summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/69366-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/69366-0.txt')
-rw-r--r--old/69366-0.txt9365
1 files changed, 0 insertions, 9365 deletions
diff --git a/old/69366-0.txt b/old/69366-0.txt
deleted file mode 100644
index 5941249..0000000
--- a/old/69366-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,9365 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of In de koffie, by J. Dermout
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: In de koffie
- Oorspronkelijke Indische Roman
-
-Author: J. Dermout
-
-Release Date: November 16, 2022 [eBook #69366]
-
-Language: Dutch
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This
- book was produced from images made available by the
- HathiTrust Digital Library.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE KOFFIE ***
-
-
-
-
-
- IN DE KOFFIE
- OORSPRONKELIJKE INDISCHE ROMAN
-
-
- DOOR
- J. DERMOUT
-
-
- AMERSFOORT
- G. J. SLOTHOUWER
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE DEEL
-
-
-De zon schoot haar stralen door de ijle lucht in het hooge gebergte. Op
-het pad, slechts weinig beschaduwd door de van de hooge uitkapping
-overbuigende glagah, [1] stak zij met geweldige kracht de kleine
-ruiterschaar, die stapvoets tegen de sterke helling opklom. Hetzij door
-de warmte, of door de omstandigheid dat de breedte van het pad niet
-toeliet dat hun paarden naast elkaar gingen, doch de twee Europeanen
-die voorop reden, wisselden slechts weinig woorden; af en toe vroeg de
-voorste naar de benaming der streken, die zij doortrokken; welke vragen
-door bemiddeling van den tweede, werden beantwoord door den inlander,
-die nommer drie was in de rij.
-
-Hij die vooraan reed, was niet jong meer, getuige de grijzende knevel
-en bakkebaarden die het mannelijk gelaat sierden. Donkergrijze oogen
-zagen u scherp en toch vertrouwenwekkend aan; een lange reeks jaren in
-de open lucht doorgebracht, hadden de gelaatskleur gebruind; en zou dit
-misschien bij een deftige zwarte kleeding misstaan hebben, boven het
-wit der half jas, half kabaja kwam het voordeelig uit. Slechts bij een
-zeer nauwkeurig opnemen bespeurde men dat de ruiter in zijn voorkomen
-iets had, dat Indisch bloed verried; aan zijn uitspraak van het
-hollandsch, noch aan eenig gebaar zou men het bemerkt hebben.
-
-Deed degeen, die op hem volgde, niet in lichaamsgestalte voor den heer
-Messner onder, wie hem in de oogen zag, gesteld dat het u gelukte zijn
-blik langer dan een gedeelte van een seconde op te vangen, voelde
-onwillekeurig een huivering, iets dat hem als het ware noopte
-waarschuwend uit te roepen: pas op den deze! Zag men die oogen niet,
-wier blauw uit een donkeren en een lichten kring bestond, dan moest men
-erkennen, dat Korman eveneens een knap voorkomen had. Hij had den naam
-van groote doortastendheid en energie, en beide eigenschappen stonden
-hem op ’t gelaat geteekend, maar die oogen.... men moest er aan wennen;
-en dat deed men te gemakkelijker, daar hij u altijd tegen zijn linker
-of rechter wang liet praten.
-
-Zij verschilden aanmerkelijk in leeftijd, Messner had de vijftig reeds
-achter den rug, terwijl Korman eerst even acht en dertig jaar oud was.
-Lang geleden hadden zij elkaar ontmoet; zij waren toen in betrekking op
-een koffieland, en de aanleiding tot hun vriendschap was éénzelfde
-gedachte geweest, die hen beide beheerschte: eigen zaken doen. De
-oudere had daartoe willen geraken door te sparen; langzaam maar zeker
-groeide zijn kapitaaltje aan, maar ach hoe langzaam! De jongere had
-geen geduld; hij wilde dadelijk beginnen; ieder jaar was er één, waarom
-zou men het verspillen? Hij overtuigde eindelijk zijn ouderen vriend
-dat zij met de duizenden van deze, vermeerderd met de honderden van hem
-zelf, gevoegelijk een zaakje konden opzetten. Wel bedroeg hun beider
-schat niet veel, niet genoeg voor een koffielandje hoe klein ook,
-maar.... men kon het eens in de tabak probeeren, daar had men meer
-voorbeelden van réussite bij gezien.
-
-Twaalf jaar hadden zij samen gewerkt, om aan het einde daarvan nog even
-ver te zijn als toen zij begonnen, of eigenlijk nog niet eens zoover;
-want toenmaals hadden zij hun geld boven den grond, en thans zat het er
-in, zonder dat zij veel kans zagen het er ooit weer geheel uit te
-krijgen. Toch kon men niet zeggen dat zij ongelukkig waren geweest,
-maar hun kapitaal was te klein; met hard werken was er van te leven,
-doch van overhouden was geen sprake. Daartoe moest men met veel, heel
-veel geld werken, of zij hadden twintig jaar eerder moeten beginnen,
-zooals hun buurman, die naar men zeide, óók met niets begonnen was en
-onlangs met een paar millioen „naar huis was gegaan”. Ja, die oude heer
-Benoit had geboft; en ook weer niet, want hij kon het Europeesch
-klimaat niet verdragen en had daarom hals over kop moeten terugkomen
-naar Indië, en zich in een mooi huis opgesloten te Soerabaja, om er te
-blijven wonen in betrekkelijke ontbering, niettegenstaande al zijn
-geld!
-
-Op zekeren dag kwam Korman ’s avonds in de gezamenlijke woning thuis,
-liet zijn zonnehoed door het vertrek gieren en viel op een stoel neer
-onder den uitroep: „Ik verdom het langer.”
-
-„Wat?” vroeg zijn compagnon, die ook pas terug van het werk, in een
-luierstoel lag uit te rusten.
-
-„Zóó te werken,” was het antwoord. „Heb ik daar niet den heelen middag
-achter den ploeg moeten loopen, omdat die uilskuikens het maar niet
-kunnen leeren! Ik ga morgen naar Soerabaja.”
-
-„Ga voort,” verzocht Messner.
-
-„Ik ga den ouden Benoit opzoeken en om werkkapitaal vragen. Weigert
-hij, dan ga ik liever weer in betrekking; maar dit is niet uit te
-houden; ik herhaal het, ik....”
-
-„We weten het,” zeide Messner. „Nu, ’t idée is zoo kwaad niet; probeer
-het, en lukt het niet, dan kunnen wij nog altijd zien. Voor één is in
-dit zaakje nog wel brood te verdienen.”
-
-„Neen,” zeide Korman, „geen brood; dit kun je in Holland verdienen;
-hier is het nauwelijks droge rijst.”
-
-Met schoenen aan, die hij ontwend was, en vreeselijk transpireerende in
-een kleeding die hij in geen jaren gedragen had, kwam Korman den
-eersten avond bij den heer Benoit. Nog drie avonden herhaalde hij zijn
-bezoek, doch zonder te spreken over hetgeen hem op dezen tocht gedreven
-had, toen Benoit hem eindelijk zelf op de zaak bracht.
-
-„Je komt om duiten, hè?” vroeg hij aan Korman.
-
-„Ja meneer,” zeide deze. Hij kende den ouden heer, en wist dat men hem
-tot veel kon overhalen, mits men hem flink aandurfde zoodra hij genoeg
-had nagedacht over hetgeen men van hem verlangde. En dat laatste moest
-Benoit zelf als ’t ware uitvinden; want als men het hem in ronde
-woorden vroeg of voorstelde, dan sprak de oude zonderling de twee
-eenige woorden uit die hij van het latijn kende: Non possumus! en
-daarbij bleef het.
-
-„Dat begreep ik; iedereen komt om duiten bij mij, maar je krijgt ze
-niet.”
-
-„Geen latijn,” dacht Korman, en overluid zeide hij, „Ik wel.”
-
-„Haha!” lachte Benoit. „Neen vriend, je vergist je. Dat wil zeggen, als
-ik iemand aan geld zou willen helpen, dan zou jij dat zijn. Ik heb je
-zien werken, jou en dien ander.... Ik heb nooit zoo hard gewerkt; dat
-is waar! Maar de tabak staat me niet aan; dat is een te gevaarlijke
-zaak.”
-
-„U hebt er toch zelf goede zaken mee gemaakt,” merkte Korman aan.
-
-„Juist daarom weet ik er alles van. Met dobbelen kun je ook geld
-verdienen, en veel hooger schat ik tabakplanten niet. Neen man, ik wil
-mijn geld niet wegsmijten. Een solide koffieonderneming zou me wel
-lijken; als jij dát kon ...”
-
-„Ik ken het,” zeide Korman. „Ik kwam uit de koffie, en zou nooit iets
-anders begonnen zijn, als we maar meer kapitaal hadden gehad.”
-
-„Zie je nu wel,” zeide Benoit. „Daar geef je me al gelijk! Met een
-snertbeetje geld gauw en veel verdienen, rouge ou noir, va banque,
-jawel, dat is het. Maar als jij dat zelf zoo goed wist, hoe durf je mij
-dan aankomen om duiten voor je tabak?”
-
-Korman vergat zijn leven lang het oogenblik niet dat hij thans
-doorleefde. Zou hij...? Tijd tot bedenken was er niet ... hij moest!
-Met een gevoel of hij plotseling in een koud water sprong, loog hij:
-
-„Ik kwam niet om geld voor tabak. Veel liever hing ik me op, dan u
-daarom te vragen. Te goed weet ik zelf wat u daareven zei. Ik vraag
-geld om een koffieonderneming te beginnen.” En hij martelde zich om
-gedurende twee minuten den ouden heer recht in de spottende oogen te
-zien.
-
-„’t Is sterk!” riep Benoit eindelijk uit... „Maar soedah! [2] ik werk
-liever met een pinteren gladakker [3] dan met een eerlijken stommerik;
-je kunt geld van me krijgen.”
-
-Korman bleef nog drie dagen en toen was alles geregeld.
-
-„Apropos,” had Benoit nog gevraagd, „neem je dien compagnon van je
-mee?”
-
-„Natuurlijk meneer,” antwoordde Korman. „Wij werken al sinds zooveel
-jaren samen; zou ik hem nu in den steek laten? Hij zal mijn rechterhand
-zijn, en later onderadministrateur.”
-
-Maar de oude heer had het hoofd geschud.
-
-„Neen,” zeide hij. „Dat gaat nooit goed. Jelui hebben altijd evenveel
-te commandeeren gehad en hij is de oudste... Is hij zelfstandig geheel
-te vertrouwen?”
-
-„Te vertrouwen in allen opzichte wat zijn eerlijkheid betreft, doch
-eenige contrôle op zijn werk kan hij velen,” gaf Korman ten antwoord.
-
-„Zoek een driehonderd bouws voor hem uit, niet te ver van je vandaan,”
-zeide Benoit. „Jij kunt dan voor superintendent spelen.”
-
-Korman kwam bij zijn compagnon terug, een geheel ander mensch dan een
-week geleden. Hij deelde Messner mee wat hij met den heer Benoit had
-afgehandeld; althans voor zoover hij dat kon en wilde.
-
-„Zie je,” zeide hij, „de oude wil van mijn land iets maken waarop hij
-geuren kan. Daarom moet het zóó groot zijn, dat hij er als ’t ware alle
-anderen de loef mee afsteekt. Hij wou ons niet samen laten werken: dus
-moest jij een ander land zoeken. Enne ... dat is waar ook, hij wilde
-absoluut dat je administratie over mij tot hem kwam ... zoo’n beetje
-superintendeeren. Ik weigerde eerst en zei dat het omgekeerd beter zou
-gaan, enzoovoort, maar hij werd eindelijk boos en zei „Nu, doen of niet
-doen?” Toen heb ik maar voor je aangenomen; dat begrijp je. Je vindt
-het immers goed?”
-
-„Och ja,” zeide Messner, die te blij was met deze uitkomst, om veel te
-letten op het krenkende dat voor hem in die bepaling lag opgesloten.
-
-En nu waren zij op weg naar de woeste gronden, die Korman voor zich had
-uitgezocht.
-
-Achter hen reed de wedhono [4] van Wonosarie, onder wiens gebied de
-verlangde gronden lagen, en die zich had laten vinden om mede te gaan,
-ten einde mogelijke kleine vergoedingen aan de bevolking in ’t reine te
-helpen brengen.
-
-„Poeniko lêpên-ipoen,” [5] klonk een diepe stem uit de achterhoede, de
-woorden uitende alsof zij hardop gedacht waren.
-
-De wedhono had even het hoofd bewogen ten teeken dat hij het gehoord
-had, en wachtte geruimen tijd eer hij nader blijk gaf dat de gesproken
-woorden betrekking hadden op den tocht van heden. Toen zeide hij, zich
-tot Korman wendende:
-
-„Daar begint het land van mijnheer.”
-
-Het pad, tot nu toe loopende door onbehagelijke glagah en alang-alang
-[6] strooken, had het bosch bereikt, en welkom was de koelte die daarin
-heerschte. Links van den weg, die nu zachtkens de diepte in leidde,
-stond hoog woest bosch, in eeuwenoude ongestoordheid; het onderhout een
-bosch op zichzelf vormende, als een tweede generatie van een
-reuzengeslacht; rechts een steile helling, een afgrond, waarop geen
-boom had kunnen standhouden vanwege de ontelbare afschuivingen, die
-groote open plekken in het kreupelhout hadden gebroken, en waarlangs
-rijdende de europeanen zich onwillekeurig op hun paard naar den
-binnenkant van den weg overbogen. Beneden rolde en viel het water van
-een vrij sterken bergstroom, leven aanbrengende als een solist in het
-eentonige orkest van ’t oerwoud.
-
-Aan den overkant dier kalie [7] begon het land van Korman, dat
-Watoeombo zou heeten, naar den breeden steen, die beneden de kalie
-dwong zich in tweeën te splitsen en dusdoende een veilige doorwaadbare
-plaats te maken.
-
-„Kijk!” zei Korman, toen zij daar even halt hielden, „hier is een vlak
-terrein, zeer geschikt voor woningen en établissement.—Vindt de wedhono
-dat ook niet?” vroeg hij, om deze beleefdheidshalve niet uit het
-gesprek te houden.
-
-De wedhono zag rond, en nog eer hij kon antwoorden klonk weer een stem
-uit het gevolg.
-
-„Deze grond is angker [8] mijnheer,” vervolgde daarop de wedhono. „In
-die drie groote boomen daar in ’t westen huizen de geesten; u kunt hier
-geen woning bouwen.”
-
-Korman trok de schouders op. „Is de wedhono dan niet bang?” vroeg hij
-schertsend.
-
-Tot eenig antwoord reikte het inlandsch hoofd hem zijn rijzweepje toe,
-dat Korman met een onnoozelen blik bekeek.
-
-„Geef eens hier,” zeide Messner. „O ja, ik zie het; er loopt een
-pellet-streep [9] door de rottan, over twee geledingen, waarvan de een
-den verkeerden kant opgaat. Juist, dan heeft de wedhono van den invloed
-der geesten niet te vreezen. En wat deze betreft, kan men een modin
-[10] laten komen en ze doen verhuizen; ik ken een beste.”
-
-„Kom,” stelde Korman voor, wien het gesprek verveelde, „laat ons nu
-dien loengoer gaan opzoeken van waaruit men den boel overzien kan.”
-
-Het gezelschap trok verder tot zij eindelijk den bergrug bereikten, die
-een vergezicht aanbood over den geheelen omtrek, aangezien er geen
-bosch, doch alang-alang op groeide.
-
-Van daaruit wees Korman den wedhono aan, welk gedeelte hij wilde
-aanvragen. Het strekte zich in de breedte uit over drie bergruggen,
-uitloopers van den hoogen piek die zich achter hen verhief, en liep in
-de lengte van af de plaats waar het bosch zoo even begonnen was, tot
-nog ver boven de plaats waar zij nu stonden.
-
-Hoewel nergens op het aangeduide perceel eenig spoor van een dessa [11]
-of aanplant van de bevolking te ontdekken was, wist nochtans de
-wedhono, voorgelicht door de bekende stemmen uit het gevolg, een reeks
-plekken aan te wijzen waarop de inlander zus en zoo verklaard had recht
-te hebben. En toen Korman, met een notitieboekje gewapend, aan ’t
-opschrijven wilde gaan, raakte hij al spoedig verward in de namen, de
-dessa’s, de omschrijving en wat er meer was. Messner, die zich
-intusschen bezig had gehouden met het nemen van enkele peilingen en het
-vervaardigen van een ruwe schets, kwam eindelijk tusschenbeiden.
-
-„Wel, wedhono,” zeide hij, „wat dunkt u; als we al die dingen gaan
-opnoemen en omschrijven, dan komt er geen eind aan de soesah [12] als
-straks de controleur komt; als we het maar eens taxeerden, en de
-wedhono liet de verdere regeling door een zijner ondergeschikten
-afmaken?”
-
-Het inlandsch hoofd vond dat „mijnheer goed gesproken had.”
-
-„Is er ook een pad dat oostwaarts loopt, om of over den hoogen loengoer
-dien wij daar zien?” vroeg Messner daarop.
-
-Ja, dat was er, loopende van een hoog in ’t gebergte gelegen dessa, die
-rijk was aan koffietuinen, naar de standplaats van den
-assistent-wedhono, alwaar ook het gouvernementspakhuis was.
-
-„Ik zou niet te veel praten over die bijzonderheden,” mompelde Korman;
-„anders krijg je ’t nooit.”
-
-Messner haalde de schouders op, met een onwillige uitdrukking in zijn
-gelaat. Toen wendde hij zijn paard, en men reed den weg terug dien men
-gekomen was, om straks bij het koffiepakhuis linksaf te slaan naar de
-gronden die Messner voor zich zou aanvragen.
-
-Het was avond geworden eer men terug was op Wonosarie, waar de wedhono
-woonde. Op diens erf stond de américaine te wachten waarmee de beide
-aanstaande administrateurs van koffieondernemingen, of zooals zij zich
-zelf met een meer vulgaire uitdrukking betitelden: koffieboeren, naar
-de stad zouden rijden om er te overnachten.
-
-Voor zij weggingen, had Messner den wedhono apart genomen.
-
-„Ziehier wedhono, vijfhonderd gulden,” had hij gezegd. „Hieraan heeft
-de man, dien de wedhono met de regeling der stukjes eigendom der
-bevolking belasten zal, ruim voldoende. Is er over, dan bestemme de
-wedhono dat tot het geven van een slamatan [13], of wat hij wil. Zou de
-wedhono hier even zijn handteekening op willen zetten?” Daarbij reikte
-hij het inlandsch hoofd een door hem opgestelde quitantie toe.
-
-Een donkerder tint overtoog het bruine gelaat van den inlander toen hij
-teekende en het geld opstreek, om daarmee.... de bevolking te gelasten,
-straks als de controleur kwam vragen, te antwoorden dat zij niets,
-hoegenaamd niets geen belang had bij de door de heeren Korman en
-Messner aangevraagde perceelen.
-
-In de américaine, die door een span Kedoeërs getrokken, licht en vlug
-over den weg stoof, maakte Korman zijn vriend een compliment over de
-wijze waarop deze het zaakje met den wedhono geregeld had.
-
-„Och,” antwoordde Messner; „om je de waarheid te zeggen, deed ik zulke
-dingen liever niet. Met veel meer genoegen betaalde ik aan de inlanders
-zelf uit, wat hun rechtmatig en billijk toekomt. Doch begin er eens
-aan! Je hebt dan dadelijk tegenwerking van den wedhono, die den boel
-natuurlijk in de war stuurt, en, zoogenaamd opkomende voor het belang
-van den kleinen man, direct het geheele Binnenlandsch Bestuur op zijn
-hand heeft.”
-
-„Jawel,” zeide Korman, „uit een standpunt van hoogere moraliteit
-beschouwd, is het misschien niet al te mooi; maar ik heb schik in je
-handigheid en zal het onthouden om er bij voorkomende gelegenheid van
-te profiteeren. Wat drommel, als het gouvernement zelf dergelijke
-toestanden in de hand werkt, kan men ons arme planters niet kwalijk
-nemen dat wij er ons voordeel mee doen.”
-
-Na een uur rijdens bereikten zij de stad en namen hun intrek in het
-logement, om na het avondeten, doodelijk vermoeid van den zwaren tocht,
-hun kamers op te zoeken en zich door een langen nacht slapens voor te
-bereiden op het werk dat hen morgen weer wachtte. En dat was voor
-beiden bij lange na niet het gemakkelijkste van alles wat er tot
-voorbereiding van hun toekomstige werkzaamheid moest worden verricht.
-Het betrof niet meer of minder dan het invullen der requesten en die
-persoonlijk te gaan aanbevelen bij den resident.
-
-Persoonlijk—bij den resident! Er zullen er zijn die lachen als zij
-vernemen dat juist dit het moeielijkste was voor Messner en Korman. Het
-zijn dezulken die niet weten wat eenige jaren van afzondering
-uitwerken, zelfs op de meest conversabele menschen. Zij kennen dat
-gevoel niet waarmee de binnenlander, na een jaar niets dan inlanders om
-zich heen te hebben gezien en hoogstens tweemaal in dat jaar het
-gezicht van een medeplanter te hebben aanschouwd, de stad betreedt waar
-men een taal spreekt die hij ontwend is, onderwerpen behandelt die hem
-vreemd geworden zijn, waar hij telkens het gevaar loopt dames tegen te
-komen! Dames ... waarvoor hij op den loop gaat, of die hij, als ’t niet
-anders kan, zenuwachtig groetend en met een verhoogde gelaatskleur
-passeert.
-
-En later als de arme fortuin heeft gemaakt en in de omgeving van een
-hollandsche stad weer is herleefd, weer is geworden wat hij in zijn
-jeugd was, aangenaam en gemakkelijk in den omgang, dan verwondere men
-zich niet aan zijn zijde een halve wilde te zien, een vrouw waarvan men
-zich afvraagt: hoe is ’t in ’s heeren naam mogelijk dat zóó’n man aan
-zóó’n vrouw komt!—maar men bedenke dat die man eenmaal tot haar opzag
-als tot een wezen uit een hoogere wereld; dat zij eenmaal met haar
-vriendinnen den spot dreef met dien onhandigen verlegen koffieplanter,
-die haar waarachtig eens in ’t maleisch had toegesproken—uit
-vergissing.
-
-Naar den resident! Hoe moesten zij dien halfgod der binnenlanden te
-gemoet treden, hem groeten, aanspreken? Men kan toch geen sembah [14]
-maken en hurken ... de eenige beleefdheidsvormen die den binnenlander
-helder voor den geest staan. Geloof mij, gij ministers en kamerleden,
-die den knop van de deur niet kunt vinden als ge bij Zijn Majesteit ten
-gehoore zijt geweest om den eed af te leggen, uw gang naar het paleis
-was minder zwaar dan die van Messner en Korman naar het residentiehuis.
-
-Zij zagen wat bleek toen zij er vandaan kwamen en hun gang richtten
-naar de sociëteit, waar zij een paar bekenden aantroffen met wie zij op
-het succes hunner nieuwe onderneming klonken en dronken, tot hun
-angstige stemming geheel was verdwenen en Korman bij het naar huis gaan
-verklaarde bereid te zijn de eerstvolgende dansreceptie van den
-resident bij te wonen, en „er geen donder van te zullen hebben.”
-Waarmee hij bedoelde dat hij niet bleu zou zijn.
-
-In hun pondok [15] teruggekeerd zagen zij die woning, die hun zooveel
-jaren een onderkomen was geweest, met minachting aan. Zij haastten zich
-hun zaken in de tabak af te wikkelen, wat daarin bestond dat zij hun
-inventaris voor een prijsje overdeden aan een chinees, die kans scheen
-te zien wèl zaken te maken waar dat den europeanen niettegenstaande
-groote inspanning mislukt was. Voorts wachtten zij tot er een missive
-kwam van den resident, die hun mededeelde dat er geen bezwaren
-bestonden tegen de afgifte in erfpacht van de door hen aangevraagde
-perceelen, en zij dus, onder voorbehoud der nadere goedkeuring door de
-Regeering, konden beginnen met te laten opmeten en ook met de
-ontginning.
-
-Het laatste was een gunst, die in den tijd dat Messner en Korman
-begonnen, dikwijls aan serieuze ondernemers werd toegestaan, opdat zij
-niet zouden behoeven te wachten tot de stukken den langen weg hadden
-afgelegd naar Buitenzorg en terug, waarmee twee tot soms vier jaar
-gemoeid waren.
-
-Korman zond bericht aan zijn geldschieter, den heer Benoit te
-Soerabaja, er bij voegende dat Messner en hij van den gunstigen tijd
-des jaars geen dag wilden laten verloren gaan, en derhalve wanneer deze
-brief den heer Benoit bereikte, zij reeds vertrokken zouden zijn, elk
-naar zijn perceel.
-
-Het was den avond vóór den dag waarop zij voor het eerst van elkaar
-zouden afscheid nemen op langeren tijd, dat Messner en Korman in de
-voorgaanderij van hun bamboe-huis, de laatste schikkingen met elkaar
-zaten te bespreken.
-
-Binnen was een vrouw, geholpen door een jong meisje van ruim twaalf
-jaar, bezig de tafel te dekken voor hun laatste avondeten in dit
-verblijf. Die vrouw was de huishoudster van Messner. Een korte,
-eenigszins gezette gestalte, helder van voorkomen, geprononceerd
-chineesch type en op het gelaat een uitdrukking van vriendelijkheid,
-goedheid en trouw. Het jonge meisje was haar zusje, Li Nio of kortweg
-Li geheeten, door Messner en Korman ongeveer tien jaar geleden
-geadopteerd, toen haar moeder was overleden. Behalve de blankheid van
-haar teint verraadde niets haar chineesche afkomst; eer zou men geneigd
-zijn haar voor een indo-européenne te houden. Een half hoofd grooter
-dan haar oudere zuster, had zij in tegenstelling van dezer stille
-bedaardheid, een vroolijke bewegelijkheid in haar mondje zoowel als in
-haar gebaren. Zonder ophouden snapte zij door; van de eigenaardigheden
-van het zich moeten behelpen nu alles was ingepakt, sprong zij telkens
-over op wat hen straks in „het bosch” te wachten stond; of zij ook zoo
-bruin zouden worden als de bergbewoners, die nu en dan zich in de kotta
-[16] vertoonden; of Papa Messner en Papa Korman krassan [17] zouden
-zijn als ze elkaar niet dagelijks meer zagen, en wie wel voor Papa
-Korman zou zorgen? Of hij de njai [18] die hij had weggejaagd, omdat
-zij brutaal was geweest tegen haar zuster en haar zelf geslagen had, nu
-weer terug zou nemen?
-
-In de voorgaanderij was het laatste papier geborgen en de laatste
-afspraak gemaakt. Zij lagen in hun luierstoelen tegen de kepang te
-staren waarmee het afdak was beschoten, elk in zijn eigen gedachten
-verdiept. Dezelfde vraag die Li Nio al babbelend geuit had, was ook bij
-Korman opgerezen. Hij had zijn huishoudster een half jaar geleden
-moeten wegzenden om het alsnog zonder te stellen; maar dat kon zoo niet
-blijven als hij ginds alleen zat, midden in de wildernis. Hij had er
-tot op dit oogenblik niet aan gedacht en morgen in de vroegte moest hij
-weg. Zaken als deze beslissen zich niet in een paar uur, dus zou hij
-het nu moeten opgeven; dat besefte hij, doch het deed hem onaangenaam
-aan dat hij er niet eerder aan gedacht had.
-
-„Li! schenk papa nog eens in,” riep Messner.
-
-Het meisje kwam en bediende hen beiden. Toen zij het glaasje bitter aan
-Korman toeschoof, viel diens blik onwillekeurig op het handje dat het
-voortbewoog, en toen op de geheele figuur van het meisje. Hij schrok
-van de ingeving die hij kreeg, gewaar wordende wat hem tot nu toe
-verborgen was gebleven, dat het kind dat hem papa noemde, dat hij
-steeds als een dochtertje had beschouwd, gerijpt was tot jonge maagd en
-dat zij reeds nu bij hem, Korman, een zeer goede plaatsvervangster zou
-kunnen zijn voor de njai, die hij had moeten wegjagen.
-
-Hij greep een harer handen en trok haar naar zich toe, op zijn knie.
-
-„Je moet nog eens bij mij komen zitten, Li,” zeide hij. „Morgen gaat
-Papa”—het kostte hem eenige moeite dit woord thans uit te
-spreken—„morgen gaat Papa alleen weg, en moet van Li afscheid nemen;
-voor heel lang.”
-
-Het meisje gaf niet dadelijk antwoord. Met haar fijne vingertjes krulde
-zij zijn baard op, ernstig en bedroefd op het gebruinde gelaat starende
-van den man die haar mede had opgevoed, dien zij niet alleen den
-vadernaam gaf, maar ook als een vader liefhad.
-
-Op eens klaarde het lieve gezichtje op, verhelderd door een gelukkig
-denkbeeld.
-
-„Ik ga met Papa mee,” zeide zij, en toen, vleiend tegen hem
-aanleunende, ging zij voort: „Ja papa, ik mag mee niet waar? Li zal
-voor u zorgen en goed oppassen. Zeg dat Li mag, papa!
-
-„En ik dan, Li?” vroeg Messner.
-
-Zij scheen een oogenblik te weifelen, doch het duurde niet lang.
-
-„U heeft zus om op u te passen, en ik zal dikwijls bij u komen,” meende
-zij; „zoodra de weg klaar is, die u laat maken om bij papa Korman te
-kunnen komen.”
-
-„Wat ze zegt is nog zoo dom niet,” viel Korman in. „Ik zal daar beroerd
-alleen zitten; ik had er in de drukte zelf nog niet aan gedacht. Alleen
-geloof ik niet dat Li het lang uithoudt; ze zal haar zuster niet kunnen
-missen en wel gauw weer verlangen bij haar te zijn.”
-
-„Hm,” deed Messner. „Maar.... ga nu naar binnen, Li.”
-
-„Mag ik dan mee met papa?” zeurde zij.
-
-„Jawel,” zeide Messner, en juichend liep het kind naar binnen om het
-groote nieuws aan haar zuster te vertellen.
-
-„Wat ik zeggen wou, Korman,” zeide Messner; „onthoud wat we met elkaar
-hebben afgesproken; als zij bij je wil blijven, en je krijgt later
-employés en zij wordt wat ouder, dat je haar nooit voor huishoudster
-afstaat. Dan is het mij wel.”
-
-„Dat beloof ik je,” zeide Korman.
-
-„Het zou zonde zijn van het kind,” mijmerde Messner hardop. „Ze moet op
-haar tijd trouwen met een harer landslui, een goeden als die te vinden
-is.—Kom, nog een halfje, dan gaan we eten.”
-
-Tegen den middag bereikte Korman het land waar hij thans eindelijk zijn
-fortuin hoopte te vinden. Aan den zijweg bij de woonplaats van den
-assistent-wedhono had hij afscheid genomen van zijn vriend en van de
-„nonja.” [19] Daar hadden zij ook de koelies [20] gevonden die waren
-besteld om mede te gaan, om een tampat [21] op te slaan en de eerste
-werkzaamheden te verrichten. Li had gehuild toen zij van Zus moest
-scheiden, maar die tranen waren spoedig gedroogd, en vroolijk was zij
-op haar javaansche paardje de kalie overgetrokken voorbij den grooten
-steen, die aan het land zijn naam gaf.
-
-Alles wat de koelies aan huisraad, rottan, taliedoek, kepang en verder
-gereedschap hadden meegebracht werd nu op een hoop gelegd en terwijl
-Korman een gedeelte der koelies in het bamboe-bosch stuurde dat vlak
-bij te zien was, ging hij met de rest het terrein langs de kalie af om
-een plek te zoeken waar niet te veel zware boomen stonden. Hij vond er
-weldra een; de medegekomen modin sprak eenige onverstaanbare formules
-uit die dienen moesten om de booze geesten te verjagen, en toen gebood
-Korman de koelies om te beginnen. Met een gejuich of geschreeuw, zooals
-men het noemen wil, werd dat bevel opgevolgd, en weldra zag men het
-struikgewas vallen, om door de achterste koelies te worden weggetrokken
-en te worden gebracht naar de kalie, die het welwillend afvoerde.
-
-Toen de kappers van bamboe met het medegebrachte materiaal aankwamen,
-was het laatste dunne boompje geveld. In het donkere bosch was een
-lichte open plek ontstaan, die met een smal paadje gemeenschap had met
-het groote pad waarlangs Korman gekomen was. Met den patjol [22] werd
-nu een goot gegraven, ongeveer twee voet diep en drie voet wijd; de
-gewonnen aarde werd verspreid over het langwerpig vierkant dat deze
-goot begrensde; de koelies stelden zich vrij regelmatig in drie
-gelederen op en begonnen het vierkant, voetje voor voetje
-vooruitgaande, hard te treden. De knapste van den troep stak daarna op
-aanwijzing van Korman hier en daar een stokje in den grond; bij ieder
-stokje begonnen twee koelies met behulp van een aangepunte bamboe een
-gat te graven; de anderen gingen aan ’t bekappen en splijten van de
-bamboe.
-
-Het werk zoover gevorderd zijnde, nam Korman een troepje koelies met
-zich mee verderop, en werd een tweede, iets ruimere plek schoongemaakt
-evenals de eerste. Hier moest de koelieloods komen.
-
-Op de eerste plek begon intusschen het karkas van een woning te
-ontstaan. In ’t midden een hoog juk; er omheen een rij bamboe-stijlen
-met een doorloopenden bamboe-ligger er op, alles wèl bevestigd met het
-meegebrachte taliedoek, dat door gaten in de rechtopstaande bamboe
-getrokken, over de horizontale bamboe was heengehaald, die twee
-dusdoende stevig aaneenbindende. Dit karkas van de dikke, zoogenaamde
-betong vervaardigd zijnde, werden nu de daksparren van bamboe apoes,
-een zeer taai maar dunner soort, aangebracht.
-
-Zij die de bamboe spleten waren onderwijl aan het vervaardigen gegaan
-van ramen van doorgestoken bamboe-latten, een vlechtwerk met mazen van
-een voet wijd, die hoewel met een touwtje opgemeten, naderhand toch
-bleken te passen op de vlakken van het dak dat met hoekkepers was
-gemaakt, of, om den javaanschen naam te gebruiken, een limassan dak
-was.
-
-De bedekking was versch gesneden alang-alang, met touwtjes uit den bast
-der reeds genoemde bamboe-apoes vastgebonden op het latwerk. Ten slotte
-groeiden de omwandingen, van gespleten bamboe ineengevlochten, onder de
-handen der ijverige koelies als ’t ware bij de minuut aan. Opgezet en
-aan de binnenzijde met kepang beschoten, voltooiden zij de woning die,
-met een op dezelfde wijze als de omwandingen behandeld tusschenschot in
-tweeën verdeeld, een deur aan den voorkant als eenige toegang rijk was.
-
-Op een achttal na, dat het huisraad en de kisten en koffers
-binnenbracht, verhuisden de koelies nu naar de plek waar zij voor hun
-eigen onderdak moesten zorgen. Dit volbrachten zij nog eer het geheel
-donker was.
-
-Een ondernemende warong-houder had den troep vergezeld en rijst
-gekookt. Toen de loods gereed was had hij opgeschept; en bij het
-schijnsel van een vuur, dat gevoed werd met de restanten der
-bouwmaterialen, zaten de koelies in een lange dubbele rij, met den
-modin aan het hoofd, hun eerste maal te doen op de onderneming
-Watoeombo.
-
-Li had zich den geheelen tijd bezig gehouden. Eerst had zij met
-belangstelling den voortgang van het werk gevolgd, maar spoedig daarop
-moest zij gaan zorgen dat ook Korman en zij dien avond iets te eten
-kregen. Met behulp eener oude vrouw, die Korman als kokkin had
-geëngageerd, zette zij eenige pannetjes te vuur en ging aan het
-uitpakken der meest benoodigde zaken, welk werk zij voortzette toen de
-woning gereed was.
-
-Ook Korman was in het huisje gekomen, zoodra de boel er in was; terecht
-meende hij dat de koelies bij het opzetten der loods voor hen zelf wel
-zonder opzicht den noodigen ijver zouden betrachten, daar het hier hun
-eigen belang gold. Hij bond een hanglamp aan een der dwars-bamboes,
-schikte de spaarzame meubelen, en schroefde zijn ijzeren ledikant, dat
-een plaatsje kreeg in het afgeschoten vertrek, in elkaar, terwijl Li er
-de klamboe [23] aan bevestigde; een overbodige luxe eigenlijk in het
-hooge gebergte, waar de muskieten ’s nachts een schuilplaats zoeken in
-het dichte gebladerte, tegen de koude van de atmosfeer, en de menschen
-met rust laten.
-
-Het bedje van Li had hij niet opgezet, maar was aan het trekken van
-lijntjes begonnen in kladboeken waarin hij ’s avonds het werkvolk en
-den gedanen arbeid moest opteekenen, een bezigheid die hem aanleiding
-gaf aan Li te verklaren dat hij het te druk had, toen deze hem kwam
-zeggen dat zij klaar was, en vragen of hij haar bed ook even in elkaar
-wilde schroeven.
-
-„Waar moet Li dan slapen?” vroeg het meisje.
-
-Hij zag rond als zocht hij naar een plekje.
-
-„Soedah,” zeide hij toen, „Li slaapt vannacht maar bij mij.”
-
-In het oosten begon het licht te worden, ten teeken dat daar, achter de
-bergen, de zon reeds boven de kim was. De eerste die in den morgen van
-den tweeden dag dien Korman op zijn onderneming zou doorbrengen, tot
-hem kwam, was de modin. Kuchend en rillend van de kou hurkte de oude
-man in de deur van Korman’s woning neer met het gebruikelijke „koelo
-noewoen ’ndoro.” [24]
-
-En hij begon te vertellen hoe hij den nacht wakende had doorgebracht,
-hoeveel moeite hij nog had gehad met de geesten, die niet verhuizen
-wilden, tot zij eindelijk waren geweken voor de wonderkracht zijner
-spreuken en voor den invloed der door hem begraven voorwerpen. Of
-mijnheer dien vreeselijken slag niet had gehoord, op ’t oogenblik van
-hun vertrek?
-
-„Jawel zeker,” verklaarde Korman; „ik ben er van wakker geworden.”
-Daarop overhandigde hij den modin de som die voor dát werk was
-bedongen, en gaf hem zijn afscheid.
-
-Uit de loods waren intusschen de koelies aangekomen, nog gewikkeld in
-hun kains, die zij echter bij het naderen van Korman’s woning—de
-lodjie!—behoorlijk om deden. Een langdurige bespreking volgde nu over
-het werk dat Korman hen wilde laten doen. waarvan de uitslag was dat
-een deel aannam nog eenige huizen te bouwen, een ander deel om het
-bosch om te hakken en enkelen, na afbetaald te zijn, vertrokken.
-
-Alvorens met de aanstaande boschkappers mee te te gaan, ten einde hen
-de te vellen gedeelten aan te wijzen, ontbeet Korman.
-
-Li had gezorgd voor nasi-goreng [25]—brood was er natuurlijk niet—en
-zat mee aan; doch lusteloos, etende zonder honger, telkens het kopje
-thee aan den mond zettende omdat de zenuwen haar beletten de rijst te
-slikken. Zij had getracht zich rekenschap te geven van haar positie;
-zij moest blij zijn dat zij nu de vrouw van... Korman was geworden,
-zooals Zus van Papa Messner; en ach, dat was ze ook wel; als hij het
-haar gevraagd had eer zij hierheen kwamen, zou ze geantwoord hebben:
-heel graag! Maar zoo bij verrassing... daarin was iets wat haar niet
-beviel, iets wat haar zich af deed vragen of zij geen kwaad had gedaan.
-Zij zou het Zus willen vragen, doch bedacht tevens dat zij op ’t
-oogenblik Zus niet zou durven ontmoeten; waarom wist zij niet, maar nog
-lang, heel lang moest het duren eer zij haar weer in de oogen kon zien
-als vroeger. En toen Korman weg was naar het bosch schreide zij, net
-als zij dien afgeloopen nacht had gedaan, nadat hij haar zoo ruw in
-haar slaap gestoord had.
-
-In den nu volgenden tijd werd op Watoeombo met kracht gewerkt. Van uit
-de plaats waar zijn woning stond, had Korman een weg laten kappen in de
-richting van den hoogen bergrug, die aan deze zijde zijn onderneming
-begrensde en aan de overzijde waarvan het land van Messner lag. De
-afspraak was dat ieder van zijn kant zou beginnen en afwerken tot boven
-op den loengoer [26], een werk dat door Korman met driemaal zooveel
-volk zou worden uitgevoerd als door Messner, zijnde de berekening dat
-vanwege de meerdere lengte van den weg door het enorme perceel van den
-eerstgenoemde, zij dusdoende ongeveer gelijktijdig gereed zouden zijn.
-Wie het eerst boven aankwam zou in een hoogen boomtop een vlag
-hijschen.
-
-Voorts had Korman, naarmate hij meer volk kreeg, meer bosch laten
-hakken. In ’t eerst ging dat langzaam, doordat het terrein bij de kalie
-vlak was en dit vóór alles tot het aanleggen van een definitieve
-kampong moest worden schoongemaakt, en ook om er beddingen te plaatsen,
-zoogenaamde pépinières, tot het kweeken van jonge plantjes. Doch toen
-men op het effen terrein, boom voor boom kappende gereed was, werd het
-hellende onder handen genomen. En dat ging gemakkelijker; want van
-onderen af beginnende, hakten de boschkappers de boomen half door, en
-zoo opgaande tot boven aan. Zoolang zij daarmee bezig waren zag men
-geen vooruitgang, en als de dreunende bijlslagen niet het tegendeel
-hadden verkondigd, zou men niet licht gedacht hebben dat eenige bouws
-dicht bosch daar op vallen stonden. Eindelijk kwam het oogenblik dat
-zij boven waren. De laatste rij werd doorgehakt, meer en meer, gelijk
-op, dikwijls de eene partij boschkappers geholpen door die het perceel
-er naast hadden aangenomen, en dan kraakte het en brak het en donderde
-het, de eene boom den ander die onder hem stond meesleepende in zijn
-val, al vlugger en vlugger, eindigende in een geweldigen slag die de
-aarde deed dreunen; en er waren weer zooveel bouws van het statige ruwe
-oerwoud veranderd in een wildernis, die wachtte op het vuur dat straks
-die gevallen reuzen in een vruchtbaarmakende aschlaag zou omzetten.
-
-Het weder was gunstig. Behalve een paar buien in de eerste weken van
-Kormans verblijf op Watoeombo, had het niet meer geregend; en onder den
-strakken grijsblauwen hemel, waarin de zon ronddoolde als had zij het
-zelf te warm en te eenzaam zonder een enkel wolkje, droogde alles uit
-wat geveld was en brandde weldra op; de zware stammen nog lang
-nasmeulende op de zwarte vlakte, en tegen de hellingen ’s nachts een
-gratis vuurwerk leverende, zoo schoon als men het maar wenschen kon.
-
-Maar daarvoor had Korman geen oog; wat hem aantrok was alleen de
-vlugheid waarmee het werk vorderde en de goedkoopte van de
-aannemingssommen; want alles ging op taak, tot het ompatjollen van den
-grond voor de pépinières toe, en het aanleggen van het vlakke
-bamboe-dak daarover, gedekt met alang-alang. Nog eer deze gereed waren,
-hadden de wegwerkers den loengoer bereikt, en was een witte vlag
-uitgestoken tot een aanwijzing voor het volk van Messner.
-
-Bij de vlag stonden den ganschen dag twee inlanders op wacht—één alleen
-durfde niet vanwege de wilde honden die men er gezien had—met strikt
-bevel om zoodra zij iets bespeurden van de nadering van Messners volk,
-naar huis te hollen en Korman te waarschuwen. Want deze wilde om der
-wille van zijn verhouding tot Li niet door zijn vriend verrast worden.
-
-Reeds tweemaal was hij zelf den weg afgereden, niet zoozeer omdat hij
-de daar geposteerde inlanders niet vertrouwde, doch uit ongeduld. Hij
-moest toch langs dien weg zijne jonge koffieplantjes, kêpêlans,
-ontvangen, die door de bevolking geleverd zouden worden uit de
-gouvernements-koffietuinen die dicht bij het land van Messner lagen. En
-dat had haast, wilde hij nog in den komenden westmousson planten.
-
-Eindelijk, Korman zat juist aan de rijsttafel, kwamen de twee koelies
-op hun dooie gemak aanslenteren en brachten het zoo lang gewachte
-bericht. In allerijl eindigde Korman zijn maal, liet zijn paard zadelen
-en reed heen, na Li gezegd te hebben dat hij misschien op Donowarie,
-het land van Messner, bleef overnachten. Hij zette toen zijn paard aan,
-zooveel als de weg toeliet.
-
-Op den loengoer gekomen hoorde hij de stemmen van de werkende inlanders
-en het doffe geluid der arit-slagen, [27] waarmee het struikgewas werd
-geveld. Maar het duurde nog wel een uur eer hij de menschen zag. Op
-eens riep hij uit: „Dacht ik het niet!”
-
-Achter de koelies bespeurde hij de hooge gestalte van Messner, met
-blijkbaar ongeduld wachtende tot de laatste hindernis zou zijn
-weggeruimd. Korman was reeds lang geleden afgestegen, en nu, zijn paard
-bij den teugel nemende, leidde hij het tot vlak voor de plaats waar de
-koelies juist een opening gemaakt hadden.
-
-„Lèren disseh” [28] beval hij, en toen zij daaraan gevolg gegeven
-hadden en opgehouden met kappen, drong hij er door, met voorzichtigheid
-voortgaande, opdat zijn paard niet zou struikelen en de helling
-afglijden.
-
-Op het reeds gebaande gedeelte van den weg wachtte Messner hem op, met
-een glimlach van teleurstelling op het gelaat.
-
-„Dat is mis,” riep hij Korman toe. „Bonjour; hoe maak je het? Ik had je
-willen komen verrassen.”
-
-„Jawel, dat snapte ik,” zei Korman. „Maar daar komt niets van in. En nu
-ga ik met je mee; vooruit maar! Ik ben verlangend je vrouw eens te
-zien; is ze wèl?”
-
-Messner gaf nog eenige orders aan het werkvolk, en leidde toen den weg.
-
-„Jongens,” zei Korman toen zij iets verder waren, „je hebt het dadelijk
-mooi gemaakt. Lange gemakkelijke zigzageinden en breed uitgekapt... ik
-ben maar zoo gewoon weg naar boven gekropen; zooals het viel zoo viel
-het. Later zullen we het wel eens opknappen.”
-
-„Dat is mij te duur,” antwoordde Messner. „’t Geeft dubbel werk en
-nagenoeg ook dubbele kosten, want zóóveel is het verschil niet tusschen
-een slechten aanleg en een goede.”
-
-Maar Korman was dit niet met hem eens, of liever hij wilde niet
-toegeven aan iemand die.... hm, in zekeren zin toch onder hem stond.
-Vroeger was dat anders; toen was hij de jongere compagnon, die alles
-wat hij wist van Messner geleerd had; maar thans was hij administrateur
-van het ruim duizend bouws groote Watoeombo en superintendent van het
-landje van Messner!
-
-Zij bleven er over doorpraten—of liever Korman ontwikkelde zijn
-meening, daar de ander reeds lang met een ongeduldig schouderophalen
-gezwegen had—tot zij aan Messner’s woning kwamen. Hier was Korman
-geheel en al verbazing. ’t Was een groot huis, met een breede
-voorgaanderij, doorloopende binnengaanderij en links en rechts
-kamers.... in één woord een geacheveerd huis, netjes gewit en de
-vloeren belegd met een fijn vlechtwerk van bamboe-woeloeh, die de dikte
-van een vinger heeft en een uiterst dunne bast. Waarlijk, het was mooi
-en smaakvol, ieder deel er van, tot zelfs de hekwerkjes, die de
-voorgaanderij omsloten en met in pijlvorm gesneden stukjes bamboe
-versierd waren.
-
-Zus, want dien naam droeg de huishoudster van Messner in den
-huiselijken kring, kwam de ruiters vóór het huis te gemoet. Haar eerste
-vraag was naar Li; waarom was zij niet meegekomen?
-
-„Verbeelje,” riep Korman lachend uit; „de weg is nog niet eens klaar.
-Neen Zus, de volgende keer, hoor. Alleen ben ik bang,” ging hij tot
-Messner voort, „dat zij niet meer terug zou willen komen in onzen
-tampat als ze eenmaal dit huis gezien heeft. Ik maak je mijn
-compliment. Waar ben je den eersten nacht onderdak gekomen?”
-
-„In die kamer, links,” zeide Messner. „Die heb ik eerst gezet, en toen
-de rest aangebouwd.”
-
-„’t Is wel aardig,” vond Korman. „Alleen wat mooi voor een tijdelijke
-woning.”
-
-„Tijdelijk?” riep Messner uit. „Ik hoop van beter. Neen man, daar blijf
-ik in zoolang ik op de onderneming zal zijn. Ik moet niets hebben van
-die steenen paleizen, die voor niemand waarde hebben, en waarover toch
-maar rente betaald moet worden; dank je hartelijk! Misschien dat ik er
-later eens wat dakijzer op leg; hoewel—ik vind alang-alang aangenamer:
-’s nachts warm en overdag koel.”
-
-„Nu, elk zijn meug,” zeide Korman. „Ik ben aan het zagen en bekappen
-van hout voor mijn huis. Voorloopig trek ik het van hout op, gedekt met
-gegalvaniseerd dakijzer, en later metsel ik er muren in—zoodra de
-eerste picols koffie verscheept zijn. Kom, ik ga me lekker maken.”
-
-Dit laatste volvoerde hij door in een der kamers zijn kleeren uit te
-trekken en een slaapbroek en kabaja van Messner aan te schieten. In de
-kamer alleen zijnde balde hij de vuist. Die dit en datsche vent, zoo’n
-sinjo, die daar weer alles beter in orde had dan hij zelf, en hem met
-een uitgestreken gezicht zijn moois vertoonde, alsof hij het er niet
-alleen om gedaan had om hem, Korman, de oogen uit te steken! Maar
-morgenochtend zou het blijken wie meer werk had afgedaan; dit was maar
-larie, op het werk daar buiten kwam het aan; huisjes bouwen en
-weggetjes mooi maken was geen koffieland ontginnen.
-
-„Het is prachtig, ik moet het nòg eens zeggen,” zeide hij naar buiten
-komende, waar Messner hem reeds met een bittertje zat op te wachten.
-„Je zoudt den resident zelf kunnen logeeren.”
-
-„Wie weet,” zeide Messner. „Ik heb al een vraag van den controleur,
-wanneer ik hem kan ontvangen. Hij heeft nog nooit een particulier land
-zien beginnen, schrijft hij, en zou gaarne eens een kijkje komen
-nemen.”
-
-„Beroerd volk, die ambtenaren,” mompelde Korman, „ze komen alleen omdat
-ze overal hun neus in willen steken. Komt hij bij mij ook?”
-
-„Als je hem liever niet hebt, dan zou ik hem kunnen zeggen dat je huis
-nog niet is ingericht,” opperde Messner. „Dan kom je er met een
-voorbijgaand bezoek af.”
-
-„Hm, doe dat maar. Hola! vergis je niet.”
-
-Deze uitroep gold de bitter, die Messner bijna in Kormans glaasje
-gedruppeld had. Korman dronk altijd klare jenever; hij begreep niet
-waartoe men er bitter in deed, en nog minder waarom sommigen deze
-preparatie fatsoenlijker vonden dan het zuivere vocht; eindelijk was
-hem de manipulatie van het inschenken te lastig; als men dat een keer
-of vijf zes moest doen in den korten tijd vóór het eten, dan kon men
-wel aan den gang blijven, vond hij. Want het traditioneele tweetal met
-een halfje na, dat eigenlijk een heel is, overschreed hij zonder eenig
-gemoedsbezwaar. Een mensch moest niet meer drinken dan hij verdragen
-kan; kon hij er echter zes velen, dan lette hem niets die te drinken,
-als hij er trek in had.
-
-Aan het avondeten ondervroeg Messner’s huishoudster den gast naar haar
-zusje. Hij moest of hij wilde of niet in details treden, en zelden had
-Korman in zulk een korten tijd zooveel gelogen als hij dat halfuur
-deed. Intusschen gelukte hem één ding, namelijk dat hij zoowel Messner
-als Zus overtuigde dat zijn huis van dien aard ongeriefelijk was, dat
-zij een bezoek moesten uitstellen tot de definitieve
-administrateurswoning gereed zou zijn. Hij wist wel dat het toch
-eindelijk moest komen, maar met al zijn slimheid had hij nog geen plan
-weten te beramen om de alsdan noodzakelijke botsing, en wie weet welke
-verwijtingen over zijn gedrag ten opzichte van het kind, dat aan zijn
-hoede was overgelaten, zoo zacht mogelijk te doen zijn.
-
-Eén belofte had hij gegeven—die om Li mee te zullen brengen, zoodra hij
-weer eens te Donowarie kwam. En dat kon hij uitstellen, of wel hij kon
-probeeren Li aan ’t verstand te brengen dat zij over hun sexueele
-verhouding moest zwijgen. Dit laatste idee kreeg hij eerst toen hij in
-bed lag, kort na het eten, want vroeg naar bed, om vroeg te kunnen
-opstaan is in de koffie een regel, waarop men niet dan noode inbreuk
-maakt.
-
-Vroeg was het dan ook toen Messner en Korman zich den volgenden morgen
-op weg begaven teneinde het op Donowarie verrichtte werk te
-inspecteeren. Voor den leek moge het een treurig schouwspel zijn als
-hij de verwoesting aanziet door het boschkappen teweeggebracht, voor
-den koffieplanter echter is dat een geheel ander iets. De open plekken
-die hij van den weg af bespeurt, de verwarde massa die bij ’t naderen
-voor hem ligt, zij roepen hem toe, dat hier straks de plant zal
-opgroeien, die hem het loon van zijn arbeid moet verschaffen; en de
-ruïne die hij ziet, weerkaatst voor zijn fantasie het beeld eener
-schoone buitenplaats in Holland, of van een statig huis in een der
-voornaamste steden van datzelfde land.
-
-Ook Korman gevoelde die uitwerking toen hij achter Messner het pad
-opliep dat naar de reeds vermelde gouvernements-koffietuinen voerde, en
-waarlangs Messner had laten kappen; doch nadat zij geruimen tijd waren
-voortgestapt, werd hem duidelijk dat hij zich gister met een ijdele
-hoop had gevleid, toen hij meende dat zijn vriend hem ten achter zou
-zijn met de ontginning; en een zekere teleurstelling maakte zich van
-hem meester.
-
-„Ben je van plan alles te laten kappen van ’t jaar?” vroeg hij
-eindelijk.
-
-„Neen,” gaf Messner lachend ten antwoord; „de helft maar. Valt het je
-mee? Nu, dat doet me plezier. Ik ben zelf ook tevreden. Hier moeten we
-in.”
-
-Hij had zich misschien juister uitgedrukt door te zeggen: hier moeten
-we op, want het tweetal besteeg nu langs eenige ruw ingehakte treden
-een der grootste gevallen boomen. Daarop volgde een gang dwars door de
-woestenij, waarbij men niet wist wat meer te bewonderen: de
-geoefendheid waarmee de beide Europeanen over de boomen, ja soms over
-vrij smalle takken liepen zonder hun evenwicht te verliezen, of het...
-instinct waarmee de inlanders zoo juist hadden uitgevonden wáár in dien
-chaos de boomen lagen die het pad vormden, zonder ooit op een plek te
-stuiten waar de doortocht versperd was.
-
-Bij het uitgaan van het gekapte bosch kwamen zij op schoon terrein, nog
-zwart van het branden, gestoffeerd met plekken witte asch overal waar
-een groote boom tot het einde toe was opgesmeuld. En daar lagen ook op
-een vlak stuk de beddingen, met hun breede alang-alang bedekking; een
-heldergeel vierkant, scherp afstekend tegen den donkeren achtergrond.
-Een twintigtal javaansche vrouwen en meisjes waren er aan ’t werk, elk
-met een bamboe-lat van de breedte van een bed, met ingekorven afstanden
-voor de plantjes, die vier duim van elkaar moesten worden gezet. Zij
-hadden de baadjes uitgetrokken, werkende met bloote schouders, en
-voorts gekleed in een kain [29] en over de borst een kemben. [30]
-
-Reeds een groot deel der beddingen was afgeplant en prijkte met de
-frissche groene rijen plantjes, niet ouder nog dan tot de ontwikkeling
-der zaadblaadjes.
-
-„Hierin ben je mij vóór,” merkte Korman op, die tot nu toe geen mond
-had opengedaan over het werk te Watoeombo, enkel omdat zijn vriend van
-alles meer had afgedaan dan hij zelf, hetgeen hij uit valsche schaamte
-niet wilde bekennen.
-
-„Nu,” zeide Messner, „dat zal je gauw hebben ingehaald. Morgen denk ik,
-kan je de eerste bezending plantjes verwachten; ik heb gister dadelijk
-kabar [31] gezonden aan de lui, dat de weg klaar was. Maar ga nu eens
-mee naar den anderen kant.”
-
-Zij liepen al bukkende voort, onder het dak dat voor de hooge gestalten
-der beide mannen te laag was, Korman nu en dan omziende naar een stel
-fraaie schouders dat hij onder de plantsters had opgemerkt, en
-verlieten de beddingen. Hier hadden zij het gezicht op verscheidene
-ploegen werkvolk die boven aan de helling begonnen zijnde, het
-schoongebrande terrein met den patjol hadden veranderd in nette,
-horizontaal loopende terrassen. En waar die nog niet gemaakt waren,
-wezen dunne bamboe-stokjes, die op de plaatsen gesteld waren waar
-naderhand de koffieboomen zouden komen te staan, en door de Javanen
-andjirs geheeten werden, den koelies aan, hoe zij werken moesten.
-
-„Drommels mooi!” liet Korman zich zijns ondanks ontvallen. „Als met een
-schaartje geknipt.” En toen als had hij spijt van zijn goedkeuring: „Je
-hebt een besten meet-mandoer.” [32]
-
-„Ik wou wel dat het waar was,” zeide Messner; „maar het meten heb ik
-zelf moeten doen.”
-
-„Ja,” antwoordde Korman, „dat kan je op een klein land doen, maar ik
-zou er geen tijd voor hebben. Enfin, ’t is mooi; ik ben zeer tevreden.”
-
-Messner zag snel op, doch het gezicht van den ander stond strak als had
-hij iets doodgewoons gezegd. Wat verbeeldt zich Korman wel, dacht de
-oudere; ’t is alsof hij als chef tegen een mindere spreekt. Wacht, we
-zullen hem eens op den tand voelen!
-
-„Als je ’t wezenlijk zoo goed vindt,” zeide hij toen overluid, „dan zou
-je dat misschien den ouden heer Benoit wel eens kunnen melden... het
-werk regardeert je wel niet, maar Benoit schijnt veel vertrouwen in je
-te stellen en dus....”
-
-Of Korman den steek voelde? ’t Was moeilijk te zeggen, want hij keek
-juist onder de beddingen, waar zij langs liepen op hun terugweg, of hij
-de eigenares der mooie schouders ook kon ontdekken.
-
-Op eens begon Messner hartelijk te lachen.
-
-„Wat heb je?” vroeg Korman, hem verbaasd aanziende.
-
-„Hoorde je dat niet?” was de wedervraag. „Hij was goed!”
-
-„O, je bedoelt wat die meid daar riep? Hm, ik begreep het niet
-heelemaal. Wat zei ze?”
-
-„Ja,” zeide Messner, „al vertel ik het je, dan snap je het nòg niet.
-Een ui in het javaansch is zoo moeilijk in onze taal weer te geven.”
-
-„Ik versta toch wel javaansch!” riep Korman eenigszins misnoegd uit.
-
-„Gewoon huis- of tuin-javaansch, ja,” antwoordde Messner; „maar zóó....
-hoe zal ik het zeggen... de volkstaal, zooals zij die onder elkaar
-spreken, met woord- en klankspelingen, met naïeve dubbelzinnigheden,
-neen Korman, die versta je niet, en die leer je ook niet, al bleef je
-nog eens zoolang in Indië als je er al bent, tenzij je onder het volk
-ging leven, heelemaal en famille meeleven, zooals ik destijds.”
-
-Bij de laatste woorden ging een droeve trek over Messners gelaat, als
-ware de herinnering aan die tijden van groote armoede en ontbering hem
-onaangenaam, en zwijgend liep hij voort, den weg dien zij gekomen waren
-terug, over de boomstammen en door het bosch, niet eer sprekende dan
-toen zij weer thuis waren en hij Korman eenige papieren overhandigde.
-
-„Hier is de kasstaat,” zeide hij toen. „Ik heb hem in duplo opgemaakt,
-dan kan je er één opzenden aan Benoit.”
-
-„Ik was eigenlijk van plan aan Benoit enkel een recapitulatie te
-zenden,” zeide Korman.
-
-„Inderdaad heeft hij ook niet meer noodig,” beaamde Messner; „doch hij
-schijnt van opinie te zijn dat ik mijn administratie niet al te best
-doe, en dus ben ik er op gesteld dat hij van het tegendeel overtuigd
-wordt door alleen door mij geschreven verantwoordingen te ontvangen,
-die, zooals deze, steeds perfect in orde zullen zijn. Begrepen?”
-
-„Mij wel,” antwoordde Korman, „maar dan snap ik niet wat of ik
-eigenlijk met den rommel te maken heb.”
-
-„Och, nazien of de optellingen goed zijn,” spotte Messner.
-
-Korman had nog wat willen zeggen, doch hij hield het terug. Het
-overwicht van zijn ouderen vriend kon hij niet van zich schudden. Ja,
-als er iets niet in orde geweest was! Maar nu... neen! Messner zag te
-scherp om niet aanstonds te bemerken wat hij voorhad; en straks de zaak
-met Li... hij moest geen ruzie maken, en zich maar stil houden, dat was
-het beste.
-
-Na de rijsttafel zette Korman zich op zijn paard, en verliet Donowarie
-met iets minder zelfvertrouwen dan waarmee hij er gekomen was.
-
-De weg over zijn eigen land, waarin hij vóór dezen een soort ruwe
-poëzie gezien had, iets als de eerste toetsen op het doek eens
-kunstenaars, leek hem nu toe, wat het dan ook inderdaad was: een
-erbarmelijk slecht stuk werk. Maar meer nog had hij het land toen hij
-de plaats naderde waar zijn volk aan ’t werk was. In tegenstelling van
-de gelijke, waterpas loopende terrassen bij Messner, zag men hier
-achteloos uitgehakte trappen, de een nog scheever dan de ander,
-ongelijk van breedte en hoogte.
-
-„Setrodimedjo!”
-
-Springend en glijdend zakte een inlander de hoogte af tegenover den
-weg, kroop door het ravijntje en klauterde weer naar boven, om hijgend
-van inspanning op een pas of tien achter Korman neer te hurken. Alle
-teleurstelling die deze ondervonden had, uitte zich in een stortvloed
-van aanmerkingen, doorspekt met talrijke Gévédé’s, aan het adres van
-den armen meetmandoer, die niet slechter gewerkt had dan hem geleerd
-was en voor alles wat recht en waterpas is, juist zooveel oog had als
-de rest zijner rasgenooten.
