summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/76121-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '76121-0.txt')
-rw-r--r--76121-0.txt6842
1 files changed, 6842 insertions, 0 deletions
diff --git a/76121-0.txt b/76121-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..de6b37d
--- /dev/null
+++ b/76121-0.txt
@@ -0,0 +1,6842 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76121 ***
+
+
+
+
+
+ IN DE VACANTIE
+ BIBLIOTHEEK VOOR JONGENS EN MEISJES.
+ SERIE B—MEISJESBOEKEN—DEEL 11
+
+
+ ANNIE VAN WALEN
+
+
+ DOOR Jkvr. HENRIËTTE RAPPARD
+ GEÏLLUSTREERD DOOR O. GEERLING
+
+
+ TWEEDE DRUK
+ ALKMAAR—GEBR. KLUITMAN
+ :: 1918 ::
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KOMST VAN TANTE DORA.
+
+
+„Kan ik al niet mooi los rijden, Paula?” riep Annie van Walen, terwijl
+zij over de breede oprijlaan kwam aan fietsen.
+
+„Kranig, hoor,” antwoordde Paula lachend, want Annie slingerde nog als
+een dronkenman over den weg.
+
+Paula Tillens en Annie waren vriendinnen en buurmeisjes; Annie was tien
+jaar en Paula, die dertien jaren telde, had Annie leeren fietsen, toen
+deze op haar laatsten verjaardag een mooie fiets gekregen had.
+
+De heer Van Walen was zeer rijk en woonde met zijn dochtertje op een
+groot buiten, dat grensde aan den tuin van de villa, die door Paula en
+haar moeder bewoond werd.
+
+„Zeg, Pau,” zeide Annie vertrouwelijk, „misschien was het toch beter
+geweest als ik op je gewacht had in plaats van het alleen te probeeren
+want ik ben al driemaal gevallen en.... kijk eens!”
+
+Zij tilde haar schort op en nu zag Paula een groote scheur in Annie’s
+jurk.
+
+„Is het heel erg?” vroeg Paula. „Je papa let toch niet op zulke
+dingen?”
+
+„Papa niet, maar juffrouw Mina wel. Zij zal zoo brommen, want gisteren
+heeft zij er ook al een moeten naaien, hier, kijk maar” en Annie wees
+op een keurig gestopte scheur.
+
+Mina Holst of juffrouw Mina, zooals Annie haar noemde, was het
+kindermeisje geweest van Annie’s moeder en toen deze opgroeide en later
+met den heer Van Walen trouwde, was Mina bij haar gebleven. Een paar
+jaar na Annie’s geboorte was mevrouw Van Walen gestorven en van dat
+oogenblik af had Mina voor het kind gezorgd en het huishouden
+waargenomen. Zij hield dan ook veel van Annie en deze was op haar beurt
+zeer aan juffrouw Mina gehecht.
+
+„Weet je wat?” zei Paula goedig, „kom maar even mee naar huis, dan zal
+ik het wel voor je naaien.”
+
+„Pau, je bent een schat!” riep Annie blij. „Je weet niet hoe vervelend
+het is altijd standjes te krijgen dat je te wild bent. Wat moet het
+toch heerlijk zijn, hè, om een jongen te wezen, een jongenspak te mogen
+dragen en te mogen bokspringen, leuningglijden, fluiten en al die
+prettige dingen meer, zonder altijd te moeten hooren: „Annie, wees toch
+niet zoo wild, vergeet toch niet, dat je een meisje bent!””
+
+Annie had Mina’s stem zoo precies nagebootst, dat Paula hartelijk begon
+te lachen.
+
+„Ik dacht dat je zooveel van juffrouw Mina hield,” merkte zij op.
+
+„Natuurlijk, zij is een schat en ik ben dol op haar, maar die eeuwige
+standjes zijn zoo onuitstaanbaar.”
+
+Intusschen waren de meisjes voor Paula’s woning aangekomen. Zij leunden
+de fiets tegen het huis en gingen binnen door een achterdeur, die
+overdag meestal open stond.
+
+„Ga maar gauw mee naar mijn kamer,” zeide Paula, „moeder kan je straks
+wel goedendag zeggen, als ik de jurk genaaid heb.”
+
+Zij nam Annie mee naar een allerliefste kamer, die wel niet groot en
+rijk gemeubeld, maar met veel smaak ingericht was, een echte
+jongemeisjes kamer met licht behang met rose rozen, met kanten
+gordijnen, die met rose linten werden opgenomen, voor het venster, en,
+wat vooral steeds Annie’s bewondering had opgewekt, dat was de keurige
+toilettafel met de strook van wit neteldoek over rose satinet, terwijl
+de neteldoekschen gordijnen, die den spiegel omlijstten, van boven door
+een groote rose strik werden vastgehouden.
+
+„Heeft je ma dit nu heelemaal voor je gemaakt?” vroeg zij met haar hand
+over het neteldoek strijkende.
+
+„Ja, en het kleedje op tafel ook, wat verwent moes mij, he? maar wij
+zijn ook maar met ons beidjes, dus heeft moeder wel tijd om nu en dan
+wat voor mij te maken en dat doet ze zoo graag, die beste moes.”
+
+Al pratend had Paula een naaidoosje voor den dag gehaald en nu begon
+zij handig Annie’s jurk te naaien.
+
+„Er valt gelukkig juist een plooi over,” zeide Paula; „je zult er niets
+van zien.”
+
+„Dank je duizend maal, hoor!” riep Annie dankbaar, „je hebt mij een
+heele preek bespaard.” Op de klok kijkende, voegde zij er verschrikt
+bij: „maar ik moet weg; ik had al thuis moeten zijn, tante Dora komt om
+elf uur.”
+
+„Je tante Dora! de mama van die twee trotsche kinderen, die verleden
+jaar hier waren en zich niet met mij wilden bemoeien, omdat ik niet in
+een groot huis woon, zooals jij?”
+
+„O, het zijn zulke nesten, ik kan ze niet uitstaan!” antwoordde Annie.
+
+In de gang ontmoetten zij mevrouw Tillens.
+
+„Zoo, is daar onze kleine Annie?” riep zij en toen het meisje naar haar
+toevloog, kuste zij Annie hartelijk. „Ik hoorde je zeggen dat je haast
+hadt, kindje,” merkte mevrouw Tillens op, „maak dus maar vlug dat je
+weg komt, anders laat je papa wachten en dat mag niet.”
+
+„Mag ik dan gauw terugkomen?” vleide Annie, „het is hier bij u zoo
+gezellig.”
+
+„Natuurlijk, kindje, je weet immers, dat je altijd welkom bent,”
+antwoordde Paula’s mama, die steeds medelijden had met het moederlooze
+meisje, dat ondanks haar rijkdom zooveel miste.
+
+Paula hielp Annie op de fiets en liep naast haar voort, het rijwiel bij
+het stuur vasthoudende.
+
+„Zie je wel, ik ben al te laat,” zeide Annie, toen zij midden in de
+oprijlaan waren en het huis reeds konden zien. „Daar komt juffrouw Mina
+naar buiten om te zien waar ik blijf.”
+
+„Nu, dan keer ik maar om, dan kan je vlug door rijden,” antwoordde
+Paula, „tot ziens dan.”
+
+„Dag, Pau, dank je nog wel!” riep Annie terug en nu begon zij zoo hard
+te trappen als zij maar kon.
+
+Zooals meer gebeurt met menschen die pas hebben leeren fietsen, reed
+ook Annie meestal tegen iedereen en alles op, waarvoor zij juist wilde
+uitwijken. Op het oogenblik wilde zij uit den weg gaan voor juffrouw
+Mina, maar zonder het te willen stuurde zij regelrecht op de goede ziel
+aan.
+
+„Kind, wat doe je? ga toch op zij!” riep Mina en sprong verschrikt
+achter een boom.
+
+„Ik kan niet!” antwoordde Annie hijgend en het volgende oogenblik kwam
+zij in onzachte aanraking met den boom, waarachter Mina een
+schuilplaats had gezocht. Natuurlijk viel Annie met fiets en al om,
+doch gelukkig liep het zonder ongelukken af.
+
+„Foei, wat doe je mij toch altijd schrikken,” stamelde Mina, terwijl
+zij het meisje ophielp. „En deed je dat nu heusch niet met opzet?”
+
+„He, hoe kan u dat nu denken!” riep Annie verontwaardigd. „Weet u wat
+het is,” merkte zij een oogenblik later op, terwijl Mina bezig was het
+zand van haar jurk te kloppen. „Als ik voor iets uit den weg wil gaan,
+dan kijk ik er zoo strak naar, dat ik er juist naar toe rijd. Maar het
+zal wel overgaan, denkt u ook niet?”
+
+„Het is te hopen, anders is het een gevaarlijk spelletje. Wat zal je
+doen, als je een automobiel of een rijtuig tegenkomt?”
+
+„O, Paula wil niet, dat ik zonder haar op den straatweg rijd, voordat
+ik het heel goed kan en als ik met haar rijd en er komt zooiets aan,
+dan houdt zij mij vast en trekt mij uit den weg.”
+
+„Een lief, verstandig meisje, die jongejuffrouw Tillens en zoo netjes,
+was jij maar zoo,” zeide Mina met een zucht, „dan had ik niet half
+zooveel moeite met je. Kom nu maar gauw mee, dat ik je wat help
+opknappen, want je tante is al wel een kwartier binnen en mijnheer
+zeide, dat je, zoodra je thuis was, in het salon moest komen.”
+
+Annie vloog naar boven naar haar kamer en terwijl zij zich met behulp
+van Mina wat meer toonbaar maakte, vroeg zij: „juffrouw Mina, wat komt
+tante Dora hier doen, terwijl er toch niemand jarig is?”
+
+Tante Dora, de zuster van den heer Van Walen, kwam gewoonlijk slechts
+ééns in het jaar, namelijk met den verjaardag van haar broer. Dan werd
+het beste tafelzilver voor den dag gehaald, Annie moest haar mooie jurk
+aantrekken en klokslag elf uur hield tante’s rijtuig, of soms
+automobiel voor het huis stil. Meestal was zij alleen, doch een enkel
+maal kwamen haar dochtertjes mee om haar oom geluk te wenschen. Annie
+was bang voor de deftige, trotsche dame, die nooit recht hartelijk was.
+
+„Hoe wil ik dat nu weten, Annie,” antwoordde Mina op Annies vraag: „je
+tante zal het mij niet vertellen. Ik denk dat mevrouw komt kijken,
+hoeveel scheuren je deze week in je nieuwe jurk hebt gemaakt en of je
+altijd nog even wild bent als vroeger, ziezoo, nu zit je haar netjes,
+ga nu maar gauw naar beneden, je hebt mijnheer al lang genoeg laten
+wachten.”
+
+Annie liep veel langzamer naar beneden dan zoo straks naar boven en
+toen zij den knop van de salondeur omdraaide, bonsde haar hartje als
+een hamer.
+
+„Ah, daar is onze kleine wildzang eindelijk,” zeide haar vader, toen
+zij binnenkwam en naar haar tante toeging om deze te begroeten. „Kom
+eens hier, kleine meid en hoor eens, wat wij je te vertellen hebben.
+Het is groot nieuws en ik vond het beter je er nog niets van te zeggen,
+vóórdat ik alles met tante Dora had afgesproken.”
+
+„Maar wat dan toch, papa? Wat is het nieuws, is het prettig?” vroeg
+Annie, terwijl zij op de leuning van mijnheer Van Walens stoel ging
+zitten.
+
+„Annie,” merkte haar tante op, „is het bepaald noodig, dat je op de
+leuning van een stoel zit? Hier naast mij staat anders nog een stoel en
+geheel leeg, zou je daar niet liever op plaats nemen?”
+
+„Ja, kleine, ga naast tante zitten, dan zullen wij je alles vertellen.”
+
+„Zoo dikwijls ik hier ben geweest,” liet tante er nog op volgen, „heb
+ik Annie nog nooit vijf minuten achtereen als een gewoon mensch op een
+stoel zien zitten. Altijd klom zij op de leuning of op de tafel, iets,
+dat ik mijn meisjes streng verboden heb.”
+
+Annie kreeg een kleur, zette zich op het puntje van den door tante
+aangewezen stoel, en keek haar vader vragend aan.
+
+„Het nieuws is, Annie, dat je een poos bij tante gaat logeeren, omdat
+ik voor zaken naar Engeland moet. Je begrijpt dat ik je niet kan
+meenemen, want jij mag de school niet verzuimen.”
+
+„U weg en ik naar tante, voor hoelang?” riep Annie zoo verschrikt, dat
+tante niet kon nalaten te zeggen:
+
+„Hm, je bent wel beleefd. Ik heb mijn meisjes altijd geleerd de
+beleefdheid in acht te nemen.”
+
+„O, ja, tante, ik vind het heel aardig om bij u te gaan logeeren,”
+zeide het arme kind. Eensklaps scheen zij echter op een inval te komen.
+„Zou het niet beter zijn, pa, als ik zoolang bij mevrouw Tillens ging,
+dan hoefde ik niet van school te veranderen. Het is immers niet voor
+lang, pa?”
+
+Voordat de heer Van Walen kon antwoorden, liet tante Dora zich hooren:
+
+„Neen, Annie, dat gaat niet; het is beter, dat je bij mij komt. Ik heb
+altijd aan je papa gezegd, dat die jongejuffrouw Tillens geen goed
+gezelschap voor je is; wij weten niets van die menschen af en dat
+meisje wordt belachelijk door haar moeder verwend, bovendien is zij
+veel te oud voor je, terwijl Coba en Laura zoowat van je eigen leeftijd
+zijn. Het is ook heel goed voor je dat je eens voor een poosje van die
+dorpsschool afkomt.”
+
+Annie durfde niets meer te zeggen, maar zij keek zoo ongelukkig, dat
+haar vader troostend zeide: „In ieder geval blijf ik nog tot September
+thuis, hoor kleine, dus zijn wij nog een heele maand samen. Ga nu maar
+spelen, want ik heb nog veel met tante te bespreken en aan de koffie
+zal ik je alles vertellen, wat je nog weten wilt.”
+
+„Een goed meisje, maar nog erg ongemanierd,” merkte mevrouw Stubbens
+(zoo heette tante Dora) op, toen Annie de kamer uit was. „Zij zal nog
+veel moeten leeren.”
+
+„Je moet niet vergeten, dat zij vanaf haar derden jaar de moederlijke
+leiding gemist heeft,” antwoordde haar broer. „Mina Holst is een best
+meisje,” voegde hij erbij, „maar niet de geschikte opvoedster voor een
+meisje van Annie’s leeftijd. Daarom ben ik zoo blij, Dora, dat jij
+zoolang de zorg voor het kind op je wilt nemen en ik hoop, dat je een
+tweede moeder voor haar zult zijn.”
+
+„Zij zal in alles gelijk opgaan met mijn meisjes,” zeide mevrouw
+Stubbens, „ik zal geen onderscheid maken, dat beloof ik je.”
+
+Intusschen was Annie het huis uitgesneld om nog gauw vóór koffietijd
+alles aan haar vriendin te gaan vertellen. Paula zag haar reeds uit de
+verte aankomen en benieuwd om te weten wat zij te vertellen zou hebben,
+liep zij Annie te gemoet.
+
+„Hè, Annie, je hebt gehuild. Waarom? wat scheelt eraan?” riep zij toen
+haar vriendinnetje bij haar was.
+
+„O Pau,” antwoordde Annie, die werkelijk geschreid had, maar nu moedig
+haar tranen terugdrong; „ik moet van hier weg, ik moet bij tante Dora
+gaan logeeren. Papa gaat naar Engeland en het schijnt voor langen tijd
+te zijn, want ik ga met Coba en Laura naar school.”
+
+Paula wist niet goed, wat zij zeggen moest om haar vriendinnetje te
+troosten. Zij vond het zelf heel akelig haar te moeten missen en ook
+vooral voor Annie, omdat zij wist, dat deze niet van haar nichtjes
+hield.
+
+„Kom mee naar mama,” zeide zij, haar arm om Annie’s hals slaande, „mama
+zal je wel weten te troosten.”
+
+„Het spijt mij heel erg, dat je weggaat, Annie,” zeide mevrouw Tillens
+toen haar alles verteld was, „en Paula zal je vreeselijk missen, maar
+voor jou is het toch niet zoo héél erg, kindje. Het is wel akelig voor
+je van je papa af te moeten, maar je gaat naar een mooie groote stad
+waar alles nieuw voor je is en dan is er nog iets, dat je vergeet, ik
+bedoel je jongste nichtje, waarvan je mij verteld hebt en waarvan je
+zooveel houdt. Zal het nu niet zoo prettig voor je zijn, langen tijd
+bij haar te kunnen logeeren? Ik wed dat het je nog wel meevalt en dan,
+je papa zal toch niet zoo heel lang wegblijven, zoodat wij je met
+Kerstmis wel weer thuis zullen hebben en dan kan je ons alles
+vertellen.”
+
+Annie voelde zich werkelijk getroost, vooral door de gedachte, dat zij
+waarschijnlijk met Kerstmis wel weer thuis zou zijn en ook hield zij
+werkelijk van kleine Tine, haar jongste nichtje, een zwak kindje van
+vijf jaar, zoodat zij niet meer met zooveel schrik aan haar verblijf
+bij oom en tante Stubbens dacht en ten slotte met een vroolijk
+gezichtje aan de koffietafel verscheen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+ANNIE’S AANKOMST.
+
+
+„O, tante, wat een prachtige winkels en wat is het hier druk, o, die
+fietser komt stellig onder ons rijtuig.... o, o, o! tante kijk toch
+eens, neen, gelukkig, hij wijkt nog, juist bijtijds uit! Hé, tante, wat
+’n heerlijke speelgoedwinkel.”
+
+Annie’s mondje stond niet stil, zij verkeerde in één opwinding over al
+het moois dat zij zag en over al de drukte en beweging eener groote
+stad, waar zij slechts zeer zelden geweest was.
+
+Tante Dora was haar met open rijtuig komen halen en hoewel er bij het
+afscheidnemen van haar vader en juffrouw Mina in het begin van den rit
+heel wat tranen gevloeid waren, had het vooruitzicht van al het nieuwe
+haar langzamerhand getroost, zoodat zij, toen zij een uur later de stad
+binnenreden, in staat was volop van al het fraaie te genieten.
+
+„Stil toch, kind, praat niet zoo hard, ik heb altijd aan mijn meisjes
+geleerd, dat zij zich niet moeten laten hooren. Het doet mij plezier,
+dat je alles zoo mooi vindt, maar je moet niet zoo’n leven maken.”
+
+Zij lieten de vroolijke winkelstraten achter zich liggen en reden nu
+door een stille deftige buurt met groote heerenhuizen. Voor één van
+deze hield het rijtuig stil. De palfrenier schelde aan en bijna
+onmiddellijk werd door een keurig dienstmeisje de deur geopend en een
+oogenblik later stond Annie in de ruime vestibule van haar nieuwe
+tehuis.
+
+Nauwelijks was zij binnen of Annie hoorde een vroolijke jongensstem
+roepen:
+
+„Zeg, moes, bent u daar en hebt u Annie meegebracht?” en voordat het
+meisje recht wist wat er gebeurde, kwam er langs de statige trapleuning
+iets naar beneden glijden. Het ging zoo vlug, dat zij niet kon zien wat
+het was, totdat zij haar tante op berispenden toon hoorde zeggen:
+„Maar, Thomas, hoe dikwijls moet ik je dat nu toch verbieden? Het is
+zoo vreeselijk gevaarlijk!”
+
+Toen bemerkte Annie, dat het niet, zooals zij eerst gedacht had, een
+groot pak was geweest, dat men langs de leuning naar beneden had
+geworpen, maar een jongen van een jaar of twaalf, die nu tante Dora
+hartelijk omhelsde.
+
+„Die moes is altijd zoo bezorgd voor haar Thomasje, niet waar,
+moedekie? Maar wees maar niet bang, hoor, onkruid vergaat niet!” En
+tante Dora ... glimlachte.
+
+In stomme verbazing zag Annie dit tooneel aan. Hoe durfde hij zoo met
+die deftige, stijve tante Dora omspringen en zij werd er niet eens boos
+om! daar begreep Annie niets van.
+
+Nu liet Thomas zijn moeder los en kwam naar Annie toe.
+
+„Ben jij nu ons nieuwe nichtje? Hoe toevallig, hè, dat ik de keeren dat
+jij hier kwam, juist niet thuis was. Welkom hier, hoor, ik ben blij,
+dat je gekomen bent. Ga je nu mee, dan zal ik je mijn konijnen en
+vogels laten zien.”
+
+„Misschien wil Annie liever eerst naar haar kamer, Thomas, dan kan je
+haar straks je moois wel laten kijken.”
+
+„Neen, dank u, tante, maar kan ik Tineke niet eerst goedendag zeggen?”
+
+„Tine is naar Fröbelles, daar gaat zij tegenwoordig iederen morgen
+heen, om haar alvast aan het schoolgaan te wennen.”
+
+„Mag ik dan met Thomas mee naar den tuin?” vroeg Annie.
+
+„Zeker, maar denk eraan, half één precies aan de koffie, hoor,” en
+tante Dora ging naar boven, terwijl Thomas zijn nichtje bij de hand nam
+en meetrok naar den tuin.
+
+„Zeg, Annie,” zeide hij, „je moet geen Thomas tegen me zeggen, maar
+Tom, dat is veel gemakkelijker en alleen mama en papa noemen mij
+Thomas, en zeg, weet je, waarom ik zoo blij ben, dat je gekomen bent,”
+voegde hij erbij, toen zij aan het konijnenhok gekomen waren en hij
+Annie zijn mooiste konijn in de armen had gelegd, „omdat ik hoop op je
+heb.”
+
+„Wat bedoel je?”
+
+„Wel ik heb hoop, dat je niet zoo’n nuf bent als Coba en Laura; jij
+bent immers zoo wild.”
+
+„Ik wild,” riep Annie verontwaardigd en zij nam haar deftigste houding
+aan, „hoe kom je erbij? Ik ben al bijna elf en dan is men niet meer
+wild.”
+
+„Nu, wij zullen zien. Als je papa bij ons was, sprak hij altijd van
+„mijn kleine wildzang,” dat was jij dan, zie je.”
+
+„Ach, dat zei papa maar zoo, dat meende hij niet.”
+
+En nu wandelde Annie, nadat zij de konijnen genoeg bewonderd en weer in
+het hok teruggezet hadden, als een zeer net meisje naast Tom den tuin
+door naar de volière, waar hij allerlei mooie en vreemde vogels had.
+
+„Wat ’n prachtige fazanten, Tom, en wat zijn die duiven snoezig! laat
+je die nu vrij uitvliegen?”
+
+„Ja en dan komen ze vanzelf weer in hun hok terug, vind je dat niet
+leuk? ik heb er tien en er is tot nu toe nog geen een weggeraakt.”
+
+Nog een poos bleven zij naar de vogels kijken en toen kwam Tom op een
+inval.
+
+„Zeg, Annie, wij zijn hier toch alleen, willen wij samen bokspringen?
+Zoo om beurten, je weet wel, eerst mag jij springen en dan ben jij bok
+en spring ik en zoo dit pad af, heerlijk!”
+
+Annie’s oogen begonnen te schitteren en Annie, die al bijna elf en dus
+niet meer wild was, nam met graagte het voorstel aan.
+
+„Jammer toch, dat jij geen jongen bent,” merkte Tom eindelijk op, toen
+zij naar hartelust gesprongen hadden en nu samen op het gras zaten uit
+te rusten. „Je weet niet hoe saai het is met niets dan meisjes thuis!”
+
+„Waarom ben je nog niet naar school?”
+
+„Het gym begint eerst Dinsdag, maar de meisjesschool is al begonnen,
+jij zult er morgen wel heen moeten.”
+
+„Neen, ik ga Maandag voor het eerst. Het is al Donderdag, dus deze week
+niet meer de moeite waard, zeide tante.”
+
+„Dat treft prachtig! kan je fietsen? ja? nu, als moes het dan goed
+vindt, zullen wij morgen naar buiten fietsen, dan zal ik je laten zien,
+waar wij van den zomer geweest zijn en na de vacantie op vrije middagen
+nog wel eens heengaan. Het is niet zoo heel ver; je zult zien hoe leuk
+het is. De andere lui en ik hebben daar een fort gebouwd en dan
+verdeelen wij ons in twee partijen, belegerden en belegeraars en als
+Coba en Laura mij een heele week niet geplaagd hebben, dan mogen zij en
+Tineke ook mee. Dan zijn zij drie vrouwen, die in het kamp in
+veiligheid gebracht en door de mannen beschermd worden. En nu kan jij
+ook meedoen.”
+
+„Maar ik heb geen bescherming noodig. Mag ik niet met de mannen
+meevechten?”
+
+„Zie je wel dat je wild bent. Zooeven heb je wat lekker bok gesprongen
+en nu wil je met de mannen meevechten in plaats van je op een veilige
+plaats door ons te laten beschermen; daar zijn jullie, vrouwen, toch
+voor. Maar ik weet wat,” voegde hij er na eenig nadenken bij, „je kunt
+marketentster zijn. Wil je dàt dan?”
+
+„Dat is ten minste beter, dan daar zoo vervelend niets te doen zooals
+die drie anderen.”
+
+„Maar zij hebben wel degelijk wat te doen. Zij moeten gillen van angst
+als er op het fort geschoten wordt en zij moeten flauw vallen. Den
+laatsten keer hebben wij Tine, om haar weer bij te brengen zoo nat
+gegooid, dat zij wel een half uur in de zon heeft moeten zitten om te
+drogen, want zij mocht natuurlijk niet met die natte jurk naar huis,
+dan hadden wij een standje gehad.”
+
+Toen zij genoegzaam waren uitgerust, wandelden de kinderen naar huis
+terug en aan de koffietafel ontmoette Annie haar oom, die bij haar
+aankomst niet thuis was geweest, en haar nichtjes.
+
+„Welkom hier, kleine meid,” had de heer Stubbens tot haar gezegd, toen
+hij haar begroette; „ik hoop, dat jij je hier thuis zult voelen en dat
+jullie, kinders, goed met elkaar zult kunnen opschieten.”
+
+Op haar dringend verzoek mocht de kleine Tine naast Annie zitten, die
+zij telkens met een blij lachje aankeek.
+
+„Ik mag vanaf Maandag alleen naar de les,” vertelde zij trotsch, „dan
+wordt ik niet meer gehaald en gebracht.”
+
+„Is dat waar, ma, mag dat kleine spook al alleen gaan?”
+
+„Ja, Thomas, ik vind het goed dat zij al vroeg zelfstandigheid leert;
+zij is veel te bang en dat moet eruit.”
+
+„Dat komt omdat zij zoo klein is,” merkte Torn wijsgeerig op, „Beppie
+van hiernaast is vier en een half en veel grooter dan zij.”
+
+Annie dacht aan een van haar boeken, waarin een klein meisje dat tegen
+het verbod van haar moeder alleen de straat op was geloopen, door een
+automobiel was overreden, en angstig keek zij naar haar kleine
+buurmeisje.
+
+„Is het ver loopen, Tine?”
+
+„Ach, wel neen!” antwoordde tante Dora voor het kleintje, „geen tien
+minuten. Kijk dus maar niet zoo angstig, Annie.”
+
+„Meisjes,” zeide mevrouw Stubbens na de koffie tot Coba en Laura,
+„jullie hebt, voordat je weg moet, nog tijd om Annie te helpen haar
+kamer wat gezellig te maken, ga dus met haar naar boven.”
+
+Annie vond het alles behalve prettig; veel liever was zij met Tom en
+Tine in den tuin gaan spelen, maar zij durfde natuurlijk niets te
+zeggen.
+
+Zij had een mooie frissche kamer gekregen, die op den tuin uitzag,
+zoodat zij niet in de vroegte door de drukte van de groote stad gewekt
+zou worden.
+
+Annie maakte haar koffer open en haalde daaruit platen te voorschijn,
+waarmee zij nu met behulp van haar nichtjes de wanden begon te
+versieren. Ook had zij eenige étagère voorwerpen meegebracht, die zij
+op den schoorsteenmantel neerzette en toen alles klaar was, moesten zij
+alle drie bekennen dat de kamer er veel gezelliger uitzag. „Die dingen
+zijn allemaal uit mijn kamer,” zeide Annie, „en deze kamer lijkt zoo op
+de mijne, dat het nu net is of ik weer thuis ben, zelfs de gordijnen
+zijn dezelfde.”
+
+„Ja, dat heeft ma met opzet gedaan. Je hebt deze kamer gekregen, omdat
+zij net als de jouwe op den tuin uitkijkt en bijna dezelfde meubels
+heeft, ook mahoniehout met rood,” merkte Coba op, „je mag er ma wel
+voor bedanken.”
+
+„Natuurlijk,” antwoordde Annie, die boos was, omdat Coba meende, dat
+het noodig was haar hieraan te herinneren.
+
+„Jij gaat Maandag eerst naar school, hè?” vroeg Laura.
+
+„Ja, maar Zaterdag gaat je ma met mij naar de directrice en moet ik
+examen doen voor de vijfde.”
+
+„Ik zit ook in de vijfde,” zeide Laura „en Clara van Scheik, Marie
+Munster en Emmy van Spechten ook. Ik ben benieuwd of je bij ons komt te
+zitten.”
+
+Toen de meisjes eindelijk weer naar school waren, ging Annie ook naar
+beneden om haar tante te zoeken.
+
+Deze kwam juist de gang door en nu sloeg Annie in de dankbaarheid van
+haar hartje beide armen om tantes hals en gaf haar een hartelijke kus.
+„Dank u, tante,” zeide zij, „ik ben zoo blij met die kamer, ze is net
+de mijne.”
+
+Mevrouw Stubbens was eerst verwonderd over die onstuimige omhelzing;
+zij was zooiets van haar eigen meisjes niet gewoon.
+
+„Pas op, meisje, je kreukt mijn japon,” zeide zij. „Het doet mij
+genoegen, dat de kamer naar je zin is, maar je moet niet zoo wild
+zijn.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+HET FORT.
+
+
+Toen Annie den volgenden morgen wakker werd, scheen de zon vroolijk
+haar kamer binnen. Het eerste oogenblik was het haar wel vreemd, dat
+zij niet thuis in haar eigen bedje lag, maar toen zij goed wakker was,
+herinnerde zij zich alles, vooral ook, dat Tom haar beloofd had met
+haar te gaan fietsen. Zij hoopte nu maar, dat tante het goed zou
+vinden, want zij verlangde om het fort te zien.
+
+„Ik zal het zelf aan moeder vragen,” had Tom haar gezegd. „Je zult
+zien, dat het dan wel mag.”
+
+Aan het ontbijt zeide hij dan ook; „Moesje, als ik u iets vraag, zegt u
+dan ja?”
+
+„Hoe kan je zulke dwaze dingen zeggen, Thomas, ik moet toch eerst
+weten, wat je te vragen hebt.”
+
+„O, het is heel onschuldig, u kunt er geen neen op zeggen.”
+
+„Thomas, doe nu niet zoo kinderachtig,” bracht zijn vader in het
+midden, „vraag nu kalm aan mama, wat je te vragen hebt en draai er niet
+zoo omheen.”
+
+„Nu, dan, ma, mag ik met Annie gaan fietsen?”
+
+„Moet je daar nu zooveel omwegen voor gebruiken, malle jongen?”
+antwoordde zijn moeder, „daar steekt toch geen kwaad in, als je maar
+zorgt, dat je op tijd aan de koffietafel bent. Maar, vóór alles moet ik
+natuurlijk weten waar jelui heengaat.”
+
+„Ik wilde Annie het fort laten zien. Zij mag later ook meespelen, hé,
+ma?”
+
+„Wat de meisjes mogen, mag Annie ook, maar denk er nu om, om half één
+thuis, hoor.”
+
+„Je ijzeren paard staat klaar, Annie,” riep Tom een half uur later aan
+de trap, toen Annie naar boven was gegaan om zich klaar te maken.
+
+Toen zij eindelijk beneden kwam, bekende zij verlegen; „ik moet je nog
+wat zeggen, Tom, ik kan het nog niet héél goed. Ik kan nog niet alleen
+opstappen.”
+
+„Dat is niets hoor,” merkte hij goedig op, „ik zal je wel helpen en je
+door de drukte heenbrengen. Je kunt immers wel los rijden?”
+
+„Ja, dat wel, maar ik slinger nog zoo.”
+
+„Nu, wij zullen wel zien. Je hebt immers een man bij je om je te
+beschermen.”
+
+Hij hielp haar opstappen en toen zij op gang was, sprong hij op zijn
+eigen fiets en vroolijk reed het tweetal weg. Annie’s rijkunst viel Tom
+na haar bekentenis nogal mee en toen zij ongeveer drie kwartier over
+een open landweg hadden gereden, kwamen zij aan een heerlijke
+beschaduwde laan.
+
+„Wij zijn er dadelijk,” zeide Tom. „Die boomen daar aan je rechterhand
+zijn van het buiten van mijnheer Boots, die naast ons woont, de papa
+van Beppie en dat is Rustoord, ons buiten, waar wij iederen zomer
+heengaan tot de scholen weer beginnen.”
+
+Zij reden een prachtig hek binnen, waarbij Tom Annie moest vasthouden
+om te beletten, dat zij tegen de zware steenen pilasters zou aan
+rijden, en daarna door een breede oprijlaan naar het huis.
+
+„Hier zullen wij afstappen,” riep Tom van zijn fiets springende, om
+daarna Annie te helpen. „Straks, als wij nog tijd hebben, zal ik je
+leeren op- en afstappen, maar nu eerst naar het fort. Zullen wij er om
+het hardst heen loopen, of ben je moe?”
+
+„Wel een beetje,” bekende Annie met tegenzin, want zij was bang, dat
+Tom het flauw van haar zou vinden, dat zij zoo gauw moe was.
+
+„Dan weet ik wat, wacht hier maar even.” En hij verdween achter het
+huis.
+
+Een oogenblik later kwam hij terug met een aardig, licht wagentje,
+voorzien van twee disselboomen, waar hij als paard tusschenin liep.
+
+„Wil mevrouw maar instappen? Ziet u, mevrouw, het is nog een heel
+eindje loopen en aangezien u moe bent van uw ongewoon langen fietstocht
+zal ik u hierin naar het fort brengen. Dit was vroeger mijn bokkewagen,
+maar nu ben ik natuurlijk te groot om mij door een bok te laten
+trekken.”
+
+„Wat aardig van je, Tom,” zeide Annie instappende, en zij voelde zich
+wat deftig, toen zij door hem over de goed onderhouden paden van
+Rustoord werd voortgetrokken.
+
+Eindelijk hield Tom stil en keerde zich om. „Zie je daar tusschen die
+boomen door die vlag?” vroeg hij. „Dat is de vlag van het fort.”
+
+Annie stapte uit haar wagentje en te ongeduldig om het pad te volgen,
+baanden de kinderen zich een weg door het kreupelhout tot zij aan een
+groote open ruimte kwamen, waar middenop het fort stond.
+
+„Nu, waarom zeg je niets?” vroeg Tom teleurgesteld, toen Annie zweeg.
+„Vind je het niet mooi?”
+
+„Het is prachtig, Tom, ik had nooit gedacht dat het zoo echt zou zijn,
+met een echte poort! en het is zoo groot! wie heeft het gemaakt?”
+
+„Mijn vrienden en ik en een enkelen keer heeft de tuinman geholpen en
+toen het klaar was, is papa komen kijken en heeft hij ons die mooie
+vlag gegeven.”
+
+Het fort, dat de jongens van zand en de steenen van een afgebroken
+schuur vervaardigd hadden, was werkelijk alleraardigst en zoo groot,
+dat zij er gemakkelijk met hun zessen in konden, terwijl er dan zelfs
+nog plaats overbleef voor de meisjes.
+
+„Zie je,” vertelde Tom, „als de meisjes erbij zijn, maken wij voor haar
+een zonnetent en dan leggen wij kleedjes op den grond, omdat anders hun
+jurken vuil worden, maar je zult het wel zien, als wij hier met de
+anderen terugkomen. Het is alleen vervelend, dat Co en Lau zulke stijve
+nuffen zijn; zij zijn altijd bang om hun handen vuil te maken en je
+moet niet denken, dat zij ooit eens zullen helpen als er gauw, voordat
+de vijand komt, een bres in den muur hersteld moet worden. Dat zou jij
+wel doen, hè?”
+
+„Natuurlijk, maar tante wil niet hebben, dat zij zich vuil maken en dat
+mag ik natuurlijk ook niet, maar als het noodig was, zou ik je toch wel
+helpen.”
+
+Annie was verrukt over het fort, dat zij zich lang niet zoo mooi had
+voorgesteld. Zij vond het dan ook een waar kunststuk.
+
+„Ja,” hervatte Tom, die met trots Annie’s uitingen van bewondering had
+aangehoord, „het is een heel werk geweest, maar natuurlijk gaat er wel
+eens iets stuk. Nu zal ik je nog meer vertellen. Zie je daar dien
+koepel bovenop die hoogte? Papa noemt het de belvédère, maar voor ons
+is het een oud ridderslot, waar de burchtvrouwen Laura en Coba met het
+kind Tineke wonen. En dan komen wij, roofridders de burcht overrompelen
+en voeren de vrouwen weg naar ons fort, maar soms ontvoeren wij alleen
+het kind en dan bieden wij de bewoonsters van de burcht aan een
+losprijs te betalen en als zij dat gedaan hebben krijgen zij dadelijk
+het kind terug.”
+
+„Hè, Tom, je weet niet hoe ik verlang om mee te doen, maar ik zou je
+dien losprijs niet geven hoor.”
+
+„Zoo, wat zou je dan doen, het kind in onze handen laten?”
+
+„Neen, ik zou mijn getrouwen oproepen en met hen samen het fort
+overvallen en Tine bevrijden. Zeg, Tom,” voegde zij erbij, „laten wij
+nu eens die hoogte opklimmen naar den koepel, ik zou het zoo aardig
+vinden om vandaar naar beneden te kijken.”
+
+Tom keek op zijn horloge, een zilveren, dat hij met zijn laatsten
+verjaardag had gekregen en knikte toestemmend. „Wij hebben nog wel
+tijd, vooruit dan maar, wie het eerst boven is. Eén, twee, drie!”
+
+Zij stormden het pad op, dat in een spiraal om de hoogte heen naar
+boven leidde en hijgend kwamen zij aan. Tom met zijn lange
+jongensbeenen natuurlijk het eerste.
+
+„Dat scheelde toch weinig, hé?” riep Annie op een bank vóór den koepel
+neervallende, „bijna had ik je ingehaald.”
+
+„Ja, je kunt goed loopen, maar kom nu eens hier kijken,” antwoordde Tom
+op het stevige hek leunende, dat boven was aangebracht om naar beneden
+vallen te verhoeden. „Zie eens wat een mooi uitzicht je van hier hebt.”
+
+„Wat is dat mooi en wat is het fort van hier gezien klein,” riep Annie
+in verrukking.
+
+„Sst,” zeide Tom eensklaps, zijn vinger op zijn mond leggende, „kijk
+eens daar rechts tusschen de boomen, zie je daar niemand bewegen?”
+
+Annie keek in de bedoelde richting en zag nu ook tusschen de takken en
+bladeren door de gedaante van een man, maar zij kon niet zien, wat hij
+daar deed.
+
+„Wie is dat, Tom?” vroeg zij, „er mag hier toch niemand in, of is het
+de huisbewaarder?”
+
+„Neen, kijk, daar gaat hij weg. Het was Koos, de zoon van den tuinman,
+die nu huisbewaarder is. Ik weet best, wat hij gedaan heeft en papa
+heeft gezegd, dat hij weggejaagd zou worden, als papa het ooit weer van
+hem merkte en dat zou vreeselijk zijn, heeft zijn moeder mij gezegd,
+want zij weet niet wat zij dan met hem beginnen moet, want op school
+wilde hij ook al niet oppassen. Zijn moeder huilde zoo, toen zij het
+mij vertelde. Kom gauw mee dan kunnen wij ze nog wegnemen, voordat papa
+ze gezien heeft.”
+
+„Maar wat dan toch. Je hebt mij niet eens gezegd, wat hij eigenlijk
+gedaan heeft.”
+
+„Wel, hij zet lijmstokken uit om vogels te vangen. Gemeen, hé? Hij
+verdiende eigenlijk, dat ik hem door papa liet betrappen, maar zijn
+moeder huilde zoo.” Zij liepen het pad af naar beneden, waar zij Koos
+gezien hadden en Tom vond dadelijk den lijmstok, dien hij wegnam en in
+den grooten vijver wierp, die zich daar in de buurt bevond.
+
+„Die arme vogeltjes, gelukkig dat er nog geen een opzat,” zeide Annie.
+„Weet je zeker, dat dit de eenige stok was, Tom?”
+
+„Hier zie ik er geen meer en wij moeten maar hopen, dat er geen meer
+zijn, want wij hebben geen tijd om het heele park door te zoeken en dat
+is ook geen doen. Maar, Annie, je moet er thuis maar niets van zeggen,
+dat wij dat stokje gevonden hebben, want dan stuurt papa Koos stellig
+weg.”
+
+Annie beloofde hem te zullen zwijgen, waarna de twee kinderen naar huis
+terugkeerden.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE LIJMSTOKKEN.
+
+
+„Verbeeld je, Dora,” zeide de heer Stubbens dien middag aan tafel, „nu
+heb ik van middag op Rustoord toch weer lijmstokken gevonden. Bij het
+weggaan viel toevallig mijn oog op den grooten kastanjeboom en daar had
+die kwajongen er weer een paar in vastgezet. Ik had geen tijd meer om
+terug te loopen en hem te zeggen, waar het op stond, maar nu is het
+uit; morgen zal ik aan Barend zeggen, dat ik den jongen niet langer in
+het park wil zien. Hij moet weg.”
+
+„Pa,” begon Tom verlegen.
+
+„Wat is er, jongen?”
+
+„Pa, Koos heeft die lijmstokken er dezen keer niet ingezet, ik heb het
+gedaan.”
+
+„Wat zeg je daar!” stoof mijnheer op. „Jij, een welopgevoede jongen
+voert zulk kattekwaad uit, terwijl je weet, dat ik het aan de bedienden
+streng verboden heb? Ga onmiddellijk naar je kamer en blijf daar tot ik
+je permissie geef er weer uit te komen. Over die zaak zullen wij nog
+wel eens nader spreken; je moest je schamen!”
+
+Tom stond stil op en verliet de kamer, terwijl hij onderweg Annie, die
+wat zeggen wilde een wenk gaf om te zwijgen.
+
+„Neen, Annie,” vervolgde de heer Stubbens, toen hij dit zag, tegen
+haar, „het geeft niet of je nu al een goed woord voor Thomas wil doen,
+hij zal, hoop ik, zelf voelen, dat ik dit niet ongestraft kan laten.”
+
+Een paar dikke tranen rolden langs Annie’s wangen, maar zij zeide
+niets. Ook tante Dora en de meisjes durfden niets in te brengen, want
+zij wisten evenals Annie, wanneer de heer Stubbens eenmaal iets gezegd
+had, dan bleef hij er bij.
+
+Toen deze een half uur later in zijn studeervertrek zat, werd er zacht
+op de deur getikt en op zijn „binnen” trad Annie beschroomd de kamer
+in.
+
+„Zoo, kleine meid,” zeide haar oom vriendelijk, „kom je toch nog eens
+probeeren een goed woordje te doen voor Thomas. Het is heel lief van
+je, kindje, maar je weet toch, dat als ik eenmaal iets gezegd heb, dan
+moet het ook gebeuren. Thomas is heel ondeugend geweest en daarvoor
+moet hij gestraft worden.”
+
+Terwijl zij haar oom zoo hoorde spreken, had Annie langzamerhand haar
+verlegenheid verloren, zoodat zij nu moedig naar de tafel stapte,
+waaraan haar oom zat, en zeide:
+
+„Tom is heelemaal niet ondeugend geweest, hij is juist heel goed
+geweest.”
+
+„Wat zeg je daar?”
+
+„Ach ja, oom, ziet u, ik had Tom, ik bedoel Thomas, beloofd het niet te
+vertellen, maar nu moet ik het toch doen, is het niet zoo?”
+
+„Ik weet niet wat het is, wat je te vertellen hebt.”
+
+„Thomas heeft het niet gedaan, oom, Koos deed het.”
+
+„Koos! Maar waarom heeft Thomas dan gezegd dat hij het gedaan had?”
+
+„Omdat Koos zijn moeder zoo gehuild had.”
+
+Onder het spreken was Annie dichterbij gekomen, totdat zij nu vlak
+naast haar oom stond. „Oompje,” vleide zij, „ik zal u alles vertellen,
+maar dan moet u ook niet boos op hem zijn, hè? en ook niet op Koos, nu
+Thomas dit gedaan heeft om hem te helpen?” en zij keek zoo smeekend
+naar den heer Stubbens op, dat deze niet kon nalaten te glimlachen.
