summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-08-02 10:41:34 -0700
committerwww-data <www-data@mail.pglaf.org>2026-08-02 10:41:34 -0700
commit09bae8095a845deb7fc70ebdb4dcce2eaba61185 (patch)
tree9858e4dde512283b2ee8da8607343aeb85f38cb9
Initial commit of ebook 79258 filesHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes13
-rw-r--r--79258-0.txt993
-rw-r--r--79258-h/79258-h.htm1809
-rw-r--r--79258-h/images/front.jpgbin0 -> 538688 bytes
-rw-r--r--79258-h/images/p04.pngbin0 -> 170005 bytes
-rw-r--r--79258-h/images/p09.pngbin0 -> 166973 bytes
-rw-r--r--79258-h/images/p14.pngbin0 -> 197659 bytes
-rw-r--r--79258-h/images/p18.pngbin0 -> 135043 bytes
-rw-r--r--79258-h/images/p23.pngbin0 -> 114913 bytes
-rw-r--r--79258-h/images/titlepage.pngbin0 -> 308269 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md1
12 files changed, 2827 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..9f57f44
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,13 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
+*.htm text
+*.html text
+*.png binary
+*.jpg binary
+*.svg text
+*.pdf binary
+*.bmp binary
+*.zip binary
+*.midi binary
+*.mp3 binary
diff --git a/79258-0.txt b/79258-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..723fb8c
--- /dev/null
+++ b/79258-0.txt
@@ -0,0 +1,993 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 ***
+
+
+
+
+
+ DE VUURVOGEL
+ EN DE
+ GRIJZE WOLF
+
+ GEÏLLUSTREERD
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF
+
+
+Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst,
+die drie zonen had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch.
+
+De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon
+bogen op het eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van
+de zeldzaamste soorten groeiden er, terwijl de vreemdste vogels zongen
+en zich wiegden op de takken.
+
+Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na
+de warme dagen koelte en rust.
+
+Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van
+hield, want hij droeg gouden appels.
+
+Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal
+verminderden. Dat verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn
+noch drank gebruikte en door het groote verdriet zelfs niet slapen kon.
+
+Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak:
+
+—Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart
+knaagt; jullie moet weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin
+komt, die de gouden appels steelt, zoodat ik hun aantal met elken dag
+zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik de helft van mijn rijk
+en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren.
+
+Toen spraken de zonen:
+
+—Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen!
+
+Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden
+zij het eens: ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken.
+
+Den eersten nacht waakte de oudste.
+
+Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg
+pijn in al zijn ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich
+op het zachte gras ging uitstrekken.
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel
+beter hij nu de zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat
+nadenken in, en ontwaakte pas, toen de helle, lichte zon hem in het
+gelaat lachte.
+
+Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond
+eindelijk traag op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij:
+
+—Vannacht is de dief niet gekomen.
+
+Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom
+zitten en wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn,
+indien hij zich in het groene gras neervlijde.
+
+Hij strekte zijn ledematen uit en sliep in. Toen hij weer ontwaakte,
+was het reeds lang dag.
+
+Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee:
+
+—Vannacht is de dief niet gekomen.
+
+In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom
+zitten en verroerde zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en
+nog een. Maar hij hield de oogen open en werd niet slaperig.
+
+Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel,
+vanuit het Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij
+op den boom neer, waar prins Iwan onder zat.
+
+De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd
+beschenen. Nu zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden
+veeren en oogen had. Dicht tegen den stam aangeleund stond Iwan. Zijn
+wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te ademen. De vogel sprong
+van tak tot tak, en plukte de gouden appels.
+
+Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den
+schrik liet deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de
+lucht weg.
+
+Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde
+een licht, waardoor de geheele tuin in vlam scheen te staan.
+
+’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den
+vogel. En toen hij zijn vader de veer overhandigde, verlichtte deze op
+zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er lichten
+in hem waren aangebracht.
+
+Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak:
+
+—Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je?
+
+Iwan antwoordde:
+
+—Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u
+moet weten, dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw
+gouden appels steelt.
+
+En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en
+kuste hem innig op het voorhoofd.
+
+Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden
+appels meer werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust;
+hij vergat de ernstige dagen.
+
+
+
+Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen:
+
+—De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken,
+om jullie geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te
+vertrekken. Zoekt wat je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor
+alles den vuurvogel te vinden. Wie hem mij levend brengt, dien schenk
+ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook
+de andere helft voor hem zijn.
+
+Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun
+broeder, omdat het hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken.
+Om nu te verhinderen, dat Iwan hen voor zou zijn, vertrokken zij in
+allerhaast.
+
+Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak:
+
+—Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders
+volg. Ik zou ook gaarne mijn geluk beproeven... Het zou mij bovendien
+verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen.
+
+Maar de koning sprak:
+
+—Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig
+hebt, is lang. Ik echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet
+niet wanneer ik sterven zal. Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik
+afscheid van het leven neem, wie zal dan het volk regeeren en het over
+mogelijke tweedracht heen helpen?
+
+Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te
+brengen. Daarom schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te
+vertrekken.
+
+Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan
+recht toe zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin
+een wegwijzer stond, die drie armen had.
+
+Op den eersten stond vermeld:
+
+«Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.»
+
+Op den rechter arm stond te lezen:
+
+«Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten
+doode opgeschreven.»
+
+Den linker arm verkondigde:
+
+«Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn
+paard zal blijven leven.»
+
+Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de
+overweging, dat weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in
+leven bleef. Later zou hij zich wel een ander paard kunnen aanschaffen.
+
+Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar
+woud. Maar uit het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf
+tegemoet.
+
+Deze sprak tot prins Iwan:
+
+—Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard
+sterven!
+
+En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard
+verscheurd.
+
+Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan
+een stuk door. Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om
+wat uit te rusten, stond nogmaals de grijze wolf voor hem.
+
+Deze sprak:
+
+—Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb
+verscheurd. Maar het moest! Of hebt gij niet gelezen, wat er achter u
+stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan zal ik u
+dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge
+wilt!
+
+Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou
+moeten reizen tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den
+grijzen wolf zitten. In vliegende vaart, vlugger dan een vogel, trokken
+zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een hoogen muur stil
+hielden.
+
+Toen zei de grijze wolf:
+
+—Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een
+kooi, waarin de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en
+raak de gouden kooi niet aan! Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet
+meer vandaan, en zal men u gevangen nemen.
+
+Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder
+beschenen, alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van
+den vuurvogel, die in een gouden kooi zat, welke midden in den tuin
+stond.
+
+Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf
+kwam, loerde hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel
+uit de kooi.
+
+Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de
+vermaning van den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee.
+
+Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de
+kooi uit liepen zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de
+bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel en brachten den jongen prins
+voor koning Dalmat.
+
+Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
+
+—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken?
+
+Prins Iwan antwoordde:
+
+—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig
+vorst. Deze vogel is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit
+mijn vaders tuin steelt.
+
+Waarop de koning antwoordde:
+
+—Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij
+er om had verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu
+verdient ge, dat ik u door het geheele land stuur en bekend maak, hoe
+schandelijk gij mij hebt behandeld.
+
+—Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal
+tiende koninkrijk trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het
+paard met de gouden manen, zal ik uw wandaad vergeven en u met
+eerbewijzen den vuurvogel overhandigen.
+
+Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer en beloofde het paard met de
+gouden manen te zullen brengen.
+
+Diep bedroefd keerde hij naar den Grijzen Wolf terug.
+
+—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je
+niet naar me geluisterd en toch de gouden kooi aangeraakt?
+
+—Ik ben door jou schuldig, antwoordde prins Iwan, en jij alleen kan het
+weer goedmaken! Breng mij naar koning Alfons, bij wien ik het paard met
+de gouden manen moet halen.
+
+—Het zij zoo, bromde de wolf, ga op me zitten! Ik zal je brengen waar
+je heen wil.
+
+Toen ging prins Iwan weer boven op den Grijzen Wolf zitten, en als een
+pijl uit een boog schoten zij vooruit.
+
+Diep in den nacht kwamen zij voor het slot van koning Alfons.
+
+De Grijze Wolf sprak nu tot den prins:
+
+—Ga in den marmeren stal. De knechten slapen nu, zoodat het je niet
+moeilijk zal vallen het paard met de gouden manen uit den stal te
+brengen. Maar aan den muur hangt een gouden tuig; denk er vooral om dat
+niet aan te raken! Wanneer je dit tuig neemt, kan je niet meer weg en
+wordt je gevangen genomen.
+
+Iwan ging in den marmeren stal en vond, zooals de Grijze Wolf had
+gezegd, de wachters in slaap en het paard met de gouden manen los op
+z’n plaats.
+
+Toen hij het echter naar buiten wilde brengen, ontwaarde hij aan den
+muur het gouden tuig. Het schitterde zoo mooi, dat hij de waarschuwing
+van den Grijzen Wolf vergat en ook het tuig meenam. Maar nauwelijks had
+zijn hand het tuig aangeraakt, of door al de stallen weerklonk
+klokgelui. Want van het tuig gingen zilverdraden uit naar alle kanten.
+
+De paarden begonnen te trappelen; de wachters werden wakker, grepen den
+dief en brachten hem voor koning Alfons.
+
+Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
+
+—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij? Waar gelden zulke gebruiken?
+
+Prins Iwan antwoordde:
+
+—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig
+vorst.
+
+—Als ge als prins tot mij waart gekomen, dan had ik u het paard met de
+gouden manen als eerbewijs ten geschenke gegeven! Nu verdient ge, dat
+ik door het geheele land bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt
+behandeld!
+
+Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer. Maar de koning begon opnieuw:
+
+—Luister, prins! Als gij door driemaal negen landen trekt, naar het
+drie maal tiende koninkrijk, en mij den dienst bewijst de schoone
+Helena te halen, dan zal ik u uw wandaad vergeven, en u het paard met
+de gouden manen en ook het gouden tuig schenken.
+
+Prins Iwan beloofde de schoone prinses te zullen brengen, waarna hij in
+de grootste droefheid naar den Grijzen Wolf terugkeerde.
+
+—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je
+niet naar me geluisterd, en nam je het gouden tuig?
+
+—Ach, ik deed er verkeerd aan. Ik moet zonder vrede blijven als jij me
+niet helpt!
+
+—Kom, ga op me zitten, vervolgde de Grijze Wolf, dan zal ik je brengen,
+waarheen je wilt. Maar nu is het mijn beurt!
+
+Het duurde niet lang of zij waren drie maal negen landen doorgetrokken,
+en bevonden zich in het drie maal tiende rijk. Toen kwamen zij in een
+breed dal. In het midden daarvan stond een groene eik.
+
+—Stijg af, prins Iwan, sprak de Grijze Wolf, en wacht hier onder dezen
+eik op mij!
+
+De prins deed, wat hem was bevolen. Maar de Grijze Wolf liep door tot
+hij voor een gouden hek kwam, waarachter zich de tuin bevond der
+schoone prinses. De Grijze Wolf sprong over de omheining en verstopte
+zich achter kreupelhout.
+
+Tegen den avond, toen de zon reeds in het Westen wegzonk en koele
+windjes in den tuin waaiden, begaf de koningsdochter zich met haar
+kamermeisjes naar den tuin, waar zij babbelend en schertsend heen en
+weer wandelden.
+
+Toen zij echter de plek naderden, waar de Grijze Wolf verscholen zat,
+sprong deze plotseling van achter het kreupelhout te voorschijn. Hij
+greep de schoone koningsdochter vast en ontvluchtte over het hek heen.
