diff options
Diffstat (limited to '76121-0.txt')
| -rw-r--r-- | 76121-0.txt | 6842 |
1 files changed, 6842 insertions, 0 deletions
diff --git a/76121-0.txt b/76121-0.txt new file mode 100644 index 0000000..de6b37d --- /dev/null +++ b/76121-0.txt @@ -0,0 +1,6842 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76121 *** + + + + + + IN DE VACANTIE + BIBLIOTHEEK VOOR JONGENS EN MEISJES. + SERIE B—MEISJESBOEKEN—DEEL 11 + + + ANNIE VAN WALEN + + + DOOR Jkvr. HENRIËTTE RAPPARD + GEÏLLUSTREERD DOOR O. GEERLING + + + TWEEDE DRUK + ALKMAAR—GEBR. KLUITMAN + :: 1918 :: + + + + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE KOMST VAN TANTE DORA. + + +„Kan ik al niet mooi los rijden, Paula?” riep Annie van Walen, terwijl +zij over de breede oprijlaan kwam aan fietsen. + +„Kranig, hoor,” antwoordde Paula lachend, want Annie slingerde nog als +een dronkenman over den weg. + +Paula Tillens en Annie waren vriendinnen en buurmeisjes; Annie was tien +jaar en Paula, die dertien jaren telde, had Annie leeren fietsen, toen +deze op haar laatsten verjaardag een mooie fiets gekregen had. + +De heer Van Walen was zeer rijk en woonde met zijn dochtertje op een +groot buiten, dat grensde aan den tuin van de villa, die door Paula en +haar moeder bewoond werd. + +„Zeg, Pau,” zeide Annie vertrouwelijk, „misschien was het toch beter +geweest als ik op je gewacht had in plaats van het alleen te probeeren +want ik ben al driemaal gevallen en.... kijk eens!” + +Zij tilde haar schort op en nu zag Paula een groote scheur in Annie’s +jurk. + +„Is het heel erg?” vroeg Paula. „Je papa let toch niet op zulke +dingen?” + +„Papa niet, maar juffrouw Mina wel. Zij zal zoo brommen, want gisteren +heeft zij er ook al een moeten naaien, hier, kijk maar” en Annie wees +op een keurig gestopte scheur. + +Mina Holst of juffrouw Mina, zooals Annie haar noemde, was het +kindermeisje geweest van Annie’s moeder en toen deze opgroeide en later +met den heer Van Walen trouwde, was Mina bij haar gebleven. Een paar +jaar na Annie’s geboorte was mevrouw Van Walen gestorven en van dat +oogenblik af had Mina voor het kind gezorgd en het huishouden +waargenomen. Zij hield dan ook veel van Annie en deze was op haar beurt +zeer aan juffrouw Mina gehecht. + +„Weet je wat?” zei Paula goedig, „kom maar even mee naar huis, dan zal +ik het wel voor je naaien.” + +„Pau, je bent een schat!” riep Annie blij. „Je weet niet hoe vervelend +het is altijd standjes te krijgen dat je te wild bent. Wat moet het +toch heerlijk zijn, hè, om een jongen te wezen, een jongenspak te mogen +dragen en te mogen bokspringen, leuningglijden, fluiten en al die +prettige dingen meer, zonder altijd te moeten hooren: „Annie, wees toch +niet zoo wild, vergeet toch niet, dat je een meisje bent!”” + +Annie had Mina’s stem zoo precies nagebootst, dat Paula hartelijk begon +te lachen. + +„Ik dacht dat je zooveel van juffrouw Mina hield,” merkte zij op. + +„Natuurlijk, zij is een schat en ik ben dol op haar, maar die eeuwige +standjes zijn zoo onuitstaanbaar.” + +Intusschen waren de meisjes voor Paula’s woning aangekomen. Zij leunden +de fiets tegen het huis en gingen binnen door een achterdeur, die +overdag meestal open stond. + +„Ga maar gauw mee naar mijn kamer,” zeide Paula, „moeder kan je straks +wel goedendag zeggen, als ik de jurk genaaid heb.” + +Zij nam Annie mee naar een allerliefste kamer, die wel niet groot en +rijk gemeubeld, maar met veel smaak ingericht was, een echte +jongemeisjes kamer met licht behang met rose rozen, met kanten +gordijnen, die met rose linten werden opgenomen, voor het venster, en, +wat vooral steeds Annie’s bewondering had opgewekt, dat was de keurige +toilettafel met de strook van wit neteldoek over rose satinet, terwijl +de neteldoekschen gordijnen, die den spiegel omlijstten, van boven door +een groote rose strik werden vastgehouden. + +„Heeft je ma dit nu heelemaal voor je gemaakt?” vroeg zij met haar hand +over het neteldoek strijkende. + +„Ja, en het kleedje op tafel ook, wat verwent moes mij, he? maar wij +zijn ook maar met ons beidjes, dus heeft moeder wel tijd om nu en dan +wat voor mij te maken en dat doet ze zoo graag, die beste moes.” + +Al pratend had Paula een naaidoosje voor den dag gehaald en nu begon +zij handig Annie’s jurk te naaien. + +„Er valt gelukkig juist een plooi over,” zeide Paula; „je zult er niets +van zien.” + +„Dank je duizend maal, hoor!” riep Annie dankbaar, „je hebt mij een +heele preek bespaard.” Op de klok kijkende, voegde zij er verschrikt +bij: „maar ik moet weg; ik had al thuis moeten zijn, tante Dora komt om +elf uur.” + +„Je tante Dora! de mama van die twee trotsche kinderen, die verleden +jaar hier waren en zich niet met mij wilden bemoeien, omdat ik niet in +een groot huis woon, zooals jij?” + +„O, het zijn zulke nesten, ik kan ze niet uitstaan!” antwoordde Annie. + +In de gang ontmoetten zij mevrouw Tillens. + +„Zoo, is daar onze kleine Annie?” riep zij en toen het meisje naar haar +toevloog, kuste zij Annie hartelijk. „Ik hoorde je zeggen dat je haast +hadt, kindje,” merkte mevrouw Tillens op, „maak dus maar vlug dat je +weg komt, anders laat je papa wachten en dat mag niet.” + +„Mag ik dan gauw terugkomen?” vleide Annie, „het is hier bij u zoo +gezellig.” + +„Natuurlijk, kindje, je weet immers, dat je altijd welkom bent,” +antwoordde Paula’s mama, die steeds medelijden had met het moederlooze +meisje, dat ondanks haar rijkdom zooveel miste. + +Paula hielp Annie op de fiets en liep naast haar voort, het rijwiel bij +het stuur vasthoudende. + +„Zie je wel, ik ben al te laat,” zeide Annie, toen zij midden in de +oprijlaan waren en het huis reeds konden zien. „Daar komt juffrouw Mina +naar buiten om te zien waar ik blijf.” + +„Nu, dan keer ik maar om, dan kan je vlug door rijden,” antwoordde +Paula, „tot ziens dan.” + +„Dag, Pau, dank je nog wel!” riep Annie terug en nu begon zij zoo hard +te trappen als zij maar kon. + +Zooals meer gebeurt met menschen die pas hebben leeren fietsen, reed +ook Annie meestal tegen iedereen en alles op, waarvoor zij juist wilde +uitwijken. Op het oogenblik wilde zij uit den weg gaan voor juffrouw +Mina, maar zonder het te willen stuurde zij regelrecht op de goede ziel +aan. + +„Kind, wat doe je? ga toch op zij!” riep Mina en sprong verschrikt +achter een boom. + +„Ik kan niet!” antwoordde Annie hijgend en het volgende oogenblik kwam +zij in onzachte aanraking met den boom, waarachter Mina een +schuilplaats had gezocht. Natuurlijk viel Annie met fiets en al om, +doch gelukkig liep het zonder ongelukken af. + +„Foei, wat doe je mij toch altijd schrikken,” stamelde Mina, terwijl +zij het meisje ophielp. „En deed je dat nu heusch niet met opzet?” + +„He, hoe kan u dat nu denken!” riep Annie verontwaardigd. „Weet u wat +het is,” merkte zij een oogenblik later op, terwijl Mina bezig was het +zand van haar jurk te kloppen. „Als ik voor iets uit den weg wil gaan, +dan kijk ik er zoo strak naar, dat ik er juist naar toe rijd. Maar het +zal wel overgaan, denkt u ook niet?” + +„Het is te hopen, anders is het een gevaarlijk spelletje. Wat zal je +doen, als je een automobiel of een rijtuig tegenkomt?” + +„O, Paula wil niet, dat ik zonder haar op den straatweg rijd, voordat +ik het heel goed kan en als ik met haar rijd en er komt zooiets aan, +dan houdt zij mij vast en trekt mij uit den weg.” + +„Een lief, verstandig meisje, die jongejuffrouw Tillens en zoo netjes, +was jij maar zoo,” zeide Mina met een zucht, „dan had ik niet half +zooveel moeite met je. Kom nu maar gauw mee, dat ik je wat help +opknappen, want je tante is al wel een kwartier binnen en mijnheer +zeide, dat je, zoodra je thuis was, in het salon moest komen.” + +Annie vloog naar boven naar haar kamer en terwijl zij zich met behulp +van Mina wat meer toonbaar maakte, vroeg zij: „juffrouw Mina, wat komt +tante Dora hier doen, terwijl er toch niemand jarig is?” + +Tante Dora, de zuster van den heer Van Walen, kwam gewoonlijk slechts +ééns in het jaar, namelijk met den verjaardag van haar broer. Dan werd +het beste tafelzilver voor den dag gehaald, Annie moest haar mooie jurk +aantrekken en klokslag elf uur hield tante’s rijtuig, of soms +automobiel voor het huis stil. Meestal was zij alleen, doch een enkel +maal kwamen haar dochtertjes mee om haar oom geluk te wenschen. Annie +was bang voor de deftige, trotsche dame, die nooit recht hartelijk was. + +„Hoe wil ik dat nu weten, Annie,” antwoordde Mina op Annies vraag: „je +tante zal het mij niet vertellen. Ik denk dat mevrouw komt kijken, +hoeveel scheuren je deze week in je nieuwe jurk hebt gemaakt en of je +altijd nog even wild bent als vroeger, ziezoo, nu zit je haar netjes, +ga nu maar gauw naar beneden, je hebt mijnheer al lang genoeg laten +wachten.” + +Annie liep veel langzamer naar beneden dan zoo straks naar boven en +toen zij den knop van de salondeur omdraaide, bonsde haar hartje als +een hamer. + +„Ah, daar is onze kleine wildzang eindelijk,” zeide haar vader, toen +zij binnenkwam en naar haar tante toeging om deze te begroeten. „Kom +eens hier, kleine meid en hoor eens, wat wij je te vertellen hebben. +Het is groot nieuws en ik vond het beter je er nog niets van te zeggen, +vóórdat ik alles met tante Dora had afgesproken.” + +„Maar wat dan toch, papa? Wat is het nieuws, is het prettig?” vroeg +Annie, terwijl zij op de leuning van mijnheer Van Walens stoel ging +zitten. + +„Annie,” merkte haar tante op, „is het bepaald noodig, dat je op de +leuning van een stoel zit? Hier naast mij staat anders nog een stoel en +geheel leeg, zou je daar niet liever op plaats nemen?” + +„Ja, kleine, ga naast tante zitten, dan zullen wij je alles vertellen.” + +„Zoo dikwijls ik hier ben geweest,” liet tante er nog op volgen, „heb +ik Annie nog nooit vijf minuten achtereen als een gewoon mensch op een +stoel zien zitten. Altijd klom zij op de leuning of op de tafel, iets, +dat ik mijn meisjes streng verboden heb.” + +Annie kreeg een kleur, zette zich op het puntje van den door tante +aangewezen stoel, en keek haar vader vragend aan. + +„Het nieuws is, Annie, dat je een poos bij tante gaat logeeren, omdat +ik voor zaken naar Engeland moet. Je begrijpt dat ik je niet kan +meenemen, want jij mag de school niet verzuimen.” + +„U weg en ik naar tante, voor hoelang?” riep Annie zoo verschrikt, dat +tante niet kon nalaten te zeggen: + +„Hm, je bent wel beleefd. Ik heb mijn meisjes altijd geleerd de +beleefdheid in acht te nemen.” + +„O, ja, tante, ik vind het heel aardig om bij u te gaan logeeren,” +zeide het arme kind. Eensklaps scheen zij echter op een inval te komen. +„Zou het niet beter zijn, pa, als ik zoolang bij mevrouw Tillens ging, +dan hoefde ik niet van school te veranderen. Het is immers niet voor +lang, pa?” + +Voordat de heer Van Walen kon antwoorden, liet tante Dora zich hooren: + +„Neen, Annie, dat gaat niet; het is beter, dat je bij mij komt. Ik heb +altijd aan je papa gezegd, dat die jongejuffrouw Tillens geen goed +gezelschap voor je is; wij weten niets van die menschen af en dat +meisje wordt belachelijk door haar moeder verwend, bovendien is zij +veel te oud voor je, terwijl Coba en Laura zoowat van je eigen leeftijd +zijn. Het is ook heel goed voor je dat je eens voor een poosje van die +dorpsschool afkomt.” + +Annie durfde niets meer te zeggen, maar zij keek zoo ongelukkig, dat +haar vader troostend zeide: „In ieder geval blijf ik nog tot September +thuis, hoor kleine, dus zijn wij nog een heele maand samen. Ga nu maar +spelen, want ik heb nog veel met tante te bespreken en aan de koffie +zal ik je alles vertellen, wat je nog weten wilt.” + +„Een goed meisje, maar nog erg ongemanierd,” merkte mevrouw Stubbens +(zoo heette tante Dora) op, toen Annie de kamer uit was. „Zij zal nog +veel moeten leeren.” + +„Je moet niet vergeten, dat zij vanaf haar derden jaar de moederlijke +leiding gemist heeft,” antwoordde haar broer. „Mina Holst is een best +meisje,” voegde hij erbij, „maar niet de geschikte opvoedster voor een +meisje van Annie’s leeftijd. Daarom ben ik zoo blij, Dora, dat jij +zoolang de zorg voor het kind op je wilt nemen en ik hoop, dat je een +tweede moeder voor haar zult zijn.” + +„Zij zal in alles gelijk opgaan met mijn meisjes,” zeide mevrouw +Stubbens, „ik zal geen onderscheid maken, dat beloof ik je.” + +Intusschen was Annie het huis uitgesneld om nog gauw vóór koffietijd +alles aan haar vriendin te gaan vertellen. Paula zag haar reeds uit de +verte aankomen en benieuwd om te weten wat zij te vertellen zou hebben, +liep zij Annie te gemoet. + +„Hè, Annie, je hebt gehuild. Waarom? wat scheelt eraan?” riep zij toen +haar vriendinnetje bij haar was. + +„O Pau,” antwoordde Annie, die werkelijk geschreid had, maar nu moedig +haar tranen terugdrong; „ik moet van hier weg, ik moet bij tante Dora +gaan logeeren. Papa gaat naar Engeland en het schijnt voor langen tijd +te zijn, want ik ga met Coba en Laura naar school.” + +Paula wist niet goed, wat zij zeggen moest om haar vriendinnetje te +troosten. Zij vond het zelf heel akelig haar te moeten missen en ook +vooral voor Annie, omdat zij wist, dat deze niet van haar nichtjes +hield. + +„Kom mee naar mama,” zeide zij, haar arm om Annie’s hals slaande, „mama +zal je wel weten te troosten.” + +„Het spijt mij heel erg, dat je weggaat, Annie,” zeide mevrouw Tillens +toen haar alles verteld was, „en Paula zal je vreeselijk missen, maar +voor jou is het toch niet zoo héél erg, kindje. Het is wel akelig voor +je van je papa af te moeten, maar je gaat naar een mooie groote stad +waar alles nieuw voor je is en dan is er nog iets, dat je vergeet, ik +bedoel je jongste nichtje, waarvan je mij verteld hebt en waarvan je +zooveel houdt. Zal het nu niet zoo prettig voor je zijn, langen tijd +bij haar te kunnen logeeren? Ik wed dat het je nog wel meevalt en dan, +je papa zal toch niet zoo heel lang wegblijven, zoodat wij je met +Kerstmis wel weer thuis zullen hebben en dan kan je ons alles +vertellen.” + +Annie voelde zich werkelijk getroost, vooral door de gedachte, dat zij +waarschijnlijk met Kerstmis wel weer thuis zou zijn en ook hield zij +werkelijk van kleine Tine, haar jongste nichtje, een zwak kindje van +vijf jaar, zoodat zij niet meer met zooveel schrik aan haar verblijf +bij oom en tante Stubbens dacht en ten slotte met een vroolijk +gezichtje aan de koffietafel verscheen. + + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +ANNIE’S AANKOMST. + + +„O, tante, wat een prachtige winkels en wat is het hier druk, o, die +fietser komt stellig onder ons rijtuig.... o, o, o! tante kijk toch +eens, neen, gelukkig, hij wijkt nog, juist bijtijds uit! Hé, tante, wat +’n heerlijke speelgoedwinkel.” + +Annie’s mondje stond niet stil, zij verkeerde in één opwinding over al +het moois dat zij zag en over al de drukte en beweging eener groote +stad, waar zij slechts zeer zelden geweest was. + +Tante Dora was haar met open rijtuig komen halen en hoewel er bij het +afscheidnemen van haar vader en juffrouw Mina in het begin van den rit +heel wat tranen gevloeid waren, had het vooruitzicht van al het nieuwe +haar langzamerhand getroost, zoodat zij, toen zij een uur later de stad +binnenreden, in staat was volop van al het fraaie te genieten. + +„Stil toch, kind, praat niet zoo hard, ik heb altijd aan mijn meisjes +geleerd, dat zij zich niet moeten laten hooren. Het doet mij plezier, +dat je alles zoo mooi vindt, maar je moet niet zoo’n leven maken.” + +Zij lieten de vroolijke winkelstraten achter zich liggen en reden nu +door een stille deftige buurt met groote heerenhuizen. Voor één van +deze hield het rijtuig stil. De palfrenier schelde aan en bijna +onmiddellijk werd door een keurig dienstmeisje de deur geopend en een +oogenblik later stond Annie in de ruime vestibule van haar nieuwe +tehuis. + +Nauwelijks was zij binnen of Annie hoorde een vroolijke jongensstem +roepen: + +„Zeg, moes, bent u daar en hebt u Annie meegebracht?” en voordat het +meisje recht wist wat er gebeurde, kwam er langs de statige trapleuning +iets naar beneden glijden. Het ging zoo vlug, dat zij niet kon zien wat +het was, totdat zij haar tante op berispenden toon hoorde zeggen: +„Maar, Thomas, hoe dikwijls moet ik je dat nu toch verbieden? Het is +zoo vreeselijk gevaarlijk!” + +Toen bemerkte Annie, dat het niet, zooals zij eerst gedacht had, een +groot pak was geweest, dat men langs de leuning naar beneden had +geworpen, maar een jongen van een jaar of twaalf, die nu tante Dora +hartelijk omhelsde. + +„Die moes is altijd zoo bezorgd voor haar Thomasje, niet waar, +moedekie? Maar wees maar niet bang, hoor, onkruid vergaat niet!” En +tante Dora ... glimlachte. + +In stomme verbazing zag Annie dit tooneel aan. Hoe durfde hij zoo met +die deftige, stijve tante Dora omspringen en zij werd er niet eens boos +om! daar begreep Annie niets van. + +Nu liet Thomas zijn moeder los en kwam naar Annie toe. + +„Ben jij nu ons nieuwe nichtje? Hoe toevallig, hè, dat ik de keeren dat +jij hier kwam, juist niet thuis was. Welkom hier, hoor, ik ben blij, +dat je gekomen bent. Ga je nu mee, dan zal ik je mijn konijnen en +vogels laten zien.” + +„Misschien wil Annie liever eerst naar haar kamer, Thomas, dan kan je +haar straks je moois wel laten kijken.” + +„Neen, dank u, tante, maar kan ik Tineke niet eerst goedendag zeggen?” + +„Tine is naar Fröbelles, daar gaat zij tegenwoordig iederen morgen +heen, om haar alvast aan het schoolgaan te wennen.” + +„Mag ik dan met Thomas mee naar den tuin?” vroeg Annie. + +„Zeker, maar denk eraan, half één precies aan de koffie, hoor,” en +tante Dora ging naar boven, terwijl Thomas zijn nichtje bij de hand nam +en meetrok naar den tuin. + +„Zeg, Annie,” zeide hij, „je moet geen Thomas tegen me zeggen, maar +Tom, dat is veel gemakkelijker en alleen mama en papa noemen mij +Thomas, en zeg, weet je, waarom ik zoo blij ben, dat je gekomen bent,” +voegde hij erbij, toen zij aan het konijnenhok gekomen waren en hij +Annie zijn mooiste konijn in de armen had gelegd, „omdat ik hoop op je +heb.” + +„Wat bedoel je?” + +„Wel ik heb hoop, dat je niet zoo’n nuf bent als Coba en Laura; jij +bent immers zoo wild.” + +„Ik wild,” riep Annie verontwaardigd en zij nam haar deftigste houding +aan, „hoe kom je erbij? Ik ben al bijna elf en dan is men niet meer +wild.” + +„Nu, wij zullen zien. Als je papa bij ons was, sprak hij altijd van +„mijn kleine wildzang,” dat was jij dan, zie je.” + +„Ach, dat zei papa maar zoo, dat meende hij niet.” + +En nu wandelde Annie, nadat zij de konijnen genoeg bewonderd en weer in +het hok teruggezet hadden, als een zeer net meisje naast Tom den tuin +door naar de volière, waar hij allerlei mooie en vreemde vogels had. + +„Wat ’n prachtige fazanten, Tom, en wat zijn die duiven snoezig! laat +je die nu vrij uitvliegen?” + +„Ja en dan komen ze vanzelf weer in hun hok terug, vind je dat niet +leuk? ik heb er tien en er is tot nu toe nog geen een weggeraakt.” + +Nog een poos bleven zij naar de vogels kijken en toen kwam Tom op een +inval. + +„Zeg, Annie, wij zijn hier toch alleen, willen wij samen bokspringen? +Zoo om beurten, je weet wel, eerst mag jij springen en dan ben jij bok +en spring ik en zoo dit pad af, heerlijk!” + +Annie’s oogen begonnen te schitteren en Annie, die al bijna elf en dus +niet meer wild was, nam met graagte het voorstel aan. + +„Jammer toch, dat jij geen jongen bent,” merkte Tom eindelijk op, toen +zij naar hartelust gesprongen hadden en nu samen op het gras zaten uit +te rusten. „Je weet niet hoe saai het is met niets dan meisjes thuis!” + +„Waarom ben je nog niet naar school?” + +„Het gym begint eerst Dinsdag, maar de meisjesschool is al begonnen, +jij zult er morgen wel heen moeten.” + +„Neen, ik ga Maandag voor het eerst. Het is al Donderdag, dus deze week +niet meer de moeite waard, zeide tante.” + +„Dat treft prachtig! kan je fietsen? ja? nu, als moes het dan goed +vindt, zullen wij morgen naar buiten fietsen, dan zal ik je laten zien, +waar wij van den zomer geweest zijn en na de vacantie op vrije middagen +nog wel eens heengaan. Het is niet zoo heel ver; je zult zien hoe leuk +het is. De andere lui en ik hebben daar een fort gebouwd en dan +verdeelen wij ons in twee partijen, belegerden en belegeraars en als +Coba en Laura mij een heele week niet geplaagd hebben, dan mogen zij en +Tineke ook mee. Dan zijn zij drie vrouwen, die in het kamp in +veiligheid gebracht en door de mannen beschermd worden. En nu kan jij +ook meedoen.” + +„Maar ik heb geen bescherming noodig. Mag ik niet met de mannen +meevechten?” + +„Zie je wel dat je wild bent. Zooeven heb je wat lekker bok gesprongen +en nu wil je met de mannen meevechten in plaats van je op een veilige +plaats door ons te laten beschermen; daar zijn jullie, vrouwen, toch +voor. Maar ik weet wat,” voegde hij er na eenig nadenken bij, „je kunt +marketentster zijn. Wil je dàt dan?” + +„Dat is ten minste beter, dan daar zoo vervelend niets te doen zooals +die drie anderen.” + +„Maar zij hebben wel degelijk wat te doen. Zij moeten gillen van angst +als er op het fort geschoten wordt en zij moeten flauw vallen. Den +laatsten keer hebben wij Tine, om haar weer bij te brengen zoo nat +gegooid, dat zij wel een half uur in de zon heeft moeten zitten om te +drogen, want zij mocht natuurlijk niet met die natte jurk naar huis, +dan hadden wij een standje gehad.” + +Toen zij genoegzaam waren uitgerust, wandelden de kinderen naar huis +terug en aan de koffietafel ontmoette Annie haar oom, die bij haar +aankomst niet thuis was geweest, en haar nichtjes. + +„Welkom hier, kleine meid,” had de heer Stubbens tot haar gezegd, toen +hij haar begroette; „ik hoop, dat jij je hier thuis zult voelen en dat +jullie, kinders, goed met elkaar zult kunnen opschieten.” + +Op haar dringend verzoek mocht de kleine Tine naast Annie zitten, die +zij telkens met een blij lachje aankeek. + +„Ik mag vanaf Maandag alleen naar de les,” vertelde zij trotsch, „dan +wordt ik niet meer gehaald en gebracht.” + +„Is dat waar, ma, mag dat kleine spook al alleen gaan?” + +„Ja, Thomas, ik vind het goed dat zij al vroeg zelfstandigheid leert; +zij is veel te bang en dat moet eruit.” + +„Dat komt omdat zij zoo klein is,” merkte Torn wijsgeerig op, „Beppie +van hiernaast is vier en een half en veel grooter dan zij.” + +Annie dacht aan een van haar boeken, waarin een klein meisje dat tegen +het verbod van haar moeder alleen de straat op was geloopen, door een +automobiel was overreden, en angstig keek zij naar haar kleine +buurmeisje. + +„Is het ver loopen, Tine?” + +„Ach, wel neen!” antwoordde tante Dora voor het kleintje, „geen tien +minuten. Kijk dus maar niet zoo angstig, Annie.” + +„Meisjes,” zeide mevrouw Stubbens na de koffie tot Coba en Laura, +„jullie hebt, voordat je weg moet, nog tijd om Annie te helpen haar +kamer wat gezellig te maken, ga dus met haar naar boven.” + +Annie vond het alles behalve prettig; veel liever was zij met Tom en +Tine in den tuin gaan spelen, maar zij durfde natuurlijk niets te +zeggen. + +Zij had een mooie frissche kamer gekregen, die op den tuin uitzag, +zoodat zij niet in de vroegte door de drukte van de groote stad gewekt +zou worden. + +Annie maakte haar koffer open en haalde daaruit platen te voorschijn, +waarmee zij nu met behulp van haar nichtjes de wanden begon te +versieren. Ook had zij eenige étagère voorwerpen meegebracht, die zij +op den schoorsteenmantel neerzette en toen alles klaar was, moesten zij +alle drie bekennen dat de kamer er veel gezelliger uitzag. „Die dingen +zijn allemaal uit mijn kamer,” zeide Annie, „en deze kamer lijkt zoo op +de mijne, dat het nu net is of ik weer thuis ben, zelfs de gordijnen +zijn dezelfde.” + +„Ja, dat heeft ma met opzet gedaan. Je hebt deze kamer gekregen, omdat +zij net als de jouwe op den tuin uitkijkt en bijna dezelfde meubels +heeft, ook mahoniehout met rood,” merkte Coba op, „je mag er ma wel +voor bedanken.” + +„Natuurlijk,” antwoordde Annie, die boos was, omdat Coba meende, dat +het noodig was haar hieraan te herinneren. + +„Jij gaat Maandag eerst naar school, hè?” vroeg Laura. + +„Ja, maar Zaterdag gaat je ma met mij naar de directrice en moet ik +examen doen voor de vijfde.” + +„Ik zit ook in de vijfde,” zeide Laura „en Clara van Scheik, Marie +Munster en Emmy van Spechten ook. Ik ben benieuwd of je bij ons komt te +zitten.” + +Toen de meisjes eindelijk weer naar school waren, ging Annie ook naar +beneden om haar tante te zoeken. + +Deze kwam juist de gang door en nu sloeg Annie in de dankbaarheid van +haar hartje beide armen om tantes hals en gaf haar een hartelijke kus. +„Dank u, tante,” zeide zij, „ik ben zoo blij met die kamer, ze is net +de mijne.” + +Mevrouw Stubbens was eerst verwonderd over die onstuimige omhelzing; +zij was zooiets van haar eigen meisjes niet gewoon. + +„Pas op, meisje, je kreukt mijn japon,” zeide zij. „Het doet mij +genoegen, dat de kamer naar je zin is, maar je moet niet zoo wild +zijn.” + + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +HET FORT. + + +Toen Annie den volgenden morgen wakker werd, scheen de zon vroolijk +haar kamer binnen. Het eerste oogenblik was het haar wel vreemd, dat +zij niet thuis in haar eigen bedje lag, maar toen zij goed wakker was, +herinnerde zij zich alles, vooral ook, dat Tom haar beloofd had met +haar te gaan fietsen. Zij hoopte nu maar, dat tante het goed zou +vinden, want zij verlangde om het fort te zien. + +„Ik zal het zelf aan moeder vragen,” had Tom haar gezegd. „Je zult +zien, dat het dan wel mag.” + +Aan het ontbijt zeide hij dan ook; „Moesje, als ik u iets vraag, zegt u +dan ja?” + +„Hoe kan je zulke dwaze dingen zeggen, Thomas, ik moet toch eerst +weten, wat je te vragen hebt.” + +„O, het is heel onschuldig, u kunt er geen neen op zeggen.” + +„Thomas, doe nu niet zoo kinderachtig,” bracht zijn vader in het +midden, „vraag nu kalm aan mama, wat je te vragen hebt en draai er niet +zoo omheen.” + +„Nu, dan, ma, mag ik met Annie gaan fietsen?” + +„Moet je daar nu zooveel omwegen voor gebruiken, malle jongen?” +antwoordde zijn moeder, „daar steekt toch geen kwaad in, als je maar +zorgt, dat je op tijd aan de koffietafel bent. Maar, vóór alles moet ik +natuurlijk weten waar jelui heengaat.” + +„Ik wilde Annie het fort laten zien. Zij mag later ook meespelen, hé, +ma?” + +„Wat de meisjes mogen, mag Annie ook, maar denk er nu om, om half één +thuis, hoor.” + +„Je ijzeren paard staat klaar, Annie,” riep Tom een half uur later aan +de trap, toen Annie naar boven was gegaan om zich klaar te maken. + +Toen zij eindelijk beneden kwam, bekende zij verlegen; „ik moet je nog +wat zeggen, Tom, ik kan het nog niet héél goed. Ik kan nog niet alleen +opstappen.” + +„Dat is niets hoor,” merkte hij goedig op, „ik zal je wel helpen en je +door de drukte heenbrengen. Je kunt immers wel los rijden?” + +„Ja, dat wel, maar ik slinger nog zoo.” + +„Nu, wij zullen wel zien. Je hebt immers een man bij je om je te +beschermen.” + +Hij hielp haar opstappen en toen zij op gang was, sprong hij op zijn +eigen fiets en vroolijk reed het tweetal weg. Annie’s rijkunst viel Tom +na haar bekentenis nogal mee en toen zij ongeveer drie kwartier over +een open landweg hadden gereden, kwamen zij aan een heerlijke +beschaduwde laan. + +„Wij zijn er dadelijk,” zeide Tom. „Die boomen daar aan je rechterhand +zijn van het buiten van mijnheer Boots, die naast ons woont, de papa +van Beppie en dat is Rustoord, ons buiten, waar wij iederen zomer +heengaan tot de scholen weer beginnen.” + +Zij reden een prachtig hek binnen, waarbij Tom Annie moest vasthouden +om te beletten, dat zij tegen de zware steenen pilasters zou aan +rijden, en daarna door een breede oprijlaan naar het huis. + +„Hier zullen wij afstappen,” riep Tom van zijn fiets springende, om +daarna Annie te helpen. „Straks, als wij nog tijd hebben, zal ik je +leeren op- en afstappen, maar nu eerst naar het fort. Zullen wij er om +het hardst heen loopen, of ben je moe?” + +„Wel een beetje,” bekende Annie met tegenzin, want zij was bang, dat +Tom het flauw van haar zou vinden, dat zij zoo gauw moe was. + +„Dan weet ik wat, wacht hier maar even.” En hij verdween achter het +huis. + +Een oogenblik later kwam hij terug met een aardig, licht wagentje, +voorzien van twee disselboomen, waar hij als paard tusschenin liep. + +„Wil mevrouw maar instappen? Ziet u, mevrouw, het is nog een heel +eindje loopen en aangezien u moe bent van uw ongewoon langen fietstocht +zal ik u hierin naar het fort brengen. Dit was vroeger mijn bokkewagen, +maar nu ben ik natuurlijk te groot om mij door een bok te laten +trekken.” + +„Wat aardig van je, Tom,” zeide Annie instappende, en zij voelde zich +wat deftig, toen zij door hem over de goed onderhouden paden van +Rustoord werd voortgetrokken. + +Eindelijk hield Tom stil en keerde zich om. „Zie je daar tusschen die +boomen door die vlag?” vroeg hij. „Dat is de vlag van het fort.” + +Annie stapte uit haar wagentje en te ongeduldig om het pad te volgen, +baanden de kinderen zich een weg door het kreupelhout tot zij aan een +groote open ruimte kwamen, waar middenop het fort stond. + +„Nu, waarom zeg je niets?” vroeg Tom teleurgesteld, toen Annie zweeg. +„Vind je het niet mooi?” + +„Het is prachtig, Tom, ik had nooit gedacht dat het zoo echt zou zijn, +met een echte poort! en het is zoo groot! wie heeft het gemaakt?” + +„Mijn vrienden en ik en een enkelen keer heeft de tuinman geholpen en +toen het klaar was, is papa komen kijken en heeft hij ons die mooie +vlag gegeven.” + +Het fort, dat de jongens van zand en de steenen van een afgebroken +schuur vervaardigd hadden, was werkelijk alleraardigst en zoo groot, +dat zij er gemakkelijk met hun zessen in konden, terwijl er dan zelfs +nog plaats overbleef voor de meisjes. + +„Zie je,” vertelde Tom, „als de meisjes erbij zijn, maken wij voor haar +een zonnetent en dan leggen wij kleedjes op den grond, omdat anders hun +jurken vuil worden, maar je zult het wel zien, als wij hier met de +anderen terugkomen. Het is alleen vervelend, dat Co en Lau zulke stijve +nuffen zijn; zij zijn altijd bang om hun handen vuil te maken en je +moet niet denken, dat zij ooit eens zullen helpen als er gauw, voordat +de vijand komt, een bres in den muur hersteld moet worden. Dat zou jij +wel doen, hè?” + +„Natuurlijk, maar tante wil niet hebben, dat zij zich vuil maken en dat +mag ik natuurlijk ook niet, maar als het noodig was, zou ik je toch wel +helpen.” + +Annie was verrukt over het fort, dat zij zich lang niet zoo mooi had +voorgesteld. Zij vond het dan ook een waar kunststuk. + +„Ja,” hervatte Tom, die met trots Annie’s uitingen van bewondering had +aangehoord, „het is een heel werk geweest, maar natuurlijk gaat er wel +eens iets stuk. Nu zal ik je nog meer vertellen. Zie je daar dien +koepel bovenop die hoogte? Papa noemt het de belvédère, maar voor ons +is het een oud ridderslot, waar de burchtvrouwen Laura en Coba met het +kind Tineke wonen. En dan komen wij, roofridders de burcht overrompelen +en voeren de vrouwen weg naar ons fort, maar soms ontvoeren wij alleen +het kind en dan bieden wij de bewoonsters van de burcht aan een +losprijs te betalen en als zij dat gedaan hebben krijgen zij dadelijk +het kind terug.” + +„Hè, Tom, je weet niet hoe ik verlang om mee te doen, maar ik zou je +dien losprijs niet geven hoor.” + +„Zoo, wat zou je dan doen, het kind in onze handen laten?” + +„Neen, ik zou mijn getrouwen oproepen en met hen samen het fort +overvallen en Tine bevrijden. Zeg, Tom,” voegde zij erbij, „laten wij +nu eens die hoogte opklimmen naar den koepel, ik zou het zoo aardig +vinden om vandaar naar beneden te kijken.” + +Tom keek op zijn horloge, een zilveren, dat hij met zijn laatsten +verjaardag had gekregen en knikte toestemmend. „Wij hebben nog wel +tijd, vooruit dan maar, wie het eerst boven is. Eén, twee, drie!” + +Zij stormden het pad op, dat in een spiraal om de hoogte heen naar +boven leidde en hijgend kwamen zij aan. Tom met zijn lange +jongensbeenen natuurlijk het eerste. + +„Dat scheelde toch weinig, hé?” riep Annie op een bank vóór den koepel +neervallende, „bijna had ik je ingehaald.” + +„Ja, je kunt goed loopen, maar kom nu eens hier kijken,” antwoordde Tom +op het stevige hek leunende, dat boven was aangebracht om naar beneden +vallen te verhoeden. „Zie eens wat een mooi uitzicht je van hier hebt.” + +„Wat is dat mooi en wat is het fort van hier gezien klein,” riep Annie +in verrukking. + +„Sst,” zeide Tom eensklaps, zijn vinger op zijn mond leggende, „kijk +eens daar rechts tusschen de boomen, zie je daar niemand bewegen?” + +Annie keek in de bedoelde richting en zag nu ook tusschen de takken en +bladeren door de gedaante van een man, maar zij kon niet zien, wat hij +daar deed. + +„Wie is dat, Tom?” vroeg zij, „er mag hier toch niemand in, of is het +de huisbewaarder?” + +„Neen, kijk, daar gaat hij weg. Het was Koos, de zoon van den tuinman, +die nu huisbewaarder is. Ik weet best, wat hij gedaan heeft en papa +heeft gezegd, dat hij weggejaagd zou worden, als papa het ooit weer van +hem merkte en dat zou vreeselijk zijn, heeft zijn moeder mij gezegd, +want zij weet niet wat zij dan met hem beginnen moet, want op school +wilde hij ook al niet oppassen. Zijn moeder huilde zoo, toen zij het +mij vertelde. Kom gauw mee dan kunnen wij ze nog wegnemen, voordat papa +ze gezien heeft.” + +„Maar wat dan toch. Je hebt mij niet eens gezegd, wat hij eigenlijk +gedaan heeft.” + +„Wel, hij zet lijmstokken uit om vogels te vangen. Gemeen, hé? Hij +verdiende eigenlijk, dat ik hem door papa liet betrappen, maar zijn +moeder huilde zoo.” Zij liepen het pad af naar beneden, waar zij Koos +gezien hadden en Tom vond dadelijk den lijmstok, dien hij wegnam en in +den grooten vijver wierp, die zich daar in de buurt bevond. + +„Die arme vogeltjes, gelukkig dat er nog geen een opzat,” zeide Annie. +„Weet je zeker, dat dit de eenige stok was, Tom?” + +„Hier zie ik er geen meer en wij moeten maar hopen, dat er geen meer +zijn, want wij hebben geen tijd om het heele park door te zoeken en dat +is ook geen doen. Maar, Annie, je moet er thuis maar niets van zeggen, +dat wij dat stokje gevonden hebben, want dan stuurt papa Koos stellig +weg.” + +Annie beloofde hem te zullen zwijgen, waarna de twee kinderen naar huis +terugkeerden. + + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE LIJMSTOKKEN. + + +„Verbeeld je, Dora,” zeide de heer Stubbens dien middag aan tafel, „nu +heb ik van middag op Rustoord toch weer lijmstokken gevonden. Bij het +weggaan viel toevallig mijn oog op den grooten kastanjeboom en daar had +die kwajongen er weer een paar in vastgezet. Ik had geen tijd meer om +terug te loopen en hem te zeggen, waar het op stond, maar nu is het +uit; morgen zal ik aan Barend zeggen, dat ik den jongen niet langer in +het park wil zien. Hij moet weg.” + +„Pa,” begon Tom verlegen. + +„Wat is er, jongen?” + +„Pa, Koos heeft die lijmstokken er dezen keer niet ingezet, ik heb het +gedaan.” + +„Wat zeg je daar!” stoof mijnheer op. „Jij, een welopgevoede jongen +voert zulk kattekwaad uit, terwijl je weet, dat ik het aan de bedienden +streng verboden heb? Ga onmiddellijk naar je kamer en blijf daar tot ik +je permissie geef er weer uit te komen. Over die zaak zullen wij nog +wel eens nader spreken; je moest je schamen!” + +Tom stond stil op en verliet de kamer, terwijl hij onderweg Annie, die +wat zeggen wilde een wenk gaf om te zwijgen. + +„Neen, Annie,” vervolgde de heer Stubbens, toen hij dit zag, tegen +haar, „het geeft niet of je nu al een goed woord voor Thomas wil doen, +hij zal, hoop ik, zelf voelen, dat ik dit niet ongestraft kan laten.” + +Een paar dikke tranen rolden langs Annie’s wangen, maar zij zeide +niets. Ook tante Dora en de meisjes durfden niets in te brengen, want +zij wisten evenals Annie, wanneer de heer Stubbens eenmaal iets gezegd +had, dan bleef hij er bij. + +Toen deze een half uur later in zijn studeervertrek zat, werd er zacht +op de deur getikt en op zijn „binnen” trad Annie beschroomd de kamer +in. + +„Zoo, kleine meid,” zeide haar oom vriendelijk, „kom je toch nog eens +probeeren een goed woordje te doen voor Thomas. Het is heel lief van +je, kindje, maar je weet toch, dat als ik eenmaal iets gezegd heb, dan +moet het ook gebeuren. Thomas is heel ondeugend geweest en daarvoor +moet hij gestraft worden.” + +Terwijl zij haar oom zoo hoorde spreken, had Annie langzamerhand haar +verlegenheid verloren, zoodat zij nu moedig naar de tafel stapte, +waaraan haar oom zat, en zeide: + +„Tom is heelemaal niet ondeugend geweest, hij is juist heel goed +geweest.” + +„Wat zeg je daar?” + +„Ach ja, oom, ziet u, ik had Tom, ik bedoel Thomas, beloofd het niet te +vertellen, maar nu moet ik het toch doen, is het niet zoo?” + +„Ik weet niet wat het is, wat je te vertellen hebt.” + +„Thomas heeft het niet gedaan, oom, Koos deed het.” + +„Koos! Maar waarom heeft Thomas dan gezegd dat hij het gedaan had?” + +„Omdat Koos zijn moeder zoo gehuild had.” + +Onder het spreken was Annie dichterbij gekomen, totdat zij nu vlak +naast haar oom stond. „Oompje,” vleide zij, „ik zal u alles vertellen, +maar dan moet u ook niet