diff options
| author | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-08-02 10:41:34 -0700 |
|---|---|---|
| committer | www-data <www-data@mail.pglaf.org> | 2026-08-02 10:41:34 -0700 |
| commit | 09bae8095a845deb7fc70ebdb4dcce2eaba61185 (patch) | |
| tree | 9858e4dde512283b2ee8da8607343aeb85f38cb9 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 13 | ||||
| -rw-r--r-- | 79258-0.txt | 993 | ||||
| -rw-r--r-- | 79258-h/79258-h.htm | 1809 | ||||
| -rw-r--r-- | 79258-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 538688 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 79258-h/images/p04.png | bin | 0 -> 170005 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 79258-h/images/p09.png | bin | 0 -> 166973 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 79258-h/images/p14.png | bin | 0 -> 197659 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 79258-h/images/p18.png | bin | 0 -> 135043 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 79258-h/images/p23.png | bin | 0 -> 114913 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 79258-h/images/titlepage.png | bin | 0 -> 308269 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 1 |
12 files changed, 2827 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..9f57f44 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,13 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text +*.htm text +*.html text +*.png binary +*.jpg binary +*.svg text +*.pdf binary +*.bmp binary +*.zip binary +*.midi binary +*.mp3 binary diff --git a/79258-0.txt b/79258-0.txt new file mode 100644 index 0000000..723fb8c --- /dev/null +++ b/79258-0.txt @@ -0,0 +1,993 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 *** + + + + + + DE VUURVOGEL + EN DE + GRIJZE WOLF + + GEÏLLUSTREERD + + + + + + + + +DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF + + +Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst, +die drie zonen had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch. + +De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon +bogen op het eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van +de zeldzaamste soorten groeiden er, terwijl de vreemdste vogels zongen +en zich wiegden op de takken. + +Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na +de warme dagen koelte en rust. + +Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van +hield, want hij droeg gouden appels. + +Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal +verminderden. Dat verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn +noch drank gebruikte en door het groote verdriet zelfs niet slapen kon. + +Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak: + +—Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart +knaagt; jullie moet weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin +komt, die de gouden appels steelt, zoodat ik hun aantal met elken dag +zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik de helft van mijn rijk +en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren. + +Toen spraken de zonen: + +—Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen! + +Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden +zij het eens: ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken. + +Den eersten nacht waakte de oudste. + +Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg +pijn in al zijn ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich +op het zachte gras ging uitstrekken. + +Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel +beter hij nu de zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat +nadenken in, en ontwaakte pas, toen de helle, lichte zon hem in het +gelaat lachte. + +Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond +eindelijk traag op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij: + +—Vannacht is de dief niet gekomen. + +Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom +zitten en wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn, +indien hij zich in het groene gras neervlijde. + +Hij strekte zijn ledematen uit en sliep in. Toen hij weer ontwaakte, +was het reeds lang dag. + +Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee: + +—Vannacht is de dief niet gekomen. + +In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom +zitten en verroerde zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en +nog een. Maar hij hield de oogen open en werd niet slaperig. + +Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel, +vanuit het Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij +op den boom neer, waar prins Iwan onder zat. + +De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd +beschenen. Nu zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden +veeren en oogen had. Dicht tegen den stam aangeleund stond Iwan. Zijn +wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te ademen. De vogel sprong +van tak tot tak, en plukte de gouden appels. + +Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den +schrik liet deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de +lucht weg. + +Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde +een licht, waardoor de geheele tuin in vlam scheen te staan. + +’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den +vogel. En toen hij zijn vader de veer overhandigde, verlichtte deze op +zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er lichten +in hem waren aangebracht. + +Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak: + +—Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je? + +Iwan antwoordde: + +—Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u +moet weten, dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw +gouden appels steelt. + +En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en +kuste hem innig op het voorhoofd. + +Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden +appels meer werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust; +hij vergat de ernstige dagen. + + + +Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen: + +—De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken, +om jullie geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te +vertrekken. Zoekt wat je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor +alles den vuurvogel te vinden. Wie hem mij levend brengt, dien schenk +ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook +de andere helft voor hem zijn. + +Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun +broeder, omdat het hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken. +Om nu te verhinderen, dat Iwan hen voor zou zijn, vertrokken zij in +allerhaast. + +Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak: + +—Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders +volg. Ik zou ook gaarne mijn geluk beproeven... Het zou mij bovendien +verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen. + +Maar de koning sprak: + +—Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig +hebt, is lang. Ik echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet +niet wanneer ik sterven zal. Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik +afscheid van het leven neem, wie zal dan het volk regeeren en het over +mogelijke tweedracht heen helpen? + +Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te +brengen. Daarom schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te +vertrekken. + +Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan +recht toe zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin +een wegwijzer stond, die drie armen had. + +Op den eersten stond vermeld: + +«Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.» + +Op den rechter arm stond te lezen: + +«Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten +doode opgeschreven.» + +Den linker arm verkondigde: + +«Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn +paard zal blijven leven.» + +Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de +overweging, dat weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in +leven bleef. Later zou hij zich wel een ander paard kunnen aanschaffen. + +Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar +woud. Maar uit het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf +tegemoet. + +Deze sprak tot prins Iwan: + +—Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard +sterven! + +En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard +verscheurd. + +Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan +een stuk door. Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om +wat uit te rusten, stond nogmaals de grijze wolf voor hem. + +Deze sprak: + +—Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb +verscheurd. Maar het moest! Of hebt gij niet gelezen, wat er achter u +stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan zal ik u +dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge +wilt! + +Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou +moeten reizen tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den +grijzen wolf zitten. In vliegende vaart, vlugger dan een vogel, trokken +zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een hoogen muur stil +hielden. + +Toen zei de grijze wolf: + +—Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een +kooi, waarin de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en +raak de gouden kooi niet aan! Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet +meer vandaan, en zal men u gevangen nemen. + +Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder +beschenen, alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van +den vuurvogel, die in een gouden kooi zat, welke midden in den tuin +stond. + +Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf +kwam, loerde hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel +uit de kooi. + +Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de +vermaning van den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee. + +Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de +kooi uit liepen zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de +bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel en brachten den jongen prins +voor koning Dalmat. + +Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe: + +—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken? + +Prins Iwan antwoordde: + +—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig +vorst. Deze vogel is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit +mijn vaders tuin steelt. + +Waarop de koning antwoordde: + +—Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij +er om had verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu +verdient ge, dat ik u door het geheele land stuur en bekend maak, hoe +schandelijk gij mij hebt behandeld. + +—Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal +tiende koninkrijk trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het +paard met de gouden manen, zal ik uw wandaad vergeven en u met +eerbewijzen den vuurvogel overhandigen. + +Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer en beloofde het paard met de +gouden manen te zullen brengen. + +Diep bedroefd keerde hij naar den Grijzen Wolf terug. + +—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je +niet naar me geluisterd en toch de gouden kooi aangeraakt? + +—Ik ben door jou schuldig, antwoordde