diff options
Diffstat (limited to 'old/69157-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/69157-0.txt | 3136 |
1 files changed, 0 insertions, 3136 deletions
diff --git a/old/69157-0.txt b/old/69157-0.txt deleted file mode 100644 index 045f35b..0000000 --- a/old/69157-0.txt +++ /dev/null @@ -1,3136 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0376: De moord in -Short Gardens, by Kurt Matull - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Lord Lister No. 0376: De moord in Short Gardens - -Authors: Kurt Matull - Theo Blakensee - Felix Hageman - -Release Date: October 14, 2022 [eBook #69157] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0376: DE -MOORD IN SHORT GARDENS *** - - - - - LORD LISTER - GENAAMD RAFFLES - DE GROOTE ONBEKENDE. - - NO. 376 DE MOORD IN SHORT GARDENS. - - - - - - - - -DE MOORD IN SHORT GARDENS. - -HOOFDSTUK I. - -EEN ONVERBETERLIJKE LANGVINGER. - - -In de Shafterbury Avenue bevindt zich, ongeveer in het midden van dezen -breeden verkeersweg, een tamelijk oud en grijs, somber gebouw, hetwelk -sedert eenigen tijd gebruikt werd als rechtzaal. - -Daar was ondergebracht, hetgeen de Engelschen „Police Court” noemen. - -Van dergelijke rechtbanken vindt men tegenwoordig een groot aantal in -de Engelsche hoofdstad en ze hebben tot taak, kleine delicten, zooals -straatschenderij, buurtgetwist, kleine diefstallen en andere zaken op -staanden voet te berechten. - -Naast de „Kinder Rechtbanken” die ook nog niet lang bestaan, dragen -deze politie-rechthoven er veel toe bij, den stroeven gang van het -gerecht te vergemakkelijken. - -Het werk van de justitie is hierdoor aanzienlijk verlicht en de -voorzitters van deze rechtbanken, hoogstens uit drie leden bestaande, -hebben machtiging deze kleine zaken onmiddellijk te berechten. - -Advocaten komen bij deze zaken meestal niet te pas, of in ieder geval -worden zij van ambstwege aan de beklaagden toegevoegd. - -Op drukke tijden komt het menigmaal voor, dat een politierechter op een -enkelen middag van dertig tot veertig gevallen te behandelen krijgt. - -Deze rechters moeten beschikken over een eindeloos geduld, veel -zachtmoedigheid en een zeer sterke gezondheid, want het komt menigmaal -voor, dat de beklaagden hen vergasten op een ellenlange uiteenzetting -hunner nooden en de beweegredenen, welke hen tot het misdrijf gebracht -hadden. - -Het was op een morgen in het begin van den herfst, toen twee deftig -gekleede heeren, die klaarblijkelijk op dat oogenblik niets beters te -doen hadden, door Shafterbury Avenue drentelden. - -De grootste der beide heeren kon ongeveer veertig jaar zijn en aan de -slapen begon zijn hoofdhaar een weinig te grijzen. - -De grijze oogen fonkelden evenwel nog levendig, en de scherp geteekende -trekken getuigden van een ontembare wilskracht, en van een grenzelooze -stoutmoedigheid, geleid en bestuurd door een opmerkelijke -schranderheid. - -Het voorhoofd was hoog gewelfd, de neus krachtig en recht, de mond leek -als met een mes in het karakteristieke gelaat gesneden te zijn. - -De geheele houding van dezen man, de wijze, waarop hij zijn voeten -neerzette en het hoofd droeg, legden de bewijzen af, dat hij een groot -liefhebber was van sport en daarin uitblonk. - -Zijn metgezel was zeker minstens tien jaar jonger. - -Hij had helder blauwe oogen, zijn wangen waren rond en blozend; hetgeen -aan zijn gelaat iets meisjes-achtigs gaf, hoewel zijn krachtige -gespierde gestalte er op wees, dat hij een ijverig beoefenaar was van -vele takken van sport. - -Nu en dan wendde een voorbijganger het hoofd om, teneinde de beide -mannen na te zien, en dat was niet te verwonderen, want zeer vele -Londenaren kenden Lord William Aberdeen, den filantroop, met zijn -secretaris en schijnbaar onafscheidelijken metgezel, althans van -uiterlijk. - -Lord Aberdeen en zijn jeugdige vriend waren juist het sombere -rechtsgebouw genaderd, toen er van den anderen kant met vlugge schreden -twee agenten naderden, die tusschen hen in, stevig in den kraag gevat, -een jongen man vasthielden, niet veel meer dan een kind nog, maar met -een scherp geteekend bleek gelaat, dat aan een volwassen man scheen toe -te behooren. - -Hij was tenger en mager en stak in armoedige kleeren. - -Op zijn gezicht was op dit oogenblik niet anders te lezen dan woede -over het feit, dat men hem op deze wijze ten aanschouwe van de -voorbijgangers ten toon stelde, en wilde trots, die uit zijn zwarte -oogen schitterde. - -Nu en dan scheen hij zich te willen verzetten, maar hij had evengoed -kunnen trachten de zware muren van den Tower omver te loopen, als een -van de herculisch gebouwde agenten, die naast hem voortschreden. - -Wat zou zulk een ondervoed, schriel kereltje hebben kunnen ondernemen -tegen deze twee mannen met hun krachtige spieren, hun breede borst en -hun welgevoed lichaam. - -Zoodra Lord Aberdeen de kleine groep in het oog had gekregen stond hij -stil en legde de hand op den arm van zijn jongen secretaris, Charly -Brand geheeten. - -Zij stonden slechts een paar passen van de breede deur, welke toegang -gaf tot het gerechtshof, en juist werd de jeugdige arrestant voorbij -geleid. - -Hij hief het hoofd op en scheen hen uitdagend aan te zien. - -Het volgende oogenblik was hij in de breede duisternis der koetspoort -verdwenen, die toegang gaf tot de binnenplaats, waarom het huis was -heengebouwd. - -Charly Brand wilde reeds verder gaan, maar Lord Aberdeen hield hem -terug en zeide op zachten toon: - -„Hebben wij ergens een afspraak, Charly?” - -„Nergens voor zoover ik weet,” antwoordde de jonge man. - -„Dan zou ik je willen voorstellen, eens naar binnen te gaan.” - -„Waarom?” - -„Om ons te vergewissen van den aard van het misdrijf door den jongen, -want meer is het niet, gepleegd.” - -Charly Brand haalde even de schouders op en zeide: - -„Ik heb er volstrekt niets op tegen, maar ik vrees dat je teleurgesteld -zult worden, als je iets belangwekkends verwacht hebt. Het zal wel een -kloppartij, of een kleinen diefstal betreffen.” - -„Om het even, zelfs de kleinste diefstal kan van het grootste belang -zijn in het leven van een mensch.” - -Hij was reeds de koetspoort binnen getreden en Charly volgde hem. - -In het midden van den doorgang bevond zich een deur, die eveneens open -stond en waarvoor een agent van politie post hield. - -Dit was de toegang naar de rechtzaal, waar iedereen die er lust in had -vrij mocht binnen treden, want de zittingen van de politierechtbank -waren openbaar. - -Lord Aberdeen en Charly Brand gingen de deur binnen, volgden een -tamelijk breede gang, liepen deze ten einde, sloegen een tweede gang in -en stonden nu voor een dubbele deur, die toegang gaf tot de rechtzaal -en waar eveneens een politieagent op wacht stond. - -De man opende de deur voor hen, na even tegen zijn helm te hebben -getikt en nu bevonden de beide heeren zich in een niet al te groote -zaal, waar plaats was voor een honderdtal nieuwsgierigen. - -Op dit oogenblik echter bestond het publiek slechts uit een ouden man, -een weinig onder den invloed van Bacchus verkeerenden schippersgast, -die telkens in slaap viel en dan zoo luid snurkte, dat hij door een -politieagent tamelijk hardhandig moest worden wakker geschud, een ouden -heer, die in een nummer van de „Daily Mail” las en een vrijend paartje, -dat zich misschien wel verbeeldde in een. bioscoop te zijn. - -Lord Aberdeen en Charly Brand liepen door het smalle gangpad en zochten -een plaats op in een der donkerste hoekjes van de zittingzaal, die toch -al niet te licht was, daar zij slechts twee vensters had met door -ouderdom verweerde ruiten, die bovendien op een paar meter afstand van -den vloer waren aangebracht. - -Op een soort estrade was een tafel geplaatst met een groen laken bedekt -en daarachter zat de rechter, geholpen door zijn griffier en een -inspecteur van politie, die hij telkens raadpleegde, wanneer hij een -ouden bekende voor zich meende te zien. - -De rechter was een man met een tamelijk barsch voorkomen, die zijn -witte pruik op slordige wijze had opgezet, zoodat zijn grijs haar er -aan alle kanten uitstak, en hij scheen dezen morgen niet al te goed -gehumeurd te zijn. - -De griffier was een oud mannetje met vuurrood haar, dat schrikkelijk -verkouden was, en telkens een stukje zoute drop uit een zakje nam om -het in zijn breeden mond te laten verdwijnen. - -Wat de inspecteur van politie betreft, hij scheen zich op gruwelijke -wijze te vervelen en onderdrukte nu en dan een geeuw. - -Op het oogenblik dat de beide heeren waren binnen getreden had de -rechter het juist aan den stok met een oud rimpelig wijfje, dat er uit -zag als de heks uit een sprookje, en dat ervan beschuldigd werd, een -gehate juffrouw met opzet te hebben laten struikelen over een emmer, -die zij tot dit doel op een donkere trap had neergezet. De vrouw in -kwestie was als getuige opgeroepen, en zat op een laag bankje achter -een hek, terwijl zij zich alle moeite gaf, door luid kreunen en wiegen -met het hoofd aan te toonen, hoe zwaar zij wel mishandeld was. - -Het oude wijfje was midden in een verdedigings-redevoering, met een -rapheid van tong, die de bewondering zou hebben afgedwongen van ieder -ander, dan van zijn hoogedelgestrenge, die slechts vurig hoopte op het -einde en nu en dan met een barsch woord de beklaagde tot kortheid -aanmaande, ofschoon hij zeer wel wist dat dit onbegonnen werk was. - -Het oude wijfje betoogde, dat de emmer met het vuile sop alleen maar -bestaan had in de verbeelding van de buurvrouw, „een venijnig kreng,” -zooals zij zeide. Dat er misschien wel een emmer gestaan had, maar dat -zij daar niets van af wist, en dat de buurvrouw beter uit haar oogen -had moeten zien, dat het volstrekt niet zoo donker was op de trap, dat -men wel eens per ongeluk wat kon laten staan, dat een beetje schoon -water niemand den dood zou aandoen en dat zij, de buurvrouw, haar, -beklaagde reeds enkele malen had gedreigd, met een speld te bewerken, -welke bedreiging zij twee malen in daden had omgezet. - -De woorden van de beklaagde rolden met de eentonigheid van een waterval -door de stille zaal. - -Men hoorde niet anders dan deze woorden, op denzelfden toon -uitgesproken met een onvergelijkelijke radheid, met eindelooze -herhalingen, slechts nu en dan afgewisseld met een schellere uithaal, -als de beklaagde zich met een ruk van het spichtige vogelkopje tot de -aanklaagster wendde. - -De rechter, half verdoofd en in slaap gewiegd als door het neerplassen -van een eindeloozen regen, schrikte als het ware op, toen de beklaagde -eindelijk gereed was en riep de getuige op. - -De getuige zeide, wat zij te zeggen had en daarop klonk de barsche stem -van den rechter: - -„Vijf dagen, of tien shilling.” - -„Wat? Vijf dagen brommen? Omdat het valsche beest niet uit haar oogen -kan zien,” krijschte het oude vrouwtje, „dat is meer dan schandelijk. -Maar ik zal het hoogerop zoeken. Waarachtig, ik zoek het hooger op.” - -„Doe dat, maar betaal nu je tien shilling,” hernam de rechter -onverstoorbaar, „of wil je liever zitten?” - -„Liever een jaar zitten, dan een penning te betalen voor die -helleveeg,” riep de beklaagde op schellen toon. „Zij zal aan mij geen -duit verdienen, dat ontbrak er nog maar aan.” - -„Uitstekend,” riep de rechter uit, alsof zij hem een persoonlijk -genoegen had gedaan, de zaak op deze wijze op te lossen. „Volgende -zaak.” - -De volgende zaak bleek een dronkaard te zijn, die een dag -gevangenisstraf tegen zich hoorde eischen, omdat het pas de eerste maal -was. - -Daarop kwam een jonge dame aan de beurt, zwaar gepoederd en met zwart -aangestreepte oogen, die een mededingster naar de gunsten van een -kellner in een nachtkroeg, met haar tot dit doel uitgetrokken schoentje -had bewerkt, zoodat de concurrente in kwestie gedurende een volle week -haar niet nader te noemen beroep niet had kunnen uitoefenen. - -En toen de deur achter de groene tafel, door twee agenten bewaakt, -opnieuw geopend werd, was het om doorgang te verleenen aan den jongen -overtreder, dien Lord Aberdeen en Charly Brand zooeven hadden zien -binnen brengen. - -Nog altijd werd hij door de twee agenten stevig vast gehouden en zoo -naar de bank der beklaagden gevoerd, dat eigenlijk in het geheel geen -bank was, maar niets anders dan een houten hekje met een kleine -verhooging er voor, waarop de beklaagde moest plaats nemen. - -Nauwelijks echter had de rechter hem gezien of hij riep toornig uit: - -„Ik ken dat gezicht, ben je nu al weer hier, kwade rekel. Verbeter je -dan nooit? Je naam.” - -„U herinnert u, dat ik hier meermalen ben geweest. En u herinnert u -niet mijn naam?” riep de jonge man brutaal uit. „Waarom heeft men u dan -als rechter benoemd.” - -„Zwijg deugniet,” riep de rechter uit, terwijl hij den beklaagde -woedend aankeek. „Denk je dat ik niets anders te doen heb dan de namen -te onthouden van zulke schobbejakken. Hoe heet je?” - -„Richard Douglas Stefenson.” - -„Hoe oud ben je?” - -„Een maand geleden juist achttien geworden mijnheer. Ik heb mijn -verjaardag in de gevangenis gevierd.” - -„Houd je opmerking maar voor je. Je hebt dus al eens gevangenisstraf -gehad.” - -„Eenmaal, mijnheer, dat was juist op mijn verjaardag.” - -De rechter keek den beklaagde een oogenblik hoofdschuddend aan en -hernam toen: - -„Achttien jaren. Maar wat drommel, dan ben je toch geen kind meer. Denk -jij wel eens na over je daden, Stefenson?” - -„Hoogst zelden, mijnheer,” antwoordde de jongen. - -„Maar waarom dan toch niet?” - -„Omdat dat tijd en moeite verloren zou zijn, mijnheer.” - -„Heb je het al eens geprobeerd?” - -„Ja zeker, maar dan had ik een half uur later er altijd weer spijt -van.” - -„Dan moet ik vreezen, dat je onverbeterlijk bent,” zeide de rechter -zuchtend. - -„Ik ben er zelf wel wat bang voor, mijnheer.” - -Op dit oogenblik riep de griffier hem nijdig toe: - -„Kun je den rechter niet met edelachtbare aanspreken, jij vlegel?” - -„Hoe weet ik, dat mijnheer achtbaar is?” vroeg Stefenson op onnoozelen -toon. „Dat kan ik toch niet aan zijn neus zien?” - -„Een rechter is altijd achtbaar en edel,” snauwde de griffier. „Knoop -dat in je oor, spitsboef.” - -„Als ik mijnheer een genoegen ermee kan doen,” hernam Stefenson -spottend. - -„Wat heeft hij nu weer uitgehaald, agent,” zoo wendde de rechter zich -tot een van de beide ordebewaarders, die den beklaagde hadden binnen -gebracht. - -„Een boek gestolen van een stalletje,” antwoordde de agent. - -„Op heeterdaad betrapt?” - -„De boekverkooper kon hem juist vast grijpen, Sir. Hij probeerde zich -nog los te worstelen, maar ik was er juist bijtijds bij.” - -„Waarom heb je dat boek gestolen?” vroeg de rechter, Stefenson met -gefronste wenkbrauwen aankijkend. - -„Om het te hebben, edelachtbare.” - -„Maar weet je dan niet dat je niets weg mag nemen, wat je niet -toekomt?” - -„Waarom kwam mij dat boek niet evengoed toe, als ieder ander? Was het -dan speciaal voor iemand geschreven, alleen niet voor mij?” - -„Dat zijn spitsvondigheden, bespaar mij die,” riep de rechter boos uit. -„Het boek was een andermans eigendom en daarom mocht jij het niet -aanraken, begrijp je dat niet eens?” - -Stefenson schudde ontkennend het hoofd en antwoordde op boetvaardigen -toon: - -„Neen, edelachtbare. Het zal wel aan mij liggen, maar ik begrijp het -niet. - -Ik wilde dat boek bijzonder graag lezen, ik had geen geld om het te -koopen en dus was ik wel genoodzaakt om het te nemen.” - -„Wat was het voor een boek, agent,” vroeg de rechter terwijl hij zich -opnieuw tot den ordebewaarder wendde. - -De agent antwoordde niet dadelijk, maar haalde een opschrijfboekje te -voorschijn, begon er in te snuffelen en mompelde half luid: - -„Het was een rare naam, Sir, ik wist wel, dat ik dat niet zou onthouden -en daarom heb ik het maar opgeschreven. Wacht daar heb ik het al. Het -heet „De Metamorphose” en de schrijver is een zekere Ovidius.” - -De rechter zette groote oogen op en riep uit: - -„Wat is dat? Had jij de „Metamorphose” van Ovidius willen lezen, -beklaagde?” - -Stefenson knikte, zonder te antwoorden. - -„In het origineel. In het Latijn?” vervolgde de rechter op hoogen toon. - -„Dat helaas niet, edelachtbare. Ik had mij tevreden willen stellen met -een goede Engelsche vertaling,” antwoordde de jonge man. - -„Zeg eens agent?” kwam de rechter weder. „Was het een open etalage?” - -„Het was een stalletje, Sir. Het was op de boekenmarkt.” - -„Stond het boek geprijsd?” - -„Het lag bij een hoop andere, Sir. En die kostten allemaal vijf pence. -Het waren allen oude boeken.” - -De rechter trommelde eenige oogenblikken met zijn dik blauw potlood op -het wetboek, dat open geslagen voor hem lag, begroef zijn spitse kin in -zijn hand en wendde zich eensklaps tot den inspecteur van politie met -de vraag: - -„Wat zijn de omstandigheden van den beklaagde?” - -De inspecteur haalde even de schouders op en begon toen als een lesje -op te dreunen: - -„Van tamelijk goede familie, vader vijf jaar geleden in den oorlog -gevallen als gewoon soldaat, moeder in zorgelijke omstandigheden achter -gebleven, zuster een zeer braaf meisje, waarop volstrekt niets te -zeggen valt....” - -Hier werd hij in de rede gevallen door Stefenson, die zijn vuisten -gebald had, terwijl zijn oogen vlamden en nu op doffen, geheel -veranderden toon zei: - -„Ik zou ook wel eens den man willen zien, die het zou wagen ook maar -het minste ten nadeele van mijn zuster te doen of te zeggen, ik zou hem -dooden, als een hond.” - -Maar de inspecteur scheen dezen uitroep niet eens te hebben gehoord en -ging onverstoorbaar voort: - -„De knaap na het sneuvelen van zijn vader totaal verwilderd, vurige -inborst, wel wat al te veel fantasie, zwakke moeder, die hem niet in -bedwang weet te houden, kennis gemaakt met slechte kameraden, aangetast -door het kwaad van dezen tijd,—vermindering van het zedelijk bewustzijn -en van het verantwoordelijkheidsgevoel, gaande tot volmaakte inzinking -van het moreel. Hij heeft reeds tallooze kleine diefstallen begaan, -meerendeels echter zonder bepaald geldelijke winst te beoogen. Verstokt -en een spotter, zonder eerbied voor wat dan ook, zonder bepaald -misdadig te zijn. Verdient echter mijns inziens een flinke straf die -hem wellicht zou verbeteren.” - -„Dank u, mijnheer,” zeide de rechter. - -Hij dacht even na en toen sprak hij het vonnis uit: „Vijf dagen.” - - - - - - - - -HOOFDSTUK II. - -RAFFLES GRIJPT IN. - - -Stefenson liet het hoofd hangen, toen hij dit vonnis hoorde. - -De spot was eensklaps uit zijn zwarte oogen verdwenen en op zijn -schrander gelaat was iets van angst te lezen, geen gewetenswroeging, -alleen maar angst. - -Nu hief hij het hoofd plotseling op en vroeg op een toon, die bijna -smeekend klonk: „Zou het niet wat minder gaan, mijnheer. Zou het niet -met een boete afgedaan gunnen worden, in gedeelten te betalen?” - -„Neen,” antwoordde de rechter streng. „Ditmaal geen boete. Wij moeten -jou eens krachtig aanpakken, jonge man.” - -„Maar mijn arme moeder, mijnheer....”, begon Stefenson weder en nu -beefde zijn stem. - -„Je had aan die ongelukkige vrouw moeten denken, toen je het misdrijf -pleegde. Nu is het te laat,” hernam de rechter op barschen toon. - -„Maar zij zal in doodelijke ongerustheid zitten,” riep de jongen uit. -„Toen ik de vorige maal een dag heb moeten brommen, heb ik haar -naderhand wijs gemaakt, dat ik met kameraden een voetreisje had -gemaakt, maar als ik nu vijf dagen onder water blijf,—zij zal het -besterven.” - -De rechter was ongetwijfeld een streng man, maar hij was volstrekt niet -ongevoelig. - -En daarom zeide hij na eenig nadenken: - -„Wij zullen je moeder waarschuwen, ofschoon je het niet verdient. -Griffier, zijn adres.” - -De man met het roode haar dook als het ware weg in een reusachtig -register, sloeg de groote bladzijden om en riep eindelijk door zijn -neus: - -„Richard Douglas Stefenson, Burrellstreet 17.” - -„Heb je het onthouden, agent?” zoo wendde de rechter zich tot een der -reuzen, die Stefenson gevankelijk had binnen gebracht. - -„Jawel, Sir, Burrellstreet 17.” - -„Je gaat zoodra je dienst je vrij laat naar de moeder van dezen -onverbeterlijken deugniet, en je zegt haar hoe de zaken staan. Doe het -een beetje voorzichtig.” - -„Laat u dat maar aan mij over, Sir,” bromde de agent. „Ik zal haar -zeggen dat haar hondsvot van een zoon voor de zooveelste maal weer eens -gestolen heeft en dat hij voor vijf dagen achter slot en grendel zit, -en dat zij zich dus niet ongerust over hem behoeft te maken.” - -„Nu, je kunt het haar wel een beetje minder op den man af zeggen en met -andere woorden,” hernam de rechter met een kwalijk verholen glimlach. - -Daarop wendde hij zich opnieuw tot Stefenson en hernam: - -„Ik hoop, dat dit je een les zal zijn, Stefenson. Het gaat zoo niet -langer. Je wordt op den duur een groot gevaar voor de maatschappij. Hoe -is het mogelijk dat een jongen zooals jij, die volgens de papieren op -school altijd heeft uitgeblonken door je ijver en je aanleg, zoo diep -hebt kunnen zinken.” - -„Vraagt gij, hoe dat mogelijk is?” barstte Stefenson eensklaps op -schorren toon uit. „Hoe is het mogelijk geweest met duizenden andere -jongens, het is alles de schuld van den oorlog, van den vervloekten -oorlog, die opruiming heeft gehouden onder onze vaders, die heeft ons -doen verwilderen, die heeft ons begrip van recht en onrecht -afgestompt.” - -„Breng hem maar weg,” beval de rechter kortaf. „Als hij gaat -theoretiseeren komt er geen eind aan.” - -Stefenson werd weder vastgegrepen en weg geleid, maar op den drempel -van de deur keerde hij zich nog eens om en zeide op smeekenden toon: - -„Spaar mijn moeder, mijnheer. Spaar haar in Godsnaam. Zij weet nog -niets van.... van alles wat ik deed. Laat het haar toch zoo voorzichtig -mogelijk worden meegedeeld.” - -„Daarvoor zal ik zorgen, Richard Stefenson,” klonk eensklaps een -heldere stem uit een donker hoekje van de zaal. - -Iedereen keek verbaasd op, en zelfs de halfbeschonken schippersgast -werd wakker, en keek met verschrikte oogen om zich heen. - -Het was Lord Aberdeen, die deze woorden had uitgesproken. - -„Wie praat daar zonder dat het hem gevraagd wordt?” vroeg de rechter op -strengen toon. - -„Ik heb mij die vrijheid veroorloofd, Sir, ik, Lord Aberdeen,” klonk -het weder. - -„Dan vraag ik u verschooning, Mylord,” hernam de rechter haastig. „Het -is zeer edelmoedig van u, dat gij u het lot van dien jongen, -onverbeterlijken rekel wilt aantrekken.” - -„Zijn lot en dat van zijn moeder, Sir,” antwoordde Lord Aberdeen. - -Op dit oogenblik viel de deur achter den arrestant dicht, maar deze -ging nu tenminste naar de gevangenis met de blijde zekerheid, dat er -althans een mensch in het reusachtige Londen belang stelde in zijn lot -en zijn arme, oude moeder zou beschermen. - -Lord Aberdeen noteerde snel het adres van de moeder van den jongen man -en daarop verliet hij met zijn secretaris haastig het gerechtsgebouw. - -Toen zij uit de donkere koetspoort weder de straat bereikten, waar de -gouden zon alles in gloed zette, bleef Lord Aberdeen een oogenblik -staan en zeide op zachten toon: - -„Hoe vreeselijk dat die knaap, wien men het kan aanzien, dat hij zon en -licht noodig heeft als een visch het water, vijf dagen in een half -duistere nauwe cel moet doorbrengen, terwijl hier buiten de zon -schijnt, zooals zij het den geheelen zomer nog niet heeft gedaan.” - -„Ja, voor zulk een jongen man, bijna nog een kind en met zulk een -opgewonden natuur moet de eenzame opsluiting verschrikkelijk zijn,” -bevestigde Charly Brand. - -„En als men daarmede nu nog maar verbetering bereikte,” hernam Lord -Aberdeen schouderophalend, „maar dat acht ik buitengesloten. Het is -onzinnig, wanneer men ook maar een oogenblik veronderstelt, dat een -misdadiger zijn tijd, dien hij in de gevangenis doorbrengt, besteed aan -boetvaardige overpeinzingen. Het is mogelijk dat hij ergens berouw over -heeft, maar dan is dat alleen over zijn ezelachtigheid, dat hij zich -heeft laten vangen, voor de rest telt hij de dagen, die hem nog van de -vrijheid scheiden, met het vaste voornemen, die dadelijk weder op de -hem vertrouwde wijze te besteden. Ik ben er zeker van, dat men reeds -binnen vijftig jaar met medelijdend schouderophalen zal terug zien op -den tijd, dat men een misdadiger om hem te verbeteren, geheel alleen in -een donker hok opsloot, dat wil zeggen, in het noodlottigste -gezelschap, dat men een mensch kan mede geven. Maar kom, laten wij nu -spoedig naar die ongelukkige vrouw gaan en dien reusachtigen agent voor -zijn, die geloof ik, nu juist niet de aangewezen persoon was om een -boodschap als deze over te brengen.” - -„Waar is die Burrellstreet ergens.” - -„Naar ik meen aan de overzijde van de Theems. Wij zullen een taxi -nemen, de chauffeur zal wel beter op de hoogte zijn.” - -Het duurde nog eenige minuten voor de beide heeren zich meester hadden -kunnen maken van een huurauto en toen moesten zij nog eenigen tijd -onderhandelen met den weerspannigen chauffeur, die verschrikt had -opgezien bij het hooren noemen van de Burrellstreet, die volgens hem -aan het andere eind van de wereld lag. - -Slechts het vooruitzicht op een goede fooi kon hem bewegen de beide -passagiers op te nemen en naar het opgegeven adres te brengen. - -De chauffeur bleek een weinig te hebben overdreven, want de rit duurde -ternauwernood een half uur. - -De Burrellstreet bleek een zijstraat te zijn van de Black Friars road, -niet ver van de Theems, en aan de overzijde van de rivier gelegen, -temidden van een zeer volkrijke buurt. - -Het huis, dat nummer 17 droeg, was een van de oudste van de straat en -deze moest zelven minstens twee eeuwen bestaan. - -Het was een smal, eenigszins voorover hangend huis, in welks -benedenverdieping een „zaak in oudheden” gevestigd was, zooals de -eigenaar haar wel wat wijdsch noemde, terwijl het niets anders was dan -een uitdragerij. - -Daar het op deze plek niet zoo gemakkelijk zou wezen opnieuw een auto -te vinden, wist Lord Aberdeen den chauffeur te bewegen, op hem te -wachten maar niet dan tegen de belofte van een fooi, waarvan de hoogte -zijn secretaris het bloed naar de wangen dreef van verontwaardiging. - -In den kleinen winkel vroeg Lord Aberdeen naar de juiste verdieping en -een oud gebogen mannetje met rood omrande spleetoogjes en een tot den -draad versleten calotje op het kale hoofd, deelde hen mede, dat het -onder de dakpannen moest zijn. - -De bestijging van de smalle steile trappen begon en de beide heeren -maakten bij zichzelf de opmerking, dat dit huis zeer geschikt was voor -kippen en ander pluimvee, maar dat het voor redelijke wezens op twee -beenen bepaald gevaar opleverde. - -De portalen waren smal en pikdonker. De traptreden uitgesleten, de -leuning hield hier en daar plotseling op en men moest zich dan -vasthouden aan een rafelig eind touw, waarschijnlijk aangebracht door -een van de huurders, die reeds op onzachte wijze het gemis van de -leuning aan den lijve gevoeld had door van de trap te tuimelen. - -De twee vrienden bereikten echter heelhuids de bovenverdieping en hier -bleek het portaal eenig licht te ontvangen door een klein rond -tuimelraam, dat in den buitenmuur was aangebracht. - -Er bevonden zich twee deuren en Lord Aberdeen stond in beraad, welke -hij zou kiezen toen een der deuren geopend werd en er een jong meisje -naar buiten trad, dat met een lichten kreet van schrik bleef staan, -toen zij daar zoo eensklaps de beide vreemde, deftig gekleede heeren -zag staan, en hen met groote oogen aanstaarde. - -Het meisje kon ongeveer negentien jaar zijn en met den eersten -oogopslag ontwaarden de beide bezoekers, dat haar lief gelaat een -groote gelijkenis met de trekken van Richard Stefenson vertoonde. - -Zij behoefden er geen oogenblik aan te twijfelen. Zij stonden hier -tegenover zijn zuster. - -Het waren dezelfde groote zwarte oogen, het was hetzelfde hooge -voorhoofd, het was dezelfde fijn gevormde neus. - -„Gij zijt hier zeker verdwaald, heeren?” vroeg het jonge meisje op -heeschen toon. - -„Dat geloof ik haast niet, Miss,” antwoordde Lord Aberdeen glimlachend, -„tenminste, wanneer gij Miss Stefenson zijt.” - -„Die ben ik, mijnheer, maar gij komt toch zeker niet voor mij?” hernam -het jonge meisje verwonderd. - -„Slechts ten deele, Miss. Ik had gaarne met uw moeder willen spreken. -Is zij thuis?” - -„Mijn moeder gaat heel weinig uit, mijnheer, want zij is gebrekkig en -het valt haar