-
-Korman wond zich hoe langer hoe meer op.
-
-Setrodimedjo begreep dat er iets niet in den haak was, hetzij met zijn
-werk dan wel met den toewan besaar [33], doch van al wat deze vertelde,
-snapte hij gewoon niets. Heel in ’t begin had hij iets gehoord over
-timbang banjoe [34] juist als de galangans der sawah’s, [35] en
-vruchteloos pijnigde hij zijn kleine verstand om er achter te komen wat
-meneer bedoelde. Hij zag geen kans om daar boven op den loengoer water
-te krijgen, en zonder water kon toch niemand galangans waterpas maken!
-Hij althans niet.
-
-Zijn stille overdenkingen werden gestoord door het ophouden van het
-standje en het tweemaal herhaald bevel om dichterbij te komen. Het
-booze gezicht van Korman ziende, naderde hij dien tot op twee pas en
-hurkte toen weder neer, nog even buiten het bereik van de dreigend
-opgeheven karwats.
-
-„Asoeh!” [36] bulderde Korman, en toen hem de karwats in het gezicht
-werpende, beval hij: „Breng hier, Gévédé!”
-
-Daar was niets aan te doen! Sidderend overhandigde Setrodimedjo den
-toewan besaar het wapen, dat onmiddellijk daarna met zware slagen over
-zijn rug en schouders striemde.
-
-Zoo vlug als hij daareven gekomen was, zoo langzaam ging de mandoer
-weer terug naar zijn volk.
-
-„Wat was er, kang?” [37] vroeg een der meetkoelies. „Is hij dronken?”
-
-„Ja, erg,” was het antwoord. „Hij wou dat ik hier water boven op bracht
-om te timbangen.”
-
-De koelie zeide een aardigheid, over een manier waarop zij met hun
-vijven wel wat water daar konden krijgen, en allen lachten, doch
-zachtjes, want Korman was nog niet ver, en in ’t gebergte wordt het
-geluid soms wonderlijk weggekaatst. Toen gingen zij voort met andjirs
-plaatsen, precies als te voren.
-
-De strafoefening had Korman gekalmeerd. Messner kon naar de maan
-loopen; hij zou minstens even goede koffie krijgen, al stond ze wat
-minder mooi geplant; straks zou hij order geven voor meer werkvolk en
-dan in quantiteit vergoeden wat hij in qualiteit bij zijn vriend ten
-achter stond. En zoo moest het ook! Men kon duizend bouws niet
-ontginnen alsof het er driehonderd waren!
-
-Vóór hem lag het stukje bosch dat was blijven staan en waaronder de
-woningen stonden. Dit deed zijn gedachten afdwalen naar zijn huis en
-naar Li, een vrij wat aangenamer onderwerp dan het werk op Donowarie!
-Was Li niet een allerbest vrouwtje voor hem, in alle opzichten? Zij
-mocht nog wat jong zijn, doch daartegenover stond haar dartelheid en
-vroolijkheid, die gaandeweg weer was teruggekomen; en dat had iemand
-wel noodig hier in de eenzaamheid, in een omgeving die toch al tot
-somberheid stemde. Haar opvoeding onder Europeanen had haar een zekere
-losheid van manieren gegeven, meer uitdrukking in het gelaat en minder
-placiditeit dan andere inlandsche of chineesche meisjes en vrouwen.
-Zie, kwam zij daar niet aan? Ja werkelijk! Nu vraag ik, zeide Korman
-halfluid, welke inlandsche njai zou zoo aan komen huppelen, haar toewan
-te gemoet? Hij moest zelf lachen om het idee.
-
-„Dag Papa, dag Papa!” riep Li, en hij steeg af en zoende haar
-hartelijk, blij weer bij haar te zijn, zich niet storend zelfs aan den
-naam dien zij hem bleef geven, ondanks zijn bevel, omdat hij dien in
-deze omstandigheden niet langer passend vond.
-
-Korman liet het paard los, dat in een drafje naar stal liep; en zijn
-arm om Li’s schouders leggende, wandelde hij met haar verder,
-vertellende van Zus en haar mooie huis, er verhalen bij fantaseerende
-over de honden en de kippen en wat Li verder kon interesseeren.
-
-Toen hij zich had uitgekleed en in slaapbroek en kabaja op den
-luierstoel lag, kwam Li op de leuning zitten en vroeg weer van voren
-afaan. Had Zus dan werkelijk zoo’n mooi huis? Maar dat ginds op de
-uitkapping, boven de kampong [38], gebouwd werd zou toch zeker nog
-mooier worden dan dat van Zus?
-
-„Zie je wel,” zei Korman; „ik heb al tegen Zus gezegd dat ik je niet
-liet overkomen eer het huis hier klaar is, want dat je anders eens niet
-weer terug mocht willen komen.”
-
-„Heeft Papa dan niet gezegd, dat ik nu de nonja besaar ben geworden?”
-vroeg Li, met een koddige uitdrukking van deftigheid.
-
-„Neen, nog niet,” antwoordde hij. „Ik wist niet wat ze er van zeggen
-zouden; en, weetje, ze mochten je eens weghalen.”
-
-„Is Papa dan niet brani [39] om mij vast te houden?”
-
-„Zeker!” lachte Korman. „Als jij zelf wilt....”
-
-„O!” viel zij hem in de rede. „Dan is het goed. Weet u Papa, ik was
-bang voor Zus, maar nu niet meer; als Papa brani is, ben ik het ook.
-Gister....” Hier zweeg zij plotseling als vreesde zij zich te
-verpraten.
-
-„Wat was er gister?” vroeg Korman.
-
-„Niets, maar overmorgen, dat is tjemoea-legie, [40] dan moet er een
-slamatan zijn.”
-
-„Doe toch niet aan die flauwiteiten,” gromde Korman. „Je weet dat we je
-geleerd hebben dat het onzin is en niets geeft.”
-
-„Eén keertje maar,” vleide zij. „’t Is ook niet voor mij.”
-
-„Nu, voor mijn part,” gaf hij toe, denkende dat de kampong-bewoners het
-verlangden, en wetende dat in dit geval een weigering hem een reeks
-vexaties zou bezorgen.
-
-Li stond op en liep naar het hokje achter het huis dat dienst deed voor
-keuken, alwaar de oude kokki bezig was met de bereiding van het
-avondeten. Nauwelijks was zij weg of een stem buiten kondigde aan dat
-de „plajangan” [41] er was.
-
-Korman ging zelf naar de deur om de trommel in ontvangst te nemen, die
-de dus aangediende man medebracht, en die openende vond hij er de
-couranten in en brieven, die voor hem, sedert de vorige maal dat de
-brievenlooper naar de stad gegaan was, waren aangekomen. De onderneming
-had nog weinig relaties met de buitenwereld en Korman zelf ook niet
-veel, dus had hij het niet noodig geacht de post meer dan éénmaal in de
-week te doen afhalen. Toch, als de trommel kwam, was hij steeds in zijn
-schik; al ware het enkel maar om de couranten, die hem zoo’n beetje op
-de hoogte hielden van wat er buitenaf voorviel.
-
-Ditmaal was er meer. Toen hij de boel gesorteerd had, lagen er naast
-het stapeltje couranten drie, zegge drie! brieven. Hij bekeek ze van
-alle kanten; de eerste was van Benoit, dat zag hij dadelijk, doch de
-andere intrigueerden hem sterk. Eén er van kwam uit Holland en toch was
-het niet de hand van zijn moeder.... wie drommel kon het dán zijn? En
-de tweede.... uit Semarang.... hand geheel onbekend....
-
-Hij eindigde met den brief van Benoit open te breken, die niets
-bijzonders bevatte, en draaide toen de beide andere in zijn handen heen
-en weer, besluiteloos en toch nieuwsgierig. Het was een kwaal van
-Korman, die velen echter met hem gemeen hebben, dat hij graag eerst
-wilde weten vanwaar en van wien een brief kwam eer hij hem opende. Doch
-ditmaal lukte het hem niet. Toen nam hij die uit Holland, als zijnde de
-oudste, en scheurde er den omslag af.
-
-
- den Haag....
-
- Waarde Korman!
-
- Van uwe moeder vernamen wij het heuchelijke nieuws, dat het God den
- Heer behaagd heeft u in den stand der plantage-directeuren te
- plaatsen. Wij hebben ons gehaast haar per keerende post onze
- gelukwenschen aan te bieden, gelijk wij dit bij dezen insmede aan
- uzelf doen.
-
- Over de u ten deel gevallen bevordering sprekende met een onzer
- kennissen, die juist op de thee kwam, nadat de brief van uwe moeder
- door ons was ontvangen, deelde ZE., die als Oost-Indisch ambtenaar
- vele jaren in gindsche landen vertoefde, ons een en ander mede
- omtrent het leven op de plantages. Mijn zoon Henri, die zooals gij
- zult weten in den zeedienst is, was daarbij tegenwoordig.
-
- Nu wilde het geval dat hem, die een werkzaam jongmensch is, het
- luie leven aan boord en vooral aan den wal zeer tegen de borst
- stuit. Vernemende dat op een plantage steeds vraag is naar
- fatsoenlijke jongelieden, opperde hij een denkbeeld dat, ik moet
- het bekennen, uwe tante en mij het eerst met ontsteltenis vervulde.
- Het was om Z. M. dienst te verlaten en zich bij u aan te melden.
-
- Na gehouden ruggespraak met uwe moeder echter, zijn wij over vele
- bezwaren heengestapt, en hebben onzen jongen in Gods hoede
- aanbevolen en op de stoomboot gebracht, die hem naar u toe zal
- voeren. Ik kan niet nalaten u dit met een enkel woord te melden,
- daarbij de gelegenheid waarnemende u op het hart te drukken hem
- niet alleen voor te gaan in het goede, want daarvan zijn wij zeker,
- doch ook onzen jongen zooveel in uwe macht ligt af te houden van
- het kwade. Wij allen zijn zwakke vaten en Henri is de vrouwen zeer
- genegen, welke bijzonderheid ons mede deed besluiten hem uit de
- verleiding die zijn betrekking hem aanbood, weg te nemen.
-
- U ’s Heeren zegen op uw werk toebiddende, verblijve ik
-
- Uw Oom
- H. C. Rencke Sr.
-
- P.S. Tante laat u hartelijk groeten.
-
-
-„Wat duivel is dat?” vroeg Korman zich af. „Denken ze daar in Holland
-dat het hier een asyl is voor zoontjes die niet deugen? Zwakke vaten,
-jawel, we kennen dat! Wel Gévédé!”
-
-Maar vloeken hielp niet; hij zou het neefje krijgen en daarmee uit. En
-’t was niet eens een neefje! De heer Rencke was gehuwd met een halve
-zuster zijner moeder en had zich, dat herinnerde Korman zich zeer wel,
-heel weinig aan de verwantschap laten gelegen liggen. En nu die
-vriendelijkheid en dat gescharrel met ’s Heeren zegen... Hij vloekte
-nog eens en greep toen naar den tweeden brief.
-
-Het was een fatsoenlijk epistel van den jongen Rencke, zijn aankomst te
-Semarang meldende. Hij deelde voorts mede hoe hij op raad van iemand
-aldaar de reis zou nemen, eerst per spoor tot Solo en verder per
-karretje. Eindelijk vroeg hij Korman’s instructies voor het laatste
-gedeelte van de reis, dewelke hij in het logement hoopte te vinden.
-
-De toon van dit briefje verloste Korman van zijn driftige bui. Hij ging
-zitten nadenken hoe hij den jongen Rencke moest „stallen.” Zijn huis
-was nog niet klaar en in deze hut kon hij hem niet bergen. Enfin, er
-moest maar een kamer aangezet worden, want zoo’n kersversch uit Holland
-gearriveerd heertje zou men toch moeielijk direct in een eigen
-huishouding kunnen zetten. En de oude heer die zoo bang was voor
-Henri’s zedelijkheid!
-
-„Verroest! dan had hij hem maar niet naar de binnenlanden van Java
-moeten sturen,” besloot Korman zijn gedachten.
-
-Hij riep Li, die nog altijd met de kokki aan ’t bepraten was van de
-maatregelen voor de slamatan, en vertelde haar het nieuws. Zij nam het
-tamelijk onverschillig op, maar haar gezichtje betrok toen Korman er
-bijvoegde, dat hij over drie dagen zelf naar de stad ging om den
-nieuweling te halen.
-
-Eerder kon hij niet, vanwege de betaling van het werkvolk; en, vond
-hij, die jonge snoeshaan zou van een paar dagen wachten niet bederven.
-Intusschen schreef hij een kort briefje, dat hij den volgenden morgen
-met den plajangan naar de stad zond, dezen tevens een paard medegevende
-om dat te stationeeren bij den wedhono van Wonosarie, waar ook de
-américaine stond met het span Kadoeërs, die hem en Messner
-toebehoorden.
-
-Het was Zaterdag. Den avond te voren had Korman zijn volk betaald en ’s
-morgens, toen hij dacht te vertrekken, was er eensklaps een ploeg nieuw
-werkvolk op komen zetten dat ingedeeld moest worden. Dit hield hem tot
-aan den middag bezig. Zoodoende in zijn voornemen, om in de
-morgenkoelte den tocht te doen, verhinderd, achtte hij het beter tot
-den namiddag te wachten eer hij afreed.
-
-Moe van de reis en blazende van de hitte niettegenstaande de duisternis
-reeds gevallen was, kwam Korman in het logement aan. Een door het
-gouvernement gesubsidieerd hôtel natuurlijk, men zag het al van verre.
-Want hoewel in den tegenwoordigen tijd alle hôtels op Java toonbeelden
-zijn van keurige inrichting en goede bediening, toen Korman zijn
-onderneming begon, was dat anders. Toen waren de meeste hôtels slecht,
-en de door ’t gouvernement gesubsidieerde nòg slechter.
-
-Sluit uwe oogen en stel u voor: een groot erf, met onkruid begroeid;
-aan den grooten weg afgesloten door een bouwvallig gemuurte, waarin een
-breed gat dat vroeger een hek rijk geweest was; voorts omgeven door een
-greppel en een levende pagger [42] die den hardvochtigsten criminalist
-geen aanleiding had kunnen geven iemand, die er doorheen wandelde, van
-braak te beschuldigen; op den achtergrond een steenen gebouw met
-alang-alang gedekt, de deuren en vensters geel geverfd met een rood
-randje, en afgebrokkeld witsel op de muren, van onderen behoorlijk
-groen uitgeslagen; links een rij van acht kamers met een galerijtje er
-voor, welk galerijtje vóór de drie kamers, die het dichtst aan den weg
-lagen, breed was uitgebouwd, in den vorm van een pendoppo [43]; rechts
-een ordelooze hoop loodsen en gedogans. [44]
-
-In twee der laatsten werden de Kadoeërs gestald, terwijl Korman de
-pendoppo betrad, waar een petroleumlamp—neergedraaid, want er was
-toevallig niemand—hem behoedde voor struikelen over de stoelen of de
-nog met het tafellaken van ’s middags gedekte eettafel.
-
-Op zijn geroep, dat weldra in een soort gebrul ontaardde, verscheen ten
-leste een inlander, die zich mandoer noemde, en in wiens hand feitelijk
-het bestuur over het logement berustte. Door hem liet Korman zich een
-kamer aanwijzen, of liever hij koos er zelf een uit de leegstaanden, na
-er een paar te hebben opgenomen met zijn neus, die hierin de beste
-leidsman was. Toen vroeg hij of er niet een jonge meneer was
-aangekomen, die Rencke heette.
-
-De mandoer zou het vreemdelingenboek gaan halen en Korman kleedde zich
-intusschen uit, om te baden eer hij tot iets anders overging. Reeds was
-hij daarmee gereed en voor de helft met zijn avondtoilet op orde, toen
-eindelijk de mandoer terugkwam met de mededeeling, dat het boek naar
-alle waarschijnlijkheid nog bij den controleur-kotta was, maar dat er
-twee heeren waren gekomen sinds eergister, waarvan één ’n toewan baroe
-[45], en dat die naar de sociëteit was.
-
-Korman bedacht zich nog een oogenblik of hij zich niet vernederde door
-óók naar de Soos te gaan, en zoo als ’t ware zijn employé na te loopen;
-maar och, wat deed het er toe; op de onderneming, te midden van een
-arbeid waarvan het jongemensch niets verstond, zou straks zijn
-superioriteit voldoende uitkomen, en daarmee het vereischte prestige.
-
-Hij wandelde dus op, en ging de sociëteit binnen. In de voorgaanderij,
-aan de kletstafel, zat een uitgelezen clubje, de resident, de
-secretaris en eenige der voornaamste ingezetenen, en ook een
-vreemdeling. Diep buigend—hoeden droeg men toenmaals ’s avonds
-nooit—wilde Korman voorbijgaan, het lokaal binnen, waar hij dacht onder
-het groepje levenmakers bij het biljart zijn aanstaande ondergeschikte
-te zullen aantreffen en op dezen door zijn verschijnen een geweldigen
-indruk te maken, toen hem op eens iemand achterop kwam, die zijn naam
-op vragenden toon uitsprak.
-
-Zich omwendende zag hij tegenover hem den vreemdeling. Een slanke
-welgevormde figuur ongeveer van zijn eigen grootte; een fijnbesneden
-aristokratisch gelaat, versierd door heldere donkerblauwe oogen en een
-zwaren knevel; gekleed in een zwarte jas met weggesneden panden en
-grijzen pantalon waarvan de coupe den besten kleermaker verraadde....
-Korman stond een oogenblik versuft, toen de ander met een klankrijke
-stem zich bekend maakte: „Ik ben Henri Rencke.”
-
-„O zoo... aangenaam kennis te maken. Ik hoorde in ’t logement dat... u
-hierheen was gegaan...”
-
-„U is wel beleefd,” zeide Rencke. „Had ik geweten dat u zelf komen
-zoudt, dan had ik u opgewacht, te meer daar ik op een eenigszins
-zonderlinge wijze aan u ben opgedrongen. Toen ik vertrok wist ik dat
-niet—men dacht in Holland dat men u een dienst bewees, doch op reis
-hoorde ik daarover anders spreken.”
-
-„’t Is niets.... we zullen het samen wel vinden, hoop ik,” antwoordde
-Korman, die tegenover de vrijmoedige explicatie van dien jongen man
-geen andere woorden ter beschikking had. Intusschen werd hem daar op
-eenmaal een wapen uit de hand geslagen, dat hij zich voorgenomen had
-ter gelegener tijd te gebruiken. Bij het minste vergrijp van Rencke,
-had hij hem voor de voeten willen werpen dat hij een presentkaasje was;
-maar dat ging nu niet meer, daargelaten al of hij een zoodanige
-uitdrukking ooit zou durven gebruiken tegen den man die daar voor hem
-stond.
-
-„Meneer Korman!” riep de resident, en de geroepene ging, gevolgd door
-zijn employé, naar de kletstafel.
-
-„Komt u niet wat bij ons zitten?” noodigde het Hoofd van Bestuur.
-„Straks, op uw koffieland, moogt u meneer Rencke geheel in beslag
-nemen, maar hier hebben wij ook rechten. Ombert u?”
-
-„Een beetje, resident.”
-
-„Wel, dan moesten we vanavond eens een partijtje maken,” zeide de
-resident. „Meneer Rencke is ons hier komen leeren wat omberen was;
-prepareer u dus op een zwaren strijd.”
-
-„Je bent in den pas bij den ouwe,” zeide Korman, toen hij met Rencke
-naar het logement wandelde om te gaan eten. „Hoe heb je zoo de kennis
-gemaakt?”
-
-„Wel, ik heb dien logementsfrik uitgevraagd hoe men zich hier
-presenteerde ... Apropos, wat kost het een moeite dat heer te spreken
-te krijgen! Zijn dat oostersche manieren, dat een logé naar den
-hotelhouder moet gaan in plaats van hem te ontbieden?”
-
-„Ja, hij heeft het monopolie, zie je, en ’t kan hem weinig schelen. Hij
-is binnen.”
-
-„Dat heb ik gemerkt! En hij is moeielijk naar buiten te lokken,” zeide
-Rencke, die de spreekwijze niet begreep, waarop Korman expliceerde dat
-„binnen” beteekende: zijn fortuin gemaakt te hebben; hetgeen de
-logementhouder bewerkstelligd had met de aanneming van zout- en
-koffietransporten.
-
-In den naävond kreeg Korman, bij gelegenheid van het omberpartijtje,
-van zijn employé een lesje in dat edele spel, waaruit hij het voornemen
-putte, om wat hij ook mocht doen te Watoeombo tot korting der
-avonduren, nimmer met Rencke een partijtje te maken.
-
-Vroeg in den morgen vertrokken zij naar het gebergte; Rencke nu ook in
-een wit pakje, nieuw en ongestreken, waarvan het model Korman deed
-opmerken dat het goed genoeg was om „boven” te worden opgedragen, doch
-niet geschikt om er „beneden” mee voor den dag te komen. Waarop Rencke,
-die trouwens op reis al had gemerkt dat zijn zoogenaamde indische
-uitrusting in ’t geheel niet indisch was, doch een product van
-hollandsche kleermakersfantasie en verkeerde voorstelling van
-oud-indiërs, verklaarde, als hij ooit in Europa terugkwam, de menschen
-te zullen inlichten omtrent hun vergissing.
-
-„Ik vond het al vreemd,” voegde hij er bij, „dat ze mij voor alles
-zoo’n wijde zakkerige geschiedenis maakten. Men had mij gezegd: neem
-voor de witte pakjes het dikste russisch linnen; de jas gemaakt naar
-het gewone Colbert-model, en de pantalon zooals een gewone fatsoenlijke
-broek. Maar de „specialiteit in uitrustingen” lachte er om, en zeide
-dat het veel te warm was; dus nam hij van dit dunne goed en maakte het
-zoo wijd als u ziet. Thuis riepen ze: echt indisch! maar ik kon wel
-zien dat ze ’t niet mooi vonden, zoomin als ik.”
-
-„Wat wèl goed is,” zeide Korman, „zijn die kappen die je daar aan
-hebt.”
-
-„Het zijn oude jachtkappen,” antwoordde Rencke, „die ik bij toeval in
-mijn koffer heb gesmeten, en nu van morgen aangetrokken, omdat ik er u
-ook zag dragen.”
-
-Naarmate zij verder reden kreeg Korman meer schik in zijn nieuwen
-employé. Hij vond in hem iemand waarmee te praten was, en die, begaafd
-met een groote mate van practisch verstand, den eenzamen weg recht
-gezellig wist te maken, zoowel door zijn gesprekken als zijn goed
-ingerichte vragen om opheldering van hetgeen zijn oog als vreemd
-opmerkte.
-
-Te Wonosarie stapten zij uit de américaine, en terwijl de paarden
-gezadeld werden, stelde Korman zijn employé aan den wedhono voor. Daar
-Rencke echter nog geen maleisch verstond, moest Korman voor hem het
-woord doen. Misschien was dat de reden dat hij vergat, wat hij zich in
-het rijtuig had voorgenomen. Hij had namelijk den vorigen dag last
-gegeven het meest lastige zijner twee paarden voor Rencke te zadelen,
-doch toen deze hem zoo was meegevallen had hij gedacht: kassian! [46]
-’t is zoo’n goede jongen, en contra-order willen geven. Doch hij
-bemerkte zijn verzuim pas toen de paarden voorgebracht werden, en
-Rencke hem vroeg welk dier voor hem bestemd was.
-
-„Hm,” deed hij, „eigenlijk de zwarte, maar ze hebben er mijn zadel op
-gelegd. Kan je rijden? De plongko [47] is nogal nukkig onder een
-vreemden ruiter.”
-
-„’t Is mij hetzelfde, als hij maar loopt,” zeide Rencke, en aan de
-manier waarop hij de stijgbeugels pas maakte, door die te meten van de
-vingertoppen tot onder den oksel, zag Korman dat hij althans geen
-onervaren ruiter was.
-
-Rencke steeg op; de plongko trippelde even, trachtte toen vooruit te
-schieten, doch door zijn rijder onmiddellijk bedwongen en met het
-rechterbeen zijwaarts gedrukt, kwam hij, netjes overschenkelend, naast
-den zwarte.
-
-„Toewan bisa sekali,” [48] zeide de wedhono, den afscheidsgroet van de
-beide Europeanen met een minzaam lachje beantwoordend.
-
-Toen zij het land naderden, en op meer geaccidenteerd terrein kwamen,
-fronste Rencke een paar maal de wenkbrauwen bij het opzien tegen de
-steilten die zij op moesten, en meer nog als de weg een sterke helling
-naar beneden nam. Hellingen, die naar zijn schatting den voetganger
-moeite zouden hebben veroorzaakt! Ziende hoe Korman’s paard, dat voor
-hem uitliep, het er afbracht, overwon hij echter spoedig den angst die
-een ieder bevangt die voor ’t eerst op bergwegen rijdt, en bewonderde
-hij de kracht dier kleine dieren, die hij vóór dezen met eenige
-minachting had aangezien.
-
-„Daar staan hutten!” riep Rencke op eens uit. Zij waren de kalie
-overgetrokken en reden op de kampong aan.
-
-„Juist,” zeide Korman, voor de eerste „hut” zijn paard inhoudende en
-afstijgende. „Welkom op Watoeombo!”
-
-Rencke begreep niet hoe hij ’t had. Was dat het „landhuis” dat zijns
-vaders vriend hem beschreven had met de aan indisch-gasten eigen
-overdrijving? Hield Korman hem voor den gek? ’t Kon wel, want hij stond
-hem feitelijk in zijn gezicht uit te lachen. Doch neen, want daar kwam
-een dier wezens te voorschijn waarvoor Rencke altijd de grootste
-vereering gekoesterd had, een meisje, in wat hij noemde de
-schilderachtig romaneske flodderdracht, welk meisje Korman met „Papa”
-aansprak en hem kuste. Een dochter? Hij meende toch.... hm, zeker....
-jawel, ze had een gelen teint.... enfin, ’t was een meisje, dus naderde
-Rencke met gepaste hoffelijkheid en maakte een diepe buiging.
-
-„Een aangename verrassing, freule; uw Papa had mij nog niet verteld
-dat....”
-
-Hier bleef hij steken, want Li keek hem met haar groote oogen verbaasd
-aan, terwijl Korman bijna stikte in een lachbui.
-
-„Die is goed! Ha ha,” bracht Korman er eindelijk uit. „Ga naar binnen
-Li.—Ahem! Ze verstaat je niet, Rencke—’t is mijn huishoudster weet
-je—en... je zoudt maleisch moeten spreken als je haar een compliment
-wilde maken, want van het hollandsch begrijpt zij niet meer dan
-doodgewone dagelijksche uitdrukkingen.”
-
-„Ik zal maleisch leeren,” zeide Rencke vol vuur. „Het is een aangename
-verschijning, parole d’honneur!”
-
-Korman zag hem uit de hoeken zijner oogen even aan, en ging toen voor,
-het huis binnen. Links, tegenover zijn slaapkamer, was een appartement
-aangebouwd terwijl hij weg was. Na er even in rondgezien te hebben,
-wenkte hij Rencke, die in het middenvertrek was blijven staan.
-
-„Dit is je kamer,” zeide hij. „Ik heb een ledikant voor je besteld,
-maar dat moet uit Soerabaja komen, en dus moet je het voorloopig maar
-zóó stellen.”
-
-Hiermede wees Korman op een bamboe baleh-baleh [49], door de zorgen van
-Li heel aardig in een bed getransformeerd. Rencke verklaarde dat hij
-het zeer interessant vond aldus de ontberingen mee te maken op een
-pasbeginnende plantage.
-
-Onder de rijsttafel vertelde Li dat er menschen met bibit [50] gekomen
-waren, die in de loods wachtten.
-
-„Dan heb ik een mooi werkje voor je,” zeide Korman tot Rencke.
-
-Toen om één uur de kenthong [51] het sein gaf om het werk te hervatten,
-bracht Korman den employé naar de loods. Daar zat het vol met mannen en
-vrouwen, die draagkorven bij zich hadden met jonge plantjes.
-
-Korman nam uit een der korven een boschje, en begon Rencke te
-onderrichten hoe hij die sorteeren moest; de dunne zwakke stengels of
-gehavende wortels er uit, en de gave gezonde bibit ter telling
-overgeven aan den kapala kampong [52]; daarna de door dezen op hoopjes
-van tien gelegde plantjes optellen en achter den naam van den brenger
-schrijven; eindelijk de gesorteerden bijeen laten binden en met water
-besproeien.
-
-„Ik ga intusschen even naar de tuinen,” zeide Korman. „Tegen dat je
-klaar bent, zie je mij weer terug.”
-
-Daar zat Rencke, te midden van een volkje dat hij niet verstond, met
-het hem aangewezen werk zich de blanke handen bedervende en met een
-blik van wanhoop de massa korven overziende. Het ging hem niet vlug af;
-door gebrek aan oefening bekeek hij de plantjes veel te lang eer hij
-goed- of afkeurde, met het gevolg dat hij weldra nauwelijks meer zag
-wat dik of dun was, en er telkens de door Korman gegeven modellen
-tegenaan moest houden ter vergelijking.
-
-De oogen deden hem pijn van de inspanning nadat hij nauwelijks een half
-uur aan den gang was, en reeds driemaal had hij zich gesneden aan een
-bamboe-touwtje dat hij open wilde trekken in plaats van draaien.
-
-„Ik wist niet dat groen zoo vervelend kon zijn,” mopperde hij, even de
-oogen sluitende. Toen hij ze weer open deed schitterde er iets wits, en
-opziende bemerkte hij Li, die een bankje neerzettende, tegenover hem
-plaats nam, en met groote vlugheid de plantjes door de vingers liet
-glijden.
-
-Dankbaar knikte hij haar toe en gevoelde weer nieuwen moed, toen hij de
-gemakkelijkheid zag, waarmee zij het werk verrichtte. Van haar
-afziende, leerde hij het zelf; en de eene korf na den andere verdween
-van het tooneel, tot de laatste toe.
-
-Met een zucht van verlichting stond Rencke op, en trachtte een praatje
-aan te knoopen met zijn helpster. Maar dat mislukte; want hoewel Li hem
-best verstond, zij zelve kon niet anders dan in ’t maleisch antwoorden,
-en dát begreep hij weer niet. Toen, terwijl hij enkele voorwerpen
-aanwees, gaf zij hem de maleische benamingen, die hij zorgvuldig
-noteerde. Hiermee waren zij nog bezig toen Korman terugkwam.
-
-„Ben je er al doorheen?” zeide hij. „Dat is vlug. Wat doe je daar?”
-vervolgde hij een blik werpende in Rencke’s notitieboekje. „Hm, ik zou
-je raden liever maar dadelijk javaansch te leeren, dan krijg je geen
-verwarring, en dat heb je toch het meest noodig.”
-
-„Dat kan ook,” antwoordde Rencke. „Maar, me dunkt de klanken van het
-maleisch hooren gemakkelijker aan.”
-
-„Nu, doe wat je wil, als je maar één taal tegelijk aanpakt. Trouwens,
-de mandoers spreken allen maleisch, dus kan je daar voorloopig wel mee
-terecht. Laat ons nu naar huis gaan en die lui afbetalen, dan zullen we
-het vandaag maar voor gezien houden.”
-
-Dit voorstel was zeer naar den zin van Rencke, die duchtig vermoeid was
-van den langen rit van dien morgen, en hard verlangde naar het
-oogenblik waarop hij zich in een dier gemakkelijke indische stoelen zou
-mogen uitstrekken. En het kwam, toen de bibit betaald was en de
-daglijst ingeschreven.
-
-Het werd dien avond later dan gewoonlijk. Rencke kon gezellig praten,
-en Korman had zooveel te vragen over alles wat er op zeker dierbaar
-plekje grond in de laatste jaren was voorgevallen, dat het hem gelukte
-na den eten zijn oogen nog lang open te houden.
-
-„Er is niets bijzonders voor je te doen,” zeide Korman den anderen
-morgen. „Ga maar eens op je eigen gelegenheid naar de tuinen, en kijk
-rond. Het werk moet gedaan worden... zooals ze het doen; dat leer je,
-door het te zien, vanzelf. En eer je de taal verstaat, kan je toch niet
-veel uitvoeren. Als je iets onbehoorlijks ziet, rapporteer het mij dan
-als je thuiskomt—zoo tegen twaalven.”
-
-Rencke ging het pad op dat hij gister Korman had zien inslaan, daarbij
-de voorzorg nemende van nu en dan op een zakkompasje te kijken,
-teneinde te weten in welke richting hij straks het huis weerom moest
-vinden. De wijze waarop hij in de geheimen der cultuur werd ingewijd,
-beviel hem niet. In zijn vroegere betrekking gewoon al zijn plichten
-van a tot z als ’t ware op een briefje te hebben, en haast niets te
-doen of het was speciaal gekommandeerd, bracht hem deze manier van doen
-in niet geringe verlegenheid. De opdracht die Korman hem gegeven had
-was hem vrij duister. Na een klim van een half uur was hij terecht
-gekomen bij het terrassenmaken, en daar moest hij niet zijn, dacht hij,
-want Korman had over „tuinen” gesproken, die hij nochtans nergens
-ontdekte. Enfin, er werd gewerkt, dus kon hij wel een poos toekijken.
-
-Met dit voornemen liep hij over een der terrassen, met attentie
-toeziende hoe de koelies met den patjol de aarde uithakten en gelijk
-streken. Bij een der werklieden bleef hij even staan, wat onmiddellijk
-uitwerkte dat de mandoer op den man toesprong, hem den patjol uit de
-handen rukte, en onder veel woorden voordeed hoe hij werken moest; in
-welk model Rencke geen onderscheid zag met het reeds geleverde werk.
-
-„Er schijnt toch iets onbehoorlijks geweest te zijn,” dacht hij, en
-kuierde verder. Doch toen hij bij een anderen koelie bleef staan
-kijken, herhaalde de mandoer hetzelfde spelletje, wat Rencke in twijfel
-bracht of er nu wezenlijk in dit schijnbaar eenvoudige werk iets
-verborgen was dat hij niet zag, of dat er slechts overdreven
-dienstijver van den mandoer achter gezocht moest worden.
-
-Dit personage hield ten slotte een aanspraak tegen Rencke, waarvan deze
-geen syllabe begreep, zelfs niet toen de mandoer uit het javaansch in
-’t maleisch overging. Intusschen verrijkte Rencke zijn woordenlijst met
-enkele nieuwe namen van dingen die hij aanwees.
-
-Plotseling kreeg hij een inval. Op een schoon blaadje van zijn
-zakboekje begon hij te schetsen, en weldra ontstond een vrij aardige
-potloodteekening van een tuin, met perken en gazons, hoog en laag
-hout... men moest erkennen dat Rencke talent van teekenen bezat. Toen
-het gereed was liet hij het den mandoer zien, die het bagoes sekali
-[53] vond en vroeg of het meneers familie in Holland voorstelde; wat
-Rencke gelukkig niet verstond.
-
-Met zijn wijsvinger wees hij eerst op de schets en toen, de hand
-uitspreidende, maakte hij een vragende beweging in het rond. Dit deed
-den mandoer een licht opgaan.
-
-„Oah, beddingan!” riep hij uit met een tweeden blik op de teekening, en
-toen, voorgaande, wees hij Rencke den weg aan, die naar de pépinières
-leidde, terwijl deze, verheugd over het gelukken van zijn middel, in de
-aangegeven richting verder stapte.
-
-„Men moet zich maar weten te redden,” zeide hij bij zich zelf.
-
-Het einde van den weg was de plaats waar de beddingen stonden. Dat was
-een teleurstelling! Maar van onder het alang-alang dak klonken stemmen;
-dus ook hier werd gewerkt, en Rencke ging er binnen. Vrouwen plantten
-de jonge bibit; dezelfde die hij gister zoo bloedig uitgezocht had! Hij
-voelde solidariteit; daar was een stuk van zijn ziel in die plantjes.
-Zich neerzettende op een boomstronk te midden der plantsters, nam hij
-den zwaren helmhoed, dien hij te Portsaid gekocht had, af en genoot èn
-van de schaduw èn van het toezien op het werk dat hij volkomen begreep.
-
-Ook was er een groot onderscheid tusschen de babbelende en lachende
-vrouwen, en de ginds als in doffe zelfberusting werkende mannen; hier
-een beeld der onafhankelijke vrijheid, dáár der drukkende slavernij.
-Want ontegenzeggelijk draagt de Javaan der binnenlanden nog het kenmerk
-op zijn gelaat, dat zijn vaderen slaven waren, zoo dan niet altijd in
-den zin die gewoonlijk aan dat woord gehecht wordt.
-
-Een meisje dat in Rencke’s onmiddellijke nabijheid werkte, vroeg hem
-iets, en hij antwoordde door haar in de wangen te knijpen, wat
-uitroepingen van alle kanten deed opgaan, doch de toon daarvan was niet
-onwelwillend of afkeurend. Rencke voelde zich volkomen thuis. Hij ging
-de lange rij der reeds afgeplante bedden na, en ontdekte geheel aan het
-eind daarvan een paar scheefstaande plantjes. Men kon van die plaats
-uit, de plantende vrouwen niet zien, daar er een rijzing van het
-terrein tusschen lag. Rencke ging een eind terug en riep „Hei, zeg
-eens!” waarop het meisje dat hij in de wangen geknepen had, naar hem
-toe kwam.
-
-De plantjes werden behoorlijk recht gezet, al duurde het wat lang.
-Rencke nam toen den terugweg aan, daar het tegen twaalven liep, doch
-besloot aan dit gedeelte van het werk zijn bijzondere aandacht te
-wijden; want als het jonge plantje niet onberispelijk gezet werd, hoe
-kon er dan ooit een flinke koffieboom uit groeien?
-
-Thuis gaf hij aan Korman bericht van zijn wedervaren. Bij de scène met
-den geschetsten bloementuin moest deze hartelijk lachen.
-
-„Wij noemen hier een tuin,” verklaarde hij, „een stuk grond dat met
-koffie beplant is of worden moet, en dat tusschen vier wegen in ligt.
-Al naar gelang der hoogte van de hellingen, worden er twee of drie
-horizontaal loopende wegen in getrokken, de een boven den ander, en
-deze verbonden door schuin tegen de hoogte oploopende wegen. Waar de
-helling sterk is, en dus de weg te lang zou worden, maakt men hem met
-een paar slagen, de zoogenaamde zigzagweg.”
-
-„Begrepen,” zeide Rencke. „Dank u wel. En.... die tuinen zijn zeker
-genommerd?”
-
-„Ja, met dien verstande dat een groep tuinen, bij voorbeeld al de
-tuinen van één helling of om één ravijn heen, een naam heeft, meestal
-naar de een of andere eigenaardigheid van den vorm der bergruggen of
-zoo. De inlanders verzinnen die namen.”
-
-„Hoe heet de tuin waar nu gewerkt wordt?”
-
-„Die heeft nog geen naam,” zeide Korman. „Maar wacht maar, eer ze over
-den loengoer heen zijn is die ook gedoopt.”
-
-En zoo geschiedde; doch op een wijze die geen van beiden vermoed had,
-en Rencke althans nimmer uit het geheugen zou gaan.
-
-Vreezende dat er schoon terrein tekort zou komen voor het aanleggen van
-terrassen, had Korman een paar dagen na bovenvermeld gesprek, den
-mandoer Podrono last gegeven om met vijftig man te gaan „opstapelen en
-branden”. Dat beteekende: de overgebleven stukken hout bijeen halen,
-die leggen rondom de door het vuur gespaarde groote stammen en
-stronken, en daarna in brand steken.
-
-Dit werk vereischt eenig overleg, daar men aan een zekere limite van
-lichtere brandstof gebonden is, en die zóó moet aanwenden dat het
-grootst mogelijk resultaat bereikt wordt; want na deze opruiming is er
-geen meer mogelijk, en moet blijven liggen wat ligt, tot het in den
-loop der jaren verrot. Podrono nu was een dier weinige inlanders, die
-overleg bezaten—misschien moet men zeggen: die hun overleg in dienst
-van een Europeaan willen aanwenden—en daarom had Korman hem aangewezen.
-
-Natuurlijk was Rencke, die thans reeds beter dan eenige dagen geleden
-begreep „wat hij eigenlijk op zoo’n koffieland moest uitvoeren,” naar
-het werk van Podrono gaan kijken. Op den weg staande, overzag hij het
-geheel. De mandoer had zich een plekje uitgekozen, uitnemend geschikt
-voor zijn post als dirigent. Een dikke boom lag bijna geheel boven aan
-de helling. In den loop der tijden had die boom eens den top verloren,
-en hij had gedaan wat iedere fatsoenlijke boom doet, namelijk twee
-loten, straks stammen, uitgeschoten. Die stammen stonden zeer dicht bij
-elkaar. Zooals hij thans lag, leek hij een reuzen vork met twee tanden;
-de een op den grond, de ander vrij. Daarop stond Podrono, orders
-gevende nu aan deze, dan aan die groep van zijn volk.
-
-Het was een levendig ventje, dat steeds zijn woorden deed vergezeld
-gaan van gebaren, die toen hij Rencke zag aankomen nog wilder werden
-dan gewoonlijk, tot groot amusement van de koelies die lachten.... en
-daardoor meer kracht zetten dan anders.
-
-„Ajo! angkat!” [54] gilde Podrono, in zijn knieën veerende als iemand
-die straks een hoogen sprong zal doen. „Allah!”
-
-Dat was zijn laatste kreet.
-
-Er was beweging in den boom gekomen. Podrono had het bemerkt en wilde
-er achteruit afspringen. Maar de stam waarop hij stond zakte onder hem
-weg, de ander van den tweeling sloeg hem in den rug, zoodat hij
-tusschen de tanden van den vork inraakte en voorover viel. In steeds
-wilder vaart rolde de boom naar beneden, en met ontzetting zagen Rencke
-en de koelies het lichaam, ach, het lijk! van den ongelukkigen Podrono
-meedraaien, breken, en toen de boom den voet der helling bereikt had
-met een dreunenden slag, prevelden de koelies Allah ill’ Allah en sloot
-Rencke de oogen, flauw en misselijk van het verschrikkelijke gezicht.
-
-Het weinige dat er nog van den mandoer te vinden was, werd door het
-volk naar de kampong gebracht. Van Rencke die vooruitgeijld was, vernam
-Korman het gebeurde.
-
-„Jammer van den vent,” zeide Korman. „Komen ze met hem hier?
-Waarachtig, daar heb je het heele zoodje! Zijn ze bedonderd?” En hij
-ging den stoet te gemoet. De voorsten, die het lijk droegen, liet hij
-passeeren, en joeg toen de rest terug met barsche verwijten. Den
-knapsten koelie riep hij aan, en droeg hem op tijdelijk den arbeid te
-surveilleeren. Toen kwam hij terug bij Rencke, die huiverend het kleine
-troepje, dat hem gepasseerd was, nazag.
-
-„Kom mee in huis,” zeide hij. „Je bent geschrokken, denk ik. Neem een
-paitje; [55] ’t is toch bijna tijd. Weet je wat een bof is? Dat jij
-niet ook op dien boom stond.”
-
-Rencke gaf geen antwoord, zijn tanden klapperden tegen het glas.
-
-„Kom, je moet je zoo beroerd niet maken,” raadde hem Korman. „Er
-gebeurt wel eens meer een ongeluk. Als je niet nog zoo kort hier was,
-zou ik je een standje maken dat je al dat volk uit de tuinen hebt laten
-gaan, maar nu.... soedah! En wat wed je nu—we hadden het er laatst
-over—dat die tuin, eer de zon ondergaat, zijn naam heeft?”
-
-„Podrono!” zeide Rencke plechtig.
-
-De weduwe van Podrono....
-
-Zij had een braven man verloren, die goed voor haar was, haar nooit
-sloeg, om wiens grappen zij altijd moest lachen, en met wien zij een
-heel jaar lang getrouwd was geweest.
-
-.... weende eenige dagen en nachten. De medebewoners van het huis
-dachten dat zij gek zou worden van smart. Reeds tweemaal had zij een
-zenuwtoeval gekregen en gevraagd om ketjoebong. [56] In plaats daarvan
-gingen de buren medicijn vragen bij Korman.
-
-„Ga maar eens naar de meid kijken,” zeide deze tot Rencke. „Neem de
-flesch met castorolie mee, en geef haar om te beginnen een flinke
-dosis. Hier is ze. Neen heusch,” ging hij voort toen Rencke hem gek
-aankeek; „ik meen het; als die lui wat van dien aard door ’t hoofd
-spookt, vergeten zij hun heiligste plichten.”
-
-Rencke ging en paste de voorgeschreven geneeswijze toe, die wonderen
-deed. Den volgenden dag was het vrouwtje veel bedaarder, en een week
-later weer geheel hersteld.
-
-In die week was veel gebeurd.
-
-Het huis van Korman, de definitieve administrateurswoning, was gereed
-gekomen. Hoog gelegen op een daarvoor gemaakte uitkapping van de
-bergglooiing, verhief het zich boven de kampong. Van uit de voorgalerij
-had men het gezicht, tusschen twee uitloopers van den berg, tot in de
-vlakte, ja tot zelfs op den naburigen berg, die als een groote molshoop
-uit het groen der laaglanden verrees. Waar het oog toch ook wat wil,
-was de plek goed gekozen.
-
-Eén ding was jammer, en wel dat alle boomen waren weggekapt en het huis
-op een kale plek stond, en wel altijd zou blijven staan, daar de
-onmiddellijke omgeving niet beplant werd, doch gereserveerd bleef voor
-later aan te leggen établissement en droogbakken. Maar wie denkt daar
-van te voren aan! Wie denkt er aan, dat het ook zaak ware op de
-loengoers de boomen te laten staan, als zij er zijn, om zoodoende
-windbrekers te hebben, die men er later, als de wind eenmaal vrij over
-de naakte ruggen strijkt, met geen mogelijkheid meer op krijgt, tot men
-na veel geld en moeite vermorst te hebben de loengoer-tuinen in
-godsnaam maar afschrijft.
-
-Daarvoor moet men minstens eerst een koffieonderneming hebben
-ontgonnen; en die dat gedaan heeft is òf rijk, òf heeft geen succes
-gehad en krijgt derhalve geen administratie meer.
-
-In het nieuwe huis was oorspronkelijk een kamer voor Rencke bestemd
-geweest, toen Korman plotseling van plan veranderde. De aanleiding
-daartoe was een mededeeling, die Li hem gedaan had van een praatje dat
-in de kampong had gecirculeerd.
-
-„Je weet waarschijnlijk,” was Korman begonnen, op een avond, terwijl
-hij met Rencke aan de bittertafel zat, „dat ik indertijd een brief van
-je vader heb gehad.”
-
-Rencke knikte toestemmend.
-
-„Daarin stonden een paar uitdrukkingen... hm! ik wil niet zeggen dat ze
-mij een ongunstig denkbeeld van je gaven, maar... enfin, hij zeide dat
-je nogal veel van de meisjes hield.”
-
-„Dat had Papa wel kunnen laten,” mopperde Rencke. „Hij is wat
-ouderwetsch ziet u, en meent dat een jongmensch de oogen moet neerslaan
-of stotteren als een dame voor hem staat. Ten minste hij scheen het
-altijd af te keuren dat ik me wat vrij bewoog. Maar aan u had hij
-waarachtig niet behoeven te schrijven... hier zou ik mij, al wilde ik,
-moeielijk kunnen bezondigen. Er zijn geen dames!”
-
-„Behalve in de pépinières, hé?” zeide Korman, terwijl Rencke bloedrood
-werd. „Ja, ja, vriendje, we zijn hier in Indië, te midden van een
-bevolking die in dergelijke zaken weinig of geen geheimhouding
-betracht. Maar,” vervolgde hij, „waar ik eigenlijk op komen wou is dit.
-Ik heb wel het verzoek van je oude heer gekregen om zoo’n beetje voor
-Mentor te spelen, doch ik ben geen oogenblik van plan dat te doen. In
-mijn positie als administrateur echter, moet ik je instantelijk
-verzoeken hier op het land van de vrouwen af te blijven; je krijgt er
-zelf te avond of morgen moeite mee, en ik door jou. Weet je wat, neem
-een huishoudster.”
-
-„Daar heb ik wel ooren naar,” zeide Rencke; „maar als de oude heer het
-hoort....”
-
-„Onzin! Ik zal ’t hem niet aan zijn neus hangen, en jij natuurlijk nog
-minder. Hoort hij het van de buitenwacht... welnu, dan zeg je òf dat
-het niet waar is, òf dat je in de binnenlanden niet anders kan.”
-
-„De groote moeielijkheid zit hem in de manier er een te krijgen,”
-meende Rencke.
-
-„O, dat is niets. Kijk maar eens rond; hier, of in de stad... er is wel
-wat te vinden. Wie hebben we daar?”
-
-De laatste vraag gold eene donkere gestalte die in de deur was komen
-zitten. Het was de weduwe van Podrono, die kwam vertellen dat zij
-voornemens was den volgenden morgen te vertrekken, en thans vroeg om
-het door haar overleden man verdiende salaris, teneinde reisgeld te
-hebben.
-
-Terwijl zij sprak met den gebruikelijken omhaal van woorden, die een
-welopgevoede javaansche ter harer beschikking heeft, had Korman haar
-nauwlettend opgenomen, meer bezig met een gedachte die hem beving, dan
-luisterend naar het verzoek van het jonge vrouwtje.
-
-„Kijk deze eens aan,” zeide hij tot Rencke. „Hoe denk je er over? Ze is
-zindelijk en handig, spreekt een beetje maleisch naar ik meen, en wat
-haar voorkomen aangaat zou je het moeielijk beter kunnen treffen.”
-
-„Watblief?” vroeg Rencke verbaasd. „U meent toch niet... haar man is
-immers nauwelijks begraven, en het verdriet....”
-
-„Och wat,” viel Korman hem in de rede.... „De vraag is of je wilt of
-niet.”
-
-„Ik wel, maar....”
-
-„Dan is het goed.—Ga maar naar achter,” gelastte Korman de bezoekster.
-„We zullen de rekening van dat salaris dadelijk opmaken.—Li!” en toen
-deze gekomen was: „Praat eens met de vrouw van Podrono. Ze moest maar
-huishoudster worden bij meneer Rencke.”
-
-Met een knikje van instemming vertrok Li om aan de gegeven opdracht te
-voldoen.
-
-„Ziezoo,” zeide Korman; „schenk jij nu nog eens in, en pikir [57] er
-niet langer over; Li zal dat zaakje wel klaarspelen.”
-
-„Het zou me zeer verwonderen,” zeide Rencke, „na al wat ik van dat
-vrouwtje in de laatste dagen gezien heb. Ze was daarvoor te diep
-getroffen door haar verlies.”
-
-„Ik heb nogal vertrouwen in de werking van de castorolie,” antwoordde
-Korman. „Wat wed je.... hier, ’n ringgit! [58] Zet je er een tegen?”
-
-„Mij wel,” zeide Rencke, die waar het een weddingschap gold, niet onder
-wou doen.
-
-Het duurde heel lang eer Li terugkwam. Doch toen zij om het hoekje van
-de deur verscheen, streek Korman doodbedaard de twee rijksdaalders op,
-die op de tafel lagen, en stak ze in den zak van zijn kabaja.
-
-„Zij zegt dat zij erg dom is,” rapporteerde Li, „en bang dat zij aan
-meneer Rencke niet zal voldoen; maar als meneer daar niet tegen opziet,
-dan wil zij zich wel bedenken, tot morgen. Intusschen zou zij gaarne
-het geld hebben dat Podrono heeft verdiend, want er is een soedara [59]
-van haar hier, dien zij nu maar vooruit wil zenden naar de dessa.”
-
-„Ik ben mijn ringgit kwijt,” zeide Rencke, toen Korman hem Li’s woorden
-had uitgelegd. „Maar ’t is sterk!”
-
-Den dag daarna verhuisde Korman naar zijn nieuwe woning, welk feit
-behoorlijk bezegeld werd met een slamatan en een tandak-partij, waartoe
-expresselijk een anklong [60] met bijbehooren was ontboden uit de
-dessa, waar de assistent-wedhono zetelde.
-
-In dien tijd had ook de weduwe van Podrono zich bedacht, met dien
-gevolge dat zij, met een paar van Li geleende muiltjes en een gebreide
-shawl, haar toewan vergezelde, toen deze naar het tandakken ging
-kijken, iets wat Rencke voor ’t eerst van zijn leven aanschouwde.
-
-De indruk dien hij er van kreeg was niet precies een gunstige.
-Natuurlijk had hij de „Duizend en één nacht” gelezen, en de oostersche
-bajadères die hij zich daarbij gedacht had, kwamen in ’t geheel niet
-overeen met de krijschende vrouwspersonen die hij hier zag dansen.
-Dansen! godbetert, hoe durven ze dat dansen noemen. In de rookerige
-koelie-loods was in ’t midden een groote mat gespreid over den aarden
-vloer. Waarvoor eigenlijk? Tegen het vuil-worden der voeten? Daar was
-het waarachtig niet voor noodig, want die... bah! Het speet Rencke dat
-hij niet schilderen kon, om in kleuren weer te geven waarnaar hij
-liever niet lang keek, en met het opschrift: „het voetje van een
-bajadère” ter ontgoocheling aan zijn hollandsche vrienden te zenden.
-
-De zoogenaamde gracieuse bewegingen van het lenige lichaam vond Rencke
-eenvoudig ongracieus en leelijk, en het eenige wat hem een minder
-streng oordeel deed vellen over de arme tandak-meid, dan misschien
-anders het geval ware geweest, was dat zij den goeden smaak toonde van
-de punt van de slendang [61] voor den mond te houden als zij dien
-opendeed om te.... zingen.
-
-Neen, nu niet en later niet, toen hij gezien had wat voor het beste
-doorging op dit gebied, kon Rencke behagen vinden in javaansche
-danskunst, en hij vond al wat daaromtrent geschreven of verteld werd,
-gewoon opsnijderij.
-
-„Je moet maar eens goed toezien,” zeide hem Korman, die mede acte de
-présence maakte, „want bij grootere gelegenheden, als de Regent eens
-komt of zoo, moeten we er zelf aan meedoen; en dan staat het altijd
-beter als je het kunt.”
-
-Toen ging Rencke een huivering door de leden. Nooit zou hij dat met
-genoegen doen, nooit zou hij zich moeite geven om op te sporen wat er
-voor schoons in gelegen was, naar de opvatting van het volk, dat met
-gespannen aandacht elke beweging volgde en de tandakkende mannen
-goedkeurend toemompelde als zij het er goed hadden afgebracht.
-
-„Als overmorgen de controleur komt, gebeurt het dan ook?” vroeg Rencke.
-
-„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Korman wien de herinnering aan dit
-aanstaande bezoek de wenkbrauwen deed samentrekken.
-
-Een koelie van Donowarie had dien middag het briefje gebracht, waarin
-Messner schreef dat de controleur bij hem was gekomen, en, zijn
-terugtocht over Watoeombo doende, aldaar tegen de rijsttafel zou
-aankomen.
-
-Daar kwam het weer, het gevaar van ontdekking! Zou Messner meekomen?
-Natuurlijk. En blijven, met Li spreken, hooren hoe deze of gene haar
-als nonja aansprak, vermoedens krijgen....? Wat al vragen en even
-zooveel angsten! Want Korman zat er leelijk in.
-
-Het liep beter af dan hij gedacht of gehoopt had. Eerstens kwamen zij
-laat en had de controleur haast; ten tweede ging Messner mee door.
-Zoodoende had hij niet meer dan een oogenblik tijd om Li te begroeten.
-
-Rencke ziende, nam hij Korman even ter zijde, en informeerde of er van
-dien kant geen gevaar bestond, doch was spoedig gerust gesteld toen hij
-vernam dat de opzichter reeds „voorzien” was.
-
-Met een zucht van verlossing zag Korman de beide heeren vertrekken.
-
-„Een bijzonder aangenaam mensch, die meneer Messner,” merkte Rencke op.
-
-„Vind je niet?” zeide Korman. „We hebben samen heel wat doorgemaakt.”
-
-„Dat hoor ik. Nu, zoodra u mij eens verlof wilt geven zal ik voldoen
-aan de uitnoodiging die meneer Messner mij deed, om een dag ten zijnent
-te komen doorbrengen.”
-
-„Na het planten,” zeide Korman. „Dan kun je zoolang verlof krijgen als
-je wilt.”
-
-De employé boog. Wanneer die tijd kwam wist hij niet, doch hij wilde
-het nu niet vragen, om den schijn te vermijden van onbescheidenheid.
-
-„Jawel!” dacht Korman. „Hij er heen, en in zijn onnoozelheid alles
-uitflappen!”
-
-De heele zaak hinderde hem intusschen geweldig. Nu Messner vertrokken
-was, bedacht hij dat hij eigenlijk een groote stommerik geweest was,
-door zijn verhouding tot Li niet juist heden aan het licht te hebben
-gebracht. In tegenwoordigheid van den controleur, omstraald door de
-heerlijkheid van het B. B. zou Messner toch niets hebben durven zeggen;
-en als hij er later op terugkwam, och, dan was het al weer zooveel tijd
-geleden!
-
-Het had Li’s gedachten ook beziggehouden.
-
-„Toen papa Messner naar achter kwam,” zeide zij ’s avonds, „dacht ik:
-nu komt het, en nu zal hij zeker probeeren mij weg te halen. Maar Papa
-zei alleen: „Dag Li, ada baik?” [62] en gaf mij een kus. Toen ging hij
-naar voren. Gelukkig dat Zus er niet bij was, want die had het zeker
-gezien.”
-
-„Gezien?” herhaalde Korman....
-
-Li stond aan den uitersten rand der voorgalerij, draaide op de hakken
-harer slofjes, zich vasthoudend aan het touw van een der zeilen. Zij
-had het hoofd afgewend, starende naar de wazige grenslijnen der donkere
-boommassa’s aan den overkant van de kalie. De vraag van Korman had zij
-voorzien, ja uitgelokt; en haar geheele houding, rechtop, in het volle
-lamplicht, plastisch geteekend op den donkeren achtergrond, gaf het
-antwoord.
-
-Alsof een muskiet hem door de zitting van zijn stoel heen gestoken had,
-sprong Korman op. Li wendde zich om, en hem te gemoet tredende, sloeg
-zij haar armen om zijn hals, opziende met een mengeling van geluk en
-vrees.
-
-Li was een mooi meisje, maar zóó mooi had hij haar nog nooit gezien. De
-vloek die hem op de lippen zweefde, werd ingehouden, en zacht
-verwijtend klonk zijn stem: „Waarom dat niet eer gezegd?”
-
-„Kokki zei dat heeren blanda’s [63] dit niet graag hebben, want dat ze
-dan ongeduldig zijn.... en ik wou heelemaal een vrouwtje zijn naar
-Papa’s zin.”
-
-„De kokki is gek,” verklaarde Korman.
-
-Messner had niets gezien en niets gemerkt. En toch, toen hij thuis zat,
-en de inspanning, om den controleur bezig te houden, zich opgelost had
-in een gevoel van rust en voldaanheid, trad het korte bezoek op
-Watoeombo weer in zijn herinnering naar voren. Zus ondervroeg hem, en
-hij had zoo weinig te vertellen dat hij er zelf eigenlijk niet mee
-tevreden was, en zijn geheugen pijnigde om nog wat te vinden. De
-stoelen hadden zóó gestaan... de kleur van de hanglamp... het gezicht
-van den bediende...
-
-„Ze lieten den staljongen aan tafel dienen, Zus,” deelde hij mee.
-
-Zus had daar een aanmerking op, die hij echter niet hoorde, daar hij
-voortging met denken. Hij had dien staljongen gevraagd waar de „nonna”
-[64] was... de vent had geantwoord... hé ja, hoe herinnerde hij zich
-dat antwoord!... dat de „’doro [65] nonja” in de keuken was.
-
-Nonja! Dat is de titel van een getrouwde chineesche vrouw... wat een
-stomme vent, die staljongen! Hij deelde het Zus mee, bijwijze van
-aardigheid. Maar Zus vond het blijkbaar geen aardigheid; zij had geen
-inlandsch bloed in de aderen moeten hebben om niet dadelijk een
-verdenking op te vatten....
-
-„Messner,” zeide zij voor hem gaande staan. „Messner, je bent dom; nog
-dommer dan die staljongen. Allah,” vervolgde zij zenuwachtig; „die
-staljongen praat maar na wat hij hoort; en als iedereen haar „nonja”
-noemt.... Messner, dat is niet goed. Je moet vragen, onderzoeken,
-iemand sturen.”
-
-„Dat is niet noodig,” zeide hij, wijzende op het pad dat zijwaarts
-voorbij hun huis liep. „Kijk, daar komt een transport bibit.—Hei!
-Waarheen?”
-
-„Naar Watoeombo, mijnheer,” antwoordde een oude vrouw die in de
-voorhoede liep. Gewenkt door Messner kwam zij nader.
-
-„Wie zoekt de bibit uit?” vroeg hij.
-
-„De nonja en de toewan ziender,” [66] antwoordde het mensch, terwijl
-Messner een stomp in den schouder voelde van Zus.
-
-„Is de nonja de vrouw van den toewan besaar?”
-
-Ja juist, die bedoelde zij; een andere nonja was er niet. Messner moest
-haar nader uitleggen wat hij meende, en toen verklaarde de oude vrouw
-dat zij niet beter wist of het was zoo, maar zij wilde, als meneer het
-gelastte, wel eens nader informeeren.
-
-„Dat is goed,” zeide Messner. „Kom vanavond hier even aan. En.... je
-bent al een vrouw op leeftijd, niet waar; die praat niet meer dan
-noodig is, en vertelt haar geheimen niet rond als een jonge deern.”
-
-„Ziezoo,” ging hij voort toen de vrouw vertrokken was; „nu ben je
-tevreden Zus, hoop ik. Maar ik ben zeker dat je je vergist; ik kan het
-van Korman niet denken.”
-
-’s Avonds dacht hij het echter wel. Zus huilde van woede en zong een
-schimp-litanie aan ’t adres van Korman, waar Messner, hoewel bedaarder,
-volkomen mee instemde. Zij spraken af, er den volgenden morgen samen
-heen te gaan en Li terug te halen.
-
-Bij nadere overdenking begreep Messner dat zij dit laatste, nu de zaak
-toch eenmaal zoo stond, misschien beter niet deden; maar er was met Zus
-geen praten, dus hield hij het voor zich.
-
-Korman zat te werken in zijn kantoortje. Nu hij Rencke had, en deze met
-den dag vooruitging in het vak, achtte hij het onnoodig zoo dikwijls
-naar het werk te gaan. Hij deed nu ’s middags zijn dutje, en ’s morgens
-knoeide hij zoo’n beetje aan zijn administratie. Volgens zijn eigen
-opvatting deed hij die keurig netjes, maar op Soerabaja werd er,
-telkens als de post een stuk ervan aanbracht, door den ouden Benoit en
-diens boekhouder hartelijk om gelachen.