+
+„Klein vleistertje,” zeide hij, „vertel mij nu eerst maar eens alles
+wat er gebeurd is, dan zullen wij wel verder zien.”
+
+Nu vertelde Annie naar waarheid hoe de zaak zich had toegedragen en wat
+Thomas haar verteld had van de moeder van Koos, die toch al zooveel
+verdriet had van haar zoon en nu doodsbang was, dat de heer Stubbens
+hem zou wegsturen.
+
+„Zoo, zoo,” zeide oom, toen Annie had uitgesproken, „is dat de
+geschiedenis. Ik ben heel blij, dat je mij alles verteld hebt, Annie,
+want nu weet ik, dat Thomas die lage streek niet heeft uitgevoerd. En
+dat hij de schuld ervan op zich heeft genomen, om een ander te helpen
+was wel heel goed van hem, dat zouden niet veel jongens met zoo’n
+strengen papa hem hebben nagedaan, maar, kleine, om dat te doen, heeft
+hij mij voorgejokt en dat was niet goed van hem en dat zal ik hem wel
+degelijk onder het oog brengen. En maak jij je nu maar niet ongerust
+dat Thomas boos zal zijn, omdat jij zijn heldendaad verklapt hebt, want
+daar behoeft hij niets van te weten; hij zal mij zelf de waarheid
+zeggen.”
+
+„Dat zal hij nooit doen, oom, als hij Koos daardoor in gevaar brengt.”
+
+„Hij moet wel, Annie. Het was heel dom van mij, dat ik er niet eerder
+aan gedacht heb, maar ik kan Thomas bewijzen, dat hij het niet gedaan
+heeft.”
+
+„En Koos, nu, oom?”
+
+„Koos moet weg. Ik heb hem genoeg gewaarschuwd.”
+
+„Dat is dan mijn schuld; dat heb ik gedaan!” en Annie begon te huilen.
+
+„Neen, neen, Annie, jouw bekentenis heeft er niets mee te maken, hij
+zou toch gegaan zijn. Maar zijn moeder zal er geen verdriet van hebben,
+hoor, wees maar niet bang. Ik heb al een goede plaats voor hem
+gezocht.”
+
+„U bent een best oompje,” zeide Annie en gaf den heer Stubbens een
+hartelijken kus. „Mag ik nu aan Thomas gaan zeggen, dat hij weer van
+zijn kamer mag?”
+
+„Neen, wacht maar, ik zal wel naar hem toegaan, ik moet met hem
+spreken.”
+
+Annie ging heen en een oogenblik later begaf de heer Stubbens zich naar
+de kamer van zijn zoon.
+
+Tom zat zijn vacantiewerk te maken en keek verwonderd op, toen zijn
+vader binnenkwam.
+
+„Ik kom eens met je spreken, Thomas,” begon deze, „vertel mij nu eens,
+wat er eigenlijk vandaag gebeurd is.”
+
+Tom kreeg een kleur als vuur en zweeg. Hij voelde, dat het hem niet
+gemakkelijk zou vallen een geheel verzonnen verhaal op te disschen.
+
+„Zie je, Thomas,” vervolgde zijn vader, „ik weet, dat jij die stokjes
+niet in den boom vastgezet kan hebben. Zoo straks dacht ik daar niet
+aan, maar het is zoo klaar als de dag. Ben je vanmiddag nog op Rustoord
+geweest?”
+
+„Neen, pa.”
+
+„Nu, hoe kan jij dan in den kastanjeboom lijmstokken gezet hebben, die
+er nog niet in waren, toen ik om drie uur op Rustoord kwam?”
+
+Tom wist niets te antwoorden.
+
+„Luister eens, Thomas,” zeide de heer Stubbens een hand op den schouder
+van den jongen leggend, „het was heel goedhartig van je dat je om Koos
+te helpen zijn schuld op je nam, maar toch had je moeten bedenken, dat
+het nooit, onder welke omstandigheden ook, goed kon zijn, dat je mij
+voorjokte. Je hebt daar niets meer mee bereikt en zou daar ook nooit
+iets meer mee bereiken, dan wanneer je mij vertrouwd hadt. Ik was toch
+niet van plan om Koos hier te houden, maar ken jij je vader nu zoo
+weinig, dat je kon denken, dat ik zijn ouders, die goede oppassende
+menschen zijn, het verdriet zou aandoen om dien jongen zoo maar weg te
+zenden, zonder meer?”
+
+„Daar was ik bang voor, pa.”
+
+„Nu, stel je dan maar gerust; ik heb voor Koos een goede betrekking
+gezocht en als hij wil, kan hij daar vooruitkomen. Maar, jij mag niet
+meer jokken, hoor, jongmensch.”
+
+„Neen, pa, nooit meer,” beloofde Tom merkbaar opgelucht, dat alles zoo
+goed was afgeloopen en dat hij er zoo goed afkwam.
+
+De heer Stubbens ging weer naar beneden en Tom ging Annie zoeken om
+haar alles te vertellen.
+
+Toen Annie bij haar oom geweest was, ging zij naar de zitkamer van haar
+nichtjes. Zoodra zij binnenkwam, zeide Coba:
+
+„Wat laag van Tom, hè, net zoo’n straatjongen, om daar lijmstokken neer
+te zetten. Wat had hij nu met die vogels willen doen? hij heeft er toch
+al genoeg. Met zoo’n jongen wil ik niet meer spelen. Wie weet, wat hij
+nog zou uithalen, als wij er bij waren. Ik ga niet meer mee naar het
+fort.”
+
+„Nu, ik zou je ook wel danken,” voegde Laura erbij, „ik doe ook niet
+meer mee. Hij moest zich schamen.”
+
+Annie werd vuurrood van drift en stampvoetend riep zij heftig: „Jullie
+moest je schamen, Tom niet. Hij heeft het niet eens gedaan. Hij heeft
+dat maar gezegd om Koos te helpen. Die heeft het gedaan en Tom wist,
+dat je pa Koos zou wegzenden als hij het nog eens deed.”
+
+„Kind, houd je kalm,” zeide Coba, het oudste van de twee zusjes, „wat
+hebben de buren ermee noodig. Als Tom toch zelf zegt, dat hij het
+gedaan heeft, hoe kunnen wij dan ruiken, dat het niet zoo is? Wat zeg
+jij, Laura?”
+
+Laura antwoordde niet, maar keek verlegen voor zich, terwijl Annie
+zonder verder iets te zeggen de kamer verliet om aan haar vader en aan
+Paula te schrijven. Op de trap ontmoette zij echter Tom, die haar juist
+was gaan zoeken en haar nu alles vertelde, wat zijn vader aan hem
+gezegd had.
+
+„Leuk, dat ik er zoo af kom, hè,” merkte hij op. „Het zou toch saai
+geweest zijn als ik bij voorbeeld op de vrije middagen niet meer naar
+Rustoord had mogen gaan, want zooiets zou het geweest zijn, dat weet ik
+zeker.”
+
+„Zeg, Tom,” bekende Annie nu, „ik heb het toch aan oom verteld, ben je
+nu erg boos?”
+
+„Ach het komt er nu immers niet meer op aan. Laten wij er maar niet
+meer over praten. Ik ga mijn werk afmaken.”
+
+„En ik ga aan papa en aan Paula schrijven,” riep Annie, terwijl zij de
+trap opging naar haar kamer.
+
+Behalve aan haar vader en haar vriendin schreef zij ook nog een briefje
+aan Mina, die nog een paar dagen in het huis zou blijven om een en
+ander op te ruimen en daarna bij haar zuster zou gaan logeeren, die
+ergens buiten een boerderij had.
+
+In haar brieven vertelde Annie breedvoerig haar wedervaren van de twee
+laatste dagen en zij moest bekennen, dat zij, hoewel zij natuurlijk wel
+naar huis terug verlangd had, tot nu toe nog niet veel tijd had gehad
+om daarover te denken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE BUITENPARTIJ.
+
+
+„Kinderen ik heb iets bedacht, dat een goed slot zal zijn voor deze
+zomervacantie,” zeide de heer Stubbens den volgenden dag. „Morgen
+zullen wij den geheelen dag op Rustoord gaan doorbrengen. Jullie moet
+de noodige vrienden en vriendinnetjes meevragen en dan blijven wij daar
+dineeren zoodat jelui den geheelen dag vóór je hebt.”
+
+„Heerlijk, heerlijk, pa,” riepen de kinderen om het hardst.
+
+„O, Tom, wat leuk, nu kan ik meespelen in het fort!” liet Annie zich
+hooren en zij waren alle vijf dol blij.
+
+„Mogen wij Bertha en Clara en Emmy en Marie meevragen?” vroegen Coba en
+Laura.
+
+„En mag Bep mee?” klonk Tine’s stemmetje.
+
+„Hoort eens, daar bemoei ik mij niet mee, dat moeten jullie met mama
+uitmaken. Jullie vriendinnen ken ik niet. Maar wie wil jij meenemen,
+Thomas?”
+
+„De jongens, die altijd mee naar Rustoord zijn geweest, pa.”
+
+„De vijf onafscheidelijke vrienden? best, en zorg maar dat er evenveel
+jongens als meisjes zijn, dan kunnen jelui, wanneer je niet te moe
+bent, ’s avonds nog een dansje doen in de zaal van Rustoord. Mama of ik
+zullen wel piano spelen.”
+
+De kinderen waren opgetogen en de drie zusjes vlogen de kamer uit om
+haar mama te gaan zoeken en aan haar te vragen of zij de genoemde
+vriendinnetjes mochten meenemen.
+
+Mevrouw Stubbens had er niets tegen. Coba en Laura waren zelf veel te
+trotsch om met meisjes om te gaan, die niet van gelijken stand waren
+als zijzelf.
+
+„En wil Tineke Beppie zoo graag meevragen?” vroeg tante Dora aan het
+kleintje.
+
+„Mag het?”
+
+„Zeker, maar dan moet je haar zelf gaan vragen, als een knap groot
+meisje.”
+
+Vroolijk danste de kleine rond. „Ik mag ook een vriendinnetje vragen,
+net als Co en Laura!”
+
+„Ga nu maar gauw,” zeide haar moeder en Tine liep den tuin in, waar zij
+Annie zag.
+
+„Annie, Annie!” riep zij en deze keerde zich om en ving de kleine in
+haar armen op. „Annie, ik mag Beppie meevragen; ik ga nu naar haar toe;
+maatje zeide, dat ik haar zelf moest gaan vragen.” En het kind huppelde
+vroolijk weg.
+
+Toen Annie het huis in kwam, gaf haar tante, die juist op weg naar
+boven was, haar een brief.
+
+„O, die is van grootma Hermsen,” zeide Annie, zoodra zij de enveloppe
+zag. „Wil u hooren wat grootma schrijft, tante?”
+
+„Ik moet nu naar boven, maar straks moet je mij al het nieuws maar
+vertellen,” antwoordde mevrouw Stubbens.
+
+Annie nam den brief mee naar boven om hem in haar kamer op haar gemak
+te kunnen lezen.
+
+Zij hield veel van haar grootmoeder (van moeders zijde), een
+vriendelijke oude dame, bij wie Annie iederen zomer in de vacantie een
+paar weken ging doorbrengen, daar haar grootmoeder zich te oud vond om
+zelf te reizen en er toch op gesteld was haar kleinkind ten minste ééns
+in het jaar een poosje te zien. In deze laatste vacantie was er echter
+niets van gekomen, want nu de heer Van Walen voor zoo langen tijd
+wegging—het was nu bepaald dat hij eerst kort vóór Kerstmis zou
+terugkomen—had hij nog zoo lang mogelijk van Annie’s bijzijn willen
+genieten.
+
+„Nu, Annie,” vroeg mevrouw Stubbens, toen zij Annie later op den middag
+in de huiskamer aantrof, „had grootma veel nieuws?”
+
+„Ja, verbeeld u, juffrouw Mina gaat niet naar haar zuster, maar naar
+grootma, om zoolang papa weg is voor grootma het huishouden te doen.
+Grootma zegt, dat zijzelf te oud wordt om dat te doen. En zij schrijft
+ook, dat zij hoopt, dat ik haar eens zal komen opzoeken, omdat de reis
+van hieruit niet zoo ver is als wanneer ik thuis ben.”
+
+„Nu, dan zullen wij er eens op een Zondag heengaan; ik wil graag
+mevrouw Hermsen een bezoek brengen.”
+
+
+
+Den volgenden dag was het prachtig weer en om negen uur kwamen de door
+Tom en zijn zusjes uitgenoodigde vrienden en vriendinnetjes. Zij hadden
+allen aangenomen en met tante Dora’s viertal en Annie meegerekend,
+waren er twintig kinderen bij elkaar. Iedereen was even vroolijk en
+Annie was blij, nu reeds met haar nieuwe klasgenooten te kunnen
+kennismaken—zij was in de vijfde klasse toegelaten—dan zou zij morgen
+niet zoo vreemd op school komen.
+
+Intusschen waren er twee „Jan pleziers” voorgereden en onder blij
+gejubel en gezang reed men naar Rustoord.
+
+Daar aangekomen hielpen Tom en zijn vrienden de meisjes uitstappen en
+alsof het afgesproken was, sloegen de kinderen allen terstond den weg
+naar het fort in.
+
+„Ziezoo,” zeide Tom, toen zij dit bereikt hadden. „Nu moet er
+natuurlijk een aanvoerder zijn. Wat zeggen jullie ervan, vinden jullie
+niet dat Frans van Meerel als de oudste het meeste recht daarop heeft?”
+
+„Ja, ja, natuurlijk!” klonk het uit verschillende monden, „Leve onze
+kommandant Van Meerel!”
+
+„Goed, ik wil het graag zijn,” zeide Frans. Hij was een lang
+opgeschoten jongen van dertien jaren, de zoon van de in die stad
+algemeen bekenden dokter Van Meerel, die het voortdurend betreurde, dat
+Frans zooveel meer uitmuntte in sport dan in zijn leervakken, want
+niettegenstaande zijn dertien jaren zou Frans nu pas met Tom en zijn
+klasgenooten op het gymnasium komen.
+
+„Eerst moeten wij beginnen ons te verdeelen,” zeide Frans nu. „De dames
+wonen natuurlijk weer in haar burcht.”
+
+„Ik niet,” riep Annie eensklaps, „Tom heeft mij beloofd, dat ik
+marketentster op het fort mocht zijn.”
+
+„Dat kan je later worden, als wij je hebben gevangengenomen.”
+
+„Dan zou ik het nooit worden, want ik laat mij niet gevangen nemen en
+ik zal de burcht zoo helpen verdedigen, dat geen van de vrouwen in
+jullie handen valt.”
+
+„Wees nu niet flauw, Annie,” riep Coba Stubbens. „Het is altijd zoo
+gegaan; wij kunnen toch niet als jongens gaan meevechten, wij hebben
+immers onze beste jurken aan. Kom, je gaat nu maar mee, hoor.”
+
+Annie kon natuurlijk niet over zooiets met een van haar nichtjes
+kibbelen, dus zweeg zij maar.
+
+„Nu dan,” vervolgde Frans, toen de orde hersteld was, „de dames moeten
+verdedigers hebben. Wij zijn met ons tienen mannen, daarvan zullen wij
+er haar vier geven, dan blijven wij met ons zessen.”
+
+Hij koos nu vier van de jongens en zond deze met de meisjes naar de
+zoogenaamde burcht.
+
+Annie had deze nog niet van binnen gezien, daar de koepel den vorigen
+keer, toen zij en Tom daar waren, op slot was geweest. Maar nu was de
+deur open en zag zij tot haar verbazing dat hij als een buitengewoon
+gezellige kamer was ingericht, terwijl er nog een tweede, klein
+vertrekje aan grensde, waar de verdedigers der burchtvrouwen konden
+slapen. Bertha van Scheik, het oudste meisje, werd tot burchtvrouw
+verheven, Tine en Beppie waren de kinderen, terwijl de overige meisjes
+de dienaressen waren.
+
+De twee kleine kinderen waren den geheelen dag onafscheidelijk en zoo
+voelde Annie zich bijzonder tot Bertha aangetrokken, die haar
+voortdurend aan haar eigen vriendinnetje, Paula Tillens, herinnerde.
+
+Toen zij een oogenblik later naast Bertha over de leuning naar beneden
+stond te kijken, kon zij ook niet nalaten haar dit te zeggen.
+
+„Paula Tillens,” antwoordde Bertha, „ik wil wel gelooven, dat ik je aan
+haar herinner. Zij is mijn eigen nichtje, haar ma is een zuster van de
+mijne.”
+
+„O, wat heerlijk!” riep Annie, „dan komt zij zeker wel eens bij je. Ik
+begrijp niet, dat zij mij nooit over je gesproken heeft.”
+
+„Ik wel. Ik zal het je maar zeggen, ma en tante zijn niet goed met
+elkaar. Er is iets gebeurd, waardoor ma erg boos was op oom Tillens en
+toen werd tante natuurlijk boos op ma en nu komen zij nooit meer bij
+elkaar. Paula en ik waren nog niet eens geboren, toen het gebeurde, dus
+misschien heeft tante haar nooit over ons gesproken en weet zij niet
+eens dat zij hier familie heeft. Het is anders wel jammer, want Paula
+en ik zijn even oud en het was natuurlijk gezellig geweest, wanneer zij
+bij mij had kunnen logeeren.”
+
+„Ja, wel jammer, hé, maar misschien wordt het nog wel goed tusschen je
+ma en je tante.”
+
+Voordat Bertha weer iets kon zeggen, werden de meisjes gestoord door
+den aanvoerder hunner verdedigers, Frits van Scheik, die met een diepe
+buiging op Bertha toetrad.
+
+„Mevrouw,” begon hij, „wij moeten u berichten, dat wij in het verschiet
+een stofwolk zien naderen. Wij vermoeden dat het de vijand is en dus
+geven wij u in overweging of het niet beter is dat u zich met de
+kinderen en de overige vrouwen in het kasteel terugtrekt.”
+
+Beppie en Tineke, die in de buurt stonden en deze redevoering mede
+hadden aangehoord, stietten nu zeer natuurlijke angstkreten uit. Hoewel
+zij wist, dat het maar spelen was, bekroop Tine altijd een bang gevoel,
+wanneer zij die jongens met houten en blikken sabels gewapend, zoo door
+het kreupelhout naar boven zag klauteren. Zij werd dan zoo bang, dat
+zij zich al ging verstoppen, voordat de jongens nog boven waren.
+Blijkbaar had zij Beppie reeds van al die vreeselijkheden verteld, want
+deze had even angstig gegild als zij en klemde zich stijf aan Tine
+vast.
+
+Annie, die voor het eerst dit spelletje meemaakte, keek verbaasd naar
+de twee kleintjes en vroeg toen aan Coba:
+
+„Zeg, Coba, heb je wel gezien hoe bang Tine is? Zij ziet er bleek van.
+Vindt tante het wel goed dat zij meespeelt?”
+
+„Natuurlijk, ma vindt het best. Ma zegt, dat zij een veel te angstig
+poppetje is; dat moet eruit zegt ma en daarom gaat zij morgen ook
+alleen naar school. Het is toch immers onzin, dat zij zoo bang zou
+zijn. De jongens zullen haar toch niet opeten.”
+
+Annie ging naar binnen om de kinderen te zoeken, die zij verstopt vond
+achter een canapee.
+
+„Tine,” zeide zij, „en jij ook, Bep, wat zijn jullie flauw om zoo bang
+te zijn. Wat denken jullie eigenlijk dat er gebeuren zal? het zijn
+immers maar Tom en zijn vrienden! Die zullen jullie toch geen kwaad
+doen.”
+
+Beppie keek Annie eens aan; Tom en zijn vrienden, dat klonk heel anders
+dan een vijand met sabels, waarvan Tine haar verteld had.
+
+„Ja, Annie, dat weet ik wel,” stamelde Tine, „maar als ik ze zoo naar
+boven zie klimmen, dan vergeet ik dat het maar de jongens zijn en dan
+zie ik alleen die vreeselijke sabels en dan word ik zoo bang. Maar nu
+ben ik niet meer bang,” voegde zij er dapper bij.
+
+„En toch zit je nog achter de canapee, zoo’n flauw kind!” riep Annie en
+op datzelfde oogenblik ging de deur open en kwamen de overige meisjes
+binnen.
+
+„Zij komen!” riep Bertha, „je kunt ze al goed zien. Wij vrouwen blijven
+dus hier in het kasteel en laten ons door onze manschappen verdedigen.”
+
+Annie had daar niets geen zin in, maar zij wilde er niet meer om
+kibbelen; zij wist wel een middel om ongemerkt buiten te komen.
+
+Toen de meisjes allen binnen waren, sloop zij naar het kleine kamertje,
+dat een openslaand venster had. De jongens hingen alle vier over de
+leuning om naar den naderenden vijand te kijken, zoodat Annie ongemerkt
+het venster kon openen en naar buiten klimmen. Een dikke tak, dien zij
+vóór den koepel op den grond vond, nam zij als wapen in de hand. Nu
+bleef zij wachten op het teeken, dat de vijand genaderd zou zijn. Daar,
+waar zij stond, konden de jongens haar niet zien, want zij was aan den
+anderen kant van den koepel, en de meisjes schenen haar niet te missen.
+
+Juist hoorde zij Tineke angstig vragen: „waar is Annie?” toen een luide
+oorlogskreet van de jongens haar waarschuwde, dat het groote oogenblik
+gekomen was. Even keek Annie naar haar witte jurk, waarop bij het uit
+het venster klimmen reeds een vuile streep was gekomen, en zij
+aarzelde. Maar daar hoorde zij het gekletter der houten en blikken
+sabels, waarmede ook hunne verdedigers gewapend waren en toen dacht
+Annie aan geen jurk meer. Haar tak zwaaiende liep zij met een
+juichkreet op de jongens toe en streed dapper mee. Frits was wel
+verbaasd en zelfs boos geweest, toen hij haar zag, doch hij had het te
+druk om op haar te letten, of er haar iets van te kunnen zeggen, want
+de vijand naderde reeds den koepel.
+
+„Weg van dat venster! Moeten jullie doodgestoken worden?” riep hij
+tegen een paar meisjes, die voor het open venster verschenen, waar
+Annie uitgeklommen was. Door haar voorbeeld aangestoken, kwamen echter
+nog drie van de meisjes, naar buiten. Zij verdedigden met de jongens
+samen met zulk een heldenmoed de burcht, dat voor het eerst, zoolang
+het fort bestond, de vijand werd teruggedreven; maar toch niet geheel
+zonder buit. Zij hadden een gevangene gemaakt.
+
+Tine was naar het open venster geloopen om de anderen na te kijken,
+toen zij plotseling vlak bij zich hoorde zeggen:
+
+„Gauw, Tine, ga met mij mee,” en daar zag zij Karel van Scheik, een van
+de vijanden, die haar nu over de vensterbank tilde en wegvoerde naar
+het fort.
+
+„Je bent zwaar hoor,” zeide Karel, haar op den grond zettende. „Ik had
+het niet lang meer kunnen volhouden. Ziezoo, nu ben je mijn gevangene,
+maar omdat je zoo zoet bent meegegaan en mij heelemaal niet geschopt of
+gebeten hebt, krijg je wat lekkers van mij. Heb je dorst?”
+
+Het was een warme dag en Tine antwoordde, dat zij heel veel dorst had.
+
+„Hier dan,” zeide Karel en schroefde den beker van zijn veldflesch los,
+waarin hij heerlijke limonade had meegebracht. Hij schonk den beker vol
+en reikte haar dien over.
+
+„Dat is lekker,” riep Tine, toen zij den beker had leeg gedronken en
+veelbeteekenend keek zij naar de flesch. Karel begon te lachen en
+schonk haar nog eens in.
+
+„Zeg, Tine” zeide hij nu, „als de anderen straks komen, zal je dan niet
+bang of verlegen zijn, maar heel mooi flauw liggen? Het is zoo leuk; de
+jongens weten heelemaal niet, dat ik je heb gevangengenomen.”
+
+„Ik ben voor jou niets bang, Karel.”
+
+„Bang! dat mankeert er nog maar aan! zoo’n groot meisje bang! dat zou
+toch al te gek zijn! maar daar komen zij, wees nu lief en ga flauw
+liggen. Hier is een zacht kleedje.” Hij spreidde dit op den grond uit
+en Tine ging erop liggen.
+
+Onder luid gepraat naderden nu de vijf andere jongens.
+
+„Jij bent ook een mooie om ons zoo in den steek te laten!” riep Frans.
+„Was je soms bang en ben je daarom weggeloopen?”
+
+„Ik ben niet weggeloopen. Ik heb een gevangene gemaakt; kom maar eens
+kijken, wie ik hier heb!” antwoordde Karel.
+
+En daar zagen de jongens Tine op het kleedje liggen. Zij deed wat zij
+Karel beloofd had en hield zich, alsof zij in zwijm lag.
+
+„Hoera, hoera, hoera!” riepen allen, toen zij het meisje zagen en zij
+voerden om haar heen een krijgsdans uit.
+
+„Wij moeten eerst de gevangen jonkvrouw weer tot bewustzijn brengen,”
+sprak de aanvoerder, „maar niet te veel water, hoor, denk aan haar
+Zondagsche jurk, mannen.”
+
+Zeer voorzichtig werden haar nu eenige druppels water in het gezicht
+gesprenkeld en hierop sloeg Tine de oogen op.
+
+„Voelt gij u nu weer gezond?” vroeg de kommandant.
+
+„Ja, ik wil weg,” antwoordde Tine, opstaande. „Ik wil naar Bep.”
+
+„Wij hopen u ten spoedigste naar de burcht te kunnen terugzenden,”
+hernam Frans. „Zoo dadelijk vertrekt een ijlbode naar het slot om den
+losprijs te noemen, waarvoor wij u weer in vrijheid zullen stellen.”
+
+Nauwelijks had hij uitgesproken of, voordat de jongens recht wisten,
+wat er gebeurde, slopen twee gedaanten het fort binnen, namen ieder een
+hand van Tine vast en snelden met haar weg. Het waren Annie en Frits,
+die, toen zij ontdekten, dat Tine verdwenen was, samen waren
+uitgetrokken om haar terug te halen, en zij waren reeds met haar
+halverwege den heuvel op, voordat de mannen in het fort van hun
+verbazing bekomen waren.
+
+„Neen, maar, zooiets is ons toch nog nooit overkomen!” riep Tom, nadat
+hij een oogenblik verbluft had gestaan. „Zullen wij hen achterna gaan,
+kommandant?”
+
+„Ik ben zoo warm,” klaagde Frans.
+
+„En het is toch te laat, ook,” voegde Tom erbij. „Luister maar.”
+
+Er klonk nu een bel, die geluid werd om de jongens en meisjes binnen te
+roepen, waar een welvoorziene koffietafel hen wachtte.
+
+Het was een luid door elkaar gepraat en gekibbel, toen het geheele
+twintigtal in de eetkamer bij elkaar was. De bewoners van het fort
+verweten de verdedigers van de burcht, dat zij niet zoo flauw hadden
+mogen zijn om hen te verslaan, waartegen de anderen weer luide
+tegenwerpingen maakten. Frans van Meerel en Frits van Scheik stonden
+zelfs zoo dreigend tegenover elkaar, dat mevrouw Stubbens zich haastte,
+ieder een plaatsje aan tafel te geven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+TINE’S NIEUWE OOM.
+
+
+„Bespottelijk van je, Annie, dat jij je zoo bij Bertha van Scheik
+opdringt, die zooveel ouder is dan jij,” zeide Coba Stubbens op zekeren
+dag, toen zij pas uit school waren gekomen.
+
+Coba was een beetje jaloersch op Annie; tot nu toe was zijzelf Bertha’s
+speciale vriendin geweest, maar sedert de komst van Annie, had Bertha
+zich meer met deze bemoeid, dan Coba lief was. „Waarom loop je niet
+liever met Clara, die in jouw klasse zit, in plaats, dat je de meisjes
+uit de zevende opzoekt,” voegde Coba er nog bij.
+
+„Ik dring mij niet bij Bertha op, dat is heelemaal niet waar,” riep
+Annie boos. „Maar Bertha loopt graag met mij, omdat ik de vriendin ben
+van haar nichtje, Paula Tillens, en dan praten wij samen over Paula.”
+
+„Wat zeg je,” bracht mevrouw Stubbens, die toevallig in de kamer was,
+in het midden, „is dat meisje van Tillens een nichtje van de Van
+Scheiks? Ik dacht dat die mevrouw Tillens en haar dochter menschen
+waren, die, nu, ja, die niet in onze kringen thuishooren.”
+
+„Ik weet niet, of zij in uw kringen thuis hooren; ik weet niet wat u
+bedoelt, tante, maar mevrouw Tillens is altijd even snoezig voor mij
+geweest en Pau is mijn vriendin en papa vond het best, dat ik met haar
+omging. Mevrouw Tillens is de zuster van mevrouw Van Scheik.”
+
+„Hoe is het mogelijk! dan heeft men mij heelemaal verkeerd ingelicht.
+Mijnheer en mevrouw Van Scheik behooren tot de aanzienlijkste families
+van de stad. Nu, Annie, als Paula eens bij Bertha komt logeeren, dan
+moet je haar ook maar eens een dagje hier vragen.”
+
+„Zij komt nooit hier, tante, haar ma is niet goed met mevrouw Van
+Scheik.”
+
+„Maar, kind, hoe weet je dat alles?”
+
+„Dat heeft Bertha mij allemaal verteld.”
+
+„Zoo, zoo; misschien zal ik haar dan eens van Zaterdag tot Maandag hier
+vragen. Dat zou je zeker wel prettig vinden, is het niet?”
+
+„Meent u het tante? maar dat is dolletjes!” en Annie zou haar tante op
+een van haar onstuimige omhelzingen vergast hebben, als zij niet juist
+bijtijds bedacht had, dat mevrouw Stubbens daar niet van hield. Zij
+begreep niet goed, waarom tante Dora zoo plotseling veranderd was ten
+opzichte van Paula en haar moeder; zij was daarvoor nog te jong, maar
+kind als zij was dacht zij er ook niet verder over na en verheugde zij
+zich slechts in het vooruitzicht dat haar vriendinnetje bij haar zou
+mogen komen logeeren.
+
+Zij was nu reeds veertien dagen bij de familie Stubbens en begon zich
+nu langzamerhand zoowel bij hen als op school nogal thuis te voelen.
+Tante Dora bleef, zooals zij geweest was koel in haar manieren, maar
+Annie wist dat zij in haar hart toch goedig was, want zij verzon van
+alles om het moederlooze kind genoegen te doen en bovendien had Annie
+nu zooveel kennisjes om zich heen, die hartelijk en aardig voor haar
+waren, dat zij zich niet in het minst verlaten voelde. Ook was zij zeer
+vlug in het leeren en maakte het dan ook goed op school. Maar er was
+één ding, waardoor zij daar altijd in ongelegenheid kwam. Zij was erg
+goedig en kon niet laten om Louise Bronsma, het meisje, dat naast haar
+zat, voor te zeggen, wanneer Louise er om vroeg.
+
+Louise was een erge stumper, die de grootste moeite had om mee te komen
+en soms, wanneer zij thuis werkelijk had zitten blokken op de
+geschiedenisles, die zij moesten leeren, was zij deze, als zij den
+volgenden dag op school kwam, weer geheel vergeten.
+
+„Annie,” zeide zij weer op zekeren morgen, voordat de school begon,
+„zeg je mij voor, als ik een beurt krijg bij de geschiedenisles?”
+
+„Hé, Lou, juffrouw Merks merkt het altijd en ik loop er straf voor op.
+Oom heeft gezegd dat ik, als ik het weer doe op de vrije middagen niet
+meer mee mag naar Rustoord en als oom zooiets zegt, gebeurt het ook,
+dat verzeker ik je.”
+
+„Dan moet je het natuurlijk niet doen, maar ik ken er niets van,” zeide
+Lou met een erg ongelukkig stemmetje, „en als ik vandaag mijn les niet
+ken, moet ik Woensdagmiddag school blijven.”
+
+„En ik erbij voor het voorzeggen, dat zal je zien! Heb je de les dan
+niet geleerd?”
+
+„Jawel, heusch waar, maar ik kan die namen niet onthouden en dan die
+nare jaartallen!”
+
+„Misschien krijg je geen beurt.”
+
+Annie had zich vast voorgenomen dezen keer niet toe te geven en zeide
+dit ook aan Louise.
+
+De les begon en reeds hadden verscheidene meisjes een beurt gehad,
+zoodat Louise hoop kreeg, dat de vragen niet aan haar toe zouden komen,
+voordat het uur om was, toen de juffrouw eensklaps vroeg:
+
+„Vertel jij me nu eens Louise Bronsma...”
+
+Voordat de juffrouw nog zoover gekomen was, had Annie al gefluisterd
+„beef maar niet zoo, ik zal je wel helpen als je het niet weet.”
+
+„Vertel mij eens, Louise, wanneer begon de tachtigjarige oorlog?”
+
+Dat wist zij gelukkig. „In vijftien honderd acht en zestig, juffrouw,”
+antwoordde zij dadelijk.
+
+„Heel goed; en wanneer en waar werd de vrede gesloten?”
+
+Louise dacht na.
+
+„Acht en veertig,” fluisterde Annie.
+
+„In vijftien honderd acht en veertig,” antwoordde Louise.
+
+„Maar meisje, hoe kan dat nu? en hij begon in vijftien honderd acht en
+zestig.”
+
+„Zestien,” fluisterde Annie weer.
+
+Louise was nu echter weer geheel in de war. „In vijftien honderd
+zestien,” antwoordde zij.
+
+„Maar kind, hoe is het toch mogelijk,” zeide de juffrouw, die haar
+geduld begon te verliezen, „hij begon in vijftien honderd acht en
+zestig hoe kan hij dan eindigen in vijftien honderd zestien?”
+
+„Zestien honderd acht en veertig,” fluisterde Annie opnieuw, maar,
+zooals zij wel gevreesd had, was deze zin te lang, vooral daar Louise
+niet zoo heel gemakkelijk hoorde en zij dus niet al te zacht kon
+fluisteren.
+
+„Is Annie weer aan het voorzeggen?” vroeg de juffrouw. „Het spijt mij,
+Annie, maar dan moet je nu maar de klasse uitgaan. Het is je al
+dikwijls genoeg verboden. Woensdagmiddag moet je maar een uurtje
+schoolblijven. Ik zal Louise nu nog een paar vragen doen en als zij die
+zonder jouw hulp niet weet, moet zij ook hier blijven. Maar ga jij nu
+maar eerst naar de directrice en zeg, dat ik je heb weggestuurd, omdat
+je weer voorgezegd hebt.”
+
+Zonder een woord te zeggen verliet Annie het lokaal. Zij wist dat Lou
+toch nooit zou durven bekennen, dat zij (Annie) het op haar verzoek
+gedaan had; het kind was trouwens te veel overstuur en zat te beven als
+een riet.
+
+Annie vond het heel vervelend om naar de directrice toe te gaan, want
+deze gaf op dat uur Duitsche les in de zevende klas, dus zouden Bertha
+en Coba nu merken, dat zij weggestuurd was. Maar het moest natuurlijk
+gebeuren en zij klopte aan.
+
+„Binnen,” klonk de stem van de juffrouw en met loode schoenen trad
+Annie het lokaal in. Gelukkig hadden de meisjes schriftelijk werk, dus
+kon de juffrouw haar dadelijk te woord staan en behoefde zij niet voor
+de geheele klasse te staan wachten.
+
+„Zoo, Annie, wat kom je doen?”
+
+„Ik ben weggestuurd, juffrouw, omdat ik heb voorgezegd.”
+
+„Hm, zoo, dat is al meer gebeurd, niet waar?”
+
+„Neen, juffrouw ik ben nog nooit weggestuurd; dit is de eerste keer.”
+
+„Neen, dat bedoel ik niet. Ik meen het voorzeggen.”
+
+„O, ja,” bekende Annie nu, „ik heb er al driemaal thema’s voor gehad.”
+
+„Maar meisje, hoe is het dan mogelijk, dat je er niet mee ophoudt?
+Enfin, ik heb nu geen tijd, ik zal er je nog wel eens over spreken.” Op
+haar horloge kijkende, voegde de juffrouw erbij:
+
+„Het is nu kwart voor twaalf, dus te laat om nog iets te beginnen. Ga
+dus nu naar huis, maar Woensdagmiddag moet je natuurlijk school
+blijven.”
+
+„Ja, juffrouw, dag, juffrouw.”
+
+„Dag, Annie.”
+
+Zonder naar de meisjes om te zien, die over hun werk gebogen zaten,
+verliet Annie het lokaal.
+
+Zij wilde niet vroeger thuis komen, dan de anderen, want dan zou oom,
+als hij toevallig thuis was, natuurlijk vragen, hoe zij zoo vroeg van
+school kwam en zij had den moed nog niet om het te vertellen. Zij zou
+maar een eindje loopen.
+
+Langs het gymnasium komende, hoorde zij eensklaps haar naam roepen en
+omkijkende, zag zij Frans van Meerel.
+
+„Is het gymnasium al uit, Frans?” vroeg Annie.
+
+„Neen, ik ben weggestuurd. Lam, hè?”
+
+„Jij ook?”
+
+„Wat! je wilt toch niet zeggen, dat jij ook...”
+
+„Ja, ik ben ook weggestuurd,” zeide Annie, „omdat ik heb voorgezegd.
+Vind je dat niet flauw?”
+
+„Nou, of ik. Ik wou, dat ik kon voorzeggen, maar ik weet zelf nooit een
+antwoord. Neen, weet je wat ik gedaan heb,” vervolgde hij, terwijl hij
+naast haar voortliep. „Ik had het portret van Smilder met twee lange
+ezelsooren eraan op het achterste bord geteekend. De lui vonden het
+prachtig en het schijnt ook wel geleken te hebben, want anders zou hij
+niet zoo woedend geweest zijn. Je hadt zijn gezicht moeten zien, toen
+hij het voorste bord opschoof en zijn portret zag! Hij vroeg natuurlijk
+dadelijk, wie het gedaan had. Die Smilder is ook zoo’n ezel!”
+
+„Dat moest oom eens hooren, dat je Smilder zeide in plaats van mijnheer
+Smilder. Tom krijgt altijd zoo’n standje als hij het doet.”
+
+„Ach, wat, al de lui doen het natuurlijk; maar, zeg, vind je het geen
+leuke mop?”
+
+„Ik had er wel bij willen zijn.”
+
+„Dat dacht ik wel. Nou het was ook wel de moeite waard. Ik heb er de
+straf graag voor over. Maar hoe kom je hier, durf je niet naar huis?”
+
+„Oom is zoo streng,” antwoordde Annie, „en dan had ik natuurlijk alles
+moeten vertellen, als oom gevraagd had, hoe ik zoo vroeg thuis kwam.”
+
+„Laten wij nog een straatje omloopen, totdat het twaalf slaat.”
+
+Al pratend kwamen de kinderen langs het huis van de familie, waar Tine
+fröbelles had. Juist kwamen een paar van de kleintjes naar buiten met
+de dienstmeisjes, die hen waren komen halen.
+
+„De kinderen gaan geen van allen nog alleen; Tine is de eenige,” zeide
+Annie en vroeg toen aan een van de kleintjes: „Is Tine Stubbens nog
+binnen?”
+
+„Neen, Tine is net door haar oom gehaald,” antwoordde het kind. „Tineke
+was zoo blij, haar oom ging met haar naar den dierentuin. Zij is net
+weg.”
+
+Annie begreep er niets van.
+
+„Wie is die oom van Tine, Annie?” vroeg Frans.
+
+„Ik weet het niet. Zij heeft, geloof ik, geen anderen oom dan papa en
+die is in Engeland.”
+
+„Ga mee kijken,” riep Frans; „wij halen ze nog wel in. Zij zijn net
+weg.”
+
+Nog onder het spreken had hij Annie reeds weggetrokken en nu holden de
+kinderen samen voort.
+
+„Ga je naar den dierentuin?” vroeg Annie.
+
+„Welneen; ik geloof er niets van, dat zij daarheen zijn. Wij zullen
+juist den anderen kant opgaan. Den weg, dien wij gekomen zijn, heeft
+hij niet genomen, anders hadden wij hen natuurlijk gezien. O, daar
+staat de tram nog, gauw!”
+
+„Wat wil je doen?”
+
+„Op de tram stappen, dan halen wij hen stellig in. Hij vertrekt
+dadelijk.”
+
+De kinderen stapten in en het was of de tram daarop gewacht had; hij
+vertrok bijna onmiddellijk. Frans liet Annie binnen zitten, want hij
+was veel te bang, dat zij onder het rijden uit de tram zou springen,
+wanneer zij Tine zag, en ging zelf buitenop staan.
+
+„Kijk jij rechts,” had hij aan haar gezegd, „dan zal ik aan den
+linkerkant uitkijken.”
+
+„En u, jongeheer?” vroeg de conducteur.
+
+Frans betaalde voor twee en bleef nu naar buiten turen. Zijn
+voorspelling kwam uit, want nog geen minuut hadden zij gereden, toen
+hij een kleine gedaante aan de hand van een keurig gekleed heer zag
+loopen. Er viel niet aan te twijfelen, het was Tine met den nieuwen
+oom. Niets kwaads vermoedend liep het tweetal voort.
+
+„Stop je bij de volgende halte?” vroeg Frans aan den conducteur. Hij
+wilde hen eerst voorbij laten gaan en hen dan te gemoet loopen, dan kon
+Annie zien, of zij dien heer kende.
+
+Met opzet ging hij naar binnen, zoodat Tine hem niet herkennen zou en
+toen hij naast Annie zat, die nog strak naar buiten keek uit angst dat
+Tine haar ongemerkt voorbij zou loopen, zeide hij: „Laat dat maar, wij
+zijn er al. Wij stappen dadelijk uit.”
+
+„O, ga mee, gauw,” riep Annie hem meetrekkende, „anders zijn zij weg!”
+
+„Welneen, zij loopen ook dezen kant op, dáár, nu gaan wij hen juist
+voorbij. Kijk nu niet zoo, anders ziet Tine je en dan gaat hij die
+zijstraat in.”
+
+Hoewel het in werkelijkheid geen minuut duurde, leek het Annie wel een
+uur, voordat de tram stilhield. Zij had bijna geen geduld om te wachten
+tot hij stilstond en de conducteur moest haar bij den arm vasthouden,
+anders was zij er nog onder het rijden uitgesprongen.
+
+„Nu mag je eruit,” zeide Frans eindelijk en nadat hij zelf was
+uitgestapt, hielp hij Annie uit de tram.
+
+„Kijk nu eens goed,” fluisterde hij, „ken je dien mijnheer?”
+
+„Neen,” antwoordde Annie, „wie is dat? Ik heb hem nooit gezien.”
+
+Daar kreeg Tine hen in het oog. „Annie, Annie!” riep zij vroolijk. „Ga
+je mee? oom gaat met mij naar den dierentuin!”
+
+Oom keek woedend, toen hij ontdekte, dat Tine kennissen gezien had. Als
+het kind hem bijtijds gezegd had, dat er iemand aankwam, die zij kende,
+dan had hij die zijstraat in kunnen slaan, die zij juist voorbij waren
+gekomen. En als het nu nog maar alleen dat kleine meisje was geweest,
+dan had hij er nog wel wat op gevonden, maar met dien grooten jongen
+erbij werd het toch te gevaarlijk. Hij leek een jaar of vijftien en zou
+zich niet om den tuin laten leiden. Hij zou toch nog zijn best doen.
+
+„Is dat Annie,” zeide oom. „Dag Annie, ga je ook mee? dat is aardig. En
+wie is dat jongmensch, is dat een vriendje? hij zal er zeker wel geen
+zin in hebben om met twee kleine meisjes mee te gaan, dat zeide ik zoo
+juist aan je zusje, toen ik jullie zag aankomen.”
+
+„Ik ben geen klein meisje,” antwoordde Annie beleedigd, „en Tine is
+mijn zusje niet! Maar wie bent u?”
+
+„Oom is van morgen pas gekomen,” vertelde Tine nu. „Laat ons nu gaan,
+Annie, anders wordt het zoo laat. Wij gaan in den dierentuin
+koffiedrinken; papa is er ook.”
+
+„O!” riep Annie, want nu begreep zij, dat er niets van waar was, „dat
+kan niet, want je pa moet om half één naar Amsterdam.”
+
+„Daar komt je pa aan, Tine,” zeide Frans eensklaps en voordat hij nog
+had uitgesproken, had de zoogenaamde oom Tine’s hand losgelaten, hen
+den rug toegekeerd en was hij in de zijstraat verdwenen.
+
+Tine begon te huilen. „Nu is oom weg; nu kan ik niet naar den
+dierentuin!”
+
+„Stil, Tine, een ander keertje ga je er heen, hoor,” troostte Annie.
+„Waar zag je oom, Frans?”