prins Iwan, en jij alleen kan het +weer goedmaken! Breng mij naar koning Alfons, bij wien ik het paard met +de gouden manen moet halen. + +—Het zij zoo, bromde de wolf, ga op me zitten! Ik zal je brengen waar +je heen wil. + +Toen ging prins Iwan weer boven op den Grijzen Wolf zitten, en als een +pijl uit een boog schoten zij vooruit. + +Diep in den nacht kwamen zij voor het slot van koning Alfons. + +De Grijze Wolf sprak nu tot den prins: + +—Ga in den marmeren stal. De knechten slapen nu, zoodat het je niet +moeilijk zal vallen het paard met de gouden manen uit den stal te +brengen. Maar aan den muur hangt een gouden tuig; denk er vooral om dat +niet aan te raken! Wanneer je dit tuig neemt, kan je niet meer weg en +wordt je gevangen genomen. + +Iwan ging in den marmeren stal en vond, zooals de Grijze Wolf had +gezegd, de wachters in slaap en het paard met de gouden manen los op +z’n plaats. + +Toen hij het echter naar buiten wilde brengen, ontwaarde hij aan den +muur het gouden tuig. Het schitterde zoo mooi, dat hij de waarschuwing +van den Grijzen Wolf vergat en ook het tuig meenam. Maar nauwelijks had +zijn hand het tuig aangeraakt, of door al de stallen weerklonk +klokgelui. Want van het tuig gingen zilverdraden uit naar alle kanten. + +De paarden begonnen te trappelen; de wachters werden wakker, grepen den +dief en brachten hem voor koning Alfons. + +Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe: + +—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij? Waar gelden zulke gebruiken? + +Prins Iwan antwoordde: + +—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig +vorst. + +—Als ge als prins tot mij waart gekomen, dan had ik u het paard met de +gouden manen als eerbewijs ten geschenke gegeven! Nu verdient ge, dat +ik door het geheele land bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt +behandeld! + +Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer. Maar de koning begon opnieuw: + +—Luister, prins! Als gij door driemaal negen landen trekt, naar het +drie maal tiende koninkrijk, en mij den dienst bewijst de schoone +Helena te halen, dan zal ik u uw wandaad vergeven, en u het paard met +de gouden manen en ook het gouden tuig schenken. + +Prins Iwan beloofde de schoone prinses te zullen brengen, waarna hij in +de grootste droefheid naar den Grijzen Wolf terugkeerde. + +—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je +niet naar me geluisterd, en nam je het gouden tuig? + +—Ach, ik deed er verkeerd aan. Ik moet zonder vrede blijven als jij me +niet helpt! + +—Kom, ga op me zitten, vervolgde de Grijze Wolf, dan zal ik je brengen, +waarheen je wilt. Maar nu is het mijn beurt! + +Het duurde niet lang of zij waren drie maal negen landen doorgetrokken, +en bevonden zich in het drie maal tiende rijk. Toen kwamen zij in een +breed dal. In het midden daarvan stond een groene eik. + +—Stijg af, prins Iwan, sprak de Grijze Wolf, en wacht hier onder dezen +eik op mij! + +De prins deed, wat hem was bevolen. Maar de Grijze Wolf liep door tot +hij voor een gouden hek kwam, waarachter zich de tuin bevond der +schoone prinses. De Grijze Wolf sprong over de omheining en verstopte +zich achter kreupelhout. + +Tegen den avond, toen de zon reeds in het Westen wegzonk en koele +windjes in den tuin waaiden, begaf de koningsdochter zich met haar +kamermeisjes naar den tuin, waar zij babbelend en schertsend heen en +weer wandelden. + +Toen zij echter de plek naderden, waar de Grijze Wolf verscholen zat, +sprong deze plotseling van achter het kreupelhout te voorschijn. Hij +greep de schoone koningsdochter vast en ontvluchtte over het hek heen. + +Haar bewaaksters en kamermeisjes, die met haar in den tuin waren, +weenden en snelden naar het paleis terug. + +Het geheele hof liep te hoop. De koning zond hardloopers en jagers er +op uit om den Grijzen Wolf in te halen. Maar hoe hard zij ook liepen, +zij konden hem niet inhalen. Zij keerden onverrichterzake tot hun heer +en meester terug. + +Intusschen nam Iwan de schoone koningsdochter van den Grijzen Wolf over +en legde haar voorzichtig op het gras. Zij lag er bleek en stil, alsof +zij dood was, zoo hevig had de Grijze Wolf haar doen schrikken. + +Spoedig opende zij de mooie oogen, zag den jeugdigen prins en bloosde +diep, wat haar nog schooner maakte dan zij gewoonlijk was. De prins nam +haar vóór zich op den rug van den Grijzen Wolf, die weer als een pijl +uit den boog voortvloog, naar het land van koning Alfons. Maar toen zij +voor diens paleis aankwamen, wilde de prins en de prinses niet meer van +elkaar scheiden. De schoone koningsdochter weende bitter en Iwan was +diep bedroefd. + +Nu vroeg de Grijze Wolf: + +—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan? + +En de prins antwoordde: + +—Ik moet wel weenen en treurig zijn! Ik kan onmogelijk van de prinses +scheiden en geef haar niet in ruil voor het paard met de gouden manen. +Maar als ik het niet doe, ben ik voor de geheele wereld onteerd! + +—Ik heb je tot nu toe gediend, antwoordde de Grijze Wolf, ik zal je ook +nu dienen. + +—Luister, Iwan! Ik zal me omtooveren in een prinses, en als twee +droppels gelijken op de schoone Helena. Jij moet mij naar koning Alfons +brengen, zoodat je dan het paard met de gouden manen in ruil ontvangt. +Heb geen zorg voor mij! Zoodra je aan mij denkt, ben ik weer bij je. + +Toen wierp de Grijze Wolf zich op den grond, en opeens stond voor prins +Iwan een prinses, die zoo sprekend op de schoone Helena geleek, dat hij +niet kon onderscheiden wie de echte of de valsche was. + +Nu verlangde de prinses geworden Wolf, dat de prins hem zou volgen. +Maar de schoone Helena gebood hij in het woud te wachten. + +Toen prins Iwan met de zoogenaamde prinses bij koning Alfons kwam, was +deze zeer verheugd. Hij schonk dus Iwan het paard met de gouden manen. +Iwan wachtte niet lang, sprong op het paard en snelde weg. + +Spoedig werden voorbereidselen getroffen voor de bruiloft. Koning +Alfons wilde zijn bruid naar de tafel geleiden. Maar toen hij haar hand +wilde vatten, voelde hij in de zijne een ruigen zwaren poot. En tot +hevigen schrik van al de aanwezige gasten ontwaarden zij, in plaats van +een schoone bruid, een reusachtig grooten grijzen wolf naast den +koning. Maar voordat zij goed en wel beseften wat er juist gebeurde, +was de wolf al de deur uit en verdwenen. + +Intusschen reed prins Iwan met de echte prinses steeds verder. Zij +hadden zooveel met elkaar gesproken, dat zij den Grijzen Wolf geheel +vergaten. Maar toen Iwan eens aan hem dacht en sprak: + +—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond de Grijze Wolf al voor hem, en +zei: + +—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid op het paard met +de gouden manen rijden. + +Toen sprong prins Iwan van het paard en nam weer plaats op den rug van +den Grijzen Wolf. En zoo trokken zij naar het rijk van koning Dalmat. +Maar toen het oogenblik was aangebroken, dat hij het paard met de +gouden manen aan koning Dalmat moest overgeven, overviel hem nogmaals +een groote droefheid. Nu vroeg de Grijze Wolf weer: + +—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan? + +—Ach, antwoordde deze, ik moet wel treurig zijn, want ik moet immers +het paard met de gouden manen afstaan, dat mij zoo trouw heeft gediend. +Maar als ik het niet doe, wordt ik voor de geheele wereld onteerd. + +—Hoe dikwijls heb ik je niet tot nog toe gediend!... Ook nu zal ik je +dezen dienst bewijzen, en me omtooveren in het paard met de gouden +manen. + +Toen wierp de Grijze Wolf zich op de aarde, en spoedig stond voor prins +Iwan een paard met golvende, gouden manen. Het geleek zooveel op het +andere, dat men niet kon zeggen, welke van beiden het echte was. + +Nu sprak de Wolf, die in een paard was veranderd: + +—Breng mij naar koning Dalmat, waarna je den vuurvogel zal ontvangen. +En wanneer je maar aan mij denkt, zal ik weer bij je zijn. + +Aan de schoone Helena gebood hij voor de stad te wachten. + +Toen prins Iwan voor het paleis van koning Dalmat kwam, en deze het +paard met de gouden manen zag, verheugde hij zich er zoozeer over dat +hij zijn vertrekken verliet en zijn gast tegemoet snelde. Hij nam den +prins bij de hand, en bracht hem naar de marmeren zaal. Daar +overhandigde hij hem den vuurvogel met de gouden kooi. + +Iwan weifelde niet lang, nam vogel en kooi, en verliet de stad. + +Op zekeren dag had koning Dalmat lust op het paard met de gouden manen +ter jacht te gaan. Hij beval het te zadelen en trok met de geheele +hofhouding naar het woud. Er waren geen woorden genoeg om het heerlijke +paard te loven. + +Opeens schoot vanonder den koning een grijze wolf weg. + +—Houdt hem! Er achterna! riepen allen. Maar niemand was hierop +voorbereid. + +Prins Iwan was intusschen met zijn schoone prinses ver op weg naar zijn +vaderland. En toen hij opeens dacht: + +—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond deze reeds voor hem en sprak: + +—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid echter op het +paard met de gouden manen rijden! + +Nu nam Iwan plaats op den Grijzen Wolf, en zoo trokken zij weer verder. + +Toen zij op de plek kwamen, waar de Grijze Wolf het paard van den prins +had verscheurd, bleven zij staan. En de Grijze Wolf sprak: + +—Welnu, prins Iwan, ga van mijn rug. Ik kan je voortaan niet meer +dienen. En in ’t vervolg moet je jezelf helpen. Maar wees voorzichtig, +en stel geen vertrouwen in je broeders! + +Bij deze woorden verdween hij in het woud. + +Iwan wachtte nog een lange poos, in de hoop, dat de Grijze Wolf zou +terugkeeren. Toen hij echter bemerkte, dat hij tevergeefs wachtte, +zette hij treurig gestemd met de schoone prinses, het paard met de +gouden manen en den vuurvogel zijn reis voort. + +Hij had nog een twintig mijlen af te leggen. In de verte ontwaarde hij +in het groene veld een tent, welke hij tegen den avond bereikte. Wie +beschrijft zijn vreugde, toen hij zijn broeders uit de tent zag komen! + +Zij hadden evenals hij de verst verwijderde koninkrijken doortrokken, +maar den vuurvogel hadden zij niet gevonden, en juist terzelfdertijd +keerden zij met leege handen naar hun vaderland terug. + +Toen zij nu het paard met de gouden manen zagen en de schoone +koningsdochter er boven op, en den vuurvogel in de gouden kooi, brak +hun haast het hart van naijver. Maar zij veinsden de vreugde van hun +broeder te deelen. + +Met vriendelijke woorden noodigden zij hem en de prinses in de tent, en +zetten hen spijzen en drank in overvloed voor. + +Iwan, die door den sterken drank verhit en beneveld was, vergat de +waarschuwing van den Grijzen Wolf, en vertelde wat er was gebeurd. In +zijn vreugde bemerkte Iwan niet hoe zijn broeders steeds van +gelaatskleur wisselden. + +Het duurde niet lang of Iwan en de prinses, vermoeid door de lange +reis, vielen in diepen slaap. Toen lachte de oudste spottend. Hij trok +zijn zwaard en stak zijn broeder midden in het hart. + +Daarna wekten zij de schoone koningsdochter en zeiden haar, dat zij +haar nu naar hun vader zouden brengen met den vuurvogel en het paard +met de gouden manen. Maar toen de prinses zag, dat Iwan was vermoord, +brak zij in bitter geweeklaag uit en klaagde onder tranen: + +—Jullie booswichten, wat hebben jullie daarmee gewonnen? Is een slapend +mensch niet als een doode? + +Nu zette de oudste, die reeds den broer had overmand, ook haar het +zwaard op het hart en sprak: + +—Luister, schoone koningsdochter, je bent in onze macht, en nu moet je +onzen vader zeggen, dat wij je veroverd hebben, en ook den vuurvogel en +het paard met de gouden manen. Maar als jij dit niet wilt zeggen, zal +ik je onmiddellijk om hals brengen! + +In haar angst, dat zij sterven moest, beloofde Helena alles te zeggen +wat haar zou worden bevolen. + +De beide broeders begonnen nu te loten wie de schoone prinses en wie +het paard met de gouden manen zou krijgen. Den tweede wees het lot de +bruid aan, de oudste bekwam echter het paard met de gouden manen. + +De laatste sprong weer op zijn paard en voerde dat met de gouden manen +aan de teugels mee, terwijl de andere broeder de schoone koningsdochter +bij zich hield. Zoo trokken zij naar hun vader, om hem den vuurvogel te +brengen. + +Intusschen lag Iwan al drie dagen dood op het veld. Het toeval wilde, +dat de Grijze Wolf in de buurt rondzwierf, en den verslagen jongeling +vond. Hij wilde hem helpen, maar wist niet hoe. + +Radeloos sloop hij her en der tot de dag voorbij ging en de zon daalde. +Omstreeks dezen tijd bemerkte hij opeens een raaf met twee jongen, die +boven het lijk heen en weer vlogen, en er op wilden neerstrijken, om +zich aan het vleesch te goed te doen. + +Toen verschool de Grijze Wolf zich achter struikgewas, want hij wilde +een raaf vangen. Op het oogenblik, dat de jonge vogels vraatzuchtig +neerstreken, sprong hij te voorschijn, snapte er een en wilde de raaf +verscheuren. Maar de oude raaf riep hem angstig toe: + +—Ach, Grijze Wolf, doe mijn jong kind geen pijn, het heeft je toch geen +kwaad gedaan! + +De Wolf antwoordde: + +—Luister, Raaf, je moet over driemaal negen landen en drie maal tien +koninkrijken vliegen, en mij het water des levens en het water des +doods brengen. Dan eerst zal je kind ongedeerd blijven. + +En de raaf antwoordde: + +—Ach, Grijze Wolf, ik zal het gaarne halen, maar deer mijn kind niet! + +En toen de vogel deze woorden had gesproken, vloog hij weg en verdween +spoedig in de lucht. + +Drie dagen later keerde hij weer met twee fleschjes, waarin het water +des levens en het water des doods was. + +De Grijze Wolf nam de fleschjes, en toen hij ze had, verscheurde hij de +jonge raaf in tweeën. + +Daarna besproeide hij den deerlijk gehavenden vogel met het water des +doods. De raaf groeide weer aan elkaar! Dan nam hij het water des +levens; de kleine raaf richtte zich op en vloog weg. + +Nu besproeide de Grijze Wolf den verslagen prins met het water des +doods. Diens lichaam groeide weer aaneen. Toen de Grijze Wolf hem met +het water des levens besprenkelde, stond Iwan op en sprak: + +—Ach, waarom heb ik zoolang geslapen? + +—Je zou eeuwig hebben geslapen, antwoordde de Grijze Wolf, als ik je +niet hier gevonden had. Want je broeder heeft je neergeveld; de ander +heeft je bruid genomen en zal vandaag met de schoone Helena trouwen. + +Als een waanzinnige keek prins Iwan den Grijzen Wolf aan, en dacht +slechts: + +—Droom ik, of waak ik? + +Maar deze sprak: + +—Snel, Iwan, ga op mij zitten, opdat ik je naar je vader zal brengen. +Anders zie je de schoone prinses niet terug! + +Nu begreep prins Iwan eerst wat er in dien tusschentijd was gebeurd. +Hij nam op den rug van den Grijzen Wolf plaats, en bevond zich spoedig +voor de stad zijns vaders. Hier nam hij afscheid van den Grijzen Wolf, +waarna hij de stad inging. + +Toen hij het kasteel binnentrad, waren er reeds vele gasten verzameld. +Boven aan tafel zaten aan den maaltijd de schoone Helena en zijn +broeders, een aan haar rechter zij en een aan haar linker kant. + +Maar toen de bruid, wier gelaat zeer bleek zag, den vreemden gast +ontwaarde, sprong zij op en riep luid: + +—Daar is mijn echte bruidegom; deze hier, die met mij aan tafel zat, is +een booswicht! + +Zij snelde naar Iwan toe en sloeg haar armen om zijn hals. + +Nu verhief de koning zich van zijn zetel en vroeg, geheel in de war van +verbazing, wat dat had te beteekenen. De schoone koningsdochter +vertelde alles: hoe Iwan haar verkreeg; dat het paard met de gouden +manen en den vuurvogel hem toebehoorden; hoe de broeders hem in den +slaap vermoord hadden, en haar dwongen geen woord van het gebeurde te +vertellen. + +En Iwan vertelde verder: dat de Grijze Wolf hem tenslotte had gevonden, +hem weer levend had gemaakt en hem hierheen had gebracht, zoodat alles +nog op het laatste oogenblik opgehelderd kon worden. + +De koning was nu vreeselijk vertoornd. Hij beval, dat de beide broeders +onmiddellijk in de ketens geklonken moesten worden en in den kerker +geworpen. + +Prins Iwan plaatste de koning nog in hetzelfde uur aan het hoofd van +het geheele rijk. En de schoone Helena werd tot koningin uitgeroepen en +leefde in eendracht en liefde naast haar Iwan, die tenslotte verkreeg, +wat hij met zooveel moeite en strijd verworven had. + + + EINDE + + + + + + + + +DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN + + +Er was eens een arme boer, die met zijn vrouw en zoon nauwelijks genoeg +had om er van te kunnen leven. Hoezeer zij zich ook inspanden, toch +waren hun inkomsten ontoereikend. + +Op zekeren avond was het met ’t gezin zoo erg, dat moeder de vrouw de +haren niet meer kon voorzetten dan een harden korst. + +Maar op het oogenblik, dat zij het stuk brood wilde verdeelen, sloop +van achter den oven een heks te voorschijn, rukte den korst uit de +handen der arme vrouw en snelde naar haar schuilhoek terug. + +De boer smeekte de heks, dat zij hen toch vooral niet het laatste hapje +voor den mond weg zou rukken. Hij had tranen in de oogen. Geen +kruimeltje was er meer in huis voor hem, zijn vrouw en zijn zoon. + +Biddend om haar te vermurwen viel hij voor de heks op de knieën. + +Maar het oudje antwoordde, dat zij niet meer teruggeven kon wat zij +eenmaal afgenomen had. Zij wilde hem evenwel ter vergoeding een eend +geven, die eiken dag een gouden ei zou leggen. + +—Maar zeg mij, waar ik de eend vinden kan, antwoordde de boer +ongeloovig, dan zullen wij gaarne honger willen lijden tot morgen +ochtend. + +De oude heks gaf nu tot bescheid: + +—Ga morgen, voordat de zon boven de bergen stijgt naar de stad. Daar +zal je op den vijver, de eend zien zwemmen! + +Zoodra zij deze woorden had gesproken, was zij verdwenen. Maar vrouw en +zoon wachtten nog een poos, want zij hoopten, dat het oudje zou +terugkomen; zij kwam echter niet weer. + +De vrouw zuchtte en de zoon jammerde luid; troosteloos wierpen zij zich +op bed. + +De boer kon den geheelen nacht geen oog dichtdoen. Den volgenden morgen +stond hij vroeg op en ging naar de stad. Daar zag hij werkelijk op den +vijver de eend zwemmen. + +Hij bedacht zich niet lang, lokte de eend, die onmiddellijk naar den +oever kwam. Snel pakte hij haar en bracht den vogel naar zijn vrouw. + +Deze betastte de eend en zei, dat zij een ei had. Hoe verheugd waren de +drie boerenmenschen. De vrouw zette de eend in een groote kooi en +bedekte haar met een zeef. + +Een uur later stelden zij een onderzoek in en bevonden, dat de eend het +ei had gelegd. Nu lieten zij de eend wat rondloopen op den deel, namen +het ei, betastten en bekeken het aan alle kanten, wikten het op de +hand, drukten het aan hart en lippen, streelden het de een na de ander +en gedroegen zich dwaas van vreugde. + +Want het was werkelijk en waarlijk een goed, geel-gouden ei. Toen zij +het ten slotte genoeg hadden bewonderd, nam de boer het ei en bracht +het naar de stad, om het te verkoopen. Daar gaf de goudsmid hem een +groote som geld. + +Natuurlijk ging de boer nu naar de markt, kocht er brood, vleesch en +allerlei groenten, zooveel hij maar kon dragen en keerde met rijken +buit naar huis terug. + +Den volgenden dag legde de eend weer een ei, dat de boer voor den +zelfden prijs aan den goudsmid verkocht. + +Zoo ging het iederen dag en niet lang duurde het of de boer werd erg, +erg rijk. + +Nu bouwde hij zich een huis, kocht allerlei koopwaren en begon erin te +handelen. + +Toen hij eens erop uit getrokken was om nieuwe waren te koopen, kwam er +een vreemde man in zijn huis. Deze ontwaarde de eend, maar wist niet, +dat zij gouden eieren legde. Hij verbaasde zich daarom er niet weinig +over, dat het dier in de kamer verbleef en onder een zeef geborgen was, +terwijl toch andere eenden op den vijver snaterend ronddreven. + +Hij vermoedde nu, dat daar een geheim achter schuilen moest. Hij ging +dichterbij en bekeek den vogel nauwkeuriger. Nu ontdekte hij, dat met +gouden letters onder de vleugels stond geschreven: + +«Hij, die de eend opeet, zal koning worden.» + +Maar van deze ontdekking sprak hij geen woord, verzocht echter de +boerin, dat zij de eend voor hem zou braden. Toen zij het niet wilde +doen, probeerde hij het met vriendelijkheid, smeekte, dreigde en drong +zoo indrukwekkend aan, dat zij bijna aan zijn verlangen voldeed. Maar +zij waagde het niet uit vrees voor haar man. + +De onbekende vroeg haar nu, waarom zij zoo’n groot belang had bij het +behoud van die eend. Waarop de boerin antwoordde, dat haar geluk van de +eend afhing, zoodat zij den vogel niet kon of durfde braden. + +Maar de jonge man smeekte haar nog inniger en bepraatte haar zoo +vriendelijk, dat de domme vrouw ten slotte de eend slachtte en in den +oven zette. + +De onbekende dacht bij zichzelf: + +—Als de eend maar alvast is geslacht, dan ligt ze reeds half in mijn +maag. + +En hij ging weg, daar hij niet langer blijven kon, maar beloofde tegen +den middag terug te komen. + +De vrouw ging evenwel ook naar de stad. + +Even later ging de zoon, die zich in den winkel bevond, naar achter. +Hij had grooten honger. De jongen zocht naar wat voedsel om zijn honger +te stillen. Opeens drong vanuit den oven een heerlijke lucht tot hem +door. + +Hij vond de gebraden eend, haalde ze voor den dag. De geur was zoo +heerlijk, het vleesch zoo malsch, zijn honger zoo knagend, dat hij de +eend zonder erover na te denken, heelemaal verslond. Hij liet alleen de +beentjes over. En daarna ging hij weer in den winkel. + +Niet veel later kwam de onbekende man terug. Hij was niet weinig +verbaasd, dat hij de boerin niet thuis trof. Hij wachtte echter, hoewel +met ongeduld, tot zij weerom kwam. + +De man verzocht haar de gebraden eend op te dienen. Hoe groot was de +ontsteltenis, toen de boerin ontdekte, dat de eend er niet meer was! + +De vreemdeling werd boos en zeide: + +—Je hebt zeker zelf de eend opgegeten? + +Slecht geluimd ging hij weer heen. + +’s Avonds kwam de boer en met hem ook de zoon thuis. De vader bemerkte +dadelijk, dat de eend er niet meer was. Hij vroeg nu zijn vrouw, waar +de vogel was gebleven. Zij antwoordde hem, dat zij er niet meer van +wist dan hij, daar zij in de stad was geweest. + +Nu vertelde de zoon aan zijn vader, dat hij ’s middags, toen zijn +moeder niet thuis was, in den oven een gebraden eend vond, die hij tot +op de beenderen opgegeten had. Maar hij wist niet of het de eend met de +gouden eieren of een andere was geweest. + +Toen de vader dat hoorde, werd hij woedend op zijn vrouw en joeg zijn +zoon de deur uit. + +De zoon ging heen, zonder te weten of te vragen waar naar toe. Nadat +hij tien dagen en tien nachten had geloopen, kwam hij in een groot, +vreemd land. + +Het volk daar was in diepe rouw gedompeld. Want zijn koning was +gestorven; het wist niet wien het op den troon zou roepen. + +De wijzen uit het volk beraadslaagden