summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/75933-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '75933-0.txt')
-rw-r--r--75933-0.txt22006
1 files changed, 22006 insertions, 0 deletions
diff --git a/75933-0.txt b/75933-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..204a959
--- /dev/null
+++ b/75933-0.txt
@@ -0,0 +1,22006 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75933 ***
+
+
+
+
+
+ WALTER SCOTT.
+
+ WAVERLEY,
+ of
+ ZESTIG JAAR GELEDEN.
+
+
+ UIT HET ENGELSCH OP NIEUW BEWERKT
+ DOOR
+ Dr. M. P. Lindo.
+
+
+ LEIDEN, DELFT,
+ S. C. VAN DOESBURGH. IJKEMA & VAN GIJN.
+
+ 1872.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Onder welken Koning, Bezonier, dient gij? Spreek of sterf.
+
+ HENDRIK IV, Tweede gedeelte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ EERSTE DEEL.
+
+
+ WAVERLEY,
+ of
+ ZESTIG JAAR GELEDEN.
+
+
+Het plan van deze uitgave legt mij de verplichting op, een paar woorden
+te spreken over de gebeurtenissen, die den roman van Waverley ten
+grondslag liggen. Zij zijn reeds aan het publiek medegedeeld door een
+diepbetreurden vriend, wijlen den heer William Erskine [1] (later Lord
+Kinnedder) in zijn overzicht in de „Quarterly Review van 1807” van de
+„Verhalen van mijn waard.” De daarin voorkomende bijzonderheden had de
+verslaggever van den schrijver zelven vernomen. Later werden ze in de
+voorrede van de „Kronieken van de Kanunnikspoort” medegedeeld; hier
+vinden ze thans hare eigenaardige plaats.
+
+De bescherming, door Waverley en Talbot elkander wederkeerig verleend,
+en waarop de geheele intrigue van den roman berust, is gegrond op een
+dier anecdoten, die zelfs het wreede karakter van den burgeroorlog
+verzachten; en daar het feit even vereerend is voor beide partijen,
+aarzelen wij geen oogenblik de namen te noemen. Toen de Hooglanders, op
+den morgen van den slag van Preston in 1745, hun beroemden aanval deden
+op het leger van Sir John Cope, werd eene batterij van vier veldstukken
+aangetast en vermeesterd door de Camerons en de Stewarts van Appine.
+Wijlen Alexander Stewart van Invernahyle was in de voorste gelederen
+der aanvallers en ontwaarde een officier van het leger des Konings,
+die, daar hij niet in de algemeene vlucht deelen wilde, met den degen
+in de hand bleef staan, alsof hij besloten had zijn post tot zijn
+laatsten ademtocht te verdedigen. De Hooglandsche edelman riep hem toe,
+dat hij zich zou overgeven, en ontving tot antwoord een degenstoot,
+dien hij met zijn schild afweerde. De officier was nu geheel weerloos,
+en toen de strijdbijl van een reusachtigen Hooglander (de molenaar van
+Invernahyle) reeds opgeheven was om hem de hersenen te verbrijzelen,
+had de heer Stewart nog moeite, om hem over te halen zich over te
+geven. Hij droeg vervolgens zorg voor hetgeen de gevangene bezat,
+beschermde hem persoonlijk en verkreeg eindelijk, dat hij op zijn woord
+van eer in vrijheid gesteld werd. De officier bleek te zijn de kolonel
+Whitefoord, een hooggeacht en invloedrijk edelman uit Ayrshire, innig
+gehecht aan het huis van Hannover. Evenwel ontstond er, in weerwil
+hunner verschillende staatkundige richting, tusschen deze beide
+eeremannen zulk eene vertrouwelijkheid, dat, terwijl de burgeroorlog in
+al zijne verschrikkelijkheid woedde, en de uit het leger der
+Hooglanders verdwaalde officieren dagelijks, zonder de minste genade,
+ter dood gebracht werden. Invernahyle, die in de Hooglanden was om
+nieuwe recruten aan te werven, niet aarzelde, om onderweg een bezoek af
+te leggen bij zijn vroegeren gevangene, en een paar dagen in Ayrshire,
+in het gezelschap van de Whigsche vrienden van kolonel Whitefoord
+sleet, even aangenaam en even opgeruimd, alsof alles in het rond niets
+dan vrede geademd had.
+
+Toen de slag van Culloden een einde had gemaakt aan de verwachtingen
+van Karel Eduard, en zijne vogelvrij verklaarde aanhangers verstrooid
+had, was het kolonel Whitefoord’s beurt, alle pogingen in het werk te
+stellen, om genade voor den heer Stewart te verwerven. Hij bezocht
+daartoe den opperrechter Clark en den Advocaat-Generaal, alsmede alle
+mogelijke autoriteiten, en bij al die bezoeken werd hem eene lijst
+voorgelegd, waarop achter Invernahyles naam, (zoo als de goede oude
+heer gewoon was zich uit te drukken) „het teeken van het beest” gezet
+was, als iemand die onwaardig was gunst of vergiffenis te erlangen.
+
+Eindelijk wendde kolonel Whitefoord zich in persoon tot den hertog van
+Cumberland. Ook van dezen ontving hij een stellig weigerend antwoord.
+Hij beperkte daarop voor het oogenblik zijn verzoek tot eene bede om
+bescherming voor Stewarts huis, echtgenoote en kinderen. Daar ook dit
+door den Hertog geweigerd werd, haalde hij zijne aanstelling als
+officier uit den zak, en legde die met diepe aandoening op de tafel
+voor Zijne Koninklijke Hoogheid, terwijl hij verlof vroeg, om de dienst
+te verlaten van een souverein, die een overwonnen vijand niet te sparen
+wist. De Hertog werd getroffen en zelfs geroerd. Hij verzocht den
+Kolonel zijne aanstelling terug te nemen, en zeide hem de gevraagde
+bescherming toe. Deze vergunning kwam juist bij tijds, om het huis, het
+koorn en het vee te Invernahyle te redden van de soldaten, die bezig
+waren met wat door hen „het vijandelijke land” genoemd, werd, te
+verwoesten. Er werd eene kleine afdeeling troepen op de heerlijkheid
+van Invernahyle gelegd, die zij bleven sparen, terwijl ze in den omtrek
+alles uitplunderden, en overal de hoofden van den opstand, en in de
+eerste plaats Stewart zelven, trachtten op te sporen. Hij was echter
+veel dichterbij dan ze wel vermoedden, want (even als de Baron van
+Bradwardine) in een kelder verborgen, was hij verscheidene dagen lang
+zoo nabij de Engelsche soldaten, dat hij hunne namen bij het appèl kon
+hooren afroepen. Zijn voedsel werd hem door een zijner dochtertjes, ter
+nauwernood acht jaar oud, gebracht, aan wie mevrouw Stewart verplicht
+was geworden deze zorg op te dragen, daar al hare gangen zoowel als die
+der oudere leden van haar gezin, van nabij bespied werden. Met een
+beleid ver boven hare jaren, maakte dit kind er eene gewoonte van, zich
+onder de soldaten, die haar zeer lief hadden, te mengen, en nam dan het
+oogenblik waar, dat zij onopgemerkt het bosch kon binnendringen om
+haren geringen voorraad mondbehoeften op eene bepaalde plaats neder te
+zetten, waar haar vader dien zou kunnen vinden. Door middel van deze,
+op ongeregelde tijden aangebrachte hulp, werd Invernahyle gedurende
+verscheidene weken in ’t leven gehouden en daar hij in den slag van
+Culloden gewond was, werd zijne zielesmart niet weinig door lichamelijk
+lijden vermeerderd. Nadat de soldaten verlegd waren, ontstapte hij
+nogmaals op eene wonderbaarlijke wijze aan een niet minder dreigend
+gevaar.
+
+Toen hij het eens waagde zich des avonds naar zijn huis te begeven, dat
+hij bij het krieken van den dag verliet, werd hij door een vijandelijk
+detachement verrast, dat hem achtervolgde en op hem vuurde. Daar hij
+gelukkig genoeg was aan de soldaten te ontsnappen, keerden zij naar het
+huis terug, en brachten eene beschuldiging tegen zijne familie in, dat
+zij een der vogelvrijverklaarde bannelingen een schuilplaats verleende.
+Eene oude vrouw bezat tegenwoordigheid van geest genoeg om tegen hen
+vol te houden dat het de schaapherder was geweest, dien ze gezien
+hadden. „Waarom bleef hij niet staan toen wij hem riepen?” zei de
+krijgsman. „De arme man is doof als een kwartel,” hernam de gevatte
+dienstbode. „Laat hem terstond hier komen.” En de schaapherder werd
+dien ten gevolge van den heuvel gehaald, en daar er gelegenheid was hem
+onderweg zijn les te geven, was hij, toen hij binnenkwam, zoo doof als
+noodig was om het beweerde te staven. Invernahyle werd later begrepen
+in de uitgevaardigde amnestie.
+
+Schrijver dezer heeft hem zeer goed gekend en de bijzonderheden vaak
+uit zijn eigen mond gehoord. Hij was een edele type van den echten
+Hooglander, de afstammeling eener oude familie, beminnenswaardig,
+hoffelijk, dapper en ridderlijk. Hij had, geloof ik, deelgenomen aan
+den opstand van 1715 en 1745 en was gewikkeld geworden in al de
+woelingen, die tusschen deze beide merkwaardige tijdperken in de
+Hooglanden plaats hadden. Ook heb ik, onder meer andere zijner
+heldendaden, hooren gewagen van een tweegevecht op den sabel met den
+beroemden Rob Roy Mac Gregor, te Balquidder.
+
+Invernahyle bevond zich te Edinburgh, toen de zeerover Paul Jones in de
+golf van Forth verscheen, en ofschoon hij een oud man was, zag ik hem
+onder de wapenen, terwijl ik hem hoorde juichen (om zijn eigen woorden
+te bezigen) in het blijde vooruitzicht van nog eens voor zijn dood den
+sabel te zullen trekken. Inderdaad was Invernahyle bij die merkwaardige
+gelegenheid, toen Schotlands hoofdstad door drie kleine sloepen of
+brikken, ter nauwernood in staat om een visschersdorp aan te vallen,
+bedreigd werd, de eenige die in staat scheen een plan tot verdediging
+te beramen.
+
+Hij bood de regeering der stad aan, indien ze hem de noodige sabels en
+dolken wilde leveren, genoeg dappere Hooglanders uit de lagere klassen
+bijeen te brengen om elke bootsbemanning, die de stad binnendrong en
+die zich denkelijk in de nauwe, kronkelende straten zou verspreiden in
+de hoop op roof, in de pan te hakken. Ik weet niet, of zijn voorstel
+ingang vond, maar ben geneigd te gelooven, dat het aan de overheid te
+gevaarlijk moest toeschijnen, die zelfs toen niet verlangen kon de
+Hooglanders te wapenen. Een hevige westewind maakte een einde aan de
+zaak, door Paul Jones met zijn schepen uit de golf te verjagen.
+
+Zoo er in deze herinnering iets vernederends ligt, is het aan den
+anderen kant aangenaam ze te vergelijken met die van den laatsten
+oorlog toen Edinburgh, behalve de gewone krijgsmacht, en de militie,
+een corps vrijwilligers, cavalerie, infanterie en artillerie,
+bijeenbracht, van ongeveer zes duizend man, geheel en al gereed om een
+vrij wat aanzienlijker macht, dan die van den avontuurlijken Amerikaan,
+het hoofd te bieden. De tijden en de omstandigheden brengen in het
+karakter der volken en het lot der steden een omkeer te weeg; en de
+Schot moge zich met welgevallen herinneren, dat de aloude roem van het
+voorgeslacht, sedert een halve eeuw verduisterd, herleefde, toen zijn
+vaderland weder aan zijn eigen zonen de verdediging van hun
+geboortegrond mocht opdragen.
+
+De overige ophelderingen omtrent Waverley zal men vinden in de
+onmisbare noten onder aan de bladzijden. Die welke in ons oog te
+uitvoerig waren, om op die wijze te worden geplaatst, zal men aan het
+einde van het geheele werk aantreffen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+Het publiek heeft aan deze vluchtige schets der oude zeden en gewoonten
+van Schotland een gunstiger onthaal geschonken, dan de schrijver had
+durven hopen of verwachten. Met eene mengeling van dankbaarheid en
+bescheiden voldoening heeft hij vernomen dat zijn werk aan meer dan één
+vermaarden schrijver is toegeschreven. Overwegingen, die hem in zijn
+bijzondere positie gewichtig schenen, vergunden hem niet zijn naam op
+het titelblad van dit boek te doen drukken, om een einde te maken aan
+alle valsche veronderstellingen; zoo dat het, immers voor het
+tegenwoordige, nog in het onzekere blijven moet, of Waverley het werk
+van een dichter of een recensent, van een rechtsgeleerde of een
+geestelijke is, dan wel of de schrijver, om mij van de woorden van
+mevrouw Malaprop [2] te bedienen, „evenals Cerberus – drie personen te
+gelijk is.” Daar er in het werk zelf niets gevonden wordt, behalve
+zijne geringe waarde, dat beletten kan, dat iemand het vaderschap er
+van op zich zou willen nemen, laat de schrijver het aan de eerlijkheid
+van het publiek over, om uit de vele omstandigheden van het
+maatschappelijk leven, er eene te kiezen, welke er hem toe geleid heeft
+zijn naam ook bij deze gelegenheid te verzwijgen. Hij is wellicht een
+voor het eerst optredend acteur en weinig begeerig zich een titel,
+waaraan hij niet gewoon is, te laten aanleunen, of hij is misschien een
+uit de mode geraakt auteur, die zich schaamt dat hij zich te vaak heeft
+vertoond, en die zijne toevlucht tot deze geheimzinnigheid neemt,
+zooals de heldin van het oude blijspel gewoon was zich van haar masker
+te bedienen, om de aandacht van diegenen te trekken, aan wie haar
+gelaat te gemeenzaam bekend was geworden. Hij kan een deftig ambt
+bekleeden, waaraan de naam van romanschrijver niet dan nadeelig zou
+kunnen zijn, of een man uit de groote wereld, wien men het schrijven
+van wat ook als pedanterie zou kunnen aanwrijven. Of, in één woord, hij
+kan te jong zijn, om den titel van schrijver aan te nemen, of zoo oud,
+dat het raadzaam is daarvan af te zien.
+
+De schrijver van Waverley heeft de opmerking omtrent zijn roman hooren
+maken, dat, in het karakter van Callum Beg en in het door den Baron van
+Bradwardine gegeven verhaal, met betrekking tot de kleine vergrijpen
+tegen den eigendom, waarvan hij de Hooglanders beschuldigt, hij hun
+nationaal karakter te hard gevallen is, en dat hij hun onrecht gedaan
+heeft. Niets lag meer buiten zijn wensch en bedoelingen. Het karakter
+van Callum Beg is dat van iemand, die van nature tot het kwade geneigd
+is, en die door de omstandigheden tot eene bijzondere soort van
+boosdoen verlokt wordt. Zij, die de belangrijke brieven over de
+Hooglanden [3], omstreeks 1726 uitgegeven, gelezen hebben, zullen er
+voorbeelden van zulke verfoeielijke karakters in hebben aangetroffen,
+als die welke de schrijver zelf in de gelegenheid was te leeren kennen;
+ofschoon het volstrekt onrechtvaardig zou zijn, dergelijke ellendige
+wezens te beschouwen als de vertegenwoordigers van al de Hooglanders
+uit dat tijdperk, even als de moordenaars van Marr en van Williamson
+[4] geenszins de typen zijn der Engelschen van den tegenwoordigen tijd.
+Wat betreft het plunderen, hetwelk voorondersteld wordt door eenige
+opstandelingen in 1745 gepleegd te zijn, is het noodig te herinneren,
+dat, hoewel de door dit ongelukkige leger afgelegde weg door
+verwoesting noch bloed geteekend was, maar zijn geheele marsch zich
+integendeel door orde en tucht kenmerkte, er evenwel geen leger wordt
+gevonden, dat op den weg door een vijandelijk land zich niet aan
+eenigen roof schuldig maakt; en een aantal vergrijpen, als die welke de
+Baron spottenderwijs aan de Hooglandsche opstandelingen verwijt, werd
+hun in die dagen werkelijk ten laste gelegd. Het bewijs vindt men in
+een aantal overleveringen, en vooral in die, welke van den Ridder des
+Spiegels tot ons gekomen zijn [5].
+
+
+
+ DE SCHRIJVER AAN EEN IEDER IN HET ALGEMEEN.
+
+ Thans, lezer, weet ge uit hart en pen
+ Wat meening ik ben toegedaan;
+ ’t Is noodloos dat kritiek hier schen’,
+ Of gij aan ’t klagen wenscht te gaan;
+ Hoor dus, daar ’k niets verandren kan,
+ ’t Verhaal maar ân.
+
+ Soms was ’t aan weêrszij lang niet goed;
+ Men sloeg in koelen bloede dood;
+ Dat dêen geen liên uit aadlijk bloed,
+ Maar wat uit lager klassen sproot,
+ Wier dolk zelfs geen gewonde ontzag,
+ Waar hij ook lag.
+
+ Te Preston en Falkirk was pas
+ De nacht gezonken, toen reeds ’t zwaard
+ Op menige’ arme aan ’t woeden was;
+ De kreet steeg dan ook hemelwaart:
+ Bij Wilde en Turk heerscht menschelijkheid;
+ Ons is ze ontzeid.
+
+ Wee over zulk een moordlust, wee!
+ Gewonden slachten op het veld!
+ Wat loon brengt niet hun schanddaad meê,
+ Die perk en paal te buiten snelt!
+ Ze roepen voor hun eigen kop
+ Het wraakstaal op.
+
+ ’k Zag wat men Hooglands schoeljes heet,
+ Met schelmen van het Hoogland, soep
+ En kool wegkapen, steeds gereed
+ Hun bord te smijten op de stoep;
+ Haan, kip, schaap, zwijn – ’t werd alles prijs
+ Naar roovers wijs.
+
+ Ik zag een Hooglandsch man; hij droeg
+ Een krans van puddings aan een staak;
+ Al schold hem Maggie, die hem joeg;
+ Hij hinnikte van puur vermaak
+ Gelijk een veulen, en hij vloog
+ Snel uit haar oog.
+
+ Als men dit alles hun verwijt,
+ Dan is ’t: „mijn buik is plat en leêg;
+ Als gij verkoopt noch geeft, is ’t tijd
+ Dat ik maar neem – en wel ter deeg.
+ Zeg George en Georges Willem [6] goed
+ Dat ’k eten moet.”
+
+ Soldaten zag ’k te Linton-brig; [7]
+ Ze plunderden een man, omdat
+ Hij daar bekend stond als een Whig;
+ Men liet hem thuis geen droog of nat.
+ Zijn hoed en pruik verbranden zij,
+ En ransel toe kreeg hij.
+
+ Het woeste in ’t Hoogland had ruim baan,
+ Zoodat het kleed noch voedsel liet
+ Aan iemand, en de roode haan
+ Gestoken werd in ’t dak van riet:
+ Wie bleef er bij zoo’n ruwheid teer?
+ ’t Ging leer om leer.
+
+ En na dat al, o schaamte en schand!
+ Nog wreeder dan een moordnaarsstoet
+ Werd zelfs hun hoofdman aangerand,
+ Al plasten ze eerst in minder bloed.
+ Die wreedheid evenaart naar ’k gis,
+ De Paapsche wis.
+
+ En wat er in het openbaar
+ Te Carlisle plaats had op dien dag
+ Van woede, als menig werd gewaar,
+ Toen deernis vast gekluisterd lag –
+ ’k Hield bij die toegejuichte ellend
+ Het hoofd gewend.
+
+ Wat al gevloek bij schaars gebed!
+ Al riepen enkelen ook: „hoezee!”
+ Men deed dien ruwen morgen met
+ Den Schotschen muitling als met vee,
+ Dat men, niet met meedoogendheid,
+ Ter slachtbank leidt.
+
+ Daarom, mijn medeburgers doet
+ Dat zelfde, ik bid u ’t, nimmermeer;
+ Geen zucht naar wraak, geen dorst naar bloed,
+ Geen vreeslijk slagveld als weleer:
+ Leent d’ Engelschman uw geld, en laat
+ Geen plaats aan haat.
+
+ Hun tartend bluffen is niets waard;
+ Beminnen we onzen Koning! Laat
+ Ons needrig zijn en zacht van aard;
+ Want ’k zie: de mensch ervaart steeds kwaad
+ Die uit een laag en ruw gemoed
+ Het booze doet.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+INLEIDING.
+
+
+De titel van dit werk is niet gekozen zonder het ernstig en welberaden
+overleg, in zaken van gewicht aan den voorzichtige voorgeschreven.
+Zelfs de eerste titel of algemeene benaming, was de slotsom van meer
+dan gewone navorsching of overleg, ofschoon ik, op het voorbeeld van
+mijne voorgangers, mij slechts had meester te maken van den fraaisten
+en welluidendsten naam, door de Engelsche geschiedenis of
+plaatsbeschrijving aan de hand gegeven, om dien tevens tot den titel
+van mijn werk en den naam van mijn held te maken. Maar, helaas! wat
+zouden mijne lezers van de ridderlijke namen van Howard, Mordaunt,
+Mortimer, Stanley, of van de zachter en sentimenteeler klanken van
+Belmour, Belville, Belfield en Belgrave anders verwacht kunnen hebben
+dan bladzijden vol onzin, gelijk die, welke sedert eene halve eeuw
+aldus gedoopt zijn? Zediglijk moet ik bekennen dat ik al te weinig
+vertrouwen in mijne verdiensten stel, om ze aan dergelijke
+vooroordeelen te wagen. Om die reden heb ik, evenals een pas geslagen
+ridder met zijn wit schild, Waverley, een onbekenden naam, tot dien van
+mijn held genomen, daar die in zich zelven goed noch kwaad bevat,
+buiten hetgeen de lezer in het vervolg zal goedvinden er aan te
+hechten.
+
+Maar mijn tweede titel was iets waarvan de keus wel zoo bezwaarlijk
+viel, daar die, hoe kort ook, al zeer licht beschouwd wordt als
+verplichtend voor den schrijver om op zekere bepaalde wijze zijn
+tooneel op te slaan, zijne karakters te schetsen en de lotgevallen
+zijner op te voeren personen te regelen. Had ik, bij voorbeeld, aan het
+hoofd van mijn boek Waverley, een verhaal uit den ouden tijd geplaatst,
+dan had ieder romanlezer al bij voorbaat gedacht aan een kasteel, niet
+onderdoende voor dat van Udolpho [8], van hetwelk de oostelijke vleugel
+al lang onbewoond, en de sleutels òf verloren òf toevertrouwd waren
+geweest aan de zorg van een bejaarden hof- of rentmeester, veroordeeld
+om met wankelende schreden, – tegen het midden van het tweede deel, –
+den held of de heldin naar de instortende overblijfsels te geleiden.
+Ja, zou niet de uil gekrast en de krekel zijn zang reeds op mijn
+titelblad aangeheven hebben? en zou het mij, met eenige achting voor
+het welvoegelijke, wel mogelijk geweest zijn er een enkel, levendiger
+tooneel te schetsen, dan de grappen van een lompen maar getrouwen
+knecht, of het woordenrijke verhaal der kamenier van de heldin, wanneer
+deze de door haar in de keuken gehoorde bloedige en vreeselijke
+geschiedenissen weder oververtelt?
+
+En, indien ik aan mijn boek het opschrift had gegeven van: Waverley,
+een roman naar het Hoogduitsch, zou dan niet het stompste hoofd zich
+terstond een wellustigen abt, een dwingeland van een hertog, een
+verborgen en geheimzinnig gezelschap van Rozekruizen en Illuminati, met
+hunne eigenaardige uitrustingen van zwarte kappen, holen, dolken,
+electriseermachines, valdeuren en dievenlantaarns hebben voorgesteld?
+Of zoo ik verkozen had mijn werk: Een sentimenteel verhaal te noemen,
+zou dit dan niet voldoende geweest zijn, om daarmede eene heldin aan te
+kondigen met zware donkerbruine lokken en eene harp om haar te troosten
+in hare eenzame uren, en die ze gelukkig steeds van het kasteel naar de
+hut weet over te brengen, ofschoon ze zelve nu en dan genoodzaakt is
+uit een raam der tweede verdieping te springen, en menigmaal verdwaalt
+op haar tocht, alleen en te voet, of enkel begeleid door de lompe
+boerendeerne, wier brabbeltaal zij nauwelijks verstaan kan. – Of,
+eindelijk had ik mijn Waverley geheeten: Eene geschiedenis van onzen
+tijd, zoudt gij dan niet, vriendelijke lezer, een levendige schets van
+mij hebben gevorderd van de groote wereld, met een eenige anecdote van
+bijzondere schandalen, vooral dun omsluierd, en zoo veel te beter,
+indien ze wat sterk gekleurd waren; eene heldin uit Grosvenor-square
+[9] en een held van den „Baroucheclub” of dien der „Four-in-hand” [10],
+benevens een stel ondergeschikte karakters uit de Elegantes van
+Queen-Ann-StreetEast, of de schitterende helden van het Bureau in
+Bowstreet [11]?
+
+Ik zou nog kunnen voortgaan met de belangrijkheid van een titel te
+bewijzen, en daardoor te gelijk mijne diepe kennis aan den dag kunnen
+leggen van de bijzondere bouwstoffen tot de samenstelling van romans en
+verhalen van allerlei aard, vereischt; maar dit zij genoeg, daar ik
+geen misbruik wil maken van het geduld van den lezer die ongetwijfeld
+reeds verlangt, de keus te leeren kennen van een schrijver, zoo door en
+door ervaren in de verschillende takken zijner kunst.
+
+Terwijl ik de dagteekening van mijn verhaal dan stel op zestig jaar
+voor dezen tegenwoordigen eersten dag van November 1805 [12], wil ik
+mijn lezers daardoor te kennen geven, dat ze in de volgende bladzijden
+noch een ridderroman, noch een tafereel van hedendaagsche zeden zullen
+vinden; dat mijn held noch ijzer op zijne schouders zal hebben als in
+de dagen van ouds, noch aan de hielen zijner laarzen, zoo als het
+tegenwoordig gebruik is in Bondstreet [13]; en dat mijne dames even zoo
+min zullen gekleed gaan met een purperen mantel en opperkleed, gelijk
+Alice in de oude Ballade, als ze teruggebracht zullen worden tot de
+oorspronkelijke naaktheid eener hedendaagsche schoone uit de groote
+wereld. Uit mijne keuze van den tijd zal de verstandige recensent
+verder opmaken, dat mijn verhaal êer ten doel heeft, menschen dan zeden
+en gewoonten te beschrijven. Een tafereel van zeden moet, zal het
+belangrijk wezen, óf ontleend zijn aan eene oudheid, ver genoeg
+verwijderd om eerbiedwaardig te zijn, óf het moet een levendige
+afspiegeling aanbieden van die tooneelen, welke dagelijks vóor onze
+oogen voorbijgaan, en door het nieuwe, dat hun eigen is, belang
+inboezemen. De maliënkolder onzer voorvaders en de driedubbel met bont
+gevoerde pels onzer hedendaagsche heertjes, mogen, om verschillende
+redenen, even geschikt zijn voor de uitrusting van een verdicht
+personage: maar wie, die het kostuum van zijn held indrukwekkend
+verlangt te maken, zou hem opzettelijk in het hofgewaad der regeering
+van George II. steken, – zonder kraag, met wijde mouwen en lage zakken?
+Met even veel recht mag hetzelfde worden aangemerkt van de Gothische
+zaal, die met de donkere en beschilderde glazen, de hooge en sombere
+zoldering en zware eiken tafel, versierd met beerenkoppen en
+rozemarijn, faizanten en pauwen, zwanen en kraanvogels, een
+voortreffelijke werking doet in een dichterlijke beschrijving. Evenzoo
+zou een levendige schildering van een hedendaagsch feest, zoo als wij
+die in Engeland gedurig in een dagblad, onder de rubriek van: Spiegel
+der mode, aantreffen, het verre winnen boven de beschrijving eens
+feestelijken maaltijds van vóor zestig jaren; en dus ziet men
+gereedelijk in, hoe veel de schilder van oude tijden, of van de groote
+wereld van heden vooruit heeft op hem, die de zeden en gewoonten van
+een kort geleden tijdperk beschrijft.
+
+Wanneer men nu de nadeelen opsomt, onafscheidelijk van dit gedeelte van
+mijn onderwerp, zal men wel van zelf begrijpen, dat ik besloten heb ze
+zoo veel mogelijk te ontwijken, door juist de kracht van mijn verhaal
+te leggen in de karakters en hartstochten der personen – hartstochten,
+den mensch eigen in alle standen der maatschappij, en die zijn hart
+even zeer bewogen hebben, hetzij het klopte onder het stalen keurslijf
+der vijftiende eeuw, den geborduurden rok der achttiende, of den
+blauwen frak en het wit diemiten vest van den tegenwoordigen tijd [14].
+Het is zeker waar, dat de toestand van zeden en wetten eene kleur aan
+deze hartstochten geeft; maar, in de taal der heraldiek blijven de
+wapens dezelfde, hoewel de kleuren niet slechts verschillend, maar in
+de sterkste tegenspraak met elkander zijn mogen. De toorn onzer
+voorvaderen, bij voorbeeld, was „geel” gekleurd; hij gaf zich tucht
+door daden van openbaar en bloedig geweld tegen de voorwerpen zijner
+woede: van onze vijandelijke gevoelens daarentegen, die bevrediging
+langs minder rechtstreeksche wegen moeten zoeken en de hinderpalen
+ondermijnen, die ze niet openlijk kunnen omverwerpen, kan men eer
+zeggen dat ze „sable” gekleurd zijn. Maar de onweerstaanbare aandrift
+is in beide gevallen dezelfde; en de trotsche pair die nu zijn naaste
+slechts te gronde kan richten volgens de wet, door eindeloos gerekte
+rechtsgedingen, is de echte afstammeling van den baron, die het kasteel
+van zijn mededinger in brand stak en hem den kop kloofde, als hij aan
+de vlammen poogde te ontsnappen. Het is uit het groote boek der natuur,
+hetzelfde door een duizendtal uitgaven heen, hetzij gedrukt met een
+gothische letter, of op velijn papier en gesatineerd, dat ik
+stoutmoedig beproefd heb het publiek een hoofdstuk voor te lezen. Een
+gunstige gelegenheid tot tegenstellingen deed zich aan mij voor, in den
+toestand der maatschappij in het noordelijk gedeelte des eilands, ten
+tijde mijner geschiedenis; en deze mogen tegelijk dienen ter
+afwisseling en opheldering van de zedelessen, die ik gaarne zou
+wenschen, dat men als het voornaamste deel van mijn werk beschouwde; al
+gevoel ik ook hoe weinig ze haar doel zullen bereiken, als ik buiten
+staat ben, om ze tevens onderhoudend te maken, – eene taak op verre na
+niet zoo gemakkelijk, als „zestig jaar geleden”.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+WAVERLEY-HONOUR. [15] EEN TERUGBLIK.
+
+
+Het is, dus, zestig jaren geleden, dat Eduard Waverley, de held der
+volgende bladzijden, afscheid nam van zijne familie, om zich te voegen
+bij een regiment dragonders, waarbij hij onlangs een officiersplaats
+erlangd had. Het was een treurige dag op Waverley-Honour, toen de
+jeugdige krijgsman afscheid nam van Sir Everard, zijn hem hartelijk
+genegen ouden oom, van wiens naam en familiegoed hij de vermoedelijke
+erfgenaam was. Verschil van staatkundige gevoelens had lang geleden den
+baronet in onmin gebracht met zijn jongeren broeder, Richard Waverley,
+den vader van onzen held. Sir Everard had van zijne voorouders den
+geheelen sleep van Tory en streng-kerkelijke neigingen en vooroordeelen
+geërfd, waardoor het huis van Waverley sedert den grooten burgeroorlog
+zich onderscheiden had. Richard daarentegen, die tien jaar jonger was,
+zag zich beperkt tot de fortuin van een jongeren broeder, en vond in
+het spelen van die rol even weinig eer als voordeel. Hij zag al spoedig
+in, dat, wil men op den levensweg vooruitkomen, het noodzakelijk is,
+zoo min mogelijk op zijne schouders te laden. De schilders spreken van
+de moeielijkheid, om gemengde hartstochten in dezelfde trekken, op
+hetzelfde oogenblik, uit te drukken; voor den zielkundige zou het niet
+minder bezwaarlijk zijn, de onderscheidene drijfveeren na te vorschen,
+waarvan onze daden afhankelijk zijn. Met behulp der geschiedenis en van
+het gezond verstand kwam Richard Waverley tot de overtuiging, volgens
+de woorden van het oude liedje dat:
+
+
+ Lijdlijke gehoorzaamheid maar spel,
+ Zich niet verzetten onzin was.
+
+
+Waarschijnlijk echter, zou geen redeneering in staat geweest zijn het
+erfelijk vooroordeel te weren, indien Richard voorzien had, dat Sir
+Everard, die zich eene eerste ongelukkige liefde sterk aantrok, tot op
+zijn twee-en-zeventigste jaar een oude vrijer zou blijven. Het
+vooruitzicht op de erfenis, hoe verwijderd ook, zou in dat geval er hem
+toe gebracht hebben, zich te getroosten, het grootste deel zijns levens
+als „Jonker Richard van het Kasteel, de broeder van den baronet,” door
+te brengen, in de hoop dat hij vóór zijn dood, den titel zou voeren van
+Sir Richard Waverley van Waverley-Honour, erfgenaam van een vorstelijk
+goed en van grooten staatkundigen invloed in het graafschap, waar zijne
+bezittingen gelegen waren. Maar zulk een loop der dingen liet zich
+bezwaarlijk verwachten in Richard’s jeugd, toen Sir Everard in den
+bloei des levens was, en zeker kon zijn van in bijna iedere familie als
+een aannemelijke partij te zullen worden beschouwd, hetzij rijkdom of
+schoonheid door hem mocht worden nagejaagd, en op een tijd toen
+inderdaad het gerucht van zijn aanstaand huwelijk de buurt geregeld
+eenmaal ’s jaars in rep en roer bracht. Zijn broeder zag dus geen weg
+tot onafhankelijkheid, dan dien van zijn eigene krachten in te spannen,
+en een staatkundig geloof te omhelzen, meer overeenkomstig zoowel met
+de rede als met zijn eigen belang, dan de erfelijke verkleefdheid van
+Sir Everard aan de Orthodoxe Kerk en het huis van Stuart. Bij zijn
+intrede in de wereld veranderde hij dus van partij en deed zich als een
+openbare Whig en vriend der Hannoversche troonsopvolging kennen.
+
+Het ministerie van dien tijd streefde er wijselijk naar om de macht der
+oppositie te verzwakken. De Tory-adel, die zijn luister van den
+zonneschijn des troons ontleende, was sedert korten tijd begonnen zich
+langzamerhand met het nieuwe regeerende huis te verzoenen. Maar de
+rijke Engelsche land-edellieden, eene klasse die, bij veel van de oude
+zeden en oorspronkelijke onbedorvenheid, een groote mate van
+stijfzinnig en onbuigzaam vooroordeel behield, bleven op een afstand,
+terwijl zij een trotschen en wreveligen tegenstand boden en menigen
+blik van gemengde spijt en hoop op ’s Hertogenbosch, Avignon en Italië
+wierpen. [16]
+
+Het toetreden des naastbestaanden van een dezer onverzettelijke
+tegenstanders, werd als een middel beschouwd om meer bekeerlingen te
+maken, en dien ten gevolge werd Richard Waverley veel meer dan zijne
+bekwaamheden of zijn staatkundig gewicht eischten, door de ministers
+begunstigd en bevorderd. Men had trouwens ontdekt, dat hij vrij wat
+aanleg had voor het staatkundig leven; en eenmaal bij den Minister
+toegelaten, werd hij ook spoedig bevorderd. Sir Everard zag uit de
+openbare nieuwsberichten eerst, dat de heer Richard Waverley tot lid
+van het Lagerhuis gekozen was, om een ministerieelgezind plaatsje te
+vertegenwoordigen; daarna, dat de heer Richard Waverley een belangrijk
+deel had genomen in de debatten over de Accijnswet, ten gunste van het
+bewind; en eindelijk, dat de heer Richard Waverley, vereerd was met het
+lidmaatschap van een dier colleges, waar het genoegen van zijn land te
+dienen gepaard gaat met andere belangrijke voordeelen, die, om ze des
+te aannemelijker te maken, geregeld elk kwartaal terugkomen.
+
+Ofschoon deze gebeurtenissen elkander zoo spoedig opvolgden, dat de
+schrandere redacteur van een hedendaagsch nieuwsblad de twee laatste
+zou voorzegd hebben, op het eigen oogenblik dat hij de eerste
+aankondigde, bereikten ze Sir Everard echter slechts langzaam en, als
+het ware druppelsgewijs, uit den kouden en tragen distilleerketel van
+Dyer’s „Weekblad.” [17] Want in het voorbijgaan zij hier aangemerkt,
+dat, in plaats van die postkarren, door middel waarvan ieder
+ambachtsman in zijn stuiversclub des avonds uit twintig elkander
+tegensprekende dagbladen het nieuws van den vorigen dag uit de
+hoofdstad kan ontvangen, in die dagen een wekelijksche post op
+Waverley-Honour een wekelijksche courant bracht, die, nadat ze Sir
+Everard’s nieuwsgierigheid, benevens die zijner zuster en van een ouden
+keldermeester had bevredigd, geregeld gebracht werd van het slot naar
+de pastorie, en vervolgens van de pastorie naar den heer Stubbs op de
+boerderij, vandaar, naar des baronets rentmeester, in zijn net wit huis
+op de heide; van den rentmeester naar den schout, en van dezen, door
+een uitgebreiden kring van eerzame vrouwen en bazen, door wier harde en
+hoornachtige handen ze gemeenlijk omtrent eene maand na hare uitkomst
+aan flarden was gescheurd.
+
+Dit langzame overbrengen van berichten was in het geval van Richard
+Waverley niet zonder eenig nut, want, als al de gruwelen door hem
+gepleegd, op eens Sir Everard’s ooren bereikt hadden, zou buiten
+twijfel de nieuwbenoemde ambtenaar slechts weinig reden gehad hebben,
+zich op zijn staatkundigen voorspoed te verheffen. Het karakter van den
+baronet, ofschoon hij onder de zachtaardigste der menschen behoorde,
+had ook zijn gevoelige zijde; zijns broeders gedrag had hem diep
+gekwetst; het famieliegoed Waverley was een vrije bezitting (want het
+was nooit bij iemand der voormalige eigenaars opgekomen, dat een hunner
+nakomelingen zich schuldig zou kunnen maken aan de afschuwelijkheden,
+aan Richard door Dyer’s nieuwsblad thans te laste gelegd,) en al ware
+het dit ook niet, dan moest toch het huwelijk van den bezitter voor
+zijn broeder als erfgenaam volstrekt noodlottig worden. Deze
+verschillende denkbeelden verdrongen elkander in het brein van Sir
+Everard, zonder dat hij evenwel tot eenig bepaald besluit kwam.
+
+Hij onderzocht zijn stamboom, die, opgeluisterd met menig zinnebeeldig
+teeken van eer en heldendeugd, aan den rijk versierden wand der groote
+zaal hing. De naaste afstammelingen van Sir Hildebrand Waverley, bij
+ontstentenis van die van den oudsten zoon Wilfred, (van wien Sir
+Everard en zijn broeder de eenige vertegenwoordigers bleven,) waren
+(gelijk dit hooggeschatte register hem berichtte, en hij inderdaad zelf
+wel wist) de Waverleys van Highley-Park, in het graafschap Hampshire
+met welke de hoofdtak of liever de stamhouders van het huis, sedert het
+groote rechtsgeding in 1670, alle gemeenschap had opgegeven. Deze
+zijtak had een tweede vergrijp jegens het hoofd en den oorsprong van
+zijn adel gepleegd, door het huwelijk van diens vertegenwoordiger met
+Judith, erfgename van Olivier Bradshawe, van Highley-Park, wiens wapen,
+hetzelfde als dat van Bradshawe den koningsmoordenaar, door haar met
+het oude en eerbiedwaardige der Waverleys vereenigd was geworden. Deze
+beleedigingen echter waren, in de hitte zijner gramschap, uit het
+geheugen van Sir Everard verdwenen, en zoo de procureur Duitendief,
+dien hij met zijn rijtuig opzettelijk had laten halen, slechts een uur
+vroeger aangekomen ware, zou deze het buitenkansje hebben gehad om eene
+nieuwe erfregeling van de heerlijkheid en het rechtsgebied van
+Waverley-Honour met alle aanhoorigheden op te stellen. Maar een uur van
+koel overleg is van geen luttel belang, als het gebezigd wordt om de
+wederzijdsche gebreken van twee maatregelen te wikken en te wegen,
+welke ons geen van beide werkelijk aanstaan. De procureur vond zijn
+cliënt in een diep gepeins gewikkeld, hetwelk hij te eerbiedig was om
+anders te storen, dan door het te voorschijn halen van zijn papier en
+lederen inktkoker, ten bewijze dat hij gereed was de bevelen van
+„mijnheer” op te teekenen. Doch zelfs deze kleine beweging hinderde Sir
+Everard, die ze voor een verwijt zijner besluiteloosheid aanzag. Hij
+zag naar den procureur met een soort van verlangen, om zijn vonnis uit
+te spreken, toen de zon, die van achter een wolk te voorschijn kwam, op
+eens haar schitterend licht door de geschilderde glazen in het donker
+kabinet wierp, waar zij zaten. Zoodra de baronet zijn oog naar dien
+glans ophief, viel het juist op het middelste schild, waarop hetzelfde
+devies prijkte, door zijn voorzaat, gelijk men zeide, in het veld van
+Hastings gevoerd: drie hermelijnen in zilver op een azuren veld, met de
+eigenaardige spreuk, „sans tache” „Moge onze naam eer vergaan,” dacht
+Everard, „dan dat dit oude en geëerde wapen vereenigd zou worden met
+het onteerde schild van een verraderlijken rondhoofd!”
+
+Dit alles was het uitwerksel van een invallenden zonnestraal, die den
+procureur het noodige licht gaf om zijne pen te vermaken. De pen werd
+te vergeefs versneden. De rechtsgeleerde werd weggezonden, met verzoek
+om zich op het eerste bevel gevel gereed te houden.
+
+De verschijning van den procureur op het kasteel gaf aanleiding tot
+vrij wat gissingen in dat gedeelte der wereld, waarvan Waverley-Honour
+het middelpunt uitmaakte. Maar de oordeelkundige staatslieden dezer
+kleine wereld voorspelden nog ergere gevolgen voor Richard Waverley,
+toen kort na zijn verzaking der familie-politiek zijn broeder iets
+anders ondernam. Dit was niets minder dan een uitstapje van den baronet
+in de koets met zes paarden, met een gevolg van vier bedienden in rijk
+liverei, om een bezoek van eenigen duur af te leggen bij een edelen
+Pair, op de grenzen van het graafschap, van onbevlekte afkomst en
+standvastige Tory-beginsels, en de gelukkige vader van zes ongehuwde,
+wel opgevoede dochters. Sir Everards ontvangst in dit gezin was, zoo
+als men licht begrijpt, gunstig genoeg; maar van de zes jonge dames
+viel ongelukkig zijn smaak op Lady Emilia, de jongste, die zijn
+oplettendheden met een verlegenheid aannam, welke terstond verried, dat
+zij ze niet durfde afwijzen, maar tevens, dat ze haar alles behalve
+aangenaam waren. Sir Everard moest wel iets buitengewoons bespeuren in
+de onderdrukte aandoening, die zij liet blijken bij de voorkeur, welke
+hij haar schonk; maar gerustgesteld door de verstandige gravin, die ze
+voorstelde als slechts de natuurlijke gevolgen eener afgezonderde
+opvoeding, zou het offer licht volbracht zijn geworden, zoo als zeker
+dikwerf geschiedt, ware dit niet verhinderd door den moed eener oudere
+zuster, die den rijken minnaar openbaarde, dat Lady Emilia haar hart
+geschonken had aan een jong soldaat zonder fortuin, een harer
+naastbestaanden. Op deze tijding, welke hem in een bijeenkomst met de
+jonge dame door haar zelve, schoon in den vreeselijksten angst voor
+haars vaders gramschap, werd bevestigd, legde Sir Everard eene groote
+ontroering aan den dag. Eer en edelmoedigheid waren erfelijke
+eigenschappen van het huis Waverley. Met eene bevalligheid en
+kieschheid, een romanheld waardig, gaf Sir Everard zijn aanzoek om de
+hand van Lady Emilia op. Het gelukte hem zelfs vóor zijn vertrek van
+den vader de toestemming te verkrijgen tot hare vereeniging met het
+voorwerp harer keuze. Welke drangredenen hij bezigde, kan niet
+nauwkeurig opgegeven worden; maar onmiddellijk na deze onderhandeling
+klom de jonge officier in het leger met eene snelheid op, die de gewone
+bevordering naar verdienste zonder bescherming, verre te boven ging.
+
+De schok, dien Sir Everard bij deze gelegenheid ondervond, hoewel
+verzacht door het bewustzijn van braaf en edelmoedig gehandeld te
+hebben, bleef niet zonder invloed op zijn volgend leven. Zijn besluit
+om te trouwen was in een vlaag van toorn genomen; de moeite van het
+vrijen strookte niet al te wel met de deftige gemakzucht zijner
+leefwijze; hij was maar even aan het gevaar ontsnapt, van eene vrouw te
+huwen, die hem nooit kon beminnen, en zijn trots kon bezwaarlijk zeer
+gevleid zijn door den afloop der liefdesgeschiedenis, al ware het ook
+dat zijn hart er niet onder geleden had. De slotsom van de gansche zaak
+was, dat hij naar Waverley-Honour terugkeerde, zonder zijne genegenheid
+op iemand anders te hebben overgebracht, niettegenstaande de zuchten en
+kwijnende blikken der schoone snapster, die, uit zuiver zusterlijke
+liefde, het geheim van Lady Emilia had geopenbaard, en in weerwil van
+de knikjes, wenken en toespelingen der gedienstige, vrome moeder, en de
+deftige lofspraken, die de graaf achtereenvolgens hield over de
+ingetogenheid, het gezond verstand en den bijzonder goeden aanleg
+zijner eerste, tweede, derde, vierde en vijfde dochter. De herinnering
+aan zijn mislukte liefde was voor Sir Everard, zoo als voor vele
+anderen van zijn aard, die tevens koel, trotsch, licht geraakt en traag
+zijn, eene waarschuwing: om zich niet andermaal aan soortgelijke
+teleurstelling, droefheid en vergeefsche moeite te wagen. Hij bleef op
+Waverley-Honour leven als een oud Engelsch edelman, van hooge afkomst
+en groot fortuin. Zijne zuster Freule Rachel Waverley, zat aan ’t hoofd
+van zijne tafel, en zij werden langzamerhand een oud vrijer en eene
+oude vrijster, de zachtaardigste en vriendelijkste van allen, die ooit
+de gelofte om ongehuwd te blijven hadden afgelegd.
+
+Sir Everards verstoordheid op zijn broeder, hoe hevig ook in den
+beginne, was slechts van korten duur; zijn afkeer nogtans van den Wigh
+en den rijks-ambtenaar, schoon niet sterk genoeg, om hem een of
+anderen, voor Richards belangen nadeeligen maatregel te doen nemen,
+vermeerderde op den duur de tusschen hen bestaande vervreemding.
+Richard kende de wereld en zijn broeder te goed om niet te begrijpen,
+dat eenige onvoorzichtige of overhaaste toenadering van zijn kant, den
+passieven afkeer van den baron, tot handelen zou opwekken. Het toeval
+bracht echter ten laatste eene toenadering te weeg. Richard had een
+jonge vrouw van goeden huize getrouwd, in de hoop dat de invloed van
+hare bloedverwanten en van haren rijkdom zijne bevordering in de hand
+zou werken. Door haar werd hij bezitter van eene heerlijkheid van
+eenige waarde, op eenige mijlen afstands van Waverley-Honour.
+
+De kleine Eduard, de held onzer geschiedenis, toen in zijn vijfde jaar,
+was hun eenig kind. Op zekeren morgen liep de jongen met de meid, aan
+wier zorgen hij toevertrouwd was, een half uur verder dan de oprijlaan
+van Brere-Wood-Lodge, zijns vaders plaats. Hunne aandacht werd
+getrokken door eene koets met zes deftige, zwarte langstaart paarden
+bespannen, en met zoo veel snijwerk en verguldsel dat het zelfs den
+Lord Mayor eere zou hebben aangedaan. Het rijtuig wachtte op den
+eigenaar, die, op een kleinen afstand, zich onledig hield met het
+nagaan der vorderingen van een half gebouwde pachterswoning. Ik weet
+niet of de „bonne” van den knaap eene vrouw uit Wallis of uit Schotland
+[18] geweest was, of op welke wijze hij een wapenschild met drie
+hermelijnen met het denkbeeld van persoonlijk eigendom in verband
+bracht; maar zoodra hij het wapen der familie zag, besloot hij stoutweg
+zijn recht te doen gelden op het schitterende rijtuig, waarop het
+geschilderd was. De baronet kwam terug, terwijl de meid het kind te
+vergeefs van zijn voornemen poogde terug te brengen, om zich de
+vergulde koets met zes paarden toe te eigenen. De ontmoeting had op een
+gelukkig oogenblik voor Eduard plaats, daar de aandacht zijns ooms
+juist, met een zeker weemoedig gevoel was gevallen op de flinke knapen
+van den forschen landman, wiens woning volgens zijne plannen gebouwd
+werd. In het ronde, blozende gelaat van den kleinen engel dáar, vóor
+hem, die zijn oog had, zijn naam droeg en eene erfelijke aanspraak op
+zijn bloedverwantschap, genegenheid en bescherming bezat, krachtens een
+band, door Sir Everard even heilig geacht, als de Kouseband of de
+Blauwe mantel [19], scheen de Voorzienigheid hem juist het meest
+geschikte voorwerp toe te zenden, om de leegte in zijne toekomst en in
+zijn hart aan te vullen. Het kind en de meid werden in het rijtuig
+terug gezonden naar Brere-Wood-Lodge, met eene boodschap, welke voor
+Richard Waverley de deur van verzoening met zijn ouderen broeder
+openzette. Hun omgang evenwel bleef eer stijf en beleefd, dan
+broederlijk en hartelijk; maar voldeed aan de wenschen van beide
+partijen. Sir Everard genoot in het gezelschap van zijn kleinen neef de
+voldoening voor zijn trots, dat zijn geslacht niet zou uitsterven,
+terwijl hij tegelijker tijd zijn hartelijke genegenheid aan het kind
+schenken kon. Wat Richard Waverley betreft, deze zag, in de toenemende
+liefde tusschen oom en neef, het middel om de toekomst van zijn zoon te
+verzekeren, zoo al niet om zijn eigen erfopvolging te bevorderen, die
+hij besefte, eer in gevaar geraken, dan bevorderd zou worden door een
+poging zijnerzijds, tot een meer innigen omgang met een man van Sir
+Everards gewoonten en gevoelens.
+
+Op deze wijze verkreeg de kleine Eduard, volgens eene soort van
+stilzwijgend verdrag, vrijheid om het grootste gedeelte van het jaar op
+het Kasteel door te brengen, terwijl hij daardoor tot beide
+huisgezinnen in dezelfde nauwe betrekking scheen te staan, ofschoon de
+gemeenschap tusschen deze, voor het overige, zich tot stijve
+boodschappen en nog stijver bezoeken bepaalde. De opvoeding van den
+knaap werd beurtelings naar den smaak en de gevoelens van zijn oom en
+van zijn vader geregeld. Doch hiervan meer in het volgende hoofdstuk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE OPVOEDING.
+
+
+De opvoeding van onzen held, Eduard Waverley, was van eenigzins
+ongeregelden aard. In zijn kindsheid leed zijn gestel, of werd
+verondersteld te lijden (hetgeen volmaakt hetzelfde is) van de
+Londensche lucht. Zoodra derhalve ambtsbezigheden, parlementszittingen
+of het najagen van belang- en eerzuchtige doeleinden zijn vader naar de
+stad riepen, waar hij doorgaans acht maanden van het jaar zijn verblijf
+hield, werd Eduard naar Waverley-Honour gebracht, en had er zoowel eene
+verandering van meesters en van lessen als van woning plaats. Dit zou
+men hebben kunnen voorkomen, indien zijn vader hem aan de zorgen van
+een vasten gouverneur had toevertrouwd. Maar hij begreep, dat iemand
+van zijne keuze waarschijnlijk niet welgevallig op Waverley-Honour zou
+geweest zijn, en dat eene keuze, zoo als Sir Everard ligt doen zou,
+indien de zaak aan dezen overgelaten werd, hem zelven met een lastigen
+huisgenoot, zoo al niet met een staatkundigen spion, in zijn huisgezin
+zou bezwaard hebben. Hij haalde daarom zijn secretaris, een jong man
+van smaak en kunde over, een uur of twee aan Eduards opvoeding te
+besteden, zoolang deze op Brere-Wood Lodge was, en liet zijn oom
+verantwoordelijk voor zijne vorderingen in de letterkunde, gedurende
+het verblijf op het kasteel.
+
+Ook hiervoor werd in zekere mate behoorlijk gezorgd. Sir Everards
+Kapelaan, van de Oxfordsche academie, die zijn betrekking aldaar
+verloren had omdat hij, bij de troonsbeklimming van George I, geweigerd
+had den gevorderden eed af te leggen, was niet slechts een uitstekend
+beoefenaar der oude letterkunde, maar ook vrij bedreven in de
+wetenschappen, en in de meeste nieuwe talen. Hij was echter bejaard en
+toegevend, en de herhaalde tusschenregeering, gedurende welke Eduard
+geheel van zijne tucht ontslagen was, bracht zulk eene verslapping van
+gezag te weeg, dat de knaap in ruime mate vrijheid had te leeren, zoo
+als hij wilde, wat hij wilde en wanneer hij wilde.
+
+Deze ongeregeldheid zou verderfelijk geweest zijn voor een jongen van
+geringe geestvermogens, die, gevoelende hoe moeielijk het verwerven van
+kundigheden is, ze geheel en al zou verwaarloosd hebben, zoo hij niet
+daartoe door zijn meester werd aangezet, en even gevaarlijk zou zij
+ligt gebleken zijn voor een knaap, wiens levenslust sterker was dan
+zijn verbeelding of gevoel, daar de onweerstaanbare invloed van vrouw
+natuur op een krachtig gestel, hem gewis van den morgen tot den avond
+tot het najagen van veldvermaken zou hebben aangespoord. Maar Eduard
+Waverleys karakter was van beide evenver verwijderd. Zijn bevatting was
+zoo ongemeen vlug, dat ze bijna op intuïtie geleek, en de voornaamste
+zorg van zijn onderwijzer was, om hem, gelijk een jager zich zou
+uitdrukken, voor het voorbijloopen van het wild te bewaren, dat wil
+zeggen, voor het verwerven van kunde op eene vluchtige, oppervlakkige
+en onvoldoende wijze. En hier had de meester nog eene andere neiging te
+bestrijden, maar al te vaak met een schitterende verbeelding en
+levendigen geest gepaard, – namelijk die traagheid van aard, welke
+alleen te overwinnen is door vurige zucht naar voldoening, en die de
+studie laat varen, zoodra de nieuwsgierigheid voldaan, het genoegen in
+het overwinnen van moeielijkheden gelegen, voorbij, en de nieuwheid van
+het onderzoek ten einde is. Eduard legde zich met geestdrift op een of
+anderen hem door zijn meester voorgelegden klassieken schrijver toe; en
+maakte zich in zoo verre met diens stijl bekend, dat hij het boek
+begreep, en als dit hem beviel of belang inboezemde, las hij het uit.
+Maar het was te vergeefs dat men zijn aandacht op taalkundige
+fijnheden, op het verschil van tongval, op de schoonheid eener
+gelukkige uitdrukking of op de kunstmatige verbindingen der syntaxis
+poogde te bepalen. „Ik kan een Latijnsch schrijver lezen en verstaan,”
+zei de jonge Eduard, met het zelfvertrouwen en de vermetele
+lichtzinnigheid van een vijftienjarigen knaap, „en Scaliger of Bentley
+konden niet veel meer.” Helaas! hij voorzag niet, dat, terwijl hem
+vrijheid gegeven werd, om slechts voor zijn vermaak te lezen, hij voor
+altijd de gelegenheid verloor, om zich de gewoonte van gezette en
+ijverige studie eigen te maken en om de kunst te leeren, al de
+vermogens zijner ziel op eenig ernstig onderzoek te bepalen – eene
+kunst veel degelijker dan het opgaren zelfs van die vertrouwde kennis
+der klassieke letteren, die het voornaamste doel der studie uitmaakt.
+
+Ik weet, men zal mij hier aan de noodzakelijkheid herinneren, om de
+jeugd het onderwijs aangenaam te maken, en aan Tasso’s bijvoeging van
+honig in de voor een kind gereed gemaakte medicijnen; maar in eene
+eeuw, waarin den kinderen de droogste kundigheden langs den
+aanlokkelijken weg van onderhoudende spelen worden geleerd, heeft men
+weinig reden om voor de gevolgen van eene al te ernstige of te gestreng
+ingerichte studie beducht te zijn. De geschiedenis van Engeland is
+thans tot een kaartspel gemaakt; de meetkundige voorstellen tot
+legkaarten en raadsels; en het rekenen kan, naar men ons verzekerd
+heeft, genoegzaam aangeleerd worden, door eenige uren in de week te
+besteden aan eene nieuwe en meer ingewikkelde inrichting van het
+Ganzebord. Er hapert nog maar éene schrede aan, en de artikelen des
+Geloofs en de Tien Geboden zullen op dezelfde wijze geleerd worden,
+zonder dat men het deftige gelaat, den deftigen toon en de vrome
+oplettendheid zal behoeven, tot hiertoe van de welopgevoede jeugd in
+dit koningrijk gevorderd. Intusschen mag men wel ernstig in overweging
+nemen, of zij, die gewoon zijn enkel door zulke middelen onderwijs te
+ontvangen, er niet toe zullen komen, om alles wat hun voorkomt onder de
+gedaante van studie, te verwerpen; of zij, die de geschiedenis door
+speelkaarten leeren, er niet toe zullen vervallen, om aan het middel
+boven het doeleinde de voorkeur te geven, en of, zoo wij de waarheden
+van de godsdienst spelend onderwijzen, onze kweekelingen niet
+langzamerhand zullen verleid worden, hun godsdienst slechts als spel te
+beschouwen. Voor onzen jongen held, wien het vrij gelaten werd zijn
+onderricht enkel volgens de neiging zijns harten te kiezen, en die, bij
+gevolg het slechts zoo lang zoekt, als het hem genoegen verschafte, had
+de toegevendheid zijner opvoeders kwade gevolgen, die gedurende
+geruimen tijd van invloed waren op zijn karakter, zijn geluk en zijn
+bruikbaarheid in de maatschappij.
+
+Eduards verbeeldingskracht en liefde voor de letteren, schoon de eerste
+levendig en de laatste vurig was, ver van een middel tegen deze kwaal
+aan te bieden, dienden slechts om hare hevigheid te vermeerderen. De
+boekerij op Waverley-Honour, een ruim Gothisch vertrek, met dubbele
+bogen en eene gaanderij, bevatte een even gemengde als uitgebreide
+boekverzameling. Zij was in den loop van twee honderd jaren
+bijeengebracht door eene familie, die altijd rijk was geweest, en bij
+gevolg geneigd uit weelde, de kasten te vullen met de letterkunde van
+den dag, zonder veel onderzoek of nauwgezette beoordeeling. In dit
+uitgebreid gebied mogt Eduard vrij rondzwerven. Zijn gouverneur had
+zijne eigene geliefkoosde studiën; en kerkelijke politiek en
+godsdienstig twistgeschrijf, verbonden met de zucht tot gemak, –
+ofschoon hij op bepaalde uren zich bezig hield met den vermoedelijken
+erfgenaam van zijn beschermer, – gaven hem aanleiding om iedere
+verontschuldiging aan te grijpen, om geen bepaald en geregeld toezicht
+over al zijn studiën te houden.
+
+Sir Everard was zelf nooit iemand van studie geweest, en hield het er
+voor, even als zijne zuster, Rachel Waverley, dat, als men slechts las,
+het doet er niet toe wat, men nuttig bezig was. Zij waren beiden
+overtuigd dat het volgen der letters van het alphabet met het oog op
+zich zelf, een verdienstelijke arbeid was, zonder dat men angstvallig
+behoefde te onderzoeken, welke denkbeelden of leeringen uit de
+schikking der letters geboren worden. Terwijl een betere opvoeding zijn
+zucht om zich te vermaken al spoedig in dorst naar kennis zou
+herschapen hebben, dreef de jonge Waverley, gelijk een schip zonder
+stuurman of roer, in deze zee van boeken rond. Niets groeit wellicht
+meer door toegevendheid aan, dan deze oppervlakkige en ongeregelde
+leeslust, vooral wanneer men er zulk eene gunstige gelegenheid toe
+vindt. Ik geloof, dat een der redenen, waarom men zoovele voorbeelden
+van geleerdheid in de mindere standen aantreft, hierin te zoeken is,
+dat de arme student, met gelijke geestvermogens, beperkt is tot een
+engen kring, als hij zijn lust tot lezen voldoen wil, en genoopt is
+zich die boeken, welke hij bezit, eigen te maken, eer hij nieuwe kan
+verkrijgen. Eduard, integendeel, las, evenals die lekkerbek, die zich
+niet verwaardigde meer dan een klein hapje uit den door de zon
+gekleurden kant eener perzik te nemen, geen oogenblik langer in een
+boek als zijne nieuwsgierigheid of belangstelling er niet meer door
+geboeid werd, en het noodwendig gevolg was, dat de gewoonte, om alleen
+deze soort van onderhoud te zoeken, het afleeren er van dagelijks
+moeielijker maakte; tot dat de zucht om te lezen, even als alle andere
+sterke begeerten, waaraan men te veel toegeeft, eene zekere verzadiging
+veroorzaakt.
+
+Maar, eer hij tot deze onverschilligheid kwam, had hij zijn geheugen,
+hetwelk inderdaad allergelukkigst mocht heeten, met een grooten
+voorraad van wetenswaardige, schoon slecht gerangschikte kundigheden,
+verrijkt. In de Engelsche letterkunde had hij Shakespeare en Milton,
+alsmede de oudere tooneeldichters bestudeerd; menige boeiende en
+belangrijke plaats uit de kronijken kende hij van buiten; terwijl hij
+bijzonder vertrouwd was met Spencer, Drayton en andere dichters, die
+zich op het romantische gebied hebben onderscheiden; zeker de
+verleidelijkste werken voor een jeugdige verbeelding, eer de driften
+ontwaakt zijn, die een meer sentimenteele soort van poëzij eischen.
+Hiervoor opende zijne kennis van het Italiaansch hem later de deur. Hij
+had de tallooze romantische gedichten doorloopen, welke sedert den tijd
+van Pulci een geliefkoosde oefening zijn geweest voor Italiës schoone
+geesten, en had bevrediging gezocht in de talrijke verzamelingen der
+„Novelle,” welke, in navolging van het Decamerone, door het genie van
+deze smaakvolle, schoon weelderige natie voortgebracht werden. In de
+oude letterkunde had Waverley de gewone vorderingen gemaakt, en las hij
+de meest bekende schrijvers; verwijl het Fransch hem een bijna
+onuitputtelijken voorraad van gedenkschriften had opgeleverd,
+nauwelijks geloofwaardiger dan romans, en van romans, zoo
+welgeschreven, dat ze nauwelijks van gedenkschriften te onderscheiden
+waren. De schitterende bladzijden van Froissart, met zijne hartroerende
+en prachtige beschrijvingen van oorlog en tournooijen, behoorden tot
+zijn lievelingslectuur; en uit die van Brantôme en de la Noue had hij
+geleerd het woeste, losse en bijgeloovige karakter der edelen van de
+Ligue, met den strengen, stroeven en soms woeligen geest der Hugenooten
+te vergelijken. De Spanjaard had bijgedragen, om zijn voorraad van
+ridderlijke en romaneske denkbeelden te vermeerderen. De vroegere
+letterkunde der Noordsche natiën ontging niet aan de liefhebberij van
+iemand, die meer las om de verbeelding dan om het verstand te voeden.
+En echter mocht Eduard Waverley, ofschoon hij veel wist wat slechts
+weinigen bekend is, te recht voor onwetend gehouden worden, omdat hij
+weinig wist van hetgeen den mensch waardigheid geeft, en hem in staat
+stelt een hooge plaats in de maatschappij op eervolle wijze te
+vervullen.
+
+Eenige oplettendheid van de zijde zijner ouders, had ligt kunnen
+strekken, om de ontaarding van den geest, het gevolg van zulk een
+ongeregelde wijze van studie, te voorkomen. Maar zijne moeder stierf in
+het zevende jaar na de verzoening tusschen de broeders, en Richard
+Waverley zelf, die na dezen tijd meestal in Londen woonde, was te zeer
+vervuld met zijn plannen om rijkdom en onderscheiding te verwerven, om
+zich niet tevreden te stellen met de verzekering dat Eduard zeer op
+boeken gesteld en wellicht bestemd was om Bisschop te worden. Had hij
+de wakende droomen van zijn zoon kunnen nagaan, hij zou dan tot eene
+geheel andere gevolgtrekking gekomen zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+LUCHTKASTEELEN.
+
+
+Ik heb reeds een wenk gegeven, dat de grillige en ziekelijke wansmaak,
+door overdaad van beuzelachtige lectuur aangekweekt, onzen held niet
+slechts ongeschikt maakte voor ernstige en gezette bezigheid, maar hem
+zelfs eenigermate een weerzin had ingeboezemd in hetgeen tot hiertoe
+zijn liefhebberij was geweest.
+
+Hij had zijn zestiende jaar bereikt, toen zijn afgetrokken aard en zijn
+zucht naar eenzaamheid zoo sterk in het oog vielen, dat Sir Everards
+bezorgdheid opgewekt werd. Hij poogde deze neiging tegen te gaan, door
+zijn neef uittenoodigen tot allerhande jachtvermaken, waarin de
+voornaamste uitspanning van zijn eigen jeugd bestaan had. Maar, schoon
+Eduard voor een enkel saizoen het jachtroer gretig opnam, verloor hij,
+zoodra hij geleerd had er zich met eenige behendigheid van te bedienen,
+alle genoegen in deze tijdkorting.
+
+In het volgend voorjaar bracht des ouden Izaäk Walton’s „Volmaakte
+hengelaar” hem er toe, om een ijverige beoefenaar van diens kunst te
+worden. Maar van alle uitspanningen, welke het vernuft ooit heeft
+uitgevonden om ledigheid te verdrijven, is het visschen het allerminst
+geschikt om iemand te vermaken, wiens traagheid zijn ongeduld evenaart,
+en de hengelroede van onzen held werd spoedig ter zijde gelegd. Goed
+gezelschap en voorbeeld, waardoor onze driften sterk beteugeld en
+beheerscht worden, zouden wel hunne gewone uitwerking op onzen
+jeugdigen dweeper hebben kunnen uitoefenen; maar de buurt was dun
+bevolkt, en de te huis opgevoede jonge lieden, die men er aantrof,
+behoorden niet tot de klasse, waaruit makkers voor Eduard konden
+gekozen worden, en nog veel minder waren ze in staat om zijn naijver op
+te wekken bij die veldvermaken, welke zij als het hoofddoel van hun
+leven beschouwden.
+
+Er waren eenige andere jongelieden, die eene betere opvoeding ontvangen
+hadden en van veel minder bekrompen aard; maar onze held was
+eenigermate van hun kring uitgesloten. Sir Everard had, na den dood van
+koningin Anna, zijne plaats in het Parlement opgegeven, en, met de
+klimmende jaren, terwijl het aantal zijner tijdgenooten verminderde,
+zich langzamerhand uit de zamenleving teruggetrokken; zoodat, wanneer
+Eduard weleens met knappe en welopgevoede jonge lieden van zijn stand
+en vooruitzichten in aanraking kwam, hij zijn minderheid gevoelde, niet
+zoo zeer uit gebrek aan onderwijs en kennis, als uit gemis aan
+oefening, om hetgene hij wist voor te dragen en te pas te brengen. Eene
+sterke, dagelijks toenemende gevoeligheid deed dezen afkeer van het
+gezellig verkeer aangroeijen. De vrees van het minste vergrijp tegen de
+wellevendheid begaan te hebben, was voor hem ondragelijk; want
+misschien veroorzaakt de schuld van het kwaad zelf bij sommige
+gemoederen zulk een pijnlijk gevoel van schaamte en wroeging niet, als
+een zedig, gevoelig en onervaren jongeling ondervindt, bij het
+bewustzijn, dat hij de maatschappelijke vormen uit het oog verloren of
+zich belachelijk gemaakt heeft. Waar wij niet op ons gemak zijn, daar
+kunnen wij niet gelukkig wezen; en daarom is het niet vreemd, dat
+Eduard Waverley in den waan verkeerde, dat hij onbemind was en
+ongeschikt voor het gezellig verkeer, alleen omdat hij de gave nog niet
+verkregen had, er zich met gemak te bewegen, en anderen genoegen te
+geven of het zich zelven te verschaffen.
+
+De uren door hem bij zijn oom en tante gesleten, werden verbeuzeld met
+telkens herhaalde vertellingen van den praatzieken ouderdom. Doch zelfs
+daarbij werd zijn verbeelding, het overheerschend vermogen van zijn
+geest, menigmaal opgewekt. Familie-overlevering en geslachtkundige
+historie, waarover Sir Everard meestal sprak, is juist het
+tegenovergestelde van den barnsteen, die, schoon op zich zelven een
+kostbare zelfstandigheid, toch doorgaans vliegen, stroohalmpjes en
+andere prullen bevat; terwijl de genoemde studiën, op zich zelve hoogst
+onbeduidend en beuzelachtig, nogtans dienen, om zeer veel van hetgeen
+in de oude zeden zeldzaam en belangrijk is, voor de vergetelheid te
+bewaren, en een aantal wetenswaardige kleinigheden in herinnering te
+houden, die door geen ander middel te bewaren, of tot ons over te
+brengen zouden zijn. Zoo derhalve Eduard Waverley van tijd tot tijd
+geeuwde bij het oplezen van den droogen catalogus van de namen zijner
+voorvaderen, en bij het opsommen hunner onderling aangegane huwelijken,
+en in zijn hart de koude en langdradige nauwkeurigheid verwenschte,
+waarmede de waardige Sir Everard de onderscheidene trappen van
+verwantschap naging, die er bestonden tusschen het huis van
+Waverley-Honour en de dappere baronnen, ridders en heeren, met welke
+het vermaagschapt was; zoo hij (in weerwil zijner verplichting aan de
+drie hermelijnen) soms met al de drift van een Hotspur, in zijn hart
+vloekte op de poespas der wapenkunde, hare griffioenen, hare monsters
+en hare draken verwenschte, waren er echter oogenblikken, waarin zijn
+verbeelding opgewekt en zijne oplettendheid geboeid werd.
+
+De daden van Wilibert van Waverley in het Heilige Land, zijn lange
+afwezigheid en gevaarlijke avonturen, zijn veronderstelde dood en zijn
+terugkomst op den avond, toen zijn geliefde den held gehuwd had, die
+haar tegen beschimping en verdrukking had beschermd; de edelmoedigheid,
+waarmede de kruisridder zijn aanspraken opgaf en in het naburig
+klooster den eeuwigen vrede zocht, [20] – naar deze en soortgelijke
+verhalen kon hij luisteren tot zijn hart gloeide en zijn oog
+glinsterde. En niet minder was hij aangedaan, wanneer zijn tante
+Rachel, van het lijden en de dapperheid van Alice Waverley, gedurende
+den grooten burgeroorlog, verhaalde. De vriendelijke gelaatstrekken van
+de bejaarde jonkvrouw namen een verhevener uitdrukking aan, als ze
+verhaalde, hoe Karel, na den slag van Worcester, voor een dag toevlucht
+vond op Waverley-Honour, en hoe, toen een troep ruiterij naderde, om
+het huis te doorzoeken, Lady Alice haar jongsten zoon uitzond, van een
+handvol huisbedienden vergezeld, met het bevel, om ten koste van hun
+leven, een uur uitstel te bewerken, ten einde den Koning den tijd te
+verschaffen om te ontvluchten. „En, God zij haar genadig,” dus placht
+Freule Rachel voort te gaan, terwijl zij hare oogen op de beeltenis der
+heldin vestigde, en er bijvoegde, „wel kocht ze het behoud van haar
+koning duur met het leven van haar meest geliefd kind. Hij werd hier
+heen gebracht als gevangene, doodelijk gewond; en gij kunt nog de
+sporen van zijn bloed zien, van de groote zaaldeur, langs de kleine
+gaanderij en verder op naar de kamer waar hij werd nedergelegd, om aan
+de voeten zijner moeder te sterven. Maar ze troostten elkander; want
+hij zag aan het schitteren van zijn moeders oog, dat het doel zijner
+wanhopige verdediging bereikt was.” „Ach! ik herinner mij,” ging zij
+voort, „ik herinner mij nog iemand gezien te hebben, die hem kende en
+beminde. Om zijnentwil leefde en stierf Lucie St. Aubin ongehuwd,
+schoon een der schoonste en rijkste partijen in dit koninkrijk; het
+geheele land liep haar na, maar geheel haar leven lang droeg ze den
+zwaren rouw, om den armen Willem; want zij waren verloofd, ofschoon
+niet getrouwd, en ze stierf in – ik herinner mij den datum niet; maar
+wèl, dat in November van datzelfde jaar, toen ze gevoelde dat hare
+krachten begonnen af te nemen, ze nog eenmaal verlangde naar
+Waverley-Honour gebracht te worden. Ze bezocht toen al de plaatsen waar
+ze met zijn oudoom geweest was, en liet de tapijten opnemen, om het
+spoor van zijn bloed te zien, en als tranen in staat waren geweest het
+uit te wisschen, zou het er niet meer aanwezig zijn; want er was geen
+droog oog in het geheele huis. Gij zoudt gemeend hebben, Eduard, dat
+zelfs de boomen om haar treurden; want naast haar vielen de bladeren
+af, zonder dat het geringste koeltje zich bewoog; en waarlijk ze zag er
+uit als iemand, die ze nooit weder groen zou zien.”
+
+Na het hooren van zulke legenden sloop onze held doorgaans weg, om zich
+aan de mijmeringen over te geven, daardoor opgewekt. In den hoek van de
+uitgestrekte en sombere boekerij, bij geen ander licht, dan hetgeen de
+smeulende blokken op den breeden haard verspreidden, kon hij uren lang
+die inwendige tooverij uitoefenen, waardoor gebeurtenissen uit het
+verledene of die welke de verbeelding oproept, voor het oog van den
+droomer als het ware leven. Nu eens zag hij voor zich een langen en
+rijken sleep van schitterende vizioenen verrijzen: het bruiloftsfeest
+binnen het kasteel van Waverley; de ranke en vermagerde gestalte van
+den rechtmatigen heer in zijn pelgrims gewaad, als een onopgemerkt
+toeschouwer der vreugde van zijn gewaanden erfgenaam en van zijne
+bestemde bruid; den elektrieken schok door de ontdekking veroorzaakt;
+het grijpen der vazallen naar de wapenen; de verbazing van den
+bruidegom; de schrik en verwarring van de bruid; de bittere smart
+waarmede Wilibert opmerkte, dat zij van ganscher harte in het huwelijk
+toestemde; de houding die getuigde van waardigheid, en diep gevoel,
+waarmede hij het half ontbloote zwaard weder in de schede stak, en het
+huis zijner voorvaders verliet om het voor altijd den rug toe te
+keeren. Dan liet hij wederom het tooneel veranderen, en de fantazie
+moest hem gehoorzamen en tante Rachels treurspel vertoonen. Hij zag
+Lady Waverley zitten in het prieel, geheel en al oor om het minste
+geluid op te vangen, terwijl haar hart van angst klopte, nu eens
+luisterende naar de wegsmeltende klanken van den hoefslag van ’s
+konings paard, en toen deze verstierven, in elk windje, waardoor de
+boomen in het park bewogen werden, het geraas der verwijderde
+schermutseling hoorende. Een geluid in de verte wordt vernomen, als het
+ruischen van een bergstroom; het komt nader, en Eduard kan duidelijk
+het draven der paarden, het getier en geschreeuw der manschappen, en
+daaronder het knallen van pistoolschoten onderscheiden; alles hoe
+langer hoe meer het kasteel naderende. De dame springt op – een
+ontsteld bediende stort binnen. – Maar waartoe zulk eene beschrijving
+vervolgen?
+
+Daar het leven in deze denkbeeldige wereld onzen held dagelijks
+aangenamer werd, zoo was het hem naar evenredigheid onaangenaam
+gestoord te worden. De uitgebreide landerijen, waardoor het slot
+omringd was, die, daar ze den omvang van een park ver te boven gingen,
+gemeenlijk Waverley Jacht genoemd werden, waren oorspronkelijk
+boschgrond geweest, en bezaten, schoon afgewisseld door uitgestrekte
+open vakken, waarin de jonge reeën dartelden, nog geheel het woeste
+karakter van eertijds. Het land was doorsneden met breede lanen, op
+vele plaatsen half begroeid met kreupelhout, waar de schoonen van
+vroegere dagen hare standplaats plachten te kiezen, om het hert door de
+windhonden te zien vervolgen, of eene gelegenheid te vinden om met den
+armboog op te mikken. Op éen plek, kenbaar door een met mos begroeid
+gothisch gedenkteeken, dat nog den naam van koninginneplek behield, had
+Elizabeth, naar men zeide, met eigen hand zeven herten doorschoten. Dit
+was een lievelingsplek van Eduard Waverley. Op andere tijden was hij
+gewoon met het jachtroer en zijn hond, die als voorwendsel voor anderen
+moesten dienen, en met een boek op zak, dat misschien als voorwendsel
+voor hemzelven dienen moest, eene dezer lange lanen in te slaan, die na
+anderhalf uur klimmens, zich allengs vernauwde tot een ruw, smal pad
+door den steenachtigen en dichtbegroeiden pas, Het Zwarte dal genaamd,
+en eensklaps een uitzicht schonk op een diep en donker meertje, om
+dezelfde reden Het Zwarte meer genoemd. Daar stond in vroeger tijd een
+eenzame toren op eene rots, bijna geheel door water omringd, die den
+naam verkregen had van „de sterkte van Waverley,” omdat hij vaak in
+gevaarlijke tijden tot toevluchtsoord der familie had gediend. Daar
+voerden, gedurende de oorlogen van York en Lancaster, de laatste
+aanhangers van de Roode Roos, die hare zaak durfden voorstaan, een
+onafgebroken en vernielenden krijg, tot de sterkte door den vermaarden
+Richard van Gloucester werd veroverd. Hier hield ook een troepje
+Koningsgezinden zich lang staande onder Nigel Waverley, den ouderen
+broeder van dien Willem, wiens lotgevallen tante Rachel gewoon was te
+vertellen. Op deze plekken schiep Eduard er behagen in, zich in zoete
+en bittere overdenkingen te verdiepen, terwijl hij, gelijk een kind te
+midden van zijn speelgoed, uit den schitterenden maar nutteloozen
+voorraad van beelden en droomen zijner fantazie, gebouwen optrok, die
+even luisterrijk waren, maar even spoedig verdwenen als die eener
+avondwolk. Welke uitwerking dit toegeven aan zijn lievelingsgewoonte op
+zijn gemoed en karakter had, zal in het volgende hoofdstuk blijken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+KEUZE VAN EEN BEROEP.
+
+
+Wegens de uitvoerigheid, waarmede ik Waverleys bezigheden, en de
+richting die ze aan zijn verbeelding gaven, geschetst heb, zal de lezer
+in de volgende geschiedenis wellicht eere navolging verwachten van den
+bekenden roman van Cervantes. Maar door dit te veronderstellen, zou hij
+mijne wijsheid te kort doen. Het is mijn voornemen niet de voetstappen
+van dien onnavolgbaren schrijver te drukken, in het schilderen van die
+geheele verbijstering des verstands, welke de voorwerpen verwart, zoo
+ras ze zich voordoen, maar ik wensch die meer gewone afwijking van het
+gezonde oordeel te schetsen, die de zaken zooals ze werkelijk bestaan
+opneemt, doch daaraan een zweem van eigen romanesken toon en kleur
+mededeelt. Eduard Waverley was er zoo verre van af, om te
+veronderstellen dat hij bij anderen zijne wijze van zien en gevoelen
+vinden zou, of te wanen dat de tegenwoordige toestand der maatschappij
+geschikt was om de droomen te verwezenlijken, waaraan hij zich zoo
+gaarne overgaf, dat hij niets meer vreesde dan de gevoelens die de
+vrucht waren van zijne mijmeringen, door anderen ontdekt te zien. Hij
+had geen vertrouwde, en wenschte er geen te hebben, om hem zijne
+droomerijen mede te deelen, waarvan hij het belachelijke zoo zeer
+gevoelde, dat, als hij had moeten kiezen tusschen een straf waaraan
+geen schande verbonden was, en de noodzakelijkheid om een koel en
+bedaard verslag te geven van de denkbeeldige wereld, waarin hij het
+beste deel van zijn leven doorbracht, hij, geloof ik, niet geaarzeld
+zou hebben zich aan de eerste te onderwerpen. Deze afzondering werd hem
+dubbel dierbaar, toen hij, met den loop der jaren, den invloed der
+ontwakende hartstochten gevoelde. Vrouwelijke vormen van uitstekende
+bevalligheid en volmaakte schoonheid begonnen een rol te spelen in
+zijne denkbeeldige avonturen en het duurde niet lang of hij begon rond
+te zien, en de scheppingen zijner verbeelding met de vrouwen uit de
+werkelijkheid te vergelijken. De lijst der schoonen, die hare
+bevalligheden wekelijks in de kerk van Waverley ten toon spreidden, was
+talrijk noch uitgelezen. Verre weg de dragelijkste was jufvrouw Sissly,
+of zoo als ze liever wilde genoemd worden, Cecilia Stubbs, de dochter
+van den heer Stubbs van de pachthoeve. Ik weet niet of het door het
+„eenvoudigste toeval van de wereld” was, eene spreekwijze, die op
+vrouwelijke lippen niet altijd den voorbedachten raad uitsluit, of dat
+het uit overeenstemming van smaak kwam, dat Cecilia meer dan eens
+Eduard op zijn lievelingswandeling in het Waverleys-Park ontmoette. Hij
+had den moed nog niet gehad haar bij deze gelegenheid aan te spreken;
+maar de ontmoeting was niet zonder uitwerking gebleven. Een romaneske
+minnaar is een zonderlinge afgodendienaar, die er zich soms weinig aan
+stoort, uit welke stof hij het voorwerp zijner aanbidding vormt,
+althans zoo de natuur dit voorwerp slechts wat uiterlijke schoonheid
+geschonken heeft, kan hij gemakkelijk den Juwelier en den Dervish, in
+de oostersche vertelling [21] spelen, en haar overvloedig, uit de
+voorraadschuren zijner eigene verbeelding, met bovennatuurlijke
+bekoorlijkheden en al de rijkdommen van geest en hart voorzien.
+
+Maar eer de bekoorlijkheden van Cecilia Stubbs haar wezenlijk tot een
+godin gemaakt, of ten minste haar even hoog geplaatst hadden als de
+heilige van dien naam, vatte Rachel Waverley eenige vermoedens op,
+welke haar bewogen de aanstaande apotheose of heiligverklaring te
+voorkomen. Zelfs de eenvoudigste en onergdenkendste der vrouwen (God
+zegene haar!) bezitten een aangeboren instinct in soortgelijke zaken,
+welke soms zoo ver gaat, dat ze neigingen bespeuren, die nooit bestaan
+hebben, en maar zelden missen die te ontdekken, welke onder het bereik
+harer waarneming vallen. Freule Rachel legde er zich met groote
+voorzichtigheid op toe, niet om het naderend gevaar te bestrijden, maar
+om het te voorkomen, en bracht haren broeder aan het verstand, dat de
+erfgenaam van zijn huis noodzakelijk iets meer van de wereld moest
+zien, dan mogelijk was bij zijn aanhoudend verblijf op Waverley-Honour.
+
+Sir Everard had in den beginne geen ooren naar een voorstel, waardoor
+hij van zijn neef zou gescheiden worden. Eduard was eenigzins op boeken
+gesteld; dat stemde hij toe; maar de jeugd, zooals hij altijd gehoord
+had, was de tijd om te leeren, en er bestond geen twijfel of hij zou,
+als zijn leeslust gestild, en zijn hoofd met kundigheden vervuld was,
+zich van zelf op de vermaken der jacht en de belangen van de landstreek
+toeleggen. Ook hij had het, zeide hij, dikwijls betreurd, dat hij in
+zijn jeugd niet een weinig tijd aan de studie besteed had: hij zou er
+niet minder goed om geschoten of gejaagd hebben, en het
+Parlementsgebouw met langere redevoeringen hebben doen weergalmen, dan
+de driftige „Neen’s”, waarmede hij, als lid van het Huis onder het
+bestuur der Whigs, zich tegen elken maatregel van het Bewind verzette.
+
+Tante Rachels bezorgdheid echter schonk haar de behendigheid om haar
+plan door te drijven. Ieder hoofd van hun huis had vreemde landen
+bezocht, of bij het leger gediend, alvorens zich op Waverley-Honour
+neêr te zetten, en ze beriep zich voor de waarheid harer verzekering op
+den stamboom, een gezag dat nooit door Sir Everard weersproken werd.
+Met éen woord, er werd een voorstel aan den heer Richard Waverley
+gedaan, om zijn zoon te laten reizen, onder toezicht van zijn
+gouverneur, den heer Pembroke, terwijl de Baronet op een gepaste en
+milde wijze in de reiskosten zou voorzien. De vader had niet het minste
+bezwaar; maar toen er aan de tafel van den Minister over gesproken
+werd, trok de groote man een bedenkelijk gezicht. De reden werd den
+vader in ’t geheim medegedeeld. „De ongelukkige staatkundige richting
+van Sir Everard,” merkte de Minister op, „maakte dat het hoogst
+ongeschikt was een jongeling van zulke groote vooruitzichten op het
+vaste land te laten reizen, met een gouverneur, buiten alle kijf, door
+zijn oom gekozen om hem in diens voetstappen en naar zijn voorschriften
+te leiden. Hoedanig zou mijnheer Eduard Waverleys gezelschap te Parijs,
+hoedanig dat te Rome zijn, waar alle soort van strikken door den
+Pretendent en zijn zoons gelegd werden? Dit waren alle maal punten
+waarover de heer Waverley zich nog wel tweemaal bedenken mocht. De
+minister zelf kon zeggen, dat Zijn Majesteit de diensten van den heer
+Richard Waverley op zulk een hoogen prijs stelde, dat, indien zijn zoon
+voor eenige jaren in dienst wilde gaan, hij rekenen kon op een escadron
+van een der dragonderregimenten, die onlangs uit Vlaanderen waren terug
+gekomen.”
+
+Een op deze wijze gegeven wenk liet zich niet straffeloos
+veronachtzamen, en ofschoon zeer bevreesd om de vooroordeelen van zijn
+broeder te krenken, besloot Richard Waverley de hem aldus voor zijn
+zoon aangeboden plaats niet te weigeren. De waarheid is, dat hij in
+ruime mate, en te recht, rekende op Sir Everards liefde tot Eduard, die
+niet liet voorzien, dat hij hem een stap kwalijk zou nemen, door hem
+uit onderwerping aan zijns vaders wil gedaan. Twee brieven kondigden
+dit besluit den Baronet en diens neef aan. In den laatsten bepaalde hij
+zich alleen tot de mededeeling van de zaak, terwijl daarin tevens de
+toebereidselen werden opgegeven, die hij te maken had om zich bij het
+regiment te voegen. Aan zijn broeder schreef Richard uitvoeriger en
+zeer omzichtig. Hij stemde, op de vleijendste wijze, toe, dat het voor
+zijn zoon zeer goed zou wezen, iets meer van de wereld te zien, en hij
+drukte zelfs in de nederigste bewoordingen zijn dankbaarheid voor den
+aangeboden bijstand uit; maar hij gaf zijn leedwezen te kennen, dat
+Eduard thans ongelukkig niet, bij machte was volkomen te handelen
+overeenkomstig het plan, door zijn besten vriend en weldoener
+ontworpen. Hij zelf had met smart gedacht aan de werkeloosheid van den
+jongen, op een leeftijd, dat al zijn voorvaders de wapens gedragen
+hadden; ja de Koning zelf had zich verwaardigd te vragen, of de jonge
+Waverley thans niet in Vlaanderen was, op een leeftijd dat zijn
+grootvader reeds zijn bloed voor zijn Koning, in den grooten
+burgeroorlog gestort had? Deze vraag ging met de aanbieding van een
+escadron vergezeld. Wat kon hij doen? Er was geen tijd om zijn broeder
+te raadplegen, al ware het ook, dat er zwarigheden van zijn zijde
+mochten bestaan, om zijn neef de roemrijke loopbaan van diens
+voorvaderen te laten betreden. En, om kort te gaan, dat Eduard thans
+(na de mindere graden van Kornet en Luitenant met een buitengewone
+vlugheid te zijn overgesprongen) kapitein Waverley bij de dragonders
+van Gardiner was, en hij zich binnen eene maand te vervoegen had bij
+zijn regiment te Dundee, in Schotland.
+
+Sir Everard Waverley ontving deze mededeeling met gemengde
+gewaarwordingen. Toen het geslacht van Hannover den troon van Engeland
+beklom, had hij zich uit het Parlement teruggetrokken, en zijn gedrag
+in het gedenkwaardige jaar 1715 was niet geheel en al onopgemerkt
+gebleven. Er liepen geruchten van bijzondere monsteringen van boeren en
+paarden te Waverley bij maneschijn, en van kisten vol in Holland
+gekochte en aan den Baronet geadresseerde geweren en pistolen; maar
+deze laatste werden onderschept door de waakzaamheid van een ambtenaar
+der accijnsen, die later op een donkeren nacht, voor zijn
+gedienstigheid door eenige moedige boerenknapen afgestraft werd. Ja,
+wat meer is, men had zelfs gezegd, dat bij het arresteren van Sir
+Willem Wyndham, den aanvoerder der Tory-partij, een brief van Sir
+Everard in den zak van diens rok was gevonden. Maar er liet zich geene
+openbare aanklacht op bouwen; en het Bewind, tevreden met den opstand
+van 1715 onderdrukt te hebben, achtte het voorzichtig noch raadzaam
+zijn wraak verder uit te strekken, dan tot de ongelukkigen, die
+openlijk de wapenen hadden opgevat.
+
+Sir Everard legde ook niet de minste vrees aan den dag ten opzichte der
+geruchten omtrent zijn persoon onder zijn Whigsche buren verspreid. Het
+was wel bekend, dat hij verscheidene in ongelegenheid geraakte
+Noord-Engelschen en Schotten met geld had bijgestaan, die na te
+Preston, in Lancashire, gevat te zijn, in de gevangenissen van Newgate
+en Marshalsea waren opgesloten; en het was zijn zaakwaarnemer en gewone
+raadsman, die zich met de verdediging van sommigen dezer ongelukkigen
+belast had. Algemeen was men van gevoelen, dat, zoo de Ministers een
+wettig bewijs in handen gehad hadden van Sir Everards deelneming aan
+den Opstand, hij dan niet zou gewaagd hebben de bestaande regeering te
+tarten, of wèl dat hij dit niet straffeloos zou hebben gedaan. De
+gevoelens echter, die hem toen beheerschten, waren die van den
+jongeling, en wel in een veel bewogen tijd. Sedert was Sir Everards
+Jacobietisme langzamerhand verkoeld, gelijk een vuur dat uit gebrek aan
+brandstof uitdooft. Van tijd tot tijd vond hij gelegenheid om zijne
+Torysche en kerkelijke beginselen te versterken, bij verkiezingen en
+vergaderingen; maar betrekkelijk het erfelijke troonrecht waren zijn
+denkbeelden zoo wat in doodslaap gevallen. Intusschen schokte het zijn
+gevoel niet weinig, zijn neef bij het leger te zien onder de
+Brunswijksche dynastie; en dat te meer, daar, behalve zijn nauwgezette
+begrippen van het vaderlijk gezag, het onmogelijk, of ten minste hoogst
+onvoorzichtig zou geweest zijn, om de zaak met geweld te keer te gaan.
+Deze onderdrukte ergernis gaf aanleiding tot veel zuchten en steunen,
+hetgeen op rekening gesteld werd van een opkomenden aanval van jicht,
+tot de waardige Baronet, na om de ranglijst gezonden te hebben, zijn
+troost zocht in het optellen van de afstammelingen der huizen van
+erkende staatkundige eerlijkheid: de Mordaunts, Granvilles en Stanleys,
+wier namen hij hier aantrof. Terwijl hij nu al zijn ingenomenheid met
+familieëer en oorlogsroem te hulp riep, besloot hij volgens eene
+logica, niet ongelijk aan die van Falstaff, dat, zoo er oorlog op
+handen was, ofschoon het schande zou zijn, zich bij eene andere partij
+dan bij die éene te scharen, het echter nog grooter schande wezen zou
+bij dien strijd stil te zitten, dan om te strijden voor den slechtste
+van allen, al was die bij overweldiging op den troon gekomen. Wat tante
+Rachel betreft, haar plan was wel niet juist volgens hare wenschen
+gelukt, maar zij was in de noodzakelijkheid zich aan de omstandigheden
+te onderwerpen. Zij vond ook afleiding voor hare droefheid in het
+gereedmaken der uitrusting van haren neef, en niet weinig vergoeding in
+het vooruitzicht van hem in volle uniform te zien schitteren.
+
+Eduard Waverley zelf ontving de geheel onverwachte kennisgeving met
+levendige en onuitsprekelijke verbazing. Het was, gelijk een fraai, oud
+gedicht het uitdrukt „een vuur in de heide ontstoken,” dat een eenzamen
+heuvel met smook bedekt en dien te gelijk door een somber vuur
+verlicht. Zijn gouverneur, of liever de heer Pembroke, want hij heette
+slechts zelden gouverneur, vond in Eduards kamer eenige fragmenten van
+verzen, die hem schenen ingegeven te zijn door het onverwachte opslaan
+van deze bladzijde uit zijn levensboek. De geleerde, die alles voor
+poëzij hield, wat door zijn vrienden vervaardigd, en in fraaie rechte
+regels, waarvan allen met een hoofdletter begonnen, geschreven werd,
+deelde dezen schat aan tante Rachel mede, die, haar bril met tranen
+bevochtigd op den neus, ze overschreef in haar zakboekje, onder
+uitgezochte recepten voor de keuken of de apotheek, lievelingsteksten
+en fragmenten van godsdienstige boeken naar haren smaak, als ook een
+paar liedjes van krijgshaftigen en Jacobietischen inhoud, die ze in
+hare jonge dagen placht te neuriën; uit welke verzameling de
+dichterlijke proeven van haar neef werden getrokken, toen het boek
+zelf, met andere authentieke stukken van de familie Waverley, ter
+inzage werden gegeven aan den onwaardigen uitgever van deze
+merkwaardige geschiedenis. Indien ze het genoegen van den lezer al niet
+verhoogen, zullen ze ten minste beter dan eenig verslag den woesten en
+ongeregelden aard van onzen held doen kennen.
+
+
+ Toen ’s avonds laat de herfst zijn rood
+ En goud op het Zwarte-meer-dal goot,
+ Gaf, stil en zedig, ’t effen meer
+ De purpren wolk en goudgloed weêr,
+ En beeldde ’t vloeijend bergkristal
+ Het bergland af en ’t lage dal.
+ Daar spiegelde in den heldren stroom
+ Zich elke bloem en elke boom
+ En rots en toren trouw en teêr,
+ Als lag daar onder ’t vredig meer,
+ Bevrijd van de onrust, zorg en smart,
+ Het deel van ieder menschenhart,
+ Een wereld, die, naar allen schijn,
+ Nog schooner dan onze aard moest zijn.
+
+ Maar, ver en buldrend opgestaan,
+ Verhief zich plotseling de orkaan,
+ En wekte snel den Geest van ’t meer
+ Hij hoorde ’t buldren van het weêr
+ En ’s eiken kreunend dof gebrom;
+ Hij sloeg den zwarten mantel om,
+ Gelijk de krijgsman op den kreet
+ Van d’ oorlog zich in ’t pantser kleedt.
+ Maar als de stormwind nader toog,
+ Betrok zijn forsche wenkbrauwboog,
+ En werd zijn wang van kleur beroofd.
+ De helmpluim schudde er op zijn hoofd,
+ Toen hij het golvend wed beval
+ Te dondren door ’t misvormde dal.
+ Die ideale wereld ging
+ Op eens in wilden warrelkring
+ Met d’ opgejaagden vloed te loor.
+ Van kalmte en rust geen enkel spoor.
+ En wrak bij wrak dier zaligheid
+ Lag op den oever ver verspreid.
+
+ Toen zag ’k dien ommekeer met vreugd,
+ Ja, met een wondervreemd geneugt.
+ Terwijl de wind, in wilden trots,
+ Den kamp bestond met golf en bosch,
+ Stond ’k op den toren. ’t Was alsof
+ Mij toen een vreemd geheimnis trof,
+ En aan zijn zoet gevlei mijn hart,
+ Hoe langs zoo meer gekluisterd werd;
+ Toen treurde ik ras, door ’t stormenheer
+ Omringd, om ’t stil tooneel niet meer.
+
+ Zoo breekt de waarheid ook eens heel
+ Des jonkheids lokkend luchtkasteel;
+ Zoo bant ze elk toovrend droomgezigt
+ Dat, als het landschap, rijk aan licht
+ En glans en schoon, op ’t meervlak scheen,
+ Eer ’t voor den najaarsstorm verdween.
+ En voor verbeeldings scheppend oog
+ Is nu die vorm, die langs mij toog,
+ En mij dus ketende om zijn schoon,
+ Geborgen bij geliefde doôn;
+ Want liefdes droom en liefdes bloem
+ Maakt plaats voor krijgsgewoel en roem.
+
+
+In eenvoudig proza, want misschien drukken deze verzen het niet bepaald
+genoeg uit, werd het vluchtige beeld van Cecilia Stubbs in kapitein
+Waverley’s hart uitgewischt, te midden van de beslommeringen zijner
+nieuwe stemming. Zij zelve verscheen, wel is waar, in vollen glans, in
+haar vaders bank, op den Zondag toen hij voor het laatst de dienst in
+de oude dorpskerk bijwoonde; bij welke gelegenheid hij, op verzoek van
+zijn oom en van tante Rachel (zonder, om de waarheid te zeggen, er zich
+lang toe te laten bidden) werd overgehaald, om zich in volle uniform te
+vertoonen.
+
+Het beste middel om geen al te hoog denkbeeld van anderen te koesteren,
+is zeer met zich zelven ingenomen te zijn. Jufvrouw Stubbs had wel alle
+hulp ingeroepen, die de kunst aan de schoonheid verleenen kan; maar
+helaas! hoepelrok, moesjes, golvende lokken en een nieuw kleed van echt
+Fransche zijde, vermochten niets op een jongen dragonder-officier, die
+voor het eerst zijn met goud omboorden hoed, zijn rijlaarzen en
+sleepsabel droeg. Ik weet niet, of, gelijk de kampioen in de oude
+ballade,
+
+
+ Zijn hart alleen voor de eere sloeg,
+ En liefde bleef verzaken;
+ Geen vrouw, in ’t land had kracht genoeg,
+ Om ’t ijskoud hart te raken,
+
+
+dan of de schitterende en met goud geborduurde rok, die thans zijn
+borst beschermde, Cecilia’s blikken trotseerde; maar hare pijlen werden
+te vergeefs op hem afgeschoten.
+
+
+ Toch zag ik, waar Cupido’s schichtje vloog;
+ Het viel niet neêr op ’t bloemrijk westerveld,
+ Maar trof een knaap, de bloem van heel het west,
+ Heer Jonas Cubertfield, ’s rentmeesters zoon.
+
+
+Terwijl ik verschooning vraag voor mijn heroica (waaraan ik in zekere
+gevallen niet kan nalaten lucht te geven), moet ik tot mijn leedwezen
+berichten, dat wij hier afscheid dienen te nemen van de schoone
+Cecilia, die, gelijk menige dochter van Eva, na het vertrek van Eduard,
+en het vervliegen van zekere ijdele door haar gevoede droomen, zich
+stilletjes tevreden stelde met een pis-aller, en na verloop van zes
+maanden hare hand schonk, aan voornoemden Jonas, zoon van des baronets
+rentmeester, en erfgenaam (geen gering vooruitzicht!) van eens
+rentmeesters fortuin, behalve het fraaie verschiet van zijn vader in
+zijn post op te zullen volgen. Al deze voordeelen bewogen den heer
+Stubbs, evenals het bruine gelaat en de manhaftige gestalte van den
+vrijer, zijn dochter, het punt van „afkomst” over ’t hoofd te zien, en
+zoo kwam het huwelijk tot stand. Niemand scheen meer in haar schik dan
+tante Rachel, die tot hiertoe het ingebeelde juffertje wel een weinig
+schuins had aangekeken (voor zoo ver hare goedhartigheid dit toeliet),
+maar die bij de eerste verschijning van het jonggehuwde paar in de
+kerk, de bruid met een glimlach en een diepe buiging vereerde, in
+tegenwoordigheid van den predikant, den kapelaan, den koster en de
+geheele vergadering der vereenigde gemeenten van Waverley en Beverley.
+
+Ik verzoek, eens voor altijd, verschooning van den lezer, die een roman
+enkel tot vermaak in handen neemt, dat ik hem zoo lang kwel met
+ouderwetsche staatkunde en Whig’s en Tory’s en Jacobieten en
+Hannoveranen; maar de waarheid is, dat ik niet zou kunnen beloven, dat
+de geschiedenis zonder dat verstaanbaar, of niet ongerijmd wezen zou.
+Mijn ontwerp vordert dat ik de beweegredenen ontwikkel, waaruit de
+handeling voortvloeit; en deze beweegredenen berusten noodwendig op de
+gevoelens, vooroordeelen en partijschappen dier tijden. Ik noodig mijne
+schoone lezeressen, wier kunne en ongeduld haar het grootste recht
+geven om over deze uitweidingen te klagen, niet in een vliegenden
+wagen, door gevleugelde paarden getrokken, of door tooverkracht in
+beweging gebracht, mede te gaan. Ik bezit slechts een eenvoudige
+Engelsche reiskoets op vier wielen en langs den straatweg loopende. Zij
+wien dit rijtuig niet bevalt, mogen het op de eerste pleisterplaats
+verlaten en wachten op Prins Hussein’s tapijt of des wevers Malek’s
+[22] vliegend schilderhuisje. Zij die mij willen blijven vergezellen,
+zullen van tijd tot tijd blootgesteld zijn aan de onaangenaamheid van
+moeielijke wegen, steile heuvels, modderpoelen en andere wereldsche
+bezwaren. Maar, met tamelijk goede paarden en „een geschikten voerman,”
+(zoo als men in de advertentiën leest) verbind ik mij zoo spoedig
+mogelijk een schilderachtiger en romanesker landstreek te bereiken,
+indien mijn passagiers eenig geduld met me willen hebben op de eerste
+stations. [23]
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HET AFSCHEID VAN WAVERLEY.
+
+
+Op den avond van dezen merkwaardigen zondag trad Sir Everard de
+boekerij binnen, waar hij onzen jongen held bijna had betrapt, bezig
+met het oude zwaard van Sir Hildebrand in het rond te zwaaijen, dat als
+een erfstuk bewaard, gewoonlijk boven den schoorsteen in de boekerij,
+onder een portret van den ridder en zijn paard hing, wiens
+gelaatstrekken bijna geheel bedekt waren door des ridders vreeselijk
+zware krulpruik, terwijl het door hem bereden strijdros verborgen was
+onder den ontzachlijken mantel van de Bath-orde, waarmede hij omhangen
+was. Sir Everard trad binnen, en na een blik op de schilderij en een
+tweeden op zijn neef geslagen te hebben, begon hij eene kleine deftige
+aanspraak, die echter spoedig overging in zijne natuurlijke eenvoudige
+spreekwijze, bij deze gelegenheid door meer dan gewone aandoening
+verlevendigd. „Neef,” zeide hij „dat is, mijn lieve Eduard, het is Gods
+wil, en insgelijks de wil van uw vader, wien het, naast God, uw plicht
+is te gehoorzamen, dat gij ons verlaat, om het krijgsmans beroep te
+volgen, waarin zoovelen uwer voorvaderen zich onderscheiden hebben. Ik
+heb de noodige schikkingen gemaakt die u zullen in staat stellen, om in
+het veld te verschijnen als hun afstammeling en als de stamhouder van
+het huis Waverley; en, op ’t slagveld zult ge niet vergeten, welken
+naam gij draagt. Maar Eduard, mijn lieve jongen, herinner u insgelijks,
+dat gij de laatste van dien stam zijt, en dat alleen op u de hoop
+berust, dat hij niet zal uitsterven; en daarom, zoo ver plicht en eer
+zulks toelaten, vermijd het gevaar – ik meen, noodeloos gevaar – en
+houd u niet op met gemeene knapen, spelers en Whigs, waarvan er zoo als
+te vreezen is, maar al te veel in de dienst gevonden worden, waarin gij
+treden zult. Uw Kolonel is, naar men mij bericht heeft, een uitmuntend
+man – voor een Presbyteriaan; maar gij zult uw plicht in het oog houden
+jegens God, de kerk van Engeland en den – (deze gaping had volgens de
+orde behooren aangevuld te worden met het woord koning; maar daar dit
+woord ongelukkig een dubbelen en onzekeren zin had, de éen doelende op
+het feitelijk bezit en de ander op het recht, zoo vulde de ridder het
+aan) – de kerk van Engeland en alle ingestelde machten.” Vervolgens,
+daar hij zich niet verder als redenaar waagde, bracht hij zijn neef
+naar den stal, om de paarden te zien, die hij voor hem bestemd had.
+Twee waren er zwart, de kleur van het regiment, beide uitmuntend
+schoone dieren; de drie andere waren stevige, vlugge rijpaarden, voor
+de reis, of voor Eduards bedienden bestemd; twee dezer waren uit die
+van het slot gekozen; een derde, die als staljongen dienst zou doen,
+zou in Schotland wel te krijgen zijn.
+
+„Gij zult slechts met een klein gevolg vertrekken,” zei de baronet, „in
+vergelijking met Sir Hildebrand, toen hij voor de poort van zijn slot
+een talrijker troep ruiterij monsterde; dan uw geheele regiment. Ik zou
+graag gezien hebben, dat de twintig jonge lieden van mijn goederen, die
+dienst hebben genomen bij uw regiment, te gelijk met u naar Schotland
+hadden kunnen vertrekken. Het zou ten minste iets geweest zijn; maar
+men heeft mij gezegd, dat zulk een gevolg in den tegenwoordigen tijd
+als iets ongewoons beschouwd zou worden, nu allerlei nieuwe en dwaze
+gewoonten ingevoerd zijn om de natuurlijke banden, die het volk aan
+zijne landheeren hechten, te verzwakken.”
+
+Sir Everard had zijn best gedaan, om deze onnatuurlijke richting van
+den tijdgeest te verbeteren; want hij had de banden van gehechtheid
+tusschen de recruten en hun jongen kapitein verstrekt, niet alleen door
+een overvloedigen maaltijd van vleesch en bier, bij wijze van
+afscheidsfeest, maar tevens door een ruim geschenk in geld, hetwelk eer
+strekte om de genoegens dan wel om de orde en tucht op hun marsch te
+bevorderen. Na de paarden in oogenschouw genomen te hebben, bracht Sir
+Everard zijn neef terug naar de bibliotheek, waar hij een met zorg
+toegevouwen brief voor den dag haalde, volgens ouder gewoonte omwonden
+met een strookje ongesponnen zijde, en verzegeld met een nauwkeurig
+afdruksel van het Waverleysche wapenschild. Deze brief was, met alle
+deftigheid van dien tijd, geadresseerd „Aan den Hoogwelgeboren Heere
+Cosmo Comyne Bradwardine, van Bradwardine, op zijn residentie
+Tully-Veolan, graafschap Perth, Schotland. – Ter vriendelijke bezorging
+van kapitein Eduard Waverley, neef van Sir Everard Waverley, van
+Waverley-Honour, Baronet.”
+
+De edelman aan wien dit breedvoerig adres gerigt was, en over wien wij
+in het vervolg meer zullen te spreken hebben, had in ’t jaar 1745 de
+wapens gevoerd voor het verbannen koninklijke huis van Stuart, en was
+te Preston, in Lancashire, gevangen genomen. Hij was iemand van zeer
+oude familie, maar van niet onbezwaard vermogen; een geletterde, naar
+de gewone wijze der Schotten, dat is te zeggen, eerder omslachtig dan
+nauwkeurig, en meer een belezen man dan een taalkenner. Men verhaalde
+van hem, dat hij van zijn liefde tot de oude schrijvers een zeer
+bijzonder blijk had gegeven. Op weg tusschen Preston en Londen gelukte
+het hem aan zijn wachters te ontsnappen; maar toen men hem naderhand
+vond, rondslenterende in de nabijheid van de plaats waar zij den
+vorigen nacht verblijf gehouden hadden, werd hij herkend en andermaal
+gevat. Zijn medgezellen, en zelfs zijn geleiders, stonden verbaasd over
+zijn onvoorzichtigheid, en konden niet nalaten te vragen, waarom hij,
+eenmaal in vrijheid, niet zijn best gedaan had, om eene veilige
+schuilplaats te bereiken; waarop hij antwoordde, dat dit zijn voornemen
+was geweest, maar dat hij, om de waarheid te zeggen, was teruggekeerd
+om zijn Titus Livius te zoeken, dien hij in de haast van zijn vlucht
+vergeten had [24]. Dit eenvoudig verhaal trof den heer, die, zoo als
+wij reeds gezegd hebben, de verdediging van sommige dezer ongelukkige
+lieden, voor rekening van Sir Everard, en van misschien nog eenigen van
+zijne partij, had op zich genomen. Hij was daarenboven zelf een
+bewonderaar van den ouden Paduaschen geschiedschrijver, en schoon zijn
+eigen geestdrift hem niet ligt tot zoo iets buitensporigs zou vervoerd
+hebben, zelfs om de uitgaaf van Sweynheim en Pannartz (die men voor de
+editio princeps houdt) terug te krijgen, achtte hij echter de
+gehechtheid van den Schot daaraan niet minder hoog, en deed hij zoo
+zijn best om alle bewijzen tegen hem te ontzenuwen, of te verzwakken,
+om rechtsgeleerde bezwaren tegen de vervolging te ontdekken en zoo
+voorts, dat het hem gelukte Cosmo Comyne Bradwardine’s volkomen
+vrijspraak en ontheffing van zekere alles behave prettige gevolgen van
+een veroordeeling wegens hoogverraad te redden.
+
+De baron van Bradwardine, want zoo werd hij in Schotland doorgaans
+genoemd, (schoon zijn gemeenzame vrienden hem Tully-Veolan, of nog
+korter Tully noemden) stond niet zoo ras rectus in curia (als
+gezuiverde voor de rechtbank), of hij begaf zich per post naar
+Waverley-Honour om er zijn hulde en dankbetuiging te brengen. Eén
+zelfde zucht voor veld en jachtvermaken, en een algemeene
+overeenstemming in staatkundige gevoelens, legden den grond tot zijne
+vriendschap met Sir Everard, al verschilden hunne gewoonten en
+liefhebberijen in andere opzichten nog al aanmerkelijk: en nadat hij
+verscheidene weken op Waverley-Honour had doorgebracht, vertrok hij met
+tallooze betuigingen van achting, terwijl hij bij den Baronet er met
+warmte op aandrong, dat deze zijn bezoek zou beantwoorden, en in een
+volgend saizoen deel nemen aan de korhoender-jacht, op zijn veengronden
+in Perth. Kort daarop maakte de heer Bradwardine uit Schotland eene som
+tot afdoening der kosten, bij ’s Konings Hoog Gerechtshof te
+Westminster gemaakt, over; welke som, schoon juist niet zoo ontzaglijk
+groot, in Engelsch geld berekend, in haar oorspronkelijken vorm van
+Schotsche ponden, schellingen, enz. [25] zulk eene verbazende
+uitwerking had op het gestel van Duncan Mackwheeble, des Barons
+vertrouwden zaakwaarnemer, rentmeester en rechterhand, dat hij een
+aanval van kolijk kreeg, die vijf dagen aanhield, eeniglijk en alleen,
+zooals hij zeide, veroorzaakt door dat hij het ongelukkige werktuig
+moest worden, om zulk eene belangrijke som uit zijn geboorteland aan
+die valsche Engelschen over te maken. Maar, gelijk vaderlandsliefde het
+schoonste gevoel is, zoo is zij ook dikwijls de meest verdachte
+dekmantel van geheel andere aandoeningen; en velen met den heer
+Mackwheeble bekend, beweerden, dat zijne betuigingen van spijt niet
+geheel belangeloos waren, en dat hij veel minder zou gezucht hebben
+over het uitbetalen der gelden aan de deugnieten te Westminster,
+wanneer ze niet waren geheven op de goederen van Bradwardine, een fonds
+dat hij meer bijzonder als het zijne beschouwde. Dan de rentmeester
+betuigde, dat hij volstrekt geen eigen belang kende:
+
+
+ „Wee, wee om Schotland, maar geen zier om mij!”
+
+
+Wat den edelman betreft, deze was verheugd, dat zijn waardige vriend
+Sir Everard Waverley van Waverley-Honour terugbetaling ontvangen had
+der kosten, welke hij voor rekening van het huis Bradwardine had
+gemaakt. Het was van belang, zeide hij, voor de eer van zijn familie,
+en van het koninkrijk Schotland in het algemeen, dat deze verschotten
+terstond betaald werden, en het uitstellen zou een openbare schande
+zijn. Sir Everard, gewoon om veel grootere sommen met onverschilligheid
+te behandelen, ontving de drie honderd pond sterling zonder eens op te
+merken, dat deze betaling van internationaal belang was, en zou
+waarschijnlijk de gansche zaak vergeten hebben, indien Mackwheeble
+bedacht geweest was, om zijn kolijk te verzachten door het gezondene te
+onderscheppen. Van dit oogenblik dateerde echter eene jaarlijksche
+correspondentie bestaande in een korten brief, een mand wild en een
+paar gevulde vaten, tusschen Waverley-Honour en Tully-Veolan, terwijl
+de Engelsche toezending in groote kazen en sterk bier, faizanten en
+reeën, en het Schotsche tegengeschenk uit korhoenders, hazen, gezouten
+zalm en eigengestookte jenever bestond. Al deze geschenken werden
+gegeven en ontvangen, als bewijzen van standvastige vriendschap en
+genegenheid tusschen twee edele huizen. Natuurlijk vloeide hieruit
+voort, dat de stamhouder van Waverley-Honour Schotland niet gevoeglijk
+kon bezoeken, zonder van een geloofsbrief bij den baron van Bradwardine
+voorzien te zijn.
+
+Nadat dit onderwerp uitgelegd en geregeld was, gaf de heer Pembroke
+zijn wensch te kennen, om een afzonderlijk afscheid van zijn waarden
+kweekeling te mogen nemen. Des goeden mans vermaningen aan Eduard, om
+zijn leven en zeden onbevlekt te bewaren, en aan de beginselen van het
+Christendom trouw te blijven, het godloos gezelschap van spotters en
+vrijgeesten te vermijden, die er maar al te veel bij het leger waren,
+bleven niet onvermengd met zijn staatkundige vooroordeelen. Het had den
+Hemel behaagd, zeide hij, Schotland (ontwijfelbaar om de zonden zijner
+voorvaderen in 1642) in een nog treuriger staat van duisternis te
+houden, dan zelfs het ongelukkige koninkrijk van Engeland. Hier immers,
+schoon de kandelaar der kerke van Engeland eenigermate van zijne plaats
+was verzet, bestond ten minste nog een schemerlicht: er was eene
+hierarchie, schoon kettersch en vervallen van de beginselen, door die
+groote kerkvaders Sancroft [26] en zijne broederen aangekleefd en
+voorgestaan; er was een liturgie, schoon jammerlijk verdraaid in
+sommige der voornaamste gebeden. Maar in Schotland was het volslagen
+duisternis, en, uitgenomen eenige steeds vervolgde overgeblevenen, hier
+en daar verstrooid, waren de kansels overgelaten aan Presbyterianen, en
+gelijk hij vreesde aan secten-mannen van allerlei aard. Het was zijn
+plicht, zijn lieven kweekeling in staat te stellen, aan zulke heillooze
+en gevaarlijke leeringen in kerk en staat, die hij van tijd tot tijd
+zou moeten vernemen, weerstand te bieden.
+
+Hier haalde de heer Pembroke twee geweldige pakken voor den dag, die
+ieder een geheelen riem dicht geschreven stukken schenen te bevatten.
+Het was de arbeid van ’s waardigen mans geheele leven; en nooit gingen
+arbeid en ijver zoo volslagen te loor. Hij was eens naar Londen gegaan,
+met het voornemen om ze aan de wereld te schenken, door middel van een
+boekverkooper, wel bekend door den handel in dergelijke geschriften en
+tot wien men hem gezegd had zich te wenden met zekere woorden en met
+een zeker teeken, dat, naar het schijnt, in die dagen gangbaar was
+onder de Jacobieten. Nauwelijks had de heer Pembroke het schibboleth
+met den vereischten klem uitgebracht, of de boekverkooper begroette
+hem, in weerwil van alle tegenbetuiging, met den titel van doctor; en
+na hem in zijn achterwinkel gebracht, en overal te hebben nagezien,
+waar iemand al of niet verborgen kon zijn, begon hij: „Wel doctor! –
+wel! – alles onder de roos. – Alles dicht – er is hier zelfs geen gat
+voor een Hannoversche rat om in te kruipen. Wel zoo, – he! goed nieuws
+van onze vrienden aan den overkant? – en hoe vaart de waardige koning
+van Frankrijk? – Of misschien komt gij nu uit Rome – want Rome moet
+eindelijk gaan handelen – de Kerk moet hare kaars aan de oude lamp
+opsteken. – He – wat – beschroomd? Gij bevalt mij des te beter; maar
+wees onbevreesd.”
+
+Hier brak de heer Pembroke met eenige moeite een stroom van vragen af,
+vergezeld van teekens, knikjes en wenken; en na eindelijk den
+boekverkooper overtuigd te hebben dat hij hem te veel eer aandeed, door
+te vooronderstellen dat hij een zendeling van het verdreven koningshuis
+was, gaf hij hem te verstaan wat zijn bedoeling was.
+
+De uitgever ging nu, met een veel deftiger houding, tot het onderzoeken
+der handschriften over. De titel van het eerste was: „Eene Dissentie
+van de Dissenters, of de Comprehensie weerlegd, betoogende de
+onmogelijkheid van alle bijlegging der geschillen tusschen de Kerk en
+de Puriteinen, Presbyterianen of Sectarissen van welken aard ook,
+opgehelderd uit de Schriftuur, de Kerkvaders en de voortreffelijkste
+godgeleerden.” De uitgave van dit werk werd door den boekverkooper
+stellig geweigerd. „Wèl gemeend,” zeide hij, „en geleerd, buiten
+twijfel; maar de tijd is voorbij. In klein-Cicero-formaat gedrukt, zou
+het acht honderd bladzijden beloopen en nooit de kosten goed maken. Ik
+verzoek dus er van verschoond te blijven – ik bemin en eer de ware kerk
+van ganscher harte, en was het eene predikatie geweest over het
+martelaarschap of een kleinigheid van twaalf stuivers – wel nu, ik zou
+iets wagen, voor de eer van het geestelijk kleed. – Maar, kom, laat ons
+het andere zien. „Het erfelijke Recht gerecht.” – Ha! daar is eenige
+zin in, Hm – hm – hm – bladzijden zooveel – papier zooveel, – drukloon,
+– Hm – evenwel wil ik u zeggen, doctor, gij moet er wat van het
+Grieksch en Latijn uitgooien; zwaar, doctor, verd....d zwaar – (met
+verlof) en zoo gij er wat zout bij doet – ik ben er de man niet naar om
+ooit mijn schrijvers in ongelegenheid te brengen – ik heb uitgegeven
+voor Drake en Charlwood Lawton en voor den armen Amhurst. [27] – Ach
+Caleb! Caleb! Wel, het was schande den armen Caleb te laten
+verhongeren, en er zijn zoo veel vette predikers en heeren onder ons!
+Eens in de week had ik hem ten eten: maar goede Hemel, wat is eens in
+de week, als iemand niet weet, waar hij de andere zes dagen wat krijgen
+zal! – Kom ik moet het handschrift den kleinen Tom Alibi laten zien,
+die al mijn rechtsgeleerde zaken waarneemt – ik moet onder de lei
+blijven – het gemeen was laatst al heel onvriendelijk – allen Whigs en
+Rondhoofden, allen Willemiten en Hannoversche ratten.”
+
+Den volgenden dag ging de heer Pembroke weder bij den uitgever: maar
+bevond dat Tom Alibi’s advies dezen van de onderneming had doen afzien.
+„Niet, dat ik niet (wat wilde ik ook zeggen?) om den wil der kerk naar
+de strafkoloniën wou gaan; met genoegen – maar, doctorlief ik heb vrouw
+en kinderen; – doch, om mijn ijver te toonen, ik wil de karwei aan mijn
+buurman Trimmel aanprijzen – hij heeft vrouw noch kind, en niet veel
+omhanden, dus zal eene zeereis hem niet zoo ongelegen komen.” Maar de
+heer Trimmel was ook onverbiddelijk, en de heer Pembroke, gelukkig
+misschien voor hem zelven, was genoodzaakt naar Waverley-Honour terug
+te keeren met zijn verhandeling ter handhaving der echte
+grondbeginselen van Kerk en Staat in den mantelzak gepakt.
+
+Daar, door de baatzuchtige lafhartigheid van den boekhandel, naar alle
+waarschijnlijkheid het publiek beroofd zou worden van het voordeel,
+hetwelk er van zijn onvermoeiden arbeid te hopen was, besloot de heer
+Pembroke twee afschriften van deze verbazende manuscripten, ten
+gebruike van zijn leerling, te maken. Hij gevoelde dat hij, als
+gouverneur, wat lui was geweest; en daarenboven kwelde hem zijn
+geweten, dat hij in het verzoek van den heer Richard Waverley had
+toegestemd, om Eduard geene denkbeelden in te boezemen, die met de
+tegenwoordige inrichtingen in Kerk en Staat onbestaanbaar waren. „Maar
+nu,” dacht hij, „mag ik, zonder mijn woord te verbreken, daar hij niet
+langer onder mijn opzicht is, den jongeling de middelen in handen geven
+om voor zichzelven te oordeelen, en heb ik slechts zijn verwijtingen te
+vreezen, dat ik hem zoolang het licht heb onthouden, hetwelk in zijn
+ziel zal opgaan, na volbrachte lectuur.” Terwijl hij aldus aan de
+droombeelden van een schrijver en een staatkundige toegaf, stopte zijn
+geliefde leerling, die weinig uitlokkends in den titel der
+verhandelingen zag, en door het aantal dicht ineen geschreven regels
+afgeschrikt werd, het handschrift in een hoek van zijn reiskoffer.
+
+Tante Rachel’s vaarwel was kort maar teeder; alleen waarschuwde zij
+haar dierbaren Eduard, dien ze waarschijnlijk zeer vatbaar geloofde,
+voor de betoovering der Schotsche schoonen. Zij stemde toe, dat in het
+noordelijke gedeelte van het eiland eenige oude familiën woonden; maar
+het waren alle Whigs en Presbyterianen, uitgenomen de Hooglanders, en
+wat deze betrof, kon ze niet nalaten te zeggen dat er niet veel
+kieschheid onder de dames kon heerschen, waar de gewone dracht der
+heeren, gelijk men haar verzekerd had, om er het minste van te zeggen,
+zeer vreemd en alles behalve welvoegelijk was. Zij besloot met eene
+vriendelijke en roerende zegenbede en gaf den jongen officier, als een
+bewijs harer liefde, een kostbaren diamanten ring, een in die dagen
+veel door de mannen gedragen sieraad, en een beurs vol zware
+goudstukken, die insgelijks zestig jaar geleden vrij wat algemeener
+waren, dan in later tijd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN GARNIZOEN IN SCHOTLAND.
+
+Onder verschillende aandoeningen, waarvan de voornaamste was een
+algemeen beklemmend en tevens plechtig gevoel, dat hij op het punt
+stond om nu grootendeels aan zijn eigen beheer en leiding te worden
+overgelaten, verliet Waverley den volgenden morgen het kasteel, te
+midden der zegenwenschen en tranen van al de oude bedienden en inwoners
+van het dorp, vermengd met een of ander bescheiden verzoekje, om
+sergeants- en korporaals-strepen, enz. van hen, die betuigden dat zij
+er nooit aan gedacht zouden hebben Jacob, Gillis en Jonathan soldaat te
+laten worden, tenzij om, volgens hun plicht, hunnen jongenheer te
+vergezellen. Volgens Eduards plicht, maakte hij zich van die beden af
+met minder beloften, dan men ligt van een jonkman van zoo weinig
+wereldkennis zou hebben verwacht. Na een kort bezoek te Londen reisde
+hij te paard, destijds het algemeen gebruik, naar Edinburgh, en vandaar
+naar Dundee, een zeehaven aan de oostkust van Angus, waar zijn regiment
+in garnizoen lag.
+
+Thans trad hij een nieuwe wereld in, waar hem een tijdlang alles mooi
+toescheen, omdat het nieuw was. Kolonel Gardiner, de bevelvoerende
+officier was zelf een studie voor een romanesk en tevens nadenkend
+jongeling. Hij was rank, knap en vlug, ofschoon niet meer jeugdig. In
+zijn jonge jaren was hij, wat men, verzachtender wijze, een pretmaker
+noemt, geweest; en er waren zonderlinge verhalen in omloop omtrent zijn
+plotselinge bekeering van twijfelzucht, zoo niet van ongeloof, tot eene
+ernstige en zelfs geestdrijvende stemming. Men fluisterde elkander in
+het oor, dat een bovennatuurlijke invloed, die zelfs voor de zinnen was
+waar te nemen geweest, dezen wonderbaarlijken ommekeer had te weeg
+gebracht, en schoon sommigen den nieuwbekeerden een dweeper noemden,
+dacht er niemand aan, hem voor een huichelaar te houden. Deze vreemde
+en geheimzinnige omstandigheid verleende den kolonel Gardiner iets
+bijzonder indrukmakends in het oog des jongen krijgsmans. [28] En men
+mag met grond veronderstellen, dat onder de officieren van een
+regiment, door zulk een achtbaren man aangevoerd, een bedaarder en
+ordelijker geest heerschte, dan gewoonlijk; en dat Waverley daardoor
+aan menige verzoeking ontkwam, waaraan hij anders zou hebben
+blootgestaan.
+
+Intusschen werd zijn opvoeding als krijgsman voortgezet. Daar hij reeds
+goed te paard zat, werd hij ingewijd in de kunsten der hoogere
+rijschool, die, tot volkomenheid gebracht, de fabel van den Centaurus
+bijna verwezenlijken, daar het besturen van het paard veeleer alleen
+van des rijders wil schijnt af te hangen dan van eenig uitwendig teeken
+of beweging. Desgelijks ontving hij onderwijs in den velddienst. Maar
+ik moet bekennen, dat, na het bekoelen van het eerste vuur, zijne
+vorderingen, wat het laatste betreft, niet zoo waren, als hij gewenscht
+en verwacht had. Het beroep van officier, het eerbiedwekkendste van
+allen voor een onervaren ziel, omdat het met zooveel uiterlijke pracht
+gepaard gaat, is in den grond iets zeer droogs en afgetrokkens, daar
+het hoofdzakelijk op rekenkunstige verbindingen berust, die veel
+oplettendheid vorderen, benevens een koel en beredeneerd hoofd, om ze
+in werking te brengen. Onze held was onderworpen aan aanvallen van
+verstrooidheid, bij welke gelegenheid zijn misslagen gelach, ja
+somtijds berisping uitlokten. Dit gaf hem een pijnlijk gevoel van
+minderheid in die hoedanigheden, welke bij oudgedienden van groote
+waarde schenen en door hen het meest geëerbiedigd werden. Hij vroeg
+zich zelven te vergeefs, waarom zijn oog niet even goed over afstand en
+ruimte kon oordeelen, als dat van dezen en genen zijner makkers; waarom
+zijn hoofd niet altijd slaagde in het ontwarren der verschillende
+afzonderlijke bewegingen, tot het uitvoeren van een bepaalde
+verrichting vereischt; en waarom zijn geheugen, in de meeste gevallen
+zoo vlug, de kunsttermen en kleinere punten van etiquette, of
+krijgstucht, niet nauwkeurig wist te onthouden. Waverley was zedig van
+aard, en verviel dus niet tot den groven misslag van te denken, dat
+zulke kleinigheden van de dienst zijn aandacht niet verdienden, of zich
+te verbeelden, dat hij voor generaal in de wieg gelegd was, omdat hij
+slechts een zeer middelmatig ondergeschikt krijgsman was. De waarheid
+was, dat de ongeregelde en vluchtige wijze van lezen, die hij gevolgd
+had, op zijn tot afzondering en mijmering overhellenden aard, haar
+invloed uitoefende, en hem die weifelende neiging had medegedeeld,
+welke in volslagen strijd is met eigenlijke studie en gestadige
+oplettendheid. Inmiddels was hij geweldig met zijn tijd verlegen. De
+adel uit de nabuurschap was ongunstig voor de regeering gestemd, en
+betoonde den militairen bezoekers weinig gastvrijheid; en de
+stedelingen, die hoofdzakelijk in den handel hunne bezigheden vonden,
+waren geen lieden, met wie Waverley wenschte in betrekking te komen.
+Het begin van den zomer, en het verlangen om iets meer van Schotland te
+leeren kennen, dan hij op een wandelrid kon waarnemen, brachten hem er
+toe voor eenige weken verlof te vragen. Hij besloot eerst den ouden
+vriend en correspondent van zijn oom te bezoeken, met het oogmerk om
+den tijd van zijn verblijf naar gelang der omstandigheden te verlengen
+of te bekorten. Hij reisde natuurlijk te paard, en met een enkelen
+bediende, en bracht den eersten nacht door in een ellendige herberg,
+waar de waardin schoenen noch kousen droeg, en de waard, die zich een
+fatsoenlijk man noemde, veel lust had zijn gast onbeschoft te
+behandelen, omdat deze het genoegen van zijn gezelschap bij het
+avondeten niet had verzocht. [29] Den volgenden dag trok Eduard een
+opene, onomheinde landstreek door, en naderde langzamerhand de
+Hooglanden van Perth, die in het eerst zich als een blauwe streep aan
+den gezichteinder hadden vertoond, maar nu tot zware reusachtige
+massa’s aangroeiden, die dreigende op de vlakte onder haar nederzagen.
+Dicht aan den voet van dezen geweldigen scheidsmuur, echter nog in het
+Laagland, woonde Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine; en zoo de
+grijze oudheid eenig geloof verdient, dan hadden zijne voorvaderen, met
+al hunne erven er gewoond sedert de aloude dagen van den edelen koning
+Duncan.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN SCHOTSCH HEEREN-HUIS, ZESTIG JAAR GELEDEN.
+
+Het was omstreeks den middag, dat kapitein Waverley het wijd uit elkaar
+gebouwde dorp, of liever gehucht, van Tully-Veolan binnenreed, in welks
+nabijheid het huis van den heer der plaats gelegen was. De woningen
+zagen er jammerlijk uit, inzonderheid voor hem, die aan de bevallige
+netheid der Engelsche boerderijen gewoon was. Zonder dat er eenigen
+regel bij in acht genomen was, stonden ze aan weerszijde van een soort
+van slingerenden oneffen weg, waar kinderen, bijna in den
+oorspronkelijken staat van naaktheid, lagen te spartelen, als om door
+de hoeven van het eerste het beste voorbijkomende paard vertrapt te
+worden. Nu en dan, wel is waar, wanneer zulk eene gebeurtenis
+onvermijdelijk scheen, schoot een grootje, dat het oog op hen hield,
+met haar kap, spinrokken en klos te voorschijn, stormde, als een
+bezetene, een der ellendige hutten uit, en wierp zich midden op den
+weg, terwijl ze uit den hoop van door de zon verbrande bengels den
+haren oppakte, hem met een duchtigen stomp begroette en in haar hol
+terugbracht, gedurende welken tijd het witharige knaapje uit al zijne
+macht schreeuwde en een gillenden tremolo aanhief, tot accompagnement
+van de grommende bestraffingen van het verwoede wijf. Eene andere
+partij van dit concert werd uitgevoerd door een twintigtal nut- en
+werkelooze honden, die onophoudelijk knorrende, blaffende en huilende
+de paarden vervolgden en aanvlogen; een overlast te dien tijd in
+Schotland zoo algemeen, dat een Fransch tourist, die, even als andere
+reizigers, een goeden en redelijken grond voor alles wat hij opmerkte
+wenschte te vinden, als een der merkwaardigheden in Schotland heeft
+opgeteekend, dat de Staat in ieder dorp een troep honden er op nahield,
+die dienen moesten om de chevaux de poste (te uitgehongerd en uitgeput,
+om zonder zulk een prikkel aan den gang gehouden te worden) van het
+eene dorp naar het andere te jagen, tot het volgende station. De kwaal
+en het middel (hoe het ook zij) bestaan nog. Maar dit ligt buiten ons
+tegenwoordig bestek, en werd alleen aangehaald ten gevalle der
+inzamelaars van belasting, het gevolg van des heeren Dent’s „Wet op het
+houden van honden.”
+
+Naarmate Waverley voortreed, strompelde hier en daar een oud man,
+evenzeer door arbeid als door jaren gebukt, met oogen rood van ouderdom
+en rook, naar de deur van zijn hut, om de kleeding van den vreemdeling,
+en den gang zijner paarden aan te gapen, en verzamelde zich dan met
+zijn buren in een groep bij de smidse, om de waarschijnlijkheid te
+bespreken, van waar de reiziger kwam en waarheen hij ging. Drie of vier
+dorpsmeisjes, die van de bron of de beek terugkeerden met emmers en
+kruiken op hare hoofden, leverden een aangenamer tafereel op, en
+herinnerden, met hare dunne, korte rokken, haar bloote armen, beenen en
+voeten, ongedekte hoofden en gevlochten haar, eenigszins aan de vrouwen
+die een Italiaansch landschap opluisteren. Ook kon geen liefhebber van
+het schilderachtige, iets afdingen op de bevalligheid van haar
+kleeding, noch de evenredigheid van haar gestalte, ofschoon, om de
+waarheid te zeggen, een Engelschman, naar het comfortable zoekende, een
+woord aan zijne vaderlandsche taal bijzonder eigen, de kleederen minder
+schamel, de voeten en beenen wat meer gedekt tegen het weder, en hoofd
+en aangezicht tegen de zon beschermd gewenscht, of zelfs gedacht zou
+hebben, dat de geheele persoon en kleeding aanmerkelijk winnen konden
+door een ruime toediening van bronwater, benevens de benoodigde
+hoeveelheid zeep. Het tooneel in het algemeen was niet opwekkend, want
+het getuigde op het eerste gezicht, zeker van gebrek aan industrie, en
+misschien aan verstandelijke ontwikkeling. Zelfs de nieuwsgierigheid,
+de vurigste hartstocht van den ledigganger, scheen in het dorp
+Tully-Veolan in een staat van lusteloosheid te verkeeren; – alleen de
+straksgenoemde rekels legden in dit opzicht eenige bedrijvigheid aan
+den dag; maar bij de dorpelingen was alles lijdelijk. Ze stonden den
+knappen jongen Officier en zijn knecht na te gapen, maar zonder dat ze
+door de levendige bewegingen en begeerige blikken de zucht verrieden,
+waarmede zij, die te huis aan een eentoonig gemakkelijk leven gewoon
+zijn, daar buiten naar vermaak uitzien. En toch lag er in het uitzicht
+van het volk, meer van nabij bekeken, alles behalve onverschilligheid
+of stompheid; hunne trekken waren ruw, maar opmerkelijk schrander;
+ernstig, maar niet dof; en onder de jonge vrouwen of meisjes, zou een
+kunstenaar meer dan éen model hebben kunnen kiezen, in gelaatstrekken
+en vorm voor eene Minerva. Desgelijks hadden de kinderen, wier huid
+zwart gebrand en wier haar wit gebleekt was, een levendigen en
+belangstellenden blik. Het scheen over het algemeen, als of armoede, en
+luiheid, haar maar al te getrouwe gezellin, zich vereenigden, om den
+aangeboren aanleg en de verkregen kundigheden van een krachtigen,
+schranderen en nadenkenden boerenstand te onderdrukken.
+
+Dergelijke gedachten doorkruisten het hoofd van Waverley, terwijl hij
+zijn paard langzaam door de oneffene met steenen bezaaide straat van
+Tully-Veolan liet stappen, in zijn bespiegelingen slechts gestoord door
+de kromme sprongen, waartoe zijn ros herhaaldelijk gedreven werd door
+de aanvallen van die jankende kozakken, – de voornoemde keffers. Het
+dorp was omtrent een kwartier gaans lang; want de onregelmatig
+verspreid liggende woningen waren door tuinen, of „erven,” gelijk de
+inwoners ze noemden, van elkander gescheiden, waarin, want het is
+zestig jaar geleden, de nu algemeene aardappel onbekend was, maar die
+bepoot waren met reusachtige koolplanten, omringd door heggen van
+brandnetels, waartusschen hier en daar een hoog opgeschoten
+dolle-kervel-steng of de nationale distel, die een deel der geringe
+omtuining overschaduwden wiessen. De ongelijke grond, waarop het dorp
+gebouwd was, was nooit geëffend: zoodat deze omheinde veldjes hellingen
+van allerlei steilte opleverden, hier rijzende als terrassen, daar
+weder diep dalende als looierskuilen. De steenen muren, welke deze
+hangende tuinen van Tully-Veolan beschutten, of schenen te beschutten,
+want ze waren vol gaten, waren gescheiden door een nauwen-gang, die
+naar de gemeente-weide heenvoerde, waar door den gemeenschappelijken
+arbeid der dorpelingen strooken rogge, haver, garst en boonen gekweekt
+werden, elk van zulk eene geringe uitgestrektheid, dat de wonderlijke
+verscheidenheid der oppervlakte op een geringen afstand, op het
+stalenboek van een kleermaker geleek. Het was eene gunstige
+uitzondering, zoo hier of daar achter de hut een ellendig afdak
+gevonden werd, uit aarde, losse steenen en zoden bijeengebracht, waar
+de vermogende een uitgehongerde koe of een kreupel paard kon stallen.
+Maar bijna iedere hut was van voren beschut door een grooten, zwarten
+hoop turf aan de eene zijde van de deur, terwijl aan de andere de
+mesthoop zich in edelen naijver verhief.
+
+Op een afstand van nog geen tweehonderd el van het einde des dorps
+ontwaarde men de omheiningen, met vrij wat ophef de parken van
+Tully-Veolan genaamd. Ze bestonden uit eenige vierkante velden, omringd
+en afgescheiden door steenen muren ter hoogte van vijf voet. In het
+midden der buitenste omheining was de groote poort, bestaande uit een
+boog met kanteelwerk van boven, en versierd met twee verweerde en
+verminkte steenbrokken, welke, indien men aan de dorpsoverlevering
+geloof mag slaan, eens twee staande beeren, het familiewapen van
+Bradwardine verbeeld hadden, of althans hadden moeten verbeelden. De
+rijweg achter de poort was recht en tamelijk lang; hij liep tusschen
+een dubbele rij zeer oude wilde kastanjes, om den anderen afgewisseld
+door ahornboomen, welke tot zulk eene verbazende hoogte waren
+opgeschoten, en zoo weelderig groeiden, dat hunne takken boven den
+breeden weg een dicht gewelf vormden. Achter dit eerwaardig geboomte,
+en daarmede evenwijdig, bevonden zich twee hooge schijnbaar even oude
+muren, met klimop, kamperfoelie en andere soortgelijke gewassen
+begroeid. De laan scheen zeer weinig begaan, en dan nog alleen door
+voetgangers; zoodat, daar ze zeer breed en aanhoudend beschaduwd was,
+ze met dik en welig gras was begroeid, uitgezonderd waar een pad, door
+enkele voetgangers gebezigd, den weg van de buiten naar de binnenpoort
+aanwees. Deze ingang bevond zich, even als de voorgaande, in het front
+van een muur, met eenig ruw beeldhouwwerk, en van boven met kanteelwerk
+versierd, waaroverheen de door het geboomte van de laan half
+verborgene, hooge, steile daken en smalle trap gevels van het
+heerenhuis uitstaken, en de hoeken met kleine torentjes voorzien waren.
+Een der groote deuren van deze poort was open, en daar de zon haar
+volle licht op het plein naar binnen wierp, drong een lange,
+schitterende straal door de opening in de donkere lommerrijke laan. Dit
+leverde een dier effecten op, welke de schilders zoo gaarne wedergeven,
+en het schitterende licht vermengde zich bevallig met de schemering,
+die zich een weg door de dichte takken baande, welke de breede, groene
+laan overwelfden.
+
+De eenzaamheid en stilte van het geheele tooneel hadden iets
+kloosterachtigs: en Waverley, die zijn paard aan zijn knecht bij het
+binnenkomen der eerste poort gegeven had, wandelde de rijlaan zachtkens
+af, terwijl hij de aangename en koele schaduw genoot, en zóo ingenomen
+was met de vreedzame denkbeelden van rust en afzondering, die dit
+stille tooneel opwekten, dat hij de ellende en de morsigheid van het
+pas verlaten dorp vergat. Het binnenste van het geplaveide binnenplein
+stemde met het overige van het tooneel overeen. Het huis, dat uit twee
+of drie smalle, hooge gebouwen, met steile regthoekig van elkander
+uitgaande daken, scheen te bestaan, maakte de eene zijde der
+binnenplaats uit. Het was gebouwd in een tijd, toen er geen kasteelen
+meer noodig waren, en de Schotsche architectuur de kunst nog niet
+verstond om een gezellig verblijf te ontwerpen. De vensters waren
+talloos, maar zeer klein: het dak was met rondloopende kanteelen
+voorzien en op elken hoek verhief zich een torentje, dat eer naar een
+peperbus dan naar een Gothischen wachttoren geleek. Nogtans getuigde
+het front geenszins eene volkomene gerustheid in tijden van gevaar. Er
+waren schietgaten voor geweren, en ijzeren traliën vóor de onderste
+ramen, waarschijnlijk om de zwervende benden van heidenen te verjagen,
+of weerstand te bieden aan een stroopend bezoek van de veedieven uit de
+naburige Hooglanden. Stallen en andere bergplaatsen besloegen de
+overzijde van het vierkant. De eerste waren lage gewelven, met nauwe
+spleten, in plaats van vensters, volgens eene opmerking van Eduard’s
+bediende, „eer gelijkende op een gevangenis voor moordenaren, dieven,
+en soortgelijke boosdoeners, dan op eene plaats voor Christenvee.”
+Boven deze kerkerachtige stallen waren korenzolders, en andere
+bewaarplaatsen, die men langs een buitentrap van lomp metselwerk
+bereiken kon. Twee muren met kanteelen, waarvan een aan den kant der
+oprijlaan, en de ander het binnenplein van den tuin scheidde,
+voltooiden de afsluiting.
+
+Ook deze plaats had hare sieraden. In een hoek stond een lompe, ronde
+duiventil, in omvang en lompheid op het merkwaardige gesticht,
+Arthursoven geheeten, gelijkende, dat de hoofden van alle
+oudheidkenners in Engeland in de war zou hebben gebracht, zoo niet de
+waardige eigenaar er van het gedenkteeken tot herstelling van een
+bijgelegen dijk, had afgebroken. Deze duiventil, of columbarium, zoo
+als de eigenaar ze noemde, had geene geringe waarde voor een Schotschen
+land-edelman van dezen tijd, wiens schamele inkomsten vermeerderd
+werden door de heffingen, welke deze vlugge fourageurs op de
+boerderijen legden, en door de conscriptie onder hen ten behoeve van
+zijn tafel geheven.
+
+In een anderen hoek was eene fontein, waar een verbazend groote beer,
+in steen uitgehouwen, voor een ontzaglijke steenen kom stond, waarin
+hij het water door zijn muil ontlastte. Dit kunststuk wekte de
+bewondering der landstreek, tien mijlen in het rond op. Ik moet niet
+vergeten, dat allerlei soort van beeren, klein en groot, half of
+geheel, uitgehouwen waren boven de ramen, op de gevels aan het uiteinde
+der goten en de torentjes ondersteunende, met het oude familiemotto,
+„Wacht u voor den beer,” dat onder elk dezer dieren te lezen stond. De
+plaats was ruim, wèl bestraat en zindelijk, daar er waarschijnlijk nog
+een ingang achter de stallen was, om de mest weg te ruimen. Alles in
+het rond had iets verlatens en zou, zonder het aanhoudende plassen der
+fontein, dood stil zijn geweest, terwijl het gansche tooneel wel
+geschikt scheen om aan Waverley’s verbeelding het denkbeeld van een
+klooster op te dringen. – Doch hier vragen wij verlof tot het sluiten
+van een hoofdstuk, waarin niets dan stil leven geschilderd werd. [30]
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+NOG IETS OVER HET HEEREN-HUIS EN DE OMSTREKEN.
+
+
+Nadat Waverley zijn nieuwsgierigheid bevredigd had, door eenige
+oogenblikken rond gekeken te hebben, greep hij den massieven klopper
+der slotdeur, wier architraaf het jaargetal 1594 te lezen gaf. Maar
+antwoord volgde er op zijn geklop niet, ofschoon het geluid door een
+aantal kamers klonk, door de muren der binnenplaats van buiten herhaald
+werd; en het de duiven van de grijze rotunda waar ze verblijf hielden,
+opjoeg en op nieuw de verwijderde dorprekels in rep en roer bracht,
+waarvan ieder zich op zijn mesthoop had te slapen gelegd. Vermoeid door
+het verwekte rumoer, en de tergende antwoorden, die hij daarop ontving,
+begon Waverley te denken, dat hij op het kasteel van Orgoglio was
+aangekomen, zoo als dit door den overwinnenden prins Arthur werd
+betreden.
+
+
+ Hij ving nu aan met kracht te roepen in het huis;
+ Maar niemand was er wie zijn kreten mochten wekken.
+ Er ademde overal slechts stilte en dof Gesuis;
+ Geen stem weêrklonk, geen mensch liet ergens zich ontdekken.
+
+
+Daar hij niets anders verwachtte dan „een oud, oud man te zien, met een
+baard zoo wit als sneeuw,” dien hij zou kunnen ondervragen over het
+verlatene woonhuis, keerde onze held zich naar een klein eiken
+zijdeurtje, rijkelijk met ijzeren spijkers beslagen, en dat in den muur
+van het plein aan den hoek van het huis werd aangetroffen. Dit deurtje
+was, in weerwil van het versterkte voorkomen, slechts op de klink, en
+bracht Eduard, nadat het geopend was, in den tuin, die een aangenaam
+gezicht opleverde. [31] De zuidzijde van het huis, met vruchtboomen, en
+hier en daar met hoog langs de muren groeiende klimplanten bewassen,
+strekte den onregelmatigen en grijzen voorgevel langs een, deels
+bestraat deels met zand bestrooid, deels met bloemen en uitgezochte
+heesters omzoomd, terras uit. Dit terras leidde langs drie
+verschillende trappen, waarvan een in het midden was, en twee aan de
+beide einden geplaatst waren, naar den tuin, en was omgeven door een
+steenen borstwering met eene zware ballustrade, van afstand tot afstand
+versierd met logge, groteske figuren van dieren, op de hurken gezeten,
+waaronder de geliefkoosde beer herhaaldelijk voorkwam. Midden op het
+terras, tusschen een vleugeldeur in het huis en den middelsten trap,
+droeg een dezer dieren op zijn kop en voorpooten een zonnewijzer van
+grooten omvang, met meer meetkundige figuren bezet, dan Eduard in staat
+was te ontcijferen.
+
+De tuin, die met de grootste zorg scheen onderhouden te zijn, en een
+overvloed van vruchtboomen bevatte, leverde een groote hoeveelheid
+bloemen, en palmstruiken in allerlei zonderlinge figuren geschoren op.
+De aanleg bestond in verschillende terrassen, die trapsgewijze van den
+westelijken muur naar een breeden vliet afdaalde, die zich stil en
+effen vertoonde, in zoo verre hij den tuin tot grens diende; maar dicht
+aan het einde liep hij bruisend over een sterken dam, de oorzaak van
+zijn schijnbare kalmte, en terwijl hij daar een waterval vormde, was er
+aan den oever een achthoekig koepeltje, met een vergulden beer, bij
+wijze van weerhaan op den top. Achter dit kunstwerk verloor men de beek
+uit het oog, terwijl ze haar natuurlijk, snel en stout karakter hernam,
+en een diepe en met boschjes bezette vallei instroomde, uit wier midden
+een zware, maar vervallen toren, de voormalige woning der barons van
+Bradwardine, zich verhief. Langs den oever van de beek, aan de andere
+zijde, strekte zich een smalle weide of uiterwaard uit; ze was tot een
+klein bleekveld ingericht, terwijl de hoogte daarachter met oude boomen
+bedekt was.
+
+Hoe bevallig dit tooneel ook was, kon het evenwel met met de tuinen van
+Alcina vergeleken worden; ondertusschen ontbraken er de „due donzelette
+garrule” [32] van dat betooverd paradijs niet; want op het genoemde
+bleekveld volbrachten twee meisjes, die ieder in eene groote tobbe
+stonden, met hare ontbloote voeten de taak van eene
+patent-wasch-machine. Ze bleven echter niet, gelijk de nimfen van
+Armida staan, om den naderenden gast met haar welkomstgroet te
+verheugen; maar, verschrikt door de verschijning van een knappen
+vreemdeling aan de overzijde, lieten ze hare kleederen (om geheel juist
+te spreken, zou ik kleed moeten zeggen) over die ledematen neervallen,
+welke ze om den wille van hare bezigheid een weinig te veel ontbloot
+hadden; en onder den uitroep van een schel: „Heere mijn tijd!” geuit op
+een toon die het midden hield tusschen zedigheid en coquetterie,
+sprongen ze als herten in verschillende richtingen weg.
+
+Waverley begon reeds te wanhopen, dat hij toegang tot dit eenzaam en
+schijnbaar betooverd verblijf zou verkrijgen, toen hij een man zag
+naderen langs een der lanen van den tuin, waar hij was blijven toeven.
+In de meening dat dit een tuinman, of een andere tot het huis
+behoorende bediende, wezen zou, liep Eduard eenige trappen van het
+terras af, om hem te ontmoeten; maar, toen de gedaante naderde, en lang
+voor dat hij de gelaatstrekken onderscheiden kon, stond hij versteld
+over het zonderlinge voorkomen en de gebaren van den man. Nu eens hield
+dit wonderlijke wezen de handen boven het hoofd ineengeslagen, gelijk
+een Indiaansche Jogue die boete doet; dan weder zwaaiden ze heen en
+weer als de slinger van een uurwerk; waarna hij ze snel en bij
+herhaling kruiselings over zijn borst sloeg, gelijk een huurkoetsier,
+om het gemis van het gebruik der zweep te vergoeden, als hij, op een
+kouden winterdag met zijn beesten op de gewone standplaats staat te
+wachten. Zijn gang was niet minder vreemd dan zijne gebaren, want eene
+poos lang hinkte hij, met groote volharding op den rechter voet, waarna
+hij dezen steun verwisselde, om op dezelfde wijze op den linker voort
+te gaan, en ze vervolgens weder dicht aan elkander sluitende, sprong
+hij op beide te gelijk voort. Zijn kleeding was ouderwetsch en
+buitengewoon. Ze bestond uit een soort van grijs wambuis, met
+scharlaken roode opslagen, en halfopen mouwen, waaronder een voering
+van gelijke kleur zichtbaar werd; de andere deelen zijner kleeding
+kwamen hiermede wat de kleur betreft, volkomen overeen; een paar roode
+kousen en een scharlaken muts niet tevergeten, sierlijk opgeschikt met
+de veer van een kalkoen. Eduard, dien hij niet scheen op te merken,
+bespeurde nu dat de trekken van zijn gelaat bevestigden, wat zijne
+bewegingen reeds hadden doen vermoeden. Naar het scheen, was het noch
+onnoozelheid noch zinneloosheid, welke die woeste, gejaagde steeds
+verwonderlijke uitdrukking aan zijn van natuur niet leelijk gelaat gaf,
+maar veeleer iets dat eene vereeniging van beide was, daar het stompe
+der onnoozelheid met de buitensporigheid eener gekrenkte verbeelding,
+vermengd was. Hij zong met grooten ernst, en niet zonder eenigen smaak,
+een stuk uit een oud Schotsch lied:
+
+
+ Valsch lief, en speelt ge mij deez’ trek,
+ Bij ’t lachend zomergroen?
+ ’k Betaal hem u met woeker weêr
+ In ’s winters bar saizoen;
+ Zoo gij u niet bekeert, mijn lief,
+ Bekeert, uw ontrouw moê:
+ Als gij met andere meisjes stoeit,
+ Lach ’k andere mannen toe.
+
+
+Zoodra hij de oogen van den grond ophief, waarop ze waren gevestigd
+geweest om te zien hoe zijne voeten de maat bij het gezang hielden,
+ontwaarde hij Waverley, en nam terstond zijne muts af met vele
+wonderlijke blijken van verrassing, eerbied en beleefdheid. Schoon hij
+weinig hoop koesterde eenig antwoord op zijne vraag te ontvangen,
+verzocht Eduard te mogen weten, of mijnheer Bradwardine te huis was, of
+waar hij iemand van de bedienden kon vinden. De ondervraagde gaf
+antwoord, en, even als de tooveres van Thalaba, „was zijn spraak steeds
+gezang.”
+
+
+ „De ridder toog heen naar ’t gebergte,
+ Daar schalt er zijn jachthoren luid;
+ Daar ginds in het veld kiest de dame,
+ Gebloemt’ voor een bruidkrans zich uit.
+ Schoon-Ellens priëel is in ’t ronde
+ Met mos en gebladert bedekt,
+ Opdat niet de tred van lord Willem
+ Den argwaan van luisteraars wekt.”
+
+
+Dit maakte Eduard niet wijzer, en toen hij zijn vraag herhaalde,
+ontving hij een schielijk antwoord waarin, door de haastige en
+eigenaardige uitspraak, het woord: „keldermeester” alleen verstaanbaar
+was. Waverley verzocht dus den keldermeester te mogen zien, waarop de
+man, met een blik, die te kennen gaf, dat hij hem verstond en een
+toestemmend knikje, Eduard een teeken gaf hem te volgen, terwijl hij
+begon te dansen en allerlei kapriolen te maken in de laan, waardoor hij
+gekomen was. „Een vreemde leidsman,” dacht Eduard, „hij heeft iets van
+een van Shakespeares hofnarren. Het is misschien voorzichtig hem tot
+gids te nemen, maar wijzer lieden dan ik worden wel eens door gekken
+geleid!” Intusschen kwamen ze aan het einde van de laan; en daar, op
+eens den hoek omslaande, bereikten ze een klein bloemperk, tegen den
+oosten- en noordenwind door eene dichte heg van palmhout beschut.
+Eduard vond daar een oud man in zijn hemd aan het werk. Zijn voorkomen
+hield het midden tusschen dat van een eersten bediende en een tuinman.
+„Zijn roode neus en geplooid hemd behoorden tot iemand die het eerste
+beroep bekleedde; zijn gezond en door de zon verbrand gelaat, en zijn
+groene voorschoot daarentegen, schenen aan te duiden:
+
+
+ Des ouden Adams beeld, verplicht deez’ akker te bebouwen.
+
+
+De major-domo, want dit was hij, en onbetwistbaar de tweede ambtenaar
+van staat in de baronie, (ja, als eerste minister van het inwendig
+bestuur, in zijn eigen departement van keuken en kelder, stond hij
+zelfs boven baljuw Mackwheeble) – de major-domo legde zijn spade neer,
+schoot spoedig den rok aan, en, met een toornigen blik op Eduards
+leidsman, waarschijnlijk omdat deze een vreemdeling bij hem had
+gebracht, terwijl hij bezig was met deze zware, en, zoo als hij zich
+wellicht verbeeldde, vernederende taak, verzocht hij mijnheers bevelen
+te mogen vernemen. Nadat Waverley hem zijn naam genoemd en hem te
+kennen gegeven had, dat hij een bezoek bij zijn meester wenschte af te
+leggen, vertoonde het gelaat van den ouden man een uitdrukking van
+eerbiedige belangstelling. „Hij kon op zijn woord verzekeren, dat het
+mijnheer den Baron groot genoegen zou doen hem te zien; wilde mijnheer
+Waverley na zijn reis niet iets gebruiken? De Baron was bij het volk,
+dat op de plaats bezig was met een zwarten heg omver te halen; en de
+beide tuinknechts (met nadruk op het woord beide) hadden order gekregen
+hem te volgen: en hij zelf was zich intusschen gaan vermaken met freule
+Rose’s bloemperken in orde te brengen, om bij de hand te zijn de
+bevelen van mijnheer te ontvangen, – hij hield zeer veel van tuinieren,
+maar had weinig tijd voor zulke uitspanning.”
+
+„Hij kan in geen geval er meer dan twee dagen in de week aan werken,”
+zeide Eduards dwaze geleider.
+
+Een grimmige blik van den keldermeester tuchtigde deze
+onbescheidenheid, en terwijl hij hem met den naam van David Gellatley
+aansprak, gebood hij hem tevens op een toon die geene tegenspraak
+duldde, den Baron op te gaan zoeken, en hem te zeggen dat er een heer
+uit het zuiden van het land op de plaats was aangekomen.
+
+„Kan deze arme knaap een brief overbrengen?” vroeg Eduard.
+
+„Met alle mogelijke trouw, mijnheer, aan iedereen, voor wien hij
+eerbied heeft. Een lange mondelinge boodschap zou ik hem bezwaarlijk
+toevertrouwen, schoon hij eer ondeugend, dan gek is.”
+
+Waverley gaf zijn geloofsbrieven aan den heer Gellatley over, die des
+keldermeesters laatste aanmerking scheen te bevestigen, door, terwijl
+deze naar een anderen kant zag, gezichten achter zijn rug te trekken,
+die naar de grimassen op den kop van een Duitsche tabakspijp geleken;
+waarop hij, na een wonderlijke buiging voor Waverley gemaakt te hebben,
+wegdanste om zijn last te volbrengen.
+
+„Het is een onnoozele, mijnheer,” zei de keldermeester: „men vindt er
+een bijna in iedere stad van het land; maar de onze is ver van hier
+gekomen. Hij placht den geheelen dag vrij wel te werken; maar hij redde
+freule Rose, toen ze vervolgd werd door den heer van Killancureits
+nieuwen Engelschen stier, en sedert dien tijd noemen wij hem Davie Doe
+luttel; waarlijk, wij mochten hem wel Davie Doe niets noemen, want
+sedert hij die kluchtige kleeding kreeg, tot vermaak van den Baron en
+van mijne jonge meesteres – want groote lui hebben hunne grillen, –
+heeft hij niets gedaan, dan der tuin op en neer dansen, zonder een hand
+uit te steken, dan om mijnheers vischnetten in orde te brengen of zijne
+vliegen aan den hengel te slaan, of nu en dan eens een schotel forellen
+te vangen Maar daar komt freule Rose, die, ik durf er voor instaan,
+bijzonder in haar schik zal zijn, iemand van den huize Waverley op
+haars vaders plaats van Tully-Veolan te zien.”
+
+Maar, Rose Bradwardine verdient iets beters van haar onwaardigen
+geschiedschrijver, dan op het einde van een hoofdstuk ten tooneele
+gevoerd te worden.
+
+Inmiddels moeten wij hier aanteekenen, dat Waverley uit deze
+samenspraak twee dingen leerde: dat in Schotland een op zich zelf
+staand huis een stad en een geboren gek een onnoozele heet. [33]
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ROSE BRADWARDINE EN HAAR VADER.
+
+
+Rose Bradwardine was slechts zeventien jaar oud; en toch zeide, bij de
+laatste harddraverij in de hoofdstad van het graafschap, toen hare
+gezondheid met die van een aantal schoonen ingesteld werd, de heer van
+Bumperquaigh, permanent ceremoniemeester, enz. van de
+Bautherwhillery-club, niet alleen: Meer! terwijl hij dien toast met een
+beker vol Bordeaux-wijn bevestigde, maar noemde ook, eer hij de
+plenging volbracht, de godin, aan wie deze dronk gewijd was, de „Roos
+van Tully-Veolan.” Bij deze feestelijke handeling brachten al de leden
+van dit eerwaardig gezelschap, wier keel de wijn tot zulk eene
+inspanning nog had in staat gelaten, drie luide hoera’s uit. Ja, ik ben
+er zeker van, dat de slapende deelgenooten van het gezelschap hunne
+goedkeuring daaraan snorkend te kennen gaven, en dat, ofschoon sterke
+teugen en zwakke hoofden er twee of drie tegen den vloer geworpen
+hadden, deze evenwel, gevallen als ze waren uit hun hoogen staat, en
+wentelende – ik wil de parodie niet verder uitwerken – verscheiden
+ongearticuleerde geluiden voortbrachten, om te doen verstaan hoe zeer
+ze met het voorstel instemden.
+
+Zulk een algemeene toejuiching kon slechts het gevolg zijn van erkende
+verdienste; en Rose Bradwardine verdiende ze niet alleen, maar eveneens
+de goedkeuring van veel redelijker wezens, dan de Bautherwhillery-club
+had kunnen aanwijzen, zelfs vóór de eerste flesch geleegd was. Zij was
+inderdaad een zeer lief meisje, zoo als de Schotten de schoonheid
+begrijpen; dat is, met een overvloed van bleek goudgeel haar en een
+huid, die de sneeuw op de bergen in witheid evenaarde. Nogtans was haar
+gelaat bleek noch droefgeestig; hare trekken, zoo wel als hare
+geaardheid, waren levendig; hare kleur, zonder bepaald blozend te zijn,
+was zoo zuiver, dat ze bijna doorschijnend geleek, en de minste
+aandoening joeg op eens al haar bloed naar gelaat en hals. Hare
+gestalte, schoon beneden de gewone maat, was zeer sierlijk, en hare
+bewegingen vlug, gemakkelijk en zonder een zweem van stijfheid. Zij
+kwam van een ander gedeelte van den tuin, om kapitein Waverley te
+ontvangen, op eene wijze die het midden hield tusschen beschroomdheid
+en beleefdheid.
+
+Na het wisselen van de eerste groeten vernam Eduard van haar, dat de
+zwarte heg, die hem een weinig in de war had gebracht, bij des
+keldermeesters verslag van de bezigheid zijns meesters, niets te doen
+had met een zwarte kat of bezemsteel, maar eenvoudig een stuk eiken
+kreupelhout was, dat dien dag moest geveld worden. Beleefd, maar met
+een zekere schroomvalligheid, bood ze aan den vreemdeling naar de
+plaats te brengen, die, zoo het scheen niet ver af was; doch ze werd
+voorgekomen door de verschijning van den baron van Bradwardine in
+persoon die, geroepen door Davie Gellatley, thans naderde, „geheel met
+gastvrije gedachten bezield,” en wel met zulke geweldige schreden, dat
+Waverley daardoor aan de zeven-mijls laarzen uit het kindersprookje
+herinnerd werd. Hij was rank, schraal, krachtig en grijs, ofschoon
+iedere spier door aanhoudende oefening, nog volkomen lenig en rekbaar
+was. Hij was met weinig zorg gekleed, en meer als een Franschman dan
+een Engelschman van dien tijd, terwijl hij, met zijn harde trekken en
+zijn stijve houding, eenigszins geleek op een Zwitserschen
+garde-officier, die eenigen tijd te Parijs gelegen had en wel de
+kleêrdracht, maar niet het gemakkelijke in de manieren van de inwoners
+dier wereldstad zich had eigen gemaakt. Om de waarheid te zeggen waren
+zijn taal en zijn gewoonten even zonderling als zijn geheele voorkomen.
+
+Als een gevolg van zijn natuurlijken aanleg voor de studie, of
+misschien volgens eene zeer algemeene gewoonte in Schotland, om de
+jonge lieden van rang in de rechten te laten studeeren, had men hem
+voor de balie opgeleid. Maar daar de staatkundige denkwijze zijner
+familie de hoop voor hem afsneed om in deze loopbaan vooruit te komen,
+had de heer Bradwardine gedurende verscheidene jaren gereisd, en was in
+den krijgsdienst eener vreemde mogendheid getreden. Na in 1715 deel aan
+de staatkundige woelingen te hebben genomen, waar hij in moeielijkheden
+met de regeering geraakte, had hij in afzondering geleefd, en bijna
+geen omgang gehad, dan met lieden van zijn beginselen uit de buurt. De
+vereeniging van de pedanterie des rechtsgeleerden, met den militairen
+trots des krijgsmans, zou aan meer dan een ijverig lid der corpsen
+vrijwilligers van onze dagen den tijd voor den geest roepen, toen de
+toga onzer pleiters dikwijls over een schitterend uniform geworpen
+werd. Voeg hierbij de vooroordeelen eener aloude afkomst en eener
+Jacobietische staatkunde, niet weinig versterkt door de uitoefening van
+een onafhankelijk gezag, dat, ofschoon beperkt binnen de grenzen van
+zijne heerlijkheid en de daartoe behoorende halfbeschaafde bewoners,
+aldaar onbetwistbaar en onbetwist was. Want, zoo als hij gewoon was aan
+te merken, „de landen van Bradwardine, Tully-Veolan, en andere, waren
+tot eene vrije baronie verheven, door een Charter van David den Eerste,
+cum liberali potestate habendi curias et justicias, cum fossa et furca
+et saka et soka, et thol et theam et infang-thief et outfang-thief,
+sive hand-habend, sive bakbarand.” [34] De bijzondere meening van al
+deze Cabalistische woorden wist bijna niemand te verklaren; maar ze
+beteekenden over het geheel, dat de baron van Bradwardine zijne
+vazallen en meijers naar verkiezing mocht gevangen nemen, vonnissen en
+terechtstellen. Evenals Jacobus I, was de tegenwoordige bezitter van
+dit gezag echter eer geneigd om over zulk een voorrecht te spreken, dan
+er gebruik van te maken; en, behalve dat hij twee wilddieven in den
+kerker van den ouden toren van Tully-Veolan wierp waar ze geweldig
+verontrust werden door spoken, en bijna opgevreten door ratten, en dat
+hij een oude vrouw had laten vastzetten, omdat ze gezegd had, „dat er
+meer gekken in het huis van Laird waren dan David Gellatley,” geloof ik
+niet, dat hij beschuldigd werd ooit van zijn hooge macht misbruik
+gemaakt te hebben. Met dat al verleende het bewustzijn, dat hij die
+macht bezat, min of meer gewicht aan zijn taal en houding.
+
+Uit de wijze, waarop hij Waverley ontving, scheen het, dat het innig
+genoegen, hetwelk hij smaakte in het zien van zijns vriends neef, de
+stijve en statige deftigheid van den baron van Bradwardine een weinig
+uit den plooi had gebracht; want de tranen stonden den ouden heer in de
+oogen, toen, na Eduard eerst, volgens Engelsche gewoonte, hartelijk de
+hand te hebben gedrukt, hij hem vervolgens à la mode Française
+omhelsde, en op beide wangen kuste, terwijl zijn stevige handdruk en de
+hoeveelheid Schotsche snuif door zijn accolade medegedeeld, wederkeerig
+de tranen in de oogen van zijn gast te voorschijn riepen.
+
+„Bij de eer van een edelman,” zeide hij, „het maakt mij weêr jong u
+hier te zien, mijnheer Waverley! Een waardige spruit van den ouden stam
+van Waverley-Honour – spes altera, zoo als Virgilius zegt – en gij hebt
+precies het gelaat van de oude linie, kapitein Waverley; niet zoo
+lijvig nog als mijn oude vriend Sir Everard – mais cela viendra avec le
+temps, zooals een mijner Hollandsche kennissen, de baron van
+Kikkitbroeck zeide, van la sagesse de Madame son épouse. – En gij hebt
+dus de kokarde opgezet? Best, best! schoon ik de kleur anders zou
+gewenscht hebben, en dat, denk ik, zou Sir Everard ook. Maar daarover
+geen woord meer; ik ben oud en de tijden zijn veranderd. – En hoe vaart
+de waardige Baronet, en de schoone Freule Rachel? – Ha, gij lacht,
+Jonkman! maar ze was de schoone Freule Rachel in het jaar onzes Heeren
+zeventien honderd en zestien; maar de tijd gaat voort – et singula
+prædantur anni – dat is ontegenzeglijk waar. Maar nogmaals, van harte
+welkom op mijn armoedig huis van Tully-Veolan! Loop vlug naar huis,
+Rose, en zorg dat Alexander Saunderson den ouden Chateau-Margaux op
+tafel zet, dien ik in het jaar 1713 uit Bordeaux naar Dundee zond.”
+
+Rose trippelde weg, vrij deftig tot ze den eersten hoek om was, maar
+vervolgens met de snelheid van eene toovernimf, ten einde den tijd te
+hebben, na het volvoeren van haars vaders last, om voor haar toilet te
+zorgen, en haar geheelen kleinen opschik voor den dag te halen, eene
+bezigheid waarvoor het naderend etensuur maar weinige oogenblikken
+overliet.
+
+„Wij kunnen niet wedijveren met de weelde van uwe Engelsche tafel,
+kapitein Waverley, of u de epulæ lautiores van Waverley-Honour geven –
+ik zeg liever epulæ dan prandium, omdat de laatste spreekwijze
+gemeenzamer is; Epulæ ad senatum prandium vero ad populum attinet, [35]
+zegt Suetonius Tranquillus. Maar ik vertrouw, dat mijn Bordeaux u zal
+smaken; c’est des deux oreilles, zoo als kapitein Vinsauf placht te
+zeggen – vinum primæ notæ, noemde hem het hoofd van het St.
+Andreas-collegie. En, nog eens, kapitein Waverley, ik ben recht blijde,
+dat gij hier zijt, om het beste te drinken, dat mijn kelder opleveren
+kan.”
+
+Deze toespraak, met de noodige tusschengevoegde antwoorden, duurde van
+het einde der laan, waar zij elkander ontmoetten, tot aan de deur van
+het huis, waar vier of vijf bedienden in ouderwetsche liverei, aan wier
+hoofd Alexander Saunderson de keldermeester, bij wien nu geen spoor
+meer te zien was van zijn tuinwerk, hen in grand costume ontvingen.
+
+
+ In een oude voorzaal, breed en wijd, met piek en boog behangen,
+ Met harnas en met schild, waarop veel beukens was ontvangen.
+
+
+Met veel statie, en nog meer hartelijke vriendschap, geleidde de Baron,
+zonder zich in eenig tusschen gelegen vertrek op te houden, zijn gast
+naar de groote eetkamer, met een zwart-eikenhouten beschot, en verder
+versierd met de afbeeldingen van zijn voorgeslacht, waar eene tafel
+gedekt was voor zes personen, en een ouderwetsch buffet al het oude en
+zware zilver der Bradwardinesche familie ten toon spreidde. Thans werd
+eene klok gehoord, aan den ingang der oprijlaan; want een oud man, die
+op galadagen de dienst van portier waarnam, had het nieuws van
+Waverleys komst vernomen, en zich naar zijn post begevende, kondigde
+hij de komst van nog andere gasten aan.
+
+Deze waren, gelijk de Baron zijn jongen vriend verzekerde, zeer
+achtenswaardige personen. „Daar was de jonge heer van Balmawhapple, een
+Falconer, van den huize van Glenfarquhar, een groot liefhebber van de
+jacht – gaudet equis et canibus – maar overigens een zeer bescheiden
+jongmensch. Ook was er de heer van Killancureit, die zijn ledigen tijd
+met boomkweekerij en akkerbouw doorbracht, en zich beroemde de eigenaar
+te zijn van een stier van onovertroffen verdienste, afkomstig uit het
+graafschap van Devon (het Damnonia der Romeinen, zoo wij Robert van
+Cirencester mogen gelooven.) Hij is, zooals ge uit zijne bezigheden wel
+opmerken zult, slechts van geringe afkomst – servabit odorem testa diu
+[36] – en ik geloof (onder ons) dat zijn grootvader niet veel
+bijzonders was – een Bullsegg, die hierheen kwam als rentmeester, of
+baljuw, of zoo iets, bij den laatsten Girnigo van Killancureit, die aan
+verval van krachten stierf. Na zijns meesters dood, mijnheer, – men zou
+zulk een schandaal nauwelijks gelooven, – huwde deze Bullsegg, die een
+knap en goed uiterlijk had, met de weduwe, die jong en verliefd van
+aard was, en stelde zich in bezit van dit landgoed, dat, volgens eene
+bepaling van wijlen haar echtgenoot, op dit ongelukkige wezen verviel,
+in rechtstreeksche tegenspraak met eene ongeregistreerde leensbepaling,
+en ten nadeele van des erfbestellers eigen vleesch en bloed, in den
+persoon van zijn natuurlijken erfgenaam en neef in den tweeden graad,
+Girnigo van Tipperhewit, wiens geslacht door het daaruit ontstane
+proces dermate in verval geraakte, dat de vertegenwoordiger er van
+thans zonder eenigen rang dient in de Hooglandsche Black-Watch [37].
+Maar deze mijnheer Bullsegg van Killancureit, die nog leeft, heeft goed
+bloed in zijn aderen, door zijne moeder en grootmoeder, die beide van
+de familie van Pickletillim waren, en is wel gezien en bemind en weet
+zich heel goed te gedragen. En God beware ons, kapitein Waverley, dat
+wij, lieden van onberispelijke afkomst, met minachting op hem zouden
+neerzien, daar het mogelijk is, dat in de achtste, negende of tiende
+generatie, zijn nageslacht, in zekere mate, gelijk zal staan met den
+ouden adel des lands. Rang en voorouders, mijnheer, behoorden de
+laatste woorden in den mond van ons, lieden van onbesproken stam te
+zijn – vix ea nostra voco, zooals Ovidius zegt. Er komt ook nog een
+geestelijke van de ware, schoon verdrukte Episcopale kerk van
+Schotland. Hij was een martelaar voor hare zaak, na het jaar 1715, toen
+een Whigsche oproerbende zijn kerk verwoestte, zijn koorkleed
+verscheurde en zijn woning beroofde van vier zilveren lepels, terwijl
+ze desgelijks eetwaren en twee vaten, een met tafel- en een met sterk
+bier, behalve drie flesschen brandewijn meêpakten. [38] Mijn baljuw en
+zaakwaarnemer, de heer Duncan Mackwheeble is de vierde op onze lijst.
+Het is niet bekend wegens de onzekerheid van de oude spelling, of hij
+behoort tot het geslacht van Wheedle of van Quibble; [39] maar beide
+hebben uitstekende rechtsgeleerden voortgebracht”
+
+
+ Terwijl hij hen aldus beschreef naar uitzicht en geslacht,
+ Trad ieder binnen, en ’t diner werd spoedig opgebracht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+DE MAALTIJD.
+
+
+Het onthaal was overvloedig en keurig naar de Schotsche mode van dien
+tijd, en de gasten deden den maaltijd groote eer aan. De Baron at als
+een uitgehongerd soldaat; de heer van Balmawhapple als een jager;
+Bullsegg van Killancureit als een boer; Waverley zelf als een reiziger;
+en de rentmeester Mackwheeble als alle vier te zamen; maar uit eerbied,
+of om door zijn houding te toonen, dat hij gevoelde in de
+tegenwoordigheid van zijn patroon te zijn, – zat hij op den rand van
+zijn stoel, op een afstand van drie voet van de tafel, en boog hij
+zich, om in gemeenschap met zijn bord te blijven, zoo sterk voorover
+dat degene die tegenover hem zat, alleen de top van zijne pruik kon te
+zien krijgen.
