summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69157-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69157-0.txt')
-rw-r--r--old/69157-0.txt3136
1 files changed, 0 insertions, 3136 deletions
diff --git a/old/69157-0.txt b/old/69157-0.txt
deleted file mode 100644
index 045f35b..0000000
--- a/old/69157-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3136 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0376: De moord in
-Short Gardens, by Kurt Matull
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Lord Lister No. 0376: De moord in Short Gardens
-
-Authors: Kurt Matull
- Theo Blakensee
- Felix Hageman
-
-Release Date: October 14, 2022 [eBook #69157]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0376: DE
-MOORD IN SHORT GARDENS ***
-
-
-
-
- LORD LISTER
- GENAAMD RAFFLES
- DE GROOTE ONBEKENDE.
-
- NO. 376 DE MOORD IN SHORT GARDENS.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE MOORD IN SHORT GARDENS.
-
-HOOFDSTUK I.
-
-EEN ONVERBETERLIJKE LANGVINGER.
-
-
-In de Shafterbury Avenue bevindt zich, ongeveer in het midden van dezen
-breeden verkeersweg, een tamelijk oud en grijs, somber gebouw, hetwelk
-sedert eenigen tijd gebruikt werd als rechtzaal.
-
-Daar was ondergebracht, hetgeen de Engelschen „Police Court” noemen.
-
-Van dergelijke rechtbanken vindt men tegenwoordig een groot aantal in
-de Engelsche hoofdstad en ze hebben tot taak, kleine delicten, zooals
-straatschenderij, buurtgetwist, kleine diefstallen en andere zaken op
-staanden voet te berechten.
-
-Naast de „Kinder Rechtbanken” die ook nog niet lang bestaan, dragen
-deze politie-rechthoven er veel toe bij, den stroeven gang van het
-gerecht te vergemakkelijken.
-
-Het werk van de justitie is hierdoor aanzienlijk verlicht en de
-voorzitters van deze rechtbanken, hoogstens uit drie leden bestaande,
-hebben machtiging deze kleine zaken onmiddellijk te berechten.
-
-Advocaten komen bij deze zaken meestal niet te pas, of in ieder geval
-worden zij van ambstwege aan de beklaagden toegevoegd.
-
-Op drukke tijden komt het menigmaal voor, dat een politierechter op een
-enkelen middag van dertig tot veertig gevallen te behandelen krijgt.
-
-Deze rechters moeten beschikken over een eindeloos geduld, veel
-zachtmoedigheid en een zeer sterke gezondheid, want het komt menigmaal
-voor, dat de beklaagden hen vergasten op een ellenlange uiteenzetting
-hunner nooden en de beweegredenen, welke hen tot het misdrijf gebracht
-hadden.
-
-Het was op een morgen in het begin van den herfst, toen twee deftig
-gekleede heeren, die klaarblijkelijk op dat oogenblik niets beters te
-doen hadden, door Shafterbury Avenue drentelden.
-
-De grootste der beide heeren kon ongeveer veertig jaar zijn en aan de
-slapen begon zijn hoofdhaar een weinig te grijzen.
-
-De grijze oogen fonkelden evenwel nog levendig, en de scherp geteekende
-trekken getuigden van een ontembare wilskracht, en van een grenzelooze
-stoutmoedigheid, geleid en bestuurd door een opmerkelijke
-schranderheid.
-
-Het voorhoofd was hoog gewelfd, de neus krachtig en recht, de mond leek
-als met een mes in het karakteristieke gelaat gesneden te zijn.
-
-De geheele houding van dezen man, de wijze, waarop hij zijn voeten
-neerzette en het hoofd droeg, legden de bewijzen af, dat hij een groot
-liefhebber was van sport en daarin uitblonk.
-
-Zijn metgezel was zeker minstens tien jaar jonger.
-
-Hij had helder blauwe oogen, zijn wangen waren rond en blozend; hetgeen
-aan zijn gelaat iets meisjes-achtigs gaf, hoewel zijn krachtige
-gespierde gestalte er op wees, dat hij een ijverig beoefenaar was van
-vele takken van sport.
-
-Nu en dan wendde een voorbijganger het hoofd om, teneinde de beide
-mannen na te zien, en dat was niet te verwonderen, want zeer vele
-Londenaren kenden Lord William Aberdeen, den filantroop, met zijn
-secretaris en schijnbaar onafscheidelijken metgezel, althans van
-uiterlijk.
-
-Lord Aberdeen en zijn jeugdige vriend waren juist het sombere
-rechtsgebouw genaderd, toen er van den anderen kant met vlugge schreden
-twee agenten naderden, die tusschen hen in, stevig in den kraag gevat,
-een jongen man vasthielden, niet veel meer dan een kind nog, maar met
-een scherp geteekend bleek gelaat, dat aan een volwassen man scheen toe
-te behooren.
-
-Hij was tenger en mager en stak in armoedige kleeren.
-
-Op zijn gezicht was op dit oogenblik niet anders te lezen dan woede
-over het feit, dat men hem op deze wijze ten aanschouwe van de
-voorbijgangers ten toon stelde, en wilde trots, die uit zijn zwarte
-oogen schitterde.
-
-Nu en dan scheen hij zich te willen verzetten, maar hij had evengoed
-kunnen trachten de zware muren van den Tower omver te loopen, als een
-van de herculisch gebouwde agenten, die naast hem voortschreden.
-
-Wat zou zulk een ondervoed, schriel kereltje hebben kunnen ondernemen
-tegen deze twee mannen met hun krachtige spieren, hun breede borst en
-hun welgevoed lichaam.
-
-Zoodra Lord Aberdeen de kleine groep in het oog had gekregen stond hij
-stil en legde de hand op den arm van zijn jongen secretaris, Charly
-Brand geheeten.
-
-Zij stonden slechts een paar passen van de breede deur, welke toegang
-gaf tot het gerechtshof, en juist werd de jeugdige arrestant voorbij
-geleid.
-
-Hij hief het hoofd op en scheen hen uitdagend aan te zien.
-
-Het volgende oogenblik was hij in de breede duisternis der koetspoort
-verdwenen, die toegang gaf tot de binnenplaats, waarom het huis was
-heengebouwd.
-
-Charly Brand wilde reeds verder gaan, maar Lord Aberdeen hield hem
-terug en zeide op zachten toon:
-
-„Hebben wij ergens een afspraak, Charly?”
-
-„Nergens voor zoover ik weet,” antwoordde de jonge man.
-
-„Dan zou ik je willen voorstellen, eens naar binnen te gaan.”
-
-„Waarom?”
-
-„Om ons te vergewissen van den aard van het misdrijf door den jongen,
-want meer is het niet, gepleegd.”
-
-Charly Brand haalde even de schouders op en zeide:
-
-„Ik heb er volstrekt niets op tegen, maar ik vrees dat je teleurgesteld
-zult worden, als je iets belangwekkends verwacht hebt. Het zal wel een
-kloppartij, of een kleinen diefstal betreffen.”
-
-„Om het even, zelfs de kleinste diefstal kan van het grootste belang
-zijn in het leven van een mensch.”
-
-Hij was reeds de koetspoort binnen getreden en Charly volgde hem.
-
-In het midden van den doorgang bevond zich een deur, die eveneens open
-stond en waarvoor een agent van politie post hield.
-
-Dit was de toegang naar de rechtzaal, waar iedereen die er lust in had
-vrij mocht binnen treden, want de zittingen van de politierechtbank
-waren openbaar.
-
-Lord Aberdeen en Charly Brand gingen de deur binnen, volgden een
-tamelijk breede gang, liepen deze ten einde, sloegen een tweede gang in
-en stonden nu voor een dubbele deur, die toegang gaf tot de rechtzaal
-en waar eveneens een politieagent op wacht stond.
-
-De man opende de deur voor hen, na even tegen zijn helm te hebben
-getikt en nu bevonden de beide heeren zich in een niet al te groote
-zaal, waar plaats was voor een honderdtal nieuwsgierigen.
-
-Op dit oogenblik echter bestond het publiek slechts uit een ouden man,
-een weinig onder den invloed van Bacchus verkeerenden schippersgast,
-die telkens in slaap viel en dan zoo luid snurkte, dat hij door een
-politieagent tamelijk hardhandig moest worden wakker geschud, een ouden
-heer, die in een nummer van de „Daily Mail” las en een vrijend paartje,
-dat zich misschien wel verbeeldde in een. bioscoop te zijn.
-
-Lord Aberdeen en Charly Brand liepen door het smalle gangpad en zochten
-een plaats op in een der donkerste hoekjes van de zittingzaal, die toch
-al niet te licht was, daar zij slechts twee vensters had met door
-ouderdom verweerde ruiten, die bovendien op een paar meter afstand van
-den vloer waren aangebracht.
-
-Op een soort estrade was een tafel geplaatst met een groen laken bedekt
-en daarachter zat de rechter, geholpen door zijn griffier en een
-inspecteur van politie, die hij telkens raadpleegde, wanneer hij een
-ouden bekende voor zich meende te zien.
-
-De rechter was een man met een tamelijk barsch voorkomen, die zijn
-witte pruik op slordige wijze had opgezet, zoodat zijn grijs haar er
-aan alle kanten uitstak, en hij scheen dezen morgen niet al te goed
-gehumeurd te zijn.
-
-De griffier was een oud mannetje met vuurrood haar, dat schrikkelijk
-verkouden was, en telkens een stukje zoute drop uit een zakje nam om
-het in zijn breeden mond te laten verdwijnen.
-
-Wat de inspecteur van politie betreft, hij scheen zich op gruwelijke
-wijze te vervelen en onderdrukte nu en dan een geeuw.
-
-Op het oogenblik dat de beide heeren waren binnen getreden had de
-rechter het juist aan den stok met een oud rimpelig wijfje, dat er uit
-zag als de heks uit een sprookje, en dat ervan beschuldigd werd, een
-gehate juffrouw met opzet te hebben laten struikelen over een emmer,
-die zij tot dit doel op een donkere trap had neergezet. De vrouw in
-kwestie was als getuige opgeroepen, en zat op een laag bankje achter
-een hek, terwijl zij zich alle moeite gaf, door luid kreunen en wiegen
-met het hoofd aan te toonen, hoe zwaar zij wel mishandeld was.
-
-Het oude wijfje was midden in een verdedigings-redevoering, met een
-rapheid van tong, die de bewondering zou hebben afgedwongen van ieder
-ander, dan van zijn hoogedelgestrenge, die slechts vurig hoopte op het
-einde en nu en dan met een barsch woord de beklaagde tot kortheid
-aanmaande, ofschoon hij zeer wel wist dat dit onbegonnen werk was.
-
-Het oude wijfje betoogde, dat de emmer met het vuile sop alleen maar
-bestaan had in de verbeelding van de buurvrouw, „een venijnig kreng,”
-zooals zij zeide. Dat er misschien wel een emmer gestaan had, maar dat
-zij daar niets van af wist, en dat de buurvrouw beter uit haar oogen
-had moeten zien, dat het volstrekt niet zoo donker was op de trap, dat
-men wel eens per ongeluk wat kon laten staan, dat een beetje schoon
-water niemand den dood zou aandoen en dat zij, de buurvrouw, haar,
-beklaagde reeds enkele malen had gedreigd, met een speld te bewerken,
-welke bedreiging zij twee malen in daden had omgezet.
-
-De woorden van de beklaagde rolden met de eentonigheid van een waterval
-door de stille zaal.
-
-Men hoorde niet anders dan deze woorden, op denzelfden toon
-uitgesproken met een onvergelijkelijke radheid, met eindelooze
-herhalingen, slechts nu en dan afgewisseld met een schellere uithaal,
-als de beklaagde zich met een ruk van het spichtige vogelkopje tot de
-aanklaagster wendde.
-
-De rechter, half verdoofd en in slaap gewiegd als door het neerplassen
-van een eindeloozen regen, schrikte als het ware op, toen de beklaagde
-eindelijk gereed was en riep de getuige op.
-
-De getuige zeide, wat zij te zeggen had en daarop klonk de barsche stem
-van den rechter:
-
-„Vijf dagen, of tien shilling.”
-
-„Wat? Vijf dagen brommen? Omdat het valsche beest niet uit haar oogen
-kan zien,” krijschte het oude vrouwtje, „dat is meer dan schandelijk.
-Maar ik zal het hoogerop zoeken. Waarachtig, ik zoek het hooger op.”
-
-„Doe dat, maar betaal nu je tien shilling,” hernam de rechter
-onverstoorbaar, „of wil je liever zitten?”
-
-„Liever een jaar zitten, dan een penning te betalen voor die
-helleveeg,” riep de beklaagde op schellen toon. „Zij zal aan mij geen
-duit verdienen, dat ontbrak er nog maar aan.”
-
-„Uitstekend,” riep de rechter uit, alsof zij hem een persoonlijk
-genoegen had gedaan, de zaak op deze wijze op te lossen. „Volgende
-zaak.”
-
-De volgende zaak bleek een dronkaard te zijn, die een dag
-gevangenisstraf tegen zich hoorde eischen, omdat het pas de eerste maal
-was.
-
-Daarop kwam een jonge dame aan de beurt, zwaar gepoederd en met zwart
-aangestreepte oogen, die een mededingster naar de gunsten van een
-kellner in een nachtkroeg, met haar tot dit doel uitgetrokken schoentje
-had bewerkt, zoodat de concurrente in kwestie gedurende een volle week
-haar niet nader te noemen beroep niet had kunnen uitoefenen.
-
-En toen de deur achter de groene tafel, door twee agenten bewaakt,
-opnieuw geopend werd, was het om doorgang te verleenen aan den jongen
-overtreder, dien Lord Aberdeen en Charly Brand zooeven hadden zien
-binnen brengen.
-
-Nog altijd werd hij door de twee agenten stevig vast gehouden en zoo
-naar de bank der beklaagden gevoerd, dat eigenlijk in het geheel geen
-bank was, maar niets anders dan een houten hekje met een kleine
-verhooging er voor, waarop de beklaagde moest plaats nemen.
-
-Nauwelijks echter had de rechter hem gezien of hij riep toornig uit:
-
-„Ik ken dat gezicht, ben je nu al weer hier, kwade rekel. Verbeter je
-dan nooit? Je naam.”
-
-„U herinnert u, dat ik hier meermalen ben geweest. En u herinnert u
-niet mijn naam?” riep de jonge man brutaal uit. „Waarom heeft men u dan
-als rechter benoemd.”
-
-„Zwijg deugniet,” riep de rechter uit, terwijl hij den beklaagde
-woedend aankeek. „Denk je dat ik niets anders te doen heb dan de namen
-te onthouden van zulke schobbejakken. Hoe heet je?”
-
-„Richard Douglas Stefenson.”
-
-„Hoe oud ben je?”
-
-„Een maand geleden juist achttien geworden mijnheer. Ik heb mijn
-verjaardag in de gevangenis gevierd.”
-
-„Houd je opmerking maar voor je. Je hebt dus al eens gevangenisstraf
-gehad.”
-
-„Eenmaal, mijnheer, dat was juist op mijn verjaardag.”
-
-De rechter keek den beklaagde een oogenblik hoofdschuddend aan en
-hernam toen:
-
-„Achttien jaren. Maar wat drommel, dan ben je toch geen kind meer. Denk
-jij wel eens na over je daden, Stefenson?”
-
-„Hoogst zelden, mijnheer,” antwoordde de jongen.
-
-„Maar waarom dan toch niet?”
-
-„Omdat dat tijd en moeite verloren zou zijn, mijnheer.”
-
-„Heb je het al eens geprobeerd?”
-
-„Ja zeker, maar dan had ik een half uur later er altijd weer spijt
-van.”
-
-„Dan moet ik vreezen, dat je onverbeterlijk bent,” zeide de rechter
-zuchtend.
-
-„Ik ben er zelf wel wat bang voor, mijnheer.”
-
-Op dit oogenblik riep de griffier hem nijdig toe:
-
-„Kun je den rechter niet met edelachtbare aanspreken, jij vlegel?”
-
-„Hoe weet ik, dat mijnheer achtbaar is?” vroeg Stefenson op onnoozelen
-toon. „Dat kan ik toch niet aan zijn neus zien?”
-
-„Een rechter is altijd achtbaar en edel,” snauwde de griffier. „Knoop
-dat in je oor, spitsboef.”
-
-„Als ik mijnheer een genoegen ermee kan doen,” hernam Stefenson
-spottend.
-
-„Wat heeft hij nu weer uitgehaald, agent,” zoo wendde de rechter zich
-tot een van de beide ordebewaarders, die den beklaagde hadden binnen
-gebracht.
-
-„Een boek gestolen van een stalletje,” antwoordde de agent.
-
-„Op heeterdaad betrapt?”
-
-„De boekverkooper kon hem juist vast grijpen, Sir. Hij probeerde zich
-nog los te worstelen, maar ik was er juist bijtijds bij.”
-
-„Waarom heb je dat boek gestolen?” vroeg de rechter, Stefenson met
-gefronste wenkbrauwen aankijkend.
