-
-
-Paulus vond het kolossale, massieve gebouw als dreigend, een ding van
-somberheid, zonder leven. Met ontzetting las hij de geweldige spreuken,
-die hij uit den bijbel kende. En hij was verbaasd, toen Marcelio hem
-zeide, dat dit een kerk was, een huis aan God gewijd.
-
-„Kunnen de menschen dan niets mooiers bouwen voor God den Vader?” vroeg
-hij.
-
-Marcelio zeide, met dat spottende weer in zijn stem, dat hem den
-vorigen avond al had getroffen:
-
-„Dit is het mooiste, wat de menschen nú kunnen, mijn waarde. Het is een
-moderne bouw, die pas vijf jaren geleden is voltooid, en die millioenen
-heeft gekost. Van binnen is het allemaal echt practisch, met
-ventilatie-toestellen, en centrale verwarming en electrisch licht, en
-allemaal nieuwste nieuwigheden. Het had ook een enorm theater of een
-opera-gebouw kunnen worden. De meeste menschen vinden het erg mooi. Ik
-niet, evenmin als jij. Maar als je eens wilt zien, hoe ze zeshonderd
-jaar geleden een kerk bouwden moet je nog een eind verder wezen. Dan
-gaan we naar den Leliën-Boulevard, de hoogte in, die hier vlak bij is.
-Ik geloof wel, dat ze vroeger wisten hoe een huis er moest uitzien, dat
-aan God was gewijd.”
-
-Toen ging hij met Paulus rechts af, een aantal andere, groote straten
-door. Paulus was opeens stil geworden. De machtige bijbelspreuken waren
-met zware stem over zijn ziel gegaan. Was de groote, goede Vader, dien
-hij gevoeld had in het woud, dan óók hier vlak bij hem, in de groote
-stad?
-
-Hij schrikte op uit zijn gepeins, toen hij voor een breede, lange laan
-stond, met prachtige, hooge boomen aan weerszijden, statige populieren,
-recht rijzend met fijne, smalle kruinen in de lucht. De breede
-Boulevard steeg langzaam-aan omhoog, als een heilige opgang tot waar
-boven een lieflijk wonder praalde, dat als een groote openbaring
-opscheen voor Paulus’ verrukte ziel.
-
-En onder het eerbiedig loopen naar boven voelde Paulus zich alsof hij
-nu ópging tot eene zaligheid, waarnaar hij onbewust al jaren in
-eenzaamheid had gewacht.
-
-Boven de stad, op eene veilige hoogte van al de straten met lawaaiend
-leven daar beneden, troonde de cathedraal van de heilige Leliane. Die
-groote, stijgende allee, de Leliën-Boulevard, leidde van het centrum
-der stad recht naar de kerk. Als te heilig om op den gewonen grond te
-staan, rustte zij op een hoog bordes van marmeren trappen, dat haar
-geheel in ’t rond omgaf. De blanke cathedraal scheen geheel van kant te
-zijn gemaakt, ijl en fijn, als op de grens van geest en materie. Wèl
-moest de goddelijke bouw van stof, want van steen, gemaakt zijn, maar
-toch leek hij als niet van materie meer, met zijn broze kanteelen, zijn
-droomende arkaden, en al het fijne cantillewerk der torenen en nissen.
-Twee statige, en toch wonderteêr rijzende torens, verbonden door een
-breeden gevel geörneerd met nissen en arkaden, vormden de façade aan de
-Leliën-Boulevard. En voor wie beneden aan het einde van dien Boulevard
-stond, verrees de cathedraal daar in de hoogte tegen de lucht als een
-apothéoze, een stuk uit een hemelsch paradijs, met zijn ragfijne
-weefsels en zijn honderden ranke torentjes, met zijn goddelijke
-bevolking van engelen en heiligen, biddende in de nissen. Zóó ijl en
-teêr was het steenen kantwerk uitgesponnen, dat de kerk wel een wonder
-weefsel geleek van bladeren, als een goddelijke, heilige boom uit het
-paradijs. Het leek wel of één geweldige windstoot het ranke
-droom-gebouw zou kunnen vernietigen, maar dit schijnbaar weêrlooze en
-zwakke was van een onvergankelijke sterkte, zooals ook de zachte Liefde
-sterker is dan de woedende haat. En gelijk ook de droom krachtiger is
-in zijn broosheid dan de hardste realiteit, zóó was deze cathedraal van
-steenen kantwerk van af oer-oude tijden overgebleven in de eeuwen,
-onwankelbaar in de stormen der oorlogen en revoluties, die alle andere
-gebouwen uit die vroegste oorsprongen van het rijk hadden vernietigd.
-Zelfs de woeste barbaren uit het Oosten, die ééns het land brandende en
-plunderende hadden overweldigd, hadden de goddelijke schoonheid van de
-Leliane-kerk gespaard.
-
-En Paulus had het dadelijk gevoeld, hoe deze cathedraal nóg mooier was
-dan de mooiste groep van boomen uit het woud. Het was hem werkelijk, of
-God zelf hierin woonde. En waar alle andere bouwsels van menschenhanden
-in de groote stad, óók de kolossaalste, als het Paleis van Justitie, en
-het groote Parlementsgebouw, tóch maar doode dingen waren, leelijker
-dan één eenvoudige boom uit het bosch, daar voelde hij, hoe de
-cathedraal lééfde, éven waarachtig als het woud, leefde van een
-geheimzinnigen, divienen adem, die door de steenen wanden droomde.
-
-Dit was nu het eerste van alle dingen in de stad, dat hij verwant
-voelde aan het mooiste uit het bosch, om dadelijk lief te hebben met
-zijn geheele ziel.
-
-Hoe wonderlijk vond hij het, dat dit niet van-zelf was opgegroeid uit
-de aarde, als de boomen, met hun sterke stammen en teêre loovertjes,
-maar dat dit was gebouwd door de handen van menschen, steen voor steen,
-uit hard materiaal, van doode stof! Konden dan menschen dezelfde
-schoonheid scheppen, die de Vader aller dingen door eigen, onzichtbaren
-adem deed ópgroeien uit allerkleinste kiemen en zaden? Dezelfde soort
-menschen als die wezens, die daar beneden in de stad zoo
-angstig-gejaagd door de straten krioelden?
-
-En waarom waren dan al die huizen en gebouwen, die ze nú maakten, zoo
-leelijk en doodsch, waar ze zeshonderd jaren geleden zulke heilige,
-levende wonderen konden bouwen als deze statige cathedraal? Hij had
-toch altijd gelezen, dat de „beschaving” zoo’n groote vooruitgang was
-in alle dingen, en de oude tijden vol ruw en grof geweld waren?....
-
-Boven aan den gevel praalde een groot beeld van den aartsengel Michaël,
-die met zijn rechte zwaard van reinheid den zich van angst kronkelenden
-duivel der zonde en duisternis verslaat. En vlak onder dat
-hoog-wonderlijk gebeuren, waar de heilige geest de aardsche materie
-versloeg, troonde het eindeloos reine beeld van de onbevlekte Leliane,
-die, van alle hartstocht-smetten vrij, was opgerezen uit den kuischen
-kelk der witte lelie, die stille, kalme bloem van wijsheid en
-maagdelijke blankheid.
-
-En o! de welvende, vrome bogen van heiligen en oude, vrome koningen
-boven het portaal! Hoe zij daar hoog boven de duistere stad, met hun
-biddende wenkbrauwen en opgestoken handen ten hemel wezen, starende in
-de eindeloosheid, boven de aarde uit!
-
-En hoe al die spitse torentjes, met fijne loovertjes en teêr kantwerk
-doorweven, omhooge stegen, met de statig gewiekte engelen, de handen
-wijd uitgespreid in kuisch gebaar, als gereed om zoo hun vrome vlucht
-te nemen, en op te wieken in het paradijs!
-
-Marcelio vertelde hem van den heiligen schat, die in deze kerk werd
-bewaard. Dáár, in die ontzaglijke cathedraal van uiterst broze
-teêrheid, die opperst goddelijke kracht was, rustte in een goudenen en
-diamanten tresoor, in een crypte van marmer, en jaspis en albast, de
-heilige, gewijde reliquie van het rijk, de in wonderbare kruiden en
-essences gaaf bewaarde zeven bladen van de witte Lelie, uit welke de
-heilige Leliane, de oer-moeder en goddelijke koningin van het volk was
-ontstegen. Slechts éénmaal in vele, vele jaren werd die reliquie, in
-een gouden schatkistje van eeuwenoud smeedwerk bewaard, uit het tresoor
-omhoog gedragen in het licht, als een koningin de bruid was, en hare
-maagdelijke lippen eerst het heiligdom moesten kussen, om zóó den
-menschelijken hartstocht te verreinen en goddelijk te maken, waaruit
-dra een nieuwe telg der Leliën-vorsten zou geboren worden.
-
-De gansche cathedraal van kanten pracht rankte alléén daarom zoo
-engelen-teer en godensterk omhoog, om met zijn diviene bogen die
-allerheiligste reliquie te overwelven, waarin ééns het groote
-Godswonder was gebeurd.
-
-Op dezelfde hoogte van de cathedraal, maar niet te zien van den
-Boulevard af, meer naar het Noorden van de stad, met een lange laan van
-de kerk er toe leidend, troonde het paleis van de koningin.—In
-vlekkelooze pracht van wit marmer praalde het hoog boven de stad, als
-een wondere konings-woning, waar enkel reinheid woonde. Breede,
-windende bordessen en trappen, die naar het groote Koningsplein leidden
-in de stad, daalden diep van het paleis neêr, en van beneden gezien
-leek het wel onbereikbaar, zóó hoog was het en zóó wit. Als het in den
-laten middag wat nevelig werd op de heuvelen rondom de stad, en vage
-sluieren om het paleis waaiden, leek het in zijne weifelende vaagheid
-als een hemel-visioen in de wolken, waar enkel engelen en materie-looze
-hemelingen konden wonen. Als ’s avonds de witte en gekleurde
-electrische lichten waren ontstoken, was het somtijds van beneden niet
-goed meer te onderscheiden, wat de sterren waren en wat de lichten van
-het paleis. En de arme, kleine kinderen van misère in de donkere
-sloppen van de stad, die nooit verder kwamen dan het nauwe, vunzige
-steegje waar zij in woonden, zagen het paleis hoog boven de daakjes der
-schamele hut-huisjes, en dachten dat de koningin daar, vér in die
-glorie, samenwoonde met de engelen, waar ze in hun ellende nog aan
-geloofden.
-
-Het paleis was gebouwd tegen een wand van witten rotsberg en als
-achtergrond was de rots nog gaaf behouden, waar grillige struiken en
-bloemen aan ontsproten en waar fonteintjes zilverhelder water uit
-wegklaterden in marmeren bassins. Het witste en edelste marmer uit alle
-deelen van de wereld was voor den bouw bijeengebracht, en, uit de verte
-van de donkerder stad gezien, leek het wel van heel fijn porselein
-blanc de Chine, of van lelie-lichte sneeuw, of wel ijl als blinkend
-wolken-wit, waar maanlicht achter glanst. Wèl was het een waardig
-paleis om een heilige vorstin te omgeven, die de essence in zich
-omdroeg van de witte water-lelie en het gouden licht van de zon.
-
-
-
-Paulus staarde lang in bewondering naar het witte paleis. Dáár woonde
-dus Leliane, met het lawaaiende leven laág beneden, hoog boven de stad,
-even hoog als de kuische Cathedraal, in een andere, reiner sfeer dan de
-gewone menschen, die niet als zij waren heilig. Wat was dat paleis
-heerlijk blank om haar blanke onschuld gebouwd! En wat was het hier
-plechtig stil! Het gedruisch van de stad kwam maar van heel ver, een
-flauw gerucht, somtijds even opzuchten, waar zij, in hooge stilte,
-binnen het blanke marmer, in eigen sfeer ongenaakbaar troonde. Hij liet
-zich door Marcelio vertellen van al de heerlijkheden daar binnen, van
-de beroemde albasten troonzaal, van de oostersche prachtzalen voor
-recepties, van al de pracht, die hare koninklijke schoonheid daar
-omgaf.
-
-Het waren zeker enkel heel nobele en goede menschen, edelen van
-onbesmetten naam en vorstelijke deugden, die waardig waren, dat blanke
-paleis te betreden, en tot de heilige tegenwoordigheid van prinses
-Leliane te worden toegelaten!
-
-En hij vond het al grooter en grooter wonder, een Godsgenade van
-uiterste goedertierenheid, dat zulk een machtige en lelie-reine prinses
-ééns had gerust in zijn eenvoudig kamertje in het bosch, en zíj
-gesteund had op zijn arm, voor wie de edelsten uit het land deemoedig
-de knie bogen, om als hoogste gunst de toppen harer blanke vingeren te
-mogen beroeren. Hij voelde zich sterker en geruster, toen hij weer met
-Marcelio onder de hooge populieren van den Leliën-Boulevard afdaalde
-naar de stad. Het harde leven en het druk gewoel der menschen daar
-beneden zouden hem nu niet zoo angstig meer maken, nu hij wist dat hoog
-daarboven, veilig en onbesmet van alles, de prinses Leliane woonde, in
-haar witte paleis, waar niets haar rustige kalmte kon verstoren. En
-vlak bij haar, in dezelfde sfeer van stille waardigheid, wist hij nu
-wakende de Cathedraal, opgerezen als een mystieke bloem rankend van de
-aarde naar den Hemel, het heilige huis van God naast de blanke woning
-van het reinste Zijner kinderen, in wie Zijn schoonheid zich het
-heerlijkste had geöpenbaard.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VIII.
-
-
-Langzaam daalden zij den Boulevard weer af.
-
-Maar beneden, in een drukke winkelstraat, kwam opeens iets
-afschuwelijks Paulus’ vredige vreugde over Leliane’s hooge veiligheid
-verstoren.
-
-Hij liep in druk gesprek met zijn geleider, toen hij plotseling ontzet
-bleef stilstaan, met angstige oogen.
-
-„Wat is er?” riep Marcelio. „Waar schrik je zoo van?”
-
-„Dáár, dáár,” riep Paulus, en wees ontsteld naar een oude vrouw die
-voor hem stond, met een mand. Want in de mand lagen, dicht
-opeengehoopt, bloederig en jammerlijk, de lijkjes van lijsters, die zij
-te koop ventte, de lijkjes van zijn lieve zang-vriendjes uit het bosch.
-Ze waren gruwelijk om aan te zien, met de fijne pootjes ruw
-saamgebonden, met geloken, blinde oogjes, en de halsjes bebloed.
-Treurig hingen de doode kopjes uitgestrekt, verstard van pijn.
-
-De tranen stonden Paulus in de oogen.
-
-„Mijn lievelingen... mijn lievelingen,” zeide hij.
-
-„Kom,” zeide Marcelio, een beetje ruw. „Je moet niet zoo week zijn,
-kereltje. Dat zijn doode lijsters, anders niets. Ga nu door... De
-menschen kijken...”
-
-Werkelijk stonden een paar voorbijgangers stil. Een loopjongen riep
-wat, spottend.
-
-Paulus zag harde, roode gezichten. Daar wás het weer ineens terug, het
-angstige, vijandige, van gisteren avond.
-
-„Je moet je nu maar goed houden,” zeide Marcelio. „We zijn hier in de
-Wild-straat, en hier wonen veel poeliers. Nu asjeblieft niet wéék
-zijn... doorloopen hoor... geen gekheid...”
-
-En Paulus liep door. Maar tóch zag hij het, en hij beet zich op de
-lippen om niet uit te barsten in snikken en wild wraakgeroep.
-
-Want daar lagen ze—uitgestald als het goud, en de diamanten, en de
-kanten weefsels—de slappe, bleeke lijkjes van zijn lievelingen,
-vinkjes, bij lange rissen aan touw gebonden, lijsters, snippen,
-patrijzen, vermoord bij honderden, in wreede, laffe slachting. Overal
-lag bloed in gore, sombere vlekken, zooals het eerste bloed dat hij
-gezien had op de doode witte ree, bij Leliane.
-
-En dit alles als heel gewoon. Alsof er niets gebeurd was, en dit zoo
-hoorde. De menschen op straat keken er niet naar. Het was voor hen als
-al die dingen, die achter winkelramen te koop lagen. Zij zagen niet den
-jammer in al die blinde oogjes, de pijn in dat uitgestrekte van hals en
-pooten, het teêre en lieve in die zachte, bebloede keeltjes, dié ééns
-vroolijk hadden gezongen zoo mooi lied.
-
-En het was „week” had Marcelio gezegd, om dit droef te vinden.
-
-Maar o! als die menschen dàt doen konden, als die menschen, die daar om
-hem heen liepen met strakke, onverschillige gezichten, dit zonder
-mededoogen konden aanzien, dan konden zij ook ál het teedere en lieve
-vermoorden, dat in hem zelf was.
-
-En opeens, met een fellen steek in hem door, de gedachte:
-
-„Maar God, die aller schepselen Vader is, maar God, zonder Wiens wil
-geen muschje sterft? Gedoogt Hij dit?...”
-
-En vlak naast hem zag hij opeens het lijk van een zachte, lichtbruine
-ree, ruw opgehangen aan de achterpooten, het fijne, vertrouwelijke
-kopje klagelijk hangend naar beneden, de bleeke tong ver uitgerekt,
-waar bloed langs drupte. Op straat lag een kleine, ronde plas van dat
-afgedroppelde bloed. En het was hem, of hij nog pijn zag in de groote,
-angstig gebroken oogen.
-
-Hij kón het niet langer uithouden, en bleef even ontzet staan, de oogen
-vol tranen.
-
-„Arme lieveling,” zeide hij, en streelde medelijdend met zijn hand de
-zachte, verstijfde haren, en kuste den dooden bloederigen kop.
-
-Maar Marcelio greep hem stijf bij de hand, en trok hem met zich mede.
-
-„Ben je nu gek?” zeide hij. „Wat moeten de menschen denken? Kom, ga nu
-mee....”
-
-En hij ging mede, gewillig, liep hard door, met groote stappen, om niet
-langer dat verschrikkelijke te zien van al zijn lieve, zachtaardige
-vriendjes uit het bosch, die daar jammerlijk waren uitgestald als
-koopwaar, lafhartig vermoord, als bloederige lijkjes, door niemand
-betreurd....
-
-
-
-Toen, in een breede, rijke straat, nam Marcelio hem opeens mede in een
-groot, aanzienlijk huis.
-
-Door een glazen deur, met prachtige figuren, in zachte kleuren
-geschilderd, kwamen zij in een roode zaal van weelde. Het zachte
-tapijt, waar de voeten onhoorbaar in wegdonsden, was donker-rood, en
-langs de groote ruiten hingen donker-roode gordijnen. Het plafond was
-van dezelfde kleur, met gouden arabesken, en goud praalde ook op de
-donker-gemarmerde pilaren. Hel-wit plekten de lakens van gedekte
-tafeltjes, waar kristal en zilver op blonk.
-
-Een voornaam heer in ’t zwart, met glanzend wit overhemd, kwam op hun
-af, buigend, onderdanig, en noodigde hen vriendelijk uit, te gaan
-zitten. Zoo hartelijk als een vriend, die een ander iets goeds wil
-aandoen, dacht Paulus. En toch was er iets vreemds bij, iets kouds, dat
-hij niet kon thuis brengen.
-
-„Dit is nu een restaurant,” zeide Marcelio, „en een goed ook. Zelfs als
-je bang bent om vleesch te eten, zoo als jij, is er hier nog heel wat
-lekkers te krijgen. En om je pleizier te doen zullen we nu eens als
-echte vegetariërs het menu opmaken.”
-
-Er kwam nu weer een andere deftige heer aan, wien Marcelio opgaf, wat
-hij hebben wilde, en die toen weer eerbiedig boog, en heenging, om
-alles te halen.
-
-Paulus verwonderde zich een beetje, en vond het zoo vreemd, dat de eene
-mensch maar commandeerde, en er dan anderen klaarstonden om voor hem te
-zorgen. Maar hij durfde nog niet dadelijk alles te vragen, bang dat het
-weer „week” zou worden gevonden.
-
-Er zaten nog méér menschen aan zulke mooie tafeltjes, als waar hij nu
-aan zat. En telkens kwamen van die zwart gerokte heeren hen bedienen,
-eerbiedig en voorkomend. Wat vreemd, dat er zoo waren, die maar
-behoefden te gaan zitten, om van de anderen alles te krijgen!
-
-Marcelio zag zijne verwondering, en lachte.
-
-„Dat zijn nu kellners,” zeide hij, „die luitjes in die mooie rokken.
-Kijk ze maar eens goed aan, het zijn hier goede typen.... de
-voorkomendheid zelve, als je gewoon bent ze een goede fooi te
-geven....”
-
-Nú herinnerde Paulus zich iets. O ja... kellners en restaurants... in
-die en die boeken er immers van gelezen....
-
-Maar toch bleef het begrip nog vaag, nu hij er zoo ineens in de
-werkelijkheid voor stond.
-
-Hij vond het erg voornaam, zoo’n zaal. Al dat rood en dat goud. En dat
-alleen om even te eten! Deden de menschen dat altijd in zoo’n praal?
-
-De gerechten werden nu voor hem aangedragen, plechtig, met groote zorg,
-of het heilige dingen waren.
-
-Hoe gracieus bood zoo’n kellner-heer een schotel aan, bijna of hij het
-zelf een groot pleizier vond, hun zoo iets te mogen geven!
-
-En hoe geurig waren al die spijzen, hoe prachtig opgedischt, met groen
-en bloemen! Hij durfde er bijna niet van te nemen, bang om de mooie
-harmonie van den schotel te bederven.
-
-„Neem maar gerust!” zeide Marcelio bemoedigend. „Er is niets van
-vleesch of wild bij, hoor!”
-
-Paulus had honger, en liet zich alles goed smaken, de fijne
-eierschotels, de crême-zachte asperges, de malsche salade. Zóó heerlijk
-had hij nog nooit gegeten. En met blijdschap zag hij aan het dessert de
-sappige, lekkere vruchten komen, perziken, en peren, en druiven.
-
-Hij liet zich ook door Marcelio een zoeten wijn inschenken. Enkel van
-druiven, werd hem gezegd, dat kon toch heusch geen kwaad. En hij genoot
-van den streelenden, vleienden smaak van de goudgele Haut-Sauternes op
-zijn tong, dronk nog eens en nog eens.
-
-Zijn angst van zooeven dreef er onmerkbaar door weg, en een lichte,
-ongekende vreugde voelde hij er van in hem opstijgen. Een gevoel van
-voldaanheid, van zacht bien-être, kwam over hem heen.
-
-Deze mooie, kleurenrijke zaal, die witte, heldere tafeltjes met bloemen
-en kristal, die vroolijk pratende menschen om hem heen, die wèlbekende,
-heerlijke vruchten met den ouden, vertrouwden geur, het was toch wèl
-aangenaam zoo te eten, en dan die lichte vreugde in je hoofd te
-voelen... Het was misschien niet zoo verschrikkelijk in de stad...
-
-Maar toch was hij een beetje moe. Hij zou nu eigenlijk wel wat willen
-liggen, heel rustig en niet praten. En hij zeide het ook maar aan
-Marcelio, dat hij nu wel weer wat naar huis wilde.
-
-Marcelio riep den kellner en vroeg om de rekening, die op een lang blad
-glanzend papier werd gebracht. Paulus zag, hoe hij groote geldstukken
-uit zijn portemonnaie nam. De kellner bedankte, en boog weer diep. Een
-andere kellner bracht hun hoeden en jassen, en geleidde hen naar de
-deur, die hij buigend opende.
-
-Marcelio riep een koetsier, die met een leeg open rijtuig voorbijging,
-en hen naar de Koninginnestraat reed.
-
-Weer dacht Paulus even, hoe vreemd het was dat alles dadelijk voor
-Marcelio klaarstond, die maar had te commandeeren, om door andere
-menschen bediend te worden, die alles voor hem deden. Maar daar zou hij
-later liever eens over vragen.
-
-Toen hij weer op zijn kamer was voelde hij pas hoe moê hij was van al
-dat nieuwe, in de drukte van de stad. En Marcelio begreep dat ook.
-
-„Je blijft nu maar wat kalm hier op een canapé liggen,” zeide hij. „Als
-je je verveelt, in deze kast zijn boeken hoor, en je neemt er maar uit,
-wat je áánstaat. Ik ga weer uit, ook nog naar ’t paleis even. Om zes
-uur kom ik je weer halen en zal ik je nog meer van Leliënstad laten
-zien. Nu eerst maar eens wat goed uitrusten.”
-
-En Paulus was weer alleen.
-
-Zijn hoofd duizelde nog wat. Het gedruisch van de stad en het ratelen
-van de wagens dreunde nog vaag om zijn ooren. Hier in de stilte van de
-kamer was het nóg niet weg. Hij leunde met het hoofd op het kussen van
-de canapé en hield de handen tegen zijn ooren, om niet meer te hooren
-dat suizende leven.
-
-Toen sliep hij in, en alles zonk weg in rustige stilte....
-
-Toen hij wakker werd, was het bijna vijf uur. Hij voelde zich weer
-geheel frisch, toen hij zich flink gewasschen had, en schoon linnen had
-aangedaan. Nog een heel uur, dan zou Marcelio pas komen. Als hij
-zoolang eens wat ging lezen?
-
-Kijk, daar stonden juist zijn lievelingsverzen op de eerste plank van
-de boekenkast: Wederich, Gedichten. Hoe dikwijls had hij ze in het
-Bosch niet gelezen, op zijn lievelingsplekje bij de witte waterlelies!
-
-Hij kende ze al zoolang, maar nooit had hij ze zoo innig gevoeld als
-nu, nu hij het groote stadsleven had gezien. Want zij vertelden van
-Wederich’s eenzaam leven te midden van die honderdduizenden, die hem
-vreemd waren, van zijn trotsche, bittere armoede in de weelde-stad,
-waarin hij zich toch rijker voelde dan allen door de groote, mooie
-liefde, die bloeide in zijn hart, en die hij met zich meedroeg als een
-heiligen, kostbaren schat, dien niemand zien mocht. Het waren verzen
-van stille gepeinzen in afgelegen parken, van vroom doorgeleden uren
-onder Liefste’s venster, van trotsche verachting voor ’s werelds roem
-en faam, van sober, arm, onbekend leven nú, in de heerlijke zekerheid
-van ééns onsterfelijk te zijn.
-
-Hij had ze altijd prachtig gevonden van trots en grooten eenvoud, maar
-nu hij zelf de donkere drommen van koude menschen om zich gezien had,
-besefte hij pas, wat Wederich bedoeld had met het stille ronddragen van
-zijn kostbaren ziele-schat te midden der duistere duizenden.
-
-O! Dat die groote dichter leefde in diezelfde stad waarin hij nu ook
-woonde, dat hij misschien kans had, hem ééns te zien, van aangezicht
-tot aangezicht, wat was dat opeens een heerlijk denkbeeld voor hem! Hij
-zou hem natuurlijk van-zelf herkennen, zonder dat iémand het hem zeide.
-Dadelijk zou hij het zien, aan zijn donkere Christus-oogen, aan zijn
-hoog, bleek voorhoofd, verheerlijkt door zooveel heilige gedachten!
-
-En als hij hem ééns kennen mocht, dan zou hij hem geven het liefste,
-dat in zijn ziel was, en hem vertellen van het bosch, en de vogels, en
-de bloemen, en van de rustige schoonheid van de witte water-lelies, en
-van de rustige schoonheid van Leliane....
-
-Marcelio’s binnenkomen schrikte hem wakker uit zijn gepeins over den
-geliefden dichter.
-
-Hij was in het paleis geweest, bij de prinses, die genadiglijk naar
-Paulus gevraagd had. En hij moest Paulus vertellen, hoe zij er had
-uitgezien, en hoe het toch wel was in haar koninklijke vertrekken, en
-ieder woord, dat zij gezegd had.
