summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/26696-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '26696-8.txt')
-rw-r--r--26696-8.txt6815
1 files changed, 6815 insertions, 0 deletions
diff --git a/26696-8.txt b/26696-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..9a6fb2c
--- /dev/null
+++ b/26696-8.txt
@@ -0,0 +1,6815 @@
+The Project Gutenberg EBook of Spaens Heydinnetie, by Jacob Cats
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Spaens Heydinnetie
+
+Author: Jacob Cats
+
+Editor: Dr. F. Buitenrust Hettema
+
+Release Date: September 24, 2008 [EBook #26696]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPAENS HEYDINNETIE ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman, Andrew Sly and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ ZWOLSCHE HERDRUKKEN
+
+
+ Onder redactie van
+
+ DR. F. Buitenrust Hettema en J. H. van den Bosch
+
+
+ No. 1
+
+ Spaens Heydinnetie
+
+
+
+
+
+
+ SPAENS HEYDINNETIE
+
+ Van Jacob Cats
+
+ Uitgegeven door
+
+ Dr. F. Buitenrust Hettema
+
+ Vierde Herziene Druk
+
+
+ Zwolle--W. E. J. Tjeenk Willink--1922
+
+
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+I
+
+
+Van Vader Cats kwam in 1637 uit zijn "'s Werelts begin, midden, eynde,
+besloten in den Trov-ringh, met den proef-steen van den selven." [1]
+
+'t Is een vervolg op een vroeger werk, 't Houwelick; "door een
+vorigh Boeck" heeft hij "de gronden van een goet houwelyck geleyt,
+en een afkeer gepooght te maken van quade gangen die in soodanigen
+gelegentheyt sigh openbaren"; en daarom heeft hij het "dienstigh
+geacht, by dese jegenwoordige (z)ijne oeffeninghe de sake door
+exempelen meerder klaerheyt te geven." [2] Immers "de wegh tot
+wetenschap is lang door regels, kort door exempels, seyter een
+wys schryver." [3] En Cats zijn "ooghmerck is geweest... onse
+Landts-genooten met vermakelickheydt wat goets te doen lesen, en
+daer door bequamer te maken tot het huyselick en borgerlick leven,
+en een gelucksaligh sterven." [4]
+
+
+
+De Trouringh vermeerderde de populariteit van de meest populaire
+nederlandse dichter. Zijn werken werden bij duizendtallen
+verspreid;--van het Houwelyck "bij de vijftigh duysent... van d'
+Emblemata, Maegde-plicht, Zelf-strijt en Manlyke Achtbaerheyt... weynig
+min".. wat buitengewoon is als men in aanmerking neemt dat Nederland
+in die tijd maar een paar miljoen bewoners had; velen in 't Noorden
+en Oosten nog hun eigen taal alleen verstonden; bovendien het aantal
+niet-lezers veel groter was dan nu.
+
+Dit werk, "hoe wel verscheyde jaren na d'andere werken uytgekomen"
+(die telkens herdrukt waren), overtreft dat getal (van 25,000
+eksemplaren, die alleen van de "Spieghel" verspreid werden), "en is
+in twee besondere Steden weer op de pers", zo schrijft de uitgever
+van Alle de Wercken in 1655: een jaar of 16 na de eerste uitgave.
+
+Het buitengewoon in-trek-zijn van Cats, bij aanzienlik en gering, bij
+geleerd en ongeleerd, is te bekend om er hier over uit te weiden. [5]
+
+
+
+
+II
+
+
+De Trouringh handelt over de _Liefde_. Die is de meeste. Zie mens
+en dier; zie de onbezielde natuur, "siet de zeylsteen en het yser",
+dat elkaar aantrekt, ziet "het amber en het stro."
+
+Leringen nu wekken, maar voorbeelden trekken. Daarom:
+
+
+ "Ick heb by een gebracht verscheyde trou-gevallen,
+ Om daer te mogen sien hoe jonge sinnen mallen,
+ En hoe een rijper aert bequamer vvegen vint,
+ En hoe een reyne ziel haer tochten overvvint.
+ Maer dat is niet genoegh. VVy moeten ondersoecken
+ VVt al wat Reden hiet, uyt alderhande boecken,
+ VVie in dit noest gewoel de rechte baen verliest,
+ En vvie in tegen-deel de beste vvegen kiest.
+ Al hooger, mijn vernuf, vvy moeten onder-gronden
+ Het vvonderbaerste stuck van alle trou-verbonden,
+ Des Heeren diepste gunst, des hemels grootste vverck,
+ Hoe God de Sone paert met syn geminde Kerck.
+ Almachtigh, eevvigh, goet, oneyndigh, heyligh, vvesen,
+ Naer eysch, en rechte maet, by niemant oyt gepresen,
+ VViens onbegrepen VVoort de vverelt heeft gebout,
+ En noch door hooge macht geduerigh onderhout,
+ Die Adam hebt vergunt door u te zijn geschapen,
+ En in syn even-beelt syn lust te mogen rapen,
+ Die noch voor yder mensch, tot heden op den dagh,
+ Beschickt een eygen deel dat hem vernugen magh.
+ Die even uvve Kerck den segen hebt gegeven,
+ Te kennen voor een hooft den Prince van het leven,
+ En, uyt u diepste gunst, de menschen hebt gejont
+ Een noyt begrepen heyl, een eeuvvigh trou verbont." [6]
+
+
+Zo schikt Cats, "naar het motief van het wondere huwelik zijn lier
+aanstemmend, heel het menselik leven om dit éne middelpunt. En
+ongemerkt glijdt langs gouden draad deze aardse liefdeweelde over in
+de mysteriën van het geestelik huwelik." [7]
+
+Want--"door-leest vry trou-gevallen van alderley eeuwen en volcken met
+vermakelickheyt, overleghtse in u selven met wijsheyt, steltse in 't
+werck met omsichtigheyt, en geniet vry u deel daer van met vernougen:
+dies alles niet tegenstaende, soo sal't al te samen eyndelick komen
+uyt te loopen tot enckele ydelheyt, jammer en verknisinge des herten,
+ten zy sake dat u gesicht en oogemerck komt te eyndigen in dat groot en
+onbegrijpelick trouverbont...: door middel van het welck het schepsel
+wort vereenight met synen schepper, de gemeente met haren bruydegom,
+en de ziele met haren Salighmaker. Laet vry Salomon op-soecken tot
+sijn vermaeck alles wat sijn ooge wenschen magh, laet hem verkiesen
+menighte van inlantsche ende uyt-lantsche wijven, koninghs dochteren,
+Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonitische en Hethitische,
+tot seven hondert in getale, en boven dien drie hondert by-wijven;
+noch sal hy ten uyt-eynde van dien allen, klagelijck uyt-roepen,
+_'Tis allemael ydelheyt, jammer, ende hertenleet._ En sal ten lesten
+tot besluyt seggen, _Laet ons de hooft-somme aller leere hooren:
+Vreest God, en hout syn geboden; vvant dat behoort alle menschen
+toe. Eccl. 12.13._ Siet, lieve, daer alleen is eyndelick rust en
+lust te vinden, ende te vergeefs wert die elders gesocht: laet daer u
+beste sinnen veel henen gaen, en uwe suyverste gedachten op-stijgen,
+even terwijl ghy besigh zijt om voor u een gewenscht geselschap en
+een bequame huys-sorge te bekomen. Hij en reyst mijns oordeels niet
+wijsselick, die in't vorderen van sijnen wegh vergeet, wat eygentlick
+het eynde ende oogemerck is van dat hy begonnen heeft." [8]
+
+
+
+Hoe intenser en praktieser er geleefd wordt, hoe meer de geest 't
+evenwicht daartegen zoekt in zijn fantazie; maar ook, hoe meer de
+buitengewone daden van sommigen tot fantazeren aanzetten.
+
+De romantiese trek naar het ongewone en stoute, een grondtrek van
+'t Nederlandse karakter [9], blijkt uit avontuurlike zeereizen, als
+die van Bontekoe, van Willem Barentz, van zovele anderen; in sommige
+wonderlike stukken van Rembrandt; de stoute poging van de Groot
+om het recht van vrede en krijg tot een vast systeem te brengen;
+in het nog stoutere waagstuk van Spinoza om het Godsbegrip tot een
+mathematiese zedelike formule te herleiden. In welke volksgeschiedenis
+is een romantieser tafreel te vinden dan die van Tromps aanval en
+overwinning bij Duins? Die aanval van een klein getal schepen op
+deze nieuwe armada, dat eensklaps aangroeien van onze vloot, dat
+geven van stengen en buskruit zelfs aan de overmachtige vijand, is
+'t niet alsof alles tot het gebied van de romantiese legende hoort?"
+
+En wat al romantiese verhalen ook in de Trouringh: "uit alle oorden
+en alle tijden wist hij zijn volk wat te vertellen."
+
+'t Boek is als Cats, 'zeitgemäss' en aktueel. Evenals Hooft zijn
+Historiën aantrekkelik maakte door over toen bekende historiese
+personen mededelingen te doen, zo ook Cats. En hij wist veel van
+deze. Nu eens memoreert Cats een verhaal van een gebeurtenis tijdens
+de pest, die in Holland woedde, hoe op "seker dorp in Zuyt-Hollant
+(soo men my heeft doen verstaen)", een vroegere minnaar de zieke
+vrouw in zijn eigen huis verpleegt, terwijl de eigen man bang voor
+de ziekte, haar in de steek had gelaten; als zij geneest, trouwt ze
+de trouwe verpleger. Dan verhaalt hij van wat een hollants vrijer
+overkwam, die "op-settelick de Jacht om zeylde, op dat hy (wel
+konnende swemmen) aen syn geminde soude mogen toonen de trou-hertige
+genegentheyt." Of hij weet iets van zeker "eerlick jongelingh", die
+eerst om zijn ongegoedheid afgewezen werd, maar later, toen de ouders
+van het meisje alles verloren hadden, en uit Vlaenderen naar Engeland
+waren uitgeweken, toch het meisje tot vrouw kreeg; hoe toevallig
+ze elkaar ontmoetten in een "slecht vertreck" van een herberg. Hij
+vertelt van een "jonge deerne binnen de stadt van Amsterdam," die
+door vrienden en voogden, op hoop van haar erfenis belet werd te
+trouwen, en welke remedie zij daartegen nam." Of ook van een "oudt,
+wijs, en aensienelick man, die zijn dochter als vrouw aan een bequaem
+jongelingh" aanbood. Hij verhaalt van een andere vader, die zijn enige
+dochter onterfde om dat zij tegen zijn zin zich met "de vrijer buyten
+den lande hadde begeven." Hij maakt melding van een brief die in 1632
+de Prins in handen kwam, en waarin "sekere joffrou van aensien" omtrent
+haar nicht een-en-ander minder lofwaardigs voorstelde; als hij "de
+jonckvrouwe noemde, ick geloove datse aen u en andere wel bekent soude
+wesen." Hij weet van de weduwe, die, voordat haar eerste man stierf,
+al "trou-belofte" had gegeven en die later deze niet hield, en niet
+behoefde te houden, omdat zo iets vooraf te doen verboden was; en hoe
+gelukkig zij toen zich gevoelde, omdat ze een ander genegen was. Hij
+kent de "dochter van een voortreffelick persoon" in Nederland, die,
+om haar schaker te redden, verklaarde "den jonck-heer selfs versocht"
+te hebben. Hij berijmt in den brede meer dan éen geval, zo een "Zeeus
+houwelick", en een "geschiedenisse, in Hollant voorgevallen."
+
+Hij weet van tal van histories iets mede te delen, van zovele, dat
+hij schertsend zelfs Sophroniscus aan Philogamus laat vragen: "Tuyten
+u de oiren noch al niet van de menighfuldighe trou-gevallen, die wy
+dese voorlede dagen te samen over den hekel hebben gehaelt?" Want hij
+bespreekt--in pittig proza--in die trouwzaken, hoe die hier, en ook
+in Indië zijn behandeld.--"Dese en diergelijcke dingen zijn dienstigh
+bedacht te werden in desen onsen tijt, daer veel mans soo langhdurige
+reysen op Oost en West-Indien ter hant nemen, en dickwils veel jaren
+uyt-blyven"..... Hij handelt er over hoe dergelijke huwlikszaken in
+Zuid-Nederland, in Duytsland, in Frankrijk beoordeeld worden. Dit
+alles met voorbeelden en toelichtingen uit het "hedendaagse, Romeynse
+en kerkelick recht" opgehelderd.
+
+Immers: Nederlanders zwierven de wereld over:
+
+
+ "ghy meught op heden gaen
+ Oock naer het heet Brasil, of na den Indiaen...
+ Men vinter Nederlants, men vinter Hollants bloet."
+
+
+Met de Hervorming was al wat, in 't algemeen of in 't biezonder,
+ethies-juridies vaststond in de ME., op losse schroeven geraakt.
+
+Wat al kwesties van praktijk en theorie kwamen niet op. Vader Cats
+voelde dit: hij de praktikus! Hij gaat ze uiteen zetten: de vragen
+van den dag in zijn tijd.
+
+Een kwestieus punt in die dagen was of een Protestant een Katholiek
+mag trouwen: "het bysonderste dat uyt dese gheschiedenisse in bedencken
+behoort te komen: een hooft-stuck."--Een ander is: "of het een Christen
+geoorloft is syn handen te laten sien om eenige voorsegginge in 't
+stuck van syn houwelick daer uyt te mogen verstaen? of dat hy andere
+middelen vermagh te gebruycken, om van toe-komende dingen de uytkomste
+te weten." Dan, kan men uit de polsslag opmaken of iemand verliefd
+is.--Zo Cats nu leefde, zou hij uit het schrift zijn konkluzies hebben
+getrokken: of iemand verliefd was in ernst, of 't maar voorwendde,
+"om de wille van de smeer."
+
+Cats-zijn "betrachtinge" in de gehele Trouringh is geweest, "t'elcken
+nieuwe gevallen en van een bysondere uytkomste voor te stellen:
+ten eynde om door de verscheydentheydt van stoffe, geduerighlijck
+versche bedenckingen in den leser te verwecken; opdat alsoo yeder
+een yet wat hier soude vinden dat op syne bysondere gelegentheyt
+soude mogen slaen. Waer in ick meyne soo veel gedaan te hebben datter
+by-naest niemant en sal gevonden werden, of hy en sal aen het een of
+het andere trou-geval syn eygen konnen toutsen en ter preuve stellen."
+
+In de "Tafel" van de Trouringh vindt men een lijst van de meeste
+gevallen; nog meer staan er in de tekst zelf. Hier volgt die Tafel:
+
+
+_Het volgende VVerck bestaet in vier deelen, vvaer van het eerste deel
+begrijpt vijf bysondere Trou-gevallen ontleent uyt de H. Schrifture._
+
+Het eerste daer van is de beschrijvinghe van 't houwelick der eerste
+voor-ouderen Adam ende Eva.
+
+En volght by die gelegentheyt een onderlinge t'samen sprake, waer
+in wert gehandelt van verscheyde bedenckelicke vraeghstucken ontrent
+den echten staet: ende onder anderen,
+
+
+ 1 Offet alle menschen geoorloft, en dienstigh is te trouwen,
+ dan niet.
+ 2 Offet beter is getrout of ongetrout zijnde te leven.
+ 3 Wat middelen prijsselick zijn om een vrouwe te bekomen,
+ en hoedanige niet.
+ 4 Hoe veel het gebedt, en de in-vallen daer op volgende,
+ is toe te schrijven in dese gelegentheydt: en sonderlinghe
+ exempelen daer op slaende.
+ 5 Offet beter is onder houwelickse voorwaerde te trouwen,
+ dan niet.
+ 6 Vrouwen weyger-kunste in 't geheym van 't houwelick.
+
+
+Het volgende trou-geval, wesende het tweede, vertoont aen den
+leser een houwelick van drien: dat is, van Iacob met Lea en Rachel,
+Labans dochters.
+
+En by gelegentheyt van 't selve een t'samen-sprake, daer in wert
+verhandelt,
+
+
+ 1 Het stuck van de Polygamie, ofte veelwijvigh houwelick.
+ 2 Van de dwalinge ontrent de personen in 't stuck van
+ houwelick, en wat voor werckinge de selve voort-brenght.
+ 3 Van de houwelicken die op schoonheyt haer ooghmerck hebben,
+ en hoe verre de selve geoorloft of ongeoorloft zijn, ende
+ diergelijcke vraegh-stucken meer.
+
+
+Het derde trou-geval behelst de beschrijvinge van 't houwelick van
+Athniel en Ascha dochter van den vorst Caleb.
+
+En by gelegentheyt van 't selve een t'samensprake op bedenckelicke
+pointen:
+
+
+ 1 Op de houwelicken van State.
+ 2 Op de macht der Ouderen ontrent het besteden van hare
+ kinderen, en of beyder bewilginge wert vereyscht, dan niet.
+ 3 Op de gelegentheyt van jonck-vrouwen die als prijsen
+ voor-gestelt werden om met sterckte des lichaems, worstelen,
+ snel loopen, of diergelijcke oeffeninge, gewonnen te werden.
+
+
+En by die gelegentheyt in 't voor-by gaen,
+
+_De beschrijvinge van 't houvvelick van Hippomenes en Atalante_,
+uyt de oude Poëten.
+
+Het vierde trou-geval bestaet uyt de beschrijvinghe van den
+Maegden-roof der Benjamijten te Sçilo.
+
+Waer op volght,
+
+
+ 1 Een ondersoeck van houwelicken door ontschaken te wege
+ ghebracht, en de macht der Overigheyt in dien deele.
+ 2 Van de ontvoeringe met wille van een jonge deerne ghedaen,
+ en of de selve straffe van ontschakinge verdient.
+ 3 Of een vrou-mensch willende trouwen met haren ontschaker
+ d'Overheyt sulcx behoort toe te staen, dan niet.
+ 4 Offet waerachtigh is dat een jonge deerne dien lief heeft,
+ die haer eerst van haren maeghdom ontset, &c.
+
+
+By het vijfde trou-geval wert beschreven het houwelick van David
+met Abigaïl.
+
+En by dîe gelegentheyt werden in ondersoeck gebracht,
+
+
+ 1 De houwelicken van weduwen ende weduwenaers: en offet beter
+ is een goet of een quaet mans weduwe ten wijve te nemen.
+ 2 De houwelicken die door tusschen-gaende personen uyt werden
+ gewracht, en of sulcx dienstigh is, dan niet.
+ 3 De houwelicken daer een man een sneger, verstandiger of
+ wijser vrouwe verkiest als hy selfs is.
+ 4 Of een vrouwe aen een droncken man de schuldige
+ goet-willigheyt moet geven, dan niet.
+ 5 Van nieu-gehoude die in 't harnas beslapen worden.
+ 6 Of men een man of vrouwe by testamente magh besetten.
+ 7 Een groote menighte van twijfelaehtighe vraegh-stucken,
+ soo over vryagien als het houwelick selfs.
+
+
+_Het Tweede Deel Bestaet uyt Trou-gevallen ontleent van de oudtste
+tijden naest de Bibelsche historien._
+
+Het eerste geval begrijpt het ongelijck houwelick van Crates en
+Hipparchia.
+
+Waer door in bedencken komt,
+
+
+ 1 Offet altijt best is dat yder syns gelijcke trouwe.
+ 2 Of yemant willende trouwen, syn heymelick gebreck openbaren
+ moet: immers of voor nieu-getroude sulcx dienstigh is om
+ malkanderen beter te mogen vieren.
+
+
+_Hier een by-voughsel van een nieuvve geschiedenisse op die
+gelegentheyt, dienende om man en vvijf aen te vvijsen een middel om
+malkanders gebreken te konnen vieren._
+
+
+ 3 Of een jonge deerne een kint te voren hebbende gehadt,
+ sulcx, ten houwelick versocht zijnde, behoort te openbaren.
+ 4 Of sulcx naer het houwelick geweten zijnde, het selve daerom
+ magh ghescheyden werden.
+ 5 Of jonge dochters voor haer selven een man mogen versoecken.
+ 6 Of men behoort te trouwen yemant die uyt-wendige en
+ sienelicke ghebreken heeft.
+ 7 Wat eygentlick de beweegh-reden en oorsaeck is van
+ liefde. En by die gelegentheyt, _Een tvveede verhael, van een
+ plotselicken in-val een Italiaensche jonckvrou over-gekomen,
+ en een houvvelick daer uyt ontstaen._
+
+
+_Een derde in-vallende gelegentheyt, van een Zeeus houvvelick, te vvege
+gebracht door gevaer des levens; dat anders niet en vvilde vallen._
+
+_Een vierde geschiedenisse, in Hollant voor-gevallen, van een
+houvvelick gevordert door 't pijnelick genesen van een af-keerigh
+gebreck, om de vrijster te behagen._
+
+_Een vijfde geval, roerende een sonderlicken onlust midden in de lust
+plotselick ontstaen._
+
+_Een seste verhael, van een jonge vrouwe die haer van schoon gansch
+leelick maeckte, om haren man te behagen._
+
+
+
+Het tweede trou-geval bestaet in 't verhael van een sonderlinghe
+geschiedenisse van twee Grieksche jonck-vrouwen by een edelman op
+eenen dagh verkracht: en het bedenckelick gedingh daer uyt ontstaen.
+
+Waer door in bedencken komt,
+
+
+ 1 Of een verkrachte dochter wel doet haren ontschaker te
+ trouwen.
+ 2 Of een jongelingh wel doet een deerne te trouwen, die by
+ een anderen verkracht of onteert is.
+ 3 Of een courtisane, of een vrou-mensch dat met haer lichaem
+ gewin heeft ghedaen, dient getrout.
+ 4 Eyndelick van houwelicken door het verbidden van misdadige
+ te wege gebracht.
+
+
+In het derde trou-geval wert verhael ghemaeckt van een vorstelijck
+houwelick, veroorsaeckt door een droom of nachtgesichte.
+
+En wert by die gelegentheyt ondersocht,
+
+
+ 1 Van wat gewichte dat droomen zijn, sonderlinghe in de
+ gelegentheydt van houwelicken.
+ 2 Hoe men goede ende goddelicke droomen kan onderscheyden
+ van de bedriegerijen van de boose geesten.
+ 3 Wiens sinnelickheydt gevolght moet werden, soo wanneer
+ een vader en een dochter, d'een met desen, d'ander met genen
+ vrijer genegen is een houwelick aen te gaen.
+
+
+In 't vierde trou-geval wert beschreven het houwelick tusschen
+Cyrus en Aspasia; dat is, tusschen een groot-vorst, en een geringe
+lant-vrijster: met een spoock-vryagie tusschen beyde.
+
+Waer uyt dan komt t'ontstaen het ondersoeck,
+
+
+ 1 Van spokerije die in liefde gebruyckt wort.
+ 2 Van de kracht der minne-drancken.
+ 3 Van teyckenen en characters om liefde te verwecken,
+ en diergelijcke.
+
+
+Het verhael van de wonderbare liefde van den keyser Charlemagne,
+mitsgaders van Cha,Selim groote Mogol.
+
+_Het Derde Deel, Behelsende verscheyde geschiedenissen onsen
+tijt naerder komende als de voorgaende, oock eenighe onlanghs
+voor-gevallen._
+
+In-leydinge. De Wijsheyt spreeckt, tot uytlegginge van de Titel-plaet.
+
+Het eerste trou-geval is 't houwelick van Emma, jonge prinçesse, en
+dochter van den keyser Charlemagne, met Eginart des selfs Secretaris.
+
+Waer uyt ontstaen de volgende vraeghstucken,
+
+
+ 1 Of het dienstigh is een houwelick te vorderen door sigh
+ meester te maken van de eerbaerheyt van de gene die men ten
+ houwelicke versoeckt.
+ 2 Wat een vader vermagh of behoort te doen, ten aensiene van
+ een dochter die buyten syn wete of danck met trou-belofte
+ ofte by-slapen haer ontgaen heeft. [10]
+ 3 Wat in soodanigen gelegentheyt beter is hart of sacht te
+ wesen: en daer toe bedenckelicke exempelen.
+ 4 Of een vader syn dochter magh ont-erven, vermits sy buyten
+ syn weten, of tegen synen danck getrout is.
+
+
+Het tweede trou-geval begrijpt in sigh het houvvelick van koningh
+Ulderick van Bohemen ten eenre, ende Phryne Bocena een herderinne
+ter anderer zijden.
+
+En wort by dese gelegentheyt ondersocht,
+
+
+ 1 Of prinçen wel doen sigh te versellen met geringe
+ vrou-personen.
+ 2 Of gelijckheyt van gebreken dienstigh is tot eendracht van
+ de gehoude.
+ 3 Bedenckenheyt op de schoonheyt der vrouwen.
+ 4 Van het queesten dat in sommige gewesten van Noort-Hollant
+ wert geseyt gebruickelick te wesen.
+ 5 Of vrymoedigheyt in jonge maeghden prijsselick is, dan
+ niet, &c.
+
+
+Het derde trou-geval behelsende een selsaem houwelick tusschen een
+Spaens edelman ter eenre, ende een heydinne ofte lantloopster (soo doen
+gemeynt wert) ter anderer zijden: met eenige bysondere tusschenvallen.
+
+Waer door in ondersoeck koomt,
+
+
+ 1 Den oorspronck van de landt-loopers (anders heydens genaemt.)
+ 2 Of men uyt den pols kan gewaer worden dat yemant verlieft is:
+ dat is, of de liefde eenen bysonderen aderslagh is hebbende
+ daer aen de selve te kennen is.