+
+„Wel, nergens, maar ik wilde dien anderen oom weg hebben; ik begreep
+wel dat hij daarvoor op den loop zou gaan, en nu ga ik hem achterna om
+te zien waar hij blijft. Annie, ga gauw met Tine naar huis.”
+
+„Huil toch niet zoo, Tine,” zeide Annie, toen Frans weg was, „die
+mijnheer was heelemaal geen oom van je. Hij had Tineke mee willen nemen
+en dan was Tine nooit meer thuis gekomen. Maar nu gaan wij naar maatje,
+hoor, hard loopen! kan je mij krijgen?”
+
+En om het kleintje vlugger mee te krijgen, deed Annie, alsof zij voor
+haar wegliep. De list gelukte. Tine rende haar achterna, zoo vlug als
+haar kleine beenen haar dragen konden en juist als zij Annie bijna had,
+liep deze weer weg, totdat zij zich eindelijk liet pakken. „Nu zal ik
+jou pakken, loop, loop, gauw, maar niet vallen.” Op hetzelfde oogenblik
+dat Annie Tine gepakt had—zij waren reeds niet ver meer van huis—kwam
+Frans hen buiten adem achterop.
+
+„Hij is weg,” zeide hij. „Juist toen ik in de Zandstraat (de reeds meer
+genoemde zijstraat) kwam, stapte hij in een rijtuig en reed in volle
+vaart weg. Nog een oogenblik heb ik geprobeerd het te volgen, maar hij
+reed zoo hard, er was geen denken aan. Hoe vinden wij dien kerel nu
+terug? je moet maar gauw alles aan je oom vertellen.”
+
+„Ja,” antwoordde Annie verstrooid. Naarmate zij het huis naderden,
+drong het gebeurde van dien morgen op school zich weer bij haar op den
+voorgrond, want zij begreep, dat Coba nu al wel thuis alles verteld zou
+hebben, dat zij weggestuurd was en zij wist, wat er opstond. Zijzelf
+zou het in Coba’s plaats natuurlijk nooit doen, zij vond klikken laag,
+maar Coba was al zoo afgunstig op haar, om Bertha, dat zij stellig niet
+zwijgen zou. Het zou haar trouwens toch niets helpen; oom moest het
+toch weten, want hij zou haar natuurlijk vragen, waarom zij op een
+vrijen middag naar school moest.
+
+Op de stoep nam Frans afscheid en met kloppend hart schelde Annie aan.
+
+„Gut, waar benne jullie geweest? mevrouw heb al een angst uitgestaan
+van belang, weet je wel, dat het al over half één is, Annie?” met deze
+woorden werden zij ontvangen door het oude keukenmeisje, dat reeds
+jarenlang bij de familie was en dat nu de deur voor hen opende.
+
+„Je bent anders toch vroeg genoeg van school gegaan,” plaagde Coba, die
+met haar moeder de gang in kwam om te zien of het de kinderen waren.
+
+„Stil nu, Coba,” riep mevrouw Stubbens, „ik moet eerst weten, waar Tine
+zoo laat vandaan komt.”
+
+„Oom wou met mij naar den dierentuin en toen kwamen Annie en Frans en
+oom vroeg of Annie ook mee ging,” vertelde Tine, „en toen zei Frans:
+„daar komt je pa aan,” en toen ging oom weg en het was niet eens waar,
+paatje kwam niet aan en nu heb ik niet naar den dierentuin kunnen gaan
+en oom had beloofd, dat ik de apen apennootjes mocht geven en dat ik
+een cent in de snuit van den olifant mocht doen en nu is oom weg en kan
+ik niet naar den dierentuin gaan!” en bij de herinnering aan al de
+heerlijkheden, die nu voor haar waren verloren gegaan, begon de kleine
+opnieuw te huilen.
+
+Tante Dora was doodsbleek geworden.
+
+„Ik begrijp niets van dat verhaal, Annie,” zeide zij. „Vertel mij eens
+duidelijk, wie is die oom, waar zij het over heeft? zij heeft geen
+anderen oom, dan mijn broer, jouw vader, en die kan het natuurlijk niet
+geweest zijn, jij zoudt je eigen vader wel gekend hebben.”
+
+„Oom, die van morgen pas gekomen is,” antwoordde Tine voor Annie, „en
+nu is oom weg!”
+
+„Kind, kind, ben je zoo maar met dien vreemden man meegeloopen? het is
+verschrikkelijk! Ik begrijp niet, dat mevrouw je heeft laten gaan.”
+
+„Mevrouw weet er geloof ik niets van,” zeide Annie. „Die mijnheer heeft
+buiten gewacht, tot Tine het huis uit kwam. Een van de meisjes werd
+juist gehaald, toen Tine wegging en zij is weer naar binnen gegaan om
+het aan de andere kinderen te vertellen, en die zeiden het aan ons,
+toen wij kwamen.”
+
+„Het is vreeselijk,” zeide mevrouw Stubbens. „Was papa nu maar thuis,
+maar die komt eerst om vijf uur terug. Wees nu stil, Tine, dan kan
+Annie mij precies vertellen, wat er gebeurd is.”
+
+Mevrouw was blijkbaar zoozeer vervuld van het voorgevallene met Tine,
+dat zij er in het geheel niet meer aan dacht dat Annie weggestuurd was.
+
+„Ik ging om kwart voor twaalf uit school,” begon Annie haperend en met
+een erge kleur, „en... toen... wou ik... nog niet dadelijk naar huis...
+en toen... liep ik een eindje om... en toen kwam ik Frans tegen... en
+toen kwamen wij langs Tinekes les...” en nu vervolgde Annie achter
+elkaar met vuur haar verhaal, want het moeilijke ervan was nu voor haar
+voorbij.
+
+„En hoe zag die man eruit?” vroeg haar tante.
+
+„Een groote man met een langen baard, en met een bril op en met een
+hoogen hoed.”
+
+„Annie, kind, zeide eensklaps mevrouw Stubbens, terwijl zij, voor het
+eerst zoolang Annie haar kende, het meisje naar zich toetrok en
+hartelijk kuste. „God weet waar mijn kleine Tine nu zou zijn, als jij
+en Frans niet toevallig op dat oogenblik langs dat huis gekomen waren,
+waar zij leert.”
+
+„Bent u niet meer boos, tante, omdat ik weggestuurd ben?”
+
+„Ik weet niet, waar het voor was Annie; straks als wij alleen zijn,
+moet je er mij alles maar eens van vertellen. Nu ga ik eerst met de
+politie telefoneeren. Het was dus een langen man met een baard, met een
+bril en met een hoogen hoed?”
+
+„Zoo’n mooie oom!” riep Tine nog verdrietig. „Ik was niets bang voor
+hem.”
+
+„Het was toch beter dat je bang was voor hem in plaats van voor de
+jongens en voor mij,” merkte Tom wijsgeerig op. „Als Annie en Frans
+niet gekomen waren, moest je nu misschien al bij een kermistroep leeren
+koorddansen. Ik heb juist gisteren eenige woonwagens langs den weg zien
+staan. Zeg, moes, wat zegt u nu wel van Frans?” voegde hij er tot zijn
+moeder bij, die juist terugkwam van het telefoneeren.
+
+„Frans heeft zich hierin zeer flink gedragen, dat moet ik zeggen,”
+antwoordde mevrouw Stubbens. „Maar kinderen,” vervolgde zij, „laat ons
+nu gauw gaan koffiedrinken, want om half twee komt de commissaris van
+politie hier om nadere inlichtingen te vragen en ik zou graag zien,
+Thomas, dat jij dadelijk na de koffie even bij Frans aanliep en vroeg
+of hij zoo lief zou willen zijn om ook om half twee hier te willen
+komen. Hij is zooveel ouder dan de meisjes, dat hij misschien meer zal
+kunnen vertellen.”
+
+Klokslag half twee werd er gescheld.
+
+„Gaat mee naar de voorkamer, Tine en Annie,” zeide mevrouw Stubbens,
+„dat is zeker de commissaris of Frans.”
+
+Het was Frans, die door Tines moeder allerhartelijkst ontvangen werd.
+Zij kon haast geen woorden vinden om haar dankbaarheid uit te spreken,
+maar Frans hield er ook niets van om bedankt te worden; hij werd er
+verlegen onder en zeide maar aldoor: „het is niets mevrouw; het had
+niets te beteekenen, de andere jongens zouden het ook gedaan hebben.”
+
+Een oogenblik later verscheen ook de commissaris van politie en Tine,
+die bang voor hem was, wilde eerst niets vertellen, maar toen haar
+moeder haar beloofde nog dienzelfden middag met haar naar den
+dierentuin te zullen gaan, toen kwam haar tongetje los en antwoordde
+zij op alle vragen.
+
+Het was ook gelukkig dat Frans erbij was, want deze wist tot in de
+kleinste bijzonderheden het uiterlijk van den zoogenaamden oom te
+beschrijven. Hij had alles nauwkeurig opgemerkt.
+
+„Nu, mevrouw Stubbens,” zeide de commissaris eindelijk, toen hij alles
+gehoord had, wat er te vertellen was. „Er is, zoodra u telefoneerde,
+natuurlijk werk van de zaak gemaakt, maar nu kunnen wij nauwkeuriger
+maatregelen treffen. Wij zullen de zaak onmiddellijk in de beste handen
+geven. Ik zou u echter wel in beraad willen geven, mevrouw,” voegde hij
+erbij, toen de kinderen de kamer hadden verlaten, „om de kleine niet
+meer alleen op straat te laten komen. Zij is nog zoo’n klein, teer kind
+en hij zou een tweede poging kunnen wagen, die beter lukte. U heeft
+zeker geen vermoeden, wie hij zijn kan?”
+
+„Niet in het minst; ik begrijp er niets van,” antwoordde mevrouw
+Stubbens.
+
+Toen Annie om vier uur uit school kwam, riep tante Dora het meisje bij
+zich in haar kamer.
+
+„Vertel mij nu eens, Annie, wat er van morgen op school gebeurd is,”
+zeide zij.
+
+„Ik kon het heusch niet helpen, tante, werkelijk niet; ik had haar niet
+willen voorzeggen,” antwoordde Annie, „maar als zij toch zoo vraagt om
+het te doen en in zoo’n angst zit, dan kan ik het toch niet laten?”
+
+„Je verhaal is niet erg duidelijk, maar ik moet eruit opmaken, dat een
+van de meisjes aan je vroeg om haar voor te zeggen en dat je dat deedt,
+omdat zij zoo bang was geen antwoord te kunnen geven?”
+
+„Ja, tante, het is Louise Bronsma, die naast mij zit. Zij kent nooit
+haar les en telkens vraagt zij mij om haar voor te zeggen. Maar u weet,
+dat ik er al een paar maal strafthema’s voor heb opgekregen en vandaag
+zeide ik, dat ik het niet meer doen wou. En toen zeide zij dat ik het
+dan maar niet meer moest doen, maar zij was zoo ongelukkig en zat zoo
+te beven, toen zij een beurt kreeg, dat ik het toch maar gedaan heb.
+Het is zoo vervelend, zij hoort zoo slecht, dat de juffrouw het altijd
+nog eerder verstaat, dan zij.”
+
+„Maar er is toch gemakkelijk genoeg een eind aan te maken; ik begrijp
+niet, dat de juffrouw je niet dadelijk een andere plaats heeft gegeven.
+Ik zal je morgen ochtend een briefje voor de juffrouw meegeven.”
+
+„En bent u niet meer boos?”
+
+„Nu ik er alles van weet niet meer,” antwoordde mevrouw Stubbens en gaf
+het meisje een kus.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+GROOTMAMA HERMSEN.
+
+
+Mevrouw Hermsen, een vriendelijke oude dame van zeven en zestig jaar
+zat met een haakwerkje voor het venster van haar huiskamer, terwijl
+Mina Holst het koffiegoed wegruimde.
+
+Zij woonde op een groot buiten, dat gelegen was nabij het dorp, waar
+zich het advocatenkantoor van de firma Hermsen bevond, vroeger had dit
+kantoor aan den heer Hermsen, den echtgenoot der oude dame behoord. Na
+diens dood was het in andere handen overgegaan, doch had men het den
+ouden firma naam laten houden.
+
+De oude mevrouw had een zeer vriendelijk voorkomen en droeg een koket
+kanten mutsje op het grijze haar. Zij verafgoodde haar kleindochter en
+verwende het meisje op een hoogst onverstandige manier, wanneer het
+zomers bij haar logeerde.
+
+„Mina,” merkte zij op, terwijl zij nadenkend met een wollen lapje de
+glazen van haar bril schoonveegde; „wie denk je dat straks hier komt?”
+
+„Gunst, mevrouw, hoe zou ik dat weten?”
+
+„Nu, dan zal ik het je maar zeggen, Annie. Mijnheer Stokman is haar
+voor mij gaan halen.”
+
+„Heeft zij vacantie, mevrouw?”
+
+„Neen, maar zij mag wel een paar daagjes verzuimen, voor haar
+gezondheid moet zij wat rust hebben, begrijp je?”
+
+„Heere mijn tijd, mevrouw, als u toch wist, hoe ik al dien tijd
+verlangd heb om het lieve kind terug te zien. Het is ook wel te
+begrijpen, hè, hoeveel jaren heb ik al niet voor haar gezorgd? Zal ik
+maar gauw haar kamer in orde gaan brengen? zij krijgt zeker de
+logeerkamer naast de uwe?”
+
+„Ja, Mina, dat is goed, doe jij dat maar zelf; jij kent haar goed en je
+weet hoe zij alles graag heeft. Maar ik moet je nog wat zeggen, Mina,
+ik denk erover met Annie een klein reisje te gaan maken. Wij gaan
+morgen weg, maar dat moet een verrassing voor haar zijn; zeg het dus
+aan niemand, anders hoort zij het misschien van een van de bedienden en
+dat zou ik jammer vinden. Pak jij dus zelf, als je zoo goed wilt zijn,
+voor mij den grooten handkoffer met het hoog noodige.”
+
+„Best, mevrouw,” antwoordde Mina en voegde er eensklaps bij:
+
+„Mevrouw, mevrouw, daar komt mijnheer Stokman alleen aan!”
+
+Willem Stokman was reeds bij het leven van den ouden heer Hermsen klerk
+geweest op diens kantoor, waarover wij zoo straks al spraken, en na den
+dood van Annie’s grootvader was hij bij diens opvolger in betrekking
+gebleven. Hij was een nog vrij jonge man en niemand zou in hem den
+deftigen heer met den langen baard en den gouden bril herkend hebben,
+want zoowel bril als baard waren verdwenen, toen hij bij mevrouw
+Hermsen aanschelde, en den hoogen hoed had hij verwisseld tegen een
+slap vilten. Men zou hem niet herkennen en toch was hij dezelfde als
+Tine’s nieuwe oom.
+
+„Zoo, Willem, waar is het kind?” was het eerste wat mevrouw Hermsen
+zeide, zoodra de jonge man de kamer inkwam.
+
+„Ja, het is jammer,” hij keek even om zich heen om te zien of zij
+alleen in de kamer waren, „het is mislukt, maar ik zal u alles liever
+geregeld vertellen. Men zal ons toch niet kunnen hooren en wij zullen
+toch niet gestoord worden?”
+
+„Neen, wij zijn alleen.”
+
+„Nu, zooals wij hadden afgesproken, profiteerde ik van de gelegenheid,
+dat ik voor mijn patroon naar de stad moest. Ik deed eerst mijn zaken
+af, bracht toen een kleine, onschuldige verandering in mijn
+uiterlijk—een bril, een baard en een hoogen zijden deden wonderen—en
+drentelde zoo naar de Hoogstraat, waar de kleine school gaat. Dat had
+ik bij een vorige gelegenheid al uitgevonden. Het kwam zoo: toen ik de
+laatste maal, nu een veertien dagen geleden, langs het huis van de
+familie Stubbens liep, ging juist de deur open en kwam de kleine naar
+buiten. Ik volgde haar en zag toen, waar zij heen ging. Dat trof
+bijzonder goed, want in de Hoogstraat, tegenover haar school staat een
+café en daar heb ik gewacht om te zien hoe laat de kinderen weer naar
+huis gingen. Nu, om even vóór twaalf ging het schooltje uit.”
+
+„Op de Hoogstraat, maar daar is toch geen meisjesschool.”
+
+„Een meisjesschool, dat weet ik niet, maar ik zag er haar zelf ingaan
+en om twaalf uur weer naar buiten komen. Er waren ook nog drie kleine
+jongens bij.”
+
+„Jongens! maar Annie gaat niet met jongens naar school.”
+
+Nu was het Stokmans beurt om verbaasd te zijn. „Annie!” riep hij, „zij
+heet toch geen Annie? ik hoorde de kinderen duidelijk Tine tegen haar
+zeggen en zoo heb ik haar ook genoemd en zij luisterde naar dien naam,”
+voegde hij erbij, alsof hij van een jong hondje sprak.
+
+„Man, wat heb je gedaan? weet je wie die Tine is? dat is het jongste
+dochtertje van mijnheer Stubbens. Mijn kleindochter heet Annie, dat heb
+ik je toch duidelijk gezegd, Annie heet zij.”
+
+„Hemel beware mij, hoe kon ik zoo dom wezen. Ik zal het u maar zeggen,
+ik was den naam, dien u mij genoemd had, vergeten en toen ik haar nu
+door die andere kinderen Tine hoorde noemen, dacht ik bij mezelf;
+„juist, dat was de naam, nu herinner ik het mij duidelijk.” Wel,
+mevrouw, Annie is het juist geweest, die haar van mij heeft
+afgetroggeld, zij en een jongen van een jaar of veertien, met wien zij
+liep. Had ik toch maar geweten, dat zij het meisje was, dat ik hebben
+moest, dan had ik haar nog wel met een zoet lijntje meegekregen. Annie
+dus en niet Tine,” besloot hij nadenkend.
+
+„Ja, Annie en het is een zegen, dat Annie je belet heeft Tine mee te
+nemen. Wat had ik met dat kind moeten doen en wat had ik aan mijnheer
+en mevrouw Stubbens moeten zeggen?”
+
+„Ja, wat u eigenlijk met dat kind wil doen is mij een raadsel.”
+
+„Kan je je dan niet voorstellen, dat ik mijn kleinkind, het kind van
+mijn arme, vroeg gestorven dochter, bij mij wil hebben nu haar vader
+naar Engeland is om met zoo’n Engelsche te trouwen? Annie weet daar
+niets van; dat heb ik uit haar brieven wel gemerkt, zij denkt dat haar
+vader voor zaken op reis is en ik wil niet hebben dat het lieve kind
+door zoo’n vreemde en dan nog wel een Engelsche—een volk waar ik zoo’n
+hekel aan heb—opgevoed zal worden, dat wil ik liever zelf dan doen!”
+
+„Ik dacht ook dat mijnheer Van Walen voor zaken op reis was.”
+
+„Nu ja, gedeeltelijk is dat ook zoo, maar hij trouwt daar te
+gelijkertijd. Toen Annie verleden jaar en het jaar te voren hier
+logeerde, was haar vader ook in Engeland en toen heeft hij juffrouw
+Ackfield leeren kennen. Het is wel toevallig Willem,” voegde de oude
+dame erbij, „dat jij juist nooit thuis was, als Annie hier bij mij
+kwam, als dat niet het geval was geweest, zou die domme vergissing
+nooit hebben plaats gehad.”
+
+„Ja, ze kwam ook altijd in den slappen tijd en dan ging ik zelf met
+vacantie uit.”
+
+„Maar hoe heeft Annie het ongeluk verhoed, dat je mij Tine Stubbens
+hier gebracht zoudt hebben!”
+
+„Zij heeft het eigenlijk niet zoozeer gedaan als wel die jongen, van
+wien ik u vertelde. Frans noemde ze hem, welnu, toen ik goed en wel met
+Tine op weg was naar het station, kwamen er een paar kinderen aan en
+daar begon de kleine ineens „Annie, Annie!” te roepen en daar hadt je
+de poppen aan het dansen. Zij holden naar haar toe, ik noemde Tine bij
+ongeluk Annie’s zusje—ik wist toen natuurlijk ook niet wie die Annie
+was—en daar hadt je het gezanik! Toen begreep dat kleine nest, dat er
+iets niet in den haak was. Ik had haar ook nog beleedigd door haar
+„klein meisje” te noemen, maar dat „zusje” deed de deur dicht. En wat
+doet nu die jongen? Hij kijkt ineens vol oplettendheid de straat af en
+roept: „o, daar komt je pa aan!” Nu, u begrijpt, dat ik niet bleef
+wachten om te zien of het waar was of dat hij mij bij den neus nam, en
+ik weet nu nog niet of hij mij gefopt heeft of niet. Wel weet ik, dat
+ik het hazenpad koos en in het eerste beste rijtuig sprong, dat voorbij
+kwam.”
+
+„Ik kan niet anders zeggen dan „goddank” dat die domheid van je mislukt
+is, Willem, en ik heb grooten lust je geen cent te betalen.”
+
+„Maar mevrouw, ik heb toch mijn reiskosten gehad. De groote som hoeft u
+mij natuurlijk nog niet te geven, die betaalt u mij, als ik u het kind
+veilig en wel gebracht heb. U begrijpt dat ik het nog niet opgeef, maar
+wij zullen eerst wat moeten wachten, tot dat zaakje een beetje in het
+vergeetboek is geraakt.”
+
+„Wij zullen nu in vredesnaam tot den winter moeten wachten, vóór dien
+tijd zou het te gevaarlijk zijn.”
+
+„Maar ik moet u nog iets zeggen, mevrouw, nu ik die Annie gezien heb,
+ben ik voor mij overtuigd, dat het lang niet zoo gemakkelijk zal gaan
+haar mee te krijgen. Zij is niet zoo’n lammetje als die kleine en zij
+lijkt wel een jaar of twaalf. Als ik dat geweten had, zou ik het u
+dadelijk gezegd hebben, dat ik het niet voor vijf honderd gulden doen
+kon. Ik waag er te veel mee, vooral omdat het meisje bij mijnheer
+Stubbens in huis is, wiens voorspraak ik eenmaal hoop te vragen voor
+die nieuwe betrekking. Zou u er geen zevenhonderd vijftig van willen
+maken?”
+
+„Je bent een inhalig wezen. Ik zal erover denken.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN VERRASSING VOOR ANNIE.
+
+
+„Als het u blieft, juffrouw, van tante.”
+
+Met deze woorden reikte Annie van Walen de directrice, die zij in de
+gang van de school tegenkwam, het briefje van mevrouw Stubbens over.
+
+Het was de dag na het voorgevallene met Tine, die dien morgen door Suze
+naar school was gebracht, terwijl haar moeder haar ten strengste
+verboden had, om twaalf uur met iemand anders dan Suze mee te gaan. Zij
+moest op Suze wachten. Toms verhaal over het koorddansen had haar
+trouwens zoo bang gemaakt, dat er niet de minste kans bestond, dat zij
+ongehoorzaam zou zijn.
+
+„Tommie,” had zij ’s avonds aan haar broer gevraagd, „zou oom Tine
+heusch naar de kermis gebracht hebben?”
+
+„Noem dien kerel toch geen oom, Tine; hij was een gewone kinderroover.
+Natuurlijk zou hij je aan een kermistroep verkocht hebben, en dan was
+de baas van het spel met een groote zweep gekomen, en dan had hij je op
+een koord laten klimmen en als je niet gewild had, zou hij je met die
+zweep geslagen hebben. Wanneer ga je weer met dien lieven oom mee,
+Tine?”
+
+„O, neen, nooit, Tommie, heusch niet! hij zal toch niet weer
+terugkomen?”
+
+„Ik hoop het niet, maar je weet nu, waar het op staat als je met zoo’n
+oom meegaat.”
+
+„Ik zal heusch op Suze wachten, Tommie.”
+
+„Het is je geraden,” had hij geantwoord en was daarop naar boven gegaan
+om zijn huiswerk te maken, terwijl tante Dora Tine meenam om haar naar
+bed te brengen.
+
+Toen de juffrouw ’s morgens in haar klasse kwam, zeide zij: „Annie van
+Walen, jij krijgt een andere plaats. Ga maar naast Clara van Scheik
+zitten op de plaats van Laura Stubbens en jij, Laura, naast Louise
+Bronsma.”
+
+Laura vond het alles behalve plezierig om haar plaats naast Clara te
+moeten verlaten, maar Annie was blij; nu was zij tenminste van die
+ellende van het voorzeggen af.
+
+Zoodra Laura naast Louise zat, fluisterde zij tot deze: „je hoeft het
+mij niet te vragen, hoor, ik doe het toch niet. Ik ben niet zoo mal als
+Annie.”
+
+„Is Annie boos op mij?”
+
+„Ik weet het niet,” was het antwoord, „maar het zal wel; je bent ook
+een akelig spook om haar zoo te laten wegsturen zonder iets te zeggen.”
+
+Louise kreeg een vreeselijke kleur en wist niets te antwoorden.
+
+Om twaalf uur, toen Annie op Bertha van Scheik stond te wachten, kwam
+eensklaps Louise Bronsma naar haar toe.
+
+„Zeg, ben je boos op me?”
+
+„Ach ik weet het niet, zanik nu niet. Ik vond het wel flauw, dat je
+niets aan de juffrouw zeide, maar je durfde natuurlijk weer niet en nu
+kan ik morgen een uur blijven in plaats van naar buiten te gaan.”
+
+„Zal ik het dan nog zeggen?”
+
+„Neen, laat maar, zeur er nu maar niet meer over. Daar komt Bertha
+eindelijk; wat is ze laat, iedereen is al weg.”
+
+Annie liep haar vriendinnetje te gemoet en liet Louise staan.
+
+Toen deze zich omkeerde om ook naar huis te gaan, bonsde zij bijna
+tegen de directrice aan, die juist naar buiten kwam.
+
+„Wacht je op een van de meisjes, Louise?” vroeg de juffrouw.
+
+„Neen, juffrouw.”
+
+„Waarom ben je dan nog hier?”
+
+„Ik sprak even met Annie van Walen, juffrouw.”
+
+„Ga dan nog even mee naar binnen naar mijn kamer.” En toen zij daar
+waren, vroeg de juffrouw:
+
+„Jij en Annie moeten morgen schooi blijven, is het niet?”
+
+„Ja, juffrouw.”
+
+„Ik begrijp mij dat plezier van Annie niet om jou altijd voor te
+zeggen. Waarom zeg je niet tegen haar: Houd er nu eindelijk eens mee
+op, ik vind het vervelend?”
+
+Nu vatte Louise al haar moed samen. Met een hoogroode kleur stamelde
+zij: „Ik had Annie juist gevraagd om het te doen, juffrouw.”
+
+Het hooge woord was er uit en het arme kind voelde zich werkelijk
+opgelucht.
+
+„Zoo,” antwoordde de juffrouw kalm, „hadt jij haar erom gevraagd? Het
+was nu de vierde maal; hadt jij haar de vorige keeren ook verzocht het
+te doen?”
+
+„Ja, juffrouw.”
+
+„Dan moet ik zeggen, dat ik het heel aardig vind van Annie, dat zij
+daar niets van gezegd heeft, maar waarom heb je de juffrouw niet de
+waarheid verteld?”
+
+Louise liet het hoofd hangen.
+
+„Nu, kind, ga maar naar huis,” hervatte de juffrouw, „maar probeer toch
+eens of je niet flinker kunt worden; je voelt toch zelf wel dat het
+heel onaardig is om een ander meisje straf te laten krijgen voor iets,
+dat eigenlijk jouw schuld is.”
+
+„Ja juffrouw,” antwoordde Louise verlegen.
+
+„Ga dan nu maar naar huis, doch laat zoo iets niet weer gebeuren?”
+
+Intusschen waren Annie en Bertha samen voortgeloopen.
+
+„Heeft je tante er al iets van gezegd, wanneer Paula zou mogen komen?”
+vroeg Bertha.
+
+„Neen, nog niet.”
+
+„Vraag het eens.”
+
+„Neen, hoor, dat durf ik niet!”
+
+„Ik ben zoo benieuwd om haar te zien. Ik hoop maar dat zij gauw komt?”
+
+Toen Annie thuis kwam, riep mevrouw Stubbens haar in de huiskamer. „Ik
+heb een aardige verrassing voor je, Annie; Paula mag van Zaterdag tot
+Zondagavond hier komen.”
+
+„O, wat dol!” riep het meisje, „meent u het werkelijk, tante?”
+
+„Zeker, oom gaat haar Zaterdag halen; hij moet toch voor zaken daar in
+de buurt zijn en brengt Paula dan mee.”
+
+„Weet oom al dat ik blijven moet?” vroeg Annie verlegen.
+
+„Ja, ik vond het beter het maar zelf aan oom te vertellen.”
+
+„En was oom erg boos?”
+
+„Eerst wel, maar toen ik alles precies verteld had, zeide oom, dat hij
+het dezen keer door de vingers zou zien, omdat het gedeeltelijk niet
+jouw schuld was.”
+
+Toen Annie het aan haar nichtjes vertelde, zeide Coba: „je wordt hier
+echt het verwende kindje.”
+
+„Ja,” voegde Laura erbij, „en nu kan ik voor jouw plezier naast dat
+vervelende kind van Bronsma zitten.”
+
+„Heb je haar al voorgezegd?” vroeg Coba plagend.
+
+„Daar kan ze lang op wachten, dat vervelende wicht.”
+
+„Gaan jullie nooit naar school? het is al bijna tien minuten voor
+twee!” klonk eensklaps een vroolijke jongensstem en Tom stak zijn hoofd
+naar binnen. „Zeg, Annie,” vervolgde hij, toen zij gezamenlijk op weg
+gingen, „heeft Frans je nog verteld, waarom hij weggestuurd is?”
+
+„Ja,” antwoordde Annie nog lachend bij de herinnering.
+
+„Nu, lach maar niet, de dokter was zoo boos, dat hij gezegd heeft, dat
+Frans in den eersten tijd op zijn vrije middagen niet meer uit mag. Het
+is een leelijk geval, want hij moet uitkomen in den grooten
+voetbalwedstrijd en nu heeft hij geen gelegenheid om zich te oefenen.”
+
+„Doe jij ook mee, Tom?” vroeg Annie.
+
+„Nou, of ik en jullie moeten komen kijken, het zal een prachtig gezicht
+zijn. Zondag is er een kleine onderlinge wedstrijd, komen jullie dan
+ook?”
+
+„Graag, als ik mag,” antwoordde Annie, „gaan jullie ook mee, Co en
+Lau?”
+
+„Zondag, neen dank je wel, dan spelen alleen de kleine jongens,”
+antwoordde Coba uit de hoogte.
+
+„Dank je,” riep Tom geraakt en verdween in een zijstraat.
+
+Coba en Laura lachten, maar Annie vond het niets aardig, dat zij Tom
+zoo plaagden en was vast besloten naar den wedstrijd te gaan kijken.
+
+„Annie, je moet even bij de directrice komen,” zeide de juffrouw, toen
+zij het lokaal binnenkwam, waar al haar leerlingen reeds bijeen waren.
+
+Verbaasd stond Annie op en klopte een oogenblik later bij de directrice
+aan.
+
+„Zoo, ben je daar Annie?” zeide deze vriendelijk, toen het meisje haar
+begroet had. „Ik wilde je alleen maar zeggen, dat Louise mij alles
+verteld heeft en dat je morgen middag niet behoeft school te blijven.”
+
+Annie’s oogen schitterden.
+
+„Daar ben je blij om, hè?” hernam de juffrouw glimlachend. „Nu, ga maar
+gauw naar binnen, laat de juffrouw niet wachten.”
+
+Om vier uur stond Annie met het grootste ongeduld Bertha op te wachten,
+om haar al het nieuws te vertellen, maar voordat zij het lokaal
+verliet, was zij naar Louise toegegaan en had zij dankbaar tot haar
+gezegd: „Dank je wel, Lou, dat je het verteld hebt, ik hoef nu niet te
+blijven.”
+
+De arme Louise had werkelijk vroolijk gekeken, zij was oprecht blij.
+
+„Bertha,” zeide Annie, toen deze aankwam, en zij stak haar arm door
+dien van het oudere meisje, „vind je het niet dol, ik hoef morgen niet
+te blijven en Zaterdag komt Paula.”
+
+Bertha was bijna even blij als Annie, want zij dacht geen oogenblik aan
+de mogelijkheid, dat haar moeder haar misschien zou verbieden om naar
+Paula toe te gaan.
+
+De Zaterdag kwam en toen de heer Stubbens zijn zaken had afgedaan, reed
+hij naar mevrouw Tillens om Paula af te halen.
+
+Paula was zich nog aan het klaar maken en mevrouw ontving hem in het
+salon.
+
+„Ik ben blij, dat ik u alleen tref, mevrouw,” zeide hij, nadat zij
+elkaar begroet hadden, „want ik wilde u vragen, of u verlangt dat Paula
+in gezelschap van de meisjes Van Scheik gebracht zal worden of niet.”
+
+Mevrouw Tillens verbleekte, „U weet dus, wie mevrouw Van Scheik is?”
+vroeg zij.
+
+„Uw zuster, ja mevrouw, en ik moet u zeggen, dat Annie al aan Bertha
+verteld heeft, dat Paula komt en dat Bertha brandt van verlangen om
+kennis te maken met haar nichtje.”
+
+„Ik heb Paula nooit over haar tante gesproken, omdat ik wel begreep,
+dat er dan aan het vragen geen eind zou komen en ik vind haar nog te
+jong om haar hoofdje met familietwisten en zoo al meer te vullen.”
+
+„Mevrouw van Scheik schijnt er anders over te denken, want Bertha wist
+aan Annie te vertellen, dat u haar tante is. Haar moeder maakt er voor
+haar dus blijkbaar geen geheim van, maar, daar ik niet wist hoe u
+erover dacht, heb ik Annie verboden er Paula over te schrijven.”
+
+„Dat is heel vriendelijk van u, maar wij zullen de zaak nu maar aan
+haar beloop laten, ik had de mogelijkheid van een ontmoeting moeten
+voorzien. Bovendien blijft Paula zoo kort bij u, dat het mijn zuster
+geen moeite zal kosten de meisjes van elkaar verwijderd te houden,
+wanneer zij dat wil. In ieder geval moet de eerste stap tot verzoening
+van hun kant komen; wij hadden geen schuld.”
+
+Op dat oogenblik kwam Paula beneden en na vroolijk afscheid te hebben
+genomen van haar moeder reed zij met den heer Stubbens weg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+DE HEER STUBBENS DOET EEN GOED WOORD VOOR FRANS.
+
+
+Toen de auto eindelijk voor het huis stilhield, stond Tom het
+gezelschap aan de deur op te wachten.
+
+„Thomas wat zie je er uit!” riep zijn vader, toen hij hem zag. Hij
+mocht dit wel zeggen.
+
+Tom had een paar bemodderde voetbalschoenen aan; de kleur van zijn
+korte, roode broek was onherkenbaar en dit kleedingstuk had een groote
+scheur boven een der knieën, terwijl tot overmaat van ramp Toms eigen
+knieën bebloed waren, en hij verder nog een blauw oog had.
+
+„Heeft mama je al zoo gezien, jongmensch?”
+
+„Neen, pa, ik kwam juist aan.”
+
+„Hoe kom je aan dat blauwe oog?”
+
+„Een van de lui heeft er mij bij ongeluk een stomp tegen gegeven, toen
+wij om de bal vochten. Mijn partij heeft van middag prachtig gewonnen,
+pa.”
+
+„Dat kan ik zien,” antwoordde zijn vader droogjes, „en dit is nog niet
+eens de wedstrijd. Hoe moet je er wel uitzien, als je daar vandaan
+komt? Zal ik maar vast een brancard voor je bestellen?”
+
+„Nou, het ging toch wat mooi. Ik hoop, dat het morgen net zoo gaat,”
+mompelde Tom verontwaardigd.
+
+„Ik niet, want dan hebben wij kans je niet levend terug te zien,” zeide
+zijn vader. „Enfin, je moet het zelf weten, als jij plezier hebt je
+half dood te laten ranselen. Maar je moeder zal wel boos zijn, wanneer
+zij die kleeren ziet.”
+
+„O, die breng ik wel gauw bij Suze, die maakt ze wel voor mij schoon,”
+antwoordde de jeugdige kampvechter, die teleurgesteld was, omdat zijn
+vader niet méér verblijd was over zijn overwinning.
+
+„Vindt je pa het niet goed, dat je meespeelt?” vroeg Paula, nadat zij
+elkaar begroet hadden, bij het naar binnen gaan aan Tom.
+
+„Ach, jawel, maar pa zegt altijd: „die voetbalnonsens kan mij niet
+schelen, als je maar voor een goed rapport op het gymnasium zorgt.””
+
+Annie nam Paula mee naar binnen naar mevrouw Stubbens, die het meisje
+op de koele manier, die zij altijd tegenover vreemden aan den dag
+legde, begroette. Toch voegde zij erbij: „ik hoop, dat wij je nog
+dikwijls hier zullen zien, Paula, en dat je, als Annie weer naar huis
+is, de meisjes nog wel eens zult willen komen opzoeken.”
+
+„Heel graag, mevrouw,” antwoordde Paula.
+
+„Geloof jij, Annie,” zeide zij een oogenblik later tot haar vriendin,
+toen zij en Annie samen naar boven gingen, „dat Coba en Laura mij ooit
+zullen vragen? Weet je nog, hoe trotsch zij dien keer op Wilgenhorst
+tegen mij waren, toen zij met je tante waren meegekomen?”
+
+„Ja, dat herinner ik mij nog wel. Ik weet niet, of ze je zullen vragen,
+misschien wel.”
+
+Annie brandde van verlangen, om Paula alles te vertellen van mevrouw
+Van Scheik en de meisjes, maar haar oom had het haar toch nog verboden.
+„Niet doen hoor,” had hij gezegd, „mevrouw Van Scheik wil het niet
+hebben en tante en ik ook niet.”
+
+Annie moest dus nog zwijgen. Zij vond het heel vervelend, eerst had oom
+gezegd, wacht tot je thuis bent en nu toen zij thuis was, had hij haar
+in de gang toegefluisterd het niet te doen en zij begreep maar niet,
+waarom.
+
+Op Annie’s dringend verzoek had mevrouw Stubbens toegelaten, dat Paula
+dien nacht bij haar vriendinnetje op de kamer mocht slapen en toen de
+meisjes daar nu bezig waren, zich wat op te knappen, voordat zij aan
+tafel gingen, kwam Tom, na luid op de deur gebonsd te hebben de kamer
+in.
+
+„Mag ik binnen komen?”
+
+„Je vraagt het wel bijtijds,” antwoordde de meisjes, „maar je mag wel.”
+
+„Zeg, jullie komen morgen toch kijken? Die twee flauwe nuffen willen
+niet.”
+
+„Wie bedoel je?”
+
+„Die twee stijve preten, Coba en Laura, maar ik zal ze wel hebben.”
+
+„Dat moest je ma eens hooren,” zeide Annie. „Hoor je dat Paula?”
+
+„Hij is boos, hè, Tom,” antwoordde Paula goedig. „Maar, als je ma het
+goed vindt, zullen wij komen, hoor, dat beloof ik je. Maar, wat heb je
+een buil op je oog.”
+
+„Ja, zou hij morgen weg zijn?”
+
+„Weg? morgen is hij blauw, geel, groen en paars,” plaagde Annie.
+
+„Denk je dat heusch?” klonk het blij, „dat zou leuk zijn.”
+
+„Leuk?”
+
+„Natuurlijk, dat is iets, waarop je trotsch moet zijn, zegt Frits, het
+is een teeken, dat je echt gevochten hebt voor de overwinning. Dus
+jullie komen, hè? dat is patent,” en fluitend verliet hij de kamer.
+
+Toen de meisjes beneden kwamen, vonden zij Tom’s drie zusjes, die bij
+Paula’s aankomst nog niet thuis waren geweest van de wandeling. Zij
+begroetten Paula wel wat verlegen, want beiden dachten zij aan de
+vorige ontmoeting op Wilgenhorst, toen zij zoo onaardig waren geweest.
+Zij begrepen wel, dat Paula dit nog niet vergeten was en lieten haar
+dus geheel aan Annie over.
+
+Dien avond tegen zeven uur, toen hij wist, dat de dokter thuis zou
+zijn, ging de heer Stubbens den heer Van Meerel opzoeken.
+
+„Goeden avond, Stubbens, daar doe je goed aan,” zeide de dokter, toen
+zijn vriend Stubbens de kamer van den dokter binnentrad, waar deze
+juist de krant zat te lezen. „Wil je eens opsteken?”
+
+De heer Stubbens nam een sigaar uit den welvoorzienen koker, dien de
+dokter hem aanbood en nam plaats op den armstoel, welke deze voor hem
+bijschoof.
+
+„Je raadt nooit, waarover ik je kom spreken,” begon de heer Stubbens.
+
+„Als ik het toch niet kan raden, zeg het dan maar, dat spaart tijd,”
+merkte de dokter op.
+
+„Over je zoon.”
+
+„Wat heeft hij nu weer uitgehaald? Die jongen is een nagel aan mijn
+doodkist.”
+
+„Zeg dat nu niet te gauw. Wil ik je eens wat zeggen, Van Meerel? jij
+kent je eigen zoon niet.”
+
+„Neen, dat lijkt maar zoo! Maanden achter elkaar niets dan slechte
+cijfers op school; eindelijk komt hij met kunst en vliegwerk op het
+gymnasium, natuurlijk veel te laat, en dan haalt hij weer kattekwaad
+uit.”
+
+„Het staat natuurlijk niet aan mij, het te beoordeelen,” merkte de heer
+Stubbens op, „maar je weet, wij hebben het er vroeger al eens over
+gehad en toen heb je gezegd: de jongen deugt niet voor de studie;
+overigens is hij flink en slim genoeg. Maar dat doet niets ter zake;
+waar ik nu eigenlijk voor kom, dat is om je te verzoeken, den jongen
+zijn vrije middagen terug te geven, om mij plezier te doen.”
+
+„Om jou plezier te doen! maar hoe heb ik het met je? wat kan het jou nu
+schelen, of de jongen vrij heeft of niet?”
+
+„Alleen maar dit: dat ik het aan hem te danken heb, dat ik mijn kleine
+Tine nog bezit.”
+
+„Wat bedoel je in vredesnaam; ik weet van die heele historie niets af.”
+
+„Dat wil ik wel gelooven. Hij vertelt je alleen zijn ondeugende
+streken, het goede en flinke, wat hij doet, houdt hij voor zich.” En nu
+vertelde mijnheer Stubbens wat er met Tine was voorgevallen en hoe
+Frans haar gered had.
+
+„Hoe is het mogelijk,” antwoordde de dokter, „dat had ik nooit achter
+hem gezocht. Ja, zie je Stubbens, het is eigenlijk zoo ongelukkig. Als
+dokter heb ik zoo bitter weinig tijd om mij met den jongen te bemoeien,
+eigenlijk moet ik hem heelemaal aan mijn vrouw overlaten en die verwent
+hem, terwijl ik hem daarentegen misschien te streng aanpak, telkens als
+ik klachten over hem krijg. Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt.
+Stelde de jongen toch maar meer vertrouwen in mij, zoodat ik wist, wat
+hij eigenlijk graag zou worden. Ik heb het altijd als de natuurlijkste
+zaak van de wereld beschouwd, dat er uit hem een dokter zou groeien als
+zijn vader en grootvader. Hij heeft er nooit tegen geprutteld. Maar, ik
+geloof toch ook niet dat hij ooit zoover komt.”
+
+„Nu, daar spreken wij later nog wel eens over, ik zal er mijn gedachten
+eens over laten gaan, of ik je niet wat aan de hand kan doen, als ik nu
+maar eerst weet, dat je hem niet langer op zijn vrije middagen
+opgesloten houdt, dan zal ik je niet langer ophouden.”
+
+„Neen, ik zal hem zijn vrijheid niet langer onthouden,” antwoordde de
+dokter. „Ik geloof zelf niet, dat het goed voor hem is; hij klaagt dan
+niet, maar wordt dan alleen zoo akelig stil, dat ik er zelf zenuwachtig
+van word.”
+
+„Zoo; nu, dan ben ik blij, dat ik niet vergeefs bij je heb aangeklopt,
+dat zou mij werkelijk gespeten hebben, ik mag den jongen zoo graag.”
+
+„Ik dank je nog wel dat je mij dat alles verteld hebt,” merkte de
+dokter op.
+
+„Niets te danken, saluut, mijn groeten aan je vrouw,” antwoordde de
+heer Stubbens en begaf zich opgewekt naar huis.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN TELEURSTELLING VOOR BERTHA.
+
+
+Den volgenden morgen stond Tom reeds vroeg op. Zijn eerste gang was
+naar den spiegel. Eigenlijk was dit overbodig, want zonder zich daarin
+te bekijken, kon hij aan zijn half dicht oog en aan de pijn, die hij
+daaraan had, wel voelen, dat de buil nog niet verdwenen was.
+
+„Het doet leelijk pijn, maar dat moet je er voor over hebben, want het
+staat kranig,” mompelde hij bij zichzelf.