-
-„Maar nu neem ik je weer mee uit,” zeide Marcelio. „De eerste dagen zal
-ik je zoo’n beetje den weg wijzen, en dán moet je zelf maar je heil
-zoeken. Je zult het leven hier gauw genoeg kennen. Dat wént wel. Dan
-begrijp je niet, hoe je ooit buiten Leliënstad hebt kunnen leven.”
-
-En weêr gingen zij de drukke Koninginnestraat door, waar de lantarens
-al werden ontstoken, en de weelderige winkels al schitterden van licht.
-Rijtuigen ratelden, omnibussen rolden voorbij, en angstig klonk het
-getoet van automobielen. Op de trottoirs schuifelden honderden
-menschen, zenuwachtig-bewegelijk, roezemoezend. Jongens met couranten
-schreeuwden nieuws uit, doordringend, hoog van toon, als kreten van
-angst. En een oogenblik beving het Paulus weer met schrik, en voelde
-hij lust om terug te gaan naar zijn kamer, om stil in Wederich’s verzen
-te lezen.
-
-„Het is of al die menschen bang voor iets zijn, of heel gejaagd naar
-iets vreeselijks moeten,” zeide hij tegen zijn geleider. „Ik zie nog
-altijd zoo iets angstigs in een straat. Net of er iets ergs moet
-gebeuren.”
-
-Marcelio lachte even.
-
-„Maar dat is juist het mooie van Leliënstad, mijn beste kerel! Dat
-nerveuze, dat heerlijk gejaagde! Nu komt de avond, weet je, en den
-nacht. Dan beginnen de echte lui hier pas te leven, en worden de
-zenuwen pas geprikkeld. Overdag is het hier je ware nog niet, dat is
-eigenlijk maar zoo’n soort voorspel, maar ’s nachts is het leven hier
-op zijn hevigst. Je moet eerst nog een beetje wennen. Dan zal ik je
-later eens het groote nachtleven laten zien. En de Leliënstadsche
-vrouwen vooral, de mooiste, de elegantste, de geestigste van de
-wereld....”
-
-Paulus begreep nog niet, wat Marcelio hier eigenlijk mede bedoelde.
-Door zijn eenzaam leven in het bosch, en door zijn lezen van verzen en
-romans, buiten het realiteits-leven om, had hij van vrouwen nog het
-vage, romantische idee, dat zij iets veel beters waren dan mannen, iets
-bijna heiligs, zooals bijvoorbeeld engelen of feeën.
-
-Hij zag heel goed de vrouwen, die hem voorbijgingen op de straat, en
-hij zag haar zooals hij altijd bloemen had gezien, met blijdschap over
-haar mooie kleuren en lijnen. Er liepen rijk-gekleede vrouwen in de
-Koninginnestraat, die gracieus den rok ophielden voor het stof van ’t
-trottoir, en wiegend gingen, alsof een zachte muziek binnen in haar
-ziel haar begeleidde. Bewonderend keek Paulus ze aan. Somtijds lachte
-een vrouw hem lief toe, en dat vond hij dan erg vriendelijk.—Hij zag
-ook, hoe andere heeren die mooie vrouwen nakeken, bewonderend. Zonder
-erg zeide hij het aan zijn leidsman, hoe mooi hij een vrouw vond, die
-voorbijging, en dan lachte Marcelio schalks geheimzinnig.
-
-Na wat rond-geflaneer, met nu en dan wat kijken voor mooie winkels, nam
-Marcelio hem mede naar een Boulevard, waar veel restaurants en café’s
-waren. En nu gebeurde weer hetzelfde als dien middag. Een groote zaal,
-nú lichtgroen, met veel goud en marmer, en de wit-gedekte tafeltjes, en
-de kellners in rok en witte das. Alleen at Marcelio nu vleesch, groote,
-roode stukken, die hij fijn sneed, met een scherp mes. Paulus vond dat
-het wee en akelig rook, en het idee dat het stukjes lijk waren van een
-koe vond hij verschrikkelijk. Hij had moeite, zelf zijn eigen
-vegetarische spijzen op te eten, met dat vleesch van een vermoord dier
-onder zijn oogen. Maar hij hield zich goed, om toch vooral niet week te
-schijnen. En alle andere menschen in het volle restaurant deden als
-Marcelio, en aten vleesch van doode runderen, en schapen, en vogels.
-Het scheen iets heel natuurlijks te zijn hier in de stad, dat nu
-eenmaal zoo hoorde, en zonder de verschrikking was, die hij er in vond.
-
-Na het diner, dat bijna een uur duurde, kwam de koffie, fijne
-Mocca-essence, in heel kleine kopjes, geserveerd in broos servies, op
-zilveren schaal, met groote zorg, of het heilige dingen betrof. En
-Paulus verwonderde zich weer over het gewicht, dat hier in de stad aan
-het eten werd gehecht, en aan die plechtigheid er bij, of het een
-godsdienstige ceremonie gold. Het scheen heel natuurlijk te zijn, dat
-al die mooi gekleede heeren en dames daar in die weelde-zaal kwamen
-zitten, en dat dan vanzelf al die heerlijke gerechten voor hen klaar
-stonden, en met praal voor hen werden opgediend. Maar het was hem toch
-niet recht duidelijk, hoe het allemaal precies in elkaar zat, en waarom
-de een bediend moest worden en de ander hem bedienen moest. Het was
-toch wel erg gemakkelijk, vond hij, dat leven van Marcelio.
-
-Na het diner liepen zij weer over groote Boulevards, waar hij nog nooit
-geweest was, en waar het zoo vol was, dat zij maar langzaam voort
-konden gaan. In het midden de rij-weg met lange files rijtuigen achter
-elkaar, aan weerszijden de trottoirs met wandelaars, die langs hel
-verlichte winkels liepen. Veel van die winkels waren café’s, waar
-menschen aan tafeltjes zaten te drinken. Hij begon nu langzamerhand te
-gewennen aan het lawaai en de herrie, maar toch bleef hij alles heel
-vreemd vinden. Waarom waren al die duizenden saamgehokt in die groote
-stad, tusschen die hooge, steenen huizen, die toch doode dingen waren?
-Buiten was het toch veel mooier, met de boomen, en de luchten, en de
-horizonnen...
-
-Somtijds kwam hem een meisje voorbij die bloemen te koop had. Verlepte,
-half-doode viooltjes, ruw in een mand gepakt. En het deed hem pijn, als
-de arme vogelen-lijkjes, die hij ’s middags gezien had, die teere,
-lieve bloempjes van buiten, hier rondgedragen in de benauwing, waar ze
-in moesten sterven. Zag dan niemand hoe wreed dit was?
-
-Zóó liep hij met Marcelio rond, die hem de groote Boulevards wilde
-toonen, met het avond-leven, dat lawaaiend op en neer ging, en die nu
-en dan even in een groote café met hem ging zitten, om hem te gewennen
-aan de drukte.
-
-Tegen tien uur ging hij een groot gebouw met hem binnen, waar in helle,
-roode gas-letters vlammend het opschrift: „Théâtre des Variétés” boven
-de deur prijkte.
-
-„Nu moet ik je toch eens even een groot Café-Chantant laten zien,”
-zeide Marcelio. „Het ballet van Rosita zal nu wel zoowat beginnen.”
-
-En het was als een apothéoze voor zijn jonge, onervaren oogen.
-
-Eerst een groote Hall, in moorschen stijl, schitterend van goud en
-zilver, en arabesken, en mozaiek. Zijne voeten gingen zachter dan in
-gras, op donzig, oostersch tapijt, en zijne oogen pinkten heftig voor
-het helle verblindende licht overal, eer zij er aan wenden. Deftige
-heeren liepen er heen en weer, en dames in prachtige, rijk-ruischende
-robes van zijde en kant, met lange slepen, statig glijdend achter haar
-aan. Haar blanke borsten en armen deden hem aan als dingen van mooi,
-die hem verrukten. Haar oogen glinsterden als sterren, en zij lachten
-lief in het rond. Dat waren erg mooie, lieve vrouwen, vond Paulus. De
-menschen waren toch niet zoo leelijk als hij gevreesd had. Zij deden
-lief en vriendelijk tegen elkaar.
-
-Een vage geur van bloemen droomde nu en dan langs hem heen, waar eene
-vrouw voorbijging.
-
-Marcelio lachte somtijds tegen een mooi gekleede vrouw, die hij scheen
-te kennen. Zeker eene goede vriendin, dacht Paulus.
-
-Door een zwaar fluweelen gordijn kwamen zij nu in de groote theaterzaal
-van het Variété.—De eerste indruk was teêr licht-groen en goud. Goud
-van zware lichtkronen en ornamenten, licht-groen van boiserieën en
-lambrizeering. Ook het zachte tapijt op den grond was licht-groen.
-
-Het plafond, hoog boven hem, leek wel een teer-groene Hemel met vreemde
-sterren. Honderden lichtjes van allerlei kleuren, blauwe, roode,
-paarsche, gele, schenen in zachte bloem-kelken, die uit dien lichten
-hemel neerbloeiden.
-
-Hier en daar, achter in de zaal, waren kleine grotten met palmen, en
-met murmelende water-fonteintjes, en groene priëeltjes van latwerk en
-klimop, waar heeren en dames vriendelijk lachend met elkaar zaten te
-praten en te drinken.
-
-Marcelio leidde Paulus mede naar voren, waar de menschen in breede
-rijen groen-met-gouden fauteuils aandachtig zaten te kijken naar wat
-heel vooraan zou gebeuren, waar een zwaar, breed groenfluweelen gordijn
-nog dicht hing.
-
-Het orchest begon juist een langzame, slepende wals, en een vreemde
-siddering ging er van door Paulus’ ziel.
-
-Zwijgend van aandoening ging hij naast Marcelio in een fauteuil zitten.
-Hij keek rechts en links, een beetje bang voor al die menschen.—Aan
-beide zijden zag hij nu groene loges, intiem als kamertjes, met deuren.
-Daar zaten rijk gekleede menschen in, vrouwen met roze-en-blanke
-bloemengezichten, met fijn, glanzend haar, waar diamanten in
-schitterden, als zon-befonkelde dauwdroppelen. Het zachte blank van
-haar halzen en armen was inniger dan van witte lelies, en haar oogen
-glansden licht als sterren. Zij lachten hartelijk en lief, en hij
-voelde een ongekende vreugde, dat al die menschen zoo blij waren en zoo
-vriendelijk. Neen, zij waren toch zoo leelijk en zoo slecht niet, als
-hij wel gevreesd had. Alles om hem heen was welwillend en meende het
-goed.
-
-En dan die vreemde, slapende wals-muziek, die zijn ziel deed beven! Zij
-was om zacht van te huilen, en toch heel gelukkig om te zijn. Het was
-hem of er iets in hem ging bewegen wat altijd roerloos was geweest, en
-nu ineens zacht, zacht te wiegen begon.
-
-Daar ging ineens de zware draperie geruischloos uit elkaar, door
-onzichtbare handen bewogen, en hij zag een wonderen bloemen-tuin op het
-tooneel, een feeërie, alsof hij opeens een nieuwe, nooit gevonden plek
-had ontdekt in het Bosch.
-
-Langzaam begon nu de muziek een vreemden, betooverenden dans, en het
-was of die tokkelende tonen geheime sferen opentikten in zijn ziel,
-waar zalige ontroeringen aanbewogen.
-
-Toen... waren het bloemen?... waren het blank-en-roze vlinders?...
-zweefden, in wolkjes van witte tulle en gaas, zachtekens broze,
-fee-achtige wezentjes door den tuin. Hun lichte, slanke lijven
-wiegelden en balanceerden als roze lelies in lichte winden, en zonder
-zwaarte droomden zij langzaam, op vage rythmen vooruit, éven maar den
-grond beroerend, met de punten der spitse voeten.
-
-Als bovenaardsche wezens, uit manestralen en lichte veder-wolkjes
-geboren, zag Paulus ze naderen, materieloos, zooals de elfen en feeën
-moesten zijn. Een huivering van eerbied ging door zijn ziel, als toen
-hij voor het eerst Leliane had gezien, slapende in de zilveren
-mane-stralen. Er was iets van Leliane zelve in die wondere, lichte
-wezens van gratie en droom.
-
-Ademloos, zooals hij wel eens stil naar vreemde vogels en onbekende
-vlinders had gezien, bang ze te verschrikken, zag hij de luchte feeën
-in hun wuivende wolkjes van tulle heen-en-weder zweven, nu hier en dan
-daar tusschen de bloemen, hun vlugge voeten maar even rakend den grond,
-als zouden zij straks ópvliegen, verdwijnend in ijle sferen.
-
-Totdat zij opeens stil bleven staan, de handen gracieus wenkend naar
-boven uitgestrekt, wachtend op iets heerlijks, iets goddelijks, dat
-komen ging.
-
-En als een roze vogel, zacht-neerstrijkend tusschen niets dan witte,
-zweefde opeens Rosita aan, neêrdalend uit de lucht, op groote,
-trillende vleugels van transparant gaas.
-
-Dit moest een engel zijn, dacht Paulus.
-
-Want, luchtig wiegend in de lucht, zonder steun, niet rakend den grond,
-door eigen fijne ijlheid gedragen, danste zij op vage rythmen langzaam
-door het ledig, als een roze droom-verschijning boven de witte feeën,
-die de armen biddend naar haar hielden uitgestrekt. Zij scheen een
-ziel, zwevend in reine sferen van aether, broos als de roze wolkjes van
-het eerste morgenrood, op eigen glans van schoonheid gedragen, boven de
-werkelijkheid van materie, dra vervagend in het niet...
-
-Totdat zij genadiglijk nederdaalde op de aarde, maar enkel haar met de
-punten der voeten éven vluchtig bezwevend, en, altijd zacht
-door-wiegelend, de roze rozen plukte uit den tuin.
-
-Luchtigjes voortgestuwd op rythmen van de heel zachte muziek, droomde
-zij heen en weder, ijl als een roze zeepbel op vage trillingen van
-lucht.
-
-Toen voelde Paulus eene wondere ontroering opwellen in zijn borst, en
-het was hem, of iets van het schoone van Leliane weer voor zijne oogen
-was verschenen, goddelijk en genadig. De tranen schitterden in zijn
-oogen. O! Hier was het dan terug, zijn liefste ziele-mooi, dat niet had
-durven opbloeien in de benauwing van de stad. Want dit was van het mooi
-der blanke-en-roze vlinders, der teeder-kleurige bloemen, der
-zacht-veerige vogels, dit was transparant als vage nevelen boven het
-water, en broos als de witte wolkjes in de lucht, dit was in de sfeer
-van droom, waar enkel ijle ziele-dingen kunnen wonen....
-
-Hij was de zaal en al de menschen om hem heen vergeten, en het weten
-van de werkelijkheid was in hem weg.
-
-Onschuldig en argeloos, zooals een kind naar mooie kleuren ziet, en
-strekt de armpjes verlangend uit, zoo staarde Paulus in verrukking naar
-die broze verschijning van vrouw, die maar áldoor zachtkens
-voortwiegelde door de rozen, en dán weer ópzweefde in de lucht, zonder
-zwaarte, in edele golvingen en soepele lijnen, als een engel,
-spelemeiend van louter zaligheid, die haar eigen liefelijkheid luchtig
-uitdanst op lichte cadanzen....
-
-De vlinderachtige feeën trachtten het hemelsche wezen te naderen, en
-wilden haar liefkoozend omvatten, maar telkens ontglipte zij haar, met
-bevallige zwenking, en het was als een charmant gespeel van witte
-kapellen, waartusschen een ijle, roze libel wijkend zweefde, en in
-luchtigste luchtheid hooger ópdroomde, in sferen, waartoe zij niet
-konden rijzen.
-
-Totdat eindelijk het roze lucht-wezen met wijd-gespreide vleugels in
-rechte rijzing omhoog wiekte, en de witte feeën droef-ontmoedigd bleven
-staan, de blanke armen verlangend uitgestrekt naar die hooger sferen,
-waarin de hemelsche verschijning als een liefelijk wonder van glans en
-droom was verdwenen....
-
-
-
-Toen viel het zware gordijn voor het kleurige visioen, en ’t
-stormachtig handgeklap van het publiek riep Paulus tot de werkelijkheid
-terug.
-
-„Nu?” hoorde hij Marcelio zeggen.
-
-„Is Rosita een elf?.... een fee?....” vroeg Paulus, verrukt. „Ze is een
-hemelsch wezen!”
-
-„Vin-je!.... Zou je haar wel eens willen kennen?” antwoordde Marcelio,
-met een fijn lachje. „Ze is een vriendinnetje van mij. Ik zal je eens
-aan haar voorstellen bij gelegenheid.”
-
-„Ja! breng mij bij haar!....” riep Paulus. „Ze is zoo mooi, zoo mooi
-als een lichte engel....”
-
-En zijn argelooze ziel wilde met een heel kuisch en rein verlangen naar
-dit mooi van vrouw, zonder vreeze, zooals een wit vlindertje, dat een
-groot licht gezien heeft, en trillende van zaligheid de vleugels
-spreidt om naar dat verre schoon te wiegelen, dat het zoo wonder
-ontroerde.
-
-Moe van al de emoties kwam hij ’s nachts thuis. Marcelio ging dadelijk
-weer uit, toen hij hem op zijn kamer had gebracht.
-
-Vóór Paulus naar bed ging schoof hij nog even een gordijn open, en keek
-naar buiten.
-
-De straat was nu ineens heel anders dan overdag. De groote
-winkel-paleizen waren nu allen donker, lichte-loos, met hun blinkende
-spiegelruiten blind, door ijzeren luiken er voor. Ook de ramen boven,
-in de hooge verdiepingen, waren dicht. Zwijgend, koud en donker stonden
-nu de groote huizen-gevaarten, met al hun schitterende weelde geniepig
-verstopt achter het zwarte, geslotene.
-
-Alleen de straatlantarens brandden wat licht, telkens één uitgedoofd na
-één die vlamde. Dat gaf wel wat licht op straat en beneden aan de
-huizen, maar boven waren het duistere dingen, die met een zware
-nachtschaduw dreigden. De houten vloer glom van regen, en de geheele
-straat lag nat en triestig in het donker.
-
-Kon dit dezelfde weelde-straat zijn van enkele uren geleden, stralend
-van heerlijke, wondere luxe-dingen, achter schitterend verlichte
-glazen?
-
-Kijk, er liepen toch nog menschen. Hoe klein en zwart beneden onder die
-hooge, duistere huizen. Nu zag hij pas hoe hoog die huizen waren. Wat
-deden die menschen hier nu nog buiten, zoo laat, in den regen? Waarom
-waren ze nu niet veilig thuis?
-
-Hij zag, dat het meest vrouwen waren. Ze liepen nu niet, of ze haast
-hadden. Ze slenterden op en neer, of ze op iets wachtten, dat wel eens
-komen zou, dat misschien ook niet komen zou.
-
-„Waar wachten ze op?” dacht hij.
-
-Het moest toch niet prettig zijn, in zoo’n koude, duistere straat, met
-die dreigende, hooge schaduwen boven je in den regen te loopen, zonder
-bladerendak dat beschutte.
-
-Er liepen ook wel mannen, maar niet zoo veel. Zij keken naar die
-vrouwen. Somtijds bleef er een staan. Dan keken de vrouwen naar hem. Er
-kwam er wel eens een die hem aansprak. Die kende hij zeker. Ze praatten
-even.... Wat zouden ze elkaar wel zeggen?.... Dan ging de man weer
-door. De vrouw keek hem na. Ging dan weer verder, langzaam. Wachtte
-weer.
-
-Hij begreep het niet.
-
-Waar wachtten ze dan op?....
-
-De zwarte gedaanten, zoo klein en nietig daar beneden, tegen die hooge
-nacht-gevaarten, zij draalden ál maar door.
-
-Hier en daar stond er een tegen een kozijn geleund, of stil, onder een
-pui. Stond maar aldoor stil te wachten, te wachten. Strekte nu en dan
-den hals uit, keek, en keek. Waar keek ze naar?....
-
-Ze zochten iets, dat begreep hij. Maar wat zochten ze dan?....
-
-Somtijds sprak er een een man weer aan, die voorbijkwam, en dan gingen
-ze wel eens samen weg, gearmd. Die hadden dan zeker afgesproken elkaar
-daar te vinden. Ze had dan op hém gewacht zeker, nu begreep hij het.
-
-Maar dan die anderen? Die maar alleen bleven en niemand vonden?
-
-Hoe triestig, die donkere figuren, slenterend in den regen, hoe
-vreemd....
-
-En ineens voelde hij intuïtief het tragische in dat sombere dwalen daar
-van al die donkere vrouwen in den nacht. Een vaag voorgevoel van angst
-bekroop hem, voor een onbestemd gevaar. Hij voelde onraad. Er moest
-ergens iets niet in orde zijn. Er wàs daar iets, er wàs iets....
-
-Dat dwalen, dat dwalen, hopeloos, gelaten, van al die vrouwen daar, dat
-wachten en wachten op wat niet kwam....
-
-Bij een lantaarn onder zijn venster zag hij een jonge vrouw staan.
-
-Zoo heel anders dan de mooi aangekleede, vroolijke menschen van ’s
-middags in de straat, en van dien avond in het theater.
-
-Ze scheen het koud te hebben, want ze rilde. Haar kleeren leken oud en
-dun. Een bleek, moê gezicht had ze, onvriendelijk, hard. En toch zag
-hij er iets erg treurigs in, iets als van een hond, die geslagen is en
-nu alles wantrouwt. Iets brutaals, en toch iets erg schuws ook.
-
-Wat moest die vrouw daar nu?... Waarom bleef ze daar bij die lantaren
-staan, in dien regen... Zou ze ziek zijn? Zou hij haar kunnen helpen?
-Naar beneden gaan, en haar aanspreken?
-
-Maar een geheime angst weerhield hem.
-
-
-
-Nog lang bleef hij staren naar het vreemd gedwaal daar beneden, niet
-begrijpend. De zwarte gestalten werden nu al minder, er waren er al
-heen gegaan, maar de enkelen, die over waren, kwamen nu nog somberder
-uit.
-
-Die bleven maar langzaam doorloopen, op en neer, in den regen, zoekend
-en speurend wat ze niet vonden, of bleven roerloos geleund tegen een
-raamkozijn, wachtend, almaar wachtend op wat niet kwam.
-
-En ’t bleeke vrouwtje, met het harde, schuwe gezicht stond nog altijd
-beneden, hangerig tegen de lantaren gesteund...
-
-Eindelijk ging hij naar bed, moê-op van al het geziene dien dag. Hij
-kon in ’t eerst niet inslapen. Hij zag nóg aldoor die donkere
-vrouwengestalten, triestig en somber, dwalende zonder doel... Wat
-zochten ze toch, wat zochten ze?...
-
-Er wás iets, er wàs iets, iets vreeselijks, iets van bang gevaar en
-gruwzame verschrikking... Maar wat?....
-
-Morgen zou hij het Marcelio vragen. Het was maar beter er nu niet meer
-over te denken. Er waren toch nog zooveel andere dingen. De groote
-Cathedraal bijvoorbeeld. De Cathedraal van de heilige Leliane.
-
-En ineens zag hij het ranke Godshuis weer voor zich oprijzen, in al
-zijn teedere, kanten pracht van fijne figuren, hij zag de twee hooge
-torenen als bloemen omhoog gaan, en de fijne spitsen zich verliezen in
-de lucht... En ziet! Daar hoog boven, tusschen witte wolkjes, zweefde
-de roze-figuur van Rosita, engelen-zacht....
-
-Toen begon alles te vervagen, en sloot een rustige slaap
-voorzichtiglijk zijn moede oogen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IX.
-
-
-Den volgenden morgen stond hij frisch en verlicht op. In het heldere
-daglicht, met de nieuwe, klare ochtend-dingen om zich heen, dacht hij
-niet meer om de donkere avond-figuren, die hem ’s avonds zoo angstig
-hadden gemaakt.
-
-En Marcelio had hem dien dag zooveel te vertellen, dat hij geen tijd
-had hem nog te vragen wat toch die eenzame gestalten in de donkere
-straat hadden gezocht.
-
-’s Ochtends was Marcelio in het witte paleis bij de prinses geweest,
-die hem had opgedragen, wat er met Paulus moest gedaan worden.
-
-Prinses Leliane was heel dankbaar voor de diensten die Willebrordus en
-Paulus haar hadden bewezen, maar zij wilde dat alles strikt geheim zou
-blijven en er nooit iets van uitlekte. Paulus moest op zijn eerewoord
-beloven, dat hij er nooit, aan wien ook, iets van zeggen zou.
-
-Om hem te bewijzen, hoe erkentelijk zij was, zou de prinses hem op haar
-kosten doen studeeren, en kende zij hem een jaargeld toe, dat zij hem,
-om ruchtbaarheid te voorkomen, door Marcelio zou doen uitkeeren. Hij
-zou lessen krijgen van de professoren die Hare Koninklijke Hoogheid
-zelve onderwezen hadden, en, na voldoenden proeftijd, zou hij dan wel
-zelf kunnen kiezen, welke studie hem het meeste aantrok. Als hij hard
-studeerde, zou hij misschien nog wel toegelaten kunnen worden tot de
-Militaire School, waar de garde-officieren werden opgeleid van de
-koninklijke lijfwacht, en de beroemde „Ridders van den Dood.”—De
-prinses zou zich door de professoren op de hoogte laten houden van
-zijne vorderingen.—Ook zou zij inlichtingen laten inwinnen omtrent
-Paulus’ afkomst, waarvan hij zelf niets wist. Marcelio kon hem nog
-niets zeker er van zeggen, maar het was zeer waarschijnlijk, dat
-Willebrordus indertijd een bekende persoonlijkheid geweest was in
-Leliënstad.
-
-Toen Marcelio hem vroeg, of hij goedvond wat de prinses over hem
-beschikt had, antwoordde Paulus dat hij alles zou doen, wat zij wilde,
-omdat alles natuurlijk was welgedaan, wat van háár tot hem kwam. En dit
-meende hij, zonder er nader over te denken. Alléén vroeg hij, heel
-deemoedig, of hij prinses Leliane nog wel eens zou mogen zien.
-
-Maar dat zou vooreerst heel moeilijk gaan, zeide Marcelio. Alleen de
-heeren en dames van de hofhouding mochten Hare Koninklijke Hoogheid
-zien, en de hooge edelen en officieren, die op audiëntie gingen, en
-genoodigd waren op de hoffeesten. Later misschien, als Paulus officier
-was geworden van de garde, en als hij waardig was bevonden, in het
-keurkorps te worden opgenomen van de „Ridders van den Dood”, dan zou de
-prinses hem zelve beëedigen, en mocht hij ook misschien wel eens dienst
-doen als ordonnance aan het hof. Die gunst zou Hare Koninklijke
-Hoogheid hem misschien wel bewijzen, omdat hij haar gevonden en
-verpleegd had toen zij verdwaald was in ’t bosch.
-
-En Paulus vond het een groote genade, dat hij misschien ééns in haar
-tegenwoordigheid zou mogen leven. Het kon ook niet zoo maar inééns
-gaan. Hij moest eigenlijk eerst iets doen om zoo groote zaligheid te
-verdienen. O! Kon hij toch maar ooit iets groots doen ter harer eere!
-En hij nam zich voor te werken, te studeeren met al zijn macht, om dan
-later misschien ééns uit te blinken, en haar te toonen, dat hij haar
-hooge gunst waardig was.
-
-Marcelio begon hem nu te ondervragen over wat hij alzoo gestudeerd had
-met zijn grootvader in het bosch, en hij stond verbaasd, hoeveel Paulus
-eigenlijk al wist. Wel stond hij nog erg onbeholpen in het groote
-stadsleven, waarin hij nooit gewoond had, maar van de theorie der
-dingen wist hij al veel, en er ontbrak nog alleen maar practische
-ondervinding aan zijne ontwikkeling.