-
-„Om het te hebben, edelachtbare.”
-
-„Maar weet je dan niet dat je niets weg mag nemen, wat je niet
-toekomt?”
-
-„Waarom kwam mij dat boek niet evengoed toe, als ieder ander? Was het
-dan speciaal voor iemand geschreven, alleen niet voor mij?”
-
-„Dat zijn spitsvondigheden, bespaar mij die,” riep de rechter boos uit.
-„Het boek was een andermans eigendom en daarom mocht jij het niet
-aanraken, begrijp je dat niet eens?”
-
-Stefenson schudde ontkennend het hoofd en antwoordde op boetvaardigen
-toon:
-
-„Neen, edelachtbare. Het zal wel aan mij liggen, maar ik begrijp het
-niet.
-
-Ik wilde dat boek bijzonder graag lezen, ik had geen geld om het te
-koopen en dus was ik wel genoodzaakt om het te nemen.”
-
-„Wat was het voor een boek, agent,” vroeg de rechter terwijl hij zich
-opnieuw tot den ordebewaarder wendde.
-
-De agent antwoordde niet dadelijk, maar haalde een opschrijfboekje te
-voorschijn, begon er in te snuffelen en mompelde half luid:
-
-„Het was een rare naam, Sir, ik wist wel, dat ik dat niet zou onthouden
-en daarom heb ik het maar opgeschreven. Wacht daar heb ik het al. Het
-heet „De Metamorphose” en de schrijver is een zekere Ovidius.”
-
-De rechter zette groote oogen op en riep uit:
-
-„Wat is dat? Had jij de „Metamorphose” van Ovidius willen lezen,
-beklaagde?”
-
-Stefenson knikte, zonder te antwoorden.
-
-„In het origineel. In het Latijn?” vervolgde de rechter op hoogen toon.
-
-„Dat helaas niet, edelachtbare. Ik had mij tevreden willen stellen met
-een goede Engelsche vertaling,” antwoordde de jonge man.
-
-„Zeg eens agent?” kwam de rechter weder. „Was het een open etalage?”
-
-„Het was een stalletje, Sir. Het was op de boekenmarkt.”
-
-„Stond het boek geprijsd?”
-
-„Het lag bij een hoop andere, Sir. En die kostten allemaal vijf pence.
-Het waren allen oude boeken.”
-
-De rechter trommelde eenige oogenblikken met zijn dik blauw potlood op
-het wetboek, dat open geslagen voor hem lag, begroef zijn spitse kin in
-zijn hand en wendde zich eensklaps tot den inspecteur van politie met
-de vraag:
-
-„Wat zijn de omstandigheden van den beklaagde?”
-
-De inspecteur haalde even de schouders op en begon toen als een lesje
-op te dreunen:
-
-„Van tamelijk goede familie, vader vijf jaar geleden in den oorlog
-gevallen als gewoon soldaat, moeder in zorgelijke omstandigheden achter
-gebleven, zuster een zeer braaf meisje, waarop volstrekt niets te
-zeggen valt....”
-
-Hier werd hij in de rede gevallen door Stefenson, die zijn vuisten
-gebald had, terwijl zijn oogen vlamden en nu op doffen, geheel
-veranderden toon zei:
-
-„Ik zou ook wel eens den man willen zien, die het zou wagen ook maar
-het minste ten nadeele van mijn zuster te doen of te zeggen, ik zou hem
-dooden, als een hond.”
-
-Maar de inspecteur scheen dezen uitroep niet eens te hebben gehoord en
-ging onverstoorbaar voort:
-
-„De knaap na het sneuvelen van zijn vader totaal verwilderd, vurige
-inborst, wel wat al te veel fantasie, zwakke moeder, die hem niet in
-bedwang weet te houden, kennis gemaakt met slechte kameraden, aangetast
-door het kwaad van dezen tijd,—vermindering van het zedelijk bewustzijn
-en van het verantwoordelijkheidsgevoel, gaande tot volmaakte inzinking
-van het moreel. Hij heeft reeds tallooze kleine diefstallen begaan,
-meerendeels echter zonder bepaald geldelijke winst te beoogen. Verstokt
-en een spotter, zonder eerbied voor wat dan ook, zonder bepaald
-misdadig te zijn. Verdient echter mijns inziens een flinke straf die
-hem wellicht zou verbeteren.”
-
-„Dank u, mijnheer,” zeide de rechter.
-
-Hij dacht even na en toen sprak hij het vonnis uit: „Vijf dagen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK II.
-
-RAFFLES GRIJPT IN.
-
-
-Stefenson liet het hoofd hangen, toen hij dit vonnis hoorde.
-
-De spot was eensklaps uit zijn zwarte oogen verdwenen en op zijn
-schrander gelaat was iets van angst te lezen, geen gewetenswroeging,
-alleen maar angst.
-
-Nu hief hij het hoofd plotseling op en vroeg op een toon, die bijna
-smeekend klonk: „Zou het niet wat minder gaan, mijnheer. Zou het niet
-met een boete afgedaan gunnen worden, in gedeelten te betalen?”
-
-„Neen,” antwoordde de rechter streng. „Ditmaal geen boete. Wij moeten
-jou eens krachtig aanpakken, jonge man.”
-
-„Maar mijn arme moeder, mijnheer....”, begon Stefenson weder en nu
-beefde zijn stem.
-
-„Je had aan die ongelukkige vrouw moeten denken, toen je het misdrijf
-pleegde. Nu is het te laat,” hernam de rechter op barschen toon.
-
-„Maar zij zal in doodelijke ongerustheid zitten,” riep de jongen uit.
-„Toen ik de vorige maal een dag heb moeten brommen, heb ik haar
-naderhand wijs gemaakt, dat ik met kameraden een voetreisje had
-gemaakt, maar als ik nu vijf dagen onder water blijf,—zij zal het
-besterven.”
-
-De rechter was ongetwijfeld een streng man, maar hij was volstrekt niet
-ongevoelig.
-
-En daarom zeide hij na eenig nadenken:
-
-„Wij zullen je moeder waarschuwen, ofschoon je het niet verdient.
-Griffier, zijn adres.”
-
-De man met het roode haar dook als het ware weg in een reusachtig
-register, sloeg de groote bladzijden om en riep eindelijk door zijn
-neus:
-
-„Richard Douglas Stefenson, Burrellstreet 17.”
-
-„Heb je het onthouden, agent?” zoo wendde de rechter zich tot een der
-reuzen, die Stefenson gevankelijk had binnen gebracht.
-
-„Jawel, Sir, Burrellstreet 17.”
-
-„Je gaat zoodra je dienst je vrij laat naar de moeder van dezen
-onverbeterlijken deugniet, en je zegt haar hoe de zaken staan. Doe het
-een beetje voorzichtig.”
-
-„Laat u dat maar aan mij over, Sir,” bromde de agent. „Ik zal haar
-zeggen dat haar hondsvot van een zoon voor de zooveelste maal weer eens
-gestolen heeft en dat hij voor vijf dagen achter slot en grendel zit,
-en dat zij zich dus niet ongerust over hem behoeft te maken.”
-
-„Nu, je kunt het haar wel een beetje minder op den man af zeggen en met
-andere woorden,” hernam de rechter met een kwalijk verholen glimlach.
-
-Daarop wendde hij zich opnieuw tot Stefenson en hernam:
-
-„Ik hoop, dat dit je een les zal zijn, Stefenson. Het gaat zoo niet
-langer. Je wordt op den duur een groot gevaar voor de maatschappij. Hoe
-is het mogelijk dat een jongen zooals jij, die volgens de papieren op
-school altijd heeft uitgeblonken door je ijver en je aanleg, zoo diep
-hebt kunnen zinken.”
-
-„Vraagt gij, hoe dat mogelijk is?” barstte Stefenson eensklaps op
-schorren toon uit. „Hoe is het mogelijk geweest met duizenden andere
-jongens, het is alles de schuld van den oorlog, van den vervloekten
-oorlog, die opruiming heeft gehouden onder onze vaders, die heeft ons
-doen verwilderen, die heeft ons begrip van recht en onrecht
-afgestompt.”
-
-„Breng hem maar weg,” beval de rechter kortaf. „Als hij gaat
-theoretiseeren komt er geen eind aan.”
-
-Stefenson werd weder vastgegrepen en weg geleid, maar op den drempel
-van de deur keerde hij zich nog eens om en zeide op smeekenden toon:
-
-„Spaar mijn moeder, mijnheer. Spaar haar in Godsnaam. Zij weet nog
-niets van.... van alles wat ik deed. Laat het haar toch zoo voorzichtig
-mogelijk worden meegedeeld.”
-
-„Daarvoor zal ik zorgen, Richard Stefenson,” klonk eensklaps een
-heldere stem uit een donker hoekje van de zaal.
-
-Iedereen keek verbaasd op, en zelfs de halfbeschonken schippersgast
-werd wakker, en keek met verschrikte oogen om zich heen.
-
-Het was Lord Aberdeen, die deze woorden had uitgesproken.
-
-„Wie praat daar zonder dat het hem gevraagd wordt?” vroeg de rechter op
-strengen toon.
-
-„Ik heb mij die vrijheid veroorloofd, Sir, ik, Lord Aberdeen,” klonk
-het weder.
-
-„Dan vraag ik u verschooning, Mylord,” hernam de rechter haastig. „Het
-is zeer edelmoedig van u, dat gij u het lot van dien jongen,
-onverbeterlijken rekel wilt aantrekken.”
-
-„Zijn lot en dat van zijn moeder, Sir,” antwoordde Lord Aberdeen.
-
-Op dit oogenblik viel de deur achter den arrestant dicht, maar deze
-ging nu tenminste naar de gevangenis met de blijde zekerheid, dat er
-althans een mensch in het reusachtige Londen belang stelde in zijn lot
-en zijn arme, oude moeder zou beschermen.
-
-Lord Aberdeen noteerde snel het adres van de moeder van den jongen man
-en daarop verliet hij met zijn secretaris haastig het gerechtsgebouw.
-
-Toen zij uit de donkere koetspoort weder de straat bereikten, waar de
-gouden zon alles in gloed zette, bleef Lord Aberdeen een oogenblik
-staan en zeide op zachten toon:
-
-„Hoe vreeselijk dat die knaap, wien men het kan aanzien, dat hij zon en
-licht noodig heeft als een visch het water, vijf dagen in een half
-duistere nauwe cel moet doorbrengen, terwijl hier buiten de zon
-schijnt, zooals zij het den geheelen zomer nog niet heeft gedaan.”
-
-„Ja, voor zulk een jongen man, bijna nog een kind en met zulk een
-opgewonden natuur moet de eenzame opsluiting verschrikkelijk zijn,”
-bevestigde Charly Brand.
-
-„En als men daarmede nu nog maar verbetering bereikte,” hernam Lord
-Aberdeen schouderophalend, „maar dat acht ik buitengesloten. Het is
-onzinnig, wanneer men ook maar een oogenblik veronderstelt, dat een
-misdadiger zijn tijd, dien hij in de gevangenis doorbrengt, besteed aan
-boetvaardige overpeinzingen. Het is mogelijk dat hij ergens berouw over
-heeft, maar dan is dat alleen over zijn ezelachtigheid, dat hij zich
-heeft laten vangen, voor de rest telt hij de dagen, die hem nog van de
-vrijheid scheiden, met het vaste voornemen, die dadelijk weder op de
-hem vertrouwde wijze te besteden. Ik ben er zeker van, dat men reeds
-binnen vijftig jaar met medelijdend schouderophalen zal terug zien op
-den tijd, dat men een misdadiger om hem te verbeteren, geheel alleen in
-een donker hok opsloot, dat wil zeggen, in het noodlottigste
-gezelschap, dat men een mensch kan mede geven. Maar kom, laten wij nu
-spoedig naar die ongelukkige vrouw gaan en dien reusachtigen agent voor
-zijn, die geloof ik, nu juist niet de aangewezen persoon was om een
-boodschap als deze over te brengen.”
-
-„Waar is die Burrellstreet ergens.”
-
-„Naar ik meen aan de overzijde van de Theems. Wij zullen een taxi
-nemen, de chauffeur zal wel beter op de hoogte zijn.”
-
-Het duurde nog eenige minuten voor de beide heeren zich meester hadden
-kunnen maken van een huurauto en toen moesten zij nog eenigen tijd
-onderhandelen met den weerspannigen chauffeur, die verschrikt had
-opgezien bij het hooren noemen van de Burrellstreet, die volgens hem
-aan het andere eind van de wereld lag.
-
-Slechts het vooruitzicht op een goede fooi kon hem bewegen de beide
-passagiers op te nemen en naar het opgegeven adres te brengen.
-
-De chauffeur bleek een weinig te hebben overdreven, want de rit duurde
-ternauwernood een half uur.
-
-De Burrellstreet bleek een zijstraat te zijn van de Black Friars road,
-niet ver van de Theems, en aan de overzijde van de rivier gelegen,
-temidden van een zeer volkrijke buurt.
-
-Het huis, dat nummer 17 droeg, was een van de oudste van de straat en
-deze moest zelven minstens twee eeuwen bestaan.
-
-Het was een smal, eenigszins voorover hangend huis, in welks
-benedenverdieping een „zaak in oudheden” gevestigd was, zooals de
-eigenaar haar wel wat wijdsch noemde, terwijl het niets anders was dan
-een uitdragerij.
-
-Daar het op deze plek niet zoo gemakkelijk zou wezen opnieuw een auto
-te vinden, wist Lord Aberdeen den chauffeur te bewegen, op hem te
-wachten maar niet dan tegen de belofte van een fooi, waarvan de hoogte
-zijn secretaris het bloed naar de wangen dreef van verontwaardiging.
-
-In den kleinen winkel vroeg Lord Aberdeen naar de juiste verdieping en
-een oud gebogen mannetje met rood omrande spleetoogjes en een tot den
-draad versleten calotje op het kale hoofd, deelde hen mede, dat het
-onder de dakpannen moest zijn.
-
-De bestijging van de smalle steile trappen begon en de beide heeren
-maakten bij zichzelf de opmerking, dat dit huis zeer geschikt was voor
-kippen en ander pluimvee, maar dat het voor redelijke wezens op twee
-beenen bepaald gevaar opleverde.
-
-De portalen waren smal en pikdonker. De traptreden uitgesleten, de
-leuning hield hier en daar plotseling op en men moest zich dan
-vasthouden aan een rafelig eind touw, waarschijnlijk aangebracht door
-een van de huurders, die reeds op onzachte wijze het gemis van de
-leuning aan den lijve gevoeld had door van de trap te tuimelen.
-
-De twee vrienden bereikten echter heelhuids de bovenverdieping en hier
-bleek het portaal eenig licht te ontvangen door een klein rond
-tuimelraam, dat in den buitenmuur was aangebracht.
-
-Er bevonden zich twee deuren en Lord Aberdeen stond in beraad, welke
-hij zou kiezen toen een der deuren geopend werd en er een jong meisje
-naar buiten trad, dat met een lichten kreet van schrik bleef staan,
-toen zij daar zoo eensklaps de beide vreemde, deftig gekleede heeren
-zag staan, en hen met groote oogen aanstaarde.
-
-Het meisje kon ongeveer negentien jaar zijn en met den eersten
-oogopslag ontwaarden de beide bezoekers, dat haar lief gelaat een
-groote gelijkenis met de trekken van Richard Stefenson vertoonde.
-
-Zij behoefden er geen oogenblik aan te twijfelen. Zij stonden hier
-tegenover zijn zuster.
-
-Het waren dezelfde groote zwarte oogen, het was hetzelfde hooge
-voorhoofd, het was dezelfde fijn gevormde neus.
-
-„Gij zijt hier zeker verdwaald, heeren?” vroeg het jonge meisje op
-heeschen toon.
-
-„Dat geloof ik haast niet, Miss,” antwoordde Lord Aberdeen glimlachend,
-„tenminste, wanneer gij Miss Stefenson zijt.”
-
-„Die ben ik, mijnheer, maar gij komt toch zeker niet voor mij?” hernam
-het jonge meisje verwonderd.
-
-„Slechts ten deele, Miss. Ik had gaarne met uw moeder willen spreken.
-Is zij thuis?”
-
-„Mijn moeder gaat heel weinig uit, mijnheer, want zij is gebrekkig en
-het valt haar moeilijk al die trappen op en af te klimmen. Wees zoo
-goed binnen te treden, al moet ik u eerlijk verklaren, dat ik volstrekt
-niet kan begrijpen wat twee zulke heeren, zooals gij zijt wel van mij
-arme oude moeder willen.”
-
-„Gij wildet juist uitgaan?” vroeg Lord Aberdeen. „Laten wij u vooral
-niet ophouden.”
-
-„O, ik kan mijn boodschap wel uitstellen.... het had niet veel om het
-lijf,” antwoordde het meisje, maar Lord Aberdeen zag daarbij tot zijn
-verwondering, dat zij beurtelings rood en bleek werd en dat haar
-wenkbrauwen zich samentrokken.