+
+Deze ootmoedige houding zou misschien voor iemand anders ongemakkelijk
+zijn geweest, maar langdurige gewoonte maakte die, hetzij zittende of
+wandelende, voor den waardigen rentmeester lang niet moeielijk. In het
+laatste geval veroorzaakte het, ongetwijfeld, een niet zeer bevallig
+uitsteken van zijn persoon naar dengene, die achter hem mocht loopen;
+maar daar deze altijd zijn minderen waren (want de heer Mackwheeble was
+zeer oplettend om voor alle hoogeren plaats te maken), stoorde hij er
+zich weinig aan, als zijne minderen minachting of onbeleefdheid in zijn
+houding zochten. Vandaar dat hij, over de binnenplaats op en neer
+waggelende, naar zijn ouden grijzen hit, wel min of meer op een hond
+geleek, die op zijn achterste pooten loopt:
+
+De onbeëedigde geestelijke was een nadenkend en belangwekkend oud man,
+wiens uiterlijk verried dat hij een lijder was om des gewetens wil, Hij
+was een diergenen,
+
+
+ „Die zonder dat ze zijn gedwongen,
+ Hun ambt en voordeel offeren.”
+
+
+De rentmeester was dan ook gewoon, wanneer de Baron het niet hoorde, om
+met dezen gril van den heer Rubrick een weinig den spot te drijven, en
+hem zijn overdrevene kieschheid te verwijten. En inderdaad, men moet
+bekennen, dat hij zelf, ofschoon in zijn hart een vurig voorstander van
+het verbannen koninklijk huis, zich vrij wel geschikt had in al de
+verschillende gebeurtenissen van zijn tijd: zoo dat David Gellatley hem
+eenmaal beschreef als een bijzonder goed man, die een zeer kalm en
+vreedzaam geweten bezat, dat hem nooit eenig leed berokkende.
+
+Toen de tafel afgenomen was, stelde de Baron de gezondheid van den
+koning in, terwijl hij het beleefdelijk aan het geweten zijner gasten
+overliet, op den Souverein de facto of de jure te drinken, al naar
+gelang van hunne staatkundige denkwijze. Thans werd het gesprek
+algemeen; en kort daarop verwijderde zich freule Bradwardine, die aan
+tafel met natuurlijke bevalligheid en eenvoudigheid de rol van
+gastvrouw op zich genomen had, terwijl haar voorbeeld door den
+geestelijke gevolgd werd. Onder het overige gezelschap ging de wijn,
+die de lofspraken van den gastheer ten volle rechtvaardigde,
+onophoudelijk rond, schoon Waverley, niet zonder eenige moeite,
+vrijheid verkreeg, om zijn glas soms te laten staan. Eindelijk, toen de
+avond meer en meer begon te vallen, gaf de Baron een bijzonder teeken
+aan den heer Saunders Saunderson, of, zoo als hij hem schertsende
+noemde, Alexander ab Alexandro, waarop deze met een beteekenisvollen
+knik het vertrek verliet. Kort daarop keerde hij terug, terwijl op zijn
+deftig gelaat een plechtige en geheimzinnige glimlach zich vertoonde en
+hij een klein eiken kistje met koperen sieraden van zonderlingen vorm
+voor zijn heer neerzette. De Baron haalde een sleutel uit zijn zak,
+opende het kistje, waaruit een gouden beker van een vreemd, antiek
+voorkomen te voorschijn kwam, welke den vorm had van een opstaanden
+beer, en dien de eigenaar met een gemengden blik van eerbied, trots en
+genoegen aanzag, waardoor Waverley onwederstaanbaar herinnerd werd aan
+Ben Jonson’s Tom Otter, met zijn bul, paard en hond, zoo als deze
+spotvogel lachende de drie voornaamste bekers bij zijn tafel noemde.
+Maar de heer Bradwardine keerde zich beleefdelijk tot hem, en verzocht
+hem dit belangrijk overblijfsel uit den ouden tijd eens goed te
+bezichtigen. „Het stelt,” zeide hij, „het wapen onzer familie voor, een
+beer, gelijk gij ziet, en opstaande; omdat een goed wapenkundige gewoon
+is ieder dier af te beelden in zijn edelsten stand, gelijk een paard
+springend, een jachthond loopend, en, zoo als natuurlijk is, een
+roofdier in actu ferociori in eene vechtende, verscheurende en
+verslindende houding. Nu, mijnheer, dragen wij dit hoog achtbaar
+wapenschild bij open brief of patent, van Frederik Barbarossa, keizer
+van Duitschland, aan mijn voorzaat Godmund Bradwardine verleend, daar
+het de helmcier is van een reusachtigen Deen, door hem in het Heilige
+Land verslagen, en wel in een tweegevecht over een gerezen verschil
+omtrent de kuischheid van des keizers echtgenoot of dochter; de
+overlevering zegt niet nauwkeurig, welke; en dus gelijk Virgilius
+zegt –
+
+
+ Mutemus clypeos Danaumque insignia nobis Aptemus. [40].
+
+
+Maar wat den beker betreft, kapitein Waverley, deze werd vervaardigd op
+last van Sint Duthac, Abt van Aberbrothock, uit dankbaarheid jegens een
+anderen Baron van den huize van Bradwardine, die het erfgoed van dat
+klooster moedig tegen zekere aanmatigende edelen verdedigd had. De
+beker wordt niet ongepast. „de gezegende beer” van Bradwardine genoemd,
+schoon de oude doctor Doubleit hem schertsend de Ursa Major placht te
+heeten, en, in oude Katholijke tijden, schreef men hem zekere
+eigenschappen van een geheimzinnigen en bovennatuurlijken aard toe. En
+schoon ik aan zulke anilia [41] niet hecht, zoo is het zeker, dat hij
+altijd als een plechtige standaard-beker en erfstuk van onze familie
+beschouwd, en nooit dan bij hooge feesten gebruikt is; en daar de komst
+van Sir Everards erfgenaam onder mijn dak voor mij zulk een feestdag
+is, wijd ik dezen dronk aan het welzijn en den voorspoed van het oude
+en hoog te vereeren huis van Waverley.”
+
+Onder deze lange aanspraak, goot hij met alle voorzichtigheid een met
+spinrag bezette flesch rooden wijn in den beker, die ongeveer een halve
+flesch bevatte; en, na ten slotte de flesch aan den keldermeester te
+hebben gegeven, om ze zorgvuldiglijk onder dezelfde helling te houden,
+sloeg hij met veel plechtigheid den inhoud „des gezegenden beers van
+Bradwardine” naar binnen.
+
+Eduard zag met schrik en ontsteltenis, hoe het dier rondging, en dacht
+met groote onrust en angst aan het gepaste motto: „wacht u voor den
+beer,” doch gevoelde maar al te wel, dat, daar niemand van de gasten
+zwarigheid maakte hem deze buitengewone eer te bewijzen, eene weigering
+van zijn kant, om hunne hoffelijkheid te beantwoorden, ten hoogste
+kwalijk zou worden opgenomen. Hij besloot zich dus aan dit staaltje van
+dwingelandij te onderwerpen, en daarna, zoo mogelijk, de tafel te
+verlaten, en op de sterkte van zijn gestel vertrouwende, deed hij het
+gezelschap bescheid met den inhoud des bekers, en gevoelde zich minder
+bezwaard door den dronk, dan hij zich had kunnen voorstellen. De
+overigen, wier tijd beter was waargenomen, begonnen blijken van de
+uitwerking van het druivensap te geven: „de goede wijn deed zijne goede
+werking.” De eischen der etiquette en de trotschheid op geboorte,
+begonnen plaats te maken voor den weldadigen invloed van het
+sterrebeeld van den Beer, en de deftige titels, waarmede de drie heeren
+elkander tot hiertoe hadden aangesproken, werden nu gemeenzaam tot
+Tully, Bally en Killie verkort. Toen ettelijke flesschen geleegd waren,
+verzochten de twee laatsten, na met elkander gefluisterd te hebben,
+verlof om (eene vroolijke tijding voor Eduard!) en beker van
+dankzegging te mogen vragen. Deze werd na eenig uitstel, ten laatste
+uitgedronken, en Waverley begreep dat de Bacchanaliën voor dien avond
+ten einde waren. Nooit in zijn leven had hij zich sterker vergist.
+
+Daar de gasten hunne paarden in de kleine herberg, of uitspanning, zoo
+als het genoemd werd, van het dorp hadden gelaten, kon de Baron, zonder
+aan de beleefdheid te kort te doen, niet nalaten de laan met hen op te
+wandelen; en Waverley voegde zich uit hetzelfde beginsel en om, na den
+verhittenden maaltijd, den koelen zomeravond te genieten, bij het
+gezelschap. Maar toen zij bij Luckie Macleary aankwamen, gaven de
+heeren van Balmawhapple en Killancureit te kennen, dat zij hunne
+dankbaarheid voor de genotene gastvrijheid op Tully-Veolan wenschten te
+betuigen, door met hun gastheer en zijn vriend, kapitein Waverley, wat
+ze met een technieken term „deoch an doruis” noemden, een glaasje op de
+valreep [42] ter eere van des Barons gastvrijheid te gebruiken.
+
+Ik mag niet nalaten op te merken, dat de rentmeester, die bij
+ondervinding wist, dat het feest van den dag, hetwelk tot hiertoe op
+kosten van zijn patroon had plaats gegrepen, voor een gedeelte op zijn
+zak zou kunnen neerkomen, zijn kreupelen grijzen hit beklommen, en half
+in de vroolijkheid van zijn hart, half uit vrees van in de rekening
+betrokken te worden, het in een harden galop gezet had – aan een draf
+viel niet te denken – en alreeds het dorp was uitgereden. De overigen
+traden de herberg binnen, terwijl Eduard zich in weerlooze onderwerping
+liet medeslepen; want zijn gastheer fluisterde hem toe, dat een
+aarzeling bij zulk een voorslag zou beschouwd worden als een zwaar
+vergrijp tegen de leges conviviales, de regels van een vroolijk
+samenzijn. De weduwe Macleary scheen dit bezoek verwacht te hebben, wat
+gemakkelijk kon, want gewoonlijk werden alle vroolijke partijen, niet
+alleen op Tully-Veolan, maar ook op de andere heerenhuizen in
+Schotland, zestig jaar geleden op deze wijze besloten. De gasten kweten
+zich daarbij tevens van hun plicht van dankbaarheid jegens den
+gastheer, moedigden het vertier van zijn uitspanning aan, deden eer aan
+de plaats, die hun paarden een onderkomen verschafte, en stelden zich
+schadeloos voor den door deftige, huiselijke gastvrijheid opgelegden
+dwang, door, hetgeen Falstaff het zoetste gedeelte van den nacht noemt
+door te brengen, in den ongedwongen omgang, alleen in een kroeg te
+vinden.
+
+Dientengevolge had Luckie Macleary, in het blijde vooruitzicht op het
+bezoek der aanzienlijke gasten, voor het eerst in veertien dagen haar
+huis geveegd, haar turfvuur tot zulk eene warmte gestookt, als het
+saizoen, in haar vochtige hut, zelfs midden in den zomer vorderde; hare
+houten tafel pas geschuurd, gedekt, den lammen poot er van met een stuk
+turf onderschraagd, vier of vijf even lompe, zware stoelen,
+gerangschikt zoo als de oneffenheid van haar leemen vloer dit het best
+toeliet; en na zich verder met haar wit kapsel, mantelkraag en
+scharlaken doek, te hebben getooid, wachtte zij, in de hoop op goede
+winst, deftig het gezelschap af. Toen de gasten onder de berookte
+daksparren van Luckie Macleary’s dicht met spinraggen prijkend vertrek
+gezeten waren, verscheen de waardin, die reeds een wenk van den heer
+van Balmawhapple ontvangen had, met een grooten tinnen kan, die ten
+minste drie kan bevatte, in de wandeling „de gekuifde kip” genaamd, en
+welke, in de taal der waardin, „overliep,” dat is, tot den rand gevuld
+was met uitstekenden zoo even getapten rooden wijn.
+
+Het bleek spoedig dat het weinigje verstand, hetwelk de beer niet
+verslonden had, door de kip zou worden opgepikt; maar de verwarring die
+meer en meer de overhand nam, begunstigde Eduards besluit, om den
+vroolijk rondgaanden beker te vermijden. De overigen begonnen druk en
+allen te gelijk, te babbelen, terwijl ieder zijn deel in het gesprek
+nam, zonder in het minst acht te slaan op zijn buurman. De baron van
+Bradwardine zong Fransche chansons-à-boire, en declameerde Latijnsche
+versjes; Killancureit sprak over boomsnoeien en ploegen en het scheren
+van eenjarige lammeren, en tweejarige schapen, over kalven en koeien en
+bunsings en een ingediende wet op de tolhekken, terwijl Balmawhapple,
+op hooger nooten dan beiden, pochte op zijn paard, zijn valken en een
+jachthond, „de Fluiter” genaamd. Te midden van al dit geraas riep de
+Baron bij herhaling om stilte; en toen ten laatste het instinct van
+beleefde tucht zoo ver de overhand kreeg, dat hij voor een oogenblik
+werd aangehoord, haastte hij zich om hunne oplettendheid te verzoeken
+„voor een soldatenlied, en lievelingsstuk van den maarschalk hertog van
+Berwick;” en daarop, zoo goed hij kon, de manier en toon van een
+Franschen musketier nabootsende, begon hij terstond:
+
+
+ Mon coeur volage, dit elle,
+ N’est pas pour vous, garçon;
+ Est pour un homme de guerre,
+ Qui a barbe au menton,
+ Lon, Lon, Laridon.
+ Qui porte chapeau à plume,
+ Soulier à rouge talon,
+ Qui joue de la flûte,
+ Aussi du violon,
+ Lon, Lon, Laridon.
+
+
+Balmawhapple kon het niet langer uithouden, maar viel in, met hetgeen
+hij een v......d mooi lied noemde, door Gibby Gaethroughwi’t, den
+speelman van Cupar opgesteld, en zonder meer, hief hij aan:
+
+
+ Ik trok langs de heide van Glenbarchans heen,
+ En over het moerige Killibraid veen,
+ En menigmaal poogde ik, soms uren aaneen,
+ Het dartele korhoen te vinden [43].
+
+
+De Baron, wiens stem onder het luidere en meer geruchtmakende
+geschreeuw van Balmawhapple verloren ging, gaf den wedstrijd op, maar
+ging voort Lon, Lon, Laridon, te neuriën terwijl hij zijn gelukkiger
+mededinger, die met de oplettendheid van het gezelschap vereerd was,
+met een oog van verachting beschouwde, en Balmawhapple voortging:
+
+
+ En als het dan schichtig zich hief in de lucht,
+ Dan snapte ik het vaak in zijn rijzende vlucht;
+ ’k Droeg zelden mijn weitasch in ’t veld zonder vrucht:
+ Niets kon waar ik aanleî me ontsnellen.
+
+
+Na te vergeefs gepoogd te hebben zich het tweede vers te herinneren,
+zong hij het eerste weder over, en verklaarde, onder het voortzetten
+van zijn triomf, dat er meer gezond verstand in stak dan in al den
+onzin van Frankrijk, en van het graafschap Fife op den koop toe. De
+Baron antwoordde alleen met het langzaam nemen van een snuifje en met
+een blik van onuitsprekelijke verachting. Maar die edele bondgenooten,
+de Beer en de Hen, hadden den landjonker den gewonen eerbied uit het
+oog doen verliezen dien hij Bradwardine anders toedroeg. Hij noemde den
+wijn bogt, en riep met groot geschreeuw om brandewijn. Deze werd
+gebracht, en nu benijdde de duivel der staatkunde zelfs de harmonie,
+uit een Poolschen landdag ontstaan, alleen omdat er geen enkele
+toornachtige wanklank in de vreemde ineensmelting van geluiden gehoord
+werd. Door dezen drank aangehitst vroeg de heer van Balmawhapple, nu
+boven alle mogelijke knikken en wenken verheven, waarmede de Baron van
+Bradwardine, uit kieschheid jegens Eduard, hem tot hiertoe belet had
+zich in staatkundige beschouwingen te verdiepen, met luide stemme een
+gevulden beker, terwijl hij den volgenden toast instelde: „aan den
+kleinen heer in zwart fluweel, die zoo veel dienst deed in 1702, en
+moge de schimmel den nek breken over een molshoop!”
+
+Eduard had op dit oogenblik zijn zinnen niet genoeg bijeen om zich te
+herinneren, dat koning Willems val, welke zijn dood veroorzaakte, naar
+men zeide veroorzaakt werd door het struikelen van zijn paard over een
+molshoop; maar hij voelde zich echter geneigd zich over een dronk te
+ergeren, die, naar den blik uit Balmawhapple’s oog te oordeelen, een
+bijzonder vijandelijke toespeling scheen te bevatten op het bewind
+waaronder hij diende. Maar, eer hij spreken kon, had de baron van
+Bradwardine den twist al opgevat. „Mijnheer! welke ook mijn gevoelens,
+tanquam privatus, in zulke zaken wezen mogen, ik zal niet dulden, dat
+gij iets zegt, dat in staat is een onder mijn dak gehuisvesten edelman
+te kwetsen. Mijnheer, zoo gij geen eerbied hebt voor de wetten der
+wellevendheid, ontzie dan ten minste den krijgsmanseed, het sacrumentum
+militare, waardoor ieder officier verbonden is aan den standaard,
+waarop hij den eed heeft afgelegd. Zie bij Titus Livius, wat hij zegt
+van die Romeinsche soldaten, welke ongelukkig genoeg waren om exeure
+sacramentum, hun legereed te schenden; maar ge zijt onkundig, mijnheer,
+zoowel in de oude geschiedenis als in de moderne hoffelijkheid.”
+
+„Niet zoo onkundig als gij wel gelieft te zeggen,” brulde Balmawhapple.
+„Ik weet wel, dat gij spreekt van het plechtige Verbond en de
+Overeenkomst; maar zoo al de Whigs in de hel dat hadden wat...”
+
+Hier spraken de Baron en Waverley beide te gelijk, terwijl de eerste
+uitriep: „zwijg, mijnheer! Gij legt niet alleen uwe onwetendheid aan
+den dag, maar onteert uw vaderland in het bijzijn van een vreemdeling
+en een Engelschman.” Waverley van zijn kant verzocht op hetzelfde
+oogenblik den heer Bradwardine verlof, om zelf eene beleediging te
+wreken, die hem persoonlijk gold. Maar de Baron was door wijn, toorn en
+minachting boven alle ondermaansche bedenkingen verheven.
+
+„Kapitein Waverley, ik bid u, houd u toch stil; gij zijt elders,
+misschien, sui juris, – uw eigen meester, wil ik zeggen en bevoegd,
+naar ik vooronderstel, voor u zelven te denken en te spreken; maar op
+mijn grondgebied, in deze geringe baronie van Bradwardine, en onder dit
+dak, dat quasi het mijne is, daar het van mij afhangt wie daaronder
+gehuisvest zal zijn, sta ik bij u in loco parentis en ben verplicht te
+zorgen, dat u geen onheil overkome. En wat u betreft, mijnheer Falconer
+van Balmawhapple, ik waarschuw u, laat mij niet meer merken dat gij de
+wegen der wellevendheid overtreedt.”
+
+„En ik zeg u, mijnheer Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine en
+Tully-Veolan,” hernam de jager, met innige verontwaardiging, „dat ik
+iedereen dood zal schieten, die mijn toast weigert, laat hem een
+Engelsche Whig zijn, met een zwart lintje om den hals, of een
+overlooper die zijn eigene vrienden verlaat, om gunst te zoeken bij de
+ratten van Hannover.”
+
+In een oogenblik waren de beide degens ontbloot, en eenige wanhopige
+stooten gewisseld. Balmawhapple was jong, stout en vlug; maar de Baron,
+zijn wapen oneindig meer meester, zou weldra den genadestoot hebben
+gegeven, als hij niet te veel onder den invloed van den Grooten Beer
+had gestaan.
+
+Eduard sprong vooruit om de beide strijders te scheiden, maar
+struikelde en viel over het lichaam van den heer van Killancureit, die
+lang uit op den grond lag. Hoe Killancureit, op zulk een kritiek
+oogenblik, in deze liggende houding kwam, is nooit juist bekend
+geworden. Sommigen dachten dat bij bezig was met zich onder de tafel te
+verschuilen; hij zelf beweerde dat hij struikelde, terwijl hij een
+dicht bijstaande stoel greep, om een ongeluk te voorkomen, door
+Balmawhapple daarmede neêr te vellen. Hoe dit ook zij, indien geen
+vlugger hulp dan de zijne, of die van Waverley, tusschenbeide gekomen
+was, zou er zeker bloed zijn gestort. Maar het welbekende
+zwaardengekletter, dat niets vreemds was in hare woning, joeg Luckie
+Macleary op, die gerust buiten den aarden muur der stulp gezeten was,
+verdiept in het opmaken van de rekening, ofschoon haar oogen
+voortdurend op een vroom tractaat op haar schoot, gevestigd waren. Zij
+stortte moedig binnen, onder het uitgillen van: „Waarom moeten toch de
+heeren elkaâr hier doodslaan, en het huis van een eerlijke weduw
+schande aandoen? Is er dan in het open veld geen gelegenheid om te
+vechten?” een vertoog, dat ze ondersteunde door haar doek met groote
+behendigheid over de degens der vechtenden te werpen. Middelerwijl
+stormden de bedienden binnen, en daar deze toevallig tamelijk nuchter
+waren, gelukte het hun, met behulp van Eduard en Killancureit, de
+verwoede strijders te scheiden. Laatstgenoemde voerde Balmawhapple weg,
+wraak zwerende tegen iederen Whig, Presbyteriaan en dweeper in Engeland
+en Schotland, van John o’Groat’s af tot aan Kaap Lands Einde [44] toe,
+en het was slechts met vele moeite dat hij eindelijk op zijn paard
+gezet werd.
+
+Met den bijstand van Saunder Saunderson, geleidde onze held den baron
+van Bradwardine naar zijn woning, maar kon niet van hem verkrijgen naar
+bed te gaan, voor en aleer hij een lange en geleerde redevoering had
+gehouden over hetgeen dien avond was voorgevallen, waarvan echter niets
+verstaanbaar was, behalve iets over de Centauren en de Lapithen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+BEROUW EN VERZOENING.
+
+
+Waverley was niet gewoon, dan met de grootste matigheid wijn te
+drinken. Hij sliep dus tot laat in den volgenden morgen, en ontwaakte
+toen met een pijnlijke herinnering aan het tooneel van den vorigen
+avond. Hij had een persoonlijke beleediging ondergaan, – hij, een man
+van eer, een krijgsman en een Waverley. Het was waar, hij die ze hem
+had aangedaan, was, op dat oogenblik, geen meester over het zeer
+geringe verstand, hetwelk de natuur hem geschonken had; het was evenzoo
+waar, dat, wanneer hij voor deze beleediging wraak nam, hij zoowel de
+wetten des hemels, als die van zijn land overtreden zou; het was
+eindelijk waar, dat hij, door dit te doen, wellicht het leven zou
+benemen aan een jonkman, die zich misschien behoorlijk van zijn
+maatschappelijke plichten kweet, en hij zou dus zijn familie ongelukkig
+maken; of hij zelf kon zijn eigen leven verliezen, – geen aangename
+kans zelfs voor den moedigste, wanneer men alles kalm en bedaard
+overlegt.
+
+Al deze gedachten drukten hem zwaar op het hart; en toch keerde de
+eerste opvatting telkens met onweêrstaanbare kracht terug. Hij had een
+beleediging ondergaan; hij was van den huize Waverley, en tegelijk
+Officier. Er was geen keus; en hij begaf zich naar de ontbijtkamer met
+het voornemen, om afscheid van de familie te nemen en aan een zijner
+wapenbroeders te schrijven, om bij hem te komen in de herberg, halfweg
+Tully-Veolan en de stad, om zoodanige boodschap aan den Heer van
+Balmawhapple te zenden, als de omstandigheden schenen te vorderen. Hij
+vond Freule Bradwardine aan de ontbijttafel, die met warm, zoowel
+tarwe- als gerstengebak, in de gedaante van brooden, koeken, beschuit
+en wat dies meer zij, beladen was, evenzoo met eieren, rendiersham,
+lams- en ossenvleesch, gerookte zalm, gekonfijte kweeën en al de
+overige lekkernijen, welke zelfs Johnson overhaalde, om de weelde van
+een Schotsch ontbijt boven dat van alle andere landen te verheffen. Een
+schotel havermeelpap tegenover een zilveren kan, die een mengsel van
+room en karnemelk bevatte, stond voor den baron gereed; maar Rose
+verhaalde, dat hij vroeg in den morgen uitgegaan was, na bevel te
+hebben gegeven dat men zijn gast niet storen zou.
+
+Waverley nam, bijna zonder een woord te spreken plaats, en met zulk een
+verstrooid en afgetrokken voorkomen, dat Freule Bradwardine geen
+gunstig denkbeeld kon opvatten van zijn gezellige gaven. Hij antwoordde
+slechts met een enkel woord op een paar aanmerkingen, welke ze zich
+veroorloofde omtrent algemeene onderwerpen; zoodat ze, zich bijna
+teruggestooten gevoelende in hare pogingen om hem bezig te houden, en
+zich heimelijk verwonderende, dat onder een rooden rok geen betere
+opvoeding schuilde, hem aan zijn eigene overdenkingen overliet, welke
+bestonden in het verwenschen van doctor Doubleits geliefd gesternte van
+den Grooten Beer, als de oorzaak van al het onheil, dat reeds had
+plaats gehad en waarschijnlijk nog volgen zou. Op eens echter schrikte
+en kleurde hij geweldig, daar hij, de oogen naar buiten slaande, den
+baron en den jongen Balmawbapple arm in arm en schijnbaar in druk
+gesprek voorbij zag gaan. „Heeft mijnheer Falconer hier van nacht
+geslapen?” vroeg hij driftig. Rose, die niet zeer ingenomen was met de
+weinige korte woorden, welke de jonge vreemdeling tot haar richtte,
+antwoordde droog weg „neen,” en het gesprek was wederom ten einde.
+
+Op dit oogenblik verscheen de heer Saunderson met een verzoek van zijn
+meester, om den Kapitein Waverley in een ander vertrek te mogen
+spreken. Met een hart, dat iets sneller dan gewoonlijk sloeg, niet uit
+vrees, maar uit onzekerheid en onrust, verliet Eduard de ontbijtzaal.
+Hij vond de beide heeren bij elkander staan; op het gelaat des Barons
+lag eene zelfvoldane waardigheid, terwijl iets, dat naar gemelijkheid
+of schaamte, zoo niet naar beide zweemde, het blozend gelaat van
+Balmawhapple benevelde. De eerste stak den arm onder dien van den
+laatste, en terwijl hij dus met hem scheen te wandelen, hoewel hij hem
+in waarheid geleidde, traden ze op Waverley toe, en nadat ze midden in
+het vertrek waren blijven staan, hield de Baron met groote deftigheid
+de volgende redevoering: „kapitein Waverley – mijn jonge en
+achtenswaardige vriend, mijnheer Falconer van Balmawhapple, die mijne
+jaren en ondervinding, als niet geheel onbedreven in alles wat de
+wetten van het tweegevecht of de monomachia betreft, geheel en al
+vertrouwt, heeft mij verzocht zijn tolk bij u te zijn, om u het
+leedwezen te betuigen, waarmede hij zich zekere uitdrukkingen op ons
+symposion van gisteravond herinnert, welke u, die voor het oogenblik
+het thans bestaande bewind dient, niet anders dan hoogst onaangenaam
+konden zijn. Hij bidt u, mijnheer, om de herinnering aan deze
+vergrijpen tegen de wetten der wellevendheid, als iets wat zijn meer
+onbeneveld verstand afkeurt, in vergetelheid te begraven, en de hand te
+ontvangen, welke hij u als een pand van vriendschap aanbiedt; en ik heb
+niet noodig u te verzekeren, dat niets minder dan het gevoel van dans
+son tort te zijn, gelijk een moedig Fransch ridder, monsieur le
+Bretailleur mij eens bij eene dergelijke gelegenheid toevoegde, alsmede
+de hooge dunk van uwe verdiensten zulk eene bekentenis van hem konden
+uitlokken; want hij en geheel zijn geslacht zijn, en daarenboven sedert
+onheugelijke tijden, mavortia pectora geweest, zooals Buchanan zegt,
+een stoute en oorlogzuchtige stam.”
+
+Onmiddellijk, en met ongedwongen beleefdheid, nam Eduard de hand aan,
+welke Balmawhapple, of liever de Baron, in zijn karakter van
+bemiddelaar, hem toestak. „Het was hem onmogelijk,” zeide hij, „zich
+iets te herinneren, wat een fatsoenlijk man wenschte niet gezegd te
+hebben, en hij schreef het gebeurde gaarne toe aan de overdadige
+feestelijkheid van den vorigen dag.”
+
+„Dat is zeer hupsch gesproken,” antwoordde de Baron; „want het lijdt
+geen twijfel dat, als iemand ebrius of dronken is, iets dat bij zulke
+plechtige en feestelijke gelegenheden kan en somtijds zal gebeuren in
+den loop van het leven van een man van eer, en dat, indien dezelfde
+man, wanneer hij weder frisch en nuchteren is, de beleedigende woorden
+herroept, door hem in zijn opgewondenheid gesproken, men er het voor
+houden moet vinum locutus est, dat de woorden ophouden de zijne te
+zijn. Ondertusschen zou ik meenen dat deze verontschuldiging niet
+geldt, in het geval van iemand die ebriosus, of een dronkaard uit
+gewoonte is; omdat, indien zulk een persoon het grootste gedeelte van
+zijn tijd in een staat van beschonkenheid verkiest door te brengen, hij
+geen recht heeft om zich vrij te maken van de plichten door het wetboek
+der beschaving opgelegd, maar behoort te leeren zich vreedzaam en
+hoffelijk te gedragen, wanneer hij onder den invloed van den
+geestrijken prikkel is. En laat ons thans aan het ontbijt gaan, en niet
+meer aan deze afgedane zaak denken.”
+
+Hoe men ook er over denke moet ik toch bekennen, dat Eduard, na zulk
+eene voldoende verklaring, grooter eer aan de lekkernijen van freule
+Bradwardine’s ontbijttafel bewees, dan in den beginne. Balmawhapple,
+integendeel, scheen verlegen en neergedrukt; en Waverley merkte nu voor
+het eerst op, dat zijn arm in een band hing, hetgeen de linkschheid en
+verlegenheid verklaarde, waarmede hij zijn hand had aangeboden. Op eene
+vraag van freule Bradwardine, mompelde hij dat zijn paard gevallen was;
+en daar hij scheen te verlangen om zoowel dit onderwerp als het
+gezelschap te ontwijken, stond hij op zoodra het ontbijt afgeloopen
+was, maakte eene buiging voor het gezelschap, en na de uitnoodiging,
+van den Baron om te blijven eten van de hand gewezen te hebben, besteeg
+hij zijn paard en keerde naar huis terug.
+
+Thans gaf Waverley zijn voornemen te kennen om Tully-Veolan te
+verlaten, tijdig genoeg om na afloop van het middagmaal de
+pleisterplaats te bereiken, waar hij nachtverblijf dacht te houden;
+maar het ongekunstelde en diepe leedwezen, waarmede de goedhartige en
+vriendelijke oude heer dit besluit aanhoorde, benam hem den moed, om
+bij zijn voornemen te volharden. Zoodra dan ook Waverley beloofd had
+nog eenige dagen te blijven deed hij zijn best om de redenen te
+ontzenuwen, waarom hij zich verbeeldde, dat zijn gast vroeger had
+willen vertrekken. „Ik zou u niet gaarne in den waan laten, kapitein
+Waverley, dat ik door gewoonte of voorbeeld een voorstander ben van
+dronkenschap, ofschoon het zijn kan dat, bij ons feest van gisteren
+avond, sommige onzer vrienden, zoo misschien niet geheel ebrii, of
+dronken, om een zacht woord te gebruiken, ebrioli waren, waarmede de
+ouden bedoelden, wat wij noemen „iets aangeschoten.” Meen echter niet
+dat ik dit van u denk Waverley, gij hebt u eerder, als een voorzichtig
+jongmensch van overmaat onthouden; ook kan het in waarheid niet van mij
+gezegd worden, die, ofschoon ik aan de tafel van menig grooten generaal
+en maarschalk, bij hunne plechtige feesten tegenwoordig ben geweest, de
+gave bezit, om mijn wijn in mate te gebruiken, en gedurende den
+geheelen avond, zooals gij ongetwijfeld moet hebben opgemerkt, de
+grenzen van een gematigde vroolijkheid niet te buiten ging.”
+
+Het was niet doenlijk eene stelling te bestrijden, op zulk positieven
+toon opgeworpen door hem, die zeker de meestbevoegde rechter in de zaak
+was, hoewel, wanneer Eduard zijn oordeel uit zijn eigene herinneringen
+had geput, hij de meening zou hebben uitgesproken, dat de Baron niet
+alleen ebriolus was, maar zelfs bijna ebrius, of, plat gezegd, de meest
+beschonkene van allen, uitgezonderd misschien zijne tegenpartij, de
+heer van Balmawhapple. Evenwel ging de Baron, nadat hij het verwachte,
+of liever gevorderde compliment over zijne matigheid had ontvangen,
+voort: „Neen, mijnheer, schoon ik zelf van een sterk gestel ben, heb ik
+een afschuw van de dronkenschap, en verfoei hen die den wijn gulæ
+causa, dat is om de keel te streelen naar binnen zwelgen; hoewel ik de
+wet van Pittacus van Mitylene niet goedkeur, die een misdaad, onder den
+invloed van Liber Pater [45] gepleegd, dubbel strafte, en ik mij zelfs
+niet in alle opzichten kan vereenigen met het harde oordeel van den
+jongeren Plinius, in het veertiende boek van zijn Historia Naturalis.
+Neen, mijnheer, ik maak opderscheid, ik weet onderscheid te maken, en
+keur den wijn alleen in zoo verre goed, dat hij opgeruimd maakt, of in
+de taal van Flaccus, recepto amico.”
+
+Dus eindigde de verantwoording, die de baron van Bradwardine noodig
+achtte voor het overdadige van zijn feestelijk onthaal; en men zal ligt
+gelooven, dat Eduard hem niet tegensprak of iets, dat hij zeide in
+twijfel trok.
+
+Vervolgens noodigde hij zijn gast tot een morgenrid uit, en beval dat
+David Gellatley hen op het jachtpad, met de beide honden Ban en Buscar,
+zou wachten. „Want, eer het saizoen begint, zou ik u gaarne iets van
+ons jachtveld laten zien, en zoo God wil, zullen we alligt een ree
+ontmoeten. De ree, kapitein Waverley, mag in alle jaargetijden gejaagd
+worden; want, daar het dier nooit op zijn vet behoeft te roemen, is het
+ook nooit onsmakelijk, ofschoon het waar is, dat zijn vleesch niet
+gelijk staat met dat van het hert [46]. Maar ge zult zien, hoe mijne
+honden loopen; en daarom zullen ze met David Gellatley ons
+vergezellen.”
+
+Waverley gaf zijn verwondering te kennen, dat zijn vriend David in
+staat was zoo iets waar te nemen; maar de Baron gaf hem te verstaan,
+dat deze arme hals niet gek, nec naturaliter idiota was, zoo als men in
+rechten zeide; maar eenvoudig een in de hersenen gekrenkte guit, die
+zeer wel in staat was iederen arbeid te volbrengen, die met zijn luimen
+strookte, en zijn gekheid tot een voorwendsel maakte om al ’t overige
+te vermijden. „Wij zijn aan hem gehecht,” ging de Baron voort,
+„doordien hij Rose, met gevaar van zijn leven, uit een dreigenden nood
+heeft gered, en de ondeugende lummel moet daarom eten van ons brood, en
+drinken uit onzen beker, en doen wat hij kan, of wat hij wil: hetgeen,
+zoo de vermoedens van Saunderson en den rentmeester gegrond zijn, in
+dit geval wel zoowat uitdrukkingen van dezelfde beteekenis zijn.”
+
+Freule Bradwardine verhaalde vervolgens aan Waverley dat deze arme hals
+machtig verzot was op muziek; dat hij door droefgeestige melodieën diep
+getroffen, en tot buitensporige blijdschap vervoerd werd door vroolijke
+en levendige liederen. Hij was in dit opzicht met een verbazend
+geheugen begiftigd, en kende een groot aantal stukken en brokken van
+allerlei wijzen en liedjes, die hij soms met verwonderlijke slimheid te
+pas bracht, als middelen van betoog, verklaring of satire. David was
+zeer gehecht aan de weinigen, die hem vriendschap betoonden – en even
+gevoelig voor elke verachtelijke of kwade behandeling, die hij
+ondervond, terwijl hij volkomen in staat was, als hij maar gelegenheid
+er toe vond, zich te wreken. Het gemeene volk, dat doorgaans even hard
+over elkander als over hunne meerderen oordeelt, hoewel het vrij wat
+medelijden voor den armen „stumpert” betuigde, zoo lang men hem in
+vodden langs het dorp liet loopen, zag hem niet zoodra behoorlijk
+gekleed, verzorgd en zelfs eenigermate als gunsteling behandeld, of het
+haalde al de voorbeelden van gevatheid en doorzicht aan, zoowel in zijn
+handelingen als in zijn antwoorden welke de dorps-jaarboeken
+opleverden, en grondde daarop de veronderstelling, dat David Gellatley
+niet verder mal was, dan noodig scheen om hem voor zwaren arbeid te
+vrijwaren. Dit gevoelen was nogthans even juist als dat der negers, die
+uit de slimme en ondeugende kuren der apen opmaken, dat zij de gave der
+spraak bezitten, en dit vermogen opzettelijk onderdrukken, uit vrees
+dat men hen tot werken zal dwingen. David Gellatley was in goeden ernst
+de halfgekrenkte hals, die hij scheen, en buiten staat tot eenige
+aanhoudende en gestadige inspanning. Hij bezat juist oordeel genoeg om
+hem voor zinneloosheid te bewaren; zooveel natuurlijk verstand als hem
+tegen volslagen onnoozelheid vrijwaarde; eenige behendigheid in zaken
+die op de jacht betrekking hadden, (waarin wij even groote dwazen
+hebben zien uitmunten); uitnemende zachtheid en menschelijkheid in het
+behandelen van aan hem toevertrouwde dieren, een warm hart, een
+verbazend geheugen, en een oor voor de muziek.
+
+Weldra vernam men nu paardengetrappel op het voorplein, alsmede Davie’s
+stem, die, zich tot de groote jachthonden keerende, zong:
+
+
+ Spoedt u! jaagt langs veld en weide,
+ Stuift den vliet door die ginds plast!
+ Vliegt langs heuvelzoom en heide,
+ En waar ’t boschje ’t lachendst wast;
+ Waar de stroomen ’t helderst vloeien,
+ Waar de varen ’t weligst groeien,
+ Waar de dauw het langste glanst,
+ Waar dien ’t korhoen liefst gaat drinken,
+ Waar de Fee het laatst bij ’t blinken
+ Van het maanlicht heeft gedanst.
+ Op naar legers, die men zelden
+ Slechts zoo koel en eenzaam zag!
+ Op langs weiden, heuvlen, velden,
+ Bij ’t ontwaken van den dag!
+
+
+„Behooren de verzen, die hij daar zingt, tot de oude Schotsche poëzie,
+freule Bradwardine?”
+
+„Ik geloof het niet,” hernam zij „Dit arme schepsel heeft een broeder
+gehad, en de Hemel, alsof hij der familie het ongeluk van den armen
+David wilde vergoeden, had hem talenten geschonken, die men in het dorp
+voor iets buitengewoons hield. Een oom poogde hem op te leiden voor de
+Schotsche kerk, maar hij kon niet de minste bevordering vinden, omdat
+hij slechts een boerenzoon was. Hij keerde hopeloos, en met een
+gebroken hart van de Akademie terug, en kreeg de tering. Mijn vader
+ondersteunde hem tot zijn dood, die voorviel eer hij zijn negentiende
+jaar bereikt had. Hij speelde op de fluit, en werd algemeen voor iemand
+gehouden die een bijzonderen aanleg voor de poëzie had. Hij legde veel
+liefde en medelijden voor zijn broeder aan den dag, die hem volgde als
+zijn schaduw, en wij houden het er voor dat David van hem een menigte
+liederen verzamelde, die weinig op die uit deze streek gelijken. Maar
+als wij hem vragen, waar hij zulk een brok, als hij daar zingt,
+opgedaan heeft, antwoordt: hij òf met een geweldigen lachbui, òf wel
+door in tranen en jammerklachten uit te barsten, maar nooit vernam men
+eene andere verklaring, of heeft men hem zijns broeders naam na diens
+dood hooren noemen.”
+
+„Zeker,” zeide Eduard, die altijd belang stelde in elk verhaal dat
+eenigszins romantisch klonk, „zeker zou men meer van hem vernemen, als
+men er meer bijzonder op aandrong.”
+
+„Misschien wel,” antwoordde Rose; „maar mijn vader wil niemand
+veroorloven zijne gevoeligheid op dit punt te krenken.”
+
+Gedurende dezen tijd had de Baron, met behulp van Saunderson, een paar
+geweldig groote jachtlaarzen aangetrokken, en noodigde thans onzen held
+uit hem te volgen, terwijl hij met zware stappen den breeden trap
+afging, in het voorbijgaan, telkens op de hooge ballustrade met den
+knop van zijn zware karwats sloeg, en zich het air gevende van een
+jager van Louis XIV bromde:
+
+
+ „Pour la chasse ordonnée, il faut préparer tout,
+ Ho la ho! Vite! vite debout!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VERSTANDIGER DAG DAN DE VORIGE.
+
+
+De baron van Bradwardine, op een levendig en goed gedresseerd paard
+gezeten, met een demi-piquè zadel en een donker schabrak, in
+overeenstemming met zijn liverei, was geen slecht vertegenwoordiger van
+de oude school. Zijn lichtkleurige, geborduurde rok en prachtig
+gegaloneerd vest, zijn krulpruik, waarop een punthoed met een smal
+gouden boordsel stond, voltooide zijn costuum; terwijl hij werd gevolgd
+door twee wel bereden knechts te paard, met pistolen in de holsters
+gewapend.
+
+Aldus uitgedost reed hij over berg en dal zachtjes voort, terwijl hij
+de bewondering van elke boerderij, welke zij voorbij kwamen, opwekte,
+totdat ze, in een groene vallei, David Gellatley vonden, die twee
+buitengewoon groote hazewind-honden vasthield, een half dozijn andere
+kleinere honden bij zich had, en omtrent even zoo vele jongens met
+bloote voeten en bloote hoofden, die, om de uitgelezene onderscheiding
+te genieten van bij de jacht tegenwoordig te zijn, niet nagelaten
+hadden zijn ooren te kittelen met den streelenden titel van „Mijnheer
+Gellatley,” ofschoon er waarschijnlijk niemand onder hen was, die niet
+bij vorige gelegenheden hem uitgejouwd en voor „mallen David”
+uitgescholden had. Maar dit is geen ongewone soort van vleijerij jegens
+lieden, in zekere betrekkingen geplaatst, en geenszins bepaald tot de
+barrevoetsche dorpelingen van Tully-Veolan; ze was zestig jaar geleden
+in zwang, is het thans nog, en zal het over zeshonderd jaar nog zijn,
+zoo dat wonderlijke mengsel van dwaasheid en schurkerij, dat men „de
+wereld” heet, dan nog bestaat.
+
+Deze kleine barrevoeters waren bestemd om het kreupelhout te kloppen,
+hetgeen ze met zulk goed gevolg deden, dat na een half uur jagens een
+ree opgejaagd, vervolgd en gedood werd. De baron volgde de honden op
+zijn schimmel, gelijk graaf Percy in de oude ballade, doodde het dier
+grootmoediglijk met zijn adellijk couteau de chasse, vilde het en
+haalde het uit, hetgeen, zooals hij aanmerkte, de Fransche chasseurs
+„faire la curée” heeten. Na deze plechtigheid geleidde hij zijn gast
+naar huis, langs een prettigen omweg, die een zeer ruim uitzicht schonk
+op verscheidene dorpen en huizen, van welke de heer Bradwardine de een
+of andere geschied- of geslachtkundige anecdote verhaalde. Zijn
+mededeelingen waren in een taal, ontsierd door veroordeel en
+pedanterie, maar dikwijls eerbiedwekkend om het gezond verstand en de
+edele gevoelens, waardoor zijn verhaal zich kenmerkte, en bijna altijd
+wetenswaardig, zoo niet belangrijk, om het onderricht dat daarin lag
+opgesloten.
+
+De waarheid is, dat de rid beide heeren vermaakte, omdat ze genoegen
+vonden in elkanders omgang, ofschoon hunne karakters en wijze van
+denken in vele opzichten geheel uit elkaâr liepen. Eduard bezat, gelijk
+wij den lezer hebben te kennen gegeven, een levendige verbeelding, en
+was vreemd en romanesk in zijn denkbeelden en in zijn smaak voor
+lectuur, en had een bijzonder sterke neiging voor de poëzij. De heer
+Bradwardine was het tegenovergestelde van dit alles, en verhief er zich
+op, dat hij met dezelfde strakke, stijve, stoïsche deftigheid door het
+leven stapte, waardoor zijn avondwandeling op het terras van
+Tully-Veolan zich kenmerkte, waar hij, uren achtereen, – het ware
+evenbeeld van den ouden Knoet –
+
+
+ Statig heentoog naar het oost,
+ Statig naar het westen.
+
+
+Wat de letterkunde betreft, hij had de klassieke dichters, het
+Epithalamium van Georgius Buchanan, en Arthur Johnston’s
+Zondagspsalmen, benevens de Diliciæ Poetarum Scotorum, en sir David
+Lindsay’s werken en Barbours Bruce en des blinden Harry’s Wallace en De
+edele Schaapherder van Ramsay, zoowel als de Kersenboom en de wilde
+Pruimboom gelezen. Maar in weerwil van dit aan de muzen gebrachte
+offer, zou hij, als wij de waarheid moeten zeggen, zich veel beter
+vermaakt hebben, indien de vrome of wijze spreuken, zoowel als de
+historische verhalen, welke deze onderscheidene werken bevatten, hem
+waren aangeboden in den vorm van eenvoudig proza. En hij kon soms niet
+nalaten zijne verachting uit te drukken voor de „ijdele en nuttelooze
+kunst van verzen maken,” waarin, zoo als hij zeide, „Allan Ramsay de
+pruikenmaker [47] de eenige was, die in zijn tijd had uitgemunt.”
+
+Maar hoewel Eduard en hij te dezen aanzien toto cælo verschilden, zoo
+als de Baron zou gezegd hebben, ontmoetten zij echter elkander op
+geschiedkundig gebied, als op een onzijdig terrein, waarin beide belang
+stelden. De Baron, het is waar, belaadde enkel zijn geheugen met
+feiten, de koude, drooge, harde omtrekken, die de geschiedenis schetst.
+Eduard, integendeel, hield er van de schets aan te vullen en te ronden
+met het penseel eener levendige en bezielde verbeelding, welke licht en
+levendige kleuren verspreidt over de handelende en sprekende personen,
+die op het tooneel der vervlogene eeuwen waren opgetreden. In weerwil
+van zulke tegenstrijdige neigingen, droegen ze van weerskanten veel bij
+tot elkaars genoegen. Des heeren Bradwardine’s tot in de kleinste
+bijzonderheden afdalende verhaaltrant en sterk geheugen boden Waverley
+nieuwe voorwerpen, waarop zijn verbeelding gaarne werkte, terwijl hem
+eene nieuwe mijn van gebeurtenissen en karakters geopend werd. En hij
+van zijn kant betaalde het hem aldus geschonken genot met die ernstige
+oplettendheid, waarop alle verhalers zulk een hoogen prijs stellen,
+maar de Baron nog meer in het bijzonder, daar hij zijn eigenliefde,
+gestreeld vond, of ook wel soms wederkeerige mededeelingen ontving die
+hem belang inboezemden, omdat ze zijne eigene anecdoten bevestigden of
+ophelderden. Bovendien sprak de heer Bradwardine gaarne over zijne
+jeugd, in den oorlog in vreemde landen gesleten, en wist menige
+belangwekkende bijzonderheid te vertellen van de generaals, onder wie
+hij gediend en van de veldslagen die hij had bijgewoond.
+
+De beide heeren keerden naar Tully-Veolan terug, ten hoogste over
+elkander voldaan. Waverley verlangde meer nauwkeurig na te gaan, wat
+hem een eigenaardig en belangrijk karakter toescheen, begaafd met een
+geheugen dat een wetenswaardig register van oude en hedendaagsche
+anecdoten bevatte; terwijl Bradwardine geneigd was Eduard te beschouwen
+als puer (of liever juvenes) bonæ spei et magnæ indolis, een jongeling,
+vrij van die dartele lichtzinnigheid, welke den omgang of den raad van
+meer bejaarden vervelend vindt of veracht, en van wien hij groote
+verwachtingen in de verre toekomst koesterde. – Er was geen andere gast
+in huis dan de heer Rubrick, wiens kennis als geestelijke en geleerde
+in al zijne gesprekken doorblonk, en zeer wèl met die van den Baron en
+zijnen vriend strookte.
+
+Kort na afloop van den maaltijd, als om te toonen dat zijne matigheid
+niet geheel en al theoretisch was, stelde de Baron een bezoek op Rose’s
+kamer of, zoo als hij het noemde, haar troisième étage voor. Waverley
+werd dus door een paar dier lange, leelijke gangen gevoerd, waarmede de
+oude bouwmeesters de bewoners der door hen ontworpen huizen in de war
+poogden te brengen, en aan het einde van welke de heer Bradwardine, met
+twee trappen tegelijk een zeer steilen, nauwen wenteltrap begon op te
+klimmen, terwijl hij den heer Rubrick en Waverley meer op hun gemak
+liet volgen, om zijne dochter hunne komst aan te kondigen.
+
+Na dezen kurketrekker te zijn opgegaan, totdat hunne hoofden bijna
+draaiden, kwamen ze in een klein, met matten belegd portaal, dat als
+een voorvertrek diende voor Rose’s sanctum sanctorum, en waardoor zij
+haar zitkamer binnen traden. Het was een klein, maar aangenaam vertrek,
+op het zuiden, en met tapijtwerk behangen, en daarenboven versierd met
+twee portretten, éen van haar moeder, in de kleeding eener herderin met
+een hoepelrok; het ander van den Baron op zijn tiende jaar, in een
+blauwen rok, geborduurd vest, gegaloneerden hoed en staartpruik, en met
+een boog in de hand. Eduard kon niet nalaten te glimlachen om het
+kostuum, en om de vreemde gelijkenis tusschen het ronde, gladde,
+roodwangige, kleine gezicht op het portret, en de magere, gebaarde,
+holoogige, gebronsde gelaatstrekken, die het reizen, de vermoeienissen
+van den oorlog en de gevorderde jaren aan den Baron hadden medegedeeld.
+Deze lachte met hem mede. „In den grond,” zeide hij, „was dit een
+vrouwengril van mijne goede moeder (eene dochter van den heer van
+Tulliellum, kapitein Waverley; ik wees u het huis, toen wij op den top
+van den heuvel waren; het werd verbrand door de Hollandsche
+hulptroepen, die het Gouvernement in 1715 ingeroepen had.) Ik werd
+sedert slechts éenmaal geportretteerd, en wel op bijzonder en herhaald
+verzoek van den maarschalk, hertog van Berwick.”
+
+De brave, oude edelman maakte geene melding van hetgeen de heer Rubrick
+naderhand aan Waverley vertelde, dat de Hertog hem deze eer had
+aangedaan, omdat hij de eerste was geweest, die de bres van eene
+sterkte in Savoije, gedurende den merkwaardigen veldtogt van 1709,
+beklommen had, bij welke gelegenheid hij met zijne korte piek zich
+gedurende bijna tien minuten had verdedigd, eer er voor hem eenige hulp
+kwam opdagen. Om den Baron recht te doen, ofschoon wel geneigd om de
+oudheid en waardigheid zijner familie te overdrijven, was hij te zeer
+man van eer om ooit stil te staan bij zijn persoonlijke daden of de
+verdiensten, die hij zelf bezat.
+
+Op dit oogenblik kwam freule Rose uit het binnenvertrek, om haar vader
+en zijn vrienden welkom te heeten. De werkzaamheden, waarmede zij zich
+onledig had gehouden, verrieden blijkbaar een natuurlijken smaak, die
+slechts beschaving vorderde. Haar vader had haar Fransch en Italiaansch
+geleerd; en eenige weinige schrijvers in deze talen versierden haar
+boekenkasten. Hij had insgelijks beproefd haar onderwijzer in de muziek
+te zijn; maar, daar hij met de meest afgetrokken theorie der wetenschap
+begon, en die misschien zelf niet meester was, was zij tot niets meer
+in staat dan om haar stem met de piano te begeleiden, en dit zelfs was
+in die dagen in Schotland niet zeer algemeen. Om dit gebrek te
+vergoeden, zong ze met veel smaak en gevoel, maar daarenboven met een
+eerbied voor den zin van hetgeen ze voordroeg, die wel ten voorbeeld
+mocht gesteld worden aan dames, die vrij wat meer muziekale bekwaamheid
+bezitten. Haar natuurlijk gezond verstand had haar geleerd, dat wanneer
+de muziek, zoo als een groote autoriteit zich uitdrukt, „gehuwd is aan
+’t onsterfelijk vers” [48], zij zeer dikwijls eene schandelijke
+echtscheiding ondergaan door de schuld van hen, die ze uitvoert. Het
+was misschien een gevolg van haren smaak, dat zij de schoonheden der
+poëzij gevoelde, en het vermogen bezat, om de uitdrukking daarvan met
+die der muzijk te vereenigen, waardoor haar zang meer genoegen
+verschafte aan alle ongeoefenden in de toonkunst, en zelfs aan een
+aantal kenners, dan menige veel schoonere stem en schitterender
+uitvoering, doch die niet met dezelfde kieschheid van gevoel gepaard
+gaat, had kunnen te weeg brengen.
+
+Een vooruitspringende galerij vóor de ramen van haar spreekvertrek
+diende om eene andere van Rose’s liefhebberijen te doen uitkomen; want
+ze was bezet met bloemen van onderscheiden soort, door haar zelve
+gekweekt. Een uitgebouwd torentje gaf toegang tot dit Gothische balkon,
+dat een verrukkelijk uitzicht opleverde. De eigenlijke tuin, met zijn
+hooge grensmuren, lag beneden, naar het scheen, tot éen enkel bloemperk
+ingekrompen; terwijl het gezicht daar buiten zich uitstrekte over een
+boschachtig dal, waar de rivier nu eens zichtbaar was, en dan zich
+weder tusschen het kreupelhout verschool. Met genoegen rustte het oog
+op de rotsen, die zich hier en daar in breede of stoute vormen boven
+het dichte woud verhieven, of verwijlde gaarne bij den trotschen,
+ofschoon vervallen toren, die hier in al zijn pracht zichtbaar was,
+terwijl hij van een vooruitspringende rots op de rivier nederblikte.
+Aan de linker hand zag men eenige boerenwoningen, die een deel van het
+dorp uitmaakten; de top van een heuvel verborg de overigen. Het dal
+werd begrensd door een water, Loch-Veolan genoemd, waarin zich de
+stroom ontlastte, en die thans in de stralen der ondergaande zon
+glinsterde. Het verder gelegen land scheen open en afwisselend, schoon
+niet boschachtig, en er was niets dat het gezicht belemmerde, tot het
+beperkt werd door een reeks van verre, blauwe heuvels, die de
+zuidelijke grens van de vallei uitmaakten. Op deze aangename plek had
+Freule Bradwardine de koffij laten brengen.
+
+Het zien van den ouden toren, of sterkte, bracht eenige
+familie-anecdoten en vertellingen uit de Schotsche riddertijden op het
+tapijt, die de Baron met veel vuur verhaalde. De vooruitstekende punt
+van een overhangende rots had den naam van St. Swithin’s Stoel
+verkregen. Deze was het voorwerp van een bijzonder bijgeloof, waarvan
+de heer Rubrick eenige wetenswaardige bijzonderheden mededeelde, die
+Waverley een fragment van een ballade voor den geest riepen, door Edgar
+in Koning Lear aangehaald; terwijl Rose verzocht werd een kleine
+romance te zingen, waarin het door een of ander dorpspoëet was
+ingekleed;
+
+
+ Die, onbekend als zij, waaruit hij was gesproten,
+ De onsterflijkheid aan andre namen schonk,
+ Schoon van geen lip de zijne klonk.
+
+
+Haar aangename stem, en de eenvoudige schoonheid harer muziek zetten
+aan dien zang al het verrukkelijke bij dat de minnezanger had kunnen
+verlangen, en zijn poëzij zoo zeer behoefde. Ik zou het bijna in
+twijfel trekken, of zij met geduld kan gelezen worden, nu hij van dit
+voordeel beroofd is; al gis ik, dat het volgende afschrift door
+Waverley eenigszins verbeterd is, om zich naar den smaak van diegenen
+te schikken; die weinig hart hebben voor een zuiver antiquarisch
+overblijfsel.
+
+
+ SINT SWITHIN’S STOEL.
+
+ O, wijd toch uw spond op den avond voor ’t feest
+ Waarop ge alle Heilgen gedenkt in den geest.
+ Sla ’t kruis, bid uw krans, eer ge u strekt op uw koets,
+ Zeg ’t Ave en ’t Credo uit ’t diepst des gemoeds.
+
+ Want dan rijdt de nachtkol de lucht in het rond,
+ Omstuwd door de heksen, met haar in verbond,
+ ’t Zij ’t koeltjen er lispelt, of, buldrend, de orkaan
+ De wolken er jaagt langs de drijvende maan.
+
+ De jonkvrouw zat neêr in Sint Swithin’s gestoelt.
+ Haar had er de nachtdauw het voorhoofd verkoeld;
+ Een doodelijk bleek overdekte haar koon,
+ Maar stout was haar hart en haar blik en haar toon.
+
+ Zij spreekt er kloekmoedig de tooverspreuk uit,
+ Waarmede Sint Swithin de kol had gestuit,
+ Haar fier had bevolen: daal haastiglijk neêr,
+ Leg af uw gelofte, Gods grootheid ter eer.
+
+ Al wie in Sint Swithin’s gestoelte zich vlijt,
+ Als ’s nachts door het luchtruim de tooverkol rijdt,
+ En moedig de spreuk zegt – hem is het vergond
+ Drie vragen te doen, en zij antwoordt terstond.
+
+ De baanderheer trok met vorst Robbert te veld.
+ Drie jaren sinds ’t afscheid zijn henen gesneld;
+ Niets wist ze van ’t lot van den vriend van haar hart;
+ Toch smachtte naar tijding de jonkvrouw met smart!
+
+ Zij siddert, en stamelt bij ’t uiten van ’t woord.
+ Zeg, is het de nachtuil, welks knappen zij hoort?
+ Of is dat geluid tusschen lach en gegil
+ De stem van den Demon, die spookt langs de kil?
+
+ De stroom staakt zijn klotsen, de wind legt zich neêr:
+ De stilte was banger dan ’t stormen weleer:
+ Uit aschgrauwen nevel, die golvende waart,
+ Rijst, aaklig, een spooksel, dat opdaagt met vaart.
+ ..........................................
+ ..........................................
+
+
+„Het doet mij leed, dat ik het gezelschap teleurstel, inzonderheid
+kapitein Waverley, die met zooveel prijzenswaardigen ernst toeluistert;
+het is maar een fragment, ofschoon ik geloof dat er nog meer regels
+zijn, die de terugkomst van den ridder uit den langdurigen krijg
+beschrijven, en hoe hij de dame, koud als ijs, op den drempel vindt
+liggen.”
+
+„Het is een dier verdichtselen„’’ merkte de heer Bradwardine aan,
+„waardoor de vroegere geschiedenis van aanzienlijke oude familiën in de
+tijden van het bijgeloof, ontsierd werd. Rome heeft even als
+verscheidene andere volken der oudheid hare wonderverschijnselen gehad,
+mijnheer, gelijk gij lezen kunt in de oude geschiedboeken, of in het
+werkje door Julius Obsequens bijeen gebracht, en door den geleerden
+Scheffer, den uitgever, opgedragen aan zijn beschermheer Benedictus
+Skytte, baron van Dudershoff.”
+
+„Mijn vader stelt in het wonderbare al bitter weinig vertrouwen,
+kapitein Waverley,” zei Rose, „en stond eenmaal pal, toen een geheele
+synode van Presbyteriaansche geestelijken door eene onverwachte
+verschijning van den Booze op de vlucht werd gedreven.”
+
+Waverley keek op alsof hij verlangde er meer van te hooren.
+
+„Moet ik zoo wel mijn verhaal vertellen, als mijn lied zingen? – Wel
+aan. – Eens leefde er een oude vrouw, met name Janet Gellatley, die
+algemeen voor een tooverheks werd gehouden, op de onfeilbare gronden,
+dat ze zeer oud, zeer leelijk, en zeer arm was, en daarbij twee zoons
+had, van wie de een een dichter en de ander onnoozel was, welke
+bezoeking, volgens het eenparig gevoelen van de geheele nabuurschap,
+over haar gekomen was, wegens het plegen van tooverij. Een week lang
+werd ze opgesloten in den dorps-kerktoren en karig van voedsel
+voorzien, terwijl men haar niet veroorloofde te slapen, tot ze zelve,
+even als hare beschuldigers, overtuigd werd dat ze eene tooverkol was;
+en in deze heldere en gelukkige geestgesteldheid werd ze voor den dag
+gehaald om haar geweten te ontlasten, dat is, om eene openbare
+belijdenis te doen van hare tooverijen, ten aanhoore van al de Whigsche
+heeren en geestelijken in den omtrek, die zelven geene heksenmeesters
+waren. Mijn vader kwam om te zorgen dat het eerlijk toeging tusschen de
+tooverheks en de geestelijkheid; want de heks was op zijn grondgebied
+geboren. En terwijl zij bekende, dat de Booze haar verschenen was in de
+gedaante van een knappen zwarten man, en om haar gevrijd had, –
+hetgeen, zoo gij de arme, leepoogige Janet gezien had, niet zeer voor
+Apollion’s smaak pleitte, – en terwijl de toehoorders met verbaasde
+ooren luisterden, en de klerk met eene bevende hand aanteekeningen
+hield, veranderde op eens de doffe, mompelende toon, waarop ze sprak,
+in een gillenden kreet, en riep ze uit: „Zorgt voor u eigen! Zorgt voor
+u eigen! Ik zie den Booze midden onder u zitten!” De verbazing was
+algemeen, terwijl de geheele vergadering, door schrik overmeesterd,
+heil zocht in de vlucht. Gelukkig waren zij die zich het dichtst bij de
+deur bevonden! Talloos waren de rampen, die hoeden, beffen, mantels en
+pruiken overkwamen, alvorens zij uit de kerk konden geraken, waar zij
+den onverzettelijken Prelatist alléen achterlieten, om de zaken van de
+tooverheks en haar bewonderaar, op zijn eigen gevaar af en naar zijn
+eigen genoegen, in orde te brengen.”
+
+„Risu solvuntur tabulæ,” zei de baron; „toen zij van hun belachelijken
+schrik bekomen waren, schaamden zij zich te zeer om het rechtsgeding
+tegen Janet Gellatley te hervatten.” [49]
+
+Deze anecdote leidde tot een lang gesprek over
+
+
+ Die dwaze ideeën, droomen, fantazijen,
+ En tooverspreuken, en histories nooit gehoord,
+ Vertooningen, gezichten, profecijen,
+ Vizioenen, sprookjes, leugens, in éen woord.
+
+
+In zoodanig gesprek, en met de daarbij behoorende romantische legenden,
+werd de tweede avond, dien onze held op het kasteel Tully-Veolan
+doorbracht, besloten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EENE ONTDEKKING. WAVERLEY GERAAKT OP TULLY-VEOLAN TE HUIS.
+
+
+Den volgenden ochtend stond Waverley vroegtijdig op, en deed zijn
+morgenwandeling rondom het huis en in den omtrek. Terwijl hij een
+pleintje tegenover het hondenhok overliep, ontwaarde hij zijn vriend
+Davie, die bezig was met zijne viervoetige lievelingen te verzorgen.
+Met een oogopslag herkende deze Waverley, waarop hij hem, onder het
+zingen van een fragment eener oude ballade, terstond den rug toekeerde,
+alsof hij hem niet had opgemerkt:
+
+
+ De jonkheid bemint met meer kracht en meer vuur:
+ Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?
+ Maar liefde van de ouden is hechter van duur,
+ En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.
+
+ De gramschap der jeugd is als kaf, dat snel brandt:
+ Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?
+ Maar gloeiend metaal, als ze de oude overmant;
+ En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.
+
+ De jongling krakeelt na den afloop van ’t maal:
+ Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?
+ Maar de oude slaat ’s morgens de hand aan het staal,
+ En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.
+
+
+Waverley kon niet nalaten op te merken, dat Davie een zekeren nadruk in
+deze regels legde, die er iets min of meer satirieks aan gaf. Hij trad
+dus naderbij, en poogde, door een aantal vragen uit te lokken, wat hij
+daarmede bedoelde; maar Davie was de man niet om zich te laten
+uithooren en bezat genoeg verstand, om zijn ondeugende streken onder
+den mantel zijner onnoozelheid te verbergen. Eduard kon niets uit hem
+krijgen, behalve dat de heer van Balmawhapple den vorigen dag naar huis
+gegaan was „met zijne laarzen vol bloed.” Dan, in den tuin ontmoette
+bij den ouden keldermeester, die niet meer poogde te verbergen, dat
+dewijl hij bij Sumack en Comp. te Newcastle in de kweekerij was
+opgeleid, hij somtijds een poos in den bloemtuin werkte, om den Heer en
+Freule Rose te verplichten. Na eene reeks van vragen ontdekte Eduard
+ten laatste, met een pijnlijk gevoel van verrassing en schaamte, dat
+Balmawhapple’s onderwerping en verontschuldiging het gevolg waren
+geweest van eene ontmoeting met den Baron, eer zijn gast zijn bed
+verlaten had; bij welke ontmoeting de jongste strijder ontwapend en in
+den rechterarm gewond was geworden.
+
+Geheel ter neêr geslagen door deze ontdekking, zocht hij zijn
+vriendelijken gastheer op, en beklaagde zich eerbiedig maar met nadruk
+bij hem over het hem aangedane onrecht, daar de baron hem verhinderd
+had, de zaak met den heer Falconer af te doen, hetgeen uit aanmerking
+van zijn jeugd en van den pas aangetrokken krijgsmansrok, slechts
+strekken kon om hem in een zeer ongunstig daglicht te plaatsen. De
+Baron rechtvaardigde zich uitvoeriger, dan hier behoeft te worden
+medegedeeld. Hij hield staande, dat, daar de twist beiden gold,
+Balmawhapple, overeenkomstig de wetten der eer, er niet buiten kon om
+beide genoegdoening te geven. Hij had dit gedaan tegenover hem, door
+een eervolle ontmoeting, en bij Eduard door zulk een herroeping, voegde
+de Baron er bij, die het gebruik van den degen onnoodig maakte, en die,
+nadat ze gedaan en aangenomen was, de geheele zaak als geëindigd moest
+doen beschouwen. Deze verontschuldiging of verklaring sloot Waverley
+den mond, al bevredigde ze hem niet volkomen; maar hij kon niet nalaten
+eenig ongenoegen te toonen tegen den Gezegenden Beer, die aanleiding
+tot den twist had gegeven, noch te verzwijgen, dat deze naar zijn
+meening den hem geschonken titel alles behalve verdiende. De Baron
+stemde toe, niet te kunnen ontkennen, dat „de beer, schoon door
+wapenkundigen voor een zeer vereerend teeken gehouden, nogtans wat
+korzelig en grommig van aard was, (zoo als men bij Archibald Simson,
+pastoor van Dalkeith, in zijn Hierogliphica Animalium lezen kan) en hij
+was dus het zinnebeeld geweest van een aantal twisten en oneenigheden
+in den huize Bradwardine, onder welke,” ging hij voort, „ik mijn eigen
+ongelukkig geschil kan aanhalen met mijn neef, in den derden graad van
+moeders zijde, sir Hew Halbert. Deze had de onvoorzichtigheid om mijn
+familie-naam te bespotten, alsof die quasi Beer-waardijn of
+Beren-hoeder geweest ware; een onheusche aardigheid, daar zij niet
+slechts doet vermoeden, dat de stichter van ons huis zulk een geringe
+betrekking als die van oppasser van wilde dieren bekleedde, een ambt,
+zooals gij opgemerkt zult hebben dat slechts aan de laagste plebejers
+wordt toevertrouwd; maar ze gaf bovendien nog te kennen, dat ons
+wapenschild niet verkregen zou zijn door eervolle daden in den oorlog,
+maar bij wijze van paranomasia, of toespeling op onzen familie-naam,
+iets dat de Franschen armoires parlantes, de Latijnen arma cantantia,
+dat is „sprekende wapens” noemen; [50] daar dit inderdaad eene soort
+van blazoenering is, die beter voegt aan letterknechten, woordkramers
+en dergelijk bedelvolk, wier brabbeltaal op woordspelingen gegrond is,
+dan aan de edele, eervolle en nuttige heraldiek, die wapens toekent als
+vergelding van edele en grootmoedige daden, en niet om het oor te
+streelen met de ijdele quodlibets, die men in boeken met snakerijen
+vindt.” [51] Van zijn twist met sir Hew sprak de baron geen woord meer,
+dan dat die op eene voegzame wijze beslist was.
+
+Na zoo uitvoerig te zijn geweest met betrekking tot de uitspanningen op
+Tully-Veolan, gedurende de eerste dagen van Eduard’s bezoek, om den
+lezer des te beter met de bewoners bekend te maken, gelooven wij ons te
+kunnen onthouden om alles wat er later voorviel, even nauwkeurig te
+boek te stellen. Men kan gissen dat een jonkman, die vroolijker
+gezelschap gewoon was, weldra eindigen zou met zich te vervelen in den
+omgang: met zulk een geweldigen voorstander der „heraldiek”, als de
+Baron; maar Eduard vond een aangename afwisseling in het verkeer met
+Freule Bradwardine, die met gretigheid naar zijne aanmerkingen over
+letterkunde luisterde, en wier antwoorden zoowel een juist oordeel als
+een gekuischten smaak verrieden. Hare zachtheid had haar gewillig, en
+zelf met genoegen, de door haar vader voorgeschreven lectuur doen
+volgen, ofschoon hij haar veroordeeld had, niet slechts tot het lezen
+van verscheidene folianten, die over de historie handelden, maar ook
+van zekere reusachtige boekdeelen, vol godgeleerde stellingen en
+twisten. Wat de wapenkunde betreft, had hij zich gelukkig tevreden
+gesteld met haar zulk een oppervlakkig denkbeeld er van mede te deelen,
+als ze zich verschaffen kon uit de lezing van Nishet’s twee deelen in
+folio. Rose was inderdaad de oogappel haars vaders; hare aanhoudende
+levendigheid, hare oplettendheid om hem al die kleine diensten te
+bewijzen, welke juist hun het meeste genoegen verschaffen, die er nooit
+aan denken om ze te vorderen; hare schoonheid, die den Baron de trekken
+zijner geliefde vrouw voor den geest riep, hare ongeveinsde vroomheid
+en hare edele grootmoedigheid, zouden voldoende zijn geweest om de
+genegenheid van iederen vader te wettigen.
+
+Zijne bezorgdheid voor haar scheen zich nogtans niet te richten naar
+dien kant, waar ze, volgens het algemeene gevoelen, met het meeste nut
+wordt aan den dag gelegd; namelijk door te pogen haar, door middel van
+een rijke huwelijksgift of eene aanzienlijke partij, een positie in de
+wereld te bezorgen. Volgens een aloude familiebeschikking moesten meest
+al de landgoederen van den Baron na zijn dood op een verren
+bloedverwant overgaan; en men was algemeen van gedachte, dat freule
+Bradwardine slechts met een klein fortuintje zou blijven zitten, daar
+haars braven vaders geldzaken te lang aan het uitsluitend beheer van
+den heer Mackwheeble waren toevertrouwd geweest, om de menschen in den
+waan te laten, dat hij veel voor zijn dochter zou overgelegd hebben.
+Het is waar, gezegde rentmeester had zijn patroon en diens dochter
+naast zich zelven lief, (schoon op een onvergelijkelijken afstand). Hij
+was van gedachte, dat het niet onmogelijk was de landgoederen van de
+mannelijke linie op de vrouwelijke te doen overbrengen, ja, had
+inderdaad hieromtrent een advies verkregen, (en wel gelijk hij zich
+beroemde, gratis) van een uitstekend Schotsch rechtsgeleerde, dien hij
+behendig op dit punt gebracht had, terwijl hij hem over een geheel
+andere zaak raadpleegde. Maar de Baron wilde zelfs geen oogenblik naar
+zulk een voorstel luisteren. Integendeel placht hij er een boosaardig
+genoegen in te vinden, om te roemen, dat de baronij van Bradwardine een
+mannelijk leen was, daar het eerste charter in dien lang vervlogen tijd
+gegeven was, toen men de vrouwen nog niet bevoegd achtte om een leen te
+houden, omdat, volgens Les coustumes de Normandie, c’est l’homme ki se
+bast et ki conseille; of, gelijk het nog onbeleefder luidt bij andere
+autoriteiten, in het aanhalen van wier dikwijls ellenlange, barbaarsche
+namen hij vermaak schiep, omdat een vrouw den opper- of leenheer niet
+kan dienen in den oorlog, uit hoofde van het decorum harer kunne, noch
+hen met raad bijstaan, uit hoofde van haar bekrompen verstand, noch
+zijne geheimen bewaren tengevolge van de zwakheid harer natuur. Hij
+placht ook soms zegevierend te vragen, of het passend zou zijn een
+vrouw, en wel een vrouw van het huis Bradwardine, bezig te zien in
+servitio exuendi, seu detrahendi, caligas regis post battaliam? dat wil
+zeggen, met het uittrekken van des konings laarzen na een gevecht,
+hetgeen de leendienst was, waarvoor hij de baronij van Bradwardine
+bezat. Neen! neen!” vervolgde hij, „zonder twijfel, procul dubio, zijn
+een aantal vrouwen, even waardig als Rose, uitgesloten geweest, om voor
+mijn eigene opvolging plaats te maken; en de Hemel beware mij, dat ik
+iets doen zou om de bedoeling mijner voorvaderen tegen te werken, of
+inbreuk te maken op het recht van mijn bloedverwant, Malcolm
+Bradwardine van Inchgrabbit, een vereerenswaardige, ofschoon vervallen
+tak van mijn geslacht.”
+
+Nadat de Rentmeester, als eerste Minister, deze beslissing van zijn
+Souverein ontvangen had, durfde hij niet verder op zijn eigene meening
+aandringen, maar hield zich tevreden met, bij alle gepaste
+gelegenheden, als hij zich in gezelschap bevond met Saunderson, den
+minister van binnenlandsche zaken, te klagen over de eigenzinnigheid
+van den Baron, terwijl hij dan steeds plannen ontwikkelde, om Rose te
+doen huwen met den jongen heer van Balmawhapple, die een aardig,
+slechts weinig bezwaard landgoed bezat, en een onbesproken jongman was,
+daar hij zich zoo zedig hield als een heilige – wanneer men den
+brandewijn slechts van hem en hem op een afstand van den brandewijn
+hield – en wien in een woord niets onvolkomens aankleefde, dan dat hij
+van tijd tot tijd met wat ligt gezelschap, zooals Jinker den
+paardekooper en Gibby Gaethrowit den speelman van Cupar omging, „van
+welke dwaasheden hij genezen zal, mijnheer Saunderson, ja, genezen,” –
+zeide de baljuw....
+
+„Als zuur bier in den zomer,” voegde David Gellatley er bij, die
+toevallig dichter bij het conclave was, dan zij wisten.
+
+Freule Bradwardine, zooals wij haar hebben beschreven, eenvoudig en
+weetgierig als iemand gewoonlijk is, die van de wereld afgezonderd
+leeft, greep gretig iedere gelegenheid aan, om den kring harer
+letterkundige kennis uit te breiden, die haar door Eduard’s verblijf
+werd aangeboden. Hij zond naar zijn garnizoen om eenige van zijn
+boeken, en deze openden Rose een bron van genot, waarvan zij tot nu toe
+geen denkbeeld had gehad. De beste Engelsche dichters in ieder genre,
+en andere werken over fraaie letteren, maakten een gedeelte dezer
+kostbare bezending uit. Haar muzijk, zelfs haar bloemen, werden
+verwaarloosd; en Saunderson treurde niet alleen, maar begon zelfs
+tegenzin in den arbeid te krijgen, waarvoor hij ter nauwernood meer een
+bedankje ontving. Deze nieuwe genoegens werden van tijd tot tijd
+verhoogd, doordat zij ze met iemand van gelijken smaak deelde. Eduard’s
+gereedheid tot verklaren, tot voorlezen, tot uitleggen van moeielijke
+plaatsen, maakte zijn hulp onbetaalbaar; en zijn romantische richting
+betooverde een meisje, dat te jong en onbedreven was om er de gebreken
+van op te merken. Voor de onderwerpen die hem belang inboezemden, en
+wanneer hij geheel op zijn gemak was, bezat hij dien vloed van
+natuurlijke en min of meer bloemrijke welsprekendheid, welke evenzeer
+als voorkomen, beschaafde manieren, roem of fortuin in staat zijn, om
+het hart eener vrouw te winnen. Er lag dus in dezen bestendigen omgang
+een toenemend gevaar voor de gemoedsrust der arme Rose, daar haar vader
+te zeer werd afgetrokken door zijn studieën, en te zeer vervuld was met
+zijn eigene waardigheid, om er aan te denken, dat zijn dochter iets te
+vreezen had. De dochters van den huize Bradwardine waren, naar zijn
+gevoelen, gelijk die van den huize van Bourbon of Oostenrijk, ver boven
+de wolken der hartstochten verheven, die het brein van mindere
+vrouwelijke wezens mochten benevelen; zij bewogen zich in een anderen
+sfeer, werden door andere gewaarwordingen bezield, en gedroegen zich
+naar andere regels, dan die eener ijdele en grillige genegenheid. Met
+éen woord, hij sloot zijn oogen zoo vast voor de natuurlijke gevolgen
+van Eduard’s gemeenzaamheid met freule Bradwardine, dat al zijn buren
+tot het besluit kwamen, dat hij ze geopend had voor de voordeelen van
+een huwelijk tusschen zijn dochter en den rijken Engelschman, en zij
+hem voor minder dwaas verklaarden, dan hij zich doorgaans betoond had,
+in zaken waarin zijn belang op het spel stond.
+
+Zoo de Baron evenwel werkelijk aan zulk een verbindtenis had gedacht,
+zou Waverley’s natuurlijke onverschilligheid een onoverkomelijke
+hinderpaal voor zijn plan zijn geweest. Nu onze held meer met de wereld
+in aanraking gebracht was, had hij geleerd met groote schaamte en
+verlegenheid aan zijne geheime legende van de heilige Cecilia te
+denken; en het onaangename van dit gepeins scheen, althans voor eenigen
+tijd, op te wegen tegen de natuurlijke ontvlambaarheid van zijn hart.
+Bovendien bezat Rose Bradwardine, hoe schoon en beminnelijk zij,
+volgens onze beschrijving, ook was, juist niet die soort van schoonheid
+of bekoorlijkheden, die in staat zijn om eene romaneske verbeelding in
+de eerste jeugd te boeien. Zij was te open, te vertrouwelijk, te goed –
+ongetwijfeld beminnelijke eigenschappen, maar doodelijk voor dat
+wonderbaarlijke, waarmede een jongeling, met een levendige verbeelding
+begaafd, vermaak vindt de koningin van zijn hart op te sieren. Was het
+Eduard mogelijk zich neder te werpen, te beven, voor het beschroomde,
+nog speelzieke jonge meisje, of wel haar te aanbidden, die hem nu eens
+vroeg hare pen te vermaken, dan weder eene stanza van Tasso te
+vertolken, en straks weder hoe zij een lang, heel lang woord in hare
+overzetting daarvan spellen moest? Al deze dingen hebben voor het hart
+op een zekeren leeftijd iets betooverends, maar niet wanneer een
+jongeling het leven pas intreedt, en naar een voorwerp zoekt, welks
+genegenheid hem in zijn eigene oogen verheft, in plaats van af te dalen
+tot eene die om deze zelfde onderscheiding tot hem opziet. – Vandaar,
+ofschoon er geen vaste regel voor zulk een grilligen hartstocht als de
+liefde bestaat, kan men ten minste aannemen, dat een jeugdig minnaar
+gewoonlijk door de eerzucht in zijn eerste keus wordt geleid; of,
+hetgeen op hetzelfde neêrkomt, dat hij (gelijk in het geval der legende
+van de heilige Cecilia voormeld), die zoekt in omstandigheden, welke
+ruim baan laten aan le beau ideal, hetwelk de wezenlijkheid van een
+vertrouwelijken en innigen omgang verzwakt en beperkt. Ik heb een zeer
+wel opgevoed jongeling gekend, die van zijn vurige liefde voor een
+schoon meisje genezen werd, wier talenten niet in overeenstemming waren
+met haar gelaat en hare gestalte, door de vergunning een geheelen
+namiddag in haar gezelschap door te brengen. Even zeker is het ook,
+dat, indien Eduard zulk een gelegenheid had gehad om zich met jufvrouw
+Stubbs te onderhouden, tante Rachels voorzorg geheel onnoodig zou zijn
+geweest; want hij zou dan even min op haar als op de keukenmeid hebben
+kunnen verliefd worden. En, ofschoon freule Bradwardine een geheel
+ander meisje was, is het te vermoeden, dat juist hun gemeenzame omgang
+hem belette iets anders voor haar te gevoelen, dan de genegenheid van
+een broeder voor zijn beminnelijke en talentvolle zuster; terwijl de
+aandoeningen van de arme Rose, langzamerhand en zonder dat zij het
+wist, van een veel teederder genegenheid getuigden.
+
+Ik had moeten vermelden, dat Eduard, toen hij naar Dundee om de
+vermelde boeken had gezonden, verlof verzocht en verkregen had, om zijn
+afwezigheid te verlengen. Maar de brief van zijn commanderenden
+officier bevatte eene vriendelijke aanbeveling, om zijn tijd niet
+uitsluitend door te brengen met lieden, van wie, hoe achtenswaardig zij
+in het algemeen ook wezen mochten, men niet veronderstellen kon, dat
+zij een bewind zeer genegen waren, hetwelk ze weigerden te erkennen,
+door het doen van den huldigingseed. De brief gaf verder, hoewel met de
+meeste kieschheid, te kennen, dat, schoon zekere familieverbindtenissen
+het voor kapitein Waverley noodzakelijk mochten maken met heeren
+omtegaan, die onder onaangename verdenking lagen, de betrekkingen en
+het verlangen van zijn vader hem nogtans moesten beletten deze
+beleefdheid tot vertrouwelijkheid te laten aangroeien. Ook waarschuwde
+men hem, dat, terwijl zijn staatkundige grondbeginselen gevaar liepen
+door den omgang met lieden van deze soort, hij zich eveneens wachten
+moest verkeerde indrukken te ontvangen van de episcopaalsche
+geestelijkheid, die zoo verkeerd te werk ging met de koninklijke
+prerogativen in gewijde zaken te laten gelden.
+
+Deze laatste wenk verleidde waarschijnlijk Waverley, om dien even als
+de voorafgegane raadgevingen, aan vooroordeelen van zijn Overste toe te
+schrijven. Hij was er gevoelig voor, dat de heer Bradwardine met de
+meest nauwgezette kieschheid ieder gesprek vermeden had, dat slechts de
+minste strekking had, om invloed uit te oefenen op hem, of hem tot zijn
+staatkundige gevoelens over te halen, schoon hij zelf niet alleen een
+bepaalde voorstander van de verbannen familie was, maar hem ook, op
+verschillende tijden, belangrijke zendingen door haar waren opgedragen.
+Daar hij dus volkomen overtuigd was, dat hij geen gevaar liep van zijn
+getrouwheid aan de dynastie te worden afgebracht, kwam het Eduard voor,
+dat hij den ouden vriend zijns ooms onrecht zou doen, door een huis te
+verlaten, waar hij genoegen smaakte en verschafte, enkel om zich te
+schikken naar een bevooroordeeld en kwalijk gegrond vermoeden. Hij
+antwoordde, uit dien hoofde, in zeer algemeene bewoordingen, terwijl
+hij zijn chef verzekerde, dat zijne getrouwheid volstrekt niet bedreigd
+werd, en bleef bij voortduring een geëerd gast en bewoner van het huis
+Tully-Veolan.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ROOFTOCHT EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
+
+
+Eduard had bijna zes weken te Tully-Veolan doorgebracht, toen hij op
+zekeren morgen, terwijl hij zijn gewone wandeling voor het ontbijt
+deed, een buitengewone beweging in huis ontdekte. Vier barrevoetsche
+melkmeiden, elk met een ledigen melkemmer in de hand, liepen, met aan
+het waanzinnige grenzende gebaren rond, onder het slaken van luide
+kreten van verbazing, smart en gramschap. Uit haar voorkomen zou een
+heiden zich hebben verbeeld, dat ze een afdeeling van die befaamde
+Beliden [52] uitmaakten, welke zoo even van hare „uithoozende”
+straftaak terug kwamen. Daar uit dit zinneloos koor echter niets dan
+„Heere, bewaar ons!” en „Och, och!” te halen was, welke uitroepingen
+geen licht over haar ongeluk verspreidden, keerde Waverley dus naar het
+voorplein van het huis terug, waar hij den heer Mackwheeble zag, die op
+zijn grijzen hit, met al den spoed dien hij maar maken kon, de laan
+opdraafde. Hij was, naar het scheen, tengevolge van een dringende
+boodschap gekomen, en werd door een tiental boeren uit het dorp
+gevolgd, welke het niet moeielijk viel, gelijken tred met hem te
+houden.
+
+De rentmeester, die het veel te druk had en al te zeer met zijn eigen
+gewicht vervuld was, om Eduard het een of ander te verklaren, liet
+terstond Saunderson roepen, die opdaagde met een gelaat, waarop
+droefheid met deftigheid was vermengd, en zij begonnen met elkander in
+ernstig overleg te treden. David Gellatley bevond zich mede onder den
+hoop, maar hij liep even achteloos als Diogenes te Sinope rond, terwijl
+zijn medeburgers zich tot het beleg voorbereidden. Zijn levendigheid
+nam telkens toe, met ieder, hetzij goed of kwaad voorval, waardoor
+drukte veroorzaakt werd, en hij hield niet op met huppelen, dansen,
+springen en het zingen van het slotrijm eener oude ballade:
+
+
+ „Ons geld is weg!”
+
+
+totdat hij, te dicht langs den rentmeester komende, een vermanenden
+wenk ontving van diens karwarts, waardoor zijn vroolijk gezang in een
+klagelijk gehuil veranderd werd.
+
+Terwijl hij vandaar naar den tuin ging, zag Waverley den Baron in
+persoon, met snelle schreden en een wolk van verontwaardiging en
+gekrenkten trots op zijn gelaat het terras op en neder loopen; zijn
+geheele houding verried, dat elk onderzoek naar de oorzaak zijner
+ontevredenheid hem smartelijk, zoo al niet beleedigend, zou zijn.
+Waverley sloop derhalve in huis, zonder hem aan te spreken, en begaf
+zich naar de ontbijtkamer, waar hij zijn jonge vriendin Rose vond, die,
+ofschoon ze noch de gevoeligheid van haar vader toonde, noch de
+beleedigde deftigheid van Mackwheeble, noch de wanhoop der melkmeiden,
+echter verdrietig en nadenkend scheen. Een enkel woord verklaarde hem
+het geheim. „Uw ontbijt zal niet zeer rustig wezen, kapitein Waverley.
+Een bende roovers heeft ons in den afgeloopen nacht overvallen, en al
+onze melkkoeien weggedreven.”
+
+„Een bende roovers?”
+
+„Ja; roovers uit de naburige Hooglanden. Wij plachten geheel vrij van
+hen te zijn, zoo lang wij schatting aan Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr
+betaalden; maar mijn vader achtte het beneden zijn rang en geboorte het
+langer te betalen, en dit is de oorzaak van ons ongeluk. Het is niet de
+waarde van het vee, kapitein Waverley, dat mij hindert; maar mijn vader
+is verontwaardigd over deze beleediging, en zoo opgewonden en driftig
+dat ik vrees dat hij met geweld trachten zal het vee terug te krijgen;
+en zoo hij daarbij al zelf niet gewond wordt, zal hij eenige van deze
+woeste menschen wonden, en dan zal er misschien ons leven lang geen
+vrede tusschen hen en ons zijn. Wij kunnen ons niet meer als in
+vroegere tijden verdedigen, want het bewind heeft al onze wapenen
+weggenomen, en mijn vader is zoo vreeselijk voortvarend – och, wat zal
+er van ons worden?” – Hier verloor de arme Rose geheel den moed en
+barstte in een vloed van tranen los.
+
+Op dit oogenblik kwam de Baron binnen, en bestrafte haar met meer
+bitsheid, dan Waverley hem ooit jegens iemand had hooren bezigen. „Was
+het geen schande,” zeide hij, „dat ze zich voor een fatsoenlijk man in
+zulk een licht vertoonde; en dat ze tranen stortte om een kudde hoorn-
+en melkvee, alsof ze de dochter van een boer ware! – Kapitein Waverley,
+ik moet u verzoeken haar droefheid van de gunstigste zijde te
+beschouwen, daar zij voortspruit, althans enkel behoort voorttespruiten
+uit de omstandigheid, dat haars vaders landgoed blootstaat aan de roof-
+en plunderzucht van gemeene dieven en landloopers, omdat het ons niet
+geoorloofd is een dozijn geweren er op na te houden, om ons goed te
+verdedigen of het terug te halen.”
+
+Mackwheeble trad onmiddellijk hierna binnen, en bevestigde, door zijn
+verslag omtrent wapenen en ammunitie, deze bewering, terwijl hij den
+Baron op treurigen toon berichtte, dat, ofschoon het volk, de bevelen
+van hun Heer zeker zou gehoorzamen, er echter geen kans was om het vee
+met eenigen goeden uitslag achterna te zitten, daar alleen de
+lijfbedienden van den Baron zwaarden en pistolen hadden, en de roovers
+uit twaalf, volkomen op de wijze van hun land gewapende Hooglanders
+bestonden. – Nadat hij deze smartelijke waarheid verkondigd had, nam
+hij een houding aan van zwijgende neerslachtigheid, terwijl hij zijn
+hoofd langzaam met de beweging van een slinger, wanneer hij begint op
+te houden, schudde en vervolgens stokstijf bleef staan, en zijn
+ligchaam met een scherper hoek voorover boog dan gewoonlijk, en het
+achterste gedeelte van zijn lichaam naar evenredigheid uitstak.
+
+Intusschen liep de Baron de kamer, in zwijgende verontwaardiging op en
+neder, terwijl hij ten laatste zijn oog op een oud portret vestigde in
+volle wapenrusting, en met een gelaat dat grimmig uit een zwaren
+haarbos te voorschijn kwam, waarvan een gedeelte afhing tot op de
+schouders, en een ander de kin en bovenlip tot op de borstplaat van
+zijn harnas bedekte. – „Die heer, kapitein Waverley, mijn grootvader,
+versloeg en verjoeg met twee honderd man paardenvolk, die hij binnen
+zijn eigene grenzen ligtte, meer dan vijf honderd van deze Hooglandsche
+roovers, die altijd lapis offensionis en petra scandali, een steen des
+aanstoots en eene rotse der ergernis voor de Laaglandsche nabuurschap
+zijn geweest. – Hij versloeg hen, zeg ik, toen zij de roekeloosheid
+hadden van hunne bergen af te komen, om deze landstreek te
+verontrusten, ten tijde der burgertwisten, in het jaar onzes Heeren
+zestien honderd twee en veertig. En nu, Mijnheer, wordt ik, zijn
+kleinzoon, zoo als ge ziet, door zulke onwaardige menschen mishandeld!
+
+Hier volgde een pijnlijk stilzwijgen, waarna het geheele gezelschap,
+zoo als gewoonlijk in moeielijke gevallen, allerlei ongerijmden raad
+begon te geven. Alexander ab Alexandro stelde voor iemand te zenden, om
+met de dieven te onderhandelen, die, zoo als hij zeide, zeker hunne
+prooi voor een daalder het stuk zouden teruggeven. De rentmeester
+oordeelde, dat zulk een onderhandeling, een afkoop van diefstal zou
+worden; hij ried dus aan, een geschikt persoon naar de dalen te zenden,
+om, als voor zich zelven, den best mogelijken koop te sluiten, zoodat
+de Baron in de onderhandeling niet zou worden betrokken. Eduard stelde
+voor, naar het naaste garnizoen om een peloton soldaten en een
+bevelschrift van den magistraat te zenden, en Rose, voor zoo ver ze
+durfde, poogde het middel aan te raden, om de achterstallige schatting
+te betalen aan Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr, die, zoo als zij allen
+wisten, indien hij wel gezind was, gemakkelijk de teruggave van het vee
+bewerken kon.
+
+Geen van deze voorslagen droeg de goedkeuring van den Baron weg. Het
+denkbeeld van schikking, rechtstreeks of zijdelings, scheen hem
+onteerend; de raad van Waverley bewees slechts, dat hij onbekend was
+met den toestand des lands en der staatkundige partijschappen, die het
+verdeelden, en daar de zaken met Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr waren
+zoo als ze stonden, zoo wilde de Baron niets toegeven, al ware het,
+zeide hij, om restitutie in integrum te verkrijgen van elke koe of
+kalf, dat zijn geslacht had gestolen sedert de dagen van Malcolm
+Canmore.
+
+Hij was dus inderdaad nog voor den strijd gestemd en hij stelde voor,
+om renboden te zenden naar Balmawhapple, Killancureit. Tulliellum en
+andere heeren, die aan dezelfde rooverijen blootgesteld waren, om hen
+uit te noodigen zich met hem te vereenigen ten einde de roovers te
+verjagen; „en dan, Mijnheer, zullen deze nebulones nequissimi, gelijk
+Leslæus hen noemt, het lot ondergaan van hun voorganger Cacus.
+
+
+ Elisos oculos, et siccum sanguine guttur.” [53]
+
+
+De rentmeester, die in geenen deele met, deze oorlogzuchtige raadgeving
+gediend was, haalde hier een reusachtig zakuurwerk te voorschijn, van
+de kleur en ongeveer ter grootte van een koperen beddepan, en maakte de
+aanmerking, dat het reeds namiddag was, en dat de roovers in den pas
+van Ballybrough kort na zonneopgang waren gezien; zoodat, eer de
+verbondene strijdkrachten zich zouden kunnen verzamelen, zij met hunne
+prooi reeds buiten het bereik zouden zijn van alle mogelijke
+vervolging, en in veiligheid te midden dier ongebaande wildernissen,
+waar het evenmin raadzaam was hen te volgen, als mogelijk hen na te
+sporen.
+
+Deze opmerking was onwederlegbaar. De raadsvergadering ging dus uiteen,
+zonder tot eenig besluit te komen, zooals meermalen met vrij wat
+gewichtiger vergaderingen gebeurd is: alleen werd er bepaald, dat de
+rentmeester zijn drie melkkoeien zou opzenden naar de hoeve van
+Tully-Veolan, ten gebruike van de familie des Barons, en dat men bij
+hem dun bier zou brouwen ter vervanging der melk. Met deze schikking,
+welke door Saunderson werd voorgeslagen, stemde de rentmeester
+gereedelijk in; zoowel uit een aangeboren ontzag voor de familie
+Bradwardine, als uit overtuiging dat zijne beleefdheid, op de eene of
+andere wijze, tienvoudig zou worden vergoed.
+
+Nadat de Baron insgelijks was heen gegaan, om eenige noodige bevelen te
+geven, maakte Waverley van de gelegenheid gebruik, om te vragen, of die
+Fergus, met den zoo moeielijk uittespreken naam, de voornaamste
+dievenvanger van het district was.
+
+„Dievenvanger!” antwoordde Rose lachende, „hij is een edelman van groot
+aanzien en gewicht, het hoofd [54] van een onafhankelijken tak van een
+machtigen Hooglandschen „clan”, en die zeer ontzien wordt, zoo wel om
+zijn eigen macht, als om die van zijn aanhang, maagschap en
+bondgenooten.”
+
+„En wat heeft hij dan met de dieven te doen? Is hij een magistraat, of
+behoort hij tot het vredegerecht?” vroeg Waverley.
+
+„Tot het oorlogsgerecht veeleer, zoo er zulk een ding is,” zeide Rose;
+„want hij is een lastige buur voor diegenen die niet tot zijn vrienden
+behooren, en hij houdt een grooter gevolg op de been, dan menigeen die
+driemaal zoo rijk is als hij. Wat zijn verbindtenis of betrekking tot
+de dieven aangaat, hieromtrent kan ik u geen duidelijke verklaring
+geven: maar dit weet ik, dat de stoutste onder hen nooit een stuk van
+iemand zal stelen, die schatting aan Vich Ian Vohr betaalt.”
+
+„Schatting! aan hem?”
+
+„Ja – een soort van beschermgeld, dat heeren en landbezitters uit het
+Laagland, die dicht bij de Hooglanden wonen, aan het Hooglandsche
+opperhoofd betalen, opdat hij zelf hun geen leed doe, noch dulde dat
+het hun door anderen aangedaan wordt. Wanneer zijn vee gestolen is,
+heeft men hem er slechts bericht van te zenden, en hij bezorgt het
+terstond terug; of anders zal hij koeien uit een of ander afgelegen
+oord, waarmede hij in twist is, wegdrijven en ze ter goedmaking van het
+verlies geven.”
+
+„En wordt deze soort van Hooglandsche struikroover in gezelschap
+toegelaten, en geeft men hem den naam van fatsoenlijk man?”
+
+„Zeer zeker! De twist tusschen mijn vader en Fergus Mac-Ivor ving ook
+op eene graafschaps-vergadering aan, waar hij op het punt stond, zich
+den voorrang aan te matigen boven al de toen aanwezige Laaglandsche
+heeren; mijn vader was de eenige die dit niet duldde. En toen verweet
+hij mijn vader, dat hij onder hem behoorde en hem schatting betaalde.
+Mijn vader werd geweldig driftig, want Mackwheeble, die dergelijke
+zaken op zijn eigene wijze behandelt, had een middel gevonden om de
+betaling van de schatting geheim te houden, en in zijne rekening onder
+de andere belastingen optenemen. En er zou een tweegevecht uit ontstaan
+zijn; maar Fergus Mac-Ivor zeide zeer beleefd, dat hij nooit de hand
+zou opheffen tegen een grijs hoofd, dat zoo zeer geëerbiedigd was, als
+dat van mijn vader. – O, wat zou ik er niet om geven als ze bevriend
+gebleven waren!”
+
+„En hebt gij dezen mijnheer Mac-Ivor ooit gezien, zoo dàt zijn naam is,
+freule Bradwardine?”
+
+„Neen, zoo is zijn naam niet; en hij zou, zoo gij hem mijnheer noemdet,
+dit voor een soort van beleediging houden: het komt alleen daar van
+daan dat gij een Engelschman zijt en niet beter weet. Maar de
+Laaglanders noemen hem, even als andere heeren, naar zijn landgoed,
+Glennaquoich; en de Hooglanders noemen hem Vich Ian Vohr, dat is, de
+zoon van Jan den Groote; doch wij hier op de grenzen geven hem, al naar
+het voorkomt, beide namen.”
+
+„Ik vrees, dat ik er mijn Engelsche tong nooit toe brengen zal, hem bij
+den eenen of anderen te noemen.”
+
+„Maar hij is een zeer beleefd, knap maan,” ging Rose voort: „en zijn
+zuster Flora is een der schoonste, talentrijkste jonge dames van het
+land: zij werd in een klooster in Frankrijk opgevoed, en was eene
+groote vriendin van mij, vóor dit ongelukkig verschil. Beste kapitein
+Waverley, wend al uw invloed bij mijn vader aan, om de zaak in orde te
+brengen. Ik ben zeker, dat dit slechts het begin onzer kwellingen is,
+want Tully-Veolan is nooit een veilig of rustig verblijf geweest, als
+wij met de Hooglanders overhoop lagen. Toen ik nog een kind van een
+jaar of tien was, viel er een schermutseling voor tusschen een
+twintigtal hunner en mijn vader met zijn bedienden, en zoo dichtbij
+waren ze dat de kogels verscheidene ruiten in de ramen aan de
+noordzijde van ons huis verbrijzelden. Drie van de Hooglanders
+sneuvelden, en men bracht ze binnen, in hunne plaids gewikkeld, en
+legde ze op den steenen vloer van de voorzaal. Den volgenden morgen
+kwamen hunne vrouwen en dochters, terwijl ze zongen, in de handen
+sloegen, den lijkzang gilden, en de doode lichamen wegdroegen,
+voorafgegaan door een troep, die op den doedelzak speelde. Ik kon zes
+weken lang niet slapen, zonder op te springen en mij te verbeelden, dat
+ik deze vreeselijke kreten nog hoorde; gedurig zag ik weder de lijken
+op de voortrappen liggen, geheel stijf en gewikkeld in hunne bloedige
+plaids. Maar na dien tijd kwam er een deel van het garnizoen te
+Stirling, met een mandaat van den Opperrechter of een dergelijk groot
+man, die al onze wapens weg nam; en hoe zullen wij ons tegen de
+Hooglanders beschermen, als ze met eenige macht afkomen?”
+
+Waverley schrikte bij het aanhooren van een verhaal, dat zoo zeer op
+een zijner eigene wakende droomen geleek. Hier zag hij een meisje van
+nauwelijks zeventien jaar voor zich, de bevalligste van haar kunne, zoo
+wel door hare geaardheid als haar voorkomen, die met eigen oogen
+getuige was geweest van zulk een tooneel, als hij gewoon was voor zijn
+verbeelding op te roepen, maar als iets dat slechts in oude tijden kon
+plaats grijpen, en waarover zij heel bedaard sprak alsof het iets was
+dat zich ligtelijk op nieuw kon voordoen. Hij gevoelde tegelijk den
+prikkel der nieuwsgierigheid, en van het gevaar, welke slechts dient,
+om de belangstelling te verhoogen. Hij had met Malvolio kunnen zeggen:
+„Neen, men zal mij niet langer voor gek aanzien, en zeggen, dat ik mij
+door mijn verbeelding laat foppen; ik ben nu werkelijk in het land van
+krijgshaftige en romaneske avonturen, en er blijft nog maar over te
+zien, welk deel ik er aan nemen zal.”
+
+Alles wat Waverley omtrent den toestand van het land, waarin hij zich
+bevond, vernam, scheen hem even nieuw als buitengewoon. Hij had wel
+dikwijls gehoord van Hooglandsche roovers, maar maakte zich geen
+voorstelling van de systematische wijze, waarop zij hunne rooverijen
+pleegden. Nooit had hij kunnen denken dat hunne eigene hoofden die
+gewelddadigheden oogluikend aanzagen, en zelfs aanmoedigden omdat ze
+meenden dat deze strooptochten niet slechts dienden om de lieden van
+hunne clans aan de behandeling der wapenen te gewennen, maar ook om een
+heilzamen schrik onder hunne Laaglandsche naburen levendig te houden,
+en, gelijk wij gezien hebben, schatting van dezen onder den titel van
+beschermgeld te heffen.
+
+Mackwheeble, die kort hierop binnen kwam, weidde nog meer uit over
+hetzelfde onderwerp. Het gesprek van dezen waardigen heer was zoo
+geheel in overeenstemming met zijn beroepsbezigheden, dat David
+Gellatley op zekeren dag zeide, dat zijn gepraat op een dwangbevel tot
+betaling geleek. Hij verzekerde onzen held, „dat sedert onheugelijke
+tijden, de vagebonden, dieven, sluikers en geruïneerde lieden in de
+Hooglanden, op grond van hun familienaam, met elkander in verbinding
+hadden gestaan tot het plegen van diefstallen, rooverijen en
+plunderingen op de eerlijke lieden van het lage land, door niet alleen
+de hand te leggen op al hunne goederen, koorn, rundvee, paarden,
+schapen, inslag en uitslag, al naar het hunne booze lusten geviel, maar
+dat ze bij het maken van krijgsgevangenen daarenboven, hen losgeld
+deden betalen of hen noodzaakten borgen te stellen, zoo zij anders niet
+weêr in gevangenschap geraken wilden. Dit alles nu was rechtstreeks
+verboden bij verschillende bepalingen van het wetboek, zoo wel volgens
+de acte van het jaar vijftien honderd zeven en zestig, als bij
+verscheidene andere, welke statuten, met alles wat daarop volgde of
+volgen zou, schandelijk verkracht en veracht werden door gezegde
+vagebonden, sluikers en te gronde gerichte lieden, die een maatschappij
+uitraaakten met het voornoemde oogmerk om diefstal, geweld,
+brandstichting, moord, raptas mulierum, of gewelddadige wegvoering van
+vrouwen, en dergelijke, als in het wetboek omschreven staan, te
+plegen.”
+
+Alles wat Waverley zoo even gehoord had, scheen hem een droom toe; hij
+kon zich maar niet verbeelden dat de geest der menschen zich zoo
+gemeenzaam kon maken met deze daden van geweld; dat men er over spreken
+kon als over iets zeer gewoons, hetwelk dagelijks in den omtrek
+voorviel, en toch was hij de zee niet overgestoken, en bevond hij zich
+nog op het overigens zoo wel bestuurde eiland van Groot-Brittannië.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ER DAAGT EEN ONVERWACHTE BONDGENOOT OP.
+
+
+De Baron keerde tegen etenstijd terug, en had zijn bedaardheid en
+vroolijkheid bijna geheel en al terug gekregen. Hij bevestigde niet
+alleen al de verhalen, die Eduard van Rose en Mackwheeble gehoord had,
+maar voegde er uit zijn eigene ondervinding nog een aantal anecdoten
+bij, betreffende den staat der Hooglanden en hunne bewoners. Hij
+verklaarde, dat in het algemeen de hoofden allerfatsoenlijkste lieden
+van hooge afkomst waren, wier woord door elk die tot hun stam of clan
+behoorde, als een wet werd beschouwd. „Het betaamde hun volstrekt
+niet,” zeide hij, „zoo als de voorbeelden er van nog versch in het
+geheugen waren, hunne prosapia of afkomst, welke voor het grootste
+gedeelte op de ijdele en dwaze balladen hunner Seannachies of barden
+berustte, op een en dezelfde lijn te stellen met de sprekende bewijzen
+van oude charters en koninklijke gunsten in den ouden tijd, aan
+aanzienlijke huizen in het Laagland door verschillende Schotsche
+koningen verleend; maar hunne outrecuidance en hunne aanmatiging was
+zoo groot, dat ze uit de hoogte nederzagen op dezulken, welke in het
+bezit waren van dergelijke bewijzen, alsof ze hunne landerijen in een
+stuk schapenvel konden inpakken [55].”
+
+Dit verklaarde, in het voorbijgaan, vrij wel de oorzaak van den twist
+tusschen den Baron en zijn Hooglandschen gealliëerde. Maar hij ging
+voort met zoo vele opmerkelijke bijzonderheden omtrent de manieren,
+gewoonten en eigenaardigheden van dezen aartsvaderlijken volksstam mede
+te deelen, dat Eduard, wiens nieuwsgierigheid in de hoogste mate werd
+opgewekt, vroeg of het niet mogelijk was, zonder gevaar een uitstapje
+in de naburige Hooglanden te doen, welker donkere, bergachtige
+grenslijn reeds den wensch bij hem had doen geboren worden om die te
+overschrijden. De Baron verzekerde zijn gast, dat niets gemakkelijker
+wezen zou, mits deze twist maar eerst bijgelegd was, daar hij zelf hem
+brieven kon medegeven aan verscheidene aanzienlijke hoofden, die hem
+met de grootst mogelijke hoffelijkheid en gastvrijheid zouden
+ontvangen.
+
+Terwijl ze hierover met elkander spraken, werd de deur eensklaps
+geopend, en leidde Saunders Saunderson een van top tot teen gewapenden
+Hooglander het vertrek binnen. Ware het niet geweest, dat Saunders de
+rol van ceremoniemeester bij deze krijgshaftige verschijning vervuld
+had, zonder in het minst iets van zijn gewone deftigheid te verliezen,
+en dat noch de heer Bradwardine noch Rose eenige ontroering te kennen
+gaven, dan zou Eduard zeker in den waan hebben verkeerd dat een
+vijandelijke inval plaats greep. Hoe het zij, hij ontstelde nu hij voor
+het eerst een bergbewoner in zijn volle nationale costuum aanschouwde.
+Deze Schot was een jong mensch van niet zeer groote gestalte, die met
+zijn donker gelaat er vrij sterk uitzag, terwijl de ruime plooien van
+zijn plaid niet weinig zijn krachtig voorkomen verhoogden. De korte
+kilt, of rok, liet zijn gespierde en welgevormde beenen ter helft
+ontbloot; de geitenvellen tas, aan weerszijden met de gewone wapens,
+dolk en met staal ingelegd pistool versierd, hingen voor hem; op zijn
+muts stak een korte veder, hetgeen zijn recht te kennen gaf, om als een
+„Duinhé-wassel” of soort van edelman behandeld te worden; een breed
+zwaard slingerde langs zijn lendenen; een schild was op zijn schouder
+vastgehecht, en hij droeg een lang Spaansch jachtroer in de eene hand.
+Met de andere nam hij zijn muts af; en de baron, die de gewoonte en de
+bijzondere wijze om de Hooglanders aan te spreken zeer goed kende,
+sprak hem onmiddellijk aan met een houding vol waardigheid, maar zonder
+van zijn zitplaats op te staan, en zoo als Eduard het er voor hield, op
+de wijze van een vorst die een afgezant ontvangt: „Welkom, Evan Dhu
+Maccombich; welk nieuws brengt ge mij van Fergus Mac-Ivor Vich Ian
+Vohr?”
+
+„Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr,” zeide de afgezant, in goed Engelsch,
+„laat u, Baron van Bradwardine en Tully-Veolan, groeten. Het spijt hem
+geweldig, dat zich een zware wolk tusschen u en hem heeft geplaatst,
+welke u belet heeft de vriendschap en het bondgenootschap te zien en
+ter harte te nemen, die er tusschen uwe huizen en aanhoorigheden van
+ouds bestaan hebben. Hij bidt dat de wolk moge wegdrijven, en dat de
+betrekkingen weer mogen aangeknoopt worden, gelijk ze te voren waren
+tusschen den clan van Ivor en het huis van Bradwardine, toen er een ei
+tusschen hen was, in plaats van een vuursteen, en een broodmes in
+plaats van een zwaard. En hij hoopt dat gij insgelijks zulk zeggen, dat
+u de wolk hindert, en dat niemand na dezen vragen zal of zij van den
+heuvel naar het dal afzakte, dan wel van het dal naar den heuvel
+opsteeg; want zij die nooit gedreigd hebben met de schede, hebben nooit
+slagen ontvangen met het zwaard, en wee hem die zijn vriend zou willen
+verliezen om de stormachtige wolk van een lentemorgen.”
+
+Hierop gaf de baron van Bradwardine met gepaste waardigheid ten
+antwoord, dat hij het hoofd van den clan Ivor als een vriend van den
+koning kende, en dat het hem leed deed, dat er een wolk tusschen hem en
+een Heer van zulke deugdzame grondbeginselen was opgekomen; „want,”
+voegde hij er bij, „als de menschen zich onderling vereenigen, is hij
+wel zwak die geen broeder heeft.”
+
+Daar dit zeer voldoende scheen, liet de Baron om den vrede tusschen
+deze twee doorluchtige personen plechtstatig te bevestigen, een flesch
+brandewijn binnen brengen, en na daarvan een glas gevuld te hebben,
+ledigde hij het op de gezondheid van Mac-Ivor van Glennaquoich; waarop
+de Keltische afgezant, om deze beleefdheid te beantwoorden, een
+geweldige teug van hetzelfde edele vocht naar binnen sloeg, gekruid met
+zijn goede wenschen voor het huis van Bradwardine.
+
+Nadat op deze wijze de praeliménairen van het algemeene vredesverdrag
+vastgesteld waren, vertrok de ambassadeur, om met den heer Mackwheeble
+eenige ondergeschikte punten te regelen, waarmede men het niet noodig
+achtte den Baron lastig te vallen. Waarschijnlijk hadden deze
+betrekking op het uitblijven der subsidie, en denkelijk vond de
+rentmeester middelen, om hun bondgenoot te voldoen, zonder dat zijn
+meester beducht behoefde te wezen, dat zijn waardigheid in gevaar zou
+worden gebracht. Het is ten minste zeker, dat, nadat de
+plenipotentiarissen al gaandeweg een flesch brandewijn hadden geledigd,
+hetwelk op zulke daaraan gewoon geworden hoofden niet meer uitwerking
+had, dan of het geestrijke vocht was uitgegoten over de twee beeren,
+die aan den ingang der oprijlaan stonden. Evan Dhu Maccombich, die zich
+alle inlichtingen die er maar te verkrijgen waren, betrekkelijk den
+roof den vorigen nacht gepleegd, had laten geven, zijn voornemen te
+kennen gaf, om onmiddellijk het vee te gaan nazetten en opsporen,
+hetwelk, volgens zijn verzekering, „nog niet ver af was.” „Zij hebben
+het been gebroken,” voegde hij er bij, „maar geen tijd gehad om er het
+merg uit te zuigen.”
+
+Onze held, die Evan Dhu zijn onderzoek in het werk hoorde stellen, was
+niet weinig getroffen door de schranderheid, welke hij aan den dag
+legde in het opzamelen van berichten, en de juiste gevolgtrekkingen,
+die hij daar uit wist te trekken. Evan Dhu, van zijn zijde, was
+blijkbaar gestreeld door de oplettendheid van Waverley, en het belang
+dat hij in zijn nasporingen scheen te stellen, alsmede door de
+weetgierigheid, die hij met betrekking tot de gewoonten en zeden der
+Hooglanders aan den dag legde. Zonder veel complimenten noodigde hij
+Eduard uit, om hem op een korte wandeling van tien of vijftien mijlen
+in het gebergte te vergezellen, en de plek te gaan zien, waarheen het
+vee was gebracht; terwijl hij er bijvoegde, „indien het zoo is als ik
+veronderstel, dan hebt gij nooit in uw leven zulk een plaats gezien,
+noch zult gij ze ooit zien, tenzij gij met mij of iemand der onzen
+gaat.”
+
+Onze held, wiens nieuwsgierigheid sterk geprikkeld was door het
+denkbeeld om het hol van een Hooglandschen Cacus te bezoeken, verzuimde
+echter niet zich te vergewissen of zijn gids te vertrouwen was. De
+Baron verzekerde hem, dat de uitnoodiging zeker niet zou gedaan zijn,
+indien er het minste gevaar te duchten ware, en dat hij niets anders
+dan een weinig vermoeienis te vreezen had. En daar Evan hem voorstelde
+om, bij hunne terugkomst, een dag ten huize van zijn opperhoofd door te
+brengen, waar hij verzekerd kon zijn van behoorlijk verzorgd en bij
+uitstek welkom te wezen, scheen er niets zeer verschrikkelijks in de
+onderneming te zijn. Wel is waar verbleekte Rose toen zij er van hoorde
+spreken; maar haar vader, die de moedige weetgierigheid van zijn jongen
+vriend toejuichte, deed geen poging om die te matigen, door een ophef
+van gevaar, dat inderdaad niet bestond; en nadat er een reiszak met
+eenige weinige benoodigdheden op de schouders van een soort van jager
+gebonden was, ving onze held zijn tocht aan met een jachtgeweer in de
+hand, vergezeld door zijn nieuwen vriend Evan Dhu, en gevolgd door
+genoemden jager en twee Hooglanders, het gevolg van Evan; een hunner
+droeg op zijn schouder een bijl met een langen steel, een Lochaber bijl
+[56] genoemd, terwijl de ander een lang ganzenroer met zich voerde.
+Evan gaf Eduard op zijn vraag te kennen, dat dit krijgshaftig gevolg in
+geenen deele voor zijn veiligheid vereischt werd, maar alleen, zoo als
+hij zeide, terwijl hij zijn plaid met zekere deftigheid ophaalde en
+schikte, om welvoegelijk en gelijk het Vich Ian Vohr’s zoogbroeder
+betaamde, op Tully-Veolan te verschijnen. „Ha!” voegde hij er bij, „gij
+zijt zelf een Saksischen duinhé-wassel (een Engelsch edelman), en
+gaarne zou ik hebben dat gij het opperhoofd, met zijn sleep aan,
+zaagt.”
+
+„Met zijn sleep aan?” herhaalde Eduard op een toon van verwondering.
+
+„Ja – dat is met al zijn gevolg, wanneer hij zijns gelijken bezoekt,
+als daar zijn, voer hij voort, terwijl hij stil bleef staan en zich
+trotsch verhief, en op de vingers de verschillende officieren van zijns
+chefs hofhouding optelde; „de hanchman of de man die zijn rechterhand
+is [57]. zijn bard of dichter [58], zijn bladier [59] of redenaar, om
+aanspraken te doen aan de groote lieden die hij bezoekt; zijn
+gilly-more [60] of wapendrager, om zijn zwaard en schild en geweer te
+dragen; zijn gilly-casfliuch, die hem op zijn rug door de moerassen en
+beken draagt; zijn gilly-comstraine om zijn paard bij den toom te
+leiden langs steile en moeielijke wegen, zijn gilly-trusharnish, om
+zijn reiszak te dragen: en de pijper [61] en de pijpersknecht, en
+misschien nog een dozijn jongelieden, die niets te doen hebben dan den
+degenriem te dragen, den laird te volgen en de bevelen van hun meester
+ten uitvoer te brengen.
+
+„En onderhoudt uw opperhoofd al deze lieden geregeld!” vroeg Waverley.
+
+„Al deze,” hernam Evan, „en nog menigen knappen kerel daarenboven, die
+niet zou weten waar zich te bergen, zonder de groote schuren op
+Glennaquoich.”
+
+Met dergelijke verhalen van het aanzien van zijn opperhoofd, zoowel in
+den oorlog als in vredestijd, verkortte Evan Dhu den weg voor Eduard,
+tot zij meer en meer die trotsche bergen naderden, welke hij tot hier
+toe slechts op een afstand had gezien. Het was tegen den avond, toen
+zij een dier schrikverwekkende bergpassen betraden, waardoor de
+gemeenschap tusschen het hooge en lage land onderhouden wordt. Het pad,
+dat geweldig steil en ruw was, slingerde tusschen twee ontzettende
+rotsen, en volgde den weg die een schuimende stroom, welke ver in de
+diepte bruischte, gedurende den loop der eeuwen zich scheen gebaand te
+hebben. Eenige flauwe stralen der zon, die juist onderging, beschenen
+het water in zijn donkere bedding, en maakten het ten deele zichtbaar,
+verontrust door een honderdtal rotsen, en talrijke watervallen. Het pad
+liep naar den stroom toe langs een zeer steile helling, en hier en daar
+zag men een uitstekend stuk graniet of een schrale boom, die zijn
+uiteengespreide wortelen in de scheuren van de rots had vastgehecht.
+Aan de rechterhand verhief de berg zich boven het pad, bijna
+ongenaakbaar; maar aan den overkant was de steile helling met dicht
+ineen gewassen kreupelhout begroeid, waartusschen hier en daar een
+enkele pijnboom opschoot.
+
+„Dit,” zeide Evan, „is de pas van Bally-Brough, die in den ouden tijd
+door tien man van den clan Donnochie tegen een honderdtal Laaglandsche
+kerels verdedigd werd. De graven der verslagenen zijn nog in dien
+kleinen kloof aan de overzijde van de beek te zien, – zoo uwe oogen
+goed zijn, zult gij de groene plekken tusschen de heideplanten kunnen
+onderscheiden. – Zie, daar is een bruine arend – zulke vogels hebt gij
+in Engeland niet – hij gaat zijn avondeten van des Barons van
+Bradwardine’s landen halen, maar ik zal hem een kogel nazenden.”
+
+Dit zeggende brandde hij zijn roer los, maar zonder den trotschen
+monarch der gevederde stammen te raken, die, zich in het minst niet
+bekommerende over de mislukte poging om hem te dooden, zijn majestueuze
+vlucht zuidwaarts voortzette. Duizende roofvogels, haviken, wouwen,
+gieren en raven, uit hunne nachtrust in hunne schuilplaatsen
+opgeschrikt, vlogen bij het knallen van het schot op, en mengden hunne
+schorre en wanluidende stemmen met de echo’s, waardoor ze werden
+teruggekaatst en met het bulderen der naar beneden schietende
+bergstroomen. Evan, een weinig verlegen, omdat hij mis geschoten had,
+terwijl hij juist een bijzondere bekwaamheid aan den dag wilde leggen,
+verborg zijn verlegenheid onder het fluiten van een pibroch [62],
+laadde andermaal zijn geweer, en sloeg verder den bergpas zwijgend in.
+
+Deze leidde tot een nauw dal, tusschen twee zeer hooge en met
+heestergewas begroeide bergen. Zij volgden de beek die altijd langs het
+pad slingerde, en staken die nu en dan over, bij welke gelegenheden
+Evan Dhu bestendig de dienst van zijn gevolg aanbood, om er Eduard over
+te dragen. Maar onze held, die altijd een vrij goed voetganger was
+geweest, wees die hulp telkens van de hand, en won blijkbaar in de
+achting van zijn gids, door te toonen dat hij niet bang was voor natte
+voeten. Hij wenschte inderdaad, zoo veel hij zonder pochen kon, Evan
+van het denkbeeld af te brengen dat hij van de verwijfdheid der
+Laaglanders en bijzonder van de Engelschen, scheen te koesteren.
+
+Door de opening van dit dal bereikten ze een zwart moeras van
+verbazende uitgestrektheid, vol groote kuilen, die ze met vrij wat
+moeite en niet zonder gevaar overkwamen, langs sporen, welke slechts
+een Hooglander in staat was te volgen. Het pad zelf, of liever dat
+reepje meer vasten gronds, hetwelk de reizigers deels over liepen,
+deels doorwaadden, was ruw, hier en daar afgebrokkeld en op een aantal
+plaatsen moerassig en niet te vertrouwen. Soms was het zoo slecht, dat
+ze genoodzaakt waren van het eene heuveltje op het andere te springen,
+omdat de daartusschen liggende ruimte het gewicht van een mensch niet
+kon dragen. Dit was een gemakkelijk iets voor de Hooglanders, die dun
+gezoold voor het doel geschikt schoeisel droegen, en bijzonder vlug ter
+been waren; maar Eduard begon deze beweging, waaraan hij niet gewoon
+was, meer vermoeijend te vinden, dan hij verwacht had. De flauwe
+schemering hielp hen door dit moeras, maar begaf hen bijna geheel, toen
+zij den voet van een steilen en zeer steenachtigen heuvel hadden
+bereikt, die door hen moest beklommen worden. De nacht was echter
+aangenaam en niet donker; en Waverley, die al de veerkracht van zijn
+ziel te hulp riep, om zijn vermoeid lichaam te schragen, zette zijn
+marsch moedig voort, ofschoon hij in zijn hart zijn Hooglandsche
+medgezellen benijdde, die zonder het minste blijk van vermoeienis te
+geven, den snellen en springenden pas of liever draf volhielden, die
+hen, volgens zijn berekening, reeds een uur of vijf van hun tocht had
+doen afleggen.
+
+Na dezen berg overgeklommen en aan de andere zijde naar een dicht woud
+te zijn afgedaald, beraadslaagde Evan Dhu een oogenblik met zijn
+Hooglandsche satellieten. Als een gevolg hiervan werd Eduard’s begaadje
+van de schouders des jachtopzichters op die van een der gillies
+overgebracht, en de eerste met den anderen Hooglander in een andere
+richting, dan die der drie overige reizigers, heen gezonden. Toen
+Waverley naar het doel van deze scheiding vroeg, gaf men hem ten
+antwoord, dat de Laaglander den nacht in een, omtrent drie mijlen van
+daar gelegen, gehucht moest gaan doorbrengen; want, indien het geen
+heel bijzondere vriend was, dan was Donald Bean Lean, de waardige man,
+dien zij veronderstelden in het bezit van het vee te zijn, er niet zeer
+opgesteld, dat vreemdelingen zijn schuilplaats naderden. Deze reden
+scheen allezins billijk, en stilde in Eduard’s hart de opwelling van
+achterdocht, toen hij zich, op zulk een plaats en zulk een uur, van
+zijn eenigen Laaglandschen medgezel beroofd zag. En Evan voegde er
+onmiddellijk daarna bij, „dat het inderdaad best zou wezen, indien hij
+zelf vooruitging, en Bean Lean hunne nadering aankondigde, daar de
+komst van een sidier roy (rooden soldaat [63]) voor hem anders een
+onaangename verrassing zou zijn.” En zonder op antwoord te wachten,
+liep hij heen, en wel op een drafje, terwijl hij in éen oogenblik uit
+het gezicht was.
+
+Waverley was nu aan zijn eigene bespiegelingen overgelaten; want zijn
+nieuwe gids, die met den strijdbijl gewapend was, sprak zeer weinig
+Engelsch. Zij trokken een dicht, en naar het scheen eindeloos,
+pijnbosch door, zoodat het onmogelijk was het pad in de hem omringende,
+zwarte duisternis te onderscheiden. De Hooglander nogtans scheen het,
+uit instinct, zonder een oogenblik te aarzelen, te kunnen vinden, en
+Eduard volgde hem zoo dicht hij maar kon.
+
+Na een geruimen tijd stilzwijgend te zijn voortgetogen, kon hij niet
+nalaten te vragen, „of het einde van hun tocht niet nabij was?”
+
+„Het einde was nog drie, vier mijlen verder; maar als ligt
+Duinhé-wassel een weinig moede was, kon, dat is mocht, – wilde – Donald
+den curragh zenden.”
+
+Dit maakte Eduard niet wijzer. De curragh, dien men hem beloofde, kon
+een man, een paard, een kar of een reiswagen zijn; en meer was uit den
+man met den strijdbijl niet te krijgen, dan het herhaalde „ja, ja, den
+curragh”
+
+Maar weldra begon Eduard zijn meening te begrijpen, toen hij bij het
+verlaten van het bosch, zich op de oevers van een breede rivier of meer
+bevond, waar zijn geleider hem te verstaan gaf, dat zij zich een poosje
+moesten nederzetten. De maan, welke nu begon op te komen, toonde hem
+onduidelijk de groote uitgestrektheid waters, die voor hen lag, en de
+vormlooze en onbepaalde gedaanten der bergen, waardoor het omringd
+scheen. De koele en toch zachte zomernachtlucht verfrischte Waverley,
+na den snellen en moeielijken tocht dien hij afgelegd had; en de geur,
+dien zij van de zich in den dauw badende berkeboomen [64] aanvoerde,
+was verkwikkelijk.
+
+Hij had nu overvloedig tijd om zich geheel aan het romaneske van zijn
+toestand over te geven. Hier zat hij aan den oever van een geheel
+onbekend meer, onder het geleide van een woesten inboorling, wiens taal
+hem onbekend was, om een bezoek af te leggen in het hol van een
+befaamden roover, een tweeden Robin Hood misschien, of Adam o’Gordon
+[65], en dat wel midden in den nacht, na een aantal bezwaren en
+vermoeienissen te hebben doorgestaan, gescheiden van zijn knecht, en
+verlaten door zijn gids. Welk een reeks van omstandigheden, geschikt om
+voedsel te verschaffen aan een romaneske verbeeldingskracht, nog
+verhoogd door het plechtige gevoel van onzekerheid, zoo niet van
+gevaar! Het eenige wat met al het overige niet rijmde, was de
+aanleiding tot zijn tocht – de koeien van den Baron! Dit prozaïsche
+feit werd door Eduard zorgvuldig op den achtergrond gehouden.
+
+Terwijl hij zich dus in deze droomen zijner verbeelding verdiepte, werd
+hij door zijn medgezel zachtjes aangestooten, die hem in eene richting,
+bijna recht tegenover het meer heen wees, terwijl hij er bijvoegde:
+„Daar is de plaats!” Waverley zag een klein lichtje in de hem
+aangewezen richting flikkeren, en, terwijl het langzamerhand in omtrek
+en kracht toenam, scheen het als een luchtverschijnsel aan den
+gezichteinder te zweven. Intusschen liet zich in de verte het geplas
+van roeiriemen in het water hooren. Het regelmatig geluid kwam hoe
+langer zoo naderbij, en thans werd er een schel gefluit in dezelfde
+richting vernomen. Zijn vriend met den strijdbijl floot oogenblikkelijk
+helder en schel, in antwoord op het sein; en een boot, met vier of vijf
+Hooglanders bemand, stuurde naar een kleinen inham, dicht bij dien waar
+Eduard gezeten was. Hij ging hun met zijn reisgezel te gemoet, werd
+dadelijk in de boot geholpen door de gedienstige oplettendheid van twee
+kloeke bergbewoners, en was nauwelijks gezeten, of ze namen hunne
+riemen andermaal op en begonnen, met groote snelheid, het meer in een
+dwarsche richting over te steken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET VERBLIJF VAN EEN HOOGLANDSCHEN ROOVER.
+
+
+Het diepe stilzwijgen dat in de boot heerschte, werd slechts gestoord,
+door het eentoonig en murmelend geneurie van een Gaelsch lied, bij
+wijze van recitatief gezongen door den man, die aan het roer zat, en
+begeleid door den slag der riemen, welke op de maat het water schenen
+te doorklieven. Het licht dat ze nu meer en meer naderden, deed zich
+grooter, gloeiender en vaster voor. Het bleek duidelijk dat het een
+groot vuur was; maar of het op een eiland of op het vaste land was
+ontstoken, kon Eduard niet onderscheiden. Zoo als hij het zag, scheen
+de gloeiende, schitterende kring op de oppervlakte zelve van het meer
+te rusten, en geleek op het voertuig van vuur, waarin de Booze Geest in
+een Oostersche vertelling, land en zee doorkruist. Zij naderden het hoe
+lang zoo meer, en het licht van het vuur was nu voldoende om te doen
+zien, dat het brandde aan den voet van eene groote, donkerkleurige
+rots, die zich op den rand van het water loodrecht verhief. De
+voorzijde dezer rots, door den weerschijn in donkerrood veranderd,
+leverde een vreemde en zelfs schrikverwekkende tegenstelling op met de
+omliggende, hooge, klipachtige oevers, die, van tijd tot tijd, flauw en
+bij gedeelten, door de bleeke maan werden verlicht.
+
+De boot naderde nu tot dicht aan den wal, en Eduard kon zien dat dit
+groote vuur, ruimschoots gevoed door pijnboomtakken, (door twee
+gedaanten, die, in den rooden weerschijn dat het verspreidde, er als
+duivels uitzagen), aan den ingang van een ruim hol lag, waarin een
+kleine inham van het meer scheen binnen te dringen; en hij giste, zoo
+als inderdaad waarheid was, dat dit vuur als baak was ontstoken om den
+lieden in de boot, op hun terugtocht den weg te wijzen. Ze roeiden
+recht tot aan den mond van de grot, en terwijl ze de riemen inhaalden,
+lieten ze de boot met eene door hen berekende vaart, naar binnen
+schieten. Het vaartuig liep de punt, of het kleine plat der rots,
+waarop het vuur brandde, voorbij, en na nog omtrent twee bootslengten
+verder te zijn voortgeschoten, hielden ze stil, waar het hol, (want het
+was hier van boven reeds overwelfd) uit het water opsteeg, langs vijf
+of zes breede rotslagen, zoo effen en regelmatig gevormd, dat men ze
+voor natuurlijke trappen had kunnen houden. Op dit oogenblik werd
+eensklaps een groote hoeveelheid water op het vuur geworpen, dat met
+een sissend geraas uitdoofde; en daarmede verdween het licht, dat het
+tot hiertoe verspreid had. Vier of vijf sterke armen ligtten Waverley
+uit de boot, zetten hem op zijn voeten neêr en droegen hem bijna naar
+het binnenste van het hol. Op deze wijze deed hij eenige weinige
+schreden, in het duister; hij hoorde het verwarde geluid van een aantal
+menschenstemmen, die uit het midden der rots schenen voort te komen,
+en, na een scherpen hoek van dit onderaardsche verblijf te zijn
+omgeslagen, stond Donald Bean Lean en zijn geheele huishouding voor
+hem.
+
+Het binnenste van het hol, dat hier zeer hoog was, werd verlicht door
+toortsen van pijnboomtakken, die een helder en flikkerend licht
+verspreidden, en wier geur, hoewel sterk, niet onaangenaam was. Aan dit
+licht paarde zich de roode gloed van een groot houtskolen-vuur, waar
+omheen vijf of zes gewapende Hooglanders gezeten waren, terwijl
+anderen, door elkaâr op hun plaids in de meer afgelegen hoeken van het
+hol lagen te slapen. In een ruime holte van de rots, door den roover
+schertsende zijn provisiekamer genoemd, hingen bij de hielen de rompen
+van een schaap en twee koeien, kortelings geslacht. De hoofdbewoner van
+dit zeldzaam verblijf, door Evan Dhu vergezeld, die hem tot
+ceremoniemeester diende, trad zijn gast te gemoet. Zijn voorkomen en
+zijn manieren verschilden niet weinig van hetgeen Eduard zich in zijne
+verbeelding had voorgesteld. Het bedrijf dat hij uitoefende, de
+wildernis waarin hij leefde, de woeste en oorlogzuchtige gestalten die
+hem omringden, waren allen wel geschikt om schrik in te boezemen.
+Daarom verwachtte Waverley ook eene stugge, reusachtige, woeste
+gedaante te zullen ontmoeten, zoo als Salvator Rosa zou uitgekozen
+hebben om tot hoofdpersoon voor een zijner bandietenbenden te dienen.
+[66]
+
+Donald Bean Lean was juist het tegenovergestelde van dit alles. Hij was
+schraal van persoon en klein van gestalte, met licht, zandkleurig haar
+en een bleek gezicht, waardoor hij den bijnaam van Bean, of wit had
+verkregen; en schoon hij ligt van gestalte, goed gebouwd en vlug was,
+had hij, over het geheel, een min of meer nietig een onbeduidend
+voorkomen. Hij had langen tijd in een of anderen minderen rang bij het
+Fransche leger gediend; en om zijn Engelschen bezoeker op een deftige
+wijze te ontvangen, en hem op zijne wijze, naar hij meende, een
+kompliment te maken, had hij voor deze gelegenheid de Hooglandsche
+kleeding afgelegd, om een oude blauwe en roode uniform aan te trekken
+en een hoed met veeren op te zetten, een opschik die hem niet bijzonder
+goed stond, daar hij inderdaad zulk een vreemd voorkomen had, in
+vergelijking met al wat hem omringde, dat Waverley lust zou gehad
+hebben om te lachen, indien lachen beleefd of, uit een oogpunt van
+veiligheid raadzaam geweest ware. De roover ontving kapitein Waverley
+met overdreven Fransche beleefdheid en Schotsche gastvrijheid, en
+scheen zijn naam en betrekkingen volmaakt goed te kennen, alsmede de
+staatkundige beginselen van zijn oom. Aan dezen zwaaide hij grooten lof
+toe, waarop Waverley het voorzichtig oordeelde in zeer algemeene
+bewoordingen te antwoorden.
+
+Na op een behoorlijken afstand van het houtskolen-vuur geplaatst te
+zijn, welks hitte door het saizoen drukkend werd, zette een groot
+Hooglandsch meisje voor Waverley, Evan en Donald Bean drie bakken of
+houten tobbetjes, uit duigen en hoepels saamgesteld, met eunaruich
+[67], een soort van krachtige soep uit een bijzonder gedeelte van de
+ingewanden van een os gereed gemaakt. Na deze verkwikking, die, hoewel
+niet zeer fijn, door vermoeienis en honger smakelijk gemaakt werd,
+werden osselappen, op een kolenvuur gebraden, in ruimen overvloed
+opgezet, die bij Evan Dhu en hun gastheer verdwenen met een vlugheid,
+welke naar tooverij zweemde en Waverley verbaasd deed staan, daar hij
+niet weinig verlegen was, hoe hunne vraatzucht te rijmen met hetgeen
+hij van de matigheid der Hooglanders gehoord had. Hij wist niet dat
+deze matigheid bij de lagere klassen geheel gedwongen was, en dat zij,
+die ze beoefenden, even als sommige roofdieren, met het vermogen
+begaafd waren, om zich behoorlijk schadeloos te stellen, wanneer de
+gelegenheid bestond om in overvloed te brassen. Opdat er niets aan het
+feest zou ontbreken, werd de brandewijn op kwistige wijze rondgediend.
+De Hooglanders dronken dien in groote hoeveelheid en onvermengd; maar
+Eduard, die hem een weinig met water had aangelengd, vond dien niet
+smakelijk genoeg om de proef nog eens te wagen. De gastheer betuigde
+zijn leedwezen, dat hij hem geen wijn kon voorzetten: „Had hij het maar
+vier-en-twintig uren te voren geweten, hij zou er voor gezorgd hebben,
+al had hij dien ook veertig mijlen ver moeten zoeken. Maar wat kon
+iemand meer doen, om zijn erkentelijkheid voor de eer eens bezoeks te
+toonen, dan het beste aan te bieden, dat zijn huis opleverde. Waar geen
+boomen zijn kunnen geen noten groeien, en men moet zich naar hen
+schikken, met wie men leeft.”
+
+Hij wendde zich vervolgens tot Evan Dhu, en jammerde zeer over den dood
+van een bejaard man, Donnacha an Amrigh, of Duncan met de Kap, „een
+begaafd ziener, die, door middel van het tweede gezicht, terstond kon
+voorzeggen, of een vriend of vijand op weg was, om hun een bezoek te
+brengen.”
+
+„Is zijn zoon Malcolm geen taishatr?” [68] vroeg Evan.
+
+„Hij haalt niet bij zijn vader,” hernam Donald Bean. „Hij voorspelde
+ons onlangs, dat een groot heer te paard ons zou komen bezoeken, en er
+kwam den ganschen dag niemand opdagen dan Shemus Beg, de blinde
+harpspeler, met zijn hond. Op een anderen keer kondigde hij ons eene
+bruiloft aan, en zie, het liep op een begrafenis uit; en op een
+strooptocht, toen hij ons voorzeide, dat wij honderd stuks vee zouden
+te huis brengen, vingen wij niets dan een vetten baljuw uit Perth.”
+
+Het gesprek liep vervolgens over den staat- en krijgskundigen toestand
+des lands; en Waverley stond verbaasd, en was zelfs verontrust, dat
+iemand van dezen stempel zoo nauwkeurig bekend scheen met de sterkte
+der onderscheidene garnizoenen en regimenten, die ten noorden van den
+Tay lagen. Hij gaf zelfs het juiste getal rekruten op, die Waverley van
+zijns ooms goederen gevolgd waren, en maakte de aanmerking, dat het
+schoone mannen waren, waarmede hij geen mooie, maar stoute, wakkere
+knapen bedoelde.
+
+Hij herinnerde Waverley een of twee kleine voorvallen, die plaats
+hadden gehad bij een revue van het regiment, waardoor hij overtuigd
+werd, dat de roover er een ooggetuige van was geweest; en nu Evan Dhu
+zich aan het gesprek onttrokken en in zijn plaid gewikkeld had, om wat
+rust te nemen, vroeg Donald aan Eduard op een veel beteekenende wijze,
+of hij hem niets bijzonders te zeggen had?
+
+Een dergelijke vraag, door zulk een man gedaan, verraste Waverley, en
+deed hem eenigzins ontstellen. Hij antwoordde, dat hij geen andere
+drijfveer had gehad, met hem te bezoeken, dan nieuwsgierigheid om zulk
+een ongewoon verblijf te zien. Donald Bean Lean zag hem een oogenblik
+strak in het gelaat, en zeide toen, met een veelbeteekenden knik: „Gij
+kondt u ook zeer wel aan mij toevertrouwen, en ik ben even goed te
+vertrouwen, als de baron Bradwardine of Vich Ian Vohr; maar gij zijt
+daarom niet minder welkom in mijn huis.”
+
+Waverley voelde dat hem een onwillekeurige rilling over het lijf liep,
+bij de geheimzinnige taal door dezen buiten de wet gestelden en
+roekeloozen bandiet gevoerd; welke aandoening hem, in weerwil van zijn
+poging om ze te onderdrukken, het vermogen benam, om te vragen wat
+Donald hiermede bedoelde. Een bed van heideplanten, met de bloemen naar
+boven gekeerd, was voor hem in een hoek van het hol gereed gemaakt, en
+hier, bedekt met zoo vele overschietende plaids, als er maar te krijgen
+waren, lag hij eenigen tijd de bewegingen gade te slaan der overige
+bewoners van het hol. Kleine partijen van twee of drie kwamen binnen,
+of verlieten de plaats, zonder andere plichtplegingen, dan eenige
+weinige woorden in het Gaelsch tot den aanvoerder der bende, en nadat
+deze in slaap was gevallen, tot een langen Hooglander, die als zijn
+plaatsvervanger handelde, en de wacht scheen te houden zoolang de
+andere rustte. De binnentredenden schenen van een tocht terug gekomen
+te zijn, van welks uitslag zij bericht gaven, en gingen rechtstreeks
+naar de provisiekamer; en nadat aldaar een ieder met zijn dolk een lap
+vleesch van de opgehangen rompen gesneden had, zetten zij zich neder om
+die op hun gemak te braden en te eten. De drank stond onder strenger
+toezicht, en werd, hetzij door Donald zelven, zijn luitenant of het
+genoemde lange Hooglandsche meisje, dat het eenige vrouwelijke wezen
+was, hetwelk men er aantrof, toegediend. De toegestane hoeveelheid
+brandewijn zou echter overdadig hebben toegeschenen aan ieder, behalve
+een Hooglander, die geheel in de open lucht en in een zeer vochtig
+klimaat levende, in staat is om eene groote hoeveelheid sterken drank
+te gebruiken, zonder de gewone schadelijke uitwerkselen op zijn
+hersenen of zijn gestel te ondervinden.
+
+Ten laatste begonnen de golvende groepen achtereenvolgens voor de zich
+langzaam sluitende oogen van onzen held te schemeren. Ook opende hij ze
+niet weer, voor dat de morgenzon, daarbuiten, hoog boven het meer
+stond, ofschoon er maar een flauw schemerlicht doordrong in de
+schuilhoeken van Uaimh an Ri, of het Koningshol, zooals het verblijf
+van Donald Bean Lean niet zonder eenigen trots, genoemd werd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+WAVERLEY ZET ZIJN REIS VOORT.
+
+
+Toen Eduard zijn verwarde gedachten weder verzameld had, was hij
+verwonderd het hol geheel verlaten te zien. Na opgestaan te zijn, en
+zijn kleederen eenigszins in orde te hebben gebracht, zag hij met meer
+nauwlettendheid in ’t rond, maar alles bleef eenzaam. Behalve de nu tot
+grijze asch verteerde brandstoffen, en de overblijfselen van den
+maaltijd, bestaande in half verbrande en half afgeknaagde beenderen en
+een ledig vaatje of wat, was er geen spoor van Donald of van zijn bende
+meer over. Waverley begaf zich daarop naar den ingang van het hol, en
+ontdekte dat de rotspunt, waarop de sporen van de in den voorgaanden
+nacht ontstoken baak nog zichtbaar waren, toegankelijk was langs een
+smal pad, dat òf door de natuur gevormd, òf ruw in de rots uitgehouwen,
+langs den kleinen inham liep, welke eenige weinige ellen ver tot in het
+hol doordrong, en waar, even als in een dok, het vaartuig, dat hem den
+vorigen avond derwaarts gebracht had, nog lag. Toen hij het kleine,
+vooruitspringende plat bereikt had, waarop men de baak had ontstoken,
+zou hij het voor onmogelijk gehouden hebben te land verder te gaan,
+indien het niet hoogst onwaarschijnlijk ware geweest, dat de bewoners
+van het hol geen anderen uitweg zouden gehad hebben dan over het meer.
+Weldra ontdekte hij dan een paar schuinsche trappen, of rotslagen, aan
+het uiterste einde van het plat, en zich van deze als van een
+wenteltrap bedienende, klauterde hij, om de vooruitstekende spits van
+de rots waarin de opening van het hol zich bevond, en na aan de andere
+zijde met eenige moeite te zijn afgedaald, bereikte hij de woeste en
+steile oevers van een Hooglandsch meer, dat omstreeks vier engelsche
+mijlen in de lengte en anderhalve mijl in de breedte besloeg, omringd
+door heivelden en wilde gebergten, op wier toppen de morgennevel nog
+rustte.
+
+Terwijl hij een blik sloeg op de plaats, vanwaar hij gekomen was, kon
+Waverley niet nalaten de slimheid te bewonderen, die zulk eene
+afgezonderde en goed verborgen schuilplaats had uitgezocht. De rots,
+wier vooruitstekende spits hij langs eenige weinige onmerkbare
+oneffenheden, die den voet nauwelijks plaats vergunden, was
+omgeklommen, scheen, wanneer hij er op terugzag, slechts eene geweldige
+steilte, die allen verderen voortgang in die richting langs de oevers
+van het meer verhinderde. Er bestond geene mogelijkheid, wanneer men de
+breedte van het meer in aanmerking nam, den ingang van het enge en lage
+hol van de andere zijde te ontdekken; indien men het ten minste niet
+met booten zocht, of het geheim verraden werd, was het eene
+schuilplaats, waar de bezetting zonder het geringste gevaar vertoeven
+kon, zoo ze slechts van genoegzamen voorraad voorzien was. Na zijn
+nieuwsgierigheid in dit opzicht bevredigd te hebben, zag Waverley naar
+alle kanten uit naar Evan Dhu en diens medgezel, die hij terecht
+meende, dat niet al te ver af zouden wezen, wat er ook van Donald Bean
+Lean en zijn bende mocht geworden zijn, wier levenswijze hen natuurlijk
+noodzaakte, plotseling van verblijf te veranderen. Inderdaad ontwaarde
+hij dan ook op een halve mijl afstands een Hooglander, (waarschijnlijk
+Evan), die in het meer hengelde, met een ander bij zich, dien hij aan
+het wapen dat hij op den schouder droeg, voor zijn vriend met de
+strijdbijl herkende.
+
+Meer nabij den ingang van het hol hoorde hij de liefelijke toonen van
+een Gaelsch lied, die hem naar een zonnige door een glinsterenden
+berkenboom overschaduwde plek lokten. De grond was van vast wit zand;
+het meisje uit het hol, wier gezang hem reeds bereikt had, was dáar met
+alle inspanning bezig een morgen-onthaal van melk, eieren,
+gerstenbrood, versche boter en honigraat gereed te zetten. Het arme
+meisje had dien morgen vier mijlen in het rond geloopen om eieren, meel
+tot het bakken van hare koeken en de verdere bestanddeelen van het
+ontbijt op te loopen, welke lekkernijen ze vragen of leenen moest van
+tamelijk verafwonende landlieden. De volgelingen van Donald Bean Lean
+gebruikten weinig voedsel, behalve het vleesch der beesten, die zij uit
+de Laaglanden roofden; brood zelfs was eene versnapering waaraan men
+weinig dacht, omdat het moeielijk te verkrijgen was; en de huiselijke
+weelde van melk, gevogelte, boter enz., bleek in deze Scytische
+legerplaats onbekend te zijn. Ondertusschen mag ik niet vergeten te
+melden, dat schoon Alice een gedeelte van den morgen besteed had om
+haren gast deze lekkernijen te verschaffen, die het hol niet opleverde,
+zij evenwel nog den noodigen tijd had weten te vinden, om zich zoo goed
+mogelijk op te schikken. Haar opschik was echter zeer eenvoudig. Een
+kort, bruinrood jakje, en een niet al te lange rok maakten hare geheele
+kleeding uit; maar deze was zindelijk en niet smakeloos. Een stuk
+scharlakenrood en geborduurd doek, omsloot hare lokken, die in een
+aantal dikke, donkere krullen daaruit te voorschijn sprongen. Den
+rooden plaid, die een gedeelte van hare kleeding uitmaakte, had ze
+afgelegd, opdat hij haar bij het bedienen van den vreemdeling niet in
+den weg zou wezen. Ik zou Alice’s prachtigst sieraad vergeten, als ik
+geen melding maakte van een paar gouden oorringen en een gouden
+rozekrans, die haar vader (want ze was de dochter van Donald Bean
+Lean), uit Frankrijk had medegebracht, waarschijnlijk de buit na een of
+anderen veldslag of bestorming.
+
+Hare gestalte, schoon vrij kloek voor hare jaren, was goed
+geëvenredigd, en hare houding had iets ongekunstelds en natuurlijk
+bevalligs, zonder iets van de onnoozelheid eener gewone boerin. Haar
+glimlach die eene rij uitstekend witte tanden te zien gaf, en de
+vriendelijke oogen, wier stomme welsprekendheid hare onbekendheid met
+de Engelsche taal te hulp kwam om Waverley den morgengroet te brengen,
+zouden bij een ijdelen jongen krijgsman, die zich voor een schoon man
+hield, ligt de gedachte kunnen opwekken, dat zij nog iets meer dan de
+hoffelijkheid eener gastvrouw te kennen gaven. Ook waag ik het niet te
+beweren, dat het meisje ieder deftig oud heer, den baron van
+Bradwardine bij voorbeeld, met dezelfde lieftalligheid zou verwelkomd
+hebben als waarmede ze Eduard begroette. Zij scheen zeer verlangend dat
+hij zich aan het ontbijt zou zetten, hetwelk ze met zoo veel ijver had
+in orde gebracht, en waarbij ze thans eenige weinige rissen boschbessen
+voegde, door haar in een dichtbij gelegen moeras verzameld. Nadat ze
+het genoegen had mogen smaken, hem aan de ontbijttafel te zien plaats
+nemen, zette zij zich zediglijk op een steen, op eenige ellen afstands
+en scheen met groot zelfbehagen op de gelegenheid te wachten, om hem te
+dienen.
+
+Evan en zijn knecht keerden thans met langzame schreden langs het
+strand terug; de laatste droeg een groote zalmforel, de vangst van hun
+vroegere vischpartij, benevens den hengel die haar verschalkt had;
+terwijl Evan op zijn gemak, met de houding van iemand, die over zich
+zelven voldaan is, en met een deftigen tred de plaats naderde, waar
+Waverley zich zoo aangenaam met zijn ontbijt bezig hield. Nadat van
+wederzijds de morgengroet gewisseld was, en Evan, terwijl hij een blik
+op Waverley wierp, iets in het Gaelsch aan Alice gezegd had, dat haar
+deed lachen, maar tevens tot over de ooren toe kleuren, ofschoon haar
+gelaat door zon en weder niet weinig verbrand was, gaf Evan bevel om
+den visch voor het ontbijt gereed te maken. Een vonk uit den vuursteen
+van zijn pistool bezorgde een licht, en eenige doode takken waren
+spoedig in brand, en even spoedig tot heete asch gemaakt, waarop de
+forel in groote mooten werd gebraden. Om den maaltijd te bekroonen,
+haalde Evan, uit den zak van zijn kort buis, een diepe schelp, en, van
+onder de plooien van zijn plaid een ramshoorn vol brandewijn te
+voorschijn. Hieruit nam hij een ruime teug, terwijl hij er de
+aanmerking bijvoegde, dat hij zijn morgenslok met Donald Bean Lean,
+reeds voor hun vertrek, had genomen; hij bood dezelfde hartsterking aan
+Alice en Eduard, die er beide voor bedankten. Met de genadige houding
+van een Lord, bood Evan thans de schelp aan Dugald Mahony, zijn
+bediende, die, zonder te wachten dat hij voor de tweede maal gevraagd
+werd, ze met grooten smaak leêgdronk. Nu maakte Evan zich gereed naar
+de boot te gaan, en noodigde Waverley uit om hem te vergezellen.
+Intusschen had Alice, al wat ze de moeite waard achtte, in een korfje
+gepakt, en haar plaid omslaande, ging ze op Eduard toe, en met de
+meeste eenvoudigheid, bood ze hem hare wang tot een kus aan, terwijl ze
+tevens, als een blijk harer wellevendheid, een ligte neiging maakte.
+Evan, die door de schoonen van het gebergte, voor een snaak gehouden
+werd, trad op haar toe, als om van haar dezelfde gunst te verwerven;
+maar Alice vluchtte met haar mandje op den rotsigen oever, en zich
+omkeerende en lachende, riep ze hem iets in het Gaelsch toe, hetwelk
+hij op denzelfden toon en in dezelfde taal beantwoordde. Vervolgens
+wuifde ze Waverley met de hand haar groet toe, zette haren loop voort
+en was spoedig tusschen de struiken uit het gezicht, ofschoon men nog
+eenigen tijd haar liefelijken zang hoorde, terwijl ze haar eenzamen
+tocht voortzette.
+
+Zij begaven zich nu weer naar den toegang van het hol, en na in de boot
+te zijn gestapt, stiet de Hooglander van wal, en terwijl hij zijn
+voordeel met de morgenkoelte deed, haalde hij een lomp soort van zeil
+op. Evan zette zich aan het roer, en stuurde, naar het Eduard voorkwam,
+iets hooger op, dan de plaats waar ze den vorigen avond geland waren.
+Terwijl ze langs den zilveren spiegel gleden, begon Evan het gesprek
+met een lofrede op Alice, die, zeide hij, zoo wel verstandig als knap
+in de huishouding was, en daarenboven de beste danseres in den geheelen
+omtrek. Zoo ver hij hem verstond, stemde Eduard met den haar geschonken
+lof in, maar kon niet nalaten haar te beklagen, dat ze tot zulk een
+gevaarlijk en ellendig leven veroordeeld was.
+
+„O! wat dat aangaat,” zeide Evan, „er is niets in het geheele
+graafschap Perth, dat ze behoeft te ontberen, als ze maar aan haar
+vader vraagt het te halen, als het maar niet te zwaar of te heet is om
+het te dragen.”
+
+„Maar de dochter te zijn van iemand die niets anders doet dan vee
+rooven, – van een gemeenen dief!”
+
+„Een gemeene dief? – volstrekt niet; Donald Bean Lean roofde van zijn
+leven niet minder dan heele kudden tegelijk!”
+
+„Noemt gij hem dan een ongemeenen dief?”
+
+„Neen – hij die een koe steelt van een arme weduwe, of een geit van een
+geringen boer, is een dief; maar hij, die een kudde wegdrijft van een
+Sakser Laird, is een heer. En daarenboven, een boom uit het bosch te
+nemen, of een zalm uit de rivier, een hert van den heuvel, of een koe
+uit een Laaglandsche weide, is iets, waarover geen Hooglander zich ooit
+behoeft te schamen.”
+
+„Maar waar zou het op uitloopen, als hij bij het nemen van zoo iets
+eens gevat werd?”
+
+„Zeker zou hij „voor de wet sterven,” zoo als menige knappe kerel vóor
+hem.”
+
+„Voor de wet sterven?”
+
+„Ja, dat wil zeggen, voor de wet, of door de wet; opgeknoopt worden aan
+de vroolijke galg van Crieff, [69] waar zijn vader aan stierf, en zijn
+grootvader aan stierf, en waar hij, zoo ik hoop, tijd van leven zal
+hebben om zelf ook aan te sterven, zoo hij niet doodgeschoten of
+neêrgesabeld wordt op een strooptocht.”
+
+„Hoopt gij op zulk een dood voor uw vriend Evan?”
+
+„Ja, zeker; zoudt gij dan willen dat ik wenschte, dat hij op een bundel
+nat stroo in gindsch hol, als een zieke rekel stierf?”
+
+„Maar, wat wordt er dan van Alice?”
+
+„Waarachtig! als zoo iets kwam te gebeuren, dat haar vader haar niet
+langer zou kunnen bijstaan, dan weet ik niet, wat mij beletten zou,
+haar zelf te huwen.”
+
+„Een edel besluit,” zeide Eduard; – „maar intusschen, Evan, wat heeft
+uw schoonvader, wel te verstaan uw aanstaande, zoo hij het geluk heeft
+om gehangen te worden, met het vee van den Baron uitgevoerd?”
+
+„O!” antwoordde Evan, „ze sjokten reeds allen voort, uw knecht en Allan
+Kennedy vooruit, eer de zon heden morgen over Ben-Lawers was opgegaan,
+en ze zullen nu wel in den pas van Bally-Brough zijn, op den terugtocht
+naar de weiden van Tully-Veolan, op twee na, die ongelukkig geslacht
+waren, eer ik gisteren avond te Uaimh an Ri kwam.”
+
+„En waar gaan wij heen, Evan? als ik zoo vrij mag zijn het te vragen,”
+zeide Waverley.
+
+„Waar zoudt gij anders heen gaan, dan naar het kasteel van den heer van
+Glennaquoich? Gij kunt er niet aan denken in zijn land te zijn, zonder
+hem te gaan bezoeken? Dat zou zooveel zijn als uw leven op het spel
+zetten.”
+
+„En zijn wij ver van Glennaquoich?”
+
+„Een uur of wat van hier zal Vich Ian Vohr ons te gemoet komen.”
+
+Na verloop van ongeveer een half uur bereikten zij het uiterste einde
+van het meer, waar de twee Hooglanders, na Waverley aan land gezet te
+hebben, de boot in een kleine kreek brachten, onder dikke biezen en
+riet, waar ze geheel en al verborgen lag. De riemen brachten ze in een
+anderen schuilhoek, waarschijnlijk beide ten gebruike van Donald Bean
+Lean, indien zijn zaken hem binnen kort op die plaats mochten brengen.
+
+De reizigers trokken eenigen tijd door een aangename vallei tusschen de
+heuvels, langs welke een kleine beek haar weg naar het meer vond, Toen
+ze hunne wandeling een poosje hadden voortgezet, vernieuwde Waverley
+zijn vragen met betrekking tot hun gastheer van de grot.
+
+„Houdt hij daar altijd zijn verblijf?”
+
+„Wel neen! het gaat eens menschen verstand te boven, te zeggen waar hij
+zich bij tijden ophoudt; er is geen hoek of grot, of hol in geheel het
+land, die hij niet op zijn duim kent.”
+
+„En zijn er nog andere dan uw meester, die hem beschermen?”
+
+„Mijn meester? Mijn meester is in den hemel,” antwoordde Evan met
+fierheid; hij voegde er echter terstond met gewone hoffelijkheid bij:
+„maar gij bedoelt mijn opperhoofd; neen, hij beschermt Donald Bean
+Lear, noch iemand van zijns gelijken, hij staat hem (met een glimlach)
+slechts hout en water toe.”
+
+„Geen groote gunst, dunkt mij, Evan, waar beide zoo overvloedig
+schijnen te zijn.”
+
+„Ha! ge verstaat mij niet. Als ik zeg, hout en water, meen ik de meeren
+en de bergen; en ik verbeeld mij, dat Donald er leelijk aan toe zou
+zijn, als de heer met een zestig man naar hem kwam kijken in gindsch
+bosch van Kailychat; en onze booten, met nog een goede twintig er bij,
+door mij of een ander knap man aangevoerd, het meer af naar Uaimh an Ri
+kwamen afzakken.”
+
+„Maar gesteld, dat er een sterke bende tegen hem uit het Laagland kwam
+opzetten, zou uw opperhoofd hem dan niet verdedigen?”
+
+„Neen, hij zou geen schot kruit voor hem wagen, als ze vanwege het
+gerecht kwamen.”
+
+„En wat zou Donald dan doen?”
+
+„Hij zou genoodzaakt zijn het land te verlaten, en zich terug te
+trekken, misschien wel de bergen over, naar Letter-Scriven.”
+
+„En als hij ook dáar werd nagezet?”
+
+„Dan wed ik, dat hij naar zijn neef te Rannoch gaan zou.”
+
+„En als ze hem ook tot Rannoch vervolgden?”
+
+„Dat,” zeide Evan, „laat zich volstrekt niet denken, en inderdaad, om u
+de waarheid te zeggen, geen Laaglander in geheel Schotland zou de
+vervolging verder durven voortzetten, dan een eindje voorbij
+Bally-Brough, zoo hij niet door den Sidier Dhu werd bijgestaan.”
+
+„Wien bedoelt gij daarmede?”
+
+„De Sidier Dhu?” de zwarte soldaten; dat zijn, wat men de
+onafhankelijke compagniën noemt, die opgericht werden om orde en rust
+in de Hooglanden te bewaren. Vich Ian Vohr had het bevel over een van
+deze afdeelingen, en ik zelf was er sergeant bij. Men noemt hen Sidier
+Dhu, om de kleur van hunne plaids – even als men het volk van koning
+George, Sidier Roy – dat wil zeggen „roode soldaten”, noemt.”
+
+„Goed; maar zoo gij in dienst van koning George stondt, Evan, dan waart
+gij zeker ook koning George’s soldaten?”
+
+„Wel zeker! maar daar moet gij Vich Ian Vohr maar eens naar vragen;
+want wij zijn voor zijn Koning, en bemoeien er ons weinig mede, wie dat
+is. In allen gevalle kan niemand zeggen, dat wij thans koning George’s
+mannen zijn, daar wij nu in twaalf maanden geen duit van hem gezien
+hebben.”
+
+Tegen dit laatste was niets aan te voeren, en Eduard beproefde het
+zelfs niet; ook verkoos hij het gesprek op Donald Bean Lean terug te
+brengen. „Bepaalt Donald zich tot vee, of neemt hij, zoo als gij het
+noemt, alles wat hem voor de hand komt?”
+
+„Zeker! hij neemt het niet zoo nauw, en rooft van alles, maar in de
+eerste plaats hoornvee, paarden of levende Christenen; want met schapen
+is niet vlug uit den weg te komen, en huisraad is nog al zwaar te
+dragen, en men kan er in dit land niet gemakkelijk geld van maken.”
+
+„Maar voert hij mannen en vrouwen weg?”
+
+„Dat geloof ik! Hebt gij hem niet hooren spreken van den baljuw van
+Perth? Dezen kostte het vijf honderd marken, eer hij weêr den zuidkant
+van Bally-Brough bereikt had. – Maar eens had Donald een aardige grap
+[70]. Er zou een bruiloft zijn van een lady Cramfeezer, op de hoogte
+van de Mearns, (zij was de weduwe van den ouden Baron, en zelve niet
+zoo jong meer, als ze wel geweest was) met den jongen Gilliewhackit,
+die zijn erfgoed en bezittingen als een echt heer, bij hanengevechten,
+harddraverijen en dergelijke had doorgelapt. Donald Bean Lean dan, die
+wist hoezeer de bruidegom in trek was en geld noodig had, pakte
+Gilliewhackit behendiglijk weg, op een nacht, dat hij half slapende
+naar huis reed, (want hij had meer gedronken dan gegeten) en bracht hem
+met behulp van zijn knapen, snel als een bliksemstraal, tusschen de
+heuvels, zoodat hij eerst tot zich zelven kwam in het hol van Uaimh an
+Ri. Nu had het heel wat in om den bruidegom vrij koopen; want Donald
+vorderde geen duit minder dan duizend pond”
+
+„Te drommel!”
+
+„Wel te verstaan Schotsche ponden. En de dame had het geld niet, al had
+ze haar japon ook verpand; en zij vervoegde zich bij den gouverneur van
+Stirlingcastle, en bij den majoor van de Zwarte Wacht; en de gouverneur
+zeide, dat de zaak verder noordwaarts behoorde, en buiten zijn district
+was; en de majoor zeide, dat zijn manschappen naar huis waren gegaan om
+de schapen te scheren, en dat hij hen niet terug wilde roepen, om al de
+Cramfeezers in de wereld, laat staan in de Mearns, want dat dit tot
+nadeel van het land zou strekken. En ondertusschen kon men niet
+beletten, dat Gilliewhackit de kinderpokken kreeg. Er was geen doctor
+in Perth of Stirling, die naar den armen drommel wilde zien, en ik kon
+het hun niet kwalijk nemen; want Donald was te Parijs door de doctors
+mishandeld, en hij had gezworen, den eersten den besten, die hij aan
+deze zijde van den pas in handen zou krijgen, in het meer te zullen
+werpen. Eenige oude vrouwen echter, die Donald in zijn macht had,
+pasten Gilliewhackit zoo goed op, dat hij, met de frissche lucht in de
+grot, en de versche wei, misschien beter genas dan hij gedaan zou
+hebben in eene kamer met glasruiten en een bed met gordijnen, en gevoed
+met rooden wijn en wittebrood. En Donald had er zooveel last van gehad,
+dat, toen hij weêr frisch en gezond was, hij hem zelfs geheel vrij naar
+huis zond, met de bijvoeging dat hij tevreden zou zijn met alles wat
+men hem zou verkiezen te geven voor al de onuitstaanbare kwellingen,
+die hij om Gilliewhackit had geleden. Ik kan u niet juist zeggen, hoe
+de zaak afliep, maar ze waren zoo over elkander tevreden, dat Donald
+genoodigd werd om in zijn Hooglandsch costuum op de bruiloft te komen
+dansen, en men zegt, dat er vóor noch na dien tijd ooit meer geld in
+zijn beurs heeft gerammeld. En daarenboven beloofde Gilliewhackit, dat,
+zoo hij ooit het geluk had, om over Donald als lid van de jury te
+zitten, en al mocht zijn schuld ook nog zoo wel bewezen zijn, hij hem
+aan niets hoegenaamd zou schuldig vinden, als het maar geen
+brandstichting, of moord met misbruik van vertrouwen was.”
+
+Onder zulk een gebabbel en onsamenhangend gesnap ging Evan voort den
+toestand der Hooglanden te schetsen, misschien tot grooter vermaak van
+Waverley, dan van onze lezers. Eindelijk, na over berg en dal, over mos
+en heide te zijn voortgestapt, begon Eduard, ofschoon met de Schotsche
+onbekrompenheid in het berekenen van afstanden niet onbekend, te
+begrijpen, dat Evans „uur of wat”, vrij wat meer beteekende. Hij gaf
+zijn verwondering te kennen over de ruime maat, door de Schotten met
+betrekking van hun grond gebezigd, in vergelijking met de gehalte van
+hun geld, waarop Evan met de oude aardigheid antwoordde: „De drommel
+hale hem, die de kleinste pintjes heeft!” [71]
+
+En nu hoorde men een geweerschot en men zag een jager met zijn honden
+en knecht aan het andere einde van het dal. „Stil,” zeide Dugald
+Mahony, „daar is het Opperhoofd.”
+
+„Dat is niet zoo!” zeide Evan op gebiedenden toon. „Denkt gij, dat hij
+een Saksischen Duinhé-wassel zoo, zonder statie te gemoet zou komen?”
+
+Maar toen hij een weinig nader gekomen was, bekende hij met een gevoel
+van spijt: „hij is het toch waarlijk, en dat wel zonder zijn sleep; –
+daar is geen levend schepsel bij hem dan Callum Beg!”
+
+Inderdaad, Fergus Mac-Ivor was iemand van wien een Franschman, zoo van
+eenigen Hooglander, had mogen zeggen: „Qu’il connait bien son monde.”
+Hij dacht er niet aan, om zich in de oogen van een Engelschman van
+aanzien te verheffen, door met een gevolg van leêgloopende Hooglanders
+te verschijnen, wanneer de gelegenheid het niet volstrekt vereischte.
+Hij wist maar al te goed, dat zulk eene noodelooze vertooning Eduard
+eer belachelijk dan eerbiedwekkend zou schijnen; en terwijl weinigen
+meer gehecht waren aan het denkbeeld van leenheerlijke macht, en van
+het aanzien eens Opperhoofds dan hij, was hij om diezelfde reden
+schroomvallig om met uitwendige teekens van waardigheid te schitteren,
+anders dan op tijden en plaatsen, waarop ze een machtigen indruk
+moesten maken. Schoon hij derhalve, indien hij een medeopperhoofd had
+moeten ontvangen, waarschijnlijk gevolgd zou zijn geworden door dien
+geheelen stoet, door Evan met zoo veel zalving beschreven, oordeelde
+hij het betamelijker, Waverley te gemoet te gaan met een enkelen
+bediende, een zeer welgemaakten Hooglandschen knaap, die zijns meesters
+weitasch en sabel droeg, zonder welke hij zelden een voet buiten ’s
+huis zette.
+
+Toen Fergus en Waverley elkander ontmoetten, was deze getroffen door de
+bijzondere, bevalligheid en waardigheid van des hoofdmans verschijning.
+Van meer dan middelmatige lengte, en schoon gebouwd, stelde de
+Hooglandsche kleeding, die hij op de eenvoudigste wijze droeg, zijn
+persoon in het gunstigste licht. Hij droeg de trews of nauwe zwarte
+overbroek, met roode en witte ruiten; voor het overige was zijn
+kleeding volkomen gelijk aan die van Evan, uitgenomen dat hij geen
+wapen voerde, behalve een zeer rijk met zilver versierden dolk. Zijn
+page droeg, zoo als we gezegd hebben, zijn sabel; en het geweer, dat
+Fergus in de hand hield, scheen enkel voor de jacht bestemd. Hij had
+onder weg eenige jonge eendvogels geschoten; daar, schoon de „verboden”
+tijd toen onbekend was, het broedsel der korhoenders nog te jong voor
+den jager was. De trekken van zijn gelaat waren bepaald Schotsch, met
+al de eigenaardigheden der physionomie van het Noorden; zij bezaten
+echter zoo weinig van de daarmede verbonden hardheid en overdrevenheid,
+dat men ze in elk land schoon zou genoemd hebben. Het krijgshaftig
+aanzien van de muts, met een enkele adelaarsveder [72] als
+onderscheidingsteeken versierd, vermeerderde niet weinig het
+manhaftige, waardoor zijn hoofd zich kenmerkte, dat bovendien met een
+veel natuurlijker en bevalliger bos zwarte krullen bedekt was, dan ooit
+bij een mode-kapper te koop werd aangeboden.
+
+Iets ronds en vriendelijks vermeerderde den gunstigen en treffenden
+indruk van dit bevallig uiterlijk. Nogtans zou een ervaren gelaatkenner
+minder tevreden zijn geweest, op het tweede dan op het eerste gezicht.
+De wenkbrauw en de bovenlip kondigden aan, dat hij gewoon was onbeperkt
+te heerschen en onbetwiste meerderheid op anderen uit te oefenen. Zelfs
+zijn beleefdheid, schoon open, vrij en onbedwongen, scheen aan te
+duiden, dat hij zijn persoonlijk overwicht gevoelde; en als men hem
+tegenstond, of hem het een of ander toevallig ontroerde, verried een
+plotselinge, schoon spoedig voorbijgaande blik van het oog, een
+driftig, trotsch en wraakzuchtig karakter, hetwelk niet minder te
+duchten was, al werd het ook meestal in bedwang gehouden. In éen woord,
+het gelaat van het Opperhoofd geleek op een lachenden zomerdag, waarop
+wij niet te min, aan zekere, ofschoon nauwelijks merkbare teekens,
+bespeuren dat het vóor het vallen van den nacht ligt donderen of
+bliksemen zal.
+
+Het was echter niet bij hunne eerste ontmoeting, dat Eduard gelegenheid
+had deze minder gunstige waarneming te doen. Het Opperhoofd ontving hem
+als een vriend van den baron van Bradwardine, met de warmste betuiging
+van vriendschap en verplichting voor zijn bezoek. Hij verweet hem, op
+beleefde wijze, dat hij den vorigen nacht zulk een slecht verblijf
+gekozen had, en trad in een levendig gesprek met hem over Donald Bean’s
+huishouding, maar zonder de minste zinspeling op zijn rooversleven, of
+de onmiddellijke aanleiding tot Waverley’s bezoek; een onderwerp, dat,
+daar het opperhoofd niet verkoos het op het tapijt te brengen, ook door
+onzen held ontweken werd. Terwijl ze vroolijk naar het huis van
+Glennaquoich voortwandelden, volgde Evan, die zich thans eerbiedig naar
+de achterhoede begeven had, hem met Callum Beg en Dugald Mahony.
+
+Wij zullen de gelegenheid waarnemen, om den lezer met eenige
+bijzonderheden van Fergus Mac-Ivor’s karakter en geschiedenis bekend te
+maken, die Waverley eerst later vernam, na eene kennismaking, welke,
+ofschoon door zulk een toeval ontstaan, gedurende een geruimen tijd den
+belangrijksten invloed had op zijn karakter, daden en vooruitzichten.
+Maar, daar dit een gewichtig onderwerp is, moeten we daarmede een nieuw
+hoofdstuk beginnen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET OPPERHOOFD EN ZIJN VERBLIJF.
+
+
+De vernuftige Licentiaat Francisco de Ubeda klaagt in den aanvang
+zijner geschiedenis van La Picara Justina Diez, – hetwelk, in het
+voorbijgaan gezegd, een van de zeldzaamste boeken der Spaansche
+letterkunde is, – dat er een haar in zijne pen geraakt is, en begint
+terstond daarop, met meer welsprekendheid dan gezond verstand, een
+vriendelijken redetwist met dit nuttige werktuig, het verwijtende, dat
+het de slagpen is van een gans – een vogel van nature lichtzinnig, daar
+hij in drie elementen, water, aarde en lucht leeft, en gevolgelijk, bij
+éen ding nooit standvastig is. Nu verklaar ik u bescheiden, lezer, dat
+ik, wat deze zaak betreft, veel verschil van Francisco de Ubeda, en dat
+ik het voor de nuttigste eigenschap van mijne pen houd, dat ze spoedig
+kan overgaan van het deftige tot het vroolijke, en van beschrijving en
+samenspraken tot verhaal en karakterschildering. Als dus mijne pen geen
+andere eigenschap van hare moeder de gans bezit, dan hare
+veranderlijkheid, zal ik er mij waarlijk wel goed bij bevinden, en
+alles leidt er toe dat ook gij, mijn waarde vriend, er niet boos om
+wezen zult. Van het onverstaanbaar gesnap der Hooglandsche knapen, ga
+ik derhalve over tot het karakter van hun Opperhoofd. Het is een
+gewichtig onderzoek, en daarom moeten wij, gelijk Dogberry [73], al ons
+verstand er bij te hulp roepen.
+
+De stamvader van Fergus Mac-Ivor had, voor omstreeks drie eeuwen,
+aanspraak gemaakt om als opperhoofd erkend te worden van den talrijken
+en machtigen clan, waartoe hij behoorde, en waarvan het niet noodig is,
+den naam op te geven. Toen hij de neêrlaag geleden had door een
+tegenstander, die meer recht, of ten minste meer macht bezat, begaf hij
+zich met degenen die hem aanhingen, zuidwaarts, om, als een tweede
+Æneas, nieuwe woonplaatsen te zoeken. De toestand waarin de Hooglanden
+van het graafschap Perth verkeerden, begunstigde zijn ontwerp. Een der
+voornaamste Baronnen van die landstreek, was onlangs ontrouw geworden
+aan de kroon; Ian, zoo was de naam van onzen gelukzoeker, vereenigde
+zich met hen die door den Koning waren afgezonden met den last om hem
+te tuchtigen, en bewees zulke goede diensten, dat hem de landerijen
+werden geschonken, waarop hij en zijn nakomelingen zich later
+vestigden. Hij volgde den Koning ook, toen deze den oorlog naar de
+vruchtbare gewesten van Engeland overbracht, waar hij zijn vrije uren
+zoo nuttig besteedde in het heffen van onderstandsgelden bij de
+landlieden van Northumberland en Durham, dat hij, bij zijn terugkeer,
+in staat was een steenen toren, of sterkte, te bouwen, die zoo zeer de
+bewondering zijner onderhoorigen en naburen opwekte, dat hij, die tot
+hiertoe den naam had gevoerd van Ian Mac-Ivor, of Jan, de zoon van
+Ivor, daarna, zoowel in gezangen als geslachtsregisters, met den
+grootschen titel van Ian van Chaistel, of Jan van den Toren werd
+onderscheiden. De nakomelingen van dezen waardigen man waren zoo
+trotsch op hem, dat het regeerend Opperhoofd altijd den geslachtsnaam
+droeg van Vich Ian Vohr, zoon van Jan den Groote en de clan in het
+algemeen, om niet met dien, van welken hij zich afgescheiden had,
+verward te worden, werd Sliochd nan Ivor, de stam van Ivor, genoemd.