en kwamen tot het volgende +besluit: + +«Hij, die den dag na deze vergadering het eerst door de stadspoort +kwam, zou tot koning worden gekroond.» + +Juist tegen dien tijd kwam de boerenzoon in de stad. Nu schreeuwde het +geheele volk: + +—Hier komt onze koning aan! + +De ouderen en wijzen pakten hem bij de armen, brachten hem in de +koninklijke vertrekken, staken hem in kostbare gewaden, zetten hem de +kroon op het hoofd, knielden voor hem en verlangden onderdanig, dat hij +zijn bevelen bekend maakte. + +Onze koopmanszoon vertrouwde zijn eigen oogen niet. Hij dacht, dat hij +droomde. Toen zij hem echter verzekerden, dat zij hem werkelijk tot hun +koning hadden gekozen, verheugde hij zich werkelijk. + +De boerenzoon werd een wijs en barmhartig heerscher. Zijn volk beminde +hem zeer. + +Toen hij eenigen tijd geregeerd had, liet hij zijn ouders komen, die +hij vergaf en die hun ouden dag rustig en vreedzaam sleten. + + + EINDE + + + + + + + + +DE DRIE SPINSTERS + + +Er was eens een lui meisje, dat niet wilde spinnen. Haar moeder mocht +haar nog zoo beknorren en berispen, zij kon het meisje er niet toe +bewegen aan het spinnewiel te gaan. + +Ten slotte overmeesterden de moeder op zekeren keer woede en ongeduld, +zoodat zij haar luie dochter een dracht klappen gaf. + +Het meisje begon luidkeels te huilen. En juist kwam toen de koningin +voorbij. Bij het hooren van het geweeklaag, liet zij haar koets +stilhouden, stapte uit en ging het huis binnen. + +De vorstin vroeg de moeder, waarom zij haar dochter sloeg, zoodat men +buiten het gehuil kon hooren. + +De moeder schaamde zich echter de luiheid harer dochter bekend te maken +en antwoordde: + +—Ik kan maar niet van haar verkrijgen, dat zij met spinnen ophoudt. Zij +wil maar altijd en eeuwig spinnen. Ik ben arm en kan me geen vlas +aanschaffen. + +Daarop antwoordde de koningin: + +—Ik hoor niets liever dan spinnen en voel mij nooit aangenamer dan +wanneer ik het gesnor der wielen hoor; geef mij uw dochter mee naar het +paleis. Ik heb vlas genoeg, zoodat zij naar hartelust zal kunnen +spinnen. + +Daar was de moeder zeer tevreden mee. Dus nam de koningin het meisje +met zich. + +Toen zij in het paleis waren gekomen, bracht de vorstin haar naar drie +kamers, die van onder tot boven vol lagen met het mooiste vlas. + +—Nu moet je dit vlas voor mij spinnen, sprak zij. Als je gereed komt +wordt je de gemalin van mijn oudsten zoon. Je bent wel arm, maar daar +let ik niet op. Je onverdroten vlijtigheid is een voldoende bruidschat. + +Het meisje schrok, want zij kon het vlas niet spinnen, al was zij +driehonderd jaar oud geworden, al had zij van ’s morgens tot ’s avonds +erbij gezeten. + +Toen zij nu alleen was, begon zij te huilen en bleef zonder een vinger +uit te steken, zoo drie dagen zitten. + +Den derden dag kwam de koningin. Toen zij zag, dat er nog niets +gesponnen was, verbaasde zij zich erover. Maar het meisje +verontschuldigde zich met de bewering, dat zij door de verwijdering uit +moedershuis zoo bedroefd was, dat zij nog niet kon beginnen. Dit liet +zich de koningin aanleunen. + +Bij het vertrek sprak zij echter: + +—Morgen moet je beginnen met te werken. + +Toen het meisje weer alleen was, wist zij geen raad meer. Bedroefd ging +zij voor het venster staan. Zij zag drie vrouwen aankomen. + +De eerste had een breeden platvoet, de tweede had zoo’n groote +onderlip, dat die over haar kin heenhing en de derde had een breeden +duim. Zij bleven voor het raam staan, keken omhoog en vroegen het +meisje, wat haar scheelde. + +Zij klaagde bij hen haar nood, waarna de drie vrouwen haar hun hulp +aanboden en spraken: + +—Zal je ons op de bruiloft uitnoodigen, je niet over ons schamen, +zeggen, dat wij je tantes zijn, ons ook aan je tafel laten plaats +nemen? Dan zullen wij al het vlas opspinnen en wel in zeer korten tijd. + +Het meisje antwoordde: + +—Heel graag. Kom maar en begin dadelijk aan het werk! Zij liet de drie +zonderlinge vrouwen binnen, en maakte in de kamer, waar de vrouwen +moesten zitten en spinnen, een bres. + +De eene trok aan den draad en trapte het rad in beweging, de andere +breide den draad, de derde draaide hem en sloeg met den vinger op de +tafel. En iederen keer, dat zij sloeg, viel er een getal netten op den +grond. En die waren allerfijnst gesponnen. + +Voor de koningin verborg zij de drie spinsters en toonde haar, zoo +dikwijls zij kwam, den stapel gesponnen netten, zoodat haar lofzang +geen einde nam. + +Toen de eerste kamer leeg was, werd aan de tweede begonnen en ten +slotte het derde vertrek, dat spoedig opgeruimd was. + +Nu namen de drie vrouwen afscheid en zeiden tot het meisje: + +—Vergeet niet wat je ons hebt beloofd. Het zal je geluk zijn. + +Toen het meisje aan de koningin de leege kamers en de groote hoopen +netten toonde, werden de voorbereidingen tot de bruiloft getroffen. De +prins verheugde zich zeer, dat hij zoo’n handige en vlijtige vrouw +kreeg. Hij prees haar uitermate. + +Het meisje sprak nu: + +—Ik heb drie tantes. Daar zij mij veel goed hebben gedaan, wil ik hen +in mijn geluk niet vergeten. Veroorloof mij, dat ik hen op de bruiloft +uitnoodig en hen aan den feestdisch laat aanzitten. + +De koningin en de prins spraken: + +—Waarom zouden wij dit niet toestaan? + +Toen het feest begon, traden de drie vrouwen wonderlijk uitgedost +binnen. En nu zei de bruid: + +—Weest welkom, lieve tantes! + +De bruidegom vroeg: + +—Ach, hoe kom je aan zulke vieze vriendinnen? + +Hij trad op hen toe en vroeg aan de vrouw met den breeden platvoet: + +—Hoe komt u aan zoo’n breeden voet? + +—Van het loopen, antwoordde zij; van het loopen. + +Daarna ging de bruidegom naar de tweede, die hij vroeg: + +—Hoe komt u toch aan die afhangende lip? + +—Van het likken, antwoordde zij, van het likken. + +En nu vroeg hij aan de derde: + +—Hoe komt u aan dien breeden duim? + +—Van het draaien der draden, antwoordde zij, van het draaien der +draden. + +De koningszoon schrok nu vreeselijk. Hij sprak: + +—Dan zal mijn schoone bruid nooit meer een spinnewiel aanraken! + +En daarmee was zij van het akelige vlasspinnen voorgoed verlost. + + + EINDE + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 *** diff --git a/79258-h/79258-h.htm b/79258-h/79258-h.htm new file mode 100644 index 0000000..08db4bb --- /dev/null +++ b/79258-h/79258-h.htm @@ -0,0 +1,1809 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2026-08-02T10:53:23Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> +<html lang="nl"> +<head> +<title>De vuurvogel en de grijze wolf | Project Gutenberg</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> +<meta name="author" content="Anoniem"> +<link rel="coverpage" href="images/front.jpg"> +<link rel="icon" href="images/front.jpg" type="image/x-cover"> +<meta name="DC.Title" content="De vuurvogel en de grijze wolf"> +<meta name="DC.Creator" content="Anoniem"> +<meta name="DC.Contributor" content="A. v.d. Buffelen"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<style> /* <![CDATA[ */ +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #660000; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #660000; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +height: 1ex; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +.titlePage { +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0 7em; +padding: 5em 10% 6em; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle { +line-height: 1.7; +margin: 2em 0; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle { +font-size: 1.8em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, +.titlePage .docTitle .seriesTitle, +.titlePage .docTitle .volumeTitle { +font-size: 1.44em; +font-weight: inherit; +font-variant: inherit; +line-height: inherit; +} +.titlePage .byline { +margin: 2em 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .byline .docAuthor { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure { +margin: 2em auto; +} +.titlePage .docImprint { +margin: 4em 0 0; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.titlePage .docImprint .docDate { +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +font-variant: normal; +text-transform: none; +display: inline; +font-size: 12.8px; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #666666; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +caption, .tableCaption { +text-align: center; +} +.Arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.Aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.Grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.Hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.Syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.small { +font-size: small; +} +.large { +font-size: large; +} +.xl { +font-size: x-large; +} +.vam { +vertical-align: middle; +} +.center { +text-align: center; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.cover-imagewidth { +width:529px; +} +.titlepage-imagewidth { +width:471px; +} +.p04width { +width:555px; +} +.p09width { +width:560px; +} +.p14width { +width:560px; +} +.p18width { +width:550px; +} +.p23width { +width:552px; +} +/* ]]> */ </style> +</head> + +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 ***</div> + +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="529" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="471" height="720"></div><p> +</p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<h1 class="mainTitle">DE VUURVOGEL<br> +EN DE<br> +GRIJZE WOLF</h1> +</div> +<div class="docImprint"><span id="xd34e119">GEÏLLUSTREERD</span></div> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span></p> +</div> +<div class="body"> +<div id="vuurvogel" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#vuurvogel.