diff options
Diffstat (limited to 'old/69366-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/69366-0.txt | 9365 |
1 files changed, 0 insertions, 9365 deletions
diff --git a/old/69366-0.txt b/old/69366-0.txt deleted file mode 100644 index 5941249..0000000 --- a/old/69366-0.txt +++ /dev/null @@ -1,9365 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of In de koffie, by J. Dermout - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: In de koffie - Oorspronkelijke Indische Roman - -Author: J. Dermout - -Release Date: November 16, 2022 [eBook #69366] - -Language: Dutch - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This - book was produced from images made available by the - HathiTrust Digital Library.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE KOFFIE *** - - - - - - IN DE KOFFIE - OORSPRONKELIJKE INDISCHE ROMAN - - - DOOR - J. DERMOUT - - - AMERSFOORT - G. J. SLOTHOUWER - - - - - - - - -EERSTE DEEL - - -De zon schoot haar stralen door de ijle lucht in het hooge gebergte. Op -het pad, slechts weinig beschaduwd door de van de hooge uitkapping -overbuigende glagah, [1] stak zij met geweldige kracht de kleine -ruiterschaar, die stapvoets tegen de sterke helling opklom. Hetzij door -de warmte, of door de omstandigheid dat de breedte van het pad niet -toeliet dat hun paarden naast elkaar gingen, doch de twee Europeanen -die voorop reden, wisselden slechts weinig woorden; af en toe vroeg de -voorste naar de benaming der streken, die zij doortrokken; welke vragen -door bemiddeling van den tweede, werden beantwoord door den inlander, -die nommer drie was in de rij. - -Hij die vooraan reed, was niet jong meer, getuige de grijzende knevel -en bakkebaarden die het mannelijk gelaat sierden. Donkergrijze oogen -zagen u scherp en toch vertrouwenwekkend aan; een lange reeks jaren in -de open lucht doorgebracht, hadden de gelaatskleur gebruind; en zou dit -misschien bij een deftige zwarte kleeding misstaan hebben, boven het -wit der half jas, half kabaja kwam het voordeelig uit. Slechts bij een -zeer nauwkeurig opnemen bespeurde men dat de ruiter in zijn voorkomen -iets had, dat Indisch bloed verried; aan zijn uitspraak van het -hollandsch, noch aan eenig gebaar zou men het bemerkt hebben. - -Deed degeen, die op hem volgde, niet in lichaamsgestalte voor den heer -Messner onder, wie hem in de oogen zag, gesteld dat het u gelukte zijn -blik langer dan een gedeelte van een seconde op te vangen, voelde -onwillekeurig een huivering, iets dat hem als het ware noopte -waarschuwend uit te roepen: pas op den deze! Zag men die oogen niet, -wier blauw uit een donkeren en een lichten kring bestond, dan moest men -erkennen, dat Korman eveneens een knap voorkomen had. Hij had den naam -van groote doortastendheid en energie, en beide eigenschappen stonden -hem op ’t gelaat geteekend, maar die oogen.... men moest er aan wennen; -en dat deed men te gemakkelijker, daar hij u altijd tegen zijn linker -of rechter wang liet praten. - -Zij verschilden aanmerkelijk in leeftijd, Messner had de vijftig reeds -achter den rug, terwijl Korman eerst even acht en dertig jaar oud was. -Lang geleden hadden zij elkaar ontmoet; zij waren toen in betrekking op -een koffieland, en de aanleiding tot hun vriendschap was éénzelfde -gedachte geweest, die hen beide beheerschte: eigen zaken doen. De -oudere had daartoe willen geraken door te sparen; langzaam maar zeker -groeide zijn kapitaaltje aan, maar ach hoe langzaam! De jongere had -geen geduld; hij wilde dadelijk beginnen; ieder jaar was er één, waarom -zou men het verspillen? Hij overtuigde eindelijk zijn ouderen vriend -dat zij met de duizenden van deze, vermeerderd met de honderden van hem -zelf, gevoegelijk een zaakje konden opzetten. Wel bedroeg hun beider -schat niet veel, niet genoeg voor een koffielandje hoe klein ook, -maar.... men kon het eens in de tabak probeeren, daar had men meer -voorbeelden van réussite bij gezien. - -Twaalf jaar hadden zij samen gewerkt, om aan het einde daarvan nog even -ver te zijn als toen zij begonnen, of eigenlijk nog niet eens zoover; -want toenmaals hadden zij hun geld boven den grond, en thans zat het er -in, zonder dat zij veel kans zagen het er ooit weer geheel uit te -krijgen. Toch kon men niet zeggen dat zij ongelukkig waren geweest, -maar hun kapitaal was te klein; met hard werken was er van te leven, -doch van overhouden was geen sprake. Daartoe moest men met veel, heel -veel geld werken, of zij hadden twintig jaar eerder moeten beginnen, -zooals hun buurman, die naar men zeide, óók met niets begonnen was en -onlangs met een paar millioen „naar huis was gegaan”. Ja, die oude heer -Benoit had geboft; en ook weer niet, want hij kon het Europeesch -klimaat niet verdragen en had daarom hals over kop moeten terugkomen -naar Indië, en zich in een mooi huis opgesloten te Soerabaja, om er te -blijven wonen in betrekkelijke ontbering, niettegenstaande al zijn -geld! - -Op zekeren dag kwam Korman ’s avonds in de gezamenlijke woning thuis, -liet zijn zonnehoed door het vertrek gieren en viel op een stoel neer -onder den uitroep: „Ik verdom het langer.” - -„Wat?” vroeg zijn compagnon, die ook pas terug van het werk, in een -luierstoel lag uit te rusten. - -„Zóó te werken,” was het antwoord. „Heb ik daar niet den heelen middag -achter den ploeg moeten loopen, omdat die uilskuikens het maar niet -kunnen leeren! Ik ga morgen naar Soerabaja.” - -„Ga voort,” verzocht Messner. - -„Ik ga den ouden Benoit opzoeken en om werkkapitaal vragen. Weigert -hij, dan ga ik liever weer in betrekking; maar dit is niet uit te -houden; ik herhaal het, ik....” - -„We weten het,” zeide Messner. „Nu, ’t idée is zoo kwaad niet; probeer -het, en lukt het niet, dan kunnen wij nog altijd zien. Voor één is in -dit zaakje nog wel brood te verdienen.” - -„Neen,” zeide Korman, „geen brood; dit kun je in Holland verdienen; -hier is het nauwelijks droge rijst.” - -Met schoenen aan, die hij ontwend was, en vreeselijk transpireerende in -een kleeding die hij in geen jaren gedragen had, kwam Korman den -eersten avond bij den heer Benoit. Nog drie avonden herhaalde hij zijn -bezoek, doch zonder te spreken over hetgeen hem op dezen tocht gedreven -had, toen Benoit hem eindelijk zelf op de zaak bracht. - -„Je komt om duiten, hè?” vroeg hij aan Korman. - -„Ja meneer,” zeide deze. Hij kende den ouden heer, en wist dat men hem -tot veel kon overhalen, mits men hem flink aandurfde zoodra hij genoeg -had nagedacht over hetgeen men van hem verlangde. En dat laatste moest -Benoit zelf als ’t ware uitvinden; want als men het hem in ronde -woorden vroeg of voorstelde, dan sprak de oude zonderling de twee -eenige woorden uit die hij van het latijn kende: Non possumus! en -daarbij bleef het. - -„Dat begreep ik; iedereen komt om duiten bij mij, maar je krijgt ze -niet.” - -„Geen latijn,” dacht Korman, en overluid zeide hij, „Ik wel.” - -„Haha!” lachte Benoit. „Neen vriend, je vergist je. Dat wil zeggen, als -ik iemand aan geld zou willen helpen, dan zou jij dat zijn. Ik heb je -zien werken, jou en dien ander.... Ik heb nooit zoo hard gewerkt; dat -is waar! Maar de tabak staat me niet aan; dat is een te gevaarlijke -zaak.” - -„U hebt er toch zelf goede zaken mee gemaakt,” merkte Korman aan. - -„Juist daarom weet ik er alles van. Met dobbelen kun je ook geld -verdienen, en veel hooger schat ik tabakplanten niet. Neen man, ik wil -mijn geld niet wegsmijten. Een solide koffieonderneming zou me wel -lijken; als jij dát kon ...” - -„Ik ken het,” zeide Korman. „Ik kwam uit de koffie, en zou nooit iets -anders begonnen zijn, als we maar meer kapitaal hadden gehad.” - -„Zie je nu wel,” zeide Benoit. „Daar geef je me al gelijk! Met een -snertbeetje geld gauw en veel verdienen, rouge ou noir, va banque, -jawel, dat is het. Maar als jij dat zelf zoo goed wist, hoe durf je mij -dan aankomen om duiten voor je tabak?” - -Korman vergat zijn leven lang het oogenblik niet dat hij thans -doorleefde. Zou hij...? Tijd tot bedenken was er niet ... hij moest! -Met een gevoel of hij plotseling in een koud water sprong, loog hij: - -„Ik kwam niet om geld voor tabak. Veel liever hing ik me op, dan u -daarom te vragen. Te goed weet ik zelf wat u daareven zei. Ik vraag -geld om een koffieonderneming te beginnen.” En hij martelde zich om -gedurende twee minuten den ouden heer recht in de spottende oogen te -zien. - -„’t Is sterk!” riep Benoit eindelijk uit... „Maar soedah! [2] ik werk -liever met een pinteren gladakker [3] dan met een eerlijken stommerik; -je kunt geld van me krijgen.” - -Korman bleef nog drie dagen en toen was alles geregeld. - -„Apropos,” had Benoit nog gevraagd, „neem je dien compagnon van je -mee?” - -„Natuurlijk meneer,” antwoordde Korman. „Wij werken al sinds zooveel -jaren samen; zou ik hem nu in den steek laten? Hij zal mijn rechterhand -zijn, en later onderadministrateur.” - -Maar de oude heer had het hoofd geschud. - -„Neen,” zeide hij. „Dat gaat nooit goed. Jelui hebben altijd evenveel -te commandeeren gehad en hij is de oudste... Is hij zelfstandig geheel -te vertrouwen?” - -„Te vertrouwen in allen opzichte wat zijn eerlijkheid betreft, doch -eenige contrôle op zijn werk kan hij velen,” gaf Korman ten antwoord. - -„Zoek een driehonderd bouws voor hem uit, niet te ver van je vandaan,” -zeide Benoit. „Jij kunt dan voor superintendent spelen.” - -Korman kwam bij zijn compagnon terug, een geheel ander mensch dan een -week geleden. Hij deelde Messner mee wat hij met den heer Benoit had -afgehandeld; althans voor zoover hij dat kon en wilde. - -„Zie je,” zeide hij, „de oude wil van mijn land iets maken waarop hij -geuren kan. Daarom moet het zóó groot zijn, dat hij er als ’t ware alle -anderen de loef mee afsteekt. Hij wou ons niet samen laten werken: dus -moest jij een ander land zoeken. Enne ... dat is waar ook, hij wilde -absoluut dat je administratie over mij tot hem kwam ... zoo’n beetje -superintendeeren. Ik weigerde eerst en zei dat het omgekeerd beter zou -gaan, enzoovoort, maar hij werd eindelijk boos en zei „Nu, doen of niet -doen?” Toen heb ik maar voor je aangenomen; dat begrijp je. Je vindt -het immers goed?” - -„Och ja,” zeide Messner, die te blij was met deze uitkomst, om veel te -letten op het krenkende dat voor hem in die bepaling lag opgesloten. - -En nu waren zij op weg naar de woeste gronden, die Korman voor zich had -uitgezocht. - -Achter hen reed de wedhono [4] van Wonosarie, onder wiens gebied de -verlangde gronden lagen, en die zich had laten vinden om mede te gaan, -ten einde mogelijke kleine vergoedingen aan de bevolking in ’t reine te -helpen brengen. - -„Poeniko lêpên-ipoen,” [5] klonk een diepe stem uit de achterhoede, de -woorden uitende alsof zij hardop gedacht waren. - -De wedhono had even het hoofd bewogen ten teeken dat hij het gehoord -had, en wachtte geruimen tijd eer hij nader blijk gaf dat de gesproken -woorden betrekking hadden op den tocht van heden. Toen zeide hij, zich -tot Korman wendende: - -„Daar begint het land van mijnheer.” - -Het pad, tot nu toe loopende door onbehagelijke glagah en alang-alang -[6] strooken, had het bosch bereikt, en welkom was de koelte die daarin -heerschte. Links van den weg, die nu zachtkens de diepte in leidde, -stond hoog woest bosch, in eeuwenoude ongestoordheid; het onderhout een -bosch op zichzelf vormende, als een tweede generatie van een -reuzengeslacht; rechts een steile helling, een afgrond, waarop geen -boom had kunnen standhouden vanwege de ontelbare afschuivingen, die -groote open plekken in het kreupelhout hadden gebroken, en waarlangs -rijdende de europeanen zich onwillekeurig op hun paard naar den -binnenkant van den weg overbogen. Beneden rolde en viel het water van -een vrij sterken bergstroom, leven aanbrengende als een solist in het -eentonige orkest van ’t oerwoud. - -Aan den overkant dier kalie [7] begon het land van Korman, dat -Watoeombo zou heeten, naar den breeden steen, die beneden de kalie -dwong zich in tweeën te splitsen en dusdoende een veilige doorwaadbare -plaats te maken. - -„Kijk!” zei Korman, toen zij daar even halt hielden, „hier is een vlak -terrein, zeer geschikt voor woningen en établissement.—Vindt de wedhono -dat ook niet?” vroeg hij, om deze beleefdheidshalve niet uit het -gesprek te houden. - -De wedhono zag rond, en nog eer hij kon antwoorden klonk weer een stem -uit het gevolg. - -„Deze grond is angker [8] mijnheer,” vervolgde daarop de wedhono. „In -die drie groote boomen daar in ’t westen huizen de geesten; u kunt hier -geen woning bouwen.” - -Korman trok de schouders op. „Is de wedhono dan niet bang?” vroeg hij -schertsend. - -Tot eenig antwoord reikte het inlandsch hoofd hem zijn rijzweepje toe, -dat Korman met een onnoozelen blik bekeek. - -„Geef eens hier,” zeide Messner. „O ja, ik zie het; er loopt een -pellet-streep [9] door de rottan, over twee geledingen, waarvan de een -den verkeerden kant opgaat. Juist, dan heeft de wedhono van den invloed -der geesten niet te vreezen. En wat deze betreft, kan men een modin -[10] laten komen en ze doen verhuizen; ik ken een beste.” - -„Kom,” stelde Korman voor, wien het gesprek verveelde, „laat ons nu -dien loengoer gaan opzoeken van waaruit men den boel overzien kan.” - -Het gezelschap trok verder tot zij eindelijk den bergrug bereikten, die -een vergezicht aanbood over den geheelen omtrek, aangezien er geen -bosch, doch alang-alang op groeide. - -Van daaruit wees Korman den wedhono aan, welk gedeelte hij wilde -aanvragen. Het strekte zich in de breedte uit over drie bergruggen, -uitloopers van den hoogen piek die zich achter hen verhief, en liep in -de lengte van af de plaats waar het bosch zoo even begonnen was, tot -nog ver boven de plaats waar zij nu stonden. - -Hoewel nergens op het aangeduide perceel eenig spoor van een dessa [11] -of aanplant van de bevolking te ontdekken was, wist nochtans de -wedhono, voorgelicht door de bekende stemmen uit het gevolg, een reeks -plekken aan te wijzen waarop de inlander zus en zoo verklaard had recht -te hebben. En toen Korman, met een notitieboekje gewapend, aan ’t -opschrijven wilde gaan, raakte hij al spoedig verward in de namen, de -dessa’s, de omschrijving en wat er meer was. Messner, die zich -intusschen bezig had gehouden met het nemen van enkele peilingen en het -vervaardigen van een ruwe schets, kwam eindelijk tusschenbeiden. - -„Wel, wedhono,” zeide hij, „wat dunkt u; als we al die dingen gaan -opnoemen en omschrijven, dan komt er geen eind aan de soesah [12] als -straks de controleur komt; als we het maar eens taxeerden, en de -wedhono liet de verdere regeling door een zijner ondergeschikten -afmaken?” - -Het inlandsch hoofd vond dat „mijnheer goed gesproken had.” - -„Is er ook een pad dat oostwaarts loopt, om of over den hoogen loengoer -dien wij daar zien?” vroeg Messner daarop. - -Ja, dat was er, loopende van een hoog in ’t gebergte gelegen dessa, die -rijk was aan koffietuinen, naar de standplaats van den -assistent-wedhono, alwaar ook het gouvernementspakhuis was. - -„Ik zou niet te veel praten over die bijzonderheden,” mompelde Korman; -„anders krijg je ’t nooit.” - -Messner haalde de schouders op, met een onwillige uitdrukking in zijn -gelaat. Toen wendde hij zijn paard, en men reed den weg terug dien men -gekomen was, om straks bij het koffiepakhuis linksaf te slaan naar de -gronden die Messner voor zich zou aanvragen. - -Het was avond geworden eer men terug was op Wonosarie, waar de wedhono -woonde. Op diens erf stond de américaine te wachten waarmee de beide -aanstaande administrateurs van koffieondernemingen, of zooals zij zich -zelf met een meer vulgaire uitdrukking betitelden: koffieboeren, naar -de stad zouden rijden om er te overnachten. - -Voor zij weggingen, had Messner den wedhono apart genomen. - -„Ziehier wedhono, vijfhonderd gulden,” had hij gezegd. „Hieraan heeft -de man, dien de wedhono met de regeling der stukjes eigendom der -bevolking belasten zal, ruim voldoende. Is er over, dan bestemme de -wedhono dat tot het geven van een slamatan [13], of wat hij wil. Zou de -wedhono hier even zijn handteekening op willen zetten?” Daarbij reikte -hij het inlandsch hoofd een door hem opgestelde quitantie toe. - -Een donkerder tint overtoog het bruine gelaat van den inlander toen hij -teekende en het geld opstreek, om daarmee.... de bevolking te gelasten, -straks als de controleur kwam vragen, te antwoorden dat zij niets, -hoegenaamd niets geen belang had bij de door de heeren Korman en -Messner aangevraagde perceelen. - -In de américaine, die door een span Kedoeërs getrokken, licht en vlug -over den weg stoof, maakte Korman zijn vriend een compliment over de -wijze waarop deze het zaakje met den wedhono geregeld had. - -„Och,” antwoordde Messner; „om je de waarheid te zeggen, deed ik zulke -dingen liever niet. Met veel meer genoegen betaalde ik aan de inlanders -zelf uit, wat hun rechtmatig en billijk toekomt. Doch begin er eens -aan! Je hebt dan dadelijk tegenwerking van den wedhono, die den boel -natuurlijk in de war stuurt, en, zoogenaamd opkomende voor het belang -van den kleinen man, direct het geheele Binnenlandsch Bestuur op zijn -hand heeft.” - -„Jawel,” zeide Korman, „uit een standpunt van hoogere moraliteit -beschouwd, is het misschien niet al te mooi; maar ik heb schik in je -handigheid en zal het onthouden om er bij voorkomende gelegenheid van -te profiteeren. Wat drommel, als het gouvernement zelf dergelijke -toestanden in de hand werkt, kan men ons arme planters niet kwalijk -nemen dat wij er ons voordeel mee doen.” - -Na een uur rijdens bereikten zij de stad en namen hun intrek in het -logement, om na het avondeten, doodelijk vermoeid van den zwaren tocht, -hun kamers op te zoeken en zich door een langen nacht slapens voor te -bereiden op het werk dat hen morgen weer wachtte. En dat was voor -beiden bij lange na niet het gemakkelijkste van alles wat er tot -voorbereiding van hun toekomstige werkzaamheid moest worden verricht. -Het betrof niet meer of minder dan het invullen der requesten en die -persoonlijk te gaan aanbevelen bij den resident. - -Persoonlijk—bij den resident! Er zullen er zijn die lachen als zij -vernemen dat juist dit het moeielijkste was voor Messner en Korman. Het -zijn dezulken die niet weten wat eenige jaren van afzondering -uitwerken, zelfs op de meest conversabele menschen. Zij kennen dat -gevoel niet waarmee de binnenlander, na een jaar niets dan inlanders om -zich heen te hebben gezien en hoogstens tweemaal in dat jaar het -gezicht van een medeplanter te hebben aanschouwd, de stad betreedt waar -men een taal spreekt die hij ontwend is, onderwerpen behandelt die hem -vreemd geworden zijn, waar hij telkens het gevaar loopt dames tegen te -komen! Dames ... waarvoor hij op den loop gaat, of die hij, als ’t niet -anders kan, zenuwachtig groetend en met een verhoogde gelaatskleur -passeert. - -En later als de arme fortuin heeft gemaakt en in de omgeving van een -hollandsche stad weer is herleefd, weer is geworden wat hij in zijn -jeugd was, aangenaam en gemakkelijk in den omgang, dan verwondere men -zich niet aan zijn zijde een halve wilde te zien, een vrouw waarvan men -zich afvraagt: hoe is ’t in ’s heeren naam mogelijk dat zóó’n man aan -zóó’n vrouw komt!—maar men bedenke dat die man eenmaal tot haar opzag -als tot een wezen uit een hoogere wereld; dat zij eenmaal met haar -vriendinnen den spot dreef met dien onhandigen verlegen koffieplanter, -die haar waarachtig eens in ’t maleisch had toegesproken—uit -vergissing. - -Naar den resident! Hoe moesten zij dien halfgod der binnenlanden te -gemoet treden, hem groeten, aanspreken? Men kan toch geen sembah [14] -maken en hurken ... de eenige beleefdheidsvormen die den binnenlander -helder voor den geest staan. Geloof mij, gij ministers en kamerleden, -die den knop van de deur niet kunt vinden als ge bij Zijn Majesteit ten -gehoore zijt geweest om den eed af te leggen, uw gang naar het paleis -was minder zwaar dan die van Messner en Korman naar het residentiehuis. - -Zij zagen wat bleek toen zij er vandaan kwamen en hun gang richtten -naar de sociëteit, waar zij een paar bekenden aantroffen met wie zij op -het succes hunner nieuwe onderneming klonken en dronken, tot hun -angstige stemming geheel was verdwenen en Korman bij het naar huis gaan -verklaarde bereid te zijn de eerstvolgende dansreceptie van den -resident bij te wonen, en „er geen donder van te zullen hebben.” -Waarmee hij bedoelde dat hij niet bleu zou zijn. - -In hun pondok [15] teruggekeerd zagen zij die woning, die hun zooveel -jaren een onderkomen was geweest, met minachting aan. Zij haastten zich -hun zaken in de tabak af te wikkelen, wat daarin bestond dat zij hun -inventaris voor een prijsje overdeden aan een chinees, die kans scheen -te zien wèl zaken te maken waar dat den europeanen niettegenstaande -groote inspanning mislukt was. Voorts wachtten zij tot er een missive -kwam van den resident, die hun mededeelde dat er geen bezwaren -bestonden tegen de afgifte in erfpacht van de door hen aangevraagde -perceelen, en zij dus, onder voorbehoud der nadere goedkeuring door de -Regeering, konden beginnen met te laten opmeten en ook met de -ontginning. - -Het laatste was een gunst, die in den tijd dat Messner en Korman -begonnen, dikwijls aan serieuze ondernemers werd toegestaan, opdat zij -niet zouden behoeven te wachten tot de stukken den langen weg hadden -afgelegd naar Buitenzorg en terug, waarmee twee tot soms vier jaar -gemoeid waren. - -Korman zond bericht aan zijn geldschieter, den heer Benoit te -Soerabaja, er bij voegende dat Messner en hij van den gunstigen tijd -des jaars geen dag wilden laten verloren gaan, en derhalve wanneer deze -brief den heer Benoit bereikte, zij reeds vertrokken zouden zijn, elk -naar zijn perceel. - -Het was den avond vóór den dag waarop zij voor het eerst van elkaar -zouden afscheid nemen op langeren tijd, dat Messner en Korman in de -voorgaanderij van hun bamboe-huis, de laatste schikkingen met elkaar -zaten te bespreken. - -Binnen was een vrouw, geholpen door een jong meisje van ruim twaalf -jaar, bezig de tafel te dekken voor hun laatste avondeten in dit -verblijf. Die vrouw was de huishoudster van Messner. Een korte, -eenigszins gezette gestalte, helder van voorkomen, geprononceerd -chineesch type en op het gelaat een uitdrukking van vriendelijkheid, -goedheid en trouw. Het jonge meisje was haar zusje, Li Nio of kortweg -Li geheeten, door Messner en Korman ongeveer tien jaar geleden -geadopteerd, toen haar moeder was overleden. Behalve de blankheid van -haar teint verraadde niets haar chineesche afkomst; eer zou men geneigd -zijn haar voor een indo-européenne te houden. Een half hoofd grooter -dan haar oudere zuster, had zij in tegenstelling van dezer stille -bedaardheid, een vroolijke bewegelijkheid in haar mondje zoowel als in -haar gebaren. Zonder ophouden snapte zij door; van de eigenaardigheden -van het zich moeten behelpen nu alles was ingepakt, sprong zij telkens -over op wat hen straks in „het bosch” te wachten stond; of zij ook zoo -bruin zouden worden als de bergbewoners, die nu en dan zich in de kotta -[16] vertoonden; of Papa Messner en Papa Korman krassan [17] zouden -zijn als ze elkaar niet dagelijks meer zagen, en wie wel voor Papa -Korman zou zorgen? Of hij de njai [18] die hij had weggejaagd, omdat -zij brutaal was geweest tegen haar zuster en haar zelf geslagen had, nu -weer terug zou nemen? - -In de voorgaanderij was het laatste papier geborgen en de laatste -afspraak gemaakt. Zij lagen in hun luierstoelen tegen de kepang te -staren waarmee het afdak was beschoten, elk in zijn eigen gedachten -verdiept. Dezelfde vraag die Li Nio al babbelend geuit had, was ook bij -Korman opgerezen. Hij had zijn huishoudster een half jaar geleden -moeten wegzenden om het alsnog zonder te stellen; maar dat kon zoo niet -blijven als hij ginds alleen zat, midden in de wildernis. Hij had er -tot op dit oogenblik niet aan gedacht en morgen in de vroegte moest hij -weg. Zaken als deze beslissen zich niet in een paar uur, dus zou hij -het nu moeten opgeven; dat besefte hij, doch het deed hem onaangenaam -aan dat hij er niet eerder aan gedacht had. - -„Li! schenk papa nog eens in,” riep Messner. - -Het meisje kwam en bediende hen beiden. Toen zij het glaasje bitter aan -Korman toeschoof, viel diens blik onwillekeurig op het handje dat het -voortbewoog, en toen op de geheele figuur van het meisje. Hij schrok -van de ingeving die hij kreeg, gewaar wordende wat hem tot nu toe -verborgen was gebleven, dat het kind dat hem papa noemde, dat hij -steeds als een dochtertje had beschouwd, gerijpt was tot jonge maagd en -dat zij reeds nu bij hem, Korman, een zeer goede plaatsvervangster zou -kunnen zijn voor de njai, die hij had moeten wegjagen. - -Hij greep een harer handen en trok haar naar zich toe, op zijn knie. - -„Je moet nog eens bij mij komen zitten, Li,” zeide hij. „Morgen gaat -Papa”—het kostte hem eenige moeite dit woord thans uit te -spreken—„morgen gaat Papa alleen weg, en moet van Li afscheid nemen; -voor heel lang.” - -Het meisje gaf niet dadelijk antwoord. Met haar fijne vingertjes krulde -zij zijn baard op, ernstig en bedroefd op het gebruinde gelaat starende -van den man die haar mede had opgevoed, dien zij niet alleen den -vadernaam gaf, maar ook als een vader liefhad. - -Op eens klaarde het lieve gezichtje op, verhelderd door een gelukkig -denkbeeld. - -„Ik ga met Papa mee,” zeide zij, en toen, vleiend tegen hem -aanleunende, ging zij voort: „Ja papa, ik mag mee niet waar? Li zal -voor u zorgen en goed oppassen. Zeg dat Li mag, papa! - -„En ik dan, Li?” vroeg Messner. - -Zij scheen een oogenblik te weifelen, doch het duurde niet lang. - -„U heeft zus om op u te passen, en ik zal dikwijls bij u komen,” meende -zij; „zoodra de weg klaar is, die u laat maken om bij papa Korman te -kunnen komen.” - -„Wat ze zegt is nog zoo dom niet,” viel Korman in. „Ik zal daar beroerd -alleen zitten; ik had er in de drukte zelf nog niet aan gedacht. Alleen -geloof ik niet dat Li het lang uithoudt; ze zal haar zuster niet kunnen -missen en wel gauw weer verlangen bij haar te zijn.” - -„Hm,” deed Messner. „Maar.... ga nu naar binnen, Li.” - -„Mag ik dan mee met papa?” zeurde zij. - -„Jawel,” zeide Messner, en juichend liep het kind naar binnen om het -groote nieuws aan haar zuster te vertellen. - -„Wat ik zeggen wou, Korman,” zeide Messner; „onthoud wat we met elkaar -hebben afgesproken; als zij bij je wil blijven, en je krijgt later -employés en zij wordt wat ouder, dat je haar nooit voor huishoudster -afstaat. Dan is het mij wel.” - -„Dat beloof ik je,” zeide Korman. - -„Het zou zonde zijn van het kind,” mijmerde Messner hardop. „Ze moet op -haar tijd trouwen met een harer landslui, een goeden als die te vinden -is.—Kom, nog een halfje, dan gaan we eten.” - -Tegen den middag bereikte Korman het land waar hij thans eindelijk zijn -fortuin hoopte te vinden. Aan den zijweg bij de woonplaats van den -assistent-wedhono had hij afscheid genomen van zijn vriend en van de -„nonja.” [19] Daar hadden zij ook de koelies [20] gevonden die waren -besteld om mede te gaan, om een tampat [21] op te slaan en de eerste -werkzaamheden te verrichten. Li had gehuild toen zij van Zus moest -scheiden, maar die tranen waren spoedig gedroogd, en vroolijk was zij -op haar javaansche paardje de kalie overgetrokken voorbij den grooten -steen, die aan het land zijn naam gaf. - -Alles wat de koelies aan huisraad, rottan, taliedoek, kepang en verder -gereedschap hadden meegebracht werd nu op een hoop gelegd en terwijl -Korman een gedeelte der koelies in het bamboe-bosch stuurde dat vlak -bij te zien was, ging hij met de rest het terrein langs de kalie af om -een plek te zoeken waar niet te veel zware boomen stonden. Hij vond er -weldra een; de medegekomen modin sprak eenige onverstaanbare formules -uit die dienen moesten om de booze geesten te verjagen, en toen gebood -Korman de koelies om te beginnen. Met een gejuich of geschreeuw, zooals -men het noemen wil, werd dat bevel opgevolgd, en weldra zag men het -struikgewas vallen, om door de achterste koelies te worden weggetrokken -en te worden gebracht naar de kalie, die het welwillend afvoerde. - -Toen de kappers van bamboe met het medegebrachte materiaal aankwamen, -was het laatste dunne boompje geveld. In het donkere bosch was een -lichte open plek ontstaan, die met een smal paadje gemeenschap had met -het groote pad waarlangs Korman gekomen was. Met den patjol [22] werd -nu een goot gegraven, ongeveer twee voet diep en drie voet wijd; de -gewonnen aarde werd verspreid over het langwerpig vierkant dat deze -goot begrensde; de koelies stelden zich vrij regelmatig in drie -gelederen op en begonnen het vierkant, voetje voor voetje -vooruitgaande, hard te treden. De knapste van den troep stak daarna op -aanwijzing van Korman hier en daar een stokje in den grond; bij ieder -stokje begonnen twee koelies met behulp van een aangepunte bamboe een -gat te graven; de anderen gingen aan ’t bekappen en splijten van de -bamboe. - -Het werk zoover gevorderd zijnde, nam Korman een troepje koelies met -zich mee verderop, en werd een tweede, iets ruimere plek schoongemaakt -evenals de eerste. Hier moest de koelieloods komen. - -Op de eerste plek begon intusschen het karkas van een woning te -ontstaan. In ’t midden een hoog juk; er omheen een rij bamboe-stijlen -met een doorloopenden bamboe-ligger er op, alles wèl bevestigd met het -meegebrachte taliedoek, dat door gaten in de rechtopstaande bamboe -getrokken, over de horizontale bamboe was heengehaald, die twee -dusdoende stevig aaneenbindende. Dit karkas van de dikke, zoogenaamde -betong vervaardigd zijnde, werden nu de daksparren van bamboe apoes, -een zeer taai maar dunner soort, aangebracht. - -Zij die de bamboe spleten waren onderwijl aan het vervaardigen gegaan -van ramen van doorgestoken bamboe-latten, een vlechtwerk met mazen van -een voet wijd, die hoewel met een touwtje opgemeten, naderhand toch -bleken te passen op de vlakken van het dak dat met hoekkepers was -gemaakt, of, om den javaanschen naam te gebruiken, een limassan dak -was. - -De bedekking was versch gesneden alang-alang, met touwtjes uit den bast -der reeds genoemde bamboe-apoes vastgebonden op het latwerk. Ten slotte -groeiden de omwandingen, van gespleten bamboe ineengevlochten, onder de -handen der ijverige koelies als ’t ware bij de minuut aan. Opgezet en -aan de binnenzijde met kepang beschoten, voltooiden zij de woning die, -met een op dezelfde wijze als de omwandingen behandeld tusschenschot in -tweeën verdeeld, een deur aan den voorkant als eenige toegang rijk was. - -Op een achttal na, dat het huisraad en de kisten en koffers -binnenbracht, verhuisden de koelies nu naar de plek waar zij voor hun -eigen onderdak moesten zorgen. Dit volbrachten zij nog eer het geheel -donker was. - -Een ondernemende warong-houder had den troep vergezeld en rijst -gekookt. Toen de loods gereed was had hij opgeschept; en bij het -schijnsel van een vuur, dat gevoed werd met de restanten der -bouwmaterialen, zaten de koelies in een lange dubbele rij, met den -modin aan het hoofd, hun eerste maal te doen op de onderneming -Watoeombo. - -Li had zich den geheelen tijd bezig gehouden. Eerst had zij met -belangstelling den voortgang van het werk gevolgd, maar spoedig daarop -moest zij gaan zorgen dat ook Korman en zij dien avond iets te eten -kregen. Met behulp eener oude vrouw, die Korman als kokkin had -geëngageerd, zette zij eenige pannetjes te vuur en ging aan het -uitpakken der meest benoodigde zaken, welk werk zij voortzette toen de -woning gereed was. - -Ook Korman was in het huisje gekomen, zoodra de boel er in was; terecht -meende hij dat de koelies bij het opzetten der loods voor hen zelf wel -zonder opzicht den noodigen ijver zouden betrachten, daar het hier hun -eigen belang gold. Hij bond een hanglamp aan een der dwars-bamboes, -schikte de spaarzame meubelen, en schroefde zijn ijzeren ledikant, dat -een plaatsje kreeg in het afgeschoten vertrek, in elkaar, terwijl Li er -de klamboe [23] aan bevestigde; een overbodige luxe eigenlijk in het -hooge gebergte, waar de muskieten ’s nachts een schuilplaats zoeken in -het dichte gebladerte, tegen de koude van de atmosfeer, en de menschen -met rust laten. - -Het bedje van Li had hij niet opgezet, maar was aan het trekken van -lijntjes begonnen in kladboeken waarin hij ’s avonds het werkvolk en -den gedanen arbeid moest opteekenen, een bezigheid die hem aanleiding -gaf aan Li te verklaren dat hij het te druk had, toen deze hem kwam -zeggen dat zij klaar was, en vragen of hij haar bed ook even in elkaar -wilde schroeven. - -„Waar moet Li dan slapen?” vroeg het meisje. - -Hij zag rond als zocht hij naar een plekje. - -„Soedah,” zeide hij toen, „Li slaapt vannacht maar bij mij.” - -In het oosten begon het licht te worden, ten teeken dat daar, achter de -bergen, de zon reeds boven de kim was. De eerste die in den morgen van -den tweeden dag dien Korman op zijn onderneming zou doorbrengen, tot -hem kwam, was de modin. Kuchend en rillend van de kou hurkte de oude -man in de deur van Korman’s woning neer met het gebruikelijke „koelo -noewoen ’ndoro.” [24] - -En hij begon te vertellen hoe hij den nacht wakende had doorgebracht, -hoeveel moeite hij nog had gehad met de geesten, die niet verhuizen -wilden, tot zij eindelijk waren geweken voor de wonderkracht zijner -spreuken en voor den invloed der door hem begraven voorwerpen. Of -mijnheer dien vreeselijken slag niet had gehoord, op ’t oogenblik van -hun vertrek? - -„Jawel zeker,” verklaarde Korman; „ik ben er van wakker geworden.” -Daarop overhandigde hij den modin de som die voor dát werk was -bedongen, en gaf hem zijn afscheid. - -Uit de loods waren intusschen de koelies aangekomen, nog gewikkeld in -hun kains, die zij echter bij het naderen van Korman’s woning—de -lodjie!—behoorlijk om deden. Een langdurige bespreking volgde nu over -het werk dat Korman hen wilde laten doen. waarvan de uitslag was dat -een deel aannam nog eenige huizen te bouwen, een ander deel om het -bosch om te hakken en enkelen, na afbetaald te zijn, vertrokken. - -Alvorens met de aanstaande boschkappers mee te te gaan, ten einde hen -de te vellen gedeelten aan te wijzen, ontbeet Korman. - -Li had gezorgd voor nasi-goreng [25]—brood was er natuurlijk niet—en -zat mee aan; doch lusteloos, etende zonder honger, telkens het kopje -thee aan den mond zettende omdat de zenuwen haar beletten de rijst te -slikken. Zij had getracht zich rekenschap te geven van haar positie; -zij moest blij zijn dat zij nu de vrouw van... Korman was geworden, -zooals Zus van Papa Messner; en ach, dat was ze ook wel; als hij het -haar gevraagd had eer zij hierheen kwamen, zou ze geantwoord hebben: -heel graag! Maar zoo bij verrassing... daarin was iets wat haar niet -beviel, iets wat haar zich af deed vragen of zij geen kwaad had gedaan. -Zij zou het Zus willen vragen, doch bedacht tevens dat zij op ’t -oogenblik Zus niet zou durven ontmoeten; waarom wist zij niet, maar nog -lang, heel lang moest het duren eer zij haar weer in de oogen kon zien -als vroeger. En toen Korman weg was naar het bosch schreide zij, net -als zij dien afgeloopen nacht had gedaan, nadat hij haar zoo ruw in -haar slaap gestoord had. - -In den nu volgenden tijd werd op Watoeombo met kracht gewerkt. Van uit -de plaats waar zijn woning stond, had Korman een weg laten kappen in de -richting van den hoogen bergrug, die aan deze zijde zijn onderneming -begrensde en aan de overzijde waarvan het land van Messner lag. De -afspraak was dat ieder van zijn kant zou beginnen en afwerken tot boven -op den loengoer [26], een werk dat door Korman met driemaal zooveel -volk zou worden uitgevoerd als door Messner, zijnde de berekening dat -vanwege de meerdere lengte van den weg door het enorme perceel van den -eerstgenoemde, zij dusdoende ongeveer gelijktijdig gereed zouden zijn. -Wie het eerst boven aankwam zou in een hoogen boomtop een vlag -hijschen. - -Voorts had Korman, naarmate hij meer volk kreeg, meer bosch laten -hakken. In ’t eerst ging dat langzaam, doordat het terrein bij de kalie -vlak was en dit vóór alles tot het aanleggen van een definitieve -kampong moest worden schoongemaakt, en ook om er beddingen te plaatsen, -zoogenaamde pépinières, tot het kweeken van jonge plantjes. Doch toen -men op het effen terrein, boom voor boom kappende gereed was, werd het -hellende onder handen genomen. En dat ging gemakkelijker; want van -onderen af beginnende, hakten de boschkappers de boomen half door, en -zoo opgaande tot boven aan. Zoolang zij daarmee bezig waren zag men -geen vooruitgang, en als de dreunende bijlslagen niet het tegendeel -hadden verkondigd, zou men niet licht gedacht hebben dat eenige bouws -dicht bosch daar op vallen stonden. Eindelijk kwam het oogenblik dat -zij boven waren. De laatste rij werd doorgehakt, meer en meer, gelijk -op, dikwijls de eene partij boschkappers geholpen door die het perceel -er naast hadden aangenomen, en dan kraakte het en brak het en donderde -het, de eene boom den ander die onder hem stond meesleepende in zijn -val, al vlugger en vlugger, eindigende in een geweldigen slag die de -aarde deed dreunen; en er waren weer zooveel bouws van het statige ruwe -oerwoud veranderd in een wildernis, die wachtte op het vuur dat straks -die gevallen reuzen in een vruchtbaarmakende aschlaag zou omzetten. - -Het weder was gunstig. Behalve een paar buien in de eerste weken van -Kormans verblijf op Watoeombo, had het niet meer geregend; en onder den -strakken grijsblauwen hemel, waarin de zon ronddoolde als had zij het -zelf te warm en te eenzaam zonder een enkel wolkje, droogde alles uit -wat geveld was en brandde weldra op; de zware stammen nog lang -nasmeulende op de zwarte vlakte, en tegen de hellingen ’s nachts een -gratis vuurwerk leverende, zoo schoon als men het maar wenschen kon. - -Maar daarvoor had Korman geen oog; wat hem aantrok was alleen de -vlugheid waarmee het werk vorderde en de goedkoopte van de -aannemingssommen; want alles ging op taak, tot het ompatjollen van den -grond voor de pépinières toe, en het aanleggen van het vlakke -bamboe-dak daarover, gedekt met alang-alang. Nog eer deze gereed waren, -hadden de wegwerkers den loengoer bereikt, en was een witte vlag -uitgestoken tot een aanwijzing voor het volk van Messner. - -Bij de vlag stonden den ganschen dag twee inlanders op wacht—één alleen -durfde niet vanwege de wilde honden die men er gezien had—met strikt -bevel om zoodra zij iets bespeurden van de nadering van Messners volk, -naar huis te hollen en Korman te waarschuwen. Want deze wilde om der -wille van zijn verhouding tot Li niet door zijn vriend verrast worden. - -Reeds tweemaal was hij zelf den weg afgereden, niet zoozeer omdat hij -de daar geposteerde inlanders niet vertrouwde, doch uit ongeduld. Hij -moest toch langs dien weg zijne jonge koffieplantjes, kêpêlans, -ontvangen, die door de bevolking geleverd zouden worden uit de -gouvernements-koffietuinen die dicht bij het land van Messner lagen. En -dat had haast, wilde hij nog in den komenden westmousson planten. - -Eindelijk, Korman zat juist aan de rijsttafel, kwamen de twee koelies -op hun dooie gemak aanslenteren en brachten het zoo lang gewachte -bericht. In allerijl eindigde Korman zijn maal, liet zijn paard zadelen -en reed heen, na Li gezegd te hebben dat hij misschien op Donowarie, -het land van Messner, bleef overnachten. Hij zette toen zijn paard aan, -zooveel als de weg toeliet. - -Op den loengoer gekomen hoorde hij de stemmen van de werkende inlanders -en het doffe geluid der arit-slagen, [27] waarmee het struikgewas werd -geveld. Maar het duurde nog wel een uur eer hij de menschen zag. Op -eens riep hij uit: „Dacht ik het niet!” - -Achter de koelies bespeurde hij de hooge gestalte van Messner, met -blijkbaar ongeduld wachtende tot de laatste hindernis zou zijn -weggeruimd. Korman was reeds lang geleden afgestegen, en nu, zijn paard -bij den teugel nemende, leidde hij het tot vlak voor de plaats waar de -koelies juist een opening gemaakt hadden. - -„Lèren disseh” [28] beval hij, en toen zij daaraan gevolg gegeven -hadden en opgehouden met kappen, drong hij er door, met voorzichtigheid -voortgaande, opdat zijn paard niet zou struikelen en de helling -afglijden. - -Op het reeds gebaande gedeelte van den weg wachtte Messner hem op, met -een glimlach van teleurstelling op het gelaat. - -„Dat is mis,” riep hij Korman toe. „Bonjour; hoe maak je het? Ik had je -willen komen verrassen.” - -„Jawel, dat snapte ik,” zei Korman. „Maar daar komt niets van in. En nu -ga ik met je mee; vooruit maar! Ik ben verlangend je vrouw eens te -zien; is ze wèl?” - -Messner gaf nog eenige orders aan het werkvolk, en leidde toen den weg. - -„Jongens,” zei Korman toen zij iets verder waren, „je hebt het dadelijk -mooi gemaakt. Lange gemakkelijke zigzageinden en breed uitgekapt... ik -ben maar zoo gewoon weg naar boven gekropen; zooals het viel zoo viel -het. Later zullen we het wel eens opknappen.” - -„Dat is mij te duur,” antwoordde Messner. „’t Geeft dubbel werk en -nagenoeg ook dubbele kosten, want zóóveel is het verschil niet tusschen -een slechten aanleg en een goede.” - -Maar Korman was dit niet met hem eens, of liever hij wilde niet -toegeven aan iemand die.... hm, in zekeren zin toch onder hem stond. -Vroeger was dat anders; toen was hij de jongere compagnon, die alles -wat hij wist van Messner geleerd had; maar thans was hij administrateur -van het ruim duizend bouws groote Watoeombo en superintendent van het -landje van Messner! - -Zij bleven er over doorpraten—of liever Korman ontwikkelde zijn -meening, daar de ander reeds lang met een ongeduldig schouderophalen -gezwegen had—tot zij aan Messner’s woning kwamen. Hier was Korman -geheel en al verbazing. ’t Was een groot huis, met een breede -voorgaanderij, doorloopende binnengaanderij en links en rechts -kamers.... in één woord een geacheveerd huis, netjes gewit en de -vloeren belegd met een fijn vlechtwerk van bamboe-woeloeh, die de dikte -van een vinger heeft en een uiterst dunne bast. Waarlijk, het was mooi -en smaakvol, ieder deel er van, tot zelfs de hekwerkjes, die de -voorgaanderij omsloten en met in pijlvorm gesneden stukjes bamboe -versierd waren. - -Zus, want dien naam droeg de huishoudster van Messner in den -huiselijken kring, kwam de ruiters vóór het huis te gemoet. Haar eerste -vraag was naar Li; waarom was zij niet meegekomen? - -„Verbeelje,” riep Korman lachend uit; „de weg is nog niet eens klaar. -Neen Zus, de volgende keer, hoor. Alleen ben ik bang,” ging hij tot -Messner voort, „dat zij niet meer terug zou willen komen in onzen -tampat als ze eenmaal dit huis gezien heeft. Ik maak je mijn -compliment. Waar ben je den eersten nacht onderdak gekomen?” - -„In die kamer, links,” zeide Messner. „Die heb ik eerst gezet, en toen -de rest aangebouwd.” - -„’t Is wel aardig,” vond Korman. „Alleen wat mooi voor een tijdelijke -woning.” - -„Tijdelijk?” riep Messner uit. „Ik hoop van beter. Neen man, daar blijf -ik in zoolang ik op de onderneming zal zijn. Ik moet niets hebben van -die steenen paleizen, die voor niemand waarde hebben, en waarover toch -maar rente betaald moet worden; dank je hartelijk! Misschien dat ik er -later eens wat dakijzer op leg; hoewel—ik vind alang-alang aangenamer: -’s nachts warm en overdag koel.” - -„Nu, elk zijn meug,” zeide Korman. „Ik ben aan het zagen en bekappen -van hout voor mijn huis. Voorloopig trek ik het van hout op, gedekt met -gegalvaniseerd dakijzer, en later metsel ik er muren in—zoodra de -eerste picols koffie verscheept zijn. Kom, ik ga me lekker maken.” - -Dit laatste volvoerde hij door in een der kamers zijn kleeren uit te -trekken en een slaapbroek en kabaja van Messner aan te schieten. In de -kamer alleen zijnde balde hij de vuist. Die dit en datsche vent, zoo’n -sinjo, die daar weer alles beter in orde had dan hij zelf, en hem met -een uitgestreken gezicht zijn moois vertoonde, alsof hij het er niet -alleen om gedaan had om hem, Korman, de oogen uit te steken! Maar -morgenochtend zou het blijken wie meer werk had afgedaan; dit was maar -larie, op het werk daar buiten kwam het aan; huisjes bouwen en -weggetjes mooi maken was geen koffieland ontginnen. - -„Het is prachtig, ik moet het nòg eens zeggen,” zeide hij naar buiten -komende, waar Messner hem reeds met een bittertje zat op te wachten. -„Je zoudt den resident zelf kunnen logeeren.” - -„Wie weet,” zeide Messner. „Ik heb al een vraag van den controleur, -wanneer ik hem kan ontvangen. Hij heeft nog nooit een particulier land -zien beginnen, schrijft hij, en zou gaarne eens een kijkje komen -nemen.” - -„Beroerd volk, die ambtenaren,” mompelde Korman, „ze komen alleen omdat -ze overal hun neus in willen steken. Komt hij bij mij ook?” - -„Als je hem liever niet hebt, dan zou ik hem kunnen zeggen dat je huis -nog niet is ingericht,” opperde Messner. „Dan kom je er met een -voorbijgaand bezoek af.” - -„Hm, doe dat maar. Hola! vergis je niet.” - -Deze uitroep gold de bitter, die Messner bijna in Kormans glaasje -gedruppeld had. Korman dronk altijd klare jenever; hij begreep niet -waartoe men er bitter in deed, en nog minder waarom sommigen deze -preparatie fatsoenlijker vonden dan het zuivere vocht; eindelijk was -hem de manipulatie van het inschenken te lastig; als men dat een keer -of vijf zes moest doen in den korten tijd vóór het eten, dan kon men -wel aan den gang blijven, vond hij. Want het traditioneele tweetal met -een halfje na, dat eigenlijk een heel is, overschreed hij zonder eenig -gemoedsbezwaar. Een mensch moest niet meer drinken dan hij verdragen -kan; kon hij er echter zes velen, dan lette hem niets die te drinken, -als hij er trek in had. - -Aan het avondeten ondervroeg Messner’s huishoudster den gast naar haar -zusje. Hij moest of hij wilde of niet in details treden, en zelden had -Korman in zulk een korten tijd zooveel gelogen als hij dat halfuur -deed. Intusschen gelukte hem één ding, namelijk dat hij zoowel Messner -als Zus overtuigde dat zijn huis van dien aard ongeriefelijk was, dat -zij een bezoek moesten uitstellen tot de definitieve -administrateurswoning gereed zou zijn. Hij wist wel dat het toch -eindelijk moest komen, maar met al zijn slimheid had hij nog geen plan -weten te beramen om de alsdan noodzakelijke botsing, en wie weet welke -verwijtingen over zijn gedrag ten opzichte van het kind, dat aan zijn -hoede was overgelaten, zoo zacht mogelijk te doen zijn. - -Eén belofte had hij gegeven—die om Li mee te zullen brengen, zoodra hij -weer eens te Donowarie kwam. En dat kon hij uitstellen, of wel hij kon -probeeren Li aan ’t verstand te brengen dat zij over hun sexueele -verhouding moest zwijgen. Dit laatste idee kreeg hij eerst toen hij in -bed lag, kort na het eten, want vroeg naar bed, om vroeg te kunnen -opstaan is in de koffie een regel, waarop men niet dan noode inbreuk -maakt. - -Vroeg was het dan ook toen Messner en Korman zich den volgenden morgen -op weg begaven teneinde het op Donowarie verrichtte werk te -inspecteeren. Voor den leek moge het een treurig schouwspel zijn als -hij de verwoesting aanziet door het boschkappen teweeggebracht, voor -den koffieplanter echter is dat een geheel ander iets. De open plekken -die hij van den weg af bespeurt, de verwarde massa die bij ’t naderen -voor hem ligt, zij roepen hem toe, dat hier straks de plant zal -opgroeien, die hem het loon van zijn arbeid moet verschaffen; en de -ruïne die hij ziet, weerkaatst voor zijn fantasie het beeld eener -schoone buitenplaats in Holland, of van een statig huis in een der -voornaamste steden van datzelfde land. - -Ook Korman gevoelde die uitwerking toen hij achter Messner het pad -opliep dat naar de reeds vermelde gouvernements-koffietuinen voerde, en -waarlangs Messner had laten kappen; doch nadat zij geruimen tijd waren -voortgestapt, werd hem duidelijk dat hij zich gister met een ijdele -hoop had gevleid, toen hij meende dat zijn vriend hem ten achter zou -zijn met de ontginning; en een zekere teleurstelling maakte zich van -hem meester. - -„Ben je van plan alles te laten kappen van ’t jaar?” vroeg hij -eindelijk. - -„Neen,” gaf Messner lachend ten antwoord; „de helft maar. Valt het je -mee? Nu, dat doet me plezier. Ik ben zelf ook tevreden. Hier moeten we -in.” - -Hij had zich misschien juister uitgedrukt door te zeggen: hier moeten -we op, want het tweetal besteeg nu langs eenige ruw ingehakte treden -een der grootste gevallen boomen. Daarop volgde een gang dwars door de -woestenij, waarbij men niet wist wat meer te bewonderen: de -geoefendheid waarmee de beide Europeanen over de boomen, ja soms over -vrij smalle takken liepen zonder hun evenwicht te verliezen, of het... -instinct waarmee de inlanders zoo juist hadden uitgevonden wáár in dien -chaos de boomen lagen die het pad vormden, zonder ooit op een plek te -stuiten waar de doortocht versperd was. - -Bij het uitgaan van het gekapte bosch kwamen zij op schoon terrein, nog -zwart van het branden, gestoffeerd met plekken witte asch overal waar -een groote boom tot het einde toe was opgesmeuld. En daar lagen ook op -een vlak stuk de beddingen, met hun breede alang-alang bedekking; een -heldergeel vierkant, scherp afstekend tegen den donkeren achtergrond. -Een twintigtal javaansche vrouwen en meisjes waren er aan ’t werk, elk -met een bamboe-lat van de breedte van een bed, met ingekorven afstanden -voor de plantjes, die vier duim van elkaar moesten worden gezet. Zij -hadden de baadjes uitgetrokken, werkende met bloote schouders, en -voorts gekleed in een kain [29] en over de borst een kemben. [30] - -Reeds een groot deel der beddingen was afgeplant en prijkte met de -frissche groene rijen plantjes, niet ouder nog dan tot de ontwikkeling -der zaadblaadjes. - -„Hierin ben je mij vóór,” merkte Korman op, die tot nu toe geen mond -had opengedaan over het werk te Watoeombo, enkel omdat zijn vriend van -alles meer had afgedaan dan hij zelf, hetgeen hij uit valsche schaamte -niet wilde bekennen. - -„Nu,” zeide Messner, „dat zal je gauw hebben ingehaald. Morgen denk ik, -kan je de eerste bezending plantjes verwachten; ik heb gister dadelijk -kabar [31] gezonden aan de lui, dat de weg klaar was. Maar ga nu eens -mee naar den anderen kant.” - -Zij liepen al bukkende voort, onder het dak dat voor de hooge gestalten -der beide mannen te laag was, Korman nu en dan omziende naar een stel -fraaie schouders dat hij onder de plantsters had opgemerkt, en -verlieten de beddingen. Hier hadden zij het gezicht op verscheidene -ploegen werkvolk die boven aan de helling begonnen zijnde, het -schoongebrande terrein met den patjol hadden veranderd in nette, -horizontaal loopende terrassen. En waar die nog niet gemaakt waren, -wezen dunne bamboe-stokjes, die op de plaatsen gesteld waren waar -naderhand de koffieboomen zouden komen te staan, en door de Javanen -andjirs geheeten werden, den koelies aan, hoe zij werken moesten. - -„Drommels mooi!” liet Korman zich zijns ondanks ontvallen. „Als met een -schaartje geknipt.” En toen als had hij spijt van zijn goedkeuring: „Je -hebt een besten meet-mandoer.” [32] - -„Ik wou wel dat het waar was,” zeide Messner; „maar het meten heb ik -zelf moeten doen.” - -„Ja,” antwoordde Korman, „dat kan je op een klein land doen, maar ik -zou er geen tijd voor hebben. Enfin, ’t is mooi; ik ben zeer tevreden.” - -Messner zag snel op, doch het gezicht van den ander stond strak als had -hij iets doodgewoons gezegd. Wat verbeeldt zich Korman wel, dacht de -oudere; ’t is alsof hij als chef tegen een mindere spreekt. Wacht, we -zullen hem eens op den tand voelen! - -„Als je ’t wezenlijk zoo goed vindt,” zeide hij toen overluid, „dan zou -je dat misschien den ouden heer Benoit wel eens kunnen melden... het -werk regardeert je wel niet, maar Benoit schijnt veel vertrouwen in je -te stellen en dus....” - -Of Korman den steek voelde? ’t Was moeilijk te zeggen, want hij keek -juist onder de beddingen, waar zij langs liepen op hun terugweg, of hij -de eigenares der mooie schouders ook kon ontdekken. - -Op eens begon Messner hartelijk te lachen. - -„Wat heb je?” vroeg Korman, hem verbaasd aanziende. - -„Hoorde je dat niet?” was de wedervraag. „Hij was goed!” - -„O, je bedoelt wat die meid daar riep? Hm, ik begreep het niet -heelemaal. Wat zei ze?” - -„Ja,” zeide Messner, „al vertel ik het je, dan snap je het nòg niet. -Een ui in het javaansch is zoo moeilijk in onze taal weer te geven.” - -„Ik versta toch wel javaansch!” riep Korman eenigszins misnoegd uit. - -„Gewoon huis- of tuin-javaansch, ja,” antwoordde Messner; „maar zóó.... -hoe zal ik het zeggen... de volkstaal, zooals zij die onder elkaar -spreken, met woord- en klankspelingen, met naïeve dubbelzinnigheden, -neen Korman, die versta je niet, en die leer je ook niet, al bleef je -nog eens zoolang in Indië als je er al bent, tenzij je onder het volk -ging leven, heelemaal en famille meeleven, zooals ik destijds.” - -Bij de laatste woorden ging een droeve trek over Messners gelaat, als -ware de herinnering aan die tijden van groote armoede en ontbering hem -onaangenaam, en zwijgend liep hij voort, den weg dien zij gekomen waren -terug, over de boomstammen en door het bosch, niet eer sprekende dan -toen zij weer thuis waren en hij Korman eenige papieren overhandigde. - -„Hier is de kasstaat,” zeide hij toen. „Ik heb hem in duplo opgemaakt, -dan kan je er één opzenden aan Benoit.” - -„Ik was eigenlijk van plan aan Benoit enkel een recapitulatie te -zenden,” zeide Korman. - -„Inderdaad heeft hij ook niet meer noodig,” beaamde Messner; „doch hij -schijnt van opinie te zijn dat ik mijn administratie niet al te best -doe, en dus ben ik er op gesteld dat hij van het tegendeel overtuigd -wordt door alleen door mij geschreven verantwoordingen te ontvangen, -die, zooals deze, steeds perfect in orde zullen zijn. Begrepen?” - -„Mij wel,” antwoordde Korman, „maar dan snap ik niet wat of ik -eigenlijk met den rommel te maken heb.” - -„Och, nazien of de optellingen goed zijn,” spotte Messner. - -Korman had nog wat willen zeggen, doch hij hield het terug. Het -overwicht van zijn ouderen vriend kon hij niet van zich schudden. Ja, -als er iets niet in orde geweest was! Maar nu... neen! Messner zag te -scherp om niet aanstonds te bemerken wat hij voorhad; en straks de zaak -met Li... hij moest geen ruzie maken, en