diff options
Diffstat (limited to 'old/69040-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/69040-0.txt | 16164 |
1 files changed, 0 insertions, 16164 deletions
diff --git a/old/69040-0.txt b/old/69040-0.txt deleted file mode 100644 index 7ee8cef..0000000 --- a/old/69040-0.txt +++ /dev/null @@ -1,16164 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of „Ups” en „downs” in het -Indische leven, by Maurits Maurits - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: „Ups” en „downs” in het Indische leven - -Author: Maurits Maurits - -Release Date: September 24, 2022 [eBook #69040] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - book was produced from scanned images of public domain - material from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK „UPS” EN „DOWNS” IN -HET INDISCHE LEVEN *** - - - - - - „UPS” EN „DOWNS” - IN HET INDISCHE LEVEN - - - DOOR - MAURITS - - - GOEDKOOPE UITGAVE - BATAVIA—G. KOLFF & Co. - AMSTERDAM—LOMAN & FUNKE. - 1893 - - - - - - - - -INHOUD. - - - HOOFDSTUK. BLADZ. - - I. „VOOR VIJF TON IS HET JOU!” 1 - II. JOZEF EN ZIJNE VIJANDEN 7 - III. NA HET OPROER 15 - IV. MAMA TJANG 22 - V. „WEL, DIE TANTE CLARA!” 30 - VI. STEKEN ONDER WATER 40 - VII. LIEVE JONGENS! 48 - VIII. MEVROUW UHLSTRA NAAR KOENINGAN 53 - IX. TANTE JANSEN 59 - X. PESSIMISTISCHE OVERDENKINGEN 66 - XI. HET FEEST 70 - XII. DE TWEEDE DAG 78 - XIII. HOE DE „KINDEREN” ZICH AMUSEERDEN 84 - XIV. KOMEN EN GAAN 90 - XV. ZELFMOORD-PHANTASIEËN 95 - XVI. GEBER EN CLARA 99 - XVII. WAT DE MENSCHEN ERVAN ZEIDEN 104 - XVIII. CLARA WEER THUIS 111 - XIX. BIJ DEN CHINEES 114 - XX. ROOS GEWAARSCHUWD 117 - XXI. EEN TRAGISCH EINDE 124 - XXII. DE PSEUDO-PRINS VAN JAVA 132 - XXIII. MIJNHEER HUNZMAN 139 - XXIV. „’N COMPLETE JONGE DAME!” 145 - XXV. SPECULEEREN 151 - XXVI. ROOS DOET ZAKEN 162 - XXVII. EEN SOLLICITANT-ECHTGENOOT 172 - XXVIII. VERLIEFD 178 - XXIX. DE SOLLICITANT IS GESLAAGD 189 - XXX. FREDDY EN EDDY 196 - XXXI. DE INVITATIE 201 - XXXII. HOE FREDDY DRIEHONDERD GULDEN VERDIENT! 207 - XXXIII. „’N MOOI PAAR, JA?” 214 - XXXIV. HET FAILLISSEMENT 221 - XXXV. GELDZAKEN 230 - XXXVI. OP WEG NAAR HUIS 238 - XXXVII. DE VERLOVING 243 - XXXVIII. VERSCHILLENDE BEZOEKEN 250 - XXXIX. NIEUWE MISÈRES 256 - XL. DE BENGAALSCHE KOE 263 - XLI. ACHTERUITGANG 276 - XLII. SLOT 286 - - - - - - - - -EERSTE HOOFDSTUK. - -„VOOR VIJF TON IS HET JOU.” - - -Nu er dien vooravond toch geen visite werd verwacht en geen bezoek werd -gebracht, was mevrouw Uhlstra met haar dochters gaan toeren in den -helderen maneschijn. - -Ze waren het uitgaan en het ontvangen van „menschen” zoo gewoon in den -laatsten tijd, dat het haar toescheen alsof er een ziek was van de -familie, wanneer ze rustig bij elkaar bleven zitten zoo’n heelen avond. -De oude heer ging niet meê: hij hield z’n logé gezelschap. Veel spraken -die twee samen niet. Ze kenden elkaar al zooveel jaren! - -Hun landgoederen werden slechts gescheiden door een smalle rivier, die -ze indertijd overbrugd hadden om gemakkelijk bij elkaar te kunnen -komen, voor een praatje of een partijtje. Zóó hadden ze op het land -geleefd, vele jaren, als goede buren; nu en dan in heftigen twist over -kleinigheden, waarop al heel gauw de hartelijkste verzoening -volgde,—met ’n groote fuif; dat was usance! Maar Uhlstra had er ten -slotte den brui van gegeven. Ofschoon flink en krachtig en kerngezond, -had hij op z’n vijftigsten verjaardag gezegd, dat het nu wèl was. Zijn -halve leven had hij gesleten op zijn land; zijn oudste zoon was -meerderjarig en kon hem thans goed vervangen in het beheer; geld hadden -ze genoeg en de meisjes, die groot waren geworden, meenden ook dat het -veel prettiger zou zijn in de stad te leven. - -Toen had hij zich het mooie huis laten bouwen, dat hij nu bewoonde; een -open huis, in alle beteekenissen, want hij logeerde er niet enkel z’n -vrienden, maar ook hun vrienden, en menigmaal herbergde hij met de -grootste jovialiteit jonge menschen, die hij nooit had gezien, enkel op -een briefje van een ouden sobat uit Europa of uit de binnenlanden; een -„inkwartieringsbiljet”, zooals hij dat luid lachende noemde. - -Daareven had hij een langen brief gekregen van Henri, z’n zoon, den -administrateur; een brief, die van A tot Z liep over zaken; over den -padioogst, die juist binnen was, over de prijzen en hoeveelheden van -hun koffie, over de paarden, de koeien, den toestand van loodsen en -gebouwen. - -Hij had z’n bril er voor opgezet, en keek aandachtig door de groote -ronde glazen naar de met zwaar schrift bedekte vellen papier, in een -gevoel van rustige tevredenheid en de overtuiging, dat het alles in zoo -goede handen was, als stond hij zelf nog aan het hoofd. - -Met een enkel woord schreef Henri over het land van Geber, die nu de -gast was der familie en aan den anderen kant van de tafel zat, in -nachtbroek en kabaai, op een langen stoel, bladerend in een -tijdschrift, achteloos de prentjes bekijkend. - -Uhlstra bergde den brief eerst weg in z’n kantoor, zorgvuldig achter -slot; toen hij terugkwam, lei hij zijn armen op de tafel, leunend met -zijn bovenlijf op het marmeren blad, wrijvend met z’n stompe vingers in -den grijzenden stoppelbaard, terwijl hij met een zekeren ernst op z’n -donker gezicht naar Geber keek, als iemand die wel iets zou willen -zeggen, maar aarzelt ermeê voor den dag te komen. - -„Wat kijk je me aan?” vroeg de ander, het tijdschrift met een smak op -het tafelblad werpend. - -„Ik heb een brief van Henri.” - -„Zoo,” zei Geber, zonder belangstelling, terwijl hij een ander -tijdschrift uit de volle leestrommel vischte, die naast hem op een -stoel stond. „En hoe gaat het?” - -Uhlstra knikte, wachtte een oogenblik, alsof hij in twijfel stond. - -„Goed,” zei hij toen. „Alles marcheert uitstekend.” - -„En is hij nog eens bij mij gaan kijken?” - -Uhlstra nam een sigaar uit het open kistje, dat op tafel stond. Hij -stak haar aan, langzaam om tijd te winnen, zich bezinnend alvorens iets -te zeggen dat minder aangenaam was, en opstaande, liep hij een paar -keer, met de groote stappen van een man, gewoon zoo spoedig mogelijk -verre afstanden te voet af te leggen, over het marmer van den vloer der -achtergalerij, zwaar trekkend aan zijn sigaar en met breeden armzwaai, -telkens als hij die uit den mond nam. - -„Nou?” vroeg Geber verwonderd, maar op spottenden toon en al kijkend -over het blad, dat hij in de hand hield. „Er is toch niets aan den -knikker?” - -„Dat zal ik niet zeggen; maar ik geloof toch, dat het tijd voor je -wordt zelfs eens te gaan kijken.” - -Geber liet het blad op z’n knieën zakken, leunde z’n hoofd achterover -tegen den rug van den stoel, met een trek van verveling en landerigheid -op zijn gezicht. - -Geen oogenblik kwam het bij hem op, dat hij, als gast, bij Uhlstra te -veel was. Een paar maanden te voren, toen hij nog op z’n land woonde, -raakte hij aan het sukkelen; hij was aanhoudend koortsig, met een -onaangenaam gevoel van onwel zijn, zooals Europeanen in Indië dat -hebben kunnen; daarom was hij naar de stad gegaan, had bij Uhlstra zijn -intrek genomen en zich onder dokter’s behandeling gesteld. Men had hem -al heel gauw zoowat „opgeknapt,” en het vroolijke leven dáár aan huis, -de vele partijtjes en de gezellige omgang met tal van oude en nieuwe -vrienden, hadden hem heelemaal „ingepakt”. Hij zag er dan schrikkelijk -tegen op, terug te gaan naar z’n landhuis; het was mooi; het was -comfortabel; hij kon zich alles verschaffen wat hij maar wou,—maar hij -zat er als ongetrouwd man erg eenzaam. En met de jongere editie der -Uhlstra’s, zijn naaste buren, kon hij zoo niet opschieten. De brug over -de kali was door een bandjir weggeslagen; niemand sprak ervan een -nieuwe te laten bouwen. „Kijk ’reis,” zei Uhlstra, zijn breede figuur -in rust zettend vlak voor den stoel van zijn ouden sobat. „Je begrijpt, -hoop ik, dat het niet is om je weg te hebben...” - -Geber haalde de schouders op, alsof hij wou zeggen dat dit nu al te gek -was. „Nou,” vervolgde Uhlstra, „dan moet ik je zeggen, dat wat Henri -schrijft me in het geheel niet aanstaat. Die Joop......” Maar Geber -viel hem in de rede. „Ja,” zei hij, „och, dáár hoef je me eigenlijk -niks van te vertellen; daar weet ik alles van! Henri kan hem niet -uitstaan; het hindert hem, dat Jozef bij mij den baas speelt, en net -gelijk is aan een administrateur. Voilà! Het is een beste jongen, je -zoon Henri, dat is zeker, maar als hij van Joop begint....” - -„’t Is mogelijk,” zei Uhlstra. „Eigenlijk schrijft hij niets over hem, -ten minste niet rechtstreeks. Hij heeft alleen gehoord, dat de -bevolking niet tevreden is en daarvoor meen ik je te moeten -waarschuwen.” - -„Tevreden, tevreden! Dat zijn die kerels toch nooit. Nu, ik zal bij -gelegenheid eens gaan kijken. Bij mij hebben ze anders nooit -gemopperd.” - -„Dat weet ik, en daarom is het juist een leelijk ding... Als het hek -van den dam is.....” - -Geber lachte een beetje kwaad. - -„Daar heb je ’t al! Jij bent in dat opzicht net als je zoon. Al is Joop -geen Europeaan—hij is een vent, die den boel door en door kent en van -alles zoo goed op de hoogte is als iemand maar wezen kan. Het hek is -dan ook in ’t geheel niet van den dam.” - -„Soedah,” zei Uhlstra, „het zijn je eigen zaken, kerel.” - -Terwijl hij voor beiden een bittertje klaarmaakte, brak hij het gesprek -af, en het op wat anders gooiend, vroeg hij luchtig weg: - -„Is er wat nieuws in de trommel?” - -Ze bekeken nu samen de illustraties, pratende over onverschillige -dingen, voorstellingen van gebouwen, afbeeldingen van staatslieden, -reproducties van schilderstukken, en wat er al zoo meer voorkwam, tot -de dames terugkwamen en een luid vroolijk gesprek over allerlei -voorvalletjes op de plaats, verloopend in onbeduidendheden, zich -ontspon tot na tafel, juist als bij andere gewone menschen, zonder -bijzondere neigingen of groote ontwikkeling, maar die het goed en -royaal hebben en buiten materieele zorgen door het leven gaan. -Intusschen was Geber maar weer blij, dat het eten vrij spoedig afliep -en de dames vroeg naar bed gingen. Hij had in den laatsten tijd meenen -op te merken, dat mama Uhlstra en haar oudste dochter Roos hem niet -meer behandelden gelijk vroeger, en zooals hij, een oud huisvriend, het -gewoon was. - -Het scheen dat ze een nieuwe hoedanigheid in hem ontdekt hadden, en -voor z’n persoon was hij met die ontdekking verre van ingenomen. Ze -waren begonnen, ineens en als door een wederzijdsche ingeving, met -allerlei kleine opmerkingen, vragen en plagerijen, die altijd hetzelfde -onderwerp tot doel hadden: trouwen. Dat geen haar op z’n hoofd eraan -dacht, kon hij niet zeggen, want hij bezat nog slechts hoofdhaar aan de -kanten, doch dat hij zou sterven zoo ongetrouwd mogelijk, stond bij hem -als een paal boven water. Maar of hij dit al te kennen gaf openlijk en -in bedekte termen tot vervelens,—de dames bleven onverstoorbaar aan -haar idee vasthouden. Het werd met den dag duidelijker, dat ze een -huwelijks-candidaat in hem zagen voor de donkere oudste dochter. Hoe -onpleizierig hij het ook vond, schertste hij aan tafel maar dapper meê, -met een spotzieker gezicht dan ooit, van tijd tot tijd zijn fletse -blauwe oogen eens latende rusten op Roos, bij zichzelve met de -gedachte, dat als hij er dan toch een zou willen nemen zóó donker, die -veel gemakkelijker en minder kostbaar onder de inlandsche bevolking was -te vinden. - -Toen hij en Uhlstra dien avond voor de digestie nog wat op en neêr -wandelden voor het erf, dachten ze allebei aan hetzelfde: hun kort -gesprek in den vooravond, en het vervolgde altijd door op dezelfde -manier en zonder dat een hunner afkwam van zijn eerste denkbeeld. - -„Weet je wat,” zei Geber ten slotte, „ik verlang naar Europa, en ik -wou, dat ik van den heelen boel af was!” - -„Me dunkt dat is zoo moeilijk niet.” - -„Je meent dat ik het land kan verkoopen.” - -„Natuurlijk zou je dat kunnen.” - -Geber stond plotseling stil, als iemand, die een nieuw denkbeeld -krijgt. - -„Wat geef jij er voor,” vroeg hij. - -Maar Uhlstra schudde het hoofd, harder dan ooit in z’n baard wrijvend. - -„Ik heb genoeg aan m’n eigen gedoe, eigenlijk al te veel.” - -„Wel, denk er nog eens over; het was misschien zoo’n kwaad ding niet -voor een van je jongens. Ze kunnen toch niet allemaal administrateurs -worden van Tji-Ori.” - -Dat laatste zei Geber weêr op den spottenden toon dien men van hem -gewoon was. Het was waar, dat de jonge Uhlstra’s in Europa niet hard -vorderden; ze waren, dat bleek uit hun brieven en uit die van anderen, -erg vroolijk, gezond en levenslustig, en ze deden van alles, met -opoffering van veel tijd en geld, doch studeeren, juist het eenige -waarvoor ze gekomen waren, viel niet in hun smaak. - -En Uhlstra, die den spot voelde, maar de onmiskenbare waarheid ook, -antwoordde openhartig: - -„Ja, dáár kon je wel eens gelijk in hebben. Ik zal er nog eens over -denken.” - -Zwijgende, de brandende sigaren in den mond, stapten ze terug naar het -huis, naast elkander, met gelijken tred, de korte, breede gestalte van -Uhlstra met het zware grijze haar, naast de slanke, eenigszins -ingezonken figuur van Geber, op wiens schedel het lamplicht uit de -voorgalerij in een blinkend plekje zich als concentreerde en -weerkaatste. Weer stond Geber even stil, juist voor de trappen der -voorgalerij. - -„Voor vijf ton is het jou,” zei hij, de hand uitstekend gelijk een -veeboer, die een koe verkoopt op handslag. - -Een oogenblik stond Uhlstra in beraad; hij scheen werkelijk te denken -aan een bod; toen schudde hij met dezelfde onverzettelijkheid van -daareven het hoofd. - -„Neen,” zei hij, „daar moet ik eerst nog eens over denken.” - -„Dan niet te lang, want ’k heb plan er gauw een eind aan te maken, en -er van door te gaan!” - -Hij had wel gevoeld, dat Uhlstra den aankoop van zijn land, Koeningan, -niet verwerpelijk vond, en terwijl ze hun grog dronken, vervolgde hij, -erop terugkomend: - -„Ik zal er eens met dezen en genen over spreken: maar als je bij geval -voor een korten tijd de preferentie wilt.....” - -„Hm!” zei Uhlstra, „twee dagen; langer is niet noodig.” - -Het was zoo’n gewichtige zaak voor hun beiden, dat zij een tijdlang bij -elkaar zaten zonder te spreken, ieder bezig met z’n eigen gedachten. - -Het was ook iets waarin ze elkaar niet konden foppen. - -Uhlstra wist tamelijk wel wat Koeningan opbracht, en in hoever dus het -land een half millioen waard was, en Geber begreep heel goed dat zijn -oude vriend alleen tijd van beraad nam, omdat hij den toestand van het -oogenblik wantrouwde en eerst Henri wou raadplegen. - -Eigenlijk speet het hem nu, dat hij die preferentie had toegestaan. ’t -Was al te gek. Koeningan was in de laatste jaren eer voor- dan -achteruitgegaan en een half millioen waard, zoo goed als een duit een -duit. - -Doch nu hij eenmaal zijn woord gegeven had, kon hij het niet -terugnemen. - -„Zie je,” ging hij voort, „het moet een zaak blijven tusschen ons -tweeën, want als je decideert en je neemt het land niet, dan zou dat -voor mij nadeelig kunnen zijn.” - -Dáárover werden ze het eens, en nu eenmaal het groote idee van dien -koop en verkoop in hun hersens doorwerkte en hun allebei heelemaal in -beslag nam, wou het gesprek over onverschillige dingen niet vlotten en -stonden ze op het punt naar bed te gaan, toen een rijtuig ’t erf -opreed. - -„Wie drommel,” zei Uhlstra, „kan dàt nog wezen, ’t is al halfelf.” - -Uit het rijtuig stapte, met voorzichtigen tred, als iemand die bang is -mis te treden en niet op de soliditeit van z’n beenen vertrouwt, een -lang mager man, naar z’n uiterlijk diep in de vijftig, met een witte -jas en broek en een groot zwart lakensch vest eronder. - -Hij bleef staan voor de trede van z’n rijtuig, zette een lorgnet op en -boog zich voorover, onderzoekend het huis binnenkijkend. - -„Zoo Twissels!” riep Uhlstra op zijn luiden, vroolijken toon. „Kom -binnen.” Maar de ander naderde niet, lachte zachtjes terug en stak -enkel z’n langen arm uit naar de toegestoken hand van Uhlstra. - -„Als jullie,” zei hij met een fijne vrouwenstem, „een derden man kunt -gebruiken voor een partijtje, dan staat hij hier voor je. Zoo niet, dan -ga ik weer weg.” - -Ze vonden hem alle twee even uniek en aardig. - -Die Twissels was toch een echte dobbelaar! Dat zat den heelen dag hard -te werken op z’n druk koopmanskantoor, dat had een lang, mager, -schijnbaar zwak lichaam en een altijd eenigszins ziekelijk uiterlijk en -dat was niettemin nooit ziek, schoon er zeker geen twee avonden in de -week waren, waarop niet tot halfdrie, drie uren ’s nachts aan de -hombertafel werd gezeten. - -Geber en Uhlstra trokken hem naar binnen, nu opgewekt en verheugd over -deze onverwachte afleiding, want eigenlijk waren ze alleen van plan op -te breken omdat die zaak van Koeningan hun voor ’t oogenblik in den weg -zat. Ze waren ook niet gewoon, in den laatsten tijd, aan zoo’n stil -verloop van een avond als deze. Twissels, die heel goed zag, hoe welkom -hij hier was, wreef zich vergenoegd de smalle, magere handen. - -„Ik heb zoo’n idee,” zei hij, toen ze aan het speeltafeltje zaten en -Uhlstra de fiches afdeelde, „dat ik jullie van avond eens lekker zal -afzetten.” - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -JOZEF EN ZIJNE VIJANDEN. - - -De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van -den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver -uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van -den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien -haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig -gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de -roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen -den groenen achtergrond van hellend boschterrein. - -Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’s -factotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de -schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn -strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en -waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad, -kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot -geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan -was nooit iets gebleken. - -Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop -met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren, -wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van -inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig -zijn uit Arabië als uit Bengalen. - -Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn -handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een -administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof -in alle opzichten een self-made-man, zeer bijzonder was. - -Ja, hij had het ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn -verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn -groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met het air van een -heer en meester. - -Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was -hij naar zijn oordeel op den goeden weg. - -Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet -veel meer was dan mandoor, had hij zich bijverdiensten weten te -bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet -aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste -der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu -hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had -gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden. - -Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste -minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich -in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds -tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht, -bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu -inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel -geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, en toewan -tanah worden, deinsde hij voor niets terug. - -Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid -tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet -zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja, -die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat -leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen -en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte. - -Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het -afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op -zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel -eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en -geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar -ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en -tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef -kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het -maar beter was te zwijgen. - -Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd -tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas -speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de -kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas kwamen, maar -hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle -stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk -geen vrouw met rust laten. - -Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche -handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles, -list en geweld. - -Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn -gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn -onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk, -die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van -vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke -manier. - -Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s -avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar, quasi om een -strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te -hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die -anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel -onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en -zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk -zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegen hem. - -Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het -vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis -geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander, -die onder hem als djoeragan diende, sloot hij het voorgedeelte zijner -woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met -klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo -schilderachtig en lief, dat het overdag in ’t zonlicht een landelijke -idylle was. - -Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van -vorm, afkomstig nog van landheeren uit tempo doeloe, ging Jozef rustig -aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef, -elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het -bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de -trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen, -zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter; -niet uit vrees, maar uit wantrouwen. - -Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in -de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange -aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal -deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp -uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn -niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant. - -’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en -de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel -onder de loods het geheele en halve uur. - -Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de -over z’n naakte schouders geslagen sarong, van de baleh-baleh, waarop -hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een -dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien -gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders -gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij -het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten -gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets; -maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren. -Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij -zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen; -hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het -schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig -aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en -vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet -hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef. - -Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van -den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den -nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in -het groen. - -In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een -harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend -nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er -gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed -trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten -minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware -djati-houten deur, door twee grendels en een palang pintoe van binnen -gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend -doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad -wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur -gegrepen had, in de hand. - -Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er -direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik, -zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige -aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn -toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers -bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder de dof dreunende, -regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar -hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den -anderen kant, voelde en greep de palang pintoe van de achterdeur, -schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen -greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den -vinger aan den trekker van zijn geweer. - -Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef -neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw -en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van -wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog. - -De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander -ontbrandden de obors in de handen van halfnaakte inlanders met zwart en -wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het -lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug -tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed -omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het -geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door -het hart gestoken. - -De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n -wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in -hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk -hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot. -Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de -duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den -toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem -doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en -lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze -hakten met hun ariets en parangs waar ze het doode lichaam slechts -konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste -manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelf bosèn van waren en -het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten. -Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het -rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten -geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans -begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo -gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van -angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd. - -In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen, uren -lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de -kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een -bepaalde plaats verborg, was niet te vinden. - -De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat -hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als -krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste -woede, tot er niets meer was om te vernielen. - -Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met -heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op -uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; de -obors waren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over -de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het -afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in -eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op de tongtong -luid en akelig te doen weergalmen door de lucht. - - - -Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom -niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of -het een evangelie was. - -Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen” -waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed -als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een -beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudende déveine, dat men wel den -laatsten sans prendre bepalen kon. - -Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er -geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren -spel niet meetellen zou. - -Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor. - -„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschen Pech gezien?” riep hij kwaad met -z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een -half uur.” - -„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.” - -En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de -fiches opstreek: - -„Alle goede dingen bestaan in drieën.” - -Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die -aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht -naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen -Geber en z’n meester. - -„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord -over zoo’n ongewone vrijpostigheid. - -De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn -dienstbaadje naar buiten. - -„Er is een boedjang van Koeningan.” - -„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven, -weer neêrleggend. - -„Hij zegt dat er tjilaka is.” - -„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig. - -„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed -is bij mijnheer; dat het huis in brand staat en toean Joop al dood is.” - -Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld, -Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong -driftig op en riep den boedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan, -met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam -op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den -weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de -onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld -aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van. - -Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend -door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap -gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in -een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een -kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het -lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land, -trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te -weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem -strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoo -bingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos -en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door -vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door -elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om -dadelijk z’n américaine te laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze -wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In -den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting -reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een -extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot -zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed -niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem -onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje zei hij bij -zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!” - -Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n -besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als -er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er -wou. - -„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve -niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme. -Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat -Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef; -wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen. - -De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam. -Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land. -Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n -opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur -later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en -zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen -voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van -verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven -zweren. - -Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn -jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet. - -„Dag pa, dat is verduiveld vlug!” - -„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en -ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor -hem stond. - -Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht. - -„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgen Schadenfreude. „Het -is voor Geber een leelijk gevalletje.” - -„En is Joop dood?” - -„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk -hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom -laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?” - -De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het? - -„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende -paarden, die werden afgewreven. - -Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze -brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval -eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had -dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken -door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de -waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met -de gevolgen daarvan in te laten. - -Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht -en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en -ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke -koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het -inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt, -had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize -uithooren. - -Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het -relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan. -Henri kwam daarbij altijd weêr terug op hetzelfde uitgangspunt: het was -alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke -europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen, -herhaalde hij voor de zooveelste maal. - -Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had -Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel -Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was, -wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar -Koeningan, en zijn zoon, à fond nieuwsgierig om te zien hoe ze dien -smeerlap getjientjangd hadden, ging mee. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -NA HET OPROER. - - -De zenuwen der dames Uhlstra waren tot bedaren gekomen, toen tegen den -middag een man te paard een kort briefje van papa had gebracht. Nu -spraken ze met uitvoerigheid en een zeker welbehagen over den angst, -waarin ze dien ochtend gezeten hadden. - -Mevrouw zelf was niet uitgepraat over de aandoeningen van den dag, die -ze in even incorrect als vloeiend hollandsch herhaaldelijk vertelde, nu -eens de handen gevouwen, dan de rechter tegen ’t hart gedrukt of de -linker tegen ’t voorhoofd, uiterst démonstratief. Geber was blij, dat -er niets gebeurd was op Tji-Ori, want hij gunde den Uhlstra’s geen -kwaad, zelfs den zoons niet, die hij niet best lijden mocht. - -Voor hemzelf was het allesbehalve een afgeloopen zaak; hoe meer hij -erover nadacht, des te meer kreeg het koortsig gevoel, dat hem naar de -stad had gedreven en waarvan hij in den laatsten tijd bevrijd was, de -overhand. - -„’t Is een eenvoudige geschiedenis,” zei Uhlstra toen hij ’s avonds -terugkeerde, „maar het is een beroerd geval voor jou.” - -„Hoe was het met de administratie?” - -„Dat was het minst erge; tusschen het verbrande boeltje vond ik een -stuk van een boek, dat nog vrij wel gespaard was gebleven, met nog een -klein boekje erbij. Ik heb ze meegebracht en in je kamer laten -neerleggen.” - -„En overigens?” - -Uhlstra moest het verhaal doen in geuren en kleuren; hoe het lijk -mishandeld was en hoe de overblijfselen van het uitgeplunderde en -verbrande huis daar lagen. - -„Merkte je iets van het volk?” vroeg Geber. - -„Wel neen, het was op Koeningan zoo rustig als in m’n achtergalerij. -Verbeeld-je dat het Bestuur hier de tijding kreeg van een algemeenen -opstand der bevolking; dat er troepen zijn heengezonden en soldaten op -het land zijn gebivakkeerd!” - -Vol verontwaardiging schudde Geber daar het hoofd over. Hij wist dat -men dat gedaan had. - -In den loop van den dag waren er kennissen geweest om te hooren wat er -toch bij hem gebeurd was; meteen had hij toen vernomen, dat er soldaten -naar z’n land waren gezonden. Onder den indruk van dat feit, eenig in -de geschiedenis, zwegen allen; ze begrepen, zelfs de meisjes, wat dat -beteekende. - -Een moord op een opziener, niet eens een Europeaan; een rampas-partij, -enfin, een opstootje tijdens de afwezigheid van den landheer, had ten -slotte maar weinig om het lijf; dáárdoor werd de reputatie van een land -niet erg geschaad; dáárbij bleef de waarde ervan haast intact. - -Maar het groote gerucht van oproer onder de bevolking en het uitzenden -van troepen door het Gouvernement,—dàt was een nekslag voor den -eigenaar, die jaren noodig had om daarvan te herstellen. - -„’t Is schande,” zei Roos het eerst. „’t Is net of ze het met opzet -hebben gedaan.” - -Verrast en vol instemming keek Geber haar aan; dat idee was bij hem ook -opgekomen. Hij had nogal eens minder aangename quaesties gehad met het -Bestuur en miste, bij verschil van meening, den tact van den schijnbaar -veel ruweren Uhlstra, die er zich op beroemen kon, dat hij van alle -elkaar opvolgende ambtenaren kon gedaan krijgen wat hij verlangde. Ze -hadden allen de stille overtuiging, dat Roos het bij het rechte eind -had, maar niemand sprak er verder over. Zwijgend knikten ze elkander -toe, tot mevrouw Uhlstra de eerste was die opstond met een lang -gerekten zucht, zachtjes zei dat het „vreeselijk en vreeselijk” was, en -daarop naar haar kamer ging om zich te kleeden. - -Men had daar nog maar juist den tijd voor. De groote voorgalerij was in -den vooravond vol bezoekers, als hield men een openbare receptie. -Iedereen kwam, door nieuwsgierigheid gedreven. - -Men had de troepen zien oprukken; men had iets gehoord van moord en -oproer op het land van Geber, en bij de Uhlstra’s kon men zonder -twijfel het naadje van de kous te weten komen. - -Geber had den hoofdambtenaar Markens, die hem ook een -„condoléance-bezoek” bracht, met wien hij zeer wel was en dikwijls een -partijtje maakte, ter zijde genomen en zich bitter beklaagd. En de -regeeringspersoon, oud-besturend ambtenaar, anti-militair, had hem -volkomen gelijk gegeven, met de belofte, z’n best te zullen doen om de -soldaten zoo spoedig mogelijk terug te laten roepen en voor een zoo -gunstig mogelijk verslag te zorgen in het officieele Nieuwsblad. Geber, -die om dit laatste dringend verzocht had, gaf daarbij hoog op van de -humane behandeling, die het volk op zijn land genoot, van de bijzondere -mildheid in het toepassen van zijn rechten en in het voldoening eischen -van zijn verplichtingen. - -Maar toen hij in den na-avond lang gekeken had in het groote boek van -Koeningan en daarna in het kleine boek van Jozef; toen hij met veel -moeite het particuliere gedeelte dezer boekhouding had ontcijferd, en -het verband snapte tusschen de kleine administratie en de groote, kwam -een gevoel van diepe moedeloosheid over hem. - -Hij zag nu in, dat het alles zijn eigen schuld was; dat zekere -zorgeloosheid en een koppig vertrouwen in onbetrouwbare menschen de -oorzaak waren van zijn halven ondergang. Terwijl hij, bij al zijn -eigenaardigheden, zijn leven lang er naar gestreefd had eerlijk en -fatsoenlijk te zijn, was er nu maandenlang in zijn naam en op zijn -volmacht allerschandelijkst gestolen en geknoeid. Mistroostig zocht hij -Uhlstra op en vertelde het hem, zich daarbij opwindend tot een -ongewonen graad van woede, vloekend nu en dan, en met z’n vuist op de -tafel slaande, maar toch zonder een scheldwoord aan de nagedachtenis -van den vermoorde en, ondanks alles wat was voorgevallen, slechts dit -eene op den voorgrond stellend: „Het is mijn eigen vervloekte schuld.” - -En nu hoorde hij van Uhlstra het overige; vernam hij dat de -vrouwen-perkara’s eigenlijk de oorzaak waren van den moord en de rest. - -Het was, toen hij alles wist, haarfijn in geuren en kleuren, of alle -hoop hem ontzonk. - -„’t Is zoo goed als een ruïne,” zuchtte hij. - -„Dat zal waarachtig wel waar zijn; we hoeven elkaar niets wijs te -maken. Koeningan is op het moment zoo goed als onverkoopbaar. Gisteren -sprak je van een half millioen en daar heb ik waarachtig ernstig over -gedacht; op het moment, nu die heele perkara zoo is geloopen, zou ik er -niet graag een ton in willen steken. Maar wees een man, ga terug, -bemoei je met niets, en werk rustig voort tot, na een jaar of wat, de -heele rataplan in het vergeetboek is geraakt.” - -De raad was goed; ’t was eigenlijk de eenige die kon gegeven worden; -Geber was daarvan ten volle overtuigd, en niettemin schudde hij het -hoofd met een vies gezicht, als werd hem iets walgelijks aangeboden. - -„Ik kan er niet toe besluiten.—Als ik denk dat ik nu weêr voor een jaar -of vier, vijf in m’n eentje op Koeningan moet gaan zitten, dan maak ik -er bij God liever met een pil nummer elf een eind aan.” - -Hij kon er den geheelen nacht niet van slapen. Telkens als hij in z’n -kamer heen en weer had geloopen, onrustig, zenuwachtig, zonk hij neer -in een stoel, en als hij dan de oogen sloot, trachtend in te sluimeren, -zag hij duidelijk de onverstoorbare figuur van Uhlstra tegenover hem -zitten, en hoorde hij weêr de verschrikkelijke woorden: „Vandaag zou ik -er niet graag een ton in willen steken.” Geen ton in dat mooie, -vruchtbare en goed bevolkte land van meer dan vijf duizend bouws, -heelemaal onbezwaard; geen ton!! - -Dan dacht hij aan de som, waarvoor hij het zelf gekocht had, twintig -jaar geleden; aan zijn eentonig en afgezonderd leven als verbannen uit -de wereld, verstoken van zooveel dat de groote, beschaafde, europeesche -maatschappij opleverde. Dat alles was voor hem verloren gegaan, die -lange reeks zijner schoonste levensjaren, en nu hij op het punt stond -het door arbeid vrij geworden, dus verworven landgoed te gelde te -maken.... - -Met tranen in de oogen, tranen van medelijden met zichzelf en zijne -omstandigheden, stond Geber weêr op, helderder wakker dan hij was gaan -zitten; gejaagder en zenuwachtiger dan te voren. Toen het vijf uur -sloeg op de groote ouderwetsche hangklok in de achtergalerij, met -langzamen, zwaren slag als van een doodsklok, ging hij buiten zitten, -naar afleiding zoekend in het schemeren van den dageraad en het stil -gescharrel op het erf van de bedienden, die aan den waterput baadden, -hun koffie dronken en hun rijst aten, vóór de ontwaakte familie allen -in dienstbeweging stelde. - -Van de Uhlstra’s verscheen Roos het eerst. Om naar de badkamer te gaan -moest ze Geber passeeren, en verwonderd vroeg ze, toen ze hem daar -zitten zag: - -„Soh, al op?” - -„’k Heb den heelen nacht niet geslapen,” zuchtte hij erbarmelijk, en ’t -meisje, dat dit volkomen begrijpen kon, zuchtte met hem mee. - -„Verschrikkelijk, ja?” gaf ze meêlijdend toe. „Veel soesah vóór alles -voorbij is, en zooveel schade, zooveel schade!” - -Nu het eerste verdriet bij Geber dien nacht had uitgewerkt, en hij ten -slotte tegen een menschelijk wezen had kunnen klagen, kwam weêr de oude -natuur bij hem boven, en verscheen, voor het eerst sedert een etmaal, -op z’n gezicht de spottende trek, die daarop anders stereotiep was. Hij -stond op en zei, leunend met de hand tegen een pilaar, het eene been -over het andere slaande: - -„Ja, Roos, ik ben nu eigenlijk een arm man. Wat je vader zei, is waar: -als ik Koeningan op het oogenblik of zelfs in den eersten tijd wou -verkoopen, zou het land geen ton opbrengen. Plezierig, ja?” - -„Kasian,” zei ze van harte, want zij, die van kindsbeen over de prijzen -der groote landerijen steeds had hooren spreken met heele of halve -millioenen, doch overigens van zulke kapitalen slechts een heel vaag -begrip had, vond een ton al bitter weinig, in hoofdzaak omdat haar -vader en Geber zelf over dat bedrag met minachting spraken. „Kasian,” -herhaalde ze. „Maar weet je wat, jij gaat naar Koeningan terug en werkt -weêr teroes een jaar of wat.” - -„Dat zei je vader ook, Roos, maar het is niet alles voor me, zoo -moederziel alleen.” - -Het verwonderde Geber, dat zij ineens doorging naar de badkamer. Zij en -haar moeder hadden hem in den laatsten tijd voortdurend zoogenaamd -zitten plagen met zijn oldbachelorschap, en eigenlijk had hij nu -verwacht, dat ze hem zou aanraden te trouwen. Zoo’n antwoord zou hij -heel natuurlijk hebben gevonden. - -Hij ging met zijn rug tegen den paal leunen, de armen gekruist, vlugger -en beslister denkend en combineerend dan anders zijn gewoonte was. -Werktuigelijk riep hij: „Ja!” toen mevrouw Uhlstra, die intusschen -opgestaan en in het halfduister der achtergalerij was, in een roode -overkabaja met zwart fluweelen omslagen, hem toeriep, dat zijn kop -koffie stond te wachten. Maar hij kwam zoo spoedig niet. Het voor en -tegen stond hem duidelijk voor den geest. - -„Je koffie wordt koud!” riep nogmaals de vrouw des huizes en weêr -antwoordde hij: „Ik kom,” maar hij verroerde geen vin. - -Wel zeker, het was de beste oplossing; in alle opzichten de beste, en -toen Roos uit de badkamer terugkwam, keerde hij zich om, terwijl ze hem -voorbijging, hield haar vast bij den arm en met een poging om grappig -te zijn, al lachend: - -„Zeg Roos, wil jij m’n administrateur worden?” - -„Loop rond,” riep ze, ook lachend, den dikken arm lostrekkend uit zijn -magere hand en met een sprongetje de trapjes opwippend naar boven. -Geber hield in z’n hand nog ’n oogenblik een gevoel, dat nu juist geen -dichterlijke aandoening bij hem opwekte; een koud gevoel, net of hij -een visch in de hand had gehouden; doch daar lette hij maar weinig op, -geheel bezig met het groote besluit, dat hij daareven eigenlijk heel -onverwacht genomen had. - -Moeilijk werd het hem niet gemaakt. Roos, die heel goed begreep, dat er -meer stak achter het plan om haar tot administrateur te benoemen, had -dadelijk aan haar moeder verteld „dat hij beet.” ’t Viel in het oog -dien ochtend, dat Geber zich gekleed had, zorgvuldiger dan anders z’n -gewoonte was; dat hij zich netjes had geschoren en z’n knevels had -opgekruld; dat hij heel bijzonder naar Roos keek, die deed of ze het -niet merkte, en dat hij het nu was, die telkens sprak over trouwen, -terwijl de dames het onderwerp zorgvuldig vermeden. - -Toen Uhlstra na het ontbijt z’n brieven was gaan schrijven, zat Geber -op een gegeven moment alleen achter met Roos; den jeune premier te -spelen ging boven z’n krachten; hij vond dat, bij hun verhouding en -tegenover zijn omstandigheden, ook bespottelijk. - -Familiaar ging hij naast haar zitten, terwijl ze ijverig borduurde, nam -haar hand en vroeg doodeenvoudig of ze met hem wou trouwen en meê wou -gaan naar Koeningan. - -Zij ademde wel een oogenblik een beetje dieper dan gewoonlijk, wat men -duidelijk zien kon aan de beweging harer zeer ontwikkelde buste, maar -ze antwoordde even eenvoudig en leuk als hij gevraagd had, dat zij erin -toestemde en hij maar spreken moest met haar vader. Hij vond het zeer -natuurlijk, dat hij haar toen een zoen gaf, maar keek ervan op dat hij -er een terugkreeg, niet alleen zonder blooheid, maar ’n zoo goed -europeesche als hij zich slechts herinnerde ééns gehad te hebben, in de -twintig jaren, geheel doorgebracht in het binnenland, waar hij zich -voornamelijk had bepaald tot een inlandsche menagère, die hij -vermeende, buiten den striktsten en meest onvermijdelijken dienst, op -een afstand te moeten houden, zonder liefkoozingen of familiariteiten. - -Geber kon niet anders zeggen, of het viel hem erg mee, nu eenmaal de -kogel zoover door de kerk was; doch wat hem tegenviel was het gezicht -van z’n ouden sobat, die van den prins geen kwaad wist en niets -vermoedde toen Geber bij hem kwam met het aanzoek. - -Uhlstra zag er van weerskanten een speculatie in, en schoon zelf -uiterst practisch, had hij in zulke aangelegenheden daar een hekel aan. -Hij trok den breeden mond zeer onvriendelijk samen, keek voor zich op -zijn lessenaar, zei kortaf dat het hem hoogst eigenaardig verraste, -maar dat hij niet dadelijk kon besluiten en Geber binnen vierentwintig -uren een beslist antwoord zou geven. - -Toen Geber, tamelijk afgebluft, terugging naar z’n kamer, liep Uhlstra -betoel boos naar zijn vrouw om haar rekenschap te vragen. Zij was daar -in het geheel niet bang voor en Roos, die geroepen werd en tot haar -verbazing zag dat papa het niet zoo dadelijk goedkeurde, steunde haar -moeder krachtig. Eigenlijk was er tegen het huwelijk ook niets te -zeggen, dan dat Geber twintig jaar ouder was dan zijn aanstaande, en of -dit een voordeel was of een nadeel, behoorde tot de onuitgemaakte zaken -en zou dat wel altijd blijven, zoolang de opinies er zoo over -uiteenliepen. - -Bij Uhlstra week het aanvankelijk op den voorgrond gedrongen gevoel al -pratend terug, terwijl verstand en berekening zich sterker deden -gelden; ten slotte moest hij erkennen, wat dien ochtend vroeg Geber van -den anderen kant had bepikerd: dat het nog de beste oplossing was. Het -eenige wat hem nu verwonderde, was, dat hij dit niet dadelijk had -ingezien. Zonder verwijl zocht hij Geber op en gaf hem lachend een -harden stomp op z’n schouder. - -„Ik zal er maar geen vierentwintig uur overheen laten gaan,” riep hij -met z’n luide stem. „Trouw voor mijn part met Roos, en ik mag lijden -dat het jullie goed gaat.” - -„Waarom zou het niet gaan? Wij hebben het immers samen ook altijd -uitstekend kunnen vinden in en buiten zaken.” - -„Dat is waar,” stemde Uhlstra toe, en knippend met zijn slimme, scherpe -oogen, voegde hij er bij: „Twee joden weten wat een bril kost.” - -Het was een goede zaak, meende men algemeen, voor beide partijen, -Koeningan redresseerde zich ineens door dit huwelijk. ’t Had anders -heel wat sensatie op de plaats teweeggebracht, dat bericht van den -moord! Iedereen sprak de eerste dagen van de „opstandelingen”; het -sluitwerk aan deuren en vensters werd overal beter voorzien en er -ontstond een levendige vraag naar het artikel revolvers. Maar de -„burgerlijke en militaire autoriteiten”, die met de soldaten op het -land kwamen, vonden op het „tooneel van den opstand” tot hun groote -verwondering alles in de meest volkomen rust. - -Intusschen kon men, eenmaal den sterken arm erbij gehaald hebbend, er -moeilijk toe overgaan de soldaten onverwijld terug te zenden, al -begreep iedereen hoe overbodig ze daar waren. Het gerechtelijk -onderzoek had de arrestatie van een half dozijn opgezetenen ten -gevolge; Uhlstra en zijn zoon hadden echter voor de nagedachtenis van -den vermoorde zoo verpletterende mededeelingen gedaan, en er kwam -bovendien nog zooveel misdadigs ten laste van nu wijlen Jozef aan ’t -licht, dat zich al heel spoedig een meening en een overtuiging vormden, -gunstig voor de van schuld verdachten. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -MAMA TJANG. - - -Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend -gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te -brengen; allen vonden dat de laatste restjes van die leelijke perkara -eerst uit de wereld moesten zijn. - -En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het -uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in -beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook -veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone -naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf -een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren -doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die -men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te -wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van -harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en -waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich -belangstellend vereenigden. - -„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had -verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam. - -„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er -dadelijk naar toe.” - -„Wat is er dan nu weer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag. - -„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.” - -Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n -kamer. - -„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna. - -„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de -moeite waard is.” - -„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en -dan gauw een schoone kabaai aan.” - -Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne, -hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve -ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw -binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge, -maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar -verwachtend. - -Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van -droefgeestigheid op de gezichten. - -„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten -gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen. - -„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal -afloopen.” - -Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der -bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam -van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t -schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van -allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling -goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en -rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere -artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het -ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai -kanten met rood lint opgenomen klamboe, lag op een mat een oude -inlandsche vrouw, mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met -gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen -had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde, -gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf -aan het masque ineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw -Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een -lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch -met groote belangstelling naar de gezondheid van mama tjang, die -dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook -haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten -jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe -ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer, -beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer -naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij; -ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze -niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men -haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra -kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende -protesten van Lugtens, haar man, mama tjang verzorgde en liet oppassen, -doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar -met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren -bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het -maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het -lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze met eau de cologne -verfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond -zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast. -Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze -van de benauwdheid in de ziekenkamer. - -„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het -hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.” - -Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan -groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar -huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de -hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het -middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan -den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar -houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van -beslistheid, trad zij binnen. - -„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?” - -„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.” - -„Wanneer moet dat gebeuren?” - -„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes....” - -Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze -binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold -voor allen te gelijk. - -„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!” - -Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken -dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook -altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende -zich tegenover oom Lugtens niet bingoeng te toonen. - -„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk. - -„Zeker, zeker.... het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt -man.” - -„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de -heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t -hoofd.” - -Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen -blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos: - -„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn -ook twee voorname dingen.” - -„Ja, oom.” - -Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar -aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak. - -„Nu,” zei mevrouw Uhlstra. „We komen je maar even groeten, want we -moeten weêr gauw naar huis.” - -„En ik heb ook de handen vol. Adieu dus en groet je man van me.” - -Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en -de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij, -dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij -lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op -naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend -harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord -te worden: - -„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met -hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!” - -„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met -een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk -geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.” - -„Zanikt hij daar nog altijd over!” - -„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur -meê.” - -Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan. - -„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te -spreken, maar zoo’n bullebak als die Jacques....” - -De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den -landauer haar moeder. - -„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is, -laat je me maar roepen, ja?” - -Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en -netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende -barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó -kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd -eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij -bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij -door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had -gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte, -forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste -onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg, -altijd zorgvuldig geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken -langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud -romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij -maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn -ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen: -hem te gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen -hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar -achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een -gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van -haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in -huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene -zindelijk. - -„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar. - -„Ja, de oude vrouw is erg naar.” - -„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me -hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze -beter is, is het uit.” - -Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en -ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen -daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast -besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven -zorgen. - -Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met -hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het -achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee -jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit -school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t -Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil -werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de -schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten -rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging -gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien -het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de -eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit -zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen. - -Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de -anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche -herkomst van moederszij. - -Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena -dadelijk: ze vroeg naar mama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en -bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was, -weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder zich om haar vader -te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens -kenmerkten, naar achteren. - -De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten -een onmiddellijke, minder aangename nabijheid. - -Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lag mama tjang te -wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er -een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het -kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven -en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam -ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat -niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde. - -In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van -haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar -leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang. Mama tjang zei -nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar -altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet -losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van -deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood -bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze -veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op -haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en -daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een -stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en -de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een -atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het -kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van -ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg -boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het -ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg. - -Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets -genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een -uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in -bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste -kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een -prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het -een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een -bundeltje in een lâ van haar eigen kast. - -Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk -maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug -te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was. - -„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf. - -„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel -omdat je hier woont net als wij.” - -Maar mama tjang schudde van neen. - -„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.” - -„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos op -mama tjang?” - -De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind -zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er -het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader, -die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze -met grooten nadruk: - -„Papa, waarom bent u toch zoo boos op mama tjang?” - -Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat -kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt -stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon -was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar -onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op -de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er -iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor -hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde. - -„Ik ben niet boos,” zei hij en wou weêr aan ’t werk gaan; doch hij zou -er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm -familiaar op z’n schouder. - -„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de -bijgebouwen.” - -„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.” - -Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot -een volwassen mensch, erbij voegende: - -„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.” - -„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.” - -„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu -eenmaal niet van.” - -„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw -eigen moeder?” - -Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker, -verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit -kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor -z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede -van den kleinen stand eener groote stad! - -Strijdend uit al zijn macht in de indische maatschappij om zijn positie -te verbeteren en geld te winnen, was hij, in de dagen van zijn opkomst, -los geweest van alles. Maar nu hij ouder was, zijn positie niet hooger -kon komen en zijn gevestigd fortuin vanzelf toenam, had hij soms -moeite, schoon hij daar nooit tegen iemand over sprak, opkomende -gedachten te onderdrukken, gedachten, verbonden aan herinneringen en -vol verwijt. Voor zijn zelfzucht, verhard in dertigjarigen arbeid en -zorg voor allerlei belangen, viel het niet zwaar, zich wat hij -muizenissen noemde, uit het hoofd te zetten, en dat deed hij dan ook -telkens; doch hij schrikte ervan nu hij zijn groote tekortkoming zoo -onverwacht hoorde formuleeren door het eenige van z’n eigen kinderen -waaraan hij buitengewoon gehecht was. Hij keek de kleine Lena met -wantrouwen aan, twijfelend of ze dit had uit haarzelve dan of het haar -was ingeblazen, en wat een heele gewone omstandigheid was, deed hem nu -bijzonder aan: zij had dezelfde oogen als zijn moeder; in een vlaag van -bijgeloovigheid overviel hem het gevoel als keek zijn moeder, die al -zoo lang dood was, hem aan door de oogen van het kind; zijn wantrouwen -was dadelijk weg. Toch vroeg hij nog: - -„Heeft mama je soms gezegd zoo tegen me te spreken?” - -„Mama!” zei Lena heel verwonderd. „In het geheel niet; ik vroeg het -zelf maar zoo.” - -Lugtens haalde diep adem. - -„Nu,” zei hij, „ga dan maar heen. Die oude vrouw kan wel blijven; papa -zal er niet meer boos om zijn en nooit weêr iets van zeggen.” - -Het kind wipte met een sprongetje de deur uit, volstrekt niet -doordrongen van het feit, dat ze iets heel bijzonders had verricht, -enkel tevreden dat mama tjang niet weg hoefde te gaan, en haar moeder, -zooals zij het noemde, geen knorren meer zou krijgen. En ze riep dat -hardop, zoodat Lugtens het nog heel goed hooren kon, tot grooten schrik -en ontsteltenis van Clara, die haar haakwerk haast van haar schoot liet -vallen en fluisterend zei: - -„Stil toch Lena; wat heb je nu weêr uitgevoerd?” - -„Nou,” antwoordde het kind even onbeschroomd als altijd, „ik heb aan -papa gevraagd niet meer boos te zijn, omdat....” - -Mevrouw Lugtens was haastig opgestaan. - -„Kom, ga mee naar de goedang,” zei ze snel, het kind in de rede -vallend, „dan kan je wat padi halen voor de perkoetoets. Ze hebben nog -niets gehad vandaag.” - -’t Was enkel om de kleine woordelijk te laten herhalen, wat ze brani -geweest was tegen haar vader te zeggen. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -„WEL, DIE TANTE CLARA!” - - -In zijn heelen omvang begreep Clara zelf ook niet wàt het eigenlijk -was. Haar begrip bepaalde er zich hoofdzakelijk toe, dat dit kleine -nest haar huistiran een fameus koopje had gegeven, en er hem geweldig -had laten inloopen. Als zoodanig vertelde zij het haar zuster, hoorden -het ook de meisjes Uhlstra en vernam Geber het, toen hij Zaterdag ’s -avonds naar de stad kwam om er den Zondag te vertoeven, van z’n -aanstaande bruid, tusschen twee drukten van het uitzet. Hij, beter -opgevoed en meer ontwikkeld, voelde wat er meer achterstak dan een -gewoon koopje, doch hij hield dat voor zich. - -Ook sprak hij liefst zoo weinig mogelijk over de familie Lugtens. Hij -kwam er aan huis zoo’n enkel maal, en werd altijd gevraagd als er een -diner of een feest was. - -Bij z’n vrijwillige bezoeken maakte hij het zoo kort mogelijk; bij -bijzondere gelegenheden zat hij, zoodra het eenigszins kon, aan de -hombertafel. - -De groote tegenstelling tusschen het krachtig despotiek karakter van -Lugtens en de indolente onverschilligheid van Geber was geen reden van -terughouding; zij belette niet dat de twee mannen elkaar gaarne -mochten. Integendeel, Lugtens had een bijzondere sympathie voor Geber -en zei dikwerf, dat het hem genoegen zou doen als Geber, wanneer hij in -de stad was, altijd ten zijnent kwam logeeren en voor ’t minst ’s -avonds familiaar binnenliep om à la fortune du pot meê te eten. ’t Was -nooit gebeurd; de vrijwillige visites van Geber behoorden altijd tot de -groote zeldzaamheden, en toen men hem nu, terwijl hij bij zijn meisje -zat, vertelde van het roekeloos feit, dat in aller oogen de kleine Lena -had onderstaan, liepen zijn gedachten terug naar een lang vervlogen -tijd, jaren geleden; een tijd waarin de oorzaak lag van zijn -teruggetrokkenheid. Hij zou nu trouwen met Roos en geparenteerd worden -aan Lugtens en diens vrouw! ’t Was dwaas, dacht hij, en terwijl hij met -een spottenden glimlach over dat dwaze zat door te pikeren, schoot -plotseling Roos uit den hoek met een opmerking die hem trof. - -„Weet je,” zei ze, „het is heel vreemd, tante Clara is de eenige die me -niet gefeliciteerd heeft met m’n engagement.” - -„Ze heeft het mij immers gedaan,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden, -op een toon als nam zij de opmerking kwalijk; maar ze keek daarbij niet -op, ijverig voortbordurend aan een der kabajastrooken, die ze zoo mooi -kon maken, en die haar roem waren en haar trots. - -„Ze had het mij toch óók wel kunnen doen; ik vind het niets lief. Wat -zeg jij, Willem?” - -Doch mevrouw Uhlstra scheen niet te verlangen, dat Geber in deze -quaestie aan het woord kwam. - -„Wat zanik je toch, Roos? Zij heeft mij immers dadelijk een heel lieven -brief geschreven.” - -„Dien heb ik niet gelezen.” - -Intusschen dacht Geber, stil zijn sigaar rookend, er het zijne van. - -Hij en mevrouw Uhlstra waren volkomen op de hoogte; zij kenden le fin -mot de l’histoire; hij vooral. Het was het eenige van dien aard dat hem -ooit in z’n leven was overkomen. Lugtens stond toen nog pas korten tijd -aan het hoofd zijner maatschappij, en deed lange reizen door heel den -Indischen Archipel om alles te zien van de zaken, die hij nu zelf -geheel zou beheeren. - -Op een goeden dag, toen Geber van z’n land naar de stad ging om -inkoopen te doen, geld te ontvangen en beren te betalen, was hij bij -Clara gekomen, en had haar planten en bloemen gebracht, waarom zij hem -had geschreven. Mevrouw Uhlstra, die toen juist bij haar zuster -logeerde, was uitgereden naar de toko’s. Hij, Geber, was nog een ander -man, twaalf jaar jonger en in verhouding nog heel veel jonger. Hij en -Clara kenden elkaar al vanouds; ze lachten samen en noemden elkaar bij -den voornaam; hij plaagde haar, zij plaagde hem terug, doch zonder de -minste nevenbedoeling, en wat hem had bezield dien dag en wat haar in -zulk een stemming bracht wisten ze beiden niet en hebben zij nooit -geweten,—maar toen Mevrouw Uhlstra van haar tokobezoeken terugkeerde, -zaten ze tegenover elkaar in de achtergalerij verwonderd en bedrukt, -ieder voor zich niet gelukkig en tevreden, maar vreemd en verlegen. - -Dat had de goede zuster Lena niet gezien; ze had het zóó druk met haar -inkoopen en haar verhalen van de prijzen die de Chineezen durfden -vragen en over haar eigen buitengewone volmaaktheid in het tawarren op -die prijzen, dat ze aan niets anders dacht, en haar mond er niet van -stilstond. Ze zou zelfs niets vreemd hebben gezien in de omstandigheid -dat Geber dien dag niet terugkeerde naar Koeningan, maar zijn vertrek -telkens weer uitstelde, en elken dag te vinden was in het huis van -Lugtens, steeds komend als mevrouw Uhlstra bij haar kennissen was of -boodschappen deed. Natuurlijk was het haar lijfmeid, die haar alles -wist te vertellen, en toen, ontstoken in de grootste woede en -verontwaardiging, had zij haar zuster niet gespaard en Geber ook niet. -Hij, ontsteld en beschaamd, had dadelijk den aftocht geblazen, ook -omdat hem eigenlijk niets liever was, want het gebeurde herhaalde zich -wel weêr telkens, maar niettemin vervulde het hem, hoe aangenaam op -zichzelf, ’t grootste deel van den dag met zwaarmoedige denkbeelden. In -’t minst niet verliefd op Clara, had hij schrikbarend het land over een -eenmaal begane, onherstelbare fout, die hem in de grootste -moeilijkheden kon brengen. Bij de maatschappij, door Lugtens beheerd, -stond hij toen nog onder zware financieele verplichtingen; Uhlstra, -zijn beste sobat en buur, was geen gemakkelijk man waar het de moreele -reputatie betrof zijner familieleden, en eigenlijk was Geber maar blij, -dat er op zoo’n geschikte manier een abrupt einde kwam aan zijn korte -relatie met Clara, die hem meer vervulde met zorg en schrik, dan met -genot en vreugde. - -’t Scheen ook dat zij zelve weinig heil zag in een toekomst, waarbij -zoo ontzaglijk veel op het spel stond. Hij hoorde niets meer van haar, -terwijl hij gewoon voortleefde op het land met zijne inlandsche -huishoudster, bij wie hij niets riskeerde. - -In geen maanden vertoonde hij zich, en toen hij ten slotte goedschiks -niet langer nalaten kon in de stad te komen voor zijne zaken, en toen -ook wel verplicht was een invitatie van Lugtens aan te nemen, -verhielden hij en Clara zich heel gewoon tegenover elkaar; voor -vreemden alsof tusschen hen nooit iets bijzonders was voorgevallen: hij -allerbeleefdst, zij stug en koel. - -In zoover was dus alles uit, met dit verschil alleen, dat bij de -geboorte van kleine Lena, mevrouw Uhlstra, Geber en Clara hun eigen -gedachten hadden; en dat Lugtens, zoo hij er ooit op had gelet, -evengoed de opmerking had kunnen maken, dat het aardige blonde kind -zoowel de violetblauwe kleur der oogen had van een zijner vrienden als -van wijlen z’n eigen moeder. - -Aan dat alles dacht nu de galant van Roos, terwijl de meisjes met zijn -aanstaande schoonmoeder aan het kibbelen waren over de bekende quaestie -in hoever het lief was van tante Clara of boosaardig dat ze Roos niet -persoonlijk had gefeliciteerd, maar alleen, zooals Mevrouw Uhlstra wel -tienmaal verzekerde, per brief aan mama. - -Tot grooten spijt van de dames Uhlstra, moeder en dochters, had Geber -het in zijne bruigomsdagen vervelend druk. Anders kon hij in de stad -over zijn vrijen tijd naar willekeur beschikken, juist nu viel het zoo -ongelukkig, vonden zij, dat hij en papa Uhlstra heel gewichtige zaken -te doen hadden, waarover ze een geheimzinnig stilzwijgen bewaarden; -waarvan de dames niet meer te weten konden komen dan dat er heel veel -geld meê verdiend moest worden, iets dat haar, die de waarde van geld -nauwelijks kenden, in mindere mate belangstelling inboezemde, dan het -haar speet, dat het bruidje niet elken avond in de gelegenheid was haar -fraaie toiletten te laten bewonderen. Er viel echter niets tegen te -doen; het scheen een vaste wet dat de „conferenties” over die -gewichtige zaken enkel ’s avonds konden worden gehouden bij Lugtens aan -huis, en even noodzakelijk scheen het, dat de behandeling dier zaken -aanving met een fijn diner en eindigde met een fijn partijtje. - -Zoo zaten ze nu ook weêr bij elkaar, klokke zeven reeds, in een -afzonderlijke zijkamer van het groote huis, met Twissels, den koopman, -erbij. Onder ’t licht van een groote kristallen hanglamp staken ze de -hoofden, over beschreven papieren gebogen, bijeen; het groote -peper-en-zouthoofd van Uhlstra, de dikke, blonde krullebol van Lugtens, -het gekuifde kippekopje van Twissels en de glimmende schedel van den -bruidegom. Zij zeiden niets, een heelen tijd, ernstig kijkend op de -vellen papier, in de staten en opgaven, waaruit ieder zijn eigen -cijfers nam en er zijn eigen berekeningen naar maakte. ’t Liep over een -groote aanneming van levering en vervoer van gouvernementsgoederen, -zooals die nog plaats hadden in de dagen van overvloed; zij waren -overeengekomen daar gezamenlijk een kongsi voor te maken. - -Nu waren ze zoowat gereed, en vergeleken elkaars cijfers en rekenden -die na; Twissels maakte er ten slotte een récapitulatie van, die hij -zachtjes voorlas, met z’n zoete meisjesstem, hoog bij elken nieuwen -zin, als een kind, dat een verhaaltje leest uit een schoolboekje. De -oogen der anderen keken intusschen omlaag naar het tafelkleed, strak -voor zich heen; zwijgend, met kleine trekjes aan de sigaren, knikten -zij nu en dan goedkeurend, als de een of de ander het cijfer hoorde, -zijn eigen aandeel in het plan rakend, tot Twissels, toen hij het -eindcijfer had genoemd, door zijn groote lorgnetglazen rondkeek en één -voor één aanzag met een vriendelijk vragend gezicht, alsof hij een -complimentje wachtte, omdat hij zoo accuraat en net de laatste hand aan -het voorloopig werk had gelegd. Lugtens richtte z’n zwaren kop omhoog -met een tevreden glimlach op zijn breed, glad gezicht. - -„Ziezoo,” zei hij, „nu weten we ten minste waar we zoowat aan toe -zijn.” - -„Als er geen ongelukjes bijkomen,” meende Uhlstra, die, voor het eerst -aan zooiets meêdoend, nog het volle vertrouwen er niet in had. En -Geber, die in den laatsten tijd zoo’n Pech gehad had, zuchtte daarvan. - -„Ja,” zei hij, „er kan nog wel het een en ander gebeuren, dat we nu -juist niet hebben voorzien.” - -Half meêlijdend, half vriendelijk keek Lugtens hem aan, en toen eens -naar Twissels, die een heel hoog lachje uitstiet en hen geruststelde -door te zeggen, dat ze maar vertrouwen moesten op zijn onverstoorbare -veine. - -„Als ik erbij ben,” ging hij voort, „en Lugtens doet ook meê, moet het -al heel raar loopen, als er niet nog behalve de berekende portie een -extra-kluifje overschiet.” - -Luid lachten ze nu alle drie. Het was toch een origineele vent, die -Twissels, vond Uhlstra ook nu weêr, en hij sloeg vol vertrouwen met -zijn forsche plantershand op den smallen schouder van den koopman, die -er, in den fausset een „Zeg, zeg, jou hardhandige boer!” over uitriep. - -Tevreden en voldaan over hun werk stonden ze op, en luid pratend over -onverschillige dingen, liepen ze de groote marmeren voorgalerij op en -neer, tot, omstreeks acht uur, een coupé met een paar hooge swanrivers -ervoor het erf opreed; ’t was Markens, die kwam dineeren, en die eerst -aan tafel een fijn glas Bourgogne moest gedronken hebben, vóór zij -meenden, dat hij in de gewenschte stemming was. Hij moest hen helpen -het contract te krijgen. - -Natuurlijk wist hij waarvoor hij kwam. Lugtens had het eigenlijk al -heelemaal met hem klaargespeeld onder vier oogen. Er waren elders nog -meer liefhebbers voor deze zaak; en men moest iemand hebben, die de -concurrentie kon neutraliseeren. Er werd na het diner, waaraan enkel de -heeren deelnamen, een gemoedelijke boom over opgezet. Van eenig -geldelijk belang, dat Markens kon hebben bij de gunning aan hun kongsi, -werd met geen woord gesproken, er zelfs niet op gezinspeeld; het had -geheel den schijn, alsof het een quaestie was van zuivere argumenten, -die door alle vier om beurten werden aangevoerd met nu en dan een -tegenwerping of een bezwaar van Markens, dat dadelijk werd opgelost. -Dan knikte hij goedkeurend en gaf hun, overtuigd, gelijk, ten slotte -verklarende, dat hij z’n best zou doen. Het was eigenlijk alles slechts -voor den vorm, maar ’t moest gebeuren op die manier. Ondanks dat besef -der noodzakelijkheid, haakten allen naar het geliefkoosde partijtje. -Toen te twee uur Markens opstond, streek hij een aardige som als winst -in z’n portefeuille. ’t Was opmerkelijk welke slechte spellen Lugtens, -Uhlstra en Twissels dien avond kregen! Geber kon z’n gewonen gang wel -gaan; die verloor ten slotte toch nog ’t meest van allen! Toen Markens -weg was, praatten ze nog een oogenblik na met hun vieren. - -„Het is een aardig zaakje, waarachtig!” verzekerde Twissels, die -eigenlijk weêr een grogje meer had gedronken dan hij velen kon. - -Met een glans van voldoening op het gezicht, rekte Lugtens zich uit, -achterover tegen de leuning van z’n stoel. Hijzelf had als altijd niets -gedronken dan een glas water; zelfs geen sigaar gerookt. - -„’t Zou al heel gek moeten loopen,” zei hij ernstig, „als er niet -schoon een millioen aan te verdienen was!” - - - -Den dag vóór het huwelijk van Roos en Geber werd het contract aan de -kongsi gegund, en was op den huwelijksdag de bruigom buitengewoon in -z’n nopjes, de getuigen uit de kongsi waren het vooral niet minder. - -Roos mocht wat donker van kleur zijn,—zij was in haar bruidsjapon van -zware lyonsche zijde en met haar echt kanten sluier een lieve bruid, en -Geber zag er wel niet jeugdig uit, maar zeer gentleman-like. Het was -vol op de receptie; om flauw te vallen van de warmte. Een der grootste -kamers van het huis was nog te klein om er de prachtige cadeaux in te -bergen. - -Voor Roos was ’t anderhalf uur lang van den kant der gelukwenschende -dames een zoenen in het oneindige, wat Geber erg hinderde; daarentegen -kreeg hij handdrukken bij dozijnen, tot zijn vingers hem van de -hartelijkheid pijn deden, en hij een gevoel van stijfheid kreeg in den -haast onophoudelijk uitgestoken arm. Welk een ware bevrijding, toen -tegen halfnegen de laatste gelukwenschers in hun rijtuigen stapten, en -voor de jonggetrouwden nog slechts de slotoperatie aanving, het diner! -Men had medelijden met hen. Geber was totaal op van de ellende: den -heelen namiddag en avond in ’t zwart laken bij zoo’n temperatuur en -voortdurend op de been! Hij geeuwde nu en dan stilletjes achter zijn -hand, zoo landerig en vervelend vond hij het; het biologeerde hem; en -toen ze eindelijk naar Koeningan reden, na een zenuwachtig afscheid van -mama en de zusters, met tranen en liptrillingen en -„Houd-je-maar-goed-hoor!”’s, en „plok-plok’s”, die als pistoolschoten -door de galerij klonken op de afgezoende wangen der jonge vrouw,—toen -viel Geber in den coupé achterover tegen het gecapitonneerd bekleedsel, -met een gruwelijke aanvechting om z’n zwarten rok en z’n pantalon uit -te trekken. Hij voelde onder zijn lakensch vest geen drogen draad! God! -God! welk een korvee, dat trouwen! dacht-ie. - -Onder het ratelend voortrijden over den begrinten weg, zaten zij, de -eerste tien minuten zonder te spreken, uit te blazen van de -vermoeienis; op te frisschen in de tegenwaaiende koele avondlucht, die -de raampjes binnenstroomde; langzamerhand bekomend van wat Geber een -„korvee” had genoemd. Hij hield haar hand in de zijne, met -mannenpedanterie overtuigd, dat ze aan iets dacht en dat hij precies -wist wat dat was. Het amuseerde hem; het wekte hem op, en hij schoot -bijna in een lach, toen hij haar zelfs een zoen gaf, God weet den -hoeveelsten dien dag! Wat had hij ook anders kunnen denken van haar -gedachten? - -„Heb je het gezien?” vroeg plotseling Roos. - -„Wat was er te zien?” vroeg hij terug, in zijn zelfde bui van -joligheid. - -„Wel, die tante Clara!” - -„Och,” zei hij, „wat was er dan aan Clara te zien?” - -Inwendig maakte het hem boos, dat ze nu juist in dit moment dááraan -scheen te denken en dáárover begon, ’t Was het allerlaatste onderwerp, -dat hij verlangde aan te roeren, en nu dreigde juist het gesprek -dáárover te zullen loopen! Vleiend voor zijn eigenliefde vond hij het -ook in het geheel niet. Voor de eerste maal trof het hem hoogst -onaangenaam, dat haar huwelijk, wat le vrai motif aangaat, niet eens -zooveel belangstelling bij haar scheen op te wekken als een -welgeslaagde pudding of een portie goed gecombineerde roedjak. - -„Soengoe mati, Wim, heusch het is waar; ze heeft me weer niet -gefeliciteerd en jou ook niet.” - -„Wat mij betreft, ik heb er niet op gelet, en ’t is me ook volmaakt -onverschillig.” - -Hij had haar hand losgelaten en was weer achterover gaan liggen tegen -het grijs bekleedsel van ’t rijtuig. - -„Er moet,” ging Roos voort, zonder aan zijn doen of laten aandacht te -schenken, geheel in beslag genomen door die valsche plooi in haar -familieverhouding, „er moet iets gebeurd zijn; ze moet ergens het land -over hebben.” - -„Best mogelijk! Wat kan het ons schelen?” - -„Ik heb nooit iets met haar gehad, en altijd veel van haar gehouden. Ze -was zóó lief, weet-je, en van mij hield ze heel veel, erg veel.” - -En toen Geber daar niets op zei, als de eenige manier om los te komen -van dit vervelend gepraat, herhaalde Roos op den stelligsten toon: - -„Nooit, nooit, weet-je, heb ik iets met haar gehad.” - -„Nu, des te beter; dan heb je je ook niets te verwijten; dan zou ik er -me ook maar niets van aantrekken en er verder niet over denken.” - -„Ik moet eraan denken Wim,” hield zij met de stijfhoofdigheid van een -Uhlstra vol. „Zie-je, zij is de eenige zuster van mama... het mooie -cadeau van oom Lugtens kan me niks schelen.... niks hoegenaamd.... maar -dat ze zoo hatelijk en onhartelijk....” - -„Daar heb je nu,” dacht Geber, „het gedonder in de glazen!” Na die -„korvee” den heelen dag, nog een huilpartij in het rijtuig en roûte -naar Koeningan, en dat wel om de voor hem allerellendigste van alle -redenen! Bij het schemerlicht der twee lantaarns zag hij, dat ze -wezenlijk met haar zakdoek voor de oogen zat te huilen. Zachtjes -beproefde hij haar over het geval heen te zetten en het gesprek te -brengen op een vroolijker onderwerp, zijn aanvankelijke stemming -daarbij nemend als uitgangspunt. - -„Wat kan ze toch tegen mij hebben?” was