+ 3 Of uyte hant van yemant toe-komende dingen of yemants
+ heymelicken aert geseyt kan werden.
+ 4 Of men op houwelickse saken, of andere toe-komende dingen,
+ magh ondersoeck doen.
+ 5 Van de Physiognomie oft wesen-kennisse: en wat uyt het
+ gelaet, gestalte des lichaems, en diergelijeke voorgeseyt
+ kan werden.
+
+
+_Een tusschen-val poëtelick verhandelt, van liefde sonder sien
+vervveckt, en schoonheyt blindelincx verkoren._
+
+
+
+Het vierde geval is een Fransche geschiedenisse, gansch vreemt,
+sonder exempel, en vol doortrapte rancken.
+
+En daer uyt dese volgende bedenckingen,
+
+
+ 1 Offet goet is trou-belofte te doen tusschen kinderen in de
+ wiege, of anders minder-jarigh zijnde.
+ 2 Wanneer de vrouwen mogen her-trouwen by af-wesen of
+ uyt-blijven van hare mans.
+ 3 Onmacht van mans wat werckinge in het stuck van houwelick
+ uyt-brengt.
+ 4 Nestel-knoop in Vrancrijck van vvat kracht en eygentschap
+ aldaer gehouden wert.
+ 5 Of een kint dat in overspel is gewonnen eeniger wijse
+ wettigh genaemt kan worden; ende om wat redenen.
+
+
+Het vijfde verhael bestaet in de prachtige en dertele liefkoserije van
+Marcus Antonius velt-overste van de Romeinen, en Cleopatra koninginne
+van Egypten.
+
+_Een by-voughsel van een droevigh trou-geval tusschen den koningh
+Masanissa en de koninginne Sophonisba._
+
+_Een Hollants trou-bedrogh onlangs voor-gevallen._
+
+_Rosen-krijgh, de Griecsche dichters na-gebotst._
+
+_Een jammerlick en bedenckelick verhael, dienende tot vvaerschouvvinge
+van alle ouders om op hare dochters acht te slaen._
+
+
+
+Het seste trou-geval bestaet in de beschrijvinge van de opkoomste
+van Rhodope: eerst gevrijt ende ten houwelicke versocht van seven
+bysondere jonge-lieden van verscheyde gelegentheyt, die yder met een
+bysonder ghespreck haer beroep aen de selve soecken aengenaem te maken.
+
+Waer by naderhant koomt de beschrijvinghe van een bedaeght mans
+liefde: met een tusschen-val, vervatende het krackeel van de Doot
+met de Liefde.
+
+Volgt by dese gelegentheyt een ondersoeck,
+
+
+ 1 Waer op eygentlick yemant die een vrou of man wil verkiesen,
+ behoort te sien.
+ 2 Wat van houwelicken by 't lot, of diergelijcke middelen te
+ wege gebracht, te houden is.
+ 3 Een bedenckinge op het trouwen van een oudt man met een
+ jonge vrouwe: of een jongh man met een oudt wijf.
+
+
+_Volght een verhaal van liefde door het vlechten van een krans
+vervveckt._
+
+_Toe-mate, ende besluyt, bestaende in de beschrijvinge van de
+Vrijster-marckt, in sommige gevvesten gebruyckelick, en hoe men aldaer
+beyde leelicke en schoone aen den man brenght._
+
+
+_Het Vierde Stvck Behelst het Geestelick Houvvelick. Daer in te
+vinden is,_
+
+De beschrijvinge van de Sond-vloet.
+
+D'ontschakinge van Dina.
+
+De kopere slange in de woestijne: en andere geschiedenissen uyt
+'t Oude Testament.
+
+Noch het Hooge-liet Salomons.
+
+De geschiedenisse en klachten vande verlatene Babylonische vrouwen.
+
+De bysonderste geschiedenissen van het Nieuwe Testament: als de
+neder-komste ende groete van den Engel.
+
+De geboorte Christi.
+
+De lof van de H. maget Maria.
+
+Kinder-moort Herodis.
+
+Wonder-wercken, leere, en leven Christi.
+
+Desselfs lijden, en daer op verscheyde bedenckingen.
+
+Eynde ick de beschrijvinghe van den jonghsten dagh en het oordeel.
+
+
+
+Wat worden hier een aktuéle kwesties aangeroerd. En met hoeveel
+romantiese zin zijn die verhalen gesteld. En met hoe grote kunst is
+deze Trouringh ineengezet.
+
+De nieuwste wetenschap van die tijd wordt meegedeeld. En de geleerdsten
+van zijn tijd worden hierbij in rade geroepen. Cats-zelf was een
+authoriteit. Was hij zelfs niet de "geleerde Cats" [11], de evenknie
+van Hooft, Reaal, Vossius, ja, van Hugo de Groot; werd hem, de Zeeuw,
+in de gouden tijd van onze geleerdheid niet in 't naijverige Holland
+het professoraat in Leiden aangeboden?
+
+
+
+Cats met zijn geleerdheid schuilt in deze Trouringh: geen wonder
+dat hij, aan wie 't vrouwvolk van de jeugd af had bevallen, het werk
+opdraagt aan de geleerde Anna Maria Schuurmans:
+
+"Die in de Nederlandtsche, Hooghduytsche, Fransche, Latijnsche talen,
+soo wel ervaren is geweest, dat sy daer in loffelick spreken, brieven
+schrijven, en dichten konde.
+
+Die in de Griecsche, Bibels-Hebreusche talen soo wel geoeffent was,
+datse daer in de Auteuren lesen, verstaen, daer van oordeelen, oock
+in schrijven konde.
+
+Die in de Italiaensche ende Engelsche talen soo verre is gevordert
+geweest, dat sy boecken op saken van State, of diergelijcke, bij den
+Italianen geschreven: en daer beneffens de uyt-nemende Theologische
+boecken by den Engelschen uit-gegeven, lesen ende gebruycken konde.
+
+Die in de Rabbijnsche-Hebreusche, Chaldeusche, Syrische, Arabische
+talen soo veel geleert hadde, datse die konde lesen, verstaen, en met
+de heylige Hebreusche tale confereren, tot reynder ende geleerder
+openinge van de H. Schrifture. Die vorder van sin en voornemen is
+geweest in toe-komende, met Godes hulpe, daer in voort te gaen, en
+daer noch by te voegen het Samaritaens, Æthiopisch, ende Persisch,
+verwachtende alleen maer noodige boecken tot uyt-werckinge van haer
+loffelick voor-nemen.
+
+Die in de Historien, Poëten, Orateuren, ende andere goede schrijvers,
+mitsgaders de liberale konsten, neffens de Philosophische, ende andere
+wetenschappen, soo wel belesen ende ervaren is ghevveest, datse daer
+van discoureren, ende over de swaerste stucken ende questien der
+selver dicteren ende in 't schrift stellen konde.
+
+Die voortreffelijcke kennisse hadde, ende een diepsinnigh oordeel,
+in Theologiâ Textuali, Dogmaticâ, Practicâ, Elencticâ; selfs tot de
+swaerste ende subtijlste Scholastique questien toe.
+
+Die haer dagelicx noch neerstelick oeffende in alle deelen ende
+methoden der Theologie.
+
+Die in de Schrijf-konste geen meesters en hadde te wijcken: jae te
+boven gingh de netste ende aerdighste drucken, en dat in 't Hebreusch,
+Syrisch, Arabisch, Griecx, Samaritaens, Æthiopisch, Latijns, Italiaens,
+&c. ende de meeste Handen van dien op verscheyde manieren, als Capitale
+letters, Staende, Loopende, kunstelick konde schrijven.
+
+Die in 't Teyckenen en Schilder-kunste wel was ervaren.
+
+Die zijde bloemen of diergelijcke naer het leven konde bordueren.
+
+Die Teyckenen konde met Pot-loot, De Penne, Crayon, &c.
+
+Die wist te Schilderen in miniature, ofte water-verwe.
+
+Die de wetenschap hadde met een Diamant op het glas geestigh te
+schrijven.
+
+Die konde Hout-snijden, of met een Pennemes in palmen-hout
+Conterfeytsels maken.
+
+Die de wetenschap hadde van plaet-snijden tot haer eygen Conterfeytsel
+toe.
+
+Die wist te boetseren in wasch.
+
+Die in de Musijcque loffelick was ervaren.
+
+En van gelijcke mede in het slaen van de Luyt.
+
+Nu soo isset alsoo, dat niet alleen de hooge Schole van het Sticht
+van Utrecht, maer oock menigh geleert man in Hollant met volle reden
+van wetenschap kan getuygen, dat al het gene voren is verhaelt,
+gelijckelick is te vinden in den persoon van Jonckvrou Anna Maria
+Schurmans..." [12]
+
+
+Zo iemand was de opdracht van Cats z'n geleerd werk waardig.
+
+
+Cats was populair onder de vrouwen en mannen van de daad in de XVIIe
+eeuw: geen wonder! Cats bevredigde fantazie en weetlust: 't was de
+eeuw van onderzoek, op elk gebied, in Nederland; hij prikkelde bij
+al zijn leren tot beleven; tot daden doen! En deed dit poëtieser dan
+iemand anders van zijn tijdgenoten.
+
+
+
+
+III
+
+
+In een brief, dd. 11 Nov. 1633, aan prof. Barlaeus, geeft Cats enkele
+stukken aan, welke hij van plan is een plaats in zijn Trouringh
+in te ruimen. [13] Hij heeft deze "gevallen niet erdicht, ofte in
+(syn) eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten veel
+plagh te wesen: maer (hy heeft) beter gevonden, de geschiedenissen
+van goede schrijvers te ontleenen"; evenwel heeft hij ze "breeder
+uyt-gemeten als die by de oude schrijvers gevonden werden ... Sulcx
+dient sonderlinge tot beter glimp van de stoffe, ende tot meerder
+vermakelickheydt van den leser" ...
+
+Uit zeer uiteenlopende werken van eigen en ouder tijden heeft Cats
+nu zijn verhalen in de "Trouringh", gelicht, en minder of meer vrij
+bewerkt. Men vindt wat gevonden is, aangewezen en besproken bij
+_J. Bolte_, _Tijdschr._ XVI, 241, n.--Dr. _A. S. Kok_, Van Dichters
+en Schrijvers I, 81.--Dr. _J. A. Worp_, Noord en Zuid XX, 39 tot 66.
+
+
+
+Ook was zijn doel de "Nederlantsche tale te verçieren, de Hollantsche
+gedichten sacht-vloeyende en sonder stoot en stop-woorden te maken;
+ten eynde de selve eenpaerlick en sonder stuyten gelesen mochten
+werden". [14]
+
+
+
+De verhalen in de Trouringh van Cats worden meestentijds afgewisseld
+door samenspraken tusschen Sophroniscus en Philogamus over
+"vraegh-stucken (die) uyt ydere geschiedenisse rijsen." De eerste is
+"out-man ende weduwenaer", de ander "jonghman ende noch ongehout";
+deze overlegt hoe hij "bequamelijck uyt desen eensamen staet tot
+een geselligh leven soude mogen komen." Het hapert hem er maar aan
+dat hij "te weynigh kennisse van saken hebbe in die gelegentheyt,
+en noch de rechte gronden niet en weet van dat groot werck." Waarom
+de eerste hem "een nieu Poëtisch werck" in handen geeft, "verscheyde
+gedenck-weerdige trou-gevallen .... voor oogen stellende..." Met
+aandacht zal hij "letten vvatter voor aenmerckingen uyt sullen
+te trecken syn ... ende daar nae willen vvy reden en tegen-reden
+onderlinghe seggen en hooren." [15]
+
+Dit is niet door Cats "over-al in volle leden ghedaen konnen
+werden, vermits (s)ijn ampt (geduerende den tijt dat (hij) met het
+voorsz. Werck besigh was) (hem) veel beswaerlijcker quam te worden als
+wel te voren. In vougen dat (hy s)yn begonnen ontworp naer eysch van
+saken niet en (heeft) konnen vol-trecken: maer (heeft) de vervullinge
+van verscheyde bedenckelicke vraegh-stukken ghelaten aen het oordeel
+van den ervaren en geoeffenden leser."
+
+
+
+Deze dialogen waren algemeen in de XVIIe en in de XVIe eeuw: 't
+hoofddoel was aangename geestverrijking: ze behandelden in elegante
+causerie alle vragen van kunst, smaak, wetenschap, zeden. Vooral
+in Italië was dit genre inheems.--Lucianus, en Athenaeus waren 't
+voorbeeld, zie vertaling en commentaren door Casaubonus.--Vgl. Erasmi
+Colloquia; Bargagli's Trattenimenti; Cremaille's Jeux de l'Incognu;
+Harsdörffer's Frauenzimmergesprächbücher (dames-encyclopaedie).
+
+Ook in de Middeleeuwen vindt men al deze leerzame dialogen in navolging
+van Augustinus. [16]
+
+
+
+
+IV
+
+ _Ex uno disce omnes._
+
+
+Een van de meest bekende is het "Selsaem Trou-geval tusschen een
+Spaens Edelman ende een Heydinne, soo als de selve edelman, ende alle
+de werelt doen geloofde", of kortweg genoemd Het Spaens Heidinnetje.
+
+Cats zelf vond het nog al biezonder: in de oudste druk staat het met
+een mooi vignet, en een extra groot 'hoofd' boven de bladzij waar
+'t begint, en wordt op biezondere wijs onderscheiden ook door het
+bericht in de Tafel.
+
+Cats wilde prof. Barlaeus overhalen zijn Trouringh in het Latijn
+te bewerken. Hij noemt in een van zijn brieven aan deze professor
+[17] zekere doctor Pozzo; die zou dit Spaens Heydinnetie in het
+Spaans hebben bewerkt, maar die schrijver heeft hij niet onder de
+ogen gehad. Dit aardige verhaal heeft enige overeenkomst met de
+vertellingen, van Heliodorus. Dan deelt hij Barlaeus de inhoud mede.
+
+De 20 Febr. 1634 zendt hij het hem, in 't ruwe afgewerkt. Of het waar
+is, zoals zijn zegsman vastelik beweert, of verzonnen, en of het
+pas gebeurd is, of dat het aan de oudheid is ontleend, laat hij in
+'t midden. Hij geeft Barlaeus volle vrijheid er in te veranderen, wat
+hem goed dunkt. Het stuk wacht en vereist nog een tweede doorwerking;
+de minste verandering is reeds uitstekend. [18]
+
+Deze kwam in 1643 uit; het privilegie is van 7 Desember. Daaronder als
+"Cheiromantis" het Spaens Heydinnetie.
+
+Cats hield dus Pozzo voor de auteur. Maar 't verhaal is een van de
+"Novelas ejemplares" van Cervantes; die zegt dat hij 't verhaal vond
+bij "el licenciado Poço".
+
+Heeft Cats niet geweten dat Cervantes de auteur was van "la Gitanella
+de Madrid?" Hij noemt hem niet! En overal elders citeert Cats zijn
+bronnen wel! Hoogstwaarschijnlik had Cats het verhaal in een vertaling
+gelezen; dan nog was zijn zeggen juist: "historiam ... ex hispanorum
+monumentis hausi." 't Was "zeer waarschijnlijk een Italiaanse, daar
+hij spreekt van Ferdinando, voor 't spaanse Fernando" [19]
+
+De Novelas ejemplares van Cervantes verschenen in 1613--waarin
+de Gitanella--en zijn vele malen herdrukt of nagedrukt. De franse
+vertaling is van 1621 door F. de Rosset en d'Andiquier. De italiaanse
+is van 1626 door Guglielmo Alessandro de Novilieri Clavelli, in
+Venetië; met de naam van Cervantes op 't tietelblad; in 1627 verscheen
+de tweede (van D. Fontano), en 1629 nog een derde, de beide laatste
+in Milaan. Maar mischien ook stond het verhaal in de een of andere
+bundel novellen. [20]
+
+Zodat we nog niet met zekerheid kunnen aangeven waar Cats zijn
+Pozzo-Gitanella kan gevonden hebben.
+
+In 1643 kwamen uit vier verhalen, vertaald door F. V. S.--"moogelyk
+Felix van Sambix, die den drukker is geweest" zoals van Meekeren
+meedeelt in zijn voorrede van "De doorluchtige dienstboden", door
+hem naar een van deze verhalen bewerkt. Zij verschenen bij Felix van
+Sambix in Delft; het eerste, tweede en vierde zijn van Cervantes. Dit
+laatste is Het schoone Heidinnetje. [21]
+
+Heeft Cats ook deze niet gelezen, dat hij in latere drukken het
+eerst-medegedeelde niet gepreciseerd heeft?
+
+In J. van Beverwyck's Schat der Ongesontheyt (1660) (blz. 106)
+wordt dit Spaens Heydinnetje gedeeltelik aangehaald, en omtrent de
+"polsslagh" naar "de redenen aanghewesen by d'Heer Ridder Iacob Cats"
+verwezen.
+
+Het verhaal van dat Spaanse zigeunerinnetje was erg in trek. Men
+bewerkt het, men vertaalt het in 't Nederlands.
+
+_M. Gansneb Tengnagel_ gaf in 1643 uit: Het Leven van Constance, waer
+af volght het Tooneelspel, de Spaensche Heydin. En _Cath. Verwers
+Dusaert_ publiceerde in 1641 haar Spaensche Heidin.
+
+
+
+
+V
+
+
+_Litteratuur over Cats_: de monografie van Dr. _G. de Rudder_, Un poète
+Neerlandais, Cats, sa vie et ses euvres, Calais, 1898; breedvoerig, met
+voorliefde geschreven. En daarnaast die van _G. Kalff_, Cats (_Gids_
+1899, dl. III, 387-435; dl. IV, 69-119); afzonderlik uitgegeven in:
+Studiën over nederlandsche dichters der XVIIe eeuw 2e herziene dr.,
+1916; (nieuwe titeluitgave in 1908, van de) 1e dr., 1901.
+
+Een overzicht van leven en werken in _F. Buitenrust Hettema_, Uit
+alle de Wercken van Jacob Cats (met Inleiding: XXXIX, 216). 1905.
+
+Verder vooral _Van Heeckeren_, Vader Cats (1876), in _Taal en Letteren_
+V (1895), blz. 73, gepubliceerd.
+
+Dr. _A. Kuyper_, Het Calvinisme en de Kunst (Rektorsrede), 1888.
+
+Museum Catsianum, door _de Jonge van Ellemeet_, 2e vermeerderde
+uitgave, 1887.--
+
+_H. Jansen Marijnen_, Jac. Cats, een mislukt eerherstel, in _Studieën_
+LXXIV (1910) 497.--
+
+_Buitenrust Hettema_, Van Lennep op Kongressen in _Nieuwe Gids_ 1910,
+bladz. 411.
+
+De oudere literatuur vindt men bij _Kalff_, a. w.
+
+
+
+
+
+VI
+
+
+Deze "Zwolsche Herdruk" (Nº. I) werd in 1890 voor 't eerst
+uitgegeven. De Inleiding werd in hoofdzaak in 1887 opgesteld; evenwel
+niet bij de eerste druk gepubliceerd; wel werd een klein gedeeltetje in
+die eerste druk in de Aantekeningen verwerkt. Bij de tweede (1903),
+als in de derde, (1913), en in deze vierde druk is die Inleiding
+verder alleen bijgewerkt.
+
+In deze herziene herdruk zijn de Aantekeningen vermeerderd; de
+woordelijst vergroot en aangevuld. (De aanhalingen zonder meer zijn
+alle uit de Trouringh zelf.)
+
+De tekst zelf is afgedrukt naar de eerste uitgave van Cats zijn
+Trouringh, Quarto, 1637 (Mus. Catsian. nº. 171). [22] Deze druk is
+zo goed als zonder drukfouten.
+
+In de noten is een enkele maal aangehaald de Octavo uitgave,
+de tweede druk van den Trouringh, van 1638. In deze ontbreken de
+proza-aenmerckingen.
+
+De belangrijkste varianten uit de folio-drukken van "Alle de
+wercken", voor zover zij tijdens Cats-zijn leven nog verschenen,
+zijn aangetekend.
+
+De eerste van deze, een folio van 1655 (F1), heeft vrij veel
+drukfouten; overigens stemt de tekst met de eerste druk van 1637,
+op enkele uitzonderingen na, overeen.
+
+Meer veranderingen in de spelling, maar minder drukfouten, treft men
+aan in de tweede folio-druk van 1658 (F2).
+
+Niet genoteerd zijn de variante lezingen uit latere drukken. In
+de tekst van de bekende editie van 1700, die bezorgd en gedrukt
+werd door Dan. van Dalen, Franç. Halma, de wed. van A. van Someren,
+te Amsterdam, J. en Wilh. van de Water te Utrecht, is hier en daar
+gewijzigd; zo heeft deze, om een voorbeeld te noemen: _verre_ voor
+_verde_ (vs. 596); _let my doch_, voor _hangt my uyt_ (vs. 939);
+_boot_ voor _biet_ (vs. 734), _troep_ voor _roep_ (vs. 1032), enz.
+
+
+
+De taal der XVIIe eeuw verschilt van de onze voornamelik in de vele
+woorden, die nu een van de toenmalige, dikwels weinig, afwijkende
+betekenis hebben. Bij de samenstelling van het Glossarium is
+voornamelik op deze synoniemen gelet: niet enkel zijn die woorden
+opgenomen, welke geheel van betekenis zijn veranderd, of sedert uit
+de taal zijn verdwenen.
+
+De asterisken in de tekst staan in 't algemeen waar de zin of het
+woord kon worden misverstaan. Zij verwijzen naar het Glossarium,
+en in een aantal gevallen naar de Aantekeningen. In beide is evenwel
+meer opgenomen, dan het aantal asterisken aangeeft.
+
+
+
+Ten slotte een woord van dank aan die op enigerlei wijze door hun
+hulp deze uitgave hebben bevorderd.
+
+
+_Zwolle_, Herfst 1921. B. H.
+
+
+
+
+
+Mr. N. Beets, Oud-Onder-Direkteur van 's Rijks Prenten Kabinet in
+Amsterdam had de welwillendheid de volgende mededelingen ons te
+zenden over de bijgevoegde autotypieen, waarvoor wij hem onze beste
+dank zeggen.
+
+
+
+De drie tusschen den text geplaatste reproducties zijn genomen naar
+de oorspronkelijke illustraties van het Spaens Heydinnetie in Cats'
+Trou-Ringh (ed. 1637).
+
+Twee ervan (pag. 7 en 15) zijn gegraveerd naar teekeningen van
+den bekenden Haagschen schilder en dichter Adriaen Pietersz van de
+Venne (1589-1662), die voor nog tal van andere illustraties van den
+Trou-Ringh--ook voor de groote titelprent van 1636--de ontwerpen
+gaf; de een door Crispijn van Queborn (1604-1653 ?); de ander door
+A. Mattham (1606-1660). De derde (pag. 30) is door denzelfden Adriaen
+Mattham gegraveerd naar een teekening van den Dordtschen schilder
+Jan Olis, (± 1610-± 1655) die eveneens eenige teekeningen voor den
+Trou-Ringh leverde.
+
+Als titel wordt hier gereproduceerd een ets die Majombe met, op den
+arm, de kleine Constance "behangen met juweelen" te zien geeft. De
+ets is van Pieter Nolpe (1613-1652) naar Simon de Vlieger (1601-1653),
+welke laatste ook aan de Trou-Ringh van 1637 medewerkte. Het prentje
+is er een uit een reeks van zes, alle door Nolpe geëtst. Het zijn
+illustraties voor
+
+het leven van konstance. Waer af volgt het tooneelspel De spaensche
+heidin: Door M. G. T. t'Aemsterdam, gedrukt bij Nicolaes van Ravesteyn,
+voor Johannes Jacott, Boekverkoper by de Beurs, op 't Rockin, inde
+vergulde Cronyck, 1643. [23]
+
+
+1921. 1913.) N. Beets.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ SELSAEM TROU-GEVAL
+ TVSSCHEN EEN
+ SPAENS EDELMAN, ENDE EEN HEYDINNE;
+
+ Soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde.
+
+
+
+Daer is een selsaem* volck genegen om te dwalen, [24]
+Gedurigh om-gevoert in alle vreemde palen*,
+ Dat (soo het schijnen magh) als in het wilde leeft,
+ Maer des al niet-te-min syn vaste wetten heeft.
+Het laet sigh over-al den naem van heydens geven, 5
+En leyt, al waer het koomt, een wonder selsaem leven;
+ Het roemt sigh dattet [25] weet uyt yders hant te sien,
+ Wat yemant voor geluck of onheyl sal geschien.
+Maiombe was het hooft van dese rouwe gasten,
+Die staegh op haer bevel en op haer diensten pasten*, 10
+ Sy was loos, vals, doortrapt, en slim in haer bejagh*,
+ Soo veel als eenigh wijf op aerden wesen magh*;
+Sy quam veel tot Madril [26] of in de naeste steden,
+Want mitse* kluchtigh* was, soo wertse daer geleden*.
+ Sy had in haer gevolgh al menigh gau verstant, 15
+ Soo datse gunst en hulp by al de jonckheyt vant.
+Sy stal eens seker kint te midden opter straten,
+Dat uyt een edel huys daer eensaem was gelaten,
+ Het was een aerdigh dier*, maer jongh en wonder teer,
+ En 't is maer twee jaer out, of slechts een weynigh meer. 20
+De meyt, wiens ampt het was hier op den dienst te passen,
+Die gaf de buert een praet, en liet het wicht verrassen:
+ Maiombe was verblijt, niet om het geestigh* kint,
+ Maer datse rijck gewaet ontrent* syn leden vint.