-
-Marcelio vond het een interessant geval, en begon hoe langer hoe meer
-belang te stellen in zijn’ jongen protégé. Hij voelde zich zoo’n beetje
-als een oude corps-student, die alles heeft medegemaakt, en een
-onervaren groen onder zijn bescherming heeft genomen.
-
-Jong en rijk, in de verte zelfs geparenteerd aan het koninklijke huis,
-en zeer gezien bij de prinses, die hem in hare hofhouding had
-opgenomen, was graaf Marcelio altijd als een verwend kindje door het
-leven gegaan, dat nooit ernst had gekend. Hij had een fijn gevoel voor
-kunst, vooral waar die weelderig was, en een nog fijner gevoel voor
-contrasten. De moderne strooming der tijden had hem niet hevig
-voortgestuwd. Om op de hoogte te blijven, had hij ook aan politiek
-gedaan, en eene studie gemaakt van de sociaal-democratische ideeën,
-maar van alle toestanden in de maatschappij, en alle beschouwingen er
-over, had hij alleen den humor van de contrasten gesavoureerd.
-Verstandelijk was hij het met de sociaal-democraten eigenlijk eens, dat
-de toestanden in de maatschappij ellendig en onrechtvaardig waren, maar
-in zijn ziel was niet het groote sentiment, dat hem partij kon doen
-kiezen. Hij leefde nu eenmaal zooals hij leefde, weelderig en
-zinnelijk, en gaf toch gelijk aan degenen, die zulk een leven
-nietswaardig noemden. Goedhartig en edelmoedig, vol ridderlijke
-opwellingen, zat hij te vast in de sleur van zijn door hem zelf,
-verstandelijk, inferieur gevonden leven, om zich aan de groote zaak van
-het volk te wijden. Hij hield van goed eten, van elegante kleeren, en
-van mooie vrouwen, en kon niet leven zonder de fijne emoties van
-literatuur, schilderkunst en muziek, die hij als iets geheel buiten de
-realiteit beschouwde, welke hij nu eenmaal gewoon dacht, wel met
-prettige, streelende ontroeringen, maar toch gewoon. Hooge Liefde, en
-reine Godsvereering raadde hij alleen intuïtief uit verzen en muziek,
-maar in het leven kende hij enkel het zinnelijke genot, dat lief en
-verrukkelijk aandeed, maar nooit zijn innerlijke ziel beroerde. Het was
-de bewustheid van het nietige in zijn eigen bestaan, en van het onware
-in de menschen en toestanden om hem, die hem in den lichtelijk
-spottenden toon deed spreken, dien velen juist de charme in hem vonden.
-Alleen als hij sprak over wat hij bewonderde in kunst en literatuur,
-was die spot uit zijn stem verdwenen, maar liefst sprak hij er niet
-over, en bewaarde dat eenige ernstige en heilige in hem als iets, dat
-hij beter deed te verbergen.
-
-Hij zat nu met zijn vreemden beschermeling eigenlijk een beetje in de
-war. Er was nog zoo weinig in hem, dat hij als contrast genieten kon.
-Hij leek nog zoo’n wezentje van droom en verbeelding, dat nergens steun
-aan had, en als zweefde in een ledig. Zóó zou hij toch nooit in het
-leven van de werkelijkheid terecht kunnen komen. Hij zou eerst wat
-ontgroend moeten worden, dat was duidelijk. Anders kwam hij er nooit.
-En zóó voelde hij iets van het medelijden voor Paulus, dat een ervaren
-student heeft voor een groentje, die het leven nog niet kent, en nog
-„maagd” is. Volkomen te goeder trouw en in allen ernst dacht hij, dat
-het goed zou zijn hem te leeren kennen, wat hij „hèt leven” noemde, het
-mondaine leven van Leliënstad, dat als het toppunt van westersche
-beschaving gold voor de geheele wereld. Daartoe behoorde in de eerste
-plaats wat hij met een onbewuste minachting „de vrouwen” noemde.
-
-Hij genoot van de verbazing, die Paulus toonde over alle dingen in het
-wereldsche stadsleven, waar híj al geblaseerd van was, en die hem niet
-meer ontroerden. Somtijds werd hij ook wel eens werkelijk getroffen
-door den angst en den afschuw, die Paulus toonde over zaken, die voor
-hém doodgewoon waren, en waar hij het leelijke nooit van had gezien. Er
-was eene prikkelende streeling voor hem in, zijn jongen protégé voor
-allerlei nieuwe dingen te zetten, en dan te zien, welken indruk zij op
-hem maakten. Het meest verbaasde hem zijn groote, ideale vereering voor
-prinses Leliane, als voor een wezen, dat eigenlijk niet op de aarde
-behoorde, maar in heilige, hemelsche sferen. Hij kende haar van zijne
-vroegste jeugd af, kwam door zijn dienst als ordonnance dikwijls aan
-het hof, en hij had haar nooit anders gezien dan als de vorstin, die
-hij nu eenmaal eerbied betoonde, omdat dit zoo in de orde der dingen
-lag, maar een eerbied, die uitsluitend uiterlijk vertoon was, en niet
-wortelde in zijn ziel.
-
-Paulus begon langzamerhand te gewennen aan het leven in Leliënstad.
-
-Marcelio had hem den weg gewezen in de voornaamste straten, die hij
-doormoest, en met de kaarten van Baedeker wist hij al overal te komen.
-
-Met geld wist hij al heel gauw om te gaan, en Marcelio had hem genoeg
-gegeven, om ruim mede rond te komen. Alles ging zoo gemakkelijk en
-geleidelijk met dat geld, dat Paulus niet beter wist, of het hoorde nu
-eenmaal zoo dat je in een winkel of een restaurant kwam, en dan zóó en
-zóóveel muntstukken gaf in ruil voor de dingen, die je hebben wilde.
-Maar over de eigenlijke waarde van dat geld, en de manier, waarop het
-onder de verschillende menschen verdeeld was, dacht hij nog niet diep
-na. Hij vond het nog te onbeduidend en te gewoon, om er kwaad of gevaar
-in te zien.
-
-’s Ochtends en ’s middags kreeg hij nu les van erg geleerde
-professoren, die alles wisten, of volgde hij een college, of maakte
-aanteekeningen bij boeken, die hij bestudeerde in de groote,
-koninklijke Bibliotheek. Dat was een heerlijk ding voor hem geweest,
-toen hij voor de eerste maal door Marcelio in die bibliotheek was
-gebracht, waar al die duizenden boeken waren, waar hij uit mocht kiezen
-wat hij wilde. De eerste dagen studeerde hij veel over
-staathuishoudkunde en de inrichting van het rijk. Het allereerst wilde
-hij weten, wat betrekking had op prinses Leliane.
-
-Toen las hij, dat in Leliënland eene kroonprinses eerst dàn koningin
-kon worden, als zij in het huwelijk was getreden, en haar achttiende
-jaar had bereikt. Prinses Leliane, eene weeze, was de laatste
-afstammelinge van een eeuwenoud geslacht, waarvan alle mannelijke
-nakomelingen waren gestorven, en zij voerde nog den titel van prinses,
-totdat zij eenmaal getrouwd zou zijn. Een raad van voogdij bestuurde
-tot zoolang het land in haren naam, en hare tante, de oude hertogin
-Marcelia, die eene verre nicht was van graaf Marcelio, was met de
-moederlijke zorgen over haar belast.
-
-Er werd nu al veel geschreven in de couranten over een aanstaand
-huwelijk van de kroonprinses, nu zij al ruim zeventien jaar was, wie
-alzoo de pretendenten konden zijn, enz.
-
-Paulus dacht over deze dingen niet eens veel na. Hij besefte nog te
-weinig, wat een huwelijk eigenlijk was, en zag Leliane nog altijd als
-het héél verre schoon dat, hoog boven de stad, troonde in haar witte
-paleis, in haar eigen sfeer van heilig licht, buiten het
-werkelijkheidsleven van alle dag. Het was of de couranten een geheel
-ander wezen bedoelden in hun geschrijf.
-
-Marcelio had hem verteld, wanneer de prinses gewoonlijk uitreed om te
-toeren, en dan stond hij, tusschen het volk verscholen, te wachten op
-den Leliën-Boulevard, als zij van haar hooge woning nederdaalde naar de
-stad.
-
-Dan reed zij hem voorbij, een goddelijke verschijning, in witte kant
-gekleed, leunende in de blauwe kussens van de koninklijke victoria,
-frêle en bevallig als een fee van louter licht en glans.
-
-Alle ontbloote hoofden bogen eerbiedig, en vriendelijk knikte zij de
-menschen toe, die voor haar negen in vereering en groetenis.
-
-En dit éven haar mogen zien was hem een groote, genadevolle zegen, die
-hem rust en vrede gaf in het leven onder al die vreemde menschen.
-Alleen het denkbeeld, dat hij in hare nabijheid mocht wonen, dat hij
-haar morgen, of overmorgen weer éven zou mogen zien, en diep het hoofd
-voor haar buigen, maakte hem al gelukkig.
-
-Dikwijls liep hij den Leliën-Boulevard op om, boven bij de Cathedraal
-staande, in de verte haar lichte paleis te zien. En als hij dan het
-schitterende licht zag, waarin haar koninklijke huis als blank
-porselein stond te glanzen, voelde hij den vrede weer terugkomen in
-zijn ziel. Dáár ademde haar maagdelijke, lelie-reine leven, dáár woonde
-zijne goddelijke gebiedster, die schooner was dan de witte water-lelies
-in het bosch, dáár woonde zij, die heerlijker praalde voor zijn ziel
-dan de stille sterren.... en dít was genoeg, alléén dit weten, dat het
-wonder bestond van haar leven, en niets meer....
-
-
-
-Hij raakte nu ook langzamerhand gewoon aan het drukke gewoel van de
-straten. Dikwijls ging hij nu ’s avonds ook alleen uit, zonder
-Marcelio.
-
-Hij at nu geregeld elken dag in een vegetarisch restaurant, waar de
-lucht van vleesch en wild hem niet hinderde, en om aan het ongewone
-leven te wennen wandelde hij na het diner de groote Boulevards op en
-af.
-
-Het vreemde werd daardoor langzamerhand gewoon, maar toch had hij nog
-dikwijls de sensatie van een onbestemden angst en een vaag vermoeden
-van onraad, als hij ’s avonds te midden van het luid lawaaien van de
-stad liep. Er moest iets in die straten zijn, dat hij nog niet zien
-kon, maar dat gevaar was, en verschrikking....
-
-Die jagende herrie, dat áltijd door gejoel en gejacht, kregen iets
-tragisch voor hem, dat hij niet kwijt kon worden. Al die menschen, die
-daar voortjoegen, of die zoo schijnbaar vroolijk opgepropt zaten in de
-cafe’s, zij zagen er niet uit of zij gelukkig waren. Hij had nog géén
-gezicht gezien zoo rustig en sereen als het maanlicht-vredige gelaat
-van Willebrordus. Allen hadden zij iets zenuwachtigs, iets angstigs,
-iets van onrust pijnlijke spanning.
-
-Hij voelde het zóó: die menschen moesten geen lief „home” hebben,
-zooals zijn eenvoudige kamertje in het bosch, zij moesten niet rustig
-ergens alleen kunnen droomen, in stil verkeer met eigen, mooie
-gedachten, dat ze allemaal maar zoo roezemoezig door elkaar woelden
-tusschen die koude, doode huizen-gevaarten, of nauw samenhokten aan
-tafeltjes met flesschen en glazen, in zoo’n muffe café-zaal vol weeë
-menschen-lucht en verstikkenden tabaks-damp. Kende hier dan niemand den
-stillen droom van boomen, en het wijze spiegelen van vlakken vijver, en
-het vaag gevlied van transparante wolkjes in de lucht? En wat joeg hen
-toch zoo angstig door elkaar, met geratel van rammelende wagens, en
-triestig getoet van horens, en schel klokkengebel, door die steenen,
-troostelooze straten, waar geen bloemen uit bloeiden, en waar alle
-dingen koud en gevoelloos strak stonden om hen heen?
-
-
-
-Zóó gingen de eerste weken voor Paulus voorbij, in studie van
-stil-doorpeinsde uren bij lessen of werken in de bibliotheek, met ’s
-avonds het altijd nog vreemde en vaag-beangstigende van ’t drukke
-straatleven, waar hij al meer en meer aan wende, maar dat hij tóch nog
-niet begreep, en dat hem niet vertrouwd werd.
-
-Een groote troost was hem de Cathedraal, met zijn innig, heilig leven
-boven de stad. Dikwijls, als de huizen-straten hem te angstig
-benauwden, ging hij zich even veilig voelen bij de Cathedraal. Zij had
-een eigen, apart bestaan, als een levend schepsel, en hij kende haar,
-zooals zij was op vele uren van den dag.
-
-Hoe het witte, reine Godsgebouw boven de stad opbloeide uit de
-duisternis, met het eerste dagen van het licht, als eene groote, blanke
-bloem, oprankende ten hemel! En vooral, hoe het ’s avonds ernstig vroom
-werd van stille aandacht, met al de pracht van zijn ijle kantwerk
-oprechtelijk uitgespreid, fijn als de loovertjes van boomen tegen
-donker wordende lucht! Wat werd die wijze, kalme cathedraal een steun
-in zijn moeizaam leven daar in de duistere stad! Somtijds, als hij er
-langs ging, leunde hij zich vertrouwelijk tegen een harer oude muren,
-zooals een kind, dat tegen zijn moeder steunt. En, zooals hij vroeger
-wel eens de stammen der boomen in het bosch gestreeld had, ging hij
-liefkoozend met zijne handen langs de grijze steen om het beter te
-voelen, hoe het heilige wezen bij hem was. Eéns, op een laten avond,
-toen hij had staan droomen in een portaal, waar vrome heiligenbeelden
-op hem neerzagen, was opeens het machtige klokkenspel uitgeklingeld in
-statig-bronzen carrillon, en in zalige verrukking was hij
-nedergeknield, denkende dat hij de heilige muziek hoorde der engelen,
-jubileerend in de luchten. En de zware, sonoor-gedragen klokkeslagen,
-daarna nedergalmend van omhoog, wijd-uit gonzend over de groote,
-donkere stad beneden, waren hem als ontzaglijke woorden Gods,
-metaal-rein, van rechte gestrengheid...
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK X.
-
-
-De luchtige feeën-gratie van Rosita was al die dagen niet van hem
-weggeweest, en als een kleurige vlinder, telkens weer terug-fladderend,
-was zij door zijn ernstige gedachten heengewiegeld.
-
-Avond aan avond was hij teruggekomen in het Variété, op de voorste rij
-van de stalles d’orchestre, om haar voor hem te zien verschijnen als
-een licht visioen, zwevend met haar roze droom-lijfje in de witte
-wolkjes van kant en tulle, ijl in het ledig, als een broze, kleurige
-vogel, zonder den grond te raken, een liefelijk licht-wezen van enkel
-droom en glans.
-
-Zij verscheen hem na het drukkende, moeitevolle bestaan van den dag
-tusschen de kille huizen en de vreemde menschen, als het mooiste en
-teerste uit zijn vroegere, jonge leven, met al de bekoring van zijn
-boomen uit het bosch, met de fijne transparantheid der morgen-nevelen
-over het gras, met de weifelende kleur-nuances van avond-schemering,
-met de pure schittering van de sterren.
-
-Maar een vage droefheid kwam weleens in hem opgeweld, door al zijne
-verrukking heen, hoe het zijn kon, dat dit schoon zoo bedriegelijk op
-Leliane geleek, en toch Leliane niet zijn kon, omdat het Rosita was.
-Ook kwam er somtijds een ongekende, vreemde ontroering in hem, die hij
-nooit bij het biddend aanschouwen van Leliane gevoeld had, een
-onbestemde angstigheid, wee en huiverig, die pijn deed, en zijn ziel
-deed sidderen....
-
-Hij had Marcelio verteld, hoe hij dikwijls naar het Variété werd
-toegedreven door een zenuwachtig gevoel, dat sterker was dan zijn wil,
-en hoe hij somtijds niet kalm kon zitten studeeren, omdat hij dan
-altijd die vlinderachtige roze vrouwen-figuur vóór zich zag zweven. Het
-liet hem geen rust, telkens kwam het terug, en dikwijls was zijn leven
-een onbewust wachten op het uur, dat hij haar zou zien verschijnen. En
-hoe meer hij haar nu al gezien had, des te sterker kwam het terug....
-
-Dan lachte Marcelio guitig-geheimzinnig, zooals hij wel meer gedaan
-had. Hij raadde Paulus aan, haar eens wat bloemen te sturen, zooals de
-gewoonte was, als iemand haar erg mooi vond, en haar dat wilde zeggen.
-En Paulus vond dat heerlijk. Ja, spreken was eigenlijk te gewoon tegen
-zoo’n luchtig droom-wezen, dat in het ijle zweefde. Veel mooier was
-het, haar met bloemen te zeggen, hoe zij zijn ziel verrukte.
-
-Zijn liefste bloemen moesten het zijn, die het innigste waren, en
-teeder als de dingen, die hij haar toch niet zou durven zeggen. En hij
-kocht nu elken avond een corbeille met enkel viooltjes voor haar, die
-haar op het tooneel werd gebracht.
-
-Hoe heerlijk, als zij dan, lachende, op de toppen der fijne voetjes
-zwevend, terugkwam voor het voetlicht, en genadiglijk de bloemen tot
-zich nam! Dan was het Paulus, of zij de liefste gedachten van innigheid
-had medegenomen uit zijn binnenste. Zoo ging het avond na avond, en
-nooit dacht Paulus er aan, haar dichter te durven naderen dan met die
-simpele viooltjes uit zijn hart, tot eindelijk Marcelio hem kwam
-vertellen, dat hij haar gesproken had, en zij naar zijn jongen vriend
-gevraagd had, die altijd zoo galant voor bloemen zorgde als zij optrad.
-
-„Ze vindt het zóó aardig van je,” zeide hij, „dat ze je door me laat
-vragen, of je eens met haar wilt soupeeren, en met haar in haar rijtuig
-naar huis gaan, na de voorstelling. Ze wil absoluut eens kennis met je
-maken.”
-
-Paulus schrikte.
-
-Het leek hem zoo onmogelijk.
-
-Dat wezentje van glans en droom, dat luchtig zweefde in de luchten, dat
-hij altijd had gezien in een verre, aparte sfeer, buiten het reëele,
-hoe zou zij ooit tegen hem spreken kunnen, gewoon als ieder ander, hoe
-zou hij naast haar kunnen zitten in een rijtuig, ratelend door de
-straten?
-
-En hij begreep het niet.
-
-„Hoe kán dat?....” zeide hij, verwonderd. „Marcelio, dat kán toch
-niet....”
-
-En weer lachte Marcelio geheimzinnig.
-
-Hij had niet aan Paulus verteld, hoe goed hij Rosita kende, die eene
-oude vriendin van hem was, en hoe dikwijls hij haar van zijn jong,
-onervaren vriendje verteld had, die de vrouwen nog niet kende, en
-ontgroend moest worden. En hoe Rosita nieuwsgierig geprikkeld, en ook
-vereerd door zulk een simpele aanbidding, zich door Marcelio had laten
-overhalen, om het jonge droomertje eens te vragen.
-
-Dien avond zat Paulus in angstige spanning in het Variété. Hij had met
-Marcelio gedineerd, die hem had overgehaald, weer wat champagne te
-drinken.
-
-Toen hij Rosita weer zag aanzweven boven de bloemen, als een
-lucht-wezen van niets dan droom en liefelijkheid, kon hij zich
-onmogelijk voorstellen, dat zij straks in de heel gewone werkelijkheid
-als een vrouw voor hem zou staan, en tegen hem zou spreken. En
-heimelijk hoopte hij eigenlijk, dat het ook niet zou kunnen gebeuren,
-al verlangde hij er tegelijkertijd tóch naar.
-
-Toen zij ná het ballet weer omhoog zweefde tusschen de witte wolken,
-dacht hij stellig, „nu is ze ook heen in hooger sferen, nu kan ik haar
-ook niet meer zien.” Maar Marcelio schrikte hem weldra wakker.
-
-„Kom nu mee,” zeide hij, „ze gaat zich kleeden, en haar rijtuig staat
-te wachten in het zijstraatje links naast het gebouw. Maar drink eerst
-nog een gobelet goede champagne. Dat wekt je wat op.”
-
-Een beetje bang, half onwillig ging Paulus mede, en liep toen met
-Marcelio wat op en neer in de zijstraat buiten.
-
-Tot een deur openging, en een luchte gestalte met zilverachtig geruisch
-van zijde aan kwam wuiven.
-
-Nu gebeurde verder alles aan Paulus als in een roes. Zachte, melodieuze
-woorden dreven als muziek over zijn ziel. Hij voelde zich buigen,
-hoorde zich wat beleefdheidswoorden prevelen, en zag opeens, dat hij in
-een rijtuig zat, met een vreemd, zacht vrouwenlichaam naast zich. Er
-kwam zoete, bedwelmende geur van haar, als van een bloem.
-
-Hij kon haar niet goed zien in het donker van den coupé. Nu en dan, als
-zij voorbij een lantaarn reden, schemerde haar lief, lachend gezicht
-even voor hem op, om dan weer te vervagen, als iets dat even oplicht in
-een droom, en dra weer in het niet verdwijnt.
-
-Hij wilde even voorzichtig met zijne hand haar aanraken, om te weten of
-hij niet droomde, maar voelde niets dan weg-ritselende kant en donzen
-veeren.
-
-Eindelijk hield het rijtuig stil. Hij voelde een zachte hand die hem
-medenam, hem voortleidde, een trap op, naar boven.
-
-En opeens stond hij in de werkelijkheid, in een lichte kamer.
-
-Zij stond voor hem, lachend, met al de betoovering van haar luchte
-gratie naar hem toe. Ook zij, evenals Leliane, was mooier dan een
-vlinder of een bloem, vond hij. Een zachte, vreemde geur van viooltjes
-droomde van haar af; zijn al van de champagne lichtelijk dronken hoofd
-duizelde er van. Zij had een lichtroze lijfje aan van glanzende zijde,
-en toen zij een donzige sortie van witte veeren afdeed was haar blanke
-hals en decolleté open. De voorzichtige, zachte opwelving van haar
-borst was van een groote teederheid, en zij deed hem aan als een gebaar
-van haar ziel. Haar volle, witte armen kwamen nu en dan uit het veeren
-dons, als vreemde, betooverende verschijningen.
-
-Aan hare gestalte was iets luchtigs, iets van trilling en ruisching,
-als van een vogel, die straks zou opvliegen in de lucht. Zóó zou zij
-ieder oogenblik kunnen opspringen, en dansen dien luchtigen, zwevenden
-dans, waarin hij haar zooeven als een vlinder zwevend had zien
-wiegelen.
-
-Haar zijden rok ruischte, en aan haar arm ritselde zacht-zilveren
-geluid van schuivende edelsteenen. Zij zag hem aan, nieuwsgierig hoe
-haar nieuwe aanbidder er van dichtbij uitzag. Een aardig, jong
-kereltje, vond zij. Die nog niet goed durfde. Die zeker nog erg
-verlegen zou zijn. Zij hield wel van zulke maagd-jongelingen.
-
-En ze lachte.
-
-Hij vond het erg vriendelijk van haar, en hij was er heel blij mee. Hoe
-zacht en glanzend was alles aan haar! Al die zijde, en dat dons, en die
-schitterende steenen, waar heilig vuur en licht in leefden! Hoe fijn en
-ijl waren die gouden haren van haar kapsel, als uit zonnestralen
-geweven! Ja, het was toch waar. Een vrouw was mooier nog dan bloemen.
-Dit liefelijke en lachende daar voór hem was van inniger uitdrukking
-nog dan een lichte lente-roos. Maar vooral dat even, vage opwelven van
-haar blanke, zachte borst deed hem aan met eene wonderlijke ontroering,
-blijde en toch om van te weenen, heilig, en toch met een bijna
-pijnlijke schrijning van lust, die hij voor den eersten keer in zich
-voelde opwellen uit verre onbewustheden van zijn wezen.
-
-En,—vreemd! dit leek op Leliane, dit had zéér bedriegelijk iets van
-Leliane in zich, en kon tóch Leliane niet zijn. Bij het eerbiedig
-aanschouwen van de slapende prinses, met haar blanken boezem zachtekens
-deinend op het teere rythme van hare ademing, had hij iets anders
-gevoeld, niet dit schrijnende in hem, dat bijna pijn deed. Éven
-weifelde hij, hoorde hij als eene vage waarschuwing in zich fluisteren,
-nu op zijn hoede te zijn...
-
-Maar Rosita had al gesproken met een melodieuze, vleiende stem, die hem
-zachtelijk bedwelmde, even zeer als de weeë bloemenlucht die van haar
-afdroomde, en die iets van viooltjesgeur had, maar toch niet hetzelfde
-zijn kon. Dat zoete parfum, die weeke stem, dat duizelen van
-champagne-opwinding in zijn hoofd, maakten dat hij zich als een willoos
-kind overgaf aan de bekoring.
-
-„Wou je met me soupeeren?” vroeg ze, en keek hem guitig-lachend aan,
-met haar gezicht vlak bij het zijne. „Waarom zag je me altijd zoo aan
-en stuurde je me bloemen?”
-
-En hij zeide het, eerlijk:
-
-„Ik heb je immers zien dansen! Je was zoo mooi en zoo licht. Mooier dan
-een bloem was je. Je wiegde liefelijker dan een wit-en-roze vlinder. Ik
-moest er van lachen en schreien tegelijk. Ik heb nog nooit zoo iets
-gezien. Altijd zou ik je zoo willen zien, in dat schitterende licht,
-met je ranke, luchtige lijf bewegend in wuivende tulle rokjes, die als
-witte wolkjes om je zijn. Je kleine voeten doen dan zoo heel vreemde
-dingen. Het is of ze me allerlei sprookjes vertellen, die ik lang
-vergeten was, en dán ineens weer weet. Maar als je ophoudt met dansen
-ben ik ze ook weer vergeten. Zóó wuiven de fijnste varens niet in het
-bosch, op zóó zachten adem, als toen je zooeven je lijf liet voort
-droomen op dat bevende Adagio van de violen.... Je bent zoo mooi, zoo
-mooi, zoo mooi,... je lijkt wel uit de bladen van roze rozen, en de
-gouden stralen van de zon, en de witte wolkjes in de lucht geboren te
-zijn, en je vervult mijn ziel met lieve, zachte muziek...”
-
-Bewonderend, met schitterende oogen zag hij haar aan, in argelooze
-overgave, en geen gevaar meer voorgevoelend in den glans van het enkel
-maar mooie, dat óók op Leliane geleek. Hij zeide nu zelfs ook veel van
-de woorden uit zijn ziel, die hij eens tot Leliane had durven spreken.
-
-Rosita zag hem verrast aan. Toch wel aardig, zoo’n jong mannetje nog.
-Wat een heerlijke kleur op zijn wangen! Die hadden haar aanbidders
-gewoonlijk niet meer, met hun bleeke, verveelde blasé-gezichten! En zóó
-spraken ze ook niet tegen haar.
-
-„Ik dank je nog wèl voor je mooie bloemen,” zeide zij, lief. „Ik houd
-veel van bloemen. Vooral van viooltjes, die krijg ik bijna nooit. Het
-zijn altijd rozen. Niemand die ooit om viooltjes denkt. En die zijn
-juist mijn lievelingen. Mijn parfum is ook altijd violettes de Parme.
-Ruik je het niet? Ik sprenkel het altijd op mijn schouders en mijn
-hals.”
-
-Ze boog zich nu tot hem over, met haar verblindend blanke hals dicht
-bij zijn hoofd.