ondanks zijne goede bedoeling -en zachtzinnig streven, toen de tranen gedroogd waren, haar eerste -verdrietige uitroep. - -„Immers niets,” herhaalde hij, nu een beetje ongeduldig. „Misschien -heeft ze wat tegen mij.” - -Daar zweeg Roos een oogenblik op; van dien kant had ze de zaak niet -bekeken. - -„Kan ze dan iets tegen jou hebben?” vroeg ze met groote belangstelling. - -Het was nu toch al te gek! Hij kon nu toch zijne jonge vrouw, die hij -voor de eerste maal naar zijn huis voerde, niet vergasten op dat malle -verhaal van zijn oude amours met haar tante. - -„Ik weet het niet,” zei hij ontwijkend, „dames zijn zoo raar.” - -Zij liet zich niet zoo makkelijk uit het veld slaan; zij nam nu zijn -hand in de hare, gezellig tegen hem aanleunend, met allerlei pogingen -om hare nieuwsgierigheid bevredigd te krijgen, eenmaal opgewekt door -het idee dat de wind van dien kant waaien kon. ’t Was, vond hij, -overweldigend vervelend; het prikkelde zijn zenuwen in de hoogste mate; -door een brutaliteit wilde hij haar niet afschrikken, en, in de hoop er -een eind aan te maken, zei hij: - -„Nu ja, zij heeft iets tegen mij; ik heb indertijd een quaestie met -haar gehad, die ze mij nooit schijnt vergeven te hebben. Verder kan ik -er me heusch niet over uitlaten.” - -Het was gezegd, dááraan viel niets meer te veranderen; maar ineens -stond hem nu ook duidelijk voor den geest, dat hij reddeloos verloren -was; dat hij olie had geworpen op de vlam, en hem nog enkel de keus -restte leugens te verzinnen of ronduit de waarheid te zeggen. Aan het -eene had hij zijn leven lang een hekel gehad; hij kon niet liegen; het -ging hem niet af en stuitte hem geweldig tegen de borst, en de waarheid -zeggen.... neen, dat kon hij evenmin. - -Ze kibbelden letterlijk toen het rijtuig stilhield voor zijn landhuis. -Roos had zich opgewonden en was sérieus uit haar humeur. - -„Dat,” zei ze, „kwam nu in ’t geheel niet te pas!” Als er iets ernstigs -bestond tusschen haar man en een harer naaste bloedverwanten, zóó, dat -het noodwendig tot verwijdering moest leiden, was het ongehoord en -gemeen de reden voor haar te verzwijgen; zij had er nu in de eerste -plaats de gevolgen al van gedragen; zich heelemaal te laten behandelen -als een kind, dáár bedankte zij voor; ze wilde niets van Geber weten, -en niets met hem te doen hebben, vóór hij haar de zuivere waarheid had -verteld. - -Maar Geber dacht daar niet aan, ofschoon anders alle hulpmiddelen -beproevend om haar in betere stemming te krijgen; bewerend dat het toch -al te gek was, over zoo’n betrekkelijke kleinigheid nu zoo’n ernstig -dispuut te maken; het kinderachtig noemend, overdreven en dwaas; doch -zonder baat. Het eind van ’t lied was, dat een uur later Roos in ’t -groote mooie, zoo netjes in orde gebrachte bruidsbed in haar eentje lag -te schreien van kwaadheid, en Geber in nachtbroek en kabaai op een -langen rottanstoel in de achtergalerij een sigaar rookte, eerst ook -zeer uit z’n humeur, maar ten slotte de comische zijde van deze -zonderlinge vertooning vattend, bij zichzelf spottend met het gekke -figuur, dat hij bezig was te maken in zijn eersten huwelijksnacht. - -Toen hij z’n sigaar had opgerookt, ging hij zachtjes naar de -slaapkamer. Roos, waarschijnlijk overweldigd door de vermoeienis van -dien dag, sliep benijdenswaardig vast. Een oogenblik stond hij -aarzelend, besluiteloos; toen ging hij naar de logeerkamer, mopperend -in zich zelf, en toch met een groot gevoel voor het bespottelijke, en -een drang om zich zelven uit te lachen. Hij deed het eenige, wat hij -doen kon: hij ging ook slapen. - -Toen Geber den volgenden morgen klokke vijf ontwaakte, frisch en -uitgeslapen, zag hij het gebeurde heel anders in; veel ernstiger en -veel beschamender. Hij dacht erover een briefje te schrijven aan zijn -schoonmoeder en haar hulp in te roepen, doch vóór hij daartoe overging, -en vóór hij het huis opende om de bedienden gelegenheid te geven binnen -te komen, moest hij toch eens gaan zien of de bui bij zijn jonge vrouw -niet was overgedreven; de nacht scheen als altijd raad te hebben -gebracht; de opkomende dageraad zette de wereld in een ander licht. - -Het briefje aan mevrouw Uhlstra, dat hij bij voorbaat in de logeerkamer -had geschreven, scheurde hij een uur later in de kleinst mogelijke -snippers!... - -En nu volgde het leven op Koeningan, zoo aangenaam en gezellig als hij -het er nooit gekend had. Hij had een fatsoenlijken Europeaan in dienst -als opziener; zijn zooveel jaren verwaarloosde huishouding richtte zich -als het ware op, alles kreeg een net, goed onderhouden aanzien onder de -bedrijvige handen der jonge vrouw, die, op het land opgevoed door een -kloeke moeder, geheel in haar element was. In die eerste maand raakten -Geber’s plannen, om z’n land te verkoopen en naar Europa te gaan, -heelemaal op den achtergrond; gansch andere ideeën traden daarvoor in -de plaats. Als geïnspireerd door de practische activiteit zijner vrouw, -verminderde zijn meer uit gewoonte dan uit aard ontwikkelde -onverschilligheid, en zijn werkzaam aandeel in de levering der voor de -kongsi benoodigde producten prikkelde hem. - -Hij kreeg allerlei plannen in z’n hoofd voor bouwwerken en -waterleidingen, voor den aanleg van wegen en nieuwe aanplantingen ter -vergrooting van het voortbrengend vermogen van zijn land, en er scheen -geen wolkje aan de lucht, tot.... op een ochtend een briefje kwam van -Lugtens, hem en Roos uitnoodigend voor een groote danspartij. - -Het behoorde tot de vaste gewoonten van Lugtens: was een onderneming -voor een deel geslaagd, dan gaf hij een feest, gelijk de inlander een -sedekah, maar zonder bijgeloof en als instinctmatig. Daar was dan niets -te goed voor. De fijnste wijn, de keurigste gebakken, het duurste -souper,—’t was alles voor de gasten in overvloed. En al wat de stad aan -„notabelen” telde, kwam met vreugde op de luxueuse feesten in het mooie -huis, waar Lugtens ontving met zijn barsch maar deftig gezicht, in zijn -zwarten rok en met zijn witten das als weggeloopen van een ouderwetsch -olieverfportret. Altijd beleefd en op een afstand voor de menigte; -geheimzinnig familiaar met sommige hooggeplaatsen. - -Markens kwam er met zijn vrouw. Zij werd met bijzondere égards -ontvangen, en ze nam die aan als iets dat vanzelf sprak. Onder haar -voornaamheid ging Markens, nu goed in den dienst vooruitgekomen, juist -zoo gebukt als vroeger toen hij nog tot de mindere goden behoorde; hij -was ’n eenvoudig mensch in zijn doen en laten, zich verheffend op het -feit, dat hij zijn loopbaan nederig was begonnen, snoevend zelfs -daarop, maar niet als Etienne er bij was, wier zich meer en meer -ontwikkelenden hoogmoed hij vreesde. Zij was inderdaad van een goede -familie, met ontaarde zijtakken, uit een waarvan zij voortsproot. In -Holland had ze dat laatste diep gevoeld, doch in Indië, getrouwd met -Markens, en uit de ellendige omgeving van verarmde, gedemoraliseerde en -drank misbruikende bloedverwanten,—onbekend in de Indische -maatschappij, had ze met succes den ouden goed klinkenden familienaam -vooropgezet, tot ze, alles vergetend, als in een idée-fixe verviel over -haar eigen voornaamheid, gedoubleerd, ten slotte, door de mooie positie -van Markens. - -’n Knappe, slanke vrouw was ze nog ondanks de dreigende nadering van -den ouden dag; een vrouw, die nog werk maakte van haar toilet, zich nog -décolleteerde en monsteren durfde en kon met veel jongere vrouwen, wat -de kleur harer huid betrof en de lijnen van schouders, borst en armen. -Het was niet dáárom, niet uit jaloerschheid, dat men haar algemeen -verfoeide,—dàt kwam enkel door haar hoogmoed, dien iedereen hield voor -een vrijwillige ondeugd, die niemand als een kwaal beschouwde. - -Haar entrée de salon zou misschien niet kwaad zijn geweest op een -hofbal van Hendrik den vierde,—hier in den kring van gegoede of -ambtelijk goed geplaatste burgerlieden geleek het een paskwil, nog -verhoogd door de op het marmer eenigszins glijdend achter haar -aanloopende figuur van Markens, die altijd bij zulke gelegenheden het -land had, en zich als het ware democratiseerde om een tegenwicht te -leveren, daarbij niets bereikend, dan ’n dwaze tegenstelling. - -Lugtens mocht haar wel, en zij vond hem de eenige deftige man ter -plaatse, hij, met nog barscher gezicht dan anders, boog, bood haar zijn -arm en bracht haar naar een stoel. - -Clara lachte in haar zelve. - -„Die twee zouden net bij elkaar komen,” zei ze tegen mevrouw Uhlstra, -nadat de Markens haar gegroet hadden. - -Achter den waaier haalde mevrouw Uhlstra den neus op. - -„Het is jammer dat hij niet zoo’n gek wijf heeft.” - -„Waarom is Roos niet gekomen!” - -„Dat behoef jij niet te vragen, Claar. Iemand, die zich zoo -onverstandig aanstelt als jij....” - -„Soedah, Leen.... Niet mopperen. Je hebt misschien gelijk.... We praten -er nog wel eens over.” - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -STEKEN ONDER WATER. - - -Over het bal bij Lugtens hadden Roos en Geber gekibbeld. Zij wilde nog -altijd weten, welke die oude geheimzinnige quaestie was; zij nam hem -daarover „waar” op alle tijden; zij loerde op zijn zwakste momenten; op -de oogenblikken van zijn geringst weêrstandsvermogen, en eindelijk, -terwijl zijn hoofd op haar arm rustte, en zij hem aanhaalde, hij, -liggend in een onverschillige ontspanning zijner zenuwen, vertelde hij -het, net als had het niets te beduiden, en kon het hem ten slotte ook -in ’t minst niet meer schelen. Er tintelden en flikkerden zwarte -duiveltjes onder haar lange omgekrulde wimpers! Dàt had men dus voor -haar geheim gehouden! Op zichzelf liet het haar heelemaal -onverschillig. Wat gaf ze erom, hoe Geber voor zooveel jaren een stukje -van zijn jongeluisleven had besteed. Neen, dàt was het niet; maar nu, -nu nog was zij, tante Clara, jaloersch van haar, Roos! Dus zou zij ook -in staat wezen nu nog en bij gelegenheid.... De korte, dikke, donkere -hand met de putjes op de knokken werd een aardige vuist, in stilte -mevrouw Lugtens bedreigend. - -De zusters hadden er, sinds mevrouw Uhlstra ’n brief ontvangen had van -Roos, met zinspelingen, die aan duidelijkheid niet te wenschen lieten, -tot in het oneindige over gepraat, stil, met verbeten woede, zonder -eenig plan op een brouille. Het was haast haar eenig gesprek den -laatsten tijd, als ze elkaar zagen; ’t was of ze nergens anders over -konden spreken; al die jaren hadden ze er over gezwegen; deze oude koe, -zoolang in de sloot, was daar nu uitgehaald en scheen er niet weêr in -te zullen raken. - -„Het zou de eerste groote partij zijn geweest na haar huwelijk.” - -Het „Soedah, Leen,” had mevrouw Uhlstra niet belet voort te gaan: zij -was woedend, zooals zij ronduit bekende, nu haar eenige getrouwde -dochter ontbrak op dit schitterend feest, en niets vertoonen kon van -haar mooie toiletten en parures. - -„Waarom is ze dan ook niet gekomen. Ik zou haar in elk geval niet -hebben opgegeten!” - -„Omdat ze niet kon; haar eergevoel....” - -„Ze is jaloersch, ja!” - -„Op jou?” - -’t Was een smalende vraag. Er lag alles in den toon, waarop die gedaan -werd. In de oogen van Clara gloeide het rood op; het waren allemaal -dezelfde: de oogen van mama tjang, die intusschen weêr beter was -geworden, maar niet naar de kampong was gegaan. Mevrouw Uhlstra zag het -en ’t maakte haar bang. Zij sloeg haar grooten waaier dicht, een eind -makend aan het kort nijdig gesprek, dat er achter was gevoerd, zonder -dat anderen er iets van hadden bespeurd. - -Clara sprak tegen mevrouw Markens, die naast haar was komen zitten aan -den anderen kant, en haar open waaier half voor de borst, met -koninklijk opgeheven hoofd de eerbiedige hulde ontving van de aanwezige -ambtelijke personen, die ’n sportje lager stonden dan Markens, en die -door de anderen werd toegesproken met een zweempje ironie, waarvan ze -in het volle besef harer persoonlijke voornaamheid niets bemerkte. - -De banale praatjes bij het „even begroeten” door de heeren hielden ook -Clara en mevrouw Uhlstra bezig: jongelieden spraken over de warmte, nog -niet wetend hoe met dames boven zekeren leeftijd een gesprek te voeren; -ouden, die dit wel geweten hadden, maar het zachtjes aan begonnen te -vergeten, meenden een compliment te maken, door de verklaring dat de -dames zich nog zoo goed hielden. Maar tegen mevrouw Uhlstra spraken -allen over de afwezigheid van Roos. Dat was nu zoo opvallend! Zij -behoorde tot alle partijen der laatste jaren, geregeld elk programma -afdansend, de „toegiftjes” incluis. Het waren de „meisjes” Uhlstra, die -altijd genoemd werden, als de vaste comparanten bij elke feestelijkheid -op de plaats. Roos, de oudste, was ontelbare malen in de -heerenconversatie getrouwd. Er was geen jongmensch geweest op de plaats -van eenige beteekenis tegen wien niet door zijne vrienden of bekenden -was gezegd, dat dit nu juist een geschikte vrouw zou zijn voor hem; en -de respectieve jongelui hadden er dan wel eens over nagedacht, bij -welke overwegingen de arme Roos vaak financieel, maatschappelijk en -persoonlijk geprüft aber nicht richtig befunden was. Althans ze kwamen -niet verder dan denkbeeldige voorstellingen, totdat, zeer reëel, Geber -haar had gevraagd en getrouwd. Nu vonden allen, dat hun onthouding -eigenlijk een domme streek was geweest. - -„Hoe gaat het uw nicht, mevrouw Geber?” vroeg ook mevrouw Markens. - -„Mijn nicht Roos? O, dank u, heel goed.” - -„Spreek dien naam toch niet uit; ik vind hem vreeselijk.” - -„Och, zoo? ’t Is, vind ik, een heel lieve naam.” - -„Hoe is het mogelijk! In Holland is hij onder menschen van stand -ondenkbaar. Men vindt hem, geloof ik, nog in de kleine joodsche -wereld.” - -Het rood was nog de oogen niet uit van Clara; zij voelde inwendig nog -de grootste behoefte zich te wreken over dat beleedigend „op jou?” van -Lena, en zonder zich te bedenken, schoot zij een scherpen pijl af. - -„Ik weet het niet,” zei ze met het effen, ondoorgrondelijk indisch -masque en de oogen neergeslagen. „Ik ben in die buurten niet bekend.” - -Mevrouw Markens werd bleek, met een aanvechting om op te staan en -dadelijk te vertrekken. Zulk een hatelijkheid durfde men zeggen tegen -haar! Dat moest ze doorstaan van zoo’n nonna! Maar zij hield zich goed, -doende alsof zij het niet had gehoord, en zich hoog oprichtend, zei ze -als over het hoofd van Clara heen tegen mevrouw Uhlstra: - -„Bevalt het u nogal op den duur hier op de plaats?” - -„Och ja, het is hier aangenamer voor de kinderen. Denkt u er niet aan -naar Europa te gaan?” - -Het was haar cauchemar, voor zoover hier onder Europa Nederland werd -verstaan, waar gansch de gedegenereerde tak der goede familie haar -dadelijk zou bestormen als een troep hongerige en gemeene raven, -waaraan zij niet kon ontkomen; die haar niet zouden loslaten; haar weêr -terug zouden trekken uit de hoogte, die ze in het goede Indië had -bereikt, naar de laagte hunner persoonlijke ondeugden en -maatschappelijke ellenden. - -„Misschien,” zei ze, zacht moduleerend en met een licht heen en weêr -bewegen van het hoofd. „Wij zouden het óók doen voor de kinderen.” - -„Ja, de jongens beginnen op te schieten.” - -Mevrouw Markens rilde ervan; wat was dat nu voor een afschuwelijk -woord, „opschieten”; dat kon men van zulke boeren of buitenlui -verwachten; zij praatten over de menschen alsof het planten waren. - -„Ze worden groot, zeker; het is voor hun verdere vorming -allernoodzakelijkst. Dat onderwijs hier in Indië....” - -Nu werd mevrouw Uhlstra, die ook nog niet bekomen was van haar gesprek -met Clara, weêr boos. En had zij bovendien niet nog een zoon, die met -heel veel succes in Indië onderwijs genoot! - -„Och, ik geloof niet, dat het aan het onderwijs ligt. De een is wat -vlugger van begrip en leerzamer dan de andere.” - -„Het kan wel zijn. Maar er heerscht hier in Indië zulk een -parvenu-toon....” - -„Dat is heel iets anders. Daar zal het wel niet aan liggen, dat er -jongens zijn, die niet door hun examens komen.” - -„Toch wel.... De gevoeligheid op dat punt van den een is grooter, dan -die van den ander.” - -„Nu, ik ken jongelui, die zoo gevoelig zijn, dat ze de gemeenste -streken uithalen in den kampong, en dat de ouders door hun geld en hun -invloed alles doen moeten om de zaken te toetoepen; en die jongens zijn -op school de luiheid en de domheid zelf....” - -Weêr werd mevrouw Markens zeer bleek en trilde haar onderlip. Goede -hemel, wat waren dat toch ’n gemeene menschen! Zij begreep volkomen, -waarop mevrouw Uhlstra doelde, en het ging haar als een steek door het -hart, dat zij nu hier nog voor het hoofd moest krijgen, wat haar al -zooveel tranen en verdriet had gekost. Het was de tweede beleediging, -en ook nu dacht zij met bitterheid: „zoo’n nonna!” - -„Ja,” zei ze, als ging haar het aangehaalde casus niet aan, „het is -verschrikkelijk. Wij voor ons, denken er toch aan naar Europa te gaan. -De indische ontwikkeling heeft op jongelui van goede afkomst een hoogst -nadeeligen invloed. Het is mogelijk, dat een kolonie van misdadigers -zich hier perfectionneert, maar voor menschen van onzen stand is het -doodelijk.” - -„Als ik mij anders herinner, hoe sommige fatsoenlijke personen hier ’n -twintig jaar of meer geleden kwamen, zooals uw man, b. v., en ik zie -hoe ze nu zijn, dan geloof ik niet, dat het bepaald misdadigers -behoeven te wezen, die hier slagen.” - -„O, dàt wil ik niet zeggen. Er zijn natuurlijk heel veel -uitzonderingen. Meneer Geber b. v., hier, mijnheer Lugtens, en dan uw -man, meneer Uhlstra....” - -„Pardon, Uhlstra behoefde niet te ontaarden; hij is hier geboren net -als ik; maar hij zou zeer zeker onder zijn gegaan, als hij een -ongelukkig huisgezin had gehad. Want dàt is wel het ergste wat een man -kan overkomen.” - -„Ja..... dat is zoo,” stemde mevrouw Markens aarzelend en pijnlijk toe. - -„Men moet sommige mannen om hun onuitputtelijk geduld bewonderen. Als -zij van fatsoenlijke lieden geen misdadigers worden, is dat zeker niet -aan hun gelukkig interieur te danken.” - -Het steeg mevrouw Markens tot boven in de keel; zij moest het inslikken -met kracht, en het ging haar naar binnen als een bal. - -Stijf nu, en met een buiging, alsof hij op een scharnier bewoog, boog -Markens voor de vrouw des huizes, terwijl Lugtens de oogen wijd -opensperrend, met een gewrongen vriendelijken lach, quasi deftige -hoofdzwaaitjes en ’n uitgestoken wit geganteerde hand, mevrouw Markens -vroeg om met hem het bal te openen. - -Het was haar een verlichting uit den nood; zij herstelde zich dadelijk, -zich oprichtend uit de laagte, waarin zij zoo onmeêdoogend was -getrokken; de zaal overziend met trotschen blik. Wat kon haar ook het -gekakel schelen van zoo’n paar onbeduidende wezens, zoo ver beneden -haar? - -Clara had ervan genoten. Wat had die Leen dat malle wijf, dat altijd -zulke airs aannam en waarvan iedereen wist, dat ze haar man ruïneerde -en haar kinderen verwaarloosde, getroefd! Al haar grieven vergat ze -dáárvoor; zij zou dadelijk voor haar zuster de partij hebben opgenomen, -ondanks dat diep grievend „op jou?” van daareven. Doch het was waarlijk -niet noodig geweest. - -Maar als Lena het had afgelegd tegenover mevrouw Markens, zou zij, -ofschoon als gastvrouw verplicht een aangename stemming te bewaren, -haar zuster ’n handje geholpen hebben. Zij mochten dan samen twisten -over oude knoeierij, ze waren familie van elkaar, en dáármee was alles -gezegd. Al die vreemde mannen,—nu ja, men kon met hen trouwen, en ze -dienden, min of meer geschikt, als noodzakelijk kwaad, maar de familie -ging toch voor! Mevrouw Lugtens zou niets liever doen, dan zich met -Roos verzoenen onder tranen en kussen. Ze begreep wel, dat dit niet -gaan zou in den eersten tijd, nu Geber nog te veel meêtelde, en het -nieuwe van het huwelijk nog niet af was. Doch als er een kind was op -Koeningan—en dat er een komen zou achtte zij wiskunstig zeker—zou de -familie wel weêr haar oude aanspraken op het hart van Roos doen gelden. -Dan was het nestje klaar, het „jonkie” erin, en verder werd het laki -een meer of minder groot bezwaar, al naar zijn humeur en gewoonten. - -Het bal was geopend; de oude heeren zaten aan hun partijtje. Lugtens -met Uhlstra, Markens en een generaal; Twissels hadden ze ergens anders -ingedeeld; het was ten slotte wel ’n beetje vervelend, dat hij zoo -altijd veinard bleef. - -„Je schoonzoon is niet gekomen,” zei Lugtens met ’n beetje ironie en -veel ontevredenheid. - -„Roos was niet wel,” schreef hij me, „en hij wou haar nu niet alleen -laten.” - -„Hm! Heeft hij al afgeleverd?” - -Dat laatste sloeg op de levering voor de kongsi. - -„Wij zijn heelemaal klaar.” - -„Goed. Ik ook. Hebt u er al iets van gehoord?” Die vraag gold Markens. - -„De keurings-commissie is zeer tevreden.” - -„Dat verheugt me.—U geeft, generaal!” - -Het behoorde tot zijn bijzondere amusementen. Hij vond het -alleraardigst het woord „generaal” uit te spreken. Uit zijn mond en in -zijn ooren klonk het, vond hij, als een commando. ’n Mooi woord! Zij -hielden nu en dan ’n praatje tusschen twee spellen. Rechts zat een -ander viertal met Twissels erbij. Daar zag men telkens de hoofden -bijeensteken. Daar was er nu en dan een die „’n schuine ui” vertelde; -die eene, dien men kende, en van wien men zeide, dat hij een heele -verzameling zulke „uien” wist, welke hij overal, waar hij ze hoorde, -opschreef als hij op zijn ambtelijke inspectiereizen was, tusschen zijn -aanteekeningen over den dienst, en die hij, teruggekomen, nog eer -uitwerkte dan zijn officieele verslagen. Men hoorde het hooge -fluitlachje van Twissels, die aan dat tafeltje zat, er boven uit. - -„Hij is weer bezig,” zei Uhlstra met z’n hoofd terzijde wijzend en een -schuinen lachenden blik in die richting; hij mocht dat wel en zou om de -beroemde „uien” heel graag hebben meêgelachen. - -Maar Lugtens had er gloeiend ’t land aan. - -„Ik begrijp niet,” zei hij, „hoe iemand van zijn leeftijd nog zoo -kinderachtig kan zijn.” - -„Hij is nog zoo oud niet,” vergoelijkte de generaal, die ook wel eens -had willen luisteren. - -„Is het waar,” vroeg Markens, „dat u met verlof gaat?” - -„Weet u het al? Dat is vlug. Ja, ik denk... in ’t begin van het volgend -jaar.” - -„’t Is jammer,” zei Lugtens. - -Hij vond het ongehoord, dat iemand zoo’n mooie positie verliet om met -pensioen te gaan luieren, gezond nog en krachtig. - -„Als ik generaal was,” vervolgde hij, „bleef ik in dienst. Ik vind dàt -het eenig mooie in het militaire.” - -De generaal keek hem aan met ’n vreemd lachje, streek zijn grijzen -knevel op, kleine oogjes makend met scherp gemarkeerde trekken er om -heen. - -„Ik ben liever tweede luitenant,” zei hij. - -Markens knikte als een goed verstaander, begrijpend met een half woord; -den dienst kennend met zijn lief en leed; zijn leed vooral. En dan het -leven! Och, hij was ook zooveel liever ’n klein jong ambtenaartje, dat -zich moet behelpen in een achterbuurt, maar het rijke opkomende leven -in zich voelt stroomen met kracht tot overmoed; zoo’n jonge kerel met -zulke groote physieke faculteiten en vrij; vrij van banden en -verplichtingen! - -Lugtens begreep dat niet. Geld en positie waren de eenige factoren, die -zijn leven beheerschten; macht en fortuin waren al wat hem ooit had -bekoord. Hij vond het van die twee mannen kwajongensachtig, dat ze nog -hunkerden naar een voorbijgegane jeugd. Minachtend schokschouderde hij -even, en zei droog en kort: - -„Zullen we niet liever doorspelen?” - -Wat raakte het hem, dat hij ouder werd: dat de tijd zijn tjap in z’n -gezicht drukte en het verleden glinsterend sprak tusschen de blonde -haren van zijn krullebol? Er was slechts één zaak ter wereld voor hem: -de stand, waarin men leven kon; was die goed, dan was alles goed; -slecht, dan alles slecht. - -Heel vroeg brak Markens op. Zijn vrouw liet hem weten, dat zij wenschte -heen te gaan. ’t Kon hem weinig schelen, want hij verloor. Het was haar -vaste gewoonte ’t laatst te komen op partijen en het eerst weêr te -vertrekken. Het behoorde bij haar idée-fixe, dat zij uit een betere -stof was vervaardigd dan de rest. Men beschouwde dat niet als een sein -voor de anderen; nauwelijks lette men er op. Waar zij voorbijkwam aan -den arm van den gastheer, het hoofd in den nek, daar bogen de heeren en -groetten de dames heel effen. Markens, die achteraan kwam, kreeg de -vriendelijke knikjes en de handdrukken. Men mocht hem graag; hij was -zoo’n goed man! - -Na een paar erge „fijntjes” werd ook het spel der drie anderen -gestaakt. - -„Ik ga even ’n woord wisselen met de dames,” zei Lugtens. „Daarna zou -ik jou en Twissels wel eens willen spreken. Ga naar mijn kantoor. Ik -kom er dadelijk.” - -Zij deden het; zij gehoorzaamden zonder aarzeling den bevelenden -despoot, zonder dat zij het zelf bemerkten, en zonder dat hijzelf er -ook slechts in de verte aan dacht zijn vrienden orders te geven; soms -niettemin tot hen sprekend alsof zij zijn ondergeschikten waren, louter -uit gewoonte, zonder eenige bedoeling. - -„Wat zou hij hebben?” vroeg Uhlstra, achterover leunend in een groen -leeren fauteuil, zijn toenemend buikje met nagemaakte deftigheid -vooruit, terwijl de lange magere Twissels, die ’n havanna uit een -kistje op den lessenaar had genomen, ze boven het glas van de hanglamp -aanstak. - -„Wie weet het? Hij is een bijzondere vent. ’t Zal wel iets van -aanbelang wezen.” - -Voorbij de geopende deur, van voor naar achter, liepen de gasten; de -jongelui opgewonden van het dansen; dronken van hun eigen jeugd, van -het mooie glinsteren der meisjesoogen, de fijne geuren der bloemen en -parfums, de onmiddellijke nabijheid van onbedekte lijnen, vormen en -tinten, in het gewone leven aan het oog onttrokken; ze praatten en -lachten hardop, hun best doende om aardig en galant te zijn en zich -airs te geven van savoir vivre, met gemaakte tonen in hun stemmen en -groote overgangen van geluid, die ze anders niet hadden in hun spreken. -De jonge dames als vooruitschuivend over het marmer, met kleine pasjes, -druk zacht gesprek en snelle waaierbewegingen, koketteerend door ineens -uitschietende paarl-lachjes, kleine hoofdneiginkjes, pruimenmondjes en -onverwachte oogopslagen; hier en daar langs den muur enkele solitairs -onder de jongelieden, die hun linksheid verborgen achter -ouweheertjeshoudingen, met nijdige blikken hun best doend uit de hoogte -op dat alles neêr te zien, als was het ver beneden hen, maar dolblij en -grenzenloos dankbaar voor ’n blik of ’n groet van ’n voorbijgaande -jonge dame, diep terugbuigend twee-, driemaal. - - - -Lugtens kwam in het kantoor met zijn driftigen harden stap, altijd -eenigszins stampend, alsof de vloer het gewicht zijner persoonlijkheid -niet genoeg kon voelen. - -Hij sloot de dubbele deur achter de portière; hij wilde het geluid -wegsluiten van al die vroolijke opgewondenheid, en dier uit het koper -der instrumenten de zalen inschetterende dansmuziek; maar het ging -niet; het heele gebouw was er vol van en het drong door, dóór! - -„Nou heb ik een dingetje voor ons,” zeide hij. - -Hij meende het wellicht vroolijk te zeggen; een onbekende, afgaande op -het stemgeluid, kon vermoeden, dat onaangename tijdingen werden -meêgedeeld. - -„Het zal wel wat goeds zijn, als jij er zoo meê ophebt.” - -„Dat is het waarachtig! Ik wil het uit principe niet alleen doen. ’t -Betreft contracten in de buitenbezittingen....” - -„Jawel,” zei Twissels. „Ik heb ervan gehoord. Je bedoelt die specerijen -van....” - -„Stil,” viel hem Lugtens boos in de rede. „Hoe bliksem! weet jij dat nu -weêr? En je praat er zoo maar over openlijk....” - -„Jullie moogt het wel hooren!” - -„Men moet het nooit doen. Nu, als jullie meêdoen.... Het is ’n heel -kapitaal! Wij hebben er veel geld en veel crediet voor noodig. Ik wil -alles opkoopen wat er is langs de kust. Drie millioen dollars.” - -Uhlstra werd er bleek van. - -„Ik blaas mijn partij,” lachte Twissels, als iemand aan alle -transacties gewoon, en zoo fijntjes, dat ’t werkelijk was alsof hij -blies. - -„Ik ook,” zei Uhlstra, maar z’n mond was droog van binnen, zoo werkte -de groote omvang van die zaak op z’n zenuwen. - -Ze vingen nu aan er verder over te spreken, stil, bedaard fluisterend. -Eenmaal had Uhlstra den naam van Geber genoemd als participant, maar -Lugtens had het afgewezen met een kort gebaar en een enkel woord. De -twee anderen wisten het wel. Lugtens was boos om het kleine feit, dat -Geber niet met zijn vrouw op de partij was gekomen; dáárom mocht die -niet meêdoen. Om hen heen zweefde de klank der feestvreugde, nu als een -harmonie, dan in enkele schelle tonen, met een ruischenden ondergrond. - -Dansen, drinken, schertsen; muziek en gelach! Zij stonden in het -kantoor dicht bij elkaar, de gezichten ernstig, de voorhoofden van -inspannend bij de zaak blijven en nadenken geplooid, in ruwe trekken -het plan uitwerkend, door Lugtens met ’n enkel woord aangeduid. Uhlstra -begon ’t helderder te worden; hij zag nu waarom men er hem ook had -ingehaald; zijn kennis van de bevolking, zijn gemakkelijkheid in den -omgang met inlandsche hoofden, zijn coulant spreken van het maleisch, -dat waren zijn verdiensten, meer dan het geld, dat hij vlottend moest -maken voor zijn aandeel. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -LIEVE JONGENS! - - -Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone -beweging van heen en weêr loopende inlanders. Zij had geen woord -gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen. - -„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den -knop van het portier. - -„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.” - -Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur -open vóór het rijtuig stilstond. - -Markens hield haar tegen. - -„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.” - -Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar -balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en -zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel -opstaand, zonder haar mooie sortie, die in het gras achterbleef, liep -ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over -die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon -was. - -De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen en weêr loopen hield op; -zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag -licht. - -„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend -over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd, -dat den kinderen een ongeluk was overkomen. - -„Hier ma!” zei een der jongens. - -„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?” - -„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen -ze, dat wij het hebben gedaan.” - -De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd -uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten. - -„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk -ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bij ons gestolen?” - -Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande -naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun -ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot -geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord -hadden en om hulp en malieng-malieng hadden geschreeuwd; toen waren de -bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan.... - -„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens. - -„Het geld gestolen,” zeiden de jongens. - -„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?” - -De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken -van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren. - -„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens -tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn -kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer -waren.” - -„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er -zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.” - -„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met -verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers -huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het -bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend -of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor -dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid, -terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer -met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar -gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner -vrouw. - -Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje -voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander -kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten -op te komen. - -„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier -zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor -hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s -schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er -was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit -was. Wij weten van niets.” - -Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten -naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan. - -„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben -weggenomen ook!” - -Mevrouw Markens wond zich meer en meer op. - -„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n -somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het -dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze -zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de -kinderen het ontdekt hebben.” - -De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook -inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om -niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden. - -„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.” - -„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat -je te zeggen hebt, waar ik bij ben.” - -Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou -genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n -verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel -voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij -den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend. - -„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even -goed hooren als ik.” - -De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met -vaste stem: - -„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun -bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het -al lang geweten, en de anderen weten het ook.” - -Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien -aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken -wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de -groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het -gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest -vervuld worden. - -„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.” - -Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige -beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig, -met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend -naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had -zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon, -vroeg zij: - -„Zou-je dat werkelijk doen?” - -„Ongetwijfeld.” - -„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven -aandoen?” - -„Het moet onderzocht worden.” - -„En ik zeg je, dat het niet zal gebeuren.” - -Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft -en wierp een harden, strengen blik op de jongens. - -„Ed, Fred, ajo, vooruit!” - -Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend -haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar -houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze: - -„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke -vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik -verlaat dadelijk dit huis.” - -Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het, -naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd -hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding -tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was -hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar -steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die -van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met -toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van -het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het -zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de -gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog -had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd -zwol van toorn. - -„Dan donder-je maar op! Ed, Fred, ajo, vooruit!” - -En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De -jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet; -hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw -Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu -ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de -verdediging quand même van haar kinderen,—maar ook door de herinnering. -Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar -dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten -van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had -getracht te vergeten, dien zij meende nooit weêr te zullen hooren en -die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in -het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen, -volgzamen man! - -Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou -afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen. - -Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de -bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend -op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het -nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld -blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de -onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes; -voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren -geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch -port en restantjes andere dranken,—een kleine goedang. - -Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet -een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één -slag. - -„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale -houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk -er met opzet in verborgen om mijn lieve kinderen ongelukkig te maken!” - -Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer. - -„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de -jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bij -wat hij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te -zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en -Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes -scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;” -zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met -de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en -die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht. - - - -Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn -studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het -oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t -gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een -goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel -zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die -het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al -was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen, -wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat -was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal, -en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig -naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou -het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan -was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om -zoo te spreken, op voor galg en rad! - - - - - - - - -ACHTSTE HOOFDSTUK. - -MEVROUW UHLSTRA NAAR KOENINGAN. - - -Toen de Uhlstra’s van de partij naar huis reden, was hijzelf bijzonder -stil en teruggetrokken. Zoolang de meisjes erbij waren, had mevrouw -aanspraak genoeg; maar toen ze ’s avonds alleen waren in hun -slaapkamer, vroeg zij: - -„Ben je niet lekker, vent?” - -„Welzeker. Mij scheelt niets.” - -„Je bent zoo stil. Ik dacht, dat je iets mankeerde. Heb je veel -verloren?” - -Hij haalde de breede schouders op met een woest schokkende beweging van -verontwaardiging. Welk een mal vrouwenidee! - -„Hoe kom je erbij!” - -Zij zat op een lagen divan, de beenen kruislings onder het lijf, de -armen slap neêrhangend over de knieën, het haar, los uit het stijve -kapsel, op den rug; in haar sarong en onderlijfje net een inlandsche -vrouw tusschen twee leeftijden, maar forscher en, behoed tegen de -ellende van het mohamedaansche vrouwenleven, in haar gezondheid en -kracht geconserveerd. Hij, ook donker, maar heel anders, meer zuidelijk -europeesch, met zijn korten zwartgrijzen baard en zijn breed gedrongen -dik lichaam, een heel eigen type; een uit den gascogneschen -boerenstand,—zat tegenover haar op een stoel, tobbend met zijn -schoenen, die hij niet aan had kunnen krijgen, en die nu niet van zijn -uitgeloopen voeten wilden; mopperend over ’t gemis van ’n -laarzenknecht. - -„Er is toch iets.” - -„Nu ja, er is ook iets. We hebben weêr een groot plan opgezet.” - -„Doen Lugtens en Twissels ook mee?” - -„Natuurlijk.” - -Zij was blij; zij wist dat haar man een goed planter was en een -tamelijk administrateur; maar voor zulke verder strekkende zaken achtte -zij hem alleen niet berekend. - -„Natuurlijk!” ging hij voort, met een zucht een vrijgeworden bottine -wegschoppend. „Het is weêr ’n mooi dingetje. Ik zal er voor op reis -moeten naar de buitenbezittingen.” - -„Met je hoevelen doe je?” - -„Wij drieën; anders niemand.” - -„Geber niet?” - -„Dat is het juist. Ik had zoo graag gezien, dat hij er ook was -ingekomen. Als je eenmaal in zulke zaken bent met een clubje, ben je -goed af. Je gooit elkaar den bal maar toe. Geber kent Lugtens z’n -zwakke zijde: op z’n feesten moet je komen. En nu, het eerste na hun -huwelijk, ik geloof zoo half en half te hunner eer, is hij dom genoeg -om weg te blijven.” - -„Maar Roos...” - -„Jawel, ik heb gezegd, dat ze ziek was, doch dáár kan je hem niet mee -foppen. Hij was er nijdig om.” - -„Zei hij dat?” - -„Dat hoefde niet. Ik zag het. Ik wierp een appeltje op om Willem meê te -laten doen; maar hij schudde van neen, en deed net of hij een muskiet -afsloeg.” - -„Dus is Geber er nu heelemaal buiten?” - -„Natuurlijk.” - -„Is het veel roegie?” - -„Dat zal waar zijn! Het is een groote affaire, waarbij dat andere ding -maar kinderspel is.” - -Mevrouw Uhlstra zuchtte ervan. Daar had-je het nu! Zoo kwam na jaren -zooveel bij dien Geber boontje nog om z’n loontje! Dat kon zoo niet -blijven; zij moest er een eind aan maken. - -„Kom,” zei ze, „laat ons maar gaan slapen. Sajang, ja? Maar als er toch -niets aan te doen is,—soedah-lah!” - -Zij had een besluit genomen en sliep er dadelijk op in, terwijl Uhlstra -nog voortpikerde over de nieuwe onderneming, die hem door ’t hoofd -maalde, en waarop hij nog onvoldoenden kijk had. Toen zij den volgenden -ochtend ontwaakte, sliep hij vast; zonder hem te wekken, ging zij stil -heen, baadde en trok ’n mooie kabaai aan in zenuwachtige haast; zij -wilde voorkomen dat haar man pogingen deed haar gaan naar Koeningan te -beletten; ook dat hij zelf meêging; ze was blij toen ze eenmaal in de -lichte panier zat en de mooie paarden in gestrekten draf over den -straatweg vlogen. - -Te Koeningan sloeg ze in als een bom. Geber was juist terug van de -velden, hij at ’n boterham, terwijl Roos met hem aanzat, haar nassi -etend met de vingers uit een pisangblad. Rustig en gemoedelijk spraken -ze over zijn nieuwen aanplant en hoe mooi die al begon op te komen; -heel kleintjes uit den grond staken de spruitjes omhoog, maar zoo -aardig en zoo kerngezond! Zij hoorde het aan, plezierig, en aandachtig -luisterend; het was voor haar ’t bekende terrein, dáárover had ze -altijd gehoord; dáárvan had ze verstand; dàt en het paarden dresseeren, -de melkerij, het klapperolie maken, vruchten inleggen, kwee-kwee -bakken, sambal-sambal bereiden,—dàt bracht haar in vuur; -enthousiasmeerde haar. - -„Eeh!” riep ze met een van de rijst vochtigen wijsvinger naar buiten -wijzend: „Daar is ma!” - -Ze lieten hun tweede ontbijt in den steek; Roos, die blufte op haar -aankomende „positie,” liep haar moeder te gemoet, met wat noodeloos -vertoon in gang en houding, net of het al heel wat was; maar ze vergat -dat, toen ze het strak en boos gezicht zag en het vertoon van -vastbeslotenheid, waarmede mevrouw Uhlstra uit den wagen stapte. - -„Daar heb je wat moois uitgevoerd,”—zei ze tegen haar dochter, met -groote bazigheid de trap naar de voorgalerij oploopend, Geber voorbij, -zonder hem te zien. - -„Zeker omdat we gisteravond niet op die partij zijn geweest!” - -Geber hielp zijn vrouw. - -„Ten slotte zullen wij toch wel thuis kunnen blijven, als we niet uit -willen gaan.” - -„Wel zeker! Jullie behoeft je aan niets te storen! Je denkt maar, dat -het genoeg is hier te zitten, hè! En als je naderhand een groot -huishouden hebt, dan komt het er niet op aan, of je iets meer bezit dan -enkel Koeningan.” - -„Ik begrijp er niets van,” zei Roos kwaad. - -„Ik ben dan blij, dat papa zoo niet heeft gedaan, en ik ook nooit te -lui ben geweest om in de wereld mee te leven.” - -„Ma, praat toch asjeblieft zoo mal niet.... U weet heel goed waarom ik -niet bij tante Clara wil komen!” - -„Heeft Geber.... heb jij....” - -Zij kon er niet uitkomen. Dat was haar te machtig. Een man die aan zijn -vrouw zulke dingen vertelde! - -„Ja, hij heeft me alles verteld, en dat is goed van hem geweest, ma; -heel goed!” - -Zij schudde het hoofd, een oogenblik verslagen; doch niet lang. Als het -zóó was, zou zij er niet over tobben, al begreep ze het niet. Voor die -„zanikerij” was zij niet gekomen. - -„En ben je daar zoo verschrikkelijk kwaad om, Roos? Zoo’n oude -geschiedenis, waaraan geen mensch meer denkt!” - -„Dat is het juist, ma! Zij denkt er wèl aan; dat heeft ze immers bij -mijn trouwen getoond.” - -„Maar als ze dat eens niet had gedaan en je hadt het toch geweten.” - -„Ja, dan zou het mij weinig hebben kunnen schelen!” - -Het deed Geber onaangenaam aan; zij stond in het heldere licht met haar -volle figuur, rustig en in stille vastberadenheid; zij sprak met haar -moeder en niet met hem. En al was het over hem, dat feitelijk hun -gesprek liep,—althans had zijn persoon een groot en dubbel aandeel -daarin,—het was weêr net of hij er vijfde-wiel-aan-den-wagen-achtig -buiten stond. - -Het was niet de oude fout, die Roos had geïmpressionneerd; het was de -nieuwe. Niet zijn vroegere verhouding tot tante Clara hinderde -haar,—enkel haar eigen tegenwoordige. - -„Zij heeft er nu spijt van,” zei haar moeder. „’t Is immers al te gek, -Roos. Was zij niet altijd lief en goed voor je? Zij wil het nog zijn, -net als vroeger.” - -Een oogenblik aarzelde de jonge vrouw; heel haar indisch familiezwak -kwam, streed en overwon. - -„Nu,” zei ze, „als zij wil!” - -Zoo hij het land had aan den eenen kant over zijn ondergeschikte rol in -de familieaangelegenheden, aan den anderen verheugde hem de aanstaande -vredestoestand; maar hij wou ’t niet zeggen, bang dat Roos zijn -instemming verdacht zou vinden. - -Na nog wat heen en weêrpraten, vroeg zij zelf hoe hij erover dacht. - -„’t Is mij hetzelfde. Ik ben papier blanc. Je kunt weêr wèl met elkaar -zijn of niet, ’t kan me niks schelen.” - -Zijn vrouw en zijn schoonmoeder keken hem aan, wantrouwend, -onderzoekend. Hij had te slim willen zijn. Had hij ronduit gezegd, dat -hij ervóór was of ertegen, zij zouden gerust zijn gesteld. Zijn -oppervlakkige westersche geslepenheid was voor haar kinderspel. En al -hield hij er het onnoozelste gezicht bij, zij geloofden hem toch niet. - -Mevrouw Uhlstra gleed maar stil over dien twijfel heen; die mocht haar -niet afbrengen van het doel. - -„Wij moeten nu zien te bewerken, dat Lugtens niet meer boos op jullie -is; die nare vent!” - -„In ’t geheel niet,” vond Geber. „Laat dat maar aan mij over. Ik ben -altijd heel wèl met hem.” - -Zij wilden er niet van hooren. Wat wou hij zeggen: dat hij dien -gemeenen Lugtens kende? Het leek er niet naar. Zij kenden hem en wisten -hoe hij was. Lugtens vergaf nooit iets, beweerden zij; hij was -wraakgierig; nooit zou hij, als hij ’t kon beletten, toestaan dat Geber -weêr „ergens” inkwam, tenzij hij nu goed werd bewerkt. - -„Ik zal er,” zei mevrouw Uhlstra ten slotte, „met Twissels over -spreken; dat is de eenige, die invloed op hem heeft,” en in haar -doorgaande drukte, instinctmatig blij nu en dan zelfstandig handelend -te kunnen optreden, verklaarde ze dienzelfden dag nog naar Twissels te -zullen gaan. - -„Waar?” vroeg Roos. - -„Wel, aan zijn huis.” - -„Maar, maatje!” - -Geber vond het ook te gek. Iedereen wist, dat Twissels, die ongetrouwd -was, een jong indo-europeesch meisje had als „huishoudster”, en dat was -nu juist het ergste niet, maar hij ontzag zich niet de deern bij zich -te laten zitten in de voorgalerij, waar ze hem ’s middags ’n kop thee -schonk; ja, men wist zelfs, dat hij, als er ’s avonds een hombertje ten -zijnent werd gemaakt, zich niet ontzag Louisa uit te noodigen een -praatje met de heeren te komen maken; maar dan had hij ook vast een -grogje te veel gebruikt. - -Men had hem vertrouwelijk gewaarschuwd. Zoo hij een onbemiddeld man of -iemand zonder invloed was geweest, zou het bij waarschuwingen niet zijn -gebleven; men had hem links laten liggen. Dat kon men een groot, -vermogend koopman, met zooveel relaties, en dien ieder op z’n beurt -eens noodig had, niet doen. En hij stelde zich vierkant boven de wet -der maatschappelijke vormen. - -„Als je haar niet zien wilt, hi, hi!” zei hij, „doe je maar je oogen -dicht, hoor!” - -Lugtens had hem boos en nadrukkelijk op het onzedelijke gewezen en een -soort van standje gemaakt, zooals hij het zijn employés zou gedaan -hebben op ’t kantoor of zijn vrouw thuis. - -Daar was Twissels kwaad om geworden, en ’n beetje bleek; maar hij had -het niet laten merken. - -„Vooreerst moest jij je,” had hij zangeriger en fijner dan ooit gezegd, -„niet met mijn zaken inlaten. Ten tweede heeft Louisa zich niet over -mij te beklagen. Zij heeft het heel goed, en kom ik te sterven, dan -krijgt zij het nog beter. Zij is tevreden met haar lot; zij heeft het -haar leven lang zoo goed niet gehad, menige getrouwde vrouw heeft het -in alle opzichten slechter.” - -Lugtens had hem wel over zijn eigen ballustrade naar buiten willen -gooien, maar bij al zijn autocratische eigenschappen bezat hij tact -genoeg om ter wille van particuliere geschillen nooit de zaken uit het -oog te verliezen. Hij gleed heen over een zinspeling, die hij heel goed -begreep. - -„Trouw haar dan,” zei hij. - -„Merci! Ik ben, Goddank, niet gek. Zij is voor mij een perfekte -huishoudster en ondergeschikte; zij zou een onuitstaanbare vrouw des -huizes voor mij zijn. Ik ben te oud en niet dom genoeg mij door zulke -grappenmakerij te laten lijmen.” - -Er was niets aan te doen. Geen argumenten, ontleend aan de openbare, de -algemeene of de bijzondere moraal, hadden op Twissels vat; en er was -niemand, die voor zichzelf het vraagstuk dier moraal als zoodanig -zwaarwichtig genoeg vond om er met een man als Twissels gebrouilleerd -over te raken. - -Maar getrouwde of ongetrouwde „dames” konden toch niet het huis -frequenteeren van iemand, die zijn europeesche bijzit elken dag als het -ware in zijn voorgalerij ten toon stelde. - -Een oogenblik aarzelde mevrouw Uhlstra. Neen, het was inderdaad -terlaloe; zij kon het niet doen. - -„Laat maar, ma!” zei Roos. „Ik zal morgen naar tante Clara gaan, en dan -zal ik in de stad hen allemaal vragen voor een groote partij, ja! hier -op Koeningan. Er is hier nog niets geweest, en we zouden het toch -binnenkort verplicht zijn.” - -„Zou het niet te vermoeiend voor je zijn,” vroeg Geber bezorgd met een -„localen” blik. - -„Nu juist niet. Als we tot later wachten, komt dàt er weêr tusschen.” - -Het was waar; er viel niets tegen te zeggen; dàt kwam er tusschen met -zijn ganschen nasleep! Ze waren het direct eens, nu, vroolijk en -opgewekt, zonder levenszorgen of narigheid. Ze gingen maar dadelijk met -grooten ijver aan het werk, tal van plannen makend, druk pratend over -den te bepalen dag, de toebereidselen, de schikking, de uitnoodigingen; -en mama reed in den namiddag, opgewonden van de drukte, naar huis, met -in haar réticule een lange lijst boodschappen en een reeks -onopgeschreven plannen en opdrachten in haar hoofd. - - - - - - - - -NEGENDE HOOFDSTUK. - -TANTE JANSEN. - - -Het begon, toen ze thuis kwam, ’n beetje op te frisschen; de zon, in -sterke declinatie, verwarmde haast niet meer, en ’n opstekend koeltje -deed haar, na den vermoeienden dag, zuchten van genot. - -Verbaasd keek ze toe, ziende bij het oprijden van haar erf, dat er veel -menschen zaten in de voorgalerij. Zij zag haar man, zij zag een oude -indische dame met sneeuwwit haar en in een wijde zwart merinosche -japon, in vorm aan geen mode herinnerend; zij zag den notaris Stern, en -natuurlijk Lugtens en Twissels, die altijd erbij waren, als er iets van -belang werd verhandeld in het clubje waartoe zij behoorden. - -Wat zou er nu weêr aan de hand zijn? Haar eerste gedachte, vastknoopend -aan de voorgenomen buitenpartij, was: als er nu maar niets is gebeurd, -dat ons plan doet in duigen vallen. - -Allen zagen op, toen haar panier voor de stoep stilhield; de oude vrouw -kwam haar jammerend te gemoet, de uitgestoken armen slaande om haar -hals, het grijze hoofd huilend op haar schouder neerlatend. - -„Leen, kindlief, tante Jansen nou heelemaal arm!” - -Mevrouw Uhlstra keek verschrikt naar de mannen, die stil en ernstig -voor zich zagen, met begrafenisgezichten; slechts de notaris met den -ironischen pli in z’n gezicht, door het zien en hooren van zooveel -menschen-dwaasheid erin getjapt, glimlachte. - -„Wat is er dan toch gebeurd, tante?” vroeg mevrouw Uhlstra meêwarig, de -oude vrouw opheffend, en onder den arm terugbrengend naar haar stoel. - -„Wij hebben mevrouw gezegd,” zei Lugtens, terwijl zijn harde, -onbuigzame stem somber door de galerij klonk, als las hij een -doodvonnis, „dat haar uitgaven te hoog loopen. Haar goederen brengen -dat niet meer op. Zij kan voortaan over geen cent meer beschikken dan -drie duizend gulden per maand.” - -Tante Jansen was in haar stoel gezonken: haar doffe, van rimpeltjes -omgeven, oogen keken rechtuit; het slappe vel harer oude wangen hing -droevig over de onderkaak af. - -„Straatarm,” steunde zij, diep ongelukkig. „Straatarm, Leen, op mijn -ouden dag!” - -Wezenlijk hadden ze met het oude mensch te doen. Wel vonden ze het gek, -dat zij sprak van arm zijn bij zulk een inkomen, maar dat was de -quaestie niet. Zij, altijd gewoon geweest met geld naar willekeur om te -springen, alsof een onuitputtelijk goudmijn haar ten dienste stond, zag -zich nu beperkt tot een zeker bedrag, dat zij niet mocht overschrijden, -wat zij toch onvermijdelijk doen zou. Mevrouw Jansen had een zeer reëel -verdriet, en het deed er niet toe, hoe een ander daarover dacht, of men -het verstandig vond of dwaas, verklaarbaar of ongerijmd, zij had het en -zij gevoelde het. - -„Straatarm!” herhaalde zij maar telkens, en het hielp niet of mevrouw -Uhlstra haar troostte. Zij huilde nu en dan, haar eigen gedachtenloop -volgende, vegend met haar zakdoek langs haar oogen, de vale, beenige -hand bevend van aandoening. „Dat had Jansen eens moeten beleven!” -zuchtte zij. „Het is gelukkig! Heer, Heer!” En toen alsof een gedachte, -die zij nog niet had gesnapt, haar plots door het hoofd kwam, zich -ontwikkelend tot een duidelijk denkbeeld, ging haar matte starende blik -onverwacht over de mannen, die de oogen neersloegen, zich inwendig -schamend, zonder te weten waarvoor. Want ze hadden toch hun plicht -gedaan. - -„Dat doen jullie me aan,” zei de oude vrouw. „Jullie! Ik zie je nog, -alsof het op den dag van gister was; ik zie je nog alle drie als -ondergeschikte employés bij mijn man.” - -Zelfs Lugtens kon zich er niet aan onttrekken, al was hij de eenige, -die teekenen gaf van ongeduld, en die kortaf zei: - -„Dat heeft hier niets mee te maken, mevrouw. Wij konden niet anders -tegenover u doen. Het kapitaal...” - -„Ik zie je nog,” vervolgde zij, hem in de rede vallend, maar droomerig -en in haarzelve. „Wat waren jullie onderdanig, als je een boodschap -kwam doen of orders halen van mijn man. En nu hij dood is, doen jullie -zóó.” - -Het was voor de drie „groote” mannen heel onpleizierig. Uhlstra wenkte -een lang en dik jongmensch, dat in een hoek der galerij stond te -wachten, heel netjes aangekleed, lui en fatterig, maar uit slimme -kleine oogjes rondkijkend. - -„Kom tante, zouden we niet naar huis rijden. Isa zou nog komen.” - -„Ja kind, laat ons maar naar huis gaan.” - -Hij nam haar arm in den zijnen, groette de heeren zeer beleefd, en -leidde de oude vrouw weg naar haar rijtuig. „Goeden dag,” had ze -gezegd, en tegen mevrouw Uhlstra: „Dag Leen,” en zoo was ze aan den arm -van haar neef naar haar rijtuig gegaan, al maar het hoofd zachtjes -schuddend, mopperend bij haar zelve: „Ik zie ze nog komen! Ze waren nog -zulke kleine klerkjes. Nu blaffen ze tegen me, nu Jansen al lang dood -is.” - -„Ze wordt suf,” zei Lugtens kwaadaardig toen het mooie, maar -ouderwetsche rijtuig het erf afreed. - -„Hi, hi,” lachte Twissels, „dat worden we allemaal, als we maar lang -genoeg in het leven blijven.” - -„Kasian!” klaagde mevrouw Uhlstra. „Het is toch wel ’n beetje hard voor -haar.” - -Haar man zei niets. Doch wrijvend in zijn korten baard, keek hij het -rijtuig na, met een bezwaard gemoed. - -Klaar en duidelijk stond tempo doeloe ook hem voor den geest, met den -grooten Jansen, onder wien ze allen hadden gediend, dien koning in -handel- en landbouwzaken, en het stemde hem onaangenaam, dat ze nu een -maatregel hadden moeten nemen tegen die koningin van voorheen, die -troonde op recepties zonder een versiersel en in een hoogst eenvoudig -kleedje, maar met haar slavinnen achter haar, beladen met een schat van -sieraden en edelgesteenten. - -Het dikke neefje Jansen had in het rijtuig zijn spraak teruggevonden. -Hij schold dapper op „die kerels”; hij noemde het nu rondweg een -schandaal, bewerend dat tante bestolen werd, en „die kerels” mooi weêr -speelden van het geld van oom Jansen. De oude vrouw, vermoeid, hoorde -de ratelende stem van Cesar, ’n beetje hakkelend als hij er niet goed -wist uit te komen, stil aan; zij verstond of begreep er niet de helft -van bij het gedruisch der rijtuigwielen over den weg en het -onsamenhangende in het gebabbel van den jongen. Maar ze begreep wel, -dat Cesaartje, zooals zij haar lieveling noemde, van idee was, dat die -brutale vlegels, gelijk zij de beheerders van haar vermogen betitelde, -haar te kort deden. En dat geloofde zij ook. Dat iemand, een oud mensch -met zóó weinig behoeften, meer zou kunnen verteren dan een fortuin, als -door Jansen nagelaten, afwierp, was niet te gelooven, en geloofde zij -ook niet; ze hadden haar vroeger dikwijls gewaarschuwd, maar zij had -het beschouwd als kinderachtige bangmakerij en parvenuachtige zucht om -wat te zeggen te hebben; meer niet. - -Isa zat al te wachten; dat zag Cesaartje dadelijk bij het den hoek -omslaan, het erf op. Het was zijn gewezen min en hij hield nog altijd -heel veel van de inlandsche vrouw, die, toen hij zijn tante uit den -wagen had gehaald, zijn hand kuste en met van vreugd stralende oogen -zag hoe lang en dik hij was. Zij had een tros bijzonder mooie pisangs -meêgebracht en eenige buitengewoon groote djeroeks. - -De oude vrouw was in de marmeren voorgalerij vermoeid gaan zitten op -een palembangschen wipstoel; haar roode shawl, afgegleden van de -schouders, hing aan weerszijden over de armleuningen, een helle -vuurvlek in het lichte wit van vloer en muren. - -„Het zijn prachtige djeroeks,” zei mevrouw Jansen. „Hoe kom je eraan, -Isa?” - -„Van mijn broers erf.” - -„Hoe maakt het je broer?” werd dadelijk belangstellend gevraagd: hij -was immers de koetsier geweest van wijlen meneer Jansen, en die was -altijd zoo over hem tevreden! - -Maar nu maakte hij het heel niet goed; zijn oudste zoon kon in dienst -komen op een kantoor, maar hij moest eerst een schuld afbetalen van -driehonderd gulden aan den Chinees, die kassier was op ’tzelfde -kantoor, en hem zou helpen aan het mandoorsbaantje. Daarover zaten ze -nu erg in soesah, want als dat niet alles zóó ging, dan moest toch de -Chinees zijn geld hebben, en het boeltje van den broer van Isa zou -verkocht moeten worden. Zij praatten over het geval. - -Isa had op de njonja gerekend, die was zoo rijk en zou wel hulp -verleenen aan menschen, die haar gediend hadden en wel altijd zouden -willen dienen! - -Natuurlijk zou zij haar oude meid helpen! Zij dacht er niet aan het -verzoek te weigeren, de voorgewende redenen te betwijfelen. Beslist -wees zij de kraboes en de haarspelden met diamanten af, die Isa haar -wilde tot pand geven. Aan zulke dingen deed zij niet; zij was er altijd -een te groote dame voor geweest, het beleedigde haar bijna. - -Mevrouw Jansen stond langzaam op, steunend op het marmeren tafelvlak en -zacht naar binnen schuivend, waar haar geldtrommeltje stond, dat al van -zóó ontzaglijk veel papier, goud en zilver de doorgangsweg was geweest. - -Cesar was haar nagegaan. - -„Neemt u de kraboes niet, tante?” - -„Wat denk-je wel, kind?” zei ze met ’n donker gezicht, verontwaardigd. - -„Het zou nu toch niet kwaad zijn,” meende hij. „Ze zijn heel mooi, en -altijd het geld wel waard.” - -„Cesaartje, Cesaartje!” vermaande de oude vrouw knorrig, woelend met -haar stijve, eenigszins gekromde, handen in ’t trommeltje, onder het -dooreen frommelen van groot en klein papier, de driehonderd gulden -bijeentellend. - -„Heusch tante, het is beter de kraboes te nemen. Die menschen hebben er -niks aan.” - -„Ik heb er ook niets aan; ik wil er niets mee te doen hebben.” - -„Het is toch wezenlijk beter, tante. Ze brengen hun goed anders toch -maar naar het pandjeshuis.” - -„Het kan mij niet schelen, kind.” - -„Maar dan halen ze het niet weêr terug, tante, en dan wordt het -verkocht, zonder dat ze er ooit weêr iets voor krijgen.” - -„Soedah! Laat maar.” - -„Het is toch jammer, tante! Ze hebben er niets aan. En.... en...” - -Zij schoof langs den gladden vloer weêr naar buiten, het geld in de -hand, op den voet gevolgd door Cesar, die zeer bezorgde blikken wierp -op het bankpapier. - -Isa had de kraboes en de haarspelden weêr opgeborgen; zij wist immers -toch wel, dat die maar voor een vertooning van eerlijkheid en goede -trouw harerzijds moesten dienen, en de njonja besar er nooit aan denken -zou preciosa in pand te nemen als waarborg voor geleend geld. - -Cesar hield zijn tante, vóór zij nog de deur naar de voorgalerij had -bereikt, terug bij den arm. - -„Geloof me tante, u moet ze nemen. Denk eens aan, u hebt zelf niet -zooveel geld meer.” - -Verschrikt keek mevrouw Jansen den knaap in de kleine glinsterende -oogjes, haast verborgen achter de vleeschwalletjes zijner dikke wangen. -Daar had ze nu geen oogenblik aan gedacht. Met een diepen zucht stond -zij stil. Het was waar! Zij moest zich behelpen; zij kon niet meer -weggeven zooveel zij wilde aan de honderden vroegere slaven en -slavinnen, oude baboes en minnen, oude koetsiers en tuinlieden, met hun -kinderen en de kinderen van hun kinderen, die als een menigte -parasieten op haar geld aasden, voor het meerendeel haar erf bewoonden, -als bedienden werden gesalarieerd, zonder haast ooit iets te doen, of, -als ze buiten woonden, niet nalieten haar regelmatig geld te komen -afvragen, onder allerlei voorwendsels, zoogenoemd ter leen, met het -vaste plan het nooit terug te geven. - -„Ik kan het toch niet doen,” zei de oude vrouw weêr huilend. - -„Ga even zitten, tante. Ik wou u maar iets voorstellen. Dan behoeft u -je verder met niets te bemoeien.” - -Onder den indruk van haar verdriet en dood-op van de soesah, liet zij -zich door den knaap gezeggen, stil zitten gaande op een lagen -europeeschen stoel, mooi van mahoniehouten fijn ornamentwerk, maar erg -ouderwetsch. - -„Laat u het mij maar doen, tante. Ik zal Isa het heel goed zeggen, en -ik zal die dingen wel van haar nemen.” - -Willoos gaf zij Cesar het geld. Met groote gezwindheid moffelde hij -honderd gulden in zijn zak en de tweehonderd gulden in de hand, kwam -hij met een nijdig gezicht buiten, Isa, die verwonderd opkeek, bevelend -hem te volgen naar achteren. - -„Jij denkt zeker,” zei hij, „dat ik jullie zal toestaan nog langer bij -mijn tante te rampassen, hè! Dat zal niet zijn, hoor! Hier heb je voor -ditmaal tweehonderd. En nu gauw de kraboes hier en de spelden. Die -bewaar ik, en als je ’t geld terugbrengt, kan je ze van mij ook weêr -ontvangen.” - -Isa wilde eerst niet. Dàt was haar bedoeling niet geweest, want bepaald -noodig had zij het geld niet. Zij wilde het enkel gebruiken om eens -lekker feest te vieren, en hoe zou zij dat kunnen als zij haar -versierselen niet had? Zij wilde tegenstribbelen, doch Cesar, die zijn -ganschen kindertijd over dit schepsel met onbeperkte tyrannie had -geregeerd, gaf haar zulk een gevoeligen stomp, dat zij stil jammerend -en zuchtend het pand tegen het geld ruilde, en zeer teleurgesteld -heenging. - -In zijn kamer had Cesaartje ’n plezier van belang, terwijl hij, zonder -voor het oogenblik verder naar zijn tante om te zien, op een canapé een -cigarette ging liggen rooken. Alles wèl beschouwd zou het een lekker -leventje blijven, ook al kreeg tante niet meer dan drie duizend pop in -de maand. Op die manier zou hij er zelfs nog beter afkomen dan ooit. -Hij zou die kraboes en spelden dadelijk naar het pandjeshuis laten -brengen; betaalde Isa het geld, dan zou hij ze laten inlossen; habis -perkara! Voor zijn tante kwam het er minder op aan, en als hij dit -stelsel ’n beetje handig in praktijk bracht, kon hij heelemaal alleen -de persoon wezen die van het geld van tante profiteerde. Het denkbeeld -bekoorde hem in hooge mate. Hij stond in onderhandeling over een mooi -rijpaard; hij zou het maar koopen; dat kon best! Daar zou hij dien -namiddag werk van maken, nu had hij honger; hij zou achter eerst wat -eten, en hij at inderdaad voor twee personen rijst en vleesch, tot zijn -dik gezicht glom van benauwde oververzadigdheid. En al dien tijd zat de -oude vrouw droevig te soezen over haar toestand; nu en dan een woord -zacht mompelend, als kauwde zij het in haar haast tandenloozen mond, -Isa en het geld vergetend. - -Maar zij had geen rust. Nauwelijks waren haar de muizenissen uit het -oude hoofd gegaan, zonk dat vermoeid achterover in den stoel en sliep -zij een oogenblik in, of een herhaald zangerig en klagend: Tabé, njonja -besar! kwam uit de galerij naar binnen en met de gemaakte -schroomvalligheid van den inlander, die iets te verzoeken heeft, -verscheen om het hoekje van de deur een hoofddoek, waar als het ware -langzamerhand een bejaard inlander onderuit kwam. Hij kwam pindjam -sepoeloeh roepia, of zooals hij ’t nog altijd noemde, uit den tijd van -het papieren geld: recepis. Hij had een heel verhaal opgemaakt, dat hij -met groote radheid van tong voordroeg, over een kind van een aangenomen -dochter, dat gestorven was, ergens in den kampong, en dat ze geen geld -hadden om te begraven, en nu zou de njonja besar.... Natuurlijk ging -mevrouw Jansen naar haar trommeltje. Als de menschen toch eens wisten, -dacht zij, op hoe groote lasten zij zat,—ze zouden er niet aan denken -haar zóó gemeen te beknibbelen. Zij had voor haar zelve maar weinig -noodig; een groot huis, mooie paarden en rijtuigen, welvoorziene kasten -gebatikte en zijden sarongs en een schat van juweelen. Nu, dat behoefde -niet meer gekocht te worden; dat alles bezat zij; verder gingen haar -behoeften niet; zij at het liefst rijst van de warong uit het blad, en, -behalve koffie, was schoon water haar eenige drank. - -Maar al die menschen, die altijd geld noodig hadden, en die men toch -niet kon wegzenden zonder het te geven! - -„Njonja besar kan het wel deze maand van mijn loon afhouden,” zei -welwillend de oude huisjongen met een strijkage en een trimakasi banjak -de vier rijksdaalders in den zak van zijn baadje latende glijden. - -Mevrouw Jansen wuifde stil met de hand, alsof ze zeggen wilde: snij nu -maar uit. Ze wist waar dat afhouden van het loon op neerdraaide; ze was -alweêr vergeten, dat ze tien gulden had weggegeven! - - - - - - - - -TIENDE HOOFDSTUK. - -PESSIMISTISCHE OVERDENKINGEN. - - -Het groote feest te Koeningan zou twee dagen duren. Eerst had men het -op drie gesteld, om van oude gewoonten niet af te wijken; maar de -„positie” van Roos werd in aanmerking genomen. Het zou, meende mama, -veel te vermoeiend voor haar zijn. Er kwam toch nog na het feest een -dag van rameh-rameh voor de boedjangs, en dan had zij toch nog weêr -drukte genoeg. Twee dagen en twee nachten,—het was toch al wèl! De -heele familie was weken te voren in ’t getouw. Aan zaken kon haast niet -gedacht worden. Eerst had de verzoening met tante Clara plaats gehad; -zij en Roos hadden elkaar onder veel gehuil en zenuwachtigheid gezoend, -links en rechts; toen, opdat het compleet zou zijn, had Geber, die, -verlegen met z’n figuur, er tamelijk onbeholpen bijstond, ook een hand -gekregen en een zoen; dat laatste vooral had hem bijzonder vreemd -aangedaan. Hij vond het gek. Al de jaren, die hij tusschen zijn korte -relatie met Clara en zijn huwelijk op het land had geleefd, op de -gebruikelijke wijze, had hij daaraan zoo goed als nooit gedacht en -gebeurde het—eer met schrik en tegenzin, dan met genoegen. Nu sedert -hij wel en wettiglijk was getrouwd, en zelf de verplichtingen had, die -hij ten volle besefte, en die hij vast van plan was na te komen, maalde -het hem telkens door het hoofd, met een begin van begeerte, dat hij -zijn best deed te onderdrukken, doch waarmeê hij meer moeite had dan -hem lief was. - -Een der drukke dagen van het feest was weêr afgeloopen. Er was een -onophoudelijk verkeer tusschen Koeningan en de stad, met de rijtuigen -der Uhlstra’s en der Geber’s; met karretjes vol boodschappen-doende -bedienden, met grobaks, beladen met dranken, eetwaren en bedden. -Tweehonderd gasten zouden twee nachten logeeren! Al wat maar eenigszins -beantwoordde aan het begrip „kamer” was in beslag genomen, en nog -schoot er ruimte te kort, want het waren niet de eersten de besten, die -te gast zouden komen; het waren, zoo ambtelijk als particulier, de -meest notabelen, en nu kon men wel de jongelui, die men natuurlijk voor -de vreugde had gevraagd, bij troepjes logeeren, de bokken bijeen, en de -geitjes bij elkaar,—maar voor de gehuwde deftigheden stelde men zich -vanzelf veel hoogere eischen; het was onmogelijk het stelsel van -„samenpakking” op hen toe te passen. Daarom had Uhlstra een groot -bamboezen gebouw laten zetten, in twaalf kamers verdeeld, om het -hoofdgebouw zooveel mogelijk vrij te hebben voor lieden als Markens, -Lugtens en zoo. - -Mama logeerde nu al acht dagen op Koeningan. ’s Morgens klokke vier was -het of haar zenuwgestel gelijk een uurwerk tot springens toe was -opgewonden; het liep door den heelen dag, zorgend, beredderend, van de -kamers naar de goedang, vandaar naar de aankomende grobaks, lijstjes -makend van wat er nog noodig was; iedereen onder hoogen druk en in -sterke spanning brengend door onophoudelijk gepraat, door opdrachten en -bevelen, tot de aan rust en kalmte gewende inlandsche bedienden -heelemaal bingoeng waren, en het Geber als dronken makend naar de -hersenen steeg. - -„Goede God, Roos!” zei hij nu en dan. „Je ma, je ma!” - -Zij lachte er hartelijk om. - -„Ze zorgt maar lekker voor alles, weet-je. Als ik háár niet had, was -het me niet mogelijk klaar te komen met den boel.” - -„Dat is waar. Ze zorgt voor alles, ze werkt zich op; maar ’t is soms -verschrikkelijk om te zien en te hooren. Ik word er halfgek van.” - -Dat vond Roos allergrappigst. Zij was dit van haar moeder gewoon van -kindsbeen af, en zij wist dus niet beter of ’t hoorde zoo. Zelf bleef -zij er doodkalm onder, heel leukjes met haar als ’t ware elken dag -toenemenden omvang door het huis loopend in een soort zeemansgangetje, -de armen van het lijf, de handen min of meer bemorst met deeg voor -taarten en gebakken, maar rustig en gemoedelijk haar gang gaand den -heelen dag. - -Tot ’s avonds. - -Dan konden mevrouw Uhlstra en Roos nauwelijks den etenstijd afwachten, -en gingen zij zoo vroeg mogelijk slapen om den volgenden ochtend de -vertooning opnieuw te beginnen. - -Geber zat den heelen avond alleen met z’n sigaar; zoo erg alleen als -men ’s avonds zit in de binnenlanden. Dan pikirde hij ook al over het -aanstaande feest en wat er voor noodig was; over zijn gasten, de manier -om hen bij het logeeren te verdeelen, en ten slotte dacht hij dan -vanzelf aan Clara, die met Lugtens de kamer naast de zijne zou -betrekken. Hij drong het idee terug, maar het kwam na tien minuten of -’n kwartier als vanzelf weêr op den voorgrond.... - -Het maakte hem bang. Bij het halve licht der enkele lamp in de groote -galerij, met de zwarte duisternis buiten den verflauwend uitstralenden -kring, en in de stilte der eenzaamheid, had hij een gevoel, dat hem -vrees aanjoeg en telkens weêr over hem kwam. Zou het de straf zijn? Zou -men niets kunnen doen buiten de lijn van het conventioneel goede, -zonder dat het zich wreekte vroeg of laat? Sleepte elke verkeerde -handeling altijd haar eigen noodlot achter den mensch aan, vroeg of -laat, zijn leven lang? Stond het vast, dat hij, nu zoo rustig en -gelukkig, weêr onverbiddelijk zou gedreven worden in de richting, -waarin hij beloofd had niet te zullen gaan? - -Het was om te lachen! Men mocht dan eens ’n stommiteit doen, dacht-ie, -maar daarmeê was het uit! Hij was niet ezelachtig genoeg zich tweemaal -te stooten aan denzelfden steen. Eigenlijk was het toch een plezierige -herinnering! Met het gewone spottende glimlachje op z’n gezicht, rookte -hij welbehagelijk voort, den rook nakijkend, die opwaarts spiraalde. -Als men altijd even behoorlijk en fatsoenlijk was geweest, moest het -leven gruwelijk vervelend worden. Zoo’n enkele „grap” bleef altijd ’n -goede herinnering; men denkt ten slotte meestal met meer sympathie -terug aan z’n „stoutigheid”, dan z’n „braafheden”. Maar geen recidiven! -Daar zou waarachtig niets van komen. Het zou hem belachelijk maken, zoo -er nu nog iets bestond tusschen hem en Clara, die al ’n heel eind in de -veertig was, terwijl hijzelf zoo’n jonge vrouw had, al was die wat -ongracieus, vooral tegenwoordig. - -In de slaapkamer had mevrouw Uhlstra zijn plaats ingenomen naast haar -dochter; Geber ging in de gewone logeerkamer, ongezellig, alleen. - -Hij mijmerde steeds voort. - -Voor het eerst vond hij, dat het huwelijk soms iets tegen had. Als hij -enkel met Roos op Koeningan was, deed ieder zijn werk, en daarna -praatten ze samen en amuseerden zich met elkaar. Nauwelijks was er een -derde iemand, of dat was uit. - -Kwam er een mannelijk familielid of een vriend, dan had hij afleiding, -en mocht zij het leven vervelend vinden; logeerde er een dame, dan kon -hij zich als tijdelijk op stal gezet beschouwen. - -Nu kwam nog dat ophanden kinderen-krijgen erbij, waarover de heele -famielje Uhlstra zoo in haar schik was. En eerst die vervelende partij! -Tien duizend gulden zou hem dat grapje, ruw-weg gerekend, kosten. Het -leven was duur, vreeselijk duur, en wat had men eraan? Moeiten en -kosten met een minimum genot. Mocht men ergens plezier in hebben, dan -liet men het meestal na om ’t onfatsoenlijke of de soesah! - -Roos, die nooit in Europa was geweest, kon niets in de krant -geadverteerd zien of ze moest het hebben. Naar den prijs werd niet -gevraagd. Het huis stond vol met nonsens-dingen, die duizenden gekost -hadden, en waarnaar nooit iemand omzag. Nu weêr die partij; straks de -bevalling! Hijzelf kocht altijd de fijnste wijnen, de duurste sigaren; -de nieuwst-modische kleeren bij den voornaamsten kleermaker, die droeg -hij enkel bij gelegenheid. Roos kon haast geen modejournaal zien of zij -schreef naar Parijs om een nieuw toilet, en ze leefde maand in maand -uit in sarong en kabaai! En zoo was het met alles. Terwijl zij haast -nooit anders at dan rijst met sambal, een stukje gedroogd vleesch of -zoo, en inlandsche vruchten, stond haar goedang volgepropt met de -fijnste blikjes, die opeengestapeld geheele muurvakken bedekten, als in -een toko. - -Zij zelf leefden feitelijk van zoo weinig, dat het uit een gewoon -ambtenaarstractementje had bestreden kunnen worden, niettemin kostte -het huishouden schatten; het zou hoe langer hoe meer gaan kosten, dat -stond, bij het in aantocht zijnde kinderleger, vast als een muur. Hij, -Geber, was niet jong meer, en kon zijn kans om voorgoed naar Europa te -gaan, wel als verkeken afschrijven. In den eersten tijd van zijn -huwelijk had hij daaraan heelemaal niet meer gedacht. Nu kwam het -ineens bij hem op met een hevig verlangen. Nog vier, vijf jaren had hij -tijd om prettig te kunnen gaan, wat in zijn, zooveel jaren door het -old-bachelorschap vastgewoekerde begrippen, beteekende, dat hij zich -nog te Parijs op bals en zoo kon vermaken. Dan was het uit. Dan kon hij -er nog wel eens heengaan, maar ’t was het ware niet meer; hij zou aan -zichzelf verplicht zijn zich tot de buitenkantsche genoegens te -bepalen; hij kon dan evengoed ’n optrekje huren aan den Rijn bij Leiden -en zich daar oefenen in ’t pooieren.... - -Geber vloekte, woelend met het hoofd in zijn kussens.— - -Wel Gévédé, dáár zat hij nu zóóveel jaren in een uithoek van een -uithoek der wereld, met geen ander vooruitzicht dan dàt! Want over -vier, vijf jaren kon hij aan zijn vijfde of zesde kind wezen? Wat het -leven dan zou kosten, durfde hij niet berekenen! - -Om wanhopig te worden was het zeker! Het leven? - -Weêr ging hij in één zet van zijn pessimistische opvatting over tot -zijn meer gewoon onverschillig en spotziek cynisme. - -Wat deed het er eigenlijk ook toe? Was het leven niet, in zijn geheel -genomen, een enorme flauwiteit, waarin hij enkel den nar speelde, die -het als ernst opvatte? Alle genot en levensvreugd waren immers toch -weêr dadelijk voorbij.... Wat deed het er dus toe of men ze had genoten -of niet. Men bleef toch altijd even wijs of even dom, en het verledene -maakte alles weg, niets overlatend dan herinneringen, waarmeê men zich -kon amuseeren als een hongerige maag met de schaduw van een -boterham.