diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:32:25 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:32:25 -0700 |
| commit | ad2d167e4d948cdab257d7e78c45626bbd423677 (patch) | |
| tree | fe0888e7bb2034acefd5e4e51b7654100ddc220b /26696-8.txt | |
Diffstat (limited to '26696-8.txt')
| -rw-r--r-- | 26696-8.txt | 6815 |
1 files changed, 6815 insertions, 0 deletions
diff --git a/26696-8.txt b/26696-8.txt new file mode 100644 index 0000000..9a6fb2c --- /dev/null +++ b/26696-8.txt @@ -0,0 +1,6815 @@ +The Project Gutenberg EBook of Spaens Heydinnetie, by Jacob Cats + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Spaens Heydinnetie + +Author: Jacob Cats + +Editor: Dr. F. Buitenrust Hettema + +Release Date: September 24, 2008 [EBook #26696] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPAENS HEYDINNETIE *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman, Andrew Sly and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + ZWOLSCHE HERDRUKKEN + + + Onder redactie van + + DR. F. Buitenrust Hettema en J. H. van den Bosch + + + No. 1 + + Spaens Heydinnetie + + + + + + + SPAENS HEYDINNETIE + + Van Jacob Cats + + Uitgegeven door + + Dr. F. Buitenrust Hettema + + Vierde Herziene Druk + + + Zwolle--W. E. J. Tjeenk Willink--1922 + + + + + + + + +INLEIDING. + +I + + +Van Vader Cats kwam in 1637 uit zijn "'s Werelts begin, midden, eynde, +besloten in den Trov-ringh, met den proef-steen van den selven." [1] + +'t Is een vervolg op een vroeger werk, 't Houwelick; "door een +vorigh Boeck" heeft hij "de gronden van een goet houwelyck geleyt, +en een afkeer gepooght te maken van quade gangen die in soodanigen +gelegentheyt sigh openbaren"; en daarom heeft hij het "dienstigh +geacht, by dese jegenwoordige (z)ijne oeffeninghe de sake door +exempelen meerder klaerheyt te geven." [2] Immers "de wegh tot +wetenschap is lang door regels, kort door exempels, seyter een +wys schryver." [3] En Cats zijn "ooghmerck is geweest... onse +Landts-genooten met vermakelickheydt wat goets te doen lesen, en +daer door bequamer te maken tot het huyselick en borgerlick leven, +en een gelucksaligh sterven." [4] + + + +De Trouringh vermeerderde de populariteit van de meest populaire +nederlandse dichter. Zijn werken werden bij duizendtallen +verspreid;--van het Houwelyck "bij de vijftigh duysent... van d' +Emblemata, Maegde-plicht, Zelf-strijt en Manlyke Achtbaerheyt... weynig +min".. wat buitengewoon is als men in aanmerking neemt dat Nederland +in die tijd maar een paar miljoen bewoners had; velen in 't Noorden +en Oosten nog hun eigen taal alleen verstonden; bovendien het aantal +niet-lezers veel groter was dan nu. + +Dit werk, "hoe wel verscheyde jaren na d'andere werken uytgekomen" +(die telkens herdrukt waren), overtreft dat getal (van 25,000 +eksemplaren, die alleen van de "Spieghel" verspreid werden), "en is +in twee besondere Steden weer op de pers", zo schrijft de uitgever +van Alle de Wercken in 1655: een jaar of 16 na de eerste uitgave. + +Het buitengewoon in-trek-zijn van Cats, bij aanzienlik en gering, bij +geleerd en ongeleerd, is te bekend om er hier over uit te weiden. [5] + + + + +II + + +De Trouringh handelt over de _Liefde_. Die is de meeste. Zie mens +en dier; zie de onbezielde natuur, "siet de zeylsteen en het yser", +dat elkaar aantrekt, ziet "het amber en het stro." + +Leringen nu wekken, maar voorbeelden trekken. Daarom: + + + "Ick heb by een gebracht verscheyde trou-gevallen, + Om daer te mogen sien hoe jonge sinnen mallen, + En hoe een rijper aert bequamer vvegen vint, + En hoe een reyne ziel haer tochten overvvint. + Maer dat is niet genoegh. VVy moeten ondersoecken + VVt al wat Reden hiet, uyt alderhande boecken, + VVie in dit noest gewoel de rechte baen verliest, + En vvie in tegen-deel de beste vvegen kiest. + Al hooger, mijn vernuf, vvy moeten onder-gronden + Het vvonderbaerste stuck van alle trou-verbonden, + Des Heeren diepste gunst, des hemels grootste vverck, + Hoe God de Sone paert met syn geminde Kerck. + Almachtigh, eevvigh, goet, oneyndigh, heyligh, vvesen, + Naer eysch, en rechte maet, by niemant oyt gepresen, + VViens onbegrepen VVoort de vverelt heeft gebout, + En noch door hooge macht geduerigh onderhout, + Die Adam hebt vergunt door u te zijn geschapen, + En in syn even-beelt syn lust te mogen rapen, + Die noch voor yder mensch, tot heden op den dagh, + Beschickt een eygen deel dat hem vernugen magh. + Die even uvve Kerck den segen hebt gegeven, + Te kennen voor een hooft den Prince van het leven, + En, uyt u diepste gunst, de menschen hebt gejont + Een noyt begrepen heyl, een eeuvvigh trou verbont." [6] + + +Zo schikt Cats, "naar het motief van het wondere huwelik zijn lier +aanstemmend, heel het menselik leven om dit éne middelpunt. En +ongemerkt glijdt langs gouden draad deze aardse liefdeweelde over in +de mysteriën van het geestelik huwelik." [7] + +Want--"door-leest vry trou-gevallen van alderley eeuwen en volcken met +vermakelickheyt, overleghtse in u selven met wijsheyt, steltse in 't +werck met omsichtigheyt, en geniet vry u deel daer van met vernougen: +dies alles niet tegenstaende, soo sal't al te samen eyndelick komen +uyt te loopen tot enckele ydelheyt, jammer en verknisinge des herten, +ten zy sake dat u gesicht en oogemerck komt te eyndigen in dat groot en +onbegrijpelick trouverbont...: door middel van het welck het schepsel +wort vereenight met synen schepper, de gemeente met haren bruydegom, +en de ziele met haren Salighmaker. Laet vry Salomon op-soecken tot +sijn vermaeck alles wat sijn ooge wenschen magh, laet hem verkiesen +menighte van inlantsche ende uyt-lantsche wijven, koninghs dochteren, +Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonitische en Hethitische, +tot seven hondert in getale, en boven dien drie hondert by-wijven; +noch sal hy ten uyt-eynde van dien allen, klagelijck uyt-roepen, +_'Tis allemael ydelheyt, jammer, ende hertenleet._ En sal ten lesten +tot besluyt seggen, _Laet ons de hooft-somme aller leere hooren: +Vreest God, en hout syn geboden; vvant dat behoort alle menschen +toe. Eccl. 12.13._ Siet, lieve, daer alleen is eyndelick rust en +lust te vinden, ende te vergeefs wert die elders gesocht: laet daer u +beste sinnen veel henen gaen, en uwe suyverste gedachten op-stijgen, +even terwijl ghy besigh zijt om voor u een gewenscht geselschap en +een bequame huys-sorge te bekomen. Hij en reyst mijns oordeels niet +wijsselick, die in't vorderen van sijnen wegh vergeet, wat eygentlick +het eynde ende oogemerck is van dat hy begonnen heeft." [8] + + + +Hoe intenser en praktieser er geleefd wordt, hoe meer de geest 't +evenwicht daartegen zoekt in zijn fantazie; maar ook, hoe meer de +buitengewone daden van sommigen tot fantazeren aanzetten. + +De romantiese trek naar het ongewone en stoute, een grondtrek van +'t Nederlandse karakter [9], blijkt uit avontuurlike zeereizen, als +die van Bontekoe, van Willem Barentz, van zovele anderen; in sommige +wonderlike stukken van Rembrandt; de stoute poging van de Groot +om het recht van vrede en krijg tot een vast systeem te brengen; +in het nog stoutere waagstuk van Spinoza om het Godsbegrip tot een +mathematiese zedelike formule te herleiden. In welke volksgeschiedenis +is een romantieser tafreel te vinden dan die van Tromps aanval en +overwinning bij Duins? Die aanval van een klein getal schepen op +deze nieuwe armada, dat eensklaps aangroeien van onze vloot, dat +geven van stengen en buskruit zelfs aan de overmachtige vijand, is +'t niet alsof alles tot het gebied van de romantiese legende hoort?" + +En wat al romantiese verhalen ook in de Trouringh: "uit alle oorden +en alle tijden wist hij zijn volk wat te vertellen." + +'t Boek is als Cats, 'zeitgemäss' en aktueel. Evenals Hooft zijn +Historiën aantrekkelik maakte door over toen bekende historiese +personen mededelingen te doen, zo ook Cats. En hij wist veel van +deze. Nu eens memoreert Cats een verhaal van een gebeurtenis tijdens +de pest, die in Holland woedde, hoe op "seker dorp in Zuyt-Hollant +(soo men my heeft doen verstaen)", een vroegere minnaar de zieke +vrouw in zijn eigen huis verpleegt, terwijl de eigen man bang voor +de ziekte, haar in de steek had gelaten; als zij geneest, trouwt ze +de trouwe verpleger. Dan verhaalt hij van wat een hollants vrijer +overkwam, die "op-settelick de Jacht om zeylde, op dat hy (wel +konnende swemmen) aen syn geminde soude mogen toonen de trou-hertige +genegentheyt." Of hij weet iets van zeker "eerlick jongelingh", die +eerst om zijn ongegoedheid afgewezen werd, maar later, toen de ouders +van het meisje alles verloren hadden, en uit Vlaenderen naar Engeland +waren uitgeweken, toch het meisje tot vrouw kreeg; hoe toevallig +ze elkaar ontmoetten in een "slecht vertreck" van een herberg. Hij +vertelt van een "jonge deerne binnen de stadt van Amsterdam," die +door vrienden en voogden, op hoop van haar erfenis belet werd te +trouwen, en welke remedie zij daartegen nam." Of ook van een "oudt, +wijs, en aensienelick man, die zijn dochter als vrouw aan een bequaem +jongelingh" aanbood. Hij verhaalt van een andere vader, die zijn enige +dochter onterfde om dat zij tegen zijn zin zich met "de vrijer buyten +den lande hadde begeven." Hij maakt melding van een brief die in 1632 +de Prins in handen kwam, en waarin "sekere joffrou van aensien" omtrent +haar nicht een-en-ander minder lofwaardigs voorstelde; als hij "de +jonckvrouwe noemde, ick geloove datse aen u en andere wel bekent soude +wesen." Hij weet van de weduwe, die, voordat haar eerste man stierf, +al "trou-belofte" had gegeven en die later deze niet hield, en niet +behoefde te houden, omdat zo iets vooraf te doen verboden was; en hoe +gelukkig zij toen zich gevoelde, omdat ze een ander genegen was. Hij +kent de "dochter van een voortreffelick persoon" in Nederland, die, +om haar schaker te redden, verklaarde "den jonck-heer selfs versocht" +te hebben. Hij berijmt in den brede meer dan éen geval, zo een "Zeeus +houwelick", en een "geschiedenisse, in Hollant voorgevallen." + +Hij weet van tal van histories iets mede te delen, van zovele, dat +hij schertsend zelfs Sophroniscus aan Philogamus laat vragen: "Tuyten +u de oiren noch al niet van de menighfuldighe trou-gevallen, die wy +dese voorlede dagen te samen over den hekel hebben gehaelt?" Want hij +bespreekt--in pittig proza--in die trouwzaken, hoe die hier, en ook +in Indië zijn behandeld.--"Dese en diergelijcke dingen zijn dienstigh +bedacht te werden in desen onsen tijt, daer veel mans soo langhdurige +reysen op Oost en West-Indien ter hant nemen, en dickwils veel jaren +uyt-blyven"..... Hij handelt er over hoe dergelijke huwlikszaken in +Zuid-Nederland, in Duytsland, in Frankrijk beoordeeld worden. Dit +alles met voorbeelden en toelichtingen uit het "hedendaagse, Romeynse +en kerkelick recht" opgehelderd. + +Immers: Nederlanders zwierven de wereld over: + + + "ghy meught op heden gaen + Oock naer het heet Brasil, of na den Indiaen... + Men vinter Nederlants, men vinter Hollants bloet." + + +Met de Hervorming was al wat, in 't algemeen of in 't biezonder, +ethies-juridies vaststond in de ME., op losse schroeven geraakt. + +Wat al kwesties van praktijk en theorie kwamen niet op. Vader Cats +voelde dit: hij de praktikus! Hij gaat ze uiteen zetten: de vragen +van den dag in zijn tijd. + +Een kwestieus punt in die dagen was of een Protestant een Katholiek +mag trouwen: "het bysonderste dat uyt dese gheschiedenisse in bedencken +behoort te komen: een hooft-stuck."--Een ander is: "of het een Christen +geoorloft is syn handen te laten sien om eenige voorsegginge in 't +stuck van syn houwelick daer uyt te mogen verstaen? of dat hy andere +middelen vermagh te gebruycken, om van toe-komende dingen de uytkomste +te weten." Dan, kan men uit de polsslag opmaken of iemand verliefd +is.--Zo Cats nu leefde, zou hij uit het schrift zijn konkluzies hebben +getrokken: of iemand verliefd was in ernst, of 't maar voorwendde, +"om de wille van de smeer." + +Cats-zijn "betrachtinge" in de gehele Trouringh is geweest, "t'elcken +nieuwe gevallen en van een bysondere uytkomste voor te stellen: +ten eynde om door de verscheydentheydt van stoffe, geduerighlijck +versche bedenckingen in den leser te verwecken; opdat alsoo yeder +een yet wat hier soude vinden dat op syne bysondere gelegentheyt +soude mogen slaen. Waer in ick meyne soo veel gedaan te hebben datter +by-naest niemant en sal gevonden werden, of hy en sal aen het een of +het andere trou-geval syn eygen konnen toutsen en ter preuve stellen." + +In de "Tafel" van de Trouringh vindt men een lijst van de meeste +gevallen; nog meer staan er in de tekst zelf. Hier volgt die Tafel: + + +_Het volgende VVerck bestaet in vier deelen, vvaer van het eerste deel +begrijpt vijf bysondere Trou-gevallen ontleent uyt de H. Schrifture._ + +Het eerste daer van is de beschrijvinghe van 't houwelick der eerste +voor-ouderen Adam ende Eva. + +En volght by die gelegentheyt een onderlinge t'samen sprake, waer +in wert gehandelt van verscheyde bedenckelicke vraeghstucken ontrent +den echten staet: ende onder anderen, + + + 1 Offet alle menschen geoorloft, en dienstigh is te trouwen, + dan niet. + 2 Offet beter is getrout of ongetrout zijnde te leven. + 3 Wat middelen prijsselick zijn om een vrouwe te bekomen, + en hoedanige niet. + 4 Hoe veel het gebedt, en de in-vallen daer op volgende, + is toe te schrijven in dese gelegentheydt: en sonderlinghe + exempelen daer op slaende. + 5 Offet beter is onder houwelickse voorwaerde te trouwen, + dan niet. + 6 Vrouwen weyger-kunste in 't geheym van 't houwelick. + + +Het volgende trou-geval, wesende het tweede, vertoont aen den +leser een houwelick van drien: dat is, van Iacob met Lea en Rachel, +Labans dochters. + +En by gelegentheyt van 't selve een t'samen-sprake, daer in wert +verhandelt, + + + 1 Het stuck van de Polygamie, ofte veelwijvigh houwelick. + 2 Van de dwalinge ontrent de personen in 't stuck van + houwelick, en wat voor werckinge de selve voort-brenght. + 3 Van de houwelicken die op schoonheyt haer ooghmerck hebben, + en hoe verre de selve geoorloft of ongeoorloft zijn, ende + diergelijcke vraegh-stucken meer. + + +Het derde trou-geval behelst de beschrijvinge van 't houwelick van +Athniel en Ascha dochter van den vorst Caleb. + +En by gelegentheyt van 't selve een t'samensprake op bedenckelicke +pointen: + + + 1 Op de houwelicken van State. + 2 Op de macht der Ouderen ontrent het besteden van hare + kinderen, en of beyder bewilginge wert vereyscht, dan niet. + 3 Op de gelegentheyt van jonck-vrouwen die als prijsen + voor-gestelt werden om met sterckte des lichaems, worstelen, + snel loopen, of diergelijcke oeffeninge, gewonnen te werden. + + +En by die gelegentheyt in 't voor-by gaen, + +_De beschrijvinge van 't houvvelick van Hippomenes en Atalante_, +uyt de oude Poëten. + +Het vierde trou-geval bestaet uyt de beschrijvinghe van den +Maegden-roof der Benjamijten te Sçilo. + +Waer op volght, + + + 1 Een ondersoeck van houwelicken door ontschaken te wege + ghebracht, en de macht der Overigheyt in dien deele. + 2 Van de ontvoeringe met wille van een jonge deerne ghedaen, + en of de selve straffe van ontschakinge verdient. + 3 Of een vrou-mensch willende trouwen met haren ontschaker + d'Overheyt sulcx behoort toe te staen, dan niet. + 4 Offet waerachtigh is dat een jonge deerne dien lief heeft, + die haer eerst van haren maeghdom ontset, &c. + + +By het vijfde trou-geval wert beschreven het houwelick van David +met Abigaïl. + +En by dîe gelegentheyt werden in ondersoeck gebracht, + + + 1 De houwelicken van weduwen ende weduwenaers: en offet beter + is een goet of een quaet mans weduwe ten wijve te nemen. + 2 De houwelicken die door tusschen-gaende personen uyt werden + gewracht, en of sulcx dienstigh is, dan niet. + 3 De houwelicken daer een man een sneger, verstandiger of + wijser vrouwe verkiest als hy selfs is. + 4 Of een vrouwe aen een droncken man de schuldige + goet-willigheyt moet geven, dan niet. + 5 Van nieu-gehoude die in 't harnas beslapen worden. + 6 Of men een man of vrouwe by testamente magh besetten. + 7 Een groote menighte van twijfelaehtighe vraegh-stucken, + soo over vryagien als het houwelick selfs. + + +_Het Tweede Deel Bestaet uyt Trou-gevallen ontleent van de oudtste +tijden naest de Bibelsche historien._ + +Het eerste geval begrijpt het ongelijck houwelick van Crates en +Hipparchia. + +Waer door in bedencken komt, + + + 1 Offet altijt best is dat yder syns gelijcke trouwe. + 2 Of yemant willende trouwen, syn heymelick gebreck openbaren + moet: immers of voor nieu-getroude sulcx dienstigh is om + malkanderen beter te mogen vieren. + + +_Hier een by-voughsel van een nieuvve geschiedenisse op die +gelegentheyt, dienende om man en vvijf aen te vvijsen een middel om +malkanders gebreken te konnen vieren._ + + + 3 Of een jonge deerne een kint te voren hebbende gehadt, + sulcx, ten houwelick versocht zijnde, behoort te openbaren. + 4 Of sulcx naer het houwelick geweten zijnde, het selve daerom + magh ghescheyden werden. + 5 Of jonge dochters voor haer selven een man mogen versoecken. + 6 Of men behoort te trouwen yemant die uyt-wendige en + sienelicke ghebreken heeft. + 7 Wat eygentlick de beweegh-reden en oorsaeck is van + liefde. En by die gelegentheyt, _Een tvveede verhael, van een + plotselicken in-val een Italiaensche jonckvrou over-gekomen, + en een houvvelick daer uyt ontstaen._ + + +_Een derde in-vallende gelegentheyt, van een Zeeus houvvelick, te vvege +gebracht door gevaer des levens; dat anders niet en vvilde vallen._ + +_Een vierde geschiedenisse, in Hollant voor-gevallen, van een +houvvelick gevordert door 't pijnelick genesen van een af-keerigh +gebreck, om de vrijster te behagen._ + +_Een vijfde geval, roerende een sonderlicken onlust midden in de lust +plotselick ontstaen._ + +_Een seste verhael, van een jonge vrouwe die haer van schoon gansch +leelick maeckte, om haren man te behagen._ + + + +Het tweede trou-geval bestaet in 't verhael van een sonderlinghe +geschiedenisse van twee Grieksche jonck-vrouwen by een edelman op +eenen dagh verkracht: en het bedenckelick gedingh daer uyt ontstaen. + +Waer door in bedencken komt, + + + 1 Of een verkrachte dochter wel doet haren ontschaker te + trouwen. + 2 Of een jongelingh wel doet een deerne te trouwen, die by + een anderen verkracht of onteert is. + 3 Of een courtisane, of een vrou-mensch dat met haer lichaem + gewin heeft ghedaen, dient getrout. + 4 Eyndelick van houwelicken door het verbidden van misdadige + te wege gebracht. + + +In het derde trou-geval wert verhael ghemaeckt van een vorstelijck +houwelick, veroorsaeckt door een droom of nachtgesichte. + +En wert by die gelegentheyt ondersocht, + + + 1 Van wat gewichte dat droomen zijn, sonderlinghe in de + gelegentheydt van houwelicken. + 2 Hoe men goede ende goddelicke droomen kan onderscheyden + van de bedriegerijen van de boose geesten. + 3 Wiens sinnelickheydt gevolght moet werden, soo wanneer + een vader en een dochter, d'een met desen, d'ander met genen + vrijer genegen is een houwelick aen te gaen. + + +In 't vierde trou-geval wert beschreven het houwelick tusschen +Cyrus en Aspasia; dat is, tusschen een groot-vorst, en een geringe +lant-vrijster: met een spoock-vryagie tusschen beyde. + +Waer uyt dan komt t'ontstaen het ondersoeck, + + + 1 Van spokerije die in liefde gebruyckt wort. + 2 Van de kracht der minne-drancken. + 3 Van teyckenen en characters om liefde te verwecken, + en diergelijcke. + + +Het verhael van de wonderbare liefde van den keyser Charlemagne, +mitsgaders van Cha,Selim groote Mogol. + +_Het Derde Deel, Behelsende verscheyde geschiedenissen onsen +tijt naerder komende als de voorgaende, oock eenighe onlanghs +voor-gevallen._ + +In-leydinge. De Wijsheyt spreeckt, tot uytlegginge van de Titel-plaet. + +Het eerste trou-geval is 't houwelick van Emma, jonge prinçesse, en +dochter van den keyser Charlemagne, met Eginart des selfs Secretaris. + +Waer uyt ontstaen de volgende vraeghstucken, + + + 1 Of het dienstigh is een houwelick te vorderen door sigh + meester te maken van de eerbaerheyt van de gene die men ten + houwelicke versoeckt. + 2 Wat een vader vermagh of behoort te doen, ten aensiene van + een dochter die buyten syn wete of danck met trou-belofte + ofte by-slapen haer ontgaen heeft. [10] + 3 Wat in soodanigen gelegentheyt beter is hart of sacht te + wesen: en daer toe bedenckelicke exempelen. + 4 Of een vader syn dochter magh ont-erven, vermits sy buyten + syn weten, of tegen synen danck getrout is. + + +Het tweede trou-geval begrijpt in sigh het houvvelick van koningh +Ulderick van Bohemen ten eenre, ende Phryne Bocena een herderinne +ter anderer zijden. + +En wort by dese gelegentheyt ondersocht, + + + 1 Of prinçen wel doen sigh te versellen met geringe + vrou-personen. + 2 Of gelijckheyt van gebreken dienstigh is tot eendracht van + de gehoude. + 3 Bedenckenheyt op de schoonheyt der vrouwen. + 4 Van het queesten dat in sommige gewesten van Noort-Hollant + wert geseyt gebruickelick te wesen. + 5 Of vrymoedigheyt in jonge maeghden prijsselick is, dan + niet, &c. + + +Het derde trou-geval behelsende een selsaem houwelick tusschen een +Spaens edelman ter eenre, ende een heydinne ofte lantloopster (soo doen +gemeynt wert) ter anderer zijden: met eenige bysondere tusschenvallen. + +Waer door in ondersoeck koomt, + + + 1 Den oorspronck van de landt-loopers (anders heydens genaemt.) + 2 Of men uyt den pols kan gewaer worden dat yemant verlieft is: + dat is, of de liefde eenen bysonderen aderslagh is hebbende + daer aen de selve te kennen is. + 3 Of uyte hant van yemant toe-komende dingen of yemants + heymelicken aert geseyt kan werden. + 4 Of men op houwelickse saken, of andere toe-komende dingen, + magh ondersoeck doen. + 5 Van de Physiognomie oft wesen-kennisse: en wat uyt het + gelaet, gestalte des lichaems, en diergelijeke voorgeseyt + kan werden. + + +_Een tusschen-val poëtelick verhandelt, van liefde sonder sien +vervveckt, en schoonheyt blindelincx verkoren._ + + + +Het vierde geval is een Fransche geschiedenisse, gansch vreemt, +sonder exempel, en vol doortrapte rancken. + +En daer uyt dese volgende bedenckingen, + + + 1 Offet goet is trou-belofte te doen tusschen kinderen in de + wiege, of anders minder-jarigh zijnde. + 2 Wanneer de vrouwen mogen her-trouwen by af-wesen of + uyt-blijven van hare mans. + 3 Onmacht van mans wat werckinge in het stuck van houwelick + uyt-brengt. + 4 Nestel-knoop in Vrancrijck van vvat kracht en eygentschap + aldaer gehouden wert. + 5 Of een kint dat in overspel is gewonnen eeniger wijse + wettigh genaemt kan worden; ende om wat redenen. + + +Het vijfde verhael bestaet in de prachtige en dertele liefkoserije van +Marcus Antonius velt-overste van de Romeinen, en Cleopatra koninginne +van Egypten. + +_Een by-voughsel van een droevigh trou-geval tusschen den koningh +Masanissa en de koninginne Sophonisba._ + +_Een Hollants trou-bedrogh onlangs voor-gevallen._ + +_Rosen-krijgh, de Griecsche dichters na-gebotst._ + +_Een jammerlick en bedenckelick verhael, dienende tot vvaerschouvvinge +van alle ouders om op hare dochters acht te slaen._ + + + +Het seste trou-geval bestaet in de beschrijvinge van de opkoomste +van Rhodope: eerst gevrijt ende ten houwelicke versocht van seven +bysondere jonge-lieden van verscheyde gelegentheyt, die yder met een +bysonder ghespreck haer beroep aen de selve soecken aengenaem te maken. + +Waer by naderhant koomt de beschrijvinghe van een bedaeght mans +liefde: met een tusschen-val, vervatende het krackeel van de Doot +met de Liefde. + +Volgt by dese gelegentheyt een ondersoeck, + + + 1 Waer op eygentlick yemant die een vrou of man wil verkiesen, + behoort te sien. + 2 Wat van houwelicken by 't lot, of diergelijcke middelen te + wege gebracht, te houden is. + 3 Een bedenckinge op het trouwen van een oudt man met een + jonge vrouwe: of een jongh man met een oudt wijf. + + +_Volght een verhaal van liefde door het vlechten van een krans +vervveckt._ + +_Toe-mate, ende besluyt, bestaende in de beschrijvinge van de +Vrijster-marckt, in sommige gevvesten gebruyckelick, en hoe men aldaer +beyde leelicke en schoone aen den man brenght._ + + +_Het Vierde Stvck Behelst het Geestelick Houvvelick. Daer in te +vinden is,_ + +De beschrijvinge van de Sond-vloet. + +D'ontschakinge van Dina. + +De kopere slange in de woestijne: en andere geschiedenissen uyt +'t Oude Testament. + +Noch het Hooge-liet Salomons. + +De geschiedenisse en klachten vande verlatene Babylonische vrouwen. + +De bysonderste geschiedenissen van het Nieuwe Testament: als de +neder-komste ende groete van den Engel. + +De geboorte Christi. + +De lof van de H. maget Maria. + +Kinder-moort Herodis. + +Wonder-wercken, leere, en leven Christi. + +Desselfs lijden, en daer op verscheyde bedenckingen. + +Eynde ick de beschrijvinghe van den jonghsten dagh en het oordeel. + + + +Wat worden hier een aktuéle kwesties aangeroerd. En met hoeveel +romantiese zin zijn die verhalen gesteld. En met hoe grote kunst is +deze Trouringh ineengezet. + +De nieuwste wetenschap van die tijd wordt meegedeeld. En de geleerdsten +van zijn tijd worden hierbij in rade geroepen. Cats-zelf was een +authoriteit. Was hij zelfs niet de "geleerde Cats" [11], de evenknie +van Hooft, Reaal, Vossius, ja, van Hugo de Groot; werd hem, de Zeeuw, +in de gouden tijd van onze geleerdheid niet in 't naijverige Holland +het professoraat in Leiden aangeboden? + + + +Cats met zijn geleerdheid schuilt in deze Trouringh: geen wonder +dat hij, aan wie 't vrouwvolk van de jeugd af had bevallen, het werk +opdraagt aan de geleerde Anna Maria Schuurmans: + +"Die in de Nederlandtsche, Hooghduytsche, Fransche, Latijnsche talen, +soo wel ervaren is geweest, dat sy daer in loffelick spreken, brieven +schrijven, en dichten konde. + +Die in de Griecsche, Bibels-Hebreusche talen soo wel geoeffent was, +datse daer in de Auteuren lesen, verstaen, daer van oordeelen, oock +in schrijven konde. + +Die in de Italiaensche ende Engelsche talen soo verre is gevordert +geweest, dat sy boecken op saken van State, of diergelijcke, bij den +Italianen geschreven: en daer beneffens de uyt-nemende Theologische +boecken by den Engelschen uit-gegeven, lesen ende gebruycken konde. + +Die in de Rabbijnsche-Hebreusche, Chaldeusche, Syrische, Arabische +talen soo veel geleert hadde, datse die konde lesen, verstaen, en met +de heylige Hebreusche tale confereren, tot reynder ende geleerder +openinge van de H. Schrifture. Die vorder van sin en voornemen is +geweest in toe-komende, met Godes hulpe, daer in voort te gaen, en +daer noch by te voegen het Samaritaens, Æthiopisch, ende Persisch, +verwachtende alleen maer noodige boecken tot uyt-werckinge van haer +loffelick voor-nemen. + +Die in de Historien, Poëten, Orateuren, ende andere goede schrijvers, +mitsgaders de liberale konsten, neffens de Philosophische, ende andere +wetenschappen, soo wel belesen ende ervaren is ghevveest, datse daer +van discoureren, ende over de swaerste stucken ende questien der +selver dicteren ende in 't schrift stellen konde. + +Die voortreffelijcke kennisse hadde, ende een diepsinnigh oordeel, +in Theologiâ Textuali, Dogmaticâ, Practicâ, Elencticâ; selfs tot de +swaerste ende subtijlste Scholastique questien toe. + +Die haer dagelicx noch neerstelick oeffende in alle deelen ende +methoden der Theologie. + +Die in de Schrijf-konste geen meesters en hadde te wijcken: jae te +boven gingh de netste ende aerdighste drucken, en dat in 't Hebreusch, +Syrisch, Arabisch, Griecx, Samaritaens, Æthiopisch, Latijns, Italiaens, +&c. ende de meeste Handen van dien op verscheyde manieren, als Capitale +letters, Staende, Loopende, kunstelick konde schrijven. + +Die in 't Teyckenen en Schilder-kunste wel was ervaren. + +Die zijde bloemen of diergelijcke naer het leven konde bordueren. + +Die Teyckenen konde met Pot-loot, De Penne, Crayon, &c. + +Die wist te Schilderen in miniature, ofte water-verwe. + +Die de wetenschap hadde met een Diamant op het glas geestigh te +schrijven. + +Die konde Hout-snijden, of met een Pennemes in palmen-hout +Conterfeytsels maken. + +Die de wetenschap hadde van plaet-snijden tot haer eygen Conterfeytsel +toe. + +Die wist te boetseren in wasch. + +Die in de Musijcque loffelick was ervaren. + +En van gelijcke mede in het slaen van de Luyt. + +Nu soo isset alsoo, dat niet alleen de hooge Schole van het Sticht +van Utrecht, maer oock menigh geleert man in Hollant met volle reden +van wetenschap kan getuygen, dat al het gene voren is verhaelt, +gelijckelick is te vinden in den persoon van Jonckvrou Anna Maria +Schurmans..." [12] + + +Zo iemand was de opdracht van Cats z'n geleerd werk waardig. + + +Cats was populair onder de vrouwen en mannen van de daad in de XVIIe +eeuw: geen wonder! Cats bevredigde fantazie en weetlust: 't was de +eeuw van onderzoek, op elk gebied, in Nederland; hij prikkelde bij +al zijn leren tot beleven; tot daden doen! En deed dit poëtieser dan +iemand anders van zijn tijdgenoten. + + + + +III + + +In een brief, dd. 11 Nov. 1633, aan prof. Barlaeus, geeft Cats enkele +stukken aan, welke hij van plan is een plaats in zijn Trouringh +in te ruimen. [13] Hij heeft deze "gevallen niet erdicht, ofte in +(syn) eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten veel +plagh te wesen: maer (hy heeft) beter gevonden, de geschiedenissen +van goede schrijvers te ontleenen"; evenwel heeft hij ze "breeder +uyt-gemeten als die by de oude schrijvers gevonden werden ... Sulcx +dient sonderlinge tot beter glimp van de stoffe, ende tot meerder +vermakelickheydt van den leser" ... + +Uit zeer uiteenlopende werken van eigen en ouder tijden heeft Cats +nu zijn verhalen in de "Trouringh", gelicht, en minder of meer vrij +bewerkt. Men vindt wat gevonden is, aangewezen en besproken bij +_J. Bolte_, _Tijdschr._ XVI, 241, n.