+
+Zijn moeder was den vorigen middag inderdaad geschrikt, toen zij haar
+lieveling, want dat was Tom, zoo gehavend zag. Zij had zich eerst
+ongerust gemaakt over zijn oog, maar toen haar man haar verzekerd had,
+dat het niets was dan een gewone buil, was die angst geweken. Zij had
+er van alles aan willen doen, koude compressen en zooal meer, maar Tom
+had zich hier heftig tegen verzet, vreezende dat zijn fraaie buil dan
+misschien den volgenden dag verdwenen zou zijn.
+
+„Niet doen, ma, anders is hij morgen misschien weg,” had hij gezegd.
+
+„Maar, jongen, je ziet er zoo vreeselijk uit. Ik ben bang, dat je oog
+morgen heelemaal dicht is,” bracht zijn moeder wanhopig in het midden.
+
+„Dan kijk ik door het andere, moes.”
+
+En nu was het de volgende dag en stond Tom als een ijdel meisje voor
+den spiegel. Hij was tevreden over zijn uiterlijk, dat zijn moeder toen
+hij beneden kwam „verschrikkelijk” noemde en dat de lachlust opwekte
+van zijn twee oudste zusjes, die er hem duchtig om plaagden.
+
+„Gaan jullie van middag ook kijken, meisjes?” vroeg mevrouw Stubbens
+aan Coba en Laura.
+
+„Neen, ma, mevrouw Van Scheik heeft ons meegevraagd om vanmiddag met
+Coba en Bertha en mijnheer en mevrouw natuurlijk, een groote wandeling
+te gaan maken, als u het goed vindt.”
+
+„Daar heb ik niets tegen, dan willen Annie en Paula Tine zeker wel
+meenemen, want papa en ik hebben geen tijd, wij moeten noodzakelijk
+eenige bezoeken afleggen. Maar zullen jullie goed op haar passen,
+meisjes?”
+
+„Wij zullen haar niet uit het oog verliezen, tante,” antwoordde Annie.
+
+„Dat is goed en pas vooral op, dat je niet op een gevaarlijke plaats
+gaat staan, waar je een bal tegen je aan kunt krijgen,” voegde mijnheer
+Stubbens erbij. „Thomas vindt dat zoo’n buil goed staat, maar ik zie
+jullie toch liever zonder.”
+
+De kinderen beloofden het en een uur later begaven zij zich vroolijk op
+weg.
+
+Vol geestdrift volgden zij het spel, dat met vuur gespeeld werd, en
+toen eindelijk na een heftigen strijd Tom’s elftal een schitterende
+overwinning behaalde, juichten zij hem uitbundig toe.
+
+Intusschen was Bertha van Scheik diep ongelukkig. Reeds zoolang had zij
+zich op Paula’s komst verheugd en nu deze er eindelijk was, mocht zij
+niet naar haar toe.
+
+„Hè, ma, ik heb er zoo naar verlangd, dat Paula komen zou,” zeide zij
+verdrietig tot haar moeder, „waarom mag ik nu niet met Annie en Paula
+mee naar den wedstrijd?”
+
+„Neen, Bertha, ik vind het niet goed. Je weet, dat tante Tillens en wij
+niet wel met elkaar zijn, het kan dus niet. Tante zou er misschien niet
+op gesteld zijn.”
+
+„Waarom wordt u dan niet weer goed op tante?”
+
+„Luister nu eens, Bertha, je bent nog veel te jong om dat alles te
+begrijpen, maar je bent te oud om als een klein kind te dwingen. Laat
+het dus genoeg zijn, dat ik het liever niet heb. Vroeger was Coba zoo’n
+vriendin van je, is dat nu ineens uit na de komst van Annie?”
+
+„Neen, ma, dat is het niet, maar u weet hoe onaardig Coba tegen Annie
+kan zijn; als u dat wist, zou u haar in mijn plaats ook niet meer tot
+vriendin willen hebben. Weet u, wat zij verleden week gedaan heeft?
+Annie heeft het thuis niet willen vertellen.”
+
+„Annie had een mooi porceleinen beeldje en dat liet zij ons laatst
+zien. Zij was er erg zuinig op, want haar papa had het haar uit
+Engeland gezonden en zij bewaarde het ingepakt in haar koffer, uit
+angst dat het breken zou. Nu dan, Coba vroeg aan mij of ik dien middag
+met haar ging fietsen, maar ik had aan Annie beloofd om met haar te
+zullen gaan wandelen en toen ik haar dat zeide werd Coba zoo driftig,
+dat zij Annie’s beeldje nam en het met een smak op den grond wierp,
+waar het natuurlijk in stukken viel. „Ziezoo, naar kind,” riep zij,
+„dat is omdat je altijd afspraakjes met Bertha maakt, zoodat zij nooit
+meer met mij uitgaat.” Annie begon natuurlijk vreeselijk te huilen, en
+het was ook niet de eerste keer; zij doet wel meer van die dingen.”
+
+„Foei, hoe leelijk van Coba, dat had ik nooit van haar gedacht. Is
+mevrouw Stubbens het nog te weten gekomen?”
+
+„Neen, ma, Laura wou het dadelijk aan haar mama gaan vertellen, maar
+Annie wilde het niet hebben. Zij zag ook wel, dat Coba er eigenlijk
+zelf van geschrikt was, maar ondertusschen is Annie haar mooie beeldje
+kwijt. Coba is zoo jaloersch van Annie.”
+
+„Het is heel onaardig van haar en het is eigenlijk zeer verkeerd dat
+haar moeder niet weet, dat zij zulke dingen doet, maar wij zullen ons
+daar maar niet mee bemoeien; jij moet vooral niets van haar aanbrengen,
+Bertha, dat staat zoo leelijk. Maar zeg mij eens, wat is die Paula voor
+een meisje, vertelt Annie je wel eens van haar?”
+
+„O, ma, u moet haar over Paula hooren, dat is zoo’n snoes! Annie houdt
+dol veel van haar, zij is zoo zacht, en haar ma was altijd zoo aardig
+voor Annie.”
+
+„Zij was altijd zoo lief,” mompelde mevrouw Van Scheik.
+
+„Zeg, moesje, mag ik haar nu niet hier brengen?”
+
+„Neen, Bep, vraag er nu niet meer om; ik kan het je niet toestaan. Het
+spijt mij heel erg, dat mevrouw Stubbens Paula hier gevraagd heeft, het
+geeft niets dan moeilijkheden.”
+
+Bertha had er verder natuurlijk niet meer om durven vragen en was met
+haar vader en moeder en Clara en de meisjes Stubbens gaan wandelen,
+terwijl haar broers naar den wedstrijd gingen.
+
+„Gaan jullie allemaal mee naar huis?” vroeg Tom, toen deze was
+afgeloopen, aan zijn vrienden, „dan kunnen wij in den tuin wat
+uitblazen.”
+
+De jongens namen het graag aan en kort daarop zaten zij met de drie
+meisjes op het groote grasperk achter het huis van de familie Stubbens.
+
+„Zoo, zijn jullie daar en hebben jullie gewonnen?” hoorden zij
+eensklaps de stem van Tom’s vader.
+
+„O, prachtig, mijnheer, 3–1!” riepen de vrienden door elkaar. „Tom
+heeft zich zoo flink gehouden!”
+
+„Nou, maar Frans was buitengewoon,” bracht Tom in het midden.
+
+„Als jullie dan zoo dapper gestreden hebt,” merkte mevrouw Stubbens op,
+die er intusschen bijgekomen was, „dan zal een glas limonade zeker wel
+smaken?”
+
+„Als het u blieft, mevrouw!” klonk het in koor.
+
+Toen mevrouw Stubbens een oogenblik later met den verfrisschenden drank
+terugkwam, vroeg zij: „Jongelui, zouden jullie zin hebben ter eere van
+de overwinning hier te blijven eten? Gaat het straks maar even vragen,
+jelui hebt je van middag zoo flink gehouden, dat ik vind dat je wel een
+pretje verdient.”
+
+De jongens vonden het natuurlijk heerlijk en nadat zij hun limonade
+gedronken hadden en wat waren uitgerust, spoedden zij zich naar huis om
+de verlangde toestemming te vragen en zich te verkleeden.
+
+„Wel, Paula, heb je plezier gehad?” vroeg mevrouw Stubbens, toen de
+meisjes na het heengaan van de jongens het huis in kwamen.
+
+„O, mevrouw, het was heerlijk, ik heb nog nooit zoo’n pret gehad.”
+
+„Toon dan maar, dat je het hier prettig vond, door over veertien dagen
+terug te komen,” zeide mijnheer Stubbens, „dan is die jongejuffrouw
+jarig,” voegde hij op Annie wijzende erbij, „en zij vindt natuurlijk
+dat haar zielsvriendin daarbij hoort.”
+
+„Dol graag, mijnheer!” antwoordde Paula met een stralend gezichtje. Zij
+had den geheelen dag genoten en vond het een verrukkelijk vooruitzicht,
+zoo spoedig te mogen terugkomen. Als haar moeder het nu maar goed vond!
+
+„Je hadt er toch niets tegen, dat ik het meisje vroeg, Dora?” zeide de
+heer Stubbens, toen hij met zijn vrouw alleen was. „Zij is je toch
+zeker meegevallen?”
+
+„Er was geen sprake van meevallen. Vroeger was ik bang, dat het kind
+geen gezelschap voor de meisjes zou zijn, maar zoodra ik wist, dat het
+een dochter was van Paula Helmers, was ik daar natuurlijk niet meer
+bang voor. Zij is een zeer net meisje, zelfs wel een beetje ouwelijk
+voor haar jaren, maar dat komt natuurlijk, omdat zij alleen woont met
+haar moeder.”
+
+„Weet jij ook waarom mevrouw Van Scheik en haar zuster gebrouilleerd
+zijn?”
+
+„Ach, dat is een heel oude geschiedenis,” antwoordde mevrouw Stubbens,
+terwijl ze in ieder servet een verrassing vouwde, „het ware weet ik er
+ook niet van. Mijnheer Tillens schijnt vroeger op het advocatenkantoor
+van den ouden heer Hermsen gewerkt te hebben en daar moet toen iets
+gebeurd zijn. Hij schijnt stukken weggemaakt te hebben, die betrekking
+hadden op de familie Van Scheik. Hoe het precies was, weet ik niet,
+maar Van Scheik was woedend op hem, vertelde Mina mij, vooral ook omdat
+hij bleef volhouden, dat hij er niets van wist; dat hij die papieren
+zelfs nooit in handen had gehad.”
+
+„Hij werkte daar toch niet alleen?”
+
+„Met Stokman, den vader van den jongen Stokman, die nu nog op dat
+kantoor is, maar die ontkende eveneens en werkelijk scheen de schijn
+erg tegen mijnheer Tillens te zijn. Hij is toen weggegaan en heeft
+buiten zijn intrek genomen in dezelfde villa, waar nu nog zijn vrouw en
+dochter wonen. Zij hadden juist genoeg om stilletjes van te leven,
+maar, zooals je weet, is de twist tusschen de beide families nooit
+bijgelegd. Mevrouw Van Scheik heeft mij verleden week, toen ik bij haar
+was om over Paula te spreken, dit alles verteld, omdat ik de
+geschiedenis toch al half wist. Het komt mij voor, dat zij wel graag
+weer met haar zuster zou willen verzoenen, maar haar man wil niet, hij
+is bang voor een weigering van den kant van mevrouw Tillens.”
+
+„Ik begrijp niet, dat de menschen er plezier in hebben, zoolang in
+vijandschap te leven,” merkte de heer Stubbens op. „Ik houd niet van
+familietwisten en zou er nooit aan meedoen. Maar, van den ouden heer
+Hermsen gesproken, Dora, zou je niet eens met Annie een bezoek aan haar
+grootmoeder gaan brengen? Annie schijnt er van den zomer niet gelogeerd
+te hebben, dus zal de oude dame wel verlangend zijn om haar te zien.”
+
+„Ik had er al met Annie over gesproken en als er niets tusschenbeide
+komt, zal ik Woensdagmiddag met haar gaan. Ik zal mevrouw vooruit
+schrijven, dat wij komen.”
+
+„Dat is best. Kijk, daar komen de jongens terug, dat zal me een drukte
+geven aan tafel! wat heb je in die servetten gestopt?”
+
+„Och, een kleine verrassing. Thomas houdt zooveel van zooiets, je moet
+eens op zijn gezicht letten, als hij het openmaakt. Het is maar een
+grapje.”
+
+„Had je er zoo vast op gerekend, dat hij winnen zou?”
+
+„Neen, maar als zij verloren hadden, zou ik hen toch uitgenoodigd
+hebben, omdat zij dan troost noodig hadden.”
+
+Mijnheer Stubbens lachte en op datzelfde oogenblik kwam het heele
+vroolijke troepje de kamer in.
+
+„Allemaal present? dat is flink,” zeide de heer Stubbens. „Thomas, ga
+jij de meisjes dan roepen, ik bedoel Annie en Paula en Tine, die zich
+aan het mooi maken zijn; Coba en Laura blijven bij mevrouw Van Scheik
+eten. Wij hebben geruild, wij hebben de jongeheeren Van Scheik en zij
+de meisjes Stubbens.”
+
+Frits en Karel lachten en beweerden, dat zij die ruil wel eens leuk
+vonden.
+
+„Heb je de meisjes geroepen, Thomas?” vroeg zijn moeder, toen de jonge
+dames zich lieten wachten.
+
+„Ja, ma, ik hoor ze al.”
+
+Kort daarop ging de deur open en traden Annie en Paula de kamer in,
+voorafgegaan door Tine. Het kind hield een pak in de hand, waarmee zij
+regelrecht naar Tom liep.
+
+„Daar, Tommie, van Annie,” zeide zij, „maar ik mag het geven.”
+
+Toen Tom het van haar wilde aannemen, voegde de kleine er echter bij,
+„ik zal het ook openmaken.”
+
+Zij liep met het pak naar een stoel, legde het daarop en begon nu aan
+de touwtjes te trekken om ze los te krijgen. Zij trok en friemelde net
+zoolang tot zij het touw van het pak af had, terwijl Tom goedig zijn
+ongeduld bedwong en haar liet begaan.
+
+„Nu mag Thomas het papier er af doen, Tine, geef het nu aan hem,” zeide
+haar moeder, „jij het touw en hij de papieren, ieder wat.”
+
+Gehoorzaam gaf de kleine nu het pak aan Tom, die het haastig van het
+papier ontdeed.
+
+„O, een nieuwe voetbal. Jongens, kijk eens wat een mooi ding! dank je
+wel Annie! vooruit zeg,” riep hij tot zijn vrienden, „een rondedans.”
+
+In een oogenblik hadden de jongens met Paula en Tine een kring om Annie
+heen gevormd en zongen zij luidkeels: „Lang zal ze leven! lang zal ze
+leven, lang zal ze leven in de gloria!”
+
+„Maar Annie, hoe kom je er toe hun zoo’n mooie bal te geven?” vroeg
+mevrouw Stubbens, zoodra zij zich over het rumoer heen weer
+verstaanbaar kon maken. „Geen wonder dat zij blij zijn. Heb je haar
+zelf gekocht?”
+
+„Oom is meegegaan, tante.”
+
+„Ja, ik was in het geheim,” zeide de heer Stubbens. „Annie en ik zijn
+haar samen gaan koopen. Zij had medelijden met Tom en zijn vrienden,
+omdat zij zoo klaagden over hun bal en bang waren dat zij, omdat deze
+zoo slecht was, den grooten wedstrijd zouden verliezen. Hebben wij geen
+goede keus gedaan, jongens?”
+
+„Nou, en of,” antwoordden de jongens, die allen om beurten het
+prachtexemplaar van nabij moesten bekijken.
+
+„Ziezoo, nu aan tafel, dan kunnen jullie op Annie’s gezondheid
+drinken,” zeide de heer Stubbens. „Vooruit, maar, jongelui, naar de
+eetkamer.”
+
+Toen allen gezeten waren, zag mevrouw, dat de kinderen nieuwsgierig
+naar hun hoog opbuilende servetten keken, maar ze niet durfden
+openvouwen. Alleen de kleine Tine gaf het voorbeeld, vouwde dapper haar
+kinderservetje open en kraaide van pret, toen zij er een aardig popje
+van chocolade uit te voorschijn bracht.
+
+„De knecht van Sinterklaas,” zeide zij en wilde dat heerschap fluks
+naar haar mond brengen.
+
+„Dat kan je begrijpen,” riep haar vader, die naast haar zat en de hand
+met den zwarten knecht nog juist kon grijpen, voordat deze haar mond
+had bereikt. „Eerst zoet eten en dan zullen wij eens zien of we niet
+een arm of een been van hem kunnen afbreken. Maar vindt je het niet
+jammer hem zoo gauw op te eten, Tine, als hij op is, dan is hij weg,
+dan heb je hem niet meer.”
+
+„Dan geeft paatje mij wel een andere, is het niet?”
+
+Iedereen lachte, maar de heer Stubbens verzekerde zijn jongste dochter,
+dat hij dat volstrekt niet van plan was. „Eens opgegeten, blijft
+opgegeten,” zeide hij, „dan komt er maar niet zoo dadelijk iets
+nieuws.”
+
+Intusschen hadden de jongens en de andere meisjes Tine’s voorbeeld
+gevolgd en hun servet opengevouwen. Ieder vond iets aardigs: Tom een
+mooie penhouder, Frans een zakmes, Annie en Paula ieder een mooie
+inktlap en zoo was er voor ieder een kleinigheid.
+
+„Dank u wel, mijnheer, dank u wel, mevrouw,” klonk het door elkaar en
+ieder wilde zien wat de ander gekregen had, zoodat de geschenkjes de
+ronde van de tafel deden en door allen bewonderd werden. Tine stond
+erop, dat haar popje eveneens van hand tot hand zou gaan, maar toch
+volgde zij het met angstige blikken en toen zij het eindelijk terug
+had, slaakte zij een hoorbare zucht van verlichting en koesterde het in
+haar tengere armpjes.
+
+De jongens lieten zich na den strijd van dien middag het eten goed
+smaken en klonken allen dankbaar met de geefster van de mooie bal. Na
+tafel deden zij nog eenige kalme spelletjes, want zij waren allen min
+of meer moe en om acht uur namen zij afscheid, omdat toen de automobiel
+voorreed, waarin Annie en de heer Stubbens Paula naar huis zouden
+brengen. Tante Dora was wel bang geweest, dat het voor Annie wat laat
+zou worden, als zij meeging, maar de beide meisjes hadden zóó gesmeekt,
+dat zij het maar had toegestaan.
+
+„Dag, mevrouw, ik dank u wel voor het plezier, dat ik gehad heb,” zeide
+Paula bij het afscheid nemen.
+
+„Dag, Paula,” antwoordde mevrouw Stubbens, „ik reken er dus op, dat je
+Zaterdag over een week terugkomt, zeg dat maar aan je mama.”
+
+„Graag, mevrouw,” antwoordde het meisje en verliet met Annie en haar
+oom de kamer.
+
+Het volgende oogenblik snelde de auto met luid getoeter door de straten
+en om half tien, dus voor haar doen zeer laat, lag Annie eerst in haar
+bed, waar zij van voetbalwedstrijden, van Paula en Bertha en alles door
+elkaar droomde, terwijl Paula onder het uitkleeden aan haar moeder
+vertelde van al het plezier dat ze had gehad.
+
+„En verbeeld u hoe heerlijk, moes,” zoo besloot zij, „voor Zaterdag
+over een week ben ik weer gevraagd, want dien Zondag is Annie jarig. Ik
+mag toch gaan, moes?”
+
+„Zeker, kind, als je zooveel plezier hebt gehad, mag je nog eens gaan,
+ik heb er niets tegen, maar ga nu slapen,” zeide mevrouw Tillens en
+verliet na nog een laatste nachtkus de kamer van haar dochter.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+ANNIE OP BEZOEK BIJ HAAR GROOTMA.
+
+
+„Annie,” zei mevrouw Stubbens den volgenden dag, „ik heb aan je
+grootmama geschreven, dat wij haar Woensdagmiddag een bezoek komen
+brengen. Wij gaan dan met de automobiel, dan kunnen wij nog vóór het
+eten terug zijn.”
+
+„In de auto, tante? heerlijk!” riep Annie, „mag Tine ook mee?”
+
+„Daar had ik zelf al over gedacht, ik zal er eens met oom over spreken.
+Wij gaan in ieder geval, als er geen tegenbericht komt, om half twee
+van hier.”
+
+Den volgenden dag, toen mevrouw Hermsen aan de ontbijttafel zat, bracht
+Mina haar de brieven, welke met de eerste post gekomen waren.
+
+„Dank je, Mina,” zeide de oude mevrouw, ze van het blaadje nemende,
+waarop Mina ze haar toereikte. „Vier brieven,” zeide zij bij zichzelve,
+toen Mina de kamer uit was. „Eén van Van Walen; één van den dokter, die
+vraagt zeker een bijdrage voor dat sanatorium, dat hij wil oprichten,
+en die zal hij hebben; één van het Hôtel du Nord in Keulen, waar ik
+kamers had besteld, die zijn nu niet meer noodig; en ... hé, van wie
+kan deze brief zijn? van Annie is hij niet en hij komt toch daar van
+daan, het is een dameshand, gauw eens zien, ik ben er toch benieuwd
+naar.”
+
+Grootmama veegde weer zorgvuldig haar brilleglazen schoon, zette de
+bril toen voorzichtig op en scheurde de enveloppe open van den brief
+van mevrouw Stubbens, want deze was het.
+
+„Neen maar, daar had ik nu toch niet op gerekend, dat vind ik nu eens
+aardig van mevrouw Stubbens,” mompelde de oude mevrouw onder het lezen.
+„Mina, Mina,” riep zij, toen zij Mina Holst door de gang hoorde loopen.
+
+„Wat blief, mevrouw?” vroeg Mina, die toevallig op weg was naar de
+huiskamer om te zien, of zij het ontbijt al kon wegruimen; misschien
+ook was zij een beetje nieuwsgierig om te weten, of er soms eenig
+nieuws over Annie was gekomen; en Mina kwam binnen.
+
+„Mina, Woensdag krijg ik visite, mevrouw Stubbens komt mij een bezoek
+brengen.”
+
+„Met Annie, mevrouw?”
+
+„Ja,” antwoordde de oude mevrouw met een blijden glimlach, „zij komt
+mee. Nu, wij hebben lang genoeg naar het kind verlangd. Maar, ik wilde
+je zeggen, Mina, als Annie er nu is, moet je maar niet over dat
+mislukte bezoek van haar spreken. Misschien heeft mevrouw Stubbens er
+haar niets van gezegd en dan zou het maar moeite en last geven.”
+
+„Het is goed, mevrouw; gut, gut, ik ben toch zoo blij!”
+
+„Ik ook, Mina, ik verlang onuitsprekelijk naar het kind, zooals je wel
+zult begrijpen.”
+
+„Nu, dat spreekt, ik weet het aan mezelve, hé, en u bent haar eigen
+grootmoe. Dus, Woensdag,” mompelde Mina verheugd, terwijl zij de kamer
+verliet.
+
+Mevrouw Hermsen schreef vlug een briefje aan mevrouw Stubbens om haar
+te zeggen, dat zij en Annie haar van harte welkom waren en zond, toen
+zij dit verstuurd had tevens een boodschap aan den jongen Stokman om te
+vragen of hij van kantoor komende, even bij haar wilde aanloopen.
+
+Tegen twaalf uur verscheen hij.
+
+„Dag, mevrouw Hermsen, wat is er van uw dienst?” vroeg hij, „moet ik
+het nu alweer probeeren, vindt u den tijd niet wat kort?”
+
+„Zoo dom ben ik niet, Willem,” antwoordde de oude mevrouw, nadat zij
+hem begroet had, „dat ik nu alweer een tweede poging zou wagen. Neen,
+ik heb je alleen maar laten komen, om je te zeggen, dat Annie Woensdag
+komt.”
+
+„Wat! hoe hebt u dat klaar gespeeld?”
+
+„Maar niet voor goed.”
+
+„Dat hangt toch maar van uzelve af, als zij nu toch uit zichzelve hier
+komt, dan zou ik haar ook maar ineens houden, als u daar dan zoo
+bijster op gesteld is.”
+
+„Het kan niet, mevrouw Stubbens komt met haar mee.”
+
+„Ja, dan wordt het een moeilijker geval, maar toch niet onmogelijk,”
+antwoordde hij nadenkend. „Blijven ze hier eten?”
+
+„Neen, mevrouw moet vóór het eten weer thuis zijn.”
+
+„Prachtig! mevrouw moet weer thuis zijn, maar Annie toch niet. U vraagt
+natuurlijk of uw kleinkind mag blijven, dan zal u haar om negen uur met
+de automobiel thuis laten brengen. Welnu, laat ze daar dan maar op
+wachten. Het kind houdt veel van u en zal dus geen moeilijkheden maken,
+vooral omdat zij nu niet zoo bijzonder op haar tante gesteld is, zooals
+u mij laatst zeide. In uw plaats deed ik het zeker, maar dan krijg ik
+toch wat van u, omdat ik u dit plannetje aan de hand heb gedaan, want,
+ziet u, ik denk er sterk over van dat andere plan af te zien, het is
+voor mij te gevaarlijk en het zou toch ook niet mooi zijn zooiets te
+ondernemen, terwijl ik mijnheer Stubbens’ voorspraak wil inroepen voor
+het verkrijgen van die nieuwe betrekking.”
+
+„Je beschouwt de zaak heelemaal verkeerd,” antwoordde de oude dame. „Je
+vergeet, Willem, dat ik als grootmoeder toch meer recht op het kind heb
+dan de familie Stubbens; ik ben toch haar eigen grootmoeder. Hoe kan er
+nu iets verkeerds in steken, dat jij het kind bij haar grootmoeder
+brengt, die zoo zielsveel van haar houdt.”
+
+„Ik denk toch niet, dat ik het doe en dit plan is werkelijk niet zoo
+verkeerd,” antwoordde Stokman. „Zij weten dan tenminste bij wie het
+kind is en u kan hun schrijven, dat u het kind verder bij u houdt.”
+
+„Als ik had kunnen weten, dat je mij in den steek wilt laten, had ik
+mij de moeite kunnen besparen je te laten roepen, want dat heb ik
+alleen gedaan om je te waarschuwen, dat Annie Woensdag hier komt,
+zoodat je dan een goede gelegenheid hebt om haar te bekijken en je kunt
+behoeden voor een tweede vergissing.”
+
+„Nu, het kan geen kwaad het kind nog eens te bekijken; ik zeg ook niet
+beslist, dat ik het niet doen wil: als mijnheer Stubbens bij voorbeeld
+bepaald weigert mij te helpen, dan zou het er misschien toch nog van
+kunnen komen. Misschien heeft u gelijk en is het niet zoo verkeerd, ik
+weet het zelf niet. Ik dank u intusschen voor de waarschuwing.” En
+hiermede nam Stokman afscheid van de oude dame en verliet het huis.
+
+Zoodra mevrouw Hermsen alleen was, verborg zij het gelaat in beide
+handen. „Is het niet vreeselijk!” mompelde zij, „dat ik tot allerlei
+lage listen mijn toevlucht moet nemen om mijn eigen dierbaar kleinkind
+tegen die vreemde vrouw te beschermen! Ik ken die juffrouw Ackfield
+niet, maar ik heb van dien éénen Engelschman in mijn jeugd genoeg
+slechts ondervonden, om van deze vrouw het ergste te vreezen. Het eenig
+kind van mijn Annie in handen van zoo’n vreemde vrouw, die haar niet
+zal kunnen verstaan, nooit eens vertrouwelijk met het schatje zal
+spreken, haar niet zal begrijpen! neen, het is te afschuwelijk, ik mag
+het niet toelaten! Ik geloof, dat het laatste plan van Willem niet
+kwaad is, ik zal het nog eens overwegen.”
+
+De Woensdag kwam, een donkere, regenachtige dag, zoodat mevrouw
+Stubbens er eerst over dacht Tine, die nogal vatbaar was, maar thuis te
+laten. De automobiel kon echter gesloten worden, dus meende mijnheer
+Stubbens, dat er in het geheel geen gevaar in was en dat het hard zou
+zijn het kind zonder reden thuis te laten nu zij er zich zoo’n feest
+van had gemaakt om mee te gaan.
+
+De juffrouw had dien morgen een lastige leerling aan Annie die
+buitengewoon rusteloos was en niets deed dan met haar buurmeisje, Clara
+van Scheik, praten.
+
+„Annie, als je zoo door gaat, laat ik je van middag school blijven,”
+zeide de juffrouw wanhopig.
+
+„Ik moet van middag met tante uit de stad, juffrouw,” antwoordde Annie,
+die dit deftig vond.
+
+„Dan schrijf ik een briefje aan je tante, dat je den heelen morgen zoo
+lastig bent geweest, dat ik je van middag hier houd.”
+
+Dit hielp en Annie lette verder goed op.
+
+Mevrouw Hermsen had al wel een kwartier lang op den uitkijk gestaan,
+terwijl Mina herhaaldelijk naar de deur was geloopen om te zien of zij
+nog niet kwamen.
+
+Dien morgen had de oude dame het besluit gevat, het plan ten uitvoer te
+brengen. Zij zou het meisje ten eten vragen en zeggen dat zij het dien
+avond zou laten thuisbrengen. Zoodra mevrouw Stubbens dan weg was,
+zouden zij vlug dineeren, met de automobiel naar de stad rijden en daar
+den trein nemen naar Keulen. Stokman had reeds voor haar biljetten
+gezorgd, zoodat zij daar geen moeite mee zou hebben.
+
+Daar zag Mina, die wel voor de twintigste maal in het laatste half uur
+naar de deur was geloopen, de auto aan komen en nu stormde zij de kamer
+in, waar de oude mevrouw vol ongeduld zat te wachten.
+
+„Mevrouw, mevrouw, daar komen zij!” riep zij en Mina snelde weer naar
+buiten om de bezoeksters binnen te laten.
+
+Het voertuig stond stil en voordat de chauffeur zijn plaats had kunnen
+verlaten, had Mina het portier reeds geopend; het volgende oogenblik
+hing Annie aan haar hals.
+
+„Tante, dit is nu juffrouw Mina,” riep zij, terwijl zij het oudje
+hartelijk kuste.
+
+„Kind, kind, wat doet het mijn oude hart goed je weer eens te zien,”
+antwoordde Mina met tranen in de oogen, terwijl zij Annie’s omhelzing
+met evenveel warmte beantwoordde, „maar, ik mag niet zoo onbeleefd
+zijn. Ik heb je tante nog niet eens gegroet en daar komt mevrouw ook al
+naar buiten, ga maar gauw naar haar toe, zij verlangt zoo naar je.”
+
+Annie holde naar haar grootmoeder toe, die haar met uitgebreide armen
+te gemoet trad. „Mijn Annie, mijn eigen lieveling!” riep mevrouw
+Hermsen, „kindje, ik ben toch zoo blij dat je weer bij mij bent! en
+vind jij het nu ook prettig, weer bij grootma te zijn?”
+
+„Dolletjes, grootma!” antwoordde het meisje, „kijk, daar zijn tante en
+Tineke.”
+
+„Tineke!” herhaalde mevrouw Hermsen verbaasd.
+
+„Ja, mijn jongste nichtje, ik heb u wel eens over haar geschreven.”
+
+Nu trad mevrouw Stubbens naar de oude dame toe en begroetten zij
+elkaar, terwijl Tine met groote oogen in die voor haar vreemde omgeving
+stond rond te kijken.
+
+„Mevrouw Hermsen, ik ben zoo vrij geweest mijn jongste dochter mee te
+brengen,” zeide mevrouw Stubbens nu, „daar had u toch zeker niet
+tegen?”
+
+„Maar mevrouw, verbeeld u,” antwoordde mevrouw Hermsen, die in het kind
+nog geen beletsel zag voor het ten uitvoer brengen van haar plan, daar
+het kleintje natuurlijk niet zonder haar moeder zou achterblijven. „Kom
+eens hier, kleine meid,” vervolgde zij tot Tine, „en vertel mij eens
+hoe je heet.”
+
+„Christine, Dorothea, Stubbens van de Keizersgracht drie en tachtig,”
+was het antwoord.
+
+„Zoo, zoo, dat is flink, dat jij je adres erbij weet. Als je ooit
+wegraakt, dan weet iedereen waar je teruggebracht moet worden,” merkte
+de oude dame op, terwijl zij het kind op haar schoot trok.
+
+„Ja, stel u voor,” begon mevrouw Stubbens en nu deed zij zeer
+breedvoerig het geheele verhaal van de mislukte ontvoering van kleine
+Tine.
+
+Mevrouw Hermsen luisterde met aandacht. Verbeeld je toch, dacht zij,
+dat ik dit kleine popje had thuis gekregen.
+
+„Oom is weggegaan, maar ik ben toch naar den dierentuin geweest met
+maatje,” voegde Tine aan het verhaal van haar moeder toe.
+
+„Was het een lieve oom, Tine?” vroeg mevrouw Hermsen.
+
+„Neen, Tom zegt, dat hij mij verkocht zou hebben aan den man met de
+zweep.”
+
+„De man met de zweep, wie is dat?”
+
+„De man, die mij zou laten koorddansen en als ik het niet kon, zou hij
+een groote zweep nemen, zegt Tommie en dan zou hij mij daarmee slaan.”
+
+„Foei, dat zou toch heel slecht van hem zijn, je moet maar nooit meer
+met hem meegaan,” antwoordde mevrouw Hermsen. „Maar de regen is
+opgehouden en de zon komt door, zou je nu misschien wat in den tuin
+willen spelen, kleine? Wat ik zeggen wilde, mevrouw Stubbens,” voegde
+zij erbij, „u schreef mij, dat u vóór het eten weer thuis moest zijn,
+maar zou u er iets tegen hebben, dat ik Annie tot vanavond hier houd?”
+
+„Ik wil ook blijven,” liet Tine zich hooren, voordat haar moeder iets
+had kunnen zeggen.
+
+„Hè, ja, tante,” voegde Annie er aan toe, „mogen Tine en ik bij
+grootmama blijven eten?”
+
+„Zoo, Tine,” antwoordde mevrouw Stubbens, „laat je maatje nu heel
+alleen naar huis gaan, wil je wel blijven zonder maatje?”
+
+„Ja, maatje, met Annie,” riep Tine niet in het minst verlegen.
+
+Mevrouw Hermsen was wanhopend. Wat moest zij nu beginnen? zij kon toch
+niet met de beide kinderen op reis gaan! zij had er geen oogenblik over
+gedacht, dat mevrouw Stubbens het kleintje alleen met haar nichtje zou
+laten achterblijven. Zij antwoordde dus maar:
+
+„De meisjes mogen dus blijven, mevrouw, dan zal ik haar van avond laten
+thuis brengen.”
+
+Toen dit was afgesproken, gingen de kinderen den tuin in. Tine hield er
+veel van kransjes te vlechten van bloemen, iets dat Annie haar geleerd
+had, en wat zij al heel aardig kon. Annie plukte dus voor haar allerlei
+grasbloempjes en een tijd lang zaten de kinderen zich daarmee te
+vermaken, terwijl Mina telkens even van haar werk wegwipte, om naar hen
+te komen kijken. Eindelijk zei Tine, „Annie, ik begin mij een klein
+beetje te vervelen. Ga je mee wat anders doen?”
+
+„Wat dan?”
+
+„Krijgertje.”
+
+„Goed, jij bent hem, pak mij maar als je kunt. Eén, twee, drie!” en
+Annie liep een eindje weg. Tine holde zoo hard zij kon, haar nichtje
+achterna, totdat Annie zich eindelijk onder vroolijk gelach van Tine
+liet vangen.
+
+„Nu moet jij mij pakken,” riep het kleintje en snelde voor Annie uit
+een zijpad in, waar zij eensklaps tegen een heer aanbonsde, die haar
+juist bijtijds vastgreep, anders zou zij gevallen zijn. Toen hij zag,
+dat zij geschrikt was, tilde hij het teere, kleine ding hoog in de
+lucht en riep: „Hoe groot ben je nu?” waarna hij haar lachend weer op
+den grond liet zakken.
+
+„Wie bent u?” vroeg Annie, toen zij zag dat hij haar aankeek.
+
+„Wou je dat graag weten? Luister dan, ik heet: Willem, Karel, Frederik,
+Alfred, Jeremias Stokman.”
+
+„O, wat een boel namen!” riep Tine.
+
+„Maar, nu moet ik toch ook weten, wie jullie zijn? wil ik het eens
+raden?” vroeg Stokman.
+
+„Ja, dat is leuk,” antwoordde Annie.
+
+„Ik wed dat jij Annie heet.”
+
+„Hè, hoe weet u dat?”
+
+„Dat kan ik zoo maar raden.”
+
+„En ik?” vroeg Tine.
+
+„Jij? nu moet ik eens even denken. Jij bent... Tine Stubbens. Is het
+zoo niet?”
+
+De kinderen stonden hem met open mond aan te kijken.
+
+„Ja, ik ben Tine,” zeide eindelijk de kleine. „Wat komt u hier doen?”
+
+„Met jullie meespelen, als ik mag.”
+
+„Ik blijf hier eten met Annie,” liet Tine zich weer hooren.
+
+„Blijven jullie allebei hier eten?” vroeg Stokman verbaasd. Dat is een
+mooie geschiedenis, dacht hij bij zichzelf, nu ligt het mooie plan in
+duigen. Maar, misschien is het ook wel beter, het is toch te erg het
+kind zoo weg te nemen, zonder dat de familie er iets van weet.
+
+„Zullen wij nu gaan spelen?” vroeg hij. „Wil ik jullie krijgen?”
+
+„Ja, pak mij maar!” riep Annie en holde alvast weg.
+
+Zoo speelden zij een heelen tijd met hem, en de kinderen hadden dolle
+pret. Hij liet goedig met zich sollen en vond het zelfs goed dat Tine
+hem de krans opzette, die zij gevlochten had. Juist toen zij hem
+hiermede getooid had, kwamen de dames naar buiten om te zeggen dat de
+automobiel voor stond en dat mevrouw Stubbens naar huis ging.
+
+Met een kleur van verlegenheid, omdat de dames hem met die versiering
+gezien hadden, schudde hij het kransje af en trad op mevrouw Stubbens
+toe.
+
+„Mijn naam is Stokman,” zeide hij.
+
+„Het is mij aangenaam kennis met u te maken, mijnheer Stokman, ik zie,
+dat u zoo vriendelijk is geweest de kinderen wat bezig te houden,”
+antwoordde tante Dora en vervolgde toen tegen de meisjes: „nu,
+kinderen, ik ga naar huis, veel plezier verder en niet te wild zijn,
+hoor, zorg dat je het mevrouw Hermsen niet lastig maakt.”
+
+„Neen, dat zullen zij niet en voor alle zekerheid zal ik mijnheer
+Stokman erbij vragen, misschien wil hij mij wel helpen om te maken dat
+de meisjes zich niet vervelen?” merkte mevrouw Hermsen op.
+
+„Heel graag, mevrouw Hermsen, het zal mij een waar feest zijn te mogen
+blijven,” antwoordde Stokman. Toen de auto wegreed, nam hij de kinderen
+ieder bij een hand en nam hen mee naar den tuin, waar hij beloofd had
+haar te zullen schommelen, terwijl de oude mevrouw vóór het eten nog
+even ging rusten. Het duurde echter niet lang of de oude dame kwam in
+den tuin bij hen.
+
+„Kom, Annie, mijn schat,” zeide zij, „ik heb nog zoo weinig aan je
+gehad, ga je met grootma mee naar binnen? ik heb een mooi boek voor je
+gekocht, dat wil ik je laten zien. Het is een prachtuitgave van de
+sprookjes van Moeder de Gans. Wil je het zien?”
+
+„Ja, graag,” antwoordde het kind en huppelde aan den arm van haar
+grootmoeder naar binnen.
+
+„Vind je het niet akelig, dat je straks weer van grootma weg moet,
+Annie?” vroeg de oude dame verdrietig.
+
+„Ja, grootma, maar ik kom weer terug.”
+
+„Ach, kind, wie weet wanneer dat zijn zal! niemand houdt zooveel van je
+als ik, na je papa, natuurlijk; wil je dat wel gelooven?”
+
+„O, maar grootma,” riep Annie verbaasd, en telde toen op haar vingers
+op: „oom en tante en Tom en Paula en Tine en Bertha, die houden
+allemaal van mij.”
+
+„Maar jij hieldt toch niet van tante Dora, is het wel?”
+
+„Nu wel, bij ons thuis was tante altijd stijf, maar nu niet meer; ik
+krijg wel eens standjes als ik te wild ben, maar tante is toch aardig
+tegen mij.”
+
+„Zoo, je voelt je daar dus thuis?” hervatte de oude dame, en haar stem
+klonk treurig, alsof haar dit werkelijk speet.
+
+Het kind merkte dat echter natuurlijk niet op en antwoordde vroolijk:
+„O, ja, ik vind het erg prettig bij oom en tante.”
+
+„Maar zou je niet liever bij mij willen zijn? ik ben zoo alleen.”
+
+„Arme grootma,” zeide Annie en streek met haar handje over grootmama’s
+rimpelige wang, maar zij dacht aan haar vriendinnetjes en aan al die
+vroolijke jongens, Toms vrienden, en aangezien zij een oprecht kind
+was, antwoordde zij bedeesd: „ik ben liever bij tante Dora, grootma,
+maar ik kom wel meer bij u terug.”
+
+Mevrouw Hermsen zweeg. Daar had zij niet op gerekend na al die
+verhalen, die het kind haar vroeger van haar tante had gedaan.
+
+Intusschen was het schommelen Tine gaan vervelen en was zij met Stokman
+den tuin door geloopen naar de tuinmanswoning, waar hij haar bij een
+nest met allerliefste jonge hondjes bracht. Zij waren echter niet zoo
+heel jong meer, zij telden al tien weken.
+
+„Wat zeg je daar nu van?” vroeg Stokman.
+
+„O, wat een lieve hondjes!” riep de kleine en klapte in haar handen,
+„mag ik ze vasthouden?”
+
+Stokman legde er een in haar armen. „Voorzichtig, hoor,” zeide hij,
+„niet laten vallen, dan huilt zijn moedertje.”
+
+„Zou de jongejuffrouw er misschien een willen hebben?” vroeg de vrouw
+van den tuinman.
+
+„Nu, Tine, zou je willen?” vroeg Stokman op zijn beurt, „en zou je ma
+het goed vinden?”
+
+„Ja, Tine mag er wel een hebben en Tine wil graag,” antwoordde het kind
+blij.
+
+„Wij zullen voor alle zekerheid eerst aan mama vragen of het mag,”
+zeide Stokman.
+
+„Ja, ga mee, aan maatje vragen,” riep Tine ongeduldig.
+
+„Kijk,” dacht Stokman, „nu zou mevrouw toch gelegenheid hebben haar
+plan ten uitvoer te brengen, wanneer het kleintje nu met mij naar huis
+gaat, kan zij Annie houden,” en binnen komende in de kamer, waar Annie
+met haar grootmoeder zat, zeide hij tot de oude dame: „Tine wil naar
+huis, zij wil aan haar mama gaan vragen of zij een van die aardige
+hondjes van den tuinman mag hebben. Wil ik haar even thuis brengen, dan
+kan ik wel ergens in de stad eten.”
+
+Na haar gesprek met Annie, was de oude dame echter tot andere gedachten
+gekomen. Het kind was liever bij haar oom en tante, dan wilde zij haar
+nu ook niet tegen haar zin houden. Later, misschien, als er geen andere
+uitweg was, maar eerst wilde zij zien of Annie niet van zelf bij haar
+zou willen blijven, wanneer men haar verteld had dat zij een nieuwe
+mama kreeg, een vreemde dame, die zij heelemaal niet kende. Daarom
+zeide zij: „Neen, wij gaan eerst eten en dan rijden de meisjes naar
+huis en kan Tine aan haar mama vragen of zij het hondje hebben mag, dan
+zal ik het dadelijk laten brengen, als haar mama het toestaat.”
+
+„Vandaag dus niet,” fluisterde Stokman de oude dame in het oor.
+
+„Neen, vandaag niet, Willem, maar ik dank je intusschen wel dat je Tine
+zoo lang hebt bezig gehouden, ik heb daardoor nog een rustig
+oogenblikje met Annie kunnen hebben,” antwoordde mevrouw Hermsen.
+
+Onmiddellijk na het eten nam Stokman afscheid en om half acht reed de
+auto vóór, waarin Mina de kinderen naar huis bracht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+FLIK EN FLOK.
+
+
+Toen Tine, die reeds half sliep, door haar moeder werd uitgekleed,
+zeide het kleintje met een slaperig stemmetje: „Maatje, mag ik het
+hondje hebben?”
+
+„Eerst lief slapen, dan zullen wij het morgen aan papa vragen,”
+antwoordde haar moeder en kuste haar, toen zij eindelijk in bed lag,
+goeden nacht.