-
-Na een langdurige studie in een dik boek over het boekhouden, was hem
-een flauw licht opgegaan over wat men verstaat onder „boek-hoofden.”
-Doch hoe hij die moest vormen was hem niet duidelijk. In het model
-stonden: Emil Herz te Hamburg, Joseph Meier te Kopenhagen, en zoo
-voort; dus: iedere naam in zaken vertegenwoordigde een grootboekhoofd.
-Dientengevolge gaf hij er een aan Benoit, aan zich zelf, aan Rencke, ja
-zelfs aan den chinees die zijn boodschappen in de stad deed en zich
-agent noemde. Dan had hij: huizen bouwen, terrassen maken, bibitkoopen,
-beddingen en nog veel meer, alles grootboekhoofden! een ingewikkelde
-geschiedenis, die hem vrij wat moeite bezorgde eer alles „klopte.”
-
-Te midden eener lange recapitulatie over de laatste betaling, werd hij
-gestoord door naderende hoefslagen. Buiten komende zag hij tot zijn
-schrik: voorop Zus, à la duchesse de Berry op een inlandsch paard, en
-daarachter Messner. Zus sprong er af, liep de drie treden van de
-voorgaanderij op, duwde hem opzij en liep met een strak gezicht naar
-achter.
-
-Messner was minder vlug. Afgestegen, wachtte hij tot er een staljongen
-was toegeschoten om de paarden vast te houden. Toen ging hij langzaam
-naar binnen en stelde zich op tegenover Korman, wiens blik in de ledige
-ruimte dwaalde.
-
-Juist wilde hij beginnen te spreken, want hij zag wel dat hij niets
-meer behoefde te vragen, toen een geweldig rumoer beider aandacht
-afleidde. Het was Zus, die Li aan een arm had genomen en haar voorttrok
-onder een bandjir [67] van woorden in de hoogste faussettonen.
-
-„Bangsat!” [68] siste zij Korman naderende; en Li loslatende, riep zij
-Messner toe: „Die rakkersche meid is al zwanger!”
-
-Toen kreeg Korman wat te hooren! Zus had een langen adem, en zij deed
-haar best; doch juist dit was haar noodlottig, want Korman had tijd van
-de verrassing te bekomen. Li had hem met haar groote zwarte oogen als
-om hulp smeekend aangezien, en hij voelde dat hier een daad van moed
-van hem verwacht werd. Geen moed bezittende, en zich ten sterkste
-bewust van zijn schuld en zijn minderheid, brak hij door dat alles heen
-tot dollen overmoed.
-
-Zus was perplex. Zóó was haar nog nooit de les gelezen, zóó’n katje had
-zij nog nimmer gehad; en dat van Korman, in presentie van haar... man!
-
-Li daarentegen was opgefleurd. In één bewondering was zij naast Korman
-gaan staan en had zijn hand gegrepen. Met fonkelende oogen zag zij haar
-zuster aan, gereed om, als Korman ophield, er het hare bij te voegen.
-
-Doch dat was niet noodig. Messner maakte een eind aan het standje door
-beide vrouwen naar achter te zenden. Toen wendde hij zich tot Korman.
-Hij bracht dezen zijn onwaardig gedrag onder het oog, naar welk
-gedeelte zijner redevoering door Korman nagenoeg niet geluisterd werd.
-Voorts deelde hij Korman mede dat hij van zijn plan om Li mede te nemen
-was teruggekomen, en wel vanwege de positie waarin het meisje
-verkeerde, doch dat hij hierbij één voorwaarde stelde, namelijk dat
-Korman dit en eventueel volgende kinderen zou doen wettigen.
-
-„Want anders,” eindigde hij, „kom ik weer hier en haal haar weg; bij
-God, dat zou ik. En je moogt daareven Zus gebluft hebben, mij zou je
-dat niet kunnen.”
-
-Dat wist Korman ook, en dus gaf hij zijn woord dat hij aan de door
-Messner gestelde voorwaarde zou voldoen.
-
-Gemakkelijker dan hij gedacht had, gelukte het Messner om Zus te
-overreden zich bij het feit, zooals dat was, neer te leggen, waartoe de
-vrees voor een tweede standje waarschijnlijk sterk meewerkte.
-
-De vriendschap scheen geheel hersteld toen Messner en Zus afscheid
-namen na de rijsttafel. Blijven overnachten en het werk rondgaan,
-zooals Korman voorstelde, wilde Messner echter niet.
-
-„Een andere keer,” zeide hij. „Vandaag ben ik niet in een stemming om
-lang bij je te kunnen zijn.”
-
-Op zekeren dag gingen Korman en Rencke naar de tuinen. Reeds sedert een
-week hadden zich rondom den hoogsten top van het gebergte wolkjes
-genesteld; een teeken dat er regen in aantocht was, doch er was nog
-geen enkele bui gevallen.
-
-Plotseling ontstond er een mist; het was alsof een der wolken van boven
-naar omlaag gegleden was. De beide europeanen konden het werkvolk niet
-meer zien, dat op de helling tegenover hen bezig was.
-
-„Djawoeh!” klonk het klagend en langgerekt, en van een anderen kant,
-als ware het de echo: „Bawoeh!”
-
-„Wat een lugubre geluid is dat,” zeide Rencke. „Mijn jongste zusje zou
-zeggen: ik vind het eng. Wat beteekent het?”
-
-„Djawoeh is regen,” antwoordde Korman. „En het andere is een soort van
-weerslag. Verder beteekent het, dat we ’t best doen om maar
-onmiddellijk naar huis te gaan, als we niet kletsnat willen worden.”
-
-Nauwelijks waren zij in Korman’s woning of het begon, eerst in groote
-droppels die als hagelsteenen klonken op het gegalvaniseerd ijzeren
-dak, en toen de volle regen, die een oningewijde op het denkbeeld moest
-brengen dat de heele rommel straks naar beneden zou komen.
-
-„Een practische dakbedekking,” schreeuwde Rencke, luider dan hij aan
-boord ooit een commando had gegeven, terwijl Korman zich vergenoegde
-met glimlachend te knikken.
-
-„Morgen de bedekking van de beddingen wat dunnen,” zeide hij, zoodra er
-kans bestond het geweld van den regen te overstemmen. „Denk er aan
-daarvoor een stuk of twintig koelies te geven. En ga zelf mee, want
-anders laten ze te veel alang-alang naar beneden vallen op de
-plantjes.”
-
-De bui werd weldra door meerdere gevolgd; en na een afwisseling van
-regen en onweer, kwam het eerste zachte morgenregentje, den
-definitieven inval van den Westmoesson aankondigende.
-
-„Heerlijk plantweer vandaag!” zeide Korman even vóór het begin van de
-rol bij Rencke binnenstappende.
-
-„Weer een nieuwtje voor mij,” antwoordde deze. „Hoe moet het gebeuren?”
-
-„Poeterans maken, een gat slaan met den patjol en planten,” expliceerde
-de chef.
-
-Rencke trok de schouders op. Hij zag in dat hij dit werk weer zou
-moeten leeren als al het vorige: toezien en volgens zijn beste weten
-handelen; van Korman kreeg hij niet anders dan antwoorden die hem al
-even wijs lieten als te voren. Deze bepaalde er zich toe alleen dan in
-te grijpen, als hij vreesde dat zonder dit de boel misliep, zooals nu,
-daar Rencke, niet wetende wat er gedaan moest worden, het volk niet kon
-indeelen.
-
-Heksenwerk was het niet; zelfs het poeterans maken was al zoo eenvoudig
-als iets. De grond tusschen de plantjes op de pépinières werd eerst
-vastgetrapt; dan werden er de koffieplanten uitgestoken met een kluit
-aarde er aan, die vervolgens met de arit werd gefatsoeneerd tot een
-cilinder; eindelijk werd het geheel op een pisang-blad gezet en
-ingewikkeld. Aan het touwtje waarmee het blad werd toegebonden—een
-bamboe-touwtje—werden lange einden gelaten, om het straks op den
-pikoelan [69] te kunnen bevestigen.
-
-Teneinde zich op de hoogte te stellen van de dikte of lengte die voor
-den poeteran vereischt werd, offerde Rencke een plantje op, dat hij
-uittrok om te zien hoever de wortels reikten. Hij zag de koelies den
-penwortel, waar deze onder den poeteran uitstak, afbreken; dit was het
-eenige waarover hij straks om inlichting vragen moest.
-
-Het planten... men wist in dien tijd nog niet van de moderne
-plantkuilen, hetgeen de koffie zeer ten goede kwam. In den plantkuil
-toch, die liefst een jaar te voren wordt gemaakt, om den grond te laten
-„verzuren” naar het heet, doch waardoor de binnenwanden als steen
-verharden, staat het plantje als in een bloempot; en tenzij later de
-koelies behoorlijk dicht onder den boom patjollen, en de wortels
-vrijheid verschaffen, stuiten deze overal, en krommen zich, tot de
-plant, na al het voedsel in den kuil te hebben verteerd, van gebrek
-doodgaat. Dikwerf ook rotten de wortels, daar het water in den kuil
-niet weg kan.
-
-Rencke vond maar één ding vervelend, en dat was de regen, die nu
-zachter dan harder viel, en waartegen een pajong [70] geen voldoende
-beschutting aanbood zoodra men over de terrassen liep. Hij was derhalve
-erg blij toen het tegen den middag opklaarde.
-
-Bij de tuinen waar geplant werd, had Korman zoogenaamde gardoe’s laten
-bouwen. Het waren alang-alang daken op zes stijlen, met een wand aan de
-windzijde. Zij dienden om de bibit te beveiligen tegen plotselinge
-stortregens, die anders van de poeterans al heel gauw een modderpapje
-zouden gemaakt hebben. Met de aan dit soort van werk eigen vlugheid
-stonden de gardoe’s reeds, toen de eerste bezending poeterans aankwam.
-
-Op het middaguur thuiskomende vond Rencke zijn chef bezig met iets wat
-hij in de verte aanzag voor gooien met stokken, doch nabijgekomen
-vernam „uitzoeken van dadap-stekken” te zijn. Deze stekken waren door
-javanen uit de dichtstbijliggende dessa’s aangebracht; stuk voor stuk
-werden zij nagezien, en al wat te dun of te droog was zoover mogelijk
-weggeslingerd. Dit laatste, zoo legde Korman uit, om te voorkomen dat
-zij ten tweeden male werden aangeboden. Na den middag werden de stekken
-aangepunt en naar de tuinen gebracht, om daar, één bij elke twee
-koffieplantjes, in den grond te worden gestoken. De dadap, die snel
-opgroeit, wordt nog steeds beschouwd als de beste schaduwboom te zijn.
-
-De afwisseling in het werk deed Rencke genoegen, hoewel het meer van
-hem vergde. Het was hoognoodig dat hij den geheelen dag bij het planten
-stond, om op te passen dat dit behoorlijk geschiedde; en toen men
-verder en verder van huis werkte, moest hij ’s middags zijn eten in de
-tuinen laten brengen, teneinde zoo min mogelijk tijd te verzuimen. Kwam
-hij dan ’s avonds thuis, doodmoe en meestal met natte kleeren, dan had
-hij weinig lust nog naar de administrateurswoning te gaan, doch vond
-het gezellig als Korman bij hem zijn bittertje kwam drinken.
-
-En de administrateur deed dat gaarne. Hij had in den laatsten tijd een
-onderwerp, waarop hij telkens terugkwam als hij alleen was met Rencke:
-de aanstaande bevalling van Li. Waar zij bij was, durfde hij het niet
-uiten, doch haar jeugdige leeftijd boezemde hem groote ongerustheid in.
-Hij had er over nagedacht haar naar de stad te brengen en door den
-dokter te laten bijstaan, maar hij was daarvan teruggekomen. Er warde
-iets door zijn hoofd van wetsbepalingen omtrent te jonge jaren,
-verkrachting, en nog veel meer, en hij vreesde dat er misschien lieden
-zouden zijn die zich ongeroepen met het geval bemoeiden. Aan den
-anderen kant wantrouwde hij de oude vrouw, die zich doekoen noemde en
-sedert een week in de bijgebouwen was gelogeerd. Wel vond hij bij
-Rencke weinig troost, doch het was hem een behoefte er over te praten.
-
-„Is men gehouden,” vroeg Rencke eens, „de kinderen die men bij een
-huishoudster krijgt, te adopteeren?”
-
-„Zeker niet,” antwoordde Korman. „Ik doe het, zieje. Ten eerste is Li
-van kind af bij ons geweest, en.... och, er zijn verscheiden redenen.
-Maar anders, neen; de meesten sturen hun ménagère weg als zij in
-positie komt.”
-
-„Zooals in Holland ’n maîtresse.”
-
-„Ongeveer; hoewel er daar niets vóór te zeggen valt.”
-
-„Hier dan wel?” vroeg Rencke. „Hoe rekent u dat uit?”
-
-„Dat zal ik je vertellen,” zeide Korman, zijn ledig glaasje naar het
-blad toeschuivend. „Een hollandsch kind, door zijn vader erkend, komt
-ginds op de hem toekomende plaats in de maatschappij, en behoeft voor
-niemand achter te staan. Alles wat aan hem in opvoeding wordt ten koste
-gelegd is positieve winst, en als hij een en ander derven moet, kan men
-gerust zeggen, dat het hem op een gemeene manier onthouden is.”
-
-„Logisch en waar,” merkte Rencke op; „doch dat geldt mijns inziens hier
-even goed.”
-
-„Neen. Dat geldt hier alleen dàn wanneer de vader in staat is het kind
-een supérieure opvoeding te geven, òf een fortuin na te laten. Kan hij
-dat niet, dan is het voor het kind tienmaal gelukkiger niet erkend te
-worden en inlander te blijven, dan zoo’n stakker van een arme sinjo te
-zijn, die overal moet achterstaan; met te weinig geld en opvoeding om
-’n heer te zijn, en te veel verbeelding van zijn stand om met
-handenwerk zijn brood te verdienen. Geloof me, ik heb families ontmoet
-waarvan, door een toeval of verzuim, een deel der kinderen niet erkend
-was. En dan waren de inlanders altijd gelukkiger dan hun zoogenaamde
-europeesche broers; ja, ik heb het zelfs gezien dat de laatsten door de
-eersten werden onderhouden!”
-
-„Ja, als dat zoo is, dan heeft u gelijk,” zeide Rencke. „Beter een
-tevreden inlander dan een ontevreden europeaan. En... niet ieder kan
-zijn wilde kinderen bij zijn familie introduceeren.”
-
-„Dat hangt er van af of je geld hebt,” zeide Korman. „Ik weet niet of
-er landen bestaan waar men rijke menschen veel durft zeggen, doch in
-Holland is dit niet het geval.”
-
-„U schijnt geen hoog denkbeeld te hebben van de maatschappij in ons
-vaderland.”
-
-„Een heel laag! Herinner je je dien ouden jonkheer van Crooswijk?”
-
-„Zeker,” zeide Rencke. „Als kinderen gingen we hem altijd feliciteeren,
-op nieuwjaar en op zijn verjaardag. We kregen dan geregeld iets voor
-onzen spaarpot. En des zomers kwam er zonder mankeeren een boodschap:
-of de jongejuffrouwen en de jongeheer lust hadden met den jonker naar
-de Grebbe te toeren.”
-
-„Dezelfde. Nu, ik moest indertijd, bij het afscheidnemen, beloven de
-correspondentie met hem aan te houden. Ik heb het trouw volgehouden; en
-waarom? Hij antwoordde geregeld en vulde zijn brieven aan met chronique
-scandaleuse, die ik, toen althans, gretig las. Ik heb zijn brieven nog
-liggen, ze maken een curieuze verzameling uit! En als ik soms hier eens
-gewetenskneepjes voel over het zoogenaamde immoreele leven in de Oost,
-dan sla ik dien bundel nog eens op, om bij den derden of vierden brief
-al uit te roepen: Ik dank u Heer, en zoo voort.”
-
-„Leest u in den laatsten tijd veel in die brieven?” vroeg Rencke
-ondeugend.
-
-„Loop naar de pomp!” zeide Korman, zijns ondanks lachend. „Jij hebt
-goed spotten; ik wou dat je er zelf eens zoo voor zat.”
-
-„Dat zal niet licht gebeuren,” antwoordde Rencke. „Ik zal bij
-voorkomende gelegenheid van uw wijze lessen gebruik maken.”
-
-Wie zich het minst ongerust maakte was Li. Zij was blij met wat haar de
-bevestiging toescheen van den band die haar met Korman vereenigde, en
-trotsch op het geval zelf. Meer dan vroeger wandelde zij ’s avonds den
-breeden weg op en neer, waarlangs het steeds toenemend getal
-„opgezetenen” zich huisjes had gebouwd; en het gelukkigst was zij
-wanneer Saminah, de huishoudster van Rencke, ex-weduwe Podrono, haar
-onverholen meedeelde dat zij haar benijdde.
-
-Zij liet zich de zorg waarmee Korman haar behandelde welgevallen, die
-beschouwende als een haar rechtmatig toekomende hulde. Alleen speet het
-haar dat Zus niet eens kwam kijken. Zij had haar een boodschap
-gezonden, maar Zus had terug laten zeggen dat zij geen tijd had.
-
-„Kassian,” zeide Li; „zij heeft altijd verlangd naar een kindje, en
-Papa Messner ook. En nu krijg ik het nog vóór haar!”
-
-„Ik wou dat het er al was,” bromde Korman.
-
-„Alles moet zijn tijd hebben,” zeide Li, zijn ongeduld aan heel andere
-oorzaken toeschrijvende.
-
-Onder de minst aangename werkzaamheden op een koffieland behoort
-ongetwijfeld het geldtellen. Als ’s avonds de plajangan aankomt met
-twee witte zakken op zijn picol-paard [71] en begeleid door een
-gewapenden mandoer, dan weet iedereen dat de volgende morgen dat werkje
-meebrengt, en hoopt maar dat het „plezierig” geld zal zijn. Want de
-remise uit Soerabaja wordt eer zij naar de onderneming gaat, in de stad
-gewisseld door den opiumpachter, die natuurlijk geeft zooals hij het
-heeft liggen; soms met veel rijksdaalders en guldens—en dat is
-plezierig geld—maar ook dikwijls met voor ’t grootste deel kwartjes en
-dubbeltjes òf... en dat is het algemeenste!.... duiten.
-
-Dan kan men zich aan ’n duizend gulden of vijf, zes de vingers moe
-tellen, om niet te spreken van het feit dat het nooit wil uitkomen, en
-men zich blind staart om te ontdekken waar er maar vier geldstukken op
-een worp liggen, of zes, in plaats van de vereischte vijf.
-
-Op zulk een morgen moet alles wat tellen kan meehelpen.
-
-Korman vergat ditmaal zijn bezorgdheid voor Li, en deze telde ouder
-gewoonte dapper mee, lachend om Rencke die den slag nog maar niet kon
-beetkrijgen, niettegenstaande hij al zoo dikwijls had meegedaan.
-
-Het liep tegen tien uur eer men klaar was. Rencke ging dadelijk na
-afloop naar het werk, en Korman bracht de geldzakken, elk van vijftig
-gulden—voor het gemakkelijk uitgeven—in zijn kantoor en in de
-brandkast. Daarna ging hij op zijn gewone omslachtige manier aan het
-inboeken.
-
-Li was naar de slaapkamer gegaan om haar handen te wasschen. Zij had
-haar kabaja uitgedaan, en plaste met genot in de waschkom. Geld heeft
-namelijk de eigenschap om iemand een gevoel van vuil-zijn te bezorgen,
-dat zich veel verder uitstrekt dan de werkelijk bevuilde gedeelten,
-doch daarentegen weer verdwijnt als men zich die gedeelten reinigt.
-
-Plotseling werd het haar wee om het hart. Ze had nauwelijks kracht om
-haar handen af te drogen en naar het bed te wankelen.
-
-„Nèk!” [72] riep ze, zich steunend tegen den rand van de matras,
-machteloos zich op te hijschen.
-
-Er was gedurende eenige oogenblikken wat opschudding in het achterhuis,
-doch toen werd alles stil. Met de kalme zekerheid van iemand die dat
-werk al dikwijls verricht heeft, en betrekkelijk onverschillig is
-omtrent den afloop, althans niet vatbaar voor eenige zenuwaandoening,
-hielp de oude doekoen.
-
-Korman was gereed met zijn inboeking. Hij ging naar het venster en
-bekeek de strakke grauwe lucht. Het zag er niet uit alsof er vóór den
-middag nog regen zou komen, dus kon hij wel eens naar de tuinen gaan.
-Drie, viermaal moest hij roepen eer hij antwoord kreeg, en toen was het
-de staljongen die om den hoek van het achterhuis naar het venster kwam.
-
-„Laat een glas water brengen, en zadel den zwarte,” gebood Korman.
-
-De staljongen scheen te aarzelen....
-
-„Ajo, Gévédé!”
-
-Ook al goed, dacht de staljongen, en naar achter schreeuwende dat
-meneer water wilde hebben, ging hij naar de gedogans om den zwarte op
-te tuigen.
-
-Met een glas water op een blaadje kwam de huisjongen het kantoor
-binnen.
-
-„Sampoen,” [73] zeide hij doodbedaard.
-
-„Wat?” vroeg Korman, het glas opnemende.
-
-„Het kind van mijnheer,” was het antwoord.
-
-Glas en inhoud kwamen den jongen in ’t gelaat... Wat is dat nu? vroeg
-hij zich af, de scherven oprapende. Rare lui, die europeanen... eerst
-zijn ze er niet bij als hun vrouw bevalt en dan, als het kind er is,
-doen ze alsof zij dronken zijn....
-
-Met vaart was Korman de kamer binnengevlogen, en vond daar alles in de
-beste orde afgeloopen. Li lag, licht gedekt en stevig ingespeld, op het
-groote ledikant met een uitdrukking van voldoening toe te zien op
-hetgeen er met de jonggeborene geschiedde, die met vereende krachten
-van doekoen en kokki tot een toonbaar menschenkind werd gemaakt.
-
-Zich voorzichtig over haar heenbuigende gaf Korman Li een kus, en zich
-daarop tot de andere vrouwen wendende, verweet hij haar dat zij hem
-niet geroepen hadden.
-
-De doekoen deed hem opmerken dat zij de nonja niet alleen had kunnen
-laten; kokki had de doekoen moeten helpen, de huisjongen had kokki
-moeten helpen, en de staljongen had water gehaald.
-
-Het kind was klaar en werd aan den vader getoond.
-
-„Gévédé, kleine deugniet, heb ik om jou zoo lang in de penarie
-gezeten,” zeide Korman, de kleine op het dikke wangetje streelend.
-
-Dat was het welkom in het leven, Hendrika Korman door haar vader
-toegeroepen!
-
-Want het was een meisje. Maar meisje of jongen, zijn eerstgeborene zou
-naar zijn overleden vader gedoopt worden, had Korman bepaald, in de
-stille hoop daarmee een groot gedeelte van het pleit te winnen dat hij
-bij zijn moeder te bezorgen had, die, dat begreep hij, zijn „oostersch
-huwelijk” ten zeerste zou afkeuren.
-
-De eerste dien Korman ontmoette toen hij de slaapkamer verliet, was de
-huisjongen, die hem met een uitgestreken gezicht vertelde dat de zwarte
-gezadeld was, en vóór stond. Een draai om de ooren was zijn loon.
-
-„Uitspannen,” beval Korman, in de voorgaanderij komende; doch toen de
-staljongen met het paard halverwege den stal was, riep hij hem terug.
-
-Na een kort briefje te hebben geschreven gaf hij dit aan den
-staljongen, hem gelastende te paard naar Donowarie te rijden en het den
-heer Messner te overhandigen.
-
-Toen Rencke ’s avonds thuis kwam vernam hij het groote nieuws. Hij
-verkleedde zich en ging naar de administrateurswoning om Korman te
-feliciteeren. Tegelijk met hem arriveerde Zus. Zij had geen kracht
-gehad zich langer boos te houden, en nu was zij gekomen om op Li te
-passen en niet eer weg te gaan voor deze weer op de been was.
-
-Het planten was afgeloopen. Ruim honderdvijftig bouws stonden in den
-grond, en niet zonder voldoening zond Korman dit bericht aan zijn
-geldschieter. Deze was op zijn beurt ook tevreden, en schreef terug dat
-hij Korman in overweging gaf het volgende jaar meer europeesch
-personeel aan te stellen en zoo mogelijk de geheele duizend bouws aan
-te planten.
-
-In de oudste tuinen was het onkruid al weder hoog opgeschoten. Hierin
-werd nu begonnen de aarde met den patjol om te werken, welke bezigheid
-men dangir noemt, en waarbij tevens de wortels van het onkruid uit den
-grond verwijderd worden. De order luidde, dat de omwerking een voet
-diep geschieden moest.
-
-De boschkappers gingen intusschen steeds voort met bouw na bouw tegen
-den grond te leggen. Van een paar dikke stammen in de nabijheid van den
-breeden steen aan de kalie, had Korman, door ze met den wadoeng [74]
-ruw te laten bekappen, een stel brugliggers gemaakt. Na aan weerszijden
-een met steenen aangevuld bruggehoofd te hebben opgeworpen, werden deze
-leggers over de kalie gebracht. Dwars er over heen werden
-bamboe-petong, de een naast de ander bevestigd en gedekt door een
-sassak—vlechtwerk van bamboe—, terwijl een dubbele leuning het geheel
-voltooide. Later, als men eens zagers kon krijgen, zou de sassak door
-planken worden vervangen.
-
-„Als je soms trek hebt eens naar Donowarie te gaan, moet je het nu
-doen,” zeide Korman op zekeren dag tot zijn employé. „Over een paar
-weken moet er begonnen worden met soelammen; en daar moet je den
-geheelen dag bij zijn.”
-
-„Heel graag,” antwoordde Rencke. „Moet ik belet laten vragen?”
-
-„Er gaat straks een koelie. Ik zal meneer Messner laten weten dat je
-komt. Morgen dan?”
-
-„Ja, alsublieft. En... u noemde daareven de aanstaande werkzaamheid,
-soe...”
-
-„Soelam? O, dat is de niet geslaagde bibit en dadap door nieuwe
-vervangen.”
-
-„Dank u,” zeide Rencke, en naar huis gaande repeteerde hij het nieuw
-geleerde woord, teneinde het voorgoed in zijn geheugen te prenten.
-
-Toch, hij had in de taal goede vorderingen gemaakt. Eenmaal het
-maleisch machtig, behoefde hij niet meer te vreezen dat zijne orders
-onbegrepen zouden blijven, want alle mandoers spraken deze lingua
-franca van den N. I. archipel. Daarop was hij begonnen aan het
-javaansch, hetwelk hij methodisch leerde.
-
-Ten eerste nam hij geen enkel woord op of hij liet het eerst voor zich
-opschrijven, èn in het laag- èn in het hoog-javaansch. Hiermee bereikte
-hij een dubbele uitkomst, te weten dat hij de woorden zuiver uitsprak,
-en behoorlijke schifting hield tusschen de beide talen waaruit het
-javaansch bestaat. Toen hij wat verder was, bemerkte hij heel goed dat
-Korman dikwijls hoog-javaansche woorden gebruikte en weer andere
-woorden zóó slecht uitsprak, dat enkel inlanders die aan hem gewoon
-waren ze verstonden.
-
-Ten tweede oefende hij zich met zijn huishoudster in het spreken van
-het hoog-javaansch, iets wat slechts weinige europeanen kunnen, omdat
-er voor hen bijna geen gelegenheid bestaat het te doen.
-
-Eindelijk leerde hij ook schrijven, te beginnen met de
-mandoers-boekjes, die hij in javaansche karakters bijhield.
-
-In den vroegen morgen reed Rencke de kampong uit. De levendige beweging
-van den plongko, en het vooruitzicht van een paar aangename dagen te
-zullen doorbrengen, gaven hem een hooggestemd gevoel. De beplante
-tuinen doorrijdende—zijn werk!—zag hij met welgevallen neer op de
-frissche bibit met haar teeder groen en lichtbruine topblaadjes; en hij
-liet zijn verbeelding werken, het slechte pad herscheppende in een
-gemakkelijken breeden weg, een gezelschap rondom zich tooverende,
-bestaande uit geliefde figuren in Holland, aan wie hij alles uitlegde,
-hij zelf chef van de onderneming, door allen bewonderd; tot hij hardop
-iets zeide en schrikte van het geluid van zijn stem.
-
-Met een schok stond de plongko stil, en Rencke, nu geheel ontwaakt uit
-zijn droomerij, hoorde een sterk geblaas en zag tegenover zich een
-twintigtal honden. Het waren mooie beesten; geel, langharig, met
-pluimstaarten en spitse koppen. Zonder zich rekenschap te geven van wat
-hij deed, drukte Rencke zijn paard met de hakken. Trillend van angst
-nam de plongko een geweldigen sprong vooruit. Op de honden had dit een
-merkwaardigen invloed; zij lieten hun dreigende houding varen en slopen
-naar links en rechts de tuinen in, om, toen Rencke gepasseerd was en in
-vliegenden ren verder holde, hem een geblaas achterna te zenden als
-waarmee zij hem daareven begroet hadden.
-
-Het is mogelijk dat er menschen zijn die van niets schrikken, die aan
-geenerlei aandoening van zenuwen onderhevig zijn; doch in den regel zal
-hij, die voor het eerst van zijn leven alleen staat tegenover een wild
-dier, zich niet op zijn gemak gevoelen. Het hart klopt sneller; een
-vreemd samentrekken der spieren doet het lichaam als ’t ware
-verstijven; men wil wegloopen, maar kan niet: de beenen weigeren
-eenvoudig den dienst. En niet zelden zal de jager die voor ’t eerst is
-uitgegaan zijn anders wisse prooi laten voorbijgaan, zonder te
-schieten; omdat hij niet durft.
-
-Bij europeanen is dat wellicht sterker dan bij inlanders. Maar is het
-wonder? Reeds de kindermeid begint den hollandschen jongen met
-weergalooze brutaliteit beschrijvingen te geven van wolven, tijgers,
-leeuwen en wat al niet, die zij nooit van haar leven in hun werkelijken
-staat zag. Later leest hij romans, verre landen teekenende die de
-schrijver nooit bezocht, met minstens één gevaarlijke ontmoeting „in
-het woud,” of het reisverhaal van een engelschman, die eens een olifant
-gezien heeft, waarop een andere engelschman bijna eens een tijger...
-door een troep met pieken gewapende inlanders heeft zien afmaken. Als
-hij wat veel van die dingen gelezen heeft, kan hij ze zelf maken, voor
-een opstel op school, waarvoor de onderwijzer niet missen zal hem een
-extra cijfer te geven. Voorts ziet hij in Artis de slaperige,
-zindelijke exemplaren, die daar achter nette tralies te kijk staan;
-lieve zachte dieren; die hoogstens eens grommen als men ze met
-steentjes gooit, doch waarvoor hij, opgevoed als hij is, behoorlijk
-bang is.
-
-Stuur nu zoo’n jongen in het bosch....
-
-Rencke was geschrokken, en hij erkende het toen de heer Messner hem
-vroeg of hij een plezierig ritje gemaakt had.
-
-„Wolven?” vroeg Messner, nadat Rencke zijn verhaal gedaan had. „Die
-hebben we hier niet. Maar geel, en langharig... dat moeten zoogenaamde
-asoeh wawar zijn. Ik dacht niet dat die in deze streken voorkwamen; zij
-hooren meer op het Zuidergebergte thuis. Maar laat een val zetten, als
-je thuiskomt.”
-
-Rencke beloofde dat hij het doen zou, en vroeg of die dieren gevaarlijk
-waren.
-
-„Neen,” zeide Messner. „Een paard alleen zouden ze wel aanvallen, maar
-een mensch... enfin, je hebt het zelf ondervonden. Trouwens, mijn
-ondervinding is dat alle dieren den mensch ontloopen als zij kunnen, en
-althans den europeaan.”
-
-De drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, verschaften hem veel
-genot. Het nette huis, het vrije leven, de aangename omgang met
-Messner, ziedaar drie zaken die hem als ’t ware opfrischten, na al de
-dufheid van het geheele zijn en werken te Watoeombo. Daarbij kwam nog
-iets. Hem was al heel gauw het verschil opgevallen tusschen het werk op
-deze onderneming en die welke hij verlaten had, en in tegenstelling van
-de onduidelijke antwoorden die Korman hem steeds gaf als hij om
-inlichting vroeg, verklaarde Messner hem alles wat hij weten wilde, op
-een duidelijke heldere wijze, redegevend tot in de minste kleinigheden.
-
-Met verbazing aanschouwde Rencke de mooie horizontale terrassen.
-
-„Zie,” zeide Messner; „dat doe ik zóó. Ik neem op een der golvingen van
-het terrein, op de helling, een punt—ongeveer in het midden van den
-afstand tusschen het ravijn en den loengoer—en daar steek ik een andjir
-in den grond. Thuis heb ik een lat van een voet of twaalf lang, mooi
-recht geschaafd, en daaraan heb ik een soort vizier gemaakt van twee
-spijkers, aan de uiteinden ingeslagen. Op die lat zet ik een gewone
-bel—je zoudt het ook met een timmermanswaterpas kunnen doen—en ik richt
-haar op de volgende golving van mijn terrein en ook in de holte.
-Dezelfde bewerking doe ik, na van uit het eerste punt naar boven en
-beneden andjirs te hebben gezet op den vereischten afstand, nog eens
-zoo hoog mogelijk, èn aan den voet van het ravijn. Daarna kan de
-meet-mandoer de rest afzetten. Hij heeft nu genoeg vaste lijnen om zich
-naar te richten. Zouden door te groote steilte van de terreinholten, de
-terrassen iets te smal worden, dan laat hij er hier en daar een
-uitvallen en de anderen doodloopen; men noemt dat anakans.” [75]
-
-„Hoe doodeenvoudig!” riep Rencke, die met de grootste aandacht had
-toegeluisterd, uit; „en toch zoo afdoende. Mag ik u nog wat vragen?”
-
-„Ga gerust je gang,” zeide Messner.
-
-„Het is dit: ik zie bij u roode aarde op den kant en zwarte op het
-terras. Op Watoeombo is dat in verscheiden tuinen juist omgekeerd, òf
-er ligt op allebei zwarte aarde.”
-
-„Dat begrijp ik best,” antwoordde Messner. „Als jelui terrassen maakt,
-ga je dan niet aan ’t uitkappen, zóó dat de andjir op het midden van
-het terras komt te staan, terwijl je de aarde naar beneden werkt?”
-
-„Juist,” zeide Rencke.
-
-„Nu, hier geschiedt dat anders. Mijn andjirs geven den rand van het
-terras aan. Van uit de plaats waar ze staan begint de koelie te kappen;
-hij spreidt de zwarte aarde naar links uit en hakt dan in den rooden
-grond, dien hij naar beneden, op den rand van het terras werkt;
-zoodoende ondergraaft hij de zwarte aarde, die straks met een plof op
-het terras valt. Dit laatste bespaart den koelie eenig werk, en ik houd
-zwarte, vruchtbare aarde op het terras, terwijl de onvruchtbare roode
-op den kant ligt; en, daar deze harder is, tevens den bodem versterkt
-en eenigermate aard-afschuivingen voorkomt.”
-
-Het was na verscheiden dergelijke inlichtingen, dat Rencke Messner
-vroeg of er handleidingen bestonden over de koffiecultuur.
-
-„Voor zoover ik weet niet,” was het antwoord. „Feitelijk is onze
-cultuur nog in de lange kleeren. De meeste administrateurs werken,
-zooals zij dat als opzichter hebben geleerd; enkelen vinden een
-verbetering uit en probeeren die, waarna zij langzamerhand bekend wordt
-en meer algemeen toegepast. Het meest wordt er geknoeid bij de
-gouvernementscultuur. Ik noem het knoeien, al die nieuwe probeersels
-van jonge ambtenaren, die nog geen voldoende ondervinding hebben om te
-voren eenigszins de gevolgen van hun nieuwigheden te kunnen voorzien.
-Maar.... ik zal me wel wachten het hardop te zeggen; het is zoo
-gemakkelijk voor ons om toe te zien, en te leeren hoe men het niet moet
-doen, en een enkel maal hoe het wèl kan gedaan worden.”
-
-„Laat het gouvernement dergelijke beunhazerij maar toe?” vroeg Rencke.
-
-„Och ja,” zeide Messner. „Wie is het gouvernement?”
-
-„Wel,” meende Rencke, „in de eerste plaats de Gouverneur-Generaal.”
-
-„Geraden!” riep Messner uit. „Je spreekt als een oud-zeeman. De
-commandant!—dat is „de man die het weet”, de verantwoordelijke persoon.
-Best! Maar, aangenomen dat een commandant van een oorlogsschip van
-alles aan boord verstand heeft, en het desnoods zelf zou kunnen
-vóórdoen—denk je dat er iemand bestaat die in bestuurszaken dezelfde
-positie zou kunnen innemen?”
-
-„In zekeren zin, ja!” zeide Rencke. „Zoomin als de commandant van een
-schip zelf een touwtje kan splitsen, maar drommels goed weet hoe een
-behoorlijk gesplitst touw er uitziet, zoo goed kan een
-Gouverneur-Generaal weten hoe alles moet zijn wat onder zijn beheer
-staat, zonder het persoonlijk te kunnen aangeven. En evenals de
-commandant, kan ook hij een standje of straf uitdeelen als er iets
-verkeerd gedaan is, zonder in verdere explicatie te treden omtrent het
-hoe; dàt moeten de betrokkenen zelf maar weten.”
-
-„Je vergeet één ding,” merkte Messner aan; „dat een commandant van
-jongsaf is opgeleid tot zijn baantje, en een Gouverneur-Generaal niet.
-Ja ik vraag, als er eens iemand was, die door ondervinding, van alle
-details in de kolonie voldoende op de hoogte was om er over te kunnen
-oordeelen en beslissen, hoe zou zoo iemand, die dan natuurlijk
-gedurende tal van jaren een zeer warrig leven moest hebben geleid, in
-ondergeschikte betrekkingen van allerlei aard,—hoe zou zoo iemand ooit
-in aanmerking kunnen komen, als men uitziet naar een
-Gouverneur-Generaal?”
-
-„Maar als men het is...?”
-
-„Dan heeft men geen tijd en geen gelegenheid. De Gouverneur kan niet
-vandaag op een paard gaan zitten en de binnenlanden inrijden, morgen de
-handelskantoren afloopen en overal inlichtingen vragen—zijn positie
-verbiedt hem dergelijke vrije beweging. Hij moet op adviezen regeeren
-en kan niet, al wilde hij nog zoo graag, door eigen oogen zien. Ook zij
-die hem adviseeren gaan weer af op adviezen van lagere ambtenaren; en
-dit daalt steeds meer, totdat... wie is nu het gouvernement?”
-
-„Ja, als men het zoo beschouwt, juist zij die uit gebrek aan routine
-knoeiers zijn,” gaf Rencke toe.
-
-Het waren slechts drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, doch
-hij had in dien korten tijd meer geleerd dan in al de maanden die hij
-te Watoeombo had gesleten. De gave bezittende van te kunnen zwijgen
-waar het pas gaf, pronkte hij thuiskomende niet met de opgegaarde
-wetenschap, doch paste die toe waar hij kon, en nam zich voor die
-eveneens te gebruiken als hij later geroepen werd tot ontginning van
-nieuwe gedeelten.
-
-Op de plaats waar hij de wilde honden had ontmoet, liet Rencke een val
-zetten. De vindingrijkheid der inlanders had kans gezien daarbij
-gebruik te maken van een levend aas, doch zóó dat dit—het was een
-geitje—niet het minste gevaar liep van te worden verslonden. De val was
-gemaakt van bamboe, en had den vorm van een doos zooals de apothekers
-gebruiken om poeiers in te doen. Achterin stond de geit, vastgebonden
-aan een der stijlen van den achterwand. De voorzijde was open, doch
-daarboven hing een valdeur, aan een der armen van een evenaar. Viel die
-deur, en ging daarmee de eene arm naar omlaag, dan trok de andere arm
-van den evenaar een bamboe beschotje, dat in den grond gelaten was,
-door een sleuf in den bodem naar omhoog, en scheidde zoodoende de val
-in twee compartimenten: in het kleine de geit, in het grootere het
-gevangen dier.
-
-Met deze vernuftige inrichting ving Rencke twee exemplaren, waarvan tot
-zijn groote blijdschap één teef die, naar het uiterlijk te oordeelen,
-binnen weinige dagen het hare zou doen ter voorkoming van het
-uitsterven van het wilde hondenras. Hij doodde het andere dier. Ook de
-teef moest dat lot ondergaan, doch eerst nadat zij een tweetal jongen
-zoover had grootgebracht, dat deze het zonder haar konden stellen.
-
-Hij bood er een aan Korman aan, doch deze was bang voor ongelukken, met
-het oog op de kleine meid; dus werd de versmade op zekeren dag met de
-pooten aaneengebonden over een pikoelan [76] gehangen, en naar
-Donowarie gebracht, waar hij ten huize van Messner een vriendelijk
-onthaal vond.
-
-Nog eenmaal in dien westmousson moesten de tuinen schoongemaakt worden.
-De grond op de terrassen echter nog los genoeg zijnde, werd er nu niet
-gedangird, doch alleen het onkruid, waaronder zich reeds de zoo gehate
-alang-alang vertoonde, met den arit weggesneden; een werkzaamheid door
-de Javanen babad genoemd, en waartoe zoowel mannen als vrouwen werden
-gebruikt.
-
-Korman had intusschen een drukke correspondentie gevoerd met den heer
-Benoit. Op diens voorstel over de ontginning der geheele duizend bouws
-had hij instemmend geantwoord, en hem verzocht in de Soerabajasche
-bladen een advertentie te laten zetten, waarbij sollicitanten naar een
-opzichtersbetrekking werden opgeroepen. Het aantal jongelieden buiten
-betrekking kon in dien tijd nog geteld worden; doch Benoit had zijn
-eigen naam onder de advertentie gezet; en de reputatie die van hem
-uitging, dat hij ijverige jongelui wel eens voorthielp tot eigen zaken,
-maakte dat er meer aanbiedingen kwamen dan anders het geval zou geweest
-zijn.
-
-Uit de ontvangen brieven zond Benoit er drie aan Korman, met den raad
-de schrijvers er van alle drie te nemen, en inzonderheid Jhr. van
-Everdingen tot Aardam, met wien Benoit, naar hij schreef, reeds in
-nadere onderhandeling was getreden over het voorstel, dat Korman in den
-brief zelf zou lezen.
-
-Op de beide andere brieven beschikte Korman onmiddellijk gunstig,
-zoodat Gerlings en Biezeman aanschrijving kregen om met den eersten der
-volgende maand in dienst te komen, doch de brief van van Everdingen,
-met de speciale aanbeveling van Benoit, woog hem zwaar op het hart.
-
-Wat toch was het geval. Van Everdingen was pas in Indië gekomen, op een
-in dien tijd zeldzame wijze, namelijk met eenig fortuin. Hiervan bood
-hij aan dertig duizend gulden in Kormans onderneming te steken, mits
-hij er een betrekking kreeg en een aan zijn inbreng geëvenredigd
-aandeel.
-
-Korman vloekte zich stijf, maar hij begreep dat er niets aan te doen
-zou zijn. Hij schreef aan Benoit dat hij de voorloopige regeling geheel
-aan hem overliet, en verzocht alleen vóór de definitieve sluiting der
-overeenkomst daarvan inzage te mogen hebben.
-
-Toen zocht hij Rencke op, om bij dezen zijn gemoed uit te storten. De
-employé vond ook dat een dwang, als die welke de geldschieter aldus
-uitoefende, voor Korman onaangenaam was. Daarbij vreesde hij, en hij
-zeide het aan Korman, dat de komst van een compagnon hem in zijn
-bevordering zou achteruit zetten.
-
-„Om den dood niet!” riep Korman uit. „Die lamme 30 mille mogen hem al
-een aandeel in de zaak verschaffen, maar in geen geval een hoogere
-betrekking, dan hij door zijn werk verdient. Maak je niet ongerust. Ik
-begrijp trouwens niet, dat Benoit het doet. Wat beteekent die som voor
-hem—in een onderneming waar minstens een half millioen in gaat? Het is
-om een dwarskijker te hebben, anders niet!”
-
-„Als ik het had geweten,” zeide Rencke, „dan had ik van mijn familie
-ook wel een dergelijk bedrag kunnen krijgen.”
-
-„Zwijg er over, alsjeblieft,” verzocht Korman. „Benoit is in staat en
-maakt van al mijn employé’s nog compagnons!”
-
-„Het idée was misschien nog zoo kwaad niet,” vond Rencke. „U zoudt op
-groote ambitie staat kunnen maken; ieder zou ook voor zijn eigen belang
-werken.”
-
-„Behalve als het een luilak was, die dacht: ze kunnen mij er toch niet
-uitzetten,” zeide Korman.
-
-Toen hij het geconcipieerde contract las, glimlachte Korman echter. In
-hoofdtrekken luidde het aldus: De onderneming zou in tweeën gesplitst
-worden, elk deel groot 500 bouws. Tot het eerste deel behoorde al wat
-tot nu toe ontgonnen was, met nog tweehonderd bouws; het tweede deel
-was geheel onontgonnen grond. Hiervan zou van Everdingen een half
-aandeel bekomen voor dertigduizend gulden, waarvoor Korman’s rekening
-werd gecrediteerd. Benoit zou voorts werkkapitaal blijven verstrekken;
-ten eerste voor Korman’s aandeel, en ten tweede voor van Everdingen,
-tenzij deze het zelf wilde bijpassen.
-
-„Begrepen!” zeide Korman bij zich zelf. „We drukken hem dood met de
-rente.” Nu hij wist waaraan hij zich te houden had, vond hij het minder
-erg dan in het begin.
-
-De beide employé’s, Gerlings en Biezeman, arriveerden tegelijk. De
-eerstgenoemde was een jong man van korte gestalte, zwart haar, bruine
-oogen en een klein, mager kneveltje. Hij praatte veel en lachte steeds.
-Overigens toonde hij een beschaafd en welopgevoed man te zijn.
-
-Biezeman was een gewezen matroos. Reeds lang in de koffie en in de
-suiker werkzaam geweest, had hij van zijn verschillende chefs de
-manieren overgenomen, die hem van ieder afzonderlijk het meest
-beschaafd voorkwamen, daardoor een potsierlijk ensemble vormende. Als
-hij zijn hand uitstak, dan herkende men daarin dadelijk de wijze waarop
-meneer A., administrateur van die of die fabriek, dat ook deed; doch
-waar deze met een welgevormde kleine hand een gracieuse voorwaartsche
-beweging maakte, daar was de imitatie dier beweging, met een groven
-klauw vol blauwe ankers en hartjes van Biezeman, eenvoudig koddig.
-Meneer B., van een koffieland in Midden-Java, droeg zijn zachten,
-langen baard, netjes gescheiden, in twee punten uitloopend. Wacht,
-zeide Biezeman, en kamde en borstelde net zoo lang, tot zijn als van
-rood koperdraad vervaardigde gelaatsversiering eveneens met twee harde
-punten pronkte. Meneer C., een derde chef, was gewoon „Amice!” boven
-aan de briefjes te zetten, die hij zijn employé’s stuurde, en sedert
-schreef Biezeman „Amize!” onverschillig aan wien.
-
-Zoo kon men nog veel verder gaan, maar dat alles nam niet weg dat
-Biezeman een flink en trouw werkman was, die èn daarom èn om de
-komische stof die hij leverde, overal gemakkelijk een betrekking kon
-krijgen.
-
-Hij bracht een huishoudster mee en twee jongetjes: aanstaande
-Gombonggers [77], zooals hij hen voorstelde.
-
-Korman zette beiden onmiddellijk aan het werk. Er moest een grensweg
-gemaakt worden, die de scheiding aangaf tusschen de twee perceelen
-waarin Watoeombo verdeeld werd. Van het midden uitgaande, werkte
-Biezeman de eene helft af en Gerlings de andere.
-
-Voorloopig waren de beide nieuwe opzichters onder dak gebracht in een
-oud kampong-huis, terwijl Biezeman’s huishoudster ook voor Gerlings
-kookte. Dit huis was, met dat van Rencke, het laatste dat nog stond
-onder de boomen; de oude koelie-loods en andere gebouwen waren allen
-verdwenen; en straks, als het huis dat voor Rencke opgetrokken werd,
-gereed was, en deze nieuwe opzichters naar hun standplaatsen zouden
-vertrokken zijn, dan moesten ook de groote boomen vallen en zou daarmee
-het eenige schilderachtige plekje dat op Watoeombo te vinden was,
-weggevaagd worden.
-
-Ongeveer veertien dagen na de aankomst van de beide opzichters, ontving
-Korman bericht dat van Everdingen op reis was naar hem toe. Hij gaf
-Rencke daarop den welkomen last om naar de stad te rijden en den
-nieuweling af te halen; een opdracht die Rencke daarom dubbel aangenaam
-vond, omdat Korman, sedert Biezeman er was, zich bijna uitsluitend met
-dezen occupeerde, waarbij zich het eigenaardige verschijnsel voordeed,
-dat hij, die in en door den omgang met Rencke zich even beschaafd als
-deze wist te gedragen, thans hoe langer hoe meer tot een soort van ruwe
-ongegeneerdheid verviel, die men Biezeman vergaf, doch in Korman
-stuitend was.
-
-Rencke vond van Everdingen in het logement, in druk gesprek met een
-heer van buitengewoon groote lichaamsgestalte. Hij stelde zich voor en
-vernam dat de vreemdeling van Os heette en gepensionneerd kapitein was.
-
-„Meneer van Os denkt overmorgen met ons mee te gaan naar boven,” zeide
-van Everdingen.
-
-„Eens kijken of er nog woeste gronden zijn, geschikt voor koffie,”
-vulde van Os aan.
-
-„Ik zou denken van wel,” zeide Rencke. „Is u ook van het vak?”
-
-„Neen, ik ben pas uit den dienst. Daarom zoek ik wat in de buurt van
-een ander land, zieje; dan kan ik afkijken,” antwoordde van Os, terwijl
-Rencke moeite had zich goed te houden.
-
-„Is die meneer wel recht bij het hoofd?” vroeg hij later, toen hij met
-van Everdingen naar de sociëteit liep.
-
-„Ik geloof dat hij zich dommer voordoet, dan hij is,” antwoordde deze.
-„Hij heeft, naar hij zegt, verscheiden ondernemingen bezocht en
-bevonden dat koffieplanten geen heksenwerk is. Enfin, hij moet zelf
-weten wat hij doet; in alle gevallen is hij een gezellig prater, en mag
-ik lijden dat hij in onze buurt komt.”
-
-Rencke en van Everdingen konden het samen al dadelijk goed vinden. Als
-bij intuïtie gevoelden zij dat zij in denzelfden stand thuis behoorden;
-en mag het al zijn dat in het moederland de edelman en de patriciër
-niet altijd harmonieeren, in de kolonie sluit zich een verdwaald
-solitair uit de upper ten thousand gaarne bij zijns gelijke aan, als
-hij dien bij toeval ergens tegenkomt te midden der lower millions.
-
-Rencke had belet laten vragen bij den resident. Thuiskomende in het
-hôtel, vond hij een uitnoodiging om zijn bezoek uit te stellen tot den
-volgenden dag, en wel in den naävond, daar er dan dansreceptie was. Van
-Everdingen had dezelfde invitatie den vorigen dag reeds ontvangen.
-
-Hoewel Rencke reeds na die weinige maanden den invloed gevoelde van de
-afzondering in de binnenlanden, was hij echter spoedig weer op dreef;
-en hij zoowel als van Everdingen, waren schitterende figuren op het
-bal. De resident, die daar bij de schaarschte aan cavaliers sterk op
-lette, vloeide over van vriendelijkheid jegens hen, en hield een
-lofrede op Korman, die zulke nette jongelui aan zich wist te verbinden.
-
-Ook de heer van Os was op de partij aanwezig, en had zich
-verdienstelijk gemaakt door de residentsvrouw voor de quadrilles te
-engageeren, waarvoor de jongelui hem in stilte eeuwigen dank zwoeren,
-en niet minder door met zijn krachtvol orgaan deze dansen te
-commandeeren, zóó goed, dat de resident hem ten volle vergiffenis
-schonk voor het niet deelnemen aan de rondedansen, en hem later op den
-avond zijn steun toezegde als de heer van Os mocht besluiten in dit
-gewest gronden aan te vragen.
-
-Een behoorlijke partij in de binnenlanden eindigt niet voor zonsopgang,
-zoo ook deze niet. Rencke en van Everdingen stapten dien morgen als het
-ware zoo uit het residentiehuis de badkamer in. Toen zij daar weer
-uitkwamen, en de kamer van van Os passeerden, riep deze hen aan, en
-ging hen voor naar binnen. Achter de deur stond een knaapje, en daarop
-een veldflesch, waarvan de stop tevens als kroes dienst deed.
-
-„Ga je gang,” zeide van Os op deze artikelen wijzende.
-
-Doch de beide jongelui trokken een vies gezicht; zij rooken de
-jeneverlucht, die vooral Rencke zoo vroeg in den morgen onaangenaam
-aandeed. Van Os was ten zeerste verbaasd.
-
-„Niet?” vroeg hij. „’t Is anders zeer recommendabel, vooral na een
-nacht wakens. Als de heeren eens op expeditie waren geweest zouden ze
-het meer apprecieeren.”
-
-„Dat is mogelijk,” zeide Rencke, „gewoonte doet veel, maar ik zou het
-nu niet kunnen verdragen.”
-
-„Wel, vrijheid blijheid,” zeide van Os. „Als de heeren zich nog
-bedenken mochten, dan weten ze waar het staat.” En zijn handdoek
-opnemende, slofte hij op zijn beurt naar de badkamer.
-
-Gaarne had van Os van Rencke’s aanbod gebruik gemaakt om met de
-américaine tot Wonosarie mede te rijden, en daarom zijn paard—een zware
-Makassaar—vooruitgezonden.
-
-Zonder ander ongeval dan een losse onweersbui, zooals de kentering die
-gewoonlijk meebrengt, bereikte het drietal Korman’s woning.
-
-De onverwachte gast werd met hartelijkheid ontvangen, en onmiddellijk
-een logeergelegenheid voor hem in orde gebracht. Het was nog in de
-gulden dagen der zoo geroemde Indische gastvrijheid, een deugd die
-overal gevonden wordt waar geld verdiend wordt, of waar men althans
-geen zorgen kent. Want komen er tijden, die de menschen noodzaken ieder
-dubbeltje driemaal om te keeren eer men het uitgeeft, dan verdwijnt ook
-de gastvrijheid en de behulpzaamheid, en ontvangt men den vreemdeling
-staande in de voorgalerij, om hem hoogstens den kortst mogelijken weg
-naar het logement te wijzen. En helaas, al brengt de fortuin weer
-blijdere dagen, de vervlogen deugden keeren nooit weerom.
-
-Met eenige verbazing had Korman van Everdingen aangezien, en zich
-afgevraagd of deze bestand zou zijn tegen het zware werk op een
-onderneming. Want het werken in de open lucht, het loopen bergop
-bergaf, natworden en weer opdrogen, vereischt een sterk gestel, en daar
-zag van Everdingen nu juist niet naar uit. Vooral waar hij stond te
-midden der breede gestalten van de anderen, viel zijn smalle borst,
-bleek gelaat en eenigszins gebogen rug sterk in het oog.
-
-„En u komt zoo gronden zoeken, meneer van Os?” vroeg Korman, toen allen
-gezeten waren. „Dan zal ik morgen wel wat koelies voor u mogen
-reserveeren?”
-
-„Zeer verplicht,” was het antwoord. „Maar morgen heb ik alleen iemand
-noodig die hier in de buurt wat bekend is. Ik geloof namelijk al
-gevonden te hebben wat ik zoek. Juist beneden dit land liggen gronden,
-die, als ze even goede aarde bevatten als ik hier heb gezien, voor mij
-als geknipt zijn.”
-
-Korman zag even naar Rencke, die bijna onmerkbaar de schouders optrok.
-
-„Maar het is allemaal alang-alang en glagah,” merkte Korman op.
-
-„Mag ik vragen,” zeide van Os, die de bedoeling van den ander volkomen
-begreep, „hoe u het onkruid betitelt, dat ik in de verte in uw tuinen
-zag wegsnijden?”
-
-„Wel, alang-alang,” antwoordde Korman min of meer beteuterd. „Maar,”
-vervolgde hij, zich herstellend, „waar een ander alle mogelijke moeite
-doet het te verdrijven, zoudt u het daar gaan opzoeken?”
-
-„Ik zou de zaak anders willen voorstellen,” zeide van Os. „U heeft
-zwaar bosch omgekapt, met het resultaat dat er thans alang-alang in uw
-tuinen staat; ik heb straks alang-alang zonder boschkappen, dat wil
-zeggen: zonder de groote onkosten daaraan besteed.”
-
-„Zoo oppervlakkig zou men u gelijk geven,” zeide Korman. „Maar het is
-tegen alles in.”
-
-„Tegen alle traditie,” gaf van Os toe; „maar dat bewijst niet veel. Het
-is mogelijk dat er in mijn redeneering en gevolgtrekkingen een haakje
-los is, maar naar dat haakje zoek ik; en als ik het niet vind, dan waag
-ik het. Zooveel heb ik op mijn rondzwerven wel gezien, dat alle
-koffieplanters probeeren en nog eens probeeren, en dat niemand precies
-zou kunnen voorschrijven wat zeker goed is en wat niet deugt.
-Intusschen groeit de koffie, hoe men haar ook maltraiteert.”
-
-Van Everdingen en Rencke hadden dit gesprek met belangstelling
-aangehoord. De eerste zooals ieder nieuweling in een vak, in de hoop
-wat te leeren; de ander als iemand die reeds zelfstandig weet te
-oordeelen.
-
-Rencke dacht aan de lessen die hij op Donowarie gekregen had, en zijn
-opinie formuleerend, mengde hij zich in het discours.
-
-„Als het geoorloofd is,” zeide hij, „zou ik wel een stelling willen
-opwerpen. Namelijk deze: Koffie groeit altijd wanneer de grond goed is
-en schoongehouden wordt. Daarvan uitgaande, staat de methode van meneer
-van Os vrijwel gelijk met de onze. Wat wij in den beginne meer hebben
-uitgegeven aan kaploon, betaalt hij straks voor de meerdere moeite bij
-het dangirren, en blijft alleen de vraag open, wie nu het meeste
-betaalt.”
-
-Van Os knikte goedkeurend en maakte een beweging alsof hij nog wat had
-willen zeggen, doch zich plotseling bedacht; Korman daarentegen schudde
-het hoofd over de ketterijen door zijn employé uitgesproken.
-
-Den volgenden morgen, toen van Os vertrokken was, begeleid door een der
-vaste opgezetenen, installeerde Korman van Everdingen. Om aan zijn
-gebrek aan kennis te gemoet te komen, werd hem Biezeman toegevoegd. Met
-hun beiden gingen zij dagelijks uit, het boschkappen dat nu met kracht
-begonnen en voortgezet werd surveilleerende, en een weg slaande naar de
-uiterste grens van het perceel, waar zij een kalie vonden en een stuk
-vlak terrein geschikt voor kampong en établissement. Daar werd toen
-eenig volk heengebracht, en ongeveer op dezelfde wijze als vroeger
-Korman, vestigde er zich Biezeman, terwijl van Everdingen voorloopig
-bij den administrateur in huis bleef.
-
-Gerlings, belast met het opzicht over het boschkappen op Rencke’s
-afdeeling, betrok een huisje dat voor hem in de kampong was neergezet,
-natuurlijk na zich op de bekende wijze te hebben voorzien van het
-noodige huisraad, waaronder een ménagère.
-
-Een maand later achtte Biezeman, hoewel van Everdingen iederen dag naar
-hem toe ging, het noodig een briefje aan Korman te zenden van den
-volgenden inhoud:
-
-
- „Amize, het huis is klaar. Laat de hoogedelen Heer nou maar komme.
-
- verblijv met den achting
- Gerrit Biezeman.”
-
-
-En hiermee bluschte hij zonder het te weten, een vuurtje dat in
-Korman’s woning leelijk aan het smeulen was.
-
-De dagelijksche omgang had tusschen van Everdingen en Li een zekere
-mate van intimiteit doen ontstaan. De vroolijke losheid van manieren
-die de eerste bezat, zoo geheel in tegenstelling met Korman’s zwijgende
-geaffaireerdheid, hadden het jonge vrouwtje zeer aangetrokken; en zij
-hield er van met van Everdingen te stoeien en te schertsen, zonder dat
-zij bemerkte hoe deze gaandeweg meer werk van haar maakte dan met hun
-wederzijdsche positie wel in overeenstemming was te brengen.
-
-Als Korman thuis was, nam hij van Everdingen altijd geheel in beslag,
-en bepaalde deze er zich toe Li met de oogen te volgen als zij in de
-galerij kwam, of als toevallig haar aan te raken wanneer hij haar
-passeerde; doch als de administrateur nog niet thuis was bij van
-Everdingen’s terugkomst van het werk, dan begon het spelletje, tot
-groot vermaak van de bedienden die reikhalzend zaten uit te kijken naar
-den ernst, die er volgens hen het natuurlijke gevolg van zou zijn.
-
-Eens—Korman was naar de stad gereden en werd dien dag terug
-verwacht—waren zij samen aan het krijgertje spelen in de binnengalerij,
-die vanwege den sterken wind juist gesloten was. Na vele vergeefsche
-pogingen had van Everdingen de vlugge Li ingehaald en hield haar vast,
-terwijl zij zich lachende trachtte los te maken, toen haar slof
-uitschoot, hakende aan de rottan-mat, en zij achterover viel op de
-rustbank. Van Everdingen bleef haar vasthouden, terwijl zijn onderlip
-zenuwachtig trok...
-
-Met fonkelende oogen...
-
-O neen, toch niet. Li was geen romanheldin en gedroeg zich dus ook niet
-als zoodanig. Zij zeide eenvoudig: „Djangan toewan [78]”, en ontsnapte
-met een vlugge beweging, eerst van de bank en daarop uit de
-binnengalerij.
-
-Li was geschrokken; dàt had zij niet verwacht en niet gewild ook; zij
-was nog te veel kind om het gevaar te voorzien, dat gelegen was in het
-dagelijks stoeien van een jonge vrouw met een jongen man; zij vond het
-ten slotte jammer en vervelend.
-
-Vervelend vooral omdat zij nu niet meer zooveel gekheid durfde maken,
-bang zijnde voor de gevolgen. Aan Korman zeide zij echter niets; ook
-niet toen van Everdingen haar een paar dagen later onder tafel
-herhaaldelijk aanstootte; iets wat haar echter in groote verlegenheid
-bracht, daar zij het hem niet kon beletten zonder dat Korman het
-bemerkte.
-
-Gelukkig maakte Biezeman’s epistel er een eind aan; dat vond ook van
-Everdingen, die zich, toen hij naar zijn eigen woning verhuisd was,
-onttrokken aan de charme dier groote zwarte oogen, eigenlijk schaamde
-voor zichzelf.