--Dr. _A. S. Kok_, Van Dichters +en Schrijvers I, 81.--Dr. _J. A. Worp_, Noord en Zuid XX, 39 tot 66. + + + +Ook was zijn doel de "Nederlantsche tale te verçieren, de Hollantsche +gedichten sacht-vloeyende en sonder stoot en stop-woorden te maken; +ten eynde de selve eenpaerlick en sonder stuyten gelesen mochten +werden". [14] + + + +De verhalen in de Trouringh van Cats worden meestentijds afgewisseld +door samenspraken tusschen Sophroniscus en Philogamus over +"vraegh-stucken (die) uyt ydere geschiedenisse rijsen." De eerste is +"out-man ende weduwenaer", de ander "jonghman ende noch ongehout"; +deze overlegt hoe hij "bequamelijck uyt desen eensamen staet tot +een geselligh leven soude mogen komen." Het hapert hem er maar aan +dat hij "te weynigh kennisse van saken hebbe in die gelegentheyt, +en noch de rechte gronden niet en weet van dat groot werck." Waarom +de eerste hem "een nieu Poëtisch werck" in handen geeft, "verscheyde +gedenck-weerdige trou-gevallen .... voor oogen stellende..." Met +aandacht zal hij "letten vvatter voor aenmerckingen uyt sullen +te trecken syn ... ende daar nae willen vvy reden en tegen-reden +onderlinghe seggen en hooren." [15] + +Dit is niet door Cats "over-al in volle leden ghedaen konnen +werden, vermits (s)ijn ampt (geduerende den tijt dat (hij) met het +voorsz. Werck besigh was) (hem) veel beswaerlijcker quam te worden als +wel te voren. In vougen dat (hy s)yn begonnen ontworp naer eysch van +saken niet en (heeft) konnen vol-trecken: maer (heeft) de vervullinge +van verscheyde bedenckelicke vraegh-stukken ghelaten aen het oordeel +van den ervaren en geoeffenden leser." + + + +Deze dialogen waren algemeen in de XVIIe en in de XVIe eeuw: 't +hoofddoel was aangename geestverrijking: ze behandelden in elegante +causerie alle vragen van kunst, smaak, wetenschap, zeden. Vooral +in Italië was dit genre inheems.--Lucianus, en Athenaeus waren 't +voorbeeld, zie vertaling en commentaren door Casaubonus.--Vgl. Erasmi +Colloquia; Bargagli's Trattenimenti; Cremaille's Jeux de l'Incognu; +Harsdörffer's Frauenzimmergesprächbücher (dames-encyclopaedie). + +Ook in de Middeleeuwen vindt men al deze leerzame dialogen in navolging +van Augustinus. [16] + + + + +IV + + _Ex uno disce omnes._ + + +Een van de meest bekende is het "Selsaem Trou-geval tusschen een +Spaens Edelman ende een Heydinne, soo als de selve edelman, ende alle +de werelt doen geloofde", of kortweg genoemd Het Spaens Heidinnetje. + +Cats zelf vond het nog al biezonder: in de oudste druk staat het met +een mooi vignet, en een extra groot 'hoofd' boven de bladzij waar +'t begint, en wordt op biezondere wijs onderscheiden ook door het +bericht in de Tafel. + +Cats wilde prof. Barlaeus overhalen zijn Trouringh in het Latijn +te bewerken. Hij noemt in een van zijn brieven aan deze professor +[17] zekere doctor Pozzo; die zou dit Spaens Heydinnetie in het +Spaans hebben bewerkt, maar die schrijver heeft hij niet onder de +ogen gehad. Dit aardige verhaal heeft enige overeenkomst met de +vertellingen, van Heliodorus. Dan deelt hij Barlaeus de inhoud mede. + +De 20 Febr. 1634 zendt hij het hem, in 't ruwe afgewerkt. Of het waar +is, zoals zijn zegsman vastelik beweert, of verzonnen, en of het +pas gebeurd is, of dat het aan de oudheid is ontleend, laat hij in +'t midden. Hij geeft Barlaeus volle vrijheid er in te veranderen, wat +hem goed dunkt. Het stuk wacht en vereist nog een tweede doorwerking; +de minste verandering is reeds uitstekend. [18] + +Deze kwam in 1643 uit; het privilegie is van 7 Desember. Daaronder als +"Cheiromantis" het Spaens Heydinnetie. + +Cats hield dus Pozzo voor de auteur. Maar 't verhaal is een van de +"Novelas ejemplares" van Cervantes; die zegt dat hij 't verhaal vond +bij "el licenciado Poço". + +Heeft Cats niet geweten dat Cervantes de auteur was van "la Gitanella +de Madrid?" Hij noemt hem niet! En overal elders citeert Cats zijn +bronnen wel! Hoogstwaarschijnlik had Cats het verhaal in een vertaling +gelezen; dan nog was zijn zeggen juist: "historiam ... ex hispanorum +monumentis hausi." 't Was "zeer waarschijnlijk een Italiaanse, daar +hij spreekt van Ferdinando, voor 't spaanse Fernando" [19] + +De Novelas ejemplares van Cervantes verschenen in 1613--waarin +de Gitanella--en zijn vele malen herdrukt of nagedrukt. De franse +vertaling is van 1621 door F. de Rosset en d'Andiquier. De italiaanse +is van 1626 door Guglielmo Alessandro de Novilieri Clavelli, in +Venetië; met de naam van Cervantes op 't tietelblad; in 1627 verscheen +de tweede (van D. Fontano), en 1629 nog een derde, de beide laatste +in Milaan. Maar mischien ook stond het verhaal in de een of andere +bundel novellen. [20] + +Zodat we nog niet met zekerheid kunnen aangeven waar Cats zijn +Pozzo-Gitanella kan gevonden hebben. + +In 1643 kwamen uit vier verhalen, vertaald door F. V. S.--"moogelyk +Felix van Sambix, die den drukker is geweest" zoals van Meekeren +meedeelt in zijn voorrede van "De doorluchtige dienstboden", door +hem naar een van deze verhalen bewerkt. Zij verschenen bij Felix van +Sambix in Delft; het eerste, tweede en vierde zijn van Cervantes. Dit +laatste is Het schoone Heidinnetje. [21] + +Heeft Cats ook deze niet gelezen, dat hij in latere drukken het +eerst-medegedeelde niet gepreciseerd heeft? + +In J. van Beverwyck's Schat der Ongesontheyt (1660) (blz. 106) +wordt dit Spaens Heydinnetje gedeeltelik aangehaald, en omtrent de +"polsslagh" naar "de redenen aanghewesen by d'Heer Ridder Iacob Cats" +verwezen. + +Het verhaal van dat Spaanse zigeunerinnetje was erg in trek. Men +bewerkt het, men vertaalt het in 't Nederlands. + +_M. Gansneb Tengnagel_ gaf in 1643 uit: Het Leven van Constance, waer +af volght het Tooneelspel, de Spaensche Heydin. En _Cath. Verwers +Dusaert_ publiceerde in 1641 haar Spaensche Heidin. + + + + +V + + +_Litteratuur over Cats_: de monografie van Dr. _G. de Rudder_, Un poète +Neerlandais, Cats, sa vie et ses euvres, Calais, 1898; breedvoerig, met +voorliefde geschreven. En daarnaast die van _G. Kalff_, Cats (_Gids_ +1899, dl. III, 387-435; dl. IV, 69-119); afzonderlik uitgegeven in: +Studiën over nederlandsche dichters der XVIIe eeuw 2e herziene dr., +1916; (nieuwe titeluitgave in 1908, van de) 1e dr., 1901. + +Een overzicht van leven en werken in _F. Buitenrust Hettema_, Uit +alle de Wercken van Jacob Cats (met Inleiding: XXXIX, 216). 1905. + +Verder vooral _Van Heeckeren_, Vader Cats (1876), in _Taal en Letteren_ +V (1895), blz. 73, gepubliceerd. + +Dr. _A. Kuyper_, Het Calvinisme en de Kunst (Rektorsrede), 1888. + +Museum Catsianum, door _de Jonge van Ellemeet_, 2e vermeerderde +uitgave, 1887.-- + +_H. Jansen Marijnen_, Jac. Cats, een mislukt eerherstel, in _Studieën_ +LXXIV (1910) 497.-- + +_Buitenrust Hettema_, Van Lennep op Kongressen in _Nieuwe Gids_ 1910, +bladz. 411. + +De oudere literatuur vindt men bij _Kalff_, a. w. + + + + + +VI + + +Deze "Zwolsche Herdruk" (Nº. I) werd in 1890 voor 't eerst +uitgegeven. De Inleiding werd in hoofdzaak in 1887 opgesteld; evenwel +niet bij de eerste druk gepubliceerd; wel werd een klein gedeeltetje in +die eerste druk in de Aantekeningen verwerkt. Bij de tweede (1903), +als in de derde, (1913), en in deze vierde druk is die Inleiding +verder alleen bijgewerkt. + +In deze herziene herdruk zijn de Aantekeningen vermeerderd; de +woordelijst vergroot en aangevuld. (De aanhalingen zonder meer zijn +alle uit de Trouringh zelf.) + +De tekst zelf is afgedrukt naar de eerste uitgave van Cats zijn +Trouringh, Quarto, 1637 (Mus. Catsian. nº. 171). [22] Deze druk is +zo goed als zonder drukfouten. + +In de noten is een enkele maal aangehaald de Octavo uitgave, +de tweede druk van den Trouringh, van 1638. In deze ontbreken de +proza-aenmerckingen. + +De belangrijkste varianten uit de folio-drukken van "Alle de +wercken", voor zover zij tijdens Cats-zijn leven nog verschenen, +zijn aangetekend. + +De eerste van deze, een folio van 1655 (F1), heeft vrij veel +drukfouten; overigens stemt de tekst met de eerste druk van 1637, +op enkele uitzonderingen na, overeen. + +Meer veranderingen in de spelling, maar minder drukfouten, treft men +aan in de tweede folio-druk van 1658 (F2). + +Niet genoteerd zijn de variante lezingen uit latere drukken. In +de tekst van de bekende editie van 1700, die bezorgd en gedrukt +werd door Dan. van Dalen, Franç. Halma, de wed. van A. van Someren, +te Amsterdam, J. en Wilh. van de Water te Utrecht, is hier en daar +gewijzigd; zo heeft deze, om een voorbeeld te noemen: _verre_ voor +_verde_ (vs. 596); _let my doch_, voor _hangt my uyt_ (vs. 939); +_boot_ voor _biet_ (vs. 734), _troep_ voor _roep_ (vs. 1032), enz. + + + +De taal der XVIIe eeuw verschilt van de onze voornamelik in de vele +woorden, die nu een van de toenmalige, dikwels weinig, afwijkende +betekenis hebben. Bij de samenstelling van het Glossarium is +voornamelik op deze synoniemen gelet: niet enkel zijn die woorden +opgenomen, welke geheel van betekenis zijn veranderd, of sedert uit +de taal zijn verdwenen. + +De asterisken in de tekst staan in 't algemeen waar de zin of het +woord kon worden misverstaan. Zij verwijzen naar het Glossarium, +en in een aantal gevallen naar de Aantekeningen. In beide is evenwel +meer opgenomen, dan het aantal asterisken aangeeft. + + + +Ten slotte een woord van dank aan die op enigerlei wijze door hun +hulp deze uitgave hebben bevorderd. + + +_Zwolle_, Herfst 1921. B. H. + + + + + +Mr. N. Beets, Oud-Onder-Direkteur van 's Rijks Prenten Kabinet in +Amsterdam had de welwillendheid de volgende mededelingen ons te +zenden over de bijgevoegde autotypieen, waarvoor wij hem onze beste +dank zeggen. + + + +De drie tusschen den text geplaatste reproducties zijn genomen naar +de oorspronkelijke illustraties van het Spaens Heydinnetie in Cats' +Trou-Ringh (ed. 1637). + +Twee ervan (pag. 7 en 15) zijn gegraveerd naar teekeningen van +den bekenden Haagschen schilder en dichter Adriaen Pietersz van de +Venne (1589-1662), die voor nog tal van andere illustraties van den +Trou-Ringh--ook voor de groote titelprent van 1636--de ontwerpen +gaf; de een door Crispijn van Queborn (1604-1653 ?); de ander door +A. Mattham (1606-1660). De derde (pag. 30) is door denzelfden Adriaen +Mattham gegraveerd naar een teekening van den Dordtschen schilder +Jan Olis, (± 1610-± 1655) die eveneens eenige teekeningen voor den +Trou-Ringh leverde. + +Als titel wordt hier gereproduceerd een ets die Majombe met, op den +arm, de kleine Constance "behangen met juweelen" te zien geeft. De +ets is van Pieter Nolpe (1613-1652) naar Simon de Vlieger (1601-1653), +welke laatste ook aan de Trou-Ringh van 1637 medewerkte. Het prentje +is er een uit een reeks van zes, alle door Nolpe geëtst. Het zijn +illustraties voor + +het leven van konstance. Waer af volgt het tooneelspel De spaensche +heidin: Door M. G. T. t'Aemsterdam, gedrukt bij Nicolaes van Ravesteyn, +voor Johannes Jacott, Boekverkoper by de Beurs, op 't Rockin, inde +vergulde Cronyck, 1643. [23] + + +1921. 1913.) N. Beets. + + + + + + + + + + + SELSAEM TROU-GEVAL + TVSSCHEN EEN + SPAENS EDELMAN, ENDE EEN HEYDINNE; + + Soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde. + + + +Daer is een selsaem* volck genegen om te dwalen, [24] +Gedurigh om-gevoert in alle vreemde palen*, + Dat (soo het schijnen magh) als in het wilde leeft, + Maer des al niet-te-min syn vaste wetten heeft. +Het laet sigh over-al den naem van heydens geven, 5 +En leyt, al waer het koomt, een wonder selsaem leven; + Het roemt sigh dattet [25] weet uyt yders hant te sien, + Wat yemant voor geluck of onheyl sal geschien. +Maiombe was het hooft van dese rouwe gasten, +Die staegh op haer bevel en op haer diensten pasten*, 10 + Sy was loos, vals, doortrapt, en slim in haer bejagh*, + Soo veel als eenigh wijf op aerden wesen magh*; +Sy quam veel tot Madril [26] of in de naeste steden, +Want mitse* kluchtigh* was, soo wertse daer geleden*. + Sy had in haer gevolgh al menigh gau verstant, 15 + Soo datse gunst en hulp by al de jonckheyt vant. +Sy stal eens seker kint te midden opter straten, +Dat uyt een edel huys daer eensaem was gelaten, + Het was een aerdigh dier*, maer jongh en wonder teer, + En 't is maer twee jaer out, of slechts een weynigh meer. 20 +De meyt, wiens ampt het was hier op den dienst te passen, +Die gaf de buert een praet, en liet het wicht verrassen: + Maiombe was verblijt, niet om het geestigh* kint, + Maer datse rijck gewaet ontrent* syn leden vint. +Sy geeft haer metten buyt in onbekende vlecken*, 25 +En waer het onguer* heir genegen is te trecken. + Doch wat de moeder socht, en waer de vader schreef, + Men hoort niet hoe 't haer gingh, of waer het meysje bleef. +Hoe nau daer wort gevraeght, hoe nau daer wort vernomen, +Men weet niet wat geval het kint is over-komen: 30 + Waer dat men immer* sont, of waer men vragen kan, + 'T is al om niet gepooght, geen mensch en weter van. +Maiombe liet het kint verscheyde dingen leeren, +Waer mede dat het mocht syn teere jeught vereeren*, + Eerst singen na de kunst, oock springen op de maet, 35 + En wat na 's lants gebruyck een vrijster* geestigh staet. +Het kint wast onderwijl, en leerde vreemde saken, +En grepen na de kunst, en veelderhande spraken, + En selsaem hant-gespel,* en ick en weet niet wat, + Waer van schier niet een mensch de rechte gronden vat. 40 +Het was van schoone verw, en vrolick in het wesen*, +Daer is een diep vernuf in syn gelaet te lesen: + Het had een wacker oogh, en swart gelijck een git*, + Syn aensicht even-wel is uyter-maten wit. +Het kon syn frissche jeught, syn wel-gemaeckte leden 45 +Tot alderley gedans* en alle spel besteden*; + In vougen [27] dat het volck, en wie het maer en sagh, + Sigh van het aerdigh dier als niet versaden magh. +Noch* kan de jonge maeght geen kleyne lust verwecken, +Als sy met haer gesangh de sinnen weet te trecken: 50 + Men vint dat hare stem een yders herte steelt, + Wanneerse maer een reys een aerdigh deuntjen queelt. +Maer des al niet-te-min sy wil geen vuyle dingen, +Sy wil geen dertel jock, geen slimme* rancken* singen; + Haer mont is wonder heus, haer oir en sinnen teer,* 55 + Al wat oneerlick* luyt en singhtse nimmermeer. +Des heeftse by haer volck soo veel ontsagh gekregen, +Dat sy het menighmael geleyt in beter wegen: + En schoon dat hun de mont tot vuylheyt is gewent, + Men hoort geen dertel woort als syder is ontrent. 60 +En of oock al het rot* tot stelen is genegen, +Sy straft het vuyl* bejagh en isser heftigh tegen: + En mits* sy wonder veel met sangh en spelen wint, + Soo is Maiombe zelfs tot stelen [28] niet gesint. +Doch sooder eenigh dingh bywijlen is genomen, 65 +Sy doetet aen den dagh en voor de lieden komen; + Maer al door sneegh* beleyt en met een loosen vont, + Soo datter niet een mensch en weet den rechten gront. +Sy riep een van den hoop, en liet hem veerdigh [29] draven, +En liet, wat yemant stal, in eenigh velt begraven, 70 + En dat of by een boom, een hooght of kromme bocht, + Ten eynde men het pant by teyckens vinden mocht. +En wertse dan gevraeght op 't gunter is gestolen,* +En wie het heeft ontvremt, en waer het is verholen, + Soo maecktse voor het volck een wonder vreemt verhael, 75 + In woorden sonder slot in onbekende tael. +Maer seyt dan op het lest, dat onder gene linden*, +Of aen den naesten bergh het goet is uyt te vinden: + En als men dan het kraem* daer uyter aerden track, + Soo wast dat al het lant van hare wonders sprack. 80 +Doch sy wist boven al haer saken aen te leggen, +Om aen de losse* jeught geluck te konnen seggen; + Het schijnt dat sy den gront van alle zielen kent, + En schier wat yder mensch in syn gedachten prent +Sy wist al watter loopt* op in de hant te kijcken, 85 +En hoe dat yemants aert kan uyt het wesen blijcken, + En wat een kleyn, een groot, een puntigh hooft beduyt, + En wat men uyt een oogh of ander lidt besluyt. +Oock uyt den neus alleen soo kanse gronden* trecken, +Waer heen dat yemants lust of gulle* sinnen strecken; 90 + Want isse plomp, of scherp, of hoogh, of bijster plat, + Sy heeft van stonden aen syn aert daer uyt gevat. +Sy wist als op een draet, nae mate van de jaren, +Wat yder over-koomt en plagh te wedervaren,* + En wat een teere maeght in haer gewrichte voelt, 95 + En wat een jonge wulp* ontrent den boesem woelt. +Sy weet (gelijck het schijnt) de gangen van de sterren, +Waer in het klouckste breyn by wijlen kan verwerren: + Sy weet en wat de son en wat de mane dreyght*, + En waer toe sigh het jaer en al den hemel neyght. 100 +Een wie haer openbaert wanneer hy is geboren, +Dien weetse by gevolgh* syn leven na te sporen: + Nu spreecktse wonder breet van druck en ongeval, + En offer yemant arm of machtigh* werden sal. +Sy weet den leven-streep in yders hant te wijsen,* 105 +Daer uyt een vremt gevolgh en groote dingen rijsen; + Want is de linij recht en sonder krommen tack, + Soo roemtse stage vreught en nimmer ongemack. +Maer valtse dickmael scheef en in verscheyde bochten, +Soo wort hy dien het raeckt met droufheyt aengevochten*. 110 + Indiense somtijts rijst, en dan eens neder koomt, + Soo dienter voor gewis een swaren val geschroomt. +Sy gaet hier bijster hoogh, sy kent een yders wesen, +Sy kan oock rijcken* selfs uyt hant of vingers lesen: + En somtijts groot verlies, en somtijts grooten schat, 115 + En somtijts wel een galgh, of oock een schendigh* rat. +Sy wijst een vrijer aen, wanneer hem staet te paren, +Een vrijster ofse veel of luttel heeft te baren, + En ofse by den man sal wesen liefgetal*, + Dan of hy buyten haer syn lust gebruycken* sal. 120 +Dit meynt schier al het volck alsoo te moeten wesen;* +Soo dat haer laegen naem gansch hooge was geresen, + En al vermits sy breet in desen handel* weyt*, + En van het naer* geheym soo klare reden seyt. +Genaeckt men eenigh dorp daer weetse flucx te vragen. 125 +Hoe sigh in haer bedrijf* de meeste lieden dragen, + En wie sigh daer ontgaet* in lust of dertel bloet, + Doch meest wat over-al de losse jonckheyt doet. +En als sy gasten vint daer yet op valt te seggen, +Soo weetse na de kunst haer saken aen te leggen; 130 + Sy maeckt aen yder mensch syn feylen openbaer, + Als of uyt syn gesicht het quaet te vinden waer. +Wat sy van yemant weet dat veynst sy als te lesen +Of uyt het oogh alleen, of uyt het ander wesen*: + En dit noch altemael met soo een gauwen streeck, 135 + Dat oock de sneeghste* man verwondert stont en keeck. +Als haer een juffer vraeght, wat man haer staet te trouwen, +Sy kan het nieusgier volck gansch aerdigh onderhouwen; + Sy spreeckt als door een wolck en noyt met open mont,* + En al haer gansch beleyt dat heeft een loosen* gront. 140 +Hoe oyt de sake valt sy kan het al verdrayen*, +Sy kan de gauste selfs met schijn van reden payen; + En alsse dan een reys de rechte gronden treft, + Dan isset dat men haer tot in de lucht verheft. +Men hielt dat sy gestaegh een geest met haer geleyde, 145 +Die haer als in het oir verholen dingen seyde: + En mits* dit al geschiet door soo een jonge maeght, + Soo isset dat het spel hun des te meer behaeght. +'T geviel om desen tijt dat in dien eygen lande +Een jongh een aerdigh dier door jeught en liefde brande, 150 + En hy die haer het breyn en oock den geest besat,* + Was even als de maeght met hare min gevat. +Maer daer en was geen raet om oyt te mogen paren, +Vermits sy niet gelijck in goet of staet* en waren; + De juffer is te* rijck, als maer een eenigh kint, 155 + Soo dat haer drouve vrient voor hem geen troost en vint. +Giralde lijckewel* die bleef tot hem genegen, +En is om synent wil als sieck te bed gelegen; + Maer seyt het niet een mensch wat haer van binnen schort, + Soo datse menighmael veel drouve tranen stort. 160 +Of schoon een ander lacht, sy kan geen vreughde rapen*, +Sy kan haer in den nacht niet geven om te slapen, + Sy klaeght, en (soo het schijnt) sy voelt gestage pijn, + En desen onverlet* sy wil geen medeçijn*. +Haer vader niet-te-min die liet een doctor halen, 165 +Maer die gingh even-staegh* als in het wilde dwalen, + Hy weet niet watter schort, hy weet niet wat te doen, + Hy weet voor hare quael geen sap of heylsaem groen*. +Hy staet als buyten spoor, en is geheel verlegen, +En al wat hy begint dat zijn bekaeyde wegen:* 170 + Dies seyt hy, dat het quaet een langer tijt behouft, + En, siet, hier is het huys* ten hooghsten in bedrouft. +Iuyst op dien eygen tijt soo quammer Preçiose, +Op datse daer ontrent een goede plaets verkose + Voor haer [30], voor haer gevolgh, en voor het gansche rot; 175 + Dies wortse veel gesien ontrent het naeste slot. +De vrouwe van het huys, bewust* van hare saken, +Wou door het aerdigh dier haer dochter wat vermaken; + En daerom sentser om, en leytse voor het bedt, + En seyde: Niemant weet wat dese vrijster let. 180 +Ghy siet* eens wat haer schort, en soo ghy weet te seggen +Hoe wy dit selsaem stuck behooren aen te leggen, + Mijn gunste, soete* maeght, die sal u zijn getoont, + En ghy van mijner hant ten hooghsten zijn geloont. +Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te spreken* 185 +Met wonder soet* beleyt en ongewoone streken, + Het queelt een geestigh dicht, het speelt een aerdigh liet; + Maer wat het immer* doet ten* baet de siecke niet. +Als dit Constançe merckt sy gaet sigh naerder setten*, +Sy gaet in meerder ernst op alle dingen letten, 190 + Sy bid dat al het volck wil* uyt de kamer gaen, + En sprack de siecke maeght in dese woorden aen: +Ey lieve segh een reys (ick dien het toch te weten) +Hebt ghy ontijdigh* freuyt of harden kost gegeten, + Of is u swacke maegh met suycker overlast,* 195 + Of hebje by geval te langen tijt gevast? +Of is u 't lijf verdraeyt van op de jacht te rijden, +Of door een harden val gebracht in bitter lijden? + Of is u bloet verhit door al te langen dans, + Of hebje laet gewaeckt ontrent de maeghde-krans? 200 +Of isser yet verstopt in uwe teere leden, +Daer van ghy die het lijt alleen verstaet de reden? + Of isser yet verstelt* in uwen teeren schoot? + Een maeght magh aen een maeght wel seggen haren noot. +Spreeckt ront gelijck het dient van u verholen wesen, 205 +Ghy sult door mijn behulp in korten zijn genesen; + Ick weet wat aen de jeught by wijlen kan geschien, + En schoon al ben ick jongh ick hebbe veel gesien. +Giralde seyde neen op al haer snege vragen, +Dies gaet Constançe voort en opent nieuwe lagen*; 210 + Hoort (seytse) kenje niet een hups en aerdigh quant*, + De schoonste van de stadt, jae van het gansche lant. +Hebt ghy hem menighmael niet geestigh hooren praten, +Of door een gunstigh oogh tot in het hert gelaten?* + Waerom doch soo geveynst, dat ghy soo langen tijt 215 + Hem in bedencken hout en niet te wil en zijt? +Ey lieve, zoo je meent den vrijer oyt te trouwen, +En wilt hem niet te langh in angst en twijffel houwen. + Een die syn tanden breeckt als hy een note kraeckt, + Diens vreught is niet te groot schoon hy de keeren* smaeckt. 220 +Giralde kreegh een blos, en wert geheel ontsteken*, +Als sy dit geestigh dier van vrijen hoorde spreken; + En schoon sy veynsen wou, haer bloet is boven haer,* + Dat maeckt haer innigh* hert ten vollen openbaer. +Haer geest is op den loop, haer pols begon te jagen, 225 +En al met vreemt gewoel van ongelijcke slagen. + Constançe wederom: Nu sie ick watter schort; + Ghy (wat ick bidden magh) en doet u niet te kort. +Spreeckt soo de reden eyscht, en laet u moeder weten, +Wat voor een edel geest u sinnen heeft beseten*. 230 + Want hoe ghy langer swijght, en meer u sieckte deckt, + Hoe dattet uwe jeught tot grooter hinder streckt. +De siecke vrijster sucht, en al haer leden beven, +Haer sinnen even-selfs* die worden om-gedreven, + Nu sie ik (sprack de maeght) wat kunst en wijsheyt doet; 235 + Ghy weet, gelijck het blijckt, den gront van mijn gemoet, +Des wil ick nu voortaen in geenen deel verswijgen, +Waer na te deser uyr mijn jonge sinnen hijgen. + Wat dienter meer geveynst? ick ben van liefde kranck, + En dat heeft nu geduert wel seven maenden lanck. 240 +Wilt dit nu met beleyt mijn ouders openbaren, +En raet hun acht te slaen op mijn bedroufde jaren.* + Want soo ick dien ick min niet haest genieten* magh, + Soo is de gront geleyt van mijnen lesten dagh. +My sal geen spruyt, of kruyt, geen sap, of pap genesen; 245 +Ick sal begraven zijn, ick wil begraven wesen, + Indien ick niet en krijgh hem die mijn hert bemint, + En sonder wien mijn ziel geen rust op aerden vint. +Terstont na dit gespreek soo stortse duysent tranen, +Die met een stage veur* haer teere wangen banen*. 250 + Constançe troost de maeght, en geeft haer goede moet, + En stremt, door soet gespreck, haer gullen* tranenvloet. +Hier op is, des versocht, de moeder in-gekomen, +Die had tot haer behulp een doctor met genomen; + Constançe gaeter by, maer trat bezijden af,* 255 + Daer sy haer* met bescheyt* het stuck te kennen gaf. +Het speet* de medeçijn, dat sy de rechte gronden +Van dese maeghde-quael had kunstigh ondervonden*; + Te meer, vermits hy weet dat oock de klouckste* man + Dit uyt geen herte-slagh of ader voelen kan. 260 +Maer als hy in gespreck met haer began te treden, +Doen gingh Constançe ront*, en gaf hem dese reden: + Een maeght van achtien jaer, af-keerigh van genucht*, + Die veeltijts sonder slaep geheele nachten sucht, +Die, als men slechts begint van vrijers yet te spreken, 265 +Verandert in gebaer*, en laet haer woorden steken, + Die staegh wil eensaem zijn, en nimmer uyt en gaet, + En, schoon al isse jongh, het soet geselschap haet, +Die geel en deerlick* siet, en leeft als sonder eten, +Wat soo een vrijster schort dat heb ick wel te weten; 270 + Ick segge, dat geen salf haer oyt genesen kan, + Maer dat haer stil* gebreck vereyst een rustigh* man. +Hier by koomt dat ick sie haer oogen in-gesoncken, +Maer vierigh even-wel, gelijck als helle voncken, + Haer pols geweldigh ras, haer water bijster root. 275 + Hoe? kan dit anders zijn als enckel minne-noot? +Voor my ick stel het vast. ghy mooght het overleggen, +V dochter even-selfs sal u de waerheyt seggen, + Soo ghy haer recht bevraeght; want, na haer saken staen, + De noot die roept om hulp, daer is geen veynsen aen. 280 +De doctor laet de spijt, na deze woorden, varen, +En prijst het rijp verstant in soo onrijpe jaren; + Soo dat hij naderhant* haer niet als eer bewees, + En met een vollen mont* haer snege vonden prees. +Of nu het listigh* dier yet van den handel* wiste. 285 +Dan of het na de kunst en schijn van reden* giste, + En stel ick niet te vast; doch hoe het immer was, + De vrijster kreegh een man, en hare koorts genas. +Soo haest de jonge maeght haer vont te zijn genesen, +Soo wou sy metter daet beleeft* en danckbaer wesen, 290 + Sy let* hoe 't heydens* volck gansch sober is gekleet, + En 't is haer teere jeught een innigh herten-leet. +Sy sprack haer moeder aen: Van yemant gunst ontfangen +Doet stracx een billick* hert met alle vlijt verlangen + Om weder-gunst te doen. Vrou moeder, 't is bekent 295 + In wat een drouven stant mijn ziele was belent*; +Nu ben ick (Gode lof) gesont in al de leden, +Ghy toont* een danckbaer hert, dat leert de wijse reden; + Dit heir is wonder naeckt, ghy kleet het schamel rot, + Dat sal haer dienstigh zijn, en lief aen onsen God. 300 +Voor al en dient by ons de vrijster niet vergeten +Die u van mijn verdriet de gronden leerde weten. + Indien ick yet vermagh, soo weest toch hier beleeft*; +Al wie den naeckten kleet ontfanght meer als hy geeft. +De moeder wederom: Dit zijn gansch rouwe menschen, 305 +Die om geen prachtigh kleet, en min om rijckdom wenschen; + Sy dwalen evenstaegh*, dat is haer oude wet*, + Het gelt dient haer tot last, een kleet maer tot belet*. +Dus schoon ick haer een kleet wou om de leden hangen, +Ick houdet voor gewis men soudet niet ontfangen. 310 + Ké* moeder, seyt de maeght, ghy zijt my wat te taey*, + Ey lieve, schenckse wat al waret enckel baey*. +Laet haer doch uwe gunst om mijnen t'wil [31] verwerven, +En laet my des te min wanneer ghy koomt te sterven; + De moeder lougher om, en prees de goede ziel, 315 + Maer soo dat van de gift of niet of weynigh viel.* +Als yemant naer een quael bekoomt syn vorigh wesen, +En dat een jonge wulp van krevel* is genesen, + En dat een schippers gast sigh op het drooge siet, + Dan smelt een danckbaer hert wel* licht tot enckel niet*. 320 +Giralde lijckewel*, nu onder echte wetten,* +Beschonck het geestigh dier met hondert pistoletten, + Een bruyt-stuck* voor den dienst. Daer lough het gierigh* wijf, + En vont in dit verhael een aerdigh tijt-verdrijf.