+
+De vader van Fergus, de tiende in de rechte lijn van Jan van den Toren,
+wijdde zich met hart en ziel aan den opstand van 1715, en werd
+genoodzaakt naar Frankrijk te vluchten, na den treurigen afloop van de
+ten gunste der Stuarts dat jaar gewaagde onderneming. Gelukkiger dan
+andere vluchtelingen, verkreeg hij een aanstelling in Fransche dienst,
+en huwde eene dame van zekeren rang in dat koninkrijk, uit welk
+huwelijk twee kinderen, Fergus en zijn zuster Flora, sproten. De
+Schotsche goederen waren verbeurd verklaard en te koop aangeslagen,
+maar werden voor geringen prijs gekocht op naam van den jongen
+eigenaar, die zich toen op zijn erfgoederen kwam nederzetten [74]. Men
+bemerkte weldra, dat hij iemand was van een bijzonder geslepen en
+eerzuchtig karakter, dat, naarmate hij meer en meer met den toestand
+des lands bekend werd, een zonderlinge mengelmoes van hoedanigheden
+aanbood, alleen een zestigtal jaar geleden mogelijk.
+
+Zoo Fergus Mac-Ivor zestig jaar vroeger geleefd had, zou hij, naar alle
+waarschijnlijkheid, de beschaafde manieren en wereldkennis gemist
+hebben, waardoor hij zich thans onderscheidde; en indien hij zestig
+jaar later geleefd had, zouden zijn eer- en heerschzucht het voedsel
+gemist hebben, dat de tegenwoordige omstandigheden opleverden. Hij was
+inderdaad, binnen zijn kleinen sfeer, een even volkomen staatsman als
+Castruccio Castrucani zelf. Hij legde zich met den grootsten ernst toe,
+om alle veeten en twisten, die dikwijls tusschen de clans in zijn
+nabuurschap ontstonden, te sussen, zoodat hij telkens door hen als
+scheidsman werd ingeroepen. Zijn eigene, aartsvaderlijke macht
+vermeerderde hij door vele geldelijke opofferingen, en wendde zijn
+middelen inderdaad vrijgevig aan, om die ruwe, maar overdadige
+gastvrijheid te onderhouden, welke de meest gewaardeerde eigenschap van
+een Opperhoofd was. Om dezelfde reden bezette hij zijn landerijen met
+boeren, gehard en geschikt voor den oorlog, maar die het getal ver te
+boven gingen, dat de grond in staat was te voeden. Zijn voornaamste
+macht bestond uit lieden van zijn eigen clan, van welke hij nooit
+duldde dat iemand zijn landen verliet, als hij in de mogelijkheid was
+het te beletten. Maar hij onderhield daarenboven ook een groot aantal
+gelukzoekers, die een minder oorlogzuchtig, hoewel rijker Opperhoofd
+verlieten, om Fergus Mac-Ivor te huldigen. Ook andere personen, die
+zelfs dit voorwendsel niet hadden, werden toegelaten om hem trouw te
+zweren; hetgeen inderdaad aan niemand geweigerd werd, die, zoo als
+Poins [75], hunne handen tot hunne dienst hadden, en genegen waren den
+naam van Mac-Ivor aan te nemen.
+
+Het gelukte hem deze manschappen aan orde en tucht te gewennen, toen
+hij het bevel verkreeg over een der onafhankelijke compagniën, door de
+regeering opgericht, om de rust in de Hooglanden te bewaren. In deze
+betrekking gaf hij bewijzen van kracht en moed, en handhaafde hij de
+grootste orde in de onder zijne tucht gestelde landerijen. Hij liet
+zijn vazallen bij beurten in zijne compagnie opnemen, en er voor
+zekeren tijd bij dienen, waardoor hun allen een algemeen begrip van
+krijgstucht werd ingeboezemd. In zijn veldtochten tegen de bandieten
+merkte men op, dat hij zich in de hoogste mate die willekeurige macht
+aanmatigde en uitoefende, welke, daar de wet en het recht geen vrijen
+loop in de Hooglanden hadden, begrepen werd het recht der militaire
+macht te zijn, die te hulp geroepen was om de orde te bewaren. Hij
+ging, bij voorbeeld, met groote en min of meer verdachte zachtheid te
+werk jegens die vrijbuiters, welke, aan zijn oproeping gevolg gaven, en
+zich persoonlijk aan hem onderwierpen; terwijl hij al zulke
+boosdoeners, die zijn aanmaningen of bevelen durfden versmaden, streng
+vervolgde, en aan de justitie uitleverde. En aan den anderen kant, als
+eenige rechterlijke ambtenaren, geregelde militaire kolonnes, of
+anderen zich verstoutten, zonder zijn toestemming of medewerking,
+dieven of struikroovers te vervolgen op zijn grondgebied, was het zeker
+dat ze een belangrijke nederlaag zouden lijden; bij welke gelegenheden
+Fergus Mac-Ivor de eerste was om hen te beklagen; en, na hen over hunne
+onvoorzichtigheid vriendelijk gekapitteld te hebben, liet hij nooit na,
+den wetteloozen toestand des lands luide te bejammeren. Deze klachten
+zusten echter de verdenkingen niet, waaronder hij lag, en welhaast
+werden de zaken in dier voege aan het Hoog Bewind voorgesteld, dat ons
+Opperhoofd van zijn militair gouvernement werd ontslagen [76].
+
+Wat hij bij deze gelegenheid ook gevoelde, hij bezat de kunst, om elken
+schijn van ontevredenheid geheel te verbergen; maar weldra begon het
+omliggende land de droevige gevolgen zijner afzetting te ondervinden.
+Van Donald Bean Lean en de andere lieden van zijn soort, wier
+rooverijen zich tot nog toe tot de omliggende streken hadden bepaald,
+bleek het dat ze zich van toen af op deze ongelukkige kust hadden
+nedergezet; en hunne strooperijen vonden weinig tegenstand, daar de
+Laaglandsche grondbezitters voornamelijk Jacobieten en ontwapend waren,
+Dit dwong een aantal inwoners, om contracten aangaande beschermgeld met
+Fergus Mac-Ivor te sluiten, waardoor hij niet alleen hun Beschermheer
+werd, en hij zich grooten invloed op al hunne handelingen verschafte,
+maar hij daarenboven fondsen verkreeg om die ridderlijke gastvrijheid
+te bestrijden, welke door het intrekken van zijn traktement anders ligt
+aanmerkelijk had moeten ingekort worden.
+
+Met zich aldus te gedragen, had Fergus een veel uitgestrekter doel, dan
+alleen de groote heer in den omtrek te spelen en onbepaald over een
+kleinen clan te heerschen. Van zijn kindsheid af had hij zich toegewijd
+aan de zaak van het verbannen koningshuis, en zich overtuigd, niet
+slechts dat de herstelling der Stuarts op den troon van Groot-Brittanje
+spoedig zou plaats hebben, maar tevens dat zij, die tot dat doel zouden
+hebben medegewerkt, tot eer en aanzien zouden verheven worden. Met dit
+vooruitzicht deed hij het mogelijke om de Hooglanders te verzoenen, en
+zijn eigene macht zóo veel mogelijk uit te breiden, ten einde bij de
+eerste gelegenheid de beste dadelijk tot den opstand gereed te zijn.
+Met ditzelfde oogmerk zocht hij de gunst te winnen van zoodanige
+Laaglandsche heeren in de nabuurschap, die de goede zaak waren
+toegedaan; en om dezelfde reden bediende hij zich, nu hij ongelukkig in
+twist geraakt was met den baron van Bradwardine, die, in weerwil van
+zijn zonderling karakter, zeer gezien was in den omtrek, van den
+strooptocht van Donald Bean Lean, om het geschil, op de wijze door ons
+beschreven, uit den weg te ruimen. Sommigen waren inderdaad van
+meening, dat Fergus zelf Donald tot die onderneming had doen aansporen,
+met oogmerk om den weg ter verzoening te banen, welke, indien die
+veronderstelling gegrond was, den heer van Bradwardine twee goede
+melkkoeien kostte. Dezen ijver voor haar zaak beloonde de familie
+Stuart met veel vertrouwen in hem te stellen, met een telkens
+herhaalden onderstand in Louis d’or, een overvloed van schoone woorden
+en een perkament met een zwaar zegel er aan vastgehecht, hetwelk een
+grafelijk patent moest verbeelden, van wege geen geringer personage,
+dan Jacobus III, Koning van Engeland, en VIII Koning van Schotland, aan
+zijn bijzonderen, lieven, getrouwen Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich,
+in het graafschap Perth en het koninkrijk Schotland.
+
+Met het oog op deze toekomstige grafelijke waardigheid, nam Fergus een
+zeer werkzaam deel aan de onderhandelingen en samenzweringen van dat
+ongelukkig tijdstip. Even als alle ijverige deelnemers in dusdanige
+zaken, stelde hij zijn geweten gemakkelijk gerust omtrent eenige
+handelingen, waarvan zijn eer en trots hem zouden hebben teruggehouden,
+als hij niets anders dan de onmiddellijke bevordering van zijn eigen
+persoonlijk belang op het oog had gehad. Na dezen blik in een
+stoutmoedig, eerzuchtig en vurig hart geworpen te hebben, zullen wij
+den afgebroken draad van ons verhaal weder opvatten.
+
+Fergus en zijn gast hadden nu het huis van Glennaquoich bereikt,
+hetwelk bestond uit Ian nan Chaistel’s aloud verblijf. Het was een
+groote, plompe, vierkante toren, waaraan Fergus’ grootvader een gebouw
+van twee verdiepingen had gevoegd, toen hij van dien merkwaardigen
+tocht in de Westersche graafschappen, wel bekend onder den naam van den
+Hooglandschen oorlog, terugkeerde. Bij gelegenheid van dezen tocht
+tegen de Ayrshiresche Whigs en Covenanters, was de Vich Ian Vohr van
+dien tijd waarschijnlijk even voorspoedig geweest als zijn voorganger,
+in het plunderen in Northumberland, en liet dus aan zijn
+nakomelingschap mede een gebouw achter, dat daarmede moest wedijveren,
+als een gedenkstuk van zijn grootheid.
+
+Rondom dit verblijf, hetwelk op eene verhevenheid in een smal
+Hooglandsch dal stond, bemerkte men geen spoor van gemakzucht, veel
+minder van sieraad of opschik, waardoor zich gewoonlijk de omtrek van
+een heerenhuis kenmerkt. Een paar perken, door steenen muren omringd,
+waren het eenige gedeelte van het land, dat afgesloten was; voor het
+overige leverden de smalle strooken vlakke grond, welke langs de beek
+lagen, een schraal gewas op van gerst, dat gedurig aan verwoestingen
+bloot stond van de kudden wilde hitten en zwart hoornvee, dat op de
+naburige heuvels weidde. Deze deden onophoudelijke invallen op den
+bouwgrond, en werden teruggejaagd door het luid, wanluidend en akelig
+geschreeuw van een half dozijn Hooglandsche knapen, die allen, alsof ze
+razend waren, rondliepen, en een half uitgehongerden hond aanhitsten,
+om den oogst te beschermen. Op een kleinen afstand was een kwijnend
+berkenbosch; de heuvels in den omtrek waren hoog en met heideplanten
+begroeid, maar leverden slechts een eentoonig gezicht op; zoodat het
+geheel eer een wild en woest, dan een grootsch en eenzaam voorkomen
+had. Maar zoo als het was, zou evenwel geen ware afstammeling van Ian
+nan Chaistel dit eigendom tegen Stow of Blenheim verruild hebben [77].
+
+Vóor de poort van het kasteel deed zich echter een tooneel op, waar
+misschien de eerste bezitter van Blenheim de voorkeur aan zou gegeven
+hebben, boven het schoonste van den ganschen eigendom, hem door de
+dankbaarheid van zijn land geschonken. Dit bestond uit ongeveer een
+honderdtal volkomen goed gekleede en gewapende Hooglanders; op wier
+gezicht het Opperhoofd zich min of meer kort, en, als het ware in het
+voorbijgaan, jegens Waverley verontschuldigde. „Hij had vergeten,”
+zeide hij, „dat hij eenige lieden van zijn clan had opgeroepen, met het
+doel om zich te overtuigen, dat ze in een behoorlijken toestand waren
+om het land te beschermen, en zoodanige voorvallen te voorkomen, als
+hij met leedwezen hoorde, dat den baron van Bradwardine waren
+overkomen. Alvorens hij hen weder uiteen liet gaan, zou kapitein
+Waverley misschien niet ongenegen zijn, iets van hunne exercitiën te
+zien.”
+
+Eduard nam dit aanbod aan, en de manschappen voerden, met groote
+vlugheid en nauwkeurigheid, eenige gewone bewegingen uit. Vervolgens
+schoten ze, een voor een, naar de schijf, en toonden uitnemend ervaren
+te wezen in het behandelen van pistool en snaphaan. Staande, zittende,
+leunende of voorover liggende, al naar hun bevolen werd, en altijd: met
+blijkbaar goed gevolg, gaven ze vuur. Vervolgens verdeelden ze zich, om
+in het voeren van den sabel, hunne bedrevenheid aan den dag te leggen,
+en na ieder afzonderlijk hunne behendigheid bewezen te hebben, vormden
+ze twee partijen en leverden een soort van spiegelgevecht, waarin
+aanvallen, herstellen, vluchten, vervolgen en al de bij een gevecht
+vereischte manoeuvres, op den klank van den grooten doedelzak, werden
+uitgevoerd.
+
+Op een door het Opperhoofd gegeven teeken werd de schermutseling
+gestaakt, waarop ze zich in kleine partijen verdeelden. Deze liepen,
+worstelden, sprongen met elkander, of wierpen met een ijzeren staaf, of
+oefenden zich in andere spelen; in welke deze leenheerlijke militie een
+ongeloofelijke vlugheid, kracht en handigheid aan den dag legde, en het
+door haar Bevelhebber beoogde doel bereikte, namelijk om Waverley geen
+geringen dunk in te boezemen van hunne verdiensten als krijgslieden,
+zoowel als van het vermogen van hem, door wiens wenk ze bestuurd werden
+[78].
+
+„En hoe groot is wel het getal van zulke flinke borsten, die het geluk
+hebben u hun aanvoerder te noemen?” vroeg Waverley.
+
+„Als het de verdediging van een goede zaak betreft, en ze onder een
+hoofd dat ze beminnen staan, is de stam van Ivor zelden te velde
+getrokken minder dan vijfhonderd zwaarden sterk. Maar gij weet,
+kapitein Waverley, dat de acte ter ontwapening, voor omstreeks twintig
+jaar, hen belet in zulk een volkomen staat van voorbereiding te zijn,
+als in vroeger dagen; en ik houd van mijn clan niet meer onder de
+wapenen, dan in staat zijn om mijn eigene bezittingen en die mijner
+vrienden te beschermen, wanneer het land door zulke lieden verontrust
+wordt als uw gastheer van gisteren avond; en daar het Bewind ons geen
+andere middelen van bescherming heeft gelaten, moet het wel toezien,
+dat wij ons zelven helpen.”
+
+„Maar, met uwe macht zoudt gij zulke benden, als die van Donald Bean
+Lean, licht verjagen of vernietigen kunnen.”
+
+„Ja, ongetwijfeld; maar mijn belooning zou bestaan in een bevel, om aan
+generaal Blakeney, te Stirling, de weinige sabels uit te leveren, die
+men ons gelaten heeft; hetgeen dunkt mij, toch niet zeer staatkundig
+wezen zou. – Maar, kom kapitein, het geluid der doedelzakken meldt ons,
+dat het middagmaal gereed is. – Laat mij de eer hebben u den weg naar
+mijn armoedige woning te wijzen.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN HOOGLANDSCH FEEST.
+
+
+Eer Waverley de feestzaal binnentrad, werd hem de aartsvaderlijke
+verfrissching van een voetbad aangeboden, wat wegens den tocht door de
+moerassen die hij doorwaad had, en bij het heete zomerweder, hem hoogst
+welkom was. Hij werd zeker bij deze gelegenheid niet zoo weelderig als
+de heldenreizigers in de Odyssea bediend, daar de taak der besproeiing
+en afdrooging niet volvoerd werd door een schoone jonkvrouw, die er op
+geleerd was om
+
+
+ Vermoeide leden te bestrijken
+ En geurige olie uit te storten,
+
+
+maar door een zwart en gerimpeld Hooglandsch oud wijf, dat zich niet
+bijzonder vereerd gevoelde met den haar opgelegden plicht, maar
+tusschen de tanden mompelde: „De kudden onzer vaderen hebben niet zoo
+dicht bij elkander geweid, dat ik u deze dienst behoorde te bewijzen.”
+Een kleine gift evenwel bevredigde de oude dienstmaagd ten volle voor
+de veronderstelde vernedering, en, terwijl Eduard zich naar de zaal
+begaf, schonk ze hem haar zegen, onder het uiten van het Gaelsche
+spreekwoord: „Moge de open hand het overvloedigst gevuld worden!”
+
+De zaal, waarin het feest werd bereid besloeg de gansche ruimte van Ian
+nan Chaistel’s oorspronkelijk verblijf, en een zware eiken tafel nam de
+geheele lengte daarvan in. Het middagmaai was eenvoudig, ja zelfs meer
+dan eenvoudig, en het gezelschap zoo talrijk, dat het elkander bijna
+verdrong. Aan het hoofd van de tafel waren de hoofdman, met Eduard en
+twee of drie Hooglandsche bezoekers van naburige clans gezeten. Daarop
+volgden in rang de oudsten van zijn eigen stam, wadsetters en tacksmen
+[79], gelijk ze genoemd werden, die gedeelten van zijn landerijen als
+pachters of huurders bewoonden. Een weinig lager dan zij, zaten hunne
+zoons, neven en zoogbroeders, de officieren der huishouding van het
+Opperhoofd, ieder overeenkomstig zijn rang; en het laagst van allen,
+aan het einde van de tafel, de meiers of boeren, die inderdaad den
+grond bewerkten. Zelfs voorbij deze lange reeks van gasten kon Eduard
+op het veld, waarheen een paar zware geopende vleugeldeuren voerden,
+een menigte Hooglanders zien van nog lageren stand, die eveneens als
+gasten werden beschouwd, en zoowel hun deel hadden aan den door den
+gastheer ten toon gespreiden luister, als aan de goede sier van den
+dag. Op een afstand, en als golvende rondom het feestmaal, bevond zich
+een bonte groep van vrouwen, havelooze knapen en meisjes, bedelaars,
+jong en oud, groote windhonden, dashonden en speurhonden, en rekels van
+de slechtste soort; welke allen, meer of min onmiddellijk, aan het maal
+deel namen.
+
+Deze schijnbaar onbeperkte gastvrijheid was echter aan zekere,
+zuinigheidsregelen gebonden. Er was eenige zorg besteed aan het
+toebereiden der schotels visch, wild, enz., die men aan het boveneinde
+van de tafel en onmiddellijk onder het oog van den Engelschen
+vreemdeling zette. Meer naar beneden stonden groote, grove stukken
+schapen- en ossenvleesch, die, behalve dat er geen varkensvleesch
+gevonden werd, waarvan men in de Hooglanden een afkeer had [80], de
+ruwe feesten der minnaars van Penelope voor den geest riepen. Maar de
+hoofdschotel bestond uit een eenjarig in zijn geheel gebraden lam. Het
+stond op zijn pooten, met een bos pieterselie in den mond, en was
+waarschijnlijk in dien vorm opgezet, om de ervarenheid van den kok te
+doen uitkomen, die zich evenwel meer op den overvloed, dan op het
+sierlijke van zijns meesters tafel beroemde. De ribben van het arme
+dier werden woedend aangevallen door de clanslieden, sommige met
+dolken, de anderen met zakmessen gewapend, welke gemeenlijk in dezelfde
+schede staken met den dolk, zoodat het spoedig een deerniswaardig
+schouwspel opleverde. Verder naar beneden schenen de spijzen nog veel
+eenvoudiger, ofschoon in voldoende hoeveelheid. Brood, uien, kaas, en
+het overschot van den maaltijd verkwikten de zonen van Ivor’s stam, die
+in de open lucht deelnamen aan het feest.
+
+De drank werd in dezelfde evenredigheid en onder gelijke bepalingen
+rondgediend. Uitnemende roode wijn en champagne werden overvloedig
+geschonken onder de onmiddellijke tafelburen van den Hoofdman;
+brandewijn zuiver of aangelengd, en zwaar bier verkwikten hen die meer
+aan het lager einde gezeten waren. En deze ongelijkheid van bedeeling
+scheen niemand in het minste te beleedigen. Ieder daar tegenwoordig
+wist, dat zijn smaak zich schikken moest naar den rang, dien hij aan de
+tafel bekleedde, en bijgevolg betuigden de tacksmen en hunne
+afhangelingen altijd, dat de wijn te koud was voor hunne magen, en
+riepen, oogenschijnlijk uit verkiezing, om den drank, welke uit
+zuinigheid voor hen bestemd was [81]. De doedelzakspelers, drie in
+getal, lieten niet na, onder den maaltijd, een verschrikkelijken
+oorlogsdeun te doen hooren. De terugkaatsing van de gewelfde zoldering,
+en het geschal van den Gaelschen tongval, brachten zulk een Babelsch
+geraas te weeg, dat Waverley bevreesd werd dat zijn gehoorvlies er
+onder lijden zou. Mac-Ivor verzocht hem echter het geweld, door zulk
+een druk gezelschap veroorzaakt, te willen vergeven, en beriep zich op
+den door hem bekleeden rang, die hem eene onbeperkte gastvrijheid als
+plicht oplegde. „Deze mijne niet minder ledigloopende dan dappere
+aanverwanten,” zeide hij, „beschouwen mijne bezittingen als een
+algemeen goed, dat ik slechts bestuur om hen te onderhouden; en ik moet
+hun ossenvleesch en bier bezorgen, terwijl de guiten voor zichzelven
+niets doen, dan de sabel hanteeren, of rondslenteren langs de heuvelen,
+om te jagen, te visschen, te drinken en met de meisjes in den omtrek te
+vrijen. Maar wat zal ik er aan doen, kapitein Waverley? Ieder ding moet
+naar zijn aard behandeld worden, of het een valk of een Hooglander is.”
+Eduard liet niet na, in het verwachte antwoord een compliment in te
+vlechten over het bezit van zoo vele moedige en aan hem verkleefde
+manschappen.
+
+„Het is waar,” hernam het Opperhoofd, „indien ik, als mijn vader,
+gezind was mij bloot te stellen, om een slag op het hoofd te ontvangen,
+dan geloof ik, dat de deugnieten mij niet in den steek zouden laten.
+Maar wie denkt daar tegenwoordig aan, nu de grondregel is – Beter een
+oude vrouw met een beurs in de hand, dan drie mannen met degens op
+zijde.” En terwijl hij zich vervolgens tot het gezelschap keerde,
+stelde hij in: „De gezondheid van kapitein Waverley, een waardig vriend
+van mijn lieven nabuur en bondgenoot, den baron van Bradwardine.”
+
+„Hij is hier welkom,” zeide een der oudsten, „zoo hij van Cosmo Comyne
+Bradwardine komt.”
+
+„Dat zeg ik niet!” antwoordde een oud man, die niet voornemens scheen
+met den toast in te stemmen. „Dat zeg ik niet! – zoo lang er een groen
+blad in het bosch is, zal er bedrog in een Comyne zijn.”
+
+„Er is geen kwaad haar aan den baron van Bradwardine,” hernam een
+andere der oudsten, „en de gast die hier van hem komt behoort welkom te
+zijn, al kwam hij met bebloede handen, als het maar niet het bloed is
+van den stam van Ivor.”
+
+De oude man, wiens beker gevuld bléef, hervatte: „Er is bloed genoeg
+van den stam van Ivor aan de handen van Bradwardine geweest.”
+
+„Ach, Ballenkeiroch!” luidde het antwoord des eersten, „gij denkt meer
+aan het geweervuur te Tully-Veolan, dan aan het flikkeren van het
+zwaard, dat te Proud-Preston voor de goede zaak gestreden heeft.”
+
+„En daar heb ik reden toe,” antwoordde Ballenkeiroch, „het geweervuur
+kostte mij een blonden jongen, en het flikkeren van het zwaard heeft
+niet veel voor koning Jacobus uitgewerkt.”
+
+Fergus verhaalde aan Waverley met een paar woorden, in het Fransch, dat
+de Baron, nu omtrent zeven jaar geleden, in een schermutseling bij
+Tully-Veolan, den zoon van dezen ouden man had neêrgeschoten; waarna
+hij zich haastte om de vooringenomenheid van Ballenkeiroch weg te
+nemen, door hem mee te deelen, dat Waverley een Engelschman was, die
+door geboorte noch huwelijk in betrekking stond tot het geslacht van
+Bradwardine; en hierop nam de grijsaard den tot hiertoe onaangeroerden
+beker op, en dronk beleefdelijk op zijn gezondheid. Na deze
+plichtpleging, gaf het Opperhoofd een wenk aan de doedelzakken om te
+zwijgen, en zeide overluid; „Waar is de zang verborgen, mijn vrienden,
+dat Mac-Murrough dien niet kan vinden?”
+
+Mac-Murrough, de familie-zanger, een bejaard man, gehoorzaamde terstond
+aan den wenk, en begon met zachte stem en snel achter elkander, een
+aantal Celtische verzen op te zingen, die door de toehoorders met
+geestdrift toegejuicht werden. Naarmate hij met zijn declamatie
+voortging, scheen zijn vuur toe te nemen. Hij had eerst gesproken met
+de oogen op den grond gevestigd; maar nu sloeg hij ze in het rond,
+alsof hij oplettendheid verzocht, zoo al niet gebood, en de klanken
+gingen in wilde en hartstochtelijke tonen over, met daarbij passende
+gebaren. Het kwam Eduard, die met groote belangstelling naar hem
+luisterde, voor, alsof hij een aantal eigennamen noemde, de dooden
+beweende, de afwezigen aansprak en aanwezigen vermaande, smeekte,
+bezielde. Waverley meende zelfs zijn eigen naam daartusschen te
+onderscheiden, en werd in die meening bevestigd, daar de oogen van al
+de gasten, op dat oogenblik, zich te gelijk naar hem keerden. De
+geestdrift van den dichter scheen zich aan de toehoorders mede te
+deelen. Hunne woeste en door de zon verbrande aangezichten namen een
+fiere en meer bezielde uitdrukking aan; allen hielden het hoofd naar
+den zanger gericht; verscheidene sprongen op en zwaaiden hunne wapens
+in geestvervoering, terwijl sommigen de hand aan het zwaard sloegen.
+Toen het gezang ophield, volgde er een diepe stilte, totdat eindelijk
+de opgewekte aandoeningen van den dichter en zijn hoorders
+langzamerhand bedaarden, en ieder zijn kalmte herkregen had.
+
+Fergus, die, gedurende dit tooneel, eer de bij zijn gasten door den
+Bard opgewekte aandoeningen scheen bespied, dan hunne geestdrift
+gedeeld te hebben, vulde een kleinen zilveren beker, die naast hem
+stond, met rooden wijn.
+
+„Breng dezen,” zeide hij tot een knecht, „aan Mac-Murrough nan fonn
+(d.i. der gezangen) en wanneer hij het druivensap gedronken heeft,
+verzoek hem dan ter wille van Vich Ian Vohr, de schelp te bewaren,
+waarin het vervat was.” Dit geschenk werd door Mac-Murrough met innige
+dankbaarheid aangenomen; hij dronk den wijn uit, en na den beker gekust
+te hebben, verborg hij dien eerbiedig in den plaid, die op zijn borst
+was toegevouwen. Vervolgens hief hij op nieuw een, zooals Waverley met
+recht begreep, voor de vuist vervaardigd lied aan, om zijn dank aar
+zijn Opperhoofd toe te brengen, en om hem te verheerlijken. Dit werd
+met toejuiching ontvangen, maar had niet zooveel uitwerking als zijn
+eerste gedicht. Het was echter blijkbaar, dat allen de edelmoedigheid
+van hun Opperhoofd hoogelijk goedkeurden. Een aantal luide toegejuichte
+Gaelsche dronken werden thans ingesteld, van welke het Opperhoofd
+sommigen aldus voor zijn gast vertaalde:
+
+„Aan hem die vriend noch vijand ooit den rug toekeert” „Aan hem die
+zijn makker nooit verlaten heeft” „Aan hem die de gerechtigheid nooit
+gekocht of verkocht heeft” „Gastvrijheid den ballingen, en gebroken
+beenderen den tiran” „De jongens met de kilts,” [82] „Hooglanders,
+schouder aan schouder,” – benevens nog een aantal vurige uitdrukkingen
+van gelijken aard.
+
+Eduard was bijzonder verlangend om den zin van dat gezang te kennen,
+dat zoo zeer de hartstochten van het gezelschap scheer te doen
+ontvlammen, en verborg voor zijn gastheer dezen wensch niet. „Daar ik
+bemerkte,” zeide Fergus, „dat gij de flesch driemaal hebt laten
+voorbijgaan, was ik op het punt u voor te stellen, om ons van hier te
+begeven, om bij mijn zuster de thee te gaan gebruiken; zij is beter dan
+ik in staat u zoo iets te verklaren. Ofschoon ik mijn clan niet kan
+stuiten in den gewonen loop van zijn feestviering, zoo ben ik echter
+niet verplicht aan zijn uitspattingen deel te nemen; ook houd ik,”
+voegde hij er lachende bij, „er geen beer op na, om het verstand van
+diegenen te verslinden, die het wel weten te gebruiken.”
+
+Eduard stemde gereedelijk met dit voorstel in, en nadat het Opperhoofd
+eenige woorden aan degenen die rondom hem zaten, had toegevoegd,
+verliet hij met Waverley de tafel. Zoodra was de deur niet achter hem
+toegedaan, of Eduard hoorde de gezondheid van Vich Ian Vohr instellen,
+met een woeste en levendige vroolijkheid, waaruit het genoegen der
+gasten en hun innige verknochtheid aan zijn dienst allerduidelijkst
+bleek.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ZUSTER VAN DEN HOOFDMAN.
+
+
+De gezelschapskamer van Flora Mac-Ivor was op de eenvoudigste wijze
+gemeubeleerd; want op Glennaquoich werd iedere andere soort van
+uitgaven zooveel mogelijk vermeden, opdat het Opperhoofd steeds in
+staat zou zijn, op een onbekrompen wijze gastvrijheid uit te oefenen,
+en het getal zijner aanhangers en vazallen onverminderd te behouden en
+te vermeerderen. Maar er was geen zweem van deze zuinigheid in de
+kleeding der dame zelve te bespeuren, die wat de stof betreft, keurig
+en zelfs rijk was, en opgemaakt op een wijze, welke gedeeltelijk
+overeenkwam met de Parijsche mode, en gedeeltelijk met de eenvoudiger
+dracht der Hooglanders, en met oordeel en smaak gekozen was. Het haar
+was niet misvormd door de kunst des kappers, maar viel in losse krullen
+langs haar hals, alleen teruggehouden door een rijk met diamanten
+bezetten haarband. Hierin schikte ze zich naar de vooroordeelen der
+Hooglanders, die niet verdragen konden, dat het hoofd eener vrouw, vóor
+haar huwelijk, bedekt werd.
+
+Flora Mac-Ivor geleek sprekend op haar broeder Fergus; zoo sterk zelfs,
+dat zij Viola en Sebastiaan [83] hadden kunnen spelen, met hetzelfde
+schitterend gevolg, als mevrouw Henry Siddons [84] en haar broeder de
+heer William Murray, in deze rollen. Zij hadden hetzelfde antieke
+regelmatige profiel; dezelfde donkere oogen en wenkbrauwen; blanke
+huid; behalve dat Fergus door de zon een weinig bruiner geworden was;
+terwijl Flora al de fijnheid, waardoor haar geslacht zich onderscheidt,
+bezat. Maar de hooghartige en eenigszins strenge regelmatigheid van
+Fergus’ trekken was op eene wonderbaarlijke wijze in die van Flora
+verzacht. Hunne stemmen hadden ook veel overeenkomst met elkaâr, maar
+verschilden van toon. Die van Fergus, inzonderheid als hij aan zijn
+manschappen bij hunne krijgsoefeningen bevelen gaf, herinnerde Eduard
+aan een lievelingsplaats in de beschrijving van Emetrius:
+
+
+ „Wiens stem in ’t ronde klonk, luid als de krijgstrompet
+ Met zilver-zuivren klank.”
+
+
+Die van Flora, daarentegen, was zacht en liefelijk; „eene uitnemende
+gaaf bij een vrouw;” maar wanneer ze daarentegen over het een of ander
+uitverkoren onderwerp sprak, zoo als ze dikwijls met een natuurlijke
+welsprekendheid deed, bezat ze zoo wel de klanken, die ontzag en ernst
+inboezemen, als die van wegslepende overreding. De scherpe blik van het
+vurige, zwarte oog, die, in het Opperhoofd, het ongeduld verried zelfs
+over de stoffelijke hinderpalen die hij ontmoette, had in dat van zijn
+zuster een zekeren liefelijken ernst. De oogen des broeders schenen den
+roem, de macht, kortom al datgene te zoeken, wat hem boven anderen
+verheffen kon; terwijl die van de zuster, zich harer verstandelijke
+meerderheid bewust, eerder diegenen schenen te beklagen dan te
+benijden, welke naar eenige andere onderscheiding streefden. Hare
+gevoelens waren volkomen in overeenstemming met de uitdrukking van haar
+gelaat. Door de vroegste indrukken harer opvoeding, was haar hart
+zoowel als dat van haar broeder, met de innigste gehechtheid voor het
+verjaagde huis van Stuart bezield. Zij achtte het een heiligen plicht
+van haar broeder, van zijn clan, van iederen bewoner van
+Groot-Brittanje, om ten koste van welk persoonlijk gevaar ook, tot de
+herstelling mede te werken, waarop de aanhangers van den Ridder van St.
+George niet hadden opgehouden te hopen. Hiervoor was ze gereed alles te
+doen, alles te lijden, alles ten offer te brengen. Maar hare
+getrouwheid aan het verbannen geslacht, zoo ze die van haar broeder ook
+al in geestdrift te boven ging, won het tevens in zuiverheid van hem.
+Aan kleine intriges gewoon, in duizenderlei nietige en baatzuchtige
+overleggingen met anderen gewikkeld, even eerzuchtig van aard als hij
+zelf, was Fergus’ staatkundige trouw, zoo al niet besmet dan toch
+verdacht wegens de uitzichten op persoonlijk belang en bevordering, zoo
+ligt daarmede te verbinden; en op het oogenblik, dat hij zijn zwaard
+ontblootte, zou het moeielijk zijn te zeggen, of hij het meer deed met
+oogmerk om Jacobus Stuart tot koning, of Fergus Mac-Ivor tot graaf te
+maken. Het is waar, deze gemengde gevoelens durfde hij zich niet
+bekennen, maar dit nam niet weg dat ze inderdaad bestonden.
+
+In Flora’s borst integendeel brandde het vuur der getrouwheid aan den
+vorst zuiver, en zonder met eenig baatzuchtig gevoel vermengd te zijn;
+ze zou even ligt de godsdienst tot het masker van eer- en baatzuchtige
+bedoelingen gemaakt hebben, als dergelijke plannen te verbergen onder
+de gevoelens, die ze geleerd had voor vaderlandsliefde aan te zien.
+Zulke voorbeelden van verknochtheid waren niet zeldzaam onder de
+voorstanders van het ongelukkige huis van Stuart, waarvan een aantal
+merkwaardige bewijzen den meesten mijner lezers voor den geest zullen
+treden. Maar de bijzondere oplettendheid van den Ridder van St. George
+en van zijn gemalin voor de ouders van Fergus en zijn zuster, en
+inzonderheid voor beiden toen ze weezen waren, had hunne getrouwheid
+versterkt. Fergus was, na den dood zijner ouders, eenigen tijd page
+geweest in het gevolg van des Ridders gemalin, en, om zijn schoonheid
+en levendige geaardheid, werd hij steeds door haar met de hoogste
+onderscheiding behandeld. Deze nu strekte zich insgelijks uit tot
+Flora, die gedurende eenigen tijd, voor rekening van de Prinses, in een
+klooster van den eersten rang werd geplaatst, en van daar overgebracht
+in haar eigen hofgezin, waar ze twee jaren sleet. Beiden, broeder en
+zuster, bleven daarna voortdurend de innigste dankbaarheid voor deze
+vriendelijkheid der Prinses koesteren.
+
+Na aldus de voornaamste beginselen en drijfveeren van Flora’s karakter
+geschilderd te hebben, behoef ik het overige slechts te schetsen. Ze
+was met groote bekwaamheden bedeeld, en had de bevallige manieren,
+welke men verwachten kan van iemand, die op jeugdigen leeftijd in het
+gezelschap eener prinses heeft verkeerd; maar ze had niet geleerd wat
+ze inderdaad voelde onder een zeker vertoon van beleefdheid te
+verbergen. Toen ze zich in de eenzame streken van Glennaquoich
+gevestigd zag, bemerkte ze dat de kennis, die ze van de Fransche,
+Engelsche en Italiaansche letterkunde bezat, zeer weinig, en dan nog
+slechts ongeregeld, voortgezet kon worden; en, daar ze den overigen
+tijd wenschte aan te vullen, wijdde ze een gedeelte daarvan aan de
+muziek en de dichterlijke overleveringen der Hooglanders. Ze begon
+werkelijk een genoegen in deze tijdkorting te vinden, hetwelk haar
+broeder, wiens gevoel voor letterkundig genot niet zoo ontwikkeld was,
+eer voorwendde, om zich bij het volk bemind te maken, dan dat hij het,
+zooals zijn zuster, werkelijk smaakte. Het uitstekende welgevallen,
+haar door diegenen betuigd, bij wie ze zich om onderricht vervoegde,
+bevestigde haar in haar voornemen om hare nasporingen voort te zetten.
+
+De liefde tot haar clan, die ze als een erfdeel in haar hart koesterde,
+had even als hare trouw aan het koninklijke huis, een zuiverder
+beginsel dan die van haar broeder. Fergus was een te degelijk
+staatsman, en beschouwde zijn aartsvaderlijk gezag te zeer als een
+middel om zijn eigene grootheid te bevorderen, dan dat wij hem het
+voorbeeld van een Hooglandsch Opperhoofd noemen zouden. Flora ijverde
+insgelijks, om hunne patriarchale heerschappij aan te kweeken en uit te
+breiden; maar het was met de grootmoedige bedoeling, om diegenen voor
+armoede, of ten minste voor gebrek en vreemde onderdrukking te bewaren,
+over wie haar broeder, volgens de begrippen van dien tijd, door zijn
+geboorte geroepen was te heerschen. Wat ze van haar inkomen besparen
+kon, want ze trok een gering jaargeld van de prinses Sobieski [85],
+werd besteed, niet om de geriefelijkheden des levens voor den
+boerenstand te vermeerderen – want dat was een woord, hetwelk ze
+verstonden noch waarschijnlijk wenschten te verstaan, – maar om in
+hunne volstrekte behoeften, bij ziekte of ouderdom te gemoet te komen.
+Op iederen anderen tijd sloofden deze lieden zich veeleer af, om iets
+te winnen, dat ze met den Hoofdman zouden kunnen deelen, als een bewijs
+van hunne gehechtheid, dan dat ze van hem op eenigen anderen bijstand
+rekenden boven hetgeen de eenvoudige gastvrijheid van zijn kasteel, en
+de algemeene verdeeling en onderverdeeling zijner landgoederen onder
+hen opleverden. Ze waren zoo zeer aan Flora gehecht, dat, toen
+Mac-Murrough een lied had vervaardigd, waarin hij al de bijzondere
+schoonheden van het district opsomde, hij eindigde met haar den
+voorrang boven alles toe te kennen, en wel door het beeld, „dat de
+schoonste appel aan den hoogsten tak hing.” Hij ontving daarvoor, in
+geschenken van enkele leden des clans, meer zaaigerst, dan voldoende
+was om zijn Hooglandschen Parnassus, dien men gewoon was den Bardentuin
+te noemen, tienmalen te bezaaien.
+
+Zoowel door omstandigheden, als uit verkiezing, was de omgang van
+Freule Mac-Ivor zeer beperkt. Haar vertrouwdste vriendin was Rose
+Bradwardine geweest, aan wie ze zeer gehecht was; en bij elkander
+zouden zij den kunstenaar twee uitstekend fraaie modellen van de
+vroolijke en droefgeestige zanggodin hebben opgeleverd. Inderdaad werd
+Rose zoo teeder door haar vader bemind, en was de kring harer wenschen
+zoo beperkt, dat er nooit een bij haar opkwam waaraan hij niet geneigd
+was te voldoen en zelden was er een, welks vervulling niet binnen het
+bereik zijner macht viel. Met Flora was het geheel anders. Toen ze nog
+een kind was, had ze allerlei lot-wisselingen ondergaan; uit een staat
+van glans en luister was ze tot volslagen eenzaamheid en betrekkelijke
+armoede vervallen; en de denkbeelden en wenschen, die ze hoofdzakelijk
+koesterde, hadden betrekking op groote nationale gebeurtenissen en
+omwentelingen, die niet zonder gevaar en bloedstorting tot stand te
+brengen waren, en waaraan inderdaad niet dan met hoogen ernst gedacht
+kon worden. Hare houding was bijgevolg hoog ernstig, ofschoon ze hare
+talenten gaarne aanwendde tot vervroolijking van het gezelschap, en ze
+zeer hoog stond aangeschreven in de achting van den ouden Baron, die
+gewoon was met haar de Fransche duetten van Lindor en Chloris enz. te
+zingen, die omstreeks het einde der regeering van „Louis le Grand” in
+de mode waren.
+
+Men geloofde algemeen, hoewel niemand den baron van Bradwardine hiervan
+iets had durven laten blijken, dat Flora’s beden geen gering aandeel
+hadden aan het bedwingen van Fergus’ gramschap, bij gelegenheid van hun
+twist. Ze vatte haar broeder van de zwakke zijde aan, door eerst stil
+te staan bij den ouderdom van den Baron, en door vervolgens het nadeel
+aan te wijzen, dat de groote zaak lijden kon, zoo ook bij den smet voor
+zijn goeden naam te duchten, waar er sprake was van wijze gematigdheid,
+zoo noodig voor een staatkundig agent, indien hij voornemens bleef den
+twist tot het uiterste te laten komen. Zonder deze bedenkingen zou het
+waarschijnlijk op een tweegevecht zijn uitgeloopen, zoowel omdat de
+Baron, bij een vroegere gelegenheid, het bloed van den clan gestort
+had, hoewel de zaak in der tijd geschikt was – als op grond van den
+grooten roem, dien den grijsaard in het voeren van den degen had
+verworven, en dien Fergus niet nalaten kon te benijden. Om die reden
+had ze te meer op hunne verzoening aangedrongen, waarin het Opperhoofd
+te gereeder toestemde, daar ze eenige door hem uitgedachte plannen
+begunstigde.
+
+Aan deze jonge dame, die thans over het vrouwengebied van de theetafel
+heerschte, stelde Fergus kapitein Waverley voor, en zij ontving hem met
+de gewone door de wellevendheid voorgeschreven vormen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+HOOGLANDSCHE DICHTKUNST.
+
+
+Toen de eerste groeten gewisseld waren, zeide Fergus tot zijn zuster:
+„Mijn lieve Flora, alvorens ik tot de barbaarsche plechtigheden onzer
+voorvaderen terugkeer, moet ik u zeggen, dat kapitein Waverley een
+bewonderaar is van de Celtische Muze, en misschien wel het meest, omdat
+hij geen woord van de taal verstaat. Ik heb hem gezegd, dat gij een
+buitengewoon talent in het vertalen van Hooglandsche poëzij bezit, en
+dat Mac-Murrough uwe overzettingen zijner gezangen op denzelfden grond
+bewondert, als kapitein Waverley het oorspronkelijke, – omdat hij ze
+niet verstaat. Wilt gij de goedheid hebben, onzen gast in het Engelsch
+dien wonderlijken ris van namen, dien Mac-Murrough in het Gaelsch heeft
+aaneengeregen, voor te lezen of voor te dragen? Ik verwed mijn leven
+tegen een haneveder, dat gij een vertaling bezit; want ik weet, dat ge
+in al de beraadslagingen van den bard deelt, en ge al zijn zangen kent,
+lang voor dat hij ze ons in de zaal laat hooren.”
+
+„Hoe kunt ge zoo spreken, Fergus! Ge weet toch wel, hoe onmogelijk het
+is dat deze verzen, een Engelschen vreemdeling belang kunnen
+inboezemen, al kon ik ze ook, zoo als ge voorgeeft, vertalen.”
+
+„Ze zullen hem niet minder dan mij belang inboezemen, schoone dame!
+Vandaag heeft mij uw vereenigde arbeid – want ik houd vol, dat ge voor
+de helft deel aan het werk van den bard hebt – den laatsten zilveren
+beker, die er op het kasteel is, gekost, en ik denk dat binnen kort,
+als ik cour plénière houd, het mij nog meer zal kosten, als de
+zanggodin haren invloed op Mac-Murrough laat gelden; want ge kent ons
+spreekwoord: als de hand van het Opperhoofd ophoudt met te geven,
+bevriest de adem van den bard bij de voordracht. – Wel, ik zou graag
+zien, dat het spoedig gebeurde: er zijn drie dingen, die nutteloos zijn
+voor een hedendaagschen Hooglander, – een zwaard, dat hij niet mag
+trekken, – een bard om daden te bezingen, die hij niet durft navolgen,
+– een ruime geitenvellen beurs, zonder een gouden Louis om er in te
+steken.”
+
+„Wel, broeder, daar ge mijn geheimen verraadt, kunt ge niet verwachten,
+dat ik de uwe bewaren zal. – Ik verzeker u, kapitein Waverley, dat
+Fergus te trotsch is, om zijn zwaard te verruilen tegen een
+maarschalksstaf; dat hij Mac-Murrough voor een veel grooter dichter
+houdt dan Homerus, en dat hij zijn geitenvellen beurs niet zou geven
+voor al de Louis d’or die ze bevatten kon.”
+
+„Goed geantwoord, Flora; slag om slag, zooals Conan [86] tegen den
+duivel zeide. Maar ik laat u beide over barden en poëzij, zoo al niet
+over beurzen en klingen praten, terwijl ik terug ga, om de laatste eer
+te bewijzen aan de oudsten van den stam van Ivor.” En met deze woorden,
+verliet hij de kamer.
+
+Het gesprek werd tusschen Flora en Waverley voortgezet; want twee wel
+gekleede jonge meisjes, die zoo wat het midden hielden tusschen
+makkertjes en afhangelingen, namen er geen deel aan. Ze zagen er beide
+zeer goed uit, maar dienden slechts om de bevalligheid en schoonheid
+harer meesteres nog te verhoogen. Het onderhoud volgde den loop, door
+het Opperhoofd daaraan gegeven, en Waverley werd evenzeer verrast als
+onderhouden door hetgeen de dame hem mededeelde aangaande de Celtische
+poëzij.
+
+„Het opzeggen,” zeide Flora, „van gedichten, die de daden der helden,
+de klachten der minnaars en de oorlogen van strijdvoerende stammen
+verheerlijken, is in de Hooglanden het voornaamste winteravondvermaak
+bij het hoekje van den haard. Men zegt, dat sommige dezer gedichten
+zeer oud zijn; en zoo ze ooit in een der talen van het beschaafde
+Europa worden overgebracht, zullen ze ongetwijfeld een diepen en
+algemeenen indruk maken. Andere zijn van jonger dagteekening; ze zijn
+het werk dier famieliebarden, welke de edelste en machtigste
+Opperhoofden, als de dichters en geschiedschrijvers van hunnen stam er
+op nahouden. Hunne werken bezitten natuurlijk zeer ongelijke
+verdiensten; maar de heerlijke geest daarvan moet bij een vertaling,
+verloren gaan voor hen, die in de vurige gevoelens van den dichter niet
+deelen.”
+
+„En wordt uw bard, wiens uitstortingen heden zulk een uitwerking
+schenen te hebben op het gezelschap, onder de lievelingsdichters der
+bergbewoners gerekend?”
+
+„Dat is een moeielijke vraag. Hij staat zeer hoog onder zijn
+landslieden aangeschreven, en gij moet niet verwachten, dat ik zijn
+roem verkleinen zal.” [87]
+
+„Maar het lied, Freule Mac-Ivor, scheen al deze krijgers jong en oud,
+in vervoering te brengen.”
+
+„Het lied is, zoo te zeggen, niet veel meer dan een catalogus van namen
+der Hooglandsche clans, met de bijzonderheden waardoor zij zich
+onderscheiden, en een tot hen gerichte vermaning, om de daden hunner
+voorvaderen in herinnering te houden en na te volgen.”
+
+„En dwaal ik ten aanzien van de gissing, hoe vreemd zij ook schijne,
+dat er eenige toespeling op mij in de verzen voorkwam, die hij zong?”
+
+„Gij zijt een vlugge opmerker, kapitein Waverley, en hebt u hierin niet
+bedrogen. De Gaelsche taal, zoo ongemeen rijk in klinkletters, eigent
+zich bijzonder voor vlug vervaardigde en voor de vuist gedichte poëzij;
+en het gelukt een bard meestal de uitwerking van een vooraf bedacht
+lied te verhoogen door er eenige coupletten in te lasschen, die,
+gedurende het zingen, door de omstandigheden aan de hand worden
+gegeven.”
+
+„Ik zou mijn beste paard er voor willen missen, om te weten wat de
+Hooglandsche bard te zeggen had van zulk een onbekenden bewoner van het
+Zuiden, als ik ben.” [88]
+
+„Het zal u zelfs geen lok van zijn manen kosten. – Una, mijn lieve!”
+(zij sprak eenige woorden tot een der aanwezige jonge meisjes, die
+terstond een buiging maakte en zich verwijderde). – „Ik heb Una
+gezonden, om aan den bard eenige uitdrukkingen te gaan vragen, waarvan
+hij zich bediend heeft, en gij moogt vrij over mijn weinige bekwaamheid
+als tolk beschikken.”
+
+Una kwam na verloop van eenige minuten terug, en herhaalde voor hare
+meesteres eenige regels in het Gaelsch. Flora scheen zich een oogenblik
+te bedenken, en vervolgens een weinig blozende, wendde ze zich tot
+Waverley. – „Het is onmogelijk, kapitein Waverley, uwe nieuwsgierigheid
+te voldoen, zonder een vermetel waagstuk. Indien gij mij echter eenige
+oogenblikken tot overdenking wilt toestaan, zal ik mijn best doen, den
+zin dezer regels in eene door mij ondernomen Engelsche vertaling van
+een gedeelte des oorspronkelijken lieds, te geven. Het schijnt dat de
+theetafel mijne tegenwoordigheid niet meer eischt, en daar de avond
+schoon is, zal Una u den weg wijzen naar een mijner lievelingsplekjes,
+en Cathleen en ik zullen u daarheen volgen.”
+
+Nadat Una in haar moedertaal de bevelen harer meesteres ontvangen had,
+geleidde ze Waverley door een anderen uitgang, dan dien waardoor hij
+het vertrek was binnengekomen. Op eenigen afstand hoorde hij nog de
+groote zaal weergalmen van het geluid der doedelzakken en van de luide
+toejuichingen der gasten. Toen Una en Eduard door een achterdeur in de
+open lucht gekomen waren, wandelden ze de woeste, donkere en nauwe
+vallei, waarin het huis gelegen was, een eind op, en volgden den loop
+van een riviertje, dat door het dal heenkronkelde. Op een plek,
+omstreeks een kwartier van het kasteel, vereenigden zich twee beken. De
+breedste der twee vloeide in het lange, barre dal af, dat zich,
+schijnbaar zonder eenige verandering of verheffing uitstrekte, zoo ver
+de heuvels, waardoor het begrensd werd, het oog lieten reiken. Maar de
+andere, die haar oorsprong nam tusschen de bergen ter linker zijde van
+den doorgang, scheen uit een zeer nauwe en donkere opening van zware
+rotsen voort te komen. Beide stroomen leverden dan ook een geheel
+verschillend gezicht op. De breedste was bedaard en zelfs traag in zijn
+loop, terwijl hij zich in diepe draaikolken verloor, of in donkerblauwe
+poelen wegdommelde; maar de andere bewoog zich met een geweldige vaart,
+en sprong van tusschen de steilten, even als een zinnelooze uit zijn
+gevangenis te voorschijn, en was geheel schuim en oproer.
+
+Langs dezen stroom werd Waverley nu, als een ridder in een roman, door
+de schoone Hooglandsche juffer, zijn zwijgende geleidster, heengevoerd.
+Een smal paadje, dat op vele plaatsen ten gevalle van Flora verbeterd
+was, bracht hem te midden van tooneelen van een geheel anderen aard,
+dan die welke hij zoo even verlaten had. Rondom het kasteel was alles
+kaal, bar en woest, ofschoon er toch iets rustigs in deze woestheid
+lag; maar dit op zulk een kleinen afstand gelegen nauwe dal, scheen den
+toegang te openen tot een of ander toovergebied. De rotsen namen
+duizenderlei zonderlinge en afwisselende vormen aan. Op een plaats
+verhief een geweldige en vooruitschietende rots haar reusachtige
+gedaante, alsof ze den voorbijganger allen verderen toegang met geweld
+wilde betwisten; en eerst toen Waverley tot aan den voet genaderd was,
+bemerkte hij de onverwachte en scherpe wending van het voetpad, dat
+rondom deze schrikverwekkenden hinderpaal zijn kronkeling voortzette.
+Op een andere plek waren de rotsen, die aan wederzijde van deze kloof
+voorover hingen, elkander zoo dicht genaderd, dat twee over elkander
+gelegde en met zoden bedekte pijnboomstammen, een ruwe brug vormden, op
+een hoogte van ten minste honderd en vijftig voet. Zij was zonder
+leuning en nauwelijks drie voet breed.
+
+Deze gevaarlijke brug scheen niets dan een zwarte lijn, aan het blauw
+des hemels over de smalle strook getrokken, welke door de aan
+weerszijde overhellende rotsen zichtbaar gelaten was. Terwijl Waverley
+hier naar keek, zag hij met een gevoel van ontzetting, Flora en haar
+gezellin verschijnen, die, aan bovenaardsche wezens gelijk, als het
+ware, hoog in de lucht op deze slingerende brug zweefden. Toen zij hem
+beneden ontdekten, hield ze stil, en wuifde hem met een bevallige
+ongedwongenheid, die hem een huivering door de leden joeg, met haar
+zakdoek toe. Door het gevoel van duizeligheid bij hem opgewekt, was hij
+buiten staat den groet te beantwoorden, en nooit gevoelde hij zich meer
+verlicht, dan toen de schoone gedaante de gevaarlijke, door haar met
+zoo veel gerustheid overgetrokken brug verlaten had, en aan de andere
+zijde verdwenen was.
+
+Eenige schreden verder onder de brug, waarvan het gezicht hem zoo veel
+schrik had veroorzaakt, liep het pad, naarmate het zich meer van den
+stroom verwijderde, steiler naar boven, en verbreedde zich het dal tot
+een boschrijke kom, bezet met berken, jonge eiken en hazelaren,
+waartusschen zich hier en daar een taxisboom verhief. De rotsen weken
+thans naar achteren, ofschoon ze nog voortdurend haar grijze en ruige
+toppen hier en daar zichtbaar lieten tusschen het kreupelhout. Nog
+hooger op ontwaarde men andere rotsen, wier spitsen, gedeeltelijk kaal,
+gedeeltelijk met boschaadjes bekleed waren, terwijl sommigen rond en
+purperkleurig met de bloeiende heiplanten en andere gespleten,
+verbrokkeld en verdeeld zich aan het oog voordeden. Na een korte
+wending bracht het pad dat nu eenigen tijd buiten het gezicht van den
+stroom had voortgeloopen, Waverley op eens vlak voor een schoonen
+waterval. Deze was minder opmerkelijk om de hoogte, vanwaar hij
+nederstortte en zijn groote waterstraal, dan om de bijkomende
+schoonheden, die de plek versierden. Na een gebroken val van omtrent
+twintig voet, werd de stroom opgevangen in een ruime, door de natuur
+gevormde kom, tot aan den rand met water gevuld, hetwelk, waar het
+schuim van den val ophield, zoo bij uitstek helder was, dat, in weerwil
+van de geweldige diepte, het oog elk steentje op den bodem kon
+onderscheiden. In deze soort van ketel ronddraaiende, vond de stroom
+een uitgang over een soort van gebroken rotsrand, en vormde een tweeden
+val, die in den afgrond zelven stortte: waarna hij vantusschen de
+zwarte rotsen stroomende, die door de eeuwen gepolijst en glad gemaakt
+waren, kabbelende in de vallei wegdreef en de beek vormde, langs welker
+oevers Waverley zoo even gewandeld had. [89] Alles wat deze
+schilderachtige kom omringde was even schoon; maar het was een
+schoonheid die iets statigs en stouts bijna iets groots had. De met mos
+begroeide oeverzoomen werden afgewisseld door geweldige rotsbrokken, en
+versierd met boomen en heesters, waarvan sommigen onder Flora’s leiding
+geplant waren, maar met zooveel overleg, dat ze het bevallige van het
+landschap bevorderden, zonder de schilderachtige trotschheid er van in
+het minst te benadeelen.
+
+Hier trof Waverley Flora aan, terwijl ze in den waterval staarde,
+gelijk een dier bevallige gestalten, waarmede de landschappen van
+Poussin zijn opgeluisterd. Twee schreden achter haar meesteres stond
+Cathleen, die een kleine schotsche harp droeg, welke Flora had leeren
+bespelen en wel van Rory Dall, een der laatste harpspelers der
+Westersche Hooglanden. De zon, die nu in het westen daalde, wierp een
+rijken afwisselenden glans over al de voorwerpen, welke Waverley
+omringden, en scheen een bovenaardschen luister bij te zetten aan de
+diepe uitdrukking van Flora’s zwart glinsterend oog, en de bevalligheid
+en de reinheid harer gelaatstrekken, waarbij nog hare heerlijke en
+betooverende gestalte, dien luister kwam verhoogen. Eduard zeide in
+zich zelven, dat hij nooit, zelfs in zijn dolste droomen, zich een
+gedaante had voorgesteld die met deze in schoonheid en beminnelijkheid
+te vergelijken was. De woeste pracht van de afgezonderde plek, die zich
+als door een tooverslag aan hem voordeed, verhoogde de gemengde
+gewaarwordingen van geluk en eerbied, waarmede hij haar naderde, alsof
+ze een toovernimf van Boyardo of Ariosto ware, op wier wenk plotseling
+een Eden in de wildernis scheen ontstaan te zijn.
+
+Flora kende, even als iedere schoone vrouw, de macht harer
+bekoorlijkheden, en met groot genoegen bespeurde ze de uitwerking
+daarvan in de eerbiedige, beschroomde toespraak van den jeugdigen
+krijgsman. Maar, daar ze een uitnemend goed verstand bezat, schreef ze
+aan het romaneske van het tooneel en aan andere toevallige
+omstandigheden, een goed deel toe van de ontroering, waaraan Waverley
+blijkbaar ten prooi scheen te wezen. Daar ze noch zijn levendige
+verbeelding, noch zijn ligt ontvlambaar karakter kende, zag ze in zijn
+hulde niets dan de voorbijgaande bewondering, welke zelfs een vrouw van
+veel mindere bekoorlijkheden, onder zulke omstandigheden, zou hebben
+mogen verwachten. Ze sloeg dus zeer bedaard den weg in naar een plek,
+op zulk een afstand van den waterval, dat het geruisch van den
+nederstortenden stroom eer haar stem en de begeleiding ter hulpe moest
+komen dan nadeelig zijn, en, terwijl ze zich op een met mos begroeiden
+rotsblok nederzette, nam ze de harp uit Cathleen’s handen.
+
+„Ik heb u de moeite gegeven, kapitein Waverley,” zeide ze, „naar deze
+plek te komen, zoo wel omdat ik meende dat het landschap zelf u belang
+zou inboezemen, als omdat een Hooglandsch gezang nog meer door mijn
+onvolkomene overzetting zou lijden, als niets van het woeste en
+daarmede overeenstemmende er bij kwam. Om mij van de dichterlijke
+uitdrukking van mijn land te bedienen: de Celtische Muze woont in de
+nevelen van een verborgen, eenzamen heuvel, en haar stem is het
+gemurmel van den bergstroom. Hij die haar zoeken wil, moet aan de barre
+rots boven de vruchtbare vallei, en aan de eenzame woestijn boven de
+vroolijke feestzaal de voorkeur geven.”
+
+Bezwaarlijk kon iemand het schoone meisje deze verklaring met een
+bezielde stem hooren doen, zonder uit te roepen, dat de door haar
+vereerde Muze nooit een bevoegder plaatsvervangster kon vinden. Maar
+ofschoon deze gedachte zich aan zijn ziel opdrong, had Waverley den
+moed niet om ze uit te spreken. Inderdaad, het overweldigende genot,
+waarmede hij de eerste tonen door haar uit de harp gelokt hoorde, werd
+hem bijna pijnlijk. Om al de schatten der wereld zou hij zijn plaats
+aan hare zijde niet verlaten hebben; en toch verlangde hij naar de
+eenzaamheid, om rustig en ongestoord de verschillende gewaarwordingen
+te ontleden en te onderzoeken, waardoor zijn hart bestormd werd.
+
+Flora had het eentonig en afgemeten recitatief van den bard vervangen
+door de muziek van een aloud Hooglandsch krijgslied, dat wegsleepend en
+verheven van aard was. Op eenige weinige onregelmatige akkoorden volgde
+een præludium, woest en zonderling, maar in volkomen overeenstemming
+met het gemurmel van den verwijderden waterval en het zuchten van het
+avondkoeltje, dat in de bladeren van een espenboom ritselde, welke
+boven de zitplaats der harpspeelster zijn takken uitbreidde. De
+volgende verzen zullen slechts een gering denkbeeld geven van den
+indruk, dien ze, aldus voorgedragen en begeleid, op Waverley maakten:
+
+
+ Zie de mist kleurt het dal en den heuveltop vaal,
+ Maar de slaap is nog zwaarder des zoons van den Gael;
+ De overheerscher gebiedt: – in zijn juk zucht het land,
+ Ieders hart is verstijfd, en verlamd ieders hand.
+
+ Als begraven in ’t stof, ligt het schild en het zwaard,
+ Waar het oog slechts het rood van den roestvlek ontwaart;
+ En al draagt men een roer door ’t gebergt met zich meê,
+ Och, ’t is enkel noodlottig voor veldhoen of ree.
+
+ Brengt de roem van de vaadren de barden in gloed,
+ Door een blos of een slag zij hun lied dan begroet!
+ Tedre luitsnaar word’ stom, en gesust iedre toon,
+ Die herinnert aan glorie, sinds lang al ontvloôn.
+
+ Maar de nacht is geweken, de slaap is voorbij,
+ In het eind maakt de morgen de bergen weêr blij,
+ En Glenadala’s spitsen weêrkaatsen zijn glans,
+ En het lachend Glenfinnan [90] gaat golvend ten dans!
+
+ Onverschrokkene Moray! [91] gij balling zoo dier,
+ O verhef bij ’t ontwaken des dags uw banier!
+ Dat ze statiglijk wappere op d’ adem van ’t noord,
+ Zooals ’t zonlicht een wijl door de stormvlagen gloort.
+
+ Moet, o teelt van den sterke, als die morgen genaakt,
+ U de harpe des grijsaards herinren: ontwaakt!
+ Op der voorvaadren oog straalde nimmer zijn rood,
+ Of hij wekte iedren hoofdman ter zege of ten dood.
+
+ O gij nakroost der vorsten uit Islay’s gebied,
+ Trotsche heerschers van Ranald, Glengary en Sleat,
+ Vereent u als drie stroomen, een sneeuwberg ontsnelt,
+ En stort los op den vijand, en uwer zij ’t veld!
+
+ Trouwe zoon van Sir Evan Lochiel, zoo vermaard,
+ Hang uw schild aan den schouder, en wet er uw zwaard!
+ Vul de klank van uw hoorn, woeste Keppoch, het dal,
+ En het ver Corryarick weerkaats zijn geschal.
+
+ Koene zoon van Lord Kenneth, gij hoofd van Kintail!
+ Dat het hert in uw standaard in ’t windgefluit speel!
+ Dat de stam van Glenkillan zoo vrij als getrouw,
+ Ons Glenlivat herinner, Dundee, of Harlaw!
+
+ Dat het nakroost van Fingon, die clan zoo vermaard,
+ Om zijn mart’laars bij God, en zijn helden op aard,
+ Saam vereend met den stam van ’t beroemd Rorrimore,
+ Thans de vaartuigen sture in het glorievol spoor!
+
+ Van geneugt juicht Mac-Shimei, op ’t zien van ’t helmet,
+ Door zijn clanhoofd op sneeuwwitte kruin zich gezet,
+ En de stam van Alpine en Glencoe plast verwoed,
+ Door de wrake gespoord in der vijanden bloed.
+
+ O, gij zonen diens Dermids, die streedt met den beer,
+ O, Mac-neil van het eiland, en Moy van het meer,
+ Voor de wrake, voor de eer en de vrijheid ontwaakt!
+ En Mac Cullum Mores naam u thans waardig gemaakt!
+
+
+Op dit oogenblik kwam een groote jachthond, die door het dal vloog,
+tegen Flora opspringen, en haar muziek door zijn lastige liefkozingen
+storen. Op een in de verte klinkend gefluit keerde hij zich om, en
+snelde het pad weder met de vlugheid van een pijl af. „Dit is de trouwe
+medgezel van Fergus, kapitein Waverley, en dat was zijn signaal,”
+merkte het meisje op. „Hij houdt van geen poëzij, tenzij van het
+luimige genre, en komt juist van pas, om den langen catalogus af te
+breken van stammen, welke een uwer ondeugende Engelsche dichters
+omschreven heeft als:
+
+
+ „Een ongeschoeide troep van hooggeboren bedelaren,
+ Hoogmoedig op het mac dat ze met hun namen paren.” [92]
+
+
+Waverley betuigde zijn leedwezen over deze stoornis.
+
+„o Gij kunt niet gelooven, hoeveel ge verloren hebt! De bard heeft,
+volgens zijn verschuldigden plicht, drie lange coupletten gericht tot
+Vich Ian Vohr, waarin hij diens groote eigenschappen optelt, en niet
+vergeten heeft in te vlechten, dat hij een vriend is van den harpenaar
+en den bard – „een gever van milde giften.” Daarenboven zoudt ge een
+treffende toespraak hebben gehoord aan den schoongelokten zoon des
+vreemdelings, levende in het land, waar het gras altijd groen is – den
+ruiter op het glinsterend krijgsros, welks huid is als dat der raven,
+en welks brieschen als het geschreeuw van den arend, die hunkert naar
+den strijd. Deze dappere ruiter wordt met warmte bezworen zich te
+herinneren, dat zijn voorvaderen zich zoo wel onderscheidden door hun
+getrouwheid aan den vorst, als door hun moed. – Dit hebt ge alles
+gemist; maar daar uwe nieuwsgierigheid niet voldaan is, zoo maak ik uit
+het verre fluiten mijns broeders op, dat ik nog even den tijd zal
+hebben om de slotcoupletten te zingen, eer hij komt om met mijn
+vertaling den spot te drijven.”
+
+
+ Dappre zoons van ’t gebergte, van eiland en meer,
+ Stroomt uw heuvelen af, daagt van heinde en van veer, –
+ Hoort! de horen schalt rond, maar hij roept niet ter jacht,
+ Hoort! de zakpijp gonst luid, maar geen feest dat u wacht.
+
+ Maar hij roept er de helden ter zege of ten val,
+ Als de vaandelen wuiven om heuvel en dal!
+ Maar hij roept om den dolk, om het schild, om het zwaard,
+ Tot den marsch, tot den aanval – uw vaderen waard!
+
+ Voere elk hoofdman het wraakstaal, als Fingal de held!
+ Stroome ’t bloed door zijn aadren met bruisend geweld!
+ Breekt het juk van den vreemde als uw vaadren weleer,
+ Of sterft als die vaadren, en duldt het niet meer!
+
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+WAVERLEY VERLENGT ZIJN VERBLIJF TE GLENNAQUOICH.
+
+
+Nauwelijks had Flora haar lied geëindigd, of Fergus stond voor hen. „Ik
+wist, dat ik ook zonder de hulp van mijn vriend Bran, u hier zou
+vinden. Iemand met een eenvoudigen smaak, zoo als de mijne, en die niet
+naar het verhevene zoekt, zou aan de springende fontein van Versailles
+boven dezen waterval, met al zijn rotswerk en geplas de voorkeur geven;
+maar, kapitein Waverley, dit is Flora’s Parnassus, en deze stroom haar
+Helicon. Ze zou mijn kelders geen geringe dienst bewijzen, zoo zij haar
+coadjutor, Mac-Murrough, van de uitnemende kracht dezer bron kon
+overtuigen; hij heeft nog pas een halve flesch brandewijn opgedronken,
+om, zoo als hij zeide, de koude van den rooden wijn wat te temperen.
+Kom, laat mij de kracht er eens van beproeven.” Hij slurpte een weinig
+water uit de holte van de hand, en begon dadelijk met een theatrale
+houding:
+
+
+ „Gegroet, o schoone der woestijn!
+ Der Gaelsche zangkunst oogelijn!
+ In ’t fraai en vruchtbaar land verwekt,
+ Waar gras noch graan den grond bedekt.”
+
+
+„Maar de Engelsche poëzij gelukt nooit onder den invloed eens
+Hooglandschen Helicons: Allons, courage! De Fransche taal zal mij beter
+van dienst zijn:
+
+
+ O vous qui buvez à tasse pleine
+ A cette heureuse fontaine,
+ Où l’on ne voit sur le rivage
+ Que quelques vilains troupeaux
+ Suivis de nymphes de village,
+ Qui les escortent sans sabots.”
+
+
+In ’s hemels naam, lieve Fergus, verschoon ons van deze
+allervervelendste en laffe personages uit Arcadië. Laat, bid ik u,
+Coridon en Lindor niet op ons los.”
+
+„Wel! zoo ge geen smaak kunt vinden in den herderstaf en de schalmei,
+dan zal ik u op een heldendicht onthalen.”
+
+„Beste Fergus, gij hebt zeker meer geproefd uit Mac-Murrough’s beker,
+dan uit den mijnen.”
+
+„Dat ontken ik, ma belle demoiselle, al moet ik ook verklaren, dat die
+mij het best van de twee zou behagen. Wie uwer ijlhoofdige Italiaansche
+romancedichters zegt er:
+
+
+ Io d’ Elicona niente
+ Mi curo, in fe de Dio, che’l bere d’acque
+ (Bea chi ber ne vuol) sempre mi spiacque. [93]
+
+
+Maar zoo gij aan het Gaelsch de voorkeur geeft, kapitein Waverley, zal
+hier de kleine Cathleen Drimmindhu voor u zingen. – Kom, Cathleen,
+(mijn beste), begin slechts; geene komplimenten!”
+
+Cathleen droeg zeer levendig een Gaelsch liedje voor, waarin een
+landman op tragi-komische wijze het verlies zijner koe betreurt. Schoon
+Waverley niets verstond van de taal waarin ze het zong, moest hij meer
+dan eens om het komieke van de voordracht lachen.” [94]
+
+„Uitmuntend, Cathleen,” riep het Opperhoofd, „ik moet binnen kort een
+knap man voor u onder mijn clanslieden uitzoeken.”
+
+Cathleen lachte, bloosde en verschool zich achter haar gezellin.
+
+Op hun terugtocht naar het kasteel, drong het Opperhoofd bij Waverley
+met warmte aan een paar weken te blijven, ten einde getuige te wezen
+van een jachtpartij, waaraan hij en eenige andere Hooglandsche heeren
+voornemens waren deel te nemen. De tooverkracht van schoonheid en
+muziek had te diepen indruk op het hart van Waverley achtergelaten, dan
+dat hij in staat zou geweest zijn voor deze vriendelijke uitnoodiging
+te bedanken. Men kwam dus overeen, dat hij een briefje naar den baron
+van Bradwardine zou zenden, waarin hij zijn voornemen te kennen gaf, om
+een veertien dagen te Glennaquoich te blijven, terwijl hij hem verzocht
+door den brenger (een gilly, of loopjongen, van het Opperhoofd) de
+brieven te laten bezorgen, die voor hem mochten gekomen zijn.
+
+Dit bracht het gesprek op den Baron, dien Fergus als edelman en soldaat
+hoog roemde. Zijn karakter werd nog wel zoo juist en fijn geschetst
+door Flora, die beweerde dat hij inderdaad het model was van een oud
+Schotschen ridder, met al zijn zonderlingheden en deugden. „Het is een
+soort van mensch, kapitein Waverley, die langzamerhand verdwijnt; want
+de edelste trek er van, was eerbied voor zich zelf, dien men tot nu toe
+nooit uit het oog verloren had. Maar thans worden de heeren, wier
+beginselen hun niet toelaten aan het tegenwoordige Bewind hun hof te
+maken, verwaarloosd en vernederd, en velen gedragen zich daarnaar, en
+onderwerpen zich, gelijk enkele lieden, die ge op Tully-Veolan ontmoet
+hebt, aan gewoonten en gezelschap, die onbestaanbaar zijn met hunne
+geboorte en in strijd met hun opvoeding. De onbarmhartige partijwoede
+schijnt de slachtoffers, die zij, hoe onrechtvaardig ook, brandmerkt,
+inderdaad te vernederen. Maar laat ons hopen dat er een helderder dag
+aanbreekt; dat een Schotsch landedelman een geleerde zal kunnen zijn,
+zonder de pedanterie van onzen vriend den Baron; een liefhebber van de
+jacht zonder de onfatsoenlijke manieren van den heer Falconer; en een
+oordeelkundig landbouwer, zonder een lompe tweebeenige os te worden,
+als Killancureit.”
+
+Aldus voorspelde Flora een omwenteling, die inderdaad door den tijd is
+teweeg gebracht, ofschoon op eene geheel andere wijze, dan zij zich
+voorstelde.
+
+Zij sprak vervolgens over de beminnelijke Rose, en hield de warmste
+lofspraken op haar schoonheid, manieren en inborst. „Een onwaardeerbare
+schat,” zeide Flora, „zal den man ten deel vallen die het voorwerp van
+Rose Bradwardine’s genegenheid wordt; het bezit van haar hand en haar
+hart zal hem voorzeker gelukkig maken. Ze is geheel en al bezield met
+haar „t’huis”, en ze smaakt in de uitoefening van al de vreedzame
+deugden der huiselijkheid haar hoogste genoegen. Haar echtgenoot zal
+voor haar zijn, wat haar vader nu is, het voorwerp van al haar zorg,
+teederheid en liefde. Ze zal niets zien, en aan niets anders denken dan
+door hem en aan hem. Zoo hij een verstandig en braaf man is, zal ze
+zijn verdriet met hem gevoelen, zijn zorgen verzachten, zijn vermaken
+deelen. Wordt ze de vrouw van een strengen echtgenoot, of van iemand,
+die haar verwaarloost, dan zal ze zich insgelijks naar zijn zin
+schikken, want ze zal zijn onvriendelijke behandeling niet lang
+beleven. En, helaas! hoe groot is de kans, dat zulk een onwaardig lot
+mijn arme vriendin te beurt zal vallen! Waarom ben ik geen Koningin, om
+den beminnelijksten en waardigsten jongeling van mijn rijk te kunnen
+bevelen zijn geluk, te gelijk met de hand van Rose Bradwardine, te
+zoeken!”
+
+„Intusschen zou ik wel wenschen, dat ge haar geliefdet te bevelen, en
+attendant mijne hand aan te nemen,” zei Fergus lachende.
+
+Ik weet niet door welke opwelling het kwam, dat deze wensch, hoewel in
+scherts geuit, Eduard eenigszins schokte, in weerwil van zijn
+toenemende genegenheid voor Flora, en zijn onverschilligheid omtrent
+Freule Bradwardine. Dit is een dier geheimen van het menschelijk hart,
+welke wij vermelden, zonder te pogen er een verklaring van te geven.
+
+„Uwe hand, broeder?” antwoordde Flora, terwijl ze hem strak in het
+gelaat zag. „Neen! ge hebt een andere bruid – de Eer; en de gevaren die
+ge loopen moet om het bezit harer mededingster, zouden de arme Rose het
+hart breken.”
+
+Onder dit gesprek bereikten ze het kasteel, en Waverley had spoedig
+zijn brief voor Tully-Veolan gereed gemaakt. Daar hij wist dat de Baron
+op zulke zaken zeer nauwlettend was, wilde hij zijn schrijven
+verzegelen met het familiewapen, doch hij vond het cachet niet aan zijn
+horlogie, en begreep dat hij het op Tully-Veolan had laten liggen. Hij
+sprak met een paar woorden over dit geleden verlies, en verzocht
+intusschen het zegel van zijn gastheer te mogen gebruiken.
+
+„Zeker,” zeide freule Mac-Ivor, „Donald Bean Lean zou niet –”
+
+„Ik sta met mijn leven borg voor hem in zulke omstandigheden,”
+antwoordde haar broeder: „daarenboven zou hij gewis het horloge niet
+vergeten hebben.”
+
+„Hoe het zij, Fergus,” zeide Flora, „en wat ik ook toegeef, het
+verbaast mij toch, dat ge dien man kunt voorspreken.”
+
+„Ik hem voorspreken! – Mijn vriendelijke zuster zou u wel diets maken,
+kapitein Waverley, dat ik zijn medeplichtige ben, – of, om duidelijker
+te spreken, dat de roover, bij wijze van schatting, een deel van zijn
+buit heeft moeten afstaan aan den landheer, over wiens gebied hij met
+zijn prooi getrokken is. Twijfel er geen oogenblik aan, zoo ik geen
+middel weet te vinden om Flora’s tong te breidelen, dan zal nog de
+generaal Blakeney een sergeant met eenige manschappen uit Stirling
+zenden, (dit zeide hij op trotschen en spotachtigen toon) om Vich Ian
+Vohr, zoo als men mij noemt, in zijn eigen kasteel gevangen te nemen.”
+
+„Kom, kom, Fergus! moet onze gast niet gevoelen, dat dit alles
+kinderpraat en gekheid is? Ge hebt lieden genoeg tot uw dienst, zonder
+bandieten er onder op te nemen, en uw eigen eer is boven allen blaam
+verheven. – Waarom zendt ge dezen Donald Bean Lean, dien ik om zijn
+lage vleierij en dubbelhartigheid, nog meer dan om zijn rooverij haat,
+niet dadelijk uw land uit? Niets ter wereld zou mij kunnen bewegen om
+zulk een mensch te dulden.”
+
+„Niets ter wereld, Flora?” zei het Opperhoofd, met nadruk.
+
+„Niets, Fergus! zelfs dat niet, wat mij het naast aan het hart ligt.
+Bespaar me het ongeluk van zulke onwaardige bondgenooten te hebben.”
+
+„Maar, hoor, zuster!” hernam het Opperhoofd op vroolijken toon, „ge
+denkt niet aan mijn achting voor la belle passion. Evan Dhu Maccombich
+is verliefd op Donald’s dochter Alice, en ge kunt niet verwachten, dat
+ik hem in zijn liefde zal dwarsboomen. Wel, de geheele clan zou zeggen,
+dat het schande was! Ge kent een hunner wijze gezegden, dat een
+bloedverwant een gedeelte is van iemands lichaam; maar dat een
+zoogbroeder een gedeelte is van iemands hart.”
+
+„Nu, Fergus, er is met u geen twisten; ik wensch maar dat alles goed
+afloopen moge.”
+
+„Een vrome wensch, mijn lieve en profetische zuster! en het best
+mogelijke middel om een eind te maken aan een zwak argument. Maar,
+hoort ge de doedelzakken niet, kapitein Waverley? Misschien zult ge
+meer lust hebben, om bij den klank dier muziek te dansen, dan door de
+harmonie te worden doof gemaakt, zonder deel te nemen in de
+lichaamsbeweging, waartoe ze ons uitngodigen.”
+
+Waverley nam Flora’s hand. Het dansen, zingen en feestvieren werd druk
+voortgezet, en besloot den vroolijken dag op het kasteel van Vich Ian
+Vohr. Eduard trok zich eindelijk terug; maar, door een aantal nieuwe en
+strijdige gewaarwordingen geslingerd, kon hij gedurende langen tijd
+geen rust vinden, terwijl hij in dien niet onaangenamen toestand
+gehouden werd, waarbij de verbeelding het roer in handen neemt, en de
+geest veeleer lijdelijk voortdrijft op den snellen en ongeregelden
+stroom der gedachten, dan wel eenige moeite doet, om ze aan te vatten,
+te schikken of te onderzoeken. Hij viel laat in slaap, en in zijn
+droomen stond het beeld van Flora Mac-Ivor voor hem.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN HERTEJACHT EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
+
+
+Zal dit een kort of een lang hoofdstuk zijn? – Dat is een vraag, waarin
+ge, geachte lezer, geen stem hebt, hoezeer ge ook in de gevolgen moogt
+betrokken wezen; juist zooals ge (even als ik zelf) niets te maken hebt
+met het opleggen eener nieuwe belasting, uitgenomen de onbeduidende
+omstandigheid, dat gij ze betalen moet. Evenwel zijt ge zeker ruim zoo
+gelukkig in het tegenwoordige geval; want ofschoon het aan mij staat,
+mijn stof naar verkiezing te rekken, kan ik u echter niet voor den
+rechter dagen, zoo het u mocht goeddunken mijn verhaal niet te lezen.
+Laat mij dus eens overleggen. Het is waar, dat de jaarboeken en
+stukken, die ik in handen heb, slechts weinig van deze Hooglandsche
+jacht zeggen; maar daarentegen kan ik elders overvloedige bouwstoffen
+vinden, om er een beschrijving van te geven. Want de oude Lindsay [95]
+van Pitscottie ligt naast me opengeslagen, met zijn beschrijving der
+jacht in het Atholsche bosch, en „zijn hoog en geribd paleis van groen
+hout, met allerlei soort van drank, die men krijgen kon in steden en in
+dorpen, als ale, bier, wijn, muskadel, malvoizij, hypocras en aqua
+vitæ; benevens wittebrood, bruinbrood, koek, ossenvleesch,
+schapenvleesch, lamsvleesch, kalfsvleesch, wild, ganzen, jonge varkens,
+kapoenen, konijnen, kraanvogels, zwanen, patrijzen, pluivieren, eenden,
+pauwen, zwarte faizanten, korhoenders, enz.”, niet te vergeten „de
+kostelijke ligging, het vaatwerk en tafellinnen,” en minst van allen
+„de bekwame hofmeesters, allerknapste baksters, voortreffelijke koks en
+suikerbakkers, zoo min als de ingelegde en gedroogde confituren voor
+het nagerecht.” Behalve de bijzonderheden, die men verzamelen kan in de
+beschrijving van dit Hooglandsche feest, (welks luister des Pausen
+Legaat noopte om een gevoelen te verzaken, dat hij tot hiertoe
+gekoesterd had, namelijk dat Schotland het – ja, het uiterste einde van
+de wereld was); behalve deze bijzonderheden, zou ik immers mijn verhaal
+wel mogen opluisteren met behulp van Taylor den waterpoëet [96], die
+deze jachtpartij beschreef op de heide van Mar:
+
+
+ Langs heide en mos, door poel en kreek,
+ waarin het vorschje kwaakt;
+ Op ruwen rotstop en gebergt,
+ waarlangs de bliksem blaakt;
+ Wordt haas en bok en ree gejaagd,
+ gejaagd door mensch en hond;
+ En in een tweetal uren dekt
+ een twintigtal den grond.
+ o Laagland! laag is steeds uw jacht,
+ als wat ge biedt aan ’t oog;
+ Maar als het Hoogland jaagt of speelt,
+ is ’t altijd stout en hoog.
+
+
+Maar zonder mijn lezers langer te kwellen, of mijn uitgebreide
+belezenheid verder uit te kramen, zal ik me tevreden stellen met het
+aanhalen van een enkele bijzonderheid uit de merkwaardige jacht te
+Lude, welke in de Verhandeling over de Caledonische Harp van den
+geleerden heer Gunn voorkomt; en ik derhalve mijn geschiedenis
+vervolgen met al de kortheid, welke mijn eigene wijze van stellen (die
+wel iets heeft van hetgeen door geleerden de omschrijvende en
+uitvoerige manier, maar door het gemeen met den naam van omslachtige
+bestempeld wordt), mij vergunnen zal.
+
+Om onderscheidene redenen werd de groote jachtpartij drie weken
+uitgesteld. De tusschentijd werd door Waverley met veel genoegen te
+Glennaquoich gesleten; want de indruk, dien Flora, bij de eerste
+ontmoeting, op hem had gemaakt, nam met iederen dag toe. Ze was juist
+iemand, om een jong mensch van levendige verbeelding te betooveren.
+Hare manieren, hare gesprekken, hare gaven in de poëzij en de muzijk,
+zetten aan haar persoonlijke bevalligheid nieuwe bekoorlijkheden bij.
+Zelfs in haar vroolijke oogenblikken was ze, in zijn schatting, boven
+de gewone dochters van Eva verheven, en scheen ze slechts voor enkele
+oogenblikken zich te vernederen tot die uitspanningen en nietigheden,
+waarvoor zoovele vrouwen schijnen te leven. Door den omgang met deze
+betooverende schoone, terwijl de jacht zijn morgenuren in beslag man,
+en de avond met dans en gezang voorbijging, werd Waverley met iederen
+dag meer ingenomen met zijn gullen gastheer, en meer verliefd op diens
+bekoorlijke zuster.
+
+Eindelijk brak de bepaalde tijd voor de aangekondigde jachtpartij aan,
+en Waverley en het Opperhoofd vertrokken naar de plaats der
+vereeniging, een dagreize noordwaarts van Glennaquoich gelegen. Fergus
+had bij deze gelegenheid een gevolg van omstreeks driehonderd
+manschappen uit zijn clan, wel gewapend en uitgerust in hun besten
+tooi. Waverley schikte zich in zoo verre naar de gewoonte des lands,
+dat hij de trews droeg, maar kon er niet toe besluiten om den kilt aan
+te nemen; ook droeg hij de brogues en de muts als de meest geschikte
+kleeding voor de jacht die hij bijwonen zou, en welke hem daarenboven
+minder blootstelde om als vreemdeling te worden aangegaapt, wanneer zij
+op de bepaalde plek aankwamen. Zij troffen ter bedoelde plaatse een
+aantal aanzienlijke Opperhoofden aan. Waverley werd plechtig aan deze
+voorgesteld en met hartelijkheid door hen ontvangen. Hunne vazallen en
+clanslieden, tot wier leenplicht het behoorde op zulke bijeenkomsten te
+verschijnen, kwamen zoo talrijk op, dat ze een klein leger vormden.
+Deze vlugge lieden verspreidden zich wijd en zijd over het land,
+terwijl ze om mij van den kunstterm te bedienen, een kring of tinchel
+vormden. Deze kring, die hoe langer hoe nauwer werd, dreef de herten in
+troepen bijeen naar het dal, waar de Opperhoofden en voorname jagers op
+hen loerden. In den tusschentijd bivakkeerden de groote heeren op de
+bloemrijke heide, in hun plaid gewikkeld, welke wijze om een zomernacht
+door te brengen, door Waverley lang niet onaangenaam gevonden werd.
+
+Gedurende verscheidene uren na zonsopgang, heerschte er op de heuvels,
+bergruggen en passen de gewone stilte en eenzaamheid; de Opperhoofden,
+met hun gezelschap, vermaakten zich met allerhande tijdkortingen,
+waaronder de genoegens van „de schelp,” zooals Ossian die beschrijft,
+niet vergeten werden. Anderen waren ter zijde gezeten op een afgelegen
+heuvel; waarschijnlijk even diep verzonken in de behandeling van
+staatszaken en nieuwstijdingen, als Milton’s geesten in hunne
+metaphysische gesprekken. Eindelijk werd het signaal gegeven dat het
+naderen van het wild aankondigde. In de verte aangeheven kreten
+weergalmden van dal tot dal, naarmate de verschillende afdeelingen der
+Hooglanders, onder het beklimmen der rotsen, het doorworstelen van het
+kreupelhout, het doorwaden der beken, het kruipen door riet en
+struiken, meer en meer elkander naderden, en de verbaasde herten en
+andere wilde dieren, die voor hen henen vluchtten, in een nauwer omtrek
+voor zich uitdreven. Elk oogenblik vernam men het geluid van
+geweerschoten door duizenden echo’s teruggekaatst. Het bassen der
+honden voegde zich welhaast bij het koor, dat met ieder oogenblik
+luider en luider werd. Op het laatst begon de voorhoede der herten
+zichtbaar te worden, en toen ze bij twee of drietallen den bergpas
+kwamen afspringen, toonden de Opperhoofden hunne bedrevenheid in het
+uitkippen der vetste beesten, en hunne behendigheid in het dooden der
+dieren met hunne jachtroeren. Fergus legde een bijzondere vaardigheid
+aan den dag, en Eduard was mede zoo gelukkig, de opmerkzaamheid der
+jagers tot zich te trekken en hunne toejuiching te verwerven.
+
+Maar nu begon de gansche hoop van herten zich in het dal te vertoonen
+en maakte, in een zeer nauwen doorgang bijeen gejaagd, zulk een
+ontzaglijke phalanx uit, dat hun gewei op een afstand, op de
+aangrenzende hoogte, een bladerloos bosch scheen te vormen. Hun aantal
+was zeer groot; en, op het zien van de dreigende houding die ze
+aannamen, terwijl ze zich in slagorde schaarden met de grootste der
+herten vooraan, onder het aangapen van de groep, welke hun den
+doortocht van het dal betwistte, begonnen de bedrevenste jagers gevaar
+te voorspellen. Doch nu ving tevens het werk der verwoesting aan alle
+kanten aan. Honden en jagers waren aan het werk, en geweerschoten
+weerklonken uit iederen hoek. De herten, tot wanhoop gedreven, deden
+ten laatste een vreeselijken aanval juist op de plek, waar de beste
+schutters zich geplaatst hadden. Er werd terstond gewaarschuwd in het
+Gaelsch, dat men zich op het aangezicht zou werpen; maar Waverley, voor
+wiens Engelsche ooren de klank verloren ging, was bijna het slachtoffer
+geworden van zijn onkunde in deze aloude taal. Fergus, die het gevaar
+bemerkte, sprong op en wierp hem juist op het oogenblik tegen den
+grond, dat de geheele kudde op hem losbrak. Daar de aandrang
+onwederstaanbaar was, en de wonden van een hertengewei hoogst
+gevaarlijk zijn [97], zoo kan men gerust zeggen, dat de vlugheid van
+het Opperhoofd, bij deze gelegenheid zijn gast het leven gered had. Hij
+hield hem met vaste hand op den grond uitgestrekt, tot de geheele kudde
+over hen heen was gevlogen. Nu wilde Waverley opstaan; maar hij voelde
+dat hij eenige belangrijke kneuzingen ontvangen had, en bij nader
+onderzoek bleek het, dat hij zijn enkel geweldig verstuikt had.
+
+Dit stoorde de vreugde der bijeenkomst; ofschoon de Hooglanders, aan
+zulke voorvallen gewoon en daarop voorbereid, zelven geen last geleden
+hadden. In een oogenblik was er een hut opgericht, waarin Eduard op een
+leger van heide werd nedergelegd. De chirurgijn, of hij die zich als
+zoodanig aanmeldde, scheen de hoedanigheden van een paardendocter en
+een toovenaar in zich te vereenigen. Hij was een oude, uitgedroogde
+Hooglander, met een eerwaardigen grijzen baard, en wiens geheele
+kleeding uit een rok van donkere tartan bestond, waarvan de panden tot
+op de knie afdaalden, en, daar hij van voren dicht was, tevens tot
+wambuis en broek diende [98]. Hij naderde Eduard met groote deftigheid,
+en wilde, ofschoon onze held van pijn kromp, niet tot eenige
+kunstbewerking overgaan, om ze te verligten, voor en aleer hij zijn bed
+driemaal was rondgegaan, waarbij hij zich van het oosten naar het
+westen, volgens den loop der zon bewoog. Dit, de Deasil [99] genoemd,
+scheen door den dokter en de omstanders beschouwd te worden als een
+zaak van het uiterste belang, alvorens de kuur volbracht werd; en
+Eduard, wien de pijn buiten staat stelde, iets daartegen in te brengen,
+en die zich ook inderdaad weinig heil daarvan voorspelde, onderwierp
+zich stilzwijgend.
+
+Nadat deze plechtigheid behoorlijk volbracht was, tapte de oude
+Esculaap Eduard, door middel van een kopglas, met vrij wat
+behendigheid, eenig bloed af, en begon, terwijl hij gedurig bij zich
+zelven in het Gaelsch mompelde, zekere kruiden te koken, waarvan hij
+een pap maakte. Daarop legde hij deze op de deelen, die geleden hadden,
+terwijl hij geen oogenblik met het mompelen van gebeden of bezweeringen
+ophield. Waverley kon niet onderscheiden, welke van beide het waren,
+daar zijn oor niets opving dan Gasper-Melchior-Balthazar-maxprax-frax,
+en dergelijke brabbeltaal. Het pappen miste de gewenschte uitwerking
+niet: de pijn en de zwelling verminderden, hetgeen door onzen held aan
+de kracht der kruiden of het gevolg der warmte, doch door de omstanders
+eenstemmig aan de tooverspreuken, welke de operatie hadden vergezeld,
+werd toegeschreven. Men gaf Eduard te verstaan, dat geen enkele der
+geneesmiddelen geplukt was, dan bij volle maan, en dat de kruidkenner,
+onder het inzamelen, onophoudelijk een tooverspreuk had opgezegd, die
+in het Engelsch aldus luidde:
+
+
+ O wees gegroet, gij heilig kruid,
+ Ontkiemd op heilgen grond;
+ ’t Was op d’ Olijfberg, dat men u
+ Het allereerste vond.
+ Voor menig kneuzing hebt gij baat,
+ Gij heeldet menig wond;
+ In naam van onze Lieve Vrouw
+ Raap ik u van den grond. [100]
+
+
+Eduard merkte, niet zonder verwondering, op, dat zelfs Fergus, in
+weerwil van zijn kennis en opvoeding, in de bijgeloovige denkbeelden
+zijner landgenooten scheen te deelen, hetzij omdat hij het
+onstaatkundig achtte den twijfelaar uit te hangen in een zaak die
+algemeen geloof vond, of, wel zoo waarschijnlijk, omdat, daar de meeste
+menschen niet diep noch ernstig over zulke zaken nadenken, er een
+overblijfsel van bijgeloof in zijn ziel was overgebleven, dat tegen de
+vrijheid zijner uitdrukkingen en handelingen bij andere gelegenheden
+moest opwegen. Waverley maakte derhalve geen aanmerkingen op de wijze
+van behandelen, maar beloonde den hoogleeraar in de geneeskunst met een
+mildheid, die zijn stoutste verwachtingen verre te boven ging. Hij
+uitte, bij deze gelegenheid, zoo vele onsamenhangende zegenwenschen in
+het Gaelsch en in het Engelsch, dat Mac-Ivor, eenigszins geërgerd over
+het buitensporige zijner erkentelijkheid, daaraan op eens een einde
+maakte, door uit te roepen: „Ceud mile mhalloich ort!” dat wil zeggen:
+„Honderd duizend vloeken over u!” en zoo dreef hij den weldoener der
+menschheid de hut uit.
+
+Zoodra Waverley alleen gelaten werd, deed hem de uitputting, door pijn
+en vermoeidheid veroorzaakt – want de inspanning van den ganschen dag
+was zwaar geweest – in een diepen, maar koortsachtigen slaap vallen,
+die inzonderheid het gevolg was van een drankje, door den ouden
+Hooglander uit een afkooksel van zekere kruiden uit zijn apotheek
+toebereid.
+
+Den volgenden morgen vroegtijdig – daar de jacht geëindigd, en hunne
+vroolijkheid een weinig gestoord was door Waverley’s ongeval, waarin
+Fergus en al zijn vrienden de grootste deelneming betoonden – werd het
+de vraag, hoe men met den gewonden jager zou handelen. De zaak werd
+beslist door Mac-Ivor, die een draagbaar had doen vervaardigen, „van
+berk en hazelaar” [101] welke door zijn lieden zoo bij uitstek
+voorzichtig en behendig werd gedragen, dat het niet onwaarschijnlijk
+is, dat zij de voorouders geweest zijn dier Gaelsche knapen, welke
+thans het geluk hebben, de schoonen van Edinburgh in hare draagstoelen
+naar tien verschillende partijen op éénen avond te brengen. Toen Eduard
+op hunne schouders geheven werd, kon hij niet nalaten zich te
+verlustigen in den romantischen indruk, die het opbreken van dit
+woudleger te weeg bracht. [102]
+
+De verschillende stammen vergaderden, elk op den doedelzak van zijn
+eigen clan, ieder door zijn aartsvaderlijk Hoofd aangevoerd. Enkele van
+dezen, die reeds begonnen waren zich te verwijderen, zag men tegen de
+heuvelen opklimmen, of de bergpassen afdalen, die naar het tooneel
+hunner afgeloopen jachtpartij geleidden; terwijl het geluid der
+doedelzakken nog in hunne ooren weergalmde. Anderen vertoonden een nog
+bonter schilderij op de vlakte, en vormden daar verschillende
+afwisselende groepen, terwijl hunne vederen en loshangende plaids in
+het morgenkoeltje fladderden, en hunne wapens in de opgaande zon
+schitterden. De meeste hunner Opperhoofden kwamen afscheid van Waverley
+nemen, en hunne levendige hoop betuigen, dat zij elkander nogmaals, en
+spoedig, mochten wederzien; maar Fergus droeg zorg dit vaarwel te
+bekorten. Nadat zijn eigen manschappen ten laatste verzameld en
+gemonsterd waren, gaf Mac-Ivor het sein tot den aftocht, maar beval hun
+een anderen weg te nemen dan dien, waarlangs ze gekomen waren. Hij gaf
+Waverley te verstaan, dat, daar het grootste gedeelte zijner
+onderhoorigen, thans op de been, bestemd was tot een verren tocht, en
+dat, zoodra hij Waverley in het huis zou bezorgd hebben van iemand dien
+hij wist dat hem alle mogelijke oplettendheid zou bewijzen, hij zelf in
+de noodzakelijkheid zou wezen zijne manschappen het grootste gedeelte
+van den weg te vergezellen, maar dat hij niet verzuimen zou, zich
+zoodra mogelijk bij zijn vriend te vervoegen.
+
+Waverley was eenigszins verrast, dat Fergus van deze verdere bestemming
+zijner lieden geen melding had gemaakt, toen ze op de jacht trokken;
+maar zijn toestand veroorloofde hem niet vele vragen tot Fergus te
+richten. Het grootste gedeelte der clanslieden ging vooruit, onder
+geleide van den ouden Ballenkeiroch en van Evan Dhu Maccombich,
+blijkbaar vol geestdrift en vroolijkheid. Eenige weinigen bleven
+achter, om het Opperhoofd tot wacht te strekken, die ter zijde van
+Eduards draagbaar liep en hem met onvermoeide zorg gadesloeg. Omstreeks
+den middag, na een tocht, dien de aard van het vervoermiddel, de pijn
+zijner kwetsuren en de ongelijkheid van den weg, onuitsprekelijk
+moeielijk maakten, werd Waverley gastvrij ontvangen in het huis van een
+heer, een bloedverwant van Fergus, die hem al de gemakken had bereid,
+waartoe de eenvoudige leefwijze, toen in de Hooglanden algemeen, hem in
+staat stelde. In dezen nieuwen gastheer, een oud man van bij de
+zeventig jaren, bewonderde Eduard een overblijfsel van de
+oorspronkelijke eenvoudigheid. Hij droeg geen kleederen, dan die zijn
+landgoed opleverde; het laken was van de wol zijner eigene schapen,
+geweven door zijn eigen knechts, en geverwd met behulp der kruiden en
+mossoorten, die op de omliggende heuvels groeiden. Zijn linnen was door
+zijn dochters en dienstmeiden, van zijn eigen vlas gesponnen; ook bood
+zijn tafel, schoon overvloedig voorzien, en afgewisseld met wild en
+visch, geen enkelen schotel aan, die niet het voortbrengsel was van
+zijn eigene goederen.
+
+Daar hij voor zich geen aanspraak maakte op de rechten als Hoofd van
+een clan of als leenman, achtte hij zich gelukkig door het
+bondgenootschap en de bescherming van Vich Ian Vohr en eenige andere
+stoute en ondernemende Hoofden, een bescherming die hem het vreedzaam,
+ingetogen leven, dat door hem geleid werd, waarborgde. Het is waar, dat
+de op zijn gronden geboren jongelieden dikwijls in verzoeking kwamen
+hem, voor de dienst bij zijn meer bedrijvige vrienden, te verlaten;
+maar eenige oude bedienden en landhuurders schudden gewoonlijk de
+grijze lokken, als ze hun meester over gebrek aan moed hoorden
+berispen, en maakten de aanmerking, dat „als de wind stil is, de bui
+zacht neêr komt.” Deze goede oude man, wiens liefdadigheid en
+gastvrijheid geene grenzen kenden, zou Waverley met vriendelijkheid
+hebben ontvangen, al ware hij de gemeenste Saksische boer geweest,
+alleen omdat zijn toestand hulp vereischte. Maar nu hij in hem een
+vriend en gast van Vich Ian Vohr ontmoette, waren zijn zorgen even
+onvermoeid als ontelbaar. Er werden nieuwe pappen op het gekwetste been
+aangebracht, en nieuwe tooverspreuken aangewend. Eindelijk na meer
+bezorgdheid dan misschien voordeelig voor de gezondheid des lijders
+was, nam Fergus voor eenige dagen afscheid van Waverley, om vervolgens,
+gelijk hij zeide, naar Tomanrait terug te keeren, waar hij dan hoopte,
+Waverley in staat te vinden een der Hooglandsche hitten van zijn
+gastheer te bestijgen, en op die wijze naar Glennaquoich terug te
+reizen.
+
+Den volgenden dag, zoodra zijn goede oude gastheer hem bezocht, vernam
+Eduard, dat zijn vriend met het krieken van den dag vertrokken was,
+terwijl hij geen anderen bediende dan Callum Beg, de soort van page,
+die hem gewoonlijk oppaste, had achtergelaten, met last om Waverley ten
+dienst te staan. Op de vraag aan zijn gastheer, of deze wist waarheen
+het Opperhoofd vertrokken was, zag de oude hem strak aan, met iets
+geheimzinnigs en droefgeestigs in den glimlach, die zijn eenig antwoord
+was. Waverley herhaalde zijn vraag, waarop de gastheer met een
+spreekwoord antwoordde:
+
+
+ „Het bracht den schelmschen bode aan lang geen prettig end
+ Als hij den weg ging vragen, hem al te goed bekend.” [103]
+
+
+Hij was op het punt er nog meer bij te voegen, maar Callum Beg zeide,
+zooals het Eduard voorkwam, min of meer beleefd, dat Ta Tighearnach
+(dat is, het Opperhoofd) niet wilde, dat men den Saksischen heer met
+veel gepraat kwelde, daar hij zich verre van wel bevond. Hieruit maakte
+Waverley op, dat hij zijn vriend ongenoegen zou doen, bij een
+vreemdeling naar het doel der reis te vernemen, dat hij zelf niet goed
+gevonden had hem mede te deelen.
+
+Het is niet noodig de genezing van onzen held van dag tot dag na te
+gaan. De zesde morgen was aangebroken, en hij was in staat met een stok
+te loopen, toen Fergus met omtrent twintig man terugkeerde. Hij scheen
+zeer opgewonden, wenschte Waverley geluk met zijn aanvankelijke
+herstelling, en daar hij bevond dat deze in staat was te paard te
+zitten, stelde hij hem voor, onmiddellijk naar Glennaquoich terug te
+keeren. Waverley nam dit voorstel gretig aan; want het beeld zijner
+schoone had, gedurende al den tijd zijner gevangenschap, zijn droomen
+opgeluisterd.
+
+
+ Nu reed hij verder door moer en door mos,
+ Langs heuvel en menig eng dal.
+
+
+Terwijl Fergus gedurende den geheelen weg onafgebroken aan de zijde van
+zijn vriend bleef, en zijn trawanten, die met een onvermoeiden tred
+voortliepen, zich alleen verwijderden, om een schot op een ree of een
+veldhoen te doen, begon Waverley’s hart sterk te kloppen, toen zij den
+ouden toren van Ian nan Chaistel naderden en hij de schoone gestalte
+onderscheiden kon, die hen te gemoet kwam.
+
+Fergus begon oogenblikkelijk, met zijn gewone vroolijke opgewondenheid,
+haar toe te roepen: „Open uwe poorten, onvergelijkelijke prinses, voor
+den gewonden Moor Abindarez, dien Rodrigo de Narvaez, constabel van
+Antiquera, naar uw kasteel voert, of open ze zoo ge dit liever doet,
+voor den beroemden markies van Mantua, den ongelukkigen metgezel van
+zijn half stervenden vriend Baldovinos van het gebergte [104]. Och,
+zacht ruste uwe ziel, Cervantes! hoe zou ik, zonder uwe woorden aan te
+halen, mijn taal buigen om romantische zielen te behagen!”
+
+Thans kwam Flora bij hen, en terwijl ze Waverley welkom heette,
+betuigde ze haar leedwezen over het hem overkomen ongeluk, waarvan ze
+de bijzonderheden reeds vernomen had, terwijl ze hare bevreemding te
+kennen gaf, dat haar broeder geen betere zorg gedragen had, om den
+vreemdeling te waarschuwen tegen de gevaren van een tijdverdrijf,
+waartoe hij hem uitgenoodigd had. Eduard haastte zich het Opperhoofd te
+verontschuldigen, daar hij inderdaad, met gevaar van zijn eigen leven,
+dat van Waverley gered had.
+
+Na het wisselen dezer eerste groeten, sprak Fergus drie of vier woorden
+tot zijn zuster, in het Gaelsch. Oogenblikkelijk kwamen haar de tranen
+in de oogen; maar het schenen tranen van dankbaarheid of vreugde te
+zijn; want ze blikte hemelwaarts en vouwde de handen, als tot een
+plechtig gebed of dankzegging. Na een stilte van weinige minuten,
+overhandigde zij Eduard eenige brieven, die gedurende zijn afwezigheid
+van Tully-Veolan waren opgezonden, en tegelijkertijd reikte zij er
+eenigen aan haren broeder over. Den laatsten gaf ze insgelijks drie of
+vier nommers van den Caledonischen Merkuur, de eenige courant, die toen
+ten noorden van de Tweed verscheen.
+
+De beide heeren verwijderden zich om de ontvangen brieven te lezen; en
+Eduard zag weldra in, dat de zijnen zaken van zeer groot belang
+bevatten.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+NIEUWS UIT ENGELAND.
+
+
+De brieven, die Waverley tot nu toe van zijn vrienden uit Engeland
+ontvangen had, waren niet van dien aard, dat ze eenige bijzondere
+vermelding in dit verhaal eischen. Zijn vader schreef hem gewoonlijk
+met de hoogdravende gemaaktheid van iemand, die te zeer verdiept was in
+openbare zaken, om tijd te kunnen vinden tot het behartigen van die
+zijner familie. Tusschenbeide maakte hij gewag van personen van rang in
+Schotland, aan wie hij zou wenschen, dat zijn zoon eenige beleefdheden
+bewees; maar Waverley, tot hiertoe geheel vervuld met de genoegens, die
+hij op Tully-Veolan en Glennaquoich genoot, had gemeend zich niet te
+moeten bekreunen om vluchtige wenken, vooral daar de afstand, zijn kort
+verlof en wat dies meer zij, gereedelijk tot verontschuldiging konden
+strekken. Sedert eenigen tijd echter behelsden des heeren Richards
+vaderlijke brieven zekere geheimzinnige wenken omtrent toekomstige
+grootheid en gezag, en gaven zijn zoon zekere vooruitzichten op de
+snelste bevordering, als hij maar in den krijgsdienst bleef. Sir
+Everhard’s brieven waren van geheel anderen inhoud. Ze waren kort; want
+de goede Baronet behoorde niet tot die onhebbelijke correspondenten,
+wier schrift het grootste blad postpapier vult, en geen plaats overlaat
+voor het zegel; maar ze waren vriendelijk en vol liefde, en sloten
+zelden zonder eenige toespeling op de paarden van onzen held, eenig
+onderzoek naar den staat zijner beurs en een bijzondere navraag naar de
+recruten, welke met hem Waverley-Honour verlaten hadden. Tante Rachel
+beval hem aan, zorg te dragen voor zijn gezondheid, zich in acht te
+nemen voor de Schotsche mistbuien, welke, zooals ze gehoord had, een
+Engelschman tot op de huid nat maken, nooit des avonds uit te gaan
+zonder overjas, en vooral flanel te dragen op het bloote lijf.
+
+De heer Pembroke had onzen held slechts eens geschreven; maar deze
+brief was zesmaal langer dan de epistels uit onze ontaarde dagen, daar
+hij, in den gematigden omvang van tien bladzijden folio, dicht
+geschreven, een overzicht van een supplementoir kwartijn, van addenda,
+delenda en corrigenda bevatte op de twee verhandelingen, die hij
+Waverley geschonken had. Dit wilde hij beschouwd hebben als een enkel
+brokje, om den honger van Eduards weetgierigheid te stillen, tot hij
+gelegenheid zou vinden, om het boekdeel zelf te zenden, daar het veel
+te zwaar voor de post, en hij voornemens was er zekere belangrijke
+stukjes bij te voegen, onlangs bij zijn vriend den uitgever verschenen.
+Met dezen toch had hij een soort van letterkundige briefwisseling
+aangehouden, tengevolge waarvan de boekerij van Waverley-Honour met
+niet weinig prullen werd vermeerderd, en er jaarlijks een knappe
+rekening, zelden in minder dan drie eindcijfers bij de opsomming werd
+overgemaakt, waarop Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour stond
+aangeteekend als schuldig aan Jonathan Grubbet, boekverkooper te
+Londen. Dusdanig waren tot hiertoe de brieven geweest, welke Eduard uit
+Engeland had ontvangen; maar het paket, dat hem op Glennaquoich ter
+hand gesteld werd, was van geheel verschillenden en hoogstbelangrijken
+inhoud. Het zou den lezer onmogelijk zijn, – al deelde ik ook de
+brieven voluit mede, de wezenlijke reden, waarom ze geschreven waren,
+te begrijpen, zonder een blik in het binnenste van het Britsche
+kabinet, op het bedoelde tijdstip, geslagen te hebben.
+
+Het gebeurde – juist geen zeldzaam voorval – dat de Ministers van den
+dag in twee partijen waren verdeeld. De zwakste zocht, door ijverige
+intriges te vergoeden, wat ze in wezenlijk gehalte te kort schoot. Er
+waren onlangs eenige bekeerlingen gemaakt, hetgeen hun de hoop gaf, om
+hun mededingers de loef af te steken in de gunst huns Souvereins, en
+tevens een overwicht op hen te hebben in het huis der Gemeenten. Onder
+anderen hadden zij het de moeite waard geacht Richard Waverley tot de
+hunnen over te halen. Deze eerzame heer had – door een deftig,
+geheimzinnig gedrag, door veel oplettendheid ten aanzien der étiquette
+van het bestuur, zoo wel als het wezen er van, en een gemakkelijkheid
+in het houden van lange, holle redevoeringen, bestaande in
+onwedersprekelijke waarheden en gemeenplaatsen, opgeschikt met de
+brabbeltaal van officiëele kunsttermen, die beletten dat men de
+nietigheid der redeneering ontdekt, – zich eenigen naam en vertrouwen
+als staatsman verworven, ja, ging zelfs bij velen door voor een diep
+denker. Wel is waar, zeide men dat hij geen dier schitterende redenaars
+was, wier talenten in beeldspraak en vonken van vernuft vervliegen,
+maar dat hij iemand was in zaken grondig onderlegd, die zich, gelijk de
+dames bij het kiezen eener zijden stof zeggen, „goed zou houden,” en
+met grond kon geacht worden geschikt te zijn voor gewoon en alledaagsch
+gebruik, ofschoon men moest bekennen dat ze niet geschikt was „om er
+een zondagskleed van te laten maken.”
+
+Dit gevoelen omtrent den heer Richard Waverley was zoo algemeen
+geworden, dat de partij in het Kabinet, waarvan we gesproken hebben, na
+diens gevoelens gepolst te hebben, zoo tevreden was over zijn
+gezindheid en bekwaamheden, dat ze hem voorstelde, in geval van zekere
+omwenteling in het Ministerie, hem een aanzienlijke plaats in de nieuwe
+orde van zaken te doen bekleeden, wel niet van den allereersten rang,
+maar toch aanmerkelijk hooger, wat het voordeel betrof, en het gezag,
+dan die welke hij thans innam. Er was geen weerstandbieden aan zulk een
+verleidelijken voorslag, hoewel ook de groote man, onder wiens
+bescherming hij in dienst geraakt was, en wiens banieren hij tot
+hiertoe gevolgd had, het voorname doel van den aanval der nieuwe
+bondgenooten was. Ongelukkig stierf dit schoone ontwerp der eerzucht,
+door een voorbarige openbaring, reeds in den knop. Al de aan het
+Gouvernement verbonden heeren die er in betrokken waren, en zwarigheid
+maakten om een vrijwillig ontslag te kiezen, ontvingen bericht, dat de
+Koning geen verder gebruik van hun dienst kon maken. Richard Waverley
+behoorde onder dit aantal, en daar hij in de oogen van den Minister
+zich aan zwarte ondankbaarheid schuldig geraakt had, werd hij met iets
+dat naar personeele minachting en schande zweemde, ontslagen. Het
+algemeen, en zelfs de aanhang, in welks val hij deelde, toonde weinig
+medelijden met de teleurstelling van dezen baatzuchtigen staatsman. Hij
+begaf zich dus naar buiten, met de aangename gedachte, dat hij
+tegelijkertijd zijn goeden naam, zijn crediet en – hetgeen hij lang
+niet het minst betreurde – zijn inkomen verspeeld had.
+
+Richard Waverley’s brief aan zijn zoon, bij deze gelegenheid, was een
+meesterstuk in zijn soort. Aristides zelf had zich niet over iets
+onbillijkers kunnen beklagen. Een onrechtvaardig Vorst en een
+ondankbaar land maakten den inhoud van elken schoon geronden volzin
+uit. Hij sprak van langdurige diensten en onvergolden opofferingen,
+schoon de eerste met zijn salaris meer dan betaald waren, en niemand
+raden kon waarin de laatste bestonden; tenzij misschien daarin, dat
+hij, niet uit overtuiging, maar uit winstbejag, de staatkundige
+beginselen zijner familie had verzaakt. In het slot werd zijn
+gevoeligheid, door zijn eigene welsprekendheid tot zulk een hoogte
+geprikkeld, dat hij eenige bedreigingen van wraak, hoe onbepaald en
+machteloos ook, niet kon bedwingen: en eindelijk maakte hij zijn zoon
+bekend met zijn wensch, dat deze zijn gevoeligheid over de harde
+behandeling, door zijn vader ondergaan, zou laten blijken, door op het
+oogenblik, dat deze brief tot hem kwam, zijn ontslag uit den dienst te
+nemen. Dit was, zeide hij, ook het verlangen van zijn oom, zoo als deze
+hem te geschikter ure zou doen weten.
+
+Dientengevolge was de eerste brief, die nu door Eduard werd geopend,
+van Sir Everhard. De ongenade, waarin zijn broeder gevallen was, scheen
+uit zijn rechtgeaarden boezem alle herinnering aan hunne oneenigheden
+te hebben uitgewischt; en verwijderd als hij was van alle gelegenheden
+om te vernemen, dat deze ongenade inderdaad slechts het rechtvaardige,
+zoowel als het natuurlijke, gevolg van Richards mislukte streken was,
+hield de goede, maar lichtgeloovige edelman het terstond voor een nieuw
+en verschrikkelijk bewijs der onrechtvaardigheid van het bestaande
+Bewind. Het was waar, zeide hij, en hij mocht dit zelfs voor Eduard
+niet verbloemen, dat zijn vader zulk een beleediging, als nu voor het
+eerst aan iemand van zijn huis werd aangedaan, niet zou hebben
+ondergaan, zoo hij zich daaraan niet had blootgesteld door het aannemen
+van een post onder het tegenwoordig stelsel. Sir Everhard twijfelde
+niet, of hij zag en gevoelde nu de grootheid van dezen misslag, en het
+zou zijne (Sir Everhards) eerste bemoeiing zijn te zorgen, dat zijn
+verdriet niet door geldzorgen vermeerderd werd. Het was voor een
+Waverley genoeg aan openbare vernedering bloot gestaan te hebben; het
+materiëele nadeel was door het hoofd der familie licht te verhelpen.
+Maar het was zoowel des heeren Richards gevoelen, als het zijne, dat
+Eduard, de stamhouder van het geslacht van Waverley-Honour, in geen
+betrekking behoorde te blijven, die hem aan een dergelijke behandeling
+blootstelde als die, welke zijn vader getroffen had. Hij verzocht dus
+zijn neef, de meest geschikte en te gelijkertijd de spoedigste
+gelegenheid aan te grijpen, om zijn ontslag als officier bij het
+Ministerie van oorlog in te zenden, en daarbij te kennen, dat er niet
+veel plichtplegingen bij noodig waren, waar men zoo weinig complimenten
+omtrent zijn vader had gebezigd. Hij belastte hem te gelijkertijd met
+vele groeten voor den baron van Bradwardine.
+
+Een brief aan tante Rachel sprak zelfs nog duidelijker. Zij beschouwde
+het ongeluk van broeder Richard als een billijke straf voor de
+verzaking zijner gehoorzaamheid aan den wettigen, schoon verbannen
+Souverein, en voor de laagheid die hij gehad had, den eed van trouw aan
+een vreemdeling te doen; een zwakheid, welke haar grootvader, sir Nigel
+Waverley, nooit had willen betoonen, noch tegenover het parlement der
+Rondhoofden, noch tegenover Cromwell, toen zijn leven en fortuin in het
+grootste gevaar verkeerden. Zij hoopte dat haar lieve Eduard de
+voetstappen zijner voorvaderen zou volgen, en zoo spoedig mogelijk de
+kenteekenen zijner dienstbaarheid aan de overheerschende dynastie zou
+afleggen, daar zij het onrecht, door zijn vader geleden, beschouwde als
+een vermaning van den Hemel, dat elke afwijking van den weg der
+getrouwheid aan den wettigen Vorst haar eigene straf medebrengt. Ook
+zij besloot met hare groeten aan den heer Bradwardine, en verzocht
+Waverley haar te berichten, of zijn dochter Rose oud genoeg was, om een
+paar heel fraaie oorbellen te dragen, die zij als een blijk harer
+genegenheid wenschte te zenden. Insgelijks verlangde de goede dame te
+mogen weten, of de heer Bradwardine nog zoo veel Schotsche snuif
+gebruikte en zoo onvermoeid danste, als toen hij, omtrent dertig jaar
+geleden, op Waverley-Honour was.
+
+Deze brieven, gelijk te wachten was, wekten Waverley’s verontwaardiging
+in hooge mate op. Ten gevolge van zijn slecht geregelde studie, bezat
+hij geen enkele bepaald staatkundige meening, die hij tegenover de
+smart en den toorn kon stellen, die hij bij zijns vaders veronderstelde
+verongelijking gevoelde. Van de ware oorzaak zijner ongenade was Eduard
+ten eenemale onkundig, daar zijn leefwijze hem geen aanleiding gegeven
+had, om de staatkunde van den dag te onderzoeken, of de intrigues, in
+welke zijn vader zulk een levendig deel had genomen, te ontwarren. Om
+de waarheid te zeggen, de eenige indrukken, die hij van de bestaande
+partijschappen ontvangen had, waren, ten gevolge van het gezelschap, op
+Waverley-Honour, eer ongunstig dan gunstig voor het tegenwoordig Bewind
+en de regeerende dynastie. Hij deelde dus zonder de minste aarzeling de
+verontwaardiging zijner bloedverwanten, die het meeste recht hadden, om
+hem regels voor zijn gedrag voor te schrijven; en misschien deed hij
+dit niet minder gaarne, als hij zich de verveling in zijn garnizoen
+voor den geest riep, en de onbeduidende rol die hij onder de officieren
+van zijn regiment had gespeeld. Zoo hij evenwel nog eenigen twijfel
+omtrent de zaak had kunnen koesteren, zou ze beslist zijn geworden door
+den volgenden brief van zijn Chef, dien wij, daar hij zeer kort is,
+hier letterlijk zullen inlasschen.
+
+
+„Mijnheer!
+
+Daar ik de grenzen van mijn plicht eenigszins overschreden heb door een
+toegevendheid, die het licht ons door de natuur geschonken, en veel
+meer dat des Christendoms, ons voorschrijft omtrent misslagen, welke
+uit jeugd en gemis aan ondervinding voortspruiten, en dit geheel zonder
+vrucht gebleven is, word ik mijns ondanks gedwongen, bij de
+tegenwoordige crisis, het eenige middel te bezigen, dat nog in mijn
+macht is. Derhalve beveel ik u bij dezen naar **, het hoofdkwartier van
+uw regiment, terug te keeren, binnen drie dagen na datum dezes
+schrijvens. Zoo gij in gebreke blijft aan dit bevel gehoor te geven,
+moet ik u bij het Ministerie van oorlog aangeven als afwezig zonder
+verlof, en te gelijk andere stappen doen, die onaangenaam zullen zijn
+voor u, zoo wel als voor,
+
+Mijnheer,
+
+ Uw gehoorzamen dienaar,
+ J. Gardiner, luitenant-kolonel,
+ kommandeerende het ** regiment dragonders.”
+
+
+Eduards bloed kookte, terwijl hij dezen brief las. Hij was sedert zijn
+vroegste kindsheid gewend geweest, volkomen meester van zijn tijd te
+zijn, en had zich dus gewoonten eigen gemaakt, die de regels der
+krijgstucht hem even onaangenaam hadden gemaakt in dit, als in sommige
+andere opzichten. Het denkbeeld, dat ze in zijn geval niet zeer streng
+zouden toegepast worden, had zich bovendien bij hem gevestigd, wat ook
+tot hiertoe, door de toegevendheid van zijn Luitenant-Kolonel
+gerechtvaardigd werd. Ook was er, voor zoover hij wist, niets gebeurd,
+dat zijn Overste kon bewogen hebben, zonder eenige andere waarschuwing,
+dan de wenken, waarvan wij op het einde des veertienden hoofdstuks
+melding maakten, op eens een harden, en zooals Eduard het noemde,
+onbeschaamden toon van dictatoriaal gezag aan te nemen. Terwijl hij dit
+in verband bracht met de brieven, juist door hem van zijn familie
+ontvangen, kon hij niet anders veronderstellen, dan dat het er op
+aangelegd was, om hem, in zijn tegenwoordige omstandigheden, de hand
+des gezags even zwaar te doen gevoelen als zijn vader, en dat het
+geheel een afgesproken plan was, om elk lid der familie Waverley te
+vervolgen en te vernederen.
+
+Zonder uitstel dus schreef Eduard eenige koele regels, waarin hij zijn
+Kolonel voor vroegere beleefdheden bedankte, en zijn leedwezen
+betuigde, dat hij had kunnen goedvinden de herinnering daaraan uit te
+wisschen, door jegens hem een geheel anderen toon aan te nemen. De
+strekking van zijn brief, zoowel als hetgeen Eduard begreep zijn plicht
+te zijn, in de tegenwoordige crisis, drongen hem zijn ontslag in te
+zenden. Hij sloot dus zijn formeelen afstand van een betrekking in, die
+hem tot zulk eene onaangename briefwisseling noodzaakte, en verzocht
+kolonel Gardiner de goedheid te willen hebben, om dien aan de bevoegde
+autoriteit op te zenden.
+
+Toen hij dezen hooghartigen brief geschreven had, wist hij niet recht,
+in welke bewoordingen hij zijn ontslag moest aanvragen, en hij besloot
+Fergus Mac-Ivor dienaaangaande te raadplegen. In het voorbijgaan moeten
+wij aanmerken, dat de stoute en vlugge wijze van denken, handelen en
+spreken, welke dit jonge Opperhoofd eigen was, hem een aanmerkelijken
+invloed op Waverley had verschaft. Met ten minste gelijke
+verstandsvermogens begaafd, en met veel meer smaak, bezweek Eduard
+nogtans voor de onversaagde en vastberadene werkzaamheid van een geest,
+die zoowel door de gewoonte om naar een voorbedacht en geregeld stelsel
+te handelen, als door uitgebreide wereldkennis gescherpt was.
+
+Toen Eduard bij zijn vriend kwam, had de laatste nog de courant in
+handen, die hij doorgeloopen had, en ging hem te gemoet met de
+verlegenheid van iemand, die onaangenaam nieuws heeft mede te deelen.
+„Bevestigen uwe brieven het onaangename bericht, kapitein Waverley, dat
+ik in dit blad vind?”
+
+Hij reikte hem het blad over, waarin met de bitterste bewoordingen,
+waarschijnlijk overgenomen uit een Londensch dagblad, verslag werd
+gedaan van zijns vaders ongenade. Aan het einde van het stuk stond deze
+opmerkelijke zinspeling:
+
+„Wij vernemen dat deze Richard, welke al het genoemde gedaan heeft, het
+eenig voorbeeld niet is van de weifelende eer van W.v.r.l.y-H.n.r. Zie
+de Staats-courant van heden.”
+
+Met bevende en koortsachtige drift zocht onze held de aangehaalde
+plaats, en vond daarin vermeld: „Eduard Waverley, kapitein bij het **
+regiment dragonders, geschorst wegens afwezigheid zonder verlof;” en op
+de lijst der bevorderingen bij hetzelfde regiment, ontdekte hij
+vervolgens deze woorden: „Luitenant Julius Butler, kapitein, ter
+vervanging van Eduard Waverley, geschorst.”
+
+Het hart van onzen held gloeide van de verontwaardiging, welke
+onverdiende en blijkbaar opzettelijke beleediging wel moest opwekken
+bij iemand, die naar eer had gestreefd, en nu zoo schandelijk aan
+openbaren hoon en minachting werd prijs gegeven. Toen hij de
+dagteekening des briefs van zijn Kolonel met die van het artikel in de
+courant vergeleek, ontwaarde hij, dat aan de bedreiging om van zijn
+afwezigheid rapport te maken, letterlijk gevolg was gegeven, en naar
+het scheen zonder het geringste onderzoek, of Eduard zijn aanmaningen
+ontvangen had, of gezind was zich daarnaar te gedragen. Het geheel
+scheen dus een vastberaamd plan, om hem in de oogen van het publiek te
+vernederen; en het denkbeeld, dat dit geslaagd was, vervulde hem met
+zulke bittere aandoeningen, dat hij, na verscheidene pogingen om ze te
+verbergen, zich ten laatste in de armen van Mac-Ivor wierp, en vrijen
+loop liet aan de tranen, door schaamte en verontwaardiging hem
+afgeperst.
+
+Het behoorde niet tot de gebreken van het Opperhoofd, dat hij
+onverschillig was omtrent het onrecht zijnen vrienden aangedaan; en
+voor Eduard koesterde hij, onafhankelijk van zekere plannen, die hij
+gesmeed had, en waarin deze voor een gedeelte betrokken was, een
+hartelijke en oprechte belangstelling. Deze handelwijze kwam hem even
+vreemd voor, als Eduard ze gevonden had. Hij wist, wel is waar, beter
+dan Waverley, de redenen, waarom hij zoo stellig bevel had ontvangen om
+zich bij zijn regiment te vervoegen. Maar dat de bevelvoerende
+Officier, geheel strijdig met zijn algemeen bekend karakter, zonder
+verder onderzoek naar omstandigheden of onoverkomelijke beletselen, op
+zulk een barsche en ongewone wijze was te werk gegaan, bleef hem een
+onoplosbaar raadsel. Hij troostte intusschen onzen held zoo goed hij
+kon, en begon diens gedachten met het uitzicht op wraak voor zijn
+beleedigde eer te streelen.
+
+Eduard greep dit denkbeeld met vuur aan. „Wilt gij een uitdaging voor
+mij aan kolonel Gardiner brengen, mijn waarde Fergus, en mij levenslang
+verplichten?”
+
+Fergus zweeg een poos. „Het is een vriendschapsdienst, waarover ge
+zoudt mogen beschikken, als die van nut kon zijn, of er toe leiden om
+uwe eer te herstellen; maar in het tegenwoordige geval twijfel ik, of
+uw Overste u een ontmoeting zou toestaan, op grond dat hij maatregelen
+genomen heeft, die, hoe hard en pijnlijk ook, toch binnen de grenzen
+van zijn plicht lagen. Daarenboven is Gardiner een strenge Hugenoot,
+die zekere denkbeelden koestert omtrent het zondige der tweegevechten,
+welke men hem niet gemakkelijk kan doen verzaken, vooral daar zijn moed
+boven alle verdenking verheven is. En bovendien, ik – ik – om de
+waarheid te zeggen – ik durf, om zeer gewichtige redenen, mij op dit
+oogenblik, niet zoo dicht bij deze of gene garnizoensplaats van het
+tegenwoordig bewind begeven.”
+
+„En moet ik dan rustig en stil het mij aangedane onrecht dragen?”
+
+„Dat zal ik mijn vriend nooit aanraden. Maar ik zou liever zien dat de
+wraak het hoofd en niet de hand trof; – het overheerschend en
+onderdrukkend bewind, dat deze opzettelijke en herhaalde beleedigingen
+beoogde en bestuurde, maar niet de officiëele werktuigen, die het
+bezigt om ze ten uitvoer te brengen.”
+
+„Het bewind!”
+
+„Ja,” hernam de onstuimige Hooglander, „het troonoverweldigend huis van
+Hannover, dat uw grootvader evenmin zou gediend hebben, als dat hij
+gloeiend goud tot loon en dank van den Satan zelven zou hebben
+aangenomen.”
+
+„Maar sedert den tijd van mijn grootvader hebben twee geslachten van
+deze dynastie den troon bekleed.”
+
+„Juist, – en omdat wij hun zoo lang lijdelijk gelegenheid gegeven
+hebben, om hun aangeboren aard te toonen, – omdat gij zoo wel als ik in
+stille onderwerping hebben geleefd, en ons zelf zoo naar den tijd
+geschikt hebben, dat wij officiersaanstellingen van hen aannamen, en
+hen dus in staat stelden ons in het openbaar te krenken, door ze terug
+te nemen, mogen wij daarom geen beleedigingen wreken, die onze vaderen
+slechts voorzien, maar die wij werkelijk ondergaan hebben? Of is de
+zaak van de ongelukkige familie Stuart minder rechtvaardig geworden,
+omdat haar recht is afgedaald op een erfgenaam, die men niet
+beschuldigen kan van een slecht Vorst te zijn, zooals vader? –
+Herinnert ge u de regels van uw lievelingsdichter niet?
+
+
+ Trad Richard ongedwongen van den troon,
+ Geen vorst beschikt over iets in heel zijn teven,
+ Dan over wat ’s Heeren gunst hem heeft gegeven;
+ En had hem God begiftigd met een zoon,
+ Het koningsrecht ware aan dien zoon verbleven.
+
+
+Gij ziet, mijn waarde Waverley, dat ik zoowel dichters kan aanhalen,
+als Flora en gij. Maar kom, bedaar wat, en laat het aan mij over, u een
+eervollen weg aan te wijzen tot een spoedige en roemvolle wraak. Laat
+ons Flora opzoeken, die ons misschien meer nieuws te vertellen heeft
+van hetgeen er in onze afwezigheid is voorgevallen. Zij zal zich
+verheugen te hooren, dat gij van uwe slavernij ontslagen zijt. Maar
+voeg eerst een postscriptum bij uw brief, waarin gij den datum
+aangeeft, waarop gij de eerste oproeping van dezen Calvinistischen
+kolonel ontvangen hebt; en geef uw leedwezen te kennen, dat zijn
+overhaaste maatregelen u belet hebben ze te voorkomen, door het
+inzenden van uw vrijwillig ontslag. En laat hem dan blozen over zijn
+onrechtvaardigheid!”
+
+Na dit alles werd de brief, die een dienststuk behelsde, waarin hij
+zijn ontslag vroeg, verzegeld; en Mac-Ivor verzond dien, met eenige
+brieven van hemzelven, door een bijzonderen bode, met last om ze op het
+naastbijgelegen postkantoor in de Laaglanden te bezorgen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN OPHELDERING.
+
+
+De wenk, door het Opperhoofd aangaande Flora gegeven, was niet zonder
+bedoeling. Hij had met groot genoegen Waverley’s ontkiemende
+genegenheid voor zijn zuster opgemerkt; ook zag hij geenerlei
+zwarigheid tegen hun vereeniging, behalve het ambt, door Eduards vader
+bij het Ministerie bekleed, en Eduards eigene positie bij het leger van
+George II. Deze beletselen waren thans weggeruimd, en op een wijze,
+waardoor oogenschijnlijk de weg werd gebaand, om ten minste den zoon
+aan een andere partij te verbinden. In elk ander opzicht was het
+huwelijk allerverkieslijkst. De veiligheid, het geluk en de eervolle
+verzorging van zijn zuster, die hij hartelijk lief had, scheen door de
+voorgestelde vereeniging verzekerd te zijn. En zijn hart zwol, wanneer
+hij bedacht, hoe de belangrijkheid van zijn eigen persoon zou toenemen
+in de oogen des verbannen Konings, dien hij zoo trouw diende, door eene
+verzwagering met een dier oude, machtige en rijke Engelsche geslachten
+van dezelfde staatkundige richting, en bij wie het van zooveel belang
+voor het huis der Stuarts was, de eenigszins voor hunne zaak verzwakte
+gehechtheid te verlevendigen. Fergus zag geen zwarigheid hoegenaamd in
+dit ontwerp. Blijkbaar had Waverley liefde voor freule Mac-Ivor
+opgevat, en daar hij een goed uiterlijk bezat, en zijn neigingen
+oogenschijnlijk met die van Flora overeenstemden, verwachtte hij geen
+tegenstand van haar kant. Inderdaad, vervuld met zijn denkbeelden van
+aartsvaderlijke macht, en die welke hij in Frankrijk had opgedaan, waar
+het de beschikking over meisjes tot het huwelijk gold, zou eenige
+tegenkanting van zijn zuster, hoe lief Flora hem ook wezen mocht, het
+laatste beletsel zijn geweest, waarop hij rekende, al ware hem ook de
+verbindtenis minder verkieslijk toegeschenen.
+
+Met deze gevoelens bezield, bracht het Opperhoofd Waverley thans bij
+Flora, niet zonder eenige hoop, dat de oogenblikkelijke opgewondenheid
+van zijn gast hem de stoutmoedigheid verleenen zou, om, wat hij „den
+roman der vrijerij” noemde, maar kortweg af te doen. Zij vonden Flora
+met haar getrouwe gezellinnen, Una en Cathleen, bezig met het
+vervaardigen van hetgeen Waverley hield voor bruidsgeschenken. Terwijl
+hij de onrust die hem bezielde, zooveel mogelijk ontveinsde, vroeg hij,
+voor welke heugelijke gelegenheid freule Mac-Ivor zulke omslachtige
+toebereidselen maakte.
+
+„Het is voor Fergus’ bruiloft,” zeide ze glimlachende.
+
+„Zoo! – hij heeft zijn geheim goed bewaard. – Ik hoop dat hij mij
+veroorloven zal zijn bruidsjonker te zijn.”
+
+„„Dat is de post eens mans, maar niet de uwe,” zooals Beatrix zegt,”
+[105] hernam Flora.
+
+„En wie is de schoone dame, als het geoorloofd is te vragen, freule
+Mac-Ivor.”
+
+„Heb ik u al niet lang geleden gezegd, dat Fergus geene andere bruid
+verlangt, dan de Eer?” was Flora’s antwoord.
+
+„En zou ik dan onwaardig wezen om zijn bondgenoot en raadsman te zijn?”
+zeide onze held, sterk kleurende. „Sta ik zoo laag bij u
+aangeschreven?”
+
+„Volstrekt niet, kapitein Waverley. Ik zou veel geven, indien het den
+Hemel behaagde, u tot de onzen te tellen! Als ik eene uitdrukking
+bezigde, die u mishaagt, het is
+
+
+ Omdat gij niet behoort tot onzen raad,
+ Maar tegen ons als vijand over staat”
+
+
+„Die tijd is voorbij, zuster, en ge moogt Eduard Waverley (niet langer
+Kapitein) geluk wenschen, dat hij bevrijd is van de slavernij eens
+overheerschers, waarvan deze zwarte en onheilspellende kokarde het
+zinnebeeld is.”
+
+„Ja,” zeide Waverley, terwijl hij de kokarde van zijn hoed nam, „het
+heeft den Koning, die mij dit teeken schonk, behaagd het terug te nemen
+op een wijze, die mij niet veel reden geeft, om het verlies te
+betreuren.”
+
+„God dank!” riep de schoone met geestdrift, „en o, mochten ze blind
+genoeg zijn, om iederen man van eer, die hen dient, op dezelfde
+onwaardige wijze te behandelen, opdat ik minder te betreuren moge
+hebben, als het oogenblik der worsteling gekomen is!”
+
+„En nu, zuster, haast u zijn kokarde door een van veel levendiger kleur
+te vervangen. Mij dunkt, het behoorde tot het werk der dames van den
+ouden tijd, hun ridders te wapenen en tot groote daden uit te zenden.”
+
+„Niet, voordat de dolende ridder de rechtvaardigheid en het gevaar der
+zaak wel overwogen had, Fergus. Mijnheer Waverley is op het oogenblik
+te zeer geschokt door nog versche aandoeningen, dan dat ik hem thans
+tot een besluit van groot gewicht zou willen opwekken.”
+
+Waverley, in den aanvang iets verontrust door de gedachte, van de leus
+aan te nemen van diegenen, die door de meerderheid in het land voor
+oproerstokers gehouden werden, kon evenwel zijn gevoeligheid niet
+verbergen over de koelheid, waarmede Flora den wenk haars broeders van
+de hand wees. „Ik zie dat Freule Mac-Ivor den ridder haar aanmoediging
+en gunst onwaardig acht,” zeide hij, eenigszins bits.
+
+„Dat niet, mijnheer Waverley ’’ hernam ze met veel zachtheid. „Waarom
+zoude ik mijns broeders hooggeschatten vriend een gunst weigeren, die
+ik wel aan den geheelen clan schenk? Van ganscher harte zou ik iederen
+man van eer voor de zaak werven, waaraan mijn broeder zich heeft
+toegewijd. Maar Fergus heeft zijn besluit met open oogen genomen. Zijn
+leven is van zijn wieg af aan deze zaak gewijd geweest; voor hem is de
+roeping heilig, al ware ze ook voor hem een roeping tot den dood. Maar
+hoe kan ik wenschen, dat gij, mijnheer Waverley, zoo onbekend met de
+wereld, zoo ver van iederen vriend, die u kan raden en u behoort te
+leiden, op een oogenblik daarenboven van verontwaardiging en toorn –
+hoe kan ik wenschen, dat gij u op eens in zulk een wanhopige
+onderneming zoudt storten?”
+
+Fergus, die geen begrip van dergelijke kieschheid had, stapte door de
+kamer, terwijl hij zich op de lippen beet. Vervolgens voegde hij freule
+Mac-Ivor, met een gedwongen glimlach toe: „Nu, zuster, ik laat u uwe
+nieuwe rol van bemiddelares tusschen den Keurvorst van Hannover en de
+onderdanen van uw wettigen Souverein en weldoener alleen spelen,”
+waarop hij het vertrek verliet.
+
+Er volgde een oogenblik van pijnlijke stilte, welke ten laatste door
+freule Mac-Ivor werd afgebroken. „Mijn broeder is onrechtvaardig,”
+zeide ze, „omdat hij niet dulden kan, dat men zijn getrouwen ijver
+zelfs schijnbaar tegenwerkt.”
+
+„En deelt gij dan zijn vurige geestdrift niet?”
+
+„Zou ik niet?” hernam Flora. – „God weet dat de mijne, zoo mogelijk, de
+zijne nog overtreft. Maar ik word niet, zoo als hij, door de drukte der
+krijgstoerusting, en de tallooze bijzonderheden welke de beraamde
+onderneming vereischt, verhinderd de groote beginselen, waarop ons
+ontwerp is gegrond in overweging te nemen, die zeker slechts door
+maatregelen kunnen bevorderd worden, welke in zich zelven waar en goed
+zijn. Maar het zou het een noch het ander zijn, wanneer ik van uwe
+tegenwoordige stemming gebruik maakte, mijnheer Waverley, om u tot een
+onherroepelijken stap te brengen, waarvan gij het gegronde noch
+gevaarlijke bedaard hebt kunnen wikken en wegen.”
+
+„Onvergelijkelijke Flora!” riep Eduard, terwijl hij haar hand greep;
+„hoezeer heb ik zulk een raadgeefster noodig!”
+
+„Eene veel betere,” zeide Flora, terwijl ze haar hand zachtkens
+terugtrok, „zal de heer Waverley altijd in zijn eigen hart vinden, zoo
+hij maar naar deze zachte stem wil luisteren.”
+
+„Neen, freule Mac-Ivor, dat kan ik niet gelooven: duizend
+omstandigheden die er mij toe gebracht hebben, mij geheel aan mijn
+eigene denkbeelden over te geven, hebben mij meer aan de ingevingen der
+verbeelding, dan aan die der rede onderworpen. Indien ik slechts durfde
+hopen – als ik slechts denken kon – dat ge u verwaardigen wildet, een
+toegenegene, toegevende vriendin voor mij te zijn, die mij kracht zou
+geven om mijn fouten te herstellen, mijn volgend leven –”
+
+„Bedaar, waarde heer! nu brengt u de vreugde, dat ge aan de handen van
+een Jacobietischen werver ontsnapt zijt, tot overdrevene dankbaarheid.”
+
+„Liefste Flora, speel niet langer met mij! Gij kunt de taal van een
+hartstocht niet miskennen, welken ik, ook zonder het te willen, aan den
+dag heb gelegd; en nu ik het ijs heb gebroken, laat mijne
+stoutmoedigheid mij niet benadeelen. – Mag ik, met uw verlof, uw
+broeder zeggen –”
+
+„Om alles ter wereld niet, mijnheer Waverley.”
+
+„Wat moet ik daaruit opmaken?” zeide Eduard. „Bestaat er eenige
+noodlottige hinderpaal? – heeft een vroegere genegenheid –?”
+
+„Neen, Mijnheer,” hernam Flora. „Ik ben het aan mij zelve verschuldigd
+te zeggen, dat ik nooit iemand ontmoet heb, die mij aanleiding gaf aan
+zoo iets als waarvan er thans sprake is, te denken.”
+
+„Misschien is onze korte kennismaking; – als freule Mac-Ivor zich
+verwaardigen wilde mij tijd te geven –”
+
+„Ik heb zelfs die verontschuldiging niet. Kapitein Waverley’s karakter
+is zoo open, – is, in het kort, van dien aard, dat men het niet
+miskennen kan, noch wat sterkte noch wat zwakheid betreft.”
+
+„En om die zwakheid veracht ge mij?” zeide Eduard.
+
+„Vergeef mij, mijnheer Waverley – en herinner u, dat het slechts een
+half uur geleden is, dat er nog een hinderpaal tusschen ons bestond van
+onoverkomelijken aard, daar ik aan een officier in dienst des
+Keurvorsten van Hannover slechts kon denken, als aan een onverschillige
+kennis. Veroorloof mij dus over zulk een onverwachte zaak, na te
+denken, en in minder dan een uur zal ik gereed zijn u zoodanige redenen
+van mijn besluit te geven, die afdoende zijn, al mogten ze ook niet
+aangenaam schijnen.” Hiermede ging Flora heen, terwijl ze Waverley
+achterliet om na te peinzen over de wijze, waarop zij zijn aanzoek had
+ontvangen.
+
+Eer hij bij zichzelven kon nagaan of hij afgewezen was of niet, trad
+Fergus het vertrek weêr binnen. „Hoe! à la mort, Waverley?” riep hij,
+„kom met mij naar het voorplein, en ge zult een gezicht genieten, de
+fraaiste beschrijvingen in uwe romans waardig. Een honderdtal geweeren,
+vriend, en even zoo vele sabels, daar pas van goede vrienden gekomen,
+en twee of driehonderd stevige knapen bijna vechtende, wie ze zal
+bezitten. – Maar laat mij u van naderbij bezien. – Wel! een echte
+Hooglander zou zeggen, dat ge door een boos oog betooverd waart. – Of
+kan het zijn, dat dit dwaze meisje u uit het veld heeft geslagen? –
+Denk om haar niet, beste Eduard; de wijssten van haar geslacht zijn
+dwazen, waar het de ernstige belangen des levens geldt.”
+
+„Inderdaad, waarde vriend,” antwoordde Waverley, „al wat ik tegen uwe
+zuster inbrengen kan, is, dat zij te knap, te verstandig is.”
+
+„Als dat alles is, dan verwed ik er een louis d’or onder, dat deze bui
+overdrijven zal, eer wij vier en twintig uren verder zijn. Geen vrouw
+ter wereld is ooit zoo lang achtereen verstandig; en, zoo u dit
+genoegen doet, sta ik er voor in, dat Flora morgen zoo onredelijk zal
+zijn als iedere andere. Gij moet leeren, waarde Eduard, de vrouwen en
+mousquetaire te behandelen.” Dit zeggende, nam hij Waverley onder den
+arm, en sleepte hem voort, om zijne krijgstoerustingen te zien.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+OVER HETZELFDE ONDERWERP.
+
+
+Fergus Mac-Ivor bezat te veel tact en kiesch gevoel, om het gesprek,
+dat hij afgebroken had, weer op te vatten. Zijn hoofd was, of scheen
+zoo vervuld te zijn met geweeren, sabels, mutsen en dergelijke, dat
+Waverley, gedurende eenigen tijd, zijn oplettendheid tot niets anders
+bepalen kon.
+
+„Zijt ge voornemens al zoo spoedig te veld te trekken, Fergus, dat ge
+al deze oorlogzuchtige toebereidselen maakt?”
+
+„Als wij het eens geworden zijn, dat gij met mij gaat, zult gij alles
+weten; anders zou deze kennis u lichtelijk schaden.”
+
+„Maar hebt gij ernstig voorgenomen, om met zulk een geringe macht,
+tegen een gevestigd bewind op te staan? Het is waarlijk razernij.”
+
+„Laissez faire à Don Antoine.” – Ik zal voor mijzelven zorgen. Wij
+zullen ten minste de beleefdheid van Conan in praktijk brengen, die
+nooit een slag kreeg, of hij gaf er een terug. Ik zou echter niet graag
+willen,” vervolgde het Opperhoofd, „dat gij mij voor dwaas genoeg
+aanzaagt, om mij in beweging te zetten, vóór dat de gelegenheid gunstig
+is; ik zal mijn hond niet losmaken, voor dat het wild opgejaagd is. –
+Maar nog eens, als gij u bij ons voegen wilt, zult ge alles weten.”
+
+„Hoe kan ik dat doen?” zeide Waverley, „ik, die nog zoo kort geleden
+den officiersrang bekleedde, waartoe de aanstelling thans op de
+terugreis is tot hen, die ze mij schonken. Door ze eenmaal aan te
+nemen, heb ik, onrechtstreeks mijne getrouwheid aan en mijne erkenning
+van de wettigheid des bewinds bezworen.”
+
+„Een overhaaste belofte is geen stalen handboei; [106] zij kan
+afgeschud worden, vooral wanneer ze bedriegelijk uitgelokt en met
+beleediging vergolden werd. Maar als gij niet terstond tot een
+schitterende wraak kunt besluiten, keer dan naar Engeland terug, en eer
+gij de Tweed over zijt, zult ge tijdingen hooren, waarvan de wereld
+gewagen zal; en zoo Sir Everhard de moedige, oude Cavalier is, voor
+wien hem eenige onzer „eerlijke” [107] heeren van het jaar zeventien
+honderd vijftien houden, zal hij wel een betere compagnie ruiterij en
+een betere zaak voor u opsporen, dan die gij verloren hebt.”
+
+„Maar uwe zuster, Fergus?”
+
+„Scheer u weg, booze geest!” hernam het Opperhoofd lachend, „waarom
+kwelt gij dezen jongeling! – Spreekt ge van niets dan van de vrouwen?”
+
+„Laat ons ernstig spreken, waarde vriend; ik voel dat het geluk van
+mijn volgend leven zal afhangen van het antwoord van freule Mac-Ivor,
+op hetgeen ik mij heden morgen verstoutte haar te zeggen.”
+
+„En is u dit inderdaad volkomen ernst,” zeide Fergus, „of dwalen wij
+rond in het rijk der verdichting?”
+
+„Volstrekt niet! Hoe kunt ge veronderstellen dat ik over zoo iets zou
+schertsen?”
+
+„Dan ben ik, in goeden ernst, zeer verheugd dit te hooren: en ik heb
+zulk een hoog denkbeeld van Flora, dat ge de eenige man in Engeland
+zijt, wien ik dit zeggen zou. – Maar, alvorens ge mijn hand met zoo
+veel vuur drukt, valt er meer te overwegen. – Uwe familie –, zal ze
+goedkeuren dat ge u verbindt met de zuster van een hooggeboren
+Hooglandschen bedelaar?”
+
+„De omstandigheden van mijn oom, zijn algemeene denkwijze, en zijn
+toegevendheid, vergunnen mij te zeggen, dat geboorte en persoonlijke
+begaafdheden alles zouden zijn, waarop hij bij zulk een verbindtenis
+zien zou. En waar kan ik beide in zulke hooge mate vereenigd vinden als
+bij uwe zuster?”
+
+„o Nergens! – cela va sans dire! Maar uw vader zal aanspraak maken op
+het vaderlijk recht, van geraadpleegd te worden.”
+
+„Zeker! Maar de breuk die onlangs plaats gehad heeft tusschen hem en de
+heerschende partij, verbant alle vrees voor tegenstand van zijn kant,
+te meer daar ik overtuigd ben, dat mijn oom met vuur mijn zaak
+bepleiten zal.”
+
+„De godsdienst misschien – ofschoon wij niet fanatiek katholiek zijn.”
+
+„Mijn moeder was van de Roomsche Kerk, en haar godsdienst gaf nooit
+eenigen aanstoot bij mijn familie. Denk niet om mijn familie, waarde
+Fergus! Laat mij liever, uw invloed inroepen, waar die wellicht
+noodiger zijn zal om zwarigheden uit den weg te ruimen – ik bedoel, bij
+uwe beminnelijke zuster.”
+
+„Mijn beminnelijke zuster,” hernam, Fergus, „is, even als haar
+beminnende broeder, best in staat, om een vrij stelligen eigen wil te
+hebben, waarnaar gij u, in dit geval, moet schikken; maar het zal aan
+mijne deelneming en mijn raad niet ontbreken. En, in de eerste plaats,
+wil ik u éen wenk geven. – Getrouwheid aan het huis der Stuarts is haar
+heerschende hartstocht. Van het oogenblik af dat zij een Engelsch boek
+lezen kon, is ze verliefd geweest op de nagedachtenis van den dapperen
+kapitein Wogan, die den dienst van den overheerscher Cromwell vaarwel
+zeide, om zich onder den standaard van Karel II te scharen; met een
+handvol ruiterij van Londen naar de Hooglanden trok, om zich bij
+Middleton te voegen, die destijds voor den Koning streed, en ten
+laatste roemrijk sneuvelde voor de koninklijke zaak. Verzoek haar u de
+verzen te laten zien, door haar op deze geschiedenis vervaardigd; ze
+hebben, ik verzeker het u, niet weinig bewondering ingeoogst. Het
+voornaamste daarna is – mij dunkt, ik heb Flora, een poos geleden, naar
+den waterval zien opwandelen – volg haar na! man, volg haar! – laat het
+garnizoen geen tijd, om in het opgevatte voornemen van tegenstand
+bevestigd te worden – Alerte à la muraille! Ga Flora opzoeken, en
+verneem haar besluit zoo spoedig mogelijk. Moge Cupido met u zijn;
+terwijl ik ga, om sabelriemen en patroontasschen na te zien.”
+
+Waverley sloeg het dal in met een beangst en kloppend hart. De liefde,
+met al haar nasleep van vrees, hoop en wenschen, kampte in hem met
+andere aandoeningen, van een minder gemakkelijk te omschrijven aard.
+Hij kon niet nalaten te overdenken, hoezeer deze morgen zijn lot
+veranderd had, en in welk een stroom van moeielijke omstandigheden hij
+zich waarschijnlijk ging storten. De opgaande zon had hem nog begroet
+als bezitter van een aanzienlijken rang bij het leger, terwijl zijn
+vader, naar allen schijn, snel in de gunst van zijn Souverein klom; dit
+een en ander was voorbijgegaan als een droom – hij zelf was onteerd,
+zijn vader gevallen, en hij was onwillekeurig, zoo niet de
+medeplichtige dan toch ten minste vertrouwd geworden met duistere, ver
+strekkende en gevaarlijke ontwerpen, die òf de omverwerping moesten te
+weeg brengen van het Bewind, dat hij nog kort geleden gediend had, òf
+den ondergang van allen, die daarin gedeeld hadden. Al luidde Flora’s
+antwoord ook gunstig voor zijn aanzoek, welk vooruitzicht bestond er,
+dat het tot een gelukkige uitkomst zou leiden, te midden van het gewoel
+van een dreigenden opstand? Of mocht hij zoo eigenbatig zijn, om haar
+voor te stellen, Fergus te verlaten, aan wien ze zóó gehecht was, en
+zich met hem naar Engeland te begeven, om daar uit de verte de
+toeschouwster te zijn van het welslagen van haars broeders onderneming,
+of wel er de verwoesting van al zijn uitzichten en bezittingen, af te
+wachten? – En, aan den anderen kant, zou hij zich alléen, zonder
+anderen bijstand, met de gevaarlijke en overhaaste overleggingen van
+het Opperhoofd inlaten? – zou hij zich door hem laten meêslepen en als
+deelgenoot van al zijn wanhopige en geweldige ondernemingen, bijna
+geheel afstand doen van het recht om zelf te oordeelen of over de
+eerlijkheid en wijsheid zijner eigene handelingen! – Dit uitzicht was
+te vernederend voor Waverley’s fierheid om er lang bij te verwijlen. En
+toch, er bleef geen andere keuze over, zoo niet het afwijzen van zijn
+aanzoek door Flora, een keus, waaraan in zijn tegenwoordigen opgewonden
+toestand, niet gedacht kon worden, zonder bijkans gevaar te loopen van
+krankzinnig te worden. Terwijl hij op deze wijze het onzekere en
+gevaarlijke zijner vooruitzichten, overwoog, bereikte hij eindelijk den
+waterval, waar hij, gelijk Fergus voorspeld had, Flora vond.
+
+Zij was geheel alleen, en zoodra ze hem zag naderen, stond ze op en
+ging hem te gemoet. Eduard poogde iets te zeggen, dat binnen de perken
+van de gewone beleefdheid en in den dagelijkschen gezelschapstoon lag,
+maar bemerkte dat dit zijn krachten te boven ging. Flora scheen in den
+beginne evenzeer verlegen, maar herstelde zich spoediger, en (een
+ongunstig teeken voor Waverley) was de eerste die het onderwerp van
+hunne laatste ontmoeting opvatte. „Het is, uit welk oogpunt ook
+beschouwd, te belangrijk, mijnheer Waverley, dan dat ik mij zou
+veroorloven u in het onzekere te laten omtrent mijn gevoelens.”
+
+„Spreek ze niet te spoedig uit,” zeide Waverley met innige ontroering,
+„of ze moesten zoodanig zijn, als ik, uit uwe houding, niet durf hopen.
+Laat de tijd – laat mijn gedrag – laat uws broeders raad –”
+
+„Vergeef mij, mijnheer Waverley,” zei Flora, met eenigszins verhoogde
+kleur, maar op vasten en bedaarden toon; „maar ik zou de zwaarste
+schuld op mij laden, indien ik draalde u mijn oprechte overtuiging te
+doen kennen, dat ik u nooit andere gevoelens kan toedragen dan die
+eener vriendin. Ik zou u het grootste onrecht doen, indien ik dit
+slechts éen oogenblik verzweeg. – Ik zie dat deze bekentenis u leed
+doet, en dit bedroeft mij, maar beter nu dan later; en, o! duizend
+malen beter, mijnheer Waverley, dat gij thans een voorbijgaande
+teleurstelling gevoelt, dan die lange, aan het hart knagende grieven,
+die de gevolgen zijn van een overhaast en ongelukkig huwelijk.”
+
+„Gerechte hemel! Maar waarom zoudt gij zulke gevolgen veronderstellen
+van een vereeniging, waar de geboorte gelijk, waar de fortuin gunstig
+is, waar, zoo ik mij verstouten mag dit te zeggen, de smaak genoegzaam
+overeenstemt, waar gij geen voorkeur voor een ander aanvoert, en zelfs
+een gunstig gevoelen uit van hem, dien zij afwijst.”
+
+„Mijnheer Waverley, ik: koester dat gunstig gevoelen, en zoo sterk,
+dat, schoon ik liever had willen zwijgen omtrent de gronden van mijn
+besluit, gij ze vernemen kunt, zoo gij dat blijk van mijn achting en
+vertrouwen verlangt.”
+
+Zij zette zich op een rotsblok neder, en terwijl Waverley naast haar
+plaats nam, drong hij, schoon eenigszins schroomvallig, op de hem
+aangeboden verklaring aan.
+
+„Ik durf u,” zeide zij, „mijne gevoelens en gewaarwordingen nauwelijks
+blootleggen, daar ze zoo geheel verschillen van die welke men doorgaans
+aan jonge meisjes van mijn jaren toeschrijft. Ik durf ternauwernood van
+de uwen spreken, uit vrees van aanstoot te geven, waar ik gaarne troost
+wensch te verleenen. Wat mijzelve betreft, van mijn kindsheid af tot op
+dezen dag, heb ik maar éen wensch gehad – namelijk: de herstelling
+mijner koninklijke weldoeners op hun rechtmatigen troon. Het is
+onmogelijk u mijn geestdrift op dit punt te doen kennen, en ik zeg
+openhartig, dat het mij zoo geheel heeft bezield, dat het alle
+gedachten aan mijn eigene positie in de wereld buitensluit. Laat mij
+slechts leven om den gelukkigen dag dier herstelling te zien; en een
+Hooglandsche hut, een Fransch klooster of een Engelsch paleis zal mij
+even onverschillig zijn.”
+
+„Maar, liefste Flora, waarom is uw geestdrift voor de verbannen familie
+onbestaanbaar met mijn geluk?”
+
+„Omdat gij in het voorwerp uwer genegenheid een hart zoekt, of behoort
+te zoeken, welks voornaamste genot bestaat in de vermeerdering van uw
+huiselijk geluk en in de beantwoording uwer liefde, zelfs tot in het
+overdrevene toe. Aan een man van minder fijn gevoel, en minder warme
+weekheid van hart, zou Flora Mac-Ivor voldoening, zoo al geen geluk,
+kunnen schenken; want, waren de onherroepelijke woorden gesproken,
+nooit zou ze te kort schieten in de plichten, die ze op zich genomen
+had.”
+
+„En waarom, – waarom, freule Mac-Ivor, zoudt ge u een rijker schat
+achten voor iemand, die minder in staat is u te beminnen en te
+bewonderen, dan ik?”
+
+„Eenvoudig, omdat de aard onzer genegenheid meer in overeenstemming
+zijn zou, en omdat zijn mindere hartstochtelijkheid die vurige
+wederliefde niet zou vorderen, die ik niet in staat ben te schenken.
+Maar gij, mijnheer Waverley, gij zoudt altijd van het huiselijk geluk
+alles vorderen wat uw verbeelding u voorspiegelt, en alles wat bij die
+ideale voorstelling te kort schoot, zou als koelheid en
+onverschilligheid worden aangemerkt; terwijl gij de geestdrift,
+waarmede ik het lot der koninklijke familie naga, zoudt beschouwen als
+een roof gepleegd aan de wederliefde die ik u verschuldigd zou zijn.”
+
+„Met andere woorden, freule Mac-Ivor, gij kunt mij niet beminnen?” zei
+Eduard ter neêrgeslagen.
+
+„Ik zou u even zeer en misschien meer dan eenig man, dien ik ooit
+gezien heb, kunnen hoogachten, mijnheer Waverley, maar ik kan u niet
+beminnen, zoo als gij moet bemind worden. O! verlang, om uw eigen wil,
+zulk een gevaarlijke proef niet. De vrouw, die gij huwt, moet hare
+neigingen en gevoelens, naar de uwen wijzigen. Haar gedachten moeten
+uwe gedachten zijn; – haar wenschen, haar gewaarwordingen, haar hoop en
+haar vrees, moeten alle met de uwen inéensmelten. Zij moet uwen
+genoegens verhoogen, uwe zorgen met u deelen en u opbeuren als ge
+droefgeestig zijt.”
+
+„En waarom wilt ge, freule Mac-Ivor, die een gelukkige echtvereeniging
+zoo goed weet te beschrijven, niet zelve de persoon zijn, die gij
+beschrijft?”
+
+„Is het mogelijk dat ge mij nog niet begrijpt? Heb ik u niet gezegd,
+dat al mijne gedachten zich enkel en alleen bepalen tot een
+gebeurtenis, waarop ik inderdaad geen anderen invloed bezit, dan dien
+welken mijne vurige beden mogen uitoefenen.”
+
+„En zou niet het inwilligen van mijn verzoek” zeide Waverley, „zelfs de
+zaak kunnen bevorderen, waaraan ge u zoo geheel hebt gewijd? Mijn
+familie is rijk en machtig; in haar beginselen het huis van Stuart
+genegen, en mocht eenige gunstige gelegenheid –”
+
+„Een gunstige gelegenheid!” hernam Flora, min of meer met trotsche
+verachting. – In haar beginselen! – Kan zulk eene lauwe welwillendheid
+eervol zijn voor u zelven, of aangenaam aan uw wettigen Souverein! –
+Bereken naar mijn tegenwoordig gevoel, wat ik te lijden zou hebben, als
+ik lid was eener familie, bij welke de rechten die ik voor de heiligste
+houd, onderworpen worden aan koele berekening, en slechts dan
+ondersteuning waardig geacht worden, als het blijkt dat ze op het punt
+zijn, om ook zonder deze te zegepralen!”
+
+„Uwe twijfelingen,” antwoordde Waverley met levendigheid, „zijn
+onrechtvaardig, voor zoo veel mij betreft. De zaak, welke ik omhelzen
+zal, zal ik, trots alle gevaren, blijven voorstaan, even onversaagd als
+de stoutmoedigste, die ooit het zwaard daarvoor trok.”
+
+„Daaraan,” antwoordde Flora, „kan ik zelfs geen oogenblik twijfelen.
+Maar raadpleeg uw eigen gezond verstand liever, dan een in der haast
+opgevatte ingenomenheid, waarschijnlijk alleen, omdat gij een jong
+meisje, met de gewone begaafdheden eener beschaafde opvoeding bedeeld,
+in een afgelegen en romantische landstreek ontmoet hebt. Laat uw
+deelgenootschap aan dat groot en gevaarlijk drama op overtuiging
+berusten, en niet op een hartstochtelijk, en misschien wel voorbijgaand
+gevoel.”
+
+Waverley poogde te antwoorden; maar de woorden ontbraken hem. De door
+Flora geuite gevoelens billijkten de sterkte der genegenheid die hij
+haar toedroeg; want zelfs haar gehechtheid aan de Stuarts, hoewel
+overdreven, was grootsch en edel; ze achtte het beneden zich gebruik te
+maken van eenig onrechtstreeksch middel, om de zaak waaraan ze zich
+toegewijd had te bevorderen.
+
+Nadat ze het pad dat naar beneden in het dal voerde een kort eind
+zwijgend waren afgewandeld, vatte Flora het gesprek aldus weder op. –
+„Nog éen woord, mijnheer Waverley, eer wij dit onderwerp voor altijd
+laten varen; en vergeef mijn vermetelheid, zoo dat woord zweemt naar
+een waarschuwing. Mijn broeder Fergus wenscht vurig, dat ge deel zult
+nemen aan de onderneming door hem beraamd. Maar besluit hiertoe niet; –
+ge zoudt, door uw persoonlijken bijstand den goeden uitslag weinig
+kunnen bevorderen; maar daarentegen onvermijdelijk deelen in zijn val,
+zoo het Gods wil is dat hij valt. Uw goede naam zou dus een
+onherstelbare schade lijden. Laat mij u smeeken, naar uw eigen land
+terug te keeren, en als ge u openlijk hebt los gemaakt van elke
+verbintenis met het heerschend geslacht, zult ge, vertrouw ik,
+genoegzame reden en gelegenheid vinden, om uw mishandelden Souverein
+met kracht te dienen, en even als uwe edele voorouders, moedig optreden
+aan het hoofd uwer natuurlijke volgelingen en aanhangers – als een
+waardig afstammeling van het huis van Waverley.”
+
+„En als ik zoo gelukkig was, mij aldus te onderscheiden, zou ik dan
+mogen hopen –”
+
+„Vergeef me, dat ik u in de reden val. Slechts het tegenwoordige
+oogenblik is het onze, en ik kan niet anders, dan u openhartig de
+gevoelens doen kennen die ik thans koester; welke wending ze zouden
+kunnen nemen door een gunstigen loop van zaken, waarop niet te hopen
+valt, zou nutteloos zijn om zelfs te willen gissen. Wees echter
+verzekerd, mijnheer Waverley, dat, na de eer en het geluk mijns
+broeders, ik steeds oprecht voor de uwe zal bidden.”
+
+Met deze woorden verliet ze hem, want ze waren nu een plaats genaderd,
+waar het pad zich in tweeën scheidde. Waverley bereikte het slot onder
+een mengeling van tegenstrijdige aandoeningen. Hij vermeed zorgvuldig
+elke afzonderlijke ontmoeting met Fergus, daar hij zich niet in staat
+gevoelde diens scherts te verdragen, of op zijne vragen te antwoorden.
+Het rumoer en de opgewondenheid van het feest, want Mac-Ivor hield open
+tafel voor zijn clan, strekten min of meer om zijn gedachten af te
+leiden. Toen de maaltijd geëindigd was, begon hij te overleggen, hoe
+hij freule Mac-Ivor, na de pijnlijke en belangrijke verklaring van dien
+morgen, weer zou ontmoeten. Maar Flora verscheen niet. Fergus, wiens
+oog vuur schoot, toen hem door Cathleen gezegd werd, dat haar meesteres
+voornemens was dier avond op haar kamer te blijven, ging haar zelf
+opzoeken; maar waarschijnlijk waren zijn vertoogen vruchteloos, want
+hij kwam terug met een verhoogde kleur en blijkbare teekenen van
+misnoegen. Het overige van den avond ging voorbij zonder eenige
+toespeling, van Fergus of Waverley, op het onderwerp hetwelk de
+gedachten van den laatsten, en misschien van beide, geheel vervulde.
+
+Op zijn kamer teruggekeerd, poogde Eduard al hetgeen dien dag
+voorgevallen was, na te gaan. Dat de afwijzing, die hij van Flora had
+geleden, voor het oogenblik onveranderlijk was, leed geen twijfel. Maar
+kon hij hopen om eindelijk te slagen, als de omstandigheden het
+hervatten van zijn aanzoek eens gedoogden? Zou haar getrouwheid aan het
+oude koningshuis, die men bijna dweepziek zou kunnen heeten, en welke
+in dit oogenblik van spanning aan geene zachtere aandoening toegang
+vergunde, den goeden of kwaden uitslag der tegenwoordige staatkundige
+woelingen overleven? En zoo ja, kon hij dan hopen, dat de
+belangstelling die ze te zijnen aanzien erkend had te gevoelen, wijken
+zou voor een vuriger genegenheid? Hij pijnigde zijn geheugen door elk
+woord te herhalen, dat ze gebezigd had, terwijl hij zich de blikken en
+bewegingen, waardoor ze versterkt waren, evenzeer voor den geest
+bracht, en eindigde met zich in denzelfden staat van onzekerheid, te
+bevinden. Het was zeer laat, toen de slaap eindelijk het oproer in zijn
+hart tot bedaren bracht, na den smartelijksten en onrustigsten dag,
+dien hij ooit beleefd had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-TWINTIGSTE. HOOFDSTUK.
+
+EEN BRIEF VAN TULLY-VEOLAN.
+
+
+Des morgens, toen Waverley’s verwarde denkbeelden voor eenigen tijd in
+rust waren geweest, kwam er muziek bij zijn droomen, maar niet de stem
+van Selma [108]. Hij verbeeldde zich dat hij op Tully-Veolan was
+wedergekeerd, en dat hij Davie Gellatley op het voorplein die
+morgenliedjes hoorde zingen, die de eerste klanken plachten te zijn,
+waardoor hij in zijn rust gestoord werd, toen hij nog bij den baron van
+Bradwardine vertoefde, De tonen, welke hij nog in zijn droom had meenen
+te hooren, hielden aan en drongen nog duidelijk tot hem door, tot
+Eduard in goeden ernst wakker werd. De begoocheling scheen echter nog
+niet geheel geweken te zijn. Hij bevond zich wel degelijk in den toren
+van Ian nan Chaistel; maar het was toch de stem van Davie Gellatley,
+die de volgende regels onder zijn vensters zong:
+
+
+ Mijn hart is in ’t Hoogland, mijn hart is niet hier;
+ Mijn hart is in ’t Hoogland, en jaagt met plezier;
+ Het zit er de herten en reebokken na;
+ Mijn hart is in ’t Hoogland, waar heen ik ook ga [109].
+
+
+Nieuwsgierig om te weten, wat Gellatley bewogen mocht hebben zulk een
+buitengewoon langen tocht te doen, begon Eduard zich in allerijl te
+kleeden, en terwijl hij hiermede bezig was, veranderde David
+onderscheidene malen van gezang.
+
+
+ Niets vindt ge in ’t Hoogland, dan knoflook en prei,
+ Langbeenige knapen, maar broekloos er bij:
+ Maar ligt dat men kousen en schoenen herkrijgt,
+ Als Koning Jacobus zijn troon weêr bestijgt [110].
+
+
+Terwijl Waverley zich gekleed had en naar buiten gegaan was, had David
+zich bij twee of drie der talrijke Hooglandsche ledigloopers gevoegd,
+die de poort van het kasteel altijd met hunne tegenwoordigheid
+opluisterden, en sprong en danste in ’t rond, terwijl hij er zelf de
+wijs bij floot. In deze dubbele betrekking van danser en muzikant, ging
+hij voort, totdat een doedelzakspeler, die zijn bedrijven bedaard stond
+gade te slaan, aan het algemeen geroep van „Seid suas” (blaas op!)
+gehoor gaf, en hem van het laatste gedeelte zijner taak bevrijdde. Jong
+en oud mengde zich toen in den dans. – Waverley’s verschijning maakte
+geenszins een eind aan Davids lichaamsoefening, ofschoon hij, door
+grijnzen, knikken en allerlei buigingen van het lichaam, onzen held
+blijkbaar wilde doen verstaan dat hij hem herkende. Vervolgens, terwijl
+hij druk bezig was met de vereischte bewegingen, en intusschen allerlei
+geluiden maakte en met de vingers boven zijn hoofd klapte, rekte hij,
+op eens, zijn zijsprong, zoo dat deze hem bracht waar Waverley stond,
+en zich gedurig op de maat bewegende, even als Harlekijn in een
+pantomime, duwde hij onzen held een brief in de hand, waarop hij den
+dans zonder oponthoud of stoornis op nieuw voortzette. Daar Eduard zag,
+dat het adres van Rose’s hand was, verwijderde hij zich om den brief te
+lezen, terwijl hij den getrouwen overbrenger zijn lichaamsoefeningen
+liet voortzetten, tot het den doedelzakspeler of hem zelven vervelen
+zou.
+
+De inhoud van den brief verbaasde hem in hooge mate. Oorspronkelijk was
+hij begonnen met „waarde heer!” maar deze woorden waren zorgvuldig
+uitgekrabt, en het korte „mijnheer!” daarvoor in de plaats gesteld. De
+rest zal in Rose’s eigen taal en stijl gegeven worden.
+
+
+„Ik vrees, dat ik een ongepaste vrijheid gebruik, met u lastig te
+vallen; en toch kan ik het aan niemand anders overlaten, u het een en
+ander te doen weten, dat hier voorgevallen is, en waarmede gij
+noodzakelijk moet bekend wezen. Vergeef mij, zoo ik verkeerd handel;
+want, helaas! mijnheer Waverley, ik heb geen beteren of anderen
+raadsman dan mijn eigen gevoel; – mijn lieve vader is van hier gegaan,
+en wanneer hij terugkeeren zal om mij bij te staan en te beschermen,
+weet God alleen! Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat, ten gevolge van
+eenige verontrustende tijdingen uit de Hooglanden, bevelschriften
+werden gezonden, om verscheidene heeren in deze streken in hechtenis te
+nemen en daaronder ook mijn lieven vader. In weerwil van mijne tranen
+en gebeden, dat hij zich aan het Bewind zou overgeven, vereenigde hij
+zich met Falconer en eenige andere heeren, en trokken zij gezamenlijk
+naar het noorden, met een corps van omstreeks veertig ruiters. Dus ben
+ik niet zoo zeer beangst omtrent zijn oogenblikkelijke veiligheid, als
+wel over de gevolgen; want dit is slechts het begin van zeer onrustige
+tijden. Maar dit alles gaat u niet aan, mijnheer Waverley; ik dacht
+slechts dat het u verheugen zou te hooren, dat mijn vader ontsnapt is,
+ingeval gij mocht vernomen hebben, dat hij in gevaar was.
+
+„Maar den dag, nadat mijn vader ontkomen was, verscheen er een troep
+soldaten op Tully-Veolan; ze gedroegen zich zeer ruw jegens den
+rentmeester Mac-Wheeble, ofschoon de officier heel beleefd jegens mij
+was; alleen zeide hij, dat zijn plicht hem gebood onderzoek te doen
+naar de wapenen en papieren mijns vaders. Maar vader had hiervoor
+gezorgd, door al de wapenen weg te nemen, uitgenomen de oude,
+nuttelooze dingen, die in de voorzaal hingen, terwijl hij al zijn
+papieren geborgen had. Dan, helaas! mijnheer Waverley, hoe zal ik u
+zeggen, dat ze een allernauwkeurigst onderzoek naar u deden, en
+vroegen, wanneer gij op Tully-Veolan geweest waart, en waar gij u nu
+bevondt. De officier is met zijn volk weêr heengegaan, maar een
+onderofficier en vier man blijven, als een soort van bezetting, in
+huis. Zij hebben zich tot hiertoe zeer goed gedragen, maar wij zijn
+genoodzaakt hen in alles te ontzien. De soldaten hebben zich echter
+laten ontvallen, dat gij, zoo gij in hun handen vielt, in groot gevaar
+zoudt zijn; ik kan niet over mij verkrijgen te schrijven, welke
+ondeugende leugens zij vertelden, want ik ben zeker dat het onwaarheden
+zijn; maar gij zult zelf best kunnen oordeelen, wat u te doen staat. De
+troep die terugkeerde, voerde uw knecht gevangen weg, met uw beide
+paarden en al wat ge te Tully-Veolan achtergelaten hebt. Ik hoop dat
+God u beschermen zal, en dat gij behouden in Engeland te huis zult
+komen, waar ge mij placht te vertellen, dat geen krijgsgeweld of
+vechten tusschen de clans geoorloofd was, maar dat alles geschiedde
+volgens billijke wetten, die alle weerloozen en onschuldigen
+beschermden. Ik hoop dat ge mijn vrijpostigheid zult vergeven dat ik u
+schreef; bedrieg ik mij niet, dan staan uwe veiligheid en eer op het
+spel. Ik ben verzekerd – ten minste ik geloof, dat mijn vader mijn
+schrijven zou goedkeuren; want mijnheer Rubrick is naar zijn neef, te
+Duchran, gevlucht, om buiten gevaar van de soldaten en de Whigs te
+zijn; en de heer Mac-Wheeble houdt er niet van, (zoo als hij zegt) zich
+met eens ander mans zaken te bemoeien; ofschoon ik hoop, dat, hetgeen
+mijns vaders vrienden in zulk een tijd van dienst kan zijn, niet als
+ongepaste bemoeizucht zal worden aangemerkt. Vaarwel, kapitein
+Waverley! ik zal u waarschijnlijk nooit weder zien; want het zou zeer
+ongepast zijn te wenschen, dat ge juist nu te Tully-Veolan zoudt
+afstappen, al waren deze mannen ook heengegaan; maar ik zal altijd met
+dankbaarheid uwe vriendelijkheid herdenken, en de welwillendheid
+waarmede ge zulk een onwetende, als ik ben, bijstondt, als mede de
+oplettendheden: die ge voor mijn lieven, besten vader hadt. Ik blijf uw
+verplichte dienares,
+
+ Rose Comyne Bradwardine.”