-
-Uit de stad bracht Korman het nieuwtje mee, dat de heer van Os
-werkelijk de gronden had aangevraagd aan den onderkant van Watoeombo,
-en spoedig aan den gang zou gaan op de alang-alang velden, die Korman
-spottenderwijze de „prairiën” noemde.
-
-„Ga je mee, eens kijken wat die dolleman uitvoert?” vroeg hij aan
-Rencke, nadat van Os een poos aan ’t werk was geweest.
-
-„Heel graag,” zeide deze; „men kan overal wat leeren.”
-
-„Hm,” bromde Korman; „vooral hoe je het niet moet doen.”
-
-Een goed half uur beneden Watoeombo vonden zij een versch in het hooge
-gras gekapt pad, en een voorbijgaand inlander lichtte hen in dat dit de
-weg was naar Soemberpetong, de oude naam voor het perceel van van Os,
-dat officieel echter Marialand gedoopt was, naar van Os’ oudste
-dochtertje.
-
-Maar hoe stonden zij te kijken, toen zij den eenzamen weg door de
-alang-alang ten einde waren, en stuitten op een stukje bosch! Bosch
-mocht men het eigenlijk niet meer noemen. Het dunne hout was weggehakt;
-zorgvuldig was alle vuilnis weggeruimd onder de groote boomen; nette
-breede wegen liepen, schijnbaar achteloos tusschen de woudreuzen door
-kronkelend, naar het midden; de wegen aan den kant afgezet met een
-roode grassoort; aan den uitersten rand zagen zij de kampong, de erven
-omsloten door bamboe paggers; een inlander was bezig, nog eenigszins
-onhandig, met een hark, een echte hollandsche hark!, den weg te
-reinigen, aan welks einde, na een korten draai, een pleintje lag, reeds
-half getransformeerd in een bloemtuin; daarachter het huis.
-
-„Wat bl...,” begon Korman, doch het woord stolde op zijn tong. Uit de
-voorgaanderij kwam een dame, den koelie die in het tuintje werkte iets
-toeroepend. Twee meisjes, van ongeveer zes en acht jaar, trokken de
-dame aan de sarong als om haar aandacht op te wekken.
-
-„Daar komen heeren, Ma,” hoorden de twee ruiters het oudste meisje
-zeggen.
-
-De dame wendde zich om, en beantwoordde den groet der bezoekers, die
-inmiddels waren afgestegen. Korman stond verlegen en wist niet wat hij
-zeggen moest, terwijl Rencke wachtte tot zijn chef het eerste woord zou
-gesproken hebben. Er ontstond een pijnlijke stilte, die echter maar
-even duurde.
-
-„U is zeker meneer Korman,” zeide de dame.
-
-„Ja mevrouw,” antwoordde de aangesprokene, doch verder bracht hij het
-niet.
-
-„Mijn naam is Rencke,” viel toen deze in, zich vermakende met de
-verlegenheid van zijn chef. „Maar welk een verrassing, mevrouw. We
-dachten hier meneer van Os te vinden in een dier fameuse
-plantershutten, en zie, we treffen een feeënpaleis aan....!”
-
-„Nu meneer, geen overdrijving,” zeide mevrouw van Os. „Maar.... willen
-de heeren alsjeblieft binnen komen? Marietje, roep Sidin even, om de
-paarden vast te houden.”
-
-De komst van Sidin, in een helderwit baadje met blauw afgezet,
-acheveerde Korman, die, blij dat hij Rencke meegenomen had, achter
-dezen de voorgaanderij instapte.
-
-„Gaat zitten heeren,” verzocht de gastvrouw. „Van Os is uit, maar zal
-wel zóó thuis komen. Kijk, daar komt hij al aan.”
-
-Van den tegengestelden kant als vanwaar de bezoekers gekomen waren,
-verscheen de groote gestalte van den oud-kapitein, evenals de anderen
-in het wit, met een breeden zonnehoed op het hoofd.
-
-„Daar doe jelui wèl aan!” riep hij binnenkomende. „Dag Korman, dag
-Rencke! Ik zag jelui toppies [79] in de verte boven het gras uitsteken,
-en heb me gehaast naar huis te komen. Ga zitten; wat gebruiken jelui?
-Vrouwtje, laat de minoeman [80] eens aanrukken. En een potje bier.”
-
-De komst van den heer des huizes had Korman weer op zijn gemak gezet;
-en toen mevrouw van Os naar binnen was gegaan om voor het gevraagde te
-zorgen, durfde hij weer te spreken.
-
-„Wat is het hier mooi!” begon hij.
-
-„Aardig prutswerk,” zeide van Os. „Och, mijn vrouw heeft er plezier in
-om die dingen te doen, en ik om er naar te kijken. Maar jelui wilt
-zeker ook eens het meer essentieele zien? Na de rijsttafel dan; ’t is
-nu te laat.”
-
-Intusschen had Korman een aanknoopingspunt gevonden; hij redeneerde
-alleen over koffie en nog eens koffie; andere onderwerpen lieten hem
-koud, omdat hij ze niet machtig was. Toen mevrouw van Os weer terug was
-gekomen, hield hij met hardnekkigheid vast aan een quaestie over den
-aanleg van pépinières, zoodat Rencke zich geroepen achtte een
-afzonderlijk gesprek te beginnen met de vrouw des huizes.
-
-Zij was ook uit den Haag, en kende verscheiden menschen die ook Rencke
-kende, totdat deze haar vroeg naar haar meisjesnaam, en toen verwonderd
-was over het feit dat zij, die uit een gefortuneerde familie stamde,
-als onderwijzeres naar Indië was gekomen.
-
-„Al leerende kreeg ik zin in het onderwijs,” verklaarde zij. „Na de
-hulpacte te hebben gehaald, assisteerde ik op dezelfde kostschool waar
-ik vroeger onderwezen was. Toen de verplichte twee jaar om waren, ging
-ik terug naar den Haag, om voor de hoofdacte examen te doen. Daarin
-geslaagd, wachtte ik den afloop der onderhandelingen af, die Papa voor
-mij voerde met de juffrouw van de kostschool om die inrichting voor mij
-over te nemen. Maar wat gebeurt er. Eens, op visite bij een oude freule
-van onze kennis, ontmoet ik daar den advokaat Daatselaar.”
-
-„Die half blinde, met zijn krukje?” vroeg Rencke.
-
-„Ja, juist! Leeft hij nog?”
-
-„Neen mevrouw, dat zou wat al te bar zijn. Hij is een jaar of vijf
-geleden gestorven.”
-
-„Zoo. Nu, deze ondervroeg mij naar mijn plannen, en ik vertelde hem een
-en ander. Op eens zegt hij: „Ja ja, daar doen tegenwoordig veel meisjes
-aan; de dochter van mijn koetsier heeft onlangs ook haar examen
-afgelegd.” Ik was woedend, en—hoe het kwam weet ik niet—ik had
-plotseling allen lust verloren om onderwijzeres in Holland te worden.
-Later hoorden wij van de schitterende vooruitzichten die Indië aanbood,
-en... ik ging. Geplaatst te Passoeroean maakte ik kennis met mijn
-collega’s. En wie denkt u dat de eerste was?”
-
-„De koetsiersdochter!”
-
-„Dezelfde,” zeide mevrouw van Os. „Het was om wanhopig te worden.
-Gelukkig kwam spoedig daarna van Os. En nog gelukkiger,” vervolgde zij,
-eenigszins kleurende op het glimlachje dat Rencke niet geheel had
-kunnen onderdrukken, „konden wij het samen zoo goed vinden, dat ik zijn
-voorslag met een gerust hart mocht aannemen.”
-
-Sidin kwam vertellen dat het eten opgedragen was.
-
-Het trof Rencke zoo netjes als de twee meisjes aan tafel zaten. Op zijn
-reis toch had hij in de logementen geen grooten dunk van indische
-kinderen opgedaan. Het voeren door de baboes [81], het smijten met
-tafelgereedschap en eten, ondanks vermaningen van ouders, de kreten
-van: „nonni wil niet,” „njotje lust niet, njotje is zoo misselijk” en
-andere hebbelijkheden, als het hangen op- en afglijden van hun stoel,
-wegloopen en terugkomen zonder verlof.... dat alles, overal herhaald in
-onderscheiden variaties op hetzelfde thema, had hem doen denken dat dit
-zoo ’s lands wijs was. Hier bespeurde hij echter dat er op dien regel
-ook uitzonderingen waren.
-
-Na de rijsttafel gingen de drie heeren op marsch, doch even te voren
-woonden Korman en Rencke een tooneeltje bij dat beiden amuseerde. Nadat
-de kenthong het sein gegeven had, kwamen de koelies op het middagappel,
-dat ter zijde van de administrateurswoning gehouden werd. Daar lagen
-twee lange bamboe riggels, met pennen in den grond vastgezet. De
-koelies hurkten neder, de hielen op de bamboe, zoodat zij dadelijk in
-een welgeordende dubbele rij kwamen te zitten. De mandoers bleven
-staan, elk bij zijn ploeg volk.
-
-Het beviel de beide bezoekers wel, aangezien het te Watoeombo lang
-placht te duren eer het volk voldoende geordend was om het te kunnen
-tellen. Maar wat er volgde vonden zij grappig, en Korman daarenboven
-aanstellerig.
-
-Nadat van Os het getal der koelies had opgenomen, dat vergeleken met de
-lijst van het morgen-appel en de mandoers orders had gegeven voor het
-werk, kommandeerde hij:
-
-„Geeft acht!”
-
-Als één man stonden de Javanen op.
-
-„Ovèrrrr.... huup!”
-
-Vrij gelijkmatig gingen de patjols of wadoengs of arits omhoog en over
-den schouder; bij enkelen links, en bij anderen rechts; doch zóó nauw
-moest men niet zien.
-
-„Rechtsom,” en „voorwaarts marsch!” hadden ten gevolge dat de troepjes,
-twee aan twee, met den mandoer aan ’t hoofd, wegmarcheerden, elk naar
-het hun aangewezen werk.
-
-„Ik maak u mijn compliment, meneer van Os,” zeide Rencke. „Ik heb, den
-korten tijd in aanmerking genomen, onzen luitenant van de mariniers met
-minder succes de janmaats zien drillen.”
-
-„Het wint tijd uit,” zeide van Os. „In de eerste dagen had altijd ieder
-nog wat te bescharrelen eer ze aftrokken; dat verveelde mij, en heb ik
-het toen zóó ingepikt. De kerels hebben er zelf schik in.—Nu konden wij
-langzamerhand óók wel opwandelen.”
-
-Zij bezochten een paar stukjes boschgrond, waar men bezig was de dunne
-boomen uit te kappen en den grond schoon te maken—trontong, zooals dit
-werk heet—, en op hun terugweg zagen zij een groote open plek waar
-beddingen werden aangelegd. Dat was alles.
-
-De uitgestrektheid van de beddingen deed Korman verwonderd vragen, waar
-al die bibit zou moeten geplaatst worden. Het zetten van boschkoffie in
-de trontongans had hij begrepen, doch verder scheen de heer van Os geen
-aanleg te ondernemen.
-
-„Wel, overal,” was het antwoord.
-
-„Dan zal er wel spoed gemaakt mogen worden met babadden en
-terrassenmaken,” meende Korman, „of je komt niet klaar.”
-
-„Terrassen?” riep van Os uit, met een uitdrukking van de hoogste
-minachting. „Daar doe ik niet aan. Als de eerste regenbui dreigt, steek
-ik een lucifer aan, en houd die tegen de alang-alang; in een ommezien
-is dan het heele perceel schoon en gereed om te worden beplant. Alleen
-in de gedeelten boschgrond laat ik doen wat jelui gezien hebt; en
-daarmee uit. Ik heb wel een contract met de Handelsbank, zie je, maar
-zij willen dat ik eerst mijn duiten, of liever die van mijn vrouw,
-opwerk; daarna zouden zij kapitaal fourneeren. Dat wil zeggen: ik de
-risico, en zij, als alles goed gaat, het voordeel. Dank je hartelijk!
-We zullen eens zien of we er zonder hen niet kunnen komen. Maar daarom
-moet ik zuinig zijn, en mij geen overbodige luxe permitteeren van
-terrassen als anderszins.”
-
-Korman was het niet met hem eens en bestreed zijn theorieën, zelfs toen
-zij weer in huis waren en mevrouw van Os met blijkbaren angst naar
-Korman’s uitspraken luisterde. Rencke bemerkte het, en om een afleiding
-te geven, zeide hij iets over een hond, dien hij opzij van de
-voorgalerij zag liggen.
-
-„Een trouw beest,” zeide van Os. „Twee jaar geleden heeft hij onze
-Nonni uit de kalie te Batavia gered. Bello, kom hier!”
-
-Het was een groot dier, bastaard patrijs, met dik bruin kroeshaar en
-groenachtige oogen.
-
-„Valsche oogen,” vond Korman.
-
-„Toch een lobbes,” zeide van Os den hond streelende. „Alleen op sommige
-menschen heeft hij het voorzien; maar het moet gezegd worden, dat het
-zonder uitzondering gladakkers [82] zijn. Bello schijnt er slag van te
-hebben die te onderscheiden. Nu is ’t genoeg, vort!”
-
-Bij de laatste woorden gaf hij den hond een duwtje van zich af, in de
-richting van Korman’s plaats. Deze stak de hand uit om Bello aan te
-halen, maar eensklaps sprong de hond op, tegen Korman, de voorpooten op
-diens borst zettende en hem met een geweldig gebrom de tanden toonende.
-
-Korman werd zoo bleek als de muur, en van Os, toeloopende, greep zijn
-hond, dien hij met een smak de galerij uit wierp.
-
-„Wel verduiveld Bello, wat mankeer je?” riep de huisheer, en bracht,
-tevens om van zijn verlegenheid te bekomen, den hond naar achter, waar
-hij hem aan den ketting legde.
-
-„Ik vraag wel excuus,” zeide hij terugkomende. „Ben je erg geschrokken?
-Ik begrijp er niets van; als het niet was om den dienst dien hij ons
-bewezen heeft, schoot ik hem dood.”
-
-„’t Is niets,” verklaarde Korman, die van den schrik bekomen was.
-„Alleen houd ik mij gerecommandeerd dat je hem vastlegt als ik eens
-weer kom.”
-
-Tegen den avond keerden Korman en Rencke huiswaarts.
-
-„Wat een knoeier,” was het oordeel van den eerstgenoemde. „Ik heb
-medelijden met die vrouw en kindertjes; want hij ruïneert zich vast en
-zeker.”
-
-Rencke gaf hier geen weerklank op. Hij zag niet in waarom van Os niet
-zou slagen, en vond dat de tijd moest leeren wie het bij ’t rechte eind
-had.
-
-De eene helft der onderneming Watoeombo was spoedig geheel van bosch
-ontdaan, en Gerlings werd verplaatst naar een geschikt terrein op het
-nieuw gekapt gedeelte, waar hij een kampong liet bouwen en beddingen
-aanleggen.
-
-„Die is goddank wat uit de buurt,” zeide Korman. „De vent werkt goed,
-maar dat eeuwige lachen bij al wat hij zegt, is onuitstaanbaar.”
-
-Ook van Everdingen, die nu slechts zelden op het hoofdkwartier kwam,
-begon lucht te krijgen op zijn gedeelte. Sabrang was het gedoopt,
-hetgeen letterlijk: „de overzijde” beteekent, naar de gewoonte der
-inlanders om te spreken van de overzijde van den grooten bergrug, als
-zij doelden op de afdeeling van van Everdingen.
-
-Het huis waar deze in woonde, was als een copie op verkleinde schaal
-van dat van Messner op Donowarie, geheel van bamboe en gedekt met
-alang-alang doch overigens comfortabel ingericht. Maar er ontbrak iets
-aan en dat „iets” wilde van Everdingen er toch niet in hebben,
-niettegenstaande het aanbod van Biezeman’s huishoudster, die een jonger
-zusje wilde gaan halen uit de streek vanwaar zij zelve afkomstig was.
-Hij had zijn hart achtergelaten bij een hollandsche jonkvrouw, wier
-ouders echter hun veto hadden doen hooren. Want het huwelijk bestaat
-uit twee zaken. De eerste is van geestelijken aard en wordt door de
-jongelui zelf met veel gevoel bezorgd; de tweede is een zuiver
-financieele transactie, waarvan de ouders het beleid aan zich gehouden
-hebben. Dikwijls nu, en in casu bij van Everdingen, weerhoudt de
-laatste het geheel. Toen was hij naar Indië getrokken in de hoop zijn
-dertigduizend gulden daar in korten tijd te zien groeien, tot de ouders
-zijner aangebedene er zich aan vergaapten. En hij had zijn liefde zoo
-geheel gegeven, dat er zelfs niet wat afval overschoot voor dat „iets”
-dat zijn huis in orde moest houden.
-
-De oude kokki, die voor het eten moest zorgen, ondernam tweemaal in de
-maand een tocht naar den passar te Wonosarie, waar de wedhono woonde.
-De eerste keer had de meegebrachte voorraad, berekend voor veertien
-dagen, nauwelijks een week gestrekt. Toen sloot van Everdingen de
-goedang en het kippenhok af, en gaf elken morgen het ration voor den
-loopenden dag. Daarop was het opgedischte eten in quantiteit gaan
-afnemen, en de kippenpootjes natellende, bespeurde hij dat de kokki
-zich aan verduistering daarvan schuldig maakte. Dit ook ontdekt ziende,
-werd kokki om de zooveel dagen erg ziek, om op haar baleh-baleh te
-kunnen liggen nadenken over nieuwe akals [83].
-
-Zoo ging het ook in alle andere zaken. De huisjongen stal sigaren en
-tabak, de stalknecht de gabah [84]; suum cuique dachten zij niet, maar
-brachten het op hun manier in toepassing.
-
-Eindelijk werd het den armen van Everdingen te kras, en was er
-intusschen door een halfjarig verblijf in de binnenlanden van Java ook
-een verandering gekomen in zijn zienswijze omtrent verschillende zaken.
-Wat hem vroeger van uit Holland immoreel en stuitend zou hebben
-toegeschenen, leek hem thans, nu het door den drang der omstandigheden
-werd geboden, maatschappelijk bestaanbaar en ook niet zoo heel
-onaangenaam meer.
-
-„Een sigaar, Biezeman?” offreerde van Everdingen op zekeren avond na
-afloop van de rol.
-
-„Alsjeblieft, jonker,” antwoordde Biezeman, wien deze titulatuur zeer
-voornaam leek. „O, neem me niet kwalijk!”
-
-De aanleiding tot deze uitroep was een lucifer, die in van Everdingen’s
-gezicht terecht kwam. Biezeman had namelijk van hem afgezien het met
-een vlugge beweging wegknippen van zulk een stokje, nadat het had
-dienst gedaan; doch in zijn pogingen om het te imiteeren kon hij er
-alsnog niet de gewenschte richting aan geven, zoodat de houtjes nu eens
-achterwaarts, dan weer zijwaarts vlogen, maar nooit rechtuit.
-
-„Wil je een kop thee? Of misschien liever een glas bier?” noodde van
-Everdingen.
-
-„Als ik het zoo voor het zeggen heb, dan zou ik wel een glaasje bier
-willen; ten minste wanneer de jonker meedrinkt,” zeide Biezeman.
-
-De ander stond op en kwam weldra met een flesch terug, terwijl de
-jongen glazen bracht.
-
-„Ik moest het zelf halen,” zeide van Everdingen, „want het zit achter
-slot. De bedienden weten er anders te goed weg mee.”
-
-„Dat zal waar zijn. Nu, santjes jonker,” salueerde Biezeman. „Ja,
-moeder de vrouw zei nog gister... of was het van morgen... nee toch
-gister, dat het zonde was zooals ze bij u huishouden en den boel
-verrinneweeren.”
-
-„Zooveel moois is hier anders niet,” zeide van Everdingen glimlachend
-rondziende over de eenvoudige meubelen.
-
-„Neen, dàt is het ook niet. Maar... o ja, nou weet ik temet waarom ze
-dat zei, van morgen. Uw jongen stond goed te wasschen, aan de kalie; en
-daar had-ie z’n eigen lorrige broek bij uitgetrokken, en een slaapbroek
-van den jonker bij aangedaan. ’t Was wel geen batik, zei ze, maar van
-dat gedrukte goedje dat de baren altijd meebrengen, en toch nog te mooi
-als dat zoo’n slampamper het over z’n vuile body heentrekt. Ik zei dat
-het jammer was dat ik het niet gezien had, want dan had ik er die dikke
-rottan van me eens over laten gaan. Ik dacht, de jonker zou het me niet
-verakkeseerd hebben als ik eens op z’n slaapbroek ranselde wanneer hij
-hem zelf niet aan had; wel?”
-
-„Zeker niet,” lachte van Everdingen. „Maar je hebt gelijk, ’t is niet
-in den haak. Wil je wel gelooven dat ik er in de laatste dagen dikwijls
-aan gedacht heb, nog maar gebruik te maken van het aanbod dat je
-huishoudster me indertijd heeft laten doen?”
-
-„Waarlijk? Nou daar doe je goed aan,” zei Biezeman. „Ik ga het dadelijk
-aan moeder de vrouw vertellen, dan moet ze morgen den marsch in.”
-
-„Zoo’n haast heeft het niet,” begon van Everdingen, doch de ander vond
-dat het wel haast had, en was blij dat hij den goeden royalen jonker
-een dienst kon bewijzen.
-
-Zoo ging „moeder de vrouw” er op uit, om na een week terug te keeren
-met het „iets” dat totnogtoe in van Everdingen’s woning ontbroken had,
-en Minah heette.
-
-Minah was een stadskind. Zij had altijd gewoond bij haar moeder, die
-als kokki, bij een europeesche familie haar verblijf hield in de
-bijgebouwen; zoodoende wist Minah precies hoe het in een huishouden
-behoorde te gaan. Haar komst bracht een groote ommekeer teweeg; kokki
-was nooit meer ziek, de jongen bleef van alles af, het paard kreeg wat
-hem toekwam, en van Everdingen had rust en comfort in huis.
-
-Tegen het einde van den Oostmousson verhuisde ook Biezeman naar het
-andere einde van Sabrang, en had nu elk der employé’s zijn eigen
-afdeeling van omstreeks 250 bouws.
-
-Tik, tik, deed het op het gegalvaniseerd ijzeren dak der
-administrateurswoning, een geluid zoo lang niet gehoord, dat Korman,
-die in zijn kantoor zat te werken, zijn boeken en papieren in den steek
-liet om zich naar buiten te spoeden en te zien of het werkelijk ging
-regenen.
-
-Een klein wolkje zweefde boven het emplacement, langzaam
-voortschuivende in de richting van den hoogsten bergtop, als
-aangetrokken door het gezelschap natuurgenooten dat daar reeds
-vergaderd was. Het was als een bode van den westmousson, die met eenige
-droppels kwam waarschuwen: hier zijn we.
-
-Li was met haar kindje op den arm ook in de voorgalerij gekomen. Haar
-blik richtende naar de vlakte, zag zij op eens, een weinig linksaf, een
-groote rookpluim, zich statig verheffend in de blauwe lucht.
-
-„Wat is dat pa?” vroeg zij.
-
-Korman wendde zich om en keek in de door Li aangewezen richting. Toen
-haalde hij de schouders op.
-
-„Het is die malle kerel met zijn alang-alang,” zeide hij onverschillig.
-
-„Kan het geen kwaad voor onze tuinen?” vroeg Li.
-
-„Te drommel ja, daar zeg je zoo wat,” riep Korman schrikkende.
-
-Zonder de vraag van Li zou hij er niet aan gedacht hebben; doch nu
-drong het tot hem door, dat de brand gemakkelijk kon overslaan op de
-hoopen droog vuil die tusschen de koffieboompjes lagen; vooral in de
-grenstuinen. Onmiddellijk moesten er maatregelen worden genomen. Hij
-zond een boodschap naar Gerlings, en ging zelf Rencke aanzeggen om
-onverwijld met al het volk naar de grens te trekken. Daar gekomen liet
-hij kappen, tot een breede strook voor den grond lag. Het afgesneden
-gras werd toen naar den uitersten rand gebracht en in brand gestoken,
-terwijl de koelies zich in de tuinen posteerden, alle vonken en
-brandende stukjes die de wind daarheen voerde, dadelijk blusschend.
-
-„Ziezoo, dat gevaar is geweken,” zeide Korman toen het vuur zich
-langzaam verwijderde. „Gerlings, blijf jij met vijftig man hier,
-zoolang als je denkt dat het noodig is.”
-
-„Jawel meneer,” antwoordde de employé. „En, zoudt u niet denken dat het
-goed was vannacht een man of tien op wacht te zetten? De brand mocht
-eens door het bosch ginds terugkomen, hi hi hi.”
-
-„Daar zou anders geen aardigheid aan zijn,” merkte de chef op. „’t Is
-goed, doe dat maar.”
-
-„Me dunkt ik hoor schieten,” zeide Rencke.
-
-„Dat is bamboe,” meende Korman. „Zonde van ’t mooie goed.”
-
-„Neen,” zeide Rencke luisterende, „het was een geweerschot. Daar hoor
-ik er weer een... nog een.”
-
-„Ik geloof dat je gelijk hebt,” stemde Korman toe. „Die beroerde kerel
-is zeker op jacht gegaan.”
-
-„Kijk daar, een hert, hi hi hi!” riep Gerlings.
-
-Zij zagen allen tegelijk op. Een prachtig hert was met een hoogen
-sprong uit de vlammen te voorschijn gekomen, en bleef toen staan,
-angstig snuivend, wankelend, nog eenmaal het zware gewei trotsch in den
-nek werpend, om tegelijk op de knieën te zinken en zieltogend neer te
-storten.
-
-Eenige koelies vlogen er op af en hielpen het edele dier door een paar
-arit-slagen uit zijn lijden. Ook de drie europeanen liepen er heen.
-
-„Zie, een schotwond,” zeide Rencke, wijzende op een bloedige plek nabij
-den schouder. „Dat is zijn dood geweest, en niet de vlammen, hoewel die
-hem ook flink toegetakeld hebben.”
-
-„We zullen hem naar huis laten brengen,” zeide Korman, een mandoer
-wenkende. „Er zal nog wel een lekker boutje uit te snijden zijn. En om
-het gewei zullen we loten... of neen, ik weet beter; het is voor hem
-die ’t langst zijn lachen kan houden. Wat zeg jij daarvan, Gerlings?”
-
-„Hi hi hi,” grinnikte Gerlings, terwijl Rencke zich op dat gezicht ook
-niet kon inhouden, maar in een luiden lach uitbarstte.
-
-„Dan is het voor mij,” zeide Korman. „En laat nu het volk inrukken.
-Hier, Setrodimedjo, laat dit hert naar de lodjie [85] brengen.”
-
-Acht man hadden er een zware vracht aan. Nauwelijks waren zij er mee
-heen, of de europeanen zagen langs den boschrand den heer van Os
-aankomen, in zwart bestoven kleeren, het geweer aan den draagriem over
-zijn schouder hangend.
-
-„Bonjour heeren!” riep hij. „Jelui hebt er ook den brand ingestoken,
-zie ik. Een mooie jacht gehad daardoor. Vijf herten! Allen bij den
-ingang van het ravijntje ginds, aan den boschkant. Maar één, ’n
-mannetje, is mij ontsnapt. Als ik het niet zelf gezien had zou ik het
-niet gelooven; hij is na het ontvangen van het schot terug gerend,
-dwars tegen het vuur in!”
-
-„Ik was hier om mijn tuinen te beschermen,” antwoordde Korman.
-
-„Jongens ja,” zeide van Os. „Dat zie ik. Ik had je wel mogen
-waarschuwen. Neem me niet kwalijk...”
-
-„Soedah!” zeide Korman. „Als je mee wil gaan, dan krijg je vanavond een
-stukje hertebout. Wij hebben namelijk den vluchteling opgevangen. Kijk,
-daar gaat hij.”
-
-„Waarachtig,” zeide van Os, den stoet ziende op de hoogste slingering
-van den zigzagweg in de verte. „Hij komt je wel toe voor de moeite. Ik
-wil graag meegaan, want ik erken dat ik bekaf ben; en als je ook nog
-een koelie wilt sturen naar Marialand, dan zal ik je dubbel verplicht
-zijn.”
-
-De zware rookwolken van den brand hadden de beide europeanen van
-Sabrang naar het hoofdkwartier gelokt, waar zij aankwamen toen de
-anderen juist terugkeerden. Korman noodigde hen uit tot ’s avonds te
-blijven; men kon dan een partijtje maken, waartoe toch wel weinig
-gelegenheid meer zou zijn, zoodra de op komst zijnde regens de drukte
-van het planten meebrachten.
-
-Men zat aan tafel. Korman diende de soep, toen op eens allen opkeken.
-De hoefslag van een dravend paard deed zich hooren, hetgeen de komst
-van een europeaan meldde, aangezien inlanders hun paarden liefst in den
-telgang of een drieslag, die daar veel op gelijkt, rijden en bovendien
-geen inlander Rencke’s woning zou passeeren zonder af te stijgen.
-
-Het was de heer Messner, voor wien, nadat allen die hem vreemd waren
-zich hadden voorgesteld, een plaats aan tafel werd ingeruimd.
-
-„Ik dacht zoo waar,” helderde hij zijn laat bezoek op, „dat jelui allen
-waart afgebrand. Het volk wist verschrikkelijke verhalen te doen. Hier
-in de buurt vernam ik eindelijk de ware toedracht der zaak, en ik
-schold mij zelven voor een ezel dat ik dat niet eer begrepen had.”
-
-„Nu,” zeide Korman, „als onze vriend van Os me niet reeds vroeger had
-meegedeeld dat het zijn plan was, zou ik ook eer aan een ongeluk
-gedacht hebben dan aan ernst.”
-
-„Toch had ik het moeten inzien,” zeide Messner; en zich tot van Os
-wendende ging hij voort: „uw werkwijze heeft me groote belangstelling
-ingeboezemd, en ik ben zeer nieuwsgierig naar de resultaten, die ik
-voor u hoop dat goed zullen zijn.”
-
-En hij gaf als zijn meening te kennen dat zij goed moesten zijn, tevens
-verklarende waarom hij zoo dacht, daarbij een wetenschap van détails
-tentoonspreidende, die van Os met steeds klimmende verbazing aanhoorde.
-
-„Als ik niet beter wist,” zeide de administrateur van Marialand
-eindelijk, „zou ik denken dat u dagelijks bij mij geweest was om toe te
-zien, ja tot in mijn boeken toe uw oog had geslagen. Hoe in ’s
-heerennaam weet u al die dingen?”
-
-„Och, het volk praat onder elkaar over alles en nog wat,” zeide
-Messner; „en dan hoort men allicht iets; temeer daar ik, zooals gezegd,
-veel belang stelde in wat u deed.”
-
-Om niet onbeleefd te zijn leidde van Os het discours van zijn eigen
-zaken af. Hij had intusschen voor Messner een groot respect opgevat,
-hetgeen reeds gebleken was uit de wijze waarop hij met hem gesproken
-had, zoo geheel afwijkende van zijn half-ironisch antwoorden op alle
-vragen en beweringen van Korman. Ook was het hem aangenaam iemand
-ontmoet te hebben van zoo groote practische kennis, aan wien hij bij
-het voorkomen van moeielijke vraagstukken raad zou kunnen vragen,
-vooruit wetende dien ook te zullen ontvangen.
-
-Toen het tafellaken was weggenomen, en Li zich naar achter begeven had,
-haalde Korman kaarten en fiches, terwijl de bediende glazen bracht en
-in een hoek van de binnengaanderij een voorraad flesschen neerzette,
-die iemand licht op het idée had kunnen brengen dat hier een nieuwe
-toko in dranken stond geopend te worden.
-
-Gaandeweg werd de voorraad minoeman in den hoek kleiner, en de
-gezichten naar evenredigheid rooder, misschien ook door de animo van
-het sliekoer, zooals het getal 21 in het javaansch uitgedrukt wordt.
-
-Na middernacht bleekten de gelaatstrekken meer en meer op, vooral als
-er een naar buiten geweest was, zonder dat de anderen daar veel notitie
-van namen, daar zij toch vroeger of later denzelfden tocht moesten
-doen, soms met niet geringen spoed, om zich op het voorerf „van de
-stomachale en cerebrale patentialiteit te libereeren,” volgens de
-zegswijze van zeker apothekersbediende.
-
-Er werd met afwisselend geluk gespeeld; behalve door Korman, die steeds
-verloor, en door Rencke, die aldoor won. Toen de zon opging had de
-eerstgenoemde omstreeks driehonderd gulden aan den tweeden af te
-dragen, terwijl winst en verlies van de andere spelers onbeduidend
-waren.
-
-Zij hielden op, en gingen zitten in de voorgalerij, op luierstoelen,
-zich vermakend met de grillige vormen der wolkjes in de morgenlucht,
-die voor hun vermoeide oogen allerlei gestalten van wilde dieren
-aannamen. Li was vroeger opgestaan dan gewoonlijk, op last van Korman,
-die wist hoe lekker een kop koffie smaakt na zulk een nacht, en liet
-dezen drank door de bedienden presenteeren. Daarna werd er ontbeten met
-een glas bier, „om op te frisschen”, en na afloop kwamen de paarden
-voor, om een ieder naar zijn huis terug te voeren, hetgeen deze
-verstandige dieren met veel tact deden.
-
-De regens vielen dit jaar vroeg in en verrasten eigenlijk van
-Everdingen, die nog een kleine honderd bouws overhield, waarvan het
-bosch nog niet gekapt was, dan wel nog te versch om te willen branden.
-Toch was er goed gewerkt, hetgeen vooral te danken was aan den
-overvloed van werkvolk in die streek; in dit seizoen nog vermeerderd
-met vluchtelingen uit een naburige residentie, waar hongersnood had
-geheerscht.
-
-Ware dit laatste het geval niet geweest, dan zou het Korman nooit
-gelukt zijn zooveel bosch in één jaar te kappen; en hij zegende de
-ramp, die de onvoorzienigheid van hen die tot voorzien geroepen waren,
-over het ongelukkige gewest gebracht had.
-
-Toch had de aanwezigheid van dat vreemde volk voor de onderneming
-Watoeombo een blijvend nadeel medegebracht, hoewel de administrateur
-dat niet inzag; integendeel, hij noemde het een voordeel....
-
-De javaan die de landstreek verlaat waar hij geboren is, waar zijn
-ouders, zijn grootouders geleefd hebben en begraven liggen, behoort
-niet tot het beste deel der natie. Over het algemeen ziet dat volk in
-emigratie een schande; er zijn er die liever doodhongeren, en, eer dat
-geschiedt, de afschuwelijkste daden plegen, dan hun dessa te verlaten;
-kinderen zijn in zulke dagen lastposten, in wier altijd hongerige magen
-de schaarsche voorraad voedsel veel te snel verdwijnt, en dus gaarne
-worden omgezet in wat rijst.... Dat zijn echter gewone zaken, waartoe
-nu misschien met een bloedend hart, maar toch gemakkelijker wordt
-overgegaan dan tot het verlaten van den grond waaruit men als het ware
-gesproten is.
-
-Was het dan te verwonderen, dat de meeste dier uitgewekenen
-opiumschuivers waren, die zonder dien stimulans niet werken konden? In
-de dessa van den assistent-wedhono stond wel een kit, doch de voorraad
-was daar in de eerste dagen niet voldoende; en ook ging het niet aan
-dat telkens een deel der koelies afwezig was, op weg om zich de zoo
-noodige tjandoe te verschaffen. Er één te sturen om voor allen te halen
-was ondoenlijk, daar de bepalingen het vervoeren van een eenigszins
-groote hoeveelheid verbieden.
-
-Op zekeren dag reed Korman naar de stad en besprak de zaak met den
-opiumpachter. Het gevolg was, dat deze van toen af geregeld een aantal
-dier bekende ronde blikken doosjes zond, die één thail opium bevatten.
-Zij gingen wel vergezeld van stukjes papier met roode chineesche
-karakters beschreven, teneinde hun wettige afkomst te staven, maar toch
-was het tegen de wet om er meer dan één in huis te hebben. Dus zond
-Korman ze altijd dadelijk na ontvangst weg, naar de employé’s. Deze
-moesten hem voor elk doosje twaalf gulden verantwoorden, waartoe zij er
-honderd en twintig pessans uit lieten maken, in stukjes blad gewikkeld,
-die de koelies voor tien cent kochten.
-
-Aan den pachter betaalde Korman negen gulden per thail. Het voordeel
-dat deze handel opleverde paraisseerde echter niet in de boeken.
-
-Later, toen de vreemde koelies reeds lang vertrokken waren, bestond
-deze opiumverkoop nog. Het gebruik der tjandoe had zich geworteld; het
-was niet meer uit te roeien. Het gaat daarmee als met de papaverplant
-zelf, die eenmaal gezaaid en opgekomen, niet meer te vernietigen is; en
-wilde iemand voorgoed een einde maken aan alle reglementeering van de
-opium, en daarmee tevens aan het door moreelen en immoreelen dwang
-veroorzaakte opiummisbruik, hij had met een zakje papaverzaad slechts
-een toer te maken over Java, en overal, liefst op plaatsen die weinig
-bezocht worden, een weinigje te laten vallen. Eer men het bemerkte zou
-de plant inheemsch zijn geworden, onder het bereik van iedereen.
-
-Het jaar naderde zijn einde. Zware regens hadden de nietige berg-kalies
-in stroomen herschapen, die groote steenen in hun vaart meesleepend,
-een geweld maakten als van een onafgebroken onweer. Schurende langs het
-gevelde bosch had het water ook verscheiden boomstammen meegevoerd, die
-aan den kant waren blijven liggen, of na het branden in het ravijntje
-waren gestort waardoor de kalie liep, zijnde dat de gemakkelijkste
-manier om ze uit den weg te krijgen. Doch thans leverden die stammen
-een niet gering gevaar op voor de brug aan den ingang van het perceel,
-onderstrooms van den breeden steen. Want hiertegen stootende, bestond
-er kans dat zij dwars kwamen te liggen, en een opstopping
-veroorzaakten, die doorbrekende, noodlottig had kunnen worden voor de
-brug.
-
-Om dit te voorkomen had Korman aan weerszijden van de kalie een
-afdeeling koelies geposteerd, die met lange bamboes de boomen zooveel
-mogelijk in den stroom hielden, links of rechts van den breeden steen.
-Om twaalf uur wandelde hij er met Rencke heen.
-
-De regen had opgehouden en er was een wind opgestoken sterker dan men
-op Java gewoon is. Zwaar kruiden de grauwe wolken in het zwerk
-daarboven, en beneden raasde de bandjir, het gejoel der koelies
-overstemmende.
-
-Korman schreeuwde hun een bevel toe, dat niet verstaan werd en ook
-overbodig was. Want sneller dan een order kon uitgesproken en begrepen
-worden dreven de boomstammen voorbij, en bij het werk der Javanen op
-den oever kwam alles neer op oogenblikkelijk zien en handelen. En zij
-deden het goed. Als er een zware stam aankwam stonden zij gereed, met
-gevelde bamboe, het bovenlijf heen en weer wiegelend op de maat van een
-klagend recitatief, dat sneller en sneller ging naarmate de stam
-dichter bij kwam, en eindigde in een algemeen gehuil bij het stooten op
-het juiste oogenblik dat de boom voorbij schoot.
-
-„Het mindert al,” merkte Rencke op, nadat zij er ongeveer tien minuten
-gestaan hadden.
-
-„Zooveel te beter,” zeide Korman, „want als dat vannacht moest
-voortduren gaf ik niet veel voor het leven van onze brug.”
-
-„Hé, dat is sterk!” riep Rencke uit, die zijn aandacht op het
-stroomende water bleef vestigen. En hij ging eenige passen vooruit, in
-de richting van de brug.
-
-De aanleiding tot dien uitroep was het minderen der hoeveelheid water,
-die als plotseling tot op een derde van zooeven slonk, terwijl het
-geraas nu ook in vergelijking met eenige oogenblikken geleden in een
-stilte overging... neen, zich scheen te verwijderen. Want in de
-verte...
-
-„Gévédé, Rencke! Terug!” gilde Korman. De koelies aan deze zijde weken
-van den oever; die van de overzijde wierpen de staken neer en holden
-over de brug alsof zij om hun leven liepen, Rencke meetrekkende in hun
-vaart.
-
-Korman tierde en vloekte, trachtend hen tegen te houden; maar het ging
-niet; zij kenden het naderend gevaar, dat hen alle vrees voor den
-europeaan deed vergeten.
-
-Donderend kwam het nader, een verwarde massa vluchtende boomen,
-vallende en weer opstaande, springende tientallen van meters ver,
-ledematen verliezende door de wrijving tegen elkaar, maar rennende in
-ijdel pogen om te ontkomen aan den vervolger: het van woede ziedende
-water.
-
-Kalm wachtte de breede steen in het midden der kalie den schok af,
-rustig in zijn onwrikbare kracht, wetend dat voor hem alles moest
-wijken of tegen hem verpletterd worden.
-
-Daar kwam het, met een slag die de aarde deed dreunen; een golf vloog
-over den steen weg, de luchtdruk deed de brug reeds buigen en zwiepen
-nog eer de massa haar bereikte...
-
-Weer dreven enkele stammen in den bandjir, als even te voren; maar nu
-stonden er geen koelies meer ter bescherming van de brug, want die was
-weg.
-
-Korman mopperde verschrikkelijk. Het was alsof het verlies van de brug
-hem half ruïneerde. Midden in die bui kwam een koelie met een briefje
-van Gerlings.
-
-„Meer uitroepteekens dan woorden,” zeide Korman. „’t Is alsof hij zelfs
-in zijn schrijven dat lamme gegrinnik niet laten kan. Heb jij rijst
-over.”
-
-De laatste vraag was aan Rencke gericht, die hoofdschuddend antwoordde.
-
-Het was in de laatste dagen van het jaar. Korman had met Benoit een
-contract, waarbij bepaald was dat hij voor de gelden die hij in den
-loop van een jaar ontving, vijf procent rente moest betalen,
-onverschillig of hij die op 1 Januari dan wel op 31 December kreeg;
-daarna kostte het kapitaal hem negen procent ’s jaars. Om nu in het
-laatst van December nog een remise aan te vragen, vond hij jammer, om
-de vijf procent; dus stelde hij het uit tot 1 Januari, en intusschen
-werd het volk niet betaald. Dat kon; men kan met javanen veel doen,
-doch voor één ding moest gezorgd worden: rijst.
-
-Het volk nam van huis, als zij op de onderneming gingen werken, rijst
-mee voor vijf dagen; bleef het langer, dan werd er rijst gekocht van
-den voorraad dien ieder opzichter daarvoor had liggen. De verstrekking
-geschiedde nagenoeg tegen inkoopsprijs, doch men woog het niet... het
-werd gemeten met een takkeran van vijf of tien katties, waarvan er
-honderd veertig in een picol gingen! De winst paraisseerde alweer niet
-in de boeken...
-
-Nu had Gerlings den bodem van zijn rijsthok gezien, en vroeg om
-instructies. Geld om rijst te koopen was er niet, en de koelies vroegen
-natuurlijk om rijst. Hij had nog slechts een beetje; hoe moest hij
-doen?
-
-In gewone gevallen zou Korman beter nagedacht hebben en getracht er in
-te voorzien, doch nu hij zijn brug kwijt was, en daardoor ontstemd,
-krabbelde hij met potlood een kort antwoord op het ontvangen briefje,
-daarop neerkomende dat hij ’t zelf niet had en het ook niet kon... hier
-volgde een minder kiesche uitdrukking. Gerlings moest nu zelf maar zien
-hoe hij het bolwerkte.
-
-Gerlings had echter niet gevraagd om geen antwoord te bekomen. Enfin,
-hij zou morgen wat minder geven dan de aanvragen, en overmorgen nòg
-minder of niets, een weinig op zij leggen voor zijn eigen gebruik, en
-dan... dan moest Korman het weten. Hij had het vooruit niet geweten, en
-thans zijn plicht gedaan door te waarschuwen. Ultra posse nemo
-obligatur!
-
-Den volgenden dag trokken de koelies lange gezichten; wat niet
-misstond, meende Gerlings, daar de javaan van nature een veel te kort
-gezicht heeft. Den dag daarna, nòg langer; en met nieuwjaarsmorgen....
-
-Rencke had juist rol gehouden en stond in zijn voorgalerij, gereed om
-naar de administrateurswoning te gaan en te feliciteeren. Korman was
-eerst van plan geweest de employé’s op oudejaarsavond uit te noodigen;
-maar die brug....!
-
-Een galoppeerend paard kwam door de kampong, bereden door een inlander,
-die Rencke’s huis voorbij zou zijn gerend, als hij niet op het laatste
-oogenblik gezien had dat de toewan ziender in zijn voorgalerij stond.
-
-„Waarheen? Wat is er?” riep Rencke.
-
-De inlander scheen zich een oogenblik te beraden of hij toch maar door
-zou gaan, doch dàt was te bar; hij liet het paard staan en kwam naar
-Rencke toe, dezen een stukje papier toestoppende, confuus, zonder één
-der door de hormat [86] voorgeschreven beleefdheidsvormen.
-
-„Gévédé!”
-
-Rencke vloekte anders nooit, maar nu flikkerden zijn oogen; met één
-greep had hij zijn karwarts van het rek aan den muur, en voortsnellende
-vatte hij de manen van het wachtende paard, sprong er op, en holde weg,
-in de richting vanwaar de koelie gekomen was.
-
-Hellingen op, af, ’t deed er niet toe, vooruit maar. In verkeerden
-galop om een hoek, ’t zou wat, ’n indisch paard springt vanzelf over!
-De laatste bocht, en vóór hem lag een pleintje en Gerlings huis.
-
-Het paard zette de ooren in den nek, Rencke’s lippen scheidden zich, de
-witte tanden blootleggende; maar zonder vaart te minderen, integendeel,
-harder nog, vloog hij de opeengepakte massa inlanders op het lijf, eer
-zij hem zagen.
-
-Een paniek ontstond, en het gedrang van de in geen bepaalde richting
-vluchtende javanen zou Rencke hebben ingemetseld, als niet zijn paard
-trappend en bijtend ruimte had gehouden, terwijl hij zelf ieder dien
-hij bereiken kon met de karwarts bewerkte.
-
-Eindelijk was het pleintje leeg; alle koelies waren de kampong in, waar
-zij zich in de huizen verscholen. Eén lag vlak vóór Gerlings huis,
-kermende van de pijn. Het was een der belhamels geweest, die het dak
-beklommen had, om dat openbrekende, een toegang tot de woning te maken.
-Want de aanval kon noch aan den voorkant, noch van achter geschieden,
-aangezien telkens als zij het probeerden een geweerloop den koelies
-door een of andere opening tegenblonk.
-
-Rencke klopte aan de deur, luid roepende: „Hé, Gerlings! Waar zit je?”
-
-„Zijn ze weg?” klonk het van binnen.
-
-„Ja.”
-
-„Wacht dan even, ik moet den boel opruimen.”
-
-Rencke ondervroeg intusschen den koelie die op den grond lag. Hij was
-gevallen, en had pijn aan zijn been.
-
-Rencke hurkte neer en bezag het. Den voet opbeurende gaf deze op
-zonderlinge wijze mee in het enkelgewricht, terwijl de koelie een luid
-adoeh [87] uitstootte.
-
-„Die is er uit,” dacht Rencke hardop. Hij had aan boord wel eens meer
-gevallen van dien aard zien behandelen; en, vertrouwende op zijn goed
-geluk, stond hij op, nam het been mee de hoogte in, zette zijn
-rechtervoet tot steun op de heup van den inlander en trok met een
-krachtigen ruk aan den voet, dien dadelijk daarop naar binnen buigende.
-De patiënt was flauwgevallen, maar het ontwrichtte lichaamsdeel was
-weer op zijn plaats gebracht.
-
-Rondziende als om hulp, bespeurde Rencke den huisjongen van Gerlings,
-loerende langs den hoek van het huis. Hij riep hem.
-
-„Die man is van het dak gevallen, meneer,” lichtte hem de jongen in.
-
-„Ook al goed,” zeide Rencke. „Hier, houd den voet vast zooals ik hem nu
-heb. Ziezoo.”
-
-Toen ging hij weer naar de deur terug, die na nog eenig gestommel door
-Gerlings werd geopend, maar voorzichtig, met de linkerhand, terwijl hij
-in de rechter een revolver hield.
-
-„Kom, wees nu niet gek,” zeide Rencke met een trap tegen de deur. „Wat
-moeten ze wel van je denken!”
-
-„Gelukkig dat je er bent,” zeide Gerlings, die erg bleek zag. „Ze
-wilden me vermoorden!” En hij maakte een beweging om, toen Rencke er in
-was, de deur weer te sluiten.
-
-„Open!” beval deze. „Open, zeg ik je. En laat nu je meid een stuk goed
-geven om dien kerel daarbuiten te verbinden.”
-
-Gerlings moest het zelf halen, want zijn huishoudster lag voorover op
-het bed, kreunende den dood af te wachten dien zij meende dat haar
-beschoren was, en tot niets in staat.
-
-De javaan, die intusschen weer bijgekomen was, werd door Rencke
-verbonden en toen op een mat gelegd in het smalle voorgalerijtje.
-
-„Vertel me nu eens wat er gebeurd is,” zeide Rencke.
-
-„Van morgen, op de rol, vroeg mij een uit het volk wanneer er betaling
-was,” zeide Gerlings. „Ik antwoordde: zoodra als ik van den toewan
-besaar geld krijg. Toen zegt de vent brutaal: We willen het nu hebben;
-en tegelijk beginnen de anderen op te staan en te schreeuwen. Ik weg,
-het huis in, hi hi hi! Wat er verder buiten gebeurd is heb je zelf
-gezien; maar ze schreeuwden en scholden om er beroerd van te
-worden....”
-
-„Hoe heb je dien staljongen weg kunnen sturen?” vroeg Rencke.
-
-„O, die kwam de achterdeur in juist toen ik die wou sluiten, en zei:
-Meneer geef mij een briefje voor den toewan besaar. Ik heb wat op het
-rapportpapiertje gekrabbeld, en toen is hij de achterdeur weer
-uitgegaan. Verder weet ik niet.”
-
-„Hm,” deed Rencke. „Laat dan nu de kenthong slaan; we zullen die rol
-nog eens overhouden.”
-
-„En als ze dan weer beginnen? Zou ik er niet eerst vandoor gaan?”
-
-„Je blijft! Hoor eens Gerlings, als je wilt dat ik je help en je
-sauveer bij den oude, dan doe je nu precies wat ik zeg.”
-
-Gerlings gaf zijn jongen last om de kenthong te slaan. Een tiental
-inlanders kwamen op dat sein langzaam aanzetten. Het waren de mandoers.
-
-Voor Rencke neerhurkende, deed een hunner het woord, betuigende dat zij
-niet aan het geval schuld hadden; dat de koelies nu ook berouw hadden
-over hun daad; dat zij zoo bang waren, dat zij niet durfden komen voor
-meneer’s aangezicht; dat eindelijk, wat meneer wilde bevelen door hen
-zou worden uitgevoerd, al was het om te sterven!
-
-Rencke glimlachte even en zag Gerlings aan. Daarop gelastte hij de
-mandoers om in alle kampong-huizen aan te zeggen dat er straks nog
-eenmaal op de kenthong zou worden geslagen. Wie dan niet verscheen zou
-door hem, Rencke, uit zijn huis worden gehaald, en met den zoodanige
-zou het slecht afloopen.
-
-Zij kwamen als geranselde honden op de stem van den meester; zwijgend
-hurkten zij neer, dicht opeen, als zocht een ieder steun bij zijn
-buurman. Rencke telde hen af en deelde hen in, volgens de opgave van
-Gerlings. Voor dat hij het sein gaf tot oprukken, sprak hij hen aan.
-
-„Mannen, gij allen, hoort! En antwoordt als ik u vraag: Was de duivel
-van morgen in u gevaren, dat ge opstond tegen uw heer? Hebt ge grieven,
-welnu waarom daarover niet gesproken, niet beraadslaagd? Dat zou
-mannen-adat [88] geweest zijn. Wat ge nu hebt gedaan was het werk van
-honden, die slechts blaffen en bijten, omdat toewan Allah hun niet
-gegeven heeft te spreken. Ziet, Hij zelf heeft u geoordeeld, de handen
-losmakende van uw makker die op het dak zat, tot hij viel, en nu met
-een gebroken been daar ligt. Waar Hij alzoo strafte, zal ik het niet
-meer doen. Is er onder u een die verstandig spreken kan, en mij zeggen
-wat ge wilt, dat hij voorkome.”
-
-Er heerschte groote stilte terwijl aller blikken zich vestigden op een
-javaan, die ongeveer in het midden zat. Deze aarzelde, maar eindelijk,
-gedrongen door de stomme uitnoodiging van al zijn makkers, stond hij op
-en ging naar Rencke toe. Zonder te hurken, terwijl een donkerder waas
-het bruine gezicht overtoog, wees hij met gestrekten duim op Gerlings.
-
-„Die daar....”
-
-Een welgemikte oorveeg maakte een eind aan den volzin, en deed den
-spreker onderste boven tuimelen, midden in een plas water. Een gesmoord
-lachen doorliep de rijen der koelies.
-
-„Ik heb genoeg gehoord,” sprak Rencke. „De kapala kampong zal mij
-straks verder inlichten, en met hem zal ik beraadslagen. Gaat nu allen
-heen, aan het werk.”
-
-Zij gingen, behalve de voorvechter, die op een wenk van Rencke door het
-kampong-hoofd werd aangehouden.
-
-„Dat is afgeloopen,” zeide Rencke tot Gerlings. „Maak even de rekening
-op van dit heer, dan zullen we hem opzenden naar den assistent-wedhono.
-Maar wat mankeer je, man; je staat te beven op je voeten!”
-
-„Toen je daareven dien man sloeg, dacht ik: we zijn er bij! Het is
-dezelfde die van morgen begon.”
-
-„Je hebt gezien hoe je zoo’n zaakje aan moet pakken. Drink wat.... en
-geef mij ook maar een brandy-soda,” zeide Rencke, die, nu alles voorbij
-was toch ook eenige werking van zijn zenuwen bespeurde.
-
-Nog waren zij daarmee bezig, terwijl Gerlings op een stukje papier het
-bedrag had opgeteekend van het loon dat de gevangen belhamel verdiend
-had, toen voor de deur de staljongen van Gerlings verscheen, het paard
-van Rencke, den plongko, aan den teugel houdende.
-
-„Kijk, dat is een goed idée!” zeide Rencke. „Nu moesten we samen naar
-Watoeombo rijden om den oude te feliciteeren.... ’t is waar ook....
-gezegend nieuwjaar!”
-
-„Slamat [89]!” antwoordde Gerlings. „Hi hi hi!”
-
-Na den koelie onder geleide van het kampong-hoofd te hebben afgezonden,
-vertrokken ook de beide opzichters.
-
-Te Watoeombo zat Korman in niet geringe spanning de terugkomst van
-Rencke af te wachten. Hij had van den staljongen alles vernomen, en
-vreesde dat de moedige jonge man het offer zou zijn geworden van zijn
-voortvarendheid, en meer nog, dat het oproerige volk hierheen zou
-komen. Hij gaf last om zijn paard te zadelen en bleef in de
-voorgaanderij op en neer loopen, steeds den weg die naar Gerlings’
-afdeeling leidde, in het oog houdende. Plotseling bevangt hem de
-gedachte aan Li en zijn kind, en hij vervloekte zichzelf dat hij den
-plongko had weggezonden. Hoe moesten die twee nu wegkomen als het
-gevaar dreigde? De kleine kon hij zelf op het paard nemen....
-
-Gelukkig! Daar kwamen van Everdingen en Biezeman.
-
-Toen deze twee hoorden wat er gaande was, wilden zij er onmiddellijk
-heen rijden. Doch Korman hield hen terug.
-
-„Rencke is gegaan zonder mij eerst te raadplegen,” zeide hij. „Als een
-dolleman is hij weggehold. En nu moet de zaak in orde zijn, of je zoudt
-door er heen te gaan nog meer bederven. Laat ons bedaard afwachten tot
-er bericht komt.”
-
-Zij behoefden niet lang meer te wachten. Korman loosde een zucht van
-verlichting toen hij de twee opzichters ongedeerd aan zag komen, en
-betuigde Rencke zijn groote tevredenheid, toen deze met weinig woorden
-rapport had gedaan.
-
-„Alleen,” zeide hij, „had je niet mogen gaan zonder mij. Ik heb er
-genoeg over in gezeten. Maar enfin, ’t is goed afgeloopen; dus zullen
-we er maar over zwijgen. Ja, zooals je zegt, er moet rijst heen. Wie
-heeft over?”
-
-„Op Sabrang ligt meer dan we noodig hebben,” zeide van Everdingen.
-
-„Dan zal ik om één uur volk sturen,” zeide Korman, en zoo geschiedde.
-
-Na de rijsttafel, toen de anderen vertrokken waren, werd er tusschen
-Korman en Gerlings een heftig gesprek gevoerd. De laatste weigerde
-eenvoudig naar zijn afdeeling terug te gaan, tenzij hij geld had om het
-volk af te betalen; en of Korman hem al beduidde dat er geen geld was,
-dat hij, nu er rijst was niets te vreezen had, dat hij de heele
-afdeeling op de flesch hielp door zijn lafheid, en eindelijk dat hij te
-kiezen had, tusschen zijn onmiddellijk ontslag of het doen van zijn
-plicht, Gerlings antwoordde onveranderlijk: „Ik doe het niet; ik durf
-niet.”
-
-Woedend was Korman in zijn kantoor gegaan, en zat daar het ontslag van
-den employé te schrijven.
-
-Door de open binnengalerij had Li het geheele gesprek aangehoord, en
-toen Korman zich verwijderde, kwam zij naar voren. Zij vermaande
-Gerlings toch te doen wat zijn plicht was.
-
-„Geloof mij,” zeide zij; „er is geen gevaar meer. Daar! wil ik uw njai
-een bezoek gaan brengen en vannacht overblijven?”
-
-„Laat meneer Korman zelf komen,” zeide Gerlings. „Me dunkt dat het hem
-als administrateur in de eerste plaats past zijn ondergeschikten bij te
-staan waar zij niet verder alleen kunnen.”
-
-„Meneer Korman,” vond Li, „moet als administrateur op het hoofdkwartier
-zijn. Dáár is de plaats die den toewan besaar past.”
-
-„Een mooie toewan besaar!” riep Gerlings uit. „Wil ik u eens wat
-zeggen, nonja? Hij is zelf te bang! Hi hi hi!”
-
-Met een blik vol minachting nam Li hem op, en zonder een woord te
-zeggen draaide zij zich om. Juist kwam Korman weer uit zijn kantoor,
-een beschreven stuk postpapier in de hand.
-
-„Nu, gaan of niet?”
-
-„Neen.”
-
-„Hier dan; je hebt je ontslag.”
-
-„Liever dan vermoord te worden,” zeide Gerlings, het papier aannemende.
-„Ik groet u; hi hi hi!”
-
-Een ontslag was zoo erg niet in die dagen. Men ging ergens in een
-logement zitten, wachtte tot er een administrateur kwam die iemand
-noodig had, of informeerde bij den logementhouder waar er in den
-omstreek een vacature was. Gerlings nam het dan ook niet erg zwaar op,
-doch maakte haast met zijn vertrek; want één ding wist hij: als
-namelijk Korman in de gelegenheid was de redenen van het ontslag op
-zijn manier ruchtbaar te maken, eer Gerlings een betrekking had, dan
-kreeg hij er geen. Men mocht in dien tijd zijn wat men wilde, mits men
-geen last had met het volk. Wat zijn achterstallig tractement betrof,
-plus de zes weken die hij daarboven te vorderen had, dat zou hij
-trachten te innen zoodra hij een nieuwe plaatsing bekomen had.
-
-Rencke ging tijdelijk naar de verlaten afdeeling, doch den derden dag
-kon hij reeds weer op Watoeombo terugkeeren. Er was een nieuwe employé
-uit de lucht komen vallen!
-
-Gerlings had dezen in het logement ontmoet. Ze hadden elkaar hun
-lotgevallen verteld, en het gevolg was, dat Gerlings naar de
-suikerfabriek ging die de andere verlaten had, en deze zijn lang mager
-lichaam op een picolpaard zette en zich naar Watoeombo liet dragen,
-waar hij omstreeks den middag aankwam.
-
-Korman wist niet wat hij zag, toen de optocht voor zijn huis stil
-hield, en de aankomende zijn voeten uit de touwtjes die voor
-stijgbeugels dienden nam, om vervolgens het nietige paardje gewoon van
-onder zijn lange beenen uit, weg te laten loopen.
-
-„Mijn naam is Menier de Brisson,” stelde hij zich voor.
-
-„De boekhouder van Sonokling?” vroeg Korman.
-
-„Geweest, meneer. Misschien wist u dat meneer van Sloten naar Holland
-gaat?”
-
-„Ja, en Parser wordt administrateur.”
-
-„Juist meneer. En met dezen heb ik eens standjes gehad over de
-indeeling van de wachten, ’s nachts, in den maaltijd,” zeide Brisson.
-„Toen heeft hij ongelijk gekregen. Maar hij heeft het mij nooit
-vergeven; en nu hij baas wordt begrijpt u....”
-
-„Jawel, dat spreekt. Dus kom je om een betrekking. Wel, je treft het,
-Gerlings is een paar dagen geleden weggegaan.... Ben je moe?”
-
-„O neen meneer, alleen wat gevoelig van het lange zitten op het
-tjekattahan, [90] dat voor zadel dienst deed.”
-
-„Dat is minder,” lachte Korman. „Ik zal je iemand meegeven naar de
-afdeeling van Gerlings. Je zult daar meneer Rencke vinden, die je wel
-van alles op de hoogte zal brengen. Er is op ’t oogenblik weinig te
-doen, daar gisteren, na de betaling, veel volk is weggegaan.”
-
-Brisson was weldra op weg, en Korman wenschte zich geluk met de
-aanwinst, daar hij van dien jongen man veel goeds gehoord had.
-
-Ook Rencke was blij dat hij zoo spoedig werd afgelost, en nog meer toen
-Korman hem mededeelde dat zijn tractement met vijftig gulden ’s maand
-verhoogd werd, waardoor hij nu driehonderd vijftig gulden kreeg. Hem
-werd echter opgedragen van nu aan het werk op de andere afdeeling te
-surveilleeren.
-
-„Dit is een zeer geringe vermeerdering van werk,” zeide Korman; „en het
-voordeel er van is dat je een gelijke positie hebt als van Everdingen.
-Ik had er bij de aanstelling van Gerlings niet zoo gauw aan gedacht;
-maar nu ging het gemakkelijk.”
-
-Voor de onderneming maakte de tractementsverhooging van Rencke geen
-verschil, daar Brisson vijftig gulden minder kreeg dan Gerlings, te
-weten tweehonderd gulden.
-
-
- EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL
-
-
-De tijd die er verloopt, wanneer een onderneming wordt ontgonnen op de
-wijze als Korman dat gedaan had, tusschen het planten van de laatste
-bibit en het eerste vruchtdragen van den koffieboom, is vrij eentonig.