-
-Hij rook den geur van zijn liefste bloemen uit het bosch, maar
-scherper, doordringender dan ooit, met een bedwelmende, weeë innigheid,
-die weer den ongekenden, brandenden gloed met een golf door zijn
-rillend lijf deed gaan. Zóó hevig had hij nooit een bloemengeur
-gevoeld, die bijna pijnlijk was, en toch lief deed met warme streeling.
-
-„Je bent eigenlijk zélf een bloem,” zeide hij, met zijne oogen aldoor
-bewonderend opgeslagen tot de hare. „Je ruikt zelf als een bloem van
-wonderen geur. Maar je bent nóg zachter en teêrder. En je bedwelmt me
-nog, als je zoo dicht bij me bent. Mijn hoofd wordt er moê van en loom.
-Maar toch is het heerlijk, al doet het bijna pijn. Ik ben ook een
-beetje bang van je, geloof ik.”
-
-„Malle jongen!” zei ze lachend. „Bang? Ik zal je niet opeten, hoor, al
-heb je wangen als roode belle-fleurs! Ik zal je misschien alleen een
-zoen geven. Heb je wel eens goed gezoend? Wil je me wel eens een kus
-geven, zeg?”
-
-Ze sloeg haar zachte armen om zijn hals, en zoende hem op zijn wang.
-
-Het was zóó innig, en kwam zóó onverwacht voor hem, dat hij een zachten
-gil gaf, en het hoofd tegen haar borst liet zinken van duizeling. En
-hij dacht er niet aan, haar terug te kussen.
-
-Éven voelde hij nog héél achter in ziel, flauw en vaag, als een zachte
-stem, waarschuwend en bang. Maar door de duizeling van zijn hoofd zonk
-het weg, verdoofd, kwam niet meer tot bewustzijn.
-
-En hoe langer hoe meer begon het mooie van haar op Leliane te gelijken.
-
-Later, als hij om deze emoties dacht, wist hij nog zeker, dat hij
-alleen het mooie van haar zag, en niets anders wist dat hem zoo
-verrukte....
-
-„En nu gaan we eens gezellig wat soupeeren,” zeide zij, hem meetronend
-naar het canapétje voor een sierlijk gedekt tafeltje.
-
-Daar lagen zijne welbekende, vertrouwde vruchten, zachte, blozende
-perziken, roze, fluweelige peren, innig blauwe druiven, in frisch,
-dauw-bepareld groen. Het leek alles intiem, zonder slechtheid.
-
-Zij had, op Marcelio’s raad, geen wild doen klaarzetten, alleen zacht,
-wit luxebrood, en honig, en gebak. Maar champagne moest hij toch
-drinken. En het edele vocht zag zoo nobel, met goud-gelen glans, dat
-hij het met vreugde opdronk, toen zij hem den fijn geslepen kelk
-toereikte, met vriendelijken lach. Er was stille vertrouwelijkheid in
-het rustige, roode boudoirtje, met het mollige tapijt, en de
-schitterende Venetiaansche spiegels, de étagèretjes met broze bibelots,
-de gezellige poufs, en de roze gloei-kelkjes electrisch licht op tafel.
-
-Bloemen lagen hier en daar op het witte damast, en zagen vriendelijk
-uit ranke vaasjes. Zij zelve had lichte rozen in het blonde haar. Het
-was hem als beleefde hij nu iets uit een sprookje, niets dan
-vriendelijkheid en liefelijkheid, en enkel mooie dingen. Nog zag hij
-enkel het mooie er van, en hij genoot het in blij verbazen, zooals een
-kind dat, met schitterende oogen, de handjes uitstrekt naar dingen die
-licht zijn en kleurig.
-
-De champagne benevelde hem. Een zacht suizen ging door zijn hoofd. Hij
-hoorde somtijds het melodieuze klinken van haar lieve stem als van
-verre, en voelde neiging, om nu ergens neer te liggen en in te slapen
-onder dat gezang, zooals hij in het bosch wel eens gesluimerd had onder
-het zingen van een vogel. Dán voelde hij ineens weer dien vreemden
-gloed in zich, of om zijn ziel iets begon te branden, een gloed, die
-opsteeg van zijn voeten naar zijn hoofd, met lange, rekkende rillingen
-over zijn lijf.
-
-Dán was het even angstig, tot het weer zacht vervloeide in loomheid,
-vaag zalig.
-
-Die zoete geur, die om haar was, die teere rondingen van haar borst,
-die blankheid van haar armen, die vochtig-warme blik van hare oogen!
-Hij voelde zich langzamerhand als bezwijmen onder het warme, innige,
-dat van haar uitging als van eene exotische bloem, die verdooven doet.
-Zijne wangen gloeiden, hoogrood, en zijne oogen schitterden als van
-koorts. En telkens steeg de vreemde gloed weer in hem op, met
-ontstuimiger golving.
-
-Tot zij hem opeens in haar armen nam, met haar warme, geurige lijf op
-zijn schoot, en hem hartstochtelijk kuste op zijn mond.
-
-Toen sloeg de roode vlam eindelijk omhoog, uit den gloed waarin zijn
-ziel nu zou verteren, en hij voelde het felle vuur iets van de liefste
-en teerste dingen verschroeien, die in hem waren geweest. Met een kreet
-van pijn en lust gaf hij zijn jongenslichaam over aan den ongekenden
-hartstocht-storm, en zijn ziel van droom en mijmering duisterde angstig
-weg, waar zijn armen het schoone vrouwenbeeld van ideaal nu
-krampachtig, bijna vijandig omklemden, om met haar samen heerlijk in
-dat heete vuur te vergaan.
-
-Hij voelde nog vaag, hoe hij, dicht tegen haar aangedrongen, door een
-roode ruimte liep, een andere kamer in, waar alles brandde, hoe hij
-toen met haar neerzonk, duizelend, in een verre, roode diepte, en
-overal waren vlammen, en alles was rood voor zijn oogen, tot hij bang
-en tóch zalig, wegzwijmde in het felle vuur, verschroeid, als dood....
-
-
-
-Het bleeke, triestige schemerlicht van een donkeren regenmorgen,
-druilend door zware, geel-kanten gordijnen, maakte hem wakker uit een
-loomen droom van diep, zwart niets.
-
-Hij wreef zich de oogen, rekte langzaam uit zijn leden, die slap waren
-en lam. Dat bleeke, gele licht.... Hoe vreemd.... Hoe vreemd.... Waar
-wàs hij?....
-
-En opeens staarde hij angstig in het rond, een gil ópkroppend in zijn
-keel, die van schrik niet uit kon schreeuwen.
-
-Wat was dat, daar naast hem?.... Het leefde, het bewoog....
-
-Rillend kroop hij terug in het groote bed, om het niet aan te raken....
-
-Toen kwam opeens het bewustzijn in hem terug van wat gebeurd was.
-
-O God! O God!... Het was Rosita, neen, Leliane... Neen, dat kon niet,
-dat mócht niet.... niet Leliane, niet Leliane.... Rosita was het,
-Rosita.... Neen, óók Rosita kon het niet zijn.
-
-Maar het was toch een vrouw.... Een vrouw, een mensch.... Een
-menschenlichaam was het, dat sliep, en zwaar ademhaalde... Ja, het leek
-wel op Rosita... en tóch kon het Rosita niet zijn, die zweefde in de
-lucht, een wiegelende ziel, zonder materie....
-
-Een vrouwengezicht, moê, bleek, de blonde haren verward, slordig langs
-het kussen.... er waren vegen rood op, ineen geloopen, als gesmolten
-verf, die los gelaten had.... daaronder was de huid geel bleek, zonder
-kleur.... onder de dichte oogen diepe, blauwe kringen.... de mond was
-half open, niet teeder meer, met een groven trek van lust....
-
-De fijne kanten van haar hemd waren verfrommeld, geknakt als
-bloemen.... haar borst was onbedekt, blank, mollig vleesch, dat op en
-neer ging, bij iedere ademhaling, en leefde.... maar zonder wijding nu,
-als gewoon....
-
-Op het hoofdkussen lagen gescheurde, verlepte blaadjes van rozen, uit
-haar los-geraakte coiffure....
-
-Een weeë, doode geur van viooltjes kwam van dat slapende lichaam,
-benauwd, zonder innigheid....
-
-Wie was dit?.... Een vrouw, die op Rosita leek, maar niet Rosita... Een
-vreemde, die hij niet kende... Een vreemd, apart, warm-ademend leven,
-heelemaal buiten hem, waar hij niet bij hoorde....
-
-Toen kwam de herinnering aan den afgeloopen nacht al meer en meer in
-hem tot klaarheid.... Met ontzetting zag hij het ineens helder voor
-zich terug, wat in een roes, bijna onbewust, gebeurd was.
-
-Eerst was het een droom, een lieve verschijning van fee, licht en
-luchtig, als een wolk.... Toen was het al dichter en dichterbij
-gekomen.... al zwaarder en zwaarder was het geworden, levend en
-warm.... En hij had gegrepen, met bevende handen gegrepen naar het
-mooie, dat eerst zijne oogen enkel durfden aanbidden.... het mooie, dat
-óók op Leliane geleek, en daarom heilig was....
-
-En toen... die gloed, die helle vlam, die roode hartstocht-storm, en
-dat woedend kloppen van zijn driftig hart!... Hoe het brandde, hoe het
-brandde tegen hem aan!... Hoe zijn mond het heet gedronken had van haar
-brandende lippen!.. Hoe hij het had omklemd, hoe hij het tegen zich aan
-had durven prangen, hard, bijna vijandig, of hij dat broze breken wou,
-uit woede, hoe het teedere eerst had uitgeschreid en toen een heete
-vlam was geworden, die verteerde!..
-
-O! Hij wist het opeens weer, die armen om zijn hals, het warme, zachte,
-schreiend tegen hem aan, de gloeiende kussen, dóórbrandend in zijn
-lijf... En het moede, loome neerzinken, gebroken, en dan het hoog
-oplaaien van vlammen, telkens en telkens weer opnieuw... Zóó woedt niet
-een storm in stille boomen...
-
-En nú dit, en anders niet... Die bleeke, moede vrouw... die doode, weeë
-geur, de oogen gloedloos, zonder pracht, en het weeke vleesch zoo mat,
-zoo lam, zoo vreemd... zoo heel apart dat zwaar-ademende lichaam daar
-naast hem, hij kende het niet, hij had het nooit gezien... het kon ook
-nooit Rosita zijn geweest...
-
-En al het teêre, lieve, vriendelijke nu henen, om nooit weerom te
-komen....
-
-
-
-Voorzichtig stapte hij uit het bed, bang om haar wakker te maken.
-Gelukkig, op het dikke, donzige tapijt was zijn voetstap onhoorbaar.
-Zij ademde rustig door, zwaar, met een piepend geluid.—
-
-Nu zich maar gauw aankleeden, zachtjes. Straks thuis zou hij zich wel
-wasschen. Het water zou te veel plassen in de kom, en haar misschien
-wekken. Wacht, toch even voorhoofd en wangen nat maken met een
-handdoek! Ha! hoe heerlijk koel was dat op zijn brandend gezicht! Hoe
-gloeide hij! Als de muur van een uitgebrand huis voelde zijn lichaam
-aan van buiten. Het vuur was nu verteerd, maar toch gloeide zijn huid
-nog na. O! Het blusschende, koele, stillende water, wat deed het goed!
-Nu allereerst hier weg, uit deze ondragelijke bedompte
-slaapkamer-atmosfeer. Hij zou hier anders nog stikken.
-
-Zenuwachtig trok hij zijn kleeren aan, schrikkend bij ieder geluid, dat
-hij maakte. Wat was het benauwd!... O! Lucht, lucht, het was niet uit
-te houden... Voorzichtig deed hij de gordijnen op zijde, en trok het
-venster wat open.
-
-Gelukkig, het liep goed in de rollen, in elkaar gezet door bekwame
-handen, en het schoof geruischloos op. Een frissche stroom lucht waaide
-hem tegemoet.
-
-Buiten druilde het eerste schemerig morgenlicht door grauwe wolken over
-de dingen.
-
-Paulus zag een klein binnenplaatsje, ongure, verweerde, oude muren, en
-leelijke daken van huizen. Alles stond triestig en doodsch te drenzen
-in lamme verveling. Alleen in het kleine tuintje achter Rosita’s woning
-stond een dunne, hooge populier, eenzaam en vervreemd. Een vogeltje
-begon er zacht in te tjilpen. En een groote weemoed kwam er van in
-Paulus’ ziel. Hij dacht om den morgen in het bosch. Hoe kwam dit lieve
-vogeltje hier zoo verdwaald in dien eenzamen boom?...
-
-In de verte hoorde hij gerommel van een wagen, en een vaag gedruisch
-ruischte aan, onbestemd. De groote stad begon te bewegen, zachtjes,
-voorzichtig nog. Nú een rijtuig, ratelend over een straat, een geklets
-van paardehoeven.
-
-Hoor! Een haan kraaide, schel, hoog geluid.
-
-Het grijze geschemer werd al lichter, en achter de donkere wolken begon
-iets te glanzen. De nieuwe dag brak aan over de wereld.
-
-
-
-Toen stroomden de tranen wild uit zijne oogen, en snikken kropten op
-uit zijn borst.
-
-Hij viel op een zachte divan neer, en verborg het hoofd in een kussen,
-dat die vreemde vrouw daar zijn snikken niet zou hooren.
-
-„Leliane!... Leliane!...” fluisterde het in zijn ziel. „Mag ik haar nu
-nog aanbidden, Leliane?...”
-
-Totdat de wilde tranenvloed eindelijk bedaarde, en hij angstig de kamer
-uit kon sluipen, zachtjes op de punten der teenen, de trap af naar de
-voordeur, heimelijk, als een dief....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XI.
-
-
-Van dien dag af aan waren Paulus’ oogen opengegaan en zag hij duidelijk
-vóór zich, wat vóór dien tijd vreemd en onbegrijpelijk voor hem was
-geweest.
-
-Hij wist nu, wat het lachen der mooi gekleede vrouwen beduidde op
-straat, hij wist wat de drijfveer was van dat zenuwachtige, onrustige
-leven op de Boulevards, en hij voelde wat de verschrikkelijke tragedie
-uitmaakte van de sombere nacht-figuren, dolende in de Koninginnestraat.
-
-O! De grove, wreede Lust, die al die mannen voortdreef in de straten,
-loerend naar vrouwen, als honden die aan ’t snuffelen zijn, die Lust,
-die rondwaarde in de theaters, in de café’s, zelfs in de kerken, nooit
-verzadigd, verterend wat lief en teeder was, die Lust, die hij nu ook
-in zich zelf wist, en die somtijds inééns in hem opstond, als een wild,
-begeerig beest, azend op een prooi. Die gedachte aan het warme lijf van
-Rosita, plotseling rood in hem opbliksemend, waar zijn ziel dit toch
-hevig haatte, die enkel het witte, rustige, reine wilde van stille
-contemplatie! Die verschrikkelijke angst, dat hij het wilde beest
-misschien ééns niet meer zou kunnen temmen, en het hem weer terug zou
-drijven naar die roode kamer, waar hij rillend uit was gevlucht!
-
-En het ontzettende, dat al deze dingen zoo gewoon en gansch natuurlijk
-waren voor de menschen!
-
-Marcelio had hartelijk gelachen, toen hij hem, half schreiend, van zijn
-nacht bij Rosita had verteld.
-
-„Het was héél aardig van Rosita,” had Marcelio gezegd. „Ze vond je
-zoo’n lieven, mooien, frisschen jongen, en was heusch gecharmeerd van
-je, anders had ze je niet gevraagd... Er zijn er honderden, wien ze
-voor véél geweigerd heeft, wat jij voor niets van haar hebt gekregen...
-Ze heeft een rijken, vreemden prins, die haar geeft wat ze wil... Je
-mag haar niet zóó maar laten staan, en moet haar gaan bedanken of haar
-een hartelijke attentie sturen... je bent te benijden, mijn beste...”
-
-Toen had Paulus gezwegen, voelend dat Marcelio hem toch niet begrijpen
-zou. Maar hij was niet terug geweest, wetend hoe zwak hij misschien zou
-zijn, als zij hem weer kuste. En als het felle, kwaadaardige verlangen
-opeens in hem opbrandde, zonder dat hij er iets aan kon doen, zengend
-en schroeiend door zijn lijf, dacht hij met al de kracht, die hij kon
-concentreeren, aan de witte water-lelies in het bosch, en aan de
-rustige genade van Leliane’s heilige maagde-lichaam, in het
-neerzilverende maanlicht zoo rustig neergelegen onder de stille
-boomen....
-
-Maar overal zág hij nu het duistere, het venijnige, altijddoor
-dreigende, wat zijn ziel van licht haatte. Het was overal waar menschen
-waren, en het loerde in alle straten en wegen. En nu wist hij, met
-schaamte en droefenis, dat het óók loerde in donkere schuilhoeken van
-zijn binnenste. Dan vroeg hij zich af met ontzetting, of dat dan altijd
-bij hem was geweest, diep in hem weggedoken, toen hij zijn jonge leven
-had geleefd in het bosch, en droomde van de sterren en van Leliane.
-
-En de dagen, die hij nu doorging, waren vol van zwaarmoed en bangen
-strijd. Hij ging door met zijne studie als vroeger, kreeg zijne lessen
-van de professoren, en werkte ijverig in de bibliotheek, maar de
-dingen, die hij leerde, waren zonder vreugde, en de angst week niet van
-zijn ziel.
-
-Hoe heerlijk, als hij dan ’s middags éven de prinses kon zien. Ééns was
-hij heel alleen geweest in een stille straat, toen hij haar victoria
-zag aankomen, met de witte, gepluimde paarden en de blinkende
-voorrijders in blauw-en-goud. Hij had eerbiedig het hoofd ontbloot, en
-diep gebogen. En zij had hem herkend, hier, waar niemand anders was, en
-hem vriendelijk toegeknikt, éven wuivend met haar hand. Toen was het
-hem ineens, of al het droeve maar een booze droom was geweest, en er
-niets reëel kon zijn dan de lichte zonneschijn van haar lach.
-
-Maar ’s avonds, toen overal de lantaarns weer aangingen, en de donkere
-menschen-drommen zwart daaronder wemelden, was het angstige weer in hem
-teruggekomen. Dat was altijd een vreeselijk oogenblik voor hem, als de
-straten zoo donker werden, en opeens al de lantaren-lichten opschenen,
-ver weg-rijend boven de breede, eindeloos uitloopende Boulevards.
-
-En naarmate hij inzag, hoe Marcelio zijn innigste gevoelens toch nooit
-kon begrijpen, kropte hij zijn angst benauwd in zich op, en hield zich
-tegenover hem, of hij hoe langer hoe meer aan alles begon te gewennen.
-
-
-
-Toen vond hij, in die allerdroefste dagen, een nieuwen vriend.
-
-Hij had al dikwijls in de Bibliotheek den grooten, bleeken jongen man
-opgemerkt, die naast hem aan de algemeene schrijftafel zat te werken,
-met dikke folianten van bekende schrijvers over socialisme naast zich.
-Er was iets fiers, en toch iets diep weemoedigs in zijn donkere oogen,
-waar Paulus sympathie voor voelde. Zijn ziel raadde intuïtief het aan
-haar verwante in dien somberen jongeling.
-
-Door eene kleinigheid, het aangeven van een inktkoker, geraakten zij in
-kennis, en ééns op een avond gingen zij om vijf uur samen denzelfden
-weg.
-
-Elias, zoo heette de jonge student, was dadelijk heel verrast, toen
-Paulus hem toevertrouwde, dat hij altijd in een eenzaam bosch had
-geleefd, en door toevallige omstandigheden, die hij niet kon vertellen,
-pas sedert kort in het groote stadsleven was gekomen.
-
-„En hoe was je eerste indruk wel van Leliënstad?” vroeg hij.
-
-Paulus, nog niet gewend voorzichtig en terughoudend te zijn, vertelde
-hem toen eerlijk van de onrust, die hem zoo bang had gemaakt, van het
-gevaar, dat hij geraden had in de straten, zonder het te kennen, en van
-de verschrikking, die hij gezien had, toen hij bewust was geworden wat
-al die menschen eigenlijk dreef.
-
-„En wie is je leidsman geweest?” vroeg Elias.
-
-„Graaf Marcelio,” had Paulus bekend.
-
-Toen was Elias even wantrouwend geworden.
-
-„Graaf Marcelio?”.... zeide hij. „Die adjudant is van de prinses?....
-Ah zoo! Ben je onder aristocraten terecht gekomen?.... Dat wist ik
-niet.... Dan zal je zeker wel niets dan moois hebben gezien.... Wat een
-weelde hè, hièr in Leliënstad.... Wat rijk en goed en edel allemaal,
-hè?....”
-
-Maar Paulus antwoordde zóó, dat Elias al heel gauw voelde, hoe hij zich
-vergiste. Want hij vertelde, hoe verschrikkelijk hij den tweeden avond
-van zijn leven in de stad de droevige nacht-figuren had gevonden, die
-ronddoolden in de Koninginnestraat, en hoe hij eerst niet had begrepen,
-wat toch wel dat verschrikkelijke zijn kon, dat hij toén nog niet
-kende. Hoe hij toen inééns geweten had, en hoe toen altijddoor die
-schrijnende pijn in hem was geweest over de droeve schande van die
-vrouwen, die toch het heiligste mysterie van de menschheid in zich
-hadden....
-
-Toen had Elias hem goed aangekeken, en hem gevraagd, hem eens flink in
-het gezicht te kijken, en had toen de tranen van echte menschelijkheid
-gezien, die blonken in zijn oogen.
-
-En toen Paulus hem zeide: „Ik kán het mooie niet meer genieten nu ik
-dít gezien heb,” wist Elias dat hij waarheid sprak.
-
-In eene opwelling van vriendschap gaf hij hem de hand en vroeg hem
-ernstig: „Mag ik je nu óók eens Leliënstad laten zien? Maar niet het
-mooie alleen, ook het triestige, het droeve, het afzichtelijke. Ik zie
-dat graaf Marcelio je enkel de weelde er van heeft laten zien. Mag ik
-je nu óók eens bij de afschuwelijke ellende brengen, waar de groote
-meerderheid van de menschen in vuil en jammer leeft? Want dán pas kan
-je weten wat de weelde eigenlijk is, als je de misère hebt gezien
-waardoor zij alleen bestaan kan.”
-
-Paulus had zijn hand krachtig gedrukt, en had ineens zijn bleek gezicht
-met de sombere oogen zacht en lief gevonden, vol droefheid van
-mededoogen.
-
-Dien avond hadden zij samen gegeten, en veel met elkander gepraat. Ook
-over verzen en dichters was Paulus begonnen, en het eerst van allen,
-die hij vereerde, had hij Wederich genoemd. Toen had Elias even
-smartelijk geglimlacht, en verder gezwegen, zonder in te stemmen met
-Paulus’ geestdriftige woorden. En Paulus had gedacht, dat er misschien
-iets droevigs tusschen Wederich en hem gebeurd was, en niet durven
-vragen, waarom hij zoo droevig gelachen had. Maar toen zij waren
-begonnen over het jammervolle van het ellende-leven der uitgestootenen
-en verworpenen voelden zij dadelijk samen, als twee verwante zielen. En
-weêr was Paulus uitgebarsten in verontwaardiging over de misère, ’s
-avonds in de Koninginnestraat, waar de vrouwen hun schande moesten
-verhuren om te kunnen leven.
-
-„Ja, dát is de allerergste verschrikking nog van onze maatschappij,”
-zeide Elias. „Je moet eens meêgaan van avond, tegen twaalf uur. Dan
-zullen wij haar samen eens aanzien, de prostitutie in onze mooie stad
-van beschaving. Ik zal je eens brengen bij Felix, waar ze in haar
-weelderigsten vorm te zien is, en dán in de bovenstad, waar zij op haar
-minst is, al is zij in beide uitingen hetzelfde. En dan moet je me eens
-vertellen, wie je gemeener vindt, die vrouwen, óf die mannen, die van
-hun ellende profiteeren, door de macht van hun geld.”
-
-
-
-Om twaalf uur traden zij het groote nacht-restaurant van Félix binnen.
-
-Vóóraan, bij den ingang, was een Amerikaansche Bar, waarvoor op lange,
-hooge tabouretten chic gekleede heeren met opzichtig uitgedoste vrouwen
-whiskey-soda’s en likeur zaten te drinken. De vies-schitterende
-mannen-oogen zagen heet-begeerig naar de blanke vrouwen-borsten, die
-onbeschaamd uit lage corsages opbolden. De vrouwen lachten en lonkten,
-keken hen aan met languissante blikken, dandineerend als poezen,
-vleierig.
-
-Hier en daar, door schmink en poeder heen, kwam toch wel eens wat echt
-lief van vrouwen-mooi heenkijken, dat nog niet heelemaal vergaan was.
-
-Er was een valsche schijn van vreugde om die Bar met fonkelend kristal
-en hel electrisch licht, met die menschen die elkaar toedronken,
-luidruchtig door elkaar schreeuwend, en breed gebarend. Maar Paulus zag
-alleen het triestige, het tragische van dat verdwaalde, verloren lieve
-en schoone, dat zijn ziel aanbad, hier besmet en bevuild, veil voor
-brute, grove ploerten, als ze maar geld hadden om het te koopen.
-
-„Zie je het harde en goddelooze in de tronies van die kerels?” zeide
-Elias bitter. „Niemand onder hen die deernis voelt voor die arme
-schepsels, van wie ze misbruik maken, omdat ze maatschappelijk
-minderwaardig zijn. Géén van hen, die er om denkt, dat die prostituées
-óók vrouwen zijn, als hun moeders en zusters, en het heiligst
-vrouwelijke nog altijd in zich hebben. Neen, zij hebben het geld in hun
-zak, en dáárom hebben zij macht over die vrouwen, die het niet hebben,
-en hebben zij het recht, haar te bevuilen en te besmetten. En dan
-zeggen ze nog, dat er geen slavernij meer bestaat!”
-
-Paulus zweeg, en klemde de lippen op elkaar om niet uit te barsten. Hij
-dacht om Leliane, veilig en hoog in haar witte paleis, wijl haar
-zusteren hier kwijnden, in afzichtelijke slavernij....
-
-De Bar voorbijgaande kwamen zij nu in een groote, rijke zaal, rood met
-goud, schitterend door electrische lichtkelken verlicht.
-
-Een ongezien orchest, verborgen achter groene palmen, speelde
-langoureuze, slepende muziek voor de heeren en dames, die aan
-tafeltjes, weelderig gedekt met damast en kristal, zaten te soupeeren.
-
-Alles aan die heeren leek correct en voornaam. De zorgvuldig
-gefrizeerde haren, het vlekkeloos glanzende wit van overhemden, de
-deftige zwarte rokken. Alleen wat arme, verdwaalde bloemen in het
-knoopsgat deden triestig aan. En naast hen de elegante, gracieuze
-cocottes, schitterend van juweelen, in fijne zijde en satijn, de
-groote, breed gerande hoeden met witte struisveeren, en boa’s van
-kostbaar dons. Een weeë geur van fijne parfums zweefde door de zaal,
-prikkelend, en toch weerzinwekkend. Sommige dier vrouwen hadden groote
-poppen in den arm, prachtig aangekleed met dure kant en kostbare
-juweelen, en wiegden die liefkoozend heen en weer, als baby’s. Er was
-iets afschuwelijk onheiligs in die imitatie van moederschap bij
-vrouwen, die altijd onvruchtbaar moeten blijven, voor hun métier. [1]
-
-„Waartoe dienen nu die poppen?” vroeg Paulus.
-
-En Elias, bitter:
-
-„Dat is een duivelsche verfijning, en de nieuwste mode, moet je weten.
-Het schijnt opwekkend te zijn, vooral voor oude heeren. Een soort
-bevuiling van het moederschap, ook misschien een soort symbool dat die
-arme, verdoolde vrouwen, die het mooie van de liefde niet kunnen
-genieten, slechts doode poppen kunnen hebben, en geen kinderen.”