+
+Den volgenden morgen, zeide mevrouw Stubbens: „Tine mag dit briefje
+voor mama in de bus doen. Zal je het heel netjes doen?”
+
+„Wat voor briefje?” vroeg de kleine, nieuwsgierig naar de enveloppe
+kijkend. Eenige drukletters kon zij al lezen, maar geschreven schrift
+was haar nog te moeilijk.
+
+„Kleine meisjes mogen niet vragen, dat heb ik Tine van morgen al meer
+gezegd,” antwoordde haar moeder, want de kleine had haar van het
+oogenblik dat zij was opgestaan, tot dat zij naar haar fröbelles zou
+gaan voortdurend achtervolgd met de vraag of zij het hondje mocht
+hebben.
+
+In het briefje, dat zij weg moest brengen, gaf mevrouw Stubbens juist
+daartoe haar toestemming. Ze vroeg daarin, of Mina Holst den volgenden
+dag het hondje zou mogen komen brengen.
+
+Zoodra zij om twaalf uur thuis kwam, snelde Tine naar haar moeder toe.
+„Heeft maatje al aan papa gevraagd of ik het hondje mag hebben?” vroeg
+zij dadelijk.
+
+„Tine, luister nu goed,” zeide mevrouw Stubbens streng, „als je er nu
+nog ééns om vraagt, komt het hondje niet.”
+
+Het kind begon te huilen.
+
+„En als je huilt ook niet. Ga nu spelen.”
+
+Pruilend verliet Tine de kamer en ging haar troost zoeken bij Tom en
+Annie, die juist waren thuis gekomen.
+
+„Wat scheelt eraan, Tine, waarom huil je?” vroeg Tom.
+
+„Ik wou zoo graag het hondje hebben, maar maatje zegt, als ik er nog
+ééns om vraag, dan krijg ik het hondje niet.”
+
+„Heeft moes dat gezegd? nou wees dan maar stil, want dan geloof ik
+stellig, dat je het krijgt.”
+
+„Zou je denken, Tom?” vroeg Annie, „nu, dat zou dol zijn, een kleine
+hond! Ik wou dat ik er een had.”
+
+„Hebben jullie dan geen hond op Wilgenhorst?” vroeg Tom.
+
+„Niets dan een heel ouden waakhond, maar papa zegt altijd: „als er ooit
+een dief komt, zal Bruno kwispelstaartend naar hem toe loopen en hem
+een poot geven.””
+
+Tom begon luidkeels te lachen. „Nou, zeg, dat is ook een mooie
+waakhond,” zeide hij.
+
+„Zeg, Tine,” voegde hij er een oogenblik later bij, „als jij dat hondje
+krijgt, zullen wij hem leeren om door een hoepel te springen en op te
+zitten en pootje te geven en allerlei kunstjes meer en...”
+
+„Je weet niet eens of zij hem hebben mag, Tom,” viel Coba, die
+intusschen was binnengekomen, haar broer in de rede, „praat er nu niet
+zoo over anders geeft het weer een zondvloed van tranen, als Tine dien
+hond niet krijgt.”
+
+„Als Tine hem niet hebben mag,” antwoordde Tom, „dan moet zij maar
+wachten, tot ik groot ben en mijn eigen geld verdien, dan kan zij bij
+mij komen wonen en dan nemen wij net zooveel honden als Tine maar
+hebben wil.”
+
+„Een mooie rommel zal dat bij jullie worden,” merkte Coba op, „ik heb
+een hekel aan honden, zij bijten alles stuk.”
+
+Toen de kinderen den volgenden dag om twaalf uur uit school kwamen,
+vonden zij in de huiskamer Mina, die een groote sluitmand op de schoot
+had. Annie snelde verheugd op het oude menschje toe en toen Mina zich
+eindelijk uit haar onstuimige omhelzing had losgemaakt, zeide zij: „Wat
+denken jullie nu wel, dat ik hier in deze mand heb? Mag ik het hun
+laten zien, mevrouw?”
+
+„Zeker, Mina.”
+
+De meisjes gingen ieder aan een kant van Mina staan om goed te kunnen
+zien en toen tilde de oude juffrouw voorzichtig het deksel op.
+
+„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking, want in de mand bevonden
+zich twee allerliefste kleine fox-terriërs met ronde kopjes, lompe
+pootjes en schitterende oogjes.
+
+Dadelijk vroeg Tine: „mag ik er een van hebben?”
+
+„Ja,” antwoordde haar moeder, „en het andere is voor Annie.”
+
+„Haal jij ze er nu eens netjes uit, Annie, zonder ze te laten vallen,”
+zeide Mina. „Zij zijn al tien weken oud en kamer-zindelijk, mevrouw,”
+voegde zij er tot mevrouw Stubbens bij, terwijl zij Annie hielp om de
+witte molletjes op den grond te zetten.
+
+„O, Tine, zijn ze niet schattig?” riep Annie in verrukking.
+
+„Kijk,” hervatte Mina, „zoodra ik ze zag, dacht ik dat is nu een aardig
+hondje voor Annie en ik had het haar met haar verjaardag willen geven
+maar nu ik er toch een voor Tine moest brengen, heb ik Flokje ook maar
+meegebracht.”
+
+„Mag ik hem houden, tante?” vroeg Annie, het hondje opnemende.
+
+„Wel zeker, Annie, het huis is groot genoeg.”
+
+„Heerlijk, heerlijk, heerlijk!” riep Annie om de tafel heendansend,
+nadat zij Flok weer op den grond had gezet, en door haar vroolijkheid
+aangestoken, holden de twee witte hondjes haar achterna en rolden
+daarbij over elkaar heen.
+
+Flokje was geheel wit met een bruin snoetje en bruine wenkbrauwen,
+terwijl Tines hondje een zwarten neus en een zwarte vlek op den rug
+had.
+
+„Wel, heb ik ooit, twee, dat is leuk!” klonk eensklaps een vroolijke
+stem en Tom, die altijd als een bom een kamer in kwam vallen, trad
+binnen.
+
+„Dag, Thomas,” zeide zijn moeder op terechtwijzenden toon.
+
+„O, ja, dag moes,” en op Mina toestappende, gaf hij haar een hand en
+zeide; „dag, juffrouw.” Toen streelde hij de hondjes en vroeg: „heb jij
+er ook een gekregen, Ans? hoe heeten zij?”
+
+„Ja, deze is van mij,” antwoordde Annie op haar hondje wijzende, „en
+hij heet Flok.”
+
+„Dan heet de andere natuurlijk Flik,” zeide Tom. „Vind je dat goed,
+Tine, het is geen moeilijke naam om te zeggen, is het niet?”
+
+„Waarom Flik?” vroeg Tine.
+
+„Flik en Flok is de naam van een boek,” legde haar moeder uit. „Ken jij
+het, Thomas, heb jij het gelezen?” vroeg zij aan Tom.
+
+„Ja, moes, Frans heeft het; het is zoo leuk, er staan zulke aardige
+platen in, de mooiste vind ik die, waar Flik en Flok onder water op den
+telegraafkabel zitten. Ik zal het nog eens aan Frans te leen vragen,
+dan kunnen Annie en Tine de platen ook eens zien.”
+
+„Hè, ja,” zeide Annie, die Flok had opgenomen om hem aan Coba en Laura
+te laten zien, die op dat oogenblik binnenkwamen.
+
+„Coba en Laura, dit is juffrouw Holst, over wie Annie je zoo dikwijls
+gesproken heeft,” zeide mevrouw Stubbens, toen de meisjes haar begroet
+hadden. „Je weet wel, juffrouw Mina, die het huishouden doet bij oom
+Van Walen en nu bij Annie’s grootmama is.”
+
+Mevrouw Stubbens was wel trotsch, maar zij zou toch nooit willen, dat
+de meisjes, tegen wie ook, onbeleefd waren.
+
+De beide jonge juffrouwen waren echter nog een graadje trotscher dan
+haar moeder. Vanwaar zij stonden, knikten zij Mina dus uit de hoogte
+toe en deden verder, alsof zij er niet was.
+
+„Annie,” vroeg juffrouw Mina, die van Coba en Laura geen andere
+behandeling verwacht had, want zij kende hen wel, zij had ze het vorige
+jaar nog op Wilgenhorst gezien, „heb je onlangs ook een brief van
+mijnheer gehad?”
+
+„Van papa? neen, juffrouw Mina, waarom vraagt u dat zoo?”
+
+„Dan zal je er wel gauw een krijgen met groot nieuws er in. Je grootma
+heeft er een ontvangen, dus zal je papa jou ook wel gauw schrijven.”
+
+„Wat voor nieuws?” vroeg Annie natuurlijk nieuwsgierig, „komt papa
+terug?”
+
+„Ik zeg niets, hoor, je pa zal je wel heel gauw schrijven.”
+
+„U maakt mij zoo nieuwsgierig. Heeft papa dan aan grootma dat groote
+nieuws geschreven?”
+
+„Ik geloof het wel, maar je pa zeide in dien brief, dat hij meteen aan
+jou zou schrijven, dus zal je niet te lang behoeven te wachten.”
+
+„De koffietafel is klaar,” kwam mevrouw nu zeggen. „Juffrouw Holst wil
+u tusschen Annie en Tine gaan zitten? dat zullen zij, denk ik, wel
+prettig vinden.”
+
+Coba en Laura keken knorrig.
+
+Wat had dat nu te beteekenen, meenden zij, Mina Holst was toch maar een
+gewoon kindermeisje geweest, moest die mee aan tafel zitten? Zij
+ergerden zich zoozeer, dat zij geen woord spraken. Dit viel echter niet
+op door het drukke gebabbel van Annie en Tine en hoewel tante Dora
+altijd aan Annie had gezegd, dat kinderen aan tafel niet het hoogste
+woord mochten hebben, liet zij hen vandaag maar begaan. Verbieden zou
+trouwens toch niet veel geholpen hebben, daarvoor waren de kinderen
+veel te opgewonden.
+
+„Wij zullen onze kamerdeur maar goed dicht houden, Laura,” zeide Coba,
+toen zij na de koffie samen naar boven gingen om niet langer
+genoodzaakt te zijn het gezelschap te genieten van „die dienstmeid,”
+zooals Coba haar met minachting noemde.
+
+„Waarom, Co?” vroeg Laura verbaasd.
+
+„Wel, omdat ik geen zin heb al mijn mooie dingen door die jonge honden
+te laten vernielen. Zij bijten natuurlijk alles stuk. Zoo vervelend
+ook, dat ma heeft toegestaan, dat die dieren hier zouden komen, ik
+begrijp het niet van ma en nu nog die Mina aan de koffie, ik zou je
+danken om juffrouw Mina of juffrouw Holst te zeggen tegen dat mensch!”
+
+Laura was uit zichzelve eigenlijk niet zoo bespottelijk trotsch en
+onaardig als Coba, maar zij voelde groote bewondering voor haar oudere
+zuster en volgde haar in alles na tot niet geringe ergernis van haar
+vader.
+
+„Je weet, Dora,” zeide deze toen de kinderen naar school waren en Mina
+weer vertrokken was, „dat ik je geheel vrij laat in de opvoeding van de
+meisjes, maar het was toch wel wat bar, zooals Coba en Laura zich
+vandaag tegenover die arme Mina aanstelden. Coba wordt bij den dag
+trotscher en onverdragelijker en als dat niet verandert, zal ik
+ingrijpende maatregelen moeten nemen en haar naar een strenge
+kostschool sturen, waar die malle kuren haar wel afgeleerd zullen
+worden. Het is niet alleen voor haarzelve, maar zij heeft ook een zeer
+verkeerden invloed op Laura, die haar in alles nadoet. De manier,
+waarop die twee de dienstboden behandelen, is eenvoudig ongehoord, maar
+nu moet het uit zijn.”
+
+Mevrouw Stubbens zuchtte. Zij wist wel, dat zijzelf veel schuld had aan
+Coba’s onaardig optreden; het kind volgde slechts in het overdrevene de
+lessen die haar moeder haar had ingeprent.
+
+„Ik zal eens ernstig met Coba spreken,” antwoordde zij eindelijk, „maar
+Coba heeft een eigen wil, die moeilijk te buigen is.”
+
+„Zeg haar dan maar gerust, dat ik ook een wil heb. Ik weet dat zij een
+heilzamen afschrik van kostscholen heeft, ook al weer door de angst om
+daar in aanraking te komen met meisjes, die minder zijn dan zij. Het
+zou veel beter geweest zijn, als wij de meisjes, op de gewone openbare
+school gedaan hadden in plaats van op deze bijzondere, dan hadden zij
+vandaar naar de jongens hoogereburgerschool of het gymnasium kunnen
+gaan en later kunnen studeeren.”
+
+„Ik ben er beslist tegen, meisjes met jongens samen te laten leeren; ik
+vind het heel goed, dat zij met Thomas en zijn vrienden spelen, maar ik
+zou het niet goed vinden, dat zij den geheelen dag met jongens samen
+waren en daar zou jij toch ook niet voor zijn.”
+
+„Ach, ik weet het niet, zooals zij nu opgroeien is het toch ook niet
+goed. Met welk recht zien onze kinderen uit de hoogte neer op andere
+meisjes, die even beschaafd en misschien nog wel knapper zijn dan zij?”
+
+„Ik heb je al gezegd, dat ik er met Coba over spreken zou,” antwoordde
+mevrouw Stubbens een weinig ongeduldig, „en ik beloof je, dat ik het
+doen zal.”
+
+„Om eens op iets anders te komen,” zeide de heer Stubbens nu, „ik heb
+aan Annie beloofd, dat ik haar om vier uur met Tine zou komen halen om
+voor Flik en Flok ieder een halsband en ketting te koopen. Dat zal
+later een vroolijke wandeling geven met twee kinderen en twee jonge
+honden!” En lachend verliet de heer Stubbens de kamer.
+
+Toen zij naar school moest, had Annie Flok aan de zorg van Suze
+toevertrouwd, die de taak vol vreugde aanvaardde—want zij hield veel
+van honden—en Flokje meenam naar de kleine spreekkamer, waar zij ging
+zitten verstellen, terwijl mevrouw Stubbens Flik bij zich zou houden in
+de huiskamer.
+
+In het eerst ging in de spreekkamer alles naar wensch. Flok had een
+wollen bal gekregen om mee te spelen en holde daarmee het vertrek rond,
+nu en dan in een hoek van de kamer of onder de tafel stil liggende om
+op zijn speelgoed te knabbelen. Alles ging zelfs nog best, toen mevrouw
+een half uur later binnenkwam om te vragen of Suze zich vooral met de
+beste kousen van jongeheer Thomas wilde haasten, daar hij dien avond
+uit moest en ze dan aan moest hebben. „Is Flok zoet, Suze?” vroeg
+mevrouw ten slotte, „Flikje speelt allerliefst met een leege klos.”
+
+„O, Flok is een schat, mevrouw,” was Suze’s antwoord, terwijl zij het
+hondje opnam om het eens te knuffelen.
+
+Het was alsof Flok op die loftuitingen gewacht had. Toen mevrouw
+Stubbens de kamer had verlaten, zat hij vanaf een stoel Suze met zijn
+donkere oogjes slim aan te kijken. Nog vermoedde zij geen kwaad; zij
+zette het maasmandje met de verschillende kluwen wol en katoen op tafel
+en verdiepte zich in Toms kous.
+
+Flokjes oogen dwaalden van Suze naar het mandje en van zijn stoel naar
+de tafel; het was alsof hij den afstand berekende. Van den grond op de
+tafel was voor een jong hondenkind als hij een ondoenbare sprong, maar
+die stoel dáár stond nogal dicht bij de tafel en in dat mandje bevonden
+zich allerlei verleidelijke dingen.
+
+Suze vermoedde niets van wat er blijkbaar in dat kleine hondenkopje
+omging, zoodat zij zelfs niet opkeek, toen zij achter zich een zacht
+geritsel en gefriemel hoorde. Wat speelt het diertje toch zoet! dacht
+zij onder het afhechten van haar draad. Nu moest zij een nieuwe nemen,
+maar waar was haar mandje; zij had het toch naast zich op tafel gezet!
+Zij keek om.
+
+„Heere mijn tijd hond, ben je bezeten?” klonk Suze’s stem diep
+verontwaardigd, „wat heb je nou uitgevoerd en dat juist nu ik zoo’n
+haast heb!” Suze huilde half en had daar ook wel reden toe.—Heel zacht
+had Flok het mandje, dat maar zeer licht was, met zijn poot telkens een
+eindje verder weggetrokken; het was alsof de kleine deugniet wist dat
+Suze niet mocht zien wat hij deed.
+
+Toen had hij er eerst een van die heerlijke kluwen uitgehaald en deze
+met alle vier zijn pootjes en zijn bekje uit elkaar zitten plukken.
+Spoedig was hier de aardigheid af geweest en had hij een tweede en
+daarna een derde kluwen onder handen genomen, waaronder ook die, welke
+Suze noodig had, zoodat het meisje in haar keurig maasmandje niets meer
+zag dan den naaldenkoker, waar Flok gelukkig nog niet aan toe gekomen
+was—de kluwen waren zoo heerlijk zacht, daarom had hij die het eerst
+onder handen genomen—en naast het mandje op tafel een hoop verwarde
+massa wol en katoen van verschillende kleur.
+
+Toen Flok zag dat zijn wandaad ontdekt was, sprong hij onmiddellijk van
+de tafel op den stoel en zoo op den grond.
+
+„Ik zal in vredesnaam alles maar eerst zoo terug leggen in het mandje,”
+sprak Suze wanhopend bij zichzelve, „ik heb nu geen tijd om het op te
+ruimen.” Haar ellende was echter nog niet ten einde, want daar viel
+haar maasbal uit de kous, waaraan zij bezig was.
+
+Heerlijk, dacht Flok, zij schijnt toch niet boos te zijn, want zij
+begint met mij te spelen; zij gooit mij zelfs die mooie bal toe. Ik
+vind die wel wat hard voor mijn jonge tanden, maar ze is toch mooi, en
+na deze overpeinzingen nam Flok de bal in de bek, waarna een wilde
+jacht om de tafel heen begon. Flok verkeerde nog altijd in de meening
+dat Suze met hem speelde, hij wachtte telkens tot zij vlak bij hem was
+en rende dan weer met de bal weg. Soms viel deze daarbij uit zijn bek,
+maar juist als het meisje haar dan wilde oprapen, had Flok haar dan
+weer in de bek genomen en was hij er mee weggehold.
+
+„Al half vier!” riep Suze wanhopend, „mevrouw zal denken, dat ik mijn
+tijd aan het venster verbeuzeld heb. O, Flok, ik zal die kous in ’s
+hemelsnaam maar zonder maasbal afmaken.”
+
+Dat deed zij, maar zij vatte tevens het vaste besluit zoodra de kous
+klaar was, Flok voor dien middag verder uit de kamer te verwijderen.
+Maar waar zou zij hem brengen? Daar kreeg zij een goeden inval. In de
+zitkamer van de oudste meisjes stond in de muurkast nog een oude
+hondenmand van mevrouws vroeger hondje, Vikje, dat indertijd zoo zielig
+door een automobiel overreden was; in die mand zou zij Flokje leggen
+met zijn wollen bal tot speelgoed.
+
+Flok was moe van al dat hollen, zoodat Suze hem nu gemakkelijk kon
+krijgen. Zij nam hem op—de ongelukkige maasbal lag naast hem, hij had
+daar ook alweer genoeg van gekregen—en droeg hem naar boven. Juist, het
+mandje lag nog in de kast. Suze nam het eruit, legde het op een zonnig
+plekje, zette Flok erin, met zijn bal naast hem en verliet de kamer.
+Ziezoo, nu kan een mensch weer opschieten, merkte Suze bij zichzelve op
+en deed in een half uur nog zooveel af, dat haar boosheid op Flok
+geheel verdwenen was en zij de verwarde wol reeds weer had opgekluwd,
+toen om kwart over vier de deur van het kamertje driftig geopend werd
+en Coba rood van kwaadheid kwam binnenstormen. „Suze,” riep zij, „ben
+jij zoo verregaand brutaal geweest, om die hond in mijn kamer te
+brengen?”
+
+„Ja, ziet u, jongejuffrouw—Coba had haar gezegd, dat zij te oud was om
+door de dienstboden bij den naam genoemd te worden—hij was hier zoo
+lastig; maar is hij dan ondeugend geweest?”
+
+„Ondeugend! dat moest je maar eens zien, het is een schandaal! je hadt
+moeten begrijpen, dat ik dien hond niet in mijn kamer wou hebben, je
+bent maar een dienstmeid, dus kan je doen wat men je zegt!”
+
+Suze was ook niet op haar mondje gevallen. „En al ben ik maar een
+dienstmeid, jongejuffrouw Coba,” gaf zij ten antwoord, „dan laat ik mij
+toch niet onrechtvaardig behandelen. U heeft mij nooit gezegd, dat de
+hond niet in uw kamer mocht, dus kon ik dat ook niet weten, al ben ik
+maar een dienstmeid!”
+
+„Natuurlijk ben je maar een meid, verbeeld je maar niet, dat je iets
+meer bent, hoor!” riep Coba zoo luid, dat haar moeder het in de
+huiskamer hoorde.
+
+Met een zucht stond mevrouw Stubbens op en ging eens kijken, wat er aan
+de hand was.
+
+„Mevrouw,” begon Suze, zoodra mevrouw Stubbens binnenkwam, „ik laat mij
+niet zoomaar beleedigen! Is het niet genoeg, dat een mensch nooit een
+fatsoenlijk woord van jongejuffrouw Coba krijgt, moet ze mij nu nog
+uitmaken voor „een dienstmeid!”
+
+„Coba was wat driftig, Suze,” zeide mevrouw Stubbens vergoelijkend;
+„kom eens mee, Coba, ik moet je spreken!”
+
+Schoorvoetend volgde Coba haar moeder naar het salon, waar op dat
+oogenblik niemand was.
+
+„Coba,” begon haar moeder, zoodra zij binnen waren, „ook uit naam van
+papa moet ik je verzoeken een anderen toon tegen de bedienden aan te
+slaan.”
+
+„Bah, de bedienden! maar mama, u hebt mij toch zelf altijd gezegd, dat
+ik niet te familiaar met de dienstboden moest zijn, omdat zij zoo ver
+beneden ons staan.”
+
+„Ik heb je nooit geleerd om onbeleefd te zijn en vandaag ben je eerst
+schandelijk onhebbelijk geweest tegen Mina Holst en zoo straks weer
+tegen Suze. Papa was van middag zoo boos, dat hij er sterk over denkt
+je naar de kostschool van juffrouw Mons te zenden. Nu weet je dus, waar
+het op staat.”
+
+„De school van juffrouw Mons!” riep Coba vol minachting, „weet u wel,
+wie daarop gaan? het kind van den slager en Johanna van uw vroegeren
+kruidenier! Ik zou u lekker danken, om met die kinderen op één school
+te gaan.”
+
+„Papa zal je niet vragen of je ervoor bedankt of niet, je kent papa, je
+weet als hij eenmaal iets besloten heeft, dan gebeurt het ook; je bent
+dus gewaarschuwd.”
+
+Intusschen was Annie, zoodra zij uit school kwam naar haar kamer
+gesneld om haar hoed weg te hangen, hetgeen zij altijd dadelijk moest
+doen en daarna ging zij naar Suze om Flok te halen.
+
+„Is Flok zoet geweest, Suze?” vroeg zij al aan de deur van de
+spreekkamer. „Wij hebben zulke mooie halsbanden voor de hondjes
+gekocht, kijk eens deze is voor Flokje.”
+
+„O, Annie,” riep Suze, die nog verontwaardigd was over het gebeurde met
+Coba, „je hadt mijn maasmandje eens moeten zien en kijk mijn nieuwe
+maasbal eens. Neen, hoor, Flok verdient eigenlijk niet dat u hem dien
+mooien halsband geeft. En jongejuffrouw Coba heeft hier zoo’n leven
+gemaakt, omdat ik Flok in haar kamer gebracht heb,” en nu liet Suze een
+omstandig verhaal volgen van haar avonturen met Flok.
+
+„O, wat is hij stout geweest, Suze, daar moet hij klappen voor hebben.”
+
+„Neen, Annie, je moet hem niet slaan, het stomme dier begrijpt immers
+niet, dat hij kwaad gedaan heeft, alle jonge honden doen zoo, hij dacht
+zeker, dat ik met hem spelen wou. Maar, ik weet nog niet, wat hij boven
+uitgevoerd heeft, ik heb nog niet naar boven durven gaan om te kijken.”
+
+„Wat zal Coba boos zijn als hij iets van haar vernield heeft,” riep
+Annie, „ga gauw mee kijken, Suze.”
+
+Zij gingen naar boven, maar Flok was nergens te zien, alleen lag er een
+oud kleedje op den grond, dat Coba reeds lang had afgedankt en dat Flok
+nu blijkbaar van de tafel had getrokken om er mee te spelen, want het
+vertoonde kenteekenen, dat het hem tot speelgoed had gediend. Maar al
+zagen zij hem niet, zoo liet Flok zich toch hooren, uit de muurkast,
+waarin de mand gestaan had, drong een zacht gekef tot hen door, terwijl
+er van binnen aan de kastdeur werd gekrabd.
+
+„Goeie grutten nog toe, ze heeft hem in de kast opgesloten, als het
+beest er nu maar niets in gedaan heeft!” riep Suze geërgerd, en zij
+wilde de kast open maken, maar er stak geen sleutel in het slot.
+
+„O, wat gemeen!” barstte Annie verontwaardigd los, „dat doet zij alleen
+maar om mij te plagen!” en het meisje holde de kamer uit.
+
+„Laura, heb jij soms den sleutel van de kast in jullie kamer?” vroeg
+zij aan haar nichtje, dat zij op de trap tegenkwam.
+
+„De sleutel? die steekt in het slot.”
+
+„Neen, hij is weggenomen en Flok zit in de kast opgesloten!” riep Annie
+half huilend. „Coba,” riep zij nu, toen haar oudste nichtje in de gang
+verscheen, „Coba, wat valsch van je om Flok op te sluiten, geef mij
+gauw den sleutel van de kast!”
+
+Coba, die juist van het onderhoud met haar moeder af kwam en bang was,
+dat deze zou hooren wat zij met den hond gedaan had, liep vlug naar
+Annie toe en gaf haar den sleutel. „Roep toch niet het heele huis bij
+elkaar,” zeide zij, „hier heb je den sleutel, maar ik wil dien akeligen
+hond niet meer in mijn kamer hebben, hoor!”
+
+„Akelig spook!” riep Annie haar nog toe en snelde toen naar boven om
+het arme diertje uit de kast te bevrijden, waarvan de bodem niet meer
+zoo droog was, als toen Flok erin ging.
+
+„O,” riep kleine Tine, die met Flik in haar armen achter Annie stond,
+toen deze de kast opende, „Flok heeft een plasje gedaan.”
+
+„Het is zonde!” zoo liet Suze zich verontwaardigd hooren, „zoo zouden
+zij zoo’n dier nu toch onzindelijk maken, door hem in een kast op te
+sluiten!”
+
+Annie zeide niets meer, maar zij en Tine liepen met hun hondjes naar
+beneden om hun de mooie nieuwe halsbanden aan te passen, die mijnheer
+Stubbens met hen was gaan koopen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+BRIEVEN UIT ENGELAND.
+
+
+Toen Annie den volgenden morgen beneden kwam, lag er op de ontbijttafel
+naast haar bord een brief en zij zag dadelijk dat deze uit Engeland
+kwam van haar vader.
+
+„Een brief van papa,” riep zij blij, „voel eens, tante, wat een dikke,
+hier staat nu het nieuws in, waarvan juffrouw Mina sprak.”
+
+„Ik zou hem maar gauw lezen,” zeide mevrouw Stubbens, die wel begreep,
+wat het nieuws was, dat Annie in dat schrijven van haar vader lezen
+zou.
+
+Annie scheurde de enveloppe open en daar kwamen twee brieven uitvallen,
+de een was van haar vader, maar de ander, die zeer kort was en
+geschreven op fraai fantasie papier, versierd met een rand van
+rozenknopjes, kwam van iemand, die zij niet kende. „Mary Ackfield”
+stond eronder, maar Annie kon dien naam niet ontcijferen.
+
+„Kijkt u eens, tante, wat staat daar?” vroeg zij, haar tante het
+briefje overhandigende.
+
+„Mary Ackfield,” las haar tante voor haar. „Wat een beeldig papier,
+Annie.”
+
+„Ja, tante, maar wie is dat, Mary Ackfield, die ken ik niet.”
+
+„Neen, Annie, maar je zult haar leeren kennen en heel veel van haar
+gaan houden, dat weet ik zeker, lees maar eerst den brief van je vader
+en dan dien van juffrouw Ackfield, ik geloof, dat het beter is.”
+
+De brief van mijnheer Van Walen begon als gewoonlijk met allerlei
+grappige verhalen over al wat hij daar zag en beleefde, maar toen kwam
+het bewuste nieuws:
+
+
+ „... en nu, Annie, heb ik groot nieuws voor je. In November kom ik
+ voor een weekje naar huis, maar niet alleen, dan breng ik iemand
+ mee, die voor mijn kleine Annie een moedertje zal worden, een lief,
+ zacht moedertje, Annie, die voor jou geheel de plaats zal innemen,
+ van je eigen vroeg gestorven moeder, die zeker niet anders zou
+ wenschen, dan dat ik haar kind een teedere, lieve verzorgster zou
+ geven, die haar zal liefhebben en een goed, braaf meisje van haar
+ zal maken. In het begin van December trouwen wij, je aanstaande
+ mama is een Engelsche dame, maar zij is langen tijd in Nederland
+ geweest, zoodat zij goed Hollandsch kan praten, en zij is zóó lief,
+ Annie, dat je wel van haar móét houden, als je haar ziet. Zij wilde
+ zelfs niet op onze aankomst in Nederland wachten, om kennis met je
+ te maken, maar wilde dit nu alvast schriftelijk doen en daarom
+ sluit zij hierbij een briefje aan jou in. Ik hoop dat je van je
+ nieuwe maatje zult houden, Annie; tracht het te doen, al was het
+ alleen om mijnentwil.
+
+ Je je liefhebbende vader.”
+
+
+„O!” had Annie onder het lezen telkens geroepen en toen zij den brief
+uit had, riep zij: „O, tante, ik krijg een nieuwe mama!”
+
+Het klonk, zooals mevrouw Stubbens wel verwacht had, nogal verschrikt.
+
+„Ik begrijp best, Annie,” zeide haar tante, „dat het een vreemd idee
+voor je is, maar ik ken Mary Ackfield, zij heeft dikwijls bij een van
+mijn vriendinnen gelogeerd, die ook een vriendin van haar is. Zij is
+werkelijk allerliefst, ik weet zeker, dat je dol veel van haar zult
+gaan houden.”
+
+„Het was zoo prettig alleen met papa en juffrouw Mina,” antwoordde
+Annie op klagenden toon en nam toen het briefje van juffrouw Ackfield
+ter hand.
+
+
+ „Mijn lieve, kleine Annie,” las zij.
+
+ „Het zal nog zoo lang duren, eer ik persoonlijk met je kan
+ kennismaken, dat ik dit alvast op het papier wil doen. Je vindt het
+ misschien hard, Annie, dat ik, zooals je wellicht denkt, een deel
+ van je vaders hart aan je ontstolen heb, maar dat heb ik niet
+ gedaan, het behoort je nog heelemaal toe en er is plaats genoeg in
+ voor ons beiden, zooals hij mij wel eens lachend verzekert en dat
+ is ook het geval met het mijne, kindlief, ik hoop dat je de groote
+ plaats, die ik je daarin heb toegedacht, zult willen innemen. Wil
+ je beproeven van mij te houden, Annie? Wat mij betreft, ik zal je
+ alle liefde schenken, die een eigen moeder aan haar dochter geven
+ kan. Tot ziens dus, lieveling, wees in gedachten hartelijk omhelsd
+ door
+
+ MARY ACKFIELD.”
+
+
+„Nu, kind,” vroeg haar tante, toen Annie den brief had uitgelezen, „heb
+ik te veel gezegd, is het niet een heel lief briefje van Mary?”
+
+„Ja, tante,” antwoordde Annie, maar zij vond de gedachte een nieuwe
+moeder te zullen krijgen maar half prettig. Bovendien had zij aan
+brieven schrijven een hekel, behalve natuurlijk aan die welke zij aan
+haar vader schreef, want daarin kon zij alles vertellen, wat zij op
+school en bij oom en tante Stubbens beleefde. Om nu aan juffrouw
+Ackfield te moeten schrijven, die zij in het geheel niet kende, vond
+zij echter vreeselijk, zij was er zelfs, o wonder, aan tafel stil van.
+
+Haar oom had medelijden met haar en stelde haar daarom voor om na het
+eten met hem en Flok een wandeling te gaan maken. „Tine kan van avond
+niet mee, omdat het dan te laat voor haar zou worden,” voegde de heer
+Stubbens erbij, toen hij zag dat het gezicht van de kleine betrok,
+„maar zij gaat morgen heel alleen met papa uit. Vind je dat niet
+deftig, Tine, met papa en Flik te gaan wandelen? Dan mag je Flik aan
+den ketting vasthouden.”
+
+Tine klapte van blijdschap in haar handjes. „Dan kan hij niet
+wegloopen, paatje.”
+
+„Als je hem maar goed vasthoudt, kan hij niet weg.”
+
+Annie vond het ook heerlijk met oom Stubbens uit te mogen gaan en
+snelde na tafel dadelijk naar boven om zich klaar te maken en Flok zijn
+halsband om te doen.
+
+„Waar zullen wij heengaan?” vroeg haar oom, toen zij op straat waren.
+„Heb jij al bedacht, waar je graag heen zou gaan, Annie?”
+
+„Neen, oom.”
+
+„Nu, wat zou je dan zeggen van een bezoek aan „het Koetje?”” („Het
+Koetje” was een uitspanning even buiten de stad gelegen.)
+
+„Heerlijk, oom, mag Flok daar komen?”
+
+„Natuurlijk, anders zou ik het toch niet voorstellen. Wij zouden het
+kleine mormel immers niet buiten kunnen laten. Hij zou onmiddellijk
+verdwalen.”
+
+Annie stapte deftig naast haar oom voort, terwijl Flok aan zijn ketting
+voor hen uit trippelde en van tijd tot tijd, als het te druk werd,
+tusschen hen in kwam loopen, alsof hij bij hen bescherming zocht.
+
+Alles ging goed. Een minuut of tien, nadat zij de laatste huizen van de
+stad achter zich hadden gelaten, bereikten zij „het Koetje” en Annie
+zat daar heel deftig met haar oom in den tuin iets te gebruiken.
+
+„O, daar is meneer Stokman!” riep Annie eensklaps en in de aangeduide
+richting kijkende, zag de heer Stubbens een lange jongeman het hek
+binnenkomen.
+
+„Dag, meneer!” riep Annie, zoodra het jongmensch dicht genoeg genaderd
+was om haar te kunnen hooren. „Dag, meneer, kijk eens, heeft Flok geen
+mooien halsband aan?”
+
+Stokman keek verwonderd op en kreeg een kleur, toen hij het meisje zag.
+
+Zij moest eens weten, dacht hij, welke plannen de oude mevrouw en ik
+tegenover haar gekoesterd hebben, maar als mijnheer Stubbens mij aan
+die mooie betrekking helpt, dan kan mevrouw Hermsen dat zaakje zelf
+opknappen; zij zegt wel dat er geen kwaad in steekt, maar recht pluis
+is het toch niet en hier heb ik een prachtige gelegenheid om kennis te
+maken met mijnheer Stubbens.
+
+„Oom,” zeide Annie, toen Stokman met een diepe buiging zijn hoed voor
+den heer Stubbens afnam, „dit is nu meneer Stokman, die bij grootma met
+ons gespeeld heeft. Komt u bij ons zitten, mijnheer?”
+
+„Als mijnheer Stubbens het mij veroorlooft, zeer graag,” antwoordde
+Stokman.
+
+„Het zal mij zeer aangenaam zijn, nader kennis met u te maken, mijnheer
+Stokman,” zeide de heer Stubbens. „Ik heb door de kinderen al veel over
+u gehoord. U is, meen ik, werkzaam bij de firma Hermsen?”
+
+„Om u te dienen, mijnheer,” antwoordde Stokman plaats nemende.
+
+„Het heeft mij altijd verwonderd,” hervatte de heer Stubbens, „hoe in
+dat kleine dorp, dat ook nog betrekkelijk dicht bij de stad ligt, die
+zaak zulk een omvang heeft kunnen aannemen.”
+
+„De oude heer Hermsen had veel relaties en daar profiteert de
+tegenwoordige eigenaar van de zaak nu van, maar ik voor mij zou toch
+veel liever in de stad werkzaam zijn; ik geloof, dat een jongmensch
+daar meer vooruitzichten heeft, daarom wil ik ook moeite doen voor die
+vacature hier in de stad bij Mr. Van Dungen.”
+
+„Daar wordt een chef-boekhouder gezocht, is het niet?”
+
+„Jawel, mijnheer.”
+
+„Zoo, en zou u daar graag geplaatst willen worden? u heeft zeker goede
+getuigschriften?”
+
+„Zeker, mijnheer, de firma Hermsen kan niet anders dan goed van mij
+zeggen. Ik ben er al van af mijn twaalfde jaar en heb altijd mijn
+plicht gedaan.”
+
+„Kan mevrouw Hermsen u daar nu niet in helpen? Ik denk dat er wel veel
+sollicitanten zullen zijn en dan doet voorspraak veel goed.”
+
+„Dat is het juist, mijnheer, daarom heb ik zoo weinig hoop. Mevrouw zou
+mij graag helpen, maar zij kent die heeren niet. Nu sprak mevrouw er
+wel van, dat zij er eens met u over zou praten, omdat u Mr. Van Dungen
+wel zal kennen, maar hoe zou u mij nu kunnen aanbevelen, die niets van
+mij afweet.”
+
+„Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer Stokman, ik help graag een
+jongmensch voort, wanneer hij het verdient. Ik zal naar u informeeren
+en als de informaties goed zijn, zal ik met Mr. Van Dungen over u
+spreken. Ik ken hem heel goed en zal er zoo spoedig mogelijk werk van
+maken.”
+
+„Mijnheer is al te goed,” riep Stokman dankbaar.
+
+„Bedank mij nu nog maar niet, mijnheer, u heeft de betrekking nog
+niet.”
+
+Intusschen was Annie, die veel te woelig was, om ergens lang te blijven
+zitten en wie het ernstige gesprek van de heeren verveelde, van haar
+stoel opgestaan en met Flok door den tuin gaan wandelen.
+
+Nu kwam zij naar het tafeltje terugrennen. „Oom,” riep zij, „Flok trekt
+zoo, zou ik hem durven loslaten?”
+
+„Ik geloof, dat het hier wel veilig kan, maar pas op, dat je hem niet
+uit het oog verliest.”
+
+Annie maakte den ketting van den halsband los en Flok sprong dartel
+rond, terwijl Annie achter hem aan holde.
+
+Eensklaps hoorden de heeren een gil. „Oom, oom, hij is weg!” klonk
+Annie’s stem doodelijk verschrikt.
+
+De heer Stubbens en Stokman sprongen op en liepen naar het meisje toe
+en nu wees Annie hun huilend, dat Flok onder het struikgewas en het hek
+was door gekropen.
+
+„Het is niets,” zeide Stokman, „ik zal hem wel terughalen,” en hij liep
+om het hek heen en den weg op, gevolgd door Annie en haar oom.
+
+Annie huilde nog steeds als een wanhopende.
+
+„Stil, kindje,” troostte de heer Stubbens haar, „wij zullen hem wel
+vinden,” maar aan den overkant van den weg lag een bosch, zoodat het
+groote moeite zou kosten om het hondje terug te vinden. De heeren
+riepen en floten, maar geen Flok.
+
+„Had ik Hector maar hier,” zeide Stokman, „maar die is thuis, hij zou
+Flok wel dadelijk opsporen. Maar, wacht eens, ik heb een idee, de
+kastelein hier heeft ook een grooten hond, misschien kan die het ook.”
+
+Hij liep terug naar de uitspanning en vroeg aan den kastelein: „Van
+Wolderen, is Vik thuis?”
+
+„Jawel, mijnheer.”
+
+„Zou Vik in staat zijn een ander hondje op te sporen, zooals mijn
+Hector dat doet?”
+
+„Hij vindt hem onmiddellijk, mijnheer, als u hem iets van het hondje
+laat ruiken.”
+
+„Wij hebben niets dan een ketting.”
+
+„Het is niet veel, mijnheer, maar wij kunnen het probeeren.”
+
+Van Wolderen ging Vik halen, een grooten, mooien hond met spitsen kop
+en staande ooren, en bracht hem naar buiten, waar Annie en haar oom
+wanhopige pogingen deden om Flok te zoeken, en vroegen Annie om den
+ketting.
+
+„Het is niet veel. Heeft u niets anders van hem?” vroeg Van Wolderen.
+
+„Neen,” antwoordde Annie bedrukt, maar eensklaps klaarde haar gezicht
+op, en haalde zij haar zakdoek uit haar zak. „Hier heb ik hem vóór wij
+uitgingen mee gewreven, dan wordt hij zoo mooi glad,” zeide het kind.
+
+„Dat is beter, geef dien zakdoek ook maar hier, jongejuffrouw,” merkte
+Van Wolderen op en liet nu den hond eerst den ketting ruiken. Vik snoof
+en snuffelde, maar scheen onbevredigd. Toen hem echter den zakdoek werd
+voorgehouden en hij dien geroken had en zijn baas zeide: „zoeken, Vik!”
+toen begon hij te kwispelen en te trekken om los te komen. Stokman nam
+hem mee aan een langen ketting en nadat hij den kastelein had
+toegeroepen: „ik breng hem je zoo dadelijk terug, Van Wolderen,”
+verdween hij in het bosch, waarheen de hond hem meetrok.
+
+„Kom,” zeide de heer Stubbens, Annie bij de hand nemende, „wij zullen
+maar binnen gaan wachten tot hij terugkomt. Annie, je kunt nu gerust
+zijn, ik ben overtuigd dat Vik den kleinen Flok heel gauw vinden zal. U
+schijnt mijnheer Stokman goed te kennen,” voegde hij er tot den
+kastelein bij, „mijnheer komt zeker nog al eens hier?”
+
+„Ja, mijnheer, en ik ken hem al jarenlang. Een net jongmensch, vindt u
+niet?”
+
+„Ik ken hem eigenlijk niet,” antwoordde de heer Stubbens; „zoo, zoo, er
+is dus niets op hem te zeggen?”
+
+„Voor zoover ik weet, niet. Hij is heel anders dan zijn vader; dien heb
+ik ook nog wel gekend, die was ook bij Hermsen op kantoor, maar dien
+vertrouwde ik niet erg, die had vond ik, zoo’n valsch gezicht en dat
+heeft de jonge mijnheer nu heelemaal niet, die lijkt meer op zijn
+moeder. Een gunstig uiterlijk, dunkt u ook niet?”
+
+„Ja zeker. Hij is zeker ook al lang bij de firma Hermsen werkzaam?”
+
+„Hij was er al te gelijk met zijn vader. Ik kom daar dikwijls in het
+dorp, ik heb er familie wonen, ziet u. Willem Stokman is eigenlijk ook
+nog een verre neef van me, door zijn moeder, maar dat is bijna niet
+meer uit te rekenen en zijn vader wou het nooit weten. Maar, wat ik
+zeggen wilde, hij, de jonge Willem, was al op het kantoor, toen
+mijnheer Tillens er nog was. U heeft er misschien wel van gehoord, dat
+er toen zoo’n herrie is geweest over weggeraakte papieren? Zij hielden
+het wel stil, maar zooiets lekt toch uit.”
+
+„Ja zeker, ik heb er ook van gehoord,” antwoordde mijnheer Stubbens,
+die er meer van wilde weten. „Mijnheer Tillens is toen weggegaan, niet
+waar?”
+
+„Juist, mijnheer, omdat men hem er de schuld van gaf, maar ik geloof er
+niets van, de man was veel te eerlijk en had er niets geen belang bij,
+de stukken zoek te maken. Wil ik u eens wat zeggen, mijnheer,” voegde
+Van Wolderen er geheimzinnig fluisterend bij, „ik laat mij hangen, als
+mijn waarde neef het niet gedaan heeft.”
+
+„De jonge?”
+
+„Neen, die was nog bijna een kind, die wist van niets, neen, de oude.
+Je durft zooiets niet hardop zeggen, maar je moogt het daarom toch wel
+denken.”
+
+„Kon hij er voordeel mee hebben?”
+
+„Dat weet ik niet, ik weet niet wat het voor papieren waren, maar ik
+durf er mijn hoofd onder verwedden, dat mijnheer Tillens er werkelijk
+niet van wist. Ik heb altijd zoo’n vermoeden gehad, dat die stukken
+iets te maken hadden met het huis, waarin de oude Stokman woonde, ik
+weet toevallig dat dit aan mijnheer Van Scheik behoort. Maar het is
+zoo’n oude geschiedenis, dat er nu wel niets meer van zal uitkomen.”