-Elken dag naar de tuinen gaan en altijd hetzelfde werk zien is voor den
-europeaan, vooral in Indië, vervelend en afmattend. Hij wil
-vooruitgang, afwisseling, en de natuur roept hem toe: zachtkens aan;
-zie, ik rijg takje aan takje, blaadje aan blaadje; alles kost mij
-studie en werk; alles moet zijn begin hebben en zijn langzame
-ontwikkeling; mij verveelt het niet, ik doe al sinds eeuwen hetzelfde
-werk!
-
-Is het wonder dat zich, èn daardoor èn door het aangewezen zijn op
-elkaar in een kleine ruimte, de humeuren minder gunstig ontwikkelen en
-er standjes ontstaan uit niets?
-
-De huishoudster van Rencke had zich veroorloofd te zeggen dat de kleine
-Hendrika Korman kromme beentjes had. „Moeder de vrouw” van Biezeman,
-tegen wien het gezegd was, oordeelde het feit gewichtig genoeg om zich
-te gaan overtuigen, en, zoo het waar was, Li in te lichten wat zij
-moest doen om genoemde beentjes recht te laten groeien. Toen zij echter
-kwam en de gezonde kleine ledematen zag, die Hendrika door het leven
-moesten dragen, liet zij zich ontvallen wat njai Rencke daarover had
-verteld.
-
-Li was verontwaardigd, ten diepste getroffen in haar moederlijke
-ijdelheid. En als het nog waar was! Haar engel kromme beentjes? Njai
-Rencke werd ontboden en kreeg een standje, zóó dat zij blij was toen ze
-weg kon komen. Maar ze zou het „moeder de vrouw” betaald zetten, wacht
-maar!
-
-Om te beginnen klaagde zij haar nood aan haar collega, die het
-huishouden van Brisson bestuurde, en deze vond ook dat de babbelzucht
-van Biezeman’s wilde echtgenoote te erg was! Welk oordeel door
-tusschenkomst van de vrouw van den warong-houder aan de belanghebbende
-werd overgebracht.
-
-Een hatelijkheid was het antwoord, en tevens het begin van een reeks
-boodschappen heen en weer, meestal behelzende wat de afzendster wel zou
-doen met de tegenpartij wanneer die het ongeluk had haar in handen te
-vallen.
-
-Eindelijk kwam er een briefje van Biezeman, waarin hij „amize” Brisson
-waarschuwde dat het nu uit moest zijn, of dat hij anders zou komen en
-den ander, al was hij nog zoo’n lange sladood, een paar blauwe oogen
-als aandenken nalaten.
-
-Brisson zond het briefje naar Rencke, met het verzoek om een halven dag
-verlof teneinde er persoonlijk antwoord op te kunnen gaan brengen.
-Rencke stond dat niet toe, doch stuurde het epistel aan van Everdingen,
-en vroeg hem daarbij: of men het als een staaltje mocht aanmerken van
-den bon ton op Sabrang?
-
-Toen was het aan den gang! Hatelijkheden en grofheden wisselden elkaar
-af, Sabrang en Watoeombo waren als twee vijandelijke legerkampen; en
-toen op het laatst van Everdingen en Rencke niet dan met groote moeite
-door Korman belet werden met elkaar op leven en dood te duelleeren,
-wist geen van beiden beter of zij streden voor een heilig recht, en
-niet over de zwaar belasterde beentjes van Hendrika Korman.
-
-„Toe pa, stuur ze om de beurt eens naar de stad,” zeide Li op een
-avond, toen Rencke met een hoogrood gelaat was komen vertellen „dat het
-zóó niet langer ging!”
-
-Korman dacht er over na, en vond er iets op. Hij liet Rencke ontbieden.
-
-„Er ligt een aangeteekende brief op het postkantoor,” zeide hij; „’n
-remise van Soerabaja.”
-
-„Die komt op tijd,” merkte Rencke op, „want we hebben niet veel meer in
-kas.”
-
-„Juist,” zeide Korman. „En... Sabrang heeft ook heel wat noodig... dus
-wou ik je verzoeken zelf naar de stad te rijden, en het geld mee te
-brengen.”
-
-„Uitstekend meneer!” antwoordde Rencke, aangenaam gestemd in het
-vooruitzicht weer eens „menschen” te zullen zien.
-
-„Ga dan morgen,” zeide Korman. „Je kunt een dag over blijven, als je
-wilt. Er is nu toch geen bijzondere drukte. Ik denk er trouwens hard
-over, in het vervolg altijd een van jullie te sturen om het geld te
-halen. Het transport met den plajangan bezorgt me geregeld een
-slapeloozen nacht. Als hij er eens vandoor ging, zou ik eigenlijk niet
-verantwoord zijn.”
-
-Rencke was het daarmee volkomen eens.
-
-Hij ging, en Korman reed denzelfden dag naar Sabrang, waar hij van
-Everdingen eveneens zijn besluit mededeelde, dat ook bij dezen in goede
-aarde viel.
-
-„En,” voegde Korman er op het laatst bij, „zie dat je overmorgen op
-Watoeombo komt. Rencke zal wel een hoop nieuws meebrengen.”
-
-De nieuwsgierigheid dreef van Everdingen op den bepaalden dag naar het
-hoofdkwartier, hoewel hij eerst van zins geweest was niet te gaan. Doch
-hij bedacht dat dit van den anderen kant wel eens aan vrees kon worden
-toegeschreven; en dàt nooit! Alleen zorgde hij er voor, het eerst aan
-te komen. Het is toch altijd gemakkelijker bij zulke gelegenheden af te
-wachten hoe de ander zijn entrée maakt, dan dit zelf te doen.
-
-Rencke kwam laat. De geldzakken, die hij vóór zich op den zadel had
-gehangen, maakten het vlugge rijden moeielijk. Het regelmatige stappen
-van zijn paard had hem even voorbij Wonosarie dommelig gemaakt, en de
-twee vorige nachten, die hij zonder naar bed te gaan had doorgebracht,
-deden er het hunne toe. Zoodat hij er niets van bemerkte hoe de plongko
-in het bosch een uurtje doorbracht met knabbelen aan de enkele
-grassprietjes, die op den kant van den weg kans hadden gezien door de
-doode bladeren heen te groeien. Het eindelijk weer voortgaan van zijn
-rijdier deed hem ontwaken, om met schrik te bemerken hoe weinig hij pas
-had afgelegd. Onwillekeurig betastte hij ook de zakken waarin het hem
-toevertrouwde geld geborgen was. Toen drukte hij zijn paard in een
-snelleren gang, de teugels tusschen de tanden, en op iederen geldzak
-een hand houdende.
-
-Zijn entrée was netjes. Och, hij had de heele ruzie in die drie
-prettige dagen vergeten! Er had sans mots een verzoening plaats, die
-onmiddellijk reageerde op de andere opzichters, en van deze op hun
-respectieve huishoudsters, die elkaar een bezoek brachten, en heel
-gemoedelijk bij een partijtje keplék [91] hun grieven vergaten.
-
-Li had derhalve, zooals zij wel meer deed, een goeden raad gegeven; en
-ofschoon Korman het later bij van Os en Messner deed schijnen alsof hij
-op het snuggere denkbeeld was gekomen dat een eind had gemaakt aan de
-standjes, voor zichzelf erkende hij niettemin Li’s verdiensten.
-
-En die waren groot, in alle opzichten. Volgens de herinnering die
-Korman nog had van een hollandsche vrouw, stond Li bij een zoodanige in
-niets ten achter. Kleur? Dat scheelde zooveel niet; er waren indische
-meisjes die er vrij wat donkerder uitzagen. Conversatie? Hoe weinig
-vrouwen hebben die! Li kon althans vroolijk babbelen over alles en
-niets. Als hij haar trouwde—hij begon er ernstig over te denken, te
-meer daar zij voor de tweede maal in positie was—dan moest ze echter
-hollandsch leeren. Dat zou hij eens probeeren haar zelf te onderwijzen;
-ja, en fransch ook...
-
-Dit denkbeeld verder uitmijmerende, doemde voor zijn geest een
-tafereeltje op, dat hij had bijgewoond in de eerste dagen van zijn
-aankomst in Indië. Het stond hem op eens helder voor oogen; de
-binnengalerij van het residentiehuis te Soerabaja, waar receptie was;
-receptie van den Gouverneur-Generaal, die een reis naar den Oosthoek
-maakte.... Daar stond zij, het pittige vrouwtje van den handelschef;
-één en al indische gratie. De echtgenoote van den landvoogd moest haar
-aanspreken; daar had zij door de positie van haar man recht op. Het
-ongeluk wilde echter dat de hooge dame geen hollandsche was, en zich
-derhalve behielp met fransch of engelsch, al naar gelang iemand
-prefereerde. Men fluisterde onder elkaar dat de gemalin van Zijn
-Excellentie in alle talen verschrikkelijk knoeide....
-
-Het indische vrouwtje naderende dacht zij.... enfin, dat bleef haar
-geheim; doch zij sprak:
-
-„Madame, quelle langue préférez vous? Moi je parle le français,
-l’allemand, l’anglais, l’espagnol, l’italien... et enfin: le suédois.”
-
-Een ondeugend vuur schitterde in de donkere oogen der aangesprokene,
-toen zij met groote radheid antwoordde:
-
-„Chose de préférence, Madame; moi je parle le hollandais, le français,
-le javanais, maleisch, madoereesch, alfoersch, soendaneesch,
-bataksch... et enfin, le suédois!”
-
-Korman zag weer de verbaasde gezichten van alle omstanders; één voor
-één herkende hij ze, met een juistheid die hem zelf verwonderde, daar
-het al zooveel jaren geleden was; doch de trekken van het indische
-vrouwtje gingen over in die van Li, en voor zijn droomend oog
-geschiedde het zooeven verhaalde nogmaals, maar nu met Li als
-hoofdpersoon.
-
-Zeker, waarom niet? Het lag maar aan de opvoeding. Morgen... neen
-dadelijk zou hij beginnen!
-
-„Li, wat zou je er van zeggen als wij eens betoel [92] trouwden?” vroeg
-hij.
-
-„Sama djoega,” [93] meende Li.
-
-Heb je van je leven! Maar ’t was waar ook, de opvoeding moest nog
-aangevangen worden en daarmee zouden ook wel andere opvattingen geboren
-worden.
-
-Met het a b c begon hij en eindigde er ook mee, want toen kwam de
-bevalling tusschenbeiden, die niet zoo vlot ging als de eerste maal.
-Week na week verliep eer Li het bed kon verlaten, en tweemaal moest de
-dokter gehaald worden uit de stad; een vreeselijk dure geschiedenis!
-Doch dat kon Korman niet schelen voor ’t oogenblik; als hij Li maar
-behield.
-
-„Wil je wel gelooven,” zeide hij tot Rencke, „dat ik haar niet zou
-kunnen missen? Van af dat zij zoo groot was als nu Hendrika, is ze bij
-ons geweest; maar nooit heb ik geweten dat zij me zoo na aan ’t hart
-lag, als juist nu. Als zij kwam te sterven zou ik het dien kwajongen
-nooit vergeven.”
-
-Gelukkig geschiedde dit niet, en mocht de kwajongen, die onder den naam
-van Gerard in de registers van den burgerlijken stand werd
-ingeschreven, zich verheugen in een groote belangstelling van de zijde
-zijns vaders. Meer dan ooit zijn zusje, de kleine Hendrika, die van nu
-af de tweede plaats bekleedde, en al jong zich leerde voegen naar de
-luimen, die Korman zijn zoontje stelselmatig aanleerde.
-
-De afgebroken lessen van Li werden niet weer opgevat. Op den duur vond
-Korman het toch te lastig en tijdroovend. Zoodra de koffie produceerde
-zou hij een gouvernante aannemen, die het even goed kon doen.
-
-Behalve de tuinen die onmiddellijk aan de loengoers grensden, en
-waarover de wind vrij heen streek, beloofde de aanplant van Watoeombo
-zijn plicht te zullen doen. Met de loengoer-tuinen was het echter
-slecht gesteld. De koffie wilde er niet groeien, en de dadap evenmin,
-doch daarentegen schoot de alang-alang er steeds weelderiger op. Tot
-een diepte van anderhalf voet had Korman er laten dangirren. Hij had
-daarvoor duur betaald, van één tot één en ’n kwart cent per boom, maar
-met geen ander resultaat als dat het zoo verfoeide onkruid nog dikker
-opkwam dan vroeger, en de koffieplantjes, voor het grootste gedeelte
-tweemaal gesoelamd, [94] er geel en mager bijstonden, treurige
-voorbeelden van slechte werkwijze.
-
-Eindelijk besloot Korman die tuinen af te schrijven, doch eerst wilde
-hij eens een kijkje gaan nemen bij Messner en bij van Os. Bij den
-laatste eigenlijk alleen uit nieuwsgierigheid, want te leeren zou er
-niets zijn; van Messner misschien, ofschoon hij zich wel wachten zou
-het te erkennen.
-
-Donowarie had zich niet zoo snel ontwikkeld als de naburige
-onderneming. Het gevaar kennende van groot kapitaal, dat drukkende
-rente met zich brengt, wilde Messner trachten een deel van zijn land
-vrij te werken, om daarna met de winst het verdere te ontginnen. Na de
-honderd vijftig bouws van het eerste jaar, had hij alleen dan laten
-aanleggen als hij volk te veel had, zoodat er gaandeweg niet meer dan
-vijftig bouws bij waren gekomen. Het verveelde Korman er dikwijls naar
-te gaan zien; het was altijd eender. Zijn laatste bezoeken waren
-slechts pro forma geweest, en hadden zich niet verder uitgestrekt dan
-tot de naaste omgeving van Messner’s huis. Hij kon echter aan Benoit
-rapporteeren dat hij er geweest was.
-
-Toen hij ditmaal kwam, had hij moeite Messner te beduiden dat hij meer
-wilde zien dan anders, en wekte diens verbazing op door de inspectie
-voort te zetten tot in de hoogste tuinen. Er werd daar juist gewerkt.
-
-„Wat doe je nu?” riep Korman eensklaps uit, zijn oogen nauwelijks
-vertrouwende.
-
-„Labrak,” zeide Messner laconiek.
-
-„Dat ken ik niet. Het heeft iets van het krabben met den patjol, zooals
-ze in de gouvernementstuinen doen. Is dat in plaats van het babadden?”
-
-„Neen,” antwoordde Messner; „ik zal je zeggen wat het is. Maar kijk
-eerst eens rond. Hoe vind je dat deze tuinen staan?”
-
-„Hm, mooi is anders,” vond Korman, „hoewel mijn loengoer-tuinen er nog
-beroerder uitzien. Ik denk er over om ze af te schrijven.”
-
-„Dat was ik met deze ook van plan,” zeide Messner. „De alang-alang
-verstikte de koffie, de dadap wilde niet groeien, en zelfs mijn proef
-met sengon, als schaduwboom, mislukte. Op een goeden dag, dat ik hier
-voorbij kwam en me weer liep dood te ergeren, bedacht ik in eens, dat
-waar ik al zoo’n moeite had met die alang-alang, onze vriend van Os er
-nog veel erger aan toe moest zijn. Dat wil ik toch eens zien, dacht ik,
-en thuiskomende verleid ik Zus om er den volgenden morgen met me heen
-te rijden.”
-
-„Met Zus?” vroeg Korman verbaasd. „Wist je dan niet dat van Os getrouwd
-was?”
-
-„Natuurlijk wist ik dat. Ik was er immers vroeger al geweest,” zeide
-Messner. „Maar mevrouw van Os had het zelf gevraagd. Het is een
-volbloed europeesche, weet je, en die hebben op die punten niet zooveel
-tinka’s [95] als de indische dames. Weet je wat ik geloof? Dat zij zich
-bewust zijn van het verschil tusschen hen en een huishoudster, en weten
-dat zij niet te vreezen hebben voor een zoodanige te worden aangezien,
-al gingen ze er eens samen mee uit wandelen.”
-
-„Ha ha, die is goed!” lachte Korman. „Maar... je hebt toch bij hem niet
-je middel tegen de alang-alang opgedaan?”
-
-„Zeker heb ik dat. Waar hij het vandaan haalt weet ik niet, maar
-zooveel is zeker dat hij drommels goed weet wat hij doen moet.”
-
-„Bah!” zeide Korman. „Een man die met zijn koelies soldaatje speelt!”
-
-„Als ik kans zag mijn volk zoo te drillen, deed ik het hem na,” zeide
-Messner. „Doch dat is tot daaraantoe; ga maar eens bij hem kijken, en
-laat je uitleggen hoe en waarom hij zoo werkt. Ik kan dat niet zoo.”
-
-Korman keek op, voelende dat hij voor den mal gehouden werd; doch
-Messner had zijn trekken goed in bedwang. Zij waren al sprekende den
-weg afgegaan, en hadden zich van de plaats waar gewerkt werd
-verwijderd. Korman bemerkte dit te laat, zich verwenschende dat hij
-zich tot praten had laten verleiden. Het was een zwak van hem, dat als
-hij praatte, hij niets zag; althans niet opmerkzaam genoeg; en nu was
-hem feitelijk geheel ontgaan wat het volk voor zijn oogen had staan
-doen.
-
-„Ik zal er morgenochtend heen gaan,” zeide hij, „van hier uit. Maar...
-geef me straks een koelie voor een briefje. Ik wou liefst vooruit
-waarschuwen, want hij houdt er een hond op na...”
-
-„Die enkel gladakkers aanvalt,” voleindigde Messner.
-
-„Watblief? Heeft hij je dat gezegd,” vroeg Korman woedend.
-
-„Neen zeker niet,” haastte zich Messner te antwoorden. „Ik heb van
-Rencke gehoord in welke verlegenheid dat gezegde hem gebracht heeft.
-Trek het je dus niet aan.”
-
-Het briefje werd verzonden, en Bello lag behoorlijk aan den ketting
-toen Korman op Marialand arriveerde.
-
-De ontvangst aldaar was hartelijk, als bereid aan een te lang
-uitgebleven vriend. Korman werd er bijna verlegen onder; en wat hem
-vooral hinderde was de onafgebroken tegenwoordigheid van mevrouw van
-Os, die heden alles in den steek liet, haar kinderen, haar keuken
-zelfs, om den gast te onderhouden. Zoolang zij er bij was, schaamde
-zich Korman om met het eigenlijke doel van zijn bezoek voor den dag te
-komen; doch de tijd verstreek...
-
-„Het is mij opgevallen zoo weinig alang-alang je in de tuinen, waar ik
-langs ben gekomen, hebt overgehouden,” zeide hij ten laatste. „Hoe heb
-je ’m dat toch geleverd?”
-
-Nauwelijks had hij dien zin geuit, of mevrouw van Os werd door een
-dringende huishoudelijke bezigheid weggeroepen.
-
-„Een Malangsch recept,” zeide van Os. „Ten minste ik geloof dat ik het
-in die buurten alleen gezien heb. Hoe diep denk je dat de alang-alang
-wortels zitten?”
-
-„Fameus diep,” meende Korman. „Ik heb plaatsen waar zij ruim anderhalf
-voet diep in den grond zitten.”
-
-„Omdat jij ze er zoo diep hebt ingewerkt,” betoogde van Os. „Hier
-zitten ze geen halve voet diep, doordat ik met dangirren niet verder
-laat gaan dan zoo veel. Feitelijk doen ze bij mij niet meer dan even
-het vuil omhakken.”
-
-„Maar daarmee geef je geen lucht genoeg aan de wortels van den
-koffieboom,” riep Korman uit.
-
-„Ik wil me aan die theorie niet wagen,” antwoordde van Os. „Ik voor mij
-geloof dat de wortels van iedere plant hun eigen weg wel weten te
-vinden in de aarde, en het losmaken van den grond zich niet verder
-behoeft uit te strekken dan tot den bovenkorst, die door den invloed
-van weer en wind verhardt. Is deze open, dan kan alles wat er in moet,
-doordringen.”
-
-„Enfin,” zeide Korman, de schouders ophalende. „Maar wat heeft dat
-alles met de uitroeiing van de alang-alang te maken?”
-
-„Nogal duidelijk,” vond van Os. „Ten eerste werk ik de wortels niet in
-den grond, en ten tweede kost het schoonmaken mij zóó weinig, dat ik
-het dikwijls kan laten doen. Wat betaal jij voor het dangirren?”
-
-„Tachtig cent de honderd boomen, op gemakkelijk terrein.”
-
-„Kijk! en ik dertig à veertig cent. Dus kan ik het tweemaal laten doen,
-tegen jij eens. Daarbij doe ik niet aan babadden, doch laat in de
-plaats daarvan maar weer labrakken—zoo noemden ze het in Malang.”
-
-„Dat woord gebruikte Messner ook,” zeide Korman.
-
-„Zoo? Ja, hij was een poos geleden hier, en zeide in eenige tuinen op
-Donowarie mijn methode te zullen toepassen. Maar ter zake; doordat mijn
-kebons dusdoende nagenoeg altijd schoon zijn, en de alang-alang geen
-tijd heeft om veel blad te schieten, kwijnt zij natuurlijk weg, of
-verbastert tot een soort kruipend gras. Hoewel, voor het laatste wil ik
-niet instaan; ik ben geen botanicus en kan dus niet zeker zeggen of het
-werkelijk een verbastering dan wel een supplantatie is. Daarover
-gesproken, weet je wat ik ergens in het Solosche gezien heb?”
-
-„Nog niet.”
-
-„Wel,” vervolgde van Os, „daar was er een die beweerde dat alang-alang
-verdrongen werd door een ander onkruid: djowirono? Ken je het?”
-
-„Zeker,” zeide Korman. „Bij het afsnijden stinkt het net als rotte
-pieterselie.”
-
-„Hetzelfde. Nu, deze vriend verzamelde daarvan het zaad—je weet wel,
-precies als dat van die dingen in Holland, die we als kinderen altijd
-uitbliezen, paardebloemen geloof ik. En als hij gedangird had liet hij
-het uitzaaien.”
-
-„Hielp het?” vroeg Korman.
-
-„Ik weet het niet,” zeide van Os. „Waar het stond, groeide geen
-alang-alang; maar voor de rest was hij er pas mee begonnen, en wachtte
-zelf den uitslag af.”
-
-„Je hebt veel gereisd, naar het schijnt,” was de opmerking van Korman,
-die aan het gesprek een andere wending gaf, daar van Os onmiddellijk
-een afkeurend oordeel uitsprak over het eeuwige thuiszitten van de
-planters op Java, het alleen voor zichzelf voortknoeien, en het
-angstvallig vermijden van iets na te doen van elkaar, alsof er één was
-die meer kon dan gissen en raden naar de beste werkwijze.
-
-Dit was een onderwerp waaromtrent Korman met hem van oordeel
-verschilde. Hij ontkende wel niet dat men nieuwe vindingen kon doen die
-doeltreffend waren, doch hield vol dat er een aantal vaste regels
-bestond volgens welke men vroeger altijd gewerkt had en... rijk
-geworden was. Die regels had hij door de practijk, in vorige jaren
-werkende bij een ervaren chef, leeren kennen en daarop zou hij geen
-inbreuk plegen. Hij vergeleek ze bij de Mozaïsche wet der tien geboden,
-die op zichzelf ook goed was mits men er zich letterlijk aan hield, en
-er niet aan knoeide met uitleggingen die het heldere stuk
-verduisterden, en Mozes zelf het meest zouden verbazen als hij ze kon
-hooren.
-
-Hieruit ontstond een geschikte aanleiding om de jurisprudentie in het
-algemeen, en die van Nederlandsch-Indië in het bijzonder, eens flink
-over den hekel te halen. Niet dat één hunner er iets van afwist—och
-neen; maar dat belet niet, en in Indië minder dan ergens anders, er een
-meening over te hebben, en die te defendeeren door dik en dun. Doet men
-dit laatste met de noodige brutaliteit, dan verkrijgt men allicht,
-evenals Korman dien dag bij de familie van Os, de reputatie van „toch
-een drommels knap mensch te zijn.” Jammer dat hij geen advokaat
-geworden was! Want—en daarmee was mevrouw van Os het nu ook eens—in de
-koffie deugde hij niet.
-
-Het oordeel van Korman over van Os, dat hij bij het naar huis rijden
-bij zich zelf opmaakte, was evenwel nog strenger. Van Os deugde voor
-niets. Voor militair niet eens; want waarom zou men hem anders als
-kapitein gepensionneerd hebben? En wat zijn kennis van koffieplanten
-aanging, dat was heelemaal niets. Wat ’n onzin, dat labrakken! Waar de
-koffie en de dadap goed waren opgegroeid, daar verdween de alang-alang
-vanzelf, omdat zij niet tegen schaduw kan. En als de koffie niet
-groeide, dan zat dit in iets anders, in den grond of zoo; want de
-plantjes waren overal dezelfde geweest.
-
-Zijn besluit om de loengoer-tuinen af te schrijven had door die twee
-bezoeken geen verandering ondergaan.
-
-De derde westmousson, na dien waarin de eerste bouws van Watoeombo
-beplant waren, was aangebroken. Eenige dagen regen hadden het stof van
-de bladeren afgespoeld, en tusschen het donkergroen schitterde het
-helderwit. De dadap, die in den oostmousson een groot deel van de
-bladeren had verloren, maakte nu weer jong groen, dat zich ontwikkelend
-de teedere bloesem der koffie beschermde. Een heerlijke geur als van
-jasmijn vergezelde het schoone schouwspel dat de lagere tuinen van
-Watoeombo opleverden.
-
-Hoogerop was nog weinig, doch dat was geen nadeel, want de boomen waren
-niet groot en sterk genoeg om aan de uitputting van een zware dracht
-weerstand te kunnen bieden.
-
-Toen de bloesem zich geheel ontwikkeld had, noodigde Korman zijn
-geëmployeerden uit een dag ten zijnent door te brengen, en gezamenlijk
-met hem de verwachte oogst te taxeeren. Het behoeft wel geen betoog dat
-de meeningen sterk uiteenliepen. Men telde de bloesem aan een tak,
-schatte daarna het totaal aan een boom, en vermenigvuldigde. Een klein
-verschil in de eerste telling groeide bij die bewerking natuurlijk
-verbazend. Dan was de een optimist, de ander pessimist, zoodra er
-gesproken werd over het percentage dat zich niet tot vrucht zou zetten
-of af-regenen en waaien. Met dat al was het een prettig dagje, dat
-Korman’s voorraad in goedang [96] en wijnrek kolossaal deed
-verminderen. Zich niet storende aan de taxaties van het vroolijke
-troepje, besomde Korman zelf veertig picols voor Watoeombo en tien voor
-een paar tuinen op Sabrang, die, ondanks het jaar verschil in ouderdom,
-reeds dapper meededen.
-
-Eigenlijk was de schatting van Korman ook niet oorspronkelijk. Een paar
-dagen te voren had hij een briefje ontvangen van Messner, waarin deze
-hem mededeelde dat hij ongeveer veertig picols dacht te zullen oogsten,
-Korman verzoekende dit bij gelegenheid aan Benoit te schrijven. Als
-Messner zooveel maakte, meende Korman, dan zou hij wel evenveel
-krijgen, en met de vroegrijpe tuinen van Sabrang nog een beetje meer.
-
-Het was hem te vergeven. Niets toch is moeielijker dan de eerste kleine
-oogst van een koffieland te taxeeren. Later, als de tuinen geregeld
-produceeren, heeft men punten van vergelijking, en op een oogst van
-duizenden picols mag men zich gerust met een paar honderd vergissen;
-dat valt niet zoo op als enkele picols bij een kleine hoeveelheid.
-
-Op een morgen, in het laatst van den westmousson, liet Korman een
-zestal koelies van de rol weghalen; en toen Rencke met zijn rapport
-naar de administrateurswoning ging, vond hij den chef bezig met het
-uitzetten van twee langwerpige vierkanten, door middel van bamboe
-stokjes, terwijl de koelies op zijn bevel den grond ompatjolden, de
-afgezette stukken tevens een weinig ophoogende met de aarde die zij uit
-de goten haalden, die er omheen werden aangelegd.
-
-„Gaat u bouwen?” vroeg Rencke, nadat hij een oogenblik had toegezien.
-
-„Nog niet,” zeide Korman. „We zullen het van ’t jaar zoo eenvoudig
-mogelijk doen. Dit worden droogbakken.”
-
-Het denkbeeld, uitgedrukt in het woord „bak,” kon Rencke niet
-terugvinden in wat hij vóór zich zag; doch wetende dat vragen hem hier
-niet veel wijzer zou maken, trok hij een gezicht alsof Korman’s
-antwoord hem geheel voldeed en op de hoogte gebracht had.
-
-„Morgen al het volk, eer het naar de tuinen gaat, even hierheen
-sturen,” gelastte Korman verder. „Zij moeten de aarde aantrappen.”
-
-De employé voldeed den volgenden morgen aan deze opdracht, en nu werd
-hem ook duidelijk wat de bedoeling van Korman’s constructie was. De
-twee vierhoeken werden door de koelies hardgetrapt, geheel op dezelfde
-wijze als op den eersten dag de vloer van de tijdelijke woning. In het
-midden, overlangs, waren zij hoog, en liepen met een zeer flauwe
-helling naar de kanten af.
-
-Na het trappen werden de oneffenheden bijgewerkt; en aldus geschiedde
-voortaan elken morgen, tot de beide stukken zoo hard als een stoep en
-zoo gelijk als een dansvloer waren. Dat zij dienen moesten tot het in
-de zon laten drogen der koffie begreep Rencke, hoewel hij de benaming
-„bakken” gek bleef vinden.
-
-In de tuinen was intusschen de bloesem overgegaan in groene boontjes,
-en deze zwollen als bij den dag, om daarna geelachtig en eindelijk rood
-te worden toen de regens langzamerhand ophielden.
-
-Behalve de droogbakken was er een kleine loods gebouwd, was er een
-soort laag juk op elk der bakken opgezet, waren er kleine vierkante
-draagbare stukjes dak van bamboe en alang-alang gemaakt, en eindelijk
-ontving Korman een dertigtal manden uit de stad, waarvan er tien naar
-Sabrang werden gezonden. Daar was ook een aanleg gemaakt evenals te
-Watoeombo.
-
-Was Rencke nog steeds in gespannen verwachting van wat er met dit alles
-moest worden gedaan, van Everdingen wist ten naaste bij, door Biezeman
-voorgelicht, wat hij had te doen zoodra de koffie rijp was om geplukt
-te worden.
-
-Die dag kwam. ’s Avonds te voren was Rencke bij Korman komen aanloopen.
-
-„Ziet u eens, meneer!” riep hij uit, niet zonder verontwaardiging in
-den toon zijner stem, terwijl hij zijn zakdoek op tafel uitspreidde.
-
-„Nu, wat zou dat?” zeide Korman, den inhoud van Rencke’s zakdoek
-bekijkend, die bestond uit een hoopje koffie van de roode schil
-ontdaan.
-
-„Dat heb ik zóó op den weg gevonden,” zeide Rencke. „Wat een
-baldadigheid! Het moet door een der grassnijders zijn gedaan, want van
-het volk zijn er geen dien weg afgekomen.”
-
-Korman schoot in een luiden lach.
-
-„Li!” riep hij. „Kom eens hier. Kijk eens, Rencke verdenkt onze
-grassnijders deze koffie geplukt te hebben!”
-
-Li bezag de koffie en glimlachte.
-
-„Er is gister ook al een beetje gevonden door den kapala kampong,”
-zeide zij. „Ik heb het op een tampah [97] te drogen gelegd. Het is taik
-[98] loewak.”
-
-„Toch koffie?” vroeg Rencke.
-
-„Wel zeker,” zeide Li, „maar eerst door de loewaks opgegeten. Ik hoorde
-dat gister ook voor het eerst.”
-
-„De loewak is een soort bunsing,” verklaarde nu Korman, „die de boonen
-opeet, doch alleen de roode schil verteert en de rest weer uitwerpt.
-Daar hij de rijpsten uitkiest, krijgt men uit de taik loewak de mooiste
-koffie.”
-
-„Dat begrijp ik,” zeide Rencke. „Wel, wel, daar heb ik me voor niets
-boos gemaakt. Men moest die beestjes kunnen dresseeren om hier de
-koffie neer te leggen.”
-
-„Ja, dat was niet kwaad,” antwoordde Korman. „Intusschen is het voor
-ons een teeken dat we met plukken beginnen moeten. Laat in de kampong
-zeggen dat morgen een stuk of twintig vrouwen aan het werk kunnen gaan.
-We zullen ze maar in daghuur laten werken; voor taakwerk is er nog te
-weinig.”
-
-De koffie die de vrouwen den volgenden middag aanbrachten, werd gemeten
-in een ledige jeneverkist. Het verpakkingsmiddel van de vierkanters is
-de traditioneele maat voor de koffie. Men is het vrijwel eens, dat zes
-dier kisten roode koffie één picol bereide opleveren; hoewel
-hieromtrent ook verschil van opinie bestaat.
-
-Nadat Korman de hoeveelheid had genoteerd, liet hij de vroeger vermelde
-manden halen. In elk dezer werd wat roode koffie gedaan, en op het
-bevel: „ajo, illis!” [99] stapten de aanwezige vrouwen elk in een mand,
-en ontdeden, door er met de vereelte voetzolen op te trappen, in weinig
-tijds de koffie van de roode schil. Toen dat was geschied, nam ieder
-haar mand mee naar de kalie, om daar, de mand half in het water,
-gestadig omroerende, de koffie af te wasschen, zoodat zij van het
-strooperige vocht en de losse schillen bevrijd, als schoone witte
-boonen op de droogbakken kon worden uitgespreid.
-
-„Dit is nu de onvervalschte Westindische bereiding,” zeide Korman.
-
-„Oostindische, bedoelt u zeker?” vroeg Rencke.
-
-„Neen,” was het antwoord, „die bestaat niet, of liever men noemt die
-gewone bereiding. Het verschil bestaat in het laten drogen met of
-zonder de roode schil. Het eerste duurt langer, de stroop droogt er in
-en maakt de koffie zwaarder, de kleur van de bereide koffie wordt iets
-groener en de prijs er van op de markt is lager. Nu weet je er alles
-van.”
-
-„Nagenoeg,” zeide Rencke, „en ik begrijp dat men die Westindische
-bereiding slechts op een gedeelte van den oogst zal kunnen toepassen.”
-
-„Waarom?”
-
-„Wel,” meende Rencke, „om maar één ding te noemen: de vrouwen zouden
-van dat trappen binnen korten tijd zeere voeten krijgen.”
-
-„Dat hebben anderen vóór dezen ook al bedacht,” zeide Korman, „en
-daarom een molen uitgevonden die dat werk doet. Naar ik hoor is er
-zelfs hier op Java een beter systeem gemaakt dan dat in de West. Enfin,
-het volgend jaar zal ik er eens op uitgaan.”
-
-De koffiepluk ging van dien dag af geregeld door, doch weldra begon
-Korman bevreesd te worden dat hij het getal picols, dat hij getaxeerd
-had, en wat erger was, aan Benoit opgegeven, niet zou bereiken. Op
-Watoeombo kon het echter niet veel verschillen, doch Sabrang haalde
-nauwelijks de helft.
-
-Meer nog dan dit feit hinderde hem een moeielijkheid in zijn
-administratie. De verwarring was ontstaan door de opeenstapeling van
-nieuwe boekhoofden, bij gelegenheid van den koffiepluk en de bereiding.
-Het vervolgde hem om zoo te zeggen dag en nacht, en met schrik zag hij
-het einde van de maand naderen en het oogenblik dat hij zijn
-verantwoordingsstaat zou moeten opmaken en afzenden aan Benoit. Voor de
-eerste maal niet in orde! Maar dat kon, dat mocht immers niet.... Dan
-maar van den beginne af weer eens nagecijferd, zooals hij al zoo
-dikwijls gedaan had met het resultaat, dat het telkens anders uitkwam.
-
-Een lange gestalte onderschepte het licht in de deur van het kantoor,
-en deed Korman van zijn papieren opzien. Toen hij zag, dat het Brisson
-was, sloeg hij zich voor het hoofd. Hoe dom er niet aan te denken dat
-hij een gewezen boekhouder in zijn dienst had!
-
-„Je komt als geroepen,” zeide hij. „Maar... zeg me eerst wat je had.”
-
-„Ik ben al bij meneer Rencke geweest,” zeide de employé, „en die heeft
-me naar u toe gezonden. Er is namelijk vanmorgen een inlander uit
-Plèrès bij mij gekomen.”
-
-Plèrès was de naam van de dessa die boven Donowarie lag, en vanwaar de
-jonge koffieplantjes kwamen.
-
-„Zoo, en wat had die?” vroeg Korman.
-
-„Hij bood koffie te koop aan,” antwoordde Brisson.
-
-Alsof hij den jongen man wel had willen omhelzen, zoo stond Korman op.
-
-„Meneer Rencke....” begon Brisson, de beweging van den ander
-misduidende.
-
-„Wat vroeg hij voor de picol? Je hebt hem toch aangehouden?” zeide
-Korman hem in de rede vallende.
-
-„Zeker meneer, hij wacht bij mij thuis. Hij zeide dat als wij zuiver
-wogen of maten, hij voor tien gulden de picol wilde leveren. En we
-konden ook van anderen krijgen, zooveel wij wenschten.”
-
-„Te drommel, wat wordt er dan in ’t gouvernementspakhuis beknibbeld,”
-riep Korman uit. „Daar krijgen zij veertien gulden—dat wil zeggen: het
-gouvernement betaalt zooveel. Maar als zij bij ons liever voor tien
-gulden willen brengen, dan wordt er flink gestolen. Ik wist wel dat het
-erg was, maar dit frappeert me toch.”
-
-„Ja,” stemde Brisson toe. „Ik wist ook eerst niet wat ik hoorde. Tien
-gulden! Het zou zonde zijn dit te laten voorbijgaan.”
-
-„Dat zullen we ook niet,” zeide de chef. „Ga dadelijk naar huis en zeg
-den man dat het goed is. Maar ik heb dit jaar niet meer dan... laat
-zien, er is bij de gouvernementskoffie meer tweede qualiteit dan
-eerste... enfin, twintig picols zoowat. Hij moet ze bij jou afleveren.
-Als je dat gedaan hebt, kom dan terug; ik heb hier een werkje voor je.”
-
-Het kon iemand toch meeloopen! Daar was hij in eens van alle zorg
-ontheven. Brisson zou hem door zijn boekerij heen helpen, en de
-inhaligheid van den mantri-koffie [100] door het tekort van zijn
-product. Drommels ja, op die manier zat er zelfs een rijkworder in.
-Alleen moest hij oppassen dat er niemand achter kwam. Trouwens, wie zou
-hier in deze buurt komen snuffelen? Het transport liep natuurlijk van
-Plèrès voorbij het land van Messner; tot zoover volgde het den gewonen
-weg alsof het naar het gouvernementspakhuis ging; dan hadden zij
-slechts den zijweg in te slaan, oplettende of er ook een verdacht
-persoon in de nabijheid was; eenmaal op het grondgebied van Watoeombo
-liepen zij verder geen gevaar. Voorts moesten enkel de employés
-inkoopen, en op hun kasstaat.... ja, hoe moest dat? Misschien wist
-Brisson daar wel wat op.
-
-Deze kwam spoedig terug met het bericht dat alles in orde was.
-
-„Mooi zoo,” zeide Korman. „Kom nu eens mee in ’t kantoor. Ik heb soesah
-met de administratie; ze moesten dat geduvel niet door de
-administrateurs laten doen, die buitenaf werk genoeg hebben. Enfin,
-kijk eens.”
-
-Brisson keek en had werk zijn lachen te houden. Korman legde hem uit
-hoe hij zijn posten boekte, en zag gelukkig niet op, eer het Brisson
-gelukt was de wanhopig komische uitdrukking van zijn gelaat te doen
-verdwijnen.
-
-„Jawel meneer, ik begrijp het,” zeide eindelijk Brisson. „Mag ik het nu
-even alleen doorloopen?”
-
-„Ga je gang,” zeide Korman. „Ik rijd intusschen naar Sabrang; tegen dat
-ik terug ben zal je het wel gevonden hebben.”
-
-Zoodra Brisson alleen was gaf hij lucht aan een zoolang ingehouden
-lachbui. Deze voorbij zijnde ging hij het geknoei van Korman met
-aandacht na, en slaagde in korten tijd in het vinden van diens fout, of
-liever fouten. Toen, de posten groepeerende, maakte hij een
-recapitulatie, de oude boekhoofden behoudende, doch de laatst door
-Korman uitgedachte in één hoofd: „Pluk en Bereiding” samentrekkende.
-
-Hij was daarmee gereed lang voor Korman’s terugkomst, en niet willende
-leegzitten, begon hij, vóór in het boek, op een meer practische wijze
-de administratie om te werken.
-
-Korman vond van Everdingen op zijn werk.
-
-„Ik heb een vondst gedaan!” riep hij hem al uit de verte toe. „Hoeveel
-koffie heb je al?”
-
-„In mijn goedang staan vier picols,” zeide van Everdingen, „gereed om
-te worden gestampt; en op de bakken nog anderhalf picol, denk ik. Veel
-zal er niet meer bijkomen.”
-
-„Neen,” antwoordde Korman, „dat zie ik. Maar daarom niet getreurd. Ik
-zei al dat ik een vondst gedaan had... je zult de tien picols vol
-maken, en nog een paar op den koop toe.”
-
-En hij deelde hem mede wat Brisson dien morgen had aangebracht.
-
-„Voor dit jaar is het niet noodig,” eindigde Korman, „dat je zelf
-opkoopt. We zullen dat op Watoeombo maar afhandelen. Alleen moet je
-inboeken, alsof je gekocht had.... dat wil zeggen alsof je had laten
-plukken en bereiden; ik zal je de manier nader opgeven.”
-
-Doch van Everdingen schudde het hoofd. Koffie van het gouvernement
-stelen, gefingeerde uitgaven boeken....
-
-„Is die koffie-opkoop geoorloofd?” vroeg hij.
-
-„Natuurlijk niet; je moet ook een beetje voorzichtig zijn,” antwoordde
-de chef.
-
-„Neem mij niet kwalijk, meneer,” zeide van Everdingen; „maar ik heb er
-veel op tegen.”
-
-„Och kom,” zeide Korman; „iedereen doet het als hij er kans toe ziet.
-En daarbij behoef je het niet zelf te doen; laat Biezeman er voor
-zorgen.”
-
-„Dat nooit!” riep van Everdingen uit. „Als er risico aan verbonden is,
-dan behooren, dunkt mij, zij dien te dragen die er het voordeel van
-trekken. Doch het is onnoodig dat we er verder over praten; ik doe het
-niet.”
-
-Korman had een ruw woord op de lippen, maar hij hield het in. Lang
-praatte hij nog, trachtende van Everdingen te overtuigen dat er geen
-gevaar in stak en ook geen schande. Geen enkel koffieplanter zag er die
-in. Die enkele picols zouden het gouvernement niet ruïneeren;
-daarentegen hielp men den armen inlander, die anders voor niets werkte
-en zwoegde.
-
-„Je moet weten,” zeide hij, „hoe schandelijk dat volk wordt afgezet.
-Eerst brengen zij hun koffie naar het pakhuis, waar op de brutaalste
-manier overwicht wordt genomen en de qualiteit afgekeurd. Ik heb het
-eens gesnapt; dat zal ik je vertellen. Het was in de eerste jaren dat
-ik in het land was. Een kennis van mij, een aspirant-controleur, moest
-onverwachts een koffiepakhuis opnemen, en vroeg mij of ik trek had mee
-te gaan. Wel, om kort te gaan, we keken de staten na in het dagboek,
-wogen den voorraad koffie; alles klopte op een haar. De aspirant was
-wanhopig, want hij was pas aangesteld en vermeende dat hij uitgezonden
-was met de serieuze bedoeling om den pakhuismeester te snappen. Op eens
-valt mij iets op. In de dagstaten stond telkens als laatste inbrenger:
-Wongsodikromo. Hé, denk ik, dat is vreemd; en nauwkeuriger kijkende
-bevond ik dat genoemde Wongsodikromo altijd heel veel koffie inbrengt.
-Begin je het te begrijpen?”
-
-„Een gefingeerde naam?”
-
-„Juist. Nu, ik wou den aspirant niet wijzer maken; je weet nooit
-hoeveel soesah je je zelf er mee bezorgt. Maar toen hij even naar
-buiten ging, wees ik die posten met den vinger aan, zonder iets te
-zeggen, alleen den mantri aanziende. De vent werd groen van schrik.”
-
-„Dat had u vlug uitgevonden;” merkte van Everdingen op.
-
-„Och,” zeide Korman, „als men z’n volkje kent, zie je.... Maar, dat was
-dus het overwicht. Hoeveel er voor tweede qualiteit werd ingekocht,
-doch als eerste geboekt, is moeielijk te bepalen. Wat echter wel kan
-worden gezien, door iemand die wil althans, is dat de menschen die het
-pakhuis verlaten, worden staande gehouden en heel gemoedelijk van het
-grootste gedeelte van hun geld ontlast. Naar het heet is dat voor de
-padjek, de belasting weet je; maar hoeveel maal of de stakkers die
-betalen weet de hemel.”
-
-„Foei!” riep van Everdingen uit. „Dat zijn russische toestanden.”
-
-„Nog sterker: javasche,” zeide Korman. „Begrijp je nu dat je een edele
-daad verricht door die menschen van hun koffie af te helpen?”
-
-„Volkomen,” zeide van Everdingen lachend. „Ik beloof u dat ik het
-iedereen zal aanraden.”
-
-De ironische toon waarop de laatste woorden werden uitgesproken deed
-Korman van verder aandringen voorloopig afzien. Maar zoodra hij, op den
-weg naar huis, van Everdingen uit het gezicht verloren had, maakte hij
-een dreigende beweging met zijn karwats.
-
-„Dat heb je nu Gévédé van die compagnieschap!” mompelde hij. „Als hij
-een gewoon employé was, zou het spoedig met hem gedaan zijn.”
-
-Een inlander kwam hem te gemoet, eerbiedig den tjaping [101] van het
-hoofd nemende. Korman herkende in hem een der vaste opgezetenen van
-Sabrang. Zijn paard inhoudende begon hij den man te ondervragen, het
-zoo inrichtende dat de javaan begreep welke antwoorden er verwacht
-werden, en dat die ten nadeele van van Everdingen moesten zijn. Het was
-een comediespel, waarbij beide partijen de rol van huichelaar speelden,
-terwijl elk van zijn kant in schijnbaar onschuldige woorden, zooveel
-mogelijk trachtte uit te drukken dat hij bon entendeur was en de
-demi-mots van den ander volmaakt begreep. Het eind was dat de inlander
-een paar rijksdaalders in zijn buikband verborg, en Korman voortreed
-met iets als een glimlach op het gelaat.
-
-„Nog aan ’t werk?” riep hij thuiskomende Brisson toe. „En waarom heb je
-geen paitje genomen? Het stond er voor.”
-
-„Dank u meneer,” zeide Brisson. „Ik drink nooit bitter. Het staatje is
-klaar, hier is het.”
-
-Korman doorliep de door Brisson opgemaakte recapitulatie.
-
-„En wat zat je nog meer te doen?” vroeg hij.
-
-„Ik meende, meneer,” zeide Brisson aarzelend, „dat u wel wat veel
-boekhoofden heeft aangelegd. Daardoor komt allicht verwarring, en dacht
-ik dat een vereenvoudiging misschien niet kwaad zou zijn. Zóó
-bijvoorbeeld.” En hij liet zijn werk aan Korman zien.
-
-„Het zal wel goed zijn,” zeide Korman; „maar van het jaar kan ik er
-niet aan denken je dit werk op te dragen. Voor den volgenden oogst moet
-er een employé speciaal voor het établissement en de boekhouding zijn;
-dan kunnen we eens praten.—En wat zeg je, drink je nooit een bittertje?
-Ben je er vies van?”
-
-„O neen, meneer,” antwoordde de employé; „alleen kan ik alles wat
-alcohol is niet te best verdragen.”
-
-„Dat is ongewoonte,” besliste Korman. „En een verkeerde ongewoonte. De
-dokter zeide mij laatst nog dat het slecht was in Indië in ’t geheel
-niets te gebruiken. Je moet er maar aan wennen—altijd matig natuurlijk.
-Dus,” vervolgde hij een tweede bittertje inschenkend, „begin er maar
-dadelijk mee. Proost, frisschen morgen!”
-
-Brisson nam het hem opgedrongen glas aan en ledigde het, doch langzaam,
-met kleine teugjes, zoodat het strekte tot Korman zich reeds voor de
-vijfde maal had ingeschonken. En toch, het was verwonderlijk, werkte de
-kleine hoeveelheid bij hem meer dan hem lief was. Gewoon goed uit te
-drukken wat hij wilde zeggen, zijn volzinnen afrondende en behoorlijk
-eindigende, verliep hij zich thans in bijzinnen die elkaar in groote
-verwarring opvolgden, staken, trapten, in den weg zaten, om na de
-uiterste krachtsinspanning van Brisson als droog zand uiteen te vallen.
-Zijn blauwe oogen puilden daarbij uit het hoofd; den mond half open
-knikte hij Korman toe met een wezenlooze uitdrukking; het was een
-onaangename verandering.
-
-„Breng het paard van meneer voor,” riep Korman naar achter. Hij had
-gezien dat Rencke uit zijn huis kwam en naar allen schijn zich gereed
-maakte om in de administrateurswoning een praatje te gaan maken.
-
-Nauwelijks zat Brisson in den zadel of hij diende zijn rijdier een
-harden zweepslag toe, en vertrok ventre à terre. Rencke moest opzij
-springen om niet te worden aangereden, en met verontwaardiging ving
-hij, in plaats van het verwachte excuus, een luid sarrend lachen op.
-
-„Heb je ooit zoo iets gezien?” vroeg hem Korman.
-
-„Is er iets voorgevallen?” was de wedervraag, waarbij in Rencke’s stem
-de toorn duidelijk hoorbaar was.
-
-Korman vertelde het hem:
-
-„Wat een ongelukkig gestel,” zeide Rencke. „Nu begrijp ik ook waarom
-hij nooit bij me wilde komen, zoo ’s avonds. ’t Is gelukkig dat hij
-zich weet te onthouden, anders kwam er niet veel van hem terecht.”
-
-„Hij moest zich wennen om iets te kunnen verdragen,” meende Korman. „Is
-er iets bijzonders?”
-
-„Neen meneer.”
-
-Daarop deed Korman hem het verhaal van de wederwaardigheden van dien
-morgen, niet nalatende zich sterk te beklagen over de weigering van van
-Everdingen. Rencke luisterde toe: van Everdingen’s handelwijze keurde
-hij volkomen goed; ook hij zou niet genegen worden bevonden zich voor
-Korman’s belangen aan de wet te vergrijpen. Toen hij eindelijk bemerkte
-dat het laatste niet van hem geëischt zou worden, aangezien Korman geen
-koffie-opkoop wilde doen plaatsvinden op het hoofdkwartier, verdween
-zijn ongerustheid en gaf hij toe: „dat een compagnon een lastig wezen
-is.”
-
-In de nu volgende dagen reed Korman dikwijls naar de afdeeling van
-Brisson. Picolsgewijs kwam daar de koffie binnen, reeds geheel bereid.
-Dat behoefde geen verwondering te baren, daar de inlander zoo vroeg
-plukt, zoo vroeg als hij durft, om te voorkomen dat zijn buurman anders
-dat werk voor hem verricht. Het spreekt dat de qualiteit van de koffie
-door dit onrijpe plukken lijdt, en er onder de gewone
-gouvernementskoffie slechts weinig voorkomt, wat een consciëntieus
-planter tot de „eerste qualiteit” brengt; althans onder het merk van
-zijn onderneming. Dat er toch slechts een betrekkelijk klein verschil
-van tijd was tusschen het afgewerkt zijn van deze koffie en die te
-Watoeombo, was te wijten aan den langeren duur der inlandsche
-bereiding.
-
-Toen de twintig picols vol waren, liet Korman den opkoop staken en
-bracht de koffie over naar het hoofdkwartier, in een der leegstaande
-kamers van zijn bijgebouwen. Daar stonden ook reeds zakken vol van
-eigen product, doch nog in den hoornschil, daar men vermeent dat de
-kleur der koffie, als zij geheel is bereid, spoediger verdwijnt dan
-wanneer dit omhulsel haar nog voor den invloed van licht en vocht
-beschermt.
-
-De oostmoesson was voor het drogen der koffie zeer gunstig geweest.
-Slechts een paar maal had men overdag de koffie naar het midden van de
-bakken behoeven te schoffelen en met de draagbare stukjes dak toedekken
-tegen een opkomende regenbui. Deze uitslag was te danken aan een
-kunstmiddel. Op een langen staak, verticaal in den grond geplant, werd
-een bezem bevestigd, en daarop offeranden van rijst, lombok [102] en in
-pisang-blad gewikkelde kwee-kwee [103] gelegd. Ziedaar alles. En dat
-het hielp, bleek uit de resultaten.
-
-Op een morgen oordeelde Korman dat het tijd werd de koffie van den
-hoornschil te ontdoen en te laten sorteeren. Op de bakken lag nog
-slechts weinig; voor ’t grootste gedeelte opraapsel, waarvan wat de
-qualiteit betreft geen groote verwachtingen werden gekoesterd. Hij
-stuurde een boodschap naar Sabrang, om den volgenden dag ook de daar
-aanwezige koffie te laten stampen en ongesorteerd over te zenden. Op
-Watoeombo werd reeds dien dag begonnen.
-
-Daartoe waren kegelvormige mandjes gevlochten, met de punt vastgezet in
-zware stukken hout. In deze mandjes werd de koffie gestort, en gestampt
-met de gewone aloe die ook voor het rijststampen gebezigd wordt. Zoodra
-een flinke hoeveelheid gereed was, namen de vrouwen die dat werk
-verrichtten, een weinig op een tampah en begonnen door deze op en neer
-te bewegen, staande in den wind, de koffie te wannen tot de
-stukgestooten hoornschil was weggewaaid en alleen de blauwgroene boonen
-overbleven. Daarna gingen zij naar de hiervoor ontruimde voorgalerij
-van de administrateurswoning, en zochten op aanwijzing van Korman, en
-onder toezicht van dezen, Rencke en Li, de soorten uit.
-
-Het eerst de mannetjes-koffie. Dit zijn boonen waarvan er slechts één
-in een roode schil zitten, in tegenstelling van de anderen die twee aan
-twee aldus omhuld zijn. Door den ronden vorm daarvan was deze
-sorteering zeer gemakkelijk. De koffie werd naar één kant van den
-tampah gestreken en deze schuin gehouden onder een zacht schudden,
-waardoor de ronde boontjes vanzelf naar beneden rolden.
-
-Daarna de sorteering op kleur en gaafheid. Dit is een werk waartoe men
-enkel vrouwen kan bezigen. Mannen toch, zooals Rencke bij zijn proef
-persoonlijk ondervond, missen het noodige geduld, terwijl zij tevens
-geen memorie hebben van de standaardkleur en het hun weldra voor de
-oogen gaat schemeren.
-
-Tot de eerste qualiteit behooren gave, goedkleurige boonen. Gevlekte of
-halve boonen zijn tweede qualiteit, en zwarte koffie of gruis derde
-soort.
-
-Korman was even naar buiten gegaan, op de droogbakken. In de goot die
-daar om heen liep bespeurde hij ettelijke koffieboonen.
-
-„Rencke!” riep hij. „Stuur even een vrouw hierheen.”
-
-Juist kwam er een troepje uit de stamploods.
-
-„Eén mensch naar den toewan besaar!” riep Rencke hen toe.
-
-Een der vrouwen gaf haar tampah over, en voldeed aan het bevel. Zij was
-in vergevorderde positie.
-
-„Hola!” riep Rencke haar toe. „Ik zei immers één mensch!”
-
-„Er komt maar één vrouw,” zeide Korman opziende, en zich verwonderende
-over Rencke’s aanmerking.
-
-Maar de vrouwen hadden die echt javaansche geestigheid gevat, en
-lachten dat zij schudden, elkaar toeroepende, en verklarende dat de
-toewan ziender niet enkel het voorkomen, maar ook het verstand en den
-geest van een jongen priaji [104] had.
-
-„Je bent net als Messner,” mompelde Korman, toen hij het eindelijk
-begreep. „Die loopt ook altijd zoo hoog met z’n javaansche uien.”
-
-Den volgenden morgen werd met hetzelfde werk voortgegaan, en was men de
-koffie van Sabrang wachtende, toen eensklaps van Everdingen zelf
-verscheen.
-
-Hij zag er bleek en vermoeid uit. Op zijn hoofd droeg hij een
-mandoers-hoed; schoenen en kousen had hij niet aan; een verkreukelde
-kabaja en een slaapbroek dekten zijn leden.
-
-„Wat is er gebeurd?” riepen Korman en Rencke tegelijk uit.
-
-„Afgebrand!” was het antwoord. „Kijk,” vervolgde hij, een zwarte punt
-van zijn kabaja toonende, „ik ben er zelf nauwelijks uit gekomen.”
-
-„En de koffie?” vroeg Korman met blijkbare spanning.
-
-„Weg,” zeide van Everdingen dof. „Alles is weg; koffie, geld, mijn
-kleeren, alles! Ik heb niet meer dan wat ik hier aan ’t lijf heb.”
-
-„Maar vertel dan toch geregeld,” zeide Korman.
-
-„Kassian!” riep Rencke uit. „Hij is er heelemaal suf van. Heb je al
-ontbeten?”
-
-Een hoofdschudden was het eenig antwoord.
-
-„Ga dan mee naar mijn huis,” sloeg Rencke voor. „Hier is zooveel
-drukte. Je kunt dan tevens een pak kleeren van mij aantrekken.”
-
-„Ja, doe dat,” zeide Korman. „Ik ga intusschen eens kijken op Sabrang.
-Waar is Biezeman?”
-
-„Bezig met opruimen en zien of er nog iets gespaard is,” zeide van
-Everdingen.
-
-Terwijl Korman zijn paard liet zadelen en wegreed, gingen de beide
-employé’s naar Rencke’s huis. Een flink ontbijt en een glas bier hadden
-van Everdingen weldra weer op zijn verhaal gebracht, en hij deed toen
-aan Rencke een verslag van het gebeurde.
-
-Den vorigen middag had hij de koffie in zakken laten overstorten en
-alles klaar gezet tot spoedige afzending. Of nu daarbij een der koelies
-gerookt, en zijn strootje tusschen de zakken had laten vallen, of hoe
-dan ook, maar ’s nachts was hij door de angstkreten van zijn
-huishoudster gewekt. Overal zag hij vlammen, terwijl de splijtende
-bamboe een helsch lawaai maakte. Het venster openrukken, zijn
-huishoudster er uit tillen en zelf naspringen was het werk van eenige
-seconden; nog juist bijtijds, want spoedig daarna stortte de rommel in.
-
-„Ik kan me voorstellen dat je geschrokken bent,” zeide Rencke. „Hoe
-laat was het ongeveer?”
-
-„Wel, tegen den morgen.”
-
-„Dan,” meende Rencke, „geloof ik niet dat die brand ontstaan is door
-een strootje dat gisteren is weggeworpen. Zóólang zou het niet kunnen
-smeulen bij deze droogte. Het moet aangestoken zijn. Wat zeiden je
-bedienden?”
-
-„Die hebben het te druk gehad met hun eigen boeltje uit de bijgebouwen
-te redden,” zeide van Everdingen. „En voorts heb ik me nog weinig
-moeite gegeven om de oorzaken op te sporen.”
-
-Op Sabrang wees een zwarte hoop de plek aan waar van Everdingen’s
-woning gestaan had. Met een zestal koelies was Biezeman bezig op te
-ruimen; voorzichtig liet hij stuk voor stuk de verbrande en geblakerde
-bamboes van den hoop halen en op het voorerf opstapelen. Reeds zag men
-hier en daar den vloer van het huis, toen Korman opreed.
-
-„Waarom ben je daar zoo voorzichtig mee?” vroeg hij.
-
-„Om te kijken wat er mogelijk nog ligt,” antwoordde Biezeman. „De
-jonker had een geldkistje, ziet u, en nu zou het kunnen zijn dat ze het
-vonden en wegmoffelden.”
-
-„Hoe groot was het?”
-
-„Zóó, zoowat,” zeide Biezeman, de handen ongeveer een voet van elkaar
-houdende.
-
-„Zat het kasboek er ook in?” vroeg Korman gejaagd.
-
-„Dat weet ik zoo net niet. Maar de jonker bewaarde er zijn geld in; en
-al was hij nou nog zoo rejaal, er zal wel wat van zijn tractement zijn
-overgeschoten.”
-
-Korman bleef toezien tot bijna alles was opgeruimd.
-
-„Daar zie ik wat!” riep eensklaps Biezeman uit, en een stuk van een
-kastdeur wegschoppende ontblootte hij een zwart geblakerd doch
-oogenschijnlijk ongedeerd miniatuur brandkastje. Het was nog warm,
-zoodat hij eerst water liet halen om het af te koelen, tot groote
-ergernis van Korman die als op heete kolen stond om een antwoord te
-bekomen op de vraag die hij zooeven gedaan had.
-
-Doch Biezeman ging met groote bedaardheid en overleg te werk. Toen het
-kistje voldoende koud was liet hij het opnemen. Aan den onderkant hing
-een kegel vuil—althans zoo meende Biezeman, die het er met zijn stok
-trachtte af te slaan. Doch hij ontmoette iets hards. Door de trilling
-van den slag liet de droge aarde los en de kegel vertoonde wit
-schitterende plekken.
-
-„Wat duivel is dat?” riep hij uit, en gelastte de koelies het kistje
-omgekeerd neer te leggen.
-
-Met hun beiden bekeken zij den uitwas, tot Korman eensklaps uitriep:
-
-„Het geld is gesmolten!”
-
-Zoo was het. In den bodem van het brandkastje bevonden zich twee gaten,
-bestemd om muurschroeven door te laten. Daardoor had de hitte toegang
-gekregen tot den inhoud en deze kunnen vernietigen, tot het gesmolten
-zilver den uitgang weer verstopte.
-
-Korman was gerustgesteld. Waar het metaal gesmolten was, zou er van het
-kasboek, als dat er zich in bevonden had, niet veel over zijn, en kon
-hij de laatste afgifte van geld, waarover nog geen verantwoording
-bestond, in eens boeken. Het kon dan besteed zijn aan het onderhoud der
-tuinen zoowel als aan pluk en bereiding; in één woord: het was niet
-meer na te gaan hoeveel picols Sabrang gemaakt had.
-
-Nu zijn attentie niet langer uitsluitend op het afgebrande huis
-gevestigd was, zag hij ook naar andere dingen, en bemerkte dat onder de
-koelies die Biezeman gebruikt had, zich ook de man bevond met wien hij
-indertijd op den weg zoo’n lang gesprek had gehouden.
-
-„Hoor eens, Biezeman,” zeide hij, dezen apart nemende. „Heb jij eenig
-idee hoe deze brand is aangekomen?”
-
-Biezeman schudde het hoofd.
-
-„De jonker is zoo’n best mensch, dat ik niet zou weten wie.”