moeilijk al die trappen op en af te klimmen. Wees zoo -goed binnen te treden, al moet ik u eerlijk verklaren, dat ik volstrekt -niet kan begrijpen wat twee zulke heeren, zooals gij zijt wel van mij -arme oude moeder willen.” - -„Gij wildet juist uitgaan?” vroeg Lord Aberdeen. „Laten wij u vooral -niet ophouden.” - -„O, ik kan mijn boodschap wel uitstellen.... het had niet veel om het -lijf,” antwoordde het meisje, maar Lord Aberdeen zag daarbij tot zijn -verwondering, dat zij beurtelings rood en bleek werd en dat haar -wenkbrauwen zich samentrokken. - -Het meisje hield de deur voor de bezoekers open en dezen bevonden zich -nu in een klein, armoedig gemeubeld vertrek, waar echter alles er op -wees, van de withouten tafel tot de matten stoelen en de helderwitte -gordijntjes voor de ramen, dat hier zorgzame handen het weinigje dat -zich hier bevond, althans met liefde onderhielden. - -Dicht bij het raam zat een oude vrouw. - -Men zou haar tenminste oud moeten noemen want haar haar was sneeuwwit, -en toch kon zij onmogelijk ouder zijn dan vijftig jaar. Zij had -verschrikt opgekeken bij het vernemen van voetstappen en verborg -haastig haar zakdoek, dien zij tegen de oogen had gedrukt. - -Maar Lord Aberdeen had scherpe oogen, en hij had dadelijk gezien, dat -de vrouw geweend had. Haar oogen waren nog rood. - -Voor haar, op een kleine tafel, die dicht bij het raam geschoven was, -lag een briefje, dat zij haastig weg moffelde. - -„Moeder, deze twee heeren wenschen u te spreken,” begon het jonge -meisje. - -„Mij, Dora?” vroeg de oude vrouw verbaasd. „Dat moet zeker een -vergissing zijn.” - -„Het is geen vergissing, mevrouw,” antwoordde Lord Aberdeen ernstig. -„Miss Dora heeft u goed ingelicht. Wij komen spreken over den jongen -Richard, uw zoon.” - -Bij het hooren van deze woorden drukte de oude vrouw de hand op het -hart en werd zeer bleek. - -„Over Richard,” herhaalde zij toonloos. „Er is toch niets met hem -gebeurd.” - -„Wat er met hem gebeurd is, heeft in ieder geval niet veel te -beteekenen, maar toch wilde ik het u mededeelen, voor gij het zoudt -hooren uit den mond van een ander, die minder reden heeft dan ik, het u -een weinig voorzichtig mede te deelen.” - -„Voorzichtig, mijnheer,” kwam de oude vrouw weder. „Mijn God, wat is er -dan toch gebeurd. Er is hem toch geen ongeluk overkomen. Hij is veel -bij de straat. Hij is zoo onvoorzichtig en volgt altijd zijn eigen wil. -Ja, als zijn vader maar niet gevallen was in dien vervloekten oorlog.” - -„Ik weet het, mevrouw,” hernam Lord Aberdeen zacht. „Ik heb dat alles -vernomen in de rechtzaal. Neen, gij behoeft werkelijk niet zoo te -schrikken, wat Richard gedaan heeft is in ieder geval afkeurenswaardig -en ik wil hem dan ook geenszins verdedigen, maar ik neem in aanmerking -dat hij de laatste jaren om zoo te zeggen tot een vrijbuiter is -opgegroeid.” - -En nu deelde Lord Aberdeen zoo behoedzaam mogelijk aan de moeder van -den knaap mede, wat hem wedervaren was en hij trachtte, diep bewogen -met de arme vrouw, het misdrijf zooveel mogelijk te verontschuldigen. - -De vrouw had zwijgend geluisterd, zonder den spreker een enkele maal in -de rede te vallen. - -Zij zat daar met gebogen hoofd en langzaam druppelden tranen over haar -vermagerde wangen en vielen in haar schoot, zonder dat zij het -blijkbaar merkte. - -Toen Lord Aberdeen zijn mededeeling geëindigd had, zweeg de oude vrouw -nog geruimen tijd en zeide toen met een bevende stem: - -„Het is edel van u, mijnheer, dat u dit hebt gedaan voor een u -onbekende vrouw, wij hebben niet veel vrienden,” voegde zij er op -bitteren toon aan toe. „Ik dank u, zeg mij uw naam, opdat ik mij dien -steeds kan herinneren.” - -„Ik ben Lord Aberdeen, mevrouw, maar gij vergist u, als gij denkt, dat -gij nu al van mij af zijt,” zeide de filantroop glimlachend. „Ik wil u -niet verzwijgen dat ik groot belang stel in uw zoon. Ik geloof niet dat -hij een slecht hart heeft, of booze inborst, want daar ziet hij in het -geheel niet naar uit. Wanneer de jongen andere kameraden had gehad, zou -hij hiertoe zeker nooit vervallen zijn.” - -Op dit oogenblik viel mevrouw Stefenson met het hoofd voorover op tafel -en barstte in hartstochtelijk snikken los. - -„Het is mijn schuld, het is alles mijn schuld. Ik had strenger moeten -zijn. Ik heb hem altijd verwend en hem in alles zijn zin gegeven. Reeds -bij het leven van zijn goeden vader en nu pluk ik er de vruchten van. -Hij heeft een goed hart Mylord, dat bezweer ik u, maar is altijd een -wildebras geweest en in den laatsten tijd had hij omgang met kornuiten, -die zijn vader zeker de deur zou hebben gewezen.” - -„De knaap hield toch zeker van u?” vroeg Lord Aberdeen op ernstigen -toon. - -„O, daar durf ik wel op zweren,” riep de arme moeder uit, terwijl zij -haastig het betraande gelaat ophief. - -„Welnu, dan is er ook nog niets verloren. Een hart waarin de -kinderliefde nog niet gestorven is, kan steeds behouden worden. Ik -blijf er bij, ik wil mij met den knaap bezig houden, want ik geloof dat -hij beter verdient, dan voor galg en rad op te groeien. Zeg mij eens, -had hij in het geheel geen vak geleerd?” - -„Toen zijn vader sneuvelde, mijnheer, bezocht hij nog een school. Hij -wilde letterkundige worden, of journalist. Hij had een verbazend goed -hoofd en hij leerde alles, wat hij wilde, maar een handwerk heeft hij -helaas nooit gekend, en dat is heel jammer Mylord, want naar het -schijnt betaalt men tegenwoordig een loodgieter beter dan een reporter -en een timmerman beter dan een advocaat.” - -„Er is veel waars in wat u zegt,” hernam Lord Aberdeen glimlachend. -„Wat gebeurde er, nadat uw man op het slagveld zijn leven verloor?” - -„Wat zou er gebeurd zijn, Mylord,” kwam de oude vrouw op bitteren toon. -„Er gebeurde wat onvermijdelijk gebeuren moest. Ik was gedwongen hem -van die dure school af te nemen, die hij bezocht en die ons al heel wat -hoofdbrekens had gekost, toen zijn vader nog leefde en hij moest naar -een werkkring omzien, wij moesten toch eten nietwaar?” - -„Maar het pensioen.” - -„Het pensioen? Zijn vader sneuvelde als soldaat en het pensioen is -nauwelijks voldoende voor een oude vrouw als ik, zelfs al zou zij haar -eischen aan het leven nog veel lager stellen dan ik, maar mijn twee -kinderen, moeten die honger lijden?” - -„Maar Richard had toch een baas kunnen zoeken. Hij is toch jong en -sterk?” - -„Hij heeft wel zes bazen gehad, Mylord. Nergens hield hij het uit. Zijn -onrustige geest dreef hem van den eenen patroon haar den anderen. Zijn -handen stonden niet naar den arbeid. Hij schreef en las boeken, die -hij, de hemel weet waar vandaan haalde, terwijl hij eigenlijk moest -werken en gij zult wel begrijpen, dat de patroons dit niet konden -dulden.” - -„Misschien zou ik, als ik timmermansbaas was, ook niet goed vinden, dat -mijn personeel onder het werk de „Metamorphose” van Ovidius las,” -hernam Lord Aberdeen glimlachend. „Ik geloof nu wel, dat ik uw zoon -langzamerhand leer doorgronden, mevrouw. Een avontuurlijke geest, -onrustig, en die in de laatste jaren eenvoudig een vaste hand heeft -gemist, die hem zou kunnen leiden. Wilt gij mij toestaan, dat ik mij -eens met den jongen man bemoei?” - -„Als gij dat deed Mylord, dan zou ik u ten eeuwige dage dankbaar zijn,” -riep mevrouw Stefenson uit. „Ik ben een oude vrouw, ik ben niet zoo -vlug ter been en... ik heb hem te lief. Ook nu kan ik hem niet hard -vallen, dat weet God.” - -„Dat pleit voor uw moederhart, maar het is toch niet de goede weg,” -hernam Lord Aberdeen op ernstigen toon. „Nu moet ik u een vraag -stellen, die gij mij moet vergeven. Wanneer het pensioen niet -toereikend is voor u drieën om van te leven, hoe gaat het dan?” - -De oude vrouw boog opnieuw het hoofd en fluisterde bijna onhoorbaar: - -„Het gaat heel moeilijk, mijnheer, mijn dochter Dora verdient nu en dan -een kleinigheid als hulp in de huishouding. Nu hier, dan daar, maar -daar kunnen wij nooit op rekenen.” - -Zij wilde nog iets zeggen, maar eensklaps werden de tranen haar weer te -machtig en barstte zij in snikken uit. - -Charly was zwijgend op haar toegetreden met een glas water dat hij -haastig had gevuld uit een kleine karaf, welke hij op een kastje had -zien staan en Dora trad met een paar stappen op Lord Aberdeen toe en -zeide haastig op gedempten toon, terwijl zij zenuwachtig de vingers -wrong: - -„Gij zijt een goed mensch, Mylord. Waarom zouden wij er een geheim van -maken? Wij zijn reeds een paar maanden met de huur ten achter. Bijna -een half jaar en de huisheer heeft gedreigd, dat hij ons binnen een -week van de woning zal afzetten, als wij niet willen betalen. Hij weet -heel goed, dat wij dat niet kunnen, de schurk. Maar hij zou tevreden -zijn, als ik.... als ik....” - -Maar Dora Stefenson kon haar zin niet beëindigen. - -Zij werd zeer bleek en viel op een stoel neer, de kleine hand op het -hart gedrukt. - -Lord Aberdeen nam Charly Brand snel terzijde en voegde hem op -fluisterende toon toe, zoodat alleen de jonge man het kon verstaan: - -„Ik geloof, dat hier een adder onder het gras schuilt, Charly, of mijn -naam is geen John Raffles en als ik hier niet duchtig opruiming houd, -dan wil ik er een eed op doen, mijn geheele leven geen brandkast meer -aan te raken.” - - - - - - - - -HOOFDSTUK III. - -DE HUISHEER. - - -Er waren omstreeks vijf dagen verloopen sedert den dag, waarop John -Raffles, alias Lord William Aberdeen met zijn onafscheidelijken vriend -Charly Brand de kleine sombere zittingzaal in de Shafterbury Avenue -hadden bezocht. - -De Gentleman-Inbreker had zijn belofte gestand gedaan en hij had tot -tweemaal toe een bezoek gebracht aan de oude mevrouw Stefenson en haar -bevallige dochter. Zoo discreet mogelijk, zonder zich in het minst op -te dringen, had hij de oude dame er eindelijk toe kunnen brengen -geldelijke hulp te aanvaarden, maar alleen op die voorwaarde, dat haar -zoon hem het bedrag met rente zou terug betalen. Wat de jonge Richard -betreft, Raffles had door zijn tallooze connecties als Lord William -Aberdeen gedaan weten te krijgen, dat de jeugdige booswicht zooveel -boeken kon lezen, als hijzelf maar verkoos. - -Het was omstreeks drie uur in den middag en het kleine vertrek onder de -hanenbalken in de Burrellstreet was keurig aan kant. De kleine -gordijntjes waren extra gestreken, de grond was geboend, de kleine -withouten tafel in de keuken was geschuurd tot er geen smetje op te -bespeuren viel en het weinige koperwerk blonk als een spiegel. - -Op het midden van de tafel prijkte een blauw aarden vaas, met een -ruiker veldbloemen, dienzelfden morgen door Dora geplukt. - -Mevrouw Stefenson zat op haar oude plaatsje bij het raam. Zij had een -kanten mutsje op het witte haar gezet, dat eveneens scheen te moeten -bijdragen tot de blijde plechtigheid van het oogenblik. Over een half -uur ongeveer verwachtte men den verloren zoon terug. - -Op het vermagerde gelaat van de oude vrouw was een trek van innige -vreugde te bespeuren, want de toekomst scheen zich eindelijk een weinig -gunstiger te laten aanzien. - -Van Lord Aberdeen had zij menigmaal hooren spreken in de buurt en zij -wist dat hij een machtige beschermer was, die nooit zijn woord brak. - -Nu hij eenmaal de hand naar Richard had uitgestoken, zou alles met den -driftigen, lichtzinnigen knaap weer in orde komen, daarvan was zij -overtuigd. - -Dora was in het aangrenzende kleine keukentje, niet veel grooter dan -een ruime kast, druk bezig met het bereiden van het lievelingskostje -van haar broeder. - -Daar kraakten de treden van de bovenste trap. - -„Moeder, moeder, daar is Dick.” - -„Maar dat is bijna onmogelijk, kind,” riep de oude dame uit, terwijl -haar oogen begonnen te schitteren, nadat zij een blik op het kleine -goedkoope wekkerklokje had geworpen. - -Intusschen naderden de schreden en toen werd op de deur geklopt. - -Als bij ingeving keken de beide vrouwen elkander zwijgend aan. - -Toen haalde het jonge meisje de schouders op en zeide op verachtelijken -toon: - -„Nu, hij kan komen, wij kunnen hem nu tenminste ontvangen.” - -En met deze woorden wendde zij zich af. - -De deur werd geopend en op den drempel verscheen een man van omstreeks -vijftig jaar, met een breed opgezet gezicht, en geheel kale kruin en -kleine half dichtgeknepen groengrijze oogen. - -Er lag een valsche glimlach om zijn lippen, toen hij een stap vooruit -deed en de deur behoedzaam achter zich sloot. - -Hij legde zijn hoed op den stoel die het dichtst bij de deur stond, -wreef zich in de handen, en keek beurtelings van de moeder naar de -dochter. - -„Wel, lieve dames, hoe staat het leven,” begon hij op zoetsappigen -toon. „Nog altijd een beetje sukkelend, mevrouw Stefenson? Ja, ja, dat -is de oude dag. Maar gij Miss Dora, ziet er nog steeds uit als een -lentebloempje. Ik geloof, dat gij met den dag schooner wordt.” - -„Gij kunt uw complimenten wel voor u houden, mijnheer Blackpool en -terzake komen,” zeide Dora koel. - -„Wel, wel, mijn hartje, wat is dat nu?” hernam de bezoeker, steeds zijn -handen wrijvend, en met denzelfden hatelijken glimlach om zijn lippen. -„Dien toon ben ik niet van je gewend. Maar als je er op staat, laten -wij dan maar eerst de zaken af doen. Je staat zeker wel toe, dat ik er -bij ga zitten?” - -„U is wel de huisheer en wij zijn maar uw huurders, maar ik geloof niet -dat het noodig zal zijn,” antwoordde Dora koeltjes. „Wat wij te -bespreken hebben, kan in minder dan een paar minuten zijn afgeloopen.” - -De huisheer staarde het jonge meisje een oogenblik verwonderd en -achterdochtig aan en vroeg toen zoetsappig: - -„Gelooft gij dat werkelijk? Nu, dat zal mij verbazen. Maar laat ik geen -tijd verspillen. Gij zijt op heden zes maanden met de huur ten achter, -en de hemel hoort het mij getuigen, dat ik nooit met eenigen huurder -zooveel geduld heb gehad als met u. Vraagt u er de benedenburen maar -naar. Ik vraag u dus kort en goed, kunt gij mij nu het bedrag betalen, -of niet.” - -Dora keek den huisheer een oogenblik minachtend aan, draaide zich toen -op haar hielen om, liep snel op de kleine penantkast toe, opende de -lade, nam er iets uit, en keerde weder naar Blackpool terug. - -„De kwitanties, als ik u verzoeken mag,” beval zij kortaf. - -De