-
-Er was iets diep tragisch in dat wiegen van die levenlooze poppen in de
-armen van die geverfde, onvruchtbare vrouwen, maar niemand van de
-feestende mannen scheen er iets van te zien.
-
-Deftige kellners brachten uitgezochte gerechten aan en zeldzame merken
-champagne, en bedienden eerbiedig de zwart-gerokte wellustelingen, die
-voor hun geld al die eet-en-drinkwaren, en die vrouwen er bij, konden
-koopen. En dit alles ging heel gewoon, zonder dat iemand het onrecht
-voelde, alsof het nu eenmaal zoo in de natuurlijke orde der dingen lag.
-
-Hier en daar slenterden een paar vrouwen door de zaal, die nog geen
-mannen hadden gevonden, lonkend en gichelend tegen losloopende heeren,
-die eerst eens wilden uitkijken, en nog geen keus hadden gedaan. Elias
-wees er Paulus nog eens met nadruk op, hoe leeg en voos dit alles was,
-omdat het toch maar alleen het vuile geld was, dat alles hier in
-beweging zette. Zonder geld kon geen van die mannen een van die vrouwen
-krijgen, die zich schijnbaar van zelf aanboden, uit louter behagen.
-Maar hij had hem dit niet behoeven te zeggen. Paulus zag wel aan het
-eigenlijk treurige en tragische van die lachjes en leege lonken, hoe
-weinig echt ze waren.
-
-„En nu is dit nog met een beetje schijn van mooiheid,” zeide Elias.
-„Het lijkt tenminste nog een beetje op vreugde en geluk, en er is een
-zekere glans over. Hier zijn dan ook de zoogenaamde chicque vrouwen en
-het gaat hier allemaal rijk toe, met luxe en verfijning. Maar nu moet
-je eens meegaan naar het andere einde van de stad, waar de mindere
-gelegenheden zijn.”
-
-En hij nam Paulus mede in een rijtuig naar straten in het Zuiden der
-stad, waar hij nog niet was geweest. Er waren hier veel goedkoope
-bal-zalen en derderangs theaters in de buurt, en overal waren
-nacht-cafés, waar de bezoekers van die amusementen heengingen, als
-alles was afgeloopen. Maar dit waren de koffiehuizen, waar geen fijne
-gerechten te krijgen waren, te duur voor de menschen die hier kwamen.
-Kleine, bedompte zaaltjes vol rook van slechte sigaren, waar de borden
-en koppen zóó maar op het bevuilde imitatie-marmer van de tafeltjes
-werden gezet, en de bezoekers schouder aan schouder, tegen elkaar
-aangepropt, zaten te eten.
-
-Hier wemelde het van jammerlijke ellende-vrouwen, die voor de laagste
-prijzen dezelfde schande moesten verkoopen als de rijken uit het
-restaurant Félix, en waaronder er waren die ’s middags niet gegeten
-hadden, en nu aasden op een oudbakken broodje met uitgedroogd vleesch,
-of een stinkend stukje worst met een kop lauwe, slappe koffie.
-
-De straten waren hier slecht verlicht, en de huizen armoedig en oud.
-
-Elias ging met Paulus een onaanzienlijk café binnen.
-
-Hier zaten derderangs artiesten uit kleine theatertjes, bohémiens
-zonder veine, studenten die het net even konden doen om rond te komen,
-poovere klerkjes, en slecht betaalde muzikanten. Maar op die schamele
-bezoekers aasden toch nog vrouwen, armoedig gekleede, sjofele vrouwen,
-in schijnbaar nog elegante mantels uit inferieure confectie-magazijnen
-op afbetaling, met magere, bleeke misère-gezichten, die tragisch
-grijnsden als zij probeerden te lachen. Met de schimmen van wat ééns
-misschien charmes in haar geweest waren, probeerden zij de mannen daar
-te verleiden, een stukje bloot van een verlepte, slappe borst, een
-opgevulde, schijnbaar wellustige heup, een nog wat dikke kuit van een
-toevallig vooruitgestoken been.
-
-Hier en daar zat zoo’n vrouw alleen tusschen een dichte rij mannen,
-zonder consumptie voor zich, leeg-glimlachend om zich heen, om iemand
-over te halen iets voor haar te bestellen. Paulus zag er een die
-klappertandde, en misschien wel honger had. Ook hier scheen geen van de
-mannen de ellende goed te voelen, en mededoogen te hebben met die
-vrouwen. Somtijds snauwden zij haar ruw af, of voegden haar grove,
-obscene woorden toe, waar dan iedereen uitbundig om lachte.
-
-Maar de vrouwen schenen hieraan gewoon te zijn, en gaven den moed niet
-op, tot zij eindelijk iemand vonden die wat voor haar bestelde, en die
-ze eindelijk medenam, het café uit.
-
-„Kijk, daar gaat er weer een, die haar coup gedaan heeft,” zeide Elias.
-„Dit is nu de goedkoope prostitutie, zie je. Voor weinig geld, vijf
-francs bijvoorbeeld, of nog minder, mag die man nu mee naar haar
-triestig kamertje, waar een armoedig bed staat, met vuil linnengoed en
-kapotte dekens. Maar toch is ’t hetzelfde als wat de rijken in ’t
-weelderige doen. Een man, die geld bezit, heeft macht over een vrouw
-die het niet heeft, en huurt haar lichaam. Dit is nu de groote
-beschaving van Leliënstad....”
-
-„Hare zusteren... háre zusteren,” dacht Paulus àl maar door, en pijnend
-ging die idee door zijn hoofd, „de zusteren van Leliane... van de
-kalme, de goddelijk reine, die rustte bij de waterlelies in het
-bosch...”
-
-„Maar dit is nog niet ééns het allerergste,” ging Elias door, „het kan
-nóg minder, nóg afzichtelijker... er is hier niets zóó afschuwelijk, of
-het kan nóg beestachtiger naarmate er minder geld voor is... het geld
-regelt alles...”
-
-En hij nam hem mede, een aantal ongure, slecht verlichte straten door,
-met armoedige huisjes, tot zij eindelijk in de Ursulastraat kwamen, een
-nauwe, duistere steeg, die er louche en verdacht uitzag. Huis aan huis
-was een kroeg van ’t minste allooi, waar wijven in witte jakken voor
-het open venster zaten, met bloemen in het vuile, verlepte haar, en
-zingende uit schorre, rauwe kelen. Haar oude, van jenever roode
-gezichten loerden als die van wilde dieren naar een prooi, en zij
-riepen gemeene woorden naar de voorbijgangers, meest dronken soldaten
-en matrozen. Van binnen uit de kroegen klonk valsche muziek van
-harmonica’s en orgels. In de nauwe steeg hing een weeë stank van
-faecaliën en lekkende riolen.
-
-Een afzichtelijk wijf kwam een kroeg uit, en pakte Paulus brutaal bij
-een arm, een liefkoozend woord roepend, dat op een vloek geleek.
-
-Met een schreeuw van afgrijzen rukte hij zich los, en holde de straat
-uit.
-
-Elias had hem spoedig ingehaald.
-
-„Dat was zwak van je,” zeide hij. „Je moet eerst goed alles van de
-misère zien vóór je het goddelooze onrecht heelemaal kunt beseffen...
-dit is nu een zoogenaamd genot voor den arme... waar hij met een
-ellendig beetje geld toch óók nog altijd macht kan hebben over
-vrouwen... Zoodrá de proletariër maar even wat geld bezit is hij óók,
-op zijn beurt, even de baas over een ander, die het niet heeft... en
-die afschuwelijke beesten van wijven zouden heusch niet zóó geworden
-zijn als ze in eene maatschappij waren geboren, waarin de
-productiemiddelen rechtvaardig waren verdeeld... Niet zij zijn de
-schuld van haar verdierlijking... In onze lichte, mooie Leliënstad,
-rijken en armen onder haar medegerekend, wonen veertig duizend van die
-vrouwen, die van hun schande moeten leven... vergeet dit niet, veertig
-duizend... In het centrum van de beschaving...”
-
-Nadat Elias afscheid van hem had genomen wandelde Paulus nog wat door.
-
-Het pas geziene onrecht schrijnde brandend in zijn borst. Hoe was het
-mogelijk, dat de menschen wreeder waren dan verscheurende dieren! Dat
-zij rustigjes en kalm in hun wèl gesloten huizen sliepen onder warme
-dekens, zonder dat al die ellende buiten hen ook maar éven op deed
-schrikken. Veertig duizend vrouwen overgeleverd aan schande en
-bezoedeling, en tóch bleef ieder ongeroerd in zijn leventje doorgaan,
-zonder zich bezorgd te maken of er niet iets verrot moest zijn in de
-maatschappij!
-
-Hij voelde een walging, als een die onpasselijk is van vieze reuken en
-afzichtelijke smaken. Het leek hier wel een hel, in deze groote
-Leliënstad, die het centrum was van beschaving. Geen stap kon je doen
-op de groote Boulevards of je werd herinnerd aan iets gemeens.
-Omgekochte kerels drukten je aanbevelingen en adressen in je hand van
-ontuchtige gelegenheden, camelots kwamen bij je met vieze prentjes of
-doorzichtige kaarten, geverfde vrouwen lachten je liederlijk toe. Als
-je niet meer onnoozel was, en je wist het eenmaal, zag je overal de
-laagste vuilheid, die je tegengrijnsde. De liederlijkheid stroomde met
-vlagen door de straten.
-
-O! Nu ergens iets reins te zien, iets van troost, om al die ellende
-even te vergeten! Even een gezicht van goedheid, een ding van
-kuischheid, om weer te gelooven!
-
-En ineens dacht hij om de Cathedraal.—
-
-O! De Cathedraal, veilig hoog boven de stad van zonde en vooze schande!
-
-Haastig liep hij door, ijlings straat na straat uit, als een die dorst
-heeft en zoekt een lavende bron. Daar was de Leliën-Boulevard! Nu
-stijgen, stijgen, dat de duistere stad beneden verzinkt! En hij snelde
-naar boven, hijgend de steile helling op, in groot verlangen.
-Eindelijk, daar was het, eindelijk!
-
-Het reine. Het vrome. Het heilig rijzende omhoog. Roerloos rees de
-kalme Cathedraal op tot den blauwen maanlicht-hemel vol sterren.
-
-En zóó als nú in den lichten nacht had hij haar nog nooit gezien. De
-adem Gods omdroomde haar, en beefde geruischloos langs haar biddende
-bogen, en gleed onzichtbaar langs haar teêre lijnen. In het
-zachtjes-zilverende maanlicht was zij blank als een heilige bloem, en
-alles wat er van materie aan was werd vergeestelijkt in dien glans. Het
-fijne weefsel van haar kanten figuren was als aetherisch gespeel van
-sterren-stralen, dat dra vergaan zou in niets bij luchtigste beving van
-wind.
-
-Zóó luchtig en ijl was het kanten gedroom omhoog, dat het Paulus was,
-als stond de Cathedraal heel vaag te beven in nauw merkbare trilling,
-als een spinsel van veeren varens, van eigen lichtheid rillend in de
-lucht. De dunste, teederste blâren van boomen die hij gezien had, in
-stillen wouden-nacht, waren niet zóó innig en broos. En hoog in die
-kanten pracht stonden vrome heiligen met biddende handen, en engelen
-met recht-gestrekt zwaard, roerloos, met wijd gespreide vleugelen.
-
-Toen welden de lang opgekropte tranen eindelijk op in Paulus’ oogen.
-
-O! Zóó hoog zijn, zóó statig, en zoo rein! Zóó biddend te mogen
-oprijzen boven de duistere wereld, en in uiterste, rechte strekking,
-zich uit te rekken naar God, in allerhoogste spanning van innigst
-wezen!
-
-Hoe kalm was dit alles, hoe rustig, hoe eenvoudig, zooals een bloem
-rijst uit den grond, zoekend het licht! En hoe klein leek nu ineens al
-dat groot-verschrikkelijke van zooeven!
-
-Kijk, al die huizen daar beneden, het eene naast het andere, en dit wat
-hooger, en dat wat lager, als een stomme kudde, de koppen op elkaar,
-die zich in duister verdringt! En hoe triestig en armzalig, al die
-rijen lichtjes daar, weifelend en pinkend in den nacht! Hoe nietig
-waren ze nu ineens, de leventjes van al die honderdduizenden
-saamgehokte menschen daar beneden, die er rondploeterden met hun laffe
-lustjes en verlangentjes! Was het wel zoo verschrikkelijk als hij het
-daar net gevoeld had, en was het wel waard, zoo fel te beroeren zijn
-ziel van louter vrede en rust?
-
-Hier bij die hooge, kalme Cathedraal, opbloeiend als een heilige,
-blanke bloem naar den eindeloozen hemel vol sterren, was al dat geknoei
-daar ver beneden toch eigenlijk maar als dat van stoute, kleine
-kinderen, die morsen en nog geen zindelijkheid hebben geleerd.
-
-En waar al die kleine lustjes van de kleine menschjes daar zouden
-verteren, en al die knoeiende stumperts weldra zouden vergaan in het
-stof, daar zou die blanke Cathedraal heerlijk blijven staan, door de
-eeuwen heen, onvernietigbaar, in goddelijke glorie....
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XII.
-
-
-Toen leerde Elias hem de ware inrichting van de groote
-menschen-maatschappij in Leliënland, en hoe schoon haar schijn was, met
-de leugens van wetten en rechten, die enkel de rijken, de bezitters ten
-goede kwamen, maar de armen onderdrukt hielden in brood-slavernij,
-erger dan die van de slaven onder wilde negerstammen. Hoe heerlijk
-schoon waren die leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hoe
-edel leek dat beginsel, het volk geregeerd door het volk, door de
-vijfhonderd mannen uit het Parlement, die zij zelf kozen, en de koning
-of koningin genadiglijk bekrachtigend wat het volk wilde! Die vrijheid,
-waar honderdduizenden moesten zwoegen en bloedig zweeten voor een
-hongerloon, omdat zij anders als honden zouden sterven, die gelijkheid,
-waar de eerste de beste poen met geld in weelde zwelgde, en de arme
-arbeider wegkwijnde in honger en gebrek, die broederschap, waar ieder
-koud zijn eigen weg ging, ongeroerd door anderer ellende en verdriet!
-Die volks-regeering, waar juist de meerderheid, de arme stakkers, niet
-konden kiezen, omdat zij waren uitgesloten van de stemming, en de
-bezitters, liberalen of clericalen, enkel die mannen kozen die hun
-bezit zouden verzekeren ten koste van de jammerlijke stumperts, die
-daarvoor verdrukt moesten blijven!
-
-En Elias overstelpte Paulus met boeken en brochures, waarin het onrecht
-der huidige maatschappij werd aan den dag gelegd. Hij trachtte ze met
-aandacht te lezen, maar al de daarin neergelegde theorieën, ze
-warrelden door zijn hoofd, zonder tot klaarheid te komen. Die
-diepzinnige beschouwingen omtrent den oorsprong van het kapitaal, de
-overproductie, de rente, de meer-waarde, de sociale evolutie, de
-loonen, zij deden zijn hoofd duizelen.
-
-Maar dat was niets, zeide Elias. Er was ook eerst jarenlange studie
-voor noodig, en als hij maar een paar jaar ijverig studeerde, zou hij
-wel goed op de hoogte komen.
-
-Nú voelde Paulus vast alleen heel helder en klaar dat ééne, eenvoudige
-feit, dat de kleinere helft van de menschen in weelde en overdaad
-leefde, en dat de overgroote helft moest zwoegen in gebrek en kommer,
-om dien toestand van onrecht te doen voortduren.
-
-Daar waren geen dikke, geleerde boeken vol theorieën en beschouwingen
-voor noodig, dat zag je van zelf, als je maar éven je oogen gebruikte
-en je verstand liet werken.
-
-Maar juist dit ééne, eenvoudige feit, waar toch alles op neerkwam,
-schenen de menschen niet te zien of niet te willen zien.
-
-Ook begreep Paulus zonder studie die tweede, voorname waarheid, dat de
-aarde voor allen gelijkelijk was bedoeld, en ieder mensch dezelfde
-rechten had op alles wat uit de aarde voortkwam, zooals de vogels
-gelijke, natuurlijke rechten hadden in het bosch.
-
-Zeker, hij zou leeren, hij nam zich voor alles met aandacht te lezen,
-wat Elias hem geven zou, maar déze twee simpele, groote waarheden droeg
-hij alvast als kostbare, maar droeve schatten in zich om.
-
-En langzamerhand begon hij ook de vreeselijke, verdoemenswaardige macht
-in te zien van het geld.
-
-In ’t eerst, toen hij pas de goud- en zilverstukken in zijn bezit had
-gekregen, leken ze zulke onschadelijke, gemakkelijke dingen, meer
-goedig dan gevaarlijk.
-
-Maar nú begon hij hoe langer hoe duidelijker te voelen de laffe kracht,
-die in die blinkende stukken metaal lag. Want geld, oorspronkelijk als
-eenvoudig ruilmiddel bedoeld, dat was enkel de macht die de bezitter er
-van heeft over een medemensch, die het niet bezit, had Elias hem
-geleerd, en bij een weinig nadenken had hij ingezien, hoe juist dit
-was. Voor geld was alles te krijg. Voor geld kon een man zelfs een
-vrouw koopen, haar lichaam huren, om het te bevuilen met zijn lust, als
-de vrouw het geld niet bezat. Hij had zich geschaamd, toen hij zag, hoe
-de beeltenis van Leliane op al die geldstukken was gegraveerd, en hij
-voelde opeens de gedachte in zich opkomen, dat hij, indien hij zoo
-bleef dóórvoelen, zou moeten eindigen met géén geld meer te mogen
-aannemen, zelfs niet van Háár.
-
-En alles in de groote maatschappij werd door dat geld beheerscht,
-zonder uitzondering. Al de conventies, al de instellingen, het gezin,
-het fatsoen, het huwelijk, zij stonden allen onder den invloed van het
-geld. Er was geen diepe studie noodig om dit te zien, enkel het
-eenvoudige, oprechte voelen van een kind.
-
-Ook veel schoone dingen liet Elias hem zien in Leliënstad. Hij leerde
-hem te waardeeren wat de groote schilders van het land hadden
-voortgebracht. Hij nam hem mede naar concerten, waar Paulus uren van
-verrukking doorleefde, zooals hij ze in het Bosch zelfs niet had
-gekend. Beethoven en Bach begon hij te vereeren als heiligen, en hij
-vergat al zijn verdriet als hun heerlijke harmonieën hem omruischten.
-Dan leek het hem, of hij nú eerst de mooie werkelijkheid van het
-menschenleven voelde, en al het andere maar booze schijn van droom was
-geweest. En het was hem dan ineens, of Leliane weer heel dicht bij hem
-was, en nooit eigenlijk weg was geweest.
-
-„O! Niets te hooren dan dit!” had hij tegen Elias gezegd. „Zou je zóó
-niet kunnen leven? Al het leelijke uit den weg gaan, en enkel maar met
-idealen leven? Niets bij je willen hebben dan mooie schilderijen, en
-verzen, en muziek?”
-
-En Elias had gezegd:
-
-„Zeker kán dat. De meesten van die verfijnde menschen doen dat, die
-zich tegenwoordig „artiesten” noemen. Maar vergeet niet, dat al die
-mooie dingen weer alleen voor die kleíne minderheid van de menschen
-zijn, die er met de macht van het geld bij kunnen komen. Voor de
-tobbende stakkerts zijn die mooie dingen niet. Ze zouden ze ook niet
-begrijpen, zoolang ze in de verstomping leven van beestachtig werk en
-hongerig gebrek. En zou je al dat mooie kunnen genieten als je weet dat
-honderdduizenden van je medemenschen in ontbering hun deel er niet van
-krijgen?”
-
-Toen was er iets in Paulus gekomen, dat het hoogste genot voor hem
-bedierf.
-
-In zoo’n concertzaal zitten, en dan in eens te denken aan al het
-onrecht en de leugen daarbuiten! ’s Avonds na afloop op straat komen,
-en de sombere figuren van zoekende prostituées te zien ronddolen in
-regen en kou! Dan vond hij zich wel eens een onwaardige, dat hij had
-kunnen genieten, wijl het weten van de ellende zijner medemenschen
-bewust in zijn ziel was.
-
-Het groote stads-leven werd nu opeens voor hem als een booze droom, nu
-hij de verschrikkelijke motieven had gezien, die al die droeve drommen
-van menschen bewogen in dat warrelende gewoel. Zoo op het eerste
-gezicht leken al die menschen eer belachelijk dan gevaarlijk, in hun
-smakelooze kleeren, met hun onbevallige, hoekige gebaren, maar nu hij
-beter wist wat ze wilden, verschrikten ze hem als wilde dieren, die
-enkel op de bevrediging van hun vraatzucht zijn belust.
-
-Het zenuwachtige gejaag op de breede, rijke boulevards, het gejoel in
-theaters en groote restaurants, al het gedoe en gescharrel was toch
-maar op één ding gericht: den dierlijken hartstocht, van allen
-schoonheidsglans ontdaan.
-
-En het getob en gezwoeg in ’t dagelijksche leven van zaken en
-bezigheden, het geknoei op de beurzen, het gewoeker met effecten en
-papieren, het gegraai naar meer en meer bezit, het was toch eigenlijk
-allemaal maar om dat ééne genot te hebben van vrouwen, en vrouwen, en
-nóg eens vrouwen, enkel haar lijven, en anders niets. Dáárvoor alleen
-waren de leugen en het geweld van de rijken, dáárvoor alleen leden de
-misdeelden armoede en honger, en werden zij afgebeuld tot het laatste
-zweet van hun uitgemergelde lichamen.
-
-En, het ergste, tóch waren die bevoorrechte menschen, die dan alles
-hadden wat weelde en geld hun konden geven, niet gelukkig. Dat zag hij
-wel aan hun harde, expressie-looze gezichten. Het genot dat zij
-voorgaven te hebben, was een leugen. En de lach van de vrouwen, die met
-diamanten en zijden gewaden prijkten, was geen lach van vreugde. In
-allen was de onrust, die hen altijd maar voortdreef naar nieuwe
-genieting, die nooit voldeed, en hij wist niet wie meer te beklagen
-waren, de slaven der maatschappij, afgebeuld door hard werken, of de
-rijke meesters, afgejakkerd door hun altijd onbevredigde begeerten,
-zonder één oogenblik van kalme rust, zooals een hert dan tenminste nog
-heeft, dat stil ligt te droomen in het bosch, zonder zorgen.
-
-Of zoo iets mensch-onteerends als de Zondagsche pantoffel-parade in het
-Koningspark, ’s middags tusschen twee en vier.
-
-Dan vierde de afschuwelijke bourgeoisie haar hoogtijd, en kwam zij tot
-haar opperste moment van leelijk zijn.
-
-Het onuitstaanbare van een combinatie mama-papa-en-de-kinderen,
-allemaal in Zondagsche pakken gestoken, papa met een hoogen hoed op,
-mama in een zwarten mantel met gitten, de kinderen met de vingers
-stijf, wijd-uit in de ongewone handschoenen. Het nadoen van de echte
-aristocratie, die tenminste nog iets van gratie had, door kruideniers
-en kappers en winkelbedienden, dezelfde menschen, die socialistische
-neigingen hadden en praatten over veredeling der maatschappij!
-
-Het schijnbaar zedige en niet-mogen-kijken van damesachtige meisjes,
-die de oogen moesten neerslaan als een man ze aanzag, maar toch
-dadelijk heelemaal te krijgen waren voor den eersten den besten lomperd
-met een „positie” die een vrouw, of ’t een beest was, kon
-„onderhouden!”
-
-En, het ergste van alles, dat welgestelde van die Zondagsche
-Park-wandelaars in hun goedkoope heeren-en-dames-plunje, dat
-egoïstische van met-je-vrouw-en-je-kinderen-goed-te-eten-hebben, en
-„fatsoenlijk” te kunnen leven als „nette menschen,” zonder een aasje
-idee van de ellende der anderen, die niet in dat Park kwamen wandelen,
-omdat zij honger leden en koû! Juist die aparte groepjes van familie
-onder elkaar lieten zoo duidelijk zien hun absoluut egoïsme, hun totale
-onverschilligheid voor alles, wat niet tot het troepje behoorde.
-Eigenlijk wandelden al die Zondagsmenschen daar schaamteloos hun
-egoïsme rond. Maar ’s ochtends waren zij naar de kerk geweest en hadden
-gebeden met den priester of den dominé, en een paar koperen duiten in
-het groene zakje gegooid. O! Al dat leelijke te zien, dat grove, dat
-schijnheilige van Zondagsmenschen op de wandeling, en dán nog te
-gelooven aan de machtige woorden van Christus, dat dit zijn broederen
-en zusteren waren! Dikwijls kwam er onwillekeurig een bittere spotlach
-om Paulus’ lippen als hij hierom dacht.
-
-De leugen van alles drukte hem nu zoo zwaar, dat hij soms moeilijk
-ademhaalde als hij onder veel menschen was, en zich wel eens moest
-bedwingen om niet uit te huilen van pijn, of hoog uit te schreeuwen
-zijn gloeiende verontwaardiging.
-
-Bizonder sterk was het op den Zondag, als al de menschen met een
-Zondagsch gelegenheidsgezicht in andere kleederen dan door de week over
-straat gingen. Het verschrikkelijke, van die menschen ’s ochtends
-kerkwaarts te zien gaan, hun gezangboek onder den arm, den leelijken,
-monsterachtigen Dom in, om een heel gewoon mannetje in leelijke, zwarte
-toga rhetorica te hooren galmen over wat hij wel durfde te noemen God!
-Of, nog erger, als hij ze in hun leelijke, stijllooze kleeren de
-wondermooie Cathedraal zag binnentreden, wetende de goddeloosheid en
-het egoïsme in hun harten!—
-
-Heel erg kon de benauwing ook voor hem worden in een concertzaal. Te
-hooren de wondervolle extaze van Tristan en Isolde, en dan al die
-fatsoenlijke, correcte menschen te zien, met uitgestreken gezichten,
-die net deden of ze zoo iets mooi vonden, en barbaarsch lawaai maakten
-met hun handen als het uit was, als een troep wilden! De leugen, dat
-zij die extaze werkelijk mooi zouden vinden, en dus diep in zich
-voelen, terwijl zij zelf opgepropt waren met berekening en egoïsme, en
-hun zoogenaamde liefde borneerden door dwang-ideeën van stand en
-fatsoen, die alle heiligheid verstikten! Die menschen, die de eersten
-zouden zijn om al hun laster en kwaadaardigheid uit te storten, waar
-ergens eens eene liefde dorst op te bloeien als die van Tristan en
-Isolde, die hun dochters opvoedden tot duffe marktwaar, te verkwanselen
-op bals en dinertjes, waar ze uitgestald werden als nuchtere kalveren,
-die huwelijken sloten uit listige speculatie, en zich dan toch niet
-schaamden, Gods zegen te komen halen over hun miezerig gedoe! En dat
-zat dan in opgeschroefde extaze zich aan te stellen bij zulke
-wonder-heerlijke muziek als van Tristan en Isolde!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIII.
-
-
-Eéns op een middag, toen hij peinzend over het Domplein liep, werd hij
-opgeschrikt door het zien van een grooten troep volk, die zich midden
-op het plein had verzameld, of er een ongeluk gebeurd was. Hij drong
-zich door de menschen heen, en zag een heel klein jongetje, dat
-erbarmelijk stond te huilen. Een slagersjongen wilde hem bij den arm
-nemen, maar het mannetje sloeg met de vuistjes van zich af, en wilde
-met niemand te doen hebben.
-
-„Vader!... vader!...” riep hij maar.
-
-Juist wilde Paulus op hem afgaan, toen het jongetje een opening zag in
-den menschenkring om hem heen, en hard wegholde, verbazend vlug op zijn
-kleine beentjes. Zijn hoedje rolde af, en blootshoofds rende het ventje
-het plein over, waar zware rijtuigen ratelden, en electrische trems
-klingelend en rinkelend voorbij stoven.