-
-„Hm, baldadigheid misschien,” zeide Korman. „Is die eene... daar, de
-voorste van die bij het kistje staan, niet een vaste opgezetene van
-hier?”
-
-„Ja, meneer,” antwoordde Biezeman. „Een van de oudsten zelfs; hij heet
-Tjokro.”
-
-„Laat hem dan het kistje opnemen en ergens in veiligheid brengen.
-Zoodoende krijgen we hem alleen en zal ik hem eens ondervragen.”
-
-„Ik heb het huis daar aan ’t eind, voor den jonker laten ontruimen,”
-zeide Biezeman. „Moeder de vrouw is bezig er ’t een en ander in te
-dragen en op orde te maken met Minah... de barones, weet u.”
-
-„Goed, dan maar daarheen,” zeide Korman, zich aan zijn snor trekkende
-om niet te lachen over deze mooie titulatuur.
-
-„Tjokro,” begon hij, zoodra zij in het kampong-huis waren, „je ziet er
-uit alsof je nogal pinter bent.”
-
-„Noeninggih!” [105]
-
-„Je begrijpt zoo goed als ik en een ander, dat het huis van meneer in
-brand gestoken is.”
-
-„Noeninggih!”
-
-„Hier heb je twee ringgits. Als je mij de daders kunt aanwijzen krijg
-je meer.”
-
-„Noeninggih, koelo noewoen!”
-
-„Heb je eenig vermoeden wie het gedaan zou hebben?”
-
-Met een uitgestreken gezicht verklaarde de inlander dat hij er niets
-van wist. Doch hij zou meneers bevelen opvolgen, het geld besteden aan
-obat [106] en bezweringen, en twijfelde niet of de zaak zou trang [107]
-te maken zijn.
-
-„Dat is alles wat wij kunnen doen,” zeide Korman, en na nog eenige
-vragen gedaan te hebben het werk op Biezeman’s afdeeling rakende,
-vertrok hij.
-
-Dien avond schreef Korman aan zijn geldschieter over het ongeval. Wat
-het meest te betreuren was, meende hij, waren de ruim tien picols
-koffie, die mede verbrandden. Gelukkig dat Watoeombo een gelijk getal
-boven de taxatie produceerde; dat verzachtte het feit eenigszins,
-hoewel het niettemin zeer te bejammeren viel. In allen gevalle was het
-een les om geen te groote zuinigheid te betrachten in de constructie
-van latere gebouwen waarin het product moest worden opgeschuurd, en die
-in eens maar van hout en met zink gedekt, op te stellen.
-
-Ook van Everdingen was huiverig geworden voor alang-alang bedekking, en
-zeide dit aan Korman, toen er eenige dagen na den brand sprake was van
-wederopbouw van zijn huis.
-
-„Ja,” zeide Korman, „ik heb er al over gedacht, om nu wij toch bouwen
-moeten, een houten huis te zetten. Kostte dat lamme djatihout maar niet
-zooveel geld! Want wildhout, je ziet het aan mijn huis, trekt, en werkt
-en barst tot de boel er zoo onooglijk uitziet dat je het wel omver
-zoudt willen halen. Enfin, het volgend jaar metsel ik alles in; maar om
-nu op Sabrang ook al een steenen huis te zetten....”
-
-„In Holland heb ik wel eens gehoord,” zeide van Everdingen, „dat men
-hout moest vellen bij donkere maan. Dan trekt het niet, zegt men.”
-
-„Onzin, boerepraatjes,” riep Korman uit. „Neen, we moeten zien op een
-goedkoope manier aan djatihout te komen. Er bestaat, geloof ik, een
-bepaling, dat men van de regeering [108] toestemming kan krijgen zelf
-in een bosch te kappen, als men hout noodig heeft van een afmeting die
-niet op den gewonen houtaankap te krijg is. Ik zal het eens nazien.”
-
-„Daar had ik me bijna verpraat!” dacht hij toen van Everdingen
-vertrokken was. „We zullen wel djatihout koopen waar ze thuis niets van
-weten, maar als die Everdingen er de lucht van krijgt, maakt hij maar
-weer capsies.”
-
-Rencke zat in zijn voorgalerij, in diep nadenken. Zooeven was de
-inlander bij hem geweest, dien hij had afgezonden naar Sabrang, den dag
-van den brand, om te trachten aldaar de brandstichters op te sporen. De
-man was teruggekomen met een bericht dat Rencke ongelooflijk toescheen.
-Volgens zijn zeggen was het heel niet moeielijk geweest katrangan [109]
-te krijgen. De dader heette Tjokro, en vertelde aan al wie het hooren
-wilde, dat hij gehandeld had op aansporen van den toewan besaar, die
-hem er tweemaal twee ringgits voor gegeven had; de laatste maal zoo ’t
-heette om uit te vinden wie het gedaan had!
-
-Rencke wist niet wat hij er van denken moest. De door hem gezonden
-inlander was zeer betrouwbaar; het stond dus vast dat die Tjokro zich
-zoo had uitgelaten; maar kon het waar zijn, wat hij beweerde? Hij dacht
-er over om naar Korman te gaan, en het dezen te vertellen, doch
-schrikte hiervoor terug omdat hij hem niet geraadpleegd had alvorens
-zijn mannetje te zenden. Van Everdingen te waarschuwen vond hij niet
-fair....
-
-„Soedah!” besloot hij; „als het waar is dat die Tjokro de zaak
-rondbazuint, dan komen er ook anderen achter. Het gaat mij in zekeren
-zin niet eens aan. Ik zwijg derhalve.”
-
-De komst van den bediende van Korman met een dik pak papieren gaf aan
-zijn gedachten een andere richting. Het waren passen voor het vervoer
-der koffie naar de stad, één voor iederen picol. Zij waren geteekend
-door den secretaris der residentie, en werden beschouwd als een panacee
-tegen het vervoer van clandestiene koffie. Want, meende de resident,
-als nu ieder, die zonder zulk een pas koffie transporteert, wordt
-aangehouden, hoe zou dan nog diefstal aan iemand nut zijn, als hij de
-verkregen waar niet zonder groot gevaar bij de afnemers kan brengen?
-
-Dit was immers juist geredeneerd! Het gaf een hoop schrijfwerk en meer
-werkte het niet uit; want van Watoeombo gingen den volgenden morgen als
-eerste zending dertig picolpaarden, waarop minstens tien picols koffie
-die rechtens aan het gouvernement toekwamen.
-
-Toen deze oogst weg was, werd het tijd aan de voorbereidende
-maatregelen te denken voor dien van het volgend jaar. Zonder aarzelen
-schatte Korman die op duizend picols; wat er tekort kwam wist hij nu
-gemakkelijk aan te vullen. Doch er moest een installatie gekocht
-worden, en daarvoor zou hij zelf naar Soerabaja gaan.
-
-Eer hij vertrok bezorgde hij twee dingen. Vooreerst de benoodigde
-metselsteenen, waartoe hij een steenbakker liet komen, die aan den
-overkant der kalie de geschikte aarde vond om zijn bedrijf uit te
-oefenen, en daar weldra aan den gang was met vormen.
-
-Ten tweede het hout. Hij was vast besloten zooveel mogelijk stijlen van
-djatihout te gebruiken voor de permanente gebouwen der installatie. Een
-deel daarvan moest hij inkoopen, om geen achterdocht te verwekken; doch
-de rest, en tevens het hout voor van Everdingen’s nieuwe woning,
-bezorgde hij zich op de volgende manier.
-
-Voor eigen gebruik, dat wil zeggen voor hun huizen, mogen de javanen
-djatihout kappen. Zoodoende vindt men in de dessa hier en daar een huis
-waarvan het geraamte uit de zoo gewilde houtsoort bestaat. Het is
-niemand verboden zulk een woning te koopen en naar elders over te
-brengen. Doch er zit niet veel hout in. En toch ontvangt de kooper
-zooveel balken als hij wil, die allen uit dat fameuse huis heeten te
-komen.
-
-Het eigenaardige van de transactie bestaat in de aanstellerij van
-kooper en verkooper. Geen van beiden spreekt het woord uit, dat de zaak
-aanwijst die moet worden uitgevoerd.
-
-„Kromo,” zegt de eerste. „Ik wil je huis koopen; ik kan echter zoo op
-het oog niet schatten hoeveel hout er in zit; breng het bij mij op de
-onderneming, en daar zal ik het opmeten; ik betaal zooveel per voet.”
-
-Kromo antwoordt op dit alles met het stereotype noeninggih ’ndoro.
-Hoogstens bedingt hij een hoogeren prijs dan de gebodene. Eindelijk
-wordt hem gevraagd of er wel balken van zekere afmeting in voorkomen,
-en wordt hem de maat met een grassprietje of een touwtje duidelijk
-gemaakt. Dan trekt hij een bedenkelijk gezicht.
-
-„Ja, zie je,” gaat de kooper voort. „Die moet ik absoluut hebben. Maar
-ik geloof wel dat zij er zijn, ten minste achterin heb ik eenige balken
-gezien, die nog nieuw waren. Men zou haast zeggen dat zij eerst kort
-geleden gekapt waren.”
-
-Een uitdrukking van groote slimheid verspreidt zich over Kromo’s
-trekken, en het noeninggih klinkt haast hartstochtelijk. Hij begint te
-begrijpen; en terwijl de europeaan voortgaat met het telkens bijna te
-zeggen, nog steeds twijfelend of de inlander zijn bedoeling wel vat,
-laat deze de djatiboomen die hij vellen zal, reeds voor zijn geestesoog
-voorbijgaan. En als de kooper eindigt met hem op het hart te drukken
-dat van de balken de poeroesan [110] niet af mag breken, grijnslacht
-hij zachtjes.
-
-Dan gaat hij hakken en brengt bij één ouden balk, twintig nieuwe,
-waaraan een poeroesan gefabriekt is, die elk eerzaam timmerman een
-stuip zou bezorgen van het lachen als hij hem zag.
-
-Op zijn reis naar Soerabaja, den dichtstbijgelegen houtaankap
-aandoende, bestelde Korman eenig houtwerk; voornamelijk daksparren en
-andere stukken van kleinere afmeting, die hij op de onderneming
-moeielijk kon laten aanmaken, daar zij gezaagd moesten worden, en de
-inlandsche timmerlieden die hij had, slechts konden bekappen.
-
-Nauwelijks was hij weg, of Li maakte zich op om aan een
-beleefdheidsplicht te voldoen. De huishoudsters van de employé’s hadden
-haar allen bezocht, doch Korman had haar nimmer toegestaan
-contra-bezoeken te gaan brengen. Het ging haar aan het hart, want Li
-was van nature zeer fijn van manieren, doch waar hij gebood moest zij
-volgen; dat beschouwde zij als haar eerste plicht. Nu echter was er
-gelegenheid het verzuimde in te halen, en zij maakte er dadelijk
-gebruik van.
-
-Als de hoogste in rang ontving Minah—de barones, zou Biezeman
-zeggen—het eerste bezoek, dat van ’s morgens tot in den vooravond
-duurde. Toen zij kwam ontving Minah haar met gebak, maar niet de gewone
-inlandsche kwee-kwee, neen, echt gebak zooals dat in de groote steden
-werd gemaakt door hollandsche dames. Ook onderwees zij Li in de kunst
-het te bereiden, met gist die zij zelf kweekte en waarmee zij ook brood
-bakte. Brood! Dat zag men op Watoeombo slechts eens per week, als de
-plajangan kwam, en dan nog oudbakken. Li moest dadelijk weten hoe Minah
-dat deed.
-
-En deze wees haar hoe zij een kopje meel nam, er een dooier van een ei
-doorheen werkte en wat zout, het daarna aanmengde met klapperwater en
-door de kokki liet kneden, of eigenlijk slaan op een plank, tot het
-genoeg was, wat zij dááraan zag dat het deeg in draden kon worden
-getrokken die taai waren, en hoe fijn ook, niet braken. Dan nam zij
-voor de eerste maal een weinig deeg er van af, en bewaarde dit in een
-stopflesch tot den volgenden dag; dan werd de helft er van in het nieuw
-te maken brood gebruikt en van het geknede deeg weer een weinig
-bijgevuld in de stopflesch. Na vier of vijf dagen was daarin een soort
-gist gekweekt en door het gebruik daarvan rees het brood elken dag
-mooier.
-
-Aan de rijsttafel was van Everdingen tegenwoordig, en volmaakte de
-ontvangst die Minah aan Li bereid had, door zijn vele attenties. Toch,
-toen Li naar huis ging was zij niet in haar schik. Zij kon zich geen
-rekenschap geven van wat het was, maar Minah had op haar een
-ongunstigen indruk gemaakt. Zou het jaloezie wezen? Vrouwen zijn soms
-zonderling, en gunnen den man dien zij verstooten hebben aan geen
-ander.
-
-Li had er spijt van dat zij Minah den volgenden dag bij zich genoodigd
-had; doch het was niet te herroepen, en Minah kwam.
-
-Toen zij weer vertrokken was wist Li wat haar gevoel beteekende. Minah
-was een valsch, gevaarlijk wezen. Li had moeite gehad zich bedaard te
-houden, en dat moest toch, wilde zij zonder gevaar voor haar zelve en
-haar kinderen het kwaad voorkomen dat stond te gebeuren.
-
-Zij hadden samen gepraat—Minah bracht het gesprek er op—over de positie
-van een huishoudster. Dat Korman haar kon wegzenden, wist Li; doch
-natuurlijk zou hij dat nimmer doen, tenzij zij zich misdroeg; en o! de
-gedachte zelfs daaraan was haar vreemd. Zij was immers zijn vrouw, de
-moeder zijner kinderen....
-
-Minah noemde haar een onnoozel halsje. Zij wist dan beter wat er in de
-wereld te koop was. De heeren namen een huishoudster op een goedkoopje,
-zoolang zij nog geen tractement genoeg hadden om een njonja [111]
-blanda te bekostigen. Want die zijn duur; ten eerste van nature, ten
-tweede door hun kleeding, en ten derde omdat zij van niets verstand
-hebben en door de bedienden van alle kanten bestolen worden. Watblief?
-Die waar Minah’s moeder diende, was een der pintersten, wat echter niet
-belette dat zij, Minah, zes jaar lang had meegegeten. En zij niet
-alleen. Ieder der bedienden had een vrouw of een man en kinderen, die
-allen meeaten uit de goedang. Een kleine kolonie op het achtererf!
-Welke huishoudster, die zuinig wilde zijn, zou dat toelaten? Van
-Everdingen en zij hadden een kokki, een jongen, en een waterdrager, die
-allen in de bijgebouwen woonden en in de kost waren. Maar zij kregen
-niets te veel, niet meer dan zij ook precies op konden; en familie
-duldde Minah zelfs niet in de kampong.
-
-Dat had Minah van alle kanten goed bekeken. Zoodra de heeren het
-betalen konden, namen zij een vrouw en kon de huishoudster haar matje
-oprollen. Tenzij zij pinter was. Want er waren middelen om de heeren te
-dwingen! Die assistent-resident onder anderen, die naast hen woonde in
-de stad.... Minah was nog jong toen het gebeurde, maar zij had het
-verhaal dikwijls gehoord van de oude tante van haar moeder, die bij hen
-inwoonde, en zelf de obat had geleverd. Die mooie meneer dacht zoo
-stilletjes met verlof naar Holland te gaan. Maar het behoefde niet!
-Want een poosje te voren werd hij ziek en dacht dat hij ging sterven.
-En zijn huishoudster had verschrikkelijk geschreid en zich aangesteld
-alsof zij zich de haren uittrok van verdriet, kermende en klagende dat
-zij en haar kinderen naar de kampong verwezen waren, omdat die arme
-schapen niet gewettigd waren. Toen was er een ambtenaar gekomen van de
-secretarie en zij waren getrouwd, om de kinderen. En de njonja
-assistent trok kousen en schoenen aan en een zwartzijden japon, en
-mocht voortaan als er visite was binnenkomen; want.... de
-assistent-resident werd beter! Wat hadden haar moeder en de tante van
-haar moeder er dikwijls om gelachen! Maar zij, Minah, had het zich in
-het geheugen geprent; en eer zij met haar zuster was meegegaan naar
-hier, om huishoudster te worden bij van Everdingen, wist zij uit welke
-planten de obat was getrokken die zulk een heerlijke uitwerking had.
-
-Li nam zich voor om Korman dadelijk te waarschuwen als hij thuis kwam.
-Op het oogenblik durfde zij niets, want zoo’n schepsel was tot alles in
-staat als zij wist dat Li haar verraden had.
-
-Korman bleef langer uit dan hij oorspronkelijk van plan geweest was.
-Toen hij bij den fabrikant kwam om te bestellen, vroeg deze hem ten
-eerste hoeveel koffie hij per etmaal wilde pellen, en ten tweede over
-hoeveel water hij beschikken kon. Op de eerste vraag kon hij natuurlijk
-dadelijk antwoorden, zoodat de fabrikant hem aanraadde op Sabrang, op
-beide afdeelingen, een paar pulpers te plaatsen, door koelies uit de
-hand te draaien; evenzoo op de afdeeling van Brisson; doch op Watoeombo
-zelf moest andere beweegkracht aangewend worden en dadelijk een
-grootere installatie opgesteld. Als de drijfkracht water was, dan moest
-de fabrikant weten hoeveel daarvan kon verkregen worden, teneinde de
-grootte van het waterwiel te kunnen berekenen.
-
-„Wel, een kalie vol!” riep Korman uit.
-
-De fabrikant kon evenwel met die opgave niet volstaan.
-
-„Ik moet twee dingen weten,” zeide hij. „De hoeveelheid water en het
-verval. Het eerste bepaalt men ruw weg, door de kalie over een lengte
-van vijftig meters op afstanden, van bijvoorbeeld vijf meter, te peilen
-en aldus de gemiddelde diepte te berekenen. Dan meet men op dezelfde
-wijze de gemiddelde breedte. En eindelijk laat men aan het begin van
-het gemeten vak een licht voorwerp, een kurk of zoo, in het water
-vallen en neemt nauwkeurig op in hoeveel seconden het den weg aflegt
-tot aan het einde.
-
-„Voor het verval moet ik weten hoe hoog u, na afdamming der rivier, het
-water kunt krijgen boven de plaats der installatie. Dat geschiedt door
-eenvoudig waterpassen.”
-
-„Wilt u dat eens opschrijven,” verzocht Korman, „dan zal ik mijn
-eersten geëmployeerde opdragen een en ander ten spoedigste te doen.”
-
-Zoo geschiedde, en Korman moest wachten tot hij de opgaven van
-Watoeombo had ontvangen. Ook schreef hij aan Messner, die hem opdroeg
-voor hem een viertal pulpers te bestellen, die met de hand bewogen
-konden worden, doch later eventueel ook op een waterwiel te gebruiken
-waren.
-
-In den tijd die er verliep tusschen het afzenden van zijn brief en het
-antwoord daarop, verveelde Korman zich vrij wel in de groote stad, daar
-hij bijna niemand kende. ’s Avonds bezocht hij meestal de Sociëteit,
-waar Benoit hem een introductie bezorgd had; maar te eenkennig om zich
-aan dezen of genen voor te stellen, zat hij uit den treure de prentjes
-te bekijken in de leeszaal.
-
-Eens meende hij een bekende luidklinkende stem te hooren, en opziende
-bemerkte hij zijn buurman van Os. Snel sloeg hij de illustratie die
-voor hem lag, dicht en hield zich als wilde hij het gebouw verlaten,
-zich echter met opzet naar de zijdeur begevende om van Os tegen te
-komen.
-
-„Hallo!” riep deze uit. „Ben jij ook hier? Dat treft! Laat mij om te
-beginnen de heeren eens aan elkaar voorstellen. Kaptein Kool van de
-genie, mijn technisch raadsman—meneer Korman, administrateur van het
-monsterland Watoeombo.”
-
-Beiden vonden de kennismaking aangenaam, althans zij verklaarden zulks.
-
-„En wanneer ga je weer naar boven?” vroeg van Os.
-
-„Over een paar dagen,” zeide Korman, en vertelde waarop hij wachtte.
-
-„Dan konden wij wel samen gaan—dat is te zeggen met ons drieën,”
-opperde van Os. „Want mijn vriend Kool zal me het genoegen doen van
-ziek te worden en berglucht noodig te hebben tot herstel van
-gezondheid.”
-
-„O zoo!” zeide Korman lachend, den kapitein aanziende, die een
-toonbeeld van gezondheid was.
-
-„Van Os spot er mee,” zeide deze. „Doch ik ben werkelijk ongesteld. De
-zaak is deze: als ik om dezen tijd niet eens naar een koel klimaat ga,
-dan word ik ziek en moet toch naar boven.”
-
-„Dus bij wijze van voorbehoedmiddel?”
-
-„Geraden! Voor den dienst is het precies hetzelfde of ik gezond dan wel
-ziek een maand absent ben, maar voor mij persoonlijk maakt het een
-groot verschil. En nu kan ik tegelijk mijn vriend van Os een genoegen
-doen door eens naar zijn bouwerij te kijken; waarom zou ik het dus
-laten?”
-
-„U heeft volkomen gelijk,” zeide Korman. „En... mag ik vragen, heeft u
-ondervinding van den aanleg van koffie-établissementen?”
-
-Er was onmiskenbare ironie in den toon van zijn stem. Kapitein Kool
-voelde het, en fronste de wenkbrauwen.
-
-„Hoe kan je dat vragen!” riep van Os als verwonderd uit. „Heb je meneer
-zijn naam niet goed verstaan?”
-
-„Ja wel,” stotterde Korman; „kaptein Kool...”
-
-„Van de genie,” vulde van Os aan. „Juist; en ken je dan het werk niet
-dat de kaptein heeft samengesteld?”
-
-„Neen...”
-
-„Wel voor den dokter! Hoe is het mogelijk?! Kijk bij gelegenheid eens
-in de laatste aflevering van de Indische Gids; die heeft er nog een
-recensie over.”
-
-„Hoe heet het?” vroeg Korman geheel overbluft.
-
-„Hm,” deed van Os, „ùche, ùche. Hoe duivel... o ja...,
-Koffie-établissementen, in Oost- en West-Indië. Is ’t niet, Kool?”
-
-„Ja,” zeide deze met een quasi zedige gelaatsuitdrukking. „Met
-houtsneden.”
-
-„Juist. Er staan teekeningen achter.”
-
-„Wel,” zeide Korman, „dan zal ik er morgen dadelijk een exemplaar van
-koopen. Het is hier toch te krijg?”
-
-„Ik geloof dat Thieme & Co het heeft,” zeide kapitein Kool. „Hoewel...
-het is in Holland uitgegeven.”
-
-„Kom, laat ons nu wat gaan biljarten,” stelde van Os voor, zijn glas
-ledigend.
-
-„Wat heb je dien meneer te pakken gehad,” zeide kapitein Kool toen hij
-met van Os in een kossong [112] naar huis reed. „Wat voor een soort
-mensch is hij?”
-
-„’n Goed merk; alleen een beetje verwaand,” zeide van Os.
-
-Korman ging den volgenden morgen naar Thieme & Co en vroeg naar het
-boek van kapitein Kool. De employé die hem te woord stond, raadpleegde
-den Catalogus voor den Boekhandel, doch vond het er niet in.
-
-„Het is zeker een pas uitgekomen werk. Ik zal er over schrijven en het
-u toezenden. Mag ik uw adres weten?”
-
-Korman gaf het en ging toen terug naar zijn logement, waar hij tot zijn
-groote vreugde brieven van Watoeombo en Donowarie vond met de verlangde
-opgaven.
-
-De zaken wikkelden zich nu spoedig af. De fabrikant maakte zijn
-becijferingen, en daarna een teekening voor het metselwerk dat Korman
-had laten doen. Voor de opstelling van het ijzeren waterwiel en de
-overbrengende beweging, zou een deskundige te Watoeombo komen.
-
-Zooals was afgesproken maakten zij de terugreis met hun drieën, in
-Korman’s reiswagen.
-
-Op Watoeombo komende bevond Korman dat er reeds een flinke massa hout
-was aangekomen, zoowel van den houtaankap als uit de dessa. De
-steenbakkers hadden een oven opgebouwd van twintigduizend steenen, en
-er juist den brand in gestoken, zoodat men over een week de gare
-metselsteenen kon verwachten. In de stad had hij kalk en
-portland-cement besteld; zand leverde de kalie in elke hoeveelheid.
-
-Rencke, die in zijn schooltijd aan rechtlijnig teekenen gedaan had,
-zette, na eenige studie op de teekening van den fabrikant, de fundaties
-heel aardig uit; tot stille tevredenheid van Korman, die gevreesd had
-met vragen te zullen worden lastig gevallen over al die strepen en
-lijnen waarvan hij niets begreep.
-
-Zoodra zij zoover waren dat op het terrein zelf de grootte van de
-molenloods kon aangegeven worden, werd deze opgetrokken. Djatihouten
-stijlen op steenen voetstukjes droegen het dak, dat met gegalvaniseerd
-ijzer gedekt werd. De helft der loods werd ingenomen door de molens; de
-andere helft, die ongeveer anderhalf meter hooger uit den grond was,
-werd bevloerd en gepleisterd, terwijl een laag halfsteensmuurtje er
-omheen liep.
-
-Toen men dit gereed had, en aan den buitenkant ook de fundeering voor
-het waterwiel, schreef Korman aan den fabrikant dat hij gereed was, en
-stuurde koelies en paarden naar de stad, om het daar, bij zijn
-chineeschen agent, bewaarde ijzerwerk af te halen.
-
-Ver boven de kampong was een dammetje in de kalie gelegd, even hoog
-genoeg om een gootvol water af te leiden. Een mandoer, dezelfde die
-indertijd van Korman een pak slaag had gekregen, omdat hij de terrassen
-niet waterpas kon maken, was daar aan het werk; en nu hij water had
-bewees hij als een echte javaan daarmee de zuiverste waterpasse leiding
-te kunnen maken. Bijna veertig voet boven de molenloods kwam de
-waterleiding uit, waarin men desverkiezende de geheele kalie had kunnen
-aftappen.
-
-Van Soerabaja kwam nu de deskundige, de monteur der fabriek, die de
-installatie geleverd had. Hij bracht een inlandsch werkman mee. Deze
-twee, geholpen door een zestal koelies van de onderneming, zetten het
-ijzeren waterwiel, dat uit segmenten bestond die aan elkaar geschroefd
-werden, in korten tijd op de fundatie, en daarvan uitgaande, brachten
-zij een as dwars door de loods aan, die zes riemschijven droeg, één
-voor elken pulper. Ten slotte liet de deskundige een draaibare sluis
-maken, om, al naar men noodig had, het water in het wiel te kunnen
-leiden of het te doen afstroomen naar de kalie. Toen dit alles gereed
-was, waarmee ongeveer twee weken waren gemoeid geweest, liet hij den
-boel draaien. Daarbij bleek dat alles in orde was, althans de
-beweegkracht en de transmissie; de pulpers zouden eerst gekeurd kunnen
-worden als er koffie was. Doch het systeem was reeds elders beproefd en
-goedbevonden, dus gaf Korman zonder aarzelen een kasaanwijzing af op
-Benoit voor den prijs der installatie en de onkosten van het monteeren,
-waarmee de deskundige vertrok.
-
-Op de afdeelingen, en eveneens op Donowarie, was het eenvoudiger
-toegegaan. Daar stonden de molens onder een bamboe-loods en daarnaast
-de gemetselde waschbakken. Water voor de pulpers en voor het wasschen
-werd met bamboe-leidingen uit de kalie getrokken.
-
-De molenloods te Watoeombo stond dicht bij de administrateurswoning, en
-vandaar tot aan de kampong werd nu het geheele terrein getransformeerd
-in droogbakken; in vorm gelijk aan de primitieve aarden bakken, doch nu
-netjes bevloerd met metselsteenen en geheel met portland-cement
-bepleisterd. In de specie die voor pleisteren gebruikt wordt, mag geen
-kalk bijgemengd worden, daar deze zich door de inwerking van de natte
-koffie oplost.
-
-Lang voor de koffie geplukt kon worden waren op Watoeombo de
-installaties gereed. Op Marialand was men niet zoo vlug.
-
-Kapitein Kool was daar den dag na zijn aankomst begonnen het terrein,
-dat van Os voor zijn installatie bestemd had, van alle kanten te
-bekijken en op te meten. Toen had hij teekengereedschap te voorschijn
-gehaald en zich gedurende een week beziggehouden met het vervaardigen
-van schetsen, die hem echter geen van allen schenen te voldoen.
-
-„We moesten eens beginnen, ouwe,” zeide van Os op een morgen.
-
-„Dat zullen we ook,” was het antwoord. „Maar mijn stelregel is: eerst
-met het hoofd, dan met de handen. En met het hoofd ben ik bezig, ja
-bijna klaar. Kijk eens hier.”
-
-Terwijl van Os de hem voorgelegde schets bekeek, legde de genieofficier
-hem die uit.
-
-„Dat is drommels mooi!” riep van Os eindelijk uit. „Weet je wat, ik zeg
-niets meer; ga jij je gang, al moest het nog een maand duren.”
-
-„Overmorgen ben ik klaar,” beloofde Kool. „Laat straks even een plank
-voor mij afschaven, dan zal ik de werkteekeningen maken.
-Overmorgenochtend kan je laten beginnen met uitgraven; ik zal het
-morgen uitzetten.”
-
-Kapitein Kool bleef een maand, en toen hij weg ging, wist van Os hoe
-hij het werk moest afmaken. Een zestal werkteekeningen wezen het als
-vanzelf aan, duidelijk en gedétailleerd als zij waren.
-
-Eindelijk was ook hij zoover dat de monteur kon komen, niet echter om
-een waterwiel op te stellen, doch een kleine stoommachine.
-
-De administrateur van Marialand had namelijk één principe consequent
-doorgevoerd. Zijn woning, de kampong en het établissement lagen precies
-in het centrum der onderneming. Dat had hij geacht het meest in het
-belang van de zaak te zijn, en daar moest zoo mogelijk alles zich naar
-regelen. Hij kon nu wel een waterleiding maken naar het établissement,
-doch de kosten daarvan zouden zeer hoog geloopen zijn; dus koos hij een
-stoommachine als motor voor zijn pulpers en maakte een gewone
-buisleiding van bamboe voor het waschwater. En om dit laatste nog zoo
-goedkoop mogelijk in te richten, liet hij de leiding slechts uit één
-bamboe aanleggen en een verzamelbassin metselen, dat ’s nachts vol
-liep, en zoodoende voor het werk overdag genoeg uitleverde.
-
-Het opstellen van de kleine stoommachine duurde niet lang, doch bij het
-proefstoomen draaide zij zeer langzaam, en toen de pulpers werden
-aangekoppeld weigerde zij formeel den dienst. De monteur, een gewezen
-machinist van een stoomboot, zocht een week lang naar de fout, en
-verklaarde eindelijk dat die moest zitten in een te kleine uitholling
-van de stoomschuif, waardoor de afgewerkte stoom niet spoedig genoeg
-ontwijken kon en zoodoende een tegendruk veroorzaakte.
-
-Van Os zat met de handen in het haar. Tot overmaat van ramp kreeg hij
-de tijding dat er twee nichtjes van hem in Indië waren aangekomen en te
-Batavia zouden komen inwonen bij hun oom, een andere broer van van Os.
-Dit ware nu op zichzelf genomen zoo erg niet, maar broer kon hen om de
-een of andere reden niet dadelijk bergen, en had hen daarom tijdelijk
-in het logement bezorgd, om hen per eerstvolgende boot naar Soerabaja,
-adres van Os, op te zenden. Hij moest dus naar Soerabaja om hen te
-halen.
-
-„Hoor eens,” zeide hij tot den monteur, toen de tijd drong; „loopt dat
-ding nu of niet? Ik bedoel vandaag nog.”
-
-„Neen meneer,” was het antwoord. „Er is een gebrek aan de....”
-
-„Ja wel, dat weet ik,” viel van Os in. „Er zit iets in de stoomschuif
-het achterste voren, of zoo. Ik wou alleen zeggen dat ik morgen naar
-Soerabaja ga. Wil je meegaan of wachten tot je chef hier komt; want
-dien breng ik mee.”
-
-„Ik zou liever hier blijven,” zeide de monteur. „Als de ingenieur dan
-komt, wou ik er graag bij zijn.”
-
-„Goed,” besloot van Os.
-
-Korman had gehoord dat van Os met zijn installatie tobde. Hoe en wat,
-wist de inlander die het vertelde niet te zeggen. Daarom besloot hij er
-eens heen te gaan. Op het briefje, dat hij vanwege den kwaadaardigen
-hond den dag te voren verzond, kreeg hij echter antwoord van mevrouw
-van Os dat haar man plotseling op reis was gegaan. Hij stelde den tocht
-dus uit.
-
-Na een week kwam van Os terug, zijn nichtjes en den ingenieur
-medebrengende. De laatste was een dier weinige Engelschen, die men in
-het buitenland aantreft vrij van de ruwe vlegelachtige lompheid en
-stijve aanstellerij, die de kenteekenen zijn van exemplaren van dat
-ras, zoodra zij hun eigen land verlaten hebben.
-
-Hij was daarenboven zeer conversabel en bewegelijk, sprak bijna
-onberispelijk hollandsch, en had de reis vooral voor de jonge dames met
-veel tact en geest weten op te vroolijken.
-
-De nichtjes, Caroline en Saartje, twee en twintig en twintig jaar oud,
-waren beiden zeer blond, opgewekt, beschaafd, muzikaal en pas van de
-kostschool.
-
-De monteur haastte zich zijn chef te begroeten.
-
-„Halloh Stevens,” zeide deze; „won’t she go? Wat mankeert er aan?”
-
-Door van Os vergezeld gingen zij naar de machine. En hier veranderde op
-eens de geheele manier van doen van den engelschen ingenieur. Kalm en
-met een ernstige beradenheid bezag hij de opstelling, en knikte een
-paar maal goedkeurend.
-
-„Well done!” zeide hij tot Stevens, die herademde. Toen, de hand aan
-het vliegwiel der machine slaande, trachtte hij dit, doch vergeefs, om
-te draaien.
-
-„Laat dien riem even afnemen,” gelastte hij. „Heb je al stoom?”
-
-„Pas twintig pond meneer,” antwoordde Stevens met een blik op den
-manometer.
-
-De riem die de machine aan de overbrengende beweging verbond was er
-intusschen afgenomen. Nog eens herhaalde de ingenieur zijn proef, en
-toen hij met alle kracht het vliegwiel nauwelijks een duim verder kon
-draaien, vroeg hij om een schroefsleutel. Hiermede draaide hij de
-moeren van de kussenblokken een weinig losser, en ging voorts ook die
-der werkbussen na. Eindelijk lichtte hij de klepjes van de oliekoppen
-op, en draaide voor de derde maal aan het vliegwiel, dat nu zonder
-eenige moeite rondging.
-
-Toen zette hij de waterkraantjes van den cilinder open, liet nog één
-blik over het geheel gaan en draaide langzaam aan de smoorklep.
-
-Statig zette het kleine ding zich in beweging. Pf, pf, deden de
-waterkraantjes, maar nadat deze gesloten waren, hoorde men niets meer.
-
-„She ’s allright,” verklaarde de ingenieur.
-
-„Ja wel,” zeide van Os, „zoo ging het laatst ook, maar dat is te
-langzaam, en als de molens aangezet worden staat hij stil.”
-
-De ingenieur zeide niets, doch met een handige beweging wierp hij den
-riem over het draaiende drijfwiel. De machine bleef bijna even vlug
-doorloopen. Nog een zetje aan de smoorklep, en alles snorde full speed.
-
-„Prachtig!” riep van Os uit. „Wacht, ik ga de dames roepen.”
-
-Van zijn afwezigheid maakte de ingenieur gebruik om den armen Stevens,
-die er met open mond bij stond, een ongezouten standje te maken. En
-deze kon niets anders tot zijn verdediging aanvoeren, als dat hij aan
-boord gewoon was geweest met stijf aangeslagen metalen te werken.
-
-„Dat is waar,” zeide zijn chef. „Maar als je je zelf aanbiedt om
-landmachines te monteeren, dan behoor je ook daarvan verstand te
-hebben. Never mind, het overige is in orde, wees in ’t vervolg
-attenter.”
-
-De dames vonden het natuurlijk heel mooi; maar van Os was in de wolken.
-Morgen moest er geplukt worden, en hoezeer zijn vrouw ook
-tegenstribbelde en beweerde dat zij nooit klaar zou komen, wilde hij
-invitaties rondzenden aan alle heeren in de buurt om in den namiddag te
-komen en vervolgens een klein maalfeest mede te vieren.
-
-Dat zij allen aan de uitnoodiging voldeden behoeft wel geen betoog, en
-eenstemmig was de bewondering over de practische inrichting van het
-établissement.
-
-Aan den rand van het boschje, waarin het woonhuis stond, lag een vrij
-gelijkmatig hellend terrein. Bovenaan waren drie terrassen uitgekapt.
-Op het hoogste stond een loods, met steenen vloer, welke vloer van hout
-was voortgezet en met een dikke pleisterlaag bedekt tot over het tweede
-terras heen, alzoo daarop een bovenverdieping vormende. Deze
-bovenverdieping was, met het hoogste terras, de ontvangloods der roode
-koffie. Door gaten in den vloer, die in trechters uitkwamen, liep de
-koffie door water gestuwd en medegevoerd in de pulpers, die beneden
-stonden op het tweede terras, waar een kleine afgescheiden ruimte ook
-de stoommachine en ketel inhield. Het derde terras bestond uit vier
-waschbakken. Dit alles was onder dak en omsloten door een traliewerk
-van zoogenaamd volièregaas. Nog lager waren de droogbakken,
-terrasvormig vóór en naast elkander, door een vernuftig gotenstelsel
-gescheiden, waarlangs men de koffie, als die gewasschen was, met een
-waterstraal op de bakken kon doen loopen. Behalve de stoker voor de
-machine, waren twee man voldoende om de geheele installatie te doen
-werken.
-
-Toen de gasten verzameld waren, leidde van Os hen naar de molenloods en
-nam het ontvangen van de koffie een aanvang. Door een mandoer en een
-amboneesch opzichter geleid, liep dit, dank zij de tucht die bij alles
-op Marialand heerschte, zeer spoedig af. Daarop ging men het trapje af
-naar de machinekamer. Slechts de dames en de administrateurs konden
-hierin een plaats vinden, de anderen stonden in de ruimte bij de
-pulpers.
-
-Op de smoorklep was een bloemruiker gebonden; en terwijl een bediende
-champagne presenteerde, noodigde de ingenieur mevrouw van Os uit de
-machine in beweging te stellen.
-
-„Ik durf niet,” zeide zij. „Laat Caroline het maar doen.”
-
-Caroline durfde wel. Zij trad naar voren en draaide op aanwijzing van
-den ingenieur aan het wieltje. Daarbij had zij uit vrees voor
-olievlekken de mouw van haar japon hoog opgetrokken en vertoonde een
-buitengewoon fraaigevormden arm. Trouwens het heele tooneeltje, toen de
-machine begon te draaien en de aanwezigen een luid hoera deden opgaan,
-had iets zeer frisch en levendigs, geaccompagneerd als het werd door
-het geklater van het vallende water en het knarsen van de koffie in de
-pulpers.
-
-Men had eindelijk genoeg gekeken en allen begaven zich naar het
-woonhuis, om zich met een bittertje of een glas port voor te bereiden
-tot het diner. Aan tafel werd toast na toast geslagen. Doch toen
-Messner den gastheer prees over zijn practischen blik bij de inrichting
-van de installatie, nam deze het woord en verklaarde dat de eer daarvan
-geheel aan zijn vriend Kool toekwam.
-
-„’t Is waar ook,” zeide Korman. „Dat boek... ik heb het niet kunnen
-krijgen. Heb jij het?”
-
-„Neen,” antwoordde van Os. „Dat was een ui.”
-
-„Hoe flauw!” mompelde Korman. Doch hij werd niet boos; daartoe was hij
-op het oogenblik niet in een stemming. Er was met hem sedert het
-laatste uur iets zonderlings voorgevallen. Eerst wist hij niet wat het
-beteekende en meende dat hij koorts had. Een extra bittertje, anders
-voor hem een afdoend middel, hielp ditmaal niet; doch toen hij aan
-tafel zat en links van zich Caroline van Os vond... o, toen zag hij
-plotseling weer dien arm aan de smoorklep en een hevige begeerte maakte
-zich van hem meester om dien meer, altijd! te mogen zien, hem tevens te
-kunnen verbergen voor de onbescheiden blikken van ieder ander. Hij
-dacht niet aan Li, aan zijn kinderen, aan niets als aan dien blanken
-arm, dien hij detailleerde in zijn vormen en lijnen tot het kuiltje toe
-in den elleboog....
-
-Na tafel speelden de dames op de piano, en later op den avond werd dit
-instrument voor het raam der binnengaanderij geschoven om den dans te
-accompagneeren der jongelui in de voorgalerij. Korman stond in de
-deuropening, zich verwenschende dat hij niet kon dansen en geen
-oogenblik de bevallige gestalte van Caroline uit het oog verliezende,
-woedend als nu Rencke, dan van Everdingen, dan Brisson haar
-omvatten....
-
-En het verliet hem niet meer, ook niet toen de gewone gang van het werk
-hem tot bedaarder nadenken dwong. Li was wel goed, maar men kon toch
-zijn heele leven niet tegen zoo’n bruin gezicht blijven kijken, en ook
-vond hij het nu eensklaps jammer om het geslacht der Kormans voorgoed
-in de donkere kleur te converteeren. Wat een verschil toch! In het
-gezicht mocht het minder opvallen, maar op zoo’n arm! En verder! Hoe
-echter moest hij het tot stand brengen? Li wegzenden... wat zou Messner
-doen? En toch, niettegenstaande alle moeielijkheden die hij voorzag,
-wilde hij het niet opgeven.
-
-De meisjes blijven een maand of drie, had van Os gezegd; welnu, die
-tijd was lang genoeg om alles voor te bereiden, en eindelijk zou hem
-wel een denkbeeld invallen om met fatsoen Li weg te krijgen en Caroline
-in haar plaats. Intusschen zou het zaak zijn dikwijls naar Marialand te
-gaan; een voorwendsel was gemakkelijk te vinden... een digestiebezoek
-om te beginnen.
-
-Doch in de eerste dagen kwam er niet van. De pluk was begonnen. Brisson
-werd op het hoofdkwartier ontboden en belast met het toezicht op het
-malen en de verdere behandeling der koffie. In zijn vrije oogenblikken
-liet Korman hem aan de boeken werken, die nu van den beginne af
-opgehaald, in behoorlijken vorm werden ingericht.
-
-In Brisson’s plaats werd voorloopig de hoofd-mandoer van Rencke gezet,
-terwijl Korman een oproeping in de couranten had laten plaatsen voor
-een nieuwen opzichter. Aan beide europeanen gaf deze regeling, vooral
-in de eerste dagen, veel werk.
-
-Eén zaak baarde Korman veel zorg. Hij moest dit jaar een paar honderd
-picols gouvernementskoffie koopen, en als het wat lang duurde eer hij
-een employé had voor de afdeeling van Brisson, zou de hoofd-mandoer
-dien inkoop moeten leiden. Dat was de kat op het spek binden, met
-andere woorden den man in sterke verleiding brengen ten eigen bate te
-ruim te meten en er zoo een duitje uit te knoeien.
-
-Korman besloot een laatste poging aan te wenden om van Everdingen tot
-andere gedachten te brengen wat betrof den opkoop van koffie.
-
-Voor de eerste maal sedert het feest op Marialand ging Korman van
-Watoeombo weg. Nauwelijks had hij de kampong achter zich, of weer hield
-datgene zijn gedachten bezig dat er sedert zijn ontmoeting met Caroline
-van Os nooit geheel uit was geweest. Alleen, waar het een zaak betrof
-die hem persoonlijk aanging, kon hij nooit in geregelde volgorde
-nadenken. Steeds nam hij sprongen van de voorbereiding eener zaak, als
-hij al zoover kwam, tot op het geheel gereedzijn en de gevolgen daarvan
-voor hem zelf. Zooals nu, op zijn rit naar Sabrang, moest hij tot drie,
-viermaal toe zijn gedachten terugdringen van het punt dat zij bereikt
-hadden, namelijk het huwelijksleven met Caroline, tot de vraag hoe van
-Li af te komen en hoe Caroline... aan te klampen, zooals hij dat bij
-zichzelf uitdrukte.
-
-Hij stond voor van Everdingen’s woning vlugger dan hem lief was, ja
-eigenlijk hinderde het hem dat hij niet nog wat had kunnen doorrijden
-en zich bij zijn overdenkingen houden, te meer daar hij nu niet gereed
-was met zijn argumenten in de zaak waarover hij van Everdingen had te
-spreken.
-
-Maar hij was er, en dus steeg hij af, zich echter verwonderende van
-Everdingen niet voor den dag te zien komen. Op het werk waar hij langs
-gereden was, had hij hem ook niet gezien; waar duivel zat de vent?
-
-„Hei, djongos!” [113] riep hij naar binnen gaande. Geen jongen, doch
-Minah verscheen. Met haar slofjes klikklakkende over de bamboe-mat
-draaide zij op hem af, en zichtbaar was de teleurstelling op haar ronde
-gezichtje, toen Korman van haar coquet persoontje in ’t geheel niet
-aangedaan scheen.
-
-„Waar is meneer?” vroeg hij op ongeduldigen toon.
-
-„Tobat,” klaagde Minah; „meneer is uit. Hij is in de laatste dagen
-altijd uit, en komt soms niet eens rijsttafelen.”
-
-„Is hij bij meneer Biezeman?” vroeg Korman.
-
-„Neen,” zeide Minah verbaasd. „Op Soemberpetong. Om teekeningen te
-maken van den molen daar. Hij zeide dat de toewan besaar het gelast
-had.”
-
-Op Soemberpetong! Minah gebruikte hier den inlandschen naam voor het
-land van van Os.
-
-Korman stond als versteend. Soemberpetong! Marialand! En dat terwijl
-hij zijn tijd met nietsdoen verknoeide! Een beeld, van Everdingen
-vrijende met Caroline, teekende zich in zijn gedachten af en deed hem
-de vuisten ballen. Vervloekt! En toen herinnerde hij zich op eens wat
-Li hem bij zijn terugkomst verteld had van Minah...
-
-„Op mijn last, haha!” stootte hij uit. „Heeft hij je dat wijsgemaakt,
-domoor? Ja wel, op mijn last! Oók als hij straks een der jonge dames
-als zijn vrouw hier in huis brengt zeker?”
-
-Een donkerder tint overtoog Minah’s gelaat, haar borst ging hevig op en
-neer, en een stap nader komende greep zij met haar rechterhand den
-opslag van Korman’s jas.
-
-„Apa betoel?” [114] vroeg zij.
-
-Hij maakte dat bevestigend keelgeluid, in Indië gebruikelijk, en nam
-tevens haar hand van zijn jas weg, om op een heel anderen toon voort te
-gaan.
-
-„Pas op,” zeide hij; „als iemand het zag!” Doch haar hand hield hij
-vast, haar zachtjes voortduwende tot in van Everdingens slaapkamer.
-
-„Soedalah!” zeide Minah. „Als hij mij ontrouw is, waarom zou ik hem
-trouw zijn.”
-
-„En nu,” gebood Korman bij het weggaan, „mondje dicht, hoor! Ook over
-dat andere dat ik je gezegd heb.”
-
-Op den terugweg ontmoette hij van Everdingen. Hij schrok er van; dat
-was op het randje af!
-
-„Zoo, verliefde ridder!” begroette hij hem. „Ik hoor dat je op
-Marialand geweest bent; vues hè?”
-
-„Ja,” zeide van Everdingen, insgelijks lachend. „Op de installatie van
-ginds. Ik dacht, waarom zouden wij niet van het goede voorbeeld
-profiteeren, en heb meneer van Os gevraagd of ik zijn inrichting mocht
-opmeten en nateekenen. Toen heeft hij mij toegestaan zijn eigen
-teekeningen te copieeren; doch bij hem aan huis; hij wilde ze niet uit
-handen geven.”
-
-„Niet kwaad bedacht,” vond Korman. „Heb je tijd om vanavond op
-Watoeombo te komen?”
-
-„Zeker!”
-
-„Kom dan vóór den eten, en deel in onzen pot.”
-
-Bij den zijweg, dien van Everdingen afgekomen was, hield Korman zijn
-paard een oogenblik in, als dacht hij er over naar Marialand te rijden.
-
-„Neen,” zeide hij halfluid en zijn paard wederom aanzettende, „nog
-niet.” En met groot leedvermaak dacht hij aan den poets dien hij van
-Everdingen gespeeld had. Ook de uitnoodiging van hedenavond zou een
-steentje bijdragen; Minah moest immers gelooven dat van Everdingen weer
-naar Marialand ging! Wat een leelijk gezicht zou hij trekken als hij,
-in plaats van Caroline, de bruine Minah naar het bureau van den
-burgerlijken stand moest geleiden!
-
-Het gelukte hem intusschen niet van Everdingen dien avond te bewegen
-tot het opkoopen van koffie. De tuinen op Sabrang stonden goed, meende
-deze, en zouden voldoende opbrengen om hun langs eerlijken weg een
-gezonde verdienste te bezorgen.
-
-Korman drong niet sterk aan, hoewel hij in van Everdingen’s gevoelen
-niet deelde, althans wat de tuinen van Watoeombo betrof. Hij had een
-flauw besef dat die niet voldoende produceerden, dat Messner naar
-gelang van zijn aanplant meer maakte, om niet te spreken van Marialand
-waar de koffie in alle tuinen haast even mooi stond, zonder schrale
-plekken. Alleen door opkoop van gouvernementskoffie was het goed te
-maken; zonder die hulp zou Benoit al heel gauw vragen doen die minder
-aangenaam waren.
-
-Even na het avondeten kwam de plajangan. De trommel openende vond
-Korman die vol brieven.
-
-„Wat een schep!” zeide hij. „Heb je lust ze te lezen?”
-
-„Hoe zoo?” vroeg van Everdingen.
-
-„Het zijn sollicitaties, ingekomen op onze advertentie,” lichtte hem
-Korman in. „Je kunt merken dat de tijden veranderen; een jaar of wat
-geleden kon je je blind zoeken naar een employé; nu is er overvloed.
-Vier en dertig!” riep hij uit, de brieven tellende. „Hier, pak aan!”
-
-Zij lazen, elkaar de brieven overreikende, en toen zij gereed waren
-bleven beiden eenige oogenblikken zwijgen.
-
-„Er zijn er bij die je zóó opzij kunt leggen,” merkte Korman eindelijk
-aan.
-
-„Ja, de meesten zelfs!” stemde van Everdingen toe. „Die van sinjo’s en
-gepensionneerden bijvoorbeeld. Weet u wie mij het meest lijkt?”
-
-„Die... waar is de brief... die maar een paar regels schrijft, bedoel
-je?”
-
-„Ja.”
-
-„Hier heb ik hem,” zeide Korman. „Hm... ja; ’n flinke hand en weinig
-omhaal... Lamers heet hij. Vooruit dan maar! Hij kan komen.”
-
-Nog dienzelfden avond schreef Korman aan Lamers, blij in het
-vooruitzicht dat die plaats nu spoedig vervuld zou zijn en hij zelf
-meer tijd zou hebben om voor zijn bijzondere belangen te zorgen.
-
-Intusschen begrijpende dat niets zijn zaak meer schaden kon dan zich
-niet te vertoonen en den ander vrij spel te laten, zette hij zich den
-volgenden middag te paard en reed naar Marialand.
-
-„Ik kom nog eens op mijn gemak kijken naar je installatie,” zeide hij
-na gegroet te hebben.
-
-„Dat is goed,” zeide van Os. „Alleen zal je mij moeten excuseeren;
-morgen gaat de post en ik heb heel wat te schrijven. De meisjes zullen
-je wel gezelschap houden.”
-
-„En Caroline kan meneer de noodige ophelderingen geven,” voegde Saartje
-er bij. „Zij studeert voor machinist.”
-
-„Trekt u dat vak werkelijk aan?” vroeg Korman, terwijl zij opwandelden.
-„Ik wil zeggen...” stotterde hij, „de kennis van... ahem... de
-werktuigkunde.”
-
-„O neen,” lachte zij. „Het is enkel nieuwsgierigheid. Ik kon niet goed
-velen dat het machinetje voor mij zooveel geheimzinnigs bleef
-behouden.”
-
-„Nu jokt zij heusch,” zeide Saartje. „Oom had van den ingenieur een
-boekje gekregen, moet u weten, om van buiten te leeren. Als dan de
-inspecteur van het stoomwezen kwam kon oom zijn examen doen... verbeeld
-u, voor stoker! Toen oom er één avond in had zitten lezen, werd hij
-wanhopig van al die vreemde namen van dingen die hij niet vinden kon.
-Caroline is daarop met onuitputtelijk geduld aan het zoeken en
-vergelijken gegaan, tot zij op een goeden dag oom alles kon uitleggen
-en aanwijzen.”
-
-„Dat is knap,” vond Korman.
-
-„Saartje overdrijft,” zeide Caroline. „Ik heb eenvoudig den inlandschen
-drijver uitgehoord, die al die namen kende; het eenige moeielijke was
-de woorden te herkennen, zooals hij die radbraakte.”
-
-Zij gingen door de takker-loods, waar de amboneesche opzichter bezig
-was de koffie te ontvangen en de machinekamer in. Korman bespeurde
-dadelijk een verschil met de vorige maal dat hij hier geweest was. Het
-was schooner. De vloer zoowel als de machine. Langs het latwerk was een
-plank gespijkerd en daartegenaan hingen in keurige orde de
-schroefsleutels, oliekannen; pakking en andere waarlooze stukken. Zelfs
-het brandhout was netjes opgestapeld.
-
-Met zichtbare deferentie groette de inlandsche drijver—een maleier—de
-binnentredende jonge dame, en deelde haar mede dat hij door den
-opzichter aangezegd was over een kwartier stoomklaar te zijn.
-
-„Hoe vindt u mijn studeerkamertje?” vroeg Caroline.
-
-„Prachtig,” zeide Korman. „Ik wist niet dat het in een machinekamer zoo
-zindelijk kon zijn. U is nu zeker op de hoogte van alles?”
-
-„O ja,” antwoordde zij. „Erg moeielijk is het niet.”
-
-Zij praatten nog wat door, tot het sein op een miniatuur kenthong boven
-weerklonk en het malen een aanvang nam.
-
-Caroline zette zelf de machine in beweging, doch als Korman ditmaal
-gehoopt had nogmaals den fraaien arm te zien, dan had hij mis gerekend,
-want de jonge dame was nu aan het werk gewoon.
-
-Over één zaak was hij echter tevreden. Het kostte hem namelijk
-volstrekt geen moeite meer om met de meisjes te praten; de woorden
-kwamen als vanzelf; hij vond zich zeer onderhoudend en hoopte dat de
-anderen die meening deelden. Het scheen wel zoo, want bij het naar huis
-gaan zeide Caroline:
-
-„Foei, wat hebben we gebabbeld; meneer Korman heeft haast geen tijd
-gehad om iets te zien.”
-
-„Toch wel,” zeide Korman overluid, en toen zich naar Caroline
-overbuigende, fluisterde hij haar in: „Ik heb u immers gezien?”
-
-Het was te donker, maar anders had Korman kunnen zien hoe Caroline te
-gelijk een kleur kreeg en een onwillige beweging maakte.
-
-Voor heden echter was voor Korman dit de finale geweest van zijn
-hofmakerij. Op het laatste eindje van den weg liet hij Saartje de
-kosten van het gesprek dragen, en was blij toen hij onder de vleugelen
-van van Os in de voorgaanderij zat, en een bittertje hem deed
-herstellen van de doorgestane moeite.
-
-Het avondeten liep vlug af, en daarna gingen van Os en Korman naar de
-voorgaanderij, doch de dames bleven achter.
-
-„Hè,” zuchtte van Os; „ik ben blij dat die schrijverij achter den rug
-is. Het spijt mij dat ik je alleen moest laten, maar na tafel is het
-mij onmogelijk een letter op papier te zetten.”
-
-„Och,” zeide Korman, „ik heb me uitstekend geamuseerd. Veel gezien heb
-ik natuurlijk niet, want het was een gepraat zonder eind.”
-
-„Dat begrijp ik,” lachte van Os. „Ja, op den duur zou ik de meisjes
-hier niet kunnen hebben. ’t Is te lastig; je moet ze bezighouden, weet
-je, en dat kost meer tijd dan ik missen kan. Apropos, we komen
-eerstdaags eens bij jou.”
-
-„Doe dat niet!” riep Korman verschrikt uit. „Mijn huiselijke
-omstandigheden...”
-
-„Poeh!” deed van Os. „Ze zijn in Indië geboren—de meisjes bedoel ik.”
-
-„Ja wel, maar...” zeide Korman. „Hoor eens. Als je in den knoei zat met
-het een of ander waar je geen raad mee wist, wat zou je doen?”
-
-„Dat hangt er van af,” zeide van Os verwonderd. „Je zoudt iemand anders
-kunnen raadplegen, bijvoorbeeld; hoewel dat gewoonlijk niet veel
-helpt.”
-
-„Misschien in mijn geval wel,” meende Korman.
-
-„Aha, gewichtige mededeelingen. Dat is een buitenkansje,” spotte van
-Os. „Kom maar over de brug; maar laat ik je eerst nog ’n grogje
-inschenken.”
-
-„Ziezoo. Wat heb je nu?” vervolgde hij nadat dit gewichtige werk
-volvoerd was. „Soesah met je geldschieter?”
-
-„Neen, daar behoef ik niet bang voor te zijn,” zeide Korman. „Het is
-iets anders. Ik zou je er niet over gesproken hebben, als je daar even
-dat plan niet geopperd had... het is eigenlijk nog wat vroeg... hm, ik
-kan, dat begrijp je, niet altijd ongetrouwd blijven...”
-
-Van Os begon te begrijpen. Zachtjes fluitend bleef hij vlak voor zich
-uit staren, met de strakke uitdrukking van iemand die eerst meer hooren
-wil alvorens zijn goed- of afkeuring te laten blijken.
-
-„Sinds de vorige keer dat ik hier was,” ging Korman voort, „heb ik
-gemeend dat... hoe zal ik het zeggen... dat ik er niet te lang mee
-wachten moest; en dat je nichtje Caroline... Zie je, eigenlijk kan ik
-nog niets zeggen; maar toch zou ik niet graag hebben dat zij in
-aanraking kwam met... je weet wel.”
-
-„Dat is duidelijk,” zeide van Os. „Je kunt moeielijk zeggen: ‚Kijk,
-daar heb je nu mijn huishoudster. Zou je zoo vriendelijk willen zijn
-haar plaats in te nemen?’ Bedoel je het zoo niet?”
-
-„Juist!” antwoordde Korman. „Daarbij komt dat ik in een heel bijzondere
-positie verkeer, doordat ik kinderen heb. Anders zou je, als je
-dergelijke plannen hebt, tegen je huishoudster kunnen zeggen: ruk uit!
-En mocht het mislukken, dan neem je een ander. Maar ik kan dat niet
-doen. Nu dacht ik de zaak uit te stellen... dat wil zeggen mij te
-bepalen tot een vriendschappelijken omgang en later je nicht na te
-reizen. Als jij me intusschen een handje helpen wou...”
-
-„Ik? Hoe bedoel je dat?” vroeg van Os.
-
-„Wel... het is natuurlijk de vraag of je er vóór bent.”
-
-„Gesteld dat het zoo is.”
-
-„Me dunkt dat het dan niet moeielijk is. Ik kom hier af en toe, en jij
-plaagt haar een beetje...”
-
-„Dankje,” zeide van Os, „dat doe ik niet. Ik wil je wel van dienst
-zijn, maar niet op die manier. Je moet zelf zien of je het met Caroline
-vinden kunt; daar bemoei ik mij niet mee. Om je te bewijzen dat ik je
-niet ongenegen ben, zal ik je al dadelijk iets vertellen wat je nuttig
-kan zijn. Weet je waarom mijn broer de meisjes hierheen gestuurd
-heeft?”
-
-„Nog niet.”
-
-„Ik weet het eigenlijk niet zeker, maar ik ken hem en heb zoo mijn
-vermoedens. Nauwelijks waren de meisjes hier, of ik las in de courant
-dat hij zijn pensioen zou aanvragen. Nu is mijn broer altijd een erge
-duitendief geweest, en zou hij nooit zijn pensioen hebben genomen als
-hij niet voor het mindere inkomen een aequivalent had gevonden. Begin
-je hem te snappen?”
-
-„Neen,” zeide Korman, met een onwillekeurige blik op de brandyflesch,
-waaruit van Os al sprekende een derde grogje prepareerde.
-
-„Je weet toch wel wat een aequivalent is?” vroeg van Os.
-
-„Ja wel,” zeide Korman. „Een ding dat, als ze het niet vinden kunnen,
-de regeeringsmannen belet noodige veranderingen en verbeteringen in te
-voeren.”
-
-„Je wordt nog uiig op den laten avond,” zeide van Os. „Welnu, mijn
-broer heeft dat gevonden in het fortuin van de meisjes. Begrijp je het
-nu?”
-
-„O!” riep Korman uit. „Hoe kon ik dat weten!”
-
-„Dat is waar,” stemde van Os toe. „Daar had ik niet aan gedacht. En...
-weet je wat... ik vind het een nobele streek van je dat je daar in ’t
-geheel niet naar gevraagd hebt. Ik zal je helpen, kerel; dat beloof ik
-je nu. Haha! en mijn broer een kool stoven. Hij, die dacht dat de
-binnenlanden veilig waren, en zeker van hier uit de meisjes ergens
-heengebracht zou hebben waar op geen tien paal afstand een vrijer te
-vinden was! ’t Zou mij niets verwonderen of hij ging naar Holland.”
-
-„Dus zou ik haar hier nog moeten vragen?”
-
-„Natuurlijk,” zeide van Os. „Ik zal er met mijn vrouw over spreken, en
-kom wel eens op Watoeombo: Heb zoolang geduld.”
-
-Toen Korman op den weg naar huis was, bedacht hij plotseling dat hij
-geheel vergeten had over van Everdingen te spreken. Soedah! dien zou
-toch spoedig de lust vergaan; en zoo niet, dan was Saartje er ook nog.
-Want het was zonderling, nu hij wist dat de meisjes fortuin hadden, was
-het alsof de persoonlijke voorkeur die hij Caroline gegeven had sterk
-verminderde, verbleekte door den goudglans die haar omstraalde. Het
-eenige was dat Saartje zooveel jonger was. Een vrouw moest niet te jong
-zijn; zij behoorde zich rekenschap te kunnen geven van wat zij deed als
-zij trouwde, om niet naderhand te gaan zaniken over verloren illusies
-en dergelijken. Want het te jonge trouwen der meisjes in Indië was voor
-driekwart de oorzaak der vele echtscheidingen in dat land, meest een
-jaar of twee drie na het huwelijk. Als halve kinderen die zij zijn,
-verrast hen de huwelijksaanvraag; hopende getrouwd nog meer vrijheid te
-hebben dan thuis, rijker te kunnen leven, nieuwsgierig naar den omgang
-met een man, zeggen zij ja, om na korten tijd te bemerken dat hun
-nieuwe toestand niet beantwoordt aan het door hen gedroomde ideaal. En
-dan is de man de schuld van alles, tot zij zich verbeelden door hem
-bedrogen en misleid te zijn en hunkeren van hem ontslagen te worden, om
-in een vrije positie te kunnen doen en laten wat zij willen.