+
+„P. S. – Ik hoop, dat ge mij een regeltje met David Gellatley zult
+zender, om te zeggen, dat ge dezen ontvangen hebt, en voorzichtig zult
+zijn; en vergeef mij, zoo ik u, om uw eigen wil verzoek, u volstrekt
+niet in deze ongelukkige kabalen te mengen, maar, zoo spoedig mogelijk,
+naar uw eigen gelukkig land te vluchten. Mijn groeten aan mijn lieve
+Flora en aan Glennaquoich. Is ze niet even mooi en knap, als ik u haar
+beschreef?”
+
+
+Aldus sloot de brief van Rose Bradwardine, welks inhoud Waverley
+tegelijk bevreemdde en bedroefde. Dat de Baron, ten gevolge der
+beweging onder de aanhangers van het huis van Stuart, verdacht was bij
+het Bewind, scheen niet meer dan het natuurlijke gevolg van zijn
+staatkundige denkwijze; maar hoe men hem eveneens had kunnen verdenken,
+daar hij zich bewust was dat tot op gisteren zelfs geen gedachte bij
+hem tegen de regeerende familie was opgekomen, scheen hem
+onverklaarbaar. Zoo wel op Tully-Veolan als op Glennaquoich hadden zijn
+gastheeren den eed geëerbiedigd, die hem aan het bestaande Bewind
+verbond, en ofschoon hij toevallig had kunnen merken, dat de Baron en
+het Opperhoofd onder de misnoegde edelen moesten gerangschikt worden,
+nog in grooten getale in Schotland aanwezig, had hij echter, tot op het
+oogenblik, dat zijn betrekking tot het leger, door het intrekken van
+zijn aanstelling had opgehouden, geen reden te veronderstellen, dat ze
+eenige rechtstreeks vijandelijke onderneming tegen de bestaande orde
+van zaken in den zin hadden. Intusschen gevoelde hij wel, dat, zoo hij
+niet haastig besloot den voorslag van Fergus Mac-Ivor te omhelzen, het
+van het uiterste belang voor hem was, deze verdachte en gevaarlijke
+buurt terstond te verlaten, en zich daarheen te begeven waar zijn
+gedrag een voldoend onderzoek kon ondergaan. Hiertoe besloot hij te
+gereeder, daar Flora’s raad deze handelwijze begunstigde, en omdat hij
+een onbeschrijfelijken afkeer gevoelde van het denkbeeld, om
+medeplichtig te zijn aan de rampen van een burgeroorlog. Welke ook de
+oorspronkelijke rechten der Stuarts waren, het bedaard nadenken zeide
+hem, dat, de vraag daargelaten in hoe verre Jacobus de Tweede de
+rechten zijner nakomelingen kon verbeuren, hij toch, volgens de
+eenparige stem der gansche natie, de zijne wettiglijk had verbeurd.
+Sedert dat tijdperk hadden vier: koningen in vrede en voorspoed over
+Brittanje geregeerd, terwijl ze den roem van het volk buiten, en zijn
+vrijheden binnen ’s lands gehandhaafd en vermeerderd hadden. De rede
+vroeg: was het den moeite waard, een sedert zoolang gevestigd bewind te
+verontrusten, en een koninkrijk in al de ellende van den burgeroorlog
+te storten, om de afstammelingen van een koning op den troon te
+herstellen, door wien die troon willens en wetens verbeurd was? Doch
+zoo al, van den anderen kant, zijn volkomene overtuiging van de
+rechtvaardigheid hunner zaak, of de bevelen van zijn vader en oom hem
+de ondersteuning der Stuarts oplegden, dan was het nogtans
+noodzakelijk, dat hij zijn eigene eer handhaafde, door te bewijzen, dat
+hij geen stap in die richting gedaan had, zoo als men inderdaad
+valschelijk scheen voorgewend te hebben zoolang hij in dienst was van
+den regeerenden vorst.
+
+De eenvoudigheid van Rose’s taal, waarin zoo veel genegenheid en
+bezorgdheid voor zijn veiligheid doorstraalde, zoo wel als het
+denkbeeld dat ze zich zonder beschermer bevond, en niet slechts aan
+angst, maar aan wezenlijk gevaar kon zijn blootgesteld, maakte een
+diepen indruk op hem, en hij schreef oogenblikkelijk, om haar in de
+vriendelijkste bewoordingen dank te zeggen voor haar bezorgdheid te
+zijnen aanzien, vergezeld van zijn hartelijke wenschen voor het welzijn
+van haar en haar familie, en van verzekeringen die haar omtrent zijn
+eigene veiligheid konden geruststellen. Spoedig weken echter de hier
+door opgewekte gevoelens weder voor de gedachte aan de
+noodzakelijkheid, die thans voor hem bestond, om Flora Mac-Ivor,
+misschien voor altijd, vaarwel te zeggen. De beklemdheid, welke deze
+gedachte bij hem opwekte, laat zich niet beschrijven; want Flora’s
+hooggestemd karakter, haar zelfopoffering voor de zaak die ze omhelsd
+had, gevoegd hij haar nauwgezette eerlijkheid, wat de middelen om ze te
+dienen betreft, dat alles rechtvaardigde in Eduards oogen de keuze van
+zijn hart. Maar de tijd drong; de laster had zijn naam aangevallen; en
+ieder uur uitstel versterkte het vergif. Hij moest onmiddellijk
+vertrekken.
+
+Na dit besluit genomen te hebben, zocht hij Fergus op, deelde hem den
+inhoud van Rose’s brief mede, zijn voornemen om zich oogenblikkelijk
+naar Edinburgh te begeven, en den een of ander dier lieden van gewicht
+op te zoeken, voor wie hij brieven van zijn vader had, en in hunne
+handen de bewijzen te leggen, waardoor hij iedere tegen hem ingebrachte
+beschuldiging zou kunnen ontzenuwen.
+
+„Gij loopt met uw hoofd in den muil van den leeuw,” antwoordde
+Mac-Ivor. „Gij hebt geen denkbeeld van de gestrengheid eener regeering,
+die door welgegronde vrees, en tevens door de bewustheid harer
+onwettigheid en onveiligheid verontrust wordt. Ik zal u nog moeten
+komen verlossen uit de een of andere ellendige gevangenis op het
+kasteel van Stirling of Edinburgh.”
+
+„Mijn onschuld, mijn rang, mijns vaders vriendschapsbetrekking met lord
+M –, met den generaal G –, enz. zullen een toereikende bescherming
+zijn.”
+
+„Gij zult het tegendeel ondervinden; deze heeren zullen genoeg met
+hunne eigene zaken te doen hebben. Nog eens, wilt ge den plaid
+aannemen, en mij eenigen tijd ter zijde staan, tusschen de mist en de
+kraaien [111] in de loffelijkste zaak, waarvoor ooit een zwaard
+ontbloot werd?”
+
+„Om verscheidene redenen, waarde Fergus, moet ge mij daarvan
+verschoonen.”
+
+„Nu dan, ik zal u zeker aantreffen, bezig met uw dichterlijk talent te
+oefenen in klaagzangen op een gevangenis, of uwe oudheidkundige
+bekwaamheden in het verklaren der Oggamsche [112] letters of eenig
+Punisch beeldschrift, op de hardsteenen van een oud gewelf; of wat zegt
+ge van un petit pendement bien joli. En ik zou niet borg willen staan
+dat u dat niet overkomt, als ge een corps gewapende Westlandsche Whigs
+ontmoet.”
+
+„En waarom?”
+
+„Om honderd goede redenen. Vooreerst, zijt ge een Engelschman; ten
+tweede, een fatsoenlijk man; ten derde, een aanhanger van de
+Bisschoppelijke kerk; en ten vierde, hebben ze in langen tijd geen
+gelegenheid gehad, om hunne krachten op zoo iemand te beproeven. Maar,
+laat u niet ter neêrslaan, geliefde; alles zal geschieden in de vreeze
+des Heeren!”
+
+„Welnu, ik zal het wagen.”
+
+„Gij zijt dus besloten?”
+
+„Zeer zeker.”
+
+„Dat is koppigheid!” zeide Fergus. „Maar ge kunt niet te voet gaan, en
+ik zal geen paard noodig hebben, daar ik te voet optrekken moet aan het
+hoofd der kinderen van Ivor: ge moet dus mijn ros Dermid nemen.”
+
+„Zoo ge hem verkoopen wilt, zal ik me zeker zeer verplicht achten.”
+
+„Zoo uw trotsch Engelsch hart niet besluiten kan om een gift of leening
+aan te nemen, zal ik, bij het begin van een veldtocht, geen geld
+weigeren; de prijs is twintig guinjes. (Herinner u lezer, dat het
+zestig jaar geleden is). En wanneer zijt ge voornemens te vertrekken?”
+
+„Hoe eer hoe liever.”
+
+„Daar hebt ge gelijk in, nu ge toch gaan moet, of liever, gaan wilt, Ik
+zal Flora’s hit nemen, en u tot Bally-Brough begeleiden. – Callum Beg!
+maak onze paarden gereed, benevens een hit voor u, om mijnheer Waverley
+te vergezellen en op zijn bagaadje te passen, tot – (hier noemde hij
+een kleine stad), waar hij een paard en gids kan krijgen tot Edinburgh.
+Trek een Laaglandsche kleeding aan, en pas wel op dat ge den mond
+houdt, zoo ge niet wilt dat ik dien nog wat wijder open snijd; mijnheer
+Waverley zal Dermid rijden.” Vervolgens zich tot Eduard keerende, „Wilt
+ge afscheid van mijn zuster nemen.”
+
+„Ongetwijfeld – dat wil zeggen, als freule Mac-Ivor me de eer wil
+gunnen.”
+
+„Cathleen, laat mijn zuster weten, dat de heer Waverley afscheid van
+haar wenscht te nemen, alvorens hij ons verlaat. – Maar Rose
+Bradwardine – men moet aan haar toestand denken – ik wenschte dat ze
+hier ware, – En waarom zou ze niet? – Er zijn maar vier roodrokken op
+Tully-Veolan, en hunne geweren zouden ons zeer goed te pas komen.”
+
+Op deze afgebroken woorden antwoordde Waverley niet; hij hoorde ze wel,
+maar zijn ziel was geheel vervuld met de verwachte binnenkomst van
+Flora. – De deur ging open. – Het was slechts Cathleen, die de
+verontschuldiging van hare meesteres overbracht, alsmede haar beste
+wenschen voor mijnheer Waverley’s welvaart en geluk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+WAVERLEY’S ONTVANGST IN DE LAAGLANDEN, NA ZIJNE HOOGLANDSCHE REIS.
+
+
+Het was middag, toen de beide vrienden op den top van Bally-Brough
+stonden. „Ik moet niet verder gaan,” zeide Fergus Mac-Ivor, die
+gedurende de reis te vergeefs gepoogd had den moed van zijn vriend op
+te beuren. „Als mijn ondeugende zuster eenig deel aan uwe
+neêrslachtigheid heeft, koestert ze toch, geloof dat vrij, hooge
+gedachten van u, ofschoon haar tegenwoordige bezorgdheid voor openbare
+zaken haar belet zich met een ander onderwerp bezig te houden. Vertrouw
+me uwe belangen toe; ik zal ze niet verraden; mits ge die ellendige
+kokarde niet weer opzet.”
+
+„Vrees daarvoor niet, na de wijze waarop ze mij ontnomen is. Vaarwel,
+Fergus, laat uwe zuster mij niet vergeten!”
+
+„Nu vaarwel, Waverley! ge zult wellicht spoedig van haar onder een
+hoogeren titel hooren gewagen. Ga naar huis, schrijf brieven, win
+vrienden zoo vele en zoo spoedig ge maar kunt; er zullen weldra
+onverwachte gasten op de kust van Suffolk zijn, of mijn tijdingen uit
+Frankrijk hebben mij bedrogen [113].”
+
+Dus scheidden de beide vrienden; Fergus keerde naar zijn kasteel terug,
+terwijl Eduard, gevolgd door Callum Beg, die in een Laaglandschen
+rijknecht herschapen scheen, voorttrokken naar het landstadje **.
+
+Eduard reisde voort met het pijnlijke en toch niet geheel hopelooze
+gevoel, hetwelk scheiding en onzekerheid gewoonlijk in de ziel van een
+jeugdigen minnaar opwekken. Ik weet niet of de dames het volle gewicht
+van den invloed der afwezigheid inzien; ook acht ik het niet verstandig
+haar dit te leeren, opdat, evenals de Clelias en Mandanes van oudtijds,
+de lust haar niet weer bekruipe om haar minnaars in ballingschap te
+zenden. Het is waar, dat de verwijdering denkbeeldig dezelfde
+uitwerking te weeg brengt, als met wezenlijke zichtbare dingen
+geschiedt. Zij verzacht en rondt de voorwerpen af, en maakt ze dubbel
+bevallig; al de harde en meer dagelijksche punten van het karakter
+ontsnappen aan het oog; en die welke men zich herinnert, zijn de meer
+treffende trekken, die van verhevenheid, bevalligheid of schoonheid
+getuigen. Er zijn zoo wel nevels in den geestelijken, als in den
+natuurlijken dampkring, om al hetgeen minder behagelijk is te
+omsluieren; en ook gelukkige lichtstralen, met vollen glans vallende op
+die partijen, welke bij een schitterende verlichting kunnen winnen.
+
+Waverley vergat Flora’s vooroordeelen bij de gedachte aan haar
+grootmoedigheid, en vergaf haar bijna hare onverschilligheid voor zijn
+liefde, als hij zich het verhevene doel voor den geest riep, dat geheel
+haar ziel scheen te vervullen. Indien haar gevoel van plicht haar zoo
+sterk hechtte aan de zaak van een weldoener, waartoe zou ze dan niet in
+staat zijn, wat zou haar liefde niet opofferen voor den gelukkigen
+sterveling, wien het gelukken mocht die te winnen? Daarop volgde de
+moeielijke vraag, of hij die gelukkige kon zijn? – een vraag, welke de
+inbeelding bevestigend poogde te beantwoorden, door altijd op te
+roepen, wat ze tot zijn lof had gesproken; terwijl er nog veel
+vleiender uitlegging aan werd toegevoegd, dan de tekst zelf medebracht.
+Al wat een gewoon gezegde was, al wat tot de alledaagsche wereld
+behoorde, smolt weg en verdween in dezen droom der verbeelding, die
+slechts, op de voordeeligste wijze, de bevalligheden en grootsche
+hoedanigheden in herinnering bracht, welke Flora van de meeste harer
+kunne onderscheidden; niet de bijzonderheden welke ze met haar gemeen
+had. In het kort, Eduard was flink op weg, om een godin te maken van
+een hooggestemd, talentrijk en schoon meisje; en de tijd werd
+doorgebracht met het bouwen van luchtkasteelen, tot, bij het afdalen
+van een steilen heuvel, zijn oog getroffen werd door het aan den voet
+daarvan gelegen stadje, of marktvlek **.
+
+De Hooglandsche beleefdheid van Callum Beg – in het voorbijgaan gezegd,
+zijn er weinige volkeren, die op zoo veel natuurlijke beleefdheid
+kunnen roemen, als de Hooglanders [114] – had hem niet vergund de
+mijmeringen van onzen held te storen. Maar, bemerkende dat hij bij het
+zien der huizen uit dit gepeins ontwaakte, reed Callum hem dichter op
+zijde, en zeide, dat hij hoopte „als ze beneden kwamen, mijnheer toch
+niets zeggen zou van Vich Ian Vohr, want het volk daar bestond uit
+bittere Whigs, de drommel hale hen!”
+
+Waverley verzekerde zijn voorzichtigen gids, dat hij op zijn hoede
+wezen zou; en daar hij thans, niet het luiden van klokken, maar het
+slaan van iets als een hamer tegen den kant van een ouden, morsigen
+beschimmelden, omgekeerden soepketel hoorde, die in een open hut hing,
+van de grootte en gedaante eener papagaaiskooi, opgeslagen ter
+versiering van het oosteinde van een gebouw, hetwelk naar een oude
+schuur geleek, vroeg hij aan Callum Beg, of het Zondag was?
+
+„’k Zou ’t niet zoo juist kunnen zeggen – de Zondag komt zelden over
+den pas van Bally-Brough.”
+
+Doch toen ze het vlek binnenkwamen, en op de eerste herberg, die zich
+opdeed, en er redelijk goed uitzag, aanreden, zagen ze scharen van oude
+vrouwen met zwarte regenmantels en roode rokken, uit het gebouw te
+voorschijnkomen, die gezamenlijk onder het voortgaan, de verdiensten
+van den godzaligen jongeling Jabesh Rentowel, behandelden, alsmede die
+van het uitverkoren vat, meester Goukthrapple. Zoodra hij dit zag,
+meende Callum den meester, dien hij voor het oogenblik diende, te
+kunnen zeggen, dat het óf de groote Zondag zelf was, óf de kleine
+Bewinds-Zondag, dien ze den vastendag noemen.” [115]
+
+Zij stapten aan den Zevenarmigen Gouden Kandelaar af, die, tot verdere
+stichting der gasten, voorzien was van een korte Hebreeuwsche
+zinspreuk, en werden ontvangen door den Kastelein, een lange, magere,
+puriteinsche gestalte, die scheen te aarzelen een onderkomen te
+verleenen aan lieden die op den feestdag reisden. Daar hij echter naar
+alle waarschijnlijkheid bedacht, dat, hij de macht bezat om hen voor
+zulk een ongeregeldheid een straf te doen betalen, welke ze gemakkelijk
+ontgaan konden, door bij Gregor Duncanson in de Hooglander en de
+Valkenier hun intrek te nemen, was Ebenezer Cruickshanks zoo toegevend
+van hen in zijn woning toe te laten.
+
+Tot dezen vroomen man richtte Waverley zijn verzoek om hem een gids te
+bezorgen, met een paard, om zijn mantelzak naar Edinburgh te brengen.
+
+„En van waar komt gij?” vroeg de kastelein uit de Kandelaar.
+
+„Ik heb u gezegd, waarheen ik gaan wilde. Ik zie niet in dat de gids of
+zijn paard iets meer behoeven te weten.”
+
+„Hm! Hm!” hernam de man uit de Kandelaar, een weinig van zijn stuk
+gebracht door deze afwijzing. „Het is de algemeene vastendag, mijnheer,
+en ik kan in geenerlei vleeschelijken handel treden op zulk een dag,
+wanneer het volk zich moet verootmoedigen en de afgedwaalden terug
+moeten keeren, zoo als de eerwaarde heer Goukthrapple zegt, en dit te
+meer, daar, gelijk de dierbare Jabesh Rentowel te recht aanmerkte, het
+land treurt over verbrande, geschondene en vernietigde kerkelijke
+privilegiën.”
+
+„Mijn beste vriend, als ge mij geen paard en gids kunt bezorgen, zal
+mijn knecht die elders zoeken.”
+
+„Ja wel! uw knecht? – En waarom gaat hij zelf niet verder met u?”
+
+Waverley bezat slechts weinig van het ongeduld van een
+Kavalerie-Officier, – ik bedoel die soort van ongeduld, waaraan ik eens
+veel verplichting had, bij gelegenheid dat ik op een postwagen of
+diligence een militair ontmoette, die beleefdelijk de moeite op zich
+nam, om de knechts in herbergen in orde te houden en de rekeningen na
+te zien. Iets echter van deze nuttige gave had onze held in den dienst
+verkregen, en bij deze onbeschofte uittarting begon het voor den dag te
+komen. „Hoor eens, vriend, ik ben hier gekomen om te zoeken wat ik
+noodig heb, en niet om onbeschaamde vragen te beantwoorden. Zeg, of ge
+het mij kunt bezorgen of niet; ik zal in elk geval wel weten, wat mij
+te doen staat.”
+
+Ebenezer Cruickshanks verliet de kamer, eenige onverstaanbare woorden
+tusschen de tanden mompelende; maar of ze weigerend of toestemmend
+waren, kon Eduard, niet juist onderscheiden. De Kasteleines, een
+vriendelijke, rustige, werkzame tobster, kwam zijn bevelen voor het
+middageten vernemen, maar onthield zich van eenig antwoord betrekkelijk
+paard en gids te geven; want de Salische wet, die de vrouwen van de
+regeering uitsluit, strekte zich, naar het schijnt, tot de stallen van
+den Gouden Kandelaar uit.
+
+Uit een venster, dat op de donkere en nauwe plaats uitzicht had, waar
+Callum Beg de paarden verzorgde, hoorde Waverley het volgende gesprek
+tusschen den slimmen lijfknecht van Vich Ian Vohr en den Kastelein.
+
+„Jij komt zeker uit het noorden, jonkman?” begon de laatste.
+
+„Dat mag je wel zeggen,” antwoordde Callum.
+
+„En je zult van daag mogelijk een heel end gereden zijn?”
+
+„Zoo ver dat ik met pleizier een slokje zou willen nemen.”
+
+„Vrouw, breng eens een borreltje.”
+
+Hier volgden eenige beleefdheden door de gelegenheid vereischt, waarop
+de Kastelein uit den Gouden Kandelaar, na, zoo als hij dacht, het hart
+van zijn gast, door deze gulle behandeling gestolen te hebben, zijn
+onderzoek hervatte.
+
+„Gij zult aan de overzijde van den Pas niet veel beteren drank vinden?”
+
+„Ik ben niet van de overzijde van den Pas.”
+
+„Gij zijt, naar uwe uitspraak, toch een Hooglander?”
+
+„Neen, ik kom van den kant van Aberdeen.”
+
+„En is uw meester met u van Aberdeen gekomen?”
+
+„Wel– toen ik er zelf van daan ben gegaan, ging hij ook,” antwoordde de
+ondoordringbare Callum Beg met de meeste koelbloedigheid.
+
+„En wat soort van heer is hij?”
+
+„Ik geloof dat hij een van koning Georges staatsambtenaren is; althans
+hij wil naar het zuiden gaan, en hij heeft een boel geld, en knort, of
+dingt nooit om een kleinigheid.”
+
+„Hij heeft een paard en gids van hier naar Edinburgh noodig?”
+
+„Precies, en gij moet hem die terstond bezorgen.”
+
+„Hm, Hm! Het zal lang niet goedkoop zijn.”
+
+„Hij ziet op geen stuiver.”
+
+„Ja wel! Duncan – Hebt ge mij niet gezegd dat ge Duncan of Donald
+heette?”
+
+„Neen man – Jamie – Jamie Steenson – heb ik u al gezeid.”
+
+Deze laatste meesterlijke zet ontwapende meester Cruickshanks, die,
+ofschoon verre van voldaan, hetzij over de achterhoudendheid des
+meesters, of over de wakkerheid van den bediende, zich tevreden hield
+met een belasting te leggen op de rekening en de huur van het paard, om
+zijn teleurgestelde nieuwsgierigheid te vergoeden. De omstandigheid dat
+het een vastendag was, werd niet vergeten, schoon de som het dubbele
+niet te boven ging van hetgeen ze naar billijkheid bedragen moest.
+
+Callum Beg maakte kort hierop, in eigen persoon, de ratificatie van het
+verdrag bekend, terwijl hij er bijvoegde, „Die oude Duivel wil zelf met
+den Duinhé-wassel mederijden.”
+
+„Dat zal niet heel aangenaam zijn, Callum, en heel veilig ook niet,
+want onze waard schijnt iemand te zijn die heel nieuwsgierig is; maar
+een reiziger moet zich aan zulke ongemakken onderwerpen. Intusschen,
+mijn jongen, hier is een kleinigheid voor u, om op Vich Ian Vohr’s
+gezondheid te drinken.”
+
+Callums valkenoog straalde van genoegen op het zien van een gouden
+guinje, die de laatste woorden vergezelde. Hij haastte zich, met niet
+zonder een vloek op de bezwaren van een Saksischen broekzak, of
+„beurs,” zoo als hij het noemde, zijn schat op te steken, en
+vervolgens, alsof hij begreep dat deze goedheid eenige vergelding van
+zijn kant vorderde, kwam hij Eduard dicht op zijde, met een uitdrukking
+in het gelaat die bijzonder sprekend was, terwijl hij op een half
+gesmoorden toon er bijvoegde: „Zoo mijnheer denkt dat die oude helsche
+Whig van een kerel een beetje gevaarlijk is, kan men hem gemakkelijk
+bezorgen.”
+
+„Op welke wijze?”
+
+„Ik zou hem zelf,” hernam Callum, „een klein eindje wegs van het dorp
+kunnen opwachten, en hem de huid met den Skene-occle, kittelen.”
+
+„Skene-occle! Wat is dat?”
+
+Callum knoopte zijn rok los, ligtte den linkerarm op, en wees, met een
+nadrukkelijken knik, op het gevest van een kleinen dolk, behendig in de
+voering van zijn buis verborgen. Waverley dacht dat hij hem verkeerd
+begrepen had; hij zag hem stijf aan, en ontdekte in Callums waarlijk
+schoon, hoewel verbrand gelaat, juist die uitdrukking van schelmsche
+kwaadaardigheid, welke een knaap van dezelfde jaren in Engeland zou
+hebben vertoond, bij het plan om een boomgaard te bestelen.
+
+„Goede Hemel! Callum, zoudt ge den man het leven willen benemen?”
+
+„Zeker,” antwoordde de jonge woesteling, „en ik denk dat hij al lang
+genoeg geleefd heeft, als hij het er op toelegt om brave lieden te
+verraden, die in zijn herberg komen om hun geld te verteren.”
+
+Eduard zag, dat er met redeneeren niets te doen viel, en hield zich dus
+tevreden met Callum te bevelen, alle plannen tegen den persoon van
+Ebenezer Cruickshanks te laten varen; welk bevel de knaap met groote
+onverschilligheid scheen aan te hooren.
+
+„De Duinhé-wassel moet het zelf weten; de oude vent heeft Callum nooit
+kwaad gedaan. – Maar hier is een regeltje van het Opperhoofd, dat hij
+mij verzocht mijnheer te geven, eer ik terug kwam.”
+
+De brief bevatte Flora’s dichtregels op het lot van kapitein Wogan,
+wiens ondernemend karakter door Clarendon zoo fiks beschreven is. Hij
+had zich oorspronkelijk in dienst begeven van het Parlement, maar had
+die partij verzaakt, bij het ter dood brengen van Karel I; en
+vernemende dat de koninklijke standaard door den graaf van Clencairn en
+den generaal Middleton was opgestoken in de Schotsche Hooglanden, nam
+hij afscheid van Karel II, die toen te Parijs was, stak over naar
+Engeland, verzamelde een corps ruiterij in de nabijheid van Londen, en
+trok dwars door het rijk, dat zoo lang onder de heerschappij van den
+overweldiger was geweest, en volbracht zijn marschen met zooveel kunde,
+moed en beleid, dat hij zijn handvol paardevolk behouden vereenigde met
+het corps Hooglanders, hetwelk zich toen onder de wapens bevond. Na
+verscheidene maanden, gedurende welke de krijg onbeslist bleef en
+waarin Wogans kunde en dapperheid hem den hoogsten roem verwierven, had
+hij het ongeluk om gevaarlijk gekwetst te worden, en daar er geene
+heelkundige hulp bij de hand was, eindigde op deze wijze zijn korte
+maar roemrijke loopbaan.
+
+De reden lag voor de hand, waarom het sluwe Opperhoofd het voorbeeld
+van dezen jongen held onder het oog van Waverley wenschte te brengen,
+met wiens romanesken aard het zoo volkomen strookte. Maar zijn eigen
+brief kwam neêr op een beuzeling, die Waverley beloofd had voor hem in
+Engeland te volvoeren, en slechts aan het slot trof Eduard deze woorden
+aan: „Ik ben nog boos op Flora, omdat ze ons gisteren haar gezelschap
+heeft geweigerd, en daar ik u de moeite geef om deze regels te lezen,
+ten einde ge uwe beloften onthouden mocht, om mij het vischtuig en den
+handboog uit Londen te bezorgen, wil ik haar verzen op het graf van
+Wogan hierbij insluiten. Dit, weet ik, zal haar spijten; want, om de
+waarheid te zeggen, ik geloof dat ze meer verliefd is op de
+nagedachtenis van dezen held, dan zij het waarschijnlijk ooit op eenig
+levend mensch zal worden, tenzij hij een soortgelijk pad bewandele.
+Maar de Engelsche heeren van onzen tijd bewaren hunne eiken om met het
+loof er van hunne hertenkampen te overschaduwen, of om hunne verliezen
+van éénen avond, bij de speeltafel er mede te herstellen, en roepen ze
+even zoo min te hulp, om hunne slapen te omkransen, als om hunne graven
+te overschaduwen. Laat mij op een schitterende uitzondering hopen in
+een dierbaren vriend, wien ik met, vreugd een dierbaarder naam zou
+geven.” „Het vers had tot opschrift;
+
+
+ AAN EEN EIKENBOOM.
+
+ OP HET KERKHOF TE **, IN DE HOOGLANDEN VAN SCHOTLAND, EN WAARDOOR
+ MEN GELOOFT DAT HET GRAF WORDT AANGEWEZEN VAN KAPITEIN WOGAN, IN
+ 1629 GESNEUVELD.
+
+ Spreid, zinbeeld van oud Britsche trouw,
+ Op ’t graf van hem, wiens trouw zoo schittrend uit mocht blinken,
+ En waar de dapperheid te vroeg in neêr moest zinken,
+ Uw koele, zachte, milde schaaûw.
+
+ En gij, die op dit grafbed rust,
+ Beklaag u niet, zoo hier, waar Noorderstormen gieren,
+ De lucht verweigert om uw heldenterp te sieren
+ Met bloemen van een milder kust.
+
+ De zoete Mei ontlokt ze aan de aard;
+ Maar ach, ze kwijnen reeds bij feller zonnegloeien,
+ En eer de winterstormen loeien;
+ Maar is heur broosheid wel uw beeld, en uwer waard?
+
+ Neen, want te midden van des noodlots felle’ orkaan,
+ Zwol des te hooger slechts uw niet te buigen harte,
+ En, daar de wanhoop zich vermengde met de smarte,
+ Vingt gij, al was ze kort, uw schoone loopbaan, aan.
+
+ Toen zocht ge, op Albijns heuveltop –
+ Daar Englands zonen reeds den fellen kamp ontweken –
+ Een ruwe krijgerschaar, tot heden onbezweken,
+ Ter zwaaing van het wraakstaal op.
+
+ Uw dood ging niet gepaard met droef genokte klacht;
+ Geen heilig klokgeluid klonk bij uw stervenssponde;
+ De in plaid gedoschte Gael vergaarde er zich in ’t ronde,
+ En slechts tot lijkzang werd hun pibroch u gebracht.
+
+ Maar wie, te midden van des voorspoeds zonnelicht,
+ Zou aan uw morgen niet met vreugd de voorkeur geven,
+ Ver boven een gerekter leven,
+ Welks glorie reeds voor d’ avond zwicht?
+
+ Den boom, wien koû noch hitte deert,
+ We wijden hem aan u; zijn dosch buigt tot u over;
+ Oud Rome omvlocht het hoofd der helden met uw lover,
+ Gelijk uws Wogans graf door Albijn wordt vereerd.
+
+
+Wat ook de wezenlijke verdienste van Flora Mac-Ivor’s poëzij moge
+geweest zijn, de geestdrift die ze haar had ingeboezemd, was wel
+geschikt om diepen indruk op haar minnaar te maken. De verzen werden
+gelezen – andermaal gelezen – vervolgens in Waverley’s boezem geborgen
+– daarna er weder uitgehaald, en regel voor regel herlezen met een
+lage, gesmoorde stem, die het genot rekte, even als een Epicurist, door
+langzaam en droppelsgewijze den beker te ledigen, het genot van een
+heerlijken dronk verhoogt. Het binnenkomen van jufvrouw Cruickshanks,
+met de prozaïsche mondbehoeften van wijn en een maaltijd, stoorde ter
+nauwernood deze mijmering der verliefde verbeelding en geestvervoering.
+
+Ten laatste vertoonde zich de lange, lompe gestalte en het onaangename
+gezicht van Ebenezer zelven. Ofschoon het jaargetijde zulk een voorzorg
+niet eischte, was hij geheel gewikkeld in een wijden jas, met een riem
+vastgehecht. Deze was van boven voorzien van een groote kap van
+dezelfde stof, die, over hoofd en hoed getrokken, beide volkomen
+overschaduwde, en beneden de kin toegeknoopt werd. In de hand had hij
+een zweep, met een koperen handvatsel. Zijn dunne beenen staken in een
+paar baggermanslaarzen, aan de zijden met roestige haken dichtgemaakt.
+Aldus toegerust, stapte hij tot midden in het vertrek door, en gaf toen
+met korte woorden te kennen: „Uw paarden zijn klaar,”
+
+„Gij gaat dus zelf met mij, kastelein?”
+
+„Ja, tot Perth, daar zult ge een gids naar Edinburgh vinden, als ge
+dien noodig mocht hebben.”
+
+Dit zeggende, legde hij de rekening, die hij in de hand had, onder
+Waverley’s oogen, en vulde te gelijker tijd, zonder eenige
+uitnoodiging, een glas wijn, dat hij met vrome zegebeden op hunne goede
+reis uitdronk. Waverley stond verbaasd over ’s menschen
+onbeschaamdheid, maar daar hun samenzijn kort duren, en, naar het
+scheen, nuttig voor hem wezen zou, maakte hij er geene aanmerking op,
+en na zijn rekening betaald te hebben gaf hij zijn voornemen te kennen,
+om oogenblikkelijk te vertrekken. Derhalve besteeg hij Dermid, en
+verliet den Gouden Kandelaar, gevolgd door de puriteinsche gestalte
+door ons beschreven, nadat de waard, ten koste van eenigen tijd en
+moeite, en met behulp van een steenen trap, tot gemak der reizigers
+vlak voor het huis aangebracht, zich op den rug van een langen, zwaar
+gebeenden, slecht gevoeden, afgetobden knol had geheschen, terwijl hij
+Waverley’s mantelzak achter zich geplaatst had. Schoon niet in een zeer
+vroolijken luim, kon onze held bezwaarlijk zijn lachen inhouden over
+het voorkomen van dezen zijn schildknaap, te meer als hij zich de
+verbazing welke zijn persoon en uitrusting op Waverley-Honour zou
+hebben te weeg gebracht, verbeeldde.
+
+Eduards lachlust ontging onzen waard uit den Gouden Kandelaar niet,
+die, daar hij de oorzaak volkomen begreep, een dubbele portie zuur bij
+den Pharizeschen deesem op zijn aangezicht, voegde, en bij zichzelven
+besloot, op de een of andere wijze, den jongen Engelschman duur de
+minachting te doen betalen, waarmede hij hem scheen te beschouwen. Ook
+Callum stond bij de poort, en vermaakte zich openlijk met Cruickshanks’
+belachelijke figuur. Toen Waverley hem voorbij reed, nam hij den hoed
+eerbiedig af, en, terwijl hij den stijgbeugel naderde, drukte hij hem
+op het hart: „Toch vooral op zijn hoede te wezen, dat de oude Whig hem
+geen streek speelde.”
+
+Waverley bedankte hem nogmaals, zeide hem vaarwel, en reed vlug voort,
+verre van rouwig dat hij buiten het bereik van de uitjouwende kinderen
+was, die het uitgilden toen ze den ouden Ebenezer zagen rijzen en dalen
+in zijn stijgbeugels, om het stooten te vermijden, door een harden draf
+op den slechtbestraten weg veroorzaakt. Het dorp lag dan ook spoedig
+eenige mijlen achter hen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+WAARUIT BLIJKT DAT HET VERLIES VAN EEN HOEFIJZER ERNSTIGE GEVOLGEN KAN
+HEBBEN.
+
+
+De houding en manieren van Waverley, maar bovenal de schitterende
+inhoud van zijn beurs en de onverschilligheid, waarmede hij die scheen
+te beschouwen, hielden zijn reisgezel eenigermate in ontzag, en
+schrikten hem af van een poging om een gesprek aan te knoopen. Zijn
+eigene bespiegelingen werden echter verlevendigd door een aantal
+vermoedens en baatzuchtige plannen, die daarmede onmiddellijk in
+verband stonden. De reizigers reden dus stilzwijgend voort, tot de gids
+er een einde aan maakte door de mededeeling, dat zijn „ruin een
+voorijzer had verloren, en dat mijnheer zeker zou begrijpen, dat het
+zijne zaak was.” Dat was, hetgeen de rechtsgeleerden een uitvorschende
+vraag noemen, die dienen moest om te polsen in hoeverre Waverley
+geneigd zou zijn om zich kleine belastingen te laten opleggen. „Mijne
+zaak!” riep Waverley, die de woorden van den man verkeerd opvatte.
+
+„Ongetwijfeld,” antwoordde de kastelein Cruickshanks, „schoon wij
+daaromtrent geene opzettelijke bepaling maakten, kan men niet van mij
+vergen voor de ongelukken in te staan, die den armen ruin in dienst van
+mijnheer kunnen overkomen; – niettemin, zoo mijnheer....”
+
+„O, gij wilt zeggen dat ik den smid moet betalen; maar waar zullen wij
+er een vinden?”
+
+Baas Cruickshanks, verheugd dat er van den kant zijns tijdelijken
+meesters geen zwarigheid gemaakt werd, verzekerde hem daarop, dat
+Cairnvreckan, een dorp dat ze zoo aanstonds moesten doorkomen, het
+geluk had van een uitnemenden hoefsmid te bezitten; „maar daar hij een
+vroom man was, zou hij voor geen mensch een spijker slaan op zondag of
+vastendag, alleen in geval van den uitersten nood, waarvoor hij altijd
+zes stuivers per ijzer rekende.” Het belangrijkste gedeelte der
+mededeeling, naar het gevoelen van den spreker, maakte echter zeer
+geringen indruk op den hoorder.
+
+Bij het binnenrijden van het dorp Cairnvreckan, ontdekten ze spoedig
+het smidshuis. Het diende tevens tot herberg en was twee verdiepingen
+hoog, terwijl het dak, met grijze lei bedekt, zich hoogmoedig boven de
+bevallige hutten, waardoor het omringd was, verhief. In de
+nabijgelegene smidse verried niets de sabbaths stilte en rust, die
+Ebenezer, uit hoofde der heiligheid van zijn vriend, voorspeld had.
+Integendeel, hamers klonken, aambeelden weergalmden, blaasbalgen
+zuchtten en de geheele toestel van Vulkaan scheen in volle werking te
+zijn. Ook was de arbeid van alles behalve vreedzamen aard, en lang niet
+wat men een landelijken zou kunnen noemen. De meester-smid, zoo als
+zijn uithangbord aankondigde, John Mucklewrath geheeten, benevens twee
+knechts, waren druk bezig met het in orde brengen, herstellen en
+polijsten van oude geweeren, pistolen en degens, welke, in
+krijgshaftige wanorde, in en nabij zijn werkplaats verstrooid lagen. De
+open loods waarin de smederij zich bevond, was opgevuld met personen,
+die af en aan liepen, alsof zij belangrijk nieuws ontvingen en
+mededeelden; en een enkele blik op het voorkomen van de menschen, die
+haastig over straat liepen, of in groepen bijeenstonden, met ten hemel
+geslagen oogen en handen, verried, dat eene of andere buitengewone
+tijding den publieken geest der burgerij van Cairnvreckan ontroerd had.
+„Daar is nieuws,” zeide onze waard uit den Kandelaar, terwijl hij zijn
+perkamenten gezicht en ontvleeschde neus op een ruwe wijze onder den
+hoop vooruit stak – „daar is nieuws, en zoo het mijn Schepper behaagt,
+zal ik spoedig op het spoor er van komen.”
+
+Waverley, wiens nieuwsgierigheid minder groot was dan die van zijn
+leidsman, steeg af, en gaf zijn paard aan een jongen, die op een paar
+schreden afstands stond te luieren. Het was waarschijnlijk een gevolg
+van de schuwheid van zijn karakter in zijn vroegste jeugd; maar zeker
+gevoelde hij een tegenzin, om zich bij een vreemdeling te vervoegen,
+zelfs om een nietsbeteekenende inlichting, zonder vooraf diens gelaat
+en houding te hebben opgenomen. Terwijl hij dus rondzag, om den persoon
+te kiezen, met wien hij liefst een gesprek zou willen aanknoopen,
+bespaarde hem het drukke gepraat rondom hem in zekere mate de moeite
+van het vragen. De namen van Lochiel, Clanronald, Glengary en van een
+aantal andere vermaarde Hooglandsche Opperhoofden, onder welke Vich Ian
+Vohr bij herhaling genoemd werd, schenen gemeenzaam in den mond dezer
+lieden; en uit de onrust, welke algemeen heerschte, begreep hij
+gemakkelijk, dat er een inval in de Laaglanden, aan het hoofd hunner
+gewapende stammen, óf reeds had plaats gegrepen, óf ieder oogenblik te
+duchten was.
+
+Nog voordat Waverley gelegenheid had om naar eenige bijzonderheden te
+vragen, drong een sterk, grof gebouwd wijf, met scherpe gelaatstrekken
+en omtrent veertig jaar oud, slordig gekleed en met gloeiend roode
+wangen voor zoo ver ze niet met smeer en roet bemorst waren, door de
+menigte heen; en terwijl ze een kind van omstreeks twee jaar in de
+hoogte wierp en weder in haar armen opving, zonder in het minst op zijn
+angstkreten acht te geven, zong en gilde ze uit al haar macht:
+
+
+ „Kareltje is mijn liev’ling, mijn liev’ling, mijn liev’ing,
+ Kareltje is mijn liev’ling
+ Die ridder zoo jong.”
+
+
+„Hoort ge, wat u nu overkomen zal, gij ellendige Whigsche kerels? Hoort
+ge wie er geland is, om uw gesnoef te beteugelen?”
+
+
+ „Gij weet niet wat u overkomt,
+ Gij weet niet wat u overkomt,
+ Want al de Macraws zullen komen!”
+
+
+De Vulkanus van Cairnvreckan, die zijn Venus in deze dansende Bacchante
+herkende, zag haar met een grimmig en dreigend gelaat aan, terwijl
+sommigen der oudsten van het dorp zich haastten om tusschenbeide te
+komen. „Stil, wijfje, is het thans de tijd, of de dag, om uwe
+oproerige, ondeugende liedjes te zingen? – een tijd dat de wijn des
+toorns zonder vermenging is uitgestort in den beker der rechtvaardige
+gramschap, en een dag dat het land getuigen moest tegen het pausdom en
+de aanhangers der bisschoppen en kwakers en independentie en suprematie
+en erastianisme en antinomianisme en de overige dwalingen der Kerk.”
+
+„En wat geef ik om ulieden, Whighs!” schreeuwde de helleveeg er
+tusschen in; „en uw presbyterianisme, gij hanghoofdige, druiloorige
+zotten! Wat! Denkt ge dat de Hooglanders iets om uwe synoden en uwe
+presbyterianen met al hunne femelarij geven? Wraak over die schelmen!
+Menige eerlijke vrouw zal, zoo goed als ik –”
+
+Hier kwam John Mucklewrath die vreesde dat ze in bijzonderheden van
+meer persoonlijken aard zou treden, met zijn mannelijk gezag
+tusschenbeide; „ga in huis, en wees verd– (dat ik zulk een zondig woord
+gebruik) en maak de pap voor het avondeten klaar.”
+
+„En jij, ellendige suffert,” hernam zijn lieve wederhelft, wier toorn,
+die tot hiertoe zonder bepaald doel over de geheele vergadering was
+uitgestort, op eens in zijn natuurlijke richting werd afgeleid, „jij
+staat daar spullen te hameren voor melkbaarden, die ze nooit tegen een
+Hooglander durven gebruiken, in plaats van het brood voor uw huisgezin
+te verdienen, en het paard te beslaan van dezen knappen jongen heer,
+die pas uit het noorden komt! Ik wed, dat hij niet tot de lafbekken van
+koning George’s volk behoort, maar een dappere Gordon, of tenminste
+iemand van dien aard is.”
+
+Nu keerden zich de oogen der vergadering naar Waverley, die de
+gelegenheid waarnam, om den smid te verzoeken, het paard van zijn gids
+zoo spoedig mogelijk te beslaan, daar hij zijn reis wenschte voort te
+zetten; want hij had genoeg gehoord, om hem te doen begrijpen, dat het
+gevaarlijk zou zijn, zich lang in het plaatsje op te houden. Het oog
+van den smid rustte op hem met een blik van misnoegen en argwaan, die
+niet verzacht werd door de drift, waarmede zijn vrouw op Waverley’s
+verzoek aandrong. „Hoor je wat de brave heer zegt, dronken doeniet?”
+
+„En hoe is uw naam, mijnheer?” bromde Mucklewrath.
+
+„Dat is uwe zaak niet vriend, als ik u slechts voor uw arbeid betaal.”
+
+„Maar het kon wel eens zaak zijn voor den staat om uw naam te weten,
+mijnheer,” hernam een oude boer, die sterk naar drank en turfrook
+stonk; „en ik zou haast denken, dat wij uwe verdere reis moeten
+beletten, tot dat gij den heer van de plaats hebt gezien.”
+
+„Gij althans,” zeide Waverley op hoogen toon, „zult het toch moeielijk
+en gevaarlijk vinden, mij tegen te houden als gij geen volmacht
+vertoonen kunt.”
+
+Er was een oogenblik van stilte en gefluister onder de menigte. –
+„Secretaris Murray;” „Lord Lewis Gordon;” „het kon wel de Chevalier van
+St. George zelf zijn;” zoodanig waren de vermoedens, die druk geuit
+werden en er ontstond blijkbaar een toenemende geneigdheid om
+Waverley’s vertrek te verhinderen. Hij deed zijn best om bedaard met de
+menschen te praten; maar zijn vrijwillige bondgenoote, jufvrouw
+Mucklewrath, verijdelde de kracht zijner betoogen door den vloed harer
+woorden, terwijl ze zijn partij met een kwalijk geplaatste hevigheid
+opnam, die door hen, tegen wie ze gericht was, geheel en al op rekening
+van Eduard werd gesteld. „Gij wilt een heer ophouden, die een vriend is
+van den Prins;” want ook zij had, ofschoon ze hem daarom met geheel
+andere oogen bezag, het algemeene gevoelen betrekkelijk Waverley
+gedeeld. Ik tart je, hem aan te raken,” en terwijl ze dit uitgilde,
+stak ze haar lange en gespierde vingers uit, die met klauwen waren
+gewapend, welke geen gier zich had behoeven te schamen, en voegde er
+bij: „Ik zal mijn tien geboden in het gezicht zetten van den eersten
+lummel, die den vinger op hem durft leggen.”
+
+„Ga in huis, wijf!” riep de straks genoemde boer, „het was beter, dat
+gij op uws mans kinderen pastet, dan dat gij ons hier komt doof
+schreeuwen.”
+
+„Zijne kinderen?” riep de heks weder uit; terwijl ze haar echtgenoot
+met een grijns van onuitsprekelijke verachting beschouwde – „zijne
+kinderen!”
+
+
+ „O Jé, was je dood, goede man,
+ En een groen zoodje op je hoofd, goede man,
+ Dan troostte ik, met den meesten spoed,
+ Mij in mijn weduwschap, met een uit Hooglandsch bloed”
+
+
+Dit deuntje, dat een gegrijns van de jongere leden der vergadering
+uitlokte, putte het geduld van den beschimpten hoefsmid ten eenemale
+uit. „De duivel hale me, of ik sla haar met dezen gloeienden stang op
+den nek!” riep hij in een vlaag van toorn, terwijl hij een staaf uit
+het vuur haalde en wellicht zou hij zijn bedreiging volvoerd hebben,
+ware hij niet tegengehouden door een deel der samengeschoolde menigte,
+terwijl de overigen hun best deden om het razende wijf met geweld uit
+zijn tegenwoordigheid weg te brengen.
+
+Waverley wilde zich dit oogenblik van verwarring ten nutte maken om te
+ontsnappen, maar zijn paard was nergens te vinden. Eindelijk ontdekte
+hij, op eenigen afstand, zijn getrouwen reisgezel, Ebenezer, die zoodra
+hij bemerkt had, welken keer de zaken schenen te nemen, de beide
+paarden buiten het gedrang gebracht had. Terwijl hij nog altijd op het
+eene gezeten was, en het andere vasthield, antwoordde hij op Waverley’s
+luid en herhaald geroep om zijn paard: „Neen, neen, zoo ge geen vriend
+van de kerk en den koning zijt, en als zoodanig wordt aangehouden,
+moogt ge u voor de eerlijke lieden in het land verantwoorden wegens uw
+verraad, en ik zal den knol en den mantelzak nemen tot loon en
+schadevergoeding, daar mijn paard en ik morgen een dag werk zullen
+verliezen, behalve de namiddagpreek.” Eduard, die zijn geduld verloor,
+en zich van alle kanten ingesloten en door het grauw voortgestuwd zag,
+terwijl hij ieder oogenblik persoonlijke mishandeling verwachtte,
+besloot te beproeven, hun vrees in te boezemen, en haalde nu een
+zakpistool voor den dag, dreigende, aan de eene zijde, iedereen neêr te
+schieten, die het zou durven wagen hem tegen te houden, en aan den
+anderen kant Ebenezer een gelijk lot belovende, als hij zich met de
+paarden verroerde. De wijze Partridge [116] zegt, dat één man met een
+zakpistool tegen honderd ongewapenden bestand is, omdat, hoewel hij
+maar één van de menigte kan treffen, niemand weet, of hij zelf die
+ongelukkige niet wezen zal. De groote menigte in Cairnvreckan zou dus
+waarschijnlijk toegegeven hebben; ook zou Ebenezer, wiens natuurlijke
+bleekheid nog drie graden lijkachtiger geworden was, het niet gewaagd
+hebben een aldus gegeven bevel te weerstreven, zoo niet de Vulkaan van
+het dorp, die verlangde de woede, welke zijn wederhelft had opgewekt,
+aan een waardiger voorwerp te koelen, en wel in zijn schik, dat hij zoo
+iemand in Waverley vond, op hem toegeschoten ware met de gloeiende
+ijzeren staaf, en met zooveel drift, dat het afschieten van zijn
+pistool, voor Eduard, een daad van zelfverdediging werd. De ongelukkige
+man viel; en terwijl Eduard, door natuurlijken schrik over den afloop,
+geen tegenwoordigheid van geest bezat, noch om zijn degen te trekken,
+noch om zijn andere pistool te lossen, wierp het gepeupel zich op hem,
+ontwapende hem en was op het punt om hem zwaar te mishandelen, toen de
+verschijning van een eerwaardigen geestelijke, den predikant van het
+dorp, zijne woede breidelde.
+
+Deze waardige man (die zoo min een Goukthrapple, als een Rentowel was)
+handhaafde zijn invloed bij het gemeene volk, daar hij de praktijk des
+Christendoms even goed als de afgetrokken geloofsbegrippen predikte, en
+werd in hoog aanzien gehouden bij de hoogere standen, hoewel hij
+weigerde hunne dwalingen te vleien, door den leerstoel van het
+Evangelie in een school van heidensche zedekunde te veranderen.
+Mogelijk is het aan deze vereeniging van geloof en praktijk in zijn
+leer toe te schrijven, dat, ofschoon zijn nagedachtenis een soort van
+époque in de jaarboeken van Cairnvreckan heeft gemaakt, ten gevolge
+waarvan de dorpelingen, om iets aan te duiden dat zestig jaar geleden
+voorviel, nog zeggen, dat het plaats had in den tijd van den goeden
+heer Morton, ik nooit in staat ben geweest te ontdekken, of hij tot de
+evangelische of tot de gematigde partij in de Kerk behoorde. Ook houd
+ik de omstandigheid niet voor zeer gewichtig, daar, volgens mijn eigene
+herinnering, de een een Erskine, de ander een Robertson aan het hoofd
+had [117].
+
+De heer Morton was door het afbranden van het pistool, en het
+toenemende getier rondom de smidse, verontrust geworden. Zijn eerste
+zorg, nadat hij de omstanders bevolen had, zich van Waverley te
+verzekeren, maar hem niet te mishandelen, bepaalde zich tot het lichaam
+van Mucklewrath, waarover zijn vrouw, in een plotselingen omkeer van
+gevoel, schreide, jammerde en zich de haren uitrukte, in een toestand,
+die aan krankzinnigheid grensde. Den smid oprichtende, was zijn eerste
+ontdekking, dat hij leefde, en de tweede, dat hij waarschijnlijk even
+lang zou leven, alsof hij nooit een pistoolschot had gehoord. Hij was
+echter maar ter nauwernood ontsnapt; de kogel had zijn schedel even
+geraakt, en hem een paar oogenblikken bedwelmd, wat door den schrik en
+de verwarring zijner denkbeelden nog een tijdlang geduurd had. Hij
+stond thans op om wraak op Waverley te eischen, en berustte niet zonder
+moeite in het voorstel van den heer Morton, dat men hem voor den heer
+der plaats, die tegelijk vrederechter was, brengen en hem ter zijner
+beschikking stellen zou. De overige omstanders stemden in dit voorstel
+toe; zelfs vrouw Mucklewrath, die nu wat tot bedaren kwam, gaf
+kreunende te kennen, – „Zij wou niets zeggen tegen hetgeen de dominé
+voorstelde; hij was een beste voor zijn zaak, en ze hoopte hem nog
+eenmaal met een fraaien bisschopstabbaard om het lijf te zien; een vrij
+wat aangenamer gezicht dan die rokken en mantels uit Geneve, zeg ik
+maar.”
+
+Nadat alle oneenigheid op deze wijze uit den weg geruimd was, werd
+Waverley, begeleid door al de inwoners van het dorp, die niet
+bedlegerig waren, naar het heerenhuis van Cairnvreckan, omstreeks een
+kwartiertje van daar gelegen, gevoerd.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN VERHOOR.
+
+
+Majoor Melville van Cairnvreckan, een bejaard heer, die zijn jeugd in
+den krijgsdienst had gesleten, ontving den heer Morton met veel
+vriendelijkheid en onzen held met veel beleefdheid, die evenwel door de
+dubbelzinnige omstandigheden, waarin Eduard geplaatst was, gedwongen en
+koel was.
+
+Nadat men de kwetsuur van den smid had onderzocht, en bemerkte dat ze
+inderdaad van weinig beteekenis scheen te zijn, en dewijl de
+omstandigheden, waaronder ze toegebracht was, de daad tot een bloot
+middel van zelfverdediging hadden gemaakt, begreep de Majoor de zaak
+als afgedaan te mogen beschouwen, indien Waverley hem een kleine som
+voor den gewonde ter hand stelde.
+
+„Ik wenschte wel, mijnheer,” ging de majoor voort, „dat mijn
+verplichting hier ophield; maar ik mag niet nalaten eenig nader
+onderzoek te doen naar het oogmerk van uwe reis door deze streken, in
+dezen ongelukkigen en onrustigen tijd.”
+
+Thans trad Ebenezer Cruickshanks voor, en deelde den magistraat alles
+mede, wat hij wist of vermoedde, uit Waverley’s achterhoudendheid en
+Callum Beg’s ontduikende antwoorden. Hij wist, zeide hij, dat het door
+Eduard bereden paard aan Vich Ian Vohr behoorde, ofschoon hij Eduards
+vorigen knecht dit niet had durven zeggen, uit vrees dat hij den een of
+anderen nacht huis en stallen boven zijn hoofd zou zien afbranden, door
+dat goddelooze ras, de Mac-Ivors. Hij besloot met zijn eigene diensten
+aan Kerk en Staat op te vijzelen, daar hij, in Gods hand, het middel
+geweest was, (zoo drukte hij zich zedig uit) om dezen verdachten en
+gevaarlijken boosdoener aan te houden. Hij liet niet na zijn hoop te
+kennen te geven op toekomende vergelding en dadelijke vergoeding voor
+verlies van tijd, en zelfs van goeden naam, dewijl hij ten beste van
+den Staat op den biddag had moeten reizen.
+
+Hierop antwoordde majoor Melville met groote bedaardheid, dat, wel
+verre van aanspraak te maken op eenige verdienste in dit geval,
+kastelein Cruickshanks een zeer zware boete had af te bidden, omdat hij
+nagelaten had, ingevolge eener pas uitgevaardigde proclamatie, aan den
+naastbijwonenden overheidspersoon verslag te geven van iederen
+vreemdeling, die in zijn herberg kwam; dat, daar kastelein Cruickshanks
+zoo zeer op godsdienstigheid en getrouwheid aan den Koning snoefde, hij
+dit gedrag niet aan kwade gezindheid wilde toeschrijven, maar het
+slechts daarvoor houden, dat zijn ijver voor Kerk en Staat in slaap
+gesust was door de gelegenheid, om een vreemdeling met dubbele
+paardenhuur te bezwaren; maar, zich onbevoegd achtende om alleen over
+het gedrag van een burger van zoo veel gewicht te beslissen, zou hij
+dit besparen voor de overweging der aanstaande assise-zittingen. – Nu
+zegt onze geschiedenis, voor het tegenwoordige, niets meer van den
+waard uit den Kandelaar, dan dat hij teleurgesteld en ontevreden naar
+huis terugkeerde.
+
+Hierop beval majoor Melville den dorpelingen zich te verwijderen, met
+uitzondering van twee, die den post van gerechtsdienaars waarnamen, en
+die hij beval beneden te blijven wachten. Het vertrek werd dus door
+allen ontruimd, uitgenomen door den heer Morton, wien de Majoor
+noodigde te blijven, benevens een soort van handlanger, die voor klerk
+speelde, en Waverley zelf. Er volgde een pijnlijke en gedwongen pauze;
+tot dat Majoor Melville, terwijl hij Waverley met groot medelijden
+aanzag, en telkens een papier, of memorandum raadpleegde, dat hij in de
+hand hield, verzocht zijn naam te mogen weten. –
+
+„Eduard Waverley.”
+
+„Dat dacht ik al; onlangs gediend hebbende bij de ** dragonders, neef
+van Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour?”
+
+„Dezelfde.”
+
+„Mijnheer, het spijt mij zeer, dat deze onaangename plicht mij is
+tebeurt gevallen.”
+
+„De plicht, majoor Melville, maakt alle verontschuldigingen overbodig.”
+
+„Zoo is het, mijnheer! Veroorloof mij dus te vragen, hoe gij uw tijd
+besteed hebt, sedert gij, een aantal weken geleden, verlof tot
+afwezigheid van uw regiment kreegt, tot op het tegenwoordig oogenblik?”
+
+„Mijn antwoord op zulk een algemeene vraag moet zich richten naar den
+aard der beschuldiging, die ze noodzakelijk maakt. Ik verzoek die te
+mogen weten, en op welk gezag ik met geweld word tegengehouden, ten
+einde mij te verantwoorden?”
+
+„De beschuldiging, mijnheer Waverley, het spijt mij dit te moeten
+zeggen, is van hoog ernstigen aard, en betreft uw goeden naam als
+soldaat niet minder, dan als onderdaan. In de eerste plaats wordt gij
+beschuldigd van muiterij en oproer gezaaid te hebben onder de
+manschappen, waarover gij het bevel gevoerd hebt, en hun een voorbeeld
+te hebben gesteld van desertie, door uwe afwezigheid van het regiment,
+in weerwil van de uitdrukkelijke bevelen uws Oversten. De misdaad,
+waarvan gij aangeklaagd wordt, is die van hoogverraad, en het verwekken
+van oorlog tegen den Koning, het hoogste vergrijp waaraan zich een
+onderdaan schuldig kan maken.”
+
+„En op welk gezag word ik aangehouden, om op zulke afschuwelijke
+lasteringen te antwoorden?”
+
+„Op het gezag, dat gij evenmin kunt weigeren te erkennen, als ik te
+gehoorzamen.”
+
+Hij overhandigde Waverley een bevelschrift van het hooge gerechtshof
+van Schotland, in volkomen vorm: om aan te houden en in verzekerde
+bewaring te nemen den heer Eduard Waverley, verdacht van verraderlijke
+plannen en andere zware misdaden en kwade praktijken.
+
+De ontsteltenis, door Waverley op deze mededeeling aan den dag gelegd,
+werd door majoor Melville toegeschreven aan bewustheid van schuld,
+terwijl de heer Morton eer geneigd was er de verrassing der te onrecht
+verdachte onschuld in te zien. Er was in beide gissingen iets waars;
+want ofschoon Eduards hart hem vrijsprak van de misdaden, waarvan hij
+beticht werd, overtuigde hem echter eene vluchtige herinnering van zijn
+gedrag, dat hij groote moeite zou hebben, om zijn onschuld voor
+anderen, te bewijzen.
+
+„Het is een zeer onaangenaam gedeelte van deze onaangename bezigheid,”
+zeide de majoor, na een pauze, „dat ik, uit hoofde eener zoo zware
+verdenking, de papieren moet verzoeken te zien, welke gij bij u mocht
+hebben.”
+
+„Dat kunt gij doen, mijnheer, zonder eenig bezwaar,” zeide Eduard,
+terwijl hij zijn zakboek en memoranda op de tafel wierp; „daar is er
+maar één bij, waarmede ik wel zou wenschen dat een uitzondering gemaakt
+werd.”
+
+„Het spijt mij, mijnheer, dat ik u dit niet mag toestaan,”
+
+„Dan zult gij het ook zien, mijnheer; doch daar het van geen nut kan
+wezen, verzoek ik het terug te mogen hebben.”
+
+Hij haalde de dichtregels, welke hij dien morgen ontvangen had, uit
+zijn borst, en bood ze, met den omslag, aan. De majoor doorlas ze voor
+zich, en beval zijn klerk er een afschrift van te maken. Vervolgens
+wikkelde hij het afschrift in den omslag, en het voor zich op de tafel
+leggende, gaf hij het oorspronkelijke, met bedroefden ernst, aan
+Waverley terug.
+
+Na den gevangene, – want zoo moet onze held thans beschouwd worden –
+zoo veel tijd tot nadenken te hebben verleend, als hij billijk
+oordeelde, hervatte majoor Melville zijn verhoor, terwijl hij aanving
+met te verklaren, dat daar de heer Waverley zwarigheid scheen te maken
+tegen algemeene vragen, hij het onderzoek zoo zeer tot bijzonderheden
+zou uitstrekken als de door hem ontvangen berichten slechts
+veroorloofden. Hij zette dus zijn verhoor voort, terwijl hij den inhoud
+der vragen en antwoorden, al gaandeweg, door den klerk liet
+opschrijven.
+
+„Was mijnheer Waverley met zekeren Humphry Houghton, onderofficier bij
+Gardiner’s dragonders, bekend?”
+
+„Zeker; hij was wachtmeester bij mijn eskadron, en de zoon van een der
+boeren van mijn oom.”
+
+„Juist, – en bezat uw vertrouwen in hooge mate, benevens veel invloed
+op zijn kameraden?”
+
+„Ik had nooit gelegenheid om vertrouwen te schenken aan iemand van zijn
+soort. Ik begunstigde Houghton als een knappen, ijverigen borst, en ik
+geloof dat zijn medesoldaten hem achting toedroegen.”
+
+„Maar, gij waart gewoon door dezen man gemeenschap te houden met
+diegenen uwer manschappen, welke op Waverley-Honour geworven waren?”
+
+„Ja! deze arme knapen, die in een regiment, hoofdzakelijk uit Schotten
+of Ieren bestaande, waren ingelijfd, hielden zich, bij al hunne kleine
+verdrietelijkheden, aan mij, en bezigden natuurlijk hun landsman en
+wachtmeester om bij zulke gelegenheden hunne belangen aan mij voor te
+dragen.”
+
+„Zijn invloed strekte zich dus in het bijzonder uit over die soldaten,
+die u, van uws ooms landgoederen, naar het regiment volgden?”
+
+„Zonder twijfel! Maar wat doet dit tot ons tegenwoordig oogmerk?”
+
+„Daar ben ik juist aan toe, en verzoek uw ruiterlijk antwoord. Hebt
+gij, sedert ge uw regiment verlaten hebt, eenige briefwisseling, hetzij
+rechtstreeks of zijdelings, met dezen wachtmeester Houghton gehouden?”
+
+„Ik! – ik briefwisseling houden met iemand van zijn rang en betrekking!
+– En waarom, vraag ik u, zou ik dat gedaan hebben?”
+
+„Dat zult ge mij zoo aanstonds zelf verklaren. – Maar hebt ge, bij
+voorbeeld, niet aan hem om eenige boeken gezonden?”
+
+„Gij herinnert mij aan een onbeduidenden last, hem door mij gegeven,
+omdat mijn knecht niet lezen kon. Ja, ik herinner mij dat ik hem, door
+een brief, verzocht heb, eenige boeken, waarvan ik hem een lijstje
+zond, uit de kast te nemen, en mij naar Tully-Veolan op te zenden.”
+
+„Van welken aard waren die boeken?”
+
+„Het waren bijna enkel boeken van smaak, en bestemd om door een dame
+gelezen te worden.”
+
+„Waren er, mijnheer Waverley, geen verraderlijke verhandelingen en
+pamfletten onder?”
+
+„Er waren eenige staatkundige verhandelingen bij, die ik nauwelijks
+inzag. Ze waren mij gezonden door een gedienstigen vriend, wiens hart
+meer achting verdient dan zijn voorzichtigheid, of politiek doorzicht;
+het schenen dwaze opstellen te zijn.”
+
+„Die vriend was zekere heer Pembroke, een onbeëedigd geestelijke, de
+schrijver van twee verraderlijke werken, waarvan de afschriften onder
+uwe bagage gevonden werden.”
+
+„Maar van welke ik op mijn eer als fatsoenlijk man, geen zes bladen
+las.”
+
+„Ik ben uw rechter niet, mijnheer Waverley; uw verhoor zal naar elders
+opgezonden worden. En nu, om voort te gaan, kent gij een persoon die
+onder den naam gaat van Wily Will of Will Ruthven?”
+
+„Tot op dit oogenblik heb ik nooit zulk een naam gehoord.”
+
+„Hieldt gij nooit, door zulken of eenigen anderen persoon, gemeenschap
+met den wachtmeester Humphry Houghton om hem aan te zetten, met zoo
+velen zijner kameraden, als hij verleiden kon hem te volgen – te
+deserteeren en zich te voegen bij de Hooglanders en andere rebellen,
+die thans onder de wapenen zijn onder het bevel van den jongen
+Pretendent?”
+
+„Ik verzeker u niet alleen geheel onschuldig te zijn aan het verraad,
+dat gij mij daar te laste legt, maar het ook van ganscher harte te
+verfoeien; ja, inderdaad ik zou mij aan zulk een verraad niet willen
+schuldig maker, zelfs niet om een troon te winnen, voor mij zelven, of
+voor wien ook ter wereld.”
+
+„Wanneer ik echter dezen omslag beschouw, die het handschrift van een
+dier misleide heeren is, welke thans tegen de regeering onder de wapens
+zijn, benevens de daarin besloten verzen, dan kan ik niet nalaten
+eenige overeenkomst te vinden tusschen het plan, waarvan ik gesproken
+heb, en de heldenfeiten van Wogan, welke de schrijver schijnt te
+verwachten dat gij navolgen zult.”
+
+Waverley was getroffen door dit toeval, maar beweerde, dat de wenschen
+of verwachtingen van de briefschrijvers niet moesten beschouwd worden
+als bewijzen eener beschuldiging, die verder geen grond had.
+
+„Maar, zoo ik wel onderricht ben, hebt ge uw tijd, gedurende uw
+afwezigheid van het regiment, gesleten, deels onder het dak van dit
+Hooglandsch Opperhoofd, deels onder dat van den heer Bradwardine van
+Bradwardine, die voor deze ongelukkige zaak ook de wapens opgenomen
+heeft.”
+
+„Ik zal dit niet ontveinzen; maar ten stelligste ontken ik, dat ik
+zelfs in de verste verte bekend was met iets van hunne oogmerken tegen
+het Bewind.”
+
+„Gij zult echter, naar ik veronderstel, niet willen ontkennen, dat ge
+uw gastheer Glennaquoich vergezeld hebt bij een rendez-vous, waar,
+onder voorwendsel van een algemeene jachtpartij, de meeste
+medeplichtigen aan het verraad vergaderd waren, om maatregelen te
+beramen voor den opstand?”
+
+„Ik beken dat ik zulk een bijeenkomst heb bijgewoond; maar ik hoorde of
+zag er nooit iets, dat daaraan de bedoeling kon geven, door u
+opgenoemd.”
+
+„Van daar hebt ge u, met Glennaquoich en een gedeelte van zijn clan,
+bij het leger van den jongen Pretendent gevoegd, en kwaamt, na uwe
+hulde aan hem betoond te hebben, terug, om de overigen te oefenen en te
+wapenen, en ze met zijn benden te vereenigen, op hun weg naar het
+zuiden.”
+
+„Ik heb nooit met Glennaquoich zulk een tocht gedaan. Ik heb zelfs
+nooit gehoord, dat de persoon, van wien gij spreekt, in het land was.”
+
+Thans verhaalde hij de geschiedenis van zijn ongeluk op de jachtpartij,
+en voegde er bij, dat hij, bij zijn terugkomst, zich op eens ontzet zag
+van zijn officiersrang; dat hij niet wilde ontkennen, toen, voor het
+eerst, verschijnselen te hebben waargenomen, welke eene neiging bij de
+Hooglanders verrieden, om de wapens op te vatten. „Maar,” zeide hij,
+„daar ik geen lust had, mij bij hen te voegen, noch eenige reden om
+langer in Schotland te blijven, was ik nu op de terugreis naar mijn
+vaderland, werwaarts ik opgeroepen word door diegenen, welke recht
+hebben om mijn gangen te besturen, zoo als majoor Melville zien kan uit
+de op tafel liggende brieven.”
+
+Majoor Melville doorlas nu de brieven van Richard Waverley, van Sir
+Everhard en Tante Rachel; maar de gevolgen, die hij daaruit afleidde,
+verschilden van hetgeen Waverley verwachtte. Zij waren in een
+ontevredene stemming over het Bewind opgesteld, en behelsden alles
+behalve onduidelijke wenken van wraakzucht; en die van de arme Tante
+Rachel, welke de rechtvaardigheid van de zaak der Stuarts ronduit
+beweerde, werd beschouwd als een onbewimpelde bekentenis van dat waarop
+de anderen het slechts waagden een toespeling te maken.
+
+„Veroorloof mij nog éene vraag, mijnheer Waverley! ontvingt ge niet,
+bij herhaling, brieven van uw Overste, waarin hij u waarschuwde en
+beval op uw post terug te keeren, en u tevens bekend maakte, dat men uw
+naam bezigde, om ontevredenheid onder de krijgslieden te verspreiden?”
+
+„Nooit, majoor Melville. Eén brief, het is waar, ontving ik van hem,
+die in beleefde uitdrukkingen zijn wensch bevatte, dat ik mijn
+verloftijd anders zou besteden, dan in een aanhoudend verblijf op
+Bradwardine, waaromtrent ik beken van oordeel geweest te zijn, dat dit
+zijne zaken niet waren; en eindelijk heb ik nog, op denzelfden dag dat
+ik mijn ontslag in de courant las, een brief van kolonel Gardiner
+ontvangen, waarin hij mij gelastte mij bij het regiment te voegen; een
+bevel hetwelk ik, uithoofde van mijne, reeds vermelde en verklaarde
+afwezigheid, te laat ontving om er gevolg aan te kunnen geven. Zoo er
+tusschenbeide nog eenige brieven zijn geweest, en, op grond van kolonel
+Gardiner’s edel karakter, houd ik dit voor waarschijnlijk, zijn ze mij
+nooit ter hand gekomen.”
+
+„Ik heb vergeten te vragen, mijnheer Waverley, naar een onderwerp van
+minder belang, maar waarvan in het openbaar, tot uw nadeel gesproken
+is. Men heeft gezegd, dat, toen er bij zekere gelegenheid een
+verraderlijke toast was ingesteld, ten aanhoore en in tegenwoordigheid
+van u, officier in dienst van Zijn Majesteit, gij zijne bestraffing aan
+iemand anders uit het gezelschap overliet. Dit, Mijnheer, kan geen
+bezwaar tegen u worden bij een Hof van Justitie; maar, indien, gelijk
+men mij gezegd heeft, de Officieren van uw regiment een opheldering van
+zulk een gerucht vorderden, kan ik, als man van eer en als soldaat,
+niet nalaten verbaasd te staan, dat ge hun die niet gegeven hebt.”
+
+Dit was te veel. Van alle zijden aangevallen en in ’t nauw gebracht
+door beschuldigingen, waarin de grofste onwaarheden vermengd waren met
+eenige feiten, die daaraan ingang verschaften, – alléen, zonder vriend
+en in een vreemd land, gaf Waverley zijn leven en eer zoo goed als
+prijs, en het hoofd op zijn hand latende zakken, weigerde hij ronduit
+op eenige vraag meer te antwoorden, daar het eerlijk en oprecht
+verslag, dat hij reeds gegeven had, slechts diende om wapenen tegen hem
+in handen te geven.
+
+Zonder eenige verwondering of ongenoegen te laten blijken, bij het
+veranderen van Waverley’s houding, ging majoor Melville bedaard voort
+met nog een aantal andere vragen tot hem te richten. „Wat baat het mij
+u te antwoorden?” zeide Eduard kortaf. „Gij schijnt overtuigd van mijn
+schuld, en bezigt ieder door mij gegeven antwoord tot een steun voor
+het gevoelen door u opgevat. Verheug u dan daarmede, en martel mij niet
+langer. Zoo ik in staat ben tot de lafheid en het verraad, waarvan ge
+mij beschuldigt, ben ik niet waardig geloofd te worden, welk antwoord
+ik ook geven moge. Verdien ik daarentegen uw verdenking niet – en God
+en mijn geweten getuigen, dat dit het geval is – dan zie ik niet,
+waarom ik, door mijn oprechtheid, mijn beschuldigers wapens tegen mij
+in handen zou geven. Er bestaat geen reden voor mij, om een enkel woord
+meer te antwoorden.” En hij bleef op nieuw vertoornd en onverzettelijk
+zwijgen.
+
+„Sta mij toe,” zeide de Majoor, „u aan éene reden te herinneren, die u
+misschien het nut zal doen opmerken eener oprechte en openhartige
+bekentenis. De onervarenheid der jeugd, mijnheer Waverley, stelt haar
+bloot aan strikken van meer ondernemende en listige lieden; en éen uwer
+vrienden ten minste – ik bedoel Mac-Ivor van Glennaquoich – staat
+aangeschreven als tot de laatste soort van lieden te behooren; even als
+ik, wegens uw blijkbare openhartigheid, jeugd en onbekendheid met de
+zeden der Hooglanders, geneigd ben u onder die van de eerste te
+rangschikken. In zulk een geval kan een verkeerde stap of misslag,
+gelijk de uwe, die ik mij gelukkig zal rekenen als onwillekeurig te
+mogen beschouwen, vergiffenis verkrijgen, en gaarne zou ik daarbij als
+bemiddelaar optreden. Maar daar ge noodwendig bekend moet zijn met de
+sterkte dergenen in het land, die de wapens hebben opgevat, met hunne
+middelen en hunne ontwerpen, kan ik niet anders dan verwachten, dat gij
+deze voorspraak van mijn zijde wel zult willen verdienen, door een
+eerlijke en volledige opgaaf van alles, wat hieromtrent ter uwer kennis
+gekomen is. In dit geval meen ik te kunnen beloven, dat een zeer
+kortstondige beperking uwer persoonlijke vrijheid het eenige kwade
+gevolg zal zijn, dat uit uwe deelname in die ongelukkige zaak ontstaan
+kan.”
+
+Waverley luisterde met groote bedaardheid tot op het einde dezer
+aanspraak, waarna hij, opspringende van zijn stoel, antwoordde met eene
+kracht, waarvan hij tot nog toe geen blijk had gegeven: „majoor
+Melville, daar dit uw naam is, tot hiertoe heb ik uwe vragen met
+oprechtheid beantwoord, of met gematigdheid afgewezen, want ze
+betroffen mij alleen; maar, daar ge u vermeet mij laag genoeg te
+achten, om een aanbrenger van anderen te worden, die mij – wat ook hun
+staatkundig wanbedrijf moge wezen – ontvingen als gast en als vriend,
+zoo verklaar ik u, dat ik uwe vragen beschouw als een hoon, oneindig
+meer beleedigend dan uwe lasterlijke verdenkingen, en dat, daar mijn
+ongeluk mij slechts woorden vergunt om u mijn gevoeligheid te
+openbaren, gij mij eer het hart uit de borst zult rukken, dan een enkel
+woord over zaken, waarmede ik niet bekend kon worden, tenzij ze in het
+volle vertrouwen der argelooze gastvrijheid mij medegedeeld werden.
+
+De heer Morton en de Majoor keken elkander aan, en de eerste, die onder
+den loop van het onderzoek bij herhaling gekweld was geweest, door een
+aandoening van verkoudheid, nam de toevlucht tot zijn snuifdoos en
+zakdoek.
+
+„Mijnheer Waverley,” zei de Majoor, „mijn tegenwoordige betrekking
+verbiedt mij zoowel te beleedigen als mij beleedigd te achten, en ik
+wil geen woordenwisseling voortzetten, die op een van beide zou
+uitloopen. Het spijt mij een bevelschrift te moeten teekenen, om u in
+bewaring te houden; maar dit huis zal, voor het tegenwoordige, uwe
+gevangenis zijn. Ik vrees u niet te zullen kunnen overhalen, om deel
+aan onzen avondmaaltijd te nemen? – Eduard schudde het hoofd; – maar ik
+zal ververschingen in uw kamer doen bezorgen.”
+
+Onze held boog en begaf zich, onder bewaring van de dienaars der
+justitie, naar een fraai, schoon klein vertrek, waar hij alle
+ververschingen afwijzende, zich te bed wierp; en, versuft onder de
+kwellingen en vermoeienissen van dezen jammerlijken dag, in een diepen
+en zwaren slaap zonk. Dit was meer dan hij had kunnen verwachten; maar
+men verhaalt immers van de Noord-Amerikaansche Indianen, dat zij aan
+den martelpaal wel eens in slaap vallen, als voor een oogenblik de
+folteringen gestaakt worden, tot het vuur weder wordt aangestookt om
+hen wakker te houden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN GESPREK EN DE GEVOLGEN DAARVAN.
+
+
+Majoor Melville had den heer Morton, bij zijn verhoor van Waverley,
+doen blijven, zoowel omdat hij begreep dat zijn geoefend verstand,
+gevoegd bij zijn erkende Koningsgezindheid, hem van dienst zou kunnen
+zijn, als omdat het aangenaam was, een getuige, wiens eerlijkheid en
+waarheidsliefde boven alle verdenking verheven waren, te hebben bij een
+zaak waarmede de eer en veiligheid van een jong Engelschman van hoogen
+rang en familie, den aanstaanden erfgenaam van een groot fortuin op het
+spel stonden. Hij wist dat men iederen stap streng zou nagaan, en het
+was zijn voornaamste streven de rechtvaardigheid en vlekkeloosheid van
+zijn eigen gedrag buiten alle mogelijke verdenking te houden.
+
+Toen Waverley zich verwijderd had, zetten de Majoor en de Predikant van
+Cairnvreckan zich zwijgend aan hun avondmaaltijd neder. Zoolang de
+knechts hen bedienden, wilde geen van beide een woord zeggen over de
+zaak, waarmede zij geheel vervuld waren, hoewel zij het evenmin
+gemakkelijk vonden, over iets anders te praten.
+
+Waverley’s jeugd en blijkbare openhartigheid staken zeer af bij de
+verdenking die op hem rustte; en hij bezat een soort van naïveteit en
+vrijmoedigheid, welke eigen scheen aan iemand die met de doolhoven der
+staatkundige kuiperijen nog geheel onbekend was, – wat niet weinig ten
+zijnen voordeele pleitte.
+
+Beide dachten over de bijzonderheden van het verhoor na, en beschouwden
+ze in het licht van hun eigene meeningen. Beide waren mannen van een
+vlugge en scherpzinnige bevatting, en beide even goed in staat, om
+verschillende argumenten aan te halen en daaruit de noodzakelijke
+gevolgen af te leiden. Maar het groote verschil dat er bestond in den
+aard hunner bezigheden en in de wijze waarop zij opgevoed waren, bracht
+dikwijls een niet minder groote verscheidenheid te weeg, wanneer zij
+hunne gevolgtrekkingen op aangenomen veronderstellingen grondden.
+
+Majoor Melville had een gedeelte van zijn leven bij het leger en in
+vestingen doorgebracht; was ambtshalve waakzaam en door de ondervinding
+voorzichtig geworden; had veel kwaads in de wereld gezien en was dus,
+schoon zelf een eerlijk magistraat en een braaf man, in zijn oordeel
+over anderen dikwijls maar al te streng. De heer Morton, daarentegen,
+had de letterkundige studiën op de hoogeschool, waar hij bij al zijn
+medeleerlingen en leermeesters geacht was, vaarwel gezegd voor zijn
+rustig en kalm beroep, waar hij slechts weinig gelegenheid had om kwaad
+op te merken, terwijl hij er nooit bij stil stond, dan om tot berouw en
+verbetering aan te sporen. Zijn gemeenteleden beantwoordden den
+liefderijken ijver dien hij te hunnen behoeve aan den dag legde met
+liefde en eerbied, gelijk zij steeds voor hem trachtten te bedekken,
+wat ze wisten dat hem het grootste verdriet zou veroorzaken: het
+verzaken van de plichten, die het zijne roeping was aan te kweeken.
+Daarom was het een algemeen zeggen in de nabuurschap, dat de Majoor in
+zijn dorp alleen het kwade, en de Predikant, schoon men van beide
+mannen evenveel hield, alleen het goede kende.
+
+Ook onderscheidde zich de predikant van Cairnvreckan door liefde tot de
+letteren, ofschoon hij deze beneden zijn kerkelijke studiën en plichten
+stelde, en dit had aan zijn geest, in vroeger dagen, een tintje van het
+romaneske gegeven, hetwelk ten gevolge van latere gebeurtenissen in het
+dagelijksch leven niet geheel was verloren gegaan. Het vroegtijdig
+verlies eener beminnelijke jonge vrouw, die hij uit liefde gehuwd had,
+en die spoedig in het graf gevolgd werd door een eenig kind, strekte,
+zelfs in den loop der jaren, om zijn aangeboren zachten en nadenkenden
+aard in het een en ander nog meer te bevestigen. Het is dus niet te
+verwonderen dat zijn gewaarwordingen, bij de tegenwoordige gelegenheid,
+aanmerkelijk verschilden van die van den strengen tuchtmeester, den
+nauwgezetten ambtenaar en den man die weinig vertrouwen in de menschen
+stelde.
+
+Toen de bedienden zich verwijderd hadden, duurde het zwijgen van beide
+zijden voort; totdat majoor Melville, terwijl hij zijn glas vulde, en
+den heer Morton de flesch toeschoof, aldus het gesprek begon:
+
+„Een jammerlijke zaak, mijnheer Morton; ik vrees dat dit jonge mensch
+zich een strop om den hals heeft geworpen.”
+
+„God geve van neen!” antwoordde de geestelijke.
+
+„Van harte, amen!” hernam de Majoor, „maar ik verbeeld me, dat zelfs uw
+barmhartige logica de conclusie bezwaarlijk ontkennen zal.”
+
+„Zeker, majoor, na al wat wij heden avond gehoord hebben, zie ik niet
+in waarom we niet zouden hopen dat dit ongeluk voorkomen moge worden.”
+
+„Waarlijk? – Maar, mijn goede dominé, gij zijt een van diegenen, die op
+iederen misdadiger het benefictum clericorum wel zoudt willen toepassen
+[118].”
+
+„Zonder eenigen twijfel zou ik dat: genade en lankmoedigheid zijn de
+gronden der leer, die ik geroepen ben te verkondigen.”
+
+„Uit een godsdienstig oogpunt, behelst deze leer waarheid; maar het
+verleenen van genade aan een misdadiger kan een groote
+onrechtvaardigheid jegens de maatschappij zijn. Ik spreek niet van
+dezen jongen man in het bijzonder. Ik hoop van harte dat hij zich zal
+kunnen zuiveren, want zijn zedigheid bevalt me, zoowel als zijn gevoel
+van eigen waarde, Maar ik vrees, dat hij in den strik geloopen is.”
+
+„En waarom? Honderden misleide edellieden zijn thans tegen het Bewind
+onder de wapens; velen, ongetwijfeld, ten gevolge van beginselen, door
+opvoeding en vroeg ingezogen vooroordeel met den naam van
+vaderlandsliefde en heldendeugd verguld; – de Justitie, als ze hare
+slachtoffers uit zulk een menigte kiest, (want gewis zullen niet allen
+worden uitgeroeid) moet op het zedelijk beginsel zien; – laat hij, wien
+eerzucht, of hoop op persoonlijk voordeel ertoe gebracht heeft, om de
+rust van een welgeordend Bewind te verstoren, als een slachtoffer der
+wet vallen; maar voorzeker mag deze jonge man door de dolzinnige
+droomen van riddereer en ingebeelde trouw misleid, aanspraak op genade
+maken.”
+
+„Wanneer die droomen van riddereer en ingebeelde trouw in de termen van
+hoogverraad vallen, ken ik geen rechtbank ter wereld, beste mijnheer
+Morton, voor welke ze zich zouden kunnen vrijpleiten.”
+
+„Maar ik kan in het geheel niet zien, dat de schuld van dezen jongeling
+genoegzaam bewezen is.”
+
+„Omdat uw goed hart uw gezond verstand benevelt. Let wel. Deze jonkman
+– afstammende van een geslacht van erfelijke Jacobieten; zijn oom, het
+hoofd der Torys in het graafschap **; zijn vader, een weggejaagde en
+ontevreden hoveling; zijn leermeester, een onbeëedigd geestelijke en de
+schrijver van twee verraderlijke werken – deze jonkman, zeg ik, treedt
+in dienst bij de dragonders van Gardiner, terwijl hij met zich een
+corps jonge lieden van zijns ooms landgoederen brengt, die geene
+zwarigheid gemaakt hebben, om in hunne twisten met hunne kameraden, op
+hunne wijze uit te komen voor de beginselen, door hen op
+Waverley-Honour ingezogen. Voor deze jonge lieden heeft Waverley de
+meeste oplettendheid; ze worden van geld voorzien, boven hetgeen een
+soldaat noodig heeft en met de krijgstucht bestaanbaar is, en zijn
+onder het bestuur van een begunstigden wachtmeester, door wien ze een
+ongewoon nauwe gemeenschap met hun kapitein onderhouden, en zich
+gedragen, als waren ze onafhankelijk van de overige officieren en
+verheven boven hunne kameraden.”
+
+„Dit alles, waarde Majoor, is het natuurlijk gevolg van hunne
+gehechtheid aan hun jongen landheer, en omdat ze zich bij een regiment
+bevinden, hoofdzakelijk in het noorden van Ierland en in het westen van
+Schotland geworven, en bij gevolg onder kameraden, geneigd om met hen
+te kibbelen, niet slechts als Engelschen maar ook als leden van de
+Engelsche Kerk.”
+
+„Voortreffelijk gesproken, dominé! – Ik wenschte wel dat sommige leden
+van uwe Synode u hoorden. – Maar laat mij voortgaan. De jonkman
+verkrijgt verlof, gaat naar Tully-Veolan – de beginselen van den baron
+van Bradwardine zijn tamelijk wel bekend; om er niet van te gewagen,
+dat de oom van dezen jongen hem in het jaar vijftien uit den nood
+redde; – daar geraakt hij in een twist, waarbij men verhaalt dat hij de
+uniform die hij droeg, geschandvlekt heeft. – Kolonel Gardiner schrijft
+hem, eerst zacht, daarna scherp; (ik geloof wel, dat gij niet twijfelen
+zult dat hij het gedaan heeft, daar hij het zelf zegt) – de officieren
+van zijn regiment verzoeken hem hun een opheldering te geven omtrent
+den twist, waarin hij betrokken is geweest – hij antwoordt noch zijn
+overste, noch zijn kameraden. Intusschen worden zijn manschappen
+oproerig en verzetten zich tegen de krijgswet, en eindelijk, toen het
+gerucht van dien ongelukkigen opstand algemeen wordt, ontdekt men dat
+zijn begunstigde wachtmeester Houghton en nog een andere knaap in
+briefwisseling zijn met een Franschen zendeling, zooals hij zegt,
+gevolmachtigd door kapitein Waverley, die, volgens de bekentenis van
+den man zelven, hen aanspoort met den troep te deserteeren en zich bij
+hun kapitein te voegen, die Prins Karel vergezelt. Intusschen houdt
+deze kapitein, dit voorbeeld van eerlijkheid, zich, zoo als hij zelf
+verklaard heeft, te Glennaquoich, bij den werkzaamsten, geslepensten en
+meest volslagen Jacobiet in geheel Schotland op; hij vergezelt hem ten
+minste op hun berucht jacht-rendez-vous, en ik vrees nog een weinig
+verder. In den tusschentijd worden hem nog twee brieven gezonden; in
+den éen wordt hem kennis gegeven van den oproerigen geest van zijn
+troep, terwijl de ander het stellige bevel behelst naar zijn regiment
+terug te keeren, hetgeen toch het gezond verstand hem reeds moest
+hebben voorgeschreven, zoodra hij het oproer rondom zich het hoofd zag
+opsteken. Hij antwoordt met eene bepaalde weigering, en zendt zijn
+ontslag uit den dienst in.”
+
+„Hij was reeds uit den dienst ontslagen,” merkte de heer Morton op.
+
+„Maar hij komt er in dien brief voor uit, hoe het hem spijt, dat men
+hem reeds was voorgekomen,” hernam Melville. „Zijn bagage wordt, in
+zijn garnizoen en op Tully-Veolan, in beslag genomen, en men vindt er
+een verzameling van venijnige Jacobietische pamfletten in, genoegzaam
+om een geheel land te vergiftigen, behalve nog de ongedrukte
+pennevruchten van zijn waardigen vriend en leermeester, den heer
+Pembroke.”
+
+„Hij zegt dat hij ze nooit gelezen heeft,” antwoordde de Predikant.
+
+„In een gewoon geval, zou ik hem gelooven,” vervolgde de
+magistraatspersoon, „want ze zijn even dom en pedant wat den vorm
+betreft, als ze verderfelijk van inhoud zijn. Maar kunt ge u
+verbeelden, dat iets anders, dan ingenomenheid met de beginselen, die
+ze verkondigen, een Jonkman van zijn jaren zou kunnen bewegen zulke
+prullen met zich rond te slepen? Vervolgens, nu er tijding komt dat de
+oproerlingen in aantocht zijn, begeeft hij zich op reis, in een soort
+van vermomming, terwijl hij weigert zijn naam te zeggen; en, indien die
+oude dweeper de waarheid spreekt, vergezeld door een allezins
+verdachten knaap, en gezeten op een paard, dat bekend staat als het
+eigendom te zijn geweest van Glennaquoich, terwijl hij daarenboven
+brieven bij zich heeft van zijne familie, die verregaande verbittering
+tegen het Huis van Brunswijk aan den dag leggen, en een afschrift van
+verzen tot lof van zekeren Wogan, die den dienst van het Parlement
+verzaakte, om zich bij de Hooglandsche opstandelingen te voegen, toen
+zij de wapens voerden tot herstel van het Huis van Stuart, met een
+korps Engelsche ruiterij – de volkomen tegenhanger van zijn eigen
+complot – en opgeroepen met een: Ga en doe gij desgelijks! door dien
+getrouwen onderdaan en onschadelijken, vreedzamen man Fergus Mac-Ivor
+van Glennaquoich, Vich Ian Vohr, en zoo voorts. En eindelijk,” ging
+majoor Melville voort, die hoe langer zoo warmer werd, naarmate hij
+zijn bewijzen uiteenzette, „waar vinden wij nu dit tweede exemplaar van
+den kavalier Wogan? Wel, juist op den geschiktsten weg om zijn
+voornemen te volvoeren, en den eersten den besten van ’s Konings
+onderdanen neêrschietende, die het waagt hem naar zijn bedoelingen te
+vragen.”
+
+De heer Morton, zoo als een voorzichtig man betaamt, onthield zich ooit
+zelfs de minste tegenbewijzen aan te voeren, daar hij begreep dat ze
+den ambtenaar van het gerecht slechts zouden verharden in zijn
+gevoelen, en vroeg eenvoudig, „wat hij met zijn gevangene dacht te
+doen?”
+
+„Dit is een tamelijk moeielijke vraag als ik den toestand van het land
+in aanmerking neem.”
+
+„Zoudt gij hem, (daar hij zulk een fatsoenlijk jonkman is,) niet hier
+in uw huis buiten alle gevaar kunnen houden, tot deze storm overwaait?”
+
+„Mijn beste vriend, uw huis, noch het mijne, zal lang buiten gevaar
+zijn, al ware het ook wettig hem hier op te sluiten. Ik heb zoo even
+vernomen, dat de Opperbevelhebber, die de Hooglanden binnengerukt is om
+de opstandelingen op te zoeken en te verstrooien, hen bij Corryerick
+geen slag heeft durven leveren, en, met al de beschikbare macht van het
+Bewind, noordwaarts optrekt naar Inverness, John o’Groath’s House, of
+de drommel weet waarheen, waardoor de weg naar het Laagland open en
+onbeschermd tegen het Hooglandsche leger gebleven is.”
+
+„Goede Hemel! Is de man een lafaard, een verrader of een stommerik?”
+
+„Geen van drieën, geloof ik. Hij heeft den moed van een gewoon soldaat,
+is eerlijk genoeg, doet wat hem bevolen wordt, maar is evenmin in staat
+om op zijn eigen verantwoording te handelen, in omstandigheden van
+belang, als ik, mijn lieve dominé, om uw kansel te beklimmen.”
+
+Deze belangrijke tijding leidde het gesprek natuurlijk, voor eenigen
+tijd, van Waverley af; eindelijk evenwel werd het onderwerp weder
+opgevat.
+
+„Ik geloof,” zeide majoor Melville, „dat ik dezen jongen man moet
+medegeven aan een der afzonderlijke partijen vrijwilligers, die onlangs
+uitgezonden zijn om de kwalijk gezinde districten in bedwang te houden.
+Ze worden nu naar Stirling teruggeroepen, en een klein korps komt
+morgen of overmorgen hier langs, onder bevel van den Westlander – hoe
+heet hij? – gij hebt hem gezien, en van hem gezegd, dat hij de echte
+type was van een van Cromwell’s militaire heiligen.”
+
+„Gilfillan, de Cameronier. Ik hoop dat de jongen veilig in diens handen
+zal zijn. In drift en in het vuur der hartstochten gebeuren er vreemde
+dingen, in zulk een tijd als deze; en ik vrees dat Gilfillan tot een
+aanhang behoort, die vervolging geleden heeft, zonder daaruit lessen
+van barmhartigheid te putten.”
+
+„Hij zal slechts belast worden den heer Waverley naar het kasteel van
+Stirling over te brengen; ik zal strenge bevelen geven om hem goed te
+behandelen. Ik kan inderdaad geen beter middel bedenken, om hem in
+veiligheid te brengen, en ik verbeeld mij, dat gij mij toch den raad
+niet zoudt geven, om de verantwoordelijkheid op mij te nemen van hem op
+vrije voeten te stellen?”
+
+„Maar gij hebt er niet tegen, dat ik hem morgen eens alleen bezoek?”
+
+„Neen, stellig niet; uwe denkwijze en karakter staan mij borg. Maar met
+welk doel doet gij dat verzoek?”
+
+„Eenvoudig, om de proef te nemen, of hij er niet toe te brengen is, om
+mij eenige omstandigheden mede te deelen, welke hierna kunnen dienen,
+om zijne schuld te verlichten, zoo al niet uit te wisschen.”
+
+Thans scheidden de vrienden en begaven zich ter ruste, beide met
+ernstige onrust over den toestand des lands vervuld.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN VERTROUWDE.
+
+
+Waverley sleet een onrustigen nacht, terwijl hij door duizenderlei
+verwarde droomen gekweld werd. Nauwelijks was hij des morgens ontwaakt,
+of hij kwam tot volkomene bewustheid van het gevaar van zijn toestand.
+Hoe alles eindigen zou, wist hij niet. Misschien zou hij aan een
+militaire rechtbank overgeleverd worden, waarvan, te midden van den
+burgeroorlog, niet verwacht kon worden, dat zij zeer nauwgezet zou zijn
+in de keuze harer slachtoffers, of in het onderzoek der feiten. Ook
+gevoelde hij zich weinig meer op zijn gemak bij de gedachte, dat hij
+terechtgesteld kon worden voor een Schotsch hof van justitie, waar hij
+wist dat de wetten en vormen in een aantal opzichten van die van
+Engeland verschilden, en waar hem geleerd was te gelooven, hoezeer ook
+ten onrechte, dat de vrijheden en rechten der onderdanen minder
+zorgvuldig werden beschermd. Een gevoel van bitterheid verhief zich in
+zijn hart tegen het Bewind, dat hij als de oorzaak beschouwde van het
+gevaar, waarin hij gewikkeld was; en inwendig vervloekte hij de
+nauwgezetheid, die hem belet had Mac-Ivors uitnoodiging te volgen om
+hem in het veld te vergezellen.
+
+„Waarom,” dacht hij in zich zelven, „gebruikte ik niet, als andere
+mannen van eer, de eerste gelegenheid, om den afstammeling van
+Engelands oude koningen en den erfgenaam van hun troon welkom te
+heeten? Waarom,
+
+
+ Waarom roeide ik terstond niet de oproerplant
+ Met wortel uit, en riep verzaakte trouw
+ Terug, en zocht Prins Karel op, en wierp
+ Mij hem te voet?”
+
+
+„Al wat de geschiedenis ons leert van den roem en de verdiensten van
+het huis van Waverley, is gegrond op hunne onwrikbare trouw aan het
+Huis van Stuart. Uit de wijze, waarop deze Schotsche magistraat de
+brieven van mijn oom en vader heeft uitgelegd, blijkt duidelijk, dat ik
+ze had moeten opnemen als eene uitnoodiging om den weg mijner
+voorvaderen te betreden; en het is mijn dwaze onnoozelheid geweest,
+gevoegd bij de dubbelzinnige uitdrukkingen, die ze veiligheidshalve
+bezigden, welke mijn oogen hiervoor gesloten heeft. Had ik de eerste
+goede ingeving mijner verontwaardiging gevolgd, toen ik vernam, dat men
+mijn eer wilde aantasten, hoe anders zou mijn toestand zijn! Ik zou dan
+vrijwillig in de gelederen zijn, strijdende, gelijk mijn voorouders,
+voor liefde, recht en roem. En nu ben ik hier, gevangen en verstrikt,
+ter beschikking van een achterdochtig, strak en koud mensch, om welligt
+overgebracht te worden naar een eenzame, sombere gevangenis, of aan de
+schande eener openbare terechtstelling te worden overgegeven. O Fergus,
+hoe waar blijkt thans uwe voorspelling, en hoe spoedig, hoe
+allerspoedigst is ze vervuld!”
+
+Terwijl Eduard met deze smartelijke overdenkingen vervuld, zeer
+natuurlijk, ofschoon juist niet zeer rechtvaardig, den blaam op het
+regeerende huis wierp, die slechts aan het toeval, of, ten minste
+gedeeltelijk, aan zijn eigen onnadenkend gedrag was toe te schrijven,
+maakte de heer Morton gebruik van majoor Melville’s verlof, om hem een
+morgenbezoek te brengen.
+
+Waverley’s eerste gevoel en gedachte was, te kennen te geven, dat hij
+verlangde met geene vragen of eenig gesprek lastig te worden gevallen;
+maar hij veranderde van gedachten, zoodra hij het goedhartig en
+eerwaardig voorkomen van den geestelijke opmerkte, die hem reeds voor
+het dreigende geweld der dorpelingen beschermd had.
+
+„Ik geloof, mijnheer,” zei de ongelukkige jongeling, „dat ik, in iedere
+andere omstandigheid, u zoo veel dankbaarheid verschuldigd zou zijn,
+als mijn leven waard is; maar mijn geest is zoo geheel verward, ik ben
+zoo vervuld met hetgeen ik waarschijnlijk te wachten heb, dat ik u voor
+uwe tusschenkomst ter nauwernood dank kan zeggen.”
+
+De heer Morton antwoordde, „dat, wel verre van eenige aanspraak te
+komen maken op zijn erkentelijkheid, het zijn eenige wensch, en het
+eenige doel van zijn bezoek was, om middelen te beramen om hem van
+dienst te zijn. Mijn uitmuntende vriend, majoor Melville,” ging hij
+voort, „gevoelt en handelt als krijgsman en openbaar ambtenaar, door
+welke banden ik niet gebonden ben; ook kan ik niet altijd instemmen met
+de begrippen die hij, misschien met al te weinig toegevendheid omtrent
+de zwakheden der menschelijke natuur, schijnt op te vatten.” Hij zweeg
+een oogenblik, en ging daarna voort: „Ik dring mij niet op als uw
+vertrouwde, mijnheer Waverley, met het oogmerk om de eene of andere
+omstandigheid te vernemen, waarvan de kennis voor u of anderen nadeelig
+zou kunnen wezen; maar ik betuig u dat het mijn vurigst verlangen is,
+met eenige omstandigheden bekend te worden, die tot uwe
+verontschuidiging zouden kunnen strekken. Ik kan u plechtig verzekeren,
+dat ze bij mij zullen zijn bewaard als bij een getrouw, en, zoover zijn
+vermogens reiken, ijverig behartiger uwer belangen.”
+
+„Gij zijt, mijnheer, naar ik vermoed, een Presbyteriaansch
+geestelijke?” – De heer Morton boog. – „Indien ik mij door de
+vooroordeelen der opvoeding leiden liet, zou ik uwe vriendelijke
+betuigingen, in mijn geval, kunnen wantrouwen; maar ik heb opgemerkt,
+dat gelijke vooroordeelen in dit land gevoed worden tegen uwe
+ambtgenooten van de Episcopale belijdenis, en ik ben gereed om ze van
+weerskanten voor ongegrond te houden.”
+
+„Schande over hem die anders denkt,” zei de heer Morton, „of die
+kerkbestuur en plechtigheden voor het onderpand van Christelijk geloof
+of zedelijke deugd houdt!”
+
+„Maar,” ging Waverley voort, „ik begrijp niet, waarom ik u zou lastig
+vallen met het verhalen van bijzonderheden, waaruit ik, na ze zoo
+zorgvuldig mogelijk voor mijn geest teruggeroepen en overdacht te
+hebben, maar weinig weet op te helderen, van hetgeen men mij ten laste
+legt. Ik weet zeker, dat ik onschuldig ben, maar ik zie bezwaarlijk in,
+hoe ik hopen kan dàt te bewijzen.”
+
+„Juist daarom, mijnheer Waverley, waag ik het uw vertrouwen te vragen.
+Ik heb een groot aantal kennissen onder de bewoners dezer landstreek,
+en als het noodig is, kan dat nog worden uitgebreid. Uw toestand zal,
+vrees ik, u beletten die noodzakelijke stappen, tot het verkrijgen van
+licht of het ontdekken van bedrog te doen, die ik gaarne voor u zou
+willen ondernemen; en zoo u mijn pogingen al niet mochten baten, kunnen
+ze u althans geen nadeel doen.”
+
+Waverley was, na eenige minuten nadenkens, overtuigd, dat het stellen
+van vertrouwen in den heer Morton, voor zoo ver het hem zelf aanging,
+noch Bradwardine noch Fergus zou kunnen schaden, daar beide openlijk de
+wapenen tegen het Bewind hadden opgevat, en dat het, zoo de betuigingen
+van zijn nieuwen vriend zoo goed gemeend waren, als hij verzekerde,
+welligt eenigzins nuttig voor hem kon zijn. Hij doorliep daarom
+kortelijk de meeste gebeurtenissen, waarmede de lezer reeds bekend is,
+terwijl hij van zijn liefde tot Flora, en inderdaad van haar, noch van
+Rosa Bradwardine in der loop van zijn verhaal zelfs niet in de verte
+gewaagde.
+
+De heer Morton scheen bijzonder getroffen door het verslag van
+Waverley’s bezoek bij Donald Bean Lean. „lk verheug mij,” zeide hij,
+„dat gij deze omstandigheid niet aan den Majoor hebt medegedeeld. Zij
+is juist geschikt om in een zeer verkeerd licht geplaatst te worden
+door dezulken, die geen acht slaan op den invloed welke de
+nieuwsgierigheid en een opgewonden verbeelding op het gedrag der jeugd
+uitoefenen. Toen ik iemand van uw leeftijd was, mijnheer Waverley, zou
+een dergelijke halsbrekende tocht (ik vraag u verschooning voor het
+woord) onuitsprekelijke bekoorlijkheden voor mij gehad hebben. Maar er
+zijn menschen in de wereld, die niet gelooven willen, dat men zich
+dikwijls aan gevaar en vermoeienis blootstelt, zonder eenige bepaalde
+reden, en die bijgevolg aan daden van anderen beweegredenen
+toeschrijven, welke geheel en al van de waarheid afwijken. Deze Bean
+Lean is door het geheele land als een soort van Robin Hood bekend; zijn
+behendigheid en stoutheid maken het onderwerp der vertellingen uit, die
+men elkander des winters in het hoekje van den haard doet. Men kan niet
+ontkennen dat hij talenten bezit, verre boven den onbeschaafden stand
+waarin hij zich beweegt; en daar hij niet zonder eerzucht en niet zeer
+nauwgezet in zijn handelingen is, zal hij zich, tijdens deze
+ongelukkige bewegingen, door alle mogelijke middelen trachten te
+onderscheiden.” – De heer Morton teekende thans zorgvuldig op de
+verschillende bijzonderheden van Waverley’s zamenkomst met Donald Bean,
+en de overige omstandigheden, die hij hem medegedeeld had.
+
+De belangstelling, die deze brave man aan den dag scheen te leggen in
+zijn ongeluk, en vooral het volle vertrouwen, dat hij in zijn onschuld
+scheen te stellen, brachten er natuurlijk niet weinig toe bij om
+Eduards stemming te verzachten, daar de koelheid van den heer Melville
+hem op het denkbeeld gebracht had, dat de geheele wereld tegen hem
+samenspande, om hem te verpletteren. Hij drukte den heer Morton met
+warmte de hand, en, hem verzekerende, dat zijn vriendelijkheid en
+deelneming zijn hart van een zwaren last bevrijd hadden, zeide hij dat,
+wat ook zijn eigen lot wezen mocht, hij tot een familie behoorde, die
+zoowel dankbaarheid bezat als de macht om er de bewijzen van te
+leveren. De ernst zijner dankbaarheid lokte tranen in de oogen des
+waardigen geestelijken, die dubbel belang stelde in de zaak, waarvoor
+hij vrijwillig zijn diensten had aangeboden, nu hij het echte,
+ongeveinsde gevoel van zijn jongen vriend had opgemerkt.
+
+Eduard vroeg thans, of de heer Morton wist waarheen men hem
+waarschijnlijk zou overbrengen.
+
+„Naar het kasteel van Stirling,” antwoordde zijn vriend; „en dit doet
+mij om uwentwil genoegen, want de Gouverneur is zacht van aard en een
+man van eer. Maar, ik ben niet zoo gerust over uwe behandeling onder
+weg; majoor Melville is, zijns ondanks, verplicht de bewaking van uw
+persoon aan iemand anders toe te vertrouwen.”
+
+„Dat verheugt mij. Ik haat dien koelbloedigen, berekenende Schotschen
+magistraat. Ik hoop dat we elkander nooit weêr zullen ontmoeten: hij
+gevoelt noch deelneming in mijn onschuld noch in mijn ongeluk; en de
+versteenende nauwkeurigheid, waarmede hij iederen vorm der beleefdheid
+in acht neemt, terwijl hij mij met zijn vragen, zijn vermoedens en zijn
+gevolgtrekkingen martelt, was niet minder hatelijk dan de pijnbank der
+inkwisitie. Verdedig hem niet, waarde heer, want dat kan ik met geen
+geduld aanhooren; zeg mij liever, wie belast zal worden met zulk een
+belangrijken staatsgevangene, als ik ben?”
+
+„Ik geloof, dat het zekere Gilfillan wezen zal, een van de secte,
+waaraan men den naam van Cameroniers geeft.”
+
+„Ik heb er nooit van gehoord.”
+
+„Zij geven voor die nauwgezetter en strenger Presbyterianen te
+vertegenwoordigen, welke, in de dagen van Karel II en Jacobus II,
+weigerden gebruik te maken van de Tolerantie of Indulgentie, gelijk die
+genoemd werd, welke aan anderen van dien godsdienst werd verleend. Zij
+hielden vergaderingen in het open veld, en daar ze door het Schotsche
+Bewind met veel hardheid en wreedheid behandeld werden, vatten ze meer
+dan eens onder de regeering dezer beide Koningen, de wapens op. Ze
+ontleenen hun naam van hun aanvoerder, Richard Cameron.”
+
+„Ik herinner het mij. – Maar deed de zegepraal van het
+Presbyterianisme, bij de omwenteling, deze secte niet te niet gaan?”
+
+„In geenen deele; die groote gebeurtenis bleef verre beneden hetgeen ze
+zich voorstelden; want ze wilden niets minder dan de Kerk volgens de
+gronden van het oude Plechtige Verbond en Covenant inrichten.
+Inderdaad, ik geloof dat ze niet recht wisten wat ze wilden; maar daar
+ze in die dagen vrij talrijk, en niet onbekend waren met de behandeling
+der wapens, zoo hielden ze zich bij elkander, als een afzonderlijke
+partij in den staat, en hadden, ten tijde der vereeniging van Engeland
+met Schotland bijna een zeer onnatuurlijk verbond aangegaan met hunne
+oude vijanden, de Jacobieten, om dien belangrijken nationalen maatregel
+tegen te werken. Sedert dien tijd is hun aantal trapsgewijze afgenomen;
+maar men treft nog een menigte van hen in de westelijke landschappen
+aan, en verscheidenen, thans beter gezind dan in 1707, hebben de wapens
+opgevat ten voordeele van het Bewind. Deze Gilfillan, dien ze „de
+Bezielde” noemen, is lang een hunner aanvoerders geweest, en staat
+thans aan het hoofd eener kleine afdeeling, welke heden of morgen hier
+doortrekt, op weg naar het kasteel van Stirling, en majoor Melville is
+voornemens u onder die bewaking te laten reizen. Ik zou u wel gaarne
+aan Gilfillan willen aanbevelen; maar daar hij al de vooroordeelen van
+zijn secte met de moedermelk heeft ingezogen, en hij zelf een
+geestdrijver is, zou hij weinig acht slaan op het verzoek van een
+Erastiaanschen Godgeleerde, gelijk hij mij beleefdelijk heeten zou. –
+En nu, vaarwel, jonge vriend; ik moet voor het oogenblik van de
+toegevendheid des Majoors niet te veel vergen, opdat hij mij het verlof
+niet weigere, om u in den loop van den dag nogmaals een bezoek te
+brengen.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ZAKEN WORDEN EEN WEINIGJE BETER.
+
+
+Omstreeks den middag kwam de heer Morton terug, en bracht eene
+uitnoodiging van den heer Melville, die den heer Waverley verzocht hem
+de eer van zijn gezelschap aan het middagmaal te willen schenken – in
+weerwil van de onaangename zaak, die hem te Cairnvreckan ophield, en
+waarvan het hem innig genoegen doen zou den heer Waverley geheel
+ontslagen te zien. De waarheid was, dat door des heeren Mortons gunstig
+bericht en meening, de denkbeelden van den ouden krijgsman, aangaande
+Eduards veronderstelde deelneming aan de muiterij in het regiment,
+eenigszins aan het wankelen gebracht waren; en, bij den ongelukkigen
+toestand des lands, mocht het bloote vermoeden van niet ingenomen te
+zijn met het Bewind en de zucht om zich bij de opgestane Jacobieten te
+voegen, zoo al schuld, dan toch zeker geen schande op iemands hoofd
+laden. Bovendien had een persoon, die het vertrouwen van den Majoor
+bezat, hem een tijding gebracht: geheel strijdig met het verontrustende
+nieuws van den vorigen avond. Volgens dit tweede, hadden de Hooglanders
+zich van de Laaglandsche grenzen teruggetrokken, met oogmerk om het
+leger op zijn tocht naar Inverness te volgen. De Majoor was inderdaad
+verlegen, hoe deze tijding overeen te brengen met de welbekende
+bekwaamheden van sommige heeren in het Hooglandsche kamp, maar het was
+waarschijnlijk de handelwijze, die weêr aan anderen het aangenaamst
+wezen moest. Hij herinnerde zich, dat dezelfde staatkunde hen in het
+jaar 1715, in het noorden had opgehouden, en hij voorzag een gelijk
+einde aan den tegenwoordigen opstand, als bij die gelegenheid.
+
+Dit nieuwe bracht hem in zulk een goeden luim, dat hij gereedelijk met
+des heeren Mortons voorstel instemde, om eenige beleefdheid te bewijzen
+aan zijn ongelukkigen huisgenoot, terwijl hij uit zichzelven de hoop
+uitdrukte dat deze geheele zaak het gevolg was van niets anders dan
+jeugdige opgewondenheid, die met een korte opsluiting gemakkelijk zou
+te boeten wezen.
+
+Het gelukte den vriendelijken bemiddelaar niet zonder moeite zijn
+jongen vriend over te halen de uitnoodiging aan te nemen. Hij durfde
+hem de ware beweegreden zijner handelingen niet mededeelen, die in het
+goedhartig verlangen bestond, om zich een gunstig verslag van
+Waverley’s zaak, bij den gouverneur Blakeney, te verzekeren. Uit het
+hooggevoelige karakter van onzen held maakte hij op, dat zoo hij deze
+snaar aanroerde, het slechts op het mislukken van zijn voornemen zou
+uitloopen. Hij beweerde uit dien hoofde, dat de uitnoodiging van den
+Majoor bewees, dat er in Waverley’s gedrag niets was, hetwelk den
+krijgsman en man van eer aan verkeerde uitlegging kon blootstellen, en
+dat, indien Waverley de hoffelijkheid van den Majoor van de hand wees,
+dit ligt zou kunnen opgevat worden als eene bewustheid dat hij deze
+vriendelijkheid niet verdiende. In éen woord, hij overtuigde Eduard
+zoowel van het gepaste als van het vereerende dat er in gelegen was den
+Majoor op een vriendschappelijken voet te ontmoeten, zoodat Waverley
+zijn geweldigen tegenzin onderdrukte, om andermaal de koude en
+vormelijke beleefdheid van den ouden krijgsman te ondervinden en er in
+toestemde zich door zijn nieuwen vriend te laten leiden.
+
+De ontmoeting was vrij stijf en deftig. Maar daar Eduard de
+uitnoodiging had aangenomen, en hij zich werkelijk kalmer en meer
+opgebeurd gevoelde door de vriendelijkheid van Morton, achtte hij het
+zijn plicht zich ongedwongen voor te doen, zonder evenwel eenige
+hartelijkheid te kunnen betoonen. De Majoor was min of meer een
+bonvivant, en zijn wijn was uitnemend. Hij verhaalde van zijn
+voormalige veldtochten, en legde vrij wat kennis van menschen en zaken
+aan den dag. De heer Morton bezat een schat van bedaarde en prettige
+opgeruimdheid, welke zelden miste ieder klein gezelschap te bezielen,
+waar hij zich op zijn gemak bevond. Waverley, wiens leven op een droom
+geleek, gaf spoedig toe aan den indruk van het oogenblik, en werd de
+vroolijkste van het gezelschap. Hij had altijd veel natuurlijken aanleg
+voor de conversatie, ofschoon hij door ontmoediging ligt tot zwijgen
+werd gebracht. Maar bij deze gelegenheid maakte hij er zijn werk van,
+om bij zijn dischgenooten een gunstigen indruk achter te laten, als van
+iemand, die, onder zulke onaangename omstandigheden, het ongeluk met
+ongedwongen opgeruimdheid wist te dragen. Zijn geest, schoon eerst een
+weinig neêrgedrukt, hernam zijn gewone vlucht, en ondersteunde zijn
+pogingen spoedig naar behooren. Het drietal bevond zich in zeer druk
+gesprek, blijkbaar met elkander ingenomen, en de vriendelijke gastheer
+drong er op aan, om nog een derde flesch Bourgonje te nemen, toen het
+roeren van een trom in de verte gehoord werd. De Majoor, die, te midden
+der vroolijkheid van een oud soldaat, de plichten van een
+overheidspersoon had vergeten, verwenschte, met een gesmoorden
+krijgsmansvloek, wat hem tot zijne ambtsbezigheden terugriep. Hij stond
+op en begaf zich naar het raam, dat onmiddellijk uitzicht had op den
+straatweg, en werd daarin door zijn gasten gevolgd.
+
+De tamboer kwam naderbij, terwijl hij geen geregelden krijgsmansmarsch,
+maar een soort van roffel sloeg, gelijk aan dien, waarmede de
+brandwacht de slapende ambachtslieden van een Schotsch stadje wekt. Het
+is het doel dezer geschiedenis iedereen recht te doen; ik moet dus, om
+den wille der rechtvaardigheid, van den tamboer zeggen, dat hij er zich
+voor uitgaf alle bekende oorlogsmarschen te kunnen slaan, die bij het
+Britsche leger in gebruik waren, behalve nog eenige andere vreemde, en
+dat hij dus met die van de tamboers van Dumbarton begonnen was, toen
+hem het zwijgen opgelegd werd door den bezielden Gilfillan, den
+aanvoerder der afdeeling, die zijn lieden niet wilde vergunnen zich
+naar dit profaan, en zelfs, zoo als hij zeide, vervolgziek getrommel te
+bewegen, en den tamboer beval den 119den psalm te slaan. Daar dit de
+bekwaamheid van den schaapsvelklopper te boven ging, was hij
+genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot een onschuldigen roffel, als
+een onnoozelen plaatsvervanger voor de gewijde muziek, die zijn
+instrument of zijn kunst buiten staat waren voort te brengen. Dit moge
+een nietige bijzonderheid schijnen, maar de tamboer in kwestie was
+niemand anders dan de stadstrommelslager van het stadje Anderton. En ik
+herinner mij zijn opvolger nog, die lid was van dat verlicht lichaam,
+de Britsche Conventie! Eere dus zijn aandenken!
+
+
+ EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ TWEEDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ WAVERLEY,
+ of
+ ZESTIG JAREN GELEDEN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN VRIJWILLIGER VAN VOOR ZESTIG JAAR.
+
+
+Toen majoor Melville het ongewenschte tromgeroffel hoorde, opende hij
+haastig een schuifdeur, en trad op een soort van terras, dat zijn huis
+scheidde van den weg, van waar de krijgsmuziek zijn ooren getroffen
+had. Waverley en zijn nieuwe vriend volgden hem, ofschoon hij misschien
+hun bijzijn wel kon missen. Spoedig ontwaarden zij een plechtigen
+optocht, eerst den trommelslager, vervolgens eene groote vlag, in vier
+afdeelingen gescheiden, waarop de woorden, verbond, kerk, koning,
+koningrijken met groote letters te lezen stonden. De persoon, die de
+eer had het vaandel te dragen, werd gevolgd door den bevelhebber der
+afdeeling, een schraal, somber man met een streng uitzigt, en omstreeks
+zestig jaar oud. De geestelijke hoogmoed, welke in den kastelein uit de
+Kandelaar in een soort van verwaande schijnheiligheid was overgegaan,
+werd, op het gelaat van dezen man, verhoogd en overschaduwd door
+oprechte en ontwijfelbare dweepzucht. Het was onmogelijk hem te zien,
+zonder dat de verbeelding hem te midden van een of andere vreemde
+crisis verplaatste, waarin godsdienstijver de hoofdrol speelde. Een
+martelaar aan de paal, een soldaat in het veld, een eenzaam en
+verbannen zwerveling, door de kracht en veronderstelde zuiverheid van
+zijn geloof getroost over ieder aardsch gemis; misschien een
+wreedaardige inquisiteur, even verschrikkelijk in de uitoefening zijner
+macht, als onbuigzaam in den tegenspoed; voor al deze rollen scheen dit
+personaadje bijzonder geschikt. In weerwil van deze sterke trekken, had
+hij een gemaakte afgepastheid en deftigheid van uitdrukking en
+manieren, die aan het belachelijke grensde; zoodat, naarmate van de
+stemming waarin men hem ontmoette, en het licht waarin zich Gilfillan
+vertoonde, men voor hem gesidderd, hem bewonderd of om hem gelachen zou
+hebben. Zijne kleeding was die van een boer uit de Westelijke
+graafschappen, wel is waar, van betere stof dan die der laagste
+standen, maar in geen opzicht noch naar de mode van den tijd, noch naar
+die der Schotsche fatsoenlijke wereld, van welke eeuw ook. Zijne
+wapenen bestonden in een sabel en pistolen, welke, wegens hun
+ouderwetsch maaksel, de nederlaag hadden kunnen bijwonen van
+Pentland-hill of van Bothwell-Brigg.
+
+Hij deed eenige schreden voorwaarts, om majoor Melville te gemoet te
+treden, en toen hij plechtig, maar slechts eventjes, zijne geweldige
+groote en over de oogen hangende blauwe muts aanraakte, ter
+beantwoording van den groet des Majoors, die beleefdelijk zijn kleinen
+driekanten hoed met gouden zoom had opgeligt, kon Waverley het
+denkbeeld niet weêrstaan, dat hij een aanvoerder der Rondhoofden van
+eertijds aanschouwde, in gesprek met een van Marlboroughs kapiteins.
+
+De troep van omstreeks dertig gewapende mannen, die dezen bezielden
+aanvoerder volgde, was van tamelijk gemengde soort. Zij droegen de
+gewone Laaglandsche kleeding van verschillende kleuren, welke, in
+tegenstelling met hunne wapens, hun een ongeregeld voorkomen, als van
+een oproerigen hoop, gaven: zoo zeer is het oog gewend om eenvormigheid
+van kleeding bij een militairen stoet te wachten. In het front bevonden
+zich eenige mannen, die blijkbaar de geestdrijverij van hun leidsman
+deelden, voorzeker vreeselijk in een strijd, waarbij hun aangeboren
+moed door godsdienstijver verhoogd werd. Andere liepen met het hoofd in
+den nek en stapten als hanen, trotsch op het gewigtige voorrecht om de
+wapens te mogen dragen en op de nieuwheid van de positie, terwijl de
+overigen, oogenschijnlijk vermoeid door den marsch, hunne ledematen
+traag voortsleepten, of van hunne kameraden afdwaalden, om de
+verfrisschingen te zoeken, die de naburige woningen en kroegen
+opleverden. „Zes grenadiers van Ligonier’s,” dacht de majoor bij
+zichzelven, terwijl hij een terugblik wierp op zijn eigene militaire
+loopbaan, „zouden deze knapen heel spoedig het hazenpad doen kiezen.”
+
+Terwijl hij den heer Gilfillan echter beleefd groette, verzocht hij te
+mogen weten, of hij den brief had ontvangen, dien hij hem op zijn
+marsch had toegezonden, en of hij de zorg voor den staatsgevangene,
+daarin vermeld, tot aan het kasteel van Stirling kon op zich nemen.
+„Ja,” luidde het beknopte antwoord van den Cameronischen aanvoerder,
+met eene stem die uit de penetralia van zijn persoon scheen voort te
+komen.
+
+„Maar uw escorte, mijnheer Gilfillan, is niet zoo sterk, als ik
+verwacht had.”
+
+„Een deel van het volk,” hernam Gilfillan, hongerde en dorstte op, den
+weg, en toefde tot hunne arme zielen verkwikt waren door het Woord.”
+
+„Het spijt mij, mijnheer,” antwoordde de Majoor, „dat gij met het
+verkwikken uwer lieden niet tot Cairnvreckan gewacht hebt; alles wat
+mijn huis bevat, is ter beschikking van mannen, die zich in ’s Konings
+dienst bevinden.”
+
+„Ik sprak niet van de verkwikkingen van den uitwendigen mensch,” hernam
+de andere, terwijl hij majoor Melville aanzag, met iets dat naar een
+minachtenden glimlach zweemde, „intusschen dank ik u; maar het volk
+bleef wachten op den dierbaren heer Jabesh Rentowel, en het uitspreken
+van de namiddagspreek.”
+
+„En hebt gij, mijnheer,” zeide de Majoor, „terwijl de rebellen op het
+punt staan om zich over dit landschap te verspreiden, wezenlijk een
+groot deel van uwe manschappen bij eene veldpredikatie gelaten?”
+
+Gilfillan grijnsde op nieuw met minachting, terwijl hij dit
+dubbelzinnig antwoord gaf, – „Alzoo zijn de kinderen dezer wereld
+wijzer dan de kinderen des lichts in hun geslacht.”
+
+„Intusschen, mijnheer,” zei de Majoor, „daar gij dezen heer naar
+Stirling hebt te brengen, en hem, met deze papieren, in handen van den
+gouverneur Blakeney te leveren, verzoek ik u eenige regelen van
+krijgstucht in acht te nemen op uw marsch. Bij voorbeeld, ik zou u
+raden uwe manschappen meer aaneen gesloten te houden, zoo dat elk zijn
+nevenman dekken kan, in plaats van door elkander te loopen als ganzen
+op een gemeentewei; en, om niet overvallen te worden, beveel ik u
+verder aan, een kleine voorhoede van uw beste manschappen te vormen,
+met een enkele vidette in het front, zoo dat, als gij een dorp of bosch
+nadert,” – hier viel de Majoor zichzelf in de rede – „maar daar ik niet
+zie, dat gij naar mij luistert, mijnheer Gilfillan, zoo kan ik mij de
+moeite besparen, om meer over deze zaak te zeggen. Gij zijt, zonder
+twijfel, een beter beoordeelaar van de noodige maatregelen dan ik; maar
+éen ding hoop ik, dat gij wel in acht zult nemen, dat gij dezen heer,
+uw gevangene, met geen gestrengheid of onbeleefdheid behandelt, en hem
+aan geen anderen dwang onderwerpt, dan noodig is om hem te bewaren.”
+
+„Ik heb mijn lastbrief ingezien,” hernam de heer Gilfillan,
+„onderteekend door een waardig en vroom edelman, Willem graaf van
+Glencairn, en ik zie daarin niet vermeld, dat ik eenige lasten of
+bevelen, betreffende mijn handelingen, te ontvangen heb van majoor
+William Melville van Cairnvreckan.”
+
+Majoor Melville werd rood tot achter zijn welgepoederde ooren, die
+onder zijn nette militaire pruik voor den dag kwamen, en dit te meer,
+daar hij bespeurde dat de heer Morton op hetzelfde oogenblik
+glimlachte. „Mijnheer Gilfillan,” antwoordde hij met eenige scherpheid,
+„ik verzoek tienduizendmaal verschooning, dat ik mij met de zaken van
+zulk een gewichtig persoon, als gij zijt, bemoeid heb. Ik dacht
+evenwel, dat, daar gij grootgebracht zijt als vetweider, zoo ik het
+niet mis heb, er gelegenheid zou kunnen zijn, om u het onderscheid
+tusschen Hooglanders en Hooglandsch vee te herinneren, en zoo het
+gebeuren mocht dat gij een of ander fatsoenlijk man ontmoettet, die den
+dienst kende, zou ik mij nog al verbeelden dat, als gij naar hem
+luisterdet, het u in het geheel geen kwaad zou doen. Maar ik heb het
+mijne gezegd, en behoef nog slechts dezen heer zoo wel aan uwe
+beleefdheid, als aan uwe hoede aan te bevelen. – Mijnheer Waverley,”
+voegde de Majoor er bij, „het smart mij inderdaad, dat wij op deze
+wijze moeten scheiden: maar ik vertrouw, dat, zoo gij eens weder in
+deze streken komt, ik in staat zal zijn, om Cairnvreckan aangenamer
+voor u te maken, dan de omstandigheden bij deze gelegenheid hebben
+veroorloofd.”
+
+Dit zeggende, drukte hij onzen held de hand. Morton nam insgelijks een
+hartelijk afscheid, en nadat Waverley zijn paard bestegen had, met een
+soldaat die het aan den toom leidde, en een rij aan weerszijde om zijn
+ontsnapping te beletten, begon hij zijn tocht met Gilfillan en zijn
+troep. Zoolang ze in het dorpje waren werd hun uitgeleide gedaan door
+het gejouw der kinderen, en het geschreeuw: „He! kijkt den
+Zuidlandschen heer, die men gaat ophangen omdat hij langen Jan
+Mucklewrath, den smid, heeft doodgeschoten!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONVERWACHT VOORVAL.
+
+
+De etenstijd in Schotland, zestig jaar geleden, was ten twee ure. Het
+was dus ongeveer vier uur op even aangenamen herfstmiddag, dat de heer
+Gilfillan zijn tocht voortzette, in de hoop dat, ofschoon Stirling
+achttien mijlen ver lag, hij in staat zou zijn, dien avond dáar aan te
+komen, als men een paar uren van den nacht doormarcheerde. Hij spande
+alle pogingen in en trok moedig op, aan het hoofd van zijn volk,
+terwijl hij van tijd tot tijd een blik op onzen held wierp, alsof hij
+verlangde met hem in dispuut te komen. Eindelijk, buiten staat de
+verzoeking te wederstaan, vertraagde hij zijn pas, tot hij naast het
+paard van zijn gevangene was, en na eenige weinige schreden
+stilzwijgend aan zijn zijde gegaan te hebben, vroeg hij op eens: – „Kan
+je me ook zeggen, wie de kerel was met den zwarten rok en het gekrulde
+haar, bij den heer van Cairnvreckan?”
+
+„Een Presbyteriaansch geestelijke,” antwoordde Waverley.
+
+„Presbyteriaan! zeg een ellendige Erastiaan, of liever een vermomde
+prelatist, – een begunstiger van die jammerlijke Indulgentie, – een
+dier stomme honden, die niet kunnen blaffen; ze geven een gil van
+verschrikking, een gesnater van troost in hunne predikatiën, zonder
+eenigen zin, geur of leven. – Jij bent zeker ook in die kudde opgevoed,
+naar ik denk?”
+
+„Neen, ik ben van de Engelsche Kerk,” zeide Waverley.
+
+„O, dat is zoo wat hetzelfde,” antwoordde de Covenanter, „en dus geen
+wonder dat ze zoo wel met elkander zijn. Wie zou gedacht hebben dat het
+goede gebouw der Schotsche Kerk, door onze vaderen in 1642 opgetrokken,
+door vleeschelijke belangen en het bederf der tijden, zou zijn
+verwoest? Ach, wie zou gedacht hebben, dat het gesneden werk des
+heiligdoms zoo spoedig zou zijn omvergeworpen!”
+
+Op deze jammerklacht, die een paar uit het gezelschap met een diepen
+zucht begeleidden, achtte het onze held onnoodig iets te antwoorden.
+Waarop de heer Gilfillan, die wilde dat hij ten minste een toehoorder,
+zooal geen tegenspreker zijn zou, met zijn Jerimiade voortging.
+
+„En nu, is het te verwonderen, als, door gebrek aan oefening, ten
+aanzien van de roeping tot den dienst en de dagelijksche plichten, de
+predikanten tot zondige toegevendheid vervallen omtrent patroonaten en
+vrijheden en eeden en verbonden en andere verderfelijke dingen? Is het
+te verwonderen, vraag ik, dat gij, mijnheer, en andere soortgelijke
+ongelukkige wezens, u bezig houdt om uw eigen Babel der ongerechtigheid
+op te bouwen, even als in de bloedige vervolging- en moorddagen? Ik
+vertrouw, dat, zoo ge niet verblind waart door de gunsten en
+voordeelen, de diensten en genietingen, en ambten en bezittingen dezer
+booze wereld, ik u met den Bijbel zou kunnen bewijzen, op welke prullen
+en vodden gij uw vertrouwen stelt; en dat uwe koorkleeden, uwe
+tabbaarden en kerkgewaden slechts afgescheurde versierselen zijn van de
+groote hoer, die op de zeven heuvelen zit en uit den beker des gruwels
+drinkt. Doch ik twijfel niet, of gij zijt zoo doof als een adder aan
+dat oor; ja, gij zijt gevangen door hare betooveringen, en gij drijft
+handel met hare koopwaren, en gij zijt dronken door den beker harer
+ontucht!”
+
+Hoe lang nog de theologische krijgsman op deze wijze zou zijn
+uitgevaren, niemand sparende dan het verstrooide overblijfsel van zijne
+eigene secte, is geheel onzeker. Zijn stof was rijk, zijn stem sterk en
+zijn geheugen onuitputtelijk; zoodat er weinig hoop bestond dat hij
+zijn vermaning zou eindigen, voor dat de afdeeling Stirling bereikte,
+indien zijn aandacht niet getrokken ware geworden door een marskramer,
+die zich langs een zijweg bij hem gevoegd had, en met groote
+regelmatigheid zuchtte of steunde bij elke voegzame gelegenheid onder
+’s mans leerrede.
+
+„Maar wie zijt gij toch, vriend?” vroeg de bezielde Gilfillan.
+
+„Een arme marskramer, die naar Stirling moet, en verzoekt om de
+bescherming van uwe manschappen, in deze bange tijden. Och! edele heer!
+gij bezit een schoone gave ter nasporing en verklaring van de geheime,
+och ja, de geheime en onbegrijpelijke oorzaken van het verval des
+lands; ja, gij, edele heer, raakt den wortel zelven van het kwaad.”
+
+„Vriend,” zeide Gilfillan op veel zachter en welwillender toon, dan hij
+tot hiertoe gebezigd had, „geef mij zoo’n hoogen titel niet; ik ga niet
+uit naar de kasteelen en de dorpen en de vlekken, om de menigte en de
+boeren en de burgers hunne mutsen voor mij te zien afnemen, gelijk ze
+doen voor majoor Melville van Cairnvreckan, en mij edele heer of
+kapitein, of hoogedelgestreng te laten noemen; – neen, mijn kleine
+bezitting, die niet boven de twintig duizend mark beloopt, neemt toe
+onder den Goddelijken zegen, maar de hoogheid van mijn hart is daarmede
+niet toegenomen; ook houd ik er niet van, „kapitein” genoemd te worden,
+ofschoon ik de aanstelling als zoodanig bezit, onderschreven door den
+goeden Evangeliegezinden edelman, den graaf van Glencairn, waarin ik
+zoo betiteld word. Zoo lang ik leef, ben ik, en wil ik genoemd worden
+Habakuk Gilfillan, die vast denkt te staan in de leer, vastgesteld door
+de van ouds beroemde Kerk van Schotland, voor dat zij handelde met den
+gevloekten Achaz – zoo lang hij een duit in zijn beurs, of een droppel
+bloeds in zijn lichaam heeft.”
+
+„Och,” zei de marskramer; „ik heb uw land gezien bij Mauchlin – een
+vruchtbare plek! uw angels zijn gevallen in liefelijke plaatsen! – en
+zulk vee vindt ge op geen ander land geheel Schotland door.”
+
+„Ge spreekt de waarheid, – ge spreekt de waarheid, vriend,” hernam
+Gilfillan verrukt; want bij was, op dit punt, niet ontoegankelijk voor
+vleierij. „Ge spreekt de waarheid; het zijn echte Lancastershire
+koeien, en haars gelijken zijn er niet, zelfs niet op de velden van
+Kilmaurs. En hierop trad hij in een beschouwing van haar
+voortreffelijkheden, die onze lezers waarschijnlijk even zoo
+onverschillig zullen zijn, als ze onzen held waren. Na dezen uitstap,
+keerde de aanvoerder van den troep weder tot zijn godgeleerde
+beschouwingen terug, terwijl de marskramer, niet zoo goed in deze
+diepzinnige zaken onderlegd, zich tevreden hield met zuchten en het
+betuigen zijner stichting, zoo vaak daartoe gelegenheid was.
+
+„Welk een zegen zou het zijn voor de arme, verblinde Paapsche volken,
+onder welke ik verkeerd heb, indien ze zulk een licht op hunne paden
+hadden! Ik ben zelfs in Moskovie geweest, om den wille van de kleine
+koopmanschap die ik gedreven heb; en ik heb Frankrijk en de Nederlanden
+en Polen en het grootste gedeelte van Duitschland doorgereisd, en, o!
+het zou den edelen heer in de ziele grieven, het geprevel te hooren en
+het gezang en het gelees van missen in de kerken, en het gespeel op de
+straten en het Heidensche gedans en gedobbel op den sabbath!”
+
+Deze uitroep schonk Gilfillan de gelegenheid om uit te weiden over het
+Boek der Vermaken en het Covenant, over de Engagisten, de Protestanten
+en den inval der Whiggamoren, over de vergadering der theologanten te
+Westminster, den grooten en den kleinen catechismus, den kerkban van
+Torwood, en eindelijk over den moord van den Aartsbisschop Sharp. Dit
+bracht hem weder op de wettigheid van wapens ter zelfverdediging, bij
+welk onderwerp hij veel meer verstand aan den dag legde, dan zich uit
+vele andere deelen van zijn rede verwachten liet, zoodat dit zelfs
+Waverley’s aandacht trok, die tot hiertoe in zijn eigene treurige
+overdenkingen verzonken was geweest. De heer Gilfillan overwoog
+vervolgens de wettigheid daarvan, dat een ambteloos persoon zou
+optreden als bestrijder der openbare verdrukking; en terwijl hij met
+grooten ernst de zaak bepleitte van Mac James Mitchell, die een
+pistoolschot had gelost op den Aartsbisschop van St. Andreas, eenige
+jaren voordat Magus Muir dezen prelaat vermoord had, viel er iets voor,
+waardoor zijn rede werd afgebroken.
+
+De laatste zonnestralen schitterden nog aan den gezichteinder, toen de
+afdeeling een hollen weg en een vrij steil pad insloeg, hetwelk naar
+den top van een heuvel leidde. Het land was open, want het maakte een
+gedeelte van een zeer uitgebreid heiveld of gemeente weide uit; maar
+het was ver van effen of vlak, terwijl het op een aantal plaatsen
+kuilen met brem en heesters gevuld, en weder op andere, kleine dalen
+vol kreupelhout opleverde. Een boschje van de laatste soort kroonde ook
+den heuvel, waartegen de afdeeling oprukte. De voorsten van de bende,
+die de knapste en vlugste waren, hadden reeds de hoogte bereikt en
+waren thans buiten het gezicht. Gilfillan, met den marskramer en de
+kleine partij, die Waverley’s meer onmiddellijke wacht uitmaakten,
+waren digt bij den top van den heuvel genaderd, en het overige gedeelte
+slenterde hun, op een aanmerkelijken afstand, na.
+
+Zoodanig was de staat van zaken, toen de marskramer, die zooals hij
+zeide, een klein hondje vermiste, bleef stilstaan en om het dier begon
+te fluiten. Dit meer dan eens herhaalde sein ergerde zijn gestrengen
+reisgezel, te meer omdat het onoplettendheid verried met betrekking tot
+de schatten van godgeleerde kennis, welke hij te zijner stichting
+uitpakte. Hij gaf dus tamelijk ruw te kennen, dat hij zijn tijd niet
+kon verspillen met wachten op een nutteloozen rekel.
+
+„Maar als de edele heer belieft te letten op het geval met Tobias?” –
+
+„Tobias!” riep Gilfillan, met vuur; „Tobias en zijn hond zijn beide
+heidens en apokrief, en niemand dan een prelatist of papist zou die
+aanhalen. Ik vrees dat ik mij in u bedrogen heb, vriend!”
+
+„Zeer waarschijnlijk,” antwoordde de marskramer, met groote
+bedaardheid; „maar evenwel zal ik de vrijheid nemen om nogmaals den
+armen hond te fluiten.”
+
+Dit laatste sein werd op een weinig verwachte wijze beantwoord, want
+een achttal stevige Hooglanders, die in de struiken en tusschen het
+kreupelbosch loerden, sprongen in den hollen weg en vielen hen met
+hunne zwaarden aan. Gilfillan, niet verdacht op deze onverwachte
+verschijning, riep dapper uit, „Het zwaard des Heeren en van Gideon!”
+en zou, terwijl hij zijn sabel trok, waarschijnlijk zoo veel eer gedaan
+hebben aan de oude goede zaak, als de beste onder de dappere
+kampvechters te Drumclog [119], toen de marskramer, die een geweer van
+den naast hem staanden man greep, de kolf er van met zoo veel geweld op
+het hoofd van zijn onderwijzer in de geloofsbelijdenis der Cameroniers
+liet neêrkomen, dat deze oogenblikkelijk ter aarde zeeg. In de hierop
+volgende verwarring werd het paard, dat onzen held droeg, neêrgeschoten
+door een van Gilfillans manschappen, die zijn geweer in het wild
+losbrandde. Waverley viel met en onder zijn paard, en ontving eenige
+zware kneuzingen. Maar hij werd bijna oogenblikkelijk van onder het
+gevallen ros door twee Hooglanders weggetrokken, die, terwijl zij hem
+elk bij een arm grepen, hem wegrukten van de kampplaats en van den
+grooten weg. Zij liepen met grooten spoed, terwijl ze onzen held half
+steunden, half droegen, die van tijd tot tijd nog eenige losse schoten,
+op de plaats, welke hij verlaten had, vernam. Deze kwamen, zoo als hij
+naderhand hoorde, van Gilfillans afdeeling, die zich nu verzameld had,
+daar de afgedwaalden naar voren en achteren zich bij de overigen
+gevoegd hadden. Op hunne nadering weken de Hooglanders; maar niet voor
+dat zij Gilfillan en twee van zijn volk, die zwaar gewond op de plaats
+achterbleven, hadden uitgeplunderd. Eenige weinige schoten werden
+tusschen hen en de Westlanders gewisseld; maar de laatsten, thans
+zonder aanvoerder, en beducht voor eene tweede hinderlaag, deden geene
+ernstige poging om hun gevangene terug te krijgen, daar ze het
+verstandiger oordeelden hun tocht naar Stirling voort te zetten,
+terwijl ze hun gewonden kapitein, en kameraden met zich voerden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+WAVERLEY VERKEERT STEEDS IN GEVAAR.
+
+
+De snelheid, of liever het geweld, waarmede Waverley voortgesleurd
+werd, beroofde hem bijna van zijn bewustzijn; want, door zijn val was
+hij zoo gekneusd geworden, dat hij zich niet zoo goed redden kon, als
+hij anders zou gedaan hebben. Toen zijne geleiders dit bespeurden,
+riepen zij nog twee of drie van het gezelschap te hulp, wikkelden onzen
+held in een hunner plaids, verdeelden dus zijn gewicht onder elkander,
+en voerden hem met dezelfde snelheid voort, zonder dat het hem zelven
+eenige inspanning behoefde te kosten. Ze spraken weinig en dit nog in
+het Gaelsch, en verminderden hun pas niet, voor dat ze bijna drie
+kwartier ver geloopen hadden, toen ze hun schreden vertraagden, maar
+nog altijd zeer stevig doorstapten, en elkander nu en dan aflosten.
+
+Onze held beproefde thans met hen te spreken, maar verkreeg geen verder
+antwoord, dan „Cha n’eil Beurl’ agam,” dat wil zeggen: „wij verstaan
+geen Engelsch,” hetgeen, zoo als Waverley maar al te goed wist, het
+vaste bescheid van een Hooglander is, wanneer hij óf een Engelschman of
+Laaglander niet verstaat, óf niet verkiest te antwoorden. Hij noemde
+toen den naam van Vich Ian Vohr, daar hij overtuigd was, dat hij aan
+diens vriendschap zijn verlossing uit de klauwen van dezen Gilfillan
+verplicht was; maar ook dit bracht geen teeken van herkenning bij zijn
+geleide te weeg.
+
+De schemering had plaats gemaakt voor den maneschijn, toen de troep
+halt maakte op den steilen rand van een diep dal, dat, daar het
+gedeeltelijk door de maan werd verlicht, vol boomen en dicht
+kreupelhout scheen. Twee der Hooglanders gingen, langs een klein
+voetpad, gebukt verder, alsof zij alle schuilhoeken wilden onderzoeken.
+Een hunner, die binnen weinige minuten terugkeerde, zeide iets aan zijn
+medgezellen, die terstond hun last opnamen, en hem met groote zachtheid
+en zorg het nauwe pad, dat naar het dal voerde, afdroegen. Evenwel
+kwam, in weerwil van hunne voorzorgen, Waverley’s lichaam meer dan eens
+vrij ruw in aanraking met de vooruitstekende stompen en takken, die
+over het pad hingen.
+
+Toen ze onder aan de helling, en, naar het scheen, aan de oevers van
+eene beek kwamen, (want Waverley hoorde het ruischen van eene
+aanmerkelijke hoeveelheid water, ofschoon de stroom, in de duisternis,
+onzichtbaar was,) hielden zijn geleiders weder stil voor eene kleine,
+ruw betimmerde hut. De deur was open, en het inwendige scheen even
+slecht ingericht en van alle gemakken ontdaan als het uitwendige
+voorspelde. Er was hoegenaamd geen schijn van bevloering; het dak was
+op verscheidene plaatsen open; de muren bestonden uit losse steenen en
+zoden, en het dak uit boomtakken. Het vuur lag in het midden en vulde
+de geheele stulp met rook, die zich zoo wel door de deur, als door eene
+ronde opening in het dak een uitweg baande. Eene oude Hooglandsche
+sybille, de eenige bewoonster van dit verlaten gebouw, scheen met de
+toebereiding van eenig voedsel bezig te zijn. Bij het schijnsel van het
+vuur, kon Waverley zien, dat zijn gezelschap niet van den clan van Ivor
+was, want Fergus was zeer streng in zijn eisch, dat zijn aanhangers den
+tartan, met de strepen van hun eigen clan zouden dragen; een
+onderscheidingsteeken oudtijds onder de Hooglanders algemeen, en nog
+door die Opperhoofden behouden, welke trotsch waren op hun afkomst of
+naijverig op hun onafhankelijk en onverdeeld gezag.
+
+Eduard had lang genoeg te Glennaquoich vertoefd om dat
+onderscheidingsteeken op te merken, waarvan hij herhaalde malen had
+hooren spreken. Overtuigd dat hij geen invloed kon uitoefenen op
+degenen, die hem met zich gevoerd hadden, wierp hij een hopeloozen blik
+door het binnenste der hut. Het eenige huisraad, buiten een waschtobbe
+en een houten kast, in Schotland een „ambry’’ genoemd, en in vrij
+slechten toestand, bestond in een ruime houten bedstede, volgens het
+gebruik aan alle kanten met planken betimmerd en van een schuifdeur tot
+ingang voorzien. In deze schuilplaats legden de Hooglanders Waverley
+neder, nadat hij, door gebaren, iedere verversching had afgewezen. Hij
+sluimerde onrustig en zonder eenige verkwikking te ondervinden; vreemde
+gezichten gingen hem voor de oogen, en standvastige en herhaalde
+inspanning was noodig om ze te verdrijven. Huivering, geweldige
+hoofdpijn en pijn door alle leden volgden deze verschijnselen op; en
+des morgens bleek het ten volle aan zijn Hooglandsche oppassers of
+wachters (want hij wist niet goed, in welk licht hen te beschouwen) dat
+Waverley volstrekt buiten staat was om verder te reizen.
+
+Na lang overleg met elkander, verlieten zes van het gezelschap de hut
+met hunne wapens, terwijl ze een grijsaard en een jong mensch
+achterlieten. De eerste sprak Waverley aan en papte de kneuzingen,
+welke door het zwellen en de bonte en blauwe kleuren nu zichtbaar
+werden. Zijn mantelzak, dien de Hooglanders niet verzuimd hadden mede
+te voeren, voorzag hem van linnen, en werd, tot zijn groote
+verwondering, met den geheelen inhoud, onbepaald tot zijn beschikking
+gesteld. Het beddegoed scheen zindelijk en gemakkelijk, en de bejaarde
+oppasser sloot de deur van de bedstede, want er waren geen gordijnen
+voor, na eenige weinige woorden in het Gaelsch geuit te hebben, waaruit
+Waverley opmaakte, dat hij hem vermaande rust te nemen. Ziedaar dus
+onzen held voor de tweede maal onder de handen van een Hooglandschen
+Eskulaap, maar in een vrij wat onaangenamer toestand, dan toen hij de
+gast was van den waardigen Tomanrait.
+
+De koorts, die het gevolg was van de ondergane kneuzingen, verminderde
+eerst den derden dag, toen ze voor de zorg zijner oppassers en de
+sterkte van zijn gestel week, en nu kon hij, ofschoon niet zonder pijn,
+zich in het bed oprichten. Hij bespeurde evenwel, dat er geen groote
+last bestond bij de oude vrouw, die hem tot ziekeoppasster diende, of
+bij den bejaarden Hooglander, om hem te vergunnen de deur van de
+bedstede open te doen, om hem afleiding te verschaffen met het
+gadeslaan hunner bewegingen; en ten laatste, nadat Waverley het luik
+van zijn kooi herhaalde malen geopend, en zij het even dikwijls weder
+gesloten hadden, maakte de oude Hooglander een einde aan den twist,
+door het van den buitenkant, met een spijker, zoo vast te maken, dat er
+geen verwrikken aan was, eer dit uitwendig beletsel weggenomen werd.
+
+Waverley zocht bij zich zelven de oorzaak van dezen geest van verzet na
+te gaan bij lieden, wier gedrag aan geen roofzucht deed denken, en die
+in alle andere opzichten alleen met zijn welzijn en zijn wenschen
+schenen te rade te gaan. Ook herinnerde onze held zich, dat het hem,
+gedurende de ergste crisis van zijn ziekte, toescheen, dat hij een
+vrouwelijke gedaante, jonger dan de oude Hooglandsche oppasster,
+tusschenbeide bij zijn legerstede had ontwaard. Hij had hiervan wel is
+waar slechts een zeer flauwe herinnering, maar zijn vermoedens werden
+bevestigd, toen hij, oplettend luisterende, in den loop van den dag,
+dikwijls de stem van een tweede vrouwelijk wezen hoorde, dat met zijn
+oppasster sprak. Wie kon dat zijn? En waarom verlangde ze verborgen te
+blijven? Zijn verbeelding ontvlamde terstond, en bracht hem Flora
+Mac-Ivor voor den geest. Maar na een korten strijd tusschen het vurige
+verlangen om te mogen gelooven, dat zij in zijne nabijheid was, en,
+gelijk een engel der barmhartigheid, zijn ziekbed bewaakte, werd
+Waverley gedrongen te erkennen, dat zijn gissing geheel
+onwaarschijnlijk was. Immers liet het zich bezwaarlijk veronderstellen,
+dat ze haar betrekkelijk veilig verblijf op Glennaquoich had verlaten,
+om naar het Laagland, thans de zetel van burgeroorlog, af te komen, om
+zulk een schuilhoek te bewonen, als deze. Evenwel klopte zijn hart, als
+hij een enkelen keer het trippelen van een lichten, vrouwelijken voet,
+naar of van de deur der hut, kon hooren, of de gedempte toonen van een
+zachte en fijne vrouwestem mocht opvangen, tegenover het schorre,
+binnensmondsche gekwaak van de oude Janet, gelijk, zoo als hij vernam,
+de oude vrouw heette.
+
+Daar hij niets anders had, om zich in zijn eenzaamheid mede te
+vermaken, hield hij zich bezig met een plan om zijn nieuwsgierigheid te
+voldoen, in spijt van de scherpe oplettendheid van Janet en den ouden
+Hooglander; want den jongen knaap had hij sedert den eersten morgen
+niet weder gezien. Eindelijk, na een nauwkeurig onderzoek, scheen de
+zwakke toestand van zijn houten gevangenis de middelen aan de hand te
+geven om zijn nieuwsgierigheid te voldoen; want het gelukte hem uit een
+eenigzins vermolmde plank, een spijker te trekken. Door deze kleine
+opening kon hij een vrouwelijke gedaante bemerken, die, in haar plaid
+gewikkeld, met Janet in gesprek was. Maar, reeds sedert de dagen van
+onze grootmoeder Eva, heeft het toegeven aan al te groote
+nieuwsgierigheid doorgaans zijn straf gevonden in de teleurstelling,
+die ze ontmoet. De gestalte was niet die van Flora en het gelaat kon
+hij niet te zien krijgen; en, om de teleurstelling ten top te voeren,
+terwijl hij met den spijker de opening zocht te vergrooten, ten einde
+zijn doel beter te bereiken, verried een klein geraas zijn voornemen,
+en het voorwerp zijner nieuwsgierigheid verdween oogenblikkelijk, en
+bezocht ook, voor zoover hij bemerken kon, de hut niet meer.
+
+Alle voorzorg om zijn uitzicht te belemmeren werd sedert dien tijd
+opgegeven; en hij verkreeg niet alleen verlof, maar ook hulp om op te
+staan en te verlaten, wat, in letterlijken zin, zijn gevangenis-leger
+geweest was. Maar hij mocht geen voet buiten de hut te zetten; want de
+jonge Hooglander had zich nu weder bij zijn ouderen makker gevoegd, en
+een van beiden stond gedurig op de wacht. Zoo dikwerf Waverley de deur
+naderde, plaatste de schildwacht zich, beleefd, maar vastberaden er
+voor, en verzette zich tegen Eduards pogingen, terwijl hij de daad
+gepaard deed gaan met teekens, die schenen aan te duiden, dat zijn
+streven gevaarlijk, en er een vijand in de nabijheid was. De oude Janet
+scheen beangst en op hare hoede; en Waverley, die nog geen krachten
+genoeg had, om, in weerwil van den tegenstand zijner huisgenooten, een
+poging te wagen om te ontsnappen, was genoodzaakt geduld te oefenen.
+Zijn onthaal was, in ieder opzicht, beter dan hij zich had kunnen
+voorstellen; want gevogelte en zelfs wijn waren van zijn tafel niet
+uitgesloten. De Hooglanders matigden zich nooit aan om met hem te eten,
+en behandelden hem, behalve dat ze hem bewaakten, met grooten eerbied.
+Zijn eenig vermaak was uit het raam te kijken – of liever uit de ruwe
+opening, welke tot raam moest dienen – op een breeden en woesten
+stroom, die door een steenachtige bedding, omtrent tien voet beneden de
+gevangenis, ruischte en schuimde, en alom dicht door boomen en struiken
+overschaduwd en bedekt was.
+
+Op den zesden dag na zijn inkerkering, bevond Waverley zich zoo wel,
+dat hij aan zijne ontsnapping uit deze sombere en ellendige gevangenis
+begon te denken, daar hij aan elk gevaar, hetwelk hij bij de poging
+mocht loopen, de voorkeur gaf boven de verdovende en ondragelijke
+eentoonigheid, waaraan hij in Janets woning ten prooi was. De vraag
+ontstond inderdaad bij hem, werwaarts hij gaan zou, als hij weder zijn
+eigen meester was. Twee plannen schenen uitvoerbaar, hoewel beide met
+gevaar en moeite gepaard gingen. Het eene was naar Glennaquoich terug
+te gaan en zich bij Fergus Mac-Ivor te voegen, die, dat wist hij zeker,
+hem vriendelijk ontvangen zou; en in zijn tegenwoordige stemming
+ontsloeg hem de gestrengheid, waarmede hij behandeld werd, in zijne
+eigene oogen, ten volle van zijne verplichting jegens het bestaande
+bewind. Het andere ontwerp was te pogen eene Schotsche zeehaven te
+bereiken, en zich van daar naar Engeland in te schepen. Besluiteloos
+dobberde zijn geest tusschen deze twee plannen, en indien hij ontsnapt
+ware zoo als hij zich had voorgenomen, is het waarschijnlijk dat hij
+zich eindelijk zou hebben laten leiden door de meerdere
+gemakkelijkheid, waarop hij een van beide voornemens had kunnen
+volvoeren. Maar zijn noodlot had bepaald, dat hem geen keus zou worden
+gelaten.
+
+Op den avond van den zevenden dag ging de deur van de hut eensklaps
+open, en twee Hooglanders traden binnen, die door Waverley herkend
+werden als een deel te hebben uitgemaakt van het geleide, dat hem naar
+de stulp had overgebracht. Zij spraken gedurende korten tijd met den
+ouden man en diens medgezel, en gaven Waverley daarop, met zeer
+duidelijke teekens, te verstaan, dat hij zich moest gereed maken hen te
+vergezellen. Dit was eene blijde tijding. Hetgeen reeds voorgevallen
+was gedurende zijn opsluiting, deed duidelijk zien dat men niets kwaads
+met hem in den zin had, en zijn verbeeldingskracht, die gedurende zijn
+rust veel van de veerkracht herwonnen had, aanvankelijk door angst,
+teleurstelling en eene mengeling van onaangename gewaarwordingen
+onderdrukt, werd later door gebrek aan opwekking tot last. Zijn liefde
+voor het wonderbare – ofschoon het in den aard van zoodanige naturen
+licht, om geprikkeld te worden door de maat van het gevaar, waaraan men
+zich ziet blootgesteld – was bezweken onder de buitengewone en
+oogenschijnlijk onoverkomelijke rampen, waardoor hij te Cairnvreckan
+omringd scheen. In waarheid, uit deze mengeling van gespannen
+nieuwsgierigheid en opgewonden verbeelding ontstaat eene bijzondere
+soort van moed, welke eenigermate gelijkt op het licht, gewoonlijk door
+een mijnwerker gedragen, en dat toereikend is om hem te midden der
+gewone gevaren van zijn arbeid te geleiden en troost te schenken, maar
+dat zeker uitdooft, indien hem het dreigende gevaar van aarddampen en
+verpeste luchten overkomt. Het was trouwens nu weêr ontstoken, en met
+een gemengde aandoening van hoop, vrees en verlangen zag Waverley op de
+groep voor hem, terwijl zij, die zoo even waren aangekomen, in der
+haast een maaltijd gebruikten, en de anderen hunne wapens opnamen, en
+eenige toebereidselen maakten voor hun vertrek.
+
+Terwijl hij in de berookte hut zat, op eenigen afstand van het vuur,
+waar de overigen omheen zaten, gevoelde hij een zachten druk op zijn
+arm. Hij zag om – het was Alice, de dochter van Donald Bean Lean. Zij
+toonde hem een pak papieren op eene wijze, dat de beweging door niemand
+anders werd opgemerkt, bracht haar vinger, tot een tweede teeken, aan
+de lippen, en ging als ’t ware voort, de oude Janet behulpzaam te zijn
+met Waverleys kleêren in zijn mantelzak in te pakken. Het was blijkbaar
+haar wensch, dat hij geen teeken zou geven dat hij haar herkende;
+nogtans zag zij bij herhaling naar hem om, als er zich een gelegenheid
+opdeed om dit ongemerkt te doen, en toen zij ontwaarde dat hij zag wat
+ze deed, vouwde ze het pakje met groote behendigheid en spoed in een
+zijner hemden, die ze in den mantelzak stopte.
+
+Hier was dus nieuw voedsel voor gissingen. Was Alice zijn onbekende
+bewaakster? Was dit meisje uit het hol de beschermgeest, welke
+gedurende zijne ziekte bij zijn bed had gewaakt? Was hij in handen van
+haar vader? en zoo ja, wat was zijn voornemen? Roof, het gewone doel
+van dezen ellendeling, scheen ditmaal uit het oog verloren te zijn;
+want niet alleen was Waverleys eigendom hem terug gegeven, maar zelfs
+zijn beurs, waardoor deze plunderaars van beroep in verzoeking konden
+gebracht zijn, had men al dien tijd geduldig in zijn bezit gelaten. Het
+pakje zou dit alles misschien verklaren, maar het bleek duidelijk uit
+Alices wijze van handelen, dat zij verlangde dat hij het in het geheim
+zou raadplegen. Ook zocht zij zijn oog niet meer, nadat ze overtuigd
+was geworden, dat haar wenk opgemerkt en verstaan was. Integendeel
+verliet ze kort daarna de hut, en slechts toen ze de deur uitging,
+schonk zij, begunstigd door de duisternis, Waverley een afscheidslachje
+en een beteekenisvollen knik, eer ze in het donkere dal verdween.
+
+De jonge Hooglander werd herhaalde malen door zijn kameraden
+uitgezonden, als ’t ware op kondschap. Ten laatste, toen hij voor de
+derde of vierde maal terugkwam, stond de geheele troep op, en gaven ze
+onzen held door teekens te verstaan dat hij volgen moest. Vóór zijn
+vertrek echter reikte hij de hand aan de oude Janet, die hem zoo
+ijverig en oplettend gedurende zijn ziekte had opgepast, terwijl hij er
+tastbare blijken zijner dankbaarheid bijvoegde. „God zegene u! God
+zende u voorspoed, kapitein Waverley!” zeide Janet in goed Laaglandsch
+Schotsch, ofschoon hij haar tot hiertoe nooit een woord dan in het
+Gaelsch had hooren uiten. Maar het ongeduld zijner metgezellen
+veroorloofde hem niet eenige opheldering te vragen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN NACHTELIJK AVONTUUR.
+
+
+Toen de geheele troep de hut verlaten had, werd er een oogenblik halt
+gehouden, en hij, die het bevel op zich nam, en in wien Waverley
+denzelfden ranken Hooglander meende te herkennen, die bij Donald Bean
+Leans voor onderbevelhebber had gespeeld, beval, fluisterend en door
+teekens, dat men de diepste stilte in acht moest nemen. Hij gaf Eduard
+een sabel en een ruiterspistool in de hand, en op den omtrek wijzende,
+bracht hij de hand aan het gevest van zijn eigen zwaard, alsof hij hem
+wilde doen verstaan, dat ze wellicht tot geweld hunne toevlucht zouden
+moeten nemen om zich een weg te banen. Vervolgens plaatste hij zich aan
+het hoofd van den troep, die de een achter den ander geschaard het pad
+opsteeg, terwijl Waverley terstond achter den leidsman volgde.
+
+Deze ging slechts met groote voorzichtigheid voort, alsof hij het
+minste gerucht wilde vermijden, en hield stil, zoodra ze den top van
+den berg bereikt hadden. Waverley bespeurde al spoedig de reden van al
+deze voorzorgen; want hij hoorde, op kleinen afstand, een Engelsche
+schildwacht zijn „All’s well!” roepen. De zware klank daalde, op den
+nachtwind, in het boschrijke dal neder, en werd door de echo’s van de
+omringende hoogten nagebauwd. Twee, drie en viermaal werd het geroep al
+zwakker en zwakker herhaald, alsof het op grooter en grooter afstand
+van post tot post ging. Het was blijkbaar, dat eene afdeeling soldaten
+in de nabijheid en op hare hoede was, ofschoon lang niet genoegzaam, om
+mannen te ontdekken, in allerlei soort van strooptochten zoo bedreven
+als die, met welke Waverley thans hunne vruchtelooze voorzorgen
+bespiedde.
+
+Toen deze stemmen door de stilte van den nacht vervangen waren, begaven
+de Hooglanders zich snel, maar met de uiterste behoedzaamheid, op
+marsch. Waverley had weinig tijd, en inderdaad ook weinig lust, om
+waarnemingen te doen; hij kon alleen onderscheiden, dat ze op eenigen
+afstand langs een groot gebouw heentrokken, door welks ramen nog een
+paar lichten schenen te flikkeren. Een weinig verder, snoof de
+geleidende Hooglander in den wind, als een jachthond die voor het wild
+staat, en gaf toen een teeken aan zijn troep, om wederom halt te
+houden. Hij bukte zich op handen en voeten, in zijn plaid gewikkeld,
+zoodat hij nauwelijks te onderscheiden was van den begroeiden bodem,
+waarop hij zich bewoog, en naderde in deze houding, om verkenning te
+doen. Weldra kwam hij terug, en zond zijne kameraden, op één na weg;
+en, terwijl hij Waverley beduidde dat deze zijne voorzichtige wijze van
+voortgaan moest navolgen, kropen alle drie op handen en voeten voort.
+
+Na op deze ongemakkelijke manier een langer weg te hebben afgelegd, dan
+zijnen knieën en beenen aangenaam was, bespeurde Waverley de rooklucht,
+die waarschijnlijk al veel vroeger door de scherpere reukorganen van
+zijn leidsman was opgemerkt. De rook zelf kwam uit den hoek van een
+lage en vervallen schaapskooi, welker muren van ongemetselde steenen
+waren opgetrokken, zoo als in Schotland gebruikelijk is. Dicht langs
+dezen lagen muur werd Waverley, waarschijnlijk niet zonder oogmerk door
+een Hooglander geleid, en, om hem al den omvang van het gevaar te doen
+kennen, of misschien om de volle overtuiging van zijn eigene
+behendigheid te hebben, noodigde hij hem door teekens en voorbeeld uit,
+het hoofd op te heffen, om over den muur in de schaapskooi te zien.
+Waverley deed dit, en zag een voorpost van vier of vijf soldaten, die
+bij hun wachtvuur gelegerd waren. Ze sliepen allen, uitgenomen de
+schildwacht, die heen en weder wandelde met het geweer op schouder,
+hetwelk door een rooden gloed van het vuur verlicht werd, zoo dikwijls
+hij, op zijn korten heen- en terugmarsch, er langs kwam; terwijl hij
+zijn oogen bij herhaling vestigde op dat gedeelte van den hemel, waar
+de maan, tot hiertoe door mist verduisterd, nu op het punt scheen te
+voorschijn te treden.
+
+Na verloop van een paar minuten, verhief zich, door een dier
+plotselinge veranderingen in de lucht, aan bergachtige landen zoo
+eigen, een koeltje, en vaagde de wolken weg, welke den gezichteinder
+hadden beneveld, en de koningin des nachts stortte haar vollen luister
+op eene uitgestrekte en dorre heide uit, wel is waar, met kreupelhout
+en kwijnend geboomte bezet aan den kant, dien ze langs waren gekomen,
+maar open en bloot voor de waarneming van de schildwacht naar die
+zijde, werwaarts het doel van hun tocht was. De muur van de schaapskooi
+hield hen, op dit oogenblik, nu ze lagen, verborgen; maar het scheen
+bijna onmogelijk, een voetstap verder te gaan, zonder terstond ontdekt
+te worden.
+
+De Hooglander hield zijn oogen naar het blauwe gewelf geslagen, maar
+wel verre van met Homerus’, of liever Popes, door den nacht overvallen
+landman, het nuttig licht te zegenen, mompelde hij een Gaelschen vloek
+op den ontijdigen glans van Mac-Farlanes buat (d.i. lantaarn) [120].
+Hij zag eenige minuten angstig rond, en nam toen oogenblikkelijk zijn
+besluit. Terwijl hij zijn makker bij Waverley liet, gaf hij dezen te
+verstaan zich rustig te houden, en na den ander zijn bevelen in een
+kort gefluister te hebben medegedeeld, keerde hij, begunstigd door de
+ongelijkheid van den grond, terug, in dezelfde richting en op dezelfde
+wijze, als ze gekomen waren. Eduard, die het hoofd omwendde om hem met
+de oogen te volgen, kon hem, met de snelheid van een Indiaan, op handen
+en voeten zien loopen, terwijl hij zich van elk struikje en iedere
+oneffenheid bediende, om zich voor ontdekking te vrijwaren, en niet de
+meer open liggende gedeelten van zijn weg betrad, tenzij de schildwacht
+zijn rug naar hem gekeerd had. Eindelijk bereikte hij het kreupelhout
+en het lage geboomte, dat het heiveld, nu meer moerassig geworden, naar
+dien kant bedekte, en dat zich waarschijnlijk tot op de hoogte
+uitstrekte van het zoo lang door Waverley bewoonde dal. De Hooglander
+verdween, maar het was slechts voor weinige minuten; want hij kwam op
+eens uit een ander gedeelte van het kreupelbosch te voorschijn, en
+terwijl hij stoutmoedig op de open heide voortging, als ware het om
+ontdekking uit te lokken, hief hij zijn geweer op en vuurde op de
+schildwacht. Een wonde in den arm verstoorde op onaangename wijze de
+waarnemingen van den armen knaap, evenals zij aan het deuntje, dat hij
+floot, een einde maakte. Hij beantwoordde het schot, maar zonder
+gevolg. Zijn kameraden werden door het alarm gewekt, en snelden met
+rassche schreden naar de plek, vanwaar het eerste schot gekomen was. Na
+hun den tijd gegeven te hebben om hem te zien, verdween de Hooglander
+in de struiken, want zijn krijgslist was ten volle gelukt.
+
+Terwijl de soldaten van hun kant de oorzaak van hetgeen hen verontrust
+had in gene richting vervolgden, haastte Waverley zich den wenk van
+zijn achtergebleven metgezel te volgen en zich naar dien kant te
+begeven, welken zijn leidsman eerst voornemens was te kiezen, en die nu
+(daar de aandacht der soldaten elders gevestigd was) zonder opzicht en
+zonder bewaking bleef. Nadat ze een goede vijf minuten gaans geloopen
+waren, onttrok de rand van een hoogte, die zij beklommen hadden, hen
+aan alle verdere bespieding. Zij hoorden echter nog, op een afstand,
+het geroep der soldaten, die met elkander op de heide het wachtwoord
+wisselden, en eveneens konden zij in dezelfde richting, meer in de
+verte het geroffel van een trommel hooren, die de soldaten tot de
+wapens riep. Maar deze vijandige geluiden waren thans wijd achter hen
+en stierven weg, naarmate zij hun tocht sneller voortzetten.
+
+Toen ze nog omstreeks een half uur langs opene en woeste gronden van
+dezelfde soort waren voortgetrokken, kwamen ze aan den stomp van een
+ouden eik, die, naar de overblijfselen te oordeelen, eens een boom van
+zeer grooten omvang geweest was. In een daarbijgelegen hol troffen ze
+onderscheidene Hooglanders, met een paar paarden aan. Ze hadden zich
+bij deze nog slechts weinige minuten gevoegd, die Waverley’s reisgezel,
+naar alle waarschijnlijkheid, besteedde, om hun de oorzaak van hunne
+vertraging mede te deelen, (want het woord Duncan Duroch werd
+verscheidene malen herhaald) toen Duncan zelf verscheen geheel en al
+buiten adem, blijkbaar zoo vermoeid als iemand, die aan zijn vlugge
+loop en het behoud van zijn leven te danken heeft, maar hartelijk
+lachende en opgetogen over het gelukken der krijgslist, waardoor hij
+zijn vervolgers had bedrogen. Waverley zag inderdaad gemakkelijk in,
+dat dit niet zeer moeielijk was voor een behendigen bergbewoner, die
+volkomen bekend was met den grond, en zijn loop met een vastheid en
+vertrouwen vervolgde, welke onmogelijk voor zijn vijanden waren. Het
+door Duncan verwekte alarm scheen nog voort te duren; want er werden op
+grooter afstand een paar geweerschoten gehoord, die, naar het scheen,
+alleen strekten, om Duncans vreugde en die zijner kameraden te
+verhoogen.
+
+De Hooglander nam nu de wapens terug, die hij onzen held had
+toevertrouwd, terwijl hij hem te verstaan gaf dat men de gevaren der
+reis gelukkig te boven was. Waverley beklom daarop een der paarden, een
+verandering, die de uitgestane vermoeienis en zijn jongste
+ongesteldheid allezins wenschelijk maakten. Zijn mantelzak werd op een
+anderen hit geplaatst. Duncan kreeg het derde paard, en, door hun
+escorte vergezeld, begaven zij zich met een stevigen pas op weg. Zonder
+verder avontuur op dezen nachtelijken tocht, bereikten zij bij het
+aanbreken van den dag de oevers eener snelvlietende rivier. Het land
+rondom was vruchtbaar en tevens schilderachtig. Steile, met bosch
+bezette oevers, werden afgewisseld door koornvelden, die dit jaar een
+overvloedigen oogst beloofden, welke reeds grootendeels gemaaid lag.
+
+Aan den anderen oever der rivier, en gedeeltelijk omringd door een
+bocht van haren loop, stond een groot en zwaar kasteel, welks half
+ingevallen torens reeds door de eerste stralen der zon verlicht werden
+[121]. Het was, wat den vorm aangaat, een langwerpig vierkant, van
+genoegzamen omvang, om in het middelste gedeelte een uitgestrekt plein
+te bevatten. De torens aan de vier hoeken staken boven de muren van het
+gebouw uit, en droegen wederom torentjes van verschillende hoogte en
+onregelmatigen vorm. Op een van deze stond een schildwacht, wiens muts
+en op den wind golvende plaid hem voor een Hooglander deden kennen;
+gelijk een groot wit vaandel, dat van een anderen toren woei,
+verkondigde, dat het garnizoen tot de in opstand zijnde aanhangers van
+het huis van Stuart behoorde.
+
+Na in haast een klein en onbeduidend stadje doorgemarcheerd te zijn,
+waar hunne verschijning verbazing, noch nieuwsgierigheid bij de weinige
+boeren opwekte, die door de werkzaamheden van den oogst van hun bed
+werden opgejaagd, trok de bende een oude en smalle brug met
+verscheidene bogen over; en terwijl ze daarop een weg links insloegen,
+en een laan van hooge, oude moerbezieboomen volgden, bevond Waverley
+zich vlak voor het sombere maar toch schilderachtige gebouw, dat hij op
+een afstand had bewonderd. Een geweldig groote met ijzer beslagen
+poort, die de buitenste verdediging van den ingang uitmaakte, was reeds
+voor hen geopend; en nadat een tweede van zwaar eikenhout, en dik met
+ijzeren spijkers bezet, ontsloten was, kwamen ze op de binnenplaats.
+Een heer in Hooglandsche kleeding, met een witte kokarde op de muts,
+hielp Waverley van zijn paard stijgen, en heette hem, met veel
+beleefdheid, welkom op het kasteel.
+
+Nadat de Gouverneur – want dezen titel moeten wij hem geven – Waverley
+in een half vervallen vertrek had gebracht, waar, echter, een klein
+veldbed stond, en hem iedere verversching had aangeboden, die hij maar
+verlangen mocht, stond hij op het punt om hem te verlaten.
+
+„Wilt gij niet nog de goedheid hebben,” zeide Waverley, na hem bedankt
+te hebben, „om mij te zeggen waar ik ben, en of ik mij al dan niet als
+een gevangene te beschouwen heb?”
+
+„Het staat mij niet vrij zoo uitvoerig als ik wel wenschte op deze
+vraag te antwoorden. Evenwel mag ik u kort weg zeggen, dat ge op het
+kasteel van Doune zijt, in het district van Menteith, en niet het
+minste gevaar te duchten hebt.”
+
+„En welken waarborg heb ik daarvoor?”
+
+„Het woord van eer van Donald Stuart, Gouverneur van het garnizoen, en
+Luitenant-Kolonel in dienst van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Karel
+Eduard.” Dit zeggende, verliet hij haastig het vertrek, om alle verder
+gesprek te vermijden.
+
+Onze held, uitgeput door de vermoeienissen van den nacht, wierp zich
+thans op het bed, en verzonk binnen weinige minuten in een vasten
+slaap.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE REIS WORDT VOORTGEZET.
+
+
+Toen Waverley ontwaakte, was de dag reeds ver gevorderd, en begon hij
+te gevoelen dat hij verscheidene uren zonder voedsel had doorgebracht.
+Dit werd hem spoedig in den vorm van een overvloedig ontbijt verschaft;
+maar kolonel Stuart, alsof hij de vragen van zijn gast wilde vermijden,
+liet zich niet meer zien. Hij ontving echter diens groete, door middel
+van een bediende, die belast was met aan kapitein Waverley alles aan te
+bieden wat hij op zijn reis mocht noodig hebben, welke nog dien avond
+zou worden voortgezet, gelijk de Gouverneur hem liet berichten. Welke
+verdere navragen Waverley ook beproefde, de bediende stelde een
+ondoordringbaren muur van werkelijke of geveinsde onwetendheid en
+domheid daartegen over. Hij nam de tafel af, en Waverley was weder aan
+zijn eigen overdenkingen prijs gegeven.