boos op hem zijn, hè? en ook niet op Koos, nu +Thomas dit gedaan heeft om hem te helpen?” en zij keek zoo smeekend +naar den heer Stubbens op, dat deze niet kon nalaten te glimlachen. + +„Klein vleistertje,” zeide hij, „vertel mij nu eerst maar eens alles +wat er gebeurd is, dan zullen wij wel verder zien.” + +Nu vertelde Annie naar waarheid hoe de zaak zich had toegedragen en wat +Thomas haar verteld had van de moeder van Koos, die toch al zooveel +verdriet had van haar zoon en nu doodsbang was, dat de heer Stubbens +hem zou wegsturen. + +„Zoo, zoo,” zeide oom, toen Annie had uitgesproken, „is dat de +geschiedenis. Ik ben heel blij, dat je mij alles verteld hebt, Annie, +want nu weet ik, dat Thomas die lage streek niet heeft uitgevoerd. En +dat hij de schuld ervan op zich heeft genomen, om een ander te helpen +was wel heel goed van hem, dat zouden niet veel jongens met zoo’n +strengen papa hem hebben nagedaan, maar, kleine, om dat te doen, heeft +hij mij voorgejokt en dat was niet goed van hem en dat zal ik hem wel +degelijk onder het oog brengen. En maak jij je nu maar niet ongerust +dat Thomas boos zal zijn, omdat jij zijn heldendaad verklapt hebt, want +daar behoeft hij niets van te weten; hij zal mij zelf de waarheid +zeggen.” + +„Dat zal hij nooit doen, oom, als hij Koos daardoor in gevaar brengt.” + +„Hij moet wel, Annie. Het was heel dom van mij, dat ik er niet eerder +aan gedacht heb, maar ik kan Thomas bewijzen, dat hij het niet gedaan +heeft.” + +„En Koos, nu, oom?” + +„Koos moet weg. Ik heb hem genoeg gewaarschuwd.” + +„Dat is dan mijn schuld; dat heb ik gedaan!” en Annie begon te huilen. + +„Neen, neen, Annie, jouw bekentenis heeft er niets mee te maken, hij +zou toch gegaan zijn. Maar zijn moeder zal er geen verdriet van hebben, +hoor, wees maar niet bang. Ik heb al een goede plaats voor hem +gezocht.” + +„U bent een best oompje,” zeide Annie en gaf den heer Stubbens een +hartelijken kus. „Mag ik nu aan Thomas gaan zeggen, dat hij weer van +zijn kamer mag?” + +„Neen, wacht maar, ik zal wel naar hem toegaan, ik moet met hem +spreken.” + +Annie ging heen en een oogenblik later begaf de heer Stubbens zich naar +de kamer van zijn zoon. + +Tom zat zijn vacantiewerk te maken en keek verwonderd op, toen zijn +vader binnenkwam. + +„Ik kom eens met je spreken, Thomas,” begon deze, „vertel mij nu eens, +wat er eigenlijk vandaag gebeurd is.” + +Tom kreeg een kleur als vuur en zweeg. Hij voelde, dat het hem niet +gemakkelijk zou vallen een geheel verzonnen verhaal op te disschen. + +„Zie je, Thomas,” vervolgde zijn vader, „ik weet, dat jij die stokjes +niet in den boom vastgezet kan hebben. Zoo straks dacht ik daar niet +aan, maar het is zoo klaar als de dag. Ben je vanmiddag nog op Rustoord +geweest?” + +„Neen, pa.” + +„Nu, hoe kan jij dan in den kastanjeboom lijmstokken gezet hebben, die +er nog niet in waren, toen ik om drie uur op Rustoord kwam?” + +Tom wist niets te antwoorden. + +„Luister eens, Thomas,” zeide de heer Stubbens een hand op den schouder +van den jongen leggend, „het was heel goedhartig van je dat je om Koos +te helpen zijn schuld op je nam, maar toch had je moeten bedenken, dat +het nooit, onder welke omstandigheden ook, goed kon zijn, dat je mij +voorjokte. Je hebt daar niets meer mee bereikt en zou daar ook nooit +iets meer mee bereiken, dan wanneer je mij vertrouwd hadt. Ik was toch +niet van plan om Koos hier te houden, maar ken jij je vader nu zoo +weinig, dat je kon denken, dat ik zijn ouders, die goede oppassende +menschen zijn, het verdriet zou aandoen om dien jongen zoo maar weg te +zenden, zonder meer?” + +„Daar was ik bang voor, pa.” + +„Nu, stel je dan maar gerust; ik heb voor Koos een goede betrekking +gezocht en als hij wil, kan hij daar vooruitkomen. Maar, jij mag niet +meer jokken, hoor, jongmensch.” + +„Neen, pa, nooit meer,” beloofde Tom merkbaar opgelucht, dat alles zoo +goed was afgeloopen en dat hij er zoo goed afkwam. + +De heer Stubbens ging weer naar beneden en Tom ging Annie zoeken om +haar alles te vertellen. + +Toen Annie bij haar oom geweest was, ging zij naar de zitkamer van haar +nichtjes. Zoodra zij binnenkwam, zeide Coba: + +„Wat laag van Tom, hè, net zoo’n straatjongen, om daar lijmstokken neer +te zetten. Wat had hij nu met die vogels willen doen? hij heeft er toch +al genoeg. Met zoo’n jongen wil ik niet meer spelen. Wie weet, wat hij +nog zou uithalen, als wij er bij waren. Ik ga niet meer mee naar het +fort.” + +„Nu, ik zou je ook wel danken,” voegde Laura erbij, „ik doe ook niet +meer mee. Hij moest zich schamen.” + +Annie werd vuurrood van drift en stampvoetend riep zij heftig: „Jullie +moest je schamen, Tom niet. Hij heeft het niet eens gedaan. Hij heeft +dat maar gezegd om Koos te helpen. Die heeft het gedaan en Tom wist, +dat je pa Koos zou wegzenden als hij het nog eens deed.” + +„Kind, houd je kalm,” zeide Coba, het oudste van de twee zusjes, „wat +hebben de buren ermee noodig. Als Tom toch zelf zegt, dat hij het +gedaan heeft, hoe kunnen wij dan ruiken, dat het niet zoo is? Wat zeg +jij, Laura?” + +Laura antwoordde niet, maar keek verlegen voor zich, terwijl Annie +zonder verder iets te zeggen de kamer verliet om aan haar vader en aan +Paula te schrijven. Op de trap ontmoette zij echter Tom, die haar juist +was gaan zoeken en haar nu alles vertelde, wat zijn vader aan hem +gezegd had. + +„Leuk, dat ik er zoo af kom, hè,” merkte hij op. „Het zou toch saai +geweest zijn als ik bij voorbeeld op de vrije middagen niet meer naar +Rustoord had mogen gaan, want zooiets zou het geweest zijn, dat weet ik +zeker.” + +„Zeg, Tom,” bekende Annie nu, „ik heb het toch aan oom verteld, ben je +nu erg boos?” + +„Ach het komt er nu immers niet meer op aan. Laten wij er maar niet +meer over praten. Ik ga mijn werk afmaken.” + +„En ik ga aan papa en aan Paula schrijven,” riep Annie, terwijl zij de +trap opging naar haar kamer. + +Behalve aan haar vader en haar vriendin schreef zij ook nog een briefje +aan Mina, die nog een paar dagen in het huis zou blijven om een en +ander op te ruimen en daarna bij haar zuster zou gaan logeeren, die +ergens buiten een boerderij had. + +In haar brieven vertelde Annie breedvoerig haar wedervaren van de twee +laatste dagen en zij moest bekennen, dat zij, hoewel zij natuurlijk wel +naar huis terug verlangd had, tot nu toe nog niet veel tijd had gehad +om daarover te denken. + + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE BUITENPARTIJ. + + +„Kinderen ik heb iets bedacht, dat een goed slot zal zijn voor deze +zomervacantie,” zeide de heer Stubbens den volgenden dag. „Morgen +zullen wij den geheelen dag op Rustoord gaan doorbrengen. Jullie moet +de noodige vrienden en vriendinnetjes meevragen en dan blijven wij daar +dineeren zoodat jelui den geheelen dag vóór je hebt.” + +„Heerlijk, heerlijk, pa,” riepen de kinderen om het hardst. + +„O, Tom, wat leuk, nu kan ik meespelen in het fort!” liet Annie zich +hooren en zij waren alle vijf dol blij. + +„Mogen wij Bertha en Clara en Emmy en Marie meevragen?” vroegen Coba en +Laura. + +„En mag Bep mee?” klonk Tine’s stemmetje. + +„Hoort eens, daar bemoei ik mij niet mee, dat moeten jullie met mama +uitmaken. Jullie vriendinnen ken ik niet. Maar wie wil jij meenemen, +Thomas?” + +„De jongens, die altijd mee naar Rustoord zijn geweest, pa.” + +„De vijf onafscheidelijke vrienden? best, en zorg maar dat er evenveel +jongens als meisjes zijn, dan kunnen jelui, wanneer je niet te moe +bent, ’s avonds nog een dansje doen in de zaal van Rustoord. Mama of ik +zullen wel piano spelen.” + +De kinderen waren opgetogen en de drie zusjes vlogen de kamer uit om +haar mama te gaan zoeken en aan haar te vragen of zij de genoemde +vriendinnetjes mochten meenemen. + +Mevrouw Stubbens had er niets tegen. Coba en Laura waren zelf veel te +trotsch om met meisjes om te gaan, die niet van gelijken stand waren +als zijzelf. + +„En wil Tineke Beppie zoo graag meevragen?” vroeg tante Dora aan het +kleintje. + +„Mag het?” + +„Zeker, maar dan moet je haar zelf gaan vragen, als een knap groot +meisje.” + +Vroolijk danste de kleine rond. „Ik mag ook een vriendinnetje vragen, +net als Co en Laura!” + +„Ga nu maar gauw,” zeide haar moeder en Tine liep den tuin in, waar zij +Annie zag. + +„Annie, Annie!” riep zij en deze keerde zich om en ving de kleine in +haar armen op. „Annie, ik mag Beppie meevragen; ik ga nu naar haar toe; +maatje zeide, dat ik haar zelf moest gaan vragen.” En het kind huppelde +vroolijk weg. + +Toen Annie het huis in kwam, gaf haar tante, die juist op weg naar +boven was, haar een brief. + +„O, die is van grootma Hermsen,” zeide Annie, zoodra zij de enveloppe +zag. „Wil u hooren wat grootma schrijft, tante?” + +„Ik moet nu naar boven, maar straks moet je mij al het nieuws maar +vertellen,” antwoordde mevrouw Stubbens. + +Annie nam den brief mee naar boven om hem in haar kamer op haar gemak +te kunnen lezen. + +Zij hield veel van haar grootmoeder (van moeders zijde), een +vriendelijke oude dame, bij wie Annie iederen zomer in de vacantie een +paar weken ging doorbrengen, daar haar grootmoeder zich te oud vond om +zelf te reizen en er toch op gesteld was haar kleinkind ten minste ééns +in het jaar een poosje te zien. In deze laatste vacantie was er echter +niets van gekomen, want nu de heer Van Walen voor zoo langen tijd +wegging—het was nu bepaald dat hij eerst kort vóór Kerstmis zou +terugkomen—had hij nog zoo lang mogelijk van Annie’s bijzijn willen +genieten. + +„Nu, Annie,” vroeg mevrouw Stubbens, toen zij Annie later op den middag +in de huiskamer aantrof, „had grootma veel nieuws?” + +„Ja, verbeeld u, juffrouw Mina gaat niet naar haar zuster, maar naar +grootma, om zoolang papa weg is voor grootma het huishouden te doen. +Grootma zegt, dat zijzelf te oud wordt om dat te doen. En zij schrijft +ook, dat zij hoopt, dat ik haar eens zal komen opzoeken, omdat de reis +van hieruit niet zoo ver is als wanneer ik thuis ben.” + +„Nu, dan zullen wij er eens op een Zondag heengaan; ik wil graag +mevrouw Hermsen een bezoek brengen.” + + + +Den volgenden dag was het prachtig weer en om negen uur kwamen de door +Tom en zijn zusjes uitgenoodigde vrienden en vriendinnetjes. Zij hadden +allen aangenomen en met tante Dora’s viertal en Annie meegerekend, +waren er twintig kinderen bij elkaar. Iedereen was even vroolijk en +Annie was blij, nu reeds met haar nieuwe klasgenooten te kunnen +kennismaken—zij was in de vijfde klasse toegelaten—dan zou zij morgen +niet zoo vreemd op school komen. + +Intusschen waren er twee „Jan pleziers” voorgereden en onder blij +gejubel en gezang reed men naar Rustoord. + +Daar aangekomen hielpen Tom en zijn vrienden de meisjes uitstappen en +alsof het afgesproken was, sloegen de kinderen allen terstond den weg +naar het fort in. + +„Ziezoo,” zeide Tom, toen zij dit bereikt hadden. „Nu moet er +natuurlijk een aanvoerder zijn. Wat zeggen jullie ervan, vinden jullie +niet dat Frans van Meerel als de oudste het meeste recht daarop heeft?” + +„Ja, ja, natuurlijk!” klonk het uit verschillende monden, „Leve onze +kommandant Van Meerel!” + +„Goed, ik wil het graag zijn,” zeide Frans. Hij was een lang +opgeschoten jongen van dertien jaren, de zoon van de in die stad +algemeen bekenden dokter Van Meerel, die het voortdurend betreurde, dat +Frans zooveel meer uitmuntte in sport dan in zijn leervakken, want +niettegenstaande zijn dertien jaren zou Frans nu pas met Tom en zijn +klasgenooten op het gymnasium komen. + +„Eerst moeten wij beginnen ons te verdeelen,” zeide Frans nu. „De dames +wonen natuurlijk weer in haar burcht.” + +„Ik niet,” riep Annie eensklaps, „Tom heeft mij beloofd, dat ik +marketentster op het fort mocht zijn.” + +„Dat kan je later worden, als wij je hebben gevangengenomen.” + +„Dan zou ik het nooit worden, want ik laat mij niet gevangen nemen en +ik zal de burcht zoo helpen verdedigen, dat geen van de vrouwen in +jullie handen valt.” + +„Wees nu niet flauw, Annie,” riep Coba Stubbens. „Het is altijd zoo +gegaan; wij kunnen toch niet als jongens gaan meevechten, wij hebben +immers onze beste jurken aan. Kom, je gaat nu maar mee, hoor.” + +Annie kon natuurlijk niet over zooiets met een van haar nichtjes +kibbelen, dus zweeg zij maar. + +„Nu dan,” vervolgde Frans, toen de orde hersteld was, „de dames moeten +verdedigers hebben. Wij zijn met ons tienen mannen, daarvan zullen wij +er haar vier geven, dan blijven wij met ons zessen.” + +Hij koos nu vier van de jongens en zond deze met de meisjes naar de +zoogenaamde burcht. + +Annie had deze nog niet van binnen gezien, daar de koepel den vorigen +keer, toen zij en Tom daar waren, op slot was geweest. Maar nu was de +deur open en zag zij tot haar verbazing dat hij als een buitengewoon +gezellige kamer was ingericht, terwijl er nog een tweede, klein +vertrekje aan grensde, waar de verdedigers der burchtvrouwen konden +slapen. Bertha van Scheik, het oudste meisje, werd tot burchtvrouw +verheven, Tine en Beppie waren de kinderen, terwijl de overige meisjes +de dienaressen waren. + +De twee kleine kinderen waren den geheelen dag onafscheidelijk en zoo +voelde Annie zich bijzonder tot Bertha aangetrokken, die haar +voortdurend aan haar eigen vriendinnetje, Paula Tillens, herinnerde. + +Toen zij een oogenblik later naast Bertha over de leuning naar beneden +stond te kijken, kon zij ook niet nalaten haar dit te zeggen. + +„Paula Tillens,” antwoordde Bertha, „ik wil wel gelooven, dat ik je aan +haar herinner. Zij is mijn eigen nichtje, haar ma is een zuster van de +mijne.” + +„O, wat heerlijk!” riep Annie, „dan komt zij zeker wel eens bij je. Ik +begrijp niet, dat zij mij nooit over je gesproken heeft.” + +„Ik wel. Ik zal het je maar zeggen, ma en tante zijn niet goed met +elkaar. Er is iets gebeurd, waardoor ma erg boos was op oom Tillens en +toen werd tante natuurlijk boos op ma en nu komen zij nooit meer bij +elkaar. Paula en ik waren nog niet eens geboren, toen het gebeurde, dus +misschien heeft tante haar nooit over ons gesproken en weet zij niet +eens dat zij hier familie heeft. Het is anders wel jammer, want Paula +en ik zijn even oud en het was natuurlijk gezellig geweest, wanneer zij +bij mij had kunnen logeeren.” + +„Ja, wel jammer, hé, maar misschien wordt het nog wel goed tusschen je +ma en je tante.” + +Voordat Bertha weer iets kon zeggen, werden de meisjes gestoord door +den aanvoerder hunner verdedigers, Frits van Scheik, die met een diepe +buiging op Bertha toetrad. + +„Mevrouw,” begon hij, „wij moeten u berichten, dat wij in het verschiet +een stofwolk zien naderen. Wij vermoeden dat het de vijand is en dus +geven wij u in overweging of het niet beter is dat u zich met de +kinderen en de overige vrouwen in het kasteel terugtrekt.” + +Beppie en Tineke, die in de buurt stonden en deze redevoering mede +hadden aangehoord, stietten nu zeer natuurlijke angstkreten uit. Hoewel +zij wist, dat het maar spelen was, bekroop Tine altijd een bang gevoel, +wanneer zij die jongens met houten en blikken sabels gewapend, zoo door +het kreupelhout naar boven zag klauteren. Zij werd dan zoo bang, dat +zij zich al ging verstoppen, voordat de jongens nog boven waren. +Blijkbaar had zij Beppie reeds van al die vreeselijkheden verteld, want +deze had even angstig gegild als zij en klemde zich stijf aan Tine +vast. + +Annie, die voor het eerst dit spelletje meemaakte, keek verbaasd naar +de twee kleintjes en vroeg toen aan Coba: + +„Zeg, Coba, heb je wel gezien hoe bang Tine is? Zij ziet er bleek van. +Vindt tante het wel goed dat zij meespeelt?” + +„Natuurlijk, ma vindt het best. Ma zegt, dat zij een veel te angstig +poppetje is; dat moet eruit zegt ma en daarom gaat zij morgen ook +alleen naar school. Het is toch immers onzin, dat zij zoo bang zou +zijn. De jongens zullen haar toch niet opeten.” + +Annie ging naar binnen om de kinderen te zoeken, die zij verstopt vond +achter een canapee. + +„Tine,” zeide zij, „en jij ook, Bep, wat zijn jullie flauw om zoo bang +te zijn. Wat denken jullie eigenlijk dat er gebeuren zal? het zijn +immers maar Tom en zijn vrienden! Die zullen jullie toch geen kwaad +doen.” + +Beppie keek Annie eens aan; Tom en zijn vrienden, dat klonk heel anders +dan een vijand met sabels, waarvan Tine haar verteld had. + +„Ja, Annie, dat weet ik wel,” stamelde Tine, „maar als ik ze zoo naar +boven zie klimmen, dan vergeet ik dat het maar de jongens zijn en dan +zie ik alleen die vreeselijke sabels en dan word ik zoo bang. Maar nu +ben ik niet meer bang,” voegde zij er dapper bij. + +„En toch zit je nog achter de canapee, zoo’n flauw kind!” riep Annie en +op datzelfde oogenblik ging de deur open en kwamen de overige meisjes +binnen. + +„Zij komen!” riep Bertha, „je kunt ze al goed zien. Wij vrouwen blijven +dus hier in het kasteel en laten ons door onze manschappen verdedigen.” + +Annie had daar niets geen zin in, maar zij wilde er niet meer om +kibbelen; zij wist wel een middel om ongemerkt buiten te komen. + +Toen de meisjes allen binnen waren, sloop zij naar het kleine kamertje, +dat een openslaand venster had. De jongens hingen alle vier over de +leuning om naar den naderenden vijand te kijken, zoodat Annie ongemerkt +het venster kon openen en naar buiten klimmen. Een dikke tak, dien zij +vóór den koepel op den grond vond, nam zij als wapen in de hand. Nu +bleef zij wachten op het teeken, dat de vijand genaderd zou zijn. Daar, +waar zij stond, konden de jongens haar niet zien, want zij was aan den +anderen kant van den koepel, en de meisjes schenen haar niet te missen. + +Juist hoorde zij Tineke angstig vragen: „waar is Annie?” toen een luide +oorlogskreet van de jongens haar waarschuwde, dat het groote oogenblik +gekomen was. Even keek Annie naar haar witte jurk, waarop bij het uit +het venster klimmen reeds een vuile streep was gekomen, en zij +aarzelde. Maar daar hoorde zij het gekletter der houten en blikken +sabels, waarmede ook hunne verdedigers gewapend waren en toen dacht +Annie aan geen jurk meer. Haar tak zwaaiende liep zij met een +juichkreet op de jongens toe en streed dapper mee. Frits was wel +verbaasd en zelfs boos geweest, toen hij haar zag, doch hij had het te +druk om op haar te letten, of er haar iets van te kunnen zeggen, want +de vijand naderde reeds den koepel. + +„Weg van dat venster! Moeten jullie doodgestoken worden?” riep hij +tegen een paar meisjes, die voor het open venster verschenen, waar +Annie uitgeklommen was. Door haar voorbeeld aangestoken, kwamen echter +nog drie van de meisjes, naar buiten. Zij verdedigden met de jongens +samen met zulk een heldenmoed de burcht, dat voor het eerst, zoolang +het fort bestond, de vijand werd teruggedreven; maar toch niet geheel +zonder buit. Zij hadden een gevangene gemaakt. + +Tine was naar het open venster geloopen om de anderen na te kijken, +toen zij plotseling vlak bij zich hoorde zeggen: + +„Gauw, Tine, ga met mij mee,” en daar zag zij Karel van Scheik, een van +de vijanden, die haar nu over de vensterbank tilde en wegvoerde naar +het fort. + +„Je bent zwaar hoor,” zeide Karel, haar op den grond zettende. „Ik had +het niet lang meer kunnen volhouden. Ziezoo, nu ben je mijn gevangene, +maar omdat je zoo zoet bent meegegaan en mij heelemaal niet geschopt of +gebeten hebt, krijg je wat lekkers van mij. Heb je dorst?” + +Het was een warme dag en Tine antwoordde, dat zij heel veel dorst had. + +„Hier dan,” zeide Karel en schroefde den beker van zijn veldflesch los, +waarin hij heerlijke limonade had meegebracht. Hij schonk den beker vol +en reikte haar dien over. + +„Dat is lekker,” riep Tine, toen zij den beker had leeg gedronken en +veelbeteekenend keek zij naar de flesch. Karel begon te lachen en +schonk haar nog eens in. + +„Zeg, Tine” zeide hij nu, „als de anderen straks komen, zal je dan niet +bang of verlegen zijn, maar heel mooi flauw liggen? Het is zoo leuk; de +jongens weten heelemaal niet, dat ik je heb gevangengenomen.” + +„Ik ben voor jou niets bang, Karel.” + +„Bang! dat mankeert er nog maar aan! zoo’n groot meisje bang! dat zou +toch al te gek zijn! maar daar komen zij, wees nu lief en ga flauw +liggen. Hier is een zacht kleedje.” Hij spreidde dit op den grond uit +en Tine ging erop liggen. + +Onder luid gepraat naderden nu de vijf andere jongens. + +„Jij bent ook een mooie om ons zoo in den steek te laten!” riep Frans. +„Was je soms bang en ben je daarom weggeloopen?” + +„Ik ben niet weggeloopen. Ik heb een gevangene gemaakt; kom maar eens +kijken, wie ik hier heb!” antwoordde Karel. + +En daar zagen de jongens Tine op het kleedje liggen. Zij deed wat zij +Karel beloofd had en hield zich, alsof zij in zwijm lag. + +„Hoera, hoera, hoera!” riepen allen, toen zij het meisje zagen en zij +voerden om haar heen een krijgsdans uit. + +„Wij moeten eerst de gevangen jonkvrouw weer tot bewustzijn brengen,” +sprak de aanvoerder, „maar niet te veel water, hoor, denk aan haar +Zondagsche jurk, mannen.” + +Zeer voorzichtig werden haar nu eenige druppels water in het gezicht +gesprenkeld en hierop sloeg Tine de oogen op. + +„Voelt gij u nu weer gezond?” vroeg de kommandant. + +„Ja, ik wil weg,” antwoordde Tine, opstaande. „Ik wil naar Bep.” + +„Wij hopen u ten spoedigste naar de burcht te kunnen terugzenden,” +hernam Frans. „Zoo dadelijk vertrekt een ijlbode naar het slot om den +losprijs te noemen, waarvoor wij u weer in vrijheid zullen stellen.” + +Nauwelijks had hij uitgesproken of, voordat de jongens recht wisten, +wat er gebeurde, slopen twee gedaanten het fort binnen, namen ieder een +hand van Tine vast en snelden met haar weg. Het waren Annie en Frits, +die, toen zij ontdekten, dat Tine verdwenen was, samen waren +uitgetrokken om haar terug te halen, en zij waren reeds met haar +halverwege den heuvel op, voordat de mannen in het fort van hun +verbazing bekomen waren. + +„Neen, maar, zooiets is ons toch nog nooit overkomen!” riep Tom, nadat +hij een oogenblik verbluft had gestaan. „Zullen wij hen achterna gaan, +kommandant?” + +„Ik ben zoo warm,” klaagde Frans. + +„En het is toch te laat, ook,” voegde Tom erbij. „Luister maar.” + +Er klonk nu een bel, die geluid werd om de jongens en meisjes binnen te +roepen, waar een welvoorziene koffietafel hen wachtte. + +Het was een luid door elkaar gepraat en gekibbel, toen het geheele +twintigtal in de eetkamer bij elkaar was. De bewoners van het fort +verweten de verdedigers van de burcht, dat zij niet zoo flauw hadden +mogen zijn om hen te verslaan, waartegen de anderen weer luide +tegenwerpingen maakten. Frans van Meerel en Frits van Scheik stonden +zelfs zoo dreigend tegenover elkaar, dat mevrouw Stubbens zich haastte, +ieder een plaatsje aan tafel te geven. + + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +TINE’S NIEUWE OOM. + + +„Bespottelijk van je, Annie, dat jij je zoo bij Bertha van Scheik +opdringt, die zooveel ouder is dan jij,” zeide Coba Stubbens op zekeren +dag, toen zij pas uit school waren gekomen. + +Coba was een beetje jaloersch op Annie; tot nu toe was zijzelf Bertha’s +speciale vriendin geweest, maar sedert de komst van Annie, had Bertha +zich meer met deze bemoeid, dan Coba lief was. „Waarom loop je niet +liever met Clara, die in jouw klasse zit, in plaats, dat je de meisjes +uit de zevende opzoekt,” voegde Coba er nog bij. + +„Ik dring mij niet bij Bertha op, dat is heelemaal niet waar,” riep +Annie boos. „Maar Bertha loopt graag met mij, omdat ik de vriendin ben +van haar nichtje, Paula Tillens, en dan praten wij samen over Paula.” + +„Wat zeg je,” bracht mevrouw Stubbens, die toevallig in de kamer was, +in het midden, „is dat meisje van Tillens een nichtje van de Van +Scheiks? Ik dacht dat die mevrouw Tillens en haar dochter menschen +waren, die, nu, ja, die niet in onze kringen thuishooren.” + +„Ik weet niet, of zij in uw kringen thuis hooren; ik weet niet wat u +bedoelt, tante, maar mevrouw Tillens is altijd even snoezig voor mij +geweest en Pau is mijn vriendin en papa vond het best, dat ik met haar +omging. Mevrouw Tillens is de zuster van mevrouw Van Scheik.” + +„Hoe is het mogelijk! dan heeft men mij heelemaal verkeerd ingelicht. +Mijnheer en mevrouw Van Scheik behooren tot de aanzienlijkste families +van de stad. Nu, Annie, als Paula eens bij Bertha komt logeeren, dan +moet je haar ook maar eens een dagje hier vragen.” + +„Zij komt nooit hier, tante, haar ma is niet goed met mevrouw Van +Scheik.” + +„Maar, kind, hoe weet je dat alles?” + +„Dat heeft Bertha mij allemaal verteld.” + +„Zoo, zoo; misschien zal ik haar dan eens van Zaterdag tot Maandag hier +vragen. Dat zou je zeker wel prettig vinden, is het niet?” + +„Meent u het tante? maar dat is dolletjes!” en Annie zou haar tante op +een van haar onstuimige omhelzingen vergast hebben, als zij niet juist +bijtijds bedacht had, dat mevrouw Stubbens daar niet van hield. Zij +begreep niet goed, waarom tante Dora zoo plotseling veranderd was ten +opzichte van Paula en haar moeder; zij was daarvoor nog te jong, maar +kind als zij was dacht zij er ook niet verder over na en verheugde zij +zich slechts in het vooruitzicht dat haar vriendinnetje bij haar zou +mogen komen logeeren. + +Zij was nu reeds veertien dagen bij de familie Stubbens en begon zich +nu langzamerhand zoowel bij hen als op school nogal thuis te voelen. +Tante Dora bleef, zooals zij geweest was koel in haar manieren, maar +Annie wist dat zij in haar hart toch goedig was, want zij verzon van +alles om het moederlooze kind genoegen te doen en bovendien had Annie +nu zooveel kennisjes om zich heen, die hartelijk en aardig voor haar +waren, dat zij zich niet in het minst verlaten voelde. Ook was zij zeer +vlug in het leeren en maakte het dan ook goed op school. Maar er was +één ding, waardoor zij daar altijd in ongelegenheid kwam. Zij was erg +goedig en kon niet laten om Louise Bronsma, het meisje, dat naast haar +zat, voor te zeggen, wanneer Louise er om vroeg. + +Louise was een erge stumper, die de grootste moeite had om mee te komen +en soms, wanneer zij thuis werkelijk had zitten blokken op de +geschiedenisles, die zij moesten leeren, was zij deze, als zij den +volgenden dag op school kwam, weer geheel vergeten. + +„Annie,” zeide zij weer op zekeren morgen, voordat de school begon, +„zeg je mij voor, als ik een beurt krijg bij de geschiedenisles?” + +„Hé, Lou, juffrouw Merks merkt het altijd en ik loop er straf voor op. +Oom heeft gezegd dat ik, als ik het weer doe op de vrije middagen niet +meer mee mag naar Rustoord en als oom zooiets zegt, gebeurt het ook, +dat verzeker ik je.” + +„Dan moet je het natuurlijk niet doen, maar ik ken er niets van,” zeide +Lou met een erg ongelukkig stemmetje, „en als ik vandaag mijn les niet +ken, moet ik Woensdagmiddag school blijven.” + +„En ik erbij voor het voorzeggen, dat zal je zien! Heb je de les dan +niet geleerd?” + +„Jawel, heusch waar, maar ik kan die namen niet onthouden en dan die +nare jaartallen!” + +„Misschien krijg je geen beurt.” + +Annie had zich vast voorgenomen dezen keer niet toe te geven en zeide +dit ook aan Louise. + +De les begon en reeds hadden verscheidene meisjes een beurt gehad, +zoodat Louise hoop kreeg, dat de vragen niet aan haar toe zouden komen, +voordat het uur om was, toen de juffrouw eensklaps vroeg: + +„Vertel jij me nu eens Louise Bronsma...” + +Voordat de juffrouw nog zoover gekomen was, had Annie al gefluisterd +„beef maar niet zoo, ik zal je wel helpen als je het niet weet.” + +„Vertel mij eens, Louise, wanneer begon de tachtigjarige oorlog?” + +Dat wist zij gelukkig. „In vijftien honderd acht en zestig, juffrouw,” +antwoordde zij dadelijk. + +„Heel goed; en wanneer en waar werd de vrede gesloten?” + +Louise dacht na. + +„Acht en veertig,” fluisterde Annie. + +„In vijftien honderd acht en veertig,” antwoordde Louise. + +„Maar meisje, hoe kan dat nu? en hij begon in vijftien honderd acht en +zestig.” + +„Zestien,” fluisterde Annie weer. + +Louise was nu echter weer geheel in de war. „In vijftien honderd +zestien,” antwoordde zij. + +„Maar kind, hoe is het toch mogelijk,” zeide de juffrouw, die haar +geduld begon te verliezen, „hij begon in vijftien honderd acht en +zestig hoe kan hij dan eindigen in vijftien honderd zestien?” + +„Zestien honderd acht en veertig,” fluisterde Annie opnieuw, maar, +zooals zij wel gevreesd had, was deze zin te lang, vooral daar Louise +niet zoo heel gemakkelijk hoorde en zij dus niet al te zacht kon +fluisteren. + +„Is Annie weer aan het voorzeggen?” vroeg de juffrouw. „Het spijt mij, +Annie, maar dan moet je nu maar de klasse uitgaan. Het is je al +dikwijls genoeg verboden. Woensdagmiddag moet je maar een uurtje +schoolblijven. Ik zal Louise nu nog een paar vragen doen en als zij die +zonder jouw hulp niet weet, moet zij ook hier blijven. Maar ga jij nu +maar eerst naar de directrice en zeg, dat ik je heb weggestuurd, omdat +je weer voorgezegd hebt.” + +Zonder een woord te zeggen verliet Annie het lokaal. Zij wist dat Lou +toch nooit zou durven bekennen, dat zij (Annie) het op haar verzoek +gedaan had; het kind was trouwens te veel overstuur en zat te beven als +een riet. + +Annie vond het heel vervelend om naar de directrice toe te gaan, want +deze gaf op dat uur Duitsche les in de zevende klas, dus zouden Bertha +en Coba nu merken, dat zij weggestuurd was. Maar het moest natuurlijk +gebeuren en zij klopte aan. + +„Binnen,” klonk de stem van de juffrouw en met loode schoenen trad +Annie het lokaal in. Gelukkig hadden de meisjes schriftelijk werk, dus +kon de juffrouw haar dadelijk te woord staan en behoefde zij niet voor +de geheele klasse te staan wachten. + +„Zoo, Annie, wat kom je doen?” + +„Ik ben weggestuurd, juffrouw, omdat ik heb voorgezegd.” + +„Hm, zoo, dat is al meer gebeurd, niet waar?” + +„Neen, juffrouw ik ben nog nooit weggestuurd; dit is de eerste keer.” + +„Neen, dat bedoel ik niet. Ik meen het voorzeggen.” + +„O, ja,” bekende Annie nu, „ik heb er al driemaal thema’s voor gehad.” + +„Maar meisje, hoe is het dan mogelijk, dat je er niet mee ophoudt? +Enfin, ik heb nu geen tijd, ik zal er je nog wel eens over spreken.” Op +haar horloge kijkende, voegde de juffrouw erbij: + +„Het is nu kwart voor twaalf, dus te laat om nog iets te beginnen. Ga +dus nu naar huis, maar Woensdagmiddag moet je natuurlijk school +blijven.” + +„Ja, juffrouw, dag, juffrouw.” + +„Dag, Annie.” + +Zonder naar de meisjes om te zien, die over hun werk gebogen zaten, +verliet Annie het lokaal. + +Zij wilde niet vroeger thuis komen, dan de anderen, want dan zou oom, +als hij toevallig thuis was, natuurlijk vragen, hoe zij zoo vroeg van +school kwam en zij had den moed nog niet om het te vertellen. Zij zou +maar een eindje loopen. + +Langs het gymnasium komende, hoorde zij eensklaps haar naam roepen en +omkijkende, zag zij Frans van Meerel. + +„Is het gymnasium al uit, Frans?” vroeg Annie. + +„Neen, ik ben weggestuurd. Lam, hè?” + +„Jij ook?” + +„Wat! je wilt toch niet zeggen, dat jij ook...” + +„Ja, ik ben ook weggestuurd,” zeide Annie, „omdat ik heb voorgezegd. +Vind je dat niet flauw?” + +„Nou, of ik. Ik wou, dat ik kon voorzeggen, maar ik weet zelf nooit een +antwoord. Neen, weet je wat ik gedaan heb,” vervolgde hij, terwijl hij +naast haar voortliep. „Ik had het portret van Smilder met twee lange +ezelsooren eraan op het achterste bord geteekend. De lui vonden het +prachtig en het schijnt ook wel geleken te hebben, want anders zou hij +niet zoo woedend geweest zijn. Je hadt zijn gezicht moeten zien, toen +hij het voorste bord opschoof en zijn portret zag! Hij vroeg natuurlijk +dadelijk, wie het gedaan had. Die Smilder is ook zoo’n ezel!” + +„Dat moest oom eens hooren, dat je Smilder zeide in plaats van mijnheer +Smilder. Tom krijgt altijd zoo’n standje als hij het doet.” + +„Ach, wat, al de lui doen het natuurlijk; maar, zeg, vind je het geen +leuke mop?” + +„Ik had er wel bij willen zijn.” + +„Dat dacht ik wel. Nou het was ook wel de moeite waard. Ik heb er de +straf graag voor over. Maar hoe kom je hier, durf je niet naar huis?” + +„Oom is zoo streng,” antwoordde Annie, „en dan had ik natuurlijk alles +moeten vertellen, als oom gevraagd had, hoe ik zoo vroeg thuis kwam.” + +„Laten wij nog een straatje omloopen, totdat het twaalf slaat.” + +Al pratend kwamen de kinderen langs het huis van de familie, waar Tine +fröbelles had. Juist kwamen een paar van de kleintjes naar buiten met +de dienstmeisjes, die hen waren komen halen. + +„De kinderen gaan geen van allen nog alleen; Tine is de eenige,” zeide +Annie en vroeg toen aan een van de kleintjes: „Is Tine Stubbens nog +binnen?” + +„Neen, Tine is net door haar oom gehaald,” antwoordde het kind. „Tineke +was zoo blij, haar oom ging met haar naar den dierentuin. Zij is net +weg.” + +Annie begreep er niets van. + +„Wie is die oom van Tine, Annie?” vroeg Frans. + +„Ik weet het niet. Zij heeft, geloof ik, geen anderen oom dan papa en +die is in Engeland.” + +„Ga mee kijken,” riep Frans; „wij halen ze nog wel in. Zij zijn net +weg.” + +Nog onder het spreken had hij Annie reeds weggetrokken en nu holden de +kinderen samen voort. + +„Ga je naar den dierentuin?” vroeg Annie. + +„Welneen; ik geloof er niets van, dat zij daarheen zijn. Wij zullen +juist den anderen kant opgaan. Den weg, dien wij gekomen zijn, heeft +hij niet genomen, anders hadden wij hen natuurlijk gezien. O, daar +staat de tram nog, gauw!” + +„Wat wil je doen?” + +„Op de tram stappen, dan halen wij hen stellig in. Hij vertrekt +dadelijk.” + +De kinderen stapten in en het was of de tram daarop gewacht had; hij +vertrok bijna onmiddellijk. Frans liet Annie binnen zitten, want hij +was veel te bang, dat zij onder het rijden uit de tram zou springen, +wanneer zij Tine zag, en ging zelf buitenop staan. + +„Kijk jij rechts,” had hij aan haar gezegd, „dan zal ik aan den +linkerkant uitkijken.” + +„En u, jongeheer?” vroeg de conducteur. + +Frans betaalde voor twee en bleef nu naar buiten turen. Zijn +voorspelling kwam uit, want nog geen minuut hadden zij gereden, toen +hij een kleine gedaante aan de hand van een keurig gekleed heer zag +loopen. Er viel niet aan te twijfelen, het was Tine met den nieuwen +oom. Niets kwaads vermoedend liep het tweetal voort. + +„Stop je bij de volgende halte?” vroeg Frans aan den conducteur. Hij +wilde hen eerst voorbij laten gaan en hen dan te gemoet loopen, dan kon +Annie zien, of zij dien heer kende. + +Met opzet ging hij naar binnen, zoodat Tine hem niet herkennen zou en +toen hij naast Annie zat, die nog strak naar buiten keek uit angst dat +Tine haar ongemerkt voorbij zou loopen, zeide hij: „Laat dat maar, wij +zijn er al. Wij stappen dadelijk uit.” + +„O, ga mee, gauw,” riep Annie hem meetrekkende, „anders zijn zij weg!” + +„Welneen, zij loopen ook dezen kant op, dáár, nu gaan wij hen juist +voorbij. Kijk nu niet zoo, anders ziet Tine je en dan gaat hij die +zijstraat in.” + +Hoewel het in werkelijkheid geen minuut duurde, leek het Annie wel een +uur, voordat de tram stilhield. Zij had bijna geen geduld om te wachten +tot hij stilstond en de conducteur moest haar bij den arm vasthouden, +anders was zij er nog onder het rijden uitgesprongen. + +„Nu mag je eruit,” zeide Frans eindelijk en nadat hij zelf was +uitgestapt, hielp hij Annie uit de tram. + +„Kijk nu eens goed,” fluisterde hij, „ken je dien mijnheer?” + +„Neen,” antwoordde Annie, „wie is dat? Ik heb hem nooit gezien.” + +Daar kreeg Tine hen in het oog. „Annie, Annie!” riep zij vroolijk. „Ga +je mee? oom gaat met mij naar den dierentuin!” + +Oom keek woedend, toen hij ontdekte, dat Tine kennissen gezien had. Als +het kind hem bijtijds gezegd had, dat er iemand aankwam, die zij kende, +dan had hij die zijstraat in kunnen slaan, die zij juist voorbij waren +gekomen. En als het nu nog maar alleen dat kleine meisje was geweest, +dan had hij er nog wel wat op gevonden, maar met dien grooten jongen +erbij werd het toch te gevaarlijk. Hij leek een jaar of vijftien en zou +zich niet om den tuin laten leiden. Hij zou toch nog zijn best doen. + +„Is dat Annie,” zeide oom. „Dag Annie, ga je ook mee? dat is aardig. En +wie is dat jongmensch, is dat een vriendje? hij zal er zeker wel geen +zin in hebben om met twee kleine meisjes mee te gaan, dat zeide ik zoo +juist aan je zusje, toen ik jullie zag aankomen.” + +„Ik ben geen klein meisje,” antwoordde Annie beleedigd, „en Tine is +mijn zusje niet! Maar wie bent u?” + +„Oom is van morgen pas gekomen,” vertelde Tine nu. „Laat ons nu gaan, +Annie, anders wordt het zoo laat. Wij gaan in den dierentuin +koffiedrinken; papa is er ook.” + +„O!” riep Annie, want nu begreep zij, dat er niets van waar was, „dat +kan niet, want je pa moet om half één naar Amsterdam.” + +„Daar komt je pa aan, Tine,” zeide Frans eensklaps en voordat hij nog +had uitgesproken, had de zoogenaamde oom Tine’s hand losgelaten, hen +den rug toegekeerd en was hij in de zijstraat verdwenen. + +Tine begon te huilen. „Nu is oom weg; nu kan ik niet naar den +dierentuin!” + +„Stil, Tine, een ander keertje ga je er heen, hoor,” troostte Annie. +„Waar zag je oom, Frans?” + +„Wel, nergens, maar ik wilde dien anderen oom weg hebben; ik begreep +wel dat hij daarvoor op den loop zou gaan, en nu ga