+
+„Oom,” zeide Annie, die ongeduldig werd, „laten wij nog eens gaan
+kijken.”
+
+„Goed, kom dan maar mee, kleine meid,” antwoordde haar oom, die
+medelijden met haar had.
+
+Zoodra zij het hek uit waren, liet Annie een vreugdekreet hooren.
+
+„Daar komen zij!” gilde zij bijna en snelde Stokman te gemoet, die
+werkelijk in de verte aankwam, terwijl Vik vóór hem uit naar huis
+holde.
+
+„Hebt u hem?” riep Annie en nu hield Stokman een klein wit balletje in
+de hoogte.
+
+Uitgelaten van blijdschap klapte het meisje in de handen. „Ben je daar,
+mijn Flokje, mijn zoete Flokje?” riep zij, zoodra Stokman naderbij
+gekomen was, en het hondje van hem overnemende, zeide zij: „dank u wel,
+mijnheer, dat u hem voor mij hebt opgezocht.”
+
+Zij koesterde haar lieveling in haar armen en Stokman moest haar
+precies vertellen, hoe het gegaan was.
+
+„Wel,” antwoordde deze, „Vik trok mij dadelijk mee het bosch in en liep
+zoo hard, dat ik hem bijna niet kon bijhouden. Eens rende hij dwars
+door het kreupelhout, zoodat ik op een gegeven oogenblik vlak op mijn
+neus viel. Hij doet er nog pijn van,” voegde hij er lachend bij.
+
+Annie keek hem aan. „U hebt toch geen buil, dat spijt mij voor u.”
+
+„Wat! spijt het je? jij bent ook een mooie!”
+
+„Ja, vindt u het dan niet kranig om er een te hebben? Tom was zoo blij,
+dat hij er een had, hij zeide dat het zoo kranig stond, want dat
+iedereen nu kon zien, dat hij zoo flink gevochten had.”
+
+„Wie is Tom?”
+
+„Mijn neef.”
+
+„En heeft die zoo gevochten, tegen wien?”
+
+„Met voetballen. Een van de jongens heeft hem bij ongeluk een stomp
+boven zijn oog gegeven en toen had hij een groote buil. Maar hij was er
+blij mee.”
+
+„Nu, ieder zijn smaak, ik heb er liever geen,” antwoordde Stokman.
+
+Al pratend waren zij bij den heer Stubbens en Van Wolderen gekomen en
+Stokman nam afscheid, nadat Annie’s oom hem nog eens vriendelijk voor
+zijn hulp bedankt had. „Ik beloof u, ik zal mijn best doen voor u,”
+riep de heer Stubbens hem nog toe.
+
+Annie riep Vik bij zich, die zich door haar liet streelen en aanhalen,
+terwijl zij Flok nog in haar arm geklemd hield.
+
+„Knappe Vik, brave Vik,” zeide het meisje en Vik keek vereerd en drukte
+zijn kop tegen het meisje aan.
+
+Toen de heer Stubbens Van Wolderen een vergoeding wilde geven voor het
+leenen van zijn hond, wilde deze er niets van hooren.
+
+„Zeker niet, mijnheer,” zeide de kastelein, „ik ben altijd blij als Vik
+een gelegenheid heeft om zich te oefenen, daar heb ik later nut van als
+hij eens iets voor mij moet opsporen.”
+
+„Nu dan mogen wij er Vik toch zeker wel iets voor geven?” vroeg de heer
+Stubbens. „Annie, wij zullen Vik een mooien halsband geven.”
+
+„Wil u wel gelooven, meneer,” merkte Van Wolderen op, „dat hij het
+prettig vind als hij iets moois heeft? Laatst bond de kleine meid hem
+een rood lint om den hals en toen riep zij: „wat is Vik mooi, wat ’n
+mooie Vik,” en werkelijk, jongejuffrouw, je kon zien, dat hij blij
+was.”
+
+Annie genoot van die verhalen; zij hield dol veel van honden en lachte
+vroolijk over Viks ijdelheid.
+
+Flok werd nu weer aan den ketting genomen en de heer Stubbens en Annie
+begaven zich op weg naar huis, waar zij zonder verdere ongelukken
+aankwamen.
+
+Thuis gekomen, stormde Annie met Flok de huiskamer binnen, waar Tom en
+zijn moeder zaten. „O, tante, verbeeld u, Flok is weggeloopen en
+mijnheer Stokman heeft hem met Vik teruggehaald. Gelukkig dat hij er
+weer is, hè, ik was zoo bang, dat hij voor goed weg was!” en nu volgde
+het geheele verhaal van Floks redding en lachend voegde Annie erbij:
+„en meneer Stokman is zoo op zijn neus gevallen!”
+
+Tom lachte luidkeels mede, maar zijn moeder werd boos.
+
+„Hoe is het nu mogelijk, kinderen, dat je daarom lachen kunt; je
+begrijpt toch wel, dat mijnheer Stokman zich daarbij bezeerd heeft, en
+daar lach je nu om, terwijl mijnheer nog wel je hondje voor je heeft
+opgezocht, Annie, hoe onaardig!”
+
+Hun lachen verstomde dadelijk.
+
+„Hij lachte er zelf om, tante, en daarom dacht ik, dat ik het ook wel
+doen mocht,” merkte Annie verlegen op.
+
+„Hij zeide toch dat hij zich pijn had gedaan, daar mag je dan toch niet
+om lachen.”
+
+Annie zweeg.
+
+„Nu, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „het is voor Annie tijd om naar
+bed te gaan, vlug dus een boterham eten en naar boven, kleine meid,
+Tine ligt al wel een uur in de veeren.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+ANNIE’S VERJAARDAG.
+
+
+„Staan jullie nooit op?” klonk Toms stem aan de deur van de kamer der
+beide meisjes. Paula was den vorigen dag aangekomen en had weer bij
+Annie op de kamer mogen slapen en toen Tom hen kwam roepen waren zij
+reeds geheel gekleed en was Annie juist bezig een pakje open te maken,
+dat Paula haar zooeven gegeven had.
+
+„Kom maar binnen, Tom, dan kan je zien, wat ik van Paula gekregen heb,”
+riep Annie.
+
+„Goeden morgen, dames,” zeide de jongen, terwijl hij de kamer binnen
+stapte. „Annie, ik feliciteer je wel met je verjaardag en hier heb je
+wat van mij.”
+
+Hij zocht in al zijn zakken en bracht eindelijk een pakje te voorschijn
+dat hij van zakgeld voor Annie had gekocht.
+
+„Dank je hartelijk, Tom,” zeide Annie blij, „maar vinden jullie het
+eigenlijk niet aardiger als ik de pakjes beneden openmaak? dan zien de
+anderen het ook.”
+
+„Zooals je wilt,” antwoordde haar neef, „maar het mijne is niet veel
+bijzonders, hoor.”
+
+De kinderen gingen naar beneden, waar zij in de huiskamer de geheele
+familie reeds bijeen vonden. Men had van Annie’s verjaardag een waar
+feest gemaakt. Haar stoel was met groen versierd, op de ontbijttafel
+prijkten bloemen en op een tafeltje in een hoek van de kamer lagen de
+verjaargeschenken, terwijl een groot pak, dat zij den vorigen dag had
+zien binnen brengen en dat te groot was, om op de tafel te staan, er
+naast op den grond was neergezet.
+
+„Wat een boel cadeaux!” riep het meisje opgewonden, „mag ik ze nu
+openmaken, tante?”
+
+„Ik zou het maar doen,” antwoordde haar tante, „het is Zondag, dus
+hebben wij geen haast.”
+
+„Maar, waarmee zal ik beginnen? er is zooveel!”
+
+„Je was immers al bezig dat van Paula open te maken, dan zou ik daar
+maar eerst mee voort gaan,” ried tante Dora haar aan.
+
+Annie liet het zich geen tweemaal zeggen, het had haar al moeite genoeg
+gekost om haar nieuwsgierigheid te bedwingen totdat zij beneden was, en
+het volgende oogenblik bracht zij een allerliefst pluche werkdoosje te
+voorschijn, juist als dat van Paula, dat zij altijd zoo bewonderd had.
+
+„O, Pau, hoe snoezig!” riep zij in verrukking, „dank je wel, hoor,” en
+zij gaf haar vriendinnetje een hartelijken kus.
+
+„Zeg, Annie, je zult heel wat te zoenen hebben, als ik die tafel zoo
+zie, één, twee, drie, vier, vijf, zes en dan dat groote pak nog, daar
+moet je er natuurlijk nog veel meer voor geven.”
+
+Annie begon te lachen. „Flauwe jongen, jij krijgt er alvast geen!”
+zeide zij.
+
+„Ga nu door, Annie, ik wil zien,” klonk de stem van Tine, die
+ongeduldig werd over die stoornis. „Dit heb je van mij,” voegde het
+kleintje erbij.
+
+„En wat van oom en tante?” vroeg Annie.
+
+Haar oom wees op het groote pak en Annie wilde er aan beginnen, maar
+haar tante zeide: „dat zou ik maar voor het laatst bewaren, Annie, daar
+is zooveel aan te zien.”
+
+„Van grootma Hermsen,” las Annie nu op een van de pakjes en dit nam zij
+op.
+
+„Het is zwaar,” zeide zij onder het openmaken, „o, kijk eens hoe mooi!”
+en nu hield zij een fraaien zilveren servetring in de hoogte.
+
+„Wat zou daarin zitten?” vroeg Tom op een langwerpig pak wijzende. „Dit
+komt heelemaal uit Engeland.”
+
+„Natuurlijk van papa, dit heeft papa geschreven,” antwoordde Annie op
+het adres wijzende.
+
+Tine hielp Annie trouw bij het uitpakken en juichte even hard als deze
+bij ieder mooi geschenk dat uit het papier te voorschijn kwam.
+
+„Kijk eens wat een prachtig briefkaarten-album!” riep Annie blij, „dat
+treft heerlijk, de mijne is juist vol. Er kunnen er vijf honderd in,
+daar staat het en er ligt een heel dikke brief van papa bij.”
+
+„De doos is nog niet leeg,” liet Tine zich nu hooren, „er is nog een
+pak in, Annie.”
+
+„Dat dacht ik wel,” zeide Tom, „de doos is veel te groot voor het album
+alleen.”
+
+Annie haalde er het tweede pak ook uit. Voor Annie van Mary Ackfield,
+stond erop geschreven.
+
+„Voel eens, Tom,” riep het meisje met een stralend gezichtje, „ik wed,
+dat je kunt voelen wat het is.”
+
+„Een raket, dat ’s leuk voor je.”
+
+„Nou òf het, de mijne is juist stuk; dat is heel toevallig vindt u
+niet, tante?”
+
+Tante Dora glimlachte. Zij wist wel dat het geen toeval was, want Mary
+Ackfield had aan haar geschreven, of zij ook wist wat Annie graag zou
+willen hebben.
+
+Annie legde al de brieven bij elkaar en maakte nu achtereenvolgens de
+andere pakjes open. Met alles was zij even blij. Van Tom kreeg zij een
+zilveren potlood, van Coba een beeldje, zooals dat, wat deze gebroken
+had, van Laura een mooien armband en van Tine een inktkoker met een
+porceleinen fox-hondje erop, dat sprekend op Flok geleek, en van Suze
+en de andere bedienden, die allen veel van Annie hielden, een grooten
+bouquet bloemen.
+
+„Nu nog het groote pak, help je me weer, Tine?” vroeg Annie goedig,
+want zij wist dat de kleine het heerlijk vond.
+
+„Wat een boel papier,” zeide Tine met een zucht. Maar aan alles komt
+een eind, dus ook aan de verpakking van het geschenk van oom en tante
+dat bleek te bestaan uit een zeer mooi notenhouten boekenkastje met
+glazen deuren, waarachter Annie drie rijen keurig gebonden boeken zag.
+
+„O!” riep zij en toen was zij er stil van. Zoo iets had zij niet durven
+verwachten. Zij omhelsde oom en tante dankbaar en keek toen weer vol
+bewondering naar het fraaie geschenk.
+
+„Mama begint Annie al net zoo te verwennen als Tom,” fluisterde Coba
+tot Laura, die met haar van uit den anderen hoek van de kamer dit
+tooneel hadden aangezien. „Wat ’n ruwe manieren heeft dat kind toch,
+zag je wel hoe woest ze mama omhelsde en ma werd niet eens boos, dat
+hadden wij eens moeten doen!”
+
+„Wat kan het ma ook schelen, zij gaat immers toch weg, dan kan zij
+manieren leeren van die Engelsche dame, die haar mama wordt, die zal
+wel strenger tegen haar zijn!” meende Laura.
+
+„Nu eerst ontbijten, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „dan kan Annie
+daarna haar brieven lezen en haar boeken bekijken.”
+
+„Als er bij zijn, die je al kent, dan mag je ze ruilen, Annie,” voegde
+haar oom erbij, „er is een lijstje bij en daarvan moet je maar
+uitzoeken welke boeken je ervoor in de plaats wilt hebben.”
+
+
+
+Om half twee begaven de kinderen zich met den heer en mevrouw Stubbens
+naar het voetbalveld om den grooten wedstrijd te zien.
+
+Tom’s vrees voor een natten grond was, zooals wij weten, niet
+bewaarheid geworden, want na dien enkelen bui van den vorigen dag had
+het niet meer geregend en nu was het zelfs prachtig weer met een
+vroolijken zonneschijn.
+
+„Wat boffen wij met het weer, hè,” zeide Tom blij, toen zij op het veld
+waren aangekomen, „kijk, het veld is kurkdroog,” en daarna liet hij hen
+alleen om zijn voetbalschoenen te gaan aantrekken.
+
+Er was reeds een groot aantal toeschouwers bijeen, zoodat het Tom’s
+familie moeite kostte zich een goed plaatsje te veroveren, maar
+eindelijk gelukte het hun toch.
+
+De jongens speelden vol vuur en beide partijen waren goed tegen elkaar
+opgewassen, terwijl het een oogenblik scheen, alsof de Engelschen
+zouden winnen; maar na de rust haalde Tom’s elftal het zoo mooi op, dat
+zij tenslotte een glansrijke overwinning behaalden. Aan het gejuich
+scheen geen einde te komen en Frans, de aanvoerder, werd op de
+schouders der anderen over het veld gedragen.
+
+„Dat zal een gedrang geven bij den uitgang,” zeide de heer Stubbens,
+„het zal trouwens overal hier in de buurt druk zijn door de
+volksfeesten, die hier van middag gegeven worden. Je moet weten, Paula,
+dat wij hier een soort najaarskermis hebben, waarvan het vandaag de
+laatste dag is, daarom is het zoo druk.”
+
+„Kermis op Zondag, hoe grappig,” merkte Paula op, „bij ons op het dorp
+mag het niet.”
+
+„Hier was het eerst ook verboden maar om de een of andere reden hebben
+zij permissie gekregen om vanmiddag na kerktijd nog voor het laatst
+feest te vieren,” antwoordde de heer Stubbens. „Als wij van elkaar
+afraken moeten wij maar niet op elkander wachten, want iedereen kent
+toch den weg naar huis, nietwaar Paula jij weet hem immers ook?” vroeg
+hij aan het meisje. „In ieder geval zullen de jongens en Annie wel op
+jou passen en Tine mag hier bij papa komen loopen.”
+
+„O, meneer, ik weet den weg nog wel, ik ben al meer hier geweest,”
+antwoordde Paula, die zich toch te oud vond dan dat de jongens op haar
+zouden moeten passen.
+
+In het eerst ging het goed, maar nu moest men door het nauwe hek aan
+den uitgang en daar was een vreeselijke opstopping. Paula heeft nooit
+geweten, hoe zij er eigenlijk door was gekomen. Juist toen zij heel erg
+in de klem raakte, en geen enkel bekend gezicht meer zag, had zij op
+haar schouder een stevigen arm gevoeld, die haar langzaam maar zeker
+door de drukte heenschoof. Zij dacht dat het mijnheer Stubbens was,
+maar toen zij weer kon ademhalen zag zij in plaats van haar gastheer,
+iemand dien zij in het geheel niet kende.
+
+„Ziezoo, jonge dame, nu ben je veilig uit het gedrang, ik dacht op een
+gegeven oogenblik heusch, dat je dood gedrukt zou worden,” zeide de
+vreemde heer vriendelijk en zonder een bedankje af te wachten, verdween
+hij onder de menschen. Paula keek om zich heen, niets dan onbekende
+gezichten, maar een eind voor zich uit meende zij tusschen die zee van
+hoofden den hoed van mevrouw Stubbens te onderscheiden. Zij baande zich
+een weg daarheen, maar toen zij vlak bij de bedoelde dame was gekomen,
+zag zij dat zij deze nooit te voren gezien had.
+
+Welnu, daarom niet getreurd, dacht zij, zij zou alleen den weg wel
+vinden, zij meende zich nog wel te herinneren, hoe zij op den
+Keizersgracht moest komen. Toen zij echter een kwartier geloopen had,
+kwam zij aan een plantsoen, dat zij nog nooit gezien had. Zij bleef
+besluiteloos staan, maar daar zag zij een dame aankomen, aan haar zou
+zij den weg naar den Keizersgracht vragen.
+
+„Mevrouw,” zeide zij beleefd, „zou u mij ook kunnen zeggen hoe ik van
+hier naar den Keizersgracht kan komen?”
+
+„De Keizersgracht?” herhaalde de dame, die niemand anders was, dan
+mevrouw Van Scheik, peinzend, want het meisje had iets in haar gezicht,
+dat haar bekend voorkwam, „die is nogal ver van hier, maar als je even
+wilt wachten tot ik hier aan het dienstmeisje een boodschap heb
+gegeven, dan kan ik je een heel eind brengen, want ik woon er vlak
+bij.”
+
+„Als het u blieft, mevrouw,” antwoordde Paula en bleef wachten, terwijl
+mevrouw Van Scheik bij haar kennissen aanschelde en daar een boodschap
+afgaf. Een oogenblik later wandelde zij naast haar tante voort, zonder
+te weten, dat die vriendelijke dame de eigen zuster van haar moeder
+was.
+
+„Moet je ver op de Keizersgracht zijn?” vroeg mevrouw Van Scheik.
+
+„Bij mevrouw Stubbens, daar heb ik vannacht gelogeerd, van avond ga ik
+weer weg,” vertelde Paula, die nooit verlegen was.
+
+„Mevrouw Stubbens ken ik heel goed,” hernam mevrouw Van Scheik,
+onmiddellijk begrijpende, wie het meisje was, „maar hoe kom je hier dan
+zoo alleen?”
+
+„Wij zijn naar den voetbalwedstrijd geweest en bij het uitgaan was het
+zoo’n gedrang, dat ik van de anderen afgeraakt ben.”
+
+„Jij bent zeker Paula Tillens, de vriendin van Annie van Walen?”
+
+„Ja mevrouw,” antwoordde Paula verbaasd, „kent u Annie ook?”
+
+„Ja, en ik vind haar een heel aardig meisje; ken jij Annie’s
+vriendinnetjes, de meisjes van Scheik ook?”
+
+„Neen mevrouw.”
+
+Mevrouw Van Scheik keek het meisje aan.
+
+„Je lijkt op je moeder, maar nog meer op je vader, Paula.”
+
+„Maar u kent iedereen,” riep het meisje verwonderd, „mama en papa ook
+al!”
+
+„Ja, kind, ik ken je moeder, maar wij hebben elkaar in geen jaren
+gezien.”
+
+Zij durfde niet meer te zeggen. Nu zij haar nichtje ontmoet had, in
+wier gezicht zij hoe langer hoe duidelijker dat van haar zuster
+terugzag, kwam een vurig verlangen in haar op om zich met die eenige
+zuster te verzoenen, maar zij wilde niets doen zonder voorkennis van
+haar man en wanneer deze onverbiddelijk bleef, was het maar beter, dat
+het meisje niet wist, wie zij was.
+
+Aan den hoek van den Keizersgracht gekomen, zeide mevrouw Van Scheik:
+
+„Hier zijn wij aan den Keizersgracht, Paula, nu kan je den weg zeker
+wel alleen vinden?”
+
+„O, ja, mevrouw, hier de brug over en dan maar rechtuit, is het niet
+zoo?”
+
+„Juist, dus kan ik je hier veilig alleen laten? dan ga ik hier de
+straat in.”
+
+„Dag mevrouw, ik dank u wel, dat u mij den weg gewezen hebt,” zeide
+Paula.
+
+„Dag Paula, ik hoop, dat je verder goed thuis zult komen,” antwoordde
+mevrouw Van Scheik, toen lachte zij het meisje nog eens toe en ging
+haars weegs.
+
+Vijf minuten later stapte Paula de stoep op bij de familie Stubbens,
+waar Tom voordat zij nog had aangescheld, de deur reeds voor haar
+opende.
+
+„Wij dachten al dat je verdwaald was,” riep hij, „wij zijn al wel een
+kwartier thuis, kom maar gauw binnen, Annie maakte zich al ongerust
+over je.”
+
+„Daar is het verloren schaap eindelijk,” liet Coba zich onvriendelijk
+hooren, toen Tom en Paula binnenkwamen, „waar ben jij heen gedwaald, je
+hadt toch wel bij ons kunnen blijven?”
+
+„Ben je verdwaald geraakt, Paula?” vroeg mevrouw Stubbens vriendelijk.
+
+„Ja, mevrouw,” antwoordde Paula, „eerst werd ik door een heer door het
+gedrang heen geholpen, ik dacht dat u het was, mijnheer, maar toen ik
+uit de drukte kwam, zag ik dat het een vreemde was.”
+
+Nu vertelde Paula alles wat er gebeurd was, hoe zij eerst gemeend had
+den hoed van mevrouw Stubbens te zien, hoe zij later op een plantsoen
+gekomen was, waar zij nog nooit geweest was en hoe zij daar toen die
+vriendelijke dame ontmoet had, die heelemaal met haar was meegeloopen
+tot aan den Keizersgracht.
+
+„Zeker mevrouw Van Meerel, die woont vlak op den hoek van den gracht”
+merkte mevrouw Stubbens op. „Maar het doet er niet toe, meisje, wij
+zijn blij dat je weer veilig en wel terug bent. Wij hadden juist Thomas
+uit willen sturen om te zien waar je bleef, want wij zijn al een minuut
+of tien thuis.”
+
+„O, tien minuten maar? hij zeide een kwartier.”
+
+„Ik denk, dat hij zoo naar je verlangde, dat die tien minuten hem meer
+dan een kwartier schenen,” zeide mijnheer Stubbens.
+
+Paula begon te lachen en op hetzelfde oogenblik ging de deur open en
+bracht Suze een briefje binnen voor Paula.
+
+„Jongejuffrouw Paula Tillens,” stond op het adres.
+
+„Van wie kan dat zijn?” riep Paula verwonderd, „het is een dikke
+brief.”
+
+„Lees hem maar even, Paula,” zeide mevrouw Stubbens, „wordt er op
+antwoord gewacht, Suze?”
+
+„Neen, mevrouw.”
+
+Paula scheurde de enveloppe open en nu kwam daar nog een kleinere uit
+te voorschijn, geadresseerd aan mevrouw Tillens en een kort briefje aan
+Paula zelve:
+
+
+ „Lieve Paula,
+
+ Om verschillende reden kon ik je van middag, toen ik je ontmoette,
+ niet zeggen wie ik was. Wil je nu voor mij aan je moeder inliggend
+ briefje geven? Daarmee zal je ten zeerste verplichten
+
+ je
+ M. van Scheik.”
+
+
+„Hoe grappig, dat mevrouw Van Scheik mij dat van middag niet heeft
+gezegd,” zeide Paula, terwijl zij het briefje aan mevrouw Stubbens
+overhandigde.
+
+„Mag ik het lezen, Paula?”
+
+„Ja, mevrouw, vindt u het ook niet grappig?”
+
+„Je hoort het, het staat hier; mevrouw had er haar redenen voor. Die
+zal zij wel in dat andere briefje aan je mama schrijven. Pas maar goed
+op, dat je het niet verliest.”
+
+Daar het dien avond later was geworden dan den vorigen keer, kon Annie
+niet meegaan om Paula weg te brengen; de vriendinnetjes namen dus, toen
+de auto voorreed, afscheid van elkaar en de heer Stubbens bracht Paula
+naar huis.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VERZOENING.
+
+
+„Wel, Paula, heb je evenveel plezier gehad als den vorigen keer?” vroeg
+mevrouw Tillens, toen haar dochtertje weer thuis was.
+
+„O, ja, ma, dol veel en kijk eens wat een mooi broche ik gekregen heb,
+de meisjes kregen ieder een broche en de jongens een zakmes en, o ja,
+dat is voor u van mevrouw Van Scheik.”
+
+Mevrouw Tillens verbleekte, maar Paula zag het niet. Zij gaf het
+briefje aan haar moeder en bekeek toen opnieuw haar broche.
+
+„Nu, Paultje, dien brief zal ik straks wel lezen, laat mij nu eerst je
+broche zien en dan vlug naar bed, hoor; het is al tien uur, dus
+eigenlijk veel te laat voor je.”
+
+Zoodra mevrouw Tillens alleen was, scheurde zij de enveloppe open en
+vond daarin een langen brief van haar zuster. Daarin vertelde deze hoe
+zij aldoor verlangd had zich met haar te verzoenen, maar dat zij wist,
+dat haar man er tegen was, omdat deze vreesde, dat mevrouw Tillens er
+niet op gesteld zou zijn.
+
+Ook zij was altijd bang geweest dat haar zuster geen verzoening zou
+wenschen, maar nu zij Paula gezien had, was haar verlangen haar te
+machtig geworden en had zij aan haar man gezegd dat zij aan haar zuster
+wilde schrijven op gevaar af dat deze van geen verzoening zou willen
+hooren. De heer Van Scheik had hierin toegestemd, want ook hij wilde
+niets liever dan dat zij het verleden zou vergeven en vergeten en het
+zou hem zeer aangenaam zijn, zoo mevrouw Tillens hen wilde ontvangen.
+
+Mevrouw Tillens was overgelukkig. Niemand wist hoe zij al die jaren
+verlangd had haar eenige zuster weer te zien. Toen Paula den volgenden
+morgen beneden kwam, zeide haar moeder:
+
+„Paula, kom hier bij mij aan tafel zitten, dan zal ik je iets
+vertellen. Mevrouw Van Scheik,” vervolgde zij, toen haar dochtertje
+gezeten was, „die je den weg gewezen heeft en je dien brief aan mij
+meegaf, is je eigen tante, mijn eenige zuster.”
+
+„Hè, ma, waarom heeft zij me dat niet gezegd en u heeft er ook nooit
+iets van verteld, hoe vreemd!”
+
+„Ja kind, je bent nu oud genoeg om te begrijpen, wat ik je zeggen zal,
+daarom wil ik het je nu vertellen. Heel lang geleden, zelfs nog vóór je
+geboorte, hebben je papa en je oom Van Scheik onaangenaamheden gehad en
+ik heb toen natuurlijk partij getrokken voor je papa en mijn zuster
+voor haar man. Begrijp je dat?”
+
+„Jawel, moes. Waarom waren ze boos?”
+
+Mevrouw Tillens dacht een oogenblik na alvorens te antwoorden. Neen,
+het was beter de reden maar niet aan het kind te vertellen. Hoe zou zij
+van haar oom en tante kunnen houden wanneer zij wist, dat deze haar
+vader van zoo iets verkeerds verdacht hadden?
+
+„Dat is een lange geschiedenis, Paula,” zeide zij dus maar, „waar je
+toch niets van zoudt begrijpen, aangezien je geen verstand hebt van
+zulke zaken en ik het je toch niet zou kunnen uitleggen. Toen je tante
+je nu ontmoette en zooals zij mij schreef, in jou gezicht hoe langer
+hoe meer het mijne meende terug te zien, kon zij het verlangen om zich
+met mij te verzoenen niet langer weerstaan en schreef ze mij dezen
+brief om mij te vragen of ik het verleden vergeten en vergeven wil.”
+
+„Heerlijk!” riep Paula in de handen klappende, „dan zijn Bertha en
+Clara dus mijn nichtjes, komen zij hier, moes?”
+
+„Dat weet ik nog niet, ik zal straks aan mijn zuster schrijven.”
+
+Toen Paula en haar moeder een paar dagen later—het was
+Woensdagmiddag—op zolder bezig waren, waar Paula als een groot meisje
+haar mama met de wasch hielp, kwam het dienstmeisje met een kaartje in
+de hand boven.
+
+„Deze heer vraagt of u hem kan ontvangen, mevrouw.”
+
+„Laat meneer maar even in de zijkamer, Lena, en zeg, dat ik dadelijk
+bij meneer zal komen.”
+
+Toen Lena weg was, zeide mevrouw Tillens tot Paula: „het is oom Van
+Scheik, laat alles maar zoo staan, Pautje, dan zal ik het morgen wel
+met Lena afmaken. Het is toch heerlijk voor me zoo’n groote dochter te
+hebben, die me helpen kan,” voegde zij er glimlachend bij.
+
+Een oogenblik later traden mevrouw Tillens en Paula het salon binnen,
+waar zij den heer Van Scheik en Bertha vonden.
+
+„Dag, Johan,” zeide mevrouw Tillens dadelijk, terwijl ze hem met
+uitgestoken hand te gemoet trad, „hoe gaat het je en is dat een van je
+meisjes?”
+
+„Mijn oudste dochter,” antwoordde de heer Van Scheik, blij dat ze hem
+zoo vriendelijk ontving, „maar niet de eenige hoor, ik heb er nog een
+en twee zoons.”
+
+Intusschen hadden de nichtjes ook kennis gemaakt en waren zij samen den
+tuin ingeloopen.
+
+„Zij passen aardig bij elkaar, hè, zij zijn geloof ik even oud?” vroeg
+de heer Van Scheik. Toen zweeg hij en keek mevrouw Tillens aan. „Het is
+een ellendige geschiedenis geweest, Paula,” vervolgde hij een oogenblik
+later, „ik had al veel eerder willen komen, maar ik was bang, dat je
+niets van ons zoudt willen weten. Je weet niet hoe blij ik ben, dat je
+bereid bent alles te vergeven.”
+
+„En te vergeten, Johan; laten wij er nu maar niet verder over spreken.”
+
+„Neen, neen, Paula, dat gaat zoo maar niet, daar kwam ik juist voor
+hier. Ik wilde je vertellen, dat ik besloten ben alles nog eens grondig
+te laten onderzoeken.”
+
+„Heb je dat dan niet vroeger gedaan, bij het leven van mijn armen man?”
+
+„Zeker wel, maar toen leefde de oude heer Stokman nog en ik ben
+langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat hij de schuld van alles
+was. Hij schijnt een gladde vogel geweest te zijn, die wel degelijk
+belang had bij het wegraken van de bedoelde papieren. Ik word woedend
+als ik eraan denk, dat wij, zooals ik nu zeker weet, dien armen Tillens
+onschuldig verdacht hebben en het nu niet meer aan hem kunnen goed
+maken. Kan jij je voorstellen, wat dat voor een gevoel moet zijn,
+Paula? Wil je me toestaan, zooveel ik kan het geleden onrecht aan jou
+en je kind te vergoeden?”
+
+„Als je dat verlangt, Johan.”
+
+„Niets liever dan dat,” antwoordde de heer Van Scheik blijkbaar
+opgelucht, omdat zij geen wrok koesterde. „Je moet weten,” zeide hij
+een oogenblik later, „dat Mina en Clara vandaag mee hadden willen
+komen, maar ik wilde je liever eerst alleen spreken om met je te
+overleggen. Welke plannen hadt je eigenlijk met Paula?”
+
+„Om je de waarheid te zeggen, had ik nog geen vast plan betreffende
+haar. Zij moet natuurlijk haar eigen brood verdienen, ik denk wel, dat
+zij bij het onderwijs zal gaan. Zij heeft een goed hoofd om te
+studeeren.”
+
+„Wat een toekomst voor het arme kind, naar de kweekschool, examens
+doen, en dan de eerste jaren van ’s morgens tot ’s middags aan een
+armenschool les geven en tegelijk voor haar hoofdakte werken. En als
+zij dan nog maar een goed salaris kreeg, maar dat is ook maar net
+genoeg om niet van honger om te komen. Neen, Paula, zoo’n leven wil ik
+je dochter zoo mogelijk besparen. Ik heb er in de laatste dagen eens
+over nagedacht en ben tot de slotsom gekomen, dat het voor Bertha en
+Paula zeker heel aardig zou zijn, samen te werken. Bertha’s groote
+illusie is het gymnasium af te loopen en te gaan studeeren; zou Paula
+daar ook zin in hebben? zij zou dan een betere toekomst te gemoet gaan,
+dan als eenvoudig onderwijzeres.”
+
+„Of zij het prettig zou vinden? dat zou ik meenen!” antwoordde mevrouw
+Tillens.
+
+„Wij zijn van plan Bertha het volgend jaar op het gymnasium te doen.
+Misschien kan zij dan met bijwerken van Grieksch en Latijn in de tweede
+klasse komen en nu had ik het volgende bedacht: Jij komt met Paula bij
+ons in de stad wonen, de meisjes nemen samen privaatles en volgend jaar
+gaan zij naar het gymnasium. Wat zeg je daarvan? Je zoudt Paula
+natuurlijk bij ons in huis kunnen doen, terwijl jij hier bleef wonen,
+maar ik begrijp, dat het je te zwaar zou vallen van haar te scheiden en
+het kind zou jou te veel missen. Ik heb al een aardig huis voor je op
+het oog, niet duurder dan dit en met een flinken tuin, en de opvoeding
+van Paula is natuurlijk voor mijn rekening, dat mag je mij niet
+weigeren, Paula, anders denk ik, dat je nog boos bent. De cursus is nog
+geen twee maanden aan den gang, dus kan zij gemakkelijk invallen en de
+school hier is goed zoodat ik niet bang ben, dat zij niet in de zevende
+zal komen.”
+
+„Het komt zoo plotseling, Johan, mag ik er een paar dagen over denken?”
+
+„Natuurlijk, maar niet te lang, want het zou het beste wezen, dat Paula
+over een week op school kwam.”
+
+„Maar, ik heb hier nog een jaar huur.”
+
+„Dat breng ik wel voor je met den huisheer in orde, laat dat maar aan
+mij over, wanneer zoo iemand met een man te doen heeft, zal hij veel
+welwillender zijn, dan wanneer jij dat zaakje met hem afhandelt. Nu,
+Zondag verwacht ik je antwoord. Wil je ons het genoegen doen, dien dag
+bij ons te komen doorbrengen? dan kom ik je om tien uur per rijtuig
+halen, je doet er ons allen een groot genoegen mee, dat begrijp je.”
+
+„Zeg aan Mina, dat ik graag zal komen, want dat ik erg verlang haar
+terug te zien,” antwoordde mevrouw Tillens.
+
+De meisjes kwamen arm in arm de kamer in en waren dol blij, toen zij
+hoorden, dat zij elkaar den volgenden Zondag weer terug zouden zien.
+
+„Ik mag meerijden om tante en Paula te halen, hé pa?” vroeg Bertha.
+
+„Wij zullen het aan mama vragen, als die het goed vindt, heb ik er ook
+niets tegen,” antwoordde haar vader. „Maar nu wordt het onze tijd,
+jonge dame, neem dus afscheid van tante en Paula.”
+
+Dezen deden hen nog uitgeleide tot aan het hek en een oogenblik later
+reden vader en dochter weg.
+
+„Ik heb heel groot nieuws voor je, Pautje,” zeide mevrouw Tillens,
+zoodra zij en haar dochter weer alleen waren. „Oom heeft mij een
+voorstel gedaan, maar ik heb gezegd, dat ik er nog een paar dagen over
+moest denken, want als jij het al te akelig vindt, dan wil ik het niet
+aannemen.”
+
+„Wat is het dan toch, moesje?”
+
+„Als het doorgaat zou je van hier weg moeten, zou je dat héél naar
+vinden?”
+
+„Ik weet het niet, ma, nu Annie weg is, heb ik het hier zoo stil.”
+
+„Nu, oom kwam vragen of jij er zin in zou hebben met Bertha samen
+privaatlessen te nemen, om daarna met haar naar het gymnasium te gaan
+en later te studeeren.”
+
+Paula’s oogen glinsterden van blijdschap. „Meent u het? O, moes, het is
+bijna te heerlijk!”
+
+„Maar je moet niet vergeten, dat je dan nooit meer hier komt, want wij
+moeten dan in de stad gaan wonen en je bent zoo aan het buitenleven
+gewend.”
+
+„Ja, moesje, dat is wel zoo, maar u weet niet hoe heerlijk het daar is
+met al die andere meisjes. Hier ben ik altijd alleen.”
+
+„Wij waren toch samen, Pautje, maar je hebt misschien gelijk,” merkte
+mevrouw Tillens met een zucht op, „jong hoort bij jong en een oude
+moeder is geen vroolijk gezelschap voor een meisje van dertien jaar.”
+
+„Neen, ma, dat moet u niet zeggen,” riep Paula verdrietig, terwijl zij
+een arm om den hals van haar moeder sloeg, „maar u weet niet hoe
+prettig het daar bij mevrouw Stubbens was.”
+
+„Zeker, kindje, ik begrijp het best; dus zal ik dan Zondag maar aan oom
+zeggen, dat ik zijn voorstel aanneem?”
+
+„Verrukkelijk, moesje, met Bertha en nu eerst ook nog met Annie op
+dezelfde school!” en de anders zoo kalme Paula danste in haar
+blijdschap de kamer rond.
+
+Mevrouw Tillens verlangde bijna even sterk naar den Zondag als haar
+dochtertje en toen Paula, die den Zondagmorgen al een half uur met den
+neus tegen de ruiten gedrukt had gezeten, haar eindelijk opgetogen van
+blijdschap toeriep, dat het rijtuig aankwam, stond zij al geheel gereed
+te wachten.
+
+Bertha had van haar moeder toestemming gekregen om mee te gaan om haar
+tante en nichtje te halen, en het duurde niet lang of mevrouw Tillens
+en Paula zaten bij hen in het rijtuig.
+
+„Oom,” zeide Paula, onder het rijden, „als ik dien vorigen Zondag niet
+verdwaald was, dan had ik tante niet ontmoet en dan zou u niet bij ons
+gekomen zijn.”
+
+„Dat denk je maar,” antwoordde de heer Van Scheik, „ik was het al lang
+van plan, maar ik was bang, dat je moeder niets van mij wilde weten en
+daarom heb ik niet eerder durven komen.”
+
+„Foei, Johan, hoe kan je zoo spreken, dat weet je wel beter!” riep
+mevrouw Tillens verontwaardigd.
+
+„Daar staat mama aan het raam naar ons uit te kijken,” zeide Bertha en
+het volgende oogenblik hield het rijtuig voor het huis der familie Van
+Scheik stil.
+
+Onmiddellijk werd van binnen de deur geopend en nu had er een innige
+begroeting tusschen de beide zusters plaats.
+
+„Ach, Paula, ik heb zoo naar je verlangd,” zeide mevrouw Van Scheik met
+tranen in de oogen.
+
+„En ik dan, Mina,” was het antwoord van haar zuster. „Weet je wel dat
+het al vijftien jaar geleden is, dat wij elkaar voor het laatst zagen?”
+
+„Spreek er me niet van, het lijkt me een eeuw,” riep mevrouw Tillens,
+„maar nu zal het anders worden, want wij komen hier wonen.”
+
+„Ik had wel hoop dat je het voorstel zou aannemen, Paula,” merkte de
+heer Van Scheik op, „daarom heb ik alvast den sleutel gevraagd van het
+huis, waarvan ik je sprak, dan kan je het van middag gaan zien. Het is
+hier schuin tegenover, je kunt het van hier zien, dat huis met het
+bordje „te huur.””
+
+„Wat, dat groote huis! zijn de huizen hier allemaal zoo goedkoop?”
+vroeg mevrouw Tillens.
+
+„O, je zoudt er versteld van staan als je die prijzen hoorde,”
+antwoordde mijnheer Van Scheik met een knipoogje tegen zijn vrouw.
+
+Na de koffie gingen zij gezamenlijk naar den overkant, want de meisjes
+wilden natuurlijk ook graag mee en daarna zouden deze Annie gaan
+opzoeken en haar voor dien middag ten eten vragen.
+
+De bedoelde woning was wel niet zoo groot als mevrouw Tillens eerst
+dacht, maar ze was ruim en gezellig en het heerlijkst van alles was de
+groote tuin, die zich achter het huis uitstrekte.
+
+„Als je liever buiten de stad woont om het gevoel te hebben van toch
+nog buiten te zijn,” zeide de heer van Scheik, „dan kan je even buiten
+de stad ook nog een huis krijgen; je hebt maar te kiezen.”
+
+„Neen, dank je,” antwoordde mevrouw Tillens, „dat buitenleven kan ons
+niet schelen, wij zijn veel liever in de buurt van tante, nietwaar,
+Pautje?”
+
+„Ja, ma, dat is veel prettiger.”
+
+„Dat is dan in orde,” hernam mijnheer Van Scheik, „dan zal ik dit huis
+morgen dadelijk voor je huren en Dinsdag stuur ik je Mina voor een paar
+dagen om je met de verhuizing te helpen.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+FRANS VAN MEEREL BEZOEKT DEN HEER STUBBENS.
+
+
+Ongeveer een maand was er verloopen. Mevrouw Tillens woonde reeds
+sedert een paar weken in de Markusstraat tegenover haar zuster en Paula
+was bij Bertha in de klas gekomen. Annie die eerst zoo verdrietig was
+geweest, omdat zij bij tante Dora moest gaan logeeren, bedacht nu met
+schrik, dat er reeds twee maanden van haar verblijf bij de familie
+Stubbens om waren. Zij had in dien tijd nog een paar brieven van Mary
+Ackfield gekregen en in den laatsten had deze haar verteld, dat zij
+over veertien dagen met haar zuster en den heer Van Walen naar
+Wilgenhorst kwam, omdat daar het een en ander veranderd moest worden.
+
+Haar brieven aan Annie waren altijd zoo lief en hartelijk, dat het kind
+bepaald begon te verlangen om kennis met haar te maken, zoodat zij in
+de wolken was, toen Mary schreef dat zij naar Nederland kwam.
+
+„Tante,” zeide zij toen zij na het lezen van dit schrijven in de
+huiskamer kwam, waar haar tante zat te werken, „hier is een brief van
+juffrouw Ackfield, zij komt met haar zuster en papa over veertien dagen
+naar Wilgenhorst.”
+
+„Dat is aardig Annie, dan zal ik dadelijk schrijven of juffrouw
+Ackfield hier wil komen logeeren, wat zeg je daarvan?”
+
+„U bent een best tantetje ik vind het heerlijk! schrijft u gauw?”
+
+„Ik beloof het je.”
+
+Annie was met haar nichtjes en Tom naar school gegaan en zoodra mevrouw
+Stubbens met haar huishoudelijke bezigheden klaar was, schreef zij aan
+Mary Ackfield om haar te logeeren te vragen. De brief was reeds klaar
+en verzonden, toen de kinderen om twaalf uur uit school kwamen.
+
+„Frans is tegenwoordig zoo saai,” zeide Tom, „je hebt niets meer aan
+hem. Hij is knorrig en vervelend.”
+
+„Heeft hij misschien thuis een standje gehad, omdat hij een slecht
+rapport heeft?” vroeg de heer Stubbens.
+
+„Dat weet ik niet, misschien wel, want hij had vier onvoldoenden en
+zijn papa is erg streng.”
+
+„Dat is maar goed ook,” bracht Coba wijsneuzig in het midden, „hij doet
+veel meer aan sport dan dat hij werkt.”
+
+„Stil, Coba hoe weet jij nu of Frans werkt of niet?” vroeg haar moeder
+streng.
+
+„Anders kon hij toch geen vier onvoldoenden hebben,” pruttelde Coba
+binnensmonds en verliet de kamer.
+
+Toen de heer Stubbens dien avond, in zijn studeerkamer zat, kwam Suze
+hem zeggen, dat de jongeheer Van Meerel hem wenschte te spreken.
+
+„Laat den jongeheer maar binnen,” antwoordde de heer Stubbens, een
+stoel voor Frans bijschuivende. Het volgende oogenblik trad de jongen
+de kamer in.
+
+„Dag, meneer.”
+
+„Dag, Frans, kom binnen, wat heb jij op je hart? Kan ik iets voor je
+doen?”
+
+Het gezicht van Frans klaarde op, omdat mijnheer Stubbens hem het begin
+zoo gemakkelijk maakte. „Ja, meneer dat is het juist, waar ik om kom. U
+heeft mij vroeger wel eens gezegd, dat u mij zou willen helpen als het
+noodig was.”
+
+„Als het iets is, dat ik doen kan, dan kan je op mij rekenen.”