huisheer deed een stap achteruit en scheen van verbazing niet te -weten wat hij zeggen moest. - -Hij werd vaal bleek en stotterde: - -„De kwitanties, wat wilt gij daarmee zeggen?” - -„Niets anders dan dat ik betaal,” antwoordde Dora met een kort lachje. -„Dat verwondert u zeker? Kom, de kwitanties. Hier zijn de negen pond -sterling.” - -Er kwam een giftige uitdrukking in de kleine begeerige oogen van den -huisheer. - -Hij liet een gemeen lachje hooren en riep op schellen toon: - -„Wel, wel, waait de wind uit dien hoek? Hebben we geld? Kunnen wij maar -zoo negen pond sterling betalen? Zes maanden huishuur? Wel, het schijnt -ons voor den wind te gaan.” - -„De kwitanties,” herhaalde Dora bevelend en met ongeduldig gebaar. - -Blackpool stak de hand in den zak en haalde er met trillende vingers -een vette beduimelde portefeuille uit, waaruit hij een zestal -kwitanties nam. - -Hij was bleek van woede en teleurstelling geworden. Het begeerde wild -dreigde hem ter elfder ure te ontgaan. - -Hij stak het jonge meisje de kwitanties aarzelend toe. - -Dora trok ze hem uit de hand, keek ze vluchtig door en wierp toen negen -gouden ponden op de tafel. - -Als met tegenzin streek Blackpool het geld op en toen klonk hetzelfde -hatelijke lachje van zooeven. - -„Goudstukken nog wel,” riep hij uit. „Het gaat ons voor den wind? Nu, -als men zoo jong en schoon is als gij zijt, dan wordt het geld heel -gemakkelijk verdiend.” - -Het jonge meisje slaakte een luiden kreet en deinsde doodsbleek -achteruit en op hetzelfde oogenblik vloog de deur open. - -Richard Stefenson stond op den drempel. - -Blackpool had zich op het gerucht haastig omgewend en keek nu in een -gelaat, vertrokken van haat en woede. - -Hij wilde zich haastig wegpakken, maar de jonge man trad hem in den -weg, en beval op doffen toon, terwijl hij den rechterarm ophief. - -„Blijf daar, herhaal nog eens, wat gij daareven gezegd hebt.” - -Blackpool had onwillekeurig een stap achteruit gedaan, maar nu scheen -hij zijn verwaandheid en zelfbeheersching reeds weder te hebben terug -gekregen. - -Hij nam Richard van het hoofd tot de voeten op en zeide op schamperen -toon: - -„Kijk, kijk, daar hebben we den zoon des huizes. Komt mijnheer nog eens -boven water? Je moeder beleeft veel plezier van jou, jongmensch. Ik heb -mooie dingen van jou gehoord. Je hebt in de gevangenis gezeten. Jij -bent....” - -Met een paar stappen was Richard bij den huisheer. - -Hij was tot in zijn lippen bleek geworden en hij scheen zich slechts -met de grootste moeite te kunnen beheerschen. - -Zijn stem had een heeschen klank toen hij zeide: - -„Op het oogenblik spreken wij niet over mij. U hebt zooeven over mijn -zuster gesproken, herhaal wat je zeide, of moet ik je de woorden met -geweld uit je strot knijpen?” - -Het gelaat van den jongen man had op dit oogenblik zulk een dreigende -uitdrukking, dat Blackpool verschrikt achteruit week en een schuwen -blik wierp naar de deur. - -Toch beefde hij van woede, toen hij uitriep: - -„Ik ben jou geen verklaring verschuldigd, brutale vlegel. En nu zal ik -je een ding zeggen. Ik heb genoeg van jullie gehad, betaald of niet -betaald, je maakt, dat je uit het huis komt. Ik kan zulke huurders als -jullie niet gebruiken.” - -„Wat, u stuurt ons weg terwijl de huur betaald is, en u heel goed weet -dat wij nergens anders onderdak kunnen krijgen?” riep mevrouw Stefenson -op smeekenden toon. „Dat kunt niet meenen, mijnheer Blackpool. Dat zou -onze ondergang zijn. Waar moeten wij heen?” - -„Dat is jullie zaak,” antwoordde Blackpool barsch. „Ik geef je nog een -week en dan maak je dat je weg komt.” - -De oude vrouw wilde nog wat zeggen, maar Richard legde zijn moeder met -een gebaar het zwijgen op en zeide: - -„Laat den ouden schurk praten, moeder. Hij kan het niet doen. Er zijn -toch zeker nog rechters hier in Londen? Hij kan u volstrekt niet -dwingen om te verhuizen.” - -„Zou jij dat denken, jongetje?” hernam de huisheer met een gluiperigen -blik in zijn oogen. „Dat zal ik je dan toch anders toonen.” - -Weer stak hij de hand in zijn zak, haalde er de portefeuille uit en -zocht er een oogenblik zenuwachtig in en nam er toen een aantal kleine -papiertjes uit, die hij zegevierend in de hoogte hield, en daarna met -schelle stem zeide: - -„Hier heb ik nog eenige papiertjes, waarvan jullie misschien niets -weet. Nu heb ik alleen met je moeder te doen. Als jullie mij het vuur -zoo na aan de schenen legt, dan bijt ik van mij af.” - -De oude vrouw trad wankelend op hem toe, met een smeekende houding en -een uitdrukking in haar oogen, die een steen zou hebben vermurwd. - -Maar Richard wilde zekerheid hebben. - -Hij hield zijn moeder tegen en zeide kortaf: - -„Geen smeekbeden tot dien ellendeling, wat zijn dat voor papieren?” - -„Schuldbekentenissen, vriendje!” riep Blackpool zegevierend uit. „Ja, -daar schrik je van, nietwaar? Ik heb je moeder in den loop van het -laatste jaar telkens kleine bedragen geleend—als jij beter had -opgepast, was dat niet noodig geweest, knoop dat in je ooren! Het waren -telkens kleine bedragen, maar je moeder heeft mij nooit een penny -terugbetaald—en nu is het opgeloopen tot.... laat eens even zien, tot -bijna vijf en dertig pond sterling! Kunt U dat terugbetalen? Ik wil nu -eindelijk eens de kleur van uw geld zien!” - -Mevrouw Stefenson wilde iets zeggen, maar weer hief Richard de hand op. - -„Zeg mij eens, jij schobbejak—met welk doel heb je mijn moeder geld -geleend, terwijl je toch heel goed wist, dat zij het je nooit zou -kunnen terug betalen, en dat er ook op ons niets te verhalen viel—er -staat hier voor geen twee pond aan meubelen, geef je mij antwoord, -schavuit?” - -„Waarom ik haar geld geleend heb?” vroeg Blackpool, die worstelde om -zich van den ijzeren greep te bevrijden, „natuurlijk om haar uit den -brand te helpen. Laat mij los! Laat mij los, zeg ik je!” - -„Ik zal je los laten wanneer ik dat verkies!” schreeuwde Richard nu, -wit van woede. „Ik begrijp wat je hier altijd had te zoeken, wat het -beteekende als je hier met je zuurzoet lachje complimentjes kwam maken! -Dat was om mijn zuster, niet waar?” - -Met onweerstaanbaar geweld trok Richard den tegenspartelenden huisheer -naar de deur, en stootte die met den voet open. - -Hij wierp Blackpool met geweld op het portaal, zoodat hij te land kwam -tusschen eenige nieuwsgierige buurvrouwen, die op het geluid van de -twistende stemmen onhoorbaar naderbij waren gekomen, en schreeuwde hem -toe: - -„Waag het nu nog eens, een voet in onze woning te zetten! Waag het -eens, den naam van mijn zuster nog eens uit te spreken in mijn -aanwezigheid—dan schiet ik je neer als een hond! En daar zou ik goed -aan doen, ik zou de aarde verlossen van een ondier! Wat—je bent nog -niet weg?” - -Hij liep op Blackpool toe, maar deze nam haastig de vlucht, verschrikt -door de woeste uitdrukking op het gelaat van den jongen man, en snelde -de trap af. - -Maar op het portaal gekomen stond hij stil, en schreeuwde dreigend naar -boven: - -„Je zult van mij hooren, gevangenisaas! Nog van avond maak ik werk van -betalen, en over een paar dagen, zoowaar als ik Blackpool heet—ik laat -jullie armzalig boeltje voor je neus verkoopen, en ik werp je de woning -af!” - -En na deze woorden zette Blackpool zijn vlucht haastig voort. - - - - - - - - -HOOFDSTUK IV. - -DE MOORD IN SHORT GARDENS. - - -Raffles en Charly zaten den morgen, volgend op deze gebeurtenis, in de -kleine eetkamer van het heerenhuis, hetwelk de Groote Onbekende sedert -eenige jaren in de Regentstreet bewoonde, aan het ontbijt, en lazen hun -krant, toen Charly plotseling een kreet van schrik slaakte, en Raffles -over het nummer van de „Daily Mail”, welke hij juist bezig was te -lezen, sprakeloos aanzag. - -„Wat is er?” vroeg Raffles, die zelf in de „Times” verdiept was, en nu -Charly vragend aankeek. - -„Je stelde veel belang in den jongen Stefenson, niet waar?” vroeg -Charly met moeite zijn ontroering beheerschend. - -„Dat deed ik, en dat doe ik nog! Hij is gisteren juist vrij gekomen, en -ik ben van plan om aanstonds na het ontbijt naar de Burrellstreet te -gaan, en die goede lieden een bezoek te brengen.” - -„Dan zal je althans Richard niet meer vinden, Edward!” zeide Charly op -ernstigen toon. - -„Hoe zoo?” kwam Raffles langzaam. „Wat is er dan met den jongen man -gebeurd?” - -„Hij is gisteravond omstreeks half tien gearresteerd!” - -„Wat alweer?” riep Raffles op ongelooflijken toon uit. „En hij zou om -drie uur worden vrijgelaten. Maar is die jongen dan dol? Wat heeft hij -dan nu weer gestolen?” - -„Hij heeft niet gestolen, Edward!” zeide Charly, „hij is gearresteerd -op beschuldiging van een moord!” - -Raffles die anders zijn bewegingen zoo goed meester was, zette zijn -fijn Chineesch theekopje, dat hij juist aan den mond wilde brengen, met -zulk een harden slag neer, dat hij alleen het oortje in de hand hield, -en riep toen uit: - -„Mijn God, hoe is dat mogelijk! Wat is er dan gebeurd? Wie is het -slachtoffer?” - -„Een zekere Blackpool!” - -„Maar dat is als ik mij niet vergis, de naam van hun huisheer,” riep -Raffles. „Ik vrees dat ik het reeds begin te doorzien! Die schurk -trachtte Dora in zijn macht te krijgen! Maar wat kan er dan toch wel -gebeurd zijn tusschen drie uur, het oogenblik waarop hij de gevangenis -verliet, en halftien? Lees het mij aanstonds voor!” - -Charly vouwde de „Daily Mail” zoo, dat hij het blad gemakkelijk kon -vasthouden terwijl hij las, en begon toen: - - - „MOORD OP EEN HUISHEER. - - De vrouw in het spel! - - Short Gardens is gisterenavond het tooneel geweest van een - afschuwelijke misdaad, zooals er in deze rustige straat gelukkig - slechts weinig gepleegd wordt. - - De heer Bernard Blackpool, eigenaar van verschillende huizen in - onze volksbuurten, is het slachtoffer van een laaghartigen - moordaanslag! - - Laten wij onze lezers dadelijk gerust stellen met de mededeeling, - dat de dader zich reeds in handen van de politie bevindt. - - Het is een zekere Richard Stefenson, geen onbekende voor de - Justitie, en de eenige zoon van één van Blackpool’s huursters. - - Wel is waar ontkent de jonge man, niet veel meer dan een knaap, - hartstochtelijk iedere schuld, maar de bewijzen tegen hem zijn zoo - overstelpend, dat hieraan haast niet getwijfeld kan worden. - - Maar laten wij het verloop van dit gruwelijke voorval naar het - vervolg mededeelen. - - Het was omstreeks kwart over negenen in den avond toen de portier - van het huis in Short Gardens, waarvan Blackpool de tweede - verdieping bewoont, een jongen man zag naderen, tamelijk sjofel - gekleed, en die hem vroeg of mijnheer Blackpool thuis was. - - De portier antwoordde bevestigend, want hij had juist een half uur - geleden Bernard Blackpool zien thuiskomen van een vriendendiner. - - Daarop vroeg de jonge man waar zich de woning van Bernard Blackpool - bevond, en toen de portier hem dit had medegedeeld, besteeg hij de - trappen en belde aan de gangdeur van de tweede verdieping. - - De deur werd opengedaan door de oude huishoudster van Bernard - Blackpool, Miss Aurélie Dayton, een dame van ongeveer zestigjarigen - leeftijd, die, met een bijna even ouden bediende, het personeel van - den vermoorde vormde. - - De jonge man noemde zijn naam, en verzocht, den heer Blackpool te - mogen spreken. Hij verzekerde dat Bernard Blackpool van zijn komst - wist, en hem zeker wel zou verwachten. - - De oude dame die het juist nogal volhandig had wees den jongen man - eenvoudig met een beweging van het hoofd de deur van de werkkamer - van haar meester, en ging haars weegs, blijkbaar had zij iets te - zoeken in een ander gedeelte van de tamelijk uitgestrekte woning. - - Zij verzekert dat zij nauwelijks vijf minuten kan zijn weg geweest, - en waarschijnlijk nog veel korter of zij hoorde een woest - geschreeuw, dat uit de richting van de werkkamer kwam. - - Zij keerde aanstonds terug, en reeds toen zij de gangdeur geopend - had, zag zij dat de deur van de werkkamer openstond, en dat het - daarbinnen duister was. - - Bijna op hetzelfde oogenblik kwam de huisknecht, Thomas Blunt - geheeten, haastig aanloopen, en ongeveer tegelijk bereikten zij de - kamerdeur. - - De oude bediende behoefde de hand slechts even om de deurpost te - steken om den schakelaar van het electrische licht te vinden. - - Hij draaide dien om en de kamer was toen helder verlicht. - - Met een luiden gil van afschuw deinsden de beide oude menschen - terug—want in het midden van het vertrek, niet ver van het - schrijfbureau, lag onbewegelijk, op den rug, het lichaam van hun - meester uitgestrekt. - - Het wit van zijn overhemd verdween bijna geheel onder het rood van - het bloed, dat nog altijd te voorschijn kwam uit een wonde, waaruit - een vlijmscherp mes stak, hetwelk zij beiden aanstonds herkenden. - - Het was de Japansche dolk, welken Bernard Blackpool steeds placht - te gebruiken bij wijze van vouwbeen en die altijd op zijn - schrijfbureau lag. - - Over het lijk heengebogen—want men kon er helaas niet meer aan - twijfelen, of het slachtoffer had reeds den laatsten adem - uitgeblazen, stond de bezoeker, met doodsbleek gelaat, bebloede - handen, en starende oogen. - - Hij scheen volstrekt het besef te hebben verloren van hetgeen hij - gedaan had, en scheen zelfs niets te merken van het binnentreden - der bedienden. - - Gillend vluchtte Miss Dayton weder weg, en binnen enkele - oogenblikken had zij eenige buren te hulp geroepen, terwijl de - portier aanstonds gewaarschuwd de politie opbelde. - - Pas toen deze verscheen, in de gedaante van een inspecteur en twee - agenten, scheen Richard Stefenson weder tot besef te komen, en hij - verzette zich tegen zijn arrestatie, en bezwoer dat hij onschuldig - was. Toch valt er aan zijn schuld niet te twijfelen, want de - portier is zeer pertinent in zijn verklaringen dat hij Bernard - Blackpool om negen uur geheel alleen heeft zien terugkeeren en dat - er volstrekt geen bezoeker voor hem is geweest, behalve juist - Richard Stefenson. - - Men begaf zich naar zijn huis, in de verwachting dat men daar - wellicht nadere bijzonderheden zou kunnen vernemen omtrent het - motief van den moord, en daar bleek het uit verhoor van eenige - buurvrouwen al