+Sy geeft haer metten buyt in onbekende vlecken*, 25
+En waer het onguer* heir genegen is te trecken.
+ Doch wat de moeder socht, en waer de vader schreef,
+ Men hoort niet hoe 't haer gingh, of waer het meysje bleef.
+Hoe nau daer wort gevraeght, hoe nau daer wort vernomen,
+Men weet niet wat geval het kint is over-komen: 30
+ Waer dat men immer* sont, of waer men vragen kan,
+ 'T is al om niet gepooght, geen mensch en weter van.
+Maiombe liet het kint verscheyde dingen leeren,
+Waer mede dat het mocht syn teere jeught vereeren*,
+ Eerst singen na de kunst, oock springen op de maet, 35
+ En wat na 's lants gebruyck een vrijster* geestigh staet.
+Het kint wast onderwijl, en leerde vreemde saken,
+En grepen na de kunst, en veelderhande spraken,
+ En selsaem hant-gespel,* en ick en weet niet wat,
+ Waer van schier niet een mensch de rechte gronden vat. 40
+Het was van schoone verw, en vrolick in het wesen*,
+Daer is een diep vernuf in syn gelaet te lesen:
+ Het had een wacker oogh, en swart gelijck een git*,
+ Syn aensicht even-wel is uyter-maten wit.
+Het kon syn frissche jeught, syn wel-gemaeckte leden 45
+Tot alderley gedans* en alle spel besteden*;
+ In vougen [27] dat het volck, en wie het maer en sagh,
+ Sigh van het aerdigh dier als niet versaden magh.
+Noch* kan de jonge maeght geen kleyne lust verwecken,
+Als sy met haer gesangh de sinnen weet te trecken: 50
+ Men vint dat hare stem een yders herte steelt,
+ Wanneerse maer een reys een aerdigh deuntjen queelt.
+Maer des al niet-te-min sy wil geen vuyle dingen,
+Sy wil geen dertel jock, geen slimme* rancken* singen;
+ Haer mont is wonder heus, haer oir en sinnen teer,* 55
+ Al wat oneerlick* luyt en singhtse nimmermeer.
+Des heeftse by haer volck soo veel ontsagh gekregen,
+Dat sy het menighmael geleyt in beter wegen:
+ En schoon dat hun de mont tot vuylheyt is gewent,
+ Men hoort geen dertel woort als syder is ontrent. 60
+En of oock al het rot* tot stelen is genegen,
+Sy straft het vuyl* bejagh en isser heftigh tegen:
+ En mits* sy wonder veel met sangh en spelen wint,
+ Soo is Maiombe zelfs tot stelen [28] niet gesint.
+Doch sooder eenigh dingh bywijlen is genomen, 65
+Sy doetet aen den dagh en voor de lieden komen;
+ Maer al door sneegh* beleyt en met een loosen vont,
+ Soo datter niet een mensch en weet den rechten gront.
+Sy riep een van den hoop, en liet hem veerdigh [29] draven,
+En liet, wat yemant stal, in eenigh velt begraven, 70
+ En dat of by een boom, een hooght of kromme bocht,
+ Ten eynde men het pant by teyckens vinden mocht.
+En wertse dan gevraeght op 't gunter is gestolen,*
+En wie het heeft ontvremt, en waer het is verholen,
+ Soo maecktse voor het volck een wonder vreemt verhael, 75
+ In woorden sonder slot in onbekende tael.
+Maer seyt dan op het lest, dat onder gene linden*,
+Of aen den naesten bergh het goet is uyt te vinden:
+ En als men dan het kraem* daer uyter aerden track,
+ Soo wast dat al het lant van hare wonders sprack. 80
+Doch sy wist boven al haer saken aen te leggen,
+Om aen de losse* jeught geluck te konnen seggen;
+ Het schijnt dat sy den gront van alle zielen kent,
+ En schier wat yder mensch in syn gedachten prent
+Sy wist al watter loopt* op in de hant te kijcken, 85
+En hoe dat yemants aert kan uyt het wesen blijcken,
+ En wat een kleyn, een groot, een puntigh hooft beduyt,
+ En wat men uyt een oogh of ander lidt besluyt.
+Oock uyt den neus alleen soo kanse gronden* trecken,
+Waer heen dat yemants lust of gulle* sinnen strecken; 90
+ Want isse plomp, of scherp, of hoogh, of bijster plat,
+ Sy heeft van stonden aen syn aert daer uyt gevat.
+Sy wist als op een draet, nae mate van de jaren,
+Wat yder over-koomt en plagh te wedervaren,*
+ En wat een teere maeght in haer gewrichte voelt, 95
+ En wat een jonge wulp* ontrent den boesem woelt.
+Sy weet (gelijck het schijnt) de gangen van de sterren,
+Waer in het klouckste breyn by wijlen kan verwerren:
+ Sy weet en wat de son en wat de mane dreyght*,
+ En waer toe sigh het jaer en al den hemel neyght. 100
+Een wie haer openbaert wanneer hy is geboren,
+Dien weetse by gevolgh* syn leven na te sporen:
+ Nu spreecktse wonder breet van druck en ongeval,
+ En offer yemant arm of machtigh* werden sal.
+Sy weet den leven-streep in yders hant te wijsen,* 105
+Daer uyt een vremt gevolgh en groote dingen rijsen;
+ Want is de linij recht en sonder krommen tack,
+ Soo roemtse stage vreught en nimmer ongemack.
+Maer valtse dickmael scheef en in verscheyde bochten,
+Soo wort hy dien het raeckt met droufheyt aengevochten*. 110
+ Indiense somtijts rijst, en dan eens neder koomt,
+ Soo dienter voor gewis een swaren val geschroomt.
+Sy gaet hier bijster hoogh, sy kent een yders wesen,
+Sy kan oock rijcken* selfs uyt hant of vingers lesen:
+ En somtijts groot verlies, en somtijts grooten schat, 115
+ En somtijts wel een galgh, of oock een schendigh* rat.
+Sy wijst een vrijer aen, wanneer hem staet te paren,
+Een vrijster ofse veel of luttel heeft te baren,
+ En ofse by den man sal wesen liefgetal*,
+ Dan of hy buyten haer syn lust gebruycken* sal. 120
+Dit meynt schier al het volck alsoo te moeten wesen;*
+Soo dat haer laegen naem gansch hooge was geresen,
+ En al vermits sy breet in desen handel* weyt*,
+ En van het naer* geheym soo klare reden seyt.
+Genaeckt men eenigh dorp daer weetse flucx te vragen. 125
+Hoe sigh in haer bedrijf* de meeste lieden dragen,
+ En wie sigh daer ontgaet* in lust of dertel bloet,
+ Doch meest wat over-al de losse jonckheyt doet.
+En als sy gasten vint daer yet op valt te seggen,
+Soo weetse na de kunst haer saken aen te leggen; 130
+ Sy maeckt aen yder mensch syn feylen openbaer,
+ Als of uyt syn gesicht het quaet te vinden waer.
+Wat sy van yemant weet dat veynst sy als te lesen
+Of uyt het oogh alleen, of uyt het ander wesen*:
+ En dit noch altemael met soo een gauwen streeck, 135
+ Dat oock de sneeghste* man verwondert stont en keeck.
+Als haer een juffer vraeght, wat man haer staet te trouwen,
+Sy kan het nieusgier volck gansch aerdigh onderhouwen;
+ Sy spreeckt als door een wolck en noyt met open mont,*
+ En al haer gansch beleyt dat heeft een loosen* gront. 140
+Hoe oyt de sake valt sy kan het al verdrayen*,
+Sy kan de gauste selfs met schijn van reden payen;
+ En alsse dan een reys de rechte gronden treft,
+ Dan isset dat men haer tot in de lucht verheft.
+Men hielt dat sy gestaegh een geest met haer geleyde, 145
+Die haer als in het oir verholen dingen seyde:
+ En mits* dit al geschiet door soo een jonge maeght,
+ Soo isset dat het spel hun des te meer behaeght.
+'T geviel om desen tijt dat in dien eygen lande
+Een jongh een aerdigh dier door jeught en liefde brande, 150
+ En hy die haer het breyn en oock den geest besat,*
+ Was even als de maeght met hare min gevat.
+Maer daer en was geen raet om oyt te mogen paren,
+Vermits sy niet gelijck in goet of staet* en waren;
+ De juffer is te* rijck, als maer een eenigh kint, 155
+ Soo dat haer drouve vrient voor hem geen troost en vint.
+Giralde lijckewel* die bleef tot hem genegen,
+En is om synent wil als sieck te bed gelegen;
+ Maer seyt het niet een mensch wat haer van binnen schort,
+ Soo datse menighmael veel drouve tranen stort. 160
+Of schoon een ander lacht, sy kan geen vreughde rapen*,
+Sy kan haer in den nacht niet geven om te slapen,
+ Sy klaeght, en (soo het schijnt) sy voelt gestage pijn,
+ En desen onverlet* sy wil geen medeçijn*.
+Haer vader niet-te-min die liet een doctor halen, 165
+Maer die gingh even-staegh* als in het wilde dwalen,
+ Hy weet niet watter schort, hy weet niet wat te doen,
+ Hy weet voor hare quael geen sap of heylsaem groen*.
+Hy staet als buyten spoor, en is geheel verlegen,
+En al wat hy begint dat zijn bekaeyde wegen:* 170
+ Dies seyt hy, dat het quaet een langer tijt behouft,
+ En, siet, hier is het huys* ten hooghsten in bedrouft.
+Iuyst op dien eygen tijt soo quammer Preçiose,
+Op datse daer ontrent een goede plaets verkose
+ Voor haer [30], voor haer gevolgh, en voor het gansche rot; 175
+ Dies wortse veel gesien ontrent het naeste slot.
+De vrouwe van het huys, bewust* van hare saken,
+Wou door het aerdigh dier haer dochter wat vermaken;
+ En daerom sentser om, en leytse voor het bedt,
+ En seyde: Niemant weet wat dese vrijster let. 180
+Ghy siet* eens wat haer schort, en soo ghy weet te seggen
+Hoe wy dit selsaem stuck behooren aen te leggen,
+ Mijn gunste, soete* maeght, die sal u zijn getoont,
+ En ghy van mijner hant ten hooghsten zijn geloont.
+Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te spreken* 185
+Met wonder soet* beleyt en ongewoone streken,
+ Het queelt een geestigh dicht, het speelt een aerdigh liet;
+ Maer wat het immer* doet ten* baet de siecke niet.
+Als dit Constançe merckt sy gaet sigh naerder setten*,
+Sy gaet in meerder ernst op alle dingen letten, 190
+ Sy bid dat al het volck wil* uyt de kamer gaen,
+ En sprack de siecke maeght in dese woorden aen:
+Ey lieve segh een reys (ick dien het toch te weten)
+Hebt ghy ontijdigh* freuyt of harden kost gegeten,
+ Of is u swacke maegh met suycker overlast,* 195
+ Of hebje by geval te langen tijt gevast?
+Of is u 't lijf verdraeyt van op de jacht te rijden,
+Of door een harden val gebracht in bitter lijden?
+ Of is u bloet verhit door al te langen dans,
+ Of hebje laet gewaeckt ontrent de maeghde-krans? 200
+Of isser yet verstopt in uwe teere leden,
+Daer van ghy die het lijt alleen verstaet de reden?
+ Of isser yet verstelt* in uwen teeren schoot?
+ Een maeght magh aen een maeght wel seggen haren noot.
+Spreeckt ront gelijck het dient van u verholen wesen, 205
+Ghy sult door mijn behulp in korten zijn genesen;
+ Ick weet wat aen de jeught by wijlen kan geschien,
+ En schoon al ben ick jongh ick hebbe veel gesien.
+Giralde seyde neen op al haer snege vragen,
+Dies gaet Constançe voort en opent nieuwe lagen*; 210
+ Hoort (seytse) kenje niet een hups en aerdigh quant*,
+ De schoonste van de stadt, jae van het gansche lant.
+Hebt ghy hem menighmael niet geestigh hooren praten,
+Of door een gunstigh oogh tot in het hert gelaten?*
+ Waerom doch soo geveynst, dat ghy soo langen tijt 215
+ Hem in bedencken hout en niet te wil en zijt?
+Ey lieve, zoo je meent den vrijer oyt te trouwen,
+En wilt hem niet te langh in angst en twijffel houwen.
+ Een die syn tanden breeckt als hy een note kraeckt,
+ Diens vreught is niet te groot schoon hy de keeren* smaeckt. 220
+Giralde kreegh een blos, en wert geheel ontsteken*,
+Als sy dit geestigh dier van vrijen hoorde spreken;
+ En schoon sy veynsen wou, haer bloet is boven haer,*
+ Dat maeckt haer innigh* hert ten vollen openbaer.
+Haer geest is op den loop, haer pols begon te jagen, 225
+En al met vreemt gewoel van ongelijcke slagen.
+ Constançe wederom: Nu sie ick watter schort;
+ Ghy (wat ick bidden magh) en doet u niet te kort.
+Spreeckt soo de reden eyscht, en laet u moeder weten,
+Wat voor een edel geest u sinnen heeft beseten*. 230
+ Want hoe ghy langer swijght, en meer u sieckte deckt,
+ Hoe dattet uwe jeught tot grooter hinder streckt.
+De siecke vrijster sucht, en al haer leden beven,
+Haer sinnen even-selfs* die worden om-gedreven,
+ Nu sie ik (sprack de maeght) wat kunst en wijsheyt doet; 235
+ Ghy weet, gelijck het blijckt, den gront van mijn gemoet,
+Des wil ick nu voortaen in geenen deel verswijgen,
+Waer na te deser uyr mijn jonge sinnen hijgen.
+ Wat dienter meer geveynst? ick ben van liefde kranck,
+ En dat heeft nu geduert wel seven maenden lanck. 240
+Wilt dit nu met beleyt mijn ouders openbaren,
+En raet hun acht te slaen op mijn bedroufde jaren.*
+ Want soo ick dien ick min niet haest genieten* magh,
+ Soo is de gront geleyt van mijnen lesten dagh.
+My sal geen spruyt, of kruyt, geen sap, of pap genesen; 245
+Ick sal begraven zijn, ick wil begraven wesen,
+ Indien ick niet en krijgh hem die mijn hert bemint,
+ En sonder wien mijn ziel geen rust op aerden vint.
+Terstont na dit gespreek soo stortse duysent tranen,
+Die met een stage veur* haer teere wangen banen*. 250
+ Constançe troost de maeght, en geeft haer goede moet,
+ En stremt, door soet gespreck, haer gullen* tranenvloet.
+Hier op is, des versocht, de moeder in-gekomen,
+Die had tot haer behulp een doctor met genomen;
+ Constançe gaeter by, maer trat bezijden af,* 255
+ Daer sy haer* met bescheyt* het stuck te kennen gaf.
+Het speet* de medeçijn, dat sy de rechte gronden
+Van dese maeghde-quael had kunstigh ondervonden*;
+ Te meer, vermits hy weet dat oock de klouckste* man
+ Dit uyt geen herte-slagh of ader voelen kan. 260
+Maer als hy in gespreck met haer began te treden,
+Doen gingh Constançe ront*, en gaf hem dese reden:
+ Een maeght van achtien jaer, af-keerigh van genucht*,
+ Die veeltijts sonder slaep geheele nachten sucht,
+Die, als men slechts begint van vrijers yet te spreken, 265
+Verandert in gebaer*, en laet haer woorden steken,
+ Die staegh wil eensaem zijn, en nimmer uyt en gaet,
+ En, schoon al isse jongh, het soet geselschap haet,
+Die geel en deerlick* siet, en leeft als sonder eten,
+Wat soo een vrijster schort dat heb ick wel te weten; 270
+ Ick segge, dat geen salf haer oyt genesen kan,
+ Maer dat haer stil* gebreck vereyst een rustigh* man.
+Hier by koomt dat ick sie haer oogen in-gesoncken,
+Maer vierigh even-wel, gelijck als helle voncken,
+ Haer pols geweldigh ras, haer water bijster root. 275
+ Hoe? kan dit anders zijn als enckel minne-noot?
+Voor my ick stel het vast. ghy mooght het overleggen,
+V dochter even-selfs sal u de waerheyt seggen,
+ Soo ghy haer recht bevraeght; want, na haer saken staen,
+ De noot die roept om hulp, daer is geen veynsen aen. 280
+De doctor laet de spijt, na deze woorden, varen,
+En prijst het rijp verstant in soo onrijpe jaren;
+ Soo dat hij naderhant* haer niet als eer bewees,
+ En met een vollen mont* haer snege vonden prees.
+Of nu het listigh* dier yet van den handel* wiste. 285
+Dan of het na de kunst en schijn van reden* giste,
+ En stel ick niet te vast; doch hoe het immer was,
+ De vrijster kreegh een man, en hare koorts genas.
+Soo haest de jonge maeght haer vont te zijn genesen,
+Soo wou sy metter daet beleeft* en danckbaer wesen, 290
+ Sy let* hoe 't heydens* volck gansch sober is gekleet,
+ En 't is haer teere jeught een innigh herten-leet.
+Sy sprack haer moeder aen: Van yemant gunst ontfangen
+Doet stracx een billick* hert met alle vlijt verlangen
+ Om weder-gunst te doen. Vrou moeder, 't is bekent 295
+ In wat een drouven stant mijn ziele was belent*;
+Nu ben ick (Gode lof) gesont in al de leden,
+Ghy toont* een danckbaer hert, dat leert de wijse reden;
+ Dit heir is wonder naeckt, ghy kleet het schamel rot,
+ Dat sal haer dienstigh zijn, en lief aen onsen God. 300
+Voor al en dient by ons de vrijster niet vergeten
+Die u van mijn verdriet de gronden leerde weten.
+ Indien ick yet vermagh, soo weest toch hier beleeft*;
+Al wie den naeckten kleet ontfanght meer als hy geeft.
+De moeder wederom: Dit zijn gansch rouwe menschen, 305
+Die om geen prachtigh kleet, en min om rijckdom wenschen;
+ Sy dwalen evenstaegh*, dat is haer oude wet*,
+ Het gelt dient haer tot last, een kleet maer tot belet*.
+Dus schoon ick haer een kleet wou om de leden hangen,
+Ick houdet voor gewis men soudet niet ontfangen. 310
+ Ké* moeder, seyt de maeght, ghy zijt my wat te taey*,
+ Ey lieve, schenckse wat al waret enckel baey*.
+Laet haer doch uwe gunst om mijnen t'wil [31] verwerven,
+En laet my des te min wanneer ghy koomt te sterven;
+ De moeder lougher om, en prees de goede ziel, 315
+ Maer soo dat van de gift of niet of weynigh viel.*
+Als yemant naer een quael bekoomt syn vorigh wesen,
+En dat een jonge wulp van krevel* is genesen,
+ En dat een schippers gast sigh op het drooge siet,
+ Dan smelt een danckbaer hert wel* licht tot enckel niet*. 320
+Giralde lijckewel*, nu onder echte wetten,*
+Beschonck het geestigh dier met hondert pistoletten,
+ Een bruyt-stuck* voor den dienst. Daer lough het gierigh* wijf,
+ En vont in dit verhael een aerdigh tijt-verdrijf.*
+Dit maeckt de jonge maeght vermaert in alle steden, 325
+Mits* sy de vrijsters kent tot in haer diepste leden,
+ En 't bracht aen 't gansche rot geen kleyne baten in;
+Want daer Constançe quam daer wasset al gewin.
+Maiombe die sigh liet haer beste-moeder* noemen,
+En laet geen vreemde mans ontrent haer nichte* komen, 330
+ Sy neemt haer evenstaegh met al de sinnen waer,
+ En waer de bende reyst, sy slaept benevens haer.
+Daer was ontrent Madril een buyten-hof te vinden,
+Bevrijt met boom-gewas van alle sture* winden,
+ Hier viel om desen tijt een openbare* feest, 335
+ En daer bewees de maeght haer uytgelesen geest.
+Daer is een prijs geset voor die met aerdigh* singen,
+Daer is een prijs geset voor die met luchtigh springen
+ Sou sweven boven al; en 't is de snege* maeght
+ Die aen het nieusgier volck in beyde meest behaeght. 340
+De knopjens* van yvoir die aen haer vingers waren; [32]
+Gaen boven alle spel en boven alle snaren;
+ Want alss' haer soete stem en rasse vingers roert,
+ Soo wort al wie het hoort door lusten om-gevoert*.
+'T en is door geen gespreck* de menschen uyt te leggen, 345
+'T en is (na mijn begrijp) met woorden niet te seggen,
+ Wat schoonheyt al vermagh. De kunst is liefgetal*,
+ Maer koomter schoonheyt by soo gaetse boven al.
+Daer was om desen tijt een ridder in den velde,
+Die meest* het kleyne wilt met snege bracken quelde*: 350
+ En t'wijl hy in de jacht sigh al te besigh hout,
+ Soo raeckt hy buyten spoor te dolen in het wout.
+Hy weet geen jagers meer, hy weet geen snelle winden*,
+Hy weet in al* het bosch syn pagjen* [33] niet te vinden:
+ Maer t'wijl hy eensaem dwaelt, verneemt hy nevens hem 355
+ Een wonder soeten galm, een onbekende stem.
+Hy staet een weynigh stil tot by* hem is vernomen
+Van waer het soet geluyt tot hem was af te komen [34],
+ En daer op trat hy voort, en met een stillen gangh
+ Soo quam hy in het dal van waer men hoort den sangh. 360
+En mits* hy tot de plaets nu dichte quam genaken,
+Soo gaet hy door het loof een open ruymte maken,
+ Ten eynd' hy mochte sien wie in het naeste gras*
+ Soo wonder aengenaem van sangh en stemme was.
+Twee vrijsters aen den bergh die pluckten versche rosen, 365
+Die sy tot haer vermaeck uyt al de velden kosen,
+ En wat ter zijden af, ontrent een groenen bocht*,
+ Daer sat een jonger maeght die rose-kransen vlocht.
+Een wijf van vreemt gelaet*, geseten aender heyden*,
+Dat quam* (gelijck het scheen) het jonge rot geleyden; 370
+ En schoon sy mede pluckt, of rosen over-draeght,
+ Soo heeftse staegh het oogh ontrent de jonge maeght.
+En t'wijl men besigh is ontrent de versche bloemen,
+Vernam* Don Ian het volck dat wy heydinnen noemen,
+ En siet de jonge spruyt die in het groene sat 375
+ Heeft op den staenden voet hem door het oir gevat*,
+Hem door het oogh verruckt. hy siet haer geestigh* wesen,
+En hoort haer soete stem, en heeftet bey gepresen.
+ En t'wijl hy staet en dut* en op de vrijster siet,
+ Soo hief sy weder aen, en songh een ander liet. 380
+
+
+ Schoon bloem-gewas, en edel kruyt 381
+ Van 's hemels dau gevoet,
+ En al wat uyter aerden spruyt,
+ Ghy wort van my gegroet.
+ Ick koom hier aen der heyden gaen,
+ Daer souck ick mijn vermaeck,
+ Ick gae op u mijn oogen slaen,
+ En 't schijnt dat ick ontwaeck*.
+
+ Ick sie mijn beelt in uwe jeught, 389
+ Dat my eerst heden blijckt.
+ Ick schep mijn lust uyt uwe vreught,
+ Vermits ghy my gelijckt.
+ V schoone verw en frissche glans
+ Verçiert het gansche velt.
+ En, naar het seggen van de mans,
+ Ben ick oock soo gestelt.
+
+ Maer daer is noch een ander stuck, 397
+ Dat med' ons beyde raeckt;
+ Dat is dat ramp en ongeluck
+ Gansch licht tot ons genaeckt.
+ Besiet hoe ras een bloemtje sterft,
+ En plat ter aerden sijght:
+ Besiet hoe licht syn glans verderft,
+ En dorre plecken krijght.
+
+ Besiet hoe dat een frissche roos, 405
+ (Ick meyn een jonge maeght)
+ Een die men onder duysent koos,
+ En al de jeught behaeght,
+ Besiet hoe licht een schoone blom
+ Verliest haer eersten glans;
+ Schoon sy was lief en wellekom
+ By alle jonge mans.
+
+ Wel roosjens, çiersels van het velt, 413
+ Kan dit alsoo geschien?
+ En ist met u alsoo gestelt,
+ Soo dienter in versien.
+ Maer segh wat kan u beter zijn,
+ Als datje wort gepluckt?
+ Niet door een bock of gortigh* swijn,
+ Om soo te zijn verdruckt.*
+
+ Maer om te zijn een hupsche* kroon, 421
+ Ter eeren van de jeught.
+ Vw plucker tot een soete loon,
+ En tot een stage vreught.
+ En of u tijt is wonder kort,
+ Maeckt daerom geen getreur;
+ Want schoon een frissche roos verdort,
+ Sy hout een soeten geur.
+
+ Wel nu wy staen in eenen graet*, 429
+ O çiersel van het wout,
+ Koom geef my doch van uwen raet
+ Die ghy voor sekerst' hout.
+ Moet oock mijn bloemtje t'syner tijt
+ Van yemant zijn gepluckt ?