+
+Terwijl hij de nukken van zijn lot naging, dat er vermaak in scheen te
+scheppen om hem ter beschikking van anderen te stellen, zonder het
+vermogen om zijn eigene handelingen te regelen, viel Eduards oog
+eensklaps op zijn mantelzak, die gedurende zijn slaap in zijn vertrek
+was neergelegd. Hij herinnerde zich terstond Alice’s geheimzinnige
+verschijning in de hut in het dal, en hij stond op het punt om het
+pakje, dat zij tusschen zijn kleederen gestopt had, daaruit te nemen en
+te onderzoeken, toen de knecht van kolonel Stuart weder binnentrad, en
+den mantelzak op zijn schouders nam.
+
+„Mag ik er geen schoon linnen uit nemen, vriend?”
+
+„De edele heer zal een der fijnste overhemden van den Kolonel zelven
+hebben, maar dit moet in den pakwagen.”
+
+En dit zeggende, nam hij koelbloedig den mantelzak weg, zonder verdere
+tegenspraak af te wachten; terwijl hij onzen held in een toestand
+achterliet, waarbij spijt en verontwaardiging om den voorrang streden.
+Na verloop van eenige minuten hoorde hij een kar de slecht bestrate
+plaats afrijden, en hij twijfelde niet of hij was thans, ten minste
+voor een tijd, en misschien voor altijd, van het bezit geroofd van de
+eenige stukken, die licht schenen te beloven omtrent de raadselachtige
+gebeurtenissen, welke sedert kort zoo veel invloed op zijn lot gehad
+hadden, Met zulke sombere gedachten vervuld moest hij vier of vijf
+eenzame uren slijten.
+
+Toen deze tijd verstreken was, liet zich paardengetrappel op de plaats
+hooren, en kort daarna verscheen kolonel Stuart, om zijn gast te
+verzoeken, vóor zijn vertrek, nog eenige verversching te gebruiken. Dit
+werd aangenomen; en hoewel het ontbijt een weinig laat had plaats
+gegrepen, had het onzen held geenszins buiten staat gesteld om eer aan
+het middagmaal te doen, dat hem thans werd voorgezet. Het gesprek van
+zijn gastheer was dat van een eenvoudig land-edelman, gemengd met
+eenige krijgshaftige denkbeelden en uitdrukkingen. Hij vermeed met
+omzichtigheid alle toespeling op de krijgsondernemingen of de
+staatkunde van den dag, en antwoordde op Waverleys rechtstreeksche
+vragen aangaande sommige dezer punten even rechtstreeks, dat het hem
+niet geoorloofd was over dergelijke onderwerpen te spreken.
+
+Toen de maaltijd afgeloopen was, stond de gouverneur op, en Eduard een
+goede reis wenschende, zeide hij hem, dat, daar zijn knecht hem berigt
+had, dat zijne bagaadje vooruit was gezonden, hij de vrijheid had
+genomen, om hem van zoo veel schoon linnen te voorzien, als hij noodig
+zou kunnen hebben, tot hij weder in bezit van het zijne wezen zou; met
+deze beleefdheid nam hij afscheid. Een bediende kondigde Waverley een
+oogenblik later aan, dat zijn paard gereed stond.
+
+Op dezen wenk begaf hij zich naar het plein, en vond een ruiter, die
+een gezadeld paard vasthield; Waverley besteeg het, en reed de poort
+van het kasteel Doune uit, in gezelschap van omstreeks een twintig
+gewapende mannen te paard, die niet zoo zeer het voorkomen van
+geregelde krijgslieden hadden, als wel van bijzondere personen, die op
+eens de wapens hadden opgevat, uit hoofde van eenige dringende
+noodzakelijkheid of onverwachte gebeurtenis. Hunne uniform, eene stijve
+nabootsing van de Fransche chasseurs, was in een aantal opzichten
+onvolkomen, en zat hun, die ze droegen, tamelijk slecht. Waverley’s
+oog, dat gewoon was een goed gericht en wel bestuurd regiment te zien,
+ontdekte dadelijk, dat de bewegingen en manieren van zijn escorte niet
+die van geoefende soldaten waren, en dat zij, ofschoon genoegzaam
+geoefend in het rijden, wat hunne verdere bedrevenheid betrof, eer
+liefhebbers van de jacht, of stalknechts dan ruiters schenen. Hunne
+paarden waren niet gewoon aan den regelmatigen stap, zoo noodzakelijk
+om gelijkmatige en zamengestelde bewegingen ten uitvoer te brengen;
+evenmin als hunne berijders geoefend waren in het hanteeren van den
+sabel. De manschappen waren intusschen op het oog, stoute, geharde
+knapen, en zouden ligt, als ongeregelde kavalerie, man voor man, te
+duchten zijn. De bevelhebber van dezen kleinen troep zat op een
+uitmuntend jachtpaard, en in weerwil van zijn uniform, herkende
+Waverley terstond in hem, zijn oude kennis, den heer Falconer van
+Balmawhapple.
+
+Hoewel de kennismaking van Eduard met dezen heer niet bijzonder
+vriendschappelijk was geweest, zou hij hun dwazen twist gaarne vergeten
+hebben, om het genoegen te smaken van een gezellig onderhoud en van
+vragen en antwoorden, waarvan hij zoolang verstoken was geweest. Maar
+het scheen dat de herinnering aan zijn nederlaag door den Baron van
+Bradwardine, waarvan Eduard de onschuldige oorzaak was geweest, nog
+onaangenaam werkte in de herinnering van den onbeschaafden, maar
+trotschen jonker. Hij vermeed zorgvuldig het minste teeken te geven
+waaruit blijken kon dat hij Waverley herkende, terwijl hij knorrig aan
+het hoofd zijner manschappen, voortreed, die, schoon nauwelijks in
+aantal gelijk staande met een wachtmeesters kommando, „het escadron”
+van kapitein Falconer genoemd werden. Ze werden voorafgegaan door een
+trompetter, die van tijd tot tijd op zijn instrument blies, alsmede
+door een standaard, door den kornet Falconer, des jonkers jongeren
+broeder, gedragen. De luitenant, een man op jaren, had geheel en al het
+voorkomen van een jachtliefhebber en drinkebroêr uit de mindere standen
+der maatschappij; een uitdrukking van droogen humor kenmerkte zijn
+overigens gemeene gelaatstrekken, die van doorgaande onmatigheid
+getuigden. Zijn driekante militaire hoed stond hem scheef op het hoofd,
+en, terwijl hij, opgewekt door een slokje brandewijn, een bekend airtje
+floot, scheen hij vroolijk voort te rijden, met een gelukkige
+onverschilligheid omtrent den toestand des lands, het gedrag zijner
+onderhoorigen, het doel der reis en alle andere ondermaansche zaken,
+van welken aard die ook wezen mochten.
+
+Bij dezen klant hoopte Waverley, die tusschenbeide hem ter zijde reed,
+eenige inlichtingen te verkrijgen, of ten minste den weg al pratende te
+korten.
+
+„Een heerlijke avond, mijnheer” was Eduards toespraak.
+
+„O ja! mijnheer, een mooie nacht,” hernam de luitenant, in plat
+Schotsch van den algemeensten slag.
+
+„En een heerlijke oogst waarschijnlijk ook,” ging Waverley voort,
+terwijl hij zijn aanval hervatte.
+
+„Ja! het graan zal knap binnen komen; maar die duivelsche boeren en
+koornkoopers zullen het wel op den ouden prijs houden, en ons voor onze
+paarden goed laten betalen.”
+
+„Gij bekleedt waarschijnlijk den rang van kwartiermeester, mijnheer?”
+
+„Ja, kwartiermeester, ritmeester en luitenant. En, om de waarheid te
+zeggen, wie is geschikter om op de arme beesten te letten en er voor te
+zorgen dan ik, die ze allemaal koop en verkoop.”
+
+„En, mijnheer, zoo het niet al te vrij is, mag ik verzoeken te weten,
+waar we thans heen gaan?”
+
+„Een gekken tocht, vrees ik,” antwoordde dit openhartige personage.
+
+„In dat geval,” hernam Waverley, die besloten was geene komplimenten te
+sparen, „zou ik gedacht hebben zoo iemand als gij zijt, niet op den weg
+te hebben gevonden.”
+
+„Wel waar, wel waar, mijnheer! – Maar elk waarom heeft ook zijn daarom;
+ge moet weten, dat heer dáar kocht wat paarden van me, om zijn ruiters
+te voorzien, en wilde er gaarne voor betalen overeenkomstig de
+behoeften en de prijzen van het oogenblik. Maar nu had hij geen duit
+geld, en men heeft mij gezegd dat hij zoo in de schulden zat, dat zijn
+woord ook niets waard was. Toch moet ik tegen Sint Maarten met mijn
+kooplieden afrekenen, en daar hij mij nu zeer vriendelijk dezen post
+aanbood, en ik wist dat de vijftien ouden [122] mij nooit aan mijn geld
+zouden helpen, omdat ik paarden had geleverd voor den dienst tegen de
+regeering, zoo dacht ik, op mijn woord, mijnheer, dat ik de meeste kans
+zou hebben, om aan het een en ander te komen, als ik zelf mede ging
+[123], en ge begrijpt, mijnheer, dat, daar ik al mijn leven in halsters
+gedaan heb, ik er geen groot bezwaar in zie om zelf gevaar te loopen
+van een strop om den hals te krijgen.”
+
+„Zijt gij dus geen krijgsman van beroep?” vroeg Waverley.
+
+„Neen, neen, God dank!” antwoordde deze dappere partijganger, „ik ben
+niet opgevoed om zoo kort te worden gehouden, maar groot gebracht voor
+de hakselbank en den stal; ik werd tot paardenkooper opgeleid,
+mijnheer; en zoo ik het mocht beleven om u te Whitson-tryst of te
+Stagshaw-bank, of op Harwick’s wintermarkt te zien, en ge hadt een
+beest noodig, dat allen anderen op het jachtveld vooruit was, sta ik u
+borg dat ik u naar genoegen zou bedienen; want Jaapje Jinker was nooit
+de man om iemand te bedriegen. Gij zijt een fatsoenlijk man, mijnheer,
+en weet dus wel hoe een paard behoort te wezen; ge ziet dat vlugge
+ding, waar Balmawhapple op zit; ik heb het hem zelf verkocht. Het is
+een jong van „Lek-lepel”, die des konings prijs won te Coverton-Edge;
+zijn vader is „Witvoet”, toebehoorende aan den hertog van Hamilton,
+enz.”
+
+Maar terwijl Jinker doordraafde over den geslachtsboom van
+Balmawhapples merrie, en reeds gekomen was aan den grootvader en de
+grootmoeder, en Waverley op eene gelegenheid wachtte, om meer
+belangrijke inlichtingen van hem te verkrijgen, hield de edele kapitein
+zijn paard in, totdat hij op eene lijn met hen kwam, en zeide daarop,
+zonder regtstreeks op Eduard acht te slaan, op gestrengen toon tegen
+den geslachtkundigen paardenkoopman.
+
+„Ik meende, luitenant, strenge bevelen gegeven te hebben, dat niemand,
+wie ook, met den gevangene zou spreken?”
+
+De omgeschapen paardenkoopman werd dus tot zwijgen gebracht, boog het
+hoofd, en zakte naar de achterhoede af, waar hij zich schadeloos
+stelde, door een hevigen twist aan te gaan over den prijs van het hooi,
+met een boer, die met tegenzin zijn heer naar het veld gevolgd was, om
+de boerderij niet te verliezen, waarvan de huurtijd juist om was.
+Waverley was dus andermaal tot zwijgen veroordeeld, daar hij voorzag,
+dat, indien hij verdere pogingen aanwendde tot het aanknoopen van een
+gesprek, bij den een of ander van den hoop, dit Balmawhapple slechts
+eene gewenschte gelegenheid zou geven om de waardigheid waarmede hij
+bekleed was te laten gelden, en den mokkenden spijt van een
+kleingeestig karakter aan den dag te leggen, die nog te sterker was
+aangewakkerd, door de gewoonte van zich steeds den wierook der
+slaafsche vleierij te laten welgevallen.
+
+Na verloop van een paar uren bevond de afdeeling zich nabij het kasteel
+van Stirling, boven welks vestingwerken de vlag der Unie wapperde, en
+wier kleuren in de avondzon schitterden. Om zijne reis te bekorten, of
+misschien om al zijn gewicht te luchten en het Engelsche garnizoen te
+tergen, nam Balmawhapple, rechts afslaande, zijn weg door het
+koninklijke park, hetwelk zich uitstrekt tot, en heenloopt om de rots,
+waarop de vesting gelegen is.
+
+Wanneer hij in eene bedaardere gemoedsgesteldheid verkeerd had, zou
+Waverley niet nagelaten hebben de afwisselende schilderachtige
+schoonheid te bewonderen, welke het landschap, dat hij thans doortrok,
+kenmerkte – dat veld, het tooneel der aloude tournooien – die rots,
+vanwaar de dames den kamp aanschouwden, terwijl zij geloften deden
+opdat de zegepraal ten deel mocht vallen aan hare begunstigde ridders –
+de torens der Gothische kerk, waar deze geloften konden worden gehouden
+– en, boven al, de vesting zelve, te gelijk kasteel en paleis, waar de
+dapperheid den prijs uit de handen des konings ontving, en ridder en
+edelvrouwen den avond besloten onder dans, zang en feestmaaltijden. Al
+deze voorwerpen waren wel geschikt om eene romaneske verbeelding op te
+wekken en te boeien.
+
+Maar Waverley had geheel andere stof tot peinzen, en spoedig greep er
+iets plaats, dat aan alle overdenking een einde maakte. Balmawhapple
+beval, in de trotschheid van zijn hart, terwijl hij zijn klein korps
+kavalerie langs den voet van het kasteel voerde, aan zijn trompetter
+eene fanfare te blazen, en aan zijn standaarddrager het vaandel te
+ontrollen. Deze terging veroorzaakte blijkbaar eenige gevoeligheid;
+want, toen de ruiterdrom op zulk een afstand de zuiderbatterij genaderd
+was, dat men er een stuk geschut laag genoeg kon stellen om hen te
+bereiken, barstte er een vuurstraal uit een der schietgaten in de rots
+los; en eer het daarmede vergezeld gaande gebulder zich hooren liet,
+floot een kogel sissend over het hoofd van Balmawhapple, en begroef
+zich op eenigen afstand in den grond, waardoor hij met het opgeworpen
+stof bedekt werd. Het was niet noodig de afdeeling tot spoed te
+vermanen. Inderdaad, daar iedereen volgens den indruk van het oogenblik
+handelde, werden de rossen van den heer Jinker spoedig in de
+gelegenheid gesteld om hun wakkerheid aan den dag te leggen; en de
+kavaleristen, die met meer haast dan orde weken, kwamen niet weer in
+den gewonen draf, gelijk de luitenant later opmerkte, voor dat een
+tusschenbeide liggende hoogte hen beschut had tegen eene herhaling
+eener zoo weinig gewenschte plichtpleging van wege het kasteel van
+Stirling. Ik moet echter Balmawhapple het recht doen, van te zeggen,
+dat hij zich niet slechts in de achterhoede van zijn troep bevond, en
+al zijne pogingen inspande om eenige orde onder zijne manschappen te
+houden, maar zelfs in het vuur zijner dapperheid de losbarsting van het
+kasteel beantwoordde, dooreen zijner pistolen tegen de muren af te
+schieten; ofschoon ik, daar de de afstand bijna een groot kwartier
+beliep, nooit ben te weten kunnen komen, of deze krijgshaftige
+maatregel ook eenige bijzondere uitwerking teweeg heeft gebracht.
+
+De reizigers staken nu het merkwaardige slagveld van Bannockburn over,
+en bereikten het Torwood, eene plaats roemrijk of verschrikkelijk in de
+herinnering van den Schotschen boer, al naar gelang de feesten van
+Wallace of de wreedheden van Wude Willie Grime het diepst in zijn
+geheugen geprent zijn. Te Falkirk, een stadje voorheen in de Schotsche
+geschiedenis vermaard, en dat spoedig weder belangstelling zou wekken,
+als het tooneel van gewichtige militaire gebeurtenissen, stelde
+Balmawhapple voor om halte, en des nachts rust te houden. Dit alles
+werd met zeer geringe inachtneming der krijgstucht volvoerd, daar de
+waardige kwartiermeester er slechts op bedacht was om te weten te
+komen, waar de beste brandewijn te verkrijgen was. Men achtte het
+onnoodig schildwachten uit te zetten, en de eenige wacht, die betrokken
+werd werd slechts gehouden door diegenen welke zich drank wisten te
+verschaffen. Eenige weinige welberadene mannen hadden het detachement
+gemakkelijk kunnen afsnijden; maar een deel der inwoners was de zaak
+der Stuarts toegedaan, een ander deel onverschillig, en de overigen
+overbluft. Dus gebeurde er niets merkwaardigs in den loop van den
+nacht, uitgezonderd dat Waverleys rust onaangenaam gestoord werd door
+de drinkebroêrs, die hunne Jacobietische liedjes zonder medelijden of
+verzachting van stem, uitbalkten.
+
+Den volgenden ochtend zaten zij weder op, en waren zij op weg naar
+Edinburgh, ofschoon de bleeke gezichten van sommigen uit den hoop
+verrieden, hoe zij den nacht gesleten hadden. Zij hielden halte te
+Linlithgow, beroemd door zijn oud paleis, dat, zestig jaar geleden,
+geheel en al bewoonbaar was, maar welks eerwaardige overblijfselen,
+geen volle zestig jaar geleden, ter nauwernood het onwaardige lot
+ontgingen van in een barak voor Fransche krijgsgevangenen herschapen te
+worden. Vrede zij de asch van den vaderlandlievenden staatsman, die bij
+de laatste door hem aan Schotland bewezen diensten nog deze voegde, dat
+hij die ontheiliging door zijne tusschenkomst belette!
+
+Naarmate de ruiters de hoofdstad van Schotland langs open en bebouwde
+velden meer en meer naderden, begon ook het oorlogsgerucht zich meer en
+meer te doen hooren. Het verwijderde, maar toch goed te onderscheiden,
+gebulder van het kanon, hetwelk van tijd tot tijd losbrandde, deed
+Waverley verstaan, dat het werk der verwoesting een aanvang genomen
+had. Zelfs Balmawhapple scheen geneigd eenige voorzorgen te gebruiken,
+door eene kleine afdeeling voorop te zenden, het hoofdcorps in
+tamelijke orde te houden en bedaard den tocht voort te zetten.
+
+Dus voorttrekkende, bereikten zij spoedig eene hoogte, vanwaar
+Edinburgh zich aan hun oogen voordeed zoo als het zich uitstrekt langs
+den bergrug, die, oostwaarts van het kasteel af, schuins naar beneden
+loopt. Daar de stad in staat van beleg, of liever van blokkade was,
+door de noordelijke opstandelingen, die reeds voor twee dagen de stad
+bezet hadden, werd daaruit van tijd tot tijd op zoodanige troepjes
+Hooglanders gevuurd, als zich blootstelden, hetzij in de hoofdstraat
+der stad, of elders in den omtrek van het kasteel. Daar de morgen stil
+en schoon was, werd door dit herhaalde vuren het kasteel in rookwolken
+gehuld, die zachtjes boven in de lucht wegsmolten, terwijl het
+middelste gedeelte telkens weder in rookdamp gewikkeld werd door de uit
+de muren losgebarsten versche schoten. Het aldus gedeeltelijk vervallen
+kasteel erlangde daardoor iets groots en sombers in zijn voorkomen,
+hetwelk nog schrikbarender werd, toen Waverley de oorzaak van dit alles
+naging, en bedacht dat iedere uitbarsting licht den dood van den een of
+anderen dapperen man kon aankondigen.
+
+Eer zij de stad genaderd waren, had deze kanonnade geheel opgehouden.
+Doch Balmawhapple, die zich de onvriendelijke begroeting herinnerde,
+welke zijn troep van de batterij van Stirling was te beurt gevallen,
+had waarschijnlijk geen lust om de lankmoedigheid der artillerie van
+het kasteel op de proef te stellen. Hij verliet dus den naasten weg, en
+aanmerkelijk ten zuiden afwijkende, zoodat hij buiten het bereik van
+het kanon was, naderde hij het oude paleis van Holyrood, zonder de stad
+te zijn binnen gereden. Nu schaarde hij zijne manschappen voor dit
+eerwaardig gebouw, en leverde Waverley aan eene wacht van Hooglanders
+over, wier officier hem naar het binnenste van het paleis voerde.
+
+Eene lange, lage en slecht geëvenredigde gaanderij met schilderijen
+behangen, die men zeide de afbeeldingen van koningen voor te stellen,
+welke, zoo zij al ooit geleefd hadden, eenige honderd jaren voor de
+uitvinding van het schilderen in olieverf moeten hebben bestaan, diende
+als eene soort van wachtkamer, of voorzaal van de vertrekken, die de
+avontuurlijke Karel Eduard thans in het paleis zijner voorouders
+bewoonde. Officieren in Hooglandsch en Laaglandsch gewaad, liepen
+haastig heen en weêr, of slenterden in de voorkamers rond, alsof zij op
+bevelen wachtten. Geheimschrijvers waren bezig met het opmaken van
+passen, monsterrollen en antwoorden. Ieder scheen het geweldig druk te
+hebben en ernstig bezig te zijn met eene of andere zaak van belang;
+maar Waverley had vrijheid om in de diepte van een afgelegen raam, door
+ieder onopgemerkt, te blijven zitten, terwijl hij niet zonder angstige
+bezorgdheid nadacht over de beslissing van zijn lot, welke thans met
+rasse schreden scheen te naderen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN OUDE EN EEN NIEUWE KENNIS.
+
+
+Terwijl Waverley diep in zijn mijmering verzonken was, liet het
+ruischen van tartans zich achter hem hooren, een vriendelijke hand
+sloeg hem op den schouder, en eene vriendenstem voegde daarbij:
+
+„Heeft de Hooglandsche profeet nu beuzelpraat verteld? En moeten alle
+voorspellingen in den wind geslagen worden?”
+
+Waverley keerde zich om, en werd met warmte omhelsd door Fergus
+Mac-Ivor. „Duizendmaal welkom op Holyrood, wederom in het bezit van
+zijn wettigen souverein! Heb ik het u niet gezegd, dat wij voorspoed
+zouden hebben, en dat gij in de handen der Philistijnen zoudt vallen,
+als gij ons verliet?”
+
+„Beste Fergus!” riep Waverley, terwijl hij den hartelijken groet met
+warmte trachtte te beantwoorden, „in hoe lang heb ik de stem van een
+vriend niet gehoord. Waar is Flora?”
+
+„Welvarende, en een zegevierende toeschouwster van onzen voorspoed.”
+
+„In dit paleis?”
+
+„Wel in deze stad ten minste, en ge zult haar zien; maar eerst moet gij
+een vriend ontmoeten, aan wien ge weinig denkt, en die dikwijls naar u
+gevraagd heeft.”
+
+Dit zeggende voerde hij Waverley bij den arm de wachtkamer uit, en eer
+hij wist waar men hem bracht, bevond Eduard zich in een audiëntiezaal,
+waaraan men gepoogd had eenig voorkomen van koninklijke pracht te
+geven.
+
+Een jong man, die zijn eigen schoon blond haar droeg, kenbaar aan de
+waardigheid van zijn houding, en de edele uitdrukking van zijn
+welgevormde en regelmatige gelaatstrekken, trad uit een kring van
+officieren en Hooglandsche opperhoofden te voorschijn. Aan zijn
+ongedwongene en aangename manieren zou Waverley zijne hooge geboorte en
+rang gemakkelijk hebben kunnen ontdekken, al had de ster op zijn borst,
+en de geborduurde kouseband aan zijne knie, hem deze niet reeds op het
+eerste gezicht aangekondigd.
+
+„Uwe Koninklijke Hoogheid vergunne mij,” zeide Fergus met een diepe
+buiging, „aan haar voor te stellen...”
+
+„Den afstammeling van een der oudste en getrouwste huizen in Engetand,”
+zei de jonge Prins, hem in de rede vallende. „Ik vraag verschooning dat
+ik u in de rede gevallen ben, mijn beste Mac-Ivor; er is geen
+ceremoniemeester noodig, om een Waverley aan een Stuart voor te
+stellen.”
+
+Dit zeggende reikte hij, met de grootste hoffelijkheid de hand aan
+Eduard, die, al had hij het ook gewild, niet nalaten kon hem de hulde
+te bewijzen, welke men aan zijn rang verschuldigd scheen, en waarop
+althans de geboorte van den Prins hem aanspraak gaf. „Het doet mij leed
+te hooren, mijnheer Waverley, dat gij, ten gevolge van omstandigheden,
+die nog maar zeer onvoldoende zijn opgehelderd, eenigen last hebt
+geleden van mijn aanhangers in het graafschap Perth, en op uw tocht
+herwaarts; maar wij bevinden ons in een toestand, dat wij ter
+nauwernood onze vrienden kennen, en ik ben zelfs op dit oogenblik
+onzeker, of ik het genoegen mag hebben mijnheer Waverley onder dezen te
+rekenen.” Hier hield hij een oogenblik op; maar eer Eduard een gepast
+antwoord bedenken kon, of zelfs zijn gedachten daartoe verzamelen,
+haalde hij een papier te voorschijn, en ging voort: – „Ik behoorde
+inderdaad geen twijfel hieromtrent te voeden, indien ik mij verlaten
+kon op deze proclamatie, door de vrienden van den Keurvorst van
+Hannover uitgevaardigd, en waar zij den heer Waverley rangschikken
+onder de edellieden, die met de straf van hoogverraad worden bedreigd –
+wegens getrouwheid aan hun wettigen souverein. Maar ik wensch geene
+aanhangers te winnen, dan uit genegenheid en overtuiging; en zoo de
+heer Waverley verkiest zijn reis naar het zuiden voort te zetten, of
+zich bij de krijgsmacht van den Keurvorst te voegen, zal hij van mij
+een paspoort en volkomen vrijheid erlangen, om dat te doen; alleen moet
+ik mijn leedwezen betuigen, dat ik hem niet zal kunnen waarborgen tegen
+de waarschijnlijke gevolgen van zulk een stap. – Maar,” vervolgde Karel
+Eduard, na nog een korte pauze, „zoo de heer Waverley, gelijk zijn
+voorvader, Sir Nigel, besluiten mocht een zaak te omhelzen, die niet
+veel anders heeft om haar aan te bevelen dan hare rechtvaardigheid, en
+een vorst wilde volgen, die zich verlaat op de genegenheid van zijn
+volk, ten einde den troon zijner voorvaderen te herwinnen, of in die
+poging te sneuvelen, dan kan ik alleen zeggen, dat hij onder deze
+edellieden en heeren waardige medestanders zal vinden in een loffelijke
+onderneming, en hij een meester zal volgen, die ongelukkig, maar, zoo
+als ik vertrouw, nooit ondankbaar wezen kan!”
+
+Het geslepen Opperhoofd van den stam van Ivor begreep het belang, om
+Waverley tot deze persoonlijke kennismaking met den koninklijken
+avonturier te dwingen. Geheel vreemd aan de innemende taal en manieren
+van een beschaafd hof, waarin Karel hoogst bedreven was, drongen diens
+woorden en vriendelijkheid diep in het hart van onzen held, en
+verbanden weldra alle overwegingen der voorzichtigheid. Aldus
+persoonlijk om hulp te worden aangezocht door een Prins, wiens gestalte
+en manieren, even als de moed door hem in de tegenwoordige onderneming
+ten toon gespreid, zoo geheel en al des jongelings denkbeelden van een
+romanheld verwezenlijkten – door hem gevleid te worden in de oude zalen
+van zijn vaderlijk paleis, herwonnen door het zwaard, dat hij reeds
+wette voor nieuwe veroveringen, was reeds genoeg om Eduard, in zijne
+eigene oogen, de waardigheid en het gewicht weder te geven, die hij
+meende verbeurd te hebben. Verstooten, belasterd en bedreigd door de
+tegenpartij, werd hij onweêrstaanbaar tot de zaak aangetrokken, welke
+hem door de vooroordeelen der opvoeding, en de staatkundige beginselen
+zijner familie reeds als de rechtvaardigste aangeprezen werd. Deze
+gedachten overweldigden hem en overwonnen alle bedenkingen –
+daarenboven liet de tijd geen aarzelen toe – en terwijl Waverley voor
+Karel Eduard neder knielde, wijdde hij zijn hart en zijn degen aan de
+handhaving van diens rechten.
+
+De Prins (want, daar hij slechts ongelukkig was door de misslagen en
+dwaasheden zijner voorouders, kunnen wij hem hier en elders den titel
+geven, aan zijne geboorte verschuldigd) haastte zich Waverley op te
+richten, en omhelsde hem met een uitdrukking van dankbaarheid, te warm
+om niet oprecht te zijn. Desgelijks dankte hij Fergus Mac-Ivor
+herhaalde malen, dat hij hem zulk een aanhanger had bezorgd, en stelde
+Waverley voor aan de verschillende edellieden, opperhoofden en
+officieren, die hem omringden, als een jong edelman van de hoogste
+verwachtingen en vooruitzichten, in wiens stoute en vurige omhelzing
+van zijn zaak zij een bewijs konden zien van de gevoelens der
+aanzienlijkste Engelsche geslachten, op dit beslissend tijdstip [124].
+Dit was inderdaad een punt, hetwelk onder de aanhangers der Stuarts nog
+al aan twijfel onderhevig was, en daar een welgegrond wantrouwen ten
+opzichte van de medewerking der Engelsche Jacobieten een aantal
+Schotsche lieden van rang terughield om zijn standaard te volgen, en
+den moed dergenen die zich daarbij gevoegd hadden, verkleinde, zoo kon
+niets den Prins beter te stade komen, dan dat de eenige afstammeling
+van het huis van Waverley, zoo lang wegens moed en getrouwheid aan
+zijne zaak bekend, zich openlijk als zijn aanhanger verklaarde. Dit had
+Fergus van den aanvang af gezien. Hij hield wezenlijk van Waverley,
+omdat hunne gevoelens en ontwerpen nooit in botsing kwamen: hij hoopte
+hem met Flora vereenigd te zien, en verheugde zich dat zij werkelijk in
+dezelfde onderneming betrokken waren. Maar, gelijk wij vroeger
+opmerkten, hij verheugde zich desgelijks, als staatsman, dat hij een
+bondgenoot van zooveel gewicht aan zijne partij zag toegevoegd; en hij
+was alles behalve ongevoelig voor de achting, waarin hij zelf bij den
+Prins steeg, door zoo krachtig te hebben medegewerkt tot deze aanwinst.
+
+Karel Eduard, van zijn kant, scheen verlangend om hun, die hem
+omringden, de waarde te doen kennen, welke hij aan dezen nieuwen
+aanhanger zijner zaak hechtte, door hem onmiddellijk in zijn vertrouwen
+te nemen, met betrekking tot de omstandigheden, waarin hij zich bevond.
+„Men heeft u zoo zeer van alle inlichtingen verstoken gelaten, mijnheer
+Waverley,” zeide hij, „om redenen, die ik maar half begrijp, dat gij,
+naar ik veronderstel, tot op dit oogenblik met de belangrijkste
+bijzonderheden van mijn tegenwoordigen toestand onbekend zijt. Gij hebt
+echter gehoord van mijne landing in het afgelegen district Moidart
+[125], met slechts zeven personen, en van de talrijke opperhoofden en
+clans, wier oprechte geestdrift voor de goede zaak den verlaten
+avonturier op eens aan het hoofd van een dapper leger plaatste. Gij
+zult, denk ik, ook vernomen hebben dat de opperbevelhebber van den
+Hannoverschen Keurvorst, de Hooglanden binnentrok, aan het hoofd eener
+talrijke en welgeregelde krijgsmacht, met oogmerk om ons slag te
+leveren, maar dat de moed hem ontbrak, toen wij nog slechts een marsch
+van drie uren van elkander verwijderd waren, zoodat hij ons netjes
+ontsnapte, en noordwaarts naar Aberdeen aftrok, terwijl hij het
+Laagland open en onbeschermd liet. Om zulk eene gunstige gelegenheid
+niet te verzuimen, trok ik op deze hoofdstad aan, dreef twee regimenten
+paardenvolk voor mij uit, die gedreigd hadden iederen Hooglander in de
+pan te hakken, die het wagen mocht voorbij Stirling te komen; en
+terwijl men overlegde, bij de regeering en de burgers, of men zich zou
+verdedigen of overgeven, bespaarde mijn goede vriend Lochiel (dit
+zeggende legde hij de hand op den schouder van dit bekwaam en dapper
+opperhoofd) hun de moeite van verdere overweging, door met vijf honderd
+Camerons de poort binnen te dringen. Tot dus verre, derhalve, hebben
+wij het goed gemaakt; maar nu de zenuwen van dien dapperen bevelhebber
+versterkt zijn door de lucht van Aberdeen, heeft hij zich ingescheept
+naar Dunbar, en ik heb zoo even het stellige bericht ontvangen dat hij
+gisteren dáar is geland. Het moet ontwijfelbaar zijn voornemen zijn op
+ons af te komen, om weder in het bezit van de hoofdstad te geraken. Nu
+zijn er twee gevoelens in mijn krijgsraad: het eene, dat, daar wij
+waarschijnlijk minder sterk in getal zijn, en zeker minder sterk in
+krijgstucht en hulpmiddelen, gezwegen van ons volslagen gebrek aan
+geschut, en de zwakheid onzer ruiterij, het voorzichtig zal zijn ons in
+het gebergte terug te trekken, en daar den oorlog te rekken, totdat er
+versche hulp uit Frankrijk komt, en al de Hooglandsche clans de wapens
+voor ons hebben opgevat. Het tegenovergestelde gevoelen is, dat eene
+achterwaartsche beweging, in onze omstandigheden, zeker het grootste
+wantrouwen in onze zaak en in onze wapens met zich zal voeren, en, wel
+verre van ons nieuwe medestanders te verwerven, het middel zal zijn om
+diegenen te ontmoedigen, welke zich aan onze zijde hebben geschaard. De
+officieren, die dit laatste aanvoeren, en onder wie uw vriend Fergus
+Mac-Ivor behoort, houden staande, dat, zoo de Hooglanders vreemd zijn
+aan de gewone krijgstucht van Europa, de soldaten, die zij te
+bestrijden hebben, niet minder vreemd zijn aan de vreeselijke wijze van
+aanvallen die hun eigen is: dat men omtrent de gehechtheid en den moed
+der opperhoofden en heeren geen twijfel kan voeden; en dat, daar zij
+zich midden in de vijandelijke rangen zullen werpen, hunne clanslieden
+hen zeker zullen volgen; in één woord, dat, daar wij het zwaard
+getrokken hebben, wij de schede moeten wegwerpen, en onze zaak aan den
+strijd en aan God toevertrouwen, die de overwinning geeft. Wil de heer
+Waverley, in deze moeielijke omstandigheden, ons ook zijn gevoelen
+mededeelen?”
+
+Waverley bloosde, half van genoegen en half uit zedigheid, over de
+onderscheiding die in dit verzoek lag opgesloten, en antwoordde met
+even veel verstand als vlugheid, dat hij niet wagen kon een gevoelen in
+het midden te brengen, hetwelk op de krijgskunst gegrond was; maar dat
+die raad hem verreweg het meest welkom zou zijn, waardoor hem de eerste
+gelegenheid verschaft zou worden om zijn ijver te toonen in de dienst
+van Zijne Koninklijke Hoogheid.
+
+„Als een Waverley gesproken!” antwoordde Karel Eduard; en „opdat gij
+een rang moogt bekleeden, eenigermate overeenkomstig uw naam, zoo
+veroorloof mij u, in stede van de kapiteinsplaats, welke gij verloren
+hebt, den rang aan te bieden van majoor in mijne dienst, waaraan ik de
+betrekking van mijn adjudant verbind, totdat gij bij een regiment kunt
+aangesteld worden, van welke ik hoop spoedig een aantal opgericht te
+zien.”
+
+„Uwe Koninklijke Hoogheid vergeve mij” antwoordde Waverley, want hij
+herinnerde zich Balmawhapple en diens armoedige bende, „zoo ik weiger
+eenigen rang aan te nemen, tot ik macht genoeg bezit om een genoegzaam
+voltallig corps op te richten, om mijn bevelhebberschap van eenig nut
+voor de dienst van Uwe Hoogheid te doen zijn. Intusschen hoop ik, dat
+gij mij veroorloven zult als vrijwilliger onder mijn vriend Fergus
+Mac-Ivor te dienen.”
+
+„Vergun mij dan ten minste,” zei de Prins, blijkbaar ingenomen met
+dezen voorslag „het genoegen, van u op de wijze der Hooglanders te
+wapenen.” Dit zeggende ontgespte hij den sabel, dien hij droeg, en
+welks draagband met zilver versierd was, terwijl het stalen gevest rijk
+en keurig was ingelegd. „De kling,” zei de Prins, „is eene echte Andrea
+Ferrara; het is een soort van erfstuk in onze familie geweest; maar ik
+ben overtuigd, dat ik het in betere handen dan de mijne stel, en ik zal
+er pistolen van hetzelfde werk bij voegen. – Kolonel Mac-Ivor, gij zult
+uw vriend zeker veel te zeggen hebben; ik wil u niet langer van een
+vertrouwelijk gesprek terughouden, maar herinner u, dat wij u beiden
+verwachten, om ons heden avond gezelschap te houden. Het zal misschien
+wel de laatste nacht zijn, dien wij in deze zalen doorbrengen, en daar
+wij met een goed geweten te velde trekken, willen wij den avond voor
+den slag in vroolijkheid slijten.”
+
+Na aldus verlof bekomen te hebben om zich te verwijderen, verlieten het
+Opperhoofd en Waverley de audiëntiezaal.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+HET GEHEIM BEGINT OPGEHELDERD TE WORDEN.
+
+
+„Hoe vindt ge hem?” was Fergus eerste vraag, terwijl ze den grooten
+steenen trap afgingen.
+
+„Een Prins, om voor te leven en te sterven,” was Waverleys opgetogen
+antwoord.
+
+„Ik wist dat gij zoo over hem denken zoudt, als ge hem zaagt, en het
+was mijn oogmerk dat ge elkander vroeger zoudt ontmoeten, maar het werd
+door uw gekneusd been verijdeld. En toch heeft hij zijne zwakheden, of
+liever hij heeft een moeielijk spel te spelen, en de Iersche officieren
+[126], die hem op den duur omringen, zijn maar ongelukkige raadslieden,
+– ze weten geen behoorlijk onderscheid te maken tusschen de talrijke
+eischen die door den hoogmoed gedaan worden. Zoudt gij wel gelooven –
+ik ben op dit oogenblik verplicht geweest, eene aanstelling tot graaf,
+voor diensten tien jaren geleden reeds bewezen, achterwege te houden,
+uit vrees van ijverzucht vooral van C– en M–, op te wekken. Maar ge
+hebt wel gelijk gehad, Eduard, om de plaats van adjudant te weigeren.
+Er zijn inderdaad twee plaatsen vacant, maar Clanronald, Lochiel, en
+meest al de clanhoofden hebben er ééne verzocht voor den jongen
+Aberchallader, en de Laaglanders en de Iersche partij verlangen de
+andere voor den heer van F–. Zoo dus een van deze twee ten uwen gevalle
+werd voorbij gegaan, zoudt gij u vijanden maken. En daarenboven
+verbaast het mij, dat de Prins u eene betrekking als majoor aanbood,
+daar hij zeer wel weet, dat niets minder dan die van luitenant-kolonel
+anderen voldoen zal, die geen honderd vijftig man te velde kunnen
+brengen. Maar, „geduld, neef, en de kaarten geschud!”.... Alles is voor
+het oogenblik heel wel, en wij moeten u, vóor den avond, behoorlijk
+hebben uitgerust in uw nieuw kostuum; want, om de waarheid te zeggen,
+uw uitwendige mensch past niet al te best voor het hof.”
+
+„Wel,” zeide Waverley, terwijl hij een blik op zijn met slijk en stof
+bespatte kleederen sloeg, „sedert onze scheiding ben ik niet uit mijn
+jagtbuis geweest; maar dit weet ge waarschijnlijk even goed, zoo niet
+beter, dan ik.”
+
+„Gij doet mijne alwetendheid te veel eer aan. Wij waren zoo druk bezig,
+eerst met het plan om Cope slag te leveren, en daarna met onze
+krijgsoperatiën in de Laaglanden, dat ik slechts algemeene bevelen kon
+geven aan diegenen van ons volk, welke wij in Perthshire achterlieten,
+om u te ontzien en te beschermen, zoo zij u op hun weg ontmoetten.
+Maar, laat mij de geheele geschiedenis uwer avonturen hooren, daar zij
+op een zeer eenzijdige en verminkte wijze tot ons gekomen is.”
+
+Nu verhaalde Waverley in het breede de omstandigheden, die den lezer
+reeds bekend zijn, waarnaar Fergus met groote oplettendheid luisterde.
+Inmiddels hadden zij de deur van Mac-Ivors kwartier bereikt, dat hij in
+een klein geplaveid binnenhof van de Canongate genomen had, en wel ten
+huize van een vroolijke veertigjarige weduwe, die het knappe jonge
+opperhoofd zeer vriendelijk scheen toe te lachen, daar zij een dier
+vrouwen was, bij wie goed humeur, en een goed gezicht zeker konden zijn
+welkom te wezen, welke staatkundige gevoelens hij ook mocht aankleven,
+die daarmede begiftigd was. Hier ontving hem Callum Beg met den
+glimlach eener oude kennis. „Callum,” zeide het Opperhoofd, „roep
+Shemus an snachad, (Jacob van de naald). Dit was de lijf-kleedermaker
+van Vich Ian Vohr. „Shemus’!” zeide het opperhoofd, „de heer Waverley
+gaat de cath dath dragen; zijn broek moet binnen de vier uren gereed
+zijn. Ge kent de maat van een welgemaakt man. Twee dubbele „nails”
+[127] voor het dunne van het been.”
+
+„Elf van de heup tot de hiel, zeven rondom het middel – ik geef
+mijnheer vrijheid om Shemus op te hangen, zoo er een schaar in de
+Hooglanden is, die een stouter snede heeft dan de mijne voor de „cumadh
+an truais,” (het fatsoen der Schotsche broek).
+
+„Neem een plaid van Mac-Ivors kleuren, met een sjerp,” vervolgde het
+Opperhoofd, „en een blauwe muts van het patroon zoo als die van den
+Prins bij meester Moruats, den kramer. Mijn kort groen vest met zilver
+belegsel zal hem volkomen passen; ik heb het nooit gedragen. Zeg den
+vaandrig Maccombich, dat hij een knap schild uit de mijne uitkieze. De
+Prins heeft den heer Waverley sabel en pistolen gegeven, ik zal hem van
+dolk en tas voorzien; doe er slechts een paar laaggehielde schoenen
+bij, en dan, mijn beste Eduard, (terwijl hij zich tot hem keerde) zult
+ge volmaakt een zoon van Ivor zijn.”
+
+Na deze noodzakelijke bevelen, kwam het Opperhoofd op het onderwerp van
+Waverleys avonturen terug. „Het is blijkbaar,” zeide hij, „dat gij
+onder de hoede van Donald Bean Lean zijt geweest. Gij moet weten, dat,
+toen ik met mijn clan aftrok, om mij bij den Prins te voegen, ik dat
+waardig lid der maatschappij opdroeg, een zekere dienst te verrichten;
+na de volbrenging daarvan moest hij mij met al de macht, die hij op de
+been zou kunnen brengen, volgen. Maar, in plaats van dit te doen,
+achtte de brave man, nu hij de baan klaar vond, het beter, voor eigene
+rekening oorlog te voeren. Hij liep het land af, terwijl hij, geloof
+ik, vriend en vijand plunderde, onder voorwendsel van schatting te
+heffen, soms als op mijn order en soms (vervloekt zij zijne
+onbeschaamdheid!) in zijn eigen grooten naam. Op mijn woord van eer,
+als ik het beleven mag Benmore weêr te zien, zal ik in verzoeking komen
+dien knaap te laten ophangen. Nu herken ik zijne hand vooral in de
+wijze, waarop gij aan de klauwen van dien prekenden rekel Gilfillan
+ontrukt zijt, en ik twijfel er geen oogenblik aan, of Donald zelf
+speelde de rol van marskramer bij die gelegenheid; maar hoe het komt,
+dat hij u niet uitgeschud of losgeld gevraagd heeft; of zich, op eene
+of andere wijze, van uw gevangenschap tot zijn eigen voordeel bediend
+heeft, gaat mijn verstand te boven.”
+
+„Wanneer en hoe hebt ge van mijne opsluiting gehoord?” vroeg Waverley.
+
+„De Prins zelf vertelde het mij,” zeide Fergus, „en deed tot in de
+minste kleinigheden naar alles wat u betreft onderzoek. Daarop
+berichtte hij mij, dat gij op dat oogenblik in de macht waart van een
+onzer noordelijke afdeelingen – ge begrijpt, ik kon hem geene
+bijzonderheden vragen – en vroeg hij mijn gevoelen, op hoedanige wijze
+met u te handelen. Ik gaf den raad, u herwaarts te doen overbrengen als
+gevangene, omdat ik u niet verder benadeelen wilde bij het Engelsche
+bewind, als gij bij uw voornemen bleeft volharden om naar het zuiden
+terug te keeren. Gij zult u wel herinneren, dat ik niets wist van de
+tegen u ingebrachte beschuldiging van anderen tot hoogverraad aangezet
+en hen daarin bijgestaan te hebben, hetwelk, naar ik vermoed, wel eenig
+deel heeft aan de verandering in uw eerste plannen. Die stomme, tot
+niets bruikbare ellendeling van een Balmawhapple, werd gezonden, om u,
+van Doune af aan, te geleiden, met hetgeen hij zijn korps ruiterij
+noemt. Wat zijn gedrag betreft, zoo vermoed ik, dat, behalve zijn
+natuurlijken afkeer van alles wat naar een fatsoenlijk man gelijkt,
+zijn avontuur met Bradwardine hem nog op het hart drukt, en wel te
+meer, omdat ik niet twijfel, of de wijze waarop hij die geschiedenis
+verteld heeft, iets bijgedragen heeft tot de nadeelige geruchten, die
+van u bij uw voormalig regiment zijn ingekomen.”
+
+„Niets is waarschijnlijker,” zeide Waverley; „maar nu, mijn waarde
+Argus, zult gij zeker wel tijd hebben, om mij iets van Flora te
+vertellen.”
+
+„Wel zeker! Maar ik kan u alleen zeggen, dat zij welvarende is, en zich
+voor het oogenblik bij een naastbestaande in deze stad ophoudt. Ik
+achtte het beter dat ze naar hier kwam, daar, sedert onzen voorspoed,
+een goed aantal vrouwen van rang onze militaire hofhouding volgen; en
+ik kan u verzekeren, dat er een soort van gewicht gehecht wordt aan de
+nauwe betrekking tot zulk een persoon als Flora Mac-Ivor, en wanneer er
+een botsing plaats heeft van elkander kruisende vorderingen en
+verzoeken, gelijk hier, dan moet iedereen alle gepaste middelen bij de
+hand nemen, om zijn invloed te vermeerderen.”
+
+Er was iets in dit laatste gezegde, dat Waverleys gevoel kwetste. Hij
+kon het denkbeeld niet verdragen, dat Flora beschouwd zou worden, als
+dienstig om de bevordering haars broeders in de hand te werken, door de
+bewondering, welke zij noodwendig tot zich moest trekken; en ofschoon
+dat denkbeeld in de nauwste overeenstemming stond met verscheidene
+andere trekken van Fergus’ karakter, schokte het Waverley als
+zelfzuchtig en zoowel der edele ziel van de zuster onwaardig, als
+beneden den hooghartigen, onafhankelijken aard van het Opperhoofd.
+Fergus, wien zulke kunstgrepen gemeenzaam waren, daar hij aan het
+Fransche hof opgevoed was, bemerkte den ongunstigen indruk niet, dien
+hij onbedachtzaam op het gemoed van zijn vriend gemaakt had, en besloot
+met te zeggen, „dat ze Flora bezwaarlijk zouden zien vóor den avond,
+als wanneer ze tegenwoordig zou zijn op een concert en bal, hetwelk men
+voornemens was aan het gevolg des Prinsen te geven. Wij hebben een
+kleinen twist gehad, omdat ze u niet heeft veroorloofd afscheid van
+haar te nemen. Ik heb geen lust om het tooneel te vernieuwen, door haar
+te verzoeken u heden morgen toe te laten; want niet alleen zou ik ligt
+worden afgewezen, maar er zou ook misschien gevaar bestaan dat ge
+elkander heden avond niet zaagt.”
+
+Terwijl ze dus praatten, hoordde Waverley op de binnenplaats, onder de
+ramen van hun vertrek, een welbekende stem. „Ik verzeker u, mijn waarde
+vriend,” zeide de spreker, „dat het een volslagen afwijking is van de
+krijgswetten, en zoo ge niet in zeker opzicht een nieuweling waart, zou
+uw handelwijze de gestrengste afkeuring verdienen. Want een
+krijgsgevangene mag om geene reden bezwaard worden met boeien, of
+opgesloten in ergastulo, zoo als het geval zou geweest zijn, indien gij
+dezen heer in de put te Balmawhapple afgelaten hadt. Ik stem toe, dat
+zulk een gevangene, veiligheidshalve, mag gebracht worden in carcere,
+dat is in een openbare gevangenis.”
+
+De grommende stem van Balmawhapple, die zich verwijderde, liet zich nu
+hooren; het scheen dat hij tamelijk ontevreden heenging; maar het woord
+„landlooper” was het eenige dat ten volle verstaanbaar was. Hij was
+vertrokken, voordat Waverley den binnenhof had bereikt, om den
+waardigen baron van Bradwardine te begroeten. De uniform, die hij thans
+droeg, namelijk: een met goud galon opgelegde blauwe rok, een
+scharlaken rood vest en wijde broek en laarzen scheen een nieuwe
+strakheid en stijfheid aan zijne ranke, magere gestalte te hebben
+bijgezet; en het hooge gevoel, dat hij een militair kommando en gezag
+bekleedde, had in gelijke mate de gemaakte waardigheid van zijn houding
+en het didaktische van zijn toon nog vermeerderd.
+
+Hij ontving Waverley met zijn gewone vriendelijkheid, en gaf met
+ongeduld zijn verlangen te kennen, om de reden te vernemen, waarom hij
+zijn plaats als officier onder de dragonders van C– verloren had;
+„niet,” zeide hij, „omdat hij de minste vrees koesterde, dat zijn jonge
+vriend iets zou hebben uitgericht, hetwelk zulk eene onedelmoedige
+behandeling, als hij van het Bewind had ondergaan, verdienen mocht;
+maar omdat het billijk en voegzaam was, dat de baron van Bradwardine,
+zoo wel voor zich zelven als voor anderen, volkomen in staat mocht
+wezen om alle lasteringen te weêrleggen, met betrekking tot den
+erfgenaam van Waverley-Honour, dien hij zoo veel recht had als zijn
+eigen zoon te beschouwen.”
+
+Fergus Mac-Ivor, die zich nu bij hen gevoegd had, liep spoedig over het
+met Waverley gebeurde heen, en besloot zijn verhaal met de vleiende
+wijze, waarop hij door den jongen Prins ontvangen was. De Baron
+luisterde stilzwijgend toe, en toen Fergus geëindigd had, drukte hij
+Waverley hartelijk de hand, en wenschte hem geluk, dat hij in de dienst
+van zijn wettigen vorst getreden was. „Want,” voegde hij er bij,
+„ofschoon het te recht bij alle natiën voor schandelijk en onteerend
+gehouden is, het sacramentum militare te schenden, en zulks, hetzij dit
+aangegaan ware door elken soldaat afzonderlijk, hetgeen de Romeinen per
+conjurationem noemden, of door éen soldaat, in naam van de overigen,
+zoo twijfelde niemand ooit, of de dus bezworen verplichting werd
+opgeheven door de dismissio, of het ontslag van een soldaat. Ware dit
+anders, dan zou de betrekking van den soldaat even hard zijn, als die
+der kool- of zoutmijngravers en andere adscripti glebæ [128]. Uw geval
+heeft wel iets van de beschimping, door den geleerden Nanchez
+beschreven, in zijn werk De jure-jurando, hetwelk ge bij deze
+gelegenheid zonder twijfel geraadpleegd hebt. Wat hen betreft, die u
+gelasterd hebben, ik verklaar bij den Hemel, dat ik ze beschouw als met
+recht vallende in de bepaalde straf der Lex Memnonia, insgelijks Lex
+Rhemnia genoemd, waarop zich Cicero beroept in zijn oratio In Verrem.
+Ik zou echter van oordeel zijn geweest, mijnheer Waverley, dat gij,
+alvorens u tot eenigen bijzonderen dienst van den Prins te bepalen,
+hadt kunnen onderzoeken, welken rang de baron van Bradwardine daar
+bekleedde, en of hij zich niet bijzonder gelukkig zou geacht hebben,
+zich van uwe hulp te mogen bedienen in het regiment, paardenvolk, dat
+hij voornemens is te werven.”
+
+Eduard ontdook dit verwijt, door zich op de noodzakelijkheid te
+beroepen, van onmiddellijk op ’s Prinsen voorslag te antwoorden, en op
+de onzekerheid waarin hij op dat oogenblik verkeerde, of zijn vriend de
+Baron bij het leger, of elders met eenigen dienst belast was.
+
+Nadat deze kleine kibbelpartij dus was bijgelegd, vroeg Waverley naar
+Freule Bradwardine, en vernam dat zij met Flora Mac-Ivor te Edinburgh
+gekomen was, onder bescherming van een afdeeling van Fergus’
+manschappen. Deze stap was inderdaad noodzakelijk geweest; want
+Tully-Veolan was een zeer onaangename, en zelfs gevaarlijke
+verblijfplaats geworden voor een jonge dame zonder bescherming, daar de
+plaats in de nabijheid der Hooglanden, en insgelijks bij een of twee
+groote dorpen gelegen was, die, zoo wel uit afkeer van de Catherans,
+als uit ijver voor het Presbyterianisme, zich hadden verklaard voor het
+Bewind, terwijl ze onregelmatige korpsen van partijgangers vormden,
+welke gedurig schermutselingen hadden met de bergbewoners, en soms de
+huizen der Jacobietische landbezitters aanvielen.
+
+„Ik wenschte u voor te stellen,” zeide de Baron, „naar mijn kwartier in
+the Luckenbooth [129] te wandelen, en in het voorbijgaan de High-street
+[130] te bezien, welke, ongetwijfeld, veel schooner is dan eenige
+straat, hetzij in Londen of in Parijs. Maar Rose, het arme kind, is
+vreeselijk beangst voor het vuren van het kasteel, ofschoon ik haar uit
+Blondel en Coehoorn bewezen heb, dat een kogel deze gebouwen onmogelijk
+bereiken kan; en bovendien heb ik van Zijn Koninklijke Hoogheid in
+last, om naar het kamp of de legerplaats onzer armee te gaan, om te
+zorgen voor het conclamare vasa – dat wil zeggen, te maken dat de
+manschappen hun pak en zak opbinden voor den marsch van morgen.”
+
+„Dat zal voor de meesten onzer gemakkelijk te doen zijn,” zei Fergus
+Mac-Ivor lachend.
+
+„Met uw verlof, kolonel Mac-Ivor, niet zoo gemakkelijk als ge schijnt
+te denken. Ik geloof gaarne, dat uw volk de Hooglanden verliet, ontdaan
+van allen last der bagage; maar het is niet te zeggen, welk een menigte
+nuttelooze prullen zij op hun marsch hebben verzameld. Ik zag een uwer
+knapen – ik vraag u nogmaals verschooning! – met een spiegel op den
+rug.”
+
+„Ja, ja,” zeide Fergus, vroolijk gestemd, „en als ge hem gevraagd hadt,
+zou hij u geantwoord hebben: „een vliegende kraai vindt altijd wat.” –
+Maar komaan, waarde Baron, ge weet even goed als ik, dat een honderdtal
+Uhlanen of een kompagnie Pandoeren meer spels in een land zouden maken,
+dan deze ridder van den spiegel en al onze clans bij elkaâr.”
+
+„Dat is ook zeer waar, Kolonel,” zeide de Baron; „ze zijn, gelijk een
+Heidensch schrijver zegt, „ferociores in aspectu, mitiores in actu; van
+een vreeselijk en grimmig voorkomen, maar beter in hun gedrag, dan hun
+voorkomen of gelaat zou doen denken. – Maar, ik sta hier, met u, jonge
+borsten, te praten, terwijl ik in ’s Konings park moest zijn.”
+
+„Maar wilt ge,” zeide Fergus, „bij uwe terugkomst met Waverley en mij
+het middagmaal gebruiken? Ik verzeker u, Baron, dat, ofschoon ik leven
+kan als een Hooglander, waar de nood het vordert, ik mijn Parijsche
+opvoeding niet vergeten ben, en houd van la meilleure chère.”
+
+„En wie drommel twijfelt daaraan,” viel de Baron lachend uit, „wanneer
+gijlieden alleen de kookkunst medebrengt, en de goede stad de
+bouwstoffen moet leveren? – Wel, ik heb het een en ander te doen in de
+stad – maar, ik zal te drie ure bij u wezen, als het middagmaal zoo
+lang wachten kan.”
+
+Dit zeggende, nam hij afscheid van zijn vrienden, en ging den last
+volvoeren, die hem opgedragen was.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN SOLDATEN MAALTIJD.
+
+
+Jaap van de Naald was een man van zijn woord, wanneer de sterke drank
+er buiten bleef; en Callum Beg, die zich nog bij Waverley als in schuld
+beschouwde, omdat deze geweigerd had vergoeding aan te nemen, ten koste
+van den kastelein uit de Kandelaar, nam deze gelegenheid waar, om de
+verplichting af te doen, door de wacht te houden over den erfelijken
+kleedermaker van den stam Ivor, en „zat hem,” gelijk hij zich
+uitdrukte, „dicht op de huid, tot hij het pak af had.” Om zich van
+dezen dwang te ontslaan, vloog Shemus’ naald door de stof met de
+snelheid van den bliksem; en daar de kunstenaar niet ophield de eene of
+andere vreeselijke schermutseling van Fin Macoul [131] te bezingen, zoo
+deed hij ten minste drie steken bij den dood van elken held. De
+kleeding was dus spoedig gereed; want het korte vest paste, en het
+overige van de uitrusting vorderde weinig moeite.
+
+Toen onze held met fierheid het gewaad van den ouden Gael aantrok, dat
+wel geschikt was om een voorkomen van stoutheid aan een gestalte te
+geven, die, hoezeer rank en welgemaakt, eer sierlijk dan krachtig was,
+zullen mijn lezers hem, naar ik hoop, het wel willen vergeven, indien
+bij zich meer dan eens in den spiegel bekeek, en niet kon nalaten te
+erkennen, dat het beeld dat van een knap jong mensch was. In waarheid,
+hier was geen verbloemen aan. Zijn lichtbruin haar – want hij droeg
+geen pruik, al was dit in dien tijd de algemeene mode – paste bij de
+muts, die het dekte. Zijn gestalte verried vastheid en vlugheid,
+waaraan de breede plooien van den tartan iets waardigs gaven. Zijn
+blauw oog scheen van die soort,
+
+
+ „Die smelten in liefde, en die vonklen in den strijd,”
+
+
+en een schijn van bedeesdheid, die werkelijk niets anders was dan het
+gevolg van zijn weinigen omgang met de menschen, verleende iets
+belangwekkends aan zijn trekken, zonder de bevalligheid of de
+schranderheid, welke ze kenmerkten, te schaden. „Hij is een mooi man –
+een heel mooi man,” zeide Evan Dhu (nu vaandrig Maccombich) tot Fergus’
+knappe gastvrouw.
+
+„Hij is heel wel,” zeide de weduwe Flockhart, „maar op verre na zoo
+mooi niet als uw kolonel, vaandrig.”
+
+„Ik wilde hem niet vergelijken,” zeide Evan, „ook sprak ik niet van
+zijn bijzondere schoonheid, maar alleen, dat mijnheer Waverley er
+netjes en vlug uitziet, en als een borst, die zich niet op de teenen
+zal laten trappen. En inderdaad, hij is vlug genoeg met sabel en
+schild. Ik heb zelf eens met hem geschermd te Glennaquoich, en ook Vich
+Ian Vohr dikwijls, op een Zondag namiddag.”
+
+„God vergeve het u, vaandrig Maccombich! Ik ben er zeker van, dat de
+kolonel nooit zoo iets gedaan heeft.”
+
+„Hola! hola! vrouw Flockhart; wij hebben jong bloed, moet ge weten; en
+jonge heiligen, oude duivels!”
+
+„Maar gaat ge morgen vechten tegen Sir John Cope, vaandrig Maccombich?”
+vroeg vrouw Flockhart aan haar gast.
+
+„Wis en zeker, dat beloof ik hem, namelijk als hij ons wachten durft,
+vrouw Flockhart.”
+
+„En zult ge aan die verschrikkelijke wezens, de dragonders, het hoofd
+bieden, vaandrig Maccombich?” vroeg de waardin op nieuw.
+
+„Klauw om klauw, zoo als Conan tegen den Satan zei, vrouw Flockhart en
+de duivel hale den kortsten!”
+
+„En zal de Kolonel zich in het gedrang der bajonetten wagen?”
+
+„Daar kan ik een eed op doen, vrouw Flockhart; hij zal, bij Sint
+Pieter, de voorste zijn.”
+
+„Barmhartige goedheid!” riep de weduwe diep getroffen uit, „en als hij
+vermoord wordt door de roodrokken!”
+
+„Zoo dat gebeurde, vrouw Flockhart, dan ken ik er een, die hem niet
+overleven zal om hem te beschreien. Maar laat ons ten minste vandaag
+nog leven en ons middagmaal gebruiken; en zie daar is Vich Ian Vohr,
+met den heer Waverley, die eindelijk zijn bekomst er van heeft om ginds
+voor den grooten spiegel te draaien, en die oude leelijke kerel, de
+baron Bradwardine, die den jongen Ronald van Ballenkeiroch dood schoot,
+op de hielen gevolgd door dat wonderlijke stuk van een mensch, dien ze
+Mackwheeble noemen, de heer van Kittlegabs, de Fransche kok met zijn
+hond, die het spit draait, achter hem drentelende; en ik heb honger als
+een wolf, mijn goede weduw; dus zeg aan Kaat, dat zij de soep opdraagt
+en zet de pinners [132] op; want gij weet, Vich Ian Vohr zal niet gaan
+zitten, voordat gij aan het hoofd van de tafel plaats hebt genomen, –
+en vergeet het fleschje brandewijn niet, hoor wijfje!”
+
+Op dezen wenk werd het middagmaal op tafel gezet. Vrouw Flockhart, die
+van uit haar weduwkap, als de zon door den nevel glimlachte, plaatste
+zich aan het hoofd van de tafel, terwijl zij misschien bij zichzelve
+naging, hoe weinig zij er zich over bekommerde, of de opstand ook lang
+duurde, die haar in een gezelschap bracht, hetwelk zoo ver boven haar
+gewonen vriendenkring verheven was. Zij had Waverley en den Baron naast
+zich, terwijl zij het genoegen smaakte van het Opperhoofd tegenover
+zich te zien. De man des vredes en van den oorlog, de rentmeester
+Mackwheeble en vaandrig Maccombich, namen, na een aantal buigingen voor
+hunne meerderen en tegen elkander, plaats, ieder aan een zijde van het
+Opperhoofd. Tijd, plaats en omstandigheden in aanmerking genomen, was
+hun onthaal uitnemend, en Fergus bij uitstek opgeruimd. Zich om geen
+gevaar bekreunende, en luchthartig van aard, opgewonden door jeugd en
+eerzucht, zag hij in zijne verbeelding al zijne verwachtingen door het
+geluk bekroond, en liet hij zich in ’t geheel niet storen door den kans
+op een krijgsmansdood. De Baron verontschuldigde zich met een paar
+woorden dat hij Mackwheeble had meêgebracht. „Zij hadden ons onledig
+gehouden,” zeide hij, „met de zorgen voor de uitgaven van den oorlog.
+En op mijn woord,” zei de oude man, „daar ik denk dat dit wel mijn
+laatste veldtocht zal zijn, zoo eindig ik juist waar ik begonnen ben. –
+Ik heb het altijd moeielijker gevonden aan „de zenuwen van den oorlog”
+te komen, gelijk een geleerd schrijver de caisse militaire noemt, dan
+bij het vleesch „het bloed of de beenderen.””
+
+„Hoe!” riep Fergus, „ge hebt het eenige korps ruiterij opgericht dat
+van beteekenis voor ons is; en hebt gij niets van de louis d’or uit de
+Doutelle [133] gekregen om u te ondersteunen?”
+
+„Neen, Glennaquoich; knapper lui zijn mij voor geweest.”
+
+„Dat is inderdaad schande,” zei de Hooglander; „maar ge zult met mij
+deelen wat van den mij verleenden onderstand over is. Het zal u van
+nacht eene angstige gedachte besparen, en morgen op hetzelfde
+neêrkomen, want op de een of andere wijze, zullen wij allen, eer de zon
+ondergaat, bezorgd zijn.” Waverley deed, sterk kleurende, maar met den
+grootsten ernst, hetzelfde aanbod.
+
+„Ik dank u beiden, beste jongens,” antwoordde de baron, „maar ik wil
+geen inbreuk maken op uw peculium. Mackwheeble heeft de vereischte som
+verschaft.”
+
+Hier draaide de rentmeester onrustig op zijn stoel, en scheen alles
+behalve op zijn gemak. Ten laatste, na verscheiden malen gekucht te
+hebben en na telkens herhaalde betuigingen van zijne toewijding aan
+zijns heeren dienst, bij nacht of bij dag, levend of dood, begon hij te
+kennen te geven: „dat de bankiers hun gereed geld in het kasteel hadden
+geborgen; dat, zonder twijfel, Sandie Goldie, de zilversmid, veel voor
+mijnheer den Baron doen zou, maar dat er niet veel tijd was om de
+waarborgsakten in orde te krijgen, en zeker, zoo Glennaquoich, of
+mijnheer Waverley het schikken konden, –”
+
+„Laat mij van zoodanigen onzin niet meer hooren, Mijnheer,” riep de
+Baron, op een toon, die Mackwheeble deed verstommen, „maar handel,
+gelijk wij voor den eten zijn afgesproken, zoo ge in mijne dienst
+wenscht te blijven.”
+
+Op dat stellige bevel waagde de rentmeester, ofschoon hij een gevoel
+had, alsof hij veroordeeld was om het bloed uit zijn eigene aderen in
+die van den Baron te doen overstorten, het niet een enkel woord meer
+uit te brengen. Maar na nog een poos op zijn stoel heen en weer te
+hebben geschoven, wendde hij zich tot Glennaquoich, en zeide hem, dat,
+zoo deze meer baargeld had, dan hem in het veld te pas kwam, hij het
+tegenwoordig voor hem kon uitzetten, in veilige handen en met groot
+voordeel.
+
+Op dit voorstel schoot Fergus in een hartelijken lach, en antwoordde,
+toen hij weêr bij adem gekomen was: „Hartelijk dank, maar ge moet weten
+dat het onder ons, krijgslieden, een gewoon gebruik is; onze hospita
+tot onzen bankier te maken. Hier, vrouw Flockhart,” vervolgde bij,
+terwijl hij vier of vijf groote stukken uit een welgevulde beurs nam,
+en de beurs zelve, met den overigen inhoud, in haar schoot wierp, „dit
+zal voor mij voldoende zijn; neem gij de rest; wees mijn bankier, zoo
+ik leef; en mijn executeur, zoo ik sterf; maar draag zorg iets aan de
+Hooglandsche Cailliachs [134] te geven, die het coronach voor den
+laatsten Vich Ian Vohr het hardst zullen uitgalmen.”
+
+„Dit is het testamentum militare,” zei de Baron, „hetwelk onder de
+Romeinen als een privilegie van mondelinge testamenten gold.” Maar het
+weeke hart van vrouw Flockhart smolt in haar binnenste, bij deze taal
+van het Opperhoofd; zij trok een bedroefd gezicht, en weigerde stellig
+het haar opgedragene te aanvaarden, zoodat Fergus verplicht was het
+terug te nemen.
+
+„Welnu,” zei het Opperhoofd, „dan zal het, zoo ik sneuvel, den
+grenadier ten deel vallen, die mij de hersens inslaat, en ik zal zorgen
+dat hij het niet gemakkelijk verdient.”
+
+Mackwheeble was weder in verzoeking om een woord mede te spreken; want
+waar het de kas gold, was het hem onmogelijk te zwijgen.
+
+„Misschien zou het beter zijn dat hij het goud aan freule Mac-Ivor
+bracht, in geval van dood of eenige andere gebeurtenis. Men zou den
+vorm kunnen bezigen van een geschenk mortis causa, ten behoeve van de
+jonge dame; en het zou maar een pennestreek kosten, om het in orde te
+brengen.”
+
+„De jonge dame,” zeide Fergus, „zou, indien zoo iets gebeurde, wel aan
+andere zaken te denken hebben, dan aan deze ellendige louis d’or.”
+
+„Gij hebt volmaakt gelijk; – daar valt niets tegen in te brengen; maar
+Mijnheer weet wel, dat de zware rouw....”
+
+„Door de meeste lieden beter te dragen is, dan een hongerige maag, niet
+waar, rentmeester, niet waar? Ik geloof zelfs dat er menschen zijn, die
+door zulk eene wijze overweging getroost zouden worden over het verlies
+van hunne geheele familie. Maar er is een rouw die honger noch dorst
+kent, en de arme Flora....” Hier zweeg hij, en het gansche gezelschap
+deelde in zijne ontroering.
+
+De gedachten van den Baron bepaalden zich natuurlijk tot den
+onbeschermden toestand van zijne dochter, en een zware traan welde in
+het oog van den grijsaard. „Zoo ik kom te vallen, Mackwheeble, gij hebt
+al mijn papieren, en weet al mijn zaken; wees rechtvaardig omtrent
+Rose.”
+
+De rentmeester was, in elk geval een mensch – van aardsche stof zoo als
+ieder ander – zeker voor het grootste gedeelte modder en slijk, maar
+hij bezat toch eenig gevoel voor billijkheid en, vooral wanneer het den
+Baron of zijne jonge meesteres gold. Hij hief dus een luiden
+jammerkreet aan. „Als die vreeselijke dag komen mocht, zou, zoo lang
+Duncan Mackwheeble een stuiver had, die aan freule Rose toebehooren.
+Hij wilde kopieërwerk doen voor een stuiver het blad, eer zij weten zou
+wat gebrek was; zoo inderdaad de schoone baronie van Bradwardine en
+Tully-Veolan, met zijne huizing en opslag (hij hield vol, bij iedere
+pauze, met snikken en schreien), hofstede, tuinen, veenen en gronden –
+buitenweiden, velden, boomgaarden, duivenhokken – met de rechten van
+net- en fleurvisscherij in het meer en water van Veolan – tienden,
+patroonschap enz. – annexis et connexis rechten van weide, turf,
+manschap en aanhoorigheden, hoedanig ook – (hier nam hij toevlucht tot
+het einde van zijn langen das, om zijne oogen af te droogen, daar zij,
+in spijt van hemzelven, overliepen bij de gedachten, welke deze
+brabbeltaal van kunsttermen te voorschijn riep) – alles breeder
+beschreven in de oorspronkelijke bewijsstukken en titels derzelve – en
+gelegen binnen de parochie van Bradwardine in het graafschap Perth –
+zoo deze, als voorzeid, moeten overgaan van mijns meesters kind op
+Inch-Grabbit, die een Whig is en een Hannoveraan, en bestuurd moet
+worden door zijn agent, Jamie Howie, die niet in staat is om
+veldwachter [135], laat staan om rentmeester te wezen.”
+
+Het begin dezer weeklacht had inderdaad iets aandoenlijks; maar het
+einde maakte het onmogelijk om niet in lachen uit te barsten. „Geen
+nood, Mackwheeble,” zei vaandrig Maccombich, „want de goede oude tijden
+van rukken en plukken zijn terug gekomen, en Sneckus MacSnackus, (hij
+wilde waarschijnlijk annexis connexis zeggen) en de rest uwer vrienden
+zullen plaats moeten maken voor den langsten degen.”
+
+„En die degen zal de onze zijn, rentmeester,” zeide het Opperhoofd, die
+wel zag dat Mackwheeble, bij deze kennisgeving, niet weinig verbleekte.
+
+
+ Wij geven hun graag onzer bergen metaal,
+ Lillibulero, bullen a la.
+ En in plaats van met munt doen wij af met het staal.
+ Lero, lero, enz.
+ Weldra zien we onzen kerfstok zoo effen als ooit,
+ Lillibulero, enz.
+ Want wie dùs is betaald vraagt, om afdoening nooit.
+ Lero, lero, enz. [136]
+
+
+„Maar kom, rentmeester, wees niet neerslachtig; drink uw wijn in rust;
+de Baron zal behouden en overwinnend op Tully-Veolan terugkeeren, en
+Killancureits landerijen met zijn eigen vereenigen, omdat de laffe,
+halfbakken knaap niet, als een braaf man, voor den Prins wil te velde
+trekken.”
+
+„’t Is waar, de goederen grenzen aan elkaar,” zeide de rentmeester,
+terwijl hij zijn oog afveegde, „en behooren natuurlijk onder éen
+bestuur.”
+
+„En ik,” ging het Opperhoofd voort, „zal ook voor mij zelven zorgen;
+want ge moet weten, dat ik hier een goed werk heb te verrichten, om
+vrouw Flockhart in den schoot der Katholieke Kerk te brengen, of ten
+minste halfweg, dat wil zeggen, tot aan uwe Episcopale vergaderzaal. O
+Baron! zoo ge haar schoone altstem hoordet, Kaatje en Matje des morgens
+aansporend, gij, die muziek verstaat, zoudt schrikken op het denkbeeld,
+van haar bij het psalmgezang van Haddo’s Hol [137] te hooren gillen.”
+
+„De Hemel vergeve het u, kolonel, is dat doordraven! Maar ik hoop, dat
+de heeren thee zullen drinken, alvorens naar het paleis te gaan, en ik
+zal ze voor u zetten.”
+
+Dit zeggende, liet vrouw Flockhart hen aan hunne eigene gesprekken
+over, die, gelijk men veronderstellen mag, hoofdzakelijk over de
+aanstaande gebeurtenissen van den veldtocht liepen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+HET BAL.
+
+
+Vaandrig Maccombich vertrok naar het Hooglandsche kamp, werwaarts zijn
+plicht hem riep; de rentmeester Mackwheeble verwijderde zich, om zijn
+middagmaal te verteeren en als het kon ook Evan Dhu’s bedreiging van
+toepassing der krijgswet, in een of andere afgelegen kroeg, terwijl
+Waverley, de Baron en het Opperhoofd zich naar Holyrood-House begaven.
+De beide laatsten waren in een alleropgeruimdste stemming, en de Baron,
+op zijn wijze, plaagde onzen held over zijn uiterlijk, hetwelk de
+nieuwe kleeding zoo voordeelig deed uitkomen. „Als gij een of ander
+plan hebt tegen het hart van een aardig Schotsch meisje, zou ik u
+raden, als gij aanzoek bij haar doet, aan de woorden van Virgilius te
+denken:
+
+
+ Nunc insanus amor duri me Martis in armis,
+ Tela inter media atque adversos detinet hostes.
+
+
+welke verzen Robertson van Struan, Opperhoofd van den clan Donnochy. –
+tenzij de aanspraak daarop door Lude gemaakt de voorkeur moet hebben –
+heel sierlijk vertaald heeft.”
+
+„Luister liever naar mijn lied,” zeide Fergus.
+
+
+ „Zij was niet gesteld op een Engelsch heer,
+ Een Engelsche dame ook en wou ze niet wezen,
+ Maar onder den plaid van Duncan Grame,
+ Dien zij er zich uit had gelezen,
+ Vertrok zij, en scheen niets te vreezen.”
+
+
+Thans bereikten zij het paleis van Holyrood, en werden, toen ze de
+vertrekken binnentraden, een voor een aangediend.
+
+Het is maar al te wel bekend, hoe vele heeren van rang, opvoeding en
+fortuin, deel namen aan de noodlottige en wanhopige onderneming van
+1745. Desgelijks kozen ook de Schotsche dames zeer algemeen de partij
+van den beminnelijken en schoonen jongen Prins, die zich in de armen
+zijner deelnemende landslieden wierp, meer als een romanheld, dan als
+een wijze staatsman. Het is dus niet te verwonderen, dat Eduard, die
+het grootste gedeelte van zijn leven in de stille en statige
+afzondering van Waverley-Honour had doorgebracht, verblind werd door de
+levendigheid en de bevallige pracht van het tooneel, hetwelk de lang
+verlatene zalen van het Schotsche paleis thans opleverden. De bijzaken,
+het is waar, misten den noodigen luister, wegens de kortheid en de
+onrust van den tijd; maar dit belette niet, dat de algemeene indruk
+treffend was en zelfs schitterend mocht genoemd worden door den rang,
+dien het daar verzamelde gezelschap bekleedde.
+
+Het duurde niet lang, of des minnaars oog ontdekte het voorwerp zijner
+liefde. Flora Mac-Ivor was juist bezig naar hare plaats terug te
+keeren, dicht aan het boveneinde van de zaal, met Rose Bradwardine aan
+haar zijde. In weerwil van het talrijke en luisterrijke gezelschap,
+hadden zij bijna de algemeene aandacht getrokken, daar ze ongetwijfeld
+twee van de schoonste der aanwezige vrouwen waren. De Prins maakte veel
+werk van beiden, bijzonder van Flora, met wie hij danste: een voorkeur,
+die zij waarschijnlijk aan haar buitenlandsche opvoeding en vaardigheid
+in de Fransche en Italiaansche talen te danken had.
+
+Toen het algemeene gewoel, dat het einde van een dans gewoonlijk
+vergezelt, het toeliet, volgde Eduard, bijna werktuiglijk, Fergus naar
+de plaats, waar Flora gezeten was. De hoop, waarmede hij zijn
+genegenheid gedurende de afwezigheid van het beminde voorwerp had
+gevoed, scheen in hare tegenwoordigheid te verdwijnen, en gelijk
+iemand, die zich inspant om zich de bijzonderheden van een vergeten
+droom te herinneren, zou hij op dat oogenblik alles ter wereld gegeven
+hebben, om in het geheugen de gronden terug te roepen, waarop hij
+verwachtingen had gebouwd, die nu zoo ijdel en nietig schenen. Hij
+volgde Fergus met nedergeslagen oogen, gonzende ooren en het gevoel van
+een misdadiger, die, terwijl hij langzaam door de menigte henentreedt,
+welke vergaderd is om de voltrekking van zijn vonnis te zien, geen
+duidelijke bewustheid heeft, noch van het geraas dat zijn ooren treft,
+noch van het rumoer der menigte, waarover hij zijn verwilderde oogen
+laat rondwaren.
+
+Flora scheen een weinigje – een klein weinigje – getroffen en ontroerd
+bij zijn nadering. „Ik breng u een aangenomen zoon van Ivor,” zeide
+Fergus.
+
+„En ik ontvang hem als een tweeden broeder,” antwoorde Flora.
+
+Er lag een ligte nadruk op het woord, die ieder oor zou ontgaan zijn,
+uitgenomen dat, hetwelk door koortsige vrees overmeesterd was. De toon
+was echter bepaald aangegeven en volkomen in overeenstemming met haar
+houding, en gaf blijkbaar te kennen: „Ik zal nooit aan den heer
+Waverley denken in eenige andere betrekking.” Eduard verstomde, boog en
+zag naar Fergus, die zich op de lippen beet, – een beweging van toorn,
+die bewees, dat hij insgelijks een ongunstige verklaring gaf aan de
+wijze, waarop zijn zuster zijn vriend had ontvangen. „Ziedaar dan het
+einde van mijn wakenden droom!” Dit was Waverleys eerste gedachte, en
+ze was zoo bij uitstek pijnlijk, dat ze hem voor een oogenblik
+doodsbleek maakte.
+
+„Genadige Hemel!” riep Rose Bradwardine, „hij is nog niet hersteld!”
+
+Deze woorden, welke ze met groote aandoening uitte, werden door den
+Prins zelven gehoord, die haastig vooruit trad, en, Waverley bij de
+hand vattende, vriendelijk naar zijn welstand vernam, en er bijvoegde
+dat hij hem wenschte te spreken. Door een krachtige en plotselinge
+inspanning die de omstandigheden noodzakelijk maakten, werd Waverley
+zichzelven in zoo verre meester, dat hij den Prins zwijgend kon volgen
+naar een afgelegen hoek van het vertrek.
+
+Hier hield de Prins hem eenigen tijd op, terwijl hij een aantal vragen
+tot hem richtte over de groote Tory- en Katholieke familiën in
+Engeland, haar betrekkingen, haar invloed en haar gehechtheid aan het
+huis van Stuart. Op deze vragen had Eduard ten allen tijde niet anders
+dan algemeene antwoorden kunnen geven; en men kan gemakkelijk nagaan
+dat, in zijn tegenwoordige gemoedsgesteldheid, deze berichten tot
+verwardheid toe onnauwkeurig waren. De Prins glimlachte een paar malen
+over zijn ongerijmde antwoorden, maar zette hetzelfde onderhoud voort,
+ofschoon hij zich gedwongen vond zelf de voornaamste rol op zich te
+nemen, tot op het oogenblik waarin hij bespeurde, dat Waverley zijn
+tegenwoordigheid van geest had herwonnen. Het is waarschijnlijk dat
+deze lange audiëntie gedeeltelijk ten doel had om de meening te
+versterken, welke de Prins zoo vurig verlangde onder zijn aanhangers te
+zien bevorderd, dat Waverley iemand was van grooten staatkundigen
+invloed. Maar het bleek uit hetgeen hij later zeide, dat hij nog een
+andere beweegreden gehad had, om dit gesprek te rekken, een geheel
+verschillende reden, en wel een die van toegenegenheid vóor en
+belangstelling in onzen held getuigde. „Ik kan de verzoeking niet
+weêrstaan,” zeide hij, „om op mijn voorzichtigheid te roemen, als de
+vertrouwde van een schoone dame. Gij ziet, mijnheer Waverley, dat ik
+alles weet, en ik verzeker u, dat ik levendig belang stel in deze zaak.
+Maar, mijn beste jonge vriend, ge moet uw gevoelens beter weten te
+beteugelen. Er zijn hier een aantal lieden, wier oogen even helder zien
+als de mijne, maar op wier voorzichtigheid en stilzwijgendheid men niet
+zoo goed vertrouwen kan.”
+
+Dit zeggende, keerde hij zich zonder gemaaktheid naar elders, terwijl
+hij Waverley achterliet om over zijn laatste woorden na te denken. Zoo
+deze woorden voor hem niet geheel verstaanbaar waren, waren ze toch
+voldoende om hem het noodzakelijke der hem aanbevolen voorzichtigheid
+te doen inzien, en terwijl hij dus een poging deed, om zich de
+belangstelling waardig te toonen, welke zijn nieuwe meester voor hem
+aan den dag had gelegd, door oogenblikkelijk diens wenk te gehoorzamen,
+wandelde hij op naar de plaats, waar Flora en Freule Bradwardine nog
+gezeten waren, en na de laatste gegroet te hebben, slaagde hij boven
+zijn verwachting er in om over onverschillige zaken met beide in
+gesprek te komen.
+
+Zoo gij, waarde lezer, ooit in het geval geweest zijt om postpaarden te
+nemen te ***, of te ****, (een van welke blancos, of waarschijnlijk
+alle twee, ge wel in staat zult zijn met een of ander poststation in
+uwe nabuurschap in te vullen) dan moet gij, en waarschijnlijk met
+deelnemende smart, den pijnlijken angst hebben opgemerkt, waarmede de
+arme dieren hunne geschaafde halsen in de hamen van het tuig steken.
+Maar, wanneer de onweêrstaanbare aandrang van den postiljon hen
+gedwongen heeft een halfuurtje af te leggen, zullen ze verhard worden
+tegen dat gevoel, en „warm in het tuig geworden”, gelijk genoemde
+postiljon zich zal uitdrukken, zullen ze voortdraven, als of hunne
+schoften gaaf en onbezeerd waren. Deze vergelijking past zoo volkomen
+op den toestand van Waverleys gewaarwordingen, in den loop van dezen
+merkwaardigen avond, dat ik haar de voorkeur geef (en dat te meer,
+dewijl zij, naar ik vertrouw, geheel oorspronkelijk is) boven iedere
+schitterende opheldering, die Byshe’s „Kunst der Poëzy” mij zou kunnen
+opleveren.
+
+Inspanning vindt, even als de deugd, hare belooning in zichzelve; en
+onze held had bovendien nog andere beweegredenen, om een gemaakte
+bedaardheid en onverschilligheid omtrent Flora’s onvriendelijk gedrag
+aan den dag te blijven leggen. De hoogmoed kwam hem spoedig te hulp,
+door op de wonden van zijn hart zijn bijtend maar heilzaam geneesmiddel
+aan te wenden. Kon of mocht hij, onderscheiden door de gunst van een
+Prins; bestemd, gelijk hij reden had te hopen, om een aanzienlijke rol
+te spelen in de omwenteling, welke een machtig koningrijk wachtte;
+waarschijnlijk uitmuntende in kundigheden boven, en ten minste gelijk
+staande in persoonlijke hoedanigheden met de meeste edele en
+aanzienlijke personen, waaronder hij zich thans bevond, jong, rijk en
+hoog geboren; kon, of mocht hij (zeggen wij) kwijnen onder de
+minachtende blikken eener grillige schoone?
+
+
+ „O nimf, zoo onbuigzaam en koud als graniet;
+ Mijn hart is zoo trotsch als het uwe.”
+
+
+De in deze regels uitgedrukte gewaarwordingen die toenmaals echter nog
+niet geschreven waren [138] brachten Waverley er toe om al zijne
+pogingen aan te wenden, ten einde Flora te doen gevoelen, dat hij er de
+man niet naar was zich door een afwijzing te laten ter nederslaan,
+waarbij zijn ijdelheid hem influisterde, dat hare uitzichten er niet
+minder onder leden, dan de zijne. En om deze verandering in zijn
+gevoelens te versterken, kwam hem de stille en door hemzelven niet
+erkende hoop te hulp, dat zij er toe mocht komen om zijn genegenheid op
+hooger prijs te stellen, wanneer zij niet meer van meening was dat het
+altijd in hare macht stond die aan te moedigen, of af te wijzen. Er was
+ook een geheimzinnige soort van bemoediging in des Prinsen woorden,
+ofschoon hij vreesde dat ze alleen betrekking hadden op Fergus’
+wenschen, wat eene vereeniging tusschen hem en zijn zuster betrof. Maar
+de omstandigheden, de tijd, de plaats, alles liep samen om tegelijk
+zijn verbeelding op te wekken, en een manhaftige en standvastige
+houding van hem te vorderen, terwijl hij het aan het noodlot overliet
+om de uitkomst te regelen. Daarenboven, als hij alléén droevig en
+ontmoedigd scheen op den avond voor een veldslag, welke wapenen zou hij
+dan niet verschaffen aan den laster, die zich reeds maar al te zeer met
+zijn goeden naam had bemoeid! „Neen, neen,” zeide hij tot zichzelven,
+„ik zal hier mijn vijanden, wier haat door mij nooit is uitgelokt, geen
+gelegenheid geven, om zulk een voordeel boven mij te verkrijgen.”
+
+Toegevende aan den invloed dezer gemengde aandoeningen, en nu en dan
+aangemoedigd door een lachje van verstandhouding en goedkeuring, zoo
+vaak de Prins de groep voorbijkwam, riep Waverley al zijn luim,
+levendigheid en welsprekendheid te hulp, en verwierf zich de algemeene
+bewondering van het gezelschap. Het onderhoud nam langzamerhand den
+toon aan, die het meest geschikt, was voor de ontwikkeling zijner
+talenten en kundigheden. De vroolijkheid van den avond werd eer
+verhoogd dan gestoord door de naderende gevaren van den volgenden dag.
+Alle zenuwen waren gespannen over de toekomst, en voorbereid om het
+tegenwoordige te genieten. Deze zielsgesteldheid is ten hoogste gunstig
+tot het oefenen der vermogens van de verbeelding, voor de poëzij, en
+voor die welsprekendheid, welke zoo nauw aan de poëzij verwant is.
+Waverley bezat, gelijk wij elders opmerkten, bij tijden een ongemeene
+welbespraaktheid; en bij deze gelegenheid deed hij meer dan eens de
+hoogere toonen des gevoels trillen, terwijl hij dan weder tot een wild
+spel van geestige aardigheden afdaalde. Hij werd ondersteund en
+opgewekt door bevriende geesten, die denzelfden prikkel van den tijd en
+de gemoedsstemming ondervonden, en zelfs zij, wier aard voor koud en
+berekenend gehouden werd, werden medegesleept door den stroom.
+Verscheidene dames weigerden deel te nemen aan den dans, al duurde deze
+nog steeds voort, en voegden zich, onder verschillende voorwendsels,
+bij het gezelschap, waaraan „de knappe jonge Engelschman” zich scheen
+verbonden te hebben. Hij werd aan een aantal lieden van den hoogsten
+rang voorgesteld, en zijn manieren, welke voor het oogenblik geheel
+vrij waren van de beschroomde stijfheid, waaronder ze bij mindere
+opwekking, leden, verwierven de algemeene goedkeuring.
+
+Flora Mac-Ivor scheen het eenige daar tegenwoordige vrouwelijk wezen te
+zijn, dat hem met een zekere mate van koelheid en terughouding
+beschouwde; doch ook zij kon een soort van bewondering niet
+onderdrukken bij het ontdekken van talenten, welke zij hem, in den loop
+hunner kennismaking, nooit zoo luisterrijk en gelukkig had zien
+ontwikkelen. Ik weet niet, of ze niet misschien een oogenblik spijt
+gevoelde een besluit genomen te hebben omtrent het aanzoek van een
+minnaar, die zoo uitstekend geschikt scheen een eerste plaats in de
+hoogste rangen der maatschappij te bekleeden. Zeker had ze tot hiertoe
+onder Eduards ongeneeselijke gebreken die mauvaise honte gerekend,
+waaraan ze, daar zij in de hoogste kringen aan een vreemd hof opgevoed,
+en weinig met de stijfheid der Engelsche zeden bekend was, het
+denkbeeld hechtte van een beschroomdheid, die zelfs in zwakheid
+ontaardde. Maar, zoo er een vluchtige wensch bij haar opkwam, dat
+Waverley zich altijd zoo beminnelijk en aantrekkelijk mocht hebben
+voorgedaan, was dit toch slechts de opwelling van een oogenblik; want
+er hadden zich, sedert ze elkander hadden gezien, omstandigheden
+opgedaan, welke, in haar oog, het besluit, dat ze omtrent zijn aanzoek
+genomen had, beslissend en onherroepelijk maakten.
+
+Door geheel tegenovergestelde gevoelens overmeesterd, luisterde Rose
+Bradwardine met geheel haar ziel naar hem. Zij gevoelde een heimelijke
+zegepraal, bij de algemeene schatting aan iemand betaald, wiens
+verdiensten ze maar al te vroeg en te hoog had leeren schatten. Zonder
+den minsten zweem van ijverzucht, zonder eenig gevoel van vrees, smart
+of twijfel, niet verontrust door een enkele baatzuchtige gedachte, gaf
+ze zich over aan het genot van de algemeene toejuiching waar te nemen.
+Als Waverley sprak, hoorde ze niet anders dan zijn stem; wanneer
+anderen antwoordden, vestigde haar oog zich nog op hem, om geen enkel
+zijner antwoorden te missen. Misschien was het geluk, dat ze in den
+loop van dien avond smaakte, hoewel voorbijgaand, en door veel gevolgd,
+in zijn aard het zuiverste en onbaatzuchtigste, dat de mensch in staat
+is te genieten.
+
+„Baron,” zeide de Prins, „ik zou mijne beminde in het gezelschap van uw
+jongen vriend niet vertrouwen. Hij is inderdaad, ofschoon wat romanesk,
+een der betooverendste jonge lieden, die ik ooit gezien heb.”
+
+„En op mijne eer, Prins,” zei de Baron, „onze vriend kan soms zoo dof
+zijn, als een zestiger, gelijk ik; indien Uwe Koninklijke Hoogheid hem
+had zien droomen en druilooren langs de heuvelen van Tully-Veolan, als
+een hypochonder, of, gelijk het in Burtons Anatomie heet, een
+Phreneticus of Lethargicus, zoudt gij u gewis verwonderen, van waar hij
+al deze fraaie praat en vroolijkheid en scherts zoo spoedig gehaald
+heeft.”
+
+„Het is waar,” zeide Fergus Mac-Ivor, „mij dunkt, het kan alleen de
+ingeving van de „tartans” zijn; want ofschoon Waverley altijd een man
+van eer is, heb ik hem tot nu toe meestal zeer verstrooid en
+onoplettend in gezelschap gevonden.”
+
+„Wij hebben dus nog te meer verplichting aan hem,” zei de Prins, „dat
+hij tot voor dezen avond hoedanigheden heeft verborgen gehouden, welke
+zelfs zijn gemeenzame vrienden niet in hem hebben kunnen ontdekken. –
+Maar, komt, heeren, de avond gaat voorbij en wij moeten bij tijds op de
+bezigheden van morgen bedacht zijn. Ieder zorge voor zijn gezelschap,
+en doe eer aan een klein feestmaal dat ik u aanbied.”
+
+Hij ging hen voor naar een andere reeks van vertrekken, en zette zich
+in den leuningstoel, onder een verhemelte, aan het hoofd eener lange
+rij van tafels, met een waardigheid en hoffelijkheid tevens, welke aan
+zijn hooge geboorte en grootsche bedoelingen volkomen betaamden.
+Nauwelijks was er een uur verloopen, of de muzikanten lieten het in
+Schotland zoo wel bekende sein tot vertrek hooren. [139]
+
+„Goeden nacht dan,” zeide de Prins, opstaande; „goeden nacht dan, en
+zij de vreugde met u allen! – Goeden nacht, schoone dames, die ten
+verjaagden en gebannen Prins zoo hoogelijk hebt vereerd. – Goeden
+nacht, mijn dappere vrienden. – Moge het geluk, dat wij heden avond
+genoten hebben, een voorteeken zijn van onze spoedige en zegevierende
+terugkomst in dit ons voorvaderlijk verblijf, en van vele, zeer vele
+vroolijke bijeenkomsten in het paleis van Holyrood!”
+
+Als de baron van Bradwardine later dit afscheidswoord van den Prins
+vermeldde, liet hij nooit na, op droefgeestigen toon, te herhalen:
+
+
+ „Audiit, et voti Phœbus succedere partem
+ Mente dedit; partem volucres dispersit in auras;”
+
+
+hetwelk, zoo als hij er bijvoegde, vrij goed is weêrgegeven:
+
+
+ Phœbus verhoorde goedgunstig de helft van dees bede, maar hevig
+ Floot hij in de andere helft en gaf ze den winden ten prijs.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE MARSCH.
+
+
+Het was laat toen Waverley naar huis terugkeerde, en de uitputting door
+de hartstochten die elkander in zijn hart bekampten, en door de
+ondervondene aandoeningen veroorzaakt, stortte hem in een diepen maar
+gezonden slaap. Zijn droomen brachten hem naar Glennaquoich, en in de
+zalen van Ian nan Chaistel, meende hij aan het feest, deel te nemen,
+dat zoo pas op Holyrood had plaats gehad. Ook het geluid der zakpijp
+hoorde hij duidelijk; en dit ten minste was geen bedrog; want „de
+trotsche stap van den voornaamsten pijper” van den clan Mac-Ivor deed
+zich op het plein, en wel voor de deur des verblijfs van zijn
+Opperhoofd hooren, en, gelijk vrouw Flockhart die blijkbaar geene
+vriendin van zijn muziek was, goedvond aan te merken, „deed de steenen
+uit den muur springen met zijn gegil.” Bij gevolg werd dat geluid
+spoedig sterk genoeg om Waverleys droom te verjagen, waarmede het zich
+eerst op een harmonische wijze had vereenigd.
+
+Het geluid van Callums voetstappen in zijn kamer, (want Mac-Ivor had
+Waverley wederom aan diens oppassing aanbevolen) was het tweede teeken
+tot het vertrek. „Wil Mijnheer,” zeide hij, „niet opstaan? Vich Ian
+Vohr en de Prins zijn reeds vertrokken naar het lange groene dal achter
+de buurt, die zij des Konings Park noemen [140], en er is een groote
+menigte volks op de been, dat eer het nacht wordt door andere beenen
+weggedragen zal worden.”
+
+Waverley sprong terstond op, en bracht, met Callums hulp, zijn
+Bergschotsche kleeding in behoorlijke orde. Callum berichtte hem
+tevens, dat de pakwagen een lederen en van een slot voorzien ding
+medegebracht had, dat op nieuw bij de bagaadje van Vich Ian Vohr en op
+diens wagen bezorgd was.
+
+Waverley begreep uit deze beschrijving dat Callum van zijn mantelzak
+sprak. Hij dacht terstond aan het geheimzinnige pakje van het meisje
+uit het dal, dat hem altijd scheen te ontgaan, juist als het binnen
+zijn bereik was. Maar het was thans geen tijd om zijn nieuwsgierigheid
+te voldoen; en na vrouw Flockharts beleefd aanbod van een morgengroet,
+dat is een morgenslok te hebben afgeslagen, hetgeen, uitgezonderd hij,
+wellicht geen enkel man in het leger van den Prins zou hebben
+afgewezen, nam hij afscheid en vertrok met Callum.
+
+„Callum,” zeide hij, terwijl ze over een modderig stuk land gingen, om
+de voorstad van Canongate te bereiken, „hoe zal ik aan een paard
+komen?”
+
+„Daar moet gij niet aan denken,” hernam Callum, „Vich Ian Vohr trekt te
+voet op aan het hoofd van zijn volk, (om niet te spreken van den Prins,
+die hetzelfde doet) met zijn schild op den schouder, en gij dient wel
+naast hem te gaan.”
+
+„Best, Callum! geef mij mijn schild. – Zoo, nu zijn wij klaar. – Hoe
+staat het mij?”
+
+„Als de brave Hooglander, die op het uithangbord voor de groote herberg
+van Luckie Middlemass staat uitgeschilderd,” antwoordde Callum,
+waarmede hij, zooals men begrijpen zal, een fraai compliment bedoelde;
+want, volgens zijn gevoelen, was het uithangbord van Luckie Middlemass
+een uitnemend kunststuk. Maar Waverley, die de volle kracht zijner
+beleefde vergelijking niet gevoelde, deed hem geene verdere vragen.
+
+Nadat zij de armoedige en vuile buitenwijken der hoofdstad
+doorgeworsteld, en in de open lucht gekomen waren, gevoelde Waverley
+zoowel zijn krachten als zijn moed verjongd; hij bepaalde zijne
+gedachten kalm bij de gebeurtenissen van den vorigen avond, en vestigde
+ze vol hoop en welberadenheid op die van den naderenden dag.
+
+Toen hij een kleine, steenachtige hoogte, St. Leonards heuvel geheeten,
+beklommen had, lag het Konings Park, of het dal hetwelk zich tusschen
+„Arthur’s zetel” en de helling, waarop het zuidelijk gedeelte van
+Edinburgh thans gebouwd is, aan zijn voeten, en leverde een vreemd en
+
+opwekkend tooneel op. Het was bezet door het leger der Hooglanders, die
+nu bezig waren met zich tot de marsch gereed te maken. Waverley had
+reeds iets van dezen aard gezien bij de jachtpartij, die hij met Fergus
+Mac-Ivor had bijgewoond, maar het tegenwoordige was op een veel grooter
+schaal, en oneindig belangrijker. De rotsen, die den achtergrond van
+dit tooneel uitmaakten, en de lucht zelve, weêrgalmden van den klank
+der doedelzakspelers waarvan ieder met zijn instrument, zijn opperhoofd
+en zijn clan tot den strijd opriep. De Bergschotten, die van hun leger
+onder den blooten hemel oprezen, met veel geraas en als een verwarde en
+ongeregelde menigte door elkaar krioelden even als bijen, die, in haar
+korven verontrust, zich tot den uitval voorbereiden, schenen al de
+vlugheid van geest en ligchaam te bezitten, die tot het uitvoeren van
+militaire bewegingen vereischt zijn. Wat zij deden, scheen zonder
+overleg en verward te zijn; maar zooveel orde en regelmatigheid
+ontstonden daaruit dat een veldheer de uitkomst moest geprezen hebben,
+al mocht een drilmeester ook lachen om de wijze, waarop men er toe
+geraakte.
+
+Deze ingewikkelde beweging, waardoor de verschillende clans weldra
+onder haar bijzondere banieren gerangschikt werden, om in marschorde te
+geraken, schonk op zichzelf een vroolijk en levendig schouwspel. Ze
+hadden geen tenten op te ruimen, daar ze algemeen, en bij voorkeur, in
+het open veld geslapen hadden, ofschoon het al laat in den herfst werd,
+en het des nachts nog al begon te vriezen [141]. Een tijd lang, en
+terwijl ze zich ordenden, zag men ieder oogenblik een golvende en
+verwarde beweging van vlottende en in den wind fladderende pluimen en
+banieren, die de trotsche leuze van Clanronald: „Ganion Coheriga” –
+(spreek tegen, wie durft!) „Loch-Sloy” het wachtwoord der Mac-Farlanes;
+– „Forth, fortune and fill the felters,” (Voorwaarts, fortuin, en vele
+gevangenen!) het motto van den Markies van Tullibardine; „Bydand,”
+(Ferm!) dat van Lord Lewis Gordon, en de leuzen en teekens van
+verscheidene andere opperhoofden en clans te lezen gaven.
+
+Eindelijk werd deze bonte en wemelende menigte tot eene smalle en
+dichte kolonne van groote lengte geschikt, die zich langs de geheele
+vallei uitstrekte. Aan het hoofd der kolonne woei de standaard uit van
+den Prins met een rood kruis op een wit veld en het motto „Tandem
+Triumphans.” [142] De weinige ruiterij, die voornamelijk uit
+Laaglandsche heeren, met hunne huisbedienden en meiers bestond, maakte
+de voorhoede van het leger uit, en hare vaandels, waarvan zij wat het
+aantal betreft overvloedig voorzien was, zag men aan den uitersten rand
+des gezichteinders wapperen. Verscheidene leden van dit korps, onder
+welke Waverley toevallig Balmawhapple, en zijn luitenant Jinker
+opmerkte, (welke laatste echter, met verscheidene anderen, volgens
+advies van den Baron van Bradwardine, teruggebracht was tot den stand
+van „overcomplete officieren” zooals hij hen noemde,) droegen bij tot
+de levendigheid, ofschoon geenszins tot het geregelde van het tooneel,
+daar ze met hunne paarden, zoo veel het gedrang dit maar toeliet,
+vooruitdraafden om hunne plaats bij de voorhoede in te nemen. De
+betooveringen der Circe’s uit de Hoogstraat, en de sterke drank,
+waarmede ze gedurende den nacht waren gelaafd, hadden waarschijnlijk
+deze helden wat langer binnen de muren van Edinburgh opgehouden, dan
+met hun plicht en dienst bestaanbaar was. Van zulke achterblijvers
+namen de voorzichtigsten den langsten en meest omloopenden, maar wel
+zoo vrijen weg, om hunne plaats, volgens de marschorde, te bereiken,
+door zich op een afstand te houden van het voetvolk, en zich een pad te
+banen door de tuinen ter rechterhand, waartoe ze slechts de moeite
+hadden te nemen om de losse steenen afscheidingen over te springen of
+neêr te rukken. Het onregelmatig opdagen en verdwijnen van deze kleine
+afdeelingen, zoo wel als de verwarring, te weeg gebracht door hen, die,
+schoon meestal vruchteloos, in weerwil van vloeken, verwenschingen en
+tegenstand, door de menigte der Hooglanders naar het front poogden te
+dringen, vergoedden door de schilderachtige woestheid van het tooneel
+wat door gemis aan militaire regelmatigheid daaraan ontnomen werd.
+
+Terwijl Waverley op dit merkwaardig schouwspel staarde, hetwelk nog
+indrukwekkender werd door de kanonschoten, die nu en dan uit het
+kasteel op de Hooglandsche wachten werden gedaan, wanneer deze uit de
+nabijheid afgelost werden, om zich bij hun hoofdkorps te voegen,
+herinnerde hem Callum, met zijne gewone vrijmoedigheid van spreken, dat
+Vich Ian Vohrs volk bijna aan het hoofd van de kolonne was, en dat ze
+„onder het kanonvuur zeer snel optrekken zouden.” Aldus aangespoord,
+stapte Waverley sneller voorwaarts, hoewel hij dikwijls een blik wierp
+op de dichte drommen van krijgslieden, die vóor en achter hem verzameld
+waren. Als men het meer van nabij bezag, leverde het leger echter een
+eenigzins minder indrukwekkend gezicht op, dan uit de verte. Zij die
+aan de spits van iederen clan voorttrokken, waren goed met sabel,
+schild en geweer gewapend, waarbij allen den dolk en de meesten het
+pistool voegden. Maar deze bestonden uit heeren, dat is bloedverwanten
+van het opperhoofd, schoon dan ook in verwijderden graad, die eene
+onmiddellijke aanspraak op zijne bescherming en bijstand hadden.
+Schooner en geharder manschappen zouden er bezwaarlijk te vinden zijn
+geweest in eenig leger ter wereld; en de vrije onafhankelijke houding
+van elk hunner, die echter zoo goed geleerd hadden ondergeschikt te
+blijven aan het bevel van hun Opperhoofd, benevens de bijzondere soort
+van krijgstucht, bij de Hooglanders op hunne veldtochten ingevoerd,
+maakten hen even geducht wegens hun persoonlijken moed en hun gevoel
+van eigenwaarde, als wegens hunne beredeneerde overtuiging van de
+noodzakelijkheid, om eendrachtig te handelen, en daardoor aan hunne
+nationale wijze van aanval de beste kans van welslagen te verzekeren.
+Maar in een lageren rang dan dezen, werden lieden gevonden van een
+mindere soort, de boeren van het Hoogland, die, ofschoon ze niet zoo
+genoemd wilden worden, en dikwijls, met een schijn van recht beweerden
+van ouder geslacht te zijn dan de heeren die ze dienden, echter de
+liverei droegen der uiterste armoede, daar ze op allerlei wijze
+toegerust, slecht gewapend, half naakt, klein van persoon waren, en een
+ellendig voorkomen hadden. Iedere clan van belang had eenige dezer
+Heloten in zijn gevolg. – Zoo waren de Mac-Couls, ofschoon ze hunne
+afkomst van Comhal, den vader van Finn, of Fingal rekenden, een soort
+van Gibeoniten, of erfelijke slaven der Stuarts van Appine. De
+Macbeths, afstammende van den ongelukkigen koning van dien naam, waren
+onderdanen van de Morays en van den clan Donnochy, of van de Robertsons
+van Athole. Nog een aantal andere voorbeelden zouden kunnen worden
+bijgebracht, indien ik niet vreesde den licht nog bestaanden trots van
+het Clanschap te kwetsen, en dus een Hooglandsch onweder over den
+boekwinkel van mijn uitgever te brengen. Nu waren deze zelfde Heloten,
+ofschoon naar het slagveld gedreven door het willekeurig gezag der
+Opperhoofden, onder wie zij hout hakten en water droegen, in het
+algemeen zeer slecht gevoed, en gekleed en nog slechter gewapend. De
+laatste omstandigheid was voorzeker hoofdzakelijk toe te schrijven aan
+het door het bewind uitgevaardigde bevel tot algemeene ontwapening, dat
+schijnbaar zeer streng door het geheele Hoogland was ten uitvoer
+gelegd, hoewel het de meeste opperhoofden gelukte om de zaak te
+ontduiken, door de wapenen van hunne onmiddellijke clanslieden te
+behouden, en die van mindere waarde, bij deze geringere satellieten
+opgezameld, uit te leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan was, dat,
+gelijk wij reeds te kennen gaven, een aantal dezer arme menschen in een
+allerellendigsten toestand te velde moesten trekken.
+
+Terwijl dus de voorhoede van een clan bestond uit manschappen op hunne
+wijze, wonderlijk goed gewapend, scheen de achterhoede daarentegen uit
+wezenlijke bandieten te bestaan. De een was met een strijdbijl, de
+ander met een sabel zonder schede gewapend; hier zag men een roer
+zonder slot, daar een mes stevig aan een stok gebonden; sommige hadden
+ook niets dan hunne dolken en stokken, of uit de heg gesneden knuppels.
+Het grimmige, havelooze en woeste voorkomen dezer lieden, waarvan de
+meesten met al de verbazing der onwetendheid, de meest gewone
+voortbrengselen van het maatschappelijke leven aangaapten, verwekte
+opzien in de Laaglanden, maar verspreidde er tegelijkertijd den schrik.
+Zoo weinig zelfs waren op dat tijdstip de Hooglanden nog bekend, dat
+het karakter en voorkomen van hun bevolking, die op deze wijze als
+militaire avonturiers zich vertoonden, bij de zuidelijke Laaglanders
+geen mindere verbazing wekten, dan een inval van Afrikaansche Negers of
+Eskimo’s, uit de noordelijke gebergten van Schotland komende, zou
+gedaan hebben. Het kan dus geen verwondering baren, dat Waverley, die
+tot hiertoe de Hooglanders in het algemeen beoordeeld had naar
+diegenen, welke Fergus had geraden geacht hem van tijd tot tijd te doen
+zien, ongerust en angstig gestemd werd, als hij dacht aan de roekelooze
+onderneming van een legerkorps, dat geen vierduizend man sterk, en
+waarvan de helft op zijn best gewapend was, om een ommekeer te brengen
+in het lot van het Britsche rijk en het regeerende Huis door een ander
+te doen vervangen.
+
+Terwijl hij langs de kolonne voorttrok, welke zich nog niet in beweging
+had gesteld, werd een ijzeren kanon, het eenige stuk geschut van een
+leger dat zulk een belangrijke omwenteling op het oog had, afgevuurd
+als het signaal tot den marsch. De Prins had den wensch te kennen
+gegeven, om dit nutteloos stuk geschut achterwege te laten; maar, tot
+zijn verbazing, smeekten de Hooglandsche Opperhoofden hem vurig, dat
+het hen op hun tocht mocht vergezellen, terwijl ze zich berispen op de
+vooroordeelen hunner volgelingen, die, weinig aan artillerie gewoon,
+een belachelijk gewicht aan dit veldstuk hechtten, en verwachtten dat
+het wezenlijk zou bijdragen tot een overwinning, die zij, inderdaad,
+niet konden hopen alléen met hunne eigene geweren en zwaarden te
+behalen. Twee of drie Fransche kanonniers waren dus aangewezen om dit
+krijgswerktuig te besturen, hetwelk door een span Hooglandsche hitten
+werd voortgetrokken, en, ten slotte, alleen maar gebruikt werd om
+seinschoten te doen. [143]
+
+Zoodra dan het schot bij deze gelegenheid gehoord werd, kwam de geheele
+linie in beweging. Een woeste vreugdekreet der voorttrekkende bataljons
+kliefde de lucht, en werd vervolgens opgelost in den schrillen toon der
+doedelzakken, gelijk het geluid van deze, op hare beurt, bijna
+uitgedoofd werd door den zwaren stap van zoo vele manschappen, die zich
+te gelijk in beweging zetten. De vaandels schitterden en wapperden, en
+de ruiterij haastte zich om hare plaats als voorhoede in te nemen, en
+kleine afdeelingen op verkenning uit te zenden, ten einde de bewegingen
+van den vijand gade te slaan en daarvan verslag te doen. Ze verdwenen
+uit Waverleys oog, toen ze het voetpad van „Arthurs zetel” insloegen,
+onder den merkwaardigen rand van basaltrotsen, tegenover het kleine
+meer van Duddingston.
+
+De infanterie volgde in dezelfde richting, terwijl ze haar pas naar een
+ander korps regelde, dat een meer zuidelijken weg volgde. Eduard was
+verplicht al zijn krachten in te spannen, om dat gedeelte der kolonne
+te bereiken, waar Fergus en zijn manschappen zich bevonden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN TOEVAL GEEFT AANLEIDING TOT NUTTELOOS NADENKEN.
+
+
+Toen Waverley dat gedeelte der kolonne bereikt had, hetwelk uit den
+clan van Mac-Ivor bestond, hielden ze halt, maakten front, en ontvingen
+hem met een zegedeun op de doedelzakken, gevolgd door een luid hoezee
+van de manschappen. Een aantal hunner kende hem persoonlijk, en
+verheugde zich hem in de kleeding van hun land en van hun stam te zien,
+„Ge juicht,” zeide een Hooglander van een naburigen clan tot Evan Dhu,
+„alsof het Opperhoofd zoo even bij u gekomen ware.”
+
+„Mar e Bran is e a Brathair, als het Bran niet is, dan is het Brans
+broeder” was het spreekwoord dat Maccombich tot antwoord bezigde.
+
+„O, dan is het de knappe Saksische Duinhé-wassel, die trouwen zal met
+freule Flora?”
+
+„Dat kan wel zijn, of het kan niet zijn; en dat is mijn zaak, noch de
+uwe, Gregor.”
+
+Fergus trad vooruit, om den vrijwilliger te omhelzen, en hem een warm
+en hartelijk welkom toe te brengen; maar hij achtte het noodig zich te
+verantwoorden omtrent de verminderde sterkte van zijn bataljon (dat
+geen twee honderd man te boven ging), door de aanmerking, dat hij een
+goed deel zijner manschappen op kleine tochten had uitgezonden.
+
+De waarheid echter was, dat Donald Bean Lean hem van ten minste dertig
+geharde knapen had beroofd, op wier dienst hij vast gerekend had; en
+een aantal zijner van tijd tot tijd verworven aanhangers waren door
+hunne verschillende opperhoofden teruggeroepen tot die standaards,
+waaronder zij eigenlijk behoorden. Desgelijks had het mededingend
+opperhoofd van den grooten noordelijken tak, ook van zijn clan zijn
+volk gemonsterd (ofschoon hij zich nog niet voor het bewind, noch voor
+den Prins had verklaard) en door zijn kunstgrepen eenigszins de macht
+verkleind, waarmede Fergus te velde trok. Als een vergoeding voor deze
+tekortkoming, werd algemeen erkend, dat het volk van Vich Ian Vohr, wat
+houding, uitrusting, wapens, en behendigheid, betrof, met de beste
+troepen van het geheele leger van Karel Eduard kon wedijveren. De oude
+Ballenkeiroch diende als zijn majoor, en ontving, benevens de andere
+officieren, die Waverley op Glennaquoich hadden leeren kennen, onzen
+held met groote hartelijkheid, als deelgenoot van hunne aanstaande
+gevaren en van de eer waarop zij hoopten.
+
+Na het dorp Duddingston verlaten te hebben, volgde de Hooglandsche
+armee, een geruimen tijd, den gewonen straatweg tusschen Edinburgh en
+Haddington, tot zij te Musselburgh de Esk overstaken; toen zij, in
+plaats van de lage gronden naar den zeekant te houden, meer landwaarts
+in trokken, en den rand der hoogte, Carberry-heuvel genoemd, bezetten,
+een plaats reeds bekend in de Schotsche geschiedenis, als de plek waar
+de schoone Maria zich aan haar oproerige onderdanen overgaf. Deze
+richting was gekozen, omdat de Prins bericht gekregen had, dat de
+troepen van het Bewind den vorigen nacht ten westen van Haddington
+gelegerd waren geweest, met oogmerk om naar de zeezijde af te zakken,
+en Edinburgh langs den lager kustweg te naderen. Door deze hoogte te
+bezetten, die op een aantal plaatsen den genoemden weg bestreek,
+hoopten de Hooglanders gelegenheid te vinden om hen met voordeel aan te
+vallen. Het leger hield dus halt op den bergrug van Carberry-heuvel,
+deels om de soldaten te laten rusten, deels omdat men van hier den
+marsch zou kunnen richten naar ieder punt, dat de bewegingen van den
+vijand als het meest raadzaam mochten aanwijzen. Terwijl ze aldus
+gelegerd waren, kwam er in haast een boodschapper, om te verzoeken dat
+Mac-Ivor zich bij den Prins zou vervoegen, en bracht tevens het
+bericht, dat hunne voorhoede een schermutseling had gehad met een deel
+van des vijands ruiterij, en dat de baron van Bradwardine enkele
+gevangenen had opgezonden.
+
+Waverley, die zich voorwaarts, buiten de gelederen begeven had om zijn
+nieuwsgierigheid te voldoen, ontdekte spoedig een vijf- of zestal
+ruiters, die, met stof bedekt, waren komen aandraven, om te melden dat
+de vijand, westwaarts langs de kust, in vollen aantocht was. Nog een
+weinig verder, werd zijn oor getroffen door een zacht gekerm, dat uit
+een hut voortkwam. Hij naderde de plek, en hoorde een stem, in het
+Engelsch dialect van zijn geboorteplaats, die, schoon dikwijls door de
+pijn afgebroken, het „Onze Vader” poogde op te zeggen. De stem des
+ongeluks vond altijd terstond weêrklank in het hart van onzen held. Hij
+trad de stulp binnen, die bestemd scheen voor wat men in de Schotsche
+herdersstreken een „ziekenkooi” noemt; en in het duister kon Eduard
+vooreerst niets ontdekken, dan in een hoek een soort van rooden bundel.
+Zij, die den gekwetste van zijn wapens, en voor een gedeelte van zijn
+kleederen hadden beroofd, hadden hem den dragonders mantel gelaten,
+waarin hij gewikkeld was.
+
+„Om Gods wil,” steunde de gewonde, toen hij Waverleys stap hoorde,
+„geef mij een slokje water!”
+
+„Ge zult het terstond hebben,” antwoordde Waverley, terwijl hij hem
+tegelijk in zijn armen oprichtte, hem naar de deur der hut bracht, en
+uit zijne flesch te drinken gaf.
+
+„Het is of ik die stem ken,” antwoordde de gewonde; maar, terwijl hij
+met een verwilderden blik op Eduards kleeding zag, voegde hij er bij,
+„neen dat is toch niet onze jonker!”
+
+Dit was de gewone benaming, voor Eduard op de goederen van
+Waverley-Hanour. De stem, die hij zoo even hoorde deed zijn hart
+trillen en verlevendigde duizenderlei herinneringen, die het bekende
+dialect van zijn landgenoot reeds had helpen ontwaken. „Houghton!” riep
+hij, terwijl hij de trekken beschouwde, welke de dood reeds bijna
+onkenbaar maakte, „Houghton, is het mogelijk, zijt gij het?”
+
+„Ik had nooit gedacht weêr de stem van een Engelschman te hooren,”
+hernam de gekwetste; „zij lieten mij hier liggen om te leven of te
+sterven, zoo als het uitkwam, toen ze begrepen, dat ik hun niet wilde
+zeggen hoe sterk ons regiment is. Maar, o! mijnheer, hoe kondt ge zoo
+lang van ons wegblijven, en ons in verzoeking laten brengen door dien
+boosdoener, Ruffin? – wij zouden u, zoo waar, door water en vuur
+gevolgd zijn.”
+
+„Ruffin! Ik verzeker u, Houghton, dat hij u allerschandelijkst bedrogen
+heeft.”
+
+„Dat heb ik meer dan eens gedacht,” zeide Houghton, „ofschoon zij ons
+uw cachet, met het wapen lieten zien; en daarom werd Tims
+doodgeschoten, en benam men mij de sergeants-strepen.”
+
+„Put uwe kracht niet uit door spreken,” zeide Eduard, „ik zal u
+terstond een dokter bezorgen.”
+
+Hij zag Mac-Ivor naderen, die thans uit het hoofdkwartier terug kwam,
+waar hij een krijgsraad had bijgewoond, en zich haastte om hem te
+ontmoeten. „Goed nieuws!” riep het Opperhoofd; „wij zullen in minder
+dan twee uren slaags zijn. De Prins heeft zich aan het hoofd van den
+tocht gesteld, en riep, zijn zwaard trekkende, uit: „Vrienden, ik heb
+de schede weggeworpen!” Kom, Waverley, wij breken oogenblikkelijk op.”
+
+„Een oogenblik, – een oogenblik! deze arme gevangene is in
+levensgevaar; – waar vind ik een arts?”
+
+„Een arts? Wij hebben er geen, zoo als gij weet, behalve twee of drie
+Fransche knapen, die, geloof ik, niet veel meer zijn dan garçons
+apothécaires.”
+
+„Maar de man zal dood bloeden!”
+
+„Arme drommel!” zeide Fergus, door een opwelling van medelijden
+getroffen, en voegde er oogenblikkelijk weder bij: „Maar dit zal het
+lot van duizenden zijn, eer het nacht is; kom dus mede.”
+
+„Ik kan niet; ik zeg u, dat hij de zoon van een boer van mijn oom is.”
+
+„O, zoo hij tot de uwen behoort, moet hij bezorgd worden; ik zal u
+Callum Beg zenden; maar Diaoel! – ceadie millia molligheart,” [144]
+ging het ongeduldig Opperhoofd voort, – „wat drommel! zendt een oud
+soldaat, als Bradwardine, ons stervenden, om ons tot last te zijn?”
+
+Callum kwam met zijn gewone vlugheid toesnellen; en inderdaad,
+Waverleys bezorgdheid voor den gewonden man, deed hem veeleer in de
+achting der Hooglanders rijzen, dan dat ze hem schaadde. Zij zouden
+geen begrip gehad hebben van de algemeene menschenliefde, die het
+Waverley onmogelijk zou gemaakt hebben, wien ook in zulk een
+jammerlijken toestand voorbij te gaan; maar toen zij vernamen dat hij
+een der „zijnen” was, stemden zij algemeen toe, dat Waverleys gedrag
+dat was van een vriendelijk en liefderijk Opperhoofd, die de
+genegenheid van zijn volk verdiende. Binnen ongeveer een kwartier gaf
+de arme Humphrey den geest, na vooraf zijn jongen meester gebeden te
+hebben, om zoo hij op Waverley-Honour terug kwam, goed voor den ouden
+Job Houghton te zijn, terwijl hij hem bezwoer niet met deze woeste
+kortrokken tegen Oud Engeland te vechten.
+
+Toen hij den laatsten snik gegeven had, beval Waverley – die voor het
+eerst getuige was van de doodsangsten eens stervenden, en een diep
+gevoel van leed niet zonder een zekere gewetensknaging ondervond – aan
+Callum, het lijk in de hut te brengen. De jonge Hooglander voldeed
+terstond aan dat bevel, zoodra hij eerst de zakken van den overledene
+onderzocht had, die echter, zoo als hij aanmerkte, zeer netjes geleêgd
+waren. Hij nam evenwel den mantel, en terwijl hij met de
+voorzichtigheid van een hond, die een been verstopt, te werk ging,
+verborg hij zijn buit onder eenige bremstruiken, en zette een merk
+zorgvuldig op de plaats, zeggende, dat, zoo hij dezen weg weêr langs
+mocht komen, het een schoone schoudermantel voor zijn oude moeder
+Elspat wezen zou.
+
+Eerst na veel inspanning, herwonnen zij hun plaats in de voortrukkende
+kolonne, daar zich deze thans tamelijk snel voorwaarts bewoog, om de
+hooge gronden boven het dorp Tranent te bezetten, tusschen welk dorp en
+de zee het vijandelijke leger heen marscheren moest.
+
+De treurige ontmoeting, die Waverley met zijn voormaligen wachtmeester
+gehad had, wekte in zijn ziel een aantal smartelijke en nuttelooze
+gedachten op. Uit de bekentenis van den gesneuvelde bleek duidelijk,
+dat kolonel Gardiners gedrag nauwkeurig gericht was naar, en zelfs
+noodzakelijk gemaakt werd door de in Eduards naam gedane stappen, om
+zijn krijgslieden tot muiterij aan te zetten. Nu eerst herinnerde hij
+zich de bijzonderheid van het cachet, en dat hij het in het hol van den
+roover Bean Lean verloren had. Dat de listige schelm zich er meester
+van gemaakt, en het als een middel gebruikt had om een list te smeden
+tot bereiking van zijn eigene bijzondere doeleinden, was genoegzaam
+bewezen; en Eduard twijfelde thans geenszins meer, of hij zou in het
+pakje, door des mans dochter in zijn mantelzak gestoken, verder licht
+over diens handelingen verspreid vinden. Te gelijker tijd klonk het
+herhaalde malen geuite verwijt van Houghton: „Ach, mijnheer, waarom
+verliet gij ons?” hem als een doodsklok in de ooren.
+
+„Ja,” zeide hij, „ik heb jegens u inderdaad met onbedachtzame wreedheid
+gehandeld. Ik heb u uw vaderlijk dak doen verlaten, en u beroofd van de
+bescherming van een edelmoedigen en minzamen meester; en na u aan de
+gestrengheid der krijgstucht onderworpen te hebben, weigerde ik mijn
+eigen deel van den last te dragen, en verzuimde de plichten die ik op
+mij genomen had, door zoo wel hen, die het mijne zaak was te
+beschermen, als mijn eigen goeden naam, bloot te geven aan de listen
+van een verrader. O, traagheid en besluiteloosheid! zoo gij al op u
+zelve geene ondeugden zijt, tot welke ellende baant gij niet menigmaal
+den weg!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE AVOND VOOR DEN SLAG.
+
+
+Ofschoon de Hooglanders een snellen marsch hadden afgelegd, was toch de
+zon aan het ondergaan, toen zij den rand dier hoogten bereikten, welke
+de open en uitgestrekte vlakte bestrijken, die zich noordwaarts naar de
+zee uitstrekt, en waarop, hoewel tamelijk ver van elkander verwijderd,
+de dorpen Seaton, Cockenzie en het uitgebreider Preston gelegen zijn.
+De lage kustweg naar Edinburgh loopt door deze vlakte, waar hij uitkomt
+bij Seaton-House, en bij het vlek, of dorp, Preston weder door een meer
+bedekte streek kronkelt. Langs dezen weg had de Engelsche generaal zich
+voorgenomen de hoofdstad te naderen, daar deze zoowel de gemakkelijkste
+weg voor zijn ruiterij was, als omdat hij waarschijnlijk van gevoelen
+was, dat hij, zoodoende, de Hooglanders in het front zou krijgen,
+terwijl ze, in de tegenovergestelde richting, van Edinburgh kwamen.
+Hierin bedroog hij zich; want het gezond oordeel van den Prins, of van
+hen aan wier raad hij het oor leende, [145] liet den onmiddellijken
+toegang vrij, maar bezette de voordeelig gelegene hoogten, van waar de
+weg overzien en bestreken kon worden.
+
+Zoodra de Hooglanders die hoogte bestegen hadden, werden ze
+oogenblikkelijk, langs den rand der steilte, in slagorde geschaard.
+Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de voorhoede der Engelschen, die
+van uit het geboomte en de omheiningen van Seaton opdaagde, met het
+oogmerk om den oploopenden grond tusschen de zee en de hoogten te
+bezetten. Daar de ruimte, die de legers verdeelde, slechts omtrent een
+halve mijl breed was, kon Waverley duidelijk de escadrons dragonders,
+het een na het ander, uit de engte te voorschijn zien komen, met hunne
+videtten in het front, en zich scharende op de vlakte, vlak tegenover
+het leger van den Prins. Ze werden gevolgd door een trein veldstukken,
+die, toen ze de flank van de dragonders bereikten, desgelijks in linie
+gebracht en tegen de hoogten gericht werden. Drie of vier regimenten
+infanterie marcheerden vervolgens met open kolonnes vooruit, terwijl
+hunne bajonetten als het ware een reeks van wandelende stalen heggen
+vormden, en hunne wapens bliksems schenen te schieten, toen ze, op een
+gegeven teeken, zich eensklaps in linie plaatsten, en onmiddellijk
+tegenover de Hooglanders in slagorde gesteld werden. Een tweede trein
+artillerie, met, nog een regiment te paard, sloot den langen stoet, en
+greep op de linkerflank der infanterie post, zoodat de geheele linie
+naar het zuiden gekeerd was.
+
+Terwijl het Engelsche leger deze evolutiën ten uitvoer bracht, legden
+de Hooglanders even veel vaardigheid als verlangen naar den strijd aan
+den dag. Naar gelang de clans op den bergrug aankwamen, die in het
+front van den vijand lag, werden ze in linie geschaard, in dier voege
+dat beide legers op hetzelfde oogenblik in volkomen slagorde waren.
+Toen dit volbracht was, hieven de Hooglanders een vreeselijk gegil aan,
+hetwelk door de hoogten achter hen terug gekaatst werd. De geregelde
+troepen, die vol moed waren, beantwoordden met een luid, uitdagend
+geschreeuw den Schotschen oorlogskreet, en brandden een paar kanonnen
+op een voorpost der Hooglanders los. De laatsten verriedden het
+grootste verlangen om oogenblikkelijk tot den aanval over te gaan,
+terwijl Evan Dhu tegen Fergus, bij wijze van argument, aanvoerde, „dat
+de roode soldaten waggelden als een ei op de punt van een stok, en dat
+de troepen van den Prins het voordeel hadden van den aanval, want dat
+zelfs een haggis [146] (God zegene haar!) den heuvel af storm kon
+loopen.”
+
+Maar ofschoon de grond, waarlangs de Schotten hadden moeten afdalen,
+niet zeer uitgestrekt was, was die evenwel onbruikbaar, omdat hij niet
+slechts moerassig, maar door muren van lossen steen afgebroken, en over
+de geheele lengte door een zeer breede en diepe sloot doorsneden was,
+wat aan het geweervuur der geregelde troepen geen geringe voordeelen
+zou gegeven hebben. Het gezag der bevelhebbers werd dus ingeroepen, om
+de onstuimigheid der Hooglanders te beteugelen, en slechts eenige
+weinige scherpschutters werden de steilte afgezonden, om met de
+voorposten der vijanden te schermutselen en den grond te verkennen.
+
+Hier was dus een militair schouwspel te zien van meer dan gewoon
+belang, en hetwelk men maar zeldzaam aantreft. De beide legers, zoo
+verschillend in voorkomen en krijgstucht, en echter beide verwonderlijk
+goed geoefend volgens ieders bijzondere wijze van oorlogvoeren, en van
+wier worstelstrijd het tijdelijk lot, van Schotland althans, scheen af
+te hangen, stonden tegenover elkander, als twee zwaardvechters in het
+strijdperk, terwijl ieder bij zichzelven overlegt op welke wijze hij
+zijn vijand zal aanvallen. De hoofdofficieren en de generalenstaf van
+beide legers lieten zich gemakkelijk vóor het front hunner liniën
+onderscheiden, terwijl ze bezig waren elkanders bewegingen met hunne
+verrekijkers te bespieden, met het afzenden van orders, en het
+ontvangen van berichten, door de adjudanten en de ordonnansofficieren
+overgebracht, die de levendigheid van het tooneel verhoogden, door, in
+verschillende richtingen, heen en weêr te rennen, alsof het lot van,
+den dag afhankelijk was van de vlugheid hunner paarden. De ruimte, die
+de beide legers van elkander scheidde, werd van tijd tot tijd het
+tooneel van afzonderlijke en ongeregelde gevechten onder de
+scherpschutters, en nu en dan zag men een hoed of een muts vallen, of
+een gekwetste door zijn kameraden wegdragen. Doch dit waren slechts
+onbeduidende schermutselingen; want het strookte met het oogmerk van
+geen der beide partijen, om hiermede te blijven voortgaan. Uit de
+naburige gehuchten kwamen de boeren voorzichtig te voorschijn, alsof
+zij den uitslag van het dreigende gevecht bespieden wilden; en op een
+geringen afstand, in de baai, lagen twee schepen, die de Engelsche vlag
+voerden, en wier masten en want met minder vreesachtige toeschouwers
+waren opgevuld.
+
+Toen deze ontzagwekkende pauze een tijd lang geduurd had, ontving
+Fergus, met nog een ander opperhoofd, het bevel om hunne clans naar den
+kant van het dorp Preston te doen trekken, ten einde de rechterflank
+van Copes’ leger te bedreigen, en hem te dwingen een andere stelling in
+te nemen. Om deze bevelen uit te voeren, bezette het opperhoofd van
+Glennaquoich het kerkhof van Tranent; dit was een hoogte, die de vlakte
+bestreek, en bijzonder geschikt was, zooals Evan Dhu aanmerkte, voor
+iederen heer, die het ongeluk mocht hebben van gedood te worden, en op
+een Christelijke begrafenis gesteld was. Om deze afdeeling in bedwang
+te houden, of om ze te verdrijven, zond de Engelsche generaal twee
+stukken geschut af, door een sterke afdeeling ruiterij gedekt. Zij
+naderden zoo dicht bij, dat Waverley duidelijk den standaard der
+compagnie kon onderscheiden welke hij voorheen had gecommandeerd, en de
+trompetten en pauken, aan wier klank hij zoo dikwijls gehoorzaamd had,
+het sein tot voortrukken kon hooren geven. Hij kon ook de welbekende
+woorden, in de Engelsche taal hooren uitbrengen, door de even bekende
+stem van den bevelvoerenden Officier, voor wien hij eens zooveel
+eerbied had gevoeld. Het was op dit oogenblik, dat hij, zijn oogen
+rondom zich slaande, de woeste kleeding en het voorkomen van zijn
+Hooglandsche makkers ontwaarde, hun fluisteren in een ruwe en onbekende
+taal hoorde, op zijn eigene uitrusting staarde, zoo verschillend van de
+kleeding door hem van zijn kindschheid af gedragen, – en door den
+plotselingen wensch bezield werd te ontwaken uit hetgeen hem thans een
+vreemde, verschrikkelijke en onnatuurlijke droom toescheen. „Goede
+Hemel!” dacht hij, „ben ik dan een verrader van mijn vaderland, een
+verzaker van mijn vaandel, en een vijand, zooals die arme Houghton zich
+uitdrukte, van dat Engeland dat mij zag geboren worden?”
+
+Eer hij deze gedachten tot rijpheid brengen of smoren kon, viel de
+ranke krijgsmansgestalte van zijn voormaligen Overste, die de plaats
+wenschte te verkennen, hem duidelijk in het oog. „Nu kan ik hem raken,”
+zeide Callum, terwijl hij zijn geweer voorzichtig aanlegde over den
+muur, waarachter hij op nauwelijks zestig ellen afstands verborgen lag.
+
+Het scheen Eduard toe alsof hij op het punt stond een vadermoord te
+zien begaan; want het eerwaardige grijze haar en het sprekende gelaat
+van den ouden krijgsman, herriepen in zijn geest den bijna kinderlijken
+eerbied, welke zijn officieren hem algemeen toedroegen. Maar eer hij
+een woord kon zeggen, hield een bejaarde Hooglander, die naast Callum
+lag, diens arm tegen. „Spaar uw schot,” zei de ziener, „zijn uur is nog
+niet gekomen. Maar laat hem zich wachten voor morgen – ik zie zijn
+doodskleed op zijn borst.”
+
+Callum, die voor alle andere bedenkingen geheel onvatbaar zou zijn
+gebleven, was zeer toegankelijk voor het bijgeloof. Hij werd bleek bij
+het gezegde van den Taishair, en trok zijn geweer terug. Kolonel
+Gardiner, onkundig van het gevaar, waaraan hij ontsnapt was, keerde
+zijn paard om, en reed langzaam naar zijn regiment terug.
+
+Thans had het geregelde leger een nieuwe linie gevormd; de eene flank
+er van was gericht naar de zee, en de andere leunde tegen het dorp
+Preston. Daar deze stelling dezelfde zwarigheden met betrekking tot den
+aanval opleverde, kregen Fergus en het geheele detachement bevel naar
+hun vorigen post terug te keeren. Deze verandering veroorzaakte een
+daarmede overeenkomstige frontsverandering van het leger van generaal
+Cope, zoo dat dit op nieuw in een linie, evenwijdig met die der
+Hooglanders, geplaatst werd. Deze aan weerszijde volbrachte bewegingen,
+hadden vrij wat tijd vereischt; de dag was bijna verloopen, en de beide
+legers maakten zich gereed, om den nacht onder de wapens door te
+brengen, in de stellingen, die ze reeds bezet hielden.
+
+„Er zal van avond niets gebeuren,” zeide Fergus tot zijn vriend
+Waverley; „laat ons, eer we ons in onzen plaid wikkelen, gaan zien, wat
+de Baron, hier in de achterhoede, al zoo uitricht.”
+
+Toen ze zijn post naderden, vonden ze den goeden, ouden, voorzichtigen
+Officier, nadat hij zijn nachtpatrouiljes afgezonden, en zijn
+schildwachten uitgezet had, bezig voor de rest van zijn volk de
+avonddienst der Episcopale Kerk te lezen. Zijn stem was krachtig en
+welluidend, en ofschoon de bril op zijn neus, en het voorkomen van
+Saunders Saunderson, die in uniform den post van voorzanger waarnam,
+iets belachelijks hadden, gaven de gevaarvolle omstandigheden, waarin
+ze verkeerden, het militair kostuum van het gehoor, en het gezicht
+hunner paarden, die gezadeld en gepiketteerd achter hen stonden, iets
+indrukwekkends en plechtigs aan deze godsdienstoefening.
+
+„Ik heb vandaag al gebiecht, eer ge wakker waart,” fluisterde Fergus
+Waverley in, „en echter ben ik lang zoo’n stijve Katholiek niet, dat ik
+weigeren zou mij te vereenigen met de gebeden van dezen goeden man.”
+Eduard knikte toestemmend, en ze wachtten tot de Baron de dienst
+geëindigd had.
+
+Zoodra hij het boek dicht deed, zeide hij: „Nu jongens, gaat het er
+morgen op los met zware handen en ligte gewetens.” Thans groette hij
+vriendelijk Mac-Ivor en Waverley, die verzochten zijn gevoelen omtrent
+hun toestand te mogen vernemen. „Welnu! ge weet, dat Tacitus zegt, in
+rebus bellicis maxime dominatur Fortuna, hetgeen zoo wat met ons
+nationaal spreekwoord overeenkomt: „In den oorlog hangt veel van ’t
+geluk af.” Maar gelooft mij, mijne heeren, de man daar tegenover ons is
+geen meester in zijn vak. Hij dooft den moed der knapen waarover hij
+het bevel voert, uit, door hen alleen verdedigend te laten handelen,
+hetwelk op zichzelf altijd minderheid, of vrees te kennen geeft. Nu
+zullen ze ginds op hunne wapens rusten, zoo ongerust en ongemakkelijk,
+als een pad onder een egge, terwijl onze manschappen volkomen frisch en
+vroolijk zullen zijn, als het er morgen op los gaat. – Nu, goeden
+nacht! – Eén ding verontrust mij, maar als het morgen goed afloopt, zat
+ik u er over spreken, Glennaquoich.”
+
+„Ik kan bijna van Bradwardine zeggen, wat Henry omtrent Fluellen [147]
+beweert,” zeide Waverley, terwijl zijn vriend en hij weder naar hun
+bivak wandelden:
+
+
+ „Al schijnt hij ook wat ouderwetsch en bot,
+ Daar ’s overleg en moed in dezen Schot.”
+
+
+„Hij heeft veel gezien,” hernam Fergus, „en men staat er somtijds
+verbaasd over, hoeveel dwaasheid en wijsheid in zijn persoon vereenigd
+zijn. Ik begrijp niet, wat hem verontrusten kan – misschien iets Rose
+betreffende. Hoor! de Engelschen zetten hun wachten uit.”
+
+Het tromgetroffel en het schelle accompagnement der pijpers liet zich
+hooren, verwijderde zich, begon op nieuw en zweeg eindelijk geheel. De
+trompetten en pauken voerden vervolgens den schoonen en woesten
+oorlogsdeun uit, voor dit gedeelte van den avonddienst bestemd;
+eindelijk stierf het geluid weg, alsof het zich met den wind ter ruste
+legde.
+
+De beide vrienden, die nu hun post bereikt hadden, bleven een oogenblik
+stilstaan en zagen rond, eer ze zich ter rust nedervlijden. In het
+westen flikkerden de sterren aan den hemel; maar een koude mist, die
+uit den Oceaan oprees, bedekte den oostelijken gezichteinder, en rolde,
+in witte wolken over het veld, waar de vijandelijke armee gelegerd was.
+De voorposten er van strekten zich uit, tot aan den kant van de breede
+sloot, beneden de schuinsche hoogte, en hadden op zekere afstanden
+groote vuren ontstoken, die met doffen, donkeren gloed door den dikken
+nevel heengloorden, welke ze met een geheimzinnigen kring omsluierde.
+
+De Hooglanders lagen, „dicht als het gebladerte in Valambrosa,”
+uitgestrekt op den rug van de heuvels, met uitzondering van de
+schildwachten, in de diepste rust verzonken. „Hoe vele van deze brave
+kerels zullen, eer het morgenavond is, vaster slapen, Fergus!” zeide
+Waverley, terwijl hem onwillekeurig een zucht ontsnapte.
+
+„Daar moet ge niet aan denken,” antwoordde Fergus, die alleen met
+krijgshaftige gedachten vervuld was; „gij moet enkel denken aan uw
+zwaard, en aan hem, door wien het u gegeven is. Alle andere bedenkingen
+komen nu te laat.”
+
+Met het slaapmiddel, in dit onweêrsprekelijke gezegde toegediend,
+poogde Eduard het oproer zijner tegenstrijdige gewaarwordingen te
+sussen. Het Opperhoofd en hij, brachten hunne plaids bijeen, en maakten
+er een gemakkelijk en warm leger van. Callum, aan hun hoofdeinde
+gezeten, want het was zijn post onmiddellijk voor den persoon van zijn
+chef te waken, begon een lang, treurig gezang in het Gaelsch, met eene
+zachte en eentoonige stem, die hen, even als het geluid des winds op
+een afstand, weldra in slaap suste.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE SLAG.
+
+
+Toen Fergus Mac-Ivor en zijn vriend eenige weinige uren geslapen
+hadden, werden ze gewekt en verzocht bij den Prins te komen. Men hoorde
+de dorpsklok in de verte drie uur slaan, toen ze zich naar de plaats
+spoedden, waar Karel Eduard den nacht had doorgebracht. Hij was reeds
+omringd door zijn voornaamste Officieren en de Opperhoofden der clans.
+Een bos erwtenstroo, dat pas zijn bed geweest was, diende hem nu tot
+zitplaats. Juist op het oogenblik dat Fergus binnen den kring trad, had
+de beraadslaging een einde genomen. „Moed, mijn wakkere vrienden!” zei
+de Prins, „en laat een ieder zich terstond aan het hoofd van zijn
+kommando stellen. Een getrouw vriend [148] heeft aangeboden om ons
+langs een bruikbaar, ofschoon smal en kronkelend pad te geleiden, dat,
+ter rechterhand loopende, het oneffen terrein en het moeras doorsnijdt,
+en ons in staat stelt den vasten grond en de open vlakte te bereiken,
+waarop zich de vijand gelegerd heeft. Als wij deze zwarigheid te boven
+gekomen zijn, moeten de hemel en uwe goede zwaarden het overige
+verrichten!”
+
+„Het voorstel verwekte algemeene vreugde, en iedere aanvoerder haastte
+zich zijn manschappen, met het minst mooglijke geraas, in orde te
+scharen. Het leger verliet door een rechtsche beweging zijn stelling op
+de hoogte, en kwam spoedig op den weg door het moeras, terwijl het zijn
+marsch in verwonderlijke stilte en met grooten spoed voortzette. Daar
+de opkomende mist de hoogere gronden nog niet bereikt had, zoo hadden
+de soldaten een tijdlang het voordeel van het schijnsel der sterren.
+Maar dit flauwe licht ging verloren, toen de sterren voor den
+naderenden dag verbleekten, en het hoofd der voorttrekkende kolonne
+dompelde zich onder het afdalen van de hoogte, als het ware in den
+zwaren mist-oceaan, die zijn witte golven over de geheele vlakte en de
+aangrenzende zee voortrolde. Thans ontmoette men eenige zwarigheden,
+onafscheidelijk van de duisternis, een smal, ruw en moerassig pad, en
+de noodzakelijkheid om eenheid in den tocht te bewaren. Dit alles
+leverde echter minder bezwaren voor de Hooglanders op, uit hoofde van
+hunne levenswijze, dan het voor ieder ander leger zou gedaan hebben,
+zoodat zij hunne geregelde en snelle beweging bleven voortzetten.
+
+Toen de clan van Ivor den vasten grond bereikte, door het volgen van de
+voetstappen dergenen die hen voorgegaan waren, liet zich het geroep van
+een schildwacht, dwars door den mist, hooren, ofschoon zij den
+dragonder, die het „Werda!” had geroepen, niet zagen.
+
+„St!” riep Fergus, „st! Dat niemand antwoorde, zoo hij zijn leven lief
+heeft. – Dringt voorwaarts;” en zij zetten hun marsch in stilte en met
+verdubbelde schreden voort.
+
+De dragonder brandde zijn karabijn op hun korps los, en dit geluid werd
+onmiddellijk gevolgd door den hoefslag van zijn paard, terwijl hij
+wegdraafde. „Hylax in limine latrat,” [149] zei de baron van
+Bradwardine, die het schot hoorde, „die ellendeling zal alarm maken!”
+
+De clan van Fergus had nu den vasten grond der vlakte bereikt, die nog
+kort te voren met een heerlijk gewas van granen was bedekt geweest.
+Maar de oogst was binnen gehaald, en het veld was zonder eenige
+hindernissen van boomen, struiken of iets dergelijks. Het overige
+gedeelte van het leger volgde met snelheid, toen zij de trommels van
+den vijand alarm hoorden slaan. Het had intusschen niet in hun plan
+gelegen den vijand te verrassen; dus werden zij ook niet van hun stuk
+gebracht toen zij begrepen dat de Engelschen op hunne hoede waren en
+gereed om hen te ontvangen. Het verhaastte slechts de schikking hunner
+slagorde, die zeer eenvoudig was.
+
+De Hooglandsche armee, die nu den oostkant der breede vlakte bezette,
+trok op in twee liniën, welke zich van het moeras tot aan de zee
+uitstrekten. De eerste was bestemd om den vijand aan te vallen, de
+tweede om tot reserve te dienen. De weinige ruiterij, aan wier hoofd de
+Prins in persoon zich bevond, hield zich tusschen de beide liniën. De
+vorstelijke gelukzoeker had zijn voornemen te kennen gegeven, om
+persoonlijk, aan het hoofd zijner eerste linie, aan te vallen; maar
+allen hadden hem gesmeekt hiervan af te zien, en hij was slechts met
+moeite daartoe bewogen geworden.
+
+Beide liniën trokken nu voorwaarts, de eerste gereed om onmiddellijk
+slag te leveren. De clans, waaruit zij bestond, vormden elk een soort
+van afzonderlijken Phalanx, met een stal front en tien, twaalf of
+vijftien gelederen diep, naar gelang der sterkte. De best gewapenden en
+aanzienlijksten van geboorte – want deze woorden hadden hier één en
+dezelfde beteekenis – werden vooraan geplaatst, in ieder dezer
+onregelmatige afdeelingen. De anderen, in de achterhoede, steunden al
+voorwaarts dringende het front, en vermeerderden, door hunne
+aansluiting, zoo wel de lichamelijke kracht als de geestdrift en het
+vertrouwen van hen, die het gevaar onmiddellijk in de oogen moesten
+zien.
+
+„Werp uw plaid weg, Waverley!” riep Fergus, terwijl hij de zijne
+afdeed; „eer de zon boven de zee is, zullen wij zijden tartans gewonnen
+hebben.”
+
+Aan alle kanten legden nu de clanslieden hunne plaids af, en maakten
+hunne wapens gereed. Er was een ontzagwekkende stilte van drie minuten,
+gedurende welke de manschappen hunne mutsen afnamen, hun oog ten hemel
+sloegen, en een kort gebed uitten. Waverley voelde in dat oogenblik
+zijn hart kloppen, alsof het uit zijn borst wilde springen. Het was
+geen vrees, het was geen geestdrift, – het was een mengsel van beide,
+een voor hem nieuwe en krachtige prikkel, die, eerst huivering en
+schrik, daarna koortshitte en een soort van dolzinnigheid opwekte. Het
+geraas rondom hem werkte mede om zijn geestvervoering te verhoogen, de
+doedelzakken speelden en de clans rukten voorwaarts, ieder op zich
+zelve in een onheilspellende, sombere kolonne. Naarmate zij
+voortrukten, versnelden ze den pas, en het geluid hunner samengesmolten
+stemmen begon aan te groeien, en in een woesten kreet over te gaan.
+
+Op dit oogenblik verdreef de zon, die zich boven den gezichteinder
+verhief, de hangende dampen. Zij werden opgerold als een gordijn, en
+lieten de beide legers, op het punt om handgemeen te worden, zichtbaar.
+De linie van het Engelsche leger stond recht tegenover het corps der
+Hooglanders geschaard; de wapens van dat volkomen uitgeruste, en aan
+weerszijde door ruiterij en artillerie gedekte leger, schitterden de
+Hooglanders tegen. Maar dit gezicht boezemde hun geen vrees in
+„Voorwaarts, zonen van Ivor!” riep hun opperhoofd, „of de Camerons
+zullen het eerste bloed storten!” Zij stormden met een vreeslijken gil
+op hunne vijanden in.
+
+Het overige is bekend. De ruiterij, die bevel kreeg om de aanstormende
+Hooglanders in de flank te vallen, ontving, terwijl zij aanrukte, het
+vuur uit hunne geweren, en door een schandelijken, panischen schrik
+overvallen, wankelde zij, hield stand, geraakte uit elkander en rende
+van het slagveld. De kanonniers, door de ruiterij verlaten, vluchtten,
+na hunne stukken te hebben losgebrand, en de Hooglanders, die, hunne
+geweren, zoodra zij ze afgeschoten hadden, wegwierpen, en den sabel
+trokken, stormden met onbeteugelde woede op het voetvolk in.
+
+In dit oogenblik van verwarring en schrik, ontdekte Waverley een
+Engelsch officier, blijkbaar van hoogen rang, die alleen en hulpeloos
+bij een veldstuk stand hield, dat hij, na de vlucht der manschappen,
+die er bij behoorden, zelf gericht en op den clan van Mac-Ivor, den
+naasten troep Hooglanders binnen zijn bereik, had afgeschoten.
+Getroffen door zijn hooge, krijgshaftige gestalte, en met den wensch
+vervuld om hem voor een onvermijdelijken ondergang te bewaren, snelde
+Waverley voor een oogenblik zelfs de vlugste krijgslieden vooruit, en
+toen hij de plek het eerst bereikt had, riep hij hem toe zich over te
+geven. De officier antwoordde met een degenstoot, dien Waverley op zijn
+schild ontving, waardoor het wapen van den Engelschman brak. Op
+hetzelfde oogenblik zweefde Dugald Mahony’s strijdbijl boven het hoofd
+van den officier. Waverley keerde den slag af, en de officier, ziende
+dat verdere tegenstand nutteloos was, en getroffen door Eduards
+edelmoedige bezorgheid voor zijn behoud, gaf hem zijn gebroken degen
+over. Waverley stelde den officier in handen van Dugald, met streng
+bevel om hem goed te behandelen en niet uit te plunderen, terwijl hij
+den Schot een volle vergoeding voor den buit toezegde.
+
+Ter rechter zijde van Eduard woedde de strijd nog hevig en zwaar. De
+Engelsche infanterie, in den oorlog in Vlaanderen geoefend, hield
+moedig stand. Maar haar uitgestrekte gelederen werden op een aantal
+plaatsen doorboord en gebroken door de geslotene massa’s der clans; en
+in de persoonlijke worsteling, die hierop volgde, gaven de aard der
+wapenen van de Hooglanders, en hunne buitengewone kracht en vlugheid
+hun een beslissende meerderheid op dezulken, die geleerd hadden het
+meest op hunne orde en krijgstucht te vertrouwen, en nu bespeurden dat
+de eerste verbroken en de andere onbruikbaar was geworden. Toen
+Waverley zijn oogen naar dit tooneel van rook en slachting keerde, zag
+hij kolonel Gardiner, door zijn krijgslieden, in spijt van zijn
+herhaalde pogingen om hen te verzamelen, verlaten, en terwijl hij zijn
+paard nog door het veld spoorde, om het bevel op zich te nemen over een
+klein corps voetvolk, dat, met den rug tegen den muur van zijn eigen
+park geschaard, (want zijn huis grensde onmiddellijk aan het slagveld)
+een wanhopigen en vruchteloozen tegenstand volhield. Waverley
+ontwaarde, dat hij reeds verscheidene wonden ontvangen had, daar zijn
+kleederen en zadel met bloed bedekt waren. Dezen dapperen en braven man
+te redden, werd nu oogenblikkelijk het doel van Eduards streven; maar
+hij mocht slechts getuige zijn van zijn dood! Eer Eduard zich een weg
+kon banen door de Hooglanders, die, woedend en tuk op buit, elkander
+verdrongen, zag hij zijn voormaligen overste van het paard slingeren
+door een zeis, en op den grond gestort meer wonden ontvangen, dan
+noodig waren om hem twintigmaal het leven te benemen. De stervende
+krijgsman scheen Waverley te herkennen; want hij vestigde zijn oog op
+hem met een bestraffenden en toch treurigen blik, en scheen een poging
+te doen om te spreken. Maar gevoelende, dat de dood naderde, gaf hij
+zijn voornemen op, en zijn handen als tot het gebed vouwende, beval hij
+zijn ziel zijn Schepper aan. De blik, waarmede hij Waverley, in zijn
+laatste oogenblikken, aanzag, trof hem, in dien tijd van onrust en
+verwarring, zoo diep niet, als toen, – na verloop van eenigen tijd, –
+zijn herinnering, dien voor zijn verbeelding terugriep. [150]
+
+Nu weêrgalmden luide triumfkreten over het gansche veld. De strijd was
+gestreden en gewonnen, en de geheele bagage, artillerie en
+krijgsvoorraad van het Engelsche leger vielen in handen der
+overwinnaars. Nooit was een zege meer volkomen. Slechts enkelen
+ontkwamen aan het gevecht, behalve de ruiterij, die het reeds bij den
+aanval verlaten had, en zelfs deze was naar alle kanten, en in kleine
+afdeelingen, over de gansche landstreek verstrooid. Voor zoo ver onze
+geschiedenis aangaat, hebben wij alleen het lot van Balmawhapple te
+vermelden, die, op een paard gezeten, dat niet minder koppig en
+onhandelbaar was dan de ruiter zelf, de vluchtende dragonders meer dan
+vier mijlen van het slagveld vervolgde. Eenige dozijnen vluchtelingen
+keerden in een laatste opwelling van moed om, kliefden hem den schedel
+met hunne sabels, en overtuigden daardoor de wereld, dat de ongelukkige
+edelman inderdaad niet misdeeld was van hersenen, zoodat het einde van
+zijn leven het bewijs gaf van iets, waaraan men gedurende den loop
+daarvan zeer sterk getwijfeld had. Zijn dood werd door weinigen
+beweend. De meesten van die hem kenden stemden er in toe, dat de
+vaandrig Maccombich gelijk had met te beweren, dat men te Sheriff-Muir
+[151] grooter verlies geleden had. Zijn vriend, de luitenant Jinker,
+wist zijn lievelingsmerrie vrij te pleiten van eenig deel aan het
+ongeluk. „Hij had,” zeide hij, „den heer wel duizend malen gezegd, dat
+het schande en zonde was het arme beest een springriem aan te doen,
+daar hij hem rijden wou met een kinketting van een halve el lang; en
+dat hij zich maar in het ongeluk zou storten (het beest daargelaten)
+door te vallen, of iets van dien aard; zoo hij, daarentegen, naar hem
+had willen luisteren, zou het dier zoo mak geweest zijn als een
+karrepaard.”
+
+Dit was de lijkzang op den heer van Balmawhapple [152].
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONVERWACHT BEZWAAR.
+
+
+Toen de slag geëindigd en alles weder op orde gekomen was, zocht de
+baron van Bradwardine, na zich van zijn plicht gedurende den strijd
+gekweten, en hen, die onder zijn bevel stonden, in hunne kwartieren
+bezorgd te hebben, het opperhoofd van Glennaquoich en zijn vriend
+Waverley op. Hij vond den eersten bezig met uitspraak te doen in een
+aantal tusschen zijn clanslieden gerezen verschillen over punten van
+voorrang en daden van moed, en in het bijzonder over een aantal
+hooggeloopen en moeielijke twisten betreffende den buit. De
+belangrijkste van de laatste soort betrof den eigendom van een gouden
+horlogie, dat eens aan dezen of genen Engelschen officier had
+toebehoord. De partij, in wiens nadeel het vonnis gewezen werd,
+troostte zich met de aanmerking: „Het (dat is, het horlogie, hetwelk
+hij voor een levend dier aanzag) stierf den eigen nacht, dat Vich Ian
+Vohr het aan Murdoch gaf,” omdat het uurwerk, daar het niet opgewonden
+was, bleef stilstaan.
+
+Juist op het oogenblik dat deze gewichtige zaak beslist werd, naderde
+de baron van Bradwardine, met een bezorgd en toch trotsch gelaat, de
+beide jonge lieden. Hij steeg van zijn dampend krijgsros, waarvoor hij
+de zorg aan een zijner bedienden beval. „Ik vloek zelden,” zeide hij
+tegen den man; „maar zoo ge een van uw gemeene streken speelt, en den
+armen Berwick verlaat voor dat hij bezorgd is – om te loopen plunderen
+– moge de drommel mij halen, als ik je niet laat ophangen.” Nu streelde
+hij met innig welgevallen het dier, dat hem door al de vermoeienissen
+van den dag had heengeholpen, en na er een teeder afscheid van genomen
+te hebben zeide hij: – „Wel, mijn beste, jonge vrienden, dat is een
+roemrijke en beslissende overwinning, maar die jakhalzen van ruiters
+liepen te spoedig weg. Ik zou lust gehad hebben u de ware punten van
+het prælium equestre, of ruitergevecht, te doen opmerken, hetwelk hunne
+lafheid ontvlucht is, en dat ik voor den trots en den schrik van den
+krijg houd. Hoe het zij, ik heb dan nog eens gestreden voor deze oude
+zaak, ofschoon ik toegeef dat ik niet zoo ver kon gaan, als gij,
+jongere snuiters, daar het juist tot mijn plicht behoorde, ons handvol
+paardenvolk bij elkander te houden. En geen ruiter mag op eenige wijze
+de eer bekibbelen, die zijn kameraden ten deel gevallen is, en die op
+een anderen tijd, zoo God wil, de zijne kan worden. – Maar,
+Glennaquoich, en gij, mijnheer Waverley, ik bid u, geeft mij uw goeden
+raad in een zaak van groot gewicht, en waarbij de eer van het huis van
+Bradwardine het hoogste belang heeft. – Ik bid u om verschooning,
+vaandrig Maccombich, en u Inveraughlin, en u Edderalshendrach, en u,
+Mijnheer!”
+
+De laatste, dien hij aansprak, was Ballenkeiroch, die, vervuld met den
+dood van zijn zoon, hem aanzag met een blik vol sarrende woestheid. De
+Baron, die zich in een oogwenk beleedigd gevoelde, had ook reeds de
+wenkbrauwen gefronsd, toen Glennaquoich zijn Majoor ter zijde nam, en
+hem, op den gezaghebbenden toon van een Opperhoofd, onderhield over de
+dwaasheid, om op een oogenblik als dit eenigen twist op te rakelen.
+
+„De grond is bezaaid met lijken,” zei de oude bergschot, terwijl hij
+zich gemelijk verwijderde, „éen meer zou men daarbij nauwelijks hebben
+opgemerkt, en was het niet om u, Vich Ian Vohr, dan zou dat éene van
+Bradwardine of van mij wezen.”
+
+Het Opperhoofd bracht hem tot bedaren, terwijl hij hem wegleidde, en
+keerde toen tot den Baron terug. „Het is Ballenkeiroch,” zeide hij op
+zachten en vertrouwelijken toon, „vader van den jonkman, die voor acht
+jaren, in die ongelukkige affaire bij uwe plaats, sneuvelde.”
+
+„O!” zei de Baron, terwijl de onheilspellende strakheid zijner trekken
+in een zachtere uitdrukking overging: „ik kan veel van iemand
+verdragen, dien ik ongelukkig zooveel smart heb veroorzaakt. Gij deedt
+wel met mij te waarschuwen, Glennaquoich; hij mag zoo zwart zien als de
+nacht om kerstmis, eer Cosmo Comyne Bradwardine zeggen zal dat hij hem
+onrecht doet. Och! ik heb geen mannelijk kroost, en ik behoor veel te
+verdragen van iemand, dien ik kinderloos heb gemaakt; schoon ge weet,
+dat de bloedschuld tot uw eigen genoegen werd afgemaakt, bij assythment
+en door brieven van slains [153]. – Maar, gelijk ik zei, ik heb geen
+mannelijken afstammeling, en toch is het noodig dat ik de eer van mijn
+huis ophoud; het is juist hierover dat ik u in het bijzonder wilde
+spreken, en waaromtrent ik al uwe oplettendheid inroep.”
+
+De twee jongelieden wachtten met ongeduldige nieuwsgierigheid. „lk
+twijfel niet, jongelieden, of men heeft wel zóo voor uwe opvoeding zorg
+gedragen, dat gij den waren aard van leenroerige bezittingen kent?”
+
+Fergus, die voor een eindelooze verhandeling bevreesd begon te worden,
+antwoordde: „Door en door, Baron,” en stiet Waverley aan, om hem te
+doen verstaan, dat hij zijn onkunde niet bekennen zou.
+
+„Ook is u, naar ik vertrouw, niet onbekend, dat het bezit van de
+baronie van Bradwardine van een even vereerenden als bijzonderen aard
+is, daar ze blanch is (hetwelk Craig [154] oordeelt in het Latijn te
+moeten worden overgezet, door Blancum, of liever francum, een vrije
+bezitting) pro servitio detrahendi, seu exuendi, caligas regis post
+battaliam.” [155] Hier zag Fergus Eduard van ter zijde aan, terwijl bij
+bijna onmerkbaar de wenkbrauwen optrok, met welke beweging zijn
+schouders eveneens instemden. „Nu doen zich omtrent dit onderwerp twee
+tamelijk onzekere punten voor. Vooreerst, of deze dienst, of
+leenmanshulde, ooit kan toekomen aan den Prins, daar de woorden per
+expressum, caligas regis, „de laarzen van den Koning zelven” zijn; en
+ik verzoek uw gevoelen betreffende deze bijzonderheid te mogen weten,
+eer wij verder gaan.”
+
+„Wel, hij is Prins-Regent,” antwoordde Mac-Ivor, met een heerschappij
+over zijn gelaat die allen lof verdient; „en aan het Fransche hof wordt
+alle eer aan den Prins-Regent bewezen, die men den Koning schuldig is.
+Daarenboven, indien ik de laarzen van een van beide moest uittrekken,
+zou ik die dienst tienmaal liever bewijzen aan den jongen Prins, dan
+aan zijn vader.”
+
+„Ja, maar ik spreek hier niet van persoonlijke voorkeur. Evenwel is uw
+gezag van groot belang, wat de gebruiken van het Fransche hof betreft.
+En zeker de Prins, als alter ego [156], mag misschien wel aanspraak
+maken op het homagium van de groote leenheeren der kroon, daar aan alle
+getrouwe onderdanen in de akte van het regentschap bevolen wordt, om
+hem als des Konings eigen persoon te eerbiedigen. Verre zij het dus van
+mij, den luister van zijn gezag te willen verminderen, door hem een
+daad van hulde te onthouden, die zoo bijzonder geschikt is om er glans
+aan bij te zetten; want ik twijfel nog eenigszins, of aan den Keizer
+van Duitschland de laarzen wel worden uitgetrokken door een
+rijksvrijheer? Maar, hier doet zich de tweede zwarigheid voor – de
+Prins draagt geen laarzen, maar eenvoudige trews en brogues [157].
+
+Dit laatste dilemma had Fergus’ ernst bijna verstoord.
+
+„Wel,” zeide hij, „ge weet, Baron, dat het spreekwoord luidt: het gaat
+moeielijk een Hooglander de broek uit te trekken, – en dat geldt ook
+hier van laarzen.”
+
+„Het woord caligæ,” ging de Baron voort, „ofschoon ik beken, dat het
+volgens mijn familie-overlevering, en zelfs in onze oude bewijsstukken,
+door laarzen verklaard wordt, beteekent evenwel, in zijn
+oorspronkelijken zin, veeleer sandalen; en Cajus Cæsar, de neef en
+opvolger van Cajus Tiberius, verkreeg den bijnaam van Caligula, a
+caligulis, sive caligis levioribus, quibus adolescentior usus fuerat in
+exercitu Germanici patris, sui [158]. Ook waren de caligæ in gebruik
+bij de monniken; want wij lezen in een oud glossarium, dat, volgens den
+regel van St. Benedictus, in de abdij van St. Amand, de caligæ met
+banden werden vastgemaakt.”
+
+„Dat zal op de brogues zien,” hernam Fergus.
+
+„Wel zeker, mijn waarde Glennaquoich, en de woorden zijn uitdrukkelijk:
+Caligæ dietæ sunt, quia ligantur; nam socci non ligantur, sed tantum
+intromittuntur; dat is, caligæ ontleenen haren naam van de banden,
+waarmede ze vast gemaakt worden, terwijl daarentegen socci, die bijna
+hetzelfde mogen zijn als onze pantoffels, slechts aan den voet gesloft,
+worden. Ook komen in het Charter tweeërlei woorden voor, exuere seu
+detrahere, dat is, losmaken, zoo als in het geval van sandalen of
+brogues, en uittrekken, zoo als wij in onze moedertaal van laarzen
+zeggen. Intusschen wilde ik, dat we meer licht hadden; maar ik vrees,
+dat er weinig kans bestaat om hier eenigen geleerden schrijver de re
+vestiaria [159] te vinden.”
+
+„Ik twijfel er sterk aan,” zei het Opperhoofd, terwijl hij een blik
+wierp op de zwoegende Hooglanders, die beladen met den buit der
+verslagenen terug kwamen, „schoon de res vestiaria zelve op het
+oogenblik inderdaad vrij wat gezocht schijnt.”
+
+Daar deze aanmerking geheel in den luimigen aard van den Baron viel,
+vereerde hij ze met een glimlach, maar keerde oogenblikkelijk terug tot
+hetgeen hem een zeer ernstige zaak scheen.
+
+„Het is waar,” zeide hij, „Mackwheeble koestert het gevoelen, dat deze
+vereerende dienst, uit haren aard, plicht is, si petatur tantum; dat
+wil zeggen, wanneer Zijn Koninklijke Hoogheid van den grooten leenman
+der Kroon vordert dat hij dezen persoonlijken plicht volbrengen zal; en
+hij wees inderdaad het punt aan in Dirleton’s Twijfelingen en Vragen,
+Grippit tegen Spicer, over de uitwinning van een landgoed ob non
+solutum canonem, dat is, wegens het niet betalen van een leenplicht van
+drie peperkorrels in het jaar, welke geschat werd zeven achtste van een
+Schotsche duit waardig te zijn, tot het betalen waarvan de aangeklaagde
+verwezen werd. Maar onder uw welnemen, geloof ik dat het beste is, mij
+in den weg te plaatsen om den Prins deze dienst te bewijzen en hem die
+aan te bieden; en ik zal zorgen dat de rentmeester bij de hand is met
+een akte van protest, welke reeds door hem is gereed gemaakt, (dit
+zeggende haalde hij een papier voor den dag) waarin verklaard wordt,
+dat, indien Zijn Koninklijke Hoogheid anderen bijstand zal aannemen in
+het uittrekken van zijn caligæ, (hetzij dit vertaald worde door laarzen
+of brogues) behalve dien van den genoemden baron van Bradwardine, die
+op dit oogenblik gereed en gewillig is om dien te verleenen, zulks op
+geenerlei wijze inbreuk zal maken op, of strekken tot nadeel van de
+rechten van den gezegden Comyne Bradwardine, om gezegden dienst in het
+vervolg te volvoeren; noch zal het aan eenigen schildknaap,
+kamerdienaar, hoveling of page, wiens bijstand het Zijn Koninklijke
+Hoogheid moge behagen te gebruiken, eenig recht, titel of aanspraak
+geven, ter opeisching op gezegden Cosmo Comyne Bradwardine, van de
+landerijen en de baronie van Bradwardine, en zoo voorts, gehouden, als
+voorzegd, volgens de plichtschuldige en getrouwe vervulling der
+bedongen leendiensten.
+
+Fergus juichte deze schikking hoogelijk toe: en de Baron nam een
+vriendelijk afscheid van hen, met een glimlach van voldane eigenliefde
+op het gelaat.
+
+„Lang leve onze beste vriend, de Baron,” riep het Opperhoofd, zoodra
+hij buiten het gehoor was, „als het belachelijkst origineel, dat ten
+noorden van de Tweed bestaat! Het spijt mij dat ik hem niet aangeraden
+heb, heden avond in den kring van den Prins te verschijnen met een
+laarzentrekker onder den arm. Ik geloof dat hij den wenk zou opgevolgd
+hebben, als die maar met gepaste deftigheid gegeven ware.”
+
+„Hoe kunt ge er toch vermaak in scheppen zulk een achtingswaardig man
+belachelijk te maken?”
+
+„Met uw verlof, mijn waarde Waverley, ge zijt niet minder belachelijk
+dan hij. Hoe? bemerkt ge niet, dat ’s mans geheele ziel alleen met deze
+plechtigheid is vervuld? Hij heeft daarvan gehoord en er over gedacht,
+als het verhevenste voorrecht en de luisterrijkste plechtigheid ter
+wereld; en ik twijfel niet, of het genoegen dat hij hoopt te smaken
+door het bewijzen van dezen dienst, was voor hem een voorname
+beweegreden om de wapens op te vatten. Maak er staat op, dat, indien ik
+gepoogd had hem er van af te brengen om zich belachelijk te maken, hij
+mij voor een weetniet, een ingebeelden gek zou hebben uitgescholden, of
+het misschien wel in het hoofd zou gekregen hebben om mij de keel af te
+snijden; een genoegen, dat hij zich eenmaal voorstelde over een punt
+van etiquette, in zijn oogen niet half zoo gewichtig als deze zaak van
+laarzen of brogues, of waarvoor de caligæ, ten slotte, door de
+geleerden mogen worden verklaard. Maar ik moet naar het hoofdkwartier
+gaan, om den Prins op dit inderdaad buitengewone tooneel voor te
+bereiden. Ik ben er zeker van dat mijn bericht goed opgenomen zal
+worden, want het zal hem eens hartelijk doen lachen, en tevens maken
+dat hij op zijn hoede is niet te glimlachen, als de lust er toe zeer
+mal-à-propos wezen zou. Derhalve, tot wederziens, Waverley!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE ENGELSCHE GEVANGENE.
+
+
+Waverleys eerste zorg na het vertrek van het Opperhoofd, bestond
+daarin, dat hij zich naar den officier begaf wien hij het leven gered
+had. Hij werd, te gelijk met zijn makkers in het ongeluk, die zeer
+talrijk waren, in een heerenhuis niet verre van het slagveld bewaakt.
+
+Toen hij het vertrek binnentrad, waar ze dicht op elkander gedrongen
+stonden, herkende Waverley gemakkelijk den man wien zijn bezoek gold,
+niet slechts aan de bijzondere waardigheid van zijn voorkomen, maar
+tevens aan zijn bewaker, Dugald Mahony, met zijn strijdbijl, die hem
+van het oogenblik zijner gevangenneming had aangekleefd, alsof hij aan
+zijn zijde gespijkerd was. Deze nauwgezetheid had wellicht het doel
+
+om zich van Eduards toegezegde belooning te verzekeren; maar zij
+strekte insgelijks om te voorkomen dat de Engelschman, in de algemeene
+verwarring, werd uitgeschud; want Dugald had zorgvuldig berekend, dat
+zijn loon zou worden geregeld naar den toestand van den gevangene, op
+het oogenblik dat hij dezen aan Waverley in handen stelde. Hij haastte
+zich dus om Eduard te verzekeren, dat hij den „Sidier Roy” in
+veiligheid gebracht had, en dat hem geen enkel haar op het hoofd
+gekrenkt was sedert het oogenblik waarop Mijnheer hem verboden had den
+gevangene een klein houwtje met den strijdbijl te geven.
+
+Waverley beloofde Dugald op nieuw een rijke belooning, en terwijl hij
+den Engelschen officier naderde, betuigde hij zijn verlangen, om alles
+voor hem te doen, wat in de tegenwoordige onaangename omstandigheden
+tot zijn voordeel kon strekken.
+
+„Ik ben zulk een onervaren soldaat niet, Mijnheer,” antwoordde de
+Engelschman, „dat ik mij zou willen beklagen over het lot van den
+oorlog. Het grieft mij slechts die tooneelen op ons eigen eiland te
+zien, welke ik elders met onverschilligheid heb aanschouwd.”
+
+„Nog éen dag als deze,” zei Waverley, „en ik vertrouw, dat de oorzaak
+van uw leed weggenomen zal zijn, en alles tot orde en rust terug
+keeren.”
+
+De officier glimlachte en schudde het hoofd.
+
+„In den toestand waarin ik mij bevind, zou het mij weinig voegen, uw
+gevoelen te willen bestrijden; maar, in weerwil van den goeden uitslag
+en de dapperheid waardoor gij dien verkreegt, hebt ge een taak
+ondernomen, die mij geheel en al boven uwe krachten schijnt.”
+
+Op dit oogenblik trad Fergus binnen, en baande zich een weg door het
+gedrang.
+
+„Kom, Eduard, kom mede! De Prins slaapt heden nacht op Pinkie-house
+[160], en wij moeten ons daarheen begeven, als wij de geheele
+plechtigheid van de caligæ niet missen willen. Uw vriend, de Baron,
+heeft zich aan een groote wreedheid schuldig gemaakt, door Mackwheeble
+naar het slagveld mede te slepen. Nu moet ge weten, dat de rentmeester
+van niets zulk een afschrik heeft, als van een gewapenden Hooglander,
+of een geladen geweer; en op dit oogenblik staat hij te luisteren naar
+de onderrichtingen van den Baron omtrent het protest, terwijl hij zijn
+hoofd duikt als een zeehond, bij het schot van elk geweer of pistool,
+dat onze leegloopende knapen op het veld losbranden, terwijl hij, bij
+wijze van penitentie, bij iedere beweging bukkende, een zware berisping
+van zijn patroon opdoet, die het vuren van een geheele batterij, op een
+geweerschot afstands, als geen genoegzame verontschuldiging zou
+beschouwen, voor gemis aan oplettendheid bij een gesprek waarin de eer
+zijner familie betrokken is.”
+
+„Maar hoe heeft de heer Bradwardine er hem toegebracht, zich zoo ver te
+wagen?”
+
+„Wel, hij was tot Musselburgh gekomen, naar ik gis, in de hoop om voor
+sommigen onzer een testament te maken; en de stellige bevelen van zijn
+meester sleepten hem, nadat de slag geëindigd was, voort tot Preston.
+Hij klaagt over een of twee onzer deugnieten, die zijn leven in gevaar
+gebracht hadden, door hem hunne geweren op de borst te zetten; maar,
+daar zij het losgeld tot een Engelschen stuiver bepaalden, dunkt mij,
+dat wij den provoost-geweldiger met de zaak niet behoeven te moeien. –
+Kom, ga nu mede, Waverley!”
+
+„Waverley!” riep de Engelsche officier, met levendige ontroering, „de
+neef van Sir Everhard Waverley, van – shire?”
+
+„Dezelfde, mijnheer,” antwoordde onze held, eenigzins verrast door den
+toon, waarop hij hem aansprak.
+
+„Het maakt mij tegelijk gelukkig en bedroefd,” zei de gevangene, „u te
+ontmoeten.”
+
+„Ik weet niet, mijnheer,” antwoordde Waverley, „hoe ik zoo veel
+belangstelling van uw zijde verdien.”
+
+„Heeft uw oom u nooit gesproken van een vriend, Talbot geheeten?”
+
+„Ik heb hem met zeer veel achting van zulk een vriend hooren spreken –
+kolonel, geloof ik, bij het leger, en de echtgenoot van Lady Emilia
+Blandeville; maar ik meende dat kolonel Talbot buiten ’s lands was.”
+
+„Ik ben pas terug gekomen; en daar ik in Schotland was, achtte ik het
+mijn plicht om niet stil te zitten, waar mijn dienst misschien van
+eenig nut wezen kon. Ja, mijnheer Waverley, ik ben die kolonel Talbot,
+de echtgenoot der door u genoemde dame; en ik ben er trotsch op te
+erkennen, dat ik zoo wel mijn militairen rang als mijn huiselijk geluk
+aan uw grootmoedigen en edeldenkenden bloedverwant verschuldigd ben.