spoedig, dat Bernard Blackpool op dienzelfden dag - een hevigen twist had gehad met Richard Stefenson, die toen juist - uit de gevangenis teruggekeerd was, en hem zelfs met den dood had - bedreigd, omdat Bernard Blackpool, naar hij beweerde, zijn zuster - met oneerbare bedoelingen vervolgde. - - Toen men dit jonge meisje in kennis stelde van de arrestatie van - haar broer, viel zij in zwijm, en men vreest, dat deze nieuwe - misdaad van haar broeder haar gezondheid ernstig kan benadeelen. - - Tot dusverre heeft men het jonge meisje niet kunnen ondervragen. - - Wij zullen natuurlijk niet nalaten, onze lezers aanstonds op de - hoogte te brengen, zoodra in deze afschuwelijke zaak nadere - bijzonderheden bekend mochten worden.” - - -Charly liet het blad zakken, en geruimen tijd bleven de beide vrienden -zwijgend tegenover elkander zitten. - -Raffles had de oogen met de hand bedekt, zijn geliefkoosde houding als -hij ingespannen ergens over nadacht. - -Er waren bijna volle tien minuten verloopen, toen hij eindelijk het -hoofd ophief, en op zachten toon vroeg: - -„De kamer was immers donker, volgens de verklaring van Miss Dayton en -van den bediende Thomas Blunt?” - -„Ja!” - -„Begrijp jij dat?” - -„Niet al te best! Het eenige is natuurlijk, dat Richard het licht heeft -uitgedraaid nadat hij.... dat verschrikkelijke gedaan had!” - -„O! Ja, dat is zeker mogelijk!” - -„Wat, twijfel je er aan?” riep Charly verwonderd uit. „Is het dan -mogelijk om te twijfelen?” - -„O! Ja, dat is zeer mogelijk!” antwoordde Raffles op ernstigen toon. -„Ik wil echter erkennen, dat er veel is dat hem zeer zwaar belast! Maar -goed—wij nemen aan dat hij de daad bedreef, noem mij dan een motief, -dat hem bewoog vervolgens het licht uit te draaien.” - -„Misschien hoopte hij in de duisternis te ontvluchten!” - -„Dat zou al een zeer zonderlinge redeneering zijn geweest! Hij moest -toch heel goed weten, dat hij buiten de kamer gekomen dadelijk in een -helder verlichte gang zou komen.” - -„Dat is hem misschien in de vreeselijke ontroering zeker ontgaan!” - -„Ei! Welke moordenaar, die zich in zulken vreeselijken gemoedstoestand -bevindt, zal op het denkbeeld komen, het licht uit te draaien. -Bovendien—de huishoudster zoowel als de bediende verklaren dat hij -onbeweeglijk over het lijk gebogen stond. Hoe rijm je dat dan met zijn -voornemen te vluchten!” - -„Maar zijn handen waren vol bloed!” - -„Luister eens, mijn waarde! Denk je er eens even in, dat jij van avond -laat een wandeling gaat maken. Op de Theemskade vindt je een man -onbeweeglijk uitgestrekt. Je denkt dat hij bewusteloos is, of ziek, of -misschien dood is, je bukt, zooals ieder ander zou doen, om je te -overtuigen. De man is echter vermoord, en het bloed stroomt nog altijd -uit zijn borst. Jij krijgt dat aan de handen.... op dat oogenblik -nadert er politie!” - -„Je behoeft niet verder te gaan, Edward!” viel Charly hem in de rede. -„De politie arresteert mij natuurlijk, eenvoudig omdat zij niet anders -kan.” - -„Juist! Overdag zou je er niet zoo spoedig toe komen om die beweging, -die ons als het ware ingeboren is, te volbrengen—je zou dan natuurlijk -dadelijk het bloed zien, en den armen man aan de armen, aan het hoofd, -waar je wilt vastgrijpen, maar zeker niet aan de wonde! En let wel op -dat de kamer donker was—in ieder geval in vergelijking met de lichte -gang. Het is dus zeer wel mogelijk, dat Richard, nadat hij geklopt -heeft en naar binnen was gegaan, verbaasd door de duisternis in het -vertrek een paar stappen heeft gedaan, en toen over het lichaam van den -verslagene is gestruikeld. Natuurlijk heeft hij toen zijn handen in het -bloed besmeurd—natuurlijk heeft hij toen dien woesten kreet geslaakt, -dien de bediende en de huishoudster hebben gehoord.” - -„Ho! ho! Nu loop je toch wel wat al te hard van stal!” riep Charly uit. - -„Waarom?” - -„Vraag je dat nog? Als het zich zoo heeft toegedragen, zooals jij het -daar voorstelt, dan moet die schurk van een Blackpool natuurlijk van te -voren door een ander zijn gedood—en wel door iemand die na negenen is -gekomen! Welnu de portier verklaart, dat er niemand geweest is!” - -„Je zegt nu dat op zegevierenden toon, Charly, en je denkt nu bij -jezelf dat je mij schaakmat hebt gezet! Maar ik geef mij zoo spoedig -niet gewonnen. Wij kennen het huis van Blackpool niet, maar ik acht het -volstrekt niet onmogelijk, dat de dader zich reeds geruimen tijd van te -voren in een ander gedeelte van het huis schuil heeft gehouden.” - -„Ik moet je nogmaals excuus vragen, Edward, maar ik geloof nu toch -werkelijk dat je de waarschijnlijkheid forceert, omdat het een -beschermeling van je betreft!” riep Charly uit. „Jijzelf verklaart -altijd, en ik stem dat volmondig toe, dat iedere misdaad het spoedigst -wordt opgelost, wanneer men slechts het motief kent, welnu hier is het -motief bekend! Richard Stefenson had Blackpool bedreigd, hij droeg hem -een fellen haat toe, hij heeft zijn zuster innig lief, en hij wilde -haar eer wreken!” - -„Goed zoo! En daarom begaf hij zich naar het huis van Blackpool, met -het opzet om hem te dooden, nietwaar?” - -„Welzeker!” - -„Natuurlijk heeft hij een wapen mede genomen—is het niet zoo?” - -Charly keek een oogenblik bedremmeld voor zich, en zeide toen: - -„Nu wil je mij zeker vangen door mij voor oogen te houden, dat -Blackpool vermoord is met zijn eigen Japanschen dolk!” - -„Dat was ik inderdaad van plan! Denk je eens even in den toestand van -een broeder, die de eer van zijn zuster gaat wreken. Laat ik je nu om -te beginnen er even aan herinneren, dat er volstrekt niets te wreken -viel! Dora is rein en eerbaar gebleven! Maar goed, wij nemen aan, dat -de driftige Richard zich desniettemin voldoening wilde verschaffen! -Maar dan had hij immers een wapen moeten mee nemen.” - -„Wie zegt dat hij er inderdaad geen een bij zich had?” mompelde Charly. - -„Maar dat zegt de „Daily Mail”, Charly,” riep Raffles uit. - -„Dat blad zegt er niets van, Edward.” - -„Juist en door er niets van te zeggen geeft ze te kennen, dat er geen -wapens bij Richard gevonden zijn! Mijn hemel, Charly, denk je dat een -blad als de „Daily-Mail”, dat er altijd op uitgaat zijn lezers tot in -de minste bijzonderheden voor te lichten, waar het zulke sensationeele -gebeurtenissen betreft, dat belangwekkende feit vergeten zou hebben? -Neen, neen—als de „Daily-Mail” er niets van zegt, dan is dat voor mij -het bewijs, dat men ook volstrekt geen wapens in de zakken van den -jongen man heeft gevonden. Maar er is nog meer!” - -„Wat dan wel?” - -„Richard heeft eenvoudig zijn naam opgegeven aan den portier en later -waarschijnlijk nog eens aan de huishoudster. Geloof jij dat dat de -gewoonte is van moordenaars?” - -„Gewoonte is het misschien niet,” antwoordde Charly met een flauwen -glimlach, „maar ik zou het mij zoo voor kunnen stellen. Richard is daar -gekomen om van Blackpool verantwoording te vragen. Er is een hevige -twist ontstaan. In zijn dolle drift heeft hij den Japanschen dolk op -tafel zien liggen en dien Blackpool in de borst gestoken.” - -„En Blackpool ontving hem in het donker?” vroeg Raffles bedaard. - -„Ja, dat is en blijft natuurlijk een vreemde zaak,” antwoordde Charly, -terwijl hij zich achter het oor krabde. „Ik moet je bekennen, dat ik -daar geen oplossing voor weet. Ik wil ook wel verder gaan en verklaren -dat het al heel wonderlijk zou zijn, als Richard in die donkere kamer -dien dolk had ontdekt.” - -„Dat is ook mijn meening. Dan praat je van een twist. Zelfs de hevigste -woordenwisseling tusschen twee doodsvijanden heeft tijd noodig om tot -het hoogtepunt te stijgen. En dan gaat het maar niet in enkele minuten! -Maar wat blijven wij hier als oude vrouwen theoretiseeren,” riep -Raffles eensklaps uit, terwijl hij opstond. „Wij moeten er dadelijk op -uit naar de ongelukkige vrouw en naar Dora, die zich wel in een -verschrikkelijken toestand zullen bevinden. Laten wij ons haasten en -zeg aan Henderson dat hij dadelijk met de auto moet voorkomen.” - -Er waren nog geen vijf minuten verloopen, of Henderson, de reusachtige -chauffeur van den Grooten Onbekende, reed met een der snelste wagens -voor en een oogenblik later waren de beide vrienden onderweg naar de -Burrellstreet. - -Onderweg spraken zij zeer weinig, want ieder was in zijn eigen -gedachten verdiept. - -Wat Charly betreft, ofschoon hij innig hoopte, dat hij zich zou -vergissen, leken de bewijzen tegen Richard Stefenson hem zoo -overstelpend, dat hij zich niet kon losmaken van de gedachte dat de -jonge man in een oogenblik van vreeselijke drift inderdaad de misdaad -had gepleegd. - -Het leek hem geheel onmogelijk en onaannemelijk toe, dat een ander het -huis was binnen gekomen, zonder dat de portier of iemand anders in het -huis het zou hebben gezien. - -Raffles wikte het voor en het tegen en zijn vaardige geest scheen alle -mogelijkheden, alle kansen, alle waarschijnlijkheden na te gaan. - -Zijns ondanks moest hij wel toegeven, dat bijna alles tegen den jongen -heethoofd pleitte, en toch scheen er een geheime stem in hem te -spreken, die hem waarschuwde, dat hij er goed aan zou doen, niet op den -schijn af te gaan. - -Het was bijna half elf in den morgen, toen de prachtige auto van Lord -Aberdeen voor het kleine smalle huis in de Burrellstreet stil stond. - - - - - - - - -HOOFDSTUK V. - -EEN NIEUWE FIGUUR. - - -Er verdrongen zich eenige nieuwsgierige, druk fluisterende buren voor -het huis, dat echter niet bewaakt was. - -Raffles en Charly konden dus ongehinderd naar binnen gaan, maar het -kostte hen toch eenige moeite zich een doortocht tusschen de -nieuwsgierigen te banen. - -Zij beklommen haastig de trap en waren op de bovenste verdieping bijna -tegen een heer aangeloopen, die juist werd uitgelaten door een jongen, -eenvoudig gekleeden man van omstreeks zes en twintig jaar met een -intelligent, maar zeer bleek gelaat, donkere oogen en scherp -geteekende, koolzwarte wenkbrauwen. - -Daar de oudste der beide heeren een hoogen hoed droeg en juist een -gouden vulpen weg borg, meende Raffles reden te hebben voor de -veronderstelling, dat hij met een geneesheer te doen had. - -Hij nam zijn hoed af en zeide: - -„Neem mij niet kwalijk, als ik u even ophoud. Ik ben Lord Aberdeen en -ik stel groot belang in het ongelukkig gezin, hetwelk gij zoo juist -verlaat, mijnheer. Heb ik het droevige voorrecht met den geneesheer te -spreken?” - -„Die ben ik, Mylord. Mijn naam is Dr. Dunlop. Ik heb den echtgenoot van -de arme vrouw Stefenson goed gekend, maar nu kwam ik voor haar dochter, -de arme Dora is er zeer leelijk aan toe, dat mag ik niet verhelen.” - -De geneesheer had dit laatste op gedempten toon gezegd, met een schuwen -blik op den jongen man, die bij de deur was blijven staan. - -Hij voegde er nu nog zachter aan toe: - -„Dat is haar verloofde, Harry Burton.” - -„Wat scheelt haar?” vroeg Raffles even zacht, na een vluggen blik op -het witte gelaat van den jongen man te hebben geworpen. - -„Zij heeft ijlende koorts, ik heb al ijs moeten toepassen.” - -„Komt gij nu voor de eerste maal?” - -„Neen, ik ben er ook gisteravond geweest. Ik ben gekomen, zoodra de -oude vrouw mij liet roepen, want ik heb altijd een zwak voor Dora -gehad.” - -„Is er onmiddellijk gevaar, dokter?” vroeg Raffles op zachten toon. - -De geneesheer wierp opnieuw een snellen blik op den jongen man, die nog -altijd bij de deur stond en antwoordde toen: - -„Ik denk dat het vandaag beslist wordt, Mylord. Het is een kwestie van -leven of dood. Ik moet u zeggen, dat ik den toestand zeer ernstig -inzie. Komt Dora echter den dag van heden te boven, dan bestaat er veel -kans, dat wij haar in het leven behouden. Maar in ieder geval zal zij -dan toch nog wekenlang in een toestand van halve bewusteloosheid -blijven. De slag, die haar broeder zoo eensklaps getroffen heeft, -schijnt haar geheel te hebben versuft.” - -„Zou het misschien niet beter zijn dokter, wanneer zij elders verpleegd -werd?” - -„Later zal dat zelfs noodzakelijk zijn, Mylord, maar op dit oogenblik -mag zij volstrekt niet vervoerd worden. Volmaakte rust, dat is alles -wat haar redden kan, behalve natuurlijk dat mijn voorschriften met de -grootste zorgvuldigheid moeten worden opgevolgd. Wanneer een -geneesmiddel een half uur te laat wordt ingegeven, zou dat haar dood -kunnen beteekenen, en nu wilt gij mij wel verontschuldigen, Mylord—ik -heb vandaag zeer veel te doen, maar in den loop van den middag kom ik -in ieder geval nog eens naar mijn klein vriendinnetje kijken.” - -De beide heeren drukten elkander de hand, en daarop traden Raffles en -Charly naar de deur, waar Harry Burton hen scheen op te wachten. - -Raffles keek een oogenblik in het witte strakke gezicht, en zei toen: - -„Mijnheer Burton, wij zijn vrienden van de familie, en goede vrienden, -durf ik wel zeggen. Ik hoop van harte, dat gij ons niet als indringers -zult beschouwen, die hier louter uit nieuwsgierigheid komen.” - -„Ik weet wel beter, Mylord!” zeide de jonge man op doffen toon. „Dora’s -moeder heeft mij reeds alles verteld. Ik heb deze week buiten Londen -moeten werken—ik werd door mijn fabriek naar Leeds gezonden—ik ben maar -een eenvoudig monteur, en daardoor komt het dat ik hier al dien tijd -niet geweest ben, en dat ik nog niet het genoegen had u te ontmoeten.” - -„Zijt gij reeds lang uit Leeds terug?” vroeg Raffles, terwijl hij -Burton de hand toestak. - -„Gisteravond om half twaalf aangekomen, Mylord!” antwoordde de jonge -man. Maar eensklaps scheen hij zich te bezinnen, en voegde er haastig -aan toe: - -„Ik vergis mij—ik was om zeven uur al weder in Londen! Maar blijf daar -niet op het portaal staan, mijne heeren—wees zoo goed mij te volgen. -Maar ik verzoek u, zacht te loopen, want op het oogenblik slaapt zij -gelukkig.” - -De drie mannen traden binnen, en Burton bracht hen naar een klein -zijvertrekje, dat voor het grootste gedeelte werd ingenomen door het -bed, waarop het ongelukkige meisje in diepe sluimering lag. - -Maar Raffles zag onmiddellijk, met het oog van den deskundige, dat het -een onrustige, onnatuurlijke sluimering was. - -De oogen waren niet geheel gesloten, de wenkbrauwen hadden nu en dan -een krampachtige trekking, en van tijd tot tijd scheen er een