zich maar stil houden, dat was -het beste. - -Na de rijsttafel zette Korman zich op zijn paard, en verliet Donowarie -met iets minder zelfvertrouwen dan waarmee hij er gekomen was. - -De weg over zijn eigen land, waarin hij vóór dezen een soort ruwe -poëzie gezien had, iets als de eerste toetsen op het doek eens -kunstenaars, leek hem nu toe, wat het dan ook inderdaad was: een -erbarmelijk slecht stuk werk. Maar meer nog had hij het land toen hij -de plaats naderde waar zijn volk aan ’t werk was. In tegenstelling van -de gelijke, waterpas loopende terrassen bij Messner, zag men hier -achteloos uitgehakte trappen, de een nog scheever dan de ander, -ongelijk van breedte en hoogte. - -„Setrodimedjo!” - -Springend en glijdend zakte een inlander de hoogte af tegenover den -weg, kroop door het ravijntje en klauterde weer naar boven, om hijgend -van inspanning op een pas of tien achter Korman neer te hurken. Alle -teleurstelling die deze ondervonden had, uitte zich in een stortvloed -van aanmerkingen, doorspekt met talrijke Gévédé’s, aan het adres van -den armen meetmandoer, die niet slechter gewerkt had dan hem geleerd -was en voor alles wat recht en waterpas is, juist zooveel oog had als -de rest zijner rasgenooten. - -Korman wond zich hoe langer hoe meer op. - -Setrodimedjo begreep dat er iets niet in den haak was, hetzij met zijn -werk dan wel met den toewan besaar [33], doch van al wat deze vertelde, -snapte hij gewoon niets. Heel in ’t begin had hij iets gehoord over -timbang banjoe [34] juist als de galangans der sawah’s, [35] en -vruchteloos pijnigde hij zijn kleine verstand om er achter te komen wat -meneer bedoelde. Hij zag geen kans om daar boven op den loengoer water -te krijgen, en zonder water kon toch niemand galangans waterpas maken! -Hij althans niet. - -Zijn stille overdenkingen werden gestoord door het ophouden van het -standje en het tweemaal herhaald bevel om dichterbij te komen. Het -booze gezicht van Korman ziende, naderde hij dien tot op twee pas en -hurkte toen weder neer, nog even buiten het bereik van de dreigend -opgeheven karwats. - -„Asoeh!” [36] bulderde Korman, en toen hem de karwats in het gezicht -werpende, beval hij: „Breng hier, Gévédé!” - -Daar was niets aan te doen! Sidderend overhandigde Setrodimedjo den -toewan besaar het wapen, dat onmiddellijk daarna met zware slagen over -zijn rug en schouders striemde. - -Zoo vlug als hij daareven gekomen was, zoo langzaam ging de mandoer -weer terug naar zijn volk. - -„Wat was er, kang?” [37] vroeg een der meetkoelies. „Is hij dronken?” - -„Ja, erg,” was het antwoord. „Hij wou dat ik hier water boven op bracht -om te timbangen.” - -De koelie zeide een aardigheid, over een manier waarop zij met hun -vijven wel wat water daar konden krijgen, en allen lachten, doch -zachtjes, want Korman was nog niet ver, en in ’t gebergte wordt het -geluid soms wonderlijk weggekaatst. Toen gingen zij voort met andjirs -plaatsen, precies als te voren. - -De strafoefening had Korman gekalmeerd. Messner kon naar de maan -loopen; hij zou minstens even goede koffie krijgen, al stond ze wat -minder mooi geplant; straks zou hij order geven voor meer werkvolk en -dan in quantiteit vergoeden wat hij in qualiteit bij zijn vriend ten -achter stond. En zoo moest het ook! Men kon duizend bouws niet -ontginnen alsof het er driehonderd waren! - -Vóór hem lag het stukje bosch dat was blijven staan en waaronder de -woningen stonden. Dit deed zijn gedachten afdwalen naar zijn huis en -naar Li, een vrij wat aangenamer onderwerp dan het werk op Donowarie! -Was Li niet een allerbest vrouwtje voor hem, in alle opzichten? Zij -mocht nog wat jong zijn, doch daartegenover stond haar dartelheid en -vroolijkheid, die gaandeweg weer was teruggekomen; en dat had iemand -wel noodig hier in de eenzaamheid, in een omgeving die toch al tot -somberheid stemde. Haar opvoeding onder Europeanen had haar een zekere -losheid van manieren gegeven, meer uitdrukking in het gelaat en minder -placiditeit dan andere inlandsche of chineesche meisjes en vrouwen. -Zie, kwam zij daar niet aan? Ja werkelijk! Nu vraag ik, zeide Korman -halfluid, welke inlandsche njai zou zoo aan komen huppelen, haar toewan -te gemoet? Hij moest zelf lachen om het idee. - -„Dag Papa, dag Papa!” riep Li, en hij steeg af en zoende haar -hartelijk, blij weer bij haar te zijn, zich niet storend zelfs aan den -naam dien zij hem bleef geven, ondanks zijn bevel, omdat hij dien in -deze omstandigheden niet langer passend vond. - -Korman liet het paard los, dat in een drafje naar stal liep; en zijn -arm om Li’s schouders leggende, wandelde hij met haar verder, -vertellende van Zus en haar mooie huis, er verhalen bij fantaseerende -over de honden en de kippen en wat Li verder kon interesseeren. - -Toen hij zich had uitgekleed en in slaapbroek en kabaja op den -luierstoel lag, kwam Li op de leuning zitten en vroeg weer van voren -afaan. Had Zus dan werkelijk zoo’n mooi huis? Maar dat ginds op de -uitkapping, boven de kampong [38], gebouwd werd zou toch zeker nog -mooier worden dan dat van Zus? - -„Zie je wel,” zei Korman; „ik heb al tegen Zus gezegd dat ik je niet -liet overkomen eer het huis hier klaar is, want dat je anders eens niet -weer terug mocht willen komen.” - -„Heeft Papa dan niet gezegd, dat ik nu de nonja besaar ben geworden?” -vroeg Li, met een koddige uitdrukking van deftigheid. - -„Neen, nog niet,” antwoordde hij. „Ik wist niet wat ze er van zeggen -zouden; en, weetje, ze mochten je eens weghalen.” - -„Is Papa dan niet brani [39] om mij vast te houden?” - -„Zeker!” lachte Korman. „Als jij zelf wilt....” - -„O!” viel zij hem in de rede. „Dan is het goed. Weet u Papa, ik was -bang voor Zus, maar nu niet meer; als Papa brani is, ben ik het ook. -Gister....” Hier zweeg zij plotseling als vreesde zij zich te -verpraten. - -„Wat was er gister?” vroeg Korman. - -„Niets, maar overmorgen, dat is tjemoea-legie, [40] dan moet er een -slamatan zijn.” - -„Doe toch niet aan die flauwiteiten,” gromde Korman. „Je weet dat we je -geleerd hebben dat het onzin is en niets geeft.” - -„Eén keertje maar,” vleide zij. „’t Is ook niet voor mij.” - -„Nu, voor mijn part,” gaf hij toe, denkende dat de kampong-bewoners het -verlangden, en wetende dat in dit geval een weigering hem een reeks -vexaties zou bezorgen. - -Li stond op en liep naar het hokje achter het huis dat dienst deed voor -keuken, alwaar de oude kokki bezig was met de bereiding van het -avondeten. Nauwelijks was zij weg of een stem buiten kondigde aan dat -de „plajangan” [41] er was. - -Korman ging zelf naar de deur om de trommel in ontvangst te nemen, die -de dus aangediende man medebracht, en die openende vond hij er de -couranten in en brieven, die voor hem, sedert de vorige maal dat de -brievenlooper naar de stad gegaan was, waren aangekomen. De onderneming -had nog weinig relaties met de buitenwereld en Korman zelf ook niet -veel, dus had hij het niet noodig geacht de post meer dan éénmaal in de -week te doen afhalen. Toch, als de trommel kwam, was hij steeds in zijn -schik; al ware het enkel maar om de couranten, die hem zoo’n beetje op -de hoogte hielden van wat er buitenaf voorviel. - -Ditmaal was er meer. Toen hij de boel gesorteerd had, lagen er naast -het stapeltje couranten drie, zegge drie! brieven. Hij bekeek ze van -alle kanten; de eerste was van Benoit, dat zag hij dadelijk, doch de -andere intrigueerden hem sterk. Eén er van kwam uit Holland en toch was -het niet de hand van zijn moeder.... wie drommel kon het dán zijn? En -de tweede.... uit Semarang.... hand geheel onbekend.... - -Hij eindigde met den brief van Benoit open te breken, die niets -bijzonders bevatte, en draaide toen de beide andere in zijn handen heen -en weer, besluiteloos en toch nieuwsgierig. Het was een kwaal van -Korman, die velen echter met hem gemeen hebben, dat hij graag eerst -wilde weten vanwaar en van wien een brief kwam eer hij hem opende. Doch -ditmaal lukte het hem niet. Toen nam hij die uit Holland, als zijnde de -oudste, en scheurde er den omslag af. - - - den Haag.... - - Waarde Korman! - - Van uwe moeder vernamen wij het heuchelijke nieuws, dat het God den - Heer behaagd heeft u in den stand der plantage-directeuren te - plaatsen. Wij hebben ons gehaast haar per keerende post onze - gelukwenschen aan te bieden, gelijk wij dit bij dezen insmede aan - uzelf doen. - - Over de u ten deel gevallen bevordering sprekende met een onzer - kennissen, die juist op de thee kwam, nadat de brief van uwe moeder - door ons was ontvangen, deelde ZE., die als Oost-Indisch ambtenaar - vele jaren in gindsche landen vertoefde, ons een en ander mede - omtrent het leven op de plantages. Mijn zoon Henri, die zooals gij - zult weten in den zeedienst is, was daarbij tegenwoordig. - - Nu wilde het geval dat hem, die een werkzaam jongmensch is, het - luie leven aan boord en vooral aan den wal zeer tegen de borst - stuit. Vernemende dat op een plantage steeds vraag is naar - fatsoenlijke jongelieden, opperde hij een denkbeeld dat, ik moet - het bekennen, uwe tante en mij het eerst met ontsteltenis vervulde. - Het was om Z. M. dienst te verlaten en zich bij u aan te melden. - - Na gehouden ruggespraak met uwe moeder echter, zijn wij over vele - bezwaren heengestapt, en hebben onzen jongen in Gods hoede - aanbevolen en op de stoomboot gebracht, die hem naar u toe zal - voeren. Ik kan niet nalaten u dit met een enkel woord te melden, - daarbij de gelegenheid waarnemende u op het hart te drukken hem - niet alleen voor te gaan in het goede, want daarvan zijn wij zeker, - doch ook onzen jongen zooveel in uwe macht ligt af te houden van - het kwade. Wij allen zijn zwakke vaten en Henri is de vrouwen zeer - genegen, welke bijzonderheid ons mede deed besluiten hem uit de - verleiding die zijn betrekking hem aanbood, weg te nemen. - - U ’s Heeren zegen op uw werk toebiddende, verblijve ik - - Uw Oom - H. C. Rencke Sr. - - P.S. Tante laat u hartelijk groeten. - - -„Wat duivel is dat?” vroeg Korman zich af. „Denken ze daar in Holland -dat het hier een asyl is voor zoontjes die niet deugen? Zwakke vaten, -jawel, we kennen dat! Wel Gévédé!” - -Maar vloeken hielp niet; hij zou het neefje krijgen en daarmee uit. En -’t was niet eens een neefje! De heer Rencke was gehuwd met een halve -zuster zijner moeder en had zich, dat herinnerde Korman zich zeer wel, -heel weinig aan de verwantschap laten gelegen liggen. En nu die -vriendelijkheid en dat gescharrel met ’s Heeren zegen... Hij vloekte -nog eens en greep toen naar den tweeden brief. - -Het was een fatsoenlijk epistel van den jongen Rencke, zijn aankomst te -Semarang meldende. Hij deelde voorts mede hoe hij op raad van iemand -aldaar de reis zou nemen, eerst per spoor tot Solo en verder per -karretje. Eindelijk vroeg hij Korman’s instructies voor het laatste -gedeelte van de reis, dewelke hij in het logement hoopte te vinden. - -De toon van dit briefje verloste Korman van zijn driftige bui. Hij ging -zitten nadenken hoe hij den jongen Rencke moest „stallen.” Zijn huis -was nog niet klaar en in deze hut kon hij hem niet bergen. Enfin, er -moest maar een kamer aangezet worden, want zoo’n kersversch uit Holland -gearriveerd heertje zou men toch moeielijk direct in een eigen -huishouding kunnen zetten. En de oude heer die zoo bang was voor -Henri’s zedelijkheid! - -„Verroest! dan had hij hem maar niet naar de binnenlanden van Java -moeten sturen,” besloot Korman zijn gedachten. - -Hij riep Li, die nog altijd met de kokki aan ’t bepraten was van de -maatregelen voor de slamatan, en vertelde haar het nieuws. Zij nam het -tamelijk onverschillig op, maar haar gezichtje betrok toen Korman er -bijvoegde, dat hij over drie dagen zelf naar de stad ging om den -nieuweling te halen. - -Eerder kon hij niet, vanwege de betaling van het werkvolk; en, vond -hij, die jonge snoeshaan zou van een paar dagen wachten niet bederven. -Intusschen schreef hij een kort briefje, dat hij den volgenden morgen -met den plajangan naar de stad zond, dezen tevens een paard medegevende -om dat te stationeeren bij den wedhono van Wonosarie, waar ook de -américaine stond met het span Kadoeërs, die hem en Messner -toebehoorden. - -Het was Zaterdag. Den avond te voren had Korman zijn volk betaald en ’s -morgens, toen hij dacht te vertrekken, was er eensklaps een ploeg nieuw -werkvolk op komen zetten dat ingedeeld moest worden. Dit hield hem tot -aan den middag bezig. Zoodoende in zijn voornemen, om in de -morgenkoelte den tocht te doen, verhinderd, achtte hij het beter tot -den namiddag te wachten eer hij afreed. - -Moe van de reis en blazende van de hitte niettegenstaande de duisternis -reeds gevallen was, kwam Korman in het logement aan. Een door het -gouvernement gesubsidieerd hôtel natuurlijk, men zag het al van verre. -Want hoewel in den tegenwoordigen tijd alle hôtels op Java toonbeelden -zijn van keurige inrichting en goede bediening, toen Korman zijn -onderneming begon, was dat anders. Toen waren de meeste hôtels slecht, -en de door ’t gouvernement gesubsidieerde nòg slechter. - -Sluit uwe oogen en stel u voor: een groot erf, met onkruid begroeid; -aan den grooten weg afgesloten door een bouwvallig gemuurte, waarin een -breed gat dat vroeger een hek rijk geweest was; voorts omgeven door een -greppel en een levende pagger [42] die den hardvochtigsten criminalist -geen aanleiding had kunnen geven iemand, die er doorheen wandelde, van -braak te beschuldigen; op den achtergrond een steenen gebouw met -alang-alang gedekt, de deuren en vensters geel geverfd met een rood -randje, en afgebrokkeld witsel op de muren, van onderen behoorlijk -groen uitgeslagen; links een rij van acht kamers met een galerijtje er -voor, welk galerijtje vóór de drie kamers, die het dichtst aan den weg -lagen, breed was uitgebouwd, in den vorm van een pendoppo [43]; rechts -een ordelooze hoop loodsen en gedogans. [44] - -In twee der laatsten werden de Kadoeërs gestald, terwijl Korman de -pendoppo betrad, waar een petroleumlamp—neergedraaid, want er was -toevallig niemand—hem behoedde voor struikelen over de stoelen of de -nog met het tafellaken van ’s middags gedekte eettafel. - -Op zijn geroep, dat weldra in een soort gebrul ontaardde, verscheen ten -leste een inlander, die zich mandoer noemde, en in wiens hand feitelijk -het bestuur over het logement berustte. Door hem liet Korman zich een -kamer aanwijzen, of liever hij koos er zelf een uit de leegstaanden, na -er een paar te hebben opgenomen met zijn neus, die hierin de beste -leidsman was. Toen vroeg hij of er niet een jonge meneer was -aangekomen, die Rencke heette. - -De mandoer zou het vreemdelingenboek gaan halen en Korman kleedde zich -intusschen uit, om te baden eer hij tot iets anders overging. Reeds was -hij daarmee gereed en voor de helft met zijn avondtoilet op orde, toen -eindelijk de mandoer terugkwam met de mededeeling, dat het boek naar -alle waarschijnlijkheid nog bij den controleur-kotta was, maar dat er -twee heeren waren gekomen sinds eergister, waarvan één ’n toewan baroe -[45], en dat die naar de sociëteit was. - -Korman bedacht zich nog een oogenblik of hij zich niet vernederde door -óók naar de Soos te gaan, en zoo als ’t ware zijn employé na te loopen; -maar och, wat deed het er toe; op de onderneming, te midden van een -arbeid waarvan het jongemensch niets verstond, zou straks zijn -superioriteit voldoende uitkomen, en daarmee het vereischte prestige. - -Hij wandelde dus op, en ging de sociëteit binnen. In de voorgaanderij, -aan de kletstafel, zat een uitgelezen clubje, de resident, de -secretaris en eenige der voornaamste ingezetenen, en ook een -vreemdeling. Diep buigend—hoeden droeg men toenmaals ’s avonds -nooit—wilde Korman voorbijgaan, het lokaal binnen, waar hij dacht onder -het groepje levenmakers bij het biljart zijn aanstaande ondergeschikte -te zullen aantreffen en op dezen door zijn verschijnen een geweldigen -indruk te maken, toen hem op eens iemand achterop kwam, die zijn naam -op vragenden toon uitsprak. - -Zich omwendende zag hij tegenover hem den vreemdeling. Een slanke -welgevormde figuur ongeveer van zijn eigen grootte; een fijnbesneden -aristokratisch gelaat, versierd door heldere donkerblauwe oogen en een -zwaren knevel; gekleed in een zwarte jas met weggesneden panden en -grijzen pantalon waarvan de coupe den besten kleermaker verraadde.... -Korman stond een oogenblik versuft, toen de ander met een klankrijke -stem zich bekend maakte: „Ik ben Henri Rencke.” - -„O zoo... aangenaam kennis te maken. Ik hoorde in ’t logement dat... u -hierheen was gegaan...” - -„U is wel beleefd,” zeide Rencke. „Had ik geweten dat u zelf komen -zoudt, dan had ik u opgewacht, te meer daar ik op een eenigszins -zonderlinge wijze aan u ben opgedrongen. Toen ik vertrok wist ik dat -niet—men dacht in Holland dat men u een dienst bewees, doch op reis -hoorde ik daarover anders spreken.” - -„’t Is niets.... we zullen het samen wel vinden, hoop ik,” antwoordde -Korman, die tegenover de vrijmoedige explicatie van dien jongen man -geen andere woorden ter beschikking had. Intusschen werd hem daar op -eenmaal een wapen uit de hand geslagen, dat hij zich voorgenomen had -ter gelegener tijd te gebruiken. Bij het minste vergrijp van Rencke, -had hij hem voor de voeten willen werpen dat hij een presentkaasje was; -maar dat ging nu niet meer, daargelaten al of hij een zoodanige -uitdrukking ooit zou durven gebruiken tegen den man die daar voor hem -stond. - -„Meneer Korman!” riep de resident, en de geroepene ging, gevolgd door -zijn employé, naar de kletstafel. - -„Komt u niet wat bij ons zitten?” noodigde het Hoofd van Bestuur. -„Straks, op uw koffieland, moogt u meneer Rencke geheel in beslag -nemen, maar hier hebben wij ook rechten. Ombert u?” - -„Een beetje, resident.” - -„Wel, dan moesten we vanavond eens een partijtje maken,” zeide de -resident. „Meneer Rencke is ons hier komen leeren wat omberen was; -prepareer u dus op een zwaren strijd.” - -„Je bent in den pas bij den ouwe,” zeide Korman, toen hij met Rencke -naar het logement wandelde om te gaan eten. „Hoe heb je zoo de kennis -gemaakt?” - -„Wel, ik heb dien logementsfrik uitgevraagd hoe men zich hier -presenteerde ... Apropos, wat kost het een moeite dat heer te spreken -te krijgen! Zijn dat oostersche manieren, dat een logé naar den -hotelhouder moet gaan in plaats van hem te ontbieden?” - -„Ja, hij heeft het monopolie, zie je, en ’t kan hem weinig schelen. Hij -is binnen.” - -„Dat heb ik gemerkt! En hij is moeielijk naar buiten te lokken,” zeide -Rencke, die de spreekwijze niet begreep, waarop Korman expliceerde dat -„binnen” beteekende: zijn fortuin gemaakt te hebben; hetgeen de -logementhouder bewerkstelligd had met de aanneming van zout- en -koffietransporten. - -In den naävond kreeg Korman, bij gelegenheid van het omberpartijtje, -van zijn employé een lesje in dat edele spel, waaruit hij het voornemen -putte, om wat hij ook mocht doen te Watoeombo tot korting der -avonduren, nimmer met Rencke een partijtje te maken. - -Vroeg in den morgen vertrokken zij naar het gebergte; Rencke nu ook in -een wit pakje, nieuw en ongestreken, waarvan het model Korman deed -opmerken dat het goed genoeg was om „boven” te worden opgedragen, doch -niet geschikt om er „beneden” mee voor den dag te komen. Waarop Rencke, -die trouwens op reis al had gemerkt dat zijn zoogenaamde indische -uitrusting in ’t geheel niet indisch was, doch een product van -hollandsche kleermakersfantasie en verkeerde voorstelling van -oud-indiërs, verklaarde, als hij ooit in Europa terugkwam, de menschen -te zullen inlichten omtrent hun vergissing. - -„Ik vond het al vreemd,” voegde hij er bij, „dat ze mij voor alles -zoo’n wijde zakkerige geschiedenis maakten. Men had mij gezegd: neem -voor de witte pakjes het dikste russisch linnen; de jas gemaakt naar -het gewone Colbert-model, en de pantalon zooals een gewone fatsoenlijke -broek. Maar de „specialiteit in uitrustingen” lachte er om, en zeide -dat het veel te warm was; dus nam hij van dit dunne goed en maakte het -zoo wijd als u ziet. Thuis riepen ze: echt indisch! maar ik kon wel -zien dat ze ’t niet mooi vonden, zoomin als ik.” - -„Wat wèl goed is,” zeide Korman, „zijn die kappen die je daar aan -hebt.” - -„Het zijn oude jachtkappen,” antwoordde Rencke, „die ik bij toeval in -mijn koffer heb gesmeten, en nu van morgen aangetrokken, omdat ik er u -ook zag dragen.” - -Naarmate zij verder reden kreeg Korman meer schik in zijn nieuwen -employé. Hij vond in hem iemand waarmee te praten was, en die, begaafd -met een groote mate van practisch verstand, den eenzamen weg recht -gezellig wist te maken, zoowel door zijn gesprekken als zijn goed -ingerichte vragen om opheldering van hetgeen zijn oog als vreemd -opmerkte. - -Te Wonosarie stapten zij uit de américaine, en terwijl de paarden -gezadeld werden, stelde Korman zijn employé aan den wedhono voor. Daar -Rencke echter nog geen maleisch verstond, moest Korman voor hem het -woord doen. Misschien was dat de reden dat hij vergat, wat hij zich in -het rijtuig had voorgenomen. Hij had namelijk den vorigen dag last -gegeven het meest lastige zijner twee paarden voor Rencke te zadelen, -doch toen deze hem zoo was meegevallen had hij gedacht: kassian! [46] -’t is zoo’n goede jongen, en contra-order willen geven. Doch hij -bemerkte zijn verzuim pas toen de paarden voorgebracht werden, en -Rencke hem vroeg welk dier voor hem bestemd was. - -„Hm,” deed hij, „eigenlijk de zwarte, maar ze hebben er mijn zadel op -gelegd. Kan je rijden? De plongko [47] is nogal nukkig onder een -vreemden ruiter.” - -„’t Is mij hetzelfde, als hij maar loopt,” zeide Rencke, en aan de -manier waarop hij de stijgbeugels pas maakte, door die te meten van de -vingertoppen tot onder den oksel, zag Korman dat hij althans geen -onervaren ruiter was. - -Rencke steeg op; de plongko trippelde even, trachtte toen vooruit te -schieten, doch door zijn rijder onmiddellijk bedwongen en met het -rechterbeen zijwaarts gedrukt, kwam hij, netjes overschenkelend, naast -den zwarte. - -„Toewan bisa sekali,” [48] zeide de wedhono, den afscheidsgroet van de -beide Europeanen met een minzaam lachje beantwoordend. - -Toen zij het land naderden, en op meer geaccidenteerd terrein kwamen, -fronste Rencke een paar maal de wenkbrauwen bij het opzien tegen de -steilten die zij op moesten, en meer nog als de weg een sterke helling -naar beneden nam. Hellingen, die naar zijn schatting den voetganger -moeite zouden hebben veroorzaakt! Ziende hoe Korman’s paard, dat voor -hem uitliep, het er afbracht, overwon hij echter spoedig den angst die -een ieder bevangt die voor ’t eerst op bergwegen rijdt, en bewonderde -hij de kracht dier kleine dieren, die hij vóór dezen met eenige -minachting had aangezien. - -„Daar staan hutten!” riep Rencke op eens uit. Zij waren de kalie -overgetrokken en reden op de kampong aan. - -„Juist,” zeide Korman, voor de eerste „hut” zijn paard inhoudende en -afstijgende. „Welkom op Watoeombo!” - -Rencke begreep niet hoe hij ’t had. Was dat het „landhuis” dat zijns -vaders vriend hem beschreven had met de aan indisch-gasten eigen -overdrijving? Hield Korman hem voor den gek? ’t Kon wel, want hij stond -hem feitelijk in zijn gezicht uit te lachen. Doch neen, want daar kwam -een dier wezens te voorschijn waarvoor Rencke altijd de grootste -vereering gekoesterd had, een meisje, in wat hij noemde de -schilderachtig romaneske flodderdracht, welk meisje Korman met „Papa” -aansprak en hem kuste. Een dochter? Hij meende toch.... hm, zeker.... -jawel, ze had een gelen teint.... enfin, ’t was een meisje, dus naderde -Rencke met gepaste hoffelijkheid en maakte een diepe buiging. - -„Een aangename verrassing, freule; uw Papa had mij nog niet verteld -dat....” - -Hier bleef hij steken, want Li keek hem met haar groote oogen verbaasd -aan, terwijl Korman bijna stikte in een lachbui. - -„Die is goed! Ha ha,” bracht Korman er eindelijk uit. „Ga naar binnen -Li.—Ahem! Ze verstaat je niet, Rencke—’t is mijn huishoudster weet -je—en... je zoudt maleisch moeten spreken als je haar een compliment -wilde maken, want van het hollandsch begrijpt zij niet meer dan -doodgewone dagelijksche uitdrukkingen.” - -„Ik zal maleisch leeren,” zeide Rencke vol vuur. „Het is een aangename -verschijning, parole d’honneur!” - -Korman zag hem uit de hoeken zijner oogen even aan, en ging toen voor, -het huis binnen. Links, tegenover zijn slaapkamer, was een appartement -aangebouwd terwijl hij weg was. Na er even in rondgezien te hebben, -wenkte hij Rencke, die in het middenvertrek was blijven staan. - -„Dit is je kamer,” zeide hij. „Ik heb een ledikant voor je besteld, -maar dat moet uit Soerabaja komen, en dus moet je het voorloopig maar -zóó stellen.” - -Hiermede wees Korman op een bamboe baleh-baleh [49], door de zorgen van -Li heel aardig in een bed getransformeerd. Rencke verklaarde dat hij -het zeer interessant vond aldus de ontberingen mee te maken op een -pasbeginnende plantage. - -Onder de rijsttafel vertelde Li dat er menschen met bibit [50] gekomen -waren, die in de loods wachtten. - -„Dan heb ik een mooi werkje voor je,” zeide Korman tot Rencke. - -Toen om één uur de kenthong [51] het sein gaf om het werk te hervatten, -bracht Korman den employé naar de loods. Daar zat het vol met mannen en -vrouwen, die draagkorven bij zich hadden met jonge plantjes. - -Korman nam uit een der korven een boschje, en begon Rencke te -onderrichten hoe hij die sorteeren moest; de dunne zwakke stengels of -gehavende wortels er uit, en de gave gezonde bibit ter telling -overgeven aan den kapala kampong [52]; daarna de door dezen op hoopjes -van tien gelegde plantjes optellen en achter den naam van den brenger -schrijven; eindelijk de gesorteerden bijeen laten binden en met water -besproeien. - -„Ik ga intusschen even naar de tuinen,” zeide Korman. „Tegen dat je -klaar bent, zie je mij weer terug.” - -Daar zat Rencke, te midden van een volkje dat hij niet verstond, met -het hem aangewezen werk zich de blanke handen bedervende en met een -blik van wanhoop de massa korven overziende. Het ging hem niet vlug af; -door gebrek aan oefening bekeek hij de plantjes veel te lang eer hij -goed- of afkeurde, met het gevolg dat hij weldra nauwelijks meer zag -wat dik of dun was, en er telkens de door Korman gegeven modellen -tegenaan moest houden ter vergelijking. - -De oogen deden hem pijn van de inspanning nadat hij nauwelijks een half -uur aan den gang was, en reeds driemaal had hij zich gesneden aan een -bamboe-touwtje dat hij open wilde trekken in plaats van draaien. - -„Ik wist niet dat groen zoo vervelend kon zijn,” mopperde hij, even de -oogen sluitende. Toen hij ze weer open deed schitterde er iets wits, en -opziende bemerkte hij Li, die een bankje neerzettende, tegenover hem -plaats nam, en met groote vlugheid de plantjes door de vingers liet -glijden. - -Dankbaar knikte hij haar toe en gevoelde weer nieuwen moed, toen hij de -gemakkelijkheid zag, waarmee zij het werk verrichtte. Van haar -afziende, leerde hij het zelf; en de eene korf na den andere verdween -van het tooneel, tot de laatste toe. - -Met een zucht van verlichting stond Rencke op, en trachtte een praatje -aan te knoopen met zijn helpster. Maar dat mislukte; want hoewel Li hem -best verstond, zij zelve kon niet anders dan in ’t maleisch antwoorden, -en dát begreep hij weer niet. Toen, terwijl hij enkele voorwerpen -aanwees, gaf zij hem de maleische benamingen, die hij zorgvuldig -noteerde. Hiermee waren zij nog bezig toen Korman terugkwam. - -„Ben je er al doorheen?” zeide hij. „Dat is vlug. Wat doe je daar?” -vervolgde hij een blik werpende in Rencke’s notitieboekje. „Hm, ik zou -je raden liever maar dadelijk javaansch te leeren, dan krijg je geen -verwarring, en dat heb je toch het meest noodig.” - -„Dat kan ook,” antwoordde Rencke. „Maar, me dunkt de klanken van het -maleisch hooren gemakkelijker aan.” - -„Nu, doe wat je wil, als je maar één taal tegelijk aanpakt. Trouwens, -de mandoers spreken allen maleisch, dus kan je daar voorloopig wel mee -terecht. Laat ons nu naar huis gaan en die lui afbetalen, dan zullen we -het vandaag maar voor gezien houden.” - -Dit voorstel was zeer naar den zin van Rencke, die duchtig vermoeid was -van den langen rit van dien morgen, en hard verlangde naar het -oogenblik waarop hij zich in een dier gemakkelijke indische stoelen zou -mogen uitstrekken. En het kwam, toen de bibit betaald was en de -daglijst ingeschreven. - -Het werd dien avond later dan gewoonlijk. Rencke kon gezellig praten, -en Korman had zooveel te vragen over alles wat er op zeker dierbaar -plekje grond in de laatste jaren was voorgevallen, dat het hem gelukte -na den eten zijn oogen nog lang open te houden. - -„Er is niets bijzonders voor je te doen,” zeide Korman den anderen -morgen. „Ga maar eens op je eigen gelegenheid naar de tuinen, en kijk -rond. Het werk moet gedaan worden... zooals ze het doen; dat leer je, -door het te zien, vanzelf. En eer je de taal verstaat, kan je toch niet -veel uitvoeren. Als je iets onbehoorlijks ziet, rapporteer het mij dan -als je thuiskomt—zoo tegen twaalven.” - -Rencke ging het pad op dat hij gister Korman had zien inslaan, daarbij -de voorzorg nemende van nu en dan op een zakkompasje te kijken, -teneinde te weten in welke richting hij straks het huis weerom moest -vinden. De wijze waarop hij in de geheimen der cultuur werd ingewijd, -beviel hem niet. In zijn vroegere betrekking gewoon al zijn plichten -van a tot z als ’t ware op een briefje te hebben, en haast niets te -doen of het was speciaal gekommandeerd, bracht hem deze manier van doen -in niet geringe verlegenheid. De opdracht die Korman hem gegeven had -was hem vrij duister. Na een klim van een half uur was hij terecht -gekomen bij het terrassenmaken, en daar moest hij niet zijn, dacht hij, -want Korman had over „tuinen” gesproken, die hij nochtans nergens -ontdekte. Enfin, er werd gewerkt, dus kon hij wel een poos toekijken. - -Met dit voornemen liep hij over een der terrassen, met attentie -toeziende hoe de koelies met den patjol de aarde uithakten en gelijk -streken. Bij een der werklieden bleef hij even staan, wat onmiddellijk -uitwerkte dat de mandoer op den man toesprong, hem den patjol uit de -handen rukte, en onder veel woorden voordeed hoe hij werken moest; in -welk model Rencke geen onderscheid zag met het reeds geleverde werk. - -„Er schijnt toch iets onbehoorlijks geweest te zijn,” dacht hij, en -kuierde verder. Doch toen hij bij een anderen koelie bleef staan -kijken, herhaalde de mandoer hetzelfde spelletje, wat Rencke in twijfel -bracht of er nu wezenlijk in dit schijnbaar eenvoudige werk iets -verborgen was dat hij niet zag, of dat er slechts overdreven -dienstijver van den mandoer achter gezocht moest worden. - -Dit personage hield ten slotte een aanspraak tegen Rencke, waarvan deze -geen syllabe begreep, zelfs niet toen de mandoer uit het javaansch in -’t maleisch overging. Intusschen verrijkte Rencke zijn woordenlijst met -enkele nieuwe namen van dingen die hij aanwees. - -Plotseling kreeg hij een inval. Op een schoon blaadje van zijn -zakboekje begon hij te schetsen, en weldra ontstond een vrij aardige -potloodteekening van een tuin, met perken en gazons, hoog en laag -hout... men moest erkennen dat Rencke talent van teekenen bezat. Toen -het gereed was liet hij het den mandoer zien, die het bagoes sekali -[53] vond en vroeg of het meneers familie in Holland voorstelde; wat -Rencke gelukkig niet verstond. - -Met zijn wijsvinger wees hij eerst op de schets en toen, de hand -uitspreidende, maakte hij een vragende beweging in het rond. Dit deed -den mandoer een licht opgaan. - -„Oah, beddingan!” riep hij uit met een tweeden blik op de teekening, en -toen, voorgaande, wees hij Rencke den weg aan, die naar de pépinières -leidde, terwijl deze, verheugd over het gelukken van zijn middel, in de -aangegeven richting verder stapte. - -„Men moet zich maar weten te redden,” zeide hij bij zich zelf. - -Het einde van den weg was de plaats waar de beddingen stonden. Dat was -een teleurstelling! Maar van onder het alang-alang dak klonken stemmen; -dus ook hier werd gewerkt, en Rencke ging er binnen. Vrouwen plantten -de jonge bibit; dezelfde die hij gister zoo bloedig uitgezocht had! Hij -voelde solidariteit; daar was een stuk van zijn ziel in die plantjes. -Zich neerzettende op een boomstronk te midden der plantsters, nam hij -den zwaren helmhoed, dien hij te Portsaid gekocht had, af en genoot èn -van de schaduw èn van het toezien op het werk dat hij volkomen begreep. - -Ook was er een groot onderscheid tusschen de babbelende en lachende -vrouwen, en de ginds als in doffe zelfberusting werkende mannen; hier -een beeld der onafhankelijke vrijheid, dáár der drukkende slavernij. -Want ontegenzeggelijk draagt de Javaan der binnenlanden nog het kenmerk -op zijn gelaat, dat zijn vaderen slaven waren, zoo dan niet altijd in -den zin die gewoonlijk aan dat woord gehecht wordt. - -Een meisje dat in Rencke’s onmiddellijke nabijheid werkte, vroeg hem -iets, en hij antwoordde door haar in de wangen te knijpen, wat -uitroepingen van alle kanten deed opgaan, doch de toon daarvan was niet -onwelwillend of afkeurend. Rencke voelde zich volkomen thuis. Hij ging -de lange rij der reeds afgeplante bedden na, en ontdekte geheel aan het -eind daarvan een paar scheefstaande plantjes. Men kon van die plaats -uit, de plantende vrouwen niet zien, daar er een rijzing van het -terrein tusschen lag. Rencke ging een eind terug en riep „Hei, zeg -eens!” waarop het meisje dat hij in de wangen geknepen had, naar hem -toe kwam. - -De plantjes werden behoorlijk recht gezet, al duurde het wat lang. -Rencke nam toen den terugweg aan, daar het tegen twaalven liep, doch -besloot aan dit gedeelte van het werk zijn bijzondere aandacht te -wijden; want als het jonge plantje niet onberispelijk gezet werd, hoe -kon er dan ooit een flinke koffieboom uit groeien? - -Thuis gaf hij aan Korman bericht van zijn wedervaren. Bij de scène met -den geschetsten bloementuin moest deze hartelijk lachen. - -„Wij noemen hier een tuin,” verklaarde hij, „een stuk grond dat met -koffie beplant is of worden moet, en dat tusschen vier wegen in ligt. -Al naar gelang der hoogte van de hellingen, worden er twee of drie -horizontaal loopende wegen in getrokken, de een boven den ander, en -deze verbonden door schuin tegen de hoogte oploopende wegen. Waar de -helling sterk is, en dus de weg te lang zou worden, maakt men hem met -een paar slagen, de zoogenaamde zigzagweg.” - -„Begrepen,” zeide Rencke. „Dank u wel. En.... die tuinen zijn zeker -genommerd?” - -„Ja, met dien verstande dat een groep tuinen, bij voorbeeld al de -tuinen van één helling of om één ravijn heen, een naam heeft, meestal -naar de een of andere eigenaardigheid van den vorm der bergruggen of -zoo. De inlanders verzinnen die namen.” - -„Hoe heet de tuin waar nu gewerkt wordt?” - -„Die heeft nog geen naam,” zeide Korman. „Maar wacht maar, eer ze over -den loengoer heen zijn is die ook gedoopt.” - -En zoo geschiedde; doch op een wijze die geen van beiden vermoed had, -en Rencke althans nimmer uit het geheugen zou gaan. - -Vreezende dat er schoon terrein tekort zou komen voor het aanleggen van -terrassen, had Korman een paar dagen na bovenvermeld gesprek, den -mandoer Podrono last gegeven om met vijftig man te gaan „opstapelen en -branden”. Dat beteekende: de overgebleven stukken hout bijeen halen, -die leggen rondom de door het vuur gespaarde groote stammen en -stronken, en daarna in brand steken. - -Dit werk vereischt eenig overleg, daar men aan een zekere limite van -lichtere brandstof gebonden is, en die zóó moet aanwenden dat het -grootst mogelijk resultaat bereikt wordt; want na deze opruiming is er -geen meer mogelijk, en moet blijven liggen wat ligt, tot het in den -loop der jaren verrot. Podrono nu was een dier weinige inlanders, die -overleg bezaten—misschien moet men zeggen: die hun overleg in dienst -van een Europeaan willen aanwenden—en daarom had Korman hem aangewezen. - -Natuurlijk was Rencke, die thans reeds beter dan eenige dagen geleden -begreep „wat hij eigenlijk op zoo’n koffieland moest uitvoeren,” naar -het werk van Podrono gaan kijken. Op den weg staande, overzag hij het -geheel. De mandoer had zich een plekje uitgekozen, uitnemend geschikt -voor zijn post als dirigent. Een dikke boom lag bijna geheel boven aan -de helling. In den loop der tijden had die boom eens den top verloren, -en hij had gedaan wat iedere fatsoenlijke boom doet, namelijk twee -loten, straks stammen, uitgeschoten. Die stammen stonden zeer dicht bij -elkaar. Zooals hij thans lag, leek hij een reuzen vork met twee tanden; -de een op den grond, de ander vrij. Daarop stond Podrono, orders -gevende nu aan deze, dan aan die groep van zijn volk. - -Het was een levendig ventje, dat steeds zijn woorden deed vergezeld -gaan van gebaren, die toen hij Rencke zag aankomen nog wilder werden -dan gewoonlijk, tot groot amusement van de koelies die lachten.... en -daardoor meer kracht zetten dan anders. - -„Ajo! angkat!” [54] gilde Podrono, in zijn knieën veerende als iemand -die straks een hoogen sprong zal doen. „Allah!” - -Dat was zijn laatste kreet. - -Er was beweging in den boom gekomen. Podrono had het bemerkt en wilde -er achteruit afspringen. Maar de stam waarop hij stond zakte onder hem -weg, de ander van den tweeling sloeg hem in den rug, zoodat hij -tusschen de tanden van den vork inraakte en voorover viel. In steeds -wilder vaart rolde de boom naar beneden, en met ontzetting zagen Rencke -en de koelies het lichaam, ach, het lijk! van den ongelukkigen Podrono -meedraaien, breken, en toen de boom den voet der helling bereikt had -met een dreunenden slag, prevelden de koelies Allah ill’ Allah en sloot -Rencke de oogen, flauw en misselijk van het verschrikkelijke gezicht. - -Het weinige dat er nog van den mandoer te vinden was, werd door het -volk naar de kampong gebracht. Van Rencke die vooruitgeijld was, vernam -Korman het gebeurde. - -„Jammer van den vent,” zeide Korman. „Komen ze met hem hier? -Waarachtig, daar heb je het heele zoodje! Zijn ze bedonderd?” En hij -ging den stoet te gemoet. De voorsten, die het lijk droegen, liet hij -passeeren, en joeg toen de rest terug met barsche verwijten. Den -knapsten koelie riep hij aan, en droeg hem op tijdelijk den arbeid te -surveilleeren. Toen kwam hij terug bij Rencke, die huiverend het kleine -troepje, dat hem gepasseerd was, nazag. - -„Kom mee in huis,” zeide hij. „Je bent geschrokken, denk ik. Neem een -paitje; [55] ’t is toch bijna tijd. Weet je wat een bof is? Dat jij -niet ook op dien boom stond.” - -Rencke gaf geen antwoord, zijn tanden klapperden tegen het glas. - -„Kom, je moet je zoo beroerd niet maken,” raadde hem Korman. „Er -gebeurt wel eens meer een ongeluk. Als je niet nog zoo kort hier was, -zou ik je een standje maken dat je al dat volk uit de tuinen hebt laten -gaan, maar nu.... soedah! En wat wed je nu—we hadden het er laatst -over—dat die tuin, eer de zon ondergaat, zijn naam heeft?” - -„Podrono!” zeide Rencke plechtig. - -De weduwe van Podrono.... - -Zij had een braven man verloren, die goed voor haar was, haar nooit -sloeg, om wiens grappen zij altijd moest lachen, en met wien zij een -heel jaar lang getrouwd was geweest. - -.... weende eenige dagen en nachten. De medebewoners van het huis -dachten dat zij gek zou worden van smart. Reeds tweemaal had zij een -zenuwtoeval gekregen en gevraagd om ketjoebong. [56] In plaats daarvan -gingen de buren medicijn vragen bij Korman. - -„Ga maar eens naar de meid kijken,” zeide deze tot Rencke. „Neem de -flesch met castorolie mee, en geef haar om te beginnen een flinke -dosis. Hier is ze. Neen heusch,” ging hij voort toen Rencke hem gek -aankeek; „ik meen het; als die lui wat van dien aard door ’t hoofd -spookt, vergeten zij hun heiligste plichten.” - -Rencke ging en paste de voorgeschreven geneeswijze toe, die wonderen -deed. Den volgenden dag was het vrouwtje veel bedaarder, en een week -later weer geheel hersteld. - -In die week was veel gebeurd. - -Het huis van Korman, de definitieve administrateurswoning, was gereed -gekomen. Hoog gelegen op een daarvoor gemaakte uitkapping van de -bergglooiing, verhief het zich boven de kampong. Van uit de voorgalerij -had men het gezicht, tusschen twee uitloopers van den berg, tot in de -vlakte, ja tot zelfs op den naburigen berg, die als een groote molshoop -uit het groen der laaglanden verrees. Waar het oog toch ook wat wil, -was de plek goed gekozen. - -Eén ding was jammer, en wel dat alle boomen waren weggekapt en het huis -op een kale plek stond, en wel altijd zou blijven staan, daar de -onmiddellijke omgeving niet beplant werd, doch gereserveerd bleef voor -later aan te leggen établissement en droogbakken. Maar wie denkt daar -van te voren aan! Wie denkt er aan, dat het ook zaak ware op de -loengoers de boomen te laten staan, als zij er zijn, om zoodoende -windbrekers te hebben, die men er later, als de wind eenmaal vrij over -de naakte ruggen strijkt, met geen mogelijkheid meer op krijgt, tot men -na veel geld en moeite vermorst te hebben de loengoer-tuinen in -godsnaam maar afschrijft. - -Daarvoor moet men minstens eerst een koffieonderneming hebben -ontgonnen; en die dat gedaan heeft is òf rijk, òf heeft geen succes -gehad en krijgt derhalve geen administratie meer. - -In het nieuwe huis was oorspronkelijk een kamer voor Rencke bestemd -geweest, toen Korman plotseling van plan veranderde. De aanleiding -daartoe was een mededeeling, die Li hem gedaan had van een praatje dat -in de kampong had gecirculeerd. - -„Je weet waarschijnlijk,” was Korman begonnen, op een avond, terwijl -hij met Rencke aan de bittertafel zat, „dat ik indertijd een brief van -je vader heb gehad.” - -Rencke knikte toestemmend. - -„Daarin stonden een paar uitdrukkingen... hm! ik wil niet zeggen dat ze -mij een ongunstig denkbeeld van je gaven, maar... enfin, hij zeide dat -je nogal veel van de meisjes hield.” - -„Dat had Papa wel kunnen laten,” mopperde Rencke. „Hij is wat -ouderwetsch ziet u, en meent dat een jongmensch de oogen moet neerslaan -of stotteren als een dame voor hem staat. Ten minste hij scheen het -altijd af te keuren dat ik me wat vrij bewoog. Maar aan u had hij -waarachtig niet behoeven te schrijven... hier zou ik mij, al wilde ik, -moeielijk kunnen bezondigen. Er zijn geen dames!” - -„Behalve in de pépinières, hé?” zeide Korman, terwijl Rencke bloedrood -werd. „Ja, ja, vriendje, we zijn hier in Indië, te midden van een -bevolking die in dergelijke zaken weinig of geen geheimhouding -betracht. Maar,” vervolgde hij, „waar ik eigenlijk op komen wou is dit. -Ik heb wel het verzoek van je oude heer gekregen om zoo’n beetje voor -Mentor te spelen, doch ik ben geen oogenblik van plan dat te doen. In -mijn positie als administrateur echter, moet ik je instantelijk -verzoeken hier op het land van de vrouwen af te blijven; je krijgt er -zelf te avond of morgen moeite mee, en ik door jou. Weet je wat, neem -een huishoudster.” - -„Daar heb ik wel ooren naar,” zeide Rencke; „maar als de oude heer het -hoort....” - -„Onzin! Ik zal ’t hem niet aan zijn neus hangen, en jij natuurlijk nog -minder. Hoort hij het van de buitenwacht... welnu, dan zeg je òf dat -het niet waar is, òf dat je in de binnenlanden niet anders kan.” - -„De groote moeielijkheid zit hem in de manier er een te krijgen,” -meende Rencke. - -„O, dat is niets. Kijk maar eens rond; hier, of in de stad... er is wel -wat te vinden. Wie hebben we daar?” - -De laatste vraag gold eene donkere gestalte die in de deur was komen -zitten. Het was de weduwe van Podrono, die kwam vertellen dat zij -voornemens was den volgenden morgen te vertrekken, en thans vroeg om -het door haar overleden man verdiende salaris, teneinde reisgeld te -hebben. - -Terwijl zij sprak met den gebruikelijken omhaal van woorden, die een -welopgevoede javaansche ter harer beschikking heeft, had Korman haar -nauwlettend opgenomen, meer bezig met een gedachte die hem beving, dan -luisterend naar het verzoek van het jonge vrouwtje. - -„Kijk deze eens aan,” zeide hij tot Rencke. „Hoe denk je er over? Ze is -zindelijk en handig, spreekt een beetje maleisch naar ik meen, en wat -haar voorkomen aangaat zou je het moeielijk beter kunnen treffen.” - -„Watblief?” vroeg Rencke verbaasd. „U meent toch niet... haar man is -immers nauwelijks begraven, en het verdriet....” - -„Och wat,” viel Korman hem in de rede.... „De vraag is of je wilt of -niet.” - -„Ik wel, maar....” - -„Dan is het goed.—Ga maar naar achter,” gelastte Korman de bezoekster. -„We zullen de rekening van dat salaris dadelijk opmaken.—Li!” en toen -deze gekomen was: „Praat eens met de vrouw van Podrono. Ze moest maar -huishoudster worden bij meneer Rencke.” - -Met een knikje van instemming vertrok Li om aan de gegeven opdracht te -voldoen. - -„Ziezoo,” zeide Korman; „schenk jij nu nog eens in, en pikir [57] er -niet langer over; Li zal dat zaakje wel klaarspelen.” - -„Het zou me zeer verwonderen,” zeide Rencke, „na al wat ik van dat -vrouwtje in de laatste dagen gezien heb. Ze was daarvoor te diep -getroffen door haar verlies.” - -„Ik heb nogal vertrouwen in de werking van de castorolie,” antwoordde -Korman. „Wat wed je.... hier, ’n ringgit! [58] Zet je er een tegen?” - -„Mij wel,” zeide Rencke, die waar het een weddingschap gold, niet onder -wou doen. - -Het duurde heel lang eer Li terugkwam. Doch toen zij om het hoekje van -de deur verscheen, streek Korman doodbedaard de twee rijksdaalders op, -die op de tafel lagen, en stak ze in den zak van zijn kabaja. - -„Zij zegt dat zij erg dom is,” rapporteerde Li, „en bang dat zij aan -meneer Rencke niet zal voldoen; maar als meneer daar niet tegen opziet, -dan wil zij zich wel bedenken, tot morgen. Intusschen zou zij gaarne -het geld hebben dat Podrono heeft verdiend, want er is een soedara [59] -van haar hier, dien zij nu maar vooruit wil zenden naar de dessa.” - -„Ik ben mijn ringgit kwijt,” zeide Rencke, toen Korman hem Li’s woorden -had uitgelegd. „Maar ’t is sterk!” - -Den dag daarna verhuisde Korman naar zijn nieuwe woning, welk feit -behoorlijk bezegeld werd met een slamatan en een tandak-partij, waartoe -expresselijk een anklong [60] met bijbehooren was ontboden uit de -dessa, waar de assistent-wedhono zetelde. - -In dien tijd had ook de weduwe van Podrono zich bedacht, met dien -gevolge dat zij, met een paar van Li geleende muiltjes en een gebreide -shawl, haar toewan vergezelde, toen deze naar het tandakken ging -kijken, iets wat Rencke voor ’t eerst van zijn leven aanschouwde. - -De indruk dien hij er van kreeg was niet precies een gunstige. -Natuurlijk had hij de „Duizend en één nacht” gelezen, en de oostersche -bajadères die hij zich daarbij gedacht had, kwamen in ’t geheel niet -overeen met de krijschende vrouwspersonen die hij hier zag dansen. -Dansen! godbetert, hoe durven ze dat dansen noemen. In de rookerige -koelie-loods was in ’t midden een groote mat gespreid over den aarden -vloer. Waarvoor eigenlijk? Tegen het vuil-worden der voeten? Daar was -het waarachtig niet voor noodig, want die... bah! Het speet Rencke dat -hij niet schilderen kon, om in kleuren weer te geven waarnaar hij -liever niet lang keek, en met het opschrift: „het voetje van een -bajadère” ter ontgoocheling aan zijn hollandsche vrienden te zenden. - -De zoogenaamde gracieuse bewegingen van het lenige lichaam vond Rencke -eenvoudig ongracieus en leelijk, en het eenige wat hem een minder -streng oordeel deed vellen over de arme tandak-meid, dan misschien -anders het geval ware geweest, was dat zij den goeden smaak toonde van -de punt van de slendang [61] voor den mond te houden als zij dien -opendeed om te.... zingen. - -Neen, nu niet en later niet, toen hij gezien had wat voor het beste -doorging op dit gebied, kon Rencke behagen vinden in javaansche -danskunst, en hij vond al wat daaromtrent geschreven of verteld werd, -gewoon opsnijderij. - -„Je moet maar eens goed toezien,” zeide hem Korman, die mede acte de -présence maakte, „want bij grootere gelegenheden, als de Regent eens -komt of zoo, moeten we er zelf aan meedoen; en dan staat het altijd -beter als je het kunt.” - -Toen ging Rencke een huivering door de leden. Nooit zou hij dat met -genoegen doen, nooit zou hij zich moeite geven om op te sporen wat er -voor schoons in gelegen was, naar de opvatting van het volk, dat met -gespannen aandacht elke beweging volgde en de tandakkende mannen -goedkeurend toemompelde als zij het er goed hadden afgebracht. - -„Als overmorgen de controleur komt, gebeurt het dan ook?” vroeg Rencke. - -„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Korman wien de herinnering aan dit -aanstaande bezoek de wenkbrauwen deed samentrekken. - -Een koelie van Donowarie had dien middag het briefje gebracht, waarin -Messner schreef dat de controleur bij hem was gekomen, en, zijn -terugtocht over Watoeombo doende, aldaar tegen de rijsttafel zou -aankomen. - -Daar kwam het weer, het gevaar van ontdekking! Zou Messner meekomen? -Natuurlijk. En blijven, met Li spreken, hooren hoe deze of gene haar -als nonja aansprak, vermoedens krijgen....? Wat al vragen en even -zooveel angsten! Want Korman zat er leelijk in. - -Het liep beter af dan hij gedacht of gehoopt had. Eerstens kwamen zij -laat en had de controleur haast; ten tweede ging Messner mee door. -Zoodoende had hij niet meer dan een oogenblik tijd om Li te begroeten. - -Rencke ziende, nam hij Korman even ter zijde, en informeerde of er van -dien kant geen gevaar bestond, doch was spoedig gerust gesteld toen hij -vernam dat de opzichter reeds „voorzien” was. - -Met een zucht van verlossing zag Korman de beide heeren vertrekken. - -„Een bijzonder aangenaam mensch, die meneer Messner,” merkte Rencke op. - -„Vind je niet?” zeide Korman. „We hebben samen heel wat doorgemaakt.” - -„Dat hoor ik. Nu, zoodra u mij eens verlof wilt geven zal ik voldoen -aan de uitnoodiging die meneer Messner mij deed, om een dag ten zijnent -te komen doorbrengen.” - -„Na het planten,” zeide Korman. „Dan kun je zoolang verlof krijgen als -je wilt.” - -De employé boog. Wanneer die tijd kwam wist hij niet, doch hij wilde -het nu niet vragen, om den schijn te vermijden van onbescheidenheid. - -„Jawel!” dacht Korman. „Hij er heen, en in zijn onnoozelheid alles -uitflappen!” - -De heele zaak hinderde hem intusschen geweldig. Nu Messner vertrokken -was, bedacht hij dat hij eigenlijk een groote stommerik geweest was, -door zijn verhouding tot Li niet juist heden aan het licht te hebben -gebracht. In tegenwoordigheid van den controleur, omstraald door de -heerlijkheid van het B. B. zou Messner toch niets hebben durven zeggen; -en als hij er later op terugkwam, och, dan was het al weer zooveel tijd -geleden! - -Het had Li’s gedachten ook beziggehouden. - -„Toen papa Messner naar achter kwam,” zeide zij ’s avonds, „dacht ik: -nu komt het, en nu zal hij zeker probeeren mij weg te halen. Maar Papa -zei alleen: „Dag Li, ada baik?” [62] en gaf mij een kus. Toen ging hij -naar voren. Gelukkig dat Zus er niet bij was, want die had het zeker -gezien.” - -„Gezien?” herhaalde Korman.... - -Li stond aan den uitersten rand der voorgalerij, draaide op de hakken -harer slofjes, zich vasthoudend aan het touw van een der zeilen. Zij -had het hoofd afgewend, starende naar de wazige grenslijnen der donkere -boommassa’s aan den overkant van de kalie. De vraag van Korman had zij -voorzien, ja uitgelokt; en haar geheele houding, rechtop, in het volle -lamplicht, plastisch geteekend op den donkeren achtergrond, gaf het -antwoord. - -Alsof een muskiet hem door de zitting van zijn stoel heen gestoken had, -sprong Korman op. Li wendde zich om, en hem te gemoet tredende, sloeg -zij haar armen om zijn hals, opziende met een mengeling van geluk en -vrees. - -Li was een mooi meisje, maar zóó mooi had hij haar nog nooit gezien. De -vloek die hem op de lippen zweefde, werd ingehouden, en zacht -verwijtend klonk zijn stem: „Waarom dat niet eer gezegd?” - -„Kokki zei dat heeren blanda’s [63] dit niet graag hebben, want dat ze -dan ongeduldig zijn.... en ik wou heelemaal een vrouwtje zijn naar -Papa’s zin.” - -„De kokki is gek,” verklaarde Korman. - -Messner had niets gezien en niets gemerkt. En toch, toen hij thuis zat, -en de inspanning, om den controleur bezig te houden, zich opgelost had -in een gevoel van rust en voldaanheid, trad het korte bezoek op -Watoeombo weer in zijn herinnering naar voren. Zus ondervroeg hem, en -hij had zoo weinig te vertellen dat hij er zelf eigenlijk niet mee -tevreden was, en zijn geheugen pijnigde om nog wat te vinden. De -stoelen hadden zóó gestaan... de kleur van de hanglamp... het gezicht -van den bediende... - -„Ze lieten den staljongen aan tafel dienen, Zus,” deelde hij mee. - -Zus had daar een aanmerking op, die hij echter niet hoorde, daar hij -voortging met denken. Hij had dien staljongen gevraagd waar de „nonna” -[64] was... de vent had geantwoord... hé ja, hoe herinnerde hij zich -dat antwoord!... dat de „’doro [65] nonja” in de keuken was. - -Nonja! Dat is de titel van een getrouwde chineesche vrouw... wat een -stomme vent, die staljongen! Hij deelde het Zus mee, bijwijze van -aardigheid. Maar Zus vond het blijkbaar geen aardigheid; zij had geen -inlandsch bloed in de aderen moeten hebben om niet dadelijk een -verdenking op te vatten.... - -„Messner,” zeide zij voor hem gaande staan. „Messner, je bent dom; nog -dommer dan die staljongen. Allah,” vervolgde zij zenuwachtig; „die -staljongen praat maar na wat hij hoort; en als iedereen haar „nonja” -noemt.... Messner, dat is niet goed. Je moet vragen, onderzoeken, -iemand sturen.” - -„Dat is niet noodig,” zeide hij, wijzende op het pad dat zijwaarts -voorbij hun huis liep. „Kijk, daar komt een transport bibit.