-
-Het meisje hield de deur voor de bezoekers open en dezen bevonden zich
-nu in een klein, armoedig gemeubeld vertrek, waar echter alles er op
-wees, van de withouten tafel tot de matten stoelen en de helderwitte
-gordijntjes voor de ramen, dat hier zorgzame handen het weinigje dat
-zich hier bevond, althans met liefde onderhielden.
-
-Dicht bij het raam zat een oude vrouw.
-
-Men zou haar tenminste oud moeten noemen want haar haar was sneeuwwit,
-en toch kon zij onmogelijk ouder zijn dan vijftig jaar. Zij had
-verschrikt opgekeken bij het vernemen van voetstappen en verborg
-haastig haar zakdoek, dien zij tegen de oogen had gedrukt.
-
-Maar Lord Aberdeen had scherpe oogen, en hij had dadelijk gezien, dat
-de vrouw geweend had. Haar oogen waren nog rood.
-
-Voor haar, op een kleine tafel, die dicht bij het raam geschoven was,
-lag een briefje, dat zij haastig weg moffelde.
-
-„Moeder, deze twee heeren wenschen u te spreken,” begon het jonge
-meisje.
-
-„Mij, Dora?” vroeg de oude vrouw verbaasd. „Dat moet zeker een
-vergissing zijn.”
-
-„Het is geen vergissing, mevrouw,” antwoordde Lord Aberdeen ernstig.
-„Miss Dora heeft u goed ingelicht. Wij komen spreken over den jongen
-Richard, uw zoon.”
-
-Bij het hooren van deze woorden drukte de oude vrouw de hand op het
-hart en werd zeer bleek.
-
-„Over Richard,” herhaalde zij toonloos. „Er is toch niets met hem
-gebeurd.”
-
-„Wat er met hem gebeurd is, heeft in ieder geval niet veel te
-beteekenen, maar toch wilde ik het u mededeelen, voor gij het zoudt
-hooren uit den mond van een ander, die minder reden heeft dan ik, het u
-een weinig voorzichtig mede te deelen.”
-
-„Voorzichtig, mijnheer,” kwam de oude vrouw weder. „Mijn God, wat is er
-dan toch gebeurd. Er is hem toch geen ongeluk overkomen. Hij is veel
-bij de straat. Hij is zoo onvoorzichtig en volgt altijd zijn eigen wil.
-Ja, als zijn vader maar niet gevallen was in dien vervloekten oorlog.”
-
-„Ik weet het, mevrouw,” hernam Lord Aberdeen zacht. „Ik heb dat alles
-vernomen in de rechtzaal. Neen, gij behoeft werkelijk niet zoo te
-schrikken, wat Richard gedaan heeft is in ieder geval afkeurenswaardig
-en ik wil hem dan ook geenszins verdedigen, maar ik neem in aanmerking
-dat hij de laatste jaren om zoo te zeggen tot een vrijbuiter is
-opgegroeid.”
-
-En nu deelde Lord Aberdeen zoo behoedzaam mogelijk aan de moeder van
-den knaap mede, wat hem wedervaren was en hij trachtte, diep bewogen
-met de arme vrouw, het misdrijf zooveel mogelijk te verontschuldigen.
-
-De vrouw had zwijgend geluisterd, zonder den spreker een enkele maal in
-de rede te vallen.
-
-Zij zat daar met gebogen hoofd en langzaam druppelden tranen over haar
-vermagerde wangen en vielen in haar schoot, zonder dat zij het
-blijkbaar merkte.
-
-Toen Lord Aberdeen zijn mededeeling geëindigd had, zweeg de oude vrouw
-nog geruimen tijd en zeide toen met een bevende stem:
-
-„Het is edel van u, mijnheer, dat u dit hebt gedaan voor een u
-onbekende vrouw, wij hebben niet veel vrienden,” voegde zij er op
-bitteren toon aan toe. „Ik dank u, zeg mij uw naam, opdat ik mij dien
-steeds kan herinneren.”
-
-„Ik ben Lord Aberdeen, mevrouw, maar gij vergist u, als gij denkt, dat
-gij nu al van mij af zijt,” zeide de filantroop glimlachend. „Ik wil u
-niet verzwijgen dat ik groot belang stel in uw zoon. Ik geloof niet dat
-hij een slecht hart heeft, of booze inborst, want daar ziet hij in het
-geheel niet naar uit. Wanneer de jongen andere kameraden had gehad, zou
-hij hiertoe zeker nooit vervallen zijn.”
-
-Op dit oogenblik viel mevrouw Stefenson met het hoofd voorover op tafel
-en barstte in hartstochtelijk snikken los.
-
-„Het is mijn schuld, het is alles mijn schuld. Ik had strenger moeten
-zijn. Ik heb hem altijd verwend en hem in alles zijn zin gegeven. Reeds
-bij het leven van zijn goeden vader en nu pluk ik er de vruchten van.
-Hij heeft een goed hart Mylord, dat bezweer ik u, maar is altijd een
-wildebras geweest en in den laatsten tijd had hij omgang met kornuiten,
-die zijn vader zeker de deur zou hebben gewezen.”
-
-„De knaap hield toch zeker van u?” vroeg Lord Aberdeen op ernstigen
-toon.
-
-„O, daar durf ik wel op zweren,” riep de arme moeder uit, terwijl zij
-haastig het betraande gelaat ophief.
-
-„Welnu, dan is er ook nog niets verloren. Een hart waarin de
-kinderliefde nog niet gestorven is, kan steeds behouden worden. Ik
-blijf er bij, ik wil mij met den knaap bezig houden, want ik geloof dat
-hij beter verdient, dan voor galg en rad op te groeien. Zeg mij eens,
-had hij in het geheel geen vak geleerd?”
-
-„Toen zijn vader sneuvelde, mijnheer, bezocht hij nog een school. Hij
-wilde letterkundige worden, of journalist. Hij had een verbazend goed
-hoofd en hij leerde alles, wat hij wilde, maar een handwerk heeft hij
-helaas nooit gekend, en dat is heel jammer Mylord, want naar het
-schijnt betaalt men tegenwoordig een loodgieter beter dan een reporter
-en een timmerman beter dan een advocaat.”
-
-„Er is veel waars in wat u zegt,” hernam Lord Aberdeen glimlachend.
-„Wat gebeurde er, nadat uw man op het slagveld zijn leven verloor?”
-
-„Wat zou er gebeurd zijn, Mylord,” kwam de oude vrouw op bitteren toon.
-„Er gebeurde wat onvermijdelijk gebeuren moest. Ik was gedwongen hem
-van die dure school af te nemen, die hij bezocht en die ons al heel wat
-hoofdbrekens had gekost, toen zijn vader nog leefde en hij moest naar
-een werkkring omzien, wij moesten toch eten nietwaar?”
-
-„Maar het pensioen.”
-
-„Het pensioen? Zijn vader sneuvelde als soldaat en het pensioen is
-nauwelijks voldoende voor een oude vrouw als ik, zelfs al zou zij haar
-eischen aan het leven nog veel lager stellen dan ik, maar mijn twee
-kinderen, moeten die honger lijden?”
-
-„Maar Richard had toch een baas kunnen zoeken. Hij is toch jong en
-sterk?”
-
-„Hij heeft wel zes bazen gehad, Mylord. Nergens hield hij het uit. Zijn
-onrustige geest dreef hem van den eenen patroon haar den anderen. Zijn
-handen stonden niet naar den arbeid. Hij schreef en las boeken, die
-hij, de hemel weet waar vandaan haalde, terwijl hij eigenlijk moest
-werken en gij zult wel begrijpen, dat de patroons dit niet konden
-dulden.”
-
-„Misschien zou ik, als ik timmermansbaas was, ook niet goed vinden, dat
-mijn personeel onder het werk de „Metamorphose” van Ovidius las,”
-hernam Lord Aberdeen glimlachend. „Ik geloof nu wel, dat ik uw zoon
-langzamerhand leer doorgronden, mevrouw. Een avontuurlijke geest,
-onrustig, en die in de laatste jaren eenvoudig een vaste hand heeft
-gemist, die hem zou kunnen leiden. Wilt gij mij toestaan, dat ik mij
-eens met den jongen man bemoei?”
-
-„Als gij dat deed Mylord, dan zou ik u ten eeuwige dage dankbaar zijn,”
-riep mevrouw Stefenson uit. „Ik ben een oude vrouw, ik ben niet zoo
-vlug ter been en... ik heb hem te lief. Ook nu kan ik hem niet hard
-vallen, dat weet God.”
-
-„Dat pleit voor uw moederhart, maar het is toch niet de goede weg,”
-hernam Lord Aberdeen op ernstigen toon. „Nu moet ik u een vraag
-stellen, die gij mij moet vergeven. Wanneer het pensioen niet
-toereikend is voor u drieën om van te leven, hoe gaat het dan?”
-
-De oude vrouw boog opnieuw het hoofd en fluisterde bijna onhoorbaar:
-
-„Het gaat heel moeilijk, mijnheer, mijn dochter Dora verdient nu en dan
-een kleinigheid als hulp in de huishouding. Nu hier, dan daar, maar
-daar kunnen wij nooit op rekenen.”
-
-Zij wilde nog iets zeggen, maar eensklaps werden de tranen haar weer te
-machtig en barstte zij in snikken uit.
-
-Charly was zwijgend op haar toegetreden met een glas water dat hij
-haastig had gevuld uit een kleine karaf, welke hij op een kastje had
-zien staan en Dora trad met een paar stappen op Lord Aberdeen toe en
-zeide haastig op gedempten toon, terwijl zij zenuwachtig de vingers
-wrong:
-
-„Gij zijt een goed mensch, Mylord. Waarom zouden wij er een geheim van
-maken? Wij zijn reeds een paar maanden met de huur ten achter. Bijna
-een half jaar en de huisheer heeft gedreigd, dat hij ons binnen een
-week van de woning zal afzetten, als wij niet willen betalen. Hij weet
-heel goed, dat wij dat niet kunnen, de schurk. Maar hij zou tevreden
-zijn, als ik.... als ik....”
-
-Maar Dora Stefenson kon haar zin niet beëindigen.
-
-Zij werd zeer bleek en viel op een stoel neer, de kleine hand op het
-hart gedrukt.
-
-Lord Aberdeen nam Charly Brand snel terzijde en voegde hem op
-fluisterende toon toe, zoodat alleen de jonge man het kon verstaan:
-
-„Ik geloof, dat hier een adder onder het gras schuilt, Charly, of mijn
-naam is geen John Raffles en als ik hier niet duchtig opruiming houd,
-dan wil ik er een eed op doen, mijn geheele leven geen brandkast meer
-aan te raken.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK III.
-
-DE HUISHEER.
-
-
-Er waren omstreeks vijf dagen verloopen sedert den dag, waarop John
-Raffles, alias Lord William Aberdeen met zijn onafscheidelijken vriend
-Charly Brand de kleine sombere zittingzaal in de Shafterbury Avenue
-hadden bezocht.
-
-De Gentleman-Inbreker had zijn belofte gestand gedaan en hij had tot
-tweemaal toe een bezoek gebracht aan de oude mevrouw Stefenson en haar
-bevallige dochter. Zoo discreet mogelijk, zonder zich in het minst op
-te dringen, had hij de oude dame er eindelijk toe kunnen brengen
-geldelijke hulp te aanvaarden, maar alleen op die voorwaarde, dat haar
-zoon hem het bedrag met rente zou terug betalen. Wat de jonge Richard
-betreft, Raffles had door zijn tallooze connecties als Lord William
-Aberdeen gedaan weten te krijgen, dat de jeugdige booswicht zooveel
-boeken kon lezen, als hijzelf maar verkoos.
-
-Het was omstreeks drie uur in den middag en het kleine vertrek onder de
-hanenbalken in de Burrellstreet was keurig aan kant. De kleine
-gordijntjes waren extra gestreken, de grond was geboend, de kleine
-withouten tafel in de keuken was geschuurd tot er geen smetje op te
-bespeuren viel en het weinige koperwerk blonk als een spiegel.
-
-Op het midden van de tafel prijkte een blauw aarden vaas, met een
-ruiker veldbloemen, dienzelfden morgen door Dora geplukt.
-
-Mevrouw Stefenson zat op haar oude plaatsje bij het raam. Zij had een
-kanten mutsje op het witte haar gezet, dat eveneens scheen te moeten
-bijdragen tot de blijde plechtigheid van het oogenblik. Over een half
-uur ongeveer verwachtte men den verloren zoon terug.
-
-Op het vermagerde gelaat van de oude vrouw was een trek van innige
-vreugde te bespeuren, want de toekomst scheen zich eindelijk een weinig
-gunstiger te laten aanzien.
-
-Van Lord Aberdeen had zij menigmaal hooren spreken in de buurt en zij
-wist dat hij een machtige beschermer was, die nooit zijn woord brak.
-
-Nu hij eenmaal de hand naar Richard had uitgestoken, zou alles met den
-driftigen, lichtzinnigen knaap weer in orde komen, daarvan was zij
-overtuigd.
-
-Dora was in het aangrenzende kleine keukentje, niet veel grooter dan
-een ruime kast, druk bezig met het bereiden van het lievelingskostje
-van haar broeder.
-
-Daar kraakten de treden van de bovenste trap.
-
-„Moeder, moeder, daar is Dick.”
-
-„Maar dat is bijna onmogelijk, kind,” riep de oude dame uit, terwijl
-haar oogen begonnen te schitteren, nadat zij een blik op het kleine
-goedkoope wekkerklokje had geworpen.
-
-Intusschen naderden de schreden en toen werd op de deur geklopt.
-
-Als bij ingeving keken de beide vrouwen elkander zwijgend aan.
-
-Toen haalde het jonge meisje de schouders op en zeide op verachtelijken
-toon:
-
-„Nu, hij kan komen, wij kunnen hem nu tenminste ontvangen.”
-
-En met deze woorden wendde zij zich af.
-
-De deur werd geopend en op den drempel verscheen een man van omstreeks
-vijftig jaar, met een breed opgezet gezicht, en geheel kale kruin en
-kleine half dichtgeknepen groengrijze oogen.
-
-Er lag een valsche glimlach om zijn lippen, toen hij een stap vooruit
-deed en de deur behoedzaam achter zich sloot.
-
-Hij legde zijn hoed op den stoel die het dichtst bij de deur stond,
-wreef zich in de handen, en keek beurtelings van de moeder naar de
-dochter.
-
-„Wel, lieve dames, hoe staat het leven,” begon hij op zoetsappigen
-toon. „Nog altijd een beetje sukkelend, mevrouw Stefenson? Ja, ja, dat
-is de oude dag. Maar gij Miss Dora, ziet er nog steeds uit als een
-lentebloempje. Ik geloof, dat gij met den dag schooner wordt.”
-
-„Gij kunt uw complimenten wel voor u houden, mijnheer Blackpool en
-terzake komen,” zeide Dora koel.
-
-„Wel, wel, mijn hartje, wat is dat nu?” hernam de bezoeker, steeds zijn
-handen wrijvend, en met denzelfden hatelijken glimlach om zijn lippen.
-„Dien toon ben ik niet van je gewend. Maar als je er op staat, laten
-wij dan maar eerst de zaken af doen. Je staat zeker wel toe, dat ik er
-bij ga zitten?”
-
-„U is wel de huisheer en wij zijn maar uw huurders, maar ik geloof niet
-dat het noodig zal zijn,” antwoordde Dora koeltjes. „Wat wij te
-bespreken hebben, kan in minder dan een paar minuten zijn afgeloopen.”
-
-De huisheer staarde het jonge meisje een oogenblik verwonderd en
-achterdochtig aan en vroeg toen zoetsappig:
-
-„Gelooft gij dat werkelijk? Nu, dat zal mij verbazen. Maar laat ik geen
-tijd verspillen. Gij zijt op heden zes maanden met de huur ten achter,
-en de hemel hoort het mij getuigen, dat ik nooit met eenigen huurder
-zooveel geduld heb gehad als met u. Vraagt u er de benedenburen maar
-naar. Ik vraag u dus kort en goed, kunt gij mij nu het bedrag betalen,
-of niet.”
-
-Dora keek den huisheer een oogenblik minachtend aan, draaide zich toen
-op haar hielen om, liep snel op de kleine penantkast toe, opende de
-lade, nam er iets uit, en keerde weder naar Blackpool terug.
-
-„De kwitanties, als ik u verzoeken mag,” beval zij kortaf.
-
-De huisheer deed een stap achteruit en scheen van verbazing niet te
-weten wat hij zeggen moest.
-
-Hij werd vaal bleek en stotterde:
-
-„De kwitanties, wat wilt gij daarmee zeggen?”
-
-„Niets anders dan dat ik betaal,” antwoordde Dora met een kort lachje.
-„Dat verwondert u zeker? Kom, de kwitanties. Hier zijn de negen pond
-sterling.”
-
-Er kwam een giftige uitdrukking in de kleine begeerige oogen van den
-huisheer.