huivering -over het strakgetrokken vel te loopen. - -Raffles bleef geruimen tijd zwijgend naar het jonge meisje kijken, en -zeide toen op zachten toon tot Charly Brand: - -„Dokter Dunlop had wel gelijk—het is een ernstig geval! Ik denk dat de -hersens zijn aangedaan! Het is een groot geluk voor haar, dat zij zoo -liefderijk verpleegd wordt!” - -Zijn blik dwaalde naar Harry Burton, die met doodsbleek gelaat, de -handen tot vuisten gebald, als een toonbeeld van woeste smart naar het -jonge meisje keek, gisteren nog bloeiend in haar schoonheid, en nu aan -den rand van het graf. - -Maar nu opende hij een zijdeur, en verzocht de beide bezoekers op -denzelfden gedempten toon, het gemeenschappelijk vertrek binnen te gaan -waar zij mevrouw Stefenson aantroffen, die met gebogen hoofd, de handen -in den schoot gevouwen, roerloos voor zich uitstaarde. - -Zij scheen het zelfs nauwelijks te merken, dat er andere personen in de -kamer waren, en Raffles moest zijn hand op haar schouder leggen, om -haar als het ware met een schok weder tot bewustzijn te doen komen. - -„Wij komen u onder droeve omstandigheden weder opzoeken, mevrouw -Stefenson,” begon Raffles met zijn diepe stem, die menigmaal zulk een -warmen klank kon verkrijgen, „maar ik bid u geef toch niet zonder -weerstand te bieden toe aan uw smart, hoezeer die ook begrijpelijk is! -Bedenk dat gij nu alleen zijt en dat alles op uw schouders rust!” - -De oude vrouw schudde het hoofd, en terwijl de tranen overvloedig over -haar wangen stroomden, zeide zij op zachten toon: - -„Gij doet Harry onrecht, Mylord! Hij is mij een groote steun in deze -verschrikkelijke omstandigheden. Hij kwam gisteravond nog hier, nadat -hij om half twaalf uit Leeds was teruggekeerd, en het was wel een -droevige ontvangst! Dora lag toen reeds in ijlende koorts neer, en hij -is bij haar blijven waken, terwijl ik zelf onzen goeden dokter Dunlop -ben gaan halen.” - -Toen de oude vrouw het uur noemde, waarop Harry Burton was aangekomen, -had Raffles snel het hoofd opgeheven, en keek verrast naar den jongen -man. - -Deze stond op dat oogenblik voor het raam met de handen op den rug -gevouwen. - -Ook hij had vlug omgekeken, maar nu scheen zijn aandacht weer -uitsluitend bepaald te zijn bij hetgeen er op straat voorviel. - -Raffles had een opmerking willen maken, maar hij bedacht zich en zeide -half bestraffend: - -„Was er dan niemand anders om voor u naar den dokter te gaan? Gij zijt -toch niet goed ter been?” - -„Ik heb een huurauto genomen, Mylord! Ik wilde niemand anders zenden, -het was al zoo laat!” - -„Is de dokter toen dadelijk met u meegekomen?” - -„Niet dadelijk! Hij sliep reeds, en ik heb toen moeten wachten, totdat -men hem gewekt had en hij zich had aangekleed!” - -Een oogenblik heerschte er zwijgen. - -En eensklaps viel de oude vrouw met het bovenlijf op de tafel en begon -hartstochtelijk te snikken. - -„Mijn jongen! Mijn arme jongen! Dat het daartoe komen moest! Had ik hem -toch maar niet het huis laten uitgaan!” - -„Gij moogt u niet toegeven aan die gedachten!” zeide Raffles, terwijl -hij zachtjes over het witte haar streelde. „Wie weet—wie weet is.... -een ander wel de schuldige!” - -De oude dame hief snel het hoofd op om Raffles met haar betraande oogen -aan te zien en tegelijkertijd wendde Harry Burton zich vlug om, en -staarde Raffles met groote oogen aan. - -„Zeg mij eens, Mylord—gelooft gij dat werkelijk?” vroeg hij langzaam, -en zijn woorden schenen zich met moeite een weg te banen door zijn -opeengeklemde tanden. - -„Waarom zou dat onmogelijk wezen, waarde Burton?” was de wedervraag van -Raffles. - -„Maar Mylord—hoe vreeselijk het ook is, dat zijn eigen moeder het moet -zeggen—alles pleit toch immers tegen hem!” riep de ongelukkige vrouw -uit. „Hij is hier woedend weg gegaan, met de bedreiging op de lippen—en -in de bladen staat het immers te lezen, dat niemand voor hem het huis -is binnen gegaan!” - -„Tenminste niemand die het gezien heeft!” zeide Raffles rustig. - -„Maar mijn God, Mylord—wie zou het dan hebben kunnen doen?” riep de -oude vrouw bevend uit. „Wie kan denken aan zulk een noodlottigen -samenloop van omstandigheden? Speelt het toeval dan zulk een groote rol -in ons leven?” - -„Ja, mevrouw, dat doet het vaker dan wij denken!” antwoordde Raffles. -„Ik wil u echter volstrekt niet paaien met hoopvolle verwachtingen. Wel -beloof ik u plechtig, dat ik volstrekt niet zal rusten, voor ik den -waren schuldige heb ontdekt!” - -Weer bleef het eenige oogenblikken stil. - -Harry Burton had zijn plaats bij het raam weder ingenomen. - -Men zag niets van hem dan zijn rug, en daarop de gevouwen handen, -waarvan de vingers krampachtig in elkaar waren geklemd. - -Hij scheen recht voor zich uit te staren over het dak heen van het -tegenoverliggende huis. - -Raffles scheen een oogenblik verzonken te blijven in den aanblik van de -twee sterke, zenuwachtig trillende handen en vroeg toen eensklaps: - -„Neem mij niet kwalijk, dat ik u de vraag stel, mijnheer Burton, kendet -gij Miss Dora reeds lang?” - -„Sedert twee jaar, mijnheer,” antwoordde de jonge man, zonder zich om -te wenden. - -„Gij—hebt haar zeer lief?” - -„Ik heb haar liever dan mijn leven, Mylord. En ik zweer u, dat dit geen -gemeenplaats is. Ik zou, als het moest den vuurdood voor haar -trotseeren.” - -Weer zag men niets dan den breeden, eenigszins gebogen rug. - -„Dat pleit voor u, mijnheer Burton,” hernam Raffles. „Zeg mij eens, -hebt gij dien Blackpool ook gekend?” - -Een hoofdknik, dat was alles. - -„Persoonlijk?” - -Weer een hoofdknik. - -„Gij moet het mij niet kwalijk nemen, mijnheer Burton, als ik -onbescheiden lijk, maar in deze zaak kunnen schijnbaar onbeteekenende -voorvallen van groot gewicht blijken te zijn. Was het u bekend, dat die -schurk uw meisje achtervolgde met zijn liefdesverklaringen?” - -Nu wendde Burton zich eensklaps om en riep uit: - -„Ik hoorde het gisternacht voor het eerst, Mylord. Ja, als ik het -vroeger had geweten.... dan....” - -Hij hield eensklaps op, streek zich met de hand over het hoofd, -mompelde iets binnensmonds en hernam toen met een wrang lachje: - -„Ik geloof dat ik wartaal begin te spreken, Mylord! Hoe kon ik dat -zeggen? Ik wist het al zeker maanden, dat die Blackpool het Dora lastig -maakte.” - -Nu was het de beurt van de oude vrouw, om verrast op te zien. - -„Wat zeg je daar, Harry?” vroeg ze. „Waarom heb je ons dat dan nooit -verteld? Daar wisten wij niets van. Hoe kwam je er toe, om dat voor ons -te verbergen?” - -Het gelaat van den jongen man was krampachtig vertrokken, toen hij -stamelend antwoordde: - -„Ik heb.... ik wilde.... het lag niet in mijn bedoeling om het te -verzwijgen, moeder, maar ik wilde Dora alles besparen, wat haar hartje -zou kunnen kwetsen. Ik verzeker u....” - -Hij brak den zin plotseling af, haalde zijn zakdoek te voorschijn, -veegde er zijn voorhoofd mee af en draaide zich vlug weer om, teneinde -uit het raam te zien. - -Raffles trommelde zachtjes met zijn vingers op het tafelblad en er lag -een zonderlinge glimlach op zijn gelaat, waarvan Charly zich den -oorsprong volstrekt niet kon begrijpen. - -Eensklaps stond de Groote Onbekende weder op en zeide: - -„Luister eens, mevrouw Stefenson. Deze zaak moet tot klaarheid worden -gebracht, op welke wijze dan ook. Heeft uw zoon de misdaad inderdaad -gepleegd, het is vreeselijk om het te moeten zeggen, dan zal hij ook -zijn straf moeten dragen, maar ik zeg u, dat ik daar niet zeker van ben -en daarom begin ik van dit oogenblik af mijn onderzoek. Ik zal u van -alle vorderingen nauwkeurig op de hoogte houden. Wat Dora betreft, ik -smeek u mij toe te staan om de twee uren naar haar welzijn te laten -informeeren. Over de kosten der verpleging behoeft u zich natuurlijk -niet te bekommeren. Wij zullen dat wel regelen.” - -Voordat de oude vrouw haar dankbaarheid kon uiten wendde Raffles zich -tot Burton en vroeg op vriendelijken toon: - -„Zoudt ge mij uw adres niet willen geven, mijnheer Burton?” - -„Mijn adres, Mylord?” vroeg Burton toonloos. - -„Ja, het mocht eens noodzakelijk zijn, dat ik u eenige inlichtingen heb -te vragen of te geven.” - -De jonge man scheen een oogenblik te aarzelen en antwoordde toen: - -„Ik woon in de Sloanstreet 107, vierde verdieping. Maar ik wil u wel -waarschuwen, dat gij mij in de eerste dagen waarschijnlijk weinig of -niet thuis zult vinden,—ik blijf hier. Ik blijf bij haar, die mij meer -waard is dan het leven, en als zij sterft, dan wil ik met haar -sterven.” - -Hij had dit laatste op een toon van woeste wanhoop uitgeroepen, sloeg -zich met de beide gebalde vuisten voor het hoofd en viel kermend op een -stoel neer. - -Droge snikken deden het krachtige lichaam schokken. - -Raffles legde hem troostend de hand op den schouder en zeide op -ernstigen toon: - -„Gij zijt een man, mijnheer Burton en als een man zult gij alles moeten -dragen, wat het ook zij.” - - - - - - - - -HOOFDSTUK VI. - -BEWIJZEN EN TEGENBEWIJZEN. - - -De auto stond nog steeds te wachten en Henderson, de reusachtige -chauffeur, zat onbewegelijk achter het stuurwiel, zonder zich te storen -aan de veertig of vijftig buurkinderen die hem en zijn auto met de -grootste verbazing aanstaarden. - -Met de hand aan de kruk van het portier vroeg Raffles zijn trouwen -chauffeur: - -„Weet jij waar de Sloanstreet is, Henderson?” - -„Zeker, Mylord.” - -„Is het ver hier vandaan?” - -„Een kwartier rijden.” - -„Breng ons daar dan heen en houd stil voor het huis dat het nummer 107 -draagt.” - -Zoodra de auto zich in beweging had gesteld, vroeg Charly verwonderd: - -„Wat wil je in dat huis uitvoeren, waar de jonge monteur woont?” - -„Ik wil eens informeeren, waarom hij gelogen heeft!” - -„Gelogen?” herhaalde Charly verwonderd. - -„O, onze vriend Burton liegt heel slecht! Maar heb je dan zelf niet -opgemerkt, mijn waarde, dat hij zich tweemaal zoogenaamd versproken -heeft?” - -„Om je de waarheid te zeggen....” stotterde Charly. - -Raffles haalde een weinig ongeduldig de schouders op en hernam toen: - -„Dat gebrek aan opmerkingsgave is toch wel wat sterk! De eerste maal -dat hij zich op zulk een eigenaardige wijze vergiste, was, toen hij -eerst verklaarde, om halftwaalf uit Leeds te zijn teruggekeerd en dit -naderhand verbeterde, door te verklaren dat hij alweer om zeven uur in -Londen was. De tweede keer was, toen hij eerst beslist verklaarde, -niets te hebben geweten van de achtervolgingen, waaraan Dora van den -kant van dien Blackpool bloot stond, hetgeen dan ook het -waarschijnlijkste is, want een jong meisje als Dora vertelt zulke -dingen niet—en dit naderhand weder herriep.” - -„Je hebt gelijk, Edward!” riep Charly opgewonden uit. „Ik had daar in -het eerst geen acht opgeslagen! Dat is eigenlijk wel vreemd!” - -„Dat meen ik ook!” zeide Raffles droogjes. „En wij gaan nu naar de -Sloanstreet om eens te hooren, of men ons daar niet kan mededeelen, hoe -dat zit met het uur van aankomst; of Burton om half twaalf of reeds om -zeven uur terug was. Ik denk dat het half twaalf was.” - -„Waarom denk je dat?” vroeg Charly verwonderd. - -„Ik kan er geen bepaalde reden voor opnoemen—het is een ingeving.” - -„Maar dan zou Harry Burton met opzet gelogen hebben?” - -„Dat heeft hij dan ook waarschijnlijk.” - -„Met welk doel dan toch?” - -„Dat weet ik nu nog niet, maar zeker voor een doel van het grootste -gewicht.” - -„Maar die jongen heeft toch met de heele zaak volstrekt niets te -maken?” riep nu Charly uit. - -„Slechts in zooverre, dat hij de verloofde is van de zuster van den -gevangene, van den man, die op dit oogenblik van moord beticht wordt. -Maar ik geloof, dat Henderson, die natuurlijk weer veel te hard gereden -heeft, de plaats van bestemming reeds bereikt heeft.” - -Inderdaad, de groote auto verminderde haar vaart en stond nu stil voor -een eenvoudig huis, een soort huur-kazerne, waarvan de breede voordeur -wagenwijd open stond. - -„Blijf maar even op mij wachten, ik zal aanstonds wel terug zijn,” -zeide Raffles, terwijl hij het portier opende. - -De jonge man zag hoe Raffles een paar woorden wisselde met Henderson en -daarop in het huis verdween. - -Er waren nog geen drie minuten verloopen of Raffles keerde weder terug. - -Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking toen hij het portier weder -opende, na Henderson een kort bevel te hebben gegeven. - -„Welnu?” vroeg Charly, nadat Raffles weder naast hem had plaats -genomen. - -„Hij is om half twaalf terug gekeerd. Het was zelfs nog iets later. Hij -heeft zijn handvaliesje, dat hij bij zich had, aan den portier -afgegeven met verzoek het naar zijn kamer te laten brengen en daarop is -hij dadelijk weer in de auto gestapt, die hem waarschijnlijk regelrecht -naar het huis van zijn meisje heeft gereden.” - -„Dus dan zal hij toch hebben gelogen?” riep Charly verrast uit. „Maar -wat kan hij daar toch mee hebben voor gehad?” - -„Dat moeten wij nu juist onderzoeken, Charly. Er schuilt achter dat -alles iets geheimzinnigs, dat ik zal trachten te doorgronden.” - -„Waar gaan we nu heen?” - -„Naar Scotland Yard. Ik wil den hoofdinspecteur van politie, mijn -besten braven vijand Baxter, verlof vragen om onderzoek te mogen doen -in het huis, waar Blackpool den dood had gevonden.” - -Er werd slechts weinig meer gesproken gedurende den rit en toen de auto -eindelijk weer stil hield voor het sombere gebouw in de Downingstreet, -hadden de beide vrienden ternauwernood eenige woorden met elkander -gewisseld. - -Ook nu bleef Charly weder wachten, terwijl Raffles, die als -amateur-detective, natuurlijk onder den naam van Lord Aberdeen, een -grooten roep had verworven, aan den hoofdinspecteur van politie Baxter, -denzelfden man, die Raffles reeds jaren lang zoo meedoogenloos, maar -zonder vrucht achtervolgde, verlof ging vragen op eigen gezag een -onderzoek te mogen instellen inzake den moord in het huis in Short -Gardens. - -Baxter, maar al te verheugd, dat hij den vice-president van de -Windsor-club, waartoe hij zelf ook behoorde, een dienst kon doen, vulde -aanstonds een formulier in, hetwelk den Lord toegang zou verschaffen -tot het huis waar de misdaad was gepleegd. - -Voorzien van dit kostbare document, dat alle deuren voor hem moest -openen, begaven de beide