ik hem achterna om +te zien waar hij blijft. Annie, ga gauw met Tine naar huis.” + +„Huil toch niet zoo, Tine,” zeide Annie, toen Frans weg was, „die +mijnheer was heelemaal geen oom van je. Hij had Tineke mee willen nemen +en dan was Tine nooit meer thuis gekomen. Maar nu gaan wij naar maatje, +hoor, hard loopen! kan je mij krijgen?” + +En om het kleintje vlugger mee te krijgen, deed Annie, alsof zij voor +haar wegliep. De list gelukte. Tine rende haar achterna, zoo vlug als +haar kleine beenen haar dragen konden en juist als zij Annie bijna had, +liep deze weer weg, totdat zij zich eindelijk liet pakken. „Nu zal ik +jou pakken, loop, loop, gauw, maar niet vallen.” Op hetzelfde oogenblik +dat Annie Tine gepakt had—zij waren reeds niet ver meer van huis—kwam +Frans hen buiten adem achterop. + +„Hij is weg,” zeide hij. „Juist toen ik in de Zandstraat (de reeds meer +genoemde zijstraat) kwam, stapte hij in een rijtuig en reed in volle +vaart weg. Nog een oogenblik heb ik geprobeerd het te volgen, maar hij +reed zoo hard, er was geen denken aan. Hoe vinden wij dien kerel nu +terug? je moet maar gauw alles aan je oom vertellen.” + +„Ja,” antwoordde Annie verstrooid. Naarmate zij het huis naderden, +drong het gebeurde van dien morgen op school zich weer bij haar op den +voorgrond, want zij begreep, dat Coba nu al wel thuis alles verteld zou +hebben, dat zij weggestuurd was en zij wist, wat er opstond. Zijzelf +zou het in Coba’s plaats natuurlijk nooit doen, zij vond klikken laag, +maar Coba was al zoo afgunstig op haar, om Bertha, dat zij stellig niet +zwijgen zou. Het zou haar trouwens toch niets helpen; oom moest het +toch weten, want hij zou haar natuurlijk vragen, waarom zij op een +vrijen middag naar school moest. + +Op de stoep nam Frans afscheid en met kloppend hart schelde Annie aan. + +„Gut, waar benne jullie geweest? mevrouw heb al een angst uitgestaan +van belang, weet je wel, dat het al over half één is, Annie?” met deze +woorden werden zij ontvangen door het oude keukenmeisje, dat reeds +jarenlang bij de familie was en dat nu de deur voor hen opende. + +„Je bent anders toch vroeg genoeg van school gegaan,” plaagde Coba, die +met haar moeder de gang in kwam om te zien of het de kinderen waren. + +„Stil nu, Coba,” riep mevrouw Stubbens, „ik moet eerst weten, waar Tine +zoo laat vandaan komt.” + +„Oom wou met mij naar den dierentuin en toen kwamen Annie en Frans en +oom vroeg of Annie ook mee ging,” vertelde Tine, „en toen zei Frans: +„daar komt je pa aan,” en toen ging oom weg en het was niet eens waar, +paatje kwam niet aan en nu heb ik niet naar den dierentuin kunnen gaan +en oom had beloofd, dat ik de apen apennootjes mocht geven en dat ik +een cent in de snuit van den olifant mocht doen en nu is oom weg en kan +ik niet naar den dierentuin gaan!” en bij de herinnering aan al de +heerlijkheden, die nu voor haar waren verloren gegaan, begon de kleine +opnieuw te huilen. + +Tante Dora was doodsbleek geworden. + +„Ik begrijp niets van dat verhaal, Annie,” zeide zij. „Vertel mij eens +duidelijk, wie is die oom, waar zij het over heeft? zij heeft geen +anderen oom, dan mijn broer, jouw vader, en die kan het natuurlijk niet +geweest zijn, jij zoudt je eigen vader wel gekend hebben.” + +„Oom, die van morgen pas gekomen is,” antwoordde Tine voor Annie, „en +nu is oom weg!” + +„Kind, kind, ben je zoo maar met dien vreemden man meegeloopen? het is +verschrikkelijk! Ik begrijp niet, dat mevrouw je heeft laten gaan.” + +„Mevrouw weet er geloof ik niets van,” zeide Annie. „Die mijnheer heeft +buiten gewacht, tot Tine het huis uit kwam. Een van de meisjes werd +juist gehaald, toen Tine wegging en zij is weer naar binnen gegaan om +het aan de andere kinderen te vertellen, en die zeiden het aan ons, +toen wij kwamen.” + +„Het is vreeselijk,” zeide mevrouw Stubbens. „Was papa nu maar thuis, +maar die komt eerst om vijf uur terug. Wees nu stil, Tine, dan kan +Annie mij precies vertellen, wat er gebeurd is.” + +Mevrouw was blijkbaar zoozeer vervuld van het voorgevallene met Tine, +dat zij er in het geheel niet meer aan dacht dat Annie weggestuurd was. + +„Ik ging om kwart voor twaalf uit school,” begon Annie haperend en met +een erge kleur, „en... toen... wou ik... nog niet dadelijk naar huis... +en toen... liep ik een eindje om... en toen kwam ik Frans tegen... en +toen kwamen wij langs Tinekes les...” en nu vervolgde Annie achter +elkaar met vuur haar verhaal, want het moeilijke ervan was nu voor haar +voorbij. + +„En hoe zag die man eruit?” vroeg haar tante. + +„Een groote man met een langen baard, en met een bril op en met een +hoogen hoed.” + +„Annie, kind, zeide eensklaps mevrouw Stubbens, terwijl zij, voor het +eerst zoolang Annie haar kende, het meisje naar zich toetrok en +hartelijk kuste. „God weet waar mijn kleine Tine nu zou zijn, als jij +en Frans niet toevallig op dat oogenblik langs dat huis gekomen waren, +waar zij leert.” + +„Bent u niet meer boos, tante, omdat ik weggestuurd ben?” + +„Ik weet niet, waar het voor was Annie; straks als wij alleen zijn, +moet je er mij alles maar eens van vertellen. Nu ga ik eerst met de +politie telefoneeren. Het was dus een langen man met een baard, met een +bril en met een hoogen hoed?” + +„Zoo’n mooie oom!” riep Tine nog verdrietig. „Ik was niets bang voor +hem.” + +„Het was toch beter dat je bang was voor hem in plaats van voor de +jongens en voor mij,” merkte Tom wijsgeerig op. „Als Annie en Frans +niet gekomen waren, moest je nu misschien al bij een kermistroep leeren +koorddansen. Ik heb juist gisteren eenige woonwagens langs den weg zien +staan. Zeg, moes, wat zegt u nu wel van Frans?” voegde hij er tot zijn +moeder bij, die juist terugkwam van het telefoneeren. + +„Frans heeft zich hierin zeer flink gedragen, dat moet ik zeggen,” +antwoordde mevrouw Stubbens. „Maar kinderen,” vervolgde zij, „laat ons +nu gauw gaan koffiedrinken, want om half twee komt de commissaris van +politie hier om nadere inlichtingen te vragen en ik zou graag zien, +Thomas, dat jij dadelijk na de koffie even bij Frans aanliep en vroeg +of hij zoo lief zou willen zijn om ook om half twee hier te willen +komen. Hij is zooveel ouder dan de meisjes, dat hij misschien meer zal +kunnen vertellen.” + +Klokslag half twee werd er gescheld. + +„Gaat mee naar de voorkamer, Tine en Annie,” zeide mevrouw Stubbens, +„dat is zeker de commissaris of Frans.” + +Het was Frans, die door Tines moeder allerhartelijkst ontvangen werd. +Zij kon haast geen woorden vinden om haar dankbaarheid uit te spreken, +maar Frans hield er ook niets van om bedankt te worden; hij werd er +verlegen onder en zeide maar aldoor: „het is niets mevrouw; het had +niets te beteekenen, de andere jongens zouden het ook gedaan hebben.” + +Een oogenblik later verscheen ook de commissaris van politie en Tine, +die bang voor hem was, wilde eerst niets vertellen, maar toen haar +moeder haar beloofde nog dienzelfden middag met haar naar den +dierentuin te zullen gaan, toen kwam haar tongetje los en antwoordde +zij op alle vragen. + +Het was ook gelukkig dat Frans erbij was, want deze wist tot in de +kleinste bijzonderheden het uiterlijk van den zoogenaamden oom te +beschrijven. Hij had alles nauwkeurig opgemerkt. + +„Nu, mevrouw Stubbens,” zeide de commissaris eindelijk, toen hij alles +gehoord had, wat er te vertellen was. „Er is, zoodra u telefoneerde, +natuurlijk werk van de zaak gemaakt, maar nu kunnen wij nauwkeuriger +maatregelen treffen. Wij zullen de zaak onmiddellijk in de beste handen +geven. Ik zou u echter wel in beraad willen geven, mevrouw,” voegde hij +erbij, toen de kinderen de kamer hadden verlaten, „om de kleine niet +meer alleen op straat te laten komen. Zij is nog zoo’n klein, teer kind +en hij zou een tweede poging kunnen wagen, die beter lukte. U heeft +zeker geen vermoeden, wie hij zijn kan?” + +„Niet in het minst; ik begrijp er niets van,” antwoordde mevrouw +Stubbens. + +Toen Annie om vier uur uit school kwam, riep tante Dora het meisje bij +zich in haar kamer. + +„Vertel mij nu eens, Annie, wat er van morgen op school gebeurd is,” +zeide zij. + +„Ik kon het heusch niet helpen, tante, werkelijk niet; ik had haar niet +willen voorzeggen,” antwoordde Annie, „maar als zij toch zoo vraagt om +het te doen en in zoo’n angst zit, dan kan ik het toch niet laten?” + +„Je verhaal is niet erg duidelijk, maar ik moet eruit opmaken, dat een +van de meisjes aan je vroeg om haar voor te zeggen en dat je dat deedt, +omdat zij zoo bang was geen antwoord te kunnen geven?” + +„Ja, tante, het is Louise Bronsma, die naast mij zit. Zij kent nooit +haar les en telkens vraagt zij mij om haar voor te zeggen. Maar u weet, +dat ik er al een paar maal strafthema’s voor heb opgekregen en vandaag +zeide ik, dat ik het niet meer doen wou. En toen zeide zij dat ik het +dan maar niet meer moest doen, maar zij was zoo ongelukkig en zat zoo +te beven, toen zij een beurt kreeg, dat ik het toch maar gedaan heb. +Het is zoo vervelend, zij hoort zoo slecht, dat de juffrouw het altijd +nog eerder verstaat, dan zij.” + +„Maar er is toch gemakkelijk genoeg een eind aan te maken; ik begrijp +niet, dat de juffrouw je niet dadelijk een andere plaats heeft gegeven. +Ik zal je morgen ochtend een briefje voor de juffrouw meegeven.” + +„En bent u niet meer boos?” + +„Nu ik er alles van weet niet meer,” antwoordde mevrouw Stubbens en gaf +het meisje een kus. + + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +GROOTMAMA HERMSEN. + + +Mevrouw Hermsen, een vriendelijke oude dame van zeven en zestig jaar +zat met een haakwerkje voor het venster van haar huiskamer, terwijl +Mina Holst het koffiegoed wegruimde. + +Zij woonde op een groot buiten, dat gelegen was nabij het dorp, waar +zich het advocatenkantoor van de firma Hermsen bevond, vroeger had dit +kantoor aan den heer Hermsen, den echtgenoot der oude dame behoord. Na +diens dood was het in andere handen overgegaan, doch had men het den +ouden firma naam laten houden. + +De oude mevrouw had een zeer vriendelijk voorkomen en droeg een koket +kanten mutsje op het grijze haar. Zij verafgoodde haar kleindochter en +verwende het meisje op een hoogst onverstandige manier, wanneer het +zomers bij haar logeerde. + +„Mina,” merkte zij op, terwijl zij nadenkend met een wollen lapje de +glazen van haar bril schoonveegde; „wie denk je dat straks hier komt?” + +„Gunst, mevrouw, hoe zou ik dat weten?” + +„Nu, dan zal ik het je maar zeggen, Annie. Mijnheer Stokman is haar +voor mij gaan halen.” + +„Heeft zij vacantie, mevrouw?” + +„Neen, maar zij mag wel een paar daagjes verzuimen, voor haar +gezondheid moet zij wat rust hebben, begrijp je?” + +„Heere mijn tijd, mevrouw, als u toch wist, hoe ik al dien tijd +verlangd heb om het lieve kind terug te zien. Het is ook wel te +begrijpen, hè, hoeveel jaren heb ik al niet voor haar gezorgd? Zal ik +maar gauw haar kamer in orde gaan brengen? zij krijgt zeker de +logeerkamer naast de uwe?” + +„Ja, Mina, dat is goed, doe jij dat maar zelf; jij kent haar goed en je +weet hoe zij alles graag heeft. Maar ik moet je nog wat zeggen, Mina, +ik denk erover met Annie een klein reisje te gaan maken. Wij gaan +morgen weg, maar dat moet een verrassing voor haar zijn; zeg het dus +aan niemand, anders hoort zij het misschien van een van de bedienden en +dat zou ik jammer vinden. Pak jij dus zelf, als je zoo goed wilt zijn, +voor mij den grooten handkoffer met het hoog noodige.” + +„Best, mevrouw,” antwoordde Mina en voegde er eensklaps bij: + +„Mevrouw, mevrouw, daar komt mijnheer Stokman alleen aan!” + +Willem Stokman was reeds bij het leven van den ouden heer Hermsen klerk +geweest op diens kantoor, waarover wij zoo straks al spraken, en na den +dood van Annie’s grootvader was hij bij diens opvolger in betrekking +gebleven. Hij was een nog vrij jonge man en niemand zou in hem den +deftigen heer met den langen baard en den gouden bril herkend hebben, +want zoowel bril als baard waren verdwenen, toen hij bij mevrouw +Hermsen aanschelde, en den hoogen hoed had hij verwisseld tegen een +slap vilten. Men zou hem niet herkennen en toch was hij dezelfde als +Tine’s nieuwe oom. + +„Zoo, Willem, waar is het kind?” was het eerste wat mevrouw Hermsen +zeide, zoodra de jonge man de kamer inkwam. + +„Ja, het is jammer,” hij keek even om zich heen om te zien of zij +alleen in de kamer waren, „het is mislukt, maar ik zal u alles liever +geregeld vertellen. Men zal ons toch niet kunnen hooren en wij zullen +toch niet gestoord worden?” + +„Neen, wij zijn alleen.” + +„Nu, zooals wij hadden afgesproken, profiteerde ik van de gelegenheid, +dat ik voor mijn patroon naar de stad moest. Ik deed eerst mijn zaken +af, bracht toen een kleine, onschuldige verandering in mijn +uiterlijk—een bril, een baard en een hoogen zijden deden wonderen—en +drentelde zoo naar de Hoogstraat, waar de kleine school gaat. Dat had +ik bij een vorige gelegenheid al uitgevonden. Het kwam zoo: toen ik de +laatste maal, nu een veertien dagen geleden, langs het huis van de +familie Stubbens liep, ging juist de deur open en kwam de kleine naar +buiten. Ik volgde haar en zag toen, waar zij heen ging. Dat trof +bijzonder goed, want in de Hoogstraat, tegenover haar school staat een +café en daar heb ik gewacht om te zien hoe laat de kinderen weer naar +huis gingen. Nu, om even vóór twaalf ging het schooltje uit.” + +„Op de Hoogstraat, maar daar is toch geen meisjesschool.” + +„Een meisjesschool, dat weet ik niet, maar ik zag er haar zelf ingaan +en om twaalf uur weer naar buiten komen. Er waren ook nog drie kleine +jongens bij.” + +„Jongens! maar Annie gaat niet met jongens naar school.” + +Nu was het Stokmans beurt om verbaasd te zijn. „Annie!” riep hij, „zij +heet toch geen Annie? ik hoorde de kinderen duidelijk Tine tegen haar +zeggen en zoo heb ik haar ook genoemd en zij luisterde naar dien naam,” +voegde hij erbij, alsof hij van een jong hondje sprak. + +„Man, wat heb je gedaan? weet je wie die Tine is? dat is het jongste +dochtertje van mijnheer Stubbens. Mijn kleindochter heet Annie, dat heb +ik je toch duidelijk gezegd, Annie heet zij.” + +„Hemel beware mij, hoe kon ik zoo dom wezen. Ik zal het u maar zeggen, +ik was den naam, dien u mij genoemd had, vergeten en toen ik haar nu +door die andere kinderen Tine hoorde noemen, dacht ik bij mezelf; +„juist, dat was de naam, nu herinner ik het mij duidelijk.” Wel, +mevrouw, Annie is het juist geweest, die haar van mij heeft +afgetroggeld, zij en een jongen van een jaar of veertien, met wien zij +liep. Had ik toch maar geweten, dat zij het meisje was, dat ik hebben +moest, dan had ik haar nog wel met een zoet lijntje meegekregen. Annie +dus en niet Tine,” besloot hij nadenkend. + +„Ja, Annie en het is een zegen, dat Annie je belet heeft Tine mee te +nemen. Wat had ik met dat kind moeten doen en wat had ik aan mijnheer +en mevrouw Stubbens moeten zeggen?” + +„Ja, wat u eigenlijk met dat kind wil doen is mij een raadsel.” + +„Kan je je dan niet voorstellen, dat ik mijn kleinkind, het kind van +mijn arme, vroeg gestorven dochter, bij mij wil hebben nu haar vader +naar Engeland is om met zoo’n Engelsche te trouwen? Annie weet daar +niets van; dat heb ik uit haar brieven wel gemerkt, zij denkt dat haar +vader voor zaken op reis is en ik wil niet hebben dat het lieve kind +door zoo’n vreemde en dan nog wel een Engelsche—een volk waar ik zoo’n +hekel aan heb—opgevoed zal worden, dat wil ik liever zelf dan doen!” + +„Ik dacht ook dat mijnheer Van Walen voor zaken op reis was.” + +„Nu ja, gedeeltelijk is dat ook zoo, maar hij trouwt daar te +gelijkertijd. Toen Annie verleden jaar en het jaar te voren hier +logeerde, was haar vader ook in Engeland en toen heeft hij juffrouw +Ackfield leeren kennen. Het is wel toevallig Willem,” voegde de oude +dame erbij, „dat jij juist nooit thuis was, als Annie hier bij mij +kwam, als dat niet het geval was geweest, zou die domme vergissing +nooit hebben plaats gehad.” + +„Ja, ze kwam ook altijd in den slappen tijd en dan ging ik zelf met +vacantie uit.” + +„Maar hoe heeft Annie het ongeluk verhoed, dat je mij Tine Stubbens +hier gebracht zoudt hebben!” + +„Zij heeft het eigenlijk niet zoozeer gedaan als wel die jongen, van +wien ik u vertelde. Frans noemde ze hem, welnu, toen ik goed en wel met +Tine op weg was naar het station, kwamen er een paar kinderen aan en +daar begon de kleine ineens „Annie, Annie!” te roepen en daar hadt je +de poppen aan het dansen. Zij holden naar haar toe, ik noemde Tine bij +ongeluk Annie’s zusje—ik wist toen natuurlijk ook niet wie die Annie +was—en daar hadt je het gezanik! Toen begreep dat kleine nest, dat er +iets niet in den haak was. Ik had haar ook nog beleedigd door haar +„klein meisje” te noemen, maar dat „zusje” deed de deur dicht. En wat +doet nu die jongen? Hij kijkt ineens vol oplettendheid de straat af en +roept: „o, daar komt je pa aan!” Nu, u begrijpt, dat ik niet bleef +wachten om te zien of het waar was of dat hij mij bij den neus nam, en +ik weet nu nog niet of hij mij gefopt heeft of niet. Wel weet ik, dat +ik het hazenpad koos en in het eerste beste rijtuig sprong, dat voorbij +kwam.” + +„Ik kan niet anders zeggen dan „goddank” dat die domheid van je mislukt +is, Willem, en ik heb grooten lust je geen cent te betalen.” + +„Maar mevrouw, ik heb toch mijn reiskosten gehad. De groote som hoeft u +mij natuurlijk nog niet te geven, die betaalt u mij, als ik u het kind +veilig en wel gebracht heb. U begrijpt dat ik het nog niet opgeef, maar +wij zullen eerst wat moeten wachten, tot dat zaakje een beetje in het +vergeetboek is geraakt.” + +„Wij zullen nu in vredesnaam tot den winter moeten wachten, vóór dien +tijd zou het te gevaarlijk zijn.” + +„Maar ik moet u nog iets zeggen, mevrouw, nu ik die Annie gezien heb, +ben ik voor mij overtuigd, dat het lang niet zoo gemakkelijk zal gaan +haar mee te krijgen. Zij is niet zoo’n lammetje als die kleine en zij +lijkt wel een jaar of twaalf. Als ik dat geweten had, zou ik het u +dadelijk gezegd hebben, dat ik het niet voor vijf honderd gulden doen +kon. Ik waag er te veel mee, vooral omdat het meisje bij mijnheer +Stubbens in huis is, wiens voorspraak ik eenmaal hoop te vragen voor +die nieuwe betrekking. Zou u er geen zevenhonderd vijftig van willen +maken?” + +„Je bent een inhalig wezen. Ik zal erover denken.” + + + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN VERRASSING VOOR ANNIE. + + +„Als het u blieft, juffrouw, van tante.” + +Met deze woorden reikte Annie van Walen de directrice, die zij in de +gang van de school tegenkwam, het briefje van mevrouw Stubbens over. + +Het was de dag na het voorgevallene met Tine, die dien morgen door Suze +naar school was gebracht, terwijl haar moeder haar ten strengste +verboden had, om twaalf uur met iemand anders dan Suze mee te gaan. Zij +moest op Suze wachten. Toms verhaal over het koorddansen had haar +trouwens zoo bang gemaakt, dat er niet de minste kans bestond, dat zij +ongehoorzaam zou zijn. + +„Tommie,” had zij ’s avonds aan haar broer gevraagd, „zou oom Tine +heusch naar de kermis gebracht hebben?” + +„Noem dien kerel toch geen oom, Tine; hij was een gewone kinderroover. +Natuurlijk zou hij je aan een kermistroep verkocht hebben, en dan was +de baas van het spel met een groote zweep gekomen, en dan had hij je op +een koord laten klimmen en als je niet gewild had, zou hij je met die +zweep geslagen hebben. Wanneer ga je weer met dien lieven oom mee, +Tine?” + +„O, neen, nooit, Tommie, heusch niet! hij zal toch niet weer +terugkomen?” + +„Ik hoop het niet, maar je weet nu, waar het op staat als je met zoo’n +oom meegaat.” + +„Ik zal heusch op Suze wachten, Tommie.” + +„Het is je geraden,” had hij geantwoord en was daarop naar boven gegaan +om zijn huiswerk te maken, terwijl tante Dora Tine meenam om haar naar +bed te brengen. + +Toen de juffrouw ’s morgens in haar klasse kwam, zeide zij: „Annie van +Walen, jij krijgt een andere plaats. Ga maar naast Clara van Scheik +zitten op de plaats van Laura Stubbens en jij, Laura, naast Louise +Bronsma.” + +Laura vond het alles behalve plezierig om haar plaats naast Clara te +moeten verlaten, maar Annie was blij; nu was zij tenminste van die +ellende van het voorzeggen af. + +Zoodra Laura naast Louise zat, fluisterde zij tot deze: „je hoeft het +mij niet te vragen, hoor, ik doe het toch niet. Ik ben niet zoo mal als +Annie.” + +„Is Annie boos op mij?” + +„Ik weet het niet,” was het antwoord, „maar het zal wel; je bent ook +een akelig spook om haar zoo te laten wegsturen zonder iets te zeggen.” + +Louise kreeg een vreeselijke kleur en wist niets te antwoorden. + +Om twaalf uur, toen Annie op Bertha van Scheik stond te wachten, kwam +eensklaps Louise Bronsma naar haar toe. + +„Zeg, ben je boos op me?” + +„Ach ik weet het niet, zanik nu niet. Ik vond het wel flauw, dat je +niets aan de juffrouw zeide, maar je durfde natuurlijk weer niet en nu +kan ik morgen een uur blijven in plaats van naar buiten te gaan.” + +„Zal ik het dan nog zeggen?” + +„Neen, laat maar, zeur er nu maar niet meer over. Daar komt Bertha +eindelijk; wat is ze laat, iedereen is al weg.” + +Annie liep haar vriendinnetje te gemoet en liet Louise staan. + +Toen deze zich omkeerde om ook naar huis te gaan, bonsde zij bijna +tegen de directrice aan, die juist naar buiten kwam. + +„Wacht je op een van de meisjes, Louise?” vroeg de juffrouw. + +„Neen, juffrouw.” + +„Waarom ben je dan nog hier?” + +„Ik sprak even met Annie van Walen, juffrouw.” + +„Ga dan nog even mee naar binnen naar mijn kamer.” En toen zij daar +waren, vroeg de juffrouw: + +„Jij en Annie moeten morgen schooi blijven, is het niet?” + +„Ja, juffrouw.” + +„Ik begrijp mij dat plezier van Annie niet om jou altijd voor te +zeggen. Waarom zeg je niet tegen haar: Houd er nu eindelijk eens mee +op, ik vind het vervelend?” + +Nu vatte Louise al haar moed samen. Met een hoogroode kleur stamelde +zij: „Ik had Annie juist gevraagd om het te doen, juffrouw.” + +Het hooge woord was er uit en het arme kind voelde zich werkelijk +opgelucht. + +„Zoo,” antwoordde de juffrouw kalm, „hadt jij haar erom gevraagd? Het +was nu de vierde maal; hadt jij haar de vorige keeren ook verzocht het +te doen?” + +„Ja, juffrouw.” + +„Dan moet ik zeggen, dat ik het heel aardig vind van Annie, dat zij +daar niets van gezegd heeft, maar waarom heb je de juffrouw niet de +waarheid verteld?” + +Louise liet het hoofd hangen. + +„Nu, kind, ga maar naar huis,” hervatte de juffrouw, „maar probeer toch +eens of je niet flinker kunt worden; je voelt toch zelf wel dat het +heel onaardig is om een ander meisje straf te laten krijgen voor iets, +dat eigenlijk jouw schuld is.” + +„Ja juffrouw,” antwoordde Louise verlegen. + +„Ga dan nu maar naar huis, doch laat zoo iets niet weer gebeuren?” + +Intusschen waren Annie en Bertha samen voortgeloopen. + +„Heeft je tante er al iets van gezegd, wanneer Paula zou mogen komen?” +vroeg Bertha. + +„Neen, nog niet.” + +„Vraag het eens.” + +„Neen, hoor, dat durf ik niet!” + +„Ik ben zoo benieuwd om haar te zien. Ik hoop maar dat zij gauw komt?” + +Toen Annie thuis kwam, riep mevrouw Stubbens haar in de huiskamer. „Ik +heb een aardige verrassing voor je, Annie; Paula mag van Zaterdag tot +Zondagavond hier komen.” + +„O, wat dol!” riep het meisje, „meent u het werkelijk, tante?” + +„Zeker, oom gaat haar Zaterdag halen; hij moet toch voor zaken daar in +de buurt zijn en brengt Paula dan mee.” + +„Weet oom al dat ik blijven moet?” vroeg Annie verlegen. + +„Ja, ik vond het beter het maar zelf aan oom te vertellen.” + +„En was oom erg boos?” + +„Eerst wel, maar toen ik alles precies verteld had, zeide oom, dat hij +het dezen keer door de vingers zou zien, omdat het gedeeltelijk niet +jouw schuld was.” + +Toen Annie het aan haar nichtjes vertelde, zeide Coba: „je wordt hier +echt het verwende kindje.” + +„Ja,” voegde Laura erbij, „en nu kan ik voor jouw plezier naast dat +vervelende kind van Bronsma zitten.” + +„Heb je haar al voorgezegd?” vroeg Coba plagend. + +„Daar kan ze lang op wachten, dat vervelende wicht.” + +„Gaan jullie nooit naar school? het is al bijna tien minuten voor +twee!” klonk eensklaps een vroolijke jongensstem en Tom stak zijn hoofd +naar binnen. „Zeg, Annie,” vervolgde hij, toen zij gezamenlijk op weg +gingen, „heeft Frans je nog verteld, waarom hij weggestuurd is?” + +„Ja,” antwoordde Annie nog lachend bij de herinnering. + +„Nu, lach maar niet, de dokter was zoo boos, dat hij gezegd heeft, dat +Frans in den eersten tijd op zijn vrije middagen niet meer uit mag. Het +is een leelijk geval, want hij moet uitkomen in den grooten +voetbalwedstrijd en nu heeft hij geen gelegenheid om zich te oefenen.” + +„Doe jij ook mee, Tom?” vroeg Annie. + +„Nou, of ik en jullie moeten komen kijken, het zal een prachtig gezicht +zijn. Zondag is er een kleine onderlinge wedstrijd, komen jullie dan +ook?” + +„Graag, als ik mag,” antwoordde Annie, „gaan jullie ook mee, Co en +Lau?” + +„Zondag, neen dank je wel, dan spelen alleen de kleine jongens,” +antwoordde Coba uit de hoogte. + +„Dank je,” riep Tom geraakt en verdween in een zijstraat. + +Coba en Laura lachten, maar Annie vond het niets aardig, dat zij Tom +zoo plaagden en was vast besloten naar den wedstrijd te gaan kijken. + +„Annie, je moet even bij de directrice komen,” zeide de juffrouw, toen +zij het lokaal binnenkwam, waar al haar leerlingen reeds bijeen waren. + +Verbaasd stond Annie op en klopte een oogenblik later bij de directrice +aan. + +„Zoo, ben je daar Annie?” zeide deze vriendelijk, toen het meisje haar +begroet had. „Ik wilde je alleen maar zeggen, dat Louise mij alles +verteld heeft en dat je morgen middag niet behoeft school te blijven.” + +Annie’s oogen schitterden. + +„Daar ben je blij om, hè?” hernam de juffrouw glimlachend. „Nu, ga maar +gauw naar binnen, laat de juffrouw niet wachten.” + +Om vier uur stond Annie met het grootste ongeduld Bertha op te wachten, +om haar al het nieuws te vertellen, maar voordat zij het lokaal +verliet, was zij naar Louise toegegaan en had zij dankbaar tot haar +gezegd: „Dank je wel, Lou, dat je het verteld hebt, ik hoef nu niet te +blijven.” + +De arme Louise had werkelijk vroolijk gekeken, zij was oprecht blij. + +„Bertha,” zeide Annie, toen deze aankwam, en zij stak haar arm door +dien van het oudere meisje, „vind je het niet dol, ik hoef morgen niet +te blijven en Zaterdag komt Paula.” + +Bertha was bijna even blij als Annie, want zij dacht geen oogenblik aan +de mogelijkheid, dat haar moeder haar misschien zou verbieden om naar +Paula toe te gaan. + +De Zaterdag kwam en toen de heer Stubbens zijn zaken had afgedaan, reed +hij naar mevrouw Tillens om Paula af te halen. + +Paula was zich nog aan het klaar maken en mevrouw ontving hem in het +salon. + +„Ik ben blij, dat ik u alleen tref, mevrouw,” zeide hij, nadat zij +elkaar begroet hadden, „want ik wilde u vragen, of u verlangt dat Paula +in gezelschap van de meisjes Van Scheik gebracht zal worden of niet.” + +Mevrouw Tillens verbleekte, „U weet dus, wie mevrouw Van Scheik is?” +vroeg zij. + +„Uw zuster, ja mevrouw, en ik moet u zeggen, dat Annie al aan Bertha +verteld heeft, dat Paula komt en dat Bertha brandt van verlangen om +kennis te maken met haar nichtje.” + +„Ik heb Paula nooit over haar tante gesproken, omdat ik wel begreep, +dat er dan aan het vragen geen eind zou komen en ik vind haar nog te +jong om haar hoofdje met familietwisten en zoo al meer te vullen.” + +„Mevrouw van Scheik schijnt er anders over te denken, want Bertha wist +aan Annie te vertellen, dat u haar tante is. Haar moeder maakt er voor +haar dus blijkbaar geen geheim van, maar, daar ik niet wist hoe u +erover dacht, heb ik Annie verboden er Paula over te schrijven.” + +„Dat is heel vriendelijk van u, maar wij zullen de zaak nu maar aan +haar beloop laten, ik had de mogelijkheid van een ontmoeting moeten +voorzien. Bovendien blijft Paula zoo kort bij u, dat het mijn zuster +geen moeite zal kosten de meisjes van elkaar verwijderd te houden, +wanneer zij dat wil. In ieder geval moet de eerste stap tot verzoening +van hun kant komen; wij hadden geen schuld.” + +Op dat oogenblik kwam Paula beneden en na vroolijk afscheid te hebben +genomen van haar moeder reed zij met den heer Stubbens weg. + + + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +DE HEER STUBBENS DOET EEN GOED WOORD VOOR FRANS. + + +Toen de auto eindelijk voor het huis stilhield, stond Tom het +gezelschap aan de deur op te wachten. + +„Thomas wat zie je er uit!” riep zijn vader, toen hij hem zag. Hij +mocht dit wel zeggen. + +Tom had een paar bemodderde voetbalschoenen aan; de kleur van zijn +korte, roode broek was onherkenbaar en dit kleedingstuk had een groote +scheur boven een der knieën, terwijl tot overmaat van ramp Toms eigen +knieën bebloed waren, en hij verder nog een blauw oog had. + +„Heeft mama je al zoo gezien, jongmensch?” + +„Neen, pa, ik kwam juist aan.” + +„Hoe kom je aan dat blauwe oog?” + +„Een van de lui heeft er mij bij ongeluk een stomp tegen gegeven, toen +wij om de bal vochten. Mijn partij heeft van middag prachtig gewonnen, +pa.” + +„Dat kan ik zien,” antwoordde zijn vader droogjes, „en dit is nog niet +eens de wedstrijd. Hoe moet je er wel uitzien, als je daar vandaan +komt? Zal ik maar vast een brancard voor je bestellen?” + +„Nou, het ging toch wat mooi. Ik hoop, dat het morgen net zoo gaat,” +mompelde Tom verontwaardigd. + +„Ik niet, want dan hebben wij kans je niet levend terug te zien,” zeide +zijn vader. „Enfin, je moet het zelf weten, als jij plezier hebt je +half dood te laten ranselen. Maar je moeder zal wel boos zijn, wanneer +zij die kleeren ziet.” + +„O, die breng ik wel gauw bij Suze, die maakt ze wel voor mij schoon,” +antwoordde de jeugdige kampvechter, die teleurgesteld was, omdat zijn +vader niet méér verblijd was over zijn overwinning. + +„Vindt je pa het niet goed, dat je meespeelt?” vroeg Paula, nadat zij +elkaar begroet hadden, bij het naar binnen gaan aan Tom. + +„Ach, jawel, maar pa zegt altijd: „die voetbalnonsens kan mij niet +schelen, als je maar voor een goed rapport op het gymnasium zorgt.”” + +Annie nam Paula mee naar binnen naar mevrouw Stubbens, die het meisje +op de koele manier, die zij altijd tegenover vreemden aan den dag +legde, begroette. Toch voegde zij erbij: „ik hoop, dat wij je nog +dikwijls hier zullen zien, Paula, en dat je, als Annie weer naar huis +is, de meisjes nog wel eens zult willen komen opzoeken.” + +„Heel graag, mevrouw,” antwoordde Paula. + +„Geloof jij, Annie,” zeide zij een oogenblik later tot haar vriendin, +toen zij en Annie samen naar boven gingen, „dat Coba en Laura mij ooit +zullen vragen? Weet je nog, hoe trotsch zij dien keer op Wilgenhorst +tegen mij waren, toen zij met je tante waren meegekomen?” + +„Ja, dat herinner ik mij nog wel. Ik weet niet, of ze je zullen vragen, +misschien wel.” + +Annie brandde van verlangen, om Paula alles te vertellen van mevrouw +Van Scheik en de meisjes, maar haar oom had het haar toch nog verboden. +„Niet doen hoor,” had hij gezegd, „mevrouw Van Scheik wil het niet +hebben en tante en ik ook niet.” + +Annie moest dus nog zwijgen. Zij vond het heel vervelend, eerst had oom +gezegd, wacht tot je thuis bent en nu toen zij thuis was, had hij haar +in de gang toegefluisterd het niet te doen en zij begreep maar niet, +waarom. + +Op Annie’s dringend verzoek had mevrouw Stubbens toegelaten, dat Paula +dien nacht bij haar vriendinnetje op de kamer mocht slapen en toen de +meisjes daar nu bezig waren, zich wat op te knappen, voordat zij aan +tafel gingen, kwam Tom, na luid op de deur gebonsd te hebben de kamer +in. + +„Mag ik binnen komen?” + +„Je vraagt het wel bijtijds,” antwoordde de meisjes, „maar je mag wel.” + +„Zeg, jullie komen morgen toch kijken? Die twee flauwe nuffen willen +niet.” + +„Wie bedoel je?” + +„Die twee stijve preten, Coba en Laura, maar ik zal ze wel hebben.” + +„Dat moest je ma eens hooren,” zeide Annie. „Hoor je dat Paula?” + +„Hij is boos, hè, Tom,” antwoordde Paula goedig. „Maar, als je ma het +goed vindt, zullen wij komen, hoor, dat beloof ik je. Maar, wat heb je +een buil op je oog.” + +„Ja, zou hij morgen weg zijn?” + +„Weg? morgen is hij blauw, geel, groen en paars,” plaagde Annie. + +„Denk je dat heusch?” klonk het blij, „dat zou leuk zijn.” + +„Leuk?” + +„Natuurlijk, dat is iets, waarop je trotsch moet zijn, zegt Frits, het +is een teeken, dat je echt gevochten hebt voor de overwinning. Dus +jullie komen, hè? dat is patent,” en fluitend verliet hij de kamer. + +Toen de meisjes beneden kwamen, vonden zij Tom’s drie zusjes, die bij +Paula’s aankomst nog niet thuis waren geweest van de wandeling. Zij +begroetten Paula wel wat verlegen, want beiden dachten zij aan de +vorige ontmoeting op Wilgenhorst, toen zij zoo onaardig waren geweest. +Zij begrepen wel, dat Paula dit nog niet vergeten was en lieten haar +dus geheel aan Annie over. + +Dien avond tegen zeven uur, toen hij wist, dat de dokter thuis zou +zijn, ging de heer Stubbens den heer Van Meerel opzoeken. + +„Goeden avond, Stubbens, daar doe je goed aan,” zeide de dokter, toen +zijn vriend Stubbens de kamer van den dokter binnentrad, waar deze +juist de krant zat te lezen. „Wil je eens opsteken?” + +De heer Stubbens nam een sigaar uit den welvoorzienen koker, dien de +dokter hem aanbood en nam plaats op den armstoel, welke deze voor hem +bijschoof. + +„Je raadt nooit, waarover ik je kom spreken,” begon de heer Stubbens. + +„Als ik het toch niet kan raden, zeg het dan maar, dat spaart tijd,” +merkte de dokter op. + +„Over je zoon.” + +„Wat heeft hij nu weer uitgehaald? Die jongen is een nagel aan mijn +doodkist.” + +„Zeg dat nu niet te gauw. Wil ik je eens wat zeggen, Van Meerel? jij +kent je eigen zoon niet.” + +„Neen, dat lijkt maar zoo! Maanden achter elkaar niets dan slechte +cijfers op school; eindelijk komt hij met kunst en vliegwerk op het +gymnasium, natuurlijk veel te laat, en dan haalt hij weer kattekwaad +uit.” + +„Het staat natuurlijk niet aan mij, het te beoordeelen,” merkte de heer +Stubbens op, „maar je weet, wij hebben het er vroeger al eens over +gehad en toen heb je gezegd: de jongen deugt niet voor de studie; +overigens is hij flink en slim genoeg. Maar dat doet niets ter zake; +waar ik nu eigenlijk voor kom, dat is om je te verzoeken, den jongen +zijn vrije middagen terug te geven, om mij plezier te doen.” + +„Om jou plezier te doen! maar hoe heb ik het met je? wat kan het jou nu +schelen, of de jongen vrij heeft of niet?” + +„Alleen maar dit: dat ik het aan hem te danken heb, dat ik mijn kleine +Tine nog bezit.” + +„Wat bedoel je in vredesnaam; ik weet van die heele historie niets af.” + +„Dat wil ik wel gelooven. Hij vertelt je alleen zijn ondeugende +streken, het goede en flinke, wat hij doet, houdt hij voor zich.” En nu +vertelde mijnheer Stubbens wat er met Tine was voorgevallen en hoe +Frans haar gered had. + +„Hoe is het mogelijk,” antwoordde de dokter, „dat had ik nooit achter +hem gezocht. Ja, zie je Stubbens, het is eigenlijk zoo ongelukkig. Als +dokter heb ik zoo bitter weinig tijd om mij met den jongen te bemoeien, +eigenlijk moet ik hem heelemaal aan mijn vrouw overlaten en die verwent +hem, terwijl ik hem daarentegen misschien te streng aanpak, telkens als +ik klachten over hem krijg. Ik ben blij, dat je het mij verteld hebt. +Stelde de jongen toch maar meer vertrouwen in mij, zoodat ik wist, wat +hij eigenlijk graag zou worden. Ik heb het altijd als de natuurlijkste +zaak van de wereld beschouwd, dat er uit hem een dokter zou groeien als +zijn vader en grootvader. Hij heeft er nooit tegen geprutteld. Maar, ik +geloof toch ook niet dat hij ooit zoover komt.” + +„Nu, daar spreken wij later nog wel eens over, ik zal er mijn gedachten +eens over laten gaan, of ik je niet wat aan de hand kan doen, als ik nu +maar eerst weet, dat je hem niet langer op zijn vrije middagen +opgesloten houdt, dan zal ik je niet langer ophouden.” + +„Neen, ik zal hem zijn vrijheid niet langer onthouden,” antwoordde de +dokter. „Ik geloof zelf niet, dat het goed voor hem is; hij klaagt dan +niet, maar wordt dan alleen zoo akelig stil, dat ik er zelf zenuwachtig +van word.” + +„Zoo; nu, dan ben ik blij, dat ik niet vergeefs bij je heb aangeklopt, +dat zou mij werkelijk gespeten hebben, ik mag den jongen zoo graag.” + +„Ik dank je nog wel dat je mij dat alles verteld hebt,” merkte de +dokter op. + +„Niets te danken, saluut, mijn groeten aan je vrouw,” antwoordde de +heer Stubbens en begaf zich opgewekt naar huis. + + + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +EEN TELEURSTELLING VOOR BERTHA. + + +Den volgenden morgen stond Tom reeds vroeg op. Zijn eerste gang was +naar den spiegel. Eigenlijk was dit overbodig, want zonder zich daarin +te bekijken, kon hij aan zijn half dicht oog en aan de pijn, die hij +daaraan had, wel voelen, dat de buil nog niet verdwenen was. + +„Het doet leelijk pijn, maar dat moet je er voor over hebben, want het +staat kranig,” mompelde hij bij zichzelf. + +Zijn moeder was den vorigen middag inderdaad geschrikt, toen zij haar +lieveling, want dat was Tom, zoo