+Goede God! dat ik zijn neef in zulk een kleeding, en in zulk een zaak
+betrokken moet vinden!”
+
+„Mijnheer,” zeide Fergus, op hoogen toon, „de kleeding en de zaak zijn
+die van mannen van eer en van geboorte.”
+
+„Indien mijn toestand mij niet verbood uwe verzekering te betwisten,
+zou het mij niet moeielijk vallen te bewijzen, dat moed, noch roem op
+afkomst een kwade zaak goed kunnen maken. Maar, met mijnheer Waverleys
+verlof, en insgelijks met het uwe, mijnheer, indien het uwe ook
+gevraagd moet worden, zou ik gaarne eenige woorden met hem spreken over
+zaken, zijn familie betreffende.”
+
+„De heer Waverley, mijnheer, is geheel en al meester van zijn daden. –
+Gij zult mij, hoop ik, naar Pinkie volgen,” hernam Fergus, terwijl hij
+zich tot Eduard keerde, „zoodra gij uw gesprek met deze nieuwe kennis
+ten einde hebt gebracht?” En met deze woorden bracht het Opperhoofd van
+Glennaquoich zijn plaid, met iets meer dan zijn gewone hoogheid, in
+orde en verliet het vertrek.
+
+Waverleys invloed verschafte kolonel Talbot gemakkelijk de vrijheid om
+zich naar een ruimen tuin te begeven, die tot het huis behoorde waarin
+de gevangenen waren opgesloten. Ze wandelden eenige schreden zwijgende
+voort, terwijl de Kolonel blijkbaar overlegde, hoe hij met hetgeen hij
+te zeggen had zou beginnen; eindelijk sprak hij Eduard aldus aan:
+
+„Mijnheer Waverley, gij hebt heden mijn leven gered, en toch zou ik,
+zoo waar God leeft, het liever verloren hebben, dan u de uniform en de
+kokarde dezer lieden te zien dragen.”
+
+„Ik vergeef u uw verwijt, kolonel Talbot; het is wél gemeend, en een
+natuurlijk gevolg van uw opvoeding en beginselen. Maar er is niets
+buitengewoons in gelegen, dat iemand, wiens eer openlijk en
+onrechtvaardig aangetast is, een positie zoekt die hem de beste
+gelegenheid belooft, om zich op zijn lasteraars te wreken.”
+
+„Ik zou eer zeggen, een positie die het meest geschikt is om de door
+hen in omloop gebrachte geruchten te bevestigen,” antwoordde kolonel
+Talbot, „door u juist te gedragen zoo als ze verteld hebben. En is het
+u bekend, mijnheer, welke onuitsprekelijke moeielijkheden, en zelfs
+gevaren, gij door uw tegenwoordig gedrag aan uw naaste betrekkingen
+berokkent?”
+
+„Gevaren?”
+
+„Ja, mijnheer, gevaren. Toen ik Engeland verliet, waren uw oom en vader
+genoodzaakt borg voor hunne personen te stellen, om zich te
+verantwoorden wegens een beschuldiging van hoogverraad; en het is met
+de meeste moeite aan invloedrijke vrienden gelukt, hun de vergunning
+tot een borgstelling, in plaats van een arrestatie, te bezorgen. Mijn
+reis naar Schotland had geen ander oogmerk, dan om u uit den stroom te
+redden, waarin gij u hebt gestort; ook kan ik de gevolgen voor uw
+familie niet berekenen van uw aansluiting aan de opstandelingen, daar
+reeds het vermoeden alleen zoo gevaarlijk voor hen was. Allerdiepst
+smart het mij, dat ik u niet ontmoet heb, alvorens gij dezen laatsten
+en noodlottigen misstap hadt begaan.”
+
+„Ik weet waarlijk niet, waarom kolonel Talbot zich zoo veel moeite zou
+gegeven hebben, om mijnent wil.”
+
+„Mijnheer Waverley, ik versta mij niet op spotternij, en zal daarom uwe
+woorden beantwoorden overeenkomstig de eenvoudige bedoeling, die er in
+ligt opgesloten. Ik ben uw oom verplicht voor weldaden, grooter dan die
+een zoon aan zijn vader verschuldigd kan zijn. Ik beschouw mij in dit
+opzicht als zijn zoon, en daar ik weet dat er niets is, waardoor ik
+zijn goedheid jegens mij beter kan beantwoorden, dan u een dienst te
+bewijzen, zoo wil ik als het mogelijk is, dat doen, onverschillig of
+gij het goedvindt of niet. De persoonlijke verplichting, welke gij mij
+heden heb opgelegd, (schoon, naar het algemeene oordeel, zoo groot, als
+een mensch aan een ander kan bewijzen,) voegt niets bij mijn ijver voor
+uw bestwil, zoo min als zij dien in het minste kan verminderen, met
+welke koelheid het u ook behagen moge dien te beantwoorden.”
+
+„Uwe bedoelingen kunnen die van een vriend zijn, Mijnheer,” hernam
+Waverley droog weg, „maar uw taal is hard, of ten minste wat
+gebiedend.”
+
+„Bij mijne terugkomst in Engeland, na een lange afwezigheid, vond ik uw
+oom, Sir Everhard Waverley, onder de bewaking van een bode des konings,
+als een gevolg van de door uw gedrag ontstane verdenking. Hij is mijn
+oudste vriend – hoe dikwijls moet ik het herhalen? – mijn grootste
+weldoener! – zijn eigene uitzichten op geluk offerde hij aan de mijne
+op – hij uitte nooit een woord, noch liet ooit een gedachte toe, die de
+welwillendheid zelve niet zou gedacht of gesproken hebben. Dezen man
+vond ik onder bewaking, welke hem te harder viel wegens zijn gewone
+levenswijze, zijn natuurlijke prikkelbaarheid, en – vergeef het mij,
+mijnheer Waverley, wegens de oorzaak, waardoor dit ongeluk over hem was
+gebracht. Ik kan u mijn gewaarwordingen, bij deze gelegenheid, niet
+ontveinzen; zij waren alles behalve gunstig ten uwen opzichte. Nadat ik
+door mijn familie-invloed, die zooals gij waarschijnlijk weten zult,
+niet gering is, er in geslaagd was om Sir Everhards ontslag te
+bewerken, ging ik naar Schotland op reis. Ik ontmoette kolonel
+Gardiner, een man, wiens jammerlijke dood alleen genoegzaam is, om
+dezen opstand voor altijd te brandmerken. In den loop van het met hem
+gehouden gesprek, bevond ik, dat hij, door latere omstandigheden, door
+een op nieuw ingesteld verhoor der in de muiterij betrokken personen,
+en wegens zijn oorspronkelijk gunstige meening omtrent uw karakter,
+aanmerkelijk zachter ten uwen aanzien gestemd was, en ik twijfel niet,
+dat, zoo ik gelukkig genoeg mocht zijn om u te ontdekken, deze zaak nog
+gelukkig ten einde gebracht kon worden. Maar deze onnatuurlijke opstand
+heeft alles verijdeld. – Ik heb voor het eerst gedurende een lang en
+bedrijvig krijgsmans leven, Britten zich zien onteeren door een
+schandelijke vlucht, en dat voor een vijand zonder wapens of
+krijgstucht. En nu vind ik den erfgenaam van mijn dierbaarsten vriend –
+den zoon, mag ik zeggen, van zijn hart – deelgenoot van een zegepraal,
+waarover hij zich het eerst had behooren te schamen. Waarom zou ik
+Gardiner beklagen? Zijn lot was gelukkig bij het mijne vergeleken!”
+
+Er lag zoo veel waardigheid, zulk een mengeling van krijgsmansfierheid
+en manhaftige droefheid in kolonel Talbots manieren, en het bericht van
+Sir Everhards bezwaren werd op zulk een diepgevoeligen toon
+medegedeeld, dat Eduard, vernederd, verlegen en verpletterd stond voor
+zijn gevangene, die hem, slechts weinige uren geleden, het leven
+verplicht was. Hij was er niet bedroefd om, dat Fergus andermaal hun
+onderhoud kwam storen.
+
+„Zijn Koninklijke Hoogheid beveelt dat mijnheer Waverley zich naar het
+hoofdkwartier zal begeven,” zeide deze laatste. „Kolonel Talbot wierp
+een verwijtenden blik op Eduard, die het scherpe oog van het
+Hooglandschen Opperhoofd niet ontging. „En wel onmiddellijk,” herhaalde
+hij met nadruk. Waverley keerde zich weder tot den Kolonel.
+
+„Wij zullen elkander weder zien,” zeide hij; „ondertusschen zal elk
+mogelijk gemak –”
+
+„Ik verlang er geen,” zei de Kolonel; „laat men mij behandelen als den
+geringsten dier brave lieden, die, op dezen rampspoedigen dag, wonden
+en gevangenis boven de vlucht hebben verkozen; ik zou haast wel willen
+ruilen met een der gevallenen, indien ik slechts wist dat mijn woorden
+eenigen indruk op u hadden gemaakt.”
+
+„Kolonel Talbot moet zorgvuldig bewaakt worden,” zeide Fergus tot een
+Hooglandschen officier, die het bevel over de wacht bij de gevangenen
+had; „dit is het uitdrukkelijke verlangen van den Prins; de Kolonel is
+een krijgsgevangene van het hoogste gewicht.”
+
+„Maar laat het hem aan niets ontbreken wat zijn rang voegt,” zeide
+Waverley.
+
+„In zoo ver het met zijn zekere bewaring bestaanbaar is,” hernam
+Fergus.
+
+De officier gaf zijn bereid vaardigheid omtrent beide bevelen te
+kennen, en Eduard volgde Fergus naar de tuindeur, waar Callum Beg hen
+met drie opgezadelde paarden stond te wachten. Terwijl hij zijn hoofd
+omkeerde, zag hij dat kolonel Talbot naar de plaats zijner opsluiting
+door een wacht van Hooglanders terug geleid werd; hij toefde op den
+drempel van het huis, en wenkte Waverley nogmaals met de hand, als om
+nogmaals aan te dringen op hetgeen hij hem zoo even had toegevoegd.
+
+„Paarden,” zeide Fergus, terwijl hij het zijne beklom, „zijn er thans
+even overvloedig als bramen; elk heeft ze maar voor het nemen. Kom,
+laat Callum uwe stijgbeugels in orde brengen, en rijden wij naar
+Pinkie-house, zoo vlug als deze ci-devant dragonders-paarden er ons
+zullen verkiezen te brengen.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+NIET HEEL BELANGRIJK.
+
+
+„Ik ben,” zeide Fergus tot Eduard, terwijl ze naar Pinkie-house reden,
+„ten gevolge eener boodschap van den Prins teruggekeerd. Maar ge weet,
+naar ik veronderstel, van hoeveel belang deze krijgsgevangene, de edele
+kolonel, is. Hij wordt voor een van de beste officiers der roodrokken
+gehouden, een bijzonder vriend en gunsteling van den Keurvorst zelven
+en van dien verschrikkelijken held, den hertog van Cumberland, die van
+zijn zegepralen te Fontenoi is opgeroepen, om over te komen en ons arme
+Hooglanders met huid en haar te verslinden. Heeft hij u verteld, wat de
+klokken van St. James onder het luiden verkondigen? Toch niet „keer
+weêr, Whittington,” gelijk in de dagen van ouds?” [161]
+
+„Fergus?” riep Waverley met een verwijtenden blik.
+
+„Waarachtig, ik weet niet wat ik van u denken moet. Gij wordt door
+elken wind geslingerd. Daar hebben wij een overwinning bevochten, die
+haars gelijke in de geschiedenis niet heeft – en uw moed wordt door
+iedereen tot in de wolken geprezen; – de Prins snakt er naar om u
+persoonlijk zijn dank te betuigen – en al onze schoonen van de Witte
+Roos [162] zullen haar best doen om u te veroveren, en gij, de preux
+chevalier van den dag, hangt op den nek van uw paard, als een boerin
+die naar de markt rijdt, en kijkt zoo donker alsof gij een lijkstatie
+volgdet!”
+
+„Ik ben bedroefd over den dood van den armen kolonel Gardiner: hij
+heeft mij vroeger met zoo veel vriendschap behandeld.”
+
+„Nu, wees dan bedroefd voor vijf minuten, daarna weder vroolijk. Het
+lot dat hem heden getroffen heet, kan morgen het onze zijn, en wat
+heeft het te beteekenen? Wat is naast de overwinning beter dan een
+roemvolle dood, maar het is een pis-aller, en men gunt hem den vijand
+liever dan zichzelven.”
+
+„De kolonel Talbot heeft mij bericht, dat mijn vader en oom beiden door
+het bewind worden gevangen gehouden, om mijnentwil.”
+
+„Wij zullen borg stellen, mijn jongen; de oude Andreas Ferrara [163]
+zal ze lossen, en ik zou hem de zaak graag in Westminster-Hall zien
+uitmaken!”
+
+„Neen, ze zijn reeds in vrijheid, op borgtocht van meer wettigen aard.”
+
+„Waarom laat uw groote geest zich dan ter nederslaan, Eduard? Denkt gij
+dat de ministers van den keurvorst zulke duifjes zijn, dat zij hunne
+vijanden in dit netelig oogenblik in vrijheid zouden stellen, zoo zij
+hen konden of durfden gevangen houden en straffen? Wees verzekerd, dat
+zij óf geene gronden van beschuldiging tegen uwe bloedverwanten hebben,
+volgens welke zij hunne opsluiting kunnen doen voortduren, óf anders
+zijn ze bang voor onze vrienden, de dappere cavaliers van Oud Engeland.
+In elk geval behoeft gij niet bevreesd voor hen te zijn, en wij zullen
+wel middel vinden om hun bericht van uwe veiligheid te doen geworden.”
+
+Eduard werd door deze redenen tot zwijgen gebracht, maar niet
+overtuigd. Het had reeds meer dan eens een pijnlijke gewaarwording bij
+hem opgewekt, dat Fergus weinig deelneming in de gevoelens verried,
+zelfs van hen, die hij het meest beminde, zoo deze niet in
+overeenstemming waren met zijn eigene gemoedsgesteldheid op het
+oogenblik, en vooral zoo ze hem hinderlijk waren in het ernstige
+najagen van een geliefkoosd oogmerk. Fergus bespeurde inderdaad soms,
+dat hij Waverley gekrenkt had; maar daar hij altijd het een of ander
+lievelingsplan voor zichzelf op het oog had, sloeg hij nooit ernstig
+acht op de mate en den duur van dit ongenoegen, zoodat de herhaling van
+deze kleine ergernissen de buitengemeene gehechtheid van den
+vrijwilliger aan zijn officier een weinigje deed verkoelen.
+
+De Prins ontving Waverley met de meeste genegenheid, en roemde sterk
+zijn uitstekende dapperheid. Vervolgens trok hij hem ter zijde, deed
+hem een aantal vragen betreffende kolonel Talbot, en toen hij alle
+berichten ontvangen had, die Eduard omtrent hem en zijn betrekkingen in
+staat was te geven, vervolgde hij: – „Ik kan niet nalaten te denken,
+mijnheer Waverley, dat, daar deze heer zoo bijzonder vertrouwd is met
+onzen waardigen en uitnemenden vriend, Sir Everhard Waverley, en daar
+zijn echtgenoote behoort tot het Huis van Blandeville, welks
+gehechtheid aan de ware en echt koningsgezinde beginsels der Kerk van
+Engeland zoo algemeen bekend is, de bijzondere gevoelens van den
+kolonel ons niet ongunstig kunnen zijn, welk masker hij ook moge hebben
+aangenomen, om zich naar de tijden te schikken.”
+
+„Te oordeelen naar de taal, die hij heden tegen mij voerde, ben ik
+genoodzaakt geheel en al in meening van Uwe Koninklijke Hoogheid te
+verschillen.”
+
+„Wel, het is ten minste de moeite waard een proef te nemen. Ik belast u
+derhalve met de zorg voor kolonel Talbot, met volmacht om te zijnen
+aanzien te handelen, zoo als ge het raadzaamst zult oordeelen, en ik
+vertrouw, dat ge wel middelen zult vinden om u te vergewissen, welke
+zijn wezenlijke gezindheid is, met betrekking tot de herstelling van
+onzen Koninklijken Vader op den troon.”
+
+„Ik ben overtuigd,” hernam Waverley, met een buiging, „dat zoo kolonel
+Talbot zijn woord verkiest te geven, men met zekerheid er op bouwen
+kan; maar indien hij het weigert, zoo vertrouw ik, dat Uwe Koninklijke
+Hoogheid aan iemand anders, dan aan den neef van zijn vriend, de taak
+zal willen opdragen om hem onder het noodige opzicht te houden.”
+
+„Ik zal hem aan niemand toevertrouwen dan aan u,” zei de Prins met een
+glimlach, terwijl hij evenwel zijn bevel op stelligen toon herhaalde;
+„het is van belang voor mijn dienst, dat er een goede verstandhouding
+tusschen u schijne te bestaan, al kunt gij ook zijn vertrouwen in
+goeden ernst niet winnen. Gij zult hem derhalve in uw kwartier
+ontvangen, en weigert hij u zijn woord van eer te geven, dan moet ge om
+een behoorlijke wacht vragen. Ik verzoek u dit oogenblikkelijk te
+bewerkstelligen. Wij keeren morgen naar Edinburgh terug.”
+
+Aldus naar Preston terug gezonden, ging het plechtig huldebetoon van
+den baron van Bradwardine voor Waverley verloren. Maar hij was op dit
+oogenblik zoo weinig met gedachten aan ijdelheden vervuld, dat hij de
+plechtigheid, waarvoor Fergus zoo veel moeite gedaan had hem belang in
+te boezemen, geheel vergat. Den volgenden dag verscheen er een
+oficiëele courant, met een uitgebreid verslag van den slag van
+Gladsmuir [164], zoo als de Hooglanders hunne overwinning verkozen te
+noemen. Het eindigde met een beschrijving van het, dien avond op
+Pinkie-house gegeven hoffeest, en bevatte onder andere gezwollen
+beschrijvingen, het volgende:
+
+„Sedert dat noodlottige tractaat, hetwelk Schotland als een
+onafhankelijke natie, vernietigde, hebben wij het geluk niet gehad zijn
+vorsten te zien ontvangen, en zijn edelen die bewijzen van leendienst
+en hulde te zien brengen, welke, op de luisterrijke bedrijven der
+Schotsche dapperheid gegrond, hunne vroegere geschiedenis in het
+geheugen terugroepen, benevens de manhaftige en ridderlijke
+eenvoudigheid der banden, die aan de Kroon de hulde verzekerden der
+krijgslieden, door wie zij bestendig geschoord en verdedigd werd. Maar
+op den 20sten werden onze herinneringen verlevendigd door een dier
+plechtigheden, welke tot de oude dagen van Schotlands glorie behoorden.
+Nadat de kring gevormd was, naderde Cosmo Comyne Bradwardine, op het
+oogenblik kolonel in dienst enz. enz. enz, den Prins, bijgestaan door
+den heer D. Mackwheeble, den rentmeester van zijn aloude baronie van
+Bradwardine, (die, gelijk wij vernemen, onlangs tot een van de
+krijgs-commissarissen is benoemd,) bij vorm van publieke acte, en met
+de meeste bescheidenheid, verlof vragende, om aan den persoon van Zijne
+Koninklijke Hoogheid, als vertegenwoordigende den Vader van den Prins,
+den gebruikelijken en gewonen dienst te mogen bewijzen, waarvoor,
+volgens een charter van Robert Bruce, (waarvan het oorspronkelijke in
+der tijd vertoond werd aan en gewaarmerkt door Zijne Koninklijke
+Hoogheids kanselarij) de eischer de baronie van Bradwardine en landen
+van Tully-Veolan in leen hield. Nadat zijn eisch was toegestaan en
+geregistreerd, plaatste Zijne Koninklijke Hoogheid den voet op een
+kussen, en de baron van Bradwardine, op zijn rechter knie gevallen,
+ging over om den brogue of Schotschen schoen los te maken, welken onze
+jonge held, ten believe zijner brave volgelingen, heeft aangenomen.
+Toen dat gedaan was, verklaarde Zijne Koninklijke Hoogheid de
+plechtigheid voor volbracht, en, den ridderlijken krijgshaftigen
+grijsaard omhelzende, betuigde hij, dat niets dan gehoorzaamheid aan
+een ordonnantie van Robert Bruce hem zou bewogen hebben, zelfs de
+zinnebeeldige volbrenging van kleine diensten aan te nemen van handen,
+die zoo dapper gestreden hadden om de kroon op zijns vaders hoofd te
+zetten. De baron van Bradwardine stelde thans de akten in handen van
+den heer commissaris Mackwheeble, inhoudende, dat alle punten en
+omstandigheden der huldiging waren rite et solemniter acta et peracta,
+en er werd een gelijkluidend bewijs gebracht ten protocolle van den
+Grootkamerheer en in de aanteekeningen van de kanselarij. Wij vernemen,
+dat Zijne Koninklijke Hoogheid in overweging heeft genomen, om, zoo het
+Zijner Majesteits welbehagen is, den kolonel Bradwardine te verheffen
+tot het pairschap, onder den titel van burggraaf Bradwardine van
+Bradwardine en Tully-Veolan, en dat het, middelerwijl, Zijner
+Koninklijke Hoogheid, op zijns vaders naam en gezag, heeft behaagd hem
+een eervol toevoegsel op zijn voorvaderlijk wapenschild te verleenen,
+bestaande in een laarzentrekker, kruiselings geplaatst met een
+ontblooten sabel, aangebracht rechts in het schild, met een
+toepasselijke spreuk er onder op een perkamenten rol, namelijk de
+woorden:
+
+
+ „Trek en trek uit.”
+
+
+„Ware het niet door Fergus’ spotternij,” dacht Waverley bij zichzelven,
+toen hij het lange en deftige stuk had uitgelezen, „hoe deftig zou dit
+alles luiden, en hoe weinig zou ik er aan gedacht hebben, om het met
+eenig belachelijk denkbeeld te verbinden! Och! alles wél beschouwd,
+heeft iedere zaak hare gunstige en hare gebrekkige zijde, en ik zie
+niet in, waarom de laarzentrekker van den baron niet even fraai in de
+wapenboeken zou prijken, als de wateremmers, de wagens, de karrewielen,
+de ploegscharen, schietspoelen en andere gewone zaken, die aan niets
+minder doen denken dan aan ridderschap, en op de wapenschilden van
+onzen oudsten adel voorkomen.” Maar dit is slechts een episode; laat
+ons tot de eigenlijke geschiedenis terug keeren.
+
+Toen Waverley te Preston terug kwam, en zich weder bij kolonel Talbot
+vervoegde, vond hij hem hersteld van de sterke en in het oog loopende
+aandoeningen, die een samenloop van onaangename omstandigheden bij hem
+opgewekt had. Hij had zijn natuurlijke houding hernomen, – die van den
+fatsoenlijken Engelschman en soldaat, manhaftig, open en edelmoedig,
+maar niet zonder vooroordeel tegen de inwoners van een ander land, of
+tegen diegenen welke in staatkundige gevoelens van hem verschilden.
+Toen Waverley den Kolonel berichtte dat de Prins hem aan zijn zorg had
+aanbevolen, zeide hij: „Ik had niet gedacht zoo veel verplichting aan
+dezen jongen heer te zullen hebben, als in deze bepaling gelegen is. Ik
+kan ten minste hartelijk bidden met dien eerlijken Presbyteriaanschen
+prediker, dat, daar hij onder ons gekomen is, om een aardsche kroon te
+zoeken, zijn moeite spoedig beloond moge worden met een hemelsche.
+[165] Ik zal gaarne mijn woord geven, om geene ontsnapping te beproeven
+zonder uw medeweten; daar ik inderdaad met geen ander doel in Schotland
+ben gekomen, dan om u te ontmoeten; en ik verheug mij, dat het mij – al
+is het ook op deze wijze – gelukt is. Maar ik denk, dat wij niet lang
+bij elkander zullen zijn. Uw „Ridder,” (dat is een naam, dien wij beide
+hem geven mogen) zal met zijn plaids en blauwkappen, naar ik vermoed,
+zijn kruistocht naar het zuiden voortzetten.”
+
+„Naar ik gehoord heb, niet; ik geloof dat het leger eenigen rusttijd in
+Edinburgh zal houden, om versterking af te wachten.”
+
+„En om het kasteel te belegeren?” zeide Talbot, met een spottenden
+glimlach: „nu, zoo mijn oude overste, generaal Preston, geen verrader
+wordt, en het kasteel in het Noordermeer niet verzinkt, gebeurtenissen
+die ik al even waarschijnlijk acht, dan zullen wij wel eenigen tijd
+hebben, om kennis te maken. Ik verbeeld me, dat deze beleefde Ridder
+zich in het hoofd heeft gezet, dat ge mij bekeeren zult, en, daar ik
+wensch zelf u te bekeeren, kon er geen schooner voorstel gedaan worden
+dan om ons volop gelegenheid te geven met elkaar te praten. Maar, daar
+ik van daag gesproken heb onder den invloed van gewaarwordingen,
+waaraan ik zelden toegeef, zoo hoop ik dat ge mij zult verschoonen van
+andermaal geschillen te behandelen, voor en aleer wij een weinig beter
+met elkander bekend zijn.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE LISTEN DER LIEFDE EN DER STAATKUNDE.
+
+
+Het is niet noodig in deze bladen den zegevierenden intocht van den
+Prins te Edinburgh, na den beslissenden slag van Preston, te
+beschrijven. Eéne omstandigheid echter verdient vermeld te worden,
+omdat zij volkomen Flora Mac-Ivor’s edelmoedigheid in het licht stelt.
+De Hooglanders, door wie de Prins omringd was, brandden, in de
+uitgelatenheid van dit vroolijk oogenblik, herhaalde malen hunne
+geweren los: en toen een hunner bij toeval het zijne met een kogel
+geladen had, vloog deze langs de slapen der jonge dame, terwijl zij,
+van een balkon, met een zakdoek wuifde. [166] Fergus, die getuige was
+van dit ongeluk, snelde in een oogenblik naar haar henen; en ziende dat
+de wond van geen belang was, trok hij zijn sabel, met oogmerk, om, naar
+beneden, op den man aan te vliegen, wiens achteloosheid haar in zulk
+een groot gevaar had gebracht; toen ze, hem bij zijn plaid
+vasthoudende, uitriep: „Doe den armen knaap geen leed, – in ’s Hemels
+naam doe dat niet! Dank veeleer God met mij, dat het ongeluk Flora
+Mac-Ivor trof; want als de kogel een Whig had getroffen, zou men
+voorgewend hebben, dat er met opzet op hem geschoten was.”
+
+Waverley ontging den schrik, welken dit ongeluk hem zou veroorzaakt
+hebben – daar hij genoodzaakt werd om kolonel Talbot naar Edinburgh te
+vergezellen.
+
+Ze volbrachten de reis gezamenlijk te paard; en een tijd lang als
+wilden zij elkanders gevoelens en denkwijze polsen, spraken ze over
+alledaagsche en onverschillige onderwerpen.
+
+Toen Waverley weder op de zaak kwam, die hem het naast aan het harte
+ging, namelijk den toestand van zijn vader en oom, scheen kolonel
+Talbot thans eerder verlangend zijn bezorgheid te verligten, dan ze te
+verzwaren. Inzonderheid bleek dit het geval te zijn, toen hij Waverleys
+geschiedenis vernam, deze geene zwarigheid maakte hem die toe te
+vertrouwen.
+
+„En dus is er,” zei de Kolonel, „geen kwaad opzet geweest, zoo als,
+meen ik, de rechtgeleerden zeggen, bij uw overhaasten stap; en zijt gij
+tot de dienst van dezen dolenden ridder verlokt en overgehaald, door
+eenige beleefde woorden van hem, en van een paar zijner Hooglandsche
+werfofficieren? Het is zeker al heel gek, maar toch op verre na zoo erg
+niet, als ik reden had te denken. Evenwel kunt ge hem op dit oogenblik
+niet verlaten; dat schijnt onmogelijk. Maar ik twijfel volstrekt niet,
+of bij de oneenigheden, die er onder deze menigte woeste en wanhopige
+knapen voorvallen, er zich wel éen gelegenheid zal opdoen, waarvan ge u
+bedienen kunt, om u, voor dat de bom losbreekt, met eere van uwe
+overhaaste verbindtenis te ontslaan. Indien zich dit liet
+bewerkstellingen, zou ik wenschen dat gij een schuilplaats zocht die ik
+u zal aanwijzen in Vlaanderen. En ik verbeeld mij dat, na eenige
+maanden verblijfs buiten ’s lands, een amnestie voor u bij het bewind
+wel te verwerven zal zijn.”
+
+„Ik mag u niet toestaan, kolonel Talbot, van eenig plan te spreken dat
+in verband staat met het verzaken eener onderneming, waarin ik mij met
+overhaasting mag hebben gestort; maar ik deed het toch uit vrijen wil,
+en met oogmerk om, wat ook de uitkomst wezen mocht, daarbij te
+blijven.”
+
+„Dan hoop ik,” hernam kolonel Talbot, glimlachende, „dat zoo ge mij al
+verbiedt te spreken, gij mij toch meester van mijn gedachten en
+wenschen zult laten. Maar hebt ge nooit uw geheimzinnig pakje
+onderzocht?”
+
+„Het is onder mijn bagaadje, wij zullen het te Edinburgh vinden.”
+
+Weldra bereikten ze die stad. Aan Waverley was, op ’s Prinsen
+uitdrukkelijk bevel, een verblijf aangewezen in een flink kwartier,
+waar hij voor kolonel Talbot een vertrek kon doen inrichten. Zijn
+eerste bezigheid was zijn mantelzak te onderzoeken, en na een oogenblik
+gezocht te hebben, kwam het bewuste pakje te voorschijn. Waverley
+opende het in haast. Onder een witten omslag, met het eenvoudig adres:
+aan den heer E. Waverley, vond hij een aantal open brieven. De beide
+bovenste waren van kolonel Gardiner aan hem zelven: de eerste, die van
+de oudste dagteekening was, behelsde een zachte en vriendelijke
+berisping over het verontachtzamen van des schrijvers raad, betreffende
+het besteden van zijn tijd, gedurende zijn afwezigheid met verlof,
+welks verlenging hij kapitein Waverley herinnerde dat weldra geëindigd
+wezen zou. „Inderdaad,” zoo luidde de brief verder, „ware het anders
+geweest, het nieuws van buiten ’s lands, en mijn voorschriften van het
+ministerie van oorlog, zouden mij genoodzaakt hebben het in te trekken,
+daar er, sedert den tegenspoed in Vlaanderen, groot gevaar is voor
+inval van buiten en voor opstand der kwalijkgezinden binnen ’s lands.
+Ik bid u dus, zoo spoedig mogelijk, naar het hoofdkwartier terug te
+keeren; en het is van belang er bij te voegen, dat dit te
+noodzakelijker wordt, daar er eenige ontevredenheid onder uw escadron
+heerscht, en ik het onderzoek naar bijzonderheden uitstel, tot ik het
+genoegen van uw bijstand kan smaken.”
+
+De tweede brief, een week later gedagteekend, was in zoodanigen toon
+vervat, als men kon verwachten na het uitblijven van eenig antwoord op
+den vorigen. In dezen werd Waverley herinnerd aan zijn plicht, als man
+van eer, als officier en als Engelschman; de kolonel stond stil bij de
+aangroeiende ontevredenheid zijner manschappen, en dat men sommigen
+hunner had hooren zeggen, dat de Kapitein hun oproerig gedrag
+aanmoedigde en goedkeurde; en eindelijk gaf de schrijver zijn hoogste
+leedwezen en verbazing te kennen, dat Waverley zijn bevelen niet had
+opgevolgd, en naar het hoofdkwartier was teruggekeerd; voorts
+herinnerde hij hem dat zijn verlof ingetrokken was, en bezwoer hem op
+een toon, waarin vaderlijke bestraffing met militair gezag vereenigd
+was, zijn dwaling te herstellen, door zich onmiddellijk bij het
+regiment te voegen. „Om zeker te zijn,” dit was het slot van den brief,
+„dat dit schrijven u werkelijk in handen komt, zend ik het u door
+korporaal Tims, met order om het u zelven te overhandigen.”
+
+Het lezen dezer brieven vervulde Waverley met smartelijke aandoeningen
+en hij voelde zich gedrongen amende honorable te doen aan de
+gedachtenis van den braven en uitnemenden schrijver; want, daar de
+Kolonel alle reden had gehad om te denken, dat zij hem veilig in handen
+gekomen waren, kon er, nu de gegeven raad in den wind geslagen was,
+niets minder volgen, dan die derde en laatste oproeping, welke Waverley
+inderdaad te Glennaquoich ontving, ofschoon te laat om er aan te
+gehoorzamen. Zijn schorsing in den dienst, ten gevolge van zijn
+oogenschijnlijke veronachtzaming van dit laatste bevel, was, wel verre
+van een harde of strenge maatregel, slechts een onvermijdelijk gevolg
+daarvan. De volgende, door hem geopende, brief was van den majoor van
+het regiment, waarin hem bericht werd, dat er een gerucht, ten nadeele
+van zijn goeden naam, in de omstreken verspreid was, namelijk dat
+zekere mijnheer Falconer van Ballihopple, of zoo iets, in zijn
+tegenwoordigheid, een verraderlijken toast had ingesteld, dien hij met
+stilzwijgen had aangehoord, ofschoon die dronk zulk een grove
+beleediging van de koninklijke familie bevatte, dat een heer in het
+gezelschap, juist niet bekend door zijn ijver voor het bewind, de zaak
+echter had opgevat, en dat kapitein Waverley dus had geduld, dat een
+ander, vergelijkender wijze minder in de zaak betrokken, zijn
+gevoeligheid over een beleediging bewees, tegen hem, als officier,
+persoonlijk gericht. De majoor zeide ten slotte, dat niet één van
+kapitein Waverleys kameraden deze schandelijke historie kon gelooven,
+maar dat zijn eigene eer, zoo wel als die van het regiment, vorderde,
+dat ze oogenblikkelijk uit zijn naam werd tegengesproken, enz. enz.
+
+„Wat dunkt u van dit alles?” zei kolonel Talbot, wien Waverley de
+brieven overhandigde, na ze zelf gelezen te hebben.
+
+„Wat mij er van dunkt? Het maakt elke gedachte onmogelijk; en is in
+staat om mij krankzinnig te maken.”
+
+„Bedaard, mijn jonge vriend! Laat ons zien, wat dit vuile gekrabbel is,
+dat nu volgt.”
+
+De eerste had tot opschrift: „Aen den heir W. Ruffin, deze.” – „Waerde
+menheir, sommige van onze jonge slokkers wille maer niet bijte, al heb
+ik hun zeid dat jij mij mijnheirs ijgen cachet had laete kijke. Maar
+Tims zal je, volgens belofte, de brieven overlevere, en vertel onzen
+ouden Addam, dattie ze mijnheirs hand heit gegeve, daer dit toch op ’t
+zelve uitkomt; en wacht op het sein en hoera voor de kerk en voor ons
+goed recht, zoo als mijn vader in den oogst zingt.
+
+ De uwe, waerde menheir,
+
+ H. H.
+
+Naschrif. Zeg aan menheir, dat we dol zijn om wat van hem te hoore, en
+niet vatte waarom ie zelf niet schrijft.”
+
+„Deze Ruffin is dan denkelijk,” zeide kolonel Talbot, „uw Donald uit
+het hol, die uwe brieven onderschept, en een briefwisseling aangeknoopt
+heeft met dien armen duivel Houghton, terwijl hij voorgaf in uw naam te
+handelen.”
+
+„Het schijnt maar al te zeker. Maar wie kan Addam zijn?”
+
+„Mogelijk Adam, de ongelukkige Gardiner!”
+
+De overige brieven hadden een gelijke strekking; en thans werden zij
+nog volkomener ingelicht omtrent Donald Beans streken.
+
+John Hodges, een van Waverleys bedienden, die bij het regiment
+gebleven, en te Preston gevangen genomen was, verscheen op dit
+oogenblik. Hij had zijn meester uitgevorscht, met oogmerk om weêr in
+zijn dienst te treden. Van dezen knaap vernamen ze, dat, eenigen tijd
+na Waverleys vertrek uit het hoofdkwartier, er een zekere marskramer,
+Ruthven, Ruffin of Rivane geheeten, bij de soldaten bekend onder den
+naam van „de Leepert”, dikwijls in het stadje Dundee gekomen was. Hij
+scheen overvloed van geld te bezitten, betaalde wat hij gebruikte heel
+ruim, scheen altijd gereed om zijn vrienden in de kroeg te onthalen, en
+won gemakkelijk de vriendschap van een aantal manschappen van Waverleys
+escadron, bijzonder die van den wachtmeester Houghton en zekeren Tims,
+die mede onder-officier was. Dezen stelde hij een plan voor, uit naam
+van Waverley, om het regiment te verlaten en zich bij hem in de
+Hooglanden te voegen, waar, volgens het gerucht, de clans reeds in
+grooten getale de wapens hadden opgevat. De manschappen, die voor zoo
+verre ze een eigene meening hadden, als Jacobieten waren opgevoed, en
+inzonderheid wisten dat hun heer, sir Everhard, altijd geacht werd die
+gevoelens aan te kleven, vielen gemakkelijk in den strik. Dat Waverley
+ver weg, in de Hooglanden, was, werd als een genoegzame verschooning
+aangenomen, om zijn brieven door middel van den marskramer over te
+maken; en het zien van zijn welbekend cachet scheen de in zijn naam
+gevoerde onderhandelingen te eerder te wettigen, daar het schrijven
+gevaarlijk kon zijn. Doch men begon lucht van het kabaal te krijgen
+door de oproerige taal der daarin betrokkenen. De marskramer
+rechtvaardigde dit vermoeden; want men zag hem niet meer. Toen de
+courant verscheen, die het bericht behelsde, dat Waverley uit den
+dienst ontslagen was, brak onder een groot gedeelte van zijn escadron
+dadelijk een opstand uit, doch de oproermakers werden omsingeld en
+ontwapend door het overige van het regiment. Houghton en Tims werden
+door een krijgsraad veroordeeld om doodgeschoten te worden, maar kregen
+daarna verlof om hun leven te loten. Houghton, die in het leven bleef,
+toonde veel berouw, daar hij door de vermaningen en verklaringen van
+kolonel Gardiner overtuigd was geworden, dat hij zich met een zeer
+schandelijke zaak had ingelaten. Het is opmerkelijk, dat, zoodra de
+arme kerel hiervan overtuigd was, hij ook oogenblikkelijk voor zich de
+verzekering had, dat zijn opruier buiten voorkennis van Eduard had
+gehandeld, zeggende: „Zoo het schandelijk en tegen Oud-Engeland was,
+kon de jonker er niets van weten: nooit deed hij iets, noch dacht aan
+iets, dat schandelijk was, zoo min als sir Everhard, of iemand hunner
+vóor hem, en hij zou er den dood op willen ingaan, dat Ruffin alles op
+zijn eigen hand had gedaan.”
+
+De kracht der overtuiging, waarmede hij zich op dit punt uitte, zoo wel
+als zijn verzekeringen, dat de voor Waverley bestemde brieven, aan
+Ruthven waren overgegeven, brachten die verandering in kolonel
+Gardiners gevoelen te weeg, waarvan hij Talbot gesproken had.
+
+De lezer heeft al lang begrepen, dat Donald Bean Lean bij deze
+gelegenheid de rol van verleider speelde. Zijn drijfveêren waren in éen
+woord deze. Van woeligen en listigen aard, was hij langen tijd als een
+ondergeschikt werktuig en verspieder gebruikt door de vertrouwden van
+den Prins, en dat wel dikwijls veel meer dan Fergus Mac-Ivor zelf dacht
+onder wiens bescherming hij stond, maar dien hij vreesde en lang niet
+beminde. Als een gevolg van zijn welslagen in deze staatkundige
+loopbaan, was hij er natuurlijk op bedacht, om gelijk hij hoopte, door
+een of anderen stouten trek, zich te verheffen boven zijn tegenwoordig
+gevaarlijk en onzeker bestaan als roover. Hij werd inzonderheid
+gebezigd, om de sterkte der regimenten in Schotland, het karakter der
+officieren enz., te leeren kennen, en had al lang het oog op Waverleys
+escadron, als vatbaar voor verleiding, laten vallen, Donald geloofde,
+wat meer is, dat Waverley zelf in den grond de Stuarts aankleefde,
+hetgeen bevestigd scheen door zijn lang bezoek bij den Jacobietischen
+baron van Bradwardine. Toen Waverley dus, met een van Glennaquoichs
+gevolg, in zijn hol kwam, vatte de roover, die zich geen denkbeeld kon
+maken van de wezenlijke beweegreden, welke niets dan nieuwsgierigheid
+was, de blijde hoop op, dat zijn talenten, onder leiding van dezen
+invloedrijken jongen Engelschman, tot een of anderen belangrijken
+aanslag zouden gebezigd worden. Ook kwam hij hiervan niet terug,
+ofschoon Waverley hoegenaamd geen acht sloeg op zijn wenken en de
+aanleidingen die hem verschaft werden om tot een verklaring te komen.
+Zijn gedrag werd aan voorzichtige achterhoudendheid toegeschreven,
+ofschoon het Donald eenigszins hinderde, die, daar hij begreep dat hij
+buiten een geheim gehouden werd, waar vertrouwen voordeelig kon zijn,
+zich voornam zijn rol in het stuk te hebben, hetzij men hem die al of
+niet opdroeg. Met dit oogmerk maakte hij zich, gedurende Eduards slaap,
+meester van diens cachet, ten einde het eenmaal te gebruiken bij de
+manschappen van Waverleys escadron, die het vertrouwen des kapiteins
+bezaten. Zijn eerste reis naar Dundee, de stad waar het regiment in
+bezetting lag, deed zijn oorspronkelijke vooronderstelling in duigen
+vallen, maar opende hem een nieuw veld ter bearbeiding. Hij wist dat
+hij aan de aanhangers der Stuarts geen beteren dienst kon bewijzen, dan
+om een gedeelte van het leger voor de zaak van den Prins te winnen, wat
+hem zeker een ruime belooning zou verzekeren. Tot dat einde ondernam
+hij de kuiperijen waarmede de lezer reeds bekend is, en welke hem den
+draad in handen geven tot al het ingewikkelde en duistere in de
+gebeurtenissen vóor Waverleys vertrek van Glennaquoich.
+
+Volgens den raad van kolonel Talbot, weigerde Waverley den jongen in
+dienst te nemen, wiens verklaring een nieuw licht over deze zaken
+verspreid had. Talbot beduidde hem, dat hij den jonkman een slechte
+dienst zou bewijzen, met hem in een wanhopige onderneming te betrekken,
+en dat, wat er ook gebeurde, zijn getuigenis in zekere mate strekken
+kon, om ten minste de omstandigheden op te helderen, die Waverley er
+toe gebracht hadden zelf deel er aan te nemen. Waverley schreef dus een
+kort verhaal van het gebeurde aan zijn oom en vader, evenwel niet
+zonder hen te waarschuwen, in den tegenwoordigen stand van zaken, niet
+te pogen zijn brief te beantwoorden. Vervolgens overhandigde Talbot den
+man een brief voor den bevelhebber van een der Engelsche schepen, die
+in de Frith kruisten, terwijl hij hem verzocht den brenger te Berwick
+aan land te zetten, met een pas voor het graafschap **. Nu werd hij van
+geld voorzien, om zijn reis zoo spoedig mogelijk af te leggen, en
+tevens werd hem bevolen zorg te dragen dat hij aan boord van het
+bedoelde schip kwam, door een visscherschuit af te huren, hetgeen hij,
+gelijk ze later vernamen, gemakkelijk bewerkstelligde.
+
+De tegenwoordigheid van Callum Beg moede, een dienaar die, naar hij
+meende, eenigen lust had, om als verspieder zijn bewegingen gade te
+slaan, huurde Waverley als knecht een eenvoudigen Edinburgschen knaap,
+die de witte kokarde had opgezet in een aanval van ontevredenheid en
+jaloezij, omdat Jenny Job een geheelen nacht had gedanst met korporaal
+Bullock, van de fuseliers.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+MAATSCHAPPELIJKE EN VERLIEFDE INTRIGUES.
+
+
+Na het vertrouwen door Waverley aan den kolonel Talbot betoond, werd
+deze vriendschappelijker in zijn gedrag jegens hem, en daar ze
+noodwendig dikwijls bij elkander waren, groeide Eduards achting voor
+het karakter van den kolonel gedurig aan. Er scheen eerst iets stroefs
+in de wijze, waarop Talbot zijn misnoegen en berisping te kennen gaf,
+ofschoon niemand, in het algemeen, vatbaarder was voor overtuiging dan
+hij. Ook had de gewoonte om gezag uit te oefenen aan zijn manieren iets
+gebiedends bijgezet, in weerwil van de fijne beschaving, die hij aan
+zijn vertrouwelijken omgang met de hoogere kringen te danken had. Als
+militair verschilde hij van allen, die Waverley tot nu toe had gezien.
+De baron van Bradwardine was een pedant die de wapenen droeg; de majoor
+Melville, vol kleingeestige bezorgdheid om de technische bijzonderheden
+van den dienst, deed eer denken aan iemand, die een bataljon de
+exercitiën moet doen uitvoeren, dan aan hem die een leger aanvoeren
+moet. Wat Fergus betreft, zijn militaire geest was zoo overheerscht
+door zijn plannen en staatkundige uitzichten, dat hij eer op een
+onbeduidend souverein vorstje, dan op een krijgsman geleek. Maar
+kolonel Talbot was in ieder opzicht de type van den Engelschen
+krijgsman. Hij was met hart en ziel aan den dienst van zijn Koning en
+vaderland gehecht, zonder eenigen hoogmoed te gevoelen, omdat hij,
+zoowel als de Baron, de theorie van zijn kunst verstond, of, zoo als de
+Majoor, de praktische bijzonderheden er van, of, even als het
+Opperhoofd van Glennaquoich, zijn wetenschap aan eigene bijzondere
+ontwerpen wist dienstbaar te maken. Daarenboven was hij een man van
+uitgebreide kennis en gevormden smaak, hoewel, gelijk wij reeds
+aangemerkt hebben, bezield met de vooroordeelen, die uitsluitend
+Engelsch mogen heeten.
+
+Trapsgewijs ontwikkelde kolonel Talbots karakter zich voor Eduard; want
+het vruchteloos beleg des kasteels van Edinburgh door de Hooglanders,
+duurde verscheidene weken, gedurende welke Waverley weinig anders te
+verrichten had, dan zoodanige uitspanningen na te jagen, als het
+gezellige leven oplevert. Hij zou gaarne zijn nieuwen vriend
+overgehaald hebben, om met eenige zijner vroegere vertrouwden kennis te
+maken. Maar de kolonel schudde, na een paar bezoeken, het hoofd, en
+weigerde volstandig zich aan verdere proeven te wagen. Ja, hij ging
+verder, en noemde den Baron den ondragelijksten en stijfsten pedant
+dien hij ooit het ongeluk had gehad te ontmoeten, en het Opperhoofd van
+Glennaquoich een verfranschten Schot, die al de slimheid en
+innemendheid van het volk waarbij hij opgevoed was, benevens de
+trotsche, wraakzuchtige en onrustige geaardheid van zijn eigen volk
+bezat. „Zoo de duivel,” zeide hij, „opzettelijk een handlanger had
+gezocht, om dit ongelukkig land in verwarring te brengen, geloof ik
+niet dat hij een beteren had kunnen vinden, dan een knaap als deze, die
+even onrustig en slim schijnt, als hij ondeugend is, en die blindelings
+gevolgd en gehoorzaamd wordt door een hoop boeven, die gij goedvindt te
+bewonderen.”
+
+De dames van het gezelschap ontgingen zijn afkeuring evenmin. Hij gaf
+toe dat Flora Mac-Ivor een schoone vrouw was, en Rose Bradwardine een
+mooi meisje. Maar hij beweerde dat de eerste de werking harer
+schoonheid vernietigde door een gemaakte navolging van den valschen
+hoftoon, dien zij waarschijnlijk te St. Germains had leeren kennen. En
+wat Rose Bradwardine betrof, het was onmogelijk, zeide hij, voor
+eenigen sterveling, zulk een onwetend klein ding te bewonderen, wier
+beetje opvoeding even weinig berekend was voor hare kunne of jaren, als
+een van haars vaders oude uniformen geschikt zou zijn om haar
+persoontje op te tooien. Intusschen was dit alles niets dan
+zwartgalligheid en vooroordeel bij den goeden Kolonel, voor wien de
+witte kokarde op de borst, de witte roos in het haar, en het Mac vóor
+den naam, een engel in een duivel zou veranderd hebben. En inderdaad
+stemde hij, zelf schertsende toe, dat hij Venus niet schoon zou vinden,
+als zij in een of ander gezelschap aangediend werd, onder den naam van
+freule Mac-Jupiter.
+
+Waverley, zooals men zal gelooven, beschouwde deze jonge dames met
+geheel andere oogen. Gedurende den tijd van het beleg bezocht hij haar
+bijna dagelijks, ofschoon hij met leedwezen opmerkte, dat hij even
+geringe vorderingen maakte in het veroveren der genegenheid van Flora,
+als de Prins in het ten onder brengen van de vesting. Zij bleef
+gestreng bij het eens genomen besluit volharden, om hem met
+onverschilligheid te behandelen, zonder eenige schijnbare poging,
+hetzij om hem te ontwijken, hetzij zelfs om een gesprek met hem te
+vermijden. Ieder woord, iedere blik werd streng geregeld naar haar
+eenmaal aangenomen stelsel, en Waverleys neerslachtigheid, noch Fergus’
+verstoordheid, welke deze bezwaarlijk kon ontveinzen, kon Flora’s
+oplettendheid voor Eduard een schrede verder brengen, dan die welke
+door de meest gewone beleefdheid gevorderd werd. Aan den anderen kant
+begon Rose meer en meer een plaats in zijn hart in te nemen. Hij had
+meermalen gelegenheid om op te merken, dat, naar mate hare
+beschroomdheid verminderde, hare houding aan adel won; dat de kritieke
+omstandigheden van het tegenwoordige onrustige tijdstip een zekere
+waardigheid in gevoel en uitdrukking bij haar in het leven schenen te
+roepen, die hij vroeger niet bespeurd had; en dat zij geene
+gelegenheid, welke binnen haar bereik lag, verzuimde, om hare kennis
+uit te breiden en haar smaak te verfijnen.
+
+Flora Mac-Ivor noemde Rose haar leerling, en zorgde trouw om haar in
+hare studiën bij te staan, en zoowel haar smaak als haar verstand te
+beschaven. Het zou het oog van een scherpen opmerker niet ontgaan zijn,
+dat zij, in Waverleys bijzijn, er veel meer op uit was, de begaafdheden
+van hare vriendin te doen schitteren, dan hare eigene. Maar ik moet den
+lezer verzoeken niet te vergeten, dat dit vriendschappelijk en
+belangeloos doel met de meest omzichtige kieschheid werd omsluierd,
+zoodat hare handelwijze zoo weinig geleek naar het gewone gedrag eener
+schoone vrouw, die zich het voorkomen geeft om eene andere voort te
+helpen, als de vriendschap van David en Jonathan naar de gemeenzaamheid
+van twee heertjes, die langs Bond Street slenteren. Met één woord, de
+uitwerking werd bespeurd, maar de oorzaak liet zich nauwelijks
+ontwaren. Beide dames waren, als twee uitnemende tooneelspeelsters,
+volmaakt in hare rol, en speelden die op een wijze, welke de
+toeschouwers in verrukking bracht; en, daar dit het geval was, zoo was
+het bijna onmogelijk te ontdekken, dat de oudste telkens aan hare
+vriendin alles afstond wat voor hare talenten het meest berekend was.
+
+Maar voor Waverley bezat Rose Bradwardine eene aantrekkelijkheid,
+waaraan weinige mannen in staat zijn weerstand te bieden, namelijk, het
+blijkbare belang, dat zij in alles stelde, wat hem betrof. Zij was te
+jong en te onervaren, om de volle kracht te berekenen der bestendige
+oplettendheid, welke zij hem betoonde; haar vader was te zeer
+afgetrokken door geleerde en militaire gesprekken, om de neiging zijner
+dochter op te merken, en Flora Mac-Ivor zocht haar niet door
+waarschuwing te verontrusten: omdat zij in dit gedrag van hare vriendin
+de waarschijnlijkste kans zag opgesloten, om haar ten laatste Waverleys
+wederkeerige genegenheid te bezorgen. De waarheid is, dat Rose, in het
+eerste gesprek na hare ontmoeting, den toestand van haar hart aan die
+scherpe en schrandere opmerkster had ontdekt, zonder het zich zelve
+bewust te zijn. En van dat oogenblik af had Flora niet alleen vast
+besloten, om Waverleys aanzoeken af te wijzen, maar stelde zij er
+tevens het hoogste belang in, om ze op hare vriendin te zien
+overgebracht. Ook verflauwde zij niet in dit verlangen, ofschoon haar
+broeder, van tijd tot tijd, half schertsende, half in ernst, er van
+gesproken had aan Freule Bradwardine zijn hof te zullen maken. Zij wist
+dat Fergus het echte stelsel der grooten ten aanzien van het huwelijk
+volgde, en zijn hand aan geen engel zou schenken, tenzij met het
+oogmerk om machtige vrienden te winnen en zijn gezag en grootheid uit
+te breiden. De gril van den baron, om zijn nalatenschap op den verren
+mannelijken bloedverwant te doen overgaan, in plaats van op zijn eigene
+dochter, scheen dus voor hem een onoverkomelijke zwarigheid te zijn, om
+ooit ernstig aan Rose Bradwardine te denken. Inderdaad was Fergus’
+hoofd een rustelooze werkplaats van plannen en intrigues van allerlei
+aard, waarbij hij, even als menig werktuigkundige, bij wien het vernuft
+meer ontwikkeld is dan de volharding, dikwijls onverwacht, en zonder
+eenig blijkbaar oogmerk, het eene ontwerp liet varen, en zich ernstig
+met een ander begon bezig te houden, dat óf versch uit de smidse zijner
+verbeelding kwam, óf bij een vroegere gelegenheid half voltooid was,
+ter zijde geworpen; en het was daarom moeielijk te gissen, welken weg
+hij ten laatste, bij een of andere voorkomende gelegenheid, zou
+inslaan.
+
+Ofschoon Flora oprecht gehecht was aan een broeder, wiens werkzaamheid
+en geestkracht zij inderdaad al hare bewondering zou geschonken hebben,
+al had er ook geen zoo nauwe band tusschen hen bestaan, was zij echter
+in geenen deele blind voor zijn gebreken, die zij als gevaarlijk
+beschouwde voor de uitzichten van elke vrouw, welke hare denkbeelden
+van een gelukkig huwelijk met hem, mocht bouwen op het vreedzaam genot
+der huiselijke gezelligheid, en het betoon van wederkeerige en
+toenemende liefde. Waverleys wezenlijke geaardheid daarentegen scheen
+haar, in weerwil zijner droomen van slagvelden en krijgsmansroem,
+geheel en al huiselijk toe. Hij verlangde noch verkreeg eenig deel aan
+de woelige tooneelen, die aanhoudend rondom hem plaats hadden, en
+verveelde zich eer dan dat hij eenig gewicht hechtte aan het bepleiten
+der wederzijdsche vorderingen, rechten en belangen, dat dikwijls in
+zijne tegenwoordigheid plaats greep. Dit alles wees hem aan, als den
+geschikten persoon, om een meisje als Rose gelukkig te maken.
+
+Over dezen trek in Waverleys karakter sprak zij op zekeren dag, dat ze
+naast Freule Bradwardine gezeten was. „Hij bezit te veel geest en
+smaak,” hernam Rose, „dan dat hij belang zou stellen in zulke
+beuzelachtige kibbelarijen. Wat raakt het hem, bij voorbeeld, of het
+Opperhoofd van den clan der Macindallaghers, die slechts vijftig man
+heeft aangebracht, Kolonel of Kapitein wordt? En hoe kan men
+veronderstellen, dat mijnheer Waverley eenig deel zal nemen in den
+hevigen twist tusschen uw broeder en den jongen Corinaschian, of de
+post van eer den oudsten of den jongsten zoon van een clan toekomt.”
+
+„Mijn lieve Rose,” antwoordde Flora, „zoo hij de held was, waarvoor gij
+hem houdt, zou hij zich met deze zaken bemoeien, niet omdat zij op
+zichzelve zoo belangrijk zijn, maar om als middelaar tusschen beiden te
+treden bij de vurige geesten, die ze nu eenmaal tot het onderwerp van
+hun twist maken. Gij zaagt, toen Corinaschian in zulk een geweldige
+drift losbarste, en de hand aan zijn sabel sloeg, hoe Waverley het
+hoofd oprichtte, alsof hij uit een droom ontwaakte, en met groote
+bedaardheid vroeg, wat er gaande was?”
+
+„Zeker, maar diende het algemeene gelach, dat zijn verstrooidheid
+verwekte, niet beter om den twist te stuiten, dan het beste dat hij hun
+had kunnen zeggen?”
+
+„Dat zal ik niet tegenspreken; maar beken toch Rose lief, dat het voor
+Waverley veel eervoller geweest zou zijn als hij hem door klem van
+reden tot inzigt had gebracht.”
+
+„Zoudt ge hem tot vredemaker-generaal onder al deze, als buskruid
+opvliegende, Hooglanders willen aanstellen? Vergeef mij, Flora, ge weet
+dat ik uw broeder niet bedoel; hij bezit meer gezond verstand dan zij
+met hen allen. Maar zoudt ge meenen, dat de trotsche, heethoofdige,
+woelige wezens, van wier twisten wij zoo veel zien en nog veel meer
+hooren, en die mij iederen dag angst aanjagen, eenigszins te
+vergelijken zijn met Waverley?”
+
+„Ik vergelijk hem in geenen deele met deze onopgevoede lieden, lieve
+Rose. Ik bejammer het slechts, dat hij, met zijn talenten en zijn
+genie, niet die plaats in het maatschappelijke leven inneemt, waarop ze
+hem zoo bij uitstek het recht geven, en dat hij niet met de volle
+kracht daarvan de edele zaak ondersteunt, waarvoor hij zich heeft
+verklaard. Zijn Lochiel, en P**, en M**, en G**, geen mannen van de
+fijnste beschaving? Kan men ontkennen dat ze bekwaamheid bezitten? –
+Waarom kan hij niet besluiten, hun bedrijvig en nuttig leven na te
+volgen? – Ik verbeeld mij tusschenbeide, dat zijn ijver verlamd is door
+dien hooghartigen, kouden Engelschman, met wien hij thans zoo druk
+omgaat.” –
+
+„Kolonel Talbot? – dat is ontegenzeggelijk een zeer onaangenaam
+persoon. Hij ziet er uit alsof hij geen Schotsche vrouw waardig achtte,
+om een kopje thee aan te bieden. Maar Waverley is zoo beminnelijk, zoo
+welopgevoed, zoo –”
+
+„Ja,” zeide Flora met een glimlach, „hij kan de maan bewonderen, en een
+stanza uit Tasso aanhalen.”
+
+„Maar – ge weet ook hoe hij gevochten heeft.”
+
+„O, wat alleen het vechten aangaat,” antwoordde Flora, „ik geloof dat
+alle mannen (dat wil zeggen, zij die dezen naam verdienen) tamelijk
+veel op elkander gelijken: er wordt in het algemeen meer moed toe
+vereischt om weg te loopen. Ze hebben bovendien, wanneer men hen met
+elkander vergelijkt, een zeker vechters-instinct, gelijk wij ook in
+andere mannelijke dieren zien, zoo als honden, stieren en dergelijke.
+Maar stoute en gevaarlijke ondernemingen zijn Waverleys sterke zijde
+niet. Hij zou nooit zijn beroemde voorzaat, sir Nigel, geweest zijn,
+maar eenvoudig sir Nigels lofredenaar en zanger. Zal ik u eens zeggen,
+waar hij te huis en op zijn plaats zou zijn, mijn lieve? – in den
+rustigen kring van het huiselijk geluk, te midden der geletterde
+ledigheid, en der beschaafde genietingen van Waverley-Honour. Daar zal
+hij de oude bibliotheek in den keurigsten Oud-Gothischen smaak
+herstellen, hare kasten met de kostbaarste en zeldzaamste boeken
+bezetten; – hij zal plannen en landschappen teekenen, verzen maken,
+tempels doen verrijzen, grotten graven, en in een schoonen zomernacht
+onder de kolonnade voor het slot staan, en naar de herten turen, die
+daar in den maneschijn ronddolen, of in de schaduw der takken van de
+zware, oude, schilderachtige eikenboomen ter neder liggen; – voorts zal
+hij de schoone vrouw, die aan zijn arm hangt, gedichtjes voorlezen, –
+en een gelukkig echtgenoot zijn.”
+
+„En zijn echtgenoote een gelukkige vrouw,” dacht de arme Rose. Maar ze
+zuchtte slechts, en gaf aan het gesprek een andere wending.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+FERGUS AAN HET VRIJEN.
+
+
+Hoe nauwkeuriger Waverley den toestand van het hof des Ridders
+gadesloeg, des te minder reden vond hij om er mede tevreden te zijn.
+Het bevatte, even als men zegt dat een eikel al de takken des
+aanstaanden booms in zich besluit, zoo vele zaden van oneenigheid en
+kuiperij, als het hof van een uitgebreid rijk. Ieder persoon van
+gewicht had een of ander bijzonder doel, dat door hem vervolgd werd met
+een hartstochtelijkheid, die aan Waverley volstrekt niet toescheen in
+evenredigheid met de belangrijkheid er van. Bijna allen hadden redenen
+tot ontevredenheid; maar de meestgegronde van allen was die van den
+waardigen ouden Baron, die zich alleen om het algemeen belang
+bekommerde.
+
+„Wij zullen,” zeide hij op zekeren morgen, dat zij het kasteel in
+oogenschouw genomen hadden, tot Waverley, „wij zullen bezwaarlijk de
+belegeringskroon, welke zoo als gij weet, van takken of planten, op den
+belegerden grond gegroeid, gevlochten werd, hier winnen, of het moest
+van het kruid parietaria [167] zijn; wij zullen – zeg ik – die kroon
+hier bezwaarlijk winnen.” En voor dit gevoelen bracht hij de geleerdste
+en meest voldoende redenen bij, van wier opsomming wij gelooven dat de
+lezer gaarne verschoond zal blijven.
+
+Nadat hij aan den ouden Baron ontsnapt was, begaf Waverley zich naar
+het kwartier van Fergus, om hem, volgens afspraak, bij zijn terugkomst
+van Holyrood-House op te wachten. „Ik zal morgen een bijzondere
+audiëntie hebben,” had Fergus den vorigen avond aan Waverley gezegd,
+„en gij moet bij mij komen, om mij geluk te wenschen over den goeden
+uitslag, waarop ik bij voorbaat reken.”
+
+De morgen kwam, en in de kamer van het Opperhoofd vond hij zijn vriend,
+den vaandrig Maccombich, die hem wachtte om verslag te doen van zijn
+volbrachten arbeid, het maken, namelijk een soort van gracht, welke men
+dwars door den heuvel van het kasteel gegraven, en een loopgraaf
+genoemd had. Weldra liet de stem van het Opperhoofd zich op de trappen
+hooren; hij riep op een toon van ongeduld en woede: – „Callum, – ik
+zeg, Callum Beg, – voor den duivel!” Hij trad het vertrek binnen met al
+de kenteekenen van iemand die in geweldige drift was ontstoken; en er
+zijn slechts weinigen, op wier gelaatstrekken de ontevredenheid zich
+sterker teekende dan op de zijne. Wanneer hij in zulk een spanning was,
+dan zwollen de aderen van zijn voorhoofd op; zijn neusgaten verwijdden
+zich; zijn oogen en wangen gloeiden, en zijn blik was volmaakt die van
+een razende. Deze blijken van halfbedwongen woede waren nu nog te
+verschrikkelijker omdat zij blijkbaar veroorzaakt werden door een
+krachtige poging om een bijna ontembaren aanval van drift te temperen,
+en dus voortkwamen uit een inwendigen strijd, die geheel zijn
+zedelijken mensch schokte en beroerde.
+
+Zoo als hij de kamer binnentrad, gespte hij zijn sabel los, en terwijl
+hij dien ter aarde wierp met een geweld, dat het wapen naar de andere
+zijde van het vertrek vloog, riep hij uit: „Ik weet niet, wat mij
+belet, een plechtigen eed te zweren, dat ik het nooit weêr voor deze
+zaak trekken zal? – Laad mijn pistolen, Callum, en breng ze terstond
+hier – terstond!” Callum, dien nooit iets verbaasde, ontstelde, of van
+zijn stuk bracht, gehoorzaamde met de grootste koelbloedigheid. Evan
+Dhu, wiens oogopslag, in het vermoeden dat zijn Opperhoofd eenig
+ongeluk was aangedaan, een soortgelijken storm aankondigde, zwol op van
+toorn, terwijl hij stil zweeg en wachtte te vernemen, waar of op wien
+de wraak moest nederdalen.
+
+„Zoo, Waverley, zijt gij daar?” riep het Opperhoofd; na een oogenblik
+bedenkens; „Ja, ik herinner mij, dat ik u verzocht mijn zegepraal te
+deelen, en ge zijt gekomen om getuige te zijn van mijn –
+teleurstelling, zullen wij het maar noemen.” Nu bood Evan hem het
+geschreven rapport aan, dat hij in de hand had, hetwelk Fergus hem met
+groote drift ontrukte. „Ik zou, om Gods wil wenschen,” zeide hij, „dat
+het oude nest neêrstortte op het hoofd van de gekken, die het aanvallen
+en van de guiten die het verdedigen. Ik zie, Waverley, dat gij mij voor
+krankzinnig houdt, – verlaat ons, Evan, maar blijf zoo in de nabijheid,
+dat ik u roepen kan.”
+
+„De Kolonel is geweldig verstoord” zeide vrouw Flockhart tegen Evan,
+toen hij naar beneden kwam; „ik hoop dat hij wél is, – tot zelfs de
+aderen van zijn voorhoofd stonden stijf als zweepkoord, – zou hij het
+een of ander niet willen gebruiken?”
+
+„Hij tapt gewoonlijk wat bloed af tegen deze aanvallen,” zei de
+Hooglandsche schildknaap met groote bedaardheid.
+
+Toen de vaandrig het vertrek verlaten had, begon het Opperhoofd
+langzamerhand tot bedaren te komen. „Ik weet, Waverley,” zeide hij,
+„dat kolonel Talbot u bewogen heeft om tienmaal op een dag uwe
+verbintenis met ons te verwenschen; – neen, ontken het niet; want ik
+ben op het oogenblik in verzoeking om het zelf te voldoen. Kunt gij
+gelooven, dat ik heden morgen twee verzoeken tot den Prins richtte, en
+dat hij ze beide heeft afgeslagen; wat dunkt u?”
+
+„Wat kan ik er van denken, zonder te weten welke uwe aanzoeken waren?”
+
+„Wel, wat doet het er toe wat zij waren, man? Ik zeg u, dat ik het was
+die ze deed. Ik, aan wien hij meer verplichting heeft dan aan de beste
+drie, die zijn standaard gevolgd zijn; want ik zette de geheele zaak op
+touw, en haalde al de mannen van Perthshire over, toen geen éen zich
+zou bewogen hebben. Ik ben er de man niet naar, denk ik, om iets zeer
+onredelijks te vragen, en al had ik het gedaan, dan mochten ze wel iets
+over het hoofd gezien hebben. Maar, gij zult alles weten, nu ik weêr
+eenigszins ruimer adem halen kan. – Gij herinnert u mijn aanstelling,
+bij open brief, tot graaf; zij is geteekend, een aantal jaren geleden,
+voor destijds betoonde diensten, en het minst dat ik zeggen kan, is dat
+mijn volgend gedrag er de waarde niet van heeft verminderd. Nu,
+mijnheer, waardeer ik die prul van een gravenkroon zoo min als gij, of
+eenig wijsgeer op aarde; want ik houd het er voor dat het Opperhoofd
+van zulk een clan als de Sliochd nan Ivor, hooger in rang is, dan éen
+graaf in Schotland. Maar ik had een bijzondere reden, om dezen
+verwenschten titel tegenwoordig te voeren. Ik vernam toevallig, moet
+gij weten, dat de Prins dien ouden dwazen baron van Bradwardine heeft
+gedrongen, zijn mannelijken erfgenaam, of neef, in den negentienden of
+twintigsten graad, die een officiersplaats bij de militie van den
+keurvorst heeft aangenomen, te onterven, en zijn nalatenschap te doen
+overgaan op uwe aardige, kleine vriendin, Rose; en hiermede, daar het
+een bevel van Koning en Opperhoofd is, die de bestemming van een leen
+naar genoegen mag veranderen, schijnt de oude heer tamelijk wel
+tevreden.”
+
+„En wat zal er nu van de hulde worden?”
+
+„De drommel hale de hulde! – Ik geloof, dat Rose de pantoffel der
+koningin, op haar krooningsdag, zal uittrekken, of een dergelijke
+nesterij. – Hoe dat ook zij, daar Rose altijd een goede partij voor mij
+zou geweest zijn, zonder die stomme voorkeur van haar vader voor zijn
+mannelijken erfgenaam, is het mij in de gedachte gekomen dat er nu geen
+beletsel meer overbleef, tenzij de Baron verwachten mocht dat de
+echtgenoot zijner dochter den naam van Bradwardine zou aannemen, wat in
+mijn geval, zoo als ge begrijpt, onmogelijk wezen zou en heb ik gemeend
+dat als ik den titel aannam, waarop ik zulk een gegrond recht had,
+natuurlijk die moeielijkheid uit den weg zou te ruimen zijn. Indien
+Rose tevens, volgens hare eigene rechten, burggravin Bradwardine na
+haar vaders overlijden wezen zou, des te beter; ik kon daar niets tegen
+hebben.”
+
+„Maar, Fergus,” zeide Waverley, „ik dacht niet dat gij de minste
+genegenheid voor Freule Bradwardine koesterdet, en gij schimpt altijd
+op haar vader.”
+
+„Ik heb zoo veel genegenheid voor Freule Bradwardine, mijn goede
+vriend, als ik noodig acht voor de toekomstige meesteres in mijn huis
+en de moeder mijner kinderen te moeten koesteren. Zij is een heel knap
+en schrander meisje, en zeker van een der eerste Laaglandsche
+geslachten, en zal, met een weinig onderwijs en vorming van Flora, een
+zeer goed figuur maken. Wat haar vader aangaat, hij is een origineel,
+dat is waar, en al vrij belachelijk, maar hij heeft sir Hew Halbert –
+den dierbaren overleden heer van Balmawhapple, en anderen zulke
+gestrenge lessen gegeven, dat niemand hem durft bespotten, en dus heeft
+zijn belachelijkheid niets te beteekenen. Ik zeg u, daar had geene
+zwarigheid ter wereld moeten bestaan – geene. Ik had de geheele zaak
+bij mijzelven geregeld.”
+
+„Maar hadt gij de toestemming van den Baron, of Rose gevraagd?”
+
+„Waartoe? Den Baron er over te spreken, voor dat ik mijn titel had zou
+slechts een ontijdig en verbitterend gekibbel hebben doen ontstaan over
+de naamsverandering, daar ik, in tegendeel, als graaf van Glennaquoich,
+hem eeniglijk had voor te stellen, om zijn verd...mden beer en
+laarzentrekker in een afzonderlijk veld of op eenige andere, mijn wapen
+slechts niet benadeelende, wijze op mijn schild over te nemen. En wat
+Rose betreft, ik zie niet in wat zij er tegen zou kunnen hebben, als ik
+de toestemming van haar vader had.”
+
+„Misschien hetzelfde wat uwe zuster tegen mij heeft, ofschoon ik uwe
+toestemming heb.”
+
+Fergus zette grootte oogen op bij de vergelijking, die in deze
+veronderstelling opgesloten lag, maar hield voorzichtig het antwoord
+terug, dat hem op de tong brandde. „O, wij zouden dat alles gemakkelijk
+geschikt hebben. Dus, mijnheer, verzocht ik een bijzonder gehoor bij
+den Prins, dat heden morgen werd bepaald, en ik vroeg u mij hier te
+ontmoeten, in de vaste overtuiging, ofschoon ze die van een gek bleek
+te zijn, dat ik uw bijstand zou noodig hebben, als speelnoot. Nu dan –
+ik som mijn aanspraken op – ze worden niet betwist – de zoo dikwijls
+herhaalde beloften en het verleenen van den open brief worden erkend.
+Maar ik stel voor, als een natuurlijk gevolg, om den rang aan te nemen,
+waartoe de benoeming mij verheft en nu voert men de oude historie van
+G*’s en M*’s jaloerschheid aan – ik verzet mij tegen dit voorwendsel,
+en bied aan om, uithoofde der vroegere dagteekening, dan de
+beuzelachtige vorderingen van hun kant, hunne schriftelijke inwilliging
+te verwerven – en ik verzeker u, dat ik deze toestemming van hen zou
+verkregen hebben, al was het ook op de punt van den degen. En nu komt
+de waarheid in al hare naaktheid voor den dag, en durft hij mij in het
+gezicht zeggen, dat mijn verheffing voor het oogenblik buiten werking
+moet blijven, uit vrees van te mishagen aan dien gemeenen lafaard en
+fainéant – hier noemde Fergus het mededingend Opperhoofd van zijn clan
+– die geen meer aanspraak heeft om Opperhoofd te zijn, dan ik om Keizer
+van China te wezen; en die goedvindt zijn laffen afkeer om te velde te
+trekken, (gelijk zijn twintigmaal herhaalde beloften het medebrengen)
+te verbergen onder een voorgewenden naijver op des Prinsen
+vooringenomenheid met mij. En, om dezen ellendigen mededinger het
+voorwendsel voor zijn lafhartigheid te ontnemen, vraagt de Prins, als
+persoonlijk vriendschapsbewijs van mij, verbeeld u, niet op mijn
+gegrond en redelijk verzoek, in dit oogenblik, aan te dringen. Stel nu
+maar eens op Prinsen uw vertrouwen!”
+
+„En eindigde hiermede uwe audiëntie?”
+
+„Eindigen? Wel neen! Ik had besloten hem geen voorwendsel voor zijn
+ondankbaarheid te laten, en daarom gaf ik met al de bedaardheid, die ik
+meester kon blijven, – want, ik verklaar u, dat ik van drift beefde, –
+de bijzondere redenen op, waarom ik wenschte, dat Zijne Koninklijke
+Hoogheid mij een ander middel mocht voorschrijven, om mij van mijn
+verplichting en gehechtheid te kwijten, daar mijn vooruitzichten in het
+leven, datgene, wat op ieder anderen tijd slechts een beuzeling zou
+zijn, thans tot een zwaar offer maakten; en nu ontvouwde ik hem mijn
+geheele ontwerp.”
+
+„En wat antwoordde de Prins?”
+
+„Wat hij antwoordde? Nu – het is goed dat er geschreven staat: „vloek
+den Koning niet, zelfs niet in uwe gedachten!”– nu dan, hij antwoordde,
+dat het hem inderdaad verheugde, dat ik hem tot mijn vertrouwde gemaakt
+had, om smartelijke teleurstelling te voorkomen; want hij kon mij op
+zijn vorstenwoord verzekeren, dat freule Bradwardines hart niet vrij
+was, en hij zich persoonlijk verbonden had hare liefde te begunstigen!
+„Dus, mijn waarde Fergus!” zeide hij, met zijn allergenadigsten
+glimlach, „daar er aan het huwelijk niet te denken valt, behoeft er,
+zoo als ge ziet, over den graventitel geen beweging gemaakt te worden.”
+En hiermede ging hij weg, en liet mij planté là!”
+
+„En wat deedt gij?”
+
+„Ik zal u zeggen, wat ik op dat oogenblik had kunnen doen – mij zelven
+aan den duivel of aan den Keurvorst verkoopen, wie maar de felste wraak
+beloofde. Maar nu ben ik weder bedaard. Ik weet, dat hij voornemens is
+haar aan den een of ander zijner ellendige Fransche of Iersche
+officiers uit te huwelijken; maar ik zal hen van nabij gadeslaan, en
+laat de man, die mij uit den zadel wil lichten, oppassen! – Bisogna
+coprirsi, signor.” [168]
+
+Na nog eenige woorden, waaromtrent het onnoodig is in bijzonderheden te
+treden, nam Waverley afscheid van het Opperhoofd, wiens woede nu plaats
+had gemaakt voor een vurig verlangen naar wraak, en keerde naar huis
+terug, ter nauwernood in staat om zich van de verschillende
+gewaarwordingen rekenschap te geven, die dit verhaal in zijn hart had
+opgeroepen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+STEEDS ONBESTENDIG.
+
+
+„Ik ben bepaald tot speelbal mijner grillen,” zeide Waverley tot
+zichzelven, toen hij de deur zijner kamer sloot, en met groote stappen
+op en neder liep. – „Wat raakt het mij of Fergus Mac-Ivor Rose
+Bradwardine wenscht te huwen? – Ik bemin haar niet – ik zou misschien
+door haar bemind zijn geworden – maar ik wees haar eenvoudige,
+natuurlijke en hartelijke genegenheid af, in plaats van ze door een
+vriendelijk gedrag in teederheid te doen veranderen, en wijdde mij aan
+een vrouw toe, die nooit een sterveling zal beminnen, als Warwick, „de
+Koningmaker” niet weder uit de dooden opstaat. Ook de Baron – ik zou
+mij om zijn goederen niet bekommerd hebben, en dus zou de naam geen
+struikelblok zijn geweest. De drommel had de woeste moerassen kunnen
+halen en de Koninklijke caligæ uitgetrokken hebben, zonder dat ik er
+mij tegen verzet zou hebben. Maar geschapen als zij is voor de teedere
+aandoeningen van huiselijke gehechtheid en liefde, om al die
+vriendelijke en aangename zorgen te besteden en te ontvangen, welke het
+leven verzoeten van degenen, die het met elkander slijten, wordt ze
+gezocht door Fergus Mac-Ivor. Hij zal haar zeker niet slecht behandelen
+– daartoe is hij niet in staat – maar hij zal haar, na de eerste maand,
+verwaarloozen; hij zal er te veel aan denken, om dit of dat mededingend
+Opperhoofd ten onder te brengen, om dezen of genen gunsteling aan het
+hof te doen vallen, om hier of daar een schrale heide of een waterplas
+bij zijn bezittingen te voegen, of zijn benden met eenige nieuwe
+spitsboeven te vermeerderen – en zich niet bekreunen om al wat zij
+doet, en hoe zij den tijd doorbrengt.”
+
+
+ „En dan zal hartzeers kanker ook haar bloem
+ Doorknagen, en het weergalooze schoon
+ Verbannen van haar rozeroode kaak;
+ Holoogig ziet ze dan, gelijk een geest,
+ En bleek en mager als door koorts verteerd,
+ Totdat zij sterft.”
+
+
+„En dit droevige lot van het bevalligste schepseltje op Gods aardbodem
+zou te voorkomen zijn geweest, indien de heer Eduard Waverley uit zijn
+oogen had gekeken! – Op mijn woord, ik kan niet begrijpen, hoe ik Flora
+zoo veel, dat is, zoo heel veel mooier vond dan Rose. Zij is ranker,
+dat is waar, en haar houding is deftiger; maar velen houden Freule
+Bradwardine voor natuurlijker; en zij is zeker veel jonger. Ik zou
+denken, dat Flora een paar jaar ouder is dan ik – ik zal haar beiden
+van avond eens nauwkeurig gadeslaan.”
+
+En met dit besluit, ging Waverley thee drinken (gelijk dit zestig jaar
+geleden het gebruik was) bij een dame van rang, die de zaak van den
+Prins was toegedaan, en waar hij, gelijk hij verwacht had, beide dames
+aantrof. Een ieder stond op toen hij binnenkwam, maar Flora hernam
+oogenblikkelijk haar plaats, en vatte het begonnen gesprek weder op.
+Rose, daarentegen, maakte bijna onmerkbaar plaats, opdat hij een stoel
+zou kunnen zetten in den dichten kring die haar omgaf.
+
+„Hare wijze van doen is, over het geheel, zeer innemend,” zeide
+Waverley bij zichzelven.
+
+De vraag werd geopperd, of de Gaelsche dan wel de Italiaansche taal de
+zachtste, vloeiendste en meest geschikte voor de poëzij was. De zaak
+der Gaelsche, die waarschijnlijk elders geen voorstanders zou gevonden
+hebben, werd hier met vuur verdedigd door zeven Hooglandsche dames, die
+haar longen in het geheel niet ontzagen, en het geheele gezelschap doof
+gilden met voorbeelden van de welluidendheid der Celtische taal. Flora,
+wie het in het oog viel dat de Laaglandsche dames om de vergelijking
+meesmuilden, bracht eenige redenen bij, ten bewijze dat ze niet zoo
+geheel dwaas was; maar toen men Rose naar haar gevoelen gevraagd had,
+liet zij zich met warmte ten voordeele der Italiaansche uit, die zij
+met behulp van Waverley beoefend had. „Zij heeft een juister gehoor dan
+Flora, ofschoon zij minder ervaren is in de muziek,” dacht Waverley bij
+zichzelf. „Ik veronderstel dat Freule Mac-Ivor spoedig Mac Murrough nan
+Fonn bij Ariosto zal vergelijken.”
+
+Eindelijk gebeurde het dat het gezelschap het niet eens was, of men
+Fergus zou verzoeken op de fluit te spelen, waarin hij uitmuntte, dan
+wel of Waverley zou uitgenoodigd worden, een stuk van Shakespeare te
+lezen. De vrouw des huizes belastte zich goedwillig met het opnemen der
+stemmen van het gezelschap, die zich voor poëzij of muziek verklaarden;
+onder voorwaarde, dat de heer, wiens talenten dien avond niet in
+aanspraak genomen werden, ze wel zou verleenen om den volgenden op te
+luisteren. Het kwam zoo uit, dat Rose de beslissende stem had. Nu had
+Flora, die het zich tot een wet scheen gemaakt te hebben nooit een
+voorstel te ondersteunen, waardoor Waverley ook maar het geringste
+aangemoedigd kon worden voor de muziek gestemd, mits de Baron zijn
+viool nam, om Fergus te accompagneeren. „Ik wensch u geluk met uw
+smaak, Freule Mac-Ivor,” dacht Waverley, terwijl men naar zijn boek
+zocht. „Ik hield dien, toen wij op Glennaquoich waren, voor beter; maar
+zeker is de Baron geen groot speler, en Shakespeare verdient wel dat
+men naar hem luistere!”
+
+„Romeo en Julia” werd gekozen, en Eduard las met smaak, gevoel en
+warmte, eenige tooneelen uit dat treurspel voor. Het geheele gezelschap
+juichte met handgeklap, en verscheidenen met tranen toe. Flora, die het
+stuk zeer goed kende, behoorde onder de eerstgenoemden. Rose, voor wie
+het zoo goed als nieuw was, behoorde tot de laatste klasse van
+bewonderaars. „Zij heeft ook meer gevoel,” zeide Waverley in
+zichzelven.
+
+Toen het gesprek over de handeling van het stuk en over de karakters,
+begon te loopen, verklaarde Fergus, dat de eenige, die verdient als man
+van fatsoen en geest en moed genoemd te worden, Mercutio was. „Ik kon,”
+zeide hij, „al zijn ouderwetsch vernuft niet volkomen volgen, maar hij
+moet, naar de denkbeelden van zijn tijd, een zeer beminnelijk mensch
+zijn geweest.”
+
+„En het was schande,” zei vaandrig Maccombich, die doorgaans in alles
+zijn kolonel volgde, „van dien Tibbert of Taggart, of hoe hij ook
+heette, hem van onder den arm van dien anderen Heer overhoop te steken,
+terwijl hij den twist zocht bij te leggen.”
+
+De dames verklaarden zich natuurlijk luide voor Romeo, maar dit
+gevoelen bleef niet zonder tegenspraak. De vrouw des huizes en
+verscheidene andere dames berispten tamelijk streng de
+lichtvaardigheid, waarmede de held zijn genegenheid van Rosalinde op
+Julia overbracht. Flora bewaarde het stilzwijgen tot men haar gevoelen
+herhaalde malen gevraagd had, en antwoordde toen, dat deze
+wispelturigheid, waaraan men zich ergerde, door haar niet slechts zeer
+overeenkomstig met de natuur gehouden werd, maar dat ze ten hoogste
+voor de kunst van den dichter getuigde. „Shakespeare schildert Romeo
+als een jonkman die bijzonder vatbaar is voor de zachtere aandoeningen;
+het eerste voorwerp zijner liefde is een meisje, dat ze niet kon
+beantwoorden; dit zegt hij u bij herhaling.”
+
+
+ „De zwakke kinderpijl der liefde treft haar niet”
+
+
+en wederom,
+
+
+ „De liefde zwoer zij af”
+
+
+Daar het nu onmogelijk was, dat Romeo’s liefde – aangenomen dat hij een
+verstandig mensch was – zonder hoop kon voortduren, nam de dichter met
+de grootste bekwaamheid, het oogenblik te baat, waarin de held zich
+werkelijk tot wanhoop gebracht ziet, om hem een meisje te gemoet te
+voeren, dat volmaakter is dan zij, door wie hij was afgewezen, en
+tevens geneigd om aan zijn liefde te beantwoorden. Ik kan mij
+bezwaarlijk een toestand voorstellen, die meer geschikt is om Romeo’s
+liefde voor Julia aan te wakkeren, dan de omstandigheid dat hij door
+haar, op eens, uit den staat van kwijnende neerslachtigheid, waarin hij
+eerst ten tooneele verschijnt, wordt opgewekt en weggerukt en waarvan
+hij zoo geheel verwijderd is, als hij uitroept:
+
+
+ „Wat droefheid mij voortaan ook treffen mag,
+ Zij weegt toch geenszins hier ’t genoegen op,
+ Dat slechts een oogwenk mij haar bijzijn schenkt.”
+
+
+„Hoe nu, Freule Mac-Ivor,” zeide een jonge dame van rang, „wilt gij ons
+van ons schoonste voorrecht berooven? Wilt gij ons overtuigen, dat
+liefde zonder hoop niet kan bestaan, of dat de minnaar onbestendig moet
+worden, wanneer zijn dame wreed is? Wel foei! zulk een besluit, dat zoo
+weinig sentimenteel is, had ik niet verwacht.”
+
+„Een minnaar, waarde lady Betty, mag, naar mijn oordeel, onder zeer
+ontmoedigende omstandigheden in zijn liefde volharden. De liefde kan
+(soms) iederen storm, hoe zwaar die ook zij, weerstand bieden, maar
+onmogelijk de langdurige Siberische koude der onverschilligheid. Neem,
+zelfs met uwe aantrekkelijkheden, deze proef op geen minnaar, wiens
+trouw gij op prijs stelt! Ja, de liefde kan met verbazend weinig hoop
+zich voeden, maar geheel zonder deze leven, kan zij niet.”
+
+„Het zal er juist zoo mede gelegen zijn, als met Duncan Mac-Girdie’s
+merrie, met uw welnemen,” zeide Evan, „hij wilde haar namelijk
+langzamerhand gewennen om zonder voêr te leven, en juist toen hij haar
+op één stroohalmpje daags gebracht had, stierf het arme beest!”
+
+Evans vergelijking bracht het gezelschap aan het lachen, en het gesprek
+nam een andere wending. Kort daarna scheidde men, en Eduard keerde naar
+huis terug, in gedachten verzonken over hetgeen Flora gezegd had. „Ik
+wil mijn Rosalinde niet langer beminnen,” zeide hij; „zij heeft mij,
+daartoe een genoegzaam duidelijken wenk gegeven; en ik zal met haar
+broeder spreken en mijn aanzoek opgeven. Maar wat Julia betreft – zou
+het edelmoedig zijn Fergus’ bemoeiingen in den weg te staan? Maar het
+is onmogelijk dat hij ooit slaagt! En als hij niet slaagt, wat dan? –
+Wel dan, alors comme alors.” En met dit wijze besluit, om zich door de
+omstandigheden te laten leiden, begaf onze held zich ter rust.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN BRAAF MAN IN NOOD.
+
+
+Indien mijn schoone lezeressen van gevoelen wezen mochten, dat de
+lichtvaardigheid van mijn held in de liefde volstrekt onvergefelijk is,
+moet ik haar herinneren, dat al zijn grieven en bezwaren geenszins uit
+die sentimenteele bron ontsprongen. Zelfs de lierdichter, die zoo
+aandoenlijk over de smart der liefde klaagt, kon te gelijker tijd niet
+vergeten, „dat hij in schulden stak en aan den drank was,” hetgeen
+buiten tegenspraak zijn ongeluk slechts kon verzwaren. Er verliepen
+inderdaad geheele dagen, waarop Waverley noch aan Flora noch aan Rose
+Bradwardine dacht, maar die besteed werden aan treurige gissingen over
+den waarschijnlijken staat der zaken op Waverley-Honour, en den
+twijfelachtigen uitslag van den burgertwist, waarin hij betrokken was.
+Kolonel Talbot wikkelde hem dikwijls in een gesprek over de
+onrechtvaardigheid der zaak, waaraan hij zich gewijd had, „Niet,” zeide
+hij, „dat het u mogelijk is ze op dit oogenblik te verzaken, want, wat
+er van kome, gij moet uwe overhaaste verbintenis gestand doen. Maar ik
+wensch u te doen beseffen, dat het recht niet aan uwe zijde is, dat gij
+strijdt tegen de ware belangen van uw land, en dat gij, als Engelschman
+en als vaderlander, de de eerste gelegenheid de beste moet aangrijpen,
+om dezen ongelukkigen tocht op te geven, eer de sneeuwbal smelt.”
+
+Bij dergelijke staatkundige woordenwisselingen voerde Waverley
+gemeenlijk, van zijn zijde, de gewone argumenten aan, waarmede het niet
+noodig is den lezer lastig te vallen. Maar hij had weinig te zeggen,
+wanneer de Kolonel hem drong, om de strijdkrachten, waarmede ze
+ondernomen hadden het Bewind omver te werpen, met die te vergelijken,
+welke thans in allerijl bijeengebracht werden, om het staande te
+houden. Hierop had Waverley slechts éen antwoord: „Zoo de zaak, die ik
+mede omhelsd heb, gevaarlijk is, zou het te schandelijker zijn, mij er
+aan te onttrekken.” En op zijn beurt bracht hij doorgaans den Kolonel
+tot zwijgen, terwijl hij er in slaagde om het gesprek een andere
+wending te geven.
+
+Op zekeren avond, dat de vrienden, na lang met elkander te hebben
+geredetwist, afscheid van elkaâr hadden genomen, en onze held zich te
+bed had begeven, werd hij omstreeks middernacht door een onderdrukten
+zucht gewekt. Hij richtte zich spoedig op en luisterde; het geluid kwam
+uit de kamer van kolonel Talbot, die van de zijne door een houten
+beschot gescheiden was, terwijl de gemeenschap door een deur werd
+onderhouden. Waverley trad op deze deur toe, en hoorde duidelijk
+herhaaldelijk een diep zuchten. Wat was er te doen? De Kolonel had hem
+oogenschijnlijk in zijn gewonen gemoedstoestand verlaten. Hij moest,
+plotseling niet wél geworden zijn. Met deze gedachte, opende hij zeer
+zachtjes de deur, en zag hij den Kolonel, in zijn nachtgewaad, aan een
+tafel zitten, waarop een brief en een portret lagen. Hij hief haastig
+het hoofd op, terwijl Eduard nog besluiteloos stond, of hij naderen dan
+wel terug zou treden, en Waverley zag de sporen van tranen op zijn
+gelaat.
+
+Alsof hij zich schaamde verrast te worden in zulk een
+gemoedsaandoening, stond de Kolonel blijkbaar vertoornd op. „Ik dacht,
+mijnheer Waverley, dat mijn eigene kamer, zoo wel als dit uur, zelfs
+een gevangene zouden bewaard hebben voor –”
+
+„Zeg niet voor indringing, kolonel Talbot; ik hoorde u zwaar zuchten,
+en vreesde dat ge niet wél waart; alleen om die reden waagde ik het
+hier binnen te treden.”
+
+„Ik ben wél,” zei de Kolonel, „volmaakt wel.”
+
+„Maar u drukt een of ander leed,” zeide Eduard, „kan er ook iets gedaan
+worden om het te verzachten?”
+
+„Niets, mijnheer Waverley; ik dacht slechts aan huis en aan eenige
+onaangename voorvallen aldaar.”
+
+„O God, mijn oom!” riep Waverley uit.
+
+„Neen, het is een verdriet, dat alleen mijzelven betreft; ik schaam mij
+dat gij getuige waart hoe het mij ter nedersloeg; maar het moet nu en
+dan zijn loop hebben, om verder dragelijk te zijn. Ik had het voor u
+geheim willen houden; want ik vrees dat het u bedroeven zal, en toch
+kunt ge nu geen troost aanbrengen. Maar ge hebt mij verrast – ik zie,
+dat ge zelf verrast zijt, en ik ben een vijand van geheimen: lees dezen
+brief,”
+
+De brief was van des Kolonels zuster, en luidde dus:
+
+
+„Ik ontving den uwen, beste broeder, door Hodges. Sir E. W. en de heer
+R. zijn nog op vrije voeten, maar mogen Londen niet verlaten. Ik
+wenschte hartelijk, dat ik u even gunstige tijding omtrent de zaken te
+huis kon mededeelen. Maar het nieuws van het ongelukkige gevecht te
+Preston kwam tot ons met het vreeselijk bericht er bij, dat gij onder
+de gesneuvelden waart. Gij weet hoe zwak de gezondheid van Lady Emilia
+was, toen uwe vriendschap voor Sir E. u bewoog haar te verlaten. Zij
+was geweldig verontrust toen zij de treurige berichten ontving dat de
+opstand in Schotland was uitgebarsten; maar zij hield zich moedig,
+gelijk, zeide zij, uw vrouw betaamde, om den toekomstigen erfgenaam
+voor u in het leven te bewaren, waarop zoo lang en te vergeefs is
+gehoopt. Helaas, waarde broeder, die uitzichten zijn nu verdwenen! In
+weerwil van al mijn voorzorgen, kwam deze ongelukkige tijding haar,
+zonder dat zij er op was voorbereid, ter oore. Zij werd terstond
+ongesteld, en het arme kind overleefde ter nauwernood zijn geboorte.
+Gave God, dat dit alles was! Maar schoon de wederlegging van het
+ijselijk gerucht, door uw eigen brief, haar krachten naar lichaam en
+geest in hooge mate heeft doen opleven, zoo is Dr. *, het smart mij dit
+te moeten zeggen, toch nog voor ernstige en zelfs gevaarlijke gevolgen
+beducht, voornamelijk wegens de onzekerheid, waarin Emilia noodzakelijk
+eenigen tijd moet verkeeren, en welke nog verzwaard wordt door de
+denkbeelden die zij zich gevormd heeft omtrent de wreedheid van den
+vijand, door wien gij gevangen gehouden wordt.”
+
+„Wend dus alles wat in uwe macht is aan, waarde broeder, en tracht
+zoodra gij dezen ontvangt, uw vrijheid te erlangen, hetzij op uw woord,
+tegen losgeld, of langs elken maar mogelijken weg. Ik overdrijf den
+staat van Emilia’s gezondheid niet, maar ik mag, – ik durf de waarheid
+niet verzwijgen. Voor altijd, waarde Filips, uw u hartelijk toegenegen
+zuster,
+
+ Lucie Talbot.”
+
+
+Eduard verstomde van smart, toen hij dezen brief gelezen had; want de
+gevolgtrekking liet zich niet wegcijferen, dat de door den Kolonel
+ondernomen reis, om hem te zoeken, hem deze zware ramp had berokkend.
+Dit ongeluk was, zelfs wat het onherstelbare gedeelte daarvan betrof,
+nog erg genoeg; want kolonel Talbot en Lady Emilia, die lang zonder
+kinderen gebleven waren, hadden zich niet weinig verheugd in het
+vooruitzicht, dat nu geheel vervlogen was. Maar deze teleurstelling was
+niets bij de uitgebreidheid van de dreigende ramp; en Eduard liep een
+rilling door de leden, daar hij zich als de oorzaak van beide
+beschouwde. Eer hij zijn gedachten tot spreken verzamelen kon, had de
+Kolonel reeds weder zijn gewone uiterlijke bedaardheid herwonnen,
+ofschoon zijn onrustige blik den inwendigen strijd maar al te zeer
+verried.
+
+„Zij is een vrouw, mijn jonge vriend, over wie een krijgsman zich niet
+behoeft te schamen een traan te storten.” Hij reikte hem het portretje
+over, waarop gelaatstrekken te zien waren, welke zijn lofspraak ten
+volle billijkten; „en echter weet God, dat hetgeen gij daar van haar
+ziet, het minste is van de bekoorlijkheden, die zij bezit – bezat,
+moest ik misschien zeggen – maar Gods wil geschiede!”
+
+„Gij moet vliegen – gij moet oogenblikkelijk vliegen, om haar op te
+beuren. Het is niet – het zal niet te laat zijn.”
+
+„Vliegen? Hoe is dat mogelijk? Ik ben krijgsgevangen, – door mijn woord
+van eer gebonden.”
+
+„Ik ben het, die u gevangen houd – ik geef u uw woord terug – Ik ben
+voor u verantwoordelijk.”
+
+„Dit kunt ge niet aanraden, zonder uw plicht te schenden; ook kan ik
+mijn vrijheid niet van u aannemen, zonder mijn eigene eer te schenden –
+gij zoudt er voor verantwoordelijk worden gesteld.”
+
+„Ik zal het met mijn hoofd verantwoorden, als het noodig is. Ik ben de
+ongelukkige oorzaak geweest van het verlies van uw kind; maak mij niet
+tot den moordenaar uwer vrouw.”
+
+„Neen, beste Eduard,” zeide Talbot, terwijl hij hem vriendelijk bij de
+hand vatte, „gij zijt in geenen deele te beschuldigen; en zoo ik deze
+huiselijke ramp twee dagen voor u verborgen hield, was het alleen opdat
+uw teergevoeligheid ze niet in dat licht zou beschouwen. Gij kondt aan
+mij niet denken, ja nauwelijks kennis van mijn bestaan dragen, toen ik
+Engeland verliet om u te zoeken. Het is een verantwoordelijkheid, de
+Hemel weet het, zwaar genoeg voor arme stervelingen, dat wij rekenschap
+moeten geven van het vooruitgeziene en rechtstreeksche gevolg onzer
+daden; voor de middelijke en zijdelingsche uitwerkselen er van heeft
+het groote en algoede Wezen, dat alleen het onderling verband der
+menschelijke zaken kan doorzien, zijn brooze schepselen niet
+aansprakelijk gesteld.”
+
+„Maar dat ge Lady Emilia, in den belangwekkendsten toestand voor een
+echtgenoot, hebt verlaten, om te zoeken naar een –”
+
+„Ik deed slechts mijn plicht, voel geen berouw, en mag het ook niet
+gevoelen. Indien het pad van dankbaarheid en eer altijd effen en
+gemakkelijk was, zou er weinig verdienste in bestaan het te volgen,
+maar het ligt dikwijls in een richting, die geheel met ons belang en
+onze neigingen en ook soms met onze edeler aandoeningen in strijd is.
+Deze zijn de beproevingen des levens, en de tegenwoordige, schoon niet
+de minst drukkende,” (de tranen kwamen ongeroepen in zijn oog) „is de
+eerste niet, welke het mijn lot was te ondergaan. – Maar morgen zullen
+wij hierover spreken,” terwijl hij Waverleys hand drukte, „goeden nacht
+– tracht dit alles eenige weinige uren te vergeten – het zal, denk ik,
+te zes ure dag zijn, en het is nu over tweeën – goeden nacht!”
+
+Eduard ging heen, zonder de kracht te hebben hem te antwoorden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+INSPANNING.
+
+
+Toen kolonel Talbot den volgenden morgen aan het ontbijt kwam, vernam
+hij van Waverleys bediende, dat onze held al vroeg uitgegaan en nog
+niet terug gekomen was. Het was reeds tamelijk laat in den voormiddag,
+toen hij eindelijk geheel buiten adem, maar met zulk een verheugd
+gelaat kwam opdagen, dat de Kolonel er verbaasd over stond.
+
+„Ziedaar,” zeide hij, terwijl hij een papier op de tafel wierp,
+„ziedaar mijn morgenwerk. Alick! pak de kleederen van den Kolonel in.
+Haast u, haast u!”
+
+De Kolonel bezag het papier met de grootste verbazing. Het was een pas
+van den Prins voor kolonel Talbot naar Leith, of elke andere haven door
+de troepen van Zijn Koninklijke Hoogheid bezet, om zich daar scheep te
+begeven naar Engeland of elders, waarheen het hem goed zou dunken, mits
+hij alleen zijn woord van eer gaf, om, gedurende een tijdverloop van
+twaalf maanden, de wapens niet te voeren tegen het Huis van Stuart.
+
+„In ’s Hemels naam,” zei de kolonel, terwijl zijn oogen van
+nieuwsgierigheid glinsterden, „hoe hebt gij dit verkregen?”
+
+„Ik was bij den Prins, op het uur dat hij gewoonlijk opstaat. Hij was
+naar het kamp van Duddingston gegaan. Ik volgde hem derwaarts; –
+verzocht en verkreeg een afzonderlijk gehoor – maar ik zeg u geen woord
+meer, als ik u geen begin zie maken met pakken.”
+
+„Voor dat ik weet, of ik van dezen pas gebruik kan maken, en hoe die
+verkregen is?”
+
+„O, gij kunt immers uw goed weder uit uw valies nemen? – Ha! nu ik u
+aan het werk zie, zal ik voortgaan. Toen ik eerst uw naam noemde,
+schitterden zijn oogen bijna, even sterk als de uwe twee minuten
+geleden. „Heeft de Kolonel,” vroeg hij met drift, „eenige gunstige
+gevoelens voor onze zaak getoond?” – „In het minst niet,” antwoordde
+ik, en voegde er bij, dat er volstrekt geen hoop bestond, dat gij dit
+doen zoudt. Zijn gelaat betrok. Ik verzocht om uw ontslag.
+„Onmogelijk,” zeide hij; „mijn verzoek was volmaakt onzinnig, met het
+oog op het gewicht van den Kolonel, als een vriend en vertrouwde van
+zekere personen. Ik verhaalde hem mijn geschiedenis en de uwe; en
+verzocht hem volgens zijn gevoel te oordeelen, hoe het mijne wezen
+moest. Gij moogt zeggen wat gij wilt, kolonel Talbot, maar de Prins
+heeft een hart, en en een goed hart ook. Hij nam een vel papier, en
+schreef de pas met eigene hand. „Ik wil deze zaak niet aan de
+beslissing van mijn raad onderwerpen” zeide hij, „men zou mij op
+allerhande gronden willen afbrengen van hetgeen recht en billijk is. Ik
+kan niet dulden, dat zulk een gewaardeerde vriend, als gij, gebukt zou
+gaan onder de smartelijke overwegingen, die u, in geval van verdere
+rampen in de familie van kolonel Talbot, zouden moeten treffen; ook wil
+ik een braven vijand, onder dergelijke omstandigheden, niet gevangen
+houden. Daarenboven,” zeide hij, „denk ik mijzelven te kunnen
+rechtvaardigen bij mijn voorzichtige raadslieden, door op de goede
+uitwerking te wijzen, welke zulk een toegefelijkheid te weeg zal
+brengen in de gemoederen der aanzienlijke Engelsche geslachten,
+waarmede kolonel Talbot vermaagschapt is.”
+
+„Daar kwam de staatsman uit de mouw,” zei de kolonel.
+
+„Goed, maar hij heeft een besluit genomen als een Konings zoon; – „Neem
+den pas,” dus sprak hij, „ik heb er éene voorwaarde bijgevoegd, voor
+den vorm; maar zoo de Kolonel iets daar tegen heeft, laat hem dan
+vertrekken, zonder eenige belofte, hoegenaamd, te doen. Ik kom hier om
+den oorlog te voeren tegen mannen, maar niet om vrouwen in droefheid of
+gevaar te brengen.””
+
+„Ik had nooit gedacht zoo veel verplichting te zullen hebben aan den
+Pretend....”
+
+„Aan den Prins,” zei Waverley, glimlachende.
+
+„Aan den „Ridder,”” hernam de Kolonel, „het is een goede middelterm,
+dien wij beiden vrij mogen gebruiken. Heeft hij u nog iets gezegd?”
+
+„Hij vroeg mij slechts, of er iets anders was, waarmede hij mij kon
+verplichten, en toen ik hierop ontkennend antwoordde, drukte hij mij de
+hand, en wenschte dat al zijn aanhangers zoo bescheiden mochten zijn,
+„daar sommige zijner vrienden,” liet hij er op volgen, „niet slechts
+alles vroegen wat hij te begeven had, maar zelfs een aantal zaken, die
+geheel buiten zijn macht, zoo wel als buiten die van den grootsten
+Souverein op aarde, waren. Inderdaad,” dus besloot hij, „scheen geen
+vorst in de oogen zijner onderdanen, zoo zeer een Godheid als hij, ten
+minste naar de buitensporige verzoeken te oordeelen, welke zij hem
+dagelijks voorlegden.””
+
+„Arme jonkman,” zeide de Kolonel, „ik verbeeld mij, dat hij de
+moeielijkheden van zijn toestand begint te gevoelen. Wel, beste
+Waverley, dit is meer dan vriendelijk, en zal niet vergeten worden, zoo
+lang Filips Talbot zich iets herinneren kan. Mijn leven – bah! – laat
+Emilia u daarvoor danken – dit is een dienst vijftig levens waardig. Ik
+kan niet aarzelen mijn woord te geven in deze omstandigheden: daar is
+het,” – (hij schreef het in den vorm) – „En nu, hoe kom ik weg?”
+
+„Dat is alles in orde: uw bagage is gepakt, mijn paarden wachten, en
+een boot is, met verlof van den Prins, aangenomen, om u aan boord van
+het fregat „the Fox” te brengen. Ik heb daartoe reeds een bode naar
+Leith gezonden.”
+
+„Dat zal best gaan. Kapitein Beaver is mijn bijzondere vriend; hij zal
+mij te Berwick, of te Shields aan wal zetten, vanwaar ik per post naar
+Londen kan vertrekken; – en gij moet mij het pakje papieren
+toevertrouwen, dat gij door middel van die jufvrouw Bean Lean terug
+hebt gekregen. Ik zou gelegenheid kunnen vinden, om ze tot uw voordeel
+te gebruiken. Maar ik zie daar uw Hooglandschen vriend Glen, hoe
+spreekt gij zijn barbaarschen naam ook uit? met zijn ordonnans-officier
+bij zich. Ik moet hem, denk ik, niet meer zijn ordonnans-keelafsnijder
+noemen. Kijk, hoe hij stapt, of de wereld hem toebehoorde, met zijn
+muts op het oor en de plaid dicht geslagen over zijn borst. Ik zou dien
+knaap dolgraag ontmoeten waar mijn handen niet gebonden waren. Ik zou
+zijn trots fnuiken, of hij den mijne.”
+
+„Foei, kolonel Talbot, gij blaast u op het gezicht van den tartan op,
+zoo als men van den stier zegt dat hij op het zien van rood doet. Gij
+en Mac-Ivor hebt vrij wat punten van overeenkomst, wat uw
+nationaaltrots betreft.”
+
+Het laatste gedeelte van dit gesprek had plaats op straat. Zij gingen
+het Opperhoofd voorbij, en de Kolonel en hij groetten elkander zoo
+hoffelijk en deftig, als twee kampvechters, voordat het gevecht begint.
+Het bleek maar al te zeer dat de antipathie wederkeerig was. „Ik zie
+dien stuurschen kerel nooit, die als een hond achter hem heen loopt, of
+hij herinnert mij eenige dichtregels, die ik ergens – denkelijk op het
+tooneel – heb gehoord;”
+
+
+ – „Dicht achter hem stapt de norsche Bertram voort,
+ Zooals de booze in ’s toovnaars voetstap treedt,
+ En dringt dat men zijn dienst gebruiken zal.”
+
+
+„Ik verzeker u, dat gij te hard over de Hooglanders oordeelt.”
+
+„Geen zier, geen zier! ik wil hun niets schenken; ik haat hen van
+harte. Laten zij in hunne gebergten blijven, en zich opblazen, en hunne
+mutsen aan de hoorns van de maan hangen, zoo het hun lust; maar wat
+behoeven zij te komen, waar de menschen broeken dragen en een
+verstaanbare taal spreken? – ik meen verstaanbaar in vergelijking met
+hun wartaal; want zelfs de Laaglanders spreken een soort van Engelsch,
+niet veel beter dan de Negers op Jamaika. Ik zou den Pre.... ik wil
+zeggen den Ridder, zelfs kunnen beklagen, dat hij zulk een menigte
+woestelingen rondom zich heeft. En zij leeren hun handwerk al zoo
+vroeg! Er is een soort van ondergeschikt duiveltje bij voorbeeld, een
+leerling in de helsche kunst, dien uw vriend Glena – Glenamuck –,
+somtijds in zijn gevolg heeft. Naar het gezicht te oordeelen, is hij
+zoo wat vijftien jaar; maar in ondeugd en guitenstreken is hij een eeuw
+oud. Voor een dag of wat was hij op de plaats met het ringspel bezig;
+een heer, een man die er fatsoenlijk uitzag, komt voorbij, en daar de
+ring hem tegen de schenen vloog, ligt hij zijn stok op, maar onze jonge
+held haalt zijn pistool voor den dag, als Beau Clincher op ’t tooneel
+en zoo geen geschreeuw van Gardez l’eau, uit een bovenraam, beide
+partijen had doen vluchten, uit vrees voor de onvermijdelijke gevolgen,
+zou die arme heer zijn leven verloren hebben door de handen van dien
+kleinen schelm.”
+
+„Kolonel Talbot, gij zult een fraaie schilderij van Schotland ophangen,
+bij uw tehuiskomst.”
+
+„Rechter Shallow,” zeide de Kolonel, „zal mij de moeite wel uitwinnen.
+– „Woest en ledig, allemaal, allemaal bedelaars. Zekerlijk, een gezonde
+lucht,” – en dat nog alleen als gij buiten Edinburgh zijt en eer gij te
+Leith komt, zoo als thans met ons het geval is.”
+
+Weldra kwamen zij aan de zeehaven: –
+
+
+ „Te Leith daar, dobberde de boot;
+ De wind blies langs de zee;
+ En ginds, bij Englands sterke vloot,
+ Lag ’t schip voor Berwicks ree.”
+
+
+„Vaarwel, Kolonel! moogt gij alles vinden, naar wensch. Misschien
+zullen wij elkander eer ontmoeten, dan gij verwacht: men spreekt van
+een onmiddellijken inval in Engeland.”
+
+„Zeg er mij niets van,” zeide Talbot; „ik wensch geen tijding van uwe
+bewegingen over te brengen.”
+
+„Eenvoudig dan, vaarwel! Zeg, met duizend vriendelijke groeten, al wat
+plicht en liefde eischen, aan Sir Everhard en tante Rachel – Denk zoo
+vriendschappelijk aan mij, als gij kunt. – Spreek zoo toegevend van
+mij, als uw geweten het toelaat, en nu nogmaals: vaarwel!”
+
+„Vaarwel insgelijks, mijn waarde Waverley: hartelijk, hartelijk dank
+voor uw goedheid. Ontdoe u bij de eerste gelegenheid de beste van uw
+plaid. Ik zal altijd met erkentelijkheid aan u denken, en mijn ergste
+berisping zat zijn: Que diable allait il faire dans cette galère?”
+
+En zoo scheidden zij. Kolonel Talbot stapte in de boot, en Waverley
+keerde naar Edinburgh terug.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE MARSCH.
+
+
+Het is ons voornemen niet op het grondgebied der geschiedenis te
+treden. Wij zullen dus onzen lezers slechts herinneren, dat omstreeks
+het begin van November, de jonge Ridder, aan het hoofd van op zijn best
+zes duizend man, besloot zijn zaak in groot gevaar te brengen door een
+poging, om in het hart van Engeland door te dringen, ofschoon hij niet
+onkundig was van de krachtige maatregelen, die er tot zijn ontvangst
+genomen waren. Zij begaven zich op weg, te midden van een weder, dat
+alle andere troepen buiten staat zou gesteld hebben, om te marcheeren,
+doch hetwelk aan deze vlugge bergbewoners inderdaad voordeelen op een
+minder geharden vijand verschafte. In spijt van een veel sterker leger,
+dat onder den veldmaarschalk Wade op de grenzen lag, belegerden en
+namen zij Carlisle, en zetten kort daarna hun stoutmoedigen tocht
+zuidwaarts voort.
+
+Daar kolonel Mac-Ivors regiment in de voorhoede der clans marcheerde,
+zoo waren hij en Waverley, die thans iederen Hooglander in het verduren
+van vermoeienis evenaarde, en eenigszins bekend geworden was met hunne
+taal, gedurig aan het hoofd der manschappen. Zij beschouwden echter den
+voortgang des legers met geheel verschillende oogen. Fergus, enkel vuur
+en leven, achtte zich in staat de geheele wereld het hoofd te bieden,
+en betekende alleen dat elke stap hem een el dichter bij Londen bracht.
+Hij vroeg, verwachtte, noch verlangde eenige hulp, buiten die der
+clans, om de Stuarts wederom op den troon te plaatsen; en wanneer, bij
+toeval, eenige weinige aanhangelingen zich onder den standaard van den
+Prins kwamen scharen, beschouwde hij hen altijd als nieuwe deelgenooten
+in de gunst des toekomstigen Konings, die dus, om hen te voldoen, te
+meer moest aftrekken van de belooningen, die onder zijn Hooglandsche
+vrienden behoorden verdeeld te worden.
+
+Eduards inzichten waren van geheel anderen aard. Hij kon niet nalaten
+op te merken, dat in de vlekken, waar zij Jacobus III uitriepen,
+niemand met een „Leve de Koning” antwoordde. De menigte gaapte en
+luisterde, moedeloos, verpletterd en met onnoozele onverschilligheid,
+maar gaf weinig teekenen zelfs van die onbesuisde geestdrift die haar
+aanzet om bij elke gelegenheid, als ware het alleen om haar aangename
+stemmen te oefenen, een luid geschreeuw aan te heffen. Men had den
+Jacobieten doen gelooven, dat de noordwestelijke graafschappen
+overvloeiden van rijke grondbezitters en dappere landlieden, aan de
+zaak der Witte Roos gehecht. Maar van de meer vermogende Torys zagen
+zij weinig. Deze waren hunne huizen ontvlucht, gene hielden zich ziek,
+andere gaven zich over, als verdachte personen, aan het bewind. Onder
+degenen die achterbleven, gaapten de onkundigen vol verbazing, met
+schrik en afkeer gemengd, het woeste voorkomen, de onbekende taal en de
+zonderlinge dracht der Schotsche clans aan. En in het oog van de meer
+verstandigen schenen hun gering aantal, volslagen gebrek aan
+krijgstucht en armoedige uitrusting zoo vele zékere teekens van den
+ongelukkigen afloop hunner vermetele onderneming. De weinigen, die zich
+bij hen voegden, bestonden dus alleen uit de zoodanigen, die door
+staatkundige dweepzucht verblind waren voor de gevolgen, of door
+berooide omstandigheden bewogen werden alles op zulk een wanhopig spel
+te zetten.
+
+Toen iemand den baron van Bradwardine vroeg, wat hij van deze rekruten
+dacht, nam hij zeer langzaam een snuifje en antwoordde heel droogjes,
+„dat hij geen ander dan een zeer gunstig gevoelen van hen kon hebben,
+daar zij ten volle naar de aanhangers geleken, die den goeden koning
+David volgden naar het hol van Abdullam; te weten „alle man die
+benauwt” of in slechte omstandigheden was, en alle man die een
+schulteyscher hadde, en alle man die ontevreden was, hetgeen de onzen
+overzetten, wiens ziele bedroefd was; en buiten twijfel,” zeide hij,
+„zullen zij toonen mannen met sterke handen te zijn, en dat is wel
+noodig ook, want ik heb menigen somberen blik op ons zien werpen.”
+
+Maar geen dezer bedenkingen verontrustte Fergus. Hij bewonderde de
+weelderige schoonheid des lands, en de ligging van verscheidene
+kasteelen, welke zij langs trokken. „Ziet Waverley-Honour er uit als
+dit huis, Eduard?”
+
+„Het is wel de helft grooter.”
+
+„Is uw ooms park wel zoo groot als dat?”
+
+„Het is driemaal zoo uitgestrekt, en gelijkt eer een bosch dan een
+park.”
+
+„Flora zal een gelukkige echtgenoote zijn.”
+
+„Ik hoop dat Freule Mac-Ivor het kasteel van Waverley-Honour niet zal
+behoeven om gelukkig te zijn.”
+
+„Dat hoop ik ook; maar, meesteres van zulk een plaats te zijn, mag wel
+een schoon toevoegsel tot het geheel gerekend worden.”
+
+„Een toevoegsel, welks gemis, naar ik vertrouw, rijkelijk op een andere
+wijze zal worden vergoed.”
+
+„Hoe,” zeide Fergus, terwijl hij op eens stilhield, en zich naar
+Waverley keerde – „Hoe moet ik dat verstaan, mijnheer Waverley? Had ik
+het genoegen u goed te begrijpen?”
+
+„Volmaakt goed, Fergus.”
+
+„Ik moet er dus uit opmaken, dat gij de verzwagering met mij en de hand
+mijner zuster niet meer verlangt.”
+
+„Uw zuster heeft de mijne afgewezen, zoo wel rechtstreeks, als door de
+gewone middelen, waarmede de dames oplettendheden, die haar niet
+behagen, plegen te ontwijken.”
+
+„Ik heb er geen denkbeeld van dat een dame een minnaar kan afwijzen, of
+een minnaar zijn aanzoek kan intrekken, wanneer het door haar wettigen
+voogd is goedgekeurd, zonder dat aan dezen de gelegenheid gegeven wordt
+om met haar over de zaak te spreken. Ik hoop niet, dat gij verwacht
+hebt, dat mijn zuster u, als een rijpe pruim, in den mond zou vallen,
+zoodra gij slechts verkoost daarnaar te gapen.”
+
+„Wat het recht der dame betreft, om haar minnaar weg te zenden,
+Kolonel, dat is een punt, hetwelk gij met haar moet afdoen, daar ik
+omtrent deze bijzonderheid met de gewoonten der Hooglanders niet bekend
+ben. Maar wat mijn recht betreft, om in de verwerping door haar te
+berusten, zonder beroep op uw gezag, zoo moet ik u, zonder Freule
+Mac-Ivors erkende schoonheid en begaafdheden te kort te doen, rechtuit
+zeggen, dat ik de hand van een engel niet zou aannemen, met een
+keizerrijk tot bruidschat, indien haar toestemming afgedwongen werd
+door aanhouden van vrienden en voogden, en ik die niet verschuldigd was
+aan haar eigene vrije keus.”
+
+„Een engel, met een keizerrijk tot bruidschat,” herhaalde Fergus, op
+een toon van bittere ironie, „zal niet zoo licht worden opgedrongen aan
+een **shireeschen landjonker. Maar, mijnheer,” voegde hij er bij,
+terwijl hij geheel van toon veranderde, „zoo Flora Mac-Ivor geen
+Keizerrijk tot bruidschat heeft, zij is mijne zuster, en dat is genoeg,
+ten minste om te voorkomen dat zij op een wijze behandeld wordt, die
+eenigszins aan lichtvaardigheid grenst.”
+
+„Zij is Flora Mac-Ívor, mijnheer,” hernam Waverley met klem, „en indien
+ik in staat was een vrouw lichtzinnig te behandelen, zou dat voor haar
+de krachtigste bescherming zijn.”
+
+Nu betrok het gelaat van het Opperhoofd geheel en al, maar Eduard
+gevoelde zich te zeer verontwaardigd over den onredelijken toon, door
+hem aangeslagen, om den storm door de minste toegevendheid af te
+wenden. Zij stonden beide stil, terwijl deze korte samenspraak
+voorviel, en Fergus scheen half geneigd iets zeer heftigs te zeggen;
+maar hij onderdrukte zijn drift door een krachtige poging, wendde zijn
+gelaat af, en stapte mokkend voort. Daar zij tot hiertoe altijd te
+zamen gemarcheerd hadden, vervolgde Waverley zwijgend zijn weg in
+dezelfde richting, terwijl hij zich voornam het Opperhoofd den tijd te
+laten, om zijn goede luim te herwinnen, die hij zoo onverstandig prijs
+gegeven had, en vastbesloten, om geen duimbreed voor hem, in
+waardigheid van houding, te wijken.
+
+Nadat ze onder een diep stilzwijgen ongeveer een kwartier
+voortgetrokken waren, knoopte Fergus het gesprek op een anderen toon
+weder aan. „Ik geloof dat ik driftig werd, mijn beste Eduard; maar ge
+hebt mij driftig gemaakt door uw gebrek aan wereldkennis. Gij zijt
+verstoord geworden op Flora’s preutschheid of door haar hoogdravende
+denkbeelden van verknochtheid aan het koninklijke huis, en nu zijt gij,
+even als een kind, boos op het speelgoed, waarom ge eerst gehuild hebt,
+en ge maakt er mij, uw getrouwen vriend, een verwijt van dat mijn arm
+niet tot Edinburgh kan reiken, om het u te geven. Wees verzekerd, dat,
+zoo ik driftig was, de spijt om de verbintenis met zulk een vriend te
+zien verloren gaan, een verbintenis, waarover men bij Hooglanders en
+Laaglanders gesproken heeft, en dàt zonder zelfs te weten waarom of
+hoe, vrij wat bedaarder bloed dan het mijne aan het koken zou kunnen
+brengen. Ik zal naar Edinburgh schrijven, om deze zaak weder in orde te
+brengen; dat wil zeggen, zoo gij verlangt dat ik het doe; want ik kan
+inderdaad niet gelooven, dat ge uwe genegenheid voor Flora, indien ze
+zoo groot is als ge mij dikwijls betuigd hebt, op eens kunt verloren
+hebben.”
+
+„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Eduard, die geen lust had, om langer dan hij
+verkoos, met een zaak lastig gevallen te worden, die hij reeds als
+afgedaan had beschouwd, „ik gevoel al de waarde van uw goede diensten;
+en zeker, doet uw ijver dien ge tot mijn best aanwendt, in dit geval,
+mij geen geringe eer. Doch, daar Freule Mac-Ivor haar keus geheel
+vrijwillig gedaan heeft, en al mijn oplettendheden te Edinburgh met de
+meeste koelheid ontvangen werden, kan ik, zonder omtrent haar zoo wel
+als mijzelven onrechtvaardig te worden, niet veroorloven, dat men haar
+over deze zaak nogmaals zou lastig vallen. Ik zou u dit reeds voor
+eenigen tijd hebben te kennen gegeven; maar ge zaagt op welken voet wij
+waren, en moest het van zelf wel begrepen hebben. Indien ik er zoo niet
+over gedacht had, zou ik er vroeger over gesproken hebben; maar ik
+gevoelde een natuurlijken afkeer, om een onderwerp op te halen, dat ons
+beiden zoo smartelijk is.”
+
+„O, zeer goed, mijnheer Waverley,” zeide Fergus met hooghartigheid, „de
+zaak is afgedaan. Ik kan mijn zuster aan niemand opdringen.”
+
+„En ik voel mij geenszins geneigd mij aan een vernieuwde afwijzing van
+den kant der jonge dame bloot te stellen.”
+
+„Ik zal intusschen behoorlijk onderzoek doen,” zeide het Opperhoofd,
+alsof hij op Waverleys woorden geen acht had geslagen, „en vernemen wat
+mijn zuster van dit alles denkt: en dan zullen we zien, of de zaak
+hiermede geëindigd is.”
+
+„Wat het onderzoek betreft waarvan ge spreekt, ge zult daaromtrent
+natuurlijk uw eigen oordeel volgen. Maar het is, naar ik vertrouw,
+onmogelijk, dat Freule Mac-Ivor van gevoelen zou veranderen, en indien
+dit tegen alle verwachting ook het geval was, zoo is het toch zeker,
+dat ik niet zal veranderen. Ik maak deze opmerking alleen, om verder
+alle mogelijk misverstand te voorkomen.”
+
+Gaarne zou Mac-Ivor op dat oogenblik hun twist aan een persoonlijke
+beslissing hebben onderworpen. Zijn oog schoot vlammen, en hij gluurde
+op Eduard, alsof hij zocht waar hem een doodelijke wonde te kunnen
+toebrengen. Maar ofschoon wij niet meer volgens de regels en
+voorschriften van Caranza of Vincent Saviolo vechten, zoo wist toch
+niemand beter dan Fergus, dat er een gepast voorwendsel behoort te
+bestaan tot een strijd op leven en dood. Bij voorbeeld, ge moogt iemand
+uitdagen, omdat hij, in het gedrang, op uw likdoorn heeft getrapt, of u
+tegen den muur gedrongen, of omdat hij op uw plaats in den schouwburg
+is gaan zitten; maar het hedendaagsche wetboek van eer vergunt u niet
+een twist te gronden op uw recht, om iemand te dringen zijn aanzoeken
+bij een uwer vrouwelijke naastbestaanden voort te zetten, nadat de
+schoone die reeds van de hand gewezen heeft. Zoodat Fergus genoodzaakt
+was, deze veronderstelde beleediging te verkroppen, tot de tijd gekomen
+was, welke een gereede gelegenheid tot wraak aan de hand zou geven.
+
+Waverleys knecht had altijd voor hem een gezadeld paard gereed, dat
+achter het bataljon, waartoe hij behoorde, werd geleid, ofschoon het
+zelden door zijn meester werd bereden. Maar nu, vertoornd door het
+heerschzuchtige en onredelijke gedrag van zijn voormaligen vriend, liet
+hij de kolonne voorbij trekken en steeg te paard, met het voornemen om
+den baron van Bradwardine op te zoeken, en verlof te vragen, als
+vrijwilliger onder zijn volk, in plaats van bij het regiment van
+Mac-Ivor, te dienen.
+
+„Ik zou een gelukkig leven geleid hebben,” dacht hij, na te paard
+gestegen te zijn, „als ik verzwagerd was geworden met dit schoone
+staaltje van trotschheid, inbeelding en oploopendheid. Een kolonel!
+Wel, hij moest opperbevelhebber zijn – een opperhoofdje van drie of
+vier honderd man! – Hij bezit trots genoeg om Khan van Tartarije – de
+Groote Heer, of de Groot-Mogol te zijn! Ik ben gelukkig van hem af! –
+Al was Flora een engel, ze zou mij een tweeden Lucifer, vol eer- en
+wraakzucht, als schoonbroeder, hebben aangebracht.”
+
+De Baron, wiens geleerdheid (even als Sancho’s geestige spreekwoorden
+in de Sierra Morena) scheen te zullen roesten door gebrek aan oefening,
+greep met blijdschap Waverleys aanbod aan om bij zijn regiment te
+dienen, ten einde ze op nieuw aan den dag te kunnen leggen. De
+goedaardige oude edelman poogde echter een verzoening tusschen de beide
+voormalige vrienden te bewerken. Fergus leende ter nauwernood het oor
+aan zijn voorstellingen, ofschoon hij ze eerbiedig aanhoorde; en wat
+Waverley betrof, hij zag geen enkele reden, waarom hij de eerste zou
+zijn om zich moeite te geven tot het vernieuwen van een vertrouwelijken
+omgang, dien het Opperhoofd zoo onredelijk had verbroken. Daarop sprak
+de Baron over de zaak met den Prins, die, bezorgd om oneenigheden bij
+zijn klein leger te voorkomen, verklaarde, zelf den kolonel Mac-Ivor te
+zullen onderhouden over het onredelijke van zijn gedrag. Maar de
+moeielijkheden van hun marsch waren oorzaak dat er een paar dagen
+verliepen, eer hij gelegenheid vond, om zijn invloed op de voorgenomen
+wijze te beproeven.
+
+Intusschen trok Waverley partij van hetgeen hij, terwijl hij bij de
+dragonders van Gardiner gestaan had, geleerd had, en diende den Baron
+als een soort van adjudant. „In het land der blinden is éenoog koning,”
+zegt het spreekwoord, en de ruiterij, die hoofdzakelijk uit
+Laaglandsche heeren, hun pachters en bedienden bestond, koesterde een
+groot denkbeeld van Waverleys bedrevenheid en legde een groote
+gehechtheid aan zijn persoon aan den dag. Dit was, om de waarheid te
+zeggen, voor een goed deel toe te schrijven aan het genoegen, ’t welk
+zij gevoelden, dat de aanzienlijke Engelsche vrijwilliger de
+Hooglanders verliet, ten einde zich in hunne rijen te scharen; want er
+bestond een heimelijke wangunst tusschen het paardenvolk en het
+voetvolk, die niet enkel voortsproot uit het verschil van dienst, maar
+omdat de meeste heeren, die dicht bij de Hooglanden woonden, nu en dan
+twist hadden gehad met de stammen in hunne buurt, en allen de luide
+aanspraken der Hooglanders, als zouden zij grooter dapperheid bezitten
+en den Prins beter dienen, met een afgunstigen blik gadesloegen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE VERWARRING BIJ KONING AGRAMANTS LEGER.
+
+
+Het was Waverleys gewoonte zich soms een eind wegs van het hoofdkorps
+te verwijderen, om een of ander voorwerp, op hun weg, dat zijn
+nieuwsgierigheid opwekte, waar te nemen. Ze waren nu in Lancashire,
+toen hij, aangetrokken door een oud versterkt kasteel, het eskadron
+voor een half uur verliet, om er een omtrek en losse schets van te
+maken. Zooals hij de laan weder afkwam, ontmoette hem vaandrig
+Maccombich. Deze man had een soort van achting en genegenheid voor
+Eduard opgevat, van het eerste oogenblik af, dat ze elkander op
+Tully-Veolan ontmoet hadden, en hij hem in de Hooglanden tot geleider
+diende. Hij scheen te dralen, alsof het zijn oogmerk was om onzen held
+te spreken. Doch, toen deze hem voorbij kwam, naderde hij alleen zijn
+stijgbeugel, en uitte niets anders dan het woord: „wees op uw hoede!”
+en stapte daarop stevig door, terwijl hij alle verdere gemeenschap
+vermeed.
+
+Eduard, een weinig bevreemd over dezen wenk, volgde Evan met de oogen,
+en bemerkte dat deze spoedig te midden van het geboomte verdween. Zijn
+knecht, Alick Polwarth, die bij hem was, zag den Hooglander ook na, en
+hield zich vervolgens dicht achter zijn meester.
+
+„De drommel hale mij, mijnheer,” zeide hij, „als ik geloof dat gij
+onder deze schavuiten van Hooglanders veilig zijt.”
+
+„Waarom, Alick?”
+
+„De Mac-Ivors hebben zich in het hoofd gezet, mijnheer, dat gij hun
+jonge dame, Freule Flora, beleedigd hebt, en ik heb al meer dan eens
+hooren zeggen, dat zij er bitter weinig bezwaar in zouden vinden, om u
+als een korhoen neder te schieten; en ge weet ook wel, dat er menigeen
+onder hen is, die niet schroomen zou zelfs den Prins een kogel door het
+hoofd te jagen, als het opperhoofd hun daartoe den wenk gaf, en al gaf
+hij dien ook niet, als ze maar dachten, dat het hem aangenaam zou wezen
+als ze het deden.”
+
+Waverley, ofschoon overtuigd dat Fergus Mac-Ivor niet tot zulk een
+verraad in staat was, was op verre na niet zoo zeker van de
+bescheidenheid zijner aanhangers. Hij wist, dat, waar men het er voor
+hield dat de eer van het Opperhoofd of diens familie gekwetst was,
+diegene de gelukkigste man heeten zou, die de beleediging het eerst kon
+wreken; en hij had hen dikwijls een spreekwoord hooren aanhalen: „De
+beste wraak is – die het spoedigst en zekerst wordt uitgeoefend.”
+Terwijl hij dit met den wenk van Evan in verband bracht, achtte hij het
+voorzichtig zijn paard de sporen te geven, en haastig naar zijn
+eskadron terug te rijden. Doch, eer hij het einde der lange laan
+bereikt had, floot een kogel hem voorbij en knalde er een pistoolschot.
+
+„Het was die satansche schelm, Callum Beg,” riep Alick; „ik zag hem
+wegsluipen door het kreupelhout.”
+
+Eduard, te recht vertoornd over dezen verraderlijken aanslag, reed de
+laan uit, en zag het bataljon van Mac-Ivor op eenigen afstand over de
+heide voort trekken, waarop de laan uitliep. Insgelijks zag hij iemand
+buiten adem loopen, om zich bij de afdeeling te voegen. Dit, begreep
+hij, was de moordenaar, die, door over een heg te springen, gemakkelijk
+een veel korteren weg naar het leger kon vinden, dan hij, die te paard
+gezeten was. Niet in staat zich te bedwingen, beval hij Alick naar den
+baron van Bradwardine te gaan, die zich omtrent een kwartier verder
+bevond, en hem te berichten wat er gebeurd was. Hijzelf reed
+onmiddellijk naar Fergus’ regiment. Het Opperhoofd voegde zich juist op
+dat oogenblik er bij. Hij was te paard, daar hij terug was gekomen van
+een bezoek bij den Prins. Toen hij Eduard zag naderen, zette hij zijn
+paard in beweging en reed op hem toe.
+
+„Kolonel Mac-Ivor,” zeide Waverley, zonder eenige andere groete. „Ik
+heb u te berichten, dat een van uw volk zoo even op mij uit een
+hinderlaag geschoten heeft.”
+
+„Daar dit – met uitzondering van de hinderlaag – een genoegen is, dat
+ik mijzelven voorstel, wenschte ik wel te weten, wie mijner clanslieden
+mij durfde voorkomen.”
+
+„Ik ben geheel tot uwe orders, zoodra het u behagen zal; de man die uw
+post op zich nam, is uw page daar ginds, Callum Beg.”
+
+„Kom hier voor het gelid, Callum! Hebt gij op mijnheer Waverley
+geschoten?”
+
+„Neen,” antwoordde Callum, zonder blikken of verblozen.
+
+„Gij hebt het wel gedaan,” zeide Alick Polwarth, die reeds terug was,
+daar hij een ruiter ontmoet had, door wien hij den baron van
+Bradwardine verslag had doen toekomen van het voorgevallene, terwijl
+hijzelf in den ren naar zijn meester terug keerde, en zoo min de
+radertjes zijner sporen als de ribben van zijn paard ontzag. „Gij hebt
+het wel gedaan, ik zag u zoo duidelijk, als ik ooit den ouden toren van
+Coudingham zag.”
+
+„Gij liegt het,” hernam Callum, met zijn gewone onverzettelijke
+stijfhoofdigheid. Het gevecht tusschen de heeren zou zeker, als in de
+oude riddertijden, door een ontmoeting der schildknapen zijn
+voorafgegaan; want Alick was een flinke boer uit het graafschap Merse,
+en vreesde den boog van Cupido veel meer, dan eens Hooglanders dolk of
+sabel. Maar Fergus vroeg, op zijn gewonen, beslissenden toon, om het
+pistool van Callum. De haan was naar beneden, de pan en het zundgat
+waren zwart van rook; het was pas afgebrand geweest.
+
+„Daar,” riep Fergus, terwijl hij den jongen zoo hard hij kon met den
+zwaren pistoolknop op het hoofd sloeg, – „daar, neem dat voor uw
+handelen zonder order, en voor het liegen om het te bedekken.” Callum
+ontving den slag, zonder te trachten hem te ontwijken, en viel zonder
+teeken van leven neer. „Staat! op uw leven!” riep Fergus den overigen
+van zijn clan toe: „ik schiet den eersten den besten voor het hoofd,
+die zich tusschen mij en den heer Waverley stelt.” Ze stonden roerloos;
+Evan Dhu was de eenige, die blijken van angst en ontevredenheid gaf;
+Callum lag op den grond, en verloor vrij wat bloed, maar niemand waagde
+het hem den minsten bijstand te verleenen; het was of hij den doodslag
+ontvangen had.
+
+„En nu wat u betreft, mijnheer Waverley! Heb de goedheid een twintig
+pas ver met mij de weide op te rijden.” Waverley voldeed aan zijn
+uitnoodiging. Toen ze zich op eenigen afstand alleen bevonden, zeide
+Fergus, zich tot hem keerende, met vrij wat gehuichelde bedaardheid:
+„Ik was zeer verwonderd, mijnheer, over de lichtzinnige wijze waarop,
+zooals gij mij te kennen geeft, gij van gevoelen verandert. Maar, zoo
+als te recht door u werd aangemerkt, geen engel had bekoringen voor u,
+tenzij ze een keizerrijk als bruidschat medebracht. Ik bezit thans een
+uitnemende verklaring van dien onduidelijken tekst.”
+
+„Ik kan zelfs uw bedoeling niet gissen, kolonel Mac-Ivor, tenzij dat
+gij twist met mij zoekt.”
+
+„Uw voorgewende onkunde zal u bitter weinig baten, mijnheer. De
+Prins.... de Prins zelf heeft mij met uw kunstgrepen bekend gemaakt. Ik
+had niet kunnen denken, dat uw afspraken met Freule Bradwardine de
+oorzaak waren, waarom ge van uw voorgenomen huwelijk met mijn zuster
+afzaagt. Naar ik gis, was het bericht, dat de Baron de bestemming van
+zijn nalatenschap had veranderd, een voldoende reden voor u om de
+zuster van uw vriend te laten glippen, en de minnares van uw vriend weg
+te kapen.”
+
+„Heeft de Prins u gezegd, dat ik met Freule Bradwardine verloofd was? –
+Onmogelijk!”
+
+„Het is toch zoo, mijnheer!” antwoordde Mac-Ivor woedend. Derhalve trek
+van leêr en verdedig u, of geef alle aanspraken op de dame op.”
+
+„Dit is volslagen razernij,” riep Waverley, „of een onbegrijpelijk
+misverstand!”
+
+„O! geen ontduiking! trek uw degen!” riep het verwoede Opperhoofd –
+terwijl hij den zijne reeds uit de schede had gerukt.
+
+„Moet ik vechten om een dollemans twist, zonder te weten waarom?”
+
+„Geef dan, nu en voor altijd, de aanspraken op Freule Bradwardines hand
+op.”
+
+„Welk recht hebt gij,” riep Waverley, die zich nu niet langer meester
+was, „welk recht he gij, of iemand ter wereld, om mij zulke voorwaarden
+voor te schrijven?” En dit zeggende, ontblootte ook hij den degen.
+
+Op dit oogenblik daagde de baron van Bradwardine, door verscheidene van
+zijn krijgslieden gevolgd, op. Ze snelden allen in galop toe, sommigen
+uit nieuwsgierigheid, anderen om deel in den twist te nemen, die,
+zooals ze hadden hooren mompelen, tusschen de Mac-Ivors en hun korps
+was uitgebroken. Toen de clan hen zag naderen, stelde deze zich in
+beweging, om hun Opperhoofd te ondersteunen, en er ontstond een tooneel
+van verwarring, dat in een bloedbad scheen te zullen eindigen. Een
+honderdtal tongen waren te gelijk in beweging. De Baron predikte, het
+Opperhoofd bulderde, de Hooglanders schreeuwden in het Gaelsch, de
+ruiters vloekten en tierden in het Laaglandsch-Schotsch. Eindelijk
+bereikten de zaken zulk een hoogte, dat de Baron dreigde op de
+Mac-Ivors te zullen aanvallen, indien ze niet in hun gelederen
+terugkeerden; en verscheidene hunner legden, wederkeerig, hunne geweren
+op hem en de overige ruiters aan. De verwarring werd inzonderheid
+gevoed door den ouden Ballenkeiroch, die niet twijfelde of de dag van
+wrake voor was hem gekomen; toen, plotseling, zich een kreet liet
+hooren: „Ruimte! Ruimbaan! Place à Monseigneur! Place à Monseigneur!”
+
+Deze kreet kondigde de nadering van den Prins aan, die met een
+afdeeling van Fitz-James’ buitenlandsche dragonders, die hem als
+bijzondere lijfwacht dienden, in aantocht was. Zijn komst herstelde tot
+op zekere hoogte de orde. De Hooglanders vormden op nieuw hunne
+gelederen, de cavalerie vereenigde zich weder tot een escadron, en de
+Baron en het Opperhoofd bewaarden het diepste stilzwijgen.
+
+De Prins riep hen en Waverley voor zich. Toen hij vernomen had, dat de
+twist eerst ontstaan was door het schelmstuk van Callum Beg, gaf hij
+bevel dezen in bewaring te stellen van den Provoost-Geweldige en hem
+onmiddellijk ter dood te brengen, ingeval hij de tuchtiging overleefde,
+die hij reeds van zijn chef ondergaan had. Maar Fergus verlangde, op
+een toon, tusschen het staan op een recht en het doen van een verzoek,
+dat hij ter zijner beschikking mocht gelaten worden, terwijl hij
+beloofde dat zijn straf voorbeeldig wezen zou. Een weigering zou den
+schijn gehad hebben alsof de Prins inbreuk had willen maken op het
+aartsvaderlijk gezag der opperhoofden, waarop ze zeer naijverig waren,
+en het zou vrij gevaarlijk geweest zijn hen thans te ontstemmen. Callum
+werd dus aan de gerechtigheid van zijn eigen stam overgelaten.
+
+Vervolgens deed de Prins onderzoek naar hetgeen aanleiding had gegeven
+tot den twist tusschen kolonel Mac-Ivor en Waverley. Er heerschte
+eenige oogenblikken een diepe stilte. Beide heeren vonden in de
+tegenwoordigheid des barons van Bradwardine (want alle drie waren
+thans, op bevel, den Prins genaderd) een onoverkomelijken hinderpaal,
+om van een zaak te spreken, waarbij de naam zijner dochter
+onvermijdelijk moest worden genoemd. Ze sloegen hun oogen ter aarde,
+met blikken, waarin schaamte en verlegenheid met ontevredenheid waren
+vermengd. De Prins, die opgevoed was onder de ontevredene en muitzieke
+geesten van het Hof van St. Germain, waar geschillen van allerlei aard
+dag aan dag den onttroonden Souverein tot last waren, had zijn
+leerjaren voor het koningschap, gelijk de oude Frederik van Pruisen zou
+gezegd hebben, uitgediend. Hij gevoelde hoe dringend noodzakelijk het
+was de eensgezindheid onder zijn aanhangers te bevorderen of te
+herstellen, en dien overeenkomstig nam hij zijn maatregelen.
+
+„Monsieur de Beaujeu!”
+
+„Monseigneur!” zeide een zeer knappe, Fransche cavalerie-otficier, die
+tot het gevolg behoorde.
+
+„Ayez la bonté d’alligner ces montagnards là; ainsi que la cavalerie,
+s’il vous plait, et de les remettre en marche. Vous parlez si bien
+l’anglais, que cela ne vous donnera pas beaucoup de peine.”
+
+„Ah! pas du tout, Monseigneur,” hernam Monsieur le Comte de Beaujeu,
+terwijl hij zich bijna ter aarde boog. Terstond plaatste hij zich vol
+moed en vertrouwen, aan het hoofd van Fergus’ regiment, ofschoon hij
+geen woord Gaelsch en zeer weinig Engelsch verstond.
+
+„Messieurs les sauvages Ecossais – dat is – heeren sauvages, hebt de
+goedheid u te rangeeren!”
+
+De clan, die het bevel meer uit de gebaren, dan uit de woorden
+verstond, en den Prins zelf tegenwoordig zag, haastte zich op nieuw de
+gelederen te vormen.
+
+„Ah! heel wel, dat is fort bien!” zei de graaf de Beaujeu. „Heeren
+sauvages – mais, très bien – Eh bien! – (tot een ruiter in zijn
+nabijheid) Qu’ est-ce que vous appellez par le flanc, Monsieur? Ah,
+oui! je vous remercie, Monsieur – mijneheeren, hebt de goedheid front
+te maken rechts, en par file, dat is bij files, Marsch! – Mais, très
+bien – encore Messieurs; il faut vous mettre en marche.... Marchez
+donc, au nom de Dieu, parceque j’ai oublié le mot anglais – mais vous
+êtes de braves gens, et vous me comprenez très-bien.”
+
+Vervolgens haastte de graaf zich om de cavalerie in beweging te zetten.
+„Heeren cavalerie, gij moet invallen – Ah! par ma foi, ik zeide niet
+„afvallen!” Ik vrees, die kleine, dikke heer heeft zich bezeerd! Ah!
+mon Dieu! c’est le Commissaire qui nous a apporté les premières
+nouvelles de ce maudit fracas. Je suis trop fáché, Monsieur.”
+
+Maar de arme Mackwheeble, die thans, terwijl hij met een degen op
+zijde, en een witte kokarde, zoo groot als een pannekoek, in de rol van
+koninklijken commissaris figureerde, over hoop geworpen was in het
+gewoel der ruiters, die allen haast maakten om zich, voor den Prins, in
+orde te scharen, viel van zijn paard, onder het uitbundig gelach der
+toeschouwers.
+
+„Eh bien! Messieurs,” zeide de graaf, „draait je rechts bij de boomen –
+Ah! dat is! – Eh! Monsieur de Bradwardine, ayez la bonté de vous mettre
+à la tête de votre régimeut; car, pardieu, je n’en puis plus!”
+
+De baron van Bradwardine was genoodzaakt, om nu Monsieur de Beaujeu,
+die al zijn Engelsch uitgeput had, te hulp te komen. Eén doel van den
+Prins was dus bereikt. Het andere, dat hij zich zelf voorstelde, was,
+om door de inspanning van het hooren en verstaan van bevelen in ’s
+Vorsten eigen tegenwoordigheid, door zulk een gebrekkigen tolk
+uitgevaardigd, de gedachten der soldaten in beide korpsen een afleiding
+te verschaffen van den toorn, die reeds van beide kanten aangroeiende
+was.
+
+Karel Eduard was echter nauwelijks alleen gelaten met het Opperhoofd en
+Waverley, terwijl hij de overigen van zijn gevolg bevolen had zich op
+eenigen afstand te houden, of hij zeide: „Zoo ik minder verplichting
+had aan uw belanglooze vriendschap, zou ik zeer ontevreden op u beide
+kunnen wezen wegens deze allerzonderlingste en ongegronde kibbelarij,
+juist op een oogenblik dat mijns vaders dienst de meest volkomen
+eensgezindheid vordert. Maar het ergste in mijn toestand is, dat zelfs
+mijn beste vrienden meenen vrijheid te hebben, om de onbeduidendste
+gril, zichzelven en de zaak, die ze voorstaan, te gronde te richten.”
+
+Beide jonge lieden gaven terstond te kennen dat ze geneigd waren hun
+twist aan zijn beslissing te onderwerpen. „Inderdaad,” zeide Eduard,
+„ik weet nauwelijks waarvan ik beschuldigd word. Ik zocht kolonel
+Mac-Ivor op, met geen ander oogmerk, dan om hem te zeggen, dat ik ter
+nauwernood aan den moordaanslag ontsnapt was, door een zijner
+onmiddellijke afhangelingen gepleegd, – een lafhartige wraak, die ik
+wist dat hij niet in staat was goed te keuren. Wat de zaak betreft,
+waarom hij met mij vechten wil – ik weet er niets van, dan dat hij mij,
+geheel ten onrechte, beschuldigt, van de genegenheid gewonnen te hebben
+van een jonge dame, op wie hij zelf aanspraak meent te mogen hebben.”
+
+„Zoo er een dwaling bestaat,” zei het Opperhoofd, „dan is die toe te
+schrijven aan een gesprek, dat ik heden morgen met Zijn Koninklijke
+Hoogheid zelf had.”
+
+„Uit een gesprek met mij?” zei de Prins, „hoe kan kolonel Mac-Ivor mij
+zoo verkeerd verstaan hebben?”
+
+Nu voerde hij Fergus ter zijde, en na een ernstig gesprek van vijf
+minuten keerde hij in galop naar Eduard terug. „Is het mogelijk,” zeide
+hij – „kom, rijd aan, Kolonel, want ik houd niet van geheimen – is het
+mogelijk, mijnheer Waverley, dat ik dwaal in de vooronderstelling, dat
+gij de verklaarde minnaar van Freule Bradwardine zijt? een zaak,
+waarvan ik door omstandigheden, ofschoon gij er mij nooit over
+gesproken hebt, zoo volkomen overtuigd was, dat ik ze dezen morgen als
+een reden bij Vich Ian Vohr liet gelden, waarom gij, zonder hem te
+beleedigen, mocht ophouden naar een verbintenis te wenschen, die voor
+een vrij man, hoewel eenmaal afgewezen, te veel bekoorlijks bezat, om
+gemakkelijk ter zijde gezet te worden?”
+
+„Uw Koninklijke Hoogheid moet,” hernam Waverley, „uw meening op
+omstandigheden, die mij geheel onbekend zijn, gegrond hebben, toen gij
+mij de uitstekende eer beweest, om in mij een erkend minnaar van Freule
+Bradwardine te zien. Ik gevoel al wat er eervols in deze
+vooronderstelling ligt opgesloten, maar ik heb er geen recht op. Voor
+het overige heb ik te weinig vertrouwen in mijn eigene verdiensten, om,
+waar ook, op een goeden uitslag te durven hopen, na eens voor goed te
+zijn afgeewezen.”
+
+De Prins zweeg een oogenblik, terwijl hij hen beide strak aanzag, en
+zeide toen: „Op mijn woord, mijnheer Waverley, ik dacht gegronde reden
+te hebben, om u gelukkiger te schatten, dan gij inderdaad zijt. Maar
+nu, mijn heeren, vergunt mij tusschen u beide scheidsman te zijn in
+deze zaak, niet als Prins-Regent, maar als Karel Stuart, een broeder en
+deelgenoot in dezelfde eervolle onderneming. Verliest mijn rechten
+geheel uit het oog, en neemt alleen uw eigene eer in aanmerking. Welk
+een schandaal voor onze vrienden, welk een voordeel voor onze vijanden,
+als zij vernamen, dat, hoe gering in aantal wij zijn, er verdeeldheid
+heerscht onder ons. En vergeeft mij, zoo ik er bijvoeg, dat de namen
+der dames, van wie hier sprake is, van ons allen te veel eerbied
+eischen, dan dat wij ze tot onderwerpen van twist mogen maken.”
+
+Hij trok Fergus een weinig ter zijde, en sprak, gedurende eenige
+minuten, zeer ernstig met hem, en daarna tot Waverley terugkeerende,
+zeide hij: „Ik geloof kolonel Mac-Ivor te hebben doen inzien, dat zijn
+gevoeligheid berustte op een misverstand, waartoe ik inderdaad zelf
+aanleiding gaf: en ik vertrouw dat mijnheer Waverley te edelmoedig is,
+om eenige herinneringen te bewaren van het voorgevallene, als ik hem
+verzeker, dat dit het geval was. Gij moet deze zaak op een gepaste
+wijze aan uw clan mededeelen, Vich Ian Vohr, om iedere nieuwe
+gewelddadigheid te voorkomen.” Fergus boog. „En nu, mijneheeren, laat
+mij de voldoening smaken u elkaar de hand te zien geven.”
+
+Zij traden koud, en met afgemeten stappen, vooruit, beide
+oogenschijnlijk bevreesd om de eerste te zijn om eenige toegevendheid
+aan den dag te leggen. Zij eindigden echter met elkander de hand te
+geven, en scheidden, terwijl zij eerbiedig afscheid namen van den
+Prins.
+
+Karel Eduard [169] reed nu aan het hoofd van de Mac-Ivors, sprong van
+zijn paard, verzocht een dronk uit des ouden Ballenkeirochs veldflesch,
+marcheerde een half uurtje met hen voort, terwijl hij onderzoek deed
+naar de geschiedenis en de betrekkingen van het geslacht van Sliochdnan
+Ivor, en met vrij wat behendigheid gebruik maakte van de weinige
+Gaelsche woorden, die hij verstond, en een groot verlangen uitte om die
+taal beter te leeren kennen. Hij steeg daarop weder te paard, en
+draafde naar de cavalerie van den Baron, die in het front was, liet de
+ruiters halt houden en onderzocht hunne uitrusting, en deed navraag
+omtrent hunne krijgstucht, wisselde eenige woorden met de voornaamste
+heeren en zelfs met de kadets; vroeg naar hunne dames en prees hunne
+paarden, reed omstreeks een uur met den baron van Bradwardine, en
+onderwierp zich aan drie lange verhalen over den Veldmaarschalk hertog
+van Berwick.
+
+„Ah! Beaujeu, mon cher ami,” zeide hij, toen hij weder op zijn gewone
+plaats in den stoet terugkeerde, „que mon métier de prince errant est
+ennuyeuz, parfois. Mais courage, c’est le grand jeu après tout.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EENE SCHERMUTSELING.
+
+
+Wij behoeven den lezer nauwelijks te herinneren, dat de Hooglanders, na
+een op den vijfden December te Derby gehouden krijgsraad, hun wanhopig
+plan, om Engeland verder binnen te dringen, opgaven, en tot groot
+ongenoegen van hun jongen en stouten aanvoerder, stellig besloten naar
+het noorden terug te trekken. Dienovereenkomstig vingen zij hun
+terugtocht aan, en door hun uitnemende vlugheid ontsnapten zij aan den
+hertog van Cumberland, die hen thans met een uitgebreid corps ruiterij
+op de hielen zat.
+
+Deze terugtocht was een wezenlijk opgeven van hunne hoog gespannen
+verwachtingen. Niemand had er zich meer van voorgesteld, dan Fergus
+Mac-Ivor; niemand was bijgevolg zoo bitter gekrenkt door deze
+verandering als hij. Hij advizeerde, of liever redetwistte, met de
+uiterste hevigheid, in den krijgsraad; en toen zijn gevoelen verworpen
+werd, stortte hij tranen van spijt en verontwaardiging. Van dat
+oogenblik af was geheel zijn voorkomen zoo veranderd, dat hij
+nauwelijks te herkennen zou geweest zijn als dienzelfde hooghartige,
+vurige geest, voor wien, slechts een week geleden, de aarde te eng
+scheen. De terugtocht was gedurende verscheidene dagen voortgezet
+geworden, toen Eduard, tot zijn niet geringe verbazing, des morgens
+vroeg van den twaalfden December, een bezoek van het Opperhoofd
+ontving, in zijn kwartier, op een dorpje halfweg tusschen Shap en
+Penrith.
+
+Daar hij sedert het afbreken hunner vriendschap het Opperhoofd niet
+weder gesproken had, wachtte Eduard, niet zonder eenige beklemdheid, de
+verklaring der reden voor dit onverwacht bezoek, en kon zijn verbazing
+niet bedwingen over de verandering, die hij in het voorkomen van Fergus
+opmerkte. Zijn oog had veel van het vuur verloren, dat vroeger daarin
+schitterde, zijn wangen waren ingevallen; zijn stem was zwak; zelfs
+zijn gang scheen minder vast en veerkrachtig dan voorheen, en zijn
+kleeding, waaraan hij zoo bijzonder veel zorg placht te besteden, was
+hem nu onachtzaam om het lijf geworpen. Hij verzocht Eduard een
+wandeling met hem te doen langs het dichtbijgelegen riviertje, en
+glimlachte op een treurige wijze, toen hij Waverley zijn degen zag
+nemen en aangespen. Zoodra zij op een woest en afgelegen pad, aan de
+oevers van de rivier, waren, zeide hij:
+
+„Ons schoone avontuur is nu geheel bedorven, Waverley, en ik zou gaarne
+weten, wat gij voornemens zijt te doen. – Ja, zie mij zoo verbaasd niet
+aan! Ik moet u zeggen, dat ik gisteren een pakje van mijn zuster
+ontving, en indien ik het vroeger had ontvangen, zou het een twist
+hebben voorkomen, waaraan ik niet dan met verdriet denken kan. In een
+brief, na ons verschil geschreven, maakte ik haar met de oorzaak er van
+bekend, en nu antwoordt zij mij, dat zij nooit het voornemen had, noch
+kon hebben, u eenige aanmoediging te geven. Het schijnt dus, dat ik als
+een ware dolleman gehandeld heb. – Arme Flora! zij schrijft vol moed en
+geestdrift; welk een verandering zal de tijding van dezen ongelukkigen
+terugtocht in hare stemming te weeg brengen.”
+
+Waverley, die inderdaad zeer getroffen was door den uiterst
+zwaarmoedigen toon waarop Fergus sprak, verzocht hem op het hartelijkst
+alle gedachten aan de verwijdering, die tusschen hen bestaan had, uit
+zijn geheugen te verbannen, en zij drukten elkander op nieuw de hand,
+maar nu met ongeveinsde oprechtheid. Fergus vroeg Waverley weder, wat
+hij dacht te doen.
+
+„Zou het niet beter voor u zijn, dit ongelukkige leger te verlaten, en
+u vóor ons naar Schotland te begeven, en daar scheep te gaan in een der
+oostelijke zeehavens, die nog in onze macht zijn? – Wanneer gij buiten
+het rijk zijt, zullen uw vrienden een amnestie voor u gemakkelijk
+bewerken, en, om u de waarheid te zeggen, zou ik wenschen, dat gij Rose
+Bradwardine als uw vrouw medevoerdet, en Flora onder uw vereenigde
+bescherming medenaamt.” – Eduard keek verwonderd op. – „Zij bemint u,
+en ik geloof, dat gij haar bemint, ofschoon gij het misschien nog niet
+ontdekt hebt; want gij hebt juist den naam niet, van uzelven zeer
+nauwkeurig te kennen.” Dit laatste zeide hij met een soort van
+glimlach.
+
+„Hoe,” antwoordde Eduard, „kunt gij mij raden de expeditie op te geven,
+waarvoor wij ons te zamen ingescheept hebben?”
+
+„Ingescheept?” zeide Fergus, „het vaartuig zal weldra vergaan, en het
+is meer dan tijd, voor ieder die kan, zich in de boot te begeven, om
+het te verlaten.”
+
+„Maar wat zullen de andere heeren doen? en waarom stemden de
+Hooglandsche Opperhoofden tot dezen terugtocht, als die zoo
+verderfelijk is?”
+
+„O,” hernam Mac-Ivor, „zij denken, dat, even als bij vroegere
+gelegenheden, het kop-afslaan, hangen en verbeurdverklaren van goederen
+den Laaglandschen adel voornamelijk overkomen zal, dat zij in hunne
+armoede en sterkte een veilige toevlucht zullen vinden tegen den storm,
+om daar, volgens hun spreekwoord, op den heuvel naar den wind te
+luisteren, tot het water zakt! Maar zij zullen zich bedriegen; zij zijn
+te vaak rustig geweest, dan dat men bij hen zoo bij herhaling alles
+over het hoofd zou kunnen zien, en John Bull is dit maal al te erg
+ongerust gemaakt, om zijn goede luim zoo spoedig terug te krijgen. De
+Hannoversche ministers verdienden altijd, als schurken, te worden
+opgehangen, maar zoo zij nu de macht in handen krijgen, – zoo als zij
+vroeger of later moeten, – daar er geen opstand komt in Engeland, noch
+hulp uit Frankrijk – zullen zij de galg verdienen als gekken, als zij
+een enkelen clan in de Hooglanden in staat laten, om het bewind ooit
+weder onrust te komen baren. Ja, zij zullen wortel noch tak sparen,
+daar sta ik u borg voor.”
+
+„En, terwijl gij mij de vlucht aanbeveelt – een raad, dien ik, al zou
+er mijn leven mede gemoeid zijn, niet denk te volgen – welke plannen
+koestert gij voor u zelven?”
+
+„O,” hernam Fergus, „mijn lot is beslist. Dood of gevangen moet ik
+zijn, eer de dag van morgen aanbreekt.”
+
+„Hoe meent gij dat, vriend?” zei Eduard. „De vijand is nog een
+dagmarsch achter ons, en komt hij op, zoo zijn wij nog sterk genoeg, om
+hem in bedwang te houden. Denk aan Gladsmuir.”
+
+„Wat ik u zeg is nogtans waar; voor zoo ver mij persoonlijk betreft.”
+
+„Waarop grondt gij zulk een zwaarmoedige voorspelling?”
+
+„Op iets, dat nooit een lid van mijn huis te leur stelde. – Ik heb,”
+zeide hij, met gedempte stem, „den Bodach Glas gezien.”
+
+„Den Bodach Glas?”
+
+„Ja. Zijt gij zoo lang op Glennaquoich geweest, en hebt gij nooit van
+het „grauwe spook” hooren spreken, al bestaat er inderdaad een zekere
+weerzin bij ons om het te noemen?”
+
+„Neen, nooit!”
+
+„Ha! het zou anders juist een historie voor de arme Flora geweest zijn,
+om u te vertellen. Of zoo die heuvel Benmore en dat lange blauwe meer,
+dat juist naar gindsche bergachtige streek kronkelt, Loch Tay, of mijn
+eigen Loch-an-Ri ware, – zou hetgeen ik u te verhalen heb, meer in
+overeenstemming zijn met het tooneel. Zetten wij ons echter op deze
+hoogte neder; ook Saddelback en Ulswater [170] zullen beter passen bij
+hetgeen ik te zeggen heb, dan de Engelsche heggen, heiningen en
+boerenwoningen. – Gij moet dan weten, dat, toen een mijner voorvaderen,
+Ian nan Chaistel, Northumberland verwoestte, hij voor dezen tocht
+verbonden was met een soort van Zuidlandsch Opperhoofd, of Kapitein
+eener bende Laaglanders, met name Halbert Hall. Bij hun terugkomst door
+de Cheviotsche bergen, kregen zij twist over de verdeeling van den
+grooten buit, dien zij behaald hadden, en het kwam van woorden tot
+daden. De Laaglanders werden tot op den laatsten man toe neergesabeld,
+en hun Opperhoofd viel het laatst, met wonden bedekt, door het zwaard
+van mijn voorzaat. Sedert dien tijd heeft zijn geest zich altijd aan
+den Vich Ian Vohr, die het hoofd van den clan is, vertoond, als er een
+of ander groot ongeluk op handen was, maar vooral wanneer zijn dood
+nabij was. Mijn vader heeft hem tweemaal gezien; eens den avond voor
+dat hij krijgsgevangen gemaakt werd bij Sheriff-Muir; den anderen keer
+op den morgen van den dag, toen hij stierf.”
+
+„Hoe kunt gij, waarde Fergus, mij zulken onzin met een ernstig gelaat
+vertellen?”
+
+„Ik verg van u niet mij te gelooven, maar ik zeg u de waarheid,
+gestaafd door ten minste drie honderd jaren ondervinding, en
+gisterennacht door mijn eigene oogen.”
+
+„Verhaal mij in ’s Hemels naam de bijzonderheden,” hernam Waverley met
+aandrang.
+
+„Gaarne, op voorwaarde dat gij er niet mede poogt te spotten. – Van het
+oogenblik af dat deze ongelukkige terugtocht begonnen is, ben ik ter
+nauwernood ooit in staat geweest een oog te sluiten, door de zorgen
+voor mijn clan, en door het denken aan den armen Prins, dien men
+terugvoert, als een hond aan een touw, hij moge willen of niet – en aan
+den val mijner familie. Heden nacht, als door de koorts geplaagd,
+verliet ik mijn kwartier en wandelde naar buiten, in de hoop dat de
+scherpe winterlucht mijn zenuwen sterken zou. – Ik kan u niet zeggen,
+hoe ongaarne ik voortga, want ik weet dat gij mij bezwaarlijk gelooven
+zult. Maar – ik ging een klein vondertje over, en bleef heen en weer
+wandelen, toen ik, tot mijn groote verbazing, eensklaps bij het heldere
+maanlicht, een ranke gestalte zag, in een grijze plaid gewikkeld, zoo
+als de schaapherders in het zuiden van Schotland dragen, die, òf ik
+langzaam, òf haastig voortliep, geregeld omtrent vier ellen vóór mij
+uitbleef.”
+
+„Gij hebt waarschijnlijk een Cumberlandschen boer in zijn gewone
+kleeding gezien.”
+
+„Neen! eerst dacht ik dat ook, en verwonderde mij over de stoutheid van
+den man die het wagen durfde zoo voor mij uit te loopen. Ik riep hem
+toe, maar kreeg geen antwoord. Ik gevoelde een angstig hartkloppen, en
+om mij te vergewissen van hetgeen ik duchtte, stond ik stil en keerde
+mij, op dezelfde plek, naar de vier windstreken. – Bij den Hemel.
+Eduard, ik mocht mij wenden, waarheen en hoe ik wilde, de gedaante was
+terstond, op juist denzelfden afstand, voor mijn oogen! Ik hield mij
+dus overtuigd, dat het de Bodach Glas was. De haren rezen mij te berge,
+en mijn knieën knikten. Ik vermande mij echter, en besloot naar mijn
+kwartier terug te keeren. De geest zweefde voor mij heen (want ik kan
+niet zeggen dat hij ging) totdat hij het vondertje bereikte: daar bleef
+hij staan, en keerde zich om. Ik moest óf de rivier doorwaden, óf zoo
+dicht langs hem heen gaan, als ik thans bij u ben. De moed der
+vertwijfeling, gegrond op het geloof dat mijn dood nabij was, deed mij
+besluiten, in spijt van hem, mijn weg te vervolgen. Ik maakte het
+teeken des kruises, trok mijn zwaard, en zeide: „In den naam van God,
+booze geest, maak plaats!” – „Vich Ian Vohr,” antwoordde hij, met een
+stem die mijn bloed deed stollen, „wacht u voor morgen!” De geest
+scheen op dat oogenblik geen half el van de punt van mijn degen; maar
+de woorden waren nauwelijks gesproken, of hij verdween, en er was niets
+meer, om mij den weg over de beek te beletten. Ik kwam te huis, en
+wierp mij op mijn bed, waar ik eenige pijnlijke uren doorbracht; en
+hedenmorgen, nu er geen bericht gekomen was, dat de een of ander vijand
+ons nabij is, nam ik mijn paard, en reed hierheen, om den vrede
+tusschen ons te herstellen. Ik zou niet gaarne vallen, zonder verzoend
+te zijn met een vriend, dien ik onrecht deed.”
+
+Eduard twijfelde volstrekt niet, of deze verschijning had haar ontstaan
+te danken aan Fergus’ afgemat lichaam en neergedrukten geest, die den
+invloed verhoogden van de bijgeloovige denkbeelden, welke hij met bijna
+al de Hooglanders deelde. Hij was evenwel niet te minder met medelijden
+jegens Fergus bezield, voor wien hij, in zijn tegenwoordigen
+tegenspoed, alle vroegere achting voelde herleven. Met het doel om hem
+van deze sombere denkbeelden af te leiden, bood hij hem aan, om, met
+verlof van den Baron, van wien hij wist het dadelijk te kunnen
+verkrijgen, in zijn kwartier te blijven totdat het corps van Fergus zou
+komen en dan, als vroeger, met hem te marcheeren. Het Opperhoofd scheen
+zeer gevoelig voor het aanbod, maar aarzelde het aan te nemen.
+
+„Wij zijn, zoo als gij weet, in de achterhoede – den gevaarlijksten
+post bij een terugtocht.”
+
+„En dus de eerepost!”
+
+„Wel,” hernam het Opperhoofd, „laat Alick uw paard gezadeld houden,
+tegen dat wij overvleugeld worden, en het zal mij aangenaam zijn,
+nogmaals uw gezelschap te genieten.”
+
+Het was laat eer de achterhoede op kwam dagen, daar zij door
+verscheidene toevallen en door den slechten toestand der wegen
+opgehouden werd. Eindelijk trokken zij het dorpje binnen. Toen Waverley
+zich, arm in arm met hun Opperhoofd, bij den clan Mac-Ivor voegde,
+scheen alle gevoeligheid, die men tegen hem gekoesterd had, op eens
+verdwenen. Evan Dhu ontving hem met een grijns van gelukwensching; en
+zelfs Callum, die even wakker rondliep als vroeger, schoon bleek en met
+een groote pleister op het hoofd, scheen verheugd hem te zien.
+
+„De schedel van dien galgebrok,” zei Fergus, „moet harder dan marmer
+zijn: het slot van het pistool was waarachtig aan stukken.”
+
+„Hoe kondt gij zulk een jongen knaap zoo hard slaan?” vroeg Waverley
+belangstellend.
+
+„Wel, als ik soms niet hard sloeg, zouden de rekels zichzelve
+vergeten.”
+
+Men begaf zich nu op marsch, na de noodige voorzorgen genomen te
+hebben, om iedere mogelijke verrassing te voorkomen. De soldaten van
+Fergus, en een schoon regiment van Badenoch, door Cluny Mac-Pherson
+aangevoerd, maakten de achterhoede uit. Zij waren een uitgestrekt, open
+heideveld overgetrokken, en stonden op het punt om de beschuttingen,
+die een klein dorp, Clifton genaamd, omringden, binnen te rukken. De
+winterzon was ondergegaan, en Eduard begon Fergus uit te lachen, om de
+valsche voorspellingen van het grauwe spook. „De Iden van Maart zijn
+nog niet voorbij,” zeide Mac-Ivor met een glimlach, zijn blikken
+eensklaps achterwaarts naar de heide wendende, op wier bruine en
+donkere oppervlakte in de verte een aanzienlijk corps ruiterij zich
+vertoonde. Zich achter de beschuttingen te scharen, die naar de heide
+en den weg waren gekeerd, welke den vijand den toegang tot het dorp
+moest verleenen, was het werk van zeer weinigen tijd. Terwijl deze
+maatregelen genomen werden, daalde de nacht zwart en treurig neder,
+ofschoon het volle maan was. Soms echter liet zij een twijfelachtig
+licht op het tooneel van den strijd vallen.
+
+De Hooglanders bleven niet lang ongemoeid in de verdedigende stelling,
+die zij ingenomen hadden. Door den nacht begunstigd, poogde een groot
+corps afgestegen dragonders de beschuttingen te doorbreken, terwijl een
+andere, niet minder sterke afdeeling, haar best deed, om er langs den
+grooten weg binnen te rukken. Beide werden met zulk een hevig vuur
+ontvangen, dat het hunne gelederen in verwarring bracht en hun
+vooruitgang krachtdadig stuitte. Niet tevreden met het dus behaalde
+voordeel, trok Fergus, wiens vurige geest bij het naderende gevaar al
+zijn veerkracht scheen herkregen te hebben, zijn zwaard, terwijl hij
+uitriep: „De sabel!” en moedigde zijn clan met woord en daad aan, om op
+den vijand in te houwen. Daarop, handgemeen geworden met de afgestegen
+dragonders, dwongen zij deze naar de open vlakte te wijken, waar een
+groot deel van hen in de pan gehakt werd. Maar de maan, die op eens te
+voorschijn kwam, toonde den Engelschen het kleine getal der aanvallers,
+die door het behaalde voordeel zelf in wanorde geraakt waren, waarop de
+beide escadrons te paard zich in beweging zetten, om hunne makkers te
+ondersteunen, terwijl de Hooglanders de beschuttingen weder poogden te
+bereiken. Maar verscheidene hunner, onder anderen hun dapper
+Opperhoofd, werden afgesneden en omsingeld, eer zij hun voornemen
+konden ten uitvoer brengen. Waverley, die Fergus met het oog zocht, van
+wien hij, zoo wel als van het terugtrekkende corps, was afgescheiden
+geraakt in de duisternis en verwarring, zag hem, met Evan Dhu en
+Callum, zich wanhopig verdedigen tegen een dozijn dragonders, die hen
+met hunne lange sabels aanvielen. De maan werd op dit oogenblik weder
+geheel bewolkt, en Eduard kon, in de duisternis, noch hulp toebrengen
+aan zijn vrienden, noch ontdekken, waarheen zijn eigen weg leidde, om
+zich weder bij de achterhoede te voegen. Na een paar malen ter
+nauwernood ontsnapt te zijn aan verslagen of gevangen gemaakt te worden
+door de benden ruiterij, die hij in het duister ontmoette, bereikte hij
+ten laatste een schutting, en na deze te zijn overgeklommen, achtte hij
+zich buiten gevaar en op den weg naar de Hooglandsche troepen, wier
+doedelzakken hij op eenigen afstand hoorde. Voor Fergus bleef er bijna
+geen hoop, dan die van krijgsgevangen gemaakt te worden. Terwijl hij
+diens lot met smart en angst overdacht, kwam het bijgeloof van den
+Bodach Glas Eduard weder voor den geest, en hij sprak, net innerlijke
+verbazing, tot zichzelven: „Hoe! kan de Duivel dan waarheid spreken?”
+[171]
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN HOOFDSTUK VOL AVONTUREN.
+
+
+Eduard was in een zeer pijnlijken en gevaarlijken toestand. Hij hoorde
+al spoedig de doedelzakken niet meer; en wat nog onaangenamer was, toen
+hij, na lang te vergeefs gezocht te hebben, en door een aantal heggen
+heen geworsteld te zijn, eindelijk den straatweg naderde, ontdekte hij,
+aan het ongewenscht geluid der pauken en trompetten, dat de Engelsche
+cavalerie dien thans bezet hield, en zich bij gevolg tusschen hem en de
+Hooglanders bevond. Daar hij hierdoor verhinderd was, om rechtuit te
+gaan, besloot hij de Engelsche troepen te ontwijken, en te trachten
+zich bij zijn vrienden te voegen, door een omweg te maken naar de
+linker kant, waar een begaan pad, van die richting van den straatweg
+afwijkende, eenig voordeel scheen op te leveren. Het pad was modderig,
+en de nacht duister en koud; maar zelfs deze ongemakken werden
+nauwelijks geteld bij de niet ongegronde vrees, die bij hem ontstond
+van in handen der koninklijke troepen te vallen.
+
+Na een tocht van omstreeks drie kwartier, bereikte hij eindelijk een
+gehucht. Wetende dat het volk, in het algemeen, ongunstig dacht over de
+zaak, die hij had voorgestaan, en toch verlangende, om, zoo mogelijk
+een paard en een gids naar Penrith te verkrijgen, waar hij hoopte de
+achterhoede, zoo al niet het hoofdleger van den Prins te zullen
+aantreffen, begaf hij zich naar de herberg. Daarbinnen heerschte er
+groot rumoer. Hij bleef staan om te luisteren. Een paar harde Engelsche
+vloeken en het slot van een soldatenlied, overtuigde hem, dat ook dit
+dorp door de troepen van den hertog van Cumberland bezet was. Terwijl
+hij zich zoo stil mogelijk zocht te verwijderen, en de duisternis
+zegende, waartegen hij tot hiertoe geprutteld had, zocht Waverley, op
+het gevoel af, zijn weg langs een laag staketsel, dat de omheining van
+een moestuin scheen uit te maken. Toen hij den ingang dezer beschutting
+bereikte, werd zijn uitgestoken hand gegrepen door die eener vrouw,
+welke te gelijker tijd fluisterde: „Eduard, zijt gij het?”
+
+„Hier heeft een ongelukkig misverstand plaats,” dacht Eduard, terwijl
+hij zich zachtjes zocht te bevrijden.
+
+„Houd u toch dood stil, of de roodrokken zullen u hooren. Ze hebben van
+nacht iedereen lastig gevallen of aangehouden, die de herbergdeur
+voorbij kwam, om hem te dwingen hunne wagens te mennen, en zoo al meer.
+Kom bij vader binnen, of ’t zal u slecht gaan.”
+
+„Een goede wenk,” dacht Waverley, terwijl hij het meisje door den
+kleinen tuin naar een met steenen bevloerde keuken volgde, waar zij
+haar best deed om een zwavelstok aan een uitstervend vuur, en aan den
+zwavelstok een kaars aan te steken. Maar zoodra zij Eduard gezien had,
+liet zij het licht vallen, en riep: „o vader, vader!”
+
+De dus geroepen vader kwam spoedig voor den dag; het was een forsche
+oude boer, met een lederen broek aan en de laarzen over de bloote
+beenen, die zoo uit het bed gesprongen was; het overige zijner kleeding
+bestond alleen uit den robe-de-chambre van een Westmorelandschen
+staatsman, dat wil zeggen: zijn hemd. Zijn gestalte werd verlicht door
+een kaars, die hij in zijn linkerhand droeg, terwijl hij in zijn
+rechter een pook zwaaide.