+PAN. Iae, vryster, soojet weerdigh zijt,
+ En soo het u geluckt.*
+
+ Daer zijnder niet dan al te veel 437
+ Die staegh ten toone staen,
+ Sy bieden ons een groene steel,
+ Maer niemant wilder aen.
+ Daer sweeft haer blat dan met den wint,
+ Als stof gemeenlick doet.*
+ Ach 't bloemtje dat geen plucker vint,
+ Dat treet men met den voet.
+
+PRETOISE. Wel hoe! wat koomt hier voor geluyt 445
+ Geresen uit het wout?
+ My dunckt hier sit een slimme* guyt
+ Gedoken in het hout.
+ Het mocht wel zijn de bocx-voet Pan,*
+ Die woont hier in het groen.
+ Dat is van outs de rechte man
+ Om vrijsters leet te doen.
+
+ Wel lincker* wie ghy wesen meught, 453
+ Ick bid u weest gerust.
+ Mijn bloem, mijn roem, mijn teere jeught
+ Is niet voor uwen lust.
+ Ick wachte voor mijn beste pant,
+ Tot troost van mijn verdriet,
+ Ick wachte vry een weerder hant;
+ Maer u en wacht ick niet.
+
+
+
+Terwijl hem* dit gebeurt met wonder groot vernougen, 461
+Soo koomt de nachtegael sigh by de vrijster vougen,
+ En queelt daer uyte borst met soo een bly geschal,
+ Dat haer* vermenghde stem verheught het gansche dal.
+De ridder onderdies gevoelt syn geest beroeren, 465
+Terwijl hy op de maeght alleen heeft sitten loeren*.
+ Wel of dit heydens* kint (seyt hy met vollen mont)
+ Eens op syn hoofs gekleet voor ons ten toone stont,
+Waer* sou haer schoonheyt gaen? van soo een aerdigh wesen*
+En is (gelijck ick meyn) in geenen tijt gelesen. 470
+ Hier op soo treet hy toe, en geeft* hem by de maeght,
+ Die hy na syn gevolgh en na de jagers vraeght.
+Sy, met een heus gelaet, seyt geensins yet te weten
+Waer syn geselschap is; maer daer te zijn geseten
+ Ten eynde sy een krans van groene kruyden vlocht, 475
+ Die haer dan op het feest tot çiersel dienen mocht.
+Maiombe die alreeds den ridder had vernomen,
+Begon van stonden aen voor hare nicht te schromen,
+ En maeckt* haer daer ontrent, op datse mocht verstaen
+ Wat haer de ridder seyt, en hoe de saken gaen. 480
+Constançe was begaeft met soo een aerdigh wesen
+Dat niemant haer gelaet genough en heeft gepresen,
+ Daer vloeyt uyt haren mont soo aengenamen lagh,
+ Dat sy de gunste won van die haer maer en sagh.
+Haer zeden zijn beleeft, haer reden wel gebonden*, 485
+Haer spraeck is enckel geest en niet als soete vonden;*
+ In 't korte, watse doet en watse neemt ter hant,
+ Dat toont een goeden aert en ongemeen verstant.
+De ridder onderdies ontstelt* door heete voncken,
+Heeft op dien eygen stont het soet vergif gedroncken; 490
+ En daerom als hy wist wie dat Maiombe was,
+ Soo is hy nevens haer gesegen* in het gras:
+Soo is hy met het wijf in veelderhande reden,
+En met Constançe selfs in langh gespreck getreden;
+ Ten lesten berst hy uyt: V schoonheyt, geestigh dier, 495
+ Verweckt in mijn gemoet een wonder selsaem vier.
+Ick wou, indien ick mocht, u trouwe dienaer wesen,
+En soo u dat beviel, soo waer ick haest* genesen,
+ Soo waer ick metter daet een gansch geluckigh mensch,
+ En had door uwe gunst mijn vollen herten-wensch. 500
+Het woort is nau geseyt, de soete Pretiose
+Die kreegh hier op een blos gelijck een versche rose,
+ Haer gramschap en met een haer schaemte zijn vermenght,
+ Als haer beroert gemoet hem dus syn antwoort brenght:
+Heer ridder (naer ick hoor) ghy zijt vol hoofsche* treken, 505
+En hebt (naer ick vermoe) meer vrijsters uyt-gestreken*;
+ Ick weet (als ghy een maeght om hare schoonheyt vleyt)
+ Ick wetet, lieve vrient, al wattet is [35] geseyt.
+Ick weet dat eens de vos bedroogh den slechten* raven,
+Als hy na spijse socht om hem te mogen laven*; 510
+ De raef had lecker aes en drough het in den beck,
+ Dit sagh de loose vos, en speeld' hem desen treck:
+Hy seyt hem, Aerdigh dier dat geestigh weet te singen,
+En zijt van outs geleert* in alle soete dingen,
+ Ey schenckt ons nu een reys een deuntjen na de kunst, 515
+ Dat sal ons heden zijn een teycken uwer gunst.
+De raef, eylaes verlockt met dese troutel-reden*,
+Die vought sigh om te doen gelijck hy was gebeden;
+ En mits* dat hy den beek tot singen open stelt,
+ Soo viel het lecker aes te midden op het velt. 520
+Dat greep de slimme vos, en sonder langh te beyden
+Begaf hy metten roof sigh midden opder heyden,
+ Daer at en lough het dier, en al met vollen mont,
+ Terwijl de malle* raef bedrouft en eensaem* stont.
+Ick ken (al ben ick jongh) den aert van 't listigh prijsen, 525
+En weet wat ongemack hier uyt sou mogen rijsen,
+ Ick weet het watje soeckt, als ghy my gunste biet;
+ Maer schoon ghy zijt de vos, ick ben de rave niet.
+Ick ben een heydens kint veracht van alle menschen,
+Hoe kan u hoogh gemoet om mijn geselschap wenschen, 530
+ Als slechts op desen gront, ten eynd' u geyle lust
+ Tot oneer mijner jeught eens mochte zijn geblust?
+Maer neen, gelooftet vry, geen man sal my belesen,
+Dat ick in geyle lust hem sal ten dienste wesen.
+Acht my voor die ghy wilt, en dat ick wesen magh, 535
+ Ick ben een vyandin van alle vuyl bejagh.*
+Dat sal ick eeuwigh zijn. wel gaet dan elders jagen,
+Voor u en is geen kans mijn eere wech te dragen;
+ Weet datter onder 't volck dat ghy voor heydens groet*
+ Noch is een reyne ziel en onbevleckt gemoet. 540
+Ghy dan, nadien ghy zijt genegen om te jocken*,
+Gaet naer het dertel hof, en streelt de sijde rocken*,
+ Soeckt daer bequame* stof voor u ongure* vreught,
+ En laet my 't edel pant van mijne reyne jeught.*
+Als 't wijf op desen toon de vrijster hoorde spreken, 545
+Heeft sy haer peck-swart hair een weynigh op-gestreken,
+ Als bly van dit gespreck. Ey, seytse, lieve vrient,
+ Hier is geen lichte koy die hoofsche linckers* dient.
+De joncker als verbaest* van soo gestrenge woorden,
+Die hem als door het oir tot in het herte boorden, 550
+ Sagh op het fier gelaet van soo een jeughdigh dier,
+ En voelt te meer de kracht van syn inwendigh vier.
+En naer hy sonder spraeck een weynigh heeft geseten,
+Soo laet hij syn besluyt de strenge vrijster weten,
+ En dat op desen voet; hy treckt van syner hant 555
+ Een ringh, een rijck juweel, een hellen diamant.
+En seyt haer: Schoone maeght, ick sweere by mijn leven,
+En by het ridderschap my van den prins gegeven,
+ Ick sweere by het pant dat ghy voor oogen siet,
+ Dat u mijn trouwe ziel oprechte liefde biet. 560
+'K en wil u, schoone blom, niet als een by-sit houwen,
+Ick wil u na den aert* van onse wetten trouwen,
+ En tot een vast gemerck*, siet daer één eeuwigh pant,
+ Draeght dat tot mijnder eer aen uwe rechterhant.
+Te midden in het woort soo biet hy Pretiose 565
+Een schoonen diamant. Sy, na een lange pose
+ Het stuck in haer gemoet te hebben overdacht,
+ Heeft dus, met heus gelaet*, haer antwoort ingebracht:
+Wel joncker, na my dunckt, ghy schijnt het stuck te meenen,
+Maer ghy sult uwen staet* in my te seer verkleenen; 570
+ Ghy daerom letter op, eer dat ghy vorder gaet,
+ Hier dient niet in* gegaen als met besetten* raet.
+Maer noch al boven dat, soo magh ick niet vergeten
+Dat u in dit geval is dienstigh om te weten,
+ En dat ick noodigh acht voor al te zijn gedaen, 575
+ Eer dat wy tot besluyt in desen handel* gaen*.
+Ghy moest twee jaren langh in ons geselschap leven,
+En u aen onse wet ten vollen over-geven:
+ Ghy moest benevens* ons gaen dolen achter* lant,
+ By wijlen sonder gelt en sonder eenigh pant*: 580
+Ghy moest u machtigh goet en uwe groote staten,
+Ghy moest u prachtigh kleet geheelick achter laten,
+ Ghy moest in volle daet, en niet in loosen schijn,
+ Een spot, gelijck als wy, van al de werelt zijn;
+En dit al, goede vrient, om wel te mogen* letten, 585
+Of nut en dienstigh is u sin op my te setten,
+ En med' aen d'ander zy, of my oock dienen sou
+ Met u dit vry gemoet* te binden aen de trou.
+Siet dit is ons gebruyck, ick spreke sonder veysen*,
+Ghy, soo het u belieft, gaet op de sake peysen; 590
+ Dit moet de preuve* [36] zijn van uwe liefde, vrient,
+ Of anders stelt het vast, dat ghy my niet en dient*.
+Soo haest de ridder hoort het slot van dese reden,
+Hem rilt een koude schrick door al de gansche leden.
+ Dies seyt hy: Dit ontwerp dat ghy hebt voort-gebracht, 595
+ Gaet verde*, soete maeght, en dient te zijn bedacht.
+Ick wil met rijp beraet het stuck gaen overleggen,
+En u in ronde tael mijn antwoort komen seggen,
+ En dat te deser plaets, en in dit eygen dal,
+ Soo haest de gulde son hier weder schijnen sal. 600
+Daer mede breeckt hy af; vermits hy had vernomen,
+Dat boven van den bergh syn jagers neder komen;
+ Die wenckt hy metter hant; soo dat het gansche rot
+ Met hem koomt af-gedaelt tot aen syn vaders slot.
+Hier treet de ridder in, en, schoon dat al de knechten 605
+Zijn besigh op een ry de schotels aen te rechten,
+ Hy des al niet-te-min onthout hem van den dis,
+ Vermits hy, soo het schijnt, geheel onlustigh is.
+Hy sluyt syn kamer toe, en gaet een wijle treden,
+Hy spreekt tot syn gemoet, en al in losse* reden, 610
+ En dus, en weder soo, al sonder vast besluyt,
+ En berst noch op het lest in dese woorden uyt:
+Eylaes! wat gaet my aen* aldus te liggen mallen*,
+En op soo lagen plaets mijn oogh te laten vallen,
+ Mijn oogh, mijn dertel oogh, mijn ongetoomde lust, 615
+ Die niet aen dese kant en dient te zijn geblust?
+Sal ick mijn edel huys, mijn staet, en eere laten,
+En met soo vuylen hoop gaen loopen achter straten*,
+ Gaen loopen door het rijck, en menigh ander lant,
+ Alleen maer uyt een tocht van geyle minne-brant? 620
+Sal ick, een Christen mensch, tot heydens my begeven,
+En leyden nevens haer een rou en beestigh leven?
+ Sal ick een macker zijn van desen vuylen hoop,
+ Een smaet van onsen God, en van den reynen doop?
+Sal ick mijn naeste bloet tot mijnen* haet verwecken, 625
+En door het gansche rijck mijn voorstel* doen begecken?
+ Sal ick de schande doen aen mijn vermaerde stam,
+ Dat ick een heydens wijf in mijn geselschap* nam?
+Dat ick, als tot een spijt* van alle Christen-vrouwen,
+Met soo een vuyl gebroet genegen ben te trouwen? 630
+ Neen neen, ô hoogh gemoet, en doetet nimmermeer,
+ Let op uws vaders huys en op u eygen eer.
+Ghy houft voor u geen wijf by dit gespuys te soecken,
+En maken dat het volck u trouwen sal vervloecken.
+ Hier in dees rijcke stadt en in dit machtigh hof, 635
+ Daer is tot u gerief al vry bequamer stof.
+Indien ghy zijt gepast* met wel-gemaeckte leden,
+Koomt, als het u bevalt, maer uyt u huys getreden,
+ Daer woont de schoonheyt selfs, en dat in groot getal,
+ Daer u naeu-keurigh* hert vernougen vinden sal. 640
+Indien ghy zijt vermaeckt* met wel en net te spreken,
+En dat oock evenselfs en sal u niet ontbreken.
+ Indien ghy gelt begeert, of anders machtigh goet,
+ Ghy vindt het even daer, en dan oock edel bloet;
+Ghy vintet altemael, en watter is te wenschen, 645
+Treckt maer u grilligh* oogh van dees ongure menschen,
+ Gaet kiest dat u betaemt, en trout met uws gelijck;
+ Ghy vint tot u gerief het gansche koninghrijck.
+Maer wat magh ick, och arm! mijn jonge sinnen quellen,
+En mijn ellendigh hert in dese prangen* stellen? 650
+ Ick sie het klaer genough wat dienstigh is gedaen,
+ Maer wie kan in de jeught syn tochten wederstaen?
+Ick prijse reyne tucht en alle goede zeden,
+Maer ick en kan de lust niet buygen na de reden:
+ Al ben ick met de jeught gedurigh in geschil, 655
+ Ick worde wech-geruckt oock daer ick niet en wil.*
+Ick word', eylaes! vervoert*, en schoon ick wil het weren,
+Ick rake buyten spoor oock tegen mijn begeren.
+ Het vleesch is wonder sterck, en 't is een deftigh* man,
+ Die hier het velt behout en meester blijven kan. 660
+Ick gae dan wederom, ô schoone Pretiose,
+Mijn hert vermagh het niet dat ick een ander kose;
+ Ick ben in dat gepeys te verre wech geleyt,
+ Ick hael het weder in* al wat ick heb geseyt.
+Soo haest u geestigh oogh, u soet en aardigh wesen 665
+Koomt als een helle son in mijnen geest geresen,
+ En dat ick sie den glans van u beleeft* gelaet,
+ Dan isset sonder kracht al wat u tegen gaet.
+Geen mensch kan immermeer in desen my beschamen,
+Als of soo slechten maeght my niet en sou betamen, 670
+ En dat mijn grilligh hert hier sonder reden malt,
+ Vermits mijn rouwe* jeught hier in te lage valt.*
+Ey draeyt doch eens het oogh, en siet na d'oude jaren,*
+Het stuck dat sal gewis sigh anders openbaren;
+ Wat isser doen ter tijt, wat isser al bedocht, 675
+ Om by een geestigh dier te vinden dat men socht?
+Iupijn, wel eer geseyt de grootste van de goden,
+Is uyt syn hoogen troon tot in het wout gevloden,
+ En heeft daer aen-gedaen het wesen van een stier,
+ Of van een wilde swaen, of ander selsaem dier. 680
+Heeft niet Alcmenaes soon,* die monsters had verwonnen,
+Den spin-rock aen-geveert, en als een wijf gesponnen,
+ En vry al meer gedaen dat noyt een deftigh man,
+ Bezijden dit geval, ter eeren duyden* kan?
+Hoe menigh edel vorst, een kroon gewoon te dragen, 685
+Is inder haest verruckt* door heete minne-vlagen,
+ Niet door een hoofsche maeght, of groote koningin,
+ Maer, ick en weet niet hoe, een sloir* een harderin?
+Daer is, men weet niet wat, in onsen geest verholen,
+En doet al menighmael de wijste lieden dolen, 690
+ Het brenght hen in den geest een aengename pijn,
+ En seyt: Dat Gode vought* wien kan het schande zijn?
+Soo haest het groote licht de sterren heeft verdreven,
+Soo gaet de jongelingh sigh op den wegh begeven,
+ Hy vint het oude wijf, hy vint de jonge meyt 695
+ Ter plaetse daerse bleef en daer het was geseyt.
+Hy viel, terwijl hy gaet, in veelderley gedachten,
+Die hem syns vaders huys vry hooger deden achten,
+ Die hem van nieuwen aen gaen brengen in den sin,
+ Syn vremde dweepery en noyt bekende* min. 700
+Dies valt hy in beraet, of hy sal weder keeren,
+Dan of hy syn gemoet sal laten overheeren;
+ En, siet, de reden wan, de vremde liefde weeck,
+ En, soo het schijnen mocht, syn eerste lust besweeck.
+Maer juyst in dit gepeys doen sagh hy Pretiose, 705
+En* scheen in haer gelaet gelijck de versche rose,
+ Oock* schoonder alsse plagh. Dies als hy nader quam,
+ Soo wert van desen roock terstont een helle vlam.*
+Iuyst soo gelijck een keers te voren eens ontsteken,
+Waer van dien eygen stont het leven is geweken, 710
+ Indiense maer een reys genaeckt een hellen brant,
+ Is op den staenden voet in haren eersten stant:
+Soo vaert de jongelingh. Hy koomt tot haer getreden,
+Hy seyt haer: Weerde maeght, ick schenck u dese leden,
+ Ick ben bereyt te doen wat ghy bevelen sult, 715
+ En watter komen magh te dragen met gedult.
+Ick ben van nu bereyt u wijsen* aen te vangen,
+Laet my terstont een kleet van u geselschap langen*;
+ Ick sal om uwen t'wil [37] met blijdschap onderstaen
+ Dat nimmer edelman of ridder heeft gedaen. 720
+Dit seyt hy, en terstont began hy uyt te trecken
+Al wat syn edel lijf voor desen plagh te decken;
+ Soo dat hy eer* een uyr daer op den velde state
+ In als* soo toe-gerust gelijck een heyden gaet.
+Stracx koomt het gansche rot den man bewellekomen, 725
+En hy wort onder hen als broeder aen-genomen;
+ Daer wort syn hooft gewiet* te midden in de schaer,
+ Maer al met naer* geheym en wonder vremt gebaer.
+De naem die hem wel eer was in den doop gegeven,
+Om als een Christen-mensch voortaen te mogen leven, 730
+ Wort by* hem voor het volck ten vollen af-geleyt,
+ Soo dat hy nu voortaen Andreas wort geseyt.*
+Een met een grijsen kop die quam tot hem getreden,
+En biet hem veel gelucx, en seyt hem dese reden:
+ Ghy, die als nieuwelingh in ons geselschap treet, 735
+ 'T is nut dat ghy den gront* van onse rechten weet.
+Ick dan, een opper-hooft van onse med'gesellen,
+Wil voor u klouck verstant ons wetten open stellen.
+ Voor eerst en heeft ons volck geendingh voor hun alleen,
+ Wat yder wint of vint dat is voor ons gemeen. 740
+De vrouwen neem ick uyt*; die mogen na de wetten
+Haer bedde nimmermeer in eenigh deel besmetten.
+ Want als haer eenigh wijf hier in te buyten gaet,
+ Dat wort van stonden aen gelevert aan den Raet,
+En die laet overluyt terstont het vonnis lesen, 745
+Dat sy onweerdigh is op aerden meer te wesen.
+ Dies houft men beul, noch galgh, noch sweert, noch engen strop,
+ De jonghste van den hoop die breeckt* haer flucx den kop.
+Men tijght ons dieften op*, en wonder slimme* streken,
+Maer 't is niet wel geseyt, men moeste sachter spreken; 750
+ Wy stellen overal gemeenschap in het goet,
+ En nemen ons behouf van rijcken overvloet.*
+Wy zijn gelijck een spoor* van haveloose* menschen,
+En krijgen even soo* al wat wy konnen wenschen.
+ Want die op syn bedrijf* niet vlijtigh toe en siet, 755
+ Wanneer hy weder koomt, soo vint hy dickmael niet.
+Ons tuygh wort noyt gerooft. 't is qualick yet te stelen,
+Wanneer den huys-weert selfs die rolle weet te spelen;
+ Al knaeght de grage* slangh al vry een lange wijl
+ Voor haer en is geen aes te krijgen van de vijl. 760
+Wy leeren alle daegh de gront om wel te leven,
+En wat men aen den buyck of rugh behoort te geven,*
+ Wy hebben inder daet nu menighmael beprouft,*
+ Hoe weynigh dat het lijf tot noodigh voedsel houft.
+Het is een groot gemack, bekent aen weynigh menschen, 765
+Niet* in dit aerdsche dal te vreesen of te wenschen:
+ Wy vinden dat men eerst dan onbekommert leeft,
+ Wanneer men niet en soeckt, oock als men niet en heeft.
+Dies zijn wy niet besorght* om goet by een te rapen,
+Maer konnen onverlet en sonder vreese slapen. 770
+ Wy spitten nimmermeer, wy kennen geenen plough,
+ En des al niet-te-min wy vinden broots genough.
+Wy preesen noyt een mensch die na den rijckdom snelde,
+Wy leven van den dau, als bloemen op den velde.
+ Ons ziel is niet beducht om geit of machtigh goet, 775
+ Wy rapen onsen kost gelijck een vogel doet.
+Wy plucken sonder gelt de vruchten van de boomen,
+Wy trecken sonder kost* de vissen uyt de stroomen,
+ Wy krijgen wilts genough en vogels uyt het wout,
+ De keyen geven vier, en al de bossen hout. 780
+Ons huysraet meestendeel bestaet in snelle bogen.
+Wy koken daer het valt*, wy slapen daer wy mogen*;
+ En schoon het niet en gaet gelijck het yder lust,
+ Wy des al niet-te-min wy stellen ons gerust.
+Wy konnen noorden wint, en alle sure* vlagen, 785
+Wy konnen harden vorst, oock sonder hinder dragen;
+ Soo dat ons gansche lijf geen koud' of hit en kent.
+ Soo veel vermagh de tijt en daer men toe gewent.
+Schoon dat het gansche rijck wou krijgh en oorloogh [38] voeren,
+'T en sal ons even-wel de sinnen niet beroeren. 790
+ Want schoon of dese wint, en die verliest den slagh,
+ Het gaet ons even-wel gelijck het eertijts plagh.
+Wy staen noyt vrouger op om eenigh heer te groeten,*
+Of dat* wy door de stadt een prins geleyden moeten,
+ Wy streelen* niet een mensch, oock niet den grootsten vorst, 795
+ Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst.
+Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken,
+Om ons door al het lant een grooten naem te maken,
+ Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt,
+ Wy zyn als buyten schoots en werden niet geraeckt. 800
+Al is de gansche kust van roovers in-genomen,
+Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen;
+ Wy singen menighmael oock in het dichste wout,
+ Daer sigh een vinnigh* heir van felle moorders hout.
+Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen, 805
+Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen:
+ Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet.
+ Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet?
+Schoon dat het gansche rijck moet tol* of schattingh geven,
+Wy lyden even-wel een onbekommert* leven, 810
+ Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lant
+ En worden oyt geverght aen onsen vrijen stant.
+Wat dienter meer geseyt? wy zijn geduchte* lieden,
+Die geen verheven vorst, geen prins en kan gebieden.
+ Al waer de gulde son de werelt open* doet 815
+ Daer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet.
+Wy leven over-al als prinçen van den lande;
+Niet hebben even-wel en is hier niemant schande.
+ Wy trecken t' onsen dienst geheel het aertsche dal,
+ Wy hebben niet een sier, en wy besitten 't al. 820
+Ick heb u, edel helt, ons wijse nu beschreven,
+Ghy let of ghy begeert met ons daer in te leven,
+ Dan of ons strengh gebruyck is tegen uwen aert;
+ Want siet het staetje vry te blijven dat je waert.
+De grijse kop die sweegh. Andreas gaet beginnen, 825
+Spits-broeders, seyt de man, met al de gansche sinnen
+ Word' ick u bont-genoot, en tot een vaste peyl*,
+ Hier is een volle beurs die ick u mede deyl.
+Siet, als ick uytte stadt tot u ben af-gekomen,
+Soo heb ick desen bucht* in voorraet met-genomen: 830
+ Ontfanght dit kleyn geschenck, en weester vrolick van,
+ En hout my voor u vrient en voor een rustigh* man.
+Een dingh wil ick alleen hier in bedencken* brengen,
+En bidden, wat ick magh*, dat ghy het wilt gehengen*;
+ Ick treed' in dit verbont, alleen om dese maeght, 835
+ Laet die voor my alleen indien het u behaeght.
+Ick sal tot aller tijt, waer dat wy henen trecken,
+Haer voor een trouwen vrient, en voor een hoeder strecken,
+ Ick sal haer leyder zijn en hier en over-al,
+ Soo dat haer teere jeught geen hinder lijden sal. 840
+Een van den swarten hoop begon hier op te wrocken*,
+En seyde: Lieve vrient, soo ghy begeert te jocken
+ In eere sonder hoin,* [39] het wert u toe-gestaen;
+ Maer, wat ick bidden magh, en wilt niet hooger gaen.
+Weest heus in u gebaer*, en wilter in volherden; 845
+Of anders, houtet vast, het sal u beurte werden;
+ Wy lijden onder ons by wijlen soet gelach,
+ Maer ontucht nimmermeer, en geensins vuyl bejach.