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst, die drie zonen +had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch. +</p> +<p>De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon bogen op het +eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van de zeldzaamste soorten groeiden +er, terwijl de vreemdste vogels zongen en zich wiegden op de takken. +</p> +<p>Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na de warme dagen +koelte en rust. +</p> +<p>Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van hield, want hij +droeg gouden appels. +</p> +<p>Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal verminderden. Dat +verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn noch drank gebruikte en door +het groote verdriet zelfs niet slapen kon. +</p> +<p>Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak: +</p> +<p>—Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart knaagt; jullie moet +weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin komt, die de gouden appels steelt, +zoodat ik hun aantal met elken dag zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik +de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren. +</p> +<p>Toen spraken de zonen: +</p> +<p>—Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen! +</p> +<p>Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden zij het eens: +ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken. +</p> +<p>Den eersten nacht waakte de oudste. +<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span></p> +<p>Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg pijn in al zijn +ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich op het zachte gras ging uitstrekken. +</p> +<p>Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel beter hij nu de +zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat nadenken in, en ontwaakte pas, +toen de helle, lichte zon hem in het gelaat lachte. +</p> +<p>Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond eindelijk traag +op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij: +</p> +<p>—Vannacht is de dief niet gekomen. +</p> +<p>Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom zitten en +wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn, indien hij zich in het +groene gras neervlijde. +</p> +<p>Hij strekte zijn ledematen <span class="corr" id="xd34e146" title="Bron: ui">uit</span> en sliep in. Toen hij weer ontwaakte, was het reeds lang dag. +</p> +<p>Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee: +</p> +<p>—Vannacht is de dief niet gekomen. +</p> +<p>In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom zitten en verroerde +zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en nog een. Maar hij hield de oogen +open en werd niet slaperig. +</p> +<p>Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel, vanuit het +Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij op den boom neer, waar +prins Iwan onder zat. +</p> +<p>De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd beschenen. Nu +zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden veeren en oogen had. Dicht tegen +<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>den stam aangeleund stond Iwan. Zijn wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te +ademen. De vogel sprong van tak tot tak, en plukte de gouden appels. +</p> +<p>Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den schrik liet +deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de lucht weg. +</p> +<div class="figure p04width"><img src="images/p04.png" alt="Vanuit het Oosten vloog een vlammende ster (blz. 4)" width="555" height="439"><p class="figureHead"><i>Vanuit het Oosten vloog een vlammende ster</i> (blz. 4)</p> +</div><p> +</p> +<p>Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde een licht, waardoor +de geheele tuin in vlam scheen te staan. +</p> +<p>’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den vogel. En toen +hij zijn vader de veer overhandigde, <span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span>verlichtte deze op zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er +lichten in hem waren aangebracht. +</p> +<p>Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak: +</p> +<p>—Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je? +</p> +<p>Iwan antwoordde: +</p> +<p>—Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u moet weten, +dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw gouden appels steelt. +</p> +<p>En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en kuste hem innig +op het voorhoofd. +</p> +<p>Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden appels meer +werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust; hij vergat de ernstige dagen. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen: +</p> +<p>—De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken, om jullie +geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te vertrekken. Zoekt wat +je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor alles den vuurvogel te vinden. Wie +hem mij levend brengt, dien schenk ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk +en als ik sterf zal ook de andere helft voor hem zijn. +</p> +<p>Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun broeder, omdat het +hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken. Om nu te verhinderen, dat Iwan +hen voor zou zijn, vertrokken zij in allerhaast. +</p> +<p>Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak: +</p> +<p>—Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders volg. Ik zou ook +gaarne mijn geluk beproeven … <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>Het zou mij bovendien verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen. +</p> +<p>Maar de koning sprak: +</p> +<p>—Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig hebt, is lang. +<span class="corr" id="xd34e191" title="Bron: k">Ik</span> echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet niet wanneer ik sterven zal. +Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik afscheid van het leven neem, wie zal dan +het volk regeeren en het over mogelijke tweedracht heen helpen? +</p> +<p>Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te brengen. Daarom +schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te vertrekken. +</p> +<p>Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan recht toe +zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin een wegwijzer stond, +die drie armen had. +</p> +<p>Op den eersten stond vermeld: +</p> +<p>«Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.» +</p> +<p>Op den rechter arm stond te lezen: +</p> +<p>«Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten doode opgeschreven.» +</p> +<p>Den linker arm verkondigde: +</p> +<p>«Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn paard zal blijven +leven.» +</p> +<p>Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de overweging, dat +weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in leven bleef. Later zou hij +zich wel een ander paard kunnen aanschaffen. +</p> +<p>Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar woud. Maar uit +het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf tegemoet. +<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p> +<p>Deze sprak tot prins Iwan: +</p> +<p>—Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard sterven! +</p> +<p>En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard verscheurd. +</p> +<div class="figure p09width"><img src="images/p09.png" alt="In vliegende vaart trokken zij verder (blz. 9)" width="560" height="437"><p class="figureHead"><i>In vliegende vaart trokken zij verder</i> (<i>blz. 9</i>)</p> +</div><p> +</p> +<p>Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan een stuk door. +Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om wat uit te rusten, stond +nogmaals de grijze wolf voor hem. +</p> +<p>Deze sprak: +</p> +<p>—Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb verscheurd. Maar het +moest! Of hebt gij niet <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>gelezen, wat er achter u stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan +zal ik u dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge wilt! +</p> +<p>Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou moeten reizen +tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den grijzen wolf zitten. In vliegende +vaart, vlugger dan een vogel, trokken zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een +hoogen muur stil hielden. +</p> +<p>Toen zei de grijze wolf: +</p> +<p>—Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een kooi, waarin +de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en raak de gouden kooi niet aan! +Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet meer vandaan, en zal men u gevangen nemen. +</p> +<p>Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder beschenen, +alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van den vuurvogel, die in een +gouden kooi zat, welke midden in den tuin stond. +</p> +<p>Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf kwam, loerde +hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel uit de kooi. +</p> +<p>Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de vermaning van +den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee. +</p> +<p>Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de kooi uit liepen +zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel +en brachten den jongen prins voor koning Dalmat. +</p> +<p>Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe: +</p> +<p>—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken? +<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> +<p>Prins Iwan antwoordde: +</p> +<p>—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst. Deze vogel +is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit mijn vaders tuin steelt. +</p> +<p>Waarop de koning antwoordde: +</p> +<p>—Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij er om <span class="corr" id="xd34e242" title="Bron: hadt">had</span> verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu verdient ge, dat ik u +door het geheele land stuur en bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld. +</p> +<p><span class="corr" id="xd34e246" title="Bron: »">—</span>Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal tiende koninkrijk +trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het paard met de gouden manen, zal ik +uw wandaad vergeven en u met eerbewijzen den vuurvogel overhandigen. +</p> +<p>Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer en beloofde het paard met de gouden manen +te zullen brengen. +</p> +<p>Diep bedroefd keerde hij naar den Grijzen Wolf terug. +</p> +<p>—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me +geluisterd en toch de gouden kooi aangeraakt? +</p> +<p>—Ik ben door <span class="corr" id="xd34e254" title="Bron: jouw">jou</span> schuldig, antwoordde prins Iwan, en jij alleen kan het weer goedmaken! Breng mij +naar koning Alfons, bij wien ik het paard met de gouden manen moet halen. +</p> +<p>—Het zij zoo, bromde de wolf, ga op me zitten! Ik zal je brengen waar je heen wil. +</p> +<p>Toen ging prins Iwan weer boven op den Grijzen Wolf zitten, en als een pijl uit een +boog schoten zij vooruit. +</p> +<p>Diep in den nacht kwamen zij voor het slot van koning Alfons. +</p> +<p>De Grijze Wolf sprak nu tot den prins: +<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> +<p>—Ga in den marmeren stal. De knechten slapen nu, zoodat het je niet moeilijk zal vallen +het paard met de gouden manen uit den stal te brengen. Maar aan den muur hangt een +gouden tuig; denk er vooral om dat niet aan te raken! Wanneer je dit tuig neemt, kan +je niet meer weg en wordt je gevangen genomen. +</p> +<p>Iwan ging in den marmeren stal en vond, zooals de Grijze Wolf had gezegd, de wachters +in slaap en het paard met de gouden manen los op z’n plaats. +</p> +<p>Toen hij het echter naar buiten wilde brengen, ontwaarde hij aan den muur het gouden +tuig. Het schitterde zoo mooi, dat hij de waarschuwing van den Grijzen Wolf vergat +en ook het tuig meenam. Maar nauwelijks had zijn hand het tuig aangeraakt, of door +al de stallen weerklonk klokgelui. Want van het tuig gingen zilverdraden uit naar +alle kanten. +</p> +<p>De paarden begonnen te trappelen; de wachters werden wakker, grepen den dief en brachten +hem voor koning Alfons. +</p> +<p>Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe: +</p> +<p>—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij? Waar gelden zulke gebruiken? +</p> +<p>Prins Iwan antwoordde: +</p> +<p>—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst. +</p> +<p>—Als ge als prins tot mij waart gekomen, dan had ik u het paard met de gouden manen +als eerbewijs ten geschenke gegeven! Nu verdient ge, dat ik door het geheele land +bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld! +</p> +<p>Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer. Maar