—Wel, hij zou den „huwelijks-zegen” in kalmte aanvaarden, en -daarmeê basta! - -Hij sliep op dit besluit rustig in. - -Den volgenden morgen begon alweêr heel vroeg het bedrijvig leven. - -Geber mocht de boodschappenlijstjes opmaken, die zijn schoonmoeder -opnieuw had uitgedacht, en wel honderdmaal haar stéréotype vraag -beantwoorden, of zij nu niets had vergeten en of hij niet nog iets -wist. - -’t Was een soesah! - - - - - - - - -ELFDE HOOFDSTUK. - -HET FEEST. - - -Koeningan was haast onherkenbaar toen het feest zou aanvangen. Door het -volk, onder aanvoering der mandoors, was het met weelderig groen -versierd, ’n beetje naar inlandschen trant, maar dat hoorde er zoo bij, -had Geber lachend opgemerkt. - -„De gasten moesten den indruk krijgen, dat ze heelemaal buiten waren en -niets moest worden verzuimd dat het locaal karakter kon verhoogen.” - -„Dan moest je ze ook maar rijst te eten geven met visch,” zei Roos -spijtig. - -„Nou,” had hij leukweg geantwoord, „ik weet er wel, die dat heel wat -lekkerder zouden vinden dan fazant uit blik.” - -Zijzelf vond het lekkerder; maar zij trok nu den neus ervoor op, net -doende, als gastvrouw, wat haar meeste gasten straks zouden doen; dure -gerechten, die hun niet smaakten, als voortreffelijk prijzen, alleen -omdat ze duur waren! De rijtuigen, waarmeê de genoodigden kwamen, had -Geber alle gehuurd, zoodat voor andere menschen op die dagen geen -huurwagen te krijgen was op de plaats. Toen zij ’s namiddags -langzamerhand opreden, ontving Geber de voornaamsten zelf; de jongelui -liet hij voor elkaar zorgen, en dat gelukte wonderwel; de stemming was -al dadelijk onder hen opgewonden vroolijk, aanstekelijk vond Geber, die -aan de groote tafel in de voorgalerij direct in een serieus -zakengesprek werd gehaald door de ouderen, waaraan hij zich met een -beroep op zijn plichten als gastheer zoo gauw mogelijk onttrok. - -Men kwam dien heelen eersten feestnacht niet uit den toon van -opgewonden vroolijkheid; die was hier, midden in het landelijke, met -den nachtelijken boschgeur, die allen omzweefde, en het vroolijk -fantastisch licht eener kleurrijke venetiaansche illuminatie, -dronkenmakend. - -Geber had naast het huis een houten dansvloer gelegd, en die was geen -tien minuten verlaten, den heelen nacht. Zelfs Lugtens had zijn -grimmige deftigheid niet kunnen bewaren; hij had, heelemaal tegen zijn -teetotalersgewoonte, een sigaar gerookt en een glas Champagne -gedronken, kijkend bij het plancher; een der jonge meisjes was bij hem -gekomen en had plagend gevraagd of hij niet eens met haar wou dansen. - -Hij wist wel, waarom hij nooit iets gebruikte op partijen! Nu had hij -maar één glas gedronken en het zat hem al verkeerd in het hoofd. Zijn -oogen glinsterden; hij keek met begeerige oogen naar de blanke -schoudertjes van frisch jong vleesch, glimmend z’n gezicht, en lachend, -met dikke vooruitgestoken lippen, alsof hij ’n zoen geven wou, en hij -boog, haar den arm biedend, met ouderwetsche manieren om zich te -ronden, wat bij zijn dikke figuur niet noodig was, en waarover de -anderen tegen elkaar spottend glimlachten. Maar ze hadden het voor geen -geld gemist, dat Lugtens zich te buiten ging. Dàt was een der aardigste -momenten; men rangschikte zich als het ware om het te zien, de hoofden -’n beetje vooruit, in vroolijke oplettendheid. - -„Ik vind het erg aardig van u,” zei het vroolijke meisje, dat hem -„gevraagd” had. - -„Hou-je stil!” antwoordde hij, zoo familiaar als hij wel wezen mocht -tegen dat jonge goed, dat hij als het ware had zien geboren worden. -„Hou-je stil! Ik mag wel oppassen!” - -„Waarvoor oppassen?” - -„Wel, ik heb in jaren... ik weet zelf niet in hoeveel... niet gedanst.” - -„Het is maar een quadrille,” zei ze met de minachting van echte -liefhebbers van dansen, voor wie de wals eigenlijk de eenige dans is, -zooals voor kaartspelers het homberen ’t eenige spel. - -Maar Lugtens vond dit juist het moeilijke van de zaak. - -„Zie-je,” zei hij. „Ik ben er nog een uit de oude school. Jullie -jongelui danst geen quadrille; je loopt haar.” - -Zij keken om naar een vis-à-vis. - -Uhlstra, die het zag en wel begreep, hoe hij nu Lugtens een dienst kon -doen, zei tegen zijn vrouw, die naast hem stond: - -„Zeg Leen, heb je lust?” - -En terwijl zijn oogen ondeugend keken achter de brilleglazen, met -vroolijke spot-trekjes op zijn goedhartig donker gezicht, nam hij haar -arm in den zijnen. Zij trok haastig terug, zich boos houdend, maar -innerlijk plezierig gestemd, in stilte met een groot hart voor hem, als -oude getrouwde lui die elkaar nog heel aardig vinden. - -„Och vent, je wordt gek,” zei ze. - -„Kom,” hernam hij, meêlachend om de grap van het geval en doorgaand in -den huiselijken toon. „Kom, ajo! laat ons de beenen nog eens van den -vloer gooien!” - -Ze aarzelde, maar liet zich toch gemakkelijk meênemen, lachend het -hoofd schuddend tegen haar vriendinnen en kennissen over den „gek van -’n vent,” de anderen met prettig aanmoedigend terugknikken, onbewust -genietend in het aangenaam gezicht van een paar gezonde, kloeke -menschen met grijze haren, die al zoolang naast en met elkaar hadden -geleefd en nog zoo jolig konden wezen met elkaar. - -Lugtens kreeg een gevoel van groote tevredenheid, toen hij daar -onverwachts Uhlstra voor zich zag staan, lachend hem toeknikkend in -goede verstandhouding. Hij begreep ten volle, dat het een dienst was, -die hem daar bewezen werd, en terwijl hij ’t juffertje met een voor -zijn doen vroolijk praatje bezighield, zelf veel lachend zijn zwaren -bas-lach, zocht zijn tweede-ik, de zaken-mensch in hem, stil naar een -gelegenheid voor dadelijken wederdienst. - -Er was niet lang tijd voor. De figuren werden aangegeven, schetterend -voor de eerste nummers uit de koperen instrumenten, bommend op de -groote trommen van het inlandsen muziekcorps, dat den bijnaam van de -„ronzebons” droeg. - -De heele omgeving keek enkel naar Lugtens en Uhlstra, verwonderd over -een vlugheid, die niemand achter hun corpulenties had gezocht; zij -dansten wat men in hun jeugd nog een carré noemde, met kunstige -figuren, in schuine danspassen van vijf en drie, achteruit en vooruit, -met buigingen en strijkages, bewegelijk, druk, vermoeiend in de avants, -chaines en balancés, zoodat het was of bij de snelle tempo’s eerst hun -beenderen zelfstandig manoeuvreerden en de vleeschmassa dan daarna in -die beweging kwam deelen; het jonge meisje wist haast niet waar ze -bleef in die ouderwetsche quadrille; ze werd er heelemaal bingoeng van, -zich vast voornemend nooit weêr voor de grap een van die ouwe heeren, -die zoo raar en zoo gek deden, ten dans te vragen. - -De jongelui vergaten haast hun eigen dansen om naar dat van Uhlstra en -Lugtens te zien, proestend achter hun handschoenen van het lachen, bij -elken sierlijken kuitflikker, dien ze sloegen. - -De oudjes om het plancher keken toe met weemoedig genoegen, als naar -een in beeld gebrachte herinnering uit hun jongen tijd. Zóó was het -geweest, ja, toen ze nog jong waren, dertig, veertig jaren geleden! - -Met veel succes hadden de twee het eraf gebracht. Lugtens, met groote -zweetdroppels op z’n voorhoofd, een gevoel in z’n beenen of ze onder -hem wegzonken, en in z’n buik of die er los bijhing,—deed zijn best het -meisje, dat nu wel een beetje verlegen was met de zaak, in trotsche -houding naar haar plaats te brengen. - -Uhlstra, beter bestand tegen lichaamsvermoeienis, door de oude -gewoonten van een buitenman, ging met z’n vrouw rustigjes terug. - -En ze werden allen lachend gefeliciteerd. - -„Nou hoor! dàt hadden ze ’m geleverd! Dat was dan toch maar „je”! Wat -beduidde daarbij het dansen tegenwoordig.” - -Véél gracieuser was het, naar de oude manier! - -Zoo maalden ze Lugtens aan het hoofd, de ouden omdat ze het meenden, de -jongen voor de ui, en beproevend hem voor ’t lapje te houden. - -Doch toen ’t juffertje weêr op haar plaats zat en hij terugging naar de -zijne, had Lugtens zijn quant-à-moi heelemaal weêr; hij liep stijf als -’n wandelende bougie, met ’n norsch terugstootend gelaat, nu en dan -enkel ’n kort knikje uit de hoogte, teruggevend als eenig antwoord op -allerlei gepraat om hem en tegen hem, met bij zichzelf „vervloekt” het -land aan dat eene glas Champagne, dat hem had gefopt. - - - -Clara had het aangezien met groote ergernis, de lippen opeengeklemd, -het hoofd teruggetrokken. Zij kon het zien van Uhlstra en haar zuster, -die zooveel ouder was dan zij, maar van Lugtens vond zij het walgelijk. - -Ze had al zoolang een hekel aan hem; en was dan ook, zonder hem ooit te -hebben liefgehad, getrouwd om een man te hebben. Onder de aanhoudende -werking van de vrees en de onderdrukking, had zich die hekel tot haat -ontwikkeld. - -Maar ze zag nog liever zijn stereotiep nijdig gezicht, dan zijn mal -figuur in de ouderwetsche danspassen. - -Geber stond ook er naar te kijken, met den spotlach sterker dan ooit -uitgedrukt op z’n gezicht. - -Onwillekeurig monsterde Clara hem van het hoofd tot de voeten. Hij zag -er zeer gentleman-like uit, met zijn rustig, eenvoudig gezicht, stil -neerziend op de anderen, critisch en ironisch; met zijn goede taille, -die hem in zoo’n overigens leelijken zwarten rok te midden der andere -heeren altijd stond, vond ze, of hij de president was en de anderen de -mindere goden. - -Wat was er toch een verschil op de wereld! Hoe gunstig stak de een, die -toezag, af bij den ander, die zich als een dwaas aanstelde in het zweet -zijns grimmigen aanschijns. - -Mevrouw Lugtens ging langzaam naar Geber toe. - -„Moet jij ook niet meêdoen?” vroeg ze scherp, haar woorden afbijtend -tot korte uitgestooten klanken met een licht indischen toon. - -Hij lachte zachtjes, zonder haar aan te zien, zonder verwondering. ’t -Was net zooals hij het zich had voorgesteld, wat hij verwachtte. - -Nadat hij haar uit het rijtuig gearmd had binnengebracht, had hij met -opzet haar gezelschap vermeden. Zij zou hem komen aanspreken, dat wist -hij vooruit. - -Nu gebeurde het. - -„Als je óók meêdoet,” antwoordde hij. - -„Dank-je. Ik ben wel oud, maar daar toch nog te jong voor,” zei ze op -dezelfde snibbige manier, nu werkelijk ’n beetje boos op hem. - -„Neem ’t me niet kwalijk! Ik zal, als ik soms lust krijg in zoo’n -aardigheid, naar een andere danseuse omzien; een, die meer in leeftijd -met me overeenkomt.” - -„Ik heb niet bedoeld, dat jij voor zulke krankzinnigheden oud genoeg -bent.” - -„Je hebt het toch gezegd. Maar dat is ook de quaestie niet. En wat doet -het er toe? Je wou wat zeggen; wat onaangenaams, zoo mogelijk. Dat is -alles.” - -Zij zweeg even, verschrikt, dat hij dit dacht. Of het waar was, wist ze -zelf niet. Voor zoover zij kon nagaan, had ze geen bepaald doel beoogd. -Maar het kon toch wel zijn, dat hij gelijk had. - -„Je bent ’n gedachtenlezer,” zei zij, op haar beurt spottend. - -Het woord trof hem; het bracht hem uit zijn gewone doen; het werd geuit -op goedig-spottenden toon, lang niet scherp of hard; maar hij kon er -niet tegen en werd boos. - -„’t Is nog de vraag of dat altijd een kunst is of een verdienste.” - -„Je bedoelt, dat er zooveel domme menschen zijn.... zoo dom als ik -bijvoorbeeld?” - -„Dat wilde ik niet zeggen.” - -Zij zag hem aan en zeide: - -„Zeg het gerust, Willem; het is waar.” - -Daar ging het nu toch een kant op, dien hij zoo graag had vermeden. Het -was met vrouwen zoo zonderling. Als zij het in ’t hoofd hadden gezet -een gesprek in ’n bepaalde richting te brengen, leidde elke weg -onvermijdelijk naar Rome! - -Hij keek, zonder te zien, naar de quadrilledansers, zwijgend, niet -wetend hoe uit deze phase te komen, die veel erger was, dan elke -andere. Zij zag er goed uit. Zeker, ze was geen jong meisje en ze miste -dus veel en had van veel te over. De onvermijdelijke onderkin; het -zilveren draadje hier en daar, het onvaste in de huid van ’t gezicht, -dat alles behoorde er niet te zijn; maar haar mooie lenige taille, haar -fijne, veerkrachtige buste was, bij den goeden smaak waarmede zij zich -altijd kleedde, een lust om te zien, en zooals zij daar stond in een -ook door kleur passend lichtbruin foulard-zijden japon, waarin zij -gegoten scheen en die elke losse beweging van haar lijf volgde, vormde -zij een opmerkelijke tegenstelling met nicht Roos, wier vuurroode -blouse op een donkerblauwen rok een gemeenen kermis-indruk maakte. - -„Je hadt op onze laatste partij wel kunnen komen,” zei ze, hem -aanziende. - -„Roos was....” - -„Ik weet het, ik weet het. Je bent ’n heel bijzonder mensch, Willem!” - -„Omdat ik het haar verteld heb? Het is waar. Ik had het niet mogen -doen. Vergeef het me, en erken, dat je er zelf de schuld van bent -geweest.” - -„Och ja, dat ben ik.” - -Verwonderd keek Geber haar aan. - -Ze zei dat lachend, alsof ze, wel ver van het kwalijk te nemen, er -plezier in had. - -„Je hadt in elk geval op de partij moeten komen. Ik zou je, hoop ik, -niet hebben opgegeten. Het is krankzinnig, weet je.” - -Zij wachtte een oogenblikje en vervolgde toen: - -„Heb ik in al die jaren ook maar de minste poging gedaan?” - -„Neen. Dat was voor mij juist het gekke. Waarom heb je zoo’n vreemde in -het oog loopende houding aangenomen bij ons engagement en ons -huwelijk?” - -„Ik weet het niet.” - -Hij ook niet en toch weêr wel, ten minste hij gevoelde het, hij hoorde -met een soort van genot, dat hij niet kon en ook niet trachtte te -verklaren, haar zuchten toen ze bekennen moest, dat ze het niet wist. -Toch zeide hij zachtjes tot haar: - -„Wil ik je eens wat zeggen, Clara? Je hadt er het land aan.” - -„Misschien wel.” - -„Er zijn menschen, die zelf nooit den mond slaan aan tal van zaken, die -ze in overvloed bezitten, maar die toch een ander daar niets van -gunnen.” - -Zwijgend knikte ze. - -„Het is een soort van egoïsme; geen mooi soort,—daarmeê mag ik je niet -vleien.” - -„En welk soort van egoïsme,” vroeg Clara vroolijk lachend, „hou-jij er -op na? Zéker ’n erg charmant, hè? Kom, laat ons in godsnaam ’n eind -oploopen. Die dansende clowns daar maken me onpasselijk.” - -„Met alle respect van je man en je zwager gesproken.” - -Hij lachte hartelijk mee, want hijzelf was er ook misselijk van, en -haar den arm biedend, liepen ze het pad op naar ’t landhuis, uit den -lichtkring tredend der lampions van het plancher. - -Toen zij zoo gearmd de trap opkwamen, het landhuis binnen, waar ook een -troepje muzikanten speelde, groote airs uit italiaansche opera’s -havenend,—ontstelde Roos. Zij gaf zich geen rekenschap van den indruk, -dien zij ontving, maar zij voelde, dat dit van uiterlijk een bijeen -behoorend menschenpaar was; een paar, door de natuur aangewezen om te -tjotjok. - -„Aan het dansen geweest, tante?” vroeg ze met een onhebbelijke klem op -den graad van bloedverwantschap, terwijl ze op Clara toetrad. - -Doch de andere, die heel goed begreep, glimlachte vriendelijk. - -„Neen, kind, daar ben ik te oud voor; dat laat ik aan de jongelui -over.” - -„U ziet er van avond zoo jong uit!” - -„Dat tref ik dan bijzonder, ditmaal.” - -„Toch niet,” zei Geber argeloos, „je ziet er altijd nog jong uit.” - -Mevrouw Lugtens lachte luid op. - -„Komaan!” riep ze, „dat is een leventje hier van avond. Ik wordt met -complimenten overstelpt!” - -Er kwamen andere menschen tusschen; dozijnen paren, die lachend en -schertsend de galerij binnenstroomden; opgewonden jolige gezichten; -vroolijke stemmen luid vragend om „stroop” en ijswater, wat door de -heeren met de benaming „flauwe kul” werd vereerd, in tegenstelling van -den wijn en de spiritualiën, min of meer met water verdund, die zij -zelf dronken; ieder kreeg zijn eigen conversatie; men zag elkaar niet -meer. - -Geber dwaalde af naar de achtergalerij bij de speeltafeltjes; Roos had -geen oogen genoeg voor de bediening; Clara geen woorden genoeg om de -praatjes bij te houden, die tegen haar werden gemaakt, omdat zij.... de -vrouw was van haar man. - - - -In dans en spel vorderde de nacht. De hombertafels werden na drieën -verlaten; de eere-plaatsen voor de oudere dames waren reeds leeg; het -gedeelte der gasten, dat niet meer meê kon doen zooals de jongelui, -was, zoo mogelijk, gaan slapen; op het plancher werd nog gedanst, maar -niet veel meer; de meisjes waren ook moê en velen reeds in haar kamer -gegaan; bij de buffetten stonden jonge mannen te praten, in traag en -hortend gesprek, sommigen nog in zwarte rokken, anderen reeds uit hun -groot toilet en met ’n wit jasje aan; ze aten sandwiches, hongerig van -het laat opblijven en de vermoeienis in de open lucht, en ze dronken -erbij, deze grog, gene Champagne,—het deed er niet meer toe, als ’t -maar nat en koel was. - -In de voorgalerij, alleen, was Geber neêrgezonken in een grooten rieten -stoel, doodmoê, doch zich verplicht rekenend, als gastheer, de laatste -te zijn, zoowel als hij de eerste was geweest. - -Geber was klaar wakker; zijn voeten gloeiden van het twaalf uur -achtereen op de been zijn, drentelend over het erf en door het huis. -Als hij na zijn gewonen tijd opbleef en zich oververmoeid had, kon hij -nooit slapen; dan raakte zijn zenuwgestel in de war, en werd hij hoe -langer hoe helderder van geest, schoon hij weinig lette op wat om hem -heen gebeurde. - -Hij zat, de beenen over elkaar geslagen, de handen over een knie -gevouwen, stil te pikeren, onbeweeglijk rechtuit kijkend in de flauwer -wordende lichtjes der illuminatie van zijn erf; het werd al stiller en -stiller; de vermoeienis was langzamerhand allen de baas geworden; tot -zelfs de bedienden, ook letterlijk op, sliepen nu hier en daar op den -grond of op banken. - -Alleen de wachtman waakte en sloeg geregeld zijn uur. - -En terwijl de groote stilte over de geheele omgeving kwam, die altijd -kort voor het aanbreken van den dageraad intreedt, beving hem -langzamerhand een gevoel van moedeloosheid, van stillen haat tegen -alles, van onverschilligheid voor het verleden, het heden en de -toekomst; het doordrong hem, haast onbewust dieper en dieper, en net of -het hem omwoei met een sluier, die telkens dichter aantrok, hield dat -gevoel hem gevangen, zoodat er geen uitkomst meer scheen, naar welken -kant ook. Hoe hij zich ook keeren mocht of wenden, hij zat,—dacht hij, -zuchtend,—gekluisterd in en aan het leven en zijn omstandigheden; hij -kon niet dit doen of er stond altijd een dat naast, waarover het hem -onmogelijk was heen te komen. - -Zijn gezicht kreeg trekken van groote zwaarmoedigheid, zijn oogen -gingen vanzelf dicht alsof het weinige, dat ze zagen van het in de -verte verflauwend schijnsel, hem verveelde. Er was in hem een opkomen -van drift, van heftig protest tegen het leven, zooals het voor hem was, -maar het kwam niet tot een uitbarsting, het kwam op en zonk weêr weg, -als de machtelooze poging eener verzwakte energie, de nawerking eener -eens krachtige vitaliteit; het overblijfsel van geschiktheid tot strijd -en verzet; de nagalm van verloren hoop en vertrouwen; hij voelde het -hem ontzinken, en was zich heelemaal bewust dat hem een groot ongeluk -overkwam; dat hij in de wereld stond als een ongewapende in den strijd. - -Hij kon eruit gaan. - -Wat belette het hem? - -Wat belette hem ten slotte er een eind aan te maken? Hij deed er -anderen geen nadeel mee; ze waren financieel zonder zorgen voor de -toekomst. Het was nog het verstandigste het leven te behandelen als een -huis, waarin men woont en waarin men niet langer blijft, als het niet -langer bevalt. - -De redeneering bekoorde hem; het heele idee schrikte hem niet af; hij, -zich latend meêvoeren door zijn langzaam voortwerkende gedachten, zag -het feit en de naaste gevolgen. Stil dramatiseerde het zich voor zijn -geest. En de manier waarop het zou gebeuren, scheen daarbij ineens en -vanzelf bepaald en aangewezen, alsof er geen sprake kon of mocht zijn -van iets anders. - -De plaats van handeling was een klein bosch op zijn land bij de rivier; -het werktuig een pistool. Dàt scheen vooraf onherroepelijk te zijn -vastgesteld, en die omstandigheid deed hem bij zich zelven glimlachen. -Hij beproefde te denken aan zelfmoord door vergif of aan zich -verdrinken, maar dat scheen zijn geest zóó dwaas en onmogelijk, dat hij -die richting niet uit kon; geen schrede.— - - - - - - - - -TWAALFDE HOOFDSTUK. - -DE TWEEDE DAG. - - -Clara was opgestaan; zij was een der eersten geweest, die naar haar -kamer ging, ze had goed geslapen en was nu ook het eerst bij de hand, -hoofdschuddend over den aanblik van de leege feestlokalen, nog door de -lampen hier en daar verlicht. - -Verrast zag ze Geber zitten, in den grooten rieten stoel, het gezicht -naar boven, bleek en glimlachend als in een droom. - -„Mijn hemel, Wim,” zei ze over hem heen buigend, „lig jij hier te -slapen?” - -Hij had haar niet hooren komen, zoo zacht liep ze op haar bloote -voeten, en met een koortsschrik, die hem door merg en been ging, rees -hij ineens op, haar aanziend met een verbaasd en ontsteld gezicht. - -Zij keek hem aan met groote oogen, verwonderd, niet wetend hoe ze het -met hem had. - -„Wat scheelt je?” vroeg ze bezorgd. „Je hebt zeker koorts gekregen. Hoe -onvoorzichtig ook!” - -Geber streek, diep zuchtend, de hand ’n paar malen over het voorhoofd, -en lachte toen zacht, schoon zijn hart nog bonsde van het plotseling -opschrikken. - -„Het is volstrekt niets. Ik lag te soezen, ’n beetje overspannen door -al die drukte. Ik weet niet hoe ik zoo opschrikte toen ik je stem -hoorde zoo dicht bij me.” - -„En je bent zelfs nog gekleed.” - -„Het is waar ook! Ik ga me lekker maken.” - -„Ik zou trachten nog rustig een uurtje te slapen. Je hebt er behoefte -aan. Het zal je goed doen.” - -„Dat zou het zeker. Nu, ik zal het probeeren.” - -Hij haalde zijn horloge uit z’n vestzak en hield het onder ’n lamp. - -„’t Is amper vier uur, Clara,” zei hij huiverend. „’t Is een erg koele -ochtend. Wat ga jij doen?” - -„Ik? Wel, wat ik elken ochtend doe vóór vijven. Ik zal probeeren een -lekkeren kop koffie te zetten.” - -„Dat is een idee. Krijg ik er dan ook een?” - -„Als je wilt.... Maar ik zou het je niet aanraden. Het is geen goed -middel als men in slaap wil raken.” - -„In ’s hemels naam.... ik heb er zoo’n behoefte aan.... veel meer nog -dan aan slapen.” - -Langzaam ontkleedde hij zich in z’n kamer, nog bezig in gedachten met -dat dwaze zoo plotseling opgekomen idee van zelfmoord. Het was al te -gek! Iemand in zijn omstandigheden moest zulke malligheid niet in ’t -hoofd kunnen krijgen. Het zou, meende hij, wel veroorzaakt zijn door -een geringe storing in z’n bloedsomloop, ’n tikje malaria, gevatte kou, -onregelmatige werking van de gal of zoo! Hoe zou iemand, normaal gezond -van lichaam en geest, zulke krankzinnige visioenen kunnen hebben en die -dan als heel gewone zaken opnemen en in gedachten beschouwen? Het zou -hem niet weêr overkomen, dat was zeker, en al frisscher en helderder -wordend in z’n hoofd, stak hij een cigarette op en wierp, nu in -nachtbroek en kabaai gekleed, zich op een divan bij het opengestooten -venster. - -Zacht hoorde hij tikken aan de kamerdeur. Dat zou zijn koffie wezen, -die de jongen bracht; daarom antwoordde hij in ’t maleisch. Doch Clara -was het zelf met een grooten porseleinen kop in de hand. - -„Er is geen bediende present.” - -„Dat begrijp ik,” antwoordde hij. - -„Neen, ze hebben óók niet stilgezeten, gister en vannacht.” - -Hij nam den kop koffie van haar aan en dronk die met wellust, sterk en -warm als ze was, en toen gaf hij den leegen kop haar niet terug, schoon -ze daarop wachtte, maar hij zette dien op de tafel, sloeg zijn arm om -haar heen, haar zacht meêtrekkend naar den divan bij het venster. En -het was weêr juist als voor jaren geleden, zonder voorbedachten rade, -zonder voorafgegane bedoeling of gemaakt plan, maar als iets, dat -heelemaal vanzelf kwam en vanzelf sprak; er volgde ook nu van haar kant -geen tegenstand; zelfs geen poging daartoe. - - - -Toen zij samen Geber’s kamer verlieten, was er nog altijd niemand -wakker van de huisgenooten en de gasten. Clara ging naar achter bij de -koffie; hij stapte langzaam de trap af der voorgalerij, schrikbarend -uit zijn humeur, hoogst ontevreden met en over zichzelven, ook al net -als voorheen. - -Hij liep een landweg op met groote schreden, zonder ergens heen te -moeten, zonder haast zich spoedend, louter uit onbekenden aandrang tot -heftige beweging, als moest die reageeren op zijn stemming. - -Er kwam tint aan den horizon, licht rose. Hij volgde denzelfden weg, -dien Jozef had geloopen, den avond voor de ketjoe-partij. - -De weg liep tusschen de velden door, haast een uur lang, ombuigend door -de sawahs den anderen kant weêr terug naar het landhuis. ’t Daglicht -brak zachtjes door, lichtgrijs over de velden, rood aan de lucht, tot -de kleurverschillen in één toon smolten en de boomtoppen verguldden in -den zonneschijn. - -Toen hij weêr thuis kwam, door en door warm van den geforceerden -marsch, met een kleur op z’n gezicht, was het heelemaal dag en zat de -galerij vol, terwijl werd storm geloopen op de badkamers. - -„Jij bent in ’t geheel niet naar bed geweest, hè?” vroeg Lugtens hem, -toen hij, opkomend, zijn gasten een vroolijken morgengroet toeriep. - -„Neen. Ik heb nog geprobeerd ’n oogenblik in ’n stoel te slapen, maar -het lukte niet.” - -„Je hebt al koffie gehad van tante,” zei Roos, toen zij haar man -bemerkte, met de bedoeling te informeeren of hij misschien nog meer -verlangde. Even keek hij terzijde naar mevrouw Lugtens, maar die was in -gesprek met andere dames en lette niet op hem. - -„Ja,” antwoordde hij. „Maar ik lust nog wel wat. Ik heb een flinke -wandeling gedaan: den heelen binnenweg om.” - -„Is dat lang?” vroeg Markens, genietend van een boterham met gerookten -zalm. - -„Een goed uur als men aanstapt,” antwoordde Geber. „En hebben al de -dames en heeren goed geslapen?” vroeg hij in het rond ziend. - -De stroom van antwoorden was zeer verschillend. - -Over het algemeen heerschte er dadelijk weêr de vroolijke feesttoon -bij. Er waren jongelui die haast met geweld bedwongen moesten worden, -want ze wilden maar dadelijk weêr aan den dans op het plancher. Toen -stelde er een voor en corps in de kali te gaan baden, en dit vond zelfs -bij hen, die al in de badkamer waren geweest, grooten bijval. - -Haast allen gingen meê, velen enkel om te zien wat er te zien viel, al -zwommen ze niet zelf. - -Natuurlijk bleef Lugtens thuis en Geber ook; de eerste bij deze -gelegenheid bijzonder vroolijk voor zijn doen en spraakzaam, gaf een -betuiging van tevredenheid over het aangenaam festijn; de andere, -verstrooid, luisterde eigenlijk maar half naar den commandotoon, en -hoorde eerst wat Lugtens zei, toen hij begon te begrijpen, dat er iets -te verdienen viel. - -„Je weet,” verzekerde Lugtens, „dat ik jullie graag mag. Maar je moet -je niet terugtrekken. Dat gaat niet. Ik heb nu een mooi houtcontract op -het oog. Wel, dat kunnen we weêr met ons vieren doen. Als we het spoor -door het bosch kunnen krijgen, zijn we heelemaal klaar. Doch één ding, -en dat weet je wel. Ik houd niet van menschen die... die... zoo -eigenzinnig een anderen weg willen gaan. Men moet veel menschen -ontvangen en bij menschen gaan. Ik ben je genegen, en met deze royale -partij heb je ’t weêr eenigszins in orde gemaakt. Het is alles heel -goed hier. Nogeens, ik ben daarover tevreden.” - -Ofschoon de meesterachtige toon hem hinderde, en hij te gelijk moest -lachen om het gek geval, dat hij juist thans en van dezen man pluimpjes -moest krijgen,—hield toch een gevoel van schaamte de overhand. Het was -en bleef altijd een gemeene streek;—nu hijzelf getrouwd was, besefte -hij dat beter dan ooit. Maar van een vriend en gastheer te gelijk!.... - -Geber beproefde over zijn eigen gevoel heen te praten, groote -belangstelling toonend in het houtcontract en informeerend of en hoe -het mogelijk zou zijn later een spoor te krijgen door de te -exploiteeren djattibosschen. - -’t Bracht hem er heelemaal bovenop bij Lugtens. Iemand die van een of -andere zaak niets begreep, waarvan hij heelemaal op de hoogte was, en -die dan gepaste belangstelling aan den dag lei, zoodat hij, in ’t volle -gevoel zijner meerderheid, hem kon inlichten,—dat was juist een kolfje -naar zijn hand. - -„Het moet niet van hier uitgaan.” - -„Moet dan niet door de Regeering hier het ontwerp worden goedgekeurd?” - -„Dat beteekent niets. Het is de Tweede Kamer die beslist hoe dat spoor -zal gelegd worden.” - -„Het zal geen kleinigheid....” - -Lugtens zag hem aan. - -„Het is ook geen kleinigheid, meneer! Daarmee houd ik me nooit op. Ik -heb in Holland er alles voorgespannen, wat ik kon en,... we zullen -zien.” - -Gelukkig kwamen zij in een stroom van gasten; er waren er die -stilhielden en tegen Lugtens praatten. Geber ontsnapte; het werd hem, -nu de warmte toenam, te machtig; hij zou stil naar zijn kamer gaan, en -ondanks het met de temperatuur stijgend rumoer trachten te slapen. - -Een paar uur later werd hij gewekt door Roos; hij sliep zoo -schrikkelijk vast, dat het haar veel moeite kostte hem wakker te -krijgen, en toen het haar gelukte, keek hij haar aan, suf, met oogen -rood van vermoeienis, en in een onaangename stemming. - -„Ga toch heen,” bromde hij en ging, vastbesloten, op z’n andere zijde -liggen. - -Maar zij hield aan met haar zachte, goedige stem, net als tegen een -kind. „Wim, Wim, Willem! Sta nou op, Wim! We gaan zóó rijsttafelen; -daarna kan je immers nog slapen gaan. Wim, Willem, Wim!....” - -„Gévédé!” vloekte hij. „Schei nu asjeblieft uit. Daar word ik gek van!” - -Zij moest erom lachen, want hot doel was bereikt; hij stond op en -verfrischte zijn gezicht en polsen met koud water. - -Roos had wel gelijk; hij moest immers aan tafel zijn, zoo goed als zij; -ten slotte had de slaap hem toch aardig, verkwikt en toen hij in een -wit pakje te midden der gasten kwam, stond hij eenigszins als ’n kat in -een vreemd pakhuis, als iemand die heelemaal niet in de heerschende -stemming was; hij had niet meêgedronken van de Champagne, die van tien -uren af duchtig was aangesproken, en ook niet van de -twaalf-uur-bittertjes, die de heeren reeds klokke-elf waren aangevangen -te verschalken. Zelfs aan tafel onder een glas wijn kon hij het peil -der heeren-omgeving niet bereiken. Voor de tweede maal was ook Lugtens -de invloed van buiten te sterk geweest en had hij zich laten verleiden -in het warme ochtenduur. En net als de eerste maal, speelde het hem -parten; nu danste hij niet, maar oreerde, trachtend geestig te zijn, -wat hem niet gelukte. - -Men lachte niettemin om zijn platte aardigheden, velen uit respect voor -zijn positie, anderen uit plezier, dat de altijd zoo quasi deftige -kerel eens met z’n waren aard voor het front kwam; de jongelui omdat ze -er „lol” in hadden in alle beteekenissen. - -„Zoo dadelijk gaat hij weêr aan den zevensprong,” zei er een. - -„Hij is er al aan,” fluisterde een ander, „maar met z’n tong.” - -„Daar zal je ’m nog ’n kuitflikker meê zien slaan,” gaf een derde terug -met ’n basstem, die haast iedereen verstaan kon. - -Ze stikten bijna van ’t lachen; de laatste aardigheid deed de ronde aan -tafel en had het succes dat er in deze omstandigheden natuurlijk van te -verwachten viel. Geber kon hieraan niet meêdoen, flauwtjes, gedwongen -glimlachte hij, omdat hij nu eenmaal gastheer was; hij zag Roos, die -haast niet eten kon van de pret en zich tranen lachte; hij zag Clara -donkere minachtende blikken werpend naar haar man: het was alles naar, -vond hij; heel naar. - -Maar hij ontkwam er niet aan. Lugtens sprak door, over het feest, den -gastheer, de gastvrouw. - -De jongelui aan het ander eind van de tafel mopperden nu. - -„Hij maait ons al het gras weg voor de voeten.” - -„Er blijft niets voor ons over.” - -„Net zoo’n haai als hij is in zaken.” - -Lugtens hoorde er niets van; glimmend en met onduidelijke oogen, -trachtend vastheid bij te zetten aan z’n stem, zich inspannend om -zinnen te zeggen, die niet over elkaar den hals braken, stoomde hij -door, tot het einde, dat voor iedereen ’n verlichting was. - -De gasten juichten; er waren nog jongelui die zich nu eenmaal hadden -voorgesteld een woordje meê te spreken en zich door niets ter wereld -van dit plan lieten afbrengen. - -Toen ze gereed waren, dankte Geber, volkomen normaal en nuchter, met -een enkel vriendelijk woord zoo goed, zoo eenvoudig, zoo volstrekt niet -riekend naar wijn of spiritualiën, dat hij twee knikjes kreeg en twee -glimlachen: van Roos en Clara. De eene vond dat haar man toch iets -geheel anders was dan de rest: de andere vond dat ook. - -Er volgde weêr een dansavond, met partijtjes; weêr schetterde den -heelen nacht de muziek; maar ditmaal was alles in een zoo opgewonden -stemming, dat er in het geheel niet naar bed werd gegaan, noch door de -dansende paren, noch door de spelende partners. Het was den volgenden -dag Zondag. Iedereen had daarop gerekend. Men zou thuis wel uitslapen. - -Eindelijk kwam er een eind aan! - -Het was mooi geweest; plezierig, allerprettigst, jolig, royaal, -joviaal,—al-wat-je-maar-wil, maar legio was het aantal „Goddanks” dat -in stilte opsteeg bij huisgenooten en genoodigden, toen de lange, lange -reeks rijtuigen de laan van Koeningan afreed, den grooten weg op, terug -naar de stad. - -Alleen Geber en Clara verheugden zich niet. Het eigen groot rijtuig van -Lugtens was een der eerste dat voorkwam. Zij had zich in een hoek als -geworpen, verdrietig en ontstemd, met geforceerde vriendelijke lachjes -tegen haar zuster Lena, tegen Uhlstra, Roos en de andere neefjes en -nichtjes; met haar oogen had zij hem gegroet, tweemaal uit het open -deel achter in de kap van ’t rijtuig; toen waren ze weggereden. - - - - - - - - -DERTIENDE HOOFDSTUK. - -HOE DE „KINDEREN” ZICH AMUSEERDEN. - - -Het werd er onder het rijden niet vroolijker op. De file van rijtuigen -joeg aanhoudend hooge stofwolken op, die voor de hoeven der paarden -omhoog schietend, de menschen letterlijk poeierden. - -Toen Markens en z’n vrouw thuis kwamen, bevreemdde het hem en -verontrustte het haar, dat zij niets van de kinderen zagen of hoorden. - -„Ze slapen,” zei een der bedienden. - -Dat was nu juist het gekke: ze sliepen anders nooit op zulk een tijd -van den dag. - -Zij gingen nu even de slaapkamer binnen, en werkelijk de jongens -snorkten achter de klamboe, dat het een lust was. - -„Zijn ze dan gisteravond laat naar bed gegaan?” vroeg mevrouw. - -„Neen.” - -„Zijn ze van ochtend al op geweest?” - -„Neen.” - -„Maar, mijn God! dan zijn ze ziek,” riep zij uit. „O, zulk gemeen, -harteloos inlandsch volk! Ze zouden mijn arme kinderen zich nog liever -dood laten slapen, dan om den dokter gaan!” - -Markens volgde haar terug naar de slaapkamer, waar ze de klamboe -openden. - -Een stank van sterken drank en tabaksrook sloeg hen tegen. De jongens -lagen daar met roode gezichten en opgezette oogleden in een zwaren -slaap, gekleed, met hun schoenen aan, en vuil, vuil! Fred had een -schram over zijn voorhoofd, en Ed, die uit zijn neus had gebloed, zag -er ontoonbaar uit. - -De ouders keken een oogenblik stil toe, verslagen. - -Daarna jammerde zij, huilend, dat het zóó geen leven was; dat zij zóó -geen oogenblik van huis kon! dat het geheele bediendenpersoneel weg -moest; zij wilde de meiden roepen, haar „standjes” geven en wegjagen; -zij wilde de „kinderen” laten afwasschen en uitkleeden,—maar daar was -Markens tegen. - -„Laat hen maar uitslapen,” zei hij onverschillig. - -En eigenlijk deed zij dat het liefste; nu, zoo vermoeid, weêr dadelijk -soesah te hebben, was te erg! - -Zij was, meende zij, eigenlijk ook niet sterk genoeg van gestel voor de -zorgen van een huisgezin; iemand van haar délicate constitutie moest -zich met al die onaangename dingen nooit behoeven te bemoeien. - -Hij liet haar uitspreken, gewoon aan dat lied; hij had het al zooveel -jaren gehoord! - -Zij ging gaarne uit; zij kon ’n goed glas wijn verdragen, meer en beter -dan een der andere dames; zij dronk zelfs somtijds meer dan zij -verdragen kon, thuis, in haar kamer alleen! Als hij naging wat er met -zijn weten werd verbruikt in zijn huis aan Port en Madera, en hij -vergeleek dat, bij de daarvoor op de rekeningen geschreven -hoeveelheden... Bovendien maakte zij graag een partijtje whist, en hoe -laat het dan werd in den nacht was haar geheel onverschillig. - -Dat alles kon zij doen, voor dat alles was zij sterk genoeg van gestel; -robuust genoeg van constitutie, maar voor de zorgen van een huishouden -met ’n paar kinderen was zij altijd te zwak geweest, en klagend -daarover, had zij het zoover gebracht, dat er verscheidene dames waren, -die beweerden het te gelooven. - -Het maakte hem koud noch warm, geleerd als hij had het stilletjes aan -te hooren; zich bewust, dat tegenspraak of berisping tot niets leidde. - -„Wat zouden ze hebben uitgevoerd?” vroeg zij eindelijk, uitgeklaagd -over haarzelve. - -Daarover dacht hij reeds al dien tijd. - -„Dat weet God!” antwoordde hij met een zucht. - -„Geld heb ik hun niet gegeven, en alles is achter slot.” - -„We zullen er wel meer van hooren. Nu is er niets aan te doen.” - -Zij was ook dat volkomen met hem eens; zij ging naar bed en sliep -dadelijk in; hij, schoon ook heelemaal op, kon niet slapen; het gezicht -op de jeugdige beschonkenen, die zijn kinderen waren, maatschappelijke -drenkelingen in de lange kleeren, vervolgde hem. - -Had hij schuld? Hij beproefde zijn verdediging tegen zichzelf. Het -hielp niet. Zijn zwakheid.... die was geen verontschuldiging. Dat -vulgaire woord van Jan-en-alleman voor elk schuldig zijn aan al wat -leelijk was, mocht hij niet in het midden brengen; dáár was hij te -verstandig voor. - -Er was al tamoe. - -Markens, pas in slaap, werd er boos om, maar toen hij hoorde, dat het -een politie-ambtenaar was, dacht hij met schrik aan zijn jongens. Daar -zou je het hebben! - -Net toen hij in de voorgalerij kwam, reed ook Uhlstra het erf op, met -een sprong uit z’n wagen en in ’n zetje de galerij binnen. - -Toen hij de politie zag, zeide hij niets, en de ambtenaar keek vragend -Markens aan, die daar stond in de hoogheid zijner ambtelijke -betrekking. - -„Zeg maar op, wat u te zeggen hebt.” - -„De assistent-resident heeft mij opgedragen u mede te deelen, wat ik -hem van ochtend heb gerapporteerd.” - -„’t Is goed. Ga uw gang; ik luister.” - -„Vannacht werd mijn hulp ingeroepen, omdat eenige jongeheeren, -aangevoerd door een paar volwassenen en geholpen door inlandsche -soldaten, bij een tokohouder in het chineesche kamp alles stuksloegen.” - -„Daar waren mijn zoontjes zeker ook bij.” - -„Twee rakkers van mij ook,” zuchtte Uhlstra. - -Het deed Markens goed, dat hij een lotgenoot had onder de notabelen, en -wel een man als Uhlstra, die niet zwak was voor zijn kroost, althans -niet erg. - -„En verder.” - -„Ze hebben een Chinees geslagen.” - -„Nu ja, dat is mogelijk,” zei Markens met een voornaam gezicht de -schouders ophalend. „Dat zal zoo’n vaart wel niet geloopen hebben.” - -„Om de dit-en-dat wel!” riep Uhlstra zenuwachtig. „Ze hebben hem -doodgeslagen!” - -Verwezen en bleek keek Markens hem aan. - -Daar kwamen zijn twee schuldigen aan uit de badkamer, proper nu, met -schoone baadjes aan: hun knappe jonge gezichten met een uitdrukking -erop van vroegrijpe gemeenheid, stonden heel leuk; ze kwamen kalmpjes -naderbij geloopen, naast elkaar, en keken te gelijk op, de menschen -brutaal in het gezicht. - -„Wat heb je vannacht uitgevoerd?” vroeg hun vader met een boos gezicht. - -„Ik weet het niet,” zei Freddy. - -„Ik weet het ook niet,” zei Eddy. - -„Hoe ben je uitgegaan?” - -„We zijn in den vooravond wat gaan wandelen met eenige vrindjes; met de -jongens Uhlstra en Lugtens en anderen.” - -„Vervolgens?” - -„Toen zijn we voorbij de sociëteit gekomen. Er waren daar maar weinig -menschen door de groote partij op Koeningan.” - -„En toen?” - -„Daar zaten Cesar Jansen en andere jongelui. Ze hebben ons brendy -gegeven met klontjes suiker; toen zijn ze met ons gaan wandelen.” - -„Waarheen?” - -Uhlstra zat bij die vraag van Markens in spanning; ’t was hetzelfde -verhoor, dat hij zijn twee jongste kinderen had afgenomen en tot nog -toe waren dat dezelfde antwoorden, die ze hadden gegeven, juist alsof -het afgesproken werk was. - -„Ik weet het niet, pa,” zei Freddy. - -„Ik herinner me er ook niks van,” verzekerde Eddy. „Heusch pa, -heelemaal niks.” - -De mannen keken elkaar aan. Mevrouw Markens, in angst over wat zij -hoorde, was dichtbij gekomen, zonder iets te zeggen. - -„Het is duidelijk,” zei ze nu koel en uit de hoogte.—„De kinderen zijn -door een paar volwassen deugnieten dronken gemaakt. Het is een -schande.” - -Tot haar groote vreugde deelde de politie-ambtenaar haar meening. - -„Dat geloof ik ook, mevrouw.” - -Uhlstra en Markens knikten; het was, vonden ze, de eenige manier om tot -een niet oneervolle oplossing te komen voor hun eigen kinderen. - -De jongens van Markens, nu gluiperig de blikken naar den grond, met -arme-zondaarsgezichten, toonbeelden der vermoorde onnoozelheid, -schuinoogden ongemerkt tegen elkaar, inwendig juichend, dat het zoo -goed ging. - -Men beproefde maar niet er verder nog iets uit te krijgen. - -„Het is goed,” zei Markens. „Je kunt naar je kamer gaan.” - -En Eddy en Freddy, hun ondeugende gezichten als ervaren tooneelspelers -rustig in bedwang, stapten naast elkaar naar binnen, als goed -gedresseerde soldaten te gelijk, met de les in het hoofd, precies -zooals ze dat met elkaar en Cesar hadden afgesproken. - -Maar toen ze binnen waren, buiten het gezicht en het gehoor, vlogen ze -als dollemannen de trap op, gierend van pret, en boven op de galerij -naar hun kamer, duikelden zij over hun kop, pakten een jonge baboe -beet, die met schoon waschgoed beladen liep, trokken haar, vol -baldadigheid het baadje haast van het lijf en rolden met haar over de -vloermat, zonder iets te ontzien. - -„Het beste is, dat wij maar dadelijk aan het werk gaan,” meende -Uhlstra. „Hoe gauwer er een eind aan het gezanik is, hoe beter.” - -„Die Cesar wordt toch ’n gemeen sujet,” meende Markens. - -„We moeten hem van de plaats zien te krijgen.” - -„Ik wil er graag meê mijn best toe doen. Zoo’n jongen zou onze kinderen -geheel bederven.” - -Hij wist wel, dat aan de zijnen niet veel meer te bederven viel, en tal -van volwassenen gevangen zaten om minder dan deze knapen reeds op hun -geweten hadden,—maar wat kon hij, als vader, doen? - -„Gemakkelijk zal het evenwel niet gaan. Mevrouw Jansen....” - -Nu mengde zich de vrouw des huizes met verontwaardiging in het gesprek. - -„Mevrouw Jansen moet de keus maar gelaten worden tusschen de gevangenis -voor dien gemeenen jongen of zijn verwijdering van de plaats. Zij is -een oude vrouw, dat is waar, maar medelijden heb ik niet met haar, want -dat die Cesar zoo geworden is, is haar schuld; zij heeft hem heelemaal -bedorven.” - -Markens was geen wijsgeer, maar hij dacht op dat moment toch heel -wijsgeerig over het tegenstrijdige in een mensch, dat volkomen blind -voor eigen schuld en gebreken, onbarmhartig oordeelt over geheel -gelijke schuld en overeenkomstige gebreken bij anderen. - -Uhlstra keerde zich af om z’n gezicht niet te laten zien, dat zeer boos -stond. - -Hij zweeg maar, want zijn neiging om mevrouw Markens eens op dit punt -de waarheid te zeggen, was zoo groot, dat hij ertoe zou gekomen zijn -als hij ’n woord had gesproken. - -Het was een heel praatje op de plaats. Iedereen had er een bijzonder -verhaal over, dat aanvankelijk altijd nog weêr erg overdreven was. - -Lugtens was begonnen zijn twee zonen—van hem waren het de oudsten—met -een hondenzweep te slaan, tot ze het uitgilden en ampon vroegen; daarna -sloot hij hen voorloopig in de wagenkamer. - -Toen ze de familie van den vermoorden Chinees door hun invloed en hun -geld er toe hadden gebracht de zaak te laten voor wat die was, en ook -de politie er zich verder niet mee zou inlaten, werden met vereende -krachten contra-berichten verspreid; alle fatsoenlijke menschen -colporteerden die in het openbaar. Er was in ’t geheel geen doode -Chinees. De jongelui en de kinderen, die genoemd waren, hadden niets -gedaan, dan staan kijken, toen eenige van die in garnizoen altijd zoo -rampassende boegineesche soldaten een tokotje hadden geplunderd. - -Er waren er, die zelfs dat contra-verhaal hielpen verspreiden, -verontwaardigd de vroegere leugenachtige en lasterlijke praatjes -tegensprekend, en die toch zeer wel de waarheid wisten; de eenige, die -onder deze wetenschap vreeselijk leed was Markens. - -Freddy had den Chinees met een stuk ijzer op het hoofd geslagen; hij -was de moordenaar. - -Dat was Markens te machtig. Al was hij van huis uit een proletariër, in -zijn gezin en tegenover zijn vrouw van goeden huize altijd slechts le -mari geweest de sa femme,—hij had reeds eenmaal—te laat! getoond te -kunnen optreden. - -Nu deed hij het, en het verwonderde hem, dat dit eigenlijk weinig meer -bleek te zijn dan een goed doorgezette durf. - -„De jongens gaan naar Holland,” zei hij, nadat hij haar alles verteld -had. - -„Dat is onmogelijk,” had zij geantwoord, volstrekt niet -geïmpressionneerd door de mededeeling. „Ze kunnen niet alleen naar -Holland gaan.” - -„Ik vraag niet, wat ge denkt, dat ze alleen kunnen doen of niet. Wat ze -doen, alleen en hier, weet ik!” - -„Maar ik vond.... Mijn God, ik heb....” - -„Het is niet de quaestie, wat je vindt en wat je hebt. De jongens gaan -met de eerste boot weg; ik heb mijn maatregelen genomen, en daar is -niets hoegenaamd aan te veranderen.” - -„Dus dat heb je alles beschikt zonder mij.” - -„Ja, dat heb ik zonder jou gedaan, en ik zal, zonder jou, nog veel meer -beschikken. Veel te lang ben ik zoo dom en eigenlijk zoo slecht geweest -om dingen aan jou over te laten, die ik zelf had moeten doen... Hoe je -hierover denkt, doet er dus niet toe; het gebeurt! En wat je „hebt” -geldt alleen in zoover het ’t uitzet betreft van de jongens, die in elk -geval niet zonder kleeren op reis kunnen gaan.” - -Zij voelde waar het terrein onherroepelijk was verloren, maar te -gelijk, waar zij het onder de voeten had, begrijpend hoe daarmee nog -voordeel was te doen. - -Dienzelfden dag nog reed zij de toko’s af en kocht, kocht! Het was -volmaakt of Freddy en Eddy voor vele jaren naar een onbewoond eiland -gingen, met zoo ontzaglijk veel, deels in Europa geheel onbruikbaar -goed, werden koffers en kisten volgepakt. - -De jongens waren blij. - -Het kon hun niets schelen, waarheen zij gingen; het was tegenwoordig -overal plezieriger dan in Indië. Zij waren aan alle moeilijkheden en -gevaren ontsnapt,—maar de eenige, die hen strafte en onbarmhartig ook, -die geen kasian had, volmaakt onomkoopbaar was en zich door niets liet -vermurwen,—was de schooljeugd, waren de jongens uit de hoogste klasse, -die de heele geschiedenis kenden, precies zooals zij was voorgevallen, -en die, bovendien volkomen op de hoogte van ’t verdere zondenregister -van Freddy en Eddy, nu tot de slotsom waren gekomen, dat het te erg -was. En die conclusie, neêrgelegd in meer dan één pak slaag, in een -dagelijksche bejegening, bestaande uit ’n variant van geheimzinnige -„opstoppers” en onaangename woorden, was veel erger dan wat ter wereld -ook voor een jongen erg kan zijn. - - - - - - - - -VEERTIENDE HOOFDSTUK. - -KOMEN EN GAAN. - - -Toen dit eigenaardig staartje van het feest op Koeningan gelukkig -achter den rug was, ging voorloopig alles weêr zijn gewonen gang. Maar -toch anders dan vroeger, drukker en gewichtiger. - -Uhlstra was voor langen tijd op reis naar de buitenbezittingen; Lugtens -was op een inspectiereis langs de kust. - -Geber zat elders op Java om voor de belangen van het tot stand gekomen -houtcontract te zorgen, terwijl zijn land zoolang beheerd werd door -zijn zwager van Tji-Ori, die de brug over de kali weêr in orde had -laten maken, maar slechts van bamboe en tijdelijk. - -Alleen Twissels ging dag aan dag, als een machine, naar zijn kantoor, -tot laat, heel laat in den namiddag, en dan snakte hij ’s avonds naar -een partijtje; hij had nu drie „vaste” en een Zaterdag-’s avonds in de -Sociëteit, maar wat moest hij nu met die drie ongelukkige avonden -beginnen, die er bovendien nog waren in een heele week? - -Roos was naar beneden gekomen, hoezeer haar toenemende omvang het zeer -bezwaarlijk maakte. Mama tjang zou nu bepaald dood gaan, en het zou, -vond zij, toch „te erg” wezen, als zij daar niet bij kon zijn. - -Zij waren weêr allen in de kamer, net als vroeger, en de oude vrouw, -meer verschrompeld nog en ingevallen, lag onbeweeglijk op haar -baleh-baleh met mooie klamboes, nieuwsgierig aangegaapt door de -kinderen, en nu enkel met kleine Lena, haar kind, zooals zij altijd -zei, vlak bij haar. Het oude mensch ademde moeielijk; zij stierf toch -nog met een zwaren strijd om het bestaan blijven: en ze was volkomen -bij haar kennis. Nu en dan zei ze iets. - -„Ik zie hen gaan; allemaal gaan!” - -„Wat zegt ze, Clara?” vroeg mevrouw Uhlstra. - -„Zij ziet ons gaan, kasian!” - -„Ik zie hen allen gaan naar den grooten put.... een.... twee.... -drie.... vier....” - -„Zij ziet ons naar een put gaan,” expliceerde mevrouw Lugtens, en -ofschoon dat nu op zichzelf niets had te beduiden, rilden zij allen van -de akeligheid, met koude vingertoppen, zoo zenuwachtig. Het sterfbed en -het gepraat van mama tjang maakten haar angstig, maar ze wilden het nu -nog niet voor elkaar weten. - -„Wat telt ze toch?” vroeg fluisterend Roos, die een ander leven voelde -in het hare, en nog veel banger was voor den dood, dan een der anderen, -even bijgeloovig bevreesd als zij, voor wat zoo’n stervend mensch nog -zegt. - -„Wat zeg-je ma?” vroeg kleine Lena om nicht Roos genoegen te doen. „Wat -reken-je uit?” - -„Allen.... allen.... Ze gaan erin.... twee.... Lugtens nu.... dat is -goed.... zeven.... mijn kind niet.... zij gaat er over.... God houdt -haar vast.” - -Verschrikt keken zij elkaar aan; ze konden het elkaar niet meer -verzwijgen, dat ze nu vreeselijk bang begonnen te worden. - -Het was donker in de kamer. Er brandde een klein flikkerend lichtje, -dat de schaduwen fantastisch liet dansen op de witte muren en de -klamboe. - -Roos, anders zoo kalm, kon het niet langer uithouden; zij sloop stil -weg, ze kon niet langer aanhooren die akelige woorden over hen allen in -dien put. - -Langzamerhand kwamen de anderen ook, en de kinderen liepen -onverschillig meê, onder elkaar fluisterend en gekheid makend over het -heelemaal in een put gaan, met hoofd en handen gichelend aanwijzend hoe -ze daar zouden inschieten, den kop vooruit. - -Enkel bleef de kleine Lena achter, met haar groote oogen kijkend naar -het leelijke oude masque, waarmeê ze altijd zoo vertrouwd was, en dat -ze niet leelijk vond, in het geheel niet; met groote belangstelling -luisterend naar de woord-herhalingen, tot vervelens toe, uit den -tandeloozen mond, die bij het krampachtig ademen, half samengetrokken, -als ’t ware uit- en inging als een zuignap, die telkens pakt en weêr -loslaat. Eens nog gingen de nu doffe zwarte oogen open; zij keek naar -haar kind, met een poging haar hand te leggen op het blonde krullende -haar, wat Lena deed, toen ze zag wat mama tjang woû, en dat ze het zelf -niet meer kon. - -Buiten in den helderen zonneschijn op het gezellig achtererf, waar in -de volières de glatiks en andere vogeltjes vlug op en neêr wipten, de -badjings krijgertje speelden door het glinsterend groen der klappers, -de perkoetoets de tien of twaalf volle tonen van hun roep zacht en -droomerig lieten wegvloeien, was de vrees der dames gauw geweken; ze -griezelden nog een oogenblik, maar waren toen direct in druk gepraat -over wat er in den laatsten tijd gebeurd was en niet gebeurd, over de -toko’s en den goedang. - -De kinderen waren weggeloopen naar de paarden, die trappelden in den -stal; naar de apen, die, verschrikt en bang, krijschend in de stijlen -vlogen, met opgetrokken wenkbrauwen, en bij het zenuwachtig telkens -opkijken de witte tanden toonend. ’t Was het leven van elken dag. -Kleine Lena kwam uit de kamer, misschien tien minuten later, met ’n -bleek bedroefd gezichtje, tranen in haar groote blauwe oogen en ’n -bevende onderlip, die weêr op schreien stond. - -Mevrouw Lugtens zag het; ze zagen het dadelijk allemaal, opschrikkend -uit het onverschillige gerammel van hun dagelijksch praatje, met korte -uitroepen van schrik. Nu drongen ze de kamer binnen, naar de -baleh-baleh met de mooie klamboes, waar mama tjang lag, zoo droog, zoo -beenig en dor, zoo strak en stijf als een reeds bij het leven -gemummificeerde, pas gestorvene. Een oogenblik volgde ’n luidruchtig -vertoon van droefheid, in eens overslaand op twee baboes, die tegen den -muur gingen leunen, het gezicht op een omhoog gestoken arm, luid -huilend, jammerend onverstaanbare woorden, waartusschen enkel duidelijk -nu en dan „mati”, met langgerekte i’s in eentonige cadence drie-, -viermaal. - -Er kwam gauw een eind aan. Eigenlijk was er geen smart om het verlies. -Het oude inlandsche mensch, dat al zoo dikwijls den schijn van te -zullen sterven had aangenomen, was alleen dáárdoor reeds -„afgeschreven.” - -Lugtens was er blij om. Toen zijn vrouw hem ’n week of wat later bij -zijn terugkomst vertelde, dat mama tjang dood was en begraven, zei hij -ronduit: - -„Des te beter! dan zijn we eindelijk van dat gezanik af.” - -Hij had, toen hij het zei, de hand van kleine Lena in de zijne, alleen -verheugd, dat hij er weêr was om het kind, het eenige in huis, dat hij -graag zag. Zij trok zich kwaad los, hem aankijkend met een gezicht vol -verwijt. Het ging hem nu ineens door het hoofd: dat was waar ook! En te -gelijk vreesde hij, dat zij weêr iets zoo onaangenaams mocht zeggen, -als een vorige maal, toen ze sprak over zijn eigen moeder. - -„Nu ja, ik wil maar zeggen,” ging hij voort, schijnbaar onverschillig -het hoofd achteruit trekkend, „dat het voor ’t mensch beter is.” - -„Ja,” stemde zijn vrouw toe, „ze was altijd ziek.” - -„Maar ze had toch ook wel plezier,” zei kleine Lena, denkend aan de -tevredenheid der oude vrouw bij haar verhaaltjes in ’t maleisch. - -Lugtens en Clara zwegen. - -Het was geen onderwerp om op terug te komen, als het kind erbij was; -dat kind oefende al een invloed uit grooter dan zij beseften. Ze hadden -van alles gedurfd waar de andere kinderen bij waren; die telden in -zoover niet mee! Het aanwezig zijn van Leentje deed dat wel. - -„Roos heeft een meisje,” vertelde mevrouw Lugtens verder. - -„Dat heb ik gehoord.” - -„Alles is heel goed gegaan. Geber is op Koeningan.” - -„Ik heb bericht van hem. De zaken komen flink in orde. Verder niets?” - -„Lena zegt dat hij er slecht uitziet. Een dag of wat geleden ben ik er -geweest, toen was hij nog niet thuis.” - -Lugtens haalde de robuste schouders op. - -„’t Zal wel weêr over gaan,” antwoordde hij onverschillig naar zijn -kamer gaande. - - - -Het kind van Roos droeg het onverwoestbaar cachet van mama tjang; de -jonge moeder vond dat niets aangenaam. Dat het geen jongen was, viel -haar al geweldig tegen; zij had daar vast op gerekend, want alle -doekoens, die zij had geraadpleegd in de laatste drie maanden, hadden -bij hoog en laag verzekerd, dat het een jongen wezen zou, nu was het -toch slechts een meisje! ’t Was om er in ’t geheel niets meer van te -begrijpen! Had het nu nog maar een blanke huid gehad of ten minste ’n -beetje blank, met blond haar, zooals de kinderen van tante Clara, dan -had ze zich over de teleurstelling kunnen troosten. De kleine Lena,—ook -dit kind moest heeten naar mevrouw Uhlstra,—was al vrij donker bij de -geboorte en donkerde als ’t ware met den dag op! Roos had daarover -gepikerd, mismoedig! Zij was zoo dol niet op Willem,—heer neen!—maar -tante Clara hield zeer zeker nog veel, veel minder van Lugtens. - -Dàt was dus alles maar gekheid. Dááraan kon het niet liggen, en aan een -verschil in vatbaarheid, samenstelling of gevoeligheid voor indrukken -tusschen haar en haar moeders zuster, een verschil in haar nadeel -dus,—wel, zij kon er niet aan denken. - -Het moest zijn, Gebers, schuld wezen, meende zij; hij was geen -krachtige persoonlijkheid genoeg, geen man, die zijn nakomelingschap -tjapte. Dat zou het wezen! - -Zij was als ’t ware weêr kant en klaar toen Geber terugkeerde. - -Hij zag er wezenlijk vermagerd en bleek uit, maar daar lette zij minder -op. Wat haar meer trof was zijn grootere opgewektheid en vroolijkheid. -Die troffen ook zijn schoonmoeder, tijdelijk op Koeningan om het -huishouden te doen. Hij sprak over de zaken met veel levendigheid; -alles ging uitstekend! Hij legde een groot en plichtmatig vertoon van -vaderliefde aan den dag; nam zijn kind in de armen, kuste het, vond het -mooi en flink, zoende Roos bij wijze van bedank-je voor het levend -geschenk,—gedroeg zich naar de gevoelens van mevrouw Uhlstra volmaakt -zooals het behoorde en rees in haar schatting. - -Misschien lette zij daarom meer in het bijzonder op hem en zag, dat hij -veranderd was in z’n gezicht. - -„Weet-je,” zei ze ’s avonds bij het naar bed gaan tegen Roos, -assisteerend bij het „helpen” van de kleine. „Ik vind dat Willem er -niet goed uitziet.” - -Roos antwoordde er niet op, bezig met haar kind, dat onrustig worstelde -met de moeielijkheid, om de beste methode te pakken, voor het tot zich -nemen van z’n eerste middel van bestaan; zij knikte bevestigend tegen -haar moeder, maar zonder groote belangstelling of overtuiging, ook in -haar gedachten met het kind bezig en niet willende spreken, omdat de -kleine zich dan verslikte. - -En mevrouw Uhlstra, van die laatste omstandigheid, door veelvuldige -persoonlijke ervaring, geheel op de hoogte, gaf maar zelf het antwoord: - -„Hij zal vermoeid zijn van de reis.” - -Maar den volgenden morgen zag Geber er niet uit als iemand, die van de -vermoeienis is uitgerust; het teekende nu scherper op zijn gezicht en -Roos had wel blind moeten zijn om ’t niet zelf te zien. Zij vroeg hem -of hij zich ongesteld gevoelde, en hij antwoordde heel gewoon: - -„’n Beetje koortsig soms. Overigens scheelt me niks.” - -„Het is toch beter ’n dokter te raadplegen,” meende mevrouw Uhlstra. - -„Misschien wel. Ik slaap slecht.” - -„Daar moet je bepaald den dokter over spreken. Het is een lastig iets.” - -’t Was weêr mevrouw Uhlstra, die het zei, maar zonder overtuiging, zoo -losjesweg als om het gesprek aan de ontbijttafel aan den gang te -houden. In haar verstand van getrouwde vrouw met een man als Uhlstra, -bracht ze bijzonder veel in het leven terug tot een algemeene oorzaak. - -„Willem ziet er betoel slecht uit,” zei nu ook Roos, toen Geber weg was -naar zijn werk. „Ik weet niet wat slecht slapen is, want ik slaap -altijd kostelijk. Het is toch niet erg, ma?” - -„Wel neen,” zei mevrouw Uhlstra met een geheimzinnigen lach. „Het is -volstrekt niks! Dat heeft je pa ook wel eens gehad in vroeger tijd.” - -En Roos in haar eenvoud: - -„Hé ma! daar heb ik nooit iets van gehoord.” - -Haar moeder amuseerde zich ermeê; zij lachte, dat zij er zacht van -schudde, zoo grappig vond zij het. - -„Wacht maar,” zei ze, „tot je heelemaal beter bent; dan zal je zien, -dat hij weêr goed zal kunnen slapen.” - - - - - - - - -VIJFTIENDE HOOFDSTUK. - -ZELFMOORD-PHANTASIEËN. - - -Een paar dagen later ging Geber naar de stad voor zaken. Twissels -ontving hem op z’n kantoor. Hij zat in een kamer alleen, afgeschoten -van een groote zaalruimte door schutsels, en met nog drie overoude -lessenaars in zijn naaste omgeving, blijvende herinneringen aan zijn -voorgangers, die niemand gebruikte en ook niemand mocht wegnemen; die -daar verlaten stonden te vervallen en te vergaan, zooals ook de zijne -eens zou staan, als hij zich uit de zaken der firma voorgoed terugtrok. - -De landheer, gewoon aan zijn leven in de frissche lucht, vond dat het -er stonk, naar stof en oud papier, naar vocht en vagebondeerende -katten, naar alles wat vies was. - -Twissels vond dat niet; hij voelde zich in die atmosfeer eerst recht -lekker. Dáár had hij jarenlang de meeste uren van den dag doorgebracht; -dáár was hij begonnen als gewoon employé en opgeklommen tot chef; dáár -was hij van een armen drommel een rijk man geworden. Hij zat er met -genoegen, met wellust, en als hij ’s morgens binnenkwam, dan rook hij -met meer welgevallen de stankmixtuur, dan een ander het bij -mogelijkheid de fijnste geuren zou kunnen doen. - -„Ga zitten,” zei hij tegen Geber, hem een stoel wijzend naast zijn -lessenaar. „Ik ben dadelijk klaar.” - -En met zijn neus op het papier, zijn bril haast over de regels en langs -de cijferkolommen schuivend, keek hij een rekening-courant door, nu en -dan ’n aanteekening makend op ’n stukje papier of met ’n hooge stem een -employé roepend, die aan den anderen kant der schutsels zat, om een -inlichting. - -„Hoe gaat het thuis?” was, toen hij met zijn stuk gereed was, -welstaanshalve zijn eerste vraag. - -„Heel goed! Je kunt best eens voor ’n paar dagen overkomen.” - -„Te druk!” piepte Twissels, zijn kuifje opstrijkend en met twee handen -zijn bril rechtzettend. „Veel te druk tegenwoordig. Blijf jij vandaag -hier, dan maken we samen van avond ’n partijtje.” - -Maar Geber had beloofd thuis te komen, en toen er dus geen mogelijkheid -was op het gaan van den een en het blijven van den ander, bespraken zij -de zaken, waarvoor Geber gekomen was. Al de paperassen kwamen daarbij -voor den dag, met een heen en weêr rekenen van belang. - -Het eene uur verliep na het andere; en al voortwerkend rees en rees het -cijfer hunner winsten door de samenvoeging der resultaten, deels -werkelijk, deels geraamd, der gecombineerde zaken, landbouwcontracten, -transporten, productenverkoop, en al wat ze al zoo deden in kongsi, -hier en daar en waar ze samen belang bij hadden. - -„Mooi, hè?” zei Twissels met z’n zachten meisjeslach, zijn lange droge -handen tusschen de knokkige hooge knieën wrijvend. „Verdomd mooi, hè?” - -„Ja,” zei Geber ervan zuchtend. „’t Is prachtig, dat moet ik zeggen.” - -„Blijf hier bij mij rijsttafelen op ’t kantoor.” - -„Ik heb nog zaken.” - -Voor geen geld had hij het gedaan! - -In die onmogelijke atmosfeer had hij niet kunnen eten, nu reeds -misselijk van het erin vertoeven. - - - -Inderdaad ging Geber naar den dokter, dien hij thuis vond op het -etensuur. - -„Hebt u er vroeger last van gehad?” werd hem gevraagd. - -„Neen, eerst in den laatsten tijd.” - -„Is er iets, dat u bijzonder bezighoudt?” - -„Er is niets, dokter.” - -Dat was een onwaarheid, en hij was er zich van bewust, dat nu ook de -dokter hem niet kon helpen. Waarom zei hij niet de waarheid? Waarom -vertelde hij niet, dat telkens hem dat ellendige denkbeeld aan -zelfmoord vervolgde? Het was op reis voor het eerst weêr bij hem -opgekomen, op een avond, dat hij aan boord zat van de kustboot. De -omgeving kon het niet geweest zijn, want bij den zilverblanken -maneschijn en zachte, verfrisschende bries, was het verrukkelijk op -zee. Hij, landman, vond het bijzonder mooi, en zoo ineens, zonder -transitie, overviel hem dat vervloekte idee weêr, met als ’t ware zijn -voor- en achterrijders van pessimistische opvattingen en verdwaasde -gemoedelijkheid. - -Dat dit denkbeeld zoo onverwacht terugkwam, had hem diep getroffen. - -De verdere dagen van zijn reis dacht hij daar telkens aan. - -Wat kon van zoo’n redelooze herhaling de oorzaak zijn? Hij had veel te -doen; den heelen dag was hij op de been geweest in de bosschen om den -boel op te nemen, te schatten en zoo; ’s namiddags was hij zeer -vermoeid naar de stad gereden, dertig paal in een reiswagen! Hij had er -’n biefstuk gegeten en ’n glas grog gedronken; ’t was toen tien uren en -zeer stil in het logement, want er werd in den schouwburg een concert -gegeven. Geber vond, dat hij nog wel ’n oogenblik kon gaan luisteren, -kleedde zich en ging naar de komedie; hij trof er vrienden en kennissen -aan; hij ging in de loges hun dames groeten en een praatje maken; in de -pauze werd hij als ’t ware omringd, niet enkel wijl hij rijk was, maar -men mocht hem graag, vond hem een goede, sympathieke persoonlijkheid. -Heel oude sobats van twintig jaren en meer geleden, kwamen met -vriendschappelijk glimlachende herkennings-gezichten en toegestoken -handen op hem af, met „Zoo!”’s en „Wel kerel!”’s en amicale „Gévédé”’s, -maar allen met vertoon van gemeende hartelijkheid. - -„Kom,” zei de plaatselijke commandant, die als tweede luitenant Geber -gekend had, „ga nog ’n uurtje na het concert met me mee naar m’n huis.” - -Als altijd licht te „lijmen”, deed hij het. - -En twee anderen gingen ook mee, omdat, zeiden ze, Geber ging, en zoo -raakten ze weêr aan ’t homber-partijtje, tot te twee uren Geber in zijn -wagen stapte, zóó totaal op, dat hij al sliep vóór het rijtuig stil -stond. Hij sliep om zoo te zeggen door naar zijn kamer gaande, zich -ontkleedende met het gevoel, de zekerheid, waaraan hij nog dacht voor -hij heelemaal insliep, dat hij wel tegen alle gewoonte in niet vroeg -zou opstaan den volgenden dag. - -Het was alsof iemand hem wakker had gemaakt; ineens klaar wakker, -zonder eenig overblijfsel van slaperig zijn of soesen; vrij helder van -oog en hoofd; en werktuigelijk keek hij rond in het vreemde -logementsbed, als met aandrift om te onderzoeken wie of wat hem zóó had -doen ontwaken midden in zijn slaap. Er was niets te zien; aan de eene -zijde het beeld van het kamerscherm tusschen hem en het flauw schijnend -nachtlichtje, aan de andere de lichte doorschijnende schaduw van de -klamboe op den witten muur. Op straat sloeg de gardoe vier slagen; -alles was stil en rustig. - -Gek vond hij het, dat hij nu uit zichzelven wakker werd, na zoo’n -zwaren dag en terwijl hij daareven zoo’n geweldigen slaap had. - -’t Beste was maar te beproeven weêr in te slapen; hij sloot de oogen, -doch deed ze snel weêr open... Daar had je weêr dat idee! Het toonde -zich nu belichaamd; hij zag zichzelven en de oude plek en het pistool, -dat hij in de hand hield, en te gelijk zag hij zijn lichaam, den arm -uitgestrekt, dood. Toen hij de oogen sloot, doemde het ineens op, als -een mooie geïdealiseerde schilderij, vol licht en kleur, maar met -buitengewone, phantastische, scherpe tinten, tot hem komend gelijk de -monsterachtige mannetjes en de vreemdsoortige dieren voor de -ongeregelde verbeelding van kinderen, als ze de oogen sluiten voor ze -inslapen. - -Hij was waarlijk geen kind, en het was ook niet, dat hij voor zulke -kleinigheden bevreesd was of uit bijgeloovigheid; alleen vond hij die -herhaling vreemd en onrustwekkend. - -Waarom kwam dat denkbeeld aan zelfmoord zoo herhaaldelijk bij hem op? - -Hij was het toch niet van plan! In vollen ernst: hij dacht er niet aan. -Als erover werd gesproken in gezelschap, keurde hij het altijd af. -Vooral menschen die vrouw en kinderen hadden, zei hij dan, waren -schuldig als zij zoo iets deden; zij kwamen dan hun verplichtingen niet -na. Maar zelfs al hadden zij geen gezin, dan was en bleef het nog een -onverantwoordelijke daad. - -Nu deed hij de oogen weêr dicht, zag het weêr, keek ernaar en -glimlachte ertegen; want het was mooi; zoo artistiek van teekening, zoo -fijn en diep van zacht wijkend perspectief, en vooral zóó schitterend -rijk van toon...... zoo iets was haast ondenkbaar; had hij nooit gezien -in de werkelijkheid; ’t nam al het nare weg van de voorgestelde -handeling en van de uitgevoerde, in een omtrek samen opgenomen; de vorm -won het op ’t wezen. En al wat om die voorstelling heen scheen te -liggen, zonk weg in een vage droefgeestige tint, vuilgrijs en dofgeel. -Was dat het leven, was het andere de dood? Het ging in zijn hoofd weêr -den ouden weg op. Wat had hij aan het leven? Daar tobde hij nu zijn -lichaam af in moerassige, stinkende en benauwde bosschen, om... wat -meer geld dan hij bezat. En waartoe dat geld? Wat had hij eraan? Thuis -een machinaal onverschillig leven; een vrouw, die hem altijd vreemd zou -blijven als mensch, al kreeg ze ook nog twintig kinderen bij hem. Hij -kon zoo’n leven doorsjokken als een ander soort van koelie, beschaafd -en welgesteld! Net als vroegere keeren en heelemaal in strijd met zijn -oude denkbeelden, kwam hij weêr terug tot de theorie, het leven te -beschouwen als een huis, dat men verlaat, als het niet langer bevalt. -En het beviel hem niet, nu niet! Zooals hij het zag was het een gruwel -van vervelende overbodigheid, van noodelooze en onnutte ellende. Hij -had Roos willen ruilen voor Clara, maar of het dat was wat hem ontbrak? -’t Scheen hem onwaarschijnlijk. - -Want dan zou hij ook van dezelfde conditie zijn als nu, misschien met -wat meer opgewektheid als man, maar anders ook niet. - -Overigens dezelfde misère; de mierenarbeid van menschen! Hij keek weêr -naar de voorstelling van het beeld, dat als iets wezenlijks voor zijn -geest was blijven staan, stralend van mooiheid en licht, nu zacht -vervloeiend. - -Het kanonschot van vijven, dadelijk gevolgd door de slagen der gardoes -op hun blokken, deed hem opspringen. Het was nu ineens alles weg; maar -toen hij de hand over ’t voorhoofd streek en over zijn kaal hoofd, -voelde hij dat ’t klamme zweet erop parelde. Dat was weer een nacht -geweest! dacht hij geeuwend en de vensters opengooiend. - -Op den weg en het erf van het logement ving in het donker de -bedrijvigheid aan; hij leunde op het vensterkozijn en keek ernaar, -telkens geeuwend dat hij ervan rilde. Nog geen twee uren geslapen, na -zulk een dag! - -Het zou hem in vroeger tijd nooit zijn gebeurd. Wat scheelde hem dan? -Waren zijn zenuwen in de war? Ontbrak hem een normale digestie? Het -denken aan zelfmoord en het niet kunnen slapen zou wel een en dezelfde -oorzaak hebben. Het was niet anders te verklaren, dacht hij, want de -menschen spraken wel van erfelijkheid en zijn moeders-broer had zich -vele jaren geleden voor ’t hoofd geschoten, maar dat vond hij toch te -gek om van te spreken. - -Hij had van den onaangenamen nacht geen last, was integendeel -opgewekter en vroolijker dan anders, met neiging om een goed glas wijn -te drinken en een stevig bittertje. - -Toch vroeg men hem overal of hij ziek was, waarop hij dan lachend -antwoordde, dat bij hem vergeleken, een vischje in het water een -teringlijder was. Maar hij had de overtuiging van ziekte, van een -vreemde, onverklaarbare ongesteldheid, waaruit alles voortkwam wat hij -onderging in den laatsten tijd, tot zelfs zijn bijzondere -opgewondenheid en het extra spraakzame in vreemd gezelschap, hem anders -niet eigen. - -Daar zat hij nu ook over te denken, teruggekeerd van zijn zakenbezoek -aan Twissels. Hij kon dien dokter toch niet alles vertellen over de -aanvechtingen tot zelfmoord! - -Dan zou hem misschien ook nooit een geneesheer kunnen helpen. - -In godsnaam! zuchtte hij. Er moest maar van komen wat er wilde. - - - - - - - - -ZESTIENDE HOOFDSTUK. - -GEBER EN CLARA. - - -Een maand of wat later hield men bij de Uhlstra’s grooten familieraad. - -Het leed geen twijfel, daarover waren zij het eens, of Geber „had -iets.” De zaken gingen prachtig. De winsten van de kongsi waren -fabelachtig. De prijzen der bij contract opgekochte specerijoogsten -waren aanzienlijk gestegen op de europeesche markt, terwijl de oogsten -in Indië meevielen; daarentegen daalden in Indië de prijzen der -producten die zij tot hooge vaste cijfers moesten leveren aan het -Gouvernement; de beslissing in Holland was gevallen ten gunste van den -spoorweg door hun bosschen. Het was een goudregen van alle kanten, en -het droppelde royaal bij Markens, wien men zooveel verschuldigd was en -nog altijd hoopte meer verschuldigd te zullen worden. - -„Het beste is,” zei Lugtens, die mee in den familieraad zat, „dat -jullie voor een maand of wat naar boven gaat.” - -„Ik heb ’t hem al zoo dikwijls gezegd,” verzekerde Uhlstra, „maar hij -wil niet. Hij heeft het te volhandig, zeit-ie, met de zaken.” - -„Het is waar; hij heeft hard gewerkt; nu is echter het ergste achter -den rug.” - -„Maar ik kan niet meêgaan,” verzekerde Roos; zij was alweêr een paar -maanden in de family-way, en haar moeder, denkend dat ze daarop doelde, -zei: - -„Nu nog wel.” - -„Dat niet, ma, maar ik kan heusch niet van het land af; als Willem er -niet is, loopt de boel in het honderd.” - -„Maar Henri kan je toch helpen.” - -De jonge Uhlstra, erbij zittend, keek zijn vader eens aan, die in zijn -korten grauwen baard de harde stoppels heen en weêr wreef. Hij had -gedaan wat hij kon; elken dag was hij gedurende Geber’s afwezigheid van -Tji-Ori naar Koeningan gekomen om den boel daar na te gaan; maar altijd -was alles al gedaan door Roos, die, dat wist hij wel, van alles -verstand had en wier lust en leven het was, baasje te spelen op een -land. - -Een paar maal had Henri zijn oudste zuster gewezen op wat hij meende, -dat anders moest zijn, maar zij was niet te spreken op dit punt, en ze -kregen er geweldige ruzie om, net als ze vroeger dikwijls samen hadden, -thuis bij de oude lui; de gebruikelijke onlusten tusschen een oudste -zuster en een oudsten broer, zonder verdere gevolgen of afbreuk aan de -genegenheid. - -„Ieder heeft zoo zijn eigen inzichten,” was het advies van Uhlstra, -„Roos heeft de hare.” - -„Het zijn niet de mijne, pa; het zijn de inzichten van mijn man.” - -Daaraan zou ze nooit hebben te kort gedaan. Zij had daar haar algemeen -geldige indische begrippen over; de man was de toekang, de baas; in -zaken stond hij als onbeperkt gebieder aan het hoofd, en zooals hij het -wilde en zei zou het ook gebeuren. Overigens was zij de meesteres, en -haar broer moest zich maar liever met niets bemoeien; dat was veel -beter! - -„Wat Geber aangaat,” zei Lugtens op een toon van gezag, die Roos -hinderde, „ik zal hem wel aan het verstand brengen, dat hij gaan moet.” - -En mevrouw Uhlstra, aan Roos ziende dat zij op het punt stond iets -onaangenaams daarop te zeggen, coupeerde het. - -„Wel zeker,” zei ze, „het is in het belang van zijn huisgezin ook. Als -hij nu spoedig naar Europa moet, wat dan? Nah!” vroeg ze typisch -indo-europeesch en een leelijk gezicht er bij trekkend, „nah, Roos, wat -dan?” - -Dat was werkelijk een teer punt, en Roos zweeg. Neen, naar Europa wilde -ze niet; liever alles dan dat. - -„Het is toch beter, dat hij iemand bij zich heeft,” meende Lugtens. - -Allen zwegen er op. Zij beaamden het geheel. In zijn toestand van -zenuwachtige overspanning was het, ofschoon hij niet bedlegerig was en -directe hulp behoefde, bepaald noodzakelijk, dat iemand meêging om hem -gezelschap te houden. - -„Het is,” ging Lugtens voort, „juist tegen den vacantietijd. Mijn -kinderen konden wel eens ’n kouden neus gaan halen in het gebergte.” - -„Woudt-u,” vroeg Roos verwonderd, „aan Geber de kinderen meegeven.” - -„Je houdt me, hoop ik, niet voor gek,” riposteerde hij ruw. - -„Maar wat dan?” - -„Wel je tante, natuurlijk! Die gaat met de kinderen.” - -Haar lippen trokken in haar mond en haar toch reeds groote oogen werden -grooter, een oogenblik had ze willen zeggen, dat zoo iets onmogelijk -was. - -Maar dat kon niet! En wat deed het er ook eigenlijk toe! Zij geloofde -volstrekt niet dat Willem nog knoeide met tante Clara, maar al deed hij -het.... van alles van dien aard was het immers nog ’t minst erge! - - - -’s Avonds toen Roos weêr op Koeningan zat bij Geber, wiens gezicht en -lichaam erg waren vermagerd, wiens oogen glinsterden, maar die, -oogenblikken van distractie daar gelaten, zeer opgeruimd was, kwam er -een brief van Lugtens, een zeer uitvoerige, net geschreven brief. - -Hij keek een oogenblik droomerig in de vlam der lamp; toen gleed de -oude spotlach over zijn gezicht. - -„Het schijnt dat jullie me met geweld haar boven wilt hebben.” - -„Voor je gezondheid,” antwoordde Roos, doorkijkend op de roodzijden -beurs, die ze haakte, tegen haar vaders verjaardag, het vaste cadeau -elk jaar. - -„Lugtens wil me zijn familie meegeven.” - -„Dat zei oom van ochtend.” - -Geber begreep nu, dat het afgesproken werk was, en ’t hinderde hem; met -de ellebogen op de tafel, de kin in de handholten, keek hij naar zijn -vrouw tegenover hem. Van ’t gebogen hoofd zag hij enkel den overvloed -grof blauwzwart haar, met glinsterplekken in het licht, en hier en daar -korte opgekrulde haartjes, afgebroken bij het opmaken; er omheen ringde -een stuk van het dik gezicht, met een opgewipt neusstompje erin en -randen van uitstaande ooren; en daaronder, helder wit, de kabaja -gespannen over de dikke vleeschmassa van haar schouders, met de -huidskleur er doorheen schijnend, het onderlijfje zich wit afteekenend. -Was het inderdaad waar, dat ze had toegestemd? Kon het haar nu -heelemaal niks schelen, dat hij ergens in het binnenland met Clara ging -logeeren? Hij wist wel, dat hij niet van haar hield, niet op die -manier. - -Maar als zij in vroeger jaren in nauwe betrekking had gestaan tot een -anderen man en hij wist dat, zooals zij het wist van hem tot Clara, en -als dan voorgesteld werd haar nu met dien man voor ’n maandje naar -boven te sturen.... Neen, hij was erg vrij van veroordeelen en allerlei -malligheid, maar dáár zou hij toch van z’n leven geen toestemming toe -hebben gegeven. - -En zij werkte stilletjes door aan de roode beurs, kalm en gemoedelijk, -zonder op te zien, priegelend en draaiend met de haakpen; mazen vormend -door het gedurig halen van den draad door andere mazen. - -„Als je het niet goedvindt,” zei hij eindelijk,.... „het kan mij niet -schelen. Ik blijf liever hier!” - -Dat deed hij ook. Hij zag er tegen op; hij wist wat er het gevolg van -wezen zou, en dat mocht op zichzelf aangenaam zijn,—hij had er toch -altijd het land aan gehad. Zoolang de gelegenheid maar ontbrak, was het -niets. Doch het scheen wel dat een vreemde samenloop van omstandigheden -hem en Clara altijd weêr tot gelegenheden bracht. - -„Je moet het maar doen,” zei Roos; „het is voor je gezondheid, zooals -ik zeg. Anders moeten we misschien naar Europa.” - -Hij wist wat dat beteekende in haar mond. En hijzelf kon ook niet weg -voor zoo langen tijd. - -„Gekheid! Lugtens schrijft daar ook al over. Het is om iemand ziek te -maken.” - -„Ze zeggen het allemaal, en het is waar: je ziet er slecht uit.” - -’t Had hem zenuwachtig gemaakt en hij spotlachte niet meer; dat deed -hij in den laatsten tijd ook maar zelden. Zij keek nu op. - -Kasian! dacht ze. Neen ze vond het niet goed! Zij had ook geen groot -hart voor hem, maar als hij nu ronduit had gezegd, dat hij niet wilde -gaan met de andere, dan had zij het beursje op tafel gegooid, en, met -hartzeer over het huishouden en het land, toch dankbaar gezegd, dat ze -meêging, morgen aan den dag. - -Geber voor zich had dat ook pleizierig gevonden, als zij had gezegd, -dat zij liever met hem meêging, dan dat hij met de andere elders alleen -was. - -Hij zou dienzelfden avond nog Lugtens hebben geschreven, dat hij in -zijn omstandigheden liever van de drukte van kindergezelschap wenschte -verschoond te zijn, dat hij alleen ging met Roos. - -Kasian! dacht ze, zoo zwak zag hij er uit. - -En: „Ga gerust,” voegde zij er nu bij. „Ik hoop, dat het je goed mag -doen.” - -Bij zichzelven haar verwenschend, stond hij op, liep naar zijn kantoor -en ging zitten aan den lessenaar. - -Zoo’n onverschillig stuk...! Daar was waarachtig niets meê te beginnen! -Alles stuitte af op zoo’n gemoedelijkheid, zoo’n effen, onbewogen -donker gezicht als van ’n Boedhabeeld! Roos boog het hoofd weêr over -haar werk en haakte voort; maar haar mond trok beverig met kleine -trekjes in de hoeken, de haakpen was ’n oogenblik in de war, en het -werd rood in haar oogen. ’t Zou, meende ze, alles vooraf wel zoo -bekonkeld zijn; het was van de andere een lage streek! - - - -Toen Geber en Clara in den familiereiswagen met zes paarden naar boven -reden, de wagen vol van hun tweeën, de kinderen en allerlei goed, -voorop beladen en achter met vastgesjorde koffers,—toen dachten ze alle -twee net als Roos had gedacht; Clara zag in dien zonderlingen tocht, -waartoe Lugtens haar letterlijk had gecommandeerd, de uitvoering van -een door Geber overlegd plan; hij zag er het resultaat in van -welberekende vrouwen list. - -Zij hielden zich goed de eerste dagen in het logement; Geber onderging -een aangenamen invloed van klimaats-wisseling; hij sliep rustig, en dat -kalmeerde hem. - -Clara, heel gewoon, vriendelijk in haar manier van doen, vertrouwelijk, -zonder de minste terughouding, maar ook zonder eenige provocatie, -verwonderde hem. Maar hij vond het heerlijk, dat ze zoo was! en hij kon -haar nakijken, als zij zich bezighield met de kinderen, goed gekleed, -met taille in haar figuur, vlug als een jong meisje, zonder dat hij -iets er bij dacht, den blik latende gaan voor ’t louter genoegen van te -zien, zooals men kijkt naar een bloemperk en over de zee, zonder te -vragen wat nu eigenlijk te bewonderen valt en wat niet. - -Vanzelf kwam op eens het verlangen, stil dringend, bij hem op, zonder -dat hij poogde het weg te denken. - -De kinderen waren naar een bron gaan baden met de bedienden; zij beiden -liepen na het ontbijt langzaam het logementsgebouw uit naar de -voorgalerij. Al pratend tegen haar, ging hij zijn kamer in, en al -antwoordend volgde zij hem. - -Nu had hij er niet zoo het land over als vroeger; slechts voelde hij -dezelfde mismoedigheid, ontevredenheid over zichzelven, bezorgdheid -voor een onbestemde toekomst,—hij wist niet hoe het te noemen of wat -het meest weêr over hem kwam. - - - - - - - - -ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. - -WAT DE MENSCHEN ERVAN ZEIDEN. - - -Van huis kregen ze allebei goede berichten. Op Koeningan ging het -uitmuntend; Roos, die nu tegen zijn terugkomst verschrikkelijk opzag, -schreef, dat hij zich vooral niet behoefde te haasten; dat hij blijven -moest tot na zijn geheel herstel. - -In het logement waren zij de eenige gasten aanvankelijk, maar nu ze -langer bleven, kwamen er meer, wat de vrijheid van beweging, die Geber -en Clara noodig hadden, belemmerde. - -Men kon elk oogenblik tegenover iemand staan, als men een kamer -uitkwam; men moest dus voorzichtig zijn, meende dat ook te wezen, en -was het niet. - -De nieuwe logeergasten fluisterden vermoedens, en op een ochtend, dat -de kinderen speelden aan hun kant van het erf, riepen zij kleine Lena -bij zich en haalden het kind aan. - -„Wie is die meneer, liefje,” werd er gevraagd door een net en hoogst -fatsoenlijk jong vrouwtje, „waarmee je daar straks sprak?” - -Dat het Geber was, wist zij ook wel, maar daarom was het niet te doen. - -„Het is oom Willem,” zei kleine Lena. - -„En houdt-je veel van oom Willem?” - -„O zeker! Hij is altijd heel lief voor ons en voor mama ook.” - -„Och kom! Dat is erg aardig, ja. Nu, dan begrijp ik wel dat je veel van -hem houdt.” - -„Ja zeker,” bevestigde het kind op den vasten toon, dien ze altijd van -Lugtens had gehoord. - -„En je maatje houdt stellig ook veel van hem, als hij zoo lief is voor -jullie.” - -Kleine Lena knikte heel ernstig met haar blonden krullebol, en als om -zelfs den schijn te vermijden, dat haar moeder ondankbaar zou zijn voor -de liefheid van Geber, voegde ’t kind er argeloos bij: - -„Elken middag na het eten gaat mama bij oom in de kamer om met hem te -praten en hem gezelschap te houden.” - -Twee andere oudere dames, die er ook bij zaten, oplettend luisterend, -keken daarop elkaar ineens stijf aan, onderuit blikkend, de kin -langzaam op de borst drukkend, de lippen opeen, de heele uitdrukking -van met geweld ingehouden losbarstingen van verontwaardiging over -andermans schandaal. - -„Zoo!” ging de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw voort met een lieve -vleiende stem en een allervriendelijkst gezichtje. „Dan zal mama ’s -avonds wel moe zijn, als ze den heelen dag niet geslapen heeft.” - -„Ze slaapt ook wel ’s middags, soms in ooms kamer.” - -„Wil je een chocolaadje, liefje? Hoelang ben je al hier? Waar ben je nu -eigenlijk liever, hier of thuis? Wil je eens een album zien met mooie -portretten? Of een prentenboek?”.... - -Kleine Lena werd overstelpt met lekkers en aardige verhalen, die ze -bewonderend aanhoorde, alles door en van de nette, zeer fatsoenlijke -jonge vrouw, die niet wilde dat het kind zou onthouden wat ze had -gezegd; en tegenover de kleine Lena, met haar helder, scherpzinnig maar -naïef onschuldig hoofdje trof die maatregel volkomen doel. - -Intusschen hadden de hoofden van de twee andere dames zich bij die -nieuwe onthulling in halve cirkels bewogen van den eenen kant naar den -anderen, met schrikkelijk oogverdraaien, als zochten ze iets om onder -weg te kruipen of zich meê te bedekken, van schaamte over een anders -schandaal. En toen Lena weer was gaan spelen met de andere kinderen, -keken ze elkaar aan, alle drie eerst nog zwijgend met knikjes van: „Het -is wat moois” en „Wat-zeg-je-er-van?”—tot ze, de hoofden bijeen, -fluisterend los kwamen in schelden en kwaad spreken. - -Het steentje rolde dadelijk voort. Heel het kleine plaatsje wist het -schandaal, nog op den eigen dag, en de logeergasten namen het dankbaar -meê naar hun woonplaatsen, als het liefste en beste dat hun was ten -deel gevallen; het nieuwtje reed voort in de reiswagens; ging per post -in brieven, draafde te paard over het gebergte en op zijn weg -circuleerde het op de ondernemingen, in de woonhuizen der kleine -plaatsen en in de sociëteiten als een der vele indische -familie-schandaaltjes; een der beste plats-du-jour. - - - -Zij, Geber en Clara, hadden er geen flauw vermoeden van, toen zij hem -op een ochtend vond, heel vroeg, in de voorgalerij in een luierstoel. -Zij schrikte van zijn gezicht. In de laatste weken was hij heelemaal -hersteld; hij was dikker geworden en net zoo rustig en kalm als -vroeger; nu scheen het ineens dat al het effect verloren ging, hij zag -weer bleek als was; zijn oogen glinsterden weer en over zijn heele -gezicht lag het waas van een ziekelijken toestand, gelijk toen ze van -huis gingen. - -„Wat heb je?” vroeg ze ontsteld over die verandering. - -„Ik? Niets.... Weer voor het eerst slecht geslapen.... ’t Zal wel -overgaan, hoop ik.” - -„Dat hoop ik waarlijk ook. Ik schrikte ervan zoo bleek zie je.” - -„Och,” zei hij geruststellend. „Daar moet je niet van schrikken. De -eene mensch heeft dat gauwer dan de andere. Ik schijn al heel spoedig -op te bleeken.” - -„Het is geen gekheid, Wim. Er is iets dat je hindert, maar dat je -verzwijgt.” - -„Toch niet.” - -„Waarom zou je het niet zeggen; mij niet?” - -„Och kom?” loog hij, „het is wezenlijk niets. Laat de jongen me maar ’n -kop koffie brengen; dan ga ik baden en ben weer heelemaal in orde.” - -Zij haalde de koffie zelf, om die beter te kunnen krijgen dan ze anders -was; zij verzorgde hem dien dag als een zieke. - -Hij nam glimlachend de kleine attenties aan; hij had er geen behoefte -aan; als Roos ’t zelfde had gedaan, zou hij zich in stilte boos hebben -gemaakt en hardop gezegd hebben, dat ze niet zoo dwaas moest wezen; nu -voelde hij een aangename stille erkentelijkheid. - -Het was weer zoo; het was zelfs erger; hij was dien nacht weer -onverwachts wakker geworden met zijn visioen en de zwaarmoedige -onverschillige opvatting van het leven, die er altijd bij kwam, alsof -het zoo hoorde. Hij had neêrgelegen in zijn eigen gedachten als in een -zwaren droom; niet eenige oogenblikken, maar uren achtereen; uren, die -hij duidelijk hoorde slaan; en er was bij gekomen, wat er vroeger niet -bij was; een geluid in zijn hoofd als een stem, maar ongeaccentueerd, -dat hem scheen aan te sporen; dat naast en met zijn gedachten bleef -voortleven, maar een hem duidelijke strekking had: Hij moest het -doen,—dat was het.— - -Voor haar had hij niet kunnen verbergen, dat hem iets kwelde; zijn -ontkenningen had zij niet geloofd, en dàt hij ziek was stond bij haar -vast. Zij drong echter niet aan, toen ze zag, dat hij voor het -oogenblik niets wou zeggen. Eerst in den namiddag kwam zij erop terug. -Het was in een phase van onverschilligheid en zenuwontspanning, gelijk -die, waarin hij Roos zijn verhouding tot haar tante had bekend, en -achterover op zijn bed liggend, de armen boven het hoofd, den blik met -wijd open oogen strak naar de tenda omhoog, vertelde hij haar alles van -het vreemde denkbeeld dat hem vervolgde, van zijn nachtelijke -kwellingen en toenemende slapeloosheid; de ellende zijner geschokte -zenuwen. - -„Heb-je het anderen al gezegd?” - -„Neen, Clara; jij bent de eerste.” - -„Ook niet aan den dokter?” - -„Ook niet.” - -„Dan zal ik het hem vertellen.” - -Hij zweeg, altijd maar omhoog kijkend, als in gedachten verzonken. -Zacht begon hij tegen haar te spreken; zijn gemoed verder uit te -storten over het onbekende, dat hem vervolgde. - -„Begrijp wel,” zei hij, „dat geen gewone redenen voor me bestaan. Ik -word niet getroffen door rampen, zit niet in zorgen, heb geen schulden -of verdriet. Het is waar, dat wij man en vrouw moesten wezen, maar de -omstandigheden zijn, dat weten we bij ondervinding, van dien aard, dat -de toestand ons niet overweldigend bedroeft.” - -„Neen,” zei Clara diep zuchtend, „dat kan de reden zeker niet zijn; en -zou die tegenwoordig in geen geval kunnen wezen.” - -„Juist,” stemde hij toe. „Dan een andere, bijvoorbeeld pijn of -ziekelijke toestand als oorzaak; daarvan is ook geen quaestie.” - -Zij wist weinig af van het lugubere onderwerp, en huivering bij -huivering liep haar langs den rug; hij, met het idee al zooveel maanden -vertrouwd, sprak er rustig over als iemand, die een zaak van meer dan -een kant heeft bekeken. - -„Ik ken,” ging hij gelaten voort met eentonige stem, „geen andere -redenen. Er is hoegenaamd niets dat een overweldigenden invloed op mijn -geest uitoefent; niets, zou ik zeggen, dat mij van mijn vrijheid van -handelen zou kunnen berooven.” - -„Neen,” stemde Clara alweêr zuchtend toe, zonder dat zij nu juist een -helder begrip of duidelijke voorstelling van zijn betoog had. - -„Neen, Wim, dat is zoo. Ik vind het verschrikkelijk gek.” - -Hij richtte zich plotseling op en wendde zijn bleek gezicht zoo snel -naar haar toe, dat zij ervan schrikte en zelf verbleekte. - -„Je hebt het woord gezegd! Er is een reden; het zou niet kunnen -opkomen, zonder een reden; anders zou het in strijd zijn met -mijzelven.” - -„Hoe bedoel je dat?” - -„Er moet een excuus zijn,” ging hij voort, zich weer achterover latend, -het hoofd terug in de holte, die ’t gemaakt had in het kussen. „Een -excuus! Na hetgeen ik zei, blijft er nog maar één over..... Je hebt het -woord genoemd, Clara, ik zou gek moeten zijn of op weg het te worden.” - -„Dat is onzin,” protesteerde zij. „Je redeneert zóó verstandig als -iemand maar doen kan, en dan..... neen, dat is nonsens.” - -Hij schokschouderde onverschillig. - -„’t Is toch zoo!” - -„Het is niet waar, Willem,” hield ze vol. „Je bent enkel maar ziek.” - -En toen ze den spottenden glimlach een oogenblik zag op zijn gezicht: - -„Ik bedoel ziek naar het lichaam. Daarom zal ik het aan den dokter -zeggen. Laat die je ernstig onderzoeken. Volg een leefregel.” - -Zij sprak driftig, opgewonden, heel ongewoon voor haar doen. Aan alles -toch had ze kunnen denken, maar niet aan zoo iets verschrikkelijks. -Weêr maakte hij het onverschillig gebaar. - -„Als ik het een dokter zeg, weet ik wat hij vragen zal; dat doen ze -allen.” - -„Juist dat is goed. Hij moet ook....” - -„Hij zal vragen of zich in mijn familie wel eens meer gevallen hebben -voorgedaan.” - -„Toch niet, Wim,” riep ze verschrikt. „Het is toch niet waar?” - -Hij knikte langzaam, toestemmend. - -Zij zat onbeweeglijk op den rand van het bed; de handen rustend op de -knieën, ontsteld tot gedachtenloosheid; met één voorstelling nog voor -haar geest: kleine Lena. - -„Het is waar. Voor zoover ik kan nagaan zijn er twee: mijn grootvader -en het laatst een oom. Nu, je begrijpt, dat is te zot om van te -spreken.” - -Verwonderd luisterde zij toe. Waarom was dat zoo zot? Was het niet -integendeel het eenig natuurlijke en verklaarbare? - -„Het is zoo’n dokterspraatje, dat begrijp-je. Wat ter wereld zou het -geval van die menschen, ’n halve eeuw en meer geleden, met mij te maken -kunnen hebben.” - -Clara antwoordde er niet op; ze had willen huilen van verdriet en -medelijden om en met hem; ineens herinnerde zij zich dien nacht van het -groote feest te Koeningan; en zij sprak ervan. - -„Je weet wel,” zei ze, „toen je gekleed in een luierstoel lag en zoo -schrikte toen ik je riep.” - -Hij had de handen voor het gezicht gelegd, zijn hoofd ging langzaam in -het kussen heen en weer. - -„Het was de eerste maal.” - -Zij herinnerde het zich levendig en zij werd bang; zij keek nu naar hem -met vrees en schrik. - -Zij kreeg een gevoel van zekerheid, dat er tusschen hen een niet weg te -ruimen hindernis was opgekomen: dat er nooit meer iets bestaan zou -tusschen Geber als man en haar als vrouw; dat, wat zij ooit voor hem -van dien aard had gevoeld, niet weer kon opgewekt worden. De vrees voor -den grooten onbekende, den dood, had haar ineens verschrikkelijk -aangegrepen, en terwijl hij daar lag, de handen nog altijd op het -gezicht, kon zij het niet over haar verkrijgen die zacht weg te nemen -en hem te troosten en op te beuren; zij voelde er wel aandrang toe in -haar medelijden met hem, maar de vrees en de siddering, die haar beving -bij de gedachte aan de vreeselijke dingen, die hij haar zoo -ijzingwekkend kalm had verteld, hielden de overhand, en zoo bleven zij -minuten lang zwijgend bij elkaar, tot er op de kamerdeur werd geklopt. - -Geber stond op en ging opendoen, de deur op een kier, uit vrees dat een -bediende naar binnen mocht kijken en zien wie bij hem was. De jongen -stak hem twee brieven toe, en daar hij enkel maar het adres, kon zien -van den bovenste, het zijne, nam hij ze allebei aan, dadelijk de deur -weer sluitend. Maar binnen zag hij, dat de andere voor Clara was; hij -kende de hand van mevrouw Uhlstra op het adres. - -Het hinderde hem, dat de bediende die twee brieven bij hem had -afgegeven op dat uur. - -„’t Zal een vergissing zijn,” zei hij, bij wijze van verontschuldiging. - -Het kon haar op ’t oogenblik minder schelen. Haar hoofd stond er niet -naar zich voor zulke kleinigheden te interesseeren, nu haar al wat hij -had verteld zoo schrikkelijk op het lijf was gevallen. Dáár dacht ze -over door, met de toenemende overtuiging, dat hij reddeloos was -verloren; dat hij ’t avond of morgen de hand zou slaan aan zichzelven. - -Zij nam den brief aan en scheurde het enveloppe open, werktuigelijk, -vervuld van droefheid en afkeer; zóó vouwde ze ook den brief open, en -zag, dat hij van haar zuster Leen was. Het „Clara” zonder meer, -schrikte haar op. Wat was dat nu weer? - - - „Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande - gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich - zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie - en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan - Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons - allemaal. - - Lena.” - - -Zij keek hem aan, terwijl hij zijn brief las, daarmeê nog bezig; het -was er een van Twissels. - -„Amice,” schreef hij. „Deze is dienende u kennis te geven van zeer -ergerlijke praatjes, hier over u en mevrouw Lugtens in omloop en die -ook mij ter oore zijn gekomen. Ik doe, zooals gij begrijpen zult, mijn -best deze lasterpraatjes tegen te spreken, daar onze goede, -vriendschappelijke oude relaties, zoo in als buiten zaken, mij daartoe -verplichten. Intusschen acht ik het in aller belang, dat gij naar uw -land ten spoedigste terugkeert en mevrouw Lugtens naar haar huis. Gij -zult mij verplichten met eenig antwoord zoo spoedig mogelijk, en mij -ook zeker ten goede houden, dat ik in het belang onzer -gemeenschappelijke zaken niet geaarzeld heb mij van dezen voor mij -onaangenamen plicht te kwijten, terwijl ik er vast op reken, dat gij -aan mijn zeer dringend verzoek zult gevolg geven, ten einde een voor -onze zaken allernoodigste samenwerking niet in ernstig gevaar te -brengen. - - t. t. - - Twissels. - -Geber was er zeer verontwaardigd over. - -Dat was nu een man, die leefde met een huishoudster en zich zelfs niet -ontzag die toe te laten tot zijn voorgalerij; een man bij wien hij -wist, dat op sexueel gebied niets woog! - -„Daar schrijft hij ook niet over,” zei Clara toen ze den brief had -gelezen en Geber zich in dien geest opgewonden uitliet. - -„Hij spreekt alleen van zaken; daarin zal hij wel gelijk hebben.” - -„Je bent toch, hoop ik, niet van plan het te doen.” - -Clara zag hem aan en zeide: - -„Lieve Wim, ik geloof dat het niet anders kan.” - -„En ik doe het toch niet,” ging hij voort, nu geheel in drift, terwijl -zij kalm en terneergeslagen was. „Ik zal....” - -Zij reikte hem het korte epistel van haar zuster toe, dat hij las in -een oogenblik, en waarbij aan z’n gezicht was te zien, dat zijn -opgewondenheid ineens wegzonk. - -„Het is verschrikkelijk!” zei hij verdrietig. „Ja, ik begrijp het nu -ook.... wij moeten!” - -„Zeker moeten we.” - -„En we zouden toch moeten, nu of over een of twee weken. ’t Is ook -eigenlijk alles hetzelfde.... wat langer of wat korter.” - -Haar gemoed schoot vol; ze zag op, terwijl ze op een stoel zat nu, -omhoog naar zijn bleek treurig gezicht boven de lange gestalte, haar -oogen vol tranen, en ze vroeg hem met haar zachte, beschaafde stem, -trillend van ingehouden droefheid: - -„Toch niet dáárvoor, Wim! Zeg dat je niet dat bedoelt.” - -Hij boog zich voorover, lei de handen op haar mooie schouders en kuste -haar op het voorhoofd, zooals een broer het zijn zuster had kunnen -doen. - -„Wees maar gerust, Clara. Dàt bedoelde ik niet; zoo’n vaart zal het -niet loopen. Ik zie ertegen op naar Koeningan te gaan; dat begrijp je -toch! Ik zie ertegen op als tegen een berg. Maar het zal wel djadi als -ik weêr in de sleur van het werk terug ben. In Gods naam, het kan niet -anders.” - -Zij vatte moed en haar eigen overtuiging der noodzakelijkheid herkreeg -daar zijn invloed bij. - -„Het moet, zeker, en hoe eer hoe beter.” - -Met geen enkel woord hadden zij gesproken over hun eersten indruk van -verwondering, dat alles zoo bekend was geworden, gerijpt tot een -publiek onderwerp van gesprek in de stad. - -Het baatte immers toch niets! - - - - - - - - -ACHTTIENDE HOOFDSTUK. - -CLARA WEÊR THUIS. - - -Toen zij thuis kwam met de kinderen, stond Lugtens hen af te wachten in -de voorgalerij. Onder het rijden had ze maar één gedachte gehad: wat -zou er nog voorvallen? Wat stond haar te wachten? - -Bleek en bevend, alles inspannend om zich te goed houden, zag ze hem -dik en zwaar de trap afkomen naar het portier. - -„Zoo, ben jullie daar?” zei hij op een toon, dien hij vriendelijk -poogde te maken, maar die het uit gewoonte toch niet worden wou. En te -gelijk stak hij de handen uit naar kleine Lena, tilde haar ineens uit -het rijtuig en zoende haar driemaal hard en geweldig. - -„Jij ziet er goed uit,” riep hij, „de rozen op je gezicht. Net zoo pas -uit Europa.” - -Naar de anderen keek hij even en ook naar zijn vrouw; toen zei hij als -verwijtend: - -„Bij jou bloeien de rozen niet hard.” - -„Ik ben ook niet voor m’n genoegen uitgeweest, met de zorg voor de -kinderen en een zieke.” - -„Ja,” antwoordde hij, milder, en oplettend voor dat laatste. „Wat -scheelt dien man toch?” - -„Ik weet het niet; de dokter weet het niet en hijzelf, geloof ik, ook -niet.” - -„En nu?” - -„Geheel hetzelfde; hij knapte in het eerst heel aardig op. Daarna werd -hij weêr even onlekker en bleek.” - -Goddank, dacht ze, het gevaar was voorbij! Er mocht dan gepraat wezen -wat er wilde,—hij wist nergens van, hij had niets gehoord. En met haar -thuiskomen ving dadelijk het gewone leven met zijn huishoudelijke -zorgen en bemoeiingen weêr voor haar aan, net alsof er niets was -gebeurd. - - - -Met mevrouw Uhlstra den volgenden dag een heftigen twist. - -De oudste was gekomen om de jongste verschrikkelijk onder handen te -nemen, maar die liet zich dat niet welgevallen. - -Zij had er eens voor gebukt, jaren geleden, nu bedankte zij ervoor. - -„God, God!” had mevrouw Uhlstra uitgeroepen, bij den eersten -tegenstand, „de wereld moest eens weten wie je bent!” - -„Iedereen moet maar naar zichzelve kijken,” meende Clara, bleek en ten -allen aanval en verdediging gereed, het hoofd rechtop, met een -uiterlijk vertoon van beslistheid. - -Dat bracht Lena buiten haarzelve; met beide handen sloeg zij op haar -dikke dijen, dat het kletste op haar sarong, met trillende beweging. - -„Wat zeg je, laag schepsel? Doelt dat soms op mij?” - -„Zoo goed als op een ander.” - -„Wat heb ik.... Hemelsche goedheid!..... Wat heb ik ooit...?” - -„Neen, zóó niet, Lena. Je hebt gemakkelijk praten, wat dat betreft.” - -„En ik zeg je van neen! Al was Uhlstra zoo’n akelige kerel, als die man -van jou, dan zou ik toch nooit zoo iets gedaan hebben. Foei! Eerst was -hij de vriend van je man en nu mijn schoonzoon!” - -„Misschien komt er morgen een brief uit Holland dat hij iemands zwager -dáár is geworden. Wat kan ’t mij schelen!” - -„En je kinderen!” - -„Mijn kinderen?” stoof mevrouw Lugtens driftig op, „zullen door -henzelven gelukkig of ongelukkig moeten worden; niet door mij. Maar ik -zal ten minste de mijne niet ongelukkig maken door ze uit te huwelijken -om het geld en om ze onder dak te hebben.” - -Zoo maakten zij ruzie door alle tonen van de twistladder, tot ze -vermoeid, en den voorraad invectieven en verwijten uitgeput, in zachter -termen vielen en eindelijk met tranen in de oogen vrede sloten. Maar -ditmaal had mevrouw Lugtens haar partij gewonnen en in ’t hart harer -zuster bleef zelfverwijt achter, dat nog nawerkte toen ze thuis kwam. - -Uhlstra wachtte haar met ongeduld. - -Hij had de loopende praatjes het eerst gehoord, was er verschrikt meê -thuis gekomen, waar zijn vrouw hem had voorgepraat, dat het laster was, -maar dat ze Clara dadelijk zou laten terugkomen en met haar over dat -alles spreken. En hem was in die opzichten zoo gemakkelijk alles wijs -te maken! Niet, dat hij in zijn jeugd had gebravehendrikt,—Heer neen! -Hij was hier geboren; zijn huidskleur en die van den inlander -verschilden niet; baboe’s en huisjongens hadden zijn jeugd omringd, hem -leeren loopen, leeren praten; hij was volkomen eigen met alle -inlandsche luchtjes en gewoonten, en een echte njo was hij geweest in -al zijn doen en laten; hij vond inlandsche vrouwen mooi; hij had in -Lena het summum gezien van aantrekkelijkheid: een knap indisch meisje, -naar zijn begrippen heelemaal europeesch opgevoed.