—Hei! -Waarheen?” - -„Naar Watoeombo, mijnheer,” antwoordde een oude vrouw die in de -voorhoede liep. Gewenkt door Messner kwam zij nader. - -„Wie zoekt de bibit uit?” vroeg hij. - -„De nonja en de toewan ziender,” [66] antwoordde het mensch, terwijl -Messner een stomp in den schouder voelde van Zus. - -„Is de nonja de vrouw van den toewan besaar?” - -Ja juist, die bedoelde zij; een andere nonja was er niet. Messner moest -haar nader uitleggen wat hij meende, en toen verklaarde de oude vrouw -dat zij niet beter wist of het was zoo, maar zij wilde, als meneer het -gelastte, wel eens nader informeeren. - -„Dat is goed,” zeide Messner. „Kom vanavond hier even aan. En.... je -bent al een vrouw op leeftijd, niet waar; die praat niet meer dan -noodig is, en vertelt haar geheimen niet rond als een jonge deern.” - -„Ziezoo,” ging hij voort toen de vrouw vertrokken was; „nu ben je -tevreden Zus, hoop ik. Maar ik ben zeker dat je je vergist; ik kan het -van Korman niet denken.” - -’s Avonds dacht hij het echter wel. Zus huilde van woede en zong een -schimp-litanie aan ’t adres van Korman, waar Messner, hoewel bedaarder, -volkomen mee instemde. Zij spraken af, er den volgenden morgen samen -heen te gaan en Li terug te halen. - -Bij nadere overdenking begreep Messner dat zij dit laatste, nu de zaak -toch eenmaal zoo stond, misschien beter niet deden; maar er was met Zus -geen praten, dus hield hij het voor zich. - -Korman zat te werken in zijn kantoortje. Nu hij Rencke had, en deze met -den dag vooruitging in het vak, achtte hij het onnoodig zoo dikwijls -naar het werk te gaan. Hij deed nu ’s middags zijn dutje, en ’s morgens -knoeide hij zoo’n beetje aan zijn administratie. Volgens zijn eigen -opvatting deed hij die keurig netjes, maar op Soerabaja werd er, -telkens als de post een stuk ervan aanbracht, door den ouden Benoit en -diens boekhouder hartelijk om gelachen. - -Na een langdurige studie in een dik boek over het boekhouden, was hem -een flauw licht opgegaan over wat men verstaat onder „boek-hoofden.” -Doch hoe hij die moest vormen was hem niet duidelijk. In het model -stonden: Emil Herz te Hamburg, Joseph Meier te Kopenhagen, en zoo -voort; dus: iedere naam in zaken vertegenwoordigde een grootboekhoofd. -Dientengevolge gaf hij er een aan Benoit, aan zich zelf, aan Rencke, ja -zelfs aan den chinees die zijn boodschappen in de stad deed en zich -agent noemde. Dan had hij: huizen bouwen, terrassen maken, bibitkoopen, -beddingen en nog veel meer, alles grootboekhoofden! een ingewikkelde -geschiedenis, die hem vrij wat moeite bezorgde eer alles „klopte.” - -Te midden eener lange recapitulatie over de laatste betaling, werd hij -gestoord door naderende hoefslagen. Buiten komende zag hij tot zijn -schrik: voorop Zus, à la duchesse de Berry op een inlandsch paard, en -daarachter Messner. Zus sprong er af, liep de drie treden van de -voorgaanderij op, duwde hem opzij en liep met een strak gezicht naar -achter. - -Messner was minder vlug. Afgestegen, wachtte hij tot er een staljongen -was toegeschoten om de paarden vast te houden. Toen ging hij langzaam -naar binnen en stelde zich op tegenover Korman, wiens blik in de ledige -ruimte dwaalde. - -Juist wilde hij beginnen te spreken, want hij zag wel dat hij niets -meer behoefde te vragen, toen een geweldig rumoer beider aandacht -afleidde. Het was Zus, die Li aan een arm had genomen en haar voorttrok -onder een bandjir [67] van woorden in de hoogste faussettonen. - -„Bangsat!” [68] siste zij Korman naderende; en Li loslatende, riep zij -Messner toe: „Die rakkersche meid is al zwanger!” - -Toen kreeg Korman wat te hooren! Zus had een langen adem, en zij deed -haar best; doch juist dit was haar noodlottig, want Korman had tijd van -de verrassing te bekomen. Li had hem met haar groote zwarte oogen als -om hulp smeekend aangezien, en hij voelde dat hier een daad van moed -van hem verwacht werd. Geen moed bezittende, en zich ten sterkste -bewust van zijn schuld en zijn minderheid, brak hij door dat alles heen -tot dollen overmoed. - -Zus was perplex. Zóó was haar nog nooit de les gelezen, zóó’n katje had -zij nog nimmer gehad; en dat van Korman, in presentie van haar... man! - -Li daarentegen was opgefleurd. In één bewondering was zij naast Korman -gaan staan en had zijn hand gegrepen. Met fonkelende oogen zag zij haar -zuster aan, gereed om, als Korman ophield, er het hare bij te voegen. - -Doch dat was niet noodig. Messner maakte een eind aan het standje door -beide vrouwen naar achter te zenden. Toen wendde hij zich tot Korman. -Hij bracht dezen zijn onwaardig gedrag onder het oog, naar welk -gedeelte zijner redevoering door Korman nagenoeg niet geluisterd werd. -Voorts deelde hij Korman mede dat hij van zijn plan om Li mede te nemen -was teruggekomen, en wel vanwege de positie waarin het meisje -verkeerde, doch dat hij hierbij één voorwaarde stelde, namelijk dat -Korman dit en eventueel volgende kinderen zou doen wettigen. - -„Want anders,” eindigde hij, „kom ik weer hier en haal haar weg; bij -God, dat zou ik. En je moogt daareven Zus gebluft hebben, mij zou je -dat niet kunnen.” - -Dat wist Korman ook, en dus gaf hij zijn woord dat hij aan de door -Messner gestelde voorwaarde zou voldoen. - -Gemakkelijker dan hij gedacht had, gelukte het Messner om Zus te -overreden zich bij het feit, zooals dat was, neer te leggen, waartoe de -vrees voor een tweede standje waarschijnlijk sterk meewerkte. - -De vriendschap scheen geheel hersteld toen Messner en Zus afscheid -namen na de rijsttafel. Blijven overnachten en het werk rondgaan, -zooals Korman voorstelde, wilde Messner echter niet. - -„Een andere keer,” zeide hij. „Vandaag ben ik niet in een stemming om -lang bij je te kunnen zijn.” - -Op zekeren dag gingen Korman en Rencke naar de tuinen. Reeds sedert een -week hadden zich rondom den hoogsten top van het gebergte wolkjes -genesteld; een teeken dat er regen in aantocht was, doch er was nog -geen enkele bui gevallen. - -Plotseling ontstond er een mist; het was alsof een der wolken van boven -naar omlaag gegleden was. De beide europeanen konden het werkvolk niet -meer zien, dat op de helling tegenover hen bezig was. - -„Djawoeh!” klonk het klagend en langgerekt, en van een anderen kant, -als ware het de echo: „Bawoeh!” - -„Wat een lugubre geluid is dat,” zeide Rencke. „Mijn jongste zusje zou -zeggen: ik vind het eng. Wat beteekent het?” - -„Djawoeh is regen,” antwoordde Korman. „En het andere is een soort van -weerslag. Verder beteekent het, dat we ’t best doen om maar -onmiddellijk naar huis te gaan, als we niet kletsnat willen worden.” - -Nauwelijks waren zij in Korman’s woning of het begon, eerst in groote -droppels die als hagelsteenen klonken op het gegalvaniseerd ijzeren -dak, en toen de volle regen, die een oningewijde op het denkbeeld moest -brengen dat de heele rommel straks naar beneden zou komen. - -„Een practische dakbedekking,” schreeuwde Rencke, luider dan hij aan -boord ooit een commando had gegeven, terwijl Korman zich vergenoegde -met glimlachend te knikken. - -„Morgen de bedekking van de beddingen wat dunnen,” zeide hij, zoodra er -kans bestond het geweld van den regen te overstemmen. „Denk er aan -daarvoor een stuk of twintig koelies te geven. En ga zelf mee, want -anders laten ze te veel alang-alang naar beneden vallen op de -plantjes.” - -De bui werd weldra door meerdere gevolgd; en na een afwisseling van -regen en onweer, kwam het eerste zachte morgenregentje, den -definitieven inval van den Westmoesson aankondigende. - -„Heerlijk plantweer vandaag!” zeide Korman even vóór het begin van de -rol bij Rencke binnenstappende. - -„Weer een nieuwtje voor mij,” antwoordde deze. „Hoe moet het gebeuren?” - -„Poeterans maken, een gat slaan met den patjol en planten,” expliceerde -de chef. - -Rencke trok de schouders op. Hij zag in dat hij dit werk weer zou -moeten leeren als al het vorige: toezien en volgens zijn beste weten -handelen; van Korman kreeg hij niet anders dan antwoorden die hem al -even wijs lieten als te voren. Deze bepaalde er zich toe alleen dan in -te grijpen, als hij vreesde dat zonder dit de boel misliep, zooals nu, -daar Rencke, niet wetende wat er gedaan moest worden, het volk niet kon -indeelen. - -Heksenwerk was het niet; zelfs het poeterans maken was al zoo eenvoudig -als iets. De grond tusschen de plantjes op de pépinières werd eerst -vastgetrapt; dan werden er de koffieplanten uitgestoken met een kluit -aarde er aan, die vervolgens met de arit werd gefatsoeneerd tot een -cilinder; eindelijk werd het geheel op een pisang-blad gezet en -ingewikkeld. Aan het touwtje waarmee het blad werd toegebonden—een -bamboe-touwtje—werden lange einden gelaten, om het straks op den -pikoelan [69] te kunnen bevestigen. - -Teneinde zich op de hoogte te stellen van de dikte of lengte die voor -den poeteran vereischt werd, offerde Rencke een plantje op, dat hij -uittrok om te zien hoever de wortels reikten. Hij zag de koelies den -penwortel, waar deze onder den poeteran uitstak, afbreken; dit was het -eenige waarover hij straks om inlichting vragen moest. - -Het planten... men wist in dien tijd nog niet van de moderne -plantkuilen, hetgeen de koffie zeer ten goede kwam. In den plantkuil -toch, die liefst een jaar te voren wordt gemaakt, om den grond te laten -„verzuren” naar het heet, doch waardoor de binnenwanden als steen -verharden, staat het plantje als in een bloempot; en tenzij later de -koelies behoorlijk dicht onder den boom patjollen, en de wortels -vrijheid verschaffen, stuiten deze overal, en krommen zich, tot de -plant, na al het voedsel in den kuil te hebben verteerd, van gebrek -doodgaat. Dikwerf ook rotten de wortels, daar het water in den kuil -niet weg kan. - -Rencke vond maar één ding vervelend, en dat was de regen, die nu -zachter dan harder viel, en waartegen een pajong [70] geen voldoende -beschutting aanbood zoodra men over de terrassen liep. Hij was derhalve -erg blij toen het tegen den middag opklaarde. - -Bij de tuinen waar geplant werd, had Korman zoogenaamde gardoe’s laten -bouwen. Het waren alang-alang daken op zes stijlen, met een wand aan de -windzijde. Zij dienden om de bibit te beveiligen tegen plotselinge -stortregens, die anders van de poeterans al heel gauw een modderpapje -zouden gemaakt hebben. Met de aan dit soort van werk eigen vlugheid -stonden de gardoe’s reeds, toen de eerste bezending poeterans aankwam. - -Op het middaguur thuiskomende vond Rencke zijn chef bezig met iets wat -hij in de verte aanzag voor gooien met stokken, doch nabijgekomen -vernam „uitzoeken van dadap-stekken” te zijn. Deze stekken waren door -javanen uit de dichtstbijliggende dessa’s aangebracht; stuk voor stuk -werden zij nagezien, en al wat te dun of te droog was zoover mogelijk -weggeslingerd. Dit laatste, zoo legde Korman uit, om te voorkomen dat -zij ten tweeden male werden aangeboden. Na den middag werden de stekken -aangepunt en naar de tuinen gebracht, om daar, één bij elke twee -koffieplantjes, in den grond te worden gestoken. De dadap, die snel -opgroeit, wordt nog steeds beschouwd als de beste schaduwboom te zijn. - -De afwisseling in het werk deed Rencke genoegen, hoewel het meer van -hem vergde. Het was hoognoodig dat hij den geheelen dag bij het planten -stond, om op te passen dat dit behoorlijk geschiedde; en toen men -verder en verder van huis werkte, moest hij ’s middags zijn eten in de -tuinen laten brengen, teneinde zoo min mogelijk tijd te verzuimen. Kwam -hij dan ’s avonds thuis, doodmoe en meestal met natte kleeren, dan had -hij weinig lust nog naar de administrateurswoning te gaan, doch vond -het gezellig als Korman bij hem zijn bittertje kwam drinken. - -En de administrateur deed dat gaarne. Hij had in den laatsten tijd een -onderwerp, waarop hij telkens terugkwam als hij alleen was met Rencke: -de aanstaande bevalling van Li. Waar zij bij was, durfde hij het niet -uiten, doch haar jeugdige leeftijd boezemde hem groote ongerustheid in. -Hij had er over nagedacht haar naar de stad te brengen en door den -dokter te laten bijstaan, maar hij was daarvan teruggekomen. Er warde -iets door zijn hoofd van wetsbepalingen omtrent te jonge jaren, -verkrachting, en nog veel meer, en hij vreesde dat er misschien lieden -zouden zijn die zich ongeroepen met het geval bemoeiden. Aan den -anderen kant wantrouwde hij de oude vrouw, die zich doekoen noemde en -sedert een week in de bijgebouwen was gelogeerd. Wel vond hij bij -Rencke weinig troost, doch het was hem een behoefte er over te praten. - -„Is men gehouden,” vroeg Rencke eens, „de kinderen die men bij een -huishoudster krijgt, te adopteeren?” - -„Zeker niet,” antwoordde Korman. „Ik doe het, zieje. Ten eerste is Li -van kind af bij ons geweest, en.... och, er zijn verscheiden redenen. -Maar anders, neen; de meesten sturen hun ménagère weg als zij in -positie komt.” - -„Zooals in Holland ’n maîtresse.” - -„Ongeveer; hoewel er daar niets vóór te zeggen valt.” - -„Hier dan wel?” vroeg Rencke. „Hoe rekent u dat uit?” - -„Dat zal ik je vertellen,” zeide Korman, zijn ledig glaasje naar het -blad toeschuivend. „Een hollandsch kind, door zijn vader erkend, komt -ginds op de hem toekomende plaats in de maatschappij, en behoeft voor -niemand achter te staan. Alles wat aan hem in opvoeding wordt ten koste -gelegd is positieve winst, en als hij een en ander derven moet, kan men -gerust zeggen, dat het hem op een gemeene manier onthouden is.” - -„Logisch en waar,” merkte Rencke op; „doch dat geldt mijns inziens hier -even goed.” - -„Neen. Dat geldt hier alleen dàn wanneer de vader in staat is het kind -een supérieure opvoeding te geven, òf een fortuin na te laten. Kan hij -dat niet, dan is het voor het kind tienmaal gelukkiger niet erkend te -worden en inlander te blijven, dan zoo’n stakker van een arme sinjo te -zijn, die overal moet achterstaan; met te weinig geld en opvoeding om -’n heer te zijn, en te veel verbeelding van zijn stand om met -handenwerk zijn brood te verdienen. Geloof me, ik heb families ontmoet -waarvan, door een toeval of verzuim, een deel der kinderen niet erkend -was. En dan waren de inlanders altijd gelukkiger dan hun zoogenaamde -europeesche broers; ja, ik heb het zelfs gezien dat de laatsten door de -eersten werden onderhouden!” - -„Ja, als dat zoo is, dan heeft u gelijk,” zeide Rencke. „Beter een -tevreden inlander dan een ontevreden europeaan. En... niet ieder kan -zijn wilde kinderen bij zijn familie introduceeren.” - -„Dat hangt er van af of je geld hebt,” zeide Korman. „Ik weet niet of -er landen bestaan waar men rijke menschen veel durft zeggen, doch in -Holland is dit niet het geval.” - -„U schijnt geen hoog denkbeeld te hebben van de maatschappij in ons -vaderland.” - -„Een heel laag! Herinner je je dien ouden jonkheer van Crooswijk?” - -„Zeker,” zeide Rencke. „Als kinderen gingen we hem altijd feliciteeren, -op nieuwjaar en op zijn verjaardag. We kregen dan geregeld iets voor -onzen spaarpot. En des zomers kwam er zonder mankeeren een boodschap: -of de jongejuffrouwen en de jongeheer lust hadden met den jonker naar -de Grebbe te toeren.” - -„Dezelfde. Nu, ik moest indertijd, bij het afscheidnemen, beloven de -correspondentie met hem aan te houden. Ik heb het trouw volgehouden; en -waarom? Hij antwoordde geregeld en vulde zijn brieven aan met chronique -scandaleuse, die ik, toen althans, gretig las. Ik heb zijn brieven nog -liggen, ze maken een curieuze verzameling uit! En als ik soms hier eens -gewetenskneepjes voel over het zoogenaamde immoreele leven in de Oost, -dan sla ik dien bundel nog eens op, om bij den derden of vierden brief -al uit te roepen: Ik dank u Heer, en zoo voort.” - -„Leest u in den laatsten tijd veel in die brieven?” vroeg Rencke -ondeugend. - -„Loop naar de pomp!” zeide Korman, zijns ondanks lachend. „Jij hebt -goed spotten; ik wou dat je er zelf eens zoo voor zat.” - -„Dat zal niet licht gebeuren,” antwoordde Rencke. „Ik zal bij -voorkomende gelegenheid van uw wijze lessen gebruik maken.” - -Wie zich het minst ongerust maakte was Li. Zij was blij met wat haar de -bevestiging toescheen van den band die haar met Korman vereenigde, en -trotsch op het geval zelf. Meer dan vroeger wandelde zij ’s avonds den -breeden weg op en neer, waarlangs het steeds toenemend getal -„opgezetenen” zich huisjes had gebouwd; en het gelukkigst was zij -wanneer Saminah, de huishoudster van Rencke, ex-weduwe Podrono, haar -onverholen meedeelde dat zij haar benijdde. - -Zij liet zich de zorg waarmee Korman haar behandelde welgevallen, die -beschouwende als een haar rechtmatig toekomende hulde. Alleen speet het -haar dat Zus niet eens kwam kijken. Zij had haar een boodschap -gezonden, maar Zus had terug laten zeggen dat zij geen tijd had. - -„Kassian,” zeide Li; „zij heeft altijd verlangd naar een kindje, en -Papa Messner ook. En nu krijg ik het nog vóór haar!” - -„Ik wou dat het er al was,” bromde Korman. - -„Alles moet zijn tijd hebben,” zeide Li, zijn ongeduld aan heel andere -oorzaken toeschrijvende. - -Onder de minst aangename werkzaamheden op een koffieland behoort -ongetwijfeld het geldtellen. Als ’s avonds de plajangan aankomt met -twee witte zakken op zijn picol-paard [71] en begeleid door een -gewapenden mandoer, dan weet iedereen dat de volgende morgen dat werkje -meebrengt, en hoopt maar dat het „plezierig” geld zal zijn. Want de -remise uit Soerabaja wordt eer zij naar de onderneming gaat, in de stad -gewisseld door den opiumpachter, die natuurlijk geeft zooals hij het -heeft liggen; soms met veel rijksdaalders en guldens—en dat is -plezierig geld—maar ook dikwijls met voor ’t grootste deel kwartjes en -dubbeltjes òf... en dat is het algemeenste!.... duiten. - -Dan kan men zich aan ’n duizend gulden of vijf, zes de vingers moe -tellen, om niet te spreken van het feit dat het nooit wil uitkomen, en -men zich blind staart om te ontdekken waar er maar vier geldstukken op -een worp liggen, of zes, in plaats van de vereischte vijf. - -Op zulk een morgen moet alles wat tellen kan meehelpen. - -Korman vergat ditmaal zijn bezorgdheid voor Li, en deze telde ouder -gewoonte dapper mee, lachend om Rencke die den slag nog maar niet kon -beetkrijgen, niettegenstaande hij al zoo dikwijls had meegedaan. - -Het liep tegen tien uur eer men klaar was. Rencke ging dadelijk na -afloop naar het werk, en Korman bracht de geldzakken, elk van vijftig -gulden—voor het gemakkelijk uitgeven—in zijn kantoor en in de -brandkast. Daarna ging hij op zijn gewone omslachtige manier aan het -inboeken. - -Li was naar de slaapkamer gegaan om haar handen te wasschen. Zij had -haar kabaja uitgedaan, en plaste met genot in de waschkom. Geld heeft -namelijk de eigenschap om iemand een gevoel van vuil-zijn te bezorgen, -dat zich veel verder uitstrekt dan de werkelijk bevuilde gedeelten, -doch daarentegen weer verdwijnt als men zich die gedeelten reinigt. - -Plotseling werd het haar wee om het hart. Ze had nauwelijks kracht om -haar handen af te drogen en naar het bed te wankelen. - -„Nèk!” [72] riep ze, zich steunend tegen den rand van de matras, -machteloos zich op te hijschen. - -Er was gedurende eenige oogenblikken wat opschudding in het achterhuis, -doch toen werd alles stil. Met de kalme zekerheid van iemand die dat -werk al dikwijls verricht heeft, en betrekkelijk onverschillig is -omtrent den afloop, althans niet vatbaar voor eenige zenuwaandoening, -hielp de oude doekoen. - -Korman was gereed met zijn inboeking. Hij ging naar het venster en -bekeek de strakke grauwe lucht. Het zag er niet uit alsof er vóór den -middag nog regen zou komen, dus kon hij wel eens naar de tuinen gaan. -Drie, viermaal moest hij roepen eer hij antwoord kreeg, en toen was het -de staljongen die om den hoek van het achterhuis naar het venster kwam. - -„Laat een glas water brengen, en zadel den zwarte,” gebood Korman. - -De staljongen scheen te aarzelen.... - -„Ajo, Gévédé!” - -Ook al goed, dacht de staljongen, en naar achter schreeuwende dat -meneer water wilde hebben, ging hij naar de gedogans om den zwarte op -te tuigen. - -Met een glas water op een blaadje kwam de huisjongen het kantoor -binnen. - -„Sampoen,” [73] zeide hij doodbedaard. - -„Wat?” vroeg Korman, het glas opnemende. - -„Het kind van mijnheer,” was het antwoord. - -Glas en inhoud kwamen den jongen in ’t gelaat... Wat is dat nu? vroeg -hij zich af, de scherven oprapende. Rare lui, die europeanen... eerst -zijn ze er niet bij als hun vrouw bevalt en dan, als het kind er is, -doen ze alsof zij dronken zijn.... - -Met vaart was Korman de kamer binnengevlogen, en vond daar alles in de -beste orde afgeloopen. Li lag, licht gedekt en stevig ingespeld, op het -groote ledikant met een uitdrukking van voldoening toe te zien op -hetgeen er met de jonggeborene geschiedde, die met vereende krachten -van doekoen en kokki tot een toonbaar menschenkind werd gemaakt. - -Zich voorzichtig over haar heenbuigende gaf Korman Li een kus, en zich -daarop tot de andere vrouwen wendende, verweet hij haar dat zij hem -niet geroepen hadden. - -De doekoen deed hem opmerken dat zij de nonja niet alleen had kunnen -laten; kokki had de doekoen moeten helpen, de huisjongen had kokki -moeten helpen, en de staljongen had water gehaald. - -Het kind was klaar en werd aan den vader getoond. - -„Gévédé, kleine deugniet, heb ik om jou zoo lang in de penarie -gezeten,” zeide Korman, de kleine op het dikke wangetje streelend. - -Dat was het welkom in het leven, Hendrika Korman door haar vader -toegeroepen! - -Want het was een meisje. Maar meisje of jongen, zijn eerstgeborene zou -naar zijn overleden vader gedoopt worden, had Korman bepaald, in de -stille hoop daarmee een groot gedeelte van het pleit te winnen dat hij -bij zijn moeder te bezorgen had, die, dat begreep hij, zijn „oostersch -huwelijk” ten zeerste zou afkeuren. - -De eerste dien Korman ontmoette toen hij de slaapkamer verliet, was de -huisjongen, die hem met een uitgestreken gezicht vertelde dat de zwarte -gezadeld was, en vóór stond. Een draai om de ooren was zijn loon. - -„Uitspannen,” beval Korman, in de voorgaanderij komende; doch toen de -staljongen met het paard halverwege den stal was, riep hij hem terug. - -Na een kort briefje te hebben geschreven gaf hij dit aan den -staljongen, hem gelastende te paard naar Donowarie te rijden en het den -heer Messner te overhandigen. - -Toen Rencke ’s avonds thuis kwam vernam hij het groote nieuws. Hij -verkleedde zich en ging naar de administrateurswoning om Korman te -feliciteeren. Tegelijk met hem arriveerde Zus. Zij had geen kracht -gehad zich langer boos te houden, en nu was zij gekomen om op Li te -passen en niet eer weg te gaan voor deze weer op de been was. - -Het planten was afgeloopen. Ruim honderdvijftig bouws stonden in den -grond, en niet zonder voldoening zond Korman dit bericht aan zijn -geldschieter. Deze was op zijn beurt ook tevreden, en schreef terug dat -hij Korman in overweging gaf het volgende jaar meer europeesch -personeel aan te stellen en zoo mogelijk de geheele duizend bouws aan -te planten. - -In de oudste tuinen was het onkruid al weder hoog opgeschoten. Hierin -werd nu begonnen de aarde met den patjol om te werken, welke bezigheid -men dangir noemt, en waarbij tevens de wortels van het onkruid uit den -grond verwijderd worden. De order luidde, dat de omwerking een voet -diep geschieden moest. - -De boschkappers gingen intusschen steeds voort met bouw na bouw tegen -den grond te leggen. Van een paar dikke stammen in de nabijheid van den -breeden steen aan de kalie, had Korman, door ze met den wadoeng [74] -ruw te laten bekappen, een stel brugliggers gemaakt. Na aan weerszijden -een met steenen aangevuld bruggehoofd te hebben opgeworpen, werden deze -leggers over de kalie gebracht. Dwars er over heen werden -bamboe-petong, de een naast de ander bevestigd en gedekt door een -sassak—vlechtwerk van bamboe—, terwijl een dubbele leuning het geheel -voltooide. Later, als men eens zagers kon krijgen, zou de sassak door -planken worden vervangen. - -„Als je soms trek hebt eens naar Donowarie te gaan, moet je het nu -doen,” zeide Korman op zekeren dag tot zijn employé. „Over een paar -weken moet er begonnen worden met soelammen; en daar moet je den -geheelen dag bij zijn.” - -„Heel graag,” antwoordde Rencke. „Moet ik belet laten vragen?” - -„Er gaat straks een koelie. Ik zal meneer Messner laten weten dat je -komt. Morgen dan?” - -„Ja, alsublieft. En... u noemde daareven de aanstaande werkzaamheid, -soe...” - -„Soelam? O, dat is de niet geslaagde bibit en dadap door nieuwe -vervangen.” - -„Dank u,” zeide Rencke, en naar huis gaande repeteerde hij het nieuw -geleerde woord, teneinde het voorgoed in zijn geheugen te prenten. - -Toch, hij had in de taal goede vorderingen gemaakt. Eenmaal het -maleisch machtig, behoefde hij niet meer te vreezen dat zijne orders -onbegrepen zouden blijven, want alle mandoers spraken deze lingua -franca van den N. I. archipel. Daarop was hij begonnen aan het -javaansch, hetwelk hij methodisch leerde. - -Ten eerste nam hij geen enkel woord op of hij liet het eerst voor zich -opschrijven, èn in het laag- èn in het hoog-javaansch. Hiermee bereikte -hij een dubbele uitkomst, te weten dat hij de woorden zuiver uitsprak, -en behoorlijke schifting hield tusschen de beide talen waaruit het -javaansch bestaat. Toen hij wat verder was, bemerkte hij heel goed dat -Korman dikwijls hoog-javaansche woorden gebruikte en weer andere -woorden zóó slecht uitsprak, dat enkel inlanders die aan hem gewoon -waren ze verstonden. - -Ten tweede oefende hij zich met zijn huishoudster in het spreken van -het hoog-javaansch, iets wat slechts weinige europeanen kunnen, omdat -er voor hen bijna geen gelegenheid bestaat het te doen. - -Eindelijk leerde hij ook schrijven, te beginnen met de -mandoers-boekjes, die hij in javaansche karakters bijhield. - -In den vroegen morgen reed Rencke de kampong uit. De levendige beweging -van den plongko, en het vooruitzicht van een paar aangename dagen te -zullen doorbrengen, gaven hem een hooggestemd gevoel. De beplante -tuinen doorrijdende—zijn werk!—zag hij met welgevallen neer op de -frissche bibit met haar teeder groen en lichtbruine topblaadjes; en hij -liet zijn verbeelding werken, het slechte pad herscheppende in een -gemakkelijken breeden weg, een gezelschap rondom zich tooverende, -bestaande uit geliefde figuren in Holland, aan wie hij alles uitlegde, -hij zelf chef van de onderneming, door allen bewonderd; tot hij hardop -iets zeide en schrikte van het geluid van zijn stem. - -Met een schok stond de plongko stil, en Rencke, nu geheel ontwaakt uit -zijn droomerij, hoorde een sterk geblaas en zag tegenover zich een -twintigtal honden. Het waren mooie beesten; geel, langharig, met -pluimstaarten en spitse koppen. Zonder zich rekenschap te geven van wat -hij deed, drukte Rencke zijn paard met de hakken. Trillend van angst -nam de plongko een geweldigen sprong vooruit. Op de honden had dit een -merkwaardigen invloed; zij lieten hun dreigende houding varen en slopen -naar links en rechts de tuinen in, om, toen Rencke gepasseerd was en in -vliegenden ren verder holde, hem een geblaas achterna te zenden als -waarmee zij hem daareven begroet hadden. - -Het is mogelijk dat er menschen zijn die van niets schrikken, die aan -geenerlei aandoening van zenuwen onderhevig zijn; doch in den regel zal -hij, die voor het eerst van zijn leven alleen staat tegenover een wild -dier, zich niet op zijn gemak gevoelen. Het hart klopt sneller; een -vreemd samentrekken der spieren doet het lichaam als ’t ware -verstijven; men wil wegloopen, maar kan niet: de beenen weigeren -eenvoudig den dienst. En niet zelden zal de jager die voor ’t eerst is -uitgegaan zijn anders wisse prooi laten voorbijgaan, zonder te -schieten; omdat hij niet durft. - -Bij europeanen is dat wellicht sterker dan bij inlanders. Maar is het -wonder? Reeds de kindermeid begint den hollandschen jongen met -weergalooze brutaliteit beschrijvingen te geven van wolven, tijgers, -leeuwen en wat al niet, die zij nooit van haar leven in hun werkelijken -staat zag. Later leest hij romans, verre landen teekenende die de -schrijver nooit bezocht, met minstens één gevaarlijke ontmoeting „in -het woud,” of het reisverhaal van een engelschman, die eens een olifant -gezien heeft, waarop een andere engelschman bijna eens een tijger... -door een troep met pieken gewapende inlanders heeft zien afmaken. Als -hij wat veel van die dingen gelezen heeft, kan hij ze zelf maken, voor -een opstel op school, waarvoor de onderwijzer niet missen zal hem een -extra cijfer te geven. Voorts ziet hij in Artis de slaperige, -zindelijke exemplaren, die daar achter nette tralies te kijk staan; -lieve zachte dieren; die hoogstens eens grommen als men ze met -steentjes gooit, doch waarvoor hij, opgevoed als hij is, behoorlijk -bang is. - -Stuur nu zoo’n jongen in het bosch.... - -Rencke was geschrokken, en hij erkende het toen de heer Messner hem -vroeg of hij een plezierig ritje gemaakt had. - -„Wolven?” vroeg Messner, nadat Rencke zijn verhaal gedaan had. „Die -hebben we hier niet. Maar geel, en langharig... dat moeten zoogenaamde -asoeh wawar zijn. Ik dacht niet dat die in deze streken voorkwamen; zij -hooren meer op het Zuidergebergte thuis. Maar laat een val zetten, als -je thuiskomt.” - -Rencke beloofde dat hij het doen zou, en vroeg of die dieren gevaarlijk -waren. - -„Neen,” zeide Messner. „Een paard alleen zouden ze wel aanvallen, maar -een mensch... enfin, je hebt het zelf ondervonden. Trouwens, mijn -ondervinding is dat alle dieren den mensch ontloopen als zij kunnen, en -althans den europeaan.” - -De drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, verschaften hem veel -genot. Het nette huis, het vrije leven, de aangename omgang met -Messner, ziedaar drie zaken die hem als ’t ware opfrischten, na al de -dufheid van het geheele zijn en werken te Watoeombo. Daarbij kwam nog -iets. Hem was al heel gauw het verschil opgevallen tusschen het werk op -deze onderneming en die welke hij verlaten had, en in tegenstelling van -de onduidelijke antwoorden die Korman hem steeds gaf als hij om -inlichting vroeg, verklaarde Messner hem alles wat hij weten wilde, op -een duidelijke heldere wijze, redegevend tot in de minste kleinigheden. - -Met verbazing aanschouwde Rencke de mooie horizontale terrassen. - -„Zie,” zeide Messner; „dat doe ik zóó. Ik neem op een der golvingen van -het terrein, op de helling, een punt—ongeveer in het midden van den -afstand tusschen het ravijn en den loengoer—en daar steek ik een andjir -in den grond. Thuis heb ik een lat van een voet of twaalf lang, mooi -recht geschaafd, en daaraan heb ik een soort vizier gemaakt van twee -spijkers, aan de uiteinden ingeslagen. Op die lat zet ik een gewone -bel—je zoudt het ook met een timmermanswaterpas kunnen doen—en ik richt -haar op de volgende golving van mijn terrein en ook in de holte. -Dezelfde bewerking doe ik, na van uit het eerste punt naar boven en -beneden andjirs te hebben gezet op den vereischten afstand, nog eens -zoo hoog mogelijk, èn aan den voet van het ravijn. Daarna kan de -meet-mandoer de rest afzetten. Hij heeft nu genoeg vaste lijnen om zich -naar te richten. Zouden door te groote steilte van de terreinholten, de -terrassen iets te smal worden, dan laat hij er hier en daar een -uitvallen en de anderen doodloopen; men noemt dat anakans.” [75] - -„Hoe doodeenvoudig!” riep Rencke, die met de grootste aandacht had -toegeluisterd, uit; „en toch zoo afdoende. Mag ik u nog wat vragen?” - -„Ga gerust je gang,” zeide Messner. - -„Het is dit: ik zie bij u roode aarde op den kant en zwarte op het -terras. Op Watoeombo is dat in verscheiden tuinen juist omgekeerd, òf -er ligt op allebei zwarte aarde.” - -„Dat begrijp ik best,” antwoordde Messner. „Als jelui terrassen maakt, -ga je dan niet aan ’t uitkappen, zóó dat de andjir op het midden van -het terras komt te staan, terwijl je de aarde naar beneden werkt?” - -„Juist,” zeide Rencke. - -„Nu, hier geschiedt dat anders. Mijn andjirs geven den rand van het -terras aan. Van uit de plaats waar ze staan begint de koelie te kappen; -hij spreidt de zwarte aarde naar links uit en hakt dan in den rooden -grond, dien hij naar beneden, op den rand van het terras werkt; -zoodoende ondergraaft hij de zwarte aarde, die straks met een plof op -het terras valt. Dit laatste bespaart den koelie eenig werk, en ik houd -zwarte, vruchtbare aarde op het terras, terwijl de onvruchtbare roode -op den kant ligt; en, daar deze harder is, tevens den bodem versterkt -en eenigermate aard-afschuivingen voorkomt.” - -Het was na verscheiden dergelijke inlichtingen, dat Rencke Messner -vroeg of er handleidingen bestonden over de koffiecultuur. - -„Voor zoover ik weet niet,” was het antwoord. „Feitelijk is onze -cultuur nog in de lange kleeren. De meeste administrateurs werken, -zooals zij dat als opzichter hebben geleerd; enkelen vinden een -verbetering uit en probeeren die, waarna zij langzamerhand bekend wordt -en meer algemeen toegepast. Het meest wordt er geknoeid bij de -gouvernementscultuur. Ik noem het knoeien, al die nieuwe probeersels -van jonge ambtenaren, die nog geen voldoende ondervinding hebben om te -voren eenigszins de gevolgen van hun nieuwigheden te kunnen voorzien. -Maar.... ik zal me wel wachten het hardop te zeggen; het is zoo -gemakkelijk voor ons om toe te zien, en te leeren hoe men het niet moet -doen, en een enkel maal hoe het wèl kan gedaan worden.” - -„Laat het gouvernement dergelijke beunhazerij maar toe?” vroeg Rencke. - -„Och ja,” zeide Messner. „Wie is het gouvernement?” - -„Wel,” meende Rencke, „in de eerste plaats de Gouverneur-Generaal.” - -„Geraden!” riep Messner uit. „Je spreekt als een oud-zeeman. De -commandant!—dat is „de man die het weet”, de verantwoordelijke persoon. -Best! Maar, aangenomen dat een commandant van een oorlogsschip van -alles aan boord verstand heeft, en het desnoods zelf zou kunnen -vóórdoen—denk je dat er iemand bestaat die in bestuurszaken dezelfde -positie zou kunnen innemen?” - -„In zekeren zin, ja!” zeide Rencke. „Zoomin als de commandant van een -schip zelf een touwtje kan splitsen, maar drommels goed weet hoe een -behoorlijk gesplitst touw er uitziet, zoo goed kan een -Gouverneur-Generaal weten hoe alles moet zijn wat onder zijn beheer -staat, zonder het persoonlijk te kunnen aangeven. En evenals de -commandant, kan ook hij een standje of straf uitdeelen als er iets -verkeerd gedaan is, zonder in verdere explicatie te treden omtrent het -hoe; dàt moeten de betrokkenen zelf maar weten.” - -„Je vergeet één ding,” merkte Messner aan; „dat een commandant van -jongsaf is opgeleid tot zijn baantje, en een Gouverneur-Generaal niet. -Ja ik vraag, als er eens iemand was, die door ondervinding, van alle -details in de kolonie voldoende op de hoogte was om er over te kunnen -oordeelen en beslissen, hoe zou zoo iemand, die dan natuurlijk -gedurende tal van jaren een zeer warrig leven moest hebben geleid, in -ondergeschikte betrekkingen van allerlei aard,—hoe zou zoo iemand ooit -in aanmerking kunnen komen, als men uitziet naar een -Gouverneur-Generaal?” - -„Maar als men het is...?” - -„Dan heeft men geen tijd en geen gelegenheid. De Gouverneur kan niet -vandaag op een paard gaan zitten en de binnenlanden inrijden, morgen de -handelskantoren afloopen en overal inlichtingen vragen—zijn positie -verbiedt hem dergelijke vrije beweging. Hij moet op adviezen regeeren -en kan niet, al wilde hij nog zoo graag, door eigen oogen zien. Ook zij -die hem adviseeren gaan weer af op adviezen van lagere ambtenaren; en -dit daalt steeds meer, totdat... wie is nu het gouvernement?” - -„Ja, als men het zoo beschouwt, juist zij die uit gebrek aan routine -knoeiers zijn,” gaf Rencke toe. - -Het waren slechts drie dagen die Rencke op Donowarie doorbracht, doch -hij had in dien korten tijd meer geleerd dan in al de maanden die hij -te Watoeombo had gesleten. De gave bezittende van te kunnen zwijgen -waar het pas gaf, pronkte hij thuiskomende niet met de opgegaarde -wetenschap, doch paste die toe waar hij kon, en nam zich voor die -eveneens te gebruiken als hij later geroepen werd tot ontginning van -nieuwe gedeelten. - -Op de plaats waar hij de wilde honden had ontmoet, liet Rencke een val -zetten. De vindingrijkheid der inlanders had kans gezien daarbij -gebruik te maken van een levend aas, doch zóó dat dit—het was een -geitje—niet het minste gevaar liep van te worden verslonden. De val was -gemaakt van bamboe, en had den vorm van een doos zooals de apothekers -gebruiken om poeiers in te doen. Achterin stond de geit, vastgebonden -aan een der stijlen van den achterwand. De voorzijde was open, doch -daarboven hing een valdeur, aan een der armen van een evenaar. Viel die -deur, en ging daarmee de eene arm naar omlaag, dan trok de andere arm -van den evenaar een bamboe beschotje, dat in den grond gelaten was, -door een sleuf in den bodem naar omhoog, en scheidde zoodoende de val -in twee compartimenten: in het kleine de geit, in het grootere het -gevangen dier. - -Met deze vernuftige inrichting ving Rencke twee exemplaren, waarvan tot -zijn groote blijdschap één teef die, naar het uiterlijk te oordeelen, -binnen weinige dagen het hare zou doen ter voorkoming van het -uitsterven van het wilde hondenras. Hij doodde het andere dier. Ook de -teef moest dat lot ondergaan, doch eerst nadat zij een tweetal jongen -zoover had grootgebracht, dat deze het zonder haar konden stellen. - -Hij bood er een aan Korman aan, doch deze was bang voor ongelukken, met -het oog op de kleine meid; dus werd de versmade op zekeren dag met de -pooten aaneengebonden over een pikoelan [76] gehangen, en naar -Donowarie gebracht, waar hij ten huize van Messner een vriendelijk -onthaal vond. - -Nog eenmaal in dien westmousson moesten de tuinen schoongemaakt worden. -De grond op de terrassen echter nog los genoeg zijnde, werd er nu niet -gedangird, doch alleen het onkruid, waaronder zich reeds de zoo gehate -alang-alang vertoonde, met den arit weggesneden; een werkzaamheid door -de Javanen babad genoemd, en waartoe zoowel mannen als vrouwen werden -gebruikt. - -Korman had intusschen een drukke correspondentie gevoerd met den heer -Benoit. Op diens voorstel over de ontginning der geheele duizend bouws -had hij instemmend geantwoord, en hem verzocht in de Soerabajasche -bladen een advertentie te laten zetten, waarbij sollicitanten naar een -opzichtersbetrekking werden opgeroepen. Het aantal jongelieden buiten -betrekking kon in dien tijd nog geteld worden; doch Benoit had zijn -eigen naam onder de advertentie gezet; en de reputatie die van hem -uitging, dat hij ijverige jongelui wel eens voorthielp tot eigen zaken, -maakte dat er meer aanbiedingen kwamen dan anders het geval zou geweest -zijn. - -Uit de ontvangen brieven zond Benoit er drie aan Korman, met den raad -de schrijvers er van alle drie te nemen, en inzonderheid Jhr. van -Everdingen tot Aardam, met wien Benoit, naar hij schreef, reeds in -nadere onderhandeling was getreden over het voorstel, dat Korman in den -brief zelf zou lezen. - -Op de beide andere brieven beschikte Korman onmiddellijk gunstig, -zoodat Gerlings en Biezeman aanschrijving kregen om met den eersten der -volgende maand in dienst te komen, doch de brief van van Everdingen, -met de speciale aanbeveling van Benoit, woog hem zwaar op het hart. - -Wat toch was het geval. Van Everdingen was pas in Indië gekomen, op een -in dien tijd zeldzame wijze, namelijk met eenig fortuin. Hiervan bood -hij aan dertig duizend gulden in Kormans onderneming te steken, mits -hij er een betrekking kreeg en een aan zijn inbreng geëvenredigd -aandeel. - -Korman vloekte zich stijf, maar hij begreep dat er niets aan te doen -zou zijn. Hij schreef aan Benoit dat hij de voorloopige regeling geheel -aan hem overliet, en verzocht alleen vóór de definitieve sluiting der -overeenkomst daarvan inzage te mogen hebben. - -Toen zocht hij Rencke op, om bij dezen zijn gemoed uit te storten. De -employé vond ook dat een dwang, als die welke de geldschieter aldus -uitoefende, voor Korman onaangenaam was. Daarbij vreesde hij, en hij -zeide het aan Korman, dat de komst van een compagnon hem in zijn -bevordering zou achteruit zetten. - -„Om den dood niet!” riep Korman uit. „Die lamme 30 mille mogen hem al -een aandeel in de zaak verschaffen, maar in geen geval een hoogere -betrekking, dan hij door zijn werk verdient. Maak je niet ongerust. Ik -begrijp trouwens niet, dat Benoit het doet. Wat beteekent die som voor -hem—in een onderneming waar minstens een half millioen in gaat? Het is -om een dwarskijker te hebben, anders niet!” - -„Als ik het had geweten,” zeide Rencke, „dan had ik van mijn familie -ook wel een dergelijk bedrag kunnen krijgen.” - -„Zwijg er over, alsjeblieft,” verzocht Korman. „Benoit is in staat en -maakt van al mijn employé’s nog compagnons!” - -„Het idée was misschien nog zoo kwaad niet,” vond Rencke. „U zoudt op -groote ambitie staat kunnen maken; ieder zou ook voor zijn eigen belang -werken.” - -„Behalve als het een luilak was, die dacht: ze kunnen mij er toch niet -uitzetten,” zeide Korman. - -Toen hij het geconcipieerde contract las, glimlachte Korman echter. In -hoofdtrekken luidde het aldus: De onderneming zou in tweeën gesplitst -worden, elk deel groot 500 bouws. Tot het eerste deel behoorde al wat -tot nu toe ontgonnen was, met nog tweehonderd bouws; het tweede deel -was geheel onontgonnen grond. Hiervan zou van Everdingen een half -aandeel bekomen voor dertigduizend gulden, waarvoor Korman’s rekening -werd gecrediteerd. Benoit zou voorts werkkapitaal blijven verstrekken; -ten eerste voor Korman’s aandeel, en ten tweede voor van Everdingen, -tenzij deze het zelf wilde bijpassen. - -„Begrepen!” zeide Korman bij zich zelf. „We drukken hem dood met de -rente.” Nu hij wist waaraan hij zich te houden had, vond hij het minder -erg dan in het begin. - -De beide employé’s, Gerlings en Biezeman, arriveerden tegelijk. De -eerstgenoemde was een jong man van korte gestalte, zwart haar, bruine -oogen en een klein, mager kneveltje. Hij praatte veel en lachte steeds. -Overigens toonde hij een beschaafd en welopgevoed man te zijn. - -Biezeman was een gewezen matroos. Reeds lang in de koffie en in de -suiker werkzaam geweest, had hij van zijn verschillende chefs de -manieren overgenomen, die hem van ieder afzonderlijk het meest -beschaafd voorkwamen, daardoor een potsierlijk ensemble vormende. Als -hij zijn hand uitstak, dan herkende men daarin dadelijk de wijze waarop -meneer A., administrateur van die of die fabriek, dat ook deed; doch -waar deze met een welgevormde kleine hand een gracieuse voorwaartsche -beweging maakte, daar was de imitatie dier beweging, met een groven -klauw vol blauwe ankers en hartjes van Biezeman, eenvoudig koddig. -Meneer B., van een koffieland in Midden-Java, droeg zijn zachten, -langen baard, netjes gescheiden, in twee punten uitloopend. Wacht, -zeide Biezeman, en kamde en borstelde net zoo lang, tot zijn als van -rood koperdraad vervaardigde gelaatsversiering eveneens met twee harde -punten pronkte. Meneer C., een derde chef, was gewoon „Amice!” boven -aan de briefjes te zetten, die hij zijn employé’s stuurde, en sedert -schreef Biezeman „Amize!” onverschillig aan wien. - -Zoo kon men nog veel verder gaan, maar dat alles nam niet weg dat -Biezeman een flink en trouw werkman was, die èn daarom èn om de -komische stof die hij leverde, overal gemakkelijk een betrekking kon -krijgen. - -Hij bracht een huishoudster mee en twee jongetjes: aanstaande -Gombonggers [77], zooals hij hen voorstelde. - -Korman zette beiden onmiddellijk aan het werk. Er moest een grensweg -gemaakt worden, die de scheiding aangaf tusschen de twee perceelen -waarin Watoeombo verdeeld werd. Van het midden uitgaande, werkte -Biezeman de eene helft af en Gerlings de andere. - -Voorloopig waren de beide nieuwe opzichters onder dak gebracht in een -oud kampong-huis, terwijl Biezeman’s huishoudster ook voor Gerlings -kookte. Dit huis was, met dat van Rencke, het laatste dat nog stond -onder de boomen; de oude koelie-loods en andere gebouwen waren allen -verdwenen; en straks, als het huis dat voor Rencke opgetrokken werd, -gereed was, en deze nieuwe opzichters naar hun standplaatsen zouden -vertrokken zijn, dan moesten ook de groote boomen vallen en zou daarmee -het eenige schilderachtige plekje dat op Watoeombo te vinden was, -weggevaagd worden. - -Ongeveer veertien dagen na de aankomst van de beide opzichters, ontving -Korman bericht dat van Everdingen op reis was naar hem toe. Hij gaf -Rencke daarop den welkomen last om naar de stad te rijden en den -nieuweling af te halen; een opdracht die Rencke daarom dubbel aangenaam -vond, omdat Korman, sedert Biezeman er was, zich bijna uitsluitend met -dezen occupeerde, waarbij zich het eigenaardige verschijnsel voordeed, -dat hij, die in en door den omgang met Rencke zich even beschaafd als -deze wist te gedragen, thans hoe langer hoe meer tot een soort van ruwe -ongegeneerdheid verviel, die men Biezeman vergaf, doch in Korman -stuitend was. - -Rencke vond van Everdingen in het logement, in druk gesprek met een -heer van buitengewoon groote lichaamsgestalte. Hij stelde zich voor en -vernam dat de vreemdeling van Os heette en gepensionneerd kapitein was. - -„Meneer van Os denkt overmorgen met ons mee te gaan naar boven,” zeide -van Everdingen. - -„Eens kijken of er nog woeste gronden zijn, geschikt voor koffie,” -vulde van Os aan. - -„Ik zou denken van wel,” zeide Rencke. „Is u ook van het vak?” - -„Neen, ik ben pas uit den dienst. Daarom zoek ik wat in de buurt van -een ander land, zieje; dan kan ik afkijken,” antwoordde van Os, terwijl -Rencke moeite had zich goed te houden. - -„Is die meneer wel recht bij het hoofd?” vroeg hij later, toen hij met -van Everdingen naar de sociëteit liep. - -„Ik geloof dat hij zich dommer voordoet, dan hij is,” antwoordde deze. -„Hij heeft, naar hij zegt, verscheiden ondernemingen bezocht en -bevonden dat koffieplanten geen heksenwerk is. Enfin, hij moet zelf -weten wat hij doet; in alle gevallen is hij een gezellig prater, en mag -ik lijden dat hij in onze buurt komt.” - -Rencke en van Everdingen konden het samen al dadelijk goed vinden. Als -bij intuïtie gevoelden zij dat zij in denzelfden stand thuis behoorden; -en mag het al zijn dat in het moederland de edelman en de patriciër -niet altijd harmonieeren, in de kolonie sluit zich een verdwaald -solitair uit de upper ten thousand gaarne bij zijns gelijke aan, als -hij dien bij toeval ergens tegenkomt te midden der lower millions. - -Rencke had belet laten vragen bij den resident. Thuiskomende in het -hôtel, vond hij een uitnoodiging om zijn bezoek uit te stellen tot den -volgenden dag, en wel in den naävond, daar er dan dansreceptie was. Van -Everdingen had dezelfde invitatie den vorigen dag reeds ontvangen. - -Hoewel Rencke reeds na die weinige maanden den invloed gevoelde van de -afzondering in de binnenlanden, was hij echter spoedig weer op dreef; -en hij zoowel als van Everdingen, waren schitterende figuren op het -bal. De resident, die daar bij de schaarschte aan cavaliers sterk op -lette, vloeide over van vriendelijkheid jegens hen, en hield een -lofrede op Korman, die zulke nette jongelui aan zich wist te verbinden. - -Ook de heer van Os was op de partij aanwezig, en had zich -verdienstelijk gemaakt door de residentsvrouw voor de quadrilles te -engageeren, waarvoor de jongelui hem in stilte eeuwigen dank zwoeren, -en niet minder door met zijn krachtvol orgaan deze dansen te -commandeeren, zóó goed, dat de resident hem ten volle vergiffenis -schonk voor het niet deelnemen aan de rondedansen, en hem later op den -avond zijn steun toezegde als de heer van Os mocht besluiten in dit -gewest gronden aan te vragen. - -Een behoorlijke partij in de binnenlanden eindigt niet voor zonsopgang, -zoo ook deze niet. Rencke en van Everdingen stapten dien morgen als het -ware zoo uit het residentiehuis de badkamer in. Toen zij daar weer -uitkwamen, en de kamer van van Os passeerden, riep deze hen aan, en -ging hen voor naar binnen. Achter de deur stond een knaapje, en daarop -een veldflesch, waarvan de stop tevens als kroes dienst deed. - -„Ga je gang,” zeide van Os op deze artikelen wijzende. - -Doch de beide jongelui trokken een vies gezicht; zij rooken de -jeneverlucht, die vooral Rencke zoo vroeg in den morgen onaangenaam -aandeed. Van Os was ten zeerste verbaasd. - -„Niet?” vroeg hij. „’t Is anders zeer recommendabel, vooral na een -nacht wakens. Als de heeren eens op expeditie waren geweest zouden ze -het meer apprecieeren.” - -„Dat is mogelijk,” zeide Rencke, „gewoonte doet veel, maar ik zou het -nu niet kunnen verdragen.” - -„Wel, vrijheid blijheid,” zeide van Os. „Als de heeren zich nog -bedenken mochten, dan weten ze waar het staat.” En zijn handdoek -opnemende, slofte hij op zijn beurt naar de badkamer. - -Gaarne had van Os van Rencke’s aanbod gebruik gemaakt om met de -américaine tot Wonosarie mede te rijden, en daarom zijn paard—een zware -Makassaar—vooruitgezonden. - -Zonder ander ongeval dan een losse onweersbui, zooals de kentering die -gewoonlijk meebrengt, bereikte het drietal Korman’s woning. - -De onverwachte gast werd met hartelijkheid ontvangen, en onmiddellijk -een logeergelegenheid voor hem in orde gebracht. Het was nog in de -gulden dagen der zoo geroemde Indische gastvrijheid, een deugd die -overal gevonden wordt waar geld verdiend wordt, of waar men althans -geen zorgen kent. Want komen er tijden, die de menschen noodzaken ieder -dubbeltje driemaal om te keeren eer men het uitgeeft, dan verdwijnt ook -de gastvrijheid en de behulpzaamheid, en ontvangt men den vreemdeling -staande in de voorgalerij, om hem hoogstens den kortst mogelijken weg -naar het logement te wijzen. En helaas, al brengt de fortuin weer -blijdere dagen, de vervlogen deugden keeren nooit weerom. - -Met eenige verbazing had Korman van Everdingen aangezien, en zich -afgevraagd of deze bestand zou zijn tegen het zware werk op een -onderneming. Want het werken in de open lucht, het loopen bergop -bergaf, natworden en weer opdrogen, vereischt een sterk gestel, en daar -zag van Everdingen nu juist niet naar uit. Vooral waar hij stond te -midden der breede gestalten van de anderen, viel zijn smalle borst, -bleek gelaat en eenigszins gebogen rug sterk in het oog. - -„En u komt zoo gronden zoeken, meneer van Os?” vroeg Korman, toen allen -gezeten waren. „Dan zal ik morgen wel wat koelies voor u mogen -reserveeren?” - -„Zeer verplicht,” was het antwoord. „Maar morgen heb ik alleen iemand -noodig die hier in de buurt wat bekend is. Ik geloof namelijk al -gevonden te hebben wat ik zoek. Juist beneden dit land liggen gronden, -die, als ze even goede aarde bevatten als ik hier heb gezien, voor mij -als geknipt zijn.” - -Korman zag even naar Rencke, die bijna onmerkbaar de schouders optrok. - -„Maar het is allemaal alang-alang en glagah,” merkte Korman op. - -„Mag ik vragen,” zeide van Os, die de bedoeling van den ander volkomen -begreep, „hoe u het onkruid betitelt, dat ik in de verte in uw tuinen -zag wegsnijden?” - -„Wel, alang-alang,” antwoordde Korman min of meer beteuterd. „Maar,” -vervolgde hij, zich herstellend, „waar een ander alle mogelijke moeite -doet het te verdrijven, zoudt u het daar gaan opzoeken?” - -„Ik zou de zaak anders willen voorstellen,” zeide van Os. „U heeft -zwaar bosch omgekapt, met het resultaat dat er thans alang-alang in uw -tuinen staat; ik heb straks alang-alang zonder boschkappen, dat wil -zeggen: zonder de groote onkosten daaraan besteed.” - -„Zoo oppervlakkig zou men u gelijk geven,” zeide Korman. „Maar het is -tegen alles in.” - -„Tegen alle traditie,” gaf van Os toe; „maar dat bewijst niet veel. Het -is mogelijk dat er in mijn redeneering en gevolgtrekkingen een haakje -los is, maar naar dat haakje zoek ik; en als ik het niet vind, dan waag -ik het. Zooveel heb ik op mijn rondzwerven wel gezien, dat alle -koffieplanters probeeren en nog eens probeeren, en dat niemand precies -zou kunnen voorschrijven wat zeker goed is en wat niet deugt. -Intusschen groeit de koffie, hoe men haar ook maltraiteert.” - -Van Everdingen en Rencke hadden dit gesprek met belangstelling -aangehoord. De eerste zooals ieder nieuweling in een vak, in de hoop -wat te leeren; de ander als iemand die reeds zelfstandig weet te -oordeelen. - -Rencke dacht aan de lessen die hij op Donowarie gekregen had, en zijn -opinie formuleerend, mengde hij zich in het discours. - -„Als het geoorloofd is,” zeide hij, „zou ik wel een stelling willen -opwerpen. Namelijk deze: Koffie groeit altijd wanneer de grond goed is -en schoongehouden wordt. Daarvan uitgaande, staat de methode van meneer -van Os vrijwel gelijk met de onze. Wat wij in den beginne meer hebben -uitgegeven aan kaploon, betaalt hij straks voor de meerdere moeite bij -het dangirren, en blijft alleen de vraag open, wie nu het meeste -betaalt.” - -Van Os knikte goedkeurend en maakte een beweging alsof hij nog wat had -willen zeggen, doch zich plotseling bedacht; Korman daarentegen schudde -het hoofd over de ketterijen door zijn employé uitgesproken. - -Den volgenden morgen, toen van Os vertrokken was, begeleid door een der -vaste opgezetenen, installeerde Korman van Everdingen. Om aan zijn -gebrek aan kennis te gemoet te komen, werd hem Biezeman toegevoegd. Met -hun beiden gingen zij dagelijks uit, het boschkappen dat nu met kracht -begonnen en voortgezet werd surveilleerende, en een weg slaande naar de -uiterste grens van het perceel, waar zij een kalie vonden en een stuk -vlak terrein geschikt voor kampong en établissement. Daar werd toen -eenig volk heengebracht, en ongeveer op dezelfde wijze als vroeger -Korman, vestigde er zich Biezeman, terwijl van Everdingen voorloopig -bij den administrateur in huis bleef. - -Gerlings, belast met het opzicht over het boschkappen op Rencke’s -afdeeling, betrok een huisje dat voor hem in de kampong was neergezet, -natuurlijk na zich op de bekende wijze te hebben voorzien van het -noodige huisraad, waaronder een ménagère. - -Een maand later achtte Biezeman, hoewel van Everdingen iederen dag naar -hem toe ging, het noodig een briefje aan Korman te zenden van den -volgenden inhoud: - - - „Amize, het huis is klaar. Laat de hoogedelen Heer nou maar komme. - - verblijv met den achting - Gerrit Biezeman.” - - -En hiermee bluschte hij zonder het te weten, een vuurtje dat in -Korman’s woning leelijk aan het smeulen was. - -De dagelijksche omgang had tusschen van Everdingen en Li een zekere -mate van intimiteit doen ontstaan. De vroolijke losheid van manieren -die de eerste bezat, zoo geheel in tegenstelling met Korman’s zwijgende -geaffaireerdheid, hadden het jonge vrouwtje zeer aangetrokken; en zij -hield er van met van Everdingen te stoeien en te schertsen, zonder dat -zij bemerkte hoe deze gaandeweg meer werk van haar maakte dan met hun -wederzijdsche positie wel in overeenstemming was te brengen. - -Als