* +Dit maeckt de jonge maeght vermaert in alle steden, 325 +Mits* sy de vrijsters kent tot in haer diepste leden, + En 't bracht aen 't gansche rot geen kleyne baten in; +Want daer Constançe quam daer wasset al gewin. +Maiombe die sigh liet haer beste-moeder* noemen, +En laet geen vreemde mans ontrent haer nichte* komen, 330 + Sy neemt haer evenstaegh met al de sinnen waer, + En waer de bende reyst, sy slaept benevens haer. +Daer was ontrent Madril een buyten-hof te vinden, +Bevrijt met boom-gewas van alle sture* winden, + Hier viel om desen tijt een openbare* feest, 335 + En daer bewees de maeght haer uytgelesen geest. +Daer is een prijs geset voor die met aerdigh* singen, +Daer is een prijs geset voor die met luchtigh springen + Sou sweven boven al; en 't is de snege* maeght + Die aen het nieusgier volck in beyde meest behaeght. 340 +De knopjens* van yvoir die aen haer vingers waren; [32] +Gaen boven alle spel en boven alle snaren; + Want alss' haer soete stem en rasse vingers roert, + Soo wort al wie het hoort door lusten om-gevoert*. +'T en is door geen gespreck* de menschen uyt te leggen, 345 +'T en is (na mijn begrijp) met woorden niet te seggen, + Wat schoonheyt al vermagh. De kunst is liefgetal*, + Maer koomter schoonheyt by soo gaetse boven al. +Daer was om desen tijt een ridder in den velde, +Die meest* het kleyne wilt met snege bracken quelde*: 350 + En t'wijl hy in de jacht sigh al te besigh hout, + Soo raeckt hy buyten spoor te dolen in het wout. +Hy weet geen jagers meer, hy weet geen snelle winden*, +Hy weet in al* het bosch syn pagjen* [33] niet te vinden: + Maer t'wijl hy eensaem dwaelt, verneemt hy nevens hem 355 + Een wonder soeten galm, een onbekende stem. +Hy staet een weynigh stil tot by* hem is vernomen +Van waer het soet geluyt tot hem was af te komen [34], + En daer op trat hy voort, en met een stillen gangh + Soo quam hy in het dal van waer men hoort den sangh. 360 +En mits* hy tot de plaets nu dichte quam genaken, +Soo gaet hy door het loof een open ruymte maken, + Ten eynd' hy mochte sien wie in het naeste gras* + Soo wonder aengenaem van sangh en stemme was. +Twee vrijsters aen den bergh die pluckten versche rosen, 365 +Die sy tot haer vermaeck uyt al de velden kosen, + En wat ter zijden af, ontrent een groenen bocht*, + Daer sat een jonger maeght die rose-kransen vlocht. +Een wijf van vreemt gelaet*, geseten aender heyden*, +Dat quam* (gelijck het scheen) het jonge rot geleyden; 370 + En schoon sy mede pluckt, of rosen over-draeght, + Soo heeftse staegh het oogh ontrent de jonge maeght. +En t'wijl men besigh is ontrent de versche bloemen, +Vernam* Don Ian het volck dat wy heydinnen noemen, + En siet de jonge spruyt die in het groene sat 375 + Heeft op den staenden voet hem door het oir gevat*, +Hem door het oogh verruckt. hy siet haer geestigh* wesen, +En hoort haer soete stem, en heeftet bey gepresen. + En t'wijl hy staet en dut* en op de vrijster siet, + Soo hief sy weder aen, en songh een ander liet. 380 + + + Schoon bloem-gewas, en edel kruyt 381 + Van 's hemels dau gevoet, + En al wat uyter aerden spruyt, + Ghy wort van my gegroet. + Ick koom hier aen der heyden gaen, + Daer souck ick mijn vermaeck, + Ick gae op u mijn oogen slaen, + En 't schijnt dat ick ontwaeck*. + + Ick sie mijn beelt in uwe jeught, 389 + Dat my eerst heden blijckt. + Ick schep mijn lust uyt uwe vreught, + Vermits ghy my gelijckt. + V schoone verw en frissche glans + Verçiert het gansche velt. + En, naar het seggen van de mans, + Ben ick oock soo gestelt. + + Maer daer is noch een ander stuck, 397 + Dat med' ons beyde raeckt; + Dat is dat ramp en ongeluck + Gansch licht tot ons genaeckt. + Besiet hoe ras een bloemtje sterft, + En plat ter aerden sijght: + Besiet hoe licht syn glans verderft, + En dorre plecken krijght. + + Besiet hoe dat een frissche roos, 405 + (Ick meyn een jonge maeght) + Een die men onder duysent koos, + En al de jeught behaeght, + Besiet hoe licht een schoone blom + Verliest haer eersten glans; + Schoon sy was lief en wellekom + By alle jonge mans. + + Wel roosjens, çiersels van het velt, 413 + Kan dit alsoo geschien? + En ist met u alsoo gestelt, + Soo dienter in versien. + Maer segh wat kan u beter zijn, + Als datje wort gepluckt? + Niet door een bock of gortigh* swijn, + Om soo te zijn verdruckt.* + + Maer om te zijn een hupsche* kroon, 421 + Ter eeren van de jeught. + Vw plucker tot een soete loon, + En tot een stage vreught. + En of u tijt is wonder kort, + Maeckt daerom geen getreur; + Want schoon een frissche roos verdort, + Sy hout een soeten geur. + + Wel nu wy staen in eenen graet*, 429 + O çiersel van het wout, + Koom geef my doch van uwen raet + Die ghy voor sekerst' hout. + Moet oock mijn bloemtje t'syner tijt + Van yemant zijn gepluckt ? +PAN. Iae, vryster, soojet weerdigh zijt, + En soo het u geluckt.* + + Daer zijnder niet dan al te veel 437 + Die staegh ten toone staen, + Sy bieden ons een groene steel, + Maer niemant wilder aen. + Daer sweeft haer blat dan met den wint, + Als stof gemeenlick doet.* + Ach 't bloemtje dat geen plucker vint, + Dat treet men met den voet. + +PRETOISE. Wel hoe! wat koomt hier voor geluyt 445 + Geresen uit het wout? + My dunckt hier sit een slimme* guyt + Gedoken in het hout. + Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,* + Die woont hier in het groen. + Dat is van outs de rechte man + Om vrijsters leet te doen. + + Wel lincker* wie ghy wesen meught, 453 + Ick bid u weest gerust. + Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeught + Is niet voor uwen lust. + Ick wachte voor mijn beste pant, + Tot troost van mijn verdriet, + Ick wachte vry een weerder hant; + Maer u en wacht ick niet. + + + +Terwijl hem* dit gebeurt met wonder groot vernougen, 461 +Soo koomt de nachtegael sigh by de vrijster vougen, + En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal, + Dat haer* vermenghde stem verheught het gansche dal. +De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren, 465 +Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren*. + Wel of dit heydens* kint (seyt hy met vollen mont) + Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont, +Waer* sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen* +En is (gelijck ick meyn) in geenen tijt gelesen. 470 + Hier op soo treet hy toe, en geeft* hem by de maeght, + Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght. +Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te weten +Waer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten + Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht, 475 + Die haer dan op het feest tot çiersel dienen mocht. +Maiombe die alreeds den ridder had vernomen, +Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen, + En maeckt* haer daer ontrent, op datse mocht verstaen + Wat haer de ridder seyt, en hoe de saken gaen. 480 +Constançe was begaeft met soo een aerdigh wesen +Dat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen, + Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lagh, + Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh. +Haer zeden zijn beleeft, haer reden wel gebonden*, 485 +Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden;* + In 't korte, watse doet en watse neemt ter hant, + Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant. +De ridder onderdies ontstelt* door heete voncken, +Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken; 490 + En daerom als hy wist wie dat Maiombe was, + Soo is hy nevens haer gesegen* in het gras: +Soo is hy met het wijf in veelderhande reden, +En met Constançe selfs in langh gespreck getreden; + Ten lesten berst hy uyt: V schoonheyt, geestigh dier, 495 + Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier. +Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer wesen, +En soo u dat beviel, soo waer ick haest* genesen, + Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch, + En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch. 500 +Het woort is nau geseyt, de soete Pretiose +Die kreegh hier op een blos gelijck een versche rose, + Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght, + Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort brenght: +Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol hoofsche* treken, 505 +En hebt (naer ick vermoe) meer vrijsters uyt-gestreken*; + Ick weet (als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt) + Ick wetet, lieve vrient, al wattet is [35] geseyt. +Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten* raven, +Als hy na spijse socht om hem te mogen laven*; 510 + De raef had lecker aes en drough het in den beck, + Dit sagh de loose vos, en speeld' hem desen treck: +Hy seyt hem, Aerdigh dier dat geestigh weet te singen, +En zijt van outs geleert* in alle soete dingen, + Ey schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst, 515 + Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst. +De raef, eylaes verlockt met dese troutel-reden*, +Die vought sigh om te doen gelijck hy was gebeden; + En mits* dat hy den beek tot singen open stelt, + Soo viel het lecker aes te midden op het velt. 520 +Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beyden +Begaf hy metten roof sigh midden opder heyden, + Daer at en lough het dier, en al met vollen mont, + Terwijl de malle* raef bedrouft en eensaem* stont. +Ick ken (al ben ick jongh) den aert van 't listigh prijsen, 525 +En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen, + Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet; + Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet. +Ick ben een heydens kint veracht van alle menschen, +Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen, 530 + Als slechts op desen gront, ten eynd' u geyle lust + Tot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust? +Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen, +Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen. +Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh, 535 + Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.* +Dat sal ick eeuwigh zijn. wel gaet dan elders jagen, +Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen; + Weet datter onder 't volck dat ghy voor heydens groet* + Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet. 540 +Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken*, +Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken*, + Soeckt daer bequame* stof voor u ongure* vreught, + En laet my 't edel pant van mijne reyne jeught.* +Als 't wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken, 545 +Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken, + Als bly van dit gespreck. Ey, seytse, lieve vrient, + Hier is geen lichte koy die hoofsche linckers* dient. +De joncker als verbaest* van soo gestrenge woorden, +Die hem als door het oir tot in het herte boorden, 550 + Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier, + En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier. +En naer hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten, +Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten, + En dat op desen voet; hy treckt van syner hant 555 + Een ringh, een rijck juweel, een hellen diamant. +En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven, +En by het ridderschap my van den prins gegeven, + Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet, + Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet. 560 +'K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen, +Ick wil u na den aert* van onse wetten trouwen, + En tot een vast gemerck*, siet daer één eeuwigh pant, + Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant. +Te midden in het woort soo biet hy Pretiose 565 +Een schoonen diamant. Sy, na een lange pose + Het stuck in haer gemoet te hebben overdacht, + Heeft dus, met heus gelaet*, haer antwoort ingebracht: +Wel joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen, +Maer ghy sult uwen staet* in my te seer verkleenen; 570 + Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet, + Hier dient niet in* gegaen als met besetten* raet. +Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergeten +Dat u in dit geval is dienstigh om te weten, + En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen, 575 + Eer dat wy tot besluyt in desen handel* gaen*. +Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven, +En u aen onse wet ten vollen over-geven: + Ghy moest benevens* ons gaen dolen achter* lant, + By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant*: 580 +Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten, +Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten, + Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn, + Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn; +En dit al, goede vrient, om wel te mogen* letten, 585 +Of nut en dienstigh is u sin op my te setten, + En med' aen d'ander zy, of my oock dienen sou + Met u dit vry gemoet* te binden aen de trou. +Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen*, +Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peysen; 590 + Dit moet de preuve* [36] zijn van uwe liefde, vrient, + Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient*. +Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden, +Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden. + Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voort-gebracht, 595 + Gaet verde*, soete maeght, en dient te zijn bedacht. +Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen, +En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen, + En dat te deser plaets, en in dit eygen dal, + Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal. 600 +Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen, +Dat boven van den bergh syn jagers neder komen; + Die wenckt hy metter hant; soo dat het gansche rot + Met hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot. +Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechten 605 +Zijn besigh op een ry de schotels aen te rechten, + Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis, + Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is. +Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden, +Hy spreekt tot syn gemoet, en al in losse* reden, 610 + En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt, + En berst noch op het lest in dese woorden uyt: +Eylaes! wat gaet my aen* aldus te liggen mallen*, +En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen, + Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust, 615 + Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust? +Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten, +En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten*, + Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant, + Alleen maer uyt een tocht van geyle minne-brant? 620 +Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my begeven, +En leyden nevens haer een rou en beestigh leven? + Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop, + Een smaet van onsen God, en van den reynen doop? +Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen* haet verwecken, 625 +En door het gansche rijck mijn voorstel* doen begecken? + Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam, + Dat ick een heydens wijf in mijn geselschap* nam? +Dat ick, als tot een spijt* van alle Christen-vrouwen, +Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen? 630 + Neen neen, ô hoogh gemoet, en doetet nimmermeer, + Let op uws vaders huys en op u eygen eer. +Ghy houft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken, +En maken dat het volck u trouwen sal vervloecken. + Hier in dees rijcke stadt en in dit machtigh hof, 635 + Daer is tot u gerief al vry bequamer stof. +Indien ghy zijt gepast* met wel-gemaeckte leden, +Koomt, als het u bevalt, maer uyt u huys getreden, + Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal, + Daer u naeu-keurigh* hert vernougen vinden sal. 640 +Indien ghy zijt vermaeckt* met wel en net te spreken, +En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken. + Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet, + Ghy vindt het even daer, en dan oock edel bloet; +Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen, 645 +Treckt maer u grilligh* oogh van dees ongure menschen, + Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck; + Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck. +Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen, +En mijn ellendigh hert in dese prangen* stellen? 650 + Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaen, + Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen? +Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden, +Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden: + Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil, 655 + Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.* +Ick word', eylaes! vervoert*, en schoon ick wil het weren, +Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren. + Het vleesch is wonder sterck, en 't is een deftigh* man, + Die hier het velt behout en meester blijven kan. 660 +Ick gae dan wederom, ô schoone Pretiose, +Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose; + Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt, + Ick hael het weder in* al wat ick heb geseyt. +Soo haest u geestigh oogh, u soet en aardigh wesen 665 +Koomt als een helle son in mijnen geest geresen, + En dat ick sie den glans van u beleeft* gelaet, + Dan isset sonder kracht al wat u tegen gaet. +Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen, +Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen, 670 + En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt, + Vermits mijn rouwe* jeught hier in te lage valt.* +Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d'oude jaren,* +Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren; + Wat isser doen ter tijt, wat isser al bedocht, 675 + Om by een geestigh dier te vinden dat men socht? +Iupijn, wel eer geseyt de grootste van de goden, +Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden, + En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier, + Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier. 680 +Heeft niet Alcmenaes soon,* die monsters had verwonnen, +Den spin-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen, + En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man, + Bezijden dit geval, ter eeren duyden* kan? +Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen, 685 +Is inder haest verruckt* door heete minne-vlagen, + Niet door een hoofsche maeght, of groote koningin, + Maer, ick en weet niet hoe, een sloir* een harderin? +Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen, +En doet al menighmael de wijste lieden dolen, 690 + Het brenght hen in den geest een aengename pijn, + En seyt: Dat Gode vought* wien kan het schande zijn? +Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven, +Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven, + Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meyt 695 + Ter plaetse daerse bleef en daer het was geseyt. +Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten, +Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten, + Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin, + Syn vremde dweepery en noyt bekende* min. 700 +Dies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren, +Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren; + En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck, + En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck. +Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose, 705 +En* scheen in haer gelaet gelijck de versche rose, + Oock* schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam, + Soo wert van desen roock terstont een helle vlam.* +Iuyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken, +Waer van dien eygen stont het leven is geweken, 710 + Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant, + Is op den staenden voet in haren eersten stant: +Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot haer getreden, +Hy seyt haer: Weerde maeght, ick schenck u dese leden, + Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult, 715 + En watter komen magh te dragen met gedult. +Ick ben van nu bereyt u wijsen* aen te vangen, +Laet my terstont een kleet van u geselschap langen*; + Ick sal om uwen t'wil [37] met blijdschap onderstaen + Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen. 720 +Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te trecken +Al wat syn edel lijf voor desen plagh te decken; + Soo dat hy eer* een uyr daer op den velde state + In als* soo toe-gerust gelijck een heyden gaet. +Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen, 725 +En hy wort onder hen als broeder aen-genomen; + Daer wort syn hooft gewiet* te midden in de schaer, + Maer al met naer* geheym en wonder vremt gebaer. +De naem die hem wel eer was in den doop gegeven, +Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven, 730 + Wort by* hem voor het volck ten vollen af-geleyt, + Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt.* +Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden, +En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden: + Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet, 735 + 'T is nut dat ghy den gront* van onse rechten weet. +Ick dan, een opper-hooft van onse med'gesellen, +Wil voor u klouck verstant ons wetten open stellen. + Voor eerst en heeft ons volck geendingh voor hun alleen, + Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen. 740 +De vrouwen neem ick uyt*; die mogen na de wetten +Haer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten. + Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet, + Dat wort van stonden aen gelevert aan den Raet, +En die laet overluyt terstont het vonnis lesen, 745 +Dat sy onweerdigh is op aerden meer te wesen. + Dies houft men beul, noch galgh, noch sweert, noch engen strop, + De jonghste van den hoop die breeckt* haer flucx den kop. +Men tijght ons dieften op*, en wonder slimme* streken, +Maer 't is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken; 750 + Wy stellen overal gemeenschap in het goet, + En nemen ons behouf van rijcken overvloet.* +Wy zijn gelijck een spoor* van haveloose* menschen, +En krijgen even soo* al wat wy konnen wenschen. + Want die op syn bedrijf* niet vlijtigh toe en siet, 755 + Wanneer hy weder koomt, soo vint hy dickmael niet. +Ons tuygh wort noyt gerooft. 't is qualick yet te stelen, +Wanneer den huys-weert selfs die rolle weet te spelen; + Al knaeght de grage* slangh al vry een lange wijl + Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl. 760 +Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven, +En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven,* + Wy hebben inder daet nu menighmael beprouft,* + Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft. +Het is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen, 765 +Niet* in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen: + Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft, + Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft. +Dies zijn wy niet besorght* om goet by een te rapen, +Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen. 770 + Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough, + En des al niet-te-min wy vinden broots genough. +Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde, +Wy leven van den dau, als bloemen op den velde. + Ons ziel is niet beducht om geit of machtigh goet, 775 + Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet. +Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen, +Wy trecken sonder kost* de vissen uyt de stroomen, + Wy krijgen wilts genough en vogels uyt het wout, + De keyen geven vier, en al de bossen hout. 780 +Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen. +Wy koken daer het valt*, wy slapen daer wy mogen*; + En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust, + Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust. +Wy konnen noorden wint, en alle sure* vlagen, 785 +Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen; + Soo dat ons gansche lijf geen koud' of hit en kent. + Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent. +Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh [38] voeren, +'T en sal ons even-wel de sinnen niet beroeren. 790 + Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh, + Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh. +Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer te groeten,* +Of dat* wy door de stadt een prins geleyden moeten, + Wy streelen* niet een mensch, oock niet den grootsten vorst, 795 + Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst. +Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken, +Om ons door al het lant een grooten naem te maken, + Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt, + Wy zyn als buyten schoots en werden niet geraeckt. 800 +Al is de gansche kust van roovers in-genomen, +Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen; + Wy singen menighmael oock in het dichste wout, + Daer sigh een vinnigh* heir van felle moorders hout. +Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen, 805 +Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen: + Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet. + Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet? +Schoon dat het gansche rijck moet tol* of schattingh geven, +Wy lyden even-wel een onbekommert* leven, 810 + Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lant + En worden oyt geverght aen onsen vrijen stant. +Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte* lieden, +Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden. + Al waer de gulde son de werelt open* doet 815 + Daer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet. +Wy leven over-al als prinçen van den lande; +Niet hebben even-wel en is hier niemant schande. + Wy trecken t' onsen dienst geheel het aertsche dal, + Wy hebben niet een sier, en wy besitten 't al. 820 +Ick heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven, +Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven, + Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert; + Want siet het staetje vry te blijven dat je waert. +De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen, 825 +Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnen + Word' ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl*, + Hier is een volle beurs die ick u mede deyl. +Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen, +Soo heb ick desen bucht* in voorraet met-genomen: 830 + Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van, + En hout my voor u vrient en voor een rustigh* man. +Een dingh wil ick alleen hier in bedencken* brengen, +En bidden, wat ick magh*, dat ghy het wilt gehengen*; + Ick treed' in dit verbont, alleen om dese maeght, 835 + Laet die voor my alleen indien het u behaeght. +Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken, +Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken, + Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al, + Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal. 840 +Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken*, +En seyde: Lieve vrient, soo ghy begeert te jocken + In eere sonder hoin,* [39] het wert u toe-gestaen; + Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen. +Weest heus in u gebaer*, en wilter in volherden; 845 +Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden; + Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach, + Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach. +Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken*, +Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken; 850 + Maer sooje trouwe* meent, en niet als eerbaer zijt, + De maeght sal uwe* zijn, en dat te rechter tijt. +Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen, +En heeft op dit bespreek* de vrijster aen-genomen*; + Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer*, 855 + En wederom geluck, geluck, geluckigh paer. +Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bende +Vertreckt* uyt dat gewest en elders henen wende, + Wt [40] vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent, + Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent*. 