—En toen hij met haar -getrouwd was, had hij al genoeg posten geschreven op de inlandsche -rekening om zonder eenige neiging tot iets anders, door en door trouw -te blijven aan zijn vrouw. En waarvan het nu kwam had hij niet kunnen -zeggen,—maar hij had ’t land aan pur-sang europeesche vrouwen; in -heerengezelschap liet hij zich erover uit; hij had er geen persoonlijke -ondervinding van, hoegenaamd niet, maar hij beweerde, dat ze niet -proper waren op haar body, zooals hij zei, en hij lichtte dat op zijn -manier toe door zeer bijzondere opmerkingen omtrent hetgeen zij deden -en niet deden. Volkomen vreemd aan intriges,—was hij onverbiddelijk -voor knoeierij van getrouwde lieden; daarom was hij nu zoo bang. Als -het eens waar was! Als de naam der familie eens was gecompromitteerd -door zijn vriend, zijn schoonzuster, zijn dochter.... - -„Net als ik zei,” praatte Lena, uit het rijtuig naar binnen stappend, -„er is niets van aan.” - -„Goddank!” zei Uhlstra met een diepen zucht, en zich hard in den -stoppelbaard wrijvend, voegde hij erbij: „Hoe komen de menschen toch -aan zulke schandelijke praatjes?” - -„Och, zie je, vent, het gaat ons te goed; dat is het: anders niet.” - -Hij schudde het hoofd met een gezicht of de boosaardigheid der wereld -hem overweldigde. - -„We zullen hen hier laten komen van Koeningan en dan een partijtje -geven.” - -„Dat heb ik ook al gedacht, maar het kan niet.” - -„Dat is waar... om Roos....” - -„Ook; maar dat zou nog wel gaan, als het moest.... Willem is ziek, zei -Claar me.” - -„Ik dacht, dat hij beterend was.” - -„In het geheel niet. Hij is even ziek en ellendig als voorheen. Erger -zelfs.” - -Zijn hart voor den ouden sobat kwam heelemaal boven. - -„Kasian!” zei hij meewarig. „Wat zou dien armen jongen toch schelen?” - -„Ik heb het Claar gevraagd. Zij zegt, dat hij zielsziek is of zoo iets, -en dat zij bang is voor zijn hersens.” - -„Verduiveld, dat is heel erg. Jij en Clara schijnen niet te begrijpen, -hoe erg het is.” - -„Ik denk dat zij overdrijft, maar ze zei, dat ze heel bang is geweest; -dat hij soms zoo raar doet; ze vreest, dat hij op een of anderen dag -zich zelfmoorden zal.” - -Verschrikt en zeer ontsteld keek hij haar aan. Hoe kon ze dat zoo -rustig zeggen, dacht hij, den haat niet kennend, die stil in haar -leefde tegen Geber. - -„Ik zal eens naar hem toegaan, Leen.” - -„Dat is misschien niet kwaad.” - -„En als ik zie, dat er iets van dien aard aan de hand is, zal ik hem -dag en nacht laten bewaken.” - - - - - - - - -NEGENTIENDE HOOFDSTUK. - -BIJ DEN CHINEES. - - -Het was een donker gangetje in de woning van een Chinees; vóór was een -kleine toko, heel ordinair, met weinig lakoe-artikelen, veel oud, -onverkoopbaar goed. Achter de vuile primitieve vitrine met kleine -ruitjes in slordig bruin geverfde stijltjes, het matgele groezige -gezicht op den dunnen hals bengelend, zat daar een chineesche nona, met -een zuigeling aan de borst, droomerig te soezen, met groote doffe oogen -en gemarkeerde trekken, genietend van het enkel moeder zijn; lui, -zonder iets erbij uit te voeren. De Chinees zelf zat op een bankje voor -zijn deur, de kabaai open, het vollemaansgezicht glimmend; de bloote -borst en buik, bij de voorover gebukte houding, met gevouwen handen om -een opgetrokken knie, in zware vetlagen overplooiend, een gemest varken -gelijk. - -In het middaguur was het stil en licht in de chineesche achterwijk der -stad; op de witte muren met grillige zwarte vegen van aangewaaide stof, -stond het zonlicht gloeiend en eentonig; de lage, van gekleurde kains -en katoentjes vol behangen winkeltjes zagen diep donker achterin; stil -zaten de neringdoende menschen na te rekenen, de een zijn verdienste en -de kans om over te houden, de ander zijn verliezen en hoe hij failliet -zou gaan; sommigen erbij vouwend, uit zucht iets te doen, of met de -handen langs de glad gepapte stukken wit goed aaiend, met de liefde van -een handelaar voor de waar, die hem laat verdienen. Maar over alles -steeg de hitte, en al wat vocht bevatte in de kleine steeg, al wat in -hoeken en gaten lag te vergaan, gaf vreemde vieze luchtjes af, die den -enkelen europeeschen voorbijganger onaangenaam mochten treffen, maar -voor inlander en Chinees iets gemeenzaam lekkers moesten hebben; de -atmosfeer waarin ze geboren werden, opgegroeid waren, leefden. - -Het lange wit der armzwaaiende figuur, die den hoek omkwam, ’t steegje -in, stak haast niet af tegen het scherp verlichte der muren, meer -contrast makend door de vlugge beweging bij al die rust, dan door -verschil in toon. - -Twissels zwaaide in zenuwachtige drift met zijn smal hoog lichaam de -woning van den Chinees binnen, die was opgestaan, zijn baadje dicht en -de pijpen van zijn wijde katoenen broek omlaag deed, opgestroopt eerst -tot halverwege het bovenbeen, voor de luchtigheid. Hij liep Twissels -na, voorbij de opgeschrikte vrouw achter de toonbank, die heelemaal -beteuterd was. - -„U weet toch wel, dat u hier zóó niet kunt naar binnen gaan,” zei de -Chinees onderdanig, doch zoo dringend als iemand, die van plan is zich -ernstig te verzetten. - -„Stil, ba!” piepte de hooge stem nu beverig, „roep meneer Lugtens.” - -„Ik ben niet branie.” - -„Roep hem dadelijk, anders doe ik het.” - -„Het is heusch niet mogelijk meneer. Hij is pas gekomen van den anderen -kant.” - -„Het kan mij niet schelen. Roep hem dadelijk, zeg ik je.” - -„Ik durf betoel niet. Als hij eens kwaad wordt! En hij is in -gezelschap, meneer. Het is een europeesche....” - -„Ba, ik vraag je niks en ’t kan mij ook niet schelen, maar roep hem -dadelijk.” - -Er was niets aan te doen. De dikke Chinees, zuchtend, mopperend bij -zichzelven, verdween op zij in den wand door een trapopening, zijn -harde voetzolen stampschuifelend over de treden. - -Twissels hoorde op de bovenverdieping een onduidelijk rumoer, waaruit -hij toch den barschen commando-toon van Lugtens onderscheidde; dan -hoorde hij een harden stap en uit het gangetje kwam tegen het licht aan -de in korten krachtigen omtrek gehouwen kop van Lugtens, vreemd -dronkenachtig van uitdrukking, maar kwaad ook. - -„Wat mot-je?” vroeg hij grof. - -„Geber is dood.” - -„Gévédé!” - -Het gezicht van Lugtens was bij den schrik verbleekt, ernstig en -zichzelf nu heelemaal. - -„Hij heeft zich,”—Twissels zei dit zachtjes fluisterend haast, met een -beweging naar zijn voorhoofd. - -„Gévédé,” herhaalde Lugtens verslagen met de hand langs z’n oogen -strijkend. „Dat is verschrikkelijk!” - -Even ging hij terug, de trap weêr op, haastig gejaagd, in een paar -minuten weerom, het huisje uit, de straat op, met den brandenden -zonneschijn op hun ruggen, midden op den weg. - -Dacht men aan zulke kleinigheden! Wat kwam het er op aan, dat Twissels -zoo in eens had getoond precies te weten, welke geheime uitstapjes -Lugtens soms ’s middags maakte van z’n kantoor uit, binnengaande in een -groote toko, net als om zaken te doen, terugkeerend later door het -gangetje uit ’t winkeltje in de achterbuurt tegenover den blinden muur? -Hij dacht dat niemand het wist, en nu bleek toch duidelijk, dat zoo -goed als iedereen op de hoogte was van zijn zondenregister; van zijn -geheime snoepreisjes, het eenig zwak van iemand, die nooit rookte en -nooit dronk....... - -„Wat is er dan toch gebeurd?” vroeg hij, want al die bekendheid deerde -hem nu niet; hij was voor alles man van zaken, en Geber behoorde tot de -belangrijkste zaken als lid van de geld bij schepels verdienende -kongsi. - -„Ik weet het niet geheel. Uhlstra zond me van Koeningan een man te -paard met dit briefje.” - -Samen stonden ze stil; op ’t stukje papier kijkend, dat, in -zenuwachtige haast geschreven, niets meldde dan: - -„Mijn schoonzoon heeft zich, hoezeer we hem ook bewaakten, van nacht -door het hoofd geschoten. Bezorg de regeling zijner zaken.” - -Ze keken elkaar aan, onbeslist, niet wetende wat daarvan te denken, -zich van zulke dingen geen flauw begrip kunnende maken. - -„Die bliksemsche vent!” zei Lugtens kwaadaardig. „Hoe is het mogelijk!” - -„Dat vraag ik ook,” zuchtte de andere fijntjes, hoog. - -„Hij fopt ons er leelijk mee.” - -„Met die houtzaken,—zeker! Hij was de eenige heelemaal op de hoogte.” - -Ze waren voortgeloopen tot bij Twissels’ kantoor, en zwijgend gingen ze -binnen. Toen zag Lugtens strak op naar het kleine kopje van den langen -Twissels, boven zijn eigen stoer hoofd, en verdrietig met veel beweging -in zijn breed glad gezicht, moeielijk zich bedwingend, zei hij: - -„Het was zoo’n goeie vent, Twissels. Ik hield van hem, veel, heel veel! -Hij had iets... waarvan ik hield... ik weet niet, hoe of het komt, maar -ik hield meer van hem dan.... dan....” - -Hij kon geen punt van vergelijking vinden; hij hield van zoo weinig. - -Maar Twissels knikte heel ernstig. - -Och, hij begreep dat wel! Het was weêr een dier dwaze dingen in het -leven, dacht hij; een dier onberedeneerde sympathie-quaesties, waardoor -zelfs zoo’n barre kerel als Lugtens werd beheerscht, zoodat hij, van -alle mannen, de meeste vriendschap voelde voor den man, die hem het -grootste koopje had gegeven. - -„Ja,” zei hij zuchtend ’t hoofd schuddend, „ja, het heeft me ook -verschrikkelijk getroffen.” - -Ze praatten zoo nog wat voort, plichtmatig, ook over den zelfmoord; hij -moest ziek zijn geweest en daardoor krankzinnig; het was hun eerste -idee en hun laatste. In stilte dachten ze aan één en ’t zelfde, doch -wilden er zoo dadelijk niet mee voor den dag komen, tot eindelijk -Twissels zei, aarzelend in z’n stem: - -„Als we eens in ’t ruwe een soort balans maakten?” - -„Het is goed, voor zoover het kan.” - -„Ja, zóó maar, zie je. We gaan strakjes natuurlijk erheen.” - -„Natuurlijk.” - -„Nu, ik dacht, dat Uhlstra wel iets zou willen weten, globaal, van den -stand van z’n zaken.” - -Lugtens knikte; hij had de korte lijkrede uitgesproken; de oude sobat -was begraven; de levende zaak was in een „stand van zaken” overgegaan. - - - - - - - - -TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -ROOS GEWAARSCHUWD. - - -Wezenlijk werd Geber bewaakt sedert Uhlstra op Koeningan was geweest. -Men had daar eenigszins vreemd opgekeken van het bezoek. - -„Ga je meê?” vroeg Geber, die aan belangstelling dacht voor de zaken -van het land, en op ’t punt stond hier en daar eens te gaan kijken. - -„Dank-je. Ik zal Roos gezelschap houden tot je terugkomt.” - -„Hé pa!” riep Roos verwonderd. „Gaat u niet eens meê kijken met Wim?” - -Ze begreep daar niets van. - -Papa was zoo’n beste man, vond zij, en de broers en zusters waren dat -eens; maar hij was niet iemand, die zou blijven babbelen over koetjes -en kalfjes, als er onder mannen te praten viel over zaken. En dan nu! - -Wantrouwend keek Geber zijn schoonvader aan. - -Er zat, dat dacht hij ook, iets achter. Niets kwaads,—van zoo iets kon -men Uhlstra niet verdenken; maar toch iets, dat men voor hem, Geber, -niet wilde weten. - - - -„Hoe is het met Willem den laatsten tijd?” - -„Och..... zoo.... niet goed, vond ik. Hij is niet bepaald ziek... ik -weet het wezenlijk niet.” - -Zij leunde achterover in den wipstoel, zittend op ’t randje, in elke -houding ontspanning zoekend voor haar moeielijke positie, breeder van -schouders dan ooit, een beeld van rustige levenskracht laag bij den -grond. - -Uhlstra aan den anderen kant van de tafel, het groote ronde vlak van -wit marmer tusschen hen in. Met zijn rijzweep tikte hij op zijn schoen, -de rechtervoet op de linkerknie rustend, het bruinbaardig gezicht, -donkerder onder de schaduw van den helmhoed, aan één kant hel in het -slaglicht van buiten in de galerij; mooi van zware tint, doorkrieuweld -met ’t kleine wit der grijze stoppels in het vele zwart en bruin. -Verlegen keek hij naar het tikken met zijn zweep, en toen op naar zijn -eigen oogen in het hoofd van zijn oudste dochter. - -In de verte liep Geber door de djoarlaan naar den nieuwen aanplant; -voorover ’n beetje, oudachtig in zijn houding, onzeker stappend, een -loop zonder wil of beslistheid. - -Uhlstra had moed gevoeld thuis; nu zonk hem ’t hart in de schoenen. Hij -dacht naar zijn weten; hoe kon hij ook anders! In Roos zag hij een -liefhebbende vrouw, een die dol veel hield van haar man, in alle -opzichten; die een kind had van dien man, en die, als men vroeg wanneer -het tweede kwam, wel kon antwoorden: „Straks.” Zij was zijn dochter, -het waren zijn kleinkinderen; het was zijn schoonzoon en zijn oude -vriend en buur.... Waar was de vroegere tijd gebleven.... En nu moest -hij haar zeggen, dat Willem rondliep met plannen tot zelfmoord; hij -moest het, naar zijn gedachten, voor Roos zoo goed en rustig huiselijk -leven met geweld uiteentrekken om haar te waarschuwen en te trachten -Geber te redden, te beveiligen tegen zichzelf. Uhlstra voelde zich zoo -hulpeloos als een kind; hij kon het niet zeggen; hij zou het niet -gezegd hebben, al waren er tien landen meê te verdienen geweest. - -„Wat is er toch, pa?” vroeg Roos. - -Hij keek weêr naar zijn interessanten schoen, tik, tik! met de -rijzweep. - -„Niets, niets! Ik kom maar ’reis kijken hoe jullie het maken.” - -Zij geloofde er geen woord van. - -„Willem ziet er slecht uit, non!” ging hij gemoedelijk voort. „Laat hem -met me meêgaan; hij moet....” - -Maar ze werd boos. - -„Wel pa, dat vind ik heel aardig van u. Willem is, vindt u, ziek, en nu -moet hij maar naar de stad en onder geneeskundige behandeling, en zeker -’s nachts tot drie, vier uren ’n partijtje met u maken tot geheel -herstel van gezondheid! En ik dan?” - -„Het is waar, kind, het is waar. Ik dacht daar heusch niet aan, zoo -dadelijk.” - -„Erg lief van u!” - -„Jij bent ook altijd zoo wèl!” - -„O zoo! en daarom kom ik niet in aanmerking. Plezierig, ja! Wim eet en -drinkt goed, is altijd op de been, maar ziet bleek en wordt mager. Wel, -dat is zeker niet goed! maar het zóó te overdrijven, en er niet tegen -op te zien hem meê te nemen, en mij nu hier alleen te laten zitten....” - -Roos begon ervan te huilen, eigenlijk meer uit kwaadheid, en Uhlstra, -nu heelemaal van de wijs gebracht, kwam met domme verontschuldigingen, -de een het niet beter makend dan de andere. - -Ze hadden het nog aan den stok met elkaar toen Willem, door -nieuwsgierigheid gedreven, terugkwam. - -„Ik wou je niet graag alleen laten zitten,” zei hij tegen Uhlstra. - -Zijn vrouw had hem zien aankomen met booze blikken onder haar lange -omkrullende wimpers. - -„Als pa bij mij zit,” viel ze uit, „is hij, voor zoover ik weet, niet -alleen.” - -Verwonderd keek Geber haar aan, verbluft zelfs. Zoo iets ongewoons had -hij nooit gehoord. Hij zag dat ze gehuild had, en zei eenvoudig weg: - -„Je hebt gelijk. Neem ’t niet kwalijk; het was zóó niet bedoeld.” - -„Maar jullie zegt het toch maar. Pa ook, weet je. Ze maken zich -ongerust, omdat je onlekker bent; ze willen je te logeeren vragen om... -te genezen, en mij dan hier mijn gang maar laten gaan. Lief hè? Zoo -zijn ze tegenwoordig thuis....” - -„Praat er niet verder over,” zei Geber kalmeerend, „ik zou het immers -toch niet doen;” en tot z’n schoonvader: „Hoe komt het bij je op!” - -Uhlstra was blij, dat hij weêr terug kon gaan, schoon onverrichterzake. -Bij al zijn meêgaandheid was hij een krachtig en moedig man, doch dat -waren geen stukjes voor hem; en zijn vrouw, die al verwonderd was -geweest toen hij, zoo brani, dadelijk bereid was naar Koeningan te -gaan, wachtte hem af vol ongeduld en nieuwsgierigheid. Zij zag het al -aan z’n gezicht toen hij van ’t paard steeg. - -„Wel?” vroeg ze. „Hoe is het gegaan?” - -Maar Uhlstra, nu met de zaak verlegen, gaf geen antwoord, en zij -vervolgde: - -„Ik wed, dat je niets hebt gezegd.” - -„Dat heb ik ook niet, want Roos was al heelemaal uit haar humeur.” - -„Haar humeur!.... Maar ’t moet toch gebeuren, vent, en ik zal het doen, -ja? ik laat dadelijk inspannen.” - -In haar hart vond ze het aardig, dat hij ’t niet had kunnen doen; zij -maakte er hem ook geen verwijt van; zij had hem er, integendeel, te -liever om. - - - -„God!” riep Roos, naar voren waggelend, toen het zoo goed bekende -rijtuig voor ’t landhuis reed. „Daar heb je waarachtig mama!” - -En meteen begreep zij, helderde het zich voor haar op, juist als voor -Geber: er was iets dat papa had willen zeggen en dat hij had verzwegen. - -Erg vriendelijk was mevrouw Uhlstra tegen haar schoonzoon niet. Die man -gaf haar meer soesah dan al haar kinderen saam. Zij had, nu, een hekel -aan hem, en Geber zag dat aan haar donker gezicht. - -„Hoe gaat het met je?” vroeg ze op een toon, die aan de woorden het -karakter gaf van een scherp verwijt; zij klonken als: Lammeling, er is -met jou ook altijd wat en nooit iets goeds. - -„Uitstekend!” zei hij met den spottenden glimlach, dien ze niet uit kon -staan; hij voelde heel goed wat er stak achter de belangstellende vraag -naar zijn gezondheid, en hij wou niet, dat ze er plezier van zou -hebben. - -„Uitstekend, maatje! Het is louter verbeelding, dat ik onwel zou zijn. -Ik ben nooit zoo gezond geweest.” - -Zij keek eens op naar zijn bleek en mager gezicht, dat zoo droevig in -tegenspraak was met zijn woorden, maar zij voelde geen kasian. Was dat -een schoonzoon! Nu gold het nog Roos alleen; maar als de andere meisjes -ook zulke laki’s moesten krijgen, zou zij voor de eer van het -schoonmoederschap, hoe ook gewenscht overigens, bedanken. - -„Roos,” zei ze, toen ze met haar dochter alleen zat in een der kamers, -„ik moet ernstig met je spreken, kind.” - -„Ja ma,” antwoordde Roos, die wist dat nu ook al wat achter de -geheimzinnigheid stak, royaal voor den dag zou komen. - -„Je vent is gek!” - -Een luide schaterlach, zooals in lang niet door het landhuis van -Koeningan had geklonken, vulde de kamer met zijn vroolijk geluid. Roos -schudde ervan, onrustbarend. - -„Die ma!” hikte zij er tusschen door, „die ma!” en dan barstte ze weêr -uit in lachen. „Je vent is gek!” En dat had ze gezegd met het leukste -gezicht! - -Maar mevrouw Uhlstra werd akelig van dat lachen. - -„Stil toch, Roos; niet lachen, ja! Het is betoel, betoel!” - -„Maar ma!” zei Roos nu een beetje verontwaardigd. „Hoe komt u eraan!” - -Zijzelf sloeg hem nooit gade in zijn doen en laten; overdag zag zij hem -weinig en lette zoo niet op hem, heelemaal bezig met de kleine, met -haar huishouden, met de huishoudelijke aangelegenheden van het land. -Reeds lang sliepen zij niet meer in dezelfde kamer, en zij, ’s nachts -in diepe rust, vermoeid van de beweging overdag, hoorde nooit iets van -hem, nadat zij, als het eten was afgeloopen, naar bed ging. - -„Het is gerust waar, Roos. Je moet hem laten bewaken, hoor! Hij loopt -met heel leelijke dingen in z’n hoofd.” - -„Hoe is ’t mogelijk! Ik geloof, dat de dingen die u in het hoofd hebt -vrij wat leelijker zijn.” - -„Soedah, als jij ’t niet gelooft. Maar ik zeg je dat het zoo is. Hij is -erg ziek in z’n hersens en als je niet oppast, dan maakt hij zich nog -kapot. Pa wou je dat van morgen komen zeggen, maar hij kon ’t niet over -zijn lippen krijgen. En hij weet het, ’t is betoel, betoel waar. Nou, -toen zei ik: dan moet ik Roos maar waarschuwen.” - -De jonge vrouw was nu ernstig geworden. Dus dat was het! Zij moest haar -man laten bewaken om hem te beletten de hand te slaan aan zijn leven! - -„Hoe weet u iets van hem! Hij heeft het toch niet beproefd.” - -Maar dáárover wou mama zich in ’t geheel niet uitlaten, en zij sprak -erover heen, betoogend, dat Uhlstra het had gezegd, en die er alles van -wist. - -Niet onverschillig, maar toch ook niet als iets verschrikkelijks nam -Roos het op; zij zou haar man door een ouden mandoor, die zoowat als -lijfknecht hem diende, in het oog laten houden; daar wist ze dus al -dadelijk raad op, en verder scheen ze òf niet onbepaald aan de -gegrondheid van het vermoeden te gelooven òf het gewicht der zaak niet -heelemaal te beseffen. - -Thuis vroeg den volgenden ochtend Uhlstra ongerust en medelijdend: - -„Leen, hoe was ze?” - -„Ja,” jokte zijn vrouw, de waarheid niet willende zeggen. „Dat kan je -je voorstellen; ze was verschrikkelijk bedroefd.” - -Geen twee dagen duurde het of Geber had begrepen wat er gebeurd was. -Zijn oude bediende deed zoo gek! zoo gek als ’n inlander doen kan in -zulke omstandigheden. Als Geber thuis was, en hij keek op, zag hij -altijd de oogen van den oude op zich gevestigd met ’n uitdrukking van -groote verbazing, en opvallend snel wegdraaiend; of het was Roos, die -hij betrapte op stille waarnemingen van zijn persoon. - -„Wat is het?” vroeg hij haar dan onvriendelijk. - -„Niets.” - -„Omdat je me zoo aanzag.” - -„Neen, er is niets.” - -Maar ’t was voor hem of ze het erop toelegden hun bedoeling aan den dag -te brengen. - -Niets gemakkelijker overigens dan zich zekerheid te verschaffen. - -„Zeg ouwe,” zei hij na ’n paar dagen tot zijn bediende. „Waarom loop je -me zoo overal na?” - -De man veinsde de grootste verwondering; zijn typisch gezicht van ouden -Javaan, die het levenslang goed heeft gehad, met ’n buikje van het luie -bestaan, en zakwangen onder de rimpelige oogomgeving, stond zoo -eenvoudig en onverstoorbaar, dat Geber, die toch den inlander goed -kende en hem gewoon was, er het hoofd over schudde. - -„Ik loop mijnheer niet na.” - -„Ouwe, ik ken je veel te goed en te lang; denk-je mij voor den gek te -houden?” - -Een oogenblik pikerde de inlander zonder antwoord. - -„Neen, niet waar?” ging Geber voort. „Er is je gelast op mij te letten; -toe te zien of ik ook iets aanving om me dood te maken. Wie heeft je -dat gelast?” - -„De njonja, mijnheer. Maar ik zal het niet doen, want mijnheer zal zich -immers niet dood maken, daar is mijnheer te rijk en te pinter voor.” - -Wat hij ervan weten wilde, wist hij nu. Clara had gepraat! De rest kon -hem niet schelen. Zij was de eenige, die hij verteld had welk een diep -ellendig bestaan hij ’t grootste deel van elk etmaal doorbracht,—en zij -had haar mond niet kunnen houden. Nauwelijks terug, had ze gebabbeld -met haar famielje. In dàt opzicht kon hij Roos niet vertrouwen en het -bleek nu, dat hij ’t zelfs háár niet kon. - -Ten slotte dacht hij, alleen in z’n kamer, was het alles ergerlijk en -verdrietig. Zeker, hij zou zich doodschieten,—dat stond al eenigen tijd -bij hem vast. Hij zag het einde van zijn leven zonder angst of schrik -te gemoet; ’t was integendeel of de gejaagdheid, het onrustig -zenuwachtige, dat voor en na zijn visioenen vergezelde, verdwenen waren -sedert hij zijn besluit had genomen. - -En nu kwamen die visioenen altijd weêr terug. Zoodra hij alleen was, en -’t werken hem niet langer inspande, scheen zijn geest zich van wat hem -omringde met geweld af te trekken naar het ééne altijd weêrkomende -begrip in beeld en kleuren, waarbij vergeleken de wereld en het leven -onbehaaglijke zwaardrukkende lasten waren; een verschil in schoonheid -en zuiverheid, in licht en fijnheid, als tusschen de witte vederwolkjes -in een zomerlucht voor het kinderoog, en de smerige stadsstegen op een -najaarsdag voor het oog van een hongerigen bedelaar. Neen,—hij trok er -tusschenuit, dat was al zoo goed als zeker geweest; nu Clara hem had -verraden, stond het onherroepelijk vast. En aan den eenen kant deed het -hem plezier. Was zij niet nog de eenige band? Zelfs voor zijn kind -gevoelde hij niets; hij hield over ’t algemeen niet van kinderen; ook -van kleine Lena had hij nooit meer notitie genomen, dan van haar -broertjes en zusjes; liefde voor kinderen was hem een onbekend gevoel, -dat hij hoogstens wel eens veinsde als het te pas kwam in de kraam van -het conventioneele leven. - -Nu was die laatste band verbroken: niets stond hem meer in den weg; -begrippen en beginselen waren voor de hardnekkige werking van het vaste -verhoogde denkbeeld bezweken; sympathieën waren niet sterk geweest; -verplichtingen, om den stand der fortuin, met een schokschouderen -teruggewezen,—alleen zijn bijzonder gevoel voor Clara had hem telkens -doen zwichten. ’t Was uit nu: Zij had getoond niet beter te zijn dan de -rest. Sexueel verlangen naar haar had hij toch niet gevoeld; dat was na -zijn terugkeer op Koeningan geheel vernietigd door de overspannen -werking zijner verbeelding in andere richting; zijn genegenheid in haar -soort was als gelouterd. Maar het was nu voorgoed weg, Goddank! - - - -Alles had hij klaargemaakt. - -Zijn brieven aan de kongsi met zijn afrekeningen, zijn calculaties en -mededeelingen; die aan Roos, eenvoudig met een los woord van -verontschuldiging, een verwijzing naar de fataliteit; aan zijn notaris -voor de regeling zijner zaken. - -Hij had dat alles geschreven en in orde gemaakt ’s avonds in zijn -kamer, bij ’t gezellig licht van de groote kantoorlamp boven de breede -ouderwetsche schrijftafel. Het was alles zoo rustig en stil! Er kwam -dan over hem een machtig gevoel van ontspanning en rust, alsof een -hand, die hem anders vast had, was opengegaan en, loslatend, hem een -gevoel schonk van heerlijke opluchting. - -Het oogenblik had hij vastgesteld. Roos zou bevallen van haar tweede -kind, het zou naar menschelijke berekening alles weêr goed gaan en -voorspoedig; haar moeder zou natuurlijk den eersten tijd het huishouden -komen „doen,” en dan zou een dag worden bepaald voor den terugkeer van -mevrouw Uhlstra; dan zou Roos beter zijn, en als die dag aanbrak, was -het de zijne. - - - - - - - - -EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -EEN TRAGISCH EINDE. - - -Het ging of hij ’s werelds beloop voor het bevelen had, precies zooals -hij ’t zich had voorgesteld. Er kwam een blond jongetje; het nam Roos -en haar moeder, uitgelaten daarover van vreugd, totaal in beslag. En -net zooals hij ’t had berekend, volgde vier weken later de bespreking -van den dag van terugkeer. De Uhlstra’s waren intusschen veelvuldig -gekomen, vader en kinderen; mevrouw Lugtens was ook geweest; zij en -Geber heel effen tegen elkaar. - -Men had het idee van zelfmoord glad vergeten. Uhlstra logeerde op -Koeningan, den dag vóór het naar huis gaan zijner vrouw, die hij -eigenlijk kwam halen. - -’s Avonds zat hij, terwijl de dames naar bed waren, onder ’n -brendy-soda met Geber in de voorgalerij na te praten, altijd maar door -over zaken, ’n gemoedelijken boom tot vrij laat; aan niets minder werd -gedacht dan aan akeligheid. - -Inwendig raakte Geber opgewonden; uiterlijk bleef hij kalm; de breede -vleezige bruine hand van Uhlstra had met een luid „slaap lekker!” -hartelijk en krachtig de zijne gedrukt. - -Goddank, dat die weg was! - -Niet, dat Geber iets te denken had,—enkel het alleen zijn trok hem. -Overigens deed hij, net als gewoonlijk, het licht uit in z’n kamer en -het nachtlichtje aan. Maar in dat schemeren lag hij wakker op zijn bed, -glimlachend vol verlangen tegen de voor zijn gesloten oogen oprijzende -phantasmagorie, schitterender, heerlijker dan ooit, en daarnaast in -onheilspellende disharmonie de droefgeestige tegenstelling der -vervelende onbeduidendheid en der duffe ellende van het werkelijke -leven. - -Tegen vier uren stond hij op, rustig en kalm. In huis was alles -doodstil. Zacht opende hij de kamerdeur en ging naar buiten; de maan -scheen verblindend helder, zoo scherp in witte tint gezet als bij -vriezend weêr in een noorschen winternacht. Toen hij in de badkamer -zijn bougie aanstak op het porseleinen blakertje, beefde zijn hand -niet; hij dacht er ook niet over, dat hij voor de laatste maal daar -was; hij dacht nergens over, handelend, met de groote rustige zekerheid -van een automaat. - -Zóó kwam hij ook weêr in zijn kamer en kleedde zich netjes, zorgvuldig; -terwijl hij anders liep op het land in een witten pantalon en een -kabaai, hoogstens een licht jasje,—deed hij nu een schoon overhemd aan -en ’n zwarte jas, met zorg den moeilijken strik leggend in zijn losse -das, als ging hij naar een partij. - -Hij lachte er niet bij, vond het geen gek idee op die wijze toilet te -maken onder zulke omstandigheden; hij ging er meê voort, ernstig en -netjes, correcter dan ooit zijn gewoonte was. - -De brieven en stukken lei hij op de tafel voor het venster, zóó dat ze -dadelijk in het oog vielen. - -Alles was nu klaar: hij zag de kamer rond bij het schijnsel van de -groote lamp, die hij had aangestoken. Er kwam geen seconde eenige -ontroering over hem; hij keek enkel als om zich te vergewissen, dat hij -niets had vergeten. Neen, niets! - -Uit een kastje haalde hij een fraai pistool met geïncrusteerd belegsel, -dat hij eens gekocht had voor veel geld, jaren geleden; al dikwijls had -hij het in den laatsten tijd onderzocht, maar hij keek het toch nog -eens na, en liet, voor hij ’t laadde, den haan werken, die zacht en -gemakkelijk overging; hij stak het pistool in den zak van zijn jas; -keek door zijn lorgnet nog even naar de adressen der brieven op de -tafel en ging heen, zachtjes op de teenen, om geen gerucht te maken bij -het loopen op de houten trappen langs het venster, waarachter Roos -sliep met de kleintjes. - - - -De wachter sloeg op ’t blok halfvijf. - -Vast schreed Geber voort over het pad door de rijstvelden; in de -bijzonder nette kleeding, de stijfheid van het boordje voelende sluiten -om zijn hals, liep hij, anders wat voorover gaand, rechtop nu met het -instinctmatig gevoel van een „gekleed” mensch. Zoo ging hij voort naar -het kleine bosch aan de rivier; hij zag het al in het maanlicht als een -donkere massa scherp afgeteekend tegen het lichtviolet in de lucht. De -zoetachtige geur van vergaand gebladerte dufte hem tegen uit de donker -beschaduwde laan. Maar hij wist wat hij deed. - -Hij had daar een breede bank laten timmeren, kort op de pooten, en die, -ongeverfd gebleven, grauwde reeds hem tegen in de verte door de -lichtplekjes, die tusschen de bladeren door op de nieuwe planken -vielen. - -Als legde hij zich voor een rustig slaapje neer, zoo voorzichtig -onderzoekend liet Geber zich achterover op de bank, zijn hoed hangend -aan een uitstekenden stijl, bang voor ’t vuil worden op den grond. En -bestudeerd draaide hij met zijn hoofd om ’t niet te veel naar achter in -te trekken, maar meer in de goede voorwaartsche richting. De -lichtkringetjes door het loover zwierven over hem, den schuin omhoog -stekenden blonden baard bij plekjes verguldend en glanzend over zijn -kaal hoofd. Hij meende nu goed te liggen en zette het pistool voor zijn -voorhoofd, stipt oplettend waar en hoe hij middenin de drukking voelde -van het koude o’tje van de tromp. - -Er kwam maar een doffe knal, die niet ver droeg; de arm sloeg neer -langs het lijf, dat even trok en toen heel stil lag; en de stukjes -licht uit het zacht bewogen loover zwierven nu over het stille bleeke -gezicht en over de bloeddroppels, die langzaam afvloeiden van zijn -hoofd, neerlekkend en kleurverspreidend op het grauw van ’t ongeverfde -hout. - - - -Men vermiste hem zoo gauw niet op Koeningan. - -Alleen aan het ontbijt vroeg Roos haar vader, die gekleed was om met -zijn vrouw naar huis te gaan: - -„Waar is Willem toch?” - -„Ik denk dat hij eerst is gaan kijken naar het werk.” - -Dat dachten zij ook; hij zou dat eerst gedaan hebben om op z’n gemak -nog ’n oogenblik voor het vertrek van z’n schoonouders met hen te -praten. - -„Het is toch vreemd, dat hij er nu nog niet is,” zei Uhlstra, een paar -uren later, terwijl bij hem het eerst een vermoeden oprees, dat hij -toen ook dadelijk in zijn binnenste tot een overtuigende waarheid -voelde groeien, die hem bleek deed worden van schrik. - -Op een antwoord wachtte hij nu niet, maar liep naar voren, waar reeds -lang zijn rijtuig stond te wachten en de koetsier de paarden nog een -stap of wat dichterbij bracht, denkend dat het oogenblik van afrijden -er was. - -Uhlstra riep den mandoor, den schrijver.... Zij wachtten allen op -orders; zij hadden den toean niet gezien. Roos en haar moeder waren hem -gevolgd, nu ook ineens ontsteld door Uhlstra. Zij zagen elkaar aan, -zwijgend bevend. - -„O God!” barstte Roos huilende uit. „Ma, hij heeft zich gezelfmoord. -Dat is verschrikkelijk!” - -Het hielp niet of haar moeder aanving tegen eigen overtuiging te -redeneeren. Roos herhaalde het telkens, snikkend en jammerend uit -momenteel naar verdriet, plotseling opgekomen met groote kracht. - -De kalme brieven in hun groote witte enveloppen op de tafel van zijn -schoonzoon joegen Uhlstra koude rillingen door het lijf; zijn dikke -handen grepen ernaar, ze dooreen schuivend van zwaar beven om dien te -grijpen aan zijn adres; hij kon het enveloppe niet open krijgen zoo -schudden hem zijn zenuwen, en hij scheurde daarbij den brief zelf haast -dwars doormidden. - -Er viel niet meer te twijfelen; dat werd ook niet meer gedaan. De -aanwijzingen waren duidelijk; men stond tegenover een ordelijk beraamd -en uitgevoerd plan. In den heeten zonnegloed sjokte Uhlstra zijn zware -gestalte over het wegje door de sawahs, met groote stappen, in zijn -zenuwachtigen, opgewonden toestand nu en dan het eene been struikelend -over het andere. Achter hem aan sukkeldraafden een half dozijn -inlanders, een baleh-baleh op de bloote schouders, aangevoerd door den -mandoor. Zij konden recht afgaan op het doel en vonden het lijk, -waarover, bij vele duizenden, de mieren zich repten. Het gezicht, -weinig veranderd, vaal en strak. En het was of de dood te zien wilde -geven, wat het leven zoo zorgvuldig had verborgen voor anderen; of hij -reden wilde toonen als een verontschuldiging: het wassig, smal, in -schaduw-zwart vervallend gezicht toonde een uitdrukking van -geesteslijden, van aberratie, die zelfs een zoo weinig scherpzinnig man -als Uhlstra overweldigend trof. - -Met zijn zijden foulard bevend voor den mond gedrukt, groote tranen -huilend om den vriend van zooveel jaren, stond hij, geleund op zijn -dikken rotting, bij het lijk, voor de bank, de inlanders achter hem, -aan den anderen kant der laan neergehurkt; de mandoor rechtop met een -meewarig kasian-gezicht, op zij uitkijkend. - -„Arme bliksem!” fluisterde Uhlstra bij zichzelven, het hoofd -herhaaldelijk schuddend, met slik op slik in zijn benauwde keel. Door -een ruk met het hoofd wenkte hij de mannen, die nu de baleh-baleh -plaatsten tegen de bank, en zijn rotting latende vallen op den grond, -boog Uhlstra zich, schoof voorzichtig zijn breede sterke armen onder -het lange magere lichaam en tilde het over, behoedzaam alsof hij een -kind behandelde. - -Thuis was alles in rep en roer. Het werk op de velden en in de stallen -was gestaakt; het gerucht liep ook hier als een aangestoken -kruitslangetje over het land; van alle kanten stroomde ’t volk toe, en -velen deed het leed, want Geber was altijd goed geweest voor de -menschen. - -Roos, heelemaal overstuur, en nu ineens bemeesterd door een gevoel van -liefde, dat in Geber’s leven nooit zoo voor hem had gesproken, stelde -zich aan als een wanhopige, jammerend bij ’t lijk, de haren loshangend, -bleek, handenwringend en met waanzinnig gepraat tegen het doode -lichaam, waarbij de basstem van Uhlstra goedig troostend en bedarend -doorkwam, tot haar moeder haar weghaalde eenigszins driftig en kortaf. -Er was geen tijd voor veel redeneeren, voor droefheid lang van stof; er -moest gehandeld worden. - -Van vele zijden kwam de belangstelling opdagen, zoo gauw de kortste -tijd voor mededeeling vereischt maar om was; en bij de begrafenis op ’t -land waren zooveel Europeanen, dat ieder voor zich er verbaasd over -stond. Het ging alles stil in ’t werk; geen redevoeringen; dat had -Geber in een zijner brieven verzocht. - - - -’s Avonds zaten ze met hun drieën in zijn kamer, Lugtens, Twissels en -Uhlstra, en ze vergeleken de becijferingen van Geber met die van ’t -handelshuis. - -Het klopte tennaastenbij; voor een losse berekening zelfs bijzonder; -zóó dat deze mannen erop tuurden met bewondering, niets kunnende -begrijpen van een dualistische hersenwerking, die vooroorlooft in het -een blijken te geven van geregeld verstand, en die in het andere -dwingend en onverbiddelijk leidt tot afdwaling en krankzinnige -miskenning van het leven. - -„Neen, dat maakt mij niemand wijs, hoor!” zei Lugtens apodictisch. -„Iemand, die zijn zaken zóó flink bijhoudt, heeft de vijf tot zijn -dispositie, en goed ook.” - -„Wis en waarachtig,” gaf Twissels toe, het kleine hoofd hoog -uitstekend, als ’n haan die kraaien wil. „Zijn boeltje is -voortreffelijk in orde.” - -„Het is onbegrijpelijk,” zuchtte Uhlstra. - -Toch was het zóó. Uhlstra had het gezien, dadelijk, toen hij ’t eerst -bij het lijk kwam, en in zijn ziel hield hij de overtuiging vast, -maar.... zijn hoofd twijfelde; wat hij gewoon was te beschouwen als -zijn „gezond verstand,” zei hem, dat de anderen gelijk hadden; wees -terug de mogelijkheid van een accurate plichtsvervulling in den arbeid -samengaand met welke soort verstandsverbijstering dan ook. - -Zij gisten nog wat. Uhlstra sprak van de erfelijkheid, en alsof dat de -meest gewone zaak was, iets dat binnen een eigen hekje stond, buiten -eenig verband met harmonische werking van den geest, werden ze het -daarover eens. Welzeker, het was erfelijk; het zat in de familie; -daartegen was niets te doen; het was een ander soort fatum, dat te -gelijk alles verklaarde en niets. Habis perkara! - -Zij hadden nu het aandeel van Geber vastgesteld in de gezamenlijke -winsten der kongsi; het was een mooie som; zonder iets erbij was Roos -een gefortuneerde vrouw; met haar eigen vermogen en Koeningan waren zij -en haar kinderen rijk. - -Ondeugend keken de scherpe oogen van Lugtens naar de wazige, vermoeide -trekken in het flets gezicht van Twissels. - -„Het is heel aardig,” zei hij, zijn barsche stem uitzettend, „heel -aardig voor den korten tijd. Maar de man is ter ziele, en voor zijn -weduwe is alles hiermeê uit.” - -Twissels trok de wenkbrauwen op en den mond samen, kopdraaiend, erg -ongerust, begrijpend waar dat heen moest. En hij durfde toch niet veel -te zeggen fatsoenshalve. - -„Met het overige erbij is het magnifique,” bracht hij toch, met zijn -stem tot in de hoogste tonen loopend, tusschenbeide. - -„Jawel! Maar met dat overige hebben wij nu niets te maken. Ik wou er -daarom, wat onze zaken aangaat, nog een ton opzetten.” - -De anderen zwegen. Twissels bleek, met een arme-zondaarsgezicht, -leelijk in het nauw, verlegen met de zaak; Uhlstra ook verlegen, zijn -baard met ijver wrijvend, zijn gewoon manuaal. - -„Wat zeg jij Uhlstra? Jij bent de oudste.” - -„Ik.... zie je.... natuurlijk heel graag. Maar zij is mijn dochter...” - -Lugtens veegde dat bezwaar weg, met een korte imperatieve handbeweging. - -„En jij Twissels?” - -Hij trok met neêrgeslagen oogen streepjes over ’n stuk papier, inwendig -landerig om de drieëndertig mille, die hem daar zoo onnoodig „door den -neus werden geboord,” en pijnlijk glimlachend zei hij: - -„Wel, als jullie het goedvindt.... dan natuurlijk..... vereenig ik me -ermeê.” - -De twee anderen keken elkaar eens aan. Lugtens met zijn dik, glanzend -gezicht vol plezier; ze verstonden die zinspeling op de kracht der -meerderheid, maar doodleuk lieten zij het erbij. - - - -’t Was van den kant van Roos: luid gekreten, ras vergeten, en overigens -ging het Geber als ieder ander wiens plaats open valt. Het hiaat werd -aangevuld. Men werd het erover eens, dat Roos niet op het land kon -blijven. ’t Ging haar zeer aan ’t hart; zij had eerst gedacht, er een -harer jongere broers op te nemen, en Uhlstra vond dat ook ’n idee. - -Maar: „Dank-je wel,” had ’t jonge mensch gezegd. „Ik wil bij vreemden -met plezier werken; de opziener van Roos te worden,—daar pas ik voor.” - -Ten slotte kocht Uhlstra van zijn dochter het land voor wat hij eens -geboden had aan Geber: ’n half millioen, en hij kwam met het geld in -den vorm van een wissel in z’n zak. Waarvoor zou hij het koopen op tijd -en rente betalen? ’t Behoefde immers niet. Nu kon zijn jongere editie -er vrij administrateur zijn. - -In de kongsi werd niemand meer genomen. Het drietal werkte buiten hun -gewone zaken met hun bijzondere stil voort, met de laatste nog meer -verdienend dan met de eerste. De eene werd afgesloten; een andere weêr -op touw gezet. De hulp van Markens bleef noodig, en zij waren royaal -tegenover hem, zoodat hij, ondanks alles, er zelfs in begon te slagen -iets over te houden. - - - -De snel wisselende indische maatschappij veranderde intusschen; er -gingen lieden heen met fortuin; daar kwamen er om te trachten het te -maken; uit de ambtelijke wereld togen zieken heen en kwamen gezonden -weêr; hield het eindeloos elkaar vervangen van gepensionneerden en -baren aan. Veel bleven er niet: de pechvogels en de slechten zakten af -naar de kampongs en de achterbuurten; de „niet-bepaald-boffers” bleven -op ’n zekere hoogte staan en konden niet vóór- en wilden niet -achteruit. - -Honderden malen werd in al die kringetjes met verwondering gevraagd: -waarom toch zulke menschen als Lugtens en Twissels niet naar Europa -gingen; zij waren immers zoo rijk! Van de Uhlstra’s kon men het -begrijpen, omdat ze allen zulke echt indische menschen waren. En de -ambtenaren hadden elk jaar meer ’t land over het aanblijven van -Markens, met zijn hooge lucratieve positie en zijn dubbel en dwars -verdiend pensioen. Waarom ging nu zoo’n man den dienst niet uit! - -Onder elkaâr spraken ze er ook wel eens over, en ze hadden met genoegen -’n jaartje „eruit” gegaan, als de drie particulieren niet van oordeel -geweest waren, dat zij te drukke en te mooie zaken deden, en het -„zonde” was die niet zelf te behandelen. Daar hadden ze zoo’n -liefhebberij in. Self-made-men als zij waren, hadden zij den arbeid -hard aangegrepen, en nu zij zich er bovenop gewerkt hadden, hield hen -de arbeid vast; konden zij zich er niet meer van losmaken. - -En Markens dacht, dat wie opstaat zijn plaats kwijt is. Nu, na zooveel -jaren dienst, nu eerst begon hij wat geld te krijgen; en dat monterde -hem zoo op bij zijn veelvuldig huiselijk verdriet! Want de berichten -uit Holland over zijn jongens waren heel ongunstig; het kostte al zijn -invloed en de grootste moeite voor zijn gemachtigde om ze niet van de -eene school vóór, de andere ná te zien wegzenden. Wat hij met zijn twee -zonen moest aanvangen,—als hij daaraan dacht.... neen, men zou hem niet -zoo gemakkelijk uit den dienst krijgen! - -„Waarom zouden we naar Europa gaan?” vroeg Lugtens, toen Clara, die er -wel zin in had, hem vertelde, hoe onder dames het idee haar was -aangepraat. „We krijgen hier immers net zoo goed alles. ’t Duurt wat -langer, dat is het eenige. We krijgen nu ook ’t spoor!” - -Hij moest erom lachen! Als dat spoor ooit opbracht, aan de -aandeelhouders, wat het voor de kongsi had opgeleverd, dan waren ze wèl -af! - -„We zullen ’n groot feest vieren bij de opening.” - -„Nu ja, ’n heerenfeest.” - -„Voor jullie ook. En dan heb ik nog een plan. Zoo’n openingsfeest is -goed en wel,—maar toch ’n beetje te veel voor Jan-en-alleman.” - -„Wat wou-je dan?” - -„We moeten een extra trein laten loopen. Ik zal een buitenpartij -organiseeren, zooals er nog nooit een in Indië is vertoond.” - -Het denkbeeld vervulde hem; ’t was zoo vorstelijk, zoo echt -grootscheeps, vond hij, en Clara lachte die partij ook toe; niet om -dien trein, maar omdat ze erg in haar nadeel was veranderd na Geber’s -dood, dien ze zich echter minder had aangetrokken op zichzelf, -overtuigd, dat de zelfmoord den een of anderen dag gebeuren moest en -zou. Nu hij dood was, scheen een band te zijn losgeraakt, dien ze -vroeger nooit had gevoeld, en die toch moest bestaan hebben; zij was -minziek geworden in den meest gewonen zin. Reeds was zij op een -leeftijd, dat veel moest verborgen worden door de hulpmiddelen van het -toilet; zij deed dat met tact en overleg, en zij wist zich zóó te -vertoonen, dat zij voor een man ’n aangename verschijning was. En -dáárop werkte zij nu, zonder veel terughouding. - -Het al bekende plan wierp voor velen als een schaduw over het algemeene -feest der spoorwegopening. Zouden zij gevraagd worden op de groote -buitenpartij waarheen ’n extra trein zou rijden? Menigeen dacht bedrukt -aan een mogelijk voorbijgaan. Ze waren zóó ontzaglijk hoog en rijk, die -menschen! Daar kon niemand eigenlijk bij. - -En toen de groote dag kwam, stond voor het perron van het nieuwe -spoorwegstation des ochtends de eerste extra trein op de jonge lijn, in -de groen en bruin glanzende nieuwheid zijner personenwagens; de -locomotief, zachtjes stoom opmakend, in zwarte deftigheid met als goud -schitterend kopermontuur ervoor; onder de vroolijk grijsgele marquise -met zonnestraaltjes lichtend door haar ijzeren lofwerk omhoog, hing de -verflucht van het nieuwe, en alles zag eruit frisch, net, vriendelijk, -als pas uit een reuzenspeelgoeddoos gehaald en met zorg opgezet. - -De gasten, al opgewonden, in helder wit gekleed meest, met ’t kleurig -rood en blauw ertusschen van de linten en strikken der dames, stapten -de treden op der wagens. De voorste eerste-klas-coupé werd ingenomen -door Markens, Lugtens, Twissels en Uhlstra en hun drie dames; zij -zaten, nu, tegenover de kijkende smalle gemeente van op het perron -achtergebleven klerken en beambten, die rondslenterend of bij elkaar -staande ’n sigaar rookten,—in deftige ongenaakbaarheid, als ’n -eigenlijk afzonderlijke soort menschen, ver boven de rest. - -Zij hadden zich nog nooit zoo gevoeld als in dien coupé van den extra -trein; nog nooit, scheen het hun toe, had de glorie van hun fortuin zóó -geschitterd, waren zij zóó geweest on the top of the tree. En toen de -stoomfluit de bel beantwoordde, en de trein wegtrok onder de schaduw -uit in de zon op de lange ijzeren baan, keken de achterblijvers de -reizigers na met afgunst en bewondering. Wat waren, dachten ze, die -menschen toch rijk en gelukkig! - - - - - - - - -TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -DE PSEUDO-PRINS VAN JAVA. - - -Het was een mooie langzaam vallende zomeravond, en ’t wemelde van -bezoekers op het plein voor de Kurzaal te Wiesbaden. In het wijkend -licht schitterden de myriaden uiteenspattende droppels der -reuzenfonteinen in den grooten vijver; zacht teekenden zich op den van -hoog geboomte donkeren achtergrond de strenge witte lijnen der kolommen -en de scherpe omtrekken van het frontespice. Onder de hooge zware -bladerkronen van het park wandelde een menigte onverschillig dooreen, -gekomen uit alle windstreken, van allen rang, stand, ras en natie. Hier -en daar ving het pas ontstoken licht eener lantaarn aan den -natuurlijken overgang te breken en zag er nog geel en onfrisch uit, -ontijdig geboren. In de drukte der vele menschen werd op dat alles niet -gelet; men kwam om te ondergaan, niet om zich rekenschap te geven. - -Men kwam óók wel om te genieten, maar niet zóó; niet van -lichtschakeering, kleurenwisseling of perspectief, dat was zoo mal! -Plezier kwam men maken; materieel genot zoeken, door wat het lichaam -in- en het lichaam uitgaat; in wat het lichaam en aan wat het om heeft; -in een dronkenmakende vermoeienis naast een onovertroffen luiheid,—in -wat men uitspanning noemt en dat inspanning is. - -Het hinderde de drie jonge mannen niet, die, niet luidruchtig als -boemelende studenten, doch met iets indolents in hun langzamen stap, -tusschen de badgasten doorgingen; zij deden niettemin ook mee, het -hardst van allen, aan de vermaken, die ze onbeduidend vonden, reeds -half geblaseerd op deze kunstreis, komend van Londen en Parijs, gaande -naar Weenen, en steeds erop uit zooveel geld mogelijk zoek te maken. - -En zij trokken de aandacht. - -Elken dag zagen de badgasten hen op de wandeling, den een, reeds lang -heelemaal ’n man, met ’n bruin gezicht, goedig, vroolijk, uit groote -zwarte oogen familiaar rondkijkend, breed en sterk gebouwd, met -donkeren baard, te mooi gekleed door profusie van kostbaarheden, in het -midden; aan weerskanten twee slanke blonde jongelui, elegant gekleed, -aristocratisch van profiel door zuiver besneden buitenlijnen, afgeleefd -en ploertig van wezen in trekken vol gemeenheid. - -„Het begint hier saai te worden,” zei Freddy Markens geeuwend, zonder -ook maar ’n poging om zijn verveling te verbergen. - -„Och, ’t gaat nogal,” antwoordde Henri Uhlstra ook nu weer met -welbehagen rondkijkend. „’t Is hier verduiveld lekker.” - -„Nu,” ging op zijn beurt Eddy voort, luid sprekend en in ’t Fransch, -„als het Uw Hoogheid hier bevalt, is niets ons aangenamer.” - -Zij konden zich haast niet goedhouden van bedwongen lachen! Het was een -formidabele ui, vonden ze, en dat de vlieger zoo voortreffelijk opging -was buitengewoon amusant. Henri liet het zich welgevallen, had er zelfs -in stilte enorm veel genot van. - -Toen zijn vader gestorven was, had hij met zijn broer samen Tji-Ori -gekocht uit den boedel en Koeningan erbij. - -Daar had hij geld voor moeten opnemen en dat ging ook best; men bood ’t -hem aan, men zou als ’t ware gevochten hebben om het voorrecht op die -vrije en mooie groote landen geld te mogen geven als hypotheek. - -Hij bleef zelf met zijn broer ’t beheer voeren, en ze werkten hard aan, -jaar in, jaar uit, strikt betalend op tijd rente en aflossingen. - -Maar als hij op ’t kantoor kwam, was het altijd ’t zelfde: een der -beide chefs was òf naar Europa, òf kwam er vandaan, òf stond op het -punt er heen te gaan. En men sprak hem ook telkens daarover. Waarom zou -hij niet? - -Hij overlegde het eens met zijn vrouw, die druk in de kleine en -grootere kinderen zat en er voor haarzelf niet aan dacht op reis te -gaan. Doch wat Henri betrof,—nu, dat mocht wel, vond ze, in het -aangename vooruitzicht, net als haar schoonzuster Roos vroeger, ook op -Tji-Ori te kunnen heerschen meer dan nu. - -Toen hij ’t Markens vertelde, die toch wel had moeten eindigen met -pensioen te vragen, maar zeer net woonde en er goed van leven kon, dank -zij de financieele verbeteringen in de laatste jaren van zijn dienst, -kreeg hij dadelijk het adres mee van Eddy en Freddy, en een ongelukkig -toeval wilde, dat hij in Holland deze jongelui ook dadelijk bezocht. -Hij vond hen in moeielijke omstandigheden, pas afgewezen na een examen, -zonder geld, berooid, zich beklagend dat hun vader in ’t geheel niet -antwoordde op hun brieven, en zelfs die aan hun moeder onderschepte en -terughield. - -Goedhartig, royaal, de waarde van het geld niet kennend, rijk, en zich -onbeholpen en niet op z’n plaats voelend in de groote beweging van het -europeesche leven, kreeg Henri Uhlstra ineens ’n gedachte. - -„Weet je wat,” zei hij. „Ga met mij mee ’n reisje door Europa doen.” - -„Je hebt mooi praten,” zei Eddy schamper met een duim- en -vingerbeweging, die koerang oewang aanduidde. - -„Never mind,” blufte de andere, „wat het kost, betaal ik.” - -De twee keken elkaar eens aan. ’t Was om gek te worden van de jool, -vonden ze zoo’n vette gans, zichzelf aanbiedend om geplukt te worden. -En in elkaars oogen lazen ze de belofte, dat ze die welgevulde -portefeuille secuur à faire zouden nemen. - -„Het zou waarlijk te onbescheiden zijn,” merkte Freddy schijnbaar -verlegen op. - -Maar zoo onbescheiden het dan was,—ze gingen mee op de reis door -Europa. Reeds te Parijs, waarheen men natuurlijk het eerst trok, vonden -ze de aardigheid uit, dat Henri Uhlstra zou doorgaan voor een incognito -reizenden oosterschen prins; Freddy en Eddy voor zijn secretarissen. En -het publiek in hotels en op openbare plaatsen geloofde het dadelijk, -niet enkel door ’t bruine gezicht van den „prins,” maar ook door zijn -veel en blank geld. Voor Henri Uhlstra was het om gek te worden van -ijdelheid; soms wist hij na een nacht van dolle pret bijna niet meer of -het slechts een dwaze vertooning was of werkelijkheid. Overal, heel -Europa door, werd hij met den grootsten eerbied bejegend; voor den -prins van Java ontblootten de autoriteiten in Duitschland, in -Frankrijk, in Italië eerbiedig het hoofd, diep en reverentelijk buigend -met geheimzinnige gezichten van: we weten wel, dat je een vorst bent, -maar we doen maar, om u te believen, alsof ons dat niet bekend is. - -Onder hun drieën lachten zij erom, maar Henri, totnogtoe een eenvoudige -goede indische jongen, was er voor altijd bedorven door: hij had in -zijn bewegingen een gemanireerde voornaamheid gekregen, die inderdaad -aan oostersche vorsten deed denken, en voor zichzelf kreeg hij -zoetjes-aan de overtuiging, dat hij eigenlijk behoorde te zijn, wat hij -nu slechts voor de grap scheen te wezen. - -Al doende trok hij maar wissels, de een voor, de andere na, tot hij op -een goeden dag, te midden van het vroolijkste leven te Weenen, per -telegram werd opgeroepen naar huis. Een zijner kinderen was gestorven, -en zijn goede hart sprak. Hij wou niet huilen, maar als het ook maar -eenigszins overeen was te brengen geweest met de positie van een -oosterschen prins, zou hij gehuild hebben. In elk geval moest hij -dadelijk naar huis. - -Toen zij te Amsterdam terugkwamen, hadden zij geen verdere plannen -gevormd. Freddy vond een brief van zijn vader, Markens, zeer -teleurgesteld over het mislukt examen, maar alweêr half verzoend door -het samen reizen met Uhlstra voor diens rekening. Och, tegen dit -laatste had hij geen bezwaar. Waar was ’n particulier eigenlijk anders -goed voor? Nu, vond hij, moesten ze in godsnaam maar naar Indië komen. -Dáár zou hij wel probeeren „iets” voor hen te vinden; en hij zond het -geld voor hun overtocht erbij. - -Zoo reisden ze terug, onbezorgd, vroolijk, ’n beetje laag neerziend op -de „baren,” die na hard gewerkt te hebben, ook na examens, een -benoeming hadden gekregen of in ’t particuliere een overeenkomst hadden -aangegaan, en die nu vol hoop op de toekomst naar het oosten trokken. - -„We gaan toch niet onder slechte conditiën,” zei Eddy een der eerste -avonden aan boord tegen zijn broer. Zij hadden samen een hut en op den -rand der couchette, bij het flauwe schijnsel van ’n halflicht, spraken -ze zacht, wetend hoe gehoorig het is aan boord. - -„Dat zal waar zijn! Maar nooit iets zeggen hoor! Aan pa ook niet.” - -„Hoeveel is het bij mekaar?” - -„Tweeëntwintig mille.” - -Eddy schudde met ’n bedenkelijk gezicht, de wenkbrauwen en de onderlip -omhoog, langzaam het hoofd. - -„’t Valt me niet mee. Als ik de kas had gehouden, zou het meer zijn -geweest.” - -„Zanik niet. Er zijn zoo eeuwig veel duiten stukgeslagen.” - -„Juist dáárom, Fred. ’t Had het dubbele kunnen zijn. Aan elf duizend -pop heb ik niks. Jij zou daar ook niks aan hebben.” - -„Zou.... zou.... Je denkt toch zeker niet, dat ik je te kort doe?” - -Eddy antwoordde niet. Hij dacht het wel, maar wat zou het helpen er -ruzie om te maken. - -„Als het waar was,” zei hij, „zou het een smerige streek van je zijn.” - -De andere zwoer de duurste eeden, dat hij „eerlijk” had gezegd, wat hij -„getikt” had, terwijl hij op reis de administratie voor Uhlstra voerde. -Doch hoe plechtiger hij dat bezwoer, met het overtuigendste accent der -waarheid in z’n stem, des te vaster werd Eddy’s overtuiging, dat zijn -broer hem gruwelijk had „bestolen.” En dat had hij ook. - -Aan boord was door ’t beleid der jongelui Markens het effect juist -anders dan ’t aan den wal was geweest. Henri dacht, naarmate de stoomer -grooter mijlencijfer achter ’t roer kreeg, meer aan zijn huisgezin en -zijn zaken. Freddy en Eddy bluften op het geld, dat „pa” hun gezonden -had en telkens offreerden ze met zeker vertoon ’n glas champagne aan -Uhlstra, die zelf daar niet op lette, maar van wien vreemden aan boord -allicht konden denken, dat hij klapliep. - -Op het kantoor in Indië ontving men hem gemoedelijk. ’t Was heel -vriendelijk en vriendschappelijk, maar toch lang niet het enthousiasme -van vroeger. - -„Je bent me daar even aan ’t pierewaaien geweest!” was na de begroeting -de eerste opmerking. - -„Ja,” zei Uhlstra losjes. „Ik heb aardig geld verteerd, geloof ik.” - -Ze knikten toestemmend, maar als menschen die een feit erkennen, -waarover ze verstomd staan. - -Eindelijk zei er een: - -„’t Gezamenlijk bedrag, waarover je hebt gedisponeerd, loopt naar de -twee ton.” - -Daar schrok Henri van. Hij had het montant zijner chèques al reizende -niet precies opgeteld, en het aan boord uitgesteld, bang voor de -waarheid. - -En toch had hij het geweten; was het als had een andere mensch in hem -er nota van gehouden en het opgeteld. Dat het twee ton of daaromtrent -wezen zou, had hij aanhoudend gevreesd met een vage hoop op meevallen -en hij schrikte eigenlijk van niets anders, dan van een hem zoo goed -als bekend schuldcijfer. - -„Enfin,” zei hij, „ik heb er pleizier van gehad. We zullen ’t wel weer -bijwerken.” - -„Is het waar, dat je gereisd hebt met die zoons van Markens?” - -„Ja; ze zijn met me mee geweest.” - -„En heb je gefigureerd voor een oosterschen prins?” - -Verlegen bloosde hij zwart. - -„Hoe weten jullie dat?” - -„God,” zeiden ze spotlachend, „dat weet hier iedereen.” - -Henri Uhlstra keek er gek van op. Dáár had hij nooit aan gedacht! Hoe -kwam men in Indië toch zoo onaangenaam op de hoogte van wat in Europa -met indische menschen voorvalt; van hun doen en laten? - -„Och!” zei hij met ’n kort lachje. „Het is ’n enkele maal gebeurd voor -de grap.” - -„Nu,” hernam een der kantoorheeren, „men vertelt dat hier anders. -Jullie moeten maanden achtereen formeel zoo gereisd hebben.” - -„Overdrijving,” jokte Uhlstra. „Er is niets van aan. Ik zeg je: het was -voor de aardigheid. ’n Enkele maal.... ik weet niet eens meer waar.” - -„Je kunt niet begrijpen, hoe ze daar hier om hebben gelachen! Als ze in -de soes over je spraken, dan heette je altijd den zwarten prins!” - -Met een onverschillig gezicht trok Uhlstra de wenkbrauwen en schouders -op, willend te kennen geven, dat hem al die praatjes onverschillig -waren. Maar inwendig was hij diep beschaamd, kreeg in zijn for -intérieur meer en meer een gevoel de overhand dat hij zich voor niemand -meer durfde vertoonen. - -„Nou, en dan te Weenen,” vervolgde een der anderen onverbiddelijk. - -„Wat te Weenen,” vroeg Uhlstra. - -„Houd je maar niet van de dommen. Het is wel wat erg geweest voor.... -een getrouwd man.” - -„Maar dat is bespottelijk! Er is te Weenen niets gebeurd, dan waarvoor, -voor den donder! iedereen toch naar Europa gaat: concerten, musea, -opera’s....” - -„Jawel, maar balletdanseressen, die men appartementen meubelt en -equipage geeft, behooren niet noodwendig op het program.” - -„Heb ik....?” - -„Wees niet kinderachtig! Dat je ’n onnoozel gezicht trekt straks bij je -vrouw op Tji-Ori is tot daartoe; hier behoef je je niet te geneeren.” - -„Integendeel,” voegde er een ander bij. „We zouden er heel graag iets -van hooren. Kom, Uhlstra, wees nu niet zoo beroerd gesloten. Als men -zooveel geld heeft verteerd en zoo’n pret heeft gemaakt, mag men ’n -ander wel ’t verhaal gunnen.” - -„Maar ik bezweer jullie, dat die balletdanseres ’n puur verzinsel is.” - -Zij lachten hem uit in z’n gezicht, met onderlinge blikken van slimme -verstandhouding; gezichten, waarop hij kon lezen, dat ze hem nu -eigenlijk slimmer vonden, dan zij ooit gedacht hadden, dat hij wezen -zou. - -„Het is natuurlijk best te begrijpen, dat je er in ’t publiek niet voor -wilt uitkomen.” - -Henri zuchtte erom, den linkerarm opheffend in een gebaar van verzet, -dat door de anderen rustig werd afgeweerd. - -„’t Is ook wel ’n beetje kras,” ging de ander voort. „Iedereen ziet wel -in, dat men niet op zoo’n vorstelijke manier door Europa reist, nog wel -als een oostersche prins, zonder.... enfin.... we begrijpen elkaar.” - -„Nou soedah!” riep Henri boos. - -„Goed, daar weten we alles van. Maar je zoo te afficheeren.... Zie je, -men moet toch een beetje denken om z’n positie. En dan zoo in ’t -openbaar een balletdanseres.... ’t Is niet om aanmerkingen te maken, -maar ik vermeen toch, dat het.... verkeerd van je is geweest.” - -Doch de nieuwsgierige onder de kantoorlui voegde erbij: - -„In elk geval: het is zoo het is, en je kondt nu ook wel eens gezellige -bijzonderheden erover loslaten.” - -Doch Henri Uhlstra kon dat niet, want het was inderdaad niet waar. Hij -beproefde nog hun dit aan het verstand te brengen, maar vruchteloos; -zij lieten zich die balletdanseres niet uit het hoofd praten. Ten -slotte vertelde hij hun enkele zijner ervaringen, die ze gretig -opvingen. - -„En hoe is het nu hier gegaan?” vroeg hij. - -Zij keken elkaar eens aan. - -„Och.... goed. Je weet wat we je geschreven hebben.” - -De waarheid was, dat Henri Uhlstra het niet wist; een trommel in een -zijner koffers was vol allerlei half gelezen, even ingekeken, zelfs -geheel ongeopende brieven; zaken had hij zich op reis niet willen -aantrekken, en voor een indischen landheer zijn tien van de twaalf -brieven „der” firma altijd minder aangenaam. - -„Dat is te zeggen, ik kan natuurlijk alleen oordeelen over wat ik heb -ontvangen.” - -’t Was, vonden ze, waar, en zij erkenden dat duidelijk, tot vreugde van -Henri, die in geen geval voor zijn onverschilligheid en gebrek aan -belangstelling kon uitkomen. - -In het kopieboek werden de brieven opgeslagen en gelezen, het groote -feit, dat hem in ’t gezicht vloog, was: zijn broer niet meer op het -land, administrateur een vreemde; rente en aflossing niet op tijd -betaald.... Verslagen en telkens ’t hoofd schuddend keek hij op de -ritselende velletjes vloeipapier met de flauw overgedrukte letters van -een loopende koopmanshand. Zijn pleizierreisje begon hem nu te wegen -als lood en nadat hij zijn folio had gezien in de boeken, ging hij heen -met een bezwaard gemoed, het gevoel van een misdadiger, heel anders dan -hij was gekomen: le coeur léger, met de enkele gedachte: wij zullen het -wel bijwerken. Zijn goederen had hij vooruitgezonden; er waren koffers -bij vol kostbare geschenken, voor Lize, zijn vrouw. Hij had zich véél -van haar vreugde en verrassing voorgesteld, maar dat was tamelijk wel -habis nu. Wat moest hij doen? Dien vreemden administrateur kon hij toch -niet houden, de eerste in hun zaken en niet van de Uhlstra’s! En den -man wegjagen, die er gekomen was door „de” firma, ’t ging toch ook -niet. - -Zoo reed hij den weg op, mismoedig, niet wetend hoe hij uit dat alles -zou geraken, op welke wijze de knoop moest worden doorgehakt. Hij dacht -aan zijn vader; dien braven, soliden man. Maar die had ook z’n land -niet onder ander dan eigen persoonlijk beheer gelaten, zoolang het zijn -bezitting was! - - - -Zoo, in zijn bendy eenigszins voorover gebogen, zat hij onaangenaam te -pikeren in de randschaduw van zijn witten hoed, met de teugels los, het -paard in een lam gangetje; geen schijn van een oosterschen prins! Al -wat hij om zich heen zag, kende hij door en door, maar toch was ’t hem -vreemd geworden; de lange stoffige weg vooruit keek hem aan alsof ze in -vele jaren elkander niet gezien hadden, en de gamelang, die hij hoorde -bij ’t naderen der grenzen van zijn land, waar hij feestelijk werd -ingehaald, deed hem zuchten; de „schöne blaue Donau” klonk toch heel -anders! - - - - - - - - -DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -MIJNHEER HUNZMAN. - - -Henri Uhlstra hield zich goed tegenover Lize, die, zeer bewogen, hem -schreiend verwelkomde. Maar van zijn familie was niemand op het land, -en dat trof hem diep. Niet zeer vriendschappelijk bekeek hij den -administrateur, een rustig man met ’n glad geschoren gezicht en ’n bril -op z’n scherpen neus, geen man om te wantrouwen, maar ook geen om bij -voorkeur onaangenaamheden mee te zoeken; een imponeerende kalmte. - -„Dat is mijnheer Hunzman, die in de plaats van je broer is gekomen,” -dus stelde Lize hem voor. - -En meneer Hunzman maakte het kort en duidelijk. - -„Het zal u wel eenigszins vreemd zijn, meneer Uhlstra,” zei hij, „mij -hier aan het werk te vinden.” - -„Ja.... ik kan ’t niet ontkennen. Papa en ik hebben ’t altijd zelf -gedaan.” - -„Welnu, dat kan weer heel gemakkelijk, wat u betreft. Ik heb de -betrekking van administrateur alleen aangenomen op de voorwaarde, dat -als het na uw terugkomst raadzamer schijnt, wij dadelijk van elkaâr af -kunnen.” - -„Heeft men die voorwaarde gesteld?” - -„Pardon, die heb ik gesteld.” - -Verwonderd keek Uhlstra zijn vrouw aan. Tegenover die rustige -zelfstandigheid, die onafhankelijkheid van positie, dat volslagen gemis -aan onderdanigheid, kwam zijn oostersch gemoed in stillen opstand, hij -voelde dat hij nu reeds den toestand niet meer meester was, en dat hij, -met Hunzman tot administrateur, volstrekt niets meer zou te zeggen -hebben, dan wat recht en billijk was. Hij zou dan ’n landheer zijn, -beperkt in zijn vrijheid door allerlei onderhandsche bepalingen niet -alleen, niet enkel bovendien door zijn geldschieters, maar ook door -zijn eigen personeel op het land! En op ’t gezicht van Lize las hij de -bezorgdheid, de vrees, dat het tot een conflict zou komen en Hunzman -zou heengaan. Dàt verdroeg hij niet. Nooit! - -„Wel, dat is heel verstandig,” antwoordde hij. „Er kunnen ook hier geen -twee koetsiers zitten op één bok.” - -„Dat begreep ik dadelijk. Men zei mij, dat de positie van u als -eigenaar en van mij als beheerder wel te regelen was, maar ik begreep, -dat ’t niet gaan zou.” - -Het kwam er alles uit als een manlijk woord, volkomen goed overdacht, -zonder de minste agitatie, onbevreesd, doch beleefd van toon. Juist dit -wond Henri meer en meer op. - -„Wij zullen dan vanavond daarover wel verder spreken, als u wilt,” zei -hij onvriendelijk en uit de hoogte. - -„Ik ben geheel tot uw dienst.” - - - -Toen Uhlstra en Lize binnen waren met de kinderen, gingen ze er eerst -maar niet op door. Hij meende, dat het zou lijken op gebrek aan -hartelijkheid; het lag hem echter op de tong, en toen hij zag, dat zijn -vrouw ’t huilen nader stond dan het lachen, hield hij het niet langer -uit. - -„Hoe ben je er toch toe gekomen standjes met Piet te maken!” riep hij -uit, doelende op zijn jongeren broer, dien hij destijds met de -administratie had belast. - -Zij stond zeer ontroerd tegenover hem, maar zei niets. - -„Hij was toch van alles goed op de hoogte en werkzaam; kon je dus geen -vrede met hem houden? Waarom moet ik hier zoo’n vreemden onaangenamen -vent in onze zaken vinden, die me ontvangt op ’n manier of hij hier -baas en meester is.” - -„Piet kon niet blijven!” - -„Waarom dan niet?” - -„O, Henri, hij is een gemeene kerel! En hij heeft hier geleefd.... Je -moest alles eens weten!” - -Met groote oogen keek hij haar aan. Wat zou hij over zijn broer hooren? -Had die den boel bestolen? - -„Het zal wel overdreven wezen. Ik begrijp dat heel goed: jij hebt voor -administrateur willen spelen op je eigen gelegenheid.” - -„Daarover was het niet. In het eerst hebben we daar ook wel over -gekibbeld en onaangenaamheden gehad, maar dat ging later goed; hij deed -zijn eigen werk op ’t land en het kantoor zooals hij wou.” - -„Zeg het dan ineens!” riep Henri bij zijn eerste idee blijvend. „Heeft -hij gestolen?” - -„Gestolen? Wat gestolen! Neen, dat heeft hij niet. Maar op een avond, -dat hij met de boeken bij me zat....” - -Het zweet begon ineens op te parelen over Henri’s voorhoofd; angstig -weken zijn trekken naar achteren in zijn gezicht; nu begon hij te -begrijpen. - -„Gévédé!” zei hij met ’n bevende stem: „Ga voort, asjeblieft.” - -„Toen pakte hij me ineens om mijn schouders en begon zoo gek te doen, -en.... met allerlei malle praatjes...” - -Zij zweeg een oogenblik, en hij ook, vóór zich kijkend grimmig en -moorddadig. - -„Ik heb hem natuurlijk weggestuurd, ja?” - -Maar Henri keek haar wantrouwend aan. - -„Och kom!” zei hij met ’n grijns, en met ruwen spot de woorden stootend -achter uit z’n keel. - -„Van dien dag was het niet uit te houden. Als hij mij maar zag, wou hij -me altijd beetpakken....” - -„En hoelang heb je dat wel toegelaten?” - -„Toegelaten niet, maar hij deed het toch.” - -„En jij vond het wel aardig, hè?” - -Zij zag met innig genoegen, dat hij langzaam aan als ’t ware dol werd -van jaloerschheid. In een oogopslag, toen hij terugkwam, had ze gezien -hoe diep herinneringen aan in Europa gesmaakte genoegens hem in den -geest staken, als doornen in het vleesch. - -„Natuurlijk vond ik het niet aardig, maar wat moest ik er tegen doen? -Ik kon toch niet met hem gaan vechten!” - -„Je hadt den gemeenen gladakker dadelijk weg moeten jagen als ’n hond.” - -„En wat dan?” - -„Het komt er niet opaan. ’t Is.... ’t is.... ik weet niet wat,” -stotterde hij, geen woorden vindend, half stikkend van kwaadaardigheid, -„maar je hadt den sm.... O, ik zal hem....” - -„Ik heb hem immers ook weggejaagd, zooals je me daar net hebt verweten. -Het werd zóó erg.... ik kon voor niets meer instaan.... ik was toch ook -slechts ’n vrouw alleen, en.... jij waart er niet; al zoo lang niet!” - -„Van zijn famielje moet men het toch maar hebben,” zei Henri, zonder te -repliceeren op de twee verwijten. „Maar ik...” - -„Het beste is nergens over te spreken. Piet is naar Oost-Java als -onderadministrateur op een koffieland, dat hij naderhand denkt te -koopen. Je zult hem niet ontmoeten.” - -„’t Is zijn geluk?” - -En ineens, nu, buitengewoon brani somde hij, zijn hart ontlastend, al -de gewelddadigheden op, waarmede hij Piet voor diens wangedrag zou -straffen. - -Ernstig en kalm zat hij ’s avonds met Hunzman op het kantoor, en hij -moest bekennen, dat de administratie in orde was; maar in orde zóó als -hij ’t nooit had beleefd! - -De scène met Lize, haar verhaal van de aanvallen, die ze zoo glansrijk, -zij het dan ook door meer passieven dan actieven weêrstand, had -doorstaan,—dat alles gepaard aan de opwekkende kracht der lange -zeereis, hadden dien dag een groote passie bij hem opgewekt; hem zoo -verliefd op zijn vrouw doen worden, als hij zich eigenlijk niet -herinnerde vroeger ooit te zijn geweest. - -Zij had hem dien middag nog eens met woorden gezegd, wat hij nu zag met -eigen oogen; zij had hem aangeraden „het” met Hunzman bij te leggen, en -nu hij alles had nagegaan, voelde hij spijt over zijn aanstellerij van -dien ochtend, te grooter wijl de stand van zaken door zijn eigen -toedoen minder gunstig was. Hunzman had de boeken afgesloten, den dag -waarop hij de administratie van Piet had overgenomen. Die had een -treurig boeltje nagelaten! En weêr kwam Henri terug op z’n eerste idee: -hij was bestolen door zijn broer! - -„U hebt zeker dit een en ander ook wel eens bekeken?” vroeg Henri, -doelende op het beheer van Piet. - -Hunzman knikte langzaam en herhaaldelijk, zoodat de lichtjes in zijn -brilleglazen weêrkaatsend, op en neer dansten. - -„Zeker heb ik dat.” - -„Ik kan ’t zoo ineens niet overzien.” - -„Neen, ten minste niet in de détails.” - -„En.... hoe zijn die?” - -„Wat zal ik u ervan zeggen? U hebt zelf al den tijd om ’t na te gaan op -uw gemak.” - -„Het neemt niet weg.... U kunt me toch wel uw opinie zeggen.” - -De weêrkaatste lamplichtjes in de brilleglazen dansten nu niet op en -neêr, maar heen en weêr. Dat weigerde Hunzman. - -„Ik doe het liever niet. Van wat op mijn werk betrekking heeft kunt u -alle inlichtingen krijgen, over dat van uw broer laat ik mij niet uit.” - -„.... Om mij genoegen te doen.” - -„Dat is voor mij geen reden. Waarom zou ik u een genoegen doen?” - -Henri Uhlstra boog het hoofd; de kin gedrukt tegen de borstkas. ’t Was -waar. Even keek hij naar Hunzman, die met een malicieus gezicht zijn -sigaar zat te rooken. - -Hij had hem wel willen vragen te blijven, doch hij kon niet. Ook nu -weer was hem de andere de baas. Dat zou zoo blijven, daaraan viel niet -te twijfelen, en dat was te gek. Ineens echter ging hem een licht op. -Hij en Piet hadden vroeger Tji-Ori en Koeningan bijeen beheerd, maar -elk op een land. Dom, dat hij er niet eer aan had gedacht! - -„Ik sprak van morgen,” zei hij, „van twee koetsiers op één bok. Maar -dat is eigenlijk niet noodig.” - -„U bedoelt, dat ik Koeningan alleen zal houden.” - -„Ja, dat bedoel ik. Neemt u het aan?” - -„Het hangt natuurlijk af van de voorwaarden. Koeningan is een aardig -land; het is meer dan groot genoeg; er is nog heel wat van te maken. -Meest alles is blijven steken in het begin.” - -„Door den dood van Geber destijds.” - -Zij werden het heel gauw eens over de voorwaarden. Uhlstra was royaal -genoeg, en Hunzman te fatsoenlijk om buitensporige eischen te stellen. - -Zij gingen nu weêr aan ’t werk met een nieuw contract, zoo duidelijk en -goed omschreven mogelijk, en Henri veegde zich, toen zij geteekend -hadden, het zweet van het voorhoofd. Het was lang geleden, dat hij zich -met arbeiden eenigszins had ingespannen! - -„Mij dunkt,” zei hij, toen ze samen in de voorgalerij een oogenblik -zaten op te frisschen, „dat u me wel een en ander kunt vertellen van -het verloop der zaken hier.” - -„Nu wel... waarom niet? Uw broer stuurde alles heel gewoon in de war.” - -„Bestal hij me?” - -Henri Uhlstra wachtte angstig op een antwoord en Hunzman bedacht zich. - -„Ja,” zei hij eindelijk. - -„Was het erg?” - -„Heel erg. Ik heb hem, toen mij het onderzoek werd opgedragen, onder -handen gehad. Hij kon zich niet verantwoorden.” - -„Wie kwam er het eerst achter.” - -„Het kantoor. Op een goeden dag kwamen zij bij me.” - -„En mijn vrouw? Heeft die nooit ergens kennis van gekregen?” - -Weer draalde Hunzman met zijn antwoord. - -„Zeker. Ik heb haar zelf op de hoogte gebracht. Maar zij geloofde het -niet; zij wilde ’t niet gelooven. Familiezwak!” - -„Heeft zij het heelemaal niet....” - -„Neen! Zij heeft zich zeer sterk verzet tegen het ontslag van uw broer. -Het was een scène.” - -„Wat zegt u? Was het een... een scène? Wou zij niet hebben, dat -Piet...; verdedigde zij hem?” - -„Zooals ik zei.” - -Wat was dat nu weer? Hunzman loog niet; waarom zou hij ook? Dus had -Lize hem voorgelogen. Terwijl zij hem diets had gemaakt, dat zij ’t -vertrek van zijn broer had geprovoceerd.... Wat was er dan gebeurd; wat -in Godsnaam? Hij mocht niets verder voor den vreemden administrateur -van Koeningan laten blijken, in geen geval. - -„Hoe maakt de oude heer Twissels het tegenwoordig?” vroeg hij om voor -het moment van het onderwerp af te komen. - -„Gezonder dan ooit en ook ijveriger.” - -„En rijker?” - -„Daar loopen de opinies over uiteen. Vroeger ja, toen hij met uw vader, -Lugtens en Geber samen in allerlei groote ondernemingen zat.... Sedert -hun dood, zegt men, heeft hij het edele dobbelspel van de kaarten -overgebracht in zijn zaken. Dat moet hem niet best zijn bekomen.” - -„Hij is een voorzichtig man,” zei Henri, gewoon hoog op te zien tegen -een financieele en handelsspecialiteit als Twissels. - -„Ja, dat is men.... tot de eerste onvoorzichtigheid.” - -„Wordt erover gesproken?” - -„Zeker! Hij heeft aanvankelijk veel gewonnen. Van dat moment heeft hij -zichzelf verraden. Hij kon zijn mond niet houden.” - -„Nu, hij kan een duw verdragen.” - -Hunzman antwoordde er niet op; hij wist daar meer van uit eigen -levenservaring. - -„Is mama wel eens hier geweest, terwijl u hier waart?” - -„Neen. Ik heb mevrouw eens gesproken in de stad. U moest haar maar -alleen bezoeken, dat is ’t beste; zij en uw vrouw verstaan elkaar -niet.” - -„Dat heb ik tot mijn verwondering aan mijn vrouw bespeurd. En vroeger -was het altijd zoo koek en ei!” - -„Zij hebben hoog loopenden twist gehad.” - -„En tante Clara.” - -„Is heelemaal met uw mama gebrouilleerd, en ook met uw vrouw.” - -„Mijn zuster Roos woont ook al niet meer samen met mama, hoor ik.” - -„Neen; mevrouw Geber is in onmin met haar naaste famielje, maar heel -wel met mevrouw Lugtens.” - -„Het is me een mooie geschiedenis geworden!” zuchtte Henri. „Ik houd -van den vrede, net als pa deed, en ik heb aan een toestand zooals ik -dien hier vind verbazend het land.” - -„In het financieel belang der famielje,” zei Hunzman, „is hij ook zeer -zeker niet.” - - - - - - - - -VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -„’N COMPLETE JONGE DAME!” - - -Henri vroeg zijn vrouw niets. Hij wantrouwde haar nu; zoolang hij haar -vertrouwde, had hij open kaart met haar gespeeld, altijd voor zoover -zijn eigen fouten daarbij niet in ’t spel waren, nu hij verdenking had -gekregen, zweeg hij. - -Maar het dubbelhartige in haar handelwijze stak hem diep; hij wilde „er -achter” komen; hij moest weten, waarom zij voor hem den schijn aannam -tegen zijn broer te zijn, terwijl zij metterdaad had getoond voor hem -te wezen. - -Hij vond zijn moeder zeer veranderd, oud en verzwakt, niet meer de -gemoedelijke kloeke vrouw van vroeger. Zij huilde toen zij hem zag, en -hij was ook aangedaan. Maar hij zat nog geen tien minuten bij haar, of -hij raakte de kluts kwijt: zijn ooren tuitten! - -Aaneen af ging het relletje; een eindelooze rammelslag; met tot kern -dat Lize een egoïstisch onhartelijk wezen was, een lastertong; dat Piet -braaf was en lief; dat Roos valsch, gemeen en gierig was; dat Clara een -slechte vrouw was, op weg naar de laagste onzedelijkheid; dat Twissels -een dief was—niet meer of minder; dat hij zelf—maar dit met -vergoelijking en moederlijke teederheid—aanspraak mocht maken op den -naam van pierewaaier en verkwister, dat Hunzman een schurk en een -falsaris genoemd moest worden; Cesaartje, na den dood van grootmoeder -Jansen, een oplichter; de jongelui Markens chevaliers d’industrie, die -zij daags te voren hun „portie” gegeven en de deur uitgejaagd had; hun -vader een vrek en woekeraar, nadat hij in dienst den schelm had -gespeeld; hun moeder een krankzinnig wijf.... - -Het was om er alle gedachte bij in te schieten, zóó snel ratelde en -klepperde de tong van de oude mevrouw Uhlstra over familie en -kennissen; en Henri, met een zeer bezwaard gemoed, hoorde maar zwijgend -toe. - -„En de kinderen van Tante Clara?” vroeg hij, ’t meest bezorgd nog over -wat hij van deze zelf had gehoord. - -„Wel, de jongens zijn in Holland.” - -„Zoodat kleine Lena....?” - -„Bij haar? Bij die gemeene....? Mijn petekind?” - -„God ma, wind u toch niet zoo op elk oogenblik. Ik heb u vroeger nooit -zóó gekend! Wat is dat toch hier ’n rare boel geworden.” - -Nu kwam de opgewondenheid in een tranenstroom los, met afgebroken -woorden in het hollandsch en het maleisch; met betuigingen en -verzekeringen, snikkend en hokkend uitgebracht; met beëediging van -eigen goede bedoeling, bekrachtigd door vlakke handslagen op de borst, -kletsend door de dunne kabaai als op de naakte huid; en.... met een -diep besef van het gemis van haar man. Hij was eenvoudig en goedhartig -geweest; niet zoo’n bazig man of iemand, die van alles weet en overal -verstand van heeft of wil hebben; maar het bleek dan toch nu, na zijn -dood: hij was de band geweest, die alles leidde en bijeenhield tevens. - -Henri hoorde den treurzang om zijn vader, stil en bewogen. Ja, dat was -het! Ten slotte was met den ouden heer het hek verdwenen van den dam; -en zoo kloek en flink zijn moeder geweest was, toen zij nog haar steun -had in zijn vader, zoo zwak en hulpeloos was zij geworden, alleen. En -alles was verloopen in ordeloosheid, twist, oneenigheid en scheiding. - -„Leentje is een engel!” vervolgde eindelijk mevrouw Uhlstra. „Ik heb -haar hier in huis bij mij.” - -Toen zij, geroepen, in de binnengalerij kwam, stond Henri Uhlstra -verbaasd. Was dat kleine Lena? vroeg hij zichzelf. - -„Fameus, wat ben je gegroeid!” - -„Vindt u?” - -„Kolossaal!” herhaalde hij vol verwondering. - -En vol liefde en zelfvoldoening, zei mevrouw Uhlstra, de oogen, nog nat -van ’t schreien, thans opglinsterend van genoegen: - -„Wat een meid is zij geworden, hè?” - -„’n Complete jonge dame!” bevestigde Henri, van de verrassing nog niet -bekomen, den blik bewonderend gaan latend van het mooie blonde haar en -de groote diep blauwe oogen over de zich ontwikkelende buste en de -nette slanke leest. - -Zij ging rustig bij hen zitten en sprak meê ’t gewoon gesprek, dat weêr -werd opgevat over de familie en de zaken van de familie. En al wat Lena -zei, had een vredelievende strekking, die Henri voelde en op prijs -stelde en die op de zenuwen zijner moeder bedarend werkte. - -„Het is,” zei ze, toen mevrouw Uhlstra noodzakelijk even naar haar -goedang moest om te voldoen aan de seinen die, van achter een pilaar, -reeds lang de keukenmeid stond te geven,—„het is in ’t geheel niet -goed, dat tante zich zoo opwindt.” - -„Zeker niet?” - -„Ik doe mijn best om het tegen te gaan. Maar het is al zoo’n gewoonte -geworden....” - -„Je moet ’t toch maar blijven doen.” - -„Dat zal ik ook. Het is zoo naar met al die onaangenaamheden -tegenwoordig.” - -„Het is voor mij om er niet uit wijs te worden.” - -„Dat begrijp ik. Als men pas uit Europa komt en zoo lang is weg -geweest....” - -„Niet waar? Alles ligt hier met elkaar overhoop.” - -„Jammer, dat ik niet wat vroeger hier in huis ben gekomen. Dan zou veel -anders zijn; ten minste zouden die standjes met Roos over Piet niet -zijn voorgevallen.” - -„Zou je dat denken?” - -Hij vroeg het half lachend. Zou dat nu geen zelfoverschatting zijn van -zoo’n jong ding, van hoogstens zestien jaren? - -„Zonder twijfel. Het is alles omdat ze elkaar niet begrijpen, en niet -vertrouwen, en de een niets voor de andere wil inschikken. De gewone -kibbelpartijen van kinderen onder groote menschen.” - -„Ja, dat is wel zoo.” - -„En groote menschen, die in het geheel niet inzien hoeveel kwaad ze er -meê doen. Men moet hun dat aan het verstand brengen met een goed -woord.” - -„Mijn God, kind!” riep Henri uit. „Je bent een....” - -„Wat zeit ze?” viel mevrouw Uhlstra, terugkeerend uit de goedang, hem -wantrouwend in de rede. - -„Ik sprak met neef Henri over al die famieljequaesties,” antwoordde -Lena, haar frissche stem luid en helder verheffend, waardoor alle -schijn van geheimzinnigheid dadelijk wegklonk. „Ik zei, dat ik het erg -jammer vind.” - -„O zoo.” - -„En Henri vindt dat ook. U en ma houden zooveel van elkaar en van nicht -Roos, en om dingen, die goed begrepen de moeite niet waard zijn, komen -er onaangenaamheden en verbittert men elkaar het leven.” - -„Zij is zoo’n goed kind,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar zoon. „Zij zou -het grootste kwaad vergeven, dat men tegen haar bedreef. Ik ben zoo gek -niet, hoor!” - -„Nou...,” meende Henri zeer ernstig. „Wat zij gezegd heeft, is in het -geheel niet gek. Ik zou haast zeggen, dat het ’t verstandigste is, wat -ik nog heb gehoord sinds ik weer hier ben.” - -Hij en zijn moeder hadden zich wat één zaak betreft ingehouden tot nog -toe. Zij vreesden een onderwerp aan te roeren, en wisten toch dat het -onvermijdelijk was. Wel had hij in den woordenstroom zijner moeder bij -wijze van voorbereiding tot den strijd den lof van zijn broer Piet -hooren verkondigen, maar daarmeê kon het niet uit zijn. Het gesprek -vlotte niet; hij vertelde van Europa, en moest ook hier weêr de leugen -debiteeren, dat hij maar eens ’n enkele maal en voor de grap zich had -uitgegeven voor ’n oosterschen prins. De leugen was voor zijn moeder -geheel overbodig; zij vond niets in dien travesti; integendeel, zij -lachte er hartelijk om; het scheen haar ijdelheid te streelen, dat in -die Europeesche wereld, waarvan zij zooveel had gehoord, maar nooit -iets gezien, haar zoon kon doorgaan voor een prins. - -Onverwacht kwam Lena in dit eenigszins opvroolijkend verhaal met de -opmerking: - -„Je hebt niet eens naar Piet gevraagd.” - -Mevrouw Uhlstra verbleekte en Henri hield stil, de wenkbrauwen -fronsend, boos, verschrikt. - -„Ja,” ging ’t meisje voort, zoo rustig als sprak ze over de gewoonste -zaak. „Ik begrijp wel, dat je daar liever niet over spreekt, maar mij -dunkt toch, dat het beter is en niet anders kan. Er is van weerskanten -verkeerd gehandeld, dat moet eerst worden erkend.” - -„Van mijn kant?” vroeg Uhlstra met groote verontwaardiging. „Is er van -mijn kant tegenover hem verkeerd gehandeld? Heb ik hem niet alles -overgelaten, en mijn geheele vertrouwen geschonken?” - -„Dat was juist zoo heelemaal verkeerd. Hij was daar nog te jong voor, -en niet genoeg op de hoogte.” - -„Gekheid! van papa en mij heeft hij alles geleerd.” - -„Dat heeft hij niet. Oom deed altijd alles zelf, en dat heb je ook -altijd gedaan. Intusschen heette het, dat Piet leerde, omdat hij links -en rechts over het land mocht rijden.” - -„En toen hij op Koeningan was....” - -„Wie was dáár toen eigenlijk administrateur? Oom, en als oom er niet -was, neef Henri.... Wezenlijk, het is ook gedeeltelijk uw schuld... Als -dat nu maar wordt erkend, dan zal de rest, wat het geld betreft...” - -„Daar zit het niet!” riep Henri, die altijd verdrietig werd, als men -hem voor inhalig hield of bijzonder