gehavend zag. Zij had zich eerst +ongerust gemaakt over zijn oog, maar toen haar man haar verzekerd had, +dat het niets was dan een gewone buil, was die angst geweken. Zij had +er van alles aan willen doen, koude compressen en zooal meer, maar Tom +had zich hier heftig tegen verzet, vreezende dat zijn fraaie buil dan +misschien den volgenden dag verdwenen zou zijn. + +„Niet doen, ma, anders is hij morgen misschien weg,” had hij gezegd. + +„Maar, jongen, je ziet er zoo vreeselijk uit. Ik ben bang, dat je oog +morgen heelemaal dicht is,” bracht zijn moeder wanhopig in het midden. + +„Dan kijk ik door het andere, moes.” + +En nu was het de volgende dag en stond Tom als een ijdel meisje voor +den spiegel. Hij was tevreden over zijn uiterlijk, dat zijn moeder toen +hij beneden kwam „verschrikkelijk” noemde en dat de lachlust opwekte +van zijn twee oudste zusjes, die er hem duchtig om plaagden. + +„Gaan jullie van middag ook kijken, meisjes?” vroeg mevrouw Stubbens +aan Coba en Laura. + +„Neen, ma, mevrouw Van Scheik heeft ons meegevraagd om vanmiddag met +Coba en Bertha en mijnheer en mevrouw natuurlijk, een groote wandeling +te gaan maken, als u het goed vindt.” + +„Daar heb ik niets tegen, dan willen Annie en Paula Tine zeker wel +meenemen, want papa en ik hebben geen tijd, wij moeten noodzakelijk +eenige bezoeken afleggen. Maar zullen jullie goed op haar passen, +meisjes?” + +„Wij zullen haar niet uit het oog verliezen, tante,” antwoordde Annie. + +„Dat is goed en pas vooral op, dat je niet op een gevaarlijke plaats +gaat staan, waar je een bal tegen je aan kunt krijgen,” voegde mijnheer +Stubbens erbij. „Thomas vindt dat zoo’n buil goed staat, maar ik zie +jullie toch liever zonder.” + +De kinderen beloofden het en een uur later begaven zij zich vroolijk op +weg. + +Vol geestdrift volgden zij het spel, dat met vuur gespeeld werd, en +toen eindelijk na een heftigen strijd Tom’s elftal een schitterende +overwinning behaalde, juichten zij hem uitbundig toe. + +Intusschen was Bertha van Scheik diep ongelukkig. Reeds zoolang had zij +zich op Paula’s komst verheugd en nu deze er eindelijk was, mocht zij +niet naar haar toe. + +„Hè, ma, ik heb er zoo naar verlangd, dat Paula komen zou,” zeide zij +verdrietig tot haar moeder, „waarom mag ik nu niet met Annie en Paula +mee naar den wedstrijd?” + +„Neen, Bertha, ik vind het niet goed. Je weet, dat tante Tillens en wij +niet wel met elkaar zijn, het kan dus niet. Tante zou er misschien niet +op gesteld zijn.” + +„Waarom wordt u dan niet weer goed op tante?” + +„Luister nu eens, Bertha, je bent nog veel te jong om dat alles te +begrijpen, maar je bent te oud om als een klein kind te dwingen. Laat +het dus genoeg zijn, dat ik het liever niet heb. Vroeger was Coba zoo’n +vriendin van je, is dat nu ineens uit na de komst van Annie?” + +„Neen, ma, dat is het niet, maar u weet hoe onaardig Coba tegen Annie +kan zijn; als u dat wist, zou u haar in mijn plaats ook niet meer tot +vriendin willen hebben. Weet u, wat zij verleden week gedaan heeft? +Annie heeft het thuis niet willen vertellen.” + +„Annie had een mooi porceleinen beeldje en dat liet zij ons laatst +zien. Zij was er erg zuinig op, want haar papa had het haar uit +Engeland gezonden en zij bewaarde het ingepakt in haar koffer, uit +angst dat het breken zou. Nu dan, Coba vroeg aan mij of ik dien middag +met haar ging fietsen, maar ik had aan Annie beloofd om met haar te +zullen gaan wandelen en toen ik haar dat zeide werd Coba zoo driftig, +dat zij Annie’s beeldje nam en het met een smak op den grond wierp, +waar het natuurlijk in stukken viel. „Ziezoo, naar kind,” riep zij, +„dat is omdat je altijd afspraakjes met Bertha maakt, zoodat zij nooit +meer met mij uitgaat.” Annie begon natuurlijk vreeselijk te huilen, en +het was ook niet de eerste keer; zij doet wel meer van die dingen.” + +„Foei, hoe leelijk van Coba, dat had ik nooit van haar gedacht. Is +mevrouw Stubbens het nog te weten gekomen?” + +„Neen, ma, Laura wou het dadelijk aan haar mama gaan vertellen, maar +Annie wilde het niet hebben. Zij zag ook wel, dat Coba er eigenlijk +zelf van geschrikt was, maar ondertusschen is Annie haar mooie beeldje +kwijt. Coba is zoo jaloersch van Annie.” + +„Het is heel onaardig van haar en het is eigenlijk zeer verkeerd dat +haar moeder niet weet, dat zij zulke dingen doet, maar wij zullen ons +daar maar niet mee bemoeien; jij moet vooral niets van haar aanbrengen, +Bertha, dat staat zoo leelijk. Maar zeg mij eens, wat is die Paula voor +een meisje, vertelt Annie je wel eens van haar?” + +„O, ma, u moet haar over Paula hooren, dat is zoo’n snoes! Annie houdt +dol veel van haar, zij is zoo zacht, en haar ma was altijd zoo aardig +voor Annie.” + +„Zij was altijd zoo lief,” mompelde mevrouw Van Scheik. + +„Zeg, moesje, mag ik haar nu niet hier brengen?” + +„Neen, Bep, vraag er nu niet meer om; ik kan het je niet toestaan. Het +spijt mij heel erg, dat mevrouw Stubbens Paula hier gevraagd heeft, het +geeft niets dan moeilijkheden.” + +Bertha had er verder natuurlijk niet meer om durven vragen en was met +haar vader en moeder en Clara en de meisjes Stubbens gaan wandelen, +terwijl haar broers naar den wedstrijd gingen. + +„Gaan jullie allemaal mee naar huis?” vroeg Tom, toen deze was +afgeloopen, aan zijn vrienden, „dan kunnen wij in den tuin wat +uitblazen.” + +De jongens namen het graag aan en kort daarop zaten zij met de drie +meisjes op het groote grasperk achter het huis van de familie Stubbens. + +„Zoo, zijn jullie daar en hebben jullie gewonnen?” hoorden zij +eensklaps de stem van Tom’s vader. + +„O, prachtig, mijnheer, 3–1!” riepen de vrienden door elkaar. „Tom +heeft zich zoo flink gehouden!” + +„Nou, maar Frans was buitengewoon,” bracht Tom in het midden. + +„Als jullie dan zoo dapper gestreden hebt,” merkte mevrouw Stubbens op, +die er intusschen bijgekomen was, „dan zal een glas limonade zeker wel +smaken?” + +„Als het u blieft, mevrouw!” klonk het in koor. + +Toen mevrouw Stubbens een oogenblik later met den verfrisschenden drank +terugkwam, vroeg zij: „Jongelui, zouden jullie zin hebben ter eere van +de overwinning hier te blijven eten? Gaat het straks maar even vragen, +jelui hebt je van middag zoo flink gehouden, dat ik vind dat je wel een +pretje verdient.” + +De jongens vonden het natuurlijk heerlijk en nadat zij hun limonade +gedronken hadden en wat waren uitgerust, spoedden zij zich naar huis om +de verlangde toestemming te vragen en zich te verkleeden. + +„Wel, Paula, heb je plezier gehad?” vroeg mevrouw Stubbens, toen de +meisjes na het heengaan van de jongens het huis in kwamen. + +„O, mevrouw, het was heerlijk, ik heb nog nooit zoo’n pret gehad.” + +„Toon dan maar, dat je het hier prettig vond, door over veertien dagen +terug te komen,” zeide mijnheer Stubbens, „dan is die jongejuffrouw +jarig,” voegde hij op Annie wijzende erbij, „en zij vindt natuurlijk +dat haar zielsvriendin daarbij hoort.” + +„Dol graag, mijnheer!” antwoordde Paula met een stralend gezichtje. Zij +had den geheelen dag genoten en vond het een verrukkelijk vooruitzicht, +zoo spoedig te mogen terugkomen. Als haar moeder het nu maar goed vond! + +„Je hadt er toch niets tegen, dat ik het meisje vroeg, Dora?” zeide de +heer Stubbens, toen hij met zijn vrouw alleen was. „Zij is je toch +zeker meegevallen?” + +„Er was geen sprake van meevallen. Vroeger was ik bang, dat het kind +geen gezelschap voor de meisjes zou zijn, maar zoodra ik wist, dat het +een dochter was van Paula Helmers, was ik daar natuurlijk niet meer +bang voor. Zij is een zeer net meisje, zelfs wel een beetje ouwelijk +voor haar jaren, maar dat komt natuurlijk, omdat zij alleen woont met +haar moeder.” + +„Weet jij ook waarom mevrouw Van Scheik en haar zuster gebrouilleerd +zijn?” + +„Ach, dat is een heel oude geschiedenis,” antwoordde mevrouw Stubbens, +terwijl ze in ieder servet een verrassing vouwde, „het ware weet ik er +ook niet van. Mijnheer Tillens schijnt vroeger op het advocatenkantoor +van den ouden heer Hermsen gewerkt te hebben en daar moet toen iets +gebeurd zijn. Hij schijnt stukken weggemaakt te hebben, die betrekking +hadden op de familie Van Scheik. Hoe het precies was, weet ik niet, +maar Van Scheik was woedend op hem, vertelde Mina mij, vooral ook omdat +hij bleef volhouden, dat hij er niets van wist; dat hij die papieren +zelfs nooit in handen had gehad.” + +„Hij werkte daar toch niet alleen?” + +„Met Stokman, den vader van den jongen Stokman, die nu nog op dat +kantoor is, maar die ontkende eveneens en werkelijk scheen de schijn +erg tegen mijnheer Tillens te zijn. Hij is toen weggegaan en heeft +buiten zijn intrek genomen in dezelfde villa, waar nu nog zijn vrouw en +dochter wonen. Zij hadden juist genoeg om stilletjes van te leven, +maar, zooals je weet, is de twist tusschen de beide families nooit +bijgelegd. Mevrouw Van Scheik heeft mij verleden week, toen ik bij haar +was om over Paula te spreken, dit alles verteld, omdat ik de +geschiedenis toch al half wist. Het komt mij voor, dat zij wel graag +weer met haar zuster zou willen verzoenen, maar haar man wil niet, hij +is bang voor een weigering van den kant van mevrouw Tillens.” + +„Ik begrijp niet, dat de menschen er plezier in hebben, zoolang in +vijandschap te leven,” merkte de heer Stubbens op. „Ik houd niet van +familietwisten en zou er nooit aan meedoen. Maar, van den ouden heer +Hermsen gesproken, Dora, zou je niet eens met Annie een bezoek aan haar +grootmoeder gaan brengen? Annie schijnt er van den zomer niet gelogeerd +te hebben, dus zal de oude dame wel verlangend zijn om haar te zien.” + +„Ik had er al met Annie over gesproken en als er niets tusschenbeide +komt, zal ik Woensdagmiddag met haar gaan. Ik zal mevrouw vooruit +schrijven, dat wij komen.” + +„Dat is best. Kijk, daar komen de jongens terug, dat zal me een drukte +geven aan tafel! wat heb je in die servetten gestopt?” + +„Och, een kleine verrassing. Thomas houdt zooveel van zooiets, je moet +eens op zijn gezicht letten, als hij het openmaakt. Het is maar een +grapje.” + +„Had je er zoo vast op gerekend, dat hij winnen zou?” + +„Neen, maar als zij verloren hadden, zou ik hen toch uitgenoodigd +hebben, omdat zij dan troost noodig hadden.” + +Mijnheer Stubbens lachte en op datzelfde oogenblik kwam het heele +vroolijke troepje de kamer in. + +„Allemaal present? dat is flink,” zeide de heer Stubbens. „Thomas, ga +jij de meisjes dan roepen, ik bedoel Annie en Paula en Tine, die zich +aan het mooi maken zijn; Coba en Laura blijven bij mevrouw Van Scheik +eten. Wij hebben geruild, wij hebben de jongeheeren Van Scheik en zij +de meisjes Stubbens.” + +Frits en Karel lachten en beweerden, dat zij die ruil wel eens leuk +vonden. + +„Heb je de meisjes geroepen, Thomas?” vroeg zijn moeder, toen de jonge +dames zich lieten wachten. + +„Ja, ma, ik hoor ze al.” + +Kort daarop ging de deur open en traden Annie en Paula de kamer in, +voorafgegaan door Tine. Het kind hield een pak in de hand, waarmee zij +regelrecht naar Tom liep. + +„Daar, Tommie, van Annie,” zeide zij, „maar ik mag het geven.” + +Toen Tom het van haar wilde aannemen, voegde de kleine er echter bij, +„ik zal het ook openmaken.” + +Zij liep met het pak naar een stoel, legde het daarop en begon nu aan +de touwtjes te trekken om ze los te krijgen. Zij trok en friemelde net +zoolang tot zij het touw van het pak af had, terwijl Tom goedig zijn +ongeduld bedwong en haar liet begaan. + +„Nu mag Thomas het papier er af doen, Tine, geef het nu aan hem,” zeide +haar moeder, „jij het touw en hij de papieren, ieder wat.” + +Gehoorzaam gaf de kleine nu het pak aan Tom, die het haastig van het +papier ontdeed. + +„O, een nieuwe voetbal. Jongens, kijk eens wat een mooi ding! dank je +wel Annie! vooruit zeg,” riep hij tot zijn vrienden, „een rondedans.” + +In een oogenblik hadden de jongens met Paula en Tine een kring om Annie +heen gevormd en zongen zij luidkeels: „Lang zal ze leven! lang zal ze +leven, lang zal ze leven in de gloria!” + +„Maar Annie, hoe kom je er toe hun zoo’n mooie bal te geven?” vroeg +mevrouw Stubbens, zoodra zij zich over het rumoer heen weer +verstaanbaar kon maken. „Geen wonder dat zij blij zijn. Heb je haar +zelf gekocht?” + +„Oom is meegegaan, tante.” + +„Ja, ik was in het geheim,” zeide de heer Stubbens. „Annie en ik zijn +haar samen gaan koopen. Zij had medelijden met Tom en zijn vrienden, +omdat zij zoo klaagden over hun bal en bang waren dat zij, omdat deze +zoo slecht was, den grooten wedstrijd zouden verliezen. Hebben wij geen +goede keus gedaan, jongens?” + +„Nou, en of,” antwoordden de jongens, die allen om beurten het +prachtexemplaar van nabij moesten bekijken. + +„Ziezoo, nu aan tafel, dan kunnen jullie op Annie’s gezondheid +drinken,” zeide de heer Stubbens. „Vooruit, maar, jongelui, naar de +eetkamer.” + +Toen allen gezeten waren, zag mevrouw, dat de kinderen nieuwsgierig +naar hun hoog opbuilende servetten keken, maar ze niet durfden +openvouwen. Alleen de kleine Tine gaf het voorbeeld, vouwde dapper haar +kinderservetje open en kraaide van pret, toen zij er een aardig popje +van chocolade uit te voorschijn bracht. + +„De knecht van Sinterklaas,” zeide zij en wilde dat heerschap fluks +naar haar mond brengen. + +„Dat kan je begrijpen,” riep haar vader, die naast haar zat en de hand +met den zwarten knecht nog juist kon grijpen, voordat deze haar mond +had bereikt. „Eerst zoet eten en dan zullen wij eens zien of we niet +een arm of een been van hem kunnen afbreken. Maar vindt je het niet +jammer hem zoo gauw op te eten, Tine, als hij op is, dan is hij weg, +dan heb je hem niet meer.” + +„Dan geeft paatje mij wel een andere, is het niet?” + +Iedereen lachte, maar de heer Stubbens verzekerde zijn jongste dochter, +dat hij dat volstrekt niet van plan was. „Eens opgegeten, blijft +opgegeten,” zeide hij, „dan komt er maar niet zoo dadelijk iets +nieuws.” + +Intusschen hadden de jongens en de andere meisjes Tine’s voorbeeld +gevolgd en hun servet opengevouwen. Ieder vond iets aardigs: Tom een +mooie penhouder, Frans een zakmes, Annie en Paula ieder een mooie +inktlap en zoo was er voor ieder een kleinigheid. + +„Dank u wel, mijnheer, dank u wel, mevrouw,” klonk het door elkaar en +ieder wilde zien wat de ander gekregen had, zoodat de geschenkjes de +ronde van de tafel deden en door allen bewonderd werden. Tine stond +erop, dat haar popje eveneens van hand tot hand zou gaan, maar toch +volgde zij het met angstige blikken en toen zij het eindelijk terug +had, slaakte zij een hoorbare zucht van verlichting en koesterde het in +haar tengere armpjes. + +De jongens lieten zich na den strijd van dien middag het eten goed +smaken en klonken allen dankbaar met de geefster van de mooie bal. Na +tafel deden zij nog eenige kalme spelletjes, want zij waren allen min +of meer moe en om acht uur namen zij afscheid, omdat toen de automobiel +voorreed, waarin Annie en de heer Stubbens Paula naar huis zouden +brengen. Tante Dora was wel bang geweest, dat het voor Annie wat laat +zou worden, als zij meeging, maar de beide meisjes hadden zóó gesmeekt, +dat zij het maar had toegestaan. + +„Dag, mevrouw, ik dank u wel voor het plezier, dat ik gehad heb,” zeide +Paula bij het afscheid nemen. + +„Dag, Paula,” antwoordde mevrouw Stubbens, „ik reken er dus op, dat je +Zaterdag over een week terugkomt, zeg dat maar aan je mama.” + +„Graag, mevrouw,” antwoordde het meisje en verliet met Annie en haar +oom de kamer. + +Het volgende oogenblik snelde de auto met luid getoeter door de straten +en om half tien, dus voor haar doen zeer laat, lag Annie eerst in haar +bed, waar zij van voetbalwedstrijden, van Paula en Bertha en alles door +elkaar droomde, terwijl Paula onder het uitkleeden aan haar moeder +vertelde van al het plezier dat ze had gehad. + +„En verbeeld u hoe heerlijk, moes,” zoo besloot zij, „voor Zaterdag +over een week ben ik weer gevraagd, want dien Zondag is Annie jarig. Ik +mag toch gaan, moes?” + +„Zeker, kind, als je zooveel plezier hebt gehad, mag je nog eens gaan, +ik heb er niets tegen, maar ga nu slapen,” zeide mevrouw Tillens en +verliet na nog een laatste nachtkus de kamer van haar dochter. + + + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +ANNIE OP BEZOEK BIJ HAAR GROOTMA. + + +„Annie,” zei mevrouw Stubbens den volgenden dag, „ik heb aan je +grootmama geschreven, dat wij haar Woensdagmiddag een bezoek komen +brengen. Wij gaan dan met de automobiel, dan kunnen wij nog vóór het +eten terug zijn.” + +„In de auto, tante? heerlijk!” riep Annie, „mag Tine ook mee?” + +„Daar had ik zelf al over gedacht, ik zal er eens met oom over spreken. +Wij gaan in ieder geval, als er geen tegenbericht komt, om half twee +van hier.” + +Den volgenden dag, toen mevrouw Hermsen aan de ontbijttafel zat, bracht +Mina haar de brieven, welke met de eerste post gekomen waren. + +„Dank je, Mina,” zeide de oude mevrouw, ze van het blaadje nemende, +waarop Mina ze haar toereikte. „Vier brieven,” zeide zij bij zichzelve, +toen Mina de kamer uit was. „Eén van Van Walen; één van den dokter, die +vraagt zeker een bijdrage voor dat sanatorium, dat hij wil oprichten, +en die zal hij hebben; één van het Hôtel du Nord in Keulen, waar ik +kamers had besteld, die zijn nu niet meer noodig; en ... hé, van wie +kan deze brief zijn? van Annie is hij niet en hij komt toch daar van +daan, het is een dameshand, gauw eens zien, ik ben er toch benieuwd +naar.” + +Grootmama veegde weer zorgvuldig haar brilleglazen schoon, zette de +bril toen voorzichtig op en scheurde de enveloppe open van den brief +van mevrouw Stubbens, want deze was het. + +„Neen maar, daar had ik nu toch niet op gerekend, dat vind ik nu eens +aardig van mevrouw Stubbens,” mompelde de oude mevrouw onder het lezen. +„Mina, Mina,” riep zij, toen zij Mina Holst door de gang hoorde loopen. + +„Wat blief, mevrouw?” vroeg Mina, die toevallig op weg was naar de +huiskamer om te zien, of zij het ontbijt al kon wegruimen; misschien +ook was zij een beetje nieuwsgierig om te weten, of er soms eenig +nieuws over Annie was gekomen; en Mina kwam binnen. + +„Mina, Woensdag krijg ik visite, mevrouw Stubbens komt mij een bezoek +brengen.” + +„Met Annie, mevrouw?” + +„Ja,” antwoordde de oude mevrouw met een blijden glimlach, „zij komt +mee. Nu, wij hebben lang genoeg naar het kind verlangd. Maar, ik wilde +je zeggen, Mina, als Annie er nu is, moet je maar niet over dat +mislukte bezoek van haar spreken. Misschien heeft mevrouw Stubbens er +haar niets van gezegd en dan zou het maar moeite en last geven.” + +„Het is goed, mevrouw; gut, gut, ik ben toch zoo blij!” + +„Ik ook, Mina, ik verlang onuitsprekelijk naar het kind, zooals je wel +zult begrijpen.” + +„Nu, dat spreekt, ik weet het aan mezelve, hé, en u bent haar eigen +grootmoe. Dus, Woensdag,” mompelde Mina verheugd, terwijl zij de kamer +verliet. + +Mevrouw Hermsen schreef vlug een briefje aan mevrouw Stubbens om haar +te zeggen, dat zij en Annie haar van harte welkom waren en zond, toen +zij dit verstuurd had tevens een boodschap aan den jongen Stokman om te +vragen of hij van kantoor komende, even bij haar wilde aanloopen. + +Tegen twaalf uur verscheen hij. + +„Dag, mevrouw Hermsen, wat is er van uw dienst?” vroeg hij, „moet ik +het nu alweer probeeren, vindt u den tijd niet wat kort?” + +„Zoo dom ben ik niet, Willem,” antwoordde de oude mevrouw, nadat zij +hem begroet had, „dat ik nu alweer een tweede poging zou wagen. Neen, +ik heb je alleen maar laten komen, om je te zeggen, dat Annie Woensdag +komt.” + +„Wat! hoe hebt u dat klaar gespeeld?” + +„Maar niet voor goed.” + +„Dat hangt toch maar van uzelve af, als zij nu toch uit zichzelve hier +komt, dan zou ik haar ook maar ineens houden, als u daar dan zoo +bijster op gesteld is.” + +„Het kan niet, mevrouw Stubbens komt met haar mee.” + +„Ja, dan wordt het een moeilijker geval, maar toch niet onmogelijk,” +antwoordde hij nadenkend. „Blijven ze hier eten?” + +„Neen, mevrouw moet vóór het eten weer thuis zijn.” + +„Prachtig! mevrouw moet weer thuis zijn, maar Annie toch niet. U vraagt +natuurlijk of uw kleinkind mag blijven, dan zal u haar om negen uur met +de automobiel thuis laten brengen. Welnu, laat ze daar dan maar op +wachten. Het kind houdt veel van u en zal dus geen moeilijkheden maken, +vooral omdat zij nu niet zoo bijzonder op haar tante gesteld is, zooals +u mij laatst zeide. In uw plaats deed ik het zeker, maar dan krijg ik +toch wat van u, omdat ik u dit plannetje aan de hand heb gedaan, want, +ziet u, ik denk er sterk over van dat andere plan af te zien, het is +voor mij te gevaarlijk en het zou toch ook niet mooi zijn zooiets te +ondernemen, terwijl ik mijnheer Stubbens’ voorspraak wil inroepen voor +het verkrijgen van die nieuwe betrekking.” + +„Je beschouwt de zaak heelemaal verkeerd,” antwoordde de oude dame. „Je +vergeet, Willem, dat ik als grootmoeder toch meer recht op het kind heb +dan de familie Stubbens; ik ben toch haar eigen grootmoeder. Hoe kan er +nu iets verkeerds in steken, dat jij het kind bij haar grootmoeder +brengt, die zoo zielsveel van haar houdt.” + +„Ik denk toch niet, dat ik het doe en dit plan is werkelijk niet zoo +verkeerd,” antwoordde Stokman. „Zij weten dan tenminste bij wie het +kind is en u kan hun schrijven, dat u het kind verder bij u houdt.” + +„Als ik had kunnen weten, dat je mij in den steek wilt laten, had ik +mij de moeite kunnen besparen je te laten roepen, want dat heb ik +alleen gedaan om je te waarschuwen, dat Annie Woensdag hier komt, +zoodat je dan een goede gelegenheid hebt om haar te bekijken en je kunt +behoeden voor een tweede vergissing.” + +„Nu, het kan geen kwaad het kind nog eens te bekijken; ik zeg ook niet +beslist, dat ik het niet doen wil: als mijnheer Stubbens bij voorbeeld +bepaald weigert mij te helpen, dan zou het er misschien toch nog van +kunnen komen. Misschien heeft u gelijk en is het niet zoo verkeerd, ik +weet het zelf niet. Ik dank u intusschen voor de waarschuwing.” En +hiermede nam Stokman afscheid van de oude dame en verliet het huis. + +Zoodra mevrouw Hermsen alleen was, verborg zij het gelaat in beide +handen. „Is het niet vreeselijk!” mompelde zij, „dat ik tot allerlei +lage listen mijn toevlucht moet nemen om mijn eigen dierbaar kleinkind +tegen die vreemde vrouw te beschermen! Ik ken die juffrouw Ackfield +niet, maar ik heb van dien éénen Engelschman in mijn jeugd genoeg +slechts ondervonden, om van deze vrouw het ergste te vreezen. Het eenig +kind van mijn Annie in handen van zoo’n vreemde vrouw, die haar niet +zal kunnen verstaan, nooit eens vertrouwelijk met het schatje zal +spreken, haar niet zal begrijpen! neen, het is te afschuwelijk, ik mag +het niet toelaten! Ik geloof, dat het laatste plan van Willem niet +kwaad is, ik zal het nog eens overwegen.” + +De Woensdag kwam, een donkere, regenachtige dag, zoodat mevrouw +Stubbens er eerst over dacht Tine, die nogal vatbaar was, maar thuis te +laten. De automobiel kon echter gesloten worden, dus meende mijnheer +Stubbens, dat er in het geheel geen gevaar in was en dat het hard zou +zijn het kind zonder reden thuis te laten nu zij er zich zoo’n feest +van had gemaakt om mee te gaan. + +De juffrouw had dien morgen een lastige leerling aan Annie die +buitengewoon rusteloos was en niets deed dan met haar buurmeisje, Clara +van Scheik, praten. + +„Annie, als je zoo door gaat, laat ik je van middag school blijven,” +zeide de juffrouw wanhopig. + +„Ik moet van middag met tante uit de stad, juffrouw,” antwoordde Annie, +die dit deftig vond. + +„Dan schrijf ik een briefje aan je tante, dat je den heelen morgen zoo +lastig bent geweest, dat ik je van middag hier houd.” + +Dit hielp en Annie lette verder goed op. + +Mevrouw Hermsen had al wel een kwartier lang op den uitkijk gestaan, +terwijl Mina herhaaldelijk naar de deur was geloopen om te zien of zij +nog niet kwamen. + +Dien morgen had de oude dame het besluit gevat, het plan ten uitvoer te +brengen. Zij zou het meisje ten eten vragen en zeggen dat zij het dien +avond zou laten thuisbrengen. Zoodra mevrouw Stubbens dan weg was, +zouden zij vlug dineeren, met de automobiel naar de stad rijden en daar +den trein nemen naar Keulen. Stokman had reeds voor haar biljetten +gezorgd, zoodat zij daar geen moeite mee zou hebben. + +Daar zag Mina, die wel voor de twintigste maal in het laatste half uur +naar de deur was geloopen, de auto aan komen en nu stormde zij de kamer +in, waar de oude mevrouw vol ongeduld zat te wachten. + +„Mevrouw, mevrouw, daar komen zij!” riep zij en Mina snelde weer naar +buiten om de bezoeksters binnen te laten. + +Het voertuig stond stil en voordat de chauffeur zijn plaats had kunnen +verlaten, had Mina het portier reeds geopend; het volgende oogenblik +hing Annie aan haar hals. + +„Tante, dit is nu juffrouw Mina,” riep zij, terwijl zij het oudje +hartelijk kuste. + +„Kind, kind, wat doet het mijn oude hart goed je weer eens te zien,” +antwoordde Mina met tranen in de oogen, terwijl zij Annie’s omhelzing +met evenveel warmte beantwoordde, „maar, ik mag niet zoo onbeleefd +zijn. Ik heb je tante nog niet eens gegroet en daar komt mevrouw ook al +naar buiten, ga maar gauw naar haar toe, zij verlangt zoo naar je.” + +Annie holde naar haar grootmoeder toe, die haar met uitgebreide armen +te gemoet trad. „Mijn Annie, mijn eigen lieveling!” riep mevrouw +Hermsen, „kindje, ik ben toch zoo blij dat je weer bij mij bent! en +vind jij het nu ook prettig, weer bij grootma te zijn?” + +„Dolletjes, grootma!” antwoordde het meisje, „kijk, daar zijn tante en +Tineke.” + +„Tineke!” herhaalde mevrouw Hermsen verbaasd. + +„Ja, mijn jongste nichtje, ik heb u wel eens over haar geschreven.” + +Nu trad mevrouw Stubbens naar de oude dame toe en begroetten zij +elkaar, terwijl Tine met groote oogen in die voor haar vreemde omgeving +stond rond te kijken. + +„Mevrouw Hermsen, ik ben zoo vrij geweest mijn jongste dochter mee te +brengen,” zeide mevrouw Stubbens nu, „daar had u toch zeker niet +tegen?” + +„Maar mevrouw, verbeeld u,” antwoordde mevrouw Hermsen, die in het kind +nog geen beletsel zag voor het ten uitvoer brengen van haar plan, daar +het kleintje natuurlijk niet zonder haar moeder zou achterblijven. „Kom +eens hier, kleine meid,” vervolgde zij tot Tine, „en vertel mij eens +hoe je heet.” + +„Christine, Dorothea, Stubbens van de Keizersgracht drie en tachtig,” +was het antwoord. + +„Zoo, zoo, dat is flink, dat jij je adres erbij weet. Als je ooit +wegraakt, dan weet iedereen waar je teruggebracht moet worden,” merkte +de oude dame op, terwijl zij het kind op haar schoot trok. + +„Ja, stel u voor,” begon mevrouw Stubbens en nu deed zij zeer +breedvoerig het geheele verhaal van de mislukte ontvoering van kleine +Tine. + +Mevrouw Hermsen luisterde met aandacht. Verbeeld je toch, dacht zij, +dat ik dit kleine popje had thuis gekregen. + +„Oom is weggegaan, maar ik ben toch naar den dierentuin geweest met +maatje,” voegde Tine aan het verhaal van haar moeder toe. + +„Was het een lieve oom, Tine?” vroeg mevrouw Hermsen. + +„Neen, Tom zegt, dat hij mij verkocht zou hebben aan den man met de +zweep.” + +„De man met de zweep, wie is dat?” + +„De man, die mij zou laten koorddansen en als ik het niet kon, zou hij +een groote zweep nemen, zegt Tommie en dan zou hij mij daarmee slaan.” + +„Foei, dat zou toch heel slecht van hem zijn, je moet maar nooit meer +met hem meegaan,” antwoordde mevrouw Hermsen. „Maar de regen is +opgehouden en de zon komt door, zou je nu misschien wat in den tuin +willen spelen, kleine? Wat ik zeggen wilde, mevrouw Stubbens,” voegde +zij erbij, „u schreef mij, dat u vóór het eten weer thuis moest zijn, +maar zou u er iets tegen hebben, dat ik Annie tot vanavond hier houd?” + +„Ik wil ook blijven,” liet Tine zich hooren, voordat haar moeder iets +had kunnen zeggen. + +„Hè, ja, tante,” voegde Annie er aan toe, „mogen Tine en ik bij +grootmama blijven eten?” + +„Zoo, Tine,” antwoordde mevrouw Stubbens, „laat je maatje nu heel +alleen naar huis gaan, wil je wel blijven zonder maatje?” + +„Ja, maatje, met Annie,” riep Tine niet in het minst verlegen. + +Mevrouw Hermsen was wanhopend. Wat moest zij nu beginnen? zij kon toch +niet met de beide kinderen op reis gaan! zij had er geen oogenblik over +gedacht, dat mevrouw Stubbens het kleintje alleen met haar nichtje zou +laten achterblijven. Zij antwoordde dus maar: + +„De meisjes mogen dus blijven, mevrouw, dan zal ik haar van avond laten +thuis brengen.” + +Toen dit was afgesproken, gingen de kinderen den tuin in. Tine hield er +veel van kransjes te vlechten van bloemen, iets dat Annie haar geleerd +had, en wat zij al heel aardig kon. Annie plukte dus voor haar allerlei +grasbloempjes en een tijd lang zaten de kinderen zich daarmee te +vermaken, terwijl Mina telkens even van haar werk wegwipte, om naar hen +te komen kijken. Eindelijk zei Tine, „Annie, ik begin mij een klein +beetje te vervelen. Ga je mee wat anders doen?” + +„Wat dan?” + +„Krijgertje.” + +„Goed, jij bent hem, pak mij maar als je kunt. Eén, twee, drie!” en +Annie liep een eindje weg. Tine holde zoo hard zij kon, haar nichtje +achterna, totdat Annie zich eindelijk onder vroolijk gelach van Tine +liet vangen. + +„Nu moet jij mij pakken,” riep het kleintje en snelde voor Annie uit +een zijpad in, waar zij eensklaps tegen een heer aanbonsde, die haar +juist bijtijds vastgreep, anders zou zij gevallen zijn. Toen hij zag, +dat zij geschrikt was, tilde hij het teere, kleine ding hoog in de +lucht en riep: „Hoe groot ben je nu?” waarna hij haar lachend weer op +den grond liet zakken. + +„Wie bent u?” vroeg Annie, toen zij zag dat hij haar aankeek. + +„Wou je dat graag weten? Luister dan, ik heet: Willem, Karel, Frederik, +Alfred, Jeremias Stokman.” + +„O, wat een boel namen!” riep Tine. + +„Maar, nu moet ik toch ook weten, wie jullie zijn? wil ik het eens +raden?” vroeg Stokman. + +„Ja, dat is leuk,” antwoordde Annie. + +„Ik wed dat jij Annie heet.” + +„Hè, hoe weet u dat?” + +„Dat kan ik zoo maar raden.” + +„En ik?” vroeg Tine. + +„Jij? nu moet ik eens even denken. Jij bent... Tine Stubbens. Is het +zoo niet?” + +De kinderen stonden hem met open mond aan te kijken. + +„Ja, ik ben Tine,” zeide eindelijk de kleine. „Wat komt u hier doen?” + +„Met jullie meespelen, als ik mag.” + +„Ik blijf hier eten met Annie,” liet Tine zich weer hooren. + +„Blijven jullie allebei hier eten?” vroeg Stokman verbaasd. Dat is een +mooie geschiedenis, dacht hij bij zichzelf, nu ligt het mooie plan in +duigen. Maar, misschien is het ook wel beter, het is toch te erg het +kind zoo weg te nemen, zonder dat de familie er iets van weet. + +„Zullen wij nu gaan spelen?” vroeg hij. „Wil ik jullie krijgen?” + +„Ja, pak mij maar!” riep Annie en holde alvast weg. + +Zoo speelden zij een heelen tijd met hem, en de kinderen hadden dolle +pret. Hij liet goedig met zich sollen en vond het zelfs goed dat Tine +hem de krans opzette, die zij gevlochten had. Juist toen zij hem +hiermede getooid had, kwamen de dames naar buiten om te zeggen dat de +automobiel voor stond en dat mevrouw Stubbens naar huis ging. + +Met een kleur van verlegenheid, omdat de dames hem met die versiering +gezien hadden, schudde hij het kransje af en trad op mevrouw Stubbens +toe. + +„Mijn naam is Stokman,” zeide hij. + +„Het is mij aangenaam kennis met u te maken, mijnheer Stokman, ik zie, +dat u zoo vriendelijk is geweest de kinderen wat bezig te houden,” +antwoordde tante Dora en vervolgde toen tegen de meisjes: „nu, +kinderen, ik ga naar huis, veel plezier verder en niet te wild zijn, +hoor, zorg dat je het mevrouw Hermsen niet lastig maakt.” + +„Neen, dat zullen zij niet en voor alle zekerheid zal ik mijnheer +Stokman erbij vragen, misschien wil hij mij wel helpen om te maken dat +de meisjes zich niet vervelen?” merkte mevrouw Hermsen op. + +„Heel graag, mevrouw Hermsen, het zal mij een waar feest zijn te mogen +blijven,” antwoordde Stokman. Toen de auto wegreed, nam hij de kinderen +ieder bij een hand en nam hen mee naar den tuin, waar hij beloofd had +haar te zullen schommelen, terwijl de oude mevrouw vóór het eten nog +even ging rusten. Het duurde echter niet lang of de oude dame kwam in +den tuin bij hen. + +„Kom, Annie, mijn schat,” zeide zij, „ik heb nog zoo weinig aan je +gehad, ga je met grootma mee naar binnen? ik heb een mooi boek voor je +gekocht, dat wil ik je laten zien. Het is een prachtuitgave van de +sprookjes van Moeder de Gans. Wil je het zien?” + +„Ja, graag,” antwoordde het kind en huppelde aan den arm van haar +grootmoeder naar binnen. + +„Vind je het niet akelig, dat je straks weer van grootma weg moet, +Annie?” vroeg de oude dame verdrietig. + +„Ja, grootma, maar ik kom weer terug.” + +„Ach, kind, wie weet wanneer dat zijn zal! niemand houdt zooveel van je +als ik, na je papa, natuurlijk; wil je dat wel gelooven?” + +„O, maar grootma,” riep Annie verbaasd, en telde toen op haar vingers +op: „oom en tante en Tom en Paula en Tine en Bertha, die houden +allemaal van mij.” + +„Maar jij hieldt toch niet van tante Dora, is het wel?” + +„Nu wel, bij ons thuis was tante altijd stijf, maar nu niet meer; ik +krijg wel eens standjes als ik te wild ben, maar tante is toch aardig +tegen mij.” + +„Zoo, je voelt je daar dus thuis?” hervatte de oude dame, en haar stem +klonk treurig, alsof haar dit werkelijk speet. + +Het kind merkte dat echter natuurlijk niet op en antwoordde vroolijk: +„O, ja, ik vind het erg prettig bij oom en tante.” + +„Maar zou je niet liever bij mij willen zijn? ik ben zoo alleen.” + +„Arme grootma,” zeide Annie en streek met haar handje over grootmama’s +rimpelige wang, maar zij dacht aan haar vriendinnetjes en aan al die +vroolijke jongens, Toms vrienden, en aangezien zij een oprecht kind +was, antwoordde zij bedeesd: „ik ben liever bij tante Dora, grootma, +maar ik kom wel meer bij u terug.” + +Mevrouw Hermsen zweeg. Daar had zij niet op gerekend na al die +verhalen, die het kind haar vroeger van haar tante had gedaan. + +Intusschen was het schommelen Tine gaan vervelen en was zij met Stokman +den tuin door geloopen naar de tuinmanswoning, waar hij haar bij een +nest met allerliefste jonge hondjes bracht. Zij waren echter niet zoo +heel jong meer, zij telden al tien weken. + +„Wat zeg je daar nu van?” vroeg Stokman. + +„O, wat een lieve hondjes!” riep de kleine en klapte in haar handen, +„mag ik ze vasthouden?” + +Stokman legde er een in haar armen. „Voorzichtig, hoor,” zeide hij, +„niet laten vallen, dan huilt zijn moedertje.” + +„Zou de jongejuffrouw er misschien een willen hebben?” vroeg de vrouw +van den tuinman. + +„Nu, Tine, zou je willen?” vroeg Stokman op zijn beurt, „en zou je ma +het goed vinden?” + +„Ja, Tine mag er wel een hebben en Tine wil graag,” antwoordde het kind +blij. + +„Wij zullen voor alle zekerheid eerst aan mama vragen of het mag,” +zeide Stokman. + +„Ja, ga mee, aan maatje vragen,” riep Tine ongeduldig. + +„Kijk,” dacht Stokman, „nu zou mevrouw toch gelegenheid hebben haar +plan ten uitvoer te brengen, wanneer het kleintje nu met mij naar huis +gaat, kan zij Annie houden,” en binnen komende in de kamer, waar Annie +met haar grootmoeder zat, zeide hij tot de oude dame: „Tine wil naar +huis, zij wil aan haar mama gaan vragen of zij een van die aardige +hondjes van den tuinman mag hebben. Wil ik haar even thuis brengen, dan +kan ik wel ergens in de stad eten.” + +Na haar gesprek met Annie, was de oude dame echter tot andere gedachten +gekomen. Het kind was liever bij haar oom en tante, dan wilde zij haar +nu ook niet tegen haar zin houden. Later, misschien, als er geen andere +uitweg was, maar eerst wilde zij zien of Annie niet van zelf bij haar +zou willen blijven, wanneer men haar verteld had dat zij een nieuwe +mama kreeg, een vreemde dame, die zij heelemaal niet kende. Daarom +zeide zij: „Neen, wij gaan eerst eten en dan rijden de meisjes naar +huis en kan Tine aan haar mama vragen of zij het hondje hebben mag, dan +zal ik het dadelijk laten brengen, als haar mama het toestaat.” + +„Vandaag dus niet,” fluisterde Stokman de oude dame in het oor. + +„Neen, vandaag niet, Willem, maar ik dank je intusschen wel dat je Tine +zoo lang hebt bezig gehouden, ik heb daardoor nog een rustig +oogenblikje met Annie kunnen hebben,” antwoordde mevrouw Hermsen. + +Onmiddellijk na het eten nam Stokman afscheid en om half acht reed de +auto vóór, waarin Mina de kinderen naar huis bracht. + + + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +FLIK EN FLOK. + + +Toen Tine, die reeds half sliep, door haar moeder werd uitgekleed, +zeide het kleintje met een slaperig stemmetje: „Maatje, mag ik het +hondje hebben?” + +„Eerst lief slapen, dan zullen wij het morgen aan papa vragen,” +antwoordde haar moeder en kuste haar, toen zij eindelijk in bed lag, +goeden nacht. + +Den volgenden morgen, zeide mevrouw Stubbens: „Tine mag dit briefje +voor mama in de bus doen. Zal je het heel netjes doen?” + +„Wat voor briefje?” vroeg de kleine, nieuwsgierig naar de enveloppe +kijkend. Eenige drukletters kon zij al lezen, maar geschreven schrift +was haar nog te moeilijk. + +„Kleine meisjes mogen niet