Korman thuis was, nam hij van Everdingen altijd geheel in beslag, -en bepaalde deze er zich toe Li met de oogen te volgen als zij in de -galerij kwam, of als toevallig haar aan te raken wanneer hij haar -passeerde; doch als de administrateur nog niet thuis was bij van -Everdingen’s terugkomst van het werk, dan begon het spelletje, tot -groot vermaak van de bedienden die reikhalzend zaten uit te kijken naar -den ernst, die er volgens hen het natuurlijke gevolg van zou zijn. - -Eens—Korman was naar de stad gereden en werd dien dag terug -verwacht—waren zij samen aan het krijgertje spelen in de binnengalerij, -die vanwege den sterken wind juist gesloten was. Na vele vergeefsche -pogingen had van Everdingen de vlugge Li ingehaald en hield haar vast, -terwijl zij zich lachende trachtte los te maken, toen haar slof -uitschoot, hakende aan de rottan-mat, en zij achterover viel op de -rustbank. Van Everdingen bleef haar vasthouden, terwijl zijn onderlip -zenuwachtig trok... - -Met fonkelende oogen... - -O neen, toch niet. Li was geen romanheldin en gedroeg zich dus ook niet -als zoodanig. Zij zeide eenvoudig: „Djangan toewan [78]”, en ontsnapte -met een vlugge beweging, eerst van de bank en daarop uit de -binnengalerij. - -Li was geschrokken; dàt had zij niet verwacht en niet gewild ook; zij -was nog te veel kind om het gevaar te voorzien, dat gelegen was in het -dagelijks stoeien van een jonge vrouw met een jongen man; zij vond het -ten slotte jammer en vervelend. - -Vervelend vooral omdat zij nu niet meer zooveel gekheid durfde maken, -bang zijnde voor de gevolgen. Aan Korman zeide zij echter niets; ook -niet toen van Everdingen haar een paar dagen later onder tafel -herhaaldelijk aanstootte; iets wat haar echter in groote verlegenheid -bracht, daar zij het hem niet kon beletten zonder dat Korman het -bemerkte. - -Gelukkig maakte Biezeman’s epistel er een eind aan; dat vond ook van -Everdingen, die zich, toen hij naar zijn eigen woning verhuisd was, -onttrokken aan de charme dier groote zwarte oogen, eigenlijk schaamde -voor zichzelf. - -Uit de stad bracht Korman het nieuwtje mee, dat de heer van Os -werkelijk de gronden had aangevraagd aan den onderkant van Watoeombo, -en spoedig aan den gang zou gaan op de alang-alang velden, die Korman -spottenderwijze de „prairiën” noemde. - -„Ga je mee, eens kijken wat die dolleman uitvoert?” vroeg hij aan -Rencke, nadat van Os een poos aan ’t werk was geweest. - -„Heel graag,” zeide deze; „men kan overal wat leeren.” - -„Hm,” bromde Korman; „vooral hoe je het niet moet doen.” - -Een goed half uur beneden Watoeombo vonden zij een versch in het hooge -gras gekapt pad, en een voorbijgaand inlander lichtte hen in dat dit de -weg was naar Soemberpetong, de oude naam voor het perceel van van Os, -dat officieel echter Marialand gedoopt was, naar van Os’ oudste -dochtertje. - -Maar hoe stonden zij te kijken, toen zij den eenzamen weg door de -alang-alang ten einde waren, en stuitten op een stukje bosch! Bosch -mocht men het eigenlijk niet meer noemen. Het dunne hout was weggehakt; -zorgvuldig was alle vuilnis weggeruimd onder de groote boomen; nette -breede wegen liepen, schijnbaar achteloos tusschen de woudreuzen door -kronkelend, naar het midden; de wegen aan den kant afgezet met een -roode grassoort; aan den uitersten rand zagen zij de kampong, de erven -omsloten door bamboe paggers; een inlander was bezig, nog eenigszins -onhandig, met een hark, een echte hollandsche hark!, den weg te -reinigen, aan welks einde, na een korten draai, een pleintje lag, reeds -half getransformeerd in een bloemtuin; daarachter het huis. - -„Wat bl...,” begon Korman, doch het woord stolde op zijn tong. Uit de -voorgaanderij kwam een dame, den koelie die in het tuintje werkte iets -toeroepend. Twee meisjes, van ongeveer zes en acht jaar, trokken de -dame aan de sarong als om haar aandacht op te wekken. - -„Daar komen heeren, Ma,” hoorden de twee ruiters het oudste meisje -zeggen. - -De dame wendde zich om, en beantwoordde den groet der bezoekers, die -inmiddels waren afgestegen. Korman stond verlegen en wist niet wat hij -zeggen moest, terwijl Rencke wachtte tot zijn chef het eerste woord zou -gesproken hebben. Er ontstond een pijnlijke stilte, die echter maar -even duurde. - -„U is zeker meneer Korman,” zeide de dame. - -„Ja mevrouw,” antwoordde de aangesprokene, doch verder bracht hij het -niet. - -„Mijn naam is Rencke,” viel toen deze in, zich vermakende met de -verlegenheid van zijn chef. „Maar welk een verrassing, mevrouw. We -dachten hier meneer van Os te vinden in een dier fameuse -plantershutten, en zie, we treffen een feeënpaleis aan....!” - -„Nu meneer, geen overdrijving,” zeide mevrouw van Os. „Maar.... willen -de heeren alsjeblieft binnen komen? Marietje, roep Sidin even, om de -paarden vast te houden.” - -De komst van Sidin, in een helderwit baadje met blauw afgezet, -acheveerde Korman, die, blij dat hij Rencke meegenomen had, achter -dezen de voorgaanderij instapte. - -„Gaat zitten heeren,” verzocht de gastvrouw. „Van Os is uit, maar zal -wel zóó thuis komen. Kijk, daar komt hij al aan.” - -Van den tegengestelden kant als vanwaar de bezoekers gekomen waren, -verscheen de groote gestalte van den oud-kapitein, evenals de anderen -in het wit, met een breeden zonnehoed op het hoofd. - -„Daar doe jelui wèl aan!” riep hij binnenkomende. „Dag Korman, dag -Rencke! Ik zag jelui toppies [79] in de verte boven het gras uitsteken, -en heb me gehaast naar huis te komen. Ga zitten; wat gebruiken jelui? -Vrouwtje, laat de minoeman [80] eens aanrukken. En een potje bier.” - -De komst van den heer des huizes had Korman weer op zijn gemak gezet; -en toen mevrouw van Os naar binnen was gegaan om voor het gevraagde te -zorgen, durfde hij weer te spreken. - -„Wat is het hier mooi!” begon hij. - -„Aardig prutswerk,” zeide van Os. „Och, mijn vrouw heeft er plezier in -om die dingen te doen, en ik om er naar te kijken. Maar jelui wilt -zeker ook eens het meer essentieele zien? Na de rijsttafel dan; ’t is -nu te laat.” - -Intusschen had Korman een aanknoopingspunt gevonden; hij redeneerde -alleen over koffie en nog eens koffie; andere onderwerpen lieten hem -koud, omdat hij ze niet machtig was. Toen mevrouw van Os weer terug was -gekomen, hield hij met hardnekkigheid vast aan een quaestie over den -aanleg van pépinières, zoodat Rencke zich geroepen achtte een -afzonderlijk gesprek te beginnen met de vrouw des huizes. - -Zij was ook uit den Haag, en kende verscheiden menschen die ook Rencke -kende, totdat deze haar vroeg naar haar meisjesnaam, en toen verwonderd -was over het feit dat zij, die uit een gefortuneerde familie stamde, -als onderwijzeres naar Indië was gekomen. - -„Al leerende kreeg ik zin in het onderwijs,” verklaarde zij. „Na de -hulpacte te hebben gehaald, assisteerde ik op dezelfde kostschool waar -ik vroeger onderwezen was. Toen de verplichte twee jaar om waren, ging -ik terug naar den Haag, om voor de hoofdacte examen te doen. Daarin -geslaagd, wachtte ik den afloop der onderhandelingen af, die Papa voor -mij voerde met de juffrouw van de kostschool om die inrichting voor mij -over te nemen. Maar wat gebeurt er. Eens, op visite bij een oude freule -van onze kennis, ontmoet ik daar den advokaat Daatselaar.” - -„Die half blinde, met zijn krukje?” vroeg Rencke. - -„Ja, juist! Leeft hij nog?” - -„Neen mevrouw, dat zou wat al te bar zijn. Hij is een jaar of vijf -geleden gestorven.” - -„Zoo. Nu, deze ondervroeg mij naar mijn plannen, en ik vertelde hem een -en ander. Op eens zegt hij: „Ja ja, daar doen tegenwoordig veel meisjes -aan; de dochter van mijn koetsier heeft onlangs ook haar examen -afgelegd.” Ik was woedend, en—hoe het kwam weet ik niet—ik had -plotseling allen lust verloren om onderwijzeres in Holland te worden. -Later hoorden wij van de schitterende vooruitzichten die Indië aanbood, -en... ik ging. Geplaatst te Passoeroean maakte ik kennis met mijn -collega’s. En wie denkt u dat de eerste was?” - -„De koetsiersdochter!” - -„Dezelfde,” zeide mevrouw van Os. „Het was om wanhopig te worden. -Gelukkig kwam spoedig daarna van Os. En nog gelukkiger,” vervolgde zij, -eenigszins kleurende op het glimlachje dat Rencke niet geheel had -kunnen onderdrukken, „konden wij het samen zoo goed vinden, dat ik zijn -voorslag met een gerust hart mocht aannemen.” - -Sidin kwam vertellen dat het eten opgedragen was. - -Het trof Rencke zoo netjes als de twee meisjes aan tafel zaten. Op zijn -reis toch had hij in de logementen geen grooten dunk van indische -kinderen opgedaan. Het voeren door de baboes [81], het smijten met -tafelgereedschap en eten, ondanks vermaningen van ouders, de kreten -van: „nonni wil niet,” „njotje lust niet, njotje is zoo misselijk” en -andere hebbelijkheden, als het hangen op- en afglijden van hun stoel, -wegloopen en terugkomen zonder verlof.... dat alles, overal herhaald in -onderscheiden variaties op hetzelfde thema, had hem doen denken dat dit -zoo ’s lands wijs was. Hier bespeurde hij echter dat er op dien regel -ook uitzonderingen waren. - -Na de rijsttafel gingen de drie heeren op marsch, doch even te voren -woonden Korman en Rencke een tooneeltje bij dat beiden amuseerde. Nadat -de kenthong het sein gegeven had, kwamen de koelies op het middagappel, -dat ter zijde van de administrateurswoning gehouden werd. Daar lagen -twee lange bamboe riggels, met pennen in den grond vastgezet. De -koelies hurkten neder, de hielen op de bamboe, zoodat zij dadelijk in -een welgeordende dubbele rij kwamen te zitten. De mandoers bleven -staan, elk bij zijn ploeg volk. - -Het beviel de beide bezoekers wel, aangezien het te Watoeombo lang -placht te duren eer het volk voldoende geordend was om het te kunnen -tellen. Maar wat er volgde vonden zij grappig, en Korman daarenboven -aanstellerig. - -Nadat van Os het getal der koelies had opgenomen, dat vergeleken met de -lijst van het morgen-appel en de mandoers orders had gegeven voor het -werk, kommandeerde hij: - -„Geeft acht!” - -Als één man stonden de Javanen op. - -„Ovèrrrr.... huup!” - -Vrij gelijkmatig gingen de patjols of wadoengs of arits omhoog en over -den schouder; bij enkelen links, en bij anderen rechts; doch zóó nauw -moest men niet zien. - -„Rechtsom,” en „voorwaarts marsch!” hadden ten gevolge dat de troepjes, -twee aan twee, met den mandoer aan ’t hoofd, wegmarcheerden, elk naar -het hun aangewezen werk. - -„Ik maak u mijn compliment, meneer van Os,” zeide Rencke. „Ik heb, den -korten tijd in aanmerking genomen, onzen luitenant van de mariniers met -minder succes de janmaats zien drillen.” - -„Het wint tijd uit,” zeide van Os. „In de eerste dagen had altijd ieder -nog wat te bescharrelen eer ze aftrokken; dat verveelde mij, en heb ik -het toen zóó ingepikt. De kerels hebben er zelf schik in.—Nu konden wij -langzamerhand óók wel opwandelen.” - -Zij bezochten een paar stukjes boschgrond, waar men bezig was de dunne -boomen uit te kappen en den grond schoon te maken—trontong, zooals dit -werk heet—, en op hun terugweg zagen zij een groote open plek waar -beddingen werden aangelegd. Dat was alles. - -De uitgestrektheid van de beddingen deed Korman verwonderd vragen, waar -al die bibit zou moeten geplaatst worden. Het zetten van boschkoffie in -de trontongans had hij begrepen, doch verder scheen de heer van Os geen -aanleg te ondernemen. - -„Wel, overal,” was het antwoord. - -„Dan zal er wel spoed gemaakt mogen worden met babadden en -terrassenmaken,” meende Korman, „of je komt niet klaar.” - -„Terrassen?” riep van Os uit, met een uitdrukking van de hoogste -minachting. „Daar doe ik niet aan. Als de eerste regenbui dreigt, steek -ik een lucifer aan, en houd die tegen de alang-alang; in een ommezien -is dan het heele perceel schoon en gereed om te worden beplant. Alleen -in de gedeelten boschgrond laat ik doen wat jelui gezien hebt; en -daarmee uit. Ik heb wel een contract met de Handelsbank, zie je, maar -zij willen dat ik eerst mijn duiten, of liever die van mijn vrouw, -opwerk; daarna zouden zij kapitaal fourneeren. Dat wil zeggen: ik de -risico, en zij, als alles goed gaat, het voordeel. Dank je hartelijk! -We zullen eens zien of we er zonder hen niet kunnen komen. Maar daarom -moet ik zuinig zijn, en mij geen overbodige luxe permitteeren van -terrassen als anderszins.” - -Korman was het niet met hem eens en bestreed zijn theorieën, zelfs toen -zij weer in huis waren en mevrouw van Os met blijkbaren angst naar -Korman’s uitspraken luisterde. Rencke bemerkte het, en om een afleiding -te geven, zeide hij iets over een hond, dien hij opzij van de -voorgalerij zag liggen. - -„Een trouw beest,” zeide van Os. „Twee jaar geleden heeft hij onze -Nonni uit de kalie te Batavia gered. Bello, kom hier!” - -Het was een groot dier, bastaard patrijs, met dik bruin kroeshaar en -groenachtige oogen. - -„Valsche oogen,” vond Korman. - -„Toch een lobbes,” zeide van Os den hond streelende. „Alleen op sommige -menschen heeft hij het voorzien; maar het moet gezegd worden, dat het -zonder uitzondering gladakkers [82] zijn. Bello schijnt er slag van te -hebben die te onderscheiden. Nu is ’t genoeg, vort!” - -Bij de laatste woorden gaf hij den hond een duwtje van zich af, in de -richting van Korman’s plaats. Deze stak de hand uit om Bello aan te -halen, maar eensklaps sprong de hond op, tegen Korman, de voorpooten op -diens borst zettende en hem met een geweldig gebrom de tanden toonende. - -Korman werd zoo bleek als de muur, en van Os, toeloopende, greep zijn -hond, dien hij met een smak de galerij uit wierp. - -„Wel verduiveld Bello, wat mankeer je?” riep de huisheer, en bracht, -tevens om van zijn verlegenheid te bekomen, den hond naar achter, waar -hij hem aan den ketting legde. - -„Ik vraag wel excuus,” zeide hij terugkomende. „Ben je erg geschrokken? -Ik begrijp er niets van; als het niet was om den dienst dien hij ons -bewezen heeft, schoot ik hem dood.” - -„’t Is niets,” verklaarde Korman, die van den schrik bekomen was. -„Alleen houd ik mij gerecommandeerd dat je hem vastlegt als ik eens -weer kom.” - -Tegen den avond keerden Korman en Rencke huiswaarts. - -„Wat een knoeier,” was het oordeel van den eerstgenoemde. „Ik heb -medelijden met die vrouw en kindertjes; want hij ruïneert zich vast en -zeker.” - -Rencke gaf hier geen weerklank op. Hij zag niet in waarom van Os niet -zou slagen, en vond dat de tijd moest leeren wie het bij ’t rechte eind -had. - -De eene helft der onderneming Watoeombo was spoedig geheel van bosch -ontdaan, en Gerlings werd verplaatst naar een geschikt terrein op het -nieuw gekapt gedeelte, waar hij een kampong liet bouwen en beddingen -aanleggen. - -„Die is goddank wat uit de buurt,” zeide Korman. „De vent werkt goed, -maar dat eeuwige lachen bij al wat hij zegt, is onuitstaanbaar.” - -Ook van Everdingen, die nu slechts zelden op het hoofdkwartier kwam, -begon lucht te krijgen op zijn gedeelte. Sabrang was het gedoopt, -hetgeen letterlijk: „de overzijde” beteekent, naar de gewoonte der -inlanders om te spreken van de overzijde van den grooten bergrug, als -zij doelden op de afdeeling van van Everdingen. - -Het huis waar deze in woonde, was als een copie op verkleinde schaal -van dat van Messner op Donowarie, geheel van bamboe en gedekt met -alang-alang doch overigens comfortabel ingericht. Maar er ontbrak iets -aan en dat „iets” wilde van Everdingen er toch niet in hebben, -niettegenstaande het aanbod van Biezeman’s huishoudster, die een jonger -zusje wilde gaan halen uit de streek vanwaar zij zelve afkomstig was. -Hij had zijn hart achtergelaten bij een hollandsche jonkvrouw, wier -ouders echter hun veto hadden doen hooren. Want het huwelijk bestaat -uit twee zaken. De eerste is van geestelijken aard en wordt door de -jongelui zelf met veel gevoel bezorgd; de tweede is een zuiver -financieele transactie, waarvan de ouders het beleid aan zich gehouden -hebben. Dikwijls nu, en in casu bij van Everdingen, weerhoudt de -laatste het geheel. Toen was hij naar Indië getrokken in de hoop zijn -dertigduizend gulden daar in korten tijd te zien groeien, tot de ouders -zijner aangebedene er zich aan vergaapten. En hij had zijn liefde zoo -geheel gegeven, dat er zelfs niet wat afval overschoot voor dat „iets” -dat zijn huis in orde moest houden. - -De oude kokki, die voor het eten moest zorgen, ondernam tweemaal in de -maand een tocht naar den passar te Wonosarie, waar de wedhono woonde. -De eerste keer had de meegebrachte voorraad, berekend voor veertien -dagen, nauwelijks een week gestrekt. Toen sloot van Everdingen de -goedang en het kippenhok af, en gaf elken morgen het ration voor den -loopenden dag. Daarop was het opgedischte eten in quantiteit gaan -afnemen, en de kippenpootjes natellende, bespeurde hij dat de kokki -zich aan verduistering daarvan schuldig maakte. Dit ook ontdekt ziende, -werd kokki om de zooveel dagen erg ziek, om op haar baleh-baleh te -kunnen liggen nadenken over nieuwe akals [83]. - -Zoo ging het ook in alle andere zaken. De huisjongen stal sigaren en -tabak, de stalknecht de gabah [84]; suum cuique dachten zij niet, maar -brachten het op hun manier in toepassing. - -Eindelijk werd het den armen van Everdingen te kras, en was er -intusschen door een halfjarig verblijf in de binnenlanden van Java ook -een verandering gekomen in zijn zienswijze omtrent verschillende zaken. -Wat hem vroeger van uit Holland immoreel en stuitend zou hebben -toegeschenen, leek hem thans, nu het door den drang der omstandigheden -werd geboden, maatschappelijk bestaanbaar en ook niet zoo heel -onaangenaam meer. - -„Een sigaar, Biezeman?” offreerde van Everdingen op zekeren avond na -afloop van de rol. - -„Alsjeblieft, jonker,” antwoordde Biezeman, wien deze titulatuur zeer -voornaam leek. „O, neem me niet kwalijk!” - -De aanleiding tot deze uitroep was een lucifer, die in van Everdingen’s -gezicht terecht kwam. Biezeman had namelijk van hem afgezien het met -een vlugge beweging wegknippen van zulk een stokje, nadat het had -dienst gedaan; doch in zijn pogingen om het te imiteeren kon hij er -alsnog niet de gewenschte richting aan geven, zoodat de houtjes nu eens -achterwaarts, dan weer zijwaarts vlogen, maar nooit rechtuit. - -„Wil je een kop thee? Of misschien liever een glas bier?” noodde van -Everdingen. - -„Als ik het zoo voor het zeggen heb, dan zou ik wel een glaasje bier -willen; ten minste wanneer de jonker meedrinkt,” zeide Biezeman. - -De ander stond op en kwam weldra met een flesch terug, terwijl de -jongen glazen bracht. - -„Ik moest het zelf halen,” zeide van Everdingen, „want het zit achter -slot. De bedienden weten er anders te goed weg mee.” - -„Dat zal waar zijn. Nu, santjes jonker,” salueerde Biezeman. „Ja, -moeder de vrouw zei nog gister... of was het van morgen... nee toch -gister, dat het zonde was zooals ze bij u huishouden en den boel -verrinneweeren.” - -„Zooveel moois is hier anders niet,” zeide van Everdingen glimlachend -rondziende over de eenvoudige meubelen. - -„Neen, dàt is het ook niet. Maar... o ja, nou weet ik temet waarom ze -dat zei, van morgen. Uw jongen stond goed te wasschen, aan de kalie; en -daar had-ie z’n eigen lorrige broek bij uitgetrokken, en een slaapbroek -van den jonker bij aangedaan. ’t Was wel geen batik, zei ze, maar van -dat gedrukte goedje dat de baren altijd meebrengen, en toch nog te mooi -als dat zoo’n slampamper het over z’n vuile body heentrekt. Ik zei dat -het jammer was dat ik het niet gezien had, want dan had ik er die dikke -rottan van me eens over laten gaan. Ik dacht, de jonker zou het me niet -verakkeseerd hebben als ik eens op z’n slaapbroek ranselde wanneer hij -hem zelf niet aan had; wel?” - -„Zeker niet,” lachte van Everdingen. „Maar je hebt gelijk, ’t is niet -in den haak. Wil je wel gelooven dat ik er in de laatste dagen dikwijls -aan gedacht heb, nog maar gebruik te maken van het aanbod dat je -huishoudster me indertijd heeft laten doen?” - -„Waarlijk? Nou daar doe je goed aan,” zei Biezeman. „Ik ga het dadelijk -aan moeder de vrouw vertellen, dan moet ze morgen den marsch in.” - -„Zoo’n haast heeft het niet,” begon van Everdingen, doch de ander vond -dat het wel haast had, en was blij dat hij den goeden royalen jonker -een dienst kon bewijzen. - -Zoo ging „moeder de vrouw” er op uit, om na een week terug te keeren -met het „iets” dat totnogtoe in van Everdingen’s woning ontbroken had, -en Minah heette. - -Minah was een stadskind. Zij had altijd gewoond bij haar moeder, die -als kokki, bij een europeesche familie haar verblijf hield in de -bijgebouwen; zoodoende wist Minah precies hoe het in een huishouden -behoorde te gaan. Haar komst bracht een groote ommekeer teweeg; kokki -was nooit meer ziek, de jongen bleef van alles af, het paard kreeg wat -hem toekwam, en van Everdingen had rust en comfort in huis. - -Tegen het einde van den Oostmousson verhuisde ook Biezeman naar het -andere einde van Sabrang, en had nu elk der employé’s zijn eigen -afdeeling van omstreeks 250 bouws. - -Tik, tik, deed het op het gegalvaniseerd ijzeren dak der -administrateurswoning, een geluid zoo lang niet gehoord, dat Korman, -die in zijn kantoor zat te werken, zijn boeken en papieren in den steek -liet om zich naar buiten te spoeden en te zien of het werkelijk ging -regenen. - -Een klein wolkje zweefde boven het emplacement, langzaam -voortschuivende in de richting van den hoogsten bergtop, als -aangetrokken door het gezelschap natuurgenooten dat daar reeds -vergaderd was. Het was als een bode van den westmousson, die met eenige -droppels kwam waarschuwen: hier zijn we. - -Li was met haar kindje op den arm ook in de voorgalerij gekomen. Haar -blik richtende naar de vlakte, zag zij op eens, een weinig linksaf, een -groote rookpluim, zich statig verheffend in de blauwe lucht. - -„Wat is dat pa?” vroeg zij. - -Korman wendde zich om en keek in de door Li aangewezen richting. Toen -haalde hij de schouders op. - -„Het is die malle kerel met zijn alang-alang,” zeide hij onverschillig. - -„Kan het geen kwaad voor onze tuinen?” vroeg Li. - -„Te drommel ja, daar zeg je zoo wat,” riep Korman schrikkende. - -Zonder de vraag van Li zou hij er niet aan gedacht hebben; doch nu -drong het tot hem door, dat de brand gemakkelijk kon overslaan op de -hoopen droog vuil die tusschen de koffieboompjes lagen; vooral in de -grenstuinen. Onmiddellijk moesten er maatregelen worden genomen. Hij -zond een boodschap naar Gerlings, en ging zelf Rencke aanzeggen om -onverwijld met al het volk naar de grens te trekken. Daar gekomen liet -hij kappen, tot een breede strook voor den grond lag. Het afgesneden -gras werd toen naar den uitersten rand gebracht en in brand gestoken, -terwijl de koelies zich in de tuinen posteerden, alle vonken en -brandende stukjes die de wind daarheen voerde, dadelijk blusschend. - -„Ziezoo, dat gevaar is geweken,” zeide Korman toen het vuur zich -langzaam verwijderde. „Gerlings, blijf jij met vijftig man hier, -zoolang als je denkt dat het noodig is.” - -„Jawel meneer,” antwoordde de employé. „En, zoudt u niet denken dat het -goed was vannacht een man of tien op wacht te zetten? De brand mocht -eens door het bosch ginds terugkomen, hi hi hi.” - -„Daar zou anders geen aardigheid aan zijn,” merkte de chef op. „’t Is -goed, doe dat maar.” - -„Me dunkt ik hoor schieten,” zeide Rencke. - -„Dat is bamboe,” meende Korman. „Zonde van ’t mooie goed.” - -„Neen,” zeide Rencke luisterende, „het was een geweerschot. Daar hoor -ik er weer een... nog een.” - -„Ik geloof dat je gelijk hebt,” stemde Korman toe. „Die beroerde kerel -is zeker op jacht gegaan.” - -„Kijk daar, een hert, hi hi hi!” riep Gerlings. - -Zij zagen allen tegelijk op. Een prachtig hert was met een hoogen -sprong uit de vlammen te voorschijn gekomen, en bleef toen staan, -angstig snuivend, wankelend, nog eenmaal het zware gewei trotsch in den -nek werpend, om tegelijk op de knieën te zinken en zieltogend neer te -storten. - -Eenige koelies vlogen er op af en hielpen het edele dier door een paar -arit-slagen uit zijn lijden. Ook de drie europeanen liepen er heen. - -„Zie, een schotwond,” zeide Rencke, wijzende op een bloedige plek nabij -den schouder. „Dat is zijn dood geweest, en niet de vlammen, hoewel die -hem ook flink toegetakeld hebben.” - -„We zullen hem naar huis laten brengen,” zeide Korman, een mandoer -wenkende. „Er zal nog wel een lekker boutje uit te snijden zijn. En om -het gewei zullen we loten... of neen, ik weet beter; het is voor hem -die ’t langst zijn lachen kan houden. Wat zeg jij daarvan, Gerlings?” - -„Hi hi hi,” grinnikte Gerlings, terwijl Rencke zich op dat gezicht ook -niet kon inhouden, maar in een luiden lach uitbarstte. - -„Dan is het voor mij,” zeide Korman. „En laat nu het volk inrukken. -Hier, Setrodimedjo, laat dit hert naar de lodjie [85] brengen.” - -Acht man hadden er een zware vracht aan. Nauwelijks waren zij er mee -heen, of de europeanen zagen langs den boschrand den heer van Os -aankomen, in zwart bestoven kleeren, het geweer aan den draagriem over -zijn schouder hangend. - -„Bonjour heeren!” riep hij. „Jelui hebt er ook den brand ingestoken, -zie ik. Een mooie jacht gehad daardoor. Vijf herten! Allen bij den -ingang van het ravijntje ginds, aan den boschkant. Maar één, ’n -mannetje, is mij ontsnapt. Als ik het niet zelf gezien had zou ik het -niet gelooven; hij is na het ontvangen van het schot terug gerend, -dwars tegen het vuur in!” - -„Ik was hier om mijn tuinen te beschermen,” antwoordde Korman. - -„Jongens ja,” zeide van Os. „Dat zie ik. Ik had je wel mogen -waarschuwen. Neem me niet kwalijk...” - -„Soedah!” zeide Korman. „Als je mee wil gaan, dan krijg je vanavond een -stukje hertebout. Wij hebben namelijk den vluchteling opgevangen. Kijk, -daar gaat hij.” - -„Waarachtig,” zeide van Os, den stoet ziende op de hoogste slingering -van den zigzagweg in de verte. „Hij komt je wel toe voor de moeite. Ik -wil graag meegaan, want ik erken dat ik bekaf ben; en als je ook nog -een koelie wilt sturen naar Marialand, dan zal ik je dubbel verplicht -zijn.” - -De zware rookwolken van den brand hadden de beide europeanen van -Sabrang naar het hoofdkwartier gelokt, waar zij aankwamen toen de -anderen juist terugkeerden. Korman noodigde hen uit tot ’s avonds te -blijven; men kon dan een partijtje maken, waartoe toch wel weinig -gelegenheid meer zou zijn, zoodra de op komst zijnde regens de drukte -van het planten meebrachten. - -Men zat aan tafel. Korman diende de soep, toen op eens allen opkeken. -De hoefslag van een dravend paard deed zich hooren, hetgeen de komst -van een europeaan meldde, aangezien inlanders hun paarden liefst in den -telgang of een drieslag, die daar veel op gelijkt, rijden en bovendien -geen inlander Rencke’s woning zou passeeren zonder af te stijgen. - -Het was de heer Messner, voor wien, nadat allen die hem vreemd waren -zich hadden voorgesteld, een plaats aan tafel werd ingeruimd. - -„Ik dacht zoo waar,” helderde hij zijn laat bezoek op, „dat jelui allen -waart afgebrand. Het volk wist verschrikkelijke verhalen te doen. Hier -in de buurt vernam ik eindelijk de ware toedracht der zaak, en ik -schold mij zelven voor een ezel dat ik dat niet eer begrepen had.” - -„Nu,” zeide Korman, „als onze vriend van Os me niet reeds vroeger had -meegedeeld dat het zijn plan was, zou ik ook eer aan een ongeluk -gedacht hebben dan aan ernst.” - -„Toch had ik het moeten inzien,” zeide Messner; en zich tot van Os -wendende ging hij voort: „uw werkwijze heeft me groote belangstelling -ingeboezemd, en ik ben zeer nieuwsgierig naar de resultaten, die ik -voor u hoop dat goed zullen zijn.” - -En hij gaf als zijn meening te kennen dat zij goed moesten zijn, tevens -verklarende waarom hij zoo dacht, daarbij een wetenschap van détails -tentoonspreidende, die van Os met steeds klimmende verbazing aanhoorde. - -„Als ik niet beter wist,” zeide de administrateur van Marialand -eindelijk, „zou ik denken dat u dagelijks bij mij geweest was om toe te -zien, ja tot in mijn boeken toe uw oog had geslagen. Hoe in ’s -heerennaam weet u al die dingen?” - -„Och, het volk praat onder elkaar over alles en nog wat,” zeide -Messner; „en dan hoort men allicht iets; temeer daar ik, zooals gezegd, -veel belang stelde in wat u deed.” - -Om niet onbeleefd te zijn leidde van Os het discours van zijn eigen -zaken af. Hij had intusschen voor Messner een groot respect opgevat, -hetgeen reeds gebleken was uit de wijze waarop hij met hem gesproken -had, zoo geheel afwijkende van zijn half-ironisch antwoorden op alle -vragen en beweringen van Korman. Ook was het hem aangenaam iemand -ontmoet te hebben van zoo groote practische kennis, aan wien hij bij -het voorkomen van moeielijke vraagstukken raad zou kunnen vragen, -vooruit wetende dien ook te zullen ontvangen. - -Toen het tafellaken was weggenomen, en Li zich naar achter begeven had, -haalde Korman kaarten en fiches, terwijl de bediende glazen bracht en -in een hoek van de binnengaanderij een voorraad flesschen neerzette, -die iemand licht op het idée had kunnen brengen dat hier een nieuwe -toko in dranken stond geopend te worden. - -Gaandeweg werd de voorraad minoeman in den hoek kleiner, en de -gezichten naar evenredigheid rooder, misschien ook door de animo van -het sliekoer, zooals het getal 21 in het javaansch uitgedrukt wordt. - -Na middernacht bleekten de gelaatstrekken meer en meer op, vooral als -er een naar buiten geweest was, zonder dat de anderen daar veel notitie -van namen, daar zij toch vroeger of later denzelfden tocht moesten -doen, soms met niet geringen spoed, om zich op het voorerf „van de -stomachale en cerebrale patentialiteit te libereeren,” volgens de -zegswijze van zeker apothekersbediende. - -Er werd met afwisselend geluk gespeeld; behalve door Korman, die steeds -verloor, en door Rencke, die aldoor won. Toen de zon opging had de -eerstgenoemde omstreeks driehonderd gulden aan den tweeden af te -dragen, terwijl winst en verlies van de andere spelers onbeduidend -waren. - -Zij hielden op, en gingen zitten in de voorgalerij, op luierstoelen, -zich vermakend met de grillige vormen der wolkjes in de morgenlucht, -die voor hun vermoeide oogen allerlei gestalten van wilde dieren -aannamen. Li was vroeger opgestaan dan gewoonlijk, op last van Korman, -die wist hoe lekker een kop koffie smaakt na zulk een nacht, en liet -dezen drank door de bedienden presenteeren. Daarna werd er ontbeten met -een glas bier, „om op te frisschen”, en na afloop kwamen de paarden -voor, om een ieder naar zijn huis terug te voeren, hetgeen deze -verstandige dieren met veel tact deden. - -De regens vielen dit jaar vroeg in en verrasten eigenlijk van -Everdingen, die nog een kleine honderd bouws overhield, waarvan het -bosch nog niet gekapt was, dan wel nog te versch om te willen branden. -Toch was er goed gewerkt, hetgeen vooral te danken was aan den -overvloed van werkvolk in die streek; in dit seizoen nog vermeerderd -met vluchtelingen uit een naburige residentie, waar hongersnood had -geheerscht. - -Ware dit laatste het geval niet geweest, dan zou het Korman nooit -gelukt zijn zooveel bosch in één jaar te kappen; en hij zegende de -ramp, die de onvoorzienigheid van hen die tot voorzien geroepen waren, -over het ongelukkige gewest gebracht had. - -Toch had de aanwezigheid van dat vreemde volk voor de onderneming -Watoeombo een blijvend nadeel medegebracht, hoewel de administrateur -dat niet inzag; integendeel, hij noemde het een voordeel.... - -De javaan die de landstreek verlaat waar hij geboren is, waar zijn -ouders, zijn grootouders geleefd hebben en begraven liggen, behoort -niet tot het beste deel der natie. Over het algemeen ziet dat volk in -emigratie een schande; er zijn er die liever doodhongeren, en, eer dat -geschiedt, de afschuwelijkste daden plegen, dan hun dessa te verlaten; -kinderen zijn in zulke dagen lastposten, in wier altijd hongerige magen -de schaarsche voorraad voedsel veel te snel verdwijnt, en dus gaarne -worden omgezet in wat rijst.... Dat zijn echter gewone zaken, waartoe -nu misschien met een bloedend hart, maar toch gemakkelijker wordt -overgegaan dan tot het verlaten van den grond waaruit men als het ware -gesproten is. - -Was het dan te verwonderen, dat de meeste dier uitgewekenen -opiumschuivers waren, die zonder dien stimulans niet werken konden? In -de dessa van den assistent-wedhono stond wel een kit, doch de voorraad -was daar in de eerste dagen niet voldoende; en ook ging het niet aan -dat telkens een deel der koelies afwezig was, op weg om zich de zoo -noodige tjandoe te verschaffen. Er één te sturen om voor allen te halen -was ondoenlijk, daar de bepalingen het vervoeren van een eenigszins -groote hoeveelheid verbieden. - -Op zekeren dag reed Korman naar de stad en besprak de zaak met den -opiumpachter. Het gevolg was, dat deze van toen af geregeld een aantal -dier bekende ronde blikken doosjes zond, die één thail opium bevatten. -Zij gingen wel vergezeld van stukjes papier met roode chineesche -karakters beschreven, teneinde hun wettige afkomst te staven, maar toch -was het tegen de wet om er meer dan één in huis te hebben. Dus zond -Korman ze altijd dadelijk na ontvangst weg, naar de employé’s. Deze -moesten hem voor elk doosje twaalf gulden verantwoorden, waartoe zij er -honderd en twintig pessans uit lieten maken, in stukjes blad gewikkeld, -die de koelies voor tien cent kochten. - -Aan den pachter betaalde Korman negen gulden per thail. Het voordeel -dat deze handel opleverde paraisseerde echter niet in de boeken. - -Later, toen de vreemde koelies reeds lang vertrokken waren, bestond -deze opiumverkoop nog. Het gebruik der tjandoe had zich geworteld; het -was niet meer uit te roeien. Het gaat daarmee als met de papaverplant -zelf, die eenmaal gezaaid en opgekomen, niet meer te vernietigen is; en -wilde iemand voorgoed een einde maken aan alle reglementeering van de -opium, en daarmee tevens aan het door moreelen en immoreelen dwang -veroorzaakte opiummisbruik, hij had met een zakje papaverzaad slechts -een toer te maken over Java, en overal, liefst op plaatsen die weinig -bezocht worden, een weinigje te laten vallen. Eer men het bemerkte zou -de plant inheemsch zijn geworden, onder het bereik van iedereen. - -Het jaar naderde zijn einde. Zware regens hadden de nietige berg-kalies -in stroomen herschapen, die groote steenen in hun vaart meesleepend, -een geweld maakten als van een onafgebroken onweer. Schurende langs het -gevelde bosch had het water ook verscheiden boomstammen meegevoerd, die -aan den kant waren blijven liggen, of na het branden in het ravijntje -waren gestort waardoor de kalie liep, zijnde dat de gemakkelijkste -manier om ze uit den weg te krijgen. Doch thans leverden die stammen -een niet gering gevaar op voor de brug aan den ingang van het perceel, -onderstrooms van den breeden steen. Want hiertegen stootende, bestond -er kans dat zij dwars kwamen te liggen, en een opstopping -veroorzaakten, die doorbrekende, noodlottig had kunnen worden voor de -brug. - -Om dit te voorkomen had Korman aan weerszijden van de kalie een -afdeeling koelies geposteerd, die met lange bamboes de boomen zooveel -mogelijk in den stroom hielden, links of rechts van den breeden steen. -Om twaalf uur wandelde hij er met Rencke heen. - -De regen had opgehouden en er was een wind opgestoken sterker dan men -op Java gewoon is. Zwaar kruiden de grauwe wolken in het zwerk -daarboven, en beneden raasde de bandjir, het gejoel der koelies -overstemmende. - -Korman schreeuwde hun een bevel toe, dat niet verstaan werd en ook -overbodig was. Want sneller dan een order kon uitgesproken en begrepen -worden dreven de boomstammen voorbij, en bij het werk der Javanen op -den oever kwam alles neer op oogenblikkelijk zien en handelen. En zij -deden het goed. Als er een zware stam aankwam stonden zij gereed, met -gevelde bamboe, het bovenlijf heen en weer wiegelend op de maat van een -klagend recitatief, dat sneller en sneller ging naarmate de stam -dichter bij kwam, en eindigde in een algemeen gehuil bij het stooten op -het juiste oogenblik dat de boom voorbij schoot. - -„Het mindert al,” merkte Rencke op, nadat zij er ongeveer tien minuten -gestaan hadden. - -„Zooveel te beter,” zeide Korman, „want als dat vannacht moest -voortduren gaf ik niet veel voor het leven van onze brug.” - -„Hé, dat is sterk!” riep Rencke uit, die zijn aandacht op het -stroomende water bleef vestigen. En hij ging eenige passen vooruit, in -de richting van de brug. - -De aanleiding tot dien uitroep was het minderen der hoeveelheid water, -die als plotseling tot op een derde van zooeven slonk, terwijl het -geraas nu ook in vergelijking met eenige oogenblikken geleden in een -stilte overging... neen, zich scheen te verwijderen. Want in de -verte... - -„Gévédé, Rencke! Terug!” gilde Korman. De koelies aan deze zijde weken -van den oever; die van de overzijde wierpen de staken neer en holden -over de brug alsof zij om hun leven liepen, Rencke meetrekkende in hun -vaart. - -Korman tierde en vloekte, trachtend hen tegen te houden; maar het ging -niet; zij kenden het naderend gevaar, dat hen alle vrees voor den -europeaan deed vergeten. - -Donderend kwam het nader, een verwarde massa vluchtende boomen, -vallende en weer opstaande, springende tientallen van meters ver, -ledematen verliezende door de wrijving tegen elkaar, maar rennende in -ijdel pogen om te ontkomen aan den vervolger: het van woede ziedende -water. - -Kalm wachtte de breede steen in het midden der kalie den schok af, -rustig in zijn onwrikbare kracht, wetend dat voor hem alles moest -wijken of tegen hem verpletterd worden. - -Daar kwam het, met een slag die de aarde deed dreunen; een golf vloog -over den steen weg, de luchtdruk deed de brug reeds buigen en zwiepen -nog eer de massa haar bereikte... - -Weer dreven enkele stammen in den bandjir, als even te voren; maar nu -stonden er geen koelies meer ter bescherming van de brug, want die was -weg. - -Korman mopperde verschrikkelijk. Het was alsof het verlies van de brug -hem half ruïneerde. Midden in die bui kwam een koelie met een briefje -van Gerlings. - -„Meer uitroepteekens dan woorden,” zeide Korman. „’t Is alsof hij zelfs -in zijn schrijven dat lamme gegrinnik niet laten kan. Heb jij rijst -over.” - -De laatste vraag was aan Rencke gericht, die hoofdschuddend antwoordde. - -Het was in de laatste dagen van het jaar. Korman had met Benoit een -contract, waarbij bepaald was dat hij voor de gelden die hij in den -loop van een jaar ontving, vijf procent rente moest betalen, -onverschillig of hij die op 1 Januari dan wel op 31 December kreeg; -daarna kostte het kapitaal hem negen procent ’s jaars. Om nu in het -laatst van December nog een remise aan te vragen, vond hij jammer, om -de vijf procent; dus stelde hij het uit tot 1 Januari, en intusschen -werd het volk niet betaald. Dat kon; men kan met javanen veel doen, -doch voor één ding moest gezorgd worden: rijst. - -Het volk nam van huis, als zij op de onderneming gingen werken, rijst -mee voor vijf dagen; bleef het langer, dan werd er rijst gekocht van -den voorraad dien ieder opzichter daarvoor had liggen. De verstrekking -geschiedde nagenoeg tegen inkoopsprijs, doch men woog het niet... het -werd gemeten met een takkeran van vijf of tien katties, waarvan er -honderd veertig in een picol gingen! De winst paraisseerde alweer niet -in de boeken... - -Nu had Gerlings den bodem van zijn rijsthok gezien, en vroeg om -instructies. Geld om rijst te koopen was er niet, en de koelies vroegen -natuurlijk om rijst. Hij had nog slechts een beetje; hoe moest hij -doen? - -In gewone gevallen zou Korman beter nagedacht hebben en getracht er in -te voorzien, doch nu hij zijn brug kwijt was, en daardoor ontstemd, -krabbelde hij met potlood een kort antwoord op het ontvangen briefje, -daarop neerkomende dat hij ’t zelf niet had en het ook niet kon... hier -volgde een minder kiesche uitdrukking. Gerlings moest nu zelf maar zien -hoe hij het bolwerkte. - -Gerlings had echter niet gevraagd om geen antwoord te bekomen. Enfin, -hij zou morgen wat minder geven dan de aanvragen, en overmorgen nòg -minder of niets, een weinig op zij leggen voor zijn eigen gebruik, en -dan... dan moest Korman het weten. Hij had het vooruit niet geweten, en -thans zijn plicht gedaan door te waarschuwen. Ultra posse nemo -obligatur! - -Den volgenden dag trokken de koelies lange gezichten; wat niet -misstond, meende Gerlings, daar de javaan van nature een veel te kort -gezicht heeft. Den dag daarna, nòg langer; en met nieuwjaarsmorgen.... - -Rencke had juist rol gehouden en stond in zijn voorgalerij, gereed om -naar de administrateurswoning te gaan en te feliciteeren. Korman was -eerst van plan geweest de employé’s op oudejaarsavond uit te noodigen; -maar die brug....! - -Een galoppeerend paard kwam door de kampong, bereden door een inlander, -die Rencke’s huis voorbij zou zijn gerend, als hij niet op het laatste -oogenblik gezien had dat de toewan ziender in zijn voorgalerij stond. - -„Waarheen? Wat is er?” riep Rencke. - -De inlander scheen zich een oogenblik te beraden of hij toch maar door -zou gaan, doch dàt was te bar; hij liet het paard staan en kwam naar -Rencke toe, dezen een stukje papier toestoppende, confuus, zonder één -der door de hormat [86] voorgeschreven beleefdheidsvormen. - -„Gévédé!” - -Rencke vloekte anders nooit, maar nu flikkerden zijn oogen; met één -greep had hij zijn karwarts van het rek aan den muur, en voortsnellende -vatte hij de manen van het wachtende paard, sprong er op, en holde weg, -in de richting vanwaar de koelie gekomen was. - -Hellingen op, af, ’t deed er niet toe, vooruit maar. In verkeerden -galop om een hoek, ’t zou wat, ’n indisch paard springt vanzelf over! -De laatste bocht, en vóór hem lag een pleintje en Gerlings huis. - -Het paard zette de ooren in den nek, Rencke’s lippen scheidden zich, de -witte tanden blootleggende; maar zonder vaart te minderen, integendeel, -harder nog, vloog hij de opeengepakte massa inlanders op het lijf, eer -zij hem zagen. - -Een paniek ontstond, en het gedrang van de in geen bepaalde richting -vluchtende javanen zou Rencke hebben ingemetseld, als niet zijn paard -trappend en bijtend ruimte had gehouden, terwijl hij zelf ieder dien -hij bereiken kon met de karwarts bewerkte. - -Eindelijk was het pleintje leeg; alle koelies waren de kampong in, waar -zij zich in de huizen verscholen. Eén lag vlak vóór Gerlings huis, -kermende van de pijn. Het was een der belhamels geweest, die het dak -beklommen had, om dat openbrekende, een toegang tot de woning te maken. -Want de aanval kon noch aan den voorkant, noch van achter geschieden, -aangezien telkens als zij het probeerden een geweerloop den koelies -door een of andere opening tegenblonk. - -Rencke klopte aan de deur, luid roepende: „Hé, Gerlings! Waar zit je?” - -„Zijn ze weg?” klonk het van binnen. - -„Ja.” - -„Wacht dan even, ik moet den boel opruimen.” - -Rencke ondervroeg intusschen den koelie die op den grond lag. Hij was -gevallen, en had pijn aan zijn been. - -Rencke hurkte neer en bezag het. Den voet opbeurende gaf deze op -zonderlinge wijze mee in het enkelgewricht, terwijl de koelie een luid -adoeh [87] uitstootte. - -„Die is er uit,” dacht Rencke hardop. Hij had aan boord wel eens meer -gevallen van dien aard zien behandelen; en, vertrouwende op zijn goed -geluk, stond hij op, nam het been mee de hoogte in, zette zijn -rechtervoet tot steun op de heup van den inlander en trok met een -krachtigen ruk aan den voet, dien dadelijk daarop naar binnen buigende. -De patiënt was flauwgevallen, maar het ontwrichtte lichaamsdeel was -weer op zijn plaats gebracht. - -Rondziende als om hulp, bespeurde Rencke den huisjongen van Gerlings, -loerende langs den hoek van het huis. Hij riep hem. - -„Die man is van het dak gevallen, meneer,” lichtte hem de jongen in. - -„Ook al goed,” zeide Rencke. „Hier, houd den voet vast zooals ik hem nu -heb. Ziezoo.” - -Toen ging hij weer naar de deur terug, die na nog eenig gestommel door -Gerlings werd geopend, maar voorzichtig, met de linkerhand, terwijl hij -in de rechter een revolver hield. - -„Kom, wees nu niet gek,” zeide Rencke met een trap tegen de deur. „Wat -moeten ze wel van je denken!” - -„Gelukkig dat je er bent,” zeide Gerlings, die erg bleek zag. „Ze -wilden me vermoorden!” En hij maakte een beweging om, toen Rencke er in -was, de deur weer te sluiten. - -„Open!” beval deze. „Open, zeg ik je. En laat nu je meid een stuk goed -geven om dien kerel daarbuiten te verbinden.” - -Gerlings moest het zelf halen, want zijn huishoudster lag voorover op -het bed, kreunende den dood af te wachten dien zij meende dat haar -beschoren was, en tot niets in staat. - -De javaan, die intusschen weer bijgekomen was, werd door Rencke -verbonden en toen op een mat gelegd in het smalle voorgalerijtje. - -„Vertel me nu eens wat er gebeurd is,” zeide Rencke. - -„Van morgen, op de rol, vroeg mij een uit het volk wanneer er betaling -was,” zeide Gerlings. „Ik antwoordde: zoodra als ik van den toewan -besaar geld krijg. Toen zegt de vent brutaal: We willen het nu hebben; -en tegelijk beginnen de anderen op te staan en te schreeuwen. Ik weg, -het huis in, hi hi hi! Wat er verder buiten gebeurd is heb je zelf -gezien; maar ze schreeuwden en scholden om er beroerd van te -worden....” - -„Hoe heb je dien staljongen weg kunnen sturen?” vroeg Rencke. - -„O, die kwam de achterdeur in juist toen ik die wou sluiten, en zei: -Meneer geef mij een briefje voor den toewan besaar. Ik heb wat op het -rapportpapiertje gekrabbeld, en toen is hij de achterdeur weer -uitgegaan. Verder weet ik niet.” - -„Hm,” deed Rencke. „Laat dan nu de kenthong slaan; we zullen die rol -nog eens overhouden.” - -„En als ze dan weer beginnen? Zou ik er niet eerst vandoor gaan?” - -„Je blijft! Hoor eens Gerlings, als je wilt dat ik je help en je -sauveer bij den oude, dan doe je nu precies wat ik zeg.” - -Gerlings gaf zijn jongen last om de kenthong te slaan. Een tiental -inlanders kwamen op dat sein langzaam aanzetten. Het waren de mandoers. - -Voor Rencke neerhurkende, deed een hunner het woord, betuigende dat zij -niet aan het geval schuld hadden; dat de koelies nu ook berouw hadden -over hun daad; dat zij zoo bang waren, dat zij niet durfden komen voor -meneer’s aangezicht; dat eindelijk, wat meneer wilde bevelen door hen -zou worden uitgevoerd, al was het om te sterven! - -Rencke glimlachte even en zag Gerlings aan. Daarop gelastte hij de -mandoers om in alle kampong-huizen aan te zeggen dat er straks nog -eenmaal op de kenthong zou worden geslagen. Wie dan niet verscheen zou -door hem, Rencke, uit zijn huis worden gehaald, en met den zoodanige -zou het slecht afloopen. - -Zij kwamen als geranselde honden op de stem van den meester; zwijgend -hurkten zij neer, dicht opeen, als zocht een ieder steun bij zijn -buurman. Rencke telde hen af en deelde hen in, volgens de opgave van -Gerlings. Voor dat hij het sein gaf tot oprukken, sprak hij hen aan. - -„Mannen, gij allen, hoort! En antwoordt als ik u vraag: Was de duivel -van morgen in u gevaren, dat ge opstond tegen uw heer? Hebt ge grieven, -welnu waarom daarover niet gesproken, niet beraadslaagd? Dat zou -mannen-adat [88] geweest zijn. Wat ge nu hebt gedaan was het werk van -honden, die slechts blaffen en bijten, omdat toewan Allah hun niet -gegeven heeft te spreken. Ziet, Hij zelf heeft u geoordeeld, de handen -losmakende van uw makker die op het dak zat, tot hij viel, en nu met -een gebroken been daar ligt. Waar Hij alzoo strafte, zal ik het niet -meer doen. Is er onder u een die verstandig spreken kan, en mij zeggen -wat ge wilt, dat hij voorkome.” - -Er heerschte groote stilte terwijl aller blikken zich vestigden op een -javaan, die ongeveer in het midden zat. Deze aarzelde, maar eindelijk, -gedrongen door de stomme uitnoodiging van al zijn makkers, stond hij op -en ging naar Rencke toe. Zonder te hurken, terwijl een donkerder waas -het bruine gezicht overtoog, wees hij met gestrekten duim op Gerlings. - -„Die daar....” - -Een welgemikte oorveeg maakte een eind aan den volzin, en deed den -spreker onderste boven tuimelen, midden in een plas water. Een gesmoord -lachen doorliep de rijen der koelies. - -„Ik heb genoeg gehoord,” sprak Rencke. „De kapala kampong zal mij -straks verder inlichten, en met hem zal ik beraadslagen. Gaat nu allen -heen, aan het werk.” - -Zij gingen, behalve de voorvechter, die op een wenk van Rencke door het -kampong-hoofd werd aangehouden. - -„Dat is afgeloopen,” zeide Rencke tot Gerlings. „Maak even de rekening -op van dit heer, dan zullen we hem opzenden naar den assistent-wedhono. -Maar wat mankeer je, man; je staat te beven op je voeten!” - -„Toen je daareven dien man sloeg, dacht ik: we zijn er bij! Het is -dezelfde die van morgen begon.” - -„Je hebt gezien hoe je zoo’n zaakje aan moet pakken. Drink wat.... en -geef mij ook maar een brandy-soda,” zeide Rencke, die, nu alles voorbij -was toch ook eenige werking van zijn zenuwen bespeurde. - -Nog waren zij daarmee bezig, terwijl Gerlings op een stukje papier het -bedrag had opgeteekend van het loon dat de gevangen belhamel verdiend -had, toen voor de deur de staljongen van Gerlings verscheen, het paard -van Rencke, den plongko, aan den teugel houdende. - -„Kijk, dat is een goed idée!” zeide Rencke. „Nu moesten we samen naar -Watoeombo rijden om den oude te feliciteeren.... ’t is waar ook.... -gezegend nieuwjaar!” - -„Slamat [89]!” antwoordde Gerlings. „Hi hi hi!” - -Na den koelie onder geleide van het kampong-hoofd te hebben afgezonden, -vertrokken ook de beide opzichters. - -Te Watoeombo zat Korman in niet geringe spanning de terugkomst van -Rencke af te wachten. Hij had van den staljongen alles vernomen, en -vreesde dat de moedige jonge man het offer zou zijn geworden van zijn -voortvarendheid, en meer nog, dat het oproerige volk hierheen zou -komen. Hij gaf last om zijn paard te zadelen en bleef in de -voorgaanderij op en neer loopen, steeds den weg die naar Gerlings’ -afdeeling leidde, in het oog houdende. Plotseling bevangt hem de -gedachte aan Li en zijn kind, en hij vervloekte zichzelf dat hij den -plongko had weggezonden. Hoe moesten die twee nu wegkomen als het -gevaar dreigde? De kleine kon hij zelf op het paard nemen.... - -Gelukkig! Daar kwamen van Everdingen en Biezeman. - -Toen deze twee hoorden wat er gaande was, wilden zij er onmiddellijk -heen rijden. Doch Korman hield hen terug. - -„Rencke is gegaan zonder mij eerst te raadplegen,” zeide hij. „Als een -dolleman is hij weggehold. En nu moet de zaak in orde zijn, of je zoudt -door er heen te gaan nog meer bederven. Laat ons bedaard afwachten tot -er bericht komt.” - -Zij behoefden niet lang meer te wachten. Korman loosde een zucht van -verlichting toen hij de twee opzichters ongedeerd aan zag komen, en -betuigde Rencke zijn groote tevredenheid, toen deze met weinig woorden -rapport had gedaan. - -„Alleen,” zeide hij, „had je niet mogen gaan zonder mij. Ik heb er -genoeg over in gezeten. Maar enfin, ’t is goed afgeloopen; dus zullen -we er maar over zwijgen. Ja, zooals je zegt, er moet rijst heen. Wie -heeft over?” - -„Op Sabrang ligt meer dan we noodig hebben,” zeide van Everdingen. - -„Dan zal ik om één uur volk sturen,” zeide Korman, en zoo geschiedde. - -Na de rijsttafel, toen de anderen vertrokken waren, werd er tusschen -Korman en Gerlings een heftig gesprek gevoerd. De laatste weigerde -eenvoudig naar zijn afdeeling terug te gaan, tenzij hij geld had om het -volk af te betalen; en of Korman hem al beduidde dat er geen geld was, -dat hij, nu er rijst was niets te vreezen had, dat hij de heele -afdeeling op de flesch hielp door zijn lafheid, en eindelijk dat hij te -kiezen had, tusschen zijn onmiddellijk ontslag of het doen van zijn -plicht, Gerlings antwoordde onveranderlijk: „Ik doe het niet; ik durf -niet.” - -Woedend was Korman in zijn kantoor gegaan, en zat daar het ontslag van -den employé te schrijven. - -Door de open binnengalerij had Li het geheele gesprek aangehoord, en -toen Korman zich verwijderde, kwam zij naar voren. Zij vermaande -Gerlings toch te doen wat zijn plicht was. - -„Geloof mij,” zeide zij; „er is geen gevaar meer. Daar! wil ik uw njai -een bezoek gaan brengen en vannacht overblijven?” - -„Laat meneer Korman zelf komen,” zeide Gerlings. „Me dunkt dat het hem -als administrateur in de eerste plaats past zijn ondergeschikten bij te -staan waar zij niet verder alleen kunnen.” - -„Meneer Korman,” vond Li, „moet als administrateur op het hoofdkwartier -zijn. Dáár is de plaats die den toewan besaar past.” - -„Een mooie toewan besaar!” riep Gerlings uit. „Wil ik u eens wat -zeggen, nonja? Hij is zelf te bang! Hi hi hi!” - -Met een blik vol minachting nam Li hem op, en zonder een woord te -zeggen draaide zij zich om. Juist kwam Korman weer uit zijn kantoor, -een beschreven stuk postpapier in de hand. - -„Nu, gaan of niet?” - -„Neen.” - -„Hier dan; je hebt je ontslag.” - -„Liever dan vermoord te worden,” zeide Gerlings, het papier aannemende. -„Ik groet u; hi hi hi!” - -Een ontslag was zoo erg niet in die dagen. Men ging ergens in een -logement zitten, wachtte tot er een administrateur kwam die iemand -noodig had, of informeerde bij den logementhouder waar er in den -omstreek een vacature was. Gerlings nam het dan ook niet erg zwaar op, -doch maakte haast met zijn vertrek; want één ding wist hij: als -namelijk Korman in de gelegenheid was de redenen van het ontslag op -zijn manier ruchtbaar te maken, eer Gerlings een betrekking had, dan -kreeg hij er geen. Men mocht in dien tijd zijn wat men wilde, mits men -geen last had met het volk. Wat zijn achterstallig tractement betrof, -plus de zes weken die hij daarboven te vorderen had, dat zou hij -trachten te innen zoodra hij een nieuwe plaatsing bekomen had. - -Rencke ging tijdelijk naar de verlaten afdeeling, doch den derden dag -kon hij reeds weer op Watoeombo terugkeeren. Er was een nieuwe employé -uit de lucht komen vallen! - -Gerlings had dezen in het logement ontmoet. Ze hadden elkaar hun -lotgevallen verteld, en het gevolg was, dat Gerlings naar de -suikerfabriek ging die de andere verlaten had, en deze zijn lang mager -lichaam op een picolpaard zette en zich naar Watoeombo liet dragen, -waar hij omstreeks den middag aankwam. - -Korman wist niet wat hij zag, toen de optocht voor zijn huis stil -hield, en de aankomende zijn voeten uit de touwtjes die voor -stijgbeugels dienden