gehecht dacht aan geld. „In zekeren -zin heb je gelijk, Lena. Hoe drommel, ben jij daarop gekomen? Ik had -het niet moeten doen; het is waar.” - -„Welnu, dan is er ook geen reden om je niet met hem te verzoenen. -Antwoord hem dan, als hij je schrijft.” - -Henri Uhlstra aarzelde, en zijn moeder, zwijgend bij dit gesprek, als -ging het haar volstrekt niet aan, keek maar naar het mooie blanke -gezicht van haar petekind, zoo verstandig, zoo beslist, en toch zoo -lief, vond ze, en zoo goed. - -„Het is dàt niet.... niet de quaestie van het geld.... van de -administratie... Het is iets anders, dat ik hem nooit zal vergeven, -nooit!” - -„Wat is dat dan?” - -„Ik kan het je niet zeggen; ik kan daarover niet spreken met ’n jong -meisje, ook niet al is ze van de famielje, en al is ze zoo verstandig -en zoo flink als jij bent, Leen. Geloof me, ik houd veel van je; ik -wou, dat we een zuster hadden, zooals jij; dat zou me veel waard zijn, -maar.... ’t gaat niet; ’t gaat niet.” - -Hij had het gezegd met de zachte stugheid, het eenigszins weemoedig -onverzettelijke, dat zijn vader kenmerkte en zijn moeder zoo goed -bekend was; hij had vóór zich gekeken, terwijl hij ’t zei, en toen hij -nu de oogen opsloeg, schrikte hij, zoo bleek zag Lena en zoo bedroefd -schudde zij het hoofd. - -„Het is verschrikkelijk, Henri,” zei ze met bevende stem. „Ik had niet -gedacht, dat zij ertoe in staat zou zijn.” - -„Waartoe?” vroeg hij, meer en meer met de zaak verlegen. - -„Zij heeft je hetzelfde wijsgemaakt, wat ze tante en mij wilde -vertellen, dat Piet op haar verliefd was.” - -„Zoo, heeft Lize dat gezegd waar jij bij was?” - -„Ja, en dat hij haar niet met rust liet. Ik verzeker je, Henri, dat het -niet waar is geweest. Hij was een speler en hij ging veel uit.” - -„Dat weet ik.” - -„Nou!” viel zijn moeder uit met volle kracht. „Nou, en wáárom denk je, -dat zij niet hebben wou, dat hij heenging, toen ze daarover begonnen?” - -„Dat is me juist ook een raadsel!” - -„Omdat je een stommeling bent,” zei mevrouw Uhlstra opgewonden en -kwaad. - -Het hinderde hem; hij zou vroeger er niet op hebben gelet; nu hij in -Europa in goede kringen had verkeerd, stuitte die uitdrukking in den -mond eener dame hem tegen de borst. - -„Je ma heeft ongelijk,” zei Lena, die hem begreep. „Het is slecht -onwaarheid en kwaad te spreken, en dat heeft Lize gedaan van Piet, maar -het is geen reden ’t nu ook van haar te doen.” - -„Nou ja!” riep mevrouw Uhlstra schamper. „Praat jij maar!” - -„Wat ik zeg, is waar,” zei Lena op een toon, die Henri Uhlstra de -gezaghebbende persoonlijkheid van Lugtens ineens voor de oogen -tooverde. „Lize heeft Piet tegenover die heeren van ’t kantoor -verdedigd om den naam, maar voor haarzelve was ze blij, dat hij weg -was, want ze kon niet met hem overweg, en daarom ook sprak ze naderhand -kwaad van hem.” - -Mevrouw Uhlstra, den mond dichtgeknepen, als moest ze de woorden -binnenhouden met geweld, kon zich niet heelemaal goed houden; zij -grijnsde smadelijk; haar hoofd bewoog zacht, rusteloos, en de kin -vooruit, keek ze omlaag en dan weer omhoog, beproevend in elken trek -van haar gezicht, en elke beweging de gedachte uit te drukken, dat -Henri daar werd beetgenomen, in de luiers gelegd,—alles wat maar -synoniem is aan: gefopt. Doch hij keek niet naar haar, geheel in beslag -genomen door de superioriteit van het meisje, zooals in vroeger jaren -vader Uhlstra in zaken aan den leiband liep van Lugtens. Zij had -gelijk! Het was dom en onheusch, dat hij dááraan niet had gedacht en -een ander hem er toe moest brengen zijn eigen vrouw niet te verdenken! - -Zijn moeder,—nu ja! Lize was haar schoondochter en daarmeê, vond hij, -was zoo goed als alles gezegd. - - - -„O Leen!” riep mevrouw Uhlstra toen Henri tevreden en opgewekt was -weggegaan. „Hoe heb je het kunnen doen! Hoe heb je zóó voor het beest -kunnen spreken? De naam... de naam!” Zij had de handen tot vuisten -gebald, die opgestoken omhoog, en liep woedend heen en weer in de -binnengalerij. - -„U weet niets van Lize,” zei Lena beslist. „Al wat u beweert, is op -verdenking gegrond.” - -„Och kind, jij kent de wereld en de menschen niet.” - -„Beter dan ik wenschte,” zei ’t meisje verdrietig, denkend aan haar -eigen moeder. „Wat Lize deed en zei is niet gemakkelijk te verklaren; -het zal wel beter zijn naar een goede reden te zoeken dan naar een -kwade, vooral tegenover haar man.” - -„Jawel, jawel! Spreek jij maar als een advocaat! Zij heeft met Piet -willen knoeien, weet je! En dat wou hij niet.... Dáárvoor was hij te -fatsoenlijk.” - -Rustig en verstandig redeneerde Lena daartegen in. - -Helaas, zij wist alles zoo goed! - -Ze vertrouwden haar allen; ze vertelden haar alles; zij was nog maar ’n -aankomend meisje en haar ooren hadden reeds meer confidenties gehoord -dan die van menig bejaard mensch. Ook van dit familieschandaal was zij -op de hoogte. Zij wist dat Henri Uhlstra nog nauwlijks voet aan wal had -gezet in Europa, of reeds bedrogen hem zijn vrouw en zijn broer, op het -landgoed met elkaar alsof dat de gewoonste zaak was ter wereld. Tot -Piet in de stad een „artistieke” relatie kreeg uit een reizenden -opera-troep en daarmeê het geld en den tijd verkwistte, die zijn broer -toekwamen. Zij wist waarom toen Lize kwaad had gesproken van Piet, maar -later, in de hoop, dat het nu in de stad toch uit was, en hij weêr naar -het land zou terugkeeren, hem tot voorspraak en verdediging was -geweest, om, toen dat niet hielp en Piet ook niet wilde, weêr kwaad van -hem te spreken. - -Al het groezelig vuil zag zij, zelf zoo rein en schuldeloos, opstijgen -uit de familie waartoe zij behoorde. Zij deed haar best om den vrede te -doen blijven, zooveel zij kon; men geloofde haar, zooals men haar -vertrouwde, en, schoon het haar tegenstond, erger dan een van allen, -had zij ook Henri maar op een weg geholpen, die voor allen de veiligste -en de beste was. - - - - - - - - -VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -SPECULEEREN. - - -Henri’s aangenamere stemming door het goede idee, dat Lena hem had -gesuggereerd, daalde toen hij zijn tante Lugtens had bezocht. Op het -hagelwit gemetseld muurtje om het voorerf prijkte in nieuw-geverfd -bruinbrons het krullend ijzeren hekwerk; de zwaar begrinde paden -kronkelden erachter in dof grijsblauw tusschen de groene randen dik -engelsch gras, zacht op naar de breede bleekwitte reepen der marmeren -treden van de voorgalerij; de effen eentonigheid der dikke grauwgele -zeilen tot onder neergelaten, werd gebroken door hooge chineesche -bloempotten met glinsterend groen- en blauw-porseleinen plekken, het -harde zonlicht weerkaatsend; boven alles het pannendak ver over de -galerij heenglooiend, uitloopend in een grauwe zinken marquise. - -En in den heeten dag lag het mooie huis, dat Lugtens verdiend, gekocht, -gemeubeld en bewoond had, tot men, met groote staatsie, hem dood eruit -had gedragen,—zoo rustig en als verlaten, dat Henri meende een -vergeefschen tocht te hebben gedaan. Zij zou, meende hij, uit wezen -naar de toko’s of op bezoek. Er waren geen bedienden te zien. Alles was -stil, scheen uitgestorven. Zelfs toen hij doorging naar achter, zag hij -niets. In de bediendenkamers niemand; in den stal de paarden enkel; in -de achtergalerij en binnen geen sterveling, en hij vond het -onverantwoordelijk een huis vol kostbare dingen zoo geheel onbewaakt te -laten. - -Besluiteloos stond hij in de binnengalerij bij een met paarlemoer -ingelegd tafeltje, waarover het flauwe licht, doorvallend tusschen de -hooge blauw damasten portières, zacht weerschijnend heenschoof. Het was -hier koel en lekker; buiten hellicht en heet; onwillekeurig zacht de -voeten neerzettend, als vreesde hij een zieke te storen, ging hij naar -een divan, waarboven een reusachtige spiegel hing met breede marmeren -console, en liet zich neêr op het fluweelig trijp, het hoofd achterover -in de kussens. - -Waarom zou hij niet even wachten; hij had immers den tijd! Tegen de -rijsttafel zou ze toch wel terugkomen; dan kon hij blijven eten. Zijn -blik ging rond in de galerij. Eigenlijk was alles nog precies als -vroeger; misschien wat minder proper en in de puntjes, maar dáár had -hij geen oog voor. - -Als alles waar was, wat men van tante Clara zei, dan moesten achter die -tochtdeuren van mahoniehout, met de fraai gesneden frontons en -geborduurde vogels en figuren in de bekleeding,—al heel rare dingen -zijn gebeurd. Hij was erg benieuwd haar te zien. „Zoo’n oud lijk,” -dacht hij heel oneerbiedig, „en dan nog zoo gek!” - -Het zou om te lachen zijn geweest, als het niet zoo onaangenaam was -voor de familie. Maar het interesseerde hem in hooge mate; hij had er -’n soort van respect voor. Hoe drommel lei ze het aan om, zooals de -booze wereld zei, zelfs met jonge mannen relaties aan te knoopen. Er -moest dan toch iets bijzonder aantrekkelijks aan haar zijn; iets dat -anderen vrouwen ontbrak. - -Ineens zat hij rechtop. - -Hij hoorde stemmen in een kamer vlak tegenover hem. Een vrouwenstem, de -hare, en.... een andere; zij lachten en praatten, en Henri Uhlstra zat, -bleek en verschrikt nu, rechtuit te kijken, inderdaad met een gevoel -zoo beleedigd te zijn als had hij ’n klap op z’n gezicht gekregen. - -Wat ze zeiden kon hij niet verstaan; dat behoefde ook niet. Hij begreep -volkomen den geheelen toestand; hij had willen opstaan en wegsluipen, -net doende of hij niets had gehoord, zóó de beleediging ontloopen, maar -dat was onmogelijk nu. Men zou hem hooren. - -Even besluiteloos als hij eerst een tijdlang bij het tafeltje had -gestaan, bleef hij nu zitten op den divan, de eene minuut na de andere, -met het praten dat voortging in de kamer en het gerammel daarbinnen van -sleutels, vervolgens van geld. Het was dus dáárom! Niet haar -persoonlijkheid, maar haar geldtrommel was het trekkend lokaas. - -Even ging een der dubbele deurtjes open en zag hij langs de lijn van -het andere een zijgedeelte van mevrouw Lugtens, in een sarong en een -uiterst fijne en doorschijnende kabaja; zij zag Henri zitten en deed -verschrikt en haastig het deurtje weer dicht. - -Nu stond hij op en ging met harden stap over het marmer naar de -achtergalerij. - -Waarachtig, men kon elkaar verklaringen besparen! Hij hoefde niet meer -te weten; zij niets mede te deelen. Maar ’t was terlaloe, dat was -zeker! - -Nog geen tien schreden was hij het voorerf op, of achter hem in de -voorgalerij hoorde hij het gedruisch van deuren openen. - -„Henri, Henri!” - -Het was haar stem, en... hij hield van haar. Zij was altijd goed en -lief voor hem geweest, toen hij nog een kind en zij zelf nog niet eens -getrouwd was. Hij schaamde zich over zijn eigen geringe fierheid, over -zijn gebrek aan ongevoeligheid, waardoor hij niet verder kon gaan, -harteloos, zonder groeten, nu hij haar zoolang niet had gezien en zij -hem riep bij zijn naam. Maar welk een gezicht hij vertoonde toen hij de -trappen opging, wist hij niet, en hoe gek hij het vond, dat zij hem -omhelsde en zoende was ook iets, waarvan hij zich geen bepaald -denkbeeld kon vormen. - -„Had je zóó weg willen loopen?” vroeg ze verwijtend, met tranen in de -oogen. - -„Me dacht er was gezelschap.” - -Zij trok de schouders op met een onverschillig gezicht vol minachting. - -„Het is toch ’n beetje al te gek,” meende hij ernstig te moeten zeggen. - -Mevrouw Lugtens glimlachte, zenuwachtig knijpend en trekkend met de -eene hand in en aan de vingers van de andere. Het was waar, zeker! -Zooals Henri zich uitdrukte was het op de meest verschoonende manier; -zachtmoediger kon het niet. Anderen spraken vrij wat krasser. - -„Soedah,.... het is ten slotte zonder iemand te benadeelen.... en ik -ben immers vrij, nu.” - -„Om zulke dingen te doen is men nooit vrij. Uw kinderen.... uw -familie.” - -„Ja, ik weet het wel.” - -„Welnu dan? Wat moet het einde zijn?” - -„Dat weet ik niet, Henri. ’t Kan me ook niet schelen. Geld is er genoeg -en zal er voor allemaal wel blijven. Ik heb overigens alles mezelve -voorgehouden.... Honderdmaal is maar eens.” - -„En?” vroeg hij, nieuwsgierig, toen ze niet voortging. - -Rustig keek zij hem aan, haar groote zwarte oogen waren nog schitterend -en mooi, zonder kunstmiddelen; het gezicht en de hals waren verouderd, -met hier en daar fijne maar scherp gemarkeerde rimpels en vouwtjes; ook -haar handen zagen er oud uit op de knokkels, met de aderen hoogop onder -de huid. Overigens was ze jong gebleven van uiterlijk, met de fraaie -taille, de goed uitkomende buste en het slanke der geheele -meisjesachtige figuur. - -„Ik kan er niets tegen doen.” - -En toen hij ongeloovig ’n beetje boos de wenkbrauwen optrok: - -„’t Is werkelijk zooals ik zeg, Henri. Dat jij als man ’t niet -begrijpt, verwondert me. Wat heb jij gedaan in Europa?” - -„O!.... maar dat is heel iets anders.” - -„In mijn oogen niet. Soedah, laat ons over zulke narigheid niet -twisten. Je blijft bij me rijsttafelen, ja? Waarachtig, onder famielje -moest men zich niet meer met elkaar bemoeien, dan noodig was om elkaar -’t leven te veraangenamen.” - -„Wat hebt u eigenlijk met Lize gehad?” - -Mevrouw Lugtens antwoordde niet; haar borst zwoegde, alsof zij zich -zenuwachtig opwond, en Henri Uhlstra meende dat hij begreep. - -Maar hij was in zijn opvatting weêr ver van de waarheid. Hij dacht, dat -zijn vrouw tante Clara beleedigd of met minachting bejegend had om haar -onzedelijk gedrag. Het was juist omgekeerd! Zij, mevrouw Lugtens, had -haar nicht een scène gemaakt om de manier, waarop deze den afwezige -bedroog met diens broer; zij, met haar eigen opvatting geboren uit de -zucht tot zelfrechtvaardiging, vond het schandelijk en gemeen zoo’n -goeden hartelijken man te hoornen en dan nog zóó. Voor haarzelve was -het natuurlijk alweêr iets anders. Lugtens was een nare, onverdraagzame -huistyran geweest, niet beter waard, en nu.... Wel, zoo het nu niemand -baatte,—dat zij zich vermaakte schaadde ook geen mensch! Tegenover -Henri, die van niets wist wat Lize betrof, zat zij thans in tweestrijd. - -Zou ze hem alles zeggen en Lize daarmee afmaken: een echtscheiding -provoceeren? Het zou hem geen genoegen doen, al had zijzelf er ook den -grootsten lust toe, ware het slechts om door de vergelijking aan te -toonen, dat wat men kon zeggen van haar, Clara, eenvoudig niets -beduidde, en daarbij de afgunst meer sprak dan ander gevoel. Doch haar -genegenheid voor Henri was óók groot, en hij zou, dat wist ze, er veel -verdriet van hebben. - -„Men moet met Lize een weinig door de vingers zien,” zei hij -vergoelijkend, volgend zijn eigen gedachtenloop. - -Zij had het niet gehoord; niet gelet op zijn woorden, bezig met haar -eigen tweestrijd. - -„Ik ben een weduwe en vrij,” zei ze hem vast aankijkend, bleek en ouder -nu schijnend van gezicht dan eerst. - -Dáár had je het! dacht Henri Uhlstra, en hij zette, als antwoord, een -bedenkelijk gezicht, de herhaling bedoelend van wat hij in ’t begin had -gezegd, toen zij ’t zelfde betoogde. - -Verder, over het netelig onderwerp zooveel mogelijk willende -heenstappen, hernam Henri: - -„Men moet ’t haar niet kwalijk nemen. Zij is zoo erg op die zaken...” - -Wat bedoelt hij? dacht mevrouw Lugtens, nu opmerkzaam, verwonderd, -vragend opkijkend. Zou hij... maar dat was haast onmogelijk, toch! - -„Het is wat moois!” zei ze om iets te zeggen, dat tot verdere -uitweiding van zijn kant leidde. Wat, in vredesnaam! zou zij nu hooren? - -„Och, dat is immers de gewone geschiedenis,” ging hij voort: „het gaat -haast altijd zoo.” - -„Hè?... Dikwijls... ja, dàt is zeker. Ik verwonder me niettemin over -die opvatting van jou. Ik sta er als gek van te kijken.” - -„’t Was bij ons thuis net eender, Roos...” - -„Neen Henri, dat is niet waar! Men kan zeggen wat men wil;—Roos mag -niet... niet ladylike zijn in haar manieren en voorkomen; niet veel -geleerd hebben en van weinig meer weten dan van goedang en daper, maar -ze is een door en door brave vrouw, waarop niet zóóveel valt te zeggen; -niet zóóveel, Henri!” - -„Ik zeg immers niets van haar?” - -„Dat wou je toch!” - -„In het geheel niet; u begrijpt me verkeerd. Ik wou alleen zeggen, dat -Roos net als Lize wat dàt aangaat in een grooten afkeer van al wat.... -ongeregeld is, werd opgevoed.” - -„Zoo!” - -Wat meende hij? vroeg zich mevrouw Lugtens af. Het was toch duidelijk -geweest! - -„Nu,” ging hij verder, „Roos is goediger en meegaander; Lize kan soms -gauw uit haar humeur zijn. Als zij dus onaangenaam is geweest tegen -u...” - -„Tegen mij? Zij tegen mij!” - -„Ja, dat zal het toch wel wezen.” - -’t Was de weduwe Lugtens of de zoldering op haar hoofd neêrkwam. Nu -begreep zij alles volkomen; ook het mal-à-propos. Haar eerste idee was -dus juist geweest: de stakkerd wist van niets en hield zijn Lize voor -een Suzanna, die in haar bijzondere kuischheid meer dan gewoon laag op -haar, Clara, neêrzag, door eigen exedent van fatsoen en braafheid. -Glimlachend nu, keek zij hem aan. Hij was een goede, brave jongen; maar -welk een lummel; welk een voorbeschikte....! - -„Ja,” zei ze ironisch, in een diepen modulatie-toon, zooals men spreekt -tegen een kind. „Je zult wel gelijk hebben, zeker! Je moet altijd maar -zoo blijven denken, hoor! ’t Is verreweg het beste voor alles en allen. -Daar zijn nu eenmaal van die ondeugende menschen als ik, en die geven -heel veel ergernis. Vooral aan vrouwtjes als Lize; dat begrijp ik heel -goed.” - -Hij zweeg verlegen, pijnlijk glimlachend, niet wetend uit welken hoek -nu de wind ging waaien. En ze aten door van de rijsttafel, door Henri -geprezen als de beste, die hij in jaren had gegeten. Hij zag wel, dat -er gedekte schoteltjes geheimzinnig naar binnen werden gedragen, bij -een stil komen en gaan van bedienden, maar hij zei daar niets van, -doende of hij niets bemerkte. - -Een minuut of wat na tafel rookte hij nog ’n cigarette. Het mooie -rijtuig van Lugtens stond voor; hij zou eerst met een huurwagen naar de -stad rijden, maar dat wilde zij niet toestaan. - -„Komaan,” zei hij, op zijn beurt scherp. „Ik zal u niet langer -ophouden. U wilt zeker ook wel ’n uurtje slapen.” - -„Mijn groeten aan Lize,” gaf zij hem na, toen hij in het rijtuig -stapte. „Zeg haar, dat ze eens bij me moet komen; dat ik geen rancune -heb, ja? Ik moet haar noodzakelijk spreken.” - -Achterover leunend in den lekkeren wagen met goede veeren, zoodat men -het stooten van het rijden over de grind haast niet voelde, schudde -Henri Uhlstra bedenkelijk het hoofd. Inderdaad, het was te erg zooals -zij zich gedroeg. Hij zou er zich wel voor wachten Lize te vertellen -dat hij daar geweest was. Al voortrijdend, half soezend na het copieus -diner en in de groote warmte van den middag, die, als uit den grond, -met happen onder de kap sloeg, dacht hij ook aan Lena, dat brave, -verstandige kind. Welk een verschil tusschen moeder en dochter! Hoe was -zoo iets toch mogelijk in de natuur? - -Wat Hunzman had gezegd over Twissels zag Henri dadelijk dat, voor een -deel althans, zeer waar was. Niemand was in betrekkelijk korten tijd -zoo veranderd als hij. Ieder had zijn deel gehad, niemand had de tijd -geheel gespaard; en hij was, in zijn werkenden arbeid altijd geholpen -door de menschen zelf of hun leven en bedrijf; voor- en tegenspoed, -vreugde en verdriet, ziekte en gezondheid, alles had, was het niet door -zichzelf, dan als oorzaak en gevolg, als resultaat gehad, boven zekere -hoogten en laagten, den tijd de hand te reiken bij zijn stempelen van -den ouderdom. - -Doch in niets was dat blijkbaar zoo sterk, zoo machtig ’t geval geweest -als in de zenuwachtige agitatie, voortvloeiend uit de soort van arbeid, -waaraan Twissels bezig was zich op te offeren, die hij eerst had -aangewend als een spelletje; die hem nu gebruikte als een slaaf. Zonder -dat hij het had bespeurd of er aandacht aan had geschonken, had de -emotie der speculatie een ander man van hem gemaakt, een overspannen -zenuwlijder. Hij wijdde geen voldoende zorg meer aan zijn andere zaken -en administraties; die boezemden hem nog enkel belang in als middelen -om te beschikken over vlottend geld. - -Nooit netjes op zijn kleeren, was hij nu slordiger dan ooit; zijn -traditioneele witte vesten zagen er altijd groezelig uit, en zaten door -zijn lichaamsvermagering hem nu zoo wijd en slobberig om het lijf, dat -volgens de employé’s, er nog wel een compagnon mee in kon; zijn haar -was niet regelmatig uitgevallen, als bij lieden met een soort tonsuur -of een behoorlijk kaal hoofd, maar ’t was of hij had geplukhaard en men -overal dotjes had uitgetrokken, niets overlatend dan hier en daar ’n -ijl, wit vlokje; en als kleine, bij elke lichaamsbeweging zacht -meêbewegende zakjes, hingen zijn wangen slap en flets omlaag. Toen -Henri hem zag zitten, gebogen over de cijfers zijner rekening-couranten -en afrekeningen, als gewoonlijk den bril op den neus, in myopie de -groote glazen schuivend over de cijferkolommen, was het of het kleine -hoofd, kleiner nu dan ooit, nog te zwaar was voor den dunnen -gerimpelden hals, die in de wijde ouderwetsche vadermoorders een aan -losbandigheid grenzende vrijheid genoot. - -Met een groot gevoel van medelijden bleef Henri Uhlstra een oogenblik -staan in de deuropening van het stoffig kantoor. - -„Stoor ik u?” vroeg hij toen zacht. - -Het hoofd rees als een wip naar boven, en de bekende hooge stem, nu min -of meer onvast en bevend in haar fausset, klonk daar dadelijk na: - -„Zoo, ben jij het? Kom binnen! Wil je gelooven, dat ik van je -schrikte.” - -„Dat spijt me.” - -„Neen, ’t is niets. Maar je hebt zoo precies de stem van je vader, net -als je z’n figuur en z’n gezicht hebt. Den „Normandiër” noemden wij hem -als jongelui, weet je, onder elkaar, vijfendertig, veertig jaar -geleden. ’t Is frappant.... als ik jou zie!” - -„En hoe gaat het u?” - -„Mij?” vroeg Twissels, als was hij verwonderd over de vraag en wist hij -niet dadelijk wat te antwoorden. „Wel.... mij.... Heel goed, zooals je -ziet.” - -„Het doet me genoegen.” - -„En jij maakt het ook goed, hè? Aan ’t pierewaaien geweest! Ja, ja, ik -heb ’t gehoord! Oostersch prinsje spelen, hi, hi! met ’n paar -klaploopers!” - -Daar had je het weêr, dacht Henri boos. Er viel niet tegen te spreken; -in de waarheid berusten was nog maar het beste. - -„Men is maar eens jong,” zei hij. - -„Zeker, zeker! Maar dat zijn ook dingen die men maar ééns moet doen; -soms zelfs niet eens.” - -„Het zal niet weêr gebeuren.” - -„Natuurlijk niet. Ze zouden je ook zien aankomen om de dubbeltjes, ha, -ha!” - -Daar kwam Uhlstra’s trots tegen op. Wat, als hij ’t eens in het hoofd -mocht krijgen of wel voor zijn gezondheid verplicht zou wezen ten -tweeden male naar Europa te gaan, dan zou hij daarvoor geen geld kunnen -krijgen! Dan zou de naam Uhlstra dáárvoor niet goed genoeg meer -wezen!.... Neen, daar moest hij tegen in bluffen. - -„Och,” zei hij met gemaakte gemoedelijke onverschilligheid. „Dat is het -niet. Geld genoeg!” - -„Tatarata, vriendje! De tijden zijn er niet naar, hoor! Met jullie -zaken is het tegenwoordig vervloekt moeilijk wat te verdienen. Voor je -vader, die onder geen lasten zat, was het wat.” - -„Het is nog niet erg. Ik zie best kans in weinig tijd de gaatjes te -stoppen, en als ik geld woû hebben...” - -„Daar valt me iets in, zeg. Waarachtig, dat is niet kwaad! Er is nog -een manier om flink wat te verdienen.” - -Zoo Henri Uhlstra in veel sprekend zijn vader geleek,—hij had ook diens -instinctmatige voorzichtigheid en diens wantrouwen in zaken geërfd, en -hij voelde, hij rook nu het gevaar, meer dan hij wist wat het was. - -„En dat is?” vroeg hij. - -„Ik heb met je ouden heer vroeger vele en goede zaken gedaan. Als jij -lust hebt, wil ik met jou ook wel eens ’n dingetje op touw zetten..... -in suiker of koffie.” - -Al de blufferigheid van Uhlstra was ineens weg. Dat kon die oude -Twissels begrijpen! Ik zal waarachtig, dacht Henri, niet gek genoeg -wezen om mij nog dieper in de beren te werken, alleen om een partijtje -meê te dobbelen. - -„Als ik er verstand van had....” - -„Dat is niet noodig, het verstand heb ik.” - -„Nu, ik zal er eens over nadenken.” - -„Maar niet te lang,” zei Twissels zenuwachtig, blijkbaar geraakt, „het -zijn geen dingen van „geduld is zulk een schoone zaak!” Gauw erin en -gauw eruit.” - -„Maakt u nog wel eens ’n partijtje?” - -Met opzet gaf Uhlstra geen verder antwoord. Die was aardig verzonnen! -dacht hij bij zichzelven. Hij zou nu het geld geven, en de oude had ’t -verstand, en na een paar maanden had hij ’t verstand en de oude zijn -duiten! Trima kasi, banjak! - -„’n Partijtje, ’n partijtje.... ik maak elken dag partijtjes, maar ’s -avonds niet. Ik kan er zoo goed niet meer tegen.” - -„Och, kom!” - -„En dan: er zijn geen partners meer! Goede God, de menschen kijken je -tegenwoordig aan of je ik weet niet wat bent, als je ’n fijntje -voorstelt van ’n gulden met een oploopend potje! Zijn dat lui. Neen, de -goeie hombreurs: je vader, Lugtens en zoo,—parlez-moi de ça!” - -De waarheid was, dat Twissels heel onaangename berichten had gekregen -uit Europa; als er niet spoedig betere tijdingen kwamen, zou hij voor -een moeilijken toestand staan, enkel door veel geld te overkomen. Het -wantrouwen van Uhlstra had hij gevoeld; ook dááraan herkende hij diens -vader. Aandringen zou niet baten; zou niet anders dan meer argwaan -wekken. - -Toch moest hij middelen beramen, iets nieuws zoeken, waarmeê hij voor -den dag kon komen en dat tijdelijk kon aangewend worden om het gat, als -het viel, te stoppen. - -De gewone en voor de hand liggende hulpmiddelen had hij reeds -aangewend, zelfs was hij genoodzaakt zeer voorzichtig te werk te gaan; -zijn crediet was zóó, dat hij het moest behandelen als een -jongejuffrouw. - -De eigenlijke zaken gingen dien dag hun gewonen gang; hij behandelde ze -werktuiglijk, zonder belangstelling, zonder hart; de vele kleintjes, -die te zamen een groote maakten, en waarvoor hij altijd zoo goed had -gezorgd, lieten hem koud en onverschillig, nu hij zoo zwaar bij even -aanzienlijke als avontuurlijke posten was betrokken. Zeker, hij had -groote kapitalen omgezet, ook vroeger; maar dat was heel anders; -daarbij kon men als het ware precies berekenen wat men eraan verdienen -kon, met de haast wiskunstige zekerheid er nooit bij te verliezen. Zóó -had hij gewerkt met Lugtens en den ouden Uhlstra. Doch daaraan kon hij -zelfs niet met enthousiasme denken. Nu ja, er was veel geld door -gewonnen, maar het miste de groote macht der begoocheling; de -raadselachtige bekoorlijkheid der speculatie met haar geweldige emoties -en zenuwachtige spanning. Hij kon aan al dat oude niet terugdenken; ’t -was alles vervelend, plat, eentonig, hoe goed, secuur en solied ook. - -Wat hij nu deed, ondermijnde hem, hield hem in spanning, maakte hem -ziek; het hield hem bezig met allerlei berekeningen en combinaties, -waarin hij zich verdiepte, tot hij er haast zelf niet meer uit kon -komen; het roofde hem zijn eetlust, zijn slaap, de hem nog overgebleven -viriliteit zelfs; het derangeerde zijn zenuwen en ontnam hem al de -genoegens van een rustigen, comfortabelen ouden dag. Maar hij had het -lief als een zegen; het deed, als hij er zich in verdiepte en in -optimistische richting de resultaten voor zijn geest zag, die, meende -hij, niet konden uitblijven,—het deed dan zijn oogen schitteren van -ongekend genot, het gaf voor een oogenblik aan zijn wezen een -uitdrukking van kracht, levenslust en zelfvertrouwen; en die emoties -waren zijn grootste vreugde geworden: wat de drank is voor den -dronkaard, de injectie voor den morphinist, het opium voor den -schuiver. - -’s Middags in de voorgalerij schonk Louisa, zijn huishoudster, hem ’n -kop thee, als elken dag; toen ze nog jong en mooi was, had iedereen -zich verschrikkelijk aan deze openbaarheid van het concubinaat -geërgerd, nu Louisa vroeg oud en leelijk was geworden, nam niemand er -meer notitie van; het was eenvoudig of ’t zoo hoorde. - -Met ’n kop thee in de eene en ’t schoteltje in de andere hand, liggend -in een luierstoel, geeuwde hij luid, hoog, als ’n vrouw. - -„Ik denk wel, dat ik vannacht slapen zal,” zei hij. „Ik val nu al bijna -om van den slaap.” - -„’t Zou geen wonder zijn,” meende Louisa, doelend op de omstandigheid, -dat hij de laatste nachten zoo slecht en zoo weinig sliep. - -„Neen. Als ik een goeden nacht maakte, zou ik hem niet hebben gestolen, -dàt is zeker.” - -En hij geeuwde nog eens en nog eens, tot hem de kaken zeer deden en de -tranen in de oogen stonden. - -„Ik zou maar vast naar bed gaan.” - -„Wel neen! Dan slaap ik vannacht weêr niet.” - -„Hebben is hebben, zou ik zeggen.” - -Maar hij wilde den goeden raad niet opvolgen, baadde en kleedde zich, -naar gewoonte, overtuigd, dat nu een goede nachtrust, die hij gevoelde -hoog noodig te hebben, hem wachtte. Tot na het diner bleef hij in die -meening. Toen week het gevoel van loomheid en behoefte aan rust. - -Niettemin ging hij naar bed, trachtende in te slapen; het gelukte hem -niet; onrustig, ongeduldig en met meer en meer last van de warmte, -wendde hij zich van den eenen kant naar den anderen. Na een paar -onaangename uren, stond hij op, ging naar zijn kantoorkamer, stak er de -lamp aan en een sigaar op, wierp de vensters open, en begon een -berekening voor een geheel nieuwe speculatie, die hem daareven in de -gedachte was gekomen. Zoo bleef hij voortwerken den heelen nacht, -opgewekt, helder van geest, zonder eenig gevoel van afmatting of -vermoeienis. - -„Ben je al op?” vroeg Louisa ongerust, toen zij uit haar kamer kwam. - -„Niet al, maar nog.” - -„Wat heb je toch? Vroeger toen je nog ’n hombertje ging maken ’s -avonds, sliep je ’s ochtends altijd als ’n marmot.” - -„Ik heb zeker ’n kwaal, die ik niet ken, opgeloopen.” - -Nu het dag was, overviel hem het onaangename, dat hij de vorige dagen -reeds met zich had omgedragen in nog sterker mate; hij had een -opkomende hoofdpijn en lichte huiveringen als bij zacht begin van -koorts. Louisa wilde den dokter halen, en Twissels vond dat goed. Toen -die hem voorschreef het rooken te laten, was hij woedend; maar hij deed -het toch. Werktuigelijk greep hij op ’t kantoor wel tienmalen dien dag -naar zijn sigarenkoker; doch hoe moeielijk het ook was, hij bedwong -zich. De tijdingen uit Europa lieten zich wachten; zijn zenuwachtig -ongeduld nam toe, tot het weêr tijd was om naar huis te gaan, en de -kans op berichten dien dag zoo goed als verkeken was. Weêr sliep hij -dien nacht niet; weêr ving hij, nauwkeurig narekenend, den arbeid aan -van den vorigen nacht, en... hij stak er een sigaar bij op. Wat was dat -voor nonsens! Hij had nu den heelen dag niet gerookt, en ’t was immers -net eender! Nu dronk hij, het eene glas grog na het andere. Het -benevelde hem niet; hij was en bleef helder wakker; volkomen scherp bij -’t hoofd, tot de dag kwam en daarmeê een diepe ellende over hem. In het -rijtuig, naar het kantoor, dook hij weg in ’n hoekje; dun en smal, geen -vierde beslaand van de breedte; het kleine grijze hoofd rustend tegen -de kap, doodvermoeid, de oogen gesloten achter de brilleglazen. De -nieuwe speculatie spookte intusschen voort in zijn hoofd, rusteloos, -onophoudelijk zich herhalende; voortwerkend als een idée fixe, waaraan -hij zich met moeite ontworstelde, om achter zijn lessenaar de brieven -te openen, te lezen en met orders en kantteekeningen te beschrijven. -Geel blinkend als ’n streepje helder licht, in den dag voor het -venster, gleed zijn gouden potlood over het wit der brieven in -onduidelijk schrift, de woorden op het eind uitloopend in een vage -streep of middenin afgebroken, het kenmerk van iemand, die ’t land -heeft aan het schrijven of aan wat hij schrijft. - -Maar het moest. Al waren die gewone zaken thans voor hem bijzaken,—zij -waren de oorsprong geweest van zijn huis, zij hadden het tot bloei -gebracht en ontwikkeling; zij waren er nog de gezonde reden van bestaan -van. En nadat hij zoo een uur had zitten werken, het vervallen gezicht -meêschuivend achter ’t ringetje van de gouden stift, kwam het eerste -telegram uit Europa. Toen hij het aannam, beefden zijn lange dunne -vingers; maar voorzichtig toch, deed hij het couvert open met een klein -vouwbeen. Hij wist wat het wezen zou, schoon hij ’t voor zichzelven -niet had willen erkennen met zijn verstand. Zijn overprikkelde geest -zag het cijfer in gedachten, noodlottig nadeelig. - -Het was zoo! Nu hij het voor zich zag, onherroepelijk, kwam het looden -gevoel over hem van een zwaren last. Stil deed hij het telegrampapier -dicht, deed het weer open, bekeek het nog eens, de manipulatie -herhalend, machinaal. ’t Was een harde slag! Hij was er niet finaal meê -weg, maar dat scheelde toch niet veel. Als hij met zijn gewone zaken -zou moeten terugwinnen, wat hij met speculeeren in ’n paar jaren -verloren had, was het heele arbeidsleven achter hem daartoe noodig; en -zulk een leven had hij niet meer vóór zich. Maar hij dacht aan zijn -nieuwe plan, en als dat gelukte..... De stijfheid in zijn gezicht, -opgekomen onder de jobstijding en daarop gebleven, gleed zachtjes weg; -er kwam ontspanning in de trekken om z’n mond; nu stond hem de volle -schoonheid zijner nieuwe combinatie in al haar prachtige kansen voor -oogen, veel helderder dan te voren; hij was nu niet meer belemmerd en -in beslag genomen door die oude zaak, thans achter den rug; zijn blik -was vrij, zijn geest heelemaal los van dien band. Driftig en -zenuwachtig greep hij zijn portefeuilles, haalde er zijn aanteekeningen -uit, zijn statistieken van voorraden en producties, zijn informaties -over allerlei bijzonderheden. En het was zoo duidelijk als de dag! Hoe -had hij soms nog kunnen twijfelen? ’t Was zoo goed als wiskundig zeker, -dat hij niet omver te werpen conclusies had getrokken uit cijfers, -welsprekend, zuiverder, helderder dan de meest logische -redeneering,—„als het een hombertje was,” dacht Twissels, zijn handen -wrijvend tusschen de knieën, „zou ik zeggen: het is een os.” - - - - - - - - -ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -ROOS DOET ZAKEN. - - -De oppasser annonceerde een „njonja”. Wat kwam die ongelegen! Hij had -zich er reeds toe gezet orders te geven tot inkoopen, en al wat er -verder aan vast zat, en nu kreeg hij damesbezoek! Misschien een -bedelpartij! Twissels draaide met ’n driftige wending om met z’n -kantoorkruk, het lange lijf recht, den bril met twee handen vattend aan -de ooghoeken en vaster zettend om goed te zien. - -Dood op haar gemak en in een golvend gangetje op haar kleine vleezige -voetjes, als een rijtuig op zachte veeren, kwam Roos binnen, heelemaal -in het zwart; niet als rouwgewaad over Geber, maar.... ze was zoo dik -geworden, dat ze geen licht goed meer dragen kon; daar zag ze meê uit -als een pottentrien! En nu was ze niet koket; zij hengelde in het -geheel niet naar ’n man, maar ze wou er toch ook niet mal uitzien. -Zwart was haar onveranderlijke uniform; zij zag er minder kolossaal -door uit en minder donker ook. - -„Zóó!.... zóó!” riep Twissels, zijn oude-vrouwtjes-stem verheffend tot -een onnatuurlijk piepgeluid, waarover ’n paar aankomende klerkjes in -den open corridor stonden te gichelen. „Welzoo!.... Dat is geloof ik -ook voor het eerst in je leven.” - -Zij gaf geen antwoord; haar gansche massa bewoog op en neêr bij een -snelle, korte ademhaling, en de hand tegen het hart, liet zij zich -langzaam neêr in denzelfden rieten stoel, waarin haar vader zoo -dikwijls had gezeten, als hij kwam afrekenen op ’t kantoor. - -„Ja, als je het trappen klimmen niet gewoon bent, en je weegt dan zoo’n -respectabel aantal kilo’s....” - -Ze kwam intusschen bij adem, en keek hem aan, verwijtend, haast boos. - -„Ik vind het onplezierig genoeg! Als ik er iets tegen kon doen....” - -Het was haar gewone zeggen; zoo ze slechts ’n middel wist om haar -corpulentie te bestrijden.... Men had haar vele middelen aan de hand -gedaan in den loop van tijd; ze had er nooit een toegepast! - -„En waaraan heb ik de eer van je bezoek te danken?” vroeg Twissels, den -schertsenden toon volhoudend, toen hij haar ’n oogenblik tijd had -gelaten uit te blazen. - -Vertrouwelijk lei zij den arm, er overheen leunend, op den rand van -zijn lessenaar. - -„Ik wou u eens spreken over geldzaken.” - -Hij had, zittend, het kleine grijze hoofd ook in haar richting laten -gaan, en hij knikte, zonder iets te zeggen, herhaaldelijk en gewichtig. - -„U hebt altijd met pa zaken gedaan. Ik weet daar zoo niet van, maar ik -weet wel, dat pa dikwijls sprak van u en van ’t kantoor, en Geber ook.” - -Hij bleef maar knikken met het hoofd, ’n stille aanmoediging om voort -te gaan, als ’n biechtvader, die de zonden aanhoort en bij zichzelf -overtuigd is, dat er nog wel meer zal komen dan hij reeds heeft -vernomen. - -„Nu,” vervolgde Roos, „ik heb na Geber’s dood er nogal wat bij -gekregen. Ik had eerst, zooals u weet, mijn geld maar heel solied -belegd tegen weinig rente. Nu dacht ik er zoo over.... Het is toch -eigenlijk zonde.” - -„Ja,” zeide hij. „Daar heb je gelijk aan, het is zonde.” - -„Daarom kwam ik vragen,” zei Roos half en half verlegen, „of u wat van -mij zoudt willen hebben, tegen wat meer rente. Ik heb.... ’n twintig -duizend.” - -„Och, ja! Als ik je er een plezier meê doe, dan wil ik die twintig wel -nemen.” - -„En hoeveel krijg ik dan?” - -Zij wist het wel, maar van terzijde; ze wou het hooren uit zijn eigen -mond. - -„Zeven percent.” Hij zei het achteloos en onverschillig, maar het deed -de oogen van Roos glinsteren van genoegen. Dus hoefde men waarlijk geen -geld uit te leenen met groot risico voor een percent of zoo in de -maand, als men op zoo’n solide manier er zeven in het jaar van maken -kon! - -Stilletjes berekende zij bij haarzelve, dat zij nu in een jaar veertien -honderd gulden kreeg van die onnoozele twintig duizend. Zij deed een -taschje open, dat aan haar arm hing, haalde er een pakje bankpapier -uit, en lei dat met een gewichtig gezicht op den lessenaar. - -Twissels verwaardigde het met geen blik. - -„En hoe gaat het met de kinderen?” vroeg hij verder. „Ik heb ze in lang -niet gezien.” - -„O! heel goed,” antwoordde Roos, verstrooid, in haar gedachten bij ’t -geld en de rente. Jongens, als zij op die manier wat meer kon plaatsen! -Als zij er bijvoorbeeld eens tachtig duizend mocht bijdoen, dan was het -net een ton, waarvan ze zooveel trok als nu van twee! - -„Het is zoo onplezierig,” ging zij hardop voort, „dat men als vrouw zoo -weinig kan maken voor z’n geld.” - -Hij lachte erom, fijntjes, voelende waar ze heen wilde, met het -hombreurs-gevoel, dat hij de fourchette in z’n hand had. - -„Wat zou je dan willen?” - -„Dat u op die manier wat meer van me plaatsen kon.” - -„Zoo, en hoeveel dan wel?” - -Aarzelend zei ze:.... „Honderd?” - -„Hm! Dat is ten minste een bedrag om over te spreken. Je begrijpt.... -twintig mille is voor ons de moeite niet. Ik zal maar zeggen, zooveel -als in uw huishouden een ringit.... Ik deed, natuurlijk.... uit oude -relatie.” - -Om het Roos gemakkelijk te maken, liet hij haar de stukken teekenen -noodig om haar geld los te krijgen en gaf haar het ontvangbewijs. Zij -was er bijzonder meê in haar schik; lekker als kip! - -„Ja,” zei Twissels, die dat wel zag, „je boft maar, dat is zeker, met -op die manier wat te kunnen steken in een huis zoo solied als de -Javasche Bank.” - -Zij lachte hem vriendelijk toe en bedankte hem wel. En met ouderwetsche -galanterie bracht hij haar de trap af; zij, voorzichtig, niet gewoon -aan trappen loopen, doodsbang te vallen, zich met het eene -kussentjeshandje vasthoudend aan de verflooze, grauwe leuning; hij, -haar bij het andere steunend, gemakkelijk zijlings de trap af, met zijn -lange beenen in een gewoontetred van vele jaren, leidde haar naar haar -rijtuig, dat voor ’t kantoor wachtte, tevreden over haar bezoek, -tevreden ook over zijn eigen handigheid. - -’t Was, vond hij, net zooals het hoorde; of het voor hem geknipt was! - -Hun meeste geld hadden die Uhlstra’s te danken gehad aan Lugtens en -hem; de oude was ’n best mensch geweest en ’n goede sobat, maar in -zaken had hij waarachtig het kruit niet uitgevonden. En Geber dan! Die -hadden met hun tweeën buiten ’t landelijke nooit een cent extra -verdiend als hij en Lugtens hen niet op sleeptouw hadden genomen -indertijd. Dat Roos nu die eene ton stak in zijn zaken, wel, ’t was zoo -goed als zijn eigen geld! En ten slotte hielp hij haar. Wat hij nu -bezig was te organiseeren, kon haast niet anders dan prachtig gelukken. -Van alle kanten had hij de kansen gewikt en gewogen, hij was zeker van -zijn zaak; en dat had hij vroeger van die vorige speculaties ook wel -gedacht, maar toen had hij zich vergist, en daar was, ditmaal, geen -quaestie van. - -Innig tevreden over haar buitenkansje, zat Roos in haar rijtuig, -gemoedelijk en vredelievend van stemming, met nog geen plan naar huis -te gaan. Ze wou ’n visite maken, en dat kon ze wel doen bij ’n dozijn -dames van haar kennis, maar dat trok haar nu niet aan; ze had bij -familie willen gaan. Hoe akelig toch, dat er tegenwoordig zoo’n -oneenigheid was! - -Wel, dat kon zoo niet blijven. Ze zou naar haar moeder gaan, al kregen -ze dan ook standjes; ze zouden zich toch wel met elkaar verzoenen, -ondanks de heftigheid van mama en het akelig totok-gezicht van de -„heilige maagd”, zooals zij smalend haar nichtje Lena noemde. Want die -had al het kwaad gebrouwen, en die stond veel hooger aangeschreven dan -de eigen kinderen. ’t Was een schande! - -„Zoo, ben jij daar?” vroeg haar moeder niet erg vriendelijk. - -Roos was bleek en zenuwachtig. - -„Dag ma!” - -En de oude vrouw Uhlstra, enkel maar zoo onaangenaam nu om haar -ontroering te verbergen, riep meer dan ze sprak met beverige klanken nu -en dan: - -„Goeje God, schepsel, wat wordt jij een babi! Ik ben ook niet van de -magersten en vroeger veel dikker dan nu, maar dat is terlaloe. Het is -nogal mooi, dat moet ik zeggen!” - -Ofschoon haar de tranen in de oogen stonden, moest Roos er toch om -lachen. - -„Ik kan het toch niet helpen, ma.” - -„Wat wou je zeggen! Moet ik misschien de eerste wezen en naar jou -komen. Je moest je schamen. ’t Is gemeen! Zoo ben je.” - -Nu Roos de vreemde gedachtenverwarring snapte, zei ze: - -„Dàt niet ma, zeker niet. Daarom kom ik immers hier. Ik vraag excuus, -ja ma?” - -Zij sloeg den arm om den hals harer moeder en zoende haar; mevrouw -Uhlstra, schreiend, mopperde nog door, in algemeene termen sprekend -over iemands eigen „vleesch en bloed”, en dat dit zoo gemeen kon doen, -als in opstand tegen zijn ouders; zij vroeg, wie zóó iets ooit had -kunnen denken in haar jeugd, toen nog het „eert uw vader en uwe moeder” -in praktijk werd gebracht; zij betoogde, dat de kinderen tegenwoordig -geen kinderen meer waren; dat zij in staat zouden zijn hun ouders -liever van honger te laten sterven, dan hun een bordje rijst te geven, -en zoo al meer, tot ze, na haar gevoelens lucht te hebben gegeven, Roos -meênam naar achter om versche, pas gebakken kwee-kwee te proeven en -ketoepat te eten. - -Zij zetten het gesprek voort, snoepend intusschen van alle schoteltjes, -uit alle stopflesschen. Even kwam Lena erbij, vriendelijk als altijd, -blij om de verzoening tusschen moeder en dochter, maar zij werd door -beiden min of meer teruggewezen; door mevrouw Uhlstra, die een apartje -met Roos verlangde voor een bepaald doel, goedig en met groot vertoon -van teederheid; door mevrouw Geber, die haar de genegenheid der familie -benijdde, kort en uit de hoogte. - -„Zeg Roos,” vroeg mevrouw Uhlstra, toen Lena, voelend dat ze te veel -was, naar voren ging, „je komt toch niet aan huis bij tante Clara..., -dat beest?” - -„In den laatsten tijd niet, ma.... Niettemin.... het spijt me.” - -„Je bent gek, kind,” was het compliment, zoo bits en spijtig als het de -in haar humeur gekrenkte vrouw tegenwoordig altijd afging. „Als iemand -haar uit den weg ging, moest jij het wezen.” - -„Och waarom? Alleen in het begin had ik er ’n beetje verdriet van.” - -„Welk begin?” - -„Toen ik pas met Willem was getrouwd.” - -„Zoo.... je wilt zeggen, dat naderhand....” - -„Och,” zei Roos zacht en gemoedelijk, achterover in den stoel zich als -’t ware wiegend in haar welgedaanheid, „och, ma, naderhand kon ’t me -niet zooveel schelen. Ik vond het wel onpleizierig, maar niet dáárom.” - -Mevrouw Uhlstra lachte een kwaadaardig honend lachje. Zij vergat -heelemaal hoe zij om het lieve geld zelf tot de afdwalingen van haar -zuster en haar schoonzoon juist „naderhand” had meêgewerkt. - -„Jij bent een rare, hoor!” - -„Nou ma, als het mij niet zooveel schelen kon.... Ik hield altijd veel -van tante.... nog houd ik veel van haar. Ik heb me altijd heel goed -kunnen begrijpen, dat mannen haar erg lief vinden.” - -„Je begreep het zoo goed, dat je.... je eigen man niet kwalijk nam, dat -hij....” - -Nu lachte zij van harte om het malle idee, tot ze, zich buigend over -het leuke volle gezicht van Roos, dat zonder vouw of rimpel, met niets -dan ’n trekje om den mond, een beeld van Siwa leek,—haar zoende, -telkens tusschen twee lachen uitroepend: - -„Je bent zoo mal, ja, Roos! Zoo’n gek spook, ja!” - -Maar ze werd weêr ernstiger; ze was in zoo’n gewoonte van zich kwaad te -maken en van anderen kwaad te spreken gekomen, de laatste jaren, dat -het haar een genot was geworden. - -„’t Is eigenlijk zonde, kind, er gekheid over te maken. Jij hebt een -gelukkigen aard, dat moet ik zeggen. Ik ben met papa dertig jaar -getrouwd geweest.... we waren altijd heel gelukkig samen.... God zegene -zijn nagedachtenis.... hij was braaf en goed....” - -Ze hield even op, al de trekken in haar gezicht vol zenuwachtig leven; -met de punt van haar kabaai in driftig gewrijf haar tranen drogend. -Over het rustig gelaat van Roos gleed een droefgeestig waas als ’n -neveltje langs ’n heldere lucht, en met haar kanten zakdoek bette zij -zachtjes, voorzichtig, de tranen weg, ook in háár oogen opgekomen. - -„Ik wou maar zeggen,” zei daarna mevrouw Uhlstra, „dat als je vader het -mij had geleverd, onverschillig met wie, ik hem de oogen uit het hoofd -zou hebben gehaald.” - -„Die ma!” riep Roos, nu weer lachend; en wat droefgeestig voegde zij -erbij. „Dat was ook heel wat anders.” - -„Waarom?” - -„U bent heel jong met pa getrouwd en u hield veel van elkaar. Geber en -ik.... nou, daar behoef ik u toch waarlijk niets van te vertellen.” - -„In elk geval, moet je niet meer bij haar aan huis komen en haar ook -niet ontvangen. Je mag je eigen goeden naam niet in de waagschaal -stellen.” - -„Maar ma, zóó erg is het toch niet.” - -„Wat zeg je daar? Niet erg?” - -En mevrouw Uhlstra richtte zich rechtop, achterover inbuigend, den buik -vooruit, zoodat de punt van haar kabaja wel twee meters voor haar uit -wees, furieus, met schitterende oogen, den rechterarm uitgestrekt, als -stelde zij een aanwezige in staat van beschuldiging: - -„Niet erg? De meest gewone inlandsche straatmeid is minder erg dan -zij.” - -Mevrouw Geber zei maar niets; zij wist wel, dat als mama tegenwoordig -op zoo’n manier uitviel, er niet mee was te redeneeren. Zij geloofde -het niet. Praatjes dacht ze. Daarom hoorde ze ook maar stil aan, hoe -haar moeder „uitpakte”, ofschoon het haar nieuwsgierigheid prikkelde en -haar toch verbaasde; zij hoorde de namen van mannen, paniers percés -meest; de verhalen over het stelen van geld en juweelen van mevrouw -Lugtens door haar „aanbidders”, en tal van bijzonderheden, waarvan zij -wel iets wist, maar lang het „fijne” niet. - -Toen mevrouw Uhlstra had uitgeraasd over haar zuster, kregen de meisjes -een beurt; zij logeerden nu op Tji-Ori; ze waren op weg geëngageerd te -raken, maar: het was er ook naar! zei mama bitter. En toen kwamen de -jongens. Dat ging beter, vergoelijkend wat de gebreken betreft. - -„Piet schrijft, dat het zoo’n mooi koffieland is, waar hij werkt.” - -„Dan moet hij ’t koopen.” - -„Dat wil hij ook, maar hij heeft niet genoeg van z’n eigen.” - -„Maar ma, hij heeft toch...” - -„Ja, ik weet het wel, kind... Hij heeft veel geld zoek gemaakt... -Enfin, hij is jong, weet je. Het is ’n land van twee ton.” - -Roos zweeg. - -„Hij heeft er maar één.” - -„Dan moet hij de andere opnemen.” - -„Precies! En dan valt hij weer in de handen van een geldschieter, die -hem het vel over de ooren haalt.” - -„Wat moet hij dan?” - -„Wel Roos, wij moeten hem ’n handje helpen, ja? Henri heeft al gezegd, -dat hij het met pleizier zou doen, maar hij kan niet op ’t moment. Nou, -over wat van de meisjes is, beschik ik niet graag, dat begrijp je... En -dan die akelige weeskamer... trima kasi, zeg! Als ik nou ’reis met -vijftig duizend van mezelven toelongde en jij ook? Hij kon er best -zeven en een half van betalen aan rente.” - -Roos knikte toestemmend. Als Piet zich nu maar goed hield, was het nog -zoo’n kwaad idee niet van haar moeder. - -„Dus je doet het, ja?” vroeg haar moeder, die blijkbaar zekerheid wilde -hebben. - -„Omdat u ’t graag hebt, ma. Wat Piet aangaat.... hij heeft het hier -niet best laten liggen. Zooals hij huishield op Koeningan,—te erg toch! -Maar, zooals u zei, hij is jong.” - -„Och, wel ja! Hij is anders knap genoeg, Roos, in de zaken, weet je.” - -En Roos, met zekere rustige superioriteit tegenover haar familie, -aangenomen sedert ze weduwe was, beloofde vast dat ze een halve ton zou -bijdragen. Om te toonen, dat ze lang niet dom was, zei ze nadrukkelijk: - -„Die honderd van ons tweeën, ma, samen als eerste hypotheek.” - -Nu, dat kon mevrouw Uhlstra niet schelen. Piet, die metterdaad het geld -niet krijgen kon, omdat men in hem geen voldoend bekwaam planter zag, -had haar dringend verzocht hem te helpen; zij kon nu den wensch van -haar jongsten lieven zoon bevredigen; meer verlangde zij niet. - -Zoodra haar dit pak van ’t hart was, vroolijkte mama Uhlstra heelemaal -op. Ze ging zich te buiten in attenties voor Roos en putte zich uit als -om haar dochter te amuseeren in het zeggen van onaangename dingen over -anderen. Tot ze op eens aangedaan werd, toen ze, met Roos naar voren -terugkeerend, Lena zag zitten in de verte. - -„God, Roos, nou moet ik je toch nog wat zeggen. Er is er al een -verliefd op dat kleine ding.” - -„Och kom ma.... gekheid!” - -„Soengoe mati, Roos. Ja! hoe is het mogelijk! Nog pas zoo kort geleden -liep ze in broek en baadje.” - -„Maar ma, wees toch verstandig. ’t Is maar kinderspel.” - -„Dat denk je maar. Hij is een knappe jongen, ’n Totok van den -Waterstaat, ’n aspirant....” - -„’n Ambtenaartje!” zei Roos, den neus optrekkend. - -„Niet waar.... ingenieur, betoel.” - -De weduwe Geber haalde even haar dikke schouders en goed geteekende -zwarte wenkbrauwen minachtend omhoog. - -„Hij is altijd bij haar, als ze ergens op een partij is, en telkens -komt hij hier voorbij.” - -Ten slotte vond Roos het aardig; ’t meest omdat als Lena, hoe jong ook, -trouwen mocht, zij niet langer zulk een invloed zou uitoefenen in haar -moeders huis. Dat die invloed een goede was, deed er niets toe; dat -Lena een knap, verstandig, door en door lief en fatsoenlijk meisje was, -kwam er niet op aan. Zij hoorde daar niet, en als er in het huis van -mevrouw Uhlstra een vrouwelijk wezen invloed liet gelden, dan kon dat, -dacht Roos, alleen zijn de oudste dochter, zelf moeder, als weduwe zelf -aan ’t hoofd staande van een gezin. - -Het verzoende haar met de gedachte, dat er reeds werk werd gemaakt van -dit bakvischje en welwillender dan anders, kwam ze naar Lena toe, die -haar altijd heel gewoon vriendelijk bejegende, zich blijkbaar nooit -bezighoudend met de vraag of Roos jaloersch van haar was; zich niet -bekommerend over het goed of kwaad humeur harer oudere nicht. - -„Zoo, zoo,” zei deze op ’n soort moederlijk beschermenden toon. „Ik -hoor, je hebt al een aanbidder, Leentje. Nou, da ’s vlug, hoor!” - -Wel kleurde ’t nichtje ’n beetje, maar ze was in ’t geheel niet -verlegen met het geval, wat Roos weer ergerde. Zoo’n nest! Als je -zoo’n... kind toch eigenlijk iets dergelijks zei, dan moest ze nog erg -maloe worden, en lag het in de natuur der dingen, dat ze kinderachtig -moest staan heen en weer draaien met haar hoofd, schouders, rug en wat -er verder volgt. Die Lena niet! Die keek haar vierkant in het gezicht -en, Roos ontroerde nu er ook weêr van, met de oogen van Willem. - -„Dat zegt tante alleen om me te plagen,” antwoordde het meisje lachend. -„Maar ik trek me er niets van aan, hoor!” - -En tante, die het erg grappig scheen te vinden, ging met dit „plagen” -voort, in een bui van plezier den wipstoel van Lena achterovertrekkend -en haar kussend met groote teederheid. - -„Dan komt dat aspirantje, ja, Leen,” zei ze met verborgen aandoening, -„en dan laat jij tante ook maar alleen zitten, hè?” - -Met diepe ergernis en verontwaardiging hoorde Roos het aan, en zag hoe -Lena nu ook haar arm met de mooie blanke handjes en de fijne gevulde -polsen om den donkeren hals sloeg van mevrouw Uhlstra, in een spontane -beweging van groote genegenheid. Het was, vond Roos, om misselijk van -te worden. - -„Kom!” zei ze erbij zuchtend, „ik ga naar huis.” - -Mevrouw Uhlstra bracht haar tot in de voorgalerij, en zag toen voor het -eerst, dat het rijtuig erg bestoven was. - -„Waar kwam je vandaan?” - -„Uit de stad. Ik ben bij Twissels geweest.” - -„Zoo.... hè, wat moest je daar uitvoeren?” - -„Zaken,” was het korte antwoord. - -„Zoo.... ik wist niet, dat jij nog zaken daar hadt.” - -„Dat had ik ook niet, maar nu heb ik ze. Ik bedank ervoor mijn geld nog -langer voor zoo’n bagatel uit te zetten. Het mag dan verschrikkelijk -secuur zijn, maar je kunt het haast net zoo goed in het water gooien. -Ik heb een gedeelte bij Twissels gebracht, dan krijg ik er ten minste -’n fatsoenlijke rente van.” - -Het was of mevrouw Uhlstra een beroerte kreeg van kwaadheid; zij keek -eerst Roos aan met een gezicht vol schrik en ontzetting, de armen slap -bengelend langs het lijf, sprakeloos, heelemaal overbluft;—tot ze los -kwam in een stroom van verwijten en scheldwoorden. Dáár had Roos ’n -dingetje begonnen. Net iets voor zoo’n „stommeling” als zij was. Als er -sprake was van geld in het water gooien, dan had ze dat nu net gedaan! -Een ton had ze gebracht bij dien dobbelaar, dien zwendelaar, dien dief! - -Met de vingers voor de ooren, lachend bij haarzelve, maar toch boos -ook, schommelde Roos de marmeren treden der galerij af. Wat kon dat -mensch toch vreeselijk te keer gaan, tegenwoordig! ’t Was meer dan erg! -Als ze aan iemand ’n hekel had, dan ontzag zij zich niet alles van hem -of haar te zeggen. Zij, Roos, was immers overtuigd, dat zij goed en -verstandig had gedaan! - -Wat wist haar moeder van zaken! - -En schoon zij zich dit alles opdrong, was het toch ’t ware niet meer; -de vreugde van dien ochtend over haar geldbelegging had verloren aan -kracht, was eigenlijk geen vreugde meer, en het wantrouwen, hoe klein -ook, stak nu eenmaal in haar gemoed; ’t was den heelen dag, telkens als -zij er weêr aan dacht, of ze die kiem voelde zitten. Ze moest weêr eens -bij Twissels wezen, een der volgende dagen, en, schoon nog altijd bij -haarzelve strijdend met verontwaardiging tegen den indruk der „malle -praatjes” harer moeder, ging ze toch met ’n eenigszins bezwaard gemoed. - -Ze vertelde hem hoe zij en haar moeder Piet zouden helpen. - -„Je moet het zelf weten,” zei hij droogjes, „’t is je eigen broer, maar -je hebt kinderen.” - -Verbaasd keek zij hem aan. - -„Wat bedoelt u?” - -„Och niets, dat je dat geld kwijt bent en mama het hare ook.” - -„Maar...... hoe heb ik het nu? Daar is nu toch geen reden voor.... Het -is om te lachen.... u doet me wezenlijk denken aan mama.” - -„Hoezoo?” vroeg Twissels snel en verbleekend. - -„Wel, zij spreekt even afkeurend over het plaatsen van mijn geld hier, -als u over die hypotheek op ’t land van Piet.” - -„Ja,” zei hij nijdig piepend, „ja, je moeder is een eigenaardig mensch, -heel eigenaardig! Dankbaar is ze niet, waarlijk niet! Toen ik met haar -afrekende, heeft ze meer ontvangen dan haar toekwam, dat kan ik zwart -op wit bewijzen. Sedert heeft ze voortdurend op me gescholden, alsof ik -haar te kort had gedaan.” - -„Mama is in de laatste jaren erg veranderd. De dood van pa en die -familiequaesties...” - -Twissels stak zijn lange magere handen op, ze afwerend heen en weêr -bewegend. - -„Ik weet het wel.... Maar ’t blijft heel onplezierig. Intusschen.... -mij deert het niet. Wat ik onaangenaam vind is, dat ze om Piet te.... -„helpen” kan men het eigenlijk niet noemen, want „geholpen” is hij er -niet mee,—maar dan om hem van dienst te zijn, jou zooveel uit den zak -klopt.” - -„Wat-blieft? Uit den zak....?” - -„Wis en drie! Van Piet komt niets terecht. Wat jullie daarin stopt, -gaat in een grondeloozen put.” - - - - - - - - -ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -EEN SOLLICITANT-ECHTGENOOT. - - -Mismoedig ging Roos naar huis. Wat vormden toch die oneenigheden -tusschen de menschen een ramp! Wie en wat moest zij gelooven? - -Het was voor haar niet uit te maken. Zooveel was zeker: zij hadden het -land aan elkaar en spraken kwaad van elkaar. Soms als zij aan de -mogelijkheid dacht, dat niettemin beiden gelijk konden hebben, brak -haar het angstzweet uit. En in die stemming, uit haar gewonen -gemoedelijken doen, eenigszins opgewonden en zenuwachtig, kwam zij -thuis. - -’t Was dus al geen aangename verrassing, dat er bezoek bleek te zijn, -toen ze haar erf opreed, maar het zien van Freddy Markens bracht haar -geheel uit haar humeur. Over haar dik en glad Boeddha-gezicht kwam een -uitdrukking van toorn, niet in enkele trekken zich markeerend, maar als -’n heel stuk donker; ’n zwartig waas. - -Volkomen op zijn gemak, met zeker vertoon van haast en drukte, kwam -Freddy uit de voorgalerij naar buiten om haar uit den wagen te helpen. -Hij zag er keurig netjes uit, als weggeloopen van een modeplaatje. - -„Hoe vaart u, mevrouw; hoe vaart u?” vroeg hij levendig en vriendelijk, -de hand uitstekend. - -Zij wierp hem een onaangenamen blik toe, onderuit, kort als een -bliksempje. - -„Dank je, heel goed.” - -En zonder iets verder te vragen, met een hooghartige houding, wiegde -zij haar dikke figuur de treden der voorgalerij op. Hij zag hoe weinig -welkom hij was, maar trok zich dat niet aan, al pratend achter haar -komend, heel beleefd, den hoed in de hand. ’t Was niet mogelijk hem zoo -maar weg te zenden! - -„Ga zitten,” zei mevrouw Geber, zelf aan een groote marmeren tafel -plaats nemend. - -„Ik kom eigenlijk bij u met een vreemd verzoek.” - -„Zoo!” - -„Ja. O, het is niet om geld.... Integendeel, ik heb meer dan ik noodig -heb!” - -„Och kom!” - -„Inderdaad. Ik heb met papa gesproken, en we zijn het eens geworden.” - -„Het doet me veel genoegen.” - -Freddy boog zeer ongedwongen, zoo gemoedelijk beleefd als dankte hij -voor een compliment. - -„Eddy en ik moesten iets doen. Dat staat in principe vast.” - -„Mij dunkt ’t werd tijd.” - -„Nu, ambtenaar worden, dat gaat niet. Wij zouden als klerken moeten -beginnen. Op onzen leeftijd en in verband met de positie, die papa -heeft bekleed.... kortom dat kan niet.” - -„’t Is mogelijk.” - -„In het particuliere dient men getoond te hebben, dat men iets doen -kan; in een of ander opzicht werken wil....” - -’t Begon Roos te intrigeeren, waarop dat alles zou neêrdraaien. Het -beweeglijke heertje met zijn korte zenuwachtige gestes, ook bij -onbeduidende woorden; zijn aanhoudend wenkbrauwfronsen, als had hij -moeite zichzelf bij te houden in de heel gewone dingen, die hij te -zeggen had, moest een baantje hebben! Zij zag het nu vroolijker in, en -vroeg lachend: - -„Je hebt toch niet gemeend, dat ik een secretaris noodig had of ’n -administrateur.” - -„Dat niet precies. Maar ik zou wellicht kunnen optreden als gouverneur -van uw kinderen.” - -„Maar Freddy!” - -„Neen, ’t is niet om het geld! Volstrekt zonder honorarium. Alleen voor -de eer. En ik zal mijn uiterste best doen, dat beloof ik u.” - -De weduwe Geber keek den jongen Markens aan, alsof zij meende, dat hij -gek was. - -„Hoe kom je erbij?” vroeg ze. - -„Wel.... ’t is heel eenvoudig. Pa en ik hebben er lang over gepraat. In -het ambtelijke is niets te doen. Als pa nog in functie was.... ja, dan! -Maar hij is gepensionneerd. Nu, dat is iets! ’n Commies in dienst heeft -meer te zeggen dan ’n gepensionneerd Raadslid.” - -Zij zag hem maar aan met vragende oogen; zij begreep er absoluut niets -van. Welk verband bestond er nu weêr tusschen dat gekke idee van -daareven.... - -Toen Freddy geen antwoord kreeg, ging hij voort. - -„Pa is altijd zeer bevriend geweest met uw familie; het idee is van -hem; het was maar om een begin te maken....” - -„Zoo,” zei Roos. „Wel, ik wil er dan eens goed over denken. Als het een -idee is van je pa, met een beroep op onze vriendschap.... Maar ik zie -de mogelijkheid nog niet in.” - -„Juist,” viel Freddy half en half in de rede, niet geluisterd hebbend -naar het laatste gedeelte, geheel hangend aan wat voorafging. -„Juist.... ’n idee van papa en ’n beroep op de vriendschap. Ik zal u -niet langer ophouden. Denk er nog eens over. U zoudt er ons mee -verplichten.” - -Hij was opgestaan en reikte haar zijn blank, fijn heerenhandje, waarin -zij slapjes de hare lei, donker, dik en klein, met putjes en -vleeschkussentjes, die tegen de diamanten ringen aan de vingers op -stonden; hij drukte haar hand, zacht, lang en innig, met buiginkjes, en -glimlachjes in zijn scherpe vermoeide gelaatstrekken; met -dankbetuigingen en groeten. - -Een en al verwondering stond Roos erbij, geheel passief, enkel de -zachte drukjes voelend in haar vingers, en het vriendelijk gekwaak -hoorend van den jeugdigen boemelaar, van wien ze weinig meer wist, dan -dat hij en zijn broer beesten van jongens waren geweest, dat zij door -hun ouders totaal bedorven waren, en wat men alzoo weet van zulke -jongelui. - -„Tobat!” zei ze zachtjes bij haarzelve, toen hij het voorerf afging, -dandineerend als flaneerde hij op een boulevard, in zijn mooi -nauwsluitend jasje. „De vent is dol!” - -Maar ’s avonds werd zij onaangenaam verrast door de komst van de oude -lui Markens. Zij had hen in jaren niet gezien; ze gingen niet uit dan -voor kerkbezoek, en dat deed Roos niet. Het was nog altijd de coupé met -de sydneyers. Al was Markens verplicht geweest te verminderen bij zijn -pensionneering, dáárvan had hij zich niet kunnen ontdoen. - -Toen Roos in haar voorgalerij kwam, trof het haar hoe de Markens -verouderd waren; mevrouw vooral. Hij had nog wel zijn oude deftigheid -in gang en gebaren, maar in z’n spreken was hij heel anders, iedere -gelegenheid aangrijpend om wat het gouvernement deed en naliet scherp -te veroordeelen en af te keuren. - -En mevrouw Markens had, toen eindelijk het oogenblik kwam, dat het gaan -naar bals en partijen moest ophouden; toen de zorgen voor en ’t -verdriet over de kinderen toenamen met vermindering der geldmiddelen, -haar troost gezocht in overdreven vroomheid, in de eerste plaats -berekend op vertoon. - -Eerst had dat Markens nog meer gehinderd dan haar vroegere dwaze trots; -tegenwoordig lette hij er niet op. - -Nu kwamen zij voor de belangen van een hunner zoons, en Roos had hun -nooit tot zooveel hartelijkheid in staat geacht. - -„Ja,” zei Markens vriendelijk glimlachend terwijl hij, zijn jaspanden -oplichtend, zachtjes op den wipstoel plaats nam. „Nu komen wij -eigenlijk tot u met een verzoek.” - -En mevrouw Markens, óók glimlachend, knikte daar zwijgend bij. Het was -duidelijk, dat Roos het feit, dat zij bij haar kwamen met een verzoek, -had te beschouwen als een bijzondere onderscheiding. - -De oude vrouw had er graag een zalvend woord aan toegevoegd, maar -Markens had haar aan het verstand gebracht, dat ze dan alles voor Fred -bedierf, want dat indische menschen, die godsdienstloos leven, door -niets zoo uit hun humeur worden gebracht en aan niets zoo’n hekel -hebben, als aan godsdienstigheid in het dagelijksch gesprek. Dáárom -knikte ze nu maar. - -„Het is zeker hetzelfde verzoek, dat Freddy hier van ochtend kwam -doen.” - -„Juist.” - -„Maar dat is immers onmogelijk.” - -„Bij God....” begon mevrouw Markens. - -Zij wou maar iets heel gewoons zeggen, doch zij ving op een toon aan, -die haar man bang maakte; hij viel haar met een nijdig gebaar in de -rede, hoog zijn waardigheid ophalend in een stijf officieelen toon. - -„Waarom zou het zoo bepaald onmogelijk zijn. Mijn zoon heeft -capaciteiten..... hij kent zijn talen.” - -„Och, dàt is het niet,” zei Roos lachend. „Hij zal wel genoeg geleerd -hebben dáárvoor. Maar als hij gouverneur van mijn kinderen wordt.... Ik -kan toch niet met zoo’n jongen man onder één dak logeeren.” - -Mevrouw Markens drukte haar zakdoek voor den mond en liet, met ’n -wanhopige uitdrukking op haar gezicht, ’t hoofd een beetje zijwaarts -zakken. Waar dacht zoo’n schepsel niet aan? vroeg zij zichzelve met -afkeer en verontwaardiging. Foei! - -„Dat is immers volstrekt niet noodig. Hij logeert bij ons aan huis en -geeft enkel den kinderen les.” - -„In de bijgebouwen,” zei mevrouw zacht. - -’t Ging den horizon van Roos te boven; dit was, vond ze, eenvoudig -privaatles geven en geen gouverneur zijn. - -„O,” zei ze, „als ’t niet anders is, dan is ’t mij wel. Ik zal hem er -’n behoorlijk honorarium voor betalen ook, net als aan ’n ander.” - -Maar dáárvan wilden zij niets hooren, en ten slotte kwam het dus neêr -op een dienst met een wederdienst. - -Zoo drukte zich Markens uit bij het heengaan, en hij voegde erbij: - -„Dat deden je goede vader en ik ook altijd.” - -„Och ja!” voegde mevrouw Markens erbij, terwijl ze van Roos afscheid -nemend, haar de wangen kuste. „Men kan niet weten hoe de Heer de -menschen tot elkaar brengt.” - -In het rijtuig mopperde Markens over een voorbarigheid, die, vond hij, -alles kon bederven, doch die in zoover niets bedierf, dat de bedoeling -Roos ten eenenmale was ontgaan. - -Intusschen zaten Eddy en Freddy thuis te wachten op den uitslag van het -bezoek, tegenover elkaar in luierstoelen, stil hun cigarette rookend. -Zij hadden, ’n dag of wat te voren, het idee besproken, en ze waren het -eens geworden: ze moesten trouwen. En daar zij arbeid beschouwden als -iets geheel buiten hun line of business, moest er worden omgezien naar -vrouwen met geld. De weduwe Geber werd genoemd en Lena Lugtens. Wel was -het verschil in leeftijd groot, doch dat was voor hen geen bezwaar; -tien jaar ouder of tien jaar jonger maakte de rekening niet. Toch -hadden ze, heel onpartijdig, erom gedobbeld. Wie de meeste oogen wierp, -zou van Lena werk maken, en dat trof Eddy. Dat alles was niet gegaan -lachend en schertsend, als een grap, maar met een groote -onverschilligheid, haast gelijkend op ernst. Zóó hadden zij het -„onderwerp” ook behandeld met hun ouders. Den ouden heer had het eerst -tegen de borst gestuit, doch mama keurde het goed, en maalde hem er zóó -lang mee aan het hoofd, tot hij er zich bij neerlegde, beseffend nu ook -dat het, in elk geval, een „oplossing” was. - -De lampen brandden helder en een gezellige lichtstroom ging door de -achtergalerij, vroolijk weêrkaatsend op het wit der muren; boven hun -hoofden krinkelden de grijze in blauw vervloeiende rookspiraaltjes -omhoog, eerst snel elkaar achtervolgende, hooger als rustige wolkjes -oplossend in de lucht. In nachtbroek en kabaai, uitrustend van het -nietsdoen, leunden ze de hoofden achterover op zachte sluimerrollen, -geschenken van hun moeder; zij spraken niet met elkaar, wat zouden ze -elkaar te zeggen hebben? - -Freddy leegde ’n glas sherry met kleine teugjes. - -„Dàt is,” zei hij, „nog het eenige wat hier in huis drinkbaar is. Wil -je er ook nog een?” - -De andere schoof zwijgend z’n glas bij, en keek naar het inschenken. - -„Ik denk,” zei hij eindelijk, „dat het met die Lena niet gemakkelijk -zal gaan. Ze is bij die oude moeder Uhlstra als kind in huis, en die is -niet gemakkelijk, dat weet je.” - -„Och, dat gaat wel over. Zoo’n uitval als ze tegen ons deed, trek ik me -niet aan. Als je maar niets weêrom zegt.” - -Nu zwegen ze weêr, voortrookend met gewichtige gezichten, als jonge -mannen die ernstig nadachten, feitelijk zonder te denken. - -„Wel?” vroeg Freddy zonder op te staan, toen, met de drukte van -menschen die zelden uitgaan, zijn ouders van het bezoek bij Roos -terugkwamen. - -„Wij zijn in zoover geslaagd,” zeide Markens. - -„Ja,” verzekerde mama, „het was alleen dat eerst haar geest niet helder -was, maar er kwam licht.” - -„Zoo,” zei Eddy spottend, „nu, dan is het goed. En wanneer moet Fred -beginnen, pa?” - -Dat had men verzuimd te bespreken; er kwam haast twist over. Maar -Freddy zei kortaf, dat hij er den volgenden dag zou heengaan. - -Roos kreeg er onaangenaamheden over met haar moeder, die het van -Markens een gemeene speculatie noemde, ronduit zei, dat het enkel te -doen was om haar geld en haar. Het maakte haar boos. Wat dacht mama -wel, dat zij zich zou verslingeren aan zoo’n kwajongen? - -Niettemin geloofde zij het, en elken dag werd het haar duidelijker. Van -les geven aan de kinderen kwam niet veel. Freddy zei heel ernstig, dat -ze slecht hollandsch spraken, wat waar was, en dat hij ze dat eerst -moest afleeren al babbelend en spelend. Ten slotte zat hij voornamelijk -de weduwe te amuseeren met verhalen over zijn studentenstreken, zijn -uitstapjes en allerlei grappen. Hij had verstand van veel, dat mannen -meestal niet interesseert; dingen van huishoudelijken aard en de -toilettafel; hij sprak met haar over de bloemen en planten, waarin zij -liefhebberij had; over haar paarden en rijtuigen; haar meubels en -japonnen. - -Er werd over gesproken. Niet, dat er iets onbehoorlijks gebeurde, want -tegen twaalf uren ’s middags ging Freddy geregeld naar zijns vaders -huis terug,—toch werd er heel veel gepraat buitenaf en heel leelijk -ook. Telkens en telkens werd Roos gewaarschuwd, maar ’t hielp niet, zij -had haar eigen hoofdigheid, en hoe meer men van alle kanten erop -aandrong, dien „nietsdoener” het huis te ontzeggen, des te minder was -zij daartoe geneigd. Hij gedroeg zich fatsoenlijk, was haar vast -argument; ten slotte veel fatsoenlijker, dan zij, die zooveel op hem -hadden aan te merken. Zij lag er na korten tijd weêr met haar heele -familie om overhoop, maar werd daarentegen heel wel met de oude lui -Markens, bij wie ze nu ook aan huis kwam, die haar geleidelijk -inpalmden en haar toejuichten om haar zelfstandigheid. Zij geneerde -zich nu ook niet meer. Men at over en weêr bij elkaar, passeerde -avondjes met elkaar, alles netjes en met de oude deftigheid, die -Markens altijd had gekenmerkt en Roos hoe langer hoe meer beviel. - - - - - - - - -ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -VERLIEFD. - - -„Jij gaat goed vooruit,” zei Eddy op een ochtend tegen zijn broer -terwijl ze samen voor hun paviljoen koffie dronken. - -„Wel zeker! Het kan nu wel niet anders of ’t komt in orde. Ik zal niet -te haastig zijn; dat zou den boel bederven.” - -„Maar van dat andere komt niets.” - -„Dan heb je ’t niet goed aangevat.” - -„Er valt zoo wat niets aan te vatten. Zij is geëngageerd of zal het al -heel gauw wezen.” - -Freddy wist het al lang van de weduwe Geber, maar hij had ’t niet -willen zeggen. - -„Enfin,” zei hij. „Als je dat zeker weet, zou ik ook maar geen -noodelooze moeite doen.” - -Eddy schudde het hoofd, zuchtte, beet op de onderlip en keek -mistroostig naar den grond. - -„Ik had haar toch zoo graag gehad,” zei hij. - -Verwonderd keek Freddy op. ’n Cynisch lachje gleed over z’n gezicht: -die Ed, dacht hij, had meer zulke aardigheden, maar het was te -kinderachtig, ze thans nog, en tegenover elkaar, uit te halen. - -„Ajakkes,” zei hij, „wat ben je flauw.” - -„Waarachtig, Fred, het spijt me.” - -„Zanik toch niet,” riep de oudste, verstoord. „Dat je nu zulke nonsens -aan den oude vertelt... maar onder ons.” - -„Het is waar,” herhaalde Eddy; „Parole d’honneur: ik ben er beroerd -van.” - -Er viel niet aan te twijfelen; het was geen fopperij; geen poging om -hem, Freddy, erin te laten loopen en hem naderhand uit te lachen. Het -was waar: Eddy hield van dat meisje, zooals zij beiden het reeds als -jongens kinderachtig, verachtelijk en vies vonden van een meisje te -houden. Hij was op de europeesche manier verliefd; in staat zich even -misselijk en gek te gaan aanstellen als de menschen in Europa, of de -naäpende Europeanen in Indië. Met een neêrgetrokken gezicht, vol domme -verwondering, zag Freddy naar zijn broer. Hoe was het mogelijk! wat -hadden zij samen al niet doorgemaakt op het gebied van ’t sexueel -genot; in Indië en in Europa hadden zij alle wateren afgevischt en -konden zij zeggen, dat voor hen niets nieuws was onder de zon. En daar -deed Eddy ineens zoo gek.... Zij waren altijd vol geweest van stille -verachting voor wat men fatsoenlijke dames noemt. Hij, Freddy, -beschouwde Roos qua vrouw, zooals hij dat de eerste de beste baboe -deed; een machine, niet meer. Zij had een fortuin, en dat had hij -noodig; daarom trachtte hij haar genegenheid te veroveren en in de -gunst te komen; daarom, zooals zij ’t onder elkaar noemden, „vrijde hij -haar op.” - -Dat alleen zat diep in hem, en hij was vast overtuigd geweest, dat -hierin zijn broer, gelijk in alles, zijn pendant zou zijn. Had hij zich -daarin dan zoo schromelijk vergist? Waarachtig, Eddy zat zoo gek te -kijken.... Het viel niet te ontkennen! Zij hadden die -gelaatsuitdrukking wel honderdmaal gezien in Indië en in Holland, en -altijd hadden zij er samen den gek meê gestoken en den neus voor -opgehaald, wetende wat zij wisten reeds van hun jeugd. En daar zat nu -Eddy te soezen, rechtuit te kijken met precies zoo’n mal bakkes.... -Freddy fronste de dunne, blonde wenkbrauwen. Hij gevoelde lust zijn -broer uit te schelden voor ’n akeligen kwajongen, maar hij hield zich -kalm en vroeg: - -„Denk je bij dat meisje iets bijzonders te vinden?” - -De andere haalde met ’n wanhopig gebaar de schouders op. - -„Daar denk ik in ’t geheel niet aan.” - -„Dat is niet waar; zóó krankzinnig kan je niet wezen. Je moet iets aan -haar ontdekt hebben, dat je nog nooit bij ’n andere hebt gesnapt.” - -„Ik heb niets aan haar ontdekt. Je zult me pleizier doen haar en -anderen niet in één adem te noemen.” - -„Hé? Waarom niet?” - -„Het doet er niet toe; ’t is niet hetzelfde.” - -Freddy was stil woedend met bleeke lippen, een leelijk masque, met -moeite zich inhoudend en bepalend tot een scherp hatelijken, ironischen -toon: - -„Zie je wel, dat het net is, zooals ik heb gezegd.” - -„Neen! Er is niets zooals jij ’t hebt gezegd.” - -„Je erkent toch zelf, dat ze anders is dan een ander. Je hebt om een -hoekje gekeken of door een gaatje geloerd, Ed; misschien heb je haar -baboe wel omgekocht.” - -„Gévédé,” vloekte Eddy, opstaande. „Schei er uit! ’t Raakt je niet, en -ik vraag je niks.” - -Ze stonden dreigend tegenover elkaar, met andere gestalten en haast -dezelfde gezichten; Eddy enkel wat minder verboemeld; en allebei -kwaadaardig! Sinds hun jongenstijd hadden ze niet zóó tegenover elkaar -gestaan. - -Freddy wendde zich het eerst af, met een air van zich voelende -meerderheid, een schrede terzijde stappend. - -„Eigenlijk,” zei hij uit de hoogte, „moest je je schamen.” - -„Ik heb me nergens voor te schamen. Het gaat je ook in ’t geheel niet -aan. Het is verder niet de moeite waard erover te spreken. Zij trouwt -met een ander, en ik kan toezien! Welnu, daar is alles meê gezegd! Er -behoeft geen woord over vuil gemaakt te worden.” - -„Daar had je het weêr!” dacht Freddy. Het was juist dàt, waarom hij -zich zoo ergerde. Had Eddy gevloekt tegen den concurrent, en gescholden -op het noodlot, dat hem zoo deed wanboffen door voor zijn neus een -ander de vette bete te doen wegkapen, wel, met groote welwillendheid -had Freddy meegevloekt en gescholden. Het zou logisch zijn geweest en -hij had het volkomen begrepen. - -Maar, neen! Dat pakte dien boekentoon en nam die theater-allures aan! -Dat hing, na al zijn sjouwen, den verliefden jongeling uit: het kalf!! -Freddy stampvoette. - -Toch moest hij nog een poging doen. Het was ten slotte al te zot, dat -hij hoogloopenden twist zou krijgen met zijn eenigen broer over het -verachtelijkste en onbeduidendste voorwerp dat, naar zijn meening, in -de wereld bestond: een bakvischje! - -„Soedah!” zei hij met een zucht. „Laat ons geen ruzie maken. Als je die -Lena niet krijgen kunt, dan.... voor haar een ander.” - -„Ik wil geen ander.” - -„Dat is te zeggen: een andere positie; een ander vermogen, liever -gezegd; de vrouw doet immers minder ter zake.” - -„Dank je; ik ben van opinie veranderd.” - -„Dus je doet van jouw kant niet meer meê?” - -„Neen.” - -„En wat denk je, dat de oude ervan zal zeggen?” - -„Dat weet ik niet. Het verwondert me, dat dit jou kan schelen.... Je -hebt je, waarachtig, nooit veel aangetrokken van de vraag hoe de oude -over iets dacht.” - -„Je spreekt als ’n kind, Ed. We hebben ’n heelen boel verknoeid, dat is -zeker, en ik zie het nou in. Als we verstandig handelen, kan langs dien -weg nog veel terechtkomen. We hebben nu ’n beetje geld, we krijgen -naderhand de duiten van den ouwe, en trouwen we fatsoenlijk, met ’n -aardig kapitaal erbij, dan zijn we voor ons heele leven onder dak. Kom, -wees niet gek, hé?” - -Maar Eddy zuchtte weêr. - -„Ik kan niet,” zei hij; „ik kan niet, en bovendien.... ik verdom het;” -waarop hij naar zijn kamer ging. - -Het hoofd voorover, als bestudeerde hij de grind der paden, ging Freddy -verontwaardigd en bedroefd naar het hoofdgebouw, waar de oudelui aan de -ontbijttafel zaten, zorgvuldig hun versche eitjes pellend en ze naar -oud-indisch gebruik overlepelend in een wijnglas. - -„’t Ziet er met Eddy beroerd uit,” zei Fred, ongegeneerd aan tafel -gaande zitten, de handpalmen tegen de kin gedrukt, de ellebogen op ’t -blad. - -„Hij is toch niet ziek?” vroeg mama bezorgd. - -„Hij heeft, geloof ik, aanleg om gewoon gek te worden.” - -„Heb jullie ruzie gehad?” informeerde de oude heer, kalm dooretend van -zijn boterham. - -„In het begin, ja; maar toen ik zag, dat het ’n gevaarlijk idée fixe -was, liet ik hem maar wauwelen.” - -„Nu, en wat is het dan?” vroeg papa met deftige stemmodulatie, maar -feitelijk zonder belangstelling. - -„Hij verbeeldt zich, geloof ik, dat hij op Lena Lugtens verliefd is, en -hij stelt zich mal aan nu hij haar niet krijgt.” - -„Wie zegt, dat hij haar niet krijgt?” vroeg mevrouw Markens, met een -tikje van haar vroegeren hoogmoed, ’t hoofd in den nek. - -„Ja,” zei de oude heer, „dat zou ik ook wel eens....” - -„Mijn God!” riep Freddy ongeduldig, „wat ben je toch rare menschen! Een -ander is hem vóór geweest, dat is alles.” - -„Het is niet officieel,” zei z’n vader. - -„En ik geloof er niets van.” - -„Nou ja!” riep Freddy, boos en brutaal, „of het nu officieel is of -niet, en of je het gelooft of niet,—het is zoo, en Ed is een malle -quibus, die rijp wordt voor Meerenberg.” - -Er werd dien dag niet verder over gesproken, schoon het in hooge mate -de belangstelling van mevrouw Markens had opgewekt. ’t Verheugde haar. -Zij zag er een soort bewijs in, dat Eddy beter was van natuur, dan men -wel dacht en haar man altijd beweerde; het releveerde hem in haar -oogen, en wekte haar moederlijke teederheid op in hooge mate. Freddy -zag hoe zorgvuldig mama zijn jongeren broer ’s middags aan de -rijsttafel bediende; hoe ze hem, als een kind, aanspoorde te eten, en -hoe ze haar best deed buitengewoon lief voor hem te zijn en -vriendelijk. En het bracht hem, knorrig, tot de slotsom: „Ze zijn -allebei gek.” - -Zoo netjes, als hij en z’n broer in Europa altijd gekleed waren, ging -Eddy Markens dien namiddag alleen het pad op, naar het veld, waar de -bataljons-muziek eens in de week ’n concert van blaasinstrumenten in de -open lucht gaf. Er stonden dan wat militairen en burgers, kinderen en -baboes op het gras te luisteren, en langs den weg een dozijn open -rijtuigen met dames, ’n soort pantoffelparade in ruste. In de verte zag -hij den gelen, lagen panier met de mooie zwarte ponies van Lena -Lugtens. Hij wist, dat ze er zou wezen. Ze kwam er altijd met een van -de nichtjes Uhlstra, zelf haar paardjes mennend, eenvoudig in een licht -katoenen japonnetje en een grooten stroohoed op ’t mooie blonde -haar,—een engel, dacht Eddy. - -En nauwelijks stond de panier in de file of er kwamen jongelui van -links en rechts, met vriendelijk lachende gezichten, den hoed in de -hand, belangstellend informeerend hoe zij het maakte, en verder met de -gewone praatjes van den dag. Eddy bleef op een afstand, rondkijkend met -’n onverschillig air, ’n paar malen naar Lena, maar zij zag niet naar -zijn kant, druk in gesprek met den jongen ingenieur, die zooveel werk -van haar maakte en zelfs door tante Uhlstra voor haar was bestemd. -Terwijl hij daar zoo stond, kwam een alles domineerend kinderachtig -verlangen bij hem op, dat ze maar eens kijken zou; eindelijk deed ze -het, en hij groette, haastig naar zijn hoed grijpend, vreezend de -gelegenheid van het oogenblik te verliezen. - -Lena had hem daar al meer zien staan; ze begreep niet goed, waarom hij -zoo op een afstand bleef; bij een dier vanouds zoo beruchte „jongens” -Markens was het toch niet aan te nemen, dat er quaestie kon zijn van -verlegenheid tegenover een meisje, zooveel jonger dan zij zelf waren. -Zóó slim was Lena wel, dat ze opmerkte, zonder naar hem te kijken, hoe -hij voortdurend naar haar zag, loerend naar ’n gelegenheid om een groet -te wisselen. ’t Was waar, dat hij en zijn broer door tante erg a faire -waren genomen, toen ze, pas uit Europa terug, een bezoek brachten; maar -dat was, vond Lena, nog geen reden om zich voor onbepaalden tijd op een -afstand te houden. - -Ze wenkte hem indisch, de handrug boven, de vingers bewegend als -iemand, die iets naar zich toehaalt.