1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
189
190
191
192
193
194
195
196
197
198
199
200
201
202
203
204
205
206
207
208
209
210
211
212
213
214
215
216
217
218
219
220
221
222
223
224
225
226
227
228
229
230
231
232
233
234
235
236
237
238
239
240
241
242
243
244
245
246
247
248
249
250
251
252
253
254
255
256
257
258
259
260
261
262
263
264
265
266
267
268
269
270
271
272
273
274
275
276
277
278
279
280
281
282
283
284
285
286
287
288
289
290
291
292
293
294
295
296
297
298
299
300
301
302
303
304
305
306
307
308
309
310
311
312
313
314
315
316
317
318
319
320
321
322
323
324
325
326
327
328
329
330
331
332
333
334
335
336
337
338
339
340
341
342
343
344
345
346
347
348
349
350
351
352
353
354
355
356
|
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 69396 ***
SINT NIKOLAAS
EN ZIJN
KNECHT.
DOOR
J. SCHENKMAN.
AMSTERDAM,
G. THEOD. BOM.
Jeugdige vriendjes! gaat vrolijk en blij,
Hier in dit boekje de prentjes beschouwen;
Leest er de versjes al lagchende bij,
(Immers dit kunt gij, zoo als wij vertrouwen.)
Ziet hoe Sint Niklaas zijn leven soms waagt,
Om u genoegen en vreugde te geven.
O, dat gij altijd zóó deugdzaam mogt leven,
Dat hij zich nimmer die moeite beklaagt.
J. S.
AANKOMST VAN SINT NIKOLAAS.
Zie, ginds komt de Stoomboot
Uit Spanje weêr aan;
Zij brengt ons Sint Niklaas,
Ik zie hem reeds staan!
Hoe huppelt zijn paardje
Het dek op en neêr,
Hoe waaijen de wimpels
Al heen en al weêr!
Zijn knecht staat te lagchen,
En wenkt ons reeds toe:
„Wie zoet is krijgt lekkers,
„Wie stout was—een roê.”
PLEGTIGE INTOGT VAN SINT NIKOLAAS.
Daar rijdt hij de stad door,
Op ’t prachtigst gekleed;
Zijn knecht draagt de geldkist
O, zie hoe hij zweet.
Het regent er bloemen,
Elk jubelt en juicht,
Terwijl zich Sint Niklaas
Op ’t vriendelijkst buigt.
Één echter verschuilt zich,
En tracht hem te ontvliên,
’t Is Willem, een domoor,
Maar ’t wordt ras gezien.
ST. NIKOLAAS BIJ DEN BANKETBAKKER.
Wat heerlijke Poppen!
Wat keurig banket
Staat hier voor de glazen,
Zoo sierlijk en net!
Wie trad er naar binnen?
O, gluur door die ruit!
De Bisschop koopt alles;
Zijn knecht draagt het uit.
’t Zijn zakken vol lekkers,
En koeken er bij;
O, kreeg ik er ééntje
Wat was ik dan blij!
ST. NIKOLAAS IN DEN BOEKWINKEL.
Wel hoe! kwam Sint Niklaas
Zoo waar nu weêr hier,
Om boekjes te koopen?—
Dat doet mij pleizier;
Want zie, dat ’s nog beter
Dan koek of banket;
Een boekje met prentjes
Geeft jaren lang pret.
O, vond ik er morgen
Maar een in mijn schoen!
’k Gaf hem en zijn knecht dan
Een hand en een zoen.
ST. NIKOLAAS OP DEN SCHOORSTEEN.
O, zie eens naar boven!
Maar schrik er niet van.
Wat ziet ge op dien schoorsteen?
Een paard en een’ man!
Ja zeker, hij is het!
Zijn knecht staat er bij;
Hij gluurt naar beneden,
Misschien wel naar mij!
Ik groet u, Sint Niklaas!
Houd vrij mij in ’t oog,
Graag kwam ik eens bij u,
Maar ’t dak is zoo hoog.
ST. NIKOLAAS LUISTERT AAN DE DEUR.
Wie gluurt daar door ’t reetje?
De deur is niet digt!
’t Is Niklaas, die luistert
Wat ieder verrigt.
Wie traag is in ’t leeren,
Of stout is of boos,
Sint Niklaas hoort alles,
Hij luistert altoos!
Hem kan men niet foppen,
Geloof mij opregt,
Wat hij niet gezien heeft,
Vertelt hem zijn knecht.
ST. NIKOLAAS HOUDT BOEK.
Sint Niklaas, de Bisschop,
Schrijft hier in zijn boek,
Al wat hij gehoord heeft
Bij ’t jaarlijksch bezoek.