-
-Hij liet een gemeen lachje hooren en riep op schellen toon:
-
-„Wel, wel, waait de wind uit dien hoek? Hebben we geld? Kunnen wij maar
-zoo negen pond sterling betalen? Zes maanden huishuur? Wel, het schijnt
-ons voor den wind te gaan.”
-
-„De kwitanties,” herhaalde Dora bevelend en met ongeduldig gebaar.
-
-Blackpool stak de hand in den zak en haalde er met trillende vingers
-een vette beduimelde portefeuille uit, waaruit hij een zestal
-kwitanties nam.
-
-Hij was bleek van woede en teleurstelling geworden. Het begeerde wild
-dreigde hem ter elfder ure te ontgaan.
-
-Hij stak het jonge meisje de kwitanties aarzelend toe.
-
-Dora trok ze hem uit de hand, keek ze vluchtig door en wierp toen negen
-gouden ponden op de tafel.
-
-Als met tegenzin streek Blackpool het geld op en toen klonk hetzelfde
-hatelijke lachje van zooeven.
-
-„Goudstukken nog wel,” riep hij uit. „Het gaat ons voor den wind? Nu,
-als men zoo jong en schoon is als gij zijt, dan wordt het geld heel
-gemakkelijk verdiend.”
-
-Het jonge meisje slaakte een luiden kreet en deinsde doodsbleek
-achteruit en op hetzelfde oogenblik vloog de deur open.
-
-Richard Stefenson stond op den drempel.
-
-Blackpool had zich op het gerucht haastig omgewend en keek nu in een
-gelaat, vertrokken van haat en woede.
-
-Hij wilde zich haastig wegpakken, maar de jonge man trad hem in den
-weg, en beval op doffen toon, terwijl hij den rechterarm ophief.
-
-„Blijf daar, herhaal nog eens, wat gij daareven gezegd hebt.”
-
-Blackpool had onwillekeurig een stap achteruit gedaan, maar nu scheen
-hij zijn verwaandheid en zelfbeheersching reeds weder te hebben terug
-gekregen.
-
-Hij nam Richard van het hoofd tot de voeten op en zeide op schamperen
-toon:
-
-„Kijk, kijk, daar hebben we den zoon des huizes. Komt mijnheer nog eens
-boven water? Je moeder beleeft veel plezier van jou, jongmensch. Ik heb
-mooie dingen van jou gehoord. Je hebt in de gevangenis gezeten. Jij
-bent....”
-
-Met een paar stappen was Richard bij den huisheer.
-
-Hij was tot in zijn lippen bleek geworden en hij scheen zich slechts
-met de grootste moeite te kunnen beheerschen.
-
-Zijn stem had een heeschen klank toen hij zeide:
-
-„Op het oogenblik spreken wij niet over mij. U hebt zooeven over mijn
-zuster gesproken, herhaal wat je zeide, of moet ik je de woorden met
-geweld uit je strot knijpen?”
-
-Het gelaat van den jongen man had op dit oogenblik zulk een dreigende
-uitdrukking, dat Blackpool verschrikt achteruit week en een schuwen
-blik wierp naar de deur.
-
-Toch beefde hij van woede, toen hij uitriep:
-
-„Ik ben jou geen verklaring verschuldigd, brutale vlegel. En nu zal ik
-je een ding zeggen. Ik heb genoeg van jullie gehad, betaald of niet
-betaald, je maakt, dat je uit het huis komt. Ik kan zulke huurders als
-jullie niet gebruiken.”
-
-„Wat, u stuurt ons weg terwijl de huur betaald is, en u heel goed weet
-dat wij nergens anders onderdak kunnen krijgen?” riep mevrouw Stefenson
-op smeekenden toon. „Dat kunt niet meenen, mijnheer Blackpool. Dat zou
-onze ondergang zijn. Waar moeten wij heen?”
-
-„Dat is jullie zaak,” antwoordde Blackpool barsch. „Ik geef je nog een
-week en dan maak je dat je weg komt.”
-
-De oude vrouw wilde nog wat zeggen, maar Richard legde zijn moeder met
-een gebaar het zwijgen op en zeide:
-
-„Laat den ouden schurk praten, moeder. Hij kan het niet doen. Er zijn
-toch zeker nog rechters hier in Londen? Hij kan u volstrekt niet
-dwingen om te verhuizen.”
-
-„Zou jij dat denken, jongetje?” hernam de huisheer met een gluiperigen
-blik in zijn oogen. „Dat zal ik je dan toch anders toonen.”
-
-Weer stak hij de hand in zijn zak, haalde er de portefeuille uit en
-zocht er een oogenblik zenuwachtig in en nam er toen een aantal kleine
-papiertjes uit, die hij zegevierend in de hoogte hield, en daarna met
-schelle stem zeide:
-
-„Hier heb ik nog eenige papiertjes, waarvan jullie misschien niets
-weet. Nu heb ik alleen met je moeder te doen. Als jullie mij het vuur
-zoo na aan de schenen legt, dan bijt ik van mij af.”
-
-De oude vrouw trad wankelend op hem toe, met een smeekende houding en
-een uitdrukking in haar oogen, die een steen zou hebben vermurwd.
-
-Maar Richard wilde zekerheid hebben.
-
-Hij hield zijn moeder tegen en zeide kortaf:
-
-„Geen smeekbeden tot dien ellendeling, wat zijn dat voor papieren?”
-
-„Schuldbekentenissen, vriendje!” riep Blackpool zegevierend uit. „Ja,
-daar schrik je van, nietwaar? Ik heb je moeder in den loop van het
-laatste jaar telkens kleine bedragen geleend—als jij beter had
-opgepast, was dat niet noodig geweest, knoop dat in je ooren! Het waren
-telkens kleine bedragen, maar je moeder heeft mij nooit een penny
-terugbetaald—en nu is het opgeloopen tot.... laat eens even zien, tot
-bijna vijf en dertig pond sterling! Kunt U dat terugbetalen? Ik wil nu
-eindelijk eens de kleur van uw geld zien!”
-
-Mevrouw Stefenson wilde iets zeggen, maar weer hief Richard de hand op.
-
-„Zeg mij eens, jij schobbejak—met welk doel heb je mijn moeder geld
-geleend, terwijl je toch heel goed wist, dat zij het je nooit zou
-kunnen terug betalen, en dat er ook op ons niets te verhalen viel—er
-staat hier voor geen twee pond aan meubelen, geef je mij antwoord,
-schavuit?”
-
-„Waarom ik haar geld geleend heb?” vroeg Blackpool, die worstelde om
-zich van den ijzeren greep te bevrijden, „natuurlijk om haar uit den
-brand te helpen. Laat mij los! Laat mij los, zeg ik je!”
-
-„Ik zal je los laten wanneer ik dat verkies!” schreeuwde Richard nu,
-wit van woede. „Ik begrijp wat je hier altijd had te zoeken, wat het
-beteekende als je hier met je zuurzoet lachje complimentjes kwam maken!
-Dat was om mijn zuster, niet waar?”
-
-Met onweerstaanbaar geweld trok Richard den tegenspartelenden huisheer
-naar de deur, en stootte die met den voet open.
-
-Hij wierp Blackpool met geweld op het portaal, zoodat hij te land kwam
-tusschen eenige nieuwsgierige buurvrouwen, die op het geluid van de
-twistende stemmen onhoorbaar naderbij waren gekomen, en schreeuwde hem
-toe:
-
-„Waag het nu nog eens, een voet in onze woning te zetten! Waag het
-eens, den naam van mijn zuster nog eens uit te spreken in mijn
-aanwezigheid—dan schiet ik je neer als een hond! En daar zou ik goed
-aan doen, ik zou de aarde verlossen van een ondier! Wat—je bent nog
-niet weg?”
-
-Hij liep op Blackpool toe, maar deze nam haastig de vlucht, verschrikt
-door de woeste uitdrukking op het gelaat van den jongen man, en snelde
-de trap af.
-
-Maar op het portaal gekomen stond hij stil, en schreeuwde dreigend naar
-boven:
-
-„Je zult van mij hooren, gevangenisaas! Nog van avond maak ik werk van
-betalen, en over een paar dagen, zoowaar als ik Blackpool heet—ik laat
-jullie armzalig boeltje voor je neus verkoopen, en ik werp je de woning
-af!”
-
-En na deze woorden zette Blackpool zijn vlucht haastig voort.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK IV.
-
-DE MOORD IN SHORT GARDENS.
-
-
-Raffles en Charly zaten den morgen, volgend op deze gebeurtenis, in de
-kleine eetkamer van het heerenhuis, hetwelk de Groote Onbekende sedert
-eenige jaren in de Regentstreet bewoonde, aan het ontbijt, en lazen hun
-krant, toen Charly plotseling een kreet van schrik slaakte, en Raffles
-over het nummer van de „Daily Mail”, welke hij juist bezig was te
-lezen, sprakeloos aanzag.
-
-„Wat is er?” vroeg Raffles, die zelf in de „Times” verdiept was, en nu
-Charly vragend aankeek.
-
-„Je stelde veel belang in den jongen Stefenson, niet waar?” vroeg
-Charly met moeite zijn ontroering beheerschend.
-
-„Dat deed ik, en dat doe ik nog! Hij is gisteren juist vrij gekomen, en
-ik ben van plan om aanstonds na het ontbijt naar de Burrellstreet te
-gaan, en die goede lieden een bezoek te brengen.”
-
-„Dan zal je althans Richard niet meer vinden, Edward!” zeide Charly op
-ernstigen toon.
-
-„Hoe zoo?” kwam Raffles langzaam. „Wat is er dan met den jongen man
-gebeurd?”
-
-„Hij is gisteravond omstreeks half tien gearresteerd!”
-
-„Wat alweer?” riep Raffles op ongelooflijken toon uit. „En hij zou om
-drie uur worden vrijgelaten. Maar is die jongen dan dol? Wat heeft hij
-dan nu weer gestolen?”
-
-„Hij heeft niet gestolen, Edward!” zeide Charly, „hij is gearresteerd
-op beschuldiging van een moord!”
-
-Raffles die anders zijn bewegingen zoo goed meester was, zette zijn
-fijn Chineesch theekopje, dat hij juist aan den mond wilde brengen, met
-zulk een harden slag neer, dat hij alleen het oortje in de hand hield,
-en riep toen uit:
-
-„Mijn God, hoe is dat mogelijk! Wat is er dan gebeurd? Wie is het
-slachtoffer?”
-
-„Een zekere Blackpool!”
-
-„Maar dat is als ik mij niet vergis, de naam van hun huisheer,” riep
-Raffles. „Ik vrees dat ik het reeds begin te doorzien! Die schurk
-trachtte Dora in zijn macht te krijgen! Maar wat kan er dan toch wel
-gebeurd zijn tusschen drie uur, het oogenblik waarop hij de gevangenis
-verliet, en halftien? Lees het mij aanstonds voor!”
-
-Charly vouwde de „Daily Mail” zoo, dat hij het blad gemakkelijk kon
-vasthouden terwijl hij las, en begon toen:
-
-
- „MOORD OP EEN HUISHEER.
-
- De vrouw in het spel!
-
- Short Gardens is gisterenavond het tooneel geweest van een
- afschuwelijke misdaad, zooals er in deze rustige straat gelukkig
- slechts weinig gepleegd wordt.
-
- De heer Bernard Blackpool, eigenaar van verschillende huizen in
- onze volksbuurten, is het slachtoffer van een laaghartigen
- moordaanslag!
-
- Laten wij onze lezers dadelijk gerust stellen met de mededeeling,
- dat de dader zich reeds in handen van de politie bevindt.
-
- Het is een zekere Richard Stefenson, geen onbekende voor de
- Justitie, en de eenige zoon van één van Blackpool’s huursters.
-
- Wel is waar ontkent de jonge man, niet veel meer dan een knaap,
- hartstochtelijk iedere schuld, maar de bewijzen tegen hem zijn zoo
- overstelpend, dat hieraan haast niet getwijfeld kan worden.
-
- Maar laten wij het verloop van dit gruwelijke voorval naar het
- vervolg mededeelen.
-
- Het was omstreeks kwart over negenen in den avond toen de portier
- van het huis in Short Gardens, waarvan Blackpool de tweede
- verdieping bewoont, een jongen man zag naderen, tamelijk sjofel
- gekleed, en die hem vroeg of mijnheer Blackpool thuis was.
-
- De portier antwoordde bevestigend, want hij had juist een half uur
- geleden Bernard Blackpool zien thuiskomen van een vriendendiner.
-
- Daarop vroeg de jonge man waar zich de woning van Bernard Blackpool
- bevond, en toen de portier hem dit had medegedeeld, besteeg hij de
- trappen en belde aan de gangdeur van de tweede verdieping.
-
- De deur werd opengedaan door de oude huishoudster van Bernard
- Blackpool, Miss Aurélie Dayton, een dame van ongeveer zestigjarigen
- leeftijd, die, met een bijna even ouden bediende, het personeel van
- den vermoorde vormde.
-
- De jonge man noemde zijn naam, en verzocht, den heer Blackpool te
- mogen spreken. Hij verzekerde dat Bernard Blackpool van zijn komst
- wist, en hem zeker wel zou verwachten.
-
- De oude dame die het juist nogal volhandig had wees den jongen man
- eenvoudig met een beweging van het hoofd de deur van de werkkamer
- van haar meester, en ging haars weegs, blijkbaar had zij iets te
- zoeken in een ander gedeelte van de tamelijk uitgestrekte woning.
-
- Zij verzekert dat zij nauwelijks vijf minuten kan zijn weg geweest,
- en waarschijnlijk nog veel korter of zij hoorde een woest
- geschreeuw, dat uit de richting van de werkkamer kwam.
-
- Zij keerde aanstonds terug, en reeds toen zij de gangdeur geopend
- had, zag zij dat de deur van de werkkamer openstond, en dat het
- daarbinnen duister was.
-
- Bijna op hetzelfde oogenblik kwam de huisknecht, Thomas Blunt
- geheeten, haastig aanloopen, en ongeveer tegelijk bereikten zij de
- kamerdeur.
-
- De oude bediende behoefde de hand slechts even om de deurpost te
- steken om den schakelaar van het electrische licht te vinden.
-
- Hij draaide dien om en de kamer was toen helder verlicht.
-
- Met een luiden gil van afschuw deinsden de beide oude menschen
- terug—want in het midden van het vertrek, niet ver van het
- schrijfbureau, lag onbewegelijk, op den rug, het lichaam van hun
- meester uitgestrekt.
-
- Het wit van zijn overhemd verdween bijna geheel onder het rood van
- het bloed, dat nog altijd te voorschijn kwam uit een wonde, waaruit
- een vlijmscherp mes stak, hetwelk zij beiden aanstonds herkenden.
-
- Het was de Japansche dolk, welken Bernard Blackpool steeds placht
- te gebruiken bij wijze van vouwbeen en die altijd op zijn
- schrijfbureau lag.
-
- Over het lijk heengebogen—want men kon er helaas niet meer aan
- twijfelen, of het slachtoffer had reeds den laatsten adem
- uitgeblazen, stond de bezoeker, met doodsbleek gelaat, bebloede
- handen, en starende oogen.
-
- Hij scheen volstrekt het besef te hebben verloren van hetgeen hij
- gedaan had, en scheen zelfs niets te merken van het binnentreden
- der bedienden.
-
- Gillend vluchtte Miss Dayton weder weg, en binnen enkele
- oogenblikken had zij eenige buren te hulp geroepen, terwijl de
- portier aanstonds gewaarschuwd de politie opbelde.
-
- Pas toen deze verscheen, in de gedaante van een inspecteur en twee
- agenten, scheen Richard Stefenson weder tot besef te komen, en hij
- verzette zich tegen zijn arrestatie, en bezwoer dat hij onschuldig
- was. Toch valt er aan zijn schuld niet te twijfelen, want de
- portier is zeer pertinent in zijn verklaringen dat hij Bernard
- Blackpool om negen uur geheel alleen heeft zien terugkeeren en dat
- er volstrekt geen bezoeker voor hem is geweest, behalve juist
- Richard Stefenson.
-
- Men begaf zich naar zijn huis, in de verwachting dat men daar
- wellicht nadere bijzonderheden zou kunnen vernemen omtrent het
- motief van den moord, en daar bleek het uit verhoor van eenige
- buurvrouwen al spoedig, dat Bernard Blackpool op dienzelfden dag
- een hevigen twist had gehad met Richard Stefenson, die toen juist
- uit de gevangenis teruggekeerd was, en hem zelfs met den dood had
- bedreigd, omdat Bernard Blackpool, naar hij beweerde, zijn zuster
- met oneerbare bedoelingen vervolgde.
-
- Toen men dit jonge meisje in kennis stelde van de arrestatie van
- haar broer, viel zij in zwijm, en men vreest, dat deze nieuwe
- misdaad van haar broeder haar gezondheid ernstig kan benadeelen.
-
- Tot dusverre heeft men het jonge meisje niet kunnen ondervragen.
-
- Wij zullen natuurlijk niet nalaten, onze lezers aanstonds op de
- hoogte te brengen, zoodra in deze afschuwelijke zaak nadere
- bijzonderheden bekend mochten worden.”