—Eddy kon zijn hart voelen kloppen -onder het nauw sluitende donkerblauwe jasje; hij was ervan geschrikt. -Zeker, het was bespottelijk, en in zoover had Freddy gelijk; zeker, hij -schaamde zich over zichzelven, hij schaamde zich over zijn gevoelens, -zijn houding, zijn schrik en zijn emoties; doch daar kwam hij niet -verder mee, en blij als ’n schooljongen, de vreugde op z’n gezicht, -stapte hij met vluggen tred naar den panier. - -Lena reikte hem de hand, een vriendelijken lach om het jonge rood harer -frissche lippen, de twee rijen schitterend witte tanden toonend, mooi -van schelpvorm en gelijken aangesloten stand; het aschblonde haar -vrij-krullend langs haar rose-blanken blondinenhals. Opgewekt door het -rijden in de frissche lucht, vloeide, als een teere tint, een zachte -gloed over haar wangen, en daartusschen schitterden, vriendelijk en -goedig, haar groote blauwe oogen, diep donker, nu ze zich had omgekeerd -in de panier, den rug naar het wijkend daglicht. - -Eddy Markens streed tegen een hem overmeesterend gevoel; hij voelde, -dat hij weg was, toen hij, toetredend, haar zóó zag; maar hij wou zich -toch niet zoo aanstellen als verliefde jongelui doen. - -De anderen om het rijtuig weken een eindje terug, teleurgesteld. Hij -had hun persoonlijk nooit iets in den weg gelegd, kende hen nauwelijks -van aanzien; zij wisten van hem niet meer, dan dat hij als student -mislukt, als pierewaaier schitterend gereüsseerd was; doch dat op -zichzelf was wel geen reden, zij gingen met velen vriendschappelijk om -van gelijk allooi. Maar physiek stelde Eddy, als jonge man en ondanks -zijn eenigszins flets uiterlijk, hen in de schaduw; hij was een mooie -jongen, met in zijn gebaren en manieren iets gemakkelijks en elegants, -hij verstond het zich te kleeden, en trad daar op, dat zag en voelde -men dadelijk, als een heer van geboorte temidden van als heer gekleede -burgerjongens. Dáárom konden ze hem niet uitstaan en gingen een eindje -terug, met ’n booze, minachtende uitdrukking op de gezichten, als -tastte het hen in hun eer, wanneer iemand gelijk Eddy zich bewoog -binnen ’n zekeren cirkel, waarvan zij het middelpunt vormden. Hij lette -daar niet op, kijkend enkel naar Lena, met een dankbaar gevoel, dat ze -hem zoo vriendelijk had gewenkt. - -„Dorst je niet wat dichterbij komen?” vroeg zij lachend, toen hij haar -en haar nichtje had begroet. - -„Om u de waarheid te zeggen: neen!” - -Het nichtje Uhlstra, dat in ’t geheel niet was ingenomen met het komen -van Eddy en het zich terugtrekken der andere jongelui, zei schamper: - -„Ja, jullie bent altijd zoo bescheiden geweest.” - -Eddy Markens bloosde als een jongejuffrouw, wat hem zóó geweldig het -land opjoeg, dat hij daarvan weêr verbleekte. - -„Dat waren we zeker niet,” erkende hij volmondig. „U ziet dus weêr, dat -men worden kan, wat men te voren niet was.” - -„Hoe maken het papa en mama?” vroeg Lena. - -„Waarom komt u dat niet eens persoonlijk informeeren?” - -„Ja.... het is lastig. De families harmonieeren niet meer zooals -vroeger.” - -„Dat hoeft zich toch niet tot u uit te strekken.” - -„Volstrekt niet; dat hebt u daareven ondervonden.” - -Hij boog voor haar, als voor een vorstin, met een gezicht stralend van -genoegen. - -„En daar ben ik zoo verheugd over... ik ben er dankbaar voor... en...” - -„Niet overdrijven asjeblieft,” viel Lena hem spottend in de rede. „Met -de vreugde en dankbaarheid is de maat al overvol.” - -Ze praatten nog wat voort over de menschen en de muziek, wat er nieuws -was in Europa en in Indië, tot onder de rijtuigen de zijbeweging kwam -van het uit de file gaan. De muziek was gedaan; Lena nam de teugels, -liet haar ponies zwenken, en reed weg met ’n vriendelijk knikje, het -nichtje met ’n nauw merkbare hoofdbeweging; hij buigend op den weg, den -hoed in de hand, in zijn houding en kleeding bij de omgeving -misplaatst, thuis behoorend op een boulevard. - -„Het is bespottelijk,” zei onderweg het nichtje; en achterover in den -panier, kruiste zij de armen over elkaar, trok de kin naar binnen en -zat nu, de lippen op elkaar, kwaad te kijken naar een bepaald punt vóór -haar. - -„Wat bedoel je?” - -„Och kom, Leen, stel je nu niet zoo onnoozel aan. Je hebt heel goed -gezien, dat die kwast van een Eddy je het hof maakt.” - -„En al was dat zoo, wat zou het dan?” vroeg Lena, met alle aandacht op -haar ponies, maar blijkbaar geraakt. - -„Wat het zou! Dat is ook een vraag! Het zijn nogal nette jongelui die -Markens. Iedereen weet, dat ze nooit hebben willen deugen. Ze loopen -maar rond, zonder geld en zonder betrekking; ze verdienen geen cent in -de maand. ’t Is mooi! En het gemeenste is, dat die Freddy bezig is -tante Roos in te palmen, enkel om haar geld.” - -„’t Is mogelijk. Maar dat zou zijn broer toch niet kunnen helpen.” - -„Je lijkt wel mal, ja! Ze zijn allebei precies eender, Leen. Geloof me, -waarachtig! En nu begrijp ik ook, waarom hij jou zoo verliefd aankeek -en van die malle praatjes had. Zijn broer het geld van tante, en hij -dat van jou,—dáármeê zijn ze geholpen.” - -„Hoe kan je toch zoo zonder aanleiding kwaad van iemand spreken! Eddy -Markens heeft niets hoegenaamd meer gezegd of gedaan dan de anderen. -Alleen: hij deed het veel kraniger; hij was meer gentleman. Dat is toch -zeker niet voldoende om hem van slechte bedoelingen te verdenken.” - -„Ja, hij is een geurmaker, dat is zeker, en het vleit jou, dat heb ik -ook heel goed gezien. Maar het is al erg genoeg geweest van je, hem te -roepen. Als een ander het had gedaan, soedah; dat jij het deed, Leen, -daar stond mijn verstand voor stil.” - -„Ik had kasian met hem; hij stond daar zoo alleen.” - -„Allemaal pedanterie. Hij stond daar alleen om te poseeren, dat doen -die mooie jongens meer.” - -„Vindt je hem mooi?” - -’t Nichtje haalde, nog altijd met een gezicht vol haat en minachting, -in zulk een kwaadaardigen schok de schouders op, dat haar, zeer -ontwikkelde buste ervan natrilde. - -„Nou ja,” zei ze, „dat is hij: een mooie jongen en een geurmaker; maar -hij en zijn broer zijn altijd slechte rakkers geweest, zie je; en dat -is óók nog niets: ze verdienen geen cent in de maand.” - -Lena was er niet verder op doorgegaan, maar het nichtje liet het er -niet bij. Thuis bij mama Uhlstra begon ze er weêr over, en de oude -vrouw was nu woedend op Lena, die haar kalm liet uitpraten. Doch zoo -zij op dit middel als op een vast calmant had gerekend, dan faalde -ditmaal die berekening. Mevrouw Uhlstra raakte er niet over uitgepraat, -haar liefde voor haar petekind overtrof die voor haar eigen kinderen, -de zonen uitgesloten; zij had het in ’t hoofd gezet, reeds lang, Lena -te laten trouwen met dien jongen ingenieur, en het had haar ook reeds -lang gehinderd, dat het meisje tot het doel niet meêwerkte. Eerst -scheen ze het jongmensch wel genegen, en had mevrouw Uhlstra alle hoop, -maar ze was heelemaal veranderd, en in den laatsten tijd had zij, -schoon altijd beleefd en vriendelijk, den adspirant kennelijk op een -afstand gehouden. Die „schoelje” van een Eddy Markens daarentegen had -ze aangehaald, en zich diens attenties laten welgevallen; het was, vond -mevrouw Uhlstra, God geklaagd! - -Het begon Lena ten slotte geducht te vervelen. Wat haar het meest -hinderde had ze niet precies kunnen zeggen: de verwijten tot haar of -het schelden op Eddy. - -„U begrijpt,” zei ze eindelijk, toen haar geduld was uitgeput, „dat één -zaak vast staat: als ik ooit van plan ben mijn woord te geven, dan doe -ik het. Het is wezenlijk niet noodig er onaangenaamheden over te maken. -Ik zal nemen, wien ik wil, en al zouden u en duizend anderen er al het -kwaad ter wereld van zeggen, ik zou het doen.” - -Dat blufte mevrouw Uhlstra gewoon af, minder om de woorden, dan om den -toon van zuivere onverzettelijkheid; precies zooals Lugtens in z’n tijd -iets zeggen kon! - - - -De gedachte aan Lena bleef Eddy den heelen dag bij. Thuis zagen zij het -allemaal, en Fred was de eenige, die met minachting glimlachte aan -tafel om die „kwajongensaanstellerij.” In den na-avond ging Eddy -wandelen, zijn broer keek hem hoofdschuddend na uit de voorgalerij. - -„Het is waarachtig maneschijn!” zei hij. - -„Nu, wat zou dat?” vroeg de oude heer, die zijn afterdinner-sigaar zat -te rooken, alleen in een tête-à-tête, terwijl zijn vrouw aan een zijde -van de galerij haar kopje koffie dronk. - -„Wat het zou? Wel ziet u dan niet, zoo’n gekken bliksem, pa! Hij is -immers verliefd, en hij gaat wandelen in den maneschijn. Wel gévédé!” - -Zijn moeder bestierf het van schrik. - -„Ik verzoek je fatsoenlijk te blijven, Freddy,” zei Markens uit de -hoogte zijner oude deftigheid, „je bent hier niet in ’n kroeg.” - -Dáárheen ging Eddy wel, in zoover hij vrij onverschillig de sociëteit -binnen slenterde. - -Er was op dat moment niemand, en in de leege zaal met de verlaten -biljarten, ging hij op ’n bank zitten en bestelde zich een pousse-café. -Daar deed hij, dood op zijn gemak, een half uur over, en slenterde toen -met echte flaneursverveling weêr naar buiten. Eerst drong hem van den -uitgang een rumoer van drukke stemmen tegemoet; daarna doken figuren op -in den lichtkring voor de galerij, de trappen opstappend naar binnen, -met luidruchtig lachen, sterk uitgedrukte armbewegingen en kleurige -gezichten; jongelui uit een hotel of commensalen-huis, die goed gegeten -en een kloek glas wijn gedronken hadden. - -Eddy zag niet eens, dat bij dit troepje dezelfde jongelui waren, die -hij als ’t ware had verjaagd ’s middags van den panier van Lena; hij -ging ’n beetje opzij om hun ruimte te geven en liep door. - -„Daar heb je dien ploert ook.” - -Ontroerd bleef hij staan, juist bij de eerste trede van de galerij. De -anderen gingen door, een galm achter zich zendend van gelach en van -voetstappen op het marmer. - -Langzaam, besluiteloos liep Eddy Markens langs het randje der galerij -’n minuut of wat heen en weer, peinzend in het donker turend buiten, -gedachteloos zich een cigarette rollend, daarna beslist de sociëteit -weêr binnen. - -’t Werd ineens zeer stil onder het rumoerig troepje, dat zich, de queus -in de hand, voor een poule gereedmaakte. - -Eddy keek eens rond, ’t hoofd in den nek, een onuitstaanbaar air van -meerderheid, hen als monsterend door zijn lorgnet. - -„Neem me niet kwalijk, dat ik u stoor,” zei hij, „maar zooeven heeft -iemand gezegd: „daar heb je dien ploert ook.” Wie zei dat?” - -Een der jongelui, blijkbaar bang, riep: „Daar behoeft u je niets van -aan te trekken.” - -Een ander, ook vredelievend, voegde daaraan toe: - -„U hebt niets te maken met wat wij onder elkaar bespreken.” - -Maar de jonge ingenieur, die verliefd was op Lena, trad, de queu in de -eene, het stuk krijt in de andere hand, vóór Eddy, keek hem strak in de -oogen, gereed tot alles, en zei met een moeilijk bedwongen stem: - -„Dat heb ik gezegd. En wat wou je daarvan?” - -„Dat je dit beschouwde als een klap in je gezicht,” zei Eddy luid en -kalm-helder, zijn smalle blanke hand langs den neus van den ander -wuivend, zonder hem aan te raken. - -De vrienden van den jongen ingenieur moesten hem aangrijpen en -vasthouden; zij hadden gevoeld, dat Eddy de „zaak” netjes en -fatsoenlijk behandelde; het had hun allen een indruk gegeven, en toen -zijn tegenpartij een beweging maakte om te gaan vechten als een koelie, -hadden zij hem tegengehouden en teruggedrongen. - -Eddy ging langzaam heen, zoo rustig als hij gekomen was. Inwendig -verheugde hem ’t heele geval. Dit was, dat wist hij, ’t jongmensch, dat -vues had op Lena. Waarom was die zoo boos op hem? Het antwoord deed hem -glimlachen tegen zijn eigen gedachten. En zóó wandelde hij den weg weêr -af, terug naar huis, in den maneschijn. - -Het ging alles stil in z’n werk. Freddy en een luitenant gingen meê als -getuigen, de eerste met een uitdagend gezicht, duidelijk toonend, dat -wie van hem iets verlangen mocht, ook zijn aandeel kon krijgen. Zij -mochten dan wezen, wat ze wilden, maar ze lieten zich niet beleedigen! -Hij vergat er een oogenblik zijn verontwaardiging door over Eddy’s -„krankzinnigheid.” - -De „partijen” waren allebei tamelijk bedaard en op hun gemak; ze -werkten niet als onbeholpen burgers, die geen wapen kunnen hanteeren, -doch als welopgevoede jongelui, die meer een sabel in de hand hebben -gehad, al is het dan ook enkel in de schermzaal. - -Op hetzelfde oogenblik werden beiden gewond, de ingenieur aan den arm, -Eddy, door de parade, op de hand. Het was niet erg, maar ’t bloedde. En -in het leege huis, waarin ze vochten, verbond hen dadelijk een jong -dokter, die in een andere kamer den afloop afwachtte. - -Maar nu het zoo prachtig was afgeloopen, ging het als een relletje de -stad door, en kwam, van de noodige illustraties rijk voorzien, ook bij -mevrouw Uhlstra thuis. Het ontroerde haar niet; en zij troostte Lena -met groote liefheid en o zoo vriendelijk, toen het meisje, zeer -bedroefd, een oogenblik moedeloos neêrzonk op ’n stoel. In de oogen -harer tante was het een triumf; zij lachte er over met haar oude kokkin -in de keuken. Het was terlaloe! Al de europeesche heeren wilden met -elkaâr vechten om nonna Leentje. Daar kwam nog moord en doodslag van! - -Het was onder de vele baboes op het erf een algemeen gegichel en zacht -gepraat, en ze moesten allen op haar beurt even in de achtergalerij -komen om toch eens goed de nonna te bekijken, die zoo mooi was en zulk -een eigenaardige aantrekkelijkheid had voor de mannen, dat de toean’s -blanda zich om haar doodvochten. - -„’t Is intusschen nog zoo dom niet overlegd.” - -Freddy zei het met den ouden gemeenen trek van sluwheid om z’n mond, -die hem zoo’n afgeleefd aanzien gaf; zijn broer hield de gewonde hand -met het zwarte verband erom op de tafel; ze gloeide en deed pijn; daar -dacht hij aan, maar half lettend op wat Freddy babbelde. - -„Hoe zoo?” vroeg hij zonder erbij te denken. - -„’t Is waar,” ging de andere voort. „Hij is ook gewond, en in zoover is -dat beroerd.” - -En toen Eddy geen antwoord gaf, nog altijd geoccupeerd in gedachten met -z’n wond: - -„De zijne is zelfs van meer beteekenis.” - -„Wat zou het?” - -„Er is ook niets gezegd eigenlijk. Haar naam is niet eens genoemd.” - -„Neen,” viel Eddy driftig uit, „en ’t is maar goed ook!” - -„Waarachtig niet! Die had juist genoemd moeten worden. Je hadt het zóó -moeten draaien, dat ze háár beleedigd hadden; dan was het voor jou ’t -ware geweest.” - -„Doe me ’n plezier en houd zulke misselijke praatjes voor je.” - -„Wees nou niet kinderachtig. Al ben je zoo dom verliefd op dat meisje -als een ezel maar wezen kan, dan zal je toch je voordeel wel doen met -dat gevalletje. Dat zou anders te gek zijn om alleen te loopen.” - -Met ’n kleur van kwaadheid en bij ’n opkomend wondkoortsje, keek Eddy -heel boos. - -„Als m’n hand niet zoo’n vervloekte pijn deed, smeet ik je m’n kamer -uit.” - -„Jij ventje!” riep Freddy smalend net als toen ze schooljongens waren -en hij, als de oudste, zeker air aannam. - -„Ik zou je een rammeling geven, ja!” - -Maar inwendig lachend ging hij heen. Van z’n verliefdheid zou Eddy toch -pleizier hebben thuis; dáárvoor stond hij in! - -De oude lui hoorden het ’t laatst; zij hielden zoo weinig connecties en -de „jongens” hadden het verzwegen. Roos viel met de deur in huis, -buiten adem van den spoed, en vóór nog Freddy haar had kunnen -waarschuwen, vertelde zij aan allebei wat ze wist. Mevrouw Markens -stormde, zenuwachtig den Heer aanroepend, wanhopig jammerend naar het -paviljoen. Maar Eddy, woedend nu, zette zijn moeder bij een arm buiten -de deur, daarbij zoo onstichtelijk vloekend over het „malle -gedonderjaag” over nonsens en beuzelingen, dat Freddy zich, kijkend van -de zijgalerij, in allerlei bochten wrong van het lachen om het luid -geklaag van mama met haar vrome verzuchting en de brutale woede van den -tierenden broer, dien hij al zoo lekker nijdig had gemaakt. - - - - - - - - -NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. - -DE SOLLICITANT IS GESLAAGD. - - -Het liep Henri Uhlstra niet mee dat jaar; de rijstoogst mislukte -grootendeels; maar niet over het algemeen: speciaal bij hem op het -land; overal elders was er overvloed en de prijzen waren laag; de -koffie wilde ook in het geheel niet; gewoonlijk had hij ’n vijf-, -zeshonderd pikols,—ditmaal zelfs de helft niet, en ook waren de prijzen -beroerd. - -Op Koeningan werkte Hunzman met meer succes, doch hij kon de prijzen -niet verbeteren, en zoo hij precies rondkwam,—er schoot niets -hoegenaamd over. - -Mistroostig zat Henri in z’n kantoor achter de boeken. Er zou niet -genoeg wezen om de renten te betalen, als het jaar om was; dat was nu -al zeker. Welk een vooruitzicht! - -Hij was in korten tijd zeer verouderd; hij kon niet tegen zijn verlies. -Grootgebracht in een weelde en een overvloed, die moesten leiden tot -miskenning der waarde van het geld, was hij vroolijk en levenslustig, -gelijk zijn vader, wanneer het karretje op een zandweg reed, maar -tegenspoed sloeg hem voor den grond. En terwijl hij nu zag hoe het -misliep met den boel, verloor hij ook elken blik op middelen tot -herstel. De cijfers in het gelid der lange boekkolommen hinderden en -verveelden hem; zuchtend stond hij op en ging naar buiten, waar hij, -het hoofd tegen het harde hout van een pilaar, zijn onaangename -gedachten doorpikirde. - -Er was geen „zwarte prins” meer in hem te herkennen! - -In een langzaam handgalopje zag hij in de verte een ruiter komen over -de witte streep, die het pad bij ’t maanlicht door de velden trok. - -Henri herkende de teekening der donkere figuur in haar geheel: ’t was -Hunzman op zijn grooten Preanger knol. Wat kwam die doen? Zij gingen -niet met elkaar om buiten zaken. Henri mocht den man wel, en had -respect voor zijn doorzicht en nauwgezetheid, maar het bleef daarbij; -van vriendschap of zelfs maar van vriendschappelijkheid was tusschen -hen geen sprake. - -„Wel?” vroeg Uhlstra. „Nog zoo laat overgekomen?” - -„Ja, wat zal ik u zeggen, niet bepaald voor mijn genoegen.” - -„Neen, dat begrijpt zich. Toch geen slechte berichten?” - -„Zeer slechte.” - -Er ging door Henri een gevoel als zonk de grond onder hem weg. Fatalist -als ieder in het oosten geborene, had hem reeds lang het denkbeeld -geplaagd, dat er een noodlot op hem rustte. Waarom anders was de -rijstoogst op het land zoo slecht, terwijl hij bij anderen overvloedig -was? Waarom maakte hij zoo weinig koffie, terwijl met ieder mailbericht -de marktprijzen in Europa slechter werden? Hoe kwam het, dat Lize, van -de goede, gemoedelijke vrouw, die zij vroeger was, zulk een feeks was -geworden, die het huiselijk geluk uit het landhuis had verdreven? - -Als Uhlstra gedurfd had, zou hij aan de booze geesten zijn offeranden -hebben gebracht, dat was zeker. - -Nu kwam Hunzman opzettelijk in den avond zelf van Koeningan over naar -Tji-Ori, en daar had je de poppen aan het dansen! Tjilaka, dàt had hij -al gevoeld, toen hij voor de eerste maal den ruiter in de verte zag, -als een zwarte schaduw onder het schijnsel der maan. - -„Nu, wat is het dan?” vroeg hij, gelaten. - -„Wij hebben veeziekte onder de karbouwen.” - -„Nou ja.” - -„O, dat is zeer zeker het ergste niet. Maar die ziekte is officieel -geconstateerd.” - -„Dat is verschrikkelijk.” - -„Ongetwijfeld! Dat er ziekte was, wist ik al eenige dagen.” - -„Zoo; ze is bij mij ook.” - -„Dat heb ik gehoord! Maar wat beduidt het? Met eenige voorzichtigheid -en gewone bekende maatregelen waren we er ditmaal evengoed doorgekomen -als vroeger.” - -„Natuurlijk.” - -„Nu wordt het moordenaarswerk op groote schaal, zonder doel of -resultaat. En het land draagt de schade.” - -„Wat zullen we er tegen doen?” - -„Niets. Ik zal met de heeren meêwerken alsof ik er het grootste behagen -in schepte; dat is nog de eenige manier om den boel ’n beetje te -leiden.” - -„Daar hebt u gelijk in.” - -„Niet waar? Overigens wou ik het u maar dadelijk zelf komen zeggen, -want morgen begint de grap.” - -„Dank u,—’n brendy-soda?” - -Hunzman sloeg het niet af, ging zitten en stak ’n sigaar op. De -gelijkmoedigheid van Uhlstra verbaasde hem. Hij had zich voorgesteld -hem in kwaadheid te hooren losbarsten, scheldend op het gouvernement en -de domme ruïneuse middelen, die het aanwendde; middelen erger dan de -kwaal; doch niets van dat alles. Hij wilde daar ’t zijne van hebben. - -„Als het ’n vaart loopt, zal die geschiedenis ons heugen.” - -„Och ja!” - -„’t Schijnt dat de geheele portée u niet recht duidelijk is.” - -„Waarom? Ik begrijp perfect wat er het eind van zijn kan. Maar wat -eraan te doen? Het is toch mis met alles. Laat er nu voor mijn part de -veepest en de heele rataplan bijkomen. Men kan maar op één manier naar -den bliksem gaan.” - -„Dat was het dus,” dacht Hunzman, hij lei er zich bij neer met -wanhopige onverschilligheid. Een uitdrukking van medelijden en -geringschatting ging over zijn gezicht. Wat had hijzelf voor andere -vuren gestaan in het leven dan dit verwende zondagskind! - -„Zoo erg is het niet. De cultuur is wisselvallig. Als het ’t eene jaar -niet lukt, moet men maar denken dat het ’n volgend des te beter zal -gaan.” - -„Ik wou dat ik het kon. Maar ik heb een voorgevoel.” - -„Ja, dat verandert de zaak,” antwoordde Hunzman nu bepaald een loopje -met hem nemend, „tegen een voorgevoel is het moeielijk praten.” - -„U gelooft er niet aan.” - -„Och, dat hangt ervan af.” - -De mandoor bracht een brief en Henri draaide het lamplicht hooger met -de eene hand, in de andere het enveloppe lezend. - -„Van ma,” zei hij. - -„Ook al slechte tijding?” vroeg Hunzman, toen Henri den gelezen brief -op tafel wierp. - -„Ik heb het u gezegd: er is niets aan te doen.” - -„Och kom!” - -„Waarachtig, het is zoo. Dit is nu een brief van ma, en wat denkt u, -dat ze me schrijft?” - -„Wat dan?” - -„Mijn zuster Roos trouwt met Freddy Markens.” - -„Zoo! Ik dacht eigenlijk, dat dit huwelijk al lang een uitgemaakte zaak -was, en zóó dacht iedereen erover.” - -„Er is niets aan te doen. Als Roos zich eenmaal iets in ’t hoofd heeft -gezet.... ’t Is de ruïne van haar fortuin en het ongeluk van haar -kinderen.” - -„En hoe houdt zich mama?” vroeg Hunzman, daar inderdaad nieuwsgierig -naar. - -„Onbegrijpelijk! Eerst heeft ze hevigen twist gehad met mijn zuster, -juist over dien Freddy....” - -„Uw reisgenoot!” - -„’n Gemeen sujet.... maar enfin!.... Mama heeft Roos het huis ontzegd -en is ook uit ’t hare weggebleven,—kortom twist en tweedracht van -belang, en nu schrijft zij me heel gemoedelijk, dat ze haar toestemming -geeft.” - -Hunzman lachte. - -„’n Mensch is een raar wezen!” - -Henri keek hem aan uit z’n ooghoeken; hij vond het ’n flauwe -uitdrukking, maar hij vervolgde zonder er verder notitie van te nemen: - -„Het mooiste is, dat ze mij vraagt over te komen.” - -„Welnu, wat zou het? Ten slotte bent u haar oudste broer. ’t Is wel -mogelijk, dat zij zich door dat huwelijk ruïneert, doch wie weet of men -haar mettertijd niet noodig kan hebben.” - -Daar dacht Henri over na. Van dien kant had hij de zaak nog niet -bekeken. Als hij eens ’n tweede hypotheek noodig had... - -„Daarbij,” vervolgde Hunzman, „kunt u er niets aan veranderen. Mevrouw -Geber zal trouwen met de medewerking van haar bloedverwanten en anders -zonder.” - -„Het is,” zei Henri, „alles daargelaten, toch ’n misselijk idee: eerst -heeft ze ’n man gehad haast tweemaal zoo oud als zij, en nu neemt ze er -een die tien jaar jonger is.” - -„In elk geval, zij doet het, zooals ik zei.” - -„O ja; dat is zeker.” - -„Welnu, in zulke gevallen verdraagt men, wat men toch niet kan -veranderen; dat is vooral onder familie het verstandigste, en zoo zal -uw mama ook wel tot een andere opinie gekomen zijn.” - -Doch dàt had Hunzman mis. - - - -Mevrouw Uhlstra had, toen Roos haar schreef, dat ze ging trouwen en met -wien, dagen lang het huis in rep en roer gebracht door haar -zenuwoverspannen getier. Eerst toen ze aan het denkbeeld gewoon was en -de bedarende invloed van Lena meehielp haar tot betrekkelijke kalmte te -brengen was zij geregeld gaan nadenken. Indien zij weigerde en zich er -geheel buiten hield, dan hingen haar familie-oneenigheden ook ineens -aan de groote klok, dan was alles uit! En dan een huwelijk.... een -huwelijk! Was er op de wereld iets, dat, op zichzelf beschouwd, haar -zoo innig verteederde als een huwelijk? - -Het tot stand te brengen was een bron van genot, en met den leeftijd, -zelf out of time, bleef er toch niets heerlijkers over, dan twee -personen van verschillend geslacht langs den wettigen weg, rijk aan -formaliteiten, tot sexueele gemeenschap te doen komen. Dat was nu toch -zoo aardig. In haar verbeelding zag zij die „trouwerij”; zag zij de -oudere dames zitten met pleizierige gezichten en vergenoegde -glimlachjes, dood op haar gemak, als, menschen die naar een -voorstelling kijken; wisselend met elkaar gemoedelijke blikken van -verstandhouding, alsof ze zeggen wilden: „ziezoo! dat hebben wij ’m -weêr eens geleverd,” nieuwsgierig, onder elkaar zachtjes ondeugende -vragen fluisterend en opmerkingen makend over de resultaten eener -naaste toekomst,—als menschen voor wie het huwelijksleven al vele jaren -geen geheimen meer heeft. En daar zou ze niet bij zijn, nu haar eigen -dochter trouwde. Wel voor de tweede maal, maar dan toch ook de eenige -die trouwde. - -Zij zou niet gehoord worden, zooals vroeger, in tal van bijzondere -aangelegenheden van kleeding en van huishoudelijken aard; niet weten -wie er zouden komen; hoe ze getoiletteerd zouden zijn; welke cadeaux er -werden ontvangen; men zou, zonder haar, naar den burgerlijken stand -rijden en vervolgens naar de kerk,—het was meer dan verschrikkelijk, en -al mocht Roos nu ook trouwen met den duivel of diens grootvader—het zou -mevrouw Uhlstra niet beletten erbij te zijn. Zij vond nu redenen. - -„Eigenlijk,” zei ze tegen Lena, „heb je weêr gelijk gehad, kind. Och -ja! Die jongens Markens,—’t is wel niet veel zaaks; maar ze hebben toch -nooit iets gedaan, dat hen voor een oneerlijkheid openlijk kon -aangerekend worden.” - -„Het doet me plezier, dat u er zoo over denkt. U weet, ik vind heel -veel tegen dat huwelijk, maar als zij beiden het verlangen.... Wie weet -of het Freddy niet heelemaal opheft.” - -„En arm zijn ze eigenlijk ook niet, weet je. Die ouwelui Markens zitten -er tegenwoordig warmpjes in, al kleeden zij zich niet uit, ja! voor ze -naar bed gaan.” - -„Dan zou ik in uw plaats zelf even naar haar toe gaan.” - -Bij de weduwe Geber volgde een zeer aandoenlijke verzoening. Roos, wie -het denkbeeld, dat zij als een door haar familie verstootene trouwen -zou, verschrikkelijk zwaar op het gemoed lag, was van aandoening bleek -als ’n doek en koud als steen geworden, toen zij haar moeders coupé het -erf zag oprijden. - -Hoe zij er toe gekomen was, zich door den jongen Markens het hof te -laten maken—maar het hof in den meest uitgestrekten zin—wist zij zelf -niet. - -En de waarheid moest zij erkennen: zij was dol van hem; zij voelde voor -hem, wat zij, bij haar gemoedelijk onverschilligen aard, gemeend had -nooit voor een man te zullen gevoelen. - -Het was langzaam tot haar doorgedrongen, zonder drukte of overhaasting; -hij had het niet of althans weinig aangemoedigd, dan zoo nu en dan door -een banaal en heel eenvoudig complimentje over haar mooie oogen of -kleine, fraai gevormde handjes. Op dit stille vuurtje waren liefde en -hartstocht bij Roos gaar gekookt, en nu waren ze ook zoo goed, dat -Freddy, op een zekeren dag wat beminnelijker wordend, tot zijn -verwondering inzag, dat hij van een regelmatig beleg gerust kon afzien, -aangezien de vesting zich gaarne op genade of ongenade aan den vijand -overgaf. - -Hij had geen misbruik gemaakt van die omstandigheid. Waartoe? Als hij -Roos had begeerd, zouden begrippen van deugd of conventie hem evenmin -hebben teruggehouden, als zij Roos belet zouden hebben goedig en -toegevend te zijn. In dat opzicht liep het haar meê in de wereld; voor -de tweede maal trouwde zij een man, die geen haast had; die haar het -leven niet moeilijk maakte, hetgeen voor een, vooral thans, in het -defensieve zoo weinig ontwikkeld karakter ’n zegen was. - -Freddy zag zijn aanstaande schoonmoeder met een bezwaard gemoed, maar -nam dadelijk zijn partij, groetend wie hem te machtig was. Vriendelijk -kwam hij haar tegemoet, zijn stem dwingend tot een innemend -comedietoontje. - -„Hé mama, wat is dat een gelukkige dag....” - -Mevrouw Uhlstra viel hem in de rede zonder een woord te zeggen; enkel -door de uitdrukking eener eindelooze verbazing op haar gezicht. Zoo -iets had zij nooit beleefd! Dat noemde haar „mama” met een -gemakkelijkheid, als had hij het zijn leven lang gedaan; Geber had het -nooit gezegd dan uiterst gedwongen. - -„Vind-je?” vroeg ze werktuiglijk en hem ’n hand gevend. - -„Och,” ging hij voort met dezelfde gelegenheidsstem, „’t had Roos zoo’n -zielsverdriet gedaan, en ik vond het zelf ook zoo naar; zij houdt -zooveel van u, en ik heb u altijd zoo hooggeacht.” - -En met al haar bij-de-handheid liep mevrouw Uhlstra erin; de -„lekkermakerij” op ’n geschikt moment was haar te machtig. Zij zoende -Roos, en toen gingen ze samen heel gewoon over de voorbereidende -maatregelen zitten praten, alsof mama het tweede huwelijk van haar -dochter altijd een bijzonder sympathieke zaak had gevonden. - -Freddy praatte nu en dan ook mee; toen de dialoog tusschen de dames een -oogenblik stagneerde, zei hij met de verwondering op z’n gezicht: - -„U hebt u toch merkwaardig goed geconserveerd, mama.” - -En toen zijn aanstaande schoonmoeder dit met een glimlach scheen te -beamen, ging hij voort: - -„Als men u zoo naast Roos ziet zitten, zou men u voor zusters aanzien.” - -Hij loog als een stalknecht; mevrouw Uhlstra was tegenwoordig geen -vrouw, die er ook slechts ’n jaar jonger uitzag dan zij was, en Roos, -met de opmerking van haar aanstaanden man niets ingenomen, liet haar -lip hangen, onpleizierig naar hem schuinoogend. - -Maar mevrouw Uhlstra, het hoofd ’n beetje achterover, zachtjes ermee -dodelineerend, en in den wipstoel op en neer bewegend, was overtuigd -dat het zoo was, en blij dat er dan toch eens iemand kwam, die vond dat -men haar de moessons, die zij boven de vijftig telde, niet zóó kon -aanzien. Een oogenblik later draafde het gesprek weêr verder over ’t -geen er te doen viel. Oplettend hield Freddy het bij, en toen eindelijk -de oude vrouw heenging, bracht hij haar naar haar rijtuig met de -grootste voorkomendheid, met een gezicht alsof hij haar het hof maakte; -„allerdolst” vond Roos, en ze zei het ook tegen hem. - -„Kindlief,” antwoordde Freddy ernstig, „laat mij maar begaan. Ik moet -goeie vrienden blijven met mama. Voor jou is dat natuurlijk heel, heel -gemakkelijk; voor mij was ’t een heel moeilijk vraagstuk hoe haar te -vangen. Nu weet ik het.” - -„Je bent pinter, dat moet ik zeggen.” - -„Niet waar?” zei hij nu op zijn beurt ten zeerste gecoiffeerd. „Ja, ja, -het is me, geloof ik, goed gelukt.” - -Toen haar tante thuis kwam, vroeg Lena, bezorgd dat er nog -onaangenaamheden waren voorgevallen, dadelijk hoe ’t gegaan was. - -„O, heel goed.” - -„Goddank! en Freddy Markens?” - -„Nou.... hij is me erg meêgevallen. Hij mag dan niet hard gestudeerd óf -veel gewerkt hebben,—hij is een net, welopgevoed man.” - -Komaan, dacht Lena verwonderd,—dat gaat voor nicht Roos boven bidden en -hopen! - -„Ja,” herhaalde mevrouw Uhlstra, als moest zij het haarzelve nog eens -voor zeggen. „Zeker! dat is hij: iemand, die zijn wereld kent.” - -En nu werd het verkeer tusschen het huis Uhlstra en dat van de weduwe -Geber bijzonder druk. De rijtuigen reden den heelen dag heen en weer; -de bedienden liepen af en aan. Freddy Markens was als kind in huis, met -een groote, kwalijk verborgen antipathie tegen Lena, die, hoezeer het -meisje dat ook bestreed, volmaakt wederkeerig was. - -Doch hij liet niets merken, enkel zijn hart luchtend bij Roos, als ze -samen alleen waren. Zij had hem er te liever om; zij zelf bedwong haar -haat tegen de gunsteling van haar moeder, en was zooveel mogelijk -gewoon vriendelijk tegen haar. - - - - - - - - -DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -FREDDY EN EDDY. - - -Ze stonden allen in het huis van mevrouw Uhlstra om de lange tafel in -de achtergalerij, net zooals men jaren geleden had gestaan toen Roos -zou trouwen met Geber. En juist als toen stond het overal vol met -bordpapieren doozen en stapels nieuw goed, alsof Roos nooit een -huishouden had gehad en haar kasten leeg waren. - -Een onaangenaam gevoel liep hen langs den rug, toen, te midden der -gewichtige beraadslagingen, een groote, breede mansfiguur met bruinen -jongenskop op de schouders naar achter kwam, ongegeneerd hard stampend -met zware rijlaarzen op het marmer. - -„Mijn God, Piet!” riep mevrouw Uhlstra. „Ben jij daar?” - -De jonge man, in ’n half vuil wit pak, ’n grooten grijzen helmhoed op -en ’n rijzweep onder den arm, zoende zijn moeder, zijn zusters, zijn -nichtje, voor hij zijn komst ophelderde, met groote hartelijkheid; hij -schudde Freddy ongemanierd hard de hand; en zoo, ertusschen door, -hoorde men: „Dag.... Hoe gaat het.... Gefeliciteerd.... Beste -wenschen.” - -„Maar hoe kom je dan toch hier?” herhaalde zijn moeder. - -„Wel,” zei Piet, die „even” van zijn koffieland in den Oosthoek kwam, -„voor zaken, ziet u.... En dan.... omdat Roos weêr trouwt.” - -’t Was erg hartelijk, maar het beviel de familie niet best. Ze wisten -van zaken in het algemeen weinig, maar ze waren opgegroeid in het -landelijke, en dat een administrateur van ’n jonge onderneming zoo maar -eens voor ’n maand den boêl kon laten zonder schade, wou er bij hen -niet in. - -„Kon je weg?” vroeg zijn moeder. - -„Ja en neen, ma. Eigenlijk kon ik het niet.” - -„Zoo!” viel Roos nogal vinnig uit. „Je kon niet weg, hè? Maar al kon je -niet, je deedt het toch.... uit belangstelling in mijn huwelijk... Wel, -ik had liever, dat je belang stelde in het kapitaal, waar ma en ik je -aan geholpen hebben.” - -Piet lachte luid ’n onverschilligen kwajongenslach. - -„Nou,” zei hij, „maak je niet dikker dan je bent. ’t Is al welletjes -zoo!” - -Doch dat was olie op het vuur. Vooral nu, kon Roos geen zinspeling -velen op haar corpulentie. En dat in tegenwoordigheid van haar bruigom. - -„Ik hoop,” zei ze, „dat je zoo gauw mogelijk weêr terug zult gaan.” - -„Misschien wel. Dat is naar het er meê staat.” - -Het angstig voorgevoel, dat Roos, toen ze haar jongsten broer zag, -dadelijk bekropen had, nam toe. - -„Wat er meê staat?” riep ze. „Je gaat, zeg ik nu, zoo gauw mogelijk -terug.” - -„Dat hangt ervan af!” - -„Tobat!” riep mevrouw Uhlstra, wanhopig over dezen twist. „Zeg ineens -wat je meent, ja! Ik wed koerang doewit!” - -„Ja,” bevestigde Piet, kalm ’n strootje opstekend. „Ik kom werkkapitaal -te kort. Daar kan ik nou wel lange brieven over schrijven, maar het -geeft me niets.” - -Dat laatste was zeer waar, en zoo iemand Piet in zijn hart gelijk gaf, -dan was het Freddy, die voor het ongegeneerd optreden van zijn -aanstaanden zwager een even spontane als onverklaarbare sympathie had -gevoeld. - -„Werkkapitaal!” zei Roos woedend, „dat is alles maar kletsen, ja! Je -hebt een ton gehad van ma en mij samen, en je zult zeggen, wat je met -het geld hebt gedaan, of ik geef de zaak in handen van een advocaat. Al -ben je mijn broer,—’t kan me niks schelen.” - -Onverschillig haalde Piet de schouders op, met de innige minachting van -een oosterling voor vrouwenpraat. - -„De duiten zitten in den grond; dat spreekt vanzelf.” - -„Natuurlijk,” voegde Freddy er onwillekeurig achter. - -Het deed Roos verstommen, haar moeder vriendelijk knikken, Piet -opkijken met de vroolijke verrassing van iemand, die onverwacht een -bondgenoot vindt. - -„Jij vindt het nu natuurlijk,” ging Roos voort na een oogenblik -zwijgen, „maar je kent hem niet.” - -„Zoo!” viel nu haar moeder in eens uit. „Is het dat? Kent hij hem niet? -Mijn zoons,” zei ze met haar vuist op de borst slaande, „mogen anders -gerust gekend worden.” - -„Nou ja, dáár zou ik maar liever over zwijgen,” antwoordde Roos -onvermurwbaar en erg uit de hoogte. - -Het draaide uit op ruzie. Freddy en Piet traden op als peace makers; de -een bij zijn aanstaande, de ander bij zijn moeder. Er werd gescholden -en gehuild; al wat mama Uhlstra op den bodem van haar hart verborgen -had gehouden, kwam eruit, en het kon wel niet anders of Freddy kreeg -zijn menschelijk aandeel, wat zijn bruid zich schrikkelijk aantrok, -hemzelf langs de koude kleêren ging. Ten slotte kwam men tot een soort -wapenstilstand, waarbij Piet een wijdloopig verhaal deed zijner -landelijke omstandigheden; hij had papiertjes in zijn zak met cijfers, -en Freddy bekeek die met ’n wijs gezicht, schoon hij er niets -hoegenaamd van begreep; Piet sprak van millioenen koffieboomen en -duizenden bouws grond op een hem duizelig makenden toon van -meesterschap. - -Nu en dan zei Freddy ook een enkel woord, dat hij vijf minuten vroeger -van Piet had gehoord, en dan verklaarde de zoon der Uhlstra’s dat -Freddy een volkomen zuiver begrip had van de quaestie, en men eigenlijk -ook maar met menschen van zaken had te praten om goed begrepen te -worden,—een opmerking, die Freddy streelde en innig goed deed, Roos -voor haar aanstaanden man van teedere gevoelens vervulde en door -mevrouw Uhlstra met vele hoofdknikken werd bijgestemd. - -Er moest dan nog een halve ton in; en toen Piet, met zijn boomen en -zijn bouws, dat had voorgerekend, keek Roos wel weêr een beetje sip, -maar Freddy zei, dat het de natuurlijkste zaak van de wereld was, en -men niet onverantwoordelijk schriel mocht zijn, tegenover een zaak, die -niet alleen levensvatbaar was, maar zelfs schitterend stond. - -„In Godsnaam dan,” zuchtte zij. „Dan zullen wij het maar weder samen -doen, ja ma?” - -En toen deze perkara tot aller genoegen was afgeloopen, was niemand zoo -vergenoegd als de oude vrouw. - -Die Roos, dacht ze, was óók zoo op de penning! Freddy Markens had dit -geval tot een meer beduidend man gemaakt. Piet had hem een „man van -zaken” genoemd, en schoon het de eerste maal was in zijn leven dat hem -deze qualificatie te beurt viel, voelde hij er al het gewicht van, kwam -hij al redeneerende met de noodige brutaliteit, onder het rijsttafelen -tot de overtuiging, dat de man of business in hem eigenlijk enkel had -gewacht op een gelegenheid om ontdekt te worden. - -Hoezeer Roos daar ook tegen was, moesten Piet en Freddy dien avond -samen naar de sociëteit ’n partij biljart gaan spelen. - -„Ik ben blij, dat je die duiten hebt gekregen.” - -„En ik dan?” - -„Ik heb je, geloof ik, ’n aardig handje geholpen.” - -„Zeker. Mooi, hoor! Kan ik je misschien...?” - -„Merci! Maar als het bij gelegenheid eens noodig mocht zijn...” - -„Natuurlijk! De eene dienst is de andere waard. Je moet eens bij me -komen logeeren.” - -„Dat zal vooreerst moeilijk gaan.” - -„God neen... dat is waar ook,” lachte Piet. „Maar anders: ’n goeie boel -daar.” - -Zij kwamen ’s nachts heel laat thuis, in een hoogen graad van -broederlijkheid. Ten slotte had Freddy het zekere toch maar voor ’t -onzekere genomen, en zich door Piet twee duizend gulden laten beloven -voor zijn tusschenkomst. Hij had het geld niet noodig, van de -„reisrekeningen” stond nog altijd een aardig duitje van hem vast, maar -’t was wel zoo gemakkelijk, het geld van Piet te nemen voor de onkosten -van het huwelijk. - - - -Bij de Marken’s, die de financieele zijde van het huwelijk van hun zoon -heelemaal lieten drukken op Roos en haar moeder, was een paar dagen -later de groote gebeurtenis, dat Eddy „wezenlijk en waarachtig” een -betrekking had gekregen. ’t Mocht dan niet schitterend zijn,—het ging -de stoutste droomen van zijn vader en moeder te boven. Tweehonderd -gulden in de maand,—de oude heer, die het zelf tot verder in de -duizenden had gebracht, keek zijn jongsten zoon aan met bewondering en -ontroerd tot in het diepst van zijn ziel. Zou er dan toch nog één -terechtkomen! Zijn progenituur had hem niet verwend! - -Freddy sprak in den laatsten tijd zijn jongeren broer bijna niet; de -geheele intieme omgang van vroeger was uit. En vooral sedert Eddy de -boeken weêr had opgevat, en tot ’s avonds laat zat te studeeren, zooals -hij nooit in z’n leven gedaan had, was de verwijdering groot. Dan keek -Freddy, als hij ’s avonds van Roos naar huis kwam, grimmig naar het -verlichte venster van het paviljoen,—het eenige in huis, want de -ouwelui gingen vroeg naar bed; haalde in z’n eentje met diepe -minachting de schouders op, scheldend bij zichzelf op den „kwajongen en -den ingebeelden gek.” - -Intusschen snapte Eddy tot zijn groote vreugde, dat er meer in zijn -geest was blijven hangen, van wat hij zooveel jaren op school had -geleerd, dan hij eerst zelf had gedacht. - -Het moedigde hem aan, hij had er daardoor liefhebberij in, en lei er -zich ijverig op toe, zóó was hij in weinig maanden ’n heel eind -gekomen. Terwijl men bij de Uhlstra’s druk in de weer was met het -aanstaande huwelijk, had Eddy bij Twissels aangeklopt. Vrees kende hij -niet, dat „artikel” was een onbekend iets voor de „door de wol -geverfde” jongens van Markens,—maar nu had hij ’n gevoel alsof iemand -hem in de keel kneep. - -„Zoo!” riep Twissels, niets aanmoedigend. „Wat mot jij?” - -Het was hem in den laatsten tijd weer beter gelukt; er waren werkelijk -een paar speculaties gereüsseerd, en dit welslagen had hem niet enkel -opgefleurd en kracht, moed en gezondheid geschonken, maar hij was er -dadelijk daarna weer „in” gegaan, zoo diep als hij er nog nooit had -ingezeten. - -Toen Eddy ’t hem verteld had, keek hij met een schuinen blik en ’n -loozen glimlach door z’n bril naar den jongen man. - -„Als je mij wilt foppen, dien je vroeg op te staan, hoor!” - -Eddy Markens verbeet zijn drift, ’t kon hem slechts kwaad doen, als hij -nijdig wegliep; daarvoor was hij niet gekomen. - -„U kunt het zelf onderzoeken,” zei hij met een onderworpenheid, die -Twissels van de wijs bracht; was dat misschien een nieuwe akal van een -van die rakkers Markens? - -Hij hield hem dien dag op z’n kantoor en liet hem werken, soms keek -Twissels eens om den hoek van zijn lessenaar, en dan zag hij aan den -anderen kant de nette en goedgekleede figuur van Eddy op den -wankelenden stoel en achter de oude schrijftafel van een der vorige -chefs, gebogen over vuil, verschoten, groen geweest laken, vol -inktvlekken, een vlag, dacht hij dan, op een modderschuit, wat het -uiterlijk betrof. - -De correspondentie en de berekeningen waren niet, dat zag Twissels in -een oogopslag, het werk van een ervaren kantoorman; het droeg alles den -stempel van ’t nieuwelingschap, het was niet netjes, regelmatig en -geschäftsmässig, maar de brieven waren goed gesteld en zonder fouten, -de berekeningen kwamen precies uit. - -„Je valt me bliksems meê,” zei Twissels openhartig. „Ga nou maar heen, -hoor! Ik zal reis voor je rondkijken.” - -Het was, vond Eddy, ten minste iets, dat hij aan dit soort examen had -voldaan, ofschoon hij zich van een goed resultaat heel iets anders had -voorgesteld. Met dezen kant van het leven geheel onbekend, had hij -gedacht, dat al zijn werk goed was, en Twissels, in zekere -opgetogenheid, hem dadelijk ’n lucratieve betrekking zou hebben -aangeboden; hij had zich in stilte zoo iets gedroomd als ’n apothéose, -’n terugkeer van een verloren zoon. In plaats daarvan kon hij „nou maar -heengaan, hoor!” - -Maar hij werkte thuis toch door alsof er niets was gebeurd, zonder den -moed te verliezen, al was zijn hoop op aanvankelijk succes erg gering, -tot er acht dagen later een briefje van Twissels kwam, dat hem naar -diens kantoor riep. Nooit nog had Eddy zoo iets gevoeld. Had dat beetje -werken dan zoo’n ander mensch van hem gemaakt, dat hij in de hoop op -een baantje en bij de vrees het niet te krijgen, zich bleek voelde -worden, bevend als een juffershondje? - -„Ik heb wat voor je,” zei Twissels, en dadelijk erachter volgde de naam -der maatschappij, waarbij Eddy komen zou, en die van een der -directeuren bij wien hij zich moest presenteeren. Het was juist een -drukke maildag voor Twissels. - -„Ik heb verder geen tijd,” zei hij gejaagd. „Ik heb erover gesproken; -het is in orde.” - -En toen Eddy wilde bedanken, joeg hij hem met ’n allerhoogst en schel -stemmetje haast de deur uit. „Jawel, jawel! Ga nou maar gauw heen, en -doe je best... je best... Nou, bonjour!” - - - - - - - - -EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -DE INVITATIE. - - -Daar iedereen het zoo erg goed vond, dat Eddy „in betrekking” kwam, -verkropte Freddy zijn haat en afkeer; alleen tegen zijn ouders en Eddy -zelf stak hij zijn meening niet onder stoelen of banken, doch hij kreeg -ook van die zijde zóó den wind voorin, dat hij van alle discussie -afzag. - -„We geven een jongelui-partij dezer dagen;” zei hij tegen zijn broer. -En toen er geen antwoord kwam: „Je zult toch komen.” - -„Het kan wel niet anders.” - -„Dat zou ik denken.” - -„Eigenlijk bleef ik liever weg.” - -„Ben-je dan zoo’n gruwelijke dood-eter geworden?” - -„Ik heb er geen liefhebberij meer in.” - -„Praatjes! Ik weet heel goed waarover je nog altijd zit te zaniken.” - -„Nou, als je het weet,” zei Eddy, een courant opnemend om het gesprek -af te breken, „waarom vraag je dan naar den bekenden weg.” - -De andere was blij. Wat zou de wereld zeggen, als zijn broer niet had -willen komen? - -Aller streven was op dit feest gericht; op „geur” maken; dáár had men -zijn haat en zijn nijd, zijn afkeer en vijandschap voor teruggedrongen, -van zijn hart een moordkuil makend. - -„Maar tante Clara?” vroeg Roos, toen de lange lijst der genoodigden -reeds zoo goed als geheel gereed was. - -Zij hadden er wel allemaal aan gedacht, maar niemand had de eerste -willen zijn. Ze zaten nu in het zachte licht der binnengalerij bij -Roos, de dikke zeilen voor dicht tegen de zon, op het dofglanzend -marmer, om de middentafel, de sleden der wipstoelen van achter omhoog, -de hoofden in koempoelan bijeen. - -En ieder zweeg nu; Freddy ook. - -Werkelijk maakte de weduwe Lugtens het zeer bont. Al was maar een derde -waar van ’t geen men vertelde, dan was het nog heel erg. Men kon haar -niet inviteeren in een fatsoenlijk groot gezelschap. Dàt nu, zou het -wezen. ’t Was of ze er allen hetzelfde gevoel voor hadden; of ze -gedreven werden in één richting; de vlam van den ouden luister der -Markens, Lugtens en Uhlstra’s zou nog eens hoog opflikkeren, met -Twissels als nog levend getuige. - -Mevrouw Uhlstra schudde het hoofd. - -„Mijn God,” zei ze, „het kan waarachtig niet. Zij is mijn bloedeigen -zuster, maar Roos, wat zullen de menschen zeggen?” - -„Ja, ma, dat vraag ik ook.” - -„Men behoeft haar niet op den voorgrond te stellen,” zei Freddy zoekend -naar een modus vivendi, om het mooie cadeau, dat tante Clara -ongetwijfeld zou geven, mits ze werd geïnviteerd als familielid. - -„Wat dunkt u ervan?” vroeg Freddy zijn vader. - -„Er is veel over mevrouw Lugtens gesproken,” zei Markens, zijn breede -kin in de witte das trekkend, die hij deftigheidshalve altijd droeg, -„er is veel over haar gesproken, maar wat weet men van haar?” - -„God almachtig,” barstte mevrouw Uhlstra uit. „Vraag dat maar niet!” - -„Ik vraag het u niet, maar in het algemeen.” - -Het verschil ontging de dames. Zij wisten wat zij wisten, en welk -onderscheid dáártusschen bestond en tusschen ’t geen men weten kan.... -in het algemeen, ging haar begrip te boven. - -„Heeft iemand haar ooit betrapt op.... ik zal maar zeggen: heeterdaad?” - -Henri Uhlstra stond op het punt te zeggen: „ik”; maar hij bedacht, dat -het verkeerd zou zijn geweest, te meer omdat hij in zijn hart er niet -voor was tante Clara nu heelemaal en in het openbaar te verstooten. - -Mevrouw Uhlstra ergerde zich aan den meesterachtigen, overbluffenden -toon van den ouden heer Markens; Roos ook. - -„Gewoonlijk,” zei ze ’n beetje schamper, „wordt men bij zulke dingen -niet geroepen.” - -„Neen,” zei Freddy hardop lachend, samen met Henri, „dat zal wel waar -wezen.” - -„Er is niemand,” ging de oude heer voort, zonder zich in ’t minst aan -de opmerkingen te storen, „die eenig bewijs kan leveren.” - -„Nou,” riep mevrouw Uhlstra zenuwachtig en opgewonden, „ze heeft me dan -dezer dagen weêr een mooi stukje uitgehaald! Zoo’n vent, daar ze meê -knoeide, heeft ze een stel diamanten gegeven om voor haar te verkoopen, -en de smeerlap....” - -„Maar ma!” zei Roos vermanend. - -„Hoe weet u dat?” vroeg Markens, ook de hand opheffend, kalm en -waardig, als om den heftigen woordenstroom tegen te houden. - -„Wel, van Piet.” - -„Nou ja,” zei deze met ’n erg katterig gezicht van het pierewaaien, -verlegen zijn hoofd krabbend. „Ik ben er ook niet bij geweest.... ik -heb het óók maar van hooren zeggen.” - -„Door wie?” vroeg Markens op zijn ouden inspecteurstoon. - -„Ik heb het van.... m’n jongen; die heeft het gehoord van de baboe van -tante.” - -„Dus: bediendenpraatjes,” constateerde Markens, zich triomfantelijk met -zijn wipstoel achterover latend, vol minachting in zijn rimpelig grijs -gezicht. - -’t Was waar en ze zaten er verlegen mee; mevrouw Uhlstra vooral was -woedend over haar nederlaag; ofschoon zij metterdaad haar zuster graag -op de partij zag, hinderde het haar gruwelijk, dat zij en Piet er zóó -inliepen. - -„Pa heeft gelijk,” verklaarde Freddy. „Wij moeten haar vragen, Roos.” - -„Ik vind het ook,” zei Henri. - -Roos keek eens rond en toen ze allemaal knikten, haar moeder ook, -schreef zij de invitatie. - -„Geef maar hier,” zei mevrouw Uhlstra. „Ik zal het ding wel zelf -brengen. Ik zal het haar dan nog eens goed vertellen.” - - - -Daar zei niemand verder iets op, en ’s middags reed mevrouw Uhlstra met -opzet bijzonder vroeg naar haar zuster. Het ging haar, zooals ’t haar -oudsten zoon vroeger was gegaan; maar zij bleef niet bescheidenlijk -zitten wachten in de binnengalerij; zij stoof de slaapkamer binnen, en -zonder zich te storen aan den „derden persoon” en diens -„omstandigheden” voer zij vreeselijk uit tegen haar zuster, in een -verward Hollandsch en Maleisch. - -Al wat zij in haar jeugd had gehoord aan leelijke woorden van de -bedienden en de inlanders op straat, aangevuld met de haar bekende -scheldwoorden van Europeanen, kwam haar met een spoed in de gedachten -en over de lippen, als moest het eene woord het andere inhalen. - -Clara trok met zachte, korte keellachjes telkens de schouders op, de -mooie, ronde en gladde schouders van eene jonge vrouw, die ze had -behouden op leeftijd, zelfs nu ermee coquetteerend in het halfduister, -tegen de zwijgende figuur, die een donkeren baard liet doorschijnen -achter de klamboe, welke hij stijf dichthield. - -Het kon haar niets schelen, dat haar zuster Lena zag, wat zij zag; dat -zij haar uitmaakte voor alles wat leelijk was en nog wat! - -De invitatie kwam, dat was het voornaamste! Lena zou haar immers zoo -woest niet overvallen, als men geen plan had haar te vragen voor het -groote feest! - -Langzaam deed de weduwe Lugtens haar kort met veel doorschijnende kant -versierd kabaatje aan, de diamanten knoopjes vastmakend op haar gemak; -zij schudde het hoofd naar achteren, haar zwaren haarwrong los uit de -condé over haar rug, blijkbaar om het enkele genoegen die met beide -handen weêr op te draaien, de buigzame armen omhoog voor den spiegel. - -„Nou,” zei ze daarna zich omkeerend, en haar verontwaardigde zuster -zachtjes de kamer uitdringend, „nou, Leen, maak zoo’n kabaal niet, ja! -Het beteekent immers niets.” - -Het was mevrouw Uhlstra een al te machtig cynisme, dat dit „niets” -beteekende. Zij begon te huilen. Zelf was ze een oude vrouw en Clara, -schoon ruim tien jaren jonger, was het toch eigenlijk ook, al zag ze er -wel twintig jaar jeugdiger uit. Altijd had zij haar liefgehad, al sprak -ze dikwijls veel kwaad van haar; altijd had ze haar standjes gemaakt in -vroeger jaren over haar onzedelijk gedrag, doch in ’t vertrouwen, dat -het met den leeftijd wel zou overgaan. In plaats van te verminderen was -het kwaad erger geworden met den leeftijd, veel erger, en terwijl zij -Clara daar betrapte op de „heeterdaad”, waarvan Markens had gesproken -en haar, met het volle recht van een oudste zuster, daarover -kapittelde, kwam er geen excuus, geen woord van spijt of verlegenheid, -geen traan van berouw... niets! niets! Integendeel, had Clara in haar -tegenwoordigheid nog eerst gecoquetteerd tegen haar medeplichtige, en -daarna leukweg gezegd, dat het alles niets beteekende. - -Doch die uitbarsting van droefheid roerde Clara diep; zij huilde ook, -nu, groote tranen; zij zoende haar zuster, die, in haar smart, zoo erg -oud en leelijk was, en die snikkend en hokkend niets zeggen kon, dan -telkens: „Je bent zoo’n beest, Clara! Zoo’n gemeen beest!” - -Mevrouw Lugtens bracht haar, den arm om haar heen geslagen, in kleine -slenterpasjes, net of ’t een reconvalescente was, naar de -achtergalerij, intusschen het verhaal beginnend van de bevalling eener -inlandsche vrouw op haar erf, die drielingen had gekregen. Het wekte de -belangstelling van mevrouw Uhlstra in zoo hooge mate, dat zij alles -vergat om de bijzonderheden te hooren, want haar zuster kende die -natuurlijk tot in de kleinste kleinigheden. In druk gesprek erover, -naast elkander, de hoofden dicht bijeen, met blikken en knikjes van -verstandhouding en wederzijdsch bewijs van juiste opvatting, vergaten -zij zoowel het aanstaande huwelijk van Roos als den medeplichtige -binnen. Het was toch ook zóó belangwekkend! - -„En het laki?” vroeg mevrouw Uhlstra. - -„Dáár,” zei Clara met haar duim naar een klapperboom wijzend, waarin -een kebon klom met handen en voeten, net als een aap. - -„Weet je,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden, na een oogenblik -aandachtig den dader te hebben bekeken, „dat volk heeft het bij jou -veel te goed. Weinig werken.... lekker eten.... nou?” - -Clara trok haar gemarkeerde wenkbrauwen hoog op, keek haar zuster een -oogenblik aan met ’n mal verwonderd gezicht, en proestte het toen uit -van het lachen, zóó van harte en zóó gek, dat mevrouw Uhlstra er -heelemaal door overwonnen werd. En zoo zaten ze nu tegenover elkaar, -haast stikkend in een onweerstaanbaren, overweldigenden zenuwlach over -deze nieuwe theorie der drielingen. - -Met diepe ademhalingen, zuchten gelijk, kwamen ze tot bedaren. - -„Och, jij ook!” zei verwijtend mevrouw Lugtens, haar zakdoek over ’t -gezicht strijkend. - -„Nou, geloof me, hoor! Het is betoel waar. Toen we vroeger niet zoo -waren als tegenwoordig, en de kerels met de rotan voor de broek kregen, -als ze iets deden, toen gebeurden zulke grappen niet. Da’s waar ook. -Hier heb ik een brief voor van je Roos.” - -Aandachtig bekeek mevrouw Lugtens de invitatie; ze was eigenhandig door -haar nicht geschreven en vriendelijk van inhoud. Haar gezicht -vroolijkte op. - -„Ik vind het heel lief van Roos,” zei ze. - -En toen haar zuster daarop zweeg, vervolgde zij: - -„Och ja, ik weet het wel: men heeft veel op mij te zeggen. Ik doe -niemand kwaad; ik benadeel geen mensch, en laat iedereen ongemoeid; ik -verteer mijn eigen geld, en raak aan geen cent van een ander. Wat ik -doe, is mijn zaak; heelemaal mijn eigen zaak.” - -„Zwijg toch, jij! Je hebt geen hart, anders zou je mij en de familie -geen schande aandoen met die smeerlappen.” - -„Ik verveel me.” - -„Dat is ook wat!” - -„Ik heb me altijd verveeld, Leen; met Lugtens en met de kinderen ook; -Willem was de eenige, die me amuseerde, en nog niet eens altijd. Nu ik -alleen ben, de jongens weg en Leentje bij jou, nou verveel ik me -letterlijk dood.” - -„Je kon bij familie en kennissen gaan.” - -„Bij wie? Jullie en anderen vervelen mij ook op den duur met al dat -praten over andere menschen. Er is ten slotte nog slechts een....” - -„Soedah! Begin je weer? Denk-je dat ik hier ben gekomen om vuile -praatjes aan te hooren? Ik ga maar weg; anders verveel ik je, hè!” - -„Neen, Leen, zóó bedoel ik het niet.” - -Maar zij drong toch niet erg aan op blijven, gedachtig aan den -medeplichtige, die niet zoo geduldig scheen als een zijner voorgangers -tijdens ’t bezoek van Henri, maar die door hemmen en kuchen vrij -hoorbaar te kennen gaf, dat ook hij zich verveelde in zijn isolement. - -„Wat zal het zijn voor Roos?” vroeg mevrouw Lugtens, toen ze haar -zuster naar het rijtuig bracht. - -„Claar!” riep mevrouw Uhlstra plotseling in een soort verrukking de -oogen ten hemel slaand. „Ik heb laatst van Abdul Karim twee steenen -gezien voor kraboe... Ah!” - -’t Was of zij zou bezwijmen van verrukking. - -„Berapa?” vroeg mevrouw Lugtens ernstig. - -„Neen, dat zeg ik niet. Bonjour, hoor! Tot ziens?” - -„Zij zal ze hebben, Leen!” - -Een paar klinkende zoenen, een handdruk,—en de coupé reed met luid -gekraak over de grind naar buiten. Door de raampjes keek mevrouw -Uhlstra over het erf. Wat werd het verwaarloosd! Dat was me ’n boeltje! -De vrouwen der tuinjongens kregen drielingen of het niets was, maar de -bloemen en crotonperken leken wel wildernissen! - -„Njonja ketjil!” riep zij door het venstertje vóórin den koetsier toe. -Dàt had ze geen uur kunnen uithouden! Twee duizend gulden en geen cent -minder het paar! Steenen als bruine boonen! Zij had erop getaward voor -de aardigheid, maar Abdul Karim was tot niet minder te krijgen dan -duizend gulden het stuk. Roos moest het dadelijk weten, en toen Roos -het hoorde, was ze zoo blij als ’n kind, al liep ook haar -juweelenkistje letterlijk over. - -„Wat zeg je ervan?” vroeg ze opgetogen haar bruigom. - -„Prachtig!” - -„Ze is toch zoo goed!” zei Roos meewarig en met een stem vol zachte -genegenheid. - -„Och, wel ja! Ik heb altijd wel gezegd, dat ze ’n beste vrouw is, en -als ze nu eens ’n dwaasheid doet,—het hindert of benadeelt immers -niemand!” - -„Jij spreekt er net over als zij,” bracht mevrouw Uhlstra wantrouwend -in het midden. Zij vond het niets aangenaam zulke bijzondere beginselen -te hooren belijden door den aanstaanden schoonzoon, en Freddy, die dit -begreep, voegde er dadelijk bij: - -„Natuurlijk moet men die dingen van haar standpunt beschouwen.” - -De zaak van het huwelijksgeschenk beschouwde hij meer van zijn eigen -standpunt. - - - - - - - - -TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -HOE FREDDY DRIEHONDERD GULDEN VERDIENT. - - -Toen Freddy een uurtje later huiswaarts ging, sloeg hij een zijwegje -in, keek aan het eind eens voorzichtig rond, loerend tusschen en over -de groene paggers of hem ook iemand zag, en stapte de kampong binnen. - -Voor een klein huis, van binnen met houten wanden en enkel de -buitenmuren van wit gekalkte steen, onder een overstekend dak van -verweerde roode pannen, hield hij stil. - -Op den houten vloer met ongelijke kieren tusschen de grauwe nooit -geschrobde planken, lag in het midden een oud stuk rotanmat, en daarop -in ’t midden stond een rond houten tafeltje van wildhout, op één poot, -slecht afgewerkt, het wit van het hout schijnend door het dunne -roodachtig bruin van ’t politoer; een te klein ordinair flodderkleedje, -zwart met helrood, lag erover, de puntjes even over den rand. Twee oude -wipstoelen flankeerden het, de lange randen der rugleuningen, eens -palembangsch gelakt, waren thans dof en met een laag aanklevend vuil -bedekt; wellicht voor jaren gekocht op vendutie, en zóó daar neergezet, -met de kleine geborduurde antimakassertjes tegen de binnenruggen, eens -zindelijk en kleurrijk, thans met pikzwarte vetvlekken van de -klapperolie in de haardossen, die er achtereenvolgens tegen gerust -hadden. - -Op een der stoelen zat een bejaarde hadji, met, onder een dopvormig -kleurloos mutsje, dat zijn geschoren kruin dekte, een bruin, van vorm -typisch joodsch gezicht, scherp maar fijn van trekken, met onder tegen -de kin aan een geitensik van grof grijs haar, als een valsch -tooneelbaardje dat eraan was geplakt. - -Toen Freddy Markens door de pagger het kleine erfje, tusschen twee -klapperboomen links en rechts, optrad, streek de hadji, die op zijn -gemak ’n strootje had zitten rooken, hiel op knie, zijn dunne versleten -kain omlaag over zijn magere bruingele beenen vol lange zwarte haren, -en buigend met een vriendelijk gezicht, den stijven sik vooruit, stapte -hij de eene houten trede af, die het huisje uit den grond was gebouwd. - -„Zoo, Abdul Karim!” riep Freddy welgemoed, zijn wandelstokje latende -draaien tusschen duim en vinger. „Ada baai?” - -Wel, Abdul Karim, de diamantenhandelaar, maakte het heel goed; hij -hoopte, dat mijnheer het ook goed maakte en,—dit zei hij met den -grootsten eerbied en nederigheid—ook de „groote heer,” mijnheers vader. - -Voorzichtig nam Freddy plaats op ’t randje van den anderen wipstoel -naast het tafeltje en hij bedankte, met de verzekering, dat hij nooit -rookte op dat uur, voor een der beschimmelde manilla’s, die in een -gewoon bierglas op de tafel stonden. - -Abdul Karim kende hem maar al te goed. Toen Freddy en Eddy nog jongens -waren, kwam Abdul Karim met zijn koopwaar enkel bij mevrouw Markens, -als de kinderen naar school waren, zoo bang was hij, dat ze hem -bestelen zouden! Al die europeesche heeren en dames op en nabij de -plaats geboren, en er wonend, kende hij als zijn portemonnaie. Hij -hoorde nu van Freddy, dat mevrouw Lugtens de twee steenen zou koopen, -waarop mevrouw Uhlstra had geboden, en dat die steenen bestemd waren -tot geschenk aan mevrouw Geber, als deze mevrouw Markens werd. - -„Je hebt ze aan mijn aanstaande stiefmoeder willen geven voor twee -duizend ’t pasang.” - -„Ja, betoel,” stemde de hadji toe. - -„Dan moet je bij mevrouw Lugtens vasthouden op vijfhonderd meer.” - -„Zij heeft er verstand van.” - -„Zijn er op ’t oogenblik meer zóó te krijgen op de plaats?” - -„Neen, dat niet.” - -„Dan zal ze ook vijf en twintig honderd geven, en die vijfhonderd zijn -voor mij.” - -„Dat kan niet,” zei Abdul Karim lachend. „Dan zou ik er zelf niets aan -hebben. Driehonderd voor u en twee voor mij.” - - - -Freddy zat reeds lang op z’n gemak ’n kop thee te drinken in een luien -stoel, toen Eddy dien middag vermoeid van ’t kantoor kwam. Stil lachend -zag hij hem naar zijn kamer gaan. - -„Driehonderd pop vandaag verdiend!” zei hij bij zichzelven. „Zoo’n -lammeling moet daar anderhalve maand voor werken als een slaaf.” - -Inderdaad werd van Eddy veel gevergd in zijn betrekking. Hij was niet -ondergeschikt genoeg,—waar wou hij ’t ook hebben geleerd? Hij had ’n -zeker air over zich,—de familiekwaal van vader en moederskant, en hij -zag er altijd zoo bijzonder net gekleed uit. Daarom „donderden” hem de -even boven hem geplaatsten zoo’n beetje en liet men hem werken, dat ’t -hem soms voor de oogen schemerde. Hij voelde en begreep het waarom, -hield er zich kalm bij, at de onvermijdelijke standjes op met een effen -gezicht en deed zijn werk zoo goed hij kon. Maar het viel hem zwaar. -Hij was zijn heele leven gewoon zoo goed als niets uit te voeren, en nu -moest hij zoo ruw door het dichte kreupelhout. Als hij zich—hij wist -zelf niet op welken grond—niet zoo vast had voorgenomen te slagen met -den arbeid, hij zou het vertikt hebben. Maar naarmate ’t hem moeilijker -viel, zette het idee zich vaster in zijn hoofd. En nu zat het er zoo -onuitroeibaar in, dat, dacht hij, als hem onverwacht een ton gouds was -ten deel gevallen, dit hem niet zou hebben bewogen ontslag te nemen uit -zijn betrekking. - -Toch, als hij laat in den namiddag moe thuis kwam, terwijl de bedienden -al bezig waren de lampen aan te steken, voelde hij, dat er ook niets -hoegenaamd in zijn leven meer was dan het kantoor. Hij had geen lust -meer, na zulke werkdagen, ’s avonds uit te gaan of een boek ter hand te -nemen. - -Zijn moeder maakte zich erg ongerust. - -„Men moet,” meende ze, „van de hem geschonkene gaven geen misbruik -maken.” - -En papa, die als ambtenaar nooit tot langer dan ’s middags twee uren op -z’n bureau had gezeten, schudde verontwaardigd het hoofd, als hij Eddy -tegen halfzeven zag thuis komen. - -Het was ’n maildag toen de groote jongelui’s-partij voor het huwelijk -van Roos en Freddy zou gegeven worden. - -Bij al de drukte kwam Freddy tegen halfacht even thuis om iets te -vragen; hij moest zich nog kleeden ook, maar men was zoo in de weer met -de preparatieven, en nu kwam hij zijn broer halen om ’n beetje de -leiding op zich te nemen, zooveel te zijn als ceremoniemeester. - -„Hij is nog niet thuis,” klaagde mevrouw Markens. „Dat laat op ’t -kantoor blijven is ook zoo naar.” - -„Zij mailen alweêr,” zei Markens met verachting. Hij herinnerde zich -nog hoe men in zijn jeugd eens in de maand brieven naar Europa zond, en -hoe het toen even goed in Indië ging als tegenwoordig, beter zelfs. - -„Ik vind het vervloekt onhartelijk van Eddy, dat hij me zoo in den -steek laat,” riep Freddy boos. - -„Maar zijn kantoor....” - -„Och wat, dat misselijke kantoor met de fooi tractement in de maand en -een huis vol noten op den zang... Hij wist hoe druk we het vandaag -hebben, en dan had hij maar moeten vragen om ’n paar uren vroeger naar -huis te gaan.” - -„Daar heb je hem,” zei de oude heer, die in zijn hart Freddy niet zoo -heelemaal ongelijk gaf. Een huur-dos-à-dos was het erf opgereden en -stilgehouden voor de kamer van Eddy. - -„Nou, je bent ook ’n goeie?” riep Freddy hem tegemoet. „Hadt je nou -niet wat vroeger kunnen komen?” - -„Wij hadden het te druk.” - -„Och wat.... als je het maar hadt gevraagd.” - -„Ik vraag op ’n maildag geen vrijaf voor ’n pretje.” - -De toon waarop Eddy sprak klonk scherp en kort, als van iemand, die -besloten is in niets toe te geven, met een meesterschap, dat zijn -evenwicht reeds op den andere deed gevoelen. - -„Kom-je even mee?” vroeg Freddy erg verzoekend. „Roos en ik kunnen het -niet heelemaal eens worden over de schikking. Verdomd, Eddy, het is zoo -lastig. En die moeder Uhlstra.... ik wou dat ze ineenzakte.” - -„Dan ging je partij niet door.” - -Al pratend liepen ze naar het rijtuig van Roos, dat voor ’t huis -wachtte, en vriendschappelijker dan in langen tijd, kwamen ze ’n uur -later terug om zich te kleeden. - -Eddy deed het op z’n gemak en netjes, als ’n jongmensch gewoon in de -wereld te komen in groot tenue; en terwijl hij zijn witte das omdeed -voor z’n scheerspiegeltje, geeuwde hij, dat z’n kaken er pijn van -deden. - -Hij zag op tegen die partij als tegen een berg. ’t Was onmogelijk -geweest te weigeren; hij zou in de voorgalerij Freddy bijstaan in het -de dames uit de rijtuigen helpen en binnenbrengen. Dat kon nu eenmaal -niet anders! - -Het zag er splendid uit! Zoo feestelijk als een mooi, ruim indisch huis -met groen en bloemen te maken is. - -Zelfs was er meer, want om de gewone planken zoldering te bedekken, had -Roos er rose tulle tegen laten timmeren, gebouillonneerd, en met zeer -kleurige kunstbloemen in de kuiltjes. Het was naar westersche begrippen -niet buitengewoon smaakvol, maar in een indisch huis en bij een -oostersche omgeving stond het niet kwaad. - -Rechtop als een kaars had Eddy post gevat op het schabelletje, de -rijtuigen wachtend, met zijn zwarte bekleeding, scherp uitkomend tegen -het wit der gekalkte pilaren en op den marmeren vloer; hij was precies -gekleed als andere jongelui, ook reeds present, maar het was alsof de -anderen, stijfjes, ook wel voor een begrafenis gekomen konden zijn, -terwijl hij alleen met zijn onberispelijk fijn linnen en breed -uitgesneden balvest, een feest kwam bezoeken. - -Ratelend sloegen de rijtuigen, van den grooten weg, met breede -zwaaiingen der buitenlantarens, het erf op, en de broers Markens met -nog ’n paar heeren waren maar ijverig in de weer met buigingen en -strijkages, altijd gereeden gebogen rechterarm, lachend, pratend en -informeerend naar gezondheidjes en zoo meer. Met ’n zeker sérieux kwam -Eddy de treden af naar het rijtuig van de ongetrouwde jonge dames -Uhlstra, waarin ook Lena zat. Zij kwam het eerste eruit, en Eddy, een -stap terugdoende, liet haar over aan zijn broer met een stijve buiging -voor haar vriendelijken groet. Hij bood den arm aan een der nichtjes, -nu ook al breed en zwaar, als Roos de oudste, en zwijgend bracht hij -die binnen met een ernstig gezicht. - -Twissels wiens klein hoofd boven alle andere hoofden uitstak, keek -aandachtig de zaal rond. Het was een groote en royale partij; niets was -verzuimd om het zoo schitterend en goed te maken als mogelijk was, er -was geen geld gespaard. En niettemin lag er een onmiskenbaar verschil -tusschen dat feest, en de oude indische festijnen toen hij, Lugtens en -Uhlstra nog waren in de volle kracht hunner opkomst. Het cachet was -eraf. Hier waren menschen, die men vroeger niet had genoodigd; hier -ontbraken gasten, die destijds nooit mankeerden, hier miste men een -zekere vrijheid, die vroeger gebruikelijk was, terwijl er van den -anderen kant werd geloopen en gesproken op een manier, die men toen -ongepast zou genoemd hebben. - -Hij zag, dat terwijl hij met Markens stond te praten, zij de eenig -overgebleven mannen uit den „goeden ouden tijd,” waren, die nog zoo -betrekkelijk kort was geleden! - -„Wij worden oud,” zei Twissels met een diepen zucht. - -„Ja, dat worden we,” antwoordde Markens ook zuchtend. „Als alles nog -maar goed gaat....” - -„Je hebt reden tot tevredenheid.” - -„Over het huwelijk van mijn zoon.... zeker.... zeker!” - -„Daarover ook.... maar ik had meer het oog op Eddy.” - -„Ah zoo! Hm! Ja.” - -„Wat bliksem,” zei Twissels met een hoog maar kwaadaardig stemmetje. -„Je moest God danken, dat er werklust in den jongen zit. Jullie hebt ze -waarachtig niet opgevoed om het te mogen verwachten.” - -Sedert hij zijn speculatieve handelsoperaties dreef, was Twissels -prikkelbaar en brutaal, en Markens, die hem in de laatste jaren maar -zelden had ontmoet, keek van dien uitval verbaasd en verontwaardigd op. -Een oogenblik zagen ze elkaar vijandig aan. Toen boog Markens zich -terzij voor een jonge dame en sprak die aan, daarmee verdere -conversatie met Twissels afbrekend, die zich eerst recht in postuur had -gezet om te twisten en nu, door deze wending verbluft, zich omdraaide. -Eigenlijk voelde hij dat hij altijd ’t land aan Markens had gehad en -begreep hij niet hoe hij met zoo’n kerel in vroeger tijd -vriendschappelijk had kunnen omgaan. En Markens, al pratend -bitjara-kosong met een dame, schold hem in z’n for intérieur voor een -onbeschoften ploert, er in gedachten bijvoegend dat die Twissels toch, -wèl beschouwd, nooit iets anders was geweest. - -Twissels, met opzet, slingerde en draaide zijn lang mager lijf tusschen -de wandelende paren door naar Eddy Markens, dien hij zag staan praten -met eenige jongelui, en hem terzij nemend, vroeg hij: - -„Wel, hoe gaat het met je?” - -„Dank u, vrijwel. ’n Beetje druk, en ’s avonds wat laat thuis; maar dat -hindert niet.” - -„Nou, dat doet me plezier! Ik heb nog eens over je gesproken.... ze -zijn tevreden, en dat zegt veel, want je begint pas.” - -Zoo praatte hij voort over kantoorwerk, kantoorbeheer en -kantoorvooruitzichten; het verveelde Eddy Markens niet; wat hem -verveelde was die partij. Hij zag dadelijk dat Lena Lugtens omringd -werd door jongelui, en dat haar balboekje van hand tot hand ging; hij -had precies gezien dat het vol was; hij zag haar lachen en vriendelijk -zijn tegen anderen, en hij had het land, geweldig! - -De dames van de familie deden haar best tante Clara zooveel mogelijk te -eclipseeren; zij hadden stoelen en tafeltjes langs den muur geplaatst, -en in een dier „zitjes” mevrouw Lugtens in een hoek gezet. Met haar -breede figuren zaten mevrouw Uhlstra en de dikke dochters te beproeven -het ondeugende familielid aan de blikken der meeste gasten te -onttrekken; men sprak tegen haar over al de soesah, die men had met de -bedienden; over het gebrek aan toezicht in de achtergalerij op de -dranken en de „eterij”, alles in de hoop, dat zij zich dienstvaardig -zou betoonen en welwillend zich zou aanbieden voor de taak van -asschepoester in het achterhuis. - -Maar zij was gekomen om zich te amuseeren, en dat wenschte zij ook; zij -had zich, tot ergernis van haar familie en van andere dames, -gedecolleteerd, en al kon men aan enkele bekende indices wel zien, dat -het geen jonge buste was—die gedeeltelijk werd vertoond,—het was er in -elk geval een die veel jonge in de schaduw stelde. - -Tante Clara wilde dansen; zij had de steenen gekocht en er waarlijk -vijfhonderd gulden meer voor moeten betalen dan mevrouw Uhlstra had -opgegeven,—zachts, dat zij ook danste op de huwelijkspartij! Freddy -executeerde zich met souvereine kalmte. Wat konden hem al die lui -schelen, die er waren? Hij ging met een vriendelijk gezicht op tante -Clara af en vroeg haar voor een wals. Zij had, dacht hij, nog aardig -wat „duiten”, en hij kon voor zichzelf nog heel wat gebruiken. De -gasten, in de volle drukte der partij, deden alsof zij niets bemerkten; -daar waren er onder, die van deze „kliek” nooit anders dan kwaad -spraken. Maar op de partij waren ze gekomen! - -Nu en dan maakte Eddy zich verdienstelijk met het toezicht op de -bediening der dames, zekere drukte voorwendend, opdat zijn eigenlijke -onthouding van de algemeene pret niet zou worden opgemerkt. Telkens als -hij het goedschiks doen kon, ging hij de danszaal uit naar de -voorgalerij om aan een der zijkanten een cigarette te rooken. Er werd -nu een coquette gedanst en allen waren binnen; die er niet waren om te -dansen, waren er uit nieuwsgierigheid en om te lachen over de -„koopjes,” die dansgrage cavaliers soms snapten, als de schijnbaar -uitnoodigende danseuse zich onttrok aan de poging om aan de invitatie -te voldoen. - - - - - - - - -DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -„’N MOOI PAAR, JA?” - - -Ineens hoorde Eddy lachende stemmen en geschuifel van binnen naar -buiten, en zich omkeerend, stond hij voor Lena, die ondeugend en heel -koket, op de dansmaat vóór hem cadanseerde. Hij wierp zijn cigarette -over de balustrade en danste de volgende seconde met haar naar binnen, -tusschen de zwarte rokken door en langs de lachende mannengezichten -daarboven. - -Tweemaal dansten zij de groote vierkante binnengalerij rond. Toen liet -Lena hem los, boog al dansende en wendde zich tot een ander. - -Stil en nog niet goed wetend wat hem eigenlijk was overkomen, ging Eddy -terug naar de plaats, waar hij in de voorgalerij had gestaan, alsof hij -dáár behoorde en nergens anders; de versche cigarette, die hij opstak, -beefde tusschen zijn vingers. - -’t Was, vond hij, zoo onaangenaam als verrukkelijk. - -Maar deed zij het met opzet; begreep zij, wat hem noopte zich terug te -houden, dan was het gemeen. Tenzij... nu ja, dat hoopte hij eigenlijk! -Hij probeerde wel zich de onmogelijkheid aan te denken en aan te -redeneeren, maar feitelijk heerschte boven alles uit het stille idee, -dat hij haar niet onverschillig was, dat zij veel te goed en te -fatsoenlijk was om met iemand den spot te drijven, hem als het ware aan -te moedigen met de wetenschap, dat hij doodelijk van haar was en met -het plan hem ’n blauwtje te laten loopen. - -Al was het zoo, wat dan nog? Vragen zou hij haar toch niet, dat had hij -zich vast voorgenomen. De heele wereld zei, dat Freddy Roos trouwde om -haar geld, en dat was waar. Men zou van hem zeggen, dat hij Lena vroeg -om dezelfde reden; zijn broer zou zelfs het volste recht hebben het te -bevestigen. Was het niet de afspraak geweest? Als zij hem aannam, hoe -stond hij dan daar, tegenover haarzelf en de heele wereld, als man? - -En hij had, sedert hij werkte voor zijn brood, een groot gevoel voor -het mannelijke in dien zin gekregen; het had zijn ijdelheid en -pedanterie van vroeger in een ontwakend besef van eigenwaarde omgezet. -Het zou dus, hoe ook, toch altijd zijn alsof hij slechts op ’t geld van -Lena speculeerde; voor hemzelf zou ’t zoo schijnen, want als ze -trouwden, zou hij immers van dat geld moeten eten en leven! - -Van zijn tractementje kon men dat moeilijk doen. - -Hij moest haar nu gaan „aanspreken”; zonder onbeleefd te zijn kon hij -het niet laten. De stroom van dansers en danseressen kwam door de -deuropeningen naar buiten, lachend en pratend, de jongelui hun best -doende aardig te zijn, de meisjes bereid om te lachen zelfs over de -grootste flauwiteit,—allen in feestelijke stemming, vast van plan -daarin te blijven. - -Zachtjes drong Eddy, als tegenlegger, door de drukte naar binnen, met -een gemompel van excuses en vriendelijke woorden tegen de dames, die -hij kende. En, middenin, stond hij vlak voor Lena, die ook wat frissche -lucht kwam scheppen aan den arm van een donkeren jongen man, dien men -het dadelijk kon aanzien, dat hij tot over de ooren verliefd was. - -„Ik kwam juist om je te bedanken.” - -„Dat mag ook wel!” riep ze lachend en luid genoeg om ook door anderen -gehoord te worden. „Het is niets aardig van je hier den kluizenaar te -spelen.” - -„Zoo erg is het nu niet.” - -Hij had zich omgekeerd, en liep aan haar rechterkant mede terug naar -buiten. - -„’t Scheelt maar weinig. Je hebt zeker zooveel in Europa gedanst, dat -je het moê bent.” - -„Toch niet,” zeide hij ernstig. „Ik deed het daar ook niet veel. Dat is -het niet!” - -Zij vroeg niet wat het was; ze waren vóór aan de balustrade en de -zachte avondwind, verkoelend aanwaaiend, bracht zuchten van verlichting -en uitroepen van „Hoe heerlijk!” bij dozijnen over de lippen der -warmgedansten. - -„Als je nu nog een dans voor me hadt...” - -„Ik weet het niet,” zei ze onverschillig hem haar boekje gevend. „Kijk -zelf maar.” - -Hij ging onder een der lampen staan, zonder kans, denkend, dat ze hem -fopte. Maar er was nog één plaats, en daarin krabbelde hij haastig zijn -voornaam met een sierlijk potloodje, maar zoo hard als steen. - -„Het is een mazurka!” zei hij. - -„Da’s jammer. Waarom heb je niet behoorlijk op tijd een wals gevraagd.” - -Haar cavalier stond zich dood te ergeren. - -„U hebt met mij nog een wals,” zei hij met een van kwaadheid onvaste -stem. „Als het u spijt en u wilt er nog over beschikken...?” - -„U schijnt er dus niet veel prijs op te stellen.” - -„Als mijnheer zoo vriendelijk zou willen zijn....” nam Eddy het -dadelijk op. Een van „de ondeugende jongens Markens” werd weêr bij hem -wakker. Hij boog tegen den ander en sprak op een vriendelijken, -beleefden toon, waar doorheen de ironie klonk, gelijk een ondergrond -schijnt door een tintje. - -„Ik dacht dat het u speet,” zei het jongmensch, ’n beetje uit het veld -geslagen, tegen Lena. - -„Volstrekt niet. U walst net zoo goed als meneer Markens, eer beter! -Maar nu neem ik voor uw straf het aanbod aan.” - -„Het is hard,” klaagde Eddy. - -„Als meneer soms de mazurka...” Lena kon zich niet goed houden; het was -wreed, dat moest ze berekenen,—maar het was in elk geval nog dwazer dan -wreed. Zij lachte luid op. - -„Dan zult u mij permitteeren,” zei de jaloersche aanbidder groetend. - -„Je bent toch niet boos?” - -„Op u.... onmogelijk!” - -Toen hij Eddy groette, keken zij elkander schuin aan, met kwaadaardige -gezichten, de ruggen stijf, de koppen hoog, als booze honden in zekeren -tijd van het jaar. - -„Zou hij werkelijk beleedigd zijn?” vroeg Lena, die ineens dacht aan -het duel met dien jongen ingenieur. - -„Het komt er niet op aan. Wil je ook iets verfrisschends?” - -Zij wilde ijs, maar heel hard, en daarom gingen zij naar achter, waar -’t buffet was. Aan zijn arm wandelde zij de danszaal door, waar de -oudere dames, die het niet zoo warm hadden, rustig waren blijven -zitten, met „stroop en ijs” meest. En toen die twee binnenkwamen, keken -ze allemaal verwonderd en bewonderend op, met den meer geoefenden smaak -voor het mooie in menschen, van menschen, die al wat lang geleefd en -wat veel gezien hebben. - -„Waarachtig,” zei mevrouw Uhlstra tegen Twissels, terwijl ze -vriendelijk en druk knikte tegen haar petekind, „het is of die twee -voor elkaar zijn geknipt. ’n Mooi paar, ja?” - -Een oogenblik keek hij aandachtig en ernstig door zijn groote -glinsterende brilleglazen, langzaam met het hoofd op en neer om haar al -vast gelijk te geven. - -„Ze doen me altijd denken,” antwoordde hij, „aan tempo doeloe. Er zijn -zoo van die menschen, die als het ware bij elkaar hooren. Je hadt dat -zelf indertijd met Uhlstra.” - -„Soedah, Twissels!.... Je moest zoo iets niet zeggen op ’n partij....” - -Hij schrikte van haar zenuwachtigheid, ziende hoe ze bleek werd en -tranen kreeg in haar oogen. - -„Wie het vooral hadden, meer dan anderen, maar precies als die twee -dáár.” - -„Ik weet het wel.... ik dacht er ook aan.” - -En Mevrouw Uhlstra, diep zuchtend, zei wat Twissels dien avond al -gezegd had tegen Markens. - -„Och God, ja! We worden oud.” - -„Waarom ook niet?” vroeg hij om haar te troosten. „Die niet oud willen -worden, moeten maar doen zooals Geber gedaan heeft. Als ’t goed gaat, -moet ’n mensch ’t langste leven met grijze haren op z’n hoofd.” - -„Hoe bevalt het je tegenwoordig?” vroeg Lena onder het gaan aan Eddy. - -Hij wist wat ze bedoelde. - -„Bijzonder goed. Ik heb het druk. Het is natuurlijk vreemd voor iemand, -die altijd een lui en nutteloos leven heeft geleid... Als ik thuis kom -’s avonds dan ben ik moe.” - -„Ik geloof nu niet, dat dit de ware ambitie is.” - -„Waarom niet! Ik begin ook van het werk te houden om het werk. ’t Gaat -natuurlijk niet zoo ineens.... Als afleiding is het uitstekend.” - -„O, het is natuurlijk heel goed. Ik bedoel slechts: wanneer men het -enkel beschouwt als ’n middel om den tijd te dooden....” - -„Neen.... het is niet zóó absoluut. Er bestonden redenen, die met -elkaar beslissend waren.” - -„Zijn die erg geheim?” - -„Geheim? Ja en neen.” - -„Dat is geen antwoord, maar de uitvlucht van iemand, die niets wil -zeggen.... je draait met je woorden, alsof je bang bent je te -verspreken.” - -„Volkomen juist.... dat ben ik ook.” - -Lena had nu wel willen zwijgen; zij wist, als ze verder doorsprak met -hem, dat er iets heel gewichtigs komen zou; zij wenschte het ook. Maar -het was zoo’n vreemd en moeilijk geval, juist nu en met hem. - -En bovendien stond het bij haar als vanzelf vast, dat het nu ’t -oogenblik was; het oogenblik! Dat, na die groote partij, hij, -voortgaande zooals hij in den laatsten tijd begonnen was, al heel gauw -geheel zou vervreemden van elke gelegenheid waar zij hem kon spreken. - -„Weet je wel, dat je me verschrikkelijk nieuwsgierig maakt.” - -„Niet zoo erg.” - -„Wezenlijk. Het is ook geen kleinigheid! Ik hoef je wel niet te zeggen, -hoe er in het begin over jullie werd gedacht.” - -„Neen, dat weet ik. De menschen hadden groot gelijk; dat zie ik hoe -langer hoe meer in.” - -„Nu, het stond vast, dat jullie ten slotte in de kampong zoudt -terechtkomen.... Je neemt het me niet kwalijk, ja?” - -Hij schudde het hoofd ontkennend, met een glimlach om den mond naar -haar kijkend, zooals zij daar stond, terzij van het buffet, met het -glinsterend zilveren lepeltje langzaam stukjes afrissend van het rose -vruchtenijs, dat iederen keer een nieuw sneeuwig oppervlaktetje toonde. - -„Iedereen zei het.... En ineens is Freddy met Roos geëngageerd.” - -„Wat net zoo goed is als de kampong in ’t verschiet....” - -„Sst,” zei Lena verschrikt. „Ben je mal! Moet je hier zoo iets zeggen!” - -Eddy was bleek van drift. - -„Het kan me niet schelen. Ik heb er nu genoeg van. Veel kan ik van -allerlei lui aanhooren, maar ik kan niet uit uw mond Fred’s huwelijk -als van zoo’n beteekenis hooren roemen.” - -„Zeg dan, wat het is. Mijn hemel, ik spreek openhartig met je, en je -bent daarentegen de geheimzinnigheid zelf. Waarom zou dit huwelijk zoo -slecht wezen! Zij is veel ouder dan hij...” - -„Dat is het niet.” - -„Als het dat niet is....” - -Met ’n bleek gezicht keek hij rond, als zocht hij een plaats, een -gelegenheid. - -„Durf je even met me buiten op het erf te gaan?” - -„Waarom niet?” - -Hij bood haar den arm, en ze gingen, niet onopgemerkt en ook niet -onbesproken, de drie treden naar beneden, afdeinend uit den grooten -lichtkring naar het halfduister op het erf. - -„Het beste is,” zei hij met veel zelfbeheersching, schoon ’t hem was of -zijn hart stilstond en zijn keel werd toegeknepen, „dat ik je de heele -waarheid zeg; het is niet aangenaam voor me, maar het lijkt mij -onvermijdelijk. Toen Fred en ik hier kwamen, besloten we elk een vrouw -met geld te trouwen. We kozen er twee: je nicht Roos...” - -„En?” - -Maar hij kon het niet zeggen. - -„Nicht Roos en mij.” - -„Ja. En om uit te maken, wie haar zou vragen en wie u, hebben wij met -dobbelsteenen geworpen...” - -„’t Is schandelijk!” - -Driftig trok zij haar arm uit den zijnen weg. - -„Ik weet het wel,” gaf hij toe, „het is ook niet gemakkelijk voor me, -je dat alles te zeggen; je hebt het zelf gewild.” - -En toen zij dat niet ontkende, ging hij voort, zonder emphase of -stemmodulatie, maar in een berustenden toon van vergevorderde en -chronische landerigheid: - -„Zooals je nu wel weet, trok Freddy Roos. Ik gooide de hoogste oogen. -Enfin... toen heb ik je gezien en gesproken, en toen... je zult me niet -uitlachen, niet waar, en er ook niet over spreken met anderen?” - -„Ga maar voort,” zei Lena zacht maar dringend, als ongeduldig, wijl ’t -hem zoo moeilijk afging. - -„Ik ben op u verliefd geraakt, Lena; precies zooals ik had gedacht, dat -het me nooit zou overkomen.” - -„Wat bedoel je daarmee?” - -„Wie wij altijd geweest zijn, Fred en ik, is hier bij iedereen bekend; -en als je het nog niet weten mocht, zouden ze het toch wel vertellen. -Wij hebben het leven meegeleefd. Toen we nog kwajongens waren, was ons -niets vreemd meer. Hoe ongelukkig dat is, begrijp ik nu, maar ik wil -het je zelf zeggen... Of het mijn liefde voor je is geweest, weet ik -niet; ik geloof het wel, ik hoop het! maar sinds dien ben ik een ander -mensch geworden, ’n beter durf ik wel zeggen.” - -„Daar ben ik blij om.” - -„Sedert zie ik het leven anders in. Niet, dat ik er ook maar aan denk -je te vragen... Al zou je het willen, dan deed ik het niet.” - -Zij zweeg daarop, zenuwachtig haar blond krullend haar naar achter -strijkend. - -„Het is een onmogelijkheid geworden,” ging hij voort, „dat begrijp ik. -Alleen: ik wil hebben, dat je het weet, Lena; als ik zedelijk en -maatschappelijk terechtkom, en daar reken ik vast op, heb ik het aan -jou te danken. Ik ben daar zeer erkentelijk voor, Lena... Als je -naderhand eens ’n gelukkig huwelijk hebt gedaan, denk dan aan me met -vriendschap en zonder rancune.—Nu vraag ik het niet; ik weet, dat ik je -beleedigd heb. Het kon niet anders.” - -„’t Is mijn eigen schuld,” zei ze, zoo rustig zij kon. „Ik heb het -uitgelokt.” - -„O ja, dàt wel.” - -„Dus te beklagen heb ik me niet.” - -„In zoover....” - -„Ik beklaag me ook niet en ik heb geen rancune; ik dank je voor ’t -vertrouwen.” - -En toen hij daar niets op zei, onrustig drentelend van het eene been op -het ander: - -„Wat gebeurd is, kan niet ongedaan gemaakt worden. Wat Freddy aangaat, -kan het me in ’t geheel niet schelen.” - -Maar hij vroeg niet: „En mij?” Hij had wezenlijk geen hoop genoeg -daarvoor. Nu ja, zij vond, dat hij eerlijk en openhartig met haar had -gesproken; dat was nu òf een aanbeveling, òf een verontschuldiging. Wat -hij had verlangd was geheel iets anders, en.... van dat andere was geen -sprake zelfs. Hij wou ook niet, hij had geen liefde willen aannemen als -een belooning voor „de naarstigheid, die kinderdeugd.” - -„Ik zal er dus met hem of Roos nooit over spreken; zelfs niet laten -blijken, dat ik van iets weet.” - -„’t Kan me metterdaad weinig schelen.” - -„Het zou onaangenaamheden geven. Die zijn er toch al te veel.” - -„Die zullen niet uitblijven; ook niet zonder dat zij weten hoe ik je -alles heb verteld.” - -Lena lachte. In haar hart had het al gejuicht of er iemand ’t hoogste -lied in zat te zingen. Zij voelde zich zoo heerlijk gelukkig, dat ze de -grootste moeite had het niet te verraden. Als ze er nog aan getwijfeld -had, dan wist ze nu, dat ze van hem hield, en hoeveel. - -„Je moet niet zoo pessimistisch wezen, Eddy! Mijn God, je hebt -voorshands nog maar gedaan, wat ieder man behoort te doen; je bent gaan -werken voor je brood.” - -„Ik zeg immers niet....” - -„Neen, maar je vindt het toch eigenlijk iets heel bijzonders; het is -niemendal, hoor! dat moet je niet denken.” - -„Maar beste Lena, ik beweer niet....” - -„Ik weet het wel, je zegt niets en je beweert niets,—maar je heele -opvatting is er toch naar. Daar krijg ik toch zoo den indruk van.” - -„Het doet me leed.” - -„Mij ook Eddy. Men moet vooral niet denken, dat het iets bijzonders is, -als men eenvoudig zijn plicht doet, gelijk iedereen behoort. Ik heb -ditzelfde wel eens ondervonden van dames, die zich zoo bitter -beklaagden over haar werk, alsof ze dat uit pure genade deden.” - -„Dank je voor je lesje, je wilt zeggen, het is pedanterie.” - -„Precies! Wees niet pedant! Ga maar voort zooals je begonnen bent. ’t -Kan nog wel wat lang duren.....” - -„Hoe.... lang duren?” - -„Voordat je.... genoeg verdient om heelemaal vrij te zijn van -verdenking.” - -„Je hadt beloofd,” zei hij verwijtend, „dat je me niet zoudt -uitlachen.” - -„Daar heb ik ook geen plan op, maar ik voel ook geen lust om te huilen. -Zal ik je eens wat zeggen?” - -„En dat is?” - -„Ik wil je iets beloven.... maar dan moet je het heel, heel vriendelijk -verzoeken.” - -„Laat ons maar naar binnen gaan. Als je plagen wilt, doe het dan dáár -en over iets anders.” - -Hij zei het zuchtend, boos, vast overtuigd, dat ze nu bezig was hem -gloeiend voor den gek te houden. Lena lei haar arm weer in den zijnen, -en zich zoo dicht naar hem toebuigend, dat haar weerbarstige krulletjes -zijn gezicht raakten, zei ze zacht aan zijn oor: - -„Ik zal vóór dien tijd geen ander nemen, ja?” - - - - - - - - -VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -HET FAILLISSEMENT. - - -Onder het dansen, wandelen, praten en lachen, liepen door het feest -geruchten als geheimzinnige, onzichtbare slingertjes. Eddy Markens en -Lena Lugtens hadden op het erf gewandeld aan den niet verlichten kant -van het huis, en hij had haar gezoend! De gezichten waren zoo vol -verontwaardiging alsof geen der aanwezige jongelieden ooit ’n zoen -gekregen of ontvangen had; hier sprak de afgunst bij de meisjes, die -volstrekt zoo afkeerig niet waren van Eddy, vooral niet nu hij een -betrekking had; daar bij de jongelui, die Lena ieder ander dan -hunzelven misgunden. Het was, vonden zij allen, een schandaal; de -meisjes, omdat die Lena, altijd zoo geroemd en anderen voorgehouden als -toonbeeld van fatsoen en betamelijkheid, op zoo’n lage manier de kat in -’t donker kneep; de jongelui, omdat men in het belagen der deugd van -een meisje als Lena, weer het door en door gemeene van de „jongens -Markens” herkende. - -Er was nog ’n ander schandaal, waarover minder hard werd geoordeeld: -Piet Uhlstra hield zich den heelen avond bezig met zijn schoonzuster -Lize. Men had al veel gehoord van hun ongeoorloofde verhouding, en -terwijl Henri in de achtergalerij zat te homberen, scheen het alsof -Piet en Lize er zich in het publiek op toelegden de juistheid der -praatjes over hen te bevestigen. Het was waar; zóó waar, dat toen Roos, -die het vreeselijk druk had met de zorg voor haar gasten, een oogenblik -in haar slaapkamer kwam, omdat ze op was van vermoeienis en zij haast -stikte in haar corset,—ze daar, achter een sempiran, haar jongsten -broer vond en haar schoonzuster, in meer dan vertrouwelijk gesprek. Het -vergalde al de vreugde van Roos dien avond. Piet had, overvallen, -stotterend gezegd, dat ze een zakdoek zochten, dien Lize meende daar te -hebben verloren; ze waren daarop beiden weggegaan, Roos had niets -geantwoord. Wat daar gezocht was, wist ze wel! - -„Men” had daarover wel gepraat, maar niemand ging het feit persoonlijk -aan. De meisjes haalden den neus op voor den onooglijken Piet, dien -zij, onder elkaar, den „hottentot” noemden; de jongelieden vonden Lize -niet mooi, niet jong, getrouwd en met reeds groote kinderen; volstrekt -geen benijdenswaardige relatie.