-
-„Vader!... vader!...” gilde hij, en zóó holde hij, heel klein en heel
-armpjes, om zijn vader te zoeken, door het lawaaiende gevaar van het
-groote meedoogenlooze stadsleven. Hij scheen in zijn angst niets meer
-te zien, en rende maar blindelings door. Dáár kwam een gele, zware
-electrische trem aan, en van de andere zijde een tweede: groote, wreede
-gevaarten, daverend en bellend, maar het kleine kereltje holde langs de
-rails....
-
-Nog juist had Paulus tijd hem te grijpen, en het zware monster lawaaide
-onverschillig voorbij.
-
-Angstig en woedend keek het knaapje naar den jongen man, die hem in
-zijn armen had opgetild, maar met dat instinct, dat kinderen hebben en
-honden, voelde het, dat hier een vriend voor hem was.
-
-„Mijn vadertje!... mijn vadertje!...” huilde hij, „waar is vadertje?”
-
-Paulus begreep, dat het kereltje zijn vader was kwijtgeraakt. Het was
-nog een heel klein ventje, dat hij daar gered had, van vier of vijf
-jaar. Hoe hulpeloos en bang keken zijn verschrikte oogjes! Hoe heel
-klein en broos, zoo’n kinderleventje, alléén gelaten in die groote stad
-van zonde en ellende en gevaren!
-
-Met veel moeite wist hij uit het knaapje los te krijgen den naam van de
-straat waar zijn ouders woonden. Het was niet ver, en gelukkig wist hij
-den weg. En met het kleine mannetje aan zijn hand liep hij het drukke
-plein over, en dóór naar het veilige huis. Hij wist hem met
-vriendelijke woorden gerust te stellen, en zag met vreugde, dat hij nu
-ook bedaarde, en vertrouwelijk met hem werd. Eenmaal in de goede straat
-gekomen, wist het mannetje zelf het huis te vinden. Paulus belde, en
-een burgervrouw deed open. Hoe het kereltje in haar armen vloog, hoe
-alles nu weer goed bezorgd was, en wèlvertrouwd, nu het veilige thuis
-was gevonden! En hoe goed het hem deed, toen het ventje hem vriendelijk
-bleef handjes-wuiven toen hij weer terugging!
-
-Maar onderweg voelde hij opeens de pijn van een wreede gedachte. Dat
-kleine, hulpelooze kereltje, dat daar zoo héél armzalig was alleen
-gelaten, in die groote stad van gevaar, roepend om zijn vader.... was
-hij dan iets anders? Was hij niet even ongelukkig, even verlaten in het
-groote, meêdoogenlooze Leven, en had ook hij zijnen Vader niet
-verloren? Had hij Hem niet aangeroepen in bitteren nood, had hij Hem
-niet droeviglijk gezocht in de duisterste eenzaamheden van zijne
-gedachten, had hij Hem niet met tranen gebeden, hem te helpen en tot
-hem te komen, waar hij in donkere zonde was afgedaald? Was hij niet
-precies even verlaten en hulpeloos als dat kleine kereltje, dat hij
-zooeven bij moeder thuis had gebracht?
-
-En al die andere, blinde, dwaze menschen, die óók maar doorholden in de
-gevaren van ellende en duisternis, waren zij óók niet eigenlijk hun
-Vader kwijt, en liepen zij dáárom niet zoo dol in het krankzinnige
-door, zonder ooit het veilige Thuis te vinden? Liepen zóó ook niet in
-de wreede misère van de zwarte nacht-straten de klagelijke vrouwen en
-meisjes, die voor geld te koop moesten geven wat verwant was aan het
-heilig maagd-mysterie van Leliane? Was in al hun wanhoopsblikken, in al
-hun wanhoopsgelach, in al hun gebaren en woorden eigenlijk niet het
-verstikte, onderdrukte roepen om hun Vader, die hen alléén liet in de
-misère?
-
-O! Als een vader, een gewone, menschelijke vader wist dat zijn kind
-hulpeloos ergens alleen liep, hem roepend met klagelijk geschrei, en
-bedreigd door vele gevaren, zou hij niet aansnellen, ademloos, en het
-bergen, veilig in zijn sterke armen?
-
-Maar die eindelooze, hemelsche God, Wiens aangezicht hij gezien had in
-de klare pracht van den dageraad, en in de majestueuze drooming van den
-avond, Wiens stem hij had gehoord in het ruischen van nachtelijke
-winden, en Wiens tegenwoordigheid hij vol eerbied gevoeld had in de
-stilte van het woud, die almachtige, eeuwige God, uit Wiens wezen al de
-wonderen der wereld waren geboren, Hij liet zijne kinderen droeviglijk
-alléén in het duister van zonde en gevaren, en niet strekte Hij de hand
-reddend uit naar wie in wanhoop schreiend om Zijn hulp riep, uit
-allerbittersten nood. Wreed en koud ging het Leven door, het
-hulpgeschrei der lijdenden en verdwaalden werd verdoofd in het daverend
-voort-lawaaien van zijn’ gang, en géén antwoord kwam van dien Vader,
-die toch wist hoe Zijne kinderen doolden, en in ellende moesten
-vergaan!
-
-En wéér dacht hij om die machtige spreuk op den Dom, die hij de laatste
-weken maar niet kon vergeten:
-
-
- Ziet ik ben bij
- U alle dagen tot aan
- Der wereld einde.
-
-
-Hij zag, hoe de menschen op straat om hem heen gingen. Hoe hard en koud
-waren toch al die vreemde gezichten! Hoe onverschillig voor elkander,
-hoe apart elk bezig met zijn eigen ik! Allen gingen naar een eigen
-doel, allen met andere gedachten, en geen warmte van gelijkheid en
-vertrouwen leek er tusschen hen te bestaan. Zooals bijvoorbeeld de
-stille vertrouwelijkheid in het bosch, als ineens alle boomen te zamen
-ruischten en hun broederlijke kruinen naar ééne zijde negen, onder
-denzelfden vaderlijken wind voor allen....
-
-
-
-Instinctmatig voelde Paulus, dat hij nog niet met graaf Marcelio over
-al de dingen moest praten, die hij door Elias had geleerd. Hij vermeed
-zorgvuldig alle aanleiding om er over te beginnen, besloten als hij was
-om te wachten tot alles beter in hem tot klaarheid was gekomen.
-
-Maar ééns werd het hem te sterk, en liet hij er onvoorzichtig iets van
-los. Het was op een avond, toen hij met Marcelio te voet naar huis
-ging, omdat het mooi weer was, en de lucht zoo heerlijk frisch na de
-benauwde atmosfeer van een met menschen overvulde concert-zaal.
-
-De Koninginnestraat was nu weer vol van vrouwen, die in het triestige
-licht van de lantarens op en neer slenterden voor de met ijzeren
-valluiken gesloten winkel-paleizen. En ineens zag Paulus de
-nacht-misère weer even grimmig voor zich als dien eersten avond, toen
-hij uit het raam naar beneden had gekeken, en niet begrepen had.
-
-„Marcelio,” zeide hij, bewogen. „Vin-je het niet verschrikkelijk, die
-vrouwen allemaal?”
-
-Maar de aristocraat begreep hem niet.
-
-„Het zijn gemeene wijven,” antwoordde hij. „Maak je er niet bezorgd
-over. Ga liever mee nog wat gezellig een grogje drinken boven.”
-
-Maar boven in de weelderige, veilige kamer gekomen, kon Paulus het
-vreeselijk gebeuren daar buiten niet vergeten. Hij schoof het gordijn
-weg, en zag in het half-duister van de nacht-straat de donkere, sombere
-zonde-figuren dolen. En hij kon het niet meer verkroppen, en barstte
-uit.
-
-„Je zegt, dat het gemeene wijven zijn daar beneden, maar ik vind dat
-het een gemeene maatschappij is, die zoo iets mogelijk maakt... Dacht
-je dat die vrouwen het voor hun plezier deden? Dat ze zoo’n ellendig
-métier zouden hebben, als ze in liefde en geluk waren opgevoed? Als ze
-beter in de maatschappij waren bezorgd? Die menschen hebben hun heele
-leven lang niets dan ellende gekend, òf ze zijn er door armoede of
-onrecht toe gekomen. Wie weet, hoe velen er niet onder zijn, die door
-echte, zuivere liefde tot die misère zijn gebracht, die éven voor
-rijke, beter in ’t leven geplaatste mannen voor tijdverdrijf hebben
-gediend, en daarna aan hun lot zijn overgelaten... Al die vrouwen zijn
-toch ééns kinderen en meisjes geweest... Hoe kan je zoo iets
-verschrikkelijks aanzien, Marcelio, en er niet meer door ontroerd
-worden, of het iets héél gewoons was? Ik vind het vrééselijk... Ik
-begrijp niet hoe al die deftige, goed verzorgde meisjes en vrouwen van
-de zoogenaamde hoogere standen maar onbezorgd kunnen voortleven als ze
-weten dat duizenden van haar zusteren zoo diep in de ellende zijn
-verzonken... hoe je ooit rust kunt hebben, en op je gemak mooie dingen
-van kunst genieten, als dat ontzettende lijden je op straat zóó maar
-voorbijgaat. Want lijden is het, al weten de meesten van die armen het
-gelukkig zélf niet... en dan er nog op neer te zien en ze „gemeene
-wijven” te noemen... zijn de andere vrouwen niet gemeener, die
-eigenlijk ten koste van al die misère in hun weelde lekkertjes
-leven?...”
-
-Marcelio zag hem verbaasd aan, en vroeg, ietwat spottend:
-
-„Maar Paulus! Ben je soms sociaal-democraat geworden?”
-
-„Neen, sociaal-democraat niet. Alleen maar mensch behoef je daarvoor te
-zijn. Alleen maar christen, als je wilt, maar dan christen, zooals
-Christus dat meende, en niet de zoogenaamde christenen van hier, die de
-ongelukkigen er onder willen houden om zelf lekker te leven. Maar zeg
-me eens, Marcelio... Weet de prinses de verschrikking van de
-prostitutie? Lijdt zij er niet onder, dat duizenden van hare zusteren
-van schande en bezoedeling moeten leven?”
-
-„De prinses?...” vroeg Marcelio. „Haar Koninklijke Hoogheid?... Maar
-wat bezielt je nu, Paulus?... Dacht je dat die zich druk zou maken om
-al die akeligheden van het gemeene volk? Gelukkig niet, hoor!... Daar
-staat ze veel te ver boven. Dat is goed voor socialistische
-parlementsleden en zoo. De prinses heeft wel wat ánders te doen... Die
-kan zich toch niet met al die gemeene vrouwen afgeven...”
-
-Paulus zweeg, om niet in harde woorden uit te vallen.
-
-Hij staarde naar de tragische figuren, die daar nog ronddoolden in de
-nacht-straat, om het heiligste te verkoopen voor wat geld...
-
-Grimmig leken hem de zware ijzeren valgordijnen van de winkels,
-waarachter al de schatten van goud en juweelen waren verborgen, enkel
-voor de rijken en de nietsdoeners bestemd, die in weelde zwelgden. En
-daar buiten, vlak er bij, alleen maar er van gescheiden door dat harde
-ijzer, liepen de ongelukkige misdeelden, die voor een paar luttele
-guldens hun lijf liepen te veilen, schandelijk, in uitersten jammer....
-
-Hij voelde het onrecht scherp schrijnen door zijn ziel. En ineens vroeg
-hij zich af, of het wel goed was, dat hij daar nu zelf zoo lekkertjes
-zat, warm en veilig, en eigenlijk leefde van het goud dier rijke
-prinses, die daar zoo hoog troonde in een blinkend paleis van wit
-marmer, onbewogen voor het lijden harer zusteren, onbarmhartig gehuld
-in eigen reinheid, die niet bevlekt mocht worden door aanraking met de
-ellende....
-
-Hij voelde dat er nu iets aan ’t wankelen in hem was, iets van het
-allermooiste en heiligste in zijn ziel, dat kraakte en scheurde, en nog
-eens breken zou.
-
-Het was hem, of de goddelijke sfeer waarin hij Leliane’s beeld zag
-tronen, langzamerhand begon te verduisteren, nu hij het groote lijden
-van de wereld had gezien, waarvoor zij onbewogen bleef, ongenaakbaar in
-eigen schoonheidsglans gehuld.
-
-De deernis voor het lijden der menschen begon hooger en hooger in hem
-te stijgen en waasde een droeven nevel tegen de vlekkeloos glanzende
-vereering, die in hem was opgeblonken voor haar majestueuze beeld.
-
-En vaag begon hij vóór te gevoelen, dat er nog iets anders in hem was
-gekomen dan zijn ziels-verlangen naar al het mooie van verre
-horizonnen, en stille sterren-nachten, en witte wolken-droomen, dat tot
-zijn innigste hoogste was gestegen in zijne aanbidding voor Leliane, en
-dat dit andere beter en heiliger moest zijn dan het eerste, misschien
-zelfzuchtige gesmacht naar één-zijn met al wat schoon was,—omdat het
-wezen daarvan was de goddelijke barmhartigheid, die eigen geluk om
-schoonheid niet genieten kan als niet alle mede-menschen het kunnen
-deelen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XIV.
-
-
-Op een avond, tegen vijf uur, toen zij uit de Bibliotheek kwamen, vroeg
-Elias of Paulus nu eens even mee wilde wandelen door de arme buurten,
-waar de ellendigen woonden.
-
-„Waar wij zoo loopen is het gewoonlijk nog al netjes,” zeide hij, „en
-de meeste menschen, die het zoo’n beetje doen kunnen, zien nooit iets
-van al het akelige en afschuwelijke. Er zijn hier honderdduizenden, die
-nooit in de wijken der misère geweest zijn.”
-
-Met een electrische trem reden zij drie kwartier lang naar een
-westelijke buurt van de stad, waar Paulus nooit was geweest.
-
-En nu werd het als een booze droom, te bar om werkelijkheid te
-gelijken. Straten, bedekt met vastgekoekte modder, vol koolstronken en
-sinaasappelschillen, krotten, vooroverhangend van ouderdom, zwart en
-verweerd, met gebarsten ruiten, waar het wemelde van havelooze, woest
-uitziende stakkerts. Kinderen speelden in het vuil van de straat,
-tusschen afval en lorren, als morsige honden. Overal hing walmende
-stank van slechte rioleering en vuile kleeren. Joden met wagens vol
-rotte vruchten en bedorven eetwaren liepen door de buurt, twistend met
-wijven in afzakkende jakken en vuile rokken. Overal klonk gevloek en
-gescheld uit heesche kelen.
-
-Uit de gebroken vensters hingen vieze lompen te drogen, gore hemden en
-broeken vol gaten.
-
-„Dit is nu het begin pas van de ellende-buurten,” zeide Elias. „Hier
-wonen duizenden en duizenden menschen in verdierlijking en vervuiling.
-Het is niet deze eene straat hoor, maar een geheele wijk, die zoo is,
-een kleine stad apart. Het vuil is er zóó ingeroest, dat het niet meer
-weg te krijgen is. De heele buurt zou verbrand moeten worden en nieuw
-opgebouwd. Zie je die kleine venstertjes overal, daar heel boven zelfs
-nog, op de vierde verdieping? Daar zijn hokken van kamertjes onder de
-kapotte pannen, waar de wind door waait, en de regen binnen gutst. En
-daar huizen geheele gezinnen, man, vrouw, en kinderen, in weêr en wind,
-in den stank van hun eigen faecaliën. De paarden en de honden van de
-rijkelui hebben het beter. Maar hier is het nog mooi. De aristocratie
-van de misère zou je het kunnen noemen. Dit is nog een breede straat,
-waar lucht door den pestwalm heen kan komen. Nu moet je nog eens verder
-zien, in de stegen en sloppen.”
-
-En hij nam Paulus mede, nauwe zijstraatjes in, waar het licht niet
-doordrong, zoo dicht stonden de krotten op elkaar, tot zij in een
-doolhof van nauwe gangen kwamen, in een verstikkende atmosfeer.
-
-Paulus hield Elias’ hand stijf vast, bang hem te verliezen en alleen te
-blijven, zonder ooit den weg weer te vinden.
-
-„Dit zijn de zoogenaamde „Sloppen der Verlorenen”” zeide Elias. „Hier
-wonen menschen, die nooit buiten een bloem hebben gezien. Ik zou je
-hier niet graag ’s avonds meenemen. Dan zouden we niet meer terugkomen,
-vrees ik. Ze zouden ons vermoorden als kippen, alleen om onze kleeren.”
-
-Strompelend over scherven en hoopen afval liepen zij door de duistere
-steegjes, de oogen verblind door stof en damp. De huizen-krotjes leken
-hier zwarte gaten, waar donkere figuren in rondkrioelden. Het leken
-holen voor wilde dieren, die in hun vuil waren opgesloten. Hier en daar
-walmde een olielampje, miserabel en triestig, en dan zag Paulus iets
-wat op een mensch geleek door het zwarte hol bewegen, vaag en
-siniester. In die krotten klonk geschreeuw en gebrom, als van beesten.
-Hier en daar, op een wrak planken balconnetje was een wijf bezig
-morsige lappen goed op te hangen, om te drogen in de muffe lucht vol
-stof en dampen. De logge keien van de straat waren hobbelig en puntig,
-en hier en daar waren gaten in den grond, vol slijk, waar halfnaakte
-schepseltjes van kinderen met stokken in morsten, en popjes maakten van
-modder.
-
-„Dat is nu het speelgoed van die kinderen,” zeide Elias bitter. „Ze
-hebben niet anders.... Ik zie aan je gezicht, dat je je misselijk voelt
-worden. Maar in dezen stank leven duizenden menschen, hoor, die niet
-beter weten of ’t hóórt zoo.... En deze vunze krotten zijn het „home”,
-waar afgetobde stakkerts in terugkomen nadat ze den geheelen dag
-gesjouwd hebben in donkere fabrieksholen, of diep onder den grond, in
-het metselwerk van de rioleering.... Je ziet het nu alleen maar van
-buiten, maar je moest deze krotten eens van binnen zien.... Geen
-beesten, maar ménschen huizen hier in die kamertjes met vochtige muren,
-waar de vuilniston in een hoek staat, en de pijpen der privaten
-dóórlekken.... vijf, zes kinderen, jongens en meisjes door elkaar,
-liggen daar in één nest, want een bed kan je zoo iets niet noemen, als
-jonge honden, en dat nest blijft dag en nacht warm omdat er zijn die
-overdag, en die ’s nachts moeten werken.... die kinderen hebben dan
-eerst tien of twaalf uren aan een wiel gedraaid ergens in een fabriek,
-of giftige verfstoffen aangedragen, of kalk gebrand.... en die heele
-familie leeft van slechte aardappelen, of afval van den slager als ze
-eens bizonder getracteerd worden.... Pas op! Val niet over dat
-wurm!....”
-
-Paulus was bijna gevallen over een rondkruipend wichtje van zoowat twee
-jaar, dat uit een van de krotten, op handen en voeten, door den modder
-in de straat was gekropen. Het leek meer op een ongelukkig diertje dan
-op een kind.
-
-Het was Paulus, of hij dit alles zag in eene nachtmerrie, die geen
-realiteit kon zijn.
-
-Hoe kon dit bestaan, vlak bij de weelde van de Boulevards en de
-Koninginnestraat vol millioenen, die daar nutteloos voor de vensters
-lagen uitgestald? Hoe was het mogelijk, dat levende wezens in die
-duistere krotten waren samengehokt, terwijl buiten de velden waren, en
-de weiden, en de bosschen, vol frissche geuren en zuivere lucht? En de
-aarde was toch zoo groot, vol vruchtbaren, sappigen grond, die altijd
-gul-bereid was te geven, als hij werd bewerkt! Maar, het ergste—hoe
-konden al de welgekleede, goed gevoede menschen zoo rustig en kalmpjes
-blijven leven, als ze toch wisten dat al die ellende bestond?....
-
-Opeens zag hij een woest gezicht vol haat tegen hem aankijken.
-
-Een havelooze kerel was uit een der krotten gekomen. Een gescheurd hemd
-hing om zijn lichaam, en een gelapte, vette broek flodderde om zijn
-beenen. Zijn bloote voeten, vies, vol korsten, stonden op de koude
-steenen. De ongewasschen, door elkaar verwarde haren en de vuile baard
-gaven hem iets van een verwilderd beest. Gemeene vloeken en ruwe
-scheldwoorden schreeuwden schor uit zijn vuilen mond tegen Paulus aan.
-
-„Doorloopen,” waarschuwde Elias. „Niets antwoorden. Die kerel wordt
-woedend, omdat hij ons hier ziet slenteren in goede kleeren.... Ze
-kunnen het niet velen, dat hier heeren komen kijken.... Ze willen dan
-tenminste hun ellende nog voor zich zelf hebben.... Kom mee, ik weet
-hier den weg....”
-
-En zij liepen haastig verder, de sloppen uit, terug naar de hoofdstraat
-van de misère.
-
-Paulus beefde van zenuwachtigheid.
-
-„Wat keek die man mij aan!” zeide hij, angstig. „Waarom haat die man
-mij?... Ik heb hem toch niets gedaan!...”
-
-Elias glimlachte droefjes.
-
-„Die man haat je, omdat hij ziet dat je warm gekleed en goed doorvoed
-bent, en omdat híj in lompen gaat, en honger heeft... En wij allen, die
-het goed hebben, we hebben hem eigenlijk allen wat gedaan, al weet hij
-niet bewust, hoe het precies in elkaar zit... Dat zegt zijn intuïtie
-hem, zijn instinct als je wilt... Allemaal, hoor je, allemaal hebben
-wij iets gedaan, al die menschen, die het nu goed hebben en lekker
-leven, hebben dien stakkert indirect iets gedaan, al denken ze heel
-oprecht dat ze eerlijke, christelijke, rechtschapen menschen zijn...
-Zeker, er wonen hier boeven, en dieven, en moordenaars, en de gemeenste
-misdadigers in deze buurten. Denk niet, dat het alleen maar
-ongelukkigen zijn, buiten hun schuld... Maar tóch zijn ál de nette,
-fatsoenlijke, eervolle bezitters, die lekker eten en prettig leven, er
-de eigenlijke medeplichtigen aan, dat al deze ellende bestaat... zij
-handhaven den staat van de maatschappij zooals die nu is, en die
-onvermijdelijk het bestaan van al die ellende medebrengt, zoolang
-alles, wat de aarde opbrengt, in de macht blijft van een heel kleine
-minderheid bezitters... vergeet dát niet... onbewust doet iéder er aan
-mede, die van dien toestand van roof en onrecht profiteert...”
-
-Maar Paulus kon nog niet goed theoretisch alles volgen, wat Elias
-bedoelde. Hij had nog niet genoeg gestudeerd, om de geheele portée
-zijner woorden te begrijpen. Hij zag nog maar alleen die twee felle
-contrasten tegen elkaar: de weelde van de Boulevards, de rijke
-restaurants, de Koninginnestraat, en het witte, marmeren paleis van
-Leliane, met daartegen de smadelijke schande van de prostitutie, en de
-dierlijke verwildering der armen in de verschrikkelijke helle-buurten,
-waar hij nu pas geweest was.
-
-O! Het was toch nog véél erger, dan hij ooit vermoed had, toen
-Willebrordus hem van het onrecht der menschen in Leliënland vertelde!
-En het allerwreedste had zijn grootvader hem nog gespaard...
-
-
-
-Moê en ziek van al de geziene ellende kwam Paulus met zijn’ vriend in
-de deftige wijken van de stad terug.
-
-Zij gingen nu den grooten Boulevard van de Beurs op, door het volk
-„Rijkelui’s Boulevard” genoemd, omdat er enkel zéér rijke menschen
-woonden.
-
-„Als je nu eens eene scherpe tegenstelling wilt zien met de ellende van
-zooeven, en tegelijk een typische ironie,” zeide Elias scherp, „kijk
-dan hier eens naar dit mooie, hooge huis.”
-
-Het was een hoog, crême-geel huis, met statig bordes, en een groot air
-van voornaamheid en gedistingeerde weelde. Zware en toch ragfijne
-kanten gordijnen, van de duurste, zeldzaamste kant die in Leliënstad te
-krijgen was, prijkten aan alle vensters. Porseleinen vazen met kostbare
-orchideeën stonden beneden voor de groote spiegelruiten. Een
-schitterende equipage met twee koolzwarte paarden in rijk met zilver
-gemonteerd tuig, stond voor de deur te wachten.
-
-Paulus zag het aan, vijandig, met al den wrok over de zooeven geziene
-ellende nog jong in zijn hart.
-
-„Hier woont Larivois, de groote schilder,” zeide Elias lachend, „je
-weet wel, de beroemde, die zoo prachtig de misère weergeeft van het
-arme fabrieksvolk en de mijnwerkers. Ik verzeker je dat al die armoede
-hem rijk gemaakt heeft, puissant rijk, hoor!”
-
-Paulus schrikte op.
-
-Hij herinnerde zich, hoe hij een paar dagen geleden met betraande
-oogen, diep geschokt, in een kleine zijzaal van het Koninklijk Museum
-had gestaan, waar de beroemde, groote schilderij van Larivois: „De
-stervende arbeider” een geheelen zijwand besloeg.
-
-In de triestige schemering van een nevelachtigen winternamiddag, in een
-armoedige, donkere bedsteê van een kale, poovere achterkamer, met
-schamel, gebroken huisraad, lag onder vuil-grauwe lakens, doodsbleek,
-van honger uitgeteerd, een jonge arbeider te sterven. Zijne vrouw, eene
-magere, afgesloofde ellende-figuur zat met groote wanhoops-oogen naar
-haar stervenden man te zien, en jammerend—wellicht van koû of
-honger—lag een kind, haveloos en akelig vervuild, op den steenen vloer.
-
-Het diepe, en toch zoo eenvoudig tragische van het schilderij lag in
-het stervende, wegkwijnende licht, waarin men de ziel van den
-uitgetobden, afgebeulden werkman voelde heenglijden, en dat een sfeer
-van het vreemde mysterie deed voorgevoelen, dat buiten het leven ligt.
-Wèl moest de schilder zijn aangegrepen door de ellende van de
-verdrukten, om haar zoo groot-eenvoudig in kunst van schoonheid te
-hebben verheerlijkt! Deze man, had hij gedacht, was dan toch één van de
-gevoeligen en zeldzamen, die het lijden van anderen vrijwillig op hun
-ziel hadden geladen, om het meê te helpen dragen.
-
-En nu stond hij daar voor dat hooge, rijke huis van weelde en comfort,
-met de schitterende equipage wachtend voor de deur, waar de beroemde
-schilder der armoede woonde als de eerste de beste bankier of trust-man
-van de haute finance!
-
-Elias zag zijn teleurstelling, en liet hem nog niet met rust.
-
-„Kijk nú eens verder,” zeide hij, „je bent hier op den „Rijkelui’s
-Boulevard,” vergeet dat niet. Hier, twee huizen verder van Larivois,
-woont zij, die zich Dolorosa noemt, de dichteres van de armoede, zooals
-hij de schilder er van was. Je weet toch wel, die van het groote
-tooneelspel „De Weversvrouwen”, dat zoo’n enorm succes heeft gehad, en
-de geheele wereld over is geweest. En dan die prachtige bundel „De
-troost der verdrukten,” waar zij de eeremédaille voor kreeg van de
-Academie voor Letterkunde. Je ziet, dat zij het er gemakkelijk van
-neemt, om over de armoede te dichten. Het is nu wel waar, dat ze véél
-bij de armen komt. Ze bezoekt zelfs wel eens de „Sloppen der
-Verlorenen”, en is erg weldadig. Maar wat ze weggeeft zijn toch heusch
-maar kruimeltjes van haar kolossaal vermogen, en ze zorgt er wel
-wijselijk voor, dat ze haar eigen bezit niet verliest, en altijd zelf
-in de weelde blijft. Haar kapitaal is onaangetast, en, met al haar
-weldadigheid, verteert zij niet eens de rente. Maar in haar
-tooneelstukken en haar verzen huilt zij erg over de ellende van de
-verdrukten, en zegt ze dat al hun leed als een zware last is op hare
-ziel, die er langzaam door zal versterven. Zie je, dat is nu het
-onderscheid tusschen het literaire en de practijk van het leven... Er
-is niets zoo schijnheilig en voos als het literaire...”