+
+„Ziet u, ik wou vragen, of u niet voor mij met papa zou willen spreken.
+Ik wou zoo graag van het gymnasium af, maar ik durf het niet aan papa
+te zeggen. Papa houdt zelf zooveel van studeeren, dat hij zich niet kan
+voorstellen, dat een ander er een hekel aan heeft.”
+
+„Maar, heb je dan al bedacht, wat je zoudt willen worden?”
+
+„Ik zou graag naar de landbouwschool gaan, meneer.”
+
+„Maar, zeg dat dan aan je vader.”
+
+„Dat durf ik niet, meneer, daarvoor kwam ik nu juist bij u. Zou u het
+niet voor mij willen doen?”
+
+„Hoor eens, jongen, ik zou het graag voor je doen, als het noodig was
+maar, ik zal je eens wat zeggen. Eenigen tijd geleden ben ik bij je
+vader geweest en toen heb ik hem over jou gesproken, juist ook, omdat
+ik wel inzag, dat jij geen jongen bent voor de studie. Je papa had er
+geen flauw vermoeden van dat je liever iets anders zou worden; hij
+zeide, dat je er nooit met hem over gesproken hadt en daarom vind ik
+het beter, dat je het eerst zelf aan je vader vertelt.”
+
+„Maar dat durf ik niet, meneer.”
+
+„Kom, niet zoo laf, hoor! je vader zal je niet opeten, hij zou je nooit
+tegen je zin willen dwingen.”
+
+„Papa zou toch zelf ten slotte inzien, dat het niets geeft, ik kan al
+dat gedoe niet in mijn hoofd werken. Maar het is altijd papa’s illusie
+geweest dat ik ook dokter zou worden, evenals hij.”
+
+„Neen, Frans, ik weet dat je papa er best over te spreken is en mocht
+je het niet met hem over de zaak eens kunnen worden, kom dan gerust bij
+me, dan zal ik eens zien, wat ik voor je doen kan. Als je papa er ooren
+naar heeft, zeg hem dan, dat hij later op mij kan rekenen, wanneer je
+de school hebt afgeloopen en een plaatsing zoekt, want dan kan ik je
+daarbij van dienst zijn.”
+
+„Dank u wel voor uw raad, meneer, ik zal morgen dadelijk met papa
+spreken, als papa tenminste een oogenblik voor mij over heeft.”
+
+„Dat is flink, jongen en ik hoop, dat je mij in ieder geval den uitslag
+zal komen vertellen,” antwoordde de heer Stubbens opstaande, „nu,
+Frans, het beste.”
+
+„Dag, meneer, dank u nog wel,” zeide de jongen, de hand aannemende, die
+de heer Stubbens hem toestak.
+
+Zijn vader was al uit, toen Frans thuiskwam, dus moest hij tot den
+volgenden dag wachten.
+
+„Pa, hebt u het vandaag erg druk?” vroeg hij den volgenden morgen aan
+het ontbijt, „ik wou u zoo graag spreken.”
+
+„Ja, jongen, ik heb nu geen tijd,” antwoordde de dokter zijn zakboekje
+te voorschijn halende, „laat eens zien, ik ben tot het eten toe bezet,
+maar dan behoef ik niet eer uit voor acht uur. Na tafel ben ik dus tot
+je dienst, kom dan maar bij mij in mijn kamer.”
+
+Na het eten volgde Frans zijn vader naar diens studeervertrek.
+
+De dokter wees op een stoel. „Ga zitten, Frans, dan kunnen wij beter
+praten, wat heb je mij te vertellen?”
+
+„Pa, ik wou zoo graag van het gymnasium af, ik zal toch nooit kunnen
+studeeren.”
+
+Zwijgend keek de dokter zijn zoon aan.
+
+„Het is jammer, verbazend jammer,” zeide hij eindelijk op
+teleurgestelden toon. „Je overgrootvader, je grootvader en ik, wij
+waren allemaal dokter van geslacht tot geslacht, dus was het eigenlijk
+de aangewezen weg geweest, dat jij er ook een zoudt worden. Maar toch
+vrees ik dat je gelijk hebt. Maar wat wil je dan? op een kantoor?”
+
+„Neen, als ’t u blieft niet, ik zou graag naar de landbouwschool gaan.”
+
+„Hoe kom je daar zoo toe?”
+
+„Ik heb er lang zin in gehad, pa en ik zal het u maar zeggen, ik ben
+gisteravond bij mijnheer Stubbens geweest om te vragen of die er ook
+met u over wou spreken, want hij had mij gezegd, dat ik maar bij hem
+moest komen als ik hulp noodig had,” zeide Frans terwijl hij een kleur
+kreeg.
+
+Het hinderde den heer Van Meerel, dat Frans eerst naar een vreemde was
+gegaan, in plaats van met zijn eigen vader te spreken, maar hij voelde
+dat hij dit aan zichzelf te wijten had, daar hij zijn zoon nooit de
+gelegenheid had gegeven rustig met hem te praten. „Wilde mijnheer
+Stubbens het niet voor je doen?” vroeg de dokter.
+
+„Meneer zeide, dat ik het eerst zelf aan u moest zeggen, en als u het
+toestond, dan zou hij wel met u willen spreken.”
+
+„Zeer verstandig van mijnheer, dat hij je eerst zelf met mij liet
+spreken, dat is toch ook zooals het behoort. Maar, stel nu, dat je op
+de landbouwschool komt en die hebt afgeloopen, wat dan verder?”
+
+„Meneer Stubbens zeide ook nog, dat ik aan u moest zeggen, dat hij me
+dan wel een plaatsing zou kunnen bezorgen.”
+
+„Nu, jongen, ik zal erover denken, want zoo gaat het toch ook niet, dat
+zie ik zelf wel in,” zeide de dokter met een zucht, „doe nu goed je
+best, zoolang je nog op het gymnasium bent, dan zal ik erover denken.
+Het is jammer, verbazend jammer,” hoorde Frans hem nog mompelen, toen
+hij de studeerkamer van zijn vader verliet, om boven zijn werk te gaan
+maken.
+
+Voordat de dokter dien avond naar huis reed, ging hij nog even bij den
+heer Stubbens aan.
+
+„Mijnheer thuis?” vroeg hij aan Suze, die hem opendeed.
+
+„Jawel, dokter, komt u maar even binnen.”
+
+Suze liet den heer Van Meerel in de kamer van den heer Stubbens en ging
+toen binnen zeggen, dat de dokter meneer wenschte te spreken.
+
+„Zeg aan den dokter dat ik dadelijk kom, Suze,” en toen het meisje weg
+was, voegde de heer Stubbens er tot zijn vrouw bij: „als Van Meerel den
+jongen toch wil dwingen om op het gymnasium te blijven, dan zeg ik hem
+de vriendschap op, die Frans is evenmin geschikt om dokter te worden,
+als mijn oude schoen.” Daarop legde meneer zijn boek neer en begaf zich
+naar zijn kamer.
+
+„Stubbens, ik kom je bedanken,” zeide de dokter, nadat de heeren elkaar
+de hand hadden gegeven.
+
+„Zoo, waarmee? Maar ga eerst zitten.”
+
+„Wel, omdat je mijn jongen naar mij verwezen hebt,” antwoordde de
+dokter plaats nemende.
+
+„Nu, dat was toch de aangewezen weg, ik, als vreemde, kon mij toch niet
+tusschen jou en je zoon plaatsen? ja, als jij heelemaal niet naar den
+jongen hadt willen luisteren, dan was het een ander geval geweest, dan
+zou ik mij er wel mee bemoeid hebben, omdat hij het mij verzocht had.
+En, als ik vragen mag, wat is het eind van het lied?”
+
+„Dat ik beloofd heb erover te denken. Het lijkt mij nog zoo’n kwaad
+idee niet, die landbouwschool en als hij er plezier in heeft, zal hij
+ook met meer hart werken en beter vooruitkomen, maar ik heb zoo weinig
+tijd om die zaak in orde te brengen, dat is zoo ellendig.”
+
+„O, maak je daar niet bezorgd over, als je het goed vindt, wil ik het
+heelemaal voor je bedisselen, want ik heb tijd in overvloed.”
+
+„Zou je dat willen?” vroeg de dokter dankbaar, „je begrijpt, dat ik het
+graag zelf zou doen, maar ik weet zoowaar niet, waar ik den tijd
+vandaan moet halen, want het is misschien het beste om met den
+directeur zelf te spreken?”
+
+„Laat alles maar aan mij over, Van Meerel. Als de zaak voor elkaar is,
+behoef je alleen maar aan Frans ie zeggen, je gaat dan en dan naar de
+landbouwschool en je gaat in huis bij den broer van meneer Stubbens.
+Zou je dat lijken?”
+
+„Jij bent nog eens een vriend, waar iemand wat aan heeft, Stubbens,
+maar mij dunkt, dat je broer ervoor zal bedanken zoo’n jeugdigen
+levenmaker in huis te nemen. Misschien is hij niet aan kinderen
+gewend.”
+
+„Hij heeft er zelf vier, dus dat zal wel gaan; het zijn aardige, flinke
+jongens en er is daar gelegenheid in overvloed voor sport.”
+
+„Zonder sport zou Frans, geloof ik, niet meer kunnen leven,” merkte de
+dokter op, „als zijn werk er dan maar weer niet onder lijdt.”
+
+„Neen, daar zal mijn broer wel op passen, nu, ik zal er morgen dadelijk
+werk van maken.”
+
+De dokter vertrok na zijn vriend nog eens bedankt te hebben en reed
+naar huis.
+
+Frans durfde zijn vader verder niet meer vragen, hoe het met de zaak
+stond en als hij er zijn moeder naar vroeg, dan antwoordde deze altijd,
+dat hij het wel van zijn vader hooren zou, wanneer deze het noodig
+vond, dat Frans het zou weten.
+
+Drie dagen gingen er voorbij, zonder dat zij iets hoorden, maar op den
+vierden dag, toen de familie Van Meerel juist van tafel was opgestaan,
+werd de heer Stubbens aangediend.
+
+„Laat mijnheer maar hier binnen,” zeide de dokter en het volgende
+oogenblik trad zijn vriend de huiskamer in.
+
+„Dag mevrouw, dag Van Meerel, zoo jeugdige losbol, hoe gaat het met
+jou?” voegde de heer Stubbens er tot Frans bij en gaf ieder beurtelings
+de hand. „Ik kwam maar even vertellen, dat de zaak in orde is. Als onze
+jonge vriend, daar, er plezier in heeft, kan hij na de Kerstvacantie op
+de landbouwschool komen en mijn broer zal tegen dien tijd een kamer
+voor hem inruimen.”
+
+Met een open mond stond Frans te luisteren.
+
+„Mag ik werkelijk gaan, pa?” vroeg hij eindelijk.
+
+„Je hoort het,” antwoordde zijn vader, „meneer Stubbens is zoo
+vriendelijk geweest de zaak voor mij in orde te brengen, omdat ik er
+geen tijd voor heb; je mag er meneer wel voor bedanken.”
+
+Frans gaf den heer Stubbens de hand. „Dank u wel, meneer, dat u dat
+voor mij gedaan hebt,” zeide hij.
+
+„Niets te danken, jongen.”
+
+„Ik zal direct zelf aan je broer schrijven, Stubbens en hem zeggen, dat
+ik in de Kerstvacantie met Frans bij hem hoop te komen om kennis te
+maken,” zeide de dokter, toen zijn vriend opstond om heen te gaan, „en
+ik dank je nog wel voor de moeite.”
+
+„Kent papa dien broer van meneer Stubbens, ma?” vroeg Frans toen de
+dokter was uitgegaan, „en is het een klein gezin?”
+
+„Neen, kind, wij kennen die menschen niet, maar er zijn vier jongens
+dus gezelschap genoeg voor je. O, Frans, als zij je maar geen slechte
+dingen zullen leeren,” voegde de bezorgde moeder er angstig bij.
+
+„Welneen, ma, het is leuk, hè, met je vijven jongens in huis.”
+
+„Je hadt hier toch vrienden genoeg,” zeide zijn moeder verwijtend, „je
+kon Tom en de andere jongens zoo dikwijls zien als je maar wilde. En
+hier heb je ons tenminste nog, terwijl je daar geheel onder vreemden
+bent.”
+
+„Maak er mij nu niet tegen, ma, nu alles is afgesproken. Wil ik u eens
+wat zeggen?” voegde de jongen er vertrouwelijk bij. „Al waren die
+meneer en mevrouw Stubbens de akeligste menschen van de wereld en al
+had ik daar geen enkelen vriend, dan zou ik toch nog blij zijn, dat ik
+van dat ellendige gymnasium afkon, dáár!”
+
+Het kwam zoo uit den grond van zijn hart, dat zijn moeder nu eerst een
+denkbeeld ervan kreeg, welk een afschuw de arme jongen van de studie
+had, waarvoor hij voelde dat hij niet berekend was.
+
+„Vind je het er zóó erg, jongen?” vroeg zij, hem naar zich toe
+trekkende. „Dan ben ik ook van harte blij voor je, dat je er van daan
+gaat.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+JUFFROUW ACKFIELD.
+
+
+„Kijk eens, Annie,” zeide mevrouw Stubbens, toen Annie den dag na het
+bezoek van haar oom aan den dokter, ’s middags uit school kwam. „Kijk
+eens wat ik hier heb.”
+
+„Een brief!” riep Annie blij, „van juffrouw Ackfield?”
+
+„Juist, een brief van juffrouw Ackfield,” herhaalde tante Dora, „en zij
+schrijft, dat zij den twaalfden November bij ons komt. Haar zuster gaat
+bij onze gemeenschappelijke vrienden logeeren en Mary komt hier,
+terwijl je vader op Wilgenhorst is.”
+
+„Verrukkelijk, heerlijk!” riep Annie opgetogen, „twaalf November al en
+vandaag is het al de derde.”
+
+„Een mooie rekensom, Annie,” merkte haar oom op. „Vandaag is het de
+derde November en de twaalfde komt de logee, hoeveel dagen moeten er
+dan nog verloopen, voordat zij er is? Ik wed, dat Tine het nog wel
+weet. Kom eens hier, Tine en zeg eens over hoeveel dagen juffrouw
+Ackfield komt.”
+
+„Vijf en twintig,” antwoordde de kleine prompt.
+
+„Niet waar,” riep Annie en telde op haar vingers: „vier, vijf, zes,
+zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf. Negen dagen nog!” en zegevierend
+hield zij negen vingers in de hoogte.
+
+„Netjes uitgerekend,” hervatte haar oom, „maar zonder die vingers zou
+het nog mooier geweest zijn. Je kunt toch wel uit je hoofd aftrekken,
+jongejuffrouw?”
+
+„Ja, oom,” antwoordde het meisje lachend, „maar zoo is het
+gemakkelijker.”
+
+„Je mag ook Flok nog wel beter leeren opzitten, voordat juffrouw
+Ackfield komt. Ik weet, dat zij veel van honden houdt en dan zal zij
+dat zeker wel aardig vinden,” merkte mevrouw Stubbens op.
+
+„Hij kan al prachtig, kijk maar, mooi, Flok, mooi!”
+
+„Keurig, hoor,” zeide mijnheer Stubbens, toen Flok statig als een paal
+overeind ging zitten, „hoeveel kaakjes heb jij wel opgegeven, Annie om
+het hem te leeren?”
+
+„Hij kreeg er ook altijd een, wanneer ik er een nam, oom,” antwoordde
+Annie, terwijl de heer Stubbens lachend opstond om de kamer te
+verlaten.
+
+„Dag, ma, dag, pa, verbeeld u Frans gaat weg, wat lam hè?” Met deze
+woorden kwam Tom de kamer binnen.
+
+„Wij wisten het al, jongen,” zeide zijn moeder, „je papa is er zelf
+voor uit de stad geweest om met oom Stubbens te spreken, bij wien Frans
+in huis gaat.”
+
+„Frans is zeker blij, Thomas?” vroeg zijn vader.
+
+„Nou, of ie, ik heb hem nog nooit zoo dol gezien als vandaag en hij
+vertelde juist, dat hij bij oom Piet in huis gaat, dat vindt hij ook
+zoo leuk.”
+
+„Oom en tante zullen wat te stellen krijgen met vijf jongens in huis,”
+merkte zijn vader op. „Denk je ook niet, Thomas?”
+
+„Dat hangt er van af, pa, als zij allemaal zoo lief zijn als Frans en
+ik dan zal het wel schikken.”
+
+„Nu, in ieder geval zou ik hem niet feliciteeren,” hernam de heer
+Stubbens en gaf Tom schertsend een klap op den schouder, waarna hij den
+kamer uitging.
+
+„Tante, vertel mij nog wat van juffrouw Ackfield,” zeide Annie, „hoe
+ziet zij eruit, is zij mooi?”
+
+„Zeker, zij is heel mooi,” antwoordde tante Dora nadenkend, alsof zij
+zich het gelaat van de bedoelde dame voor den geest trachtte te roepen.
+„Zij is een mooie vrouw met een mooi elegant figuur, donker haar en de
+liefste oogen, die ik ooit gezien heb. Ik houd heel veel van haar.”
+
+„U maakt, dat ik zoo verlang om haar te ontmoeten, tante, weet u wat ik
+zal doen? Ik ga negen streepjes op een papier zetten en iederen dag
+schrap ik er een door, dan is het veel gauwer de twaalfde,” zeide
+Annie.
+
+„Zou je dat denken?” vroeg haar tante met een glimlach; „ik weet nog
+een ander middel dat maakt dat de tijd vlug voorbij gaat, je moet die
+beide middelen eens probeeren en dan wed ik, dat het mijne het beste
+helpt.”
+
+„Wat is dat dan?”
+
+„Niet leeg zitten, zoodra je je gaat vervelen en moet vragen, tante,
+wat zal ik nu gaan doen, ik verveel mij zoo? altijd bezig zijn. Ik
+bedoel natuurlijk niet dat je altijd moet leeren en werken,” voegde
+mevrouw Stubbens er snel bij, toen zij Annie’s gezichtje zag betrekken,
+„iedereen heeft behoorlijk uitspanning noodig, maar al neem je slechts
+een papier en potlood om te teekenen, als je maar niet leeg zit, dan
+zal je zien, dat de tijd in een oogenblik om gaat.”
+
+„Gaat de dag dan gauwer om, tante?”
+
+„Dat lijkt tenminste zoo; jij denkt toch niet, dat hij een minuut
+gauwer verloopen zal omdat jij die streepjes afschrapt?”
+
+„Neen, tante, maar Tom zegt, dat het helpt.”
+
+„Nu, zet jij maar je streepjes en schrap ze af, maar volg ook mijn raad
+dan zal je eens zien, hoe gauw het de twaalfde is.”
+
+In den laatsten tijd had Annie eenige neiging getoond tot tijd
+verbeuzelen; niet dat zij stil bleef zitten zonder iets uit te voeren,
+daarvoor was zij veel te woelig, maar de verschillende gebeurtenissen
+der laatste weken en nu weer de op handen zijnde komst van juffrouw
+Ackfield, die zulk een groote plaats in haar leven zou innemen, hadden
+het kind iets rusteloos gegeven, zoodat zij nu eens dit opnam en dan
+weer dat, zonder eigenlijk tot iets te komen, en zich daardoor
+verveelde. Mevrouw Stubbens was dan ook zeer blij dat deze gelegenheid
+zich voordeed om hier een eind aan te maken en deed al haar best om het
+meisje bezigheid te verschaffen buiten de schooluren. Zoo had zij haar
+onder andere een keurig schuiertje gegeven en gezegd, dat zij Flok
+iederen morgen moest schuieren, zoodat hij een mooi glimmend vel zou
+hebben en er netjes uit zou zien tegen dat Mary kwam. Ook moest zij
+Tine helpen om Fliks toilet in orde te houden, want die kleine vriend
+bezat een groote voorliefde voor het kolenhok, zoodat hij soms meer van
+een zwarten, dan van een witten hond had. Verder bedacht tante Dora nog
+allerlei andere dingen en haar moeite werd werkelijk beloond; Annie
+werd rustiger en klaagde niet meer over verveling.
+
+De elfde November was genaderd en toen Annie ’s middags thuiskwam zeide
+haar tante: „nu, meisje, hebben de beide middelen geholpen?”
+
+„Ja, tante, het uwe wel, maar ik heb heelemaal vergeten de dagen af te
+schrappen, drie heb ik er nog gedaan, meer niet.”
+
+„Komaan, dat doet me plezier,” antwoordde mevrouw Stubbens opgeruimd,
+„dat is een bewijs, dat de tijd je niet te lang gevallen is. Nu nog
+maar één dagje, Annie, en wil ik je eens wat zeggen? je mag morgen mee
+naar het station om je papa en juffrouw Ackfield te halen. Zij waren
+eerst van plan geweest ’s morgens te komen, maar dat plan is veranderd,
+zij komen eerst om drie uur aan. Wat een tref, dat het juist op
+Woensdag valt, vindt je niet?”
+
+„O, tante, hoe heerlijk, nu kan ik mee naar den trein!” riep Annie
+uitgelaten van blijdschap. „Gaan wij in de auto?”
+
+„Ik weet het niet, meisje, maar wees nu niet zoo druk, de menschen op
+straat kunnen je hooren, die kijken naar binnen, ik heb er niets tegen,
+dat je vroolijk en blij bent, maar je moet niet zoo uitgelaten zijn.”
+
+Wanneer Annie het al te bont maakte, sprak tante Dora nog wel eens
+streng tegen haar, zooals vroeger op Wilgenhorst, maar toch hield Annie
+nu veel van haar tante evenals deze van haar.
+
+„Ik zou van avond maar vroeg naar bed gaan, Annie,” zeide haar oom dien
+middag aan tafel, schertsend, „des te eerder is het morgen, niet waar,
+Dora?”
+
+„Ik zou bang zijn, dat zij toch in de eerste uren niet in slaap zou
+vallen,” antwoordde mevrouw Stubbens ernstig; „je hebt er geen idee van
+hoe uitgelaten dat kind den heelen dag geweest is; wil je wel gelooven,
+man, dat ik er suf van ben? Ik heb er haar van middag al de les over
+gelezen, maar niets hielp; zij is precies Thomas, wanneer hij een
+pretje in het vooruitzicht heeft.”
+
+„Een goed kind, dat naar haar neef aardt, niet waar, Annie,” merkte de
+heer Stubbens lachend op. „Na morgen worden wij weer verstandig, is het
+niet zoo? dan laten wij aan tante en juffrouw Ackfield zien, dat wij
+vroolijk kunnen wezen, zonder uitgelaten te zijn, zoodat wij ons
+tegenover juffrouw Ackfield niet hoeven te schamen over de opvoeding,
+die wij je hier gegeven hebben. Heb je veel huiswerk te maken?”
+
+„Alleen maar een Fransche thema.”
+
+„Dan weet ik wat, dan gaan wij dadelijk na het eten met Tine en de
+hondjes kalm een eindje wandelen, maar die te wild is, wordt dadelijk
+naar huis gebracht, hoor. Als wij dan terug zijn zal de thema veel
+makkelijker te maken zijn, dan wanneer je er nu direct aan begint.”
+
+Zoo gebeurde het en het gevolg was dat Annie, zoodra zij in bed lag
+rustig insliep en eerst wakker werd, toen de zon in de kamer scheen.
+Zij ontwaakte met het gevoel, dat er iets prettigs ging gebeuren, maar
+zij besefte nog niet dadelijk wat het was. Toen zij eindelijk helder
+wakker was en zich alles herinnerde, sprong zij blij uit bed en kleedde
+zich vlug aan, want voordat zij naar school ging, wilde zij Flok zoo
+mooi maken, als ze maar kon.
+
+Eindelijk was het oogenblik gekomen en reed de auto vóór om haar met
+oom en tante naar het station te brengen. Annie keek toen zij, na een
+minuut of tien gereden te hebben, aankwamen op de stationsklok. Nog zes
+minuten, dan zou de trein er wezen. Op het perron gekomen staarde zij
+onafgebroken in de richting, vanwaar haar oom haar gezegd had, dat de
+trein komen zou, maar het werd langzamerhand zoo druk, en er kwamen
+zooveel menschen, dat zij bang werd, dat zij juffrouw Ackfield niet
+zouden vinden.
+
+„Wees maar niet bang,” zeide haar oom troostend, toen zij hem haar
+vrees te kennen gaf, „je papa weet, dat wij hem komen halen, zij zullen
+niet weggaan zonder ons.” En hij nam het meisje bij de hand, zoodat zij
+niet in de drukte van hen af zou raken.
+
+Een dof gerommel deed zich hooren en, werkelijk, daar naderde puffend
+en hijgend de trein; hij verminderde zijn vaart en stond eindelijk
+stil. Portieren werden geopend, menschen drongen naar voren om zich een
+goed plaatsje te veroveren, karren met koffers reden over het perron,
+het „past er op!” klonk Annie van verschillende zijden in de ooren en
+te midden van al die drukte en al dat gewoel, kreeg Annie eensklaps
+haar vader in het oog.
+
+„Papa, daar is papa!” riep zij opgewonden en trok haar oom zoo snel
+mee, dat zij bijna samen onder een vrachtwagen kwamen. Voor het
+oogenblik, toen zij in de armen van haar vader lag, was Annie juffrouw
+Ackfield geheel vergeten, maar de heer Van Walen, die, zoodra hij zich
+uit de omhelzing van zijn dochter had kunnen bevrijden, ook zijn zuster
+en zwager begroet had, keerde haar om, zoodat zij voor een dame stond,
+die volkomen aan tante Dora’s beschrijving beantwoordde.
+
+„Dag mijn lieve, kleine Annie,” zeide een lieve zachte stem en een
+oogenblik later voelde Annie zich hartelijk omhelsd. „Ik hoop dat je
+veel van mij zult houden,” vervolgde de dame en keek Annie daarbij zoo
+teeder aan, dat zij haar hartje stormenderhand veroverde.
+
+De heer Stubbens hielp de dames in den automobiel stappen, en daar zat
+Annie nu naast haar vader, tegenover haar tante en haar toekomstige
+mama.
+
+„Ik ga voorop zitten, naast den chauffeur, tot straks,” zeide de heer
+Stubbens en klapte het portier dicht.
+
+„Dora, ik hoop, dat je niet al te veel last van die wildzang hebt
+gehad,” zeide mijnheer Van Walen onder het rijden, terwijl hij Annie
+lachend in den wang kneep.
+
+„Dat schikt nogal,” antwoordde mevrouw Stubbens glimlachend, „wij
+zullen het nog wel een maandje met elkaar uithouden.”
+
+„Zij is er niet magerder op geworden,” hernam Annie’s vader, blij dat
+zijn zuster en de kleine het zoo goed met elkaar hadden kunnen vinden,
+„en wat is zij gegroeid, als het zoo voortgaat, duurt het niet lang, of
+zij gaat mij boven het hoofd. Zie je er niet tegen op, Mary, zoo’n
+groot meisje in huis te krijgen?”
+
+„Niet als dat groote meisje haar best wil doen om van mij te houden”
+antwoordde Mary vriendelijk en Annie, die zich al geweld had moeten
+aandoen om zoo lang stil te blijven zitten, sprong nu van haar plaats
+op Mary’s schoot en sloeg een arm om haar hals. „Dat doe ik al
+mamaatje,” zeide zij hartelijk en gaf Mary een kus. „Ik mag immers
+wel?” fluisterde zij.
+
+„Natuurlijk,” was het eveneens gefluisterde antwoord en Mary sloeg een
+arm om het meisje heen en drukte haar tegen zich aan.
+
+Het volgende oogenblik sprong Annie op. „Wij zijn er!” riep zij, „kijk
+daar staan ze allemaal aan de deur met Flik en Flok erbij. Ik heb Flok
+ter eere van u heel mooi gemaakt,” vertelde zij vertrouwelijk aan Mary,
+„hij glimt zoo mooi, ik heb hem een heelen tijd geschuierd en hem een
+rood lint om gedaan.”
+
+„Dan moeten wij hem straks, als wij binnen zijn, goed bewonderen, want
+je weet zeker wel, dat ik veel van honden houd?” zeide Mary, haar
+vriendelijk toelachend, „ik ben erg benieuwd om kennis te maken met
+dien beroemden Flok, waarover je mij zooveel geschreven hebt. Vergeet
+vooral niet, dat ik hem moet zien opzitten.”
+
+De automobiel stond stil en de gasten werden vroolijk verwelkomd door
+Tom en zijn drie zusjes. Kleine Tine stond al op de stoep te springen
+en riep reeds voordat het portier geopend was, met haar schelle
+stemmetje: „Dag, juffrouw Mary, dag juffrouw Mary!”
+
+„Wacht eens, ik zal je juffrouw Maryen,” riep toen een vroolijke
+mannestem en voordat Tine wist, wat er gebeurde, werd zij in de sterke
+armen van mijnheer Van Walen in de hoogte getild.
+
+„O, het is oompje,” zeide de kleine lachend, terwijl ze met haar beide
+kleine handen op ooms wangen trommelde en hevig spartelde om weer op
+den grond gezet te worden. „Dag, oom Karel,” hernam zij toen deze haar
+had neergezet, „waar is nu juffrouw Mary?”
+
+„Wat een kleine schat,” fluisterde Mary tot tante Dora en op Tine
+toeloopende, die haar met een paar groote blauwe oogen aankeek, zeide
+zij, terwijl zij het kind een kus gaf, „ben jij nu Tine, van wie Annie
+mij zooveel verteld heeft? geef tante Mary maar eens gauw een zoentje.”
+
+De kleine deed het en riep toen luid tegen Annie: „Annie, tante Mary is
+een heel lieve mama.”
+
+Iedereen lachte en toen Mary de oudere meisjes en Tom ook begroet had,
+ging men de huiskamer binnen. „Annie,” zeide tante Dora, „wil jij
+juffrouw Mary haar kamer wijzen en zien of alles daar in orde is?”
+
+Dit laatste was eigenlijk overbodig, want telkens als Suze naar boven
+was gegaan, was Annie met haar meegeloopen en had zij als een klein
+huismoedertje gevraagd: „Suze, heb je ook aan dit gedacht, Suze, heb je
+aan dat gedacht?” zoodat er werkelijk niets vergeten was.
+
+Mary Ackfield trok den arm van het meisje door den haren. „Kom, Annie,”
+zeide zij, „wil jij me mijn kamer wijzen, dat vind ik aardig, dan gaan
+wij, als je het goed vindt, nu naar boven, Dora.”
+
+„Zeker, dat is best,” antwoordde mevrouw Stubbens en hierop verlieten
+Annie en Mary het vertrek.
+
+In de logeerkamer bleef Annie weifelend bij de deur staan, niet
+wetende, of zij zou mogen blijven, of dat zij moest heengaan.
+
+„Je gaat toch niet weg, Annie?” klonk Mary’s stem vriendelijk. „Kom
+hier, laten wij eerst eens gezellig praten en elkaar beter leeren
+kennen, het is nog vroeg, wij hebben allen tijd; je hebt mij in je
+brieven wel veel verteld, maar ik ben toch verlangend meer over jezelve
+te hooren.” Al sprekend had Mary in een grooten armstoel plaats genomen
+en nu trok zij het meisje, dat inmiddels dichterbij gekomen was, naast
+zich in den stoel.
+
+„Je bent wat te groot voor een schootkindje,” zeide zij lachend, „maar
+zoo kunnen wij ook gezellig praten. Ziezoo, vertel mij nu eens van je
+vriendinnetjes, Paula woont nu ook hier, is het niet?”
+
+„O, ja, al een heelen tijd en wij hebben zoo’n pret,” en nu volgde een
+opgetogen verhaal over al het plezier, dat zij en Paula en de andere
+meisjes onder elkaar hadden.
+
+Mary luisterde vol belangstelling, want zij vond het noodig Annie door
+en door te leeren kennen en de verhalen van het meisje vermaakten haar.
+
+„Ik merk wel, dat je hier een prettig leventje hebt” zeide zij
+eindelijk, toen Annie uitgepraat scheen, „hoe zal je het op Wilgenhorst
+maken zonder al die vriendinnen?”
+
+„O, daar denk ik nog maar niet aan, het duurt nog zoo lang, voordat ik
+terugga. Ik blijf nog wel een maand hier en wil ik u eens wat zeggen?”
+voegde Annie er verheugd bij „ik mag leeren schaatsenrijden, morgen zal
+oom voor mij een paar schaatsen koopen en als het blijft doorvriezen,
+zal Tom mij op de baan van de ijsclub leeren rijden. Tom zeide, dat het
+een schande was, dat ik het nog niet eerder geleerd had, maar papa was
+altijd bang dat ik verdrinken zou, maar de baan van de ijsclub is
+ondergeloopen land, daarom mag het nu wel.”
+
+„Dat treft al bijzonder goed,” merkte Mary op, „want kijk maar eens,
+wat ik voor je heb meegebracht,” en opstaande haalde zij een pak uit
+haar koffer en reikte dit aan Annie over.
+
+Annie maakte het open en bracht er een paar schaatsen uit te
+voorschijn.
+
+„O, wat ’n prachtige schaatsen!” riep zij blij en er een tegen haar
+schoen houdende, voegde zij er bij: „kijk ze passen me precies, dank u
+wel, juffrouw Mary.”
+
+„Ben je er blij mee, dat doet me plezier,” antwoordde Mary.
+
+„Nu, òf ik er blij mee ben,” hernam het kind en gaf haar een kus.
+
+„Ik heb voor de anderen ook wat mee gebracht, voor ieder een
+kleinigheidje, Annie, kijk eens, kan je de pakjes naar beneden dragen
+en uitdeelen terwijl ik mij verkleed?” vroeg Mary.
+
+„Ik zal ze in mijn schort meenemen,” antwoordde Annie, dit kleedingstuk
+in de hoogte houdende, zoodat Mary er de pakjes in kon leggen.
+
+„Voor tante Dora, voor Oom, voor Coba, voor Laura, voor Tom en voor
+Tine, heb ik de namen niet goed onthouden?” vroeg Mary lachend, terwijl
+ze de deur voor het meisje opende.
+
+„Weet u die allemaal nog uit mijn brieven?” vroeg Annie verbaasd.
+
+„Ja, meisje en pas nu maar op, dat je niet de trap afvalt met je
+volgeladen schort.”
+
+„Doe eens open, ik heb mijn handen vol,” riep Annie voor de deur van de
+huiskamer gekomen.
+
+Hier was de heele familie bij elkaar en Tom riep verbaasd: „Zou het een
+grap van Annie zijn?” maar hij stond toch op om de deur voor haar te
+openen. „Wel, heb ik van mijn leven, wat is dat allemaal, je lijkt wel
+St. Nicolaas met je schort vol pakjes!”
+
+„Juffrouw Mary heeft voor ons allemaal wat meegebracht,” antwoordde
+Annie vroolijk. „Voor mij zulke mooie schaatsen, Tom, ik heb ze nog
+nooit zoo gezien, ze lijken wel heelemaal zilver. Help je mij nu even
+mijn schort leegmaken? ik kan het niet loslaten.”
+
+Zooals wij boven reeds zagen, had Mary niemand vergeten en elkeen van
+oud tot jong was even blij met het aardige souvenir, dat zij had
+meegebracht.
+
+„Dit popje kan ik niet opeten, dit is om mee te spelen, oom,” zeide
+Tine wijs, terwijl zij aan haar oom Van Walen een mooie pop liet zien.
+
+„Maar, waarom zou je dat popje willen opeten, Tine, doe je dat altijd
+met je poppen?” vroeg haar oom, terwijl hij haar lachend op zijn knie
+trok.
+
+„Die andere popjes kon ik opeten, maar deze kan op den rug van Flik
+rijden. Kom hier, Flik,” riep zij en nadat zij zich van haar ooms knie
+op den grond had laten glijden, begon zij jacht te maken op den kleinen
+fox-terriër, die dat een heerlijk spelletje vond, zich telkens achter
+iemand verstopte en dan om een hoekje gluurde om te kijken of Tine
+aankwam.
+
+„Wat heb je ons allemaal bedorven, Mary,” zeide de heer Stubbens, toen
+Mary Ackfield een kwartiertje later beneden kwam.
+
+„Je hadt mij geen prettiger cadeau kunnen geven, dan dat mooie etui met
+scharen, hartelijk dank ervoor, Mary,” zeide tante Dora en gaf Mary een
+kus.
+
+„Tante Mary,” riep Tom opgewonden, „ik heb nooit zoo’n zakportefeuille
+gezien!” en een arm om Mary’s middel slaande, danste hij met haar in de
+rondte.
+
+„Thomas, Thomas, niet zoo wild,” vermaande zijn vader, „je zoudt
+juffrouw Mary laten vallen.”
+
+„Kom maar hier bij mij zitten, Mary,” merkte de heer Van Walen lachend
+op, „als ik je aan die jeugdige wildebrassen over laat, vermoorden zij
+je nog uit dankbaarheid voor al die mooie geschenken.”
+
+„Ja en ik wil geen bedankjes meer aannemen,” zeide Mary, „jullie doet
+alsof het heel wat is.”
+
+„Zeg, Mary, welke engel heeft je ingeblazen, dat ik juist mijn
+zakpotlood kwijt ben?” vroeg de heer Stubbens, terwijl hij een keurig
+gouden potlood in de hoogte hield. „Je verbiedt ons wel om je te
+bedanken, maar ik doe het toch, op gevaar af mijn kinderen
+ongehoorzaamheid te leeren.”
+
+Natuurlijk bedankten Coba en Laura Mary ook hartelijk voor de mooie
+armbanden, die zij voor hen had meegebracht; Coba sloofde zich zelfs
+uit om vriendelijk te zijn, waarbij Laura natuurlijk haar voorbeeld
+volgde.
+
+Nu braken er heerlijke dagen voor Annie aan. Zij ging hoe langer hoe
+meer van Mary houden, die zooveel mogelijk met het meisje samen was.
+
+Zij haalde haar ’s middags van school, ging zelfs den Zaterdag na haar
+komst met Tom en Annie naar het ijs om Annie’s eerste lessen in het
+schaatsenrijden bij te wonen. Geen wonder, dat het Annie geducht speet,
+toen de acht dagen van Mary’s bezoek om waren en zij en haar zuster
+weer met den heer Van Walen naar Engeland vertrokken, waar Annie’s
+vader en Mary de volgende maand zouden trouwen.
+
+„Het spijt me zoo, dat je niet bij het trouwen kunt zijn, Annie,” zeide
+Mary bij het afscheid nemen, terwijl zij het meisje, dat aan haar hals
+hing, hartelijk kuste, „maar je papa vindt het beter van niet en je
+zoudt het misschien toch niet prettig vinden met al die vreemde
+menschen, die je niet kunt verstaan en die niet zouden begrijpen wat
+jij zegt. Bovendien moet je nu nog maar zoo lang mogelijk van Paula
+genieten, nu zij hier blijft, als jij teruggaat naar Wilgenhorst.”
+
+„Nu, dag kleine meid, als de Kerstvacantie begint, komen mama en papa
+hun dochter halen en dan zal zij niet meer alleen zijn met een ouden,
+brommerigen papa,” zeide de heer Van Walen schertsend, toen hij Annie
+vaarwel kuste.
+
+„U bent geen brommige oude papa,” antwoordde Annie half schreiend „en u
+moet gauw terugkomen met mama.”
+
+Mary lachte haar vriendelijk toe en reikte haar vanuit de coupee nog
+eens de hand, het portier werd dichtgeslagen en de heer Van Walen en
+zijn aanstaande vrouw reden weg, terwijl Annie hen met een bedroefd
+gezichtje stond na te kijken. Aan het volgende station zouden zij
+Mary’s zuster vinden, die in die afgeloopen week ook nog een dag bij de
+familie Stubbens had doorgebracht en dan zouden zij met de nachtboot
+naar Engeland vertrekken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+GROOTMAMA HERMSEN WAAGT NOG EEN POGING.
+
+
+Drie weken waren voorbijgegaan, ook de St. Nicolaasavond behoorde tot
+het verleden, nadat hij bij de familie Stubbens met groote vroolijkheid
+en vele verrassingen gevierd was en op den morgen van den elfden
+December, toen Annie zich nog aan het kleeden was, werd er op de deur
+van haar kamer getikt en kwam Suze binnen met een brief in de hand.
+
+„Mevrouw zeide, dat ik hem maar gauw bij je boven moest brengen, Annie,
+omdat hij uit Engeland komt,” zeide Suze.
+
+„O, Suze, hoe heerlijk, dank je wel,” riep Annie blij en zoodra het
+meisje weg was, scheurde zij de enveloppe open en begon den brief te
+lezen. Twee dagen te voren waren haar vader en Mary getrouwd en
+onmiddellijk daarna, voordat zij op reis gingen, had Mary een kort
+briefje (de brief, dien Suze had binnengebracht) aan Annie geschreven
+om haar te vertellen dat zij nu op reis gingen en over een dag of tien
+hun dochter zouden komen halen.
+
+„Ik heb een brief van mama gekregen, tante,” zeide Annie vroolijk,
+zoodra zij de huiskamer binnenkwam, „over een dag of tien komen mama en
+papa mij halen.”
+
+„Niets lief van je, dat je daar zoo blij om bent, Annie,” merkte Tom
+somber op, „ik ben nog niet half klaar met het dresseeren van Flok en
+dien neem je natuurlijk mee.”
+
+„Dat zal waar zijn, Tom, maar je moet maar op Wilgenhorst komen om Flok
+nog meer kunsten te leeren, mag hij, tante?”
+
+„Nu, wij zullen eens zien, misschien mag hij, als hij heel braaf is, in
+de Paaschvacantie een weekje naar Wilgenhorst komen, als oom en tante
+Van Walen hem tenminste hebben willen.”
+
+„Natuurlijk willen zij dat, tante, dat weet ik zeker.”
+
+„Zoo’n verwend klein spook,” bracht haar oom lachend in het midden,
+„zij denkt, als ik het maar wil, vinden mama en papa het ook wel goed.”
+
+„Neen, zij vinden het heusch, echt, goed,” antwoordde Annie, „u zal het
+zien.”
+
+„Nu het is nog lang, je hoeft er nu je boterham nog niet voor te laten
+staan, Annie, eet die nu eerst maar kalm op,” zeide haar tante.
+
+Toen de kinderen naar school waren, zeide de heer Stubbens tot zijn
+vrouw: „als Mary en Karel terug zijn, moesten wij hun toch den raad
+geven om ook hier te komen wonen en alleen in den vacantietijd naar
+Wilgenhorst te gaan, zooals wij met Rustoord doen. Ten eerste behoeft
+Annie dan niet weer van school te veranderen en ten tweede geloof ik
+stellig, dat het kind zich daar op Wilgenhorst zal doodkniezen nu Paula
+daar ook niet meer is en zij hier aan al die vriendinnetjes gewoon is
+geraakt.”
+
+„Ik had er ook al over gedacht,” antwoordde mevrouw Stubbens; „het is
+alles goed en wel, dat zij veel van haar vader en Mary houdt, maar het
+kind moet toch meisjes van haar eigen leeftijd om zich heen hebben; zij
+wordt anders veel te ouwelijk, als zij alleen maar volwassen menschen
+heeft om mee om te gaan. Als zij hier komen, zullen wij er Karel en
+Mary eens over spreken.”
+
+Dienzelfden dag had op Zorgvliet een ander onderhoud plaats.
+
+Mevrouw Hermsen zat weer, zooals op den dag, toen wij voor het eerst
+kennis met haar maakten, voor het venster in haar huiskamer te haken,
+toen Willem Stokman werd aangediend.
+
+„Je komt als geroepen,” zeide de oude mevrouw, toen Stokman haar bij
+zijn binnentreden zeer onderdanig gegroet had. „Ik had je juist eens
+willen laten komen om je te vragen hoe je erover dacht het nogeens te
+beproeven.”
+
+„Het spijt mij verbazend, mevrouw,” antwoordde de jonge man, „maar ik
+kwam hier om u te zeggen, dat ik door de vriendelijke tusschenkomst van
+den heer Stubbens ben klaar gekomen op het kantoor van Mr. Van Dungen.
+Ik moet er Maandag al zijn en nu ga ik morgen naar de stad om geschikte
+kamers te zoeken en meneer Stubbens voor zijn hulp te bedanken.”
+
+„Maar, Willem, dat is dan een prachtige gelegenheid. Je weet niet, hoe
+ik naar het kind verlang en zij houden haar nu van mij verwijderd, in
+al den tijd dat zij bij de familie Stubbens is, heb ik het meisje maar
+driemaal hier gehad en nooit alleen!”
+
+„Ik denk, dat zij uw booze plannen vermoeden,” merkte Stokman
+grinnekend op.
+
+„Wel neen, hoe zou dat kunnen? neen, dat was het niet, die kleine Tine
+wilde met alle geweld altijd mee, en hoe kan je nu toch van „booze
+plannen” spreken? je zoudt er toch geen kwaad door doen, een kind bij
+haar eigen grootmoeder te brengen, die toch altijd meer recht op haar
+heeft dan een tante?”