vragen, dat heb ik Tine van morgen al meer +gezegd,” antwoordde haar moeder, want de kleine had haar van het +oogenblik dat zij was opgestaan, tot dat zij naar haar fröbelles zou +gaan voortdurend achtervolgd met de vraag of zij het hondje mocht +hebben. + +In het briefje, dat zij weg moest brengen, gaf mevrouw Stubbens juist +daartoe haar toestemming. Ze vroeg daarin, of Mina Holst den volgenden +dag het hondje zou mogen komen brengen. + +Zoodra zij om twaalf uur thuis kwam, snelde Tine naar haar moeder toe. +„Heeft maatje al aan papa gevraagd of ik het hondje mag hebben?” vroeg +zij dadelijk. + +„Tine, luister nu goed,” zeide mevrouw Stubbens streng, „als je er nu +nog ééns om vraagt, komt het hondje niet.” + +Het kind begon te huilen. + +„En als je huilt ook niet. Ga nu spelen.” + +Pruilend verliet Tine de kamer en ging haar troost zoeken bij Tom en +Annie, die juist waren thuis gekomen. + +„Wat scheelt eraan, Tine, waarom huil je?” vroeg Tom. + +„Ik wou zoo graag het hondje hebben, maar maatje zegt, als ik er nog +ééns om vraag, dan krijg ik het hondje niet.” + +„Heeft moes dat gezegd? nou wees dan maar stil, want dan geloof ik +stellig, dat je het krijgt.” + +„Zou je denken, Tom?” vroeg Annie, „nu, dat zou dol zijn, een kleine +hond! Ik wou dat ik er een had.” + +„Hebben jullie dan geen hond op Wilgenhorst?” vroeg Tom. + +„Niets dan een heel ouden waakhond, maar papa zegt altijd: „als er ooit +een dief komt, zal Bruno kwispelstaartend naar hem toe loopen en hem +een poot geven.”” + +Tom begon luidkeels te lachen. „Nou, zeg, dat is ook een mooie +waakhond,” zeide hij. + +„Zeg, Tine,” voegde hij er een oogenblik later bij, „als jij dat hondje +krijgt, zullen wij hem leeren om door een hoepel te springen en op te +zitten en pootje te geven en allerlei kunstjes meer en...” + +„Je weet niet eens of zij hem hebben mag, Tom,” viel Coba, die +intusschen was binnengekomen, haar broer in de rede, „praat er nu niet +zoo over anders geeft het weer een zondvloed van tranen, als Tine dien +hond niet krijgt.” + +„Als Tine hem niet hebben mag,” antwoordde Tom, „dan moet zij maar +wachten, tot ik groot ben en mijn eigen geld verdien, dan kan zij bij +mij komen wonen en dan nemen wij net zooveel honden als Tine maar +hebben wil.” + +„Een mooie rommel zal dat bij jullie worden,” merkte Coba op, „ik heb +een hekel aan honden, zij bijten alles stuk.” + +Toen de kinderen den volgenden dag om twaalf uur uit school kwamen, +vonden zij in de huiskamer Mina, die een groote sluitmand op de schoot +had. Annie snelde verheugd op het oude menschje toe en toen Mina zich +eindelijk uit haar onstuimige omhelzing had losgemaakt, zeide zij: „Wat +denken jullie nu wel, dat ik hier in deze mand heb? Mag ik het hun +laten zien, mevrouw?” + +„Zeker, Mina.” + +De meisjes gingen ieder aan een kant van Mina staan om goed te kunnen +zien en toen tilde de oude juffrouw voorzichtig het deksel op. + +„O!” riepen de kinderen beiden in verrukking, want in de mand bevonden +zich twee allerliefste kleine fox-terriërs met ronde kopjes, lompe +pootjes en schitterende oogjes. + +Dadelijk vroeg Tine: „mag ik er een van hebben?” + +„Ja,” antwoordde haar moeder, „en het andere is voor Annie.” + +„Haal jij ze er nu eens netjes uit, Annie, zonder ze te laten vallen,” +zeide Mina. „Zij zijn al tien weken oud en kamer-zindelijk, mevrouw,” +voegde zij er tot mevrouw Stubbens bij, terwijl zij Annie hielp om de +witte molletjes op den grond te zetten. + +„O, Tine, zijn ze niet schattig?” riep Annie in verrukking. + +„Kijk,” hervatte Mina, „zoodra ik ze zag, dacht ik dat is nu een aardig +hondje voor Annie en ik had het haar met haar verjaardag willen geven +maar nu ik er toch een voor Tine moest brengen, heb ik Flokje ook maar +meegebracht.” + +„Mag ik hem houden, tante?” vroeg Annie, het hondje opnemende. + +„Wel zeker, Annie, het huis is groot genoeg.” + +„Heerlijk, heerlijk, heerlijk!” riep Annie om de tafel heendansend, +nadat zij Flok weer op den grond had gezet, en door haar vroolijkheid +aangestoken, holden de twee witte hondjes haar achterna en rolden +daarbij over elkaar heen. + +Flokje was geheel wit met een bruin snoetje en bruine wenkbrauwen, +terwijl Tines hondje een zwarten neus en een zwarte vlek op den rug +had. + +„Wel, heb ik ooit, twee, dat is leuk!” klonk eensklaps een vroolijke +stem en Tom, die altijd als een bom een kamer in kwam vallen, trad +binnen. + +„Dag, Thomas,” zeide zijn moeder op terechtwijzenden toon. + +„O, ja, dag moes,” en op Mina toestappende, gaf hij haar een hand en +zeide; „dag, juffrouw.” Toen streelde hij de hondjes en vroeg: „heb jij +er ook een gekregen, Ans? hoe heeten zij?” + +„Ja, deze is van mij,” antwoordde Annie op haar hondje wijzende, „en +hij heet Flok.” + +„Dan heet de andere natuurlijk Flik,” zeide Tom. „Vind je dat goed, +Tine, het is geen moeilijke naam om te zeggen, is het niet?” + +„Waarom Flik?” vroeg Tine. + +„Flik en Flok is de naam van een boek,” legde haar moeder uit. „Ken jij +het, Thomas, heb jij het gelezen?” vroeg zij aan Tom. + +„Ja, moes, Frans heeft het; het is zoo leuk, er staan zulke aardige +platen in, de mooiste vind ik die, waar Flik en Flok onder water op den +telegraafkabel zitten. Ik zal het nog eens aan Frans te leen vragen, +dan kunnen Annie en Tine de platen ook eens zien.” + +„Hè, ja,” zeide Annie, die Flok had opgenomen om hem aan Coba en Laura +te laten zien, die op dat oogenblik binnenkwamen. + +„Coba en Laura, dit is juffrouw Holst, over wie Annie je zoo dikwijls +gesproken heeft,” zeide mevrouw Stubbens, toen de meisjes haar begroet +hadden. „Je weet wel, juffrouw Mina, die het huishouden doet bij oom +Van Walen en nu bij Annie’s grootmama is.” + +Mevrouw Stubbens was wel trotsch, maar zij zou toch nooit willen, dat +de meisjes, tegen wie ook, onbeleefd waren. + +De beide jonge juffrouwen waren echter nog een graadje trotscher dan +haar moeder. Vanwaar zij stonden, knikten zij Mina dus uit de hoogte +toe en deden verder, alsof zij er niet was. + +„Annie,” vroeg juffrouw Mina, die van Coba en Laura geen andere +behandeling verwacht had, want zij kende hen wel, zij had ze het vorige +jaar nog op Wilgenhorst gezien, „heb je onlangs ook een brief van +mijnheer gehad?” + +„Van papa? neen, juffrouw Mina, waarom vraagt u dat zoo?” + +„Dan zal je er wel gauw een krijgen met groot nieuws er in. Je grootma +heeft er een ontvangen, dus zal je papa jou ook wel gauw schrijven.” + +„Wat voor nieuws?” vroeg Annie natuurlijk nieuwsgierig, „komt papa +terug?” + +„Ik zeg niets, hoor, je pa zal je wel heel gauw schrijven.” + +„U maakt mij zoo nieuwsgierig. Heeft papa dan aan grootma dat groote +nieuws geschreven?” + +„Ik geloof het wel, maar je pa zeide in dien brief, dat hij meteen aan +jou zou schrijven, dus zal je niet te lang behoeven te wachten.” + +„De koffietafel is klaar,” kwam mevrouw nu zeggen. „Juffrouw Holst wil +u tusschen Annie en Tine gaan zitten? dat zullen zij, denk ik, wel +prettig vinden.” + +Coba en Laura keken knorrig. + +Wat had dat nu te beteekenen, meenden zij, Mina Holst was toch maar een +gewoon kindermeisje geweest, moest die mee aan tafel zitten? Zij +ergerden zich zoozeer, dat zij geen woord spraken. Dit viel echter niet +op door het drukke gebabbel van Annie en Tine en hoewel tante Dora +altijd aan Annie had gezegd, dat kinderen aan tafel niet het hoogste +woord mochten hebben, liet zij hen vandaag maar begaan. Verbieden zou +trouwens toch niet veel geholpen hebben, daarvoor waren de kinderen +veel te opgewonden. + +„Wij zullen onze kamerdeur maar goed dicht houden, Laura,” zeide Coba, +toen zij na de koffie samen naar boven gingen om niet langer +genoodzaakt te zijn het gezelschap te genieten van „die dienstmeid,” +zooals Coba haar met minachting noemde. + +„Waarom, Co?” vroeg Laura verbaasd. + +„Wel, omdat ik geen zin heb al mijn mooie dingen door die jonge honden +te laten vernielen. Zij bijten natuurlijk alles stuk. Zoo vervelend +ook, dat ma heeft toegestaan, dat die dieren hier zouden komen, ik +begrijp het niet van ma en nu nog die Mina aan de koffie, ik zou je +danken om juffrouw Mina of juffrouw Holst te zeggen tegen dat mensch!” + +Laura was uit zichzelve eigenlijk niet zoo bespottelijk trotsch en +onaardig als Coba, maar zij voelde groote bewondering voor haar oudere +zuster en volgde haar in alles na tot niet geringe ergernis van haar +vader. + +„Je weet, Dora,” zeide deze toen de kinderen naar school waren en Mina +weer vertrokken was, „dat ik je geheel vrij laat in de opvoeding van de +meisjes, maar het was toch wel wat bar, zooals Coba en Laura zich +vandaag tegenover die arme Mina aanstelden. Coba wordt bij den dag +trotscher en onverdragelijker en als dat niet verandert, zal ik +ingrijpende maatregelen moeten nemen en haar naar een strenge +kostschool sturen, waar die malle kuren haar wel afgeleerd zullen +worden. Het is niet alleen voor haarzelve, maar zij heeft ook een zeer +verkeerden invloed op Laura, die haar in alles nadoet. De manier, +waarop die twee de dienstboden behandelen, is eenvoudig ongehoord, maar +nu moet het uit zijn.” + +Mevrouw Stubbens zuchtte. Zij wist wel, dat zijzelf veel schuld had aan +Coba’s onaardig optreden; het kind volgde slechts in het overdrevene de +lessen die haar moeder haar had ingeprent. + +„Ik zal eens ernstig met Coba spreken,” antwoordde zij eindelijk, „maar +Coba heeft een eigen wil, die moeilijk te buigen is.” + +„Zeg haar dan maar gerust, dat ik ook een wil heb. Ik weet dat zij een +heilzamen afschrik van kostscholen heeft, ook al weer door de angst om +daar in aanraking te komen met meisjes, die minder zijn dan zij. Het +zou veel beter geweest zijn, als wij de meisjes, op de gewone openbare +school gedaan hadden in plaats van op deze bijzondere, dan hadden zij +vandaar naar de jongens hoogereburgerschool of het gymnasium kunnen +gaan en later kunnen studeeren.” + +„Ik ben er beslist tegen, meisjes met jongens samen te laten leeren; ik +vind het heel goed, dat zij met Thomas en zijn vrienden spelen, maar ik +zou het niet goed vinden, dat zij den geheelen dag met jongens samen +waren en daar zou jij toch ook niet voor zijn.” + +„Ach, ik weet het niet, zooals zij nu opgroeien is het toch ook niet +goed. Met welk recht zien onze kinderen uit de hoogte neer op andere +meisjes, die even beschaafd en misschien nog wel knapper zijn dan zij?” + +„Ik heb je al gezegd, dat ik er met Coba over spreken zou,” antwoordde +mevrouw Stubbens een weinig ongeduldig, „en ik beloof je, dat ik het +doen zal.” + +„Om eens op iets anders te komen,” zeide de heer Stubbens nu, „ik heb +aan Annie beloofd, dat ik haar om vier uur met Tine zou komen halen om +voor Flik en Flok ieder een halsband en ketting te koopen. Dat zal +later een vroolijke wandeling geven met twee kinderen en twee jonge +honden!” En lachend verliet de heer Stubbens de kamer. + +Toen zij naar school moest, had Annie Flok aan de zorg van Suze +toevertrouwd, die de taak vol vreugde aanvaardde—want zij hield veel +van honden—en Flokje meenam naar de kleine spreekkamer, waar zij ging +zitten verstellen, terwijl mevrouw Stubbens Flik bij zich zou houden in +de huiskamer. + +In het eerst ging in de spreekkamer alles naar wensch. Flok had een +wollen bal gekregen om mee te spelen en holde daarmee het vertrek rond, +nu en dan in een hoek van de kamer of onder de tafel stil liggende om +op zijn speelgoed te knabbelen. Alles ging zelfs nog best, toen mevrouw +een half uur later binnenkwam om te vragen of Suze zich vooral met de +beste kousen van jongeheer Thomas wilde haasten, daar hij dien avond +uit moest en ze dan aan moest hebben. „Is Flok zoet, Suze?” vroeg +mevrouw ten slotte, „Flikje speelt allerliefst met een leege klos.” + +„O, Flok is een schat, mevrouw,” was Suze’s antwoord, terwijl zij het +hondje opnam om het eens te knuffelen. + +Het was alsof Flok op die loftuitingen gewacht had. Toen mevrouw +Stubbens de kamer had verlaten, zat hij vanaf een stoel Suze met zijn +donkere oogjes slim aan te kijken. Nog vermoedde zij geen kwaad; zij +zette het maasmandje met de verschillende kluwen wol en katoen op tafel +en verdiepte zich in Toms kous. + +Flokjes oogen dwaalden van Suze naar het mandje en van zijn stoel naar +de tafel; het was alsof hij den afstand berekende. Van den grond op de +tafel was voor een jong hondenkind als hij een ondoenbare sprong, maar +die stoel dáár stond nogal dicht bij de tafel en in dat mandje bevonden +zich allerlei verleidelijke dingen. + +Suze vermoedde niets van wat er blijkbaar in dat kleine hondenkopje +omging, zoodat zij zelfs niet opkeek, toen zij achter zich een zacht +geritsel en gefriemel hoorde. Wat speelt het diertje toch zoet! dacht +zij onder het afhechten van haar draad. Nu moest zij een nieuwe nemen, +maar waar was haar mandje; zij had het toch naast zich op tafel gezet! +Zij keek om. + +„Heere mijn tijd hond, ben je bezeten?” klonk Suze’s stem diep +verontwaardigd, „wat heb je nou uitgevoerd en dat juist nu ik zoo’n +haast heb!” Suze huilde half en had daar ook wel reden toe.—Heel zacht +had Flok het mandje, dat maar zeer licht was, met zijn poot telkens een +eindje verder weggetrokken; het was alsof de kleine deugniet wist dat +Suze niet mocht zien wat hij deed. + +Toen had hij er eerst een van die heerlijke kluwen uitgehaald en deze +met alle vier zijn pootjes en zijn bekje uit elkaar zitten plukken. +Spoedig was hier de aardigheid af geweest en had hij een tweede en +daarna een derde kluwen onder handen genomen, waaronder ook die, welke +Suze noodig had, zoodat het meisje in haar keurig maasmandje niets meer +zag dan den naaldenkoker, waar Flok gelukkig nog niet aan toe gekomen +was—de kluwen waren zoo heerlijk zacht, daarom had hij die het eerst +onder handen genomen—en naast het mandje op tafel een hoop verwarde +massa wol en katoen van verschillende kleur. + +Toen Flok zag dat zijn wandaad ontdekt was, sprong hij onmiddellijk van +de tafel op den stoel en zoo op den grond. + +„Ik zal in vredesnaam alles maar eerst zoo terug leggen in het mandje,” +sprak Suze wanhopend bij zichzelve, „ik heb nu geen tijd om het op te +ruimen.” Haar ellende was echter nog niet ten einde, want daar viel +haar maasbal uit de kous, waaraan zij bezig was. + +Heerlijk, dacht Flok, zij schijnt toch niet boos te zijn, want zij +begint met mij te spelen; zij gooit mij zelfs die mooie bal toe. Ik +vind die wel wat hard voor mijn jonge tanden, maar ze is toch mooi, en +na deze overpeinzingen nam Flok de bal in de bek, waarna een wilde +jacht om de tafel heen begon. Flok verkeerde nog altijd in de meening +dat Suze met hem speelde, hij wachtte telkens tot zij vlak bij hem was +en rende dan weer met de bal weg. Soms viel deze daarbij uit zijn bek, +maar juist als het meisje haar dan wilde oprapen, had Flok haar dan +weer in de bek genomen en was hij er mee weggehold. + +„Al half vier!” riep Suze wanhopend, „mevrouw zal denken, dat ik mijn +tijd aan het venster verbeuzeld heb. O, Flok, ik zal die kous in ’s +hemelsnaam maar zonder maasbal afmaken.” + +Dat deed zij, maar zij vatte tevens het vaste besluit zoodra de kous +klaar was, Flok voor dien middag verder uit de kamer te verwijderen. +Maar waar zou zij hem brengen? Daar kreeg zij een goeden inval. In de +zitkamer van de oudste meisjes stond in de muurkast nog een oude +hondenmand van mevrouws vroeger hondje, Vikje, dat indertijd zoo zielig +door een automobiel overreden was; in die mand zou zij Flokje leggen +met zijn wollen bal tot speelgoed. + +Flok was moe van al dat hollen, zoodat Suze hem nu gemakkelijk kon +krijgen. Zij nam hem op—de ongelukkige maasbal lag naast hem, hij had +daar ook alweer genoeg van gekregen—en droeg hem naar boven. Juist, het +mandje lag nog in de kast. Suze nam het eruit, legde het op een zonnig +plekje, zette Flok erin, met zijn bal naast hem en verliet de kamer. +Ziezoo, nu kan een mensch weer opschieten, merkte Suze bij zichzelve op +en deed in een half uur nog zooveel af, dat haar boosheid op Flok +geheel verdwenen was en zij de verwarde wol reeds weer had opgekluwd, +toen om kwart over vier de deur van het kamertje driftig geopend werd +en Coba rood van kwaadheid kwam binnenstormen. „Suze,” riep zij, „ben +jij zoo verregaand brutaal geweest, om die hond in mijn kamer te +brengen?” + +„Ja, ziet u, jongejuffrouw—Coba had haar gezegd, dat zij te oud was om +door de dienstboden bij den naam genoemd te worden—hij was hier zoo +lastig; maar is hij dan ondeugend geweest?” + +„Ondeugend! dat moest je maar eens zien, het is een schandaal! je hadt +moeten begrijpen, dat ik dien hond niet in mijn kamer wou hebben, je +bent maar een dienstmeid, dus kan je doen wat men je zegt!” + +Suze was ook niet op haar mondje gevallen. „En al ben ik maar een +dienstmeid, jongejuffrouw Coba,” gaf zij ten antwoord, „dan laat ik mij +toch niet onrechtvaardig behandelen. U heeft mij nooit gezegd, dat de +hond niet in uw kamer mocht, dus kon ik dat ook niet weten, al ben ik +maar een dienstmeid!” + +„Natuurlijk ben je maar een meid, verbeeld je maar niet, dat je iets +meer bent, hoor!” riep Coba zoo luid, dat haar moeder het in de +huiskamer hoorde. + +Met een zucht stond mevrouw Stubbens op en ging eens kijken, wat er aan +de hand was. + +„Mevrouw,” begon Suze, zoodra mevrouw Stubbens binnenkwam, „ik laat mij +niet zoomaar beleedigen! Is het niet genoeg, dat een mensch nooit een +fatsoenlijk woord van jongejuffrouw Coba krijgt, moet ze mij nu nog +uitmaken voor „een dienstmeid!” + +„Coba was wat driftig, Suze,” zeide mevrouw Stubbens vergoelijkend; +„kom eens mee, Coba, ik moet je spreken!” + +Schoorvoetend volgde Coba haar moeder naar het salon, waar op dat +oogenblik niemand was. + +„Coba,” begon haar moeder, zoodra zij binnen waren, „ook uit naam van +papa moet ik je verzoeken een anderen toon tegen de bedienden aan te +slaan.” + +„Bah, de bedienden! maar mama, u hebt mij toch zelf altijd gezegd, dat +ik niet te familiaar met de dienstboden moest zijn, omdat zij zoo ver +beneden ons staan.” + +„Ik heb je nooit geleerd om onbeleefd te zijn en vandaag ben je eerst +schandelijk onhebbelijk geweest tegen Mina Holst en zoo straks weer +tegen Suze. Papa was van middag zoo boos, dat hij er sterk over denkt +je naar de kostschool van juffrouw Mons te zenden. Nu weet je dus, waar +het op staat.” + +„De school van juffrouw Mons!” riep Coba vol minachting, „weet u wel, +wie daarop gaan? het kind van den slager en Johanna van uw vroegeren +kruidenier! Ik zou u lekker danken, om met die kinderen op één school +te gaan.” + +„Papa zal je niet vragen of je ervoor bedankt of niet, je kent papa, je +weet als hij eenmaal iets besloten heeft, dan gebeurt het ook; je bent +dus gewaarschuwd.” + +Intusschen was Annie, zoodra zij uit school kwam naar haar kamer +gesneld om haar hoed weg te hangen, hetgeen zij altijd dadelijk moest +doen en daarna ging zij naar Suze om Flok te halen. + +„Is Flok zoet geweest, Suze?” vroeg zij al aan de deur van de +spreekkamer. „Wij hebben zulke mooie halsbanden voor de hondjes +gekocht, kijk eens deze is voor Flokje.” + +„O, Annie,” riep Suze, die nog verontwaardigd was over het gebeurde met +Coba, „je hadt mijn maasmandje eens moeten zien en kijk mijn nieuwe +maasbal eens. Neen, hoor, Flok verdient eigenlijk niet dat u hem dien +mooien halsband geeft. En jongejuffrouw Coba heeft hier zoo’n leven +gemaakt, omdat ik Flok in haar kamer gebracht heb,” en nu liet Suze een +omstandig verhaal volgen van haar avonturen met Flok. + +„O, wat is hij stout geweest, Suze, daar moet hij klappen voor hebben.” + +„Neen, Annie, je moet hem niet slaan, het stomme dier begrijpt immers +niet, dat hij kwaad gedaan heeft, alle jonge honden doen zoo, hij dacht +zeker, dat ik met hem spelen wou. Maar, ik weet nog niet, wat hij boven +uitgevoerd heeft, ik heb nog niet naar boven durven gaan om te kijken.” + +„Wat zal Coba boos zijn als hij iets van haar vernield heeft,” riep +Annie, „ga gauw mee kijken, Suze.” + +Zij gingen naar boven, maar Flok was nergens te zien, alleen lag er een +oud kleedje op den grond, dat Coba reeds lang had afgedankt en dat Flok +nu blijkbaar van de tafel had getrokken om er mee te spelen, want het +vertoonde kenteekenen, dat het hem tot speelgoed had gediend. Maar al +zagen zij hem niet, zoo liet Flok zich toch hooren, uit de muurkast, +waarin de mand gestaan had, drong een zacht gekef tot hen door, terwijl +er van binnen aan de kastdeur werd gekrabd. + +„Goeie grutten nog toe, ze heeft hem in de kast opgesloten, als het +beest er nu maar niets in gedaan heeft!” riep Suze geërgerd, en zij +wilde de kast open maken, maar er stak geen sleutel in het slot. + +„O, wat gemeen!” barstte Annie verontwaardigd los, „dat doet zij alleen +maar om mij te plagen!” en het meisje holde de kamer uit. + +„Laura, heb jij soms den sleutel van de kast in jullie kamer?” vroeg +zij aan haar nichtje, dat zij op de trap tegenkwam. + +„De sleutel? die steekt in het slot.” + +„Neen, hij is weggenomen en Flok zit in de kast opgesloten!” riep Annie +half huilend. „Coba,” riep zij nu, toen haar oudste nichtje in de gang +verscheen, „Coba, wat valsch van je om Flok op te sluiten, geef mij +gauw den sleutel van de kast!” + +Coba, die juist van het onderhoud met haar moeder af kwam en bang was, +dat deze zou hooren wat zij met den hond gedaan had, liep vlug naar +Annie toe en gaf haar den sleutel. „Roep toch niet het heele huis bij +elkaar,” zeide zij, „hier heb je den sleutel, maar ik wil dien akeligen +hond niet meer in mijn kamer hebben, hoor!” + +„Akelig spook!” riep Annie haar nog toe en snelde toen naar boven om +het arme diertje uit de kast te bevrijden, waarvan de bodem niet meer +zoo droog was, als toen Flok erin ging. + +„O,” riep kleine Tine, die met Flik in haar armen achter Annie stond, +toen deze de kast opende, „Flok heeft een plasje gedaan.” + +„Het is zonde!” zoo liet Suze zich verontwaardigd hooren, „zoo zouden +zij zoo’n dier nu toch onzindelijk maken, door hem in een kast op te +sluiten!” + +Annie zeide niets meer, maar zij en Tine liepen met hun hondjes naar +beneden om hun de mooie nieuwe halsbanden aan te passen, die mijnheer +Stubbens met hen was gaan koopen. + + + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +BRIEVEN UIT ENGELAND. + + +Toen Annie den volgenden morgen beneden kwam, lag er op de ontbijttafel +naast haar bord een brief en zij zag dadelijk dat deze uit Engeland +kwam van haar vader. + +„Een brief van papa,” riep zij blij, „voel eens, tante, wat een dikke, +hier staat nu het nieuws in, waarvan juffrouw Mina sprak.” + +„Ik zou hem maar gauw lezen,” zeide mevrouw Stubbens, die wel begreep, +wat het nieuws was, dat Annie in dat schrijven van haar vader lezen +zou. + +Annie scheurde de enveloppe open en daar kwamen twee brieven uitvallen, +de een was van haar vader, maar de ander, die zeer kort was en +geschreven op fraai fantasie papier, versierd met een rand van +rozenknopjes, kwam van iemand, die zij niet kende. „Mary Ackfield” +stond eronder, maar Annie kon dien naam niet ontcijferen. + +„Kijkt u eens, tante, wat staat daar?” vroeg zij, haar tante het +briefje overhandigende. + +„Mary Ackfield,” las haar tante voor haar. „Wat een beeldig papier, +Annie.” + +„Ja, tante, maar wie is dat, Mary Ackfield, die ken ik niet.” + +„Neen, Annie, maar je zult haar leeren kennen en heel veel van haar +gaan houden, dat weet ik zeker, lees maar eerst den brief van je vader +en dan dien van juffrouw Ackfield, ik geloof, dat het beter is.” + +De brief van mijnheer Van Walen begon als gewoonlijk met allerlei +grappige verhalen over al wat hij daar zag en beleefde, maar toen kwam +het bewuste nieuws: + + + „... en nu, Annie, heb ik groot nieuws voor je. In November kom ik + voor een weekje naar huis, maar niet alleen, dan breng ik iemand + mee, die voor mijn kleine Annie een moedertje zal worden, een lief, + zacht moedertje, Annie, die voor jou geheel de plaats zal innemen, + van je eigen vroeg gestorven moeder, die zeker niet anders zou + wenschen, dan dat ik haar kind een teedere, lieve verzorgster zou + geven, die haar zal liefhebben en een goed, braaf meisje van haar + zal maken. In het begin van December trouwen wij, je aanstaande + mama is een Engelsche dame, maar zij is langen tijd in Nederland + geweest, zoodat zij goed Hollandsch kan praten, en zij is zóó lief, + Annie, dat je wel van haar móét houden, als je haar ziet. Zij wilde + zelfs niet op onze aankomst in Nederland wachten, om kennis met je + te maken, maar wilde dit nu alvast schriftelijk doen en daarom + sluit zij hierbij een briefje aan jou in. Ik hoop dat je van je + nieuwe maatje zult houden, Annie; tracht het te doen, al was het + alleen om mijnentwil. + + Je je liefhebbende vader.” + + +„O!” had Annie onder het lezen telkens geroepen en toen zij den brief +uit had, riep zij: „O, tante, ik krijg een nieuwe mama!” + +Het klonk, zooals mevrouw Stubbens wel verwacht had, nogal verschrikt. + +„Ik begrijp best, Annie,” zeide haar tante, „dat het een vreemd idee +voor je is, maar ik ken Mary Ackfield, zij heeft dikwijls bij een van +mijn vriendinnen gelogeerd, die ook een vriendin van haar is. Zij is +werkelijk allerliefst, ik weet zeker, dat je dol veel van haar zult +gaan houden.” + +„Het was zoo prettig alleen met papa en juffrouw Mina,” antwoordde +Annie op klagenden toon en nam toen het briefje van juffrouw Ackfield +ter hand. + + + „Mijn lieve, kleine Annie,” las zij. + + „Het zal nog zoo lang duren, eer ik persoonlijk met je kan + kennismaken, dat ik dit alvast op het papier wil doen. Je vindt het + misschien hard, Annie, dat ik, zooals je wellicht denkt, een deel + van je vaders hart aan je ontstolen heb, maar dat heb ik niet + gedaan, het behoort je nog heelemaal toe en er is plaats genoeg in + voor ons beiden, zooals hij mij wel eens lachend verzekert en dat + is ook het geval met het mijne, kindlief, ik hoop dat je de groote + plaats, die ik je daarin heb toegedacht, zult willen innemen. Wil + je beproeven van mij te houden, Annie? Wat mij betreft, ik zal je + alle liefde schenken, die een eigen moeder aan haar dochter geven + kan. Tot ziens dus, lieveling, wees in gedachten hartelijk omhelsd + door + + MARY ACKFIELD.” + + +„Nu, kind,” vroeg haar tante, toen Annie den brief had uitgelezen, „heb +ik te veel gezegd, is het niet een heel lief briefje van Mary?” + +„Ja, tante,” antwoordde Annie, maar zij vond de gedachte een nieuwe +moeder te zullen krijgen maar half prettig. Bovendien had zij aan +brieven schrijven een hekel, behalve natuurlijk aan die welke zij aan +haar vader schreef, want daarin kon zij alles vertellen, wat zij op +school en bij oom en tante Stubbens beleefde. Om nu aan juffrouw +Ackfield te moeten schrijven, die zij in het geheel niet kende, vond +zij echter vreeselijk, zij was er zelfs, o wonder, aan tafel stil van. + +Haar oom had medelijden met haar en stelde haar daarom voor om na het +eten met hem en Flok een wandeling te gaan maken. „Tine kan van avond +niet mee, omdat het dan te laat voor haar zou worden,” voegde de heer +Stubbens erbij, toen hij zag dat het gezicht van de kleine betrok, +„maar zij gaat morgen heel alleen met papa uit. Vind je dat niet +deftig, Tine, met papa en Flik te gaan wandelen? Dan mag je Flik aan +den ketting vasthouden.” + +Tine klapte van blijdschap in haar handjes. „Dan kan hij niet +wegloopen, paatje.” + +„Als je hem maar goed vasthoudt, kan hij niet weg.” + +Annie vond het ook heerlijk met oom Stubbens uit te mogen gaan en +snelde na tafel dadelijk naar boven om zich klaar te maken en Flok zijn +halsband om te doen. + +„Waar zullen wij heengaan?” vroeg haar oom, toen zij op straat waren. +„Heb jij al bedacht, waar je graag heen zou gaan, Annie?” + +„Neen, oom.” + +„Nu, wat zou je dan zeggen van een bezoek aan „het Koetje?”” („Het +Koetje” was een uitspanning even buiten de stad gelegen.) + +„Heerlijk, oom, mag Flok daar komen?” + +„Natuurlijk, anders zou ik het toch niet voorstellen. Wij zouden het +kleine mormel immers niet buiten kunnen laten. Hij zou onmiddellijk +verdwalen.” + +Annie stapte deftig naast haar oom voort, terwijl Flok aan zijn ketting +voor hen uit trippelde en van tijd tot tijd, als het te druk werd, +tusschen hen in kwam loopen, alsof hij bij hen bescherming zocht. + +Alles ging goed. Een minuut of tien, nadat zij de laatste huizen van de +stad achter zich hadden gelaten, bereikten zij „het Koetje” en Annie +zat daar heel deftig met haar oom in den tuin iets te gebruiken. + +„O, daar is meneer Stokman!” riep Annie eensklaps en in de aangeduide +richting kijkende, zag de heer Stubbens een lange jongeman het hek +binnenkomen. + +„Dag, meneer!” riep Annie, zoodra het jongmensch dicht genoeg genaderd +was om haar te kunnen hooren. „Dag, meneer, kijk eens, heeft Flok geen +mooien halsband aan?” + +Stokman keek verwonderd op en kreeg een kleur, toen hij het meisje zag. + +Zij moest eens weten, dacht hij, welke plannen de oude mevrouw en ik +tegenover haar gekoesterd hebben, maar als mijnheer Stubbens mij aan +die mooie betrekking helpt, dan kan mevrouw Hermsen dat zaakje zelf +opknappen; zij zegt wel dat er geen kwaad in steekt, maar recht pluis +is het toch niet en hier heb ik een prachtige gelegenheid om kennis te +maken met mijnheer Stubbens. + +„Oom,” zeide Annie, toen Stokman met een diepe buiging zijn hoed voor +den heer Stubbens afnam, „dit is nu meneer Stokman, die bij grootma met +ons gespeeld heeft. Komt u bij ons zitten, mijnheer?” + +„Als mijnheer Stubbens het mij veroorlooft, zeer graag,” antwoordde +Stokman. + +„Het zal mij zeer aangenaam zijn, nader kennis met u te maken, mijnheer +Stokman,” zeide de heer Stubbens. „Ik heb door de kinderen al veel over +u gehoord. U is, meen ik, werkzaam bij de firma Hermsen?” + +„Om u te dienen, mijnheer,” antwoordde Stokman plaats nemende. + +„Het heeft mij altijd verwonderd,” hervatte de heer Stubbens, „hoe in +dat kleine dorp, dat ook nog betrekkelijk dicht bij de stad ligt, die +zaak zulk een omvang heeft kunnen aannemen.” + +„De oude heer Hermsen had veel relaties en daar profiteert de +tegenwoordige eigenaar van de zaak nu van, maar ik voor mij zou toch +veel liever in de stad werkzaam zijn; ik geloof, dat een jongmensch +daar meer vooruitzichten heeft, daarom wil ik ook moeite doen voor die +vacature hier in de stad bij Mr. Van Dungen.” + +„Daar wordt een chef-boekhouder gezocht, is het niet?” + +„Jawel, mijnheer.” + +„Zoo, en zou u daar graag geplaatst willen worden? u heeft zeker goede +getuigschriften?” + +„Zeker, mijnheer, de firma Hermsen kan niet anders dan goed van mij +zeggen. Ik ben er al van af mijn twaalfde jaar en heb altijd mijn +plicht gedaan.” + +„Kan mevrouw Hermsen u daar nu niet in helpen? Ik denk dat er wel veel +sollicitanten zullen zijn en dan doet voorspraak veel goed.” + +„Dat is het juist, mijnheer, daarom heb ik zoo weinig hoop. Mevrouw zou +mij graag helpen, maar zij kent die heeren niet. Nu sprak mevrouw er +wel van, dat zij er eens met u over zou praten, omdat u Mr. Van Dungen +wel zal kennen, maar hoe zou u mij nu kunnen aanbevelen, die niets van +mij afweet.” + +„Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer Stokman, ik help graag een +jongmensch voort, wanneer hij het verdient. Ik zal naar u informeeren +en als de informaties goed zijn, zal ik met Mr. Van Dungen over u +spreken. Ik ken hem heel goed en zal er zoo spoedig mogelijk werk van +maken.” + +„Mijnheer is al te goed,” riep Stokman dankbaar. + +„Bedank mij nu nog maar niet, mijnheer, u heeft de betrekking nog +niet.” + +Intusschen was Annie, die veel te woelig was, om ergens lang te blijven +zitten en wie het ernstige gesprek van de heeren verveelde, van haar +stoel opgestaan en met Flok door den tuin gaan wandelen. + +Nu kwam zij naar het tafeltje terugrennen. „Oom,” riep zij, „Flok trekt +zoo, zou ik hem durven loslaten?” + +„Ik geloof, dat het hier wel veilig kan, maar pas op, dat je hem niet +uit het oog verliest.” + +Annie maakte den ketting van den halsband los en Flok sprong dartel +rond, terwijl Annie achter hem aan holde. + +Eensklaps hoorden de heeren een gil. „Oom, oom, hij is weg!” klonk +Annie’s stem doodelijk verschrikt. + +De heer Stubbens en Stokman sprongen op en liepen naar het meisje toe +en nu wees Annie hun huilend, dat Flok onder het struikgewas en het hek +was door gekropen. + +„Het is niets,” zeide Stokman, „ik zal hem wel terughalen,” en hij liep +om het hek heen en den weg op, gevolgd door Annie en haar oom. + +Annie huilde nog steeds als een wanhopende. + +„Stil, kindje,” troostte de heer Stubbens haar, „wij zullen hem wel +vinden,” maar aan den overkant van den weg lag een bosch, zoodat het +groote moeite zou kosten om het hondje terug te vinden. De heeren +riepen en floten, maar geen Flok. + +„Had ik Hector maar hier,” zeide Stokman, „maar die is thuis, hij zou +Flok wel dadelijk opsporen. Maar, wacht eens, ik heb een idee, de +kastelein hier heeft ook een grooten hond, misschien kan die het ook.” + +Hij liep terug naar de uitspanning en vroeg aan den kastelein: „Van +Wolderen, is Vik thuis?” + +„Jawel, mijnheer.” + +„Zou Vik in staat zijn een ander hondje op te sporen, zooals mijn +Hector dat doet?” + +„Hij vindt hem onmiddellijk, mijnheer, als u hem iets van het hondje +laat ruiken.” + +„Wij hebben niets dan een ketting.” + +„Het is niet veel, mijnheer, maar wij kunnen het probeeren.” + +Van Wolderen ging Vik halen, een grooten, mooien hond met spitsen kop +en staande ooren, en bracht hem naar buiten, waar Annie en haar oom +wanhopige pogingen deden om Flok te zoeken, en vroegen Annie om den +ketting. + +„Het is niet veel. Heeft u niets anders van hem?” vroeg Van Wolderen. + +„Neen,” antwoordde Annie bedrukt, maar eensklaps klaarde haar gezicht +op, en haalde zij haar zakdoek uit haar zak. „Hier heb ik hem vóór wij +uitgingen mee gewreven, dan wordt hij zoo mooi glad,” zeide het kind. + +„Dat is beter, geef dien zakdoek ook maar hier, jongejuffrouw,” merkte +Van Wolderen op en liet nu den hond eerst den ketting ruiken. Vik snoof +en snuffelde, maar scheen onbevredigd. Toen hem echter den zakdoek werd +voorgehouden en hij dien geroken had en zijn baas zeide: „zoeken, Vik!” +toen begon hij te kwispelen en te trekken om los te komen. Stokman nam +hem mee aan een langen ketting en nadat hij den kastelein had +toegeroepen: „ik breng hem je zoo dadelijk terug, Van Wolderen,” +verdween hij in het bosch, waarheen de hond hem meetrok. + +„Kom,” zeide de heer Stubbens, Annie bij de hand nemende, „wij zullen +maar binnen gaan wachten tot hij terugkomt. Annie, je kunt nu gerust +zijn, ik ben overtuigd dat Vik den kleinen Flok heel gauw vinden zal. U +schijnt mijnheer Stokman goed te kennen,” voegde hij er tot den +kastelein bij, „mijnheer komt zeker nog al eens hier?” + +„Ja, mijnheer, en ik ken hem al jarenlang. Een net jongmensch, vindt u +niet?” + +„Ik ken hem eigenlijk niet,” antwoordde de heer Stubbens; „zoo, zoo, er +is dus niets op hem te zeggen?” + +„Voor zoover ik weet, niet. Hij is heel anders dan zijn vader; dien heb +ik ook nog wel gekend, die was ook bij Hermsen op kantoor, maar dien +vertrouwde ik niet erg, die had vond ik, zoo’n valsch gezicht en dat +heeft de jonge mijnheer nu heelemaal niet, die lijkt meer op zijn +moeder. Een gunstig uiterlijk, dunkt u ook niet?” + +„Ja zeker. Hij is zeker ook al lang bij de firma Hermsen werkzaam?” + +„Hij was er al te gelijk met zijn vader. Ik kom daar dikwijls in het +dorp, ik heb er familie wonen, ziet u. Willem Stokman is eigenlijk ook +nog een verre neef van me, door zijn moeder, maar dat is bijna niet +meer uit te rekenen en zijn vader wou het nooit weten. Maar, wat ik +zeggen wilde, hij, de jonge Willem, was al op het kantoor, toen +mijnheer Tillens er nog was. U heeft er misschien wel van gehoord, dat +er toen zoo’n herrie is geweest over weggeraakte papieren? Zij hielden +het wel stil, maar zooiets lekt toch uit.” + +„Ja zeker, ik heb er ook van gehoord,” antwoordde mijnheer Stubbens, +die er meer van wilde weten. „Mijnheer Tillens is toen weggegaan, niet +waar?” + +„Juist, mijnheer, omdat men hem er de schuld van gaf, maar ik geloof er +niets van, de man was veel te eerlijk en had er niets geen belang bij, +de stukken zoek te maken. Wil ik u eens wat zeggen, mijnheer,” voegde +Van Wolderen er geheimzinnig fluisterend bij, „ik laat mij hangen, als +mijn waarde neef het niet gedaan heeft.” + +„De jonge?” + +„Neen, die was nog bijna een kind, die wist van niets, neen, de oude. +Je durft zooiets niet hardop zeggen, maar je moogt het daarom toch wel +denken.” + +„Kon hij er voordeel mee hebben?” + +„Dat weet ik niet, ik weet niet wat het voor papieren waren, maar ik +durf er mijn hoofd onder verwedden, dat mijnheer Tillens er werkelijk +niet van wist. Ik heb altijd zoo’n vermoeden gehad, dat die stukken +iets te maken hadden met het huis, waarin de oude Stokman woonde, ik +weet toevallig dat dit aan mijnheer Van Scheik behoort. Maar het is +zoo’n oude geschiedenis, dat er nu wel niets meer van zal uitkomen.” + +„Oom,” zeide Annie, die ongeduldig werd, „laten wij nog eens gaan +kijken.” + +„Goed, kom dan maar mee, kleine