—In die omstandigheden schoot nog de -persoon van Henri over, en om hem werd eenvoudig gelachen! Was het niet -een kluchtspel. Dat Lena zich, zooals verteld werd, door Eddy Markens -een zoen had laten geven, dat was een schandaal, maar het andere -gevalletje—precies ’n fransche vaudeville: le mari, l’amant et la -femme! Aardig, ja? - -Doch het schandaal had geen gevolgen. De eene maand na het huwelijk -verliep, en de andere kwam, maar van Lena en Eddy hoorde men niets. -Alles was teruggekeerd tot zijn gewone indische eentonigheid, zijn -effen en onberoerd huiselijk sleurgangetje. - -Van de bekende namen werd op de plaats, in den laatsten tijd, minder -gehoord dan ooit. Het was of alles was ingezonken, na het hooghouden op -het groote feest; een wezenlijke reactie. Men zag haast niemand meer -als er „iets te doen was”; zelfs de weduwe Lugtens bleef een heelen -tijd volmaakt onbesproken. In de stilte werkte Twissels; in het -openbaar Henri en Piet Uhlstra; de een had voor zijn speculaties al wat -de familie beschikbaar had ingepalmd; de anderen hadden de rest in hun -landen gestoken gekregen. En zoo broeide het door, zoetjes aan, op -hoop, en zonder dat de meesten er veel over tobden of zich zorgen -maakten voor hun geld en goed, anders dan in de enkele oogenblikken, -dat ze eens wezenlijk doordachten. Dan brak er wel eens een ’t klamme -zweet uit, maar dan haastte men zich zulke nare gedachten te verwerpen. - -De slag viel geheel onverwacht. Alsof het met bliksemstralen door de -straten en langs de wegen voortvloog, ging het gerucht van het -faillissement van Twissels. Eddy hoorde het op zijn kantoor en vroeg -verlof dien dag. Zijn chef gaf het hem dadelijk, wetend hoe zwaar zijn -familie in de zaak was betrokken. Het eerst reed hij naar zijn broer en -zijn gemoed schoot vol, toen hij het mooie huis binnentrad, zoo keurig -ingericht. Roos en Freddy zaten in de achtergalerij, zij met een glas -stroop en reeds ’n heel eind „in positie”, hij in een luierstoel met ’n -halfje champagne naast zich en ’n parijsche courant in de hand. Zij -leefden er voortreffelijk van en konden wel met elkaar overweg, niet -meer van elkaar en van de wereld vergend dan die geven konde en -daarmede rustig en tevreden. - -„Wel?” riep Roos verbaasd. „Eddy, hoe kom jij zoo hier en op dit uur?” - -Haar man sprong verschrikt op. Hij kende zijn broer zoo door en door; -zij hadden samen zoo menigmaal in den „piepzak” gezeten, dat hij -waarlijk wel aan diens gezicht kon zien, hoe helder overigens en -rustig, of er goed of kwaad nieuws te wachten stond. - -„Heb je me iets te zeggen?” vroeg hij met een schielijken wenk. Hij -dacht aan een sterfgeval in de familie en vreesde een onvoorzichtigheid -in verband met de „positie” van zijn vrouw. - -„Ja, ik heb iets te zeggen. Als een bepaalde ramp beschouw ik het niet; -maar het is toch hoogst onaangenaam.” - -Roos werd doodsbleek. - -„Dan is het kantoor van Twissels over den kop,” zei ze met ’n bevende, -toonlooze stem. - -Eddy knikte bevestigend. - -Jammerend en scheldend begon Freddy in groote opgewondenheid, stampend -nu en dan met z’n bloote voeten op de marmeren steenen, heen en weer te -loopen, als een tijger in z’n hok. Hij zou het er niet bij laten! -Twissels was een dief, een oplichter, een zwendelaar en al wat er meer -was; maar hij, Freddy, zou hem vermoorden; al moest hij ervoor aan de -galg komen, het kon hem niet schelen. Twee ton hadden ze er in zitten! -„En die zijn nu weg, meneer!” zei hij tegen zijn broer met de vuist op -de mahoniehouten etenstafel slaande, dat de stroop van Roos over den -rand van het glas vloog; „die zijn nu weg, meneer! Totaal naar den -bliksem!” - -En terwijl hij, dol van wanhoop, om het geld, dat hij zoo liefhad, -tekeer ging als een bezetene, sloop Roos met moeite heen. De schrik had -haar „positie” vernietigd, maar haar man lette daar nu niet op. - -„Ik begrijp niet,” zei Eddy, „waarom je zoo op Twissels scheldt.” - -Met wijd geopende oogen keek zijn broer hem aan, stil, met zijn woede -omvergeworpen, door het overweldigend idee, dat er iemand was, die niet -begreep, waarom hij schold op den man, die ’n groot deel der fortuin -zijner vrouw naar de maan deed verhuizen. - -„Neen,” ging Eddy voort, „dat begrijp ik niet. Het was bekend genoeg.” - -„Wat was bekend genoeg?” - -„Wel, dat Twissels speculeerde in producten. Dat heb jij net zoo goed -geweten als ieder ander.” - -„Ik?” riep Freddy, terwijl al zijn boosheid zich keerde tegen zijn -jongeren broer. „Heb ik dat geweten?” - -„Wel waarachtig! Nog geen maand geleden heb ik ’t je zelf gezegd.” - -„Dat lieg je.” - -Eddy was opgestaan, en de muilpeer, die hij zijn broer toedacht, zou er -reeds hebben opgezeten, als hij zich niet, denkend aan de financieele -ramp, met geweld had bedwongen. - -„Het is de waarheid, ik heb het je zelf verteld; ik zou den dag en het -uur kunnen opgeven.” - -Maar Freddy wond zich hoe langer hoe meer op. - -„Je liegt het, zeg ik. Je bent net zoo’n smeerlap als Twissels. Jullie -hebt zeker onder één deken gelegen. Zoo is al dat schuim van den -handel! Dieven en oplichters, anders niet. Jij zal ook je deel wel -hebben gekregen van onze duiten.” - -De stoel, waarop Eddy Markens had gezeten, zweefde hoog en snel door de -lucht, gelijk een batonneerstok zoo handig bewogen, en een seconde -later kwam hij neer met een zijstuk boven op ’t hoofd van Freddy, die -een oogenblik wankelde, als duizelig, en met beide handen in z’n haar -greep, waar tusschenuit het bloed vloeide over zijn voorhoofd, hem de -oogen verblindend; toen zonk hij ineen op den vloer, het bloed zijn -goed vuilmakend, sterk donker vervloeiend over het wit van zijn kabaja -en dat van den marmeren vloer. - -Eddy ging regelrecht naar achter. - -„Ga meneer helpen,” zei hij barsch en zoo bevelend als een in Indië -geboren mensch kan spreken tegen bedienden. „Er is een ongeluk -gebeurd.” - -In zijn boosheid nog onontroerd, stapte hij met groote schreden naar -voren, het erf af, bij zichzelven herhalend, dat het hem niet schelen -kon, al had hij den ander doodgeslagen. - -Tot zijn geluk was het zoo erg niet, en kwam Freddy met behulp van koud -water heel gauw tot zijn bezinning, zonder ander lichamelijk letsel dan -een hoofdwond, die hem leelijk pijn deed, maar met een zoo fellen haat -tegen zijn broer in z’n hart, dat alleen de diepe overtuiging ’t hem -betaald te zullen zetten eenige bevrediging schenken kon. - -„Heb jij niks gehoord?” vroeg hij, de slaapkamer binnenkomend. - -Maar plotseling verstomde hij; de lijfmeid van Roos was stil maar druk -in de weer. Freddy begreep wat er gaande was; hij zag Roos in bed -liggen, haar kussens nat huilend. Ook dat had die lage kwajongen, -dacht-ie, hem geleverd. ’t Was wel het ergste niet... toch! - -„Wat heb je?” vroeg Roos opkijkend naar den doek om z’n hoofd. - -„Hij heeft me verraderlijk geslagen met een stoel.” - -„Wie!” - -„Wel... wat ’n gekke vraag! Wie anders, dan die gemeene rakker, die -Eddy, die dief.” - -„Maar, wat was er dan!” - -„Wat er was? Begrijp je dat niet? Al dat vuile volk van den handel -spant met elkaar samen. En die Twissels en Eddy... nou! Geloof maar dat -die wel weten waar ons arme geld is gebleven.” - -Roos richtte zich verstomd op, den rechterelleboog in het kussen, de -hand onder het hoofd, in al haar verdriet verwonderd en verrast boven -alles. - -„Zou je het denken, Fred?” - -„Twijfel je er nog aan? ’t Is diefje en diefjesmaat!” - -Zij twijfelde niet; zij geloofde het. ’t Was immers een door zoovelen -erkende omstandigheid, dat ieder, die zijn tractement niet put uit een -schatkist of geen fortuin bezit van zichzelven, op ’n min of meer -oneerlijke manier aan den kost moet komen! Buiten eigen privaatvermogen -en ’s lands kas bestond er niets dan twee soorten van dieven, de -openbare, die in de gevangenis gingen, en de geheime, die, al rijk -wordend, het er goed van namen in de wereld. Zoon van een -hoofdambtenaar, man van een gefortuneerde vrouw, leeglooper van beroep, -en van roeping parasiet van gefortuneerden, hadden omgeving, afgunst, -luiheid en roofzucht zijn karakter gevormd en de stof geleverd voor een -meening, met een stoel door Eddy hem, nu definitief, in het hoofd -geslagen. Zij geloofde het met groote graagte, en zij spraken er nog -over, toen haar moeder kwam. Het was een aanstommelend rumoer, als van -een heel ver opkomend onweer; het sloeg als het ware de kamer in, maar -toen was ook de kracht gebroken, en mevrouw Uhlstra had nog juist den -tijd een divan te bereiken om een zenuwtoeval te krijgen, zonder zich, -al vallend, te beschadigen. Henri, die achter haar aankwam, suf en -soezerig van uiterlijk, bleef in de post van de deur staan. Tot zijn -groote woede zag Freddy, dat zijn oudste zwager weêr meer had gedronken -dan hij kon verdragen; sedert Henri, terug uit Europa, zooveel -huiselijk leed had te verduren, zocht hij troost bij den drank. - -Een oogenblik trof Roos de ellende van het geheel; zij, met het -aanhoudend gevoel van ziek zijn en blauw van toenemende uitputting; -haar moeder in overprikkelden zenuwtoestand gillend op den divan, haar -man met den doek om het hoofd, niet eens naar haar persoonlijke -omstandigheden vragend, en Henri, ’n glas water schenkend nu voor mama -in onvasten stand, met een gemompel van slechts half verstaanbare -woorden. - -Maar wat haar meer verbaasde en trof, was dat mama ook zooveel geld had -verloren; die maakte haar nog wel zoo’n standje, omdat ze haar geld aan -Twissels had toevertrouwd! - -„Ik dacht niet, dat u er iets mee te maken had!” - -Midden in haar zenuwtoeval hield mevrouw Uhlstra ineens op met gillen, -overgaande in een jammertoon. - -„Het is jouw schuld, Roos.” - -„Wees toch niet zoo dwaas, ma! Ik heb al genoeg aan mijn eigen ongeluk. -Als u hier bent gekomen om malle standjes te maken....” - -„Ik dacht dat jij pinter was.... Dáárom heb ik mij met dien schelm weêr -verzoend.... heb ik hem van ’t mijne ook gegeven.” - -„Veel?” vroeg Freddy in grooten angst. - -„Alles!” jammerde de oude vrouw. „Alles wat ik bezat.... Ik ben zoo -naakt als een pas geboren kind.” - -Henri begon te grinniken, wat hem de hik deed krijgen en zijn familie -in volle verontwaardiging bracht. - -„Mijn God!” zei Roos nu weêr huilend. „Wat ’n kerel! Hij lacht erom!” - -En mama Uhlstra, die haar oudsten zoon een stomp gaf tegen zijn -schouder: - -„Schaam je toch.... leelijke dronkaard.” - -Freddy nam hem bij den arm en trok hem meê naar buiten. ’t Was een -„goedaardige dronk,” dien Henri Uhlstra over zich had. - -„Wat heb je aan je kop?” vroeg hij. - -„Gestooten.” - -„Hm! Zeg, dat is gek, hè? Watte? Die Twissels is ook ’n rare.” - -In zenuwachtig nadenken zat Freddy nu eens op een stoel, stond dan weer -op, liep ’n paar passen, ging weer zitten.... - -„Zooals met mij,” ging Henri voort, „is ’t nog maar het beste.... Ik -sta debet, en leelijk ook.... Met mijn geld kan geen mensch meer -strijken gaan.... Het land blijft wel op z’n plaats liggen!” - - - -’s Avonds, toen men van den eersten grooten schrik was bekomen, werd er -’n soort familieraad belegd; mevrouw Lugtens, die ook veel verloren -had, was er nog ’t kalmste onder. Daar Roos niet op mocht staan, zaten -ze bij haar in de kamer. Als men alles wat overbleef meêrekende, had -ieder nog wel genoeg om te leven, maar er moest zeer verminderd worden; -kleiner huizen van bescheiden huurprijs, geen equipages, weinig -bedienden,—het was alles heel ongelukkig, doch, daar troostte men -elkaar mee, het zou gedeeltelijk kunnen terechtkomen, uit de landen. - -Henri, nu nuchter, bezwoer dat dit wel zou gaan; al die narigheid -verveelde hem, en schoon hij heel goed wist, hoe weinig kans er bestond -op ’t behoud van Tji-Ori en Koeningan, blufte hij er lustig op los, -sprak als in een droombeeld van de vermoedelijk prachtige resultaten -zijner aanplantingen, de rijzing der marktprijzen, de mooie -houtverkoopingen, die hij zou houden,—tot aller hart weer lichter werd. - -Onder die omstandigheden werd hij een ander man, fleurde hij zelf ook -op, liegend tot hij zelf geloofde dat ’t waar was. - -De namen der families waren weer eens algemeen op de tong, besproken -met medelijden. Enkele oude vrienden toonden belangstelling. Uit den -boedel van Twissels kwam hoegenaamd niets. En de metamorphose volgde in -stilte. De groote huizen werden gemeubeld verhuurd, het overvloedige, -met voor een groot bedrag aan juweelen, onderhands verkocht. Twissels -vertoonde zich aan niemand, ging met zijn huishoudster naar „boven” -ergens in ’t gebergte, om tot verademing te komen. Hij was blij, hij -dankte nu den hemel, dat ’t gedaan was; aan zorgen en angsten had hij -veel geleden; de laatste slag, hoe doodelijk, was een bevrijding -geweest. En toen de nieuwe toestand was ingetreden, leek ’t hen allen -een droom. - -„Ik kan ’t me nog niet voorstellen,” zei Roos, die, gauw hersteld, zich -rustig schikte in het kleine huisje, met een gemengd meubilair van -nieuw eenvoudig goed voor dagelijksch gebruik en daartusschen enkele -stukken, waaraan zij gehecht was, en waarvan één meer gekost had, dan -het nieuw aangekochte samen; met op heel gewone étagèretjes bibelots -van vroeger; kostbaar, maar niet te verkoopen. - -„Ik zit te pikeren,” zei Freddy, die nog ’n pleistertje droeg op zij -van z’n hoofd, over de genezende wond. „We zullen toch moeilijk -rondkomen.” - -„Neen, we moeten wat doen, en dat is gemakkelijk genoeg.” - -Zij ontwikkelde haar plannen, en die bevielen hem voor zoover het werk -der uitvoering op haar zou neêrkomen, want de enkele gedachte aan werk -hinderde hem nog altijd. Koeien houden en melk verkoopen deed mama -reeds; een karrenverhuurderij was hem te veel soesah; er was één goed -idee: Roos moest geld leenen tegen veel rente aan vrouwen, die het -noodig hadden, en die er pand voor konden geven. Dat plan druk -besprekend, verbleekte Freddy plotseling, kijkend naar het groene -hekje, dat den toegang van het kleine erf afsloot. - -„Fred, ik kom je excuus vragen,” zei Eddy binnenstappend. „Het spijt me -erg, dat ik het gedaan heb; je moet het me vergeven.” - -Hij stak hem de hand toe, en Freddy, na een oogenblik van aarzeling, -gaf hem de zijne, met een vreemd lachje. - -„Soedah,” zei hij, „het was er anders een om lang te onthouden.” - -„En het was gemeen van je,” viel Roos uit. „In zulke omstandigheden en -terwijl jij met dien gemeenen kerel ons geld hebt opgestoken.” - -Zij geloofde het nog altijd vast, en toen hij haar vertelde, dat hij -met zaken als die van Twissels niets te maken had en ook niet kon -hebben, er slechts in het algemeen van gehoord had als iedereen, maar -er nooit van wist, en als eenvoudige employé op ’n ander kantoor van -zulke dingen ook niet weten kon, toen moest ze hem wel gelooven, maar -ze deed het zonder overtuiging. - -Freddy zat de explicatie aan te hooren; hij begreep het wel, en -vervolgde in stilte het idee, dat hij met Roos had besproken. - -„Je begrijpt,” zei hij tegen zijn broer, „dat het ’n heele soesah is -voor ons. Wij hadden er in ’t geheel niet op gerekend. Henri en Piet -kunnen hun rente niet betalen vóór ze over hun producten hebben -afgerekend.... Heb jij misschien....?” - -„Nog acht mille.” - -Eddy Markens kreeg tot zijn eigen verbazing en ergernis een kleur als -vuur. - -„Geef mij die,” zei Freddy onverstaanbaar. „Ik zal je er vijf percent -over vergoeden.” - -„Dat is niet noodig.” - -„Nu, ook goed.... onder familie....” - -„Het is eigenlijk geld van jou, Fred. Ik ben blij, dat ik je er mee van -dienst kan zijn; voorgoed; om het te houden. Ik ga het dadelijk halen.” - -„Heel aardig van je, dat moet ik zeggen.... Heel flink!” - -„Maar.... zóó is het nu niet,” zei Roos, met de uiterste verbazing. -„Wij zijn er niet zoo erg aan toe, dat wij op die manier en door jou -geholpen moeten worden.” - -„Maak je daar geen zorgen over.” - -„Neen,” zei ze beslist, „ik wil het niet hebben.” - -Maar Freddy beet haar knorrig toe, dat het een zaak betrof tusschen hem -en zijn broer, waarvan zij niets wist en waarmee zij zich niet had te -bemoeien. - -„Je hadt,” zei hij later, toen Eddy weg was om het te halen, „je mond -er buiten moeten houden.” - -„Het is terlaboe!” antwoordde Roos met een heel ontevreden en -verdrietig gezicht; „we behoeven Goddank nog niet afhankelijk te zijn -van onze familie.” - -Over zijn bleek gezicht, dat magerder was dan vroeger, waardoor zijn -scherpe kromme en bleeke neus boven ’n puntig baardje, dat hij liet -staan, grooter uitkwam, gleed een kwaadaardige grijns. - -„Afhankelijk! ’t Mocht wat!” - -„Wel als men hun geld aanneemt....” - -„Zijn geld? We hebben indertijd samen een zaakje gedaan.... koop en -verkoop, weet je.... Ik deed het werk, maar gaf hem toch de helft van -de winst.” - -„Hé!” zei Roos verwonderd. „Daar heb je me nooit iets van verteld!” - -„Nou, je begrijpt, dat hij het heel goed inziet.... Het is eigenlijk -mijn geld, dat hij me teruggeeft.” - -Roos was het dáármee wel niet eens, maar het leek haar nu toch veel -minder bezwaarlijk, en ten slotte keek ze met genoegen naar het aardig -stapeltje bankpapier, dat Eddy ’n half uur later op de tafel uittelde. -Het ging hem aan het hart, dat moest hij zichzelven eerlijk bekennen. -Maar het moest. Den rechtmatigen eigenaar kon hij het niet teruggeven, -zelfs niet anoniem terugzenden; dan moest de onrechtmatige het maar -hebben; hij wilde het niet houden; dàt in geen geval! - -Niettemin deed hij met hartzeer afstand van de acht mooie pakjes; het -was alles wat hij bezat, want, dat was zeker: papa Markens, die -bovendien ook al niet vrij van schade in den laatsten tijd was -gebleven, zou, zooals men het noemt: zich niet ontkleeden vóór hij naar -bed ging. - -Hoofdschuddend keek Freddy z’n broer na, toen die het erfje af en den -weg op liep. ’t Was ’n knappe jongen van uiterlijk en er zat ’n heldere -kop op; in stilte erkende Freddy, dat, wat kennis betrof, zijn jongere -broer veel meer beteekende dan hij. Maar welk een ezel in zaken! dacht -hij. Wat moest er in den handel en zoo terechtkomen van zulk een -individu? Hij voelde in z’n zijzak het dikke pak bankpapier. Wat ’n -aangename sensatie! Welk een genot zoo iets te voelen! En dat -schaapshoofd dat daar ging, en niets in de wereld bezat, gooide zoo’n -kostelijk sommetje moedwillig weg. ’t Was waarachtig een feit voor -Freddy zoo ongehoord, dat, naar zijn meening, menigeen voor minder dan -dat in ’t gekkenhuis zat. - - - - - - - - -VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -GELDZAKEN. - - -Tusschen Twissels en zijn huishoudster waren in zoover de rollen -omgekeerd, dat zij hem onderhield in plaats hij ’t haar deed. Het -behoefde strikt genomen niet, want hij had zooveel en zoo groote zaken -gedaan, en er waren zooveel lieden, die daarmeê aanzienlijke sommen -hadden verdiend, dat hij, voor zoover zijn bestaan betrof, grif zou -geholpen zijn. Doch dat wilde hij niet. Men had hem die hulp -aangeboden: kort en onaangenaam had hij ervoor bedankt, en was met -Louisa naar een binnenplaatsje vertrokken, zoo te zeggen met de -Noorderzon, en alles latend à l’abandon. Zij had de teugels van het -bewind heelemaal in handen genomen, zonder van haar macht misbruik te -maken. Hij was oud, en afgeleefd en arm nu; maar toen hij, vroeger, nog -krachtig was en rijker dan eenig ander, had hij zich niet geschaamd -over haar, al was zij slechts zijn huishoudster: nu zou zij hem ook -niet in den steek laten, voor alles ter wereld niet. - -Maar toen het gelukkig gevoel van verlichting had uitgewerkt, kwamen de -naweeën van het zenuwoverprikkelend leven met geweldige kracht. In de -koelte van het bergklimaat, bij de verpletterende rust van een kampong, -in een klein plaatsje in ’t binnenland, en de slaperige stilte onder -het dichte loover, waardoorheen den ganschen dag zachte lichtbolletjes -speelden van den weinigen doorvallenden zonneschijn, hield de oude -koopman, die meer dan veertig jaren aan de kust een druk zakenleven had -geleid, bezig van ’s ochtends tot ’s avonds, het niet uit. Het was een -net planken huisje, hoog uit den grond, proper en fatsoenlijk -gemeubeld, als van een gepensionneerd ambtenaartje; de houten vloer der -voorgalerij was met ’n mat bedekt; nieuwe goedkoope medaillonstoeltjes -vormden zooveel etappen langs den wand, met van bruin politoer -glimmende knaapjes in de hoeken. - -En aan den eenen kant in een singapoorschen rotanstoel lag, stil, -bewegingloos, wat er over was gebleven van den man wiens handen -millioenen aan geld hadden bestuurd, wiens woord zooveel jaren -honderden in beweging had gezet. Louisa zat naast hem op een gewonen -stoel druk bezig met het borduren van een kabaja-strook. Zij spraken -geen woord. Zijn nu geraamteachtige figuur zonk heelemaal weg; ’t was -of daar een groote wijde kabaai lag en een bijzonder lange slaapbroek -met niets erin; aan den eenen kant als toevallig twee verschrompelde -vel-over-been-voeten eruit stekend; aan den anderen een oud witgrijs -en met diepe rimpels doorwerkt kinderkopje, met doffe, wezenlooze oogen -en door ’t krachteloos neêrhangen van de onderkaak een half-open -mummelmond. - -Enkel zijn spichtige vingers, rustend op de stoelarmen, trommelden slap -en zwakjes op het randje van de glasopening, eraf glijdend nu en dan, -zonder dat hij ’t voelde, machinaal doorbewegend in het leege gat. - -„Hij gaat uit als een nachtkaars,” had de dokter tegen Louisa gezegd; -dàt had zij wel zien aankomen; hij lag zachtjes aan weg te sterven, -zwakker en benevelder van geest heden dan hij gister was; sterker en -helderder vandaag dan hij morgen wezen zou; daar hielp geen kaldoe -voor, of ’n glaasje spaansche wijn; daar waren geen melk en een zacht -eitje tegen opgewasschen! Trouw gaf ze het hem op de bepaalde tijden; -zij hielp hem in alles. In het begin had hij nogal gepraat met haar en -rondgekuierd tusschen de bloemperkjes op het erfje; later had hij zich -bepaald tot het huisje, want de zes treden op en af vermoeiden hem zóó; -nu moest zij hem helpen van den stoel op het bed en omgekeerd, tot hij -heelemaal te zwak werd om er uit te komen. - -Nooit had hij een woord tegen haar gesproken over zijne zaken. Of hij -er nog veel aan gedacht had in het eerst wist niemand. Soms kwamen er -brieven, altijd met den gedrukten naam van den afzender boven op het -couvert; Twissels opende ze niet, maar zond ze terug, met een briefje -van Louisa, dat zijn toestand hem niet veroorloofde zich met zaken te -bemoeien; hij onderteekende het met een onvaste hand en beverige -letters. - -Maar hoe hij ook achteruitging, het leven scheen in het lange magere -lichaam als vastgeroest. Maanden „ging hij uit,” zooals de dokter had -gezegd, en verpleegde Louisa hem, zonder ooit één woord van ongeduld of -één oogenblik van opzien tegen de moeite of de kosten. - -Tot hij op een ochtend dood was. - -Zij had er niets van gemerkt; toen zij hem moeilijk met een lepeltje -voor de laatste maal zijn medicijn had ingegeven, leefde hij nog, en -zij zag bij het schijnsel van de nachtlamp, dat hij haar bedankte door -zachtjes te knippen met zijn oogleden en z’n vingers te bewegen. Toen -was ze rustig ingeslapen op haar bed tegenover het zijne, en ze dacht, -ontwakend, dat hij sliep, zoo stil lag hij, de oogen gesloten. Maar hij -was dood en koud! En de tranen welden nu volop in haar groote zwarte -oogen. Ze was bedroefd om het sterven van dat overschotje van een ouden -heer, van een egoïstischen man, die haar vrouwenleven had bedorven. - -Het stond haar nog zoo goed voor, dat hij haar letterlijk kocht van -haar ouders, en welk een haat en afkeer zij tegen en van hem voelde. - -Zij had zich verzet tegen zijn eerste pogingen; doch toen men haar -letterlijk aan hem had „geleverd”, voor veel geld, gaf zij, als -plichtmatig, toe, en eenmaal over ’n zekere grens heen en uit gewoonte, -was het zoo voortgegaan; ’t had haar hoe langer hoe minder gehinderd. -En dan: hij was goed en royaal geweest; ook, wat zijn leven buiten -zaken aanging, met weinig tevreden; meestal gelijkmatig van humeur. - -Het jammerlijke was, dat zij nooit liefde had gekend; dat de groote -levensvreugd van eerlijk en met wederzijdsche neiging gedeeld genot -haar vreemd was gebleven; dat haar geen maatschappelijke positie was -ten deel gevallen; zij was geen wettige vrouw geweest en had geen -moeder van onwettige kinderen willen zijn;—maar een goed leven had zij -bij hem gehad, in den gewonen zin; en het was zijn schuld zoozeer niet -geweest, ten minste zij rekende het hem niet aan als zoodanig, wanneer -hij niet meer had kunnen geven dan dat. - -Neen, zij was hem toch dankbaar! Hij had haar niet verstooten toen ze -niet jong meer was, niet frisch en niet mooi meer; hij had haar nooit -vernederd of mishandeld, gelijk er zooveel doen; hij had haar zelfs -nooit verborgen voor de oogen van andere menschen, zooals men zijn -schande verbergt. Met zijn eigenaardige onverschilligheid voor het -oordeel van anderen over hem, wortelend in zijn vreemdsoortig karakter -en in de macht van zijn positie en zijn vermogen, had hij zich harer -niet geschaamd toen alle hoeden nog voor hem werden gelicht waar hij -zich ook vertoonde, en er op de plaats niemand was of hij had Twissels -voor dit of dat noodig. - -Aan dat alles dacht Louisa, kijkend naar het kleine oude hoofd, stijf -en strak op het kussen, en ze huilde, haar gezicht in de donker getinte -handen, lang en bedroefd. - -De enkele Europeanen, die in de kampong woonden, kwamen mampir uit -nieuwsgierigheid. Was dat nu die voorname meneer, die „bankroet” was -gegaan? Wel, wel! Maar als ze het lijk hadden gezien, trokken zij -stilletjes af. Waarmee zou men zich bemoeien? Louisa had enkel maar -hulp van het inlandsche kamponghoofd; dat zag wel, met de -opmerkzaamheid inlanders eigen, dat hij te doen had met gevallen -grootheid, en ’t lag in zijn volksaard daarvoor sympathie te voelen en -kasian. Men had haar aangeraden te telegrafeeren, maar dat wou ze niet. -De mooiste lijkkoets, die men had op ’t plaatsje, kwam voor de kampong -weg en ’n fraaie djati-houten kist, meer dan twee meter lang, met -blinkend beslag, werd erin gezet. De heele kampong liep uit om te -kijken naar die eerste klasse begrafenis. Mannen, vrouwen, kinderen, -Europeanen, inlanders,—ze stonden in een dichte groep erom heen, vooral -bij de paarden met de pluimen. - -Langzaam ging de wagen voort, over den grooten weg, in het over de -lengte wegschietend licht der opkomende zon; de gehuurde dragers -erachter; anders niemand. Enkel ’n heel eind verder aan den kant van -den weg, in een huurkarretje en in sarong en kabaai, volgde Louisa; op -haar schoot had ze een presenteerblad met bloemen en rozeblaadjes, die -ze strooien zou op het graf, en haar gezicht droeg de vaste, besliste -naar voren trekkende uitdrukking van iemand die zich heeft voorgenomen -een plicht te vervullen tot in zijn laatste consequenties. - - - -Het gaf een oogenblik van algemeene ontroering toen men het overlijden -las van Twissels; het ging door de huizen en de kantoren als een -schrik, met „och!” en meêlijdende hoofdbewegingen; met ’n zucht en ’n -„wel, wel!” Maar het duurde niet lang. - -De tijden waren slecht, en werden er niet beter op. Iedereen had genoeg -aan zijn eigen moeiten en zorgen. Wat kon men zich nog inlaten met -dooden, die hun tijd hadden gehad! - -Er was tegenwoordig ook altijd en overal iets in het familieleven. Nu -waren de andere kinderen van Lugtens uit Europa gekomen, en wat moest -men daarmeê aanvangen? Ook twee jongens en totaal mislukt. Dolle, -opgewonden geëuropeaniseerde oosterlingen waren het, met groote drukte -en beweging, enkel tuk op pret maken, en die van niets wisten, wat de -zaken en den meer en meer nijpenden toestand betrof. Zij meenden, dat -ze rijk waren. En mevrouw Lugtens moedigde dat aan; gaf de jongens geld -als water, of zij het had voor ’t opscheppen. Het hield mevrouw -Uhlstra, die het verdriet zag van Lena,—nu wel degelijk heelemaal op de -hoogte—in een staat van voortdurende opgewondenheid. - -„Er moeten maatregelen genomen worden,” zei ze tegen haar petekind. -„Dat gaat zoo langer niet.” - -„Toch niets ergs tegen Mama?” - -„Dat weet ik niet. Ik zal naar een advocaat gaan.” - -„Zou er niet buiten vreemden om iets te doen zijn?” - -Eigenlijk vond mevrouw Uhlstra dat ook verkieslijk. - -„Och,” zei ze, „iedereen weet er toch alles van. Maar je hebt gelijk. -Schendt men zijn neus.....” - -„Als er ten minste iets anders op is te vinden.....” - -„Weet je wat. Ik zal den ouden Markens raadplegen. Hij kan die dingen -net zoo goed als iemand anders. Hij moet me helpen.” - -„Zou hij willen?” - -„Wat!” riep mevrouw Uhlstra. „Of hij zou willen? Hij? Heeft hij zijn -duiten niet te danken aan mijn zaligen man en aan jouw vader en aan -Geber? Als hij ons niet had gehad, zat hij nou nog, net als vroeger, -tot over z’n ooren in de beren.” - -Nu, Markens dacht niet aan het weigeren van zijn tusschenkomst. Hij was -er integendeel meê gevleid, en verheugd zooals iemand, die den heelen -dag niets te doen heeft, over een opdracht van werk. Hij hoorde het -relaas aan met een boven zijn witte, hooge das vooruitgestoken gezicht, -de lippen samengetrokken, met korte knikjes van goed begrijpen onder -den zenuwachtigen rammelslag van mevrouw Uhlstra, die het -zondenregister las van haar zuster Clara, doorspekt met scheldwoorden -aan het adres der gezonkene, de namen noemend van een heel troepje te -kwader faam bekend staande europeesche jonge mannen die met haar en op -haar kosten hadden geleefd; het een zoo ruw als het andere. - -Met zijn onverstoorbare kalmte keek Markens in zijn wetboek. Hij kende -de bepaling wel, maar het stond goed, en ’t was een bezigheid. - -„Zij moet onder curateele gesteld worden,” zei hij na eenige minuten -langzaam zoeken, terwijl mevrouw Uhlstra, in spanning, ongeduldig met -haar waaier tikte. - -„Dat heb ik ook gedacht.” - -„Het verzoek moet ingediend worden bij den rechter. Wil u het -onderteekenen?” - -„Wat moet erin staan?” - -„Alles.” - -Mevrouw Uhlstra zuchtte diep; tranen stonden haar in de oogen. God, het -was zoo hard! Het te zeggen, boos, kwaad, nijdig, dat was niemendal. -Maar het te zien geschreven staan op een gezegeld papier en zijn naam -eronder te zetten,—’t was of een koude rilling haar langs den rug liep! - -„Het is zeer treurig,” zei Markens deftig, „treurig inderdaad. Er is -echter niets aan te veranderen. Het moet!” - -„In Godsnaam dan, en dank-je voor de hulp.” - -„Ik zal de stukken in orde maken, en haar gaan waarschuwen.” - -Daar begreep mevrouw Uhlstra niets van. - -„Het is billijk,” betoogde hij. „Zij moet toch gehoord worden. Welnu, -laat zij zeggen, wat zij wil, maar waarschuw haar..... of, laat het -maar aan mij over.” - -Wantrouwend keek mevrouw Uhlstra hem aan. Waarom wou hij dat -„waarschuwen” zoo bepaald zelf doen? Doch Markens zag er zoo oud, zoo -achtbaar en zoo weinig begeerig uit, dat zij om haar eigen dwaas idee -moest lachen. - -De oude heer had niet kunnen zeggen wat hem dreef tot het aanbod zich -zoo ver met deze onaangename zaak in te laten. Hij was er zelf -verwonderd over, toen mevrouw Uhlstra weg was. Zij hadden al zooveel -vuil linnen onder elkaar gewasschen,—hij had het hun ditmaal ook wel -kunnen laten doen! - -Nu hij het eenmaal had beloofd, zelfs aangeboden, zou hij het doen, en -wetend hoe uitstel het lastige nog lastiger maakt, besloot hij de -stukken dadelijk op te stellen en den volgenden dag zijn bezoek af te -leggen bij de weduwe van zijn ouden sobat. - -Toen hij stijf in zwarte jas met wijde slobberpanden in de -achtergalerij kwam, waar zijn vrouw haar hoofdstuk las uit den bijbel, -zei hij op een toon van gewicht: - -„Ik moet even uit.” - -„Waar ga je heen?” vroeg zij, opkijkend. - -„Een zeer kiesche en vooralsnog geheime zaak. Ik ga de weduwe Lugtens -bezoeken.” - -„Wat zeg-je? Die vrouw?” - -„Het is op verzoek harer familie. Haar levenswijze is van dien aard, -dat er aanleiding bestaat haar onder curateele te stellen.” - -„Moet jij haar daarom een bezoek brengen in haar huis?” - -„Het is billijker en beter; het bekort het verloop der zaak. Tot -straks!” - -„Ik hoop,” zei mevrouw Markens met grooten nadruk, „dat de Heer over je -zal waken en je schreden zal begeleiden.” - -Verrast stond hij stil, omkijkend, de witte wenkbrauwen omhoog -getrokken met kluchtige verwondering, en toen zij, ook met groote oogen -en lange hoofdknikken, ernstig hem aanzag, liep hij, „Maar....! -Maar...!” zeggend en lachend bij zichzelven, naar buiten. Zoo iemand, -dan moest zij toch weten, dat hij in dit geval den Heer ontberen kon! - -Met zijne zachte, bescheiden stem riep hij bij mevrouw Lugtens in de -voorgalerij herhaaldelijk „Sapada,” maar er kwam niemand. - -’t Was niet meer het paleis van vroeger, maar toch nog ’n heel net -huis, en het zag er alles, merkte hij den boel eens opnemend, -fatsoenlijk en comfortabel uit. Hij had in ’t minst geen lust -onverrichterzake heen te gaan. Zachtjes draaide hij aan den porseleinen -knop van een der deuren en trad in de binnengalerij, waar het er ook -net burgerlijk uitzag, met meubelen van goed djati-hout, staalgravures -aan den wand. Op z’n gemak nam Markens dat alles waar, langzaam -voortschrijdend, voetje voor voetje, bij zichzelf berekenend hoeveel er -nog van het groot vermogen door Lugtens nagelaten wel over kon zijn. Al -pikerend en rondkijkend was hij, vóór dat hij het wist, in de -achtergalerij, en daar stond hij ineens stil als in een onbeweegbare -figuur veranderd van schrik. Tegen de kruislatten van het groene -buitenhek zat op den grond een jonge inlander, den hoofddoek glad en -zorgvuldig om het hoofd, het vrouwelijk gezicht zonder spoor van baard, -fijngeel van kleur, met den gebogen neus der Javanen van goede -geboorte, zonder verdere kleedij dan de door een gouden gewerkten band -om de lenden opgehouden sarong. En naast hem op de mooie palembangsche -mat vol kleurige figuren in een crêmekleurige kabaja over haar zijden -sarong zat de weduwe Lugtens, lachend en pratend, onder een zorgvuldig -aangewende laag blanketsel en rood, met kindermaniertjes kleine stukjes -manisan snoepend uit een stopflesch. De flesch viel uit haar hand, zoo -schrikte zij ook, toen het heele verleden daar voor haar stond als -belichaamd in den deftigen Markens met zijn witte das om en in zijn -lange zwarte jas. De inlander, klerk van een ambtenaar, was al -verdwenen voor men een woord gesproken had. Hij kende zoo goed als -ieder ander den gepensionneerden toean besar; hij greep zijn baadje en -slipte als een aal door het hek heen achter hem. - -„Men komt anders hier niet zóó maar naar achteren loopen,” zei Clara -snibbig, inwendig kokend van woede. - -Markens had zijn bedaardheid terug en ging zitten op een stoel tegen -den muur. - -„Ik kom u spreken over zaken.” - -„Dan had u wel behoorlijk kunnen roepen.” - -„Dat heb ik gedaan. Doch laat dat zijn. Wat ik u kom meêdeelen is, dat -door uw familie, met het oog op uw verkwistende levenswijze, een -verzoek is gedaan om u onder curateele te stellen.” - -Wezenloos keek zij hem aan, stamelend, geheel uit het veld geslagen. - -„Curateele....? mij.....?” - -„Ja. U zult wel niet ontkennen, dat daarvoor reden is. Het had reeds -vroeger moeten gebeuren.” - -Zij barstte in tranen los, onbekommerd om het lot van bedag en rouge, -jammerend, tusschen haar snikken; haar familie scheldend voor dieven en -afzetters; zich erop beroepend, dat zij niemand iets vroeg; dat zij kon -doen en laten wat zij wilde; zich op de borst en voor het hoofd -slaande, en, met loshangend haar nu, waartusschenuit blaadjes melati op -den grond vielen, eindelijk in een luid huilen ineenzinkend op een -divan. Onbewogen zat Markens op den stoel tegen den muur, de kin op den -gouden knop van zijn dikken rotting. Scènes deden hem niet aan. Zijn -eigen vrouw had hem er op zooveel onthaald vóór zij, oud geworden, haar -troost zocht in het overdreven religieuse, dat hij daartegen volkomen -bestand was. - -„Er is niets tegen te doen,” zei hij, toen het begon te luwen, „met -kalmte komt men het verst.” - -De weduwe Lugtens antwoordde niet. Met haar zakdoek voor den mond, liep -zij haar kamer in en liet hem zitten. Het duurde vijf minuten, alles -bleef stil in huis en op het achtererf. Markens, besluiteloos nu, stak -een sigaar op, van plan dan maar heen te gaan en de zaak verder op haar -beloop te laten. Maar zij kwam terug, wel met het stempel van tranen en -aandoening nog in haar oogen en gezicht, maar toch weer netjes -opgeknapt. - -„Ga nog een oogenblik zitten.... Dus ze zullen me onder curateele -zetten.... En dat moet u voor hen in orde maken.” - -„Juist.” - -„En zult u dat doen?” - -„Ja,” knikte hij. „Ongetwijfeld! Zeker zal ik dat doen. Daaraan is -niets te veranderen. Ik zal het doen voor uzelf, voor uw kinderen, en -uit achting voor de nagedachtenis van uw man.” - -Beslist schudde zij het hoofd, de lippen vast opeengeklemd. - -„Ik zal het me niet laten welgevallen.” - -„Dat is uw zaak.” - -„Ik zal me niet laten ringelooren. Markens! Mijn man heeft het me -zooveel jaren gedaan, zoo bar als hij wezen kon; van jou en de anderen -verdraag ik het niet.... nooit.... in der eeuwigheid niet!” - -Zij was uit den vormelijken toon gesprongen, jijjend en jouwend tegen -hem, en hij voelde zich daar zeer beleedigd door. Wie gaf deze vrouw -het recht zoo brutaal en familiaar te zijn tegen hem, Markens? - -„Wind u niet op,” zei hij bedarend, „daar komt men niet verder mee. Ik -heb er overigens niets mee te maken; ik handel slechts op verzoek.” - -„Maar ik wil niet! Waarom bemoeit men zich met mij? Wat gaat het hun -aan! Ik acht mijzelve honderdmaal beter dan een van de heele famielje.” - -Dat was Markens, met een schoondochter uit die famielje wel wat kras, -en, boos wordend op zijn beurt, zette hij zich schrap en keek haar -strak aan: - -„Dan verschillen wij van meening, mevrouw Lugtens. Ik zal het woord -niet uitspreken, waarmeê vrouwen als u aangeduid moeten worden, en ik -zou in een soort huis als het uwe ook niet binnentreden, als het niet -was voor uw famielje.” - -Het ging haar als emmers water langs den rug; zij had een daad van -geweld willen doen; die oude smeerlap, gelijk zij Markens bij zichzelve -noemde, dorst haar dat zeggen, in haar eigen huis en met een mal -vertoon van deftigheid, als was hijzelf de ongereptste persoon op Gods -aardbodem.... Het was of het woei in haar hoofd, zoo kwaad werd ze, en -Markens schrikte van haar gezicht, bang nu, omdat hij haar in zijn -toorn zoo kras had aangepakt. Maar zij ging niet tot een daad over, -zich bedwingend om geen schandaal te maken, dat haar misschien voor den -rechter kon brengen. - -„Het komt zeker uw fatsoen te na, meneer Markens,” zei ze ineens -vervallend in een valschen spottoon. „Wees anders maar niet bang; -dieven worden er hier niet slechter op.” - -En toen hij, bleek als een doek, zich omkeerde, heen willende gaan, -versperde zij hem den weg met de armen uitgestrekt, de handen tegen de -deurposten, als bij een spelletje. - -„’n Dief ben je!” schold ze hem, hardop, zoodat de bedienden achter het -konden hooren. „Jij en de heele troep hebt jarenlang gekonkeld en -geknoeid om het gouvernement te bestelen en af te zetten. ’n Deftige -dieventroep, anders niet! En de duiten van jou zullen gaan zooals die -van de rest.” - -„Mensch!” riep Markens met bevende stem, den dikken rotting hoog -opgeheven boven zijn grijs hoofd, dreigend haar te slaan. „Ga uit mijn -weg, of ik ransel je eruit.” - -Zij liet de armen zakken en ging opzij. - -„Asjeblieft! De uitgang is vrij. Meneer kan heengaan, en ik zal de -galerij laten luchten en opdweilen. Het is vies als in mijn huis zulke -nette menschen komen.” - - - - - - - - -ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -OP WEG NAAR HUIS. - - -Dadelijk was Markens doorgestapt met groote schreden naar buiten; zij -achter hem aan, de woorden nawerpend tegen den breeden ronden rug van -de voortschuivende zwarte jas. - -Wel, het was hem een opluchting toen hij buiten kwam; zijn hoofd -gloeide van de congestie als vuur, met een benauwd gevoel in zijn keel. -Van wit, dat hij geweest was, toen Clara hem uitmaakte voor dief en hij -voor het eerst zijn ambtelijk verleden, waarop hij zoo trotsch was, in -zulk een licht zag gesteld,—was hij nu hevig rood geworden. Hij ademde -zwaar, blazend onder het loopen over den heeten, slechts zwak -beschaduwden weg, telkens stilstaand, zich met den foulard langs het -gezicht wuivend, en terwijl hij trachtte tot bedaren te komen, zich -elke minuut meer en meer opwindend. Hij lette niet op den weg en de -omgeving. In zijn lange lakensche jas, de hooge witte das tot de kin, -het hoofd met het witte baardhaar en het glinsteren van den bril -vooruit, liep hij voort met groote stappen, armzwaaiend; rechts, als -wijzend met zijn wandelstok op den horizon, nu voor dan achter. In de -open schaduwdonkere galerijen aan den eenen kant van den weg zaten om -de middeltafels of in hoekzitjes dames in sarong en kabaja, die met -nieuwsgierigheid keken naar den ouden heer; aan de andere zijde, waar -de zon fel scheen op kreesglimmeringen en zeildoekwit, zag hem niemand. - -Waar zou hij vandaan komen? vroegen de bewoonsters van den schaduwkant -elkaar of zichzelf nieuwsgierig af. Waar gaat hij heen? Maar dat hij -zou komen uit het huis van die vrouw,—dááraan dacht niemand; daar was -de oude heer Markens te deftig en te fatsoenlijk voor. - -Hij voelde er onweêrstaanbare behoefte aan thuis te komen; ’t was na ’n -paar minuten het eenige idee, dat hem bezighield; het suisde hem in de -ooren alsof hij ’t zichzelven toeriep met z’n eigen stem; hoe langer -hoe warmer werd het en hoe benauwder; zijn gezicht zag niet rood meer, -maar blauwachtig, met dikke aderen in den hals, die in donkerviolet -opgeloopen koorden leken. Naar huis, naar huis! Van de huizen en de -boomen zag hij de omtrekken niet meer, alles zwom voor zijn met bloed -beloopen oogen als in een vreemde geelroode zee van licht; hij -worstelde seconden, moeite doende om goed te zien, met aanloopend besef -van kwaadheid, dat hij ’t niet kon. Hij was toch niet dronken! In -onvasten gang, moeielijk maar toch als in een loopje de witte -broekspijpen voor elkaar gooiend, ging hij snel door, overgegaan van -zijn vasten tred in een waggelgang. - -„Mijn God!” zei in een galerij aan den schaduwkant een jong vrouwtje, -de handen vouwend, als ging zij bidden, in een grooten toon van -verbazing. „Mijn God! daar gaat die knappe ouwe heer Markens en hij is -dronken!” - -Ineens zag hij niets meer. De roodgele lichtstroom werd zwart; de -kracht om z’n voeten op te lichten hield op, en, in de zichzelf -voortzettende gangbeweging, struikelde de voet over den beganen grond -en viel hij neer met een harden slag, de hoed met een rolletje -afgierend van het witte haar, naar het lage zijgedeelte van den weg. - -Doodstil, met een zwaar werken van de borst en een rochelend -ademgeluid, lag Markens op de grond, op z’n rechterzij, den arm, als -ter beveiliging, instinctmatig uitgestoken bij het vallen, onder het -hoofd. En met z’n mond dicht bij den bodem, het fijne stof opblazend -tegen en op z’n gezicht, waar het vastplakte, zag hij er in een -ommezien erg vies en onoogelijk uit. - -Er kwamen inlanders bij en Chineezen. Op een afstandje bleven ze eerst -staan kijken, net alsof ze bang waren, dat die bejaarde Europeaan -dronken was of het er maar om deed, en in hinderlaag lag om hen te -bespringen. - -Maar langzamerhand kwamen ze dichter bij en vormden een kringetje; de -bekende naam werd genoemd door een; ’n ander zei waar hij woonde, ’n -derde wat hij was geweest en zoo voort. Sommigen gingen op de hurken -zitten, de strootjes rookend, met nieuwsgierigheid kijkend naar het -lichaam, dat daar, in den zonneschijn en besloten in een dichtgeknoopte -jas, in doodsbenauwdheid lag te zwoegen; de slippen van mooi zwart -glimmend laken, door het vallen vuil, hingen van zijn zijden af in het -stof, één met ’n winkelhaak. Daar wezen de inlanders elkaar op. Wat zou -er een schoonmaken zijn aan die mooie jas! Niemand dacht eraan ’n hand -tot helpen uit te steken uit zichzelf; zij zouden zoo gek niet zijn -zich perkara’s op den hals te halen! Als er iemand kwam die prentah -gaf, was het iets anders, naar eigener initiatief de hand te slaan aan -het lichaam van dien ouden heer, om dan naderhand door de politie -verhoord en misschien van allerlei verdacht te worden,—geen hunner -dacht er aan dit gevaarlijk stuk te onderstaan. - -Een baboe, die even was komen kijken, verheugd dat zij een nieuwtje had -tegen de doodelijke verveling van haar meesteres, alleen thuis, was het -gaan vertellen, en in moeilijken slofjesgang beproevend hard te loopen, -met een hand haar sarong en kabaai in één greep onder de borst in -bedwang houdend, tegelijk andere op- en neêrbewegingen bedwingend, de -andere hand achter aan haar condé, in de houding van iemand, die vreest -alles tegelijk te zullen verliezen, kwam de dame naar buiten loopen den -weg op. - -De inlanders gingen voor haar op zij, het kringetje verbrekend, en zij -met veel „Kasians!” en „Ach, Gods!” schold onder de hand het volk, wijl -het niet hielp, gelastend den ouden heer op te tillen, dreigend met de -politie. Doch de omstanders keken elkaar verlegen aan, en dan weer bang -naar den gouden horlogeketting van Markens. Als er eens iets gestolen -was, kregen zij de schuld! Tot, op last der dame, haar eigen mannelijke -bedienden ’t eerst trachtten het lichaam op te beuren. Toen durfden de -anderen ook. Men bracht hem haar huis binnen, legde hem op een bed, -maakte zijn das los en zijn vest open; de dokter kwam, onderzocht hem -en schreef middelen voor; er ging een boodschap naar mevrouw Markens, -die dadelijk kwam aanrijden, en voor het bed op haar knieën hardop ging -liggen bidden, inwendig denkend aan het verband tusschen de beroerte -die haar man had getroffen, en zijn afgelegd bezoek, met een stil -vermoeden, dat niet de Heer maar de duivel zijn schreden had geleid; -Freddy en Roos kwamen ook, en Eddy, wien men ’n briefje zond op zijn -kantoor, haastte zich naar ’t huis waarheen zijn vader was -overgebracht. Het was daar ’n groote drukte, een aanhoudend af- en -aanloopen, op- en neerrijden, met een permanente commissie van -nieuwsgierige inlanders aan den ingang van het erf, en in de naburige -huizen een eenparig gluren door en over de paggers. Het was in ’t -eentonig leven een gebeurtenis van belang, een onderwerp van gesprek om -te illustreeren. En het deed een reuzensprong in belangrijkheid, toen -men hoorde, dat die oude Markens, toen het ongeluk hem trof, juist een -visite had gemaakt bij de weduwe Lugtens. - -Het was voor hem haast gelukkig, dat zijn grootendeels zielloos en -verlamd lichaam reeds naar zijn eigen huis was overgebracht toen dat -bekend werd. „Zoo’n ouwe rakker!” zei verontwaardigd de mevrouw, die -hem geholpen had. „Als ik dat had geweten, zou ik me wezenlijk niet -zooveel moeite voor hem hebben getroost.” - -Niemand dacht ook maar ’n oogenblik na; niemand scheen te begrijpen hoe -zot men sprak; hoe, als het waar was, wat men veronderstelde van het -bezoek bij Clara, dit voor Markens de kans op een beroerte daarna juist -tot een minimum zou teruggebracht hebben. Het was zoo’n heerlijk iets, -te kunnen denken, dat zoo’n ouwe heer door overmaat van -liefdesopgewondenheid zich ’n beroerte op den hals had gehaald! De -bejaarde dames, die in haar oogen nog niet ongevaarlijke bejaarde -mannen hadden, knikten bij het verhaal, zeer wijs, en zeiden -bedreigend: „Ja, ja, dat komt ervan!” En de bejaarde mannen, óók niet -nadenkend, maar enkel onder den indruk van het geval, vonden het een -veeg teeken, dat de leeftijd ook aan zulke onaangenaamheden blootstelt. - -Markens lag nog weken stil in zijn bed te sterven, de verlamde -onderkaak opgehouden door een doek; niet meer kunnende kauwen en met -vloeibare spijs gevoed; de eene zijde onbeweeglijk, de oogen dof en -zonder leven. - -Freddy en Eddy handelden, de eerste uit zucht zooveel mogelijk voor -zichzelf te rampassen, de andere, het wetend, niet van plan zich te -laten bestelen, scherp toekijkend om het te beletten. Mama liet zich -alles welgevallen. Zij mocht in vele opzichten zijn veranderd,—haar -zwakheid voor haar zoons was niet verminderd. Integendeel, zij -triumfeerde in haar hart, overtuigd dat er geen knapper, beter jonge -mannen op de wereld waren dan haar zoons. - -Den dag nog na de begrafenis barstte de opgekropte woede los in een -wilden twist vol doodelijken, onuitroeibaren familiehaat, in zijn -diepsten grond erger dan haat tegen vreemden. Freddy had zijn broer -kunnen en willen neêrslaan als een hond, toen ze dreigend recht -tegenover elkaar stonden; maar de ondervinding had hem voorzichtig -gemaakt en doende alsof het smeeken van Roos en de gebeden zijner -moeder hem weêrhielden, hield hij zich bedaard; feitelijk herinnerde -Eddy’s gezicht hem veel te levendig naar zijn zin aan een contact -tusschen zijn hoofd en den poot van een stoel. - -„Ik wil niet meer dan mij eerlijk en wettig toekomt,” verklaarde Eddy -nadrukkelijk. „Maar ik wil ook geen cent minder.” - -Het gebeurde.—Freddy moest zijn rekening en verantwoording overmaken; -hij moest de posten veranderen, zooals zijn broer dat eischte; hij -moest van het heerlijke geld aan Eddy diens wettig erfdeel geven en -zijn gemoed schoot vol toen hij het aftelde en ’t zacht wegschoof uit -zijn vingers. - -En toen Eddy heenging, keek hij hem na met ’n vies gezicht, -hoofdschuddend als over ’n verworpeling, diep zuchtend, en zeggend: -„Van je famielje moet je ’t toch maar hebben.” - -Over het geheel was de erfenis bitter tegengevallen; zelfs Eddy, die -niet geldzuchtig was, kon niet ontkennen, dat hij geheel andere -verwachtingen had gehad. Het was zóó onbeduidend, dat de weduwe maar -heel weinig inkomen bezat boven haar pensioen. - -Freddy tobde erover. - -„Ik weet,” zei hij haast elken dag tegen Roos, „dat de oude heer meer -moet hebben gehad. In de laatste jaren kreeg hij veel in geld en in -aandeelen. Waar zijn die aandeelen dan gebleven?” - -„Hij zal ze verkocht hebben.” - -„Maar ik vraag je, waarvoor?” - -„Wel.... jullie zult in Europa ook wel ’n boel geld zoek hebben -gemaakt.” - -Maar dàt ontkende Freddy met kracht. - -„Papa was gierig. Wat hij ons zond, maakten we wel dadelijk -op,—natuurlijk; maar voor de rest niets, hoor! We moesten maar zien, -dat we er kwamen! En de lui wisten het wel! ’t Was lang niet -gemakkelijk voor Ed en mij ’n fatsoenlijken heer te maken.” - -„Verteerd heeft je vader het zelf toch ook niet.” - -„Hij? Neen, waarachtig niet!” - -„Weet mama er niets van?” - -Vol minachting in z’n gezicht schokschouderde hij: - -„Ma is gek, of zoo goed als. Die heeft zich eigenlijk nooit met iets -bemoeid, dan eerst met haar toiletten en naderhand met haar bijbel. -Toch moet ik erachter komen.” - -Nog nooit had hij zich zooveel moeite gegeven om tot de kennis van iets -te geraken. Hij liet in het huis niets ondoorzocht, geen lokaaltje van -de bijgebouwen, geen laatje van een meubelstuk. ’t Was alles -vruchteloos. Hij hoorde de bedienden uit, en wat hem toen wezenlijk -deed schrikken, was, dat een hunner sprak van mooie met kleuren -bedrukte stukken papier, die de oude heer dikwijls had zitten bekijken -aan zijn lessenaar in ’t kantoor. Waar konden die papieren zijn? - - - - - - - - -ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -DE VERLOVING. - - -Terwijl hij erover zat te pikeren, elken dag, tot hij er hoofdpijn van -had, beraamde Eddy andere plannen. In het leven, zooals hij ’t zich had -voorgeschreven, voegde hij zich met toenemend gemak; het was stil en -eentonig, maar dat was zijn eigen verkiezing; hij had kunnen uitgaan, -naar de sociëteit en elders; hij had zich vrienden kunnen maken, heel -gemakkelijk, want hij was altijd, zelfs in ’n eenvoudig wit jasje, even -elegant en net, en wanneer hij ’t wilde een aardig prater, zijn -gezelschap waard; maar hij had zijn ééne idee, en dat hield hem en hij -hield het vast. Dáárom leefde hij eenzelvig en zuinig; onthield zich op -’t kantoor van familiaren omgang met zijn confraters.—Geleefd, in den -zin van „Wijntje en Trijntje”, had hij; nu onthield hij zich van alles, -met een ernst en vastheid van wil, die als het ware op zijn heelen -persoon, op zijn houding en bewegingen overgingen. Men vond hem op ’t -kantoor een voorbeeldig employé, wiens werk voortdurend in hoedanigheid -beter werd; dien men vertrouwen kon, en die bijzonder vlug en pinter -was, met een assimilatievermogen en een koopmansgeschiktheid, die -bewonderd werden. Hij kon aan Chineezen verkoopen als niemand op ’t -kantoor, en zijn chefs hadden geen grooter pleizier dan als zij den -anders zoo netten Eddy Markens met singkehs hoorden marchandeeren over -een of andere partij import-goederen in een met chineesche getalwoorden -doorspekt brabbel-maleisch, waaruit geen sterveling kon wijs worden, -dan hij en deze soort afnemers, die graag met hem te doen hadden. - -Als hij nu in gedachten alles naging, zittend voor ’t paviljoentje, dat -hij na den dood zijns vaders bij vreemden had betrokken, vond hij zijn -toestand niet onbevredigend. Zijn tractement was verhoogd, en met zijn -erfdeel, hoezeer dat ook was tegengevallen, meende hij toch iets te -zijn, al was er dan ook geen sprake van de grootheid in het ouderlijk -huis toen hij nog een kind was. - -Hij had gehoord, dat mevrouw Lugtens inderdaad onder curateele was -gesteld; op de hoogte harer omstandigheden was hij niet; hij zag of -sprak haar nooit, zich altijd ergerend om wat hij van terzijde hoorde. -Zoo langzamerhand was hij heelemaal uit wat er van de oude relaties nog -overig was, geraakt. - -Eens in de week ging hij vast naar de muziekuitvoering in de open -lucht, ontmoette er Lena, sprak vijf minuten met haar, meer, veel meer, -zonder dan met woorden, en daar teerde hij dan de heele week op, zonder -eene poging andere gelegenheden te zoeken; vast in zijn nadrukkelijken -wil, haar naam niet in opspraak te brengen; reageerend zóó met alle -macht tegen het vele andere, dat op zijn en haar familie noodlottig -drukte. - -„Scheelt er iets aan?” vroeg hij haar, toen hij haar weêr op ’n -Zondagmiddag ontmoette. - -Zij zag er bleek en ontdaan uit; de vriendelijke onbezorgde lach -zweefde niet om haar mooien, frisschen mond; lusteloos en verstrooid -keek ze rond uit haar rijtuigje, als opschrikkend uit haar gedachten -toen zij hem zag aankomen. - -Een oogenblik bedacht zij zich, toen zei ze openhartig: - -„Ja, er is heel veel, dat me vreeselijk hindert.” - -„Kan ik je van dienst zijn?” - -En toen zij zweeg, blijkbaar het met haarzelve niet eens over het -antwoord, zei hij zonder aanstellerij, maar op een zeer beslisten -mannentoon, haar recht in de oogen ziende: - -„Er is niets of ik wil het voor je doen. Graag; met vreugde.” - -Lena was bleek geworden; haar onderlip trilde en ze beet erop, met een -trekken in haar heele gezicht, alsof ze zich bedwong om niet te huilen. - -„Ik ben hier gekomen om je iets te vragen, Eddy, zonder een van de -anderen meê te nemen. Ik moet je spreken, maar waar en hoe?” - -„Waar en hoe je wilt.” - -Zij dacht na, haar bedroefde oogen starend in de verte, en met een -melankoliek glimlachje zei ze: - -„Het lijkt zoo gemakkelijk en toch is het zoo moeilijk.” - -„Kom, laat ons eens zien.... Het is wel heel ernstig, dat zie ik. We -moeten iets bedenken, en over een kleinigheid heenstappen. Je vertrouwt -me misschien niet.” - -„Zeker, dat doe ik wel.” - -„Nou, dan is het ook zoo moeilijk niet. Ik ben voor de variatie weer -eens in onmin met m’n broer en m’n schoonzuster, maar als ik nog van -avond naar hem toega....” - -„Neen,” viel Lena in de rede. „In geen geval bij nicht Roos.... Kan het -bij je ma aan huis?” - -Hij stond ook na de erfenisquaestie niet op den besten voet met zijn -moeder, die als gewoonlijk in den laatsten tijd de partij koos van -Freddy, niet uit eigen voorkeur, maar omdat hij haar letterlijk -beheerschte, en zij geen kracht had zich daartegen te verzetten. - -„Het is goed,” zei hij. „Wanneer?” - -„Zoo gauw mogelijk. Vandaag nog als het kan.” - -„Welnu, rijd er heen. Ik volg dadelijk.” - -Dan, het was Zondagmiddag, en zij hadden er niet aan gedacht, dat -mevrouw Markens naar de kerk ging. „Mevrouw,” zei een bediende, „was er -niet,” en de man vond het heel vreemd, dat de jongejuffrouw, toen hij -dat had gezegd, niet dadelijk heenging, maar besluiteloos en ’n beetje -verlegen eerst heen en weer drentelde, en eindelijk zonder iets te -zeggen op ’n wipstoel ging zitten in de voorgalerij. De inlander -wachtte stil, er niets van begrijpend, tot van den weg een huurdogcart -het erf indraaide en hij „den jongen heer” zag, die erin zat; toen met -’n stil lachje in zijn oogen, meenend het afspraakje te begrijpen, ging -hij heen naar achteren. - -„Je ma is er niet,” zei Lena zenuwachtig opstaande. - -„Dat is niets. Ga zitten. We kunnen hier heel gerust en vrij spreken. -Zeg maar gauw het ergste: hoe gauwer hoe beter.” - -Hij zelf was zenuwachtiger dan zij, al drong hij zich tot kalmte; hij -vreesde het ergste voor hem. Onderweg was hij ineens op de gedachte -gekomen, zij zou hem meêdeelen, dat ze ging trouwen met een ander; het -kon, meende hij nu zeker, niet anders zijn dan dàt. Het sloeg elke -illusie zijner toekomst te pletter; het was in zekeren zin zijn -doodvonnis; maar hij zou zich ’n man toonen, en als ’t hem treffen -moest, dan ook maar ineens. - -„Het is....,” zei ze, en een vuurroode gloed steeg op naar haar hoofd, -haar hals overdekkend tot onder de haren..... „Ik moet over mijn moeder -spreken.....” - -Eddy voelde wat dat was, voor een meisje als Lena, en meêlijdend hielp -hij haar. - -„Zeg er niet meer van dan het onvermijdelijke; de rest weet ik.” - -„Zij heeft al lang telkens in geldverlegenheid verkeerd.” - -„Dat laat zich wel begrijpen.” - -„Dan schreef ze me, zonder dat tante Uhlstra het wist. Soms wachtte ze -me op...” - -„Nu, dan heb je het haar gegeven.” - -„Neen, dat is het niet. Zóóveel heb ik immers nooit in handen.” - -„Waren het zulke sommen?” - -„Zij speelde; ze verloor dikwijls veel; ze bad en smeekte me om haar te -helpen.” - -„Ik begrijp het niet..... Hoe kon je haar daaraan helpen.” - -„Zij liet me papieren teekenen, verklaringen, dat ik het geld zou -betalen uit het erfdeel van papa, als ik trouwde of meerderjarig werd.” - -„’t Is wel! En....?” - -„Nu ze onder curateele is gesteld, schijnt dat bekend te zijn geraakt. -Er is soesah over, ze zeggen allemaal, Freddy en Roos ook, dat die -papieren niet geldig zijn.” - -„Dat zijn ze ook niet.” - -Lena had zichzelf weêr gevat, haar zenuwachtigheid was geweken; zij -keek Eddy vast in ’t gezicht, uitvorschend, als wou ze doordringen tot -in z’n gedachten. - -„En ze moeten toch betaald worden,” zei ze op den Lugtenstoon, die geen -repliek duldde. - -„Zeker, dat moeten ze ook,” verklaarde hij eenvoudig, blij in z’n hart, -als had hij een lot uit de loterij getrokken; volkomen bedaard nu; -verlost van een doodelijke vrees, die hem, toen hij tegenover haar was -gaan zitten, had verlamd en neêrgedrukt in een diep gevoel van -ellendigheid. De blos kwam weêr terug op haar gezicht; niet helrood van -schaamte over schande, maar zacht en liefelijk als lentezonnegloed na -een onweêr. - -„Is het erg veel, Lena?” vroeg hij vriendelijk met zachte -belangstelling. - -Zij sloeg de oogen neer. - -„Het is,” zeggen ze, „zoo goed als alles wat ik te wachten heb. Ik heb -het nooit nagerekend. Het was om haar te helpen.” - -„Wil je even met me meêgaan in de binnengalerij?” - -Zonder antwoord, stond ze op en volgde hem in het door de gordijnen -sterk getemperd licht, en achter hem sloot hij de deur; niemand kon hen -zien. Toen nam hij haar handen in de zijne en met zijn gezicht dicht -bij het hare, zijne oogen vochtig van eigen groote aandoening, zei hij -zacht: - -„Je weet, Lena, wat ik zeggen wil.... Hoe lief ik je heb.... Nu meer -dan ooit.... Ik zal altijd mijn best doen je waard te zijn.... Wil je?” - -Zij maakte haar handen los uit de zijne, en de armen om zijn hals -slaande, ’t fijne hoofdje tegen hem aan, snikte ze haar geluk en haar -verdriet vrijuit nu: - -„O God, Ed, ik ben zoo ongelukkig geweest de laatste dagen!” - -Wat hem overkwam, wist hij niet; het was alles mooi en licht om en in -hem; ze waren op een bank gaan zitten en hij hield haar in zijn armen, -terwijl ze ineens haar heele hart uitstortte, gelukkig nu boven alles, -en er niet op lettend, dat de duisternis viel met indische snelheid, -praatte zij en luisterde hij, haar telkens kussend, naar het eeuwig -schoone verhaal van wat haar meisjeshart voor hem had gevoeld, zoo -lang, zoo lang al, van dat ze hem, toen hij terug was uit Europa, voor -de eerste maal had gezien. - -Ineens stonden zij rechtop. In de schemering, waar, buiten in de verte, -al lichtjes melankoliek doorheen keken, trad mevrouw Markens binnen, -zachtjes den deurknop draaiend, onhoorbaar op de teenen, als wilde zij -hen betrappen. - -„Ma,” zei Eddy dadelijk en in ’n paar groote stappen vlak voor haar, -„’t is niet noodig zoo stilletjes binnen te komen. Er gebeurt hier -niets dat niet iedereen mag zien.” - -„Ik kom niet stilletjes binnen; niet gelijk een dief in den nacht.” - -„Wij hebben buiten op u zitten wachten.” - -„Dat zag ik.... aan de stoelen.” - -„Toen had ik Lena iets te vragen; ze heeft, Goddank, daarop geen neen -gezegd, en ik twijfel niet of u zult daarop uw toestemming geven.” - -Een oogenblik zweeg mevrouw Markens. Het was toch te gek dit zóó te -laten afloopen! Zij reikte Lena de hand, sloeg den anderen arm om haar -schouders en nu ineens, als viel het gaan haar moeilijk, zei ze: - -„Kom meê naar achter, kinderen.... De Heer zal ons kracht geven naar -kruis.” - -Eddy, mopperend bij zichzelf, dat dit nu weêr niet zonder aanstellerij -en comediespel kon afloopen, volgde, zich verstappend telkens van -ongeduld, achter den sleep aan zijn moeders japon, telkens met gevaar -dien af te trappen. - -De lichten werden aangestoken en ze gingen rond de tafel zitten; Lena -met iets komieks in haar gezicht, dat Eddy zou hebben opgemerkt, als -hij niet zoo bezig was geweest zich te ergeren. Als hij dat liet -begaan, zou het „gekwebbel”, zooals hij het noemde, nog wel ’n half uur -duren; hij zou er een eind aan maken, als het te erg werd. - -„Och, lief kind,” begon mevrouw Markens op den onderworpen toon van -iemand, die berust in een zwaar te dragen last, „hij is altijd mijn -Benjamin geweest.” - -En daar Lena even knikte, om toch een teeken van leven te geven, ging -de oude vrouw voort in haar tegenwoordig lievelingsgenre, alsof ze -examen deed in de toepassing van bijbelcitaten, al maar pratend tegen -Lena, die, zich nog maar weinig herinnerend van wat ze geleerd had voor -haar belijdenis, niet wist wat op zulk een buiten-issig gepraat te -antwoorden; tot ze eindelijk in het vol-aapachtige dezer vormelijkheid, -het meisje, met zalving, Magdalena noemde. Toen stond Eddy op en zei, -minder barsch dan hij ’t zou gedaan hebben als Lena er niet bij was -geweest: - -„Nou ma, het is nu wel, hè! Zij heet Lena, en wil dus asjeblieft zoo -vriendelijk zijn haar nooit anders te noemen. We gaan nu even naar haar -moeder.” - -„Haar moe....” - -Zij kon het woord niet uitspreken. Dàt was waar ook! Lena, altijd bij -en door mevrouw Uhlstra opgevoed, nooit door iemand samengezien met -mevrouw Lugtens, werd reeds als schoolmeisje door velen Lena Uhlstra -genoemd; en ze sprak het nooit tegen; zelfs nu kende men in toko’s en -daarbuiten haar zoo goed onder dien naam, als onder haar eigen, en nu -wist mevrouw Markens er wel alles van, maar ze had er ook zoo gauw niet -aan gedacht; zij leefde voor haarzelf altijd in andere sferen; zij -bemoeide zich weinig met al die menschen, die naar haar oordeel zoo ver -beneden haar stonden. Maar het was waar! Het meisje was de dochter van -die vrouw, die zondares! En de oude Markens, die zijn wettige -wederhelft nooit lastig viel in de laatste jaren, had een beroerte -gekregen en was plotseling uit dit leven weggerukt, in een zondigen -staat en toen hij.... - -Mevrouw Markens werd er bleek van. Het was verschrikkelijk! - -„Ik.... ik kan mij nu niet uitspreken,” zei ze. „Ik moet tot mijzelve -inkeeren en.... bidden....” - -Bij Eddy kwam ’n oogenblik een der in het ouderlijk huis en bandelooze -vrijheid gedresseerde „jongens Markens” boven. - -„Als dat gezanik nu....” - -Maar met een enkelen blik lei Lena hem het zwijgen op. - -„Het is heel goed van u, mevrouw.... Ik begrijp, wat u meent. Als ik -daaraan had gedacht, zou veel anders zijn geweest. Maar ik voel dat u -in den grond gelijk hebt.... Dag mevrouw!” - -Tot haar lippen toe zagen wit, en haar gezicht zoo erg, dat het indruk -maakte op mevrouw Markens, die zich er anders nooit om bekommerde hoe -iemand eruit zag als ’t niet een van haar zoons was. - -„Wij zullen wachten, Eddy, tot je mama heeft nagedacht.” - -Zulk een onzinnig idee deed den jongen man versteld staan. - -„Denk-je dat ik iets geef,” riep hij kwaad, „om het nadenken van mama, -die nooit eigenlijk over iets heeft nagedacht? Waarachtig niet. Zij zal -hier niemand beleedigen. Dat mankeert er maar aan!” - -„Ik wil niet beleedigen,” viel zijn moeder bang in de rede. - -„Stil, Eddy, je ma heeft wezenlijk gelijk.” - -„Dat heeft ze niet. Ik ben meerderjarig en als ik haar toestemming -vraag....” - -„Ik zou zonder die toestemming geen engagement openbaar gemaakt willen -zien,” zei Lena trotsch en beslist, in haar ziel nu opkomend tegen de -vernedering. - -„Welnu, zij zal die dadelijk geven en daarmeê uit. En ik vraag u mama, -kort en goed: ja of neen?” - -Het was de oude dwingelandij van haar jongens, de toon, de manier en -het gezicht vooral; het biologeerde haar uit de gewoonte zich door haar -kinderen te laten beheerschen. - -„Maar Eddy,” zei ze haast smeekend en handenwringend, „ik heb immers -niets gezegd. Je moet geen verkeerde uitlegging geven aan mijn woorden. -Ik zeg immers: ja; dat weet je wel!” - -Nog altijd kokend inwendig van woede, om de beleediging, die hij vond, -dat zijn moeder Lena had aangedaan, ging hij met kregelige beslistheid -voort: - -„Nu, dan ook geen gezanik langer.” En in een heel lieven minnaarstoon -voegde hij er tot Lena bij: „Willen we maar niet dadelijk gaan?” - -Zij wist niet hoe ze het had, niets begrijpend van zulk een verhouding. -Wel had ze nu en dan iets gehoord van het vreemde der oude mevrouw -Markens en het meesterschap harer zoons, maar dat dit zóó toeging, kon -zij zich niet voorstellen. - -Mevrouw Markens zoende haar goeden dag en wenschte haar voor haar -verder leven alles wat, zeide zij, haar voor een eeuwige gelukzaligheid -kon voorbereiden; Eddy vloekte in zichzelf van ergernis, en Lena vond -het wel ongewoon, maar toch ver verkieslijk boven de vlagen van -boosheid en opgewondenheid harer tante, of de eindelooze praat harer -moeder over de mannen en het dobbelspel. - - - - - - - - -ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -VERSCHILLENDE BEZOEKEN. - - -Buiten, voor haar wagentje, stonden ze even stil samen en in het -afschijnend lamplicht keken ze elkaar aan met komieke verwondering. - -„Ik kan me haast niet voorstellen, Ed,” zei Lena half lachend, „dat wij -nu betoel geëngageerd zijn.” - -Hij zag naar het mooie matblanke van haar hals, en op naar haar gezicht -in slagschaduw, waarin haar heldere oogen zacht glansden. - -„Het is, Goddank, waar,” antwoordde hij ontroerd. - -„’t Is nog vroeg, niet waar?” - -Het was pas halfzeven. - -„We moesten even naar nicht Roos gaan.” - -„Nu, het eerst?” vroeg hij verwonderd; haast verschrikt. - -„Ja. Het is zoo’n onaangenaam bezoek, Ed; zoo vreeselijk onaangenaam.” - -„Precies, lieve. En moeten we nu dezen eersten heerlijken avond -daardoor bederven?” - -„Het is maar ’n oogenblik! Wij kunnen immers dadelijk weêr weggaan.” - -„Maar waarom ben je er zoo op gesteld?” - -„Om het achter den rug te hebben, Ed. Ik moet heelemaal heen zijn over -het verhaal, dat je me toen hebt gedaan. Als we niet nu gaan, nu -dadelijk, dan vrees ik, dat er nooit iets komen zal van een bezoek -aan.... je broer en Roos. Dat zou toch niet goed wezen. Laat ons dus in -’s hemelsnaam maar dadelijk gaan. Dan zijn we eraf.” - -Eddy zweeg, hij erkende dat het volkomen juist was, en zij gelijk had, -als meest altijd. En tegelijk kwam nu een gevoel van groote oude -bekendheid met haar over hem; net of ze al heel lang geëngageerd waren. - -„Als ik zoo naast je zit,” zei hij, de ponies, die hij nu mende, -omsturend naar den weg waar Freddy woonde, „is het me of het altijd zoo -behoord heeft.” - -„Wel.... ’t Hoort ook zoo.” - -Ze zei het zoo aardig beslist, dat hij zich terzij boog en haar ’n zoen -gaf; de ponies, toch al zenuwachtig in vreemde hand, deden een -zijwending; het wagentje, met het eene wiel door een hoop grind terzij -van den weg, liep scheef, op omslaan af; en de paardjes, tegen de -strengen dringend, hard trappelend, trokken niet. De inlandsche groom, -in een achterbakje beneden de kap, schrok wakker, sprong eraf, was -dadelijk voor de paardenhoofden en trok ze voort, dwars maar door den -grindhoop. Allebei schaamden ze zich ’n beetje, zachtjes lachend vol -levenslust en geluk om hun dwaasheid. - -„Ik neem de teugels weêr, hoor! Jij bent van avond veel te absent.” - -En toen hij wilde protesteeren, zei ze meer ernstig: - -„Toch niet, Ed. De ponies zijn nu niet te vertrouwen; als ze ’n vreemde -hand blijven voelen, gaan ze door en krijgen wij de grootste soesah.” - -Toen Freddy en Roos het bekende rijtuigje hun erf op zagen rijden, -keken ze elkaar over de tafel aan in groote verwondering. - -„Daar begrijp ik niets van,” zei hij; en zij: - -„Wat komt die doen?” - -Eddy’s gezicht ziende opdoemen uit het duister, naast Lena, terwijl ze -beiden opgestaan, vóór bij de bloempotten in hun galerij waren gaan -zitten, begrepen zij ineens alles. - -Het was geen hartelijke ontvangst; het was er een met ’n flauw -schijntje van weerskanten. - -„We hoeven niet te vragen,” zei Roos op haar rustige ’n beetje temende -manier en met haar klein airtje van indisch geaffecteerd zijn, „we -hoeven niet te vragen wat jullie komt doen.” - -„Heb je het al geraden?” vroeg Eddy met ’n gemaakten lach. - -Maar Freddy was niets in zijn schik. - -„Als je mijn raad had gevolgd, waren jullie al lang getrouwd. Dan was -alles tienmaal beter geweest dan nu. Verbeeld je dat Ed.... enfin je -zult het nou wel weten, al verliefd op je was, toen we pas uit Europa -kwamen. Toen heeft hij je niet willen vragen. Ik had ’t hem aangeraden, -we hebben er haast twist om gehad, maar hij wou niet, en nu....” - -„Nu,” zei Lena, „is het zooveel te beter, hij voelde toen zeker, dat -hij nog niet genoeg van me hield.” - -„O neen,” zei Eddy, „’t was voor eens en voor goed, zonder meer of -min.” - -„Ja, maar alle gekheid daargelaten,” meende Roos, „het is niet ernstig -gehandeld geweest. Mijn man heeft gelijk; er had dan veel kunnen -voorkomen worden.” - -„Schei uit!” riep Freddy met een handbeweging voor zijn oogen als -verjoeg hij een nachtgezicht. „Het is zoo eeuwig jammer! Zij had een -magnifique erfdeel.... waren jullie getrouwd geweest.” - -„Je weet het, Fred, ik prefereer haar zonder erfdeel.” - -„Het is niet heelemaal weg.” - -„Jawel,” verzekerde Lena. „Het is weg.” - -„Neen, laat hem toch uitpraten,” zei Roos ertusschen. „Jullie weet er -niets van, en Freddy heeft gelijk. Het is niet weg en je moet er van -redden wat je kunt.” - -„Wel waarachtig! Ik heb,” vulde haar man aan, „er al een advocaat over -gesproken. Het is een eenvoudige zaak.” - -„Ik weet het wel, Fred!” antwoordde Eddy, „maar al is het ook nog zoo -eenvoudig, Lena en ik zullen van het middel geen gebruik maken.” - -„Maar kerel, dan is ze haar geld kwijt.” - -„Juist. Het is jammer, dat geef ik toe; maar het is niet anders. Wij -willen liever samen eerlijk zijn dan samen rijk.” - -Het woord sneed erin, en er was ’n oogenblik dat niemand sprak. Lena -met ’n blij en gelukkig gezicht, kijkende naar Eddy, die daar zoo -eenvoudig, maar zoo precies de heele geschiedenis had geformuleerd; -Roos ’n beetje verlegen met haar oogen neergeslagen; Freddy in wanhoop, -trekkend omhoog met oogen en schouders, als trachtend in zijn heele -figuur gelijk in elken trek van zijn gezicht de uitdrukking te leggen -dat z’n broer in een gekkenhuis moest zitten. - -Hij beproefde het nog eens met gemoedelijkheid en gedwongen kalmte, -feitelijk zonder hoop. Er was niets aan te vangen met Eddy en Lena! - -„Och,” zei Roos, heel koel en effen. „Het beste is, dat wij er ons niet -meê bemoeien. Als de menschen niet voor redeneering vatbaar zijn, moet -men ze maar laten begaan, dat is het beste.” - -Die stemming hing nu over alle vier. Eddy had willen redeneeren, maar -Lena, de oogen even dicht, schudde zachtjes van neen met haar hoofd, en -hij had zich er toen maar toe bepaald, eenvoudig te zeggen, dat zij -vast van plan waren alles te betalen. - -Onder den druk der stemming gingen ze heen, van beide zijden met een -gevoel van weerzin elkaar groetend, in volslagen onvereenigbaarheid van -levensopvatting. - -„Het baatte niet,” zei Lena toen ze naar tante Uhlstra reden, „tegen -hen te redeneeren. Wat jij en ik bedoelen, zullen zij toch nooit -begrijpen.” - -„Zij niet.... en de anderen?” - -„Ik geloof het niet.” - -„Ik ook niet; zij kunnen daar niet in komen.” - -Tante en de meisjes waren niet verwonderd; dat hadden zij onder elkaar -al lang voorspeld; dat hadden zij al jaar en dag zien aankomen; zij -begrepen alleen niet, dat het zich zoolang had laten wachten; voor hun -gedachten was het een oud uitgemaakte toekomst. En toen dat alles nu -gezegd en tot vervelens op allerlei manier herhaald was, kwam dezelfde -quaestie op het tapijt, die van het geld van Lena. En schoon de meisjes -het gek vonden, zwegen zij met eenig begrip, wellicht, van het goede of -met wat jeugdig gevoel daarvoor; maar mevrouw Uhlstra was woedend en -wond zich op, in één en al beweging, met oogen schitterend van drift in -een vloed van scheldwoorden tegen de dieven, die haar zuster geplunderd -en haar petekind straatarm hadden gemaakt. - -Dáár zou men nu genereus tegen zijn; het was te erg! Doch toen ze zag, -dat er niets aan te doen was, zette zij zich met haar hoe langer hoe -wisselvalliger wordend humeur erover heen; ze moesten het ten slotte -maar zelf weten; men zou er niet minder goede vrienden om zijn. - -„Ik wou nu even alleen naar mevrouw Lugtens gaan,” zei Eddy. - -Ze zwegen er eerst allen op, begrijpend, dat het een moeielijke gang -was. En mevrouw Uhlstra, bang dat ook de huwelijkscandidaat een der -koopjes zou snappen, die een onverwacht bezoeker allicht bij haar -zuster te wachten stond, gaf den raad eerst belet te vragen. ’t Was al -wel dicht bij achten en haast etenstijd, maar men vond, dat dit er zoo -erg niet op aankwam. De europeesche gewoonte werd tegenwoordig zoo -nauwgezet niet meer gevolgd. In de periode van achteruitgang, na den -dood van de hoofden der gezinnen, was er nog slechts ’n schijntje van -die gewoonte overgebleven; men at ’s avonds wat rijst op ongeregelde -uren, soms zoo maar van de warong uit een pisangblad op den schoot. - -Het antwoord op het boodschappenleitje kwam dadelijk: Wel zeker, -mevrouw Lugtens zou hem ontvangen; met heel veel genoegen. Maar het was -alles behalve voor zijn pleizier dat Eddy ging. Hij vreesde geen -weigering; hij kon alleen zijn afkeer van die vrouw niet overwinnen. -Bij zijn groote vereering van Lena met haar goeden, onbesproken en -onbaatzuchtigen aard, haar ongerepte kuischheid en lief, edel karakter, -haatte en verfoeide hij de moeder, die door haar gedrag den naam der -familie zoo schromelijk op straat had gebracht. - -En toch, toen zij hem in de voorgalerij ontving, kreeg hij ondanks -alles den indruk, dat hij niet stond tegenover een gewoon vulgair -schepsel. - -Haar overviel een gevoel van angst. Wat moest dat bezoek beteekenen van -den jongen man, wiens vaders dood zij op haar geweten had? Toen zij had -gehoord, dat de oude Markens een beroerte had gekregen op den weg na de -hevige scène bij haar aan huis, waren schrikkelijke angsten over haar -gekomen. Dagen achtereen vreesde zij een bezoek der justitie; het was -toen of haar hart stilstond, als zij iemand met ’n zwarte jas aan op -den weg zag aankomen, min of meer in de richting van haar huis. Het was -overgegaan; zij had het thans vergeten; maar het kwam weer op, toen -Eddy Markens daar zoo koel en deftig voor haar stond. - -Hij hield zich zeer teruggetrokken en officieel, als kwam hij bij een -wildvreemde; zij met geweld kalm, heel ongerust over die houding. - -„Ga zitten,” zei ze, „wat is er van uw dienst.” - -„Ik kwam uw toestemming vragen voor een huwelijk.” - -Zij keek hem aan, nu, met de grootste verwondering, als viel hij uit de -lucht, en ze herhaalde het: - -„Mijn toestemming voor een huwelijk?” - -Ineens echter werd ’t haar duidelijk; zij zuchtte diep, ontheven van -een groot benauwend gevoel van vrees. - -„Met Leentje?” - -„Ja, mevrouw.” - -Hoe gek toch! dacht ze nu; de heele geschiedenis, de vreemde -verhouding, de geldquaestie,—het maalde haar alles door het hoofd, -terwijl ze een oogenblik stilzat met neêrgeslagen oogen, werktuigelijk -op haar knie de zwarte kant harer over-kabaja glad strijkend. - -„Ken-je onze omstandigheden?” - -„Ja, mevrouw.” - -„Ik bedoel: heelemaal. Ook dat Leentje voor mij....” - -„Ook dàt.” - -Zij hield weêr een oogenblik op, bevend van ontroering, met een ouden -trek om haar mond; een afgeleefde vrouw van gezicht met een -onverwoestbaar fijn en slank figuur. - -„Mijn toestemming geef ik. Als Lena van je houdt, sta ik niet in den -weg. Het moest er nog bij komen, dat ik jullie dwarsboomde!” - -„Ik dank-u.” - -„Die.... papieren zullen zeker niet erkend worden?” - -„Dat zullen ze wel.” - -Haar ijskoude handen wrong ze zenuwachtig in doodsangst, snikkend; de -woorden met moeite uitstootend, ging zij voort: - -„Dan... is ze... arm, Eddy. Weet je dat?.... Heb je er over nagedacht?” - -„Om haar geld vraag ik haar niet; alleen om haar zelf.” - -Nu stond zij voor hem zoo bleek en vertrokken van gezicht, dat hij er -bang van werd; ze beproefde te spreken, slikkend als zat haar iets in -de keel, dat eerst weg moest en niet wilde. - -„Ga dan,” zei ze eindelijk zoo zacht dat hij ’t haast niet kon hooren. -„Het is goed.” - -Eddy was door de samenkomst heel onaangenaam gestemd; hij had zich goed -gehouden in zijn fatsoenlijke teruggetrokkenheid, in zijne behoorlijke -verontwaardiging, in zijn laag neêrzien op een schepsel, dat men -eigenlijk nooit iets moest behoeven te verzoeken, maar dat men als het -vragen onvermijdelijk is, de woorden toeweegt op een goudschaaltje. En -als hij ’t nu zich zelven eerlijk bekende, dan voelde hij voor die -vrouw nog meer sympathie dan voor een der andere familieleden; zij -mocht dan in dien éénen zin ’n gemeene vrouw zijn,—het scheen hem toe, -dat ze in andere opzichten beter was dan de rest. Lang hield ’t hem -niet bezig; een oogenblik slechts. Dan dacht hij weêr aan zijn mooie, -lieve Lena, die te midden van al de grofheid en gemeenheid dier vele -levens was opgegroeid, schoon, rein en onberispelijk, als ’n blanke -lelie op ’n mestvaalt; al het vuil, dat door de groote familie liep, -ging rakelings langs haar heen, haar bespattend, zonder haar ook maar -in ’t minst te besmetten. De gedachte, dat zij nu zijn vrouw zou worden -en dat hij haar had verdiend, ontroerde hem, hij had nu ook respect -voor zich zelven, en in het eigenaardig dualisme van z’n eigen -beoordeelaar zijn, was hij over zich zelven tevreden met de voldoening -van iemand, die, na een langen weg, den bergtop nadert, en z’n -vermoeienis al kwijt is bij het zien nu en dan, door het hout, van een -stuk verre, diepe vallei, blauwig wegschemerend naar den horizon. - -Hij liep voort met haastige stappen, in een groote drift om gauw bij -haar te zijn. ’t Leek een droom, zooveel was er gebeurd dien avond! ’n -Uur of wat geleden wist hij nog niets, nu was ’t voornaamste, dat hem -naar z’n idee in zijn leven kon overkomen, reeds achter den rug. En zij -hield van hem zooveel en al zoolang....! Dat wist hij nu. - -„Het is in orde,” zei hij met een sprongetje de galerij op, waar Lena -hem stond te wachten. - -„Wat zei ze?” - -Hij vertelde ’t haar in weinig woorden, en ze zuchtte ervan. - -„’t Is zoo ongelukkig, Ed. En ik vrees, dat ik alles zoo goed begrijp.” - -En toen hij daarop zweeg, een antwoord moeilijk vindend, ging ze voort: - -„Ik geloof, dat pa en ma niet gelukkig waren met elkaâr; zij ten minste -niet; voor zoover ik over pa kan oordeelen, was ’t hem -onverschillig.... Enfin, het is alles voorbij.” - -„Zeker. We moeten er niet meer over spreken. We zullen wel gelukkig -zijn. Dáárvan ben ik overtuigd.” - -In die gedeelde overtuiging stonden ze in het duister der galerij te -vrijen, al maar door, zonder te spreken, soms met een drift alsof -verloren jaren ingehaald moesten worden; in een totaal vergeten van -tijd en gelegenheid; de gedachten, het leven, geconcentreerd op elkaars -persoon; de armen om elkaar, met die heerlijke stille sensatie die doet -zuchten van een genot en geluk nog in zijn eerste stadium van -ontwikkeling en vatbaar voor veel uitbreiding in een vaste toekomst. - -Zij had hem wel dadelijk kunnen zeggen, dat er weêr iets onaangenaams -was, doch haar hoofd stond er niet naar; eigenlijk kon het haar, nu op -dit moment, maar weinig schelen; wel had ze altijd lief en leed met -tante Uhlstra gedeeld, maar er was toch ook ’n grens voor alles, en zij -voelde het: zij kon nu geen belang stellen in dat eeuwige gezanik over -het geld. - - - - - - - - -NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. - -NIEUWE MISÈRES. - - -In eens schrikten ze op, toen de deur open ging. - -„Stoor ik jullie?” vroeg een der meisjes Uhlstra met plagerigen spot. - -„We moeten even naar binnen gaan,” zei Lena. „Henri is er.” - -Hij volgde haar en het nichtje, en hij zag de familie om de tafel -zitten in groote verslagenheid, Henri met een verwezen gezicht, in de -opgetrokken wenkbrauwen en de neêrtrekkende mondhoeken de domme -uitdrukking van een gewonen dronkaard, nog wel niet ver genoeg om ’n -beest te heeten, maar toch vast bestemd zóóver te komen. Men antwoordde -haast niet op Eddy’s groet, verdiept in eigen nare gedachten; mevrouw -Uhlstra de handen op een knie saamgevouwen, ’n beeld der wanhoop. Henri -draaide ’t hoofd naar de jongelui en keek hen aan met zijn waterige -oogen; er gleed een flauw lachje langs zijn mond. - -„Het belet niet,” zei hij, de hand naar Eddy uitstekend, „dat ik jullie -feliciteer. En jou ook, Leentje,” ging hij voort, alsof zij eerst niet -in het „jullie” was begrepen en het een soort oud-mormoonsch engagement -betrof, „jou ook.... je bent ’n best meisje.... altijd geweest.... Als -allen waren zooals jij.... God zegen je, kind!... Je bent braaf en -goed...!” - -Zijn woorden hadden hem zenuwachtig gemaakt; met den rug van zijn -bruine hand veegde hij de tranen uit zijn ooghoeken, en daarna -onverschillig z’n hand af aan zijn witte pantalon, die nu boven elke -knie twee natstreepjes kreeg, wat zijn jongere zusters aan ’t gichelen -bracht, zoodat ze elkaar met volle handen in het dikke dijvleesch -knepen, stikkend van den bij Henri’s aandoenlijkheid opgekomen en -onderdrukten lach. - -„Wat is er eigenlijk aan de hand?” vroeg Eddy. - -„Ja, wat zal ik je zeggen, beste jongen? Het is weêr ’n beroerd geval.” -En Henri keek zijn moeder aan, alsof hij permissie noodig had om het te -vertellen. - -„O God!” barstte nu de oude vrouw los, in een harer vlagen van woede, -de handen omhoog boven haar hoofd. „Het zijn die dieven.... die dieven! -Het zijn die bloedzuigers, die ons bestelen! En jullie bent allemaal -lamme kerels.... lamme, beroerde kerels.... die jezelven en ons laat -uitplunderen door de geldschieters, terwijl je maar brendy-soda zit te -zwelgen tot je bezopen bent en er maar lekker van leeft.... O God! ik -wou, dat ik eens ’n moord mocht doen!” - -„Maar wat is er dan toch?” herhaalde Eddy, die nu wel iets begon te -begrijpen. - -„Nou, ze hebben mijn broer eraf gegooid, en ze zullen hem executeeren,” -zei Henri. - -„En wij,” jammerde zijn moeder, „zijn onze arme duiten kwijt.” - -„Wacht maar,” troostte Henri goedig. „Als ik maar eens ’n slagje sla -met ’n goeden oogst en mooie prijzen.” - -Maar zij keek hem aan met minachting, zij gaf wat om die „slagjes”, die -altijd werden voorgespiegeld, maar nooit geslagen. - -„En waar is Piet?” vroeg Lena. - -Mevrouw Uhlstra viel haar huilend om den hals. - -„Och kind,” zei ze, „jij bent de eenige, die om den armen jongen denkt! -Ja, waar is hij, waar is hij? Dat weet geen mensch..... dat weet God -daarboven!... Misschien drijft zijn lijk in de kali.... of ligt het -verpletterd in een ravijn....” - -„Maar lieve tante, dat bedoelde ik niet.” - -Met koppigheid vasthoudend aan haar eigen gedachten, lette mevrouw -Uhlstra niet op de tegenspraak; zij had zich opgericht, en keek wild in -’t rond, voortgaande met praten, luid, maar toch als tegen een derde -niet aanwezige. - -„Ja, ik voel het aan mijn hart.... hij is dood.... Als hij zich niet -heeft doodgeschoten, dan heeft hij zich vergiftigd.... Wat kan het hun -schelen!.... Zijn eigen bloedbroers en zusters.... Zij was weêr de -eenige....! Ik zie zijn lijk voor mijn oogen....” - -Henri begon te lachen, heel schor en valsch; er was gloed en leven -gekomen in z’n gezicht; het leven en de gloed van den haat; het -schemerde roodachtig in zijn zwarte oogen; zijn goedigheid was weg, en -de meisjes, eerst aan het huilen om mama, keken hem nu verschrikt aan, -terwijl hij met z’n vuist op de tafel sloeg. - -„Zanik niet, ma..... „Lijk” zal hij wel wezen, maar in de kroeg. Hij is -een veel te laffe vent om zich voor z’n kop te schieten, zanik dus -niet, asjeblieft.” - -„Kom,” zei Lena, „maak geen twist; de zaken loopen waarlijk al -ongelukkig genoeg. Ze zullen er met ruzie maken niet beter op worden.” - -Zijn boosheid viel ineen als bomijs. - -„Soedah la!” antwoordde hij. „Je hebt nog gelijk. Er is niks aan te -veranderen. Maak je dus niet zenuwachtig, ma.” - -Mevrouw Uhlstra had wel gezwegen op de uitbarsting van haar oudsten -zoon, maar ze was niet van haar idee af, en in gedachten neêrzittend, -in stille droefheid over iets dat niet gebeurd was, gaf ze onbewust -lucht aan haar verdriet over het wel gebeurde. „Ik zie zijn lijk,” -herhaalde ze telkens hoofdschuddend, „ik zie zijn lijk!” - -Eddy en Henri gingen naar de voorgalerij; de zoo met gebeurtenissen -volle avond had hun het eten doen vergeten; ze liepen al pratend op en -neêr. - -„Hoe moet het nu?” vroeg Eddy. - -„Ik zal hem maar bij mij nemen. Dan blijft hij op Tji-Ori en ik ga op -Koeningan zitten.” - -Het was een moeilijk onderwerp; men kan iemand toch niet zeggen.... - -„Zou er iets anders op te vinden zijn? Was het misschien niet beter hem -elders als opziener te laten werken?” - -„Waarom?” - -Henri Uhlstra was blijven stilstaan en keek lodderig glimlachend naar -Eddy’s gezicht op. - -„Och, zoo maar!” - -„Neen, Ed. Ik weet heel goed, wat je meent. Het kan me gewoon niet -schelen, weet je? Dan heb ik ten minste rust en kan op tijd mijn -bittertje drinken zonder onaangenaamheden.” - -„Ik zou het niet doen, en ik zou niet drinken ook.” - -„Je hebt mooi praten, mannetje! Trouwen is een loterij, en jij trekt -een prijsje.... jij bent goed af.... Enfin, het is ’t beste zooals ik -zeg.... Laat maar loopen: wat ervan komt, dat komt ervan!” - -Nog een oogenblik liepen ze, zwijgend nu, elk zijn eigen gedachten -volgend, op en neêr, tot Lena kwam vragen of ze niets wilden eten. - -Henri bedankte; hij zou maar liever nog een „paitje pakken”; Eddy -volgde Lena naar achter, waar mama en de meisjes stil haar rijst aten, -de eerste nu van den vooronderstelden zelfmoord teruggebracht tot de -werkelijkheid, telkens bij haarzelf vragend, wat zij na dezen slag -moesten beginnen. Lena sneed Eddy ’n boterham, terwijl de meisjes -plagend hem zachtjes ’n totok noemden. - -Ineens hoorden ze stemmen in de voorgalerij, de ongelijke stap van -Henri kwam daarop naar achter en, onverschillig, hard lachend, riep -hij—de deur ruw opentrekkend, naar achter: - -„Ma, het lijk is present, hoor!.... Het ligt in ’t ravijn achter het -paitje.” - -Zij stonden allen op, en zagen onder het naar voren gaan het dikke -lichaam van Piet als tusschen de zijleuningen van ’n wipstoel -gewrongen; de grove handen op den knop van den stok; den kleinen, -gelen, ronden kop rustend op de handen, kijkend, doelloos voor hem naar -de tafel, als verdiept in een bestudeeren van het bitterglaasje, dat -erop stond; met een cachet van domme onverschilligheid over zijn heele -wezen; een menschelijke karbouw. - -„Dag ma,” zei hij opstaand, groetend en zijn moeder kussend, alsof er -niets was gebeurd. - -Mevrouw Uhlstra mocht dan blij zijn, dat hij niet dood was, zij toonde -geringe blijdschap over zijn levende tegenwoordigheid. - -„’t Is ’n mooi ding!” zei ze ernstig. - -„Ja; ik kan er niets aan doen, ma; het is de djamoer oepas, ma; doe -daar maar eens wat tegen! Nou, ik feliciteer hen! Laten zij den boel -maar zelf doen. Je zult eens zien, ma, er komt niets van terecht.” - -„Wat is dat?” vroeg Eddy. - -„Da’s ’n ziekte,” verklaarde Piet. „’n Ziekte in de koffie. Je heele -oogst gaat weg.” - -„Niks aan te doen,” gaf Henri toe. - -Ze keken elkaar aan. Men kon toch een plantenziekte niemand tot een -persoonlijk verwijt maken! Wat wisten ze bovendien met hun allen van -djamoer oepas? - -„Weet Roos het al?” vroeg mevrouw Uhlstra. - -„Ik ben het even wezen zeggen.” - -„En?” - -„Ja, ze waren niet lekker, natuurlijk.... Wat wil je er tegen doen? -God, ik ben nog even naar Soerabaya geweest, en daar heb ik ’n pleizier -gehad....! Er was ’n bal costumé.... Ik ben er natuurlijk -heengegaan....” - -„Als wat?” vroegen zijn zusters vol belangstelling bijschuivend met -haar stoelen. - -„Als ’n Indiaan!” - -„Loh!” riepen ze, lachend; en mevrouw Uhlstra en Henri lachten ook. - -„Veeren op je kop, ja?” vroeg een der zusjes, nieuwsgierig. - -„Natuurlijk! ’n Beste boel daar!” - -En hij vertelde van het bal en de costumes, en de familie Uhlstra -luisterde met gespannen aandacht en vroolijk lachende gezichten, naar -wat Piet, de Indiaan, zei,—het land en het verloren geld verder -overlatend aan de djamoer oepas. - -De belangstelling nam toe naarmate Piet over dat bal costumé meer -onbeduidende nonsens uitkraamde en de gruwelijkste flauwiteiten ten -beste gaf over de dames en haar costumes. Het jonge paar was er niet -bij gebleven, maar ’n eindje den weg opgewandeld. Eddy had zich -geërgerd, maar hij wilde het niet zeggen: den eersten avond van z’n -engagement had hij in ’t geheel geen lust tot denken over anderen en -anderer belangen; naar zijn zin had hij het al veel te veel moeten doen -dien avond. Zij liepen voort over ’t voetpad samen, in het duister der -boomkruinen, zwart bij het witte maanschijnsel op den weg; ze spraken -zachtjes, zij, in de volle overgave aan haar jonge maagdelijke liefde, -met een gevoel van heerlijk door niets te storen geluk, dat haar het -leven zoo licht, de wereld zoo mooi deed vinden; hij, den arm om haar -heen, als in een roes van een hem heelemaal vreemd genot, met vlagen -van dichterlijkheid, waarin hijzelf schik had, zoo vreemd vond hij ze; -voortpratend zachtjes over alles wat hij zoolang al voor haar had -gevoeld en over haar had gedacht; van de toekomst voor hun beidjes ’n -helder zonnig schilderijtje makend, een schets van het met weinig -gelukkig zijn en tevreden; van het stellig vertrouwen, genoeg te hebben -en eigenlijk de wereld verder te kunnen ontberen; de oude jeugdige -poëzie van de stroohut.