+Dies soo de jonge maeght van u wert uyt-gestreken*,
+Wy sullen u gewis den kop aen stucken breken; 850
+ Maer sooje trouwe* meent, en niet als eerbaer zijt,
+ De maeght sal uwe* zijn, en dat te rechter tijt.
+Dit nam Andreas aen ten vollen na te komen,
+En heeft op dit bespreek* de vrijster aen-genomen*;
+ Een yder riep geluck en maeckte groot gebaer*, 855
+ En wederom geluck, geluck, geluckigh paer.
+Maer hy versoeckt terstont, dat haer de gansche bende
+Vertreckt* uyt dat gewest en elders henen wende,
+ Wt [40] vreese soo hy bleef of woonde daer ontrent,
+ Dat hy van eenigh mensch eens mochte zijn bekent*. 860
+Daer gaet hy metten hoop in vreemde landen dwalen,
+En hy en mist niet eens syns vaders hooge zalen,
+ Hy acht geen ongemack, geen schande, geen verdriet,
+ Wanneer hy maer een reys syn Pretiose siet.
+Hy voelt syn ingewant, hy voelt syn herte springen, 865
+Al sy maer uyt de borst een deuntjen plagh te singen,
+ Het bitter even-selfs dat is hem suycker soet.
+ Ey siet eens wat de jeught, en wat de liefde doet!
+Don Ian noch even-wel, oock in dit woeste leven,
+En wil hem tot bedrogh of diefte niet begeven; 870
+ Maer wat dit selsaem volck of hier of elders haelt,
+ Dat wort al menighmael by hem alleen betaelt.
+Hy wil geen vuylen jock in haren praet gehengen,
+Maer pooghtse met beleyt op beter wegh te brengen;
+ Soo dat hy metter tijt haer rouwe sinnen wint, 875
+ En sigh by al den hoop in grooten aensien vint.
+Maer t'wijl dit selsaem volck op hare wijse leefde,
+En sonder vaste plaets in alle landen sweefde,
+ Een maeght van Murçia die sagh den edelman,
+ En hoe hy al de jeught in schoonheyt overwan. 880
+En hoe syn heus gelaet en syn beleefde zeden,
+Syn oogh, syn hoofsche tael, syn wel-gemaeckte leden
+ Zijn anders in gestel* als oyt een heyden plagh,
+ Of alsse daer ontrent een heer of ridder sagh.
+Haer geest die wort beroert, haer sinnen om-getogen*, 885
+De loop van haer gepeys is buyten haer vermogen,
+ Sy voelt 'k en weet niet wat ontrent haer grilligh hert,
+ Sy voelt hoe dit gewoel* allencxen grooter wert.
+Wat sal de juffer doen? Sy weet niet wat te maken,
+Sy voelt een selsaem vier door al de leden blaken; 890
+ Dies als sy op een tijt den ridder eensaem vont,
+ Soo opent sy aldus tot hem een heuschen mont:
+Bevallick jongelingh, wat magh u doch bewegen,
+Dat ghy tot desen hoop soo bijster zijt genegen?
+ Dat ghy by dit gespuys u soete jeught verslijt, 895
+ Ey geeft eens beter vreught aen uwen jongen tijt.
+Gebruykt u geestigh lijf en dese schoone leden,
+Daer ghy, tot uwer eer, die nutter sult besteden,
+ En soo ghy zijt geneyght te gaen met goet beleyt,*
+ Ick weet een beter staet voor u alleen bereyt. 900
+Hier zijn veel edel-lien die my tot trouwen vergen*,
+Want ick heb over-al veel wijngaerts aen de bergen,
+ En bossen in het wout, en boomgaerts in het dal,
+ En ossen op het velt, en peerden in den stal,
+En schapen op het schor*, en geyten aender heyden, 905
+En hinden in het perck, en koeyen in de weyden,
+ En knechten tot de jacht, en honden in het kot,
+ En voor mijn eygen huys een schoon en lustigh slot.
+In 't korte machtigh goet. magh ick u maer genieten*,
+Ick sal in uwen schoot geheele schatten gieten, 910
+ Dit wout, dit vruchtbaer lant, soo ver u oogen sien,
+ Dat sal u eygen zijn, en ick noch boven dien.
+Ick die een dochter ben van edel bloet geboren,
+Heb u, door enckel gunst, voor alle mans verkoren.
+ Siet, dat de beste jeught voor desen heeft gesocht, 915
+ Wort u alleen gejont, en in den schoot gebrocht.
+Ontfanght mijn rechter-hant, ontfanght mijn frissche* leden,
+Die ick in u vermaeck na desen wil besteden,
+ Ontfanght mijn herte selfs, en stelt my buyten pijn,
+ En spreeckt een eenigh woort, en ick sal uwe zijn. 920
+Andreas hoordet aen, maer kon het geensins prijsen,
+Dat uyt haer teeren mont soo vrije woorden rijsen.
+ O vrijsters, watje doet, siet datjet niet en vraeght;
+ Want als een vrijster vrijt dat is te veel gewaeght.
+Me-juffrou, seyt de man, ick danck u duysent werven, 925
+Mijn liefd' is eens geset, en daer in wil ick sterven;
+ Weet oock dat onder ons geen mensch en wert gepaert,
+ Als met ons eygen volck of een van onsen aert.
+V [41] gunste, niet-te-min, die ghy my komt betoonen,
+Die wensch ick dat u God ten vollen wil beloonen; 930
+ Doch, wat my raken* magh, set elders uwen sin,
+ Mijn hert is u ontseyt, daer woont een ander in.
+Gohanna met den slagh van soo een drouve reden,
+Gevoelt een koude schrick haer rillen door de leden,
+ Gevoelt een diep verdriet; sy gaet ter zijden af, 935
+ Daer sy haer drouf gemoet in dese klachten gaf.*
+Wat ben ick voor een sloir*? wat heb ick gaen beginnen?
+Kan ick geen heyden selfs bewegen om te minnen?
+ Och! God, wat hanght my uyt*, dat ick geen schamel man
+ Met al dat ick besit tot mywaerts trecken kan? 940
+Ben ick dan soo mismaeckt, soo leelick aan te schouwen,
+Dat my een slecht* gesel ontseyt een wettigh trouwen?
+ Ben ick soo vuyle slons, of wel een oude queen*,
+ Dat ick verstooten word' en loop een blauwe scheen?
+Neen seker; 'k heb terstont* mijn lijf en gansche wesen, 945
+Mijn oogh, en rooden mont, mijn geestigh* hair gepresen,
+ Als ick ontrent den noen en midden op den dagh*
+ Mijn leden overslough*, en in den spiegel sagh.
+Voorwaer een eerlick* man die sou hem des vernougen,
+Indien ick maer en wou tot hem mijn leden vougen:* 950
+ Ick ben wel kussens weert, en soo ick maer en wou,
+ Ick waer oock heden selfs versegelt* in de trou.
+Daer zijnder vry genough die my des komen vragen,
+En die noch boven dat mijn vrienden* wel behagen:
+ Ick ben voor rijck, en schoon, en eerbaer* hier bekent, 955
+ En heb soo veel versoucx* als yemant hier ontrent.
+Maer dat is niet genough. Men kan geen liefde setten,
+Ter plaetsen daer men wil; want die is buyten wetten,
+ En gaet daer 't haer bevalt. De sin die isset al;
+ En gansch de werelt dwaelt in dit ellendigh mal*. 960
+Ick ben soo dwaes geweest dat ick heb uyt-verkoren
+Een die my niet en acht. ach! waer ick noyt geboren.
+ O! 't is een hart gelagh, wanneer een jonge maeght,
+ Haer wil niet hebben magh, schoon sy 't haer minder vraeght.
+Ach! dat's een wrange spijt, ach mocht ick heden sterven! 965
+Want ick en sal geen troost mijn leven oyt verwerven.
+ Hy is een selsaem hooft, hy is een rouwe gast,
+ Die op geen schoone verw en op geen rijckdom past.*
+Maer waerom dus ontset om niet te willen leven?
+En waerom doch den moet soo veerdigh op-gegeven? 970
+ Het gaet noch als men vrijt gelijck het eertijts plagh,
+ Daer wort noyt eycken boom gevelt met eenen slagh.
+Ick wil eens wederom ick wil de saeck beprouven,
+Hy sal niet andermael mijn teere ziel bedrouven;
+ Ick sal hem mijn çieraet, mijn schatten boven dien, 975
+ Ick sal hem diamant en peerels laten sien.
+Ick sal gelijck een klis hem aen de leden hangen,
+En met een soet gevley hem streelen aen de wangen,
+ Ick sal hem. Maer, eylaes! hoe meer een vrijster vleyt,
+ Hoe datse meer verveelt, en lichter wert ontseyt*. 980
+Syn hert is niet aen haer;* het wert, eylaes! beseten,
+Van eene die ick merck hy noyt en sal vergeten.
+ 'T is dan om niet gepooght, al woel ik bijster seer;
+ Want voor mijn treurigh hert en is geen hope meer.
+Het lieven is een dingh van wonder groot vermaken, 985
+'K en weet op aerden niet dat beter plagh te smaken;
+ Maer liefde sonder hoop van oyt gelieft te zijn,
+ Dat is een boose plaegh, en meer als helsche pijn.
+Dan ick ben niet gesint dit quaet in my te voeden,
+Het geesselt mijn gemoet als met gestage roeden. 990
+ Gewis dit moeter uyt; en om hier wel te gaen,
+ Soo moeter in de plaets en haet, en wraeck-lust staen.
+Wel, haet, ontsteeckt mijn hert, en stelt u om te wreken,
+Dat zijn van overlangh dat zijn de rechte streken
+ Van een die qualick mint, of ongeluckigh vrijt, 995
+ Ontseyde gunst ontbrant in gal en enckel spijt.
+En dat knaeght aldermeest de sinnen van de vrouwen,
+Die zijn hier als verwoet, en konnen wonder* brouwen.
+ Een wijf is bijster ergh*; en waer men lagen smeet,
+ Daer is geen nicker* selfs die slimmer gangen weet. 1000
+Dit moet ick heden selfs dit moet ick gaen beprouven,
+Ick wil hem metter daet, ick sal hem gaen bedrouven
+ Die my de vreught ontseyt. Stae by nu, vrouwen-list,
+ En stort in mijnen geest dat noyt verrader wist.
+Dat noyt een spoker* dacht, of boose geesten vonden, 1005
+Mijn breyn is op den loop, mijn sinnen ongebonden,
+ Mijn kop die suysebolt, daer is geen houwen aen,
+ Daer moet oock* desen dagh wat selsaems omme-gaen.
+Ick, ick, moet wrake doen, en hy syn straffe dragen,
+Al sou het gansche rijck van desen handel wagen, 1010
+ Al soud' ick heden selfs my brengen in den noot;
+ Stil* leven kan ick niet, ick ware liever doot.
+Hoort wat de juffer doet. Sy laet haer jongen letten,
+Waer dat Don Ian syn mael* gewoon is in te setten,
+ Een mael die niet en sluyt, en slechts van ossen leir; 1015
+ Want koffers vindt men noyt ontrent dit selsaem heir.
+Hier van wel onderricht, soo laetse moye dingen,
+Gout, peerels, hals-çieraet, daer in den huyse bringen,
+ En binden in het kleet van onsen jongelingh,
+ Terwijl hy in het dorp of op den velde gingh. 1020
+Andreas wel bewust hoe dat de vrouwen woeden,
+Wanneer men haer ontseyt haer lusten aen te voeden,*
+ Gebiet* dat al het volck terstont in rassen spoet,
+ Oock op dien eygen dagh, van daer vertrecken moet.
+Dit nam de juffer waer, en als hy meynt te reysen, 1025
+Begon sy met beleyt op haer bedrogh te peysen;
+ Sy stroyt door al het dorp dat sy uyt hare kist,
+ Gout, peerels, eenigh gelt, en veel juweelen mist.
+Stracx zijn op haer geklagh de boeren aen-gekomen,
+Die eyschen wederom al watter is genomen: 1030
+ De rackers* van de schout zijn mede daer ontrent,
+ Die na den vreemden roep* de strenge rechters sent.
+Daer gaet men 't heydens rot ten nausten ondersoecken,
+De vrouwen in haer keurs*, de mannen in de broecken.
+ Maer, siet, de loose maeght die wees den ridder aen, 1035
+ En seyt het slim bejagh* by hem te zijn begaen.
+Als dit Andreas hoort soo komt hy toe-getreden,
+Hy lough de jufler toe, en seyd' haer dese reden:
+ Komt souckt, vriendinne, souckt al wat gy soucken meught;
+ By my is anders niet als trou en ware deught. 1040
+Indien ick van bedrogh hier schuldigh wort bevonden,
+Soo ben ick wel getroost om vast te zijn gebonden,
+ En soo te zijn gestraft gelijck men guyten* doet,
+ Die soecken haer bejagh op ander luyden goet.
+Ick sal nogh boven dat u seven-mael betalen, 1045
+Wat ghy van u çieraet hier uyt sult konnen halen:
+ Doorsoukt vry dese mael, en watje vorder siet,
+ Een peert dat niet en let* en vreest den ros-kam niet.*
+Hier op soo gaet de schout, en syne rappe gasten *,
+De male van den vrient wel happigh* ondertasten*, 1050
+ En, siet, van stonden aen soo komt het aen den dagh,
+ Al wat voor aerdigh tuygh daer in verholen lagh.
+Don Ian op dit gesicht is wonderlick verslagen,
+Noyt was hy soo verbaest* van al syn leven-dagen;
+ Hy staet gelijck een steen met droufheyt overstort, 1055
+ Eylaes! de jongelingh en weet niet waer het schort.
+Stracx* riep de jufier uyt: Koomt vanght ons dese bouven,
+Die met haer vuyl bejagh het gansche lant bedrouven.
+ Maer grijpt eerst desen gast, die eerst soo moedigh* sprack,
+ Hy is de rechte gront van al het ongemack. 1060
+Hier vanght den rechter aen den ridder seer te schelden,
+Hy noemt het heydens volck een plage van de velden,
+ Een peste van de stadt, een schroom* van yder huys,
+ Een schuym van bouve-jacht* en alle vuyl gespuys.
+Daer stont een krijghs-man by die sigh des gingh bemoeyen, 1065
+Wech (seyt hij) met den bouf, hy dient te leeren roeyen.*
+ En even met het woort soo geeft hy hem een slagh,
+ Soo dapper* als hy kan, soo vinnigh als hy magh.
+Andreas suysebolt, syn hersens zijn bewogen,
+Syn geesten al gelijck door gramschap op-getogen, 1070
+ Hy denckt niet waer hy is, hy weet niet wat hy doet,
+ Syn geest die speelt alleen ontrent syn edel bloet.*
+Hy stelt hem dan te weer, en gaet den krijghs-man tegen,
+Hy valt hem op het lijf, en vat syn eygen degen,
+ Hy treft hem in het hert met soo een diepen steeck, 1075
+ Dat hem de leven-kracht van stonden aen besweeck.
+Daer schreeut men overhoop*. Andreas wort gebonden,
+En al het heydens rot na Murçia gesonden;
+ Daer is het hals-gerecht van dat geheele lant,
+ Soo dat men daer ontrent geen hooger rechter vant. 1080
+Terwijlen dit gebeurt, Constançe, gansch verslagen,
+Is van den bleycken angst als buyten haer gedragen,
+ Daer is een killigh sweet dat uyt haer aders schiet,
+ Vermits sy haren vrient aldus gebonden siet.
+Maer desen onverlet* soo wortse mé genomen, 1085
+En is met al het rot tot in de stadt gekomen;
+ Daer krielt men overhoop al waer de vrijster quam.
+ Vermits een yder lust in haer gesichte nam.
+De fame van de maeght aen alle kant gevlogen,
+Heeft oock de lant-vooghdin tot in het hert bewogen, 1090
+ Sy maeckt haer veerdigh op, sy gaet tot haren man,
+ Daer seytse voor de maeght al watse seggen kan;
+Al met soo grooten ernst* dat haer wort toe-gelaten,
+Het jongh, het geestigh dier te nemen van der straten,
+ Te brengen op het slot. Maiombe wasser by, 1095
+ En was om dit geval van ganscher herten bly.
+Sy meynt, soo maer de vrou hoort Pretiose spreken.
+Dat haer noch goet onthael noch gunste sal ombreken [42].
+ En soo als sy het gist soo wasset dattet viel,
+ Me-vrou ontfingh de maeght als met een open ziel. 1100
+Sy blijft gelijck verdwelmt* in hare soete wangen,
+Sy blijft aen haer gelaet met al de sinnen hangen,
+ Sy neemtse byder hant, sy leytse door de zael,
+ Sy valt haer om den hals en kustse menighmael.
+Sy spreeckt Maiombe toe, sy vraeght verscheyde saken, 1105
+Maer verre boven al die Pretiose raken,
+ Sy vraeght hoe out sy was. Het wijf dat antwoort haer,
+ Dat nu haer nichte quam ontrent de vijftien jaer.
+Hier op is in de vrou een drouve luym* geresen;
+Dus oudt soud' even nu mijn weerde dochter wesen, 1110
+ Indien de goede God dien uytgelesen schat
+ (Dit sprack vrou Giomaer) aen ons gelaten had.
+Maer, laes! nu is het kint in syne jonge dagen
+Met listen wech-geruckt, en uytet lant gedragen.
+ Constançe waerje zijt, of immer komen meught, 1115
+ God zy door synen geest ontrent u teere jeught.
+De maeght gingh onderdies me-vrou de handen kussen,
+En bid haer evenstaegh haer druck te willen blussen*;
+ En t'wijl vrou Giomaer vast sit op haer en sagh*
+ Ontsluyt* het aerdigh dier aldus syn drouf geklagh. 1120
+Indien ghy, weerde vrou, hebt eenigh welbehagen
+In mijne teere jeught, soo hoort mijn angstigh klagen,
+ En mijn bedroufde stem. De goede jongelingh,
+ Dien in het naeste dorp de lant-drost* heden vingh,
+Dat is mijn weerde vrient, in trou aen my gebonden, 1125
+Daer wort geen beter mensch in al het lant gevonden;
+ Al* is de krijghsman doot het is syn eygen schult,
+ Hy bracht den vromen* helt tot enckel onverdult* [43].
+Hy slough hem met een vuyst dat hem de tanden bloeden,
+Soo dat syn edel hert hierom begon te woeden. 1130
+ Hy is geen rouwe gast die oyt syn leven stal,*
+ Gelijck men metter tijt wel ondervinden sal.
+Hy is een edelman. laet alles overwegen,
+En ondersoeckt het stuck gelijck het is gelegen,
+ Ghy sult met oogen sien, en tasten metter hant, 1135
+ Dat niemant oyt bedrogh in al syn handel vant.
+Soo dese jongelingh gedwongen is te sterven,
+Soo moet ick van gelijck mijn jonge leven derven,
+ Mijn hert is al te weeck, mijn wesen al te teer,
+ Als hy syn leven laet, wil ick geen leven meer. 1140
+Ick bid u, weerde vrou, met al de gansche leden,
+Om u verheven stam, om u beleefde zeden,
+ Indien oyt soete min, indien oyt reyne vlam
+ In uwen geest ontstack, in uwen boesem quam;
+Soo slaet een gunstigh oogh op twee soo jonge menschen, 1145
+Die geensins hoogen staet of machtigh gelt en wenschen,
+ Maer poogen een te zijn in vreught en ongeval,
+ Tot dat de bleecke doot haer eenmael scheyden sal.
+Met dat de jonge maeght haer reden heeft gesproken,
+Zijn haer met groot verdriet veel tranen uyt-gebroken, 1150
+ Soo dat het siltigh nat een stroom, een gansche beeck,
+ En aen vrou Giomaer een stage vloet geleeck.
+Sy dan, mits* dit geklagh, gevoelt haer gansch bewogen,
+Gevoelt haer innigh hert als uyt het lijf getogen;
+ Daer is, 'k en weet niet wat, dat haer de sinnen roert, 1155
+ En dat haer angstigh hert geweldigh omme-voert.
+Men siet in dit gepeys men siet haer oogen vlieten,
+Soo dat haer in den schoot de druppels henen schieten.
+ De lant-vooght onderdies koomt treden in de zael,
+ Verwondert dat hy sagh den druck van syn gemael. 1160
+En hier op koomt de maeght hem vallen aen de voeten,
+En gaet hem insgelijcx met drouve woorden groeten;
+ Sy weent, en bid, en smeeckt, met soo een heuschen mont,
+ Dat hem de goede man al med' ontsteken vont.
+Hy kan, met alle kracht, syn tranen niet bedwingen, 1165
+Die hem, als tegen danck*, op mont en wangen springen;
+ Hy staet geheel verbaest, hy staet een wijle stil,
+ Onseker wat hy doen, of wat hy laten wil.
+Maiomb' hout onderdies haer sinnen op-getogen*,
+En wough haer drouven stant met al haer gansch vermogen.* 1170
+ Sy rijst ten lesten op, en seyt: Eerweerde* vrou,
+ My dunckt ick weet behulp voor desen swaren rou.
+Wilt ghy een kleynen tijt hier uyte zael vertrecken.
+Ick sal u metter daet een wonder stuck ontdecken,
+ Hoort my een woort alleen, hoort wat ick seggen sal, 1175
+ Ghy sult een eynde sien van dit bedrouft geval.
+Maiombe sonder meer begaf haer uyter zalen,
+En gingh van stonden aen een aerdigh* doosjen halen;
+ En alsse weder quam daer Giomara stont,
+ Soo knieltse veerdigh neer, en opent haren mont. 1180
+Vergeeft my, seyt het wijf, dat ick eens heb bedreven,
+En dat ick nu ter tijt u wil te kennen geven,
+ Of soo ick na de wet ben weerdigh harde straf,
+ Soo geeft my aen den beul, en sent my naer het graf.
+Ick sal (hoe dattet gaet) de rechte waerheyt spreken, 1185
+Ghy mooght aen desen romp* u leet en droufheyt wreken;
+ Ick sal tot aller stont verdragen met gedult
+ Wat ghy my voor verdriet hierom doen lijden sult.
+Het is nu derthien jaer, of luttel min geleden,
+Dat ick mijn reyse nam door al de Spaensche steden, 1190
+ En door het platte lant, ick sochte mijn bejagh,
+ Tot dat ick in Madril een aerdigh meysjen sagh,
+Een kint nau twee jaer out behangen met juweelen,
+Daer ick, na mijn verstant, behoorde van te deelen,*
+ De voester, soo ick sagh, die stont daer op de straet, 1195
+ Met seker kamer-maeght verwerret* in de praet.
+Ick greep het jonge schaep, en sonder lange dralen
+Soo reysd' ick inder haest in onbekende palen:
+ En als ick was ter plaets daer ick my seker vont,
+ Doen leyd' ick in beraet, wat my te plegen stont. 1200
+Ick had eens* vast gestelt (ick wil de waerheyt seggen)
+Het kint, van als ontbloot, tot vondelingh te leggen,
+ Om al syn rijck çieraet, en wattet vorder had,
+ Te houden voor een roof, en als mijn eygen schat.
+Maer als ick recht doorsagh syn geest en frissche leden, 1205
+Doen vond' ick mijn gepeys te strijden met de reden;
+ En daer op nam ick voor het meysjen op te voen,
+ Op hope dattet ons eens voordeel mochte doen.
+Ick hebbet dan besorght*, ick hebbet laten leeren,
+Al wat te rechter tijt haer jonckheyt mocht vereeren*, 1210
+ Soo dat het geestigh dier veel schoone dingen kan,
+ En is (mijns oordeels) weert den besten edelman.
+Maer wat is quaet te doen! wat heb ick drouve slagen
+Om dit ondeugend'* werck in mijne ziel gedragen*!
+ Hoe was ick evenstaegh gepijnight in den geest! 1215
+ Wat heb ick niet gesorght*! wat heb ick niet gevreest!
+Wat heb ick menighmael mijn herte voelen beven,
+En drillen* als een riet van harden wint gedreven!
+ Ick schroomd' (oock in den slaep) van haest te zijn beklapt*,
+ Of door een snegen schout alree te zijn betrapt. 1220
+Wel, ick ben des geleert*, en hebbe voor-genomen,
+Noyt* in soo bangen praem* mijn ziel te laten komen;
+ Ick wil aen al ons volck en wie my raken* magh,
+ Ontraden dit bedrijf en alle vuyl bejagh.
+Wel doen is rechte vreught; maer alle slimme* gangen 1225
+Zijn doodelick vergif die ons de ziele prangen.
+ Hier is dan nu de tijt dat ick mijn schult beken,
+ Vermits ick op den wegh van beter leven ben.
+Mijn heer, siet dit juweel, en dese goude keten,
+Ghy sult van stonden aen den ganschen handel weten: 1230
+ Of wijst dit niet genough den gront van dit geval,
+ Soo leest eens desen brief dien ick u geven sal.
+Soo haest als sy het schrift den lant-vooght had gegeven,
+ Hy siet van stonden aen al datter is geschreven;
+ Hy lasset overluyt en met een open mont, 1235
+En dit was inder daet dat hyder in bevont.