de koning begon opnieuw: +</p> +<p>—Luister, prins! Als gij door driemaal negen landen <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>trekt, naar het drie maal tiende koninkrijk, en mij den dienst bewijst de schoone +Helena te halen, dan zal ik u uw wandaad vergeven, en u het paard met de gouden manen +en ook het gouden tuig schenken. +</p> +<p>Prins Iwan beloofde de schoone prinses te zullen brengen, waarna hij in de grootste +droefheid naar den Grijzen Wolf terugkeerde. +</p> +<p>—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me +geluisterd, en nam je het gouden tuig? +</p> +<p>—Ach, ik deed er verkeerd aan. Ik moet zonder vrede blijven als jij me niet helpt! +</p> +<p>—Kom, ga op me zitten, vervolgde de Grijze Wolf, dan zal ik je brengen, waarheen je +wilt. Maar nu is het mijn beurt! +</p> +<p>Het duurde niet lang of zij waren drie maal negen landen doorgetrokken, en bevonden +zich in het drie maal tiende rijk. Toen kwamen zij in een breed dal. In het midden +daarvan stond een groene eik. +</p> +<p>—Stijg af, prins Iwan, sprak de Grijze Wolf, en wacht hier onder dezen eik op mij! +</p> +<p>De prins deed, wat hem was bevolen. Maar de Grijze Wolf liep door tot hij voor een +gouden hek kwam, waarachter zich de tuin bevond der schoone prinses. De Grijze Wolf +sprong over de omheining en verstopte zich achter kreupelhout. +</p> +<p>Tegen den avond, toen de zon reeds in het Westen wegzonk en koele windjes in den tuin +waaiden, begaf de koningsdochter zich met haar kamermeisjes naar den tuin, waar zij +babbelend en schertsend heen en weer wandelden. +</p> +<p>Toen zij echter de plek naderden, waar de Grijze Wolf verscholen zat, sprong deze +plotseling van achter het kreupelhout <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>te voorschijn. Hij greep de schoone koningsdochter vast en ontvluchtte over het hek +heen. +</p> +<p>Haar bewaaksters en kamermeisjes, die met haar in den tuin waren, weenden en snelden +naar het paleis terug. +</p> +<p>Het geheele hof liep te hoop. De koning zond hardloopers en jagers er op uit om den +Grijzen Wolf in te halen. Maar hoe hard zij ook liepen, zij konden hem niet inhalen. +Zij keerden onverrichterzake tot hun heer en meester terug. +</p> +<p>Intusschen nam Iwan de schoone koningsdochter van den Grijzen Wolf over en legde haar +voorzichtig op het gras. Zij lag er bleek en stil, alsof zij dood was, zoo hevig had +de Grijze Wolf haar doen schrikken. +</p> +<p>Spoedig opende zij de mooie oogen, zag den jeugdigen prins en bloosde diep, wat haar +nog schooner maakte dan zij gewoonlijk was. De prins nam haar vóór zich op den rug +van den Grijzen Wolf, die weer als een pijl uit den boog voortvloog, naar het land +van koning Alfons. Maar toen zij voor diens paleis aankwamen, wilde de prins en de +prinses niet meer van elkaar scheiden. De schoone koningsdochter weende bitter en +Iwan was diep bedroefd. +</p> +<p>Nu vroeg de Grijze Wolf: +</p> +<p>—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan? +</p> +<p>En de prins antwoordde: +</p> +<p>—Ik moet wel weenen en treurig zijn! Ik kan onmogelijk van de prinses scheiden en +geef haar niet in ruil voor het paard met de gouden manen. Maar als ik het niet doe, +ben ik voor de geheele wereld onteerd! +</p> +<p>—Ik heb je tot nu toe gediend, antwoordde de Grijze Wolf, ik zal je ook nu dienen. +</p> +<p><span class="corr" id="xd34e302" title="Bron: »">—</span>Luister, Iwan! Ik zal me omtooveren in een prinses, en als twee droppels gelijken +op de schoone Helena. Jij moet mij naar koning Alfons brengen, zoodat je dan het paard +<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>met de gouden manen in ruil ontvangt. Heb geen zorg voor mij! Zoodra je aan mij denkt, +ben ik weer bij je. +</p> +<p>Toen wierp de Grijze Wolf zich op den grond, en opeens stond voor prins Iwan een prinses, +die zoo sprekend op de schoone Helena geleek, dat hij niet kon onderscheiden wie de +echte of de valsche was. +</p> +<div class="figure p14width"><img src="images/p14.png" alt="Opeens stond voor prins Iwan een prinses (blz. 14)" width="560" height="450"><p class="figureHead"><i>Opeens stond voor prins Iwan een prinses</i> (blz. 14)</p> +</div><p> +</p> +<p>Nu verlangde de prinses geworden Wolf, dat de prins hem zou volgen. Maar de schoone +Helena gebood hij in het woud te wachten. +</p> +<p>Toen prins Iwan met de zoogenaamde prinses bij koning Alfons kwam, was deze zeer verheugd. +Hij schonk dus Iwan <span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span>het paard met de gouden manen. Iwan wachtte niet lang, sprong op het paard en snelde +weg. +</p> +<p>Spoedig werden voorbereidselen getroffen voor de bruiloft. Koning Alfons wilde zijn +bruid naar de tafel geleiden. Maar toen hij haar hand wilde vatten, voelde hij in +de zijne een ruigen zwaren poot. En tot hevigen schrik van al de aanwezige gasten +ontwaarden zij, in plaats van een schoone bruid, een reusachtig grooten grijzen wolf +naast den koning. Maar voordat zij goed en wel beseften wat er juist gebeurde, was +de wolf al de deur uit en verdwenen. +</p> +<p>Intusschen reed prins Iwan met de echte prinses steeds verder. Zij hadden zooveel +met elkaar gesproken, dat zij den Grijzen Wolf geheel vergaten. Maar toen Iwan eens +aan hem dacht en sprak: +</p> +<p>—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond de Grijze Wolf al voor hem, en zei: +</p> +<p>—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid op het paard met de gouden +manen rijden. +</p> +<p>Toen sprong prins Iwan van het paard en nam weer plaats op den rug van den Grijzen +Wolf. En zoo trokken zij naar het rijk van koning Dalmat. Maar toen het oogenblik +was aangebroken, dat hij het paard met de gouden manen aan koning Dalmat moest overgeven, +overviel hem nogmaals een groote droefheid. Nu vroeg de Grijze Wolf weer: +</p> +<p>—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan? +</p> +<p>—Ach, antwoordde deze, ik moet wel treurig zijn, want ik moet immers het paard met +de gouden manen afstaan, dat mij zoo trouw heeft gediend. Maar als ik het niet doe, +wordt ik voor de geheele wereld onteerd. +</p> +<p>—Hoe dikwijls heb ik je niet tot nog toe gediend!… Ook nu zal ik je dezen dienst bewijzen, +en me omtooveren in het paard met de gouden manen. +<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p> +<p>Toen wierp de Grijze Wolf zich op de aarde, en spoedig stond voor prins Iwan een paard +met golvende, gouden manen. Het geleek zooveel op het andere, dat men niet kon zeggen, +welke van beiden het echte was. +</p> +<p>Nu sprak de Wolf, die in een paard was veranderd: +</p> +<p>—Breng mij naar koning Dalmat, waarna je den vuurvogel zal ontvangen. En wanneer je +maar aan mij denkt, zal ik weer bij je zijn. +</p> +<p>Aan de schoone Helena gebood hij voor de stad te wachten. +</p> +<p>Toen prins Iwan voor het paleis van koning Dalmat kwam, en deze het paard met de gouden +manen zag, verheugde hij zich er zoozeer over dat hij zijn vertrekken verliet en zijn +gast tegemoet snelde. Hij nam den prins bij de hand, en bracht hem naar de marmeren +zaal. Daar overhandigde hij hem den vuurvogel met de gouden kooi. +</p> +<p>Iwan weifelde niet lang, nam vogel en kooi, en verliet de stad. +</p> +<p>Op zekeren dag had koning Dalmat lust op het paard met de gouden manen ter jacht te +gaan. Hij beval het te zadelen en trok met de geheele hofhouding naar het woud. Er +waren geen woorden genoeg om het heerlijke paard te loven. +</p> +<p>Opeens schoot vanonder den koning een grijze wolf weg. +</p> +<p>—Houdt hem! Er achterna! riepen allen. Maar niemand was hierop voorbereid. +</p> +<p>Prins Iwan was intusschen met zijn schoone prinses ver op weg naar zijn vaderland. +En toen hij opeens dacht: +</p> +<p>—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond deze reeds voor hem en sprak: +</p> +<p>—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid echter op het paard met de +gouden manen rijden! +<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> +<p>Nu nam Iwan plaats op den Grijzen Wolf, en zoo trokken zij weer verder. +</p> +<p>Toen zij op de plek kwamen, waar de Grijze Wolf het paard van den prins had verscheurd, +bleven zij staan. En de Grijze Wolf sprak: +</p> +<p>—Welnu, prins Iwan, ga van mijn rug. Ik kan je voortaan niet meer dienen. En in ’t +vervolg moet je jezelf helpen. Maar wees voorzichtig, en stel geen vertrouwen in je +broeders! +</p> +<p>Bij deze woorden verdween hij in het woud. +</p> +<p>Iwan wachtte nog een lange poos, in de hoop, dat de Grijze Wolf zou terugkeeren. Toen +hij echter bemerkte, dat hij tevergeefs wachtte, zette hij treurig gestemd met de +schoone prinses, het paard met de gouden manen en den vuurvogel zijn reis voort. +</p> +<p>Hij had nog een twintig mijlen af te leggen. In de verte ontwaarde hij in het groene +veld een tent, welke hij tegen den avond bereikte. Wie beschrijft zijn vreugde, toen +hij zijn broeders uit de tent zag komen! +</p> +<p>Zij hadden evenals hij de verst verwijderde koninkrijken doortrokken, maar den vuurvogel +hadden zij niet gevonden, en juist terzelfdertijd keerden zij met leege handen naar +hun vaderland terug. +</p> +<p>Toen zij nu het paard met de gouden manen zagen en de schoone koningsdochter er boven +op, en den vuurvogel in de gouden kooi, brak hun haast het hart van naijver. Maar +zij veinsden de vreugde van hun broeder te deelen. +</p> +<p>Met vriendelijke woorden noodigden zij hem en de prinses in de tent, en zetten hen +spijzen en drank in overvloed voor. +</p> +<p>Iwan, die door den sterken drank verhit en beneveld was, vergat de waarschuwing van +den Grijzen Wolf, en vertelde <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>wat er was gebeurd. In zijn vreugde bemerkte Iwan niet hoe zijn broeders steeds van +gelaatskleur wisselden. +</p> +<p>Het duurde niet lang of Iwan en de prinses, vermoeid door de lange reis, vielen in +diepen slaap. Toen lachte de oudste spottend. Hij trok zijn zwaard en stak zijn broeder +midden in het hart. +</p> +<p>Daarna wekten zij de schoone koningsdochter en zeiden haar, dat zij haar nu naar hun +vader zouden brengen met den vuurvogel en het paard met de gouden manen. Maar toen +de prinses zag, dat Iwan was vermoord, brak zij in bitter geweeklaag uit en klaagde +onder tranen: +</p> +<p>—Jullie booswichten, wat hebben jullie daarmee gewonnen? Is een slapend mensch niet +als een doode? +</p> +<p>Nu zette de oudste, die reeds den broer had overmand, ook haar het zwaard op het hart +en sprak: +</p> +<p>—Luister, schoone koningsdochter, je bent in onze macht, en nu moet je onzen vader +zeggen, dat wij je veroverd hebben, en ook den vuurvogel en het paard met de gouden +manen. Maar als jij dit niet wilt zeggen, zal ik je onmiddellijk om hals brengen! +</p> +<p>In haar angst, dat zij sterven moest, beloofde Helena alles te zeggen wat haar zou +worden bevolen. +</p> +<p>De beide broeders begonnen nu te loten wie de schoone prinses en wie het paard met +de gouden manen zou krijgen. Den tweede wees het lot de bruid aan, de oudste bekwam +echter het paard met de gouden manen. +</p> +<p>De laatste sprong weer op zijn paard en voerde dat met de gouden manen aan de teugels +mee, terwijl de andere broeder de schoone koningsdochter bij zich hield. Zoo trokken +zij naar hun vader, om