+
+„Wat scheelt er toch aan, deern?”
+
+„O!” riep het arme meisje, bijna flauw vallende, „ik dacht dat het
+Eduard Williams was, en het is een van de plaidsmannen.”
+
+„En wat hadt ge op dit uur van den nacht met Eduard Williams te maken?”
+Hierop, daar het misschien een van die tallooze vragen was, die
+gemakkelijker gedaan dan beantwoord worden, had het roodwangige
+juffertje niets te zeggen, maar ging voort met snikken en de handen te
+wringen.
+
+„En gij, borst, weet gij dat de dragonders in het dorp zijn? Weet gij
+dat, man? Ze zullen je kort en klein slaan, vriendje.”
+
+„Ik weet dat mijn leven in groot gevaar is,” zeide Waverley, „maar zoo
+ge mij helpen kunt, zal ik u goed beloonen. Ik ben geen Schot, maar een
+ongelukkige Engelschman.”
+
+„Schot of geen Schot,” zei de eerlijke landman, „ik wenschte maar dat
+ge aan den anderen kant van de heining waart gebleven; maar nu ge hier
+zijt, zal Jacob Jopson geen menschenbloed verraden; en de plaids zijn
+vroolijke jongens, en deden zoo veel kwaad niet, toen ze gisteren hier
+waren.” Bijgevolg was hij ernstig bedacht, om onzen held, voor den
+nacht te herbergen en te verkwikken. Het vuur was spoedig weder
+aangemaakt, en wel met de noodige voorzorg, opdat men het schijnsel er
+van daarbuiten niet zien zou. De flinke huisbaas sneed een stuk spek,
+dat Cecilia spoedig braadde, en haar vader voegde er een frisschen
+dronk van zijn beste bier bij. Men kwam overeen dat Eduard daar zou
+blijven, tot de troepen des morgens zouden vertrokken zijn, dan zou hij
+een paard van een boer huren of koopen, en volgens de beste
+aanwijzingen die men krijgen kon, zijn vrienden pogen in te halen. Een
+zuiver, ofschoon hard bed verkwikte hem, na de vermoeienissen van dezen
+ongelukkigen dag.
+
+Bij het aanbreken van den morgen ontving men bericht, dat de
+Hooglanders Penrith verlaten hadden, en naar Carlisle aftrokken, dat de
+hertog van Cumberland in het bezit van Penrith was, en dat afdeelingen
+van zijn leger de wegen in alle richtingen bedekten. Te pogen om zonder
+ontdekt te worden er door heen te komen, zou dolzinnige roekeloosheid
+zijn. Williams, de echte Eduard, werd nu door Cecilia en haar vader als
+raadsman ingeroepen, en daar hij er waarschijnlijk niet voor was, dat
+zijn knappe naamgenoot te lang met zijn liefje in hetzelfde huis zou
+blijven, uit vrees voor nieuwe misgrepen, stelde hij voor, dat Eduard,
+zijn uniform en plaid tegen de landskleeding verruilen, met hem naar
+zijns vaders boerderij, bij Ulswater, gaan, en in die ongestoorde
+afzondering blijven zou, zoolang de troepenbewegingen zijn vertrek
+gevaarlijk maakten. Ook kwam men omtrent den prijs overeen, waarvoor de
+vreemdeling, zoo hij het goed vond, bij baas Williams kon inwonen. Deze
+was zeer matig, daar de reddeloosheid van zijn toestand, onder deze
+brave en eenvoudige lieden, niet als een middel gebruikt werd om hem
+een hoogeren eisch te doen.
+
+De noodzakelijke kleedingstukken werden bij gevolg aangeschaft, en door
+het inslaan en volgen van bijpaden die den jongen boer volkomen bekend
+waren, hoopten zij iedere onaangename ontmoeting te vermijden. Een
+belooning voor hun gastvrijheid, werd door den ouden Jopson en zijn
+roodwangige dochter, stellig geweigerd; een kus betaalde de eene, en
+een hartelijke handdruk den anderen. Beide schenen bezorgd voor de
+veiligheid van hun gast, en namen afscheid onder vriendelijke wenschen
+voor zijn welzijn.
+
+Op hun tocht doorkruiste Eduard met zijn leidsman de velden, die den
+avond te voren het tooneel der schermutseling geweest waren. De
+kortstondige verlichting der Decemberzon straalde treurig over de
+uitgebreide heidevlakte, welke, naar den kant waar de noordwestelijke
+landweg de omheiningen van Lord Lonsdales eigendommen doorsnijdt,
+gesneuvelde mannen en doode paarden te aanschouwen gaf, benevens de
+gewone medgezellen van den oorlog, een aantal op lijken azende
+roofvogels en raven.
+
+„En dit was dan uw laatste slagveld,” dacht Eduard, terwijl hem de
+oogen vol tranen schoten, bij de gedachte aan de vele schitterende
+punten van Fergus’ karakter, en aan hun vorige gemeenzaamheid, waarbij
+hij al zijn hartstochten en onvolmaaktheden vergat – „hier viel de
+laatste Vich Ian Vohr, op een namelooze heide; en in een onbeduidende
+nachtschermutseling werd die vurige geest uitgebluscht, wien het zoo
+gemakkelijk scheen, zijn meester den weg tot den Britschen troon te
+banen! Eerzucht, staatkunde, dapperheid, die er allen naar streefden
+boven haar aangewezen kring te stijgen, leerden hier wat het lot der
+stervelingen is. Ook de eenige steun eener zuster, wier geest, trotsch
+en onbuigzaam, zelfs nog opgewondener was dan de uwe; hier eindigden al
+uw vooruitzichten voor Flora en de lange en hooggeschatte
+geslachtreeks, welke het uw roem was, door uw avontuurlijke dapperheid,
+thans nog tot hooger eer en aanzien te brengen.”
+
+Terwijl deze denkbeelden zich aan Waverley opdrongen, besloot hij de
+opene heide over te gaan en te zien, of hij, onder de verslagenen, het
+lijk van zijn vriend kon ontdekken, met het vrome voornemen om zich
+jegens hem van den laatsten plicht, het bezorgen eener behoorlijke
+begrafenis, te kwijten. De vreesachtige jonge mensch, die hem
+vergezelde, wees hem op het gevaarlijke der onderneming, maar Eduard
+had zijn besluit genomen. De soldaten die tot den legertrein behoorden,
+hadden reeds de dooden uitgeschud van alles wat ze met zich konden
+voeren; maar het landvolk, ongewoon aan bloedtooneelen, was het
+slagveld nog niet genaderd, ofschoon sommigen, vol vrees, op een
+afstand stonden te kijken. Omstreeks zestig of zeventig gesneuvelde
+dragonders lagen binnen de eerste omheining, op den straatweg en het
+open veld. Van de Hooglanders waren op zijn best een dozijn gevallen,
+voornamelijk de zoodanigen, die, door zich te ver in den weeken grond
+gewaagd te hebben, den vasten bodem niet weder hadden kunnen bereiken.
+Hij kon het lijk van Fergus niet onder de verslagenen vinden. Op een
+geringe hoogte lagen, verwijderd van de andere, drie Engelsche
+dragonders, twee paarden en de page Callum Beg, wiens harde schedel
+eindelijk door den sabel eens ruiters werkelijk gekloofd was. Het was
+mogelijk, dat het lijk van Fergus door zijn clan was medegevoerd; maar
+het behoorde evenzeer tot de mogelijkheden, dat hij ontsnapt was,
+vooral, omdat Evan Dhu, die nooit zijn chef zou verlaten hebben, niet
+onder de dooden gevonden werd; of misschien was hij krijgsgevangen, en
+de minst verschrikkelijke aankondiging van den Bodach Glas gebleken
+waarheid te zijn. De nadering van een krijgshoop, gezonden om het
+landvolk tot het begraven der dooden te dwingen, en die reeds
+verscheidene boeren tot dat oogmerk bij elkander gebracht had, dwong
+Eduard thans zich weder bij zijn gids te voegen, die hem met grooten
+angst onder het geboomte afwachtte.
+
+Na dezen doodsakker verlaten te hebben, volbrachten zij gelukkig het
+overige hunner reis. Aan het huis van den landman Williams, ging Eduard
+door voor een jongen bloedverwant, die, tot predikant opgeleid, daar
+verblijf kwam houden, tot de burgerlijke beroerten hem zouden vergunnen
+verder te reizen. Dit bracht allen argwaan onder de goedhartige en
+eenvoudige landlieden van Cumberland tot zwijgen, en scheen voldoende
+om de deftige manieren en afgetrokken leefwijze van hun nieuwen gast te
+rechtvaardigen. En deze voorzorg werd noodzakelijker dan Waverley had
+gedacht, daar een aantal voorvallen oorzaak werden dat zijn verblijf te
+Fasthwaite, de naam der boerderij, wat verlengd werd.
+
+Een vreeselijke menigte gevallen sneeuw maakte zijn vertrek gedurende
+meer dan tien dagen onmogelijk. Toen de wegen een weinig bruikbaar
+begonnen te worden, ontvingen ze achtereenvolgens bericht van den
+terugtocht des Prinsen naar Schotland; dat hij de grenzen verlaten had,
+op Glasgow terug was getrokken, en dat de hertog van Cumberland
+Carlisle belegerd had. Het leger der Engelschen ontnam dus aan Waverley
+alle mogelijkheid, om in die richting naar Schotland te ontsnappen.
+Langs de oostelijke grenzen trok de maarschalk Wade, met een
+aanzienlijke macht, op Edinburgh aan; en overal op de grenzen des lands
+waren afdeelingen soldaten, vrijwilligers en partijgangers onder de
+wapens, om het uitbreken van den opstand te beletten en de
+achterblijvers van het Hooglandsche leger, die men in Engeland vinden
+mocht, te vatten. De overgave van Carlisle, en de gestrengheid,
+waarmede de bezetting der rebellen behandeld werd, gaf welhaast een
+reden te meer aan de hand om alle denkbeeld te laten varen van zich
+alleen door een vijandelijk land en een uitgebreid leger op reis te
+begeven, om den bijstand van éen enkel zwaard te brengen aan een zaak,
+die ten eenemale hopeloos scheen.
+
+In dit eenzaam en afgezonderd toevluchtsoord, verstoken van allen
+gezelligen omgang met lieden van beschaafden geest, riep zich Waverley
+de redeneeringen van kolonel Talbot voor den geest. Een nog benauwder
+herinnering verontrustte zijn slaap – het was de stervende blik en het
+laatste gebaar van kolonel Gardiner. Op het hartelijkst bad hij, zoo
+dikwijls de schaars aankomende post tijding van schermutselingen met
+verschillenden uitslag, bracht, dat het nooit weder zijn lot mocht
+wezen, zijn zwaard in een burgeroorlog te trekken. Vervolgens dacht hij
+aan den vooronderstelden dood van Fergus, aan den verlaten toestand van
+Flora, en met nog teederder deelneming aan die van Rose Bradwardine,
+die de hooge mate van geestdrift voor het koninklijke huis niet bezat,
+welke den tegenspoed voor hare vriendin heilig en verheven maakte. Aan
+deze mijmering kon hij zich overgeven, ongestoord door lastige vragen
+of tusschenkomende gesprekken; en het was op menige wandeling, door hem
+gedurende den winter aan de oevers van de rivier Ulswater afgelegd, dat
+hij een volkomener heerschappij verwierf over een door het ongeluk
+getemden geest, dan zijn vroegere ondervinding hem nog gegeven had, en
+dat hij zich gerechtigd vond, om met vastheid, hoewel misschien met een
+zucht, te verzekeren, dat de roman van zijn leven ten einde was, en dat
+de werkelijke historie thans een aanvang ging nemen. De rede en de
+wijsbegeerte riepen hem weldra op om te toonen dat zijn gevoelens in
+dit opzicht wel gegrond waren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN REIS NAAR LONDEN.
+
+
+Het gezin te Fasthwaite was spoedig aan Eduard gehecht. Hij bezat
+inderdaad die minzaamheid en beleefdheid, welke bijna algemeen
+wederkeerige genegenheid uitlokken, en bij deze eenvoudige lieden
+boezemde zijn kunde ontzag in, en wekte zijn lijden belangstelling op.
+Zijn neêrslachtigheid schreef hij, om in geen nadere verklaring te
+komen, aan het verlies van een broeder toe, die in de schermutseling
+bij Clifton gesneuveld was; en onder deze goede menschen, die heel
+ouderwetsch waren en veel hechtten aan familie-banden, verwekte zijn
+aanhoudende droefgeestigheid medelijden, maar geen verbazing.
+
+Op het laatst van Januari werd zijn gewone levendigheid weder opgewekt
+door de gelukkige vereeniging van Eduard Williams, den zoon van zijn
+waard, met Cecilia Jopson. Onze held wilde over het huwelijksfeest van
+twee personen, aan wie hij zoo veel verplichting had, door geen
+treurigheid van zijn zijde een schaduw werpen. Hij spande zich derhalve
+in, danste, zong, speelde allerlei spellen mede, en was de vroolijkste
+van het gezelschap. Maar den volgenden morgen had hij ernstiger zaken
+om aan te denken.
+
+De predikant, die het jonge paar getrouwd had, was zoo ingenomen met
+den zoogenaamden student in de godgeleerdheid, dat hij den volgenden
+dag van Penrith kwam, om hem een bezoek te brengen. Onze held zou zich
+in een tamelijk moeielijke positie bevonden hebben, indien de predikant
+de diepte van zijn vooronderstelde kennis had willen peilen; maar
+gelukkig hield hij er meer van om het nieuws van den dag te hooren en
+te vertellen. Hij bracht twee of drie oude dagbladen mede, in een van
+welke Waverley een bericht aantrof, dat hem spoedig doof maakte voor
+ieder woord, hetwelk de eerwaarde heer Twigtythe mocht in te brengen
+hebben omtrent de tijdingen uit het noorden, en het vooruitzicht dat de
+Hertog de rebellen wel spoedig zou inhalen en tot den laatsten man
+uitroeien. Het was een artikel in deze, of nagenoeg in deze woorden:
+
+„Den tienden dezer overleed te zijnen huize, in Hillstreet,
+Berkeley-Square, de heer Richard Waverley, tweede zoon van sir Giles
+Waverley van Waverley-Honour enz. enz. Hij stierf aan een kwijnende
+ziekte, verergerd door het onaangename bewustzijn van verdacht te
+worden, waarin hij zich bevond, daar hij verplicht was geweest om borg
+te stellen voor een groote som, als beschuldigd van hoogverraad. Een
+beschuldiging van dezelfde zware misdaad rust op zijn ouderen broeder,
+sir Everhard Waverley, het hoofd dier oude familie; en wij vernemen,
+dat hij voor de rechters zal gebracht worden in het begin van de
+volgende maand, tenzij Eduard Waverley, zoon van den overleden Richard,
+en erfgenaam van den baronet, zich in handen der justitie stelt. In dat
+geval, verzekert men ons, is het Zijner Majesteits goedgunstig
+voornemen, alle verdere vervolgingen tegen sir Everhard te staken. Het
+is gebleken, dat deze ongelukkige jonge edelman de wapens heeft opgevat
+in dienst van den Pretendent, en dat hij met de Hooglandsche troepen
+Engeland is binnengerukt. Men heeft niets van hem gehoord, sedert de
+schermutseling van den 18den December l. l.”
+
+Dus luidde de paragraaf, die hem zoo geweldig trof. – „Goede God! ben
+ik dan de moordenaar van mijn vader? – Onmogelijk! Mijn vader, die
+nooit de genegenheid van een vader blijken liet, zoo lang hij leefde,
+kan niet zoo aangedaan zijn geweest door mijn vooronderstelden dood,
+dat het den zijne zou verhaast hebben; neen, ik kan dit niet gelooven,
+– het zou dwaasheid zijn slechts éen oogenblik zulk een verschrikkelijk
+denkbeeld te voeden. Maar het zou zelfs erger zijn dan vadermoord, te
+dulden, dat een of ander gevaar mijn braven en edelmoedigen oom zou
+bedreigen, die altijd meer dan een vader voor mij geweest is, als zulk
+een ramp door een offer van mijn kant af te wenden is!”
+
+Terwijl deze gedachten, als bliksemschichten Waverleys brein
+doorkliefden, werd de waardige geestelijke, in een uitvoerig verhaal
+van den slag van Falkirk gestuit door de doodelijke bleekheid van zijn
+gelaat, en vroeg hem, of hij zich niet wél bevond? Gelukkig kwam de
+bruid, met den blos der vreugde op het gelaat, het vertrek binnen.
+Vrouw Williams was geen van de slimste vrouwen; maar zij bezat een goed
+hart, en daar zij terstond begreep, dat Eduard geschokt was door
+onaangenaam nieuws in de papieren, kwam zij met zoo veel oordeel
+tusschenbeide, dat zij, zonder eenige achterdocht te wekken, des heeren
+Twigtythes oplettendheid afleidde, en hem bezig hield tot hij, kort
+daarop, afscheid nam. Waverley verklaarde terstond aan zijn vrienden,
+dat hij in de noodzakelijkheid was, om naar Londen te gaan, en wel
+zonder het minste uitstel.
+
+Een oorzaak van uitstel deed zich echter op, waaraan Waverley weinig
+gewend was. Zijn beurs, ofschoon wél voorzien, toen hij eerst te
+Tully-Veolan kwam, had sedert dien tijd geen versterking ontvangen; en
+hoewel zijn latere leefwijze niet van den aard was, om ze spoedig uit
+te putten – hij had zich toch voornamelijk bij zijn vrienden en bij het
+leger opgehouden – zoo bevond hij toch, dat hij, na met zijn huiswaard
+te hebben afgerekend, te arm zou zijn, om de kosten van een reis met
+postpaarden te bestrijden. Het scheen dus beter te zijn, zich naar den
+noordelijken landweg over Boroughbridge te begeven, en daar plaats te
+nemen op den Noorderpostwagen, een lompe ouderwetsche kast, met drie
+paarden, die de reis van Edinburgh naar Londen („zoo God wil,” zegt de
+advertentie) in drie weken volbrengt. Onze held nam derhalve een
+minzaam afscheid van zijn Cumberlandsche vrienden, wier goedheid hij
+beloofde nimmer te zullen vergeten, en stilzwijgend hoopte te eeniger
+tijd door wezenlijke blijken van dankbaarheid te erkennen. Na enkele
+geringe bezwaren en eenig lastig oponthoud, en na zijn kleeding in een
+staat te hebben gebracht, meer overeenkomstig zijn rang, ofschoon
+uiterst eenvoudig en bescheiden, volbracht hij zijn tocht langs de
+landwegen, en bevond zich in den postwagen, tegenover mevrouw Nosebag,
+de vrouw van den luitenant Nosebag, adjudant van de **sche dragonders,
+een ongegeneerd vrouwtje van ongeveer vijftig jaar, die een blauw met
+rood afgezet kleed en een met zilver beslagen karwats droeg.
+
+Deze dame was een dier werkzame leden der maatschappij, die op zich
+nemen à faire les frais de la conversation. Zij was juist uit het
+noorden terug gekomen, en berichtte Eduard, hoe weinig het gescheeld
+had, of haar regiment had het rokkenvolk, te Falkirk, in de pan gehakt;
+„dit werd alleen belet,” zeide zij, „door zoo’n akelige moeras, waar
+men in Schotland nooit buiten kan, geloof ik, en daardoor leed ons arm
+regiment ietwat, gelijk Nosebag zegt, in dit nietsbeteekenend gevecht.
+Gij, mijnheer, hebt gij bij de dragonders gediend?” Waverley was zoo
+onverwacht overvallen, dat hij dit bevestigde. „O, ik wist het meteen;
+ik zag aan uw houding, dat gij militair zijt, en ik was verzekerd dat
+gij niet tot de zandhazen behoordet, zooals Nosebag ze noemt. Van welk
+regiment, als ik u vragen mag?” Dit was een onaangename vraag. Waverley
+maakte er echter te recht het besluit uit op, dat deze goede dame de
+geheele ranglijst van buiten kende: en, om ontdekking te ontgaan, door
+zich dicht bij de waarheid te houden, antwoordde hij: „Gardiners
+dragonders, mevrouw, maar ik heb eenigen tijd geleden de dienst
+verlaten.”
+
+„O, die dragonders, die de voorsten waren bij den terugtocht van
+Preston, zooals mijn Nosebag zegt. Wat zegt gij, mijnheer, waart gij
+daarbij?”
+
+„Ik had het ongeluk, mevrouw,” antwoordde Eduard, „om getuige van dat
+gevecht te zijn.”
+
+„En het was een ongeluk, dat weinige van Gardiners dragonders stand
+hielden om er getuigen van te zijn, geloof ik, mijnheer – ha! ha! ha!
+Ik vraag verschooning; maar een soldatenvrouw houdt van een grap.”
+
+„De duivel hale u!” dacht Waverley, „welk een helsch toeval heeft mij,
+met deze nieuwsgierige heks opgesloten!”
+
+Gelukkig bleef de goede dame niet lang bij één stuk stil. „Nu komen wij
+te Ferrybridge,” zeide zij, „waar een afdeeling van de onzen gelaten
+werd, om de deurwaarders en dienders en vrederechters en dat soort van
+wezens te ondersteunen, bij het onderzoeken der papieren, het
+tegenhouden der rebellen en wat dies meer zij.” Zij waren nauwelijks in
+de herberg, of zij sleepte Waverley naar het raam, met den uitroep:
+„Ginds komt korporaal Bridoon, van ons arm escadron; hij komt met den
+deurwaarder; Bridoon is een mijner lammeren, gelijk Nosebag ze noemt.
+Kom, mijnheer – A – a, – maar, hoe is uw naam, mijnheer?”
+
+„Butler, mevrouw,” zeide Waverley, die besloot liever gebruik te maken
+van den naam eens voormaligen mede-officiers, dan gevaar te loopen van
+ontdekt te worden, door het opgeven van een anderen, die niet in het
+regiment gevonden werd.
+
+„O ja, gij hebt onlangs een escadron gekregen, toen die gemeene kerel
+Waverley naar de rebellen overliep. Heer! ik wenschte wel dat onze oude
+plaag, kapitein Cramp, tot de rebellen overliep, dan zou Nosebag het
+escadron krijgen. – Maar! waarom staat Bridoon daar op de brug te
+slenteren? Ik wil mij laten hangen, als hij niet „buiten westen is,”
+gelijk Nosebag zegt. Kom, mijnheer, daar gij en ik tot de dienst
+behooren, zullen wij den rekel tot zijn plicht brengen.”
+
+Waverley zag zich, met gewaarwordingen, die zich gemakkelijker laten
+begrijpen dan beschrijven, verplicht zijn manhaftige vrouwelijke
+bevelhebber te volgen. De dappere korporaal geleek zoo veel naar een
+lam, als een dronken korporaal van de dragonders, van omtrent zes voet
+hoog, met zeer breede schouders en zeer dunne beenen, om niet te
+spreken van een houw dwars over het gezicht, bij mogelijkheid daarop
+kon gelijken. Mevrouw Nosebag begon het gesprek, zoo al niet met een
+vloek, dan ten minste met eenige woorden, die er vrij wat naar geleken,
+terwijl zij hem beval zijn plicht te doen. „Loop jij maar naar de
+verd....” begon de moedige ruiter; en sloeg de oogen op om meer kracht
+te voegen aan het woord dat hij er op meende te laten volgen, en verder
+een bijvoeglijknaamwoord te zoeken dat hij zou kunnen toepassen op de
+persoon die hij aansprak, maar zoodra hij de spreekster herkend had,
+salueerde hij eerbiedig en veranderde van toon. – „God zegene uw schoon
+gezicht, mevrouw Nosebag, is u dat? Wel, als een arme drommel bij
+ongeluk eens ’s morgens een klein tikje weg kreeg, zijt gij er toch
+nooit de vrouw naar om hem in het ongeluk te helpen.”
+
+„Kom, kom, deugniet, doe uw plicht; deze heer en ik behooren tot den
+dienst; maar zie terdeeg naar dien schuwen vogel met den grooten hoed,
+die in den hoek van den wagen zit. Ik geloof dat het een verkleede
+rebel is.”
+
+„De drommel hale haar stekelige pruik,” gromde de korporaal, toen zij
+hem niet meer hooren kon. „Die grijze feeks van een moeder-adjudant,
+zoo als wij haar noemen, is een grooter plaag voor het regiment, dan de
+provoost-geweldige en de Sergeant-Majoor, en de oude Kolonel, op den
+koop toe. Kom, mijnheer de diender, laat ons zien of die schuwe vogel,
+zoo als zij hem noemt, (die, in het voorbijgaan gezegd, een kwaker van
+Leeds was, met wien mevrouw Nosebag een kleinen twist had gehad over
+het geoorloofde van de wapens te dragen) een slok voor ons over heeft;
+want die Yorkshire ale ligt me koud in de maag.”
+
+De levendigheid dezer goede vrouw had Eduard hier uit de verlegenheid
+geholpen, maar daarentegen was zij meer dan eens op het punt hem andere
+lasten op den hals te halen. In elke stad waar zij ophielden, wenschte
+zij het corps de garde te zien, zoo er een was, en eens scheelde het
+maar weinig, of zij had hem bij een werf-officier van zijn eigen
+regiment gebracht. Daarenboven gaf zij hem den naam van Kapitein en van
+Butler zoo druk, dat hij bijna razend werd van verdriet en angst; en
+nooit was hij blijder bij het einde van een reis, dan toen de aankomst
+van den postwagen te Londen hem van de oplettendheden van mevrouw
+Nosebag bevrijdde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+WAT NU TE DOEN?
+
+
+Het was schemeravond toen zij de stad binnen reden, en na zich van zijn
+medereizigers te hebben ontdaan, en een heel einde omgeloopen te
+hebben, ten einde de mogelijkheid te voorkomen van door hen nagespoord
+te worden, nam Eduard een huurkoets en reed naar het huis van kolonel
+Talbot, op een der voornaamste pleinen in het Westeinde der stad.
+Sedert zijn huwelijk was de Kolonel, door den dood van naastbestaanden,
+erfgenaam geworden van een groot fortuin, bezat niet weinig
+staatkundigen invloed, en leefde, zoo als men het noemt, op een grooten
+voet.
+
+Toen Waverley aanklopte, vond hij het aanvankelijk niet gemakkelijk om
+toegang te verkrijgen, maar werd eindelijk in een vertrek gelaten, waar
+de Kolonel aan tafel zat. Lady Emilia, wier zeer schoon gelaat nog
+bleek was na hare ongesteldheid, was tegenover hem gezeten. Zoodra hij
+Waverley’s stem hoorde, sprong hij op en omhelsde hem. „Francis
+Stanley, mijn beste jongen, hoe vaart gij? – Emilia, mijn beste, dit is
+de jonge Stanley.”
+
+De dame kleurde sterk terwijl zij Waverley ontving op een wijze, waarin
+beleefdheid met vriendelijkheid vermengd was, en haar bevende hand en
+haperende stem verrieden, hoezeer zij geschokt en ontroerd was. Men
+ging spoedig weder aan tafel, en terwijl Waverley bezig was met zich te
+verkwikken, ging de Kolonel voort – „Ik had niet gedacht, u hier te
+zien, Frans; de doctoren hebben mij verzekerd, dat de Londensche lucht
+zeer slecht voor uw kwaal is. Gij moest dat niet gewaagd hebben. Maar
+ik ben blijde u te zien, en Emilia ook, ofschoon ik vrees, dat wij niet
+rekenen moeten lang het genoegen te hebben u bij ons te houden.”
+
+„Een belangrijke zaak heeft mij hierheen gebracht,” mompelde Waverley.
+
+„Dat begrijp ik; maar ik zal niet toestaan dat ge lang hier blijft. –
+Spontoon! (zeide hij tot een bejaarden, naar oudmilitair gelijkenden
+bediende, zonder liverei) neem dit alles weg, en als ik schel, komt gij
+zelf. Laat niemand van de andere bedienden ons storen. – Mijn neef en
+ik hebben zaken te bespreken.”
+
+Zoodra de knechts weg waren, ging hij voort: „In ’s Hemels naam,
+Waverley, wat heeft u hierheen gebracht? Uw leven kan er meê gemoeid
+zijn.”
+
+„Waarde mijnheer Waverley,” zeide Lady Emilia, „hoe kondt gij, wien ik
+zoo veel meer verplicht ben dan ik ooit vergelden kan, zulk een
+onvoorzichtigheid begaan!”
+
+„Mijn vader – mijn oom, lees deze paragraaf,” en hij reikte kolonel
+Talbot het nieuwsblad over.
+
+„Ik wilde, dat deze schobbejakken veroordeeld werden om zelf dood
+gedrukt te worden,” zeide Talbot. „Ik hoor dat er thans niet minder dan
+een dozijn van hun nieuwsbladen in de stad worden uitgegeven, en dus
+geen wonder dat ze genoodzaakt zijn leugens te smeden, om koopers voor
+hun waren te vinden. Het is echter waar, mijn waarde Eduard, dat gij uw
+vader verloren hebt; maar dat zijn dood het gevolg is van geweldig
+verdriet, hem door zijn onaangenamen toestand berokkend – dit is niets
+dan grootspraak. De waarheid is – want, ofschoon het mij hard valt dit
+thans te zeggen, zoo wil ik uw hart bevrijden van den last der zware
+verantwoordelijkheid die u drukt – de waarheid is dan, dat de heer
+Richard Waverley, in den loop dezer geheele zaak, een groot gebrek aan
+gevoel, zoo wel omtrent uw toestand als dien van uw oom aan den dag
+heeft gelegd; en den laatsten keer dat ik hem zag, deelde hij mij met
+groote opgeruimdheid mede, dat, daar ik zoo goed was om mij met uw
+belangen te belasten, hij het best geacht had een afzonderlijke
+onderhandeling voor zich zelven aan te knoopen, en zijn vrede met het
+bewind te sluiten langs eenige wegen, welke vroegere betrekkingen hem
+nog open lieten.”
+
+„En mijn oom, mijn dierbare oom?”
+
+„Is in geen gevaar hoegenaamd. Het is waar – terwijl hij naar de
+dagteekening van het dagblad zag – dat toen dit gedrukt werd, er een
+zot praatje van den aard, als hier aangehaald wordt, geloopen heeft,
+maar het is geheel valsch. Sir Everhard is vertrokken naar
+Waverley-Honour, vrij van alle onrust, behalve omtrent u. Maar gij zijt
+zelf in gevaar – uw naam komt voor in iedere uitgevaardigde
+proclamatie, en er zijn bevelen om u aan te houden. Hoe en wanneer zijt
+gij hier aangekomen?”
+
+Eduard verhaalde zijn geschiedenis in het breede, terwijl hij geen
+woord repte van zijn twist met Fergus; want daar hij zelf ingenomen was
+met de Hooglanders, wenschte hij geen voet te geven aan het nationaal
+vooroordeel door den Kolonel tegen hen gekoesterd.
+
+„Zijt gij er zeker van, dat het uw vriend Glens lijfknecht was, dien
+gij dood op de Cliftonsche heide hebt gezien?”
+
+„Stellig.”
+
+„Dan is dat duivelskind aan de galg ontsnapt; want het woord
+„bloedvergieter” stond op zijn voorhoofd geschreven, ofschoon het (hier
+keerde hij zich tot lady Emilia) tevens een zeer mooi gezicht was. Maar
+wat u betreft, Eduard, zou ik, ik weet niet wat, willen geven als gij
+naar Cumberland wildet terug keeren, of liever, als gij er nooit van
+daan gegaan waart; want er is beslag gelegd in al de zeehavens op de
+schepen, en het onderzoek naar de aanhangers van den Pretendent is
+allerstrengst; en de tong van dat verduivelde wijf zal in haar mond
+gaan als de klep van een molen, tot dat de een of ander ontdekt, dat
+kapitein Butler een verdicht persoon is.”
+
+„Hebt gij,” vroeg Waverley, „eenige kennis aan mijn reisgezellin?”
+
+„Haar man was, voor een jaar of zes, mijn opperwachtmeester: zij was
+een luchtig weeuwtje, met een beetje geld; hij trouwde haar, was
+ijverig en kwam, als een bruikbare kerel, vooruit. Ik moet Spontoon er
+op uitzenden, om te zien wat ze hier komt uitvoeren. Hij zal haar onder
+de oude regiments-vrienden wel uitvinden. Morgen moet gij ongesteld
+zijn, en wegens vermoeidheid uw kamer houden. Lady Emilia zal uw
+zieken-oppasster zijn, en Spontoon en ik, uw bedienden. Gij draagt den
+naam van een mijner naastbestaanden, dien geen van mijn tegenwoordige
+bedienden, Spontoon uitgezonderd, ooit gezien heeft: dus is er geen
+onmiddellijk gevaar. Ik bid u, krijg zoo spoedig mogelijk geweldige
+hoofdpijn en laat uwe oogen zwaar worden, opdat gij op de ziekenlijst
+gebracht moogt worden; en gij, Emilia, laat een vertrek voor Frans
+Stanley gereed maken, met al de oplettendheden, die een zieke kan
+vorderen.”
+
+Des morgens bezocht de Kolonel zijn gast. „Nu,” zeide hij, „ik heb goed
+nieuws voor u. Uw goede naam, als man van eer en officier, is gezuiverd
+van plichtverzuim en deelgenootschap aan de muiterij in Gardiners
+regiment. Ik heb een briefwisseling over dit onderwerp gehad met een
+zeer ijverigen vriend van u, een Schotschen predikant, Morton; zijn
+eerste brief was gericht aan Sir Everhard, maar ik heb den goeden
+Baronet van de moeite ontheven, om dien te beantwoorden. Gij moet weten
+dat uw oude kennis, de vrijbuiter Donald, uit het hol, ten laatste in
+de handen der Philistijnen is gevallen. Hij was bezig het vee weg te
+drijven van zekeren landeigenaar, met name Killan.... zoo iets –”
+
+„Killancureit!”
+
+„Dezelfde. Het schijnt dat deze heer een groote boer is, die bijzondere
+zorg voor zijn veestapel draagt, en daar hij bovendien een weinig
+vreesachtig van gestel was, had hij een afdeeling soldaten aangevraagd,
+om zijn eigendom te beschermen. Het gevolg daarvan was dat Donald,
+onvoorziens, met zijn hoofd in den leeuwenmuil liep, verslagen en
+gevangen genomen werd. Na zijn ter dood veroordeeling werd zijn geweten
+aangevallen, aan den eenen kant door een katholieken priester, en aan
+den anderen door uw vriend Morton. Hij wees den katholiek af,
+voornamelijk op grond der leerstelling van het laatste oliesel, hetwelk
+door dezen zuinigen vrijbuiter als een buitensporige verkwisting van
+olie beschouwd werd. Zijn bekeering uit den toestand van verstoktheid
+viel dus den heer Morton ten deel, die, durf ik zeggen, zich daarvan op
+uitnemende wijze kweet, ofschoon ik vrees dat Donalds christendom, na
+dat alles, er toch maar dunnetjes in zat. Hij legde echter voor een
+overheidspersoon, zekeren majoor Melville, die een zeer nauwgezet,
+vriendelijk soort van mensch schijnt geweest te zijn, de bekentenis af
+van zijn geheele intrigue met Houghton, terwijl hij tevens in
+bijzonderheden verklaarde, hoe alles aangelegd werd, en u geheel en al,
+zelfs van de minste deelneming daaraan, vrijsprak. Ook verhaalde hij,
+dat hij het geweest was, die u uit de handen van den
+vrijwilliger-officier had gered, dat hij u, volgens orders van den
+Pre.... Ridder, meen ik – als gevangene, naar Doune had geleid, vanwaar
+hij vernomen had, dat gij naar Edinburgh waart overgebracht. Dit zijn
+bijzonderheden, die niet missen kunnen in uw voordeel te zijn. Hij gaf
+te kennen, dat men hem gebezigd had om u te bevrijden en te beschermen,
+en dat hij er rijkelijk voor beloond was; maar hij wilde niet zeggen
+door wien, terwijl hij er bijvoegde, dat, hoewel hij er geen bezwaar in
+zou gevonden hebben, om een gewonen eed te breken, ten einde de
+nieuwsgierigheid van den heer Morton te voldoen, aan wiens vrome
+vermaningen hij zoo veel verplichting had, hij echter, met betrekking
+tot deze omstandigheid, op de kling van zijn dolk [172] had gezworen,
+zijn geheim te bewaren, hetgeen, naar zijn gevoelen, een onschendbare
+verplichting oplegde.”
+
+„En wat is er van hem geworden?”
+
+„O, hij werd te Stirling, nadat de rebellen het beleg opgebroken
+hadden, gehangen, met zijn luitenant en nog vier plaids bovendien. Hij
+had echter het voorrecht van aan een hoogeren galg dan die zijner
+vrienden te worden opgeknoopt.”
+
+„Wel, ik heb weinig reden om zijn dood te beweenen, of er mij over te
+verheugen; hij heeft mij veel goed en ook veel kwaad gedaan.”
+
+„Zijn bekentenis althans zal u van groote dienst zijn, daar ze u van al
+die vermoedens zuivert, welke aan de tegen u ingebrachte beschuldiging
+een geheel andere kleur geven dan die, welke men aan zoo vele
+ongelukkige heeren, nu of vroeger tegen het Bewind in het veld, met
+recht kan ten laste leggen. Hun verraad – ik moet het dezen naam geven,
+ofschoon gij aan hun vergrijp hebt deelgenomen – spruit uit een kwalijk
+begrepen deugd voort, en kan daarom niet als vernederend beschouwd
+worden, hoewel ze ontegenzeggelijk ten hoogste misdadig is. Waar de
+schuldigen zoo talrijk zijn, moet genade aan de meesten worden
+verleend. Dit alles geeft mij de zekerheid, dat ik uwe vergiffenis
+verwerven zal, mits wij u uit de klauwen der justitie kunnen houden,
+tot dat ze haar slachtoffers gekozen heeft en er van verzadigd is, want
+hier, even als in andere gevallen, zal het volgens het gewone
+spreekwoord gaan, die eerst komt, die eerst maalt. Daarenboven wenscht
+het Bewind thans den Engelschen Jacobieten schrik aan te jagen, onder
+wie het echter weinige voorbeelden kan stellen. Dit is een wraakzuchtig
+en kleingeestig denkbeeld, dat spoedig slijten zal; want van alle
+natiën zijn de Engelschen, in hun aard, de minst bloedgierigen. Maar de
+noodzakelijkheid van straffen bestaat op dit oogenblik, en gij moet
+dus, voor het tegenwoordige, achter de schermen gehouden worden.”
+
+Spontoon trad op dit oogenblik met een bedrukt gelaat binnen. Door
+middel van zijn kennissen bij het regiment, had hij mevrouw Nosebag
+ontdekt, en haar ontevreden, woedend, en verschrikkelijk woordenrijk
+aangetroffen, daar het haar reeds was gebleken, dat ze uit het noorden
+met een bedrieger was komen reizen, die den naam van kapitein Butler,
+van Gardiners dragonders, had aangenomen. Zij ging hem aangeven, opdat
+men hem als een zendeling van den Pretendent zou opsporen; maar
+Spontoon (als een oud krijgsman) was het gelukt, terwijl hij voorgaf
+haar voornemen goed te keuren, het uitvoeren daarvan voor het oogenblik
+te vertragen. Er was echter geen tijd te verliezen: het nauwkeurige
+signalement dat deze goede dame geven kon, zou misschien tot de
+ontdekking voeren, dat Waverley die voorgewende kapitein Butler was,
+hetgeen zeker voor Eduard, misschien voor zijn oom – en zelfs voor
+kolonel Talbot gevaarlijk wezen kon.
+
+Het was daarom de vraag, waarheen Waverley thans gaan zou.
+
+„Naar Schotland,” zeide Waverley.
+
+„Naar Schotland?” zei de kolonel, „met welk oogmerk? – Niet, naar ik
+hoop, om u andermaal bij de rebellen te voegen.”
+
+„Neen. Ik beschouw mijn veldtocht als geëindigd, sedert ik, in spijt
+van al mijn pogingen, hen niet weder heb kunnen bereiken. En nu zijn
+ze, volgens alle berichten, een winterveldtocht gaan maken in de
+Hooglanden, waar zoodanige aanhangers als ik, eer last dan voordeel
+zouden aanbrengen. Inderdaad schijnt het bijna, dat ze den oorlog
+alleen rekken, om den Prins buiten gevaar te brengen, en daarna eenige
+voorwaarden voor zichzelven te bedingen. Mijn tegenwoordigheid zou
+slechts strekken om hen met een ander persoon te belasten, dien ze niet
+zouden willen verlaten en niet zouden kunnen verdedigen. Ik verneem dat
+ze, juist om deze reden, meest al hun Engelsche medestanders te
+Carlisle in bezetting lieten. – Maar als ik de zaak meer in het
+algemeen beschouw, Kolonel, zoo ben ik, om de waarheid te zeggen,
+hoewel het mij ook in uw gevoelen moge doen dalen, het oorlog voeren
+hartelijk moede, en, heb ik gelijk Fletchers luimige luitenant zegt:
+„als ’t ware mijn bekomst van al dat vechten.””
+
+„Vechten! kom! wat hebt ge anders gezien dan een paar schermutselingen!
+– Ha! zoo ge den oorlog eens op groote schaal gezien hadt – zestig of
+honderd duizend man, van weerszijde, in het veld!”
+
+„Ik verlang er in het geheel niet naar, Kolonel. – „Genoeg,” zegt ons
+vaderlandsch spreekwoord, „is zoo goed als een feest.” De gepluimde
+benden en de roemrijke krijg, plachten mij in de poëzij te bekoren;
+maar de nachtmarschen, de wachten, het bivak onder den winterhemel, en
+dergelijke pretjes van het roemrijke krijgsmansleven, vallen volstrekt
+niet in mijn smaak, waar het de praktijk geldt; en wat de sabelhouwen
+betreft, ik heb er te Clifton reeds genoeg van gehad, waar ik er wel
+een half dozijn maal met moeite aan ontkwam; en gij, zou ik denken –”
+
+„Hadt er genoeg van te Preston, woudt gij zeggen?” zei de Kolonel
+lachende, „maar het is mijn beroep, vriendje!”
+
+„Maar het mijne is het niet,” hernam Waverley, „en daar ik mij met eer
+ontdaan heb van het zwaard, dat ik slechts als vrijwilliger getrokken
+had, ben ik ten volle tevreden met de door mij verkregen ondervinding
+van den oorlog, en volstrekt niet belust mij er verder in te begeven.”
+
+„Ik verheug me zeer, dat ge er zoo over denkt, – maar, wat wilt ge dan
+in het noorden doen?”
+
+„In de eerste plaats zijn er eenige zeehavens, aan de oostkust van
+Schotland, die nog in handen van de vrienden van den Prins zijn; als ik
+een van deze bereik, kan ik op mijn gemak scheep: gaan naar het vaste
+land.”
+
+„Goed! En uw andere reden?”
+
+„Wel, om u de rechte waarheid te zeggen, er is iemand in Schotland, van
+wie ik nu gevoel dat mijn geluk meer afhangt dan ik ooit gedacht had,
+en wier toestand mij niet weinig bekommering baart.”
+
+„Dan had Emilia toch gelijk, en loopt er, bij slot van rekening, een
+liefdezaak onder? – En welke van de twee schoone Schotsche dames, die
+gij mij met geweld hebt willen doen bewonderen, is de uitverkorene?”
+Naar ik hoop is het niet Freule Glen– ?”
+
+„Neen.”
+
+„Nu, de andere laat ik gelden; eenvoudigheid kan verbeteren, maar
+hoogmoed en inbeelding nooit. Wel, ik wil u niet ontmoedigen; ik denk,
+dat uw plan naar sir Everhards zin zal zijn, te oordeelen naar hetgeen
+hij zeide, toen ik met hem over de zaak schertste; alleen hoop ik, dat
+die onuitstaanbare papa, met zijn dialect, en zijn snuif, zijn latijn,
+en zijn ondragelijk lange verhalen van den hertog van Berwick,
+verplicht zal zijn een vreemd land te gaan bewonen. Maar wat de dochter
+betreft, – ofschoon ik mij verbeeld dat gij licht zulk een goede partij
+in Engeland hadt kunnen vinden, zoo kan ik u zeggen, dat, indien uw
+hart inderdaad gesteld is op dezen Schotschen rozeknop, uw oom een hoog
+denkbeeld heeft van haar vader en zijn familie, en vurig wenscht u
+gehuwd en gevestigd te zien, zoowel om uwent wil, als, om dien der drie
+hermelijnen op uw wapen, die anders eens voor goed mochten wegloopen.
+Maar ik zal u, omdat gij voor het oogenblik geen briefwisseling met hem
+houden kunt, zijn gevoelen hieromtrent onverholen mededeelen: want ik
+denk niet dat gij lang vóór mij in Schotland wezen zult.”
+
+„Inderdaad! En wat beweegt u er toe, om naar Schotland terug te keeren?
+Geen onweerstaanbaar verlangen naar het land van bergen en bergstroomen
+naar ik me verbeeld?”
+
+„Neen, op mijn woord niet; maar Emilia’s gezondheid is nu, God dank,
+hersteld; en om u de waarheid te zeggen, ik durf mij niet vleien de
+zaak ten einde te brengen, die mij thans het meest aan het hart gaat,
+voor en aleer ik een persoonlijke ontmoeting heb gehad met Zijn
+Koninklijke Hoogheid, den Opperbevelhebber; want, gelijk Fluellen [173]
+zegt: „de hertog houdt van mij, en ik dank den Hemel dat ik het
+eenigszins aan hem heb verdiend!” Ik ga nu, een uur of wat uit, om de
+noodige schikkingen te maken voor uw vertrek. Uw vrijheid strekt zich
+uit tot het aangrenzende vertrek, Lady Emilia’s spreekkamer. Gij zult
+er haar vinden, als gij lust hebt in muziek, lectuur of conversatie.
+Wij hebben maatregelen genomen, om alle bedienden daarbuiten te houden,
+behalve Spontoon, die geheel te vertrouwen is.”
+
+Na verloop van ongeveer twee uren keerde kolonel Talbot terug, en vond
+zijn jongen vriend in gesprek met zijn vrouw. Zij was ingenomen met
+zijn manieren en zijn kunde, en hij overgelukkig, – al was het slechts
+voor een oogenblik, – om het gezelschap te genieten van iemand van
+gelijken rang, waarvan hij zoo langen tijd was verstoken geweest.
+
+„En nu,” zei de kolonel, „luister welke beschikkingen ik genomen heb;
+want er is maar weinig tijd te verliezen. Deze jonkman, Eduard
+Waverley, of Williams, of kapitein Butler, moet nu blijven doorgaan
+onder zijn vierden bijnaam van Francis Stanley, mijn neef; hij zal zich
+morgen op reis begeven naar het noorden, en mijn rijtuig zal hem de
+twee eerste stations ver brengen. Spontoon zal hem tot oppasser dienen;
+en zij zullen met postpaarden tot Huntingdon gaan; en de
+tegenwoordigheid van Spontoon, die overal onderweg als mijn bediende
+bekend is, zal allen lust tot navraag en onderzoek voorkomen. Te
+Huntingdon zult gij den wezenlijken Frans Stanley ontmoeten. Hij
+studeert te Cambridge; maar, een korte poos geleden, in de onzekerheid
+of Emilia’s gezondheid mij veroorloven zou naar het noorden te gaan,
+bezorgde ik hem een paspoort van den Secretaris van Staat, om mijn
+plaats te vervangen. Daar hij hoofdzakelijk ging, om onderzoek naar u
+te doen, is zijn reis nu geheel onnoodig. Hij kent uw geschiedenis; gij
+zult te zamen te Huntingdon eten; en wellicht zullen uw wijze hoofden
+een of ander plan weten te bedenken, om het gevaar van uw verderen
+tocht noordwaarts uit den weg te ruimen of te verminderen. En nu,”
+voegde hij er bij, terwijl hij een marokijnen brieventasch opende,
+„laat mij u fondsen verschaffen tot den veldtocht.”
+
+„Ik ben verlegen, waarde Kolonel –”
+
+„O, gij zoudt ten allen tijde over mijn beurs kunnen beschikken; maar
+dit geld is uw eigen. Uw vader, op de mogelijkheid bedacht, dat men u
+in handen zou krijgen, stelde mij als zijn zaakwaarnemer voor u aan.
+Gij zijt eigenaar van ruim vijftien duizend pond, behalve van
+Brerewood-Lodge – dus een geheel onafhankelijk jong mensch, naar ik
+meen. Hier hebt gij twee honderd pond aan bankbiljetten; en gij kunt
+zoo veel meer als gij verlangt, of krediet buiten ’s lands verkrijgen,
+zoodra uwe belangen dit vorderen.”
+
+Het eerste gebruik, dat Waverley van zijn pas verkregen rijkdom maakte,
+bestond in het zenden van een zilveren schenkkan aan den eerzamen
+landbouwer Jopson, die hij hem verzocht aan te nemen van wege zijn
+vriend Williams, die den nacht van den achttienden December niet had
+vergeten. Hij verzocht hem te gelijker tijd, zorgvuldig voor hem zijn
+Hooglandsche kleedij en uitrusting te bewaren, en vooral de wapens, die
+op zichzelven reeds van belang waren, doch waaraan de vriendschap der
+gevers een nog hoogere waarde bijzette. Lady Emilia nam op zich, om een
+gepast herinneringsgeschenk te bedenken, dat tegelijk de ijdelheid van
+vrouw Williams streelen en haar smaak voldoen zou, en de Kolonel, die
+zich ook met den landbouw bemoeide, beloofde den Ulswaters aartsvader
+een uitnemend span paarden te zenden voor vrachtkar en ploeg.
+
+Waverley bracht een gelukkigen dag in Londen door; en, op de
+voorgestelde manier reizende, ontmoette hij Frans Stanley te
+Huttingdon. De kennis tusschen de beide jonge lieden was weldra
+gemaakt.
+
+„Het kost weinig moeite het raadsel van mijn oom te raden,” zeide
+Stanley, „de voorzichtige veteraan vond het niet goed mij te beduiden,
+dat ik u de paspoort zou overhandigen, welke ik zelf niet noodig heb;
+en wat, als het naderhand uitkwam, slechts voor een grap van een
+student zou doorgaan: cela ne tire à rien. Gij zult derhalve Francis
+Stanley zijn, met deze paspoort.” Deze voorslag scheen inderdaad de
+grootste der moeielijkheden, die Eduard anders, ieder oogenblik, had
+kunnen ontmoeten, uit den weg te ruimen, en bij gevolg maakte hij geen
+bezwaar zich er van te voorzien; te meer nog, daar hij alle
+staatkundige voornemens bij het aanvaarden van zijn tegenwoordigen
+tocht had laten varen, en niet kon beschuldigd worden, van, terwijl hij
+met de paspoort door den Secretaris van Staat afgegeven reisde, aan de
+een of andere onderneming tegen het Bewind bevorderlijk te zijn.
+
+De dag ging allervroolijkst voorbij. De jonge geleerde had vrij wat te
+vragen omtrent Waverleys veldtochten en de zeden der Hooglanders; en
+Eduard was verplicht zijn nieuwsgierigheid te voldoen door een pibroch
+op de doedelzak te spelen, een Strathspey te dansen en een Hooglandsch
+lied te zingen. Den volgenden morgen vergezelde Stanley zijn nieuwen
+vriend tot aan het volgende station, noordwaarts, en scheidde met
+grooten weerzin van hem, op aandrang van Spontoon, die, zelf gewoon
+zich aan de tucht te onderwerpen, even streng was waar het op de
+handhaving daarvan bij anderen aankwam.
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VERWOESTING.
+
+
+Waverley met postpaarden reizende, volgens de gewoonte van dien tijd,
+ondervond geen ander bezwaar, dan een paar navragen, die de talisman
+van zijn paspoort voldoend beantwoordde, en bereikte op deze wijze de
+grenzen van Schotland. Hier ontving hij bericht van den beslissenden
+slag van Culloden. [174] Het was niets anders, dan hetgeen hij lang had
+verwacht, ofschoon de voorspoed te Falkirk een laatsten straal op de
+wapenen des Prinsen geworpen had. Met dat al trof het hem als een
+schok, waardoor hij tijdelijk geheel uit het veld was geslagen. De
+edelmoedige, de hoffelijke, de hooghartige avonturier was dus nu
+slechts een vluchteling, op wiens hoofd men een prijs had gesteld.
+Zijn, zoo dappere, zoo hooggestemde, zoo getrouwe aanhangers, waren
+dood, gevangen of in ballingschap. Waar was nu de geestdrijvende en
+fijn gevoelige Fergus, indien hij inderdaad den nacht te Clifton had
+overleefd? Waar de rechtschapene baron van Bradwardine met zijn
+onvergelijkelijke eenvoudigheid, wiens zwakheden, zijn belangeloosheid,
+zijn goedhartigheid en zijn onwrikbaren moed slechts te meer deden
+uitkomen? En zij, die geen anderen steun hadden dan deze twee mannen,
+Rose en Flora, waar moest men haar zoeken, en in welke bittere ellende
+moest het verlies harer natuurlijke beschermers haar niet gedompeld
+hebben! Aan Flora dacht Waverley met de achting eens broeders voor een
+zuster; aan Rose met een nog levendiger en teederder gevoel. Misschien
+zou het nog zijn lot worden, het gemis der natuurlijke beschermers, die
+zij verloren hadden, te vergoeden. Door deze gedachte aangespoord,
+zette hij zijn reis met te meer spoed voort.
+
+Toen hij te Edinburgh kwam, waar hij zijn nasporingen onvermijdelijk
+moest aanvangen, gevoelde hij al het moeielijke van zijn toestand. Een
+aantal inwoners dier stad hadden hem gezien en gekend als Eduard
+Waverley; hoe kon hij dan gebruik maken van een paspoort als Francis
+Stanley? Hij besloot derhalve alle gezelschap te vermijden, en zoo
+spoedig mogelijk hooger op te trekken. Hij was echter verplicht een dag
+of wat te vertoeven, in afwachting van een brief van kolonel Talbot, en
+insgelijks om zijn adres, onder zijn aangenomen naam, op een
+afgesproken plaats achter te laten. Met dit laatste voornemen sloop
+hij, in de schemering, door de welbekende straten, terwijl hij alle
+mogelijke zorg aanwendde om niet opgemerkt te worden doch te vergeefs.
+Een der eerste personen, die hij ontmoette, herkende hem op het eerste
+gezicht. Het was vrouw Flockhart, Fergus Mac-Ivors vroolijke
+huiswaardin.
+
+„Heere zegene ons, mijnheer Waverley, zijt gij het? Nu, gij behoeft
+niet bang voor mij te wezen. Ik zou geen mensch in uw omstandigheden
+willen verraden! – Wel, wel! dat is me hier een verandering, hoe
+vroolijk placht kolonel Mac-Ivor en gij in ons huis te wezen!” En de
+goedhartige weduwe stortte eenige ongeveinsde tranen. Daar het
+onmogelijk was hare aanspraak op herkenning te loochenen, liet Waverley
+die van ganscher harte gelden, en beleed onverholen het gevaar waarin
+hij zich bevond. „Wilt ge, daar het bijna donker is, mijnheer, even bij
+mij binnenkomen, en een kopje thee gebruiken? en ik verzeker u, dat,
+zoo gij in het kamertje zoudt willen slapen, ik wel zorgen zou, dat ge
+niet gestoord wierdt, en niemand zou u herkennen; want Kate en Matty,
+zijn met twee van O’Hawleys dragonders weggeloopen, en ik heb twee
+nieuwe meiden in haar plaats.”
+
+Waverley nam haar uitnoodiging aan, en besprak de slaapplaats voor een
+paar nachten, overtuigd dat hij veiliger zijn zou in het huis van dit
+goedhartig schepsel, dan ergens elders. Toen hij het spreekvertrek
+binnen trad, klopte zijn hart op het zien van Fergus’ muts, met de
+witte kokarde, die naast den kleinen spiegel hing.
+
+„Ach!” zeide vrouw Flockhart met een zucht, toen zij zag waarheen zijn
+oogen zich richtten, „de arme Kolonel kocht een nieuwe, juist den dag
+voor dat gij op marsch gingt, en ik heb niet gewild dat men deze hier
+zou wegnemen, maar stof ze elken dag zelve af, en als ik er naar kijk,
+is het of ik den Kolonel aan Callum hoor roepen hem zijn muts te
+brengen, zoo als zijn gewoonte was, als hij uitging. Het is
+kinderachtig misschien. De buren noemen mij een Jacobiet, maar ze mogen
+zeggen wat ze willen. Ik weet wel, dat het daarom niet is, maar hij was
+een vriendelijk heer, als er ooit een bestond, en zulk een schoon man
+ook! Och, weet ge, mijnheer, wanneer hij terechtgesteld zal worden?”
+
+„Terechtgesteld? Goede Hemel! Hoe, waar is hij?”
+
+„Wat, in ’s Hemels naam! weet gij het niet? Die arme Hooglandsche hals,
+Dugald Mahony, kwam hier een poos geleden, met den eenen arm afgeslagen
+en een vreeselijken houw over het hoofd. – Gij zult u Dugald wel
+herinneren; hij droeg een bijl op schouder. – Welnu, hij kwam hier
+eigenlijk bedelen, mag ik wel zeggen, om wat eten. Nu dan, hij
+verhaalde ons, dat het Opperhoofd, zoo als zij hem noemden (maar ik
+noem hem altijd Kolonel), en vaandrig Maccombich, dien gij u wel
+herinnert, ergens op de Engelsche grenzen gevangen genomen waren, toen
+het zoo donker was, dat zijn volk hem eerst heel laat miste, en die
+menschen werden als razend! En hij zeide, dat die kleine Callum Beg,
+(hij was een stoute, ondeugende, fiere knaap), en gij dien eigen nacht
+gedood waart, even als een aantal andere brave kerels. Maar hij zwoer,
+als hij van den Kolonel sprak, dat hij nooit zijns gelijke had gezien.
+En nu loopt het praatje, dat de Kolonel zal gevonnisd en ter dood
+gebracht worden met degenen die te Carlisle gevangen genomen werden.”
+
+„En zijn zuster?”
+
+„O! zij die lady Flora genoemd werd? – wel, ze is weg, naar Carlisle,
+en woont daar bij een zekere groote Roomsche dame van haar kennis, om
+dicht bij hem te zijn.”
+
+„En,” vervolgde Eduard, „de andere jonge dame?”
+
+„Welke andere? Ik ken maar éene zuster van den kolonel.”
+
+„Ik bedoel Freule Bradwardine,” zeide Eduard.
+
+„O, ja, de dochter van den Baron, het arme ding! Ze was een lief
+meisje, maar veel bedaarder dan lady Flora.”
+
+„Waar is ze, om Gods wil?”
+
+„O, wie weet waar iemand van die familie is? De arme meisjes, ze zijn
+wat gehavend, om hare witte kokardes en witte rozen; maar ze is
+noordwaarts getrokken, naar haar vader, in Perthshire, toen de troepen
+van het Bewind weer in Edinburgh kwamen. – Daar waren eenige knappe
+mannen onder, en een zekere majoor Whacker werd bij ons ingekwartierd,
+een zeer beleefd heer, – maar, o, mijnheer Waverley, hij zag er op
+verre na zoo goed niet uit als de arme Kolonel.”
+
+„Weet gij, wat er van Freule Bradwardine’s vader geworden is?”
+
+„Van den ouden heer? neen, niemand weet dat; maar men zegt, dat hij
+heel dapper in dien bloedigen slag te Inverness [175] gevochten heeft
+en Deacon Clank, de slotenmaker, beweert dat het Bewindsvolk woedend op
+hem is, omdat hij tweemaal uitgetrokken is; en waarlijk, hij had zich
+wel mogen laten waarschuwen; maar er is geen erger gek dan een oude
+gek. – De arme Kolonel is maar eenmaal uitgetrokken.”
+
+In dit gesprek lag alles opgesloten wat de goedhartige weduwe wist mede
+te deelen omtrent het lot der kennissen en der gasten, die zij onlangs
+onder haar dak had gehuisvest; maar het was genoeg, om Eduard te doen
+besluiten, wat het ook kostte, terstond de reis naar Tully-Veolan voort
+te zetten, waar hij hoopte Rose te zullen zien of ten minste iets van
+haar te hooren. Hij liet dus een brief voor kolonel Talbot op de
+afgesproken plaats achter, geteekend met zijn aangenomen naam, en gaf
+hem op het naaste poststation zijn adres, in de nabijheid van het
+verblijf des Barons.
+
+Van Edinburgh tot Perth nam hij postpaarden, met het plan om het
+overige van de reis te voet af te leggen; een wijze van reizen, waaraan
+hij de voorkeur gaf, en die het voordeel aanbood van een tijdlang van
+den grooten weg af te kunnen gaan, wanneer zich afdeelingen krijgsvolk
+op een afstand vertoonden. De veldtocht had zijn gestel aanmerkelijk
+versterkt, en hem aan vermoeienis gewend. Zijn bagage zond hij vooruit,
+al naar de gelegenheid zich daartoe voordeed.
+
+Hoe meer hij het noorden naderde, des te meer werden de sporen van den
+oorlog zichtbaar. Gebroken rijtuigen, doode paarden, van dak beroofde
+hutten, boomen tot palissaden afgehakt en afgebroken, of slechts
+gedeeltelijk herstelde bruggen; alles duidde den doortocht der
+vijandelijke legers aan. In die plaatsen, waar de voornaamste bewoners
+aanhangers waren van de zaak der Stuarts, schenen de huizen vernield of
+verlaten; de gewone gang van den tuinbouw, was ten eenemale afgebroken,
+en men zag de inwoners over het veld sluipen, terwijl vrees, verdriet
+en neerslachtigheid op hun gelaat geteekend waren.
+
+Het was avond, toen hij de omstreken van Tully-Veolan naderde. Hoe
+geheel verschilden zijn gewaarwordingen van die, welke hem hadden
+overmeesterd toen hij hier voor het eerst binnentrad! Toen was het
+leven zoo nieuw voor hem, dat een eentoonige of onaangename dag een van
+de grootste rampen was, die hij zich behoefde voor te stellen, en het
+scheen hem toe, dat zijn tijd slechts aan beschavende oefeningen of
+vermakelijkheden gewijd, en met gezellige of jeugdige vroolijkheid
+moest gesleten worden. Thans, welk een omkeer! hoe neêrgedrukt en toch
+hoe versterkt was zijn karakter geworden in den loop van slechts zeer
+weinige maanden! Gevaar en ongeluk zijn strenge leermeesters, die ons
+wel spoedig onderwijzen. Droefgeestiger maar wijzer, gevoelde hij, in
+zelfvertrouwen en standvastigheid een vergoeding voor de schitterende
+droomen, die de ondervinding zoo spoedig had doen verdwijnen.
+
+Toen hij het dorp naderde, zag hij met verbazing en angst dat een troep
+soldaten daar post had gevat, en wat erger was, er ingelegerd scheen te
+wezen. Hij maakte dit op uit eenige tenten, die hij zag opgeslagen op
+hetgeen men de gemeente-weide noemde. Om aan het gevaar te ontsnappen
+van aangehouden en ondervraagd te worden op een plaats waar hij zoo
+ligt herkend kon worden, nam hij een grooten omweg, vermeed het dorp
+geheel en naderde weder den ingang van de laan langs een hem welbekend
+zijpad. Een enkele blik was genoeg, om hem te doen zien, dat er groote
+veranderingen hadden plaats gegrepen. De eene deur van de poort, die
+van boven neergehaald en tot brandhout gehakt was, lag op hoopen,
+gereed om weggedragen te worden, de andere zwaaide nutteloos op de
+hengsels. Het kanteelwerk bovenop, was afgebroken en ter aarde
+geworpen, en de uitgehouwen beeren, van welke men verhaalde dat ze
+gedurende eeuwen den post van schildwacht hadden bekleed, lagen nu, van
+hun plaats geslingerd, onder het puin. De laan was vreeselijk
+geteisterd. Verscheidene groote boomen waren geveld, en lagen dwars
+over het pad zoo als ze omgestort waren, en het vee der dorpelingen, en
+de nog hardere hoeven der dragonderpaarden hadden het weelderige gras,
+dat zoo zeer Waverleys bewondering had opgewekt, in zwarten modder
+veranderd.
+
+Zoodra hij het voorplein betrad, zag Eduard de vrees verwezenlijkt, die
+het ontwaren dezer eerste verwoestingen bij hem had doen ontstaan. Het
+huis was door ’s Konings troepen geplunderd, die zelfs, in
+schandelijken overmoed, gepoogd hadden het af te branden; en ofschoon
+de dikke muren grootendeels het vuur hadden weêrstand geboden, zoo
+waren toch de stallen en schuren geheel en al vernield. De torens en
+kanteelen van het hoofdgebouw waren geschroeid en geblakerd; het
+plaveisel der binnenplaats verwoest, de deuren neêrgerukt of hangende
+aan een enkel hengsel; de ramen ingeslagen en vernield, en de grond
+overdekt met allerhande gebroken huisraad. De kenmerken van aloude
+grootheid, waarvoor de Baron, in den trots van zijn hart, zoo veel
+eerbied had gekoesterd, waren met een bijzondere minachting behandeld.
+De fontein was vernield, en de bron die haar van water voorzag,
+stroomde nu over het voorplein heen. Het steenen bekken scheen bestemd
+te zijn tot een drinktrog voor het vee, naar de wijze te oordeelen,
+waarop het op den grond geplaatst was. De geheele stam der Beeren,
+groot en klein, had hetzelfde lot ondergaan als die den ingang van de
+laan bewaakten: en een stuk of wat der familie-portretten die den
+soldaten, als schijven schenen gediend te hebben, lagen in flarden op
+den grond. Gelijk men zich verbeelden kan, zag Eduard met een bloedend
+hart de verwoesting van zulk een eerwaardig gebouw aan. Maar zijn
+verlangen, om het lot der bewoners te leeren kennen, en zijn vrees om
+te vernemen, hoedanig dit lot wel zijn kon, namen met iedere schrede
+toe. Toen hij op het terras kwam, deden zich nieuwe tooneelen van
+verwoesting voor hem op. De balustrade was neêrgeworpen, de muren
+vernield, de paden met onkruid bewassen, en de vruchtboomen omgehakt of
+uitgegraven. In een hoek van den ouderwetschen tuin stonden twee
+ontzaglijk groote wilde kastanjeboomen, waarop de Baron bijzonder
+grootsch was: te lui misschien, om ze omver te hakken, hadden de
+plunderaars, met kwaadaardig overleg, ze ondermijnd, en wat buskruid in
+het gat aangebracht. De een was door de uitbarsting tot splinters
+geslagen, en de stukken lagen er rondom heen verstrooid, en overdekten
+den grond, dien de boom zoo lang had overschaduwd. De andere mijn had
+zulk een volkomene uitwerking niet gehad. Ongeveer een vierde van den
+boomstam was van het overige afgescheurd, die dus verminkt en
+geschonden aan de eene zijde, aan den anderen kant nog zijn zware en
+ongeschondene takken uitstrekte. [176]
+
+Onder deze algemeene sporen van vernieling, waren sommige die het
+gevoel van Waverley meer bijzonder troffen. Toen hij den voorgevel van
+het gebouw op deze wijze verwoest en geschonden zag, zochten zijn oogen
+natuurlijk naar het kleine balkon, dat tot de vertrekken van Rose
+behoorde – de derde of liever vijfde verdieping. Het was spoedig
+gevonden, want daaronder lagen de bloempotten en heesters, waarmede
+Rose het zoo gaarne versierde, en die men van de fraaie balustrade had
+afgeworpen. Een aantal harer boeken lag te midden van gebroken
+bloempotten en andere prullen. Onder deze zag Waverley er een van de
+zijne, een uitgave van Ariosto, en ofschoon het door wind en regen
+gehavend was, raapte hij het als een heiligen schat op. Terwijl hij, in
+treurige overpeinzing verdiept, door het hem omringende tooneel, naar
+iemand rondzag, die hem het lot der bewoners zou kunnen mededeelen,
+klonk hem een stem uit het binnenste van het gebouw tegen; deze zong op
+een toon, dien hij zich zeer goed herinnerde, een oud Schotsch lied:
+
+
+ ’k Werd overvallen in den nacht,
+ Mijn tuin vernield, mijn heer geslacht;
+ Geen knecht of hij ontweek den dood,
+ En mij liet men in angst en nood.
+ Mijn meester, aan mijn hart zoo waard,
+ Versloegen zij; men stal zijn paard; [177]
+ De zon of maan blink’ van omhoog,
+ Toch dekt de doodslaap ’s meesters oog.
+
+
+„Helaas!” dacht Eduard, „zijt gij het? Arm, hulpeloos schepsel! Zijt
+gij alleen achtergelaten, om te mijmeren en te zuchten, en met uw
+zonderlinge en onzamenhangende brokken van oude balladen in de zalen te
+spoken, die u bescherming boden?” Nu riep hij Davie, eerst: zacht, en
+daarna luider, „Davie, Davie Gellatley!”
+
+De arme hals kwam uit de puinhoopen van een soort van tuinhuis te
+voorschijn, dat eenmaal aan het einde stond van hetgeen het terras
+geheeten werd; maar op het zien van een vreemdeling, trok hij zich,
+door schrik overmeesterd, terug. Waverley, die zich de gewoonte van
+dezen ongelukkige herinnerde, begon een lievelingsdeuntje te fluiten,
+waarnaar Davie meermalen met groot genoegen geluisterd, en op het
+gehoor van hem geleerd had. De zang van onzen held geleek even min op
+die van Blondel, als de arme David op Coeur-de-Lion; maar de melodie
+bracht dezelfde uitwerking te weeg, en werd de aanleiding tot de
+herkenning. Davie kroop weder, maar bedeesd, uit zijn schuilhoek,
+terwijl Waverley, uit vrees van hem schrik aan te jagen, de meest
+bemoedigende teekens gaf, die hij slechts bedenken kon. – „Het is zijn
+geest!” mompelde Davie; doch nader komende, scheen hij zijn levenden
+vriend te herkennen. De arme drommel zelf scheen een geest, vergeleken
+bij hetgeen hij geweest was. De bijzondere soort van kleeding, waarmede
+hij in betere dagen was uitgerust, liet slechts nog ellendige lompen
+van zijn grilligen opschik zichtbaar, waarvan het te kort komende
+erbarmelijk aangevuld was door brokken behangsel, venstergordijnen en
+reepen beschilderd doek, die hij gebezigd had om zijn tooi te
+herstellen. Ook zijn gelaat had niet meer dat opene en zorgelooze
+voorkomen van vroeger, en het arme schepsel zag er holoogig en mager,
+verhongerd en zenuwachtig uit. Na langdurige aarzeling, naderde hij
+Waverley eindelijk met eenig vertrouwen, zag hem treurig in het
+gezicht, en zeide: „Allemaal dood en weg – allemaal dood en weg.”
+
+„Wie zijn dood?” vroeg Waverley, die volstrekt niet aan Davies
+onvermogen dacht, om een aaneengeschakeld gesprek te voeren.
+
+„De Baron – en de rentmeester – en Saunders Saunderson – en Freule
+Rose, die zoo lief zong. – Allemaal dood en weg – allemaal dood en
+weg.”
+
+
+ Maar volg, ei volg mijn spoor;
+ De glimworm licht ons voor;
+ Ik wijs u waar, de dooden
+ Het leven zijn ontvloden;
+ Waar ieder rust van zorg en pijn,
+ Terwijl de winden huilen,
+ En zich van achter ’t wolkgordijn,
+ Waar ze eerst zich ging verschuilen;
+ De bleeke maan hun graf verlicht.
+ Dat iedre vreeze zwicht;
+ ’t Moet hem aan moed niet falen,
+ Die in het uur van middernacht,
+ De graven langs gaat dwalen.
+
+
+Met deze woorden, die hij op woesten en somberen toon zong, gaf Davie
+aan Waverley een teeken om hem te volgen, terwijl hij haastig naar het
+uiteinde van den tuin liep, langs den oever der beek, die, zoo als men
+zich herinneren zal, de oostelijke grens daarvan uitmaakte. Eduard
+volgde hem, in weerwil van de beteekenis zijner woorden, met een
+onwillekeurige siddering, maar niet zonder eenige hoop er de verklaring
+van te zullen erlangen. Daar het huis blijkbaar door de bewoners
+verlaten was, kon hij niet verwachten onder de puinhoopen daarvan een
+verstandiger berichtgever te zullen vinden.
+
+Davie, die vrij stevig aanstapte, bereikte welhaast het uiterste einde
+van den tuin, en klouterde over de brokken van den muur, die dezen eens
+had gescheiden van het boschachtig dal, waarin de oude toren van
+Tully-Veolan stond. Nu sprong hij naar beneden in de bedding van den
+stroom, en ging, door Waverley gevolgd, met rassche schreden voort
+terwijl hij over eenige rotsbrokken klom, en zich met moeite om anderen
+heen wendde. Zij gingen onder de puinhoopen van het huis voorbij;
+Waverley volgde, maar kon zijn leidsman bezwaarlijk bijhouden, daar de
+duisternis begon toe te nemen. Toen hij den loop van den stroom nog een
+weinig lager volgde, verloor hij hem geheel uit het oog; maar een
+flikkerend licht, dat hij nu tusschen het ineengegroeide kreupelhout en
+de struiken ontdekte, scheen een zekerder gids. Spoedig sloeg hij een
+weinig gebaand pad in, en bereikte ten laatste de deur eener ellendige
+hut. Een geweldig hondgeblaf klonk hem in den beginne tegen, maar kwam
+bij zijn nadering tot zwijgen. Van binnen liet zich een stem hooren, en
+hij achtte het raadzaam te luisteren, eer hij naderde.
+
+„Wien hebt gij hier gebracht, domme deugniet?” vroeg een oude vrouw, op
+een toon die haar hevige drift verried. Tot eenig antwoord floot Davie
+Gellatley het begin van het deuntje, waardoor Eduard hem herkend had,
+en deze maakte nu geene zwarigheid om aan de deur te kloppen. Er
+heerschte terstond een doodsche stilte van binnen, die slechts door het
+doffe geknor der honden werd afgebroken; en vervolgens hoorde hij de
+meesteres van de hut de deur naderen, waarschijnlijk niet om ze te
+openen, maar Waverley kwam haar voor en lichtte de klink zelf op.
+
+Voor hem stond een oude, met lompen bedekte vrouw, die hem toeriep:
+„Wie komt, in den nacht, op deze wijze hier in huis?” Aan de eene zijde
+legden twee kwade en half uitgehongerde jachthonden hunne woestheid,
+bij zijn verschijning, af, en schenen hem te herkennen. Aan de andere
+zijde, half verborgen door de geopende deur, doch blijkbaar met weerzin
+zich in dezen schuilhoek verbergende, stond, met een overgehaald
+pistool in de rechterhand, en de linker bezig om een tweede uit zijn
+gordel te halen, een lange, stevige en magere gedaante, in de
+overblijfsels eener verschoten uniform, en met een baard die in geen
+drie weken geschoren was.
+
+Het was de baron van Bradwardine. – Het is onnoodig hier bij te voegen,
+dat hij zijn wapen op den grond wierp, en Waverley met een hartelijke
+omhelzing begroette.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+WEDERKEERIGE OPHELDERINGEN.
+
+
+Het verhaal van den Baron was kort, wanneer men er de spreekwoorden en
+gemeenplaatsen in het Latijn, Engelsch en Schotsch, waarmede zijn
+geleerdheid het opsierde, wegliet. Hij stond lang stil bij de
+droefheid, die hem getroffen had over het verlies van Eduard en
+Glennaquoich, schetste de veldslagen van Falkirk en Culloden, en
+verhaalde, hoe hij, nadat alles in het laatstgenoemde gevecht verloren
+was, naar huis was teruggekeerd, in de meening van gemakkelijker een
+schuilplaats te zullen vinden onder zijn eigene boeren, en op zijn
+eigen landgoed, dan ergens elders. Een afdeeling soldaten was
+uitgezonden om zijn eigendommen te verwoesten; want barmhartigheid was
+niet aan de orde van den dag. Hun vernielingswerk was echter gestuit
+door een bevel van het Civiele Hof. Men erkende dat het landgoed niet
+vervallen verklaard mocht worden aan de Kroon, ten nadeele van Malcolm
+Bradwardine van Inch-Grabbit, den erfgenaam in de mannelijke lijn,
+wiens aanspraak op de baronie niet lijden mocht door de handelingen van
+den tegenwoordigen eigenaar, daar hij zijn recht van dezen niet
+ontleende, – en die dus, gelijk een aantal andere erfgenamen van
+leengoederen, in denzelfden toestand, er het bezit van erlangde. Maar,
+geheel verschillend van velen in soortgelijke omstandigheden, toonde de
+nieuwe heer spoedig, niet te zullen dulden dat zijn voorganger het
+minste voorrecht of voordeel trok van de goederen, die hem hadden
+toebehoord, en dat het zijn voornemen was, zich het ongeluk van den
+ouden Baron in zijn geheele uitgestrektheid ten nutte te maken. Dit was
+te onedelmoediger, daar het van algemeene bekendheid was, dat de Baron,
+met het romantische denkbeeld bezield, om het recht van dezen
+jongeling, als mannelijken erfgenaam, niet te benadeelen, de
+erfopvolging op zijn dochter niet had willen overdragen. Deze
+onrechtvaardige zelfzucht stiet de dorpelingen geweldig tegen de borst,
+die hun ouden meester hartelijk lief hadden, zoodat zij niet weinig
+verontwaardigd waren over het gedrag van zijn opvolger. In des Barons
+eigen woorden, „strookte deze zaak niet met het algemeen gevoelen op
+Bradwardine, mijnheer Waverley; en de boeren waren traag en onwillig in
+het betalen van het verschuldigde; en toen mijn neef in het dorp kwam,
+met zijn nieuwen rentmeester, den heer James Howie, om de huur in te
+vorderen, loste, men weet niet wie, – ik vermoed echter, John
+Heatherblutter, de oude jagermeester, die in het jaar vijftien met mij
+uittrok – een schot op hem in het donker, waardoor hij zoo bang werd,
+dat ik met Cicero in Catilinam wel mag zeggen, abiit, evasit, erupit,
+effugit [178]. Hij liep, mijnheer, om mij zoo uit te drukken, in éen
+adem naar Stirling. En nu heeft hij het landgoed ten verkoop
+aangeslagen, daar hij zelf de laatste mannelijke erfgenaam van het leen
+is. En indien men mij door zulke zaken grieven kon, zou dit mij meer
+grieven, dan de overgang van het goed uit mijn eigen bezit, dat toch,
+volgens den loop der natuur, binnen weinige jaren zou moeten plaats
+hebben; daar dit nu overgaat uit handen van het geslacht, dat het in
+sæcula sæculorum moest bezeten hebben. Maar, Gods wil geschiede, humana
+perpessi sumus [179]. Sir John van Bradwardine – Zwarte Sir John, zoo
+als men hem noemde – die de algemeene stamvader van ons huis en der
+Inch-Grabbits was, dacht weinig dat zoo iemand uit zijn geslacht zou
+voortkomen. Intusschen heeft hij mij beschuldigd bij den een of ander
+van de primates, de tijdelijke bewindhebbers, alsof ik een aanvoerder
+van bravo’s en sluipmoordenaars was. En er zijn soldaten hierheen
+gezonden, om op mijn goederen te verblijven, en jacht op mij te maken
+als op een veldhoen in het gebergte, gelijk de H. Schrift zegt van den
+goeden koning David, of als onzen dapperen Sir William Wallace, –
+zonder daarom mijzelven met een van beiden te vergelijken. – Ik dacht,
+toen ik u aan de deur hoorde kloppen, dat zij het oude wild ten laatste
+in zijn leger hadden overvallen; en daarom nam ik mij voor, mijn leven
+ten duurste te verkoopen. – Maar nu, Janet, kunt gij ons niet wat
+avondeten bezorgen?”
+
+„Ja wel, mijnheer, ik zal het waterhoen braden, dat John Heatherblutter
+heden morgen medegebracht heeft, en gij ziet, de arme Davie is al bezig
+met de eieren van de zwarte kip te bakken. Ik durf zeggen, mijnheer
+Waverley, dat gij nooit geweten hebt dat al de eieren die zoo goed in
+het groote heerenhuis gebakken werden, door onzen Davie waren klaar
+gemaakt. Niemand haalt bij hem, die zoo knap is om met zijn vingers in
+de heete asch te werken en de eieren te keeren.” Davie lag gedurende al
+dien tijd met zijn neus bijna in het vuur, terwijl hij in de asch
+blies, met de hielen schopte, bij zichzelven mompelde, en zijn eieren
+in den gloed keerde, als ware het om het spreekwoord te weêrleggen,
+„dat er verstand toe noodig is om eieren te bakken,” en de lofspraak te
+rechtvaardigen, die Janet uitstortte
+
+
+ „Over hem, haar lieveling, haar arm onnoozel kind.” [180]
+
+
+„Davie is zoo dom niet, als de menschen wel meenen, mijnheer Waverley;
+hij zou u hier niet gebracht hebben, als hij niet geweten had, dat gij
+een vriend waart van mijnheer – zoo waar, zelfs de honden kenden u,
+mijnheer Waverley, want gij waart altijd vriendelijk jegens beesten en
+menschen. – Maar, met mijnheers verlof, zal ik u een geschiedenis van
+Davie vertellen. Ge ziet, dat de edele heer die zich in deze bittere
+tijden moet schuil houden, en wat nog erger is, dag en nacht in het hol
+in het eikenbosch ligt, en ofschoon het nauw genoeg is van ingang en de
+goede oude man, Cors Cleugh, het van een bos stroo heeft voorzien, zoo
+komt evenwel, wanneer alles in den omtrek op het land stil, en de nacht
+recht koud is, mijnheer er soms uit kruipen, om zich te warmen bij een
+takkenbosch en op kussens te slapen, en dan gaat hij er ’s morgens weêr
+heen. En zoo, eens op een keer, – hoe schrikte ik! – hadden twee
+ongelukkige roodrokken den nacht doorgebracht met op de zalmvangst uit
+te gaan, of iets ergers, want ze doen zelden veel goeds, en zagen even
+een glimp van mijnheer, toen hij het bosch inging, en schoten op hem.
+Ik er uit, als een giervalk, en aan het roepen: – „Wat ze te schieten
+hadden op een brave vrouws arm, onnoozel kind?” en ik vloog naar hen
+toe, en riep dat het mijn zoon was, en ze vloekten en zwoeren, dat het
+de oude rebel was, zoo als de deugnieten mijnheer noemden; en Davie was
+in het bosch, en hoorde het leven, en nam, krek uit eigen beweging, den
+ouden grijzen mantel op, dien mijnheer weggeworpen had, om des te
+vlugger te kunnen beenen maken, en kwam juist uit hetzelfde gedeelte
+van het bosch, zich oprichtende en rondziende, zoo geheel op mijnheer
+gelijkende, dat zij glad misleid werden, en overtuigd werden dat zij
+hun geweer op mallen Sawney afgeschoten hadden, gelijk men hem noemt;
+en zij gaven mij een zesstuiverstuk, en twee zalmen, opdat ik er maar
+niets van zeggen zou. – Neen, neen, Davie is wel niet precies als
+andere menschen, maar hij is toch lang zoo gek niet als de menschen
+meenen. Het is waar, wij kunnen nooit genoeg voor mijnheer doen, daar
+wij en de onzen nu al twee honderd jaar op zijn land hebben gewoond; en
+daar hij mijn armen Jamie op school en het collegie liet gaan, en zelfs
+op het heerenhuis hield, tot hij hier boven een betere plaats kreeg.
+Hij heeft er mij voor bewaard, dat ik te Perth als een tooverheks werd
+terechtgesteld – de Heer vergeve het hun, die zulk een eenvoudige, arme
+oude vrouw aanvielen! – en den armen Davie heeft hij van voedsel en
+kleeding voorzien, gedurende bijna zijn gansche leven!” Waverley vond
+eindelijk een gelegenheid, om Janets verhaal af te breken, door een
+vraag naar Freule Bradwardine.
+
+„Zij is, God dank! wél en in veiligheid te Duchran,” antwoordde de
+Baron; „de heer is een verre bloedverwant van ons, maar een
+bloedverwant van mijn kapelaan, den heer Rubrick; en, ofschoon hij de
+Whigsche beginselen is toegedaan, vergeet hij echter, in dezen tijd, de
+oude vriendschap niet. De rentmeester doet wat hij kan, om iets uit de
+schipbreuk voor de arme Rose te redden; maar ik vrees, ik vrees, dat ik
+haar nooit zal wederzien, want ik zal mijn beenderen naar een ver land
+moeten dragen.”
+
+„Neen, neen, mijnheer; gij waart er in het jaar vijftien even slecht
+aan toe, en kreegt de kostelijke baronie terug, dat kreegt ge; en nu
+zijn de eieren klaar, en het waterhoen is gebraden, en daar is voor elk
+een bord en wat zout en een hapje witte brood, dat van den rentmeester
+is gekomen; en daar is nog overvloed van brandewijn in de kan, die
+Luckie Maclearie heeft gestuurd, en zult ge nu niet een maaltijd doen
+als Prinsen?”
+
+„Ik hoop, dat ten minste één Prins van onze kennis er niet erger aan
+toe is,” zei de baron tot Waverley, die met hem instemde in den
+hartelijken wensch dat de ongelukkige Prins in veiligheid wezen mocht.
+
+Nu begonnen ze van hunne verwachtingen in de toekomst te spreken. Het
+ontwerp van den Baron was zeer eenvoudig. Het was, naar Frankrijk te
+ontsnappen, waar hij hoopte, door den invloed zijner oude vrienden, de
+eene of andere bediening bij het leger te verkrijgen, waarvoor hij zich
+nog geschikt achtte. Hij noodigde Waverley uit hem te vergezellen; een
+voorslag, dien deze aannam, ingeval de invloed van kolonel Talbot te
+kort mocht schieten, om hem genade te bezorgen. Stilzwijgend hoopte
+hij, dat de Baron zijn liefde voor Rose zou goedkeuren, en hem het
+recht geven om hem in zijn ballingschap te ondersteunen; maar hij
+onthield zich hiervan te spreken, tot zijn eigen lot zou beslist zijn.
+Nu liep hun gesprek over Glennaquoich, omtrent wien de Baron groote
+bezorgheid aan den dag legde, ofschoon hij aanmerkte, dat hij „juist de
+Achilles van Horatius Flaccus was
+
+
+ Impiger, iracundus, inexorabilis, acer.
+
+
+welke verzen,” zoo voegde hij er bij, „te vertalen zijn:
+
+
+ „Een woelig hoofd, een krijger als metaal,
+ Zoo heet als vuur en zoo hard als staal.”
+
+
+Flora had een ruim en onbekrompen deel in het medelijden van den goeden
+oude.
+
+Intusschen begon het laat te worden. De oude Janet kroop in een soort
+van hondenhok, achter de hut; Davie sliep en snurkte al lang tusschen
+Ban en Buscar. Deze beide honden waren hem naar de hut gevolgd, nadat
+het heerenhuis verlaten was, en waren er gebleven; en hunne
+kwaadaardigheid, en de naam der oude vrouw, die voor een tooverheks te
+boek stond, droegen er niet weinig toe bij, om het dal van bezoekers te
+vrijwaren. Met dit inzicht voorzag de rentmeester Mackwheeble de oude
+Janet, ondershands van het noodige voor haar onderhoud, en insgelijks
+van eenige kleine voorwerpen van weelde, ten gebruike van zijn heer,
+waarvan de bezorging met niet weinig voorzichtigheid moest geschieden.
+Na eenige plichtplegingen, begaf de Baron zich naar zijn gewone
+legerplaats, en Waverley zette zich in een gemakkelijken leuningstoel
+met gescheurd fluweel, die eens de statie-slaapkamer van Tully-Veolan
+had versierd, (want het huisraad van dit verblijf was thans in al de
+hutten uit de nabuurschap vestrooid) en sliep zoo zacht in, alsof hij
+op een donzen bed zijn leden ter ruste gevlijd had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+MEER OPHELDERING.
+
+
+Met het aanbreken van den dag maakte de oude Janet allerhande rumoer in
+huis, om den Baron, die doorgaans zeer vast en zwaar sliep, te wekken.
+
+„Ik moet naar mijn hol terug,” zeide hij tot Waverley: „wilt gij met
+mij gaan naar beneden in het dal?”
+
+Zij gingen te zamen naar buiten, en volgden een smal voetpad, dat door
+hengelaars of houthakkers, in het kreupelhout, ter zijde van den stroom
+gebaand was. Onderweg verklaarde de Baron aan Waverley, dat hij geen
+gevaar te vreezen had, indien hij een dag of wat op Tully-Veolan bleef,
+al zag men hem daar zelfs rond wandelen, indien hij maar de
+voorzichtigheid gebruikte van voor te geven, dat hij naar het landgoed
+kwam, als agent of zaakwaarnemer van een Engelschen heer, die
+voornemens was het te koopen. Met dit inzicht spoorde hij hem aan, den
+rentmeester een bezoek te brengen, die nog op het huis, klein Veolan
+geheeten, omtrent een kwartier van het slot, woonde, ofschoon hij het
+binnen kort verlaten moest. Stanleys paspoort zou een voldoend antwoord
+zijn voor den officier, die de militairen kommandeerde; en wat dezen of
+genen van het landvolk, die Waverley herkennen mocht betrof, zoo
+verzekerde hem de Baron, dat er niet het minste gevaar bestond, dat hij
+door hen zou worden verraden.
+
+„Ik geloof zeker, dat de helft van het volk op de baronie,” zei de oude
+man, „weet, dat hun oude heer hier ergens in den omtrek is; want naar
+ik merk, dulden zij niet zelfs dat een kind hier heen komt om
+vogelnestjes te zoeken, iets dat ik, toen ik in het volle bezit van
+mijn macht als Baron was, niet in staat was geheel en al te beletten.
+Ja, dikwijls vind ik het een en ander op mijn weg, dat de arme
+schepsels, God zegene hen! daar neêrleggen, omdat zij begrijpen, dat
+het mij van dienst zou kunnen zijn. Ik hoop dat zij een wijzer en niet
+minder goeden meester zullen krijgen, dan ik.”
+
+Een onwillekeurige zucht besloot dit gezegde; maar er lag in de kalme
+gelijkmoedigheid, waarmede de Baron zijn rampen verduurde, iets
+eerbiedwekkends, ja zelfs verhevens. Men hoorde geen vruchteloos
+klagen, noch luidruchtige treurigheid; hij droeg zijn lot en de
+daarmede verbonden bezwaren met een opgeruimde ofschoon ernstige
+berusting, en veroorloofde zich nooit eenigen hevigen uitval tegen de
+bovendrijvende partij.
+
+„Ik heb gedaan wat ik als mijn plicht beschouwde,” zeide de goede oude
+man, „en buiten twijfel doen zij, wat zij voor den hunne houden. Het
+doet mij somtijds wel zeer, op deze zwartgebrande muren van het huis
+mijner voorouders te staren; maar men weet dat officieren de hand van
+den soldaat niet altijd in bedwang kunnen houden, en roof en plundering
+tegengaan. Zelfs Gustaaf Adolf, zooals gij lezen kunt in Kolonel
+Munro’s Tocht met het brave Schotsche regiment, „Mackay’s regiment”
+genoemd, stond soms de plundering toe. Ik heb zelf inderdaad elders
+even treurige tooneelen van verwoesting gezien, als Tully-Veolan nu
+oplevert, toen ik onder den maarschalk hertog van Berwick diende.
+Voorwaar, wij mogen met Virgilius Maro zeggen, Fuimus Troës [181] – en
+ziedaar het einde van een oud liedje. Maar huizen en families en mannen
+hebben lang genoeg bestaan, wanneer ze staan tot zij met eere vallen;
+en nu heb ik een huis gekregen, dat niet kwalijk gelijkt naar een domus
+ultima.” [182] – zij waren nu tot den voet eener steile rots genaderd –
+„Wij, arme Jacobieten,” dus ging de Baron voort, terwijl hij de oogen
+opsloeg, „wij zijn nu gelijk de konijnen in de H. Schrift, (die de
+groote reiziger Pococke „jerbous” noemt) een zwak ras, dat zijn nest in
+de rotsen maakt. En nu; vaarwel, mijn beste jongen, tot wij elkander
+van avond bij Janet ontmoeten; want ik moet maken dat ik in mijn Patmos
+kom, wat niet al te gemakkelijk werk is voor mijn oude stijve leden.”
+
+Dit zeggende begon hij de rots op te klimmen, terwijl hij zich met de
+handen steunde, om van de eene gevaarlijke trede naar de andere te
+komen, tot hij omtrent halverwege was, waar twee of drie struiken den
+ingang bedekten van een hol, hetwelk geheel en al naar een oven geleek,
+waar de Baron eerst zijn hoofd en schouders, en vervolgens, ofschoon
+vrij langzaam, het overige van zijn lichaam in bracht, terwijl de
+beenen en voeten het laatst verdwenen – gelijk aan een groote slang,
+die haar schuilplaats binnenkruipt, of aan een langen stamboom, dien
+men met moeite in het enge loket, van een ouderwetschen secretaire
+wegbergt. Waverley had de nieuwsgierigheid om naar boven te klimmen, en
+naar hem in zijn spelonk te zien, gelijk deze schuilplaats wel mocht
+heeten. Over het geheel zag zij er wel eenigszins uit als dat vernuftig
+stukje speelgoed, dat men een haspel in een flesch noemt, en de
+bewondering der kinderen opwekt, (en van sommige volwassenen, ook van
+mijzelven bijvoorbeeld) die het geheim niet kunnen vatten, hoe het er
+in gekomen is, of hoe het er uit is te nemen. Het hol was zeer nauw en
+zoo laag dat hij er niet staan, en nauwelijks zitten kon, hoewel hij
+eindelijk na eenige vergeefsche pogingen daarin slaagde. Zijn eenig
+vermaak bestond in het lezen van zijn ouden vriend Titus Livius,
+tusschenbeide afgewisseld door op den zolder en de muren zijner
+vesting, die van zandsteen waren, met zijn mes Latijnsche spreuken en
+teksten uit de H. Schrift te snijden. Daar het hol droog en met zuiver
+stroo en gedroogd varenkruid gevuld was, „zoo vormde het,” naar hij
+zeide, terwijl hij deed alsof hij zich er geheel op zijn gemak bevond,
+– wat wonderlijk afstak bij zijn werkelijken toestand, – „een zeer
+dragelijk leger voor een oud soldaat, behalve als de wind vlak uit het
+noorden blies.” Ook ontbrak het hem niet aan schildwachten, die op
+verkenning uitgingen, gelijk hij aanmerkte. Davie en zijn moeder lagen
+aanhoudend op den loer, om op alle gevaren te letten en ze af te
+wenden; en men stond verbaasd over de behendigheid, waarmede de
+instinctmatige gehechtheid van den armen onnoozele hem scheen te
+bezielen, als het de veiligheid van zijn heer gold.
+
+Thans zocht Eduard een ontmoeting met Janet. Hij had haar, op het
+eerste gezicht, herkend als de oude vrouw, die hem gedurende zijn
+ziekte had opgepast, nadat hij uit de handen van Gilfillan verlost was.
+Ook de hut, hoewel een weinig opgeknapt en iets beter gemeubeld, was
+ongetwijfeld de plaats waar men hem had opgesloten. Hij herinnerde zich
+nu insgelijks op de Gemeenteweide van Tully-Veolan den stam van een
+grooten boom, „de minnaars-boom” genoemd, dien hij ontegenzeggelijk
+voor denzelfden hield, waarbij de Hooglanders, op dien merkwaardigen
+nacht, bijeen kwamen. Zijn verbeelding had den avond te voren dit alles
+reeds met elkander in verband gebracht; maar redenen, die de lezer
+waarschijnlijk wel zal kunnen gissen, beletten hem Janet in
+tegenwoordigheid van den Baron onder handen te nemen.
+
+Thans vatte hij deze taak in goeden ernst op, en zijn eerste vraag
+luidde: „wie de jonge dame was, die de hut gedurende zijn ziekte
+bezocht had?” Janet zweeg eenigen tijd, en maakte vervolgens de
+opmerking, dat het geheimhouden der zaak thans niemand goed of kwaad
+zou doen.
+
+„Het was een dame,” zeide zij, „die haars gelijke in de wereld niet
+heeft – Freule Rose Bradwardine.”
+
+„Dan was Freule Rose Bradwardine waarschijnlijk ook de oorzaak van mijn
+bevrijding,” zeide Waverley, verrukt over de bevestiging van een
+denkbeeld, hetwelk de plaatselijke omstandigheden bij hem opgewekt
+hadden.
+
+„Ik weet zeer goed, mijnheer Waverley, dat zij zelve het was; maar
+heel, heel boos en beleedigd zou zij geweest zijn, het arme schepsel,
+als zij had kunnen gissen, dat gij ooit een woord van de zaak zoudt
+weten; want zij gebood mij altijd Gaelsch te spreken, als gij er bij
+waart, om u in den waan te brengen, dat wij in de Hooglanden waren. Ik
+kan vrij wel met die taal terecht, want mijn moeder was een
+Hooglandsche.”
+
+Nog eenige weinige vragen brachten het geheele geheim aan den dag van
+Waverleys bevrijding uit den staat van gevangenschap, waarin hij
+Cairnvreckan verliet. Nooit klonk eenige muziek zoeter in het oor eens
+kenners, dan de vreeselijke langdradigheid, waarmede de oude Janet
+iedere omstandigheid beschreef, Waverleys ooren verrukte. Maar daar de
+lezer niet verliefd is, moet ik zijn geduld ontzien, en trachten
+hetzelfde verhaal dat de oude Janet in een rede van bijna twee uren
+mededeelde, binnen een betamelijken omvang te beperken.
+
+Toen Waverley aan Fergus den brief voorlas, dien hij, door Davie
+Gellatley, van Rose Bradwardine ontvangen had, en waarin hem bericht
+werd dat Tully-Veolan door een kleinen hoop soldaten bezet was, had
+deze omstandigheid den levendigen en werkzamen geest van het Opperhoofd
+getroffen. Daar hij verlangde de posten van den vijand te verontrusten
+en terug te drijven, alsmede het leggen eener bezetting zoo zeer in
+zijn eigene buurt wenschte te voorkomen, en hij te gelijk den Baron
+wilde verplichten, – want het denkbeeld van een huwelijk met Rose
+zweefde hem vaak voor den geest – besloot hij eenigen van zijn clan te
+zenden om de roodrokken te verjagen en Rose naar Glennaquoich over te
+brengen. Maar juist toen hij Evan met een kleine afdeeling bevel had
+gegeven tot deze onderneming, noodzaakte hem de tijding, dat Cope de
+Hooglanden was binnengerukt, ten einde de troepen van den Prins,
+alvorens deze zich verzamelden, te ontmoeten en te verstrooien, – zich
+met zijn geheele macht bij den standaard van Karel Eduard te voegen.
+
+Voor dat Fergus vertrok, zond hij een bevel aan Donald Bean om zich bij
+hem te voegen; maar de sluwe vrijbuiter, die maar al te zeer de waarde
+van een afzonderlijk kommando kende, zond, in plaats van hem te
+gehoorzamen, eenige verontschuldiging, waarmede Fergus in den nood van
+het oogenblik, verplicht was genoegen te nemen, hetgeen hij evenwel
+niet deed zonder het heimelijk besluit, om, te gelegener tijd en
+plaats, wraak te nemen over dit uitstel. Daar hij echter aan de zaak
+niets veranderen kon, zond hij bevel aan Donald, om naar de Laaglanden
+af te zakken, de soldaten van Tully-Veolan te verdrijven, de woning van
+den Baron te ontzien, zich ergens in de nabijheid, tot bescherming van
+diens dochter en familie, te vestigen, en eindelijk om de detachementen
+gewapende vrijwilligers en soldaten, die hij in de buurt mocht
+ontmoeten, te verontrusten en te verjagen.
+
+Daar deze last zeer onbepaald was, nam Donald zich voor dien op de
+voordeeligste wijze voor zichzelven uit te leggen, en daar hij niet
+meer in bedwang gehouden werd door de nabijheid van Fergus, dewijl hij,
+daarenboven uit hoofde van vroegere geheime diensten eenigen invloed in
+den raad des Prinsen bezat, besloot hij het ijzer te smeden, terwijl
+het heet was. Het kostte hem dan niet veel moeite, de krijgslieden van
+Tully-Veolan te verjagen; maar hoewel hij het niet waagde, eenigen
+inbreuk te maken op de rust van het gezin, noch Freule Rose lastig te
+vallen, daar hij er niet op gesteld was, zich een machtigen en
+onverzoenbaren vijand in des Prinsen leger te maken, en hij maar al te
+goed wist, hoe zwaar de wraak des Barons treffen kon, begon hij met het
+heffen van schatting en afpersingen op het landvolk, in éen woord, met
+den oorlog voor zijn bijzonder voordeel te voeren.
+
+Intusschen zette hij de witte kokarde op, en maakte zijn opwachting bij
+Rose, terwijl hij een grooten eerbied aan den dag legde voor de dienst,
+waarin haar vader zich had begeven, en een aantal verschooningen vroeg
+voor de vrijheden, die hij, tot onderhoud van zijn volk, zich
+noodwendig moest veroorloven. Juist op dit oogenblik vernam Rose, door
+de nooit tot zwijgen gebrachte faam, die gewoonlijk op overdrijving
+belust is, dat Waverley den smid te Cairnvreckan, terwijl deze hem
+trachtte gevangen te nemen, had gedood, dat hij vervolgens door majoor
+Melville van Cairnvreckan in een gevangenis geworpen was, en binnen
+drie dagen door een vonnis van de militaire rechtbank zou ter dood
+gebracht worden. Gedreven door den wanhopigen angst, welken deze
+tijdingen te weeg gebracht hadden, sloeg zij Donald Bean voor, den
+gevangene te ontzetten. Dit was juist de soort van dienst, waarnaar hij
+verlangde, in de overtuiging dat hij dien als van zooveel gewicht, zou
+kunnen doen gelden, dat men daarom al de onbeschoftheden, waaraan hij
+zich, in de landstreek, mocht hebben schuldig gemaakt, in het
+vergeetboek stellen zou. Hij was echter zoo slim, om, terwijl hij
+gedurig van zijn plicht en ambt sprak, zoo lang de toeven, tot de arme
+Rose door smart en verlegenheid tot het uiterste gebracht, besloot hem
+tot de onderneming over te halen, door middel van eenige kostbare
+juweelen, die aan haar moeder hadden toebehoord.
+
+Donald Bean, die in Fransche dienst was geweest, kende de waarde dezer
+sieraden, of berekende ze misschien zelfs te hoog. Maar aan den anderen
+kant bespeurde hij hoe Rose bevreesd was voor de ontdekking, dat zij
+hare juweelen voor de bevrijding van Waverley had gegeven. Nadat hij
+besloten had, dat zijn buit hem door dit bezwaar niet ontgaan zou, bood
+hij vrijwillig aan een eed te doen, om nooit van Freule Roses aandeel
+aan de zaak een woord te reppen; en, daar hij er voordeel in zag den
+eed te houden, en geen zweem van uitzicht op winst wanneer hij dien
+brak, nam hij de verbindtenis op zich – om, gelijk hij aan zijn
+luitenant zeide, eerlijk met de jonge dame te werk te gaan, – onder
+dien eenigen vorm, welken hij, volgens een stilzwijgende overeenkomst
+met zichzelven, voor verbindend hield – namelijk door stilzwijgendheid
+op zijn ontblooten dolk te zweren. Hij werd te meer tot deze daad van
+goede trouw bewogen, door eenige beleefdheden, welke Freule Bradwardine
+aan zijn dochter Alice had bewezen, en die, terwijl zij het hart van
+het bergmeisje wonnen, den trots van haar vader niet weinig streelden.
+Alice, die thans een weinig Engelsch spreken kon, was, ter vergelding
+van Roses vriendelijkheid, zeer openhartig, en vertrouwde haar al de
+papieren, die de kuiperijen met Gardiners regiment betroffen, en door
+haar in bewaring genomen waren, toe, terwijl zij op Roses aansporing,
+even gereedelijk besloot, ze, buiten haar vaders weten, Waverley in
+handen te spelen. „Want zij kunnen de goede Freule en den knappen
+jongen heer misschien plezier doen,” dacht Alice, „en wat heeft mijn
+vader aan eenige vellen bekrabbeld papier?”
+
+De lezer weet, dat zij gelegenheid vond om haar voornemen, des avonds
+voor dat Waverley het dal verliet, ten uitvoer te brengen. Hoe Donald
+zijn onderneming volvoerde, is hem evenzeer bekend.
+
+Maar de verdrijving der soldaten van Tully-Veolan had opzien gebaard en
+terwijl Donald op den loer lag tegen Gilfillan, werd een sterke
+afdeeling, die Bean Lean wel uit het hoofd zou laten te bestrijden,
+uitgezonden, om de opstandelingen op hun beurt terug te drijven, zich
+daar neêr te slaan en de landstreek te beschermen. De officier, een
+fatsoenlijk man en voorstander van tucht, drong zich even zoo min in
+bij Freule Bradwardine, wier verlaten toestand hij eerbiedigde, als hij
+zijn soldaten toestond de minste ongeregeldheid te plegen. Hij sloeg
+een klein kamp op, op een hoogte, dicht bij het huis van Tully-Veolan,
+en plaatste de noodige wachten bij al de verschillende bergengten in de
+nabijheid. Dit onaangenaam nieuws kwam ter ooren van Bean Lean, toen
+hij naar Tully-Veolan terug keerde. Maar, dewijl hij het loon van zijn
+arbeid ongaarne wilde missen, besloot hij, daar de toegang tot
+Tully-Veolan onmogelijk was, zijn gevangene in Janets hut te brengen,
+waarvan het bestaan zelfs ter nauwernood vermoed kon worden door hen,
+die lang in de nabuurschap gewoond hadden, als ze niet opzettelijk
+daarheen werden gebracht, en welke plaats Waverley zelven volkomen
+onbekend was. Na dit volbracht te hebben, vorderde en verkreeg hij zijn
+belooning. Waverleys ongesteldheid was iets dat al hun berekeningen
+deed falen, en Donald was genoodzaakt, met zijn bende, de buurt te
+verlaten, en elders een ruimer tooneel voor zijn avonturen te zoeken.
+Op Roses dringende bede liet hij een oud man achter, een kruidlezer,
+die verondersteld werd iets van de geneeskunst te verstaan, en die zich
+belastte met Waverley, gedurende diens ziekte.
+
+Intusschen werd het hart der arme Rose weldra door duizend nieuwe
+folteringen gekweld. Zij vernam van de oude Janet, dat er een prijs op
+het hoofd van Waverley gesteld was, en daar hetgeen hijzelf bij zich
+had zoo veel waarde bezat, was er geen zeggen van of Donald wel aan de
+verzoeking zou kunnen weêrstand bieden. Geslingerd door vrees en smart,
+nam Rose het stoute besluit, om den Prins zelven het gevaar te
+ontdekken, waaraan Waverley was bloot gesteld, overtuigd dat Karel
+Eduard, niet minder als staatsman, dan als man van eer en
+menschelijkheid, er belang in zou stellen, om te voorkomen, dat hij in
+handen der vijandelijke partij viel. Eerst meende zij dezen brief
+naamloos te zenden; maar natuurlijk vreesde zij, dat hij er in dat
+geval geen acht op zou slaan. Zij zette er dus haar naam onder, hoewel
+met tegenzin en vrees, en vertrouwde dien aan een jong man toe, die,
+terwijl bij zijn boerderij ging verlaten, om zich bij het leger van den
+Prins te voegen, haar om de een of ander soort van geloofsbrief
+verzocht voor den avonturier, van wien hij een officiersplaats hoopte
+te verkrijgen.
+
+De brief kwam Karel Eduard in handen, juist toen hij naar de Laaglanden
+afzakte, en daar hem het staatkundig belang maar al te zeer bekend was,
+dat er voor hem in de veronderstelling gelegen was, dat hij in
+verbindtenis stond met de Engelsche Jacobieten, deed hij aan Donald
+Bean Lean de stelligste bevelen overbrengen, om Waverley veilig en
+ongeschonden, zoowel in persoon als wat zijn goed betrof, bij den
+gouverneur van Doune-Castle te bezorgen. De vrijbuiter durfde niet
+ongehoorzaam zijn, want het leger van den Prins was nu zoo dicht in de
+buurt, dat de straf dadelijk op het verraad zou hebben kunnen volgen.
+Daarenboven was Donald een staatkundige, zoo wel als een roover, en
+niet geneigd om de gunst, welke zijn vroegere geheime diensten hem
+verworven hadden, bij deze gelegenheid door weerspannigheid te
+verspelen. Hij maakte dus uit den nood een deugd, en gaf bevel aan zijn
+luitenant, om Waverley naar Doune te geleiden, hetwelk op de, in een
+vorig hoofdstuk vermelde wijze, veilig werd volbracht. De gouverneur
+van Doune had order hem, als krijgsgevangen, naar Edinburgh op te
+zenden, daar de Prins vreesde, dat, indien Waverley in vrijheid gesteld
+was, hij zijn voornemen weder opvatten mocht, om naar Engeland te gaan,
+zonder hem gelegenheid te hebben gegeven tot een persoonlijke
+ontmoeting. Hier handelde hij, eigenlijk, volgens den raad van het
+Opperhoofd van Glennaquoich, met wien, gelijk men zich herinneren zal,
+de Prins zich onderhield over de wijze, waarop met Eduard moest
+gehandeld worden, maar zonder dezen te zeggen, hoe hem de plaats zijner
+opsluiting bekend was geworden.
+
+Inderdaad beschouwde Karel Eduard den brief, dien hij over dit
+onderwerp ontvangen had, als een dames geheim, ofschoon Roses schrijven
+in de allervoorzichtigste en meest algemeene bewoordingen vervat was,
+en schijnbaar alleen in de pen gegeven werd door beweegredenen van
+menschelijkheid en ijver voor ’s Prinsen dienst. Evenwel drukte zij
+zulk een vurig verlangen uit, dat niemand hoegenaamd een woord er van
+vernemen mocht, dat zij zich met de zaak had ingelaten, dat de Prins
+daardoor op de gedachte kwam, van het groot belang dat zij in het
+behoud van Waverley stelde. Deze, overigens welgegronde, gissing
+verleidde hem nogtans tot valsche gevolgtrekkingen. De aandoening, die
+Waverley op het bal van Holyrood, bij het naderen van Flora en Rose
+liet blijken, werd door den Prins op rekening gesteld van de gevoelens
+die Eduard voor de laatste koesterde; en bij zichzelven maakte hij het
+besluit op, dat het voornemen van den Baron aangaande de beschikkingen
+over zijn landgoed, of eenig dergelijk bezwaar, hun onderlinge
+genegenheid dwarsboomde. Dikwijls, wel is waar, schonk het gerucht
+Waverley aan Freule Mac-Ivor; maar de Prins wist, dat het gerucht mild
+is in deze soort van giften, en terwijl hij het gedrag der beide dames
+jegens Waverley aandachtig gadesloeg, twijfelde hij niet, of de jonge
+Engelschman gevoelde volstrekt geen liefde voor Flora, terwijl hij door
+Rose Bradwardine bemind werd. Daar hij Waverley aan zijn dienst
+wenschte te verbinden, en niet minder verlangde een daad van
+welwillendheid en vriendschap te verrichten, nam de Prins bij den Baron
+de eerste de beste gelegenheid te baat, om hem over het doen overgaan
+van het landgoed op zijn dochter te onderhouden. De heer Bradwardine
+gaf zijn toestemming; maar het gevolg er van was, dat Fergus
+onmiddellijk besloot met zijn dubbel aanzoek, om een vrouw en een
+graafschap, voor den dag te komen, hetwelk door den Prins, zoo als wij
+gezien hebben, werd afgeslagen. De Prins, onophoudelijk met zijn eigene
+veelvuldige bezigheden bezet, had tot hiertoe nog geen onderhoud met
+Waverley over deze zaak gehad, ofschoon hij zich dikwijls voorgenomen
+had er over te spreken. Maar na het door Fergus betuigde verlangen, zag
+de Prins er de noodzakelijkheid van in, om tusschen de medeminnaars
+onzijdig te schijnen, in de stille hoop, dat de zaak, die zoo veel
+zaden van tweedracht in zich scheen te bevatten, zou kunnen blijven
+rusten tot na den afloop der onderneming. Maar toen, op den marsch naar
+Derby, de Prins aan Fergus de reden van zijn twist met Waverley
+gevraagd had, en het Opperhoofd als oorzaak bijbracht, dat Eduard
+gezind was, het aanzoek door dezen om de hand zijner zuster gedaan, in
+te trekken, zeide hem de Prins ronduit, dat hijzelf Freule Mac-Ivors
+gedrag ten opzichte van Waverley had gadegeslagen, en ten volle
+overtuigd was, dat er een misverstand bij Fergus heerschte in het
+beoordeelen van Waverleys handelwijze, die, gelijk hij alle reden had
+te gelooven, aan Freule Bradwardine gehecht was. De hieruit tusschen
+Eduard en het Opperhoofd der Mac-Ivors ontstane twist ligt, hoop ik,
+den lezer nog in het geheugen. – Deze omstandigheden zullen voldoende
+zijn, om zoodanige punten van ons verhaal toe te lichten, als wij,
+volgens de gewoonte van alle vertellers, gepast oordeelden vooreerst in
+het duister te laten, met het oogmerk om de nieuwsgierigheid van den
+lezer te prikkelen.
+
+Toen Janet eenmaal de voornaamste door ons aangegeven feiten had
+verklaard, was Waverley gemakkelijk in staat, het kluwen, dat deze hem
+in handen stelde, ook voor andere geheimen van het doolhof, waarin hij
+verward was geweest, te gebruiken. Aan Rose Bradwardine was hij
+derhalve het leven verschuldigd, hetwelk hij nu meende gaarne in haar
+dienst te willen opofferen. Bij een weinig nadenken echter werd hij
+overtuigd, dat het gepaster en aangenamer was voor haar te leven, en
+dat, daar hij in het bezit van een onafhankelijke fortuin was, zij ze
+met hem zou kunnen deelen, hetzij in den vreemde, of in zijn eigen
+vaderland. Het genoegen van verzwagerd te zijn aan zulk een
+achtenswaardig man als de Baron, en van wien zijn oom sir Everard zoo
+veel werk maakte, was ook een aangename gedachte, al had er anders nog
+iets ontbroken, om het huwelijk gewenscht te maken. De zonderlinge
+gewoonten van den man, die hem geweldig belachelijk waren voorgekomen
+gedurende zijn voorspoed, schenen bij den ondergang van zijn gelukszon
+in volkomen harmonie met de edele trekken van zijn karakter, en er het
+eigenaardige van te verhoogen, zonder daarom den lachlust op te wekken.
+Met dusdanige ontwerpen van toekomstig geluk vervuld, begaf Eduard zich
+naar klein Veolan, de woning van den heer Duncan Mackwheeble.
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Nu is Cupido een eerlijk kind. – Hij vergoedt.
+ Shakespeare.
+
+
+De heer Duncan Mackwheeble, die commissaris noch rentmeester meer was,
+hoewel nog in het bezit van den blooten titel der laatste waardigheid,
+was de verbanning ontgaan, door bijtijds de partij van den opstand te
+verlaten, maar bovenal door zijn volslagene onbeduidendheid.
+
+Eduard vond hem op zijn kantoor, onder papieren en rekeningen begraven.
+Vóor hem stond een groote kom havermeelpap, en aan zijn linkerhand een
+hoornen lepel en een flesch bier. Terwijl hij zijn oog met inspanning
+over een groot rechtsgeleerd stuk liet gaan, stak hij van tijd tot tijd
+een grooten lepel vol van deze voedzame spijs in zijn wijden mond. Een
+tweede lijvige flesch met brandewijn, die er bij stond, gaf óf te
+kennen, dat de brave rechtsgeleerde reeds zijn morgenslok had genomen,
+óf dat hij voornemens was zijn pap door een afzakkertje te doen volgen,
+of wellicht had men beide veronderstellingen kunnen laten gelden. Zijn
+slaapmuts en nachtrok waren weleer van tartan geweest, maar, even
+voorzichtig als spaarzaam, had de rentmeester ze laten verwen, opdat
+haar oorspronkelijke, onheilspellende kleur, diegenen welke hem mochten
+bezoeken, niet aan zijn ongelukkigen uitstap naar Derby herinneren zou.
+Om zijn portret te voltooien, was zijn gelaat tot aan de oogen met
+snuif, en waren zijn vingers tot aan de toppen met inkt bemorst. Hij
+keek Waverley met een vragenden blik aan, toen deze het groene hekje
+binnentrad, waardoor zijn tafel en stoel voor de nadering van het
+gemeen beschermd werden. Niets kon den rentmeester meer kwellen, dan
+als een bekende aangesproken te worden door iemand der ongelukkige
+heeren, die nu voortaan veel meer bijstand schenen te zullen behoeven,
+dan ze voordeel konden aanbrengen. Maar dit was de rijke jonge
+Engelschman – wie wist hoe zijn toestand was? – ook was hij de vriend
+van den Baron – wat hier te doen?
+
+Deze gedachten gaven iets links en neerslachtigs aan de houding van den
+armen man. Waverley, vervuld met de mededeeling, die hij doen wilde,
+vond Mackwheeble’s stemming geheel in tweestrijd daarmede, zoodat hij
+niet kon nalaten in een luiden lach uit te barsten, terwijl hij de
+neiging onderdrukte, om met Syphax, uit Addison’s Cato, uit te roepen:
+
+
+ „Nu Cato is de man om hem te maken tot
+ Vertrouwling eens verliefden”
+
+
+Daar de heer Mackwheeble zich maar niet kon verbeelden dat iemand
+hartelijk lachen kon, als hij door gevaar omringd, of door armoede
+gedrukt was, zoo verbande de opgeruimdheid die op Eduards gelaat te
+lezen stond, eenigszins het bedrukte van zijn eigen gezicht, en terwijl
+hij hem tamelijk hartelijk welkom op Klein Veolan heette, vroeg hij
+waarmede hij verkoos te ontbijten. Zijn bezoeker had in de eerste
+plaats, iets in het bijzonder met hem te verhandelen, en verzocht
+vrijheid om den grendel op de deur te mogen schuiven. Duncan was lang
+niet ingenomen met het nemen van deze voorzorg, die bewees dat er
+gevaar te duchten was; maar hij kon niet terugtreden.
+
+Overtuigd dat hij op den rentmeester kon bouwen, daar diens belang het
+medebracht dat hij hem getrouw zou blijven, deelde Eduard zijn
+tegenwoordigen toestand, en zijn plannen voor de toekomst, aan
+Mackwheeble mede. De slimme vogel luisterde eerst met alle teekenen van
+beschroomdheid, toen hem, om te beginnen, medegedeeld werd, dat
+Waverley nog een staatkundige balling was – maar troostte zich
+eenigszins, toen hij hoorde dat hij in het bezit van een paspoort was –
+en zette groote oogen op, toen hij het schitterende zijner
+vooruitzichten vernam. – Toen hij echter zijn voornemen te kennen gaf,
+om zijn voorspoed met Freule Rose Bradwardine te deelen, had de
+verrukking den braven man bijna van zijn zinnen beroofd. De rentmeester
+sprong van zijn kantoorstoel op, gelijk de Pythonesse van haar
+drievoet, smeet zijn beste pruik uit het raam, omdat de bol, waarop ze
+geplaatst was, hem hinderde in zijn loop, wierp zijn muts tegen den
+zolder, en ving ze in het vallen weer óp, floot Tulloch-gorum, danste
+in ’t rond met onnavolgbare bevalligheid en vlugheid, en wierp zich
+daarop uitgeput in een leuningstoel, onder den uitroep van: „Lady
+Waverley! tien duizend pond ’s jaars, en geen duit minder! – De Heer
+beware me dat ik het verstand niet verlies!”
+
+„Amen, van ganscher harte” zeide Waverley; „maar mijnheer Mackwheeble,
+laat ons thans tot de zaken overgaan.” Dit laatste woord bracht een min
+of meer bedarende uitwerking teweeg; maar des rentmeesters hoofd was,
+gelijk hij het zelf uitdrukte, nog „op hol.” Hij vermaakte echter zijn
+pen, liniëerde een half dozijn vellen papier, met een breeden rand,
+haalde Dallas van St. Martins „Stijl” van een plank, waar dat
+eerbiedwaardige werk naast Stairs Instituten, Dirletons Twijfelachtige
+Gevallen, Balfours Praktijk en een pak oude rekenboeken stond te
+vermolmen – sloeg het boekdeel bij het artikel huwelijks-contract, op,
+en maakte zich gereed om, zoo als hij het noemde, „een klein minuut op
+te maken, ten einde partijen te beletten terug te treden.”
+
+Het kostte Waverley vrij wat moeite hem aan het verstand te brengen,
+dat hij een weinig overhaast te werk ging. Hij deed hem in de eerste
+plaats verstaan dat hij zijn bijstand zou noodig hebben, om te weten of
+zijn verblijf hier voor het oogenblik volkomen veilig was, door aan den
+officier op Tully-Veolan te schrijven, „dat de heer Stanley, een
+Engelsch edelman, na verwant aan kolonel Talbot, zich wegens zaken
+ophield bij den heer Mackwheeble, en, daar deze met den staat des lands
+bekend was, hem zijn paspoort opzond, om door kapitein Forster nagezien
+te worden.” Dit had een beleefd antwoord ten gevolge van den officier,
+met een uitnoodiging voor den heer Stanley, om bij hem te komen eten;
+waarvoor, onder voorwendsel van bezigheden, (gelijk zich gemakkelijk
+denken laat) werd bedankt.
+
+Waverleys tweede verzoek was, dat de heer Mackwheeble een man te paard
+zou afzenden naar **, de plaats, waar kolonel Talbot hem zou schrijven,
+met bevel om daar zoo lang te wachten, tot de post een brief zou
+brengen voor den heer Stanley, en dien met den meesten spoed naar Klein
+Veolan te bezorgen. In een oogenblik was de rentmeester op weg om zijn
+leerling (of knecht, zoo als hij zestig jaar geleden werd genoemd) Jock
+Scriever, op te zoeken, en er was heel weinig tijd noodig om Jock op
+den grijzen hit te doen stijgen.
+
+„Draag zorg dat ge hem goed rijdt, jongetje, want hij is wat kort van
+adem, sedert – hm, hm! – De Heere bewaar me! (met een zachte stem) ik
+zou hebben laten uitlekken – sedert ik spoorslags reed om den Prins te
+halen, ten einde Vich Ian Vohr en den heer Waverley te scheiden, en een
+duchtigen val voor mijn moeite kreeg. De Heer vergeve het u! Ik had den
+hals kunnen breken! – ja zeker, het was een erg ding van het begin tot
+het einde; – maar dit vergoedt alles. – Lady Waverley! – tien duizend
+pond ’s jaars! God zegene ons!”
+
+„Maar ge vergeet, mijnheer Mackwheeble, dat wij de toestemming van den
+Baron noodig hebben, en die van de jonge dame.” –
+
+„Geen zwarigheid, ik sta voor hen in – ik verbind mij persoonlijk voor
+beide! – Tien duizend pond ’s jaars! het slaat Balmawhapple mors dood –
+éen jaar van zulke inkomsten is geheel Balmawhapple waard, met al wat
+er bij behoort. De Heer make ons dankbaar!”
+
+Om den stroom zijner aandoeningen te keeren, vroeg Eduard, of hij
+sedert kort iets vernomen had van het opperhoofd van Glennaquoich?
+
+„Geen woord,” antwoordde Mackwheeble, „dan dat hij nog in het kasteel
+van Carlisle was, en spoedig op leven of dood voor de rechters zou
+worden gebracht. Ik wensch het jonge heerschap geen kwaad,” zeide hij,
+„maar ik hoop, dat die hem gevangen hebben, hem zullen houden, en hem
+niet weer naar zijn Hooglanders laten terugkeeren, om ons te kwellen
+met schatting en allerlei soort van tirannieke, gewelddadige en
+ondeugende onderdrukkingen en diefstal, hetzij voor hem in eigen
+persoon, hetzij voor anderen, die hij als verscheurende honden uitzond.
+En als hij op deze wijze geld gewonnen had, wist hij het niet eens te
+bewaren, maar smeet het die ijdele Prinses, ginds te Edinburgh, in den
+schoot – wel was het: zoo gewonnen, zoo geronnen. Voor mij, ik wensch
+nooit weêr een Hooglander in deze streek te zien, noch een roodrok,
+noch een geweer, of het mocht zijn, om een patrijs te schieten: – het
+is oud lood om oud ijzer; en hebben ze u kwaad gedaan, en al hebt ge
+getuigen en vonnis en wat niet tegen hen, wat baat het u? Ze hebben
+geen duit om te betalen; ge behoeft het dus niet eens te vragen.”
+
+Onder dusdanige gesprekken, en onder het behandelen van tusschenkomende
+zaken, verliep de tijd tot het middageten. Mackwheeble beloofde
+intusschen dat hij het een of ander middel zou uitdenken, om Eduard,
+zonder gevaar of argwaan, op Duchran, te brengen, waar Rose zich thans
+ophield, hetgeen lang geen gemakkelijke taak scheen, daar de heer des
+huizes een zeer ijverige voorstander van het Bewind was. Het kippenhok
+was in requisitie gesteld, en de soep, en de Schotsche lamscoteletten
+dampten weldra in des rentmeesters vertrekje. De kurketrekker van den
+gastheer was juist in den hals van een fleschje roode wijn gestoken
+(misschien wel bij gelegenheid uit de kelders van Tully-Veolan
+weggekaapt), toen het gezicht van den grijzen hit, die het raam in
+vollen draf voorbij rende, Mackwheeble bewoog, den wijn, hoewel met de
+noodige voorzichtigheid, voor het oogenblik ter zijde te stellen. Jock
+Scriever kwam binnen met een pakje voor den heer Stanley; het was
+kolonel Talbots cachet; en Eduards vingers beefden, terwijl hij het
+open brak. Twee officieele stukken, met alle mogelijke formaliteit
+geteekend en gezegeld, vielen er uit. Ze werden haastig door den
+rentmeester opgeraapt, die een natuurlijken eerbied had voor alles, wat
+naar een akte geleek, en terwijl hij de titels even inzag, vielen zijn
+oogen, of liever zijn bril, op: „Bescherming van wege Zijn Koninklijke
+Hoogheid voor den persoon van Cosmo Comyne Bradwardine, van die plaats,
+gemeenlijk genoemd Baron van Bradwardine, veroordeeld tot verbeuring
+zijner goederen, wegens deelneming aan de laatste rebellie. Het andere
+bleek een bescherming van gelijken inhoud te zijn voor Eduard Waverley.
+– Kolonel Talbots brief luidde als volgt:
+
+
+„Mijn waarde Eduard,
+
+„Ik ben pas hier gekomen, en toch heb ik mijn zaken reeds ten einde
+gebracht; het heeft mij echter eenige moeite gekost, gelijk gij hooren
+zult. Ik maakte mijn opwachting bij Zijn Koninklijke Hoogheid,
+onmiddellijk na mijn aankomst, en vond hem in geen zeer gunstige luim
+voor mijn oogmerk. Drie of vier Schotsche heeren verlieten hem juist.
+Nadat hij zich zeer beleefd omtrent mij uitgelaten had, zeide hij:
+„Kunt ge u verbeelden, Talbot, dat hier een half dozijn van de
+aanzienlijkste heeren en beste vrienden van het Bewind ten noorden van
+de Forth geweest zijn, majoor Melville van Cairnvreckan, Rubrick van
+Duchran en anderen, die mij, ten gevolge van hun lastigen aandrang,
+inderdaad een bescherming voor het oogenblik en de belofte voor een
+toekomstige vergiffenis hebben afgedwongen, voor dien onverbeterlijken
+ouden rebel, dien ze baron van Bradwardine noemen. Ze beweren, dat zijn
+verheven persoonlijk karakter, en de zachtheid, door hem jegens
+diegenen van ons volk betoond, die in handen der rebellen vielen, voor
+hem behooren te pleiten; inzonderheid daar het verlies van zijn
+bezittingen een genoegzaam zware straf voor hem schijnt te zullen
+weten. Rubrick heeft op zich genomen hem bij zich in huis te nemen, tot
+de zaken in het land zullen geregeld zijn; maar het is eenigszins hard,
+op die wijze gedwongen te worden, zulk een dood-vijand van het Huis van
+Brunswijk vergiffenis te schenken!” Dit was geen gunstig oogenblik, om
+mijn zaak bloot te leggen; ik zeide evenwel, dat ik mij verheugde te
+vernemen, dat Zijn Koninklijke Hoogheid geneigd was zulke verzoeken toe
+te staan, daar het gebeurde mij verstoutte, in eigen persoon een
+verzoek van gelijken aard te doen. Hij keek heel donker; ik gewaagde
+van de standvastig medewerking onzer drie stemmen in het Huis,
+zinspeelde zediglijk op mijn verdiensten buiten ’s lands, ofschoon deze
+slechts in zoo verre van waarde waren, als Zijn Koninklijke Hoogheid ze
+wel had willen aannemen, terwijl ik tamelijk sterk op zijn eigene
+betuigingen van vriendschap en genegenheid drukte. Hij was verlegen,
+maar onverzettelijk. Ik liet het staatkundige belang doorschemeren dat
+er in gelegen was, om, voor alle volgende gelegenheden, den erfgenaam
+van zulk een fortuin, als dat uws ooms, aan de woelingen der
+ontevredenen te ontrukken. Maar ik bracht niet den minsten indruk te
+weeg. Ik sprak van de verplichting, waaronder ik jegens Sir Everhard,
+en persoonlijk jegens u lag, en vroeg, als de eenige vergelding voor
+mijn diensten, dat het hem behagen mocht, mij de middelen te
+verschaffen om dankbaar te kunnen zijn. Ik merkte dat hij bij
+voortduring weigeren wilde, en terwijl ik mijn aanstelling uit den zak
+haalde, zeide ik, als een laatste toevlucht, dat, daar Zijn Koninklijke
+Hoogheid, onder deze dringende omstandigheden, mij geen gunst waardig
+keurde, die hij geen zwarigheid had gemaakt aan andere heeren te
+verleenen, wier diensten ik bezwaarlijk kon gelooven, dat gewichtiger
+waren dan de mijne, ik vergunning moest verzoeken, met de meeste
+bescheidenheid om mijn aanstelling in handen van Zijn Koninklijke
+Hoogheid neer te leggen, en de dienst te verlaten. Hierop was hij niet
+voorbereid; hij beval mij mijn aanstelling weder op te steken; zeide
+het een en ander zeer vleiends over mijn diensten, en stond mijn
+verzoek toe. Gij zijt derhalve weder vrij man; en ik heb in uw naam
+beloofd, dat gij u voortaan als een „zoete jongen” zult gedragen, en in
+geheugen houden, wat gij aan de zachtmoedigheid van het Bewind
+verschuldigd zijt. Dus ziet gij, dat mijn Prins even edelmoedig kan
+zijn als de uwe. Ik beweer inderdaad niet, dat hij een gunst bewijst
+met al die buitenlandsche gratie en complimenten, waardoor uw dolende
+Prins zich onderscheidt; maar hij heeft eenvoudige, Engelsche manieren,
+en de blijkbare tegenzin, waarmede hij uw verzoek toestaat, bewijst dat
+hij zijn eigene neiging aan uw wenschen ten offer heeft gebracht. –
+Mijn vriend, de Adjudant-Generaal, heeft mij een duplicaat bezorgd van
+des Barons bescherming (daar het oorspronkelijke in handen is van den
+majoor Melville); ik zend het u, omdat ik weet, dat, zoo gij hem vinden
+kunt, het u genoegen zal doen de eerste te zijn, om hem dit heuglijk
+bericht over te brengen. Hij zal natuurlijk, zonder tijdverlies, naar
+Duchran vertrekken, om daar eenige dagen quarantaine te houden. Wat u
+betreft, ik geef u vrijheid om hem derwaarts te vergezellen, en daar
+een week te blijven, dewijl ik vernomen heb, dat zekere schoone dame in
+die streek is. En ik heb het genoegen u te berichten, dat, welke
+vordering gij ook in haar gunst moogt maken, dit hoogst aangenaam zal
+zijn aan Sir Everhard en Freule Rachel, die u nooit voor goed gevestigd
+en uw vooruitzichten voor geregeld zullen houden, noch de Drie Loopende
+Hermelijnen in veiligheid, voor en aleer gij hun een mevrouw Eduard
+Waverley zult voorstellen. Nu, zekere liefdezaak van mijzelven
+verstoorde – een heel aantal jaren geleden – eenige maatregelen, die
+toen ten beste van de Drie Loopende Hermelijnen werden voorgeslagen;
+dus ben ik, als eerlijk man, verplicht, hun vergoeding te schenken.
+Maak derhalve een goed gebruik van uw tijd, want als uw week verloopen
+is, zal het noodig zijn, dat gij naar Londen gaat, om uw vrijspraak
+voor de rechters te doen gelden. Als altijd, waarde Waverley, oprecht
+en van ganscher harte de uwe,
+
+ Philips Talbot.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Gelukkig ’t vrijen,
+ Wil ’t ras gedijen.
+
+
+Toen Eduard een weinig bekomen was van de eerste verrukking door deze
+uitmuntende tijdingen veroorzaakt, stelde hij den heer Mackwheeble
+oogenblikkelijk voor, naar het dal te gaan, om den Baron met den inhoud
+er van bekend te maken. Maar de voorzichtige rentmeester merkte te
+recht op, dat, zoo de Baron zich terstond in het openbaar vertoonde, de
+boeren en de dorpelingen licht tot uitspattingen in het bewijzen hunner
+vreugde zouden overslaan, en aanstoot geven aan „de bestaande machten,”
+een soort van wezens, voor wie de rentmeester altijd een onbepaalden
+eerbied koesterde. Hij sloeg dus voor, dat Waverley zich naar Janet
+Gellatley begeven, en den Baron, onder bedekking van den nacht, naar
+Klein Veolan brengen zou, waar hij nog eens de weelde van een goed bed
+zou mogen smaken. Onderwijl, zeide hij, zou hij zelf naar kapitein
+Forster gaan, hem de bescherming van den Baron toonen, en diens
+toestemming vragen, om hem dien nacht te mogen herbergen. Hij zou zorg
+dragen, dat er met den morgen paarden gereed waren, om hem naar Duchran
+te brengen, te gelijk met den heer Stanley, „welken naam ik
+veronderstel, dat gij voor het oogenblik zult behouden,” zeide de
+rentmeester.
+
+„Zeker, mijnheer Mackwheeble; maar zoudt gij heden avond niet zelf naar
+het dal gaan, om uw patroon te ontmoeten?”
+
+„Dat zou ik heel gaarne doen; en ik ben u wel zeer dankbaar, dat gij
+mij aan mijn schuldigen plicht herinnert. Maar ik zal eerst na
+zonsondergang van den kapitein terug zijn, en op dezen ongelegen tijd
+heeft het al een kwaden naam – daar is zoo iets met de oude Janet
+Gellatley, dat niet recht in den haak is. De Baron wil deze dingen niet
+gelooven, maar hij is altijd onvoorzichtig en roekeloos – en nooit voor
+mensch noch duivel bang geweest. Maar ik weet dat Sir George Mackenzie
+zegt, dat geen godgeleerde ontkennen kan dat er toovenaars zijn, dewijl
+er in den Bijbel staat: gij zult ze niet laten leven; en dat geen
+rechtsgeleerde het betwijfelen kan, dewijl de wet er de doodstraf op
+stelt. Dus is zoo wel de wet als het Evangelie er voor. En wilt gij aan
+Leviticus geen geloof slaan, zoo moogt gij toch het wetboek gelooven. –
+Maar gij kunt in dit opzicht uw eigen weg volgen; dat is Duncan
+Mackwheeble onverschillig. Echter zal ik heden avond om de oude Janet
+zenden; het is best die soort van lieden te vriend te houden, en ik zal
+Davie noodig hebben, om het spil te draaien; want ik zal Eppie een
+vette gans op tafel laten brengen voor het avondeten.”
+
+Toen het dicht bij zonsondergang was, spoedde Waverley zich naar de
+hut, en hij moest bekennen, dat het bijgeloof geen ongelukkige keus had
+gedaan, wat de plaatselijke gelegenheid en het voorwerp zelf betrof om
+er een denkbeeldigen schrik op te gronden. Het een en ander geleek
+sprekend naar de beschrijving van Spencer:
+
+
+ Daar vond ze, in een diep en donker dal,
+ Een hut uit leem en rietwerk opgeslagen,
+ Omgeven door een breeden zoden wal.
+ Een tooverkol, met innig zelfbehagen,
+ Bewoonde die, als oord van weelde en lust;
+ Ze had zich gansch met lompen toegerust,
+ En scheen vrijwillig haar ellend te dragen,
+ Verwijderd van de wereld, opdat niet
+ Haar duivelskunsten en haar booze streken,
+ Door ’s buurmans oog ter kwader uur bespied,
+ Aan ’t licht gebracht, zich bitter zagen wreken
+ Door kracht der wet die toovnaars nooit ontziet.
+
+
+Eduard trad de stulp binnen, terwijl hij zich deze regels voor den
+geest riep. De arme oude Janet, gebogen door de jaren, en zwart door
+den rook van haar vuur, strompelde door de hut met een berkenbezem, en
+mompelde in zichzelve, terwijl zij haar haard en vloer wat reinigde, om
+de door haar verwachte gasten zoo goed mogelijk te ontvangen. Het
+geluid van Waverleys tred deed haar schrikken, en over alle ledematen
+beven, terwijl zij een schuchteren blik op hem sloeg; zoozeer waren
+haar zenuwen gespannen geweest voor de veiligheid van haar heer. Niet
+zonder veel moeite deed Waverley haar begrijpen, dat de Baron nu niets
+meer voor zijn persoon te vreezen had, en toen zij dit heuglijk nieuws
+ten slotte gevat had, viel het even moeielijk haar te doen gelooven,
+dat hij niet weder in het bezit van zijn goederen komen zou. „Dat
+behoorde toch zoo,” zeide ze „hij zou ze wel weêr krijgen; niemand zou
+verlangen om hem zijn eigendom te benemen, nadat men hem vergiffenis
+geschonken had. En wat dien Inch-Grabbit betreft, om hem zou ik soms
+wenschen een tooverheks te zijn, als ik niet vreesde, dat de Booze mij
+bij het woord zou houden.” Nu gaf Waverley haar eenig geld, en beloofde
+dat haar getrouwheid betoond zou worden. „Hoe kan ik beter beloond
+worden, mijnheer, dan juist daardoor dat ik mijn ouden meester en
+Freule Rose mag zien terug komen, om gebruik te maken van hetgeen hun
+toekomt?”
+
+Waverley nam nu afscheid van Janet, en stond spoedig weder voor de
+schuilplaats van den Baron. Op een zacht gefluit, zag hij den ouden
+heer het hoofd buiten het hol steken, even als een oude das, die den
+omtrek verkent. „Ge zijt wat vroeg gekomen, mijn goede jongen,” zeide
+hij, terwijl hij weder naar binnen klom; „ik twijfel, of de roodrokken
+de taptoe reeds geslagen hebben, en vóor dien tijd zijn wij niet
+veilig.”
+
+„Goed nieuws kan nooit te vroeg gebracht worden,” zeide Waverley; en
+met een onbeschrijfelijke vreugde deelde hij hem de gelukkige tijding
+mede. De oude man stond een tijdlang in stille godsdienstige aandoening
+verzonken, en riep toen uit: „De Heer zij geloofd! – Ik zal mijn kind
+weder zien!”
+
+„Om nooit, naar ik hoop, weder van haar te scheiden,” zeide Waverley.
+
+„Ik vertrouw, met Gods hulp, van neen, tenzij om haar de middelen tot
+haar onderhoud te verschaffen; want mijn zaken zijn in geen al te
+besten toestand; maar wat beteekenen de goederen dezer wereld?”
+
+„En indien,” zeide Waverley bedeesd, „er een middel bestond om Freule
+Bradwardine tegen de wisselvalligheid der fortuin te beveiligen in den
+rang, waarin ze geboren is, zoudt gij daartegen hebben, waarde Baron,
+omdat het een uwer vrienden tot den gelukkigsten man op aarde maken
+zou?” De Baron keerde zich om, en keek hem met grooten ernst aan. „Ja,”
+ging Eduard voort, „ik zal mijn vonnis niet eer als ingetrokken
+beschouwen, voordat gij mij verlof geeft, om u naar Duchran te
+vergezellen, en –”
+
+De Baron scheen al zijn waardigheid te verzamelen, om een gepast
+antwoord te vinden voor iets, dat hij, op een anderen tijd, behandeld
+zou hebben als een plechtige inleiding tot een voorstel van een
+verbintenis tusschen de huizen van Bradwardine en Waverley. Maar al
+zijn pogingen daartoe waren te vergeefs; de vader behield de overhand
+op den Baron; de trotschheid op rang en geboorte was verdwenen; – in
+zijn vreugdevolle verbazing hiep een lichte zenuwtrekking over zijn
+gelaat, terwijl hij toegaf aan de gewaarwordingen der natuur; hij sloeg
+de armen om Waverleys hals en snikte uit: „Mijn zoon, mijn zoon! als ik
+de wereld had doorzocht, zou ik mijn keus tot u bepaald hebben.” Eduard
+beantwoordde de omhelzing met de innigste hartelijkheid, en bewaarde
+voor een poos het stilzwijgen. Eindelijk werd het door Eduard
+afgebroken. „Maar Freule Bradwardine?” –
+
+„Zij heeft nooit een anderen wil, dan dien haars ouden vaders gehad;
+daarenboven gij ziet er goed uit, bezit eerlijke beginselen en zijt van
+goede geboorte. – Neen, neen, zij heeft nooit een anderen dan den
+mijnen gehad, en in mijn schoonste dagen had ik nooit een wenschelijker
+bruidegom voor haar kunnen vinden, dan den neef van mijn uitmuntenden
+ouden vriend, sir Everard. – Maar ik hoop, jongen, dat gij niet
+voorbarig in deze zaak te werk gaat; ik hoop, dat gij u heb verzekerd
+van de goedkeuring uwer eigene vrienden en naastbestaanden, bijzonder
+van uw oom, die in loco parentis is? Laat ons dit toch niet vergeten.”
+Eduard verzekerde hem, dat sir Everard er hoogelijk door vereerd zou
+zijn, wanneer hij zag dat zijn aanzoek zoo vleiend werd aangenomen, en
+dat het zijn volkomene goedkeuring wegdroeg; ten bewijze waarvan hij
+den Baron kolonel Talbots brief ter hand stelde. Deze las dien met
+groote oplettendheid. „Sir Everard,” zeide hij, „verachtte altijd den
+rijkdom, in vergelijking met eer en geboorte: en, het is zoo, hij heeft
+weinig reden om de Diva Pecunia zijn hof te maken. En daar die Malcolm
+zich als een vadermoorder heeft doen kennen – want ik kan hem geen
+anderen naam geven, wegens het van de hand doen der familiegoederen –
+zou ik thans evenwel wenschen (hier vestigde de Baron zijn oogen op een
+gedeelte van het dak, dat boven de boomen uitkwam) dat ik Rose het oude
+nest had kunnen nalaten, met de prullen die er bij hooren. – En
+evenwel,” zeide hij, terwijl hij op zachter toon voortging, „het is
+misschien zoo het best; want als de baron van Bradwardine, zou ik het
+licht voor mijn plicht gehouden hebben, zekere voorwaarde te stellen,
+wat den naam en het wapen betreft, waarvan niemand het mij, nu als een
+edele zonder land, met een dochter zonder huwelijksgoed, tot een
+vergrijp kan maken wanneer ik er van afzie.”
+
+„Nu, de Hemel zij geloofd,” dacht Eduard, „dat Sir Everard deze
+bezwaren niet hoort! De drie loopende hermelijnen en de kruipende beer
+hadden elkander gewis bij de ooren gekregen.” Hij verzekerde daarop den
+Baron, met al het vuur van een jeugdigen minnaar, dat hij in Roses hart
+en hand alleen zijn geluk zocht, en hij zich even zoo gelukkig rekende
+met haars vaders eenvoudige toestemming, alsof hij zijn dochter éen
+graafschap ten huwelijk had medegegeven.
+
+Thans hadden zij Klein Veolan bereikt; de gans dampte op de tafel, en
+de rentmeester zwaaide met mes en vork. Zijn patroon en hij zagen
+elkander met innige blijdschap weder. Ook de keuken had haar
+gezelschap. De oude Janet had bij den haard plaats genomen; Davie had,
+tot zijn onsterfelijke eer, het spit gedraaid; en zelfs Ban en Buscar
+werden, in de gulheid van Mackwheebles verheugd gemoed, tot aan de keel
+toe met voedsel vol gepropt, en lagen thans op den vloer te snorken.
+
+Den volgenden dag reisden de Baron en zijn jonge vriend naar Duchran,
+waar de eerste verwacht werd, omdat men er onderricht was van het
+welslagen der bijna eenstemmige pogingen, door de Schotsche vrienden
+van het bewind ten zijnen behoeve aangewend. Deze waren zoo algemeen en
+zoo krachtig geweest, dat men het bijna voor zeker hield, dat zelfs
+zijn eigendommen behouden zouden geweest zijn, indien zij niet gevallen
+waren in de roofzieke handen van zijn onwaardigen bloedverwant, wiens
+rechten, op de misdaad van den Baron gegrond, door geen genade van de
+Kroon mochten gekrenkt worden. De oude edelman zeide echter met zijn
+gewone opgeruimdheid, dat hij meer in zijn schik was met den schat,
+dien hij in de hoogachting zijner naburen bezat, dan hij zou geweest
+zijn met een herstelling in integrum, indien deze mogelijk ware
+geweest.
+
+Wij zullen geen poging wagen, om de ontmoeting van vader en dochter te
+beschrijven, die elkander zoo teeder beminden, en onder zulke
+gevaarlijke omstandigheden van elkander waren gescheiden. Nog minder
+zullen wij trachten Roses hoogen blos te beschrijven, bij de ontvangst
+van Waverley, en alles behalve onderzoeken, of zij eenige
+nieuwsgierigheid aan den dag legde, wat de bijzondere aanleiding betrof
+tot zijn reize naar Schotland, in dit tijdsgewricht. Zelfs zullen wij
+den lezer niet lastig vallen met de omslachtige bijzonderheden eener
+vrijerij, van vóór zestig jaren. Het is genoeg te zeggen, dat, onder
+zulk een nauwgezetten ceremoniemeester, als de Baron, alle dingen in
+behoorlijken vorm behandeld werden. Hij nam, des morgens na hun
+aankomst, zelf de taak op zich, om Rose met Waverleys aanzoek bekend te
+maken, waaraan zij met een gepaste mate van maagdelijke beschroomdheid
+het oor leende. Het gerucht zegt evenwel, dat Waverley, den avond te
+voren, vijf minuten gevonden had, om haar te verwittigen van hetgeen er
+gaande was – juist op een oogenblik, dat het gezelschap naar drie om
+elkander geslingerde slangen keek, waaruit in den tuin een springende
+fontein haar waterstralen opzond.
+
+Mijn schoone lezeressen mogen het zelve beoordeelen, maar, wat mij
+betreft, ik kan niet begrijpen, hoe zulk een gewichtige zaak in zulk
+een kort tijdsbestek zou kunnen worden medegedeeld; althans, zij nam
+een geheel uur weg op de wijze, waarop de Baron ze behandelde.
+
+Waverley werd thans als een verklaard minnaar, in alle vormen,
+beschouwd. Hij werd, door middel van lachjes en knikjes van de dame des
+huizes, genoopt naast Freule Bradwardine aan tafel plaats te nemen, en
+tegenover Freule Bradwardine haar maat te zijn bij het spel. Kwam hij
+het vertrek in, dan was het zeker dat die van de vier jonge dames
+Rubrick, welke toevallig naast Rose zat, zich herinnerde, dat zij haar
+schaar of haar vingerhoed aan het andere einde van de kamer had laten
+liggen, met oogmerk, om de plaats naast Freule Bradwardine voor hem
+open te laten. En soms, wanneer papa en mama niet bij de hand waren, om
+haar in bekoorlijke deftigheid te houden, veroorloofden de dametjes
+zich wel eens eventjes tegen elkander te glimlachen. Ook had de oude
+heer van Duchran nu en dan zijn aardigheden, en de oude dame haar
+aanmerkingen. Zelfs de Baron kon niet altijd zijn deftigheid bewaren;
+maar Rose behoefde niet verlegen te zijn voor zijn grappen, want zijn
+vernuft was doorgaans in een Latijnsche kleeding gehuld. Ook de knechts
+grinnikten soms vrij zichtbaar, en de meiden schaterden wel eens
+tamelijk luid; in één woord, er scheen in geheel het gezin iets
+geheimzinnigs in wenken en houding te heerschen. Alice Bean, het knappe
+meisje uit het hol, die, sedert haars vaders „ongeluk” – zoo als zij
+het noemde – bij Rose als kamenier diende, lachte en knikte om het
+hardst mede, Rose en Eduard verduurden echter al deze kleine
+kwellingen, zoo als andere paren vóor of na hen hebben gedaan; maar zij
+vonden waarschijnlijk een of ander middel om zich schadeloos te
+stellen; want over het geheel genomen, schenen zij niet bijzonder
+ongelukkig te zijn, gedurende Waverleys zesdaagsch, verblijf te
+Duchran.
+
+Er werd ten slotte bepaald, dat Eduard naar Waverley-Honour zou
+vertrekken, om de noodige schikkingen te maken voor zijn huwelijk.
+Vervolgens zou hij zich naar Londen begeven, om de noodige maatregelen
+te nemen, ter bepleiting zijner zaak, ten einde zoo spoedig mogelijk
+terug te keeren, en de hand zijner verloofde te ontvangen. Hij nam zich
+tevens voor, kolonel Talbot op zijn reis te bezoeken; maar bovenal was
+het zijn doel, het lot van het ongelukkig opperhoofd van Glennaquoich
+te leeren kennen, hem te Carlisle te gaan bezoeken, en te trachten of
+er iets te doen ware, zoo niet om genade te verkrijgen, dan ten minste
+verandering of verzachting van de straf waartoe hij bijna zeker zou
+worden veroordeeld; en, in het ergste geval, der lijdende Flora een
+schuilplaats bij Rose aan te bieden, of haar anders op alle mogelijke
+wijze van dienst te zijn. Het lot van Fergus scheen moeielijk af te
+wenden. Eduard had reeds gepoogd zijn vriend, kolonel Talbot, voor hem
+te winnen; maar deze had, bij zijn antwoord, duidelijk te kennen
+gegeven, dat zijn invloed in zaken van dezen aard geheel uitgeput was.
+
+De kolonel bevond zich nog te Edinburgh, en was voornemens eenige
+maanden dáar te blijven, ten gevolge van een aantal bezigheden hem door
+den hertog van Cumberland opgedragen. Hij wachtte daar lady Emilia, wie
+door de geneesheeren was aangeraden, de reis zoo langzaam mogelijk te
+doen, terwijl zij haar het gebruik van geitenmelk hadden aanbevolen;
+zij zou den tocht naar het noorden afleggen onder geleide van Francis
+Stanley. Eduard ontmoette derhalve den kolonel te Edinburgh, en deze
+wenschte hem op de hartelijkste wijze geluk met zijn aanstaand
+huwelijk, en nam tevens met genoegen onderscheidene boodschappen op
+zich, die onze held verplicht was hem bij zijn vertrek op te dragen.
+Maar ten aanzien van Fergus was hij onverbiddelijk. Hij bewees Eduard
+inderdaad, dat zijn tusschenkomst nutteloos zou zijn. Maar bovendien
+bekende kolonel Talbot, dat hij, in gemoede, zijn invloed voor dezen
+ongelukkige niet zou kunnen bezigen. De gerechtigheid, die eenige straf
+voor degenen eischte, welke de geheele natie in vrees en rouw gedompeld
+hadden, kon wellicht geen gepaster slachtoffer gekozen hebben. Hij had
+de wapens opgevat met de meest volkomen kennis van den aard zijner
+onderneming. Hij had zijn taak wel overwogen en er al de gevolgen van
+berekend. Zijns vaders lot had hem geen vrees kunnen inboezemen; de
+zachtheid der wetten, die hem in zijns vaders eigendom en rechten
+hersteld had, kon hem niet vermurwen. Dat hij dapper, edelmoedig en met
+een aantal goede eigenschappen bedeeld was, dit alles maakte hem
+slechts te gevaarlijker; dat hij verlicht en kundig was, verhoogde
+slechts het onvergefelijke zijner misdaad; dat hij een geestdrijver was
+in een kwade zaak, was een oorzaak te meer om hem tot haar martelaar te
+maken. Maar bovenal was hij het middel geweest, om verscheidene
+honderden in het veld te brengen, die, buiten hem, nooit den vrede des
+lands zouden verstoord hebben.
+
+„Ik herhaal het,” zei de Kolonel, „dat jeugdige Opperhoofd heeft,
+ofschoon de Hemel weet dat ik hem als mensch van ganscher harte
+beklaag, het wanhopige spel, dat hij speelde, ten volle overwogen en
+gekend. Hij dobbelde om leven of dood, om een graafschap of een graf;
+en men kan hem, zonder het land onrecht te doen, niet toelaten zijn
+inzet terug te nemen, omdat het lot zich tegen hem heeft verklaard.”
+
+Dusdanig was de redeneering dier tijden, zelfs van deugdzame en
+gevoelige menschen, tegenover een overwonnen vijand. Laat ons vroom
+hopen, dat wij, in dit opzicht ten minste, nooit de tooneelen zullen
+aanschouwen, noch de gevoelens koesteren, die zestig jaar geleden
+algemeen waren in het Britsche rijk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Morgen? O, dat is spoedig! – Spaart hem! spaart hem!
+ Shakespeare.
+
+
+Eduard, gevolgd door zijn vorigen bediende, Alick Polwarth, die te
+Edinburgh weêr bij hem in dienst getreden was, bereikte Carlisle,
+terwijl het gerechtshof nog zitting hield om over zijn ongelukkige
+makkers uitspraak te doen. Hij had zich gehaast, helaas! niet met
+eenige de minste hoop, om Fergus te redden, maar om hem voor het laatst
+te zien. Ik had moeten melden, dat, zoodra hij vernam dat de dag der
+terechtstelling bepaald was, hij gelden had overgemaakt om de
+gevangenen op de meest onbekrompen wijze te doen verdedigen. Een
+procureur en een der eerste advocaten waren met de verdediging belast;
+maar het was als wanneer de eerste geneesheeren bij het ziekbed van een
+stervenden van aanzien worden geroepen – de doctoren, om hun voordeel
+te doen met een onberekenbaren kans op een poging der natuur – de
+rechtsgeleerden, om zich te bedienen van een waarschijnlijk
+rechterlijken misslag. Eduard drong de gerechtszaal binnen, die met een
+ontelbare menigte was opgevuld; maar daar hij uit het noorden kwam, en
+wegens zijn groote drift en aandoening, gehouden werd voor een
+nabestaande van de gevangenen maakte iedereen voor hem plaats. Het was
+de derde zitting van het hof, en er waren twee mannen voor de balie. De
+uitspraak: „schuldig!” was reeds geschied. In dit plechtige oogenblik
+viel Eduards blik op de beide beschuldigden voor de balie. Men kon zich
+niet bedriegen in de fiere houding en edele trekken van Fergus
+Mac-Ivor, ofschoon zijn kleeding slordig was, en zijn gelaat de
+ziekelijke, gele kleur eener langdurige en harde gevangenschap had
+aangenomen. Aan zijn zijde stond Evan Maccombich. Eduard werd door een
+gevoel van duizeling overvallen, toen hij het oog op hen sloeg: maar
+bij kwam weêr tot zichzelf, toen de griffier de plechtige woorden
+uitsprak: „Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, anders genoemd Vich Ian
+Vohr, en Evan Mac-Ivor, in de Dhu van Tarrascleugh, anders genaamd Evan
+Dhu, anders genaamd Evan Maccombich of Evan Dhu Maccombich – gij, en
+ieder van u, staat terecht als schuldig aan hoogverraad. Wat hebt gij
+voor uzelven in te brengen, waarom het hof geen vonnis tegen u zou
+vellen, om te sterven volgens de wet?”
+
+Zoodra de voorzittende rechter de noodlottige zwarte kap, bij het
+uitspreken van een doodvonnis in gebruik, opzette, plaatste Fergus zijn
+eigen muts op het hoofd, zag hem met een vasten en ernstigen blik aan,
+en antwoordde met onbewogen stem: „Ik mag dit talrijk gehoor niet laten
+veronderstellen, dat ik op zulk een oproeping niets heb te antwoorden.
+Maar hetgeen ik te zeggen heb, zoudt gij niet dulden dat gehoord werd;
+want mijn verdediging zou uw veroordeeling zijn. Ga dan, in Gods naam,
+voort met te doen, wat u vrijstaat. Gisteren, en den dag te voren, hebt
+gij vonnissen uitgesproken die het eerlijkste en beste bloed als water
+hebben doen vloeien. – Spaar het mijne niet. Indien dat van al mijn
+voorouders in mijn aderen vloeide, zou ik het in dezen strijd hebben
+gewaagd.” Daarop hernam hij zijn plaats, en weigerde weder op te staan.
+
+Evan Maccombich zag hem met grooten ernst aan, en scheen, opstaande,
+verlangend om op zijn beurt te spreken; maar het gewoel in het hof, en
+de moeielijkheid om te denken in een andere taal, dan die waarin hij
+gewoon was zich uit te drukken, deden hem zwijgen. Er liep een gemompel
+van medelijden onder de aanschouwers rond, in de overtuiging, dat de
+arme kerel voornemens was zich op het gezag van zijn Opperste te
+beroepen, en dat als een verschooning voor zich aan te voeren. De
+rechter gebood stilte, en moedigde Evan aan, om voort te gaan.
+
+„Ik wilde alleen zeggen, Mylord,” zeide Evan, op een toon, dien hij
+voor innemend bedoelde, „dat, zoo Mylord, en het edele hof, Vich Ian
+Vohr dezen enkelen keer wilden vrijlaten, en hem naar Frankrijk laten
+gaan, om Koning Georges bewind niet meer te verontrusten, dat ik
+verklaar dat een zestal van de besten van zijn clan gereed zullen zijn,
+om in zijn plaats ter dood gebracht te worden; en zoo gij mij naar
+Glennaquoich wilt laten gaan, zal ik ze u zelf halen, om onthoofd of
+opgehangen te worden, en gij kunt met mij beginnen.”
+
+In weerwil van het plechtige der gelegenheid, werd er een soort van
+gelach in de zaal gehoord, over dezen vreemden voorslag. De rechter
+stuitte deze onwelvoegelijkheid, en nadat Evan, met een strengen blik
+in het rond had gezien, zeide hij, zoodra het gedruisch had opgehouden:
+„Zoo de Saxische heeren lachen, omdat een arme kerel als ik, mij
+verbeeld, dat mijn leven, of het leven van zes van mijn rang, dat van
+Vich Ian Vohr opweegt, dan hebben zij naar allen schijn recht; maar zoo
+zij lachen, omdat zij denken, dat ik mijn woord niet zou houden, noch
+terugkomen om hem te lossen, dan kan ik hun verzekeren, dat zij noch
+het hart van een Hooglander, noch de eer van een fatsoenlijk man
+kennen.”
+
+Er bestond geen lust meer tot lachen onder het gehoor, en er volgde een
+doodelijke stilte.
+
+Nu sprak de rechter over beide gevangenen het vonnis uit, door de wet
+op hoogverraad gesteld, met al de daarmede gepaard gaande
+schrikwekkende bijzonderheden. De voltrekking van het vonnis werd
+bepaald op den volgenden dag. „Voor Fergus Mac-Ivor,” voer de rechter
+voort, „kan ik geen hoop op gratie koesteren. Gij moet u tegen morgen
+bereiden voor uw laatste lijden, en uw groot verhoor hier namaals.”
+
+„Ik verlang niets anders, Mylord,” antwoordde Fergus, op denzelfden
+manhaftigen en vasten toon.
+
+Het hardvochtig gezicht van Evan, dat onophoudelijk op zijn Opperhoofd
+was gevestigd geweest, werd door een traan bevochtigd. „Voor u, arme,
+onwetende,” ging de rechter voort, „die, de denkbeelden volgende,
+waarin gij zijt opgevoed, ons heden een treffend voorbeeld hebt
+gegeven, hoe de getrouwheid, den Koning en den Staat alleen
+verschuldigd, door uw ongelukkige begrippen van clanschap, is
+overgebracht op een bijzonder persoon, wiens eerzucht eindigt met u tot
+het werktuig zijner misdaden te maken – voor u, zeg ik, gevoel ik zoo
+veel medelijden, dat, zoo gij het van u kunt verkrijgen, om gratie te
+vragen, ik mijn best zal doen, om u die te bezorgen – anders –”
+
+„Gratie! voor mij geen gratie!” riep Evan uit; „daar gij het bloed van
+Vich Ian Vohr gaat vergieten, is de eenige gunst, die ik van u zou
+wenschen te ontvangen, iemand te bevelen mij de handen los te maken,
+mij mijn sabel terug te geven, en dan maar een minuut te blijven
+zitten, waar gij zijt.”
+
+„Brengt de gevangenen weg,” zei de rechter, „zijn bloed kome over zijn
+eigen hoofd!”
+
+Bijna verpletterd onder het gewicht zijner smartelijke gewaarwordingen,
+bemerkte Eduard, dat de stroom der menigte hem reeds naar buiten op
+straat had medegesleept, eer hij wist waar hij zich bevond. Zijn eerste
+wensch was, Fergus nog eens te zien en te spreken. Hij deed aanzoek aan
+het kasteel, waar zijn ongelukkige vriend gevangen zat, maar zag zich
+den toegang geweigerd. „De groot-sheriff had den gouverneur verzocht,”
+zeide een onderofficier, „om niemand bij den gevangene toe te laten,
+uitgezonderd zijn biechtvader en zijn zuster.”
+
+„En waar was Freule Mac-Ivor?” Men gaf hem haar adres. Zij was ten
+huize van een achtenswaardige katholieke familie nabij Carlisle.
+
+Van de deur van het kasteel teruggewezen, en niet wagende om aanzoek
+bij den groot-sheriff of de rechters te doen, in zijn eigen slecht
+aangeteekenden naam, nam hij toevlucht tot den rechtsgeleerde, die voor
+Fergus was opgetreden. Deze heer zeide hem, dat men beducht was voor
+den openbaren geest, en dat deze zou misleid worden indien men de
+laatste oogenblikken dezer Jacobieten, door de vrienden van den
+Pretendent liet beschrijven; dat daarom een besluit genomen was, om aan
+alle menschen, die zich niet op bloedverwantschap konden beroepen, het
+bezoeken der gevangenen te weigeren. Evenwel beloofde hij (om den
+erfgenaam van Waverley-Honour te verplichten) voor hem een verlof van
+toegang tot den gevangene te verkrijgen, op den volgenden morgen, eer
+hem zijn ketenen zouden afgenomen worden, voor de, voltrekking van het
+vonnis.
+
+„Spreekt men dus van Fergus Mac-Ivor,” dacht Waverley, „of droom ik?
+Van Fergus, den stouten, den ridderlijken, met die vrije ziel? het
+verheven hoofd van een stam, die hem aanbad? Is dit de man, dien ik de
+jacht heb zien aanvoeren en den aanval besturen, – de dappere, de
+werkzame, de jeugdige, de edele, de lieveling der vrouwen en het
+onderwerp der gezangen – is hij het, die geketend is als een
+boosdoener? Die op een horde naar de gemeene galg zal worden gesleept,
+om een langzamen en wreeden dood te sterven, en verminkt te worden door
+den ellendigste onder de stervelingen? Van kwade voorbeduiding zeker,
+was het spook, dat zulk een noodlot aan het dappere opperhoofd van
+Glennaquoich boodschapte!”
+
+Met een bevende stem verzocht hij den rechtsgeleerde, om een middel te
+verzinnen, waardoor Fergus van zijn voorgenomen bezoek zou worden
+verwittigd, indien hij het verlof daartoe verkrijgen mocht. Na dit
+verzocht te hebben verliet hij hem, en teruggekomen in de herberg,
+schreef hij een nauwelijks leesbaar briefje aan Flora Mac-Ivor, waarin
+hij haar zijn voornemen te kennen gaf, om haar dien avond te bezoeken.
+De bode bracht een brief terug, waarin Eduard Floras schoon, en
+duidelijk schrift herkende, door een hand geschreven, die zelfs
+nauwelijks scheen gebeefd te hebben, onder dit gewicht van ellende,
+„Freule Flora Mac-Ivor,” zoo luidde de inhoud van den brief, „kon niet
+weigeren den liefsten vriend van haar lieven broeder te zien, ook in
+haar tegenwoordige omstandigheden van nooit geëvenaarde ellende.”
+
+Toen Eduard Flora Mac-Ivors tijdelijke verblijfplaats bereikte, werd
+hij terstond toegelaten. In een ruim en donker behangen vertrek zat
+Flora bij een tralievenster, terwijl zij zich met het naaien van iets
+onledig hield, dat naar een kleed van wit flanel geleek. Op een kleinen
+afstand zat een bejaarde vrouw, oogenschijnlijk een vreemde, en tot een
+geestelijke orde behoorende. Zij las in een katholiek gebedenboek; maar
+legde het, toen Waverley binnen kwam, op tafel en verliet de kamer.
+Flora stond op om hem te ontvangen, en reikte hem de hand; maar geen
+van beide waagde het een gesprek aan te vangen. Haar schoone kleur was
+geheel verdwenen, haar voorkomen aanmerkelijk vermagerd, en haar gelaat
+en handen zoo wit als het zuiverste marmer, hetgeen een sterk contrast
+met haar donkere kleeding en gitzwart haar opleverde. Maar onder al
+deze teekenen van rouw, was er niets in haar kleeding dat men ongepast
+of verwaarloosd had mogen heeten – zelfs het haar, schoon geheel zonder
+sieraad, was met de gewone zorgvuldigheid opgemaakt. De eerste woorden,
+die zij uitte, waren: „Hebt gij hem gezien?”
+
+„Helaas, neen!” antwoordde. Waverley, „men heeft mij den toegang
+geweigerd.”
+
+„Deze gestrengheid is in overeenstemming met al het overige,” zeide
+zij; „maar wij moeten ons onderwerpen. Zult ge nog toegang tot hem
+verkrijgen, denkt ge?”
+
+„Tegen – tegen – morgen!” zeide Waverley, maar sprak het laatste woord
+zoo zacht uit, dat het bijna onverstaanbaar was.
+
+„Ja, morgen of nooit,” zeide Flora, „tot” – voegde zij er bij, naar
+boven ziende, „de tijd komt, dat wij, naar ik vertrouw, allen elkander
+zullen wederzien. Maar ik hoop, dat gij hem zien zult, terwijl de aarde
+hem nog draagt. Hij heeft u altoos in het diepst van zijn hart bemind,
+ofschoon – maar het is dwaasheid van het verledene te spreken.”
+
+„Inderdaad dwaasheid!” herhaalde Waverley.
+
+„Zelfs van de toekomst, waarde vriend,” zeide Flora, „en voor zoo ver
+het wereldsche gebeurtenissen betreft; want hoe dikwijls heb ik mij
+niet de verschrikkelijke mogelijkheid van deze vreeselijke uitkomst
+voorgesteld, hoe dikwijls mij niet ten taak gesteld te overwegen, hoe
+ik mijn deel daarvan zou kunnen dragen, en toch, hoe verre zijn mijn
+voorstellingen gebleven beneden de voorbeeldelooze ellende van dit
+uur!”
+
+„Waarde Flora, zoo uwe geestkracht” –
+
+„Ja, daar schuilt het,” antwoordde zij eenigszins woest, „er huist,
+mijnheer Waverley, een onrustige duivel in mijn hart, die fluistert –
+maar het zou dwaasheid zijn naar hem te hooren – dat de geestkracht
+waarop Flora zich verhief, haar broeder heeft – vermoord!”
+
+„Barmhartige God! hoe kunt gij zulk een vreeselijke gedachte uiten?”
+
+„Ja, is het niet afgrijselijk? En toch vervolgt ze mij als een spook.
+Ik weet dat het niets dan ijdele verbeelding is, maar zij wil er zijn,
+zij wil mij haar verschrikkingen opdringen; zij wil fluisteren dat mijn
+broeder, even levendig als vurig, de veerkracht van zijn geest over
+honderd voorwerpen zou verdeeld hebben. Ik was het, die hem leerde ze
+te vereenigen, en alles op dit ijselijk en wanhopig spel te zetten. O,
+dat ik mij herinneren kon, maar eens tegen hem gezegd te hebben: „Blijf
+te huis, spaar uzelven, uw vazallen, uw leven, voor ondernemingen, die
+binnen het bereik liggen van een mensch.” Maar, o mijnheer Waverley, ik
+hitste zijn vurig gemoed aan, en voor de helft ten minste heeft hij
+zijn ondergang aan zijn zuster te wijten!”
+
+Dit vreeselijk denkbeeld zocht Eduard te bestrijden, door allerlei
+onzamenhangende redenen, die hem maar voor den geest kwamen. Hij
+herinnerde haar de beginselen, waarnaar beide het hun plicht achtten te
+handelen, en waarin zij waren opgevoed.
+
+„Denk niet, dat ik ze vergeten heb,” hernam zij, terwijl zij snel
+opkeek; „ik heb geen berouw over zijn onderneming, omdat zij
+berispelijk of slecht was: neen! op dat punt ben ik gewapend; maar ik
+voel berouw omdat het onmogelijk was, dat zij anders kon eindigen, dan
+op deze wijze.”
+
+„Intusschen,” vervolgde Eduard, „scheen zij niet altijd zoo wanhopig en
+gewaagd, en Fergus’ stoute geest zou deze zaak omhelsd hebben, of gij
+het goedgekeurd hadt, of niet. Uw raad heeft alleen gediend om
+standvastigheid aan zijn gedrag te verleenen, om zijn besluit
+waardigheid bij te zetten, niet om het te overhaasten.” Flora had
+spoedig opgehouden naar Eduard te luisteren, en was weder met haar
+naald bezig.
+
+„Herinnert gij u,” zeide zij, terwijl zij met een ijzingwekkenden
+glimlach opzag, „dat gij mij eens onledig hebt gevonden met het in
+gereedheid brengen van Fergus’ bruidsgeschenken, en nu naai ik zijn
+bruigomskleed. Onze vrienden hier,” dus ging zij met gesmoorde
+aandoening voort, „zullen gewijde aarde, in hun kapel gunnen aan de
+bloedige overblijfselen van den laatsten Vich Ian Vohr. Maar ze zullen
+niet allen bijeen rusten; neen, – zijn hoofd! – ik zal de laatste
+jammerlijke voldoening niet hebben, om de koude lippen te kussen van
+mijn lieven, lieven Fergus!”
+
+Hier viel de ongelukkige Flora, na een paar snikken, op haar stoel in
+zwijm. De dame, die zich in het voorvertrek verwijderd had, trad thans
+haastig binnen, en verzocht Eduard de kamer; maar niet het huis, te
+verlaten.
+
+Toen hij, na verloop van bijna een half uur, teruggeroepen werd, bevond
+hij dat Flora Mac-Ivor, door een krachtige inspanning, eenigszins tot
+bedaren gekomen was. En nu waagde hij het Rose Bradwardines aanspraken
+te laten gelden, om als een aangenomen zuster beschouwd te worden, die
+het recht had om haar bij te staan in haar plannen voor de toekomst.
+
+„Ik heb een brief van mijn lieve Rose gehad,” antwoordde zij, „met
+hetzelfde oogmerk. De droefheid is baatzuchtig en inhalig, anders zou
+ik geschreven hebben om haar te kennen te geven, dat ik, zelfs in mijn
+eigene wanhoop, een zweem van genoegen smaakte, bij het vernemen van
+haar gelukkige vooruitzichten, en bij het hooren dat de goede oude
+Baron aan de algemeene schipbreuk is ontkomen. Geef dit aan mijn
+liefste Rose; het is het eenige sieraad van waarde, dat haar arme Flora
+bezit, en het was het geschenk van een vorstin.” Ze stelde hem een
+doosje ter hand, dat het diamanten halssnoer bevatte, waarmede ze
+gewoon was haar lokken te versieren. „Voor mij is het in het vervolg
+nutteloos. De goedheid mijner vrienden heeft mij een schuilplaats
+bezorgd in het klooster der Schotsche Benedictijner nonnen te Parijs.
+Morgen – als ik wezenlijk morgen overleven kan – ga ik op reis, met
+deze eerwaarde zuster. En nu, mijnheer Waverley, vaarwel! Moogt gij zoo
+gelukkig zijn met Rose, als gij verdient; en denk soms aan de vrienden,
+die gij verloren hebt. Doe geen moeite om mij weder te zien; het zou
+een misplaatste vriendelijkheid wezen.”
+
+Zij reikte Eduard de hand, waarop hij een stroom van tranen vergoot;
+met bevende schreden verliet hij de kamer, en keerde naar Carlisle
+terug. In de herberg vond bij een brief van zijn rechtsgeleerden
+vriend, die hem berichtte, dat hij den volgenden morgen bij Fergus zou
+worden toegelaten, zoodra de poorten open waren, en dat het hem vergund
+zou zijn bij zijn vriend te blijven, tot de aankomst van den sheriff
+het teeken zou wezen voor den noodlottigen tocht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Een treur’ger afscheid breekt het hart,
+ De doods-trom is omwonden, de baar bekleed met zwart.
+ Campbell.
+
+
+Na een slapeloozen nacht, vond de eerste morgenstraal Waverley op de
+esplanade, voor de oude Gothische poort van Carlisle-Castle. Maar hij
+stapte lang, in allerlei richtingen, heen en weêr, vóor dat het uur
+geslagen had, waarop, volgens de bepalingen voor de bezetting, de
+poorten open gingen en de valbrug neêrgelaten werd. Hij vertoonde zijn
+pas aan den sergeant van de wacht, en werd toegelaten. De plaats van
+Fergus gevangenis was een donker, overwelfd vertrek in het midden van
+het kasteel; het bestond uit een lompen, ouden toren, waaraan een
+groote oudheid werd toegeschreven, en was omringd door buitenwerken,
+die oogenschijnlijk uit den tijd van Hendrik VIII, of ongeveer dien
+tijd waren. Het geknars der zware ouderwetsche grendels en boomen, die
+men wegschuiven moest om Eduard binnen te laten, werd beantwoord door
+het gerammel van ketenen, toen het ongelukkige Opperhoofd, vast en
+zwaar geboeid, zich langs den steenen vloer zijner gevangenis
+voortsleepte, om zich in de armen van zijn vriend te werpen.
+
+„Mijn waarde Eduard,” zeide hij, op krachtigen en zelfs opgeruimden
+toon, „dat is echt vriendschappelijk van u. Ik heb met het grootst
+genoegen uw aanstaand geluk vernomen. En hoe gaat het met Rose, en hoe
+maakt het onze wonderlijke oude vriend, de Baron? Wèl, naar ik hoop,
+omdat ik u in vrijheid zie – en hoe zult gij den voorrang regelen
+tusschen de drie loopende hermelijnen en den beer en den
+laarzentrekker?”
+
+„Waarde Fergus, hoe kunt ge van zulke dingen spreken, in een oogenblik
+als dit?”
+
+„Wel, zeker zijn wij Carlisle onder gelukkiger voorteekenen
+binnengetrokken – op den zestienden November jongstleden, bij
+voorbeeld, toen wij naast elkander er binnenrukten, en de witte vlag op
+dezen ouden toren heschen. Maar, ik ben geen kind, om neêr te gaan
+zitten en te schreien, omdat het geluk mij niet is nageloopen. Ik wist
+welken kans ik liep; wij hebben het spel moedig gespeeld, en het
+verlorene zal moedig betaald worden. En nu, laat ons, daar mijn tijd
+kort is, over de dingen spreken, die mij de meeste belangstelling
+inboezemen. – De Prins? is hij aan de bloedhonden ontsnapt?”
+
+„Ja, hij is in veiligheid.”
+
+„Ha! God zij geloofd! Vertel mij de bijzonderheden dier ontsnapping.”