+
+Haar bewaaksters en kamermeisjes, die met haar in den tuin waren,
+weenden en snelden naar het paleis terug.
+
+Het geheele hof liep te hoop. De koning zond hardloopers en jagers er
+op uit om den Grijzen Wolf in te halen. Maar hoe hard zij ook liepen,
+zij konden hem niet inhalen. Zij keerden onverrichterzake tot hun heer
+en meester terug.
+
+Intusschen nam Iwan de schoone koningsdochter van den Grijzen Wolf over
+en legde haar voorzichtig op het gras. Zij lag er bleek en stil, alsof
+zij dood was, zoo hevig had de Grijze Wolf haar doen schrikken.
+
+Spoedig opende zij de mooie oogen, zag den jeugdigen prins en bloosde
+diep, wat haar nog schooner maakte dan zij gewoonlijk was. De prins nam
+haar vóór zich op den rug van den Grijzen Wolf, die weer als een pijl
+uit den boog voortvloog, naar het land van koning Alfons. Maar toen zij
+voor diens paleis aankwamen, wilde de prins en de prinses niet meer van
+elkaar scheiden. De schoone koningsdochter weende bitter en Iwan was
+diep bedroefd.
+
+Nu vroeg de Grijze Wolf:
+
+—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
+
+En de prins antwoordde:
+
+—Ik moet wel weenen en treurig zijn! Ik kan onmogelijk van de prinses
+scheiden en geef haar niet in ruil voor het paard met de gouden manen.
+Maar als ik het niet doe, ben ik voor de geheele wereld onteerd!
+
+—Ik heb je tot nu toe gediend, antwoordde de Grijze Wolf, ik zal je ook
+nu dienen.
+
+—Luister, Iwan! Ik zal me omtooveren in een prinses, en als twee
+droppels gelijken op de schoone Helena. Jij moet mij naar koning Alfons
+brengen, zoodat je dan het paard met de gouden manen in ruil ontvangt.
+Heb geen zorg voor mij! Zoodra je aan mij denkt, ben ik weer bij je.
+
+Toen wierp de Grijze Wolf zich op den grond, en opeens stond voor prins
+Iwan een prinses, die zoo sprekend op de schoone Helena geleek, dat hij
+niet kon onderscheiden wie de echte of de valsche was.
+
+Nu verlangde de prinses geworden Wolf, dat de prins hem zou volgen.
+Maar de schoone Helena gebood hij in het woud te wachten.
+
+Toen prins Iwan met de zoogenaamde prinses bij koning Alfons kwam, was
+deze zeer verheugd. Hij schonk dus Iwan het paard met de gouden manen.
+Iwan wachtte niet lang, sprong op het paard en snelde weg.
+
+Spoedig werden voorbereidselen getroffen voor de bruiloft. Koning
+Alfons wilde zijn bruid naar de tafel geleiden. Maar toen hij haar hand
+wilde vatten, voelde hij in de zijne een ruigen zwaren poot. En tot
+hevigen schrik van al de aanwezige gasten ontwaarden zij, in plaats van
+een schoone bruid, een reusachtig grooten grijzen wolf naast den
+koning. Maar voordat zij goed en wel beseften wat er juist gebeurde,
+was de wolf al de deur uit en verdwenen.
+
+Intusschen reed prins Iwan met de echte prinses steeds verder. Zij
+hadden zooveel met elkaar gesproken, dat zij den Grijzen Wolf geheel
+vergaten. Maar toen Iwan eens aan hem dacht en sprak:
+
+—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond de Grijze Wolf al voor hem, en
+zei:
+
+—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid op het paard met
+de gouden manen rijden.
+
+Toen sprong prins Iwan van het paard en nam weer plaats op den rug van
+den Grijzen Wolf. En zoo trokken zij naar het rijk van koning Dalmat.
+Maar toen het oogenblik was aangebroken, dat hij het paard met de
+gouden manen aan koning Dalmat moest overgeven, overviel hem nogmaals
+een groote droefheid. Nu vroeg de Grijze Wolf weer:
+
+—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
+
+—Ach, antwoordde deze, ik moet wel treurig zijn, want ik moet immers
+het paard met de gouden manen afstaan, dat mij zoo trouw heeft gediend.
+Maar als ik het niet doe, wordt ik voor de geheele wereld onteerd.
+
+—Hoe dikwijls heb ik je niet tot nog toe gediend!... Ook nu zal ik je
+dezen dienst bewijzen, en me omtooveren in het paard met de gouden
+manen.
+
+Toen wierp de Grijze Wolf zich op de aarde, en spoedig stond voor prins
+Iwan een paard met golvende, gouden manen. Het geleek zooveel op het
+andere, dat men niet kon zeggen, welke van beiden het echte was.
+
+Nu sprak de Wolf, die in een paard was veranderd:
+
+—Breng mij naar koning Dalmat, waarna je den vuurvogel zal ontvangen.
+En wanneer je maar aan mij denkt, zal ik weer bij je zijn.
+
+Aan de schoone Helena gebood hij voor de stad te wachten.
+
+Toen prins Iwan voor het paleis van koning Dalmat kwam, en deze het
+paard met de gouden manen zag, verheugde hij zich er zoozeer over dat
+hij zijn vertrekken verliet en zijn gast tegemoet snelde. Hij nam den
+prins bij de hand, en bracht hem naar de marmeren zaal. Daar
+overhandigde hij hem den vuurvogel met de gouden kooi.
+
+Iwan weifelde niet lang, nam vogel en kooi, en verliet de stad.
+
+Op zekeren dag had koning Dalmat lust op het paard met de gouden manen
+ter jacht te gaan. Hij beval het te zadelen en trok met de geheele
+hofhouding naar het woud. Er waren geen woorden genoeg om het heerlijke
+paard te loven.
+
+Opeens schoot vanonder den koning een grijze wolf weg.
+
+—Houdt hem! Er achterna! riepen allen. Maar niemand was hierop
+voorbereid.
+
+Prins Iwan was intusschen met zijn schoone prinses ver op weg naar zijn
+vaderland. En toen hij opeens dacht:
+
+—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond deze reeds voor hem en sprak:
+
+—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid echter op het
+paard met de gouden manen rijden!
+
+Nu nam Iwan plaats op den Grijzen Wolf, en zoo trokken zij weer verder.
+
+Toen zij op de plek kwamen, waar de Grijze Wolf het paard van den prins
+had verscheurd, bleven zij staan. En de Grijze Wolf sprak:
+
+—Welnu, prins Iwan, ga van mijn rug. Ik kan je voortaan niet meer
+dienen. En in ’t vervolg moet je jezelf helpen. Maar wees voorzichtig,
+en stel geen vertrouwen in je broeders!
+
+Bij deze woorden verdween hij in het woud.
+
+Iwan wachtte nog een lange poos, in de hoop, dat de Grijze Wolf zou
+terugkeeren. Toen hij echter bemerkte, dat hij tevergeefs wachtte,
+zette hij treurig gestemd met de schoone prinses, het paard met de
+gouden manen en den vuurvogel zijn reis voort.
+
+Hij had nog een twintig mijlen af te leggen. In de verte ontwaarde hij
+in het groene veld een tent, welke hij tegen den avond bereikte. Wie
+beschrijft zijn vreugde, toen hij zijn broeders uit de tent zag komen!
+
+Zij hadden evenals hij de verst verwijderde koninkrijken doortrokken,
+maar den vuurvogel hadden zij niet gevonden, en juist terzelfdertijd
+keerden zij met leege handen naar hun vaderland terug.
+
+Toen zij nu het paard met de gouden manen zagen en de schoone
+koningsdochter er boven op, en den vuurvogel in de gouden kooi, brak
+hun haast het hart van naijver. Maar zij veinsden de vreugde van hun
+broeder te deelen.
+
+Met vriendelijke woorden noodigden zij hem en de prinses in de tent, en
+zetten hen spijzen en drank in overvloed voor.
+
+Iwan, die door den sterken drank verhit en beneveld was, vergat de
+waarschuwing van den Grijzen Wolf, en vertelde wat er was gebeurd. In
+zijn vreugde bemerkte Iwan niet hoe zijn broeders steeds van
+gelaatskleur wisselden.
+
+Het duurde niet lang of Iwan en de prinses, vermoeid door de lange
+reis, vielen in diepen slaap. Toen lachte de oudste spottend. Hij trok
+zijn zwaard en stak zijn broeder midden in het hart.
+
+Daarna wekten zij de schoone koningsdochter en zeiden haar, dat zij
+haar nu naar hun vader zouden brengen met den vuurvogel en het paard
+met de gouden manen. Maar toen de prinses zag, dat Iwan was vermoord,
+brak zij in bitter geweeklaag uit en klaagde onder tranen:
+
+—Jullie booswichten, wat hebben jullie daarmee gewonnen? Is een slapend
+mensch niet als een doode?
+
+Nu zette de oudste, die reeds den broer had overmand, ook haar het
+zwaard op het hart en sprak:
+
+—Luister, schoone koningsdochter, je bent in onze macht, en nu moet je
+onzen vader zeggen, dat wij je veroverd hebben, en ook den vuurvogel en
+het paard met de gouden manen. Maar als jij dit niet wilt zeggen, zal
+ik je onmiddellijk om hals brengen!
+
+In haar angst, dat zij sterven moest, beloofde Helena alles te zeggen
+wat haar zou worden bevolen.
+
+De beide broeders begonnen nu te loten wie de schoone prinses en wie
+het paard met de gouden manen zou krijgen. Den tweede wees het lot de
+bruid aan, de oudste bekwam echter het paard met de gouden manen.
+
+De laatste sprong weer op zijn paard en voerde dat met de gouden manen
+aan de teugels mee, terwijl de andere broeder de schoone koningsdochter
+bij zich hield. Zoo trokken zij naar hun vader, om hem den vuurvogel te
+brengen.
+
+Intusschen lag Iwan al drie dagen dood op het veld. Het toeval wilde,
+dat de Grijze Wolf in de buurt rondzwierf, en den verslagen jongeling
+vond. Hij wilde hem helpen, maar wist niet hoe.
+
+Radeloos sloop hij her en der tot de dag voorbij ging en de zon daalde.
+Omstreeks dezen tijd bemerkte hij opeens een raaf met twee jongen, die
+boven het lijk heen en weer vlogen, en er op wilden neerstrijken, om
+zich aan het vleesch te goed te doen.
+
+Toen verschool de Grijze Wolf zich achter struikgewas, want hij wilde
+een raaf vangen. Op het oogenblik, dat de jonge vogels vraatzuchtig
+neerstreken, sprong hij te voorschijn, snapte er een en wilde de raaf
+verscheuren. Maar de oude raaf riep hem angstig toe:
+
+—Ach, Grijze Wolf, doe mijn jong kind geen pijn, het heeft je toch geen
+kwaad gedaan!
+
+De Wolf antwoordde:
+
+—Luister, Raaf, je moet over driemaal negen landen en drie maal tien
+koninkrijken vliegen, en mij het water des levens en het water des
+doods brengen. Dan eerst zal je kind ongedeerd blijven.
+
+En de raaf antwoordde:
+
+—Ach, Grijze Wolf, ik zal het gaarne halen, maar deer mijn kind niet!
+
+En toen de vogel deze woorden had gesproken, vloog hij weg en verdween
+spoedig in de lucht.
+
+Drie dagen later keerde hij weer met twee fleschjes, waarin het water
+des levens en het water des doods was.