-
-
-Charly liet het blad zakken, en geruimen tijd bleven de beide vrienden
-zwijgend tegenover elkander zitten.
-
-Raffles had de oogen met de hand bedekt, zijn geliefkoosde houding als
-hij ingespannen ergens over nadacht.
-
-Er waren bijna volle tien minuten verloopen, toen hij eindelijk het
-hoofd ophief, en op zachten toon vroeg:
-
-„De kamer was immers donker, volgens de verklaring van Miss Dayton en
-van den bediende Thomas Blunt?”
-
-„Ja!”
-
-„Begrijp jij dat?”
-
-„Niet al te best! Het eenige is natuurlijk, dat Richard het licht heeft
-uitgedraaid nadat hij.... dat verschrikkelijke gedaan had!”
-
-„O! Ja, dat is zeker mogelijk!”
-
-„Wat, twijfel je er aan?” riep Charly verwonderd uit. „Is het dan
-mogelijk om te twijfelen?”
-
-„O! Ja, dat is zeer mogelijk!” antwoordde Raffles op ernstigen toon.
-„Ik wil echter erkennen, dat er veel is dat hem zeer zwaar belast! Maar
-goed—wij nemen aan dat hij de daad bedreef, noem mij dan een motief,
-dat hem bewoog vervolgens het licht uit te draaien.”
-
-„Misschien hoopte hij in de duisternis te ontvluchten!”
-
-„Dat zou al een zeer zonderlinge redeneering zijn geweest! Hij moest
-toch heel goed weten, dat hij buiten de kamer gekomen dadelijk in een
-helder verlichte gang zou komen.”
-
-„Dat is hem misschien in de vreeselijke ontroering zeker ontgaan!”
-
-„Ei! Welke moordenaar, die zich in zulken vreeselijken gemoedstoestand
-bevindt, zal op het denkbeeld komen, het licht uit te draaien.
-Bovendien—de huishoudster zoowel als de bediende verklaren dat hij
-onbeweeglijk over het lijk gebogen stond. Hoe rijm je dat dan met zijn
-voornemen te vluchten!”
-
-„Maar zijn handen waren vol bloed!”
-
-„Luister eens, mijn waarde! Denk je er eens even in, dat jij van avond
-laat een wandeling gaat maken. Op de Theemskade vindt je een man
-onbeweeglijk uitgestrekt. Je denkt dat hij bewusteloos is, of ziek, of
-misschien dood is, je bukt, zooals ieder ander zou doen, om je te
-overtuigen. De man is echter vermoord, en het bloed stroomt nog altijd
-uit zijn borst. Jij krijgt dat aan de handen.... op dat oogenblik
-nadert er politie!”
-
-„Je behoeft niet verder te gaan, Edward!” viel Charly hem in de rede.
-„De politie arresteert mij natuurlijk, eenvoudig omdat zij niet anders
-kan.”
-
-„Juist! Overdag zou je er niet zoo spoedig toe komen om die beweging,
-die ons als het ware ingeboren is, te volbrengen—je zou dan natuurlijk
-dadelijk het bloed zien, en den armen man aan de armen, aan het hoofd,
-waar je wilt vastgrijpen, maar zeker niet aan de wonde! En let wel op
-dat de kamer donker was—in ieder geval in vergelijking met de lichte
-gang. Het is dus zeer wel mogelijk, dat Richard, nadat hij geklopt
-heeft en naar binnen was gegaan, verbaasd door de duisternis in het
-vertrek een paar stappen heeft gedaan, en toen over het lichaam van den
-verslagene is gestruikeld. Natuurlijk heeft hij toen zijn handen in het
-bloed besmeurd—natuurlijk heeft hij toen dien woesten kreet geslaakt,
-dien de bediende en de huishoudster hebben gehoord.”
-
-„Ho! ho! Nu loop je toch wel wat al te hard van stal!” riep Charly uit.
-
-„Waarom?”
-
-„Vraag je dat nog? Als het zich zoo heeft toegedragen, zooals jij het
-daar voorstelt, dan moet die schurk van een Blackpool natuurlijk van te
-voren door een ander zijn gedood—en wel door iemand die na negenen is
-gekomen! Welnu de portier verklaart, dat er niemand geweest is!”
-
-„Je zegt nu dat op zegevierenden toon, Charly, en je denkt nu bij
-jezelf dat je mij schaakmat hebt gezet! Maar ik geef mij zoo spoedig
-niet gewonnen. Wij kennen het huis van Blackpool niet, maar ik acht het
-volstrekt niet onmogelijk, dat de dader zich reeds geruimen tijd van te
-voren in een ander gedeelte van het huis schuil heeft gehouden.”
-
-„Ik moet je nogmaals excuus vragen, Edward, maar ik geloof nu toch
-werkelijk dat je de waarschijnlijkheid forceert, omdat het een
-beschermeling van je betreft!” riep Charly uit. „Jijzelf verklaart
-altijd, en ik stem dat volmondig toe, dat iedere misdaad het spoedigst
-wordt opgelost, wanneer men slechts het motief kent, welnu hier is het
-motief bekend! Richard Stefenson had Blackpool bedreigd, hij droeg hem
-een fellen haat toe, hij heeft zijn zuster innig lief, en hij wilde
-haar eer wreken!”
-
-„Goed zoo! En daarom begaf hij zich naar het huis van Blackpool, met
-het opzet om hem te dooden, nietwaar?”
-
-„Welzeker!”
-
-„Natuurlijk heeft hij een wapen mede genomen—is het niet zoo?”
-
-Charly keek een oogenblik bedremmeld voor zich, en zeide toen:
-
-„Nu wil je mij zeker vangen door mij voor oogen te houden, dat
-Blackpool vermoord is met zijn eigen Japanschen dolk!”
-
-„Dat was ik inderdaad van plan! Denk je eens even in den toestand van
-een broeder, die de eer van zijn zuster gaat wreken. Laat ik je nu om
-te beginnen er even aan herinneren, dat er volstrekt niets te wreken
-viel! Dora is rein en eerbaar gebleven! Maar goed, wij nemen aan, dat
-de driftige Richard zich desniettemin voldoening wilde verschaffen!
-Maar dan had hij immers een wapen moeten mee nemen.”
-
-„Wie zegt dat hij er inderdaad geen een bij zich had?” mompelde Charly.
-
-„Maar dat zegt de „Daily Mail”, Charly,” riep Raffles uit.
-
-„Dat blad zegt er niets van, Edward.”
-
-„Juist en door er niets van te zeggen geeft ze te kennen, dat er geen
-wapens bij Richard gevonden zijn! Mijn hemel, Charly, denk je dat een
-blad als de „Daily-Mail”, dat er altijd op uitgaat zijn lezers tot in
-de minste bijzonderheden voor te lichten, waar het zulke sensationeele
-gebeurtenissen betreft, dat belangwekkende feit vergeten zou hebben?
-Neen, neen—als de „Daily-Mail” er niets van zegt, dan is dat voor mij
-het bewijs, dat men ook volstrekt geen wapens in de zakken van den
-jongen man heeft gevonden. Maar er is nog meer!”
-
-„Wat dan wel?”
-
-„Richard heeft eenvoudig zijn naam opgegeven aan den portier en later
-waarschijnlijk nog eens aan de huishoudster. Geloof jij dat dat de
-gewoonte is van moordenaars?”
-
-„Gewoonte is het misschien niet,” antwoordde Charly met een flauwen
-glimlach, „maar ik zou het mij zoo voor kunnen stellen. Richard is daar
-gekomen om van Blackpool verantwoording te vragen. Er is een hevige
-twist ontstaan. In zijn dolle drift heeft hij den Japanschen dolk op
-tafel zien liggen en dien Blackpool in de borst gestoken.”
-
-„En Blackpool ontving hem in het donker?” vroeg Raffles bedaard.
-
-„Ja, dat is en blijft natuurlijk een vreemde zaak,” antwoordde Charly,
-terwijl hij zich achter het oor krabde. „Ik moet je bekennen, dat ik
-daar geen oplossing voor weet. Ik wil ook wel verder gaan en verklaren
-dat het al heel wonderlijk zou zijn, als Richard in die donkere kamer
-dien dolk had ontdekt.”
-
-„Dat is ook mijn meening. Dan praat je van een twist. Zelfs de hevigste
-woordenwisseling tusschen twee doodsvijanden heeft tijd noodig om tot
-het hoogtepunt te stijgen. En dan gaat het maar niet in enkele minuten!
-Maar wat blijven wij hier als oude vrouwen theoretiseeren,” riep
-Raffles eensklaps uit, terwijl hij opstond. „Wij moeten er dadelijk op
-uit naar de ongelukkige vrouw en naar Dora, die zich wel in een
-verschrikkelijken toestand zullen bevinden. Laten wij ons haasten en
-zeg aan Henderson dat hij dadelijk met de auto moet voorkomen.”
-
-Er waren nog geen vijf minuten verloopen, of Henderson, de reusachtige
-chauffeur van den Grooten Onbekende, reed met een der snelste wagens
-voor en een oogenblik later waren de beide vrienden onderweg naar de
-Burrellstreet.
-
-Onderweg spraken zij zeer weinig, want ieder was in zijn eigen
-gedachten verdiept.
-
-Wat Charly betreft, ofschoon hij innig hoopte, dat hij zich zou
-vergissen, leken de bewijzen tegen Richard Stefenson hem zoo
-overstelpend, dat hij zich niet kon losmaken van de gedachte dat de
-jonge man in een oogenblik van vreeselijke drift inderdaad de misdaad
-had gepleegd.
-
-Het leek hem geheel onmogelijk en onaannemelijk toe, dat een ander het
-huis was binnen gekomen, zonder dat de portier of iemand anders in het
-huis het zou hebben gezien.
-
-Raffles wikte het voor en het tegen en zijn vaardige geest scheen alle
-mogelijkheden, alle kansen, alle waarschijnlijkheden na te gaan.
-
-Zijns ondanks moest hij wel toegeven, dat bijna alles tegen den jongen
-heethoofd pleitte, en toch scheen er een geheime stem in hem te
-spreken, die hem waarschuwde, dat hij er goed aan zou doen, niet op den
-schijn af te gaan.
-
-Het was bijna half elf in den morgen, toen de prachtige auto van Lord
-Aberdeen voor het kleine smalle huis in de Burrellstreet stil stond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK V.
-
-EEN NIEUWE FIGUUR.
-
-
-Er verdrongen zich eenige nieuwsgierige, druk fluisterende buren voor
-het huis, dat echter niet bewaakt was.
-
-Raffles en Charly konden dus ongehinderd naar binnen gaan, maar het
-kostte hen toch eenige moeite zich een doortocht tusschen de
-nieuwsgierigen te banen.
-
-Zij beklommen haastig de trap en waren op de bovenste verdieping bijna
-tegen een heer aangeloopen, die juist werd uitgelaten door een jongen,
-eenvoudig gekleeden man van omstreeks zes en twintig jaar met een
-intelligent, maar zeer bleek gelaat, donkere oogen en scherp
-geteekende, koolzwarte wenkbrauwen.
-
-Daar de oudste der beide heeren een hoogen hoed droeg en juist een
-gouden vulpen weg borg, meende Raffles reden te hebben voor de
-veronderstelling, dat hij met een geneesheer te doen had.
-
-Hij nam zijn hoed af en zeide:
-
-„Neem mij niet kwalijk, als ik u even ophoud. Ik ben Lord Aberdeen en
-ik stel groot belang in het ongelukkig gezin, hetwelk gij zoo juist
-verlaat, mijnheer. Heb ik het droevige voorrecht met den geneesheer te
-spreken?”
-
-„Die ben ik, Mylord. Mijn naam is Dr. Dunlop. Ik heb den echtgenoot van
-de arme vrouw Stefenson goed gekend, maar nu kwam ik voor haar dochter,
-de arme Dora is er zeer leelijk aan toe, dat mag ik niet verhelen.”
-
-De geneesheer had dit laatste op gedempten toon gezegd, met een schuwen
-blik op den jongen man, die bij de deur was blijven staan.
-
-Hij voegde er nu nog zachter aan toe:
-
-„Dat is haar verloofde, Harry Burton.”
-
-„Wat scheelt haar?” vroeg Raffles even zacht, na een vluggen blik op
-het witte gelaat van den jongen man te hebben geworpen.
-
-„Zij heeft ijlende koorts, ik heb al ijs moeten toepassen.”
-
-„Komt gij nu voor de eerste maal?”
-
-„Neen, ik ben er ook gisteravond geweest. Ik ben gekomen, zoodra de
-oude vrouw mij liet roepen, want ik heb altijd een zwak voor Dora
-gehad.”
-
-„Is er onmiddellijk gevaar, dokter?” vroeg Raffles op zachten toon.
-
-De geneesheer wierp opnieuw een snellen blik op den jongen man, die nog
-altijd bij de deur stond en antwoordde toen:
-
-„Ik denk dat het vandaag beslist wordt, Mylord. Het is een kwestie van
-leven of dood. Ik moet u zeggen, dat ik den toestand zeer ernstig
-inzie. Komt Dora echter den dag van heden te boven, dan bestaat er veel
-kans, dat wij haar in het leven behouden. Maar in ieder geval zal zij
-dan toch nog wekenlang in een toestand van halve bewusteloosheid
-blijven. De slag, die haar broeder zoo eensklaps getroffen heeft,
-schijnt haar geheel te hebben versuft.”
-
-„Zou het misschien niet beter zijn dokter, wanneer zij elders verpleegd
-werd?”
-
-„Later zal dat zelfs noodzakelijk zijn, Mylord, maar op dit oogenblik
-mag zij volstrekt niet vervoerd worden. Volmaakte rust, dat is alles
-wat haar redden kan, behalve natuurlijk dat mijn voorschriften met de
-grootste zorgvuldigheid moeten worden opgevolgd. Wanneer een
-geneesmiddel een half uur te laat wordt ingegeven, zou dat haar dood
-kunnen beteekenen, en nu wilt gij mij wel verontschuldigen, Mylord—ik
-heb vandaag zeer veel te doen, maar in den loop van den middag kom ik
-in ieder geval nog eens naar mijn klein vriendinnetje kijken.”
-
-De beide heeren drukten elkander de hand, en daarop traden Raffles en
-Charly naar de deur, waar Harry Burton hen scheen op te wachten.
-
-Raffles keek een oogenblik in het witte strakke gezicht, en zei toen:
-
-„Mijnheer Burton, wij zijn vrienden van de familie, en goede vrienden,
-durf ik wel zeggen. Ik hoop van harte, dat gij ons niet als indringers
-zult beschouwen, die hier louter uit nieuwsgierigheid komen.”
-
-„Ik weet wel beter, Mylord!” zeide de jonge man op doffen toon. „Dora’s
-moeder heeft mij reeds alles verteld. Ik heb deze week buiten Londen
-moeten werken—ik werd door mijn fabriek naar Leeds gezonden—ik ben maar
-een eenvoudig monteur, en daardoor komt het dat ik hier al dien tijd
-niet geweest ben, en dat ik nog niet het genoegen had u te ontmoeten.”
-
-„Zijt gij reeds lang uit Leeds terug?” vroeg Raffles, terwijl hij
-Burton de hand toestak.
-
-„Gisteravond om half twaalf aangekomen, Mylord!” antwoordde de jonge
-man. Maar eensklaps scheen hij zich te bezinnen, en voegde er haastig
-aan toe:
-
-„Ik vergis mij—ik was om zeven uur al weder in Londen! Maar blijf daar
-niet op het portaal staan, mijne heeren—wees zoo goed mij te volgen.
-Maar ik verzoek u, zacht te loopen, want op het oogenblik slaapt zij
-gelukkig.”
-
-De drie mannen traden binnen, en Burton bracht hen naar een klein
-zijvertrekje, dat voor het grootste gedeelte werd ingenomen door het
-bed, waarop het ongelukkige meisje in diepe sluimering lag.
-
-Maar Raffles zag onmiddellijk, met het oog van den deskundige, dat het
-een onrustige, onnatuurlijke sluimering was.
-
-De oogen waren niet geheel gesloten, de wenkbrauwen hadden nu en dan
-een krampachtige trekking, en van tijd tot tijd scheen er een huivering
-over het strakgetrokken vel te loopen.
-
-Raffles bleef geruimen tijd zwijgend naar het jonge meisje kijken, en
-zeide toen op zachten toon tot Charly Brand:
-
-„Dokter Dunlop had wel gelijk—het is een ernstig geval! Ik denk dat de
-hersens zijn aangedaan! Het is een groot geluk voor haar, dat zij zoo
-liefderijk verpleegd wordt!”
-
-Zijn blik dwaalde naar Harry Burton, die met doodsbleek gelaat, de
-handen tot vuisten gebald, als een toonbeeld van woeste smart naar het
-jonge meisje keek, gisteren nog bloeiend in haar schoonheid, en nu aan
-den rand van het graf.