— - -Geen oogenblik dacht hij eraan, dat dit alles wel wat vreemd was, voor -iemand als hij, met een eerste jeugd achter den rug als de zijne; voor -een gewezen pierewaaier eerste klas, die reeds van alles brutaal -meêdeed, toen hij eigenlijk nog een kind was; voor wien, toen hij als -schooljongen uit Indië ging, het materieel verkeer met vrouwen niets -bijzonders meer had; die daarna in Holland als student ’n leventje had -geleid van het eene bacchanaal op het andere. - -Maar ’s avonds laat, toen hij niet slapen kon van geluk en -opgewondenheid, toen hij buiten lag te pikiren, achterover in een -luierstoel, de beenen uitgestrekt op de uitslaande leuningen, en toen -een inlandsche meid stilstond voor de pagger en begon te neuriën ’n -maleisch deuntje, er zachtjes bij kuchend en hemmend,—toen overviel hem -een groote walging van zichzelf. Ajakkes, hoe was het toch -mogelijk....? Dat begreep hij nu heelemaal niet. ’t Was net of dat -frissche mooie meisje, zoo rein naar lichaam en ziel, een stroom van -kieschheid en fijngevoeligheid in hem had doen varen! Als hij nu dacht -aan al die Jan-en-allemans vrouwen, waarmeê hij zich had opgehouden in -z’n leven, dan dégouteerde ’t hem. Nu ja, of ze chic waren en elegant, -als in de groote europeesche steden, of maar ’n sarong en ’n baadje -droegen als hier,—’t was toch ten slotte alles even smerig en vuil: -innig vuil. Bah! - -Met een ruk wierp hij zich om. Hij moest er niet aan denken! Het hielp -hem niet: hij dacht er toch aan. En het was alles nu zoo goed, zoo -heerlijk, zoo gelukkig! Maar, als ze eens getrouwd waren ’n jaar of -wat..... zou de natuur de door hem vroeger getrokken wissels dan niet -ter betaling aanbieden? Eddy Markens werd bang. Met zijn verleden had -hij reeds lang gebroken. Hij was nu al jaren een werkelijk voorbeeldig -levende jonge man; aan zijn soliditeit twijfelde geen mensch; hij was -krachtiger en gezonder dan ooit; zijn tot rust en regel gekomen gestel, -goed en gezond van nature, had zich geredresseerd; de vermoeide trek -van halve verloopenheid, die vroeger aan zijn fijn gezicht iets gemeens -gaf, was verdwenen; hij had ’t goede uiterlijk van een physiek normaal -mensch. - -Dat alles had hem verheugd. Hij vertrouwde op zichzelf; zijn werk was -nu erkend goed; zijn maatschappelijke positie voldoende; alles bijeen, -was hij al lang tevreden over en ingenomen met zijn persoon. - -En nu daagde daar ineens voor hem op het beeld der verknoeide -jongelingsjaren, met een dreigend: „Wacht maar, vrindje? Ik zal je wel -vinden.” Hij rilde ervan! Dáártegen was nu niets hoegenaamd te doen, en -die ééne overweging moest hem troosten! - - - -Alleen in haar huis, bleef mevrouw Lugtens achter, toen haar aanstaande -schoonzoon was weggegaan; in haar kamer had ze zitten huilen. Ze wist -niet precies waarom; het waren enkel maar de feiten. Haar jongens waren -het binnenland in, één als klerk, de andere als opzichter en zoo. Dat -ging haar weinig aan; gelukkig, dat ze weg waren, die rakkers! Maar -Lena, het kind van haar eenige groote genegenheid, en.... den oude -Markens, dien ze vermoord had; zij zag nog in gedachten den kwaden -grijzen kop en zij hoorde zijn woedend: „Mensch, ga uit mijn weg!”.... -en nu die nette, mooie jongen, de zoon van Markens, die Lena wou -trouwen en met den bruidsschat haar speelschulden betalen.... ’t Was of -die feiten haar hard in het gezicht sloegen, en een afkeer bij haar -wekten tegen haarzelf en haar leven; zij kreeg uit een laatje van haar -spiegelkast een marokijnen doosje met rood pluche van binnen en onder -een glas in het midden ’t miniatuurportret van Geber; ze had het in -geen jaren open gehad; nu wreef ze zachtjes, voorzichtig het dunne -stoflaagje van het glas en ze keek in zijn knap, intelligent gezicht -met den cynischen glimlach, die hem zoo typisch stond; het heele -verleden doemde daarbij op, kwam haar voor den geest in lang vergeten -bijzonderheden; ze verdiepte zich er heelemaal in; zij zag het met zijn -eigen omgeving van rijkdom en pracht; in zijn lijst van grootheid, van -blinkende equipages, kostbare europeesche ameublementen, reusachtige -spiegels, marmeren vloeren.... - -„Njonja!.... njonja!....” riep zacht aan de deur haar baboe. - -Mevrouw Lugtens schrikte er zoo van op, dat haar hart bonsde. - -„.... Ada,” vervolgde de meid op denzelfden zachten toon. - -Neen, dat kon niet, daar moest een eind aan komen! Van schaamte over en -voor haarzelve steeg haar het bloed naar het hoofd. - -„Ik kan niemand spreken,” zei ze. „Morgen.” - -Een oogenblik later kwam de meid terug: „Minta Oewang.” - -Mevrouw Lugtens werd daar niet prettiger door gestemd; zij hechtte niet -aan het geld, en, als ze het had, gaf ze het zonder zich te bedenken; -nu echter droeg die brutale vraag bij tot haar vernedering, tot het -besef van den toestand, waarin zij was geraakt. Met een diepen zucht -stond zij op en zocht in haar secretaire; zij vond niets dan wat -pasgeld; zij had geen rijksdaalder kunnen geven. En zij zond de -boodschap: Oewang soeda habis. Maar dat was voor doove ooren gesproken! -Daar was de liefhebber niet meê af te schepen. Als zij niet zoo -neêrslachtig, niet zoo bedroefd was geweest, met een overweldigende -neiging om tot inkeer te komen en zich te beteren, zou zij boos zijn -geworden en het brutaal individu met een overweldigend standje hebben -weggejaagd. Nu bleef ze zitten, in stille moedeloosheid. Zij zond -alleen de meid weg met last het huis te sluiten en zelf draaide zij -hare kamerdeur op slot. - -Wat en hoe zij doen moest, stond haar niet voor oogen; naar haar -familie wilde zij niet gaan, zij zou nog liever haar zedeloos leven -voortzetten, dan zich aansluiten bij een zoo lastig mensch als haar -zuster Lena, een zoo inhaligen kerel als Freddy Markens, een feeks als -Lize, met een dronkaard als Henri.... dat nooit. - -Als zij eens.... naar de oude mevrouw Markens ging. - -Eerst schrikte ze van haar eigen idee terug, en vond het al te gek. -Langzamerhand scheen het haar minder buitensporig. Zij hoorde wel, dat -er met steentjes werd gegooid tegen haar stores, maar zij deed als -hoorde zij het niet. Wel zeker, het kwam haar ten slotte voor als de -eenige oplossing. Zij zou mevrouw Markens raad gaan vragen; door het -huwelijk van Lena en Eddy werden zij nu toch aanverwanten, dat was -meteen ’n geschikte aanleiding. - -En de oude mevrouw Markens kreeg wel haast ’n beroerte van -ontsteltenis, toen zij ’n bezoek ontving van „die” vrouw, maar dat ging -voorbij; zij hoorde alles rustig aan verder, als zat zij de andere de -biecht af te nemen; en Clara viel het meê; dat verhaal van het bezoek -van Markens luchtte haar gemoed op; zij had op alles gerekend, op toorn -en verontwaardiging; zij had geen woord van verwijt gezegd, indien zij -als een hond de deur was uitgejaagd. Het tegendeel was waar! Mevrouw -Markens op haar beurt was zeer tevreden. Haar man was dus niet zoo -zondig gestorven als zij altijd had gedacht; hij had zich enkel maar -kwaad gemaakt en daardoor ’n beroerte gekregen; aan overspel had hij -zich niet bezondigd... - -Nu deze persoonlijke aangelegenheid zulk een gunstig verloop had, ging -de rest veel gemakkelijker; mevrouw Lugtens was, dat stond vast, een -zondares, en in zoover dus een zeer belangwekkend sujet; het was -ongetwijfeld een welgevallig werk haar op te heffen uit den poel enz. -enz. Een kolfje, eigenlijk, naar de hand van mevrouw Markens. Zij -bleven samen den heelen dag; Clara werkelijk met een gevoel van -gerustheid en vertrouwen, dat ze in geen jaren had gekend. - -En het waren geen halve maatregelen, die ze namen! Den volgenden -Zondagochtend reed mevrouw Lugtens met haar nieuwe vriendin naar de -kerk; zij ook in een zwart luster japon, zoo eenvoudig mogelijk -gemaakt. - - - - - - - - -VEERTIGSTE HOOFDSTUK. - -DE BENGAALSCHE KOE. - - -Roos, die alweêr in „gezegende” verkeerde, had geen woorden voor haar -verontwaardiging, toen ze ’s morgens den bekenden coupé langs haar -woninkje zag rijden en de beide vrouwenhoofden, een grijs, een -grijzend, haar stijf en deftig groetten. - -Zij schommelde naar achter, waar Freddy op een ladder tegen de -duiventil was geklommen om te zien of er al jongen waren, en te -berekenen, wanneer deze reproductie gratis een lekker schoteltje voor -hem kon opleveren. - -„De wereld loopt ten einde,” riep ze hem toe. „Wat denk-je, dat ik daar -heb gezien?” - -„Ik zag ma rijden, door de boomen.” - -„En wie denk-je, dat bij haar zat?” - -„’t Is al vreemd genoeg, dat iemand bij haar wil zitten.” - -„Tante Clara, Fred; waarachtig, tante Clara in een zwart japonnetje!” - -Er lag Roos nog heel iets anders op de lippen, maar ze durfde het niet -zeggen: het was iets over zekere lieden, die, als ze oud worden, onder -den preekstoel gaan zitten; doch zij hield zich in voor haar man; hij -mocht eens denken, dat zij het op haar schoonmoeder had gemunt, en die -mocht dan ’n onverstandig, zwak mensch wezen,—van zulk een kant had -nooit iemand iets op haar kunnen aanmerken. - -Freddy keek naar beneden en begon te lachen. - -Wat werd zij toch ontzettend dik! Maar hij vond het niet leelijk, in ’t -geheel niet! Het viel in zijn smaak van verloopen man; ’t was nog het -eenige, dat hem aantrok. Hij klom de ladder af en wandelde met haar meê -naar binnen, zijn vluggen tred van mager mensch inhoudend naar haar -korte stapjes, ongelijk en de hielen wijd van elkaar. - -„Wat zou er aan de hand zijn?” vroeg hij. - -„Dat mag ons-lieve-heer weten. Ik stond er versteld van. Jij niet?” - -„Och!” zei hij. „Men ziet dat meer. Daar zal weêr wat over gebabbeld -worden!” - -Zoo pratend binnenkomend, zagen zij een man in de voorgalerij, onrustig -heen en weer draaiend voor de gangopening naar binnen, dan naar den -eenen, dan naar den anderen kant. - -„Daar heb je waarachtig dien brutalen kerel weer,” zei Roos. „En dat -nogal op Zondagochtend.” - -Waarom dit verschil maakte met een anderen ochtend in de week had zij -niet kunnen verklaren; zij en haar man maakten nimmer eenig -onderscheid; maar conventioneel vond zij den Zondagochtend toch een -argument tegen dit of dat. - -„Vervelend!” mopperde Freddy. „Ik wou dat hij me met rust liet.” - -„Je geeft hem maar niets, hoor!” - -„Als hij goede borgen heeft.” - -„Och!” zei ze schamper, „die heeft zoo’n akelige kerel toch nooit.” - -Sedert zij waren, wat vooral door hen, die ervan gebruik maakten, -„woekeraars” werd genoemd, hadden zij ervaringen opgedaan. Zij leenden -geld onder borgstelling en tegen onderpand; kleine bedragen meest, ten -minste altijd beneden de duizend gulden; als het heel solied was, -rekenden zij één percent rente in de maand, dan waren er twee goede -borgen of een op driemaal ’t bedrag te schatten onderpand. En nog -liepen zij er dan in, vooral toen ze pas begonnen en ze de menschen, -die geld te leen vroegen, nog niet goed kenden; de borgen evenmin; dan -bleek het dat na twee, drie maanden de schuldenaar niet langer rente en -aflossing betaalde en hadden ook de borgen zich door allerlei -kunstgrepen als het ware in een fictieven staat van kennelijk -onvermogen weten te brengen, waardoor zij onaantastbaar werden voor den -schuldeischer. - -Dàt was het groote verdriet van Freddy en Roos; dáár hadden zij wat -over getobd! Zij hadden gedacht dat het zoo gemakkelijk was geld te -leenen tegen hooge rente. En het was ook gemakkelijk. Iets anders was: -het op tijd terug te krijgen. Die moeielijkheid hadden zij te gering -geschat; te veel de terugbetaling als een sous-entendu beschouwd, en nu -veroorzaakte dit wat zij hun „bankroetjes” noemden. - -Na het eerste jaar hadden die „bankroetjes” hun winst nagenoeg geheel -verslonden en toen ze samen de rekening hadden afgesloten op -Oudejaarsavond, keken ze erg sip en treurig; en of ze al zaten te -rekenen en in hun boeken de achterstallige crediteuren aankalkten voor -de rente niet alleen, maar ook voor de rente van de rente,—het -resultaat was de moeite niet waard. Roos had in den loop van het jaar -één factuurtje juweelen voor een Arabier van de hand gezet, heel -geheimzinnig, aan chineesche njonjas en vrouwen van inlandsche hoofden, -dááraan had ze meer verdiend, dan met de heele geldschieterij. - -En daar heette men waarachtig nog „woekeraar” voor op den koop toe! - -Zij waren nu slimmer geworden, vooral Roos; slechts één zwak had zij: -zij liet zich gemakkelijk tot geld leenen overhalen door zwangere -vrouwen; als ze bemerkte, dat er zóó een in aantocht was, zond ze -Freddy naar het kantoortje, wetend dat diens hardvochtigheid tegen de -proëminentse zwangerschap bestand was, en hij zich niet zou laten -vermurwen, al werd er voor zijn voeten bevallen. - -Maar Freddy had ook zijn zwakke zijde; hij kon geen knielende mannen -zien zonder innig medelijden te krijgen. Dáár hadden ze al wat koopjes -door gesnapt! En nu dat bekend werd onder die rakkers van arme sinjoos, -lag er om ’n haverklap een voor Freddy op de knieën. Als Roos zulk een -volkje in het oog kreeg, ging zij hen in ’t kantoor ontvangen; zij kon -best tegen zoo’n knielpartijtje; dat liet haar koud! En in plaats zich -door het aanbieden der hoogste rente te laten verleiden of door de -smeekbeden van den geknielde, schold zij hem de huid vol om zijn -ondeugden, die hem altijd weer in moeilijkheden brachten. - -Soms, als er een fatsoenlijk man kwam, buiten schuld in nood geraakt, -maar hard werkend, zuinig en oppassend, leenden zij geld zonder -borgstelling of onderpand, maar natuurlijk om zich te dekken, voor hun -risico, tegen vijf percent ’s maands. Die menschen betaalden nog het -best! En Roos trok er de conclusie uit, dat wie toch maar goed doet, -goed ontmoet. Daar bluften ze op als er in gezelschap van zoo’n arme -familie werd gesproken en haar fatsoenlijkheid werd geprezen. „Ja,” kon -Roos dan zeggen met haar dik donker gezicht, nog altijd even vol en -zonder rimpel of plooi, de groote oogen zedig neergeslagen, den mond -tot een toetertje: „Ja, het zijn zulke lieve menschen. Wij hebben ze -nog eens kunnen helpen. Dat heeft me heel veel plezier gedaan.” - -Maar de man, die nu zoo onbeschoft was op Zondagmorgen te komen, -behoorde niet tot die lieve menschen. Hij was integendeel een zeer -„insolied merk”, het minste dat van hem werd gezegd, was, dat hij opium -schoof. - -„Ik zal maar even gaan,” zei Roos, ongerust. - -„Waarom? Laat mij het maar afhandelen.” - -„Geen gekheid dan, Fred!” - -Hij haalde minachtend de schouders op, zijn zwak wel kennend, maar niet -erkennend. - -„Mijnheer,” zei de man; toen Freddy met vertoon van kantoordeftigheid -achter zijn lessenaar was gaan zitten, „ik ben zoo vrij u nog eens -lastig te komen vallen. Och, mijnheer, help mij toch aan honderd -gulden, asjeblieft. Heb kasian, mijnheer, ik zit zoo in den nood.” - -„Je weet, Plents.... met solide borgen....” - -Maar het was, zooals Roos zei: die had zoo’n akelige kerel nooit. -Plents echter, liet zich niet afschrikken; hij bad en smeekte, hij -redeneerde niet, sprak niet van zijn eerlijkheid, hij drong maar -jammerend aan; en toen Freddy altijd door van neen schudde, ging Plents -met ’n schuiver ineens op zijn knieën, de handen gevouwen, de oogen -smeekend omhoog. - -„Ik bid u als God, mijnheer! Ik val aan uw voet!” - -Eenigszins verschrikt was Freddy snel opgestaan; dat vond hij toch -zoo’n beroerd gezicht! - -„Ja,” zei hij boos, maar niet goed wetend hoe eruit te komen, „het is -alles heel mooi; sta nu op, asjeblieft. Ik houd daar volstrekt niet -van.” - -Maar Plents was zoo verschoven niet of hij zag ’t voordeel, en terwijl -zich het kantoortje langzamerhand vulde met de vieze zoet rookerige -opiumlucht, die hij uitademde en die uit zijn haren en zijn kleeren -werd opgenomen in de atmosfeer, klonk klagend en smeekend zijn doffe -stem, met akelige gemaakte woorden, die hij zeker wel eens had gelezen -in ouderwetsche boeken of als klerk in officieele stukken enz. - -„Edele heer, heb toch kasian! Ik smeek u met verschuldigden eerbied. Ik -lig als een slaaf aan uw voeten. Help mij, edele heer! Ik heb de eer u -erom te bidden. Ach, de wereld heeft mij verstooten! Wees gij mijn -redder in den nood. ’t Welk doende, edele heer, ’t welk doende!” - -„Gévédé!” riep Freddy, „kerel schei toch uit!”—Hij had er geen woord -van verstaan; hij was enkel beroerd geworden van het zien van dien man -daar op de mat op z’n knieën, die naar hem opkeek met z’n groote zwarte -oogen met den roodachtigen achtergrond van schuivers en drinkers; en -dat gepaard aan het huilerig smeeken werkte altijd op zijn zenuwen; ook -nu weer zoo, dat de tranen hem in de oogen stonden. - -„Ik leen je geen honderd gulden,” hield hij nochtans vol. - -Freddy ging achteruit ’n paar schreden, maar Plents kroop hem na op de -knieën, hard er mee ponkend op den vloer, alsof hij er het eelt aan had -van tien monniken. En hij begon weer: - -„Als het dan geen honderd gulden kunnen zijn, och, edele heer, dan -smeek ik met referte aan mijn verzoek, diep in het stof....” - -Weêr vloekte Freddy: „Gévédé, als je nu niet uitscheidt....” - -De handen gingen opnieuw smeekend omhoog. - -„Edele heer!” riep Plents, „ik heb een koe op mijn erf.” - -Daar waggelde Roos met haastige waggelstappen naar binnen; de zorg in -de plooi tusschen haar wenkbrauwen, boosheid in de trekken om den mond. - -„Wat doe je toch!” riep ze ontsteld, Freddy ziende met de hand aan het -geldtrommeltje, dat hij uit de brandkast gehaald en op zijn lessenaar -gezet had. - -„Hij heeft een koe.” - -„Zoo,” zei Roos ineens van toon veranderd, belangstellend maar -wantrouwend. „En wat is het er voor een?” - -„’n Bengaalsche,” zei Plents, die opgestaan was, en, voorover gebogen, -met z’n zakdoek het mattenstof van z’n broeksknieën sloeg. - -„Zeker ’n droge, hè?” - -Maar Plents schudde het hoofd met ernst en vastheid. - -„Pas drie maanden gekalfd, mevrouw; zes flesschen daags.” - -„Nou ja,” zei ze met een zucht. „Dáár weten we alles van!” Maar ze -dacht er toch aan met welbehagen. Wat zou het heerlijk zijn, als ze nog -’n flinke melkkoe hadden! Als ze dien vent nu wat geld leenden met de -koe tot onderpand en voor ’n paar maanden, dan was er vooreerst het -voordeel, dat men met de melk.... Voorts betaalde Plents zeker niet, -want dat deed hij nooit, en dan was na dien tijd, juist tegen haar -bevalling, de bengaalsche koe, die zes flesschen melk daags gaf, voor -’n bagatel hun eigendom. - -„Hoeveel vraagt hij?” fluisterde zij tegen haar man. - -„Vijftig pop.” - -„Zeg eens Plents, waar is die koe?” Hij wees met z’n duim over z’n -schouder. - -„Op mijn erf, mevrouw.” - -„Kunnen we hem eens zien?” ’t Was ’n vaste gewoonte van Roos een rund, -een hond en een vogel „hem” te noemen, zonder aanzien des geslachts. - -„Wel zeker; als u maar dadelijk meêgaat.” - -Schoon het Zondagochtend was, deed zij het, en onder een groote -en-tout-cas van roomkleurige katoenen kant, rood doorschijnend van de -voering en met zwalpend afhangend punt-ornament van dezelfde stof, -waggelde zij, rechtuit kijkend, den weg af, met deftige langzaamheid, -een dikke, breede bobbel, onder de door ’t spannen in plooien -stijf-glad trekkende helderwitte kabaja; de broodmagere Plents naast -haar, als een uit den grond opgeschoten asperge, druk pratend en -gesticuleerend met z’n vel-over-been-handen, tegen de naar hem heen -gebogen, telkens zijn hoedrand rakende pajong. - -Roos bevoelde de bengaalsche koe, die rustig at van den geringen -grasvoorraad op een klein, slecht onderhouden erfje met niet -onderhouden vervallen pagger; het houten huisje vies en onooglijk, met -een armoedig donkeren inkijk. De koe was mooi en proper, haar zacht wit -vel, met intens zwarte vlekken, glimmend als satin de laine, voelde -lekker aan, gevuld op de ribben, vettig warm van goed gevoed vleesch; -en haar uiers flink en ruim ontwikkeld, stevig en veerkrachtig, met -rose en lichtgrijze tinten en vaste, gezonde tepels,—wel, het was, vond -Roos, een schilderij om te zien; de weelde en de rijkdom der natuur bij -de armoede der menschen. - -Ze zei niets, knikte en ging weer heen, zachtjes wegschommelend op haar -slofjes, bij ’t hek nog eens omkijkend naar het mooie beest; de heele -voordeelige berekening opnieuw doormakend, met een gevoel van innig -pleizier over het buitenkansje. - -Thuis beduidde zij Freddy, die in de achtergalerij zat te tawarren op -’n dozijn kippen, met een neêrslaande beweging harer oogleden, dat het -in orde was, en hij ging dadelijk naar zijn kantoor om het papiertje op -te maken. Vijftig gulden over twee maanden terug en drie percent per -maand over de twee maanden te betalen. Plents maakte geen aanmerking; -hij was dankbaar; hij teekende voor vijftig gulden en ontving er zeven -en veertig. - -„Ik zal de koe maar dadelijk laten halen,” zei Roos. - -„Goed,” zei Plents, en zij gaf den tuinjongen er last toe, terwijl de -man het geld stil opstreek en met diepe buigingen, nogmaals dankend, -heenging. - -Maar de tuinjongen kwam onverrichterzake terug; er was geen koe. Een -doodelijke schrik en ongerustheid sloeg hen om ’t hart. Roos beefde van -zenuwachtigheid; Freddy zag bleek, en beiden liepen, zonder een woord -te spreken, naar buiten; zij haar best doende om tegen hem op te -werken, in haar haast al wat uitstak aan haar een eigen beweging -gevend, wat ’n paar aankomende meisjes, die hen op den weg tegenkwamen, -de hand voor den mond deed houden van het lachen. - -Op het erfje stond werkelijk de koe niet meer, en in het vuile krot was -niemand. Toen Roos op den houten vloer stapte, ging zij met een -verschrikt: „O, Jezus!” weer gauw achteruit, zoo kraakten de planken -onder haar zwaarte; maar Freddy, licht als ’n veer, wipte er snel -overheen naar achter, waar een bejaarde inlandsche vrouw zat, in een -door ouderdom en smerigheid zwart schijnend lang blauw baadje, en uit -wier tandeloozen, ingevallen mond op elke vraag haast onverstaanbaar -het antwoord kwam: tida taoe. - -Besluiteloos keken zij op het voorerfje weder rond; er was verder niets -te zien; een eindje den weg op stond een oudachtig man voor zijn van -kippen en duiven wemelend voorerf ’n pijp te rooken, met, schoon hij in -nachtbroek en kabaai was, het uiterlijk van een oud-militair. - -Roos kuierde langzaam naar hem toe; in „zaken” deed zij meestal het -woord; Freddy half onwillig met haar meê. - -„Mijnheer,” zei ze met ’n erg lieve, beleefde stem, „is u misschien ook -bekend met den bewoner van dat huisje ginds aan de overzij?” - -„Dien Plents bedoelt u? Jawel mevrouw.” - -„Weet u misschien waar hij is?” - -„Waar hij is? Neen mevrouw, dat zou ik u niet kunnen zeggen.” - -De man lachte erbij, als stak er meer achter, wat hij niet wilde -zeggen. - -„Ziet u, wij hebben daareven van Plents een bengaalsche koe gekocht.” - -Weêr begon de man te lachen, zijn grijze snorren opstrijkend langs zijn -frisch gezicht van kloeken man op leeftijd. - -„Neem me niet kwalijk, mevrouw, maar ik moet erom lachen. Het is zoo’n -gek idee, dat die Plents een bengaalsche koe zou bezitten om te -verkoopen.” - -„Hij had er toch een,” verzekerde Freddy. - -„Wilt u even meê achter komen?” - -Zij volgden den man naar zijn achtererf, waar verscheidene koeien en -mooie fokstieren stonden in stallen en gedogans hoog uit den grond. - -„Is het dit beestje ook, mevrouw?” - -„Ja mijnheer,” zei Roos met tranen in haar stem en begrijpend reeds wat -nu ook Freddy snapte. - -„Dan heeft de gauwdief u opgelicht, want dat is een koe van mij, hier -in mijn eigen stal geboren, mevrouw. Maar het gras is duur in de -droogte nu, en ik stuur de beesten dan wel eens kirikanan om te weiden -op de erven van menschen in de buurt, die toch niks uitvoeren met het -gras. Zóó heeft deze vanochtend op het erfje van Plents gestaan. Och -kom! heeft hij u het dier verkocht? En ’t geld?” - -Roos knikte. Het was ’n pracht van ’n beest. Zij was er verliefd op; -zij kon geen woord zeggen, ’t huilen haar nader staande dan het lachen; -zij keek maar naar de mooie koe, over wier bezit en melkgevend karakter -zij zich zooveel illusies had gemaakt; en Freddy bleeker nog van innige -woede, krabde het dier tusschen de hoorns, den oplichter diens portie -toedenkend als hij hem in handen zou krijgen. - -Teleurgesteld en beschaamd, door den eigenaar der koe achter de hand -uitgelachen, gingen zij heen, nog eens weer naar het huisje van Plents, -waarin Roos zich waagde, nu met doodsverachting. - -Maar er was niets, wat de moeite van het meenemen waard was; voor geen -tien gulden was er aan goed; alles was oud, gebarsten of gebroken, vuil -en verminkt, zóó dat het de moeite van het oprapen niet waard was -geweest, had men het gevonden langs den weg. - -„Zoo’n smeerlap!” viel Roos nu uit, overstelpt door de volheid van haar -gemoed, en al wat zij aan invectieven kon bijeenbrengen, om het te -luchten tegen Plents, volgde; zwijgend hoorde Freddy haar aan, tot zij, -opgewonden, hem de schuld gaf. Nu kwam hij op zijn beurt los tegen -haar, en in het smerige hok, in overeenstemming met het vuil der -omgeving, scholden ze elkaar grimmig uit voor veel wat leelijk was, tot -hun gemoed bedaarde en ze vreedzaam, in duo, weer uitvoeren tegen dien -Plents, die heel onverwacht nu voor hen stond, met ’n vroolijk, -opgewekt gezicht en frissche, schitterende oogen,—’n heel andere kerel -dan de man op de knieën ’n uur te voren; hij had geschoven. - -Voor Roos en Freddy was het als een verschijning van den duivel; hij -werd erg bleek, met belemmering van zijn anders zoo rap spraakvermogen; -maar zoo hij geen woord kon spreken,—Roos ging het des te gemakkelijker -af. Terwijl zij Plents uitschold, naderde haar dikke gestalte zijn -magerheid, en hij ging achteruit, zonder een woord te spreken, al -lachend met een tergend gezicht, vol pleizier. Freddy zag het aankomen: -Roos was zóó opgewonden, dat zij den kerel een klap zou geven, en hij -wist, dat het dezen juist daarom te doen was. Maar dan zou hij toch -ondervinden, dat het met de indische „jongens Markens” slecht kersen -eten was op die manier. En kwaadaardig hield hij Plents in het oog, die -onder den stortvloed maleische scheldnamen, hem door Roos naar het -hoofd gegooid, maar aldoor lachte en bij haar dreigend dichterbij komen -in dezelfde mate achteruitging. - -Zij stonden nu buiten op het erfje, ten naastenbij waar de mooie koe -had gestaan. Op den weg keken over den pagger ’n stuk of drie inlanders -en een paar jonge indo-europeanen, vrienden van Plents, die het een -fameuse aardigheid vonden, en die ook meelachten; en aan den overkant -stond de oud-gediende met het ernstig gezicht, stijf en stil als een -man op post. - -Plents, eenmaal zoover buiten, in het gezicht der „getuigen”, ging nog -wel voort met lachen, maar hij ging niet meer achteruit. En de klap -viel, midden in z’n gezicht, met meer kracht dan hij scheen verwacht te -hebben, zoo’n leelijk gezicht trok hij. - -„Daar zal ik je voor aanklagen bij den officier....” - -„Van Justitie,” wou hij eraan toevoegen, maar hij had den tijd niet, -want Freddy Markens pakte hem bij de keel en wierp hem met een harden -smak op den grond, precies waar de koe had gestaan. „Toelong!” riep -Plents met een angstige stem, en zijn twee kameraads schoten dadelijk -toe op het hekje. Maar de oud-soldaat was er met een springpasje, zoo -vlug als men ’t bij zijn grijze haren niet zou verwacht hebben, bij in -een wip. Zij hadden het hekje al open en één was er reeds door; hij -werd in den nek gepakt en op ’n manier teruggetrokken, die geen twijfel -of tegenspraak toeliet. - -„Jullie blijft eraf, hoor!” - -„Maar hij zal hem doodslaan.” - -„Kan niet schelen! ’t Is man tegen man. Maar jullie blijft er af, hè.” - -„Dat zullen we zien!” - -Zij maakten een beweging om op te dringen; ze bewogen zenuwachtig hun -stokken, maar ze kwamen niet verder, en de andere keek hen maar aan, -met ’n bar gezicht vol opzettende kwaadheid, die bedaarde toen er ’n -paar jonge kerels van zijn erf aan den overkant op hun bloote voeten en -in nachtbroek en kabaja hard kwamen aanzetten. - -Ineens sloeg toen den vrienden van Plents een overweldigende schrik om -het hart, en ze vlogen den anderen kant uit, als vervolgde hazen. De -oude wenkte zijn zoons, die meenend, dat hun vader iets was gebeurd, de -twee vluchtenden achterna wilden. - -„Haal jullie de twee van elkaar,” zei hij. - -Het was onjuist gezegd. Slechts Freddy moest van Plents worden -afgehaald; hij had hem onder de knie en bewerkte als in razernij met -beide vuisten zijn gezicht. - -Roos zat huilende op de trede van ’t voorgalerijtje, nu en dan roepend: -„Sla hem toch niet dood, Fred; je bent zoo sterk!” In haar ziel had ze -wel gewild dat hij hem doodsloeg. - -De tusschenkomst was hoog noodig, Plents bewoog zich niet en lag -bewusteloos in het gras. - - - -„Nu kan hij mij aanklagen,” zei Freddy met bevende handen de aarde van -zijn kleeren slaande. „Nu kan hij mij voor mijn part aanklagen.” - -„Ik zou maar heengaan, met mevrouw,” raadde de oud-militair aan. -„Jongens, de deugniet heeft een zware verzoling genoten,” vervolgde hij -in eigenaardig kazerne-idioom. „Hij zal nou voortaan wel wachten met -koeien verkoopen tot hij ze bezit.” - -Zij volgden den raad, terwijl de anderen Plents in zijn huisje -brachten, waar de oude inlandsche vrouw hem ’t schrikkelijk gezwollen -gezicht afwaschte, onder zacht gejammer; zij had van de heele -vechtpartij niets bemerkt; eerst toen men hem achter had gebracht, -snapte zij wat er gebeurd was, en toen kwam er weêr leven en besef in -haar; hij was slecht, maar toch haar kind! - -Roos en Freddy waren wel weêr bestolen, maar zij hadden een groote -satisfactie over het pak slaag; zij lachten er ten slotte om en waren -er trotsch op; zij gingen alles nog eens na; die oorveeg van haar was -ook raak geweest. De gedachte eraan verteederde Freddy en met -welbehagen kneep hij in de vleeschmassa harer dijen, lachend en plagend -over haar strijdlustigheid; en zij had na-rillinkjes vol pleizierige -aandoening, als ze bedacht, hoe bang ze was geweest, dat Freddy den -schurk dood zou slaan. Ze vonden de kans op een aanklacht tegen hen -gering; de vent mocht blij zijn, dat hij er nog met ’n pak slaag -afkwam; dáárvoor zouden zij het toch oninbare geld wel als verloren -afschrijven. - -Maar toen den volgenden dag de schout in hun voorgalerij stond en vroeg -om mijnheer en mevrouw te spreken, was het Roos of haar dikke beenen in -looden veranderden; ze drukte haar hand tegen haar hart met ’n idee -alsof dat wou ophouden te kloppen. - -Freddy ging rustig naar voren. Wat kon hem ’n schout schelen! Zijn -vader was ’n zoo hooggeplaatst man geweest; men had thuis de politie -wel altijd naar de hand weten te zetten. - -„Ik kwam u spreken namens den assistent-resident. Is u ook bekend met -zekeren Plents?” - -„Bekend.... ja.... hij heeft me bestolen.... in zoover ben ik met hem -bekend.” - -„Hebt u daarover gisteravond ongenoegen met hem gehad?” - -„Hij beleedigde mijn vrouw.” - -„En u bent handgemeen met hem geweest?” - -„Natuurlijk. Ik zeg immers, dat hij na ons bestolen en opgelicht te -hebben, mijn vrouw beleedigde.” - -„Zoo.... Nu, dat kan dan een leelijke zaak voor u worden, mijnheer -Markens.” - -Maar Freddy Markens, schoon inwendig ongerust, hield zich voor het -uiterlijk goed; hij lachte overmoedig: - -„Het zou wat!” - -„Nou,” zei de politie-ambtenaar, „ik zou niet graag in uw schoenen -staan. Plents is van z’n huis naar het hospitaal gebracht.” - -„Men zal,” zei Markens, kwaad nu en brutaal, „toch niet willen beweren, -dat die gemeene vent in het hospitaal is opgenomen moeten worden om de -paar klappen, die ik hem heb gegeven!” - -De schout glimlachte, met een hoofdbeweging, die zooveel zeggen wilde -als: hoort hem eens? Niettemin bleef hij heel ernstig. - -„Het schijnt toch, dat die wat te hard waren; de dokter heeft dat ten -minste geconstateerd.” - -„Nu ja, die dokters praten ook maar wat. Alles om drukte en soesah te -maken over kleine nonsense dingen, terwijl ze de groote -vergiftiging-zaken stilletjes aan den spijker hangen.” - -„Daar heb ik nu zoo geen verstand van, meneer Markens, maar.....” - -„Och wat!” viel Freddy nog altijd op brutalen kwajongenstoon hem in de -rede. „Ik heb dien smerigen oplichter misschien ’n blauw oog geslagen, -maar meer ook niet, en binnen een paar dagen is dat over.” - -„Dan moesten er bijzondere dingen gebeuren, want Plents is dood.” - -„Wat?” riep Freddy verschrikt. - -„Zooals ik u zeg, meneer Markens. En de geneesheeren hebben -geconstateerd, dat de dood het gevolg is van mishandeling.” - -„Maar dat liegen ze!” - -„Ik mag er niet over oordeelen, ik zeg het u slechts.” - -„Men zal toch niet beweren, dat ik hem heb doodgeslagen.” - -„Wat er gezegd wordt in het hospitaal, dat weet u, en verder zult u er -wel van hooren.” - -„Is er....?” - -De schout knikte toestemmend. - -„Ja, er is een aanklacht tegen u ingediend.” - -„Door wien?” - -„Dat weet ik niet. Er heeft al een onderzoek plaats gehad.... Ik kom -het u enkel maar vertellen.... Het doet mij leed om wijlen uw papa....” - -Blijkbaar wist de schout niet goed, wat hij verder eraan zou toevoegen, -hij draaide zijn pet met zilveren band ’n beetje verlegen in de hand -rond, terwijl hij nu en dan naar buiten keek. Freddy lette niet op hem. -Hoe langer hoe zwaarder begon het te drukken op z’n gemoed. En ineens -weer kwam het lang vergeten tooneel uit zijn jongenstijd hem voor den -geest. - -Hij zag weer het relletje in het kamp, toen zij de warong rampasten van -een Chinees; hij hoorde den baba schreeuwen, schelden en jammeren; hij -voelde het gewoel en het gedrang van den vechtenden troep Chineezen en -van de europeesche jongens; het was hem net of hij het stuk ijzer, dat -hij in een hoek naast ’n tokokast zag liggen, weer opnam en er den -Chinees mee doodsloeg.... dat was dan de tweede moord in zijn leven! - -Hij schrikte op uit den korten onaangenamen droom. Een dos-à-dos reed -het kleine voorerf op. Er ging hem een rilling langs den rug, en hij -keek vragend naar den schout. - -„Het is de substituut-officier, mijnheer Markens. Er is bevel tot -gevangenneming tegen u uitgevaardigd.” - -Zonder een woord te spreken, hoorde hij den ambtenaar der justitie aan, -die de kennisgeving op de officieele manier deed herhalen. „Ik ben tot -uw dienst,” zei hij, zich met geweld bedwingend. „Ik ga even mijn vrouw -groeten.” Nu was hij zichzelf weêr grootendeels meester en met vasten -tred ging hij naar achter, waar Roos wanhopig schreiende neêrzat. Het -deed hem aan en zijn gemoed schoot vol. - -„Toe Roos,” zei hij opbeurend. „Wees bedaard. Het is een ongeluk, maar -wij kunnen er niets tegen doen.” - -„Hoe is het dan nu, Freddy?” - -„Die Plents is dood en ze stoppen mij in de doos. Maar ik kom -natuurlijk vrij; dat kan niet anders.” - -„Ik ben er wel bang voor geweest,” jammerde zij. „Toen ik die kerels -daar voor zag staan, heb ik het aan mijn hart gevoeld.” - -Zij sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem, zooals ze het nog nooit -had gedaan. - -In hun zonderlingheid, met haast geheele afwezigheid van zuiver goede -eigenschappen, waren ze veel, heel veel van elkaar gaan houden, en -hoeveel dat was, voelden ze nu eerst. Roos had op dat moment alles -willen geven, om hem te vrijwaren, en alles zou Freddy volmaakt -onverschillig zijn geweest, als hij Roos maar had kunnen meênemen. Zij -hield hem snikkende aan haar hart gedrukt, en hij, heel ontroerd, sprak -haar bemoedigend toe en kuste haar. - -Toen hij weg was, zat ze verbijsterd rond te kijken; heelemaal suf; er -niets van begrijpend. Was het mogelijk dat haar man nu het huis uit was -en in de gevangenis? En wat zou ze aanvangen? Intusschen reed Freddy -langs de militaire wacht de poort binnen; de deurwaarder gaf de stukken -over, kreeg kwitantie voor het afgeleverde en men bracht hem door nog -eenige poortjes en gangen tusschen hoog metselwerk door naar een blok -en in een van de zes of zeven vertrekjes. Er scheen niemand hier -gevangen te zitten en Freddy keek vrij kalmpjes den boel eens rond. -Hier zou hij nu, dat was zeker, maanden moeten verblijven in het -gunstigste geval. Zijn practische aard nam dadelijk de bovenhand, en -hij vroeg, wat hem in preventieve hechtenis was toegestaan om zich het -leven te veraangenamen. Een paar uur later had Roos het hem op zijn -verzoek gezonden, en het verwonderde hem zelf, dat hij met dat al zich -zoo dadelijk schikte in zijn nieuwen en vreemden toestand, alsof, dacht -hij met galgenhumor, hij voor veroordeelde in de wieg was gelegd. - -Ze stroomden allen naar Roos dien avond. Wat men ook mocht hebben tegen -haar en haar man,—het moest, onder zulke omstandigheden, niet gelden. -Iedereen moest zij van meet af vertellen hoe het gegaan was, en schoon -zij niet inventief was van aard, had zij toch aan het verhaal een voor -Freddy bijzonder gunstigen draai weten te geven, die den heelen boel -maakte tot een soort epos, waarin haar man de heldenrol vervulde; de -gemeene Plents had, na haar te hebben bestolen, haar bespot en -beleedigd en een stomp voor den buik willen geven; zij had hem -afgeweerd en de arme Freddy, zichzelven nu niet meer meester.... Neen, -dàt was rein menschelijk! Dat kon iedereen zich levendig voorstellen! -En zelfs Eddy, die zijn broer kende en wist waartoe hij in staat was, -fronste, toen hij dàt hoorde, de wenkbrauwen, bedenkend waartoe hijzelf -in staat zou zijn als een vreemde kerel het mocht beproeven zijn vrouw, -en dan nog wel onder belangwekkende omstandigheden, voor den buik te -stompen. Het moederlijk gevoel van de oude mevrouw Markens, dat zich -eerst enkel in tranen en verzuchtingen tot het Opperwezen had lucht -gegeven, scheen de waarde der bijzonderheid te vatten. - -„Och, als de arme jongen er maar om denkt.” - -„Waarom mama?” vroeg Roos. - -„Wel, om vooral goed te doen uitkomen, dat het ongelukkige zondige -schepsel je heeft willen slaan en hoe hij dat wilde doen.” - -Een oogenblik dacht Roos na, toen knikte ze. Het idee was tot haar -doorgedrongen. - -„Ja, dat moet hij; zeker! Zou ik hem erover schrijven?” - -„Och dat zou ik niet doen. Zie hem liever morgenochtend te bezoeken. -Dat zal hem zoo goed doen.” - -Intusschen wonden de anderen zich op. - -Henri en Piet Uhlstra informeerden naar die helpers, van Plents, die op -de vlucht waren gegaan, en dat op een manier, die weinig goeds voor dat -tweetal beloofde. Mevrouw Uhlstra maakte zich bevreesd en had in haar -angst al visioenen van schrikkelijke veroordeelingen, die ze -handenwringend hardop zei, met akelige uitroepen en verzuchtingen; de -twee jonge opzieners, al reeds door de schuld van „onmogelijke kerels -van administrateurs” buiten betrekking, zaten Freddy te roemen als een -kranigen vent, met betuiging, dat ze niet anders zouden gehandeld -hebben in zoo’n geval. - - - - - - - - -EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK. - -ACHTERUITGANG. - - -Maar er was iets, dat allen in gedachten bezighield, buiten en behalve -dat ongelukkig geval van Freddy Markens. Niemand had er tot nog toe van -gerept, en toen ze eindelijk zoowat uitgepraat, uitgehuild en -uitgevloekt waren over de arrestatie, was Roos de eerste, die erover -begon, met een diepen zucht tegen Henri zeggend: - -„Ik hoop in Godsnaam maar, dat er niets is bij jou.” - -Iedereen zweeg en Henri keek verlegen voor zich; de door het vele -drinken opgeblazen wangen hingen slap en flets over zijn slordig -boordje en, de wenkbrauwen opgetrokken, zag hij er ongelukkig uit. Ze -hadden er allen iets van gehoord; ze wisten, dat er iets dreigde; dat -Henri standjes had gehad met zijn geldschieters; dat het een erg -gespannen toestand was. En ze zaten allen in het land met hun geld: -mevrouw Lugtens, Roos, mevrouw Uhlstra, allen, en het was hun laatste -bezit van aanbelang; het overige beduidde niets. Zoolang Henri hun hun -percenten uitkeerde, konden zij leven; hield dat op, en was het -kapitaal verloren, dan was dat de ruïne. - -„Weet je,” zei Henri huilerig. „Ik kan geen ijzer met handen breken.... -en ik kan me toch ook niet heelemaal als kwajongen laten behandelen.” - -„Neen,” zei mevrouw Uhlstra, hem dadelijk bijstaand, „dat kan hij niet; -dat zou zijn vader ook niet gedaan hebben.” - -„Als papa was blijven leven,” zei Roos scherp, „zou er geen reden voor -geweest zijn.” - -„Ik kan het niet,” hield Henri vol. - -En Piet ook, met ’n heel dom en eigenwijs gezicht zichzelf meê -verdedigend: - -„Nu, dat is onmogelijk; dat kan ’n mensch niet.” - -„Maar hoe is het er dan nu meê?” - -„Ja, ze willen den boel verkoopen. Ik kan de rente en de aflossing niet -betalen, en ze willen me den tijd niet verder gunnen.” - -„Ja, geld.... geld.... Als de landen meer opbrachten dan wat zij -krijgen.” - -Doch iedereen voelde wel, dat daarvan geen sprake kon wezen, en ze -zaten stil en verslagen voor zich te kijken. - -„Zou er niets aan te doen wezen?” vroeg Eddy Markens. - -En toen ze hem allen vragend aankeken: - -„Ik bedoel om voor het oogenblik het kapitaal ten minste te redden.” - -Daar werd nu over gedelibereerd, druk en gewichtig; het was een -straaltje van hoop, dat allen recht aangenaam was, en onder het praten -der mannen, hoorde men de vrouwenstemmen, God en den Hemel verzoekend -„het” toch te „geven,”—want „anders”.... daar moesten ze niet aan -denken. - -Men deed ook het mogelijke om niet aan die nare toekomst te denken, en -er daalde een groote gemoedelijkheid over de stemming. - -Mama Uhlstra bleef bij Roos logeeren, omdat het zoo naar voor haar was -alleen te zijn, en toen de anderen heengingen, was het een algemeen -klappend en smakkend afscheidzoenen, met de beste wenschen voor -zichzelf en elkaar. - -Hard schoten de mooie zwarte paarden vooruit in de duisternis; had Piet -ze niet zoo vast in de hand gehad, ze zouden de pagger omver hebben -gereden. En de americaine vloog over den ouden bekenden weg naar -Tji-Ori. Onderweg spraken de broers geen woord. Lize was al naar bed en -het landhuis stak als een zwarte, donkere, onheilspellende massa af -tegen de schitterende sterrenlucht, toen zij de breede laan opreden. - -In het schemerlicht van ’n klein laag neergedraaid lampje gingen ze de -hooge trap op. Henri nu en dan struikelend over een trede, Piet, -langzaam, de heele zwaarte van zijn dik lichaam bij elken stap op den -grond latende rusten. Op de marmeren tafel lag een brief, de groote -roestige huissleutel was voor ’t wegwaaien er bovenop gelegd; in de -breedte van het groot, vierkant grijs enveloppe bovenaan las Henri al -op ’n paar pas afstand den naam van de instelling die geld had geleend -op zijn landen. Hij trok den brief onder den sleutel weg, die -dofrinkelend, draaiwaggelend op de marmeren tafel nog nabewoog, en keek -Piet aan, wiens donker gezicht vet glimmerig bij het flauw -lampschijnsel een nog onnoozeler uitdrukking nam dan anders. - -„Daar zal je het hebben,” zei hij zuchtend. - -„Ja!.... Maak maar open.” - -„Wil je gelooven, dat ik niet durf.” - -„Och, wees niet kinderachtig. Het helpt toch niets.” - -Maar de vingers van Henri beefden, en zenuwachtig draaide en keerde hij -den brief om en om. - -„Geef hier!” zei Piet. „Laat ik het maar doen.” - -Tegelijk nam hij den brief uit z’n broers handen en scheurde, zijn -dikken wijsvinger tusschen het ongeplakt gedeelte stekend, ruw het -enveloppe. - -„Dáár!” riep hij den brief op de tafel gooiend. „Lees nu maar zelf ons -doodvonnis.” - -Ze keken er maar in. Het was een feit; het werd meegedeeld in korte, -zakelijke woorden; logisch, in een goed verloop van causaliteit; zonder -hartstocht of tegenwil; met „geachte” erboven, „hoogachtend” eronder en -„uw dienstwillige dienaar” als parodische beleefdheidsvormen. Terwijl -zij de zaak omzetten in een persoonlijke aangelegenheid als van leven -en dood, werd in den brief slechts het gewone al of niet aan -verplichtingen voldoen met de gevolgen van het laatste behandeld, koel -en voor gemoedelijkheid onvatbaar. - -„Dus zijn we heelemaal.....?” - -„Ik,” zei Henri, „zie er althans verder geen gat in.” - -„Het is onbegrijpelijk.” - -„We moeten nog een beetje buiten blijven zitten, Piet. Ik zou met geen -mogelijkheid kunnen slapen. Maak jij ’n grogje.” - -Ze vielen neer in de lage stoelen, de sigaar in den mond, het grogje -voor hen, zonder ooit in hun leven te hebben geleerd, wat ze ook nu -niet wisten: ontberen, en waarvoor ze dáárom ook eigenlijk zoo heel -bang niet waren. - -„Weet je wat,” riep Piet. „Begin morgen er eens met Eddy over. Hij is -verduiveld betjoegt; dat heb ik al lang gesnapt.” - -„Maar wat zou hij kunnen doen.” - -„Dat weet ik niet precies. Jij zult het beter begrepen hebben dan ik.” - -„Ja....” zei Henri langzaam. „Ik geloof, dat ik ’t heb begrepen.” - -„Een maatschappij?” - -„Precies. Het is natuurlijk een manier; maar hij kan er den heelen heer -bij overnemen, en ik zou het liever zóó aanleggen, dat die grootendeels -over boord raakte.” - -De redeneering ging Piet’s verstand ver te boven. - -„Ik mag sterven,” zei hij openhartig, „als ik het snap; ik begrijp er -geen laars van.” - -En nu ging Henri, met van de talrijke brendy-soda’s zware tong, aan het -nader verklaren, tot eindelijk de bedoeling van Eddy en de zijne tot -het beperkte denkvermogen van Piet waren doorgedrongen. - -Doch plannen waren niet meer dan dat. Den volgenden dag gingen zij erop -uit met groote drukte; zij hadden conferenties en vergaderingen; er -werd van alles voorgesteld en overwogen, doch er kwam niets tot stand, -en op een kwaden dag zouden de landen geëxecuteerd worden. - -Neerslachtig liepen Henri en Piet het erf over bij het huis. In de -stallen stonden de paarden, die men noodig had en ook die men in ’t -geheel niet noodig had, maar daarom nooit weg had gedaan; in de ruime -wagenkamer, een zaal, stonden acht rijtuigen van allerlei soort, mooie -europeesche rijtuigen, waarvan er vijf nimmer gebruikt werden, maar die -men nooit had gedacht te zullen verkoopen. Zij keken het nu aan, alsof -’t allemaal hun vreemde nieuwe dingen waren, dingen die iets bijzonder -interessants hadden gekregen. - -„’t Is toch ’n bliksems mooie stal,” zei Piet, den blik latende gaan -langs de goed bezaagde djati-houten stijlen. - -Zoo liepen ze door, pratend over alles; de waterleidingen, waarnaar ze -anders veel te weinig omzagen; de wegen, de gebouwen bekijkend als op -een nauwkeurige inspectie, en overal ontdekkingen doende van nieuwe -bijzonderheden; zij liepen voort, uren achtereen, over naar Koeningan, -en toen ze daar wat gegeten hadden, weer verder door de rijstvelden, -tusschen de erven der kampongs, druk in het bespreken van alles, bij -een nu noodeloozen ijver en opmerkzaamheid, die het behoud van veel zou -geweest zijn, hadden zij haar vroeger en voortdurend ook maar voor de -helft betoond. - -Tegen het zuiden liep het terrein wat heuvelachtig op; zij naderden de -grens van het land aan dien kant; het was al doende vijf uren geworden -en in de sterke declinatie der zon lagen lang de schaduwen van bosschen -en verspreid geboomte over het land, dat ze overzagen. - -Henri Uhlstra keek rond naar alle kanten; hij zag de velden in verre -uitgestrektheid vol rijpende padi, de weiden met het talrijke grazende -vee, de volkrijke kampongs, de aanplantingen van allerlei uit vroeger -jaren. Het was alles goed, en hij kende het zijn leven lang; neen, het -was het land niet, dat te kort had geschoten! het land was altijd goed -en dankbaar geweest en dat was het nog; het was het land niet, dàt -voelde hij nu eerst goed; het waren de menschen, zij zelf! - -Nooit had het hem zoo duidelijk voor den geest gestaan. Nog altijd -bracht het land op, wat het opbracht onder zijns vaders beheer en onder -Geber. Maar voor allerlei, waarmede het land niets uitstaande had, was -er schuld gekomen op het land. Tot de jaarlijksche betalingen daarvoor -zoo hoog waren, dat de geringste afwijking, de minste tegenvaller de -opbrengst onvoldoende maakte. Als hij dat tien jaren vroeger maar had -begrepen! Maar toen zag hij ’t niet in. En nu moest hij eraf, en -voorgoed. Henri Uhlstra ging op den grond zitten, haalde zijn foulard -uit den zak en huilde als een kind. Piet leunend op zijn dikken -rotting, het bovenlijf ’n beetje voorover, staarde in de verte, tot ook -hem de tranen over het gezicht liepen. Ze zouden nu op het land hebben -willen werken als opzieners; maar zelfs dàt was niet mogelijk. - -„Het is te laat!” zei Henri, zijn gezicht afdrogend en de tranen -wegvegend uit zijn dichten al wat grijzenden baard. „Berouw komt altijd -te laat. Heb je nog wat?” - -Met den rug van de hand wreef Piet zich de tranen uit de oogen en -schudde toen de veldflesch, die hij aan een leeren riem over den -schouder droeg. - -„Drink niet veel, Hein. We moeten nog ’n heel eind terug.” - -„’t Kan me niet schelen! Als ik niet loopen kan, moet het volk me maar -pikolen; voor het laatst.” - -En hij hield het hoofd achterover, de flesch lang aan den mond. Piet -zag het aan, onverschillig, en een man wenkend, die van het veld naar -zijn kampong ging, zond hij dien naar het landhuis om een bendy te -halen. - -„Wat doe je?” vroeg Henri. - -„Ik laat ’n wagen tegemoet rijden. Je moest nog eens meer dorst -krijgen!” - -Langzaam gingen ze naar beneden den naasten weg terug; maar vóór het -heelemaal donker was kwamen ze de bendy tegen; het was tijd; Henri had -het geen half uur meer volgehouden. - -Voor Eddy en Lena was het een harde en bittere strijd. Er was bij de -algemeene agitatie, waarin de familie leefde, niemand meer, die hen -niet heftig aanviel. Van alle kanten kwam uit de familie de aandrang om -te trouwen, en dan met het geld van Lena allen te helpen, in plaats het -te gebruiken om de speelschulden te betalen van haar moeder. Maar zij -hielden vol, hoog in hun ideeën van eerlijkheid en goede trouw; zij -steunden elkaar tegen de anderen, men schold hen voor krankzinnig, voor -hardvochtig en ongevoelig, doch hoe dit ook Lena griefde,—zij en hij -volhardden. Er groeiden hevige onaangenaamheden uit, want Eddy was niet -van de lankmoedigsten en kon vooral niet verdragen, dat iemand Lena -iets verweet.—Toen het zóóver was, besloot hij er een eind aan te -maken; hij zat met zijn meisje in de voorgalerij van mevrouw Uhlstra, -die ’n klein huisje, dat ze nog bezat, in een achterbuurt, zoo goed als -in de kampong, zou gaan betrekken; hun gesprek had aldoor geloopen over -de tegenspoeden en ongelukken van den laatsten tijd. - -Freddy zat nog altijd in de gevangenis, in afwachting van vonnis of -vrijspraak; Roos zou ook heel nederig wonen gaan, dicht bij haar -moeder; mevrouw Lugtens zou bij Eddy’s moeder inwonen, die haar rijtuig -zou wegdoen en ook op heel bescheiden voet gaan leven; de jongens -hadden erg ondergeschikte betrekkinkjes aangenomen in ’t binnenland en -werkten, voor zoolang het duren wilde, na eerst in de stad het laatste -crediet van hun bekenden naam bij Chineezen te hebben uitgeput. - -„Hoe denk je erover, Lena?” - -Zij wist wat de vraag beteekende; Eddy had haar al meer dan eens -gedaan, maar de familie te verlaten onder zulke omstandigheden, viel -haar zwaar. - -„Geloof me,” ging hij voort, „het baat niemand als je weigert, en ik -behoef niet te zeggen, dat het iemand verdriet doet.” - -En toen ze nog altijd zweeg: - -„Ik heb wat geld bijeen en ’n behoorlijk tractement nu, ik heb er mijn -chefs over gesproken; zij vinden het ook de beste oplossing en hebben -me honderd gulden in de maand meer toegezegd als we trouwen. We zullen -zoo zuinig leven als we kunnen en met wat we overhouden de anderen -helpen. Zelf hebben we niet veel behoeften. Wat er nog aan geld -overblijft van het mijne en ’t jouwe kunnen ze krijgen, zoodra we -getrouwd zijn.” - -Hij sprak zoo gemoedelijk en oprecht; zoo vol van den vasten wil goed -en offervaardig te zijn, dat Lena ervan ontroerde; hij zag niet in het -duister der onverlichte voorgalerij, dat de tranen haar in de oogen -stonden, zij viel hem zacht snikkend om den hals, en kuste hem -hartstochtelijk, zooals zij het zelden deed en hij het zoo eeuwig -verrukkelijk vond.... - -Een tijdlang spraken ze niet; hij niet willende aandringen nu, om haar -niet te bedroeven. - -„Het is goed, Ed,” zei ze eindelijk op haar rustige besliste manier. -„Zóó wil ik het wel,.... ik durfde ’t niet voorstellen.” - -„Zal ik er dan maar gauw werk van maken.” - -„Ja, en nu ook zoo spoedig mogelijk.” - -Later gingen ze naar binnen, waar tante Uhlstra met de meisjes bij een -lampje in de achtergalerij zaten, in de normale, neerslachtige -stemming. En langzaam begon Lena te vertellen van hun pas genomen -besluit, eenvoudig en met practische berekeningetjes over wat men met -de beschikbare middelen kon doen, zonder zorg of nood; en de oude vrouw -zat haar aan te kijken, gelijk zij dat zoo dikwijls had gedaan, als zag -ze op naar een hooger wezen, dat uit andere sferen toevallig in hun -miserabel troepje was verdwaald. - -„Het zal op die manier wel gaan,” troostte Lena haar en de meisjes. -„Wij zullen allen ons best doen. Er is nu zooveel tegenspoed geweest, -dat er ook wel eens ’n zonnestraaltje zal komen.” - -„Kind!” riep mevrouw Uhlstra door haar tranen glimlachend, en de hand -zoenend, die ze in de hare had genomen, „het is er al, ’t -zonnestraaltje; het is er al!” - - - -Nu ging het ’n rustig gangetje; de zaken liepen haar noodzakelijk -verloop; de feiten volgden in logisch verband. Het huwelijk van Eddy en -Lena was in de familie sedert vele jaren het eerste reine en goede, -zonder nevenbedoelingen, zonder speculatie; en het was het eerste, dat -in alle stilte en eenvoud werd voltrokken; geen partij, geen receptie, -geen diner,—niets. Toen Lena en Eddy van het residentie-kantoor kwamen, -reden ze regelrecht naar het huisje, dat ze netjes en eenvoudig hadden -gemeubeld. Ze beklaagden zich niet; ze genoten ervan; telkens lachend -met elkaar om de dwaasheid der menschen, die zich op hun trouwdag -afbeulen voor anderen, in plaats hun eigen geluk en genot te zoeken zoo -spoedig, zoo rustig en ongestoord mogelijk. Maar ze konden toch niet -beletten, dat telkens voor hun geest het beeld der familietraditie -rees; het beeld van groote, hel verlichte marmeren galerijen; van een -plekje waar onder overhangende palmen een schoone jonge bruid stond, -naast een knappen in deftig zwart ernstig uitzienden jonkman; van een -drom verwanten, vrienden en vriendinnen, vroolijk, vriendelijk -gelukwenschend, aangedaan. Terwijl ze naar hun huisje reden, hand in -hand, bij het dalend daglicht, dachten ze eraan voor elkaar; het speet -hem voor haar, dat de omstandigheden niet anders waren; zij dacht aan -hun beiden en aan den tijd van haar vaders leven. Ze reden over den weg -langs de rivier, waartegen het achtererf uitkwam van het mooie -woonhuis, haar geboortehuis; de rose gloeigele tinten der ondergaande -zon kleurden alles melancholisch, hoog stak het groote dak boven de -toppen der boomen.... Daar zouden zij heen zijn gereden in een langen -stoet, een avond tegemoet vol vorstelijk festijn; en het zou niet -hebben stilgestaan van de equipages; de notabelsten van de plaats -zouden zich beijverd hebben.... Thans waren er, die zelfs geen -contra-kaartje hadden gestuurd op de kennisgeving! - -Eddy had haar een verrassing bereid; zij riep het uit van verbazing -toen ze de slaapkamer binnenkwam; er stond een psyché! Zij ging ervoor -staan in het volle licht van het open venster, den kanten sluier -teruggeslagen over den schouder. - -In zachten weerschijn viel de gouden lichtstroom op het wit zijden -kleed, en met haar rijzige, kloeke gestalte van mooi, gevulde blondine, -de matblanke huid en de helder blauwe oogen onder de dichte krulletjes -op haar voorhoofd, leek zij een jonge koningin uit een noorsche sage, -door tooverslag overgebracht in ’t land der kleurlichten. Zij zag -haarzelve zoo mooi, als zulk een rijke schat ver boven alle idee van -geld of kostbaarheid! En ze glimlachte met een beetje koketterie en een -zijwaarts hoofdbewegingetje tegen haar eigen beeld; dan, opziende naar -Eddy, die vol bewondering, diep ademhalend naast haar stond, leunde ze -tegen hem aan. - -„Spijt het je nu niet, Ed, dat alles zoo stil afloopt?” - -Eigenlijk sprak zij het beetje spijt uit, dat ze zelf gevoelde. Hij -snapte dat wel, en hij sloeg de armen om haar heen, zachtjes aan haar -oor de woorden herhalend, die hij al zoo dikwijls had gezegd; die niets -geestig waren en niets aardig; die niets oorspronkelijks hadden en -niets nieuws; maar die haar altijd door zijn liefde betuigden, zijn -dank en zijn toewijding, die haar innig gelukkig maakten en met -vochtige oogen deden glimlachen van heerlijk genoegen. Zachtjes drong -hij haar weg van den spiegel, en zij stribbelde niet tegen met -aanstellerigheid en onwil; zij had hem lief zooals hij haar; zij -begeerde hem zooals hij haar, en zij was te in-fatsoenlijk en te -onbedorven van hart om ook maar een oogenblik ’n zottin te willen -schijnen. - -Den volgenden ochtend, heel vroeg, kreeg Lena ’n geheimzinnig bezoek -van haar petetante. Mevrouw Uhlstra omhelsde haar weenend en nam haar -op van het hoofd tot de voeten, met groote nieuwsgierigheid. - -„Hoe gaat het toch met je?” vroeg ze, als was Lena pas hersteld van een -gevaarlijke ziekte. - -„O perfect.... en u?” - -„Mij?.... Nou ja, mij gaat ’t natuurlijk net als altijd.” - -„Wilt u ’n kop koffie?” - -In de achtergalerij dronken ze samen koffie, er stormden mevrouw -Uhlstra, terwijl ze ’t kopje leeg dronk, wel vijf en twintig vragen -door het hoofd, maar ze durfde niet; zij kende Lena en wist, dat men -met haar niet zoo over alles kon spreken en haar niet kon behandelen -als vele anderen. Teleurgesteld ging ze, na wat aarzelen en heen en -weer dribbelen, weg. - -„Nou, dag kind.... ’t Beste, ja?” - -„Dank u, tante.” - -„En als je soms iets noodig mocht hebben, dan stuur je maar, ja?” - -Lena, die ’t had kunnen uitgieren van pret, hield zich goed. - -„Ik beloof ’t u, tante.” - -Met een hoogen stap, de sarong daarbij opschortend tot boven de dikke -kuiten, klom mevrouw Uhlstra in de dogcart, erg ontevreden over haar -mislukt bezoek, schoon ze daar wel voor had gevreesd. Ze reed meteen -naar de woning van mevrouw Markens, die in de achtergalerij voor -mevrouw Lugtens ’n kapittel zat te lezen uit den Bijbel, ook onder ’n -kopje koffie; natuurlijk dronk mevrouw Uhlstra, die thuis al koffie had -gedronken, hier nog ’n kopje mee. - -„Hoe kom je zoo vroeg uit?” vroeg haar zuster Clara. - -Met een druk bewegen harer trekken en een zijwaarts wijzen met ’t -hoofd, knipoogde mevrouw Uhlstra. - -„Begrijp je dat niet?.... Ik ben even ginder geweest.” - -„O zoo.... Wat had je daar te doen?” - -„Wat ik daar te doen had?.... Wel.... dat kan je toch waarachtig wel -nagaan! Ik ben eens gaan kijken hoe ’t arme kind het maakte.” - -Mevrouw Lugtens begon te lachen; haar vroomheid was nog zoo niet, dat -die haar ’t zooveel jaren gevolgde leven heelemaal had doen vergeten, -en met diepe geringschatting zei ze: - -„Je lijkt wel mal, Leen.... ’t Is nogal de moeite waard!” - -Mevrouw Uhlstra keek haar zuster boos en verontwaardigd aan, maar -voelend ook hier aan ’t verkeerde kantoor te zijn, zweeg ze. - -„U heeft nog niets gehoord over die ongelukkige zaak van mijn oudsten -zoon?” vroeg mevrouw Markens op ’n manier of van den schoonzoon der -andere daarbij geen sprake was. - -„Neen. Hij heeft veel hoop....” - -„Ik ook. Wij bidden elken dag voor hem.” - -Daar zag mevrouw Uhlstra in beginsel niets kwaads in, al deed zijzelf -er niet aan; had mevrouw Markens gezegd, dat zij alleen elken dag bad -voor haar zoon, het zou mevrouw Uhlstra heel gewoon in de ooren hebben -geklonken; maar dat meêbidden van Clara beviel haar in ’t geheel niet. -Zij was door de teleurstelling in den vroegen morgen toch al erg uit -haar humeur en nu kwam dàt er nog bij! - -Driftig duwde zij haar stoel terug en stond op; Clara, bleek en -angstig, keek haar oudste zuster aan, wetend dat de storm -onvermijdelijk zou losbreken, terwijl mevrouw Markens, zich van niets -dreigends bewust, vredig door haar brilleglazen in den open Bijbel -tuurde, ongeduldig om haar kapittel te vervolgen van het punt, waarover -zij een blauw-zijden boekwijzertje dwars had neêrgelegd. - -De schampere lach der bezoekster deed haar verschrikt opkijken. - -„Ik zou,” zei mevrouw Uhlstra, heel luid, „het gezicht van -Onzen-lieven-heer wel eens willen zien als Hij haar hoort bidden voor -een ander! God zal me bewaren. Als zij nog zes levens had en ze deed -niets dan bidden, had ze haar eigen vuile wasch nog niet schoon -gebeden.” - -„Mensch, bedaar!” zei mevrouw Markens. - -„Bedaar jij zelf, met je misselijke femelarij,” riep nu mevrouw Uhlstra -hoogst verbolgen. „Zij!..... Moet zij bidden voor mijn schoonzoon! Dan -wordt hij gehangen als een dief! Ik ken haar van dat ze geboren is; ik -heb haar altijd goed geraden, zooals ’n oudere zuster past; zij heeft -nooit willen deugen; ze heeft zich altijd met manvolk opgehouden; ik -heb het met alles geprobeerd: met standjes, bedreigingen, verzoeken en -smeekingen; ik heb haar gewezen op haar naam, op haar kinderen, op haar -trouwbelofte, op haar eer....” - -„Behalve op dat ééne,” viel mevrouw Markens met ongewone drift in de -rede. - -„Dat ééne.... dáármeê had je haar moeten aankomen in dien tijd! Ze had -je in je gezicht uitgelachen, ’t beest!” - -„Toch had het moeten gebeuren. De Heer....” - -„Waarom heb je het dan zelf niet geprobeerd in dien tijd? Kijk, nu is -het een kunstje!.... nu ze ook oud en leelijk is net als wij. Maar je -wist toen even goed als ik, dat het boter aan de galg was gesmeerd. En -denk je dat ik het nu gedoog? Zij, die zooveel jaren de schandvlek was -van de familie, zal, nu ze oud en aftands is, ineens fijn worden en -gaan bidden voor een van ons?.... Wel bedankt, hoor! Je moogt met die -huichelarij en die malle kunsten voor den gek houden wie je wil.... -mevrouw Uhlstra zal je dat niet leveren; die is daar Goddank te -verstandig voor.” - -Er was geen repliek op. Met gevouwen handen zat mevrouw Markens uit het -venster te kijken, bang voor die vrouw, die nog zooveel meer had kunnen -zeggen, ook over haar verleden. Clara lag met het hoofd op den arm te -huilen op de tafel. - -Toen er geen tegenspraak volgde, hoe uitdagend mevrouw Uhlstra ook -eenige woorden had herhaald, ze onderstrepend door groote hoofdknikken, -ging zij weer zitten; zij hoorde Clara snikken en nu kwam haar oude -teederheid weêr boven. - -„Zit daar asjeblieft niet als een gekkin, hoor!” zei ze zelf met groote -tranen in haar oogen. „Ik heb niets gezegd, wat je zelf al niet lang -wist.” - -En toen de andere door bleef huilen, ging mevrouw Uhlstra naar haar -toe, lichtte haar hoofd op, veegde de tranen van Clara’s gezicht en gaf -haar een zoen. - -„Kom, zanik nu niet of ik word betoel boos, hoor! Je hebt waarachtig -nog bedag gebruikt met al je vromigheid.” - -Zachtjes lachten ze erom, allebei, zenuwachtig en overprikkeld, in een -stemming dat huilen en lachen hetzelfde is. - -„Hoe gaat het uw zoon Henri?” vroeg mevrouw Markens, die dit alles met -groote verwondering aanzag. - -„Wat zal ik u zeggen! Hij moet eraf.” - -„Dat weet ik. Wat denkt hij te doen?” - -„Wij zullen zien.... Hij is een ongelukkige jongen.... hij, en Piet -ook.” - -„Zij verstaan toch hun vak.” - -„O, dat wel, maar het ongeluk achtervolgt hen. Vroeger ging alles goed; -tegenwoordig slaat alles tegen.” - -Zij gingen daar nu op door, alsof er niets was gebeurd, eindeloos den -tijd verpratend, als menschen, die volstrekt niets om handen hebben, en -te onverschillig zijn geworden voor de gewone goede en nuttige dingen, -die ze konden doen. - - - - - - - - -TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK. - -SLOT. - - -In het huisje, dat nu mevrouw Uhlstra bewoonde, deden de altijd maar -ongetrouwd blijvende dochters precies wat zij wilden. - -Ze waren niet mooi, en ze waren arm nu; ze hadden haar dwaasheden -gedaan, omdat ze niet werden gevraagd; maar heel stilletjes en zonder -dat iemand er de tanden aan stootte. - -Nu deden ze den heelen dag niets dan babbelen en lanterfanten, en -roedjag eten en zóó voortlevend op die manier van het bitter beetje, -dat mama nog bezat en van hetgeen Lena eraan toevoegde. - -Zij en Eddy hielden trouw hun belofte; wat er had moeten komen van zijn -en haar familie, als zij het niet hadden gedaan, dáár kon niemand aan -denken. - -Eigenlijk dacht ook niemand daaraan. - -En niettemin zonken die families weg, ondanks den steun. Eerst had Lena -nog getracht persoonlijke relaties aan te houden, doch het ging niet op -den duur. Zij vervreemdde van hen. Eddy had zijn promotie gemaakt en -een jaar later maakte hij weêr bevordering. - -Zij hadden een kindje, maar hoe lief zij het hadden, de les was -geweest: geen tweede. Immers ze hadden zich vast voorgenomen de familie -te blijven helpen; zich grootendeels voor haar op te offeren. Dàt -konden ze wel volhouden. Een groot deel van Eddy’s tractement ging -geregeld weg aan de hoe langer hoe behoeftiger familie. Het hokte alles -bij, met en om elkaar nu in de kampong. Lena kon er niet komen. En als -ze bij haar kwamen, natuurlijk om geld te halen, dan ontzagen ze zich -volstrekt niet er op te zinspelen, dat Eddy en Lena trotsch werden -tegenover de families; onder elkaar spraken ze over de geldelijke hulp -als een soort van verplichting; al de goede hoedanigheden van het jonge -paar waren niets dan „geluk,” al hun eigen kwade eigenschappen louter -„ongeluk.” Men moet maar „boffen” was hun parool. - - - -Het was zoo’n mooie namiddag als elke in den Oostmoesson. - -Eddy, moê van z’n kantoor, had zich lekker gemaakt in nachtbroek en -kabaai; hij speelde met den kleinen Willem, zooals hij elken middag -deed, al was het kind ook veel te jong om besef te hebben van de -pogingen, die Eddy aanwendde om het te amuseeren. Hij hield dol veel -van het kind. Het heette naar Geber, op uitdrukkelijk verlangen van -mevrouw Uhlstra en van zijn schoonmoeder; hij noch Lena hadden dien -wensch begrepen. Doch wat deed het ertoe? Willem was ’n mooie naam! - -Terwijl Lena thee schonk, praatten ze samen, onder het bezig zijn met -hun kindje en tusschen de dwaze geluiden door bij zulk een gelegenheid -voortgebracht. - -„Er is zoo gestolen, hoor ik,” zei hij. - -„Alweêr?” vroeg Lena, denkend aan een inbraak op een handelskantoor. - -„Dat wil zeggen, op ’n heel andere manier.... in de toko Meier.” - -„Och kom!” zei ’t jonge vrouwtje belangstellend. - -Het was een magazijn van goud en zilverwaren, juweelen en diamanten, -een oude bekende toko, waarin ze dozijnen malen was geweest toen ze nog -een kind was. - -„Is het erg, Ed?” - -„’t Gaat nogal! Voor ’n zes-, zevenhonderd pop.... Maar ’t ergste is de -gemeene manier. Het is gehaald ter bezichtiging op ’n valsch -naamkaartje.” - -„Van wie?” - -„Van ’n landheer geloof ik. Het verzoek om een precies aangewezen -collier meê te geven stond op het kaartje.... onderteekend....” - -„Heeft men geen vermoeden?” - -„Ik weet het niet.” - -Eddy bleef doorspelen met het kind; het gevalletje daareven verteld, -kon hem niet schelen; hij zei het tegen Lena, omdat een vrouw, die den -heelen dag thuis heeft gezeten, graag iets nieuws hoort van haar man, -als die van z’n kantoor komt. Op Lena had het een bijzonderen indruk -gemaakt, zonder dat ze had kunnen zeggen waarom. Maar ze vergat het ook -onder het verder praten. - -Al hadden zij het niet breed, hun leven ging zoo rustig en zoo -gelukkig, dat ze niets verlangden voor hunzelven; zij zagen ook wel, -dat anderen het respecteerden; de buitenwereld wist heel goed wat zij -deden voor hun arme bloedverwanten en men vond dat mooi. Menschen, die -zelf nooit tot zoo iets in staat geweest zouden zijn, vonden het -allerloffelijkst. - -„Kom,” zei Lena lachend, „het wordt al donker, Ed. Ga nu baden en geef -mij ’t kind.” - -Maar hij talmde nog, bij kris en kras bewerend van het kleine -schepseltje, dat het hem begreep en tegen hem lachte; dat het hem heel -goed kende en met de oogjes al zijn bewegingen volgde. Zij moest erom -lachen en sprak het maar niet tegen, al had haar grondige kennis als -jong moedertje voor haarzelf uitgemaakt, dat Ed onmogelijke dingen -vertelde. - -Eindelijk ging hij naar de badkamer. Terwijl zij ’t kindje had -overgenomen, Eddy’s vriendelijk praten ertegen vervolgend, kreeg zij -onverwacht bezoek van haar moeder, en het viel haar op hoe oud en -vervallen die eruit zag. Maar toen mevrouw Lugtens vlak voor Lena stond -in de voorgalerij, schrikte die van het ontstelde gezicht en de bevende -handen. - -„Mijn God, ma, wat is er?” - -„Stil Lena,” fluisterde haar moeder zenuwachtig en angstig rondziende. -„Is je man er niet?” - -„Eddy is gaan baden.” - -„Er is iets verschrikkelijks gebeurd, Leen.... De jongens hebben -gestolen.” - -Het jonge mevrouwtje Markens moest gaan zitten; de schrik was haar in -de beenen geslagen. Zooveel hielp dan wat men deed voor zijn familie; -dat men geen dank kreeg, was tot daartoe, men vroeg er niet om, had er -geen behoefte aan. Als ze nog maar fatsoenlijk bleven, al waren ze dan -arme lastposten. Zelfs dàt niet. Het eenige wat zij en haar man van hun -familie beleefden was bij schade ook schande! - -En nu behoefde haar moeder ook verder niets te vertellen. - -„Het is bij Meier, niet waar?” vroeg Lena. - -„O God, ja! Hoe weet je het?” - -„Ik dacht het. Dat daar gestolen was, vertelde Eddy me. Nu ik u heb -gehoord, begrijp ik de rest.” - -„Leenlief,” smeekte mevrouw Lugtens met gevouwen handen, „help hen; -laat hen niet als misdadigers oppakken. Want het zal uitkomen, dat weet -ik zeker. De politie is hen op ’t spoor; ze worden gesurveilleerd.” - -„U hebt goed praten, ma!.... Wat moet, wat kan ik eraan doen?” - -„Ik weet het niet.... Jij hebt altijd alles kunnen doen.... Denk erover -na, Leen, en tracht toch te helpen.” - -Zij antwoordde niet. Wat zij te doen had, wat zij om de schande te -voorkomen onafwijsbaar doen moest, had haar dadelijk, toen ze wist wat -er gebeurd was, voor oogen gestaan. - -„Jij alleen kunt ons helpen,” herhaalde mevrouw Lugtens op biddenden -toon. - -Lena keek haar moeder aan. Ja, dat was het oude lied! Alle anderen -handelden verkeerd of slecht, en zij alleen moest altijd maar helpen! -Dáárom moest Eddy zich nu veel ontzeggen; dáárom zou haar kindje nooit -iets genieten van wat haar vader met werken had verdiend! Wat haar -overkwam wist ze niet; ze was nooit hard of bitter in haar oordeel, -maar het was of onder deze nieuwe beproeving haar rijkdom van goedheid, -liefde en offervaardigheid verdween; een stroom bittere gedachten drong -zich aan haar op; zij kneep haar lippen stijf opeen, met geweld de -harde, scherpe woorden terughoudend, die in haar opwelden, vorm gevend -aan die gedachten. Maar zoo zij erin slaagde zich te bedwingen en haar -moeder geen enkel scherp verwijt naar het hoofd te slingeren,—haar -helder openhartig gezicht opblozend van ingehouden toorn, sprak zoo -meedoogenloos duidelijk, dat mevrouw Lugtens haar angstig en verschrikt -aanzag, niet wetend hoe ze het had; wat er zou volgen, als al wat haar -lieve, zachtaardige dochter van kind af had ondergaan en in haar jong -gemoed had verborgen eens plotseling tot een uitbarsting kwam. En -beseffend, hoe ze niet alleen zelf haar plicht als moeder had -verwaarloosd, maar tot schande had gestrekt van haar eigen kind, boog -mevrouw Lugtens het hoofd schuldig, afwachtend wat haar in de ooren zou -moeten klinken als een vonnis. - -De met groote kracht opwellende onstuimigheid zonk weêr weg, toen Lena -zag wat haar moeder gevoelde; zij zag de trekken op het smalle, fijne -gezicht, nu oud en afgeleefd, als inkrimpen van schaamte en vrees; zij -zag het nu grijze hoofd als dat van een zich schuldig voelend kind; het -deed haar zoo aan.... zoo aan! - -„Wat is er van dat naamkaartje?” vroeg zij. - -„Het is er een van den administrateur waar zij het laatst gewerkt -hebben.” - -„Waarvoor hadden zij het geld noodig? Wat deden zij ermeê?” - -„Zij hebben kennis aan.... ’n paar jonge vrouwen....” - -Lena vroeg maar niet verder. Als zij naging wat ze doen moest om zulke -ellendige kwâjongens te bewaren voor de straf die hun toekwam.... - -„Ja,” zeide mevrouw Lugtens, „het is verschrikkelijk, dat ziet niemand -beter dan ik, die er zooveel schuld aan heb.” - -En toen Lena verwonderd opkeek: - -„Zeker, Leentje, ik weet het wel.... Het is nu alles voorbij, en gedane -zaken nemen geen keer.... Het was een van de groote oorzaken van ons -aller ongeluk.... Dàt is ’t geweest, en dat was de bron aller rampen en -verkeerde dingen.... Jullie houdt waarachtig veel van elkaar, dat weet -ik. Je bent gelukkig, kind.... Goddank!.... jij ten minste. Want, -geloof me, het is niet anders dan dat.... ik wou, dat ik je alles kon -zeggen.... Maar het kan niet!” - -Haar dochter luisterde nauwelijks, zij was in gedachten bij de misdaad -van haar broers, die in haar geldelijke gevolgen zoo rustig aan haar -was geëndosseerd; nu sprak mama daar niet eens meer van; het was aan -Lena verteld, en die moest maar toeloeng! - -Mevrouw Lugtens had opgehouden met praten, na nog eens met meer nadruk -gezegd te hebben, dat het niet kon; in de verwachting dat Lena -nieuwsgierig zou worden, dat zij aandringen zou op mededeelzaamheid. En -dan had ze zich natuurlijk direct laten overhalen; dan had ze haar -verteld van Geber en waarom zij en haar oudste zuster verzocht hadden -het kindje Willem te noemen. Maar Lena toonde zich in het geheel niet -nieuwsgierig naar de sexueele herinneringen harer moeder. - -„Wanneer is het gebeurd?” vroeg zij. - -„Hé?.... Weet je het dan?.... Maar als je het wist.... kon je het op de -vingers natellen.” - -„Ik geloof dat u zit te droomen ma,” zei Lena, nu werkelijk erg uit -haar humeur. „U komt hier, vertelt me iets vreeselijks, waarvan ik -doodelijk naar ben en dat me in dagen geen oogenblik uit de gedachten -zal zijn....” - -„Ja, ja, kind, je hebt gelijk.... Het is gisteren geweest. ’t Was een -vrijdag.... Tjilaka!” - -„Wordt er over de jongens gesproken?” - -„God geef van neen.” - -„Ik geloof het niet, want dan zou Eddy dat gehoord hebben. Hij komt -daar terug uit de badkamer.... Ik zal....” - -„Je zult het hem toch niet vertellen?” - -„Zeker zal ik dat.” - -„Hoe is het mogelijk! Zou je zoo iets zeggen aan je man... van je eigen -broers?” - -„Natuurlijk.” - -„Dat had ik nooit gedaan!” - -„Het is wel mogelijk, ma; dan heb ik een andere opvatting. U zei daar -straks, geloof ik, dat wij wezenlijk veel van elkaâr houden; het is -waar, ma, en daarom verzwijg ik ook niets voor Eddy.” - -„Nu maar, Lena,” zei mevrouw Lugtens zenuwachtig, „dan ga ik heen, ja!” - -Het was al geheel donker. - -„Ik zal een voertuig voor u laten zoeken.” - -„’t Hoeft niet. Ik zie er al een op den weg. Adieu, kind. Help ons in -Godsnaam, ja? En de Heer....” - -„Ja.... ’t is goed; dag ma.” - -Lena bleef alleen zitten, starende naar buiten in de duisternis; de -meid had het kind, dat sliep, in bed gelegd; in haar kamer hoorde zij -Eddy een airtje uit ’n opera neuriën; de verschietende lichtjes van de -vele karretjes op den weg wierpen heldere strepen met stukken hek, -boomen en muurbrokken, even, opvroolijkend in het avondzwart. - -„Waar ben je?” vroeg Eddy, naar buiten komend. „Laat je geen licht -maken van avond?” - -„Ik zit liever nog even in het duister. Ma was hier.” - -„Dat meende ik te hooren. Er was toch niets bijzonders?” - -„Waarom denk je dat?” - -„Niet om ’n bepaalde reden.... Maar als ze een van allen hier komen, is -het zelden om iets goeds.” - -„Dat is het ook niet.” - -Eddy was al pratende achter haar stoel gekomen en den arm om haar hals -slaande zoende hij haar. - -„Wat is er Lena?.... Het is zeker heel erg.... je hebt gehuild.” - -Zij vertelde hem zonder omwegen, juist zooals het van a tot z geweest -was, haar moeders bezoek. Toen ze gedaan had, kuste hij haar weêr en -richtte zich op, inwendig woedend. Persoonlijk had het hem minder -kunnen schelen of die kwajongens in de gevangenis kwamen, maar dat Lena -er zoo’n verdriet van had.... Toch, dat voelde hij, was het ook zijn -schuld; hadden hij en Fred die kinderen vroeger niet vóórgegaan in -slechtheid en gemeene streken? - -„Wat moeten we beginnen?” vroeg hij. - -„Wil je me ’n genoegen doen?” - -„God.... Dat weet je.... Altijd.” - -„Laat het dan aan mij over.” - -Eddy Markens dacht een oogenblik na; hij had graag een deel van haar -deel in alle soesah en in alle moeielijkheden. - -„Als je maar niet denkt,” zei hij, „dat me iets te veel is.... voor -jou.” - -„Neen, ventlief, dat weet ik wel, maar je zult me nu een groot pleizier -doen met ’t heelemaal aan me over te laten.” - -„In dat geval.... Natuurlijk!” - -Och, hun leven was niet zoo gecompliceerd. Het was geen zaak van -wederzijdsche verrassingen, van groote toevallige omstandigheden. Hij -wist wel wat ze doen zou, althans ten naaste bij; ze zou haar juweelen -verkoopen of verpanden. Het was zoo duidelijk!.... zij bezat immers -niets anders van materieele waarde! - -Zij kon geld leenen.... Hoe dan ook, hij was naar de wijze waarop ze -zou handelen niet erg nieuwsgierig; zij spraken voort over het -ongelukkig geval dien avond en den volgenden ochtend; hij al maar -betoogend dat ze het zich niet moest aantrekken; haar troostend en -opbeurend, en nog hartelijker en liever voor haar, toen hij den -volgenden morgen naar het kantoor ging, dan anders. En zij toonde hem -niet, dat haar iets drukte als een zware last binnen in haar borst; -maar hij had het toch wel begrepen. Erg bleek was ze, toen ze ’n uur -later den grooten goud- en zilverwinkel binnentrad, waar in ’n hoek aan -een lessenaar ’n jongmensch zat te schrijven, terwijl een inlandsche -mandoer als altijd bij den ingang stond, toezicht houdend op de vele -voorwerpen van waarde, in de vitrines uitgestald. Zij vroeg naar den -eigenaar van het magazijn, en een oude heer, ’n beetje voorover gaand, -kwam naar voren. Hij kende haar wel; hij had haar als kind zoo dikwijls -in de toko gehad, soms met dien geweldigen bullebak, Lugtens, haar -vader, aan wien hij, net als iedereen, het land had, maar die een -prachtige klant was, royaal en met geld gooiend, vol -parvenus-ijdelheid; hij had altijd met genoegen het aardige kind -gezien, zich verwonderend over haar afstamming van zoo’n vader. En toen -nu en dan op de plaats iedereen gesproken had van den achteruitgang, de -verarming en de demoralisatie der vroeger zoo rijke familie, had het -hem niet verwonderd te hooren, dat die dochter van Lugtens een -uitzondering maakte. - -„Wat is er van uw dienst, mevrouw?” vroeg hij vriendelijk. - -„Ik wou u even alleen spreken.” - -Hij zag haar zenuwachtige ontroering en met de scherpzinnigheid van een -oud koopman, rook hij lont, ten halve begrijpend wat er zou gebeuren; -hij bracht haar in een zijvertrekje, eenvoudig gemeubeld met ’n paar -zwart gepolitoerde weener-stoelen en de dito tafel, rouwig opkomend uit -het wit van den marmeren vloer. Lena haalde een platte zwarte doos uit -haar taschje en gaf hem die. Ja, wat dáárin zat, wist hij. Dat had -Lugtens nog bij hem gekocht jaren geleden, heel kort vóór diens dood, -tegen twee duizend gulden contant; hij opende het deksel en de juweelen -en diamanten uit de ruitvormige broche en de breede lintcollier -fonkelden hem tegen in hooge, snel verschietende lichtglansen van alle -kleuren en nuances. - -„Ik wou het verkoopen,” zei ze. - -De oude juwelier knikte, al maar kijkend naar de mooie steenen. Wat -waren er in vroeger tijd veel menschen, die zulke dingen bij hem -kochten; hoe weinig waren er nu! Hij zou haar geven wat hij kon. - -„Hoeveel vraagt u er voor?” - -Maar zij schudde het hoofd. - -„Papa heeft altijd bij u gekocht.... Ik kom voor een onaangename -zaak.... Ik heb gehoord, dat u bestolen bent en dat u aangifte hebt -gedaan.... Ik wou u verzoeken het in te trekken voor wat mijn parure -waard is.” - -Dat had hij wel gedacht! Een groot medelijden kwam in hem op. Als hij -de inspraak van zijn hart had gevolgd.... Maar zaken zijn zaken en men -kan daarin eerlijk zijn,—met hartinspraken worden ze niet gedreven. - -„Hebt u niet iets anders van mindere waarde?” vroeg hij. „Ik ben voor -niet meer bestolen dan voor vijfhonderd gulden. U zoudt het met iets -anders af kunnen dan juist dit. Het is een parure.... als men er geen -heeft, dan komt men er niet licht toe er zoo een te krijgen.” - -„’t Is het eenige wat ik heb van papa.... Maar wilt u het doen?” - -„Ja, mevrouw. Om u de waarheid te zeggen: als ik geweten had.... dan -zou ik uit oude relaties.... Enfin, ik zal doen wat u verlangt. Voor de -parure geef ik duizend gulden.” - -„Ik dank u,” zei ze, den ouden heer de hand reikend. Hij drukte die -heel hartelijk, haar aankijkend als met respect in z’n gezicht, en toen -zij ’n oogenblik later heenging, deed hij haar uitgeleide, opende de -deur voor haar met een buiging en hielp haar in de schamele -huur-dos-à-dos, die buiten wachtte, zooals hij niet zou gedaan hebben -tegenover een dame, die voor duizenden was komen koopen, al was zij de -vrouw geweest van een der eersten van het land. - -Kalmpjes luisterde Eddy toe, terwijl zij ’s middags bij zijn thuiskomst -het hem vertelde en hem de vijfhonderd gulden gaf, die over waren, om -ze te beleggen in de spaarbank. Zij vroeg niet of hij goedvond, wat ze -had gedaan, en hij zei daar ook niets van, beseffend waarom zij in dit -geval zelf en zelfstandig had willen handelen. Wat beiden trof, hoe ook -aan alles gewoon, was dat niemand hen kwam bedanken voor de verleende -hulp; men vond, scheen het, zoo iets niet meer dan natuurlijk. Maar -Lena en Eddy spraken er samen niet over en zij zond op den eersten der -volgende maand de familie geld met een briefje, het eigenlijk -onaangenaam vindend haar moeder of een van de anderen te zien komen. - - - -„Weet je wie vandaag jarig is?” vroeg Lena op een ochtend. - -„Vandaag?.... Neen.” - -„Mijn peettante.” - -„Drommels! En? Moeten we erheen?” - -„Zij is in de laatste weken erg verminderd, heeft ma van ochtend -geschreven; zij heeft verstijving in de beenen. Het is waarschijnlijk -het laatste jaar, Eddy. Zij is altijd zoo goed voor me geweest.” - -„Wel, ik zeg er immers niets tegen. We zullen gaan! Van avond, hè?” - -Het was ver van hun woning en Eddy had een huurrijtuig genomen. ’t Was -drukkend avondweêr. Na een zware stortbui, had in den namiddag kort -maar fel de zon geschenen en met zoetigen, moerassigen geur dampte het -op uit den vochtigen bodem in de warme atmosfeer. De wagen reed langs -wegen, waarlangs zelden wagens reden; door buurten, waar weinig andere -Europeanen ooit kwamen dan die er hun nederige woninkjes hadden. Hier -en daar zag men de menschen zitten in de kleine galerijtjes, bij -ouderwetsche, flauw licht gevende hanglampen; de een met een -jeneverkaraf en een klein bitterkarafje naast zich, de ander niets -drinkend, zich bepalend tot de geringe weelde van een strootje. - -Er zaten er stil en alleen; er zaten er met vrouwen in sarong en kabaai -en donkere kinderen in broek en baadje; hier zag men er zwijgend -pikiren, daar twee redeneeren met opgewonden gestes, en uit ’n enkel -huisje kwamen langgerekte, dreinige harmonica-tonen, met alle airs in -éénzelfde gerekte treurmaat. De paarden voor den huurwagen sjokten -langzaam over den smallen slijkerigen weg tusschen de huisjes voort, de -rijtuiglichten vooruitborend in het grauwnevelig duister. - -Voor ’n houten bruggetje over een slokan hield de wagen stil. Erboven -hing aan een stang ’n klein blikken lantaarntje, bijzonder breed van -lijstjes en door kleine, doffe glasruitjes een flauw schijnsel -uitschietend, nauw voldoende om te zien waar men den voet zette. - -Eddy hielp zijn vrouw het rijtuig uit en het bruggetje over; zij gingen -voort over een glibberig paadje met gesloten chineesche warongs aan de -eene zijde en ’n levend paggertje aan de andere, tot ze op een open -plek kwamen met in het midden een voor deze omgeving groot schijnend -houten huis, waarvan het atappen dak ver en laag afhing. Aan een vuile -tafel vol vetvlekken en oude kringetjes van natte kopjes en glaasjes, -zat op een wipstoel de jarige mevrouw Uhlstra, een rood gestreept -wollen deken over de stijve beenen; mevrouw Markens in een zwarte -japon, de eenige die gekleed was, naast haar; dáárnaast mevrouw Lugtens -en verder onbekende vrouwen van leeftijd, allen in sarong en kabaai. - -Uit een binnenkamer achter den naakten houten wand kwamen stemmen, en -toen een sitsen gordijn, dat voor den ingang hing, even weg werd -geschoven, zag Lena, de eene trede opkomend, daarachter haar nichten -Lisa, Roos en zelfs de onwettige weduwe van Twissels, druk aan het -kaartspelen met chineesche vrouwen. - -Aan de andere zijde van de galerij zaten de heeren, en een paar -chineesche sobats, hollandsch en maleisch sprekend dooreen. Henri, met -een suf gezicht al, had een groote jeneverkaraf vlak bij zijn -rechterhand staan, als waakte hij er angstvallig over; Piet en de -broers van Lena zaten er ook bij met anderen. Allen stonden op; de -ontvangst was hartelijk. Tante Lena ontving, aangedaan, het -verjaarscadeau, dat ze allen bekeken en erg mooi vonden; ’t was het -eenige geweest! Zij moesten gaan zitten, en men zette Lena zóó, dat ze -niet kon zien wat achter het gordijn gebeurde; Eddy, afstekend in zijn -nette kleeren bij de slordigheid der anderen, die óf in nachtbroek en -kabaai waren, óf alleronmogelijkst door inlanders gemaakt goed droegen, -moest bij „de heeren” komen zitten om een sigaar te rooken en iets te -drinken, wat hij niet deed, want zij zaten, hij en zijne vrouw, op -heete kolen. In het huis hing een overheerschende nare lucht van nieuw -bamboes, die hem om ’t hart sloeg; er kwam een akelig mixtum bij: -geurtjes van slechte sigaren, jenever, melati, knoflook, trasi en -rozen, die in een stijven bouquet op tafel stonden ter eere van de -jarige. - -Toen ze na een half uurtje zeiden weêr weg te moeten, „om het kind,” -trachtte niemand hen terug te houden. Er had een geweldige gêne -geheerscht; de anderen waren maar blij, dat ze weggingen; ze mochten -dan zoo goed en hulpvaardig zijn als ze wilden die twee,—ze hoorden -niet meer bij de familie; de jongeren haatten hen, met den intensen -haat van slechte menschenkarakters voor personen aan wie ze groote -verplichtingen hebben, tegenover wie ze zich schuldig voelen, en voor -den oudere was hun gaan ook een verlichting, omdat die zich beschaamd -en verlegen vonden in tegenwoordigheid van de twee, die alleen nog -behoorden tot de maatschappelijke klasse, waaruit zij waren -weggezonken. - -Samen scharrelden ze terug over de ruime open plek naar den uitgang bij -het glibberig paadje, blij dat die moeilijke tocht achter den rug was. -En vóór dat paadje te betreden om weg te gaan, keken ze samen nog eens -om, door den lichtgrijzen nevel naar het houten huis, waarvan de gele -lamplichten weêrkaatsten in de modderplasjes tusschen de karrevoren in -het wegje erlangs. - -Daar waren ze nu allen bijeen, die nog zoo weinig jaren geleden de -rijksten waren van de plaats; die in huizen woonden als groote villa’s -op den eersten stand! Dat was er overgebleven van den grooten -ondernemer, den rijken planter, den hooggeplaatsten ambtenaar, den -voornamen koopman. - -„’t Is toch vreeselijk, ja, Ed!” zei Lena met tranen in haar stem. - -„Kom in Godsnaam mee, kind,” zei hij, haar zacht voortduwend. - -Toen ze in den wagen zaten, was het maar goed, dat ze zijn bleek -gezicht niet zien kon. Telkens streek hij de hand langs de oogen, -beproevend het beeld van indisch verval weg te wisschen, dat dáár zoo -levendig en schrikkelijk voor zijn oogen had gestaan. En ze spraken er, -terugrijdend, niet verder over; maar toen ze de achterbuurten uit waren -en weêr op den gewonen grooten weg kwamen, zuchtten ze diep, allebei. - - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK „UPS” EN „DOWNS” IN HET -INDISCHE LEVEN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