860 +Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen, +En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen, + Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet, + Wanneer hy maer een reys syn Pretiose siet. +Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen, 865 +Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen, + Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet. + Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet! +Don Ian noch even-wel, oock in dit woeste leven, +En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven; 870 + Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt, + Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt. +Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen, +Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen; + Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint, 875 + En sigh by al den hoop in grooten aensien vint. +Maer t'wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde, +En sonder vaste plaets in alle landen sweefde, + Een maeght van Murçia die sagh den edelman, + En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan. 880 +En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden, +Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte leden + Zijn anders in gestel* als oyt een heyden plagh, + Of alsse daer ontrent een heer of ridder sagh. +Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen*, 885 +De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen, + Sy voelt 'k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert, + Sy voelt hoe dit gewoel* allencxen grooter wert. +Wat sal de juffer doen? Sy weet niet wat te maken, +Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken; 890 + Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont, + Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont: +Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen, +Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen? + Dat ghy by dit gespuys u soete jeught verslijt, 895 + Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt. +Gebruykt u geestigh lijf en dese schoone leden, +Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden, + En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,* + Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt. 900 +Hier zijn veel edel-lien die my tot trouwen vergen*, +Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen, + En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal, + En ossen op het velt, en peerden in den stal, +En schapen op het schor*, en geyten aender heyden, 905 +En hinden in het perck, en koeyen in de weyden, + En knechten tot de jacht, en honden in het kot, + En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot. +In 't korte machtigh goet. magh ick u maer genieten*, +Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten, 910 + Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogen sien, + Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien. +Ick die een dochter ben van edel bloet geboren, +Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren. + Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht, 915 + Wort u alleen gejont, en in den schoot gebrocht. +Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche* leden, +Die ick in u vermaeck na desen wil besteden, + Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn, + En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn. 920 +Andreas hoordet aen, maer kon het geensins prijsen, +Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen. + O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght; + Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght. +Me-juffrou, seyt de man, ick danck u duysent werven, 925 +Mijn liefd' is eens geset, en daer in wil ick sterven; + Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert, + Als met ons eygen volck of een van onsen aert. +V [41] gunste, niet-te-min, die ghy my komt betoonen, +Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen; 930 + Doch, wat my raken* magh, set elders uwen sin, + Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in. +Gohanna met den slagh van soo een drouve reden, +Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden, + Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af, 935 + Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf.* +Wat ben ick voor een sloir*? wat heb ick gaen beginnen? +Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen? + Och! God, wat hanght my uyt*, dat ick geen schamel man + Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan? 940 +Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aan te schouwen, +Dat my een slecht* gesel ontseyt een wettigh trouwen? + Ben ick soo vuyle slons, of wel een oude queen*, + Dat ick verstooten word' en loop een blauwe scheen? +Neen seker; 'k heb terstont* mijn lijf en gansche wesen, 945 +Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh* hair gepresen, + Als ick ontrent den noen en midden op den dagh* + Mijn leden overslough*, en in den spiegel sagh. +Voorwaer een eerlick* man die sou hem des vernougen, +Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen:* 950 + Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou, + Ick waer oock heden selfs versegelt* in de trou. +Daer zijnder vry genough die my des komen vragen, +En die noch boven dat mijn vrienden* wel behagen: + Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer* hier bekent, 955 + En heb soo veel versoucx* als yemant hier ontrent. +Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten, +Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten, + En gaet daer 't haer bevalt. De sin die isset al; + En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal*. 960 +Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkoren +Een die my niet en acht. ach! waer ick noyt geboren. + O! 't is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght, + Haer wil niet hebben magh, schoon sy 't haer minder vraeght. +Ach! dat's een wrange spijt, ach mocht ick heden sterven! 965 +Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven. + Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast, + Die op geen schoone verw en op geen rijckdom past.* +Maer waerom dus ontset om niet te willen leven? +En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven? 970 + Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijts plagh, + Daer wort noyt eycken boom gevelt met eenen slagh. +Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven, +Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven; + Ick sal hem mijn çieraet, mijn schatten boven dien, 975 + Ick sal hem diamant en peerels laten sien. +Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen, +En met een soet gevley hem streelen aen de wangen, + Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt, + Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt*. 980 +Syn hert is niet aen haer;* het wert, eylaes! beseten, +Van eene die ick merck hy noyt en sal vergeten. + 'T is dan om niet gepooght, al woel ik bijster seer; + Want voor mijn treurigh hert en is geen hope meer. +Het lieven is een dingh van wonder groot vermaken, 985 +'K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken; + Maer liefde sonder hoop van oyt gelieft te zijn, + Dat is een boose plaegh, en meer als helsche pijn. +Dan ick ben niet gesint dit quaet in my te voeden, +Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden. 990 + Gewis dit moeter uyt; en om hier wel te gaen, + Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lust staen. +Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken, +Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken + Van een die qualick mint, of ongeluckigh vrijt, 995 + Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt. +En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen, +Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder* brouwen. + Een wijf is bijster ergh*; en waer men lagen smeet, + Daer is geen nicker* selfs die slimmer gangen weet. 1000 +Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven, +Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouven + Die my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list, + En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist. +Dat noyt een spoker* dacht, of boose geesten vonden, 1005 +Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden, + Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen, + Daer moet oock* desen dagh wat selsaems omme-gaen. +Ick, ick, moet wrake doen, en hy syn straffe dragen, +Al sou het gansche rijck van desen handel wagen, 1010 + Al soud' ick heden selfs my brengen in den noot; + Stil* leven kan ick niet, ick ware liever doot. +Hoort wat de juffer doet. Sy laet haer jongen letten, +Waer dat Don Ian syn mael* gewoon is in te setten, + Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir; 1015 + Want koffers vindt men noyt ontrent dit selsaem heir. +Hier van wel onderricht, soo laetse moye dingen, +Gout, peerels, hals-çieraet, daer in den huyse bringen, + En binden in het kleet van onsen jongelingh, + Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh. 1020 +Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden, +Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden,* + Gebiet* dat al het volck terstont in rassen spoet, + Oock op dien eygen dagh, van daer vertrecken moet. +Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen, 1025 +Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen; + Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist, + Gout, peerels, eenigh gelt, en veel juweelen mist. +Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen, +Die eyschen wederom al watter is genomen: 1030 + De rackers* van de schout zijn mede daer ontrent, + Die na den vreemden roep* de strenge rechters sent. +Daer gaet men 't heydens rot ten nausten ondersoecken, +De vrouwen in haer keurs*, de mannen in de broecken. + Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen, 1035 + En seyt het slim bejagh* by hem te zijn begaen. +Als dit Andreas hoort soo komt hy toe-getreden, +Hy lough de jufler toe, en seyd' haer dese reden: + Komt souckt, vriendinne, souckt al wat gy soucken meught; + By my is anders niet als trou en ware deught. 1040 +Indien ick van bedrogh hier schuldigh wort bevonden, +Soo ben ick wel getroost om vast te zijn gebonden, + En soo te zijn gestraft gelijck men guyten* doet, + Die soecken haer bejagh op ander luyden goet. +Ick sal nogh boven dat u seven-mael betalen, 1045 +Wat ghy van u çieraet hier uyt sult konnen halen: + Doorsoukt vry dese mael, en watje vorder siet, + Een peert dat niet en let* en vreest den ros-kam niet.* +Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten *, +De male van den vrient wel happigh* ondertasten*, 1050 + En, siet, van stonden aen soo komt het aen den dagh, + Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh. +Don Ian op dit gesicht is wonderlick verslagen, +Noyt was hy soo verbaest* van al syn leven-dagen; + Hy staet gelijck een steen met droufheyt overstort, 1055 + Eylaes! de jongelingh en weet niet waer het schort. +Stracx* riep de jufier uyt: Koomt vanght ons dese bouven, +Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven. + Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh* sprack, + Hy is de rechte gront van al het ongemack. 1060 +Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden, +Hy noemt het heydens volck een plage van de velden, + Een peste van de stadt, een schroom* van yder huys, + Een schuym van bouve-jacht* en alle vuyl gespuys. +Daer stont een krijghs-man by die sigh des gingh bemoeyen, 1065 +Wech (seyt hij) met den bouf, hy dient te leeren roeyen.* + En even met het woort soo geeft hy hem een slagh, + Soo dapper* als hy kan, soo vinnigh als hy magh. +Andreas suysebolt, syn hersens zijn bewogen, +Syn geesten al gelijck door gramschap op-getogen, 1070 + Hy denckt niet waer hy is, hy weet niet wat hy doet, + Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel bloet.* +Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen, +Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen, + Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeck, 1075 + Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck. +Daer schreeut men overhoop*. Andreas wort gebonden, +En al het heydens rot na Murçia gesonden; + Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant, + Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant. 1080 +Terwijlen dit gebeurt, Constançe, gansch verslagen, +Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen, + Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet, + Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet. +Maer desen onverlet* soo wortse mé genomen, 1085 +En is met al het rot tot in de stadt gekomen; + Daer krielt men overhoop al waer de vrijster quam. + Vermits een yder lust in haer gesichte nam. +De fame van de maeght aen alle kant gevlogen, +Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen, 1090 + Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man, + Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan; +Al met soo grooten ernst* dat haer wort toe-gelaten, +Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten, + Te brengen op het slot. Maiombe wasser by, 1095 + En was om dit geval van ganscher herten bly. +Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken. +Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ombreken [42]. + En soo als sy het gist soo wasset dattet viel, + Me-vrou ontfingh de maeght als met een open ziel. 1100 +Sy blijft gelijck verdwelmt* in hare soete wangen, +Sy blijft aen haer gelaet met al de sinnen hangen, + Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael, + Sy valt haer om den hals en kustse menighmael. +Sy spreeckt Maiombe toe, sy vraeght verscheyde saken, 1105 +Maer verre boven al die Pretiose raken, + Sy vraeght hoe out sy was. Het wijf dat antwoort haer, + Dat nu haer nichte quam ontrent de vijftien jaer. +Hier op is in de vrou een drouve luym* geresen; +Dus oudt soud' even nu mijn weerde dochter wesen, 1110 + Indien de goede God dien uytgelesen schat + (Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had. +Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagen +Met listen wech-geruckt, en uytet lant gedragen. + Constançe waerje zijt, of immer komen meught, 1115 + God zy door synen geest ontrent u teere jeught. +De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen, +En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen*; + En t'wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh* + Ontsluyt* het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh. 1120 +Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagen +In mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen, + En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh, + Dien in het naeste dorp de lant-drost* heden vingh, +Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden, 1125 +Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden; + Al* is de krijghsman doot het is syn eygen schult, + Hy bracht den vromen* helt tot enckel onverdult* [43]. +Hy slough hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden, +Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden. 1130 + Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,* + Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal. +Hy is een edelman. laet alles overwegen, +En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen, + Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant, 1135 + Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant. +Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven, +Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven, + Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer, + Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer. 1140 +Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden, +Om u verheven stam, om u beleefde zeden, + Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlam + In uwen geest ontstack, in uwen boesem quam; +Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen, 1145 +Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen, + Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval, + Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal. +Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken, +Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken, 1150 + Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck, + En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck. +Sy dan, mits* dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen, +Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen; + Daer is, 'k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert, 1155 + En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert. +Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten, +Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten. + De lant-vooght onderdies koomt treden in de zael, + Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael. 1160 +En hier op koomt de maeght hem vallen aen de voeten, +En gaet hem insgelijcx met drouve woorden groeten; + Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen mont, + Dat hem de goede man al med' ontsteken vont. +Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen, 1165 +Die hem, als tegen danck*, op mont en wangen springen; + Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil, + Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil. +Maiomb' hout onderdies haer sinnen op-getogen*, +En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.* 1170 + Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde* vrou, + My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou. +Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken. +Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken, + Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal, 1175 + Ghy sult een eynde sien van dit bedrouft geval. +Maiombe sonder meer begaf haer uyter zalen, +En gingh van stonden aen een aerdigh* doosjen halen; + En alsse weder quam daer Giomara stont, + Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mont. 1180 +Vergeeft my, seyt het wijf, dat ick eens heb bedreven, +En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven, + Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf, + Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf. +Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken, 1185 +Ghy mooght aen desen romp* u leet en droufheyt wreken; + Ick sal tot aller stont verdragen met gedult + Wat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult. +Het is nu derthien jaer, of luttel min geleden, +Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden, 1190 + En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh, + Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh, +Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen, +Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen,* + De voester, soo ick sagh, die stont daer op de straet, 1195 + Met seker kamer-maeght verwerret* in de praet. +Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralen +Soo reysd' ick inder haest in onbekende palen: + En als ick was ter plaets daer ick my seker vont, + Doen leyd' ick in beraet, wat my te plegen stont. 1200 +Ick had eens* vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen) +Het kint, van als ontbloot, tot vondelingh te leggen, + Om al syn rijck çieraet, en wattet vorder had, + Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat. +Maer als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden, 1205 +Doen vond' ick mijn gepeys te strijden met de reden; + En daer op nam ick voor het meysjen op te voen, + Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen. +Ick hebbet dan besorght*, ick hebbet laten leeren, +Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren*, 1210 + Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan, + En is (mijns oordeels) weert den besten edelman. +Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagen +Om dit ondeugend'* werck in mijne ziel gedragen*! + Hoe was ick evenstaegh gepijnight in den geest! 1215 + Wat heb ick niet gesorght*! wat heb ick niet gevreest! +Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven, +En drillen* als een riet van harden wint gedreven! + Ick schroomd' (oock in den slaep) van haest te zijn beklapt*, + Of door een snegen schout alree te zijn betrapt. 1220 +Wel, ick ben des geleert*, en hebbe voor-genomen, +Noyt* in soo bangen praem* mijn ziel te laten komen; + Ick wil aen al ons volck en wie my raken* magh, + Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh. +Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme* gangen 1225 +Zijn doodelick vergif die ons de ziele prangen. + Hier is dan nu de tijt dat ick mijn schult beken, + Vermits ick op den wegh van beter leven ben. +Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten, +Ghy sult van stonden aen den ganschen handel weten: 1230 + Of wijst dit niet genough den gront van dit geval, + Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal. +Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven, + Hy siet van stonden aen al datter is geschreven; + Hy lasset overluyt en met een open mont, 1235 +En dit was inder daet dat hyder in bevont. + + +Het jongh dochterken dat by my is en dat ick den +naem van Pretiose gegeven hebbe, hiet eygentlick Constançe +en is een eenigh kint van Don Ferdinando +d'Assevedo Ridder van Calatrava, ende van vrouw Giomara 1240 +di Menesez. Ick stal het selve kint in de stadt +van Madril op Hemelvaerts-dagh, ten elf uren, in 't +jaer duysent vijf hondert vijf en tnegentigh. Het kint +hadde doen ter tijt aen dese juweeltjens die in dit +kofferken leggen. Ick hebbe korts daer nae dit alsoo 1245 +_vernomen, en goet gevonden, 't selve by memorie_* te +stellen, misschien of het schier* of morgen te passe +mochte komen. + + +Met dat vrou Giomaer haer man dit hoorde lesen, +Soo is in haer gemoet een nieu gewoel geresen. 1250 + Sy kent het klein çieraet, sy kustet menighmael, + En sijght uyt enckel vreught in onmacht op de [44] zael. +De lant-vooght recht haer op, verbaest van dese saken, +En staet een lange wijl, onseker wat te maken. + Me-vrou, nu wat verquickt*, hoewel noch flau genough, 1255 + Vraeght stracx*: Waer is het kint dat desen keten drough? +Het wijf seyt: Weerde vrou, die met u heeft gesproken, +Iuyst doen u metter daet syn tranen uyt-gebroken, + Dat is het aerdigh dier in desen brief vermelt, + En dat tot heden toe u drouve sinnen quelt. 1260 +Dat is u eygen kint, by my wel eer gestolen, +En door mijn slim beleyt* tot heden toe verholen. + Ick bidde twijffelt niet, maer neemt u dochter aen, + En laet na desen tijt u drouve klachten staen. +Terstont vrou Giomaer, met yver* aen-gesteken, 1265 +Is uyt het stil* vertreck in aller ijl geweken, + Sy gaet met grooten ernst* en uytermaten ras, + En geeft haer na de zael daer Pretiose was. +Die sat daer vast omringht met al de kamer-maeghden, +Die met een treurigh hert de jonge maeght beklaeghden, 1270 + Soo om het drouf geval, als om haer soeten aert, + En dat haer teere jeught met heydens is gepaert*. +Me-vrou gaet sigh in ernst* na Pretiose strecken*, +Gaet aen de jonge maeght den boesem open trecken, + En siet haer witte-borst. men vont een kleyne vrat, 1275 + Die sy ter slincker hant ontrent der tepel had. +En als men haer den voet ter aerden dede setten, +En met een vlijtigh oogh daer op bestont* te letten, + Soo bleeck het metter daet, dat twee van hare teen + Zijn als een swane-poot gewassen tegen een. 1280 +Me-vrou is buyten haer. De teyckens hier gevonden, +De vrat op hare borst, haer teenen dus gebonden, + En 't gunt men uyt het schrift met klare woorden las, + Versekert haer genough wie Pretiose was. +Sy grijpt haer in den arm,* sy kustse menigh-werven, 1285 +Sy voelt een diepe vreught, en schijnter in te sterven, + Sy gaet tot haren man, die sy van herten mint, + En seyt hem: Weerde vrient, siet hier u eenigh kint; +Hier is u weerde vrucht, die ick u heb gedragen, +Daerom ghy hebt getreurt soo veel bedroufde dagen; 1290 + Hier is het eenigh pant van onse soete* jeught, + Ontfanght het nu ter tijt, en dat in rechte vreught. +De teyckens al gelijck*, aen my terstont* gebleken, +En laten mijn gemoet niet meer in twijffel steken. + Sy is het even-selfs die ick u heb gebaert, 1295 + Haer lichaem wijstet uyt, en haer geheelen aert. +Voor al soo komt my voor*, hoe dat ick was bewogen, +En ick en weet niet hoe, als buyten my getogen, + Wanneer ick eerst het kint ontrent ons* deure sagh, + En hier noch onbewust* in dese venster lagh. 1300 +De man (die even soo een wonder hart bewegen +Had door syn gansche lijf en in de ziel gekregen, + Iuyst doen het aerdigh dier hem eerst voor oogen quam) + Seyt dat hy dese maeght voor syne dochter nam*, +Seyt dat hy aen het wijf haer diefte wil vergeven, 1305 +En haer oock bystant doen, om wel te mogen leven, + Mits datse nu voortaen wil stillen haren loop, + En haer geheel ontdoen van desen vreemden hoop. +O Heere, seyt hy voorts, wie kan u wonder wercken, +Wie kan, gelijck het dient, u hooge daden mercken! 1310 + Ghy hebt ons langen tijt gespijst met tranen-broot, + Ghy hebt ons af-geleyt* tot aen de bleecke doot. +Ghy hebt ons eenigh kint, nu soo veel drouve jaren +Gedurigh om-gevoert in veelderley gevaren; + Ghy hebtet niet-te-min ghy hebtet noch gespaert, 1315 + Ghy hebtet, lieve God, tot onse vreught bewaert. +Het was ons sonden schult, dat wy u felle slagen +Dus hebben uyt-gestaen, en lange moeten dragen. + Wy hadden vry al meer tot onse straf verdient; + Maer ghy zijt onse God, ons heyl, en ware vrient. 1320 +'T is uwe gunst alleen, 't is u genadigh wesen, +Dat wy uyt dese doot ten lesten zijn geresen, + Dat ghy tot onsen troost dit wonder laet geschien, + Dat wy ons weerde pant alhier in vreughde sien. +Sy was, eylaes! gegaen, sy was gelijck verloren, 1325 +Maer sy is wederom als op een nieu* geboren. + Ghy hebt ons eens gebracht tot aen het duyster graf, + Nu wast ghy wederom ons* drouve tranen af. +Wilt ons van heden aen, wilt ons nu danckbaer maken, +Op dat tot uwen dienst ons herte magh ontwaken, 1330 + Op dat wy nu voortaen in daet en in de schijn,* + V dienaers, lieve God, u kinders mogen zijn. +Constançes [45] hert ontloock terwijlen dit gebeurde, +Haer dacht 't en was geen tijt dat sy nu langer treurde; + Haer dacht sy vont behulp dat haren druck genas, 1335 + Vermits haer vader selfs* daer eerste lant-vooght was. +Haer dacht in volle daet, het stuck was nu gewonnen, +Vermits haer saken staen soo wel sy immer konnen. + Maer t'wijl sy in den geest hier mede besigh sit, + Soo treet haer vader toe, en seyt haer weder dit: 1340 +God heeft ons grooten troost en blijdschap toe-gesonden, +Om dat ghy, weerde kint, ten lesten zijt gevonden, + Om dat ghy noch gesont en in het leven zijt; + Maer daer is echter wat dat my in 't herte snijt. +Ick sie, eylaes! ick sie dat uwe domme* sinnen 1345 +Een heyden (wat een schand'!) een rouwen heyden minnen, + Een heyden sonder doop, die niet en heeft geleert, + Hoe dat men God den Soon met reyne sinnen eert. +Met oorlof, seyt de maeght, hoort my een weynigh spreken; +Ick weet van stonden aen u droufheyt af te breken. 1350 + De vrient aen my vertrout* en is geen heydens man, + Maer die in volle daet de Christen leere kan.* +Hy is noch boven dat van edel bloet geboren, +En heeft my, soo ick was, uyt enckel min gekoren. + En wat na dit geval noch vorder is geschiet, 1355 + En seyd' ick na den eysch den ganschen avont niet.* +Maiombe nam het woort, en gaet de man vertellen, +Hoe dat de jongelingh quam onder haer gesellen, + Hoe dat hy synen staet en vaders huys verliet, + Vermits hem syn gemoet tot Pretiose riet.* 1360 +Hoe dat hy nevens haer alreede lange dagen +Had vorst, en heete son, en alle leet gedragen; + En dat dit al gelijck* maer was een kleyn begin, + Een preuf* [46], en ondersoeck van syn getrouwe min; +Dat hy geen dertel spel de vrijster mochte vergen, 1365 +Noch met ongure jock haer teere sinnen tergen, + En dat hy door de lust noyt op en was gevat*, + Maer dat hy sigh in als met eer gequeten had. +In 't korte dese vrou verhaelt in lange reden +Al wat de jongh gesel voor desen heeft geleden; 1370 + Soo datse voor het lest ten vollen openbaert, + Hoe dat syn ridders kleet bij haer noch is bewaert. +Dit vat de lant-vooght op*, en, sonder langh te dralen +Laet stracx* het rijck gewaet daer in de kamer halen. + Het wijf dat gaeter om soo veerdigh alsse magh. 1375 + Siet dus koomt op het lest de waerheyt aen den dagh. +De lant-vooght onderdies gaet Pretiose vragen +Op al den omme-gangh* van hare jonge dagen, + Op al des werelts loop, en hoe haer dit beviel, + En wat sy des gevoelt ontrent haer jonge ziel. 1380 +Sy antwoort over-al met soo besette* reden, +Met soo een goet bescheet* en in soo volle leden,* + Dat (soo de jonge maeght syn dochter niet en waer) + Hy streckte voor gewis de sinnen over haer.* +Hy vont sigh in den geest van hare min bevangen, 1385 +En bleef aen haer verstant en hare schoonheyt hangen. + Maer nu het geestigh dier als dochter hem bestont, + Soo is hy gansch verheught tot in syns hertsen* gront. +En t'wijl de man aldus in blijdschap is geseten, +Soo koomt het oude wijf en brenght een gouden keten, 1390 + En brenght het hant-çieraet, en wat den jongelingh + Te voren om den hals of aen de leden hingh. +Als dit de lant-vooght siet, en hoort den ridder noemen, +En weet van wat geslacht dat hy is afgekomen, + Gevoelt hy ander-mael dat syn beswaerden druck 1395 + Is, door des Heeren gunst, verandert in geluck. +Hy danckt God ander-mael met al* de gansche sinnen, +Dat soo een edelman syn dochter gingh beminnen, + En dat syn trouwe gunst* noyt eens in hem verdween, + Schoon dat de jonge maeght een heydens dochter scheen. 