nam, om vervolgens het nietige paardje gewoon van -onder zijn lange beenen uit, weg te laten loopen. - -„Mijn naam is Menier de Brisson,” stelde hij zich voor. - -„De boekhouder van Sonokling?” vroeg Korman. - -„Geweest, meneer. Misschien wist u dat meneer van Sloten naar Holland -gaat?” - -„Ja, en Parser wordt administrateur.” - -„Juist meneer. En met dezen heb ik eens standjes gehad over de -indeeling van de wachten, ’s nachts, in den maaltijd,” zeide Brisson. -„Toen heeft hij ongelijk gekregen. Maar hij heeft het mij nooit -vergeven; en nu hij baas wordt begrijpt u....” - -„Jawel, dat spreekt. Dus kom je om een betrekking. Wel, je treft het, -Gerlings is een paar dagen geleden weggegaan.... Ben je moe?” - -„O neen meneer, alleen wat gevoelig van het lange zitten op het -tjekattahan, [90] dat voor zadel dienst deed.” - -„Dat is minder,” lachte Korman. „Ik zal je iemand meegeven naar de -afdeeling van Gerlings. Je zult daar meneer Rencke vinden, die je wel -van alles op de hoogte zal brengen. Er is op ’t oogenblik weinig te -doen, daar gisteren, na de betaling, veel volk is weggegaan.” - -Brisson was weldra op weg, en Korman wenschte zich geluk met de -aanwinst, daar hij van dien jongen man veel goeds gehoord had. - -Ook Rencke was blij dat hij zoo spoedig werd afgelost, en nog meer toen -Korman hem mededeelde dat zijn tractement met vijftig gulden ’s maand -verhoogd werd, waardoor hij nu driehonderd vijftig gulden kreeg. Hem -werd echter opgedragen van nu aan het werk op de andere afdeeling te -surveilleeren. - -„Dit is een zeer geringe vermeerdering van werk,” zeide Korman; „en het -voordeel er van is dat je een gelijke positie hebt als van Everdingen. -Ik had er bij de aanstelling van Gerlings niet zoo gauw aan gedacht; -maar nu ging het gemakkelijk.” - -Voor de onderneming maakte de tractementsverhooging van Rencke geen -verschil, daar Brisson vijftig gulden minder kreeg dan Gerlings, te -weten tweehonderd gulden. - - - EINDE VAN HET EERSTE DEEL. - - - - - - - - -TWEEDE DEEL - - -De tijd die er verloopt, wanneer een onderneming wordt ontgonnen op de -wijze als Korman dat gedaan had, tusschen het planten van de laatste -bibit en het eerste vruchtdragen van den koffieboom, is vrij eentonig. -Elken dag naar de tuinen gaan en altijd hetzelfde werk zien is voor den -europeaan, vooral in Indië, vervelend en afmattend. Hij wil -vooruitgang, afwisseling, en de natuur roept hem toe: zachtkens aan; -zie, ik rijg takje aan takje, blaadje aan blaadje; alles kost mij -studie en werk; alles moet zijn begin hebben en zijn langzame -ontwikkeling; mij verveelt het niet, ik doe al sinds eeuwen hetzelfde -werk! - -Is het wonder dat zich, èn daardoor èn door het aangewezen zijn op -elkaar in een kleine ruimte, de humeuren minder gunstig ontwikkelen en -er standjes ontstaan uit niets? - -De huishoudster van Rencke had zich veroorloofd te zeggen dat de kleine -Hendrika Korman kromme beentjes had. „Moeder de vrouw” van Biezeman, -tegen wien het gezegd was, oordeelde het feit gewichtig genoeg om zich -te gaan overtuigen, en, zoo het waar was, Li in te lichten wat zij -moest doen om genoemde beentjes recht te laten groeien. Toen zij echter -kwam en de gezonde kleine ledematen zag, die Hendrika door het leven -moesten dragen, liet zij zich ontvallen wat njai Rencke daarover had -verteld. - -Li was verontwaardigd, ten diepste getroffen in haar moederlijke -ijdelheid. En als het nog waar was! Haar engel kromme beentjes? Njai -Rencke werd ontboden en kreeg een standje, zóó dat zij blij was toen ze -weg kon komen. Maar ze zou het „moeder de vrouw” betaald zetten, wacht -maar! - -Om te beginnen klaagde zij haar nood aan haar collega, die het -huishouden van Brisson bestuurde, en deze vond ook dat de babbelzucht -van Biezeman’s wilde echtgenoote te erg was! Welk oordeel door -tusschenkomst van de vrouw van den warong-houder aan de belanghebbende -werd overgebracht. - -Een hatelijkheid was het antwoord, en tevens het begin van een reeks -boodschappen heen en weer, meestal behelzende wat de afzendster wel zou -doen met de tegenpartij wanneer die het ongeluk had haar in handen te -vallen. - -Eindelijk kwam er een briefje van Biezeman, waarin hij „amize” Brisson -waarschuwde dat het nu uit moest zijn, of dat hij anders zou komen en -den ander, al was hij nog zoo’n lange sladood, een paar blauwe oogen -als aandenken nalaten. - -Brisson zond het briefje naar Rencke, met het verzoek om een halven dag -verlof teneinde er persoonlijk antwoord op te kunnen gaan brengen. -Rencke stond dat niet toe, doch stuurde het epistel aan van Everdingen, -en vroeg hem daarbij: of men het als een staaltje mocht aanmerken van -den bon ton op Sabrang? - -Toen was het aan den gang! Hatelijkheden en grofheden wisselden elkaar -af, Sabrang en Watoeombo waren als twee vijandelijke legerkampen; en -toen op het laatst van Everdingen en Rencke niet dan met groote moeite -door Korman belet werden met elkaar op leven en dood te duelleeren, -wist geen van beiden beter of zij streden voor een heilig recht, en -niet over de zwaar belasterde beentjes van Hendrika Korman. - -„Toe pa, stuur ze om de beurt eens naar de stad,” zeide Li op een -avond, toen Rencke met een hoogrood gelaat was komen vertellen „dat het -zóó niet langer ging!” - -Korman dacht er over na, en vond er iets op. Hij liet Rencke ontbieden. - -„Er ligt een aangeteekende brief op het postkantoor,” zeide hij; „’n -remise van Soerabaja.” - -„Die komt op tijd,” merkte Rencke op, „want we hebben niet veel meer in -kas.” - -„Juist,” zeide Korman. „En... Sabrang heeft ook heel wat noodig... dus -wou ik je verzoeken zelf naar de stad te rijden, en het geld mee te -brengen.” - -„Uitstekend meneer!” antwoordde Rencke, aangenaam gestemd in het -vooruitzicht weer eens „menschen” te zullen zien. - -„Ga dan morgen,” zeide Korman. „Je kunt een dag over blijven, als je -wilt. Er is nu toch geen bijzondere drukte. Ik denk er trouwens hard -over, in het vervolg altijd een van jullie te sturen om het geld te -halen. Het transport met den plajangan bezorgt me geregeld een -slapeloozen nacht. Als hij er eens vandoor ging, zou ik eigenlijk niet -verantwoord zijn.” - -Rencke was het daarmee volkomen eens. - -Hij ging, en Korman reed denzelfden dag naar Sabrang, waar hij van -Everdingen eveneens zijn besluit mededeelde, dat ook bij dezen in goede -aarde viel. - -„En,” voegde Korman er op het laatst bij, „zie dat je overmorgen op -Watoeombo komt. Rencke zal wel een hoop nieuws meebrengen.” - -De nieuwsgierigheid dreef van Everdingen op den bepaalden dag naar het -hoofdkwartier, hoewel hij eerst van zins geweest was niet te gaan. Doch -hij bedacht dat dit van den anderen kant wel eens aan vrees kon worden -toegeschreven; en dàt nooit! Alleen zorgde hij er voor, het eerst aan -te komen. Het is toch altijd gemakkelijker bij zulke gelegenheden af te -wachten hoe de ander zijn entrée maakt, dan dit zelf te doen. - -Rencke kwam laat. De geldzakken, die hij vóór zich op den zadel had -gehangen, maakten het vlugge rijden moeielijk. Het regelmatige stappen -van zijn paard had hem even voorbij Wonosarie dommelig gemaakt, en de -twee vorige nachten, die hij zonder naar bed te gaan had doorgebracht, -deden er het hunne toe. Zoodat hij er niets van bemerkte hoe de plongko -in het bosch een uurtje doorbracht met knabbelen aan de enkele -grassprietjes, die op den kant van den weg kans hadden gezien door de -doode bladeren heen te groeien. Het eindelijk weer voortgaan van zijn -rijdier deed hem ontwaken, om met schrik te bemerken hoe weinig hij pas -had afgelegd. Onwillekeurig betastte hij ook de zakken waarin het hem -toevertrouwde geld geborgen was. Toen drukte hij zijn paard in een -snelleren gang, de teugels tusschen de tanden, en op iederen geldzak -een hand houdende. - -Zijn entrée was netjes. Och, hij had de heele ruzie in die drie -prettige dagen vergeten! Er had sans mots een verzoening plaats, die -onmiddellijk reageerde op de andere opzichters, en van deze op hun -respectieve huishoudsters, die elkaar een bezoek brachten, en heel -gemoedelijk bij een partijtje keplék [91] hun grieven vergaten. - -Li had derhalve, zooals zij wel meer deed, een goeden raad gegeven; en -ofschoon Korman het later bij van Os en Messner deed schijnen alsof hij -op het snuggere denkbeeld was gekomen dat een eind had gemaakt aan de -standjes, voor zichzelf erkende hij niettemin Li’s verdiensten. - -En die waren groot, in alle opzichten. Volgens de herinnering die -Korman nog had van een hollandsche vrouw, stond Li bij een zoodanige in -niets ten achter. Kleur? Dat scheelde zooveel niet; er waren indische -meisjes die er vrij wat donkerder uitzagen. Conversatie? Hoe weinig -vrouwen hebben die! Li kon althans vroolijk babbelen over alles en -niets. Als hij haar trouwde—hij begon er ernstig over te denken, te -meer daar zij voor de tweede maal in positie was—dan moest ze echter -hollandsch leeren. Dat zou hij eens probeeren haar zelf te onderwijzen; -ja, en fransch ook... - -Dit denkbeeld verder uitmijmerende, doemde voor zijn geest een -tafereeltje op, dat hij had bijgewoond in de eerste dagen van zijn -aankomst in Indië. Het stond hem op eens helder voor oogen; de -binnengalerij van het residentiehuis te Soerabaja, waar receptie was; -receptie van den Gouverneur-Generaal, die een reis naar den Oosthoek -maakte.... Daar stond zij, het pittige vrouwtje van den handelschef; -één en al indische gratie. De echtgenoote van den landvoogd moest haar -aanspreken; daar had zij door de positie van haar man recht op. Het -ongeluk wilde echter dat de hooge dame geen hollandsche was, en zich -derhalve behielp met fransch of engelsch, al naar gelang iemand -prefereerde. Men fluisterde onder elkaar dat de gemalin van Zijn -Excellentie in alle talen verschrikkelijk knoeide.... - -Het indische vrouwtje naderende dacht zij.... enfin, dat bleef haar -geheim; doch zij sprak: - -„Madame, quelle langue préférez vous? Moi je parle le français, -l’allemand, l’anglais, l’espagnol, l’italien... et enfin: le suédois.” - -Een ondeugend vuur schitterde in de donkere oogen der aangesprokene, -toen zij met groote radheid antwoordde: - -„Chose de préférence, Madame; moi je parle le hollandais, le français, -le javanais, maleisch, madoereesch, alfoersch, soendaneesch, -bataksch... et enfin, le suédois!” - -Korman zag weer de verbaasde gezichten van alle omstanders; één voor -één herkende hij ze, met een juistheid die hem zelf verwonderde, daar -het al zooveel jaren geleden was; doch de trekken van het indische -vrouwtje gingen over in die van Li, en voor zijn droomend oog -geschiedde het zooeven verhaalde nogmaals, maar nu met Li als -hoofdpersoon. - -Zeker, waarom niet? Het lag maar aan de opvoeding. Morgen... neen -dadelijk zou hij beginnen! - -„Li, wat zou je er van zeggen als wij eens betoel [92] trouwden?” vroeg -hij. - -„Sama djoega,” [93] meende Li. - -Heb je van je leven! Maar ’t was waar ook, de opvoeding moest nog -aangevangen worden en daarmee zouden ook wel andere opvattingen geboren -worden. - -Met het a b c begon hij en eindigde er ook mee, want toen kwam de -bevalling tusschenbeiden, die niet zoo vlot ging als de eerste maal. -Week na week verliep eer Li het bed kon verlaten, en tweemaal moest de -dokter gehaald worden uit de stad; een vreeselijk dure geschiedenis! -Doch dat kon Korman niet schelen voor ’t oogenblik; als hij Li maar -behield. - -„Wil je wel gelooven,” zeide hij tot Rencke, „dat ik haar niet zou -kunnen missen? Van af dat zij zoo groot was als nu Hendrika, is ze bij -ons geweest; maar nooit heb ik geweten dat zij me zoo na aan ’t hart -lag, als juist nu. Als zij kwam te sterven zou ik het dien kwajongen -nooit vergeven.” - -Gelukkig geschiedde dit niet, en mocht de kwajongen, die onder den naam -van Gerard in de registers van den burgerlijken stand werd -ingeschreven, zich verheugen in een groote belangstelling van de zijde -zijns vaders. Meer dan ooit zijn zusje, de kleine Hendrika, die van nu -af de tweede plaats bekleedde, en al jong zich leerde voegen naar de -luimen, die Korman zijn zoontje stelselmatig aanleerde. - -De afgebroken lessen van Li werden niet weer opgevat. Op den duur vond -Korman het toch te lastig en tijdroovend. Zoodra de koffie produceerde -zou hij een gouvernante aannemen, die het even goed kon doen. - -Behalve de tuinen die onmiddellijk aan de loengoers grensden, en -waarover de wind vrij heen streek, beloofde de aanplant van Watoeombo -zijn plicht te zullen doen. Met de loengoer-tuinen was het echter -slecht gesteld. De koffie wilde er niet groeien, en de dadap evenmin, -doch daarentegen schoot de alang-alang er steeds weelderiger op. Tot -een diepte van anderhalf voet had Korman er laten dangirren. Hij had -daarvoor duur betaald, van één tot één en ’n kwart cent per boom, maar -met geen ander resultaat als dat het zoo verfoeide onkruid nog dikker -opkwam dan vroeger, en de koffieplantjes, voor het grootste gedeelte -tweemaal gesoelamd, [94] er geel en mager bijstonden, treurige -voorbeelden van slechte werkwijze. - -Eindelijk besloot Korman die tuinen af te schrijven, doch eerst wilde -hij eens een kijkje gaan nemen bij Messner en bij van Os. Bij den -laatste eigenlijk alleen uit nieuwsgierigheid, want te leeren zou er -niets zijn; van Messner misschien, ofschoon hij zich wel wachten zou -het te erkennen. - -Donowarie had zich niet zoo snel ontwikkeld als de naburige -onderneming. Het gevaar kennende van groot kapitaal, dat drukkende -rente met zich brengt, wilde Messner trachten een deel van zijn land -vrij te werken, om daarna met de winst het verdere te ontginnen. Na de -honderd vijftig bouws van het eerste jaar, had hij alleen dan laten -aanleggen als hij volk te veel had, zoodat er gaandeweg niet meer dan -vijftig bouws bij waren gekomen. Het verveelde Korman er dikwijls naar -te gaan zien; het was altijd eender. Zijn laatste bezoeken waren -slechts pro forma geweest, en hadden zich niet verder uitgestrekt dan -tot de naaste omgeving van Messner’s huis. Hij kon echter aan Benoit -rapporteeren dat hij er geweest was. - -Toen hij ditmaal kwam, had hij moeite Messner te beduiden dat hij meer -wilde zien dan anders, en wekte diens verbazing op door de inspectie -voort te zetten tot in de hoogste tuinen. Er werd daar juist gewerkt. - -„Wat doe je nu?” riep Korman eensklaps uit, zijn oogen nauwelijks -vertrouwende. - -„Labrak,” zeide Messner laconiek. - -„Dat ken ik niet. Het heeft iets van het krabben met den patjol, zooals -ze in de gouvernementstuinen doen. Is dat in plaats van het babadden?” - -„Neen,” antwoordde Messner; „ik zal je zeggen wat het is. Maar kijk -eerst eens rond. Hoe vind je dat deze tuinen staan?” - -„Hm, mooi is anders,” vond Korman, „hoewel mijn loengoer-tuinen er nog -beroerder uitzien. Ik denk er over om ze af te schrijven.” - -„Dat was ik met deze ook van plan,” zeide Messner. „De alang-alang -verstikte de koffie, de dadap wilde niet groeien, en zelfs mijn proef -met sengon, als schaduwboom, mislukte. Op een goeden dag, dat ik hier -voorbij kwam en me weer liep dood te ergeren, bedacht ik in eens, dat -waar ik al zoo’n moeite had met die alang-alang, onze vriend van Os er -nog veel erger aan toe moest zijn. Dat wil ik toch eens zien, dacht ik, -en thuiskomende verleid ik Zus om er den volgenden morgen met me heen -te rijden.” - -„Met Zus?” vroeg Korman verbaasd. „Wist je dan niet dat van Os getrouwd -was?” - -„Natuurlijk wist ik dat. Ik was er immers vroeger al geweest,” zeide -Messner. „Maar mevrouw van Os had het zelf gevraagd. Het is een -volbloed europeesche, weet je, en die hebben op die punten niet zooveel -tinka’s [95] als de indische dames. Weet je wat ik geloof? Dat zij zich -bewust zijn van het verschil tusschen hen en een huishoudster, en weten -dat zij niet te vreezen hebben voor een zoodanige te worden aangezien, -al gingen ze er eens samen mee uit wandelen.” - -„Ha ha, die is goed!” lachte Korman. „Maar... je hebt toch bij hem niet -je middel tegen de alang-alang opgedaan?” - -„Zeker heb ik dat. Waar hij het vandaan haalt weet ik niet, maar -zooveel is zeker dat hij drommels goed weet wat hij doen moet.” - -„Bah!” zeide Korman. „Een man die met zijn koelies soldaatje speelt!” - -„Als ik kans zag mijn volk zoo te drillen, deed ik het hem na,” zeide -Messner. „Doch dat is tot daaraantoe; ga maar eens bij hem kijken, en -laat je uitleggen hoe en waarom hij zoo werkt. Ik kan dat niet zoo.” - -Korman keek op, voelende dat hij voor den mal gehouden werd; doch -Messner had zijn trekken goed in bedwang. Zij waren al sprekende den -weg afgegaan, en hadden zich van de plaats waar gewerkt werd -verwijderd. Korman bemerkte dit te laat, zich verwenschende dat hij -zich tot praten had laten verleiden. Het was een zwak van hem, dat als -hij praatte, hij niets zag; althans niet opmerkzaam genoeg; en nu was -hem feitelijk geheel ontgaan wat het volk voor zijn oogen had staan -doen. - -„Ik zal er morgenochtend heen gaan,” zeide hij, „van hier uit. Maar... -geef me straks een koelie voor een briefje. Ik wou liefst vooruit -waarschuwen, want hij houdt er een hond op na...” - -„Die enkel gladakkers aanvalt,” voleindigde Messner. - -„Watblief? Heeft hij je dat gezegd,” vroeg Korman woedend. - -„Neen zeker niet,” haastte zich Messner te antwoorden. „Ik heb van -Rencke gehoord in welke verlegenheid dat gezegde hem gebracht heeft. -Trek het je dus niet aan.” - -Het briefje werd verzonden, en Bello lag behoorlijk aan den ketting -toen Korman op Marialand arriveerde. - -De ontvangst aldaar was hartelijk, als bereid aan een te lang -uitgebleven vriend. Korman werd er bijna verlegen onder; en wat hem -vooral hinderde was de onafgebroken tegenwoordigheid van mevrouw van -Os, die heden alles in den steek liet, haar kinderen, haar keuken -zelfs, om den gast te onderhouden. Zoolang zij er bij was, schaamde -zich Korman om met het eigenlijke doel van zijn bezoek voor den dag te -komen; doch de tijd verstreek... - -„Het is mij opgevallen zoo weinig alang-alang je in de tuinen, waar ik -langs ben gekomen, hebt overgehouden,” zeide hij ten laatste. „Hoe heb -je ’m dat toch geleverd?” - -Nauwelijks had hij dien zin geuit, of mevrouw van Os werd door een -dringende huishoudelijke bezigheid weggeroepen. - -„Een Malangsch recept,” zeide van Os. „Ten minste ik geloof dat ik het -in die buurten alleen gezien heb. Hoe diep denk je dat de alang-alang -wortels zitten?” - -„Fameus diep,” meende Korman. „Ik heb plaatsen waar zij ruim anderhalf -voet diep in den grond zitten.” - -„Omdat jij ze er zoo diep hebt ingewerkt,” betoogde van Os. „Hier -zitten ze geen halve voet diep, doordat ik met dangirren niet verder -laat gaan dan zoo veel. Feitelijk doen ze bij mij niet meer dan even -het vuil omhakken.” - -„Maar daarmee geef je geen lucht genoeg aan de wortels van den -koffieboom,” riep Korman uit. - -„Ik wil me aan die theorie niet wagen,” antwoordde van Os. „Ik voor mij -geloof dat de wortels van iedere plant hun eigen weg wel weten te -vinden in de aarde, en het losmaken van den grond zich niet verder -behoeft uit te strekken dan tot den bovenkorst, die door den invloed -van weer en wind verhardt. Is deze open, dan kan alles wat er in moet, -doordringen.” - -„Enfin,” zeide Korman, de schouders ophalende. „Maar wat heeft dat -alles met de uitroeiing van de alang-alang te maken?” - -„Nogal duidelijk,” vond van Os. „Ten eerste werk ik de wortels niet in -den grond, en ten tweede kost het schoonmaken mij zóó weinig, dat ik -het dikwijls kan laten doen. Wat betaal jij voor het dangirren?” - -„Tachtig cent de honderd boomen, op gemakkelijk terrein.” - -„Kijk! en ik dertig à veertig cent. Dus kan ik het tweemaal laten doen, -tegen jij eens. Daarbij doe ik niet aan babadden, doch laat in de -plaats daarvan maar weer labrakken—zoo noemden ze het in Malang.” - -„Dat woord gebruikte Messner ook,” zeide Korman. - -„Zoo? Ja, hij was een poos geleden hier, en zeide in eenige tuinen op -Donowarie mijn methode te zullen toepassen. Maar ter zake; doordat mijn -kebons dusdoende nagenoeg altijd schoon zijn, en de alang-alang geen -tijd heeft om veel blad te schieten, kwijnt zij natuurlijk weg, of -verbastert tot een soort kruipend gras. Hoewel, voor het laatste wil ik -niet instaan; ik ben geen botanicus en kan dus niet zeker zeggen of het -werkelijk een verbastering dan wel een supplantatie is. Daarover -gesproken, weet je wat ik ergens in het Solosche gezien heb?” - -„Nog niet.” - -„Wel,” vervolgde van Os, „daar was er een die beweerde dat alang-alang -verdrongen werd door een ander onkruid: djowirono? Ken je het?” - -„Zeker,” zeide Korman. „Bij het afsnijden stinkt het net als rotte -pieterselie.” - -„Hetzelfde. Nu, deze vriend verzamelde daarvan het zaad—je weet wel, -precies als dat van die dingen in Holland, die we als kinderen altijd -uitbliezen, paardebloemen geloof ik. En als hij gedangird had liet hij -het uitzaaien.” - -„Hielp het?” vroeg Korman. - -„Ik weet het niet,” zeide van Os. „Waar het stond, groeide geen -alang-alang; maar voor de rest was hij er pas mee begonnen, en wachtte -zelf den uitslag af.” - -„Je hebt veel gereisd, naar het schijnt,” was de opmerking van Korman, -die aan het gesprek een andere wending gaf, daar van Os onmiddellijk -een afkeurend oordeel uitsprak over het eeuwige thuiszitten van de -planters op Java, het alleen voor zichzelf voortknoeien, en het -angstvallig vermijden van iets na te doen van elkaar, alsof er één was -die meer kon dan gissen en raden naar de beste werkwijze. - -Dit was een onderwerp waaromtrent Korman met hem van oordeel -verschilde. Hij ontkende wel niet dat men nieuwe vindingen kon doen die -doeltreffend waren, doch hield vol dat er een aantal vaste regels -bestond volgens welke men vroeger altijd gewerkt had en... rijk -geworden was. Die regels had hij door de practijk, in vorige jaren -werkende bij een ervaren chef, leeren kennen en daarop zou hij geen -inbreuk plegen. Hij vergeleek ze bij de Mozaïsche wet der tien geboden, -die op zichzelf ook goed was mits men er zich letterlijk aan hield, en -er niet aan knoeide met uitleggingen die het heldere stuk -verduisterden, en Mozes zelf het meest zouden verbazen als hij ze kon -hooren. - -Hieruit ontstond een geschikte aanleiding om de jurisprudentie in het -algemeen, en die van Nederlandsch-Indië in het bijzonder, eens flink -over den hekel te halen. Niet dat één hunner er iets van afwist—och -neen; maar dat belet niet, en in Indië minder dan ergens anders, er een -meening over te hebben, en die te defendeeren door dik en dun. Doet men -dit laatste met de noodige brutaliteit, dan verkrijgt men allicht, -evenals Korman dien dag bij de familie van Os, de reputatie van „toch -een drommels knap mensch te zijn.” Jammer dat hij geen advokaat -geworden was! Want—en daarmee was mevrouw van Os het nu ook eens—in de -koffie deugde hij niet. - -Het oordeel van Korman over van Os, dat hij bij het naar huis rijden -bij zich zelf opmaakte, was evenwel nog strenger. Van Os deugde voor -niets. Voor militair niet eens; want waarom zou men hem anders als -kapitein gepensionneerd hebben? En wat zijn kennis van koffieplanten -aanging, dat was heelemaal niets. Wat ’n onzin, dat labrakken! Waar de -koffie en de dadap goed waren opgegroeid, daar verdween de alang-alang -vanzelf, omdat zij niet tegen schaduw kan. En als de koffie niet -groeide, dan zat dit in iets anders, in den grond of zoo; want de -plantjes waren overal dezelfde geweest. - -Zijn besluit om de loengoer-tuinen af te schrijven had door die twee -bezoeken geen verandering ondergaan. - -De derde westmousson, na dien waarin de eerste bouws van Watoeombo -beplant waren, was aangebroken. Eenige dagen regen hadden het stof van -de bladeren afgespoeld, en tusschen het donkergroen schitterde het -helderwit. De dadap, die in den oostmousson een groot deel van de -bladeren had verloren, maakte nu weer jong groen, dat zich ontwikkelend -de teedere bloesem der koffie beschermde. Een heerlijke geur als van -jasmijn vergezelde het schoone schouwspel dat de lagere tuinen van -Watoeombo opleverden. - -Hoogerop was nog weinig, doch dat was geen nadeel, want de boomen waren -niet groot en sterk genoeg om aan de uitputting van een zware dracht -weerstand te kunnen bieden. - -Toen de bloesem zich geheel ontwikkeld had, noodigde Korman zijn -geëmployeerden uit een dag ten zijnent door te brengen, en gezamenlijk -met hem de verwachte oogst te taxeeren. Het behoeft wel geen betoog dat -de meeningen sterk uiteenliepen. Men telde de bloesem aan een tak, -schatte daarna het totaal aan een boom, en vermenigvuldigde. Een klein -verschil in de eerste telling groeide bij die bewerking natuurlijk -verbazend. Dan was de een optimist, de ander pessimist, zoodra er -gesproken werd over het percentage dat zich niet tot vrucht zou zetten -of af-regenen en waaien. Met dat al was het een prettig dagje, dat -Korman’s voorraad in goedang [96] en wijnrek kolossaal deed -verminderen. Zich niet storende aan de taxaties van het vroolijke -troepje, besomde Korman zelf veertig picols voor Watoeombo en tien voor -een paar tuinen op Sabrang, die, ondanks het jaar verschil in ouderdom, -reeds dapper meededen. - -Eigenlijk was de schatting van Korman ook niet oorspronkelijk. Een paar -dagen te voren had hij een briefje ontvangen van Messner, waarin deze -hem mededeelde dat hij ongeveer veertig picols dacht te zullen oogsten, -Korman verzoekende dit bij gelegenheid aan Benoit te schrijven. Als -Messner zooveel maakte, meende Korman, dan zou hij wel evenveel -krijgen, en met de vroegrijpe tuinen van Sabrang nog een beetje meer. - -Het was hem te vergeven. Niets toch is moeielijker dan de eerste kleine -oogst van een koffieland te taxeeren. Later, als de tuinen geregeld -produceeren, heeft men punten van vergelijking, en op een oogst van -duizenden picols mag men zich gerust met een paar honderd vergissen; -dat valt niet zoo op als enkele picols bij een kleine hoeveelheid. - -Op een morgen, in het laatst van den westmousson, liet Korman een -zestal koelies van de rol weghalen; en toen Rencke met zijn rapport -naar de administrateurswoning ging, vond hij den chef bezig met het -uitzetten van twee langwerpige vierkanten, door middel van bamboe -stokjes, terwijl de koelies op zijn bevel den grond ompatjolden, de -afgezette stukken tevens een weinig ophoogende met de aarde die zij uit -de goten haalden, die er omheen werden aangelegd. - -„Gaat u bouwen?” vroeg Rencke, nadat hij een oogenblik had toegezien. - -„Nog niet,” zeide Korman. „We zullen het van ’t jaar zoo eenvoudig -mogelijk doen. Dit worden droogbakken.” - -Het denkbeeld, uitgedrukt in het woord „bak,” kon Rencke niet -terugvinden in wat hij vóór zich zag; doch wetende dat vragen hem hier -niet veel wijzer zou maken, trok hij een gezicht alsof Korman’s -antwoord hem geheel voldeed en op de hoogte gebracht had. - -„Morgen al het volk, eer het naar de tuinen gaat, even hierheen -sturen,” gelastte Korman verder. „Zij moeten de aarde aantrappen.” - -De employé voldeed den volgenden morgen aan deze opdracht, en nu werd -hem ook duidelijk wat de bedoeling van Korman’s constructie was. De -twee vierhoeken werden door de koelies hardgetrapt, geheel op dezelfde -wijze als op den eersten dag de vloer van de tijdelijke woning. In het -midden, overlangs, waren zij hoog, en liepen met een zeer flauwe -helling naar de kanten af. - -Na het trappen werden de oneffenheden bijgewerkt; en aldus geschiedde -voortaan elken morgen, tot de beide stukken zoo hard als een stoep en -zoo gelijk als een dansvloer waren. Dat zij dienen moesten tot het in -de zon laten drogen der koffie begreep Rencke, hoewel hij de benaming -„bakken” gek bleef vinden. - -In de tuinen was intusschen de bloesem overgegaan in groene boontjes, -en deze zwollen als bij den dag, om daarna geelachtig en eindelijk rood -te worden toen de regens langzamerhand ophielden. - -Behalve de droogbakken was er een kleine loods gebouwd, was er een -soort laag juk op elk der bakken opgezet, waren er kleine vierkante -draagbare stukjes dak van bamboe en alang-alang gemaakt, en eindelijk -ontving Korman een dertigtal manden uit de stad, waarvan er tien naar -Sabrang werden gezonden. Daar was ook een aanleg gemaakt evenals te -Watoeombo. - -Was Rencke nog steeds in gespannen verwachting van wat er met dit alles -moest worden gedaan, van Everdingen wist ten naaste bij, door Biezeman -voorgelicht, wat hij had te doen zoodra de koffie rijp was om geplukt -te worden. - -Die dag kwam. ’s Avonds te voren was Rencke bij Korman komen aanloopen. - -„Ziet u eens, meneer!” riep hij uit, niet zonder verontwaardiging in -den toon zijner stem, terwijl hij zijn zakdoek op tafel uitspreidde. - -„Nu, wat zou dat?” zeide Korman, den inhoud van Rencke’s zakdoek -bekijkend, die bestond uit een hoopje koffie van de roode schil -ontdaan. - -„Dat heb ik zóó op den weg gevonden,” zeide Rencke. „Wat een -baldadigheid! Het moet door een der grassnijders zijn gedaan, want van -het volk zijn er geen dien weg afgekomen.” - -Korman schoot in een luiden lach. - -„Li!” riep hij. „Kom eens hier. Kijk eens, Rencke verdenkt onze -grassnijders deze koffie geplukt te hebben!” - -Li bezag de koffie en glimlachte. - -„Er is gister ook al een beetje gevonden door den kapala kampong,” -zeide zij. „Ik heb het op een tampah [97] te drogen gelegd. Het is taik -[98] loewak.” - -„Toch koffie?” vroeg Rencke. - -„Wel zeker,” zeide Li, „maar eerst door de loewaks opgegeten. Ik hoorde -dat gister ook voor het eerst.” - -„De loewak is een soort bunsing,” verklaarde nu Korman, „die de boonen -opeet, doch alleen de roode schil verteert en de rest weer uitwerpt. -Daar hij de rijpsten uitkiest, krijgt men uit de taik loewak de mooiste -koffie.” - -„Dat begrijp ik,” zeide Rencke. „Wel, wel, daar heb ik me voor niets -boos gemaakt. Men moest die beestjes kunnen dresseeren om hier de -koffie neer te leggen.” - -„Ja, dat was niet kwaad,” antwoordde Korman. „Intusschen is het voor -ons een teeken dat we met plukken beginnen moeten. Laat in de kampong -zeggen dat morgen een stuk of twintig vrouwen aan het werk kunnen gaan. -We zullen ze maar in daghuur laten werken; voor taakwerk is er nog te -weinig.” - -De koffie die de vrouwen den volgenden middag aanbrachten, werd gemeten -in een ledige jeneverkist. Het verpakkingsmiddel van de vierkanters is -de traditioneele maat voor de koffie. Men is het vrijwel eens, dat zes -dier kisten roode koffie één picol bereide opleveren; hoewel -hieromtrent ook verschil van opinie bestaat. - -Nadat Korman de hoeveelheid had genoteerd, liet hij de vroeger vermelde -manden halen. In elk dezer werd wat roode koffie gedaan, en op het -bevel: „ajo, illis!” [99] stapten de aanwezige vrouwen elk in een mand, -en ontdeden, door er met de vereelte voetzolen op te trappen, in weinig -tijds de koffie van de roode schil. Toen dat was geschied, nam ieder -haar mand mee naar de kalie, om daar, de mand half in het water, -gestadig omroerende, de koffie af te wasschen, zoodat zij van het -strooperige vocht en de losse schillen bevrijd, als schoone witte -boonen op de droogbakken kon worden uitgespreid. - -„Dit is nu de onvervalschte Westindische bereiding,” zeide Korman. - -„Oostindische, bedoelt u zeker?” vroeg Rencke. - -„Neen,” was het antwoord, „die bestaat niet, of liever men noemt die -gewone bereiding. Het verschil bestaat in het laten drogen met of -zonder de roode schil. Het eerste duurt langer, de stroop droogt er in -en maakt de koffie zwaarder, de kleur van de bereide koffie wordt iets -groener en de prijs er van op de markt is lager. Nu weet je er alles -van.” - -„Nagenoeg,” zeide Rencke, „en ik begrijp dat men die Westindische -bereiding slechts op een gedeelte van den oogst zal kunnen toepassen.” - -„Waarom?” - -„Wel,” meende Rencke, „om maar één ding te noemen: de vrouwen zouden -van dat trappen binnen korten tijd zeere voeten krijgen.” - -„Dat hebben anderen vóór dezen ook al bedacht,” zeide Korman, „en -daarom een molen uitgevonden die dat werk doet. Naar ik hoor is er -zelfs hier op Java een beter systeem gemaakt dan dat in de West. Enfin, -het volgend jaar zal ik er eens op uitgaan.” - -De koffiepluk ging van dien dag af geregeld door, doch weldra begon -Korman bevreesd te worden dat hij het getal picols, dat hij getaxeerd -had, en wat erger was, aan Benoit opgegeven, niet zou bereiken. Op -Watoeombo kon het echter niet veel verschillen, doch Sabrang haalde -nauwelijks de helft. - -Meer nog dan dit feit hinderde hem een moeielijkheid in zijn -administratie. De verwarring was ontstaan door de opeenstapeling van -nieuwe boekhoofden, bij gelegenheid van den koffiepluk en de bereiding. -Het vervolgde hem om zoo te zeggen dag en nacht, en met schrik zag hij -het einde van de maand naderen en het oogenblik dat hij zijn -verantwoordingsstaat zou moeten opmaken en afzenden aan Benoit. Voor de -eerste maal niet in orde! Maar dat kon, dat mocht immers niet.... Dan -maar van den beginne af weer eens nagecijferd, zooals hij al zoo -dikwijls gedaan had met het resultaat, dat het telkens anders uitkwam. - -Een lange gestalte onderschepte het licht in de deur van het kantoor, -en deed Korman van zijn papieren opzien. Toen hij zag, dat het Brisson -was, sloeg hij zich voor het hoofd. Hoe dom er niet aan te denken dat -hij een gewezen boekhouder in zijn dienst had! - -„Je komt als geroepen,” zeide hij. „Maar... zeg me eerst wat je had.” - -„Ik ben al bij meneer Rencke geweest,” zeide de employé, „en die heeft -me naar u toe gezonden. Er is namelijk vanmorgen een inlander uit -Plèrès bij mij gekomen.” - -Plèrès was de naam van de dessa die boven Donowarie lag, en vanwaar de -jonge koffieplantjes kwamen. - -„Zoo, en wat had die?” vroeg Korman. - -„Hij bood koffie te koop aan,” antwoordde Brisson. - -Alsof hij den jongen man wel had willen omhelzen, zoo stond Korman op. - -„Meneer Rencke....” begon Brisson, de beweging van den ander -misduidende. - -„Wat vroeg hij voor de picol? Je hebt hem toch aangehouden?” zeide -Korman hem in de rede vallende. - -„Zeker meneer, hij wacht bij mij thuis. Hij zeide dat als wij zuiver -wogen of maten, hij voor tien gulden de picol wilde leveren. En we -konden ook van anderen krijgen, zooveel wij wenschten.” - -„Te drommel, wat wordt er dan in ’t gouvernementspakhuis beknibbeld,” -riep Korman uit. „Daar krijgen zij veertien gulden—dat wil zeggen: het -gouvernement betaalt zooveel. Maar als zij bij ons liever voor tien -gulden willen brengen, dan wordt er flink gestolen. Ik wist wel dat het -erg was, maar dit frappeert me toch.” - -„Ja,” stemde Brisson toe. „Ik wist ook eerst niet wat ik hoorde. Tien -gulden! Het zou zonde zijn dit te laten voorbijgaan.” - -„Dat zullen we ook niet,” zeide de chef. „Ga dadelijk naar huis en zeg -den man dat het goed is. Maar ik heb dit jaar niet meer dan... laat -zien, er is bij de gouvernementskoffie meer tweede qualiteit dan -eerste... enfin, twintig picols zoowat. Hij moet ze bij jou afleveren. -Als je dat gedaan hebt, kom dan terug; ik heb hier een werkje voor je.” - -Het kon iemand toch meeloopen! Daar was hij in eens van alle zorg -ontheven. Brisson zou hem door zijn boekerij heen helpen, en de -inhaligheid van den mantri-koffie [100] door het tekort van zijn -product. Drommels ja, op die manier zat er zelfs een rijkworder in. -Alleen moest hij oppassen dat er niemand achter kwam. Trouwens, wie zou -hier in deze buurt komen snuffelen? Het transport liep natuurlijk van -Plèrès voorbij het land van Messner; tot zoover volgde het den gewonen -weg alsof het naar het gouvernementspakhuis ging; dan hadden zij -slechts den zijweg in te slaan, oplettende of er ook een verdacht -persoon in de nabijheid was; eenmaal op het grondgebied van Watoeombo -liepen zij verder geen gevaar. Voorts moesten enkel de employés -inkoopen, en op hun kasstaat.... ja, hoe moest dat? Misschien wist -Brisson daar wel wat op. - -Deze kwam spoedig terug met het bericht dat alles in orde was. - -„Mooi zoo,” zeide Korman. „Kom nu eens mee in ’t kantoor. Ik heb soesah -met de administratie; ze moesten dat geduvel niet door de -administrateurs laten doen, die buitenaf werk genoeg hebben. Enfin, -kijk eens.” - -Brisson keek en had werk zijn lachen te houden. Korman legde hem uit -hoe hij zijn posten boekte, en zag gelukkig niet op, eer het Brisson -gelukt was de wanhopig komische uitdrukking van zijn gelaat te doen -verdwijnen. - -„Jawel meneer, ik begrijp het,” zeide eindelijk Brisson. „Mag ik het nu -even alleen doorloopen?” - -„Ga je gang,” zeide Korman. „Ik rijd intusschen naar Sabrang; tegen dat -ik terug ben zal je het wel gevonden hebben.” - -Zoodra Brisson alleen was gaf hij lucht aan een zoolang ingehouden -lachbui. Deze voorbij zijnde ging hij het geknoei van Korman met -aandacht na, en slaagde in korten tijd in het vinden van diens fout, of -liever fouten. Toen, de posten groepeerende, maakte hij een -recapitulatie, de oude boekhoofden behoudende, doch de laatst door -Korman uitgedachte in één hoofd: „Pluk en Bereiding” samentrekkende. - -Hij was daarmee gereed lang voor Korman’s terugkomst, en niet willende -leegzitten, begon hij, vóór in het boek, op een meer practische wijze -de administratie om te werken. - -Korman vond van Everdingen op zijn werk. - -„Ik heb een vondst gedaan!” riep hij hem al uit de verte toe. „Hoeveel -koffie heb je al?” - -„In mijn goedang staan vier picols,” zeide van Everdingen, „gereed om -te worden gestampt; en op de bakken nog anderhalf picol, denk ik. Veel -zal er niet meer bijkomen.” - -„Neen,” antwoordde Korman, „dat zie ik. Maar daarom niet getreurd. Ik -zei al dat ik een vondst gedaan had... je zult de tien picols vol -maken, en nog een paar op den koop toe.” - -En hij deelde hem mede wat Brisson dien morgen had aangebracht. - -„Voor dit jaar is het niet noodig,” eindigde Korman, „dat je zelf -opkoopt. We zullen dat op Watoeombo maar afhandelen. Alleen moet je -inboeken, alsof je gekocht had.... dat wil zeggen alsof je had laten -plukken en bereiden; ik zal je de manier nader opgeven.” - -Doch van Everdingen schudde het hoofd. Koffie van het gouvernement -stelen, gefingeerde uitgaven boeken.... - -„Is die koffie-opkoop geoorloofd?” vroeg hij. - -„Natuurlijk niet; je moet ook een beetje voorzichtig zijn,” antwoordde -de chef. - -„Neem mij niet kwalijk, meneer,” zeide van Everdingen; „maar ik heb er -veel op tegen.” - -„Och kom,” zeide Korman; „iedereen doet het als hij er kans toe ziet. -En daarbij behoef je het niet zelf te doen; laat Biezeman er voor -zorgen.” - -„Dat nooit!” riep van Everdingen uit. „Als er risico aan verbonden is, -dan behooren, dunkt mij, zij dien te dragen die er het voordeel van -trekken. Doch het is onnoodig dat we er verder over praten; ik doe het -niet.” - -Korman had een ruw woord op de lippen, maar hij hield het in. Lang -praatte hij nog, trachtende van Everdingen te overtuigen dat er geen -gevaar in stak en ook geen schande. Geen enkel koffieplanter zag er die -in. Die enkele picols zouden het gouvernement niet ruïneeren; -daarentegen hielp men den armen inlander, die anders voor niets werkte -en zwoegde. - -„Je moet weten,” zeide hij, „hoe schandelijk dat volk wordt afgezet. -Eerst brengen zij hun koffie naar het pakhuis, waar op de brutaalste -manier overwicht wordt genomen en de qualiteit afgekeurd. Ik heb het -eens gesnapt; dat zal ik je vertellen. Het was in de eerste jaren dat -ik in het land was. Een kennis van mij, een aspirant-controleur, moest -onverwachts een koffiepakhuis opnemen, en vroeg mij of ik trek had mee -te gaan. Wel, om kort te gaan, we keken de staten na in het dagboek, -wogen den voorraad koffie; alles klopte op een haar. De aspirant was -wanhopig, want hij was pas aangesteld en vermeende dat hij uitgezonden -was met de serieuze bedoeling om den pakhuismeester te snappen. Op eens -valt mij iets op. In de dagstaten stond telkens als laatste inbrenger: -Wongsodikromo. Hé, denk ik, dat is vreemd; en nauwkeuriger kijkende -bevond ik dat genoemde Wongsodikromo altijd heel veel koffie inbrengt. -Begin je het te begrijpen?” - -„Een gefingeerde naam?” - -„Juist. Nu, ik wou den aspirant niet wijzer maken; je weet nooit -hoeveel soesah je je zelf er mee bezorgt. Maar toen hij even naar -buiten ging, wees ik die posten met den vinger aan, zonder iets te -zeggen, alleen den mantri aanziende. De vent werd groen van schrik.” - -„Dat had u vlug uitgevonden;” merkte van Everdingen op. - -„Och,” zeide Korman, „als men z’n volkje kent, zie je.... Maar, dat was -dus het overwicht. Hoeveel er voor tweede qualiteit werd ingekocht, -doch als eerste geboekt, is moeielijk te bepalen. Wat echter wel kan -worden gezien, door iemand die wil althans, is dat de menschen die het -pakhuis verlaten, worden staande gehouden en heel gemoedelijk van het -grootste gedeelte van hun geld ontlast. Naar het heet is dat voor de -padjek, de belasting weet je; maar hoeveel maal of de stakkers die -betalen weet de hemel.” - -„Foei!” riep van Everdingen uit. „Dat zijn russische toestanden.” - -„Nog sterker: javasche,” zeide Korman. „Begrijp je nu dat je een edele -daad verricht door die menschen van hun koffie af te helpen?” - -„Volkomen,” zeide van Everdingen lachend. „Ik beloof u dat ik het -iedereen zal aanraden.” - -De ironische toon waarop de laatste woorden werden uitgesproken deed -Korman van verder aandringen voorloopig afzien. Maar zoodra hij, op den -weg naar huis, van Everdingen uit het gezicht verloren had, maakte hij -een dreigende beweging met zijn karwats. - -„Dat heb je nu Gévédé van die compagnieschap!” mompelde hij. „Als hij -een gewoon employé was, zou het spoedig met hem gedaan zijn.” - -Een inlander kwam hem te gemoet, eerbiedig den tjaping [101] van het -hoofd nemende. Korman herkende in hem een der vaste opgezetenen van -Sabrang. Zijn paard inhoudende begon hij den man te ondervragen, het -zoo inrichtende dat de javaan begreep welke antwoorden er verwacht -werden, en dat die ten nadeele van van Everdingen moesten zijn. Het was -een comediespel, waarbij beide partijen de rol van huichelaar speelden, -terwijl elk van zijn kant in schijnbaar onschuldige woorden, zooveel -mogelijk trachtte uit te drukken dat hij bon entendeur was en de -demi-mots van den ander volmaakt begreep. Het eind was dat de inlander -een paar rijksdaalders in zijn buikband verborg, en Korman voortreed -met iets als een glimlach op het gelaat. - -„Nog aan ’t werk?” riep hij thuiskomende Brisson toe. „En waarom heb je -geen paitje genomen? Het stond er voor.” - -„Dank u meneer,” zeide Brisson. „Ik drink nooit bitter. Het staatje is -klaar, hier is het.” - -Korman doorliep de door Brisson opgemaakte recapitulatie. - -„En wat zat je nog meer te doen?” vroeg hij. - -„Ik meende, meneer,” zeide Brisson aarzelend, „dat u wel wat veel -boekhoofden heeft aangelegd. Daardoor komt allicht verwarring, en dacht -ik dat een vereenvoudiging misschien niet kwaad zou zijn. Zóó -bijvoorbeeld.” En hij liet zijn werk aan Korman zien. - -„Het zal wel goed zijn,” zeide Korman; „maar van het jaar kan ik er -niet aan denken je dit werk op te dragen. Voor den volgenden oogst moet -er een employé speciaal voor het établissement en de boekhouding zijn; -dan kunnen we eens praten.—En wat zeg je, drink je nooit een bittertje? -Ben je er vies van?” - -„O neen, meneer,” antwoordde de employé; „alleen kan ik alles wat -alcohol is niet te best verdragen.” - -„Dat is ongewoonte,” besliste Korman. „En een verkeerde ongewoonte. De -dokter zeide mij laatst nog dat het slecht was in Indië in ’t geheel -niets te gebruiken. Je moet er maar aan wennen—altijd matig natuurlijk. -Dus,” vervolgde hij een tweede bittertje inschenkend, „begin er maar -dadelijk mee. Proost, frisschen morgen!” - -Brisson nam het hem opgedrongen glas aan en ledigde het, doch langzaam, -met kleine teugjes, zoodat het strekte tot Korman zich reeds voor de -vijfde maal had ingeschonken. En toch, het was verwonderlijk, werkte de -kleine hoeveelheid bij hem meer dan hem lief was. Gewoon goed uit te -drukken wat hij wilde zeggen, zijn volzinnen afrondende en behoorlijk -eindigende, verliep hij zich thans in bijzinnen die elkaar in groote -verwarring opvolgden, staken, trapten, in den weg zaten, om na de -uiterste krachtsinspanning van Brisson als droog zand uiteen te vallen. -Zijn blauwe oogen puilden daarbij uit het hoofd; den mond half open -knikte hij Korman toe met een wezenlooze uitdrukking; het was een -onaangename verandering. - -„Breng het paard van meneer voor,” riep Korman naar achter. Hij had -gezien dat Rencke uit zijn huis kwam en naar allen schijn zich gereed -maakte om in de administrateurswoning een praatje te gaan maken. - -Nauwelijks zat Brisson in den zadel of hij diende zijn rijdier een -harden zweepslag toe, en vertrok ventre à terre. Rencke moest opzij -springen om niet te worden aangereden, en met verontwaardiging ving -hij, in plaats van het verwachte excuus, een luid sarrend lachen op. - -„Heb je ooit zoo iets gezien?” vroeg hem Korman. - -„Is er iets voorgevallen?” was de wedervraag, waarbij in Rencke’s stem -de toorn duidelijk hoorbaar was. - -Korman vertelde het hem: - -„Wat een ongelukkig gestel,” zeide Rencke. „Nu begrijp ik ook waarom -hij nooit bij me wilde komen, zoo ’s avonds. ’t Is gelukkig dat hij -zich weet te onthouden, anders kwam er niet veel van hem terecht.” - -„Hij moest zich wennen om iets te kunnen verdragen,” meende Korman. „Is -er iets bijzonders?” - -„Neen meneer.” - -Daarop deed Korman hem het verhaal van de wederwaardigheden van dien -morgen, niet nalatende zich sterk te beklagen over de weigering van van -Everdingen. Rencke luisterde toe: van Everdingen’s handelwijze keurde -hij volkomen goed; ook hij zou niet genegen worden bevonden zich voor -Korman’s belangen aan de wet te vergrijpen. Toen hij eindelijk bemerkte -dat het laatste niet van hem geëischt zou worden, aangezien Korman geen -koffie-opkoop wilde doen plaatsvinden op het hoofdkwartier, verdween -zijn ongerustheid en gaf hij toe: „dat een compagnon een lastig wezen -is.” - -In de nu volgende dagen reed Korman dikwijls naar de afdeeling van -Brisson. Picolsgewijs kwam daar de koffie binnen, reeds geheel bereid. -Dat behoefde geen verwondering te baren, daar de inlander zoo vroeg -plukt, zoo vroeg als hij durft, om te voorkomen dat zijn buurman anders -dat werk voor hem verricht. Het spreekt dat de qualiteit van de koffie -door dit onrijpe plukken lijdt, en er onder de gewone -gouvernementskoffie slechts weinig voorkomt, wat een consciëntieus -planter tot de „eerste qualiteit” brengt; althans onder het merk van -zijn onderneming. Dat er toch slechts een betrekkelijk klein verschil -van tijd was tusschen het afgewerkt zijn van deze koffie en die te -Watoeombo, was te wijten aan den langeren duur der inlandsche -bereiding. - -Toen de twintig picols vol waren, liet Korman den opkoop staken en -bracht de koffie over naar het hoofdkwartier, in een der leegstaande -kamers van zijn bijgebouwen. Daar stonden ook reeds zakken vol van -eigen product, doch nog in den hoornschil, daar men vermeent dat de -kleur der koffie, als zij geheel is bereid, spoediger verdwijnt dan -wanneer dit omhulsel haar nog voor den invloed van licht en vocht -beschermt. - -De oostmoesson was voor het drogen der koffie zeer gunstig geweest. -Slechts een paar maal had men overdag de koffie naar het midden van de -bakken behoeven te schoffelen en met de draagbare stukjes dak toedekken -tegen een opkomende regenbui. Deze uitslag was te danken aan een -kunstmiddel. Op een langen staak, verticaal in den grond geplant, werd -een bezem bevestigd, en daarop offeranden van rijst, lombok [102] en in -pisang-blad gewikkelde kwee-kwee [103] gelegd. Ziedaar alles. En dat -het hielp, bleek uit de resultaten. - -Op een morgen oordeelde Korman dat het tijd werd de koffie van den -hoornschil te ontdoen en te laten sorteeren. Op de bakken lag nog -slechts weinig; voor ’t grootste gedeelte opraapsel, waarvan wat de -qualiteit betreft geen groote verwachtingen werden gekoesterd. Hij -stuurde een boodschap naar Sabrang, om den volgenden dag ook de daar -aanwezige koffie te laten stampen en ongesorteerd over te zenden. Op -Watoeombo werd reeds dien dag begonnen. - -Daartoe waren kegelvormige mandjes gevlochten, met de punt vastgezet in -zware stukken hout. In deze mandjes werd de koffie gestort, en gestampt -met de gewone aloe die ook voor het rijststampen gebezigd wordt. Zoodra -een flinke hoeveelheid gereed was, namen de vrouwen die dat werk -verrichtten, een weinig op een tampah en begonnen door deze op en neer -te bewegen, staande in den wind, de koffie te wannen tot de -stukgestooten hoornschil was weggewaaid en alleen de blauwgroene boonen -overbleven. Daarna gingen zij naar de hiervoor ontruimde voorgalerij -van de administrateurswoning, en zochten op aanwijzing van Korman, en -onder toezicht van dezen, Rencke en Li, de soorten uit. - -Het eerst de mannetjes-koffie. Dit zijn boonen waarvan er slechts één -in een roode schil zitten, in tegenstelling van de anderen die twee aan -twee aldus omhuld zijn. Door den ronden vorm daarvan was deze -sorteering zeer gemakkelijk. De koffie werd naar één kant van den -tampah gestreken en deze schuin gehouden onder een zacht schudden, -waardoor de ronde boontjes vanzelf naar beneden rolden. - -Daarna de sorteering op kleur en gaafheid. Dit is een werk waartoe men -enkel vrouwen kan bezigen. Mannen toch, zooals Rencke bij zijn proef -persoonlijk ondervond, missen het noodige geduld, terwijl zij tevens -geen memorie hebben van de standaardkleur en het hun weldra voor de -oogen gaat schemeren. - -Tot de eerste qualiteit behooren gave, goedkleurige boonen. Gevlekte of -halve boonen zijn tweede qualiteit, en zwarte koffie of gruis derde -soort. - -Korman was even naar buiten gegaan, op de droogbakken. In de goot die -daar om heen liep bespeurde hij ettelijke koffieboonen. - -„Rencke!” riep hij. „Stuur even een vrouw hierheen.” - -Juist kwam er een troepje uit de stamploods. - -„Eén mensch naar den toewan besaar!” riep Rencke hen toe. - -Een der vrouwen gaf haar tampah over, en voldeed aan het bevel. Zij was -in vergevorderde positie. - -„Hola!” riep Rencke haar toe. „Ik zei immers één mensch!” - -„Er komt maar één vrouw,” zeide Korman opziende, en zich verwonderende -over Rencke’s aanmerking. - -Maar de vrouwen hadden die echt javaansche geestigheid gevat, en -lachten dat zij schudden, elkaar toeroepende, en verklarende dat de -toewan ziender niet enkel het voorkomen, maar ook het verstand en den -geest van een jongen priaji [104] had. - -„Je bent net als Messner,” mompelde Korman, toen hij het eindelijk -begreep. „Die loopt ook altijd zoo hoog met z’n javaansche uien.” - -Den volgenden morgen werd met hetzelfde werk voortgegaan, en was men de -koffie van Sabrang wachtende, toen eensklaps van Everdingen zelf -verscheen. - -Hij zag er bleek en vermoeid uit. Op zijn hoofd droeg hij een -mandoers-hoed; schoenen en kousen had hij niet aan; een verkreukelde -kabaja en een slaapbroek dekten zijn leden. - -„Wat is er gebeurd?” riepen Korman en Rencke tegelijk uit. - -„Afgebrand!” was het antwoord. „Kijk,” vervolgde hij, een zwarte punt -van zijn kabaja toonende, „ik ben er zelf nauwelijks uit gekomen.” - -„En de koffie?” vroeg Korman met blijkbare spanning. - -„Weg,” zeide van Everdingen dof. „Alles is weg; koffie, geld, mijn -kleeren, alles! Ik heb niet meer dan wat ik hier aan ’t lijf heb.” - -„Maar vertel dan toch geregeld,” zeide Korman. - -„Kassian!” riep Rencke uit. „Hij is er heelemaal suf van. Heb je al -ontbeten?” - -Een hoofdschudden was het eenig antwoord. - -„Ga dan mee naar mijn huis,” sloeg Rencke voor. „Hier is zooveel -drukte. Je kunt dan tevens een pak kleeren van mij aantrekken.” - -„Ja, doe dat,” zeide Korman. „Ik ga intusschen eens kijken op Sabrang. -Waar is Biezeman?” - -„Bezig met opruimen en zien of er nog iets gespaard is,” zeide van -Everdingen. - -Terwijl Korman zijn paard liet zadelen en wegreed, gingen de beide -employé’s naar Rencke’s huis. Een flink ontbijt en een glas bier hadden -van Everdingen weldra weer op zijn verhaal gebracht, en hij deed toen -aan Rencke een verslag van het gebeurde. - -Den vorigen middag had hij de koffie in zakken laten overstorten en -alles klaar gezet tot spoedige afzending. Of nu daarbij een der koelies -gerookt, en zijn strootje tusschen de zakken had laten vallen, of hoe -dan ook, maar ’s nachts was hij door de angstkreten van zijn -huishoudster gewekt. Overal zag hij vlammen, terwijl de splijtende -bamboe een helsch lawaai maakte. Het venster openrukken, zijn -huishoudster er uit tillen en zelf naspringen was het werk van eenige -seconden; nog juist bijtijds, want spoedig daarna stortte de rommel in. - -„Ik kan me voorstellen dat je geschrokken bent,” zeide Rencke. „Hoe -laat was het ongeveer?” - -„Wel, tegen den morgen.” - -„Dan,” meende Rencke, „geloof ik niet dat die brand ontstaan is door -een strootje dat gisteren is weggeworpen. Zóólang zou het niet kunnen -smeulen bij deze droogte. Het moet aangestoken zijn. Wat zeiden je -bedienden?” - -„Die hebben het te druk gehad met hun eigen boeltje uit de bijgebouwen -te redden,” zeide van Everdingen. „En voorts heb ik me nog weinig -moeite gegeven om de oorzaken op te sporen.” - -Op Sabrang wees een zwarte hoop de plek aan waar van Everdingen’s -woning gestaan had. Met een zestal koelies was Biezeman bezig op te -ruimen; voorzichtig liet hij stuk voor stuk de verbrande en geblakerde -bamboes van den hoop halen en op het voorerf opstapelen. Reeds zag men -hier en daar den vloer van het huis, toen Korman opreed. - -„Waarom ben je daar zoo voorzichtig mee?” vroeg hij. - -„Om te kijken wat er mogelijk nog ligt,” antwoordde Biezeman. „De -jonker had een geldkistje, ziet u, en nu zou het kunnen zijn dat ze het -vonden en wegmoffelden.” - -„Hoe groot was het?” - -„Zóó, zoowat,” zeide Biezeman, de handen ongeveer een voet van elkaar -houdende. - -„Zat het kasboek er ook in?” vroeg Korman gejaagd. - -„Dat weet ik zoo net niet. Maar de jonker bewaarde er zijn geld in; en -al was hij nou nog zoo rejaal, er zal wel wat van zijn tractement zijn -overgeschoten.” - -Korman bleef toezien tot bijna alles was opgeruimd. - -„Daar zie ik wat!” riep eensklaps Biezeman uit, en een stuk van een -kastdeur wegschoppende ontblootte hij een zwart geblakerd doch -oogenschijnlijk ongedeerd miniatuur brandkastje. Het