-
-Het was over tienen toen hij thuiskwam. Naast het geraas van de kalie
-weerklonk nog dat van het waterwiel, niet ongelijk aan het geklepper
-van een raderstoomboot. Korman verkleedde zich eerst en ging toen naar
-de molenloods, waar hij Rencke en Brisson vond, de eerste om den ander
-wat gezelschap te houden bij het eentonige opzicht over het malen.
-
-„Veel binnengekomen?” vroeg Korman.
-
-„Honderd dertig kisten,” antwoordde Brisson; „behalve de taik loewak.”
-
-„Mooi zoo, dat begint goed te gaan. En is er nog wat bereide koffie
-ontvangen?”
-
-„Pas drie picol. Ze vroegen het hier te mogen brengen, maar dat wilt u
-immers niet hebben?”
-
-„Neen, zeker niet,” zeide Korman. „Waarom is dat? Knoeit die vent?”
-
-„Ik geloof het niet,” zeide Brisson. „Maar zooals u weet, de eene
-inlander vertrouwt den ander niet.”
-
-„Binnen een week kan Lamers, de nieuwe opzichter, hier zijn. Zeg hun
-dat, en laat hen tot zoolang maar scharrelen. Hoe is het, ben je bijna
-klaar?”
-
-„Ja, meneer, ’t is zoo gedaan.”
-
-Een oogenblik later hield het geknars van de molens op, en gingen zij
-ieder naar zijn huis. Korman om aan de zijde van Li te liggen droomen
-over zijn huwelijksplannen.
-
-Geduldig wachtte hij nu tot van Os kwam. Dit gebeurde echter in de
-eerstvolgende week niet. Intusschen was de nieuwe opzichter gekomen en
-aan het werk gezet.
-
-Lamers voldeed echter niet aan de verwachting die Korman, afgaande op
-zijn brief, van hem gekoesterd had. Dat schrijven toch had een zekere
-beschaving doen veronderstellen, die de man geheel en al miste. Ruw in
-voorkomen en manieren maakte hij een ongunstig verschil met de andere
-jongelui van Watoeombo. Op zijn werk was echter in den eersten tijd
-geen aanmerking te maken; hij ging op zijn tijd naar de tuinen, kon
-goed met het volk omgaan, was netjes op zijn administratie en.... kocht
-veel koffie op.
-
-„Jongens, meneer,” zeide Brisson op een morgen tot Korman, „wat zet die
-Lamers een vaart! Hij is nog geen tien dagen hier en heeft al over de
-zestig picols.”
-
-„Is hij razend?” riep Korman uit. „Dat moet niet; op zoo’n manier komt
-er niets in het gouvernementspakhuis, en zouden wij in ’t oog loopen.
-Stuur hem eens een boodschap.... of weet je wat, laat hem dien
-inlander, die zoo’n beetje den baas speelt bij den aanvoer, eens
-hierheen zenden.”
-
-Terwijl Brisson om aan dezen last te voldoen zich naar zijn
-schrijftafel begaf en een briefje aan Lamers opstelde, wandelde Korman
-het kantoor uit, de voorgalerij in. Er waren nu twee weken verloopen
-sedert zijn gang naar Marialand, en nog hoorde of zag hij niets van van
-Os. Door uitvragen van den man die het rapport van Sabrang ’s morgens
-bracht, was hij te weten gekomen dat van Everdingen er in dien tijd nog
-driemaal geweest was. Waar moest dat heen? Hij beschuldigde zichzelf
-van groote domheid dat hij tegenover van Os zoo openhartig geweest was.
-Die hield hem natuurlijk voor den gek, terwijl hem tevens de
-gelegenheid was afgesneden om zelf zijn belangen te behartigen.
-
-Plotseling ondervangt een witte stip, op den weg tegenover hem, zijn
-starenden blik. Waarachtig, het was van Os! Korman’s hart klopte tot in
-zijn keel; in groote spanning wachtte hij den komende af.
-
-„Zoo, old fellow!” riep de oudkapitein afstijgende, terwijl hij Korman,
-die hem te gemoet kwam, de hand drukte. „Ja, ja,” vervolgde hij de drie
-treden van de voorgaanderij opstappende, „ik praat al engelsch ook. Dat
-komt er van als je nichtjes te logeeren hebt die pas van de kostschool
-komen.”
-
-„Sst,” deed Korman; „er zit iemand in ’t kantoor.”
-
-„Maak je niet ongerust,” zei van Os. „Ja wel—ik zal straks eens naar je
-molens kijken, maar eerst wat te drinken hebben. Ik heb het wel aan je
-verdiend!”
-
-Korman riep den bediende.
-
-„Een potje bier?” vroeg hij, en toen van Os toestemmend knikte,
-gelastte hij den jongen dat te brengen.
-
-Te gelijk met het gevraagde kwam ook Li voor. Zij begroette den gast,
-die haar handje in de zijnen nam en haar eenige oogenblikken als
-medelijdend aankeek, tot groote ergernis van Korman.
-
-Op zijn dooie gemak dronk van Os zijn glas bier, daarbij Li vragende
-naar de kinderen en vertellende van zijn dochtertjes, als schepte hij
-er genoegen in Korman zoo lang mogelijk te laten wachten. Eindelijk
-stond hij op en begaven zich de beide mannen naar de ledige molenloods.
-In een hoek daarvan was een klein kantoortje afgescheiden, waar zij
-plaats namen.
-
-„Nu ouwe,” begon van Os, „je kansen staan goed. Maar ’t heeft kracht
-gekost! Je boft er mee dat mijn vrouw Caroline zoo goed mag lijden en
-haar graag hier in de buurt zou hebben.”
-
-„Heb jullie het haar gezegd?” vroeg Korman.
-
-„Zoo mal niet,” was het antwoord. „Neen, we hebben dat erg pinter
-aangepakt. In de eerste dagen hebben we de lui zoo eens de revue laten
-passeeren, om te zien of zij ook wou aanbijten. Maar zij was ons te
-slim af. Ten laatste heeft mijn vrouw haar alleen onderhanden genomen,
-en haar afgeschilderd wat haar wachtte bij mijn broer, en hoe leuk het
-zou zijn als ze hier kon blijven. En wat denk je dat ze geantwoord
-heeft?”
-
-„Zeg het maar.”
-
-„Dat employés toch ook dikwijls van de eene onderneming naar de andere
-trokken. Slim hè? Ze liet zoodoende mijn vrouw uit den hoek komen, want
-die moest jou toen wel noemen. Jij of van Everdingen, zei ze. Nu, die
-had bij ons zitten vertellen dat hij in stilte geëngageerd was in
-Holland, dus bleef jij alleen over. Toen kwamen je kinderen op de
-proppen; en zij kon zich toch ook niet op een bordje aan je laten
-presenteeren... Enfin, het eind van de geschiedenis was dat zij zei:
-als je haar vroeg, dan zou zij erover denken; maar in ieder geval de
-voorwaarde stellen dat je de kinderen naar Europa stuurde. Ik heb er
-een dag of vijf over heen laten loopen eer ik hier naar toe kwam, en nu
-moet jij nog een paar dagen wachten eer je op Marialand komt; want ik
-wil om den dood niet dat zij merkt dat ik of mijn vrouw je een handje
-geholpen hebben. Oef! is dat lang praten! Laat ons nu een bittertje
-gaan pakken.”
-
-„Wacht nog even,” zeide Korman. „Kan ik nu dadelijk met haar spreken?”
-
-„Wel verduiveld,” barstte van Os uit. „Wou je dat ik de vrijerij ook
-nog voor je deed?”
-
-„Neen, liever niet,” zeide Korman lachend. „Enfin, ik begrijp het al.
-En... ik kan mijn huishouden voorloopig zoo laten?”
-
-„O ja, tot je haar vraagt. Kassian, ik heb wezenlijk met dat arme ding
-te doen. Als ik er zoo een gehad had geloof ik niet dat... soedah, jij
-moet het weten; dat zijn mijn zaken niet.”
-
-„Blijf je eten?” vroeg Korman, toen zij terugwandelden naar het huis.
-
-„Dankje. Eén paitje, en dan ruk ik uit. Ze behoeven thuis niet te weten
-dat ik hier ben geweest.”
-
-Toen van Os weg was bleef Korman zitten nadenken. Een gevoel van spijt
-maakte zich van hem meester, dat hij zoo voorbarig gehandeld had ten
-opzichte van van Everdingen. Hij durfde hem nu niet meer waarschuwen.
-Minah zou, als hij het deed, natuurlijk alles vertellen, en hij wist
-dat hem den zedelijken moed ontbrak om tegenover haar vol te houden dat
-zij loog. Trouwens, die meid kon hem nog in een lastig parket brengen.
-Als hij met Caroline getrouwd was, zou zij dan haar mond houden? Hm,
-als hij haar niet in den weg stond, wel, en anders niet. Dan moest de
-zaak maar loopen zooals zij wilde.
-
-„Zeg, Brisson!”
-
-„Ja, meneer,” riep de employé terug, en kwam in de voorgaanderij.
-
-„Moet je geen bittertje hebben? Niet? Jongen, het staat toch zoo mal!
-Je moest het maar eens doorzetten. Ik heb nogal wat met je te bepraten,
-zoo af en toe, en dat doe ik liever niet onder werktijd. Maar ik vind
-het schrikkelijk saai om met je aan de bittertafel te zitten en alleen
-wat te gebruiken. Je moest ’s avonds thuis eens beginnen, tot je er aan
-gewend bent.”
-
-„Ik zal het probeeren,” zeide Brisson.
-
-„Doe dat. Schiet je op met de boekerij?”
-
-„O best, meneer; ik denk over een dag of wat geheel „bij” te zijn. Maar
-ik ben een raar ding tegengekomen. Zoudt u eens even willen zien?”
-
-Korman volgde hem in het kantoor.
-
-„Hier,” zeide Brisson, hem een kladstaat voorleggende, „sluit ik op 31
-Maart met meer uitgaven dan er geld in kas was. Op 4 April klopt het
-weer.”
-
-„Hoe komt dat?” vroeg Korman, en toen hij zich over het staatje
-heenboog kleurde hij sterk. „Ik zie het al,” zeide hij daarop; „er is
-een betaling tusschen.”
-
-„Ja,” zeide Brisson, „dat heb ik ook gezien. U schijnt ’n vergissing te
-hebben in den datum van ontvangst der remise.”
-
-„Neen, dat kan niet,” zeide Korman. „Ik heb waarschijnlijk geld van mij
-zelven gebruikt; ik meen mij zoo iets te herinneren...”
-
-„Zal ik dan de laatste posten van Maart maar overbrengen in April?”
-vroeg Brisson. „Of, omdat u de staatjes naar Soerabaja gezonden heeft,
-is het misschien regelmatiger dat ik de kas bezwaar met een voorschot
-van uwentwege?”
-
-„Ja, dat is beter,” besliste Korman, zich omdraaiende.
-
-De employé oogde hem na met een wonderlijke uitdrukking, om daarna een
-notitie te doen op een blaadje van zijn zakboekje, waar bovenaan het
-volgende opschrift stond: „Vermoedel. door K. gecharg. posten.”
-
-Een paar dagen later stond Korman juist gereed naar Marialand te
-rijden, toen een inlander, in wien hij den chef van het koffietransport
-uit de dessa Plèrès herkende, op de bovenste trede van de trap der
-voorgaanderij neerhurkte.
-
-„Wat heb je?” was de vraag waarmee Korman het eerbiedig koelo noewoen
-beantwoordde. „Meneer Lamers heeft je hierheen gezonden, niet waar?”
-
-„Meneer moest hem niet kwalijk nemen.... meneer Lamers had hem niet
-gestuurd. Hij was uit eigen beweging gekomen om de hulp af te smeeken
-van den toewan besaar. Zijn picolpaard met koffie stond in de kampong
-van meneer Lamers, doch met dezen had hij niet kunnen spreken, want hij
-was dronken, heel erg dronken. Hij gooide met stoelen naar ieder die
-hem naderde.”
-
-„Hoor je dat?” riep Korman Brisson toe.
-
-„Neen meneer,” antwoordde deze het kantoor uitkomende.
-
-„Die vent vertelt dat Lamers stomdronken is. ’n Mooi geval! Ga jij....
-neen toch niet.... loop even achterom naar tuin Podrono III, daar zal
-je meneer Rencke vinden. Verzoek hem door te gaan naar Lamers en de
-zaak te onderzoeken.”
-
-Brisson ging en intusschen sprak Korman met den inlander.
-
-„Voor wat meneer vreesde,” zeide deze, „was volstrekt geen gevaar. In
-het gouvernementspakhuis werd niet minder geleverd dan vroeger. De
-koffie die hij bracht kwam van den anderen kant van het gebergte, langs
-een pad dat sinds jaar en dag alleen gebruikt werd om opium van de kust
-en clandestien zout te vervoeren.”
-
-„O zoo,” zeide Korman, „dan is het goed.” En hij gaf den man zijn
-afscheid, hem zeggende dat meneer Rencke wel gezorgd zou hebben voor
-zijn koffie.
-
-Korman bleef wachten op Rencke’s terugkomst. Het duurde niet lang of
-deze kwam.
-
-„Een misselijk geval,” rapporteerde hij. „De man is door het dolle
-heen. Hij is, geloof ik, wat we aan boord een kwartaal-zuiper noemden.
-Hij ziet wezens die hem te lijf willen, en zoo voort. Eerst dacht ik
-dat hij mij ging attaqueeren, maar hij kwam tot betere gedachten. Toen
-schold hij op u en Brisson. Ik zou daar geen melding van maken, als die
-dronkemanspraat niet iets had ingehouden dat.... enfin, hij dreigde met
-bij de eerste gelegenheid de beste aan den resident bericht te zullen
-zenden van den koffie-opkoop hier.”
-
-„Dat hem de duivel hale!” riep Korman woedend. „Hij moet onmiddellijk
-weg. Kan je dat alleen aan?”
-
-„O ja wel,” zei Rencke glimlachend; „als u maar tijd laat tot hij zijn
-roes heeft uitgeslapen. Zou u het niet raadzaam achten hem zijn salaris
-uit te betalen?”
-
-„Dat is goed,” zeide Korman. „Vraag maar geld aan Brisson, die heeft de
-kas.”
-
-Korman reed heen.
-
-„Tante, daar komt mijn vrijer!”
-
-Mevrouw van Os en haar nichtjes waren in den tuin bezig, toen deze
-plotselinge uitroep van Caroline allen deed opzien. Tusschen de boomen
-door bespeurden zij de gestalte van den naderenden Korman, waarop
-mevrouw de vlucht nam naar binnen, terwijl de beide meisjes in een
-vroolijk lachen uitbarstten.
-
-„Bello!” riep mevrouw in de verte, en „Bello, Bello! waar is de hond?”
-herhaalde Caroline.
-
-Onwillekeurig hield Korman zijn paard in, wat de pret der meisjes nog
-deed vermeerderen.
-
-„Foei!” fluisterde Saartje. „Pas op, straks gaat hij nog op den loop!”
-
-„Morgen dames! Mag ik meelachen; waarover is het?” vroeg Korman.
-
-„Caroline zei,” begon Saartje, „kijk, daar komt...”
-
-„Zal je zwijgen!” viel Caroline in, kleurend tot in haar hals.
-
-„.... daar komt meneer Korman.”
-
-„Ik ben zeker dat uw zuster iets anders gezegd heeft,” plaagde Korman.
-„Wil ik eens raden?”
-
-„Dat is goed; maar... ééns.”
-
-„Nu dan: daar komt die aardige, gezellige...”
-
-„Ho, mis!” riepen beide meisjes.
-
-„Dan....”
-
-„Neen, ééns mocht u raden, niet meer,” zeide Caroline. „Komt u binnen?
-Tante is zich gaan opknappen en oom is naar de tuinen,” vervolgde zij
-het huis binnengaande. „Dus is u aan onze genade overgeleverd. Wacht,
-ik zal de honneurs eens waarnemen.” En den zwaren basstem van haar oom
-imiteerende sprak zij met koddige deftigheid: „Daar doe je wèl aan,
-ouwe! Ga zitten. Wat zal je gebruiken? Een potje bier?”
-
-„Steek eens op!” voltooide Saartje, die een sigarenkoker uit de
-binnengalerij gehaald had.
-
-„Bravo, dames!” zeide Korman, een manilla opstekend. „Ik zal thuis eens
-nazien of ik nog niet een paar complete heerenkostumes heb.”
-
-„O graag,” riep Caroline uit. „We zullen ze u netjes gestopt
-terugzenden.” En hierbij fixeerde zij een hersteld plekje op Korman’s
-witte jas.
-
-„En de rafels afknippen,” voegde Saartje er aan toe, als toevallig haar
-blik op den onderkant van Korman’s pantalon richtend.
-
-„Op alle punten geslagen!” zeide Korman. „Maar hoe kan het anders; twee
-tegen één?”
-
-„Tante roept,” zeide Saartje opstaande, en ondanks den wanhopigen blik
-van haar zuster verdween zij.
-
-Er ontstond een stilte. Caroline keek zenuwachtig voor zich, wetende
-dat Korman, als hij wezenlijk plannen had, van deze gelegenheid gebruik
-zou maken; Korman verrast door het plotselinge alleenzijn met Caroline,
-vergetende wat hij had willen zeggen. Dit vergeten hield zijn geest zoo
-bezig, dat hij niet in staat was iets anders te bedenken, en eindelijk
-het feit zelf ter hulp nam.
-
-„Juffrouw Caroline,” begon hij, „ik had gehoopt vandaag een oogenblik
-met u alleen te kunnen spreken, en mij voorbereid op wat ik zeggen zou.
-Maar nu, ’t is vreemd, weet ik niets meer, behalve het doel dat ik voor
-oogen had. Dat is... dat ik u vragen wou... of u... mijn vrouw wilt
-worden.”
-
-Zij hield haar oogen neergeslagen, en hij, hierdoor moediger wordende,
-greep haar hand. En hij sprak door, wetende dat men van een vrouw veel
-gedaan krijgt met kalm te praten, het doet er niet toe wat, als het
-stemgeluid slechts onafgebroken voortrolt in niet al te sterke
-variaties van toon. Want dat zou haar aandacht afleiden en die naar den
-spreker trekken, terwijl de bedoeling is dat zij, zich verbeeldende na
-te denken, verhinderd wordt door het spreken om zulks logisch te doen,
-en zachtjesaan medegevoerd wordt op den klank, om, als de spreker
-ophoudt met een intonatie van zalig verlangen, een antwoord te geven
-dat als het ware een voortzetting en slot is van wat hij zeide.
-
-Korman kweet zich hiervan meesterlijk. Caroline’s zacht uitgesproken
-„ja” volgde zonder komma of punt op zijn laatste woord; eerst toen hij
-haar naar zich toe trok en haar een zoen gaf, kwam zij tot besef van
-wat zij gedaan had, en dat zij geheel vergeten had haar condities te
-noemen, zooals zij zich had voorgesteld te zullen doen als Korman haar
-vroeg.
-
-„Bravo, bravo!” en hiermee sprong van Os over het zijhekje van de
-voorgaanderij, vlug genoeg om Caroline op te vangen eer zij door de
-middendeur weg kon komen.
-
-„Zoo juffertje!” zeide hij haar gezichtje tusschen zijn handen nemend.
-„Laat jij je zoenen in een open galerij! Kijk me eens aan, als je
-durft. Brutaal als de beul!” liet hij er op volgen, toen de blauwe
-kijkers van Caroline hem ondeugend tegenflikkerden. „Zeg, Korman, jij
-liever dan ik hoor!”
-
-„Ik hoor tante’s slofjes klepperen,” zeide Caroline ontsnappend. „Pas
-maar op, oom!”
-
-„Zoo’n rakker!” riep van Os. „Intusschen gefeliciteerd, ouwe! Dat heb
-je hem knap geleverd. Hei, jongens, minoeman! Ik heb trek in een
-paitje, en jij?”
-
-„Ik ook, alleen weet ik niet of....”
-
-„Kom, stel je niet aan. Daar ben je niet jong genoeg meer voor,” zeide
-van Os. „En.... verwen haar niet, pas op!”
-
-Er werd besloten het engagement voorloopig nog geheim te houden. Ten
-eerste moest Caroline aan haar oom te Batavia schrijven, en voorts had
-Korman eenigen tijd noodig om zijn „huishoudelijke inrichting” te
-regelen, met andere woorden Li weg te zenden en voor de kinderen in
-Holland een onderkomen te zoeken.
-
-Het laatste was niet het gemakkelijkste. Jong uit Holland vertrokken
-had hij daar geen vrienden meer; die relaties waren verjaard of
-afgestorven. Zijn moeder was de eenige, doch deze had hem op zijn
-mededeeling van de geboorte van Hendrika kort en beslist geantwoord dat
-zij geen „wilde” kinderen van hem erkende. Alleen wanneer hij die
-„heidensche” vrouw tot het christendom kon overhalen en haar trouwde op
-de eerlijke hollandsche manier, zou zij er notitie van nemen. Tot
-zoolang verzocht zij verschoond te blijven van berichten hetzij over
-„dat mensch”, hetzij over de kinderen.
-
-Geen uitleggingen van Korman hadden gebaat; zij bleef bij haar eerste
-woord.
-
-Het toeval gaf hem een middel aan de hand om in deze zaak te voorzien.
-Ongeveer een week nadat hij het jawoord van Caroline ontvangen had,
-moest Korman voor zaken naar de stad. In het logement ontmoette hij een
-hoofdingenieur van den Waterstaat, die naar aanleiding van
-irrigatieplannen, daar eenigen tijd bleef vertoeven.
-
-„Een heel werk,” merkte Korman op, toen de ingenieur hem had uitgelegd
-hoever zich de plannen uitstrekten. „Als het uitgevoerd wordt blijft u
-zeker hier?”
-
-„In geen geval,” was het antwoord. „U weet nog niet hoeveel tijd er
-gewoonlijk verloopt tusschen een opname en de uitvoering van een werk.”
-
-„Ik kan het mij eenigszins voorstellen,” zeide Korman, „als ik naga
-hoelang het geduurd heeft eer wij de papieren voor onze erfpacht
-gekregen hebben.”
-
-„Nu, en over twee maanden heb ik mijn pensioen verdiend,” zeide de
-ingenieur. „Zoolang zal mijn werk hier wel duren; dus hebben we ons
-huishouden te Soerabaja opgebroken, om zoo gauw mogelijk naar het
-vaderland te kunnen gaan.”
-
-„Is mevrouw dan ook hier?” vroeg Korman en op dit oogenblik schoot hem
-zijn idee te binnen.
-
-Hij schoof zijn stoel dichter bij dien van den ouden heer.
-
-„Neem me niet kwalijk,” zeide hij, „als ik u een voorslag doe. We
-zitten hier in de binnenlanden zoo hulpeloos.... Enfin, de zaak is dat
-ik een gelegenheid zoek om mijn twee kinderen naar Europa mee te
-geven.”
-
-De ingenieur trok de wenkbrauwen samen.
-
-„Als u er eens met mevrouw over sprak,” vervolgde Korman. „Ik heb er
-een bankje van duizend gulden voor over.”
-
-„O!” riep de ingenieur uit, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat
-plotseling veranderde. „Dan behoef ik er mijn vrouw niet over te
-spreken—dat is te zeggen, voor den vorm natuurlijk... ik wou maar... ik
-bedoel dat u op een toestemmend antwoord kunt rekenen. Morgenavond
-bijvoorbeeld. Dan hebben wij een dag bedenktijd; voor den vorm, ziet
-u.”
-
-„Mijn moeder woont in Utrecht,” hernam Korman. „Zij is oud en
-verplaatst zich moeielijk. Dus moeten de kinderen bij haar aan huis
-bezorgd worden.”
-
-„Dat is niets,” verklaarde de ingenieur. „Dat zijn bijzaken. Ha, daar
-is mijn vrouw; mag ik u voorstellen....”
-
-Twee dagen daarna reed Korman naar zijn land terug met het prettige
-gevoel van de grootste moeielijkheid te boven te zijn gekomen.
-
-Ongeveer halverwege de onderneming trok een stoet die hij in de verte
-zag aankomen zijn opmerkzaamheid. Het was een dier bamboe draagstoelen,
-eigenlijk een huis in miniatuur, door twaalf koelies gepikeld, terwijl
-een ander twaalftal er omheen liep ter aflossing.
-
-Naderbij gekomen herkende hij in den begeleider een mandoer van
-Sabrang. De man liet de tandoe [115] bij Korman neerzetten en schoof de
-deur in den zijwand open. Op een matras uitgestrekt lag daar van
-Everdingen. Zijn gezicht was verschrikkelijk ingevallen, doch de oogen
-stonden helder toen hij Korman als geruststellend toeknikte.
-
-„Het ging niet langer,” zeide hij. „De dokter moet maar eens zien wat
-hij er van maken kan.”
-
-„Wat scheelt er aan?” vroeg Korman verschrikt.
-
-„Koorts en pijn in de rechterzij. Biezeman zegt dat het leverziekte is.
-Is dat gevaarlijk?”
-
-„Gevaarlijk niet,” zeide Korman. „Vraag aan den dokter of hij je temoe
-lawa wil geven. Dat is de eenige afdoende inlandsche medicijn.”
-
-„Ik zal het onthouden,” beloofde van Everdingen. En hij stak Korman de
-hand toe, die deze met een huivering aanvatte.
-
-Korman vertoefde slechts een oogenblik op Watoeombo, om dadelijk door
-te gaan naar Sabrang. Bij het huis van van Everdingen hield hij even
-stil. Er was niemand. Op weg naar Biezeman, trof hij dezen in de tuinen
-aan.
-
-„Een leelijk geval, meneer, met den jonker,” merkte de employé op.
-
-„Wat denk jij dat het is?” vroeg Korman.
-
-„Ja, wat zal ik daarvan zeggen. Ik ben geen dokter,” verklaarde
-Biezeman. „En die kunnen een mensch toch ook niet in zijn binnenste
-kijken, zoodat ze wel raden moeten en net zoolang probeeren met hun
-likkepotjes totdat er een pakt. Maar om op ons aperpo terug te komen—ik
-heb nogal genie in wat moeder de vrouw er van zegt; die zegt alsdat het
-den jonker zijn lever is; en dat is ’n leelijk ding als je dat in de
-kou krijgt.”
-
-„We willen er het beste van hopen,” zeide Korman. „Kan je het werk
-alleen af?”
-
-„Dat houdt niet over, meneer. Dat sakrementsche malen.... als ik daar
-iemand voor krijgen kon.”
-
-„Goed,” zei Korman. „Ik zal den hoofd-mandoer van Watoeombo zoolang
-hier sturen. Je hebt het huis van meneer van Everdingen afgesloten, heb
-ik gezien.”
-
-„Ja meneer,” antwoordde Biezeman; „en de barones is bij ons
-ingekwartierd. Die deed niks als grienen en wou absoluut mee naar de
-stad; om den jonker obat te geven, zei ze. Maar dat ging natuurlijk
-niet; en op die inlandsche obat heb ik in ’t geheel geen fidutie meer.”
-
-„Zeg dat niet te gauw!”
-
-„Neen, ik weet best wat ik zeg. U kent dien ouden vent wel, dien
-toovenaar die bij meneer Messner is?”
-
-„Ja wel,” zeide Korman.
-
-„Nu, dien heb ik laatst hier gehad. En weet u wat die zei? Hij zei dat
-javaansche medicijn allemaal larie was, behalve als je ze uit het goede
-adres hebt.”
-
-„En dat is?”
-
-„Ja, dat weet ik zoo precies niet meer. Hij vertelde van pangerans
-[116]; als die er meer vrouwen op na hielden dan één—en dat deden ze
-allemaal—dan gaven zij die andere geen erfenis mee, maar leerden ze de
-obat kennen. Die weten het alleen en mogen het niet verder vertellen.
-Hij zelf was... ik zal maar zeggen ’n buitenbeentje van zoo’n pangeran,
-en zijn moeder wist er dus ook alles van; maar zij heeft hem niets
-anders nagelaten als ’n tooverboek waarmee hij dieven vangt.”
-
-„Doet hij dat met een boek?” vroeg Korman, die altijd behagen schepte
-in het gepraat van Biezeman.
-
-„Ja, maar ik heb hem in de kaart gekeken. Dat boek is geschreven met
-arabische letters, maar het is gewoon javaansch. Als je nou wat hebt,
-zooals ik laatst, toen ze kains van moeder de vrouw gestolen hadden,
-dan vraagt hij je heelemaal uit: op welken dag, hoe laat zoo wat...
-afijn, alles. En dan kijkt hij in zijn boek en vertelt je precies hoe
-de dief het gedaan heeft, of het een man of een vrouw is, welken kant
-zij uit zijn gegaan en waar je ze vinden kunt. Weet u wat ik geloof?
-Dat hij eerst de dieven inlicht hoe ze stelen moeten en dan later op
-een haar na weet hoe hij ze vangen moet.”
-
-„Dat kon wel,” lachte Korman. „Nu, als je wat hebt, dan stuur je maar
-een boodschap. Goeden middag.”
-
-Korman was dien avond te moe om nog naar Marialand te gaan. Op een
-luierstoel in de voorgaanderij lag hij behagelijk uitgestrekt, toen Li,
-die de kinderen in bed bezorgd had, bij hem kwam zitten, op haar
-geliefd plekje, de leuning van zijn stoel.
-
-„Ben je moe, pa?” vroeg zij zijn voorhoofd streelende.
-
-„Ja,” zeide hij, de oogen half sluitende. „Hoor eens Li, ik heb in de
-stad een familie van Soerabaja ontmoet, die over twee maanden naar
-Holland vertrekt. Zoo met hen pratende kwam mij de gedachte in het
-hoofd, dat onze kinderen toch eindelijk eens naar Europa moeten, vooral
-Non... om te leeren, weet je. En toen hebben wij de zaak besproken,
-zoodat alles in orde is... als jij het goedvindt.”
-
-Li’s oogen verduisterden zich en twee groote tranen rolden haar over de
-wangen. Zich naar Korman overbuigende vleide zij haar hoofd aan zijn
-borst.
-
-„Zij zijn nog zoo klein!” snikte zij. „Laat hen nog een poosje hier.”
-
-„Kom Li, wees niet kinderachtig,” zei Korman. „Het moet immers toch
-gebeuren, en niet gemakkelijk vinden wij weer zoo’n beste gelegenheid.
-Grootmama zal goed voor hen zorgen, en over een jaar of wat zijn zij
-weer terug. Je hebt nog ruim een maand tijd om er aan te wennen...”
-
-„Straks zei je twee maanden!”
-
-„Nu ja, eer zij van Soerabaja vertrekken. Maar je begrijpt dat de
-kinderen er dan zijn moeten, en dat zij wel een week noodig hebben om
-kleertjes te koopen. Zie je, ik heb het met die mevrouw zóó
-afgesproken, dat zij de kinderen al meeneemt als zij naar Soerabaja
-gaat.”
-
-„Als je het zoo beschikt hebt... dan is het goed,” zeide Li met
-oostersche gelatenheid. „Ik ga maar naar bed... ik kan toch niet
-ophouden met huilen.” En zij kuste hem goedennacht.
-
-Toen Li weg was haalde hij een étui uit den zak van zijn kabaja en
-opende het. Een gouden armband, uit zware platte schakels bestaande,
-blonk hem tegen. Hoe goed zou die staan op Caroline’s blanken arm! Het
-had geld gekost; soedah! ’n spiering om een kabeljauw te vangen, dacht
-Korman, terwijl hij opstond en het kleinood in de brandkast wegsloot.
-Tot morgen; dan kon hij weer eens naar Marialand rijden en zijn meisje
-opzoeken. Zij zou natuurlijk blij zijn dat hij al zoover gevorderd was.
-Eigenlijk was het jammer dat hij nog zoo lang moest wachten. Hoeveel
-zou zij hebben? Hij durfde er niet naar te vragen. Eén ding stond
-echter vast, zij moesten buiten gemeenschap van goederen trouwen. Dan
-hadden zij ten eerste haar fortuin, en vervolgens al wat hij zoo
-gaandeweg had achtergehouden en overgelegd met meer te boeken dan er
-was uitgegeven. En Benoit kon nooit aan het geld komen dat op naam van
-zijn vrouw stond, en wat hij nog meer achter die „schuine deur” zou
-bergen! Zoodoende zou de koffieonderneming althans aan één persoon
-voordeel bezorgen. Want of zij ooit rendeeren zou, dat stond te
-betwijfelen. Nu Brisson de boeken had bijgewerkt, bleek hem meer en
-meer, dat het ideale „vrijwerken” nog in een heel ver verschiet lag.
-Het land was te groot; hoogstens zou het goede rente afwerpen van het
-daarin gestoken kapitaal; doch daarvan profiteerde Benoit in de eerste
-plaats, en hij mocht zich met het overschotje tevreden stellen. En
-kreeg hij dat dan nog maar in handen! Maar neen, dat verdween in de
-boeken, ter aflossing van schuld. Zijn kleinkinderen zouden er
-misschien een mooi kapitaal door bezitten, maar dat lag niet in zijn
-bedoeling. Het eenvoudigste was om er uit te halen zooveel als doenbaar
-was, alles te zetten op naam van Caroline, en er eindelijk uit te
-scheiden met een grooten beer aan Benoit, waar deze naar „fluiten” kon.
-
-Den volgenden morgen kwam Rencke, dadelijk na afloop van de rol, in de
-administrateurswoning.
-
-„Ik heb uw briefje van gisteravond ontvangen,” zeide hij. „Maar ik kan
-den hoofd-mandoer niet naar Sabrang zenden; hij neemt den boel van
-Lamers waar.”
-
-„Daar had ik in ’t geheel niet meer aan gedacht,” zeide Korman. „Stuur
-maar een ander; het is enkel om op het ontvangen en malen van koffie te
-letten. Hoe is het met dien Lamers afgeloopen?”
-
-„Vrij kalm,” antwoordde Rencke. „Hij was erg beteuterd en beloofde
-beterschap. Maar uw orders waren te stellig, dan dat ik er iets aan
-durfde veranderen.”
-
-„Neen, op den duur zou ik hem toch niet graag gehouden hebben,” vond
-Korman. „Maar wat heeft Brisson?” vervolgde hij wijzende op dezen, die
-blootshoofds, met haastigen stap naderde.
-
-Zenuwachtig reikte hij Korman een papier toe. De administrateur
-herkende dadelijk het nette regelmatige schrift van den ontslagen
-Lamers. Lezende, overtoog een toornige trek zijn gelaat.
-
-„Leg het maar in het kantoor,” gelastte hij, Brisson het briefje
-teruggevende, „’n Dreigbrief van Lamers,” zeide hij daarop tot Rencke.
-„Het beteekent niets. Ga je gang dus met Sabrang; wien je ook stuurt,
-het is altijd goed.”
-
-En toen het kantoor binnengaande voer hij hevig uit tegen Brisson.
-
-„Had je je bezinning verloren?” raasde hij. „’t Is Gévédé of je een
-klein kind bent, om onderteekende briefjes te sturen over den
-koffieopkoop.”
-
-„Het is er maar één,” bracht de employé in het midden. „Dien morgen,
-toen u zoo’n haast had...”
-
-„Eén is voldoende,” viel Korman hem in de rede. „Juist dat ééne briefje
-kan je voorgoed ongelukkig maken. Hij vraagt er tweehonderd vijftig
-gulden voor, niet waar?”
-
-„Ja meneer.”
-
-„Dan zou ik maar zelf naar de stad rijden en het met hem afmaken. Ik
-zal je het geld geven—in voorschot natuurlijk, want het is je eigen
-stommigheid, en dus niet meer dan billijk dat je het zelf draagt.”
-
-„Alsublieft meneer,” zeide Brisson. „Mag ik vandaag nog gaan?”
-
-„Ja zeker. En morgen terug. Kijk meteen op het postkantoor of er
-brieven zijn.”
-
-Hoewel Korman zich groot hield tegenover zijn ondergeschikte, zat hij
-niettemin geducht in angst over de zaak. Wel is waar gaf dat briefje
-van Brisson geen enkel bewijs tegen hem, doch het kon een waarschuwing
-aan het Binnenlandsch Bestuur voldoende motiveeren; en dan was het uit
-met den opkoop van koffie—althans in de eerste jaren. Hij hoopte
-slechts dat Brisson het er goed af mocht brengen en het gevaarlijke
-papiertje in zijn bezit krijgen.
-
-Intusschen belette hem dat alles om heden naar Marialand te gaan. Het
-stond niet, om Watoeombo te verlaten, nu er drie employé’s mankeerden
-en er volop werk was. Tegen den middag uit de tuinen terugkeerende,
-zond hij een koelie met een brief naar Caroline, haar het treurige en
-het goede nieuws meldende.
-
-Brisson kwam den volgenden middag thuis.
-
-„Ik heb het, meneer!” riep hij triomfantelijk uit. „En de tweehonderd
-vijftig pop nog in mijn zak.”
-
-„Dat is een felicitatie waard,” zeide Korman. „Hoe heb je dat klaar
-gespeeld?”
-
-„Ik heb hem onder tafel gedronken,” antwoordde Brisson.
-
-Korman schoot in een luiden lach.
-
-„Jij hem!” riep hij uit. „Vertel nu toch geen stukjes.”
-
-„Op mijn woord,” verklaarde de employé. „Gisteravond, na den eten,
-zaten we samen voor mijn kamer te praten, te onderhandelen. Hij had het
-eigenlijk op u gemunt, zeide hij, en raadde mij aan u de tweehonderd
-vijftig pop nooit terug te geven. Ik ging maar een beetje met hem mee,
-dat begrijpt u. Zoo tegen half tien presenteerde ik hem iets. Hij nam
-jenever met suiker en water. Ik heb de grogjes wat sterk laten maken,
-terwijl ik zelf een glas wijn bleef drinken. Om half twaalf gaf hij het
-op. Ik liet hem liggen en doorzocht zijn koffer tot ik mijn briefje
-vond. Toen heb ik hem met behulp van een der wakers in zijn bed
-gelaveerd, en ben van morgen vroeg vertrokken. Hier is het geld weerom,
-op tien gulden na die ik noodig had voor extra uitgaven. En een brief
-voor u van den dokter. Meneer van Everdingen is er slecht aan toe; ik
-ben gistermiddag even bij hem geweest.”
-
-Driftig scheurde Korman de enveloppe open. De dokter verzocht hem ten
-spoedigste in de stad te komen. Van Everdingen’s toestand was van dien
-aard, dat er weinig kans op herstel overbleef. Hij wenschte eenige
-beschikkingen te maken en had verlangd dat Korman daarbij tegenwoordig
-zou zijn.
-
-„Roep meneer Rencke,” gelastte Korman. „Hé, paard zadelen! Li, waar ben
-je? Van Everdingen gaat dood.”
-
-„Kassian!” zeide Li. „Ga je naar de stad pa?”
-
-„Ja; maak een rolletje kleeren voor me klaar. Het kan natuurlijk een
-paar dagen aanhouden; stuur dus een koffertje met goed morgen met den
-plajangan mee. Zoo, Rencke, heb je ’t al gehoord?”
-
-„Ja meneer. Die arme kerel!”
-
-„Ik moet weg; daar is niets aan te doen; je moet het zien te
-schipperen...”
-
-„Het zal wel lukken,” meende Rencke.
-
-In het logement, in de kamer die het verst van den grooten weg
-verwijderd was, lag de zieke. Het had hem aan oppassing en gezelschap
-niet ontbroken. Ieder mocht den stillen, beschaafden jonkman gaarne
-lijden, en nauwelijks had de dokter op de sociëteit verteld hoe het met
-hem stond, of hij werd bestormd met aanbiedingen om te waken,
-ziekenkost te laten koken—wat er maar noodig was. De dokter had daarvan
-gebruik gemaakt, zoodat van Everdingen geen oogenblik alleen lag. Doch
-ondanks alle goede zorgen was de patiënt bij den dag achteruit gegaan.
-
-Toen Korman het erf opreed zag hij den resident uit de kamer van den
-zieke komen en de onstuimigheid waarmee hij den neus snoot en zonder
-Korman te zien voorbij liep, deed dezen het ergste vreezen. In het
-galerijtje liep de notaris met nog een heer, beiden met strakke
-gezichten, en binnen was de dokter, geholpen door den houtvester, bezig
-voor de zooveelste maal een kunstbewerking toe te passen, die den armen
-patiënt toch niet hielp.
-
-„Schei maar uit dokter,” zeide van Everdingen mat. „Daar is Korman.”
-
-De geneesheer voldeed onmiddellijk aan het verzoek, als begreep hij
-zelf dat het een noodelooze kwelling was. Met een spons wiesch hij de
-bloedstipjes van de borst des lijders en borg zijn instrument op,
-terwijl hij Korman ruimte liet om het bed te naderen.
-
-„Je gaat ons toch niet verlaten?” vroeg Korman op dien quasi-luchtigen
-toon van iemand die met één blik gezien heeft dat het einde nabij is.
-
-„Ja,” zeide van Everdingen, de vraag opvattende zooals zij bedoeld was.
-„Ga zitten, hier bij mij. Ik wil mijn testament maken. Jij moet
-executeur zijn; wil je?”
-
-Korman knikte bevestigend, zich niet storend aan het tutoyeeren, dat
-van Everdingen hem voor dezen nooit gedaan had. Zonderling, de
-naderende dood scheen de rollen om te keeren; de ondergeschikte had op
-dit oogenblik zijn chef kunnen bevelen wat hij wilde, en deze zou het
-hebben opgevolgd zonder zich te bedenken.
-
-„Mijn moeder is erfgenaam,” ging van Everdingen voort; „maar zij moet
-geen last hebben van de zaak. Verkoop mijn aandeel en maak het haar
-over. Dat is alles wat beschreven moet worden. Maak het met den notaris
-in orde. Het voorlezen kan ik wel aanhooren, maar geen gepraat er
-over.”
-
-Het kostte eenige moeite den notaris te overreden de zaak aldus te
-behandelen. Hij vond het een onregelmatigheid, en zwichtte niet eer de
-dokter, die er bijgeroepen werd, verklaarde dat de patiënt geenerlei
-vermoeienis kon verdragen.
-
-Toen alles afgeloopen was wenkte van Everdingen Korman weder tot zich.
-
-„Zorg voor mijn huishoudster,” zeide hij. „Koop een huisje ergens, of
-wat je goeddunkt. Schrijf aan mijn neef te Utrecht dat hij het aan
-moeder meedeelt. Deze ring.... neem een stukje papier. Noteer nu:
-freule E. van Stolwijk, den Haag. Aan haar zenden en schrijven, maar
-voorzichtig.”
-
-„Ik beloof het je,” zeide Korman. „Maar nu moet je niet meer praten;
-het pakt je te veel aan.”
-
-Van Everdingen glimlachte. „Wat doet een uur langer of korter er toe!”
-
-Doch de vermoeidheid kreeg de overhand en hij sloot de oogen. Korman
-wenkte den dokter.
-
-„Zeg eens,” zeide hij toen zij buiten waren, „wat mankeert hij?”
-
-„De lever,” antwoordde de geneesheer. „Maar het is een zeldzaam geval.
-U is executeur niet waar?”
-
-„Ja,” zeide Korman. „Waarom?”
-
-„Hm.... in ’t belang der wetenschap.... ik kan nu alleen de uiterlijke
-symptomen beschrijven, maar het zou niet ondienstig zijn ook de
-inwendige....”
-
-„Houd maar op, dokter,” zeide Korman beslist. „Daar komt niets van in.
-Als de familie het ooit vernam.... neen, ik wil het niet hebben, en
-daarmee uit. Heusch, doe geen moeite. Ik vind het daarenboven weinig
-verkwikkelijk om over zoo iets te praten als iemand nog leeft.”
-
-De dokter haalde de schouders op over deze leekenkoppigheid.
-
-„Blijft u bij hem tot het is afgeloopen?” vroeg hij.
-
-„Ja,” zeide Korman.
-
-Van Everdingen overleed tegen den morgen.
-
-Zoodra Korman de noodige beschikkingen had gemaakt voor de begrafenis,
-die ’s middags zou plaats hebben, zette hij zich tot schrijven. Eerst
-de brieven die de overledene hem had opgedragen en toen aan Benoit. De
-laatste was de uitvoerigste.
-
-„Meneer Korman!”
-
-De aangesprokene zag op. In de deur van zijn kamer stond een korte
-gedrongen figuur. Een bijna kale schedel, donkere oogen, eenigszins
-gebogen neus, zware donkerblonde snor, sprekende trekken.... ziedaar
-wat men ongeveer mocht opnoemen als men Bedouin Starke wilde
-beschrijven. Toch, een nauwkeurig signalement van hem te geven behoorde
-tot de onmogelijkheden. De bijnaam „kameleon”, die een vriend hem had
-trachten te bezorgen, was door alle anderen die hem kenden, bij
-acclamatie verworpen als te weinig zeggend. Want had genoemd diertje
-tien, vijftien minuten noodig om van kleur te verwisselen, Bedouin
-Starke veranderde zijn geheele voorkomen in minder dan een seconde.
-Talrijk waren de verhalen die over deze eigenschap van hem de ronde
-deden. Onverstoorbaar van humeur, geestig en knap, was hij overal een
-welkome verschijning. Zooals men zeide had hij maar één lastige
-karakterfout, en wel dat hij niet velen kon dat men hem te veel op de
-vingers zag. Daardoor had hij in het begin van zijn indische carrière
-zoowat elk half jaar een andere betrekking, tot hij eindelijk op een
-koffieonderneming was terechtgekomen aan de van Watoeombo afgewende
-zijde van ’t gebergte. Hier hield hij het zes jaar uit, een feit dat
-zijn oplossing vond in het gestadig naar Europa heen en weertrekken van
-den administrateur-eigenaar. Deze kwam af en toe terug; doch voor dat
-hij nog goed gelegenheid had om met zijn ondergeschikte standjes te
-krijgen, was hij al weder vertrokken, waarop dan Bedouin Starke gewoon
-was in de stad te komen en het weggaan van zijn chef met een „gloeiende
-fuif” te vieren.
-
-Nu stond hij met een vriendelijk gezicht Korman toe te knikken.
-
-„Zoo, Starke!” riep deze uit. „Is de baas alweer weg? Kom je hem
-uitluiden?”
-
-„Neen,” was het antwoord. „Ditmaal ben ik weg. Apropos, die arme van
-Everdingen! Dikwijls ontmoet, dikke vrienden geworden. Ik kwam eens
-naar hem kijken, maar te laat. En nu moeten we hem begraven.... kan ik
-wat voor u doen? Niet? Enfin, ik zal een roerende speech op zijn graf
-houden.”
-
-Bij de laatste woorden had zijn gelaat een zoo wanhopig droevige
-uitdrukking aangenomen, dat Korman het uitproestte.
-
-„Hoor eens,” zeide Korman zich herstellende, „je haalt geen gekheid
-uit.”
-
-„Ik zou niet durven,” zeide Bedouin Starke. „Waar de opgesperde kaken
-des doods ons tegengrijnzen, en dichtsnappend een vriend van onze
-zijde....”
-
-„Ben je bedonderd!” viel hem Korman in de rede, bleek wordende, meer
-van de mimiek, dan van den onzin dien de ander uitsloeg. „Je zoudt
-iemand van zijn stuk brengen! Vertel liever eens wat je in de stad komt
-doen.”
-
-„Rentenieren.”
-
-„Watblief?”
-
-„Zooals ik zeide. De baas is van plan voorgoed te blijven. Hij kan de
-Parijsche lucht niet meer verdragen. En wat nu? Eén is voldoende om aan
-’t hoofd te staan van een land. Zijn er twee dan wordt de ander
-natuurlijk een loop in ’t lijntje, en daar bedankten we allebei voor.
-Toen zijn we mekaar aan het opdringen gegaan, et me voilà!”
-
-„Dus zoek je een betrekking?”
-
-„Wou u mij er een aanbieden? ’t Is waar, met van Everdingen komt er een
-vacature.”
-
-„Juist,” zeide Korman. „Ik kom zelfs twee lui te kort. Maar voor de
-eene plaats heb ik al een zekere de Leeuw.”
-
-„Een sinjo”, merkte Bedouin Starke op.
-
-„Wat doet het er toe; hij moet goed zijn,” meende Korman. „Welnu, wil
-je?”
-
-„Ik geef daar geen antwoord op zoolang van Everdingen nog onbegraven
-ligt,” zeide Bedouin Starke. „Weet u wat... ’t is vandaag Dinsdag; als
-ik Zaterdagavond boven kom dan doe ik het. Ik moet eerst wat
-uitwaaien.”
-
-„Afgesproken,” zeide Korman.
-
-Bedouin Starke was een man van zijn woord. Op het graf van van
-Everdingen hield hij een aanspraak, die de meeste aanwezigen—en velen
-waren opgekomen—tot tranen roerde, en inzonderheid Korman een lijkkleur
-op het gelaat joeg; zoodat de algemeene opinie, zich uitende dien avond
-op de sociëteit bij monde van den aspirant-controleur, was, dat Starke
-bij al zijn grappen toch au fond ’n ernstige kerel, en Korman een
-patent chef mocht genoemd worden.
-
-De omstandigheden noopten Korman nog denzelfden avond terug te gaan
-naar Watoeombo. Wel zou de nacht vallen eer hij zijn onderneming
-bereikte, doch het was lichte maan en wilde dieren waren in die streek
-zoo goed als onbekend.
-
-In de américaine zat hij te soezen. Het scheen alsof er na de drukte en
-de spanning van de laatste twee dagen een reactie bij hem was
-ingetreden, zich oplossende in een hoogst onaangenaam gevoel van
-zenuwachtigheid, dat hij ten deele toeschreef aan het „geklets van dien
-vent”, waarmee hij bedoelde de door Bedouin Starke gesproken woorden.
-Langzamerhand kwam het beeld van den gestorvene hem weer voor oogen,
-niet zooals hij daar ziek gelegen had, doch in zijn werk, op zijn paard
-door de tuinen rijdende, evenals op dien dag toen hij hem ontmoette bij
-den zijweg naar Marialand, nadat hij... Korman bleef eenigen tijd
-verwijlen bij hetgeen aan die ontmoeting was voorafgegaan, en de
-conclusie die hij niet durfde trekken, dat het gisteren afgespeelde een
-gevolg was van het toen gebeurde, bezorgde hem een gevoel als van een
-knellenden band ter hoogte van zijn maag, die zijn longen opwaarts
-drukte en hem belette adem te halen.
-
-Gelukkig, daar was Wonosarie, en het rijpaard dat hem wachtte. Hij
-onderhield zich slechts een oogenblik met den wedhono, en zette zijn
-paard dadelijk bij het afrijden in een flinken draf, dien hij volhield
-tot het terrein begon te stijgen en de weg een vluggen gang moeielijk
-maakte.
-
-Hooger in het gebergte gekomen, bemerkte hij dat zich eenige wolken om
-den top samentrokken; een onwelkom iets, daar hij zich ten eerste bij
-het incompleet van europeanen bezorgd maakte voor de op de droogbakken
-uitgespreide koffie—inlanders zijn zoo nonchalant!—en ten tweede zou op
-het oogenblik een regenbui minder aangenaam zijn. Reeds nu deed de kou
-hem rillen in zijn van het transpireeren vochtige kleeren.
-
-De weg slingerde zich om een uitlooper van den berg heen en liep toen
-steeds klimmend, weer de ravijnholte in. Aan het einde was een vrij
-scherpe bocht, zoodat Korman, die een tijdlang voortgereden was met
-zijn rug naar den kant der benedenlanden, bij het omslaan daarvan
-plotseling weer met het gezicht naar de vlakte gewend kwam. Doch die
-zag hij niet meer. Behalve dat het donker werd, kwam een laaghangende
-wolk aandrijven, hem recht te gemoet. Toen het gevaarte van waterdamp
-het ravijn bereikte scheen het zich saâm te trekken, als om zoolang
-mogelijk de botsing met de aarde te vermijden, tot de voorkant
-eindelijk een scherpen steven van een voortzeilend schip geleek.
-
-Wat was het, dat Korman op eens de gedachte ingaf dat die wolk op hem
-af kwam? Het gevoel dat hem verlaten had bij het uitstappen van de
-américaine bekroop hem weer, doch nu sterker. Met wijdgeopende oogen
-zag hij naar het majestueuse monster, dat steeds donkerder, dreigender
-tint aannam. Een drukkende windstilte ontstond en toen een hel licht...
-het paard schrok en wierp hem af...
-
-„Heere Jezus, vergeef het mij!” stamelde Korman ter aarde stortend. En
-het klonk als een vloek.
-
-De laatste wolk schoof voorbij de maan en het bleeke licht deed den
-gevallene uit zijn bezwijming ontwaken. Langzaam, als op den tast,
-stond hij op, eerst een riem voelende aan zijn linkerarm, toen
-bemerkende dat het de teugel was van het paard, daarna het paard zelf
-ziende dat door een toeval aldus belet was geworden zich te
-verwijderen. Voorzichtig steeg hij op en reed verder. Het hinderde hem
-niet dat hij doornat was; niets hinderde hem op het oogenblik; zijn
-gedachten stonden stil tot hij thuis was, en daar, in het volle licht
-van de lamp, die Li bij zijn nadering had opgestoken, kwam hij weer tot
-zich zelven.
-
-„Bah!” mompelde hij, en ging naar de slaapkamer om zich te verkleeden.
-
-Zaterdagavond kwam, en ook Bedouin Starke. Terwijl zijn huishoudster en
-een dochtertje zich met de bedienden onmiddellijk naar Sabrang begaven,
-bleef hij op Korman’s verzoek te Watoeombo eten. Den volgenden morgen
-werd hij geïnstalleerd in de betrekking, die van Everdingen zoolang
-bekleed had.
-
-Van zijn tegenwoordigheid op Sabrang maakte Korman gebruik om Biezeman
-te vragen naar Minah, en vernam tot zijn groote vreugde dat deze reeds
-vertrokken was, naar haar moeder. Hij besloot daarop den last van van
-Everdingen niet letterlijk uit te voeren, doch zond aan Biezeman
-tweehonderd gulden, om die als erfdeel van haar gestorven heer aan
-Minah over te maken.
-
-Een paar dagen na Bedouin Starke arriveerde ook de Leeuw, die de door
-Lamers verlaten plaats innam.
-
-Het malen was nu geheel afgeloopen en de laatste koffie lag op de
-bakken, terwijl in de stamploods dagelijks het vroolijk gebabbel der
-sorteerende vrouwen weerklonk. Stamploods was het eigenlijk slechts bij
-wijze van spreken, want in de plaats der vroegere primitieve mandjes,
-werd nu het werk verricht door een pelmolen, die zijn drijfkracht
-eveneens aan het waterwiel ontleende.
-
-Het was in die dagen dat op een vooravond Rencke de
-administrateurswoning binnentrad. Dit was op zich zelf niets
-buitengewoons, maar er was in de uitdrukking van zijn gezicht iets, dat
-Korman trof, en hem vragen deed of de binnenkomende wat bijzonders had.
-
-„Ja,” zeide Rencke, plaatsnemende. „Ik heb in de laatste tijden veel
-nagedacht over mijn positie hier, en ik moet erkennen dat die heel mooi
-is. Een hoog tractement, goede behandeling, aangenaam werk... men zou
-haast vragen: wat wil je meer? Voor ’t oogenblik niets. Maar in de
-toekomst... ik kan natuurlijk niet altijd in tractement vooruit blijven
-gaan... en ook... Ik zou u wel willen vragen wat eigenlijk het
-vooruitzicht is dat u mij kunt openen, gesteld dat ik nog jarenlang
-hier bleef.”
-
-„Wel,” antwoordde Korman; „administrateur worden als ik er vandoor ga.”
-
-„Wanneer denkt u dat te doen?”
-
-„Als het land vrij is.”
-
-„Wanneer, meent u, zal dat gebeuren?”
-
-„Wie kan dat zeggen!” riep Korman uit.
-
-„Juist, wie kan dat zeggen,” herhaalde Rencke. „Zoo heb ik er ook over
-gedacht. En daarbij, dat er misschien wel iets op te vinden was voor
-mij, om vóór dien tijd in eigen verdiensten te komen. Mag ik vragen:
-wordt het aandeel van Everdingen verkocht?”
-
-„Ja... dat is te zeggen, hij wilde het zoo,” zeide Korman. „Er is nu
-naar zijn familie geschreven, of die het goedvindt. We krijgen
-telegrafisch antwoord.”
-
-„Zoo,” zeide Rencke nadenkend. „Dus zou ik door mijn familie een bod
-kunnen laten doen aan de zijne.”
-
-„Ben je heelemaal....?” vroeg Korman.
-
-„Hoe zoo?”
-
-„Wel, laat den boel kalm op vendutie komen. Niemand die er wat voor
-biedt als hij niet tevens een betrekking er bij kan krijgen.”
-
-„Daar is veel van aan,” vond Rencke.
-
-„Je begrijpt,” zeide Korman, „dat ik zelf ook opbied, al was het alleen
-voor mijn fatsoen als executeur; maar in geen geval ga ik hooger dan de
-som die hij er ingestoken heeft.”
-
-„Dank u voor de inlichting,” zeide Rencke. „U houdt mij dus op de
-hoogte?”
-
-„Zeker,” beloofde Korman, doch hij wierp Rencke, toen deze wegging, een
-allerzonderlingsten blik achterna.
-
-De tijd verstreek, en eindelijk brak de dag aan waarop Li afscheid
-moest nemen van haar kinderen.
-
-Korman had haar verzocht geen huilpartij te beginnen met het oog op
-njotje’s lastig karakter en mogelijk verzet, als hij bemerkte dat het
-een werkelijke scheiding was van zijn moeder, die hij nog nooit
-verlaten had. Li hield zich dapper en zette de kinderen zelf in de
-tandoe, na ieder een kus gegeven te hebben.
-
-„Mama toeroet!” [117] riep de kleine Gerard.
-
-„Mama loopt achteraan,” zeide Li, den dragers een wenk gevende. En
-langzaam rees de tandoe van den grond, terwijl Korman opsteeg.
-
-Zoolang zij kon zag de arme Li haar kinderen na; en toen de stoet aan
-den overkant van de kalie achter de boomen verdwenen was, ging zij naar
-achter, om op haar bed stil te gaan liggen uitschreien. In haar leed
-had zij slechts één troost, namelijk dat zij voor de derde maal moeder
-zou worden. Aan Korman had zij hiervan nog niets gezegd; het was nog te
-vroeg, meende zij.
-
-Toen de zijweg naar Marialand bereikt was, scheidde Korman zich van de
-tandoe af, de koelies toeroepende om vlijtig voort te loopen en dat hij
-hen wel zou inhalen.
-
-In vluggen draf bereikte hij weldra het woonhuis.
-
-„Ik kom je nog even goedendag kussen,” zeide hij tot Caroline, de daad
-bij het woord voegende.
-
-„Dus zijn de kinderen op weg?” vroeg Caroline. „Kassian; was de moeder
-niet erg naar?”
-
-„Och neen,” zeide Korman. „Ik geloof niet dat zulke menschen zooveel
-gevoel hebben als wij. Heb je al antwoord van je oom?”
-
-„Ja,” antwoordde zij. „Vandaag over acht dagen gaan wij. Ben je vóór
-dien tijd terug?”
-
-„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Het hangt van Benoit af. Maar anders
-zie ik je te Soerabaja. Dat zou wèl zoo gezellig zijn.”
-
-Doch Caroline schudde het hoofd. „Neen,” zeide zij; „dat mag niet.”
-
-Toen hij wegreed, de kinderen achterna, vond hij dat Caroline erg
-koppig was. Wat kwam het er op aan! Te Soerabaja wist immers niemand
-hoe de verhoudingen op zoo’n koffieland waren, en zou niemand zich de
-tanden stooten aan hun engagement, al wist men dat Li nog bij hem in
-huis was. Soedah, als zij eenmaal getrouwd waren zou zij spoedig leeren
-zich naar zijn wil te schikken. En met deze illusie, die zooveel mannen
-koesteren vóór hun huwelijk, was hij voorloopig tevreden.
-
-De reis van Korman naar Soerabaja was onverwacht opgekomen. Benoit had
-verlangd hem te spreken over de regeling van het aandeel van
-Everdingen, nadat er uit Europa bericht was ontvangen dat diens familie
-met de beschikking van den overledene genoegen nam. Hij had echter zijn
-vertrek eenige dagen uitgesteld om gezamenlijk met den ingenieur en
-zijn kinderen te kunnen reizen.
-
-Nu het hem ontzegd was met Caroline te Soerabaja te mogen vrijen, wilde
-hij voor haar vertrek terug zijn en haastte zich derhalve zooveel
-mogelijk. Toen hij weer op den terugweg was vond hij dat de tocht
-eigenlijk overbodig was geweest. Wat de oude heer met hem besproken
-had, was evengoed te schrijven geweest. Benoit wilde van Everdingen’s
-aandeel zelf koopen, doch daar hij de geldschieter was en hij op dat
-aandeel een aanzienlijk bedrag had ingebracht, wilde hij in deze niet
-persoonlijk ageeren, en droeg Korman op door een strooman te laten
-bieden.
-
-„Want, zie je,” zeide hij, „dan kan ik met mijn pretentie fatsoenlijker
-voor den dag komen.”
-
-In de nieuwsbladen werd geadverteerd dat op dien en dien dag, ten
-overstaan van den notaris enz. enz. zou worden verkocht de onderneming
-Sabrang....
-
-Rencke was zeer teleurgesteld toen hij de tijding vernam.
-
-„Ik wil u niet overhaasten,” zeide hij den dag na Korman’s terugkomst,
-„maar van nu af zal ik omzien naar een gelegenheid om zelf te beginnen,
-dan wel mij ergens in te koopen.”
-
-„Dat moet jij weten,” zeide Korman.
-
-„Tenzij,” vervolgde Rencke, „dat ik hooger kan bieden dan meneer
-Benoit.”
-
-„Dat zou hij je niet goed afnemen,” waarschuwde Korman; „en in allen
-gevalle zou je van hem geen kapitaal krijgen.”
-
-„Ik zal er niet om vragen,” zeide Rencke. „Hoewel ik niet begrijp hoe
-hij het zou kunnen nalaten. U laat uw helft in Sabrang toch niet
-schieten?”
-
-„Natuurlijk niet.”
-
-„Dus moeten we tot een accoord komen, of ik koop heel Sabrang, òf ik
-jaag het zoo hoog op als het waard is.”
-
-„Ik zal er over nadenken,” zeide Korman. Nog dienzelfden avond schreef
-hij aan Benoit over Rencke’s voornemen.
-
-Per keerende post kwam een uitvoerig antwoord, waaruit Korman kon
-opmaken wat hij te doen had. Kon opmaken—want de brief was zoo
-zorgvuldig gesteld dat er feitelijk niets in stond, en toch weer alles.