1400 +Dit heeft terstont de Faem ten luytsten uyt-gekreten, +Sy liet het vreemt geval aen alle menschen weten; + Oock aen de vrijster selfs die aen den jongelingh + Voor desen hare ziel en gansche sinnen hingh. +Die gaet daer aen de wet* ten vollen openbaren, 1405 +Dat sy, eylaes! vervoert van hare groene* jaren, + Vermits de jongh gesel haer quale niet genas, + Hem hadde na geseyt dat hy een roover was, +En schoon het selsaem luyt dat by* haer is bedreven, +Het wort haer evenwel in volle daet vergeven; 1410 + Andreas spracker voor, de lant-vooght nam het aen, + Dies mochtse sonder straf en vreedsaem henen gaen. +'T was al te blijden dagh, geen mensch en mochte treuren, +Daer magh niet als vermaeck en soete vreught gebeuren. + De man-slagh wert versoent,* de ridder vry gestelt, 1415 + En alle die het raeckt ontfangen machtigh gelt. +De banden, die den helt benaeuden aen de leden, +Die worden los gemaeckt of veerdigh af-gesneden; + En voor het duyster hol, dat hem gevangen hout, + Soo komt hy voor den dagh geçiert met enckel gout. 1420 +Syn vader wert terstont daer in de stadt beschreven*, +En die heeft metter daet sigh op de reys begeven, + Die koomt in haesten aen, verheught en wel gesint, + Vermits hy synen soon soo wel verselschapt* vint. +Daer is geen edel geest die oyt heeft leeren dichten, [47] 1425 +Of hy valt aen het werck met alle syn gewrichten; + Al wat of spits vernuf, of kunste geven magh, + Dat koomt om desen tijt ten vollen aen den dagh. +Men hoort door al de stadt, door alle groene velden, +En door het gansche rijck van desen handel melden, 1430 + De snelle weder-klanck die roeptet in het wout, + En al de werelt juyght dat Pretiose trout. + + + + + + + + +AENMERCKINGEN + + +Op het wonderbaer [48] houwelick voren geroert. + + +1. Oorspronck van de lant-loopers, die wy heydens noemen. + +2. Of men uyt een pols of ader-slagh weten kan of yemant +verlieft is, dan niet: dat is, offer een sekere beweginge 1435 +in de slagh-ader te vinden is die eygentlick op de liefde +past*. + +3. In de hant te kijcken, ende daer yemants geluck ofte +ongeluck uyt voor te seggen, van wat kracht het zy. + +4. Van de Physiognomie; en of uyt yemants wesen ofte 1440 +gelaet syn innerlicken aert te seggen is. En by die +gelegenheyt een sonderlingh trou-geval tusschen beyde +in-gevoert. + +5. Of het geoorloft is op houwelicksche ofte andere toe-komende +saken ondersouck te doen. 1445 + +6. Of het een Christen mensche geoorloft is met een heyden +in houwelicke te treden. + + + + + +Philogamvs. Wel hoe, Sophronisçe? is mijn huys +een haven om soo voor-by te zeylen met een loopende +spriet?* 1450 + +Soph. Ick en had u niet ghesien, Philogame, dan +juyst als ick u stemme hoorde, en recht voor u deure +quam. + +Phi. Soo was dan u voornemen niet, naer ick +hoore, om my de eere van u versouck* te geven. 1455 +Dan ick en wil nu des geen vorder ondersouck doen, +behoudens dat ghy met my binnen treet, en dat +ghy (naer ons laetste af-scheyt) my nu openinge wilt +doen van uwe in-vallen* op het selsaem houwelick +van den Spaenschen edelman met het heydinneken. 1460 + +Soph. Eerlicke lieden zijn ghewoon haer beloften +gestant te doen, schoon het haer by wijlen ongelegen +is. Wel aen, treet binnen, en seght my daer wat +ghy van my versouckt. + +Phi. Op de gelegentheyt* van de voornoemde geschiedenisse, 1465 +wilde ick voor eerst (soo het u wel +geviele) een weynigh verstaen*, wat ghy hout* van +dese lant-loopers, die men heydens noemt, en van +waer de selve haer begin en oorspronck hebben genomen; +want sulcx dunckt my aenmerckens weert te 1470 +wesen. + +Soph. Daer wert verscheydenlick van gevoelt, lieve +Philogame. Ghy siet* hier van _E. Pasquier_ in syn +4. bouck in't 17. cap. van het Ondersouck van +Vrankrijk; die verhaelt uyt d'oude schrijvers, dat 1475 +dese menschen in 't jaer 1427. in Vrankrijck eerst zijn +gesien, en dat de selve alsdoen verklaerden gesproten +te zijn uyt het laegh Egypten, onlangs t'onder-gebracht +van de Christenen, en gedwongen het Christen geloove +aen te nemen: datse sulcx hebbende belooft korts 1480 +daer na weder van de Saraçijnen waren verwonnen, +sonder tegens de selve eenigen sonderlingen* tegen-weer +te hebben gedaen: vervallende alsoo weder van het +Christen gheloove aen de Saraçijnen. Dat sulcx gekomen +zijnde tot kennisse van de Christen vorsten, 1485 +dat sy luyden wederom zijn aen-getast ende verwonnen, +en de Saraçijnen verdreven; niet willende +de Christen vorsten toe-staen (vermits haer lichtveerdigheyt +ende ontrouwe) dat de selve in haer landt +souden blijven, ten ware sy haer eerst hadden vervought 1490 +na Roomen, om aldaer van den Paus t'ontfangen +soodanigen ordre als daer goet soude gevonden +werden hun te geven; dat de selve daer op kleyn en +groot na Roomen waren vertrocken, en dat de Paus +(alles gehoort ende overwogen hebbende) de selve 1495 +hadde op-geleyt, tot haer boete en beteringe, seven +jaren langh te mogen* gaen dwalen door de werelt, +sonder middelertijt op bedden te mogen slapen; lastende* +hun even-wel, om eenighsins hun te mogen +generen, dat yder kruys-dragende* Bisschop ofte Abt 1500 +hun soude hebben te geven voor eenmael thien ponden +tournois.* Datse in den voorsz. jare 1427. in +den Oughstmaent tot Parijs komende verhaelden vijf +jaren alreede te hebben gedwaelt. _Pasquier_ verhaelt +vorder uyt het vertellen van die gene die sulcx 1505 +als doen gesien hebben, dat de mans gansch swart +waren, met swart gekrult hayr, hebbende in elck +oir een ofte twee silvere ringekens: dat de vrouwen +mede voor het meerendeel mismaeckt ende leelick +waren, met hayr geheel swart, als een peert-steert, 1510 +gansch slordigh ende ongedaen in haer kleedinge, +een lappe lakens om 't lijf gebonden hebbende met +koorden vast gemaeckt; ende in 't korte een vreemt +gespuys van menschen. Noch wijders, datse veel +haer werck maeckten van de lieden in de hant te 1515 +kijcken, ende yder te seggen wat hun voor geluck +ofte ongeluck gebeuren soude, ofte alreede gebeurt +was: datse veel onruste tusschen man ende wijf verweckten +ende vreedsame houwelicken vol twist maeckten, +de mans in-beeldende* dat de vrouwen quaet 1520 +garen sponnen;* van gelijcken datse door quade kunsten +het gelt uyt de* lieden beurse in de heure konden +doen komen: ende eyntelick dat de Bisschop van +Parijs ten lesten sigh tegens de selve stelde, ende een +deftige* predicatie tegens haer bedrijf dede doen door 1525 +een prediker monick geaemt _le petit Iacobin_, de +welcke onder andere seer berispte alle de gene die +sigh in de handen van dit volck hadden sien laten, +en de selve gheloof waren gevende [49]: en tot besluyt +datse van daer spoedelick mosten vertrecken ende 1530 +haren wegh nemen nae Pontoise. _Munsterus_ verhaelt +datse in Duytslant eerst zijn gesien anno 1417. +En soo ghy breeder bescheet hier van souckt te +weten, mooght den selven met andere schrijvers nae +sien, soo 't u gelieft, te weten _Camerar. hist. medit._ 1535 +_part._ I. _cap._ 17. _Gesner. in Mitridat. Æneam Sylvium &c._ + +Phi. Ick sal my derhalven vergenought houden +met dat ick van u gehoort hebbe, en wil nu komen +tot de geschiedenisse selfs. + +Ick hebbe voor eerst gelet in 't lesen van het 1540 +eerste deel deser geschiedenisse, dat Pretiose (soo het +scheen) behendelick wiste uyt te vinden saken die +selfs een doctor in de medeçijnen niet en konde bemercken; +te weten, dat Giralde door liefde vervoert +moeste wesen, en dat sulcx d'oorsake was van hare 1545 +sieckte. Nu by dese gelegentheyt wilde ick wel +onder-recht wesen, ofte nae de kunsten der medeçijnen, 2 +ofte van de ondersouckers der naturen,* offer een +sekere bysondere slagh van pols zy, of eenige gewisse +teyckens in de slagh-ader daer uyt yemant 1550 +(die de kunste verstaet) sekerlick soude konnen weten +ofte een jonge deerne verlieft ofte met liefde bevangen +is, dan niet. want indien sulcx gheleert konde +werden, ick wildet my wel gelt en tijt laten kosten +om sulcx te weten, om redenen die ick daer toe meyne 1555 +te hebben. Ten anderen soo ben ick begerigh te weten, +of men door waer-seggers, of diergelijcke soorte van +menschen ondersoeck magh doen op houwelickse ofte +andere toe-komende saken. + +Soph. Dit is een vrage die het geheym en verborgentheyt 1560 +van de medeçijnen raeckt, en die midtsdien +best by de meesters van de selve kunste beslecht +soude konnen werden: niet-te-min om u niet verlegen +te laten, en vermits ick al somtijts mede een weetgierigh +oogh hebbe laten gaen over boucken van die 1565 +gelegentheyt, soo kan ick seggen dat eenige van de +ervarenste in die wetenschap, en by namen de geleerde +_Avicenna_, en met den selven Franciscus Valesius +lib. 3. _Controvers. Philos. & medic. cap._ 14. Iaques +Ferrand Argenois de la maladie d'Amour ou melancholie 1570 +_Erotique._) een groot Spaens doctor, met verscheyde +andere van de gheleerste in die kunste vast 73 +stellen, datter geen bysondere ader-slagh en is, oock +geen sekere teyckens in de selve, waer door die +sieckte eygentlick bekent soude konnen werden. En 1575 +voor reden wort by de selve in-gebracht, dat de liefde, +soo lange die in de palen van de redelickheyt blijft, +is een genegentheyt die in het breyn haer woonplaetse +is houdende [50]: maer buyten ofte boven reden +en regel gaende, dat de selve dan in de lever ende niet 1580 +in het herte sigh onthout, ende dien volgende* dat uyt +de pols ofte slagh-ader [51] (die uyt het herte haer beweginge +heeft) geen vaste teyckenen en konnen werden +genomen*, om te weten of yemant met de minnekoortse +gequelt is, dan niet; en noch min, wie daer 1585 +van d'oorsake mochte wesen. + +Phi. Gewisselick het is my leet dat de kunste +soo verre niet en gaet, en dat de geesten in soo +scherp-sinnigen eeuwe, als wy beleven, (daer 't al +schijnt ondersocht te werden) noch soo hooge niet en 1590 +zijn geklommen; te meer vermits ick bemercke, dat +al lange in voorlede tijden een groot deel van dese +kunst is ondeckt [52] geweest, even by oude vrouwen +die wat geslepen waren. Ick sie dat _Canace_ in dit +gast-huys sieck leggende klaer uyt seyt (als _Ovidius_ 1595 +verhaelt) + + + Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden, + Wt [53] ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*; + Die seyde my in 't oir: Ick sie het datje mint, + En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint. 1600 + + +En dat alsoo zijnde, soo dunckt het my vreemt +dat alle onse groote doctoren hier in noch maer als +mollen en zijn, daer een oudt wijf al van doen af soo +klaer in sagh. + +Soph. Al sachtjens, lieve jongelingh. want al ist 1605 +soo, dat ick uyt de getuygenissen van de geleerde +hebbe geseyt datter geen eygen pols-slagh en is die +juyst op de liefde past, soo en volcht daer niet uyt +dat de kunstenaers* uyt andere gelegentheden* (jae +oock uyt de pols selfs) niet al merckelicke* dingen en 1610 +souden konnen ontdecken, daer uyt men yemants gestalte* +soude konnen weten. jae ick segge u in tegendeel, +datter veel ervaren medeçijns eertijts zijn geweest +ende noch zijn, die door middel van de kunst +ten klaersten hebben weten t'ondervinden*, dat yemant 1615 +van die wespe gesteken was. _Avic. lib._ 3. _cap. de amore._ +En noch meer als dat, _Soranus_ van Ephesen (als +in het leven van _Hippocrates_ te lesen is) ondeckte +klaerlick de liefde die de koningh _Perdiccas_ drough +tot _Phyla_, een by-sit van syn vader; en dat even 1620 +op de selve maniere gelijck _Erasistratus_ uyt-vont +de brandende genegentheyt van _Antiochus_ tot _Stratonice_ +syn stiefmoeder. (_Val. Max., l._ 5 _cap._ 7.) +_Galenus_ in syn bouck, daer hy handelt van de gene +die den sieckaert maken*, beroemt sigh te hebben 1625 +konnen ondervinden den heymelicken minnebrant van +een Romeynschen ridder, die de selve geset en gewet* +hadde op de by-sit van een van de groote aldaer. Van +gelijcken roemt de selve _Galenus_ te hebben weten na +te sporen de liefde van een voornamelicke* jonckvrouwe 1630 +tot eenen schoonen jongelingh _Philades_ genaemt. +_Iaques Ferrand_, een geleert Frans medeçijn, +seyt in den jare 1604. behendelicken ondervonden te +hebben de malle minne-driften die een jongh student +(een groot edelman zijnde) heymelick drough tot een 1635 +schoone jonge deerne een kamer-maeght in der huyse +daer hy sigh onthiel, daer van hy de vordere geschiedenisse +breeder verhaelt in syn bouck by hem +op dese stoffe beschreven. + +Phi. Wel, na dese exempelen uyt-wijsen, soo en 1640 +soude men door de kunst niet alleen konnen uytvinden +of yemant liefde drough, maer oock tot wien. +Ick bidde segh my doch hoe dat toe gaet; want my +dunckt dat sulcx een jonghman van myne ghelegentheyt* +van grooten gebruyeke soude konnen wesen. 1645 + +Soph. Wel aen, dewijle ghy des soo begerigh +schijnt te wesen, soo wil ick u seggen 't gene icker +van bemerckt hebbe. Wilt ghy weten of yemant +met liefde is bevangen, en op wien ('t zy dan man +of vrouwe; maer ick sal nu van de persoon van een 1650 +vrouwe spreken) soo siet dat ghy soetelick en behendelick +in u hant krijgt de hant van de gene daer +ghy de preuve [54] van nemen wilt, ende leght dan u +vinger al sachtjens op hare pols, ende daer na soo +brenght in u reden te passe den naem van de gene 1655 +die ghy meynt dat haer meest aen 't herte leyt; +spreeckt van den selven, loffelick prijsende des selfs +schoonheyt, geestigheyt, ofte andere goede gaven, +en t'elcken als ghy dien naem noemt, let dan neerstelick +wat veranderingh ghy in haer oogen, wesen, 1660 +ende sonderlinge* aen haren pols-slagh sult gevoelen: +daer is geen twijffel aen, soo de minnepijl haer recht +ghetroffen heeft, of ghy sult een ongelijcken dril*, +ende een veranderlicken pols gewaer worden, die +geen regel of slagh en sal houden. (_Paul. Æginet._ 1665 +_lib._ 3. _cap._ 17. _de amore._) Ghy sult oock meer +andere teyckenen uyt haer wesen, en sonderlingh +uyt haer oogen, konnen af-nemen*, die eer zijn te +mercken, als te schrijven. Maer dan loopter noch wat +op* dat vry aen-merckens weert is, en van grooten 1670 +ghebruycke; maer daer van op beter gelegentheyt. + +Phi. Ick bidde u en spaert doch geen broot voor de +vrienden, ende en laet niet onder u tonge 'tgene ick soo +seer begeere te horen als yet dat ick nu ter tijt weet. + +Soph. Neen, vrient, soo plagh men een boer syn 1675 +kunst af te vragen: alle dingen en dienen niet uyt +geseyt aen soo grage gasten als ghy en uws gelijcken 76 +zijt; En dusdanige verborgentheden en willen soo op +een bot* en met eenen adem niet geleert wesen. + +Phi. Ghy en hebt even-wel dit geenen dooven 1680 +geseyt; Ende nu ick den draet hebbe, ick hope het +kloen* wel te sullen vinden. Ick kan oock lesen (God +danck) en hebbe u schrijvers hooren noemen die te +vinden zyn, ick meyne die nae te sien en te letten +watter in steeckt. want ick sie alreede wel soo veel, 1685 +dat dit ondersouck niet alleen by de medeçijnen, +maer by de gene die wat kennisse van saken hebben, +kan gedaen werden. Het komt my nu binnen* dat +ick gelesen hebbe, dat _Erasistratus_ (daer ghy te voren +van gewagh deet) de liefde van _Antiochus_ gewaer 1690 +wiert, vermits hy vernam dat syn ader-slagh t'elcken +veranderde als _Stratonice_ syn stief-moeder in de kamer +ofte ontrent het bedde quam, daer hy sieck lagh. +De poëten hebben daerom wel geseyt, + + + Wie is die heeten [55] minne-brant 1695 + Behendigh in syn boesem sluyt? + De liefde past op geenen bant; + Sy wil, sy sal, sy moeter uyt. + + +Soph. Dat is tot daer toe goet, soete jongelingh; +maer ondertusschen isset geraden u niet te seer te 1700 +willen vergapen aen de beweginge van de slagh-ader, +om altijt daer uyt een besluyt te maken (als de selve +buyten gewoonte verandert, en rasser of [56] harder slaet 3 +op den naem ofte door de aenkomste van eenigh persoon) +dat t'elcken een uytmuntende* liefde hier van 1705 +de oorsake ware. Ghy sout lichtelick (soo doende) konnen +vervallen in een selsame ongelegentheyt, als ick +eens verstont een jonge doctor gheraeckt te zijn, +uyt ghelijcke oorsake. + +Phi. Hoe gingh dat toe, weerde Sophronisçe? 1710 + +Soph. De selve jongen doctor onder andere hebbende +een wijle vergeselschapt een vermaerden medeçijn, +als hy by de siecken gingh (als in Italien tot +bericht* van de studenten veel geschiet) en gewaer +zijnde gheworden, dat de doctor (als hy de pols van 1715 +de siecken getast hadde) wiste te seggen waer door +de sieckte was veroorsaeckt, als door eten van meloenen, +noten, appelen, vijgen, ofte diergelijcken fruyt, +bad ernstelick den man, hem te willen openbaren waer +uyt hy sulcx wist, als hy seyde. De doctor, na des 1720 +hem te hebben laten bidden, seyde hem, dat hy ontrent +de siecken komende neerstelick was gewoon acht +te nemen, of hy in of ontrent de kamer van de +siecken niet eenige schellen van noten, meloenen, +of diergelijcke vruchten en vernam; en die siende, 1725 +dat hy daer op dan aengingh. De nieuwe doctor, +dese lesse wel meynende onthouden te hebben, ende +die willende in 't werck stellen, was korts daer na +geroepen over eenen schamelen arbeyder, sieck te +bedde leggende; voor wiens hutte hy een vers eselsvel 1730 +siende leggen, hadde daer op den patjent syn +pols geraeckt, ende geseyt dat hy gansch swaerlick +sieck was, en dat sulcx hem niet vreemt en docht, +dewijle hy soo harden ende onverdouwelicken kost, +te weten esels vleesch, hadde bestaen te eten. De 1735 +siecke, des verwondert zijnde, seyde, dat de doctor +geheel van den wegh was want (seyde hy) ick en +hebbe in acht dagen en langer geen esel gesien, ten +ware mijn heere den doctor. De misslagh van de +jongelingh quam daer uyt, dat hy den regel dien 1740 +hy gehoort hadde al te breet en sonder bescheydentheyt* +in 't werck stelde. En voor u, lieve Philogame, +staet te letten, dat ghy niet in gelijcke dwalingen +en valt. + +Phi. Is daer voor te vreesen Sophronisçe? Ghy 1745 +hebt my verklaert dat veel gheleerde medeçijnen +vast stellen, dat indien op den naem van eenigh +persoon de pols van een jonge juffer, en oock haer +wesen, seer verandert, dat daer uyt vastelick te besluyten +is datse van desselfs liefde bevangen is. 1750 + +Soph. Maer of het gebeurde dat yemant een jonge +deerne onteert, en haer daer na verlaten, ofte andere +schamperheyt* aengedaen hadde, ende dat sy daer +uyt in quellinge zijnde gevallen, een doctor (als ghy) +haer daer op quame te besoucken, en dat de selve 1755 +sprekende van den voorsz. persoon, gevoelde de slagh-ader +van de voorsz. jonghe deerne heftiger slaen, als +te voren; soude hy niet een grooten misslagh doen +daer uyt te besluyten, dat sulcx uyt liefde geschiede, +daer het uyt het tegen-deel, dat is, uyt louteren 1760 +haet, syn oorspronck soude hebben? 'T is seker, +dat jae. Want dewijle het voren is vast gestelt, +datter geen bescheyden* en eygen beweginge in de +slagh-ader te vinden is die juyst alleen past op de +minne-sieckte, en dat daerom met omsichtigheyt en 1765 +vernuft alle omstandigheden moeten werden overwogen, +eer men yet sulcx besluyten kan, soo siet +ghy wel hoe los* u op-genomen* kunste gaet. + +Phi. Ick sie wel ghy sout my geerne wederom +van 't stuck leyden; maer ick en meyn het daer by 1770 +niet te laten, maer moet het vogeltjen (soo men seyt) +onder de steert sien, en dan dagh en raet.* Maer +wat is u gevoelen, of men uyt yemants hant ofte +andere leden, uyt de strepen en linien van de selve, +yet sulcx ofte andere saken, rakende yemants innerlicken 1775 +aert, nae de kunste kan uyt-vinden? en of +het een Christen geoorloft is syn handen te laten +sien om eenige voorsegginge in 't stuck van syn +houwelick daer uyt te mogen verstaen*? of dat hy +andere middelen vermagh te gebruycken, om van 1780 +toekomende dingen de uyt-komste te weten? Mart. +Delrio disq. Mag. lib. 4. _cap._ 5. Hier op wat berichts, +weerde Sophronisçe. + +Soph. Wat het eerste aengaet, ick weet datter +geleerde gevonden werden die hier van groot werck 79 1785 +maken*, en dese kunste (indiense weerdigh is soo +genaemt te werden) oock met de schrifture willen bevestigen, +daer toe treckende de plaetsen _Iob._ 37. 7. +mitsgaders _Exod._ 13. 9. Dan de oversettinge van +_Hieronymus_* spreeckt hier klaerder af als de onse 1790 +doet, en dient daerom na-gesien. Even-wel Monsr. +Pasquier [57] de recher. de Franc. lib. 17. _cap._ 39. verhaelt +eenige sonderlinge dingen van dese gelegentheyt. +Doch wat my aengaet (uyt-genomen alleen het gene +dat in dese gelegentheyt uyt natuerlicke redenen duydelick 1795 +kan besloten en bevestight werden) soo meyne +ick dattet [58] al beuselingen zijn, daer ick geen tijt in +en soude willen besteden, als alleenlick om de ydelheyt* +van de menschelicke verstanden daer in te bemercken: +anders* weet ick dat onder dit bejagh quade 1800 +kunsten worden gepleeght, en daerom en wil ick +niemant raden sich hier toe te begeven. + +Phi. Maer sout ghy dan geheelick verstaen te +verwerpen de kunste van _Phisiognomie_, dat is, de +wetenschap om uyt het wesen, gestalte, ofte gelaet 1805 +van een mensche, syn innerlicken aert te kennen? +daer nochtans verscheyde wijse lieden veel van zijn +houdende* [59], daer oock d'ervarentheyt* vry wat van +getuygen kan. + +Soph. Dat is een geheel ander werck, als het 1810 +gene waer van wy nu gesproken hebben, en ick en +ben jegenwoordelick* niet gesint om in het ondersouck +van het selve te treden. Maer in plaetse van sulcx 4 +soo hebbe ick juyst hier nu by my een bysonder +trougeval van onsen tijt, my onlanghs by een vrient 1815 +ter hant gestelt, daer in te sien is datter lieden zijn +die alleen op het gevoelen van de uyterlicke gestalte +des lichaems, selfs sonder behulp van oogen, een +vrouwe weten te verkiesen. . . . . . . . . . . . . . . . + +[Onderhand Philogamus dit geval "bij hem selven" overleest, 1820 +gaat Sophroniscus zijn zaken doen bij een vriend +in de buurt. Het verhaal "Liefde sonder sien verweckt, +en schoonheyt blindelinghs verkoren" (door Cats hier ingelast) +is nauweliks uitgelezen of Sophroniscus is reeds +terug, en vervolgt:] 1825 + +Wel aen dan, wat uwe vordere vrage belanght; +te weten, of het geoorloft is op de uyt-komste van 5 +toekomende dingen ondersouck te doen, en tot dien +eynde aen waerseggers ofte hant-kijcksters raet te +vragen, daer op segh ick rondelick, dat neen. Ick 1830 +stae u toe* dat wijse en kloucke mannen, uyt +ervarentheyt met lanckheyt van tijde* verkregen, +door voor-teyckenen ende sonderlinge op-merckinge +yet wes in dese gelegentheyt vermogen. Maer sulcx +by spokers*, toovenaers, waer-seggers, of diergelijcken 1835 +slagh van volck te willen gaen onder-vragen, +is beyde by Goddelicke en menschelicke wetten opentlick +verboden. Gods woort spreeckt klaer _Deut._ 18. +De gemeene Rechten* van gelijcke: ende de redenen +zijn, vermits het volck lichtelick door dusdanige 1840 +voor-segginge gaende* wert gemaeckt, ende tot nieuwigheyt +genegen zynde tot onruste van de staet wert +gedreven. Doch soo ghy meer hier van begeert te +lesen, soo siet Lips. in Exemplis & Monitis Polit. +cap. 4. _quæst. liceatne in eventus inquirere._ 1845 + +Phi. Maer het bysonderste dat uyt dese gheschiedenisse +in bedencken behoort te komen, is de vraghe, +of yemant behoort, ofte vermagh een houwelick aen +te gaen met wilde, woeste, ende rauwe menschen, ofte 6 +met de gene die buyten het verbont wesende, afghesondert 1850 +zijn van het ware Christelick geloove.* Op +dit gewichtigh point u oordeel, weerde man. + +Soph. Ick en wil my geensins ontrecken, goede +jongelingh, hier op myn gevoelen rondelick te verklaren, +alsoo het selve onder al dat wy te samen 1855 +gesproken hebben als een hooft-stuck* behoort gerekent +te werden. Ick segge daerom, nademael dat +het houwelick is een onverbroken* bant, ende dat +niet alleen de menschen, maer oock God door het +selve kinderen werden verweckt: dat mede selfs de 1860 +onderlinge verbintenisse tusschen den Heere Christum +ende de Kercke, mitsgaders alle geloovige zielen, +door het houwelick wert af-gebeelt;* soo moet noodelick* +des Heeren mont in die gelegentheyt niet alleenlick +om raet werden gevraeght, maer behoort oock 1865 +de selve raet volkomelick te werden gevolght, ten +eynde Godes vrede ons mochte by-woonen in onse +huyshoudinge. 'T is nu kennelick dat in Godes woort +(1. _Corint._ 7.) klaerlick wert bevonden ons te zijn +bevolen te trouwen in den Heere: dat is, in de vreese 1870 +des Heeren, ende volgens desselfs in-settinge: gelijck +by het selve mede geboden wert geen jock te trecken* +met den ongeloovigen, dewijle het licht met de duysternisse +niet gemeens en heeft, noch Christus met Belial +2. _Corint._ 6. 14.15. Maer hoe kan yemant in den 1875 +Heere geseyt werden te trouwen, die met syn trouwen +selfs toont dat hy een verachter Gods is, ende als +tot syne vyanden over-gaet? voorwaer indien men +op eenige gelijckheyt in de saken van trouwen behoort +te letten, de gelijckheyt in het stuck van den 1880 +Gods-dienst is verre boven al te wegen, sonder eenigheyt +in de welcke geen soetigheyt, ware vreughde, +of vrede tusschen de getroude en is te verhopen*, +geen over-een-komste in 't op-voeden van de kinderen, +maer dagelicx stoffe tot onruste ende oneenigheyt; 1885 +alsoo dwalingen en waerheyt met den anderen* als +erf-vyanden zijn, en staegh onderlinge gewoon zijn +te worstelen; (Licet vir non oderit uxorem, error +tamen odit veritatem. Salvianus.)* en in dien gevalle +siet men dat den haet van de sake op de personen 1890 +selfs koomt te vallen, dewijle elck het syne pooght +voor te spreken. _Arnis eus de jur. connub cap._ 6. +_sect._ 5. Heeft men niet gesien dat in dusdanige +houwelicken de vrouwen zijn af-geraden geweest van +de houwelickse gemeenschap met haren man te plegen, 1895 +als aen de selve onreyn ende niet geoorloft zijnde? +en dat de vrouwen oock sulcx in 't werck hebben +gepooght te stellen? en hoe kan in soodanigen huys-houdinge +een kleyne kercke door gemeene gebeden +en het lesen van Gods woort gehouden werden, gelijck 1900 +sulcx onder de Christenen betaemt, en van +Paulus in 't huys van Philemon wert gepresen?* en +hoe kan doch soodanigen houwelick (tot troost van +de gehouden) geseyt werden te wesen een beelt en +gelijckenisse van het verbont met den Salighmaker? 1905 +(_Molin au Traicté des Mariages illicites._) sekerlick in +geender manieren. Ick segge daerom, indien yemant +van edelen huyse wesende sigh tot kleynheyt* toerekent, +indien men hem een houwelick soude vergen +beneden de weerdigheyt van syn geslachte, dat des 1910 +te meer in desen gevalle behoort in achtinge te +komen, dat men dien geestelicken adel in de gemeenschap +der heyligen niet en verkorte. + +Phi. Ick bevinde uwe redenen van gewichte te +wesen, weerde Sophronisçe; maer hoort men niet 1915 +sodanigen houwelick goet te vinden, immers* te +lijden, op hope dat een woest* en ongeloovigh mensche, +door syn partuyr* tot sedigheyt* en tot het geloove +sal werden gebracht, en datter alsoo winste +van een ziele sal gedaen mogen werden?* 1920 + +Soph. Dit wort veel tot verschooninge van dusdanige +houwelicken by gebracht, lieve Philogame: +Maer segh my doch een reys, plagh men wel een +houwelick aen te gaen met yemant die kael en beroyt +is, op hope dat hy wel eens rijck soude mogen 1925 +werden? + +Phi. Neen sekerlick, weerde Sophronisçe, de lieden +gelooven in dien deele datse sien en tasten, en +anders niet: de hope wert maer waen geacht in dese +gelegentheyt. men moet hier vry al vaster gaen. 1930 + +Soph. Wel indien men op hope van toekomenden +tijdelicken rijckdom geen houwelick en wil gronden, +naer onse maniere van leven; dient men dan wel +sulcx te doen op hope van dien onwaerdeerlicken +rijckdom in 't geestelicke? 1935 + +Phi. Ick was daer gevat, weerde Sophronisçe, +eer ick 't recht gewaer wert. En, om de waerheyt +te seggen, my dunckt dat uwe redenen al vry wat +slots hebben.* Maer onderentusschen soude ick misschien +wel by exempelen konnen bewijsen, dat de 1940 +man het wijf, ende het wijf den man tot den waren +geloove eyndelick heeft gebracht; het welck dan nootsakelick +een groot vernugen* [60] moet geven ter wederzijden. + +Soph. Ick en wil niet ontkennen, weerde Philogame, 1945 +sulcx niet somwijlen geschiet te zijn, maer als het +gebeurt soo doet God even het selve dat hy in de +eerste scheppinge* gedaen heeft, treckende het licht +uyt de duysternisse. Maar hier tegen is te bedencken, +dat niet eenige voor-vallende saken, die somwijlen 1950 +eens gebeuren, maer Gods gebodt een regel moet +wesen van ons bedrijf. Het quaet en is niet te doen +op datter goet van kome; en wat segen Gods heeft +die te verwachten die Godes raet niet en volght? +Waer by ick dan noch vrage, nademael het quaet 1955 +(God betert) soo vruchtbaer is, als de ervarentheyt +leert; of het niet te vreesen en staet, dat de geloovige +van de ongeloovige eer beschadight soude +mogen werden, als dat de ongeloovige door den geloovigen +soude werden gebetert? Is sulcx niet gebeurt 1960 +den wijsen ende machtigen koningh Salomon? +(1. _Reg._ 11.) ghy weet dat wel, jongelingh, en wat +sal dan gemeene* ende geringe verstanden niet konnen +over-komen? De eerste eertzvaders die om hare uyt-nementheyts +wille kinderen Gods van* Moyses genaemt 1965 +waren, siende de dochteren der menschen datse 84 +schoon waren, onderstonden die ten wijve te nemen +(_Genes._ 6. 