was nog warm, -zoodat hij eerst water liet halen om het af te koelen, tot groote -ergernis van Korman die als op heete kolen stond om een antwoord te -bekomen op de vraag die hij zooeven gedaan had. - -Doch Biezeman ging met groote bedaardheid en overleg te werk. Toen het -kistje voldoende koud was liet hij het opnemen. Aan den onderkant hing -een kegel vuil—althans zoo meende Biezeman, die het er met zijn stok -trachtte af te slaan. Doch hij ontmoette iets hards. Door de trilling -van den slag liet de droge aarde los en de kegel vertoonde wit -schitterende plekken. - -„Wat duivel is dat?” riep hij uit, en gelastte de koelies het kistje -omgekeerd neer te leggen. - -Met hun beiden bekeken zij den uitwas, tot Korman eensklaps uitriep: - -„Het geld is gesmolten!” - -Zoo was het. In den bodem van het brandkastje bevonden zich twee gaten, -bestemd om muurschroeven door te laten. Daardoor had de hitte toegang -gekregen tot den inhoud en deze kunnen vernietigen, tot het gesmolten -zilver den uitgang weer verstopte. - -Korman was gerustgesteld. Waar het metaal gesmolten was, zou er van het -kasboek, als dat er zich in bevonden had, niet veel over zijn, en kon -hij de laatste afgifte van geld, waarover nog geen verantwoording -bestond, in eens boeken. Het kon dan besteed zijn aan het onderhoud der -tuinen zoowel als aan pluk en bereiding; in één woord: het was niet -meer na te gaan hoeveel picols Sabrang gemaakt had. - -Nu zijn attentie niet langer uitsluitend op het afgebrande huis -gevestigd was, zag hij ook naar andere dingen, en bemerkte dat onder de -koelies die Biezeman gebruikt had, zich ook de man bevond met wien hij -indertijd op den weg zoo’n lang gesprek had gehouden. - -„Hoor eens, Biezeman,” zeide hij, dezen apart nemende. „Heb jij eenig -idee hoe deze brand is aangekomen?” - -Biezeman schudde het hoofd. - -„De jonker is zoo’n best mensch, dat ik niet zou weten wie.” - -„Hm, baldadigheid misschien,” zeide Korman. „Is die eene... daar, de -voorste van die bij het kistje staan, niet een vaste opgezetene van -hier?” - -„Ja, meneer,” antwoordde Biezeman. „Een van de oudsten zelfs; hij heet -Tjokro.” - -„Laat hem dan het kistje opnemen en ergens in veiligheid brengen. -Zoodoende krijgen we hem alleen en zal ik hem eens ondervragen.” - -„Ik heb het huis daar aan ’t eind, voor den jonker laten ontruimen,” -zeide Biezeman. „Moeder de vrouw is bezig er ’t een en ander in te -dragen en op orde te maken met Minah... de barones, weet u.” - -„Goed, dan maar daarheen,” zeide Korman, zich aan zijn snor trekkende -om niet te lachen over deze mooie titulatuur. - -„Tjokro,” begon hij, zoodra zij in het kampong-huis waren, „je ziet er -uit alsof je nogal pinter bent.” - -„Noeninggih!” [105] - -„Je begrijpt zoo goed als ik en een ander, dat het huis van meneer in -brand gestoken is.” - -„Noeninggih!” - -„Hier heb je twee ringgits. Als je mij de daders kunt aanwijzen krijg -je meer.” - -„Noeninggih, koelo noewoen!” - -„Heb je eenig vermoeden wie het gedaan zou hebben?” - -Met een uitgestreken gezicht verklaarde de inlander dat hij er niets -van wist. Doch hij zou meneers bevelen opvolgen, het geld besteden aan -obat [106] en bezweringen, en twijfelde niet of de zaak zou trang [107] -te maken zijn. - -„Dat is alles wat wij kunnen doen,” zeide Korman, en na nog eenige -vragen gedaan te hebben het werk op Biezeman’s afdeeling rakende, -vertrok hij. - -Dien avond schreef Korman aan zijn geldschieter over het ongeval. Wat -het meest te betreuren was, meende hij, waren de ruim tien picols -koffie, die mede verbrandden. Gelukkig dat Watoeombo een gelijk getal -boven de taxatie produceerde; dat verzachtte het feit eenigszins, -hoewel het niettemin zeer te bejammeren viel. In allen gevalle was het -een les om geen te groote zuinigheid te betrachten in de constructie -van latere gebouwen waarin het product moest worden opgeschuurd, en die -in eens maar van hout en met zink gedekt, op te stellen. - -Ook van Everdingen was huiverig geworden voor alang-alang bedekking, en -zeide dit aan Korman, toen er eenige dagen na den brand sprake was van -wederopbouw van zijn huis. - -„Ja,” zeide Korman, „ik heb er al over gedacht, om nu wij toch bouwen -moeten, een houten huis te zetten. Kostte dat lamme djatihout maar niet -zooveel geld! Want wildhout, je ziet het aan mijn huis, trekt, en werkt -en barst tot de boel er zoo onooglijk uitziet dat je het wel omver -zoudt willen halen. Enfin, het volgend jaar metsel ik alles in; maar om -nu op Sabrang ook al een steenen huis te zetten....” - -„In Holland heb ik wel eens gehoord,” zeide van Everdingen, „dat men -hout moest vellen bij donkere maan. Dan trekt het niet, zegt men.” - -„Onzin, boerepraatjes,” riep Korman uit. „Neen, we moeten zien op een -goedkoope manier aan djatihout te komen. Er bestaat, geloof ik, een -bepaling, dat men van de regeering [108] toestemming kan krijgen zelf -in een bosch te kappen, als men hout noodig heeft van een afmeting die -niet op den gewonen houtaankap te krijg is. Ik zal het eens nazien.” - -„Daar had ik me bijna verpraat!” dacht hij toen van Everdingen -vertrokken was. „We zullen wel djatihout koopen waar ze thuis niets van -weten, maar als die Everdingen er de lucht van krijgt, maakt hij maar -weer capsies.” - -Rencke zat in zijn voorgalerij, in diep nadenken. Zooeven was de -inlander bij hem geweest, dien hij had afgezonden naar Sabrang, den dag -van den brand, om te trachten aldaar de brandstichters op te sporen. De -man was teruggekomen met een bericht dat Rencke ongelooflijk toescheen. -Volgens zijn zeggen was het heel niet moeielijk geweest katrangan [109] -te krijgen. De dader heette Tjokro, en vertelde aan al wie het hooren -wilde, dat hij gehandeld had op aansporen van den toewan besaar, die -hem er tweemaal twee ringgits voor gegeven had; de laatste maal zoo ’t -heette om uit te vinden wie het gedaan had! - -Rencke wist niet wat hij er van denken moest. De door hem gezonden -inlander was zeer betrouwbaar; het stond dus vast dat die Tjokro zich -zoo had uitgelaten; maar kon het waar zijn, wat hij beweerde? Hij dacht -er over om naar Korman te gaan, en het dezen te vertellen, doch -schrikte hiervoor terug omdat hij hem niet geraadpleegd had alvorens -zijn mannetje te zenden. Van Everdingen te waarschuwen vond hij niet -fair.... - -„Soedah!” besloot hij; „als het waar is dat die Tjokro de zaak -rondbazuint, dan komen er ook anderen achter. Het gaat mij in zekeren -zin niet eens aan. Ik zwijg derhalve.” - -De komst van den bediende van Korman met een dik pak papieren gaf aan -zijn gedachten een andere richting. Het waren passen voor het vervoer -der koffie naar de stad, één voor iederen picol. Zij waren geteekend -door den secretaris der residentie, en werden beschouwd als een panacee -tegen het vervoer van clandestiene koffie. Want, meende de resident, -als nu ieder, die zonder zulk een pas koffie transporteert, wordt -aangehouden, hoe zou dan nog diefstal aan iemand nut zijn, als hij de -verkregen waar niet zonder groot gevaar bij de afnemers kan brengen? - -Dit was immers juist geredeneerd! Het gaf een hoop schrijfwerk en meer -werkte het niet uit; want van Watoeombo gingen den volgenden morgen als -eerste zending dertig picolpaarden, waarop minstens tien picols koffie -die rechtens aan het gouvernement toekwamen. - -Toen deze oogst weg was, werd het tijd aan de voorbereidende -maatregelen te denken voor dien van het volgend jaar. Zonder aarzelen -schatte Korman die op duizend picols; wat er tekort kwam wist hij nu -gemakkelijk aan te vullen. Doch er moest een installatie gekocht -worden, en daarvoor zou hij zelf naar Soerabaja gaan. - -Eer hij vertrok bezorgde hij twee dingen. Vooreerst de benoodigde -metselsteenen, waartoe hij een steenbakker liet komen, die aan den -overkant der kalie de geschikte aarde vond om zijn bedrijf uit te -oefenen, en daar weldra aan den gang was met vormen. - -Ten tweede het hout. Hij was vast besloten zooveel mogelijk stijlen van -djatihout te gebruiken voor de permanente gebouwen der installatie. Een -deel daarvan moest hij inkoopen, om geen achterdocht te verwekken; doch -de rest, en tevens het hout voor van Everdingen’s nieuwe woning, -bezorgde hij zich op de volgende manier. - -Voor eigen gebruik, dat wil zeggen voor hun huizen, mogen de javanen -djatihout kappen. Zoodoende vindt men in de dessa hier en daar een huis -waarvan het geraamte uit de zoo gewilde houtsoort bestaat. Het is -niemand verboden zulk een woning te koopen en naar elders over te -brengen. Doch er zit niet veel hout in. En toch ontvangt de kooper -zooveel balken als hij wil, die allen uit dat fameuse huis heeten te -komen. - -Het eigenaardige van de transactie bestaat in de aanstellerij van -kooper en verkooper. Geen van beiden spreekt het woord uit, dat de zaak -aanwijst die moet worden uitgevoerd. - -„Kromo,” zegt de eerste. „Ik wil je huis koopen; ik kan echter zoo op -het oog niet schatten hoeveel hout er in zit; breng het bij mij op de -onderneming, en daar zal ik het opmeten; ik betaal zooveel per voet.” - -Kromo antwoordt op dit alles met het stereotype noeninggih ’ndoro. -Hoogstens bedingt hij een hoogeren prijs dan de gebodene. Eindelijk -wordt hem gevraagd of er wel balken van zekere afmeting in voorkomen, -en wordt hem de maat met een grassprietje of een touwtje duidelijk -gemaakt. Dan trekt hij een bedenkelijk gezicht. - -„Ja, zie je,” gaat de kooper voort. „Die moet ik absoluut hebben. Maar -ik geloof wel dat zij er zijn, ten minste achterin heb ik eenige balken -gezien, die nog nieuw waren. Men zou haast zeggen dat zij eerst kort -geleden gekapt waren.” - -Een uitdrukking van groote slimheid verspreidt zich over Kromo’s -trekken, en het noeninggih klinkt haast hartstochtelijk. Hij begint te -begrijpen; en terwijl de europeaan voortgaat met het telkens bijna te -zeggen, nog steeds twijfelend of de inlander zijn bedoeling wel vat, -laat deze de djatiboomen die hij vellen zal, reeds voor zijn geestesoog -voorbijgaan. En als de kooper eindigt met hem op het hart te drukken -dat van de balken de poeroesan [110] niet af mag breken, grijnslacht -hij zachtjes. - -Dan gaat hij hakken en brengt bij één ouden balk, twintig nieuwe, -waaraan een poeroesan gefabriekt is, die elk eerzaam timmerman een -stuip zou bezorgen van het lachen als hij hem zag. - -Op zijn reis naar Soerabaja, den dichtstbijgelegen houtaankap -aandoende, bestelde Korman eenig houtwerk; voornamelijk daksparren en -andere stukken van kleinere afmeting, die hij op de onderneming -moeielijk kon laten aanmaken, daar zij gezaagd moesten worden, en de -inlandsche timmerlieden die hij had, slechts konden bekappen. - -Nauwelijks was hij weg, of Li maakte zich op om aan een -beleefdheidsplicht te voldoen. De huishoudsters van de employé’s hadden -haar allen bezocht, doch Korman had haar nimmer toegestaan -contra-bezoeken te gaan brengen. Het ging haar aan het hart, want Li -was van nature zeer fijn van manieren, doch waar hij gebood moest zij -volgen; dat beschouwde zij als haar eerste plicht. Nu echter was er -gelegenheid het verzuimde in te halen, en zij maakte er dadelijk -gebruik van. - -Als de hoogste in rang ontving Minah—de barones, zou Biezeman -zeggen—het eerste bezoek, dat van ’s morgens tot in den vooravond -duurde. Toen zij kwam ontving Minah haar met gebak, maar niet de gewone -inlandsche kwee-kwee, neen, echt gebak zooals dat in de groote steden -werd gemaakt door hollandsche dames. Ook onderwees zij Li in de kunst -het te bereiden, met gist die zij zelf kweekte en waarmee zij ook brood -bakte. Brood! Dat zag men op Watoeombo slechts eens per week, als de -plajangan kwam, en dan nog oudbakken. Li moest dadelijk weten hoe Minah -dat deed. - -En deze wees haar hoe zij een kopje meel nam, er een dooier van een ei -doorheen werkte en wat zout, het daarna aanmengde met klapperwater en -door de kokki liet kneden, of eigenlijk slaan op een plank, tot het -genoeg was, wat zij dááraan zag dat het deeg in draden kon worden -getrokken die taai waren, en hoe fijn ook, niet braken. Dan nam zij -voor de eerste maal een weinig deeg er van af, en bewaarde dit in een -stopflesch tot den volgenden dag; dan werd de helft er van in het nieuw -te maken brood gebruikt en van het geknede deeg weer een weinig -bijgevuld in de stopflesch. Na vier of vijf dagen was daarin een soort -gist gekweekt en door het gebruik daarvan rees het brood elken dag -mooier. - -Aan de rijsttafel was van Everdingen tegenwoordig, en volmaakte de -ontvangst die Minah aan Li bereid had, door zijn vele attenties. Toch, -toen Li naar huis ging was zij niet in haar schik. Zij kon zich geen -rekenschap geven van wat het was, maar Minah had op haar een -ongunstigen indruk gemaakt. Zou het jaloezie wezen? Vrouwen zijn soms -zonderling, en gunnen den man dien zij verstooten hebben aan geen -ander. - -Li had er spijt van dat zij Minah den volgenden dag bij zich genoodigd -had; doch het was niet te herroepen, en Minah kwam. - -Toen zij weer vertrokken was wist Li wat haar gevoel beteekende. Minah -was een valsch, gevaarlijk wezen. Li had moeite gehad zich bedaard te -houden, en dat moest toch, wilde zij zonder gevaar voor haar zelve en -haar kinderen het kwaad voorkomen dat stond te gebeuren. - -Zij hadden samen gepraat—Minah bracht het gesprek er op—over de positie -van een huishoudster. Dat Korman haar kon wegzenden, wist Li; doch -natuurlijk zou hij dat nimmer doen, tenzij zij zich misdroeg; en o! de -gedachte zelfs daaraan was haar vreemd. Zij was immers zijn vrouw, de -moeder zijner kinderen.... - -Minah noemde haar een onnoozel halsje. Zij wist dan beter wat er in de -wereld te koop was. De heeren namen een huishoudster op een goedkoopje, -zoolang zij nog geen tractement genoeg hadden om een njonja [111] -blanda te bekostigen. Want die zijn duur; ten eerste van nature, ten -tweede door hun kleeding, en ten derde omdat zij van niets verstand -hebben en door de bedienden van alle kanten bestolen worden. Watblief? -Die waar Minah’s moeder diende, was een der pintersten, wat echter niet -belette dat zij, Minah, zes jaar lang had meegegeten. En zij niet -alleen. Ieder der bedienden had een vrouw of een man en kinderen, die -allen meeaten uit de goedang. Een kleine kolonie op het achtererf! -Welke huishoudster, die zuinig wilde zijn, zou dat toelaten? Van -Everdingen en zij hadden een kokki, een jongen, en een waterdrager, die -allen in de bijgebouwen woonden en in de kost waren. Maar zij kregen -niets te veel, niet meer dan zij ook precies op konden; en familie -duldde Minah zelfs niet in de kampong. - -Dat had Minah van alle kanten goed bekeken. Zoodra de heeren het -betalen konden, namen zij een vrouw en kon de huishoudster haar matje -oprollen. Tenzij zij pinter was. Want er waren middelen om de heeren te -dwingen! Die assistent-resident onder anderen, die naast hen woonde in -de stad.... Minah was nog jong toen het gebeurde, maar zij had het -verhaal dikwijls gehoord van de oude tante van haar moeder, die bij hen -inwoonde, en zelf de obat had geleverd. Die mooie meneer dacht zoo -stilletjes met verlof naar Holland te gaan. Maar het behoefde niet! -Want een poosje te voren werd hij ziek en dacht dat hij ging sterven. -En zijn huishoudster had verschrikkelijk geschreid en zich aangesteld -alsof zij zich de haren uittrok van verdriet, kermende en klagende dat -zij en haar kinderen naar de kampong verwezen waren, omdat die arme -schapen niet gewettigd waren. Toen was er een ambtenaar gekomen van de -secretarie en zij waren getrouwd, om de kinderen. En de njonja -assistent trok kousen en schoenen aan en een zwartzijden japon, en -mocht voortaan als er visite was binnenkomen; want.... de -assistent-resident werd beter! Wat hadden haar moeder en de tante van -haar moeder er dikwijls om gelachen! Maar zij, Minah, had het zich in -het geheugen geprent; en eer zij met haar zuster was meegegaan naar -hier, om huishoudster te worden bij van Everdingen, wist zij uit welke -planten de obat was getrokken die zulk een heerlijke uitwerking had. - -Li nam zich voor om Korman dadelijk te waarschuwen als hij thuis kwam. -Op het oogenblik durfde zij niets, want zoo’n schepsel was tot alles in -staat als zij wist dat Li haar verraden had. - -Korman bleef langer uit dan hij oorspronkelijk van plan geweest was. -Toen hij bij den fabrikant kwam om te bestellen, vroeg deze hem ten -eerste hoeveel koffie hij per etmaal wilde pellen, en ten tweede over -hoeveel water hij beschikken kon. Op de eerste vraag kon hij natuurlijk -dadelijk antwoorden, zoodat de fabrikant hem aanraadde op Sabrang, op -beide afdeelingen, een paar pulpers te plaatsen, door koelies uit de -hand te draaien; evenzoo op de afdeeling van Brisson; doch op Watoeombo -zelf moest andere beweegkracht aangewend worden en dadelijk een -grootere installatie opgesteld. Als de drijfkracht water was, dan moest -de fabrikant weten hoeveel daarvan kon verkregen worden, teneinde de -grootte van het waterwiel te kunnen berekenen. - -„Wel, een kalie vol!” riep Korman uit. - -De fabrikant kon evenwel met die opgave niet volstaan. - -„Ik moet twee dingen weten,” zeide hij. „De hoeveelheid water en het -verval. Het eerste bepaalt men ruw weg, door de kalie over een lengte -van vijftig meters op afstanden, van bijvoorbeeld vijf meter, te peilen -en aldus de gemiddelde diepte te berekenen. Dan meet men op dezelfde -wijze de gemiddelde breedte. En eindelijk laat men aan het begin van -het gemeten vak een licht voorwerp, een kurk of zoo, in het water -vallen en neemt nauwkeurig op in hoeveel seconden het den weg aflegt -tot aan het einde. - -„Voor het verval moet ik weten hoe hoog u, na afdamming der rivier, het -water kunt krijgen boven de plaats der installatie. Dat geschiedt door -eenvoudig waterpassen.” - -„Wilt u dat eens opschrijven,” verzocht Korman, „dan zal ik mijn -eersten geëmployeerde opdragen een en ander ten spoedigste te doen.” - -Zoo geschiedde, en Korman moest wachten tot hij de opgaven van -Watoeombo had ontvangen. Ook schreef hij aan Messner, die hem opdroeg -voor hem een viertal pulpers te bestellen, die met de hand bewogen -konden worden, doch later eventueel ook op een waterwiel te gebruiken -waren. - -In den tijd die er verliep tusschen het afzenden van zijn brief en het -antwoord daarop, verveelde Korman zich vrij wel in de groote stad, daar -hij bijna niemand kende. ’s Avonds bezocht hij meestal de Sociëteit, -waar Benoit hem een introductie bezorgd had; maar te eenkennig om zich -aan dezen of genen voor te stellen, zat hij uit den treure de prentjes -te bekijken in de leeszaal. - -Eens meende hij een bekende luidklinkende stem te hooren, en opziende -bemerkte hij zijn buurman van Os. Snel sloeg hij de illustratie die -voor hem lag, dicht en hield zich als wilde hij het gebouw verlaten, -zich echter met opzet naar de zijdeur begevende om van Os tegen te -komen. - -„Hallo!” riep deze uit. „Ben jij ook hier? Dat treft! Laat mij om te -beginnen de heeren eens aan elkaar voorstellen. Kaptein Kool van de -genie, mijn technisch raadsman—meneer Korman, administrateur van het -monsterland Watoeombo.” - -Beiden vonden de kennismaking aangenaam, althans zij verklaarden zulks. - -„En wanneer ga je weer naar boven?” vroeg van Os. - -„Over een paar dagen,” zeide Korman, en vertelde waarop hij wachtte. - -„Dan konden wij wel samen gaan—dat is te zeggen met ons drieën,” -opperde van Os. „Want mijn vriend Kool zal me het genoegen doen van -ziek te worden en berglucht noodig te hebben tot herstel van -gezondheid.” - -„O zoo!” zeide Korman lachend, den kapitein aanziende, die een -toonbeeld van gezondheid was. - -„Van Os spot er mee,” zeide deze. „Doch ik ben werkelijk ongesteld. De -zaak is deze: als ik om dezen tijd niet eens naar een koel klimaat ga, -dan word ik ziek en moet toch naar boven.” - -„Dus bij wijze van voorbehoedmiddel?” - -„Geraden! Voor den dienst is het precies hetzelfde of ik gezond dan wel -ziek een maand absent ben, maar voor mij persoonlijk maakt het een -groot verschil. En nu kan ik tegelijk mijn vriend van Os een genoegen -doen door eens naar zijn bouwerij te kijken; waarom zou ik het dus -laten?” - -„U heeft volkomen gelijk,” zeide Korman. „En... mag ik vragen, heeft u -ondervinding van den aanleg van koffie-établissementen?” - -Er was onmiskenbare ironie in den toon van zijn stem. Kapitein Kool -voelde het, en fronste de wenkbrauwen. - -„Hoe kan je dat vragen!” riep van Os als verwonderd uit. „Heb je meneer -zijn naam niet goed verstaan?” - -„Ja wel,” stotterde Korman; „kaptein Kool...” - -„Van de genie,” vulde van Os aan. „Juist; en ken je dan het werk niet -dat de kaptein heeft samengesteld?” - -„Neen...” - -„Wel voor den dokter! Hoe is het mogelijk?! Kijk bij gelegenheid eens -in de laatste aflevering van de Indische Gids; die heeft er nog een -recensie over.” - -„Hoe heet het?” vroeg Korman geheel overbluft. - -„Hm,” deed van Os, „ùche, ùche. Hoe duivel... o ja..., -Koffie-établissementen, in Oost- en West-Indië. Is ’t niet, Kool?” - -„Ja,” zeide deze met een quasi zedige gelaatsuitdrukking. „Met -houtsneden.” - -„Juist. Er staan teekeningen achter.” - -„Wel,” zeide Korman, „dan zal ik er morgen dadelijk een exemplaar van -koopen. Het is hier toch te krijg?” - -„Ik geloof dat Thieme & Co het heeft,” zeide kapitein Kool. „Hoewel... -het is in Holland uitgegeven.” - -„Kom, laat ons nu wat gaan biljarten,” stelde van Os voor, zijn glas -ledigend. - -„Wat heb je dien meneer te pakken gehad,” zeide kapitein Kool toen hij -met van Os in een kossong [112] naar huis reed. „Wat voor een soort -mensch is hij?” - -„’n Goed merk; alleen een beetje verwaand,” zeide van Os. - -Korman ging den volgenden morgen naar Thieme & Co en vroeg naar het -boek van kapitein Kool. De employé die hem te woord stond, raadpleegde -den Catalogus voor den Boekhandel, doch vond het er niet in. - -„Het is zeker een pas uitgekomen werk. Ik zal er over schrijven en het -u toezenden. Mag ik uw adres weten?” - -Korman gaf het en ging toen terug naar zijn logement, waar hij tot zijn -groote vreugde brieven van Watoeombo en Donowarie vond met de verlangde -opgaven. - -De zaken wikkelden zich nu spoedig af. De fabrikant maakte zijn -becijferingen, en daarna een teekening voor het metselwerk dat Korman -had laten doen. Voor de opstelling van het ijzeren waterwiel en de -overbrengende beweging, zou een deskundige te Watoeombo komen. - -Zooals was afgesproken maakten zij de terugreis met hun drieën, in -Korman’s reiswagen. - -Op Watoeombo komende bevond Korman dat er reeds een flinke massa hout -was aangekomen, zoowel van den houtaankap als uit de dessa. De -steenbakkers hadden een oven opgebouwd van twintigduizend steenen, en -er juist den brand in gestoken, zoodat men over een week de gare -metselsteenen kon verwachten. In de stad had hij kalk en -portland-cement besteld; zand leverde de kalie in elke hoeveelheid. - -Rencke, die in zijn schooltijd aan rechtlijnig teekenen gedaan had, -zette, na eenige studie op de teekening van den fabrikant, de fundaties -heel aardig uit; tot stille tevredenheid van Korman, die gevreesd had -met vragen te zullen worden lastig gevallen over al die strepen en -lijnen waarvan hij niets begreep. - -Zoodra zij zoover waren dat op het terrein zelf de grootte van de -molenloods kon aangegeven worden, werd deze opgetrokken. Djatihouten -stijlen op steenen voetstukjes droegen het dak, dat met gegalvaniseerd -ijzer gedekt werd. De helft der loods werd ingenomen door de molens; de -andere helft, die ongeveer anderhalf meter hooger uit den grond was, -werd bevloerd en gepleisterd, terwijl een laag halfsteensmuurtje er -omheen liep. - -Toen men dit gereed had, en aan den buitenkant ook de fundeering voor -het waterwiel, schreef Korman aan den fabrikant dat hij gereed was, en -stuurde koelies en paarden naar de stad, om het daar, bij zijn -chineeschen agent, bewaarde ijzerwerk af te halen. - -Ver boven de kampong was een dammetje in de kalie gelegd, even hoog -genoeg om een gootvol water af te leiden. Een mandoer, dezelfde die -indertijd van Korman een pak slaag had gekregen, omdat hij de terrassen -niet waterpas kon maken, was daar aan het werk; en nu hij water had -bewees hij als een echte javaan daarmee de zuiverste waterpasse leiding -te kunnen maken. Bijna veertig voet boven de molenloods kwam de -waterleiding uit, waarin men desverkiezende de geheele kalie had kunnen -aftappen. - -Van Soerabaja kwam nu de deskundige, de monteur der fabriek, die de -installatie geleverd had. Hij bracht een inlandsch werkman mee. Deze -twee, geholpen door een zestal koelies van de onderneming, zetten het -ijzeren waterwiel, dat uit segmenten bestond die aan elkaar geschroefd -werden, in korten tijd op de fundatie, en daarvan uitgaande, brachten -zij een as dwars door de loods aan, die zes riemschijven droeg, één -voor elken pulper. Ten slotte liet de deskundige een draaibare sluis -maken, om, al naar men noodig had, het water in het wiel te kunnen -leiden of het te doen afstroomen naar de kalie. Toen dit alles gereed -was, waarmee ongeveer twee weken waren gemoeid geweest, liet hij den -boel draaien. Daarbij bleek dat alles in orde was, althans de -beweegkracht en de transmissie; de pulpers zouden eerst gekeurd kunnen -worden als er koffie was. Doch het systeem was reeds elders beproefd en -goedbevonden, dus gaf Korman zonder aarzelen een kasaanwijzing af op -Benoit voor den prijs der installatie en de onkosten van het monteeren, -waarmee de deskundige vertrok. - -Op de afdeelingen, en eveneens op Donowarie, was het eenvoudiger -toegegaan. Daar stonden de molens onder een bamboe-loods en daarnaast -de gemetselde waschbakken. Water voor de pulpers en voor het wasschen -werd met bamboe-leidingen uit de kalie getrokken. - -De molenloods te Watoeombo stond dicht bij de administrateurswoning, en -vandaar tot aan de kampong werd nu het geheele terrein getransformeerd -in droogbakken; in vorm gelijk aan de primitieve aarden bakken, doch nu -netjes bevloerd met metselsteenen en geheel met portland-cement -bepleisterd. In de specie die voor pleisteren gebruikt wordt, mag geen -kalk bijgemengd worden, daar deze zich door de inwerking van de natte -koffie oplost. - -Lang voor de koffie geplukt kon worden waren op Watoeombo de -installaties gereed. Op Marialand was men niet zoo vlug. - -Kapitein Kool was daar den dag na zijn aankomst begonnen het terrein, -dat van Os voor zijn installatie bestemd had, van alle kanten te -bekijken en op te meten. Toen had hij teekengereedschap te voorschijn -gehaald en zich gedurende een week beziggehouden met het vervaardigen -van schetsen, die hem echter geen van allen schenen te voldoen. - -„We moesten eens beginnen, ouwe,” zeide van Os op een morgen. - -„Dat zullen we ook,” was het antwoord. „Maar mijn stelregel is: eerst -met het hoofd, dan met de handen. En met het hoofd ben ik bezig, ja -bijna klaar. Kijk eens hier.” - -Terwijl van Os de hem voorgelegde schets bekeek, legde de genieofficier -hem die uit. - -„Dat is drommels mooi!” riep van Os eindelijk uit. „Weet je wat, ik zeg -niets meer; ga jij je gang, al moest het nog een maand duren.” - -„Overmorgen ben ik klaar,” beloofde Kool. „Laat straks even een plank -voor mij afschaven, dan zal ik de werkteekeningen maken. -Overmorgenochtend kan je laten beginnen met uitgraven; ik zal het -morgen uitzetten.” - -Kapitein Kool bleef een maand, en toen hij weg ging, wist van Os hoe -hij het werk moest afmaken. Een zestal werkteekeningen wezen het als -vanzelf aan, duidelijk en gedétailleerd als zij waren. - -Eindelijk was ook hij zoover dat de monteur kon komen, niet echter om -een waterwiel op te stellen, doch een kleine stoommachine. - -De administrateur van Marialand had namelijk één principe consequent -doorgevoerd. Zijn woning, de kampong en het établissement lagen precies -in het centrum der onderneming. Dat had hij geacht het meest in het -belang van de zaak te zijn, en daar moest zoo mogelijk alles zich naar -regelen. Hij kon nu wel een waterleiding maken naar het établissement, -doch de kosten daarvan zouden zeer hoog geloopen zijn; dus koos hij een -stoommachine als motor voor zijn pulpers en maakte een gewone -buisleiding van bamboe voor het waschwater. En om dit laatste nog zoo -goedkoop mogelijk in te richten, liet hij de leiding slechts uit één -bamboe aanleggen en een verzamelbassin metselen, dat ’s nachts vol -liep, en zoodoende voor het werk overdag genoeg uitleverde. - -Het opstellen van de kleine stoommachine duurde niet lang, doch bij het -proefstoomen draaide zij zeer langzaam, en toen de pulpers werden -aangekoppeld weigerde zij formeel den dienst. De monteur, een gewezen -machinist van een stoomboot, zocht een week lang naar de fout, en -verklaarde eindelijk dat die moest zitten in een te kleine uitholling -van de stoomschuif, waardoor de afgewerkte stoom niet spoedig genoeg -ontwijken kon en zoodoende een tegendruk veroorzaakte. - -Van Os zat met de handen in het haar. Tot overmaat van ramp kreeg hij -de tijding dat er twee nichtjes van hem in Indië waren aangekomen en te -Batavia zouden komen inwonen bij hun oom, een andere broer van van Os. -Dit ware nu op zichzelf genomen zoo erg niet, maar broer kon hen om de -een of andere reden niet dadelijk bergen, en had hen daarom tijdelijk -in het logement bezorgd, om hen per eerstvolgende boot naar Soerabaja, -adres van Os, op te zenden. Hij moest dus naar Soerabaja om hen te -halen. - -„Hoor eens,” zeide hij tot den monteur, toen de tijd drong; „loopt dat -ding nu of niet? Ik bedoel vandaag nog.” - -„Neen meneer,” was het antwoord. „Er is een gebrek aan de....” - -„Ja wel, dat weet ik,” viel van Os in. „Er zit iets in de stoomschuif -het achterste voren, of zoo. Ik wou alleen zeggen dat ik morgen naar -Soerabaja ga. Wil je meegaan of wachten tot je chef hier komt; want -dien breng ik mee.” - -„Ik zou liever hier blijven,” zeide de monteur. „Als de ingenieur dan -komt, wou ik er graag bij zijn.” - -„Goed,” besloot van Os. - -Korman had gehoord dat van Os met zijn installatie tobde. Hoe en wat, -wist de inlander die het vertelde niet te zeggen. Daarom besloot hij er -eens heen te gaan. Op het briefje, dat hij vanwege den kwaadaardigen -hond den dag te voren verzond, kreeg hij echter antwoord van mevrouw -van Os dat haar man plotseling op reis was gegaan. Hij stelde den tocht -dus uit. - -Na een week kwam van Os terug, zijn nichtjes en den ingenieur -medebrengende. De laatste was een dier weinige Engelschen, die men in -het buitenland aantreft vrij van de ruwe vlegelachtige lompheid en -stijve aanstellerij, die de kenteekenen zijn van exemplaren van dat -ras, zoodra zij hun eigen land verlaten hebben. - -Hij was daarenboven zeer conversabel en bewegelijk, sprak bijna -onberispelijk hollandsch, en had de reis vooral voor de jonge dames met -veel tact en geest weten op te vroolijken. - -De nichtjes, Caroline en Saartje, twee en twintig en twintig jaar oud, -waren beiden zeer blond, opgewekt, beschaafd, muzikaal en pas van de -kostschool. - -De monteur haastte zich zijn chef te begroeten. - -„Halloh Stevens,” zeide deze; „won’t she go? Wat mankeert er aan?” - -Door van Os vergezeld gingen zij naar de machine. En hier veranderde op -eens de geheele manier van doen van den engelschen ingenieur. Kalm en -met een ernstige beradenheid bezag hij de opstelling, en knikte een -paar maal goedkeurend. - -„Well done!” zeide hij tot Stevens, die herademde. Toen, de hand aan -het vliegwiel der machine slaande, trachtte hij dit, doch vergeefs, om -te draaien. - -„Laat dien riem even afnemen,” gelastte hij. „Heb je al stoom?” - -„Pas twintig pond meneer,” antwoordde Stevens met een blik op den -manometer. - -De riem die de machine aan de overbrengende beweging verbond was er -intusschen afgenomen. Nog eens herhaalde de ingenieur zijn proef, en -toen hij met alle kracht het vliegwiel nauwelijks een duim verder kon -draaien, vroeg hij om een schroefsleutel. Hiermede draaide hij de -moeren van de kussenblokken een weinig losser, en ging voorts ook die -der werkbussen na. Eindelijk lichtte hij de klepjes van de oliekoppen -op, en draaide voor de derde maal aan het vliegwiel, dat nu zonder -eenige moeite rondging. - -Toen zette hij de waterkraantjes van den cilinder open, liet nog één -blik over het geheel gaan en draaide langzaam aan de smoorklep. - -Statig zette het kleine ding zich in beweging. Pf, pf, deden de -waterkraantjes, maar nadat deze gesloten waren, hoorde men niets meer. - -„She ’s allright,” verklaarde de ingenieur. - -„Ja wel,” zeide van Os, „zoo ging het laatst ook, maar dat is te -langzaam, en als de molens aangezet worden staat hij stil.” - -De ingenieur zeide niets, doch met een handige beweging wierp hij den -riem over het draaiende drijfwiel. De machine bleef bijna even vlug -doorloopen. Nog een zetje aan de smoorklep, en alles snorde full speed. - -„Prachtig!” riep van Os uit. „Wacht, ik ga de dames roepen.” - -Van zijn afwezigheid maakte de ingenieur gebruik om den armen Stevens, -die er met open mond bij stond, een ongezouten standje te maken. En -deze kon niets anders tot zijn verdediging aanvoeren, als dat hij aan -boord gewoon was geweest met stijf aangeslagen metalen te werken. - -„Dat is waar,” zeide zijn chef. „Maar als je je zelf aanbiedt om -landmachines te monteeren, dan behoor je ook daarvan verstand te -hebben. Never mind, het overige is in orde, wees in ’t vervolg -attenter.” - -De dames vonden het natuurlijk heel mooi; maar van Os was in de wolken. -Morgen moest er geplukt worden, en hoezeer zijn vrouw ook -tegenstribbelde en beweerde dat zij nooit klaar zou komen, wilde hij -invitaties rondzenden aan alle heeren in de buurt om in den namiddag te -komen en vervolgens een klein maalfeest mede te vieren. - -Dat zij allen aan de uitnoodiging voldeden behoeft wel geen betoog, en -eenstemmig was de bewondering over de practische inrichting van het -établissement. - -Aan den rand van het boschje, waarin het woonhuis stond, lag een vrij -gelijkmatig hellend terrein. Bovenaan waren drie terrassen uitgekapt. -Op het hoogste stond een loods, met steenen vloer, welke vloer van hout -was voortgezet en met een dikke pleisterlaag bedekt tot over het tweede -terras heen, alzoo daarop een bovenverdieping vormende. Deze -bovenverdieping was, met het hoogste terras, de ontvangloods der roode -koffie. Door gaten in den vloer, die in trechters uitkwamen, liep de -koffie door water gestuwd en medegevoerd in de pulpers, die beneden -stonden op het tweede terras, waar een kleine afgescheiden ruimte ook -de stoommachine en ketel inhield. Het derde terras bestond uit vier -waschbakken. Dit alles was onder dak en omsloten door een traliewerk -van zoogenaamd volièregaas. Nog lager waren de droogbakken, -terrasvormig vóór en naast elkander, door een vernuftig gotenstelsel -gescheiden, waarlangs men de koffie, als die gewasschen was, met een -waterstraal op de bakken kon doen loopen. Behalve de stoker voor de -machine, waren twee man voldoende om de geheele installatie te doen -werken. - -Toen de gasten verzameld waren, leidde van Os hen naar de molenloods en -nam het ontvangen van de koffie een aanvang. Door een mandoer en een -amboneesch opzichter geleid, liep dit, dank zij de tucht die bij alles -op Marialand heerschte, zeer spoedig af. Daarop ging men het trapje af -naar de machinekamer. Slechts de dames en de administrateurs konden -hierin een plaats vinden, de anderen stonden in de ruimte bij de -pulpers. - -Op de smoorklep was een bloemruiker gebonden; en terwijl een bediende -champagne presenteerde, noodigde de ingenieur mevrouw van Os uit de -machine in beweging te stellen. - -„Ik durf niet,” zeide zij. „Laat Caroline het maar doen.” - -Caroline durfde wel. Zij trad naar voren en draaide op aanwijzing van -den ingenieur aan het wieltje. Daarbij had zij uit vrees voor -olievlekken de mouw van haar japon hoog opgetrokken en vertoonde een -buitengewoon fraaigevormden arm. Trouwens het heele tooneeltje, toen de -machine begon te draaien en de aanwezigen een luid hoera deden opgaan, -had iets zeer frisch en levendigs, geaccompagneerd als het werd door -het geklater van het vallende water en het knarsen van de koffie in de -pulpers. - -Men had eindelijk genoeg gekeken en allen begaven zich naar het -woonhuis, om zich met een bittertje of een glas port voor te bereiden -tot het diner. Aan tafel werd toast na toast geslagen. Doch toen -Messner den gastheer prees over zijn practischen blik bij de inrichting -van de installatie, nam deze het woord en verklaarde dat de eer daarvan -geheel aan zijn vriend Kool toekwam. - -„’t Is waar ook,” zeide Korman. „Dat boek... ik heb het niet kunnen -krijgen. Heb jij het?” - -„Neen,” antwoordde van Os. „Dat was een ui.” - -„Hoe flauw!” mompelde Korman. Doch hij werd niet boos; daartoe was hij -op het oogenblik niet in een stemming. Er was met hem sedert het -laatste uur iets zonderlings voorgevallen. Eerst wist hij niet wat het -beteekende en meende dat hij koorts had. Een extra bittertje, anders -voor hem een afdoend middel, hielp ditmaal niet; doch toen hij aan -tafel zat en links van zich Caroline van Os vond... o, toen zag hij -plotseling weer dien arm aan de smoorklep en een hevige begeerte maakte -zich van hem meester om dien meer, altijd! te mogen zien, hem tevens te -kunnen verbergen voor de onbescheiden blikken van ieder ander. Hij -dacht niet aan Li, aan zijn kinderen, aan niets als aan dien blanken -arm, dien hij detailleerde in zijn vormen en lijnen tot het kuiltje toe -in den elleboog.... - -Na tafel speelden de dames op de piano, en later op den avond werd dit -instrument voor het raam der binnengaanderij geschoven om den dans te -accompagneeren der jongelui in de voorgalerij. Korman stond in de -deuropening, zich verwenschende dat hij niet kon dansen en geen -oogenblik de bevallige gestalte van Caroline uit het oog verliezende, -woedend als nu Rencke, dan van Everdingen, dan Brisson haar -omvatten.... - -En het verliet hem niet meer, ook niet toen de gewone gang van het werk -hem tot bedaarder nadenken dwong. Li was wel goed, maar men kon toch -zijn heele leven niet tegen zoo’n bruin gezicht blijven kijken, en ook -vond hij het nu eensklaps jammer om het geslacht der Kormans voorgoed -in de donkere kleur te converteeren. Wat een verschil toch! In het -gezicht mocht het minder opvallen, maar op zoo’n arm! En verder! Hoe -echter moest hij het tot stand brengen? Li wegzenden... wat zou Messner -doen? En toch, niettegenstaande alle moeielijkheden die hij voorzag, -wilde hij het niet opgeven. - -De meisjes blijven een maand of drie, had van Os gezegd; welnu, die -tijd was lang genoeg om alles voor te bereiden, en eindelijk zou hem -wel een denkbeeld invallen om met fatsoen Li weg te krijgen en Caroline -in haar plaats. Intusschen zou het zaak zijn dikwijls naar Marialand te -gaan; een voorwendsel was gemakkelijk te vinden... een digestiebezoek -om te beginnen. - -Doch in de eerste dagen kwam er niet van. De pluk was begonnen. Brisson -werd op het hoofdkwartier ontboden en belast met het toezicht op het -malen en de verdere behandeling der koffie. In zijn vrije oogenblikken -liet Korman hem aan de boeken werken, die nu van den beginne af -opgehaald, in behoorlijken vorm werden ingericht. - -In Brisson’s plaats werd voorloopig de hoofd-mandoer van Rencke gezet, -terwijl Korman een oproeping in de couranten had laten plaatsen voor -een nieuwen opzichter. Aan beide europeanen gaf deze regeling, vooral -in de eerste dagen, veel werk. - -Eén zaak baarde Korman veel zorg. Hij moest dit jaar een paar honderd -picols gouvernementskoffie koopen, en als het wat lang duurde eer hij -een employé had voor de afdeeling van Brisson, zou de hoofd-mandoer -dien inkoop moeten leiden. Dat was de kat op het spek binden, met -andere woorden den man in sterke verleiding brengen ten eigen bate te -ruim te meten en er zoo een duitje uit te knoeien. - -Korman besloot een laatste poging aan te wenden om van Everdingen tot -andere gedachten te brengen wat betrof den opkoop van koffie. - -Voor de eerste maal sedert het feest op Marialand ging Korman van -Watoeombo weg. Nauwelijks had hij de kampong achter zich, of weer hield -datgene zijn gedachten bezig dat er sedert zijn ontmoeting met Caroline -van Os nooit geheel uit was geweest. Alleen, waar het een zaak betrof -die hem persoonlijk aanging, kon hij nooit in geregelde volgorde -nadenken. Steeds nam hij sprongen van de voorbereiding eener zaak, als -hij al zoover kwam, tot op het geheel gereedzijn en de gevolgen daarvan -voor hem zelf. Zooals nu, op zijn rit naar Sabrang, moest hij tot drie, -viermaal toe zijn gedachten terugdringen van het punt dat zij bereikt -hadden, namelijk het huwelijksleven met Caroline, tot de vraag hoe van -Li af te komen en hoe Caroline... aan te klampen, zooals hij dat bij -zichzelf uitdrukte. - -Hij stond voor van Everdingen’s woning vlugger dan hem lief was, ja -eigenlijk hinderde het hem dat hij niet nog wat had kunnen doorrijden -en zich bij zijn overdenkingen houden, te meer daar hij nu niet gereed -was met zijn argumenten in de zaak waarover hij van Everdingen had te -spreken. - -Maar hij was er, en dus steeg hij af, zich echter verwonderende van -Everdingen niet voor den dag te zien komen. Op het werk waar hij langs -gereden was, had hij hem ook niet gezien; waar duivel zat de vent? - -„Hei, djongos!” [113] riep hij naar binnen gaande. Geen jongen, doch -Minah verscheen. Met haar slofjes klikklakkende over de bamboe-mat -draaide zij op hem af, en zichtbaar was de teleurstelling op haar ronde -gezichtje, toen Korman van haar coquet persoontje in ’t geheel niet -aangedaan scheen. - -„Waar is meneer?” vroeg hij op ongeduldigen toon. - -„Tobat,” klaagde Minah; „meneer is uit. Hij is in de laatste dagen -altijd uit, en komt soms niet eens rijsttafelen.” - -„Is hij bij meneer Biezeman?” vroeg Korman. - -„Neen,” zeide Minah verbaasd. „Op Soemberpetong. Om teekeningen te -maken van den molen daar. Hij zeide dat de toewan besaar het gelast -had.” - -Op Soemberpetong! Minah gebruikte hier den inlandschen naam voor het -land van van Os. - -Korman stond als versteend. Soemberpetong! Marialand! En dat terwijl -hij zijn tijd met nietsdoen verknoeide! Een beeld, van Everdingen -vrijende met Caroline, teekende zich in zijn gedachten af en deed hem -de vuisten ballen. Vervloekt! En toen herinnerde hij zich op eens wat -Li hem bij zijn terugkomst verteld had van Minah... - -„Op mijn last, haha!” stootte hij uit. „Heeft hij je dat wijsgemaakt, -domoor? Ja wel, op mijn last! Oók als hij straks een der jonge dames -als zijn vrouw hier in huis brengt zeker?” - -Een donkerder tint overtoog Minah’s gelaat, haar borst ging hevig op en -neer, en een stap nader komende greep zij met haar rechterhand den -opslag van Korman’s jas. - -„Apa betoel?” [114] vroeg zij. - -Hij maakte dat bevestigend keelgeluid, in Indië gebruikelijk, en nam -tevens haar hand van zijn jas weg, om op een heel anderen toon voort te -gaan. - -„Pas op,” zeide hij; „als iemand het zag!” Doch haar hand hield hij -vast, haar zachtjes voortduwende tot in van Everdingens slaapkamer. - -„Soedalah!” zeide Minah. „Als hij mij ontrouw is, waarom zou ik hem -trouw zijn.” - -„En nu,” gebood Korman bij het weggaan, „mondje dicht, hoor! Ook over -dat andere dat ik je gezegd heb.” - -Op den terugweg ontmoette hij van Everdingen. Hij schrok er van; dat -was op het randje af! - -„Zoo, verliefde ridder!” begroette hij hem. „Ik hoor dat je op -Marialand geweest bent; vues hè?” - -„Ja,” zeide van Everdingen, insgelijks lachend. „Op de installatie van -ginds. Ik dacht, waarom zouden wij niet van het goede voorbeeld -profiteeren, en heb meneer van Os gevraagd of ik zijn inrichting mocht -opmeten en nateekenen. Toen heeft hij mij toegestaan zijn eigen -teekeningen te copieeren; doch bij hem aan huis; hij wilde ze niet uit -handen geven.” - -„Niet kwaad bedacht,” vond Korman. „Heb je tijd om vanavond op -Watoeombo te komen?” - -„Zeker!” - -„Kom dan vóór den eten, en deel in onzen pot.” - -Bij den zijweg, dien van Everdingen afgekomen was, hield Korman zijn -paard een oogenblik in, als dacht hij er over naar Marialand te rijden. - -„Neen,” zeide hij halfluid en zijn paard wederom aanzettende, „nog -niet.” En met groot leedvermaak dacht hij aan den poets dien hij van -Everdingen gespeeld had. Ook de uitnoodiging van hedenavond zou een -steentje bijdragen; Minah moest immers gelooven dat van Everdingen weer -naar Marialand ging! Wat een leelijk gezicht zou hij trekken als hij, -in plaats van Caroline, de bruine Minah naar het bureau van den -burgerlijken stand moest geleiden! - -Het gelukte hem intusschen niet van Everdingen dien avond te bewegen -tot het opkoopen van koffie. De tuinen op Sabrang stonden goed, meende -deze, en zouden voldoende opbrengen om hun langs eerlijken weg een -gezonde verdienste te bezorgen. - -Korman drong niet sterk aan, hoewel hij in van Everdingen’s gevoelen -niet deelde, althans wat de tuinen van Watoeombo betrof. Hij had een -flauw besef dat die niet voldoende produceerden, dat Messner naar -gelang van zijn aanplant meer maakte, om niet te spreken van Marialand -waar de koffie in alle tuinen haast even mooi stond, zonder schrale -plekken. Alleen door opkoop van gouvernementskoffie was het goed te -maken; zonder die hulp zou Benoit al heel gauw vragen doen die minder -aangenaam waren. - -Even na het avondeten kwam de plajangan. De trommel openende vond -Korman die vol brieven. - -„Wat een schep!” zeide hij. „Heb je lust ze te lezen?” - -„Hoe zoo?” vroeg van Everdingen. - -„Het zijn sollicitaties, ingekomen op onze advertentie,” lichtte hem -Korman in. „Je kunt merken dat de tijden veranderen; een jaar of wat -geleden kon je je blind zoeken naar een employé; nu is er overvloed. -Vier en dertig!” riep hij uit, de brieven tellende. „Hier, pak aan!” - -Zij lazen, elkaar de brieven overreikende, en toen zij gereed waren -bleven beiden eenige oogenblikken zwijgen. - -„Er zijn er bij die je zóó opzij kunt leggen,” merkte Korman eindelijk -aan. - -„Ja, de meesten zelfs!” stemde van Everdingen toe. „Die van sinjo’s en -gepensionneerden bijvoorbeeld. Weet u wie mij het meest lijkt?” - -„Die... waar is de brief... die maar een paar regels schrijft, bedoel -je?” - -„Ja.” - -„Hier heb ik hem,” zeide Korman. „Hm... ja; ’n flinke hand en weinig -omhaal... Lamers heet hij. Vooruit dan maar! Hij kan komen.” - -Nog dienzelfden avond schreef Korman aan Lamers, blij in het -vooruitzicht dat die plaats nu spoedig vervuld zou zijn en hij zelf -meer tijd zou hebben om voor zijn bijzondere belangen te zorgen. - -Intusschen begrijpende dat niets zijn zaak meer schaden kon dan zich -niet te vertoonen en den ander vrij spel te laten, zette hij zich den -volgenden middag te paard en reed naar Marialand. - -„Ik kom nog eens op mijn gemak kijken naar je installatie,” zeide hij -na gegroet te hebben. - -„Dat is goed,” zeide van Os. „Alleen zal je mij moeten excuseeren; -morgen gaat de post en ik heb heel wat te schrijven. De meisjes zullen -je wel gezelschap houden.” - -„En Caroline kan meneer de noodige ophelderingen geven,” voegde Saartje -er bij. „Zij studeert voor machinist.” - -„Trekt u dat vak werkelijk aan?” vroeg Korman, terwijl zij opwandelden. -„Ik wil zeggen...” stotterde hij, „de kennis van... ahem... de -werktuigkunde.” - -„O neen,” lachte zij. „Het is enkel nieuwsgierigheid. Ik kon niet goed -velen dat het machinetje voor mij zooveel geheimzinnigs bleef -behouden.” - -„Nu jokt zij heusch,” zeide Saartje. „Oom had van den ingenieur een -boekje gekregen, moet u weten, om van buiten te leeren. Als dan de -inspecteur van het stoomwezen kwam kon oom zijn examen doen... verbeeld -u, voor stoker! Toen oom er één avond in had zitten lezen, werd hij -wanhopig van al die vreemde namen van dingen die hij niet vinden kon. -Caroline is daarop met onuitputtelijk geduld aan het zoeken en -vergelijken gegaan, tot zij op een goeden dag oom alles kon uitleggen -en aanwijzen.” - -„Dat is knap,” vond Korman. - -„Saartje overdrijft,” zeide Caroline. „Ik heb eenvoudig den inlandschen -drijver uitgehoord, die al die namen kende; het eenige moeielijke was -de woorden te herkennen, zooals hij die radbraakte.” - -Zij gingen door de takker-loods, waar de amboneesche opzichter bezig -was de koffie te ontvangen en de machinekamer in. Korman bespeurde -dadelijk een verschil met de vorige maal dat hij hier geweest was. Het -was schooner. De vloer zoowel als de machine. Langs het latwerk was een -plank gespijkerd en daartegenaan hingen in keurige orde de -schroefsleutels, oliekannen; pakking en andere waarlooze stukken. Zelfs -het brandhout was netjes opgestapeld. - -Met zichtbare deferentie groette de inlandsche drijver—een maleier—de -binnentredende jonge dame, en deelde haar mede dat hij door den -opzichter aangezegd was over een kwartier stoomklaar te zijn. - -„Hoe vindt u mijn studeerkamertje?” vroeg Caroline. - -„Prachtig,” zeide Korman. „Ik wist niet dat het in een machinekamer zoo -zindelijk kon zijn. U is nu zeker op de hoogte van alles?” - -„O ja,” antwoordde zij. „Erg moeielijk is het niet.” - -Zij praatten nog wat door, tot het sein op een miniatuur kenthong boven -weerklonk en het malen een aanvang nam. - -Caroline zette zelf de machine in beweging, doch als Korman ditmaal -gehoopt had nogmaals den fraaien arm te zien, dan had hij mis gerekend, -want de jonge dame was nu aan het werk gewoon. - -Over één zaak was hij echter tevreden. Het kostte hem namelijk -volstrekt geen moeite meer om met de meisjes te praten; de woorden -kwamen als vanzelf; hij vond zich zeer onderhoudend en hoopte dat de -anderen die meening deelden. Het scheen wel zoo, want bij het naar huis -gaan zeide Caroline: - -„Foei, wat hebben we gebabbeld; meneer Korman heeft haast geen tijd -gehad om iets te zien.” - -„Toch wel,” zeide Korman overluid, en toen zich naar Caroline -overbuigende, fluisterde hij haar in: „Ik heb u immers gezien?” - -Het was te donker, maar anders had Korman kunnen zien hoe Caroline te -gelijk een kleur kreeg en een onwillige beweging maakte. - -Voor heden echter was voor Korman dit de finale geweest van zijn -hofmakerij. Op het laatste eindje van den weg liet hij Saartje de -kosten van het gesprek dragen, en was blij toen hij onder de vleugelen -van van Os in de voorgaanderij zat, en een bittertje hem deed -herstellen van de doorgestane moeite. - -Het avondeten liep vlug af, en daarna gingen van Os en Korman naar de -voorgaanderij, doch de dames bleven achter. - -„Hè,” zuchtte van Os; „ik ben blij dat die schrijverij achter den rug -is. Het spijt mij dat ik je alleen moest laten, maar na tafel is het -mij onmogelijk een letter op papier te zetten.” - -„Och,” zeide Korman, „ik heb me uitstekend geamuseerd. Veel gezien heb -ik natuurlijk niet, want het was een gepraat zonder eind.” - -„Dat begrijp ik,” lachte van Os. „Ja, op den duur zou ik de meisjes -hier niet kunnen hebben. ’t Is te lastig; je moet ze bezighouden, weet -je, en dat kost meer tijd dan ik missen kan. Apropos, we komen -eerstdaags eens bij jou.” - -„Doe dat niet!” riep Korman verschrikt uit. „Mijn huiselijke -omstandigheden...” - -„Poeh!” deed van Os. „Ze zijn in Indië geboren—de meisjes bedoel ik.” - -„Ja wel, maar...” zeide Korman. „Hoor eens. Als je in den knoei zat met -het een of ander waar je geen raad mee wist, wat zou je doen?” - -„Dat hangt er van af,” zeide van Os verwonderd. „Je zoudt iemand anders -kunnen raadplegen, bijvoorbeeld; hoewel dat gewoonlijk niet veel -helpt.” - -„Misschien in mijn geval wel,” meende Korman. - -„Aha, gewichtige mededeelingen. Dat is een buitenkansje,” spotte van -Os. „Kom maar over de brug; maar laat ik je eerst nog ’n grogje -inschenken.” - -„Ziezoo. Wat heb je nu?” vervolgde hij nadat dit gewichtige werk -volvoerd was. „Soesah met je geldschieter?” - -„Neen, daar behoef ik niet bang voor te zijn,” zeide Korman. „Het is -iets anders. Ik zou je er niet over gesproken hebben, als je daar even -dat plan niet geopperd had... het is eigenlijk nog wat vroeg... hm, ik -kan, dat begrijp je, niet altijd ongetrouwd blijven...” - -Van Os begon te begrijpen. Zachtjes fluitend bleef hij vlak voor zich -uit staren, met de strakke uitdrukking van iemand die eerst meer hooren -wil alvorens zijn goed- of afkeuring te laten blijken. - -„Sinds de vorige keer dat ik hier was,” ging Korman voort, „heb ik -gemeend dat... hoe zal ik het zeggen... dat ik er niet te lang mee -wachten moest; en dat je nichtje Caroline... Zie je, eigenlijk kan ik -nog niets zeggen; maar toch zou ik niet graag hebben dat zij in -aanraking kwam met... je weet wel.” - -„Dat is duidelijk,” zeide van Os. „Je kunt moeielijk zeggen: ‚Kijk, -daar heb je nu mijn huishoudster. Zou je zoo vriendelijk willen zijn -haar plaats in te nemen?’ Bedoel je het zoo niet?” - -„Juist!” antwoordde Korman. „Daarbij komt dat ik in een heel bijzondere -positie verkeer, doordat ik kinderen heb. Anders zou je, als je -dergelijke plannen hebt, tegen je huishoudster kunnen zeggen: ruk uit! -En mocht het mislukken, dan neem je een ander. Maar ik kan dat niet -doen. Nu dacht ik de zaak uit te stellen... dat wil zeggen mij te -bepalen tot een vriendschappelijken omgang en later je nicht na te -reizen. Als jij me intusschen een handje helpen wou...” - -„Ik? Hoe bedoel je dat?” vroeg van Os. - -„Wel... het is natuurlijk de vraag of je er vóór bent.” - -„Gesteld dat het zoo is.” - -„Me dunkt dat het dan niet moeielijk is. Ik kom hier af en toe, en jij -plaagt haar een beetje...” - -„Dankje,” zeide van Os, „dat doe ik niet. Ik wil je wel van dienst -zijn, maar niet op die manier. Je moet zelf zien of je het met Caroline -vinden kunt; daar bemoei ik mij niet mee. Om je te bewijzen dat ik je -niet ongenegen ben, zal ik je al dadelijk iets vertellen wat je nuttig -kan zijn. Weet je waarom mijn broer de meisjes hierheen gestuurd -heeft?” - -„Nog niet.” - -„Ik weet het eigenlijk niet zeker, maar ik ken hem en heb zoo mijn -vermoedens. Nauwelijks waren de meisjes hier, of ik las in de courant -dat hij zijn pensioen zou aanvragen. Nu is mijn broer altijd een erge -duitendief geweest, en zou hij nooit zijn pensioen hebben genomen als -hij niet voor het mindere inkomen een aequivalent had gevonden. Begin -je hem te snappen?” - -„Neen,” zeide Korman, met een onwillekeurige blik op de brandyflesch, -waaruit van Os al sprekende een derde grogje prepareerde. - -„Je weet toch wel wat een aequivalent is?” vroeg van Os. - -„Ja wel,” zeide Korman. „Een ding dat, als ze het niet vinden kunnen, -de regeeringsmannen belet noodige veranderingen en verbeteringen in te -voeren.” - -„Je wordt nog uiig op den laten avond,” zeide van Os. „Welnu, mijn -broer heeft dat gevonden in het fortuin van de meisjes. Begrijp je het -nu?” - -„O!” riep Korman uit. „Hoe kon ik dat weten!” - -„Dat is waar,” stemde van Os toe. „Daar had ik niet aan gedacht. En... -weet je wat... ik vind het een nobele streek van je dat je daar in ’t -geheel niet naar gevraagd hebt. Ik zal je helpen, kerel; dat beloof ik -je nu. Haha! en mijn broer een kool stoven. Hij, die dacht dat de -binnenlanden veilig waren, en zeker van hier uit de meisjes ergens -heengebracht zou hebben waar op geen tien paal afstand een vrijer te -vinden was! ’t Zou mij niets verwonderen of hij ging naar Holland.” - -„Dus zou ik haar hier nog moeten vragen?” - -„Natuurlijk,” zeide van Os. „Ik zal er met mijn vrouw over spreken, en -kom wel eens op Watoeombo: Heb zoolang geduld.” - -Toen Korman op den weg naar huis was, bedacht hij plotseling dat hij -geheel vergeten had over van Everdingen te spreken. Soedah! dien zou -toch spoedig de lust vergaan; en zoo niet, dan was Saartje er ook nog. -Want het was zonderling, nu hij wist dat de meisjes fortuin hadden, was -het alsof de persoonlijke voorkeur die hij Caroline gegeven had sterk -verminderde, verbleekte door den goudglans die haar omstraalde. Het -eenige was dat Saartje zooveel jonger was. Een vrouw moest niet te jong -zijn; zij behoorde zich rekenschap te kunnen geven van wat zij deed als -zij trouwde, om niet naderhand te gaan zaniken over verloren illusies -en dergelijken. Want het te jonge trouwen der meisjes in Indië was voor -driekwart de oorzaak der vele echtscheidingen in dat land, meest een -jaar of twee drie na het huwelijk. Als halve kinderen die zij zijn, -verrast hen de huwelijksaanvraag; hopende getrouwd nog meer vrijheid te -hebben dan thuis, rijker te kunnen leven, nieuwsgierig naar den omgang -met een man, zeggen zij ja, om na korten tijd te bemerken dat hun -nieuwe toestand niet beantwoordt aan het door hen gedroomde ideaal. En -dan is de man de schuld van alles, tot zij zich verbeelden door hem -bedrogen en misleid te zijn en hunkeren van hem ontslagen te worden, om -in een vrije positie te kunnen doen en laten wat zij willen. - -Het was over tienen toen hij thuiskwam. Naast het geraas van de kalie -weerklonk nog dat van het waterwiel, niet ongelijk aan het geklepper -van een raderstoomboot. Korman verkleedde zich eerst en ging toen naar -de molenloods, waar hij Rencke en Brisson vond, de eerste om den ander -wat gezelschap te houden bij het eentonige opzicht over het malen. - -„Veel binnengekomen?” vroeg Korman. - -„Honderd dertig kisten,” antwoordde Brisson; „behalve de taik loewak.” - -„Mooi zoo, dat begint goed te gaan. En is er nog wat bereide koffie -ontvangen?” - -„Pas drie picol. Ze vroegen het hier te mogen brengen, maar dat wilt u -immers niet hebben?” - -„Neen, zeker niet,” zeide Korman. „Waarom is dat? Knoeit die vent?” - -„Ik geloof het niet,” zeide Brisson. „Maar zooals u weet, de eene -inlander vertrouwt den ander niet.” - -„Binnen een week kan Lamers, de nieuwe opzichter, hier zijn. Zeg hun -dat, en laat hen tot zoolang maar scharrelen. Hoe is het, ben je bijna -klaar?” - -„Ja, meneer, ’t is zoo gedaan.” - -Een oogenblik later hield het geknars van de molens op, en gingen zij -ieder naar zijn huis. Korman om aan de zijde van Li te liggen droomen -over zijn huwelijksplannen. - -Geduldig wachtte hij nu tot van Os kwam. Dit gebeurde echter in de -eerstvolgende week niet. Intusschen was de nieuwe opzichter gekomen en -aan het werk gezet. - -Lamers voldeed echter niet aan de verwachting die Korman, afgaande op -zijn brief, van hem gekoesterd had. Dat schrijven toch had een zekere -beschaving doen veronderstellen, die de man geheel en al miste. Ruw in -voorkomen en manieren maakte hij een ongunstig verschil met de andere -jongelui van Watoeombo. Op zijn werk was echter in den eersten tijd -geen aanmerking te maken; hij ging op zijn tijd naar de tuinen, kon -goed met het volk omgaan, was netjes op zijn administratie en.... kocht -veel koffie op. - -„Jongens, meneer,” zeide Brisson op een morgen tot Korman, „wat zet die -Lamers een vaart! Hij is nog geen tien dagen hier en heeft al over de -zestig picols.” - -„Is hij razend?” riep Korman uit. „Dat moet niet; op zoo’n manier komt -er niets in het gouvernementspakhuis, en zouden wij in ’t oog loopen. -Stuur hem eens een boodschap.... of weet je wat, laat hem dien -inlander, die zoo’n beetje den baas speelt bij den aanvoer, eens -hierheen zenden.” - -Terwijl Brisson om aan dezen last te voldoen zich naar zijn -schrijftafel begaf en een briefje aan Lamers opstelde, wandelde Korman -het kantoor uit, de voorgalerij in. Er waren nu twee weken verloopen -sedert zijn gang naar Marialand, en nog hoorde of zag hij niets van van -Os. Door uitvragen van den man die het rapport van Sabrang ’s morgens -bracht, was hij te weten gekomen dat van Everdingen er in dien tijd nog -driemaal geweest was. Waar moest dat heen? Hij beschuldigde zichzelf -van groote domheid dat hij tegenover van Os zoo openhartig geweest was. -Die hield hem natuurlijk voor den gek, terwijl hem tevens de -gelegenheid was afgesneden om zelf zijn belangen te behartigen. - -Plotseling ondervangt een witte stip, op den weg tegenover hem, zijn -starenden blik. Waarachtig, het was van Os! Korman’s hart klopte tot in -zijn keel; in groote spanning wachtte hij den komende af. - -„Zoo, old fellow!” riep de oudkapitein afstijgende, terwijl hij Korman, -die hem te gemoet kwam, de hand drukte. „Ja, ja,” vervolgde hij de drie -treden van de voorgaanderij opstappende, „ik praat al engelsch ook. Dat -komt er van als je nichtjes te logeeren hebt die pas van de kostschool -komen.” - -„Sst,” deed Korman; „er zit iemand in ’t kantoor.” - -„Maak je niet ongerust,” zei van Os. „Ja wel—ik zal straks eens naar je -molens kijken, maar eerst wat te drinken hebben. Ik heb het wel aan je -verdiend!” - -Korman riep den bediende. - -„Een potje bier?” vroeg hij, en toen van Os toestemmend knikte, -gelastte hij den jongen dat te brengen. - -Te gelijk met het gevraagde kwam ook Li voor. Zij begroette den gast, -die haar handje in de zijnen nam en haar eenige oogenblikken als -medelijdend aankeek, tot groote ergernis van Korman. - -Op zijn dooie gemak dronk van Os zijn glas bier, daarbij Li vragende -naar de kinderen en vertellende van zijn dochtertjes, als schepte hij -er genoegen in Korman zoo lang mogelijk te laten wachten. Eindelijk -stond hij op en begaven zich de beide mannen naar de ledige molenloods. -In een hoek daarvan was een klein kantoortje afgescheiden, waar zij -plaats namen. - -„Nu ouwe,” begon van Os, „je kansen staan goed. Maar ’t heeft kracht -gekost! Je boft er mee dat mijn vrouw Caroline zoo goed mag lijden en -haar graag hier in de buurt zou hebben.” - -„Heb jullie het haar gezegd?” vroeg Korman. - -„Zoo mal niet,” was het antwoord. „Neen, we hebben dat erg pinter -aangepakt. In de eerste dagen hebben we de lui zoo eens de revue laten -passeeren, om te zien of zij ook wou aanbijten. Maar zij was ons te -slim af. Ten laatste heeft mijn vrouw haar alleen onderhanden genomen, -en haar afgeschilderd wat haar wachtte bij mijn broer, en hoe leuk het -zou zijn als ze hier kon blijven. En wat denk je dat ze geantwoord -heeft?” - -„Zeg het maar.” - -„Dat employés toch ook dikwijls van de eene onderneming naar de andere -trokken. Slim hè? Ze liet zoodoende mijn vrouw uit den hoek komen, want -die moest jou toen wel noemen. Jij of van Everdingen, zei ze. Nu, die -had bij ons zitten vertellen dat hij in stilte geëngageerd was in -Holland, dus bleef jij alleen over. Toen kwamen je kinderen op de -proppen; en zij kon zich toch ook niet op een bordje aan je laten -presenteeren... Enfin, het eind van de geschiedenis was dat zij zei: -als je haar vroeg, dan zou zij erover denken; maar in ieder geval de -voorwaarde stellen dat je de kinderen naar Europa stuurde. Ik heb er -een dag of vijf over heen laten loopen eer ik hier naar toe kwam, en nu -moet jij nog een paar dagen wachten eer je op Marialand komt; want ik -wil om den dood niet dat zij merkt dat ik of mijn vrouw je een handje -geholpen hebben. Oef! is dat lang praten! Laat ons nu een bittertje -gaan pakken.” - -„Wacht nog even,” zeide Korman. „Kan ik nu dadelijk met haar spreken?” - -„Wel verduiveld,” barstte van Os uit. „Wou je dat ik de vrijerij ook -nog voor je deed?” - -„Neen, liever niet,” zeide Korman lachend. „Enfin, ik begrijp het al. -En... ik kan mijn huishouden voorloopig zoo laten?” - -„O ja, tot je haar vraagt. Kassian, ik heb wezenlijk met dat arme ding -te doen. Als ik er zoo een gehad had geloof ik niet dat... soedah, jij -moet het weten; dat zijn mijn zaken niet.” - -„Blijf je eten?” vroeg Korman, toen zij terugwandelden naar het huis. - -„Dankje. Eén paitje, en dan ruk ik uit. Ze behoeven thuis niet te weten -dat ik hier ben geweest.” - -Toen van Os weg was bleef Korman zitten nadenken. Een gevoel van spijt -maakte zich van hem meester, dat hij zoo voorbarig gehandeld had ten -opzichte van van Everdingen. Hij durfde hem nu niet meer waarschuwen. -Minah zou, als hij het deed, natuurlijk alles vertellen, en hij wist -dat hem den zedelijken moed ontbrak om tegenover haar vol te houden dat -zij loog. Trouwens, die meid kon hem nog in een lastig parket brengen. -Als hij met Caroline getrouwd was, zou zij dan haar mond houden? Hm, -als hij haar niet in den weg stond, wel, en anders niet. Dan moest de -zaak maar loopen zooals zij wilde. - -„Zeg, Brisson!” - -„Ja, meneer,” riep de employé terug, en kwam in de voorgaanderij. - -„Moet je geen bittertje hebben? Niet? Jongen, het staat toch zoo mal! -Je moest het maar eens doorzetten. Ik heb nogal wat met je te bepraten, -zoo af en toe, en dat doe ik liever niet onder werktijd. Maar ik vind -het schrikkelijk saai om met je aan de bittertafel te zitten en alleen -wat te gebruiken. Je moest ’s avonds thuis eens beginnen, tot je er aan -gewend bent.” - -„Ik zal het probeeren,” zeide Brisson. - -„Doe dat. Schiet je op met de boekerij?” - -„O best, meneer; ik denk over een dag of wat geheel „bij” te zijn. Maar -ik ben een raar ding tegengekomen. Zoudt u eens even willen zien?” - -Korman volgde hem in het kantoor. - -„Hier,” zeide Brisson, hem een kladstaat voorleggende, „sluit ik op 31 -Maart met meer uitgaven dan er geld in kas was. Op 4 April klopt het -weer.” - -„Hoe komt dat?” vroeg Korman, en toen hij zich over het staatje -heenboog kleurde hij sterk. „Ik zie het al,” zeide hij daarop; „er is -een betaling tusschen.” - -„Ja,” zeide Brisson, „dat heb ik ook gezien. U schijnt ’n vergissing te -hebben in den datum van ontvangst der remise.” - -„Neen, dat kan niet,” zeide Korman. „Ik heb waarschijnlijk geld van mij -zelven gebruikt; ik meen mij zoo iets te herinneren...” - -„Zal ik dan de laatste posten van Maart maar overbrengen in April?” -vroeg Brisson. „Of, omdat u de staatjes naar Soerabaja gezonden heeft, -is het misschien regelmatiger dat ik de kas bezwaar met een voorschot -van uwentwege?” - -„Ja, dat is beter,” besliste Korman, zich omdraaiende. - -De employé oogde hem na met een wonderlijke uitdrukking, om daarna een -notitie te doen op een blaadje van zijn zakboekje, waar bovenaan het -volgende opschrift stond: „Vermoedel. door K. gecharg. posten.” - -Een paar dagen later stond Korman juist gereed naar Marialand te -rijden, toen een inlander, in wien hij den chef van het koffietransport -uit de dessa Plèrès herkende, op de bovenste trede van de trap der -voorgaanderij neerhurkte. - -„Wat heb je?” was de vraag waarmee Korman het eerbiedig koelo noewoen -beantwoordde. „Meneer Lamers heeft je hierheen gezonden, niet waar?” - -„Meneer moest hem niet kwalijk nemen.... meneer Lamers had hem niet -gestuurd. Hij was uit eigen beweging gekomen om de hulp af te smeeken -van den toewan besaar. Zijn picolpaard met koffie stond in de kampong -van meneer Lamers, doch met dezen had hij niet kunnen spreken, want hij -was dronken, heel erg dronken. Hij gooide met stoelen naar ieder die -hem naderde.” - -„Hoor je dat?” riep Korman Brisson toe. - -„Neen meneer,” antwoordde deze het kantoor uitkomende. - -„Die vent vertelt dat Lamers stomdronken is. ’n Mooi geval! Ga jij.... -neen toch niet.... loop even achterom naar tuin Podrono III, daar zal -je meneer Rencke vinden. Verzoek hem door te gaan naar Lamers en de -zaak te onderzoeken.” - -Brisson ging en intusschen sprak Korman met den inlander. - -„Voor wat meneer vreesde,” zeide deze, „was volstrekt geen gevaar. In -het gouvernementspakhuis werd niet minder geleverd dan vroeger. De -koffie die hij bracht kwam van den anderen kant van het gebergte, langs -een pad dat sinds jaar en dag alleen gebruikt werd om opium van de kust -en clandestien zout te vervoeren.” - -„O zoo,” zeide Korman, „dan is het goed.” En hij gaf den man zijn -afscheid, hem zeggende dat meneer Rencke wel gezorgd zou hebben voor -zijn koffie. - -Korman bleef wachten op Rencke’s terugkomst. Het duurde niet lang of -deze kwam. - -„Een misselijk geval,” rapporteerde hij. „De man is door het dolle -heen. Hij is, geloof ik, wat we aan boord een kwartaal-zuiper noemden. -Hij ziet wezens die hem te lijf willen, en zoo voort. Eerst dacht ik -dat hij mij ging attaqueeren, maar hij kwam tot betere gedachten. Toen -schold hij op u en Brisson. Ik zou daar geen melding van maken, als die -dronkemanspraat niet iets had ingehouden dat.... enfin, hij dreigde met -bij de eerste gelegenheid de beste aan den resident bericht te zullen -zenden van den koffie-opkoop hier.” - -„Dat hem de duivel hale!” riep Korman woedend. „Hij moet onmiddellijk -weg. Kan je dat alleen aan?” - -„O ja wel,” zei Rencke glimlachend; „als u maar tijd laat tot hij zijn -roes heeft uitgeslapen. Zou u het niet raadzaam achten hem zijn salaris -uit te betalen?” - -„Dat is goed,” zeide Korman. „Vraag maar geld aan Brisson, die heeft de -kas.” - -Korman reed heen. - -„Tante, daar komt mijn vrijer!” - -Mevrouw van Os en haar nichtjes waren in den tuin bezig, toen deze -plotselinge uitroep van Caroline allen deed opzien. Tusschen de boomen -door bespeurden zij de gestalte van den naderenden Korman, waarop -mevrouw de vlucht nam naar binnen, terwijl de beide meisjes in een -vroolijk lachen uitbarstten. - -„Bello!” riep mevrouw in de verte, en „Bello, Bello! waar is de hond?” -herhaalde Caroline. - -Onwillekeurig hield Korman zijn paard in, wat de pret der meisjes nog -deed vermeerderen. - -„Foei!” fluisterde Saartje. „Pas op, straks gaat hij nog op den loop!” - -„Morgen dames! Mag ik meelachen; waarover is het?” vroeg Korman. - -„Caroline zei,” begon Saartje, „kijk, daar komt...” - -„Zal je zwijgen!” viel Caroline in, kleurend tot in haar hals. - -„.... daar komt meneer Korman.” - -„Ik ben zeker dat uw zuster iets anders gezegd heeft,” plaagde Korman. -„Wil ik eens raden?” - -„Dat is goed; maar... ééns.” - -„Nu dan: daar komt die aardige, gezellige...” - -„Ho, mis!” riepen beide meisjes. - -„Dan....” - -„Neen, ééns mocht u raden, niet meer,” zeide Caroline. „Komt u binnen? -Tante is zich gaan opknappen en oom is naar de tuinen,” vervolgde zij -het huis binnengaande. „Dus is u aan onze genade overgeleverd. Wacht, -ik zal de honneurs eens waarnemen.” En den zwaren basstem van haar oom -imiteerende sprak zij met koddige deftigheid: „Daar doe je wèl aan, -ouwe! Ga zitten. Wat zal je gebruiken? Een potje bier?” - -„Steek eens op!” voltooide Saartje, die een sigarenkoker uit de -binnengalerij gehaald had. - -„Bravo, dames!” zeide Korman, een manilla opstekend. „Ik zal thuis eens -nazien of ik nog niet een paar complete heerenkostumes heb.” - -„O graag,” riep Caroline uit. „We zullen ze u netjes gestopt -terugzenden.” En hierbij fixeerde zij een hersteld plekje op Korman’s -witte jas. - -„En de rafels afknippen,” voegde Saartje er aan toe, als toevallig haar -blik op den onderkant van Korman’s pantalon richtend. - -„Op alle punten geslagen!” zeide Korman. „Maar hoe kan het anders; twee -tegen één?” - -„Tante roept,” zeide Saartje opstaande, en ondanks den wanhopigen blik -van haar zuster verdween zij. - -Er ontstond een stilte. Caroline keek zenuwachtig voor zich, wetende -dat Korman, als hij wezenlijk plannen had, van deze gelegenheid gebruik -zou maken; Korman verrast door het plotselinge alleenzijn met Caroline, -vergetende wat hij had willen zeggen. Dit vergeten hield zijn geest zoo -bezig, dat hij niet in staat was iets anders te bedenken, en eindelijk -het feit zelf ter hulp nam. - -„Juffrouw Caroline,” begon hij, „ik had gehoopt vandaag een oogenblik -met u alleen te kunnen spreken, en mij voorbereid op wat ik zeggen zou. -Maar nu, ’t is vreemd, weet ik niets meer, behalve het doel dat ik voor -oogen had. Dat is... dat ik u vragen wou... of u... mijn vrouw wilt -worden.” - -Zij hield haar oogen neergeslagen, en hij, hierdoor moediger wordende, -greep haar hand. En hij sprak door, wetende dat men van een vrouw veel -gedaan krijgt met kalm te praten, het doet er niet toe wat, als het -stemgeluid slechts onafgebroken voortrolt in niet al te sterke -variaties van toon. Want dat zou haar aandacht afleiden en die naar den -spreker trekken, terwijl de bedoeling is dat zij, zich verbeeldende na -te denken, verhinderd wordt door het spreken om zulks logisch te doen, -en zachtjesaan medegevoerd wordt op den klank, om, als de spreker -ophoudt met een intonatie van zalig verlangen, een antwoord te geven -dat als het ware een voortzetting en slot is van wat hij zeide. - -Korman kweet zich hiervan meesterlijk. Caroline’s zacht uitgesproken -„ja” volgde zonder komma of punt op zijn laatste woord; eerst toen hij -haar naar zich toe trok en haar een zoen gaf, kwam zij tot besef van -wat zij gedaan had, en dat zij geheel vergeten had haar condities te -noemen, zooals zij zich had voorgesteld te zullen doen als Korman haar -vroeg. - -„Bravo, bravo!” en hiermee sprong van Os over het zijhekje van de -voorgaanderij, vlug genoeg om Caroline op te vangen eer zij door de -middendeur weg kon komen. - -„Zoo juffertje!” zeide hij haar gezichtje tusschen zijn handen nemend. -„Laat jij je zoenen in een open galerij! Kijk me eens aan, als je -durft. Brutaal als de beul!” liet hij er op volgen, toen de blauwe -kijkers van Caroline hem ondeugend tegenflikkerden. „Zeg, Korman, jij -liever dan ik hoor!” - -„Ik hoor tante’s slofjes klepperen,” zeide Caroline ontsnappend. „Pas -maar op, oom!” - -„Zoo’n rakker!” riep van Os. „Intusschen gefeliciteerd, ouwe! Dat heb -je hem knap geleverd. Hei, jongens, minoeman! Ik heb trek in een -paitje, en jij?” - -„Ik ook, alleen weet ik niet of....” - -„Kom, stel je niet aan. Daar ben je niet jong genoeg meer voor,” zeide -van Os. „En.... verwen haar niet, pas op!” - -Er werd besloten het engagement voorloopig nog geheim te houden. Ten -eerste moest Caroline aan haar oom te Batavia schrijven, en voorts had -Korman eenigen tijd noodig om zijn „huishoudelijke inrichting” te -regelen, met andere woorden Li weg te zenden en voor de kinderen in -Holland een onderkomen te zoeken. - -Het laatste was niet het gemakkelijkste. Jong uit Holland vertrokken -had hij daar geen vrienden meer; die relaties waren verjaard of -afgestorven. Zijn moeder was de eenige, doch deze had hem op zijn -mededeeling van de geboorte van Hendrika kort en beslist geantwoord dat -zij geen „wilde” kinderen van hem erkende. Alleen wanneer hij die -„heidensche” vrouw tot het christendom kon overhalen en haar trouwde op -de eerlijke hollandsche manier, zou zij er notitie van nemen. Tot -zoolang verzocht zij verschoond te blijven van berichten hetzij over -„dat mensch”, hetzij over de kinderen. - -Geen uitleggingen van Korman hadden gebaat; zij bleef bij haar eerste -woord. - -Het toeval gaf hem een middel aan de hand om in deze zaak te voorzien. -Ongeveer een week nadat hij het jawoord van Caroline ontvangen had, -moest Korman voor zaken naar de stad. In het logement ontmoette hij een -hoofdingenieur van den Waterstaat, die naar aanleiding van -irrigatieplannen, daar eenigen tijd bleef vertoeven. - -„Een heel werk,” merkte Korman op, toen de ingenieur hem had uitgelegd -hoever zich de plannen uitstrekten. „Als het uitgevoerd wordt blijft u -zeker hier?” - -„In geen geval,” was het antwoord. „U weet nog niet hoeveel tijd er -gewoonlijk verloopt tusschen een opname en de uitvoering van een werk.” - -„Ik kan het mij eenigszins voorstellen,” zeide Korman, „als ik naga -hoelang het geduurd heeft eer wij de papieren voor onze erfpacht -gekregen hebben.” - -„Nu, en over twee maanden heb ik mijn pensioen verdiend,” zeide de -ingenieur. „Zoolang zal mijn werk hier wel duren; dus hebben we ons -huishouden te Soerabaja opgebroken, om zoo gauw mogelijk naar het -vaderland te kunnen gaan.” - -„Is mevrouw dan ook hier?” vroeg Korman en op dit oogenblik schoot hem -zijn idee te binnen. - -Hij schoof zijn stoel dichter bij dien van den ouden heer. - -„Neem me niet kwalijk,” zeide hij, „als ik u een voorslag doe. We -zitten hier in de binnenlanden zoo hulpeloos.... Enfin, de zaak is dat -ik een gelegenheid zoek om mijn twee kinderen naar Europa mee te -geven.” - -De ingenieur trok de wenkbrauwen samen. - -„Als u er eens met mevrouw over sprak,” vervolgde Korman. „Ik heb er -een bankje van duizend gulden voor over.” - -„O!” riep de ingenieur uit, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat -plotseling veranderde. „Dan behoef ik er mijn vrouw niet over te -spreken—dat is te zeggen, voor den vorm natuurlijk... ik wou maar... ik -bedoel dat u op een toestemmend antwoord kunt rekenen. Morgenavond -bijvoorbeeld. Dan hebben wij een dag bedenktijd; voor den vorm, ziet -u.” - -„Mijn moeder woont in Utrecht,” hernam Korman. „Zij is oud en -verplaatst zich moeielijk. Dus moeten de kinderen bij haar aan huis -bezorgd worden.” - -„Dat is niets,” verklaarde de ingenieur. „Dat zijn bijzaken. Ha, daar -is mijn vrouw; mag ik u voorstellen....” - -Twee dagen daarna reed Korman naar zijn land terug met het prettige -gevoel van de grootste moeielijkheid te boven te zijn gekomen. - -Ongeveer halverwege de onderneming trok een stoet die hij in de verte -zag aankomen zijn opmerkzaamheid. Het was een dier bamboe draagstoelen, -eigenlijk een huis in miniatuur, door twaalf koelies gepikeld, terwijl -een ander twaalftal er omheen liep ter aflossing. - -Naderbij gekomen herkende hij in den begeleider een mandoer van -Sabrang. De man liet de tandoe [115] bij Korman neerzetten en schoof de -deur in den zijwand open. Op een matras uitgestrekt lag daar van -Everdingen. Zijn gezicht was verschrikkelijk ingevallen, doch de oogen -stonden helder toen hij Korman als geruststellend toeknikte. - -„Het ging niet langer,” zeide hij. „De dokter moet maar eens zien wat -hij er van maken kan.” - -„Wat scheelt er aan?” vroeg Korman verschrikt. - -„Koorts en pijn in de rechterzij. Biezeman zegt dat het leverziekte is. -Is dat gevaarlijk?” - -„Gevaarlijk niet,” zeide Korman. „Vraag aan den dokter of hij je temoe -lawa wil geven. Dat is de eenige afdoende inlandsche medicijn.” - -„Ik zal het onthouden,” beloofde van Everdingen. En hij stak Korman de -hand toe, die deze met een huivering aanvatte. - -Korman vertoefde slechts een oogenblik op Watoeombo, om dadelijk door -te gaan naar Sabrang. Bij het huis van van Everdingen hield hij even -stil. Er was niemand. Op weg naar Biezeman, trof hij dezen in de tuinen -aan. - -„Een leelijk geval, meneer, met den jonker,” merkte de employé op. - -„Wat denk jij dat het is?” vroeg Korman. - -„Ja, wat zal ik daarvan zeggen. Ik ben geen dokter,” verklaarde -Biezeman. „En die kunnen een mensch toch ook niet in zijn binnenste -kijken, zoodat ze wel raden moeten en net zoolang probeeren met hun -likkepotjes totdat er een pakt. Maar om op ons aperpo terug te komen—ik -heb nogal genie in wat moeder de vrouw er van zegt; die zegt alsdat het -den jonker zijn lever is; en dat is ’n leelijk ding als je dat in de -kou krijgt.” - -„We willen er het beste van hopen,” zeide Korman. „Kan je het werk -alleen af?” - -„Dat houdt niet over, meneer. Dat sakrementsche malen.... als ik daar -iemand voor krijgen kon.” - -„Goed,” zei Korman. „Ik zal den hoofd-mandoer van Watoeombo zoolang -hier sturen. Je hebt het huis van meneer van Everdingen afgesloten, heb -ik gezien.” - -„Ja meneer,” antwoordde Biezeman; „en de barones is bij ons -ingekwartierd. Die deed niks als grienen en wou absoluut mee naar de -stad; om den jonker obat te geven, zei ze. Maar dat ging natuurlijk -niet; en op die inlandsche obat heb ik in ’t geheel geen fidutie meer.” - -„Zeg dat niet te gauw!” - -„Neen, ik weet best wat ik zeg. U kent dien ouden vent wel, dien -toovenaar die bij meneer Messner is?” - -„Ja wel,” zeide Korman. - -„Nu, dien heb ik laatst hier gehad. En weet u wat die zei? Hij zei dat -javaansche medicijn allemaal larie was, behalve als je ze uit het goede -adres hebt.” - -„En dat is?” - -„Ja, dat weet ik zoo precies niet meer. Hij vertelde van pangerans -[116]; als die er meer vrouwen op na hielden dan één—en dat deden ze -allemaal—dan gaven zij die andere geen erfenis mee, maar leerden ze de -obat kennen. Die weten het alleen en mogen het niet verder vertellen. -Hij zelf was... ik zal maar zeggen ’n buitenbeentje van zoo’n pangeran, -en zijn moeder wist er dus ook alles van; maar zij heeft hem niets -anders nagelaten als ’n tooverboek waarmee hij dieven vangt.” - -„Doet hij dat met een boek?” vroeg Korman, die altijd behagen schepte -in het gepraat van Biezeman. - -„Ja, maar ik heb hem in de kaart gekeken. Dat boek is geschreven met -arabische letters, maar het is gewoon javaansch. Als je nou wat hebt, -zooals ik laatst, toen ze kains van moeder de vrouw gestolen hadden, -dan vraagt hij je heelemaal uit: op welken dag, hoe laat zoo wat... -afijn, alles. En dan kijkt hij in zijn boek en vertelt je precies hoe -de dief het gedaan heeft, of het een man of een vrouw is, welken kant -zij uit zijn gegaan en waar je ze vinden kunt. Weet u wat ik geloof? -Dat hij eerst de dieven inlicht hoe ze stelen moeten en dan later op -een haar na weet hoe hij ze vangen moet.” - -„Dat kon wel,” lachte Korman. „Nu, als je wat hebt, dan stuur je maar -een boodschap. Goeden middag.” - -Korman was dien avond te moe om nog naar Marialand te gaan. Op een -luierstoel in de voorgaanderij lag hij behagelijk uitgestrekt, toen Li, -die de kinderen in bed bezorgd had, bij hem kwam zitten, op haar -geliefd plekje, de leuning van zijn stoel. - -„Ben je moe, pa?” vroeg zij zijn voorhoofd streelende. - -„Ja,” zeide hij, de oogen half sluitende. „Hoor eens Li, ik heb in de -stad een familie van Soerabaja ontmoet, die over twee maanden naar -Holland vertrekt. Zoo met hen pratende kwam mij de gedachte in het -hoofd, dat onze kinderen toch eindelijk eens naar Europa moeten, vooral -Non... om te leeren, weet je. En toen hebben wij de zaak besproken, -zoodat alles in orde is... als jij het goedvindt.” - -Li’s oogen verduisterden zich en twee groote tranen rolden haar over de -wangen. Zich naar Korman overbuigende vleide zij haar hoofd aan zijn -borst. - -„Zij zijn nog zoo klein!” snikte zij. „Laat hen nog een poosje hier.” - -„Kom Li, wees niet kinderachtig,” zei Korman. „Het moet immers toch -gebeuren, en niet gemakkelijk vinden wij weer zoo’n beste gelegenheid. -Grootmama zal goed voor hen zorgen, en over een jaar of wat zijn zij -weer terug. Je hebt nog ruim een maand tijd om er aan te wennen...” - -„Straks zei je twee maanden!” - -„Nu ja, eer zij van Soerabaja vertrekken. Maar je begrijpt dat de -kinderen er dan zijn moeten, en dat zij wel een week noodig hebben om -kleertjes te koopen. Zie je, ik heb het met die mevrouw zóó -afgesproken, dat zij de kinderen al meeneemt als zij naar Soerabaja -gaat.” - -„Als je het zoo beschikt hebt... dan is het goed,” zeide Li met -oostersche gelatenheid. „Ik ga maar naar bed... ik kan toch niet -ophouden met huilen.” En zij kuste hem goedennacht. - -Toen Li weg was haalde hij een étui uit den zak van zijn kabaja en -opende het. Een gouden armband, uit zware platte schakels bestaande, -blonk hem tegen. Hoe goed zou die staan op Caroline’s blanken arm! Het -had geld gekost; soedah! ’n spiering om een kabeljauw te vangen, dacht -Korman, terwijl hij opstond en het kleinood in de brandkast wegsloot. -Tot morgen; dan kon hij weer eens naar Marialand rijden en zijn meisje -opzoeken. Zij zou natuurlijk blij zijn dat hij al zoover gevorderd was. -Eigenlijk was het jammer dat hij nog zoo lang moest wachten. Hoeveel -zou zij hebben? Hij durfde er niet naar te vragen. Eén ding stond -echter vast, zij moesten buiten gemeenschap van goederen trouwen. Dan -hadden zij ten eerste haar fortuin, en vervolgens al wat hij zoo -gaandeweg had achtergehouden en overgelegd met meer te boeken dan er -was uitgegeven. En Benoit kon nooit aan het geld komen dat op naam van -zijn vrouw stond, en wat hij nog meer achter die „schuine deur” zou -bergen! Zoodoende zou de koffieonderneming althans aan één persoon -voordeel bezorgen. Want of zij ooit rendeeren zou, dat stond te -betwijfelen. Nu Brisson de boeken had bijgewerkt, bleek hem meer en -meer, dat het ideale „vrijwerken” nog in een heel ver verschiet lag. -Het land was te groot; hoogstens zou het goede rente afwerpen van het -daarin gestoken kapitaal; doch daarvan profiteerde Benoit in de eerste -plaats, en hij mocht zich met het overschotje tevreden stellen. En -kreeg hij dat dan nog maar in handen! Maar neen, dat verdween in de -boeken, ter aflossing van schuld. Zijn kleinkinderen zouden er -misschien een mooi kapitaal door bezitten, maar dat lag niet in zijn -bedoeling. Het eenvoudigste was om er uit te halen zooveel als doenbaar -was, alles te zetten op naam van Caroline, en er eindelijk uit te -scheiden met een grooten beer aan Benoit, waar deze naar „fluiten” kon. - -Den volgenden morgen kwam Rencke, dadelijk na afloop van de rol, in de -administrateurswoning. - -„Ik heb uw briefje van gisteravond ontvangen,” zeide hij. „Maar ik kan -den hoofd-mandoer niet naar Sabrang zenden; hij neemt den boel van -Lamers waar.” - -„Daar had ik in ’t geheel niet meer aan gedacht,” zeide Korman. „Stuur -maar een ander; het is enkel om op het ontvangen en malen van koffie te -letten. Hoe is het met dien Lamers afgeloopen?” - -„Vrij kalm,” antwoordde Rencke. „Hij was erg beteuterd en beloofde -beterschap. Maar uw orders waren te stellig, dan dat ik er iets aan -durfde veranderen.” - -„Neen, op den duur zou ik hem toch niet graag gehouden hebben,” vond -Korman. „Maar wat heeft Brisson?” vervolgde hij wijzende op dezen, die -blootshoofds, met haastigen stap naderde. - -Zenuwachtig reikte hij Korman een papier toe. De administrateur -herkende dadelijk het nette regelmatige schrift van den ontslagen -Lamers. Lezende, overtoog een toornige trek zijn gelaat. - -„Leg het maar in het kantoor,” gelastte hij, Brisson het briefje -teruggevende, „’n Dreigbrief van Lamers,” zeide hij daarop tot Rencke. -„Het beteekent niets. Ga je gang dus met Sabrang; wien je ook stuurt, -het is altijd goed.” - -En toen het kantoor binnengaande voer hij hevig uit tegen Brisson. - -„Had je je bezinning verloren?” raasde hij. „’t Is Gévédé of je een -klein kind bent, om onderteekende briefjes te sturen over den -koffieopkoop.” - -„Het is er maar één,” bracht de employé in het midden. „Dien morgen, -toen u zoo’n haast had...” - -„Eén is voldoende,” viel Korman hem in de rede. „Juist dat ééne briefje -kan je voorgoed ongelukkig maken. Hij vraagt er tweehonderd vijftig -gulden voor, niet waar?” - -„Ja meneer.” - -„Dan zou ik maar zelf naar de stad rijden en het met hem afmaken. Ik -zal je het geld geven—in voorschot natuurlijk, want het is je eigen -stommigheid, en dus niet meer dan billijk dat je het zelf draagt.” - -„Alsublieft meneer,” zeide Brisson. „Mag ik vandaag nog gaan?” - -„Ja zeker. En morgen terug. Kijk meteen op het postkantoor of er -brieven zijn.” - -Hoewel Korman zich groot hield tegenover zijn ondergeschikte, zat hij -niettemin geducht in angst over de zaak. Wel is waar gaf dat briefje -van Brisson geen enkel bewijs tegen hem, doch het kon een waarschuwing -aan het Binnenlandsch Bestuur voldoende motiveeren; en dan was het uit -met den opkoop van koffie—althans in de eerste jaren. Hij hoopte -slechts dat Brisson het er goed af mocht brengen en het gevaarlijke -papiertje in zijn bezit krijgen. - -Intusschen belette hem dat alles om heden naar Marialand te gaan. Het -stond niet, om Watoeombo te verlaten, nu er drie employé’s mankeerden -en er volop werk was. Tegen den middag uit de tuinen terugkeerende, -zond hij een koelie met een brief naar Caroline, haar het treurige en -het goede nieuws meldende. - -Brisson kwam den volgenden middag thuis. - -„Ik heb het, meneer!” riep hij triomfantelijk uit. „En de tweehonderd -vijftig pop nog in mijn zak.” - -„Dat is een felicitatie waard,” zeide Korman. „Hoe heb je dat klaar -gespeeld?” - -„Ik heb hem onder tafel gedronken,” antwoordde Brisson. - -Korman schoot in een luiden lach. - -„Jij hem!” riep hij uit. „Vertel nu toch geen stukjes.” - -„Op mijn woord,” verklaarde de employé. „Gisteravond, na den eten, -zaten we samen voor mijn kamer te praten, te onderhandelen. Hij had het -eigenlijk op u gemunt, zeide hij, en raadde mij aan u de tweehonderd -vijftig pop nooit terug te geven. Ik ging maar een beetje met hem mee, -dat begrijpt u. Zoo tegen half tien presenteerde ik hem iets. Hij nam -jenever met suiker en water. Ik heb de grogjes wat sterk laten maken, -terwijl ik zelf een glas wijn bleef drinken. Om half twaalf gaf hij het -op. Ik liet hem liggen en doorzocht zijn koffer tot ik mijn briefje -vond. Toen heb ik hem met behulp van een der wakers in zijn bed -gelaveerd, en ben van morgen vroeg vertrokken. Hier is het geld weerom, -op tien gulden na die ik noodig had voor extra uitgaven. En een brief -voor u van den dokter. Meneer van Everdingen is er slecht aan toe; ik -ben gistermiddag even bij hem geweest.” - -Driftig scheurde Korman de enveloppe open. De dokter verzocht hem ten -spoedigste in de stad te komen. Van Everdingen’s toestand was van dien -aard, dat er weinig kans op herstel overbleef. Hij wenschte eenige -beschikkingen te maken en had verlangd dat Korman daarbij tegenwoordig -zou zijn. - -„Roep meneer Rencke,” gelastte Korman. „Hé, paard zadelen! Li, waar ben -je? Van Everdingen gaat dood.” - -„Kassian!” zeide Li. „Ga je naar de stad pa?” - -„Ja; maak een rolletje kleeren voor me klaar. Het kan natuurlijk een -paar dagen aanhouden; stuur dus een koffertje met goed morgen met den -plajangan mee. Zoo, Rencke, heb je ’t al gehoord?” - -„Ja meneer. Die arme kerel!” - -„Ik moet weg; daar is niets aan te doen; je moet het zien te -schipperen...” - -„Het zal wel lukken,” meende Rencke. - -In het logement, in de kamer die het verst van den grooten weg -verwijderd was, lag de zieke. Het had hem aan oppassing en gezelschap -niet ontbroken. Ieder mocht den stillen, beschaafden jonkman gaarne -lijden, en nauwelijks had de dokter op de sociëteit verteld hoe het met -hem stond, of hij werd bestormd met aanbiedingen om te waken, -ziekenkost te laten koken—wat er maar noodig was. De dokter had daarvan -gebruik gemaakt, zoodat van Everdingen geen oogenblik alleen lag. Doch -ondanks alle goede zorgen was de patiënt bij den dag achteruit gegaan. - -Toen Korman het erf opreed zag hij den resident uit de kamer van den -zieke komen en de onstuimigheid waarmee hij den neus snoot en zonder -Korman te zien voorbij liep, deed dezen het ergste vreezen. In het -galerijtje liep de notaris met nog een heer, beiden met strakke -gezichten, en binnen was de dokter, geholpen door den houtvester, bezig -voor de zooveelste maal een kunstbewerking toe te passen, die den armen -patiënt toch niet hielp. - -„Schei maar uit dokter,” zeide van Everdingen mat. „Daar is Korman.” - -De geneesheer voldeed onmiddellijk aan het verzoek, als begreep hij -zelf dat het een noodelooze kwelling was. Met een spons wiesch hij de -bloedstipjes van de borst des lijders en borg zijn instrument op, -terwijl hij Korman ruimte liet om het bed te naderen. - -„Je gaat ons toch niet verlaten?” vroeg Korman op dien quasi-luchtigen -toon van iemand die met één blik gezien heeft dat het einde nabij is. - -„Ja,” zeide van Everdingen, de vraag opvattende zooals zij bedoeld was. -„Ga zitten, hier bij mij. Ik wil mijn testament maken. Jij moet -executeur zijn; wil je?” - -Korman knikte bevestigend, zich niet storend aan het tutoyeeren, dat -van Everdingen hem voor dezen nooit gedaan had. Zonderling, de -naderende dood scheen de rollen om te keeren; de ondergeschikte had op -dit oogenblik zijn chef kunnen bevelen wat hij wilde, en deze zou het -hebben opgevolgd zonder zich te bedenken. - -„Mijn moeder is erfgenaam,” ging van Everdingen voort; „maar zij moet -geen last hebben van de zaak. Verkoop mijn aandeel en maak het haar -over. Dat is alles wat beschreven moet worden. Maak het met den notaris -in orde. Het voorlezen kan ik wel aanhooren, maar geen gepraat er -over.” - -Het kostte eenige moeite den notaris te overreden de zaak aldus te -behandelen. Hij vond het een onregelmatigheid, en zwichtte niet eer de -dokter, die er bijgeroepen werd, verklaarde dat de patiënt geenerlei -vermoeienis kon verdragen. - -Toen alles afgeloopen was wenkte van Everdingen Korman weder tot zich. - -„Zorg voor mijn huishoudster,” zeide hij. „Koop een huisje ergens, of -wat je goeddunkt. Schrijf aan mijn neef te Utrecht dat hij het aan -moeder meedeelt. Deze ring.... neem een stukje papier. Noteer nu: -freule E. van Stolwijk, den Haag. Aan haar zenden en schrijven, maar -voorzichtig.” - -„Ik beloof het je,” zeide Korman. „Maar nu moet je niet meer praten; -het pakt je te veel aan.” - -Van Everdingen glimlachte. „Wat doet een uur langer of korter er toe!” - -Doch de vermoeidheid kreeg de overhand en hij sloot de oogen. Korman -wenkte den dokter. - -„Zeg eens,” zeide hij toen zij buiten waren, „wat mankeert hij?” - -„De lever,” antwoordde de geneesheer. „Maar het is een zeldzaam geval. -U is executeur niet waar?” - -„Ja,” zeide Korman. „Waarom?” - -„Hm.... in ’t belang der wetenschap.... ik kan nu alleen de uiterlijke -symptomen beschrijven, maar het zou niet ondienstig zijn ook de -inwendige....” - -„Houd maar op, dokter,” zeide Korman beslist. „Daar komt niets van in. -Als de familie het ooit vernam.... neen, ik wil het niet hebben, en -daarmee uit. Heusch, doe geen moeite. Ik vind het daarenboven weinig -verkwikkelijk om over zoo iets te praten als iemand nog leeft.” - -De dokter haalde de schouders op over deze leekenkoppigheid. - -„Blijft u bij hem tot het is afgeloopen?” vroeg hij. - -„Ja,” zeide Korman. - -Van Everdingen overleed tegen den morgen. - -Zoodra Korman de noodige beschikkingen had gemaakt voor de begrafenis, -die ’s middags zou plaats hebben, zette hij zich tot schrijven. Eerst -de brieven die de overledene hem had opgedragen en toen aan Benoit. De -laatste was de uitvoerigste. - -„Meneer Korman!” - -De aangesprokene zag op. In de deur van zijn kamer stond een korte -gedrongen figuur. Een bijna kale schedel, donkere oogen, eenigszins -gebogen neus, zware donkerblonde snor, sprekende trekken.... ziedaar -wat men ongeveer mocht opnoemen als men Bedouin Starke wilde -beschrijven. Toch, een nauwkeurig signalement van hem te geven behoorde -tot de onmogelijkheden. De bijnaam „kameleon”, die een vriend hem had -trachten te bezorgen, was door alle anderen die hem kenden, bij -acclamatie verworpen als te weinig zeggend. Want had genoemd diertje -tien, vijftien minuten noodig om van kleur te verwisselen, Bedouin -Starke veranderde zijn geheele voorkomen in minder dan een seconde. -Talrijk waren de verhalen die over deze eigenschap van hem de ronde -deden. Onverstoorbaar van humeur, geestig en knap, was hij overal een -welkome verschijning. Zooals men zeide had hij maar één lastige -karakterfout, en wel dat hij niet velen kon dat men hem te veel op de -vingers zag. Daardoor had hij in het begin van zijn indische carrière -zoowat elk half jaar een andere betrekking, tot hij eindelijk op een -koffieonderneming was terechtgekomen aan de van Watoeombo afgewende -zijde van ’t gebergte. Hier hield hij het zes jaar uit, een feit dat -zijn oplossing vond in het gestadig naar Europa heen en weertrekken van -den administrateur-eigenaar. Deze kwam af en toe terug; doch voor dat -hij nog goed gelegenheid had om met zijn ondergeschikte standjes te -krijgen, was hij al weder vertrokken, waarop dan Bedouin Starke gewoon -was in de stad te komen en het weggaan van zijn chef met een „gloeiende -fuif” te vieren. - -Nu stond hij met een vriendelijk gezicht Korman toe te knikken. - -„Zoo, Starke!” riep deze uit. „Is de baas alweer weg? Kom je hem -uitluiden?” - -„Neen,” was het antwoord. „Ditmaal ben ik weg. Apropos, die arme van -Everdingen! Dikwijls ontmoet, dikke vrienden geworden. Ik kwam eens -naar hem kijken, maar te laat. En nu moeten we hem begraven.... kan ik -wat voor u doen? Niet? Enfin, ik zal een roerende speech op zijn graf -houden.” - -Bij de laatste woorden had zijn gelaat een zoo wanhopig droevige -uitdrukking aangenomen, dat Korman het uitproestte. - -„Hoor eens,” zeide Korman zich herstellende, „je haalt geen gekheid -uit.” - -„Ik zou niet durven,” zeide Bedouin Starke. „Waar de opgesperde kaken -des doods ons tegengrijnzen, en dichtsnappend een vriend van onze -zijde....” - -„Ben je bedonderd!” viel hem Korman in de rede, bleek wordende, meer -van de mimiek, dan van den onzin dien de ander uitsloeg. „Je zoudt -iemand van zijn stuk brengen! Vertel liever eens wat je in de stad komt -doen.” - -„Rentenieren.” - -„Watblief?” - -„Zooals ik zeide. De baas is van plan voorgoed te blijven. Hij kan de -Parijsche lucht niet meer verdragen. En wat nu? Eén is voldoende om aan -’t hoofd te staan van een land. Zijn er twee dan wordt de ander -natuurlijk een loop in ’t lijntje, en daar bedankten we allebei voor. -Toen zijn we mekaar aan het opdringen gegaan, et me voilà!” - -„Dus zoek je een betrekking?” - -„Wou u mij er een aanbieden? ’t Is waar, met van Everdingen komt er een -vacature.” - -„Juist,” zeide Korman. „Ik kom zelfs twee lui te kort. Maar voor de -eene plaats heb ik al een zekere de Leeuw.” - -„Een sinjo”, merkte Bedouin Starke op. - -„Wat doet het er toe; hij moet goed zijn,” meende Korman. „Welnu, wil -je?” - -„Ik geef daar geen antwoord op zoolang van Everdingen nog onbegraven -ligt,” zeide Bedouin Starke. „Weet u wat... ’t is vandaag Dinsdag; als -ik Zaterdagavond boven kom dan doe ik het. Ik moet eerst wat -uitwaaien.” - -„Afgesproken,” zeide Korman. - -Bedouin Starke was een man van zijn woord. Op het graf van van -Everdingen hield hij een aanspraak, die de meeste aanwezigen—en velen -waren opgekomen—tot tranen roerde, en inzonderheid Korman een lijkkleur -op het gelaat joeg; zoodat de algemeene opinie, zich uitende dien avond -op de sociëteit bij monde van den aspirant-controleur, was, dat Starke -bij al zijn grappen toch au fond ’n ernstige kerel, en Korman een -patent chef mocht genoemd worden. - -De omstandigheden noopten Korman nog denzelfden avond terug te gaan -naar Watoeombo. Wel zou de nacht vallen eer hij zijn onderneming -bereikte, doch het was lichte maan en wilde dieren waren in die streek -zoo goed als onbekend. - -In de américaine zat hij te soezen. Het scheen alsof er na de drukte en -de spanning van de laatste twee dagen een reactie bij hem was -ingetreden, zich oplossende in een hoogst onaangenaam gevoel van -zenuwachtigheid, dat hij ten deele toeschreef aan het „geklets van dien -vent”, waarmee hij bedoelde de door Bedouin Starke gesproken woorden. -Langzamerhand kwam het beeld van den gestorvene hem weer voor oogen, -niet zooals hij daar ziek gelegen had, doch in zijn werk, op zijn paard -door de tuinen rijdende, evenals op dien dag toen hij hem ontmoette bij -den zijweg naar Marialand, nadat hij... Korman bleef eenigen tijd -verwijlen bij hetgeen aan die ontmoeting was voorafgegaan, en de -conclusie die hij niet durfde trekken, dat het gisteren afgespeelde een -gevolg was van het toen gebeurde, bezorgde hem een gevoel als van een -knellenden band ter hoogte van zijn maag, die zijn longen opwaarts -drukte en hem belette adem te halen. - -Gelukkig, daar was Wonosarie, en het rijpaard dat hem wachtte. Hij -onderhield zich slechts een oogenblik met den wedhono, en zette zijn -paard dadelijk bij het afrijden in een flinken draf, dien hij volhield -tot het terrein begon te stijgen en de weg een vluggen gang moeielijk -maakte. - -Hooger in het gebergte gekomen, bemerkte hij dat zich eenige wolken om -den top samentrokken; een onwelkom iets, daar hij zich ten eerste bij -het incompleet van europeanen bezorgd maakte voor de op de droogbakken -uitgespreide koffie—inlanders zijn zoo nonchalant!—en ten tweede zou op -het oogenblik een regenbui minder aangenaam zijn. Reeds nu deed de kou -hem rillen in zijn van het transpireeren vochtige kleeren. - -De weg slingerde zich om een uitlooper van den berg heen en liep toen -steeds klimmend, weer de ravijnholte in. Aan het einde was een vrij -scherpe bocht, zoodat Korman, die een tijdlang voortgereden was met -zijn rug naar den kant der benedenlanden, bij het omslaan daarvan -plotseling weer met het gezicht naar de vlakte gewend kwam. Doch die -zag hij niet meer. Behalve dat het donker werd, kwam een laaghangende -wolk aandrijven, hem recht te gemoet. Toen het gevaarte van waterdamp -het ravijn bereikte scheen het zich saâm te trekken, als om zoolang -mogelijk de botsing met de aarde te vermijden, tot de voorkant -eindelijk een scherpen steven van een voortzeilend schip geleek. - -Wat was het, dat Korman op eens de gedachte ingaf dat die wolk op hem -af kwam? Het gevoel dat hem verlaten had bij het uitstappen van de -américaine bekroop hem weer, doch nu sterker. Met wijdgeopende oogen -zag hij naar het majestueuse monster, dat steeds donkerder, dreigender -tint aannam. Een drukkende windstilte ontstond en toen een hel licht... -het paard schrok en wierp hem af... - -„Heere Jezus, vergeef het mij!” stamelde Korman ter aarde stortend. En -het klonk als een vloek. - -De laatste wolk schoof voorbij de maan en het bleeke licht deed den -gevallene uit zijn bezwijming ontwaken. Langzaam, als op den tast, -stond hij op, eerst een riem voelende aan zijn linkerarm, toen -bemerkende dat het de teugel was van het paard, daarna het paard zelf -ziende dat door een toeval aldus belet was geworden zich te -verwijderen. Voorzichtig steeg hij op en reed verder. Het hinderde hem -niet dat hij doornat was; niets hinderde hem op het oogenblik; zijn -gedachten stonden stil tot hij thuis was, en daar, in het volle licht -van de lamp, die Li bij zijn nadering had opgestoken, kwam hij weer tot -zich zelven. - -„Bah!” mompelde hij, en ging naar de slaapkamer om zich te verkleeden. - -Zaterdagavond kwam, en ook Bedouin Starke. Terwijl zijn huishoudster en -een dochtertje zich met de bedienden onmiddellijk naar Sabrang begaven, -bleef hij op Korman’s verzoek te Watoeombo eten. Den volgenden morgen -werd hij geïnstalleerd in de betrekking, die van Everdingen zoolang -bekleed had. - -Van zijn tegenwoordigheid op Sabrang maakte Korman gebruik om Biezeman -te vragen naar Minah, en vernam tot zijn groote vreugde dat deze reeds -vertrokken was, naar haar moeder. Hij besloot daarop den last van van -Everdingen niet letterlijk uit te voeren, doch zond aan Biezeman -tweehonderd gulden, om die als erfdeel van haar gestorven heer aan -Minah over te maken. - -Een paar dagen na Bedouin Starke arriveerde ook de Leeuw, die de door -Lamers verlaten plaats innam. - -Het malen was nu geheel afgeloopen en de laatste koffie lag op de -bakken, terwijl in de stamploods dagelijks het vroolijk gebabbel der -sorteerende vrouwen weerklonk. Stamploods was het eigenlijk slechts bij -wijze van spreken, want in de plaats der vroegere primitieve mandjes, -werd nu het werk verricht door een pelmolen, die zijn drijfkracht -eveneens aan het waterwiel ontleende. - -Het was in die dagen dat op een vooravond Rencke de -administrateurswoning binnentrad. Dit was op zich zelf niets -buitengewoons, maar er was in de uitdrukking van zijn gezicht iets, dat -Korman trof, en hem vragen deed of de binnenkomende wat bijzonders had. - -„Ja,” zeide Rencke, plaatsnemende. „Ik heb in de laatste tijden veel -nagedacht over mijn positie hier, en ik moet erkennen dat die heel mooi -is. Een hoog tractement, goede behandeling, aangenaam werk... men zou -haast vragen: wat wil je meer? Voor ’t oogenblik niets. Maar in de -toekomst... ik kan natuurlijk niet altijd in tractement vooruit blijven -gaan... en ook... Ik zou u wel willen vragen wat eigenlijk het -vooruitzicht is dat u mij kunt openen, gesteld dat ik nog jarenlang -hier bleef.” - -„Wel,” antwoordde Korman; „administrateur worden als ik er vandoor ga.” - -„Wanneer denkt u dat te doen?” - -„Als het land vrij is.” - -„Wanneer, meent u, zal dat gebeuren?” - -„Wie kan dat zeggen!” riep Korman uit. - -„Juist, wie kan dat zeggen,” herhaalde Rencke. „Zoo heb ik er ook over -gedacht. En daarbij, dat er misschien wel iets op te vinden was voor -mij, om vóór dien tijd in eigen verdiensten te komen. Mag ik vragen: -wordt het aandeel van Everdingen verkocht?” - -„Ja... dat is te zeggen, hij wilde het zoo,” zeide Korman. „Er is nu -naar zijn familie geschreven, of die het goedvindt. We krijgen -telegrafisch antwoord.” - -„Zoo,” zeide Rencke nadenkend. „Dus zou ik door mijn familie een bod -kunnen laten doen aan de zijne.” - -„Ben je heelemaal....?” vroeg Korman. - -„Hoe zoo?” - -„Wel, laat den boel kalm op vendutie komen. Niemand die er wat voor -biedt als hij niet tevens een betrekking er bij kan krijgen.” - -„Daar is veel van aan,” vond Rencke. - -„Je begrijpt,” zeide Korman, „dat ik zelf ook opbied, al was het alleen -voor mijn fatsoen als executeur; maar in geen geval ga ik hooger dan de -som die hij er ingestoken heeft.” - -„Dank u voor de inlichting,” zeide Rencke. „U houdt mij dus op de -hoogte?” - -„Zeker,” beloofde Korman, doch hij wierp Rencke, toen deze wegging, een -allerzonderlingsten blik achterna. - -De tijd verstreek, en eindelijk brak de dag aan waarop Li afscheid -moest nemen van haar kinderen. - -Korman had haar verzocht geen huilpartij te beginnen met het oog op -njotje’s lastig karakter en mogelijk verzet, als hij bemerkte dat het -een werkelijke scheiding was van zijn moeder, die hij nog nooit -verlaten had. Li hield zich dapper en zette de kinderen zelf in de -tandoe, na ieder een kus gegeven te hebben. - -„Mama toeroet!” [117] riep de kleine Gerard. - -„Mama loopt achteraan,” zeide Li, den dragers een wenk gevende. En -langzaam rees de tandoe van den grond, terwijl Korman opsteeg. - -Zoolang zij kon zag de arme Li haar kinderen na; en toen de stoet aan -den overkant van de kalie achter de boomen verdwenen was, ging zij naar -achter, om op haar bed stil te gaan liggen uitschreien. In haar leed -had zij slechts één troost, namelijk dat zij voor de derde maal moeder -zou worden. Aan Korman had zij hiervan nog niets gezegd; het was nog te -vroeg, meende zij. - -Toen de zijweg naar Marialand bereikt was, scheidde Korman zich van de -tandoe af, de koelies toeroepende om vlijtig voort te loopen en dat hij -hen wel zou inhalen. - -In vluggen draf bereikte hij weldra het woonhuis. - -„Ik kom je nog even goedendag kussen,” zeide hij tot Caroline, de daad -bij het woord voegende. - -„Dus zijn de kinderen op weg?” vroeg Caroline. „Kassian; was de moeder -niet erg naar?” - -„Och neen,” zeide Korman. „Ik geloof niet dat zulke menschen zooveel -gevoel hebben als wij. Heb je al antwoord van je oom?” - -„Ja,” antwoordde zij. „Vandaag over acht dagen gaan wij. Ben je vóór -dien tijd terug?” - -„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Het hangt van Benoit af. Maar anders -zie ik je te Soerabaja. Dat zou wèl zoo gezellig zijn.” - -Doch Caroline schudde het hoofd. „Neen,” zeide zij; „dat mag niet.” - -Toen hij wegreed, de kinderen achterna, vond hij dat Caroline erg -koppig was. Wat kwam het er op aan! Te Soerabaja wist immers niemand -hoe de verhoudingen op zoo’n koffieland waren, en zou niemand zich de -tanden stooten aan hun engagement, al wist men dat Li nog bij hem in -huis was. Soedah, als zij eenmaal getrouwd waren zou zij spoedig leeren -zich naar zijn wil te schikken. En met deze illusie, die zooveel mannen -koesteren vóór hun huwelijk, was hij voorloopig tevreden. - -De reis van Korman naar Soerabaja was onverwacht opgekomen. Benoit had -verlangd hem te spreken over de regeling van het aandeel van -Everdingen, nadat er uit Europa bericht was ontvangen dat diens familie -met de beschikking van den overledene genoegen nam. Hij had echter zijn -vertrek eenige dagen uitgesteld om gezamenlijk met den ingenieur en -zijn kinderen te kunnen reizen. - -Nu het hem ontzegd was met Caroline te Soerabaja te mogen vrijen, wilde -hij voor haar vertrek terug zijn en haastte zich derhalve zooveel -mogelijk. Toen hij weer op den terugweg was vond hij dat de tocht -eigenlijk overbodig was geweest. Wat de oude heer met hem besproken -had, was evengoed te schrijven geweest. Benoit wilde van Everdingen’s -aandeel zelf koopen, doch daar hij de geldschieter was en hij op dat -aandeel een aanzienlijk bedrag had ingebracht, wilde hij in deze niet -persoonlijk ageeren, en droeg Korman op door een strooman te laten -bieden. - -„Want, zie je,” zeide hij, „dan kan ik met mijn pretentie fatsoenlijker -voor den dag komen.” - -In de nieuwsbladen werd geadverteerd dat op dien en dien dag, ten -overstaan van den notaris enz. enz. zou worden verkocht de onderneming -Sabrang.... - -Rencke was zeer teleurgesteld toen hij de tijding vernam. - -„Ik wil u niet overhaasten,” zeide hij den dag na Korman’s terugkomst, -„maar van nu af zal ik omzien naar een gelegenheid om zelf te beginnen, -dan wel mij ergens in te koopen.” - -„Dat moet jij weten,” zeide Korman. - -„Tenzij,” vervolgde Rencke, „dat ik hooger kan bieden dan meneer -Benoit.” - -„Dat zou hij je niet goed afnemen,” waarschuwde Korman; „en in allen -gevalle zou je van hem geen kapitaal krijgen.” - -„Ik zal er