meid,” antwoordde haar oom, die +medelijden met haar had. + +Zoodra zij het hek uit waren, liet Annie een vreugdekreet hooren. + +„Daar komen zij!” gilde zij bijna en snelde Stokman te gemoet, die +werkelijk in de verte aankwam, terwijl Vik vóór hem uit naar huis +holde. + +„Hebt u hem?” riep Annie en nu hield Stokman een klein wit balletje in +de hoogte. + +Uitgelaten van blijdschap klapte het meisje in de handen. „Ben je daar, +mijn Flokje, mijn zoete Flokje?” riep zij, zoodra Stokman naderbij +gekomen was, en het hondje van hem overnemende, zeide zij: „dank u wel, +mijnheer, dat u hem voor mij hebt opgezocht.” + +Zij koesterde haar lieveling in haar armen en Stokman moest haar +precies vertellen, hoe het gegaan was. + +„Wel,” antwoordde deze, „Vik trok mij dadelijk mee het bosch in en liep +zoo hard, dat ik hem bijna niet kon bijhouden. Eens rende hij dwars +door het kreupelhout, zoodat ik op een gegeven oogenblik vlak op mijn +neus viel. Hij doet er nog pijn van,” voegde hij er lachend bij. + +Annie keek hem aan. „U hebt toch geen buil, dat spijt mij voor u.” + +„Wat! spijt het je? jij bent ook een mooie!” + +„Ja, vindt u het dan niet kranig om er een te hebben? Tom was zoo blij, +dat hij er een had, hij zeide dat het zoo kranig stond, want dat +iedereen nu kon zien, dat hij zoo flink gevochten had.” + +„Wie is Tom?” + +„Mijn neef.” + +„En heeft die zoo gevochten, tegen wien?” + +„Met voetballen. Een van de jongens heeft hem bij ongeluk een stomp +boven zijn oog gegeven en toen had hij een groote buil. Maar hij was er +blij mee.” + +„Nu, ieder zijn smaak, ik heb er liever geen,” antwoordde Stokman. + +Al pratend waren zij bij den heer Stubbens en Van Wolderen gekomen en +Stokman nam afscheid, nadat Annie’s oom hem nog eens vriendelijk voor +zijn hulp bedankt had. „Ik beloof u, ik zal mijn best doen voor u,” +riep de heer Stubbens hem nog toe. + +Annie riep Vik bij zich, die zich door haar liet streelen en aanhalen, +terwijl zij Flok nog in haar arm geklemd hield. + +„Knappe Vik, brave Vik,” zeide het meisje en Vik keek vereerd en drukte +zijn kop tegen het meisje aan. + +Toen de heer Stubbens Van Wolderen een vergoeding wilde geven voor het +leenen van zijn hond, wilde deze er niets van hooren. + +„Zeker niet, mijnheer,” zeide de kastelein, „ik ben altijd blij als Vik +een gelegenheid heeft om zich te oefenen, daar heb ik later nut van als +hij eens iets voor mij moet opsporen.” + +„Nu dan mogen wij er Vik toch zeker wel iets voor geven?” vroeg de heer +Stubbens. „Annie, wij zullen Vik een mooien halsband geven.” + +„Wil u wel gelooven, meneer,” merkte Van Wolderen op, „dat hij het +prettig vind als hij iets moois heeft? Laatst bond de kleine meid hem +een rood lint om den hals en toen riep zij: „wat is Vik mooi, wat ’n +mooie Vik,” en werkelijk, jongejuffrouw, je kon zien, dat hij blij +was.” + +Annie genoot van die verhalen; zij hield dol veel van honden en lachte +vroolijk over Viks ijdelheid. + +Flok werd nu weer aan den ketting genomen en de heer Stubbens en Annie +begaven zich op weg naar huis, waar zij zonder verdere ongelukken +aankwamen. + +Thuis gekomen, stormde Annie met Flok de huiskamer binnen, waar Tom en +zijn moeder zaten. „O, tante, verbeeld u, Flok is weggeloopen en +mijnheer Stokman heeft hem met Vik teruggehaald. Gelukkig dat hij er +weer is, hè, ik was zoo bang, dat hij voor goed weg was!” en nu volgde +het geheele verhaal van Floks redding en lachend voegde Annie erbij: +„en meneer Stokman is zoo op zijn neus gevallen!” + +Tom lachte luidkeels mede, maar zijn moeder werd boos. + +„Hoe is het nu mogelijk, kinderen, dat je daarom lachen kunt; je +begrijpt toch wel, dat mijnheer Stokman zich daarbij bezeerd heeft, en +daar lach je nu om, terwijl mijnheer nog wel je hondje voor je heeft +opgezocht, Annie, hoe onaardig!” + +Hun lachen verstomde dadelijk. + +„Hij lachte er zelf om, tante, en daarom dacht ik, dat ik het ook wel +doen mocht,” merkte Annie verlegen op. + +„Hij zeide toch dat hij zich pijn had gedaan, daar mag je dan toch niet +om lachen.” + +Annie zweeg. + +„Nu, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „het is voor Annie tijd om naar +bed te gaan, vlug dus een boterham eten en naar boven, kleine meid, +Tine ligt al wel een uur in de veeren.” + + + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +ANNIE’S VERJAARDAG. + + +„Staan jullie nooit op?” klonk Toms stem aan de deur van de kamer der +beide meisjes. Paula was den vorigen dag aangekomen en had weer bij +Annie op de kamer mogen slapen en toen Tom hen kwam roepen waren zij +reeds geheel gekleed en was Annie juist bezig een pakje open te maken, +dat Paula haar zooeven gegeven had. + +„Kom maar binnen, Tom, dan kan je zien, wat ik van Paula gekregen heb,” +riep Annie. + +„Goeden morgen, dames,” zeide de jongen, terwijl hij de kamer binnen +stapte. „Annie, ik feliciteer je wel met je verjaardag en hier heb je +wat van mij.” + +Hij zocht in al zijn zakken en bracht eindelijk een pakje te voorschijn +dat hij van zakgeld voor Annie had gekocht. + +„Dank je hartelijk, Tom,” zeide Annie blij, „maar vinden jullie het +eigenlijk niet aardiger als ik de pakjes beneden openmaak? dan zien de +anderen het ook.” + +„Zooals je wilt,” antwoordde haar neef, „maar het mijne is niet veel +bijzonders, hoor.” + +De kinderen gingen naar beneden, waar zij in de huiskamer de geheele +familie reeds bijeen vonden. Men had van Annie’s verjaardag een waar +feest gemaakt. Haar stoel was met groen versierd, op de ontbijttafel +prijkten bloemen en op een tafeltje in een hoek van de kamer lagen de +verjaargeschenken, terwijl een groot pak, dat zij den vorigen dag had +zien binnen brengen en dat te groot was, om op de tafel te staan, er +naast op den grond was neergezet. + +„Wat een boel cadeaux!” riep het meisje opgewonden, „mag ik ze nu +openmaken, tante?” + +„Ik zou het maar doen,” antwoordde haar tante, „het is Zondag, dus +hebben wij geen haast.” + +„Maar, waarmee zal ik beginnen? er is zooveel!” + +„Je was immers al bezig dat van Paula open te maken, dan zou ik daar +maar eerst mee voort gaan,” ried tante Dora haar aan. + +Annie liet het zich geen tweemaal zeggen, het had haar al moeite genoeg +gekost om haar nieuwsgierigheid te bedwingen totdat zij beneden was, en +het volgende oogenblik bracht zij een allerliefst pluche werkdoosje te +voorschijn, juist als dat van Paula, dat zij altijd zoo bewonderd had. + +„O, Pau, hoe snoezig!” riep zij in verrukking, „dank je wel, hoor,” en +zij gaf haar vriendinnetje een hartelijken kus. + +„Zeg, Annie, je zult heel wat te zoenen hebben, als ik die tafel zoo +zie, één, twee, drie, vier, vijf, zes en dan dat groote pak nog, daar +moet je er natuurlijk nog veel meer voor geven.” + +Annie begon te lachen. „Flauwe jongen, jij krijgt er alvast geen!” +zeide zij. + +„Ga nu door, Annie, ik wil zien,” klonk de stem van Tine, die +ongeduldig werd over die stoornis. „Dit heb je van mij,” voegde het +kleintje erbij. + +„En wat van oom en tante?” vroeg Annie. + +Haar oom wees op het groote pak en Annie wilde er aan beginnen, maar +haar tante zeide: „dat zou ik maar voor het laatst bewaren, Annie, daar +is zooveel aan te zien.” + +„Van grootma Hermsen,” las Annie nu op een van de pakjes en dit nam zij +op. + +„Het is zwaar,” zeide zij onder het openmaken, „o, kijk eens hoe mooi!” +en nu hield zij een fraaien zilveren servetring in de hoogte. + +„Wat zou daarin zitten?” vroeg Tom op een langwerpig pak wijzende. „Dit +komt heelemaal uit Engeland.” + +„Natuurlijk van papa, dit heeft papa geschreven,” antwoordde Annie op +het adres wijzende. + +Tine hielp Annie trouw bij het uitpakken en juichte even hard als deze +bij ieder mooi geschenk dat uit het papier te voorschijn kwam. + +„Kijk eens wat een prachtig briefkaarten-album!” riep Annie blij, „dat +treft heerlijk, de mijne is juist vol. Er kunnen er vijf honderd in, +daar staat het en er ligt een heel dikke brief van papa bij.” + +„De doos is nog niet leeg,” liet Tine zich nu hooren, „er is nog een +pak in, Annie.” + +„Dat dacht ik wel,” zeide Tom, „de doos is veel te groot voor het album +alleen.” + +Annie haalde er het tweede pak ook uit. Voor Annie van Mary Ackfield, +stond erop geschreven. + +„Voel eens, Tom,” riep het meisje met een stralend gezichtje, „ik wed, +dat je kunt voelen wat het is.” + +„Een raket, dat ’s leuk voor je.” + +„Nou òf het, de mijne is juist stuk; dat is heel toevallig vindt u +niet, tante?” + +Tante Dora glimlachte. Zij wist wel dat het geen toeval was, want Mary +Ackfield had aan haar geschreven, of zij ook wist wat Annie graag zou +willen hebben. + +Annie legde al de brieven bij elkaar en maakte nu achtereenvolgens de +andere pakjes open. Met alles was zij even blij. Van Tom kreeg zij een +zilveren potlood, van Coba een beeldje, zooals dat, wat deze gebroken +had, van Laura een mooien armband en van Tine een inktkoker met een +porceleinen fox-hondje erop, dat sprekend op Flok geleek, en van Suze +en de andere bedienden, die allen veel van Annie hielden, een grooten +bouquet bloemen. + +„Nu nog het groote pak, help je me weer, Tine?” vroeg Annie goedig, +want zij wist dat de kleine het heerlijk vond. + +„Wat een boel papier,” zeide Tine met een zucht. Maar aan alles komt +een eind, dus ook aan de verpakking van het geschenk van oom en tante +dat bleek te bestaan uit een zeer mooi notenhouten boekenkastje met +glazen deuren, waarachter Annie drie rijen keurig gebonden boeken zag. + +„O!” riep zij en toen was zij er stil van. Zoo iets had zij niet durven +verwachten. Zij omhelsde oom en tante dankbaar en keek toen weer vol +bewondering naar het fraaie geschenk. + +„Mama begint Annie al net zoo te verwennen als Tom,” fluisterde Coba +tot Laura, die met haar van uit den anderen hoek van de kamer dit +tooneel hadden aangezien. „Wat ’n ruwe manieren heeft dat kind toch, +zag je wel hoe woest ze mama omhelsde en ma werd niet eens boos, dat +hadden wij eens moeten doen!” + +„Wat kan het ma ook schelen, zij gaat immers toch weg, dan kan zij +manieren leeren van die Engelsche dame, die haar mama wordt, die zal +wel strenger tegen haar zijn!” meende Laura. + +„Nu eerst ontbijten, kinderen,” zeide mevrouw Stubbens, „dan kan Annie +daarna haar brieven lezen en haar boeken bekijken.” + +„Als er bij zijn, die je al kent, dan mag je ze ruilen, Annie,” voegde +haar oom erbij, „er is een lijstje bij en daarvan moet je maar +uitzoeken welke boeken je ervoor in de plaats wilt hebben.” + + + +Om half twee begaven de kinderen zich met den heer en mevrouw Stubbens +naar het voetbalveld om den grooten wedstrijd te zien. + +Tom’s vrees voor een natten grond was, zooals wij weten, niet +bewaarheid geworden, want na dien enkelen bui van den vorigen dag had +het niet meer geregend en nu was het zelfs prachtig weer met een +vroolijken zonneschijn. + +„Wat boffen wij met het weer, hè,” zeide Tom blij, toen zij op het veld +waren aangekomen, „kijk, het veld is kurkdroog,” en daarna liet hij hen +alleen om zijn voetbalschoenen te gaan aantrekken. + +Er was reeds een groot aantal toeschouwers bijeen, zoodat het Tom’s +familie moeite kostte zich een goed plaatsje te veroveren, maar +eindelijk gelukte het hun toch. + +De jongens speelden vol vuur en beide partijen waren goed tegen elkaar +opgewassen, terwijl het een oogenblik scheen, alsof de Engelschen +zouden winnen; maar na de rust haalde Tom’s elftal het zoo mooi op, dat +zij tenslotte een glansrijke overwinning behaalden. Aan het gejuich +scheen geen einde te komen en Frans, de aanvoerder, werd op de +schouders der anderen over het veld gedragen. + +„Dat zal een gedrang geven bij den uitgang,” zeide de heer Stubbens, +„het zal trouwens overal hier in de buurt druk zijn door de +volksfeesten, die hier van middag gegeven worden. Je moet weten, Paula, +dat wij hier een soort najaarskermis hebben, waarvan het vandaag de +laatste dag is, daarom is het zoo druk.” + +„Kermis op Zondag, hoe grappig,” merkte Paula op, „bij ons op het dorp +mag het niet.” + +„Hier was het eerst ook verboden maar om de een of andere reden hebben +zij permissie gekregen om vanmiddag na kerktijd nog voor het laatst +feest te vieren,” antwoordde de heer Stubbens. „Als wij van elkaar +afraken moeten wij maar niet op elkander wachten, want iedereen kent +toch den weg naar huis, nietwaar Paula jij weet hem immers ook?” vroeg +hij aan het meisje. „In ieder geval zullen de jongens en Annie wel op +jou passen en Tine mag hier bij papa komen loopen.” + +„O, meneer, ik weet den weg nog wel, ik ben al meer hier geweest,” +antwoordde Paula, die zich toch te oud vond dan dat de jongens op haar +zouden moeten passen. + +In het eerst ging het goed, maar nu moest men door het nauwe hek aan +den uitgang en daar was een vreeselijke opstopping. Paula heeft nooit +geweten, hoe zij er eigenlijk door was gekomen. Juist toen zij heel erg +in de klem raakte, en geen enkel bekend gezicht meer zag, had zij op +haar schouder een stevigen arm gevoeld, die haar langzaam maar zeker +door de drukte heenschoof. Zij dacht dat het mijnheer Stubbens was, +maar toen zij weer kon ademhalen zag zij in plaats van haar gastheer, +iemand dien zij in het geheel niet kende. + +„Ziezoo, jonge dame, nu ben je veilig uit het gedrang, ik dacht op een +gegeven oogenblik heusch, dat je dood gedrukt zou worden,” zeide de +vreemde heer vriendelijk en zonder een bedankje af te wachten, verdween +hij onder de menschen. Paula keek om zich heen, niets dan onbekende +gezichten, maar een eind voor zich uit meende zij tusschen die zee van +hoofden den hoed van mevrouw Stubbens te onderscheiden. Zij baande zich +een weg daarheen, maar toen zij vlak bij de bedoelde dame was gekomen, +zag zij dat zij deze nooit te voren gezien had. + +Welnu, daarom niet getreurd, dacht zij, zij zou alleen den weg wel +vinden, zij meende zich nog wel te herinneren, hoe zij op den +Keizersgracht moest komen. Toen zij echter een kwartier geloopen had, +kwam zij aan een plantsoen, dat zij nog nooit gezien had. Zij bleef +besluiteloos staan, maar daar zag zij een dame aankomen, aan haar zou +zij den weg naar den Keizersgracht vragen. + +„Mevrouw,” zeide zij beleefd, „zou u mij ook kunnen zeggen hoe ik van +hier naar den Keizersgracht kan komen?” + +„De Keizersgracht?” herhaalde de dame, die niemand anders was, dan +mevrouw Van Scheik, peinzend, want het meisje had iets in haar gezicht, +dat haar bekend voorkwam, „die is nogal ver van hier, maar als je even +wilt wachten tot ik hier aan het dienstmeisje een boodschap heb +gegeven, dan kan ik je een heel eind brengen, want ik woon er vlak +bij.” + +„Als het u blieft, mevrouw,” antwoordde Paula en bleef wachten, terwijl +mevrouw Van Scheik bij haar kennissen aanschelde en daar een boodschap +afgaf. Een oogenblik later wandelde zij naast haar tante voort, zonder +te weten, dat die vriendelijke dame de eigen zuster van haar moeder +was. + +„Moet je ver op de Keizersgracht zijn?” vroeg mevrouw Van Scheik. + +„Bij mevrouw Stubbens, daar heb ik vannacht gelogeerd, van avond ga ik +weer weg,” vertelde Paula, die nooit verlegen was. + +„Mevrouw Stubbens ken ik heel goed,” hernam mevrouw Van Scheik, +onmiddellijk begrijpende, wie het meisje was, „maar hoe kom je hier dan +zoo alleen?” + +„Wij zijn naar den voetbalwedstrijd geweest en bij het uitgaan was het +zoo’n gedrang, dat ik van de anderen afgeraakt ben.” + +„Jij bent zeker Paula Tillens, de vriendin van Annie van Walen?” + +„Ja mevrouw,” antwoordde Paula verbaasd, „kent u Annie ook?” + +„Ja, en ik vind haar een heel aardig meisje; ken jij Annie’s +vriendinnetjes, de meisjes van Scheik ook?” + +„Neen mevrouw.” + +Mevrouw Van Scheik keek het meisje aan. + +„Je lijkt op je moeder, maar nog meer op je vader, Paula.” + +„Maar u kent iedereen,” riep het meisje verwonderd, „mama en papa ook +al!” + +„Ja, kind, ik ken je moeder, maar wij hebben elkaar in geen jaren +gezien.” + +Zij durfde niet meer te zeggen. Nu zij haar nichtje ontmoet had, in +wier gezicht zij hoe langer hoe duidelijker dat van haar zuster +terugzag, kwam een vurig verlangen in haar op om zich met die eenige +zuster te verzoenen, maar zij wilde niets doen zonder voorkennis van +haar man en wanneer deze onverbiddelijk bleef, was het maar beter, dat +het meisje niet wist, wie zij was. + +Aan den hoek van den Keizersgracht gekomen, zeide mevrouw Van Scheik: + +„Hier zijn wij aan den Keizersgracht, Paula, nu kan je den weg zeker +wel alleen vinden?” + +„O, ja, mevrouw, hier de brug over en dan maar rechtuit, is het niet +zoo?” + +„Juist, dus kan ik je hier veilig alleen laten? dan ga ik hier de +straat in.” + +„Dag mevrouw, ik dank u wel, dat u mij den weg gewezen hebt,” zeide +Paula. + +„Dag Paula, ik hoop, dat je verder goed thuis zult komen,” antwoordde +mevrouw Van Scheik, toen lachte zij het meisje nog eens toe en ging +haars weegs. + +Vijf minuten later stapte Paula de stoep op bij de familie Stubbens, +waar Tom voordat zij nog had aangescheld, de deur reeds voor haar +opende. + +„Wij dachten al dat je verdwaald was,” riep hij, „wij zijn al wel een +kwartier thuis, kom maar gauw binnen, Annie maakte zich al ongerust +over je.” + +„Daar is het verloren schaap eindelijk,” liet Coba zich onvriendelijk +hooren, toen Tom en Paula binnenkwamen, „waar ben jij heen gedwaald, je +hadt toch wel bij ons kunnen blijven?” + +„Ben je verdwaald geraakt, Paula?” vroeg mevrouw Stubbens vriendelijk. + +„Ja, mevrouw,” antwoordde Paula, „eerst werd ik door een heer door het +gedrang heen geholpen, ik dacht dat u het was, mijnheer, maar toen ik +uit de drukte kwam, zag ik dat het een vreemde was.” + +Nu vertelde Paula alles wat er gebeurd was, hoe zij eerst gemeend had +den hoed van mevrouw Stubbens te zien, hoe zij later op een plantsoen +gekomen was, waar zij nog nooit geweest was en hoe zij daar toen die +vriendelijke dame ontmoet had, die heelemaal met haar was meegeloopen +tot aan den Keizersgracht. + +„Zeker mevrouw Van Meerel, die woont vlak op den hoek van den gracht” +merkte mevrouw Stubbens op. „Maar het doet er niet toe, meisje, wij +zijn blij dat je weer veilig en wel terug bent. Wij hadden juist Thomas +uit willen sturen om te zien waar je bleef, want wij zijn al een minuut +of tien thuis.” + +„O, tien minuten maar? hij zeide een kwartier.” + +„Ik denk, dat hij zoo naar je verlangde, dat die tien minuten hem meer +dan een kwartier schenen,” zeide mijnheer Stubbens. + +Paula begon te lachen en op hetzelfde oogenblik ging de deur open en +bracht Suze een briefje binnen voor Paula. + +„Jongejuffrouw Paula Tillens,” stond op het adres. + +„Van wie kan dat zijn?” riep Paula verwonderd, „het is een dikke +brief.” + +„Lees hem maar even, Paula,” zeide mevrouw Stubbens, „wordt er op +antwoord gewacht, Suze?” + +„Neen, mevrouw.” + +Paula scheurde de enveloppe open en nu kwam daar nog een kleinere uit +te voorschijn, geadresseerd aan mevrouw Tillens en een kort briefje aan +Paula zelve: + + + „Lieve Paula, + + Om verschillende reden kon ik je van middag, toen ik je ontmoette, + niet zeggen wie ik was. Wil je nu voor mij aan je moeder inliggend + briefje geven? Daarmee zal je ten zeerste verplichten + + je + M. van Scheik.” + + +„Hoe grappig, dat mevrouw Van Scheik mij dat van middag niet heeft +gezegd,” zeide Paula, terwijl zij het briefje aan mevrouw Stubbens +overhandigde. + +„Mag ik het lezen, Paula?” + +„Ja, mevrouw, vindt u het ook niet grappig?” + +„Je hoort het, het staat hier; mevrouw had er haar redenen voor. Die +zal zij wel in dat andere briefje aan je mama schrijven. Pas maar goed +op, dat je het niet verliest.” + +Daar het dien avond later was geworden dan den vorigen keer, kon Annie +niet meegaan om Paula weg te brengen; de vriendinnetjes namen dus, toen +de auto voorreed, afscheid van elkaar en de heer Stubbens bracht Paula +naar huis. + + + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN VERZOENING. + + +„Wel, Paula, heb je evenveel plezier gehad als den vorigen keer?” vroeg +mevrouw Tillens, toen haar dochtertje weer thuis was. + +„O, ja, ma, dol veel en kijk eens wat een mooi broche ik gekregen heb, +de meisjes kregen ieder een broche en de jongens een zakmes en, o ja, +dat is voor u van mevrouw Van Scheik.” + +Mevrouw Tillens verbleekte, maar Paula zag het niet. Zij gaf het +briefje aan haar moeder en bekeek toen opnieuw haar broche. + +„Nu, Paultje, dien brief zal ik straks wel lezen, laat mij nu eerst je +broche zien en dan vlug naar bed, hoor; het is al tien uur, dus +eigenlijk veel te laat voor je.” + +Zoodra mevrouw Tillens alleen was, scheurde zij de enveloppe open en +vond daarin een langen brief van haar zuster. Daarin vertelde deze hoe +zij aldoor verlangd had zich met haar te verzoenen, maar dat zij wist, +dat haar man er tegen was, omdat deze vreesde, dat mevrouw Tillens er +niet op gesteld zou zijn. + +Ook zij was altijd bang geweest dat haar zuster geen verzoening zou +wenschen, maar nu zij Paula gezien had, was haar verlangen haar te +machtig geworden en had zij aan haar man gezegd dat zij aan haar zuster +wilde schrijven op gevaar af dat deze van geen verzoening zou willen +hooren. De heer Van Scheik had hierin toegestemd, want ook hij wilde +niets liever dan dat zij het verleden zou vergeven en vergeten en het +zou hem zeer aangenaam zijn, zoo mevrouw Tillens hen wilde ontvangen. + +Mevrouw Tillens was overgelukkig. Niemand wist hoe zij al die jaren +verlangd had haar eenige zuster weer te zien. Toen Paula den volgenden +morgen beneden kwam, zeide haar moeder: + +„Paula, kom hier bij mij aan tafel zitten, dan zal ik je iets +vertellen. Mevrouw Van Scheik,” vervolgde zij, toen haar dochtertje +gezeten was, „die je den weg gewezen heeft en je dien brief aan mij +meegaf, is je eigen tante, mijn eenige zuster.” + +„Hè, ma, waarom heeft zij me dat niet gezegd en u heeft er ook nooit +iets van verteld, hoe vreemd!” + +„Ja kind, je bent nu oud genoeg om te begrijpen, wat ik je zeggen zal, +daarom wil ik het je nu vertellen. Heel lang geleden, zelfs nog vóór je +geboorte, hebben je papa en je oom Van Scheik onaangenaamheden gehad en +ik heb toen natuurlijk partij getrokken voor je papa en mijn zuster +voor haar man. Begrijp je dat?” + +„Jawel, moes. Waarom waren ze boos?” + +Mevrouw Tillens dacht een oogenblik na alvorens te antwoorden. Neen, +het was beter de reden maar niet aan het kind te vertellen. Hoe zou zij +van haar oom en tante kunnen houden wanneer zij wist, dat deze haar +vader van zoo iets verkeerds verdacht hadden? + +„Dat is een lange geschiedenis, Paula,” zeide zij dus maar, „waar je +toch niets van zoudt begrijpen, aangezien je geen verstand hebt van +zulke zaken en ik het je toch niet zou kunnen uitleggen. Toen je tante +je nu ontmoette en zooals zij mij schreef, in jou gezicht hoe langer +hoe meer het mijne meende terug te zien, kon zij het verlangen om zich +met mij te verzoenen niet langer weerstaan en schreef ze mij dezen +brief om mij te vragen of ik het verleden vergeten en vergeven wil.” + +„Heerlijk!” riep Paula in de handen klappende, „dan zijn Bertha en +Clara dus mijn nichtjes, komen zij hier, moes?” + +„Dat weet ik nog niet, ik zal straks aan mijn zuster schrijven.” + +Toen Paula en haar moeder een paar dagen later—het was +Woensdagmiddag—op zolder bezig waren, waar Paula als een groot meisje +haar mama met de wasch hielp, kwam het dienstmeisje met een kaartje in +de hand boven. + +„Deze heer vraagt of u hem kan ontvangen, mevrouw.” + +„Laat meneer maar even in de zijkamer, Lena, en zeg, dat ik dadelijk +bij meneer zal komen.” + +Toen Lena weg was, zeide mevrouw Tillens tot Paula: „het is oom Van +Scheik, laat alles maar zoo staan, Pautje, dan zal ik het morgen wel +met Lena afmaken. Het is toch heerlijk voor me zoo’n groote dochter te +hebben, die me helpen kan,” voegde zij er glimlachend bij. + +Een oogenblik later traden mevrouw Tillens en Paula het salon binnen, +waar zij den heer Van Scheik en Bertha vonden. + +„Dag, Johan,” zeide mevrouw Tillens dadelijk, terwijl ze hem met +uitgestoken hand te gemoet trad, „hoe gaat het je en is dat een van je +meisjes?” + +„Mijn oudste dochter,” antwoordde de heer Van Scheik, blij dat ze hem +zoo vriendelijk ontving, „maar niet de eenige hoor, ik heb er nog een +en twee zoons.” + +Intusschen hadden de nichtjes ook kennis gemaakt en waren zij samen den +tuin ingeloopen. + +„Zij passen aardig bij elkaar, hè, zij zijn geloof ik even oud?” vroeg +de heer Van Scheik. Toen zweeg hij en keek mevrouw Tillens aan. „Het is +een ellendige geschiedenis geweest, Paula,” vervolgde hij een oogenblik +later, „ik had al veel eerder willen komen, maar ik was bang, dat je +niets van ons zoudt willen weten. Je weet niet hoe blij ik ben, dat je +bereid bent alles te vergeven.” + +„En te vergeten, Johan; laten wij er nu maar niet verder over spreken.” + +„Neen, neen, Paula, dat gaat zoo maar niet, daar kwam ik juist voor +hier. Ik wilde je vertellen, dat ik besloten ben alles nog eens grondig +te laten onderzoeken.” + +„Heb je dat dan niet vroeger gedaan, bij het leven van mijn armen man?” + +„Zeker wel, maar toen leefde de oude heer Stokman nog en ik ben +langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat hij de schuld van alles +was. Hij schijnt een gladde vogel geweest te zijn, die wel degelijk +belang had bij het wegraken van de bedoelde papieren. Ik word woedend +als ik eraan denk, dat wij, zooals ik nu zeker weet, dien armen Tillens +onschuldig verdacht hebben en het nu niet meer aan hem kunnen goed +maken. Kan jij je voorstellen, wat dat voor een gevoel moet zijn, +Paula? Wil je me toestaan, zooveel ik kan het geleden onrecht aan jou +en je kind te vergoeden?” + +„Als je dat verlangt, Johan.” + +„Niets liever dan dat,” antwoordde de heer Van Scheik blijkbaar +opgelucht, omdat zij geen wrok koesterde. „Je moet weten,” zeide hij +een oogenblik later, „dat Mina en Clara vandaag mee hadden willen +komen, maar ik wilde je liever eerst alleen spreken om met je te +overleggen. Welke plannen hadt je eigenlijk met Paula?” + +„Om je de waarheid te zeggen, had ik nog geen vast plan betreffende +haar. Zij moet natuurlijk haar eigen brood verdienen, ik denk wel, dat +zij bij het onderwijs zal gaan. Zij heeft een goed hoofd om te +studeeren.” + +„Wat een toekomst voor het arme kind, naar de kweekschool, examens +doen, en dan de eerste jaren van ’s morgens tot ’s middags aan een +armenschool les geven en tegelijk voor haar hoofdakte werken. En als +zij dan nog maar een goed salaris kreeg, maar dat is ook maar net +genoeg om niet van honger om te komen. Neen, Paula, zoo’n leven wil ik +je dochter zoo mogelijk besparen. Ik heb er in de laatste dagen eens +over nagedacht en ben tot de slotsom gekomen, dat het voor Bertha en +Paula zeker heel aardig zou zijn, samen te werken. Bertha’s groote +illusie is het gymnasium af te loopen en te gaan studeeren; zou Paula +daar ook zin in hebben? zij zou dan een betere toekomst te gemoet gaan, +dan als eenvoudig onderwijzeres.” + +„Of zij het prettig zou vinden? dat zou ik meenen!” antwoordde mevrouw +Tillens. + +„Wij zijn van plan Bertha het volgend jaar op het gymnasium te doen. +Misschien kan zij dan met bijwerken van Grieksch en Latijn in de tweede +klasse komen en nu had ik het volgende bedacht: Jij komt met Paula bij +ons in de stad wonen, de meisjes nemen samen privaatles en volgend jaar +gaan zij naar het gymnasium. Wat zeg je daarvan? Je zoudt Paula +natuurlijk bij ons in huis kunnen doen, terwijl jij hier bleef wonen, +maar ik begrijp, dat het je te zwaar zou vallen van haar te scheiden en +het kind zou jou te veel missen. Ik heb al een aardig huis voor je op +het oog, niet duurder dan dit en met een flinken tuin, en de opvoeding +van Paula is natuurlijk voor mijn rekening, dat mag je mij niet +weigeren, Paula, anders denk ik, dat je nog boos bent. De cursus is nog +geen twee maanden aan den gang, dus kan zij gemakkelijk invallen en de +school hier is goed zoodat ik niet bang ben, dat zij niet in de zevende +zal komen.” + +„Het komt zoo plotseling, Johan, mag ik er een paar dagen over denken?” + +„Natuurlijk, maar niet te lang, want het zou het beste wezen, dat Paula +over een week op school kwam.” + +„Maar, ik heb hier nog een jaar huur.” + +„Dat breng ik wel voor je met den huisheer in orde, laat dat maar aan +mij over, wanneer zoo iemand met een man te doen heeft, zal hij veel +welwillender zijn, dan wanneer jij dat zaakje met hem afhandelt. Nu, +Zondag verwacht ik je antwoord. Wil je ons het genoegen doen, dien dag +bij ons te komen doorbrengen? dan kom ik je om tien uur per rijtuig +halen, je doet er ons allen een groot genoegen mee, dat begrijp je.” + +„Zeg aan Mina, dat ik graag zal komen, want dat ik erg verlang haar +terug te zien,” antwoordde mevrouw Tillens. + +De meisjes kwamen arm in arm de kamer in en waren dol blij, toen zij +hoorden, dat zij elkaar den volgenden Zondag weer terug zouden zien. + +„Ik mag meerijden om tante en Paula te halen, hé pa?” vroeg Bertha. + +„Wij zullen het aan mama vragen, als die het goed vindt, heb ik er ook +niets tegen,” antwoordde haar vader. „Maar nu wordt het onze tijd, +jonge dame, neem dus afscheid van tante en Paula.” + +Dezen deden hen nog uitgeleide tot aan het hek en een oogenblik later +reden vader en dochter weg. + +„Ik heb heel groot nieuws voor je, Pautje,” zeide mevrouw Tillens, +zoodra zij en haar dochter weer alleen waren. „Oom heeft mij een +voorstel gedaan, maar ik heb gezegd, dat ik er nog een paar dagen over +moest denken, want als jij het al te akelig vindt, dan wil ik het niet +aannemen.” + +„Wat is het dan toch, moesje?” + +„Als het doorgaat zou je van hier weg moeten, zou je dat héél naar +vinden?” + +„Ik weet het niet, ma, nu Annie weg is, heb ik het hier zoo stil.” + +„Nu, oom kwam vragen of jij er zin in zou hebben met Bertha samen +privaatlessen te nemen, om daarna met haar naar het gymnasium te gaan +en later te studeeren.” + +Paula’s oogen glinsterden van blijdschap. „Meent u het? O, moes, het is +bijna te heerlijk!” + +„Maar je moet niet vergeten, dat je dan nooit meer hier komt, want wij +moeten dan in de stad gaan wonen en je bent zoo aan het buitenleven +gewend.” + +„Ja, moesje, dat is wel zoo, maar u weet niet hoe heerlijk het daar is +met al die andere meisjes. Hier ben ik altijd alleen.” + +„Wij waren toch samen, Pautje, maar je hebt misschien gelijk,” merkte +mevrouw Tillens met een zucht op, „jong hoort bij jong en een oude +moeder is geen vroolijk gezelschap voor een meisje van dertien jaar.” + +„Neen, ma, dat moet u niet zeggen,” riep Paula verdrietig, terwijl zij +een arm om den hals van haar moeder sloeg, „maar u weet niet hoe +prettig het daar bij mevrouw Stubbens was.” + +„Zeker, kindje, ik begrijp het best; dus zal ik dan Zondag maar aan oom +zeggen, dat ik zijn voorstel aanneem?” + +„Verrukkelijk, moesje, met Bertha en nu eerst ook nog met Annie op +dezelfde school!” en de anders zoo kalme Paula danste in haar +blijdschap de kamer rond. + +Mevrouw Tillens verlangde bijna even sterk naar den Zondag als haar +dochtertje en toen Paula, die den Zondagmorgen al een half uur met den +neus tegen de ruiten gedrukt had gezeten, haar eindelijk opgetogen van +blijdschap toeriep, dat het rijtuig aankwam, stond zij al geheel gereed +te wachten. + +Bertha had van haar moeder toestemming gekregen om mee te gaan om haar +tante en nichtje te halen, en het duurde niet lang of mevrouw Tillens +en Paula zaten bij hen in het rijtuig. + +„Oom,” zeide Paula, onder het rijden, „als ik dien vorigen Zondag niet +verdwaald was, dan had ik tante niet ontmoet en dan zou u niet bij ons +gekomen zijn.” + +„Dat denk je maar,” antwoordde de heer Van Scheik, „ik was het al lang +van plan, maar ik was bang, dat je moeder niets van mij wilde weten en +daarom heb ik niet eerder durven komen.” + +„Foei, Johan, hoe kan je zoo spreken, dat weet je wel beter!” riep +mevrouw Tillens verontwaardigd. + +„Daar staat mama aan het raam naar ons uit te kijken,” zeide Bertha en +het volgende oogenblik hield het rijtuig voor het huis der familie Van +Scheik stil. + +Onmiddellijk werd van binnen de deur geopend en nu had er een innige +begroeting tusschen de beide zusters plaats. + +„Ach, Paula, ik heb zoo naar je verlangd,” zeide mevrouw Van Scheik met +tranen in de oogen. + +„En ik dan, Mina,” was het antwoord van haar zuster. „Weet je wel dat +het al vijftien jaar geleden is, dat wij elkaar voor het laatst zagen?” + +„Spreek er me niet van, het lijkt me een eeuw,” riep mevrouw Tillens, +„maar nu zal het anders worden, want wij komen hier wonen.” + +„Ik had wel hoop dat je het voorstel zou aannemen, Paula,” merkte de +heer Van Scheik op, „daarom heb ik alvast den sleutel gevraagd van het +huis, waarvan ik je sprak, dan kan je het van middag gaan zien. Het is +hier schuin tegenover, je kunt het van hier zien, dat huis met het +bordje „te huur.”” + +„Wat, dat groote huis! zijn de huizen hier allemaal zoo goedkoop?” +vroeg mevrouw Tillens. + +„O, je zoudt er versteld van staan als je die prijzen hoorde,” +antwoordde mijnheer Van Scheik met een knipoogje tegen zijn vrouw. + +Na de koffie gingen zij gezamenlijk naar den overkant, want de meisjes +wilden natuurlijk ook graag mee en daarna zouden deze Annie gaan +opzoeken en haar voor dien middag ten eten vragen. + +De bedoelde woning was wel niet zoo groot als mevrouw Tillens eerst +dacht, maar ze was ruim en gezellig en het heerlijkst van alles was de +groote tuin, die zich achter het huis uitstrekte. + +„Als je liever buiten de stad woont om het gevoel te hebben van toch +nog buiten te zijn,” zeide de heer van Scheik, „dan kan je even buiten +de stad ook nog een huis krijgen; je hebt maar te kiezen.” + +„Neen, dank je,” antwoordde mevrouw Tillens, „dat buitenleven kan ons +niet schelen, wij zijn veel liever in de buurt van tante, nietwaar, +Pautje?” + +„Ja, ma, dat is veel prettiger.” + +„Dat is dan in orde,” hernam mijnheer Van Scheik, „dan zal ik dit huis +morgen dadelijk voor je huren en Dinsdag stuur ik je Mina voor een paar +dagen om je met de verhuizing te helpen.” + + + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +FRANS VAN MEEREL BEZOEKT DEN HEER STUBBENS. + + +Ongeveer een maand was er verloopen. Mevrouw Tillens woonde reeds +sedert een paar weken in de Markusstraat tegenover haar zuster en Paula +was bij Bertha in de klas gekomen. Annie die eerst zoo verdrietig was +geweest, omdat zij bij tante Dora moest gaan logeeren, bedacht nu met +schrik, dat er reeds twee maanden van haar verblijf bij de familie +Stubbens om waren. Zij had in dien tijd nog een paar brieven van Mary +Ackfield gekregen en in den laatsten had deze haar verteld, dat zij +over veertien dagen met haar zuster en den heer Van Walen naar +Wilgenhorst kwam, omdat daar het een en ander veranderd moest worden. + +Haar brieven aan Annie waren altijd zoo lief en hartelijk, dat het kind +bepaald begon te verlangen om kennis met haar te maken, zoodat zij in +de wolken was, toen Mary schreef dat zij naar Nederland kwam. + +„Tante,” zeide zij toen zij na het lezen van dit schrijven in de +huiskamer kwam, waar haar tante zat te werken, „hier is een brief van +juffrouw Ackfield, zij komt met haar zuster en papa over veertien dagen +naar Wilgenhorst.” + +„Dat is aardig Annie, dan zal ik dadelijk schrijven of juffrouw +Ackfield hier wil komen logeeren, wat zeg je daarvan?” + +„U bent een best tantetje ik vind het heerlijk! schrijft u gauw?” + +„Ik beloof het je.” + +Annie was met haar nichtjes en Tom naar school gegaan en zoodra mevrouw +Stubbens met haar huishoudelijke bezigheden klaar was, schreef zij aan +Mary Ackfield om haar te logeeren te vragen. De brief was reeds klaar +en verzonden, toen de kinderen om twaalf uur uit school kwamen. + +„Frans is tegenwoordig zoo saai,” zeide Tom, „je hebt niets meer aan +hem. Hij is knorrig en vervelend.” + +„Heeft hij misschien thuis een standje gehad, omdat hij een slecht +rapport heeft?” vroeg de heer Stubbens. + +„Dat weet ik niet, misschien wel, want hij had vier onvoldoenden en +zijn papa is erg streng.” + +„Dat is maar goed ook,” bracht Coba wijsneuzig in het midden, „hij doet +veel meer aan sport dan dat hij werkt.” + +„Stil, Coba hoe weet jij nu of Frans werkt of niet?” vroeg haar moeder +streng. + +„Anders kon hij toch geen vier onvoldoenden hebben,” pruttelde Coba +binnensmonds en verliet de kamer. + +Toen de heer Stubbens dien avond, in zijn studeerkamer zat, kwam Suze +hem zeggen, dat de jongeheer Van Meerel hem wenschte te spreken. + +„Laat den jongeheer maar binnen,” antwoordde de heer Stubbens, een +stoel voor Frans bijschuivende. Het volgende oogenblik trad de jongen +de kamer in. + +„Dag, meneer.” + +„Dag, Frans, kom binnen, wat heb jij op je hart? Kan ik iets voor je +doen?” + +Het gezicht van Frans klaarde op, omdat mijnheer Stubbens hem het begin +zoo gemakkelijk maakte. „Ja, meneer dat is het juist, waar ik om kom. U +heeft mij vroeger wel eens gezegd, dat u mij zou willen helpen als het +noodig was.” + +„Als het iets is, dat ik doen kan, dan kan je op mij rekenen.” + +„Ziet u, ik wou vragen, of u niet voor mij met papa zou willen spreken. +Ik wou zoo graag