3) en zijn alsoo vleeselick, ja vleesch geworden, +en hebben na hen getogen den onder-ganck +van den geheelen aert-bodem. En Iacob, die groote 1970 +helt en Gods worstelaer, hebbende getrout de dochters +Laban [61], heeft hy niet gewaer geworden dat een +deel van de afgoderije van de selve de syne heeft aengekleeft? +_Gen._ 35. 4. + +Phi. Ick vernoughe my uwer [62] redenen, weerde 1975 +Sophronisçe, en 'tis (mijns oordeels) onnoodigh hier +toe meer te seggen: het out spreeck-woort is hier en +elders niet dan al te waerachtigh. + + + 'T nachtegaeltjen op de peul + Dat vermagh te bijster veul. 1980 + + _Efficaces preces mulierum._* + + +Ick daerom uwe aen-merckinge op mijne gedaene +vrage vast stellende*, sal u des ten hooghsten +bedancken, en de selve in mijn boesem op-schrijven, +ende door Godes genade sien in 't werck te stellen. 1985 + + + + + + + + +AANTEKENINGEN. + + +3. _schijnen magh_, vgl. 704: schijnen mocht.--En (naer het schijnen +mocht) hij wou niet verder gaen.--En (naer het schijnen magh) haer +ziel die wilder uyt. + += de schijn hebben kan. + +5. _Het laet sigh den naem geven_, omschrijving van het passivum +(oorspronkelik causatief-medium), te vergelijken met "doet verlangen" +in het Wilhelmuslied, e. t. q.--Zie Zeitschr. f. Völkerpsych. II, +244/6.--Vgl. peppelhout laat zich gemakkelik bewerken. + +_Zigeuners._ Vgl. de Goeye, Memoire sur les migrations des Tsiganes +à travers l' Asie (Leiden 1903), Anz. f. IG. Spr. u. alt., Journal of +the Gipsy Lore Soc. 1907 vv. Wiener, Die geschichte d. Wortes Zig. in +Arch. N Sprachen 1902. Pott, Die Zigeuner in Europa und Asien (2 dln., +1844-45), Techmers Zeitschr. (Leipzig, 1885.) + +7. Vgl. 105 vv., 1774. + +9. _Majombe_; schijnt later een algemene naam te zijn voor de +"oude koude grijze, die een motkas hield, en eêr was mijn vriendin" +... Goeree, Mengeldicht. 262. + +21. _wiens_, _relatief_ bij _femin._: algemeen, ook Mndl., vgl. Van +Helten, Vondels Taal § 126. + +39. _hantgespel_; castagnetten. Vgl. noot van Cats bij vs. 341. + +47. _maer en_: negatie bij "maer" (uit "ne ware", het ne ware), +de ontkennende kracht werd nog gevoeld, van daar _en_ er bij gevoegd. + +54. Zeer zedig is zij in haar spreken; en zij is gauw gekwetst door +'t geen zij hoort en verneemt. + +81. Zij wist het vooral aan te leggen, om....--Vgl. hierbij +Ned. Wdb. I, p. 224, 2 c.)--Ons "het", collect. = iemands zaken. + +84. _prenten_, drukken, bezig houden? vgl. druk, gepresseerd, bezet +met.--Vgl. Gloss. Lekensp. + +89. _uyt den neus_, vgl. I. van Beverwyck's Schat der Ongesontheyt, +ofte Genees-konste van de sieckten, verçiert met Historien.... alsoock +met verssen van de Heer Jac. Cats.... (1651), blz. 86, die niet +gelooft, al beweren 't sommigen, zoals Democritus: "dat de neus eenich +teycken soude konnen gheven (al was hy daer ontrent gheweest) van +'t gene hy niet gesien en heeft.... _Democritus_, een Dochter den +eenen dagh ontmoetende, groete haer, _Goeden dagh Maeghdeken_; en +'s anderendaegs haar wederom siende, begroeten haar met _Goeden dagh +Vrouken._ En het was soo: want sy had dien nacht een ongheluck gehadt, +gelijckse dat noemen." + +94. De consecutio temporum bij Cats en anderen dient nader en +nauwkeuriger onderzocht. Omtrent _plagh_ hier alleen dit: + +pleghen, in 't Mnl., "doen", zo ook bij Cats: plegen dwaesheyt, +lusten, gemeenschap van bedde met, enz.--"Wat kooplieden ... plegen +en niet plegen,"--"Wat ze vorder in dit geval meynt te plegen".-- + +plegen = gewoon zijn: "Wel dunkt u dat het queesten (vrijen) van het +Noorder-quartier schier op dese of gelijcken voet toegaet?--Behalven +dat alle geregelde lieden gestaegh tegens die maniere van doen zijn +geweest, en noch zijn, soo was dat noch een geheel andere sake, +want de jonge lieden en plegen malkanderen soo na niet te komen, +ofte sy en kenden malkanderen al voren door dagelickschen ommegangh: +sulcx dat niet geseyt en kan werden..." + +_plagh_ staat vaak waar men _nu_ een praes. zou vinden, "(de jongman) +gaf hem aen den gracht, en sey noch anderwerven, Wel sal ick uwe zijn, +of sal ik heden sterven? Spreeckt nu het leste woort: ick stae hier, +schoone maeght, Wat seghje? Dat ick plagh (roept hier de vrijster +tegen)." + +Als _praeteritum_ vindt men in de regel _placht_. "Een kint dat niet +en spreekt gelijck de menschen plachten. Maer dat oock sonder stem +kan uyten syn gedachten."-- + +"Dat (schoonheyt) veroorsaeckt onmatigheyt van 't houwelicx bedde het +welck veel ongelegentheden aen ziel en lichaem _placht_ in te brengen, +daer van ick hier niet breeder... en ben gesint te spreken." [63] + +_Plegen, plach, placht_, komt zo passim voor bij Cats. Ook in: De +Verliefde Fiamette, door Boccacius, Amsterd., 1661, o. m. blz. 84, 93, +161, 233, enz. En Oude Mans Vryagie (1700) 202b.--Vgl. Gloss. Granida; +_plach, praes._ Hooft (Leendertz) I. 38; Warenar 439.--_pleech, +praet._ War. 174; _praes._ War. 310. + +Zo _plach_ praes. moet wezen, dan zou _placht_ geen paragogiese _t_ +hebben; zie de Grammatica's. + +Dat daarnaast ook _pleegt_, = gewoon is, voorkomt, vindt zijn +verklaring in bedeutungsübertragung. "Wat kooplui doen", wordt duratief +"wat zij voortdurend doen", "wat zij gewoon zijn te doen": zo gaat +de infin. _plegen_ bij plach, ook _gewoon zijn_ betekenen. Dit kan +oorzaak zijn dat ook het nieuwe _pleegt_, eerst zeldzaam, later vaker, += gewoon is, voorkomt. + +Nader onderzoek in de geschriften der XVIIe en vroegere eeuwen zal +mischien deze consecutio temporum ophelderen. + +Vgl. voor 't vroegere duits Mensing, Z. f. D. Phil., 1903, 229, +en noot. Behaghel, Gebrauch der Zeitformen (1899). + +100. _het jaer_, houdt in "de 12 Hemelsche Tekenen" van de diereriem, +of de 12 maanden, welke alle hun biezondere kracht hebben (vgl. Het +grote Planeetboek, 1801, p. 134, 168).--_De hemel_ zijn "die Sterren +die op de 12 Tekenen staen, (en) zyn niet te tellen"; ook deze hebben +elk hun invloed. Toch wijst alles er slechts op "wat den menschen +voor een Natuure uyt den Gesteernten _toegeneigt_ is,..... daarom +niet... dat zulks alzoo moet zijn, gelyck of dat Gesteernte de mensche +daer toe dwonge... Alle... zullen haar eigen aangeboren boosheid ende +begeerten met verstand wederstaan." + +101. _Een wie_, relatief _wie_, meest _die_. + +105. Vgl. 1773. Zie genoemd boekje p. 187. Die "linie word genaamt +de linie des levens ... in 't Latijn _Linea vite_ of _cordis_, en +dese linie vanget aan bij de middel-linien dwars in de hand; (en) +tusschen de Duyme en de Wijser (wijsvinger) omgaat (zij) den Berg +des Duims ende gaet op dat gelijke der hant" (bij de pols). + +121. Het zal wezen--zo gelooft men algemeen--zoals zij 't uit hand +en vingers leest. + +122. _haer laegen naem_, de oudere vorm _-en_ bewaard, om de volgende +_n_ van _naem_? Vgl., ook voor de _h-_: ons vryen hals, Vondel, +Eneas Vertaling, III, 80. Vgl. (?) Van Helten, Vondels Taal, § 85, +add. blz. 173. + +139. Al wat zij meedeelt is nevelachtig en schemerig, voor dubbele +uitleg vatbaar; nooit spreekt zij ronduit; vgl.: "tyt hier noyt te +werck, als met bedagte reden Spreeck niet als door een wolck, maer +klaer en uyt de mont." + +144. _Lucht_, uitspansel, zoals in Saksiese en Friese dialecten; +vgl. Frank-Van Wijck, Etym. Wdb. + +151. Met _breyn_ meer gedoeld op het zinnelike; met _geest_ op het +onstoffelike. Vgl.: met hart en ziel--Vgl. nog: (het beelt van de man) +"dat maelt haer in het breyn; en speelt haer om de ziel"--"Een gunstige +inval, die syn geminde eens schielyck in het breyn viel." + +_Breyn_ ook de gedachten, vgl. 1578; zie _hersens_. In "De +bekendmakingen" (etc., 1711, p. 77) van K. Najer, leest men: "het +soete en suyvere bloed werd door bewerking van _Hart_ en _Long_, het +alderfijnste, levendigste, en geestigste afgesondert, het welke uyt +zijn eygen doorlugtigheyd, allengskens na boven trekt, en sig op de +beste plaats, in het midden van het Paleys, de _Herssens_ op den Troon +steld... Dese geesten dan, doen allengskens de Herssens vervullen, +totdat eyndlyck deselve door de grote toevloed overlopen en geperst +werden, door het binnenste sponsagtige der senuwen, soetjes sagtjes +heen te wandelen."--Vgl. 1070. + +152. _gevat_ (passivum) vgl. vs. 376, activum; vgl. "bevaen +met minnen" in 't Mned. Wdb. Over 'met' = door, Delbrück, +Abl. Loc. Instrum. im... Deutschen, S. 51. + +164. _Onverlet_, on + verlet, van _verletten_, +vgl. Kil. verletten, omittere, praetermittere: Et impedire, +interpellare, et differre, procrastinare.--Vgl. "De buerte +spreeckt 'er van; en desen onvermindert. Men weet niet waer het +schort..."--Vgl. unbeschadet, Sanders, Deut. Wörterb.--Zie soortgelijke +in Tijdschr. Nederl. Letterk. II, 196, vv.--V, 207, 213: onghescaet +sire virtuut, Nat. Bl. XII, 224.--Noord & Zuid VIII, 353. + +170. _Bekaeyde wegen_, verkeerde; vgl.: + +"bekaeyde streken."-- + + + + "Geen mensch die menschen kent en syn beroep verstaet, + En wees oyt echte wijf tot soo bekaeyden raet."-- + "Wie veel den acker ploeght, wanneer hy is besayt + Die breekt sijn eerste werck, en maeckt 't et al bekayt."-- + "Wis soo ghy langer blijft, soo isset al bekaeyt." + + + +Over dit woord: Van Wijk-Frank, Etym. Wdb;--Gallée, +D. Literaturz. 1884, kol. 1340.--de Vries, Warenar, +190.--Mag. Ned. Taalk. III, 286.--Halbertsma, Letterk. Naoogst I, +64; ook van Helten, Woordafl.-proeven 9 noot.--de Woordenbkn. + +185. Voor deze zin vgl. men de XVIIe-eeuwse constructie b. v. + + + "Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te cussen."-- + + +_Spreken c. acc._ = ons: aanspreken, spreken met, tot iemand. Vgl.: + + + "Sy roept 'et door het bosch, sy klaeght 'et alle man + Sy spreeckt de wachters zelfs, maer niemant weet 'er van".-- + Maer waer toe langh ghekermt, ick ga de bueren spreken, + En zie noch yet te doen, om dit gheweldt te wreken. + + +en ons: iemand gaan spreken. + +Een schijn van onjuiste constructie in deze zin ontstaat doordat +"aen" naar ons begrip bij spreken wordt gevoegd, en het "aen" bij +vangen dan ontbreken zou. + +Doch ook in plaats van 2 maal hetzelfde woord werd dit ook wel eenmaal +gezet. Vgl.: Tijdsch. Ned. Lett. VI, 69; N. & Z. XII, 526; Stoett, +Syntax., § 159. + +188. _ten_, 't + de negatie bij _niet_. + +189. Constançe = Pretiose, 173; vgl. vs. 1238. + +195. _u swacke maegh met suycker overlast._ De suiker, die nu vaak +overdreven aangeprezen wordt, stond vroeger minder goed bekend; +vgl. I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, met veersen verçiert door +de Heer Jacob Cats... (1651), blz. 116; "Als het grof bruyn Suycker +door de scherpe Looghe van Kalck ghemaeckt, ghesuyvert wort, ende de +vuyle en swarte Syroop, daer uyt-gedreven is, soo krijght het eenen +vreemden scherpen smaeck, waer af het bloedt verbrandt wert, ende +het hooft beswaert.... Soo dat het ongesuyvert ofte _Grof-Suycker_ +somtijdts beter is, dan 't ghene dat de scherpigheyt van de Looge, +in het suyveren behouden heeft. Daerom sal men eer het bruynachtigh +en tamelijcken wit verkiesen." + +200. _maeghde-krans._ Vgl. o. v.: + + + Ick was ontijdigh groen, en hy begon te mallen. + Dies is de maeghde-krans my van het hooft gevallen. + + +De vrijer spreekt tot de vrijster "met een ghebroken maeghdekrans." + + + "De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen, + Dat sy den maeghdekrans niet meer vermocht te dragen." + "Een snelle schicht op my gevallen.... + Die trof mijn teere maeghde-krans." + + +Vgl. het lied bij Willems, Ovla. Lied nº. 135; Verwijs, +Mnederl. Bloeml., p. 128.--Kalff, Lied i. d. ME., 153, 277, 381, +521.--"Verloren hab ich mein Rosenkranz," Böhme, Altd, Liederb. 152. + +201. of erger, is om u welbekende reden, de menstruatie opgehouden? + +214. _door een gunstigh oogh tot in het hert_, vgl. 377. Zie Martijn +(ed. Verwijs), Str. 53 v.v. En + + + "....een soet en aerdich beelt + Dat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt".-- + "Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten, + Het is een open deur, een inganck van de lusten."-- + "Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt, + Dat niet als door het _oogh_ het herte wert geraeckt."-- + "Myn verstant.... moet syn ghetogen, + In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde + oogen." + Nosemans, Hans. + + +223. Haar bloed is machtiger dan haar wil: zij kan niet verhinderen +dat zij bloost. + +230. _geest_, een persoon van geest, iemand met voortreffelike +hoedanigheden, vgl. Ned. Wdb. IV dl. kol. 728/9.--en 't fra. _esprit_. + +242. _jaren_, in de praegnante zin van jonge jaren, jeugd: van nature +de vrolike tijd. + +243. _genieten_, vgl.: + + + Wie ist die oyt met eene schoot + Een schans of ander slot genoot? + + +vgl. Gloss. Granida; Mned. Wdb. + +245. _spruyt_, van bomen; _kruyt_, kruiden; _sap_, drank, en pappen. + +255. De moeder, hiertoe (door Constance) verzocht, komt met de dokter, +die te hulp geroepen is, binnen; Constance gaat op hun toe en neemt +hun alleen.--Vgl.: + + + De vrijster wel geçiert, na datse was gebeden; + Quam uyt haer stil vertreck, en in de kamer treden, + Haer vader ginger by, en nam haer metter hant, + En seyde..... + + + +262. _gaf hem dese reden_, sprak hem zo aan.--Rose, 8833: "(de +man) _geeft_ hare menichge quade hoere."--Vgl. Diefenbach, _dare_, +o. a. sprechen--_rede_, Kil. spraecke, sermo, verbum.--_redenen_, +verba facere.--Vgl. Gloss. Bern.: edere, seegen. = sprechen, reden +(Dief).--Vgl. ook 936. + +270. _d. heb i. w. t. w._, moet in het verband betekenen: dat weet +ik maar al te goed.--Vgl. ook: + + + "Wat is er menig wijf, dat liever heeft te praten + Die liever heeft te gaen laveyen achter straten + Als met een stillen geest haer kint te wysen aen + Wat nu, wat naderhant is nut te zijn gedaen."-- + "Ick sitte meest den ganschen dagh + En hebbe liever wat te staen." + + +Vgl.? Dit heb ik je te zeggen dat je dat doet; en: Dat heb ik te weten, +dat dit gebeurt. + +288. _koorts._ Vgl.: + + + "dat een soete coorts haer in het herte quam, + Ghecropen meer en meer, die haer den sin benam", + Vermaeck der Ieucht, (1616).-- + + +En 't Koortsigh Liedje, van Bredero. + +291. _heydens volck_, gen. vóór 't bepaalde woord, vgl. 752, 1351, +1522; vgl. Vondels Taal, § 72, i. f. Of _adj._ ? vgl. Spaens, heus. + +298. Imperat. = toon-jij; vgl. 299: kleed-jij. + +311. _Ké_, Kil.: ah. Interiectio varios affectus explicans.--Passim +in de XVIIe eeuw. 't Zou ontstaan zijn uit _wetecree_, _wetekey_ = +wete kerst, sciat Christus: vgl. de Vries, Taalzuivering, 166. + +316. prees het goede meisje, maar zo dat er niets of niet veel van +geven kwam. + +321. Gyralde echter, nu ondertrouwd, gaf aan het aardig meisje 100 +pistoletten, als bruidsgeschenk. Gawoonlik was dit het geschenk aan de +meid, die onder de beide speelmakkers en beide speelmeisjes de bruid in +'t biezonder diende. Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 258. Vgl. Warenar, +389, 1318. + +324. in dit te verhalen een aangename tijdkorting, of +genoegen.--Vgl. Kil. tijdverdrijf, oblectamentum, delectamentum, +dilitiae. + +335. _een openbare feest_, vgl. een drofelike cleet, een coude bat, +etc. bij Van Helten, Vondels Taal, § 85c (slot). + +338/9. Die met schoon gezang en vlug dansen (vgl. saltare) alles zou +overtreffen.--_sweven boven al_, vgl. Mned. Wdb. i. v. bovensweven. + +341. Houten of ivoren kleppers, die de vorm hadden van twee grote op +elkaar passende notedoppen, waren door een band aaneengebonden, die +men om de vingers wond. Door de andere vingers snel langs de randen +van de kleppers te laten strijken, ontstaat een klikkend geluid, +dat de dansrythmus aangeeft. Castagnetten: kastanjes n. d. vorm. + +358. _was aftekomen_ = moest afkomen, vgl. 1949, 1952. Zie de variant. + +365. _van syner hant_, oude datiefvorm na sommige praeposities; +vgl. van der straten 1094; bij der hant 1104;--op den velde, 1020. + +370. _het maegderot_. Vgl.: + + + "en tot een soet besluyt, + Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt." + + +_quam_, waar velen nu een plusquamperf. zouden zeggen; vgl. bleef 696; +waer 1383; gingh 1398; zie Vondels Taal § 173; of: "quam geleyden" += geleidde, zie 462: koomt vougen.--Vgl. Vondels Lucifer, vs. 1778. + +379. Staat te weifelen, vgl. 136: stont en keeck; 1119: sit op haer +en sagh.--zie Warenar 258; Taalk. Bijdr. I, 125. + +384. _wort_, praesens? ook 726, 727, 731, 732; maar _wort_ praet. bij +_werden_, _wert_ 972, 1093, 1126, 1576, 1801. + +407. _die_, naast _dien_; passim, vgl. Van Helten, Vondels Taal, +§ 124; Mndl. Spr., § 352, 364_e_; Cosijn, Taal en Letterb., VI, +276; _die men... koos, En_ (die)... _behaeght_. Als in 't Mndl.: +in gecoördineerde zinnen blijft het pronomen weg, vooral als 't in +_niet_-dezelfde betrekking (casus) staat; vgl. Van Helten, Vondels +Taal, § 206, en Add. + +420. om dan te zijn vernield, verpletterd; maar (en hier volgt het +6e coupl.); vgl. lat. opprimere. + +442. Maar al te veel bloemen staan dag aan dag te pronken; een frisse +stengel hebben ze, maar niemand heeft er lust in. Daar gaan dan haar +bladeren met de wind en vergaan, zoals alle stof. + +449. Bij de ouden wordt _Pan_, de Bosgod, voorgesteld met bokspoten, +horens en ruig haar; als de Satyrs, vervolgt hij de nimfen met +verliefde zinnen en bedoelingen. + +459. _wachte_, oude vorm; vgl. "zegge", op kwitanties; ik herzegge +(van de voorzanger). + +461. Terwijl de ridder naar dit gezang met groot genot luistert, +begint de nachtegaal de vrijster te accompagneren. + +467. _heydens_, vgl. 291, A. + +485/6. Haar rede is geregeld en dudelik; vgl. bene compositus; +oratio bene composita.--Wat zij zegt, is geestig, aardig bedacht; +_soete vonden_, zijn aangename denkbeelden, invallen; + + + "Men sagher sneegh beleit, men sagher vonden in, + Vry teikens van verstant, en van een diepe min." + + +Misschien zijn de toen zo in trek zijnde "concetti" bedoeld. + +489. _vonck_, vgl. Kil. voncke, fomes, etc.; bij Diefenbach o. a.: +to neghinge, naturliche neigunge. + +509. raven, _sing._, zw. subst. rave, vgl. Vondels Taal, I, +p. 75.--Fabel van de vos en de raaf. Vgl. Phaedr. I, 13. Romulus I, +14. De laatste redactie luidt: "Qui se laudari gaudent--verbis subdolis +decepti penitent--de quibus similis est fabula. + +Cum de fenestra corvus caseum raperet--alta consedit in arbore--Vulpis +ut hec vidit e contra sic ait corvo--O corvus quis similis tibi? et +pennarum tuarum quam magnus est nitor? Qualis decor tuus esset--si +vocem habuisses claram--nulla prior avis esset--At ille dum vult +placere et vocem suam ostendere--validius sursum clamavit--et ore +patefacto oblitus--caseum deiecit--Quem celeriter vulpis dolosa +avidis rapuit dentibus--Tunc corvus ingemuit--et stupore detentus +deceptum se poenituit--Sed post inrecuparabile factum damnum quid +iuvat poenitere?" Vgl. 760, A. + +_met vollen mont_, vgl.: + + + De vrucht die is te raken, + En met een vollen mont op haren tijt te smaken. + + +535. wat ik wezen mag, toch ben ick (etc.)--_magh_, vgl. Vondels Taal, +II, § 188. Vgl. 1304. + +542. _streelt de sijde rocken_, vleit de vrouwen, die aan het hof zijn; +vgl. m. m. de _bouwen_, _wijlen_ (nonnen); + + + "Dus gaetet vast dat aen den _broeck_ + Hanght al de vreughde van den _doeck_"; + + +vgl. plaet, platen, (soldaten). + +_sijde_, hollands, nu nog, voor _sijden_. Vgl. Van Helten, Vondels +taal I, blz. 106. + +544. edel pant = reine jeugd; _genit. epexegeticus_: de stad van +Amsterdam, de prijzenswaarde deugd van zelfbeheersching. + +606. Oude gewoonte, om alle gerechten tegelijk optezetten. + +614. lage plaats, vgl. locus, afkomst, geboorte, stand. + +625. _mijnen_ = jegens mij, pron. poss. = gen. object; vgl. Granida, +1529_b_, A. + +628. _nam_, = zou nemen, vgl. 1304. + +639. Indien je gediend ben van schoonheid, kom slechts, wanneer je ook +wilt, je huis uit, daar (in deze grote stad) wonen vele mooie meisjes. + +642. Indien je vermaak vindt in verstandige, geestige kout, welnu, +dat behoef je evenmin te missen. + +655/6. Al worstel ik tegen mijne jeugdige lusten, ik word meegesleept +zelfs waar ik niet wil.--Vgl. voor _jeught_: "een maeght die onmachtigh +is haer jeught te wederhouwen".-- + + + "syn herte soo bevanght, + Dat hy tot in het mergh na hare jeught verlanght." + "een jongh en rustigh man, + Die, na den rechten eysch, u jeught vernugen kan." + + +Een gehuwde vrouw moet in sommige omstandigheden "alle hare +jeughdigheden dempen en doen versterven." + +659. _deftigh_. Vgl. "Of het een deftigh man, die syn geheele werck +van wijsheyt en geleertheyt heeft voorgenomen te maken, geraden is +sigh ten houwelicke te begeven."-- + +"Daer is een deftigh man (Barlaeus) die leert u Roomsche +spraeck."--Ongehoorzaam zijn om zichzelven het leven te benemen op +bevel van de Mohammedaanse vorst, is een boze + + + "daet, + Maer 't is een deftigh helt, die hier in willigh gaet."-- + "..... hiet my lieve man, + In dat soet-deftigh woort, daer in soo ligt verholen + Wat u en my gelyck de Schepper heeft bevolen."-- + "Het is geen deftigh man, + Die met gebogen hals geen dwasen lijden kan."-- + "Datje niet en nut, of met den monde smaeckt, + Dat uyt een innigh vyer de lusten gaende maeckt + .....maer breeckt de lange nachten + Door vlyt tot deftigh werck."-- + "o deftigh werck dat ick op heden doe... een wreede moort."-- + "Zijn deftige (ernstige) taal stelden my ook gerust." + + Haagsche Vondeling. + + +Vgl. _Taal en Letteren_, 1903, blz. 473. + +672. mijn onervaren jeugd nu bij te minne en geringe schepsels +bevrediging zoekt.--Vgl. 614. + +673. Indien men de oude tijd nagaat, bemerkt men .... + +679. ter wille van Europa, dochter van een Phoeniciese koning. + +680. om Leda, de echtgenote van de Spartaanse koning te bezoeken. + +682. Hercules was verliefd op Omphale, koningin van de Lydiërs, +en vernederde zich daar een tijd lang om als slaaf haar te dienen, +om haar gunsten te genieten. De negen-koppige slang, de Hydra, een +monsterleeuw bij Nemea, het Erymantiese zwijn, de Cretensiese stier +versloeg hij. + +684. _duyden_ = strekken, vgl. de 2e betekenis van het intransitief +_dieden_ in het Mned. Woordenb., welke die van "strekken" nadert, +b.v. Hoe luttel hare (_des aventuren_) helpen (_znw. mv._) +dieden. Vgl. baten, dienen: + + + "Indien men recht gebruyckt den luyster der agathen, + Het sal het jonge paar tot vrede konnen baten."-- + "En trout oock op het ooge niet, + Want 'et dient u beyde tot verdriet." + + +688. ik weet niet (door) hoe een sloor, (hoe) een herderin. + +692. _Gode_, dat., zonder meer, slaat op Jupijn (677). Andreas +is Christen, en Heiden tegelijk: gewoon verschijnsel in de +Renaissance-literatuur. + +693. _het groote licht_, de zon, nog in gewestelike taal, in bepaalde +frases ("gaat ons verlaten, is weg") de gewone aanduiding. + +706. _En_ (zij) _scheen_, vgl. Vondels Taal, II, § 227, d. + +708. Zo gauw zag hij ze niet weer, of zijn smeulende liefde ontvlamde +dadelik. + +721. _began_, praes.? (vgl. plagh, 94, A.) Mnederl. begonnen, [64] +begonde (begonste) naast beginnen, began (begon). Beide vormen +lopen door een. Mogelik is dat _begonnen_ later is beschouwd als +een verbum gelijk _connen_ (praes. _can_) [65] en derhalve _began_, +praes.; _begonste_, praet.--Naast inf. _begonnen_ bleef _beginnen_ +(vgl. de dooréenmenging in de spreektaal van kennen (kent) en kunnen +(kan). Ook bij de voorgestelde etymologie (Kluge, Franck-Van Wijck, +Etym. Wrdbn.) is een praes. _began_ wel te verklaren. + +733. _quam_, perf., vgl. 1020; zie Vondels Taal, II, § 171. + +752. _Wij stellen_, ons stelsel is dat overal het goed aan +allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij +behoeven. Gen. vóór 't bep. woord, vgl. 291. + +757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij +kent de kunstjes. + +760. Zinspelend op de fabel _Phaedr._ IV, 8. In de ME. en later nog, +bekend in de redaksies van de Romulus [66], III, 12: "De duobus malis +auctor talem subiecit fabulam--Malus peiorem non ledit nec iniquus +iniquum superat. + +In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera--Dum quereret +aliquid ciborum--rodere coepit limam--Tunc lima ridens--ait ad +viperam--Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum--quae consuevi +omne ferrum rodere--sed et si quid forte est asperum--fricando facio +lene-quae si angulum tersero--si quid ibidem est ipsa precido--Ideo +eum acriore mihi certandum est." Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus, +(IXe eeuw) ed. Oesterley. + +Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe--XVe eeuwen, aldaar +opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine, lib. V: +Le serpent et la lime. + +762. hoe weinig kleding en deksel de mens nodig heeft. Vgl.: + + + ... "dat een keel + derven moet een deel + Om de rug en borst te decken." + + +785. _sure vlagen_. Vgl.: "De Mey (1685) bleef in Nederlant dit Iaer +noch vry suer", Holl. Mercur. IX, 53. + +793. _vrougher op om eenigh heer te groeten_, zinspeelt dit op het +"lever" van vorsten, en hoge personages? + +822. _Ghy let_, imperat., vgl. 298. + +843. Te verklaren als: Indien je het hof wil maken in alle eerbaarheid, +zonder bedrieglike voornemens. Vgl. in alle eer en deugd.--Vgl. "Die +sonder achterdencken leven, staen als open, en zijn onderhevigh om +gehoint te worden."-- + +Of als: zonder dat dit haar ten schande kan strekken? Vgl. Kiliaen +i. v. hoin. + +852. _uwe_, de uwe, vgl. 920; zie Vondels Taal I, blz. 124. + +872. _bij hem alleen_: zonder dat de anderen er bij waren en het +bemerkten. + +899. met verstand en beleid te handelen. + +918. _in u vermaeck, u_ als gen. object, vgl. 10: haer diensten; 625: +mijnen haet; 1088: in haer gesichte (in haar te zien)--_besteden_, +vgl.: + + + "waer de beste sinnen + Besteden haren tyt ontrent een heyligh minnen." + + +919. Vgl. 1407. + +936. _gaf_; vgl. Lat. dare, geven, uitstorten. + +937. _heb ... gaen beginnen_, passim bij schrijvers in de XVIIe eeuw. + +Het hulpwerkw. hoort bij de volgende infinitief, een transitivum, +dat met "hebben" vervoegd wordt. + +Schijnt een Noordhollands eigenaardigheid. + +Vgl. Kern, De met het Participium Praeteriti omschreven +Werkwoordsvormen in 't Nederlands (Verhand. Kon. Acad. 1912) § 226, +blz. 200/1 en § 77, blz. 64/65. + +939. _uithangen_, c. dat. pers. "Hoe is mijn uiterlik voorkomen? Zoo +zeggen wij nog van iemand, die zich uiterlik als vroom voordoet, +dat hij _den vrome uithangt_, en van een leelijk, wanstaltig mensch, +dat hij _een slecht uithangbord heeft_", Cats, ed. de Vries de Jager, +Deventer, V, 68 noot.--Vgl.: + + + "Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken? + Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?" + + +947. Wat beduiden deze regels? Men zou kunnen denken aan: volle +maagdelike rijpheid; toen zij op haar middaghoogte was. Daartegen +strijdt echter "terstont" (945).--Of maakt de juffer tweemaal 's +daags toilet? Met den noen (voor zij tafelt) en 's middags (voor zij +uitgaat)?--Of zijn eenvoudig "noen" en "midden op den dagh" synoniem, +op de middag, in 't volle licht? + +950. _vougen tot_ = vereenigen met; vgl. vervoegen = vereenigen, +bij Huyghens (Panth. 79, 9) en Pastor Fido van Bloemaert, 1650, p. 130: + + + En wilt met d'uwe toch vervoegen ons' gebeden. + + +_syn leden_ = zich; vgl. ick schenck u dese leden, 714; als ick +... myn leden overslough, 948. Vgl. nog het passieve in: + + + "Gij dan, van eersten aen dat _uwe_ teere _leden_ + Syn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden." + + +Vgl. ook: syn saken aanleggen = het aanleggen, 81 A.-- + +952. zelfs van daag nog getrouwd. _Versegelt in de trou_, vgl. de +aanhaling by 1252.--en: "Des Heeren goeden segen + + + Verkondight in de kerck, en opentlick gekregen + Versegelt echte trou; soo dat men even dan + Bekoomt een vollen naem van wijf en echte man." + + +968. Hij is een zonderling, een ruwe klant, die noch om schoonheid, +noch om rijkdom geeft. + +973. eigenaardige herhaling, vgl. 1175. En vooral Reynaert, Inleiding +(Zw. Herdr. 1909) blz. LVIII, n. en blz. XXII. + +981. _syn hert is niet aen haer_. "syn aen" kan, evenals het Lat. _esse +alicui_, betekenen: bezitten; vgl. het Mndl. Doch ook kan _aen_ hier +de betekenis van _bij_ hebben. De eerste opvatting heeft voor, dat +"esse alicui" gebruikt wordt, wanneer de nadruk op de zaak valt, gelijk +hier "hert", vgl. de volgende tegenstelling; _haer_, pron. reflex., +waarvan het vrouwelik hert antecedent is.