+
+De Grijze Wolf nam de fleschjes, en toen hij ze had, verscheurde hij de
+jonge raaf in tweeën.
+
+Daarna besproeide hij den deerlijk gehavenden vogel met het water des
+doods. De raaf groeide weer aan elkaar! Dan nam hij het water des
+levens; de kleine raaf richtte zich op en vloog weg.
+
+Nu besproeide de Grijze Wolf den verslagen prins met het water des
+doods. Diens lichaam groeide weer aaneen. Toen de Grijze Wolf hem met
+het water des levens besprenkelde, stond Iwan op en sprak:
+
+—Ach, waarom heb ik zoolang geslapen?
+
+—Je zou eeuwig hebben geslapen, antwoordde de Grijze Wolf, als ik je
+niet hier gevonden had. Want je broeder heeft je neergeveld; de ander
+heeft je bruid genomen en zal vandaag met de schoone Helena trouwen.
+
+Als een waanzinnige keek prins Iwan den Grijzen Wolf aan, en dacht
+slechts:
+
+—Droom ik, of waak ik?
+
+Maar deze sprak:
+
+—Snel, Iwan, ga op mij zitten, opdat ik je naar je vader zal brengen.
+Anders zie je de schoone prinses niet terug!
+
+Nu begreep prins Iwan eerst wat er in dien tusschentijd was gebeurd.
+Hij nam op den rug van den Grijzen Wolf plaats, en bevond zich spoedig
+voor de stad zijns vaders. Hier nam hij afscheid van den Grijzen Wolf,
+waarna hij de stad inging.
+
+Toen hij het kasteel binnentrad, waren er reeds vele gasten verzameld.
+Boven aan tafel zaten aan den maaltijd de schoone Helena en zijn
+broeders, een aan haar rechter zij en een aan haar linker kant.
+
+Maar toen de bruid, wier gelaat zeer bleek zag, den vreemden gast
+ontwaarde, sprong zij op en riep luid:
+
+—Daar is mijn echte bruidegom; deze hier, die met mij aan tafel zat, is
+een booswicht!
+
+Zij snelde naar Iwan toe en sloeg haar armen om zijn hals.
+
+Nu verhief de koning zich van zijn zetel en vroeg, geheel in de war van
+verbazing, wat dat had te beteekenen. De schoone koningsdochter
+vertelde alles: hoe Iwan haar verkreeg; dat het paard met de gouden
+manen en den vuurvogel hem toebehoorden; hoe de broeders hem in den
+slaap vermoord hadden, en haar dwongen geen woord van het gebeurde te
+vertellen.
+
+En Iwan vertelde verder: dat de Grijze Wolf hem tenslotte had gevonden,
+hem weer levend had gemaakt en hem hierheen had gebracht, zoodat alles
+nog op het laatste oogenblik opgehelderd kon worden.
+
+De koning was nu vreeselijk vertoornd. Hij beval, dat de beide broeders
+onmiddellijk in de ketens geklonken moesten worden en in den kerker
+geworpen.
+
+Prins Iwan plaatste de koning nog in hetzelfde uur aan het hoofd van
+het geheele rijk. En de schoone Helena werd tot koningin uitgeroepen en
+leefde in eendracht en liefde naast haar Iwan, die tenslotte verkreeg,
+wat hij met zooveel moeite en strijd verworven had.
+
+
+ EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN
+
+
+Er was eens een arme boer, die met zijn vrouw en zoon nauwelijks genoeg
+had om er van te kunnen leven. Hoezeer zij zich ook inspanden, toch
+waren hun inkomsten ontoereikend.
+
+Op zekeren avond was het met ’t gezin zoo erg, dat moeder de vrouw de
+haren niet meer kon voorzetten dan een harden korst.
+
+Maar op het oogenblik, dat zij het stuk brood wilde verdeelen, sloop
+van achter den oven een heks te voorschijn, rukte den korst uit de
+handen der arme vrouw en snelde naar haar schuilhoek terug.
+
+De boer smeekte de heks, dat zij hen toch vooral niet het laatste hapje
+voor den mond weg zou rukken. Hij had tranen in de oogen. Geen
+kruimeltje was er meer in huis voor hem, zijn vrouw en zijn zoon.
+
+Biddend om haar te vermurwen viel hij voor de heks op de knieën.
+
+Maar het oudje antwoordde, dat zij niet meer teruggeven kon wat zij
+eenmaal afgenomen had. Zij wilde hem evenwel ter vergoeding een eend
+geven, die eiken dag een gouden ei zou leggen.
+
+—Maar zeg mij, waar ik de eend vinden kan, antwoordde de boer
+ongeloovig, dan zullen wij gaarne honger willen lijden tot morgen
+ochtend.
+
+De oude heks gaf nu tot bescheid:
+
+—Ga morgen, voordat de zon boven de bergen stijgt naar de stad. Daar
+zal je op den vijver, de eend zien zwemmen!
+
+Zoodra zij deze woorden had gesproken, was zij verdwenen. Maar vrouw en
+zoon wachtten nog een poos, want zij hoopten, dat het oudje zou
+terugkomen; zij kwam echter niet weer.
+
+De vrouw zuchtte en de zoon jammerde luid; troosteloos wierpen zij zich
+op bed.
+
+De boer kon den geheelen nacht geen oog dichtdoen. Den volgenden morgen
+stond hij vroeg op en ging naar de stad. Daar zag hij werkelijk op den
+vijver de eend zwemmen.
+
+Hij bedacht zich niet lang, lokte de eend, die onmiddellijk naar den
+oever kwam. Snel pakte hij haar en bracht den vogel naar zijn vrouw.
+
+Deze betastte de eend en zei, dat zij een ei had. Hoe verheugd waren de
+drie boerenmenschen. De vrouw zette de eend in een groote kooi en
+bedekte haar met een zeef.
+
+Een uur later stelden zij een onderzoek in en bevonden, dat de eend het
+ei had gelegd. Nu lieten zij de eend wat rondloopen op den deel, namen
+het ei, betastten en bekeken het aan alle kanten, wikten het op de
+hand, drukten het aan hart en lippen, streelden het de een na de ander
+en gedroegen zich dwaas van vreugde.
+
+Want het was werkelijk en waarlijk een goed, geel-gouden ei. Toen zij
+het ten slotte genoeg hadden bewonderd, nam de boer het ei en bracht
+het naar de stad, om het te verkoopen. Daar gaf de goudsmid hem een
+groote som geld.
+
+Natuurlijk ging de boer nu naar de markt, kocht er brood, vleesch en
+allerlei groenten, zooveel hij maar kon dragen en keerde met rijken
+buit naar huis terug.
+
+Den volgenden dag legde de eend weer een ei, dat de boer voor den
+zelfden prijs aan den goudsmid verkocht.
+
+Zoo ging het iederen dag en niet lang duurde het of de boer werd erg,
+erg rijk.
+
+Nu bouwde hij zich een huis, kocht allerlei koopwaren en begon erin te
+handelen.
+
+Toen hij eens erop uit getrokken was om nieuwe waren te koopen, kwam er
+een vreemde man in zijn huis. Deze ontwaarde de eend, maar wist niet,
+dat zij gouden eieren legde. Hij verbaasde zich daarom er niet weinig
+over, dat het dier in de kamer verbleef en onder een zeef geborgen was,
+terwijl toch andere eenden op den vijver snaterend ronddreven.
+
+Hij vermoedde nu, dat daar een geheim achter schuilen moest. Hij ging
+dichterbij en bekeek den vogel nauwkeuriger. Nu ontdekte hij, dat met
+gouden letters onder de vleugels stond geschreven:
+
+«Hij, die de eend opeet, zal koning worden.»
+
+Maar van deze ontdekking sprak hij geen woord, verzocht echter de
+boerin, dat zij de eend voor hem zou braden. Toen zij het niet wilde
+doen, probeerde hij het met vriendelijkheid, smeekte, dreigde en drong
+zoo indrukwekkend aan, dat zij bijna aan zijn verlangen voldeed. Maar
+zij waagde het niet uit vrees voor haar man.
+
+De onbekende vroeg haar nu, waarom zij zoo’n groot belang had bij het
+behoud van die eend. Waarop de boerin antwoordde, dat haar geluk van de
+eend afhing, zoodat zij den vogel niet kon of durfde braden.
+
+Maar de jonge man smeekte haar nog inniger en bepraatte haar zoo
+vriendelijk, dat de domme vrouw ten slotte de eend slachtte en in den
+oven zette.
+
+De onbekende dacht bij zichzelf:
+
+—Als de eend maar alvast is geslacht, dan ligt ze reeds half in mijn
+maag.
+
+En hij ging weg, daar hij niet langer blijven kon, maar beloofde tegen
+den middag terug te komen.
+
+De vrouw ging evenwel ook naar de stad.
+
+Even later ging de zoon, die zich in den winkel bevond, naar achter.
+Hij had grooten honger. De jongen zocht naar wat voedsel om zijn honger
+te stillen. Opeens drong vanuit den oven een heerlijke lucht tot hem
+door.
+
+Hij vond de gebraden eend, haalde ze voor den dag. De geur was zoo
+heerlijk, het vleesch zoo malsch, zijn honger zoo knagend, dat hij de
+eend zonder erover na te denken, heelemaal verslond. Hij liet alleen de
+beentjes over. En daarna ging hij weer in den winkel.
+
+Niet veel later kwam de onbekende man terug. Hij was niet weinig
+verbaasd, dat hij de boerin niet thuis trof. Hij wachtte echter, hoewel
+met ongeduld, tot zij weerom kwam.
+
+De man verzocht haar de gebraden eend op te dienen. Hoe groot was de
+ontsteltenis, toen de boerin ontdekte, dat de eend er niet meer was!
+
+De vreemdeling werd boos en zeide:
+
+—Je hebt zeker zelf de eend opgegeten?
+
+Slecht geluimd ging hij weer heen.
+
+’s Avonds kwam de boer en met hem ook de zoon thuis. De vader bemerkte
+dadelijk, dat de eend er niet meer was. Hij vroeg nu zijn vrouw, waar
+de vogel was gebleven. Zij antwoordde hem, dat zij er niet meer van
+wist dan hij, daar zij in de stad was geweest.
+
+Nu vertelde de zoon aan zijn vader, dat hij ’s middags, toen zijn
+moeder niet thuis was, in den oven een gebraden eend vond, die hij tot
+op de beenderen opgegeten had. Maar hij wist niet of het de eend met de
+gouden eieren of een andere was geweest.
+
+Toen de vader dat hoorde, werd hij woedend op zijn vrouw en joeg zijn
+zoon de deur uit.
+
+De zoon ging heen, zonder te weten of te vragen waar naar toe. Nadat
+hij tien dagen en tien nachten had geloopen, kwam hij in een groot,
+vreemd land.
+
+Het volk daar was in diepe rouw gedompeld. Want zijn koning was
+gestorven; het wist niet wien het op den troon zou roepen.
+
+De wijzen uit het volk beraadslaagden en kwamen tot het volgende
+besluit:
+
+«Hij, die den dag na deze vergadering het eerst door de stadspoort
+kwam, zou tot koning worden gekroond.»
+
+Juist tegen dien tijd kwam de boerenzoon in de stad. Nu schreeuwde het
+geheele volk:
+
+—Hier komt onze koning aan!