+
+
+Het jongh dochterken dat by my is en dat ick den
+naem van Pretiose gegeven hebbe, hiet eygentlick Constançe
+en is een eenigh kint van Don Ferdinando
+d'Assevedo Ridder van Calatrava, ende van vrouw Giomara 1240
+di Menesez. Ick stal het selve kint in de stadt
+van Madril op Hemelvaerts-dagh, ten elf uren, in 't
+jaer duysent vijf hondert vijf en tnegentigh. Het kint
+hadde doen ter tijt aen dese juweeltjens die in dit
+kofferken leggen. Ick hebbe korts daer nae dit alsoo 1245
+_vernomen, en goet gevonden, 't selve by memorie_* te
+stellen, misschien of het schier* of morgen te passe
+mochte komen.
+
+
+Met dat vrou Giomaer haer man dit hoorde lesen,
+Soo is in haer gemoet een nieu gewoel geresen. 1250
+ Sy kent het klein çieraet, sy kustet menighmael,
+ En sijght uyt enckel vreught in onmacht op de [44] zael.
+De lant-vooght recht haer op, verbaest van dese saken,
+En staet een lange wijl, onseker wat te maken.
+ Me-vrou, nu wat verquickt*, hoewel noch flau genough, 1255
+ Vraeght stracx*: Waer is het kint dat desen keten drough?
+Het wijf seyt: Weerde vrou, die met u heeft gesproken,
+Iuyst doen u metter daet syn tranen uyt-gebroken,
+ Dat is het aerdigh dier in desen brief vermelt,
+ En dat tot heden toe u drouve sinnen quelt. 1260
+Dat is u eygen kint, by my wel eer gestolen,
+En door mijn slim beleyt* tot heden toe verholen.
+ Ick bidde twijffelt niet, maer neemt u dochter aen,
+ En laet na desen tijt u drouve klachten staen.
+Terstont vrou Giomaer, met yver* aen-gesteken, 1265
+Is uyt het stil* vertreck in aller ijl geweken,
+ Sy gaet met grooten ernst* en uytermaten ras,
+ En geeft haer na de zael daer Pretiose was.
+Die sat daer vast omringht met al de kamer-maeghden,
+Die met een treurigh hert de jonge maeght beklaeghden, 1270
+ Soo om het drouf geval, als om haer soeten aert,
+ En dat haer teere jeught met heydens is gepaert*.
+Me-vrou gaet sigh in ernst* na Pretiose strecken*,
+Gaet aen de jonge maeght den boesem open trecken,
+ En siet haer witte-borst. men vont een kleyne vrat, 1275
+ Die sy ter slincker hant ontrent der tepel had.
+En als men haer den voet ter aerden dede setten,
+En met een vlijtigh oogh daer op bestont* te letten,
+ Soo bleeck het metter daet, dat twee van hare teen
+ Zijn als een swane-poot gewassen tegen een. 1280
+Me-vrou is buyten haer. De teyckens hier gevonden,
+De vrat op hare borst, haer teenen dus gebonden,
+ En 't gunt men uyt het schrift met klare woorden las,
+ Versekert haer genough wie Pretiose was.
+Sy grijpt haer in den arm,* sy kustse menigh-werven, 1285
+Sy voelt een diepe vreught, en schijnter in te sterven,
+ Sy gaet tot haren man, die sy van herten mint,
+ En seyt hem: Weerde vrient, siet hier u eenigh kint;
+Hier is u weerde vrucht, die ick u heb gedragen,
+Daerom ghy hebt getreurt soo veel bedroufde dagen; 1290
+ Hier is het eenigh pant van onse soete* jeught,
+ Ontfanght het nu ter tijt, en dat in rechte vreught.
+De teyckens al gelijck*, aen my terstont* gebleken,
+En laten mijn gemoet niet meer in twijffel steken.
+ Sy is het even-selfs die ick u heb gebaert, 1295
+ Haer lichaem wijstet uyt, en haer geheelen aert.
+Voor al soo komt my voor*, hoe dat ick was bewogen,
+En ick en weet niet hoe, als buyten my getogen,
+ Wanneer ick eerst het kint ontrent ons* deure sagh,
+ En hier noch onbewust* in dese venster lagh. 1300
+De man (die even soo een wonder hart bewegen
+Had door syn gansche lijf en in de ziel gekregen,
+ Iuyst doen het aerdigh dier hem eerst voor oogen quam)
+ Seyt dat hy dese maeght voor syne dochter nam*,
+Seyt dat hy aen het wijf haer diefte wil vergeven, 1305
+En haer oock bystant doen, om wel te mogen leven,
+ Mits datse nu voortaen wil stillen haren loop,
+ En haer geheel ontdoen van desen vreemden hoop.
+O Heere, seyt hy voorts, wie kan u wonder wercken,
+Wie kan, gelijck het dient, u hooge daden mercken! 1310
+ Ghy hebt ons langen tijt gespijst met tranen-broot,
+ Ghy hebt ons af-geleyt* tot aen de bleecke doot.
+Ghy hebt ons eenigh kint, nu soo veel drouve jaren
+Gedurigh om-gevoert in veelderley gevaren;
+ Ghy hebtet niet-te-min ghy hebtet noch gespaert, 1315
+ Ghy hebtet, lieve God, tot onse vreught bewaert.
+Het was ons sonden schult, dat wy u felle slagen
+Dus hebben uyt-gestaen, en lange moeten dragen.
+ Wy hadden vry al meer tot onse straf verdient;
+ Maer ghy zijt onse God, ons heyl, en ware vrient. 1320
+'T is uwe gunst alleen, 't is u genadigh wesen,
+Dat wy uyt dese doot ten lesten zijn geresen,
+ Dat ghy tot onsen troost dit wonder laet geschien,
+ Dat wy ons weerde pant alhier in vreughde sien.
+Sy was, eylaes! gegaen, sy was gelijck verloren, 1325
+Maer sy is wederom als op een nieu* geboren.
+ Ghy hebt ons eens gebracht tot aen het duyster graf,
+ Nu wast ghy wederom ons* drouve tranen af.
+Wilt ons van heden aen, wilt ons nu danckbaer maken,
+Op dat tot uwen dienst ons herte magh ontwaken, 1330
+ Op dat wy nu voortaen in daet en in de schijn,*
+ V dienaers, lieve God, u kinders mogen zijn.
+Constançes [45] hert ontloock terwijlen dit gebeurde,
+Haer dacht 't en was geen tijt dat sy nu langer treurde;
+ Haer dacht sy vont behulp dat haren druck genas, 1335
+ Vermits haer vader selfs* daer eerste lant-vooght was.
+Haer dacht in volle daet, het stuck was nu gewonnen,
+Vermits haer saken staen soo wel sy immer konnen.
+ Maer t'wijl sy in den geest hier mede besigh sit,
+ Soo treet haer vader toe, en seyt haer weder dit: 1340
+God heeft ons grooten troost en blijdschap toe-gesonden,
+Om dat ghy, weerde kint, ten lesten zijt gevonden,
+ Om dat ghy noch gesont en in het leven zijt;
+ Maer daer is echter wat dat my in 't herte snijt.
+Ick sie, eylaes! ick sie dat uwe domme* sinnen 1345
+Een heyden (wat een schand'!) een rouwen heyden minnen,
+ Een heyden sonder doop, die niet en heeft geleert,
+ Hoe dat men God den Soon met reyne sinnen eert.
+Met oorlof, seyt de maeght, hoort my een weynigh spreken;
+Ick weet van stonden aen u droufheyt af te breken. 1350
+ De vrient aen my vertrout* en is geen heydens man,
+ Maer die in volle daet de Christen leere kan.*
+Hy is noch boven dat van edel bloet geboren,
+En heeft my, soo ick was, uyt enckel min gekoren.
+ En wat na dit geval noch vorder is geschiet, 1355
+ En seyd' ick na den eysch den ganschen avont niet.*
+Maiombe nam het woort, en gaet de man vertellen,
+Hoe dat de jongelingh quam onder haer gesellen,
+ Hoe dat hy synen staet en vaders huys verliet,
+ Vermits hem syn gemoet tot Pretiose riet.* 1360
+Hoe dat hy nevens haer alreede lange dagen
+Had vorst, en heete son, en alle leet gedragen;
+ En dat dit al gelijck* maer was een kleyn begin,
+ Een preuf* [46], en ondersoeck van syn getrouwe min;
+Dat hy geen dertel spel de vrijster mochte vergen, 1365
+Noch met ongure jock haer teere sinnen tergen,
+ En dat hy door de lust noyt op en was gevat*,
+ Maer dat hy sigh in als met eer gequeten had.
+In 't korte dese vrou verhaelt in lange reden
+Al wat de jongh gesel voor desen heeft geleden; 1370
+ Soo datse voor het lest ten vollen openbaert,
+ Hoe dat syn ridders kleet bij haer noch is bewaert.
+Dit vat de lant-vooght op*, en, sonder langh te dralen
+Laet stracx* het rijck gewaet daer in de kamer halen.
+ Het wijf dat gaeter om soo veerdigh alsse magh. 1375
+ Siet dus koomt op het lest de waerheyt aen den dagh.
+De lant-vooght onderdies gaet Pretiose vragen
+Op al den omme-gangh* van hare jonge dagen,
+ Op al des werelts loop, en hoe haer dit beviel,
+ En wat sy des gevoelt ontrent haer jonge ziel. 1380
+Sy antwoort over-al met soo besette* reden,
+Met soo een goet bescheet* en in soo volle leden,*
+ Dat (soo de jonge maeght syn dochter niet en waer)
+ Hy streckte voor gewis de sinnen over haer.*
+Hy vont sigh in den geest van hare min bevangen, 1385
+En bleef aen haer verstant en hare schoonheyt hangen.
+ Maer nu het geestigh dier als dochter hem bestont,
+ Soo is hy gansch verheught tot in syns hertsen* gront.
+En t'wijl de man aldus in blijdschap is geseten,
+Soo koomt het oude wijf en brenght een gouden keten, 1390
+ En brenght het hant-çieraet, en wat den jongelingh
+ Te voren om den hals of aen de leden hingh.
+Als dit de lant-vooght siet, en hoort den ridder noemen,
+En weet van wat geslacht dat hy is afgekomen,
+ Gevoelt hy ander-mael dat syn beswaerden druck 1395
+ Is, door des Heeren gunst, verandert in geluck.
+Hy danckt God ander-mael met al* de gansche sinnen,
+Dat soo een edelman syn dochter gingh beminnen,
+ En dat syn trouwe gunst* noyt eens in hem verdween,
+ Schoon dat de jonge maeght een heydens dochter scheen. 1400
+Dit heeft terstont de Faem ten luytsten uyt-gekreten,
+Sy liet het vreemt geval aen alle menschen weten;
+ Oock aen de vrijster selfs die aen den jongelingh
+ Voor desen hare ziel en gansche sinnen hingh.
+Die gaet daer aen de wet* ten vollen openbaren, 1405
+Dat sy, eylaes! vervoert van hare groene* jaren,
+ Vermits de jongh gesel haer quale niet genas,
+ Hem hadde na geseyt dat hy een roover was,
+En schoon het selsaem luyt dat by* haer is bedreven,
+Het wort haer evenwel in volle daet vergeven; 1410
+ Andreas spracker voor, de lant-vooght nam het aen,
+ Dies mochtse sonder straf en vreedsaem henen gaen.
+'T was al te blijden dagh, geen mensch en mochte treuren,
+Daer magh niet als vermaeck en soete vreught gebeuren.
+ De man-slagh wert versoent,* de ridder vry gestelt, 1415
+ En alle die het raeckt ontfangen machtigh gelt.
+De banden, die den helt benaeuden aen de leden,
+Die worden los gemaeckt of veerdigh af-gesneden;
+ En voor het duyster hol, dat hem gevangen hout,
+ Soo komt hy voor den dagh geçiert met enckel gout. 1420
+Syn vader wert terstont daer in de stadt beschreven*,
+En die heeft metter daet sigh op de reys begeven,
+ Die koomt in haesten aen, verheught en wel gesint,
+ Vermits hy synen soon soo wel verselschapt* vint.
+Daer is geen edel geest die oyt heeft leeren dichten, [47] 1425
+Of hy valt aen het werck met alle syn gewrichten;
+ Al wat of spits vernuf, of kunste geven magh,
+ Dat koomt om desen tijt ten vollen aen den dagh.
+Men hoort door al de stadt, door alle groene velden,
+En door het gansche rijck van desen handel melden, 1430
+ De snelle weder-klanck die roeptet in het wout,
+ En al de werelt juyght dat Pretiose trout.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AENMERCKINGEN
+
+
+Op het wonderbaer [48] houwelick voren geroert.
+
+
+1. Oorspronck van de lant-loopers, die wy heydens noemen.
+
+2. Of men uyt een pols of ader-slagh weten kan of yemant
+verlieft is, dan niet: dat is, offer een sekere beweginge 1435
+in de slagh-ader te vinden is die eygentlick op de liefde
+past*.
+
+3. In de hant te kijcken, ende daer yemants geluck ofte
+ongeluck uyt voor te seggen, van wat kracht het zy.
+
+4. Van de Physiognomie; en of uyt yemants wesen ofte 1440
+gelaet syn innerlicken aert te seggen is. En by die
+gelegenheyt een sonderlingh trou-geval tusschen beyde
+in-gevoert.
+
+5. Of het geoorloft is op houwelicksche ofte andere toe-komende
+saken ondersouck te doen. 1445
+
+6. Of het een Christen mensche geoorloft is met een heyden
+in houwelicke te treden.
+
+
+
+
+
+Philogamvs. Wel hoe, Sophronisçe? is mijn huys
+een haven om soo voor-by te zeylen met een loopende
+spriet?* 1450
+
+Soph. Ick en had u niet ghesien, Philogame, dan
+juyst als ick u stemme hoorde, en recht voor u deure
+quam.
+
+Phi. Soo was dan u voornemen niet, naer ick
+hoore, om my de eere van u versouck* te geven. 1455
+Dan ick en wil nu des geen vorder ondersouck doen,
+behoudens dat ghy met my binnen treet, en dat
+ghy (naer ons laetste af-scheyt) my nu openinge wilt
+doen van uwe in-vallen* op het selsaem houwelick
+van den Spaenschen edelman met het heydinneken. 1460
+
+Soph. Eerlicke lieden zijn ghewoon haer beloften
+gestant te doen, schoon het haer by wijlen ongelegen
+is. Wel aen, treet binnen, en seght my daer wat
+ghy van my versouckt.
+
+Phi. Op de gelegentheyt* van de voornoemde geschiedenisse, 1465
+wilde ick voor eerst (soo het u wel
+geviele) een weynigh verstaen*, wat ghy hout* van
+dese lant-loopers, die men heydens noemt, en van
+waer de selve haer begin en oorspronck hebben genomen;
+want sulcx dunckt my aenmerckens weert te 1470
+wesen.
+
+Soph. Daer wert verscheydenlick van gevoelt, lieve
+Philogame. Ghy siet* hier van _E. Pasquier_ in syn
+4. bouck in't 17. cap. van het Ondersouck van
+Vrankrijk; die verhaelt uyt d'oude schrijvers, dat 1475
+dese menschen in 't jaer 1427. in Vrankrijck eerst zijn
+gesien, en dat de selve alsdoen verklaerden gesproten
+te zijn uyt het laegh Egypten, onlangs t'onder-gebracht
+van de Christenen, en gedwongen het Christen geloove
+aen te nemen: datse sulcx hebbende belooft korts 1480
+daer na weder van de Saraçijnen waren verwonnen,
+sonder tegens de selve eenigen sonderlingen* tegen-weer
+te hebben gedaen: vervallende alsoo weder van het
+Christen gheloove aen de Saraçijnen. Dat sulcx gekomen
+zijnde tot kennisse van de Christen vorsten, 1485
+dat sy luyden wederom zijn aen-getast ende verwonnen,
+en de Saraçijnen verdreven; niet willende
+de Christen vorsten toe-staen (vermits haer lichtveerdigheyt
+ende ontrouwe) dat de selve in haer landt
+souden blijven, ten ware sy haer eerst hadden vervought 1490
+na Roomen, om aldaer van den Paus t'ontfangen
+soodanigen ordre als daer goet soude gevonden
+werden hun te geven; dat de selve daer op kleyn en
+groot na Roomen waren vertrocken, en dat de Paus
+(alles gehoort ende overwogen hebbende) de selve 1495
+hadde op-geleyt, tot haer boete en beteringe, seven
+jaren langh te mogen* gaen dwalen door de werelt,
+sonder middelertijt op bedden te mogen slapen; lastende*
+hun even-wel, om eenighsins hun te mogen
+generen, dat yder kruys-dragende* Bisschop ofte Abt 1500
+hun soude hebben te geven voor eenmael thien ponden
+tournois.* Datse in den voorsz. jare 1427. in
+den Oughstmaent tot Parijs komende verhaelden vijf
+jaren alreede te hebben gedwaelt. _Pasquier_ verhaelt
+vorder uyt het vertellen van die gene die sulcx 1505
+als doen gesien hebben, dat de mans gansch swart
+waren, met swart gekrult hayr, hebbende in elck
+oir een ofte twee silvere ringekens: dat de vrouwen
+mede voor het meerendeel mismaeckt ende leelick
+waren, met hayr geheel swart, als een peert-steert, 1510
+gansch slordigh ende ongedaen in haer kleedinge,
+een lappe lakens om 't lijf gebonden hebbende met
+koorden vast gemaeckt; ende in 't korte een vreemt
+gespuys van menschen. Noch wijders, datse veel
+haer werck maeckten van de lieden in de hant te 1515
+kijcken, ende yder te seggen wat hun voor geluck
+ofte ongeluck gebeuren soude, ofte alreede gebeurt
+was: datse veel onruste tusschen man ende wijf verweckten
+ende vreedsame houwelicken vol twist maeckten,
+de mans in-beeldende* dat de vrouwen quaet 1520
+garen sponnen;* van gelijcken datse door quade kunsten
+het gelt uyt de* lieden beurse in de heure konden
+doen komen: ende eyntelick dat de Bisschop van
+Parijs ten lesten sigh tegens de selve stelde, ende een
+deftige* predicatie tegens haer bedrijf dede doen door 1525
+een prediker monick geaemt _le petit Iacobin_, de
+welcke onder andere seer berispte alle de gene die
+sigh in de handen van dit volck hadden sien laten,
+en de selve gheloof waren gevende [49]: en tot besluyt
+datse van daer spoedelick mosten vertrecken ende 1530
+haren wegh nemen nae Pontoise. _Munsterus_ verhaelt
+datse in Duytslant eerst zijn gesien anno 1417.
+En soo ghy breeder bescheet hier van souckt te
+weten, mooght den selven met andere schrijvers nae
+sien, soo 't u gelieft, te weten _Camerar. hist. medit._ 1535
+_part._ I. _cap._ 17. _Gesner. in Mitridat. Æneam Sylvium &c._
+
+Phi. Ick sal my derhalven vergenought houden
+met dat ick van u gehoort hebbe, en wil nu komen
+tot de geschiedenisse selfs.
+
+Ick hebbe voor eerst gelet in 't lesen van het 1540
+eerste deel deser geschiedenisse, dat Pretiose (soo het
+scheen) behendelick wiste uyt te vinden saken die
+selfs een doctor in de medeçijnen niet en konde bemercken;
+te weten, dat Giralde door liefde vervoert
+moeste wesen, en dat sulcx d'oorsake was van hare 1545
+sieckte. Nu by dese gelegentheyt wilde ick wel
+onder-recht wesen, ofte nae de kunsten der medeçijnen, 2
+ofte van de ondersouckers der naturen,* offer een
+sekere bysondere slagh van pols zy, of eenige gewisse
+teyckens in de slagh-ader daer uyt yemant 1550
+(die de kunste verstaet) sekerlick soude konnen weten
+ofte een jonge deerne verlieft ofte met liefde bevangen
+is, dan niet. want indien sulcx gheleert konde
+werden, ick wildet my wel gelt en tijt laten kosten
+om sulcx te weten, om redenen die ick daer toe meyne 1555
+te hebben. Ten anderen soo ben ick begerigh te weten,
+of men door waer-seggers, of diergelijcke soorte van
+menschen ondersoeck magh doen op houwelickse ofte
+andere toe-komende saken.
+
+Soph. Dit is een vrage die het geheym en verborgentheyt 1560
+van de medeçijnen raeckt, en die midtsdien
+best by de meesters van de selve kunste beslecht
+soude konnen werden: niet-te-min om u niet verlegen
+te laten, en vermits ick al somtijts mede een weetgierigh
+oogh hebbe laten gaen over boucken van die 1565
+gelegentheyt, soo kan ick seggen dat eenige van de
+ervarenste in die wetenschap, en by namen de geleerde
+_Avicenna_, en met den selven Franciscus Valesius
+lib. 3. _Controvers. Philos. & medic. cap._ 14. Iaques
+Ferrand Argenois de la maladie d'Amour ou melancholie 1570
+_Erotique._) een groot Spaens doctor, met verscheyde
+andere van de gheleerste in die kunste vast 73
+stellen, datter geen bysondere ader-slagh en is, oock
+geen sekere teyckens in de selve, waer door die
+sieckte eygentlick bekent soude konnen werden. En 1575
+voor reden wort by de selve in-gebracht, dat de liefde,
+soo lange die in de palen van de redelickheyt blijft,
+is een genegentheyt die in het breyn haer woonplaetse
+is houdende [50]: maer buyten ofte boven reden
+en regel gaende, dat de selve dan in de lever ende niet 1580
+in het herte sigh onthout, ende dien volgende* dat uyt
+de pols ofte slagh-ader [51] (die uyt het herte haer beweginge
+heeft) geen vaste teyckenen en konnen werden
+genomen*, om te weten of yemant met de minnekoortse
+gequelt is, dan niet; en noch min, wie daer 1585
+van d'oorsake mochte wesen.
+
+Phi. Gewisselick het is my leet dat de kunste
+soo verre niet en gaet, en dat de geesten in soo
+scherp-sinnigen eeuwe, als wy beleven, (daer 't al
+schijnt ondersocht te werden) noch soo hooge niet en 1590
+zijn geklommen; te meer vermits ick bemercke, dat
+al lange in voorlede tijden een groot deel van dese
+kunst is ondeckt [52] geweest, even by oude vrouwen
+die wat geslepen waren. Ick sie dat _Canace_ in dit
+gast-huys sieck leggende klaer uyt seyt (als _Ovidius_ 1595
+verhaelt)
+
+
+ Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden,
+ Wt [53] ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*;
+ Die seyde my in 't oir: Ick sie het datje mint,
+ En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint. 1600
+
+
+En dat alsoo zijnde, soo dunckt het my vreemt
+dat alle onse groote doctoren hier in noch maer als
+mollen en zijn, daer een oudt wijf al van doen af soo
+klaer in sagh.
+
+Soph. Al sachtjens, lieve jongelingh. want al ist 1605
+soo, dat ick uyt de getuygenissen van de geleerde
+hebbe geseyt datter geen eygen pols-slagh en is die
+juyst op de liefde past, soo en volcht daer niet uyt
+dat de kunstenaers* uyt andere gelegentheden* (jae
+oock uyt de pols selfs) niet al merckelicke* dingen en 1610
+souden konnen ontdecken, daer uyt men yemants gestalte*
+soude konnen weten. jae ick segge u in tegendeel,
+datter veel ervaren medeçijns eertijts zijn geweest
+ende noch zijn, die door middel van de kunst
+ten klaersten hebben weten t'ondervinden*, dat yemant 1615
+van die wespe gesteken was. _Avic. lib._ 3. _cap. de amore._
+En noch meer als dat, _Soranus_ van Ephesen (als
+in het leven van _Hippocrates_ te lesen is) ondeckte
+klaerlick de liefde die de koningh _Perdiccas_ drough
+tot _Phyla_, een by-sit van syn vader; en dat even 1620
+op de selve maniere gelijck _Erasistratus_ uyt-vont
+de brandende genegentheyt van _Antiochus_ tot _Stratonice_
+syn stiefmoeder. (_Val. Max., l._ 5 _cap._ 7.)
+_Galenus_ in syn bouck, daer hy handelt van de gene
+die den sieckaert maken*, beroemt sigh te hebben 1625
+konnen ondervinden den heymelicken minnebrant van
+een Romeynschen ridder, die de selve geset en gewet*
+hadde op de by-sit van een van de groote aldaer. Van
+gelijcken roemt de selve _Galenus_ te hebben weten na
+te sporen de liefde van een voornamelicke* jonckvrouwe 1630
+tot eenen schoonen jongelingh _Philades_ genaemt.
+_Iaques Ferrand_, een geleert Frans medeçijn,
+seyt in den jare 1604. behendelicken ondervonden te
+hebben de malle minne-driften die een jongh student
+(een groot edelman zijnde) heymelick drough tot een 1635
+schoone jonge deerne een kamer-maeght in der huyse
+daer hy sigh onthiel, daer van hy de vordere geschiedenisse
+breeder verhaelt in syn bouck by hem
+op dese stoffe beschreven.
+
+Phi. Wel, na dese exempelen uyt-wijsen, soo en 1640
+soude men door de kunst niet alleen konnen uytvinden
+of yemant liefde drough, maer oock tot wien.