vrienden zich weer op weg en een half uur -later, het was toen juist twaalf uur, hield de auto weder stil voor het -tragische huis. - -Er stond een agent voor de deur en een paar dozijn leegloopers en -nieuwsgierigen gaapten het huis aan. - -Raffles en Charly hadden niet de minste moeite, te worden toegelaten, -zoodra zij het formulier vertoonden, en een paar oogenblikken later -stonden zij tegenover den portier, wiens getuigenis van zoo’n groot -belang was geweest bij de arrestatie van Richard Stefenson. - -Raffles keek den man een oogenblik onderzoekend aan, haalde toen een -goudstuk te voorschijn, hield het even tusschen duim en wijsvinger in -de hoogte en zeide toen glimlachend: - -„Ik ben wel een detective, mijn vriend, maar niet van de officieele -politie en daarom heb ik ook wel eens de gewoonte, deze aardige ronde -schijfjes te schenken aan lieden, die zich in een of ander opzicht -verdienstelijk hebben gemaakt. Gij lijkt mij een zeer schrander man te -zijn. Uw antwoorden kunnen mij van nut zijn. Zoudt gij geen lust -hebben, dit goudstuk te verdienen?” - -„Dat zal niemand afslaan, mijnheer,” antwoordde de portier met -glinsterende oogen. „Wat ik weet zal ik u gaarne zeggen. Ik vrees -echter, dat ik niet veel toe te voegen heb aan mijn verklaringen, -zooals gij die reeds in de bladen hebt kunnen lezen.” - -„Ik kan dus aannemen, dat uw opgaven volkomen juist zijn?” - -„Volkomen.” - -„Misschien valt mij toch wel iets in, waarvan ik nog niets in de bladen -aantrof, bijvoorbeeld, weet gij zeker dat gij uw post in de vestibule -niet verlaten hebt, vanaf het oogenblik dat Blackpool van zijn diner -terugkeerde?” - -„Dat weet ik heel zeker, mijnheer.” - -„Gij denkt dus, dat niemand tusschen negen uur en half tien uw loge -voorbij kan zijn gegaan, of ge hadt hem moeten zien?” - -„Dat denk ik, mijnheer. En ik denk het niet alleen, maar ik ben er ook -vast van overtuigd. Ik wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat er ook -niemand gepasseerd is, maar dat waren een paar bewoners van het huis, -die op de bovenste verdieping wonen.” - -„Goed zoo. Waren het er veel?” - -„Hoogstens twee of drie. Laat eens zien, toen mijnheer Blackpool -terugkeerde, stond ik een oogenblik met hem te spreken, en juist toen -ging juffrouw Brown van vijf hoog voorbij. Een kwartier later verscheen -die dikke rentenier van twee hoog, die wel een half uur noodig heeft om -de trap op te komen en dan heelemaal uitgeput is en om half tien ging -de onderwijzeres van het dakkamertje voorbij, die mij nog toeknikte en -dat is alles.” - -„Zeide ik het niet, dat gij een bijzonder scherp opmerkingsvermogen -hebt,” riep Raffles uit, terwijl hij den portier het goudstuk in de -hand drukte, „maar gij zijt nog niet van mij af.” - -„Vraag maar gerust, mijnheer.” - -„Kan men nog op een andere wijze naar boven komen, dan langs dezen -weg?” - -„Welzeker, langs de achtertrap, die weg is ook korter. Mijnheer -Blackpool ging meestal de achtertrap op, want hij was nog al lui -uitgevallen. Maar in ieder geval moet men dan toch mijn loge -passeeren.” - -„Ei, ei, dat kan van belang zijn,” zeide Raffles, half binnensmonds. - -Daarop vervolgde hij luid: - -„Het is dus volstrekt niet onmogelijk dat men de woning van Blackpool -binnen gaat, zonder aan de gangdeur op het groote portaal aan te -bellen?” - -„Het is niet geheel onmogelijk, maar dan moet men toch een sleutel van -de achterdeur hebben, de deur, die op een smalle brandgang uitkomt.” - -„Natuurlijk, tenzij men met mijnheer Blackpool tegelijk zou -binnengaan,” voegde Raffles er aan toe. - -De portier zette groote oogen op en zeide verbaasd: - -„Ja, dan zouden noch de huishoudster, noch de oude bediende het -behoeven te merken? Maar wie zou die bezoeker dan wel geweest zijn? Ik -zeg u immers dat mijnheer Blackpool alleen terug kwam.” - -„Zeker, dat heb ik heel goed gehoord. Maar iemand zou hem bijvoorbeeld -bij de achtertrap hebben kunnen opwachten.” - -De portier krabde zich met een bedenkelijk gezicht achter het oor en -antwoordde: - -„Hoor eens hier, mijnheer. Aan dergelijke mogelijkheden heb ik -natuurlijk niet gedacht. Ik wil er u alleen maar op wijzen, dat dan -toch die geheimzinnige persoon had moeten terugkomen, die kan toch niet -in de lucht zijn opgelost. Het is waar, een aantal bewoners heeft het -huis verlaten tusschen negen uur en half tien en ik moet bekennen, dat -ik daar minder op gelet heb.” - -„Nu, men kan ook niet van u verlangen, dat gij uw oogen op uw rug -hebt,” zeide Raffles vriendelijk. „Hier is nog een goudstuk. Misschien -wilt gij ons wel even den weg wijzen naar de woning van den heer -Blackpool.” - -„Gaarne tot uw dienst, mijnheer.” - -„Maar ik zou het liefste eveneens de diensttrap gebruiken.” - -„Dat kan gebeuren, mijnheer.” - -De drie mannen liepen de koetspoort ten einde, gingen de hoofdtrap -voorbij en bereikten zoo den tweeden ingang, die met een smalle deur -kon worden afgesloten. - -Hier begon de trap, die steeds door de bedienden en door -slagersknechts, melkboeren en boodschaploopers gebruikt werd. - -En het werd al spoedig duidelijk, waarom mijnheer Blackpool dezen weg -bij voorkeur gebruikte, want de trap liep rechtdoor en eindigde in een -portaal, dat juist achter zijn woning liep. - -„Waartoe behoort die deur?” vroeg Raffles, toen zij op het portaal -stonden. - -„Tot de werkkamer van mijnheer Blackpool.” - -„Dezelfde kamer, waar de misdaad plaats vond?” - -„Ja, mijnheer.” - -„Is zij geopend?” - -„Neen.” - -„Maar ge hebt misschien den sleutel bij u?” - -„Dien heeft de politie. Wij kunnen echter wel door de keuken de -voorgang bereiken en vandaar de kamer.” - -„Vooruit dan maar.” - -De drie mannen zetten hun weg voort en bereikten nu de keuken, waar zij -een oude dame vonden, gekleed met hoed en mantel en met een behuild -gezicht, die bezig was in een klein valies eenige voorwerpen te pakken. - -Het was Miss Dayton, de oude huishoudster van het slachtoffer. - -Raffles zeide eenige woorden van sympathie tot haar en vervolgde toen: - -„Zoud ge mij eens willen zeggen, Miss, of ge hier gisteren den geheelen -avond geweest zijt?” - -„Neen, mijnheer,” antwoordde de huishoudster. „Ik ben zoowat een -kwartier weg geweest om een boodschap te doen.” - -„Voor uzelf?” - -„Neen, mijnheer zond mij uit.” - -Raffles wisselde een snellen blik met Charly, die er echter tamelijk -onbeholpen bij stond, daar hij er de betekenis volstrekt niet van -begreep en vroeg toen verder: - -„Hoe laat was dat?” - -„Dat weet ik niet precies, maar in ieder geval was mijnheer pas een -paar minuten thuis.” - -„Wat moest ge doen?” - -„O, het was een onbenullige boodschap. Het had niets om het lijf. Ik -had het evengoed den volgenden dag kunnen doen, maar mijnheer stond er -op, dat ik aanstonds ging.” - -„Waar gaf hij u de opdracht voor die boodschap?” - -„Hij kwam er voor in mijn kamertje, dat vlak naast de keuken is.” - -„Had hij zijn hoed en jas nog aan?” - -„Neen, die had hij afgelegd.” - -„Vroeg of zeide uw meester nog iets anders?” - -„Hij vroeg, waar Blunt was, dat is de bediende.” - -„En waar was die?” - -„Het was zijn uitgaansdag. Hij was bezig zich op zijn kamer te -verkleeden.” - -„Waar is dat kamertje?” - -„Onder de hanebalken.” - -„Zijt gij toen dadelijk de deur uitgegaan?” - -„Dadelijk.” - -„Hoe lang zijt ge ongeveer weg gebleven?” - -„Omstreeks twintig minuten.” - -„Zijt ge aan uw meester gaan zeggen, dat de boodschap gedaan was?” - -„Neen, het was van volstrekt geen beteekenis.” - -„Waar zijt ge toen heen gegaan?” - -„Naar mijn kamertje.” - -„Kunt gij het daar hooren als er in de werkkamer gesproken wordt?” - -„Als men tamelijk luid spreekt wel.” - -„Hebt ge iets gehoord?” - -„Volstrekt niets.” - -„Tien minuten later verscheen een bezoeker, Richard Stefenson, -nietwaar?” - -„Het kan hoogstens tien minuten geweest zijn.” - -„Volgens de bladen moeten er vijf minuten of minder zijn verloopen, van -het tijdstip af, dat gij den bezoeker de deur van de werkkamer aanwees -en dat, waarop gij den kreet hoorde. Is dat zoo?” - -De huishoudster schudde ontkennend het hoofd en antwoordde: - -„Ik geloof, dat ik wel wat ruim ben geweest in die opgave, mijnheer, -het kan bijna niet langer dan een volle minuut zijn geweest. Misschien -nog wel minder.” - -„Waarom denkt ge dat?” - -„Wel, ik leid het uit den afstand af, dien ik had afgelegd.” - -„Zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn, ons het eens voor te doen? Wij -zouden dat zeer op prijs stellen.” - -„Ja zeker, mijnheer! Wilt gij mij even volgen?” - -De huishoudster, gevolgd door de drie mannen, begaf zich naar de deur -die op de hoofdgang uitkwam, of liever op het portaal, waarmede de -hoofdtrap eindigde. - -Hier stond zij stil en zeide: - -„Ik was voornemens eens te gaan zien, waar Blunt bleef. Ik liet de deur -op een kier staan en ik erken, dat dat wel wat onvoorzichtig was.” - -„Weet gij precies, hoever gij gekomen zijt?” - -„O ja, Heel precies. Ik had juist mijn voet op de onderste trede van de -trap van de vierde verdieping gezet. Gij kunt van hier het portaal van -de derde gedeeltelijk zien.” - -„Mooi zoo. Gij stond dus bij de deur en wees den bezoeker met een -hoofdknik op welke deur hij moest aankloppen. Hebt gij toen nog gewacht -om te zien, of hij zich niet zou vergissen?” - -„Daarop behoefde ik niet te wachten. Overtuig u maar zelf, dat een -vergissing onmogelijk is. Er is aan dien kant van de gang maar een -deur.” - -„Ge hebt gelijk. Ga dan eens bij die deur staan, zoodra ik zeg „nu” -begint ge te loopen en keert dan even snel terug als gij het -gisteravond deed.” - -Miss Dayton ging voor de deur staan, Raffles haalde zijn horloge te -voorschijn en hield den blik op den secondenwijzer gevestigd. - -Na eenige oogenblikken hief hij de hand op en zeide op korten toon: - -„Nu.” - -De huishoudster begon de trap te beklimmen. Het was een trap van -achttien breede treden. - -Zij bereikte het portaal van de derde verdieping en zette daarop den -voet op de onderste trede van de trap die naar de vierde voerde. - -Op dat oogenblik gaf Raffles een luiden schreeuw, zonder evenwel van -zijn horloge op te zien. - -Verschrikt kwam de huishoudster terug loopen. - -„Wat is er, mijnheer, Waarom schreeuwt u zoo?” vroeg ze. „Ik krijg er -zoowaar een hartklopping van.” - -„Neem me niet kwalijk, als ik u aan het schrikken gemaakt heb,” zeide -Raffles glimlachend. „Het was maar om uw haast wat natuurlijker te -maken. Gij denkt dus, Miss, dat gij een minuut gedaan hebt van hier tot -de onderste trede van de trap?” - -„Het zal wel korter zijn geweest,” hernam de huishoudster aarzelend. - -„Het was juist een en twintig seconden, Miss,” antwoordde Raffles -bedaard. „Over het terug loopen hebt gij maar twaalf gedaan.” - -Hij wendde zich tot Charly, die vol belangstelling het kleine -tooneeltje had gade geslagen en vroeg: - -„Wat dunkt u, mijnheer Brand. Zou de moordenaar werkelijk den tijd -hebben gevonden in die een en twintig seconden eerst van de woningdeur -naar de deur van de werkkamer te loopen, daar naar een wapen te zoeken -en vervolgens zijn slachtoffer neer te stooten?” - -Charly twijfelde even voor hij antwoordde: - -„De tijd lijkt wel wat heel kort, vooral wanneer men nagaat dat het -vertrek in duisternis gedompeld was.” - -„Dat meende ik ook,” hernam Raffles droogjes. „Over die duisternis -gesproken, Miss Dayton, was het de gewoonte van uw meester, in donker -in zijn werkkamer te zitten?” - -„Dat deed hij nooit, mijnheer.” - -„Nu, misschien vinden wij er later de oplossing wel van. Ik wil u niet -langer ophouden, Miss. Ik begrijp dat gij zoo vlug mogelijk het huis -wilt verlaten.” - -„Dat moogt ge wel zeggen, mijnheer. Ik tel de minuten. Het is -verschrikkelijk om hier te zijn. Het lichaam van mijnheer.... ligt nog -altijd daar binnen. De politie laat het pas vanmiddag weg halen. Er -zijn al een paar detectives geweest.” - -„Dan is de deur misschien gesloten?” vroeg Raffles en zijn voorhoofd -fronste zich. - -„Ja, mijnheer, de politie heeft de deur afgesloten en den sleutel -meegenomen.” - -„Nu, dan moeten wij maar eens zien of een van mijn sleutels past,” -zeide Raffles luchtig. - -Hij haalde zijn sleutelbos te voorschijn en trad snel de gang in. - -En de anderen hadden zich nauwelijks bij hem gevoegd, of hij had de -deur geopend.... al was het dan niet met een van zijn sleutels, dan -toch met een looper. - -Zoodra hij binnentrad viel zijn oog op het lichaam van den verslagene. - -De politie had het zeker juist zoo laten liggen als zij het gevonden -had. - -De spitse Japansche dolk was uit de wonde getrokken en lag op de -schrijftafel. Klaarblijkelijk wachtte men op het bezoek van een beroemd -detective. - -Raffles was binnen getreden en onderzocht allereerst het wapen. - -De kling was ongeveer twee decimeter lang en zeer scherp. - -Over een lengte van hoogstens een paar duim was het lemmet met bloed -bespat. - -Raffles balanceerde het wapen een oogenblik op zijn vinger en zeide -toen half tot Charly gewend: - -„Ik zou eigenlijk gedacht hebben, dat Richard Stefenson over meer -spierkracht beschikte.” - -„Hoe zoo?” - -„Wel, een sterk man in dolle drift zou dit wapen zeker tot aan de -stootplaat in de borst van zijn vijand kunnen steken.” - -Hij wendde zich tot den portier die mede naar binnen was getreden, -ofschoon wel wat bleek om den neus en vroeg hem: - -„De politie heeft dit vertrek natuurlijk reeds onderzocht?” - -„Van doorzocht kan men eigenlijk niet spreken, mijnheer. Ze hebben even -rond gekeken. Ze waren van oordeel dat hier niets te zoeken viel.” - -„Wel, het is een standpunt als ieder ander,” hernam Raffles droogjes. -„Maar wij zullen een weinig grondiger te werk gaan en de kamer duchtig -onderzoeken. Mijnheer Brand, wees gij zoo goed en begin aan gindschen -hoek en sla niets over wat ik u verzoeken mag. Ik zal de schrijftafel, -deze sofa en het vloerkleed wel voor mijn rekening nemen.” - -En zonder zich aan de anderen te storen begon Raffles aanstonds met -zijn onderzoek. - -Er was nog geen minuut verhopen of Charly hoorde hem een gedempten -kreet slaken. - -Raffles stond op dat oogenblik gebukt over een kleine tafel, waarover -een zwart loopertje was gespreid van zwarte imitatie kant. - -„Wat