--Zijn hart is niet vrij. + +1004. Er is climax in de tekst: verrader, spoken, boose +geesten. Verrader is een booswicht vol duivelse list, die niets +menseliks meer heeft en tot alles in staat is; er is niet alleen aan +eigenlik verraad te denken. + +1007. _suysebolt_, vgl. "drink datje suizebolt", Rabelais, Vertaalde +Werken. + +1022. Andreas, wel wetende hoe de vrouwen razen, wanneer men haar +lusten weigert te bevredigen. + +1032. De schout zendt op het vreemd verdacht gerucht de strenge +rechters af. + +De editie van 1700 (zie 't Voorbericht) heeft _troep_. + +1034. _in de broecken_. Zelfs in de onderbroeken verstopte men de +beurs, of kostbaarheden: vgl. Holl. Trouwgevallen, blz. 186. Koopman, +blz. 146. Kind van Weelde II, 108. + +De studie van Jonkvr. Dr. de Jonge over De kleederdracht in de +Nederlanden in de XVIe eeuw, in Oud-Holland 1919, geeft voor deze +materie niets. + +1044. Relat. zin; het verbum wegens 't rythme verplaatst. + +1048. _niet en let_ = niets mankeert; vgl. "een peert dat schurrift +is, en wil den roskam niet." + +1066. Hij dient naar de galeien veroordeeld. + +1070. _geesten_, vgl. het laatste gedeelte der aanhaling bij 151. + +Ook _dierlijke geesten_, animal spirits, esprits animaux, +vgl. Ned. Woordenb.: "de fijne vluchtige vloeistoffen, die, naar men +onderstelde, in het bloed aanwezig zijn en het eigenlijke beginsel +uitmaken van gevoel en beweging. Door sommigen onderscheiden van de +_levensgeesten_, die als de oorzaak van het leven golden."--"Vele +malen bij C. deze geesten in betrekking tot de werking van die fijne +zenuwvloeistoffen op het gevoel, de begeerten, hartstochten," enz. + +1072. Alleen zijn edele afkomst trekt hem voor de geest.--_spelen +ontrent_ = zich bewegen om. Vgl.: "maer alle mijne sinnen spelen noch +ontrent uwe laetste redenen." + +1119. _vast sit op haer en sagh_, zit op haar te zien; vgl.: + + + "Sy leyt er op en maelt als met de gantsche kracht + Oock midden in den droom, en in den middernacht."-- + "Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh." + + +Vgl. nog Noord en Zuid II, 138/9. + +1124. _landdrost_, waardigheid hoger dan schout; landdrost oefende +in naam van de heer de lijfstraffelike rechtspleging uit. + +1127. _Al is de krijghsman doot_, Is de krijgsman gedood, dood.--_Al_, +versterkend partikel = wel??--_doot_, oud part. tot adj. geworden, +vgl. van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. III, 109.--Verdam, +Middelned. Woordenboek, 297.--Alexander, ed. Franck, p. 421. + +1131. Ooit van zijn leven, een adverbiale accus. Vgl. "heb ik mijn +leven!"--Vgl. Warenar 1053, var. + +1152. Aen (de ontroerde) vrou Giomaer schijnt het zelfs een stage +vloet; aldus op te vatten? + +1160. (verwondert) _dat_, vgl. Mned. Woordenb. II, 86/7. + +1169. _opgetogen_, gespannen, ingespannen. Vgl.: opgespanne, Vondels +Lucifer 145; ook: "die (geleerde) zijn dickwijls te veel opgetogen +om een jonge vrouwe wat goets te doen"?-- + +1170. Maiombe wikte ernstig haar droevige toestand. + +1194. Vgl. 739, 751. + +1226. _die_, relat. zin bij "slimme gangen" (vergif, coll. = slimme +ganghen): constructio ad intellectum. + +1236. was (_het_) inderdaed; vgl.: + + + "Maer d'eerste is die my best behaeght."-- + "Hy is die ware liefde plant: + Als vader van den echten bant." + + +Vgl. van Helten, Vondels Taal II, § 212. Voor het duitsch: +E. Bernhardt, Zs. f. D. Phil., 1903, 145. + +1252. _op de zaal_, zaal meestal het grote ontvangvertrek, hier echter +vertrek in 't algemeen, vgl. vs. 1266.--Vgl. o. m. + + + "Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen, + Soo siet men op de zael terstond een priester komen, + Die heeft het jonge paer versegelt in de trou." + + +En Trouringh, 4º., Ongel. Houwel., 197.--Antonius-Cleopatra, 595 +m.; etc. + +1285. _grijpt haer in den arm_, omarmen, vgl.: + + + "'t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soen + Ick wil ook even soo myn laetste plichten doen. + Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepen + Malkander in den arm, en vast aen een genepen + Gaen rollen van den rots....." + + +1299, 1328. _ons_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, § 99; +Mndl. Spraakl., blz. 444. + +1300. _in dese venster_. + +Vensters in de oude kastelen waren diepe nissen, met banken aan de +zijden. Vgl. vooral Schulz, Höfisches Leben in MA. + +1304. _nam_ = zou nemen; vgl. 628. + +1312. Vgl. 1327. + +1322. _doot_ = ongeluk, vgl. Verdam, Mned. Woordenb. II, 296: "Bi aldus +ghedaenre dinc so brinct hi sinen here ter doot", zie ook aldaar 297 g. + +1326. _op een nieu_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, 154. + +1331. werkelik, innerlik, en voor de mensen, _schijn_, uiterlik +voorkomen. + +1351. _vertrout syn aen_, vgl. verloven; Mnederl. sekeren, versekeren, +Taal- en Letterbode, II, 18. + +1356. Daarvan kon ik behoorlik van avond niet alles mededelen. + +1366. Vgl. 842, vv.--_tergen_, vgl.: + + + "De juffers van het hof die met geçierde rocken, + Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken, + Verdienen 't ongeluck dat ons haer wesen verght, + Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght." + + +Vgl. ons: mondterging; en Gloss. Granida. + +1382. Op alle vragen geeft zij..... zo vriendelik en zo ten volle +antwoord, dat..... + +_in volle leden_, volledig, ten volle, vgl.: (het onderzoek) "is by +my niet overal in volle leden ghedaen konnen werden." + +1384. _strecken over_, vgl.: (zijn gedachten) laten gaan over, +maar hier sterker: zo had hij op haar zijn hart gezet.--_Sinnen_, +vgl. gemoet, 702: hart, "'t beginsel van zijn neigingen, hartstochten", +tegenover verstand, rede, vgl. 703. + +1388. _hertsen_, dubbelvormig uit hert_s_, en +hert_en_. Vgl. o.a. Kolthoff, Het Subst. in 't Nederl. der 16e +eeuw, 27. + +1393/4. _noemen: afgekomen_, rijm van _oe: o._ dat vaak voorkomt, zie +Reynaert, (Zw. Herdr.) Inleiding blz. XLIV, vv., XLVI, en XXXIX. Met +de daar aangehaalde litteratuur. + +1411. A. was haar voorspraak, pleitte verzachtende omstandigheden; +de lant-vooght nam dit (wat hij bijbracht) aan; vgl. ons: iemand +voorspreken. Kiliaen veur-spreken, fide iubere, stipulari et defendere +verbis. Diefenbach: prolocutor vorspreke, vorsprecke. advocare +vorsprechen, fideirbere, vorheyssen, borghe werden. + +1415. In ouden tijd kon manslag en moord met geld afgekocht. + +1450. Beeldspraak aan 't klein schippersbedrijf ontleend. Zeilt men +met volle zeil, dan is de boegspriet vooruitgestoken; deze wordt +echter opgetrokken of ingehaald, nadat de kluiver gestreken is, +zodra men de haven en wal nadert, en vaart mindert. + +1457. _de_ man, naast _den_ man: passim; vgl. _die_ 407 _a_. + +1473. Ghy siet, Imperatief vgl. 298. + +_Pasquier_, vgl. 1792; beroemd Frans jurist en overheidspersoon van +Parijs, 1529-1615. Onder meer: Les Recherches de la France (1560). + +1497. _mogen_ = moeten, vgl. Van Helten, Mndl. Spr. § 232; Verdam, +Mndl. Wdbk., i.v. Nog in Zeeland. + +1500. _kruys-dragende_. Het kruis, dat gewoonlik aan een ketting om +de hals werd gedragen, is het gewone onderscheidingsteken van alle +bischoppen, en van die abten, aan wie de bischoppelike insignia +zijn toegestaan. Men zal een, moeten inlassen na _kruys-dragende_, +waarbij als appositie dan B. ofte A. staat. Eigenlik hier een min +juiste vertaling van: "le Pape.... ordonna, comme on disait: que +tout Evesque, et Abbé portant crosse, leur donneroit pour une fois +dix livres tournois." + +1502. _Tournois_. In de ME. had bijna elke stad het muntrecht: +daardoor ontstond allerlei muntwaarde, vandaar de bijvoeging (een pond) +doorniksch, e.a. Vgl. nog pond sterling. + +1521. de mans wijs makende dat hun vrouwen verkeerde zaken bij de hand +hadden, hun ontrouw waren.--Vgl.: "een vrouwe heeft ons een spinrocken +gerockt daermen nu nacht en dach met besich is om quaet garen af +te spinnen twelck wel int afhaspelen vuyl quaet wergaren mochte +worden." Sermoenen-Broer Cornelis.--Vgl. Harrebomée, Spreekwoorden, I, +202_b_: "Zoo 't wijf met de oogen gluurt, en met haar gangen draait, +Is 't wonder dat ze niet met andrer garen naait."--ook: Stijntje +en Trijntje, laat varen: Zij spinnen quaet garen (ald. L. S. I, +XXXVIII) daar aangehaald: Gheurtz, 10, 76--_grof garen spinnen_, +vgl. ook Zw. Herdr. 12/13 (Asselijn's Jan Klaaz) Aant. bij 152. + +1522. _uyt de lieden beurse_, vgl. ook Van Helten, Vondels Taal, +Synt. blz. 141; mndl. de weeskinderen goeden;--die arme luden lijken, +etc. in Mndl. Spr. blz. 450.--Ook?... "naar rijkelui gewoonte", +Potgieter, Proza 394. + +1531. _Sebastiaen Munsterus_, Duits mathematicus en Hebraïcus, 1489 +(Ingelheim)--1552 (Basel). Zijn hoofdwerk: Cosmographia universa, +een van de oudste aardrijkskundige werken. + +1535. _Philippe Camerarius_, 1537 (Tubingen)--1624, zoon van +de beroemde Joachim (I) C, broeder van Joachim (II) C, schreef +o. a. Orationes. + +1536. _Konrad von Gesner_, 1516-1565, polyhistor, gaf een nieuwe +richting in de Litteratuurgeschiedenis door zijn Bibliotheca +universalis sive Catalogus omnium scriptorum locupletissimus in 3 +linguis Gracca, Latina et Hebraica extantium, (Zurich, 1545-55); gaf +verscheidene oude auteurs uit met commentaren, o. a.: Mithridates, +sive de differentiis linguarum etc, Zürich, 1555. Vgl. Hanhart, +K. v. G. 1824. + +1548. Volgens de wetenschap van medici en natuurvorsers. + +_Naturen_, subst. zw. genitief; vgl. zelfs _naturens_. Vondels Taal, +I, § 68 i.f. + +1568. _Avicenna_, de beroemdste Arabiese Filosoof en arts, 980-1037; +zijn beroemd werk "Kanun" grondt zich op Galenus. _Franciscus +Valesius_, Spaans geneesheer XVIe eeuw, lijfarts van Philips II. + +1569. _Jacques Ferrand_, Frans medicus, te Agen geboren in het einde +der XVIe eeuw. Traité de la maladie de l'Amour ou mélancholie érotique, +Paris, 1623. + +1572. _geleerste_, _plur_. zonder _n_;, vgl. eenige, ervarenste 1566, +voorlede 1592, geleerde 1606, groote 1628, e. a. Zie Vondels Taal I, +§ 100, 105, p. 110. Mned. Spraakl. § 308, 309, 311. + +1582. _slagh-ader die uyt het herte haer beweginge heeft_: hier is +Cats zeer "up to date" (in 1633 was hij al met het Sp. H. bezig); +evenals van Beverwijck (deze in 1638?) nam C. de circulatie-theorie +van Hervey aan (1628 gepubliceerd). Vgl. vooral _E. D. Baumann_, Van +Beverwijck in leven en werken geschetst (1910) blz. 134 vv. De meeste +gezaghebbende medici bleven tegenspartelen; en zelfs heftig bestrijden. + +1594. Ovidius, Heroïdes XI, 33, 34: + + Prima malum nutrix animo praesentit anili: + Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas. + + +1616. Vgl. Antwerper Lietboeck No. 215, p. 334: + + + Sotten, wat mach v gebreken? + Sottinnen, hebt goeden moet, + Als v die wespen steken, + Loopt inden haselaer metter spoet; + Die gaeren metten lenden wercken, + Compt doch metten hoop, + Papen ende clercken, + Die nooten zijn goeden coop. + + +(Vgl. voor haselaer en noten, Kalff, Lied in de ME. 349, en Verwijs +St. Nicolaas, 41/42, en Wolf s Zeitschr. f. D. Myth. III, 68.) + +1617. _Soranus van Ephese_. Sommigen spreken van twee, waarschijnlik is +er maar éen geweest, die leefde tot 138 na Chr.? Aan deze toegeschreven +een Leven van Hippocrates. Zijn hoofdwerk: Per'i gunaike'iwn paj=wn. + +Vgl. Ilberg, in de Abhandl. Sachs. Acad. XXVIII (1910). + +1623. _Valerius Maximus_, ± 30 na Chr., schreef De dictis factisque +memorabilibus libri IX; met vele historiese anecdotes. + +1625. _den sieckaert maken_; Kil. Den sieckaert maecken, Aegrotum +simulare, simulare morbem. Vgl. als of hij (God) den vrijer quame +maken aen de menschen (Osea 3. 1) en daer na.... stelt sigh eerst als +bruydegom, en daerna als echte man; ook: den duvel maken, I Martijn +(ed. Verwijs), 149. + +1629. _Galenus_, naast Hippocrates de beroemdste Griekse geneesheer, +in Pergamum, Alexandrië en in 164 na Chr. te Rome. Tal van werken. + +1665. _Paulus Aegineta_, beroemd Grieks chirurg, in Aegina geboren, +volgens sommigen in de IVe, Ve, VIe, volgens anderen zelfs in de VIIe +eeuw na Chr. Schreef een beroemd Compendium van de Medicijnen. Pauli +Aeginetae de re medica libri septem, (gedrukt Venetië 1528, verbeterd +Bazel 1538.) + +1671. Bij een ander verhaal zal daar over wel, is gesproken +worden. Over de compositie van de Trouringh, zie Inleiding blz. VIII, +vv. + +1689. _Erasistratus_, beroemde arts in Ceos, ± 300, lijfarts van +Seleucus Nicator. Vgl. vs. 1621. Stichter van een eigen mediese school. + +1705. _uytmuntende_, vgl.: "dat de selve geen uytmuntende gebreken +aen haer lichaem was hebbende" (bedoeld zijn "verlemtheyt, bultigheyt +of diergelijcke")--"Of yemant, hebbende een uytmuntende lichamelick +gebreck dient getrout."--"Yemant soude willen aanraden tot sodanige +uyt-muntende gebreken (d. i. een openbaer sienlijck of tastelick +gebreck), immers niet om des rijckdoms wille." + +1724. _meloenen_. Vgl.: "Het en beurt niet selden dat de menschen +haer met Meloenen een sieckte op het lijf eten. Want sy bederven +lichtelijck, en in den buyck bedorven sijnde, nemenze byna de nature +van vergif aen, ende veroorsaken een sieckte, die wy Boorts noemen, +ofte eenighe quaedtaerdighe koortsen..." I. van Beverwyck, Schat der +Gesontheyt, (enz. 1651) blz. 104. + +1740. Verschillende leuke voorbeelden van handige "Doctoren" bij I +van Beverwyck, Schat der Ongesontheyt, (1651), blz. 5. + +1762. _dat jae_, meermalen bij Cats, ook: "ick meyne dat neen", naast: +"ick meyne ja".--zie 1830; vgl. Frans: que oui, que non. + +1772. _het vogeltjen onder de steert sien_. Harrebomée, Spreekw. "dat +beteekent: ik moet eerst de zaak navorschen, 'zoo als de vogelaars', +zegt van Eijk, 'om te onderzoeken, of het dier geen gebrek heeft'". Zie +ook van Eijk, Nederlandsche Spreekwoorden (1838), 92; Bogaert, +Toegepaste Spreekwoorden (1852), 91. + +_dagh en raet_, komt er tijd, komt er raad. Ook +Harrebomée. Spreekwoordenboek 3 dln., 1858-1870, die verwijst naar +Servilius, Adagiorum epitome (enz.), Antwerpen 1545, blz. 253; Gemeene +Duytsche Spreekw. gedrukt tot Campen, bij Peter Warnersen, in den +Witten Valck, _s. a._, blz. 12; Sartorius Adagiorum (enz.) 1556, +blz. 128; Tuinman, Oorsprong en uitlegging (enz.) 1726/7, I, 331. + +1773. Vgl. 105 vv. + +1781. _Martin-Antoine Delrio_, geleerde Nederl. Jezuiet, 1551 +(Antwerpen)--1608 (Leuven). Van hem: Disquitionum magicorum libri +sex. Leuven, 1599. + +1790. Oversettinge van Hieronymus; in de Vulgata: door verschillende +synoden (laatstelijk Trente) geauthoriseerde Lat. Bijbelvertaling. + +1791. _dient daerom na-gesien_: "te worden" door vele grammatici +geëist, ontbreekt hier. Vgl. Van Helten, Vondels Taal, Synt. § 248 +en Tijdschr. XI, 180. + +1839. Het gemene recht, het recht dat algemeen geldt in een landstreek, +Ned. Woordenb.--De Gemene rechten zullen doelen op het Rom. Recht; +naast de landrechten, elk in hun biezondere streek. + +1841. _gaende maecken_, vgl.: + + + "Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken, + Die met een stille kracht de menschen gaende maken." + + +"die hem de sinnen gaende maken."--"de jeught, de min, de nacht, +die als een stille wint de lusten gaende maken." + +1844. _Justus Lipsius_, de beroemde humanist. 18 Oct. 1547-24 Maart +1606, prof. in Leiden en Leuven; o.a.: Monita & Exempla politica, +Leiden, 1601. Vgl. verder het Leven en Werken in Bibliographie +Liptienne (Gand 1886). + +1851. De Joden, het uitverkoren bondsvolk, vgl. Genesis XVII. Daarna +onder de Nieuwe Bedeling: het Genadeverbond, ook over andere volken +zich uitstrekkend; vgl. Hebr. VII, 22; VIII, 6, 13; I Kor. XI, 25; +II Kor. III, 6, 14, ook Matth. XXVI, 28. Teken: de doop, vgl. 624; +vgl. het Belijdenisformulier, Art. XXXIV. + +Calvinisties betoog. + +1863. Oud-christelike voorstelling die berust op allegoriese +verklaring van het Hooglied bij de Joden: Sulamith, de geliefde, = +Joodse volk; de minnaar, Jehova; vgl. o. a. ook Ezech. XVI; later +pasten de kerkvaders (Origenes, Hieronymus) dit op de gemeente van +Christus toe; vgl. Chr. de Bruidegom in het N. T.; toen niet meer +allegories maar in mystiese zin verklaard. Ook aldus in de Protestantse +Kerk. Vgl. het Trouwformulier. + +1887. de een met de ander: met elk-anderen. Vgl. o. m.: "gehoude +lieden met onderlinge bewilginge sigh van den anderen wel mogen +onthouden."--"twee, die geen vryheyt hebben van verkiesinge, krijgen +dickmael een af-keer van den anderen." + +1889. Wel zou de man zijn vrouw niet haten, toch haat de dwaling +de waarheid. + +_Hypolite Salviani_, Italiaans medicus en natuurkundige, 1514-1572, +pauselik lijfarts, o. a. van Julius III. Is hier bedoeld De crisibus +ad Galeni censuram liber (1558)? + +1892. _Henniagus Arnisoeus_, Duits geneesheer (1580, Halberstadt-1626); +lijfarts van Christiaan IV van Denemarken; schreef vele mediese en +juridiese werken, o. a. De jure connubii. + +1902. De brief van Paulus aan Philemon. + +1906. _Molin_, Petrus Molinaeus (du Molin) 1568-1658, Frans +Hugenoten-prediker, na 1620 prof. theol. in Sedan. Ging 1615 naar +Engeland op verzoek van Jakobus I. Zie G. Gory, P. d. M., Paris +1888.--Is bedoeld "Conseil fidèle et salutaire sur les mariages des +personnes de Religion contraire"?--Zie Jöcher, Gelehrten Lexicon. + +1916. _immers_ = altans, vgl.: + + + "Het maeckt een groot gherucht, + Het schijnt of dat 'et krijst, of immers dat 'et sucht." + + +Vgl. een andere plaats 1705 A. + +1918. _sedigheyt_, vgl. woest; _geloove_, ongeloovigh, 1907, zie +1848, vv. + +1920. Vgl. Paulus aan de Korint. I, 16, welk vers in Cats-z'n tijd op +vs. 12, 13, 14 slaat.--Vgl. Grotius, Annotationes in N. T.: "Magnam +enim vim habeat in animos sancta viri aut mulieris conversatio". + +1939. _Vrij wat slots hebben_, slot hebben = zin hebben, sluiten, vgl. + + + "'t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden, + 't Is beyde sonder slot, en buyten alle reden."-- + "Als er iemand boecken schrijft + De leser lacht, de leser kijft + De leser prijst, de leser spot + En beyde dickmaal sonder slot."-- + "Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halen + Of fabels sonder slot en oude leugen-talen, + O, regter! achtet niet al wat de bouve seyt + Ten heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt." + + +1972. Dochters Laban; vele Hebr. eigennamen in de Septuagint en in +'t N. T. onverbuigbaar; vgl. vooral Matth. I; Luc. III, 23, 30, 32; X, +30; XVIII, 35; Joh. XVIII, 1; vgl. Robertson (Louïsville, Ky U. S.), A +Grammar of the Greek New Testament in the light of historical research3 +(1919).--Thackeray, a Grammar of the O. T. in Greek I (1909). + +1979. _nachtegael_. Vgl.: + + + "O nachtegael die op de peluw sit + Ghy kond voorwaer te wonder krachtigh singen."-- + + +vgl. ook? Ver nachtegael, Kalff, 360, 355.--Nachtegaal op de peluw: +vrouw, die in bed knort! Van Dale-Manhave. + +Harrebomée, Spreekw. kent nog: Het is een nachtegaeltje op de peluw: +dat is: moeder zingt 's nachts haar kind in slaap.--Een kwaad wijf, +is een kwade nachtegaal.--Dat is maar om kennis te maken, zei losse +Filip, en hij lichtte zijne vrouw met een houten lantaarn naar bed, +daar de nachtegaal zeven jaren op gezongen had. + +1981. Veel vermag de smeektaal van de vrouw. + + + + + + +GLOSSARIUM + + +A. verwijst naar de aanteekeningen. + + + + + + +A + + +ader, 260: slagaar, pols? zie slagh-ader. + +ader-slagh, 1691. + +aen-doen, 679: aannemen. + +aengaen, overkomen, 613. +-- op, 1726. + +aengevochten met droefheyt, 10 A. + +aen-leggen, overleggen, inrichten, 81 A. 130. 182. + +aen-nemen, tot zich nemen, ontvangen, accipere, 854 +--aannemen, 1411 A. + +aen-schouwen, 941. + +aen-steken met, ontsteken in, 1265. + +aen-vangen, aanvaarden, 717. + +aen-veerden, 682: den spinrock, gaan spinnen. + +aen-voeden, kweken, 1022 A. + +aerdigh, bevallig, lief, fraai, 138, 150, 337, 1052, 1178. + +aerdsche dal, 766, 819. + +aert, natuur, geaardheid, inborst, soort, 823, 928, 1271, 1296, +wijze, 562. + +aes, voedsel, 511. + +af-breken, doen ophouden, 1350. + +afgesondert, 1850: afgescheiden. + +af-leyden, 1312: weg voeren. + +af-nemen, opmaken, uitlezen, 1668. + +achter, door langs, 579, 618. + +achtinge, (in -- komen), aanmerking, 1911. + +al, geheel, alle, 80, 354, 1190. + +al, wel, nu, al, 123, 147, 351, 594, 826, 1127 A., 1141, 1170, +1319, 1397, 1610: nog al, 1930. + +algelijck, evenzeer, 1070. +-- evenwel, 1363. + +schoon ... al, ofschoon, 268, 605. + +al te mael, alles (te zamen), 135, 645. + +als, alles, 724. + +ampt, taak, 21. + +anders, voor 't overige, 1800. + + + + +B + + +baey, 312. + +banen, doorploegen, 250. + +bedencken, overwegen, 596. + in -- brengen, 833. + een in -- houden, 216. + in -- komen, 1847. + +bedrijf, 126: doen en laten. +-- 755: gerei. + +bedroufd, droevig, 1123, 1176, 1290. + +bedroufd syn in, 172. + +beducht, bekommerd, 775. + +began, praes.?, 721 A. + +begerigh des, 1646. + +begeven, hem -- tot, zich inlaten met, 870. + +begrijp, 346. + +behulp, hulp, 206, 254, 1172, 1335. + +bejagh, handelingen, bedrijf, nering, voordeel, 11, 62, 536, 848, +1036, 1044, 1058, 1224, 1800. + +bekeyd, verkeerd, 170 A. + +bekend, noyt --, ongehoord, 700. + +bekennen, herkennen, 860, 1575. + +beklappen, verraden, 1219. Kil. deferre; vgl. Mned. + +bequaem, geschikt, 543, 636. + +beleeft, fatsoenlik, innemend, 290, 303, 485, 1142. + +belenden, terechtkomen, 296. + +belet, beletsel, 308. + +bemercken, opmerken, 1648, 1799. + +bemoeyen, hem -- des, 1065. + +benaeuwen, knellen, 1417. + +benevens, naast, met, 332, 579. + +beprouven, ondervinden, 763. + +bericht, lering en oefening, 1714. + +beroeren, ontroeren, 504. + 790: raken; 885. + +beschadigen, kwaad doen, 1958. + +bescheet, bescheid, 1533. + +bescheyden, duidelik te onderscheiden, 1763. + +bescheydentheit, oordeel, 1741. + +bescheyt, met --, 256, klaar en duidelik. + +beschrijven, schriftelik uitnodigen, 1421. + +beseten, in bezit genomen, 230. + +beset, wel overlegd, bedachtzaam, 572, 1381. + +besien, opmerken, 401, 403, 405, 409. + +besigh in, druk met, 351. + ontrent, 373. + +besmetten haer bedde, 742. + +besluyten, opmaken, 88, 1796. + +besorgen, zorgen voor, 1209. + +besorght syn, zorg hebben, 769. + +bespreck, overeenkomst, 854. + +bestaen, gaan staan, 1278; + (iem.) -- (als), verwant zijn, 1387. + +besteden in, aanwenden, gebruiken tot, 46, 918, 1798. + +beste-moeder, grootmoeder, 329. + +beswaerd, 1395: bitter. + +bevallick, 893. + +bevallen, c. dat. pers., goed zijn, 498, 638 A. + +bevangen (van), overheerst, 1385, 1649, 1750. + +bevestigen, handhaven, volhouden, 1787, 1796. + +bevragen, ondervragen, 279. + +bevrijt met ... van, 334. + +bewegen, aandoening, 1301. +-- drijven, 893. +--, ontroeren, 1069; vgl. gewach, Gloss. Gran. + +bewijzen, tonen, 336. + +bewust, wetende, kennis hebbende, 177, 1021. + +by, door, 357, 731, passim. + +bidden des, 191, 1721. + +bieden (geluck), wensen, 734. + +billick, rechtgeaard, 294. + +binden, samenvoegen, verbinden, 1125, 1282. + +binnen-komen, te binnen komen, 1688. + +bysonder, merkwaardig, 1814 + +bly van, 547. + +blussen, 1118: doen ophouden. + +bocht, kromming, perk, 71, 367. + +bosch, coll., 354. + bossen, 903. + +bont-genoot, bondslid, 827. + +bot, op een--, in eens, 1679. + +bouve-jacht, boevetroep, 1064; vgl. Hd. Jagd. + +boven al, voornamelik, 81. + +brant, 711: vlam? + +breet, uitvoerig, 103. +--, algemeen, 1741. + +breyn, 151 A. 1006. + +breken, den kop --, inslaan, 748. + aen stucken -- 850. + +broeck, 1034 A. + +bruyt-stuck, 323 A. + +bucht, beurs, 830. + +buyten, zonder, 120. + +buyten gewoonte, ongewoon, 1703. + +buyten spoor, 169, 658. + +buyten-hof, uitspanning, 333. + + + + +D + + +daet, in --, werkelik, 1331 A: innerlik. + inder --, juist, 1236. + metter --, dadelik, 499, 1258, 1279, 1422. + in volle --, ten volle, 1352, 1410; 583: in werkelikheid. + +dan, 1435. + +danck, tegen --, zijns ondanks, 1166. + +dapper, snel, krachtig, 1068. + +dat, omdat, 24, 794. + +dat jae, 1762 A. + +dat neen, 1830. + +de lieden beurse, 1522 A. + +deerlick, betrokken, 269. + +deerne, 1552, 1636, 1757. + +deftigh, soliede, degelik, ernstig, 659 A, 683, 1525. + +des, derhalve, 57. + +die, pron., 183, 1007. +-- ... -- 1954. + +diefte, diefstal, 749, 1305. + +dienen, c. dat., dienstig zijn, passen, 587, 592. + +dier, meisje, passim. + +dicht, gedicht, 187. + +dickmael, 109. + +doen, bystant --, 1306. + +doen, 705. + als --, 1506. + +doen, remplacerend werkw., 442, 1043, 1791. + +dom, onervaren, onnozel, 1345. + +doorsien, doordringen in, 1205. + +doot, 1127 A. + +doot, de bleecke --, 1312, 1322 A.: diep ongeluk. + +draet, op een -- weten, 93. + +dragen, voeren, 1114. + -- (tot), koesteren, toedragen aan, 1619, 1635, 1642. + hem --, zich gedragen, 126. + -- dulden, lijden, 1214. + +dralen, gedraal, 1197. + +dreyghen, 99: voorspellen. + +dril, 1663: trilling, beweging. + +drillen, sidderen, 1218. + +drouf, 1213, 1264, 1328. + +druck, verdriet, 1118, 1335. + +duyden, strekken, 684 A. + +dutten, mijmeren, soezen, 379. + +dwingen, noodzaken, 1137. + + + + +E + + +echter, 1344. + +edel, voortreffelik, ridderlik, 230, 1130; 1425: -- geest, bel +esprit. -- helt, 821. -- man, van voorname afkomst, 720. + +eenigh, enkel, 920. + +eens, eenmaal, 1201. +-- 805, 1327, 1399. + +eensaem, alleen, 18, 267, 355, 891. +-- 524: verlaten. + +eer, 723: na. + +eer, met --, 1368. + +eerbaer, fatsoenlik, 955. + +eerlick, 949: deftig. + +eerst, 35: in de eerste plaats. + +eerste, voornaamste, 1336. + +eertzvaders, 1964. + +eerweerd, edel, 1171. + +eygen, zelfde, 149, 173, 490, 599. +--, eigenaardig, biezonder, 1607, 1763. + +eygentlyck, biezonder, 1436. + +eyntelick, 1523. + +ergh, boos, 999. + +ernst, aandrang, verlangen, drift, 190, 1093, 1267, 1273. + +ernstelick, met aandrang, 1719. + +ervarentheyt, ondervinding, 1808, 1832, 1956. + +even, even zeer, 644. +--, juist, 1067, 1593, 1620, 1947. + +even-selfs, insgelijks, 234, 278. + +even soo, even wèl, 754. + +even-staegh, voortdurend, 166, 307, 331, 1118, 1215. + + + + +F + + +frissche, (leden), ongerept, maagdelik, 917. + + + + +G + + +gaen, -- boven, te boven gaan, 342. +-- in, overgaan tot, 572. +-- tot besluit, 576: een besluit nemen. + +gaen, 899 A. + ront --, 262: openhartig zich uitspreken. + wel --, slagen, 991. + +gaendemaken, in beweging brengen, opruien, 1841 A. + +gangh, plur., 1000, 1225: streken. + +gast, 9, 129, 1049. + schippers --, 319. + +gau, vlug, 15. + 142: slim. + +gaven, begaafdheden, 1658. + +gebaer, gedragingen, uiterlik, 266, 845. +--, ceremoniën, 728. +--, getier, 855. + +gebieden, verzoeken, 1023. + +gebonden, 485 A. + +gebreck, kwaal, 272. + +gebroet, schepsel, 630. + +gebruick, collect., usus, gewoonten, 589, 823. + +gebruick, nut, 1645, 1671. + +gebruicken (syn lust), voldoen, 120. + +gedans, collectief, 46. + +geducht, gevreesd, die men ontziet, 813. + +gedurigh, voortdurend, 2, 655, 1314. + +geest, ziel, gemoed, geest, esprit, 225. +--, persoon, 230 A., 465, 486, 691, 1072 A, 1144, 1205, 1215, 1385, +1425. + +geesten, 1070 A. --, vernuften, 1588. + +geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai, 36, 213. +-- 23, 185, 187, 222, 322, 377, 576, 665, 897, 946, 1094, 1387. + +geestigheyt, geest, 1658. + +geheym, coll., mysteria, 1560. + +gehengen, toelaten, 834, 873. + +geklagh, klacht, 1029. + +gelaet, voorkomen, uiterlik, 42, 369, 473, 482, 568, 706, 1805. + +gelach, scherts, 847. + +gelagh, hart --, 963. + +geleert (in), ervaren, 514. + +geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in, 1221. + +gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid, +gesteldheid, 1566, 1609, 1644, 1793, 1930. + op de -- van, 1465: naar aanleiding van. + +gelucken, imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen, +Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire. + +gemael, gemalin, 1160. + +gemeen, alledaags, 1963. +-- gemeenschappelik, 1899. + +gemerck, teeken, 563. + +gemoet, hart, gezindheid, zin, 496, 504, 530, 540, 588, 610, 631, +702: wil, begeerte; 1360. +-- 1294. + tot zijn -- spreken, 610: tot zich zelf. + +genegen, geneigd, passim. + +genegentheyt, neiging, geneigdheid, 1578, 1622. + +generen, hem --, zich levensonderhoud verschaffen, "sich +nähren." 