+
+„Als het tegen den zin van haar ouders was, zou het wel verkeerd zijn
+en, zooals ik u zeg, het is mij onmogelijk verder iets voor u te doen,
+nu meneer Stubbens mij zoo geholpen heeft. Ik krijg bij Mr. Van Dungen
+een prachtig salaris en wil dat niet door zoo’n onvoorzichtigheid
+verspelen.”
+
+„Ja, zoo gaat het altijd, nu je mij niet meer noodig hebt, moet ik
+mezelve maar helpen, eerst was je wat blij, dat je dat geld verdienen
+kon.”
+
+„Mevrouw, ik kan het werkelijk niet doen,” antwoordde Stokman
+vastberaden, „mijn toekomst staat op het spel.”
+
+„Dan zal ik het zelf doen,” antwoordde de oude dame driftig. „Mina wil
+ook niet terug naar Wilgenhorst, nu die vreemde vrouw daar zal regeeren
+en ik wil niet dat die Engelsche de baas zal spelen over mijn lief
+kind!”
+
+„U vergeet, dat zij niet uw kind is, maar dat van meneer Van Walen,
+maar u moet natuurlijk weten wat u doet, het zijn mijn zaken niet. Toch
+wil ik u nog wel één ding zeggen; ik heb gehoord, dat uw kleinkind met
+haar nieuwe mama dweept, zooals meisjes dat kunnen doen; zij waren
+altijd samen, dus is het wel hard de vraag, of Annie zal willen.”
+
+„Ik zal het haar niet vragen, ik neem haar eenvoudig mee naar
+Duitschland. Ik vind het beter, dat zij bij haar eigen grootmoeder is,
+dan bij die Engelsche mevrouw en daarmee uit!”
+
+„Dan heb ik niets meer te zeggen, mevrouw, uw dienaar, mevrouw,” en na
+een diepe buiging verliet Stokman het vertrek.
+
+Zoodra hij weg was, liet mevrouw Hermsen Mina roepen. „Mina,” zeide
+zij, toen deze verscheen, „je hebt mij immers gezegd, dat je niet meer
+naar Wilgenhorst terug wilt?”
+
+„Ja, mevrouw, dat heb ik ook gezegd; ik heb gisteren aan meneer Van
+Walen geschreven om hem geluk te wenschen en in dien brief heb ik
+meteen gezegd dat ik niet meer terug kwam, want dat meneer mij nu toch
+niet meer noodig had en ik nu beter bij u kon blijven. Om het kind
+spijt het mij vreeselijk; maar ik wil niet onder zoo’n vreemde dame
+staan.”
+
+„Goed, luister dan eens, Mina. Iedereen laat mij in den steek, jij bent
+de eenige, die ik nog vertrouwen kan, dus moet jij mij helpen.” En nu
+deelde de oude dame Mina Holst al haar plannen mede, terwijl zij
+afspraken, dat Mina Holst mevrouw Hermsen en Annie naar het buitenland
+zou vergezellen.
+
+Toen Annie den Zaterdag na het gesprek van mevrouw Hermsen met Stokman
+om twaalf uur de school uitkwam, stond daar een rijtuig voor de deur en
+hoorde zij Louise Bronsma tot den koetsier zeggen: „Daar komt
+jongejuffrouw Van Walen. Annie,” vervolgde Louise tot haar, toen zij
+haar zag, „deze koetsier heeft een briefje voor je.”
+
+Verbaasd maakte Annie het open. „O, het is van tante,” zeide zij tot
+Louise, die nieuwsgierig was blijven wachten om te hooren van wie het
+kwam. „Tante zegt, dat ik naar het station moet rijden om papa en mama
+te halen,” riep Annie eensklaps dansend van plezier. „Nu al, verbeeld
+je Lou, ze zijn nu al terug. Nou dag,” en Annie stapte in het rijtuig,
+de koetsier sloot het portier, klom op de bok en reed naar het station.
+
+In het briefje stond dat mevrouw Stubbens geen tijd had om mee naar het
+station te gaan, maar dat Annie haar oom in de vestibule van dat gebouw
+zou vinden. Tante had haar het rijtuig gezonden, omdat zij anders te
+laat zou komen.
+
+Eindelijk hield het rijtuig stil, de koetsier opende het portier, Annie
+stapte uit en ging het gebouw binnen, terwijl het rijtuig wegreed.
+
+Het meisje kon haar oogen bijna niet gelooven, toen zij in plaats van
+haar oom Mina Holst voor zich zag staan.
+
+„Juffrouw Mina?” riep zij verrast en sloeg de armen om den hals der
+oude vrouw.
+
+„Dag, kind, dag mijn lieve Annie!” zeide Mina, die werkelijk aangedaan
+was bij het zien van het kind, „ga maar gauw met mij mee.”
+
+„Is oom er niet, moet ik niet op hem wachten?” vroeg Annie.
+
+„Neen, kind, ze wachten je allemaal bij grootmama, kom dus maar gauw,”
+antwoordde Mina het meisje bij de hand nemende en met haar de trappen
+op loopende naar het perron, waar de trein, die zij hebben moesten,
+juist kwam binnenrijden. Zij stapte met het meisje in een eerste klasse
+coupee en wees Annie toen op al de drukte buiten, om de aandacht van
+het meisje van de oude dame af te leiden. Hun portier werd gesloten, de
+chef gaf het sein tot vertrekken en het volgende oogenblik zette de
+trein zich in beweging.
+
+„Nu, Annie, zou je je grootmama nu niet eens goedendag zeggen,” klonk
+een stem achter haar en zich verbaasd omkeerende, zag Annie op de bank
+tegenover haar mevrouw Hermsen in levende lijve zitten.
+
+„Dag grootma!” riep het kind verheugd, „hoe komt u hier, ik dacht dat
+pa en ma en oom bij u thuis waren.”
+
+„Noem die vreemde vrouw niet je mama, Annie, je mama, dat was mijn
+eigen, lieve dochter, die wij helaas zoo vroeg verloren hebben,” zeide
+de oude mevrouw met tranen in de oogen, „die Engelsche is een
+indringster en ik zal zorgen, dat zij mijn kleine Annie niet ongelukkig
+zal maken. Ik zal je voor haar beschermen, mijn kind.”
+
+Annie zat in stomme verbazing naar haar grootmoeder te luisteren. Zij
+begreep niet de helft van hetgeen deze zeide, het eenige dat duidelijk
+tot haar was doorgedrongen, was dat haar grootmoeder gezegd had, dat
+haar nieuwe mama een indringster was en daarom antwoordde zij eindelijk
+driftig: „Mijn nieuwe mama is geen indringster, zij is heel lief, dat
+zegt tante Dora ook en ik houd dol veel van haar. Waar is mama?”
+
+Het kind begreep er niets van. Zij zou haar papa en mama en haar oom
+bij haar grootma vinden en nu zat grootma bij haar in den trein! het
+was alles even verward voor haar.
+
+„Heb je het briefje van je tante nog?” vroeg mevrouw Hermsen zonder op
+de vraag van het meisje te antwoorden.
+
+Annie voelde in haar zak, maar vond het niet, „ik ben het kwijt,” zei
+zij, „maar waar zijn papa en mama, grootma?”
+
+„Ben je het kwijt? dat is jammer, ik had het graag gezien,” zeide de
+oude mevrouw, „om precies te weten wat je tante geschreven had. En je
+vraagt, waar je papa en zijn vrouw zijn? voor zoover ik weet zitten zij
+nog hoog en droog in Engeland!”
+
+Na een oogenblik gezwegen te hebben vervolgde mevrouw Hermsen, „maar
+vraag mij nu niet meer naar die nieuwe vrouw van je papa, Annie, daar
+doe je mij verdriet mee. Kijk eens kind, houd je van geconfijte
+vruchten, ik heb een doos voor je meegebracht. Ziezoo, smul daar nu
+maar lekker van dan zal ik je eens wat zeggen. Nu je papa toch nog in
+Engeland is ga jij met grootma op reis naar Duitschland, wat zeg je
+daarvan? Vóór de vacantie hoef je nu niet meer naar school en in plaats
+daarvan ga je naar Keulen. Daar ben je nog nooit geweest, is het wel?”
+
+Het eerste oogenblik, toen zij hoorde, dat zij haar papa en mama niet
+zou zien, was Annie diep ongelukkig en begon zij te huilen, maar weldra
+werkten die heerlijke doos met geconfijte vruchten en de gedachte vóór
+de vacantie niet meer naar school te hoeven, samen om haar te troosten.
+
+„Vinden oom en tante het goed, dat ik met u op reis ga, grootma?” vroeg
+zij, toen zij haar tranen gedroogd had.
+
+„Je eigen grootmoeder heeft toch meet over je te zeggen dan een oom en
+tante,” merkte de oude dame op.
+
+Nu dacht Annie eensklaps met schrik aan haar hondje.
+
+„Wij hebben Flok vergeten,” zeide zij angstig.
+
+„Maak je daar maar niet ongerust over, Tom zal wel voor Flok zorgen,”
+zeide mevrouw Hermsen en nu begon zij Annie allerlei heerlijks te
+vertellen van de reis, die haar wachtte, zoodat het meisje er
+langzamerhand werkelijk plezier in begon te krijgen, met hoe langer hoe
+meer belangstelling luisterde en de oude dame ten slotte met vragen
+overstelpte.
+
+Inmiddels heerschte ten huize van de familie Stubbens groote
+verwondering, toen Annie om twaalf uur niet thuiskwam.
+
+„Moest zij misschien schoolblijven, en heeft zij ons dat niet durven
+vertellen?” opperde haar oom.
+
+„Neen,” antwoordde Tom, „want wij hadden afgesproken van middag te
+zullen gaan schaatsenrijden.”
+
+„Ik begrijp er niets van,” merkte mevrouw Stubbens ongerust op, „ik wou
+dat Van Walen maar hier was. Wat moeten wij doen, Johan?”
+
+„Zij laten de meisjes daar op school immers nooit zonder voorkennis van
+de ouders of familie schoolblijven?” vroeg de heer Stubbens.
+
+„Neen, man, nooit!”
+
+„Hoe laat is het nu?” hij keek op zijn horloge, blijkbaar zelf niet
+wetende, hoe hij de zaak moest aanpakken. „Al half twee,” merkte hij
+op. „Thomas, rijd eens even op je fiets naar mevrouw Tillens en vraag
+of zij daar is, dan telefoneer ik in dien tijd naar mevrouw Van Scheik.
+Of, neen, wacht maar, de Van Scheiks kunnen het wel voor ons aan
+mevrouw Tillens vragen, dat is er vlak over; rijd jij liever naar
+mevrouw Bronsma, maar daar zal Annie stellig niet zijn; ik zal liever
+eerst telefoneeren.”
+
+Hij was even zenuwachtig als zijn vrouw, maar wilde zijn best doen om
+kalm te blijven om haar niet angstig te maken. Zijn telefoneeren was
+echter tevergeefs, want noch bij de Van Scheiks, noch bij mevrouw
+Tillens was Annie geweest. „Rijd dan maar even naar mevrouw Bronsma,”
+zeide hij nu, „maar ik weet bijna zeker dat het voor niets is.”
+
+Tom reed als de wind en kwam een kwartier later terug met Louise, die
+gelukkig ook kon fietsen.
+
+„Vertel nu maar gauw aan papa, wat je weet, Louise,” zeide Tom, zoodra
+zij binnen waren. „Ik zal wel voor de fietsen zorgen.”
+
+De heer en mevrouw Stubbens waren al in de gang gekomen en nu vertelde
+Louise dadelijk nadat zij hen begroet had, hoe Annie in een rijtuig van
+school gehaald was.
+
+„Wie zat erin?” vroeg mijnheer Stubbens.
+
+„Niemand, het was leeg. Toen ik de school uitkwam, vroeg de koetsier
+mij of jongejuffrouw Van Walen er nog was, en Annie kwam toen juist
+naar buiten. Toen gaf de koetsier haar een briefje en zij zeide tegen
+mij dat het van haar tante was. Zij zeide: „het is van tante en ik moet
+naar het station rijden om papa en mama te halen,” en zij was zoo
+blij.”
+
+„Een briefje van mij!” riep mevrouw Stubbens verschrikt, „dat heb ik
+nooit geschreven!”
+
+Louise keek erg angstig. „Is Annie dan weg?” vroeg zij. „Kan ik niets
+doen om haar te helpen zoeken?”
+
+„Neen, kind, dank je wel,” antwoordde de heer Stubbens en Louise ging
+naar huis, nadat zij aan den heer en mevrouw Stubbens beloofd had het
+gebeurde niet rond te vertellen, en nadat mevrouw haar hartelijk
+bedankt had, omdat zij zoo vriendelijk was geweest om met Tom mee te
+komen.
+
+Nu achtte de heer Stubbens het noodig naar de politie te telephoneeren
+en dat deed hij onmiddellijk.
+
+Niet lang daarna verscheen de Commissaris van politie, aan wien de heer
+Stubbens alles vertelde.
+
+„Hoe vreemd, eerst uw dochtertje en nu uw nichtje,” merkte de
+commissaris op; „wij zullen onmiddellijk een onderzoek instellen bij de
+verschillende stalhouders en zoodra wij iets naders weten, krijgt u
+bericht. Ik zal er terstond werk van maken, mijnheer.”
+
+Nog dienzelfden middag, toen de heer Stubbens op het punt stond om uit
+te gaan, werd hij opgebeld door den commissaris, die hem meedeelde, dat
+men den koetsier, die Annie gereden had en ook het bewuste briefje,
+gevonden had; hij zou dit dadelijk komen brengen, maar had voor alle
+zekerheid eerst getelefoneerd, uit angst dat de heer Stubbens uit zou
+zijn.
+
+„Ik ken het schrift niet, maar het mijne is het zeker niet,” merkte
+mevrouw Stubbens op, toen zij het briefje zag.
+
+„Ik had gehoopt, dat u het handschrift kennen zou,” zeide de
+commissaris teleurgesteld, „want het is een moeilijke kwestie; de
+navraag aan het station heeft ook niets gegeven, want het rijtuig is
+naar het schijnt juist op een zeer druk oogenblik gekomen, toen er
+verschillende treinen moesten vertrekken, zoodat het niemands aandacht
+heeft getrokken. Ik hoopte nu maar, dat u zou kunnen weten wie dit
+geschreven had.”
+
+„Neen,” antwoordde mevrouw Stubbens, „men heeft mijn schrift uitstekend
+nagebootst, maar toch zijn er enkele dingen anders, maar deze zijn te
+gering, dan dat een kind van elf jaar ze zou opmerken.”
+
+„Wij moeten Van Walen waarschuwen,” zeide de heer Stubbens, toen de
+commissaris weg was, „maar het gekke van het geval is, dat ik niet
+weet, waar ik hem op het oogenblik bereiken kan.”
+
+„Den twintigsten komen ze Annie hier halen,” antwoordde zijn vrouw op
+zoo’n angstig bezorgden toon, dat niemand in haar de flinke tante Dora
+van anders herkend zou hebben.
+
+Zoo verliepen drie angstige dagen, Mijnheer Stubbens had naar Mary’s
+zuster getelegrafeerd, om te vragen of deze het adres van den heer en
+mevrouw Van Walen ook wist, maar deze wist het ook niet met juistheid
+op te geven.
+
+„Het is ellendig!” riep de heer Stubbens wanhopend, „God weet, waar het
+arme kind op het oogenblik is en wij kunnen niets doen dan afwachten
+welke tijding de politie ons brengt.” Het kostte hem evenals zijn vrouw
+de grootste moeite hier kalm onder te blijven en het was dan ook met
+een bezwaard hart, dat hij naar het kantoor van Mr. Van Dungen ging,
+met wien hij zaken te verhandelen had.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+STOKMAN VERTELT WAT HIJ WEET.
+
+
+„Mr. Van Dungen is op het oogenblik niet op het kantoor, meneer,” zeide
+de klerk, die den heer Stubbens binnenliet, „maar als u even wil
+wachten, meneer zal vermoedelijk niet lang wegblijven.”
+
+De heer Stubbens trad binnen en de klerk liet hem in het kantoor van
+den advocaat. Nog niet lang had hij daar gewacht, toen er op de deur
+getikt werd en Stokman het vertrek binnentrad.
+
+„Dag, mijnheer Stubbens,” zeide de jongeman met een diepe buiging.
+
+„Dag, mijnheer Stokman.”
+
+„Mijnheer,” begon Stokman, „ik ben zoo vrij u even te komen lastig
+vallen, maar het is over een zeer ernstige zaak.”
+
+„U bedoelt mijn nichtje?”
+
+„Juist, mijnheer, ik ben uit de stad geweest, anders zou ik wel
+dadelijk naar u toegekomen zijn, maar bij mijn terugkomst vernam ik wat
+er gebeurd was en nu meen ik u wel op weg te kunnen helpen. Ik heb alle
+reden om te vermoeden, dat uw nichtje bij haar grootmoeder is.”
+
+„Wat zegt u?”
+
+„Zeker, mijnheer, bij haar grootmoeder; onderzoekt u het maar, dan zal
+u zien, dat ik gelijk heb. Ik zou u nog veel meer kunnen vertellen,
+maar daar is Mr. Van Dungen. Zal ik van avond even bij u komen?”
+
+„Graag, mijnheer, u zal mij daar ten zeerste mee verplichten.”
+
+Zoodra hij zijn zaken met Mr. Van Dungen had afgedaan, reed de heer
+Stubbens naar Zorgvliet, maar daar kwam hij voor een gesloten huis en
+de huisbewaarder zeide hem, dat mevrouw Hermsen reeds Zaterdag op reis
+was gegaan zonder te zeggen waarheen, of wanneer ze terugkwam.
+
+Onverrichter zake keerde de heer Stubbens dus naar huis terug.
+
+Nu hij zoo goed als zeker wist, dat het meisje bij haar grootmoeder
+was, voelde haar oom zich wel voor een groot deel gerustgesteld, maar
+hij mocht er toch niet al te vast op bouwen. Zijn eerste werk, toen hij
+in de stad kwam, was naar den commissaris te rijden en hem mee te
+deelen, wat Stokman hem verteld had, daarna ging hij zoo gauw mogelijk
+naar huis om zijn vrouw eveneens gerust te stellen. Dien avond om half
+zeven werd Stokman aangediend.
+
+„Mijnheer,” zeide deze, zoodra zij gezeten waren, „u zal heel slecht
+van mij denken, wanneer ik u alles verteld heb, maar na alles, wat u
+voor mij gedaan heeft, kan ik u niet in ongerustheid laten. Zooals u
+misschien weet, is de oude mevrouw Hermsen altijd heel goed voor mij
+geweest. Toen mevrouw nu hoorde, dat mijnheer Van Walen ging
+hertrouwen—het trof nu ook juist zoo ongelukkig, dat Annie dezen zomer
+niet bij haar had kunnen logeeren—vatte zij het plan op, het meisje
+voor goed bij zich te nemen. Eerst had zij er met den vader over willen
+spreken, maar zij begreep toch wel, dat mijnheer Van Walen zijn dochter
+niet zou willen afstaan en daarom liet zij dit plan varen en besloot
+zij zich het kind op onrechtmatige wijze toe te eigenen, want zij wilde
+nu eenmaal niet dat het meisje door een Engelsche dame opgevoed zou
+worden, zij schijnt een gloeiende haat te hebben aan Engelschen.”
+
+„Ja,” bracht de heer Stubbens in het midden, „vroeger is zij eens door
+een Engelschman zeer leelijk behandeld, vandaar haar bespottelijke haat
+op alles wat Engelsch is. Maar, ga verder.”
+
+„Toen nam ze mij bij den arm. Herinnert u zich nog de mislukte
+ontvoering van uw dochtertje? welnu, die berustte op een vergissing,
+het was niet op uw kind, maar op uw nichtje gemunt en de dader, dat was
+ik.”
+
+„U?” riep de heer Stubbens van verbazing van zijn stoel opspringend.
+
+„Ja, ik. Ik zal wel diep in uw achting dalen, misschien zal u mijn
+patroon waarschuwen tegen een man, die zich tot zulke wederrechtelijke
+handelingen leent, maar, mijnheer, als men heel arm is en iemand biedt
+u dan een groote som, vijfhonderd gulden, was het, alleen om een
+kleinkind bij haar grootmoeder te brengen, dan is die daad toch wel te
+verontschuldigen. In het begin wilde ik het ook niet doen, werkelijk,
+maar de oude mevrouw wist mij de zaak zoo geheel anders voor te
+stellen, dat ik ten slotte zelf niet meer wist of het verkeerd was of
+niet en zij had zooveel voor mij gedaan.”
+
+„Dat het verkeerd was, kon uw eigen gezond verstand u toch zeggen,”
+antwoordde de heer Stubbens, „maar,” vervolgde hij, „is dat de eenige
+reden, waarom u denkt dat Annie bij haar grootmoeder is?”
+
+„Het verhaal is nog niet uit, mijnheer. Mevrouw was niet van plan het
+bij die eene poging te laten en onlangs riep zij opnieuw mijn hulp in.
+Zij deed dit, toen ik juist naar haar toe was gegaan om te zeggen, dat
+zij niet verder op mijn hulp behoefde te rekenen, omdat u mij zoo
+geholpen had. Kortom, het eind was, dat zij zeide, dat zij het dan wel
+zelf zou doen.”
+
+„Ja, dan is het niet twijfelachtig, bij wie Annie is,” merkte de heer
+Stubbens op, „maar waar, dat is een andere kwestie. Mijnheer Stokman,”
+vervolgde hij toen ernstig, „ik kan het niet ontkennen, dat ik zooiets
+niet van u verwacht had, want u moest toch begrijpen dat de familie
+erdoor in doodelijke ongerustheid kwam, maar aan den anderen kant
+waardeer ik het ten zeerste, dat u mij uit eigen beweging alles verteld
+heeft, terwijl ik het toch in mijn macht heb, u uw betrekking te doen
+verliezen. Bovendien is uw poging tot ontvoering mislukt en heeft ze
+niets met de eigenlijke zaak te maken. Wij zullen het verleden dus
+laten rusten.”
+
+Tot mijnheer Stubbens’ verbazing ging Stokman echter, nadat mijnheer
+Stubbens hem reeds gegroet had, nog niet dadelijk heen, maar bleef hij
+aarzelend bij de deur staan. Eindelijk begon hij verlegen:
+
+„Er is nog iets, mijnheer, iets dat mijnheer Van Scheik dient te weten,
+maar ik durf het hem niet te vertellen.”
+
+„Als u het hem niet durft te vertellen, schrijf het hem dan.”
+
+Nu kwam het hooge woord eruit. „Mijnheer, zou u het niet voor mij aan
+mijnheer Van Scheik willen vertellen?”
+
+„Maar, waarom bent u zoo bang voor hem? hij staat toch bekend als een
+goedhartig mensch.”
+
+„Jawel, mijnheer, maar opvliegend. En al weet ik zelf, dat mijn vader
+verkeerd gehandeld heeft, dan zou ik toch niet kunnen aanhooren, dat
+een vreemde onaangename dingen over hem zeide en het zou van het eene
+woord op het andere komen.”
+
+„Maar uw vader moet toch al iets heel verkeerds gedaan hebben om den
+heer Van Scheik ertoe te brengen zich onaangenaam over hem uit te laten
+tegenover zijn eigen zoon.”
+
+„Het was ook heel erg. Als ik het nu aan u vertel, zou u het dan niet
+voor mij aan mijnheer Van Scheik willen overbrengen?”
+
+„Maar, ik ben uw boodschaplooper niet, mijnheer.”
+
+„Dat weet ik wel, mijnheer, maar mijnheer Van Scheik moet het weten en
+ik vertel het niet.”
+
+„Is het van zooveel belang?”
+
+„U heeft zeker wel van die oude geschiedenis gehoord die zich jaren
+geleden op het kantoor van de firma Hermsen heeft afgespeeld?”
+
+„Er waren, meen ik, papieren zoek geraakt, niet waar?”
+
+„Juist, mijnheer, familiepapieren van mijnheer Van Scheik. En die
+papieren heb ik teruggevonden.”
+
+„En durft u dat niet aan mijnheer Van Scheik te vertellen? Hij zal denk
+ik, heel blij zijn.”
+
+„Maar hij zal moeten weten, waar zij vandaan gekomen zijn.”
+
+„Natuurlijk, maar is dat zoo erg?”
+
+„Ik heb ze in een oude lessenaar van mijn vader gevonden, meneer.”
+
+„Pssst! ja, dat is leelijk, maar had uw vader er belang bij ze... ze
+zelf te bewaren?”
+
+„Bij één van de papieren wel, hier heeft u het, dan kan u zelf zien wat
+ik bedoel.”
+
+De heer Stubbens keek het stuk in en gaf het daarna zwijgend aan
+Stokman terug, die hem angstig vragend aankeek.
+
+„Ik zal het voor u doen,” zeide mijnheer Stubbens eindelijk. „Maar er
+is één ding, dat ik niet begrijp, waarom heeft hij niet alleen dat ééne
+papier er uitgenomen?”
+
+„Ik denk, dat de tijd daartoe hem ontbrak, dat hij in groote haast het
+heele pak in zijn zak gestoken heeft.”
+
+Hier werden zij gestoord door mevrouw Stubbens, die met stralend gelaat
+de kamer van haar man binnenkwam. „Zij is terecht, het lieve kind, o,
+Johan, lees dit toch eens!” Nu keerde zij zich naar Stokman en
+verontschuldigde zich bij hem, dat zij hem in haar opgewondenheid niet
+eerst gegroet had.
+
+„Mag ik vragen,” zeide de jongeman, „heeft u tijding van uw nichtje?”
+
+„Goddank, ja, een briefje van haar zelve, waarvoor ik heel wat
+strafport heb moeten betalen, maar ik zag natuurlijk dadelijk aan het
+schrift dat het van haar kwam. Zij had den brief niet gefrankeerd.”
+
+„Vanwaar schrijft zij?” vroeg de heer Stubbens het briefje aannemend.
+
+„Uit Keulen, lees zelf maar.”
+
+
+ „Beste Tante,” (las de heer Stubbens.)
+
+ „Ik ben hier met grootma in Keulen, maar ik verlang zoo naar u en
+ oom en Tom en Tine en Flok, wil u mij niet komen halen? grootma wil
+ mij niet naar u toe laten gaan. Grootma zegt dat mijn nieuwe mama
+ mij ongelukkig zal maken, maar ik verlang zoo naar mama. Zijn papa
+ en mama al gekomen? kom mij toch gauw halen. Zorgt Tom goed voor
+ Flok? Wij zijn hier in een groot hôtel, vlak bij het station.
+
+ Uw Annie.”
+
+
+Het adres had zij ook zelf geschreven en blijkbaar had zij er erg haar
+best op gedaan.
+
+„Een hôtel vlak bij het station,” herhaalde de heer Stubbens, „dat is
+nogal duidelijk, natuurlijk het Hôtel du Nord. Gelukkig dat het kind
+het erbij heeft gezet.” Hij liep naar zijn schrijfbureau en haalde er
+een spoorboekje uit.
+
+„Ga je naar Keulen?” vroeg zijn vrouw.
+
+„Natuurlijk, ik ga het kind oogenblikkelijk halen. Geef mij die
+papieren waar wij van spraken, mijnheer Stokman, die zaak zal ik ook in
+orde brengen.”
+
+„Maar, mijnheer, daar kan ik u nu toch niet mee lastig vallen.”
+
+„Dat kan ik het best beoordeelen, zou ik zeggen. Geeft u ze maar gerust
+hier,” was het antwoord.
+
+Onder vele dankbetuigingen gaf Stokman ze over.
+
+„Nu, nu, geen bedankjes, daarvoor heb ik geen tijd, dag mijnheer
+Stokman.”
+
+Stokman ging heen, niet lang daarna kwam mevrouw Stubbens met een
+gepakte handtasch de kamer in en een half uur later was de heer
+Stubbens reeds op weg naar Keulen, waar hij met den laatsten trein
+aankwam.
+
+Vanuit een der tusschenstations had hij om een kamer getelegrafeerd in
+het „Kölnische Hof,” zoodat hij bij zijn aankomst dadelijk naar bed kon
+gaan.
+
+Den volgenden morgen zeer vroeg spoedde hij zich naar het Hôtel du Nord
+en het vreemdelingenboek inkijkende, zag hij tot zijn vreugde, dat zij,
+die hij zocht, daar werkelijk logeerden. De heer Stubbens ging de
+ontbijtzaal binnen en bestelde een kop koffie. Nog niet lang had hij
+daar gezeten, toen hij Annie en Mina Holst samen zag binnenkomen, Mina
+zag hem en wilde het meisje nog vlug meenemen naar buiten. „Daar zijn,
+geloof ik, je kleine vriendjes met hun hond,” zeide zij, maar nog
+voordat mijnheer Stubbens was opgestaan om naar hen toe te gaan, had
+Annie haar oom gezien.
+
+„Oom!” gilde het kind verrast, snelde naar haar oom toe en wierp zich
+verheugd in zijn armen.
+
+„Ga je mee, kleine, ik ben je komen halen,” zeide mijnheer Stubbens,
+het meisje kussende.
+
+„Ik verlang zoo naar huis, oompje, ik kan hier niemand verstaan dan
+grootma en Mina. Gaan wij nu dadelijk weg?” vroeg het meisje
+overgelukkig.
+
+De heer Stubbens was zoo boos op de oude mevrouw, dat hij Annie niet
+eens naar boven wilde laten gaan om haar goedendag te zeggen.
+
+„Ja, meisje, wij gaan dadelijk heen,” zeide hij, er tot Mina
+bijvoegende: „U weet wie ik ben, niet waar, juffrouw Holst? Welnu, zegt
+u dan maar aan mevrouw Hermsen, dat ik Annie weer meegenomen heb, dat
+ik mevrouw wel zeer laat bedanken voor de aangename reis, die mevrouw
+mijn nichtje heeft laten maken, maar dat ik mevrouw toch vriendelijk
+laat verzoeken, mij voortaan eerst te waarschuwen, wanneer het weer
+eens mocht gebeuren. En nu heel veel groeten aan mevrouw. Kom Annie,
+neem afscheid van de juffrouw, dan kunnen wij gaan.”
+
+„Ga je nu heusch weg zonder je grootma te groeten, Annie, hoe is het
+mogelijk!”
+
+Annie keek haar verlegen aan. „Als ik naar boven ga laat grootma mij
+misschien niet gaan. Haalt u even mijn goed?” vroeg het kind.
+
+„Waar wil mijn kleine Annie heen?” klonk eensklaps een stem en mevrouw
+Hermsen stond in hun midden. Zij schrikte echter geweldig, toen zij
+Annie’s oom zag.
+
+„Ja, ik ben het,” zeide deze, „dag, mevrouw Hermsen, ik ben gekomen om
+Annie te halen en had juist aan juffrouw Holst een boodschap gegeven
+die ik nu zelf aan u kan overbrengen en verder wil ik u nog zeggen, dat
+in het briefje, dat Annie in het rijtuig heeft laten liggen en dat nu
+veilig en wel bij de politie berust, het handschrift van mijn vrouw
+bedriegelijk goed is nagebootst. Degene, die het geschreven heeft, maak
+ik mijn compliment.”
+
+„Bij de politie!” riep de oude dame in doodsangst, „u wil toch niet
+zeggen, dat u er de politie bij geroepen hebt?”
+
+„Maar, mevrouw, wat dacht u dan? wij hebben vier dagen in doodelijke
+ongerustheid doorgebracht, dat is een kleinigheid, die u over het hoofd
+ziet. Het kind was door haar vader aan onze zorg toevertrouwd. Wat
+hadden wij aan haar ouders moeten zeggen, wanneer zij Zaterdag Annie
+waren komen halen en het kind was zoek geweest? Maar, u kan gerust
+wezen. Uit eerbied voor uw grijze haren, zullen wij de zaak verder
+laten rusten.”
+
+De oude dame scheen merkbaar verlicht.
+
+De heer Stubbens keek op zijn horloge. „Wij hebben nog wel tijd om hier
+eerst rustig te ontbijten, Annie,” zeide hij, „wij hebben nog drie
+kwartier voordat de trein gaat.”
+
+Toen zij eindelijk weg waren, Annie had dansend van blijdschap de zaal
+verlaten, keek de oude dame Mina troosteloos aan. „Wanneer zal ik haar
+nu terugzien, Mina?” vroeg zij wanhopend.
+
+„U moet haar later nog maar eens op Zorgvliet te logeeren vragen,”
+zeide Mina, „nu meneer getrouwd is, zal hij er niets tegen hebben, dat
+zij bij u komt.”
+
+„Zou je denken?” vroeg mevrouw Hermsen reeds gedeeltelijk getroost,
+want zij hield het ook niet voor onmogelijk en nu begon zij allerlei
+plannen te maken voor den tijd, wanneer het kind bij haar zou logeeren.
+
+Intusschen had de heer Stubbens voor Annie en zichzelf een goed
+plaatsje in den D-trein gereserveerd en weldra vertrokken deze.
+
+„Hoe gaat het met Flok?” vroeg het meisje.
+
+„Flok is springlevend, maar in het begin had hij erg het heimwee naar
+de kleine vrouw en het heeft Thomas groote moeite gekost om hem te
+troosten.”
+
+„Ik verlang ook zoo naar allemaal,” antwoordde Annie. „Om hoe laat zijn
+wij thuis, oom?”
+
+„Om vier uur en ik heb den auto aan het station besteld, dan zijn wij
+des te eerder thuis.”
+
+Annie vond het heerlijk in de gang te mogen loopen, het was iets nieuws
+voor haar, want toen zij met haar grootmama ging, had zij niet in een
+D-trein gereisd, en nu was het een heerlijke afwisseling voor het kind
+dat, zooals Mina altijd zeide „niemendal geen zit in zich had.” Maar
+het aardigste vond zij toch het eten in de restauratiewagen, waar zij
+heel deftig tegenover haar oom aan het tafeltje zat. Het kind genoot en
+dat deed zij niet in stilte, zoodat menigeen glimlachend naar dat
+vroolijke praatstertje keek, dat overal zooveel behagen in schepte.
+
+„Als er nu maar geen andere menschen op onze plaatsen zijn gaan
+zitten,” zeide Annie met schrik, toen zij de restauratiewagen verlieten
+om hun coupee weer op te zoeken.
+
+„Dat kan niet, meisje, want die plaatsen behooren aan ons, zoolang wij
+in deze trein blijven, daar hebben wij extra voor betaald. In een
+D-trein betaalt men altijd meer.”
+
+„Waarom noemt u dit een D-trein?”
+
+„Dat zal ik je zeggen. De verschillende wagens van de treinen zijn met
+een letter gemerkt. Men heeft de A.B. waggons, daar staan een A en B op
+geschilderd en dat zijn rijtuigen eerste en tweede klas, dan heeft men
+de C-waggons, dat zijn de derde klasse wagens, verder de D-rijtuigen,
+die hebben zooals deze een zijgang en eindelijk de L-waggons, dat
+beteekent luxewaggons, die zijn veel mooier dan de andere, daar zit men
+op stoelen als in een kamer. De trein, nu, waarin wij op het oogenblik
+zitten, bestaat enkel uit D-wagens en daarom noemt men dezen een
+D-trein, begrijp je dat?”
+
+„Ja, oom,” antwoordde het meisje, dat het erg gewichtig vond, dat haar
+oom haar dat alles vertelde en dat zij nu aan haar vriendinnetjes kon
+zeggen, dat zij in een D-trein gereisd had.
+
+„Nu behoef je niet lang meer te wachten Annie, over eenige minuten zijn
+wij er,” merkte de heer Stubbens eindelijk op en begon Annie’s valies,
+waarin kleeren geborgen waren, die mevrouw Hermsen in Keulen voor het
+meisje gekocht had, omdat het kind zonder eenig goed op reis was
+gegaan, en het zijne boven uit het net te halen, en niet lang daarna
+stoomde de trein het station binnen, en vijf minuten later zat Annie in
+den automobiel naast haar tante, die hen was komen halen.
+
+„Goddank, dat wij je weer gezond en wel terug hebben, Annie,” zeide
+mevrouw Stubbens en omhelsde het meisje zonder eraan te denken, dat
+haar japon ervan kon kreuken.
+
+Annie deed natuurlijk het heele verhaal en was daar nog niet mee
+gereed, toen de auto reeds voor het huis stilhield. Men kan zich de
+vreugde van Tom en Tine voorstellen, toen Annie weer terug was en ook
+op school, waar zij den volgenden morgen natuurlijk weer heenging, was
+zij voor haar vriendinnetjes een persoon van gewicht, want geen van
+dezen was ooit zooiets overkomen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+BESLUIT.
+
+
+Het was Zaterdag de 20ste December, op school de laatste dag vóór de
+kerstvacantie en tevens de dag, waarop mijnheer Van Walen en zijn jonge
+vrouw Annie zouden komen halen.
+
+„Wat zal het hier doodsch en stil zijn als je weg bent, Annie,” zeide
+haar tante aan het ontbijt. „Ik had je graag nog wat hier gehouden,
+kind.” Tante Dora’s stem klonk verdrietig, want zij was werkelijk veel
+van Annie gaan houden.
+
+„Je zult zien, Annie,” voegde haar oom erbij, „voordat je een week
+thuis bent, krijg je een brief van oom en tante Stubbens of je toch als
+het je blieft gauw terug wilt komen, omdat de familie het niet langer
+zonder je kan uithouden.”
+
+Annie begon te lachen. „Dat is goed,” antwoordde zij, „als u dat doet,
+dan kom ik.”
+
+„Ik geloof, dat je het heelemaal niet akelig vindt, dat je van ons
+weggaat,” zeide Tom verwijtend.
+
+„Jawel, Tom, heusch,” zeide Annie, „ik vind het akelig om van jullie en
+van Paula en Bertha weg te gaan en toch ben ik blij, dat ik weer naar
+Wilgenhorst ga, vindt u dat niet gek, oom?”
+
+„Dat is niets gek, kind,” merkte haar oom ernstig op, „het is heel
+natuurlijk dat je naar je papa en mama verlangt. Bij hen thuis is toch
+de aangewezen plaats voor je.”
+
+Toen Annie Tom echter zoo bedrukt zag kijken, kreeg zij eensklaps een
+inval. „Tom,” riep zij, „wil jij Flok als aandenken hebben? hij houdt
+toch zooveel van je.”
+
+Maar hier wilde de heer Stubbens niets van hooren. Voordat Tom kon
+antwoorden, zeide zijn vader: „Neen, hoor, daar komt niets van in,
+Thomas mag jou je hondje niet afnemen, dat zou wat moois zijn! Maar als
+hij een mooi maandrapport uit school meebrengt, dan krijgt hij zelf een
+hond van mij.”
+
+„O, wat leuk! wat voor soort, pa?”
+
+„Je mag zelf kiezen, maar denk erom, dat gebeurt alleen, wanneer je
+geen enkel onvoldoend cijfer hebt.”
+
+Dit laatste scheen Tom niet eens te hooren. „Een boxer dan, pa? die
+zijn zoo komiek en een van de jongens heeft juist een nest met jonge
+boxers van zijn Leo.”
+
+„Ja, dat is alles goed en wel, maar heb je niet gehoord, wat ik erbij
+zeide?”
+
+„Nou ja, pa, maar als het er nu maar ééntje is?”
+
+„Dan komt er niet eer een hond, voordat er een volgend rapport zonder
+een enkele onvoldoende is thuisgebracht.”
+
+„Ik ben bang, dat ik voor Grieksch onvoldoende zal hebben,” zeide Tom
+bezorgd.
+
+„Dan moet je de volgende maand maar zoo goed je best doen, dat je het
+ophaalt tot een heel hoog cijfer. Je vriend moet dien hond dan maar
+zoolang voor je bewaren.”
+
+Toen Annie om twaalf uur uit school kwam, waar zij van iedereen
+afscheid had genomen, ging de huisdeur reeds open, voordat zij nog
+gescheld had en het volgende oogenblik stond zij tegenover haar nieuwe
+mama.
+
+„Dag mama, lief mamaatje, wat heerlijk, dat u er bent!” riep het
+meisje, terwijl zij haar schooltasch wegwierp en Mary hartelijk
+omhelsde. „U weet niet half, hoe ik naar u verlangd heb.”
+
+„En wij naar onze kleine Annie,” antwoordde Mary, haar arm om het
+meisje heen slaande en haar meenemende naar de huiskamer, waar zij de
+heele familie en haar vader bijeen vond.
+
+Men had den heer Van Walen alles meegedeeld, wat er met Annie was
+voorgevallen en toen het meisje nu binnenkwam, begroette haar vader
+haar nog inniger dan anders, wel wetende, hoe eenzaam het kind zich
+daar in Keulen gevoeld moest hebben, waar zij niemand kende en niemand
+kon verstaan dan haar grootmama en Mina Holst.
+
+Aan de koffie zeide mevrouw Van Walen: „nu hebben wij Annie nog niets
+van onze plannen verteld. Zal ik het haar zeggen, Johan, of doe jij het
+liever zelf?”
+
+„Jij bent nu haar mama, Mary, dus staat het aan jou, haar het nieuws te
+vertellen.”
+
+„Nu, dan, Annie, wij gaan nu voor de Kerstvacantie naar Wilgenhorst en
+daarna komen wij hier wonen. Wij hebben al een mooi huis op het oog,
+oom Stubbens zal het voor ons huren en dan blijven wij verder tot de
+Paaschvacantie hier.”
+
+„O, maatje, wat zalig!” riep Annie in verrukking, „dan zijn wij
+allemaal hier, Paula, Bertha en ik.”
+
+„En dan gaan wij in de vacantie naar Wilgenhorst,” vervolgde haar mama,
+„en nemen dan voor gezelschap eenige vriendinnen mee; dat zal je wel
+lijken, hè?”
+
+„Nou, dat geloof ik!” riep Annie opgetogen.
+
+Nu men dus wist, dat het geen afscheid voor langen tijd zou wezen, maar
+dat men elkaar in het begin van Januari terug zou zien, was het
+afscheid niet zoo treurig als anders het geval geweest zou zijn.
+
+„Zeg mij eens, kleine Annie,” vroeg mevrouw Stubbens schertsend, toen
+zij Annie goedendag kuste, „zou je het nu nog zoo vreeselijk vinden om
+bij die stijve, trotsche tante Dora te gaan logeeren?”
+
+Annie bloosde. „U bent geen stijve, trotsche tante,” zeide zij
+verlegen, „ik dacht het toen maar, omdat ik u nog niet kende, u bent
+een best tantetje en ik houd veel, heel veel van u.”
+
+Zoo verliet Annie dan na een verblijf aldaar van bijna vier maanden het
+huis van de familie Stubbens, waar zij zich langzamerhand zoo gelukkig
+was gaan voelen.
+
+Juist toen de auto, waarin zij met haar ouders weg zou rijden, voor de
+deur stilhield, kwam Tom met een jongen boxer aan een ketting
+aanstormen.
+
+„Kijk eens, Annie!” riep hij, „wat een leuk dier, ik heb hem met opzet
+gauw gehaald, dat jij hem nog zou kunnen zien voor dat je weggaat. Wat
+’n bof, hè, dat ik toch nog een goed cijfer voor Grieksch had, ik had
+het nooit gedacht.”
+
+„Ik ben zoo blij voor je, Tom en wat ’n schat van een hond, breng je
+hem mee, als je op Wilgenhorst komt logeeren?”
+
+„Dat beloof ik je.”
+
+Annie stapte met haar ouders en Flok in den automobiel en juist wilde
+de heer Stubbens het portier dichtklappen, toen Tine’s schelle
+stemmetje riep: „Flik moet Flokje nog een zoentje geven!” en daar kwam
+de kleine met haar hond in haar armen aanloopen en klom in de auto.
+
+Lachend kusten de inzittenden het aardige kleine meisje nog eens
+vaarwel, haar vader tilde haar weer uit het voertuig, klapte het
+portier dicht en het volgend oogenblik was Annie met haar ouders op weg
+naar Wilgenhorst.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Hoofdst. Bladz.
+ I. De komst van tante Dora 7
+ II. Annie’s aankomst 15
+ III. Het fort 22
+ IV. De lijmstokken 28
+ V. De buitenpartij 34
+ VI. Tine’s nieuwe oom 44
+ VII. Grootmama Hermsen 58
+ VIII. Een verrassing voor Annie 64
+ IX. De heer Stubbens doet een goed woord voor Frans 71
+ X. Een teleurstelling voor Bertha 77
+ XI. Annie op bezoek bij haar Grootma 87
+ XII. Flik en Flok 99
+ XIII. Brieven uit Engeland 112
+ XIV. Annie’s verjaardag 124
+ XV. Een verzoening 134
+ XVI. Frans van Meerel bezoekt den heer Stubbens 143
+ XVII. Juffrouw Ackfield 151
+ XVIII. Grootmama Hermsen waagt nog een poging 164
+ XIX. Stokman vertelt wat hij weet 174
+ Besluit 184
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76121 ***