-
-Maar nu opende hij een zijdeur, en verzocht de beide bezoekers op
-denzelfden gedempten toon, het gemeenschappelijk vertrek binnen te gaan
-waar zij mevrouw Stefenson aantroffen, die met gebogen hoofd, de handen
-in den schoot gevouwen, roerloos voor zich uitstaarde.
-
-Zij scheen het zelfs nauwelijks te merken, dat er andere personen in de
-kamer waren, en Raffles moest zijn hand op haar schouder leggen, om
-haar als het ware met een schok weder tot bewustzijn te doen komen.
-
-„Wij komen u onder droeve omstandigheden weder opzoeken, mevrouw
-Stefenson,” begon Raffles met zijn diepe stem, die menigmaal zulk een
-warmen klank kon verkrijgen, „maar ik bid u geef toch niet zonder
-weerstand te bieden toe aan uw smart, hoezeer die ook begrijpelijk is!
-Bedenk dat gij nu alleen zijt en dat alles op uw schouders rust!”
-
-De oude vrouw schudde het hoofd, en terwijl de tranen overvloedig over
-haar wangen stroomden, zeide zij op zachten toon:
-
-„Gij doet Harry onrecht, Mylord! Hij is mij een groote steun in deze
-verschrikkelijke omstandigheden. Hij kwam gisteravond nog hier, nadat
-hij om half twaalf uit Leeds was teruggekeerd, en het was wel een
-droevige ontvangst! Dora lag toen reeds in ijlende koorts neer, en hij
-is bij haar blijven waken, terwijl ik zelf onzen goeden dokter Dunlop
-ben gaan halen.”
-
-Toen de oude vrouw het uur noemde, waarop Harry Burton was aangekomen,
-had Raffles snel het hoofd opgeheven, en keek verrast naar den jongen
-man.
-
-Deze stond op dat oogenblik voor het raam met de handen op den rug
-gevouwen.
-
-Ook hij had vlug omgekeken, maar nu scheen zijn aandacht weer
-uitsluitend bepaald te zijn bij hetgeen er op straat voorviel.
-
-Raffles had een opmerking willen maken, maar hij bedacht zich en zeide
-half bestraffend:
-
-„Was er dan niemand anders om voor u naar den dokter te gaan? Gij zijt
-toch niet goed ter been?”
-
-„Ik heb een huurauto genomen, Mylord! Ik wilde niemand anders zenden,
-het was al zoo laat!”
-
-„Is de dokter toen dadelijk met u meegekomen?”
-
-„Niet dadelijk! Hij sliep reeds, en ik heb toen moeten wachten, totdat
-men hem gewekt had en hij zich had aangekleed!”
-
-Een oogenblik heerschte er zwijgen.
-
-En eensklaps viel de oude vrouw met het bovenlijf op de tafel en begon
-hartstochtelijk te snikken.
-
-„Mijn jongen! Mijn arme jongen! Dat het daartoe komen moest! Had ik hem
-toch maar niet het huis laten uitgaan!”
-
-„Gij moogt u niet toegeven aan die gedachten!” zeide Raffles, terwijl
-hij zachtjes over het witte haar streelde. „Wie weet—wie weet is....
-een ander wel de schuldige!”
-
-De oude dame hief snel het hoofd op om Raffles met haar betraande oogen
-aan te zien en tegelijkertijd wendde Harry Burton zich vlug om, en
-staarde Raffles met groote oogen aan.
-
-„Zeg mij eens, Mylord—gelooft gij dat werkelijk?” vroeg hij langzaam,
-en zijn woorden schenen zich met moeite een weg te banen door zijn
-opeengeklemde tanden.
-
-„Waarom zou dat onmogelijk wezen, waarde Burton?” was de wedervraag van
-Raffles.
-
-„Maar Mylord—hoe vreeselijk het ook is, dat zijn eigen moeder het moet
-zeggen—alles pleit toch immers tegen hem!” riep de ongelukkige vrouw
-uit. „Hij is hier woedend weg gegaan, met de bedreiging op de lippen—en
-in de bladen staat het immers te lezen, dat niemand voor hem het huis
-is binnen gegaan!”
-
-„Tenminste niemand die het gezien heeft!” zeide Raffles rustig.
-
-„Maar mijn God, Mylord—wie zou het dan hebben kunnen doen?” riep de
-oude vrouw bevend uit. „Wie kan denken aan zulk een noodlottigen
-samenloop van omstandigheden? Speelt het toeval dan zulk een groote rol
-in ons leven?”
-
-„Ja, mevrouw, dat doet het vaker dan wij denken!” antwoordde Raffles.
-„Ik wil u echter volstrekt niet paaien met hoopvolle verwachtingen. Wel
-beloof ik u plechtig, dat ik volstrekt niet zal rusten, voor ik den
-waren schuldige heb ontdekt!”
-
-Weer bleef het eenige oogenblikken stil.
-
-Harry Burton had zijn plaats bij het raam weder ingenomen.
-
-Men zag niets van hem dan zijn rug, en daarop de gevouwen handen,
-waarvan de vingers krampachtig in elkaar waren geklemd.
-
-Hij scheen recht voor zich uit te staren over het dak heen van het
-tegenoverliggende huis.
-
-Raffles scheen een oogenblik verzonken te blijven in den aanblik van de
-twee sterke, zenuwachtig trillende handen en vroeg toen eensklaps:
-
-„Neem mij niet kwalijk, dat ik u de vraag stel, mijnheer Burton, kendet
-gij Miss Dora reeds lang?”
-
-„Sedert twee jaar, mijnheer,” antwoordde de jonge man, zonder zich om
-te wenden.
-
-„Gij—hebt haar zeer lief?”
-
-„Ik heb haar liever dan mijn leven, Mylord. En ik zweer u, dat dit geen
-gemeenplaats is. Ik zou, als het moest den vuurdood voor haar
-trotseeren.”
-
-Weer zag men niets dan den breeden, eenigszins gebogen rug.
-
-„Dat pleit voor u, mijnheer Burton,” hernam Raffles. „Zeg mij eens,
-hebt gij dien Blackpool ook gekend?”
-
-Een hoofdknik, dat was alles.
-
-„Persoonlijk?”
-
-Weer een hoofdknik.
-
-„Gij moet het mij niet kwalijk nemen, mijnheer Burton, als ik
-onbescheiden lijk, maar in deze zaak kunnen schijnbaar onbeteekenende
-voorvallen van groot gewicht blijken te zijn. Was het u bekend, dat die
-schurk uw meisje achtervolgde met zijn liefdesverklaringen?”
-
-Nu wendde Burton zich eensklaps om en riep uit:
-
-„Ik hoorde het gisternacht voor het eerst, Mylord. Ja, als ik het
-vroeger had geweten.... dan....”
-
-Hij hield eensklaps op, streek zich met de hand over het hoofd,
-mompelde iets binnensmonds en hernam toen met een wrang lachje:
-
-„Ik geloof dat ik wartaal begin te spreken, Mylord! Hoe kon ik dat
-zeggen? Ik wist het al zeker maanden, dat die Blackpool het Dora lastig
-maakte.”
-
-Nu was het de beurt van de oude vrouw, om verrast op te zien.
-
-„Wat zeg je daar, Harry?” vroeg ze. „Waarom heb je ons dat dan nooit
-verteld? Daar wisten wij niets van. Hoe kwam je er toe, om dat voor ons
-te verbergen?”
-
-Het gelaat van den jongen man was krampachtig vertrokken, toen hij
-stamelend antwoordde:
-
-„Ik heb.... ik wilde.... het lag niet in mijn bedoeling om het te
-verzwijgen, moeder, maar ik wilde Dora alles besparen, wat haar hartje
-zou kunnen kwetsen. Ik verzeker u....”
-
-Hij brak den zin plotseling af, haalde zijn zakdoek te voorschijn,
-veegde er zijn voorhoofd mee af en draaide zich vlug weer om, teneinde
-uit het raam te zien.
-
-Raffles trommelde zachtjes met zijn vingers op het tafelblad en er lag
-een zonderlinge glimlach op zijn gelaat, waarvan Charly zich den
-oorsprong volstrekt niet kon begrijpen.
-
-Eensklaps stond de Groote Onbekende weder op en zeide:
-
-„Luister eens, mevrouw Stefenson. Deze zaak moet tot klaarheid worden
-gebracht, op welke wijze dan ook. Heeft uw zoon de misdaad inderdaad
-gepleegd, het is vreeselijk om het te moeten zeggen, dan zal hij ook
-zijn straf moeten dragen, maar ik zeg u, dat ik daar niet zeker van ben
-en daarom begin ik van dit oogenblik af mijn onderzoek. Ik zal u van
-alle vorderingen nauwkeurig op de hoogte houden. Wat Dora betreft, ik
-smeek u mij toe te staan om de twee uren naar haar welzijn te laten
-informeeren. Over de kosten der verpleging behoeft u zich natuurlijk
-niet te bekommeren. Wij zullen dat wel regelen.”
-
-Voordat de oude vrouw haar dankbaarheid kon uiten wendde Raffles zich
-tot Burton en vroeg op vriendelijken toon:
-
-„Zoudt ge mij uw adres niet willen geven, mijnheer Burton?”
-
-„Mijn adres, Mylord?” vroeg Burton toonloos.
-
-„Ja, het mocht eens noodzakelijk zijn, dat ik u eenige inlichtingen heb
-te vragen of te geven.”
-
-De jonge man scheen een oogenblik te aarzelen en antwoordde toen:
-
-„Ik woon in de Sloanstreet 107, vierde verdieping. Maar ik wil u wel
-waarschuwen, dat gij mij in de eerste dagen waarschijnlijk weinig of
-niet thuis zult vinden,—ik blijf hier. Ik blijf bij haar, die mij meer
-waard is dan het leven, en als zij sterft, dan wil ik met haar
-sterven.”
-
-Hij had dit laatste op een toon van woeste wanhoop uitgeroepen, sloeg
-zich met de beide gebalde vuisten voor het hoofd en viel kermend op een
-stoel neer.
-
-Droge snikken deden het krachtige lichaam schokken.
-
-Raffles legde hem troostend de hand op den schouder en zeide op
-ernstigen toon:
-
-„Gij zijt een man, mijnheer Burton en als een man zult gij alles moeten
-dragen, wat het ook zij.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VI.
-
-BEWIJZEN EN TEGENBEWIJZEN.
-
-
-De auto stond nog steeds te wachten en Henderson, de reusachtige
-chauffeur, zat onbewegelijk achter het stuurwiel, zonder zich te storen
-aan de veertig of vijftig buurkinderen die hem en zijn auto met de
-grootste verbazing aanstaarden.
-
-Met de hand aan de kruk van het portier vroeg Raffles zijn trouwen
-chauffeur:
-
-„Weet jij waar de Sloanstreet is, Henderson?”
-
-„Zeker, Mylord.”
-
-„Is het ver hier vandaan?”
-
-„Een kwartier rijden.”
-
-„Breng ons daar dan heen en houd stil voor het huis dat het nummer 107
-draagt.”
-
-Zoodra de auto zich in beweging had gesteld, vroeg Charly verwonderd:
-
-„Wat wil je in dat huis uitvoeren, waar de jonge monteur woont?”
-
-„Ik wil eens informeeren, waarom hij gelogen heeft!”
-
-„Gelogen?” herhaalde Charly verwonderd.
-
-„O, onze vriend Burton liegt heel slecht! Maar heb je dan zelf niet
-opgemerkt, mijn waarde, dat hij zich tweemaal zoogenaamd versproken
-heeft?”
-
-„Om je de waarheid te zeggen....” stotterde Charly.
-
-Raffles haalde een weinig ongeduldig de schouders op en hernam toen:
-
-„Dat gebrek aan opmerkingsgave is toch wel wat sterk! De eerste maal
-dat hij zich op zulk een eigenaardige wijze vergiste, was, toen hij
-eerst verklaarde, om halftwaalf uit Leeds te zijn teruggekeerd en dit
-naderhand verbeterde, door te verklaren dat hij alweer om zeven uur in
-Londen was. De tweede keer was, toen hij eerst beslist verklaarde,
-niets te hebben geweten van de achtervolgingen, waaraan Dora van den
-kant van dien Blackpool bloot stond, hetgeen dan ook het
-waarschijnlijkste is, want een jong meisje als Dora vertelt zulke
-dingen niet—en dit naderhand weder herriep.”
-
-„Je hebt gelijk, Edward!” riep Charly opgewonden uit. „Ik had daar in
-het eerst geen acht opgeslagen! Dat is eigenlijk wel vreemd!”
-
-„Dat meen ik ook!” zeide Raffles droogjes. „En wij gaan nu naar de
-Sloanstreet om eens te hooren, of men ons daar niet kan mededeelen, hoe
-dat zit met het uur van aankomst; of Burton om half twaalf of reeds om
-zeven uur terug was. Ik denk dat het half twaalf was.”
-
-„Waarom denk je dat?” vroeg Charly verwonderd.
-
-„Ik kan er geen bepaalde reden voor opnoemen—het is een ingeving.”
-
-„Maar dan zou Harry Burton met opzet gelogen hebben?”
-
-„Dat heeft hij dan ook waarschijnlijk.”
-
-„Met welk doel dan toch?”
-
-„Dat weet ik nu nog niet, maar zeker voor een doel van het grootste
-gewicht.”
-
-„Maar die jongen heeft toch met de heele zaak volstrekt niets te
-maken?” riep nu Charly uit.
-
-„Slechts in zooverre, dat hij de verloofde is van de zuster van den
-gevangene, van den man, die op dit oogenblik van moord beticht wordt.
-Maar ik geloof, dat Henderson, die natuurlijk weer veel te hard gereden
-heeft, de plaats van bestemming reeds bereikt heeft.”
-
-Inderdaad, de groote auto verminderde haar vaart en stond nu stil voor
-een eenvoudig huis, een soort huur-kazerne, waarvan de breede voordeur
-wagenwijd open stond.
-
-„Blijf maar even op mij wachten, ik zal aanstonds wel terug zijn,”
-zeide Raffles, terwijl hij het portier opende.
-
-De jonge man zag hoe Raffles een paar woorden wisselde met Henderson en
-daarop in het huis verdween.
-
-Er waren nog geen drie minuten verloopen of Raffles keerde weder terug.
-
-Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking toen hij het portier weder
-opende, na Henderson een kort bevel te hebben gegeven.
-
-„Welnu?” vroeg Charly, nadat Raffles weder naast hem had plaats
-genomen.
-
-„Hij is om half twaalf terug gekeerd. Het was zelfs nog iets later. Hij
-heeft zijn handvaliesje, dat hij bij zich had, aan den portier
-afgegeven met verzoek het naar zijn kamer te laten brengen en daarop is
-hij dadelijk weer in de auto gestapt, die hem waarschijnlijk regelrecht
-naar het huis van zijn meisje heeft gereden.”
-
-„Dus dan zal hij toch hebben gelogen?” riep Charly verrast uit. „Maar
-wat kan hij daar toch mee hebben voor gehad?”
-
-„Dat moeten wij nu juist onderzoeken, Charly. Er schuilt achter dat
-alles iets geheimzinnigs, dat ik zal trachten te doorgronden.”
-
-„Waar gaan we nu heen?”
-
-„Naar Scotland Yard. Ik wil den hoofdinspecteur van politie, mijn
-besten braven vijand Baxter, verlof vragen om onderzoek te mogen doen
-in het huis, waar Blackpool den dood had gevonden.”
-
-Er werd slechts weinig meer gesproken gedurende den rit en toen de auto
-eindelijk weer stil hield voor het sombere gebouw in de Downingstreet,
-hadden de beide vrienden ternauwernood eenige woorden met elkander
-gewisseld.
-
-Ook nu bleef Charly weder wachten, terwijl Raffles, die als
-amateur-detective, natuurlijk onder den naam van Lord Aberdeen, een
-grooten roep had verworven, aan den hoofdinspecteur van politie Baxter,
-denzelfden man, die Raffles reeds jaren lang zoo meedoogenloos, maar
-zonder vrucht achtervolgde, verlof ging vragen op eigen gezag een
-onderzoek te mogen instellen inzake den moord in het huis in Short
-Gardens.
-
-Baxter, maar al te verheugd, dat hij den vice-president van de
-Windsor-club, waartoe hij zelf ook behoorde, een dienst kon doen, vulde
-aanstonds een formulier in, hetwelk den Lord toegang zou verschaffen
-tot het huis waar de misdaad was gepleegd.
-
-Voorzien van dit kostbare document, dat alle deuren voor hem moest
-openen, begaven de beide vrienden zich weer op weg en een half uur
-later, het was toen juist twaalf uur, hield de auto weder stil voor het
-tragische huis.
-
-Er stond een agent voor de deur en een paar dozijn leegloopers en
-nieuwsgierigen gaapten het huis aan.
-
-Raffles en Charly hadden niet de minste moeite, te worden toegelaten,
-zoodra zij het formulier vertoonden, en een paar oogenblikken later
-stonden zij tegenover den portier, wiens getuigenis van zoo’n groot
-belang was geweest bij de arrestatie van Richard Stefenson.