+
+De ouderen en wijzen pakten hem bij de armen, brachten hem in de
+koninklijke vertrekken, staken hem in kostbare gewaden, zetten hem de
+kroon op het hoofd, knielden voor hem en verlangden onderdanig, dat hij
+zijn bevelen bekend maakte.
+
+Onze koopmanszoon vertrouwde zijn eigen oogen niet. Hij dacht, dat hij
+droomde. Toen zij hem echter verzekerden, dat zij hem werkelijk tot hun
+koning hadden gekozen, verheugde hij zich werkelijk.
+
+De boerenzoon werd een wijs en barmhartig heerscher. Zijn volk beminde
+hem zeer.
+
+Toen hij eenigen tijd geregeerd had, liet hij zijn ouders komen, die
+hij vergaf en die hun ouden dag rustig en vreedzaam sleten.
+
+
+ EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE DRIE SPINSTERS
+
+
+Er was eens een lui meisje, dat niet wilde spinnen. Haar moeder mocht
+haar nog zoo beknorren en berispen, zij kon het meisje er niet toe
+bewegen aan het spinnewiel te gaan.
+
+Ten slotte overmeesterden de moeder op zekeren keer woede en ongeduld,
+zoodat zij haar luie dochter een dracht klappen gaf.
+
+Het meisje begon luidkeels te huilen. En juist kwam toen de koningin
+voorbij. Bij het hooren van het geweeklaag, liet zij haar koets
+stilhouden, stapte uit en ging het huis binnen.
+
+De vorstin vroeg de moeder, waarom zij haar dochter sloeg, zoodat men
+buiten het gehuil kon hooren.
+
+De moeder schaamde zich echter de luiheid harer dochter bekend te maken
+en antwoordde:
+
+—Ik kan maar niet van haar verkrijgen, dat zij met spinnen ophoudt. Zij
+wil maar altijd en eeuwig spinnen. Ik ben arm en kan me geen vlas
+aanschaffen.
+
+Daarop antwoordde de koningin:
+
+—Ik hoor niets liever dan spinnen en voel mij nooit aangenamer dan
+wanneer ik het gesnor der wielen hoor; geef mij uw dochter mee naar het
+paleis. Ik heb vlas genoeg, zoodat zij naar hartelust zal kunnen
+spinnen.
+
+Daar was de moeder zeer tevreden mee. Dus nam de koningin het meisje
+met zich.
+
+Toen zij in het paleis waren gekomen, bracht de vorstin haar naar drie
+kamers, die van onder tot boven vol lagen met het mooiste vlas.
+
+—Nu moet je dit vlas voor mij spinnen, sprak zij. Als je gereed komt
+wordt je de gemalin van mijn oudsten zoon. Je bent wel arm, maar daar
+let ik niet op. Je onverdroten vlijtigheid is een voldoende bruidschat.
+
+Het meisje schrok, want zij kon het vlas niet spinnen, al was zij
+driehonderd jaar oud geworden, al had zij van ’s morgens tot ’s avonds
+erbij gezeten.
+
+Toen zij nu alleen was, begon zij te huilen en bleef zonder een vinger
+uit te steken, zoo drie dagen zitten.
+
+Den derden dag kwam de koningin. Toen zij zag, dat er nog niets
+gesponnen was, verbaasde zij zich erover. Maar het meisje
+verontschuldigde zich met de bewering, dat zij door de verwijdering uit
+moedershuis zoo bedroefd was, dat zij nog niet kon beginnen. Dit liet
+zich de koningin aanleunen.
+
+Bij het vertrek sprak zij echter:
+
+—Morgen moet je beginnen met te werken.
+
+Toen het meisje weer alleen was, wist zij geen raad meer. Bedroefd ging
+zij voor het venster staan. Zij zag drie vrouwen aankomen.
+
+De eerste had een breeden platvoet, de tweede had zoo’n groote
+onderlip, dat die over haar kin heenhing en de derde had een breeden
+duim. Zij bleven voor het raam staan, keken omhoog en vroegen het
+meisje, wat haar scheelde.
+
+Zij klaagde bij hen haar nood, waarna de drie vrouwen haar hun hulp
+aanboden en spraken:
+
+—Zal je ons op de bruiloft uitnoodigen, je niet over ons schamen,
+zeggen, dat wij je tantes zijn, ons ook aan je tafel laten plaats
+nemen? Dan zullen wij al het vlas opspinnen en wel in zeer korten tijd.
+
+Het meisje antwoordde:
+
+—Heel graag. Kom maar en begin dadelijk aan het werk! Zij liet de drie
+zonderlinge vrouwen binnen, en maakte in de kamer, waar de vrouwen
+moesten zitten en spinnen, een bres.
+
+De eene trok aan den draad en trapte het rad in beweging, de andere
+breide den draad, de derde draaide hem en sloeg met den vinger op de
+tafel. En iederen keer, dat zij sloeg, viel er een getal netten op den
+grond. En die waren allerfijnst gesponnen.
+
+Voor de koningin verborg zij de drie spinsters en toonde haar, zoo
+dikwijls zij kwam, den stapel gesponnen netten, zoodat haar lofzang
+geen einde nam.
+
+Toen de eerste kamer leeg was, werd aan de tweede begonnen en ten
+slotte het derde vertrek, dat spoedig opgeruimd was.
+
+Nu namen de drie vrouwen afscheid en zeiden tot het meisje:
+
+—Vergeet niet wat je ons hebt beloofd. Het zal je geluk zijn.
+
+Toen het meisje aan de koningin de leege kamers en de groote hoopen
+netten toonde, werden de voorbereidingen tot de bruiloft getroffen. De
+prins verheugde zich zeer, dat hij zoo’n handige en vlijtige vrouw
+kreeg. Hij prees haar uitermate.
+
+Het meisje sprak nu:
+
+—Ik heb drie tantes. Daar zij mij veel goed hebben gedaan, wil ik hen
+in mijn geluk niet vergeten. Veroorloof mij, dat ik hen op de bruiloft
+uitnoodig en hen aan den feestdisch laat aanzitten.
+
+De koningin en de prins spraken:
+
+—Waarom zouden wij dit niet toestaan?
+
+Toen het feest begon, traden de drie vrouwen wonderlijk uitgedost
+binnen. En nu zei de bruid:
+
+—Weest welkom, lieve tantes!
+
+De bruidegom vroeg:
+
+—Ach, hoe kom je aan zulke vieze vriendinnen?
+
+Hij trad op hen toe en vroeg aan de vrouw met den breeden platvoet:
+
+—Hoe komt u aan zoo’n breeden voet?
+
+—Van het loopen, antwoordde zij; van het loopen.
+
+Daarna ging de bruidegom naar de tweede, die hij vroeg:
+
+—Hoe komt u toch aan die afhangende lip?
+
+—Van het likken, antwoordde zij, van het likken.
+
+En nu vroeg hij aan de derde:
+
+—Hoe komt u aan dien breeden duim?
+
+—Van het draaien der draden, antwoordde zij, van het draaien der
+draden.
+
+De koningszoon schrok nu vreeselijk. Hij sprak:
+
+—Dan zal mijn schoone bruid nooit meer een spinnewiel aanraken!
+
+En daarmee was zij van het akelige vlasspinnen voorgoed verlost.
+
+
+ EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 ***
diff --git a/79258-h/79258-h.htm b/79258-h/79258-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..08db4bb
--- /dev/null
+++ b/79258-h/79258-h.htm
@@ -0,0 +1,1809 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2026-08-02T10:53:23Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>De vuurvogel en de grijze wolf | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="Anoniem">
+<link rel="coverpage" href="images/front.jpg">
+<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="De vuurvogel en de grijze wolf">
+<meta name="DC.Creator" content="Anoniem">
+<meta name="DC.Contributor" content="A. v.d. Buffelen">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #660000;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #660000;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+height: 1ex;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+.titlePage {
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0 7em;
+padding: 5em 10% 6em;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle {
+line-height: 1.7;
+margin: 2em 0;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle {
+font-size: 1.8em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle,
+.titlePage .docTitle .seriesTitle,
+.titlePage .docTitle .volumeTitle {
+font-size: 1.44em;
+font-weight: inherit;
+font-variant: inherit;
+line-height: inherit;
+}
+.titlePage .byline {
+margin: 2em 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure {
+margin: 2em auto;
+}
+.titlePage .docImprint {
+margin: 4em 0 0;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate {
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+display: inline;
+font-size: 12.8px;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #666666;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+caption, .tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.Arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.Aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.Grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.Hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.Syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.small {
+font-size: small;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.xl {
+font-size: x-large;
+}
+.vam {
+vertical-align: middle;
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.cover-imagewidth {
+width:529px;
+}
+.titlepage-imagewidth {
+width:471px;
+}
+.p04width {
+width:555px;
+}
+.p09width {
+width:560px;
+}
+.p14width {
+width:560px;
+}
+.p18width {
+width:550px;
+}
+.p23width {
+width:552px;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 ***</div>
+
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="529" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="471" height="720"></div><p>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<h1 class="mainTitle">DE VUURVOGEL<br>
+EN DE<br>
+GRIJZE WOLF</h1>
+</div>
+<div class="docImprint"><span id="xd34e119">GEÏLLUSTREERD</span></div>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="vuurvogel" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#vuurvogel.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst, die drie zonen
+had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch.
+</p>
+<p>De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon bogen op het
+eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van de zeldzaamste soorten groeiden
+er, terwijl de vreemdste vogels zongen en zich wiegden op de takken.
+</p>
+<p>Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na de warme dagen
+koelte en rust.
+</p>
+<p>Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van hield, want hij
+droeg gouden appels.
+</p>
+<p>Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal verminderden. Dat
+verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn noch drank gebruikte en door
+het groote verdriet zelfs niet slapen kon.
+</p>
+<p>Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak:
+</p>
+<p>—Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart knaagt; jullie moet
+weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin komt, die de gouden appels steelt,
+zoodat ik hun aantal met elken dag zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik
+de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren.
+</p>
+<p>Toen spraken de zonen:
+</p>
+<p>—Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen!
+</p>
+<p>Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden zij het eens:
+ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken.
+</p>
+<p>Den eersten nacht waakte de oudste.
+<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span></p>
+<p>Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg pijn in al zijn
+ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich op het zachte gras ging uitstrekken.
+</p>
+<p>Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel beter hij nu de
+zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat nadenken in, en ontwaakte pas,
+toen de helle, lichte zon hem in het gelaat lachte.
+</p>
+<p>Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond eindelijk traag
+op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij:
+</p>
+<p>—Vannacht is de dief niet gekomen.
+</p>
+<p>Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom zitten en
+wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn, indien hij zich in het
+groene gras neervlijde.
+</p>
+<p>Hij strekte zijn ledematen <span class="corr" id="xd34e146" title="Bron: ui">uit</span> en sliep in. Toen hij weer ontwaakte, was het reeds lang dag.
+</p>
+<p>Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee:
+</p>
+<p>—Vannacht is de dief niet gekomen.
+</p>
+<p>In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom zitten en verroerde
+zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en nog een. Maar hij hield de oogen
+open en werd niet slaperig.
+</p>
+<p>Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel, vanuit het
+Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij op den boom neer, waar
+prins Iwan onder zat.
+</p>
+<p>De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd beschenen. Nu
+zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden veeren en oogen had. Dicht tegen
+<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>den stam aangeleund stond Iwan. Zijn wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te
+ademen. De vogel sprong van tak tot tak, en plukte de gouden appels.
+</p>
+<p>Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den schrik liet
+deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de lucht weg.