van het gymnasium af, maar ik durf het niet aan papa +te zeggen. Papa houdt zelf zooveel van studeeren, dat hij zich niet kan +voorstellen, dat een ander er een hekel aan heeft.” + +„Maar, heb je dan al bedacht, wat je zoudt willen worden?” + +„Ik zou graag naar de landbouwschool gaan, meneer.” + +„Maar, zeg dat dan aan je vader.” + +„Dat durf ik niet, meneer, daarvoor kwam ik nu juist bij u. Zou u het +niet voor mij willen doen?” + +„Hoor eens, jongen, ik zou het graag voor je doen, als het noodig was +maar, ik zal je eens wat zeggen. Eenigen tijd geleden ben ik bij je +vader geweest en toen heb ik hem over jou gesproken, juist ook, omdat +ik wel inzag, dat jij geen jongen bent voor de studie. Je papa had er +geen flauw vermoeden van dat je liever iets anders zou worden; hij +zeide, dat je er nooit met hem over gesproken hadt en daarom vind ik +het beter, dat je het eerst zelf aan je vader vertelt.” + +„Maar dat durf ik niet, meneer.” + +„Kom, niet zoo laf, hoor! je vader zal je niet opeten, hij zou je nooit +tegen je zin willen dwingen.” + +„Papa zou toch zelf ten slotte inzien, dat het niets geeft, ik kan al +dat gedoe niet in mijn hoofd werken. Maar het is altijd papa’s illusie +geweest dat ik ook dokter zou worden, evenals hij.” + +„Neen, Frans, ik weet dat je papa er best over te spreken is en mocht +je het niet met hem over de zaak eens kunnen worden, kom dan gerust bij +me, dan zal ik eens zien, wat ik voor je doen kan. Als je papa er ooren +naar heeft, zeg hem dan, dat hij later op mij kan rekenen, wanneer je +de school hebt afgeloopen en een plaatsing zoekt, want dan kan ik je +daarbij van dienst zijn.” + +„Dank u wel voor uw raad, meneer, ik zal morgen dadelijk met papa +spreken, als papa tenminste een oogenblik voor mij over heeft.” + +„Dat is flink, jongen en ik hoop, dat je mij in ieder geval den uitslag +zal komen vertellen,” antwoordde de heer Stubbens opstaande, „nu, +Frans, het beste.” + +„Dag, meneer, dank u nog wel,” zeide de jongen, de hand aannemende, die +de heer Stubbens hem toestak. + +Zijn vader was al uit, toen Frans thuiskwam, dus moest hij tot den +volgenden dag wachten. + +„Pa, hebt u het vandaag erg druk?” vroeg hij den volgenden morgen aan +het ontbijt, „ik wou u zoo graag spreken.” + +„Ja, jongen, ik heb nu geen tijd,” antwoordde de dokter zijn zakboekje +te voorschijn halende, „laat eens zien, ik ben tot het eten toe bezet, +maar dan behoef ik niet eer uit voor acht uur. Na tafel ben ik dus tot +je dienst, kom dan maar bij mij in mijn kamer.” + +Na het eten volgde Frans zijn vader naar diens studeervertrek. + +De dokter wees op een stoel. „Ga zitten, Frans, dan kunnen wij beter +praten, wat heb je mij te vertellen?” + +„Pa, ik wou zoo graag van het gymnasium af, ik zal toch nooit kunnen +studeeren.” + +Zwijgend keek de dokter zijn zoon aan. + +„Het is jammer, verbazend jammer,” zeide hij eindelijk op +teleurgestelden toon. „Je overgrootvader, je grootvader en ik, wij +waren allemaal dokter van geslacht tot geslacht, dus was het eigenlijk +de aangewezen weg geweest, dat jij er ook een zoudt worden. Maar toch +vrees ik dat je gelijk hebt. Maar wat wil je dan? op een kantoor?” + +„Neen, als ’t u blieft niet, ik zou graag naar de landbouwschool gaan.” + +„Hoe kom je daar zoo toe?” + +„Ik heb er lang zin in gehad, pa en ik zal het u maar zeggen, ik ben +gisteravond bij mijnheer Stubbens geweest om te vragen of die er ook +met u over wou spreken, want hij had mij gezegd, dat ik maar bij hem +moest komen als ik hulp noodig had,” zeide Frans terwijl hij een kleur +kreeg. + +Het hinderde den heer Van Meerel, dat Frans eerst naar een vreemde was +gegaan, in plaats van met zijn eigen vader te spreken, maar hij voelde +dat hij dit aan zichzelf te wijten had, daar hij zijn zoon nooit de +gelegenheid had gegeven rustig met hem te praten. „Wilde mijnheer +Stubbens het niet voor je doen?” vroeg de dokter. + +„Meneer zeide, dat ik het eerst zelf aan u moest zeggen, en als u het +toestond, dan zou hij wel met u willen spreken.” + +„Zeer verstandig van mijnheer, dat hij je eerst zelf met mij liet +spreken, dat is toch ook zooals het behoort. Maar, stel nu, dat je op +de landbouwschool komt en die hebt afgeloopen, wat dan verder?” + +„Meneer Stubbens zeide ook nog, dat ik aan u moest zeggen, dat hij me +dan wel een plaatsing zou kunnen bezorgen.” + +„Nu, jongen, ik zal erover denken, want zoo gaat het toch ook niet, dat +zie ik zelf wel in,” zeide de dokter met een zucht, „doe nu goed je +best, zoolang je nog op het gymnasium bent, dan zal ik erover denken. +Het is jammer, verbazend jammer,” hoorde Frans hem nog mompelen, toen +hij de studeerkamer van zijn vader verliet, om boven zijn werk te gaan +maken. + +Voordat de dokter dien avond naar huis reed, ging hij nog even bij den +heer Stubbens aan. + +„Mijnheer thuis?” vroeg hij aan Suze, die hem opendeed. + +„Jawel, dokter, komt u maar even binnen.” + +Suze liet den heer Van Meerel in de kamer van den heer Stubbens en ging +toen binnen zeggen, dat de dokter meneer wenschte te spreken. + +„Zeg aan den dokter dat ik dadelijk kom, Suze,” en toen het meisje weg +was, voegde de heer Stubbens er tot zijn vrouw bij: „als Van Meerel den +jongen toch wil dwingen om op het gymnasium te blijven, dan zeg ik hem +de vriendschap op, die Frans is evenmin geschikt om dokter te worden, +als mijn oude schoen.” Daarop legde meneer zijn boek neer en begaf zich +naar zijn kamer. + +„Stubbens, ik kom je bedanken,” zeide de dokter, nadat de heeren elkaar +de hand hadden gegeven. + +„Zoo, waarmee? Maar ga eerst zitten.” + +„Wel, omdat je mijn jongen naar mij verwezen hebt,” antwoordde de +dokter plaats nemende. + +„Nu, dat was toch de aangewezen weg, ik, als vreemde, kon mij toch niet +tusschen jou en je zoon plaatsen? ja, als jij heelemaal niet naar den +jongen hadt willen luisteren, dan was het een ander geval geweest, dan +zou ik mij er wel mee bemoeid hebben, omdat hij het mij verzocht had. +En, als ik vragen mag, wat is het eind van het lied?” + +„Dat ik beloofd heb erover te denken. Het lijkt mij nog zoo’n kwaad +idee niet, die landbouwschool en als hij er plezier in heeft, zal hij +ook met meer hart werken en beter vooruitkomen, maar ik heb zoo weinig +tijd om die zaak in orde te brengen, dat is zoo ellendig.” + +„O, maak je daar niet bezorgd over, als je het goed vindt, wil ik het +heelemaal voor je bedisselen, want ik heb tijd in overvloed.” + +„Zou je dat willen?” vroeg de dokter dankbaar, „je begrijpt, dat ik het +graag zelf zou doen, maar ik weet zoowaar niet, waar ik den tijd +vandaan moet halen, want het is misschien het beste om met den +directeur zelf te spreken?” + +„Laat alles maar aan mij over, Van Meerel. Als de zaak voor elkaar is, +behoef je alleen maar aan Frans ie zeggen, je gaat dan en dan naar de +landbouwschool en je gaat in huis bij den broer van meneer Stubbens. +Zou je dat lijken?” + +„Jij bent nog eens een vriend, waar iemand wat aan heeft, Stubbens, +maar mij dunkt, dat je broer ervoor zal bedanken zoo’n jeugdigen +levenmaker in huis te nemen. Misschien is hij niet aan kinderen +gewend.” + +„Hij heeft er zelf vier, dus dat zal wel gaan; het zijn aardige, flinke +jongens en er is daar gelegenheid in overvloed voor sport.” + +„Zonder sport zou Frans, geloof ik, niet meer kunnen leven,” merkte de +dokter op, „als zijn werk er dan maar weer niet onder lijdt.” + +„Neen, daar zal mijn broer wel op passen, nu, ik zal er morgen dadelijk +werk van maken.” + +De dokter vertrok na zijn vriend nog eens bedankt te hebben en reed +naar huis. + +Frans durfde zijn vader verder niet meer vragen, hoe het met de zaak +stond en als hij er zijn moeder naar vroeg, dan antwoordde deze altijd, +dat hij het wel van zijn vader hooren zou, wanneer deze het noodig +vond, dat Frans het zou weten. + +Drie dagen gingen er voorbij, zonder dat zij iets hoorden, maar op den +vierden dag, toen de familie Van Meerel juist van tafel was opgestaan, +werd de heer Stubbens aangediend. + +„Laat mijnheer maar hier binnen,” zeide de dokter en het volgende +oogenblik trad zijn vriend de huiskamer in. + +„Dag mevrouw, dag Van Meerel, zoo jeugdige losbol, hoe gaat het met +jou?” voegde de heer Stubbens er tot Frans bij en gaf ieder beurtelings +de hand. „Ik kwam maar even vertellen, dat de zaak in orde is. Als onze +jonge vriend, daar, er plezier in heeft, kan hij na de Kerstvacantie op +de landbouwschool komen en mijn broer zal tegen dien tijd een kamer +voor hem inruimen.” + +Met een open mond stond Frans te luisteren. + +„Mag ik werkelijk gaan, pa?” vroeg hij eindelijk. + +„Je hoort het,” antwoordde zijn vader, „meneer Stubbens is zoo +vriendelijk geweest de zaak voor mij in orde te brengen, omdat ik er +geen tijd voor heb; je mag er meneer wel voor bedanken.” + +Frans gaf den heer Stubbens de hand. „Dank u wel, meneer, dat u dat +voor mij gedaan hebt,” zeide hij. + +„Niets te danken, jongen.” + +„Ik zal direct zelf aan je broer schrijven, Stubbens en hem zeggen, dat +ik in de Kerstvacantie met Frans bij hem hoop te komen om kennis te +maken,” zeide de dokter, toen zijn vriend opstond om heen te gaan, „en +ik dank je nog wel voor de moeite.” + +„Kent papa dien broer van meneer Stubbens, ma?” vroeg Frans toen de +dokter was uitgegaan, „en is het een klein gezin?” + +„Neen, kind, wij kennen die menschen niet, maar er zijn vier jongens +dus gezelschap genoeg voor je. O, Frans, als zij je maar geen slechte +dingen zullen leeren,” voegde de bezorgde moeder er angstig bij. + +„Welneen, ma, het is leuk, hè, met je vijven jongens in huis.” + +„Je hadt hier toch vrienden genoeg,” zeide zijn moeder verwijtend, „je +kon Tom en de andere jongens zoo dikwijls zien als je maar wilde. En +hier heb je ons tenminste nog, terwijl je daar geheel onder vreemden +bent.” + +„Maak er mij nu niet tegen, ma, nu alles is afgesproken. Wil ik u eens +wat zeggen?” voegde de jongen er vertrouwelijk bij. „Al waren die +meneer en mevrouw Stubbens de akeligste menschen van de wereld en al +had ik daar geen enkelen vriend, dan zou ik toch nog blij zijn, dat ik +van dat ellendige gymnasium afkon, dáár!” + +Het kwam zoo uit den grond van zijn hart, dat zijn moeder nu eerst een +denkbeeld ervan kreeg, welk een afschuw de arme jongen van de studie +had, waarvoor hij voelde dat hij niet berekend was. + +„Vind je het er zóó erg, jongen?” vroeg zij, hem naar zich toe +trekkende. „Dan ben ik ook van harte blij voor je, dat je er van daan +gaat.” + + + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +JUFFROUW ACKFIELD. + + +„Kijk eens, Annie,” zeide mevrouw Stubbens, toen Annie den dag na het +bezoek van haar oom aan den dokter, ’s middags uit school kwam. „Kijk +eens wat ik hier heb.” + +„Een brief!” riep Annie blij, „van juffrouw Ackfield?” + +„Juist, een brief van juffrouw Ackfield,” herhaalde tante Dora, „en zij +schrijft, dat zij den twaalfden November bij ons komt. Haar zuster gaat +bij onze gemeenschappelijke vrienden logeeren en Mary komt hier, +terwijl je vader op Wilgenhorst is.” + +„Verrukkelijk, heerlijk!” riep Annie opgetogen, „twaalf November al en +vandaag is het al de derde.” + +„Een mooie rekensom, Annie,” merkte haar oom op. „Vandaag is het de +derde November en de twaalfde komt de logee, hoeveel dagen moeten er +dan nog verloopen, voordat zij er is? Ik wed, dat Tine het nog wel +weet. Kom eens hier, Tine en zeg eens over hoeveel dagen juffrouw +Ackfield komt.” + +„Vijf en twintig,” antwoordde de kleine prompt. + +„Niet waar,” riep Annie en telde op haar vingers: „vier, vijf, zes, +zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf. Negen dagen nog!” en zegevierend +hield zij negen vingers in de hoogte. + +„Netjes uitgerekend,” hervatte haar oom, „maar zonder die vingers zou +het nog mooier geweest zijn. Je kunt toch wel uit je hoofd aftrekken, +jongejuffrouw?” + +„Ja, oom,” antwoordde het meisje lachend, „maar zoo is het +gemakkelijker.” + +„Je mag ook Flok nog wel beter leeren opzitten, voordat juffrouw +Ackfield komt. Ik weet, dat zij veel van honden houdt en dan zal zij +dat zeker wel aardig vinden,” merkte mevrouw Stubbens op. + +„Hij kan al prachtig, kijk maar, mooi, Flok, mooi!” + +„Keurig, hoor,” zeide mijnheer Stubbens, toen Flok statig als een paal +overeind ging zitten, „hoeveel kaakjes heb jij wel opgegeven, Annie om +het hem te leeren?” + +„Hij kreeg er ook altijd een, wanneer ik er een nam, oom,” antwoordde +Annie, terwijl de heer Stubbens lachend opstond om de kamer te +verlaten. + +„Dag, ma, dag, pa, verbeeld u Frans gaat weg, wat lam hè?” Met deze +woorden kwam Tom de kamer binnen. + +„Wij wisten het al, jongen,” zeide zijn moeder, „je papa is er zelf +voor uit de stad geweest om met oom Stubbens te spreken, bij wien Frans +in huis gaat.” + +„Frans is zeker blij, Thomas?” vroeg zijn vader. + +„Nou, of ie, ik heb hem nog nooit zoo dol gezien als vandaag en hij +vertelde juist, dat hij bij oom Piet in huis gaat, dat vindt hij ook +zoo leuk.” + +„Oom en tante zullen wat te stellen krijgen met vijf jongens in huis,” +merkte zijn vader op. „Denk je ook niet, Thomas?” + +„Dat hangt er van af, pa, als zij allemaal zoo lief zijn als Frans en +ik dan zal het wel schikken.” + +„Nu, in ieder geval zou ik hem niet feliciteeren,” hernam de heer +Stubbens en gaf Tom schertsend een klap op den schouder, waarna hij den +kamer uitging. + +„Tante, vertel mij nog wat van juffrouw Ackfield,” zeide Annie, „hoe +ziet zij eruit, is zij mooi?” + +„Zeker, zij is heel mooi,” antwoordde tante Dora nadenkend, alsof zij +zich het gelaat van de bedoelde dame voor den geest trachtte te roepen. +„Zij is een mooie vrouw met een mooi elegant figuur, donker haar en de +liefste oogen, die ik ooit gezien heb. Ik houd heel veel van haar.” + +„U maakt, dat ik zoo verlang om haar te ontmoeten, tante, weet u wat ik +zal doen? Ik ga negen streepjes op een papier zetten en iederen dag +schrap ik er een door, dan is het veel gauwer de twaalfde,” zeide +Annie. + +„Zou je dat denken?” vroeg haar tante met een glimlach; „ik weet nog +een ander middel dat maakt dat de tijd vlug voorbij gaat, je moet die +beide middelen eens probeeren en dan wed ik, dat het mijne het beste +helpt.” + +„Wat is dat dan?” + +„Niet leeg zitten, zoodra je je gaat vervelen en moet vragen, tante, +wat zal ik nu gaan doen, ik verveel mij zoo? altijd bezig zijn. Ik +bedoel natuurlijk niet dat je altijd moet leeren en werken,” voegde +mevrouw Stubbens er snel bij, toen zij Annie’s gezichtje zag betrekken, +„iedereen heeft behoorlijk uitspanning noodig, maar al neem je slechts +een papier en potlood om te teekenen, als je maar niet leeg zit, dan +zal je zien, dat de tijd in een oogenblik om gaat.” + +„Gaat de dag dan gauwer om, tante?” + +„Dat lijkt tenminste zoo; jij denkt toch niet, dat hij een minuut +gauwer verloopen zal omdat jij die streepjes afschrapt?” + +„Neen, tante, maar Tom zegt, dat het helpt.” + +„Nu, zet jij maar je streepjes en schrap ze af, maar volg ook mijn raad +dan zal je eens zien, hoe gauw het de twaalfde is.” + +In den laatsten tijd had Annie eenige neiging getoond tot tijd +verbeuzelen; niet dat zij stil bleef zitten zonder iets uit te voeren, +daarvoor was zij veel te woelig, maar de verschillende gebeurtenissen +der laatste weken en nu weer de op handen zijnde komst van juffrouw +Ackfield, die zulk een groote plaats in haar leven zou innemen, hadden +het kind iets rusteloos gegeven, zoodat zij nu eens dit opnam en dan +weer dat, zonder eigenlijk tot iets te komen, en zich daardoor +verveelde. Mevrouw Stubbens was dan ook zeer blij dat deze gelegenheid +zich voordeed om hier een eind aan te maken en deed al haar best om het +meisje bezigheid te verschaffen buiten de schooluren. Zoo had zij haar +onder andere een keurig schuiertje gegeven en gezegd, dat zij Flok +iederen morgen moest schuieren, zoodat hij een mooi glimmend vel zou +hebben en er netjes uit zou zien tegen dat Mary kwam. Ook moest zij +Tine helpen om Fliks toilet in orde te houden, want die kleine vriend +bezat een groote voorliefde voor het kolenhok, zoodat hij soms meer van +een zwarten, dan van een witten hond had. Verder bedacht tante Dora nog +allerlei andere dingen en haar moeite werd werkelijk beloond; Annie +werd rustiger en klaagde niet meer over verveling. + +De elfde November was genaderd en toen Annie ’s middags thuiskwam zeide +haar tante: „nu, meisje, hebben de beide middelen geholpen?” + +„Ja, tante, het uwe wel, maar ik heb heelemaal vergeten de dagen af te +schrappen, drie heb ik er nog gedaan, meer niet.” + +„Komaan, dat doet me plezier,” antwoordde mevrouw Stubbens opgeruimd, +„dat is een bewijs, dat de tijd je niet te lang gevallen is. Nu nog +maar één dagje, Annie, en wil ik je eens wat zeggen? je mag morgen mee +naar het station om je papa en juffrouw Ackfield te halen. Zij waren +eerst van plan geweest ’s morgens te komen, maar dat plan is veranderd, +zij komen eerst om drie uur aan. Wat een tref, dat het juist op +Woensdag valt, vindt je niet?” + +„O, tante, hoe heerlijk, nu kan ik mee naar den trein!” riep Annie +uitgelaten van blijdschap. „Gaan wij in de auto?” + +„Ik weet het niet, meisje, maar wees nu niet zoo druk, de menschen op +straat kunnen je hooren, die kijken naar binnen, ik heb er niets tegen, +dat je vroolijk en blij bent, maar je moet niet zoo uitgelaten zijn.” + +Wanneer Annie het al te bont maakte, sprak tante Dora nog wel eens +streng tegen haar, zooals vroeger op Wilgenhorst, maar toch hield Annie +nu veel van haar tante evenals deze van haar. + +„Ik zou van avond maar vroeg naar bed gaan, Annie,” zeide haar oom dien +middag aan tafel, schertsend, „des te eerder is het morgen, niet waar, +Dora?” + +„Ik zou bang zijn, dat zij toch in de eerste uren niet in slaap zou +vallen,” antwoordde mevrouw Stubbens ernstig; „je hebt er geen idee van +hoe uitgelaten dat kind den heelen dag geweest is; wil je wel gelooven, +man, dat ik er suf van ben? Ik heb er haar van middag al de les over +gelezen, maar niets hielp; zij is precies Thomas, wanneer hij een +pretje in het vooruitzicht heeft.” + +„Een goed kind, dat naar haar neef aardt, niet waar, Annie,” merkte de +heer Stubbens lachend op. „Na morgen worden wij weer verstandig, is het +niet zoo? dan laten wij aan tante en juffrouw Ackfield zien, dat wij +vroolijk kunnen wezen, zonder uitgelaten te zijn, zoodat wij ons +tegenover juffrouw Ackfield niet hoeven te schamen over de opvoeding, +die wij je hier gegeven hebben. Heb je veel huiswerk te maken?” + +„Alleen maar een Fransche thema.” + +„Dan weet ik wat, dan gaan wij dadelijk na het eten met Tine en de +hondjes kalm een eindje wandelen, maar die te wild is, wordt dadelijk +naar huis gebracht, hoor. Als wij dan terug zijn zal de thema veel +makkelijker te maken zijn, dan wanneer je er nu direct aan begint.” + +Zoo gebeurde het en het gevolg was dat Annie, zoodra zij in bed lag +rustig insliep en eerst wakker werd, toen de zon in de kamer scheen. +Zij ontwaakte met het gevoel, dat er iets prettigs ging gebeuren, maar +zij besefte nog niet dadelijk wat het was. Toen zij eindelijk helder +wakker was en zich alles herinnerde, sprong zij blij uit bed en kleedde +zich vlug aan, want voordat zij naar school ging, wilde zij Flok zoo +mooi maken, als ze maar kon. + +Eindelijk was het oogenblik gekomen en reed de auto vóór om haar met +oom en tante naar het station te brengen. Annie keek toen zij, na een +minuut of tien gereden te hebben, aankwamen op de stationsklok. Nog zes +minuten, dan zou de trein er wezen. Op het perron gekomen staarde zij +onafgebroken in de richting, vanwaar haar oom haar gezegd had, dat de +trein komen zou, maar het werd langzamerhand zoo druk, en er kwamen +zooveel menschen, dat zij bang werd, dat zij juffrouw Ackfield niet +zouden vinden. + +„Wees maar niet bang,” zeide haar oom troostend, toen zij hem haar +vrees te kennen gaf, „je papa weet, dat wij hem komen halen, zij zullen +niet weggaan zonder ons.” En hij nam het meisje bij de hand, zoodat zij +niet in de drukte van hen af zou raken. + +Een dof gerommel deed zich hooren en, werkelijk, daar naderde puffend +en hijgend de trein; hij verminderde zijn vaart en stond eindelijk +stil. Portieren werden geopend, menschen drongen naar voren om zich een +goed plaatsje te veroveren, karren met koffers reden over het perron, +het „past er op!” klonk Annie van verschillende zijden in de ooren en +te midden van al die drukte en al dat gewoel, kreeg Annie eensklaps +haar vader in het oog. + +„Papa, daar is papa!” riep zij opgewonden en trok haar oom zoo snel +mee, dat zij bijna samen onder een vrachtwagen kwamen. Voor het +oogenblik, toen zij in de armen van haar vader lag, was Annie juffrouw +Ackfield geheel vergeten, maar de heer Van Walen, die, zoodra hij zich +uit de omhelzing van zijn dochter had kunnen bevrijden, ook zijn zuster +en zwager begroet had, keerde haar om, zoodat zij voor een dame stond, +die volkomen aan tante Dora’s beschrijving beantwoordde. + +„Dag mijn lieve, kleine Annie,” zeide een lieve zachte stem en een +oogenblik later voelde Annie zich hartelijk omhelsd. „Ik hoop dat je +veel van mij zult houden,” vervolgde de dame en keek Annie daarbij zoo +teeder aan, dat zij haar hartje stormenderhand veroverde. + +De heer Stubbens hielp de dames in den automobiel stappen, en daar zat +Annie nu naast haar vader, tegenover haar tante en haar toekomstige +mama. + +„Ik ga voorop zitten, naast den chauffeur, tot straks,” zeide de heer +Stubbens en klapte het portier dicht. + +„Dora, ik hoop, dat je niet al te veel last van die wildzang hebt +gehad,” zeide mijnheer Van Walen onder het rijden, terwijl hij Annie +lachend in den wang kneep. + +„Dat schikt nogal,” antwoordde mevrouw Stubbens glimlachend, „wij +zullen het nog wel een maandje met elkaar uithouden.” + +„Zij is er niet magerder op geworden,” hernam Annie’s vader, blij dat +zijn zuster en de kleine het zoo goed met elkaar hadden kunnen vinden, +„en wat is zij gegroeid, als het zoo voortgaat, duurt het niet lang, of +zij gaat mij boven het hoofd. Zie je er niet tegen op, Mary, zoo’n +groot meisje in huis te krijgen?” + +„Niet als dat groote meisje haar best wil doen om van mij te houden” +antwoordde Mary vriendelijk en Annie, die zich al geweld had moeten +aandoen om zoo lang stil te blijven zitten, sprong nu van haar plaats +op Mary’s schoot en sloeg een arm om haar hals. „Dat doe ik al +mamaatje,” zeide zij hartelijk en gaf Mary een kus. „Ik mag immers +wel?” fluisterde zij. + +„Natuurlijk,” was het eveneens gefluisterde antwoord en Mary sloeg een +arm om het meisje heen en drukte haar tegen zich aan. + +Het volgende oogenblik sprong Annie op. „Wij zijn er!” riep zij, „kijk +daar staan ze allemaal aan de deur met Flik en Flok erbij. Ik heb Flok +ter eere van u heel mooi gemaakt,” vertelde zij vertrouwelijk aan Mary, +„hij glimt zoo mooi, ik heb hem een heelen tijd geschuierd en hem een +rood lint om gedaan.” + +„Dan moeten wij hem straks, als wij binnen zijn, goed bewonderen, want +je weet zeker wel, dat ik veel van honden houd?” zeide Mary, haar +vriendelijk toelachend, „ik ben erg benieuwd om kennis te maken met +dien beroemden Flok, waarover je mij zooveel geschreven hebt. Vergeet +vooral niet, dat ik hem moet zien opzitten.” + +De automobiel stond stil en de gasten werden vroolijk verwelkomd door +Tom en zijn drie zusjes. Kleine Tine stond al op de stoep te springen +en riep reeds voordat het portier geopend was, met haar schelle +stemmetje: „Dag, juffrouw Mary, dag juffrouw Mary!” + +„Wacht eens, ik zal je juffrouw Maryen,” riep toen een vroolijke +mannestem en voordat Tine wist, wat er gebeurde, werd zij in de sterke +armen van mijnheer Van Walen in de hoogte getild. + +„O, het is oompje,” zeide de kleine lachend, terwijl ze met haar beide +kleine handen op ooms wangen trommelde en hevig spartelde om weer op +den grond gezet te worden. „Dag, oom Karel,” hernam zij toen deze haar +had neergezet, „waar is nu juffrouw Mary?” + +„Wat een kleine schat,” fluisterde Mary tot tante Dora en op Tine +toeloopende, die haar met een paar groote blauwe oogen aankeek, zeide +zij, terwijl zij het kind een kus gaf, „ben jij nu Tine, van wie Annie +mij zooveel verteld heeft? geef tante Mary maar eens gauw een zoentje.” + +De kleine deed het en riep toen luid tegen Annie: „Annie, tante Mary is +een heel lieve mama.” + +Iedereen lachte en toen Mary de oudere meisjes en Tom ook begroet had, +ging men de huiskamer binnen. „Annie,” zeide tante Dora, „wil jij +juffrouw Mary haar kamer wijzen en zien of alles daar in orde is?” + +Dit laatste was eigenlijk overbodig, want telkens als Suze naar boven +was gegaan, was Annie met haar meegeloopen en had zij als een klein +huismoedertje gevraagd: „Suze, heb je ook aan dit gedacht, Suze, heb je +aan dat gedacht?” zoodat er werkelijk niets vergeten was. + +Mary Ackfield trok den arm van het meisje door den haren. „Kom, Annie,” +zeide zij, „wil jij me mijn kamer wijzen, dat vind ik aardig, dan gaan +wij, als je het goed vindt, nu naar boven, Dora.” + +„Zeker, dat is best,” antwoordde mevrouw Stubbens en hierop verlieten +Annie en Mary het vertrek. + +In de logeerkamer bleef Annie weifelend bij de deur staan, niet +wetende, of zij zou mogen blijven, of dat zij moest heengaan. + +„Je gaat toch niet weg, Annie?” klonk Mary’s stem vriendelijk. „Kom +hier, laten wij eerst eens gezellig praten en elkaar beter leeren +kennen, het is nog vroeg, wij hebben allen tijd; je hebt mij in je +brieven wel veel verteld, maar ik ben toch verlangend meer over jezelve +te hooren.” Al sprekend had Mary in een grooten armstoel plaats genomen +en nu trok zij het meisje, dat inmiddels dichterbij gekomen was, naast +zich in den stoel. + +„Je bent wat te groot voor een schootkindje,” zeide zij lachend, „maar +zoo kunnen wij ook gezellig praten. Ziezoo, vertel mij nu eens van je +vriendinnetjes, Paula woont nu ook hier, is het niet?” + +„O, ja, al een heelen tijd en wij hebben zoo’n pret,” en nu volgde een +opgetogen verhaal over al het plezier, dat zij en Paula en de andere +meisjes onder elkaar hadden. + +Mary luisterde vol belangstelling, want zij vond het noodig Annie door +en door te leeren kennen en de verhalen van het meisje vermaakten haar. + +„Ik merk wel, dat je hier een prettig leventje hebt” zeide zij +eindelijk, toen Annie uitgepraat scheen, „hoe zal je het op Wilgenhorst +maken zonder al die vriendinnen?” + +„O, daar denk ik nog maar niet aan, het duurt nog zoo lang, voordat ik +terugga. Ik blijf nog wel een maand hier en wil ik u eens wat zeggen?” +voegde Annie er verheugd bij „ik mag leeren schaatsenrijden, morgen zal +oom voor mij een paar schaatsen koopen en als het blijft doorvriezen, +zal Tom mij op de baan van de ijsclub leeren rijden. Tom zeide, dat het +een schande was, dat ik het nog niet eerder geleerd had, maar papa was +altijd bang dat ik verdrinken zou, maar de baan van de ijsclub is +ondergeloopen land, daarom mag het nu wel.” + +„Dat treft al bijzonder goed,” merkte Mary op, „want kijk maar eens, +wat ik voor je heb meegebracht,” en opstaande haalde zij een pak uit +haar koffer en reikte dit aan Annie over. + +Annie maakte het open en bracht er een paar schaatsen uit te +voorschijn. + +„O, wat ’n prachtige schaatsen!” riep zij blij en er een tegen haar +schoen houdende, voegde zij er bij: „kijk ze passen me precies, dank u +wel, juffrouw Mary.” + +„Ben je er blij mee, dat doet me plezier,” antwoordde Mary. + +„Nu, òf ik er blij mee ben,” hernam het kind en gaf haar een kus. + +„Ik heb voor de anderen ook wat mee gebracht, voor ieder een +kleinigheidje, Annie, kijk eens, kan je de pakjes naar beneden dragen +en uitdeelen terwijl ik mij verkleed?” vroeg Mary. + +„Ik zal ze in mijn schort meenemen,” antwoordde Annie, dit kleedingstuk +in de hoogte houdende, zoodat Mary er de pakjes in kon leggen. + +„Voor tante Dora, voor Oom, voor Coba, voor Laura, voor Tom en voor +Tine, heb ik de namen niet goed onthouden?” vroeg Mary lachend, terwijl +ze de deur voor het meisje opende. + +„Weet u die allemaal nog uit mijn brieven?” vroeg Annie verbaasd. + +„Ja, meisje en pas nu maar op, dat je niet de trap afvalt met je +volgeladen schort.” + +„Doe eens open, ik heb mijn handen vol,” riep Annie voor de deur van de +huiskamer gekomen. + +Hier was de heele familie bij elkaar en Tom riep verbaasd: „Zou het een +grap van Annie zijn?” maar hij stond toch op om de deur voor haar te +openen. „Wel, heb ik van mijn leven, wat is dat allemaal, je lijkt wel +St. Nicolaas met je schort vol pakjes!” + +„Juffrouw Mary heeft voor ons allemaal wat meegebracht,” antwoordde +Annie vroolijk. „Voor mij zulke mooie schaatsen, Tom, ik heb ze nog +nooit zoo gezien, ze lijken wel heelemaal zilver. Help je mij nu even +mijn schort leegmaken? ik kan het niet loslaten.” + +Zooals wij boven reeds zagen, had Mary niemand vergeten en elkeen van +oud tot jong was even blij met het aardige souvenir, dat zij had +meegebracht. + +„Dit popje kan ik niet opeten, dit is om mee te spelen, oom,” zeide +Tine wijs, terwijl zij aan haar oom Van Walen een mooie pop liet zien. + +„Maar, waarom zou je dat popje willen opeten, Tine, doe je dat altijd +met je poppen?” vroeg haar oom, terwijl hij haar lachend op zijn knie +trok. + +„Die andere popjes kon ik opeten, maar deze kan op den rug van Flik +rijden. Kom hier, Flik,” riep zij en nadat zij zich van haar ooms knie +op den grond had laten glijden, begon zij jacht te maken op den kleinen +fox-terriër, die dat een heerlijk spelletje vond, zich telkens achter +iemand verstopte en dan om een hoekje gluurde om te kijken of Tine +aankwam. + +„Wat heb je ons allemaal bedorven, Mary,” zeide de heer Stubbens, toen +Mary Ackfield een kwartiertje later beneden kwam. + +„Je hadt mij geen prettiger cadeau kunnen geven, dan dat mooie etui met +scharen, hartelijk dank ervoor, Mary,” zeide tante Dora en gaf Mary een +kus. + +„Tante Mary,” riep Tom opgewonden, „ik heb nooit zoo’n zakportefeuille +gezien!” en een arm om Mary’s middel slaande, danste hij met haar in de +rondte. + +„Thomas, Thomas, niet zoo wild,” vermaande zijn vader, „je zoudt +juffrouw Mary laten vallen.” + +„Kom maar hier bij mij zitten, Mary,” merkte de heer Van Walen lachend +op, „als ik je aan die jeugdige wildebrassen over laat, vermoorden zij +je nog uit dankbaarheid voor al die mooie geschenken.” + +„Ja en ik wil geen bedankjes meer aannemen,” zeide Mary, „jullie doet +alsof het heel wat is.” + +„Zeg, Mary, welke engel heeft je ingeblazen, dat ik juist mijn +zakpotlood kwijt ben?” vroeg de heer Stubbens, terwijl hij een keurig +gouden potlood in de hoogte hield. „Je verbiedt ons wel om je te +bedanken, maar ik doe het toch, op gevaar af mijn kinderen +ongehoorzaamheid te leeren.” + +Natuurlijk bedankten Coba en Laura Mary ook hartelijk voor de mooie +armbanden, die zij voor hen had meegebracht; Coba sloofde zich zelfs +uit om vriendelijk te zijn, waarbij Laura natuurlijk haar voorbeeld +volgde. + +Nu braken er heerlijke dagen voor Annie aan. Zij ging hoe langer hoe +meer van Mary houden, die zooveel mogelijk met het meisje samen was. + +Zij haalde haar ’s middags van school, ging zelfs den Zaterdag na haar +komst met Tom en Annie naar het ijs om Annie’s eerste lessen in het +schaatsenrijden bij te wonen. Geen wonder, dat het Annie geducht speet, +toen de acht dagen van Mary’s bezoek om waren en zij en haar zuster +weer met den heer Van Walen naar Engeland vertrokken, waar Annie’s +vader en Mary de volgende maand zouden trouwen. + +„Het spijt me zoo, dat je niet bij het trouwen kunt zijn, Annie,” zeide +Mary bij het afscheid nemen, terwijl zij het meisje, dat aan haar hals +hing, hartelijk kuste, „maar je papa vindt het beter van niet en je +zoudt het misschien toch niet prettig vinden met al die vreemde +menschen, die je niet kunt verstaan en die niet zouden begrijpen wat +jij zegt. Bovendien moet je nu nog maar zoo lang mogelijk van Paula +genieten, nu zij hier blijft, als jij teruggaat naar Wilgenhorst.” + +„Nu, dag kleine meid, als de Kerstvacantie begint, komen mama en papa +hun dochter halen en dan zal zij niet meer alleen zijn met een ouden, +brommerigen papa,” zeide de heer Van Walen schertsend, toen hij Annie +vaarwel kuste. + +„U bent geen brommige oude papa,” antwoordde Annie half schreiend „en u +moet gauw terugkomen met mama.” + +Mary lachte haar vriendelijk toe en reikte haar vanuit de coupee nog +eens de hand, het portier werd dichtgeslagen en de heer Van Walen en +zijn aanstaande vrouw reden weg, terwijl Annie hen met een bedroefd +gezichtje stond na te kijken. Aan het volgende station zouden zij +Mary’s zuster vinden, die in die afgeloopen week ook nog een dag bij de +familie Stubbens had doorgebracht en dan zouden zij met de nachtboot +naar Engeland vertrekken. + + + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +GROOTMAMA HERMSEN WAAGT NOG EEN POGING. + + +Drie weken waren voorbijgegaan, ook de St. Nicolaasavond behoorde tot +het verleden, nadat hij bij de familie Stubbens met groote vroolijkheid +en vele verrassingen gevierd was en op den morgen van den elfden +December, toen Annie zich nog aan het kleeden was, werd er op de deur +van haar kamer getikt en kwam Suze binnen met een brief in de hand. + +„Mevrouw zeide, dat ik hem maar gauw bij je boven moest brengen, Annie, +omdat hij uit Engeland komt,” zeide Suze. + +„O, Suze, hoe heerlijk, dank je wel,” riep Annie blij en zoodra het +meisje weg was, scheurde zij de enveloppe open en begon den brief te +lezen. Twee dagen te voren waren haar vader en Mary getrouwd en +onmiddellijk daarna, voordat zij op reis gingen, had Mary een kort +briefje (de brief, dien Suze had binnengebracht) aan Annie geschreven +om haar te vertellen dat zij nu op reis gingen en over een dag of tien +hun dochter zouden komen halen. + +„Ik heb een brief van mama gekregen, tante,” zeide Annie vroolijk, +zoodra zij de huiskamer binnenkwam, „over een dag of tien komen mama en +papa mij halen.” + +„Niets lief van je, dat je daar zoo blij om bent, Annie,” merkte Tom +somber op, „ik ben nog niet half klaar met het dresseeren van Flok en +dien neem je natuurlijk mee.” + +„Dat zal waar zijn, Tom, maar je moet maar op Wilgenhorst komen om Flok +nog meer kunsten te leeren, mag hij, tante?” + +„Nu, wij zullen eens zien, misschien mag hij, als hij heel braaf is, in +de Paaschvacantie een weekje naar Wilgenhorst komen, als oom en tante +Van Walen hem tenminste hebben willen.” + +„Natuurlijk willen zij dat, tante, dat weet ik zeker.” + +„Zoo’n verwend klein spook,” bracht haar oom lachend in het midden, +„zij denkt, als ik het maar wil, vinden mama en papa het ook wel goed.” + +„Neen, zij vinden het heusch, echt, goed,” antwoordde Annie, „u zal het +zien.” + +„Nu het is nog lang, je hoeft er nu je boterham nog niet voor te laten +staan, Annie, eet die nu eerst maar kalm op,” zeide haar tante. + +Toen de kinderen naar school waren, zeide de heer Stubbens tot zijn +vrouw: „als Mary en Karel terug zijn, moesten wij hun toch den raad +geven om ook hier te komen wonen en alleen in den vacantietijd naar +Wilgenhorst te gaan, zooals wij met Rustoord doen. Ten eerste behoeft +Annie dan niet weer van school te veranderen en ten tweede geloof ik +stellig, dat het kind zich daar op Wilgenhorst zal doodkniezen nu Paula +daar ook niet meer is en zij hier aan al die vriendinnetjes gewoon is +geraakt.” + +„Ik had er ook al over gedacht,” antwoordde mevrouw Stubbens; „het is +alles goed en wel, dat zij veel van haar vader en Mary houdt, maar het +kind moet toch meisjes van haar eigen leeftijd om zich heen hebben; zij +wordt anders veel te ouwelijk, als zij alleen maar volwassen menschen +heeft om mee om te gaan. Als zij hier komen, zullen wij er Karel en +Mary eens over spreken.” + +Dienzelfden dag had op Zorgvliet een ander onderhoud plaats. + +Mevrouw Hermsen zat weer, zooals op den dag, toen wij voor het eerst +kennis met haar maakten, voor het venster in haar huiskamer te haken, +toen Willem Stokman werd aangediend. + +„Je komt als geroepen,” zeide de oude mevrouw, toen Stokman haar bij +zijn binnentreden zeer onderdanig gegroet had. „Ik had je juist eens +willen laten komen om je te vragen hoe je erover dacht het nogeens te +beproeven.” + +„Het spijt mij verbazend, mevrouw,” antwoordde de jonge man, „maar ik +kwam hier om u te zeggen, dat ik door de vriendelijke tusschenkomst van +den heer Stubbens ben klaar gekomen op het kantoor van Mr. Van Dungen. +Ik moet er Maandag al zijn en nu ga ik morgen naar de stad om geschikte +kamers te zoeken en meneer Stubbens voor zijn hulp te bedanken.” + +„Maar, Willem, dat is dan een prachtige gelegenheid. Je weet niet, hoe +ik naar het kind verlang en zij houden haar nu van mij verwijderd, in +al den tijd dat zij bij de familie Stubbens is, heb ik het meisje maar +driemaal hier gehad en nooit alleen!” + +„Ik denk, dat zij uw booze plannen vermoeden,” merkte Stokman +grinnekend op. + +„Wel neen, hoe zou dat kunnen? neen, dat was het niet, die kleine Tine +wilde met alle geweld altijd mee, en hoe kan je nu toch van „booze +plannen” spreken? je zoudt er toch geen kwaad door doen, een kind