-
-En toen hij zag dat Paulus, nog te diep onder den indruk van zijne
-treurige verbazing, hem niet begreep:
-
-„Weet je wat ik met dat literaire bedoel?... Kijk eens, dit. Als je het
-echte, ware wezen van de gevoelens niet hebt, maar er, voor je eigen
-genot of je eigen voordeel, kunst van gaat maken, zóógenaamde kunst ten
-minste, dát noem ik het literaire, in den tegenwoordigen, slechten zin.
-Als die Larivois en die Dolorosa, en zooveel anderen, wérkelijk hadden
-geleden om de ellende van het volk, dan zouden ze nú zelf niet zoo
-weelderig kunnen leven, met al die misère van hun mede-menschen
-brandende in hun ziel. Maar ze hebben met hun zwakke gevoel geknoeid,
-en er zoogenaamde kunst van gemaakt, die ze verkwanseld hebben, om rijk
-te worden. In den grond van hun hart zijn ze geen aasje beter dan
-geld-woekeraars of trust-mannen. Zooals vroeger meer met den
-godsdienst, wordt nú met de kunst geknoeid op een jammerlijke manier.
-En allemaal om het geld, om het bezit, om maar lekker méér te hebben
-dan een ander, en het wat ze noemen „goed” te hebben. De méésten van
-die mooie gevoelens van liefde, van vrijheid, van recht, die je van
-onze moderne artiesten leest, zijn niet echt, niet
-waarachtig-van-wezen, maar literair. Dat wil zeggen, geen deel van hun
-innigste wezen, maar aanstellerij. Met al hun hooge en schitterende
-ideeën passen ze wel op, dat ze niet in den regen komen, maar veiligjes
-op het droge blijven. Er zijn dan ook geen erger conventie-bourgeois
-dan de artiesten. Dat trouwt, als ’t kan vooral met rijke vrouwen, dat
-pousseert kaartjes, dat zet geld uit op rente, dat zorgt lekker binnen
-te zijn en zooveel mogelijk geld te graaien, dat is ijdel en tuk op
-lof, houdt conventies aan, die ’t inwendig veracht, voor een goede
-pers, dat buigt, en flikflooit, en draagt ridderorden als de gewoonste
-grenadier, dat viert jubileums en houdt toasten, dat lauwert met ijdel
-gekrans, en dat schrijft en dicht van hooge, en ernstige, en goddelijke
-zaken, waar niet één voor sterven zou, zelfs niet één zijn bezit en
-positie voor zou geven, als het er eens werkelijk op áánkwam. Zij
-voelen die hooge zaken alleen als literair, maar niet als een deel van
-hun innigste wezen. En daarom is het, dat „de kunst” nog altijd als
-iets buiten-issigs, iets bizonders, iets buiten-het-leven-òm wordt
-beschouwd, terwijl zij eene uiting direct van het hoogste Leven zélf
-moest zijn, in dat Leven gekiemd en gegroeid, en er uit opgerezen als
-een bloem uit den grond.”
-
-Toen zeide Paulus, meer tot zich zelve dan tot zijn’ geleider:
-
-„Dus al dat mooie van de tegenwoordige literatuur zou dan eigenlijk
-maar waan zijn, en schijn, en leugen? Maar dat kan toch niet....”
-
-Elias antwoordde er niet dadelijk op. Maar na een tijdje zwijgend te
-hebben doorgeloopen zeide hij:
-
-„Als je nú nog eens wat zien wilt, vandaag.... kom dan tegen negen uur
-hier op den hoek, in het restaurant de Ster.... Je hebt het groote
-nieuws toch wel gehoord?.... De dichter Wederich is ridder van de
-diamanten Roos geworden.... en nu wordt hem vanavond een groot diner
-aangeboden, om die ontzaglijke gebeurtenis te vieren....”
-
-Paulus keek hem ongeloovig aan. Dat kón niet, dat kón niet, Wederich,
-en een eerekruis, en een diner!....
-
-En hij herinnerde zich, hoe hij in zijn stille kamertje in het bosch de
-groote, nobele figuur van Wederich voor hem had zien opstaan. Hij had
-het tien jaar nádat alles gebeurd was gelezen, maar voor hém was het of
-hij alles zelf had medegemaakt, zóó had hij er zich ingeleefd. Wederich
-had met Lavelane en een paar jonge vrienden het tijdschrift „De Lotus”
-opgericht, in eene periode waarin de literatuur van Leliënland was
-doodgeloopen in holle rhetorica en deftige mooidoenerij. Geestdriftige
-artikelen had Wederich geschreven over de heiligheid, de onaantastbare,
-boven alle conventie en wetten staande heiligheid van de literatuur. De
-literatuur, dat was iets, waar de leelijke, onzuivere dingen van de
-maatschappij niet bij konden, vér, in een geheel andere, reinere sfeer
-dan het leven van alledaagsch gedoe, niets te maken hebbend met het
-gekuip, het geïntrigeer, het ijdele geflikflooi en den leegen glans van
-het leven der maatschappelijke Streber, die geld en roem en wereldsche
-eer voor het hoogste en kostbaarste hielden op aarde. Fel had Wederich
-gegeeseld de toenmalige gezaghebbers der literatuur, die hij allemaal
-deftige, fatsoenlijke, geposeerde bourgeois noemde, zwaar met
-ridderorden gedecoreerd, die zij op welgesneden, voorname kleeren
-droegen als de negers wat blinkende kralen. In superieure, hautaine
-woorden had Wederich dien wereldschen waan afgewezen van de literatuur,
-die boven allen ijdelen schijn stond, eene afspiegeling van het
-waarachtige leven Gods, uit den mensch-dichter geöpenbaard. Maar de
-éénige onderscheiding van den waren kunstenaar, waarover géén koning of
-minister had te beschikken, dat was de onsterflijkheid.
-
-En zij hadden geleefd, Wederich en Lavelane en hun vrienden, in armoede
-en smaad, gehoond en uitgelachen, gescholden voor krankzinnigen en
-verdwaasden. Maar in dien hoon en die vuile verguizing hadden zij van
-uit hun rijke, trotsche armoede hun goddelijke verzen uitgezegd, welker
-klank met de jaren was doorgegalmd met al sterker en sterker geluid,
-door géén spotgelach meer te overstemmen.
-
-O! Hoe velen waren de avonden geweest, dat Paulus, ademloos van
-aandoening over Wederich’s verzen zat gebogen, de oogen verduisterd
-door diep uit zijn ziel op-gewelde tranen van zalige smart! Nog pas had
-hij dien eersten middag in de groote stad geweend om die heilige verzen
-van ééns.
-
-Maar nu was het tien jaren later dan dien schoonen tijd, waarin de
-dichter zijn ziele-verzen zong.
-
-Er was sinds véél gebeurd in Wederich’s leven. Hij was getrouwd met een
-rijke vrouw uit de wereld. Deftig getrouwd, met een stoet van koetsen,
-met een nasleep van verwanten en vrienden uit de voorname kringen, met
-al de vastgestelde ceremonies van stadhuis en kerk. De jonge
-literatuur, na veel strijd en tegenwerking, was doorgedrongen tot het
-geheele volk, de oudere tijdschriften en weekbladen hadden haar
-overgenomen, nieuwe schrijvers hadden haar nagevolgd en handig
-overgenomen, en wat de zoogenaamde nieuwe richting was geweest, was
-langzamerhand officieel en eindelijk zelve ook weer tot rhetorica
-geworden. Wederich, rijk en geëerd, was nu een van de officiëele,
-gepozeerde gezaghebbers in de literatuur geworden.
-
-Maar Paulus had van dit laatste niets geweten, omdat Willebrordus het
-hem had willen sparen, en hem ook Wederich’s laatste werken niet had
-gegeven. De laatste werken van den geréusseerden, deftigen, gepozeerden
-Wederich, die nu in zijn eigen, op groote schaal geëxploiteerd
-tijdschrift op schoolmeesterachtige, pedante wijze leeraarde en
-betweterde over allen, die nú weer nieuw en oorspronkelijk waren, en
-niet eerst eerbiedig voor zijn souvereine hoogheid hadden gebogen,
-waren dan ook de rhetorica van zijn vroegere, echte kunst geworden.
-
-Dit alles wist Paulus nog niet geheel en al, toen hij met Elias om
-negen uur het restaurant binnenging.
-
-In het midden van de rijke, van goud en marmer glanzende zaal, was een
-kolossale tafel gedekt, schitterende van zilver en kristal. Een deftige
-schare zwart gerokte heeren, de meesten gedecoreerd, met bloemen in het
-knoopsgat, was om den feestdisch gezeten. Het leken allen rijke
-kapitalisten, bankiers, koningen van de haute finance, zoo correct en
-voornaam waren zij daar aangezeten, onberispelijk met hun spiegelblank
-gestreken overhemden, hun glanzende, gefrizeerde haar, hun hooge,
-opstaande boorden met witte das. Een groot air van wèlgesteldheid, van
-goeden doen, van veilig in het leven bezorgd zijn was om hen heen. De
-lakeien van het etablissement, in groene rokken met zilver, gingen
-eerbiedig, geruischloos, rond met allerfijnste gerechten, keurig in
-blank-porseleinen schalen opgedischt.
-
-Elias en Paulus gingen aan een klein tafeltje in een hoek van de groote
-zaal zitten, zóó, dat zij de feestende heeren goed konden zien.
-
-„Zie je dien bleeken, langen meneer daar?” zeide Elias, met een
-spottend accent. „Daar in ’t midden, rechts. Zijn stoel is groen
-gemaakt. Dat is Wederich!”
-
-En Paulus zag hem, voor ’t eerst, hem, dien hij had liefgehad als een
-verren vriend, in een wonder licht van glorie gezien. Hij was een
-lange, bleeke man, met een scherp geteekend, knokig gezicht, dat
-misschien nog interessant zou geweest zijn, als het niet zoo vreemd was
-komen oprijzen uit een te nauwen, hoogen boord, die het
-stijf-onbewegelijk ophield. De gele, borstelige haren waren door eene
-scheiding, die er niet in thuis hoorde, precies in tweeën gedeeld, en
-lagen weerbarstig aan weerszijden neer onder een laag pommade, met hier
-en daar een ópstekende piek. Zijn rok zat te wijd over zijn mager
-lichaam, zonder snit, en in zijn overhemd was al een scheeve, lange
-plooi. Het was hem aan te zien, dat hem dit uniforme kleedingstuk van
-„heer” niet stond, omdat hij nu eenmaal geen heer was, en het ook nooit
-worden zou. Dat air van correctheid, waarin hij zijn mager gezicht had
-geplooid, gaf hem iets onaangenaams en onrustigs, dat er de eigenlijke
-uitdrukking van verborgen hield, en zóó was er iets potsierlijks en
-ridicuuls in zijn uiterlijk gekomen, dat hij zeker oorspronkelijk niet
-had. Op zijn borst schitterde een fonkelnieuw ridderkruis met diamanten
-roos.
-
-Om zijn stoel hingen kransen van eikenloof.
-
-En bij het zien van dat frissche groen in die omgeving kreeg Paulus
-opeens zoo hevig de sensatie van scherpen, jongen bosch-geur, dat hij
-met moeite een kreet onderdrukte. Als uit de verte hoorde hij Elias
-verder spreken:
-
-„Die deftige sinjeur daar naast hem, met dien kalen schedel en die
-lange, grijze bakkebaarden, is de Minister van Schoone Kunsten en
-Nijverheid, nog eenigszins familie van zijn vrouw.... en die magere,
-oude heer aan zijn andere hand is de hoofdredacteur van dat oude
-tijdschrift: het Morgenrood, waar Wederich vroeger zoo fel tegen
-uitvaarde, en waar hij nu zélf in schrijft.... De heeren zijn nu
-verzoend.... Kijk, dáárnaast zit nu Larivois, over wien wij het straks
-hadden, de schilder van de Armoede.... wat een kleine dikzak, hè, en
-hoe wélvoldaan slaat hij daar juist dat glas wijn naar binnen.... En
-daar zit waarachtig ook Wanach, de groote romancier, die er vroeger zoo
-leelijk van langs kreeg van Wederich.... dat is nu vergeven en vergeten
-natuurlijk.... en de dichter Wartenau, ook van „de Lotus”.... ik kan
-wel aan den gang blijven met al die schilders en dichters op te
-noemen.... daar zitten ze nu, de groote kunstenaars, zoo goedig hè, aan
-die mooie, lange tafel, en als je ’t niet wist zou je denken dat het
-allemaal geldmannen of groothandelaren in koloniale artikelen waren....
-Zoo gaat het Leven, beste Paulus, en het temt de wildste gemoederen,
-als ze het maar den tijd geven, en ze niet in hun hartstocht sterven,
-zooals ze in hun verzen trouwens honderdmaal hebben beloofd, maar later
-gelukkig weer vergeten zijn....”
-
-„Ik had Wederich liever dood gezien,” zeide Paulus, en Elias zag de
-tranen in zijn oogen staan. „Liever dood met ál zijn heerlijke verzen
-over, dan hier in deze bende van poenen met dat nietige blinkende ding
-over zijn groote hart.”
-
-Hij wist wel, dat die ridderordes maar in naam door de prinses, doch in
-waarheid op voordracht van geïnfluenceerde ministers werden gegeven.
-
-En hij dacht over de laatste verzen, die hij van Wederich had gelezen,
-verzen van hoogen trots na rijzenis boven véél leed, waarin hij zich
-vergeleek bij een eenzame, grijze rots, uitziende over de eindelooze
-zee, waartegen de woedende golven van het Lot tevergeefs brullend
-klotsten, áltijd onwankelbaar opgerezen.
-
-„Zeg niet poenen,” spotte Elias weder, „dit stelt juist de élite van
-het land voor, de crême de la crême van de kunstenaars.... allemaal
-menschen, die er door hard werken—en ook nog wel iets anders—gekomen
-zijn, en die nu geld hebben en bezittingen, het verdienstelijkste wat
-er is.... wat ánderen door beursspeculaties of handel hebben gekregen,
-hebben zij veroverd met hun kunst.... daar moet je niet licht over
-denken.... Met de edelste gaven, die een mensch bedeeld zijn,—van Gods
-genade, noemen ze dat,—door de hoogste openbaringen van de schoonheid,
-zijn ze er nu toe gekomen om te hebben, wat ook het beste in het leven
-is voor een geld-man, een mooi huis met dingen van weelde er in, een
-goed verzorgde familie, roem, naam, en eer,—en niet te vergeten de
-ridderordes, die je hier en daar op die keurige zwarte rokken ziet
-schitteren... ... Ze zijn nu ook allemaal een beetje ouder geworden.
-Ja, ik weet wel wat je zeggen wilt.... ik zie het aan je gezicht.... je
-denkt om vroeger, toen ze onder een goedkoop glaasje bier in een
-derderangs cabaret zaten te schetteren over „de kunst om de kunst,”
-over vrij zijn, en onafhankelijk, en over wat die grandioze fransche
-bohémien noemde:
-
-„ma riche pauvreté plus chère qu’un empire.”
-
-„Allemaal heel mooi toen. En natuurlijk meenden ze dat toen ook, en
-waren ze toen volkomen te goeder trouw. Daar mag je nooit aan
-twijfelen. Maar toen kenden zij die twee groote dingen nog niet, die
-hun verdere leven zouden bepalen, ten eerste den verderfelijken invloed
-van het succes, de glorie, en ten tweede dat onweêrstaanbare, fatale,
-onmerkbaar je als een willoos ding langzaam voortstuwende van het
-leven, wat de Franschen „la force des choses” noemen. Als je een jaar
-of tien geleden aan Wederich had voorspeld, dat hij nú in dit luxueuze
-restaurant met een ridderkruis op zijn borst zich zou laten fêteeren
-door wie toén zijn literaire doodvijanden waren, zou hij zeker zijn
-glas bier op je hoofd in stukken hebben geslagen. Maar de glorie van ’t
-succes èn „la force des choses”—die hebben ’t hem gedaan.”
-
-Met groote oogen, of hij ’t nog maar niet kon gelooven, zat Paulus uit
-zijn hoekje het festijn aan te staren. En in zijn binnenste stond het
-met een valsch, schel contrast tegenover elkaar: de namelooze ellende,
-die hij dien middag gezien had van de verdrukten, de uitgeworpenen der
-maatschappij, en die rijke van zilver en kristal schitterende
-feestdisch van hen, die zich de edelsten van den menschelijken geest
-noemden, de kunstenaars van Gods genade, uit wie Hij zich in schoonheid
-openbaarde.
-
-„Zie je die schotels, die daar komen?” hoorde hij opeens Elias zeggen.
-„Dat is de specialiteit van dit restaurant, moet je weten. Het zijn
-pasteitjes van nachtegaalstongen. Verbazend fijn, en peperduur, dat
-begrijp je. Alleen de tong van zoo’n beestje wordt daarvoor gebruikt...
-En denk nu eens om dat sonnet van Wederich: „De nachtegaal”, waardoor
-hij ineens beroemd werd... Het is zeker geen kiesche keuze geweest, dat
-nu die pasteitjes op het menu staan....”
-
-En, vreemd, zooals hij zeer hevig zooeven de sensatie had gehad van den
-geur van jong eikenloof, hoorde Paulus nu opeens het wondere gezang
-over zijn ziel gaan van den nachtegaal, zingend in plechtigen
-maanlichtnacht. De tranen stonden hem in de oogen, en hij voelde een
-stekende pijn in zijn hart. Heel duidelijk zag hij ineens in zijn
-herinnering de recht-opgaande stammen van stille nacht-boomen, de zware
-kronen van bladeren roerloos uitgespreid, het maanlicht zilverend neer
-in zachte zegening. En een groot verlangen riep hem terug naar de
-rustige eenzaamheid van zijn jeugd.
-
-Elias zag, hoe onrustig hij werd, en hoe hij straks zou uitschreien als
-de ontroering hem overweldigde.
-
-„Niet zwak zijn, Paulus,” zeide hij bemoedigend. „Je móógt niet zwak
-zijn in dit leven.... De zwakken vallen op den grond, dat wéét je nu
-toch, en de sterken trappen over hen heen... je moet nu eenmaal òf
-getrapt worden òf zelf trappen, al weet je niet dat je ’t doet.... die
-menschen van vanmiddag, dat waren de getrapten, omdat ze zwak zijn, al
-zijn de getrapten duizendmaal sterker in aantal.... maar die menschen
-daar aan die tafel, dat zijn de sterken... die trappen zèlf, door hun
-leven ten koste van anderen... Wederich is ook een sterke, en al die
-kunstenaars.... En nu weet ik wel, dat jij niet zelf wilt trappen, maar
-toch zeker óók niet door hen getrapt worden... denk er aan, als je zwak
-bent trappen zij over je heen...”
-
-„Dat nooit,” zeide Paulus, en klemde de lippen op elkaar.
-
-Zwijgend zat hij nu het verdere verloop van het diner aan te zien.
-
-Hij hoorde het luider en luider wordend geschreeuw van de stemmen, hun
-hard, hatelijk gelach, hij zag hun grove, breede gebaren. Naarmate het
-uur later werd, en de wijn meer had gevloeid, werden de hoofden rooder,
-en verloren de verhitte gezichten het correcte van eerst.
-
-Totdat de champagne knalde, en de toosten begonnen. Een voor een
-stonden hier en daar heeren op, de schuimende coupé omhoog, tot
-Wederich gericht, en hij onderscheidde achtereenvolgens den Minister
-van Schoone Kunsten, den schilder Larivois, den ouden redacteur van het
-Morgenrood, den jongen Wartenau, die het woord voerden.
-
-Door het luidruchtig geratel van de stemmen kon Paulus de toosten uit
-zijn verre hoekje niet verstaan, maar toch hoorde hij de groote, met
-emphase uitgeschreeuwde woorden hier en daar.
-
-„De kunst van Leliënland.... een sieraad van de Leliënlandsche
-literatuur.... het eereteeken van Hare Koninklijke Hoogheid zijn edele
-dichterborst versieren.... door eigen jarenlangen, onverdroten
-arbeid.... de glorie van onze kunst, over de gansche wereld
-verspreid.... een toonbeeld voor de jongere kunstenaars van ons
-land.... vroeger misschien, in de dolle onbesuisdheid van de eerste
-jeugd.... doldriftig als een jong steppenpaard.... maar thans, tot
-rijpheid gekomen, inziende den ernst van het leven.... tot hij gewrocht
-had die schoone, onvergelijkelijke schepping „de Genius des
-Vaderlands”.... dat epos van oude helden en koningen......”
-
-Het duizelde om Paulus’ hoofd. Telkens het hoera-gebrul, het „Lang zal
-hij leven”, het gekletterklink van de glazen, het knallen der
-champagne-kurken, samengejoeld in één oorverdoovend lawaai.
-
-Nú zag hij Wederich opstaan, zijn lange, magere gestalte hooger
-oprijzende dan alle anderen, het bleeke, tragisch-leelijke hoofd
-ongemakkelijk, droef potsierlijk, stijf-óp door den veel te nauwen
-boord. Hij zag ook, hoe de dichter verlegen rondkeek, hoe hij stotterde
-onsamenhangende woorden, en toen, door aandoening overmand, huilend in
-zijn stoel terugzonk. Zijn vrienden snelden toe, spraken opwekkende
-woorden, namen hem onder den arm, en dansten met hem de tafel rond.
-
-De lakeien brachten jassen, hoeden en stokken, en in groepjes gingen de
-gasten de deur uit, luidruchtig zingend van „Lang zal hij leven!”
-
-„Nu begrijp je zeker wel hoe dat eindigt!” zeide Elias kortaf.
-
-Ja, nú wist hij het, Paulus, door het leven van de laatste maanden
-geheel op de hoogte. Het meerendeel van die mannen fuifden nu den nacht
-door, gingen naar de vrouwen. De vrouwen, de prostituées, die nu goed
-genoeg waren om deze mannen verder te amuseeren, die immers geld
-hadden, en er voor betaalden, royaler naarmate ze royaal door haar
-werden behandeld. In dié en dié restaurants en cafés waren die vrouwen
-behoorlijk te vinden, in allerlei soorten, in allerlei prijzen, zooals
-in dié en dié winkels de koopwaar gerangschikt lag uitgestald.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK XV.
-
-
-Het was bijna één uur toen Paulus, na nog wat in een stil café met hem
-gepraat te hebben, dien avond van zijn vriend afscheid nam.—Bang voor
-zijn eigen gedachten, als hij nu eenzaam in bed ging liggen, liep hij
-nog wat door de natte, glibberige straten, met den kouden mistregen
-driezelend langs zijn hoofd.
-
-De Koninginnestraat was nu weer de ongure, griezelige nacht-allée, met
-de hooge lantaren-pitten gelig-valsch brandend, en de groote
-winkel-paleizen zwart en dicht, met ijzeren rol-gordijnen straf
-gesloten. Al de weelde was nu weg, veilig achter slot en grendel, nu de
-rijke bezitters toch niet meer in de straat kwamen, en de ellende nu
-voorbijtrok. En er was iets in dat onmeedoogend, brutaal gesloten zijn,
-dat veilig weggeborgene van al de luxe, die hij achter die machtige
-sluitingen wist, dat hem opeens woedend irriteerde.
-
-Er waren nu maar weinig menschen op de been, met het gure weêr. Maar
-tóch liepen hier en daar nog kerels, het hoofd diep in de kragen van
-hunne overjassen gestoken, den hoed stijf ingedrukt voor den wind,
-haastig heen en weer om nog wat vrouwen te zoeken.
-
-Wat misère-prostituées van den derden rang,—die het éénigszins konden
-doen bleven nu thuis,—slecht gekleed, bibberend onder hun would-be
-chicque confectiemantels, de schoenen kletsend in de plassen, de haren
-verwaaid en nat van regen, slenterden hier en daar nog langs de
-winkels, of stonden te schuilen onder een marquise, de heeren
-aanroepend die voorbijgingen. Er was iets ontzettend tragisch in die
-donkere, sjofele figuren, daar rondwarend in regen en wind, in de
-genadelooze nachtstraat, met al die ijzer-gesloten deuren en vensters,
-waarachter millioenen aan weelde lagen opgehoopt.
-
-En weêr voelde Paulus het klagen in zijn ziel, dat maar niet woû
-ophouden, en met niets van denken en redeneeren was te sussen:
-
-„Het zijn háár zusteren... háár zusteren... de zusteren van Leliane...”
-
-In de laatste tijden was het als een obsessie geworden. Het liet hem
-niet meer los, wáár hij ook was, niet in hel verlichte vreugde-zalen,
-niet in de eenzame uren ’s nachts in bed. Wat in Leliane van heilige
-essence was, dat moest ook in álle vrouwen zijn, hare zusteren.
-
-En naarmate hij de misère van de prostitutie beter begon te kennen,
-werd het leed, waarmede zij hem sloeg, universeeler. Het werden nu niet
-enkel meer aparte, uitgestooten wezens, die genadeloos te gronde
-gingen, het was iets van Leliane zelve, dat hij zag verkwijnen, avond
-aan avond, in de wreede stad van weelde en weedom. Hij had het nu
-gezien, van nabij: in al de afgebeulde, besmette, beleedigde meisjes-
-en vrouwenlijven, die hij nu gezien had, was toch altijd iets van het
-oorspronkelijke mooie en reine behouden gebleven. Hier een altijd
-rein-gebleven blankheid van huid, dáár een nobele golving van arm of
-been, nú een wonderteêre drooming van lijnen langs borst of buik, dan
-het lieve, kinderlijke lachen van in slaap weêr kuischgeworden lippen,
-áltijd was nog iets van het maagdelijke mooi bewaard, dat onaantastbaar
-was gebleven, en dat het klagelijk óndergaan van al het andere des te
-droever maakte. En nú was het hem in de laatste tijden geworden, of het
-eigenlijk ook Leliane zelve was, die hij in al die misère zag
-verkwijnen, en het deed hem aan met al feller en feller wordende pijn.
-Al het lieve en mooie, dat overal te sterven ging, het was eigenlijk
-van Leliane zelve, evengoed als van al die ongelukkige schepselen, en
-juist waar het, hier en daar, plotseling in de misère opscheen, met een
-lachje, met een gebaartje, met een lijn of golving, was het opeens of
-hij Leliane daarin herkende, en schrikte hij, iets van háár te zien
-waar hij het nooit had verwacht. En het werd ten laatste zoo, dat hij
-werkelijk angstig werd voor háár, dat hij zich verwonderde, met een
-blijden zucht van verlichting, als hij de prinses weer ergens voorbij
-zag rijden, nog even ongeschonden rein als immer, en hij zich afvroeg
-in diepe verbazing hoe het toch mogelijk geweest was, dat al het
-leelijke en droeve wat hij van zooveel vrouwen, hare zusteren, gezien
-had, zoo ganschelijk buiten haar om was gegaan. En eene geheime
-intuïtie bleef hem zeggen, al zekerder en zékerder, dat het in innigste
-essence toch hetzelfde moest zijn, Leliane, en de stille water-lelies
-in den vijver, en het mysterie van de reliquieën in de Cathedraal, en
-wat verkwijnde in die droeve, duistere vrouwen en meisjes, die daar nu
-klagelijk om hem heen doolden, in de wreede straat van weelde en
-gruwzaam onrecht.