+</p>
+<div class="figure p04width"><img src="images/p04.png" alt="Vanuit het Oosten vloog een vlammende ster (blz. 4)" width="555" height="439"><p class="figureHead"><i>Vanuit het Oosten vloog een vlammende ster</i> (blz. 4)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde een licht, waardoor
+de geheele tuin in vlam scheen te staan.
+</p>
+<p>’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den vogel. En toen
+hij zijn vader de veer overhandigde, <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>verlichtte deze op zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er
+lichten in hem waren aangebracht.
+</p>
+<p>Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak:
+</p>
+<p>—Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je?
+</p>
+<p>Iwan antwoordde:
+</p>
+<p>—Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u moet weten,
+dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw gouden appels steelt.
+</p>
+<p>En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en kuste hem innig
+op het voorhoofd.
+</p>
+<p>Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden appels meer
+werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust; hij vergat de ernstige dagen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen:
+</p>
+<p>—De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken, om jullie
+geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te vertrekken. Zoekt wat
+je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor alles den vuurvogel te vinden. Wie
+hem mij levend brengt, dien schenk ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk
+en als ik sterf zal ook de andere helft voor hem zijn.
+</p>
+<p>Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun broeder, omdat het
+hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken. Om nu te verhinderen, dat Iwan
+hen voor zou zijn, vertrokken zij in allerhaast.
+</p>
+<p>Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak:
+</p>
+<p>—Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders volg. Ik zou ook
+gaarne mijn geluk beproeven … <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>Het zou mij bovendien verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen.
+</p>
+<p>Maar de koning sprak:
+</p>
+<p>—Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig hebt, is lang.
+<span class="corr" id="xd34e191" title="Bron: k">Ik</span> echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet niet wanneer ik sterven zal.
+Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik afscheid van het leven neem, wie zal dan
+het volk regeeren en het over mogelijke tweedracht heen helpen?
+</p>
+<p>Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te brengen. Daarom
+schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te vertrekken.
+</p>
+<p>Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan recht toe
+zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin een wegwijzer stond,
+die drie armen had.
+</p>
+<p>Op den eersten stond vermeld:
+</p>
+<p>«Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.»
+</p>
+<p>Op den rechter arm stond te lezen:
+</p>
+<p>«Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten doode opgeschreven.»
+</p>
+<p>Den linker arm verkondigde:
+</p>
+<p>«Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn paard zal blijven
+leven.»
+</p>
+<p>Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de overweging, dat
+weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in leven bleef. Later zou hij
+zich wel een ander paard kunnen aanschaffen.
+</p>
+<p>Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar woud. Maar uit
+het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf tegemoet.
+<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
+<p>Deze sprak tot prins Iwan:
+</p>
+<p>—Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard sterven!
+</p>
+<p>En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard verscheurd.
+</p>
+<div class="figure p09width"><img src="images/p09.png" alt="In vliegende vaart trokken zij verder (blz. 9)" width="560" height="437"><p class="figureHead"><i>In vliegende vaart trokken zij verder</i> (<i>blz. 9</i>)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan een stuk door.
+Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om wat uit te rusten, stond
+nogmaals de grijze wolf voor hem.
+</p>
+<p>Deze sprak:
+</p>
+<p>—Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb verscheurd. Maar het
+moest! Of hebt gij niet <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>gelezen, wat er achter u stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan
+zal ik u dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge wilt!
+</p>
+<p>Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou moeten reizen
+tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den grijzen wolf zitten. In vliegende
+vaart, vlugger dan een vogel, trokken zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een
+hoogen muur stil hielden.
+</p>
+<p>Toen zei de grijze wolf:
+</p>
+<p>—Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een kooi, waarin
+de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en raak de gouden kooi niet aan!
+Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet meer vandaan, en zal men u gevangen nemen.
+</p>
+<p>Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder beschenen,
+alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van den vuurvogel, die in een
+gouden kooi zat, welke midden in den tuin stond.
+</p>
+<p>Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf kwam, loerde
+hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel uit de kooi.
+</p>
+<p>Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de vermaning van
+den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee.
+</p>
+<p>Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de kooi uit liepen
+zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel
+en brachten den jongen prins voor koning Dalmat.
+</p>
+<p>Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
+</p>
+<p>—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken?
+<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
+<p>Prins Iwan antwoordde:
+</p>
+<p>—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst. Deze vogel
+is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit mijn vaders tuin steelt.
+</p>
+<p>Waarop de koning antwoordde:
+</p>
+<p>—Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij er om <span class="corr" id="xd34e242" title="Bron: hadt">had</span> verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu verdient ge, dat ik u
+door het geheele land stuur en bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd34e246" title="Bron: »">—</span>Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal tiende koninkrijk
+trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het paard met de gouden manen, zal ik
+uw wandaad vergeven en u met eerbewijzen den vuurvogel overhandigen.
+</p>
+<p>Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer en beloofde het paard met de gouden manen
+te zullen brengen.
+</p>
+<p>Diep bedroefd keerde hij naar den Grijzen Wolf terug.
+</p>
+<p>—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me
+geluisterd en toch de gouden kooi aangeraakt?
+</p>
+<p>—Ik ben door <span class="corr" id="xd34e254" title="Bron: jouw">jou</span> schuldig, antwoordde prins Iwan, en jij alleen kan het weer goedmaken! Breng mij
+naar koning Alfons, bij wien ik het paard met de gouden manen moet halen.
+</p>
+<p>—Het zij zoo, bromde de wolf, ga op me zitten! Ik zal je brengen waar je heen wil.
+</p>
+<p>Toen ging prins Iwan weer boven op den Grijzen Wolf zitten, en als een pijl uit een
+boog schoten zij vooruit.
+</p>
+<p>Diep in den nacht kwamen zij voor het slot van koning Alfons.
+</p>
+<p>De Grijze Wolf sprak nu tot den prins:
+<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p>
+<p>—Ga in den marmeren stal. De knechten slapen nu, zoodat het je niet moeilijk zal vallen
+het paard met de gouden manen uit den stal te brengen. Maar aan den muur hangt een
+gouden tuig; denk er vooral om dat niet aan te raken! Wanneer je dit tuig neemt, kan
+je niet meer weg en wordt je gevangen genomen.
+</p>
+<p>Iwan ging in den marmeren stal en vond, zooals de Grijze Wolf had gezegd, de wachters
+in slaap en het paard met de gouden manen los op z’n plaats.
+</p>
+<p>Toen hij het echter naar buiten wilde brengen, ontwaarde hij aan den muur het gouden
+tuig. Het schitterde zoo mooi, dat hij de waarschuwing van den Grijzen Wolf vergat
+en ook het tuig meenam. Maar nauwelijks had zijn hand het tuig aangeraakt, of door
+al de stallen weerklonk klokgelui. Want van het tuig gingen zilverdraden uit naar
+alle kanten.
+</p>
+<p>De paarden begonnen te trappelen; de wachters werden wakker, grepen den dief en brachten
+hem voor koning Alfons.
+</p>
+<p>Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
+</p>
+<p>—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij? Waar gelden zulke gebruiken?
+</p>
+<p>Prins Iwan antwoordde:
+</p>
+<p>—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst.
+</p>
+<p>—Als ge als prins tot mij waart gekomen, dan had ik u het paard met de gouden manen
+als eerbewijs ten geschenke gegeven! Nu verdient ge, dat ik door het geheele land
+bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld!
+</p>
+<p>Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer. Maar de koning begon opnieuw:
+</p>
+<p>—Luister, prins! Als gij door driemaal negen landen <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>trekt, naar het drie maal tiende koninkrijk, en mij den dienst bewijst de schoone
+Helena te halen, dan zal ik u uw wandaad vergeven, en u het paard met de gouden manen
+en ook het gouden tuig schenken.
+</p>
+<p>Prins Iwan beloofde de schoone prinses te zullen brengen, waarna hij in de grootste
+droefheid naar den Grijzen Wolf terugkeerde.
+</p>
+<p>—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me
+geluisterd, en nam je het gouden tuig?
+</p>
+<p>—Ach, ik deed er verkeerd aan. Ik moet zonder vrede blijven als jij me niet helpt!
+</p>
+<p>—Kom, ga op me zitten, vervolgde de Grijze Wolf, dan zal ik je brengen, waarheen je
+wilt. Maar nu is het mijn beurt!
+</p>
+<p>Het duurde niet lang of zij waren drie maal negen landen doorgetrokken, en bevonden
+zich in het drie maal tiende rijk. Toen kwamen zij in een breed dal. In het midden
+daarvan stond een groene eik.
+</p>
+<p>—Stijg af, prins Iwan, sprak de Grijze Wolf, en wacht hier onder dezen eik op mij!
+</p>
+<p>De prins deed, wat hem was bevolen. Maar de Grijze Wolf liep door tot hij voor een
+gouden hek kwam, waarachter zich de tuin bevond der schoone prinses. De Grijze Wolf
+sprong over de omheining en verstopte zich achter kreupelhout.
+</p>
+<p>Tegen den avond, toen de zon reeds in het Westen wegzonk en koele windjes in den tuin
+waaiden, begaf de koningsdochter zich met haar kamermeisjes naar den tuin, waar zij
+babbelend en schertsend heen en weer wandelden.
+</p>
+<p>Toen zij echter de plek naderden, waar de Grijze Wolf verscholen zat, sprong deze
+plotseling van achter het kreupelhout <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>te voorschijn. Hij greep de schoone koningsdochter vast en ontvluchtte over het hek
+heen.
+</p>
+<p>Haar bewaaksters en kamermeisjes, die met haar in den tuin waren, weenden en snelden
+naar het paleis terug.
+</p>
+<p>Het geheele hof liep te hoop. De koning zond hardloopers en jagers er op uit om den
+Grijzen Wolf in te halen. Maar hoe hard zij ook liepen, zij konden hem niet inhalen.
+Zij keerden onverrichterzake tot hun heer en meester terug.
+</p>
+<p>Intusschen nam Iwan de schoone koningsdochter van den Grijzen Wolf over en legde haar
+voorzichtig op het gras. Zij lag er bleek en stil, alsof zij dood was, zoo hevig had
+de Grijze Wolf haar doen schrikken.
+</p>
+<p>Spoedig opende zij de mooie oogen, zag den jeugdigen prins en bloosde diep, wat haar
+nog schooner maakte dan zij gewoonlijk was. De prins nam haar vóór zich op den rug
+van den Grijzen Wolf, die weer als een pijl uit den boog voortvloog, naar het land
+van koning Alfons. Maar toen zij voor diens paleis aankwamen, wilde de prins en de
+prinses niet meer van elkaar scheiden. De schoone koningsdochter weende bitter en
+Iwan was diep bedroefd.
+</p>
+<p>Nu vroeg de Grijze Wolf:
+</p>
+<p>—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
+</p>
+<p>En de prins antwoordde:
+</p>
+<p>—Ik moet wel weenen en treurig zijn! Ik kan onmogelijk van de prinses scheiden en
+geef haar niet in ruil voor het paard met de gouden manen. Maar als ik het niet doe,
+ben ik voor de geheele wereld onteerd!
+</p>
+<p>—Ik heb je tot nu toe gediend, antwoordde de Grijze Wolf, ik zal je ook nu dienen.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd34e302" title="Bron: »">—</span>Luister, Iwan! Ik zal me omtooveren in een prinses, en als twee droppels gelijken
+op de schoone Helena. Jij moet mij naar koning Alfons brengen, zoodat je dan het paard
+<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>met de gouden manen in ruil ontvangt. Heb geen zorg voor mij! Zoodra je aan mij denkt,
+ben ik weer bij je.