+Ick bidde segh my doch hoe dat toe gaet; want my
+dunckt dat sulcx een jonghman van myne ghelegentheyt*
+van grooten gebruyeke soude konnen wesen. 1645
+
+Soph. Wel aen, dewijle ghy des soo begerigh
+schijnt te wesen, soo wil ick u seggen 't gene icker
+van bemerckt hebbe. Wilt ghy weten of yemant
+met liefde is bevangen, en op wien ('t zy dan man
+of vrouwe; maer ick sal nu van de persoon van een 1650
+vrouwe spreken) soo siet dat ghy soetelick en behendelick
+in u hant krijgt de hant van de gene daer
+ghy de preuve [54] van nemen wilt, ende leght dan u
+vinger al sachtjens op hare pols, ende daer na soo
+brenght in u reden te passe den naem van de gene 1655
+die ghy meynt dat haer meest aen 't herte leyt;
+spreeckt van den selven, loffelick prijsende des selfs
+schoonheyt, geestigheyt, ofte andere goede gaven,
+en t'elcken als ghy dien naem noemt, let dan neerstelick
+wat veranderingh ghy in haer oogen, wesen, 1660
+ende sonderlinge* aen haren pols-slagh sult gevoelen:
+daer is geen twijffel aen, soo de minnepijl haer recht
+ghetroffen heeft, of ghy sult een ongelijcken dril*,
+ende een veranderlicken pols gewaer worden, die
+geen regel of slagh en sal houden. (_Paul. Æginet._ 1665
+_lib._ 3. _cap._ 17. _de amore._) Ghy sult oock meer
+andere teyckenen uyt haer wesen, en sonderlingh
+uyt haer oogen, konnen af-nemen*, die eer zijn te
+mercken, als te schrijven. Maer dan loopter noch wat
+op* dat vry aen-merckens weert is, en van grooten 1670
+ghebruycke; maer daer van op beter gelegentheyt.
+
+Phi. Ick bidde u en spaert doch geen broot voor de
+vrienden, ende en laet niet onder u tonge 'tgene ick soo
+seer begeere te horen als yet dat ick nu ter tijt weet.
+
+Soph. Neen, vrient, soo plagh men een boer syn 1675
+kunst af te vragen: alle dingen en dienen niet uyt
+geseyt aen soo grage gasten als ghy en uws gelijcken 76
+zijt; En dusdanige verborgentheden en willen soo op
+een bot* en met eenen adem niet geleert wesen.
+
+Phi. Ghy en hebt even-wel dit geenen dooven 1680
+geseyt; Ende nu ick den draet hebbe, ick hope het
+kloen* wel te sullen vinden. Ick kan oock lesen (God
+danck) en hebbe u schrijvers hooren noemen die te
+vinden zyn, ick meyne die nae te sien en te letten
+watter in steeckt. want ick sie alreede wel soo veel, 1685
+dat dit ondersouck niet alleen by de medeçijnen,
+maer by de gene die wat kennisse van saken hebben,
+kan gedaen werden. Het komt my nu binnen* dat
+ick gelesen hebbe, dat _Erasistratus_ (daer ghy te voren
+van gewagh deet) de liefde van _Antiochus_ gewaer 1690
+wiert, vermits hy vernam dat syn ader-slagh t'elcken
+veranderde als _Stratonice_ syn stief-moeder in de kamer
+ofte ontrent het bedde quam, daer hy sieck lagh.
+De poëten hebben daerom wel geseyt,
+
+
+ Wie is die heeten [55] minne-brant 1695
+ Behendigh in syn boesem sluyt?
+ De liefde past op geenen bant;
+ Sy wil, sy sal, sy moeter uyt.
+
+
+Soph. Dat is tot daer toe goet, soete jongelingh;
+maer ondertusschen isset geraden u niet te seer te 1700
+willen vergapen aen de beweginge van de slagh-ader,
+om altijt daer uyt een besluyt te maken (als de selve
+buyten gewoonte verandert, en rasser of [56] harder slaet 3
+op den naem ofte door de aenkomste van eenigh persoon)
+dat t'elcken een uytmuntende* liefde hier van 1705
+de oorsake ware. Ghy sout lichtelick (soo doende) konnen
+vervallen in een selsame ongelegentheyt, als ick
+eens verstont een jonge doctor gheraeckt te zijn,
+uyt ghelijcke oorsake.
+
+Phi. Hoe gingh dat toe, weerde Sophronisçe? 1710
+
+Soph. De selve jongen doctor onder andere hebbende
+een wijle vergeselschapt een vermaerden medeçijn,
+als hy by de siecken gingh (als in Italien tot
+bericht* van de studenten veel geschiet) en gewaer
+zijnde gheworden, dat de doctor (als hy de pols van 1715
+de siecken getast hadde) wiste te seggen waer door
+de sieckte was veroorsaeckt, als door eten van meloenen,
+noten, appelen, vijgen, ofte diergelijcken fruyt,
+bad ernstelick den man, hem te willen openbaren waer
+uyt hy sulcx wist, als hy seyde. De doctor, na des 1720
+hem te hebben laten bidden, seyde hem, dat hy ontrent
+de siecken komende neerstelick was gewoon acht
+te nemen, of hy in of ontrent de kamer van de
+siecken niet eenige schellen van noten, meloenen,
+of diergelijcke vruchten en vernam; en die siende, 1725
+dat hy daer op dan aengingh. De nieuwe doctor,
+dese lesse wel meynende onthouden te hebben, ende
+die willende in 't werck stellen, was korts daer na
+geroepen over eenen schamelen arbeyder, sieck te
+bedde leggende; voor wiens hutte hy een vers eselsvel 1730
+siende leggen, hadde daer op den patjent syn
+pols geraeckt, ende geseyt dat hy gansch swaerlick
+sieck was, en dat sulcx hem niet vreemt en docht,
+dewijle hy soo harden ende onverdouwelicken kost,
+te weten esels vleesch, hadde bestaen te eten. De 1735
+siecke, des verwondert zijnde, seyde, dat de doctor
+geheel van den wegh was want (seyde hy) ick en
+hebbe in acht dagen en langer geen esel gesien, ten
+ware mijn heere den doctor. De misslagh van de
+jongelingh quam daer uyt, dat hy den regel dien 1740
+hy gehoort hadde al te breet en sonder bescheydentheyt*
+in 't werck stelde. En voor u, lieve Philogame,
+staet te letten, dat ghy niet in gelijcke dwalingen
+en valt.
+
+Phi. Is daer voor te vreesen Sophronisçe? Ghy 1745
+hebt my verklaert dat veel gheleerde medeçijnen
+vast stellen, dat indien op den naem van eenigh
+persoon de pols van een jonge juffer, en oock haer
+wesen, seer verandert, dat daer uyt vastelick te besluyten
+is datse van desselfs liefde bevangen is. 1750
+
+Soph. Maer of het gebeurde dat yemant een jonge
+deerne onteert, en haer daer na verlaten, ofte andere
+schamperheyt* aengedaen hadde, ende dat sy daer
+uyt in quellinge zijnde gevallen, een doctor (als ghy)
+haer daer op quame te besoucken, en dat de selve 1755
+sprekende van den voorsz. persoon, gevoelde de slagh-ader
+van de voorsz. jonghe deerne heftiger slaen, als
+te voren; soude hy niet een grooten misslagh doen
+daer uyt te besluyten, dat sulcx uyt liefde geschiede,
+daer het uyt het tegen-deel, dat is, uyt louteren 1760
+haet, syn oorspronck soude hebben? 'T is seker,
+dat jae. Want dewijle het voren is vast gestelt,
+datter geen bescheyden* en eygen beweginge in de
+slagh-ader te vinden is die juyst alleen past op de
+minne-sieckte, en dat daerom met omsichtigheyt en 1765
+vernuft alle omstandigheden moeten werden overwogen,
+eer men yet sulcx besluyten kan, soo siet
+ghy wel hoe los* u op-genomen* kunste gaet.
+
+Phi. Ick sie wel ghy sout my geerne wederom
+van 't stuck leyden; maer ick en meyn het daer by 1770
+niet te laten, maer moet het vogeltjen (soo men seyt)
+onder de steert sien, en dan dagh en raet.* Maer
+wat is u gevoelen, of men uyt yemants hant ofte
+andere leden, uyt de strepen en linien van de selve,
+yet sulcx ofte andere saken, rakende yemants innerlicken 1775
+aert, nae de kunste kan uyt-vinden? en of
+het een Christen geoorloft is syn handen te laten
+sien om eenige voorsegginge in 't stuck van syn
+houwelick daer uyt te mogen verstaen*? of dat hy
+andere middelen vermagh te gebruycken, om van 1780
+toekomende dingen de uyt-komste te weten? Mart.
+Delrio disq. Mag. lib. 4. _cap._ 5. Hier op wat berichts,
+weerde Sophronisçe.
+
+Soph. Wat het eerste aengaet, ick weet datter
+geleerde gevonden werden die hier van groot werck 79 1785
+maken*, en dese kunste (indiense weerdigh is soo
+genaemt te werden) oock met de schrifture willen bevestigen,
+daer toe treckende de plaetsen _Iob._ 37. 7.
+mitsgaders _Exod._ 13. 9. Dan de oversettinge van
+_Hieronymus_* spreeckt hier klaerder af als de onse 1790
+doet, en dient daerom na-gesien. Even-wel Monsr.
+Pasquier [57] de recher. de Franc. lib. 17. _cap._ 39. verhaelt
+eenige sonderlinge dingen van dese gelegentheyt.
+Doch wat my aengaet (uyt-genomen alleen het gene
+dat in dese gelegentheyt uyt natuerlicke redenen duydelick 1795
+kan besloten en bevestight werden) soo meyne
+ick dattet [58] al beuselingen zijn, daer ick geen tijt in
+en soude willen besteden, als alleenlick om de ydelheyt*
+van de menschelicke verstanden daer in te bemercken:
+anders* weet ick dat onder dit bejagh quade 1800
+kunsten worden gepleeght, en daerom en wil ick
+niemant raden sich hier toe te begeven.
+
+Phi. Maer sout ghy dan geheelick verstaen te
+verwerpen de kunste van _Phisiognomie_, dat is, de
+wetenschap om uyt het wesen, gestalte, ofte gelaet 1805
+van een mensche, syn innerlicken aert te kennen?
+daer nochtans verscheyde wijse lieden veel van zijn
+houdende* [59], daer oock d'ervarentheyt* vry wat van
+getuygen kan.
+
+Soph. Dat is een geheel ander werck, als het 1810
+gene waer van wy nu gesproken hebben, en ick en
+ben jegenwoordelick* niet gesint om in het ondersouck
+van het selve te treden. Maer in plaetse van sulcx 4
+soo hebbe ick juyst hier nu by my een bysonder
+trougeval van onsen tijt, my onlanghs by een vrient 1815
+ter hant gestelt, daer in te sien is datter lieden zijn
+die alleen op het gevoelen van de uyterlicke gestalte
+des lichaems, selfs sonder behulp van oogen, een
+vrouwe weten te verkiesen. . . . . . . . . . . . . . . .
+
+[Onderhand Philogamus dit geval "bij hem selven" overleest, 1820
+gaat Sophroniscus zijn zaken doen bij een vriend
+in de buurt. Het verhaal "Liefde sonder sien verweckt,
+en schoonheyt blindelinghs verkoren" (door Cats hier ingelast)
+is nauweliks uitgelezen of Sophroniscus is reeds
+terug, en vervolgt:] 1825
+
+Wel aen dan, wat uwe vordere vrage belanght;
+te weten, of het geoorloft is op de uyt-komste van 5
+toekomende dingen ondersouck te doen, en tot dien
+eynde aen waerseggers ofte hant-kijcksters raet te
+vragen, daer op segh ick rondelick, dat neen. Ick 1830
+stae u toe* dat wijse en kloucke mannen, uyt
+ervarentheyt met lanckheyt van tijde* verkregen,
+door voor-teyckenen ende sonderlinge op-merckinge
+yet wes in dese gelegentheyt vermogen. Maer sulcx
+by spokers*, toovenaers, waer-seggers, of diergelijcken 1835
+slagh van volck te willen gaen onder-vragen,
+is beyde by Goddelicke en menschelicke wetten opentlick
+verboden. Gods woort spreeckt klaer _Deut._ 18.
+De gemeene Rechten* van gelijcke: ende de redenen
+zijn, vermits het volck lichtelick door dusdanige 1840
+voor-segginge gaende* wert gemaeckt, ende tot nieuwigheyt
+genegen zynde tot onruste van de staet wert
+gedreven. Doch soo ghy meer hier van begeert te
+lesen, soo siet Lips. in Exemplis & Monitis Polit.
+cap. 4. _quæst. liceatne in eventus inquirere._ 1845
+
+Phi. Maer het bysonderste dat uyt dese gheschiedenisse
+in bedencken behoort te komen, is de vraghe,
+of yemant behoort, ofte vermagh een houwelick aen
+te gaen met wilde, woeste, ende rauwe menschen, ofte 6
+met de gene die buyten het verbont wesende, afghesondert 1850
+zijn van het ware Christelick geloove.* Op
+dit gewichtigh point u oordeel, weerde man.
+
+Soph. Ick en wil my geensins ontrecken, goede
+jongelingh, hier op myn gevoelen rondelick te verklaren,
+alsoo het selve onder al dat wy te samen 1855
+gesproken hebben als een hooft-stuck* behoort gerekent
+te werden. Ick segge daerom, nademael dat
+het houwelick is een onverbroken* bant, ende dat
+niet alleen de menschen, maer oock God door het
+selve kinderen werden verweckt: dat mede selfs de 1860
+onderlinge verbintenisse tusschen den Heere Christum
+ende de Kercke, mitsgaders alle geloovige zielen,
+door het houwelick wert af-gebeelt;* soo moet noodelick*
+des Heeren mont in die gelegentheyt niet alleenlick
+om raet werden gevraeght, maer behoort oock 1865
+de selve raet volkomelick te werden gevolght, ten
+eynde Godes vrede ons mochte by-woonen in onse
+huyshoudinge. 'T is nu kennelick dat in Godes woort
+(1. _Corint._ 7.) klaerlick wert bevonden ons te zijn
+bevolen te trouwen in den Heere: dat is, in de vreese 1870
+des Heeren, ende volgens desselfs in-settinge: gelijck
+by het selve mede geboden wert geen jock te trecken*
+met den ongeloovigen, dewijle het licht met de duysternisse
+niet gemeens en heeft, noch Christus met Belial
+2. _Corint._ 6. 14.15. Maer hoe kan yemant in den 1875
+Heere geseyt werden te trouwen, die met syn trouwen
+selfs toont dat hy een verachter Gods is, ende als
+tot syne vyanden over-gaet? voorwaer indien men
+op eenige gelijckheyt in de saken van trouwen behoort
+te letten, de gelijckheyt in het stuck van den 1880
+Gods-dienst is verre boven al te wegen, sonder eenigheyt
+in de welcke geen soetigheyt, ware vreughde,
+of vrede tusschen de getroude en is te verhopen*,
+geen over-een-komste in 't op-voeden van de kinderen,
+maer dagelicx stoffe tot onruste ende oneenigheyt; 1885
+alsoo dwalingen en waerheyt met den anderen* als
+erf-vyanden zijn, en staegh onderlinge gewoon zijn
+te worstelen; (Licet vir non oderit uxorem, error
+tamen odit veritatem. Salvianus.)* en in dien gevalle
+siet men dat den haet van de sake op de personen 1890
+selfs koomt te vallen, dewijle elck het syne pooght
+voor te spreken. _Arnis eus de jur. connub cap._ 6.
+_sect._ 5. Heeft men niet gesien dat in dusdanige
+houwelicken de vrouwen zijn af-geraden geweest van
+de houwelickse gemeenschap met haren man te plegen, 1895
+als aen de selve onreyn ende niet geoorloft zijnde?
+en dat de vrouwen oock sulcx in 't werck hebben
+gepooght te stellen? en hoe kan in soodanigen huys-houdinge
+een kleyne kercke door gemeene gebeden
+en het lesen van Gods woort gehouden werden, gelijck 1900
+sulcx onder de Christenen betaemt, en van
+Paulus in 't huys van Philemon wert gepresen?* en
+hoe kan doch soodanigen houwelick (tot troost van
+de gehouden) geseyt werden te wesen een beelt en
+gelijckenisse van het verbont met den Salighmaker? 1905
+(_Molin au Traicté des Mariages illicites._) sekerlick in
+geender manieren. Ick segge daerom, indien yemant
+van edelen huyse wesende sigh tot kleynheyt* toerekent,
+indien men hem een houwelick soude vergen
+beneden de weerdigheyt van syn geslachte, dat des 1910
+te meer in desen gevalle behoort in achtinge te
+komen, dat men dien geestelicken adel in de gemeenschap
+der heyligen niet en verkorte.
+
+Phi. Ick bevinde uwe redenen van gewichte te
+wesen, weerde Sophronisçe; maer hoort men niet 1915
+sodanigen houwelick goet te vinden, immers* te
+lijden, op hope dat een woest* en ongeloovigh mensche,
+door syn partuyr* tot sedigheyt* en tot het geloove
+sal werden gebracht, en datter alsoo winste
+van een ziele sal gedaen mogen werden?* 1920
+
+Soph. Dit wort veel tot verschooninge van dusdanige
+houwelicken by gebracht, lieve Philogame:
+Maer segh my doch een reys, plagh men wel een
+houwelick aen te gaen met yemant die kael en beroyt
+is, op hope dat hy wel eens rijck soude mogen 1925
+werden?
+
+Phi. Neen sekerlick, weerde Sophronisçe, de lieden
+gelooven in dien deele datse sien en tasten, en
+anders niet: de hope wert maer waen geacht in dese
+gelegentheyt. men moet hier vry al vaster gaen. 1930
+
+Soph. Wel indien men op hope van toekomenden
+tijdelicken rijckdom geen houwelick en wil gronden,
+naer onse maniere van leven; dient men dan wel
+sulcx te doen op hope van dien onwaerdeerlicken
+rijckdom in 't geestelicke? 1935
+
+Phi. Ick was daer gevat, weerde Sophronisçe,
+eer ick 't recht gewaer wert. En, om de waerheyt
+te seggen, my dunckt dat uwe redenen al vry wat
+slots hebben.* Maer onderentusschen soude ick misschien
+wel by exempelen konnen bewijsen, dat de 1940
+man het wijf, ende het wijf den man tot den waren
+geloove eyndelick heeft gebracht; het welck dan nootsakelick
+een groot vernugen* [60] moet geven ter wederzijden.
+
+Soph. Ick en wil niet ontkennen, weerde Philogame, 1945
+sulcx niet somwijlen geschiet te zijn, maer als het
+gebeurt soo doet God even het selve dat hy in de
+eerste scheppinge* gedaen heeft, treckende het licht
+uyt de duysternisse. Maar hier tegen is te bedencken,
+dat niet eenige voor-vallende saken, die somwijlen 1950
+eens gebeuren, maer Gods gebodt een regel moet
+wesen van ons bedrijf. Het quaet en is niet te doen
+op datter goet van kome; en wat segen Gods heeft
+die te verwachten die Godes raet niet en volght?
+Waer by ick dan noch vrage, nademael het quaet 1955
+(God betert) soo vruchtbaer is, als de ervarentheyt
+leert; of het niet te vreesen en staet, dat de geloovige
+van de ongeloovige eer beschadight soude
+mogen werden, als dat de ongeloovige door den geloovigen
+soude werden gebetert? Is sulcx niet gebeurt 1960
+den wijsen ende machtigen koningh Salomon?
+(1. _Reg._ 11.) ghy weet dat wel, jongelingh, en wat
+sal dan gemeene* ende geringe verstanden niet konnen
+over-komen? De eerste eertzvaders die om hare uyt-nementheyts
+wille kinderen Gods van* Moyses genaemt 1965
+waren, siende de dochteren der menschen datse 84
+schoon waren, onderstonden die ten wijve te nemen
+(_Genes._ 6. 3) en zijn alsoo vleeselick, ja vleesch geworden,
+en hebben na hen getogen den onder-ganck
+van den geheelen aert-bodem. En Iacob, die groote 1970
+helt en Gods worstelaer, hebbende getrout de dochters
+Laban [61], heeft hy niet gewaer geworden dat een
+deel van de afgoderije van de selve de syne heeft aengekleeft?
+_Gen._ 35. 4.
+
+Phi. Ick vernoughe my uwer [62] redenen, weerde 1975
+Sophronisçe, en 'tis (mijns oordeels) onnoodigh hier
+toe meer te seggen: het out spreeck-woort is hier en
+elders niet dan al te waerachtigh.
+
+
+ 'T nachtegaeltjen op de peul
+ Dat vermagh te bijster veul. 1980
+
+ _Efficaces preces mulierum._*
+
+
+Ick daerom uwe aen-merckinge op mijne gedaene
+vrage vast stellende*, sal u des ten hooghsten
+bedancken, en de selve in mijn boesem op-schrijven,
+ende door Godes genade sien in 't werck te stellen. 1985
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEKENINGEN.
+
+
+3. _schijnen magh_, vgl. 704: schijnen mocht.--En (naer het schijnen
+mocht) hij wou niet verder gaen.--En (naer het schijnen magh) haer
+ziel die wilder uyt.
+
+= de schijn hebben kan.
+
+5. _Het laet sigh den naem geven_, omschrijving van het passivum
+(oorspronkelik causatief-medium), te vergelijken met "doet verlangen"
+in het Wilhelmuslied, e. t. q.--Zie Zeitschr. f. Völkerpsych. II,
+244/6.--Vgl. peppelhout laat zich gemakkelik bewerken.
+
+_Zigeuners._ Vgl. de Goeye, Memoire sur les migrations des Tsiganes
+à travers l' Asie (Leiden 1903), Anz. f. IG. Spr. u. alt., Journal of
+the Gipsy Lore Soc. 1907 vv. Wiener, Die geschichte d. Wortes Zig. in
+Arch. N Sprachen 1902. Pott, Die Zigeuner in Europa und Asien (2 dln.,
+1844-45), Techmers Zeitschr. (Leipzig, 1885.)
+
+7. Vgl. 105 vv., 1774.
+
+9. _Majombe_; schijnt later een algemene naam te zijn voor de
+"oude koude grijze, die een motkas hield, en eêr was mijn vriendin"
+... Goeree, Mengeldicht. 262.
+
+21. _wiens_, _relatief_ bij _femin._: algemeen, ook Mndl., vgl. Van
+Helten, Vondels Taal § 126.
+
+39. _hantgespel_; castagnetten. Vgl. noot van Cats bij vs. 341.
+
+47. _maer en_: negatie bij "maer" (uit "ne ware", het ne ware),
+de ontkennende kracht werd nog gevoeld, van daar _en_ er bij gevoegd.
+
+54. Zeer zedig is zij in haar spreken; en zij is gauw gekwetst door
+'t geen zij hoort en verneemt.
+
+81. Zij wist het vooral aan te leggen, om....--Vgl. hierbij
+Ned. Wdb. I, p. 224, 2 c.)--Ons "het", collect. = iemands zaken.
+
+84. _prenten_, drukken, bezig houden? vgl. druk, gepresseerd, bezet
+met.--Vgl. Gloss. Lekensp.
+
+89. _uyt den neus_, vgl. I. van Beverwyck's Schat der Ongesontheyt,
+ofte Genees-konste van de sieckten, verçiert met Historien.... alsoock
+met verssen van de Heer Jac. Cats.... (1651), blz. 86, die niet
+gelooft, al beweren 't sommigen, zoals Democritus: "dat de neus eenich
+teycken soude konnen gheven (al was hy daer ontrent gheweest) van
+'t gene hy niet gesien en heeft.... _Democritus_, een Dochter den
+eenen dagh ontmoetende, groete haer, _Goeden dagh Maeghdeken_; en
+'s anderendaegs haar wederom siende, begroeten haar met _Goeden dagh
+Vrouken._ En het was soo: want sy had dien nacht een ongheluck gehadt,
+gelijckse dat noemen."
+
+94. De consecutio temporum bij Cats en anderen dient nader en
+nauwkeuriger onderzocht. Omtrent _plagh_ hier alleen dit:
+
+pleghen, in 't Mnl., "doen", zo ook bij Cats: plegen dwaesheyt,
+lusten, gemeenschap van bedde met, enz.--"Wat kooplieden ... plegen
+en niet plegen,"--"Wat ze vorder in dit geval meynt te plegen".--
+
+plegen = gewoon zijn: "Wel dunkt u dat het queesten (vrijen) van het
+Noorder-quartier schier op dese of gelijcken voet toegaet?--Behalven
+dat alle geregelde lieden gestaegh tegens die maniere van doen zijn
+geweest, en noch zijn, soo was dat noch een geheel andere sake,
+want de jonge lieden en plegen malkanderen soo na niet te komen,
+ofte sy en kenden malkanderen al voren door dagelickschen ommegangh:
+sulcx dat niet geseyt en kan werden..."
+
+_plagh_ staat vaak waar men _nu_ een praes. zou vinden, "(de jongman)
+gaf hem aen den gracht, en sey noch anderwerven, Wel sal ick uwe zijn,
+of sal ik heden sterven? Spreeckt nu het leste woort: ick stae hier,
+schoone maeght, Wat seghje? Dat ick plagh (roept hier de vrijster
+tegen)."
+
+Als _praeteritum_ vindt men in de regel _placht_. "Een kint dat niet
+en spreekt gelijck de menschen plachten. Maer dat oock sonder stem
+kan uyten syn gedachten."--
+
+"Dat (schoonheyt) veroorsaeckt onmatigheyt van 't houwelicx bedde het
+welck veel ongelegentheden aen ziel en lichaem _placht_ in te brengen,
+daer van ick hier niet breeder... en ben gesint te spreken." [63]
+
+_Plegen, plach, placht_, komt zo passim voor bij Cats. Ook in: De
+Verliefde Fiamette, door Boccacius, Amsterd., 1661, o. m. blz. 84, 93,
+161, 233, enz. En Oude Mans Vryagie (1700) 202b.--Vgl. Gloss. Granida;
+_plach, praes._ Hooft (Leendertz) I. 38; Warenar 439.--_pleech,
+praet._ War. 174; _praes._ War. 310.