-Het eerste gevolg er van was dat de administrateur meer dan gewoonlijk
-op het werk kwam en Rencke allerlei aanmerkingen maakte. Hij had er nu
-trouwens den tijd voor. Het vertrek der dames van Os, dat in alle
-stilte had plaats gehad, maakte een eind aan de uitstapjes naar
-Marialand; de administratie was geheel in handen van Brisson, die dat
-netjes en goed deed, en ten slotte vond Korman dat hij vroeger veel te
-weinig op het werk kwam als voor een chef stond.
-
-Ook op Sabrang werd hij dikwijls gezien. Toen hij daar voor de eerste
-maal kwam, reed Bedouin Starke juist uit en het was Korman onmogelijk
-hem in te halen, daar hij zijn paard niet durfde laten doen wat de
-ander van zijn rijdier eischte. Het was een trotsch gezicht om Starke
-te zien rijden. Bergop stapte hij, zijn paard steunende door zich aan
-de manen vast te klemmen, maar afwaarts ging het steeds in draf. Dan
-vrijwaarde hij het paard tegen het nadeelig schokken in de borst door
-het de achterhand sterk onder te laten brengen, bij een fiere elevatie
-van den nek, en sierlijk bijgebracht hoofd. Dan overwon de manegekunst
-de grootste moeielijkheden van het terrein, hetzij een steile helling
-of boomstammen dwars over den weg of een stuk waterleiding, waarover
-nog geen brug was. Het was zóó mooi, dat Korman, toen hij na
-herhaaldelijk te zijn afgestegen, eindelijk den tuin bereikte waar de
-opzichter halt gehouden had, niet kon nalaten hem er over te prijzen.
-
-„Een paard heeft vier beenen,” beweerde Bedouin Starke, „en kan dus
-naar rato tweemaal zooveel als een mensch.”
-
-Den tweeden keer vond Korman den ander midden in den werktijd thuis, en
-de derde maal ook, en toen verklaarde Starke zelfs dat hij geen tijd
-had mee te gaan naar de tuinen.
-
-„Het zal toch dienen,” meende Korman, „als ik het werk kom
-inspecteeren.”
-
-„Pardon,” zeide Bedouin Starke. „Vergun me hierin met u van opinie te
-verschillen. De quaestie is enkel of er aanmerkingen te maken zijn: zoo
-ja, dan behoorde ik er bij te zijn om die te ontvangen, zooneen, dan
-kunt u best alleen constateeren dat de boel in orde is.”
-
-„Wou je dan beweren,” zeide Korman, „dat er op je werk geen enkele
-aanmerking is?”
-
-„Zooals u zegt. Natuurlijk op dát werk dat afgeleverd en ingeboekt
-staat.”
-
-„Goed!” zeide Korman. „Ik ga—maar als ik iets vind, dan zal ik het je
-dubbel aanrekenen.” En terwijl Starke bedaard met zijn schrijfwerk
-voortging, inspecteerde zijn chef het werk.
-
-Doch hoe Korman ook rondzag, hij kon geen fout vinden die tot een
-gegronde opmerking stof leverde.
-
-„Je boft vandaag,” zeide hij terugkomende. „Maar ik twijfel er aan of
-het op den duur goed zal blijven gaan, als je onder werktijd thuis
-zit.”
-
-„Laat ik u eerst eens een bittertje inschenken,” zeide Starke; „dat
-praat pleizieriger. En nu zal ik zoo vrij zijn de zooeven door u
-gebruikte uitdrukking te wraken. Ik bof namelijk volstrekt niet; het is
-eenvoudig het resultaat van mijn werkwijze.”
-
-„Dat moet je mij eens uitleggen.”
-
-„Gaarne. Ik ga van het standpunt uit dat een inlander ook een mensch
-is....”
-
-„Hm,” bromde Korman er tusschen.
-
-„.... en als zoodanig zich voortdurend ergert als men hem den geheelen
-dag op de vingers ziet. Daartegenover staat dat hij in zijn werk moet
-worden nagegaan, of anders knoeit en luiert hij. Sta je er nu den
-heelen dag bij, dan profiteert hij van elk oogenblik dat je je rug
-omdraait.”
-
-„Juist,” zeide Korman; „en als je er niet bent, dan profiteert hij
-dubbel.”
-
-„Behalve,” zeide Bedouin Starke, „als hij elk oogenblik denken kan:
-daar komt meneer! en altijd onverwacht, nu uit het Noorden, dan uit het
-Zuiden, steeds zóó dat ik er bij ben als ik verkeerde dingen doe. Me
-dunkt, als die angst er behoorlijk in zit, dan kan men gerust zijn.”
-
-„Dat is toe te geven,” zeide Korman. „Hoewel, een javaan is slim, en
-heel gauw weet hij op welke tijden je bijvoorbeeld nooit komt, en dat,
-als je naar huis gaat, hij je in ’t eerste uur althans niet weer terug
-ziet.”
-
-„Ja,” antwoordde Bedouin Starke. „’t Is daarom ook een heele studie om
-te zorgen dat zij nooit den draad van je komen en gaan in handen
-krijgen. Op het oogenblik bijvoorbeeld, weten zij dat u hier is, en
-gevoelen zich daardoor vrij veilig, denkende dat ik niet komen zal.
-Welnu”—en hiermede stond Starke op en wenkte iemand om den hoek van
-zijn huis—„dat hebben zij mis.”
-
-Een staljongen verscheen, het paard, dat klaarblijkelijk te voren
-gereed was gehouden, vóór brengende.
-
-„Tot straks,” zeide Starke opstijgende. „Kijkt u intusschen de
-illustraties eens in—daar op het knaapje—ik ben zóó terug.” En weg was
-hij, Korman geheel verbluft achterlatende.
-
-„Ik zou hem op staanden voet ontslagen hebben,” verklaarde van Os, toen
-Korman hem het verhaal van het bovenstaande deed. „Aan den anderen kant
-zou ik geen aanmerkingen hebben gemaakt op zijn thuiszijn, als zijn
-werk—zooals je zelf zegt—het beste was van ’t heele land. In zooverre
-heeft hij gelijk.”
-
-Intusschen verminderde Korman zijn tournées naar Sabrang, om des te
-meer Rencke lastig te vallen. Deze, in het bewustzijn van altijd naar
-beste krachten zijn plicht te hebben gedaan, en meer dan dat, werd
-kregelig, maar zweeg, tot hij op zekeren dag dat Korman het al te bont
-maakte en hem zelfs aanvloekte, plotseling zijn ontslag vroeg.
-
-Van het oogenblik af dat dit woord uitgesproken was, veranderde
-Korman’s houding ten eenenmale. Hij werd weer vriendelijk als vroeger,
-en eindelijk drong hij bij Rencke aan dat deze op zijn aanvraag terug
-zou komen. Doch Rencke weigerde beslist, verklarende alleen te willen
-onderhandelen over het aandeel van Everdingen. Dit wilde Korman niet,
-en het einde was dat Rencke Watoeombo verliet, zijn huishoudster naar
-haar dessa zendende, tot nader order, en zelf in de stad zijn intrek
-nemende bij den houtvester, met wien hij zeer bevriend was, om af te
-wachten tot de dag der vendutie dezen strijd zou beslissen.
-
-Eenige dagen voor dien gewichtigen dag bevatten de nieuwsbladen echter
-een advertentie, dat de aangekondigde vendutie van Sabrang was
-uitgesteld tot den 23en December. Het was toen de 10e November, en
-Rencke, zijn gastheer niet zoolang tot last willende zijn, nam een hem
-aangeboden betrekking aan op de onderneming waar vroeger Bedouin Starke
-gewerkt had. Hij had den administrateur vooraf gewaarschuwd dat zijn
-plan was een bod te doen naar Sabrang, en deze nam daarmee genoegen,
-niet twijfelende of Korman zou dat stuk zijner onderneming zelf willen
-behouden, en boven elk bod van Rencke een hooger doen.
-
-Doch geen van beiden hadden zij gerekend op de duivelsche sluwheid van
-dien man, noch op de macht van Benoit’s geld.
-
-„Rectificatie. In ons nummer van 8 November j.l. kwam een annonce voor
-over de aangekondigde veiling van het koffieperceel Sabrang, deel
-uitmakende enz. enz. Daarin is een fout ingeslopen. Er stond nl. 23
-December; dit moest zijn 23 November. Onze lezers vinden hierachter de
-verbeterde annonce.”
-
-Zoo luidde het berichtje dat Rencke’s chef ’s avonds na aankomst van
-den plajangan, uit zijn luierstoel deed opspringen.
-
-„Ze hebben je te pakken gehad!” was de uitroep waarmee hij bij Rencke
-kwam binnenstormen.
-
-Het was de 23e November!
-
-Rencke’s spijt en verontwaardiging kenden geen grenzen. Hij vroeg
-verlof om naar de stad te mogen gaan, teneinde Korman over zijn bedrog
-te onderhouden, wat de chef hem gaarne toestond, mede walgend van
-zooveel knoeierij.
-
-Maar Rencke vond niet wien hij zocht. In het logement wist men hem te
-vertellen, dat Korman dien morgen met een reiswagen naar Soerabaja
-vertrokken was. Bij den notaris vernam hij dat het perceel gekocht was
-voor twee en twintig duizend gulden door Menier de Brisson.
-Waarschijnlijk een strooman, meende de notaris; hij had tegen Korman
-opgeboden; anders was er niemand geweest.
-
-Met dezen troost kon Rencke naar huis gaan, wat hij deed.
-
-„Zoolang ik nog hier ben,” zeide zijn chef, „wil ik geen compagnon
-hebben; maar over twee jaar ga ik voorgoed naar Europa. Als je dan de
-helft van de onderneming van mij wilt overnemen, heb ik er niets op
-tegen; anders verkoop ik haar geheel.”
-
-„Als u hierover een notarieel contract met mij maakt, neem ik uw aanbod
-aan,” antwoordde Rencke, en na lang praten werden zij het eens.
-
-Brisson was na zijn heldenstuk verricht te hebben naar Watoeombo
-teruggereden. Van Korman had hij een boodschap meegekregen aan de
-andere employés, die hij echter eerst mocht overbrengen zoodra Messner
-op de onderneming zou geweest zijn en aldaar verricht hebben wat Korman
-hem opdroeg in een brief, dien Brisson hem moest toezenden.
-
-Zoo luidde zijn instructie.
-
-Messner kwam uit de tuinen thuis in een niet zeer opgewekte stemming.
-De laatste berichten in de couranten uit Midden-Java vertelden van een
-ziekte, die daar in den koffie-aanplant heerschte; een bladziekte, die
-het sterven van verscheiden boomen ten gevolge had. En op zijn rondgang
-heden had hij ook op Donowarie de oranjekleurige vlekken gezien, die
-van deze ziekte het kenmerk heetten. Wel meende hij die meer, ja altijd
-aan zijn boomen te hebben bespeurd, maar toch maakte hij zich ongerust
-en besloot eens naar Korman en van Os te gaan en met hen de zaak te
-bespreken.
-
-Op tafel in de voorgaanderij lag de brief van Korman. Hij stak dien in
-zijn zak; onderweg zou hij hem op zijn gemak lezen. In haast trok hij
-andere schoenen aan en steeg toen op. Reeds had hij de eerste tuinen
-van Watoeombo achter zich, toen hij zich den brief herinnerde, die nog
-ongeopend in zijn borstzak zat. Misschien was het ook wel over de
-koffiebladziekte!
-
-„Waarde Messner! Het spijt mij dat ik u niet heb kunnen spreken over de
-zaak die in deze regelen behandeld wordt. Een belofte bond mij. Later,
-als ik terug ben uit Batavia, waarheen ik afreis als ge dezen ontvangt,
-zal ik u alles uitleggen. Sedert eenige weken ben ik geëngageerd met
-mej. C. van Os en straks met haar gehuwd. De omstandigheid dat ik bij
-Li kinderen heb, deed haar eischen dat ons huwelijk niet hier, maar te
-Buitenzorg zou worden gesloten, waar haar oom thans woont. En eer Li
-uit mijn huis was, mocht niemand van ons engagement weten. Ge begrijpt
-dat het voor mij een lastige zaak was. Wil Li op de hoogte brengen. Ge
-kunt voor haar een huisje huren in de stad en maandelijks honderd
-gulden van mij ontvangen voor haar onderhoud, zoolang als zij niet
-trouwt of bij een ander gaat. Doe mij het genoegen een en ander ten
-spoedigste te regelen.
-
-Van onze komst, die naar ik verwacht niet later dan vandaag over een
-maand zal plaats vinden, zal ik je telegrafisch bericht zenden.
-
-
- Geloof mij
-
- t. à. v.
-
- W. Korman.
-
-
-„Begrijpen! Of ik hem begrijp!” riep Messner uit. „Hij blijft in zijn
-rol tegenover dat arme kind. Op ’n smerige wijs is hij aan haar
-gekomen, even vuil laat hij haar glippen nu hij haar niet meer noodig
-heeft. Een huisje in de stad! Zeker om haar nu en dan... Neen vriend,
-daar zal ik voor zorgen. Dáárom moesten de kinderen dus weg! Een
-beroerde karrewei intusschen... enfin, dan maar dadelijk.”
-
-Bij de administrateurswoning stond het vol meubelen. Van den zonnigen
-dag en Korman’s afwezigheid had Li gebruik gemaakt om alles eens een
-flinke beurt te geven. Binnenshuis waren koelies aan het witten, en
-daarbuiten appliceerden de bedienden op tafels en stoelen dat
-strijkvernis, dat men in Indië algemeen „politoer” noemt. Li zelf
-dwaalde van den een naar den ander, druk en gelukkig in het
-vooruitzicht van het pluimpje dat zij zeker was te zullen verdienen.
-
-Voor den naderenden Messner was deze trouwe zorg een onpleizierig
-gezicht. Ten eerste om het contrast met Korman’s cynisch handelen, en
-voorts omdat het in die herrie heel moeilijk was Li te boodschappen dat
-zij door Korman weggezonden werd.
-
-Blij hem te zien, en tevens verlegen omdat zij hem geen geschikt plekje
-kon aanbieden, begroette Li haar pleegvader.
-
-„In het kantoor is alles nog in orde, papa,” zeide zij. „Meneer Brisson
-zit er te werken.”
-
-„Ik heb er op het oogenblik niet noodig,” zeide Messner aarzelend. „Ben
-je van middag klaar?”
-
-„O ja,” verzekerde Li. „Ik heb niet meer uitgehaald dan in één dag af
-kan. Morgen komt de slaapkamer aan de beurt en het kantoor, en
-overmorgen de bijgebouwen; als het ten minste niet regent.”
-
-„Goed. Maak dat je tegen vier uur alles in orde hebt. Ik ga nu naar
-Marialand en blijf vannacht bij jou logeeren.”
-
-„Heerlijk!” juichte Li. „Ik zal voor vanavond wat lekkers klaarmaken.
-Maar...” vervolgde zij hem ernstig aanziende, „heeft papa soesah? Is
-Zus niet wel?”
-
-„Zou ik dan hier zijn?” vroeg hij terug. „Nou kind... misschien vertel
-ik het je vanavond wel. Dag!”
-
-Met hartelijkheid werd Messner op Marialand ontvangen. Van Os apart
-nemende, ondervroeg hij hem over het engagement van Korman, en eindigde
-met hem den pas ontvangen brief te laten zien.
-
-„Hm,” zeide van Os, „voor heel moedig heb ik hem nooit aangezien, doch
-ik vind dat hij dit zaakje zelf had behooren te doen. En wat de rest
-aangaat, heb ik hen maar zoo’n beetje laten scharrelen. Ik bemoei mij
-niet graag met zoo iets; pas mettre le doigt, en zoo voort.”
-
-„Neen, je hebt gelijk,” zeide Messner. „Soedah, ’t is gebeurd, maar
-mijn gezicht zullen ze op Watoeombo niet gauw meer zien. Dan heb ik nog
-wat; je hebt zeker al van de koffiebladziekte gelezen.”
-
-„Stapels!” verklaarde van Os. „Ik ben maar weer op mijn gewone manier
-te werk gegaan en heb aan alle lui op Midden-Java geschreven om
-inlichtingen. Na den eten zal ik je den rommel laten zien.”
-
-Aan tafel wijdde mevrouw van Os uit over de gezelligheid die de komst
-van Caroline op Watoeombo voor haar zou aanbrengen; hoe jammer het was
-dat van Everdingen dood en Rencke weg was; dit waren nu juist twee
-heeren die het goede voorbeeld dat de chef gaf, konden volgen; het zou
-toch veel beter zijn als de jongelui minder in concubinaat leefden,
-iets dat op een in volle exploitatie zijnde onderneming niets tegen
-had; de hardships van het openen—nu, dat was voor de meeste dames geen
-doen.
-
-„Als u zóó spreekt,” zeide Messner; „dan durf ik Zus niet meer hier te
-brengen.”
-
-„Zus is mij altijd welkom,” zeide mevrouw van Os. „Ik doelde ook niet
-op u; de tijden waren, toen u begon, verschillend met thans, en ik kan
-mij voorstellen dat u niet meer verandert. Voor mijn gevoel is Zus
-evengoed aan u verbonden, en misschien met hechter band, dan menige
-gehuwde vrouw.”
-
-Na tafel gingen de heeren naar het kantoor.
-
-„Hier heb je een en ander,” zeide van Os. „Ik heb ze gesorteerd. Dit
-dikke pak bestaat uit raadgevingen van lui die verklaren dat het niets
-geholpen heeft wat zij zelf gedaan hebben, of denken te doen. Diep
-patjollen, goten tusschen de boomen, proefstations, en zoo voort. Dit
-dunne bundeltje is van dezulken die vooruitgang meenen te bespeuren;
-het komt echter vrijwel op dezelfde soep neer. Eindelijk deze ééne, die
-zegt dat zijn manier geholpen heeft.”
-
-„Daar zou ik het meest vertrouwen in stellen,” vond Messner.
-
-„Ik ook; alleen zijn middel is wat zonderling. Hij beweert dat het
-kapellen zijn die ’t hem doen, en laat die vangen.”
-
-„Geen kleinigheid!”
-
-„Hij schrijft dat hij in ’t begin vijftig man over zijn tuinen verdeeld
-had,” zeide van Os, „doch later waren zes man voldoende.”
-
-„Dat valt me mee,” zeide Messner. „Wat denk jij te doen?”
-
-„Afwachten, en als het hier komt, en de geleerden zijn het er nog niet
-over eens, dán het voorbeeld van onzen kapelvanger volgen. Maar wat
-leelijker is,” ging van Os voort, „dat de prijzen zoo omlaag gaan. Het
-scheelt allicht een paar jaar eer je land vrij is.”
-
-„Ja,” stemde Messner toe. „Als ze zoo voortgaan, dan is een koffieland
-niet langer een rijkworder. Voor mij is dat niets, ik zou in Europa
-niet meer aarden, maar voor jelui is het naar.”
-
-„Kom, dan laat ik mij als stafofficier aanwerven bij een vreemde
-mogendheid,” zeide van Os. „Wat hier in Indië gepensioneerd wordt heeft
-in het buitenland den naam van het beste te zijn; en mij zelven niet in
-aanmerking nemende, geloof ik waarachtig dat ze gelijk hebben ook.”
-
-Met een bezwaard hart kwam Messner terug op Watoeombo. Als om zoolang
-mogelijk het verpletterende nieuws aan Li te besparen, hield hij zich
-tot aan het avondeten bezig met het bezichtigen der installatie—’n dood
-ding, nu alles stil stond—en met Brisson, die blij was deze aanspraak
-te hebben.
-
-Al een paar maal had Messner hem scherp in de oogen gezien, en
-eindelijk zeide hij:
-
-„Je ziet er niet zoo gezond uit als de vorige maal dat ik hier was.”
-
-„De zittende levenswijze....” meende Brisson.
-
-„Of wat anders,” zeide Messner. „Neem je in acht jongmensch, ik heb er
-meer op die klip zien vergaan.”
-
-Zooals dat meer gaat als men een lastige zaak uitstelt, werd het voor
-Messner hoe langer hoe moeielijker met Li te spreken. Reeds was het
-tafelkleed weggenomen en nog wist Li geen woord van wat haar te wachten
-stond. Messner dacht er over het tot den volgenden ochtend te verdagen,
-toen Li hem goênacht kussende nogmaals haar vraag van dien voormiddag
-herhaalde.
-
-„Neen, ’t is niet om mij, noch om Zus,” begon hij, en eenmaal aan den
-gang deelde hij het haar mede; met veel omhaal en voorzichtigheid, maar
-het kwam er toch uit. De wanhopige droefheid van Li en de vreesachtige
-beweging waarmede zij zich tegen hem aanvleide als om bescherming te
-zoeken, maakten zijn toorn gaande tegen den man die van zooveel lijden
-de oorzaak was. En al wat hij dien dag verkropt had gaf zich lucht in
-een reeks scherpe verwijten aan Korman’s adres, doormengd met
-troostgronden voor de arme verstootene.
-
-In ’t eerst scheen het aan Li voorbij te gaan, doch eindelijk ving zij
-de woorden op en luisterde. Niet lang echter, want eensklaps richtte
-zij zich op en stuitte Messner’s woordenstroom door hem het kleine
-handje op den mond te leggen.
-
-„Sst, pa,” zeide zij, „niet doen! Dat is nog erger dan het andere.
-Korman is in zijn recht, hij mocht mij wegzenden. Neen.... zeg niets;
-het is zoo. En hij is altijd goed voor mij geweest, al die jaren....”
-
-Stom van verbazing zag Messner haar aan. Hij had een hoog gevoel van
-recht en zou niemand kwetsen als hij het kon vermijden, maar verlangde
-daartegenover een gelijke behandeling van anderen. Aan christelijk
-dulden sloeg hij geen geloof; wie hem op de linkerwang sloeg kon
-rekenen op gereede terugbetaling; de christenen die hij in het openbare
-leven ontmoet had deden evenzoo, en het bestaan van de toedraaiers der
-rechterwang hield hij voor een sprookje, verzonnen om navolgers te
-winnen ten bate der klappenuitdeelers. En daar tegenover hem stond dat
-kleine vrouwtje, klein in verhouding tot zijn hooge gestalte, maar
-groot in zielenadel, die haar uit de oogen straalde, oogen die hem aan
-een oude vrome tante herinnerden, kort voor haar dood.
-
-„Eén ding bedroeft mij het meest,” ging Li voort. „Had Korman het mij
-maar gezegd! Maar zijn nieuwe vrouw zal van het kindje niet willen
-weten....”
-
-„Wat?” riep Messner uit. „Je bedoelt toch niet dat je in positie bent?
-Ja? Maar dat kan niet, dat gaat niet; ik zal hem telegrafeeren. Hij
-moet dat verwenschte huwelijk uitstellen.”
-
-Tot laat in den nacht praatten zij er over, Messner ongenegen Korman
-iets toe te geven en zijn plannen om dezen te kwellen hardnekkig
-vasthoudende, Li besloten haar heer in alles ter wille te zijn en van
-haar kant niets te doen dat maar eenigszins op wraak geleek. Zij won
-het pleit, op één punt na. Terwijl zij nog een paar dagen had willen
-blijven om het huis geheel schoon en in orde achter te laten, eischte
-Messner dat zij den volgenden morgen hem vergezelde naar Donowarie.
-
-Toen Brisson, na de rol te hebben gehouden, op het kantoor kwam, vond
-hij daar een kort briefje van Messner die hem opdroeg een oog te houden
-op de administrateurswoning tot tijd en wijle de bewoner daarin zou
-teruggekeerd zijn.
-
-„Korman’s naam komt er in ’t geheel niet in voor,” merkte Brisson op.
-„De oude heer schijnt goed nijdig te zijn.” Daarna maakte hij zich op
-om naar de tuinen te gaan, want nu Rencke weg was en de drukte van den
-oogst voorbij, moest Brisson tijdelijk de afdeeling waarnemen.
-
-Wat Messner den vorigen avond had opgemerkt over zijn uiterlijk was
-niet zonder grond. Zijn oogen, vooral in den vroegen morgen, stonden
-dof en de oogleden vertoonden ontstoken roode randen, terwijl zijn
-wangen onophoudelijk trilden en trokken. Het had lang geduurd, veel
-moeite gekost, doch gedurig door Korman aangezet „om toch als ’n
-fatsoenlijk mensch een bittertje te drinken op zijn tijd”, was Brisson
-daartoe overgegaan; en eenmaal den smaak er van beet hebbende ging hij,
-als ieder renegaat, verder dan een ander.
-
-In vergelijking van wat andere menschen gebruikten kon men niet zeggen
-dat Brisson veel dronk, doch zijn gestel verdroeg zelfs geen geringe
-quantiteit en daarom was voor hem ieder glas te veel. Korman had voor
-zich reeds lang gezien wat door Messner was uitgesproken. In geen der
-andere employé’s zou hij het dan ook toegelaten hebben. Maar Brisson,
-die nagenoeg in geen aanraking kwam met het vrije dessa-volk, dat
-hoogst gevoelig is voor de behandeling die het van de europeanen
-ondervindt, kon wat dat betrof geen kwaad; en daar hij zich wel wachtte
-ooit onbekwaam te zijn voor het administratie-werk, liet Korman hem
-stil begaan, inziende dat Brisson binnen korten tijd voor ieder ander
-ondernemer een onbruikbaar sujet zou worden, en daardoor meer en meer
-zich als geheel van hem, Korman, afhankelijk beschouwen. Dan kon hij
-met hem doen wat hij wilde zonder de vrees, die hem nu af en toe
-bekroop, dat Brisson hem te eeniger tijd mocht compromitteeren door
-ongewenschte openbaringen aan derden.
-
-En indien ooit, zoo was deze tijd, terwijl de chef afwezig was, gunstig
-om het begeerde kwaad te laten ontwikkelen. Gewend den geheelen dag
-gelegenheid te hebben een praatje te maken, al liep dit dan meestal
-slechts over koffie en geld, geld en koffie, verveelde Brisson zich
-gruwelijk in zijn tijdelijke eenzaamheid. De Leeuw was tegenover
-europeanen harkerig en zwijgzaam, hij kon een uur lang op een
-luierstoel liggen staren zonder een woord te uiten, ja zelfs zonder te
-denken! Aan hem had Brisson niets; boeken bezat hij slechts een
-paar.... Boeken! Had niet Bedouin Starke eens gesproken over zijn
-„bibliotheek” en over de tijdschriften waarvan hij heele jaargangen
-had?
-
-Nauwelijks kreeg Brisson dien inval of reeds maakte hij zich op om naar
-Sabrang te rijden. Het was wel donker, maar de lucht stond niet naar
-regen, ’n mooie avond voor een toertje. Onderweg bedacht hij dat dit
-tevens een goede afleiding voor hem was; als hij een boek had, of het
-ging terugbrengen en een nieuw halen, was er zooveel te minder
-aanleiding tot snoepen van alcohol bevattend vocht. Want als hij er
-zich goed rekenschap van gaf, zag hij zelf het ellendige in van den weg
-dien hij was opgegaan, doch hij verbeeldde zich tevens een steun noodig
-te hebben om dien weer te kunnen verlaten... hm! er op te blijven
-stilstaan dan.
-
-Of hij die hulp zou vinden bij Bedouin Starke? Boeken had hij, en een
-collectie die voor zijn smaak en ontwikkeling pleitte, maar ook een
-assortiment dranken...
-
-„Zeg maar iets heel geks,” zeide hij tot Brisson, „en ik wed dat het er
-is.”
-
-„Kirschwasser,” zeide Brisson, meenende dat de ander dit zeker niet in
-zijn goedang zou hebben.
-
-„Papan nommer limablas [118], links, witte capsule,” gebood Bedouin
-Starke den wachtenden bediende.
-
-En het kwam, tot groote verbazing van Brisson, die het echter niet
-lekker vond, en zich spoedig vereenigde met het voorstel van Starke om
-tot iets anders over te gaan.
-
-Helaas, waar blijven toch alle goede voornemens!
-
-„Nu een zetje, zoo!” zeide Bedouin Starke toen hij Brisson op zijn
-paard hielp. „Pas op, er is geen leuning aan den anderen kant. Ik zal
-de boeken morgen wel met het rapport meegeven. Denk om je equiliber!”
-
-„Equi... liber!” lachte Brisson onnoozel. „De vent heeft toch altijd ’n
-ui.”
-
-Het uitstapje was Brisson wel bevallen, en om het te kunnen herhalen
-noodigde hij Bedouin Starke den volgenden avond ten zijnent. Dit was
-het begin van een rumoerigen tijd op Watoeombo, die aanhield tot
-Korman’s terugkeer. Nu hier dan daar, doch elken avond, weer of geen
-weer, kwamen Bedouin Starke, Brisson en Biezeman bijeen; een paar maal
-werd ook de Leeuw er bij gehaald, meer om zich van zijn stilzwijgen te
-verzekeren, door hem medeplichtig te maken, dan om zijn aangenaam
-gezelschap. Hoewel dit laatste nu juist geen vereischte was bij de
-nachtelijke samenkomsten, die hoe langer hoe meer van vroolijke
-drinkpartijen ontaardden in vuile orgieën. Vooral in de kampong van het
-hoofdkwartier zag men geen enkele fatsoenlijke inlandsche vrouw meer,
-want het was gebeurd dat de opgewonden europeanen de javaansche
-woningen waren binnengedrongen om te zoeken wat van hun gading was.
-
-Dat het werk er onder leed was niet te verwonderen. Op Sabrang niet,
-want Bedouin Starke scheen het niet te hinderen of hij geregeld de
-helft van zijn slaap miste, en hij stelde Biezeman voor de keus om zijn
-werk goed te doen, of ’s avonds thuis te blijven; doch bij Brisson zag
-het er allertreurigst uit. Toen hij dan ook eindelijk een telegram
-kreeg, vijf dagen voor de terugkomst van Korman, stelde hij voor een
-eind te maken aan de pret. Zoo geschiedde, en de kalmte keerde terug op
-de koffieonderneming, terwijl Brisson zich beijverde het slechte werk
-zooveel doenlijk onzichtbaar te maken. Met een tiental koelies ging hij
-de tuinen langs die schoongemaakt waren, en liet aan den kant van de
-wegen alles netjes maken, hopende dat de chef niet van zijn paard zou
-stijgen om het inwendige te inspecteeren.
-
-Ook had hij eens rondgekeken in de administrateurswoning, doch toen hij
-een begin liet maken met het opruimen van de stof en wat de bedienden
-er in die dagen meer hadden laten liggen of ingebracht, kwam plotseling
-mevrouw van Os hem vervangen. Hij besefte dadelijk dat dit maar goed
-was ook, want wat hij voor brandschoon hield moest volgens die dame een
-extra-beurt hebben, en wie zou nu ooit op de gedachte gekomen zijn om
-boven op de kasten en ledikanten te kijken? En dat er tafels bijeen
-geschoven moesten worden om een feestdisch aan te richten! Brisson
-verklaarde later dat hij „gewoon perplex” was van het groote verstand,
-door zulk een europeesche dame aan den dag gelegd.
-
-Toch hadden de employés er een flauwe notie van, dat men den chef en
-zijn vrouw feestelijk behoorde te ontvangen en in te halen. Onder
-aanvoering van Bedouin Starke lieten zij een pendoppo opslaan bij den
-zijweg naar Marialand; en daar was het dat zij op den morgen van
-Korman’s komst zich verzameld hadden, en van daaruit stonden de koelies
-en mandoers ten getale van ongeveer achthonderd aan weerszijden van den
-weg opgesteld, met zooveel tusschenruimte dat zij tot aan de brug van
-Watoeombo reikten. Ieder hunner hield een geimproviseerd vlaggetje in
-de hand en droeg een sjerp van groen om het lichaam, met ingestoken
-roode papiertjes die men verzocht werd voor bloemen aan te zien. Van de
-brug tot aan Korman’s woning stonden de vrouwen en meisjes, elk met een
-jong klapperblad in de hand, wat geen onaardig effect maakte.
-
-Even voor den middag naderde de stoet de plaats waar de pendoppo stond.
-Want een stoet was het! In de stad had de resident het noodig
-geoordeeld den administrateur van Watoeombo, den pionier in deze
-streek, te complimenteeren; en daar dit den vorigen avond door de late
-aankomst van het jonge paar mislukt was, deed hij het dien morgen eer
-zij de reis naar het gebergte aanvaardden. Bij die ceremonie was ook de
-Regent aanwezig, en dientengevolge de mindere inlandsche hoofden. De
-faam hiervan was Korman vooruitgevlogen, en had bewerkt dat de wedhono
-van Wonosarie met gevolg, en hoogerop de assistent-wedhono, zich bij
-Korman en Caroline hadden aangesloten, zoodat het een heele optocht
-werd van netgekleede inlanders op tandakkende paardjes.
-
-Nadat Korman en zijn vrouw waren afgestapt nam Bedouin Starke het
-woord:
-
-„Meneer Korman! Te midden van de koffie, sprekende tot u, wat wonder
-dat mij het beeld van den koffieboom voor oogen staat; zooals deze
-ontkiemt, een zwak en teer plantje, dat gekoesterd en gekweekt moet
-worden in de schaduw, doch weldra krachtig en frisch, in de open lucht
-gebracht, opwast tot een boom heerlijk bloeiende en nuttige vruchten
-afwerpende! Zoo was het, zoo zij het ook, met de liefde die u trok tot
-haar, die wij thans als uw echtgenoote hier welkom mogen heeten.
-
-„En u, mevrouw! behoeven wij het u nog te zeggen hoezeer wij naar uw
-komst verlangd hebben? Zie, opdat u in den roes van een nieuw geluk
-niet uit ouder gewoonte dezen zijweg naar Marialand zoudt inslaan,
-hebben wij ons hier opgesteld om u te waarschuwen; opdat op de steilten
-en naast de diepe ravijnen uw verdere weg gevaarloos zij, schaarden wij
-onze troepen als een levende heg langs uw pad; en dat de geestdrift die
-ons bezielt zich ook aan het werkvolk heeft medegedeeld, zult u
-ontwaren als u het laatste eind van dezen weg bereikt, waar de
-vrouwen-mandoer als een tweede Kenau Hasselaar haar vriendinnen heeft
-opgeroepen om in te springen waar de mannen tekort schoten.
-
-„Heil u beiden! Welkom op Watoeombo!”
-
-„Dankje wèl,” antwoordde Korman met hem klinkende en dit herhalende bij
-alle anderen. Caroline daarentegen wist ieder een aangenaam woord te
-geven.
-
-Men brak op. In de met groen en vlaggen versierde administrateurswoning
-wachtten Van Os en zijn vrouw de komenden af, doch verder niemand.
-
-„Waarom is meneer Messner er niet?” vroeg Caroline aan haar man toen
-zij aan tafel zaten.
-
-„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Misschien heeft hij het druk en komt
-van avond.”
-
-’s Middags vertelde hij haar waarom Messner niet gekomen was en ook
-niet zou verschijnen. Messner was met het huwelijk niet ingenomen,
-maakte hij haar wijs; hij had geen sympathie voor Caroline, en achtte
-haar niet zoo hoog, dat hij het billijkte dat Korman om harentwille
-zijn huishoudster verwijderd had.
-
-„Hij had haar opgevoed,” zeide Caroline als in gedachten. „Zoo iets
-vertelde tante mij. Het spijt mij erg; hij is zoo’n vriendelijk
-mensch.”
-
-’s Avonds, toen het feest uit was en de gasten naar huis, deelde
-Caroline Korman mede wat zij van haar tante gehoord had omtrent het
-leven der jongelui gedurende zijn afwezigheid. Korman was woedend, en
-reeds vroeg liet hij den volgenden morgen zijn paard zadelen. Toen brak
-de bom los! Bedouin Starke durfde hij niet aan, en deze liep dus vrij,
-maar Brisson en Biezeman werden een voor een op het kantoor geroepen,
-om daar aan te hooren hoe schandelijk hun gedrag was geweest, en dat
-zij het alleen aan het feit dat hun werk in orde was, te danken hadden
-dat zij niet onmiddellijk ontslagen werden. De Leeuw was er het
-ongelukkigst aan toe, daar hij niet dezelfde voorzorgen had genomen als
-Brisson om den buitenrand van zijn tuinen bij te werken. Hij werd
-ontslagen.
-
-Later scheen Korman in te zien dat de arme stakker eigenlijk niets meer
-misdreven had dan de anderen. Hij liet hem toen door Brisson aanraden
-om excuus te vragen; doch toen deze er met de Leeuw over begon, liet de
-sinjo hem grijnslachend een briefje zien van Messner, een aanstelling
-als opzichter te Donowarie bevattende.
-
-„Vijf en twintig gulden minder dan hier,” merkte Brisson op.
-
-„Dat is niets,” zeide de Leeuw. „Meneer Messner verkoopt geen tjandoe.”
-
-„Begrepen. Dus wou jij dat daar doen? Pas maar op.”
-
-„En ik laat mijn meid een warong [119] houden.”
-
-„Je lijkt den baas wel,” zeide Brisson, „die laat ook alles door een
-ander doen.”
-
-Toen hij aan Korman verslag deed van zijn vergeefsche poging, was hij
-zeer verbaasd den chef niet te zien opvliegen over het schenden der
-usance door Messner, die voorschreef elkaars ontslagen employé’s, niet
-dan na onderling beraad en met goedkeuring van hem die het ontslag
-verleend had, aan te nemen. Integendeel, Korman nam het goed op en liet
-zelfs zoozeer blijken dat het hem verheugde, dat hij een nadere
-verklaring hiervan aan Brisson meende te moeten geven met de woorden:
-„Hij kan er plezier van hebben; onder toezicht van een europeesch
-employé gaat het, maar alléén.....!”
-
-Daags voor het vertrek van de Leeuw ging Korman naar diens afdeeling,
-naar het heette om bij de overgave aan een nieuw exemplaar van
-hetzelfde ras, dat Bedouin Starke „waarlooze Europeanen” doopte,
-tegenwoordig te zijn. Hij had met den vertrekkende een lang gesprek,
-waarvan de gevolgen nader zullen blijken.
-
-Weer verlieten de regenwolken het gebergte, en sluierde zich de droge
-warmte over de koffielanden. Maar ditmaal bracht zij den vijand mee,
-waartegen op andere gedeelten van Java reeds zoolang vruchteloos werd
-gestreden: de koffiebladziekte. Vuilgeel en mager stonden de aangetaste
-tuinen op Watoeombo, het produkt verschrompelde aan de boomen, maar aan
-die „gekheid van kapellen vangen” deed Korman niet mee. Dat Marialand
-er veel minder last van had, kwam door .... nu ja, door iets anders. Op
-Donowarie, hoorde hij, was het ook, en Messner ving toch vlinders. En
-wat kon het hem eigenlijk schelen. Het vermogen dat zijn vrouw had
-aangebracht was meegevallen; nog een paar jaar wilde hij het volhouden
-om er met alle mogelijke huismiddeltjes iets aan toe te voegen, maar
-dan mocht Benoit zien wat hij met Watoeombo deed. In den steek laten
-kon hij het moeielijk, daarvoor zat er te veel geld in, en zette hij
-het voort, dan bleef Korman er zijn deel in behouden, dat naderhand de
-kinderen van Li ten goede kon komen.
-
-Zoo troostte hij zich, en schreef zijn rapporten aan Benoit als ware er
-aan de ziekte niets te doen. De toestand van Donowarie verergerde hij,
-meer dan de schriftelijke mededelingen van die onderneming hem aan de
-hand gaven. Want sedert zijn huwelijk was hij er persoonlijk niet meer
-geweest, noch had hij met Messner een anderen dan officieelen omgang.
-
-Hoewel Donowarie en Marialand niet geheel van de ziekte verschoond
-bleven, was het laatste land toch niet noemenswaardig aangetast, en het
-eerste telde slechts een paar tuinen die wezenlijk slecht stonden.
-Beide administrateurs hadden goede hoop dat zij het te boven zouden
-komen.
-
-De Leeuw werkte sedert eenige maanden op Donowarie. Zijn plannen wat
-betreft de warong door zijn huishoudster te houden, had hij moeten
-opgeven, daar hij dadelijk bij zijn aankomst bemerkte dat hiervan Li
-het monopolie had, haar door Messner verzekerd. In een net
-bamboe-huisje, in het midden van de kampong, woonde zij en handelde,
-voor zich en haar jongste kind,—een meisje,—boven de maandelijksche
-toelage van Korman een ruim bestaan vindende. Messner had haar de
-rijstverstrekking afgestaan en voorts alle warongs of tokótjes op het
-land gesupprimeerd. Het kindje had hij onder den naam van Frieda als
-het zijne laten inschrijven.
-
-Als de Leeuw naar zijn werk ging of thuiskwam moest hij altijd Li’s
-huisje voorbij, en zelden deed hij dat zonder even stil te staan en een
-praatje te maken. Met de haar eigen vriendelijkheid stond Li hem steeds
-te woord; doch toen dat eenigen tijd geduurd had werd de sinjo
-vrijmoediger, en Li zijn bedoelingen radende, trok zich meer en meer
-terug. De Leeuw schreef dit toe aan ongeduld van haar kant, en op
-zekeren dag vroeg hij haar of zij genegen was met hem samen te wonen.
-Zij kon haar warong aanhouden, wat het hare was zou het hare blijven,
-hèm was het enkel om haar zelf te doen.
-
-Maar Li weigerde zóó abrupt, dat de Leeuw reeds bij het eerste woord
-inzag dat hij zijn doel gemist had en de hem door Korman opgedragen
-last onuitvoerbaar was. Maar toen Li in haar verontwaardiging verder
-ging, hem vragende wat hem de vermetelheid gegeven had die vraag tot
-haar te richten, zij de pleegdochter van Messner, de voormalige nonja
-besaar van Watoeombo, hij de peranakan [120] die onder den titel van
-opzichter het werk van een mandoer verrichtte, toen werd hij kwaad en
-glimlachte onderdanig. Bij zichzelven zwerende dat hij het haar betaald
-zou zetten, vroeg hij verschooning; de nonja moest hem niet kwalijk
-nemen, zij had het zelf gezegd, hij was maar een domme sinjo; hij
-hoopte dat de nonja het vergeten zou wat hij in zijn dwaasheid gezegd
-had, en weer vriendelijk zijn tegen hem als vroeger.
-
-Nu, daar had Li niets tegen te zeggen en anders dan vriendelijk kon zij
-niet zijn, tenzij men haar beleedigde. Twee maanden verliepen en de
-Leeuw scheen zijn verlangen geheel te hebben opgegeven. Het eenige wat
-er hem nog aan herinnerde was de bijna dagelijksche kijfpartij van zijn
-eigen huishoudster, die op onverklaarbare wijze er achter was gekomen
-dat hij haar tegen Li had willen verwisselen, en geen gelegenheid
-onbenut liet om hem daarover het leven zuur te maken. Doch ook aan het
-geduld van een man als de Leeuw komt een eind, zoodat hij op zekeren
-middag zijn javaansche wederhelft de deur uitschopte met verzoek er
-nooit weer in te komen.
-
-Toen Li hiervan hoorde vreesde zij voor herhalingen van het vroeger
-gebeurde, doch zij was weldra gerustgesteld. Met kalme openhartigheid
-vertelde de Leeuw haar hoe het gegaan was, en dat hij eigenlijk blij
-was dat deze vrouw zijn huis verlaten had, want hij had een nichtje in
-de stad, die al lang bij hem had willen komen. Zij was baboe bij een
-europeesche familie, maar dat beviel haar niet; zoodra hij eens
-permissie kon krijgen van meneer Messner zou hij haar gaan halen. Of Li
-niet een goed woordje voor hem doen wilde; hij durfde het zoo in eens
-niet vragen.
-
-’s Avonds was er betaling. Voor Li bracht die een groote drukte mee;
-want als het volk geld ontving, kwam het de schulden afdoen, die in den
-loop der vijf dagen gemaakt waren voor rijst en andere levensmiddelen.
-Zij stond dan een uur en soms langer voor de opening, in den
-bamboe-wand van haar toko, die met een neerslaande plank, tevens
-toonbank, gesloten kon worden. En aardig was het te zien hoe zij zonder
-iets te hebben opgeschreven, precies wist hoeveel elk der twee à
-driehonderd koelies schuldig was. Niet alleen de eindsom, maar was er
-een enkele maal geschil, dan herinnerde zij den man wat hij gister en
-eergister en zoo tot vijf dagen geleden gehaald had, soms voor de
-waarde van een of twee duiten, en altijd kwam het uit.
-
-De Leeuw had de betaling tot het eind toe bijgewoond, Messner helpende
-met het oplezen der namen en het bedrag der verdiende loonen. Daarna
-ging hij naar huis, om een oogenblik later weer te voorschijn te komen
-met een zwart jasje over zijn kabaja. Even bleef hij staan kijken naar
-de verlichte opening, waarachter Li stond, en toen sloop hij om de
-opeengepakte massa der koelies heen en ongezien de deur van Li’s woning
-binnen.
-
-In het midden van het vertrek, grenzende aan de warong, stond een tafel
-en daarop een blaadje met een theeservies. De hanglamp, laag
-neergedraaid, verspreidde een onzeker licht. Vlug en zonder gedruisch,
-daar hij op zijn bloote voeten liep, begaf zich de Leeuw naar het
-midden der kamer, lichtte het deksel van den trekpot op, stortte er den
-inhoud van een klein zakje in en wilde zich even ongemerkt verwijderen,
-toen hij plotseling in den hoek een oude javaansche vrouw zag zitten.
-Het was Li’s eenige bediende, die daar op een matje de kleine Frieda in
-slaap schommelde.
-
-„Het is een liefdedrank”, fluisterde hij haar toe: „als je ’t zegt maak
-ik je dood.”
-
-De oude vrouw knipte even met de oogen ten teeken dat zij gerustgesteld
-was, en de Leeuw haastte zich naar buiten.
-
-Een groot uur later lag de geheele kampong in diepe rust. De wachtman
-vóór Messner’s huis gaf op een kleine kenthong het uur aan. Elf slagen.
-Toen opende zich de deur van de Leeuw’s woning, en voor de tweede maal
-dien nacht sloeg de opzichter den weg in naar de warong. Daar gekomen
-haalde hij een scherp mesje uit zijn zak en sneed de bamboe touwen
-door, die in de plaats van scharnieren, dienst deden aan de voordeur.
-Binnengekomen verving hij de doorgesnedene door nieuwe, en opende
-daarna de houten schuif.
-
-Op den tast ging hij de kamer door en het volgend vertrek binnen. Op de
-waschtafel brandde een nachtlampje. Links een klein bedje, rechts een
-groot, en daarin lag Li, blijkbaar ingeslapen eer zij gewild had, want
-zij was nog geheel gekleed zooals zij ’s avonds in de warong gestaan
-had.
-
-De Leeuw nam de slapende op en droeg haar weg. Bij het uitgaan liet hij
-de deur op een kier. Het was een heel werk; driemaal moest hij rusten
-eer hij thuis was, maar toen Li eindelijk op zijn bed lag beschouwde
-hij haar met glinsterende oogen. Zijn wraak was gelukt.
-
-De wachtman deed zijn ronde, de laatste vóór den morgen. In de
-nabijheid van Li’s huis gekomen, hoorde hij het kindje schreien. Dat
-was niets bijzonders, de kleine Frieda koos dikwijls de stilte van den
-nacht uit om haar longen te oefenen, doch deze inlander, zoo door zijn
-geheele natuur als door zijn betrekking gewoon meer dienst van zijn
-zintuigen te hebben dan elk europeaan, hoorde in het schreien ditmaal
-iets buitengewoons. Want een kind drukt daarmee meer uit dan de meesten
-weten. De wachtman hoorde dat de moeder het niet in de armen had, en
-meenende dat Li wellicht doorsliep, klopte hij even tegen den wand.
-Doch er kwam geen antwoord. Dat vond hij nog vreemder, en omloopende
-bemerkte hij de geopende deur. Onder het waarschuwend geroep van „Nja,
-Nja!” [121] naar binnen gaande, bereikte hij de slaapkamer waar het
-kind alleen was. Op den grond lag een vuil notitieboekje. De wachtman
-kende het; elken morgen zag hij daarin den opzichter schrijven, als de
-toewan besaar hem iets gelastte. Hij ging Messner wekken.
-
-„Verdoemde gladakker!” Deze woorden, gevolgd door een greep in zijn
-haar, een ruk die hem uit het bed haalde en een hevigen slag in het
-gezicht, deden de Leeuw ontwaken uit zijn zoete droomen.
-
-„Is-t-er van wegens de liefde,” stotterde hij opkrabbelende.
-
-„Liefde, ploert?” brulde Messner buiten zich zelf van woede, en hij
-liet zijn hand voor de tweede maal neerkomen in het gelaat van de
-Leeuw; en nog eens, tot deze neerstortte. Toen trapte hij hem in een
-hoek, en begaf zich naar het bed.
-
-„Li, Li!” riep hij haar schuddende. „Dacht ik het niet!” liet hij er op
-volgen; „zij zou het nooit gedaan hebben.” Toen nam hij Li in zijn
-armen en op dezelfde wijze als zij in dit huis gekomen was, werd zij er
-weer uitgedragen.
-
-„Zorg dat je binnen vijf minuten de onderneming af bent,” zeide Messner
-in ’t voorbijgaan tot de Leeuw, die nog steeds lag waar hij gevallen
-was.
-
-Drie dagen later kwam een brief van Korman. Hij verweet daarin Messner
-diens eigenwijsheid om Li op Donowarie te houden. Ten eerste was het
-voor hem ondoenlijk zijn plichten waar te nemen als superintendent;
-doch dat daargelaten, was er het treurig gevolg van geweest dat Li zich
-gegeven had aan dien de Leeuw—want daarvan was hem bericht geworden.
-Natuurlijk verviel thans de maandelijksche toelage, die hij alleen zoo
-hoog gesteld had om Li in staat te stellen haar goeden naam aldus te
-bewaren, dat zij later haar kinderen zonder schaamte te gemoet kon
-treden....
-
-Messner was in het molenhuis toen hem deze brief gebracht werd.
-Verontwaardigd liep hij naar huis om hem aan Zus te toonen. Halverwege
-bemerkte hij dat verscheiden inlanders hem volgden, waaronder zijn
-wachtman.
-
-„Waar gaan jelui heen?” vroeg hij.
-
-„Wij volgen meneer,” klonk het terug.
-
-„Zoo; heb jelui iets?”
-
-„Neen, meneer,” zeide de wachtman naar voren tredende, „maar die toewan
-ziender, dien meneer heeft weggejaagd, heeft gezegd dat hij meneer zou
-vermoorden. En nu passen wij op.”
-
-„Weest maar niet bang,” zeide Messner lachend. „Is hij dan hier op het
-land?”
-
-„Neen meneer; hij is in de dessa.”
-
-Zus ontving het bericht van Korman’s handelwijze met een uitdrukking
-van de grootste verachting.
-
-„Soedah,” zeide zij, „laat maar. Het zal ons kind aan niets ontbreken.”
-Doch Messner, hoewel in hoofdzaak het met haar eens zijnde, vond toch
-dat hij er eens over spreken moest met van Os. De drukte belette hem
-echter daarheen te gaan voor den volgenden avond zes uur, het einde van
-den werktijd.
-
-Op Marialand keurde men Korman’s daad evenzeer af, en van Os nam op
-zich er zijn aangetrouwden neef over te onderhouden. Hielp dat niet,
-dan zou mevrouw er Caroline over spreken.
-
-Blij met deze toezeggingen reed Messner, na het avondeten te hebben
-gebruikt, terug naar Donowarie. Voor zijn huis steeg hij van het paard,
-omziende naar den wachtman die het anders gewoonlijk van hem overnam.
-Zus die hem had hooren aankomen, opende de deur der binnengalerij.
-
-Op dat oogenblik zag hij een vlam; een scherp gesis vlak langs zijn
-hoofd deed hem onwillekeurig bukken, toen een knal... eindelijk een
-gehuil als van een wild dier, een twintigtal passen van hem af. Hij
-wilde er heen gaan, toen een slag als van een vallend lichaam in de
-voorgalerij zijn aandacht daarheen trok.
-
-In de deuropening lag Zus, voorover, dood.
-
-De bedienden schoten toe, en te midden van het gejammer dat zij
-aanhieven, droeg Messner het lijk zijner huishoudster naar binnen.
-
-Toen hij weer op den drempel verscheen waar zooeven Zus gevallen was,
-zag hij doodelijk bleek; zijn gelaat droeg een uitdrukking als van
-iemand die een wanhopig maar onverzettelijk besluit genomen heeft. Op
-het voorpleintje stond het vol menschen, maar niemand sprak. Verder op
-den weg verwijderde zich een groepje, dat Messner, in het licht staande
-van het wachtvuur, echter niet zag.
-
-„Waar is hij?” vroeg Messner zacht, en toch zóó dat het zelfs de
-flegmatieke inlanders deed huiveren. „Welnu, antwoordt niemand?”
-
-„Meneer,” zeide eindelijk de kapala-kampong, voor hem neerhurkende, „de
-wachtman had schuld...”
-
-„De wachtman heeft hem gevangen; ik heb het duidelijk gehoord; die
-schreeuw was van hem,” zeide Messner. „Maar waar is hij?”
-
-„Wij dachten: het is beter dat de politie...”
-
-„Geen politie,” viel Messner haastig in. „Breng hem hier; ik zal hem
-richten.” En weer ging een rilling door de omstanders.
-
-„Het is beter dat meneer niet naar hem vraagt,” zeide toen de
-kapala-kampong. „Zooals ik reeds aan meneer gezegd heb, de wachtman had
-schuld dat hij ons niet opriep. Hij zal niet voor meneer verschijnen
-eer die schuld is afgelost.”
-
-„Hm,” deed Messner. „’t Is misschien beter zoo.” En hij ging weer naar
-binnen.
-
-„Wil meneer dat ik kennis ga geven aan den assistent-wedhono?” riep hem
-het kampong-hoofd achterna.
-
-„’t Is goed.”
-
-In de slaapkamer stond Li, over het doode lichaam heengebogen, en Zus
-oproepende om tot haar weer te keeren; helaas, tevergeefs!
-
-Messner knielde neer voor het bed en schreide.
-
-De assistent-wedhono had het druk, den volgenden morgen. Een boodschap
-van Donowarie, dat er een moord gepleegd was op de huishoudster van den
-administrateur, een tweede bericht uit de naburige dessa dat daar een
-indo-europeaan was doodgeslagen door een beleedigd echtgenoot die hem
-in flagranti gesnapt had! Hij zond een paar beambten naar het
-koffieland en wachtte zelf de komst af van den gearresteerde uit de
-dessa.
-
-Het was de wachtman van Donowarie. Uit het voorloopig verhoor bleek dat
-hij ’s nachts was thuisgekomen in de dessa, waar de oudste zijner twee
-vrouwen, die zijn belangen daar waarnam, een huis bewoonde, en gevonden
-had den verslagene, juist op het oogenblik dat de tegenweer die zijn
-vrouw bood, begon te verslappen. Hij had toen een aloe opgenomen en er
-op los geslagen.
-
-„Heeft die man zich zelf overgegeven?” vroeg de assistent-wedhono. En
-op bevestigend antwoord gelastte hij den wachtman vrij te laten, op
-voorwaarde dat hij ter beschikking zou zijn als men hem mocht noodig
-hebben.
-
-Daarop liet de politie-man zijn paard voorkomen en reed naar Donowarie.
-Wat hij daar vernam bracht hem in niet geringe verlegenheid. De
-verdachte van den moord en de doodgeslagene in de dessa één en dezelfde
-persoon! Zijn javaansch rechtsgevoel zeide hem dat hier een vonnis
-voltrokken was, dat rechtvaardig aan alle kanten, behoorde te blijven
-rusten; maar hoe dat te vereenigen met zijn plicht als ambtenaar?
-Soedah, de wedhono moest het maar weten, en aan dezen werd het rapport
-opgezonden. De wedhono stuurde het naar den djaksa; doch of het
-onderweg verongelukt is, dan wel door laatstgenoemden ambtenaar
-vergeten, kon niemand zeggen.
-
-
-
-Eenige jaren zijn verloopen. Marialand, sedert lang vrijgewerkt, is
-door van Os verkocht, en deze vertrok met vrouw en kinderen naar
-Europa.
-
-De oude heer Messner, hoewel met bijna even groot succes zijn
-onderneming drijvende, wil die niet overdoen. Het graf van Zus houdt
-hem daar. Frieda zal mettertijd een rijke erfgename worden, als zij het
-noodlot ontkomt dat de meeste indische fortuinen boven het hoofd
-schijnt te hangen.
-
-Watoeombo steekt nog diep in de schuld, die wel ieder jaar minder
-wordt, maar ach zoo weinig. Korman heeft aan zijn voornemen om het land
-te verlaten geen gevolg gegeven. Wel heeft zijn vrouw nu het dubbele
-van haar vroeger vermogen en slechts twee kinderen, maar hij kan niet
-scheiden van de bron die zulke zoete inkomsten geeft. Bij zijn
-knoeierijen, waarvan Caroline echter niet weet, helpt hem Brisson, een
-treurig vervallen sujet. Behalve deze zijn er geen volbloed-europeanen
-op Watoeombo. Bedouin Starke en Biezeman vonden elders betrekkingen.
-
-Aan de andere zijde van het gebergte zetelt Rencke als administrateur.
-Hij nam de helft van het land over en hoopt daarmee fortuin te maken.
-En wie weet, er is een trek naar gronden in zijn buurt, misschien
-verkoopt hij de vijfhonderd bouws, die hij op speculatie aanvroeg, wel
-voor een goede som.
-
-Li steunt Messner bij zijn pogen om Frieda op te voeden, en wordt door
-allen die met haar in aanraking komen hoog geacht.
-
-
-
-En Benoit, die eenmaal zeide: „Ik werk liever met een pinteren
-gladakker dan met een eerlijken stommerik,”—zou hij bij die opinie
-gebleven zijn?
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Grassoort, omtrent drie meter hoog.
-
-[2] Genoeg! soit!
-
-[3] Slimme schavuit.
-
-[4] Javaansch districtshoofd.
-
-[5] Daar is de rivier.
-
-[6] Eveneens een hooge grassoort.
-
-[7] Rivier.
-
-[8] Door geesten bewoond.
-
-[9] Vlam in hout, rotting enz.
-
-[10] Mindere geestelijke.
-
-[11] Dorp.
-
-[12] Moeite, gezanik.
-
-[13] Gewijd feestje.
-
-[14] Met saamgevoegde handen het voorhoofd aanraken.
-
-[15] Hut.
-
-[16] Stad.
-
-[17] Op z’n gemak, zonder Sehnsucht.
-
-[18] Javaansche huishoudster.
-
-[19] Titel eener chineesche getrouwde dame.
-
-[20] Werklieden, geen vakmannen.
-
-[21] Tijdelijk verblijf.
-
-[22] Een soort hak.
-
-[23] Gordijn.
-
-[24] Letterlijk: Ik smeek (om verlof te mogen spreken met) uwe genade.
-
-[25] Gebakken rijst.
-
-[26] Bergrug.
-
-[27] Arit = kapmes.
-
-[28] Houd even op.
-
-[29] Als een sarong, doch niet toegenaaid en langer.
-
-[30] Smaller dito. Als kain en kemben van dezelfde teekening zijn, heet
-dat: sawitan.
-
-[31] Bericht.
-
-[32] Opzichter (javaansch).
-
-[33] Groote heer.
-
-[34] Waterpassen.
-
-[35] Dammetjes der rijstvelden.
-
-[36] Hond.
-
-[37] Oudere broer.
-
-[38] Javaansche wijk.
-
-[39] Moed, moedig.
-
-[40] Vrijdag, én de javaansche dag legie.
-
-[41] Postlooper.
-
-[42] Heg.
-
-[43] Dak op stijlen.
-
-[44] Losse stallen.
-
-[45] Nieuwe meneer.
-
-[46] Medelijden. Hier als uitroep.
-
-[47] Gevlekt paard, schek.
-
-[48] Meneer verstaat de kunst.
-
-[49] Rustbank.
-
-[50] Jonge plant, stek, zaad.
-
-[51] Hol blok.
-
-[52] Kamponghoofd.
-
-[53] Heel mooi.
-
-[54] Kom, licht op!
-
-[55] Bittertje.
-
-[56] Een vergiftige plant, sterk verdoovend.
-
-[57] Tobben, peinzen.
-
-[58] Rijksdaalder.
-
-[59] Familielid.
-
-[60] Bamboe muziekinstrument.
-
-[61] Een lange, gebatikte shawl.
-
-[62] Gaat het goed?
-
-[63] Hollanders.
-
-[64] Juffrouw.
-
-[65] (Be)ndoro = genadig.
-
-[66] Ziender = javanisme van „opziener”.
-
-[67] Stortvloed.
-
-[68] Smeerlap.
-
-[69] Draagstok.
-
-[70] Parapluie.
-
-[71] Lastpaard.
-
-[72] Oude vrouw, moedertje.
-
-[73] Reeds.
-
-[74] Bijl.
-
-[75] Letterlijk: op kinderen gelijkend.
-
-[76] Draagstok.
-
-[77] Opleidingsschool voor kader, te Gombong.
-
-[78] Niet doen, meneer.
-
-[79] Hoeden.
-
-[80] Dranken, gewoonlijk gebruikt voor morgendranken.
-
-[81] Meiden, alle vrouwelijke dienstboden behalve de kokki.
-
-[82] Inlandsche honden, steilooren, meton. voor schavuiten.
-
-[83] Streken.
-
-[84] Ongepelde rijst (haver).
-
-[85] Paleis... huis van den chef.
-
-[86] Eerbied... sbewijzen.
-
-[87] Uitroep van pijn.
-
-[88] Gewoonte.
-
-[89] Heil!
-
-[90] Houten pakzadel.
-
-[91] Kaart; ’n onomatopee.
-
-[92] In ernst, werkelijk.
-
-[93] Precies hetzelfde.
-
-[94] Ingeboet.
-
-[95] Kuren.
-
-[96] Provisiekamer.
-
-[97] Platte wan.
-
-[98] Faeces.
-
-[99] Door wrijving ontbolsteren.
-
-[100] Inlandsche beambte voor de ontvangst der koffie.
-
-[101] Breede ronde hoed van bamboe gevlochten.
-
-[102] Spaansche peper.
-
-[103] Gebak, snoeperij.
-
-[104] Javaansch adellijke.
-
-[105] Ja heer.
-
-[106] Medicijn.
-
-[107] Helder.
-
-[108] De djatibosschen op Java zijn gouvernements-eigendom.
-
-[109] Helderheid.
-
-[110] Pen, boven aan den stijl, om in den ligger gelaten te worden.
-
-[111] Njonja = mevrouw.
-
-[112] Snorwagen.
-
-[113] Jongens, bedienden.
-
-[114] Waarlijk?—Is dat zoo?
-
-[115] Draagstoel.
-
-[116] Prinsen.
-
-[117] Ga mee!
-
-[118] De vijftiende plank.
-
-[119] Javaansche winkel van eetwaren.
-
-[120] Kind van het land.
-
-[121] Afkorting van nonja.
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE KOFFIE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.