+</p>
+<p>Toen wierp de Grijze Wolf zich op den grond, en opeens stond voor prins Iwan een prinses,
+die zoo sprekend op de schoone Helena geleek, dat hij niet kon onderscheiden wie de
+echte of de valsche was.
+</p>
+<div class="figure p14width"><img src="images/p14.png" alt="Opeens stond voor prins Iwan een prinses (blz. 14)" width="560" height="450"><p class="figureHead"><i>Opeens stond voor prins Iwan een prinses</i> (blz. 14)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Nu verlangde de prinses geworden Wolf, dat de prins hem zou volgen. Maar de schoone
+Helena gebood hij in het woud te wachten.
+</p>
+<p>Toen prins Iwan met de zoogenaamde prinses bij koning Alfons kwam, was deze zeer verheugd.
+Hij schonk dus Iwan <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>het paard met de gouden manen. Iwan wachtte niet lang, sprong op het paard en snelde
+weg.
+</p>
+<p>Spoedig werden voorbereidselen getroffen voor de bruiloft. Koning Alfons wilde zijn
+bruid naar de tafel geleiden. Maar toen hij haar hand wilde vatten, voelde hij in
+de zijne een ruigen zwaren poot. En tot hevigen schrik van al de aanwezige gasten
+ontwaarden zij, in plaats van een schoone bruid, een reusachtig grooten grijzen wolf
+naast den koning. Maar voordat zij goed en wel beseften wat er juist gebeurde, was
+de wolf al de deur uit en verdwenen.
+</p>
+<p>Intusschen reed prins Iwan met de echte prinses steeds verder. Zij hadden zooveel
+met elkaar gesproken, dat zij den Grijzen Wolf geheel vergaten. Maar toen Iwan eens
+aan hem dacht en sprak:
+</p>
+<p>—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond de Grijze Wolf al voor hem, en zei:
+</p>
+<p>—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid op het paard met de gouden
+manen rijden.
+</p>
+<p>Toen sprong prins Iwan van het paard en nam weer plaats op den rug van den Grijzen
+Wolf. En zoo trokken zij naar het rijk van koning Dalmat. Maar toen het oogenblik
+was aangebroken, dat hij het paard met de gouden manen aan koning Dalmat moest overgeven,
+overviel hem nogmaals een groote droefheid. Nu vroeg de Grijze Wolf weer:
+</p>
+<p>—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
+</p>
+<p>—Ach, antwoordde deze, ik moet wel treurig zijn, want ik moet immers het paard met
+de gouden manen afstaan, dat mij zoo trouw heeft gediend. Maar als ik het niet doe,
+wordt ik voor de geheele wereld onteerd.
+</p>
+<p>—Hoe dikwijls heb ik je niet tot nog toe gediend!… Ook nu zal ik je dezen dienst bewijzen,
+en me omtooveren in het paard met de gouden manen.
+<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p>
+<p>Toen wierp de Grijze Wolf zich op de aarde, en spoedig stond voor prins Iwan een paard
+met golvende, gouden manen. Het geleek zooveel op het andere, dat men niet kon zeggen,
+welke van beiden het echte was.
+</p>
+<p>Nu sprak de Wolf, die in een paard was veranderd:
+</p>
+<p>—Breng mij naar koning Dalmat, waarna je den vuurvogel zal ontvangen. En wanneer je
+maar aan mij denkt, zal ik weer bij je zijn.
+</p>
+<p>Aan de schoone Helena gebood hij voor de stad te wachten.
+</p>
+<p>Toen prins Iwan voor het paleis van koning Dalmat kwam, en deze het paard met de gouden
+manen zag, verheugde hij zich er zoozeer over dat hij zijn vertrekken verliet en zijn
+gast tegemoet snelde. Hij nam den prins bij de hand, en bracht hem naar de marmeren
+zaal. Daar overhandigde hij hem den vuurvogel met de gouden kooi.
+</p>
+<p>Iwan weifelde niet lang, nam vogel en kooi, en verliet de stad.
+</p>
+<p>Op zekeren dag had koning Dalmat lust op het paard met de gouden manen ter jacht te
+gaan. Hij beval het te zadelen en trok met de geheele hofhouding naar het woud. Er
+waren geen woorden genoeg om het heerlijke paard te loven.
+</p>
+<p>Opeens schoot vanonder den koning een grijze wolf weg.
+</p>
+<p>—Houdt hem! Er achterna! riepen allen. Maar niemand was hierop voorbereid.
+</p>
+<p>Prins Iwan was intusschen met zijn schoone prinses ver op weg naar zijn vaderland.
+En toen hij opeens dacht:
+</p>
+<p>—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond deze reeds voor hem en sprak:
+</p>
+<p>—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid echter op het paard met de
+gouden manen rijden!
+<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
+<p>Nu nam Iwan plaats op den Grijzen Wolf, en zoo trokken zij weer verder.
+</p>
+<p>Toen zij op de plek kwamen, waar de Grijze Wolf het paard van den prins had verscheurd,
+bleven zij staan. En de Grijze Wolf sprak:
+</p>
+<p>—Welnu, prins Iwan, ga van mijn rug. Ik kan je voortaan niet meer dienen. En in ’t
+vervolg moet je jezelf helpen. Maar wees voorzichtig, en stel geen vertrouwen in je
+broeders!
+</p>
+<p>Bij deze woorden verdween hij in het woud.
+</p>
+<p>Iwan wachtte nog een lange poos, in de hoop, dat de Grijze Wolf zou terugkeeren. Toen
+hij echter bemerkte, dat hij tevergeefs wachtte, zette hij treurig gestemd met de
+schoone prinses, het paard met de gouden manen en den vuurvogel zijn reis voort.
+</p>
+<p>Hij had nog een twintig mijlen af te leggen. In de verte ontwaarde hij in het groene
+veld een tent, welke hij tegen den avond bereikte. Wie beschrijft zijn vreugde, toen
+hij zijn broeders uit de tent zag komen!
+</p>
+<p>Zij hadden evenals hij de verst verwijderde koninkrijken doortrokken, maar den vuurvogel
+hadden zij niet gevonden, en juist terzelfdertijd keerden zij met leege handen naar
+hun vaderland terug.
+</p>
+<p>Toen zij nu het paard met de gouden manen zagen en de schoone koningsdochter er boven
+op, en den vuurvogel in de gouden kooi, brak hun haast het hart van naijver. Maar
+zij veinsden de vreugde van hun broeder te deelen.
+</p>
+<p>Met vriendelijke woorden noodigden zij hem en de prinses in de tent, en zetten hen
+spijzen en drank in overvloed voor.
+</p>
+<p>Iwan, die door den sterken drank verhit en beneveld was, vergat de waarschuwing van
+den Grijzen Wolf, en vertelde <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>wat er was gebeurd. In zijn vreugde bemerkte Iwan niet hoe zijn broeders steeds van
+gelaatskleur wisselden.
+</p>
+<p>Het duurde niet lang of Iwan en de prinses, vermoeid door de lange reis, vielen in
+diepen slaap. Toen lachte de oudste spottend. Hij trok zijn zwaard en stak zijn broeder
+midden in het hart.
+</p>
+<p>Daarna wekten zij de schoone koningsdochter en zeiden haar, dat zij haar nu naar hun
+vader zouden brengen met den vuurvogel en het paard met de gouden manen. Maar toen
+de prinses zag, dat Iwan was vermoord, brak zij in bitter geweeklaag uit en klaagde
+onder tranen:
+</p>
+<p>—Jullie booswichten, wat hebben jullie daarmee gewonnen? Is een slapend mensch niet
+als een doode?
+</p>
+<p>Nu zette de oudste, die reeds den broer had overmand, ook haar het zwaard op het hart
+en sprak:
+</p>
+<p>—Luister, schoone koningsdochter, je bent in onze macht, en nu moet je onzen vader
+zeggen, dat wij je veroverd hebben, en ook den vuurvogel en het paard met de gouden
+manen. Maar als jij dit niet wilt zeggen, zal ik je onmiddellijk om hals brengen!
+</p>
+<p>In haar angst, dat zij sterven moest, beloofde Helena alles te zeggen wat haar zou
+worden bevolen.
+</p>
+<p>De beide broeders begonnen nu te loten wie de schoone prinses en wie het paard met
+de gouden manen zou krijgen. Den tweede wees het lot de bruid aan, de oudste bekwam
+echter het paard met de gouden manen.
+</p>
+<p>De laatste sprong weer op zijn paard en voerde dat met de gouden manen aan de teugels
+mee, terwijl de andere broeder de schoone koningsdochter bij zich hield. Zoo trokken
+zij naar hun vader, om hem den vuurvogel te brengen.
+</p>
+<p>Intusschen lag Iwan al drie dagen dood op het veld. Het toeval wilde, dat de Grijze
+Wolf in de buurt rondzwierf, en <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>den verslagen jongeling vond. Hij wilde hem helpen, maar wist niet hoe.
+</p>
+<p>Radeloos sloop hij her en der tot de dag voorbij ging en de zon daalde. Omstreeks
+dezen tijd bemerkte hij opeens een raaf met twee jongen, die boven het lijk heen en
+weer vlogen, en er op wilden neerstrijken, om zich aan het vleesch te goed te doen.
+</p>
+<div class="figure p18width"><img src="images/p18.png" alt="Iwan lag al drie dagen dood op het veld (blz. 18)" width="550" height="441"><p class="figureHead"><i>Iwan lag al drie dagen dood op het veld</i> (blz. 18)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>Toen verschool de Grijze Wolf zich achter struikgewas, want hij wilde een raaf vangen.
+Op het oogenblik, dat de jonge vogels vraatzuchtig neerstreken, sprong hij te voorschijn,
+snapte er een en wilde de raaf verscheuren. Maar de oude raaf riep hem angstig toe:
+<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p>
+<p>—Ach, Grijze Wolf, doe mijn jong kind geen pijn, het heeft je toch geen kwaad gedaan!
+</p>
+<p>De Wolf antwoordde:
+</p>
+<p>—Luister, Raaf, je moet over driemaal negen landen en drie maal tien koninkrijken
+vliegen, en mij het water des levens en het water des doods brengen. Dan eerst zal
+je kind ongedeerd blijven.
+</p>
+<p>En de raaf antwoordde:
+</p>
+<p>—Ach, Grijze Wolf, ik zal het gaarne halen, maar deer mijn kind niet!
+</p>
+<p>En toen de vogel deze woorden had gesproken, vloog hij weg en verdween spoedig in
+de lucht.
+</p>
+<p>Drie dagen later keerde hij weer met twee fleschjes, waarin het water des levens en
+het water des doods was.
+</p>
+<p>De Grijze Wolf nam de fleschjes, en toen hij ze had, verscheurde hij de jonge raaf
+in tweeën.
+</p>
+<p>Daarna besproeide hij den deerlijk gehavenden vogel met het water des doods. De raaf
+groeide weer aan elkaar! Dan nam hij het water des levens; de kleine raaf richtte
+zich op en vloog weg.
+</p>
+<p>Nu besproeide de Grijze Wolf den verslagen prins met het water des doods. Diens lichaam
+groeide weer aaneen. Toen de Grijze Wolf hem met het water des levens besprenkelde,
+stond Iwan op en sprak:
+</p>
+<p>—Ach, waarom heb ik zoolang geslapen?