-
-Peinzend liep hij door, met al die gedachten over onrecht en ellende
-warrelend door zijn hoofd, tot hij opeens op het groote Domplein stond.
-
-Dáar stonden de kolossale gebouwen, het Paleis van Justitie en het
-Parlement. Het Paleis van Justitie, waar gesproken moest worden het
-Recht! Het Recht!—De Justitie, die de rijke bezitters beschermde, die
-het schrikkelijk onrecht hielp handhaven, en die de ongelukkigen en
-misdeelden, of andere slachtoffers der gedegenereerde Maatschappij met
-wreede straffen strafte, omdat zij daden begingen, die zij, door hun
-ellendige omstandigheden daartoe gedreven, wel móesten doen! De
-Justitie, wèl blind inderdaad, die niet zag, hoe God de schoone wereld
-aan allen gelijkelijk had gegeven, die niet zag welk een hemeltergend
-onrecht het was, dat eene kleine minderheid van—zij het voor ’t
-meerendeel onbewuste—geweldenaars en farizeeërs rijkelijk en
-over-weelderig leefde van de ellende van duizenden! De Justitie, die
-zich vermat de drager van het Recht te willen wezen, waar zij in
-waarheid de verdedigster was van het onrecht, dat Gods heilig recht met
-voeten trad!
-
-En daar stond het Parlement, het luxueuze weelde-gebouw, waar de
-vijfhonderd mannen, zoogenaamd uit vrijen wil door het volk gekozen,
-over het wèl en wee van het volk moesten beraadslagen en de wetten
-formuleeren, die de algemeene welvaart van het land moesten bevorderen.
-
-Nú wist hij het, hoe die vrije keuze een leege logen was, en hoe de
-meerderheid van het volk, de getrapten en ellendigen, die ook de armen
-waren van geest, waar Jezus van had gesproken, van alle deelneming was
-uitgesloten aan het kiezen van hen, die over hun treurig lot moesten
-beschikken. O! Elias had hem er van verteld, van de vuile intrigues en
-de duivelsche logens, waarmede die kamerleden in het Parlement werden
-gekozen, van den fellen partijhaat en het grove eigenbelang, die altijd
-vóór het belang van het volk gingen, het gekuip, het gelieg, het
-geknoei en de omkooperij, waardoor het verheven idee van eene
-vertegenwoordiging van het volk was verkracht, en tot een valsche leus
-van schijn en bedrog was gemaakt!
-
-Hoe zwaar van waan en goddeloosheid stonden daar die enorme gebouwen óp
-van de aarde, groot-massief, onwankelbaar opgerezen tempels van leugen.
-
-Maar het allerergste nog, daar vóór hem, aan het uiteinde van het
-plein, blokte op de immense massa van den Dom, al hooger en hooger
-stijgend op zijn zware marmeren pilaren, vierkant en resoluut, met zijn
-vier oprondende koepels aan de zijden, en in ’t midden den grootsten
-koepel van allen, een ontzaglijk luchtgevaarte, blauw glanzend
-opbollend tegen donkeren hemel. Een ontzettende, zwarte reuzen-schaduw
-maakte het in de lucht, hoog boven de hoogste daken der omringende
-huizingen.
-
-Het breede plein, glinsterend van natten modder en kille plassen, lag
-onguur te glimmen, en de wind, door geen muren gestuit, huilde er
-klagend overheen.
-
-En ook hier, erbarmelijk en tragisch, waarden nog enkele veege
-gestalten van vrouwen in ’t rond. Onder de groote lantaren, op een
-rotonde in ’t midden, stonden er een paar onbewegelijk te wachten, de
-afgetrapte, natte rokken opgehouden, met sjofele parapluies boven het
-hoofd. Somber en doodsch deden die zwarte gestalten in ’t midden van ’t
-uitgestrekte, wind en regen doorwaaide plein. Groot en koud stond de
-donkere Dom, het huis van God, voor Paulus’ oogen, een dood en
-levenloos ding.
-
-En nu zag hij, naderbij komend, hoe onder de hooge, dichte voor-poort
-van de kerk nog een paar misère-wezens schuilden, bibberend van de
-vochtige koû, loerend met gretige oogen, of nu eindelijk wat heeren het
-Plein af zouden komen, die een vrouw zochten. Miserabel en klein,
-treurige, nietige schepseltjes, stonden zij klagelijk onder den hoogen,
-ontzaglijken Dom van God. En,—bittere ironie,—in vlammen-schrift zag
-Paulus, vlak boven zijn hoofd, de machtige spreuk, die ’s avonds
-electrisch werd verlicht, en hoog uitschitterde in het donker:
-
-
- Ziet ik ben bij
- U alle dagen tot aan
- Der wereld einde.
-
-
-Toen voelde hij eene groote verlatenheid, en wanhoop aan alles, waaraan
-hij tot nu toe nog had vastgehouden, begon op te wellen in zijn
-binnenste.
-
-Was dan deze geheele, groote stad, de koninklijke residentie van
-prinses Leliane, één afschuwelijke, hemeltergende leugen? Hadden zij
-dan misschien niet gelijk, de dolle anarchisten, die nergens meer licht
-van hoop zagen in een verrotte wereld als deze, en eerst alles wilden
-vernielen, eer aan een betere kon worden begonnen?
-
-Hij wist het, als hij nu nog een klein uur verder liep, kwam hij aan de
-groote ellende-wijken, de vunze sloppen en holen, waar duizenden in
-afzichtelijke vervuiling en ontaarding een mensch-onwaardig bestaan
-doorleden. En hoe koud en bewogen hadden daar die groote
-weelde-paleizen gestaan in de Koninginnestraat, waar millioenen van
-overtollige luxe werden bewaard! Hoe veilig waren nu de bezitters in
-hun prachtige woningen, waar hier die arme uitgeworpenen, vrouwen,
-zusteren van Leliane, ellendig ronddoolden door den regen, hun
-jammerlijk lichaam aanbiedend voor wat geld! In de groote Boulevards en
-de Leliënstraat—wreede ironie van een naam!—waren de groote
-nacht-restaurants nu vol van feestende, zwijnende rijken met hun
-maîtressen, en de dure champagne vloeide er bij stroomen. Vuile wellust
-en de gemeenste, dierlijke hartstochten vierden daar uit, door de macht
-van het geld; waar duizend arbeiders in ’t zweet huns aanschijns voor
-werkten, werd daar in enkele nachten baldadig verbrast. En in de
-groote, grimmige kazernes waren áltijd de met moordtuig gewapende
-soldaten gereed—de soldaten van prinses Leliane, dienende in háren
-naam—om het onrecht te verdedigen, waar de verdrukten ooit mochten
-opstaan, vragend hún deel van wat allen gelijkelijk toekwam.
-
-„Háár zusteren.... háár zusteren,” dacht hij, toen weer een paar
-vrouwen hem voorbijgingen, wenkend, en roepend obscene woorden, „haar
-zusteren.... en zij slaapt nu gansch onbewogen in een koninklijke zaal,
-in koninklijke gewaden gehuld, en over hare oogleden is nu die heilige,
-gewijde rust als op dien éénen avond, toen zij sliep onder het reine
-maanlicht, neêrzilverend door de stille boomen....”
-
-„Wáár is dan God.... waar is dan God?....” riep hij uit, en schrikte
-van zijn stem, daar zoo ineens uitbrekend in de stilte van het plein.
-
-De donkere stad, akelig glimmend van regen, met de blikkerende plassen
-en doorwaaid van huilenden wind, was daar siniester en dreigend om hem
-heen, van God verlaten.
-
-Hoe eenzaam, wreed en koud stonden daar al die steenen huizengevaarten,
-elk apart, wantrouwend allemaal gesloten, ieder wangunstig bergend
-eigen, gierig bezit! Daarbinnen hadden ze zich opgesloten, de menschen,
-allen bij kleine klompjes apart, in hun veilige, lekkere bedjes
-gelegen, met hun kleine lustjes onbespied, muren en deuren stevig om
-hen heen, en wat buiten hen gebeurde, het deerde hen niet. ’s Ochtends
-kwamen ze er weer uit, als beesten uit hun hol, en ze spraken en
-gebaarden in ’t actieve leven, sjouwend soms en knoeiend om wat méér
-bezit. Spraken en redeneerden ook over vrijheid, over recht, over God,
-over sociale toestanden, en verbetering, en economische maatregelen,
-schreven ook wat, over kunst, en literatuur, en de hoogste, goddelijke
-dingen. En kropen eindelijk weer weg, in hun eigen hokjes, veilig
-vasthoudend elk eigen bezit, weer er bij nemend wat ze gegraaid hadden
-naar zich toe, en lagen lekker en lui onder de wol gekoesterd, achter
-de stevig gegrendelde muren en deuren, de troepjes weer allemaal apart
-die bij elkaar waren gehokt in ’t leven, en wat buiten gebeurde van
-kommer en ellende, het stoorde geen enkele ademhaling van hun rust. Al
-die wèlbezorgde, goed achter deuren en grendels van eigen bezit levende
-menschen, dat waren de vette, vlijtige burgers, loyale onderdanen, de
-nuttige leden der Maatschappij. Zij gehoorzaamden de wetten en de
-zeden, waren trouw aan vorstenhuis en vaderland, en ’s Zondags galmden
-de hooge gewelven van den Dom van hun gezang.
-
-En om hun rustig, ordelijk, fatsoenlijk leven te onderhouden, zwoegden
-duizenden aan duizenden in het zweet huns aanschijns en moesten die
-vrééselijke wijken van ellende en gruwel bestaan, waar menschen als
-beesten leefden in ongedierte en vuil, en werden vrouwen en kinderen
-afgebeuld in mijnen en fabrieken, zonder genade, zonder erbarmen. Maar
-van den goddeloozen, van onheilig geld gebouwden Dom durfde het met
-vlammende letters te lichten:
-
-
- Ziet ik ben bij
- U alle dagen tot aan
- Der wereld einde
-
-
-Die ontzaglijke, machtige woorden, in vlammend schrift uitstralend
-boven de van God verlaten stad! En daaronder die poovere, afgebeulde
-wezentjes, hulpeloos, erbarmelijk rillende in regen en wind, wachtend
-op oneer en schande, om den broode!
-
-Waar was dan God, dat hij zijn kinderen alleen liet in bittersten nood,
-en niet strekte hij liefderijk een hand uit om op te beuren die in
-diepste ellende waren gebogen in het stof?....
-
-Het lasterlijke praatje van zonde en straf, dat welgekleede,
-dik-doorvoede geestelijken durfden verkonden van den kansel, hij wist
-hoe ’n lage leugen het was. Een groot deel dier ongelukkige schepsels
-was er door diepe misère, buiten haar schuld, toe gekomen, dikwijls
-door ellendelingen misleid, wien zij zich eerst in vertrouwen, uit
-natuurlijke liefde hadden gegeven, en allen zonder uitzondering waren
-zij noodzakelijke slachtoffers van de verdorven inrichting der
-maatschappij.
-
-En wat hem wondde met felle pijn, tot in de fijnste weefselen van zijn
-ziel, dat was hun uiterste verlatenheid, hun genadeloos aan ellende en
-verderf overgegeven zijn, onherroepelijk. Dit was onrecht, hard, wreed
-onrecht, en hij voelde, hoe hij den God wilde vervloeken, die dit
-onrecht deed voortbestaan, onbewogen.
-
-Ja, hij had Hem gevoeld, dicht aan zijn ziel, in de stilte van het
-woud, als de boomen aandachtig hun roerlooze kruinen hieven óp tot den
-statigen sterrennacht, als de witte water-lelies kuischelijk
-ontplooiden hun heilige harten tot het licht, als het eerste morgenrood
-in teederlijk gebed de verre kimmen kleurde. Toen had hij geweten dat
-het een God van eindelooze schoonheid en goedertierenheid en wonnevolle
-vreugde was.
-
-Maar als Hij het onbewogen aan kon zien, den ondergang van het teêre en
-zwakke, de grove besmetting van wat edel was en rein van wezen, dan kon
-hij dienzelfden God niet meer aanbidden, en kon het ook geen God van
-goedertierenheid zijn!
-
-Wáár hij ook om zich heen zag, in de groote stad, overal tierde welig
-het onrecht, brutaal, onbeschaamd. Alles was leugen, schijn, waan,
-bedrog. De godsdienst, de kunst, voorál de literatuur, de liefde, de
-vrijheid, de vriendschap, álles was leugen. De geheele inrichting der
-maatschappij was leugen, en droeg schaamteloos het kleed van godsdienst
-en menschenliefde daarover heen. Van alles wat hij nu om zich heen
-gezien had in de groote Leliënstad was niets echt, behalve de ellende
-der verdrukten. En, het ergste van alles, met bruut geweld van wetten,
-waarachter bajonetten en kanonnen, werd dat alles gehandhaafd in naam
-van God, en in naam der Koninklijke Prinses. Een God dus van leugen en
-onrecht, en van leugen en onrecht de Prinses.
-
-Zoo stond hij, tegen een pilaar van den Dom geleund, eenzaam te
-peinzen.
-
-Tot hij werd opgeschrikt door een moede, lievig-zoet gemaakte stem:
-
-„Zoo, lieveling... sta je daar zoo alléén?... kom, ga met me mee naar
-huis...”
-
-Een miserabel, mager figuurtje, in een verschoten manteltje, een
-verflensten hoed op. Beverig rillend als een moêgezworven, natte hond.
-Een bleek, geelachtig gezichtje, met waterige oogen. Piekerig haar, nat
-van regen, verwaaid.
-
-Een groot medelijden zwelde op naar zijne oogen. Zoo klein, zoo
-hulpeloos, zoo van alles verlaten, dat schepseltje daar voor hem! En
-wat ze hem aanbood, hoe erbarmelijk, hoe poovertjes, hoe niets meer
-waard dan afschuw en walging! Een verdwaald, afgejakkerd kind van de
-ellende, genadeloos, overgelaten aan ’t Lot, en geen goede Vader, die
-zich over dat zwervende, droeve kind ooit zou ontfermen.
-
-Hij legde de hand op haar schouder, en zag haar liefdevol aan, door de
-tranen, die schemerden in zijn oogen.
-
-„Arm kind!” zeide hij medelijdend, „arm, arm kind! Kon ik je maar
-helpen!”
-
-Zijn stem stokte, en hij kon niet voortgaan, van aandoening. Maar zij
-begreep hem niet.
-
-„Bah!... ben je dronken!” zei ze.
-
-En ging door, haar kapotte schoenen kletsend door een plas, verder, het
-Plein op, loerend, spiedend of niet een ander kwam, die haar schande
-even zou willen huren voor wat geld.
-
-Hij voelde, dat de warme tranen over zijn wangen rolden. Een besef van
-absolute machteloosheid kwam over hem. Het was alles veel te groot, te
-massaal, te star verhard in ’t kwade, om iets uit te kunnen richten met
-zijn zwakke krachten, uit enkelen drang van zijn eenzaam pijnend hart.
-O! Als hij macht had, macht! Als hij een prins was, of een koning!
-
-Hij wist het wel, hoe weinig er nog maar over was van de macht der
-vorsten. Hoe zij maar luttel direct vermochten, gebonden als zij waren
-door de wetten en de constitutie, die leugen-wetten, schijnbaar voor
-het volk gemaakt, als waarborg tegen de willekeur van den koning, om de
-rechten van het volk te beschermen—maar in waarheid om te handhaven een
-andere, véél wreeder tirannie dan ooit bestaan had, het geweld der
-koude, egoïstische bezitters, die alléén konden bestaan van de ellende
-der overgroote meerderheid.
-
-Maar hoeveel kracht zou er toch nog van een koning of eene koningin
-kunnen uitgaan alléén door hun invloed en hun moreelen steun, als zij
-innerlijk waren bewogen door echte liefde voor het volk, omdat
-werkelijk het lijden der ellendigen eens in al zijn ontzetting
-geschrijnd had door hun ziel!
-
-Rusteloos liep hij door, altijd maar door, gemarteld door droeve
-gedachten, niet wetende waar hij ging, tot hij eindelijk van
-uitputting, door enkel dierlijke moeheid, stil stond.
-
-Waar was hij?.... Hij keek om zich heen.
-
-Dit was eene straat die hij niet kende, en die zacht naar boven begon
-te stijgen. Waar zou zij heen leiden? Hij keek omhoog.
-
-De regen had opgehouden. Witte wolken dreven af van een groote, heldere
-ruimte lucht, diep blauw. En in een zachte zegening van blank maanlicht
-zag hij opeens vèr omhoog het witte paleis van prinses Leliane, zoo
-fijn en teer als blank porselein, in een eigen sfeer van heiligen
-glans. Honderden lichtjes van electrische lampen schenen als sterren op
-om het pralende paleis, dat daar lag in de verre hoogte als een
-lichtende droom uit een sprookje.
-
-Daar woonde de prinses Leliane, veilig en hoog boven het
-verschrikkelijke leed van het volk in ellende, dat de koningen hadden
-beloofd te verzorgen als een goede vader zijn kinderen.
-
-Zij woonde maar altijd heerlijk en warm in haar witte pracht, omglansd
-van licht en weelde, wijl beneden bitter onrecht en duistere leugen het
-volk sloegen met ellenden, onnoembaar wreed en vuil....
-
-Toen voelde hij ineens die verschrikkelijke waarheid in hem bewust
-worden, dat daar niet de prinses kon wonen, die zijne ziel aanbad.
-
-Wat zijne ziel gevonden had, op dien wonderen avond in het bosch, toen
-zij in de vredig slapende maagd het hoogste schoon aanschouwd had, dat
-nóg inniger was dan de stille tinteling der sterren, dat nog heiliger
-was dan de wijding der witte lelies tot het licht, en dat de hoogste
-openbaring was, door den goeden Vader aller dingen in al Zijn
-liefdevolle uitingen hem gedaan, dat kon niet het koude, onbewogene,
-onverschillige zijn voor het jammerlijk leed Zijner arme, verdoolde
-kinderen....
-
-Maar wie was het dan, die hij gevolgd had uit de lieve eenzaamheid van
-zijn stille bosch? Voor wie had hij dan zijn goede, trouwe vrienden, de
-boomen en de bloemen en de vogels, verlaten, om in de harde
-aangezichten der donkere menschen te zien, die een schaduw wierpen in
-zijn ziel?....
-
-Wat wás het dan, dat hem had voortgedreven uit zijn rustig evenwicht,
-weg van alles, dat hij liefhad, weg van zijn wijzen, zachten
-grootvader, om onder levenlooze, koude dingen te komen, onverwant?
-
-En wat was dan het groot verlangen geweest, dat altijd in hem gedroomd
-had, onbewust, als het niet prinses Leliane was, die het stillen kon
-met het groote, zachte licht, dat afstraalde van haar koninklijke
-schoonheid?....
-
-
-
-Toen hij thuis doodmoê op bed lag, snikte hij hartstochtelijk uit in de
-kussens. Het was alles voor niets geweest, en voor niets had hij zijn
-liefste dingen verlaten om de prinses te volgen naar de groote stad!
-Want de Leliane, die daar woonde in het verre paleis van koud marmer,
-was niet dezelfde Leliane meer, voor wie zijne ziel het hoogste had
-geofferd. Nu was er dus niets meer voor hem, niets, en, als het arme
-verdwaalde jongetje, dat zijn vader had verloren, was hij alleen
-tusschen de doode huizen-dingen, met de harde menschen-gezichten
-hoonend om zich heen.
-
-„O! Willebrordus! Willebrordus!” riep hij... „Neem mij toch weer bij
-u!... Nu is álles verloren... ik wil terugkomen in ons stille rustige
-huis in ’t bosch... ik kan niet meer, ik kán niet meer... goede
-grootvader, wacht mij!... ik kom!... ik kom!...”
-
-
-
-Maar in het eerste, teedere licht van den morgen schemerde voor hem op
-een heerlijk visioen van zalige troosting.
-
-Hij was ontwaakt uit een zwaren, diepen slaap, en voelde, dat hij nu
-niet meer droomde, zooals anders, al hield hij de oogen nog dicht. Hij
-wist ook zeker, dat zijn lichaam nog in het warme bed lag, en de
-zwaarte van de dekens drukte hem reëel.
-
-Maar toch voelde hij zich tegelijkertijd heel ver weggedragen, en
-ineens lag hij onder de ernstige groene boomen van het bosch, aan den
-oever van den stillen vijver, waar de water-lelies bloeiden. Het was
-alles heel duidelijk, de oude, ruige boomstammen, die hij zoo goed
-kende, met het zachte, glinsterende mos, en de roerlooze schaduwen in
-het donkere water. En met een mystieken, heiligen glans van blankheid
-dreven daar onbewegelijk de witte water-lelies, de bladen kuischelijk
-uitgespreid, in gansche oprechtheid de gouden harten blootgelegd voor
-het licht.
-
-Het was natuurlijk en vertrouwd als vroeger. Er was niets verloren. En
-zonder vreezen, in onbewogen rust zag hij het reine wonder aan, dat
-zijne ziel dadelijk herkende.
-
-Was er dan niets gebeurd, wat hem veranderd had, en was het mooie nog
-altijd onbesmet?
-
-Zie, naast hem zat Leliane, zooals zij ook dien morgen bij hem gezeten
-had, toen zij neer was gezonken bij den vijver. Hare blanke handen
-rustten op het mos, teêr als bloemen, hare rustige oogen zagen naar de
-lelies, peinzend. Plechtig suisde de stilte door het bosch, en geen
-blad bewoog. Alles in het rond was van goddelijken vrede overtogen, en
-stond zoo, aandachtig, in hoogste volkomenheid van wezen. Nú was het
-hoogste en beste bereikt, zoo was alles goed en tevreden.... Alleen
-maar dit, en zoo nu altijd blijven, dit roerlooze, tot aller-innigste
-kalmte gekomen, tot in eeuwigheid....
-
-Een groote vrede daalde ook over zijn ziel, waar al zijn angst en
-droefheid uit waren gevloden. Hij voelde zich nu rustig en rein als het
-bosch, met al zijn rechte, stille stammen, waar geen blad bewoog, en de
-schaduwen van breede kruinen roerloos over den blanken vijver-spiegel
-lagen.
-
-En dit alles was zóó innig en ontwijfelbaar reëel, dat het hem niet
-was, of hij droomde, maar of hij nú eerst uit een droom tot hoogste
-werkelijkheid was ontwaakt, en dit ook het eenig mogelijke en stellig
-zekere was, waartoe hij ooit had kunnen komen.
-
-Al dat andere, wat hij nu pas beleefd had, het heengaan uit het bosch,
-het reizen naar de stad, het doelloos dolen door de sombere
-huizen-straten, hoe ongeloofelijk leek het nu ineens, hoe ongerijmd, en
-hoe had de schijn hiervan toch voor de hand gelegen!
-
-En dan die vreemde koorts-droom, die vreeselijke hartstocht-storm met
-die onverwante vrouw, dat wezen zoo gansch buiten hem, dat hij nooit
-gekend had, hoe had hij er ooit onder lijden kunnen, in angst en
-pijnen! Zij was toch nooit een lieve vriendin geweest van zijne ziel,
-en nooit had haar stem de rust van het stille bosch verstoord....
-
-Want de éénige werkelijkheid, die altijd onvergankelijk in zijn ziel
-was blijven leven, was dit reine, rustige woud, waren de blanke lelies,
-altijd onbesmet, in groote eerwaardigheid hun gouden kern ontplooiend,
-en het witte beeld van de prinses, zooals zij rustig slapende lag, in
-onschuld gehuld.
-
-En het éénige genot, dat ooit zijn innigste wezen zalig had gemaakt,
-was enkel het rustige aanzien van Leliane, in vrome contemplatie,
-verlangeloos zooals de gouden lelie-harten durfden opzien naar het
-licht.
-
-Hij herinnerde zich opeens zijn vrees van ééns, in het kamertje waar
-Leliane sliep, toen hij het getik-tak hoorde van de klok, en hij bang
-was, dat dit heilige oogenblik voorbij zou gaan, en weg wezen, voor
-goed. Maar nu voelde hij, dat het niet weg was geweest, dat het ook
-nooit weg zou kúnnen gaan, want dat dit heilige was gebeurd aan zijne
-ziel in de sfeer van het tijdelooze, die niet van de aarde is. En
-zooals onsterfelijk was zijn ziel, zoo moest ook dit allerhoogste
-zielsgenot onsterfelijk zijn, van eeuwigen duur, en onvernietigbaar
-door de vage dingen van het dra voorbij-vliedende leven....
-
-Wat hij gedroomd had, hoog in de toppen van de boomen, turende naar de
-verre sterren, wat hij geweend had aan zijn open venster, waar de
-nacht-boomen buiten ruischten stil gebed, wat hij voor heiligs gevoeld
-had als de witte lelies hun bladen ontplooiden, er kon niets van
-verloren zijn gegaan, omdat niets van God ooit verloren gaat....
-
-Ook niet Leliane...
-
-Leliane!...
-
-Kon dit de prinses zijn, die in haar witte paleis was gebleven,
-ongedeerd en ongenaakbaar, waar haar volk in onrecht en leugen
-verkwijnde, veilig in kostbare weelde tronend, alsof er geen honger en
-armoede bestonden?...
-
-Neen, dat kón niet, dat kón Leliane niet wezen, het moest eene andere
-zijn...
-
-Want deze Leliane, enkel genade, enkel goddelijke vrede, die reiner was
-dan de witte water-lelies, en van zachter kleuren dan de hemel, en
-schooner dan der sterren glans, dat kon niet de koude prinses zijn van
-een volk in ellende, ongeroerd in haar hoog paleis... En toch zág hij
-dat beeld, dat zoo op haar geleek, het kalme maagde-kind, dáár,
-peinzend bij den stillen vijver, in een zóó goddelijken glans, dat zijn
-gansche ziel er van bad...
-
-Was er dan een andere sfeer dan de vage werkelijkheid der aarde, waarin
-alle dingen, hier maar in droevigen, onvolmaakten staat, een
-verheerlijkt, heilig, hooger bestaan leven? En werd hij door zijn jonge
-droomen dan somtijds tot die hooge sfeer verheven, waarin de ware
-Leliane leefde, die misschien wel de eigenlijke, onsterfelijke ziel was
-van die andere in de droeve werkelijkheid, die op haar geleek?...
-
-Want alleen déze had hij lief, die hij nu naast zich zag zitten,
-roerloos de handen als teere bloemen in het mos, het lange, gouden haar
-als een aureool van licht om haar heen...
-
-O! Wat lagen die stille water-lelies rustigjes, rustigjes op den kalmen
-vijver-spiegel, en hielden hun gouden harten oprechtelijk open tot het
-licht! Overal om hem heen keken bloemen, zacht als kinderen, uit het
-gras, en hoor! de vogelen zongen, zijn lieve vriendjes, hun lied van
-blijheid om het leven! De goede, trouwe boomen stonden als oude
-vrienden in het rond. Alles, alles was als vroeger, maar nóg mooier,
-nóg heerlijker...
-
-En in die opperste extaze van een transcendent visioen voelde Paulus,
-hoe de goede Vader aller dingen nog altijd bij hem was, en woonde als
-een trouwe hoeder in zijn ziel, die door géén vaag gevaar van
-menschen-dingen ooit besmet kon worden, onvernietigbaar en veilig in
-eigen, heilige sfeer....
-
-
- Brussel—Scheveningen.
- 1901–1902.
-
-
-
-
-
-
-
-
-Op dit werk zal een vervolg verschijnen getiteld: „Leliënstad.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** De spreuk voorkomende op blz. 103 en verder is opzettelijk
-letterlijk vertaald, omdat zij in dezen versvorm prijkt op den grooten
-Dom te Berlijn.—Vergelijk Matthaeus XVIII: 20: „Ziet, ik ben met
-ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENING
-
-
-[1] In den zomer van 1901 was dit o. a. de mode ’s avonds in het
-restaurant Maxim te Parijs.
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LELIANE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.