is er?” vroeg de jonge man nieuwsgierig. - -„Hebt gij iets gevonden?” - -„Neen—ik dacht.... ik meende... ik heb mij vergist! Hoe staat het daar -ginds?” - -„Ik heb volstrekt niets ontdekt.” - -„Nu, dan zullen wij het voorloopig maar opgeven, mijnheer Brand,” -hernam Raffles, terwijl hij zich oprichtte, en het vergrootglas weder -in zijn zak stak, dat hij dien morgen als wijze voorzorgsmaatregel had -meegenomen. - -Charly keek hem even vragend aan, en zag op zijn gelaat iets, hetwelk -hem duidelijker dan woorden zeide, dat Raffles reeds op een spoor -was—ja, dat hij de waarheid waarschijnlijk reeds had ontdekt. - -Raffles wendde zich weder naar de deur om heen te gaan, maar op den -drempel keerde hij zich nog eens om en vroeg, zich tot de huishoudster -wendende: - -„Hoe vaak werd de werkkamer van mijnheer Blackpool schoongemaakt.” - -„Iederen dag werd er stof af genomen, en tweemaal in de week kwam de -schoonmaakster.” - -„Werd bij het stof afnemen ook dat zwarte loopertje op de tafel -uitgeklopt.” - -„Zonder mankeeren, mijnheer,” hernam de huishoudster verwonderd. - -„Dat was gisteren natuurlijk reeds gebeurd voor mijnheer Blackpool van -het diner terugkeerde?” - -„Dat spreekt vanzelf.” - -„Natuurlijk. Het was een domme vraag van mij. Nu Miss, dan kunnen wij -niets anders doen dan u dank zeggen voor de ons verschafte -inlichtingen—en als contrabeleefdheid wil ik u wel zeggen, dat Richard -Stefenson heel stellig uw meester niet heeft vermoord.” - - - - - - - - -HOOFDSTUK VII. - -DE SCHULDIGE. - - -Er waren drie dagen verloopen sedert Raffles onderzoek had gedaan in de -woning van Bernard Blackpool. - -Het was elf uur in den morgen. - -Raffles was juist teruggekeerd van een morgenrit op zijn pas gekochte -schimmel en zat nu in de werkkamer, na zich te hebben verfrischt, toen -zijn oude, grijze kamerbediende, Gaston, het bezoek aankondigde van -Harry Burton. - -Raffles legde langzaam de „Times” weg die hij juist had ingezien en -bromde zachtjes voor zich heen: - -„Eindelijk. Ik had hem reeds eerder verwacht.” - -En luid vervolgde hij tot den bediende: - -„Verzoek mijnheer Burton hier te komen.” - -Gaston verwijderde zich en een oogenblik later liet hij den jongen -monteur binnen treden. - -Burton was zoo mogelijk nog bleeker dan de laatste maal, dat Raffles -hem gezien had, en er lag een uitdrukking als van een opgejaagd dier in -zijn oogen, toen hij binnentrad en schuw omkeek, totdat Gaston zachtjes -de deur achter hem gesloten had en zijn schreden waren weg gestorven. - -Raffles was opgestaan en trad zijn bezoeker een paar passen tegemoet. - -Hij wees hem met een uitnoodigend gebaar een stoel aan, maar Burton -schudde het hoofd en zeide op schorren toon: - -„Ik zal niet gaan zitten, Mylord. Wat ik u te zeggen heb, kan ik -staande doen—ik zal weinig van uw kostbaren tijd in beslag nemen.” - -„Zooals gij wilt, mijnheer Burton,” zeide Raffles op zachten toon, en -hij wierp den jongen man tersluiks een blik van warme sympathie toe. -„Zeg mij nu, wat u tot mij voert.” - -Burton slikte een paar malen, alsof hij een brok in de keel had en -begon toen: - -„Ik weet Mylord, dat gij groot belang stelt in.... de familie van mijn -meisje! Ik weet ook, dat gij een onderzoek hebt ingesteld in zake.... -den moord op Blackpool. Ik kom u nu verzoeken, geen verdere moeite te -doen.... ik ben de dader.” - -Raffles, die weer had plaats genomen en geen oog van den bezoeker had -afgewend, verroerde zich niet, en bleef Burton onbewegelijk aanstaren. - -Toen klonk zijn warme diepe stem: - -„Miss Dora is dus buiten gevaar?” - -Burton hief met een ruk het hoofd op en vroeg, terwijl hij wit werd tot -in de lippen: - -„Wat bedoelt gij daarmede, Mylord. Wat wilt gij zeggen?” - -„Antwoord mij eerst op de vraag die ik u stelde. Is uw verloofde buiten -gevaar? Heeft dokter Dunlop den waarborg gegeven, dat zij er het leven -zal afbrengen.” - -„Ja, Goddank, Mylord. Zij zal niet sterven,” riep Burton -hartstochtelijk uit en nu klonk er jubelende blijdschap in zijn stem. -„Het zou ook te vreeselijk geweest zijn! Maar ik smeek u—zeg mij waarom -u dat vraagt.” - -„Omdat gij u wilt voordoen als de moordenaar, Harry Burton,” zeide -Raffles rustig. - -„Mij wil voordoen, Mylord?” herhaalde Burton stamelend, terwijl hij een -paar schreden achteruit deed. „Maar ik verzeker u, dat ik de moordenaar -ben, dat ik Blackpool gedood heb.” - -„Gij liegt, Burton,” hernam Raffles steeds op denzelfden toon. „Gij -doet het om bestwil—ik meen te weten, waarom gij het doet, maar gij -liegt. Gij zijt de moordenaar van Blackpool niet.” - -„Hoe kunt gij dat weten, Mylord?” vroeg Burton heesch. - -„O, dat is al heel eenvoudig. Wanneer men om half tien in den avond een -man wil vermoorden, dan moet men, wanneer die man te Londen woont, niet -op datzelfde uur Leeds verlaten.” - -„Wat.... wat bedoelt gij?” stamelde Burton en hij was nu werkelijk -jammerlijk om aan te zien, met zijn trillende lippen, zijn flakkerenden -blik, en zijn vaalbleek gelaat. - -Raffles was opgestaan en op Burton toegetreden. Hij legde hem de hand -op den schouder, keek hem diep in de oogen en zeide: - -„Gij kunt het immers niet ontkennen! Ik heb de zaak onderzocht. De -trein uit Leeds vertrok om vijf minuten over half tien—en met dien -trein hebt gij gereisd. Gij hebt bij Charing Cross station dadelijk een -huurauto genomen en uw valies afgegeven aan den portier van uw huis. -Daarop zijt gij aanstonds doorgereden naar het huis van uw meisje, en -daar hebt gij de vreeselijke tijding vernomen, dat haar broeder zooeven -gearresteerd was. - -Een oogenblik bleef het doodstil in het vertrek. - -Men hoorde er niets anders dan de gejaagde ademhaling van Harry Burton. - -Hij keek met een verwilderden blik om zich heen en vestigde toen zijn -donkere oogen met een smeekende uitdrukking op het gelaat van Raffles. - -En alsof die aanblik hem de kracht geheel ontroofde, wankelde hij naar -een stoel en barstte in een hartverscheurend snikken uit, dat zijn -geheele krachtige lichaam deed trillen. - -Raffles liet hem rustig uithuilen en had weder achter zijn schrijftafel -plaats genomen. Maar eensklaps met een woeste beweging hief Burton het -hoofd op en staarde Raffles aan. - -„Gij zegt, dat ik den moord onmogelijk kan hebben begaan. Gij hebt de -zaak onderzocht! Hebt gij.... vermoedens, wie de dader kan zijn?” - -„Ik heb geen vermoedens, ik heb zekerheid, Harry Burton!” antwoordde -Raffles op zachten toon. - -Burton verhief zich langzaam van zijn stoel en keek Raffles aan als zag -hij een spookverschijning. - -En toen vielen, als steenen in een vijver, in de stilte der kamer de -weinige woorden: - -„Dora deed het.” - -Geruimen tijd was alleen het tikken van de pendule hoorbaar. - -Burton was onbewegelijk blijven staan. - -Het scheen of hij volstrekt niet verstaan had, wat Raffles zeide. - -Maar eensklaps begon hij te wankelen en tastte met gesloten oogen naar -een steun. - -In een oogwenk was Raffles overeind en op hem toegeijld. Hij vatte hem -met zijn krachtige armen om het lichaam en droeg hem naar een -gemakkelijken leunstoel, waarin hij hem liet zinken. - -Hij schonk haastig een glas water in, voegde er een paar druppels bij -uit een klein flaconnetje van groen bergkristal, dat hij uit zijn -vestzakje haalde en liet het den jongen man drinken, wiens tanden tegen -het glas klapperden. - -Toen leunde Burton zwijgend achterover, den nek op den rand van den -stoel, met gesloten oogen, bleeker dan de dood. - -Na geruimen tijd kwam het fluisterend over zijn lippen: - -„Dus alles vruchteloos. Alles om niets. Zij zal gevonnist.. zij zal -misschien ter dood gebracht worden.” - -„Neen, Burton, neen. Daar is in ieder geval geen sprake van,” riep -Raffles uit, terwijl hij de hand van Burton greep. „De eerste de beste -advocaat, een beginneling zelfs, zal tal van verzachtende -omstandigheden weten te pleiten. Er is geen sprake van of Dora heeft -gehandeld in staat van wettige zelfverdediging. Van voorbedachte rade -is geen sprake. Ik weet zeker—ik zou het u wel bijna durven toezeggen, -dat men haar ten hoogste tot een jaar of een paar jaar zal kunnen -veroordeelen.” - -„Denkt gij dat werkelijk, Mylord?” riep Burton met trillende lippen. -„Mijn God, ik vreesde.... dat misschien.... de galg.” - -Hij voleindigde den zin niet, maar bedekte huiverend het gelaat met de -beide handen. - -Toen liet hij ze weer zakken en vroeg met toonlooze stem: - -„Het is alles zoo onbelangrijk, Mylord, nu gij toch alles weet—maar hoe -hebt gij dit vreeselijke toch kunnen ontdekken?” - -In plaats van aanstonds te antwoorden trad Raffles op zijn -schrijfbureau toe, trok een lade open, nam er een klein voorwerp uit, -en hield het in de hoogte. - -Het was een haarspeld. - -„Dit kleine voorwerp,” begon Raffles, „was de voornaamste aanklager. Ik -vond deze haarspeld in een zwarten tafellooper in de werkkamer van -Blackpool. Toen ik die vond, wist ik echter reeds heel wat meer. Ik -wist dat de doodelijke stoot moest zijn toegebracht door iemand, die -over zeer weinig lichaamskracht beschikte of anders door een tengere -vrouw. Ik wist dat Dora reeds den eersten nacht, terwijl haar arme -moeder den dokter haalde, zwaar geijld had en dat gij de eenige waart, -die had gehoord wat zij toen in haar ijlkoorts riep. Ik had de -opmerking gemaakt, dat gij tot tweemaal toe een zonderlinge vergissing -hadt begaan en dat beide keeren die vergissing in verband stond met de -misdaad. Gij zaagt wel in, dat gij het uur van uw aankomst, wildet gij -naderhand de schuld van uw verloofde op u nemen, een paar uren zou -moeten vervroegen, en dat gij het ook moest doen voorkomen, alsof gij -zeer goed wist dat Blackpool uw aanstaande met eerlooze voorstellen -achtervolgde—want er moest immers een motief zijn voor de daad! Verder -wist ik, dat het werkvertrek van Blackpool in duisternis was gehuld, de -ellendeling had waarschijnlijk zelf het licht uitgedraaid, toen hij -tezamen met Dora zijn woning aan de achterzijde betrad, en tenslotte -wist ik, dat hij zijn huishoudster met een onbenullige boodschap de -straat had opgezonden en zich had overtuigd, dat zijn bediende hem het -eerste kwartier niet zou kunnen storen.” - -Raffles wachtte even en keek neer op het gebogen hoofd met het -glanzende zwarte haar, om daarop te vervolgen. - -„De rest heb ik pas later ontdekt. Onder andere vond ik uit, dat -juffrouw Brown op den avond van de misdaad haar woning in het geheel -niet verlaten had en dat dus de portier van het huis in Short Gardens, -die haar slechts op den rug had gezien, Dora Stefenson voor haar had -gehouden. De rest was natuurlijk slechts kinderspel. Dora kwam -natuurlijk bij dien ellendeling om hem te smeeken, medelijden met haar -arme moeder te hebben en het toeval wilde, dat zij hem juist aantrof -onder aan de diensttrap. Zij zijn toen tezamen naar boven gegaan, -Blackpool heeft den weg vrij gemaakt—en toen is het onvermijdelijke -gevolgd. De ellendeling heeft met geweld willen verkrijgen wat hem door -bedreigingen en vleierijen niet gelukt was, het doodelijk verschrikte -meisje heeft zich willen verdedigen.... haar wild rondtastende hand -heeft in de duisternis den Japanschen dolk ontmoet en zij heeft hem het -wapen in de borst gestooten, zeker niet beseffend, dat zij het hart zou -treffen.” - -Bijna onhoorbaar kwam het over de lippen van den jongen man: - -„Zoo is het alles inderdaad in zijn werk gegaan, Mylord! En—wat zult -gij nu doen?” - -„Gij moet dat mij niet vragen, Burton—vraag uzelf af wat uw plicht is. -Moogt gij den broeder van Dora onschuldig in de gevangenis laten -zuchten?” - -„Maar Dora is nog zoo ziek, Mylord,” riep Burton wanhopig. - -„Wacht dan tot zij volkomen hersteld is. En wees er dan van overtuigd, -dat zij de eerste zal zijn, om zich bij de politie aan te geven! Ik -herhaal u nogmaals—wanneer zij al gestraft wordt, zal zij er met een -betrekkelijk korte gevangenisstraf afkomen. Uw liefde is toch zeker wel -sterk genoeg om dat te kunnen doorstaan?” - -„Al zou men haar veroordeelen tot tien jaar dwangarbeid, Mylord, ik zou -op haar wachten,” barstte Burton uit, „Zij is alles voor mij op deze -wereld.—Ik kan mij het bestaan zonder haar niet indenken.” - -„Nu, laat dan het recht zijn loop hebben,” zeide Raffles op zachten -toon. „Ik verzeker u, dat is voor alles het beste. En laat mij u mogen -zeggen, welk een diepe bewondering ik koester voor uw edele inborst, -die u dit krankzinnige plan ingaf, om u tegen alle waarschijnlijkheid -in voor den moordenaar van Blackpool uit te geven.” - -„O, zeg dat niet, Mylord,” riep Burton uit. „Ik wilde, dat gij niets -ontdekt had, dat ook de politie niets had uitgevonden.” - -Maar Raffles schudde het hoofd en zeide op zachten toon: - -„Dat alles zou u niets gebaat hebben. Gij vergeet Dora! Denkt gij soms, -dat zij zou hebben toegelaten, dat gij voor haar gevangenisstraf zou -ondergaan.” - -„Misschien niet, Mylord,” hernam Burton, en zijn oogen schitterden. - -„Welnu dan, wacht nog een maand—wacht twee weken, tot zij geheel -hersteld is! Ik zal zorgen voor den besten advocaat die er voor geld te -krijgen is. Ik zal haar arme moeder en Richard ver van hier brengen, -waar zij vergetelheid kunnen zoeken, en waar ik den knaap, die het -zeker verdient, werk zal verschaffen, dat hem aanstaat. Ik zal alle -getuigen a décharge oproepen, die er maar te krijgen zijn, en ik zelf -zal een van de eersten zijn.” - -Burton was opgesprongen en drukte de hand van Raffles, alsof hij ze -wilde verbrijzelen. Met een stem, die beefde van ontroering zeide hij: - -„God moge u loonen, Mylord, wat gij daar voor ons allen doet. Ik weet -nu den weg dien ik gaan moet.” - -„Volg dien dan, Burton. Wat Dora aangaat—ik weet heel zeker, dat ook -zij haar weg kent! Aan dezen donkeren tijd zal eenmaal, spoediger dan -je denkt, een einde komen. En dan zult gij beiden vereenigd worden door -een liefde, die in het heiligste vuur gelouterd is—het vuur van de -zelfopoffering, die voor niets terugdeinst, en het eigen ik achter -stelt bij het welzijn van den geliefde—” - - - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0376: DE MOORD -IN SHORT GARDENS *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