+</p>
+<p>—Je zou eeuwig hebben geslapen, antwoordde de Grijze Wolf, als ik je niet hier gevonden
+had. Want je broeder heeft je neergeveld; de ander heeft je bruid genomen en zal vandaag
+met de schoone Helena trouwen.
+</p>
+<p>Als een waanzinnige keek prins Iwan den Grijzen Wolf aan, en dacht slechts:
+<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
+<p>—Droom ik, of waak ik?
+</p>
+<p>Maar deze sprak:
+</p>
+<p>—Snel, Iwan, ga op mij zitten, opdat ik je naar je vader zal brengen. Anders zie je
+de schoone prinses niet terug!
+</p>
+<p>Nu begreep prins Iwan eerst wat er in dien tusschentijd was gebeurd. Hij nam op den
+rug van den Grijzen Wolf plaats, en bevond zich spoedig voor de stad zijns vaders.
+Hier nam hij afscheid van den Grijzen Wolf, waarna hij de stad inging.
+</p>
+<p>Toen hij het kasteel binnentrad, waren er reeds vele gasten verzameld. Boven aan tafel
+zaten aan den maaltijd de schoone Helena en zijn broeders, een aan haar rechter zij
+en een aan haar linker kant.
+</p>
+<p>Maar toen de bruid, wier gelaat zeer bleek zag, den vreemden gast ontwaarde, sprong
+zij op en riep luid:
+</p>
+<p>—Daar is mijn echte bruidegom; deze hier, die met mij aan tafel zat, is een booswicht!
+</p>
+<p>Zij snelde naar Iwan toe en sloeg haar armen om zijn hals.
+</p>
+<p>Nu verhief de koning zich van zijn zetel en vroeg, geheel in de war van verbazing,
+wat dat had te beteekenen. De schoone koningsdochter vertelde alles: hoe Iwan haar
+verkreeg; dat het paard met de gouden manen en den vuurvogel hem toebehoorden; hoe
+de broeders hem in den slaap vermoord hadden, en haar dwongen geen woord van het gebeurde
+te vertellen.
+</p>
+<p>En Iwan vertelde verder: dat de Grijze Wolf hem tenslotte had gevonden, hem weer levend
+had gemaakt en hem hierheen had gebracht, zoodat alles nog op het laatste oogenblik
+opgehelderd kon worden.
+<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span></p>
+<p>De koning was nu vreeselijk vertoornd. Hij beval, dat de beide broeders onmiddellijk
+in de ketens geklonken moesten worden en in den kerker geworpen.
+</p>
+<p>Prins Iwan plaatste de koning nog in hetzelfde uur aan het hoofd van het geheele rijk.
+En de schoone Helena werd tot koningin uitgeroepen en leefde in eendracht en liefde
+naast haar Iwan, die tenslotte verkreeg, wat hij met zooveel moeite en strijd verworven
+had.
+</p>
+<p class="trailer center">EINDE</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="eend" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#eend.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er was eens een arme boer, die met zijn vrouw en zoon nauwelijks genoeg had om er
+van te kunnen leven. Hoezeer zij zich ook inspanden, toch waren hun inkomsten ontoereikend.
+</p>
+<p>Op zekeren avond was het met ’t gezin zoo erg, dat moeder de vrouw de haren niet meer
+kon voorzetten dan een harden korst.
+</p>
+<p>Maar op het oogenblik, dat zij het stuk brood wilde verdeelen, sloop van achter den
+oven een heks te voorschijn, rukte den korst uit de handen der arme vrouw en snelde
+naar haar schuilhoek terug.
+</p>
+<p>De boer smeekte de heks, dat zij hen toch vooral niet het laatste hapje voor den mond
+weg zou rukken. Hij had tranen in de oogen. Geen kruimeltje was er meer in huis voor
+hem, zijn vrouw en zijn zoon.
+</p>
+<p>Biddend om haar te vermurwen viel hij voor de heks op de knieën.
+</p>
+<p>Maar het oudje antwoordde, dat zij niet meer teruggeven kon wat zij eenmaal afgenomen
+had. Zij wilde hem evenwel ter vergoeding een eend geven, die eiken dag een gouden
+ei zou leggen.
+</p>
+<p>—Maar zeg mij, waar ik de eend vinden kan, antwoordde de boer ongeloovig, dan zullen
+wij gaarne honger willen lijden tot morgen ochtend.
+</p>
+<p>De oude heks gaf nu tot bescheid:
+</p>
+<p>—Ga morgen, voordat de zon boven de bergen stijgt naar de stad. Daar zal je op den
+vijver, de eend zien zwemmen!
+</p>
+<p>Zoodra zij deze woorden had gesproken, was zij verdwenen. Maar vrouw en zoon wachtten
+nog een poos, want <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>zij hoopten, dat het oudje zou terugkomen; zij kwam echter niet weer.
+</p>
+<p>De vrouw zuchtte en de zoon jammerde luid; troosteloos wierpen zij zich op bed.
+</p>
+<div class="figure p23width"><img src="images/p23.png" alt="Hij viel voor de heks op de knieën (blz. 23)" width="552" height="438"><p class="figureHead"><i>Hij viel voor de heks op de knieën</i> (<i>blz. 23</i>)</p>
+</div><p>
+</p>
+<p>De boer kon den geheelen nacht geen oog dichtdoen. Den volgenden morgen stond hij
+vroeg op en ging naar de stad. Daar zag hij werkelijk op den vijver de eend zwemmen.
+</p>
+<p>Hij bedacht zich niet lang, lokte de eend, die onmiddellijk naar den oever kwam. Snel
+pakte hij haar en bracht den vogel naar zijn vrouw.
+</p>
+<p>Deze betastte de eend en zei, dat zij een ei had. Hoe verheugd <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>waren de drie boerenmenschen. De vrouw zette de eend in een groote kooi en bedekte
+haar met een zeef.
+</p>
+<p>Een uur later stelden zij een onderzoek in en bevonden, dat de eend het ei had gelegd.
+Nu lieten zij de eend wat rondloopen op den deel, namen het ei, betastten en bekeken
+het aan alle kanten, wikten het op de hand, drukten het aan hart en lippen, streelden
+het de een na de ander en gedroegen zich dwaas van vreugde.
+</p>
+<p>Want het was werkelijk en waarlijk een goed, geel-gouden ei. Toen zij het ten slotte
+genoeg hadden bewonderd, nam de boer het ei en bracht het naar de stad, om het te
+verkoopen. Daar gaf de goudsmid hem een groote som geld.
+</p>
+<p>Natuurlijk ging de boer nu naar de markt, kocht er brood, vleesch en allerlei groenten,
+zooveel hij maar kon dragen en keerde met rijken buit naar huis terug.
+</p>
+<p>Den volgenden dag legde de eend weer een ei, dat de boer voor den zelfden prijs aan
+den goudsmid verkocht.
+</p>
+<p>Zoo ging het iederen dag en niet lang duurde het of de boer werd erg, erg rijk.
+</p>
+<p>Nu bouwde hij zich een huis, kocht allerlei koopwaren en begon erin te handelen.
+</p>
+<p>Toen hij eens erop uit getrokken was om nieuwe waren te koopen, kwam er een vreemde
+man in zijn huis. Deze ontwaarde de eend, maar wist niet, dat zij gouden eieren legde.
+Hij verbaasde zich daarom er niet weinig over, dat het dier in de kamer verbleef en
+onder een zeef geborgen was, terwijl toch andere eenden op den vijver snaterend ronddreven.
+</p>
+<p>Hij vermoedde nu, dat daar een geheim achter schuilen moest. Hij ging dichterbij en
+bekeek den vogel nauwkeuriger. Nu ontdekte hij, dat met gouden letters onder de vleugels
+stond geschreven:
+<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p>
+<p>«Hij, die de eend opeet, zal koning worden.»
+</p>
+<p>Maar van deze ontdekking sprak hij geen woord, verzocht echter de boerin, dat zij
+de eend voor hem zou braden. Toen zij het niet wilde doen, probeerde hij het met vriendelijkheid,
+smeekte, dreigde en drong zoo indrukwekkend aan, dat zij bijna aan zijn verlangen
+voldeed. Maar zij waagde het niet uit vrees voor haar man.
+</p>
+<p>De onbekende vroeg haar nu, waarom zij zoo’n groot belang had bij het behoud van die
+eend. Waarop de boerin antwoordde, dat haar geluk van de eend afhing, zoodat zij den
+vogel niet kon of durfde braden.
+</p>
+<p>Maar de jonge man smeekte haar nog inniger en bepraatte haar zoo vriendelijk, dat
+de domme vrouw ten slotte de eend slachtte en in den oven zette.
+</p>
+<p>De onbekende dacht bij zichzelf:
+</p>
+<p>—Als de eend maar alvast is geslacht, dan ligt ze reeds half in mijn maag.
+</p>
+<p>En hij ging weg, daar hij niet langer blijven kon, maar beloofde tegen den middag
+terug te komen.
+</p>
+<p>De vrouw ging evenwel ook naar de stad.
+</p>
+<p>Even later ging de zoon, die zich in den winkel bevond, naar achter. Hij had grooten
+honger. De jongen zocht naar wat voedsel om zijn honger te stillen. Opeens drong vanuit
+den oven een heerlijke lucht tot hem door.
+</p>
+<p>Hij vond de gebraden eend, haalde ze voor den dag. De geur was zoo heerlijk, het vleesch
+zoo malsch, zijn honger zoo knagend, dat hij de eend zonder erover na te denken, heelemaal
+verslond. Hij liet alleen de beentjes over. En daarna ging hij weer in den winkel.
+</p>
+<p>Niet veel later kwam de onbekende man terug. Hij was niet weinig verbaasd, dat hij
+de boerin niet thuis trof. Hij wachtte echter, hoewel met ongeduld, tot zij weerom
+kwam.
+<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
+<p>De man verzocht haar de gebraden eend op te dienen. Hoe groot was de ontsteltenis,
+toen de boerin ontdekte, dat de eend er niet meer was!
+</p>
+<p>De vreemdeling werd boos en zeide:
+</p>
+<p>—Je hebt zeker zelf de eend opgegeten?
+</p>
+<p>Slecht geluimd ging hij weer heen.
+</p>
+<p>’s Avonds kwam de boer en met hem ook de zoon thuis. De vader bemerkte dadelijk, dat
+de eend er niet meer was. Hij vroeg nu zijn vrouw, waar de vogel was gebleven. Zij
+antwoordde hem, dat zij er niet meer van wist dan hij, daar zij in de stad was geweest.
+</p>
+<p>Nu vertelde de zoon aan zijn vader, dat hij ’s middags, toen zijn moeder niet thuis
+was, in den oven een gebraden eend vond, die hij tot op de beenderen opgegeten had.
+Maar hij wist niet of het de eend met de gouden eieren of een andere was geweest.
+</p>
+<p>Toen de vader dat hoorde, werd hij woedend op zijn vrouw en joeg zijn zoon de deur
+uit.
+</p>
+<p>De zoon ging heen, zonder te weten of te vragen waar naar toe. Nadat hij tien dagen
+en tien nachten had geloopen, kwam hij in een groot, vreemd land.
+</p>
+<p>Het volk daar was in diepe rouw gedompeld. Want zijn koning was gestorven; het wist
+niet wien het op den troon zou roepen.