Wie zoet was of stout was,
Hij voegt het er bij;
Wat zou hij wel schrijven
Van u en van mij?—
O, vraag het zijn knecht eens,
Die maakt toch dit jaar.
Voor al, wie niet stout was,
De zakjes weêr klaar.
ST. NIKOLAAS OP STROOIAVOND.
Het leeft in den schoorsteen,
Hoor, hoor dat geraas!
Hoe rollen hier de app’len,
’t Is vast Sint Niklaas!
Maar neen... ’t Is zijn knechtje,
Dat zwart is van kleur;
Want ginds staat de Bisschop,
Voor de opene deur.
Zing spoedig een liedje,
Zie, zie, hoe hij gooit!
Hoe harder wij zingen,
Hoe ruimer hij strooit.
ST. NIKOLAAS IN DE SCHOOL.
„Wel meester! hoe gaat het
„Met Mina en Koo?”
„„Ja waarde Sint Niklaas!
„„Dat is maar, zóó, zóó!””
„Verdienen ze een prijsje
„Of zijn zij ’t niet waard?”
„„Zij zijn als al de and’ren,
„„Wat vrolijk van aard.”
„Welnu dan, wie stil is
„En vlijtig hier leert,
„Ziet, als ik terug kom,
„Een prijs zich vereerd.”
ST. NIKOLAAS IN DE KINDERKAMER.
Een tafel vol speelgoed!
Wie had dit verwacht?
Nog nooit heeft Sint Niklaas
Zóó ruim ons bedacht.
Een zak Chocolaadjes!
Een mand vol banket!
Vier boeken met prentjes,
Zoo keurig en net!
En dan nog voor ieder
Een letter er bij!
O, was ieder kind, zoo
Gelukkig als wij!
ST. NIKOLAAS BIJ GROOTMAMA.
Wel Grootma, wel Grootma!
Kijk, dat vind ik mooi!
Een tafel vol lekkers,
En dat voor wat hooi!
Hoe klein was mijn schoentje,
Hoe groot dit present!
En dan nog een boekje,
Een doos, en een prent!
Wel Grootma, wel Grootma!
O geef mij een zoen!
Ik breng, na een jaartje,
Op nieuw u mijn schoen.
ST. NIKOLAAS BIJ EEN RIJK KIND.
„Sint Niklaas! kom binnen,
„Wat moois brengt gij mee?
„Graag had ik een boekje!....
„„Ik schenk u er twee.
„„Het een zal u leeren,
„„Dat Godsvrucht en deugd
„„Meer waard zijn dan schatten,
„„De bron zijn van vreugd.
„„Het tweede toont klaar u,
„„Wat vreugd men geniet,
„„Zoo men van zijn’ rijkdom
„„Ook d’ armen iets biedt.
ST. NIKOLAAS BIJ EEN’ SNOEPER.
De trommel is vol nog!
Geen mensch, die mij ziet;
Dus spoedig een koekje,
Dat mist men toch niet.
Help! Hemel, wat is dat,
Wie grijpt mij bij ’t oor?
O wee! ’t is Sint Niklaas,
Hoe raak ik er door!
Ach, Bisschop van Spanje!
Ach, laat mij maar gaan,
’k Zal nooit aan den trommel
Mijn handen weêr slaan.
ST. NIKOLAAS BIJ EEN ARM KIND.
Wel is het Sint Niklaas,
Maar ach! niet voor mij!
Vast gaat hij ons hutje
Stilzwijgend voorbij!
O, mogt hij er komen,
Dan kreeg ik toch iets!
Elk krijgt wat van avond,
Maar ik, helaas niets!
’k Ben arm! ... maar wat zie ik?
Een pop van taai taai!
O foei!—en ik morde!
Neen, dat was niet fraai!
ST. NIKOLAAS BIJ STOUTE KINDEREN.
Ei, ei, die Sint Niklaas
Is lang na niet mak!
Daar stopt hij twee knaapjes
Pardoes in zijn zak.
’t Is loon vast naar werken,
En rijklijk verdiend.
Hij straft niet graag kindren,
Maar is hun een vriend.
O Bisschop! vergeef hun
Deez’ enkelen keer,
Schenk, schenk hun genade,
Zij doen het nooit weêr!
ST. NIKOLAAS VERTREKT.
Sint Niklaas vertrekt weêr!
Gebruik slechts uw oog,
Daar stijgt hij op ’t paardje
Per Luchtbal omhoog.
Zijn knecht zit in ’t schuitje,
Maar rilt als een blad;
’k Wed dat hij veel liever
In ’t Stoomschip weer zat!
De Bisschop lacht hartlijk,
En vreest geen gevaar;
Maar groet nog zijn vriendjes,
Tot ’t volgende jaar.
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 69396 ***
|