niet om vragen,” zeide Rencke. „Hoewel ik niet begrijp hoe -hij het zou kunnen nalaten. U laat uw helft in Sabrang toch niet -schieten?” - -„Natuurlijk niet.” - -„Dus moeten we tot een accoord komen, of ik koop heel Sabrang, òf ik -jaag het zoo hoog op als het waard is.” - -„Ik zal er over nadenken,” zeide Korman. Nog dienzelfden avond schreef -hij aan Benoit over Rencke’s voornemen. - -Per keerende post kwam een uitvoerig antwoord, waaruit Korman kon -opmaken wat hij te doen had. Kon opmaken—want de brief was zoo -zorgvuldig gesteld dat er feitelijk niets in stond, en toch weer alles. -Het eerste gevolg er van was dat de administrateur meer dan gewoonlijk -op het werk kwam en Rencke allerlei aanmerkingen maakte. Hij had er nu -trouwens den tijd voor. Het vertrek der dames van Os, dat in alle -stilte had plaats gehad, maakte een eind aan de uitstapjes naar -Marialand; de administratie was geheel in handen van Brisson, die dat -netjes en goed deed, en ten slotte vond Korman dat hij vroeger veel te -weinig op het werk kwam als voor een chef stond. - -Ook op Sabrang werd hij dikwijls gezien. Toen hij daar voor de eerste -maal kwam, reed Bedouin Starke juist uit en het was Korman onmogelijk -hem in te halen, daar hij zijn paard niet durfde laten doen wat de -ander van zijn rijdier eischte. Het was een trotsch gezicht om Starke -te zien rijden. Bergop stapte hij, zijn paard steunende door zich aan -de manen vast te klemmen, maar afwaarts ging het steeds in draf. Dan -vrijwaarde hij het paard tegen het nadeelig schokken in de borst door -het de achterhand sterk onder te laten brengen, bij een fiere elevatie -van den nek, en sierlijk bijgebracht hoofd. Dan overwon de manegekunst -de grootste moeielijkheden van het terrein, hetzij een steile helling -of boomstammen dwars over den weg of een stuk waterleiding, waarover -nog geen brug was. Het was zóó mooi, dat Korman, toen hij na -herhaaldelijk te zijn afgestegen, eindelijk den tuin bereikte waar de -opzichter halt gehouden had, niet kon nalaten hem er over te prijzen. - -„Een paard heeft vier beenen,” beweerde Bedouin Starke, „en kan dus -naar rato tweemaal zooveel als een mensch.” - -Den tweeden keer vond Korman den ander midden in den werktijd thuis, en -de derde maal ook, en toen verklaarde Starke zelfs dat hij geen tijd -had mee te gaan naar de tuinen. - -„Het zal toch dienen,” meende Korman, „als ik het werk kom -inspecteeren.” - -„Pardon,” zeide Bedouin Starke. „Vergun me hierin met u van opinie te -verschillen. De quaestie is enkel of er aanmerkingen te maken zijn: zoo -ja, dan behoorde ik er bij te zijn om die te ontvangen, zooneen, dan -kunt u best alleen constateeren dat de boel in orde is.” - -„Wou je dan beweren,” zeide Korman, „dat er op je werk geen enkele -aanmerking is?” - -„Zooals u zegt. Natuurlijk op dát werk dat afgeleverd en ingeboekt -staat.” - -„Goed!” zeide Korman. „Ik ga—maar als ik iets vind, dan zal ik het je -dubbel aanrekenen.” En terwijl Starke bedaard met zijn schrijfwerk -voortging, inspecteerde zijn chef het werk. - -Doch hoe Korman ook rondzag, hij kon geen fout vinden die tot een -gegronde opmerking stof leverde. - -„Je boft vandaag,” zeide hij terugkomende. „Maar ik twijfel er aan of -het op den duur goed zal blijven gaan, als je onder werktijd thuis -zit.” - -„Laat ik u eerst eens een bittertje inschenken,” zeide Starke; „dat -praat pleizieriger. En nu zal ik zoo vrij zijn de zooeven door u -gebruikte uitdrukking te wraken. Ik bof namelijk volstrekt niet; het is -eenvoudig het resultaat van mijn werkwijze.” - -„Dat moet je mij eens uitleggen.” - -„Gaarne. Ik ga van het standpunt uit dat een inlander ook een mensch -is....” - -„Hm,” bromde Korman er tusschen. - -„.... en als zoodanig zich voortdurend ergert als men hem den geheelen -dag op de vingers ziet. Daartegenover staat dat hij in zijn werk moet -worden nagegaan, of anders knoeit en luiert hij. Sta je er nu den -heelen dag bij, dan profiteert hij van elk oogenblik dat je je rug -omdraait.” - -„Juist,” zeide Korman; „en als je er niet bent, dan profiteert hij -dubbel.” - -„Behalve,” zeide Bedouin Starke, „als hij elk oogenblik denken kan: -daar komt meneer! en altijd onverwacht, nu uit het Noorden, dan uit het -Zuiden, steeds zóó dat ik er bij ben als ik verkeerde dingen doe. Me -dunkt, als die angst er behoorlijk in zit, dan kan men gerust zijn.” - -„Dat is toe te geven,” zeide Korman. „Hoewel, een javaan is slim, en -heel gauw weet hij op welke tijden je bijvoorbeeld nooit komt, en dat, -als je naar huis gaat, hij je in ’t eerste uur althans niet weer terug -ziet.” - -„Ja,” antwoordde Bedouin Starke. „’t Is daarom ook een heele studie om -te zorgen dat zij nooit den draad van je komen en gaan in handen -krijgen. Op het oogenblik bijvoorbeeld, weten zij dat u hier is, en -gevoelen zich daardoor vrij veilig, denkende dat ik niet komen zal. -Welnu”—en hiermede stond Starke op en wenkte iemand om den hoek van -zijn huis—„dat hebben zij mis.” - -Een staljongen verscheen, het paard, dat klaarblijkelijk te voren -gereed was gehouden, vóór brengende. - -„Tot straks,” zeide Starke opstijgende. „Kijkt u intusschen de -illustraties eens in—daar op het knaapje—ik ben zóó terug.” En weg was -hij, Korman geheel verbluft achterlatende. - -„Ik zou hem op staanden voet ontslagen hebben,” verklaarde van Os, toen -Korman hem het verhaal van het bovenstaande deed. „Aan den anderen kant -zou ik geen aanmerkingen hebben gemaakt op zijn thuiszijn, als zijn -werk—zooals je zelf zegt—het beste was van ’t heele land. In zooverre -heeft hij gelijk.” - -Intusschen verminderde Korman zijn tournées naar Sabrang, om des te -meer Rencke lastig te vallen. Deze, in het bewustzijn van altijd naar -beste krachten zijn plicht te hebben gedaan, en meer dan dat, werd -kregelig, maar zweeg, tot hij op zekeren dag dat Korman het al te bont -maakte en hem zelfs aanvloekte, plotseling zijn ontslag vroeg. - -Van het oogenblik af dat dit woord uitgesproken was, veranderde -Korman’s houding ten eenenmale. Hij werd weer vriendelijk als vroeger, -en eindelijk drong hij bij Rencke aan dat deze op zijn aanvraag terug -zou komen. Doch Rencke weigerde beslist, verklarende alleen te willen -onderhandelen over het aandeel van Everdingen. Dit wilde Korman niet, -en het einde was dat Rencke Watoeombo verliet, zijn huishoudster naar -haar dessa zendende, tot nader order, en zelf in de stad zijn intrek -nemende bij den houtvester, met wien hij zeer bevriend was, om af te -wachten tot de dag der vendutie dezen strijd zou beslissen. - -Eenige dagen voor dien gewichtigen dag bevatten de nieuwsbladen echter -een advertentie, dat de aangekondigde vendutie van Sabrang was -uitgesteld tot den 23en December. Het was toen de 10e November, en -Rencke, zijn gastheer niet zoolang tot last willende zijn, nam een hem -aangeboden betrekking aan op de onderneming waar vroeger Bedouin Starke -gewerkt had. Hij had den administrateur vooraf gewaarschuwd dat zijn -plan was een bod te doen naar Sabrang, en deze nam daarmee genoegen, -niet twijfelende of Korman zou dat stuk zijner onderneming zelf willen -behouden, en boven elk bod van Rencke een hooger doen. - -Doch geen van beiden hadden zij gerekend op de duivelsche sluwheid van -dien man, noch op de macht van Benoit’s geld. - -„Rectificatie. In ons nummer van 8 November j.l. kwam een annonce voor -over de aangekondigde veiling van het koffieperceel Sabrang, deel -uitmakende enz. enz. Daarin is een fout ingeslopen. Er stond nl. 23 -December; dit moest zijn 23 November. Onze lezers vinden hierachter de -verbeterde annonce.” - -Zoo luidde het berichtje dat Rencke’s chef ’s avonds na aankomst van -den plajangan, uit zijn luierstoel deed opspringen. - -„Ze hebben je te pakken gehad!” was de uitroep waarmee hij bij Rencke -kwam binnenstormen. - -Het was de 23e November! - -Rencke’s spijt en verontwaardiging kenden geen grenzen. Hij vroeg -verlof om naar de stad te mogen gaan, teneinde Korman over zijn bedrog -te onderhouden, wat de chef hem gaarne toestond, mede walgend van -zooveel knoeierij. - -Maar Rencke vond niet wien hij zocht. In het logement wist men hem te -vertellen, dat Korman dien morgen met een reiswagen naar Soerabaja -vertrokken was. Bij den notaris vernam hij dat het perceel gekocht was -voor twee en twintig duizend gulden door Menier de Brisson. -Waarschijnlijk een strooman, meende de notaris; hij had tegen Korman -opgeboden; anders was er niemand geweest. - -Met dezen troost kon Rencke naar huis gaan, wat hij deed. - -„Zoolang ik nog hier ben,” zeide zijn chef, „wil ik geen compagnon -hebben; maar over twee jaar ga ik voorgoed naar Europa. Als je dan de -helft van de onderneming van mij wilt overnemen, heb ik er niets op -tegen; anders verkoop ik haar geheel.” - -„Als u hierover een notarieel contract met mij maakt, neem ik uw aanbod -aan,” antwoordde Rencke, en na lang praten werden zij het eens. - -Brisson was na zijn heldenstuk verricht te hebben naar Watoeombo -teruggereden. Van Korman had hij een boodschap meegekregen aan de -andere employés, die hij echter eerst mocht overbrengen zoodra Messner -op de onderneming zou geweest zijn en aldaar verricht hebben wat Korman -hem opdroeg in een brief, dien Brisson hem moest toezenden. - -Zoo luidde zijn instructie. - -Messner kwam uit de tuinen thuis in een niet zeer opgewekte stemming. -De laatste berichten in de couranten uit Midden-Java vertelden van een -ziekte, die daar in den koffie-aanplant heerschte; een bladziekte, die -het sterven van verscheiden boomen ten gevolge had. En op zijn rondgang -heden had hij ook op Donowarie de oranjekleurige vlekken gezien, die -van deze ziekte het kenmerk heetten. Wel meende hij die meer, ja altijd -aan zijn boomen te hebben bespeurd, maar toch maakte hij zich ongerust -en besloot eens naar Korman en van Os te gaan en met hen de zaak te -bespreken. - -Op tafel in de voorgaanderij lag de brief van Korman. Hij stak dien in -zijn zak; onderweg zou hij hem op zijn gemak lezen. In haast trok hij -andere schoenen aan en steeg toen op. Reeds had hij de eerste tuinen -van Watoeombo achter zich, toen hij zich den brief herinnerde, die nog -ongeopend in zijn borstzak zat. Misschien was het ook wel over de -koffiebladziekte! - -„Waarde Messner! Het spijt mij dat ik u niet heb kunnen spreken over de -zaak die in deze regelen behandeld wordt. Een belofte bond mij. Later, -als ik terug ben uit Batavia, waarheen ik afreis als ge dezen ontvangt, -zal ik u alles uitleggen. Sedert eenige weken ben ik geëngageerd met -mej. C. van Os en straks met haar gehuwd. De omstandigheid dat ik bij -Li kinderen heb, deed haar eischen dat ons huwelijk niet hier, maar te -Buitenzorg zou worden gesloten, waar haar oom thans woont. En eer Li -uit mijn huis was, mocht niemand van ons engagement weten. Ge begrijpt -dat het voor mij een lastige zaak was. Wil Li op de hoogte brengen. Ge -kunt voor haar een huisje huren in de stad en maandelijks honderd -gulden van mij ontvangen voor haar onderhoud, zoolang als zij niet -trouwt of bij een ander gaat. Doe mij het genoegen een en ander ten -spoedigste te regelen. - -Van onze komst, die naar ik verwacht niet later dan vandaag over een -maand zal plaats vinden, zal ik je telegrafisch bericht zenden. - - - Geloof mij - - t. à. v. - - W. Korman. - - -„Begrijpen! Of ik hem begrijp!” riep Messner uit. „Hij blijft in zijn -rol tegenover dat arme kind. Op ’n smerige wijs is hij aan haar -gekomen, even vuil laat hij haar glippen nu hij haar niet meer noodig -heeft. Een huisje in de stad! Zeker om haar nu en dan... Neen vriend, -daar zal ik voor zorgen. Dáárom moesten de kinderen dus weg! Een -beroerde karrewei intusschen... enfin, dan maar dadelijk.” - -Bij de administrateurswoning stond het vol meubelen. Van den zonnigen -dag en Korman’s afwezigheid had Li gebruik gemaakt om alles eens een -flinke beurt te geven. Binnenshuis waren koelies aan het witten, en -daarbuiten appliceerden de bedienden op tafels en stoelen dat -strijkvernis, dat men in Indië algemeen „politoer” noemt. Li zelf -dwaalde van den een naar den ander, druk en gelukkig in het -vooruitzicht van het pluimpje dat zij zeker was te zullen verdienen. - -Voor den naderenden Messner was deze trouwe zorg een onpleizierig -gezicht. Ten eerste om het contrast met Korman’s cynisch handelen, en -voorts omdat het in die herrie heel moeilijk was Li te boodschappen dat -zij door Korman weggezonden werd. - -Blij hem te zien, en tevens verlegen omdat zij hem geen geschikt plekje -kon aanbieden, begroette Li haar pleegvader. - -„In het kantoor is alles nog in orde, papa,” zeide zij. „Meneer Brisson -zit er te werken.” - -„Ik heb er op het oogenblik niet noodig,” zeide Messner aarzelend. „Ben -je van middag klaar?” - -„O ja,” verzekerde Li. „Ik heb niet meer uitgehaald dan in één dag af -kan. Morgen komt de slaapkamer aan de beurt en het kantoor, en -overmorgen de bijgebouwen; als het ten minste niet regent.” - -„Goed. Maak dat je tegen vier uur alles in orde hebt. Ik ga nu naar -Marialand en blijf vannacht bij jou logeeren.” - -„Heerlijk!” juichte Li. „Ik zal voor vanavond wat lekkers klaarmaken. -Maar...” vervolgde zij hem ernstig aanziende, „heeft papa soesah? Is -Zus niet wel?” - -„Zou ik dan hier zijn?” vroeg hij terug. „Nou kind... misschien vertel -ik het je vanavond wel. Dag!” - -Met hartelijkheid werd Messner op Marialand ontvangen. Van Os apart -nemende, ondervroeg hij hem over het engagement van Korman, en eindigde -met hem den pas ontvangen brief te laten zien. - -„Hm,” zeide van Os, „voor heel moedig heb ik hem nooit aangezien, doch -ik vind dat hij dit zaakje zelf had behooren te doen. En wat de rest -aangaat, heb ik hen maar zoo’n beetje laten scharrelen. Ik bemoei mij -niet graag met zoo iets; pas mettre le doigt, en zoo voort.” - -„Neen, je hebt gelijk,” zeide Messner. „Soedah, ’t is gebeurd, maar -mijn gezicht zullen ze op Watoeombo niet gauw meer zien. Dan heb ik nog -wat; je hebt zeker al van de koffiebladziekte gelezen.” - -„Stapels!” verklaarde van Os. „Ik ben maar weer op mijn gewone manier -te werk gegaan en heb aan alle lui op Midden-Java geschreven om -inlichtingen. Na den eten zal ik je den rommel laten zien.” - -Aan tafel wijdde mevrouw van Os uit over de gezelligheid die de komst -van Caroline op Watoeombo voor haar zou aanbrengen; hoe jammer het was -dat van Everdingen dood en Rencke weg was; dit waren nu juist twee -heeren die het goede voorbeeld dat de chef gaf, konden volgen; het zou -toch veel beter zijn als de jongelui minder in concubinaat leefden, -iets dat op een in volle exploitatie zijnde onderneming niets tegen -had; de hardships van het openen—nu, dat was voor de meeste dames geen -doen. - -„Als u zóó spreekt,” zeide Messner; „dan durf ik Zus niet meer hier te -brengen.” - -„Zus is mij altijd welkom,” zeide mevrouw van Os. „Ik doelde ook niet -op u; de tijden waren, toen u begon, verschillend met thans, en ik kan -mij voorstellen dat u niet meer verandert. Voor mijn gevoel is Zus -evengoed aan u verbonden, en misschien met hechter band, dan menige -gehuwde vrouw.” - -Na tafel gingen de heeren naar het kantoor. - -„Hier heb je een en ander,” zeide van Os. „Ik heb ze gesorteerd. Dit -dikke pak bestaat uit raadgevingen van lui die verklaren dat het niets -geholpen heeft wat zij zelf gedaan hebben, of denken te doen. Diep -patjollen, goten tusschen de boomen, proefstations, en zoo voort. Dit -dunne bundeltje is van dezulken die vooruitgang meenen te bespeuren; -het komt echter vrijwel op dezelfde soep neer. Eindelijk deze ééne, die -zegt dat zijn manier geholpen heeft.” - -„Daar zou ik het meest vertrouwen in stellen,” vond Messner. - -„Ik ook; alleen zijn middel is wat zonderling. Hij beweert dat het -kapellen zijn die ’t hem doen, en laat die vangen.” - -„Geen kleinigheid!” - -„Hij schrijft dat hij in ’t begin vijftig man over zijn tuinen verdeeld -had,” zeide van Os, „doch later waren zes man voldoende.” - -„Dat valt me mee,” zeide Messner. „Wat denk jij te doen?” - -„Afwachten, en als het hier komt, en de geleerden zijn het er nog niet -over eens, dán het voorbeeld van onzen kapelvanger volgen. Maar wat -leelijker is,” ging van Os voort, „dat de prijzen zoo omlaag gaan. Het -scheelt allicht een paar jaar eer je land vrij is.” - -„Ja,” stemde Messner toe. „Als ze zoo voortgaan, dan is een koffieland -niet langer een rijkworder. Voor mij is dat niets, ik zou in Europa -niet meer aarden, maar voor jelui is het naar.” - -„Kom, dan laat ik mij als stafofficier aanwerven bij een vreemde -mogendheid,” zeide van Os. „Wat hier in Indië gepensioneerd wordt heeft -in het buitenland den naam van het beste te zijn; en mij zelven niet in -aanmerking nemende, geloof ik waarachtig dat ze gelijk hebben ook.” - -Met een bezwaard hart kwam Messner terug op Watoeombo. Als om zoolang -mogelijk het verpletterende nieuws aan Li te besparen, hield hij zich -tot aan het avondeten bezig met het bezichtigen der installatie—’n dood -ding, nu alles stil stond—en met Brisson, die blij was deze aanspraak -te hebben. - -Al een paar maal had Messner hem scherp in de oogen gezien, en -eindelijk zeide hij: - -„Je ziet er niet zoo gezond uit als de vorige maal dat ik hier was.” - -„De zittende levenswijze....” meende Brisson. - -„Of wat anders,” zeide Messner. „Neem je in acht jongmensch, ik heb er -meer op die klip zien vergaan.” - -Zooals dat meer gaat als men een lastige zaak uitstelt, werd het voor -Messner hoe langer hoe moeielijker met Li te spreken. Reeds was het -tafelkleed weggenomen en nog wist Li geen woord van wat haar te wachten -stond. Messner dacht er over het tot den volgenden ochtend te verdagen, -toen Li hem goênacht kussende nogmaals haar vraag van dien voormiddag -herhaalde. - -„Neen, ’t is niet om mij, noch om Zus,” begon hij, en eenmaal aan den -gang deelde hij het haar mede; met veel omhaal en voorzichtigheid, maar -het kwam er toch uit. De wanhopige droefheid van Li en de vreesachtige -beweging waarmede zij zich tegen hem aanvleide als om bescherming te -zoeken, maakten zijn toorn gaande tegen den man die van zooveel lijden -de oorzaak was. En al wat hij dien dag verkropt had gaf zich lucht in -een reeks scherpe verwijten aan Korman’s adres, doormengd met -troostgronden voor de arme verstootene. - -In ’t eerst scheen het aan Li voorbij te gaan, doch eindelijk ving zij -de woorden op en luisterde. Niet lang echter, want eensklaps richtte -zij zich op en stuitte Messner’s woordenstroom door hem het kleine -handje op den mond te leggen. - -„Sst, pa,” zeide zij, „niet doen! Dat is nog erger dan het andere. -Korman is in zijn recht, hij mocht mij wegzenden. Neen.... zeg niets; -het is zoo. En hij is altijd goed voor mij geweest, al die jaren....” - -Stom van verbazing zag Messner haar aan. Hij had een hoog gevoel van -recht en zou niemand kwetsen als hij het kon vermijden, maar verlangde -daartegenover een gelijke behandeling van anderen. Aan christelijk -dulden sloeg hij geen geloof; wie hem op de linkerwang sloeg kon -rekenen op gereede terugbetaling; de christenen die hij in het openbare -leven ontmoet had deden evenzoo, en het bestaan van de toedraaiers der -rechterwang hield hij voor een sprookje, verzonnen om navolgers te -winnen ten bate der klappenuitdeelers. En daar tegenover hem stond dat -kleine vrouwtje, klein in verhouding tot zijn hooge gestalte, maar -groot in zielenadel, die haar uit de oogen straalde, oogen die hem aan -een oude vrome tante herinnerden, kort voor haar dood. - -„Eén ding bedroeft mij het meest,” ging Li voort. „Had Korman het mij -maar gezegd! Maar zijn nieuwe vrouw zal van het kindje niet willen -weten....” - -„Wat?” riep Messner uit. „Je bedoelt toch niet dat je in positie bent? -Ja? Maar dat kan niet, dat gaat niet; ik zal hem telegrafeeren. Hij -moet dat verwenschte huwelijk uitstellen.” - -Tot laat in den nacht praatten zij er over, Messner ongenegen Korman -iets toe te geven en zijn plannen om dezen te kwellen hardnekkig -vasthoudende, Li besloten haar heer in alles ter wille te zijn en van -haar kant niets te doen dat maar eenigszins op wraak geleek. Zij won -het pleit, op één punt na. Terwijl zij nog een paar dagen had willen -blijven om het huis geheel schoon en in orde achter te laten, eischte -Messner dat zij den volgenden morgen hem vergezelde naar Donowarie. - -Toen Brisson, na de rol te hebben gehouden, op het kantoor kwam, vond -hij daar een kort briefje van Messner die hem opdroeg een oog te houden -op de administrateurswoning tot tijd en wijle de bewoner daarin zou -teruggekeerd zijn. - -„Korman’s naam komt er in ’t geheel niet in voor,” merkte Brisson op. -„De oude heer schijnt goed nijdig te zijn.” Daarna maakte hij zich op -om naar de tuinen te gaan, want nu Rencke weg was en de drukte van den -oogst voorbij, moest Brisson tijdelijk de afdeeling waarnemen. - -Wat Messner den vorigen avond had opgemerkt over zijn uiterlijk was -niet zonder grond. Zijn oogen, vooral in den vroegen morgen, stonden -dof en de oogleden vertoonden ontstoken roode randen, terwijl zijn -wangen onophoudelijk trilden en trokken. Het had lang geduurd, veel -moeite gekost, doch gedurig door Korman aangezet „om toch als ’n -fatsoenlijk mensch een bittertje te drinken op zijn tijd”, was Brisson -daartoe overgegaan; en eenmaal den smaak er van beet hebbende ging hij, -als ieder renegaat, verder dan een ander. - -In vergelijking van wat andere menschen gebruikten kon men niet zeggen -dat Brisson veel dronk, doch zijn gestel verdroeg zelfs geen geringe -quantiteit en daarom was voor hem ieder glas te veel. Korman had voor -zich reeds lang gezien wat door Messner was uitgesproken. In geen der -andere employé’s zou hij het dan ook toegelaten hebben. Maar Brisson, -die nagenoeg in geen aanraking kwam met het vrije dessa-volk, dat -hoogst gevoelig is voor de behandeling die het van de europeanen -ondervindt, kon wat dat betrof geen kwaad; en daar hij zich wel wachtte -ooit onbekwaam te zijn voor het administratie-werk, liet Korman hem -stil begaan, inziende dat Brisson binnen korten tijd voor ieder ander -ondernemer een onbruikbaar sujet zou worden, en daardoor meer en meer -zich als geheel van hem, Korman, afhankelijk beschouwen. Dan kon hij -met hem doen wat hij wilde zonder de vrees, die hem nu af en toe -bekroop, dat Brisson hem te eeniger tijd mocht compromitteeren door -ongewenschte openbaringen aan derden. - -En indien ooit, zoo was deze tijd, terwijl de chef afwezig was, gunstig -om het begeerde kwaad te laten ontwikkelen. Gewend den geheelen dag -gelegenheid te hebben een praatje te maken, al liep dit dan meestal -slechts over koffie en geld, geld en koffie, verveelde Brisson zich -gruwelijk in zijn tijdelijke eenzaamheid. De Leeuw was tegenover -europeanen harkerig en zwijgzaam, hij kon een uur lang op een -luierstoel liggen staren zonder een woord te uiten, ja zelfs zonder te -denken! Aan hem had Brisson niets; boeken bezat hij slechts een -paar.... Boeken! Had niet Bedouin Starke eens gesproken over zijn -„bibliotheek” en over de tijdschriften waarvan hij heele jaargangen -had? - -Nauwelijks kreeg Brisson dien inval of reeds maakte hij zich op om naar -Sabrang te rijden. Het was wel donker, maar de lucht stond niet naar -regen, ’n mooie avond voor een toertje. Onderweg bedacht hij dat dit -tevens een goede afleiding voor hem was; als hij een boek had, of het -ging terugbrengen en een nieuw halen, was er zooveel te minder -aanleiding tot snoepen van alcohol bevattend vocht. Want als hij er -zich goed rekenschap van gaf, zag hij zelf het ellendige in van den weg -dien hij was opgegaan, doch hij verbeeldde zich tevens een steun noodig -te hebben om dien weer te kunnen verlaten... hm! er op te blijven -stilstaan dan. - -Of hij die hulp zou vinden bij Bedouin Starke? Boeken had hij, en een -collectie die voor zijn smaak en ontwikkeling pleitte, maar ook een -assortiment dranken... - -„Zeg maar iets heel geks,” zeide hij tot Brisson, „en ik wed dat het er -is.” - -„Kirschwasser,” zeide Brisson, meenende dat de ander dit zeker niet in -zijn goedang zou hebben. - -„Papan nommer limablas [118], links, witte capsule,” gebood Bedouin -Starke den wachtenden bediende. - -En het kwam, tot groote verbazing van Brisson, die het echter niet -lekker vond, en zich spoedig vereenigde met het voorstel van Starke om -tot iets anders over te gaan. - -Helaas, waar blijven toch alle goede voornemens! - -„Nu een zetje, zoo!” zeide Bedouin Starke toen hij Brisson op zijn -paard hielp. „Pas op, er is geen leuning aan den anderen kant. Ik zal -de boeken morgen wel met het rapport meegeven. Denk om je equiliber!” - -„Equi... liber!” lachte Brisson onnoozel. „De vent heeft toch altijd ’n -ui.” - -Het uitstapje was Brisson wel bevallen, en om het te kunnen herhalen -noodigde hij Bedouin Starke den volgenden avond ten zijnent. Dit was -het begin van een rumoerigen tijd op Watoeombo, die aanhield tot -Korman’s terugkeer. Nu hier dan daar, doch elken avond, weer of geen -weer, kwamen Bedouin Starke, Brisson en Biezeman bijeen; een paar maal -werd ook de Leeuw er bij gehaald, meer om zich van zijn stilzwijgen te -verzekeren, door hem medeplichtig te maken, dan om zijn aangenaam -gezelschap. Hoewel dit laatste nu juist geen vereischte was bij de -nachtelijke samenkomsten, die hoe langer hoe meer van vroolijke -drinkpartijen ontaardden in vuile orgieën. Vooral in de kampong van het -hoofdkwartier zag men geen enkele fatsoenlijke inlandsche vrouw meer, -want het was gebeurd dat de opgewonden europeanen de javaansche -woningen waren binnengedrongen om te zoeken wat van hun gading was. - -Dat het werk er onder leed was niet te verwonderen. Op Sabrang niet, -want Bedouin Starke scheen het niet te hinderen of hij geregeld de -helft van zijn slaap miste, en hij stelde Biezeman voor de keus om zijn -werk goed te doen, of ’s avonds thuis te blijven; doch bij Brisson zag -het er allertreurigst uit. Toen hij dan ook eindelijk een telegram -kreeg, vijf dagen voor de terugkomst van Korman, stelde hij voor een -eind te maken aan de pret. Zoo geschiedde, en de kalmte keerde terug op -de koffieonderneming, terwijl Brisson zich beijverde het slechte werk -zooveel doenlijk onzichtbaar te maken. Met een tiental koelies ging hij -de tuinen langs die schoongemaakt waren, en liet aan den kant van de -wegen alles netjes maken, hopende dat de chef niet van zijn paard zou -stijgen om het inwendige te inspecteeren. - -Ook had hij eens rondgekeken in de administrateurswoning, doch toen hij -een begin liet maken met het opruimen van de stof en wat de bedienden -er in die dagen meer hadden laten liggen of ingebracht, kwam plotseling -mevrouw van Os hem vervangen. Hij besefte dadelijk dat dit maar goed -was ook, want wat hij voor brandschoon hield moest volgens die dame een -extra-beurt hebben, en wie zou nu ooit op de gedachte gekomen zijn om -boven op de kasten en ledikanten te kijken? En dat er tafels bijeen -geschoven moesten worden om een feestdisch aan te richten! Brisson -verklaarde later dat hij „gewoon perplex” was van het groote verstand, -door zulk een europeesche dame aan den dag gelegd. - -Toch hadden de employés er een flauwe notie van, dat men den chef en -zijn vrouw feestelijk behoorde te ontvangen en in te halen. Onder -aanvoering van Bedouin Starke lieten zij een pendoppo opslaan bij den -zijweg naar Marialand; en daar was het dat zij op den morgen van -Korman’s komst zich verzameld hadden, en van daaruit stonden de koelies -en mandoers ten getale van ongeveer achthonderd aan weerszijden van den -weg opgesteld, met zooveel tusschenruimte dat zij tot aan de brug van -Watoeombo reikten. Ieder hunner hield een geimproviseerd vlaggetje in -de hand en droeg een sjerp van groen om het lichaam, met ingestoken -roode papiertjes die men verzocht werd voor bloemen aan te zien. Van de -brug tot aan Korman’s woning stonden de vrouwen en meisjes, elk met een -jong klapperblad in de hand, wat geen onaardig effect maakte. - -Even voor den middag naderde de stoet de plaats waar de pendoppo stond. -Want een stoet was het! In de stad had de resident het noodig -geoordeeld den administrateur van Watoeombo, den pionier in deze -streek, te complimenteeren; en daar dit den vorigen avond door de late -aankomst van het jonge paar mislukt was, deed hij het dien morgen eer -zij de reis naar het gebergte aanvaardden. Bij die ceremonie was ook de -Regent aanwezig, en dientengevolge de mindere inlandsche hoofden. De -faam hiervan was Korman vooruitgevlogen, en had bewerkt dat de wedhono -van Wonosarie met gevolg, en hoogerop de assistent-wedhono, zich bij -Korman en Caroline hadden aangesloten, zoodat het een heele optocht -werd van netgekleede inlanders op tandakkende paardjes. - -Nadat Korman en zijn vrouw waren afgestapt nam Bedouin Starke het -woord: - -„Meneer Korman! Te midden van de koffie, sprekende tot u, wat wonder -dat mij het beeld van den koffieboom voor oogen staat; zooals deze -ontkiemt, een zwak en teer plantje, dat gekoesterd en gekweekt moet -worden in de schaduw, doch weldra krachtig en frisch, in de open lucht -gebracht, opwast tot een boom heerlijk bloeiende en nuttige vruchten -afwerpende! Zoo was het, zoo zij het ook, met de liefde die u trok tot -haar, die wij thans als uw echtgenoote hier welkom mogen heeten. - -„En u, mevrouw! behoeven wij het u nog te zeggen hoezeer wij naar uw -komst verlangd hebben? Zie, opdat u in den roes van een nieuw geluk -niet uit ouder gewoonte dezen zijweg naar Marialand zoudt inslaan, -hebben wij ons hier opgesteld om u te waarschuwen; opdat op de steilten -en naast de diepe ravijnen uw verdere weg gevaarloos zij, schaarden wij -onze troepen als een levende heg langs uw pad; en dat de geestdrift die -ons bezielt zich ook aan het werkvolk heeft medegedeeld, zult u -ontwaren als u het laatste eind van dezen weg bereikt, waar de -vrouwen-mandoer als een tweede Kenau Hasselaar haar vriendinnen heeft -opgeroepen om in te springen waar de mannen tekort schoten. - -„Heil u beiden! Welkom op Watoeombo!” - -„Dankje wèl,” antwoordde Korman met hem klinkende en dit herhalende bij -alle anderen. Caroline daarentegen wist ieder een aangenaam woord te -geven. - -Men brak op. In de met groen en vlaggen versierde administrateurswoning -wachtten Van Os en zijn vrouw de komenden af, doch verder niemand. - -„Waarom is meneer Messner er niet?” vroeg Caroline aan haar man toen -zij aan tafel zaten. - -„Ik weet het niet,” zeide Korman. „Misschien heeft hij het druk en komt -van avond.” - -’s Middags vertelde hij haar waarom Messner niet gekomen was en ook -niet zou verschijnen. Messner was met het huwelijk niet ingenomen, -maakte hij haar wijs; hij had geen sympathie voor Caroline, en achtte -haar niet zoo hoog, dat hij het billijkte dat Korman om harentwille -zijn huishoudster verwijderd had. - -„Hij had haar opgevoed,” zeide Caroline als in gedachten. „Zoo iets -vertelde tante mij. Het spijt mij erg; hij is zoo’n vriendelijk -mensch.” - -’s Avonds, toen het feest uit was en de gasten naar huis, deelde -Caroline Korman mede wat zij van haar tante gehoord had omtrent het -leven der jongelui gedurende zijn afwezigheid. Korman was woedend, en -reeds vroeg liet hij den volgenden morgen zijn paard zadelen. Toen brak -de bom los! Bedouin Starke durfde hij niet aan, en deze liep dus vrij, -maar Brisson en Biezeman werden een voor een op het kantoor geroepen, -om daar aan te hooren hoe schandelijk hun gedrag was geweest, en dat -zij het alleen aan het feit dat hun werk in orde was, te danken hadden -dat zij niet onmiddellijk ontslagen werden. De Leeuw was er het -ongelukkigst aan toe, daar hij niet dezelfde voorzorgen had genomen als -Brisson om den buitenrand van zijn tuinen bij te werken. Hij werd -ontslagen. - -Later scheen Korman in te zien dat de arme stakker eigenlijk niets meer -misdreven had dan de anderen. Hij liet hem toen door Brisson aanraden -om excuus te vragen; doch toen deze er met de Leeuw over begon, liet de -sinjo hem grijnslachend een briefje zien van Messner, een aanstelling -als opzichter te Donowarie bevattende. - -„Vijf en twintig gulden minder dan hier,” merkte Brisson op. - -„Dat is niets,” zeide de Leeuw. „Meneer Messner verkoopt geen tjandoe.” - -„Begrepen. Dus wou jij dat daar doen? Pas maar op.” - -„En ik laat mijn meid een warong [119] houden.” - -„Je lijkt den baas wel,” zeide Brisson, „die laat ook alles door een -ander doen.” - -Toen hij aan Korman verslag deed van zijn vergeefsche poging, was hij -zeer verbaasd den chef niet te zien opvliegen over het schenden der -usance door Messner, die voorschreef elkaars ontslagen employé’s, niet -dan na onderling beraad en met goedkeuring van hem die het ontslag -verleend had, aan te nemen. Integendeel, Korman nam het goed op en liet -zelfs zoozeer blijken dat het hem verheugde, dat hij een nadere -verklaring hiervan aan Brisson meende te moeten geven met de woorden: -„Hij kan er plezier van hebben; onder toezicht van een europeesch -employé gaat het, maar alléén.....!” - -Daags voor het vertrek van de Leeuw ging Korman naar diens afdeeling, -naar het heette om bij de overgave aan een nieuw exemplaar van -hetzelfde ras, dat Bedouin Starke „waarlooze Europeanen” doopte, -tegenwoordig te zijn. Hij had met den vertrekkende een lang gesprek, -waarvan de gevolgen nader zullen blijken. - -Weer verlieten de regenwolken het gebergte, en sluierde zich de droge -warmte over de koffielanden. Maar ditmaal bracht zij den vijand mee, -waartegen op andere gedeelten van Java reeds zoolang vruchteloos werd -gestreden: de koffiebladziekte. Vuilgeel en mager stonden de aangetaste -tuinen op Watoeombo, het produkt verschrompelde aan de boomen, maar aan -die „gekheid van kapellen vangen” deed Korman niet mee. Dat Marialand -er veel minder last van had, kwam door .... nu ja, door iets anders. Op -Donowarie, hoorde hij, was het ook, en Messner ving toch vlinders. En -wat kon het hem eigenlijk schelen. Het vermogen dat zijn vrouw had -aangebracht was meegevallen; nog een paar jaar wilde hij het volhouden -om er met alle mogelijke huismiddeltjes iets aan toe te voegen, maar -dan mocht Benoit zien wat hij met Watoeombo deed. In den steek laten -kon hij het moeielijk, daarvoor zat er te veel geld in, en zette hij -het voort, dan bleef Korman er zijn deel in behouden, dat naderhand de -kinderen van Li ten goede kon komen. - -Zoo troostte hij zich, en schreef zijn rapporten aan Benoit als ware er -aan de ziekte niets te doen. De toestand van Donowarie verergerde hij, -meer dan de schriftelijke mededelingen van die onderneming hem aan de -hand gaven. Want sedert zijn huwelijk was hij er persoonlijk niet meer -geweest, noch had hij met Messner een anderen dan officieelen omgang. - -Hoewel Donowarie en Marialand niet geheel van de ziekte verschoond -bleven, was het laatste land toch niet noemenswaardig aangetast, en het -eerste telde slechts een paar tuinen die wezenlijk slecht stonden. -Beide administrateurs hadden goede hoop dat zij het te boven zouden -komen. - -De Leeuw werkte sedert eenige maanden op Donowarie. Zijn plannen wat -betreft de warong door zijn huishoudster te houden, had hij moeten -opgeven, daar hij dadelijk bij zijn aankomst bemerkte dat hiervan Li -het monopolie had, haar door Messner verzekerd. In een net -bamboe-huisje, in het midden van de kampong, woonde zij en handelde, -voor zich en haar jongste kind,—een meisje,—boven de maandelijksche -toelage van Korman een ruim bestaan vindende. Messner had haar de -rijstverstrekking afgestaan en voorts alle warongs of tokótjes op het -land gesupprimeerd. Het kindje had hij onder den naam van Frieda als -het zijne laten inschrijven. - -Als de Leeuw naar zijn werk ging of thuiskwam moest hij altijd Li’s -huisje voorbij, en zelden deed hij dat zonder even stil te staan en een -praatje te maken. Met de haar eigen vriendelijkheid stond Li hem steeds -te woord; doch toen dat eenigen tijd geduurd had werd de sinjo -vrijmoediger, en Li zijn bedoelingen radende, trok zich meer en meer -terug. De Leeuw schreef dit toe aan ongeduld van haar kant, en op -zekeren dag vroeg hij haar of zij genegen was met hem samen te wonen. -Zij kon haar warong aanhouden, wat het hare was zou het hare blijven, -hèm was het enkel om haar zelf te doen. - -Maar Li weigerde zóó abrupt, dat de Leeuw reeds bij het eerste woord -inzag dat hij zijn doel gemist had en de hem door Korman opgedragen -last onuitvoerbaar was. Maar toen Li in haar verontwaardiging verder -ging, hem vragende wat hem de vermetelheid gegeven had die vraag tot -haar te richten, zij de pleegdochter van Messner, de voormalige nonja -besaar van Watoeombo, hij de peranakan [120] die onder den titel van -opzichter het werk van een mandoer verrichtte, toen werd hij kwaad en -glimlachte onderdanig. Bij zichzelven zwerende dat hij het haar betaald -zou zetten, vroeg hij verschooning; de nonja moest hem niet kwalijk -nemen, zij had het zelf gezegd, hij was maar een domme sinjo; hij -hoopte dat de nonja het vergeten zou wat hij in zijn dwaasheid gezegd -had, en weer vriendelijk zijn tegen hem als vroeger. - -Nu, daar had Li niets tegen te zeggen en anders dan vriendelijk kon zij -niet zijn, tenzij men haar beleedigde. Twee maanden verliepen en de -Leeuw scheen zijn verlangen geheel te hebben opgegeven. Het eenige wat -er hem nog aan herinnerde was de bijna dagelijksche kijfpartij van zijn -eigen huishoudster, die op onverklaarbare wijze er achter was gekomen -dat hij haar tegen Li had willen verwisselen, en geen gelegenheid -onbenut liet om hem daarover het leven zuur te maken. Doch ook aan het -geduld van een man als de Leeuw komt een eind, zoodat hij op zekeren -middag zijn javaansche wederhelft de deur uitschopte met verzoek er -nooit weer in te komen. - -Toen Li hiervan hoorde vreesde zij voor herhalingen van het vroeger -gebeurde, doch zij was weldra gerustgesteld. Met kalme openhartigheid -vertelde de Leeuw haar hoe het gegaan was, en dat hij eigenlijk blij -was dat deze vrouw zijn huis verlaten had, want hij had een nichtje in -de stad, die al lang bij hem had willen komen. Zij was baboe bij een -europeesche familie, maar dat beviel haar niet; zoodra hij eens -permissie kon krijgen van meneer Messner zou hij haar gaan halen. Of Li -niet een goed woordje voor hem doen wilde; hij durfde het zoo in eens -niet vragen. - -’s Avonds was er betaling. Voor Li bracht die een groote drukte mee; -want als het volk geld ontving, kwam het de schulden afdoen, die in den -loop der vijf dagen gemaakt waren voor rijst en andere levensmiddelen. -Zij stond dan een uur en soms langer voor de opening, in den -bamboe-wand van haar toko, die met een neerslaande plank, tevens -toonbank, gesloten kon worden. En aardig was het te zien hoe zij zonder -iets te hebben opgeschreven, precies wist hoeveel elk der twee à -driehonderd koelies schuldig was. Niet alleen de eindsom, maar was er -een enkele maal geschil, dan herinnerde zij den man wat hij gister en -eergister en zoo tot vijf dagen geleden gehaald had, soms voor de -waarde van een of twee duiten, en altijd kwam het uit. - -De Leeuw had de betaling tot het eind toe bijgewoond, Messner helpende -met het oplezen der namen en het bedrag der verdiende loonen. Daarna -ging hij naar huis, om een oogenblik later weer te voorschijn te komen -met een zwart jasje over zijn kabaja. Even bleef hij staan kijken naar -de verlichte opening, waarachter Li stond, en toen sloop hij om de -opeengepakte massa der koelies heen en ongezien de deur van Li’s woning -binnen. - -In het midden van het vertrek, grenzende aan de warong, stond een tafel -en daarop een blaadje met een theeservies. De hanglamp, laag -neergedraaid, verspreidde een onzeker licht. Vlug en zonder gedruisch, -daar hij op zijn bloote voeten liep, begaf zich de Leeuw naar het -midden der kamer, lichtte het deksel van den trekpot op, stortte er den -inhoud van een klein zakje in en wilde zich even ongemerkt verwijderen, -toen hij plotseling in den hoek een oude javaansche vrouw zag zitten. -Het was Li’s eenige bediende, die daar op een matje de kleine Frieda in -slaap schommelde. - -„Het is een liefdedrank”, fluisterde hij haar toe: „als je ’t zegt maak -ik je dood.” - -De oude vrouw knipte even met de oogen ten teeken dat zij gerustgesteld -was, en de Leeuw haastte zich naar buiten. - -Een groot uur later lag de geheele kampong in diepe rust. De wachtman -vóór Messner’s huis gaf op een kleine kenthong het uur aan. Elf slagen. -Toen opende zich de deur van de Leeuw’s woning, en voor de tweede maal -dien nacht sloeg de opzichter den weg in naar de warong. Daar gekomen -haalde hij een scherp mesje uit zijn zak en sneed de bamboe touwen -door, die in de plaats van scharnieren, dienst deden aan de voordeur. -Binnengekomen verving hij de doorgesnedene door nieuwe, en opende -daarna de houten schuif. - -Op den tast ging hij de kamer door en het volgend vertrek binnen. Op de -waschtafel brandde een nachtlampje. Links een klein bedje, rechts een -groot, en daarin lag Li, blijkbaar ingeslapen eer zij gewild had, want -zij was nog geheel gekleed zooals zij ’s avonds in de warong gestaan -had. - -De Leeuw nam de slapende op en droeg haar weg. Bij het uitgaan liet hij -de deur op een kier. Het was een heel werk; driemaal moest hij rusten -eer hij thuis was, maar toen Li eindelijk op zijn bed lag beschouwde -hij haar met glinsterende oogen. Zijn wraak was gelukt. - -De wachtman deed zijn ronde, de laatste vóór den morgen. In de -nabijheid van Li’s huis gekomen, hoorde hij het kindje schreien. Dat -was niets bijzonders, de kleine Frieda koos dikwijls de stilte van den -nacht uit om haar longen te oefenen, doch deze inlander, zoo door zijn -geheele natuur als door zijn betrekking gewoon meer dienst van zijn -zintuigen te hebben dan elk europeaan, hoorde in het schreien ditmaal -iets buitengewoons. Want een kind drukt daarmee meer uit dan de meesten -weten. De wachtman hoorde dat de moeder het niet in de armen had, en -meenende dat Li wellicht doorsliep, klopte hij even tegen den wand. -Doch er kwam geen antwoord. Dat vond hij nog vreemder, en omloopende -bemerkte hij de geopende deur. Onder het waarschuwend geroep van „Nja, -Nja!” [121] naar binnen gaande, bereikte hij de slaapkamer waar het -kind alleen was. Op den grond lag een vuil notitieboekje. De wachtman -kende het; elken morgen zag hij daarin den opzichter schrijven, als de -toewan besaar hem iets gelastte. Hij ging Messner wekken. - -„Verdoemde gladakker!” Deze woorden, gevolgd door een greep in zijn -haar, een ruk die hem uit het bed haalde en een hevigen slag in het -gezicht, deden de Leeuw ontwaken uit zijn zoete droomen. - -„Is-t-er van wegens de liefde,” stotterde hij opkrabbelende. - -„Liefde, ploert?” brulde Messner buiten zich zelf van woede, en hij -liet zijn hand voor de tweede maal neerkomen in het gelaat van de -Leeuw; en nog eens, tot deze neerstortte. Toen trapte hij hem in een -hoek, en begaf zich naar het bed. - -„Li, Li!” riep hij haar schuddende. „Dacht ik het niet!” liet hij er op -volgen; „zij zou het nooit gedaan hebben.” Toen nam hij Li in zijn -armen en op dezelfde wijze als zij in dit huis gekomen was, werd zij er -weer uitgedragen. - -„Zorg dat je binnen vijf minuten de onderneming af bent,” zeide Messner -in ’t voorbijgaan tot de Leeuw, die nog steeds lag waar hij gevallen -was. - -Drie dagen later kwam een brief van Korman. Hij verweet daarin Messner -diens eigenwijsheid om Li op Donowarie te houden. Ten eerste was het -voor hem ondoenlijk zijn plichten waar te nemen als superintendent; -doch dat daargelaten, was er het treurig gevolg van geweest dat Li zich -gegeven had aan dien de Leeuw—want daarvan was hem bericht geworden. -Natuurlijk verviel thans de maandelijksche toelage, die hij alleen zoo -hoog gesteld had om Li in staat te stellen haar goeden naam aldus te -bewaren, dat zij later haar kinderen zonder schaamte te gemoet kon -treden.... - -Messner was in het molenhuis toen hem deze brief gebracht werd. -Verontwaardigd liep hij naar huis om hem aan Zus te toonen. Halverwege -bemerkte hij dat verscheiden inlanders hem volgden, waaronder zijn -wachtman. - -„Waar gaan jelui heen?” vroeg hij. - -„Wij volgen meneer,” klonk het terug. - -„Zoo; heb jelui iets?” - -„Neen, meneer,” zeide de wachtman naar voren tredende, „maar die toewan -ziender, dien meneer heeft weggejaagd, heeft gezegd dat hij meneer zou -vermoorden. En nu passen wij op.” - -„Weest maar niet bang,” zeide Messner lachend. „Is hij dan hier op het -land?” - -„Neen meneer; hij is in de dessa.” - -Zus ontving het bericht van Korman’s handelwijze met een uitdrukking -van de grootste verachting. - -„Soedah,” zeide zij, „laat maar. Het zal ons kind aan niets ontbreken.” -Doch Messner, hoewel in hoofdzaak het met haar eens zijnde, vond toch -dat hij er eens over spreken moest met van Os. De drukte belette hem -echter daarheen te gaan voor den volgenden avond zes uur, het einde van -den werktijd. - -Op Marialand keurde men Korman’s daad evenzeer af, en van Os nam op -zich er zijn aangetrouwden neef over te onderhouden. Hielp dat niet, -dan zou mevrouw er Caroline over spreken. - -Blij met deze toezeggingen reed Messner, na het avondeten te hebben -gebruikt, terug naar Donowarie. Voor zijn huis steeg hij van het paard, -omziende naar den wachtman die het anders gewoonlijk van hem overnam. -Zus die hem had hooren aankomen, opende de deur der binnengalerij. - -Op dat oogenblik zag hij een vlam; een scherp gesis vlak langs zijn -hoofd deed hem onwillekeurig bukken, toen een knal... eindelijk een -gehuil als van een wild dier, een twintigtal passen van hem af. Hij -wilde er heen gaan, toen een slag als van een vallend lichaam in de -voorgalerij zijn aandacht daarheen trok. - -In de deuropening lag Zus, voorover, dood. - -De bedienden schoten toe, en te midden van het gejammer dat zij -aanhieven, droeg Messner het lijk zijner huishoudster naar binnen. - -Toen hij weer op den drempel verscheen waar zooeven Zus gevallen was, -zag hij doodelijk bleek; zijn gelaat droeg een uitdrukking als van -iemand die een wanhopig maar onverzettelijk besluit genomen heeft. Op -het voorpleintje stond het vol menschen, maar niemand sprak. Verder op -den weg verwijderde zich een groepje, dat Messner, in het licht staande -van het wachtvuur, echter niet zag. - -„Waar is hij?” vroeg Messner zacht, en toch zóó dat het zelfs de -flegmatieke inlanders deed huiveren. „Welnu, antwoordt niemand?” - -„Meneer,” zeide eindelijk de kapala-kampong, voor hem neerhurkende, „de -wachtman had schuld...” - -„De wachtman heeft hem gevangen; ik heb het duidelijk gehoord; die -schreeuw was van hem,” zeide Messner. „Maar waar is hij?” - -„Wij dachten: het is beter dat de politie...” - -„Geen politie,” viel Messner haastig in. „Breng hem hier; ik zal hem -richten.” En weer ging een rilling door de omstanders. - -„Het is beter dat meneer niet naar hem vraagt,” zeide toen de -kapala-kampong. „Zooals ik reeds aan meneer gezegd heb, de wachtman had -schuld dat hij ons niet opriep. Hij zal niet voor meneer verschijnen -eer die schuld is afgelost.” - -„Hm,” deed Messner. „’t Is misschien beter zoo.” En hij ging weer naar -binnen. - -„Wil meneer dat ik kennis ga geven aan den assistent-wedhono?” riep hem -het kampong-hoofd achterna. - -„’t Is goed.” - -In de slaapkamer stond Li, over het doode lichaam heengebogen, en Zus -oproepende om tot haar weer te keeren; helaas, tevergeefs! - -Messner knielde neer voor het bed en schreide. - -De assistent-wedhono had het druk, den volgenden morgen. Een boodschap -van Donowarie, dat er een moord gepleegd was op de huishoudster van den -administrateur, een tweede bericht uit de naburige dessa dat daar een -indo-europeaan was doodgeslagen door een beleedigd echtgenoot die hem -in flagranti gesnapt had! Hij zond een paar beambten naar het -koffieland en wachtte zelf de komst af van den gearresteerde uit de -dessa. - -Het was de wachtman van Donowarie. Uit het voorloopig verhoor bleek dat -hij ’s nachts was thuisgekomen in de dessa, waar de oudste zijner twee -vrouwen, die zijn belangen daar waarnam, een huis bewoonde, en gevonden -had den verslagene, juist op het oogenblik dat de tegenweer die zijn -vrouw bood, begon te verslappen. Hij had toen een aloe opgenomen en er -op los geslagen. - -„Heeft die man zich zelf overgegeven?” vroeg de assistent-wedhono. En -op bevestigend antwoord gelastte hij den wachtman vrij te laten, op -voorwaarde dat hij ter beschikking zou zijn als men hem mocht noodig -hebben. - -Daarop liet de politie-man zijn paard voorkomen en reed naar Donowarie. -Wat hij daar vernam bracht hem in niet geringe verlegenheid. De -verdachte van den moord en de doodgeslagene in de dessa één en dezelfde -persoon! Zijn javaansch rechtsgevoel zeide hem dat hier een vonnis -voltrokken was, dat rechtvaardig aan alle kanten, behoorde te blijven -rusten; maar hoe dat te vereenigen met zijn plicht als ambtenaar? -Soedah, de wedhono moest het maar weten, en aan dezen werd het rapport -opgezonden. De wedhono stuurde het naar den djaksa; doch of het -onderweg verongelukt is, dan wel door laatstgenoemden ambtenaar -vergeten, kon niemand zeggen. - - - -Eenige jaren zijn verloopen. Marialand, sedert lang vrijgewerkt, is -door van Os verkocht, en deze vertrok met vrouw en kinderen naar -Europa. - -De oude heer Messner, hoewel met bijna even groot succes zijn -onderneming drijvende, wil die niet overdoen. Het graf van Zus houdt -hem daar. Frieda zal mettertijd een rijke erfgename worden, als zij het -noodlot ontkomt dat de meeste indische fortuinen boven het hoofd -schijnt te hangen. - -Watoeombo steekt nog diep in de schuld, die wel ieder jaar minder -wordt, maar ach zoo weinig. Korman heeft aan zijn voornemen om het land -te verlaten geen gevolg gegeven. Wel heeft zijn vrouw nu het dubbele -van haar vroeger vermogen en slechts twee kinderen, maar hij kan niet -scheiden van de bron die zulke zoete inkomsten geeft. Bij zijn -knoeierijen, waarvan Caroline echter niet weet, helpt hem Brisson, een -treurig vervallen sujet. Behalve deze zijn er geen volbloed-europeanen -op Watoeombo. Bedouin Starke en Biezeman vonden elders betrekkingen. - -Aan de andere zijde van het gebergte zetelt Rencke als administrateur. -Hij nam de helft van het land over en hoopt daarmee fortuin te maken. -En wie weet, er is een trek naar gronden in zijn buurt, misschien -verkoopt hij de vijfhonderd bouws, die hij op speculatie aanvroeg, wel -voor een goede som. - -Li steunt Messner bij zijn pogen om Frieda op te voeden, en wordt door -allen die met haar in aanraking komen hoog geacht. - - - -En Benoit, die eenmaal zeide: „Ik werk liever met een pinteren -gladakker dan met een eerlijken stommerik,”—zou hij bij die opinie -gebleven zijn? - - - EINDE. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Grassoort, omtrent drie meter hoog. - -[2] Genoeg! soit! - -[3] Slimme schavuit. - -[4] Javaansch districtshoofd. - -[5] Daar is de rivier. - -[6] Eveneens een hooge grassoort. - -[7] Rivier. - -[8] Door geesten bewoond. - -[9] Vlam in hout, rotting enz. - -[10] Mindere geestelijke. - -[11] Dorp. - -[12] Moeite, gezanik. - -[13] Gewijd feestje. - -[14] Met saamgevoegde handen het voorhoofd aanraken. - -[15] Hut. - -[16] Stad. - -[17] Op z’n gemak, zonder Sehnsucht. - -[18] Javaansche huishoudster. - -[19] Titel eener chineesche getrouwde dame. - -[20] Werklieden, geen vakmannen. - -[21] Tijdelijk verblijf. - -[22] Een soort hak. - -[23] Gordijn. - -[24] Letterlijk: Ik smeek (om verlof te mogen spreken met) uwe genade. - -[25] Gebakken rijst. - -[26] Bergrug. - -[27] Arit = kapmes. - -[28] Houd even op. - -[29] Als een sarong, doch niet toegenaaid en langer. - -[30] Smaller dito. Als kain en kemben van dezelfde teekening zijn, heet -dat: sawitan. - -[31] Bericht. - -[32] Opzichter (javaansch). - -[33] Groote heer. - -[34] Waterpassen. - -[35] Dammetjes der rijstvelden. - -[36] Hond. - -[37] Oudere broer. - -[38] Javaansche wijk. - -[39] Moed, moedig. - -[40] Vrijdag, én de javaansche dag legie. - -[41] Postlooper. - -[42] Heg. - -[43] Dak op stijlen. - -[44] Losse stallen. - -[45] Nieuwe meneer. - -[46] Medelijden. Hier als uitroep. - -[47] Gevlekt paard, schek. - -[48] Meneer verstaat de kunst. - -[49] Rustbank. - -[50] Jonge plant, stek, zaad. - -[51] Hol blok. - -[52] Kamponghoofd. - -[53] Heel mooi. - -[54] Kom, licht op! - -[55] Bittertje. - -[56] Een vergiftige plant, sterk verdoovend. - -[57] Tobben, peinzen. - -[58] Rijksdaalder. - -[59] Familielid. - -[60] Bamboe muziekinstrument. - -[61] Een lange, gebatikte shawl. - -[62] Gaat het goed? - -[63] Hollanders. - -[64] Juffrouw. - -[65] (Be)ndoro = genadig. - -[66] Ziender = javanisme van „opziener”. - -[67] Stortvloed. - -[68] Smeerlap. - -[69] Draagstok. - -[70] Parapluie. - -[71] Lastpaard. - -[72] Oude vrouw, moedertje. - -[73] Reeds. - -[74] Bijl. - -[75] Letterlijk: op kinderen gelijkend. - -[76] Draagstok. - -[77] Opleidingsschool voor kader, te Gombong. - -[78] Niet doen, meneer. - -[79] Hoeden. - -[80] Dranken, gewoonlijk gebruikt voor morgendranken. - -[81] Meiden, alle vrouwelijke dienstboden behalve de kokki. - -[82] Inlandsche honden, steilooren, meton. voor schavuiten. - -[83] Streken. - -[84] Ongepelde rijst (haver). - -[85] Paleis... huis van den chef. - -[86] Eerbied... sbewijzen. - -[87] Uitroep van pijn. - -[88] Gewoonte. - -[89] Heil! - -[90] Houten pakzadel. - -[91] Kaart; ’n onomatopee. - -[92] In ernst, werkelijk. - -[93] Precies hetzelfde. - -[94] Ingeboet. - -[95] Kuren. - -[96] Provisiekamer. - -[97] Platte wan. - -[98] Faeces. - -[99] Door wrijving ontbolsteren. - -[100] Inlandsche beambte voor de ontvangst der koffie. - -[101] Breede ronde hoed van bamboe gevlochten. - -[102] Spaansche peper. - -[103] Gebak, snoeperij. - -[104] Javaansch adellijke. - -[105] Ja heer. - -[106] Medicijn. - -[107] Helder. - -[108] De djatibosschen op Java zijn gouvernements-eigendom. - -[109] Helderheid. - -[110] Pen, boven aan den stijl, om in den ligger gelaten te worden. - -[111] Njonja = mevrouw. - -[112] Snorwagen. - -[113] Jongens, bedienden. - -[114] Waarlijk?—Is dat zoo? - -[115] Draagstoel. - -[116] Prinsen. - -[117] Ga mee! - -[118] De vijftiende plank. - -[119] Javaansche winkel van eetwaren. - -[120] Kind van het land. - -[121] Afkorting van nonja. - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE KOFFIE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