hem den vuurvogel te brengen. +</p> +<p>Intusschen lag Iwan al drie dagen dood op het veld. Het toeval wilde, dat de Grijze +Wolf in de buurt rondzwierf, en <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>den verslagen jongeling vond. Hij wilde hem helpen, maar wist niet hoe. +</p> +<p>Radeloos sloop hij her en der tot de dag voorbij ging en de zon daalde. Omstreeks +dezen tijd bemerkte hij opeens een raaf met twee jongen, die boven het lijk heen en +weer vlogen, en er op wilden neerstrijken, om zich aan het vleesch te goed te doen. +</p> +<div class="figure p18width"><img src="images/p18.png" alt="Iwan lag al drie dagen dood op het veld (blz. 18)" width="550" height="441"><p class="figureHead"><i>Iwan lag al drie dagen dood op het veld</i> (blz. 18)</p> +</div><p> +</p> +<p>Toen verschool de Grijze Wolf zich achter struikgewas, want hij wilde een raaf vangen. +Op het oogenblik, dat de jonge vogels vraatzuchtig neerstreken, sprong hij te voorschijn, +snapte er een en wilde de raaf verscheuren. Maar de oude raaf riep hem angstig toe: +<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p> +<p>—Ach, Grijze Wolf, doe mijn jong kind geen pijn, het heeft je toch geen kwaad gedaan! +</p> +<p>De Wolf antwoordde: +</p> +<p>—Luister, Raaf, je moet over driemaal negen landen en drie maal tien koninkrijken +vliegen, en mij het water des levens en het water des doods brengen. Dan eerst zal +je kind ongedeerd blijven. +</p> +<p>En de raaf antwoordde: +</p> +<p>—Ach, Grijze Wolf, ik zal het gaarne halen, maar deer mijn kind niet! +</p> +<p>En toen de vogel deze woorden had gesproken, vloog hij weg en verdween spoedig in +de lucht. +</p> +<p>Drie dagen later keerde hij weer met twee fleschjes, waarin het water des levens en +het water des doods was. +</p> +<p>De Grijze Wolf nam de fleschjes, en toen hij ze had, verscheurde hij de jonge raaf +in tweeën. +</p> +<p>Daarna besproeide hij den deerlijk gehavenden vogel met het water des doods. De raaf +groeide weer aan elkaar! Dan nam hij het water des levens; de kleine raaf richtte +zich op en vloog weg. +</p> +<p>Nu besproeide de Grijze Wolf den verslagen prins met het water des doods. Diens lichaam +groeide weer aaneen. Toen de Grijze Wolf hem met het water des levens besprenkelde, +stond Iwan op en sprak: +</p> +<p>—Ach, waarom heb ik zoolang geslapen? +</p> +<p>—Je zou eeuwig hebben geslapen, antwoordde de Grijze Wolf, als ik je niet hier gevonden +had. Want je broeder heeft je neergeveld; de ander heeft je bruid genomen en zal vandaag +met de schoone Helena trouwen. +</p> +<p>Als een waanzinnige keek prins Iwan den Grijzen Wolf aan, en dacht slechts: +<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> +<p>—Droom ik, of waak ik? +</p> +<p>Maar deze sprak: +</p> +<p>—Snel, Iwan, ga op mij zitten, opdat ik je naar je vader zal brengen. Anders zie je +de schoone prinses niet terug! +</p> +<p>Nu begreep prins Iwan eerst wat er in dien tusschentijd was gebeurd. Hij nam op den +rug van den Grijzen Wolf plaats, en bevond zich spoedig voor de stad zijns vaders. +Hier nam hij afscheid van den Grijzen Wolf, waarna hij de stad inging. +</p> +<p>Toen hij het kasteel binnentrad, waren er reeds vele gasten verzameld. Boven aan tafel +zaten aan den maaltijd de schoone Helena en zijn broeders, een aan haar rechter zij +en een aan haar linker kant. +</p> +<p>Maar toen de bruid, wier gelaat zeer bleek zag, den vreemden gast ontwaarde, sprong +zij op en riep luid: +</p> +<p>—Daar is mijn echte bruidegom; deze hier, die met mij aan tafel zat, is een booswicht! +</p> +<p>Zij snelde naar Iwan toe en sloeg haar armen om zijn hals. +</p> +<p>Nu verhief de koning zich van zijn zetel en vroeg, geheel in de war van verbazing, +wat dat had te beteekenen. De schoone koningsdochter vertelde alles: hoe Iwan haar +verkreeg; dat het paard met de gouden manen en den vuurvogel hem toebehoorden; hoe +de broeders hem in den slaap vermoord hadden, en haar dwongen geen woord van het gebeurde +te vertellen. +</p> +<p>En Iwan vertelde verder: dat de Grijze Wolf hem tenslotte had gevonden, hem weer levend +had gemaakt en hem hierheen had gebracht, zoodat alles nog op het laatste oogenblik +opgehelderd kon worden. +<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span></p> +<p>De koning was nu vreeselijk vertoornd. Hij beval, dat de beide broeders onmiddellijk +in de ketens geklonken moesten worden en in den kerker geworpen. +</p> +<p>Prins Iwan plaatste de koning nog in hetzelfde uur aan het hoofd van het geheele rijk. +En de schoone Helena werd tot koningin uitgeroepen en leefde in eendracht en liefde +naast haar Iwan, die tenslotte verkreeg, wat hij met zooveel moeite en strijd verworven +had. +</p> +<p class="trailer center">EINDE</p> +<p><span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="eend" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#eend.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Er was eens een arme boer, die met zijn vrouw en zoon nauwelijks genoeg had om er +van te kunnen leven. Hoezeer zij zich ook inspanden, toch waren hun inkomsten ontoereikend. +</p> +<p>Op zekeren avond was het met ’t gezin zoo erg, dat moeder de vrouw de haren niet meer +kon voorzetten dan een harden korst. +</p> +<p>Maar op het oogenblik, dat zij het stuk brood wilde verdeelen, sloop van achter den +oven een heks te voorschijn, rukte den korst uit de handen der arme vrouw en snelde +naar haar schuilhoek terug. +</p> +<p>De boer smeekte de heks, dat zij hen toch vooral niet het laatste hapje voor den mond +weg zou rukken. Hij had tranen in de oogen. Geen kruimeltje was er meer in huis voor +hem, zijn vrouw en zijn zoon. +</p> +<p>Biddend om haar te vermurwen viel hij voor de heks op de knieën. +</p> +<p>Maar het oudje antwoordde, dat zij niet meer teruggeven kon wat zij eenmaal afgenomen +had. Zij wilde hem evenwel ter vergoeding een eend geven, die eiken dag een gouden +ei zou leggen. +</p> +<p>—Maar zeg mij, waar ik de eend vinden kan, antwoordde de boer ongeloovig, dan zullen +wij gaarne honger willen lijden tot morgen ochtend. +</p> +<p>De oude heks gaf nu tot bescheid: +</p> +<p>—Ga morgen, voordat de zon boven de bergen stijgt naar de stad. Daar zal je op den +vijver, de eend zien zwemmen! +</p> +<p>Zoodra zij deze woorden had gesproken, was zij verdwenen. Maar vrouw en zoon wachtten +nog een poos, want <span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span>zij hoopten, dat het oudje zou terugkomen; zij kwam echter niet weer. +</p> +<p>De vrouw zuchtte en de zoon jammerde luid; troosteloos wierpen zij zich op bed. +</p> +<div class="figure p23width"><img src="images/p23.png" alt="Hij viel voor de heks op de knieën (blz. 23)" width="552" height="438"><p class="figureHead"><i>Hij viel voor de heks op de knieën</i> (<i>blz. 23</i>)</p> +</div><p> +</p> +<p>De boer kon den geheelen nacht geen oog dichtdoen. Den volgenden morgen stond hij +vroeg op en ging naar de stad. Daar zag hij werkelijk op den vijver de eend zwemmen. +</p> +<p>Hij bedacht zich niet lang, lokte de eend, die onmiddellijk naar den oever kwam. Snel +pakte hij haar en bracht den vogel naar zijn vrouw. +</p> +<p>Deze betastte de eend en zei, dat zij een ei had. Hoe verheugd <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>waren de drie boerenmenschen. De vrouw zette de eend in een groote kooi en bedekte +haar met een zeef. +</p> +<p>Een uur later stelden zij een onderzoek in en bevonden, dat de eend het ei had gelegd. +Nu lieten zij de eend wat rondloopen op den deel, namen het ei, betastten en bekeken +het aan alle kanten, wikten het op de hand, drukten het aan hart en lippen, streelden +het de een na de ander en gedroegen zich dwaas van vreugde. +</p> +<p>Want het was werkelijk en waarlijk een goed, geel-gouden ei. Toen zij het ten slotte +genoeg hadden bewonderd, nam de boer het ei en bracht het naar de stad, om het te +verkoopen. Daar gaf de goudsmid hem een groote som geld. +</p> +<p>Natuurlijk ging de boer nu naar de markt, kocht er brood, vleesch en allerlei groenten, +zooveel hij maar kon dragen en keerde met rijken buit naar huis terug. +</p> +<p>Den volgenden dag legde de eend weer een ei, dat de boer voor den zelfden prijs aan +den goudsmid verkocht. +</p> +<p>Zoo ging het iederen dag en niet lang duurde het of de boer werd erg, erg rijk. +</p> +<p>Nu bouwde hij zich een huis, kocht allerlei koopwaren en begon erin te handelen. +</p> +<p>Toen hij eens erop uit getrokken was om nieuwe waren te koopen, kwam er een vreemde +man in zijn huis. Deze ontwaarde de eend, maar wist niet, dat zij gouden eieren legde. +Hij verbaasde zich daarom er niet weinig over, dat het dier in de kamer verbleef en +onder een zeef geborgen was, terwijl toch andere eenden op den vijver snaterend ronddreven. +</p> +<p>Hij vermoedde nu, dat daar een geheim achter schuilen moest. Hij ging dichterbij en +bekeek den vogel nauwkeuriger. Nu ontdekte hij, dat met gouden letters onder de vleugels +stond geschreven: +<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p> +<p>«Hij, die de eend opeet, zal koning worden.» +</p> +<p>Maar van deze ontdekking sprak hij geen woord, verzocht echter de boerin, dat zij +de eend voor hem zou braden. Toen zij het niet wilde doen, probeerde hij het met vriendelijkheid, +smeekte, dreigde en drong zoo indrukwekkend aan, dat zij bijna aan zijn verlangen +voldeed. Maar zij waagde het niet uit vrees voor haar man. +</p> +<p>De onbekende vroeg haar nu, waarom zij zoo’n groot belang had bij het behoud van die +eend. Waarop de boerin antwoordde, dat haar geluk van de eend afhing, zoodat zij den +vogel niet kon of durfde braden. +</p> +<p>Maar de jonge man smeekte haar nog inniger en bepraatte haar zoo vriendelijk, dat +de domme vrouw ten slotte de eend slachtte en in den oven zette. +</p> +<p>De onbekende dacht bij zichzelf: +</p> +<p>—Als de eend maar alvast is geslacht, dan ligt ze reeds half in mijn maag. +</p> +<p>En hij ging weg, daar hij niet langer blijven kon, maar beloofde tegen den middag +terug te komen. +</p> +<p>De vrouw ging evenwel ook naar de stad. +</p> +<p>Even later ging de zoon, die zich in den winkel bevond, naar achter. Hij had grooten +honger. De jongen zocht naar wat voedsel om zijn honger te stillen. Opeens drong vanuit +den oven een heerlijke lucht tot hem door. +</p> +<p>Hij vond de gebraden eend, haalde ze voor den dag. De geur was zoo heerlijk, het vleesch +zoo malsch, zijn honger zoo knagend, dat hij de eend zonder erover na te denken, heelemaal +verslond. Hij liet alleen de beentjes over. En daarna ging hij weer in den winkel. +</p> +<p>Niet veel later kwam de onbekende man terug. Hij was niet weinig verbaasd, dat hij +de boerin niet thuis trof. Hij wachtte echter, hoewel met ongeduld, tot zij weerom +kwam. +<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p> +<p>De man verzocht haar de gebraden eend op te dienen. Hoe groot was de ontsteltenis, +toen de boerin ontdekte, dat de eend er niet meer was! +</p> +<p>De vreemdeling werd boos en zeide: +</p> +<p>—Je hebt zeker zelf de eend opgegeten? +</p> +<p>Slecht geluimd ging hij weer heen. +</p> +<p>’s Avonds kwam de boer en met hem ook de zoon thuis. De vader bemerkte dadelijk, dat +de eend er niet meer was. Hij vroeg nu zijn vrouw, waar de vogel was gebleven. Zij +antwoordde hem, dat zij er niet meer van wist dan hij, daar zij in de stad