+</p>
+<p>De wijzen uit het volk beraadslaagden en kwamen tot het volgende besluit:
+</p>
+<p>«Hij, die den dag na deze vergadering het eerst door de stadspoort kwam, zou tot koning
+worden gekroond.»
+</p>
+<p>Juist tegen dien tijd kwam de boerenzoon in de stad. Nu schreeuwde het geheele volk:
+</p>
+<p>—Hier komt onze koning aan!
+</p>
+<p>De ouderen en wijzen pakten hem bij de armen, brachten <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>hem in de koninklijke vertrekken, staken hem in kostbare gewaden, zetten hem de kroon
+op het hoofd, knielden voor hem en verlangden onderdanig, dat hij zijn bevelen bekend
+maakte.
+</p>
+<p>Onze koopmanszoon vertrouwde zijn eigen oogen niet. Hij dacht, dat hij droomde. Toen
+zij hem echter verzekerden, dat zij hem werkelijk tot hun koning hadden gekozen, verheugde
+hij zich werkelijk.
+</p>
+<p>De boerenzoon werd een wijs en barmhartig heerscher. Zijn volk beminde hem zeer.
+</p>
+<p>Toen hij eenigen tijd geregeerd had, liet hij zijn ouders komen, die hij vergaf en
+die hun ouden dag rustig en vreedzaam sleten.
+</p>
+<p class="trailer center">EINDE</p>
+<p><span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="spinsters" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#spinsters.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="main">DE DRIE SPINSTERS</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er was eens een lui meisje, dat niet wilde spinnen. Haar moeder mocht haar nog zoo
+beknorren en berispen, zij kon het meisje er niet toe bewegen aan het spinnewiel te
+gaan.
+</p>
+<p>Ten slotte overmeesterden de moeder op zekeren keer woede en ongeduld, zoodat zij
+haar luie dochter een dracht klappen gaf.
+</p>
+<p>Het meisje begon luidkeels te huilen. En juist kwam toen de koningin voorbij. Bij
+het hooren van het geweeklaag, liet zij haar koets stilhouden, stapte uit en ging
+het huis binnen.
+</p>
+<p>De vorstin vroeg de moeder, waarom zij haar dochter sloeg, zoodat men buiten het gehuil
+kon hooren.
+</p>
+<p>De moeder schaamde zich echter de luiheid harer dochter bekend te maken en antwoordde:
+</p>
+<p>—Ik kan maar niet van haar verkrijgen, dat zij met spinnen ophoudt. Zij wil maar altijd
+en eeuwig spinnen. Ik ben arm en kan me geen vlas aanschaffen.
+</p>
+<p>Daarop antwoordde de koningin:
+</p>
+<p>—Ik hoor niets liever dan spinnen en voel mij nooit aangenamer dan wanneer ik het
+gesnor der wielen hoor; geef mij uw dochter mee naar het paleis. Ik heb vlas genoeg,
+zoodat zij naar hartelust zal kunnen spinnen.
+</p>
+<p>Daar was de moeder zeer tevreden mee. Dus nam de koningin het meisje met zich.
+</p>
+<p>Toen zij in het paleis waren gekomen, bracht de vorstin haar naar drie kamers, die
+van onder tot boven vol lagen met het mooiste vlas.
+</p>
+<p>—Nu moet je dit vlas voor mij spinnen, sprak zij. Als je gereed komt wordt je de gemalin
+van mijn oudsten zoon. <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>Je bent wel arm, maar daar let ik niet op. Je onverdroten vlijtigheid is een voldoende
+bruidschat.
+</p>
+<p>Het meisje schrok, want zij kon het vlas niet spinnen, al was zij driehonderd jaar
+oud geworden, al had zij van ’s morgens tot ’s avonds erbij gezeten.
+</p>
+<p>Toen zij nu alleen was, begon zij te huilen en bleef zonder een vinger uit te steken,
+zoo drie dagen zitten.
+</p>
+<p>Den derden dag kwam de koningin. Toen zij zag, dat er nog niets gesponnen was, verbaasde
+zij zich erover. Maar het meisje verontschuldigde zich met de bewering, dat zij door
+de verwijdering uit moedershuis zoo bedroefd was, dat zij nog niet kon beginnen. Dit
+liet zich de koningin aanleunen.
+</p>
+<p>Bij het vertrek sprak zij echter:
+</p>
+<p>—Morgen moet je beginnen met te werken.
+</p>
+<p>Toen het meisje weer alleen was, wist zij geen raad meer. Bedroefd ging zij voor het
+venster staan. Zij zag drie vrouwen aankomen.
+</p>
+<p>De eerste had een breeden platvoet, de tweede had zoo’n groote onderlip, dat die over
+haar kin heenhing en de derde had een breeden duim. Zij bleven voor het raam staan,
+keken omhoog en vroegen het meisje, wat haar scheelde.
+</p>
+<p>Zij klaagde bij hen haar nood, waarna de drie vrouwen haar hun hulp aanboden en spraken:
+</p>
+<p>—Zal je ons op de bruiloft uitnoodigen, je niet over ons schamen, zeggen, dat wij
+je tantes zijn, ons ook aan je tafel laten plaats nemen? Dan zullen wij al het vlas
+opspinnen en wel in zeer korten tijd.
+</p>
+<p>Het meisje antwoordde:
+</p>
+<p>—Heel graag. Kom maar en begin dadelijk aan het werk! Zij liet de drie zonderlinge
+vrouwen binnen, en maakte <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>in de kamer, waar de vrouwen moesten zitten en spinnen, een bres.
+</p>
+<p>De eene trok aan den draad en trapte het rad in beweging, de andere breide den draad,
+de derde draaide hem en sloeg met den vinger op de tafel. En iederen keer, dat zij
+sloeg, viel er een getal netten op den grond. En die waren allerfijnst gesponnen.
+</p>
+<p>Voor de koningin verborg zij de drie spinsters en toonde haar, zoo dikwijls zij kwam,
+den stapel gesponnen netten, zoodat haar lofzang geen einde nam.
+</p>
+<p>Toen de eerste kamer leeg was, werd aan de tweede begonnen en ten slotte het derde
+vertrek, dat spoedig opgeruimd was.
+</p>
+<p>Nu namen de drie vrouwen afscheid en zeiden tot het meisje:
+</p>
+<p>—Vergeet niet wat je ons hebt beloofd. Het zal je geluk zijn.
+</p>
+<p>Toen het meisje aan de koningin de leege kamers en de groote hoopen netten toonde,
+werden de voorbereidingen tot de bruiloft getroffen. De prins verheugde zich zeer,
+dat hij zoo’n handige en vlijtige vrouw kreeg. Hij prees haar uitermate.
+</p>
+<p>Het meisje sprak nu:
+</p>
+<p>—Ik heb drie tantes. Daar zij mij veel goed hebben gedaan, wil ik hen in mijn geluk
+niet vergeten. Veroorloof mij, dat ik hen op de bruiloft uitnoodig en hen aan den
+feestdisch laat aanzitten.
+</p>
+<p>De koningin en de prins spraken:
+</p>
+<p>—Waarom zouden wij dit niet toestaan?
+</p>
+<p>Toen het feest begon, traden de drie vrouwen wonderlijk uitgedost binnen. En nu zei
+de bruid:
+</p>
+<p>—Weest welkom, lieve tantes!
+<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
+<p>De bruidegom vroeg:
+</p>
+<p>—Ach, hoe kom je aan zulke vieze vriendinnen?
+</p>
+<p>Hij trad op hen toe en vroeg aan de vrouw met den breeden platvoet:
+</p>
+<p>—Hoe komt u aan zoo’n breeden voet?
+</p>
+<p>—Van het loopen, antwoordde zij; van het loopen.
+</p>
+<p>Daarna ging de bruidegom naar de tweede, die hij vroeg:
+</p>
+<p>—Hoe komt u toch aan die afhangende lip?
+</p>
+<p>—Van het likken, antwoordde zij, van het likken.
+</p>
+<p>En nu vroeg hij aan de derde:
+</p>
+<p>—Hoe komt u aan dien breeden duim?
+</p>
+<p>—Van het draaien der draden, antwoordde zij, van het draaien der draden.
+</p>
+<p>De koningszoon schrok nu vreeselijk. Hij sprak:
+</p>
+<p>—Dan zal mijn schoone bruid nooit meer een spinnewiel aanraken!
+</p>
+<p>En daarmee was zij van het akelige vlasspinnen voorgoed verlost.
+</p>
+<p class="trailer center">EINDE</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center small">Uitg. «Patria», Antw.
+<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center large">DOE STEEDS UWE INKOOPEN BIJ
+</p>
+<p class="center xl">W.&nbsp;J. Wijburg.
+</p>
+<p class="center">Weerstraat B. 38. Tiel.
+</p>
+<p class="center large"><i>Het voordeeligst en ruim <br>gesorteerd adres in <br>Kinderspeelgoederen <br>en <br>Galanterieën</i>
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<table role="presentation">
+<tr id="vuurvogel.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#vuurvogel">DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#vuurvogel">3</a></td>
+</tr>
+<tr id="eend.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#eend">DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#eend">23</a></td>
+</tr>
+<tr id="spinsters.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#spinsters">DE DRIE SPINSTERS</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#spinsters">29</a></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2026-08-01 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 7 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e119">n.v.t.</a></td>
+<td class="width40 bottom">GEILLUSTREERD</td>
+<td class="width40 bottom">GEÏLLUSTREERD</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e146">4</a></td>
+<td class="width40 bottom">ui</td>
+<td class="width40 bottom">uit</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e191">7</a></td>
+<td class="width40 bottom">k</td>
+<td class="width40 bottom">Ik</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e242">10</a></td>
+<td class="width40 bottom">hadt</td>
+<td class="width40 bottom">had</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e246">10</a>, <a class="pageref" href="#xd34e302">13</a></td>
+<td class="width40 bottom">»</td>
+<td class="width40 bottom">—</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e254">10</a></td>
+<td class="width40 bottom">jouw</td>
+<td class="width40 bottom">jou</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/79258-h/images/front.jpg b/79258-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..aa3c7d2
--- /dev/null
+++ b/79258-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/79258-h/images/p04.png b/79258-h/images/p04.png
new file mode 100644
index 0000000..c85a531
--- /dev/null
+++ b/79258-h/images/p04.png
Binary files differ
diff --git a/79258-h/images/p09.png b/79258-h/images/p09.png
new file mode 100644
index 0000000..2fa4fe3
--- /dev/null
+++ b/79258-h/images/p09.png
Binary files differ
diff --git a/79258-h/images/p14.png b/79258-h/images/p14.png
new file mode 100644
index 0000000..10a34d4
--- /dev/null
+++ b/79258-h/images/p14.png
Binary files differ
diff --git a/79258-h/images/p18.png b/79258-h/images/p18.png
new file mode 100644
index 0000000..07182be
--- /dev/null
+++ b/79258-h/images/p18.png
Binary files differ
diff --git a/79258-h/images/p23.png b/79258-h/images/p23.png
new file mode 100644
index 0000000..0ea3763
--- /dev/null
+++ b/79258-h/images/p23.png
Binary files differ
diff --git a/79258-h/images/titlepage.png b/79258-h/images/titlepage.png
new file mode 100644
index 0000000..45366de
--- /dev/null
+++ b/79258-h/images/titlepage.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6c72794
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This book, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..0aa6166
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1 @@
+[Project Gutenberg](https://www.gutenberg.org) public repository for eBook [#79258](https://www.gutenberg.org/ebooks/79258)