-
-Raffles keek den man een oogenblik onderzoekend aan, haalde toen een
-goudstuk te voorschijn, hield het even tusschen duim en wijsvinger in
-de hoogte en zeide toen glimlachend:
-
-„Ik ben wel een detective, mijn vriend, maar niet van de officieele
-politie en daarom heb ik ook wel eens de gewoonte, deze aardige ronde
-schijfjes te schenken aan lieden, die zich in een of ander opzicht
-verdienstelijk hebben gemaakt. Gij lijkt mij een zeer schrander man te
-zijn. Uw antwoorden kunnen mij van nut zijn. Zoudt gij geen lust
-hebben, dit goudstuk te verdienen?”
-
-„Dat zal niemand afslaan, mijnheer,” antwoordde de portier met
-glinsterende oogen. „Wat ik weet zal ik u gaarne zeggen. Ik vrees
-echter, dat ik niet veel toe te voegen heb aan mijn verklaringen,
-zooals gij die reeds in de bladen hebt kunnen lezen.”
-
-„Ik kan dus aannemen, dat uw opgaven volkomen juist zijn?”
-
-„Volkomen.”
-
-„Misschien valt mij toch wel iets in, waarvan ik nog niets in de bladen
-aantrof, bijvoorbeeld, weet gij zeker dat gij uw post in de vestibule
-niet verlaten hebt, vanaf het oogenblik dat Blackpool van zijn diner
-terugkeerde?”
-
-„Dat weet ik heel zeker, mijnheer.”
-
-„Gij denkt dus, dat niemand tusschen negen uur en half tien uw loge
-voorbij kan zijn gegaan, of ge hadt hem moeten zien?”
-
-„Dat denk ik, mijnheer. En ik denk het niet alleen, maar ik ben er ook
-vast van overtuigd. Ik wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat er ook
-niemand gepasseerd is, maar dat waren een paar bewoners van het huis,
-die op de bovenste verdieping wonen.”
-
-„Goed zoo. Waren het er veel?”
-
-„Hoogstens twee of drie. Laat eens zien, toen mijnheer Blackpool
-terugkeerde, stond ik een oogenblik met hem te spreken, en juist toen
-ging juffrouw Brown van vijf hoog voorbij. Een kwartier later verscheen
-die dikke rentenier van twee hoog, die wel een half uur noodig heeft om
-de trap op te komen en dan heelemaal uitgeput is en om half tien ging
-de onderwijzeres van het dakkamertje voorbij, die mij nog toeknikte en
-dat is alles.”
-
-„Zeide ik het niet, dat gij een bijzonder scherp opmerkingsvermogen
-hebt,” riep Raffles uit, terwijl hij den portier het goudstuk in de
-hand drukte, „maar gij zijt nog niet van mij af.”
-
-„Vraag maar gerust, mijnheer.”
-
-„Kan men nog op een andere wijze naar boven komen, dan langs dezen
-weg?”
-
-„Welzeker, langs de achtertrap, die weg is ook korter. Mijnheer
-Blackpool ging meestal de achtertrap op, want hij was nog al lui
-uitgevallen. Maar in ieder geval moet men dan toch mijn loge
-passeeren.”
-
-„Ei, ei, dat kan van belang zijn,” zeide Raffles, half binnensmonds.
-
-Daarop vervolgde hij luid:
-
-„Het is dus volstrekt niet onmogelijk dat men de woning van Blackpool
-binnen gaat, zonder aan de gangdeur op het groote portaal aan te
-bellen?”
-
-„Het is niet geheel onmogelijk, maar dan moet men toch een sleutel van
-de achterdeur hebben, de deur, die op een smalle brandgang uitkomt.”
-
-„Natuurlijk, tenzij men met mijnheer Blackpool tegelijk zou
-binnengaan,” voegde Raffles er aan toe.
-
-De portier zette groote oogen op en zeide verbaasd:
-
-„Ja, dan zouden noch de huishoudster, noch de oude bediende het
-behoeven te merken? Maar wie zou die bezoeker dan wel geweest zijn? Ik
-zeg u immers dat mijnheer Blackpool alleen terug kwam.”
-
-„Zeker, dat heb ik heel goed gehoord. Maar iemand zou hem bijvoorbeeld
-bij de achtertrap hebben kunnen opwachten.”
-
-De portier krabde zich met een bedenkelijk gezicht achter het oor en
-antwoordde:
-
-„Hoor eens hier, mijnheer. Aan dergelijke mogelijkheden heb ik
-natuurlijk niet gedacht. Ik wil er u alleen maar op wijzen, dat dan
-toch die geheimzinnige persoon had moeten terugkomen, die kan toch niet
-in de lucht zijn opgelost. Het is waar, een aantal bewoners heeft het
-huis verlaten tusschen negen uur en half tien en ik moet bekennen, dat
-ik daar minder op gelet heb.”
-
-„Nu, men kan ook niet van u verlangen, dat gij uw oogen op uw rug
-hebt,” zeide Raffles vriendelijk. „Hier is nog een goudstuk. Misschien
-wilt gij ons wel even den weg wijzen naar de woning van den heer
-Blackpool.”
-
-„Gaarne tot uw dienst, mijnheer.”
-
-„Maar ik zou het liefste eveneens de diensttrap gebruiken.”
-
-„Dat kan gebeuren, mijnheer.”
-
-De drie mannen liepen de koetspoort ten einde, gingen de hoofdtrap
-voorbij en bereikten zoo den tweeden ingang, die met een smalle deur
-kon worden afgesloten.
-
-Hier begon de trap, die steeds door de bedienden en door
-slagersknechts, melkboeren en boodschaploopers gebruikt werd.
-
-En het werd al spoedig duidelijk, waarom mijnheer Blackpool dezen weg
-bij voorkeur gebruikte, want de trap liep rechtdoor en eindigde in een
-portaal, dat juist achter zijn woning liep.
-
-„Waartoe behoort die deur?” vroeg Raffles, toen zij op het portaal
-stonden.
-
-„Tot de werkkamer van mijnheer Blackpool.”
-
-„Dezelfde kamer, waar de misdaad plaats vond?”
-
-„Ja, mijnheer.”
-
-„Is zij geopend?”
-
-„Neen.”
-
-„Maar ge hebt misschien den sleutel bij u?”
-
-„Dien heeft de politie. Wij kunnen echter wel door de keuken de
-voorgang bereiken en vandaar de kamer.”
-
-„Vooruit dan maar.”
-
-De drie mannen zetten hun weg voort en bereikten nu de keuken, waar zij
-een oude dame vonden, gekleed met hoed en mantel en met een behuild
-gezicht, die bezig was in een klein valies eenige voorwerpen te pakken.
-
-Het was Miss Dayton, de oude huishoudster van het slachtoffer.
-
-Raffles zeide eenige woorden van sympathie tot haar en vervolgde toen:
-
-„Zoud ge mij eens willen zeggen, Miss, of ge hier gisteren den geheelen
-avond geweest zijt?”
-
-„Neen, mijnheer,” antwoordde de huishoudster. „Ik ben zoowat een
-kwartier weg geweest om een boodschap te doen.”
-
-„Voor uzelf?”
-
-„Neen, mijnheer zond mij uit.”
-
-Raffles wisselde een snellen blik met Charly, die er echter tamelijk
-onbeholpen bij stond, daar hij er de betekenis volstrekt niet van
-begreep en vroeg toen verder:
-
-„Hoe laat was dat?”
-
-„Dat weet ik niet precies, maar in ieder geval was mijnheer pas een
-paar minuten thuis.”
-
-„Wat moest ge doen?”
-
-„O, het was een onbenullige boodschap. Het had niets om het lijf. Ik
-had het evengoed den volgenden dag kunnen doen, maar mijnheer stond er
-op, dat ik aanstonds ging.”
-
-„Waar gaf hij u de opdracht voor die boodschap?”
-
-„Hij kwam er voor in mijn kamertje, dat vlak naast de keuken is.”
-
-„Had hij zijn hoed en jas nog aan?”
-
-„Neen, die had hij afgelegd.”
-
-„Vroeg of zeide uw meester nog iets anders?”
-
-„Hij vroeg, waar Blunt was, dat is de bediende.”
-
-„En waar was die?”
-
-„Het was zijn uitgaansdag. Hij was bezig zich op zijn kamer te
-verkleeden.”
-
-„Waar is dat kamertje?”
-
-„Onder de hanebalken.”
-
-„Zijt gij toen dadelijk de deur uitgegaan?”
-
-„Dadelijk.”
-
-„Hoe lang zijt ge ongeveer weg gebleven?”
-
-„Omstreeks twintig minuten.”
-
-„Zijt ge aan uw meester gaan zeggen, dat de boodschap gedaan was?”
-
-„Neen, het was van volstrekt geen beteekenis.”
-
-„Waar zijt ge toen heen gegaan?”
-
-„Naar mijn kamertje.”
-
-„Kunt gij het daar hooren als er in de werkkamer gesproken wordt?”
-
-„Als men tamelijk luid spreekt wel.”
-
-„Hebt ge iets gehoord?”
-
-„Volstrekt niets.”
-
-„Tien minuten later verscheen een bezoeker, Richard Stefenson,
-nietwaar?”
-
-„Het kan hoogstens tien minuten geweest zijn.”
-
-„Volgens de bladen moeten er vijf minuten of minder zijn verloopen, van
-het tijdstip af, dat gij den bezoeker de deur van de werkkamer aanwees
-en dat, waarop gij den kreet hoorde. Is dat zoo?”
-
-De huishoudster schudde ontkennend het hoofd en antwoordde:
-
-„Ik geloof, dat ik wel wat ruim ben geweest in die opgave, mijnheer,
-het kan bijna niet langer dan een volle minuut zijn geweest. Misschien
-nog wel minder.”
-
-„Waarom denkt ge dat?”
-
-„Wel, ik leid het uit den afstand af, dien ik had afgelegd.”
-
-„Zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn, ons het eens voor te doen? Wij
-zouden dat zeer op prijs stellen.”
-
-„Ja zeker, mijnheer! Wilt gij mij even volgen?”
-
-De huishoudster, gevolgd door de drie mannen, begaf zich naar de deur
-die op de hoofdgang uitkwam, of liever op het portaal, waarmede de
-hoofdtrap eindigde.
-
-Hier stond zij stil en zeide:
-
-„Ik was voornemens eens te gaan zien, waar Blunt bleef. Ik liet de deur
-op een kier staan en ik erken, dat dat wel wat onvoorzichtig was.”
-
-„Weet gij precies, hoever gij gekomen zijt?”
-
-„O ja, Heel precies. Ik had juist mijn voet op de onderste trede van de
-trap van de vierde verdieping gezet. Gij kunt van hier het portaal van
-de derde gedeeltelijk zien.”
-
-„Mooi zoo. Gij stond dus bij de deur en wees den bezoeker met een
-hoofdknik op welke deur hij moest aankloppen. Hebt gij toen nog gewacht
-om te zien, of hij zich niet zou vergissen?”
-
-„Daarop behoefde ik niet te wachten. Overtuig u maar zelf, dat een
-vergissing onmogelijk is. Er is aan dien kant van de gang maar een
-deur.”
-
-„Ge hebt gelijk. Ga dan eens bij die deur staan, zoodra ik zeg „nu”
-begint ge te loopen en keert dan even snel terug als gij het
-gisteravond deed.”
-
-Miss Dayton ging voor de deur staan, Raffles haalde zijn horloge te
-voorschijn en hield den blik op den secondenwijzer gevestigd.
-
-Na eenige oogenblikken hief hij de hand op en zeide op korten toon:
-
-„Nu.”
-
-De huishoudster begon de trap te beklimmen. Het was een trap van
-achttien breede treden.
-
-Zij bereikte het portaal van de derde verdieping en zette daarop den
-voet op de onderste trede van de trap die naar de vierde voerde.
-
-Op dat oogenblik gaf Raffles een luiden schreeuw, zonder evenwel van
-zijn horloge op te zien.
-
-Verschrikt kwam de huishoudster terug loopen.
-
-„Wat is er, mijnheer, Waarom schreeuwt u zoo?” vroeg ze. „Ik krijg er
-zoowaar een hartklopping van.”
-
-„Neem me niet kwalijk, als ik u aan het schrikken gemaakt heb,” zeide
-Raffles glimlachend. „Het was maar om uw haast wat natuurlijker te
-maken. Gij denkt dus, Miss, dat gij een minuut gedaan hebt van hier tot
-de onderste trede van de trap?”
-
-„Het zal wel korter zijn geweest,” hernam de huishoudster aarzelend.
-
-„Het was juist een en twintig seconden, Miss,” antwoordde Raffles
-bedaard. „Over het terug loopen hebt gij maar twaalf gedaan.”
-
-Hij wendde zich tot Charly, die vol belangstelling het kleine
-tooneeltje had gade geslagen en vroeg:
-
-„Wat dunkt u, mijnheer Brand. Zou de moordenaar werkelijk den tijd
-hebben gevonden in die een en twintig seconden eerst van de woningdeur
-naar de deur van de werkkamer te loopen, daar naar een wapen te zoeken
-en vervolgens zijn slachtoffer neer te stooten?”
-
-Charly twijfelde even voor hij antwoordde:
-
-„De tijd lijkt wel wat heel kort, vooral wanneer men nagaat dat het
-vertrek in duisternis gedompeld was.”
-
-„Dat meende ik ook,” hernam Raffles droogjes. „Over die duisternis
-gesproken, Miss Dayton, was het de gewoonte van uw meester, in donker
-in zijn werkkamer te zitten?”
-
-„Dat deed hij nooit, mijnheer.”
-
-„Nu, misschien vinden wij er later de oplossing wel van. Ik wil u niet
-langer ophouden, Miss. Ik begrijp dat gij zoo vlug mogelijk het huis
-wilt verlaten.”
-
-„Dat moogt ge wel zeggen, mijnheer. Ik tel de minuten. Het is
-verschrikkelijk om hier te zijn. Het lichaam van mijnheer.... ligt nog
-altijd daar binnen. De politie laat het pas vanmiddag weg halen. Er
-zijn al een paar detectives geweest.”
-
-„Dan is de deur misschien gesloten?” vroeg Raffles en zijn voorhoofd
-fronste zich.
-
-„Ja, mijnheer, de politie heeft de deur afgesloten en den sleutel
-meegenomen.”
-
-„Nu, dan moeten wij maar eens zien of een van mijn sleutels past,”
-zeide Raffles luchtig.
-
-Hij haalde zijn sleutelbos te voorschijn en trad snel de gang in.
-
-En de anderen hadden zich nauwelijks bij hem gevoegd, of hij had de
-deur geopend.... al was het dan niet met een van zijn sleutels, dan
-toch met een looper.
-
-Zoodra hij binnentrad viel zijn oog op het lichaam van den verslagene.
-
-De politie had het zeker juist zoo laten liggen als zij het gevonden
-had.
-
-De spitse Japansche dolk was uit de wonde getrokken en lag op de
-schrijftafel. Klaarblijkelijk wachtte men op het bezoek van een beroemd
-detective.
-
-Raffles was binnen getreden en onderzocht allereerst het wapen.
-
-De kling was ongeveer twee decimeter lang en zeer scherp.
-
-Over een lengte van hoogstens een paar duim was het lemmet met bloed
-bespat.
-
-Raffles balanceerde het wapen een oogenblik op zijn vinger en zeide
-toen half tot Charly gewend:
-
-„Ik zou eigenlijk gedacht hebben, dat Richard Stefenson over meer
-spierkracht beschikte.”
-
-„Hoe zoo?”
-
-„Wel, een sterk man in dolle drift zou dit wapen zeker tot aan de
-stootplaat in de borst van zijn vijand kunnen steken.”
-
-Hij wendde zich tot den portier die mede naar binnen was getreden,
-ofschoon wel wat bleek om den neus en vroeg hem:
-
-„De politie heeft dit vertrek natuurlijk reeds onderzocht?”
-
-„Van doorzocht kan men eigenlijk niet spreken, mijnheer. Ze hebben even
-rond gekeken. Ze waren van oordeel dat hier niets te zoeken viel.”
-
-„Wel, het is een standpunt als ieder ander,” hernam Raffles droogjes.
-„Maar wij zullen een weinig grondiger te werk gaan en de kamer duchtig
-onderzoeken. Mijnheer Brand, wees gij zoo goed en begin aan gindschen
-hoek en sla niets over wat ik u verzoeken mag. Ik zal de schrijftafel,
-deze sofa en het vloerkleed wel voor mijn rekening nemen.”
-
-En zonder zich aan de anderen te storen begon Raffles aanstonds met
-zijn onderzoek.
-
-Er was nog geen minuut verhopen of Charly hoorde hem een gedempten
-kreet slaken.
-
-Raffles stond op dat oogenblik gebukt over een kleine tafel, waarover
-een zwart loopertje was gespreid van zwarte imitatie kant.
-
-„Wat is er?” vroeg de jonge man nieuwsgierig.
-
-„Hebt gij iets gevonden?”