was geweest. +</p> +<p>Nu vertelde de zoon aan zijn vader, dat hij ’s middags, toen zijn moeder niet thuis +was, in den oven een gebraden eend vond, die hij tot op de beenderen opgegeten had. +Maar hij wist niet of het de eend met de gouden eieren of een andere was geweest. +</p> +<p>Toen de vader dat hoorde, werd hij woedend op zijn vrouw en joeg zijn zoon de deur +uit. +</p> +<p>De zoon ging heen, zonder te weten of te vragen waar naar toe. Nadat hij tien dagen +en tien nachten had geloopen, kwam hij in een groot, vreemd land. +</p> +<p>Het volk daar was in diepe rouw gedompeld. Want zijn koning was gestorven; het wist +niet wien het op den troon zou roepen. +</p> +<p>De wijzen uit het volk beraadslaagden en kwamen tot het volgende besluit: +</p> +<p>«Hij, die den dag na deze vergadering het eerst door de stadspoort kwam, zou tot koning +worden gekroond.» +</p> +<p>Juist tegen dien tijd kwam de boerenzoon in de stad. Nu schreeuwde het geheele volk: +</p> +<p>—Hier komt onze koning aan! +</p> +<p>De ouderen en wijzen pakten hem bij de armen, brachten <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>hem in de koninklijke vertrekken, staken hem in kostbare gewaden, zetten hem de kroon +op het hoofd, knielden voor hem en verlangden onderdanig, dat hij zijn bevelen bekend +maakte. +</p> +<p>Onze koopmanszoon vertrouwde zijn eigen oogen niet. Hij dacht, dat hij droomde. Toen +zij hem echter verzekerden, dat zij hem werkelijk tot hun koning hadden gekozen, verheugde +hij zich werkelijk. +</p> +<p>De boerenzoon werd een wijs en barmhartig heerscher. Zijn volk beminde hem zeer. +</p> +<p>Toen hij eenigen tijd geregeerd had, liet hij zijn ouders komen, die hij vergaf en +die hun ouden dag rustig en vreedzaam sleten. +</p> +<p class="trailer center">EINDE</p> +<p><span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="spinsters" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#spinsters.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="main">DE DRIE SPINSTERS</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Er was eens een lui meisje, dat niet wilde spinnen. Haar moeder mocht haar nog zoo +beknorren en berispen, zij kon het meisje er niet toe bewegen aan het spinnewiel te +gaan. +</p> +<p>Ten slotte overmeesterden de moeder op zekeren keer woede en ongeduld, zoodat zij +haar luie dochter een dracht klappen gaf. +</p> +<p>Het meisje begon luidkeels te huilen. En juist kwam toen de koningin voorbij. Bij +het hooren van het geweeklaag, liet zij haar koets stilhouden, stapte uit en ging +het huis binnen. +</p> +<p>De vorstin vroeg de moeder, waarom zij haar dochter sloeg, zoodat men buiten het gehuil +kon hooren. +</p> +<p>De moeder schaamde zich echter de luiheid harer dochter bekend te maken en antwoordde: +</p> +<p>—Ik kan maar niet van haar verkrijgen, dat zij met spinnen ophoudt. Zij wil maar altijd +en eeuwig spinnen. Ik ben arm en kan me geen vlas aanschaffen. +</p> +<p>Daarop antwoordde de koningin: +</p> +<p>—Ik hoor niets liever dan spinnen en voel mij nooit aangenamer dan wanneer ik het +gesnor der wielen hoor; geef mij uw dochter mee naar het paleis. Ik heb vlas genoeg, +zoodat zij naar hartelust zal kunnen spinnen. +</p> +<p>Daar was de moeder zeer tevreden mee. Dus nam de koningin het meisje met zich. +</p> +<p>Toen zij in het paleis waren gekomen, bracht de vorstin haar naar drie kamers, die +van onder tot boven vol lagen met het mooiste vlas. +</p> +<p>—Nu moet je dit vlas voor mij spinnen, sprak zij. Als je gereed komt wordt je de gemalin +van mijn oudsten zoon. <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>Je bent wel arm, maar daar let ik niet op. Je onverdroten vlijtigheid is een voldoende +bruidschat. +</p> +<p>Het meisje schrok, want zij kon het vlas niet spinnen, al was zij driehonderd jaar +oud geworden, al had zij van ’s morgens tot ’s avonds erbij gezeten. +</p> +<p>Toen zij nu alleen was, begon zij te huilen en bleef zonder een vinger uit te steken, +zoo drie dagen zitten. +</p> +<p>Den derden dag kwam de koningin. Toen zij zag, dat er nog niets gesponnen was, verbaasde +zij zich erover. Maar het meisje verontschuldigde zich met de bewering, dat zij door +de verwijdering uit moedershuis zoo bedroefd was, dat zij nog niet kon beginnen. Dit +liet zich de koningin aanleunen. +</p> +<p>Bij het vertrek sprak zij echter: +</p> +<p>—Morgen moet je beginnen met te werken. +</p> +<p>Toen het meisje weer alleen was, wist zij geen raad meer. Bedroefd ging zij voor het +venster staan. Zij zag drie vrouwen aankomen. +</p> +<p>De eerste had een breeden platvoet, de tweede had zoo’n groote onderlip, dat die over +haar kin heenhing en de derde had een breeden duim. Zij bleven voor het raam staan, +keken omhoog en vroegen het meisje, wat haar scheelde. +</p> +<p>Zij klaagde bij hen haar nood, waarna de drie vrouwen haar hun hulp aanboden en spraken: +</p> +<p>—Zal je ons op de bruiloft uitnoodigen, je niet over ons schamen, zeggen, dat wij +je tantes zijn, ons ook aan je tafel laten plaats nemen? Dan zullen wij al het vlas +opspinnen en wel in zeer korten tijd. +</p> +<p>Het meisje antwoordde: +</p> +<p>—Heel graag. Kom maar en begin dadelijk aan het werk! Zij liet de drie zonderlinge +vrouwen binnen, en maakte <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>in de kamer, waar de vrouwen moesten zitten en spinnen, een bres. +</p> +<p>De eene trok aan den draad en trapte het rad in beweging, de andere breide den draad, +de derde draaide hem en sloeg met den vinger op de tafel. En iederen keer, dat zij +sloeg, viel er een getal netten op den grond. En die waren allerfijnst gesponnen. +</p> +<p>Voor de koningin verborg zij de drie spinsters en toonde haar, zoo dikwijls zij kwam, +den stapel gesponnen netten, zoodat haar lofzang geen einde nam. +</p> +<p>Toen de eerste kamer leeg was, werd aan de tweede begonnen en ten slotte het derde +vertrek, dat spoedig opgeruimd was. +</p> +<p>Nu namen de drie vrouwen afscheid en zeiden tot het meisje: +</p> +<p>—Vergeet niet wat je ons hebt beloofd. Het zal je geluk zijn. +</p> +<p>Toen het meisje aan de koningin de leege kamers en de groote hoopen netten toonde, +werden de voorbereidingen tot de bruiloft getroffen. De prins verheugde zich zeer, +dat hij zoo’n handige en vlijtige vrouw kreeg. Hij prees haar uitermate. +</p> +<p>Het meisje sprak nu: +</p> +<p>—Ik heb drie tantes. Daar zij mij veel goed hebben gedaan, wil ik hen in mijn geluk +niet vergeten. Veroorloof mij, dat ik hen op de bruiloft uitnoodig en hen aan den +feestdisch laat aanzitten. +</p> +<p>De koningin en de prins spraken: +</p> +<p>—Waarom zouden wij dit niet toestaan? +</p> +<p>Toen het feest begon, traden de drie vrouwen wonderlijk uitgedost binnen. En nu zei +de bruid: +</p> +<p>—Weest welkom, lieve tantes! +<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> +<p>De bruidegom vroeg: +</p> +<p>—Ach, hoe kom je aan zulke vieze vriendinnen? +</p> +<p>Hij trad op hen toe en vroeg aan de vrouw met den breeden platvoet: +</p> +<p>—Hoe komt u aan zoo’n breeden voet? +</p> +<p>—Van het loopen, antwoordde zij; van het loopen. +</p> +<p>Daarna ging de bruidegom naar de tweede, die hij vroeg: +</p> +<p>—Hoe komt u toch aan die afhangende lip? +</p> +<p>—Van het likken, antwoordde zij, van het likken. +</p> +<p>En nu vroeg hij aan de derde: +</p> +<p>—Hoe komt u aan dien breeden duim? +</p> +<p>—Van het draaien der draden, antwoordde zij, van het draaien der draden. +</p> +<p>De koningszoon schrok nu vreeselijk. Hij sprak: +</p> +<p>—Dan zal mijn schoone bruid nooit meer een spinnewiel aanraken! +</p> +<p>En daarmee was zij van het akelige vlasspinnen voorgoed verlost. +</p> +<p class="trailer center">EINDE</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center small">Uitg. «Patria», Antw. +<span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center large">DOE STEEDS UWE INKOOPEN BIJ +</p> +<p class="center xl">W. J. Wijburg. +</p> +<p class="center">Weerstraat B. 38. Tiel. +</p> +<p class="center large"><i>Het voordeeligst en ruim <br>gesorteerd adres in <br>Kinderspeelgoederen <br>en <br>Galanterieën</i> +</p> +</div> +</div> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<table role="presentation"> +<tr id="vuurvogel.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#vuurvogel">DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#vuurvogel">3</a></td> +</tr> +<tr id="eend.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#eend">DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#eend">23</a></td> +</tr> +<tr id="spinsters.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#spinsters">DE DRIE SPINSTERS</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#spinsters">29</a></td> +</tr> +</table> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2026-08-01 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 7 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e119">n.v.t.</a></td> +<td class="width40 bottom">GEILLUSTREERD</td> +<td class="width40 bottom">GEÏLLUSTREERD</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e146">4</a></td> +<td class="width40 bottom">ui</td> +<td class="width40 bottom">uit</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e191">7</a></td> +<td class="width40 bottom">k</td> +<td class="width40 bottom">Ik</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e242">10</a></td> +<td class="width40 bottom">hadt</td> +<td class="width40 bottom">had</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e246">10</a>, <a class="pageref" href="#xd34e302">13</a></td> +<td class="width40 bottom">»</td> +<td class="width40 bottom">—</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd34e254">10</a></td> +<td class="width40 bottom">jouw</td> +<td class="width40 bottom">jou</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79258 ***</div> +</body> +</html> diff --git a/79258-h/images/front.jpg b/79258-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..aa3c7d2 --- /dev/null +++ b/79258-h/images/front.jpg diff --git a/79258-h/images/p04.png b/79258-h/images/p04.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c85a531 --- /dev/null +++ b/79258-h/images/p04.png diff --git a/79258-h/images/p09.png b/79258-h/images/p09.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2fa4fe3 --- /dev/null +++ b/79258-h/images/p09.png diff --git a/79258-h/images/p14.png b/79258-h/images/p14.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..10a34d4 --- /dev/null +++ b/79258-h/images/p14.png diff --git a/79258-h/images/p18.png b/79258-h/images/p18.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..07182be --- /dev/null +++ b/79258-h/images/p18.png diff --git a/79258-h/images/p23.png b/79258-h/images/p23.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0ea3763 --- /dev/null +++ b/79258-h/images/p23.png diff --git a/79258-h/images/titlepage.png b/79258-h/images/titlepage.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..45366de --- /dev/null +++ b/79258-h/images/titlepage.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6c72794 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This book, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0aa6166 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1 @@ +[Project Gutenberg](https://www.gutenberg.org) public repository for eBook [#79258](https://www.gutenberg.org/ebooks/79258) |