bij +haar eigen grootmoeder te brengen, die toch altijd meer recht op haar +heeft dan een tante?” + +„Als het tegen den zin van haar ouders was, zou het wel verkeerd zijn +en, zooals ik u zeg, het is mij onmogelijk verder iets voor u te doen, +nu meneer Stubbens mij zoo geholpen heeft. Ik krijg bij Mr. Van Dungen +een prachtig salaris en wil dat niet door zoo’n onvoorzichtigheid +verspelen.” + +„Ja, zoo gaat het altijd, nu je mij niet meer noodig hebt, moet ik +mezelve maar helpen, eerst was je wat blij, dat je dat geld verdienen +kon.” + +„Mevrouw, ik kan het werkelijk niet doen,” antwoordde Stokman +vastberaden, „mijn toekomst staat op het spel.” + +„Dan zal ik het zelf doen,” antwoordde de oude dame driftig. „Mina wil +ook niet terug naar Wilgenhorst, nu die vreemde vrouw daar zal regeeren +en ik wil niet dat die Engelsche de baas zal spelen over mijn lief +kind!” + +„U vergeet, dat zij niet uw kind is, maar dat van meneer Van Walen, +maar u moet natuurlijk weten wat u doet, het zijn mijn zaken niet. Toch +wil ik u nog wel één ding zeggen; ik heb gehoord, dat uw kleinkind met +haar nieuwe mama dweept, zooals meisjes dat kunnen doen; zij waren +altijd samen, dus is het wel hard de vraag, of Annie zal willen.” + +„Ik zal het haar niet vragen, ik neem haar eenvoudig mee naar +Duitschland. Ik vind het beter, dat zij bij haar eigen grootmoeder is, +dan bij die Engelsche mevrouw en daarmee uit!” + +„Dan heb ik niets meer te zeggen, mevrouw, uw dienaar, mevrouw,” en na +een diepe buiging verliet Stokman het vertrek. + +Zoodra hij weg was, liet mevrouw Hermsen Mina roepen. „Mina,” zeide +zij, toen deze verscheen, „je hebt mij immers gezegd, dat je niet meer +naar Wilgenhorst terug wilt?” + +„Ja, mevrouw, dat heb ik ook gezegd; ik heb gisteren aan meneer Van +Walen geschreven om hem geluk te wenschen en in dien brief heb ik +meteen gezegd dat ik niet meer terug kwam, want dat meneer mij nu toch +niet meer noodig had en ik nu beter bij u kon blijven. Om het kind +spijt het mij vreeselijk; maar ik wil niet onder zoo’n vreemde dame +staan.” + +„Goed, luister dan eens, Mina. Iedereen laat mij in den steek, jij bent +de eenige, die ik nog vertrouwen kan, dus moet jij mij helpen.” En nu +deelde de oude dame Mina Holst al haar plannen mede, terwijl zij +afspraken, dat Mina Holst mevrouw Hermsen en Annie naar het buitenland +zou vergezellen. + +Toen Annie den Zaterdag na het gesprek van mevrouw Hermsen met Stokman +om twaalf uur de school uitkwam, stond daar een rijtuig voor de deur en +hoorde zij Louise Bronsma tot den koetsier zeggen: „Daar komt +jongejuffrouw Van Walen. Annie,” vervolgde Louise tot haar, toen zij +haar zag, „deze koetsier heeft een briefje voor je.” + +Verbaasd maakte Annie het open. „O, het is van tante,” zeide zij tot +Louise, die nieuwsgierig was blijven wachten om te hooren van wie het +kwam. „Tante zegt, dat ik naar het station moet rijden om papa en mama +te halen,” riep Annie eensklaps dansend van plezier. „Nu al, verbeeld +je Lou, ze zijn nu al terug. Nou dag,” en Annie stapte in het rijtuig, +de koetsier sloot het portier, klom op de bok en reed naar het station. + +In het briefje stond dat mevrouw Stubbens geen tijd had om mee naar het +station te gaan, maar dat Annie haar oom in de vestibule van dat gebouw +zou vinden. Tante had haar het rijtuig gezonden, omdat zij anders te +laat zou komen. + +Eindelijk hield het rijtuig stil, de koetsier opende het portier, Annie +stapte uit en ging het gebouw binnen, terwijl het rijtuig wegreed. + +Het meisje kon haar oogen bijna niet gelooven, toen zij in plaats van +haar oom Mina Holst voor zich zag staan. + +„Juffrouw Mina?” riep zij verrast en sloeg de armen om den hals der +oude vrouw. + +„Dag, kind, dag mijn lieve Annie!” zeide Mina, die werkelijk aangedaan +was bij het zien van het kind, „ga maar gauw met mij mee.” + +„Is oom er niet, moet ik niet op hem wachten?” vroeg Annie. + +„Neen, kind, ze wachten je allemaal bij grootmama, kom dus maar gauw,” +antwoordde Mina het meisje bij de hand nemende en met haar de trappen +op loopende naar het perron, waar de trein, die zij hebben moesten, +juist kwam binnenrijden. Zij stapte met het meisje in een eerste klasse +coupee en wees Annie toen op al de drukte buiten, om de aandacht van +het meisje van de oude dame af te leiden. Hun portier werd gesloten, de +chef gaf het sein tot vertrekken en het volgende oogenblik zette de +trein zich in beweging. + +„Nu, Annie, zou je je grootmama nu niet eens goedendag zeggen,” klonk +een stem achter haar en zich verbaasd omkeerende, zag Annie op de bank +tegenover haar mevrouw Hermsen in levende lijve zitten. + +„Dag grootma!” riep het kind verheugd, „hoe komt u hier, ik dacht dat +pa en ma en oom bij u thuis waren.” + +„Noem die vreemde vrouw niet je mama, Annie, je mama, dat was mijn +eigen, lieve dochter, die wij helaas zoo vroeg verloren hebben,” zeide +de oude mevrouw met tranen in de oogen, „die Engelsche is een +indringster en ik zal zorgen, dat zij mijn kleine Annie niet ongelukkig +zal maken. Ik zal je voor haar beschermen, mijn kind.” + +Annie zat in stomme verbazing naar haar grootmoeder te luisteren. Zij +begreep niet de helft van hetgeen deze zeide, het eenige dat duidelijk +tot haar was doorgedrongen, was dat haar grootmoeder gezegd had, dat +haar nieuwe mama een indringster was en daarom antwoordde zij eindelijk +driftig: „Mijn nieuwe mama is geen indringster, zij is heel lief, dat +zegt tante Dora ook en ik houd dol veel van haar. Waar is mama?” + +Het kind begreep er niets van. Zij zou haar papa en mama en haar oom +bij haar grootma vinden en nu zat grootma bij haar in den trein! het +was alles even verward voor haar. + +„Heb je het briefje van je tante nog?” vroeg mevrouw Hermsen zonder op +de vraag van het meisje te antwoorden. + +Annie voelde in haar zak, maar vond het niet, „ik ben het kwijt,” zei +zij, „maar waar zijn papa en mama, grootma?” + +„Ben je het kwijt? dat is jammer, ik had het graag gezien,” zeide de +oude mevrouw, „om precies te weten wat je tante geschreven had. En je +vraagt, waar je papa en zijn vrouw zijn? voor zoover ik weet zitten zij +nog hoog en droog in Engeland!” + +Na een oogenblik gezwegen te hebben vervolgde mevrouw Hermsen, „maar +vraag mij nu niet meer naar die nieuwe vrouw van je papa, Annie, daar +doe je mij verdriet mee. Kijk eens kind, houd je van geconfijte +vruchten, ik heb een doos voor je meegebracht. Ziezoo, smul daar nu +maar lekker van dan zal ik je eens wat zeggen. Nu je papa toch nog in +Engeland is ga jij met grootma op reis naar Duitschland, wat zeg je +daarvan? Vóór de vacantie hoef je nu niet meer naar school en in plaats +daarvan ga je naar Keulen. Daar ben je nog nooit geweest, is het wel?” + +Het eerste oogenblik, toen zij hoorde, dat zij haar papa en mama niet +zou zien, was Annie diep ongelukkig en begon zij te huilen, maar weldra +werkten die heerlijke doos met geconfijte vruchten en de gedachte vóór +de vacantie niet meer naar school te hoeven, samen om haar te troosten. + +„Vinden oom en tante het goed, dat ik met u op reis ga, grootma?” vroeg +zij, toen zij haar tranen gedroogd had. + +„Je eigen grootmoeder heeft toch meet over je te zeggen dan een oom en +tante,” merkte de oude dame op. + +Nu dacht Annie eensklaps met schrik aan haar hondje. + +„Wij hebben Flok vergeten,” zeide zij angstig. + +„Maak je daar maar niet ongerust over, Tom zal wel voor Flok zorgen,” +zeide mevrouw Hermsen en nu begon zij Annie allerlei heerlijks te +vertellen van de reis, die haar wachtte, zoodat het meisje er +langzamerhand werkelijk plezier in begon te krijgen, met hoe langer hoe +meer belangstelling luisterde en de oude dame ten slotte met vragen +overstelpte. + +Inmiddels heerschte ten huize van de familie Stubbens groote +verwondering, toen Annie om twaalf uur niet thuiskwam. + +„Moest zij misschien schoolblijven, en heeft zij ons dat niet durven +vertellen?” opperde haar oom. + +„Neen,” antwoordde Tom, „want wij hadden afgesproken van middag te +zullen gaan schaatsenrijden.” + +„Ik begrijp er niets van,” merkte mevrouw Stubbens ongerust op, „ik wou +dat Van Walen maar hier was. Wat moeten wij doen, Johan?” + +„Zij laten de meisjes daar op school immers nooit zonder voorkennis van +de ouders of familie schoolblijven?” vroeg de heer Stubbens. + +„Neen, man, nooit!” + +„Hoe laat is het nu?” hij keek op zijn horloge, blijkbaar zelf niet +wetende, hoe hij de zaak moest aanpakken. „Al half twee,” merkte hij +op. „Thomas, rijd eens even op je fiets naar mevrouw Tillens en vraag +of zij daar is, dan telefoneer ik in dien tijd naar mevrouw Van Scheik. +Of, neen, wacht maar, de Van Scheiks kunnen het wel voor ons aan +mevrouw Tillens vragen, dat is er vlak over; rijd jij liever naar +mevrouw Bronsma, maar daar zal Annie stellig niet zijn; ik zal liever +eerst telefoneeren.” + +Hij was even zenuwachtig als zijn vrouw, maar wilde zijn best doen om +kalm te blijven om haar niet angstig te maken. Zijn telefoneeren was +echter tevergeefs, want noch bij de Van Scheiks, noch bij mevrouw +Tillens was Annie geweest. „Rijd dan maar even naar mevrouw Bronsma,” +zeide hij nu, „maar ik weet bijna zeker dat het voor niets is.” + +Tom reed als de wind en kwam een kwartier later terug met Louise, die +gelukkig ook kon fietsen. + +„Vertel nu maar gauw aan papa, wat je weet, Louise,” zeide Tom, zoodra +zij binnen waren. „Ik zal wel voor de fietsen zorgen.” + +De heer en mevrouw Stubbens waren al in de gang gekomen en nu vertelde +Louise dadelijk nadat zij hen begroet had, hoe Annie in een rijtuig van +school gehaald was. + +„Wie zat erin?” vroeg mijnheer Stubbens. + +„Niemand, het was leeg. Toen ik de school uitkwam, vroeg de koetsier +mij of jongejuffrouw Van Walen er nog was, en Annie kwam toen juist +naar buiten. Toen gaf de koetsier haar een briefje en zij zeide tegen +mij dat het van haar tante was. Zij zeide: „het is van tante en ik moet +naar het station rijden om papa en mama te halen,” en zij was zoo +blij.” + +„Een briefje van mij!” riep mevrouw Stubbens verschrikt, „dat heb ik +nooit geschreven!” + +Louise keek erg angstig. „Is Annie dan weg?” vroeg zij. „Kan ik niets +doen om haar te helpen zoeken?” + +„Neen, kind, dank je wel,” antwoordde de heer Stubbens en Louise ging +naar huis, nadat zij aan den heer en mevrouw Stubbens beloofd had het +gebeurde niet rond te vertellen, en nadat mevrouw haar hartelijk +bedankt had, omdat zij zoo vriendelijk was geweest om met Tom mee te +komen. + +Nu achtte de heer Stubbens het noodig naar de politie te telephoneeren +en dat deed hij onmiddellijk. + +Niet lang daarna verscheen de Commissaris van politie, aan wien de heer +Stubbens alles vertelde. + +„Hoe vreemd, eerst uw dochtertje en nu uw nichtje,” merkte de +commissaris op; „wij zullen onmiddellijk een onderzoek instellen bij de +verschillende stalhouders en zoodra wij iets naders weten, krijgt u +bericht. Ik zal er terstond werk van maken, mijnheer.” + +Nog dienzelfden middag, toen de heer Stubbens op het punt stond om uit +te gaan, werd hij opgebeld door den commissaris, die hem meedeelde, dat +men den koetsier, die Annie gereden had en ook het bewuste briefje, +gevonden had; hij zou dit dadelijk komen brengen, maar had voor alle +zekerheid eerst getelefoneerd, uit angst dat de heer Stubbens uit zou +zijn. + +„Ik ken het schrift niet, maar het mijne is het zeker niet,” merkte +mevrouw Stubbens op, toen zij het briefje zag. + +„Ik had gehoopt, dat u het handschrift kennen zou,” zeide de +commissaris teleurgesteld, „want het is een moeilijke kwestie; de +navraag aan het station heeft ook niets gegeven, want het rijtuig is +naar het schijnt juist op een zeer druk oogenblik gekomen, toen er +verschillende treinen moesten vertrekken, zoodat het niemands aandacht +heeft getrokken. Ik hoopte nu maar, dat u zou kunnen weten wie dit +geschreven had.” + +„Neen,” antwoordde mevrouw Stubbens, „men heeft mijn schrift uitstekend +nagebootst, maar toch zijn er enkele dingen anders, maar deze zijn te +gering, dan dat een kind van elf jaar ze zou opmerken.” + +„Wij moeten Van Walen waarschuwen,” zeide de heer Stubbens, toen de +commissaris weg was, „maar het gekke van het geval is, dat ik niet +weet, waar ik hem op het oogenblik bereiken kan.” + +„Den twintigsten komen ze Annie hier halen,” antwoordde zijn vrouw op +zoo’n angstig bezorgden toon, dat niemand in haar de flinke tante Dora +van anders herkend zou hebben. + +Zoo verliepen drie angstige dagen, Mijnheer Stubbens had naar Mary’s +zuster getelegrafeerd, om te vragen of deze het adres van den heer en +mevrouw Van Walen ook wist, maar deze wist het ook niet met juistheid +op te geven. + +„Het is ellendig!” riep de heer Stubbens wanhopend, „God weet, waar het +arme kind op het oogenblik is en wij kunnen niets doen dan afwachten +welke tijding de politie ons brengt.” Het kostte hem evenals zijn vrouw +de grootste moeite hier kalm onder te blijven en het was dan ook met +een bezwaard hart, dat hij naar het kantoor van Mr. Van Dungen ging, +met wien hij zaken te verhandelen had. + + + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +STOKMAN VERTELT WAT HIJ WEET. + + +„Mr. Van Dungen is op het oogenblik niet op het kantoor, meneer,” zeide +de klerk, die den heer Stubbens binnenliet, „maar als u even wil +wachten, meneer zal vermoedelijk niet lang wegblijven.” + +De heer Stubbens trad binnen en de klerk liet hem in het kantoor van +den advocaat. Nog niet lang had hij daar gewacht, toen er op de deur +getikt werd en Stokman het vertrek binnentrad. + +„Dag, mijnheer Stubbens,” zeide de jongeman met een diepe buiging. + +„Dag, mijnheer Stokman.” + +„Mijnheer,” begon Stokman, „ik ben zoo vrij u even te komen lastig +vallen, maar het is over een zeer ernstige zaak.” + +„U bedoelt mijn nichtje?” + +„Juist, mijnheer, ik ben uit de stad geweest, anders zou ik wel +dadelijk naar u toegekomen zijn, maar bij mijn terugkomst vernam ik wat +er gebeurd was en nu meen ik u wel op weg te kunnen helpen. Ik heb alle +reden om te vermoeden, dat uw nichtje bij haar grootmoeder is.” + +„Wat zegt u?” + +„Zeker, mijnheer, bij haar grootmoeder; onderzoekt u het maar, dan zal +u zien, dat ik gelijk heb. Ik zou u nog veel meer kunnen vertellen, +maar daar is Mr. Van Dungen. Zal ik van avond even bij u komen?” + +„Graag, mijnheer, u zal mij daar ten zeerste mee verplichten.” + +Zoodra hij zijn zaken met Mr. Van Dungen had afgedaan, reed de heer +Stubbens naar Zorgvliet, maar daar kwam hij voor een gesloten huis en +de huisbewaarder zeide hem, dat mevrouw Hermsen reeds Zaterdag op reis +was gegaan zonder te zeggen waarheen, of wanneer ze terugkwam. + +Onverrichter zake keerde de heer Stubbens dus naar huis terug. + +Nu hij zoo goed als zeker wist, dat het meisje bij haar grootmoeder +was, voelde haar oom zich wel voor een groot deel gerustgesteld, maar +hij mocht er toch niet al te vast op bouwen. Zijn eerste werk, toen hij +in de stad kwam, was naar den commissaris te rijden en hem mee te +deelen, wat Stokman hem verteld had, daarna ging hij zoo gauw mogelijk +naar huis om zijn vrouw eveneens gerust te stellen. Dien avond om half +zeven werd Stokman aangediend. + +„Mijnheer,” zeide deze, zoodra zij gezeten waren, „u zal heel slecht +van mij denken, wanneer ik u alles verteld heb, maar na alles, wat u +voor mij gedaan heeft, kan ik u niet in ongerustheid laten. Zooals u +misschien weet, is de oude mevrouw Hermsen altijd heel goed voor mij +geweest. Toen mevrouw nu hoorde, dat mijnheer Van Walen ging +hertrouwen—het trof nu ook juist zoo ongelukkig, dat Annie dezen zomer +niet bij haar had kunnen logeeren—vatte zij het plan op, het meisje +voor goed bij zich te nemen. Eerst had zij er met den vader over willen +spreken, maar zij begreep toch wel, dat mijnheer Van Walen zijn dochter +niet zou willen afstaan en daarom liet zij dit plan varen en besloot +zij zich het kind op onrechtmatige wijze toe te eigenen, want zij wilde +nu eenmaal niet dat het meisje door een Engelsche dame opgevoed zou +worden, zij schijnt een gloeiende haat te hebben aan Engelschen.” + +„Ja,” bracht de heer Stubbens in het midden, „vroeger is zij eens door +een Engelschman zeer leelijk behandeld, vandaar haar bespottelijke haat +op alles wat Engelsch is. Maar, ga verder.” + +„Toen nam ze mij bij den arm. Herinnert u zich nog de mislukte +ontvoering van uw dochtertje? welnu, die berustte op een vergissing, +het was niet op uw kind, maar op uw nichtje gemunt en de dader, dat was +ik.” + +„U?” riep de heer Stubbens van verbazing van zijn stoel opspringend. + +„Ja, ik. Ik zal wel diep in uw achting dalen, misschien zal u mijn +patroon waarschuwen tegen een man, die zich tot zulke wederrechtelijke +handelingen leent, maar, mijnheer, als men heel arm is en iemand biedt +u dan een groote som, vijfhonderd gulden, was het, alleen om een +kleinkind bij haar grootmoeder te brengen, dan is die daad toch wel te +verontschuldigen. In het begin wilde ik het ook niet doen, werkelijk, +maar de oude mevrouw wist mij de zaak zoo geheel anders voor te +stellen, dat ik ten slotte zelf niet meer wist of het verkeerd was of +niet en zij had zooveel voor mij gedaan.” + +„Dat het verkeerd was, kon uw eigen gezond verstand u toch zeggen,” +antwoordde de heer Stubbens, „maar,” vervolgde hij, „is dat de eenige +reden, waarom u denkt dat Annie bij haar grootmoeder is?” + +„Het verhaal is nog niet uit, mijnheer. Mevrouw was niet van plan het +bij die eene poging te laten en onlangs riep zij opnieuw mijn hulp in. +Zij deed dit, toen ik juist naar haar toe was gegaan om te zeggen, dat +zij niet verder op mijn hulp behoefde te rekenen, omdat u mij zoo +geholpen had. Kortom, het eind was, dat zij zeide, dat zij het dan wel +zelf zou doen.” + +„Ja, dan is het niet twijfelachtig, bij wie Annie is,” merkte de heer +Stubbens op, „maar waar, dat is een andere kwestie. Mijnheer Stokman,” +vervolgde hij toen ernstig, „ik kan het niet ontkennen, dat ik zooiets +niet van u verwacht had, want u moest toch begrijpen dat de familie +erdoor in doodelijke ongerustheid kwam, maar aan den anderen kant +waardeer ik het ten zeerste, dat u mij uit eigen beweging alles verteld +heeft, terwijl ik het toch in mijn macht heb, u uw betrekking te doen +verliezen. Bovendien is uw poging tot ontvoering mislukt en heeft ze +niets met de eigenlijke zaak te maken. Wij zullen het verleden dus +laten rusten.” + +Tot mijnheer Stubbens’ verbazing ging Stokman echter, nadat mijnheer +Stubbens hem reeds gegroet had, nog niet dadelijk heen, maar bleef hij +aarzelend bij de deur staan. Eindelijk begon hij verlegen: + +„Er is nog iets, mijnheer, iets dat mijnheer Van Scheik dient te weten, +maar ik durf het hem niet te vertellen.” + +„Als u het hem niet durft te vertellen, schrijf het hem dan.” + +Nu kwam het hooge woord eruit. „Mijnheer, zou u het niet voor mij aan +mijnheer Van Scheik willen vertellen?” + +„Maar, waarom bent u zoo bang voor hem? hij staat toch bekend als een +goedhartig mensch.” + +„Jawel, mijnheer, maar opvliegend. En al weet ik zelf, dat mijn vader +verkeerd gehandeld heeft, dan zou ik toch niet kunnen aanhooren, dat +een vreemde onaangename dingen over hem zeide en het zou van het eene +woord op het andere komen.” + +„Maar uw vader moet toch al iets heel verkeerds gedaan hebben om den +heer Van Scheik ertoe te brengen zich onaangenaam over hem uit te laten +tegenover zijn eigen zoon.” + +„Het was ook heel erg. Als ik het nu aan u vertel, zou u het dan niet +voor mij aan mijnheer Van Scheik willen overbrengen?” + +„Maar, ik ben uw boodschaplooper niet, mijnheer.” + +„Dat weet ik wel, mijnheer, maar mijnheer Van Scheik moet het weten en +ik vertel het niet.” + +„Is het van zooveel belang?” + +„U heeft zeker wel van die oude geschiedenis gehoord die zich jaren +geleden op het kantoor van de firma Hermsen heeft afgespeeld?” + +„Er waren, meen ik, papieren zoek geraakt, niet waar?” + +„Juist, mijnheer, familiepapieren van mijnheer Van Scheik. En die +papieren heb ik teruggevonden.” + +„En durft u dat niet aan mijnheer Van Scheik te vertellen? Hij zal denk +ik, heel blij zijn.” + +„Maar hij zal moeten weten, waar zij vandaan gekomen zijn.” + +„Natuurlijk, maar is dat zoo erg?” + +„Ik heb ze in een oude lessenaar van mijn vader gevonden, meneer.” + +„Pssst! ja, dat is leelijk, maar had uw vader er belang bij ze... ze +zelf te bewaren?” + +„Bij één van de papieren wel, hier heeft u het, dan kan u zelf zien wat +ik bedoel.” + +De heer Stubbens keek het stuk in en gaf het daarna zwijgend aan +Stokman terug, die hem angstig vragend aankeek. + +„Ik zal het voor u doen,” zeide mijnheer Stubbens eindelijk. „Maar er +is één ding, dat ik niet begrijp, waarom heeft hij niet alleen dat ééne +papier er uitgenomen?” + +„Ik denk, dat de tijd daartoe hem ontbrak, dat hij in groote haast het +heele pak in zijn zak gestoken heeft.” + +Hier werden zij gestoord door mevrouw Stubbens, die met stralend gelaat +de kamer van haar man binnenkwam. „Zij is terecht, het lieve kind, o, +Johan, lees dit toch eens!” Nu keerde zij zich naar Stokman en +verontschuldigde zich bij hem, dat zij hem in haar opgewondenheid niet +eerst gegroet had. + +„Mag ik vragen,” zeide de jongeman, „heeft u tijding van uw nichtje?” + +„Goddank, ja, een briefje van haar zelve, waarvoor ik heel wat +strafport heb moeten betalen, maar ik zag natuurlijk dadelijk aan het +schrift dat het van haar kwam. Zij had den brief niet gefrankeerd.” + +„Vanwaar schrijft zij?” vroeg de heer Stubbens het briefje aannemend. + +„Uit Keulen, lees zelf maar.” + + + „Beste Tante,” (las de heer Stubbens.) + + „Ik ben hier met grootma in Keulen, maar ik verlang zoo naar u en + oom en Tom en Tine en Flok, wil u mij niet komen halen? grootma wil + mij niet naar u toe laten gaan. Grootma zegt dat mijn nieuwe mama + mij ongelukkig zal maken, maar ik verlang zoo naar mama. Zijn papa + en mama al gekomen? kom mij toch gauw halen. Zorgt Tom goed voor + Flok? Wij zijn hier in een groot hôtel, vlak bij het station. + + Uw Annie.” + + +Het adres had zij ook zelf geschreven en blijkbaar had zij er erg haar +best op gedaan. + +„Een hôtel vlak bij het station,” herhaalde de heer Stubbens, „dat is +nogal duidelijk, natuurlijk het Hôtel du Nord. Gelukkig dat het kind +het erbij heeft gezet.” Hij liep naar zijn schrijfbureau en haalde er +een spoorboekje uit. + +„Ga je naar Keulen?” vroeg zijn vrouw. + +„Natuurlijk, ik ga het kind oogenblikkelijk halen. Geef mij die +papieren waar wij van spraken, mijnheer Stokman, die zaak zal ik ook in +orde brengen.” + +„Maar, mijnheer, daar kan ik u nu toch niet mee lastig vallen.” + +„Dat kan ik het best beoordeelen, zou ik zeggen. Geeft u ze maar gerust +hier,” was het antwoord. + +Onder vele dankbetuigingen gaf Stokman ze over. + +„Nu, nu, geen bedankjes, daarvoor heb ik geen tijd, dag mijnheer +Stokman.” + +Stokman ging heen, niet lang daarna kwam mevrouw Stubbens met een +gepakte handtasch de kamer in en een half uur later was de heer +Stubbens reeds op weg naar Keulen, waar hij met den laatsten trein +aankwam. + +Vanuit een der tusschenstations had hij om een kamer getelegrafeerd in +het „Kölnische Hof,” zoodat hij bij zijn aankomst dadelijk naar bed kon +gaan. + +Den volgenden morgen zeer vroeg spoedde hij zich naar het Hôtel du Nord +en het vreemdelingenboek inkijkende, zag hij tot zijn vreugde, dat zij, +die hij zocht, daar werkelijk logeerden. De heer Stubbens ging de +ontbijtzaal binnen en bestelde een kop koffie. Nog niet lang had hij +daar gezeten, toen hij Annie en Mina Holst samen zag binnenkomen, Mina +zag hem en wilde het meisje nog vlug meenemen naar buiten. „Daar zijn, +geloof ik, je kleine vriendjes met hun hond,” zeide zij, maar nog +voordat mijnheer Stubbens was opgestaan om naar hen toe te gaan, had +Annie haar oom gezien. + +„Oom!” gilde het kind verrast, snelde naar haar oom toe en wierp zich +verheugd in zijn armen. + +„Ga je mee, kleine, ik ben je komen halen,” zeide mijnheer Stubbens, +het meisje kussende. + +„Ik verlang zoo naar huis, oompje, ik kan hier niemand verstaan dan +grootma en Mina. Gaan wij nu dadelijk weg?” vroeg het meisje +overgelukkig. + +De heer Stubbens was zoo boos op de oude mevrouw, dat hij Annie niet +eens naar boven wilde laten gaan om haar goedendag te zeggen. + +„Ja, meisje, wij gaan dadelijk heen,” zeide hij, er tot Mina +bijvoegende: „U weet wie ik ben, niet waar, juffrouw Holst? Welnu, zegt +u dan maar aan mevrouw Hermsen, dat ik Annie weer meegenomen heb, dat +ik mevrouw wel zeer laat bedanken voor de aangename reis, die mevrouw +mijn nichtje heeft laten maken, maar dat ik mevrouw toch vriendelijk +laat verzoeken, mij voortaan eerst te waarschuwen, wanneer het weer +eens mocht gebeuren. En nu heel veel groeten aan mevrouw. Kom Annie, +neem afscheid van de juffrouw, dan kunnen wij gaan.” + +„Ga je nu heusch weg zonder je grootma te groeten, Annie, hoe is het +mogelijk!” + +Annie keek haar verlegen aan. „Als ik naar boven ga laat grootma mij +misschien niet gaan. Haalt u even mijn goed?” vroeg het kind. + +„Waar wil mijn kleine Annie heen?” klonk eensklaps een stem en mevrouw +Hermsen stond in hun midden. Zij schrikte echter geweldig, toen zij +Annie’s oom zag. + +„Ja, ik ben het,” zeide deze, „dag, mevrouw Hermsen, ik ben gekomen om +Annie te halen en had juist aan juffrouw Holst een boodschap gegeven +die ik nu zelf aan u kan overbrengen en verder wil ik u nog zeggen, dat +in het briefje, dat Annie in het rijtuig heeft laten liggen en dat nu +veilig en wel bij de politie berust, het handschrift van mijn vrouw +bedriegelijk goed is nagebootst. Degene, die het geschreven heeft, maak +ik mijn compliment.” + +„Bij de politie!” riep de oude dame in doodsangst, „u wil toch niet +zeggen, dat u er de politie bij geroepen hebt?” + +„Maar, mevrouw, wat dacht u dan? wij hebben vier dagen in doodelijke +ongerustheid doorgebracht, dat is een kleinigheid, die u over het hoofd +ziet. Het kind was door haar vader aan onze zorg toevertrouwd. Wat +hadden wij aan haar ouders moeten zeggen, wanneer zij Zaterdag Annie +waren komen halen en het kind was zoek geweest? Maar, u kan gerust +wezen. Uit eerbied voor uw grijze haren, zullen wij de zaak verder +laten rusten.” + +De oude dame scheen merkbaar verlicht. + +De heer Stubbens keek op zijn horloge. „Wij hebben nog wel tijd om hier +eerst rustig te ontbijten, Annie,” zeide hij, „wij hebben nog drie +kwartier voordat de trein gaat.” + +Toen zij eindelijk weg waren, Annie had dansend van blijdschap de zaal +verlaten, keek de oude dame Mina troosteloos aan. „Wanneer zal ik haar +nu terugzien, Mina?” vroeg zij wanhopend. + +„U moet haar later nog maar eens op Zorgvliet te logeeren vragen,” +zeide Mina, „nu meneer getrouwd is, zal hij er niets tegen hebben, dat +zij bij u komt.” + +„Zou je denken?” vroeg mevrouw Hermsen reeds gedeeltelijk getroost, +want zij hield het ook niet voor onmogelijk en nu begon zij allerlei +plannen te maken voor den tijd, wanneer het kind bij haar zou logeeren. + +Intusschen had de heer Stubbens voor Annie en zichzelf een goed +plaatsje in den D-trein gereserveerd en weldra vertrokken deze. + +„Hoe gaat het met Flok?” vroeg het meisje. + +„Flok is springlevend, maar in het begin had hij erg het heimwee naar +de kleine vrouw en het heeft Thomas groote moeite gekost om hem te +troosten.” + +„Ik verlang ook zoo naar allemaal,” antwoordde Annie. „Om hoe laat zijn +wij thuis, oom?” + +„Om vier uur en ik heb den auto aan het station besteld, dan zijn wij +des te eerder thuis.” + +Annie vond het heerlijk in de gang te mogen loopen, het was iets nieuws +voor haar, want toen zij met haar grootmama ging, had zij niet in een +D-trein gereisd, en nu was het een heerlijke afwisseling voor het kind +dat, zooals Mina altijd zeide „niemendal geen zit in zich had.” Maar +het aardigste vond zij toch het eten in de restauratiewagen, waar zij +heel deftig tegenover haar oom aan het tafeltje zat. Het kind genoot en +dat deed zij niet in stilte, zoodat menigeen glimlachend naar dat +vroolijke praatstertje keek, dat overal zooveel behagen in schepte. + +„Als er nu maar geen andere menschen op onze plaatsen zijn gaan +zitten,” zeide Annie met schrik, toen zij de restauratiewagen verlieten +om hun coupee weer op te zoeken. + +„Dat kan niet, meisje, want die plaatsen behooren aan ons, zoolang wij +in deze trein blijven, daar hebben wij extra voor betaald. In een +D-trein betaalt men altijd meer.” + +„Waarom noemt u dit een D-trein?” + +„Dat zal ik je zeggen. De verschillende wagens van de treinen zijn met +een letter gemerkt. Men heeft de A.B. waggons, daar staan een A en B op +geschilderd en dat zijn rijtuigen eerste en tweede klas, dan heeft men +de C-waggons, dat zijn de derde klasse wagens, verder de D-rijtuigen, +die hebben zooals deze een zijgang en eindelijk de L-waggons, dat +beteekent luxewaggons, die zijn veel mooier dan de andere, daar zit men +op stoelen als in een kamer. De trein, nu, waarin wij op het oogenblik +zitten, bestaat enkel uit D-wagens en daarom noemt men dezen een +D-trein, begrijp je dat?” + +„Ja, oom,” antwoordde het meisje, dat het erg gewichtig vond, dat haar +oom haar dat alles vertelde en dat zij nu aan haar vriendinnetjes kon +zeggen, dat zij in een D-trein gereisd had. + +„Nu behoef je niet lang meer te wachten Annie, over eenige minuten zijn +wij er,” merkte de heer Stubbens eindelijk op en begon Annie’s valies, +waarin kleeren geborgen waren, die mevrouw Hermsen in Keulen voor het +meisje gekocht had, omdat het kind zonder eenig goed op reis was +gegaan, en het zijne boven uit het net te halen, en niet lang daarna +stoomde de trein het station binnen, en vijf minuten later zat Annie in +den automobiel naast haar tante, die hen was komen halen. + +„Goddank, dat wij je weer gezond en wel terug hebben, Annie,” zeide +mevrouw Stubbens en omhelsde het meisje zonder eraan te denken, dat +haar japon ervan kon kreuken. + +Annie deed natuurlijk het heele verhaal en was daar nog niet mee +gereed, toen de auto reeds voor het huis stilhield. Men kan zich de +vreugde van Tom en Tine voorstellen, toen Annie weer terug was en ook +op school, waar zij den volgenden morgen natuurlijk weer heenging, was +zij voor haar vriendinnetjes een persoon van gewicht, want geen van +dezen was ooit zooiets overkomen. + + + + + + + + + +BESLUIT. + + +Het was Zaterdag de 20ste December, op school de laatste dag vóór de +kerstvacantie en tevens de dag, waarop mijnheer Van Walen en zijn jonge +vrouw Annie zouden komen halen. + +„Wat zal het hier doodsch en stil zijn als je weg bent, Annie,” zeide +haar tante aan het ontbijt. „Ik had je graag nog wat hier gehouden, +kind.” Tante Dora’s stem klonk verdrietig, want zij was werkelijk veel +van Annie gaan houden. + +„Je zult zien, Annie,” voegde haar oom erbij, „voordat je een week +thuis bent, krijg je een brief van oom en tante Stubbens of je toch als +het je blieft gauw terug wilt komen, omdat de familie het niet langer +zonder je kan uithouden.” + +Annie begon te lachen. „Dat is goed,” antwoordde zij, „als u dat doet, +dan kom ik.” + +„Ik geloof, dat je het heelemaal niet akelig vindt, dat je van ons +weggaat,” zeide Tom verwijtend. + +„Jawel, Tom, heusch,” zeide Annie, „ik vind het akelig om van jullie en +van Paula en Bertha weg te gaan en toch ben ik blij, dat ik weer naar +Wilgenhorst ga, vindt u dat niet gek, oom?” + +„Dat is niets gek, kind,” merkte haar oom ernstig op, „het is heel +natuurlijk dat je naar je papa en mama verlangt. Bij hen thuis is toch +de aangewezen plaats voor je.” + +Toen Annie Tom echter zoo bedrukt zag kijken, kreeg zij eensklaps een +inval. „Tom,” riep zij, „wil jij Flok als aandenken hebben? hij houdt +toch zooveel van je.” + +Maar hier wilde de heer Stubbens niets van hooren. Voordat Tom kon +antwoorden, zeide zijn vader: „Neen, hoor, daar komt niets van in, +Thomas mag jou je hondje niet afnemen, dat zou wat moois zijn! Maar als +hij een mooi maandrapport uit school meebrengt, dan krijgt hij zelf een +hond van mij.” + +„O, wat leuk! wat voor soort, pa?” + +„Je mag zelf kiezen, maar denk erom, dat gebeurt alleen, wanneer je +geen enkel onvoldoend cijfer hebt.” + +Dit laatste scheen Tom niet eens te hooren. „Een boxer dan, pa? die +zijn zoo komiek en een van de jongens heeft juist een nest met jonge +boxers van zijn Leo.” + +„Ja, dat is alles goed en wel, maar heb je niet gehoord, wat ik erbij +zeide?” + +„Nou ja, pa, maar als het er nu maar ééntje is?” + +„Dan komt er niet eer een hond, voordat er een volgend rapport zonder +een enkele onvoldoende is thuisgebracht.” + +„Ik ben bang, dat ik voor Grieksch onvoldoende zal hebben,” zeide Tom +bezorgd. + +„Dan moet je de volgende maand maar zoo goed je best doen, dat je het +ophaalt tot een heel hoog cijfer. Je vriend moet dien hond dan maar +zoolang voor je bewaren.” + +Toen Annie om twaalf uur uit school kwam, waar zij van iedereen +afscheid had genomen, ging de huisdeur reeds open, voordat zij nog +gescheld had en het volgende oogenblik stond zij tegenover haar nieuwe +mama. + +„Dag mama, lief mamaatje, wat heerlijk, dat u er bent!” riep het +meisje, terwijl zij haar schooltasch wegwierp en Mary hartelijk +omhelsde. „U weet niet half, hoe ik naar u verlangd heb.” + +„En wij naar onze kleine Annie,” antwoordde Mary, haar arm om het +meisje heen slaande en haar meenemende naar de huiskamer, waar zij de +heele familie en haar vader bijeen vond. + +Men had den heer Van Walen alles meegedeeld, wat er met Annie was +voorgevallen en toen het meisje nu binnenkwam, begroette haar vader +haar nog inniger dan anders, wel wetende, hoe eenzaam het kind zich +daar in Keulen gevoeld moest hebben, waar zij niemand kende en niemand +kon verstaan dan haar grootmama en Mina Holst. + +Aan de koffie zeide mevrouw Van Walen: „nu hebben wij Annie nog niets +van onze plannen verteld. Zal ik het haar zeggen, Johan, of doe jij het +liever zelf?” + +„Jij bent nu haar mama, Mary, dus staat het aan jou, haar het nieuws te +vertellen.” + +„Nu, dan, Annie, wij gaan nu voor de Kerstvacantie naar Wilgenhorst en +daarna komen wij hier wonen. Wij hebben al een mooi huis op het oog, +oom Stubbens zal het voor ons huren en dan blijven wij verder tot de +Paaschvacantie hier.” + +„O, maatje, wat zalig!” riep Annie in verrukking, „dan zijn wij +allemaal hier, Paula, Bertha en ik.” + +„En dan gaan wij in de vacantie naar Wilgenhorst,” vervolgde haar mama, +„en nemen dan voor gezelschap eenige vriendinnen mee; dat zal je wel +lijken, hè?” + +„Nou, dat geloof ik!” riep Annie opgetogen. + +Nu men dus wist, dat het geen afscheid voor langen tijd zou wezen, maar +dat men elkaar in het begin van Januari terug zou zien, was het +afscheid niet zoo treurig als anders het geval geweest zou zijn. + +„Zeg mij eens, kleine Annie,” vroeg mevrouw Stubbens schertsend, toen +zij Annie goedendag kuste, „zou je het nu nog zoo vreeselijk vinden om +bij die stijve, trotsche tante Dora te gaan logeeren?” + +Annie bloosde. „U bent geen stijve, trotsche tante,” zeide zij +verlegen, „ik dacht het toen maar, omdat ik u nog niet kende, u bent +een best tantetje en ik houd veel, heel veel van u.” + +Zoo verliet Annie dan na een verblijf aldaar van bijna vier maanden het +huis van de familie Stubbens, waar zij zich langzamerhand zoo gelukkig +was gaan voelen. + +Juist toen de auto, waarin zij met haar ouders weg zou rijden, voor de +deur stilhield, kwam Tom met een jongen boxer aan een ketting +aanstormen. + +„Kijk eens, Annie!” riep hij, „wat een leuk dier, ik heb hem met opzet +gauw gehaald, dat jij hem nog zou kunnen zien voor dat je weggaat. Wat +’n bof, hè, dat ik toch nog een goed cijfer voor Grieksch had, ik had +het nooit gedacht.” + +„Ik ben zoo blij voor je, Tom en wat ’n schat van een hond, breng je +hem mee, als je op Wilgenhorst komt logeeren?” + +„Dat beloof ik je.” + +Annie stapte met haar ouders en Flok in den automobiel en juist wilde +de heer Stubbens het portier dichtklappen, toen Tine’s schelle +stemmetje riep: „Flik moet Flokje nog een zoentje geven!” en daar kwam +de kleine met haar hond in haar armen aanloopen en klom in de auto. + +Lachend kusten de inzittenden het aardige kleine meisje nog eens +vaarwel, haar vader tilde haar weer uit het voertuig, klapte het +portier dicht en het volgend oogenblik was Annie met haar ouders op weg +naar Wilgenhorst. + + + + + + + + + +INHOUD. + + + Hoofdst. Bladz. + I. De komst van tante Dora 7 + II. Annie’s aankomst 15 + III. Het fort 22 + IV. De lijmstokken 28 + V. De buitenpartij 34 + VI. Tine’s nieuwe oom 44 + VII. Grootmama Hermsen 58 + VIII. Een verrassing voor Annie 64 + IX. De heer Stubbens doet een goed woord voor Frans 71 + X. Een teleurstelling voor Bertha 77 + XI. Annie op bezoek bij haar Grootma 87 + XII. Flik en Flok 99 + XIII. Brieven uit Engeland 112 + XIV. Annie’s verjaardag 124 + XV. Een verzoening 134 + XVI. Frans van Meerel bezoekt den heer Stubbens 143 + XVII. Juffrouw Ackfield 151 + XVIII. Grootmama Hermsen waagt nog een poging 164 + XIX. Stokman vertelt wat hij weet 174 + Besluit 184 + + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 76121 *** |