-
-„Neen—ik dacht.... ik meende... ik heb mij vergist! Hoe staat het daar
-ginds?”
-
-„Ik heb volstrekt niets ontdekt.”
-
-„Nu, dan zullen wij het voorloopig maar opgeven, mijnheer Brand,”
-hernam Raffles, terwijl hij zich oprichtte, en het vergrootglas weder
-in zijn zak stak, dat hij dien morgen als wijze voorzorgsmaatregel had
-meegenomen.
-
-Charly keek hem even vragend aan, en zag op zijn gelaat iets, hetwelk
-hem duidelijker dan woorden zeide, dat Raffles reeds op een spoor
-was—ja, dat hij de waarheid waarschijnlijk reeds had ontdekt.
-
-Raffles wendde zich weder naar de deur om heen te gaan, maar op den
-drempel keerde hij zich nog eens om en vroeg, zich tot de huishoudster
-wendende:
-
-„Hoe vaak werd de werkkamer van mijnheer Blackpool schoongemaakt.”
-
-„Iederen dag werd er stof af genomen, en tweemaal in de week kwam de
-schoonmaakster.”
-
-„Werd bij het stof afnemen ook dat zwarte loopertje op de tafel
-uitgeklopt.”
-
-„Zonder mankeeren, mijnheer,” hernam de huishoudster verwonderd.
-
-„Dat was gisteren natuurlijk reeds gebeurd voor mijnheer Blackpool van
-het diner terugkeerde?”
-
-„Dat spreekt vanzelf.”
-
-„Natuurlijk. Het was een domme vraag van mij. Nu Miss, dan kunnen wij
-niets anders doen dan u dank zeggen voor de ons verschafte
-inlichtingen—en als contrabeleefdheid wil ik u wel zeggen, dat Richard
-Stefenson heel stellig uw meester niet heeft vermoord.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-HOOFDSTUK VII.
-
-DE SCHULDIGE.
-
-
-Er waren drie dagen verloopen sedert Raffles onderzoek had gedaan in de
-woning van Bernard Blackpool.
-
-Het was elf uur in den morgen.
-
-Raffles was juist teruggekeerd van een morgenrit op zijn pas gekochte
-schimmel en zat nu in de werkkamer, na zich te hebben verfrischt, toen
-zijn oude, grijze kamerbediende, Gaston, het bezoek aankondigde van
-Harry Burton.
-
-Raffles legde langzaam de „Times” weg die hij juist had ingezien en
-bromde zachtjes voor zich heen:
-
-„Eindelijk. Ik had hem reeds eerder verwacht.”
-
-En luid vervolgde hij tot den bediende:
-
-„Verzoek mijnheer Burton hier te komen.”
-
-Gaston verwijderde zich en een oogenblik later liet hij den jongen
-monteur binnen treden.
-
-Burton was zoo mogelijk nog bleeker dan de laatste maal, dat Raffles
-hem gezien had, en er lag een uitdrukking als van een opgejaagd dier in
-zijn oogen, toen hij binnentrad en schuw omkeek, totdat Gaston zachtjes
-de deur achter hem gesloten had en zijn schreden waren weg gestorven.
-
-Raffles was opgestaan en trad zijn bezoeker een paar passen tegemoet.
-
-Hij wees hem met een uitnoodigend gebaar een stoel aan, maar Burton
-schudde het hoofd en zeide op schorren toon:
-
-„Ik zal niet gaan zitten, Mylord. Wat ik u te zeggen heb, kan ik
-staande doen—ik zal weinig van uw kostbaren tijd in beslag nemen.”
-
-„Zooals gij wilt, mijnheer Burton,” zeide Raffles op zachten toon, en
-hij wierp den jongen man tersluiks een blik van warme sympathie toe.
-„Zeg mij nu, wat u tot mij voert.”
-
-Burton slikte een paar malen, alsof hij een brok in de keel had en
-begon toen:
-
-„Ik weet Mylord, dat gij groot belang stelt in.... de familie van mijn
-meisje! Ik weet ook, dat gij een onderzoek hebt ingesteld in zake....
-den moord op Blackpool. Ik kom u nu verzoeken, geen verdere moeite te
-doen.... ik ben de dader.”
-
-Raffles, die weer had plaats genomen en geen oog van den bezoeker had
-afgewend, verroerde zich niet, en bleef Burton onbewegelijk aanstaren.
-
-Toen klonk zijn warme diepe stem:
-
-„Miss Dora is dus buiten gevaar?”
-
-Burton hief met een ruk het hoofd op en vroeg, terwijl hij wit werd tot
-in de lippen:
-
-„Wat bedoelt gij daarmede, Mylord. Wat wilt gij zeggen?”
-
-„Antwoord mij eerst op de vraag die ik u stelde. Is uw verloofde buiten
-gevaar? Heeft dokter Dunlop den waarborg gegeven, dat zij er het leven
-zal afbrengen.”
-
-„Ja, Goddank, Mylord. Zij zal niet sterven,” riep Burton
-hartstochtelijk uit en nu klonk er jubelende blijdschap in zijn stem.
-„Het zou ook te vreeselijk geweest zijn! Maar ik smeek u—zeg mij waarom
-u dat vraagt.”
-
-„Omdat gij u wilt voordoen als de moordenaar, Harry Burton,” zeide
-Raffles rustig.
-
-„Mij wil voordoen, Mylord?” herhaalde Burton stamelend, terwijl hij een
-paar schreden achteruit deed. „Maar ik verzeker u, dat ik de moordenaar
-ben, dat ik Blackpool gedood heb.”
-
-„Gij liegt, Burton,” hernam Raffles steeds op denzelfden toon. „Gij
-doet het om bestwil—ik meen te weten, waarom gij het doet, maar gij
-liegt. Gij zijt de moordenaar van Blackpool niet.”
-
-„Hoe kunt gij dat weten, Mylord?” vroeg Burton heesch.
-
-„O, dat is al heel eenvoudig. Wanneer men om half tien in den avond een
-man wil vermoorden, dan moet men, wanneer die man te Londen woont, niet
-op datzelfde uur Leeds verlaten.”
-
-„Wat.... wat bedoelt gij?” stamelde Burton en hij was nu werkelijk
-jammerlijk om aan te zien, met zijn trillende lippen, zijn flakkerenden
-blik, en zijn vaalbleek gelaat.
-
-Raffles was opgestaan en op Burton toegetreden. Hij legde hem de hand
-op den schouder, keek hem diep in de oogen en zeide:
-
-„Gij kunt het immers niet ontkennen! Ik heb de zaak onderzocht. De
-trein uit Leeds vertrok om vijf minuten over half tien—en met dien
-trein hebt gij gereisd. Gij hebt bij Charing Cross station dadelijk een
-huurauto genomen en uw valies afgegeven aan den portier van uw huis.
-Daarop zijt gij aanstonds doorgereden naar het huis van uw meisje, en
-daar hebt gij de vreeselijke tijding vernomen, dat haar broeder zooeven
-gearresteerd was.
-
-Een oogenblik bleef het doodstil in het vertrek.
-
-Men hoorde er niets anders dan de gejaagde ademhaling van Harry Burton.
-
-Hij keek met een verwilderden blik om zich heen en vestigde toen zijn
-donkere oogen met een smeekende uitdrukking op het gelaat van Raffles.
-
-En alsof die aanblik hem de kracht geheel ontroofde, wankelde hij naar
-een stoel en barstte in een hartverscheurend snikken uit, dat zijn
-geheele krachtige lichaam deed trillen.
-
-Raffles liet hem rustig uithuilen en had weder achter zijn schrijftafel
-plaats genomen. Maar eensklaps met een woeste beweging hief Burton het
-hoofd op en staarde Raffles aan.
-
-„Gij zegt, dat ik den moord onmogelijk kan hebben begaan. Gij hebt de
-zaak onderzocht! Hebt gij.... vermoedens, wie de dader kan zijn?”
-
-„Ik heb geen vermoedens, ik heb zekerheid, Harry Burton!” antwoordde
-Raffles op zachten toon.
-
-Burton verhief zich langzaam van zijn stoel en keek Raffles aan als zag
-hij een spookverschijning.
-
-En toen vielen, als steenen in een vijver, in de stilte der kamer de
-weinige woorden:
-
-„Dora deed het.”
-
-Geruimen tijd was alleen het tikken van de pendule hoorbaar.
-
-Burton was onbewegelijk blijven staan.
-
-Het scheen of hij volstrekt niet verstaan had, wat Raffles zeide.
-
-Maar eensklaps begon hij te wankelen en tastte met gesloten oogen naar
-een steun.
-
-In een oogwenk was Raffles overeind en op hem toegeijld. Hij vatte hem
-met zijn krachtige armen om het lichaam en droeg hem naar een
-gemakkelijken leunstoel, waarin hij hem liet zinken.
-
-Hij schonk haastig een glas water in, voegde er een paar druppels bij
-uit een klein flaconnetje van groen bergkristal, dat hij uit zijn
-vestzakje haalde en liet het den jongen man drinken, wiens tanden tegen
-het glas klapperden.
-
-Toen leunde Burton zwijgend achterover, den nek op den rand van den
-stoel, met gesloten oogen, bleeker dan de dood.
-
-Na geruimen tijd kwam het fluisterend over zijn lippen:
-
-„Dus alles vruchteloos. Alles om niets. Zij zal gevonnist.. zij zal
-misschien ter dood gebracht worden.”
-
-„Neen, Burton, neen. Daar is in ieder geval geen sprake van,” riep
-Raffles uit, terwijl hij de hand van Burton greep. „De eerste de beste
-advocaat, een beginneling zelfs, zal tal van verzachtende
-omstandigheden weten te pleiten. Er is geen sprake van of Dora heeft
-gehandeld in staat van wettige zelfverdediging. Van voorbedachte rade
-is geen sprake. Ik weet zeker—ik zou het u wel bijna durven toezeggen,
-dat men haar ten hoogste tot een jaar of een paar jaar zal kunnen
-veroordeelen.”
-
-„Denkt gij dat werkelijk, Mylord?” riep Burton met trillende lippen.
-„Mijn God, ik vreesde.... dat misschien.... de galg.”
-
-Hij voleindigde den zin niet, maar bedekte huiverend het gelaat met de
-beide handen.
-
-Toen liet hij ze weer zakken en vroeg met toonlooze stem:
-
-„Het is alles zoo onbelangrijk, Mylord, nu gij toch alles weet—maar hoe
-hebt gij dit vreeselijke toch kunnen ontdekken?”
-
-In plaats van aanstonds te antwoorden trad Raffles op zijn
-schrijfbureau toe, trok een lade open, nam er een klein voorwerp uit,
-en hield het in de hoogte.
-
-Het was een haarspeld.
-
-„Dit kleine voorwerp,” begon Raffles, „was de voornaamste aanklager. Ik
-vond deze haarspeld in een zwarten tafellooper in de werkkamer van
-Blackpool. Toen ik die vond, wist ik echter reeds heel wat meer. Ik
-wist dat de doodelijke stoot moest zijn toegebracht door iemand, die
-over zeer weinig lichaamskracht beschikte of anders door een tengere
-vrouw. Ik wist dat Dora reeds den eersten nacht, terwijl haar arme
-moeder den dokter haalde, zwaar geijld had en dat gij de eenige waart,
-die had gehoord wat zij toen in haar ijlkoorts riep. Ik had de
-opmerking gemaakt, dat gij tot tweemaal toe een zonderlinge vergissing
-hadt begaan en dat beide keeren die vergissing in verband stond met de
-misdaad. Gij zaagt wel in, dat gij het uur van uw aankomst, wildet gij
-naderhand de schuld van uw verloofde op u nemen, een paar uren zou
-moeten vervroegen, en dat gij het ook moest doen voorkomen, alsof gij
-zeer goed wist dat Blackpool uw aanstaande met eerlooze voorstellen
-achtervolgde—want er moest immers een motief zijn voor de daad! Verder
-wist ik, dat het werkvertrek van Blackpool in duisternis was gehuld, de
-ellendeling had waarschijnlijk zelf het licht uitgedraaid, toen hij
-tezamen met Dora zijn woning aan de achterzijde betrad, en tenslotte
-wist ik, dat hij zijn huishoudster met een onbenullige boodschap de
-straat had opgezonden en zich had overtuigd, dat zijn bediende hem het
-eerste kwartier niet zou kunnen storen.”
-
-Raffles wachtte even en keek neer op het gebogen hoofd met het
-glanzende zwarte haar, om daarop te vervolgen.
-
-„De rest heb ik pas later ontdekt. Onder andere vond ik uit, dat
-juffrouw Brown op den avond van de misdaad haar woning in het geheel
-niet verlaten had en dat dus de portier van het huis in Short Gardens,
-die haar slechts op den rug had gezien, Dora Stefenson voor haar had
-gehouden. De rest was natuurlijk slechts kinderspel. Dora kwam
-natuurlijk bij dien ellendeling om hem te smeeken, medelijden met haar
-arme moeder te hebben en het toeval wilde, dat zij hem juist aantrof
-onder aan de diensttrap. Zij zijn toen tezamen naar boven gegaan,
-Blackpool heeft den weg vrij gemaakt—en toen is het onvermijdelijke
-gevolgd. De ellendeling heeft met geweld willen verkrijgen wat hem door
-bedreigingen en vleierijen niet gelukt was, het doodelijk verschrikte
-meisje heeft zich willen verdedigen.... haar wild rondtastende hand
-heeft in de duisternis den Japanschen dolk ontmoet en zij heeft hem het
-wapen in de borst gestooten, zeker niet beseffend, dat zij het hart zou
-treffen.”
-
-Bijna onhoorbaar kwam het over de lippen van den jongen man:
-
-„Zoo is het alles inderdaad in zijn werk gegaan, Mylord! En—wat zult
-gij nu doen?”
-
-„Gij moet dat mij niet vragen, Burton—vraag uzelf af wat uw plicht is.
-Moogt gij den broeder van Dora onschuldig in de gevangenis laten
-zuchten?”
-
-„Maar Dora is nog zoo ziek, Mylord,” riep Burton wanhopig.
-
-„Wacht dan tot zij volkomen hersteld is. En wees er dan van overtuigd,
-dat zij de eerste zal zijn, om zich bij de politie aan te geven! Ik
-herhaal u nogmaals—wanneer zij al gestraft wordt, zal zij er met een
-betrekkelijk korte gevangenisstraf afkomen. Uw liefde is toch zeker wel
-sterk genoeg om dat te kunnen doorstaan?”
-
-„Al zou men haar veroordeelen tot tien jaar dwangarbeid, Mylord, ik zou
-op haar wachten,” barstte Burton uit, „Zij is alles voor mij op deze
-wereld.—Ik kan mij het bestaan zonder haar niet indenken.”
-
-„Nu, laat dan het recht zijn loop hebben,” zeide Raffles op zachten
-toon. „Ik verzeker u, dat is voor alles het beste. En laat mij u mogen
-zeggen, welk een diepe bewondering ik koester voor uw edele inborst,
-die u dit krankzinnige plan ingaf, om u tegen alle waarschijnlijkheid
-in voor den moordenaar van Blackpool uit te geven.”
-
-„O, zeg dat niet, Mylord,” riep Burton uit. „Ik wilde, dat gij niets
-ontdekt had, dat ook de politie niets had uitgevonden.”
-
-Maar Raffles schudde het hoofd en zeide op zachten toon:
-
-„Dat alles zou u niets gebaat hebben. Gij vergeet Dora! Denkt gij soms,
-dat zij zou hebben toegelaten, dat gij voor haar gevangenisstraf zou
-ondergaan.”
-
-„Misschien niet, Mylord,” hernam Burton, en zijn oogen schitterden.
-
-„Welnu dan, wacht nog een maand—wacht twee weken, tot zij geheel
-hersteld is! Ik zal zorgen voor den besten advocaat die er voor geld te
-krijgen is. Ik zal haar arme moeder en Richard ver van hier brengen,
-waar zij vergetelheid kunnen zoeken, en waar ik den knaap, die het
-zeker verdient, werk zal verschaffen, dat hem aanstaat. Ik zal alle
-getuigen a décharge oproepen, die er maar te krijgen zijn, en ik zelf
-zal een van de eersten zijn.”
-
-Burton was opgesprongen en drukte de hand van Raffles, alsof hij ze
-wilde verbrijzelen. Met een stem, die beefde van ontroering zeide hij:
-
-„God moge u loonen, Mylord, wat gij daar voor ons allen doet. Ik weet
-nu den weg dien ik gaan moet.”
-
-„Volg dien dan, Burton. Wat Dora aangaat—ik weet heel zeker, dat ook
-zij haar weg kent! Aan dezen donkeren tijd zal eenmaal, spoediger dan
-je denkt, een einde komen. En dan zult gij beiden vereenigd worden door
-een liefde, die in het heiligste vuur gelouterd is—het vuur van de
-zelfopoffering, die voor niets terugdeinst, en het eigen ik achter
-stelt bij het welzijn van den geliefde—”
-
-
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0376: DE MOORD
-IN SHORT GARDENS ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.