1500. + +genieten, bekomen, 243 A. 909. + +genough, 1255: erg; vgl. Mned. Wb. II, 1431. + +genucht, geneugte, 263. + +gepast zijn met, gediend zijn van, 637. + +gerief, beschikking, wil, 636, 648. + +geselschap, huweliksgemeenschap, 628. + +gesint, wel --, er mee in zijn schik, 1423. + +gespreck, spreken, praten, 252, 345. + +gespuys, lelik soort, 1514. + +gestage roeden, 990. + +gestalte, 1805, 1817. +--, (inwendige) gesteldheid, 1611. + +gestel, aard, 883, vgl. 396. + +gestelt sijn, 396: het geval zijn met. + +getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden, 1042. + +geval, zaak, toedracht, 1096. + +gevat zijn, 152 A. + +geven, 936 A. + -- eenpraet --, 22. + reden --, 262 A. + hem --, 162: zich neergeven. + --, begeven, 471, 1268. + +gevoelen, aanvoelen, 1817. + +gevoelen des, -- van, van gevoelen zijn over, denken, 1380, 1472. + +gevolgh, collect., volgelingen, 15, 175. +--, gevolgtrekking, 102. +-- gevolgen, 106. + +gewaer, heeft hij niet -- geworden, 1973. + +gewaet, kleding, 24. + +gewagh doen van, 1690. + +gewoel, onrust, 888. + +gewrichte, sing.? 95. +-- plur., leden, 1426, vgl. 1141. + +gierigh, begerig, 323. + +git, een --, 43. + +goed, 1123. + +gortigh, schurftig, 419. + +graet, trap, 429. + +gras, grasveld, 363. + +grilligh, dartel, 646, 671, 887. + +groene, in het --, 375. + +groen, kruid, 168. + +groen, weelderig, dartel, 1406. +-- fris, 439 A. + +groeten, 793 A. +-- als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor, 539, 1162. + +grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste, +40, 68, 83, 89, 143, 236, 244, 257, 302, 736, 1060, 1388. +--, ware, 761, 1231. + +guyt, fielt, schelm, 447, 1043. + +gul, weelderig, overvloedig, 90, 252. + +gulde son, 600, 815. + +gunst, genegenheid, gunst, genade, 183, 293, 313, 527, 914, 996, +1098, 1321, 1396, 1399. + + + + +H + + +haer, hun, hen, 256, 464, passim. + +haest, weldra, 498. + inder --, plotseling, met spoed, 686, 1198. + +hals-gerecht, hoge justitie, 1079. + +handel, zaak, zaken, handelingen, 123, 285, 576, 1010, 1136, 1230. + +hant-çieraet, 1391. + +hant-gespel, 39 A. 341. + +happigh, begerig, 1050. + +harde, -- kost, 194: zwaar. + +haten, 268: hekel hebben, trachten te vermijden. + +haveloos, zonder have of goed, 753. + +hebben te, 270 A. +-- gaen beginnen, 937 A. + +heyden, veld, 522. + aen der --, buiten, op het veld, 369, 385, 905. + +hel, een hellen diamant, 556. + +hersens, 1069; vgl. breyn. + +hertsen, gen. van hert, 1388 A. + +hetselve, 1241. + +heus, vriendelik, 881, 892, 1163. +--, kies, 55. +--, betamelik, 845. + +hier, 998. + +hitten, 1695 noot. + +hoin, bedrog, 843 A. + +hoofsche, van het hof, 505, 548. +--, edel, 687. + +hooft-gelt, schatting, capitatio, 811. + +hooft-stuk, hoofddeel, 1856. + +hoogh gemoet, 631. + +hooge zalen, 862. + +hoogh gaen, ver gaan, 113, 844. + +hoogsten, ten --, 184. + +hoop, bende, 69. + +houden, 216. +--, het er voor houden, 145. + +houden, sigh --, zich ophouden, 804. + +houden van, menen, 1468. + +houdende, zijn -- van, 1808. + +hulp, steun, 16. + +huys, huisgezin, 172. + +hups(ch), knap, sierlik, 211, 421. + + + + +I, Y + + +ydelheyt, nietigheid, 1798. + +yet, iets, 757. + +yet sulcx, 1767, 1775. + +yet wes, 1834. + +immer, ook, 31, 188, 287. + +immers, altans, 1916 A. + +in, op, 429. + +in dese woorden, 192. + +in-beelden, wijs maken, 1520. + +in-brengen, 1576: aanvoeren. + +in-halen, intrekken, 664. + +innigh, het diepste van, intimus, 224. + +innemen, bezetten, 801. + +insettinge, instelling, 1871. + +in-val, opmerking, gedachte, 1459. + +yver, vurig verlangen, 1265. + + + + +J + + +jaren, 242 A. + oude --, 673: de oude tyd. + +jegenwoordelyck, op het ogenblik, 1812. + +jeught, jeugd, (jeugdige) lust, 45, 150, 232, 422, 655 A. + 292, 868, 880, 1291. + +jeught, jongelingschap, 915. + +jock, scherts, 54. + +jocken, hof maken, tändeln, 541, 842. + +jongen, knecht, 1013. + +jonnen, gunnen, 916. + + + + +K, Q + + +kan, kent, 1352. + +ké, hè, 311 A. + +keeren, kern, 220. + +kennelic, duidelik, 1868. + +keurs, lijfrok, 1034. + +klaerlick, duidelik, 1619. + +kleynheyt, oneer, 1908; vgl. 570. + +klis, 957. + +kloen, kluwen, 1682. + +klouck, scherpzinnig, schrander, 98, 259, 1831. + +kluchtigh, grappig, komiek, 14. + +koffer, goed gesloten kist 1016; vgl. het Frans. + +koorts, 288 A. + +kop, hoofd, 733, 748, 825, 1007. + +korten, in --, 206. + +kost, collect., onkosten, 778. + +kraem, voorwerp, ding, 79. + +krevel, minneprikkeling, 318. + +kroon, 421: krans. + +kunst, kunde, 235. + +kunstenaer, kenner, 1609. + +kunstigh, handig, met bedrevenheid, 258. + +quale, 1407. + +quaet, kwaal, 171. + +queelen, zingen, 52, 187, 463. + +queen, lelik wijf, 943. + +quellen, vervolgen, 350. + + + + + +L + + +laegh, hinderlaag, 210. + +laegh, gering, onbekend, 122. +-- plaets, 614 A. + +laegh, 1478: beneden, bassus. + +lanckheyt, met -- van tijde, in de loop van de tijd, op de +lange duur, 1832. + +langen, aanreiken, 718. + +lant-drost, 1124 A. + +lant-loopers, zwervers, 1433. + +lant-vooghdin, 1090. + +lasten, gelasten, opdragen, 1498. + +laten, 5 A. +--, verlaten, 617. +-- onder sijn tonge, zwijgen van, 1673. + +laven, hem --, zich verkwikken, 510. + +leden, 950 A. 714. + diepste --, 326. + +leggen, in beraet --, zich beraden, 1200. + +leyder, begeleider, 839. + +lest, voor het--, ten slotte, 1371. + +letten, merken, 291, 585, 1540. +--, opletten, 1684, 1743. + +letten, hinderen, schelen, 180, 1048. + +leven in een wyse, 822. + +liefgetal, lief, aangenaam, 119, 347. + +licht, het groote --, 693. + +lichte koy, 548. + +lichtveerdigheyt, onstandvastigheid, 1488. + +lieven, 985. + +lijckewel, evenwel, 157, 321. + +lijden, dulden, 14. +--, toelaten, 847, 1917. + +lijf, ingewand? moederlijf (uterus)? 197. + +linden, sing., 77. + +lincker, vleier, schalk, 453, 548. + +listen, plur. 1114. + +listigh, behendig, loos, 285. + +loeren op, bespieden, 466. + +loffelick, met lof, 1657. + +loopen op, van toepassing zijn op, 85, 1670. + +loos, vals, bedriegelik, 140, 583. + +los, ongebonden, onsamenhangend, onzeker, 82, 128, 610, 1768. + +lucht, 144 A. + +luym, opwelling, gedachte, 1109. + +lust, 1367. + lusten, 344: lustige gewaarwordingen. + + + + +M + + +Madril, 13, 1242. + Oude naam van Madrid; nog 't adjektief: Madrileens. + +maeghde-krans, 200 A. + +mael, male, reiszak, 1014, 1015, 1050. + +maer en, 47 A., 484, 950, 1602. + +machtigh, rijk, overvloedig, 104, 581, 635, 643, 1146, 1416. + +maken, doen, 889, 1254. +-- fingéren, verdichten, 75. + hem --, zich begeven, 479. + den sieckaert --, het schijn van ziek aannemen, ziek zijn, 1625 A. + +mal, dwaas, dartel, 524, 1634. + +mal, dwaasheid, 960. + +mallen, mal doen, 613. + +medeçijn, doctor medicus, 164; passim. + +meer, sonder --, 1177. + +meest, meest altijd, 350. + +meynen, denken, 1025. + +meyt, maagd, 695. + +meloenen, 1724 A. + +memorie, by -- stellen, 1246: te boek stellen. + +mensch, niet een --, 40, 795. + geen --, 23, 1413. + +merckelick, duidelik, gewichtig, 1610. + +mercken, zich bepalen bij, 1310. + +midden, te -- (op, in,) 17, 520, 565. + +min, minder, 1585. + +minnekoortse, 1585. + +mits, vermits, met dat, door, 14, 63, 147, 326, 361, 519, 1153. + +moedigh, driest, 1059. + +mogen, kunnen, 3, 12, 48, 497, 535, 585, 704, 730, 782, 834, 1039, +1068, 1306, 1375, 1412, 1427, 1499, 1534, 1925. +--, mogen, 1223, 1413, 1414, 1498. +--, moeten, 1497 A. + + + + +N + + +naderhant, daarna, later, 283. + +naer, duister, 124, 728. + +naer, na, nadat, 317, 553. + +naerder, 189. + +nau, scherp, 29. + +naeu-keurigh, kieskeurig, 640. + +neygen, sich --, 100 A. + +nemen, aannemen, 1304. +--, uithalen, opmaken, 1584. + lust -- in, behagen krijgen, 1088. + +neus, 89 A. + +nevens, naast, in gezelschap van, 355, 622. + +niet, niets, 320, 756, 766, 768, 818, 1048. + +nieusgier volck, 340. + +nieuwen, van -- aan, 699. + +nichte, kleindochter, 330, 478, 1108. + +nicker, duivel, boze geest, 1000. + +nimmermeer, nooit, 631, 742, 771, 797. + +noen, 947 A. + +noch, nog, nochtans, bovendien, ook, 49, 135, 612, 802, 869. + +noyt, nimmermeer, 1222. + +noodelick, noodzakelik, 1863. + +nootsakelick, natuurlik,1943. + + + + +O + + +oyt, 1131: wanneer ook. + +ombreken, ontbreken, 1098. + +om-drijven, verbijsteren, 234. + +ommegaen, gebeuren, voorvallen, 1008. + +ommegangh, voorgevallene, verloop, 1378. + +omringht met, 1269. + +omsichtigheyt, 1765. + +om-tieën, vertrekken, verbijsteren, 885. + +om-voeren, rondvoeren, brengen, 2, 1314. +--, medeslepen 344. +--, doen bewegen, kloppen, 1156. + +onbekend, vreemd, 76, 356. + +onbekommert, zonder lasten, 810. + +onbewust, zonder erg, 1300. + +onderdies, ondertussen, 489. + +onderentusschen, 1939. + +onderhouwen, bezig houden, 138. + +onderrechten, inlichten, 1547. + +ondersouck doen op, onderzoek instellen naar, 1445, 1558, 1828. + +onderstaen, ondernemen, 719, 1967. + +ondertasten, doorwoelen, 1050. + +ondervinden, uitvorsen, te weten komen, 258, 1132, 1598, 1615, 1633. + +onder-vragen, navorsen, 1836. + +ondeugend, slecht, verkeerd, 1214. + +oneenigheyt, tweedracht, 1885. + +oneerlick, oneerbaar, 56. + +ongebonden, uit het bedwang, 1006. + +ongedaen, haveloos, deformis; verwilderd, dissolutus, 1511. + +ongelegentheyt, verlegenheid, 1707. + +ongemack, ongeluk, schade, 526. + +onguer, onrein, vuil, onkies, gemeen, vies, 26, 543, 646, 1366. + +onlanghs, kort te voren, 1478. + +onlustigh, ontdaan, terneergeslagen, 608. + +onreyn aen, 1896. + +onruste, ontevredenheid, 1885. + +ons, onze, 1299 A., 1328. + +ontdoen, hem -- van, in de steek laten, 1308. + +ontfangen, 293. +--, aannemen, 310, 917. + +ontgaen, hem -- in, zich te buiten gaan in, 127. + +onthouden, sich --, zijn verblijf houden, 1637. +--, wegblijven, 607. + +ontijdigh, onrijp, 194. + +ontluicken, 1333: open gaan. + +ontrecken, 1853. + +ontrent, om, bij, in, onder, 24, 60, 96, 174, 1016, 1693, 1721, 1723. + +ontseggen, weigeren, van de hand wijzen, 932, 980. + +ontset, verbijsterd, 969. + +ontsluyten, beginnen, 1120. + +ontsteken, ontroerd, irritatus, 221, 1164. + +ontstelt, uit de gewone toestand gebracht, 489. + +ontwaecken, 388: tot zelfkennis komen. + +ontwerp, voorstel, 595. + +onverbroken, niet te verbreken, 1858. + +onverdult, toorn, 1128. + +onverlet, desen --, desniettegenstaande, 164 A., 1085. +--, ongehinderd, 770. + +onwaardeerlick, onwaardeerbaar, 1934. + +oock, nog, 644, 707, 952, 1008, 1024, 1219. + +oorlof, verlof, 1349. + +oorspronck, herkomst, origo, 1433. + +op een nieu, 1326 A. + +open, met een -- mont, 1235. +-- doen (de werelt), verlichten, 815; vgl. patefacere orbem. + +open stellen, open en bloot leggen, 738. + +openen, een heusche mont --, 892. + +opmerkinge, opmerkzaamheid, 1833. + +op-nemen, in bescherming nemen, 1768. + +op-tieën, naar boven trekken, 1070. +--, spannen, 1169 A. + +op-tijgen, aanwrijven, 749. + +op-vatten, aangrijpen, 1367, 1373. + +over-dragen, aandragen, 371. + +over-eenkomste, overeenstemming, 1884. + +overgeven, hem --, zich onderwerpen, 578. + +overheeren, meester zijn, 702. + +overhoop, door elkaar, 1077, 1087. + +overlast, overladen, 195. + +overslaen, het oog laten gaan over, 948. + +overstorten, 1055. + + + + +P + + +pagjen, kleine page, 354. + +payen, 142: verschalken. + +palen, plur., oord, 2, 1198; vgl. fines, orae. + +pant, bezitting, schat, 544, 580. +--, onderpand, 559. +-- goed, 72. + +paren, metgezel worden, consociare, 1272. + +partuyr, wederhelft, 1918. + +passen op, letten op, geven om, zich storen aan, saamgaan met, 10, +21, 968, 1437, 1608, 1696, 1764. + +peyl, merkteeken, 827. + +peysen op, bepeinsen, 590. + +perck, omheinde ruimte, 906. Kil. parck, warande, roborarium: +viviarium, locus septus in quo ferae vivae pascuntur, vulgo parcus. + +plegen, doen, 1200, 1895. + +plagh, 94 A., 707, 722, 866, 986, 1675, 1923. +--, 792, 971. + +pogen, 983. + +praem, knel, 1222. + +praet, 22, 1196. + +prang, 650: nauwende perken. + +prangen, de ziele --, 1226. + +predicatie doen, 1525. + +prenten, 84 A.: bezig houden? + +preuf, preuve, proef, bewijs, 591, 1364, 1653. + + + + +R + + +racker, gerechtsdienaar, 1031. + +raden tot, dringen, drijven tot, 1360. Kil. raeden, j(tem), +op-raeden, incitare. + +raet, middel, 153. +--, overleg, 572. + +raken, betreffen, aangaan, 110, 931, 1106, 1223, 1416, 1561: roeren. + +rakente, 352: raken aan het. + +ranck, streek, boerte? klucht? 54. + +rapen, verzamelen, 769, 776. + vreughde --, 161. vgl. Kil. raepen ghe-noeghte. voluptatem capere, + haurire: delectari. Vgl. Oudemans. + +ras, 1267. + +rasen, de baren --, 806. + +rauw, rouw, onbeschaafd, lomp, 305, 967, 1849. +--, onervaren, 672. + +recht, juist, 1452. + +rechten, de gemeene --, 1839, A. + +reden, spreken, taal, woorden, 262 A, 485 A. 734, 933, 1038. + +reden, verstand, 229, 298, 671, 703. + schijn van --, 142: schijn van waarheid. + +reys, een --, 52, 193, 515, 711. + +ridder, 720. + +ridderschap, het --, ridderlike waardigheid, 558. + +ringekens, 1508. + +rijck, machtig, 114. + +rijsen, komen, 446, 526, 922. + +roemen, zich beroemen, 1629. + +roep, gerucht, 1032 A. + +roepen over, 1729: halen bij. + +roeren, aanroeren, behandelen, "Aenmerck." bladz. 69. + +rock, 542 A. + +romp, lichaem, 1186. + +ront, openhartig, 205, 262, 598. + +rot, bende, schaar, 61, 175, 612. +-- 370, A: troepje. + +rustigh, solide, flink, 272. +-- vertrouwd, 832. + + + + +S, Z + + +sap, drank, 168, 245 A. + +schamel, arm, behoeftig, 939. + +schamperheyt, smaad, 1753. + +scheen, een blauwe -- loopen, 944. + +schendigh, schandelik, 116. + +scheppen (lust), 391; vgl. haurire. + +scheppinge, scheppingsdag, 1948 A. + +schier, (-- of morgen), van daag, 1247; vgl. Warenar 194; +Kil. schier, oft morghen, hodie aut cras: nunc aut post. vgl. van +Hasselt op Kil. + +schijnen, 3 A., 388, 608, 704. + +scheen, ofschoon, al, 220, 309. + +schoot, in ... --, 910, 916. + +schoots, buiten --, 800. + +schor, het --, land buitendijks, 905. + +schorten, haperen, 1056. + +schrijven, beschrijven, 1669. + +schroom, schrik, vrees, 1063. + +schroomen, c. acc., vreezen, 112, 1219. + +schuym van bouvejacht, 1064. + +zeden, aard, karakter, 485, 1142; vgl. mores. + +sedigheyt, zedelikheid, 1918. + +seggen, noemen, 677, 732. +-- 696: afspreken. +-- voor, 1092, zie spreken. + +seker, 1435: duidelik, indubitatus. + +selfs, zelf, zelve, 1336, 1403, 1891, etc. +--, nog, 1001, 1011. + +selsaem, zelden voorkomend, biezonder, zonderling, vreemd, raar, +1, 6, 182, 496, 877, 890, 967, 1008, 1409, 1459, 1707. + +setten, sigh --, zich zetten tot iets, 189. + liefde --, 926, 957. + +ziel, 315. +--, hart, 1100. +--, gemoed, 1380. + de goede --, 315. + +sien, toezien, 923. +-- in, inzicht hebben in, 1604. + +sier, niet een --, 820. + +sijgen, zich gaan vlijen, 492. + +zijn aen, 981 A. + +zijn tegen, tegen-zijn aan, 823. + +sin, zin, zinnigheid, 586, 959. +--, gedachte, 699. + +sinnen, gemoed, geest, verstand, zin, ziel, 55, 331, 826, 875, 885, +997, 1006, 1102, 1155, 1169, 1345, 1348, 1384, 1397, 1404. + +slagh van volck, 1836. + +slagh, -- van drouven reden, 832. + +slagh-ader, 1582 A. + +slecht, eenvoudig, onnozel, 509. +-- gering, 942. + +slim, slecht, erg, boos, 54, 447, 1036, 1225, 1262. + +sloir, sloerie, 688, 937. + +slons, 943. + +slot, besluit, zin, beduidenis, 76, 593, 1939 A. + +sneegh, scherpzinnig, behendig, vlug, 67, 136, 209, 284, 339, +350, 1220. + +snellen (na), 773: jagen, streven. + +soeken syn bejagh op, 1044. + +soet, zacht, lief, 186, 895, 1699. +--, best, 183, 1291, 1699. +-- aert, 1271. + +soetelick, zachtjes, 1651. + +soetigheyt, liefheid, 1882. + +sonderlingh, biezonder, merkwaardig, 1442, 1482, 1661, 1793, 1833. + +sorghen, beducht zijn, 1216. + +spel, 148; Kil. spel, schouwspel .... spectaculum ludi, spectacula +publica. + +spelen ontrent, 1072 A. + +spijt, smaad, boosheid, 629, 996. +-- 281: minachting. + +spijten, verachtelik voorkomen, 257. + +spoedelick, met spoed, 1530. + +spoker, zwarte kunstenaar, 1005, 1835. + +spoor, sleep, trein, 753. + +spraeck, spreken, 553. + +spreken, aanspreken, 185 A. + -- voor, voorspraak zijn, 1411 A. + +springen, dansen, 35, 338 A. + +spruyt, 375. + +staegh, voortdurend, onafgebroken, 10, 108, 250. + +staen, laten --, staken, 1264. + ten toone --, 438 A., 468. + -- in de plaats, 992. + +staet, stand, 154, 570. + +stam, afkomst, 1142. + +stant, staat, toestand, 296, 712, 812, 1170. + +stellen, opstellen, zetten, 751 A., 1247. + in 't werk --, + hem --, 117, 137. + --, toepassen, 1742, 1898, 1984. + open --, openen, 519. Kil. applicare operi, Et exercere, cogere + in opus. + +stem, geluid, klank, 356. + +sterven, bezwijken, 1286. + +stil, heimelik, zacht, rustig, 272, 359, 1012. +--, apart, 1266. + +stillen, den loop --, 1307. + +stonden, van -- aen, 1051. + +stracx, dadelik, 1057, 1256, 1374. + +strate, weg, 618. + +streeck, zet, trek, 135, 186. + +strecken over, bezig houden met, 1384 A. + sigh -- na, zich begeven, 1273. + -- voor..., tot, 838. + +streelen, vleien, 542, 795. + +stremmen, doen ophouden, 252. + +strengh, strikt, vast, 823. + +stuck, 569. Kil. res, causa, factum, facinus. + +stuur, bar, 334. + +suyker, 195 A. + +suysebollen, 1007 A., 1069. + +sulcx, 1720: zodanige, dergelijke zaken. + +suur, scherp, 785. + +swarte hoop 841. + +sweven, zwerven, 878. + boven --, overtreffen, 339 A. + + + + +T + + +taey, karig, tenax, 311. + +te, 358 A. + +te, zeer? al te? 155. + +teen, plur. van tee, 1279. + +teer, aanvallig, teder, teer, 34, 55 A., 292, 840, 1139, 1366. +--, leden, 201, 203. + +t'elcken, telkens, 1691, 1705. + +tergen, prikkelen, 1366 A. + +terstont, zo even, 945? 1293. + +terwijlen, 1081. + +'t gunt, 1283. + +tieën na hem, 1969: veroorzaken. + +tijt, jonge --, jeugd, 896. + +tijt, nu ter --, 1182, 1292. + doen ter --, 1244. + +toe-komende, toekomstig, 1559. + +toestaen, toestemmen, 1831. + +tol, belasting, census, 809. + +tot, te, 1202. + +tot aen, 604. +-- in, 678, 1086. + +tranen-broot, 1311. vgl. Ps. 80, 6. + +trecken, trekken, aanhalen, nemen, 79, 819, 1788, 1872. + +treden in het ondersouck, 1813. + +trou, in -- gebonden, verloofd, 1125. + +troutel-reden, vleitaal, 517. + +trouwe, 851: vaste verbintenis. Kil. fides, fidelitas. + +tucht, eerbaarheid, 653. + +tuygh, gerei, 757. + +t'wijl, terwijl, 351, passim. + + + + +U + + +uytgelesen, 336. + +uyt-hangen, 939 A. + +uytkomste, 1827. + +uytmuntend, sterk uitkomend, 1705 A. + +uytnemen, uitzonderen, 741. + +uyt-strijcken, bedriegen, 506, 849. + +uytvinden, ontdekken, 78, 1542, 1621. + + + + +V + + +vallen, voorvallen, komen, uitkomen, terechtkomen, 141, 316, 335, +782, 1099; komen te -- op, overslaan op, 1891. +-- in gedachten, geraken, 697. +-- in beraet, 701. +-- aen, vlug gaan aan, 1426. + +van, door, 1965. + +van gelijck, gelijcke (n), evenzo, 1138, 1521, 1629, 1839. + +vant, 16 (:), 1136 (:), ouder (ook Zeeuws?) praeteritum van vinden; +naast vont, 891. + 1164 (:), 1199 (:), 1275, 1621. + +varen, gebeuren, fieri, 713. + +vast, 1269: nauw. +--, zeker, 1930. + +vast houden, voor zeker houden, 846. vgl. houden. + +vast stellen, voor zeker aannemen, bepalen, 277, 287, 592, 1201, +1572, 1747, 1762, 1982. + +vatten, begrijpen, 92. +--, vangen, 152, 376; vgl. amore captus. + +veerdigh, met spoed, 69, 1180. + +veynzen, ontveinsen, 280. + +veysen, veinsen, 589. + +velden, groene --, 1429. + +venster, dese --, 1300. Vgl. Kolthoff, blz. 61. + +verbaest, verstomd, verbijsterd, 549, 1054, 1167, 1253. + +verbond, bond, kring, 835. + +verde, verre, 596. + +verderven, vergaan, 403. + +verdrayen, verwringen, 197. +-- 141: plooien. + +verdrucken, 420 A. + +verdwelmen, bedwelmen, 1101. + +vereeren, versieren, decorare, 34, 1210. + +vergapen, hem --, 1701. + +vergen aen, tot, vragen, eischen, voorstellen, 812, 901, 1909. + +vergenought, hem -- houden (met), zich vergenoegen, 1537. + +verhael, het verhalen, 324. + +verhalen uyt, mededelen volgens, 1504. + +verheven, grootmachtig, 814. + +verhopen, hopen, 1883. (Vgl. onverhoopt.) + +verklaren, uitkomen voor, 1854. + +verquicken, opleven, bijkomen, 1255. + +vermaeck, ontspanning, genoegen, 366, 386, 918. + +vermaken, 641 A., 985. +--, verkwikken, opvroliken, recreare, 178. + +vermenghen, paren, 464. + +vermogen, vrijheid hebben, 1780, 1848. + +vernemen, bemerken, 374, 601, 1691. + +vernougen, voldoening, 640. + vernugen, 1943. + +vernougen, hem -- des, ingenomen zijn met, 949, 1975. + +vernuf, verstand, 42, 1427. + +vernuft, verstand, 1766. + +verrader, 1004 A.: booswicht. + +verrassen, 22. + +verrucken, vervoeren, 377, 686. + +versaden, 48: zat zien. + +versch, fris, 373, 706. + +verscheydenlick, verschillend, 1472. + +versegelen, in de trou --, 952 A. + +versekeren, zekerheid geven, 1284. + +verselschapt, verloofd, 1424. + +versouck, bezoek, 1455. +--, aanzoek, 956. + +versoucken des, 253. + +verstaen, begrijpen, 1779, 1803. +--, vernemen, 1467. + +verstant, 15, mening. +--, 1194. + +verstellen, veranderen, 203. + +verstopt, opgehouden, 201 A. + +vertrecken, hem --, weggaan, 858. + +vertrout, 1351 A.; vgl. in trou gebonden. + +vervoeren, wegslepen, 657, 1406, 1544. + +vervougen, hem -- na, zich begeven naar, 1490. + +verw, schoone --, schoonheid, 41, 393, 968. + +verwecken, opwekken, 49. + +verwerren, verward raken, 98. +-- 1196: (in de praet) verwerret, verwikkeld, verdiept. + +verwonderen des, 1736. + +veur, voor, 250. + +vinden, opmerken, 51. +--, bevinden, gevoelen, 289. + +vinnigh, 1068. +--, dreigend, 804. + +vlam, 1143. + +vleck, plaats, 25. + +vlijt, 294: met alle vlijt, vurig. + +vlijtich, nauwlettend, 1278, 755. + +vloeyen, 483. + +vogeltje, 't -- onder de steert zien, 1772 A. + +vol, in volle daet, 583. + met (een) -- mont, gul uit, 284, 467. + --, smakelik, 523 A. + in -- leden, volledig, 1382 A. + +volgende, dien --, diens volgens, 1581. + +vond, vinding, zet, 284, 486 A. + +vonck, 489 A. + +voor eerst, in de eerste plaats, 739; vgl. eerst. + +voor-komen, 1297: het komt mij voor, ik herinner mij. + +voornamelick, voornaam, 1630. + +voorraet, in --, bij voorbaat, 830. + +voor-seggen, 1439. + +voorstel, aanzoek, 626. + +voortbrengen, voorstellen, opperen, 595. + +voor-vallen, toevallig voorkomen, 1950. + +vordere, verdere, 1826. + +voren, 1762: vroeger. + +vougen, schikken, sigh --, 518. + syn leden -- tot, zich voegen naar, 950 A. + --, passen, 692. + +in vougen dat, zo dat, 47. + +vragen des, 953. +-- op, ondervragen, 73. vgl. bevragen. + +vrat, wrat, 1275, 1282. + +vreedsaem, in vrede, 1412. + +vremd, zonderling, 703. + +vreught, 543, 896, 1003, 1286. + +vrienden, famielie, 954. + +vry, vrij wat, nog, 698, 953. + +vrye woorden, 922. + +vrijster, ongehuwde maagd, 36, 1365, 1403. + +vrolick sijn van, 831: feest vieren van. + +vroom, braaf, moedig, 1128. + +vrou moeder, 295. + +vuyl, gemeen, schandelik, slecht, 53, 62, 873. + +vuylheyt, gemeenheid, 59. + + + + +W + + +wacker, helder, 43. + +waen, 1929. + +waer, hoever, 469. Kil. ad quem locum. + +waer nemen, merken, opletten, 1025. + +wagen, dreunen, 1010. + +wassen, groeien, 37. + +weder-klack, echo, 1431. + +weert, lief, passim; vgl. Fr. cher. + +weerd des, 1670. + +wech dragen, roven; vgl. to carry away, 538. + +wech leyden, meevoeren, 663. + +wech-rucken, wegslepen, 656. + +wegen, schatten, 1881. Vgl. Lat. pendere. + +weyden, breet -- in, 123: veel doen aan. + +weynigh, een --, 1349; vgl. un peu. + +wel, heel, 320. + +werden, worden, 73, passim; praet. wort, passim; ook praes. +wort (?) 384 A. + +werck maken van, hoog lopen met, 1785; vgl. Kil. + +wesen, voorkomen, gelaat, uiterlik, 41, 86, 134, 377, 469, 481, +769, 1139, 1660, 1749, 1805. + --, gestel? 205, 317. + +wet, (maatschappelike) instelling, 307, 738. + buyten wetten, 958. + --, overheid, 1405. + +wetten op, 1627: spitsen. + +wie, relatief, 101. + +wieen, wijden, 727. + +wiens, 21 A. + +wijf, huisvrouw, 682, 743. + --, 999. + +wijse, zeden, gebruiken, 821, 877; plur., 717. + +wijsen, aanwijzen, 1231. + +wil, om uwen t' --, 719. + te -- zijn, 216. + +willen, 191, 930, 1168: zullen. + +wil, zin, 964. + +wilde, 1849. + +wind, windhond, 353. + +winnen, 740. + +woelen, zijn best doen, 983. + +woest, 869, 1917 A. + +wonder, collect. wonderen, 998. + +wonderbaer, wonderlik, zeldzaam, Aenmerck. blz. 69. + +worden (niet bij participia), 1791 A. + +wrangh, bitter, 965. + +wrocken, 841. + +wulp, jonge --, jonge kwant, jongmens, 96, 318. + + + + + + + +AANTEKENINGEN + + +[1] Deze werd gedrukt voor Matthias Havius, "opper-Klerck van den +Raet-Pensionaris", by Hendrick van Esch, boeckdrucker, woonende in +'t Hof, in de Druckerije van de Maeght van Dordrecht. + +De titelplaat: "A v. Venne, inuen:" en "Crispiaen v.q. sculp:"--heeft +als bijschrift: I Cats | Prouf-steen | van den Trou-ringh. | 1636. | + +'t Privilegie is van 4 April 1635. + +'t Werk is al enige jaren vroeger opgezet en bij gedeelten afgewerkt; +zie hierna, blz. XXI, over het Sp. Heyd., en blz. XVIII. + +[2] Voorreden. + +[3] Aenm. Adams Houwelick. + +[4] Voorreden. + +[5] Verzamelde bewijzen bij _Kalff_, Cats, _Gids_ 1899, +III, blz. 387. En bij _Van Heeckeren_, Vader Cats: _Taal +en Letteren_ V. Verder: Uit alle de Wercken van Jacob Cats, +blz. VI. Med. Dr. E.D. _Baumann_, Johan van Beverwijck, in leven en +werken geschetst (1910), blz. 41 vv.--Zie ook over zijn populariteit: +_Nieuwe Gids_ 1910, II, 412, _Groot Nederland_ 1911, II, blz. 225. + +[6] Cats, Trouringh, 't Gront-Houwelick, blz. 6. + +[7] Lees verder de mooie bladzijden betreffende _Cats_ van +Dr. _A. Kuyper_, Het Calvinisme en de Kunst, 1888, blz. 34 vv. + +[8] Vryster-mart (slot). + +[9] Zo schrijft _van Heeckeren_ (1876) in _Taal en Letteren,_ V, 83. + +[10] Q. geeft. + +[11] C. Huygens, Costelick Mal. + +Zie o. a. hier Aant. bij 1582. + +In zijn Trouringh (1637) 4º, blz. 304 vermeldt hij, hoe het Parlement +van Parijs--5e Sept. 1634--het geval beslist van "de broeder des +konings." + +[12] Bij haar afbeeldsel, achter de Tafel in de Trouringh.--Zie over +haar: _Eucleria_, van haar zelf, Altona, 1673. + +[13] Tijdschrift Mij. Letterkunde, Leiden, VI. 25. + +[14] Inleydinge (of "Voorreden") van de Trouringh 1637. + +[15] In de voorrede van de Lat. bewerking, die ook in dit opzicht van +Cats zijn werk verschilt, worden beide personen aldus gekarakteriseerd: +"Loquuntur in Opere Catsii Belgico Sophroniscus et Philogamus, +quorum hic discentis, ille docentis partes sustinet, hic amantium +officia scire satagit, ille exponit. alter concitatior et ardentior, +alter cautior; alter nullum non conjugii modum probat; alter non +nisi legibus circumscriptum: hic juvenili ardore et fiducia promit, +quiequid dictat amoris affectus, ille senili gravitate regit dictis +animos et pectora mulcet, hic, ut vivant, aut ut vivere optent amantes, +ille ut vivere oporteat, ostendit." + +[16] _Ebert_, Allgem. Gesch. d. litt. d. MA. II.--_Kalff_, +Nederl. Letterk. I, 419. + +[17] "Est historia quaedam ex hispanorum monumentis depromta +lectu amoena ob varios cuentus: Doctor Potzzo hispanice dicitur eam +descripsisse, quem autorem tamen non vidi. habet quaedam similia cum +narrationibus Heliodori. argumentum est nobilis quidam hispanus amore +ill ctus Aegiptiam puellam (quam nos heijdens vocamus) per longum satis +tempus sequitur, vitam illam rudem, mendicam et rusticam tolerat, et +mores sorditos istius hominum generis, tandem agnita fuit ista Aegiptia +pro virgine nobili et hinc foelix matrimonium." (Tijdschrift 1.1.) + +[18] "En igitur tibi historiam quam ex hispanorum monumentis hausi, +siue illa vera, vt isti affirmant, siue noua, siue ex antiquitate +deprompta, non admodum curo; narratio est rara et amoena, ego +rudi Minerea eam tractaui, tu contrahere, omittere, noua inserere, +prout videbitar, poteris. locus communis his in Censurâ esse poterit +... narrationes ... rudes sunt, secundas expectant et requirunt curas. + +In nominibus si quid mutare tibi visum, non refragabor; teut nica +disponam vt potero; minima mutatio etiam optima." (Tijdschrift +1.1. 27, 28.) + +[19] Zie _J. A. Worp_, Noord en Zuid XX, 56. + +Of gebruikt Cats Ferdinando om de maat? Wat heeft de franse +vertaling? Waarschijnliker toch gebruikte Cats een franse. + +[20] _Worp_, a. pl. + +[21] _A. Borgeld_, Tijdschr. XXV, 73. + +In de Vyf nieuwicheden (1653 door Henryk Takama vertaald) wordt dit +Sp. H. vermeld als vroeger al uitgegeven. + +[22] Alleen de e (nu en dan) is voluit als en gedrukt; het een enkele +maal voorkomende en (naast ende) als ende; de vv als w. Vgl. hiervoor, +Cats-z'n tekst op blz. VI. + +[23] Men zie Mr. Ch. M. Dozy: Pieter Nolpe, _Oud-Holland_ 1897 pag. 49. + +[24] De l'origine des Egiptiens, autrement Bohemiens, vide +Est. Pasquier des Recherches de France lib. 4. cap. 17. Et +de horum Chiromantia lib. 7. cap. 39. Item +Camerar. part. 1. Meditat. historic. cap. 17. + +[25] 7. F2 dat 'et; in F2 zijn de enclytica overal door een ' +gescheiden; zo b.v. 32. weet 'er 44. uyt 'er, 60. sy 'er ; 73. gunt +'er; 114. of 'er; 173. quam 'er; 312. waer 'et; 328. was 'et, (enz.). + +[26] 13. F2 Madrid. + +[27] 47. voegen: aldus in de regel de ou (= onze oe). + +[28] 64. Q F spelen. O F2 stelen. + +[29] 69. F2 vaerdig; en zo geregeld deze ee. + +[30] 175. F. ontbr. Voor haer. F2 haer en haer. + +[31] 313. F mynen 't wil. F2 mijnent wil. + +[32] Dit is een seker hantghespel in Spaengjen ghebruyckelick, 1 +daer onder met eene na de mate wert gesongen. + +[33] 354. F2 paegjen. + +[34] 358. F2 afgekomen. + +[35] 508. F2 al wat 'er. + +[36] 591. proeve. + +[37] 719. F uwen 't wil. F2 uwent wil. + +[38] 789. oorlogh. + +[39] 843. F2 hoon. + +[40] 859. Uyt. + +[41] 929. F2 Uw. + +[42] 1098. F2 ontbreken. + +[43] 1128. F2 ongedult. + +[44] 1252. F2 op dese. + +[45] 1333. Q Canstançes. + +[46] 1364. proef. + +[47] Den vermaerden schrijver doctor _Pozzo_, wordt geseyt in +'t 1425 +Spaens deze historie beschreven te hebben. + +[48] F wonderbaerlick. + +[49] 1529. F2 geloof hadden gegeven. + +[50] 1579. F2 houdt. + +[51] 1582. F2 ader. + +[52] 1593. ontdekt. + +[53] 1598. Vyt. + +[54] 1653. proeve. + +[55] 1695. hitten. + +[56] 1703. Q af. F1 F2 of. + +[57] 1791. F2 Even-wel _Estienne P._ + +[58] 1797. F2 dat'er. + +[59] 1807. F2 van houden. + +[60] 1943. F1 F2 vernoegen. + +[61] 1972. F2 van Laban. + +[62] 1975. F2 my in uwe. + +[63] Vgl. daarmee: _dede_: "het selve gebreck hebbende dat onse Crates +_dede_, te weten een bult op den rugh." + +[64] Vgl. Tijdschr. Ned. Letterk. II, 20. + +[65] Vgl. ook ald. 22, noot. + +[66] Vgl. ook: _Jos. Bédier_, Les Fabliaux. Etudes de littérature +populaire et d'histoire littéraire du moyen-Age2, 1895. Daarover +_G. Busken Huet_, Komen onze sprookjes en vertellingen uit Indië, +_Gids_, Okt. 1902. Verder: Bursian Jahresbericht, XIIe Jahrg. (1884) +II, I, 20, 205, 271. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Spaens Heydinnetie, by Jacob Cats + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPAENS HEYDINNETIE *** + +***** This file should be named 26696-8.txt or 26696-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/6/6/9/26696/ + +Produced by Jeroen Hellingman, Andrew Sly and the Online +Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