+
+Waverley verhaalde hem die merkwaardige geschiedenis, voor zoo ver ze
+toen was uitgelekt, een verhaal, waarnaar Fergus met de grootste
+belangstelling luisterde. Vervolgens vroeg hij naar een aantal andere
+vrienden, en deed in het bijzonder onderzoek naar het lot, van zijn
+eigene clanslieden. Zij hadden minder geleden dan andere stammen, die
+in de zaak betrokken waren geweest; want daar zij zich, voor een groot
+deel, verstrooid en naar huis begeven hadden, na de gevangenneming van
+hun Opperhoofd, gelijk dit een algemeen gebruik onder de Hooglanders
+was, had men hen niet gewapend aangetroffen, toen de opstand voor goed
+gedempt werd, zoodat ze om die reden met minder gestrengheid behandeld
+werden. Fergus vernam deze bijzonderheden met groote voldoening.
+
+„Gij zijt rijk, Waverley,” zeide hij, „en gij zijt edelmoedig; als gij
+hoort, dat deze arme Mac-Ivors verontrust worden in hun ellendige
+bezittingen, door den een of anderen harden opzichter of agent van het
+Bewind, herinner u dan, dat gij hun tartan hebt gedragen en een
+aangenomen zoon zijt van hun geslacht. De Baron, die onze zeden kent,
+en dicht bij ons land woont, zal u den tijd en de middelen wel doen
+kennen, om als hun beschermer op te treden. Wilt gij dit den laatsten
+Vich Ian Vohr beloven?”
+
+Eduard, zooals men gemakkelijk denken kan, gaf zijn woord, hetwelk hij
+ook zoo onbekrompen en mild gestand deed, dat zijn gedachtenis nog in
+deze dalen voortleeft, onder den naam van den „Vriend der Zonen van
+Ivor.”
+
+„O, mocht het God behagen,” ging het Opperhoofd voort, „dat ik u mijn
+rechten overdragen kon op de liefde en gehoorzaamheid van dit oude en
+brave geslacht: – of ten minste, gelijk ik gepoogd heb, dat zij den
+armen Evan overreedden, om zijn leven op de aangeboden voorwaarde aan
+te nemen, en voor u te zijn, wat hij voor mij geweest is, de
+goedhartigste – de braafste – de meest verknochte.”
+
+De tranen, die zijn eigen lot hem niet in de oogen kon lokken,
+stroomden ruim om dat van zijn zoogbroeder.
+
+„Maar,” zeide hij, terwijl hij ze droogde, „dat kan niet. Gij kunt voor
+hen geen Vich Ian Vohr zijn; en deze drie tooverwoorden, zeide hij,
+half lachende, „zijn de eenige talisman voor hun gevoel en hun hart, en
+de arme Evan moet zijn zoogbroeder in den dood volgen, gelijk hij hem
+zijn geheele leven door gevolgd heeft!”
+
+„En ik weet zeker,” zeide Maccombich, terwijl hij zich van den vloer
+oprichtte, waarop hij, uit vrees van hun gesprek te storen, zoo stil
+gelegen had, dat Eduard, bij de duisternis van het vertrek, zijn
+tegenwoordigheid niet eens bemerkt had, – „ik weet zeker, dat Evan
+nooit een beter lot wenschte noch verdiend heeft, dan juist dat van met
+zijn Opperhoofd te sterven.”
+
+„En nu,” zeide Fergus, „daar wij van de clanschap spreken – wat dunkt u
+nu van de voorspelling van den Bodach Glas?” – En eer Eduard antwoorden
+kon, vervolgde hij: „Ik zag hem gisteren nacht weder – hij stond
+bestraald door den maneschijn, die, uit dat hooge en enge venster, op
+het voeteneinde van mijn bed viel. Waarom zou ik hem vreezen, dacht ik
+– morgen, – lang voor dezen tijd, – zal ik even onstoffelijk zijn als
+hij. „Leugengeest,” riep ik, „zijt gij gekomen, om uw wandelingen op
+aarde te besluiten, en de zegepraal te vieren over den val des laatsten
+afstammelings van uw vijand?” Het spook scheen te knikken en te
+glimlachen, terwijl het uit mijn gezicht verdween. Wat dunkt u er van?
+– ik deed dezelfde vraag aan den priester, die een goed en verstandig
+man is; hij stemde toe, dat de kerk erkende dat zulke verschijningen
+mogelijk waren, maar drong er op aan, dat ik mijn geest niet zou
+vermoeien met daarover te peinzen, daar ons de verbeelding zulke
+vreemde streken speelt. Wat dunkt u er van?”
+
+„Ik ben het met uw biechtvader eens!” hernam Waverley, die niets liever
+wenschte dan allen redetwist over zoodanig punt op zulk een oogenblik
+te vermijden. Een tik aan de deur kondigde thans dien goeden man aan,
+en Eduard verwijderde zich terwijl hij den beiden gevangenen de laatste
+sacramenten, volgens het Roomsche kerkgebruik, toediende.
+
+Na verloop van een uur werd hij weder toegelaten; kort daarop kwam een
+kommando soldaten met een smid, om de boeien van de beenen der
+gevangenen los te klinken.
+
+„Gij ziet,” zeide Fergus met een glimlach, „welk een compliment men aan
+onze Hooglandsche spierkracht en moed maakt – wij hebben hier geketend
+gelegen als wilde dieren, totdat onze beenen door kramp verlamd zijn,
+en nu ze ons los maken, zenden ze zes soldaten met geladen geweren, om
+te beletten, dat wij het slot stormenderhand veroveren!”
+
+Eduard vernam later, dat deze strenge voorzorg gebezigd werd, ten
+gevolge eener wanhopige poging der gevangenen, om te ontsnappen, waarin
+zij op het punt waren geweest van te slagen.
+
+Spoedig hierop riepen de trommels de bezetting onder de wapens. „Dit is
+de laatste marsch!” zeide Fergus, „dien ik hooren en waaraan ik
+gehoorzamen zal. En nu mijn beste, beste Eduard, laat ons, eer wij
+scheiden, van Flora spreken – een onderwerp, dat de teêrste snaar
+raakt, die nog in mij trilt.”
+
+„Wij scheiden hier niet,” zeide Waverley.
+
+„Ja, zeker, gij moet mij niet verder vergezellen. Niet, dat ik hetgeen
+volgt, voor mijzelven vrees,” zeide hij met fierheid, „de natuur heeft
+zoo wel haar martelingen, als de kunst, en hoe gelukkig zouden wij den
+man prijzen, die aan de benauwdheden eener pijnlijke en doodelijke
+ongesteldheid binnen den tijd van een half uur ontsnapte? En deze zaak
+mogen ze rekken, zoo veel ze willen, langer duren kan het niet. Maar
+het gezicht van hetgeen een stervende in staat is met vastberadenheid
+uit te staan, zou voor een levenden vriend wel eens doodelijk kunnen
+zijn. – Deze fraaie wet op het hoogverraad,” ging hij met vastheid en
+bedaardheid voort, „is een der zegeningen, Eduard, waarmede uw vrij
+vaderland ons arm oud Schotland heeft begunstigd, daar, naar ik hoor,
+onze eigen rechtspleging veel zachter was. Wanneer er geen woeste
+Hooglanders meer met zulke teedere gunsten te beweldadigen zijn, zullen
+ze het uit hunne wetboeken schrappen, daar het hen gelijk stelt met een
+volk van kannibalen, even als zij de zotternij zullen laten varen, van
+een gevoelloos hoofd te pronk te stellen voor de oogen van het publiek.
+Zij zijn niet geestig genoeg om het mijne met een papieren kroontje te
+versieren; daarin zou nog iets satirieks gelegen zijn. Ik hoop evenwel,
+dat ze het op de Schotsche poort zullen zetten, opdat, zelfs na mijn
+dood, mijn oogen gekeerd mogen zijn naar de blauwe heuvels van mijn
+vaderland, dat ik zoo hartelijk liefheb. De Baron zou er bijgevoegd
+hebben:
+
+
+ „Moritur, et moriens dulces reminiscitur Argos.” [183]
+
+
+Een beweging, en het geluid van raderen en paardenhoeven liet zich
+thans op de binnenplaats van het kasteel hooren. „Ik heb u gezegd,
+Eduard, dat gij mij niet moet volgen, en dit geluid herinnert mij dat
+mijn uur gekomen is. Vertel mij dus, hoe gij de arme Flora gevonden
+hebt?”
+
+Waverley gaf, met een door aandoeningen afgebroken stem, verslag van de
+stemming waarin hij Flora had gevonden.
+
+„Arme Flora!” antwoordde het Opperhoofd, „ze zou haar eigen dood veel
+lichter verduurd hebben dan den mijne. Gij, Waverley, zult spoedig het
+geluk dat onderlinge liefde in het huwelijk schenkt, leeren kennen –
+lang, lang mogen Rose en gij het genieten! – maar gij zult nooit de
+reinheid van het gevoel kunnen beseffen, dat twee weezen, als Flora en
+mij, verbindt, die, om zoo te zeggen alléen gelaten in de wereld, van
+de vroegste kindschheid af, alles in alles voor elkander waren. Maar
+haar ernstige denkbeelden van plicht en haar innige gevoelens van
+gehechtheid aan het koninklijk geslacht, zullen haar geest nieuwe
+krachten verleenen, nadat de folterende smart dezer scheiding bedaard
+is. Zij zal dan aan Fergus denken, als aan den held van ons geslacht,
+wiens daden te herdenken haar een onuitsprekelijk genot zal zijn.”
+
+„Zal ze u dan niet eens zien? Ze scheen er op te rekenen.”
+
+„Een noodzakelijk bedrog zal haar dit laatste verschrikkelijk afscheid
+sparen. Ik zou van haar niet hebben kunnen scheiden zonder tranen, en
+ik kan het denkbeeld niet dulden, dat deze lieden denken zouden, dat ze
+de macht hebben mij die uit de oogen te persen. Men heeft Flora wijs
+gemaakt, dat ze mij later zien zou, en deze brief, die mijn biechtvader
+haar ter hand zal stellen, zal haar berichten dat alles voorbij is.”
+
+Thans verscheen, een officier, en berichtte dat de groot-sheriff en
+zijn gevolg buiten de poort van het kasteel wachtten, „om de lichamen
+van Fergus en Evan Maccombich op te eischen.” „Ik kom,” antwoordde
+Fergus. En terwijl hij Eduards arm greep en door Evan Dhu en den
+priester werd gevolgd, daalde hij de trappen van den toren af; de stoet
+werd door de soldaten gestoten. De binnenplaats was bezet met een
+eskadron dragonders en een bataljon infanterie, en carré geschaard. In
+het midden van hun gelederen was de slede, of horde, waarop de
+gevangenen naar de plaats der terechtstelling, omtrent een kwartier ver
+van Carlisle, moesten gesleept worden. Ze was zwart geverwd en met een
+schimmel bespannen. Aan het eene einde van dit voertuig zat de
+scherprechter, een kerel, even afzichtelijk als zijn ambt, met de
+groote bijl in de hand; aan het andere einde, het dichtst bij het
+paard, was een ledige plaats voor twee personen. Door den langen en
+donkeren Gothisch gewelfden gang, die naar de brug geleidde, zag men
+den groot-sheriff en zijn gevolg te paard, wien de etiquette, die de
+burgerlijke en militaire autoriteiten van elkander scheidt, niet
+toeliet nader te komen. „Geen kwade toerusting voor een laatste
+tooneel,” zeide Fergus, verachtelijk glimlachende, terwijl hij een blik
+op het schrikbarende toestel wierp. Evan Dhu, wiens oog op de
+dragonders viel, riep met eenige verbittering: „Dit zijn dezelfde
+knapen, die te Gladsmuir weg liepen, voordat wij nog een dozijn van hen
+doodslaan konden. Thans zien ze er echter dapper genoeg uit.” De
+priester verzocht hem te zwijgen.
+
+Thans naderde de slede; en Fergus zich omkeerende omhelsde Waverley,
+kuste hem op beide wangen, en stapte vlug naar zijn plaats. Evan zette
+zich naast hem. De priester zou in een rijtuig van den katholieken heer
+volgen, bij wien Flora gehuisvest was. Op het oogenblik dat Fergus met
+de hand een afscheidsgroet aan Waverley toewierp, omsloten de soldaten
+de slede, en de geheele stoet zette zich in beweging. Er was een
+oogenblik van oponthoud aan de poort, daar de Gouverneur van het
+kasteel en de groot-sheriff een kleine formaliteit verrichtten, dewijl
+de militaire Officier de personen der misdadigers aan de burgerlijke
+autoriteiten moest uitleveren. „Leve koning George!” riep de
+groot-sheriff. Fergus richtte zich echter overeind op de slede, en
+antwoordde met luide en vaste stem: „Leve koning Jacobus!” Dit waren de
+laatste woorden, door Waverley uit den mond zijn vriends gehoord.
+
+De trein zette zich op nieuw in beweging, en de slede verdween van
+onder de gewelfde poort, waar ze een oogenblik had stil gehouden. De
+doodsmarsch, gelijk hij genoemd wordt, liet zich toen hooren, en de
+zwaarmoedige tonen vermengden zich met den klank eener doffe klok, die
+in de naburige hoofdkerk geluid werd. De tonen der krijgsmuziek werden
+hoe langer hoe onhoorbaarder, naar gelang de trein verder en verder
+voorttrok; en weldra hoorde men niets anders dan het akelig
+onheilspellend geluid van een aantal kerkklokken.
+
+Thans waren de laatste soldaten uit het gewelf verdwenen, dat ze
+gedurende verscheidene minuten waren doorgetrokken; de binnenplaats was
+geheel ledig; maar Waverley stond er nog roerloos, met de oogen op den
+duisteren doorgang gevestigd, waar hij zoo even den laatsten blik van
+zijn vriend had opgevangen. Eindelijk vroeg hem een dienstmaagd van den
+Gouverneur, door medelijden getroffen over de onuitsprekelijke smart,
+die op zijn gelaat te lezen stond, of hij niet naar binnen wilde gaan
+en zich een oogenblik nederzetten? Ze moest haar vraag tweemaal
+herhalen, eer hij haar begreep, maar eindelijk bracht dit hem weder tot
+zichzelven. Hij bedankte haar voor haar vriendelijkheid met een
+vluchtige beweging, trok met de hand zijn hoed diep in de oogen, en
+liep, nadat hij het kasteel verlaten had, zoo snel hij kon door de
+ledige straten, tot hij zijn herberg bereikt had, waar hij op zijn
+kamer vloog en de deur grendelde.
+
+Na verloop van omstreeks anderhalf uur, die hem een eeuw van
+onuitsprekelijke smart toescheen, verwittigden hem het geluid van
+trommels en fluiten, die een vroolijk deuntje speelden, en het verwarde
+gedruisch der menigte, waardoor thans de geheel verlaten straten gevuld
+werden, dat alles voorbij was en dat het volk terugkeerde van het
+ijselijk tooneel. Ik zal het niet wagen zijn aandoeningen te
+beschrijven.
+
+Des avonds bezocht hem de priester, en berichtte dat hij dit deed op
+verzoek van zijn overleden vriend, om hem te verzekeren, dat Fergus
+Mac-Ivor gestorven was gelijk hij geleefd had, en tot het laatste toe
+zijner vriendschap was indachtig geweest. Hij voegde er bij, dat hij
+ook Flora had bezocht, wier zielstoestand bedaarder scheen, nu alles
+afgeloopen was. Met haar en zuster Theresia was de priester voornemens
+Carlisle den volgenden dag te verlaten, en zich naar de naaste zeehaven
+te begeven, waar hij naar Frankrijk wenschte scheep te gaan. Waverley
+dwong dezen goeden man een ring van eenige waarde, en een som gelds aan
+te nemen, om gebezigd te worden (daar hij dacht dat dit Flora aangenaam
+wezen zou) tot katholieke kerkdiensten, voor de nagedachtenis van zijn
+vriend. „Fungarque inani munere” [184], dacht hij, toen de geestelijke
+vertrokken was. „Maar waarom zou men deze hulde aan de nagedachtenis
+niet rangschikken naast andere bewijzen van liefde en genegenheid, door
+alle gezindten aan de herinnering der afgestorvenen gewijd?”
+
+Den volgenden morgen, voor dag en dauw, verliet Eduard de stad
+Carlisle, met het vaste voornemen, om nooit weder een voet binnen haar
+muren te zetten. Hij durfde nauwelijks omzien naar de Gothische
+bolwerken van de versterkte poort. „Ze zijn hier niet,” zeide Alick
+Polwarth, die de reden giste van den aarzelenden blik, door Waverley
+achter zich geworpen, en die, vervuld met de gemeene zucht naar het
+verschrikkelijke, met al de bijzonderheden der terechtstelling bekend
+was. „De hoofden staan boven de Schotsche poort, zoo als men die noemt.
+Het is jammer van Evan Dhu, die een zeer welmeenend, goedhartig mensch
+was voor een Hooglander, en waarlijk, dat was de heer van Glennaquoich
+ook, voor zoo ver hij geen van zijn kwade buien had.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DULCE DOMUM.
+
+
+Het gevoel van afgrijzen, waarmede Waverley Carlisle verliet,
+veranderde langzamerhand in een zachte droefgeestigheid, een overgang,
+verhaast door de pijnlijke, maar toch troostrijke taak die hij te
+vervullen had met aan Rose te schrijven. Hij kon het smartelijke gevoel
+niet verbergen, dat deze rampzalige gebeurtenis in hem opwekte; maar
+hij wenschte ze in zulk een licht te plaatsen, dat haar verbeelding,
+hoe zeer ze zelve er ook door getroffen mocht worden, er niet al te
+zeer door geschokt werd. Trapsgewijs gewende hij zich meer en meer aan
+het tafereel dat hij voor Rose had geschetst om haar gevoeligheid te
+sparen, en zijn volgende brieven werden opgeruimder, en zinspeelden op
+de vooruitzichten op hoop en geluk, die zich voor hen ontsluierden.
+Maar, ofschoon zijn eerste verschrikkelijke aandoeningen in zachte
+droefgeestigheid waren overgegaan, toch had Eduard zijn vaderland reeds
+bereikt, eer hij, zoo al bij vroegere gelegenheden, zijn blikken met
+vreugde kon laten weiden over de schoonheden der alles bezielende
+natuur.
+
+Nu begon hij, voor het eerst sedert hij Edinburgh verlaten had, het
+genot te smaken, dat bijna door allen wordt ondervonden, die naar een
+welig, volkrijk en uitnemend bebouwd land terugkeeren, uit streken waar
+woestheid en eenzame en treurige grootheid met elkander om den voorrang
+dingen. Maar hoe zeer werden deze gewaarwordingen verhoogd, toen hij
+het grond-eigendom betrad, zoo lang door zijn voorvaderen bezeten – de
+oude eiken van Waverley-park herkende – zich voor den geest riep, met
+welk genoegen hij Rose naar al zijn lievelingsplekjes geleiden zou –
+eindelijk de torens van het grijze slot zich zag verheffen boven het
+geboomte, dat het omringde, en zich in de armen wierp van de dierbare
+bloedverwanten, aan wie hij zoo veel eerbied en liefde verschuldigd
+was.
+
+Het geluk hunner ontmoeting werd door geen enkel woord van verwijt
+verstoord. Integendeel, hoe veel angst Sir Everard en Freule Rachel
+gedurende Waverleys gevaarlijken tocht met den jongen Prins uitgestaan
+hadden, stemde die toch te goed met de beginselen waarin ze waren
+opgevoed, om er hem een bestraffing, of zelfs eenige berisping over te
+doen hooren. Bovendien had kolonel Talbot den weg met groot beleid voor
+Waverley geëffend, door uit te weiden over zijn moedig gedrag als
+krijgsman, bijzonder over zijn dapperheid en edelmoedigheid te Preston;
+tot de verbeelding van den Baronet en zijn zuster, ontvlamd door het
+denkbeeld, dat hun neef man tegen man had gevochten met zulk een
+uitnemenden krijgsman als de Kolonel zelf, hem gevangen gemaakt en van
+den dood gered had, Eduards krijgsverrichtingen op een lijn stelden met
+die van Wilibert, Hildebrand en Nigel, de zoo hoog geroemde helden van
+hun geslacht.
+
+Waverleys gestalte, gehard door oefening, en veredeld door het
+krijgsmansberoep, had een krachtiger en gespierder voorkomen verkregen,
+waardoor niet alleen het verhaal van den Kolonel bevestigd werd, maar
+tegelijk al de bewoners van Waverley-Honour verrast en verrukt werden.
+Ze verdrongen zich om hem te zien, te hooren en zijn lof te vermelden.
+De heer Pembroke, die, gelijk men wel zal gelooven, in het geheim zijn
+verstand en moed verhief, wegens het omhelzen van het ware belang der
+kerk van Engeland, berispte echter zijn kweekeling vriendschappelijk,
+dat hij zoo achteloos met zijn handschriften te werk gegaan was,
+hetwelk hem, zoo als hij zeide, inderdaad eenige persoonlijke
+onaangenaamheden berokkend had; daar hij, toen de Baronet door een
+koningsbode was gevangen genomen, het voorzichtig had geoordeeld, een
+schuilplaats op te zoeken, die wegens het gebruik, dat er in vroeger
+dagen van gemaakt was, „Het priesterhol” geheeten werd. Onze geleerde
+verzekerde dat de keldermeester er slechts eenmaal daags met voedsel
+komen durfde; zoodat hij herhaalde keeren genoodzaakt was geweest zijn
+middagmaal met spijzen te doen, die, òf geheel koud, òf, hetgeen nog
+erger was, slechts half warm waren; gezwegen van de omstandigheid, dat
+zijn bed soms in geen twee dagen werd opgemaakt. Waverley dacht
+onwillekeurig aan de schuilplaats van den baron van Bradwardine, die
+wél te vreden was met Janets onthaal en eenige bossen stroo in een
+rotshol; maar hij maakte geen aanmerkingen over een tegenstelling, die
+zijn waardigen leermeester slechts smartelijk hadden kunnen aandoen.
+
+Alles was nu in de weer met het maken van toebereidselen voor Eduards
+huwelijk, een gebeurtenis, die de goede Baronet en Freule Rachel
+beschouwden als een vernieuwing hunner eigene jeugd. Deze
+echtverbintenis was hun, gelijk kolonel Talbot reeds had te kennen
+gegeven, allerverkieslijkst voorgekomen, daar zij in alle opzichten,
+uitgezonderd wat het geld betrof, wenschelijk was, en zij zelven meer
+dan overvloedig met tijdelijke middelen gezegend waren. De heer
+Clippurse werd dus op Waverley-Honour ontboden, onder betere
+voorteekenen dan bij den aanvang van ons verhaal. Maar de heer
+Clippurse kwam niet alleen; want, daar hij nu in jaren gevorderd was,
+had hij zich verbonden met een neef, een jonger gier, gelijk onze
+hedendaagsche Juvenalis [185] aan wien wij het verhaal van Swallow den
+procureur te danken hebben, hem wellicht genoemd zou hebben – en zij
+dreven thans hunne zaken onder de firma van Clippurse en Hookem. Deze
+brave mannen kregen bevel om de noodige huwelijksvoorwaarden op te
+stellen, en wel op zulk een milden en onbekrompen voet alsof Eduard de
+eenige erfgename van een pair, met hare vaderlijke erfgoederen aan haar
+hermelijnen mantel gehecht, zou trouwen.
+
+Maar, alvorens een onderwerp te beginnen, welks langdradigheid
+spreekwoordelijk is geworden, moet ik den lezer herinneren aan een
+steen, door een ledigloopenden, speelzieken knaap een heuvel afgerold
+(een tijdkorting, waarmede ik zelf, in mijn jeugdige jaren, zeer goed
+vertrouwd was). De steen beweegt zich eerst langzaan, terwijl hij, door
+af te wijken, elk beletsel van eenig belang vermijdt; maar als hij zijn
+vollen loop heeft verkregen, en het einde van zijn loopbaan nadert,
+jaagt en dondert hij naar beneden, met ellenlange sprongen, bekommert
+zich om heggen en sloten evenmin als een Yorkshiresche jager, en
+bereikt zijn grootste snelheid, als hij op het punt is om voor eeuwig
+tot rust te komen. Evenzoo is de loop van een verhaal, gelijk dat,
+hetwelk gij hier aantreft; de eerste gebeurtenissen zijn met zorg tot
+in de minste bijzonderheden beschreven, opdat gij, vriendelijke lezer,
+met het karakter van ieder persoon door zijn handelingen zoudt bekend
+worden, liever dan door het vervelender middel van rechtstreeksche
+beschrijving; maar nu de geschiedenis ten einde loopt, springen wij
+over al zulke omstandigheden heen, die, hoe belangrijk ook, reeds door
+uw verbeelding zijn vooruit gezien, en wij laten u al datgene
+veronderstellen, wat, indien wij het verhaalden, terecht zou worden
+beschouwd, alsof wij misbruik van uw geduld wenschten te maken.
+
+Wij zijn er dus niet toe gestemd, om u al de vervelende werkzaamheden
+van de heeren Clippurse en Hookem, of die hunner ambtgenooten, door wie
+de zaak van Eduard Waverley en zijn aanstaanden schoonvader moest
+bepleit worden, breedvoerig te schilderen, integendeel, wij willen u
+alleen met meer uitlokkende onderwerpen kort bezig houden. De brieven,
+bij voorbeeld, die tusschen sir Everard en den Baron, bij deze
+gelegenheid, werden gewisseld, ofschoon in hun soort, voorbeeldelooze
+staaltjes van welsprekendheid, moeten wij aan de meêdoogenlooze
+vergetelheid prijs geven. Ook kan ik u niet uitvoerig vertellen, hoe de
+waardige tante Rachel, niet zonder een kiesche en teerhartige
+toespeling op het door Rose gebrachte offer, waardoor haar
+bruidsdiamanten in handen van Donald Bean Lean gekomen waren, haar
+juweelkistje van een stel voorzag, dat de afgunst eener hertogin zou
+hebben kunnen opwekken. Verder zal de lezer de goedheid gelieven te
+hebben, om zich te verbeelden, dat Job Houghton en zijn vrouw
+behoorlijk verzorgd werden; hoewel men hun nooit aan het verstand heeft
+kunnen brengen, dat hun zoon op een andere wijze gevallen was, dan
+vechtende aan de zijde van zijn jongen meester; zoo dat Alick, die, als
+een voorstander der waarheid, menige noodelooze poging had gedaan, om
+hun de ware omstandigheden te verklaren, ten laatste bevel kreeg, geen
+woord meer van de zaak te reppen. Hij stelde zich echter schadeloos,
+door allerhande verhalen van wanhopige gevechten, afgrijselijke
+schavotstraffen en spook- en moordgeschiedenissen, waardoor hij de
+verbazing van den geheelen bediendenkring opwekte.
+
+Maar ofschoon deze gewichtige zaken zich, in een verhaal, spoedig laten
+vertellen, even als het verslag van een rechtsgeding in een nieuwsblad,
+zoo was echter, in weerwil van al den haast, dien Waverley maken kon,
+de tijd, door de rechterlijke behandeling gevorderd, gevoegd bij het
+oponthoud door de manier van reizen dier dagen oorzaak, dat er nog ruim
+twee maanden verliepen, eer Waverley, na Engeland verlaten te hebben,
+nog eens ten huize van den heer van Duchran afstapte, om de hand zijner
+verloofde bruid te vragen.
+
+De dag van de voltrekking zijns huwelijks werd op den zesden na zijn
+aankomst bepaald. De baron van Bradwardine, bij wien huwen, doopen en
+begraven feesten waren van hooge en plechtige beteekenis, voelde
+eenigen spijt, dat, de familie van Duchran daaronder begrepen, benevens
+al de naaste buren, die aanspraak konden maken om bij zulk een
+gelegenheid tegenwoordig te zijn, er niet meer dan dertig personen
+konden bijeen gebracht worden. „Toen hij zelf trouwde,” zeide hij,
+„waren er drie honderd geboren edellieden te paard, benevens hun
+bedienden, en nog een veertigtal Hooglandsche edelen, die nooit te
+paard zitten, tegenwoordig.”
+
+Maar zijn trots vond eenigen troost in het denkbeeld, dat, daar hij en
+zijn schoonzoon zoo kort geleden onder de wapens waren geweest tegen
+het bewind, het stof tot gegronde vrees en aanstoot aan de bestaande
+overheid zou kunnen geven, wanneer de vrienden, nabestaanden en
+verbondenen hunner huizen, zich als in optocht tot den krijg hier
+verzamelden, gelijk anders het oude gebruik van Schotland bij
+dergelijke gelegenheden medebracht. – „En zonder twijfel,” dus besloot
+hij met een zucht, „een groot aantal van diegenen, die zich het meest
+op deze gewenschte bruiloft zouden hebben verheugd, zijn òf vertrokken
+naar betere gewesten, òf zwerven thans rond als ballingen buiten hun
+vaderland.”
+
+Het huwelijk greep op den bepaalden dag plaats. De eerwaardige heer
+Rubrick, bloedverwant van den eigenaar der gastvrije woning, waar het
+gevierd werd, en kapelaan van den baron van Bradwardine, had het
+genoegen het jonge paar in te zegenen. Frans Stanley was
+bruigoms-jonker, daar hij zich, met dat oogmerk, bij Eduard gevoegd
+had, kort na diens aankomst te Duchran. Lady Emilia en kolonel Talbot
+waren voornemens geweest, de plechtigheid bij te wonen, doch, toen de
+tijd daar was, bleek het dat haar gezondheid haar niet veroorloofde
+zulk een verre reis te doen. Ter vergoeding daarvan werd er bepaald,
+dat Eduard Waverley en zijn echtgenoot, die, benevens den Baron, van
+plan waren terstond een bezoek op Waverley-Honour af te leggen, op hun
+tocht derwaarts eenige dagen zouden doorbrengen op een landgoed, dat
+kolonel Talbot, verlokt door den goedkoopen prijs, in Schotland had
+gekocht, en waar hij voornemens was eenigen tijd te verblijven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Dit is mijn eigen huis niet,
+ Of hemel, wat ’s ’t verfraaid!
+ Oud liedeke.
+
+
+De jonggehuwden reisden op een grooten voet. Daar was een koets met zes
+paarden, van het nieuwste fatsoen, die door haar luister de oogen van
+half Schotland verblindde, en door Sir Everard aan zijn neef geschonken
+was; daar was de familiekoets van den heer Rubrick, – beide waren vol
+dames; voorts heeren te paard, met hun bedienden, tot een twintigtal
+toe. En toch, zonder dat de vrees voor hongersnood hem bekroop, kwam de
+rentmeester Mackwheeble hun te gemoet met het onderdanig verzoek, wel
+zoo goed te willen zijn, om zijn huis, Klein Veolan, niet voorbij te
+gaan. De Baron zette groote oogen op en zeide, dat hij en zijn zoon
+niet in gebreke zouden blijven te Klein Veolan op te houden en hun
+compliment bij den rentmeester af te leggen: maar dat er niet aan te
+denken viel, om den geheelen comitatus nuptialis, of huwelijksstoet
+mede te brengen. Hij voegde er bij, dat, daar hij vernomen had dat de
+baronie door haar onwaardigen eigenaar was verkocht, hij zich
+verheugde, dat zijn oude vriend Duncan zijn post onder den nieuwen
+Dominus of eigenaar had terug gekregen. De rentmeester knikte, boog en
+strijkvoette, en drong daarna weder op zijn uitnoodiging aan, tot de
+Baron, ofschoon eenigzins gebelgd over het hardnekkig volhouden van
+zijn verzoek, niet nalaten kon het aan te nemen, zonder zekere
+gewaarwordingen te laten blijken, die hij liefst verbergen wilde.
+
+Hij verviel in diep nadenken, toen ze den ingang van de laan naderden,
+en werd alleen daarin gestoord door de opmerking, dat de kanteelen
+hersteld waren, de puinhoopen opgeruimd, en, wat nog het wonderlijkst
+van alles scheen, dat de twee groote steenen Beeren, deze verminkte
+afgoden, door hem aangebeden, hun post boven de poort weder hadden
+betrokken.
+
+„Nu, deze nieuwe eigenaar,” zeide hij tot Eduard, „heeft meer gusto
+getoond, zoo als de Italianen het noemen, in den korten tijd dat hij
+dit goed bezit, dan die hond van een Malcolm, hoewel ik hem zelf hier
+opkweekte, vita adhuc durante, verkregen heeft. – En nu ik van honden
+spreek, komen daar niet Ban en Buscar de laan afdraven, met Davie
+Gellatley?”
+
+„Ik stel voor, hun te gemoet te gaan, mijnheer; want ik geloof dat
+kolonel Talbot de tegenwoordige eigenaar van het huis is, en hij een
+bezoek van ons wacht. Wij aarzelden eerst om u te zeggen, dat hij uw
+oudvaderlijke bezitting had gekocht; en thans nog kunnen wij, indien
+gij niet verlangt hem te bezoeken, regelrecht naar den rentmeester
+gaan.”
+
+De Baron had thans behoefte aan al zijn grootmoedigheid. Hij haalde
+echter diep adem, nam met veel omslag een snuifje en maakte de
+opmerking, dat, daar ze hem zoo ver gebracht hadden, hij de deur van
+den kolonel niet kon voorbijgaan; hij zou zich gelukkig rekenen den
+nieuwen meester van zijn voormalige pachters te zien. Hij trad dus,
+even als de andere heeren en dames, het rijtuig uit, gaf zijn arm aan
+zijn dochter, en terwijl zij de laan opwandelden, wees hij haar aan,
+hoe spoedig de Diva Pecunia van den zuideling, – hij mocht haar wel
+diens beschermgodheid noemen, – alle sporen van verwoesting had doen
+verdwijnen.
+
+Inderdaad waren niet slechts de gevelde boomen weggeruimd, maar nadat
+men hunne stompen uitgegraven en de aarde rondom bespit en met gras
+bezaaid had was het blijkbaar, dat de sporen der vernieling, behalve
+voor een oog, dat van nabij met de plaats bekend was, reeds geheel
+uitgewischt waren. Er had een dergelijke hervorming plaats gehad met
+betrekking tot Davie Gellatleys uiterlijk, die hun te gemoet kwam en
+ieder oogenblik stilstond, om het nieuwe pak te bewonderen, dat zijn
+gestalte versierde, en van dezelfde kleuren was als eertijds, maar zoo
+fraai afgezet, dat Touchstone zelf [186] er gerust in had mogen voor
+den dag komen. Hij kwam aandansen met zijn gewone belachelijke
+sprongen, eerst naar den Baron, en toen naar Rose, terwijl hij met de
+handen over zijn kleederen streek en uitriep: „Schoon, Davie,” en
+nauwelijks in staat, door de buitensporige vreugde, die hem geheel
+buiten adem gebracht had, om een enkele slotrijm van zijn duizend en
+één liedjes uit te galmen. Desgelijks herkenden de honden hun ouden
+meester, met duizenderlei blijde sprongen.
+
+„Op mijn geweten, Rose, de dankbaarheid van die stomme dieren en van
+dien armen hals brengen mij de tranen in de oude oogen, terwijl die
+schelm van een Malcolm – maar ik heb verplichting aan kolonel Talbot,
+dat hij zoo goed voor mijn honden heeft gezorgd, en ook voor Davidje.
+Maar, Rose, wij moeten niet toelaten, dat zij het landgoed als met een
+lijfrente blijven bezwaren.”
+
+Terwijl hij sprak, kwam lady Emilia, aan den arm haars echtgenoots, het
+gezelschap aan de binnenpoort met duizend welkomstgroeten tegen. Nadat
+de plechtigheid der voorstelling van de onderscheidene personen voorbij
+was, niet weinig verkort door de voorkomendheid en uitnemende toon van
+lady Emilia, verontschuldigde zij zich dat zij zich een list
+veroorloofd had, om hen terug te brengen naar een plaats die licht
+eenige smartelijke herinneringen kon opwekken. „Maar daar deze van
+eigenaar moest veranderen, verlangden wij zeer dat de Baron – –”
+
+„De heer Bradwardine, mevrouw, als ’t u belieft,” zei de oude heer.
+
+„De heer Bradwardine dan, en de heer Waverley mochten zien, wat wij
+gedaan hebben, om het verblijf uwer vaderen in zijn vorigen toestand te
+herstellen.”
+
+De Baron antwoordde met een diepe buiging. Inderdaad, toen hij het
+voorplein opkwam, scheen – met uitzondering van de lompe stallen, die
+afgebrand en door gebouwen van een lichter en bevalliger voorkomen
+vervangen waren – alles zoo veel mogelijk in den toestand hersteld,
+waarin hij het verlaten had, toen hij, slechts eenige maanden geleden
+te velde getrokken was. Het duivenhok was op nieuw bevolkt; de fontein
+zond weder met haar gewone vlugheid een waterstraal naar boven, en niet
+alleen de beer, die over het bekken stond, maar al de oude beeren, hoe
+zij er ook hadden uitgezien, waren naar hunne plaatsen teruggebracht,
+en met zoo veel zorg verniewd of hersteld, dat zij geen sporen van het
+geweld droegen, hetwelk hen nog zoo kort geleden getroffen had. Daar
+men in deze kleinigheden zoo zorgvuldig te werk was gegaan, is het
+nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het huis zelf, zoowel als de
+tuinen, weder volkomen in orde gebracht waren, met inachtneming van het
+oorspronkelijke karakter van beide, en om, zoo veel mogelijk, alle
+sporen van de verwoesting weg te ruimen, die zij ondergaan hadden. De
+Baron staarde vol stille bewondering in het rond; eindelijk sprak hij
+kolonel Talbot aan.
+
+„Terwijl ik u mijn dank betuig voor de herstelling van het wapen van
+onze familie, kan ik niet nalaten mij te verwonderen, dat gij nergens
+uw eigen wapen hebt aangebracht, kolonel Talbot, dat, naar ik meen, een
+bulhond is, van ouds een „talbot” genoemd. Ten minste, zulk een hond is
+het wapen der krijgshaftige en beroemde graven van Shrewsbury, aan wie
+uwe familie waarschijnlijk in den bloede bestaat.”
+
+„Ik geloof,” zei de kolonel glimlachende, „dat onze honden, welpen zijn
+uit hetzelfde nest. Wat mij betreft, indien de wapens elkander den
+voorrang moesten betwisten, zou ik, zoo als het Engelsche spreekwoord
+zegt, „beeren en honden met elkander laten vechten.””
+
+Terwijl hij dit zeide, waarbij de Baron nogmaals een lang snuifje nam,
+waren zij het huis binnengetreden: namelijk, de Baron, Rose, en lady
+Emilia, met den jongen Stanley en den rentmeester; want Eduard en het
+overige gezelschap bleven op het terras, om een nieuwe oranjerie te
+bezichtigen, die van de uitgezochtste planten voorzien was. De Baron
+kwam op zijn geliefkoosd onderwerp terug: „Hoezeer het u behagen moge,
+de eer van uw afkomst te kort te doen, kolonel Talbot, hetgeen zeker
+een zonderlingheid is, zoo als ik bij meer heeren van aanzien en
+geboorte in uw land heb waargenomen, zoo moet ik nogmaals herhalen, dat
+het eer zeer oud en aanzienlijk wapen is, zoowel als dat van mijn
+jongen vriend, Frans Stanley, hetwelk bestaat in een arend en een
+kind.”
+
+„„De vogel en het jongetje”, wordt het in Derbyshire genoemd,
+mijnheer,” zei Stanley.
+
+„Ge zijt een spotvogel, mijnheer,” zei de Baron, die veel met den
+jongeling ophad, misschien omdat hij hem somtijds plaagde, – „Ge zijt
+een spotvogel, en ik moet u eens onder handen nemen,” terwijl hij hem
+met zijn groote bruine vuist dreigde. „Maar wat ik zeggen wilde,
+kolonel Talbot, is, dat uw prosapia, dat wil zeggen, afkomst, zeer oud
+is, en daar gij dit landgoed goed en wettig hebt verkregen voor uw
+nakomelingen, terwijl ik het voor mij en de mijnen verloren heb, zoo
+wensch ik, dat het even vele eeuwen in uw familie moge blijven, als het
+in die der vorige bezitters geweest is.”
+
+„Dat is inderdaad zeer beleefd, mijnheer Bradwardine, inderdaad zeer
+beleefd.”
+
+„En toch verwondert het mij zeer, kolonel, dat gij, van wien ik, toen
+wij elkander te Edinburgh ontmoetten, heb opgemerkt, dat de amor patriæ
+zelfs zoo ver ging, dat gij andere landen eenigzins minachttet,
+verkozen hebt uw Lares of huisgoden, te plaatsen procul a patriæ
+finibus, en in zekeren zin u uit uw vaderland te verbannen.”
+
+„Wel inderdaad, Baron, ik zie niet waarom, – door het geheim van deze
+dwaze knapen, Waverley en Stanley en van mijn vrouw, die geen zier
+wijzer is, te verzwijgen – waarom, zeg ik, de eene oude soldaat den
+ander langer om den tuin zou leiden. Gij moet dan weten, dat ik zoo
+zeer bezield ben met het vooroordeel ten gunste van mijn eigen land dat
+de som gelds, door mij tot den aankoop dezer uitgebreide baronie
+besteed, mij slechts een klein landgoed in **shire heeft bezorgd,
+Brerewood-lodge genaamd, met omtrent twee honderd en vijftig bunders
+land, en welks voornaamste verdienste daarin bestaat, dat het slechts
+op korten afstand van Waverley-Honour gelegen is.”
+
+„En wie dan, in ’s Hemels naam, heeft dit goed gekocht?”
+
+„De uitlegging hiervan,” zei de Kolonel, „is de zaak van dezen heer.”
+
+De rentmeester, op wien deze woorden betrekking hadden, had al gedurig
+van ongeduld van den een op den anderen voet staan springen, „even als
+een kuiken,” gelijk hij daarna zeide, „op een heeten rooster,” en
+terwijl hij van tijd tot tijd lachte, mocht hij er wel hebben
+bijgevoegd, gelijk de genoemde kip om haar blijdschap uit te kakelen,
+dat ze een ei leggen moest – de rentmeester dan trad nu vooruit. „Dat
+kan ik, dat kan ik – Baron;” en dit zeggende, haalde hij uit zijn zak
+een pak papier, en maakte het roode band los, met een hand die van
+ongeduld beefde. „Hier is de overdracht en afstand van Malcolm
+Bradwardine van Inchgrabbit, goed en degelijk geteekend, en bekrachtigd
+volgens de eischen der wet, waarbij hij voor zekere som, bij de
+overdracht en naar genoegen in ponden sterling betaald, verkocht,
+afstand gedaan en overgedragen heeft het geheele landgoed en de baronie
+van Bradwardine en Tully-Veolan, enz: met de huizinge en gebouwen –”
+
+„Om Gods wil, kom tot de zaak, mijnheer;” zei de Kolonel, „ik ken dit
+alles van buiten”
+
+„Aan den heer Cosmo Comyne Bradwardine,” vervolgde de rentmeester,
+„zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, eenvoudig en zonder meer – om
+gehouden te worden hetzij a me vel de me –”
+
+„Ik bid u, maak het kort, mijnheer!”
+
+„Op het geweten van een eerlijk man, Kolonel, ik bekort mij zoo veel
+als bestaanbaar is met den stijl. – Onder verband en behoudens echter
+–”
+
+„Mijnheer Mackwheeble, dit zou langer duren dan, een Russische winter –
+veroorloof mij! In het kort, mijnheer Bradwardine, uw familielandgoed
+is nog eenmaal het uwe in vollen eigendom, en wel ter uw volkomene
+beschikking, maar alleen belast met de betaalde som om het weêr in te
+koopen, die, naar ik vermeen, ver beneden de waarde is.”
+
+„Voor een appel en een ei! Kijkt, als ’t u belieft, mijne heeren, in
+het renteboek!” riep Mackwheeble, terwijl hij zich in de handen wreef.
+
+„En welke som,” voegde de Kolonel er bij, „voldaan zijnde door den heer
+Eduard Waverley, hoofdzakelijk uit de gelden van zijn, reeds genoemd en
+door mij van hem gekocht, vaderlijk eigendom, verzekerd wordt aan zijn
+vrouw, uw dochter en haar kinderen.”
+
+„Het is een formeele overdracht;” dus viel de rentmeester met zijn
+rechtsgeleerde taal weder in, „aan Rose Comyne Bradwardine, thans
+Waverley, als lijfrente en voor de kinderen van gezegd huwelijk in
+leen; en ik heb een kleine minuut voor een huwelijksvoorwaarde
+opgemaakt, intuitu matrimonii, zoodat het hierna niet aan terugneming
+onderworpen zijn kan, als een gifte inter virum et uxorem.”
+
+Het zou moeielijk te zeggen zijn, of de waardige Baron meer ingenomen
+was met het terugkrijgen van zijn familie-eigendom, dan wel met de
+kieschheid en edelmoedigheid, die hem vrij liet geheel zijn eigen wil
+te volgen, door er over te beschikken na zijn dood, en die zoo veel
+mogelijk zelfs den schijn vermeed, van hem geldelijke verplichtingen op
+te leggen. Toen de eerste opwelling van vreugde en verbazing een weinig
+geweken was, vielen zijn gedachten op den onwaardigen mannelijken
+erfgenaam, die, zoo als hij zeide, zijn geboorterecht, als Ezau, voor
+een schotel moes had verkocht.
+
+„Maar wie kookte de pot voor hem?” riep de rentmeester, „dat zou ik wel
+eens willen weten! – wie, dan mijnheers onderdanige Duncan Mackwheeble?
+De jonge mijnheer Waverley gaf het mij in handen van den beginne af –
+van den eersten aanleg af, mag ik wel zeggen. Ik heb hen in het net
+gekregen. Ik heb het hun gebakken. Ik heb hun van onze woeste boeren en
+van de Mac-Ivors gesproken, die nog maar gedeeltelijk tot onderwerping
+gebracht waren, totdat ze geen voet over den drempel durfden zetten,
+uit vrees voor John Heatherblutter, of soortgelijke waaghalzen. En van
+den anderen kant overblufte ik iedereen met kolonel Talbot. Zou iemand
+het durven ondernemen, om het goed op te jagen tegen den vriend des
+Hertogs? Wisten ze dan niet, wie thans meester was? Hadden ze niet
+genoeg gezien in het voorbeeld van menigen ongelukkigen, misleiden
+persoon –”
+
+„Die naar Derby ging, bij voorbeeld, mijnheer Mackwheeble?” fluisterde
+de Kolonel hem toe.
+
+„Stil, Kolonel, om ’s hemels wil! Haal geen oude koeien uit de sloot!
+Daar waren ook brave menschen te Derby, en,” dus besloot hij, „men
+spreekt niet graag van de galg,” – terwijl hij een zijdelingschen blik
+op den Baron wierp, die in gepeins verdiept stond.
+
+Op eens ontwaakte de Baron daaruit, nam Mackwheeble bij den knoop van
+zijn rok, en voerde hem naar een van de verste ramen, vanwaar slechts
+enkele woorden van hun gesprek het overige gezelschap bereikten. Het
+had gewis betrekking op gezegeld papier en perkament; want geen ander
+onderwerp, zelfs uit den mond van zijn patroon, en al was hij ook zelf
+weder een persoon van aanzien geworden, kon des rentmeesters eerbiedige
+en diepe aandacht zoo geboeid hebben.
+
+„Ik versta mijnheer volkomen; het kan even gemakkelijk worden gedaan,
+als iedere andere notarieele acte.”
+
+„Aan haar en hem, na mijn overlijden, en hun mannelijke erfgenamen –
+maar bij voorkeur aan den tweeden zoon, indien God hen met twee mag
+zegenen, die den naam en het wapen zal voeren van deze plaats, zonder
+eenigen anderen naam of wapen, hoedanig ook.”
+
+„Akkoord! Ik zal morgen een klein stukje opmaken: het zal maar een acte
+van afstand in favorem kosten, en ik zal het in orde brengen tegen de
+volgende zitting van het Hof.”
+
+Na dit afzonderlijk gesprek, werd de Baron geroepen, om de honneurs van
+Tully-Veolan jegens de nieuwe gasten waar te nemen. Deze waren majoor
+Melville van Cairnvreckan en de eerwaarde heer Morton, gevolgd door nog
+eenige bekenden van den Baron, die bericht ontvangen hadden, dat hij
+het landgoed zijner vaderen terug erlangd had. Ook liet zich het
+vreugdegejuich der dorpelingen beneden op het voorplein hooren; want
+Saunders Saunderson, die het geheim, gedurende verscheidene dagen, met
+loffelijke voorzichtigheid had bewaard, had zijn tong den vrijen teugel
+gelaten toen hij de rijtuigen zag aankomen.
+
+Maar, terwijl Eduard, Melville met beleefdheid, en den predikant met de
+dankbaarste en hartelijkste genegenheid ontving, werd zijn schoonvader
+een weinig verlegen, daar hij niet wist hoe hij zich van de
+onvermijdelijke plichten der gastvrijheid jegens zijn bezoekers zou
+kwijten en de vreugde zijner pachters verhoogen. Lady Emilia hielp hem
+uit dezen nood, door hem te kennen te geven, dat zij, ofschoon in vele
+opzichten zeker een slechte plaatsvervangster van mevrouw Eduard
+Waverley, evenwel hoopte de goedkeuring van den Baron te zullen
+wegdragen, met betrekking tot het onthaal waarvoor zij, in afwachting
+van zoo vele gasten, de noodige voorzorgen had genomen; en dat deze
+zich op een wijze zouden zien ontvangen, waardoor de eer der oude
+gastvrijheid van Tully-Veolan eenigermate zou worden opgehouden. Het is
+onmogelijk het genoegen te beschrijven, dat deze verzekering den Baron
+verschafte, die, met een galanterie, waarin iets van den stijven
+Schotschen edele en van den officier in Fransche dienst lag, zijn arm
+aan de schoone spreekster bood, en den tocht naar de ruime eetzaal
+opende, met een stap, die het midden hield tusschen een menuet en een
+marsch, terwijl hij door het overige gezelschap gevolgd werd.
+
+Door Saundersons aanwijzingen en inspanning, was alles hier, zoowel als
+in de andere vertrekken, zoo veel mogelijk op den ouden voet ingericht;
+en waar het noodzakelijk was geweest nieuw huisraad aan te brengen, was
+dit gekozen in denzelfden smaak als het oude. Er was echter iets nieuws
+in dit fraaije oude vertrek aangebracht, dat den ouden Baron de tranen
+uit de oogen perste. Het was een groote en schoone schilderij, Fergus
+Mac-Ivor en Waverley in hun Hooglandsche kleeding voorstellende; het
+tooneel verbeeldde een wilden, rotsachtigen bergpas, en op den
+achtergrond zag men den clan der Mac-Ivors in het dal afdalen. Deze
+schilderij was vervaardigd naar een schets, door een jong mensch van
+groot talent ontworpen, terwijl ze te Edinburgh waren, en levensgroot
+door een voornaam kunstenaar te Londen geschilderd. Raeburn zelf, wiens
+Hooglandsche opperhoofden allen op het doek schijnen te leven, had het
+onderwerp niet beter hebben kunnen behandelen en het vurige, trotsche
+en onstuimige karakter van het ongelukkige opperhoofd van Glennaquoich
+was goed in tegenstelling gebracht met de peinzende, afgetrokkene en
+dweepachtige uitdrukking van zijn gelukkiger vriend. Naast dit
+schilderstuk hingen de wapens, door Waverley in den ongelukkigen
+burgeroorlog gedragen. Het geheel droeg de algemeene bewondering weg,
+terwijl het tevens een nog diepere aandoening opwekte.
+
+Men moest nogtans, in weerwil van zoo veel bewondering en zulke
+herinneringen, de eischen der maag laten gelden; en de Baron, die zelf
+zich aan het lager einde der tafel zette, stond er op, dat lady Emilia
+de honneurs aan het hooger einde op zich zou nemen, om, gelijk hij zich
+uitdrukte, het jonge volk een betamelijk voorbeeld te geven. Na een
+oogenblik gepeinsd te hebben over de vraag omtrent den voorrang
+tusschen de Presbyteriaansche en de Episcopale kerk in Schotland,
+verzocht hij, dat de heer Morton, als vreemdeling, het gebed zou doen,
+terwijl hij er de aanmerking bijvoegde, dat de heer Rubrick, die te
+huis was; na tafel danken zou voor het uitstekende geluk waarmede hij
+gezegend was geworden.
+
+De maaltijd was uitnemend. Saunderson bediende in groot costuum, met al
+de mindere knechts, die men op nieuw vereenigd had, uitgenomen een
+paar, van wie men sedert den slag van Culloden niets had vernomen. De
+kelders waren van wijn voorzien, die algemeen als uitmuntend werd
+geprezen; en er was de noodige schikking gemaakt, dat de Beer van de
+Fontein, op de binnenplaats, voor dezen enkelen avond, goede
+brandewijnpunsch ten beste van de mindere klassen geven zou.
+
+Toen de maaltijd afgeloopen was, sloeg de Baron, terwijl hij een dronk
+wilde instellen, een min of meer treurigen blik op het buffet, dat
+echter het grootste gedeelte van zijn zilver bevatte, voor zoover het
+óf verborgen geweest, óf door den naburigen adel van de soldaten
+opgekocht, en met innige blijdschap aan den eersten eigenaar terug
+bezorgd was.
+
+„In deze tijden,” zeide hij, „moeten zij dankbaar zijn, die hun lijf en
+goed behouden hebben, en echter, nu ik dezen dronk wil uitbrengen, kan
+ik niet nalaten over het gemis van een oud erfstuk te klagen, lady
+Emilia – een poculum potatorium, kolonel Talbot –”
+
+Hier werd de Baron zachtjes aan den arm gestooten door zijn majordomo,
+en zag hij, in handen van Alexander Ab Alexandro, den beroemden beker
+van St. Duthac, den gezegenden Beer van Bradwardine! Ik geloof bijna
+niet dat het terug erlangen van zijn landgoed hem meer vreugde
+verschafte. „Op mijn eer, lady Emilia,” zeide hij, „men zou bijna in uw
+tegenwoordigheid aan heksenwerk en toovergodinnen gelooven.”
+
+„Ik ben recht gelukkig,” zei kolonel Talbot, „dat het, door het
+terugkrijgen van dit familie-erfstuk, in mijn macht geweest is, u een
+blijk te geven van mijn overgroote belangstelling in alles, wat mijn
+jongen vriend Eduard betreft. Maar, opdat gij lady Emilia niet voor een
+toovenares moogt houden, noch mij voor een heksenmeester, waarmede in
+Schotland niet te spotten valt, zoo moet ik u zeggen, dat de jonge
+Stanley, uw vriend, die, sedert hij Eduards verhalen van oud Schotsche
+zeden heeft gehoord, door een tartankoorts is geplaagd geweest, ons
+toevallig een beschrijving uit de tweede hand gegeven heeft van dezen
+merkwaardigen beker. Mijn knecht, Spontoon, die, als een echt oud
+soldaat, alles opmerkt en weinig spreekt, berichtte mij naderhand, dat
+hij het door Stanley vermelde stuk, gezien had in handen van zekere
+mevrouw Nosebag, die, daar ze eertijds een uitdragerij gehad had,
+gedurende de treurige tooneelen in Schotland, in de gelegenheid was
+geweest, om nog het een of ander in haar voormaligen handel te doen,
+waardoor ze de verzamelaarster was geworden van het kostbaarste
+gedeelte van den buit der halve armee. Gij kunt u verbeelden, dat de
+beker weêr spoedig ingekocht was, en het zal mij groot genoegen doen,
+indien gij mij vergunt het daarvoor te houden, dat de waarde er van
+niet verminderd is, omdat hij u uit mijn handen is terug bezorgd.”
+
+Een traan mengde zich onder den wijn, dien de Baron inschonk, terwijl
+hij een glas van dankbaarheid wijdde aan kolonel Talbot, en, „den
+voorspoed der vereenigde huizen van Waverley-Honour en Bradwardine.”
+
+Er blijft voor mij nog slechts te zeggen over, dat, daar nooit een
+wensch met inniger hartelijkheid geuit werd, er weinige zijn, die, de
+noodwendige wisselvalligheid der menschelijke zaken daargelaten, over
+het geheel, gelukkiger zijn vervuld geworden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN NASCHRIFT, DAT EEN VOORBERICHT HAD MOETEN ZIJN.
+
+
+Onze reis is nu geëindigd, waarde lezer, en indien gij alle geduld
+onder het lezen der voorgaande bladzijden niet verloren hebt, is het
+contract van uw zijde volkomen nageleefd. Evenwel, op het voorbeeld van
+den koetsier, die het bedongen geld voor zijn rid heeft ontvangen,
+verlaat ik u nog niet, en blijf ik nog een oogenblik bij u, om met alle
+mogelijke bescheidenheid een aanval te doen op uw edelmoedigheid, ten
+einde nog iets boven het bedongene te erlangen. Nogtans staat het u
+even zoo vrij het boek van den schrijver, die u met dit verzoek aan
+boord komt, weg te werpen, als de deur voor den neus van den koetsier
+dicht te slaan.
+
+Dit hoofdstuk had als voorbericht moeten dienen; maar om twee redenen
+heb ik besloten het deze plaats te doen innemen. Ten eerste: de meeste
+romanlezers, zoo als mijn eigen geweten mij zegt, zijn zeer geneigd
+zich aan het overslaan van een voorrede te bezondigen; ten andere, is
+het een algemeen gebruik bij deze klasse van lezers, om met het laatste
+hoofdstuk van een werk te beginnen; zoodat alles wel berekend, deze
+opmerkingen er juist te meer kans door loopen, om op de plaats waar zij
+behooren, gelezen te worden.
+
+Er is geen volk in Europa, dat in den loop van een halve eeuw, of iets
+minder, zulk een volslagene verandering heeft ondergaan als de
+Schotten. Onder de eerste oorzaken der veranderingen moeten de gevolgen
+van den opstand van 1745, de vernietiging van de patriarchale macht der
+clanhoofden en van het leenstelsel der Baronnen en des Laaglandschen
+adels gerekend worden; kortom, de geheele ondergang van de
+Jacobietische partij, die, daar zij zich niet met de Engelschen
+vereenigen, noch hun gebruiken wilde aannemen, er zich een geruimen
+tijd lang een punt van eer van maakte, de oude zeden en de Schotsche
+gebruiken te handhaven. De steeds toenemende rijkdom en de uitbreiding
+van den handel hebben er sedert toe medegewerkt, om de Schotten van
+onzen tijd evenzeer te doen verschillen van hun voorouders, als de
+hedendaagsche Engelschen geheel iets anders zijn dan zij, die onder
+koningin Elizabeth leefden. De gevolgen van al deze veranderingen,
+zoowel uit een staatkundig als uit een œconomisch oogpunt, zijn even
+talentvol als nauwkeurig door lord Selkirk beschreven; maar hoewel deze
+belangrijke omkeer vrij snel in zijn werk is gegaan, heeft die echter
+slechts trapsgewijze kunnen plaats grijpen, en even als zij, die met
+den loop van een diepen en rustigen stroom medegaan, bemerken wij de
+door ons gemaakte vorderingen niet, voordat wij onze oogen geslagen
+hebben op het reeds verwijderde punt, waarvan wij zijn uitgegaan.
+Diegenen onder onze tijdgenooten, die zich de laatste twintig of
+vijfentwintig jaren der achttiende eeuw kunnen herinneren, zullen de
+waarheid dezer bewering toestemmen, vooral als zij verbonden waren met
+een of ander lid der familiën, welke men in mijn jongenstijd „het volk
+van den ouden zuurdeesem” heette, uithoofde van hun onveranderlijke,
+ofschoon hopelooze getrouwheid aan het huis van Stuart. Dit ras is
+heden ten dage bijna geheel verdwenen, en met hen heeft men een aantal
+ontegenzeggelijk bespottelijke vooroordeelen, maar tevens ook
+verscheidene treffende voorbeelden van gastvrijheid en deugd, en van de
+aloude trouw der Schotten zien verloren gaan, benevens het bijzondere
+en belanglooze aankleven der grondbeginselen, die zij van hun vaderen
+hadden geërfd.
+
+Het toeval heeft gewild, hoewel ik niet onder de Hooglanders geboren
+ben – hetgeen tot verontschuldiging moge strekken voor de tallooze
+fouten, die ik begaan mocht hebben als ik mij van hunne taal bediend
+heb – dat ik de dagen mijner kindschheid en jongelingschap in het
+midden van zulke personen heb doorgebracht, als waarvan ik gesproken
+heb. Om eenige herinnering te bewaren van deze voormalige zeden en
+gewoonten, die ik bijna geheel en al heb zien uitsterven, heb ik in de
+uit de lucht gegrepen tooneelen en met geheel en al verdichte personen
+een gedeelte der gebeurtenissen afgeschilderd, die ik door diegenen had
+hooren vertellen, welke er een werkzaam aandeel in genomen hadden; en,
+in waarheid, de meest romantische gebeurtenissen van dit verhaal zijn
+juist die, welke op werkelijke feiten gegrond zijn. De wederkeerige
+dienstbewijzen tusschen een Hooglander en een hoofdofficier van het
+leger des konings, en de stoutmoedige wijze waarop deze zijn rechten
+deed gelden, om aan den eersten de van hem ontvangen goede dienst te
+vergelden, zijn letterlijk waar. Het gebeurde met het geweerschot is
+een dame van adellijke geboorte overkomen, die sedert is overleden, en
+door wie het heldhaftig antwoord werd gegeven, hier Flora in den mond
+gelegd. Geen edelman, die verplicht was na den slag van Culloden zich
+te verbergen, of hij kon even vreemde en even zonderlinge avonturen
+verhalen, als die ik mijnen helden heb laten weêrvaren: de vlucht van
+Karel Eduard zelve zou er het merkwaardigste en treffendste voorbeeld
+van opleveren.
+
+Alles wat den slag van Preston en de schermutseling van Clifton
+betreft, is ontleend aan de verhalen van ooggetuigen, die alles behalve
+van verstand misdeeld waren, en is nog eens getoetst aan de
+„Geschiedenis van den Opstand,” door wijlen den achtenswaardigen
+schrijver van „Douglas.” De Schotsche edellieden der Laaglanden en de
+hoofdpersonen zijn hier, niet als portretten van bepaalde personen,
+maar als typen der algemeene zeden van dit tijdperk weêrgegeven,
+waarvan ik in mijn jeugd eenige sporen heb gezien, terwijl de
+overlevering voor mij het ontbrekende heeft aangevuld.
+
+Het is mijn voornemen geweest die karakters te schilderen, niet door
+middel van een overdreven karikatuur van het volks-dialect, maar door
+hun gewoonten, hun zeden en hun gevoelens, ten einde van verre
+eenigszins te wedijveren met die bewonderenswaardige Iersche
+portretten, die wij te danken hebben aan mejufvrouw Edgeworth, en zoo
+geheel verschillend van die „stereotiepe Ieren” die, terwijl ze
+volmaakt op elkander geleken, sedert zoo langen tijd een plaats in het
+drama en den roman hebben ingenomen.
+
+Ik heb echter geen groot vertrouwen in de wijze, waarop ik mijn plan
+heb ten uitvoer gebracht. Ik was, inderdaad, zoo weinig over mijn werk
+voldaan, dat ik het ter zijde had gelegd, zonder er de laatste hand aan
+geslagen te hebben, en ik vond het slechts toevallig onder andere
+verloren papieren in een oude kast terug, waar het een aantal jaren had
+gelegen, toen ik in de laden daarvan naar het een of ander zocht,
+waaraan een vriend voor zijn vischtuig behoefte had. In dien
+tusschentijd zijn er over soortgelijke onderwerpen een paar werken
+verschenen, uit de pen gevloeid van twee dames, wier genie haar
+vaderland tot eere verstrekte; ik bedoel de Glenburnie van mevrouw
+Hamilton, en een latere Verhandeling over het bijgeloof in de
+Hooglanden. Maar het eerstgenoemde schildert ons slechts, ofschoon met
+een treffende waarheid, de zeden der landlieden in Schotland, terwijl
+het geestige werk van mevrouw Grant van Laggan, over onze
+volksoverleveringen, geheel en al iets anders is dan het verdichte
+verhaal, dat ik gepoogd heb zamen te stelten.
+
+Ik wenschte er mij van te overtuigen, dat mijn werk niet geheel
+onbelangrijk voor den lezer wezen zal. De ouden van dagen zullen er de
+tooneelen hunner jeugd in terugvinden, terwijl het jongere geslacht
+zich er een denkbeeld door zal kunnen vormen van de zeden onzer
+voorouders.
+
+Evenwel spijt het mij van harte, dat de afschildering van dit tafereel
+der zeden en gewoonten van ons land, die hoe langer hoe meer verloren
+gaan, niet aan de pen was opgedragen van den Schotschen schrijver, die
+er zich alleen met goed gevolg van had kunnen kwijten – van dien zoo
+voortreffelijken schrijver op het gebied dezer soort van literatuur, en
+wiens schetsen van kolonel Caustie en van Umphraville zoo geheel
+overeenkomstig zijn met de schoonste trekken van ons volkskarakter. Ik
+zou in dat geval meer genoegen gesmaakt hebben als lezer, dan ik ooit
+als auteur zal smaken, in het volle gevoel van gelukkig geslaagd te
+zijn, – wel te verstaan, indien de voorgaande bladzijden mij die zoo
+gewenschte onderscheiding verschaffen. Maar terwijl ik reeds van de
+aangenomen gewoonte ben afgeweken door deze opmerkingen aan het einde
+van het werk te plaatsen, dat ze mij heeft ingegeven, waag ik het
+nogmaals den vorm te schenden, door het geheel te besluiten met een
+opdracht.
+
+
+
+ DEZE BOEKDEELEN
+
+ WORDEN EERBIEDIG OPGEDRAGEN
+ AAN
+ ONZEN SCHOTSCHEN ADDISON,
+
+ HENRY MACKENZIE,
+
+ DOOR
+ EEN ONBEKEND BEWONDERAAR
+ VAN ZIJN GENIE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN OP WAVERLEY.
+
+
+Aanteekening A, Deel I, bl. 22: De terugkomst van den kruisvaarder.
+
+Er bestaat een familie-legende over dit onderwerp, en wel in betrekking
+tot de familie van Brajshaigh, de eigenaars van Haig-hall in
+Lancashire, waar, naar mij verhaald is, het gebeurde op een beschilderd
+raam is afgebeeld. De Duitsche ballade „van den edelen Moringer” heeft
+een dergelijken oorsprong. Maar ongetwijfeld hebben er een aantal
+soortgelijke voorvallen plaats gehad, waar, natuurlijk door den grooten
+afstand en het weinige verkeer, valsche berichten in omloop moesten
+komen omtrent het lot van afwezige kruisvaarders, en aan welke
+tijdingen te huis misschien wat al te haastig geloof werd geslagen.
+
+
+Aanteekening B, Deel I, bl. 33: Titus Livius.
+
+Men verhaalt, dat dezelfde liefde voor dezen klassieken schrijver
+werkelijk, als in den roman, door een ongelukkigen Jacobiet van dat
+noodlottig tijdsgewricht werd aan den dag gelegd. Hij was uit zijn
+gevangenis ontsnapt, waarin hij na een haastig verhoor en voor een
+zekere veroordeeling was opgesloten, en werd op nieuw gevat, terwijl
+hij rondom de gevangenis zelve doolde, zonder daarvoor een andere reden
+op te geven dan dat hij bezig was met naar zijn geliefkoosden door hem
+verloren Titus Livius te zoeken. Het smart mij er te moeten bijvoegen,
+dat zoo veel eenvoud niet voldoende was om zijn misdaad als
+opstandeling te verontschuldigen: hij werd gevonnisd en ter dood
+gebracht.
+
+
+Aanteekening C, Deel I, bl. 36: Nicolaas Amhurst.
+
+Nicolaas Amhurst, een beroemd staatkundig schrijver, die gedurende een
+aantal jaren bestuurder was van een blad, de Craftsman, onder het
+pseudoniem van Caleb van Antwerpen. Hij was de Jacobietische partij
+toegedaan, en bestreed met vrij wat bekwaamheid de aanvallen van
+Pulteney tegen Sir Robert Walpole. Hij stierf in 1742, door zijn
+machtige beschermers verloochend en verlaten, in de grootste armoede.
+
+„Amhurst overleefde den val van Walpole’s macht, en had reden een
+vergoeding te wachten. Indien wij Bolingbroke al verontschuldigen, die
+slechts het wrak van zijn fortuin gered had, zou het moeielijk vallen
+Pulteney te rechtvaardigen, die dezen man zoo gemakkelijk een
+aanzienlijk inkomen had kunnen verschaffen. Zijn edelmoedigheid jegens
+Amhurst bepaalde zich tot een okshoofd rooden wijn. Men verhaalt, dat
+hij van verdriet stierf en op kosten van den rijken drukker Richard
+Franklin begraven werd.” (Overzicht van Lord Chesterfields karakters.)
+
+
+Aanteekening D, Deel I, bl. 37: Kolonel Gardiner.
+
+Ik heb nu in den tekst den naam voluit gegeven van dezen uitstekenden
+en dapperen man, en ik laat hier een afschrift volgen van zijn
+opmerkenswaardig onderhoud, zoo als dit door Dr. Doddridge wordt
+medegedeeld:
+
+„Deze merkwaardige gebeurtenis,” zegt de vrome schrijver, „greep
+omstreeks het midden van Juli 1719 plaats. De Majoor had den avond in
+vroolijk gezelschap doorgebracht (en bedrieg ik mij niet, dan was het
+een Zondagavond) en had een ongelukkige bijeenkomst met een gehuwde
+dame, die hem precies te middernacht wachtte. Men scheidde ten elf ure,
+en de Majoor, die het niet voegzaam achtte vóor het bepaalde uur zijn
+opwachting te gaan maken, ging naar zijn kamer om den tijd te dooden,
+misschien wel met een of ander prettig boek of op een andere wijze.
+Maar het toeval wilde, dat hij een godsdienstig boek greep, dat zijn
+moeder of tante buiten zijn weten in zijn koffer gestoken had. Zoo ik
+mij wel herinner, was het „de Christelijke soldaat, of de Hemel
+stormenderhand ingenomen,” door den heer Thomas Watson geschreven. Daar
+hij zich, volgens den titel, voorstelde hier eenige zinsneden te
+vinden, die zijn beroep in een belachelijk daglicht stelden, besloot
+hij het te doorloopen, maar zonder er veel acht op te slaan. Evenwel
+maakte dit achteloos in de hand gehouden boek, op zijn geest – de Hemel
+weet hoe! – zulk een indruk, dat een aantal allergelukkigste en
+gewichtige gevolgen daaruit voortvloeiden. Eerst meende hij, dat dit
+boek door een wonderbaarlijk licht beschenen werd, dat hij aanvankelijk
+geloofde van de kaars te komen; maar, toen bij de oogen opsloeg, scheen
+het hem tot zijn groote verbazing, alsof hij vóor zich een zichtbaar
+beeld van onzen Heer Jezus Christus aan het kruis, en door een
+straalkrans omgeven, zag zweven; het was hem als hoorde hij een stem,
+of iets dat op een stem geleek, die tot hem zeide (want hij was niet al
+te zeker van de woorden): „Ach, zondaar! heb ik zoo veel voor u geleden
+en vergeldt ge mij op deze wijze!” Door zulk een vreemde verschijning
+getroffen, bleef hij een tijdlang in sprakelooze verbazing zitten, hij
+viel achterover in zijn stoel en werd geheel bewusteloos, zonder dat
+hij zich herinneren kon, hoe lang die toestand geduurd had.”
+
+„Wat dit gezicht betreft,” zegt de schrandere Dr. Hibbert, „zoo kunnen
+de verschijning van onzen Zaligmaker aan het kruis en de indrukwekkende
+woorden niet anders worden verklaard dan als de herinnering van eenige
+beelden, die waarschijnlijk hun ontstaan te danken hadden aan deze of
+geene stichtelijke zaken, die de Kolonel bij eene of andere gelegenheid
+gelezen of gehoord zal hebben. Hoe het kwam dat deze denkbeelden zoo
+treffend als werkelijke indrukken werden voorgesteld, kunnen wij, uit
+gebrek aan bescheiden, niet verklaren. Dit vizioen had echter de
+gewichtigste gevolgen wat het geloof van den Christen aangaat –
+namelijk de bekeering van den zondaar. Ook heeft nooit een op zich zelf
+staand verhaal misschien meer dan dit bijgedragen om het bijgeloof te
+versterken, dat dergelijke verschijningen niet kunnen plaats hebben,
+zonder den wil van God.” Dr. Hibbert voegt er in een noot bij: „Korten
+tijd voor dit vizioen had de Kolonel een geweldigen val van zijn paard
+gedaan. Hadden zijn hersens dus misschien iets door den schok geleden,
+waardoor hij een aanleg tot deze illusiën kon verkregen hebben?”
+(Hibbert’s Philosophie der vizioenen en verschijningen, Edinburgh,
+1824, bl. 190).
+
+
+Aanteekening E, Deel I, bl. 38: Schotsche herbergen.
+
+Nog in mijn jeugd wachtten zekere oude Schotsche herbergiers altijd een
+beleefde uitnoodiging om het maal met den reiziger te deelen, of ten
+minste den drank, dien hij gevraagd had. Ter belooning daarvan was de
+waard altijd uitstekend op de hoogte van de nieuwtjes van het land en
+daarbij dikwerf origineel. Bij de herbergiers in Schotland kwamen
+tamelijk algemeen al de zorgen voor het huishouden en de bediening op
+de arme vrouw neder. Eertijds leefde er te Edinburgh iemand van zeer
+goede familie, die zich wel verwaardigde, als middel van bestaan, in
+naam de eigenaar te zijn van een koffijhuis, een der eersten die in de
+Caledonische hoofdstad geopend werden. Volgens het gebruik werd het
+geheel en al bestuurd door de zorgzame en ijverige mevrouw B–, terwijl
+haar echtgenoot zich met jagen en visschen afgaf, zonder zich in het
+minst om de zorgen voor zijn huis te bekreunen. Op zekeren dag, dat er
+brand in het koffijhuis ontstaan was, kwam men den man op straat tegen,
+met zijn geweer en zijn vischtuig bij zich: hij antwoordde met een kalm
+gelaat aan iemand, die hem naar den welstand zijner vrouw vroeg, „dat
+de arme huisvrouw bezig was wat kookgereedschap en voddige boeken te
+redden.” Deze voddige boeken waren de kasboeken van zijn inrichting.
+
+In de dagen mijner jeugd werd ook nog door een aantal oude Schotten
+onder de vermaken der reis gerekend, dat van met den waard te kunnen
+kouten. Deze geleek dikwijls, door zijn geestigheid, op den waard uit
+den Kouseband in de Vroolijke vrouwtjes van Windsor, of op Blague van
+„de George” in De Duivel van Edmonton. Somtijds nam de kasteleines deel
+aan het gesprek. In elk geval was men verplicht haar behoorlijke
+oplettendheid te bewijzen, uit vrees van een onvriendelijke
+behandeling, kwinkslag of steek onder water, zoo als uit het volgende
+blijken zal.
+
+Een flinke vrouw, die, geen zestig jaar geleden, de grootste herberg
+van Greenlaw, in het graafschap Berwick, hield, had de eer dat een zeer
+achtenswaardige geestelijke met drie zoons, die hetzelfde herderlijk
+ambt bekleedden, onder haar dak zijn intrek nam. In het voorbijgaan zij
+gezegd, dat geen van vieren zeer krachtige redenaren waren. Na het eten
+vroeg de waardige predikant, in den trots van zijn hart, aan jufvrouw
+Buchan, of ze ooit zulk een gezelschap bij zich ontvangen had. „Hier
+ziet ge in mij een predikant in dienst van de kerk van Schotland, en in
+mijn drie zonen dáar eveneens dienaren dier zelfde kerk. – Ge zult
+moeten bekennen, moeder Buchan, dat ge vroeger nooit zulk een
+gezelschap in uw huis gehadt hebt,” Deze vraag was niet voorafgegaan
+door een uitnoodiging om plaats en een glas wijn of iets anders te
+nemen, zoodat jufvrouw Buchan hem droogjes antwoordde: „Inderdaad,
+mijnheer, ik kan niet voor zeker zeggen, dat ik dergelijk gezelschap in
+mijn huis heb gehad, behalve eenmaal, in het jaar 1745, toen ik een
+Hooglandschen doedelzakspeler hier had, met zijn drie zonen, ook
+doedelzakspelers zoo als hij, en wat drommel, ze konden met hun vieren
+geen enkelen flinken toon er uitbrengen.”
+
+
+Aanteekening F, Deel I, bl. 42: Huis van Tully-Veolan.
+
+Er is geen bepaald landhuis beschreven onder den naam van Tully-Veolan;
+maar de bijzonderheden der beschrijving treft men in verscheidene oude
+Schotsche kasteelen aan. Het Huis van Warrender op Burntsfield Links,
+en dat van Oud-Ravelston, het eerste het eigendom van Sir George
+Warrender, het ander van Sir Alexander Keith, hebben beide een aantal
+punten opgeleverd voor de beschrijving in den tekst. Het huis van Dean,
+nabij Edinburgh, heeft eveneens eenige overeenkomst met Tully-Veolan.
+Men heeft den schrijver evenwel bericht, dat het Huis van Grandtully,
+meer dan éen der hier bovengenoemde, op dat van den baron van
+Bradwardine gelijkt.
+
+
+Aanteekening. G, Deel I, bl. 43: Tuin van Tully-Veolan.
+
+Te Ravelston treft men zulk een tuin aan, dien de smaak van den
+eigenaar, des schrijvers vriend en bloedverwant, Sir Alexander Keith,
+met zorg heeft onderhouden. De tuin, zoowel als het huis, zijn echter
+niet zoo groot van omvang als die van den baron van Bradwardine.
+
+
+Aanteekening H, Deel I, bl. 47: Huisnarren.
+
+Ik weet niet hoe lang het oude gevestigde gebruik van het houden van
+narren in Engeland reeds in onbruik is. Swift heeft een grafschrift op
+den nar van den graaf van Suffolk, „Wiens naam was Dickie Pearce.”
+
+In Schotland bleef dit gebruik nog tot op het laatst der vorige eeuw in
+zwang. Op het kasteel van Glammis heeft men de kleeding bewaard van een
+der narren, die zeer schoon en met een aantal bellen voorzien is. Het
+is niet meer dan dertig jaren geleden, dat zulk een wezen naast een
+edelman van den eersten rang in Schotland stond, en nu en dan zich in
+het gesprek mengde; tot hij de scherts te ver dreef, door een
+huwelijksvoorstel te doen aan een der jonge dames van de familie, en de
+publieke afkondiging daarvan tusschen haar en hem in de kerk.
+
+
+Aanteekening I, Deel I, bl. 51: Episcopale kerk van Schotland.
+
+Na de omwenteling van 1688, en bij sommige gelegenheden, als de toorn
+der Presbyterianen op een ongewone wijs tegen hun tegenstanders was
+opgewekt, stonden de Episcopaalsche geestelijken, die hoofdzakelijk
+„non-jurors” waren, er aan bloot om door het volk, zoo als wij nu
+zouden zeggen, of door het janhangel, gelijk de uitdrukking toen
+luidde, voor hun staatkundige ketterijen te worden gestraft. Maar in
+weerwil dat de Presbyterianen in den tijd van Karel II en dien zijns
+broeders tot het uiterste vervolgd werden, werd er geen grooter kwaad
+bedreven dan soortgelijk gering geweld, als waarvan de tekst gewag
+maakt.
+
+
+Aanteekening K, deel I, bl. 54: De afscheidsdronk.
+
+Ik moet hier opteekenen, dat in mijn jeugd de in den tekst vermelde
+wijze om drinkgelagen te houden, nog altijd in Schotland in gebruik
+was. Na van zijn gastheer afscheid genomen te hebben, ging men
+doorgaans den avond besluiten in de herberg of het dorp. Hij, die
+ontvangen had, vergezelde zijn gasten altijd derwaarts om deel te nemen
+aan den afscheidsdronk, hetgeen veelal aanleiding tot een zwelgpartij
+gaf.
+
+De Poculum Potatorium van den braven Baron, zijn welgezegende Beer,
+vindt zijn prototype op het oude en schoone kasteel van Glammis, zoo
+rijk aan herinneringen van den ouden tijd. Het is een van massief
+zilver, vergulde beker, in de gedaante van een leeuw, die ongeveer een
+halve flesch wijn kan bevatten. De vorm van dezen beker zinspeelt op
+den naam van de familie der Strathmores Lyon („Leeuw,”) en telkenmale
+als hij voor den dag wordt gehaald, is men verplicht dien te ledigen op
+de gezondheid van den graaf. De schrijver moest misschien eenige
+schaamte gevoelen bij de mededeeling, dat hij de eer heeft gehad den
+inhoud van den Leeuw te ledigen, en de herinnering aan die heldendaad
+was de aanleiding tot de geschiedenis van den beer van Bradwardine. In
+de familie der Scotts van Thirlestane (niet van Thirlestane in het
+Woud, maar de plaats van denzelfden naam in Roxburgshire) heeft men
+langen tijd een beker van gelijken aard in den vorm van een laars
+bewaard. Iedere gast was verplicht dien voor zijn vertrek te ledigen.
+Indien de gast den naam van Scott voerde, was de verplichting dubbel
+heilig.
+
+Wanneer de kastelein aan zijn gasten den deoch an doruis aanbood, dat
+wil zeggen, den dronk aan de deur, of den afscheidsdronk, werd deze
+niet op de rekening gebracht. Een geleerde baljuw van Forfar heeft
+omtrent dit punt een zeer kras vonnis uitgesproken.
+
+A., een tapster in Forfar, had haar bier gebrouwen, en den drank voor
+de deur gezet om dien te laten afkoelen. De koe van B, een buur van A,
+kwam er langs, en liet zich op het zien van het brouwsel verlokken, om
+er van te proeven en dronk het op. Toen A. haar bier kwam halen, vond
+ze de kuip leêg, en ziende hoe vreemd de koe keek en liep, begreep zij
+op welke wijze het bier verdwenen was. Zij begon met zich te wreken
+door, met een stok de ribben der Schotsche Io te streelen. Het loeien
+der koe deed B., haar eigenaar, toeschieten, die zijn vergramde
+buurvrouw met geen geringe verwijten overlaadde; de kasteleines
+beantwoordde dit weder met den eisch van schadeloosstelling voor het
+bier door de koe opgedronken. B. weigerde, en werd gedagvaard voor C.,
+den baljuw of magistraat. C. hoorde met het meeste geduld het verhaal
+aan, en vroeg vervolgens aan de aanklaagster A., of de koe was gaan
+zitten om te drinken, dan wel of ze het bier staande gebruikt had. De
+aanklaagster antwoordde, dat zij het feit niet had zien bedrijven, maar
+wel veronderstelde, dat de koe gedronken had, staande op haar pooten,
+terwijl zij er bijvoegde, dat, indien zij er bij tegenwoordig was
+geweest, zij haar wel wat anders zou geleerd hebben. Daarop verklaarde
+de baljuw plechtig, dat de koe de deoch an doruis of den afscheidsdronk
+had gebruikt, waarvoor men niets kon eischen zonder de oude Schotsche
+gastvrijheid te schenden.
+
+
+Aanteekening L, Deel I, bl. 69: Tooverij.
+
+Men verhaalt, dat de laatst medegedeelde gebeurtenis in het zuiden van
+Schotland heeft plaats gegrepen; maar – cedant arma togæ – en laat de
+tabberd ook zijn eer! Het was een bejaard geestelijke, die verstand en
+kracht genoeg bezat om den panischen schrik weerstand te bieden,
+waardoor zijn collega’s waren aangetast, en die een arm krankzinnig
+schepsel verloste van het wreede lot, dat haar anders ontegenzeggelijk
+zou getroffen hebben. De verslagen der heksenprocessen vormen een der
+betreurenswaardigste hoofdstukken in de Schotsche geschiedenis.
+
+
+Aanteekening M, Deel I, bl. 71: Sprekende wapens.
+
+Ofschoon het sprekend blazoen algemeen afgekeurd wordt, schijnt het
+echter in de wapens en deviezen van een aantal aanzienlijke familiën te
+zijn aangenomen. Zoo is het devies der Vernons. Ver non semper viret,
+een, volmaakte woordspeling, even als dat der Onslows, Festina lente.
+Op het Periissem ni per-iissem der Anstruthers kan dezelfde aanmerking
+worden toegepast. Een lid van dat oude geslacht, bevindende dat een
+tegenstander, dien hij tot een vriendschappelijke bijeenkomst had
+uitgenoodigd, besloten had deze gelegenheid waar te nemen, om hem te
+vermoorden, kwam dit voor, door dezen den schedel met een strijdbijl te
+klooven. Twee stevige armen, die zulk een wapen zwaaien, vormen het
+gewone helmsieraad van de familie, met het daarboven geplaatste devies
+– Periissem ni periissem. („Ik zou gedood zijn, als ik het niet
+doorgezet had.”)
+
+
+Aanteekening O, Deel I, bl. 90: Rob Roy.
+
+Bijna hetzelfde avontuur is wijlen den heer Abercromby van Tully Rody,
+grootvader van den tegenwoordigen lord Abercromby en vader van den
+beroemden Ralph, overkomen. Toen deze edelman, die een zeer hoogen
+ouderdom bereikte, zich voor het eerst in het graafschap Stirling
+vestigde, werd zijn vee verscheidene malen door den beruchten Rob Roy,
+of eenige manschappen zijner bende weggevoerd. Hij was ten laatste
+verplicht, nadat hij een vrijgeleide verkregen had, bij den roover een
+bezoek, gelijk aan het door Waverley aan Bean Lean gebrachte, af te
+leggen. Rob ontving hem allerhoffelijkst, en maakte allerlei
+verontschuldigingen over het gebeurde: het was, zeide hij, het gevolg
+eener vergissing. De heer Abercromby werd evenzeer onthaald op
+runderlappen van zijn eigen ossen, die bij de pooten in het hol waren
+opgehangen. Daarop werd hij vrijgesteld, na een overeenkomst te hebben
+aangegaan om in het vervolg een kleine som bij wijze van schatting te
+betalen, waartegen Rob Roy zich verbond zijn vee te ontzien, en zelfs
+datgene wat andere roovers mochten wegvoeren, te vergoeden. De heer
+Abercromby zeide, dat Rob Roy zich voordeed alsof hij hem voor een
+aanhanger van koning Jacobus, en een volslagen vijand van de Unie
+hield. Het een noch het ander was overeenkomstig de waarheid; maar de
+gast achtte het niet noodig zijn gastheer uit dien waan te brengen, uit
+vrees van in zulk een toestand in een politieken redetwist gewikkeld te
+worden. Ik heb deze anekdote uit den mond van den heer Abercromby
+zelven, die er in betrokken was, eenige jaren geleden (omstreeks 1792)
+gehoord.
+
+
+Aanteekening P, Deel I, bl. 95: De vroolijke galg van Crieff.
+
+Deze beruchte galg bestond nog, in de vorige eeuw, aan het westelijke
+uiteinde der oude stad Crieff, in het graafschap Perth. Wij zouden den
+lezer niet met zekerheid kunnen zeggen, waarom zij den naam van de
+„vroolijke galg” droeg, maar men beweert, dat de Hooglanders er niet
+langs gingen zonder de muts af te nemen voor een plaats, die voor zoo
+velen hunner landgenooten noodlottig was geweest en niet zonder uit te
+roepen: „God zegene hen en de duivel hale u!” Men heeft haar daarom dus
+„vroolijke of goed” kunnen noemen, daar zij een soort van natuurlijke
+of aangeboren plaats des verderfs was voor hen die er stierven, alsof
+zij daarmede hun natuurlijke bestemming bereikt hadden.
+
+
+Aanteekening Q, Deel I, bl. 97: De Caterans.
+
+De geschiedenis van den bruigom, die op zijn huwelijksdag door de
+roovers werd weggevoerd, is gegrond op een verhaal, dat wijlen de heer
+van Mac-Nab, een aantal jaren geleden, den schrijver mededeelde. Het
+was een gewone practijk der Hooglanders, lieden uit de Laaglanden op te
+lichten en een losgeld voor hen te eischen, evenals, naar men zegt, nog
+heden ten dage, in het zuiden van Italië door de bandieten gedaan
+wordt. In het bedoelde verhaal lichtte een rooverbende den bruidegom
+op, en voerde hem naar een hol in den berg Schihallim. De jonkman werd
+er door de kinderziekte aangetast, alvorens men het over zijn losprijs
+was eens geworden; en dank zij de frissche berglucht, of wel het
+volslagen gebrek aan een geneesheer, de gevangene genas. Zijn losgeld
+werd betaald; hij werd aan zijn betrekkingen en bruid teruggegeven,
+maar hij beschouwde de Hooglandsche roovers altijd als de redders van
+zijn leven, door de wijze waarop zij hem gedurende zijn ziekte
+behandeld hadden.
+
+
+Aanteekening R, Deel I, bl. 101: Wederinkoop van Schotsche verbeurd
+verklaarde goederen.
+
+Dit gebeurde bij verschillende gelegenheden. Inderdaad werden er eerst
+na de geheele vernietiging van den invloed der clans, na 1745 koopers
+gevonden, die een goeden prijs boden voor de in 1715 verbeurd
+verklaarde goederen, welke toen te koop werden geboden door de
+schuldeischers van de Yorksche bouw-maatschappij, die een grooter of
+kleiner gedeelte tegen een vrij lagen prijs van het gouvernement had
+gekocht. Zelfs stelden later, even als op het eerst vermelde tijdstip,
+de vooroordeelen van het publiek, ten gunste van de erfgenamen der
+familiën, wier goederen waren verbeurd verklaard, den koopers van zulk
+een eigendom een aantal hinderpalen in den weg.
+
+
+Aanteekening S, Deel I, bl. 102: Hooglandsche Staatkunde.
+
+De aan Mac-Ivor toegeschreven staatkunde was werkelijk die van de
+meeste Hooglandsche Opperhoofden, en vooral van den beroemde lord
+Lovat, die deze sluwheid tot het uiterste dreef. De heer van Mac – was
+ook kapitein eener onafhankelijke compagnie, maar bij hem woog het goud
+der soldij veel te zwaar om weggeworpen te worden voor de Jacobietische
+zaak. Zijn krijgszuchtige echtgenoote riep zijn clan te wapen, en
+stelde er zich in 1745 aan het hoofd van. Maar het Opperhoofd zelf
+wilde zich niet met den strijd inlaten, terwijl hij zich voor dien
+Koning en voor geen ander verklaarde, die den heer van Mac – een guinje
+daags gaf.
+
+
+Aanteekening T, Deel I, bl. 105: Hooglandsche krijgstucht.
+
+Ter verklaring der krijgshaftige oefeningen op het kasteel van
+Glennaquoich, verzoekt de schrijver verlof om op te merken, dat de
+Hooglanders niet slechts de behandeling van sabel en geweer kenden,
+benevens al die oefeningen, waarbij kracht en vlugheid een vereischte
+zijn, even als in geheel Schotland, maar daarenboven nog in een andere
+soort van excercitie bedreven waren, overeenkomstig hun kleeding en hun
+wijze van oorlogvoeren. Zij hadden, bij voorbeeld, een aantal wijzen om
+hun plaid te dragen: éen wanneer zij rustig voorttrokken; een andere
+wanneer zij geloofden dat er eenig gevaar te duchten was; nog weder een
+andere om er zich in te wikkelen, wanneer zij meenden in te kunnen
+slapen zonder gestoord te worden; en wederom een andere wijze om bij
+het minste alarm te kunnen oprijzen met pistool en zwaard in de hand.
+
+Vóor 1720, of daaromstreeks, was de plaid en ceintuur die, welke het
+meest algemeen werd gedragen; het was een plaid, waarvan dat gedeelte,
+hetwelk om het lijf sloot, en dat hetwelk over den schouder werd
+geworpen, uit éen stuk waren. Bij een wanhopigen aanval werd de plaid
+weggeworpen; dan rukte de clan voorwaarts zonder andere bedekking dan
+het buis en een kunstige schikking van het hemd, dat, even als dat der
+Ieren, altoos zeer ruim was, en de sporran-mollach, of tas van
+geitenvel.
+
+De behandeling van den dolk en het pistool maakte ook een deel uit der
+krijgsoefeningen van den Hooglander, die de auteur door lieden heeft
+zien ten uitvoer brengen, welke het in hunne jeugd geleerd hadden.
+
+
+Aanteekening U, Deel I, bl. 107: Afkeer der Schotten van
+varkensvleesch.
+
+Varkensvleesch, onder welken vorm ook, werd nog niet veel jaren geleden
+door de Schotten veracht; heden is het evenmin een geliefkoosd voedsel
+bij hen: Koning Jacobus bracht dit vooroordeel naar Engeland over, en
+men weet van hem, dat hij even grooten afkeer van varkensvleesch had
+als van tabak. Ben Jonson heeft deze bijzonderheid aan de vergetelheid
+ontrukt, waar de gemaskerde heiden, terwijl hij de hand van den Koning
+onderzoekt, zegt:
+
+
+ „maar o, ’t spreekt uit deez lijn:
+ Gij houdt veel van een paard en hond, maar geenszins van een
+ zwijn.”
+
+
+Het door Jacobus aan den Duivel toegedachte maal bestond uit een stuk
+spek en den kop van een stokvisch, met een pijp tabak voor de
+spijsvertering.
+
+
+Aanteekening X, Deel I, bl. 107: Een Schotsche tafel.
+
+Door het verzamelen van zulk een groot aantal personen van alle rangen
+aan dezelfde tafel, die echter allen niet dezelfde spijzen nuttigden,
+leefden de Opperhoofden een gebruik na, dat eertijds algemeen in
+Schotland in zwang was. „Ik zelf,” zegt een reiziger, Fynes Morrison,
+die op het einde der regeering van koningin Elizabeth leefde, waar hij
+van de Laaglanden gewaagt, toen hij er zich in die dagen bevond, „ik
+zelf werd bij een ridder genoodigd, die een aantal knechts had om hem
+te bedienen. Zij brachten het eten binnen, met hun blauwe mutsen op het
+hoofd. De tafel was voor meer dan de helft met groote schotels soep
+bedekt, waarin ook een klein stuk gekookt vleesch aanwezig was. Toen
+alles opgezet was, namen de knechts naast ons plaats; maar aan het
+boveneinde van de tafel had men een kip met eenige pruimen in de soep.”
+(Reizen. bl. 155).
+
+Tot op het midden der vorige eeuw gebruikten de pachters, zelfs die van
+de hoogste klasse, het maal met hun daglooners. De meesters en hun
+ondergeschikten waren van elkander gescheiden door het zoutvat, of
+dikwijls ook door een met krijt getrokken lijn over de tafel. Lord
+Lovat, die de kunst verstond om de ijdelheid zijner onderhoorigen te
+vleien en hun eetlust te beteugelen, stond iederen onbeschaamden Fraser
+die aanspraak op den titel van Duinhé-wassel maken kon, de eer toe van
+aan zijn disch aan te zitten; maar tegelijker tijd zorgde hij wel dat
+zijn jeugdige bloedverwanten niet al te veel verzot werden op
+uitheemsche lekkernijen. Milord had altijd eenige geldige
+verontschuldigingen bij de hand, om tot op zekere grenzen het rondgaan
+van de Fransche wijnen en brandewijn te beperken, een gastronomische
+weelde, volgens hem, geschikt om den moed zijner neven te verzwakken.
+
+
+Aanteekening Y, Deel I, bl. 114: Conan de Hofnar.
+
+In de Iersche balladen op Fion (de Fingal van Mac-Pherson) treft men,
+even als in de oorspronkelijke poëzij van bijna alle volken, een cyclus
+van helden aan, waarvan ieder een bijzondere eigenschap bezit. Op deze
+hoedanigheden en op de avonturen van hen, die ze bezitten, zijn
+verscheidene spreekwoorden gegrond, die nog bij de Hooglanders in
+omloop zijn. Onder deze helden munt Conan uit, in zeker opzicht als een
+soort van Thersytes, maar een die tot vermetelheid dapper en
+stoutmoedig was. Hij had de gelofte afgelegd, van nooit een slag te
+zullen ontvangen zonder dien terug te geven. Toen hij, „even als andere
+helden der oudheid,” in de onderwereld was aangekomen, ontving hij van
+den daar regeerenden duivel een klap, dien hij terstond teruggaf,
+terwijl hij zich van de in den tekst aangehaalde woorden bediende:
+„slag om slag!”
+
+
+Aanteekening Z, Deel I, bl. 117: Waterval.
+
+De beschrijving van den waterval, waarvan in dit hoofdstuk gesproken
+wordt, is ontleend aan die van Ledard, bij de pachthoeve van dien naam,
+aan de noorderzijde van Lochard, en dicht bij het hoofd van het meer,
+ongeveer anderhalf uur ver van Aberfoyle. Het is een kleine waterval,
+maar overigens een der schoonste, die men zien kan. Te recht heeft de
+kritiek de verschijning van Flora met haar harp als te theatraal en te
+gemaakt voor haar edel en eenvoudig karakter gewraakt; maar men kan het
+een weinigje verschoonen om den wille van haar Fransche opvoeding; want
+in Frankrijk bedient men zich veel van alles wat effect kan maken.
+
+
+Aanteekening AA, Deel I, bl. 130: Hooglandsche jacht.
+
+Men heeft den schrijver dikwijls beschuldigd dat hij verdichting en
+werkelijkheid door elkaâr mengt. Hij acht het daarom noodzakelijk te
+verklaren dat de jacht, gelijk zij beschreven is, als aangelegd om den
+opstand van 1745 voor te bereiden, voor zoo ver hem bekend is, geheel
+uit de lucht is gegrepen. Maar wel bekend is het, dat er zulk een
+groote jacht werd gehouden in het bosch van Brae-Mar, onder bescherming
+van den graaf van Mar, als een voorbereidende maatregel tot den opstand
+van 1715, en meest al de Hooglandsche Opperhoofden, later in dien
+burger-oorlog gewikkeld, waren bij die gelegenheid tegenwoordig
+geweest.
+
+
+Aanteekening BB, Deel II, bl. 200: Mac Farlane’s lantaarn.
+
+De clan van Mac-Farlane, die den boschrijken westelijken oever van het
+meer Lomond bewoonde, maakte dikwijls strooptochten in de Laaglanden;
+en daar deze invallen doorgaans des nachts plaats grepen, heette men
+bij wijze van spreekwoord de maan, „Mac Farlane’s lantaarn.” Hun
+beroemde lied van Hoggil-Nam-Bo, de naam van den deun, die hen bijeen
+roept, beschrijft dergelijke practijken op deze wijze:
+
+
+ Wij zijn verplicht langs berg en holen
+ Langs paden, in het hout verscholen,
+ Den buit te voeren om en rond;
+ En, is het helder aan de transen,
+ Dan schenkt de maan ons trouw haar glansen
+ Van d’avond tot den morgenstond.
+ Geen wind, geen stof, geen koude of regen
+ Houdt ons op onzen rooftocht tegen,
+ Als zucht naar winst op weg ons zond.
+
+
+Aanteekening CC, Deel II, bl. 201: Het kasteel van Doune.
+
+Deze trotsche bouwval is mij dierbaar in de herinnering, omdat zij een
+reeks van denkbeelden mij voor den geest roept, die sedert geruimen
+tijd smartelijk zijn afgebroken. Doune is verrukkelijk aan de oevers
+van de Teith gelegen; het was een der sterkste kasteelen van Schotland.
+Murdoch, hertog van Albany, de stichter van dit schitterende gebouw,
+werd op de hoogte van Stirling onthoofd, vanwaar hij de torens van
+Doune, het gedenkteeken zijner vervallen grootheid, aanschouwen kon.
+
+Gelijk in den tekst in 1745–46 legde de Prins te Doune garnizoen,
+hetwelk in die dagen zulk een ontredderd kasteel niet was als thans.
+Dit garnizoen stond onder het bevel van den heer Stewart van Balloch,
+als gouverneur voor prins Karel; nabij Callander bezat hij verscheidene
+eigendommen. In die dagen ontsnapte John Home, de schrijver van
+Douglas, op romantische wijze uit dat kasteel, gezamenlijk met eenige
+andere gevangenen, die door de opstandelingen in den slag van Falkirk
+waren opgesloten. De dichter, die zelf veel van die geestdrift bezat,
+door hem aan den held van zijn treurspel toegeschreven, had het plan
+voor de ontvluchting ontworpen, en blies den moed zijner makkers aan.
+Daar men iedere poging om met geweld te ontkomen voor onmogelijk hield,
+vervaardigden zij een soort van touw van hun beddelakens, en lieten
+zich tot onder aan den toren naar beneden glijden. Aan vier hunner,
+waaronder Home zelf, gelukte het zich dus te bevrijden. Maar het touw
+brak door de zwaarte van den vijfden, die tamelijk groot en zwaar was.
+De zesde, Thomas Barrow, een moedige jeugdige Engelschman, een
+bijzondere vriend van Home greep, toen hij besloten was het waagstuk te
+ondernemen, zelf onder zulke ongunstige omstandigheden, het gebroken
+koord, en liet zich naar beneden vallen, toen het hem niet verder van
+dienst kon zijn. Het gelukte zijn vrienden die reeds veilig beneden
+waren, zijn val te breken. Dit belette echter niet dat hij zijn enkel
+verstuikte, en verscheidene ribben brak. Zijn makkers waren echter
+gelukkig genoeg hem in veiligheid te brengen.
+
+Den volgenden morgen zochten de Hooglanders ijverig naar hun
+gevangenen. Een bejaard man verhaalde den schrijver, dat hij den
+gouverneur Stewart door het veld had zien jagen om de vluchtelingen
+achterna te zetten.
+
+
+Aanteekening DD, Deel II, bl. 205:
+
+Uit te gaan of uit te zijn gegaan was in Schotland een aangenomen
+uitdrukking, gelijk aan de Iersche, waarmede iemand werd aangeduid die
+„op” was geweest, beide slaande op iemand, die aan een opstand had
+deelgenomen. Voor omstreeks veertig jaren werd het in Schotland voor
+onwelvoegelijk gehouden de uitdrukking opstand of opstandeling te
+bezigen, hetwelk door iemand onder de aanwezigen als een persoonlijke
+beleediging kon worden aangemerkt. Ook werd het beleefder geacht, zelfs
+door hevige Whigs, om Karel Eduard te bestempelen met den naam van
+„Ridder,” dan hem den naam te geven van Pretendent; en deze soort van
+hoffelijke overeenkomst werd altijd in gezelschap in acht genomen, waar
+lieden wan beide partijen op vriendschappelijken voet met elkander
+verkeerden.
+
+
+Aanteekening EE, Deel II, bl. 240: De Engelsche Jacobieten.
+
+De Jacobietische gevoelens werden algemeen in de westersche
+graafschappen en in Wales aangekleefd. Maar ofschoon de groote familiën
+der Wynnes, der Wyndhams en anderen, onder werkelijke verplichting
+waren zich bij Prins Karel te voegen, wanneer hij geland zou zijn, zoo
+was dit echter onder uitdrukkelijke bepaling geschied, dat hij door een
+hulpleger uit Frankrijk zou ondersteund worden. Daar zij zijn zaak wel
+waren toegedaan, en slechts op een gelegenheid wachtten, om zich bij
+hem te voegen, achtten zij zich evenwel, volgens eed en plicht, niet
+gehouden, deze overeenkomst na te leven, daar hij slechts ondersteund
+werd door een troep woeste Hooglanders, die een onbeschaafde taal
+spraken, en een vreemde kleeding droegen. Zij, die hooger op bij Derby
+woonden, dienden hem eer uit vrees dan uit liefde. Maar het valt
+moeielijk te zeggen wat de gevolgen zouden geweest zijn, indien de
+slagen van Preston en Falkirk gedurende den inval in Engeland gewonnen
+waren.
+
+
+Aanteekening FF, Deel II, bl. 213: Het leger van den Ridder.
+
+Spoedig ontstond er verdeeldheid in het kleine leger van den Ridder,
+niet slechts onder de onafhankelijke hoofden, die veel te trotsch waren
+om zich ondergeschikt aan elkander te gedragen, maar tusschen de
+Schotten en Karels gouverneur O’Sullivan, een Ier van geboorte, die,
+daar hij met enkele zijner landgenooten opgeleid was in de Iersche
+brigade, in dienst van den koning van Frankrijk, een invloed op den
+Avonturier bezat, welke vooral door de Hooglanders met leede oogen werd
+aangezien, die van meening waren, dat hun eigene clans de grootste
+kracht, of liever de eenige kracht van zijn onderneming uitmaakten. Ook
+bestond er een veete tusschen lord George Murray en James Murray van
+Broughton, den geheimschrijver van den Prins, wier oneenigheid de zaken
+van den Avonturier in groote verwarring bracht. In éen woord, door
+duizenderlei kleine grieven werd hun klein leger verdeeld, en deze
+werkten niet weinig mede om het eindelijk geheel te doen verloopen.
+
+
+Aanteekening GG, Deel II, bl. 233: Veldstuk van het Hooglandsche leger.
+
+Dit feit, hetwelk even als de daaraan voorafgaande beschrijving geheel
+historisch is, zal den lezer den oorlog in de Vendée voor den geest
+roepen, waarin de koningsgezinden, die hoofdzakelijk uit opgestane
+landlieden bestonden, een bijgeloovige gehechtheid aan den dag legden
+voor het bezit van een veldstuk, dat den naam van Marie Jeanne droeg.
+De Hooglanders van vroegere dagen waren bang voor het kanon, daar ze
+volstrekt niet met het gebulder en de uitwerking er van gemeenzaam
+waren. Door middel van een drie- of viertal kleine veldstukken
+behaalden de graven van Huntley en Errol, onder de regeering van
+Jacobus VI, een groote overwinning op een talrijk leger van
+Hooglanders, dat door den graaf van Argyle werd aangevoerd. In den slag
+bij de Brug van Dee, was de generaal Middleton aan zijn artillerie
+eveneens den goeden uitslag verschuldigd, daar de Hooglanders niet
+bestand waren tegen het losbranden van de „moeder van het geweer” zoo
+als ze het kanon heetten. In een oude ballade op den slag van de Brug
+van Dee treft men de volgende coupletten aan:
+
+
+ Het Hooglandsch volk is moedig volk,
+ Als ’t schild hanteert en zwaard,
+ Maar waar ’t geregeld strijden geldt,
+ Bouw dan niet op hun aard,
+
+ Het Hooglandsch volk is moedig volk,
+ Met dolk en schild en zwaard,
+ Maar toch is dat zoo moedig volk
+ Voor ’t kleinst kanon vervaard.
+
+ Want zomer’s nachts rolt dat kanon
+ Als donder door de lucht;
+ Geen man uit heel het Hoogland, die
+ Voor ’t kleinst kanon niet vlucht.
+
+
+Maar de Hooglanders van 1745 waren lang zoo eenvoudig niet als hunne
+voorvaderen; ze bewezen gedurende den ganschen oorlog, dat ze voor de
+artillerie alles behalve beducht waren, ofschoon de meest onwetenden
+onder hen nog eenig gewicht hechtten aan het bezit van het stuk, dat
+aanleiding tot deze aanteekening heeft gegeven.
+
+
+Aanteekening HH, Deel II, bl. 242: Anderson van Whitburgh.
+
+De getrouwe vriend, die den bergpas aanduidde, waarlangs de Hooglanders
+zich van Tranent naar Seaton begaven, was Robert Anderson van
+Withburgh, een rijke edelman van Oost-Lothian. Lord George Murray had
+hem over de mogelijkheid ondervraagd om een onbebouwd en moerasachtig
+terrein over te trekken, hetwelk de beide legers gescheiden hield, en
+dat voor geheel onbegaanbaar gehouden werd. Onder het naar huis keeren
+herinnerde hij zich, dat er aan den oostelijken kant een zijpad was,
+hetwelk door het moeras op de vlakte uitliep, en waardoor de
+Hooglanders in staat zouden zijn Sir John Cope’s stelling in de flank
+te vallen, zonder aan het vuur van den vijand te worden blootgesteld.
+Na er met den heer Hepburn van Keith over gesproken te hebben, die
+terstond al het gewicht er van inzag, werd hij door den laatste
+aangespoord om lord George Murray uit den slaap op te roepen en hem
+zijn denkbeelden mede te deelen. Lord George nam dezen raad met de
+levendigste dankbaarheid aan, en ging terstond prins Karel wekken, die
+met een bos erwtenstroo tot hoofdkussen, op den grond lag te slapen. De
+Avonturier ontving met de grootste blijdschap het bericht, dat er
+mogelijkheid bestond om een volmaakt goed uitgerust leger te dwingen
+den strijd met zijn ongeregelde troepen te aanvaarden. Zijn bij deze
+gelegenheid aan den dag gelegde vreugde strookte volstrekt niet met het
+verwijt van lafhartigheid, hem door Johnstone, een zijner misnoegde
+aanhangers gedaan, wiens gedenkschriften evenveel van een roman als van
+een geschiedenis hebben.
+
+Volgens het verhaal van den Ridder zelven, bevond de Prins zich
+gedurende den slag aan het hoofd van het tweede gelid der Hooglanders,
+en de slag, zoo als hij zeide, „werd zoo spoedig gewonnen, dat wij in
+het tweede gelid, waar ik mij nog aan de zijde van den Prins bevond,
+geen andere vijanden zagen dan die, welke op den grond gesneuveld of
+gewond lagen uitgestrekt, ofschoon wij slechts een vijftig pas achter
+ons eerste gelid waren en steeds zoo snel mogelijk voorttrokken om ons
+er bij te voegen.”
+
+Deze passage uit de gedenkschriften van den Ridder toont aan, dat de
+Prins op vijftig pas van de strijdenden was, een plaats, die hij zeker
+niet zou gekozen hebben, indien hij het voornemen niet gehad had zich
+bloot te stellen aan de gevaren van den slag. Slechts wanneer de
+generaals aan het verlangen van den jeugdigen Avonturier hadden
+toegegeven om in persoon de voorhoede aan te voeren, zou hij zich iets
+dichter bij den strijd hebben kunnen bevinden.
+
+
+Aanteekening II, Deel II, bl. 245: Dood van Kolonel Gardiner.
+
+De dood van dezen vromen Christen en dapperen krijgsman wordt op de
+volgende wijze door zijn geschiedschrijver, Dr. Doddridge, volgens de
+verklaring van ooggetuigen medegedeeld:
+
+„Hij bleef den geheelen nacht onder de wapens, in zijn mantel gewikkeld
+en meestal onder een garstschelf, die zich toevallig op het slagveld
+bevond. Omstreeks drie ure des morgens liet hij zijn bedienden, ten
+getale van vier, bij zich komen. Drie hunner zond hij weg na een
+allerhartelijkste en Christelijke vermaning en met de ernstigste
+raadgevingen betrekkelijk de beoefening hunner plichten en de zorg voor
+hun wapens. Hij gaf duidelijk te kennen, dat, gelijk hij duchtte, dit
+naar alle waarschijnlijkheid zijn laatste vaarwel zou wezen. Er bestaan
+gegronde redenen om te gelooven, dat hij de weinige oogenblikken, op
+zijn hoogst een uur, die hem nog ten dienste stonden, bezigde tot het
+volbrengen zijner godsdienst-plichten, waaraan hij sedert geruimen tijd
+gewoon was, en waartoe destijds zoo vele omstandigheden samenliepen om
+hem te bewegen. Bij het aanbreken van den dag werd het leger verrast
+door het gerucht van het naderen der opstandelingen, en de aanval nam
+vóor zonsopgang een aanvang; echter was het licht genoeg om te
+onderscheiden wat er voorviel. Zoodra de vijand onder het bereik van
+het geweer was, had er een geweldig vuur plaats, en men zegt, dat de
+dragonders, die den linkervleugel uitmaakten, terstond op de vlucht
+sloegen. Op het oogenblik van den aanval, die slechts eenige minuten
+duurde, ontving de Kolonel een kogel in de rechterzijde, die hem ter
+aarde deed storten, waarop zijn bediende hem wilde overhalen zich te
+verwijderen, maar hij antwoordde, dat hij slechts licht gewond was, en
+hij ging voort met aan het gevecht deel te nemen; kort daarop kreeg hij
+een kogel in de rechter dij. Gedurende dien tijd zag men hem een aantal
+vijanden neêrsabelen, en daaronder een man, die hem eenige dagen
+vroeger een bezoek had gebracht, en hem verzekerd had, dat hij de
+grootste gehechtheid voor het bestaande Bewind koesterde.
+
+„Gebeurtenissen van dezen aard hebben in minder tijd plaats dan er
+noodig is om ze te verhalen of ze te lezen. De Kolonel werd eenige
+oogenblikken door de zijnen ondersteund, en hoofdzakelijk door den
+waardigen luitenant-kolonel Whitney, die bij deze gelegenheid door een
+kogel in den arm werd getroffen, en eenige maanden later op het
+slagveld van Falkirk het leven liet, alsmede door den luitenant West,
+een man, wiens dapperheid boven allen lof verheven is, en door een
+dozijn dragonders, die tot aan zijn einde bij hem bleven. Maar, na een
+slecht onderhouden vuur, werd het geheele regiment door een geweldigen
+schrik overmeesterd, en in weerwil van de door den Kolonel en eenige
+andere dappere officieren aangewende pogingen om het weder te
+verzamelen, vluchtte het eindelijk in de grootste verwarring van het
+slagveld.
+
+„Juist op het oogenblik, dat kolonel Gardiner nadacht over hetgeen door
+zijn plicht in zulke omstandigheden gevorderd werd, greep er een
+voorval plaats, dat, naar mij voorkomt, hem in het oog van ieder braaf
+en edelmoedig mensch, moet verontschuldigen zijn leven, na de vlucht
+van zijn regiment, aan zulk groot gevaar te hebben blootgesteld. Hij
+ontwaarde een troep infanteriesoldaten, die moedig, zonder aanvoerder,
+aan zijn zijde streden, en die het hem opgedragen was te ondersteunen;
+waarop hij met geestdrift riep, zoo als mij verhaald is door dengene,
+die het zelf had gehoord: „Deze dappere lieden zullen zich bij gebrek
+aan een aanvoeder in de pan laten hakken!” en terwijl hij dit of iets
+dergelijks zeide, reed hij spoorslags op hen toe met den uitroep:
+„Vuurt maar toe, brave jongens! vuurt maar toe, en vreest niets!” Maar
+juist op het oogenblik, dat hij deze woorden uitte, schoot er een
+Hooglander met een aan een langen stok gehechte zeis op hem af, en
+bracht hem zulk een geweldigen slag op den rechter arm toe, dat zijn
+degen hem uit de hand vloog; en op hetzelfde oogenblik, waarop anderen
+toegeschoten waren bij den aanval van dit vreeselijke wapen, werd hij
+van zijn paard geworpen. Terwijl hij ter aarde stortte, gaf een andere
+Hooglander, indien men zich op een getuige te Carlisle verlaten mag (en
+ik zou niet weten waarom men hem geen geloof zou verleenen, ofschoon de
+ongelukkige het in zijn stervensuur ontkend heeft), zekere Mac-Naught,
+die ongeveer een jaar later ter dood werd gebracht, hem op het
+achterhoofd een houw met een sabel, of strijdbijl (de man, die het mij
+verhaalde, had dit niet kunnen onderscheiden), die zijn dood
+veroorzaakte. Alles wat zijn getrouwe bediende verder zag, was, dat,
+daar zijn hoed was afgevallen, hij dien met zijn linkerhand opnam, en
+dien zwaaide om daardoor te kennen te geven, dat hij zich moest
+verwijderen, en hij voegde er bij, dat de laatste woorden, welke hij
+hem had hooren uiten, deze waren: „Zorg voor u zelven!” waarop hij zich
+dan ook verwijderd had.”
+
+Eenige merkwaardige trekken uit het leven van den kolonel James
+Gardiner, door P. Doddridge. DD. Londen 1747, blz. 187.
+
+Bij gelegenheid van dit uittreksel moet ik opmerken, dat het in den
+tekst gegeven verslag van den weêrstand door een gedeelte der Engelsche
+armee geboden, volkomen bevestigd wordt. Daar ze door een geheel
+nieuwen en onverwachten aanval verrast waren, kon de tegenstand noch
+lang, noch geducht wezen, vooral niet nadat ze door de cavalerie en
+door hen, die het geschut moesten bedienen, verlaten waren: maar toch
+heb ik, ofschoon de slag spoedig beslist was, altijd begrepen, dat het
+grootste gedeelte der infanterie zich geneigd toonde haar plicht te
+doen.
+
+
+Aanteekening KK, Deel II, bl. 246: De heer van Balmawhapple.
+
+Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat het karakter van dezen
+jongen onbeschoften landjonker geheel en al van mijn vinding is. Toch
+is een edelman, die veel gelijkenis met Balmawhapple had, maar alleen
+wat zijn moed betreft, op de beschreven wijze te Preston gesneuveld.
+Een edelman uit het graafschap Perth, even eerbiedwaardig als met
+eergevoel bezield, die een deel uitmaakte van den kleinen hoop
+ruiterij, die zich aan Karel Eduard verbonden had, vervolgde bijna
+alleen de vluchtende dragonders tot bij Sint Clements-Wells. Daar
+gelukte het aan de pogingen van enkele officieren een klein aantal
+vluchtelingen voor een oogenblik tot staan te brengen. Toen deze
+bemerkten, dat ze slechts door een enkelen officier en een paar
+bedienden achtervolgd werden, wierpen zij zich op hem en doorstaken hem
+met hun sabels. Ik herinner mij, toen ik nog kind was, mij op zijn graf
+te hebben nedergezet, waarop het gras langen tijd welig en dik was
+opgeschoten, waardoor deze plek van het overige terrein werd
+onderscheiden. Een vrouw, die tot de familie behoorde, welke destijds
+bij Sint Clements-Wells haar verblijf hield, heeft mij deze
+geschiedenis, waarvan ze ooggetuige was, herhaalde malen verteld, en
+ten bewijze daarvan toonde ze mij een der zilveren vesthaken van den
+ongelukkigen edelman.
+
+
+Aanteekening LL, Deel II, bl. 256: Andrea de Ferrara.
+
+De naam van „Andrea de Ferrara” treft men op alle Schotsche zwaarden
+aan, die voor bijzonder uitmuntend worden gehouden. Wie was deze
+kunstenaar, welke waren zijn lotgevallen, en wanneer heeft hij geleefd?
+Al deze vragen zijn tot nog toe door het onderzoek van oudheidkundigen
+niet opgelost. Algemeen wordt het er echter voor gehouden, dat Andrea
+de Ferrara een Spaansche of Italiaansche werkman was, die door Jacobus
+IV of V was ontboden om de Schotten in het smeden hunner klingen te
+onderrichten. De meeste barbaarsche volken munten in het vervaardigen
+van wapens uit; en de Schotten hadden reeds een aanzienlijke hoogte
+bereikt in het smeden van zwaarden, sedert den slag van Pinkie, op welk
+tijdstip de geschiedschrijver Patten deze beschrijft als „bijzonder
+breed en dun, vooral met het doel vervaardigd om te splijten, en zoo
+voortreffelijk gehard, dat ik nooit iets dergelijks gezien heb; zoodat
+ik het voor moeielijk houd er betere te maken.” (Verslag van de
+expeditie van Somerset).
+
+Men kan zien, dat op de kling der beste en echte Andrea de Ferrara’s,
+een kroontje is ingedreven.
+
+
+Aanteekening MM, Deel. II, bl. 260: Mejufvrouw Nairne.
+
+Het ongeval, hier beschreven als aan Flora Mac-Ivor overkomen, heeft
+werkelijk mejufvrouw Nairne getroffen, een dame, die de schrijver het
+genoegen heeft gehad te kennen. Bij het binnenrukken van het leger der
+Hooglanders in Edinburgh, stond zij, even als andere dames, die hun
+zaak waren toegedaan, met haar zakdoek op een balkon te wuiven, toen
+een kogel uit het geweer van een Hooglander, dat bij toeval was gelost,
+haar voorhoofd schampte. „God zij geloofd!” zeide zij op het oogenblik,
+dat zij weder bij kwam, „dat het ongeval mij is overkomen, wier
+beginselen bekend zijn. Indien het een Whig getroffen had, zou men
+gezegd hebben, dat het met opzet was geschied.”
+
+
+Aanteekening NN, Deel. II, bl. 293: Prins Karel Eduard.
+
+Men heeft den schrijver van Waverley beschuldigd, dat hij den jongen
+Avonturier in gunstiger kleuren heeft geschilderd dan zijn karakter
+verdiende. Maar, daar hij een aantal lieden gekend heeft, die zijn
+persoon van nabij gezien hebben, heeft hij hem geschetst zoo als
+ooggetuigen hem beschreven hebben. Zonder twijfel moet men eenige
+overdrijvingen, natuurlijk aan hen, die zich hem voorstelden als de
+ondernemende en stoutmoedige vorst, voor wiens zaak zij goed en bloed
+veil hadden, eenigszins matigen; maar moet hun getuigenis geheel
+achterstaan bij die van een enkelen ontevredene?
+
+Ik heb reeds met een enkel woord gewaagd van de door Johnstone tegen
+den Ridder ingebrachte beschuldigingen van gebrek aan moed, maar een
+gedeelte van zijn verhaal ten minste gelijkt volkomen op een roman. Men
+zal, om maar iets te noemen, bezwaarlijk kunnen gelooven, dat Johnstone
+ten tijde, waarop hij aan het publiek de zoo aardige geschiedenis
+zijner vrijaadje met de beminnelijke Peggie schonk, een gehuwd man was,
+wiens kleinzoon nog in leven is. Evenzoo is het tot in de kleinste
+bijzonderheden afdalende verhaal van de vreeselijke wraak door Gordon
+van Abbachie op een Presbyteriaanschen predikant uitgeoefend, geheel en
+al onwaar. Men moet ook aannemen, dat de Prins, even als andere leden
+zijner familie, de diensten, hem door zijn volgelingen bewezen, niet
+genoeg op prijs stelde. Daar hij opgevoed was in het vaste denkbeeld
+zijner erfelijke rechten, heeft men voorgewend, dat hij de pogingen en
+opofferingen aan zijn zaak gewijd, als een plicht beschouwde, die van
+zijn zijde slechts luttel dankbaarheid eischte. Deze meening wordt
+versterkt door de getuigenis van Dr. King; maar zijn verzaken van de
+Jacobietische partij maakt den dokter een weinigje verdacht.
+
+De uitgever van Johnstone’s gedenkschriften brengt een verhaal bij, dat
+aan Helvetius wordt toegeschreven, en waaruit blijken zou dat prins
+Karel Eduard, verre van zich vrijwillig tot zijn vermetelen tocht te
+hebben ingescheept, letterlijk gebonden aan handen en voeten aan boord
+werd gebracht, en het schijnt wel dat hij er geloof aan slaat. Nu, daar
+het een even goed aangenomen feit is als elk ander zijner geschiedenis,
+en, zoo ik mij niet vergis, geheel en al buiten kijf is, dat juist
+Boisdale en Lochiel ten gevolge van de dringende persoonlijke beden van
+den Prins tot den opstand overgingen, toen zij er zelf met klem op
+aandrongen dat hij zijn onderneming zou uitstellen tot hij genoegzame
+hulp uit Frankrijk zou hebben ontvangen, zou het bezwaarlijk vallen
+dezen gewaanden tegenzin op het oogenblik der expeditie te rijmen met
+zijn wanhopige pogingen om den opstand, in weerwil van de raadgevingen
+en de smeekingen zijner kundigste aanhangers te verhaasten. Zeker zou
+iemand dien men geboeid aan boord van een schip had moeten brengen,
+hetwelk hem tot zulk een wanhopige onderneming moest overvoeren, de
+gelegenheid hem door den tegenzin zijner aanhangers aangeboden, om
+veilig naar Frankrijk terug te keeren, gretig hebben aangegrepen.
+
+In Johnstone’s gedenkschriften wordt beweerd dat Karel Eduard het
+slagveld van Culloden verliet, zonder de minste poging te hebben
+aangewend om de overwinning te betwisten; en om het voor en tegen te
+laten gelden, moeten wij hier ook de vrij wat geloofwaardiger
+getuigenis van lord Elcho aanhalen, die verklaart, dat hij zelf den
+Prins heeft aangespoord zich aan het hoofd van den linker-vleugel, die
+niet in het gevecht gewikkeld was, te stellen, en den strijd te
+hernieuwen of met eere te sneuvelen. Daar zijn raad echter verworpen
+werd, nam lord Elcho, met de bitterste verwijten, afscheid van den
+Prins, hem zwerende dat hij hem nooit weder onder de oogen komen zou,
+en hij hield woord.
+
+Aan den anderen kant schijnt het gevoelen der overige officieren
+geweest te zijn, dat de slag onherroepelijk verloren was, daar de eene
+vleugel der Hooglanders volkomen geslagen, het overige gedeelte des
+legers veel te gering in aantal was, en zijn flanken geheel in
+verwarring en in een allerwanhopigsten toestand waren. In dezen stand
+van zaken kwamen de Iersche officieren, die den Prins omringden
+tusschenbeide en noodzaakten hem het slagveld te verlaten. Een
+vaandrig, die dicht bij hem was, heeft verklaart, dat hij Sir Thomas
+Sheridan, den toom van des Prinsen paard zag grijpen, en dat hij het
+dier deed omkeeren. Ziedaar getuigenissen, die wel met elkander in
+tegenspraak zijn; maar het gevoelen van Lord Elcho, een man van een
+vurigen aard, en daarenboven wanhopig over een nederlaag, die
+allernoodlottigst scheen, mag niet gelden ten nadeele van een moedig
+karakter, hetwelk blijkt uit den aard der onderneming zelve, uit de
+zucht van den Prins om ten allen tijde den strijd te beginnen, uit zijn
+besluit om van Derby naar Londen te trekken, en uit de tegenwoordigheid
+van geest door hem te midden der gevaren van zijn avontuurlijke vlucht
+aan den dag gelegd. De schrijver is er verre van voor den ongelukkigen
+Prins loftuitingen te eischen alleen aan schitterende talenten
+verschuldigd; maar hij blijft bij zijn gevoelen, dat hij, gedurende den
+loop zijner onderneming blijken heeft gegeven van het gevaar in het
+gelaat te durven zien en naar roem te streven.
+
+Dat Karel Eduard de voordeelen bezat van een bevallig uiterlijk en
+innemend voorkomen, even als de houding en de manieren, die aan zijne
+positie voegden, heeft de schrijver nooit hooren betwisten door een van
+hen die hem hadden mogen naderen, en hij gelooft geenszins die
+hoedanigheden te hebben overdreven in de schets door hem geleverd.
+
+De volgende uittreksels, die het algemeene gevoelen omtrent het
+beminnelijke karakter van den Prins versterken, zijn ontleend aan een
+in handschrift bestaand verhaal zijner romantische onderneming, door
+James Maxwell van Kirkconnell, en waarvan ik een afschrift te danken
+heb aan de vriendschap van den heer J. Menzies, van Pitfoddells. De
+schrijver, hoewel partijdig voor den Prins, dien hij getrouw
+vergezelde, schijnt een oprecht mensch, en volkomen ingelicht omtrent
+de kuiperijen der raadslieden van den Pretendent:
+
+„Iedereen was opgetogen over het voorkomen van den Prins en zijn
+persoonlijk gedrag; er was over hem slechts éen stem. Zelfs diegenen,
+die uit eigenbelang of ontevredenheid zijn zaak verlieten, konden niet
+nalaten te erkennen dat ze hem in andere opzichten alles goeds
+toewenschten, en durfden hem nauwelijks berispen over hetgeen hij
+ondernam. Zeer vele omstandigheden hadden medegewerkt om zijn moed te
+verhoogen, zonder van het grootsche der onderneming en van het gedrag,
+door hem, tot aan de uitvoering er van aan den dag gelegd, te gewagen.
+Een aantal trekken van zijn goede inborst en zijn menschlievendheid
+maakten veel indruk op het volk; ik zal er slechts een paar van
+mededeelen. Terstond na den slag, begaf de Prins zich te paard naar het
+veld, weinige minuten te voren door het leger van Cope bezet; een
+officier trad op hem toe en zeide, terwijl hij op de gesneuvelden wees.
+„Hoogheid, uw vijanden liggen aan uw voeten.” De Prins, verre van zich
+te verheugen, legde veel medelijden aan den dag met de afgedwaalde
+onderdanen zijns vaders, en gaf levendig zijn leedgevoel te kennen, dat
+hij hen in zulk een toestand aanschouwde. Den volgenden dag, tijdens
+het verblijf van den Prins op Pinkie-House, kwam er een burger van
+Edinburgh om den secretaris Murray te spreken over de tenten, daar
+bevel was uitgevaardigd, dat de stad ze op een bepaalden tijd zou
+leveren. Murray was afwezig, en toen de Prins dit vernam, liet hij den
+man bij hem komen, zeggende dat hij de zaak, welke dan ook, liever zelf
+wilde afdoen, dan hem te laten wachten, wat hij ook voorkwam door alles
+toe te staan wat hem gevraagd werd. Zoo veel voorkomendheid van dezen
+door de overwinning begunstigden, jeugdigen Prins verwierf hem zelfs de
+loftuitingen zijner vijanden. Maar wat het volk de meest gunstige
+gevoelens omtrent hem inboezemde, was het afslaan van iets, dan zijn
+belangen van zeer nabij betrof, en waarop misschien het welgelukken
+zijner geheele onderneming gegrond was. Men had voorgesteld een der
+gevangenen naar Londen te zenden, om aan het hof een
+uitwisselingscartel voor te slaan voor allen die gedurende den oorlog
+krijgsgevangen zouden gemaakt worden, en te verklaren, dat een
+weigering zou worden beschouwd als een besluit om geen pardon te geven.
+Blijkbaar was het, dat een cartel zeer voordeelig voor de zaak van den
+Prins wezen zou; zijn vrienden zouden zich zoo veel te eerder voor hem
+verklaren, indien zij geen andere oorlogskans dan die van het slagveld
+te duchten hadden; en indien het hof van Londen dit voorstel van de
+hand wees, gevoelde de Prins zich gemachtigd zijn gevangenen op
+dezelfde wijze te behandelen als de Keurvorst van Hannover die vrienden
+van den Prins zou behandelen, welke in zijn handen vallen mochten, en
+men voorzag dat eenige weinige voorbeelden het hof van Londen zouden
+noodzaken om toe te geven. Het liet zich toch aanzien dat de officieren
+van het Engelsche leger er veel gewicht aan zouden hechten. En
+inderdaad hadden zij zich slechts aan de dienst verbonden onder de
+voorwaarden bij beschaafde natiën in gebruik, en hun eer kon er niet
+door lijden, indien zij hun aanstelling terugzonden, wanneer deze
+voorwaarden niet werden nageleefd, en dat vooral door de
+stijfhoofdigheid van hun souverein. Ofschoon dit voorstel algemeen werd
+toegejuicht en als zeer belangrijk werd voorgedragen, wilde de Prins er
+zich volstrekt niet mede vereenigen: „Het was hem onwaardig,” zeide
+hij, „ijdele bedreigingen te uiten, want nooit zou hij er in toestemmen
+dat ze ten uitvoer werden gebracht; nimmer zou hij in koelen bloede
+mannen opofferen, wier leven hij in het heetst van het gevecht zelfs
+met gevaar van het zijne zou gespaard hebben.” Dit waren niet de eenige
+bewijzen van zijn goede inborst door den Prins op dien tijd gegeven;
+iedere dag leverde er andere van gelijken aard op. Dit alles temperde
+de ruwheid van een militair bestuur, dat noodzakelijk was, en hetwelk
+hij zoo zacht en dragelijk mogelijk zocht te maken.
+
+Het is reeds aangevoerd dat de Prins dikwijls meer pracht en
+plechtigheden vorderde dan met zijn toestand scheen overeen te komen;
+maar aan den anderen kant, was eenige strengheid op het punt van
+etiquette volstrekt noodzakelijk om hem van allerhande lastigen
+aandrang te bevrijden, waaraan hij anders ontegenzeggelijk zou zijn
+blootgesteld geweest. Hij wist ook met vrij wat lankmoedigheid de
+antwoorden te verduren, die zijn voorgewende zucht voor plichtplegingen
+hem dikwijls op den hals haalde. Men verhaalt, bij voorbeeld, dat Grant
+van Glenmoriston, nadat deze een overhaasten marsch aan het hoofd van
+zijn clan gemaakt had, om zich met Karel te vereenigen, den Prins te
+Holyrood onder de oogen trad met een onbescheiden ijver en zonder in
+het minst op zijn kleeding te hebben acht gegeven. De Prins ontving hem
+vriendelijk, maar niet zonder hem te doen verstaan, dat een
+voorafgegaan bezoek bij den barbier niet geheel overvloedig zou geweest
+zijn. „Het zijn geen baardelooze soldaten,” hernam het beleedigde
+Opperhoofd, „die de zaken van uw Koninklijke Hoogheid kunnen
+herstellen.” De Ridder nam dit verwijt welwillend op.
+
+Met éen woord, indien Prins Karel zijn loopbaan terstond na zijn
+wondervolle ontkoming had geëindigd, zou hij een voorname plaats in de
+geschiedenis bekleed hebben. Zoo als hij was, behoort zijn plaats onder
+hen wier schitterendst levenstijdperk een merkwaardig contrast oplevert
+met alles wat daaraan voorafgegaan of er op gevolgd is.
+
+Aanteekening OO, Deel II, bl. 299: Schermutseling te Clifton.
+
+Het volgende verslag van de schermutseling te Clifton is getrokken uit
+de in manuscript bestaande gedenkschriften van Evan Macpherson van
+Cluny, clanhoofd der Macphersons, aan wien de eer toekomt dat hij den
+voornaamsten aanval bij deze gelegenheid heeft weerstand geboden. Het
+schijnt dat deze gedenkschriften in 1705, dus tien jaren na de
+gebeurtenissen waarover zij handelen, zijn opgesteld. Zij werden in
+Frankrijk geschreven, waar dit dappere Opperhoofd in ballingschap
+leefde, hetwelk eenige in zijn verhaal voorkomende gallicismen
+verklaart.
+
+„Bij den terugtocht van den Prins van Derby naar Schotland, belastte
+zich gaarne de luitenant-generaal, Lord George Murray, met het bevel
+over de voorhoede, een post, waaraan, hoe eervol ook, groote gevaren,
+tallooze moeielijkheden en evenveel vermoeienissen verbonden waren;
+want de Prins was genoodzaakt zijn marsch te verhaasten, uit vrees dat
+hij zou worden afgesneden door den maarschalk Wade, die het Noorden met
+een vrij wat talrijker leger bezet hield dan de troepen, die Zijn
+Koninklijke Hoogheid in staat was tegenover hem te stellen, terwijl de
+hertog van Cumberland met geheel diens cavalerie zijn achterhoede op de
+hielen zat. De artillerie kon evenwel midden in den winter langs de
+slechtste wegen van geheel Engeland, niet zoo spoedig voortrukken als
+het leger van den Prins zelven. Ook was Lord Murray verplicht zijn
+marsch tot laat in den nacht voort te zetten, tegelijkertijd
+blootgesteld zoowel aan allerhande onzekerheid, als aan de
+schermutselingen der voorposten van den hertog van Cumberland.
+Omstreeks den avond van den 28sten December 1745 rukte de Prins de stad
+Penrith in de provincie van Cumberland binnen. Maar daar Lord Murray de
+artillerie niet zoo spoedig kon doen marcheeren als hij wel wenschte,
+was hij genoodzaakt den nacht op zes (Engelsche) mijlen van deze stad
+met het regiment van Mac-Donald van Glengarrie, dat dien dag de
+achterhoede uitmaakte, door te brengen. De Prins besloot, ten einde
+zijn troepen eenige rust te gunnen en aan Mylord George en de
+artillerie den tijd te geven zich bij hem te voegen, den 29sten te
+Penrith te blijven. Hij gaf dus aan zijn klein leger des morgens bevel
+onder de wapens te komen, daar hij het in oogenschouw nemen wilde en de
+verliezen nagaan door hem, sedert zijn inval in Engeland, geleden. Er
+bleven hem toen slechts vijfduizend man over, met ongeveer vier honderd
+ruiters, edellieden, die als vrijwilligers dienden, en van wie een
+gedeelte het eerste gardecorps van den Prins vormde onder de bevelen
+van Lord Elcho, later graaf van Weems, thans gebannen en in Frankrijk.
+Een ander deel vormde een tweede corps gardes onder de bevelen van Lord
+Balmirino, die in den Tower te Londen onthoofd werd. Een derde corps
+stond onder het commando van Lord Kilmarnoch, die eveneens werd
+onthoofd. Eindelijk werd een vierde aangevoerd door Mylord Pitsligow,
+die mede gebannen werd. Deze ruiterij, ofschoon gering in aantal, was
+echter, daar zij geheel uit de dapperste edellieden bestond, een groote
+steun voor de infanterie, niet slechts op het slagveld, maar ook
+gedurende den marsch, daar zij als voorposten dienst deed, en gedurende
+den nacht patrouilles uitzond langs de verschillende wegen, die op de
+steden uitliepen, waar het leger zijn kwartier moest opslaan.
+
+„Terwijl dit kleine leger den 20sten December op een hoogte, ten
+Noorden van Penrith vereenigd was om de revue te passeeren, werden de
+heer van Cluny en zijn clan naar de brug van Clifton gezonden, ongeveer
+een mijl ten Zuiden van Penrith, na vooraf in oogenschouw te zijn
+genomen door den heer Pattullo, kwartiermeester-generaal van het leger,
+die met de inspectie der troepen belast was, en zich tegenwoordig in
+Frankrijk bevindt. Ze bleven onder de wapens bij de brug, terwijl ze de
+komst van Lord George Murray met de artillerie verbeidden, wier
+overtocht de heer Cluny zou dekken. Tegen zonsondergang kwamen zij aan;
+levendig door den hertog van Cumberland met geheel zijn cavalerie
+achtervolgd, die meer dan drie duizend man telde, waarvan ongeveer een
+derde afsteeg om aan de artillerie den overtocht over de brug te
+betwisten, terwijl de hertog en de anderen te paard bleven om de
+achterhoede aan te tasten. Lord George Murray rukte voort; en hoewel
+hij den heer de Cluny en zijn clan onder de wapens en vol moed vond,
+kwam hem de stelling zeer bedenkelijk voor. Door de buitengewone
+ongelijkheid aan troepen-sterkte, scheen de aanval zeer gevaarlijk: ook
+wachtte Lord George met het geven van bevelen totdat hij den raad van
+den heer de Cluny had ingewonnen. „Ik zal hen volgaarne aanvallen”
+antwoordde de heer de Cluny, „als gij het beveelt.” – „Welnu, ik beveel
+het dan,” hernam Lord George. En zich terstond bij den heer de Cluny
+voegende, streden zij te voet, met den sabel in de vuist alleen met den
+clan der Macphersons. In éen oogenblik baanden zij zich een doortocht
+dwars door een doornhaag, waarachter de cavalerie een stelling had
+ingenomen. Bij het dringen door de haag, verloor lord Murray, even als
+geheel het leger in Hollandsche kleeding, zijn muts en zijn paruik, en
+bleef verder blootshoofds strijden. Zij losten terstond hun vuurwapens
+op den vijand en vielen hen vervolgens met den sabel in de vuist aan;
+zij rigtten gedurende langen tijd een vreeselijk bloedbad onder hen
+aan, hetgeen Cumberland tot een overhaaste vlucht met zijn cavalerie,
+en wel in zulk verwarring, noodzaakte, dat, indien de Prins over een
+voldoend aantal ruiters had kunnen beschikken, de hertog van Cumberland
+zonder twijfel met het grootste gedeelte van zijn troep zou zijn
+krijgsgevangen gemaakt. Het was toen zóó donker, dat het onmogelijk was
+de dooden te zien noch te tellen, die al de sloten van het
+oorlogstooneel vulden. Maar men berekende, dat, behalve de gewonden,
+wie het gelukte te ontsnappen, er ten minste honderd op de plek bleven,
+waaronder de kolonel Honywood, die de afgestegen cavalerie aanvoerde.
+De heer de Cluny maakte zich van zijn sabel meester, die van
+aanmerkelijke waarde, en nog in zijn bezit is; zijn clan vermeesterde
+evenzeer een aantal wapens; de kolonel werd spoedig daarop
+krijgsgevangen gemaakt en herstelde met veel moeite van zijn wonden. De
+heer de Cluny verloor slechts een twaalftal manschappen, waarvan
+eenigen, die slechts gewond waren, vervolgens in handen van den vijand
+vielen en als slaven naar Amerika werden gezonden. Verscheidene hunner
+zijn vandaar terug gekeerd, en een hunner is op dit oogenblik in
+Frankrijk, en wel sergeant bij het regiment koninklijke Schotten.
+Zoodra de Prins bericht van de nadering des vijands ontving, zond Zijn
+Koninklijke Hoogheid den graaf van Nairne, brigadier, (gebannen en nu
+in Frankrijk) met de drie bataljons van den hertog van Athol, het
+bataljon van den hertog van Perth, en eenige andere onder zijn bevelen
+staande troepen, ter ondersteuning van Cluny en ter bevrijding van de
+artillerie; maar het gevecht was geheel geëindigd eer de graaf van
+Nairne met zijn troepen het slagveld bereikt had. Zij keerden dus naar
+Penrith terug en de artillerie trok in goede orde voorwaarts. Van dat
+oogenblik af durfde de hertog van Cumberland den Prins en zijn leger
+gedurende dezen ganschen aftocht, slechts op een dagmarsch afstands
+naderen; deze werd dus met de grootste voorzichtigheid volbracht,
+ofschoon men van alle kanten door vijanden omringd was.
+
+
+Aanteekening PP, Deel II, bl. 309: Eed op den dolk.
+
+Gelijk de heidensche godheden door het zweren bij den Styx zich tot een
+onverbreekbare verplichting verbonden, zoo waren de Schotsche
+Hooglanders gewoon bijzonder gewicht te hechten aan hun eed, wanneer
+zij wilden dat die heilig onder hen wezen zou. Voornamelijk bestond die
+plechtigheid in het uitstrekken van de hand, terwijl zij op hun
+ontblooten dolk zwoeren; en dit wapen, dat alzoo een waarborg voor hun
+overeenkomst geworden was, werd ingeroepen om iedere schending van de
+gelofte te straffen. Maar wat ook de handeling wezen mocht, waardoor de
+eed werd geheiligd, iedereen was er bijzonder op gesteld de soort van
+eed, dien hij als onherroepelijk gezworen had, geheim te houden. Dit
+was een zeer gemakkelijk middel om niet al te beschroomd te zijn in het
+verbreken zijner belofte, wanneer deze onder een anderen vorm was
+afgelegd dan dien welke bij voorkeur als bijzonder plechtig beschouwd
+werd, en om welke reden iedere verbintenis zeer gemakkelijk werd
+aangegaan, die hem niet langer dan hij zelf wilde, gebonden hield,
+terwijl, wanneer zijn onverbreekbare eed eenmaal algemeen bekend was,
+een ieder met wien hij in de gelegenheid zou komen er een aan te gaan,
+zich met geen anderen zou te vreden stellen. Lodewijk XI, Koning van
+Frankrijk, gebruikte dezelfde list; want ook hij had een bijzondere
+soort van eed, de eenige, dien hij altijd geëerbiedigd heeft, en
+waardoor hij zich zeer ongaarne gebonden zag. De eenige eed, door dezen
+dwingeland als heilig beschouwd was die door hem op het heilige kruis
+van St. Lo d’Angers gezworen, hetwelk een stuk van het echte kruis
+bevatte. Lodewijk geloofde dat hij binnen het jaar zou sterven, als hij
+dezen eed verbrak. Toen de connétable van Saint-Pol uitgenoodigd was
+een persoonlijk onderhoud met Lodewijk te hebben, weigerde hij dit aan
+te nemen, tenzij de Koning hem een vrijgeleide verzekerde ouder
+verbintenis van dezen eed. Maar, zegt Comines, de koning antwoordde dat
+hij nooit op zulk een wijze een verbintenis zou aangaan met een
+sterfelijk mensch, maar dat hij geneigd was iederen anderen eed, dien
+hij aan de hand zou doen, te zweren: het traktaat werd dus na herhaalde
+onderhandelingen afgebroken, en wel op grond van den eed, waardoor
+Lodewijk die bekrachtigen moest. Zoodanig is het verschil tusschen de
+beginselen des bijgeloofs en die des gewetens.
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOETNOOTEN
+
+
+[1] Advocaat, plaatsvervangend sheriff der Orcadische eilanden, rechter
+in het hof, met den titel van Lord Kinnedder; dezelfde aan wien de
+inleiding van den derden zang van „Marmion” is opgedragen; hij overleed
+in 1822.
+
+[2] Een personage uit de „Medeminnaars” van Sheridan. Haar naam duidt
+aan, dat zij gewoon is mal à propos allerlei woorden en toespelingen te
+gebruiken.
+
+[3] Letters from the Highlands. Er is hier sprake van de „Brieven van
+Kapitein Burt,” waarin hij van den beruchten hoofdman Barasdale
+gewaagt, dien men algemeen houdt voor den type van Fergus Mac-Ivor.
+
+[4] Al de leden der familiën van Marr en van Williamson werden, kort
+voor het verschijnen van deze voorrede, te Londen ter dood gebracht.
+
+[5] Een verhaal van de gebeurtenissen dier dagen, in eenvoudige rijmen
+vervat, maar waarin een aantal treffende bijzonderheden voorkomen, en
+hetwelk nog tegenwoordig door het volk wordt gezongen, geeft een
+nauwkeurig verslag, zoowel van de krijgsbedrijven der Hooglanders als
+van hunne uitspattingen, en daar de verzen weinig bekend en lang niet
+kwaad zijn, wagen wij het ze hierin te vlechten.
+
+[6] Willem, de zoon van George, Hertog van Cumberland.
+
+[7] Licencie voor Linton-bridge, Linton-brug.
+
+[8] Zinspeling op den welbekenden roman „Het kasteel van Udolpho,”
+
+[9] Een der meest fashionable gedeelten van Londen.
+
+[10] Een club bestaande uit rijke jongelieden, die allen uitmunten
+moeten in het rijden met den „vierspan.”
+
+[11] Een policiebureau te Londen.
+
+[12] Waverley, in 1805 geschreven, verscheen eerst in 1811–14.
+
+[13] Bondstreet, in de dagen toen deze inleiding geschreven werd,
+dagelijks tusschen drie en vijf ure de wandelplaats der Engelsche
+dandies en schoonen.
+
+[14] Helaas! die kleeding, in 1805 of daaromstreeks, achtenswaardig en
+voor een gentleman passend, is evenzeer verouderd als de schrijver van
+Waverley zelf sedert dien tijd. De lezer uit de groote wereld zij zoo
+goed het kostuum aan te vullen met een geborduurd vest van purper
+fluweel of zijde en een gekleurden rok, zoo als hij zelf verkiest. Noot
+van den Schr.
+
+[15] In het Hollandsch Waverleys-eer, naam van het kasteel der
+Waverleys.
+
+[16] Waar de Ridder Saint George, of, zoo als hij genoemd werd, de Oude
+Pretendent, als balling zijn hof hield, al naar de omstandigheden hem
+noodzaakten van residentie te veranderen.
+
+[17] Lang het orakel van den tot de Torypartij behoorenden landadel.
+Het oude nieuwsblad verscheen in handschrift, en werd door klerken
+overgeschreven, die de afschriften er van aan de inteekenaren
+verzonden. De staatkundige, door wien het werd opgesteld, verzamelde de
+stof er voor in de koffiehuizen, en deed meenigmaal een beroep op de
+beurs zijner inteekenaren, omdat hij genoodzaakt was extrauitgaven te
+doen, door het bezoeken van dergelijke door de aanzienlijkste lieden
+bezochte plaatsen.
+
+[18] Eene zinspeling op de aristocratische denkbeelden der kindermeiden
+uit deze beide landen.
+
+[19] De blauwe mantel behoort bij het costuum der ridders van den
+Kouseband.
+
+[20] Zie Aanteekening A. De terugkomst der kruisvaarders.
+
+[21] Zie Hoppner’s vertelling van de „zeven minnaars.” W. S.
+
+[22] Duizend en éen nacht.
+
+[23] Deze inleidende hoofdstukken heeft men als vervelend en noodeloos
+afgekeurd. Echter bevatten ze eenige bijzonderheden, die de schrijver
+gemeend heeft niet te mogen weglaten of veranderen. W. S.
+
+[24] Zie Aanteekening B. Titus Livius.
+
+[25] Het Schotsche pond was niet meer dan een shilling, zestig cents
+van onze munt.
+
+[26] Sancroft, aartsbisschop van Canterbury, in 1677.
+
+[27] Zie Aanteekening C, Nicolaas Amhurst.
+
+[28] Zie Aanteekening D. Kolonel Gardiner.
+
+[29] Zie Aanteekening E. Schotsche herbergen.
+
+[30] Zie Aanteekening F. Huis van Tully-Veolan.
+
+[31] Zie Aanteekening G. De tuin van Tully-Veolan.
+
+[32] Ariosto: de twee snapsters.
+
+[33] Innocent, Zie Aanteekening H. Familie gekken.
+
+[34] Hoog en laag recht, van kerker en van kaak.
+
+[35] Epulæ (feestmaal) is voor den Senaat; prandium (maaltijd) is voor
+het volk.
+
+[36] De vaas zal lang den geur bewaren.
+
+[37] Zwarte wacht. Vier-en-twintig jaren lang is dit corps bekend
+geweest onder den titel van het 42ste regiment. Maar bij de oprichting
+haalde dit 42ste en het Gaelsch freicudan dhu, en black-watch, „zwarte
+wacht” in het Engelsch, een naam, die zijn ontstaan verschuldigd was
+aan de donkere kleur der uniform (zwart, groen en blauw) die erg afstak
+bij het scharlakenrood der linietroepen. De onafhankelijke compagniën
+van de „black-watch,” waren samengesteld uit personen die in andere
+regimenten een hoogeren rang bekleedden; over het algemeen waren het
+allen jonge edellieden of edellieden zonder fortuin; men had er zelfs
+onder die er bedienden op nahielden om hunne wapenen te dragen.
+
+[38] Zie Aanteekening I. Episcopale kerk van Schotland.
+
+[39] Wheedle. To wheedle, verleiden, met mooie woorden fleemen.
+Quibble, haarklooverij, woordenspel. De baron vermaakte zich door dit
+woordenspel, met zijn baljuw en de advocaten bijeen te nemen.
+
+[40] Verwisselen wij van schild en trekken wij der Grieken wapenrusting
+aan.
+
+[41] Oude wijvepraatjes.
+
+[42] Zie Aanteekening K. De afscheidsdronk.
+
+[43] Suum cuique. Dit fragment eener ballade werd gedicht door Andreas
+MacDonald, den geestigen en ongelukkigen auteur van Vimonda. W. S.
+
+[44] John o’ Groat’s. Het noordelijke punt van Schotland, in het
+graafschap Caithness.
+
+[45] Bacchus.
+
+[46] De in keukenzaken ervarenen zijn niet van baron Bradwardine’s
+gevoelen, en houden het er voor dat dit wild droog en slecht is,
+behalve in de soep en als Schotsche karbonnaden gebruikt. W. S.
+
+[47] De Baron had hier in herinnering moeten brengen, dat de vroolijke
+Allan in regte lijn afstamde uit het huis van den edelen graaf, dien
+hij aldus beschrijft:
+
+ Dalhousie van een oud geslacht,
+ Mijn trots, mijn lust, mijn grootste pracht. W. S.
+
+[48] Dryden.
+
+[49] Zie aanteekeening L. Tooverij.
+
+[50] Sprekende wapens.
+
+[51] Zie Aanteekening M. Sprekende wapens. W. S.
+
+[52] Danaïden, dochters van Belus.
+
+[53] Zijne oogen zijn hem uit het hoofd gescheurd; het bloed vloot hem
+ten gorgel uit.
+
+[54] De bergbewoners zijn in stammen of clans verdeeld, die wederom
+verschillende onderdeelen hebben. Iedere clan heeft zijn hoofd, iedere
+onderafdeling haar „chieftain,” aanvoerder.
+
+[55] Zinspeling op de parkementen van den adel.
+
+[56] De Edinburgsche stedelijke politie was nog niet zeer lang geleden
+aldus gewapend. Aan het einde van den bijl had men een haak, waarvan de
+oude Hooglanders zich plachten te bedienen bij het beklimmen der
+wallen, door den haak er in vast te slaan, en zich langs den steel op
+te werken. Men veronderstelt, dat de bijl, die ook veel door de
+vroegste bewoners van Ierland gebezigd werd, in beide landen uit
+Scandinavië is overgebracht. W. S.
+
+[57] De hanchman of henchman is een soort van geheimschrijver, die zijn
+chef als zijn schaduw volgt, en zich aan tafel aan zijn zijde bevindt,
+gereed om al zijn bevelen ten uitvoer te leggen. Deze betrekking is
+soms het deel van den zoogbroeder. Deze naam werd ook aan den
+vertrouwden page of aan den bevelhebber der wacht van een edele
+gegeven.
+
+[58] De bard is de geschiedschrijver der familie, soms de onderwijzer
+van den jongen edele, terwijl hem is opgedragen de liederen op te
+stellen ter eere van den stam; in éen woord de dichter van den clan.
+
+[59] Het woord bladier stamt waarschijnlijk van bladarie, een Schotsch
+woord, af, hetwelk „snoeverij” beteekent, omdat dezen ambtenaar was
+opgedragen de daden en de grootheid van zijn meester aan den volke te
+verkondigen.
+
+[60] Het woord gilly beteekent page, knecht, en more groot. Dit
+bijvoegelijk naamwoord veredelt het geheele woord gilly-more. De andere
+beambten worden genoegzaam in den tekst omschreven.
+
+[61] De pijper, die zich voor een edelman uitgaf, droeg zelf zijn
+instrument niet, en ontdeed er zich van zoodra hij gespeeld had; hij
+had derhalve een page, een gilly, om zijn doedelzak (bagpipe) te
+dragen.
+
+[62] Pibroch. Een soort van liedje aan de muziek der Hooglanders eigen,
+en dat, naar het zeggen der Schotten, al de gewaarwordingen der ziel
+uitdrukt. Deze benaming wordt bij voorkeur aan krijgszangen gegeven.
+
+[63] Hiermede werd een Engelsch soldaat of officier, naar zijn uniform
+aangeduid, in tegenstelling met die van black watch, zwarte regimenten,
+zooals de ongeregelde troepen der Hooglanders genoemd werden.
+
+[64] Het is niet de treurberk, een soort die het meest in de Hooglanden
+voorkomt, maar de wollige, bladerige berk der Laaglanden, welke deze
+geur verspreidt. W. S.
+
+[65] De roem dezer beide helden berust op de overleveringen en
+volksballaden; in de geschiedenis komen ze slechte als een paar
+vogelvrij verklaarden voor.
+
+[66] Zie Aanteekening O. Rob Roy.
+
+[67] Dit was het gerecht, hetwelk Rob Roy den Laird van Tullibody
+aanbood. W. S.
+
+[68] Iemand met een tweede gezicht begaafd.
+
+[69] Zie Aanteekening P. Vroolijke galg van Crieff. W. S.
+
+[70] Zie Aanteekening Q. Caterans. W. S.
+
+[71] De Schotten zijn buitengewoon mild, wanneer ze hun land en drank
+berekenen. De Schotsche pint komt zoowat met vier Engelsche overeen;
+wat hun geld betreft, iedereen kent het tweeregelig versje:
+
+ Zijn op den naam van leeperts die rekels nog gesteld?
+ Hun pond is twintig stuivers, berekend naar ons geld. W. S.
+
+[72] Met dezen pluim tooiden zich slechts de hoofden van den hoogsten
+rang.
+
+[73] Een burlesk personage uit Shakespeare’s Veel leven om niets.
+
+[74] Zie Aanteekening R. Wederinkoop van Schotsche verbeurd verklaarde
+goederen. W. S.
+
+[75] Een der makkers van Falstaff (in Shakespeare’s Hendrik IV).
+
+[76] Zie Aanteekening S, Hooglandsche Staatkunde. W. S.
+
+[77] Stowe behoort aan den markies van Buckingham. Deze in Engeland
+beroemde tuinen zijn voor een groot gedeelte het schoone, waardoor zij
+zich onderscheiden, verplicht aan hetgeen lord Cobham er aan ten koste
+legde. – Blenheim is het kasteel van den hertog van Marlborough, te
+Woodstock in het graafschap Oxford, opgetrokken op het terrein van het
+koninklijk buiten van Woodstock, anders gezegd van de „Schoone
+Rosamunde.”
+
+[78] Zie Aanteekening T. Hooglandsche krijgstucht. W. S.
+
+[79] In het Schotsch is een wadsetter iemand die den eigendom van een
+ander bezit, onder verplichting van dien na een bepaalden termijn terug
+te geven, even als een wadset, in den rechterlijken stijl, een acte
+beteekent, waardoor de schuldenaar zijn goed aan zijn schuldeischer
+afstaat, opdat deze zich met de inkomsten er van betale. Onder tacksman
+verstaat men een pachter van den eersten rang.
+
+De Clan Cinnidh, of opperste, was de eigenaar van het geheele district,
+dat door den clan bewoond werd; hij behield er voor zich een gedeelte
+van, waarop de lieden van zijn gevolg leefden. Die gedeelten, welke de
+hoofdman zelf niet onmiddellijk bestuurde, werden door hem afgestaan
+aan de oudste en voornaamste leden van den clan, bloedverwanten van den
+hoofdman, die een weinig meer „heeren” waren dan de anderen; deze waren
+de tacksmen. Deze verdeelden hun grond weder in kleine boerderijen, die
+zij aan een familie van landgebruikers (tenants) afstonden, en op de
+landgebruikers volgden de kleine landgebruikers, die een eenvoudige hut
+bewoonden, en weder voor gene arbeidden. Zoodanig was de hierarchie der
+eigenaren en erfelijke pachters van den clan, die, behalve dat ze
+eenige schattingen in geld, of in voortbrengselen van den grond moesten
+opbrengen, verplicht waren den hoofdman in persoon te dienen. Maar de
+hoofdman bezat ook, als de vader van het groote gezin, wederkeerig
+verplichtingen; en de gastvrijheid jegens alle leden van zijn clan
+behoorde onder het aantal der op hem rustende verplichtingen.
+
+[80] Zie Aanteekening U. Afkeer der Schotten van varkensvleesch.
+
+[81] Zie Aanteekening X. Een Schotsche tafel. W. S.
+
+[82] De rok die tot het nationale costuum behoort.
+
+[83] Shakespeare’s Viola, die de kleederen van haar broeder aantrekt en
+zich voor hem laat doorgaan.
+
+[84] Hier wordt niet de beroemde treurspelspeelster mevrouw Henry
+Siddons, te Edinburgh, bedoeld.
+
+[85] De kleindochter van den grooten Sobieski. Haar vader Jacobus
+Sobieski, haalde zich de ongenade van Oostenrijk op den hals, door zijn
+toestemming tot haar huwelijk met den Pretendent te geven.
+
+[86] Zie Aanteekening Y. Conan de Hofnar. W. S.
+
+[87] De Hooglandsche dichter was bijna altijd een improvisator.
+Kapitein Burt ontmoette een hunner aan Lovat’s tafel. W. S.
+
+[88] Een Engelschman is voor een Schot a Southern, iemand uit het
+zuiden.
+
+[89] Zie Aanteekening Z. Waterval.
+
+[90] De jeugdige en stoutmoedige Karel Eduard landde te Glenaladale
+(Moidart) en plantte zijn standaard in de vallei van Glenfinnan,
+terwijl hij de Macdonalds, de Camerons en andere minder talrijke clans
+rondom zich verzamelde. In deze vallei treft men een monument aan met
+een door docter Gregory in het Latijn vervaardigd opschrift. W. S.
+
+[91] De oudste broeder van den markies van Tullibardine, die na een
+geruimen tijd als balling te hebben rondgezworven, in 1745 met Karel
+Eduard in Schotland terugkeerde.
+
+[92] Mac-Lean, Mac-Kenzie, Mac-Gregor. Het Gaelsche woord mac,
+beteekent zoon van.
+
+[93] Ik stoor mij weinig aan den Helicon.
+ Drink water al wie wil; ik gun hem graag de bron.
+
+[94] Dit oude Gaelsche lied is nog heden ten dage algemeen, zoo wel in
+de Hooglanden als in Ierland, bekend. Het is in het Engelsch vertaald,
+en als ik mij niet bedrieg, onder het toezicht van den pseudoniem Tom
+d’ Urfey, uitgegeven onder den titel van Coley, my cow.
+
+[95] Sir Robert Lindsay van Pitscottie, van wien Sir Walter Scott de
+volgende aanhaling ontleent, leefde in de vijftiende eeuw; hij is de
+schrijver van een geschiedenis, of liever van een kroniek van
+Schotland, die men ook aan Sir David Lindsay, zijn tijdgenoot,
+toeschrijft. De jacht, waarvan hier sprake is, was een der groote
+jachtpartijen van Jacobus V, in 1528.
+
+[96] John Taylor, bijgenaamd de waterpoëet, omdat hij leerjongen bij
+een schuitvoerder op de Theems was. Taylor diende ook op de vloot van
+den graaf van Essex, bij het beleg van Cadix (1596).
+
+[97] De wonden, door de hoorns van een hert toegebracht, werden over
+het algemeen voor veel gevaarlijker gehouden dan die door de slagtanden
+van een wild zwijn veroorzaakt:
+
+ Zijt gij door hoorn of hert gewond,
+ het brengt u op de baar;
+ Maar trof een wilde zwijns-tand u,
+ dan dreigt u geen gevaar.
+
+[98] Dit gewaad, dat veel op dat vaak door kinderen in Schotland
+gedragene, geleek, en potonie (dat wil zeggen polonaise) geheeten werd,
+is een vrij oude wijziging aan de Hooglandsche kleeding.
+
+[99] De oude Hooglanders maken nog den deasil rondom lieden in wie ze
+belangstellen. Om iemand in een tegenovergestelde richting, of met
+swither sins, (in het Duitsch wider-sins) heengaan, is een soort van
+betoovering, die ongeluk aanbrengt. W. S.
+
+[100] Deze metrische bezweering, of iets dat daar veel mede
+overeenkomt, is door Reginald Scott, in zijn werk over Tooverij aan de
+vergetelheid ontrukt. W. S.
+
+[101] ’s Morgens vlochten zij hun draagbaar
+ Beide uit berk en hazelaar. Chery Chase.
+
+W. S.
+
+[102] Zie Aanteekening AA. Hooglandsche jacht. W. S.
+
+[103] Overeenkomende met het Laaglandsche gezegde: Menigeen vraagt naar
+de poort, die hij maar al te goed kent. W. S.
+
+[104] Uit het eerste boek der avonturen van Don Quichot.
+
+[105] In „Veel leven om niets” van Shakespeare.
+
+[106] Een Schotsch spreekwoord.
+
+[107] Dit woord duidde den naam aan waaronder de tories of
+Stuartsgezinden bekend waren.
+
+[108] De stem van Selma, dat wil zeggen de muziek van het paleis van
+Fingal. Selma was de zaal waar de barden bijeenkwamen.
+
+[109] Deze verzen maken het referein uit eener oude ballade, waaraan
+Burns nieuwe verzen heeft toegevoegd. W. S.
+
+[110] Ook deze regels behooren tot een oud lied. W. S.
+
+[111] In een Hooglandsch rijm met betrekking tot Glencairn’s expeditie
+vindt men:
+
+ Wij blijven in ’t midden der koolzwarte kraaien,
+ Wij spannen den boog en wij trekken het zwaard. W. S.
+
+[112] De Oggam is een type van het oude Iersche karakter. De
+overeenkomst tusschen het Keltisch en het Punische dialect, op een
+tooneel bij Plautus gegrond, werd niet opgemerkt voordat de generaal
+Valencey zijn meening hierover, lang na Fergus Mac-Ivor, had
+geopenbaard. W. S.
+
+[113] De opgewonden Jacobieten hielden gedurende de aan gebeurtenissen
+zoo rijke jaren 1745–46 de gemoederen hunner partij in spanning door
+geruchten omtrent landingen uit Frankrijk, ten behoeve van den ridder
+van St. George. W. S.
+
+[114] De Hooglander, van vroeger dagen, bezat altijd een hoogen dunk
+van zijn beleefdheid, en was er gestadig op uit dengene met wien hij
+omging, daarvan te overtuigen. Zijne gesprekken vloeiden altijd over
+van beleefdheden en complimenten, en de gewoonte om wapenen te dragen,
+zoomede de omgang met hen, die dat eveneens deden, maakten het
+allerwenschelijkst dat ze in hun onderling verkeer de hoogst mogelijke
+beleefdheid in acht namen. W. S.
+
+[115] De Presbyterianen vieren den sabbath, dien ze den Zondag noemen,
+met joodsche gestrengheid; maar ze hebben van de Roomsch-Katholieke
+plechtigheden er rog een overgehouden. Dit feest is het sacrament van
+het Heilig Avondmaal, dat slechts eens in het jaar plaats heeft, en
+dikwijls in de open lucht, ter herinnering aan het martelaarschap der
+eerste proselieten van John Knox. De Donderdag en de Zaterdag die den
+grooten Zondag voorafgaan; zijn heilige dagen, waarop men ten minste
+eene predikatie bijwoont. De Donderdag vooral wordt als een soort van
+Zondag gevierd, en vasten- en biddag genoemd. De plechtigheid van het
+Avondmaal wordt in Schotland een „gelegenheid” geheeten, en volgens
+Burns, wiens satyren tegen de Schotsche kerk bekend zijn, wel eens een
+gelegenheid ook tot uitspanning, in plaats van een tot vasten en
+boetedoening.
+
+[116] Partridge is een der koddigste personages uit Fieldings
+onovertreffelijk werk: Tom Jones.
+
+[117] De eerwaarde John Erskine, doctor in de godgeleerdheid, een
+uitstekend Schotsch geestelijke zoowel door zijn godsdienstige kennis
+als zijn bijzondere deugden, was het hoofd der Evangelische partij in
+de kerk van Schotland, op het tijdstip waarin de beroemde doctor
+Robertson, de geschiedschrijver, aan het hoofd der gematigde partij
+stond. Deze beide voortreffelijke mannen waren ambtgenooten te
+Edinburgh, en, in weerwil van hunne theologische verschillen, leefden
+zij in de volmaaktste overeenstemming als vrienden en als predikanten,
+die dezelfde kerkdienst waarnamen. W. S.
+
+[118] Het benificium clericorum dagteekent van de vroegste tijden. De
+leden der geestelijkheid, welke misdaad ze ook bedreven hadden, waren
+van de doodstraf bevrijd. In het vervolg werd dit privilegie
+uitgestrekt tot al wie lezen kon. Maar later bleek de noodzakelijkheid
+om dit te beperken en werd het voorrecht alleen in zekere door de
+Engelsche wetten aangeduide gevallen erkend.
+
+[119] Drumclog, waar de dragonders van Claverhouse de nederlaag leden.
+
+[120] Zie Aanteekening BB. Mac Farlane’s lantaarn. W. S.
+
+[121] Zie Aanteekening CC. Kasteel van Doune.
+
+[122] Nog heden noemt het landvolk, bij wijze van spreken, de rechters
+van het hoogste „De vijftien”, naar hun aantal.
+
+[123] Zie Aanteekening DD. W. S.
+
+[124] Zie Aanteekening EE. W. S.
+
+[125] Karel Eduard scheepte zich den 20sten Juni naar Schotland in,
+landde den 24sten Juli te Loch Sunar en werd in het huis van Macdonald
+van Kinloch Moidart, in het graafschap Argyle, opgenomen. Hij was
+vergezeld door den hertog van Athole, meer algemeen de markies van
+Tullibardine genoemd, die sedert 1715 gebannen en van zijn titel
+vervallen verklaard was; door Macdonald, een Ier; door Kelly een Ier,
+die geheimschrijver van den bisschop van Rochester geweest was; door
+Sullivan en Sheridan, Ieren; door Macdonald, een Schot; door Striklen
+een Ier, of volgens Hume een Engelschman, en door Michel, een Italiaan,
+zijn kamerdienaar. Spoedig voegde Cameron Lochiel met zijn clan
+Camerons zich bij hem, alsmede Macdonald van den clan Ronald, enz.
+
+[126] Zie Aanteekening FF. W. S.
+
+[127] De nail is een maat van omstreeks 6 duim.
+
+[128] Geruimen tijd lang hebben de arbeiders in de kolenmijnen van
+Schotland in wezenlijke slavernij verkeerd. De Schotten van 1745
+geloofden dat dit in Engeland eveneens het geval was; want, toen de
+maarschalk Wade zich niet uit New-Castle durfde verwijderen, tegen den
+Pretendent, dacht men in het leger van dezen dat hij bevreesd was
+geweest, dat de twintigduizend kolenwerkers de gelegenheid te baat
+zouden hebben genomen om zich te bevrijden.
+
+[129] Een oude wijk van de oude stad.
+
+[130] High-Street. Deze straat is de voornaamste van de oude stad te
+Edinburgh.
+
+[131] Een held uit de Ossiansche overlevering.
+
+[132] Een soort van kapsel, aan weerszijden met bandjes, van de slapen,
+waar ze zijn vastgehecht, tot aan het middel af hangende.
+
+[133] De Doutelle was een schip dat, ten behoeve der insurgenten, geld
+en wapenen uit Frankrijk aanbracht, zegt Walter Scott, maar het was
+eigenlijk meer. De Doutelle was het fregat waarop Karel Eduard zich had
+ingescheept.
+
+[134] Oude vrouwen, belast met het zingen der klaagzangen voor de
+afgestorvenen, wat men in Ierland onder keening verstaat. W. S.
+
+[135] Officier van justitie van lageren rang, min of meer gelijk agent
+van politie, vulgo „diender.”
+
+[136] Ik heb deze verzen, of daarmede overeenkomende, in een der
+Magazines van dien tijd gevonden. W. S.
+
+[137] De hoofdkerk van St. Giles, te Edinburgh, is in vier afdeelingen
+gescheiden, waarvan de eene den naam voert van het hol van Haddo, omdat
+men vooronderstelt, dat de kelder, waarop ze gebouwd is, eertijds aan
+een zekeren Lord Haddo tot kerker verstrekte.
+
+[138] Deze regels komen voor in het roerende vers van mejufvrouw
+Steward, hetwelk aldus aanvangt:
+
+ O stormige rotsen van Lanow, vaartwel! W. S.
+
+[139] Het is, of was eertijds, het oude liedje: „Good night, and joy be
+wi’ you a’!” (Goeden nacht en zij de vreugde met u allen!) W. S.
+
+[140] Het hoofdkorps van de Hooglandsche armee was gelegerd of liever
+gebivakkeerd in dat gedeelte van het Konings Park, hetwelk zich naar
+den kant van het dorp Duddingston uitstrekt.
+
+[141] Het was den 20sten September.
+
+[142] Eindelijk zegevierend.
+
+[143] Zie Aanteekening GG. Veldstuk van het Hooglandsche leger. W. S.
+
+[144] Duivels! honderd duizend zwakke zielen!
+
+[145] Volgens een aantal mededeelingen komt aan lord Murray al de eer
+van dezen veldtocht toe.
+
+[146] De haggis is een soort van Schotsche pudding, die men, hetzij met
+vleesch, hetzij met gerstenmeel en andere bestanddeelen gereed maakt,
+en een lievelingsgerecht is in Schotland. Burns heeft er een ode op
+vervaardigd, waarin hij haar beschrijft als:
+
+ „Het edele hoofd van ’t puddingvolk.”
+
+[147] Hendrik IV, van Shakespeare.
+
+[148] Zie Aanteekening HH. Anderson van Whitburgh. W. S.
+
+[149] Hylax (klassieke naam van een hond) huilt op den drempel van de
+deur.
+
+[150] Het tweede regiment Engelsche dragonders, dat bij den slag van
+Prestonpans streed, werd door den kolonel Hamilton aangevoerd. Zie
+Aanteekening II. Dood van kolonel Gardiner. W. S.
+
+[151] Sheriff-Muir nabij Stirling, is een vlakte, beroemd door den daar
+in 1715 geleverden slag, tusschen de troepen van den graaf van Mar voor
+de partij der Stuarts, en die van den hertog van Argyle voor het huis
+van Hannover.
+
+[152] Zie Aanteekening, KK. Laird van Balmawhapple.
+
+[153] Assythment, een geijkte rechtsterm van de Schotsche balie, en die
+wettige vergoeding beteekent, compensatie. Brieven van slains of
+doodsbrieven noemde men die brieven, welke door hem, wiens bloedverwant
+verslagen was, geschreven werden aan den moordenaar, om hem te
+verklaren, dat hij voldaan was, alsmede de brieven, waarin de
+moordenaar een vergoeding aanbood.
+
+[154] Sir Thomas Craig, een uitstekend rechtsgeleerde van de zestiende
+eeuw. Zijn verhandeling over het Jus feodale wordt nog altijd in waarde
+gehouden.
+
+[155] De dienst om den koning na den slag de laarzen uit te trekken.
+
+[156] Een ander ik, een andere koning.
+
+[157] Trews, Schotsche pantalons, en brogues voetzolen van kalfsleer.
+
+[158] Omdat hij in zijn jeugd, bij het leger van zijn vader Germanicus,
+ligte sandalen droeg.
+
+[159] Over de kleeding.
+
+[160] Een klein uur afstands van Prestonpans.
+
+[161] Whittington is een van de helden der Engelsche nijverheid. Van
+eenvoudig leerling klom hij op tot hoogen stand en groote rijkdommen,
+onder de regeering van Hendrik V. Nadat hij zonder geld en hulpmiddelen
+van zijn meester te Londen was weggeloopen, hoorde hij, of meende hij
+duidelijk de kerkklok te hooren luiden:
+
+ „Keer terug Whittington, keer terug,
+ Driemaal lord-mayor van Londen.”
+
+[162] Het zinnebeeld van de partij der Stuarts.
+
+[163] Zie Aanteekening LL, Andrea de Ferrara. W. S.
+
+[164] De vlakte van Gladsmuir was inderdaad het eigenlijke tooneel van
+den slag.
+
+[165] De naam van dezen prediker was Mac-Vicar. Beschermd door het
+geschut van het kasteel, predikte hij iederen zondag in de Westerkerk,
+terwijl Edinburgh in de handen der Hooglanders was; en het was in
+tegenwoordigheid van een aantal Jacobieten, dat hij het gebed voor
+Prins Karel deed, waarvan wij hier de woorden in den tekst hebben
+aangehaald. W. S.
+
+[166] Zie Aanteekening MM.
+
+[167] Parietaria officinalis. Glaskruid, een zeer broos plantje.
+
+[168] „Men moet zich vermommen, mijnheer.”
+
+[169] Zie Aanteekening NN. Prins Karel Eduard. W. S.
+
+[170] Berg en meer van Westmoreland.
+
+[171] Zie Aanteekening OO. Schermutseling te Clifton. W. S.
+
+[172] Zie Aanteekening PP. Eed op den dolk. W. S.
+
+[173] Een der karakters door Shakespeare in zijn Hendrik V geschetst.
+
+[174] Op den 16den April 1746 maakte de slag te Culloden, een einde aan
+den inval van den Pretendent.
+
+[175] De vlakte van Culloden is niet ver van Inverness.
+
+[176] Er bevonden zich op Invergarry-Castle, het verblijf van
+Mac-Donald van Glengary, twee verwoeste kastanjeboomen, de een geheel,
+de ander gedeeltelijk, door een dergelijke boosaardige en kinderachtige
+wraakzucht vernield. W. S.
+
+[177] De zes eerste regels zijn ontleend aan een oude ballade, Klacht
+der weduwe op de grenzen getiteld. W. S.
+
+[178] Hij is vertrokken, hij is ontsnapt, hij heeft zich gered, hij is
+gevlucht.
+
+[179] Wij hebben geleden, wat in den loop der menschelijke dingen ligt.
+
+[180] Dit vers is een soort van referein in Wordsworths ballade The
+idiot boy getiteld.
+
+[181] Het is met ons gedaan Trojanen.
+
+[182] Laatste woning – graf.
+
+[183] Hij sterft, en stervend lispelt hij den zoeten naam van Argos
+nog.
+
+Virgilius.
+
+[184] Ook van een ijdelen plicht zal ik mij kwijten.
+
+Virgilius.
+
+[185] Walter Scott doelt hier op den dichter Crabbe.
+
+[186] Touchstone is een der oorspronkelijkste hofnarren van
+Shakespeare.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75933 ***