+
+Zo _plach_ praes. moet wezen, dan zou _placht_ geen paragogiese _t_
+hebben; zie de Grammatica's.
+
+Dat daarnaast ook _pleegt_, = gewoon is, voorkomt, vindt zijn
+verklaring in bedeutungsübertragung. "Wat kooplui doen", wordt duratief
+"wat zij voortdurend doen", "wat zij gewoon zijn te doen": zo gaat
+de infin. _plegen_ bij plach, ook _gewoon zijn_ betekenen. Dit kan
+oorzaak zijn dat ook het nieuwe _pleegt_, eerst zeldzaam, later vaker,
+= gewoon is, voorkomt.
+
+Nader onderzoek in de geschriften der XVIIe en vroegere eeuwen zal
+mischien deze consecutio temporum ophelderen.
+
+Vgl. voor 't vroegere duits Mensing, Z. f. D. Phil., 1903, 229,
+en noot. Behaghel, Gebrauch der Zeitformen (1899).
+
+100. _het jaer_, houdt in "de 12 Hemelsche Tekenen" van de diereriem,
+of de 12 maanden, welke alle hun biezondere kracht hebben (vgl. Het
+grote Planeetboek, 1801, p. 134, 168).--_De hemel_ zijn "die Sterren
+die op de 12 Tekenen staen, (en) zyn niet te tellen"; ook deze hebben
+elk hun invloed. Toch wijst alles er slechts op "wat den menschen
+voor een Natuure uyt den Gesteernten _toegeneigt_ is,..... daarom
+niet... dat zulks alzoo moet zijn, gelyck of dat Gesteernte de mensche
+daer toe dwonge... Alle... zullen haar eigen aangeboren boosheid ende
+begeerten met verstand wederstaan."
+
+101. _Een wie_, relatief _wie_, meest _die_.
+
+105. Vgl. 1773. Zie genoemd boekje p. 187. Die "linie word genaamt
+de linie des levens ... in 't Latijn _Linea vite_ of _cordis_, en
+dese linie vanget aan bij de middel-linien dwars in de hand; (en)
+tusschen de Duyme en de Wijser (wijsvinger) omgaat (zij) den Berg
+des Duims ende gaet op dat gelijke der hant" (bij de pols).
+
+121. Het zal wezen--zo gelooft men algemeen--zoals zij 't uit hand
+en vingers leest.
+
+122. _haer laegen naem_, de oudere vorm _-en_ bewaard, om de volgende
+_n_ van _naem_? Vgl., ook voor de _h-_: ons vryen hals, Vondel,
+Eneas Vertaling, III, 80. Vgl. (?) Van Helten, Vondels Taal, § 85,
+add. blz. 173.
+
+139. Al wat zij meedeelt is nevelachtig en schemerig, voor dubbele
+uitleg vatbaar; nooit spreekt zij ronduit; vgl.: "tyt hier noyt te
+werck, als met bedagte reden Spreeck niet als door een wolck, maer
+klaer en uyt de mont."
+
+144. _Lucht_, uitspansel, zoals in Saksiese en Friese dialecten;
+vgl. Frank-Van Wijck, Etym. Wdb.
+
+151. Met _breyn_ meer gedoeld op het zinnelike; met _geest_ op het
+onstoffelike. Vgl.: met hart en ziel--Vgl. nog: (het beelt van de man)
+"dat maelt haer in het breyn; en speelt haer om de ziel"--"Een gunstige
+inval, die syn geminde eens schielyck in het breyn viel."
+
+_Breyn_ ook de gedachten, vgl. 1578; zie _hersens_. In "De
+bekendmakingen" (etc., 1711, p. 77) van K. Najer, leest men: "het
+soete en suyvere bloed werd door bewerking van _Hart_ en _Long_, het
+alderfijnste, levendigste, en geestigste afgesondert, het welke uyt
+zijn eygen doorlugtigheyd, allengskens na boven trekt, en sig op de
+beste plaats, in het midden van het Paleys, de _Herssens_ op den Troon
+steld... Dese geesten dan, doen allengskens de Herssens vervullen,
+totdat eyndlyck deselve door de grote toevloed overlopen en geperst
+werden, door het binnenste sponsagtige der senuwen, soetjes sagtjes
+heen te wandelen."--Vgl. 1070.
+
+152. _gevat_ (passivum) vgl. vs. 376, activum; vgl. "bevaen
+met minnen" in 't Mned. Wdb. Over 'met' = door, Delbrück,
+Abl. Loc. Instrum. im... Deutschen, S. 51.
+
+164. _Onverlet_, on + verlet, van _verletten_,
+vgl. Kil. verletten, omittere, praetermittere: Et impedire,
+interpellare, et differre, procrastinare.--Vgl. "De buerte
+spreeckt 'er van; en desen onvermindert. Men weet niet waer het
+schort..."--Vgl. unbeschadet, Sanders, Deut. Wörterb.--Zie soortgelijke
+in Tijdschr. Nederl. Letterk. II, 196, vv.--V, 207, 213: onghescaet
+sire virtuut, Nat. Bl. XII, 224.--Noord & Zuid VIII, 353.
+
+170. _Bekaeyde wegen_, verkeerde; vgl.:
+
+"bekaeyde streken."--
+
+
+
+ "Geen mensch die menschen kent en syn beroep verstaet,
+ En wees oyt echte wijf tot soo bekaeyden raet."--
+ "Wie veel den acker ploeght, wanneer hy is besayt
+ Die breekt sijn eerste werck, en maeckt 't et al bekayt."--
+ "Wis soo ghy langer blijft, soo isset al bekaeyt."
+
+
+
+Over dit woord: Van Wijk-Frank, Etym. Wdb;--Gallée,
+D. Literaturz. 1884, kol. 1340.--de Vries, Warenar,
+190.--Mag. Ned. Taalk. III, 286.--Halbertsma, Letterk. Naoogst I,
+64; ook van Helten, Woordafl.-proeven 9 noot.--de Woordenbkn.
+
+185. Voor deze zin vgl. men de XVIIe-eeuwse constructie b. v.
+
+
+ "Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te cussen."--
+
+
+_Spreken c. acc._ = ons: aanspreken, spreken met, tot iemand. Vgl.:
+
+
+ "Sy roept 'et door het bosch, sy klaeght 'et alle man
+ Sy spreeckt de wachters zelfs, maer niemant weet 'er van".--
+ Maer waer toe langh ghekermt, ick ga de bueren spreken,
+ En zie noch yet te doen, om dit gheweldt te wreken.
+
+
+en ons: iemand gaan spreken.
+
+Een schijn van onjuiste constructie in deze zin ontstaat doordat
+"aen" naar ons begrip bij spreken wordt gevoegd, en het "aen" bij
+vangen dan ontbreken zou.
+
+Doch ook in plaats van 2 maal hetzelfde woord werd dit ook wel eenmaal
+gezet. Vgl.: Tijdsch. Ned. Lett. VI, 69; N. & Z. XII, 526; Stoett,
+Syntax., § 159.
+
+188. _ten_, 't + de negatie bij _niet_.
+
+189. Constançe = Pretiose, 173; vgl. vs. 1238.
+
+195. _u swacke maegh met suycker overlast._ De suiker, die nu vaak
+overdreven aangeprezen wordt, stond vroeger minder goed bekend;
+vgl. I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, met veersen verçiert door
+de Heer Jacob Cats... (1651), blz. 116; "Als het grof bruyn Suycker
+door de scherpe Looghe van Kalck ghemaeckt, ghesuyvert wort, ende de
+vuyle en swarte Syroop, daer uyt-gedreven is, soo krijght het eenen
+vreemden scherpen smaeck, waer af het bloedt verbrandt wert, ende
+het hooft beswaert.... Soo dat het ongesuyvert ofte _Grof-Suycker_
+somtijdts beter is, dan 't ghene dat de scherpigheyt van de Looge,
+in het suyveren behouden heeft. Daerom sal men eer het bruynachtigh
+en tamelijcken wit verkiesen."
+
+200. _maeghde-krans._ Vgl. o. v.:
+
+
+ Ick was ontijdigh groen, en hy begon te mallen.
+ Dies is de maeghde-krans my van het hooft gevallen.
+
+
+De vrijer spreekt tot de vrijster "met een ghebroken maeghdekrans."
+
+
+ "De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen,
+ Dat sy den maeghdekrans niet meer vermocht te dragen."
+ "Een snelle schicht op my gevallen....
+ Die trof mijn teere maeghde-krans."
+
+
+Vgl. het lied bij Willems, Ovla. Lied nº. 135; Verwijs,
+Mnederl. Bloeml., p. 128.--Kalff, Lied i. d. ME., 153, 277, 381,
+521.--"Verloren hab ich mein Rosenkranz," Böhme, Altd, Liederb. 152.
+
+201. of erger, is om u welbekende reden, de menstruatie opgehouden?
+
+214. _door een gunstigh oogh tot in het hert_, vgl. 377. Zie Martijn
+(ed. Verwijs), Str. 53 v.v. En
+
+
+ "....een soet en aerdich beelt
+ Dat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt".--
+ "Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten,
+ Het is een open deur, een inganck van de lusten."--
+ "Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt,
+ Dat niet als door het _oogh_ het herte wert geraeckt."--
+ "Myn verstant.... moet syn ghetogen,
+ In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde
+ oogen."
+ Nosemans, Hans.
+
+
+223. Haar bloed is machtiger dan haar wil: zij kan niet verhinderen
+dat zij bloost.
+
+230. _geest_, een persoon van geest, iemand met voortreffelike
+hoedanigheden, vgl. Ned. Wdb. IV dl. kol. 728/9.--en 't fra. _esprit_.
+
+242. _jaren_, in de praegnante zin van jonge jaren, jeugd: van nature
+de vrolike tijd.
+
+243. _genieten_, vgl.:
+
+
+ Wie ist die oyt met eene schoot
+ Een schans of ander slot genoot?
+
+
+vgl. Gloss. Granida; Mned. Wdb.
+
+245. _spruyt_, van bomen; _kruyt_, kruiden; _sap_, drank, en pappen.
+
+255. De moeder, hiertoe (door Constance) verzocht, komt met de dokter,
+die te hulp geroepen is, binnen; Constance gaat op hun toe en neemt
+hun alleen.--Vgl.:
+
+
+ De vrijster wel geçiert, na datse was gebeden;
+ Quam uyt haer stil vertreck, en in de kamer treden,
+ Haer vader ginger by, en nam haer metter hant,
+ En seyde.....
+
+
+
+262. _gaf hem dese reden_, sprak hem zo aan.--Rose, 8833: "(de
+man) _geeft_ hare menichge quade hoere."--Vgl. Diefenbach, _dare_,
+o. a. sprechen--_rede_, Kil. spraecke, sermo, verbum.--_redenen_,
+verba facere.--Vgl. Gloss. Bern.: edere, seegen. = sprechen, reden
+(Dief).--Vgl. ook 936.
+
+270. _d. heb i. w. t. w._, moet in het verband betekenen: dat weet
+ik maar al te goed.--Vgl. ook:
+
+
+ "Wat is er menig wijf, dat liever heeft te praten
+ Die liever heeft te gaen laveyen achter straten
+ Als met een stillen geest haer kint te wysen aen
+ Wat nu, wat naderhant is nut te zijn gedaen."--
+ "Ick sitte meest den ganschen dagh
+ En hebbe liever wat te staen."
+
+
+Vgl.? Dit heb ik je te zeggen dat je dat doet; en: Dat heb ik te weten,
+dat dit gebeurt.
+
+288. _koorts._ Vgl.:
+
+
+ "dat een soete coorts haer in het herte quam,
+ Ghecropen meer en meer, die haer den sin benam",
+ Vermaeck der Ieucht, (1616).--
+
+
+En 't Koortsigh Liedje, van Bredero.
+
+291. _heydens volck_, gen. vóór 't bepaalde woord, vgl. 752, 1351,
+1522; vgl. Vondels Taal, § 72, i. f. Of _adj._ ? vgl. Spaens, heus.
+
+298. Imperat. = toon-jij; vgl. 299: kleed-jij.
+
+311. _Ké_, Kil.: ah. Interiectio varios affectus explicans.--Passim
+in de XVIIe eeuw. 't Zou ontstaan zijn uit _wetecree_, _wetekey_ =
+wete kerst, sciat Christus: vgl. de Vries, Taalzuivering, 166.
+
+316. prees het goede meisje, maar zo dat er niets of niet veel van
+geven kwam.
+
+321. Gyralde echter, nu ondertrouwd, gaf aan het aardig meisje 100
+pistoletten, als bruidsgeschenk. Gawoonlik was dit het geschenk aan de
+meid, die onder de beide speelmakkers en beide speelmeisjes de bruid in
+'t biezonder diende. Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 258. Vgl. Warenar,
+389, 1318.
+
+324. in dit te verhalen een aangename tijdkorting, of
+genoegen.--Vgl. Kil. tijdverdrijf, oblectamentum, delectamentum,
+dilitiae.
+
+335. _een openbare feest_, vgl. een drofelike cleet, een coude bat,
+etc. bij Van Helten, Vondels Taal, § 85c (slot).
+
+338/9. Die met schoon gezang en vlug dansen (vgl. saltare) alles zou
+overtreffen.--_sweven boven al_, vgl. Mned. Wdb. i. v. bovensweven.
+
+341. Houten of ivoren kleppers, die de vorm hadden van twee grote op
+elkaar passende notedoppen, waren door een band aaneengebonden, die
+men om de vingers wond. Door de andere vingers snel langs de randen
+van de kleppers te laten strijken, ontstaat een klikkend geluid,
+dat de dansrythmus aangeeft. Castagnetten: kastanjes n. d. vorm.
+
+358. _was aftekomen_ = moest afkomen, vgl. 1949, 1952. Zie de variant.
+
+365. _van syner hant_, oude datiefvorm na sommige praeposities;
+vgl. van der straten 1094; bij der hant 1104;--op den velde, 1020.
+
+370. _het maegderot_. Vgl.:
+
+
+ "en tot een soet besluyt,
+ Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt."
+
+
+_quam_, waar velen nu een plusquamperf. zouden zeggen; vgl. bleef 696;
+waer 1383; gingh 1398; zie Vondels Taal § 173; of: "quam geleyden"
+= geleidde, zie 462: koomt vougen.--Vgl. Vondels Lucifer, vs. 1778.
+
+379. Staat te weifelen, vgl. 136: stont en keeck; 1119: sit op haer
+en sagh.--zie Warenar 258; Taalk. Bijdr. I, 125.
+
+384. _wort_, praesens? ook 726, 727, 731, 732; maar _wort_ praet. bij
+_werden_, _wert_ 972, 1093, 1126, 1576, 1801.
+
+407. _die_, naast _dien_; passim, vgl. Van Helten, Vondels Taal,
+§ 124; Mndl. Spr., § 352, 364_e_; Cosijn, Taal en Letterb., VI,
+276; _die men... koos, En_ (die)... _behaeght_. Als in 't Mndl.:
+in gecoördineerde zinnen blijft het pronomen weg, vooral als 't in
+_niet_-dezelfde betrekking (casus) staat; vgl. Van Helten, Vondels
+Taal, § 206, en Add.
+
+420. om dan te zijn vernield, verpletterd; maar (en hier volgt het
+6e coupl.); vgl. lat. opprimere.
+
+442. Maar al te veel bloemen staan dag aan dag te pronken; een frisse
+stengel hebben ze, maar niemand heeft er lust in. Daar gaan dan haar
+bladeren met de wind en vergaan, zoals alle stof.
+
+449. Bij de ouden wordt _Pan_, de Bosgod, voorgesteld met bokspoten,
+horens en ruig haar; als de Satyrs, vervolgt hij de nimfen met
+verliefde zinnen en bedoelingen.
+
+459. _wachte_, oude vorm; vgl. "zegge", op kwitanties; ik herzegge
+(van de voorzanger).
+
+461. Terwijl de ridder naar dit gezang met groot genot luistert,
+begint de nachtegaal de vrijster te accompagneren.
+
+467. _heydens_, vgl. 291, A.
+
+485/6. Haar rede is geregeld en dudelik; vgl. bene compositus;
+oratio bene composita.--Wat zij zegt, is geestig, aardig bedacht;
+_soete vonden_, zijn aangename denkbeelden, invallen;
+
+
+ "Men sagher sneegh beleit, men sagher vonden in,
+ Vry teikens van verstant, en van een diepe min."
+
+
+Misschien zijn de toen zo in trek zijnde "concetti" bedoeld.
+
+489. _vonck_, vgl. Kil. voncke, fomes, etc.; bij Diefenbach o. a.:
+to neghinge, naturliche neigunge.
+
+509. raven, _sing._, zw. subst. rave, vgl. Vondels Taal, I,
+p. 75.--Fabel van de vos en de raaf. Vgl. Phaedr. I, 13. Romulus I,
+14. De laatste redactie luidt: "Qui se laudari gaudent--verbis subdolis
+decepti penitent--de quibus similis est fabula.
+
+Cum de fenestra corvus caseum raperet--alta consedit in arbore--Vulpis
+ut hec vidit e contra sic ait corvo--O corvus quis similis tibi? et
+pennarum tuarum quam magnus est nitor? Qualis decor tuus esset--si
+vocem habuisses claram--nulla prior avis esset--At ille dum vult
+placere et vocem suam ostendere--validius sursum clamavit--et ore
+patefacto oblitus--caseum deiecit--Quem celeriter vulpis dolosa
+avidis rapuit dentibus--Tunc corvus ingemuit--et stupore detentus
+deceptum se poenituit--Sed post inrecuparabile factum damnum quid
+iuvat poenitere?" Vgl. 760, A.
+
+_met vollen mont_, vgl.:
+
+
+ De vrucht die is te raken,
+ En met een vollen mont op haren tijt te smaken.
+
+
+535. wat ik wezen mag, toch ben ick (etc.)--_magh_, vgl. Vondels Taal,
+II, § 188. Vgl. 1304.
+
+542. _streelt de sijde rocken_, vleit de vrouwen, die aan het hof zijn;
+vgl. m. m. de _bouwen_, _wijlen_ (nonnen);
+
+
+ "Dus gaetet vast dat aen den _broeck_
+ Hanght al de vreughde van den _doeck_";
+
+
+vgl. plaet, platen, (soldaten).
+
+_sijde_, hollands, nu nog, voor _sijden_. Vgl. Van Helten, Vondels
+taal I, blz. 106.
+
+544. edel pant = reine jeugd; _genit. epexegeticus_: de stad van
+Amsterdam, de prijzenswaarde deugd van zelfbeheersching.
+
+606. Oude gewoonte, om alle gerechten tegelijk optezetten.
+
+614. lage plaats, vgl. locus, afkomst, geboorte, stand.
+
+625. _mijnen_ = jegens mij, pron. poss. = gen. object; vgl. Granida,
+1529_b_, A.
+
+628. _nam_, = zou nemen, vgl. 1304.
+
+639. Indien je gediend ben van schoonheid, kom slechts, wanneer je ook
+wilt, je huis uit, daar (in deze grote stad) wonen vele mooie meisjes.
+
+642. Indien je vermaak vindt in verstandige, geestige kout, welnu,
+dat behoef je evenmin te missen.
+
+655/6. Al worstel ik tegen mijne jeugdige lusten, ik word meegesleept
+zelfs waar ik niet wil.--Vgl. voor _jeught_: "een maeght die onmachtigh
+is haer jeught te wederhouwen".--
+
+
+ "syn herte soo bevanght,
+ Dat hy tot in het mergh na hare jeught verlanght."
+ "een jongh en rustigh man,
+ Die, na den rechten eysch, u jeught vernugen kan."
+
+
+Een gehuwde vrouw moet in sommige omstandigheden "alle hare
+jeughdigheden dempen en doen versterven."
+
+659. _deftigh_. Vgl. "Of het een deftigh man, die syn geheele werck
+van wijsheyt en geleertheyt heeft voorgenomen te maken, geraden is
+sigh ten houwelicke te begeven."--
+
+"Daer is een deftigh man (Barlaeus) die leert u Roomsche
+spraeck."--Ongehoorzaam zijn om zichzelven het leven te benemen op
+bevel van de Mohammedaanse vorst, is een boze
+
+
+ "daet,
+ Maer 't is een deftigh helt, die hier in willigh gaet."--
+ "..... hiet my lieve man,
+ In dat soet-deftigh woort, daer in soo ligt verholen
+ Wat u en my gelyck de Schepper heeft bevolen."--
+ "Het is geen deftigh man,
+ Die met gebogen hals geen dwasen lijden kan."--
+ "Datje niet en nut, of met den monde smaeckt,
+ Dat uyt een innigh vyer de lusten gaende maeckt
+ .....maer breeckt de lange nachten
+ Door vlyt tot deftigh werck."--
+ "o deftigh werck dat ick op heden doe... een wreede moort."--
+ "Zijn deftige (ernstige) taal stelden my ook gerust."
+
+ Haagsche Vondeling.
+
+
+Vgl. _Taal en Letteren_, 1903, blz. 473.
+
+672. mijn onervaren jeugd nu bij te minne en geringe schepsels
+bevrediging zoekt.--Vgl. 614.
+
+673. Indien men de oude tijd nagaat, bemerkt men ....
+
+679. ter wille van Europa, dochter van een Phoeniciese koning.
+
+680. om Leda, de echtgenote van de Spartaanse koning te bezoeken.
+
+682. Hercules was verliefd op Omphale, koningin van de Lydiërs,
+en vernederde zich daar een tijd lang om als slaaf haar te dienen,
+om haar gunsten te genieten. De negen-koppige slang, de Hydra, een
+monsterleeuw bij Nemea, het Erymantiese zwijn, de Cretensiese stier
+versloeg hij.
+
+684. _duyden_ = strekken, vgl. de 2e betekenis van het intransitief
+_dieden_ in het Mned. Woordenb., welke die van "strekken" nadert,
+b.v. Hoe luttel hare (_des aventuren_) helpen (_znw. mv._)
+dieden. Vgl. baten, dienen:
+
+
+ "Indien men recht gebruyckt den luyster der agathen,
+ Het sal het jonge paar tot vrede konnen baten."--
+ "En trout oock op het ooge niet,
+ Want 'et dient u beyde tot verdriet."
+
+
+688. ik weet niet (door) hoe een sloor, (hoe) een herderin.
+
+692. _Gode_, dat., zonder meer, slaat op Jupijn (677). Andreas
+is Christen, en Heiden tegelijk: gewoon verschijnsel in de
+Renaissance-literatuur.
+
+693. _het groote licht_, de zon, nog in gewestelike taal, in bepaalde
+frases ("gaat ons verlaten, is weg") de gewone aanduiding.
+
+706. _En_ (zij) _scheen_, vgl. Vondels Taal, II, § 227, d.
+
+708. Zo gauw zag hij ze niet weer, of zijn smeulende liefde ontvlamde
+dadelik.
+
+721. _began_, praes.? (vgl. plagh, 94, A.) Mnederl. begonnen, [64]
+begonde (begonste) naast beginnen, began (begon). Beide vormen
+lopen door een. Mogelik is dat _begonnen_ later is beschouwd als
+een verbum gelijk _connen_ (praes. _can_) [65] en derhalve _began_,
+praes.; _begonste_, praet.--Naast inf. _begonnen_ bleef _beginnen_
+(vgl. de dooréenmenging in de spreektaal van kennen (kent) en kunnen
+(kan). Ook bij de voorgestelde etymologie (Kluge, Franck-Van Wijck,
+Etym. Wrdbn.) is een praes. _began_ wel te verklaren.
+
+733. _quam_, perf., vgl. 1020; zie Vondels Taal, II, § 171.
+
+752. _Wij stellen_, ons stelsel is dat overal het goed aan
+allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij
+behoeven. Gen. vóór 't bep. woord, vgl. 291.
+
+757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij
+kent de kunstjes.
+
+760. Zinspelend op de fabel _Phaedr._ IV, 8. In de ME. en later nog,
+bekend in de redaksies van de Romulus [66], III, 12: "De duobus malis
+auctor talem subiecit fabulam--Malus peiorem non ledit nec iniquus
+iniquum superat.
+
+In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera--Dum quereret
+aliquid ciborum--rodere coepit limam--Tunc lima ridens--ait ad
+viperam--Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum--quae consuevi
+omne ferrum rodere--sed et si quid forte est asperum--fricando facio
+lene-quae si angulum tersero--si quid ibidem est ipsa precido--Ideo
+eum acriore mihi certandum est." Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus,
+(IXe eeuw) ed. Oesterley.
+
+Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe--XVe eeuwen, aldaar
+opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine, lib. V:
+Le serpent et la lime.
+
+762. hoe weinig kleding en deksel de mens nodig heeft. Vgl.:
+
+
+ ... "dat een keel
+ derven moet een deel
+ Om de rug en borst te decken."
+
+
+785. _sure vlagen_. Vgl.: "De Mey (1685) bleef in Nederlant dit Iaer
+noch vry suer", Holl. Mercur. IX, 53.
+
+793. _vrougher op om eenigh heer te groeten_, zinspeelt dit op het
+"lever" van vorsten, en hoge personages?
+
+822. _Ghy let_, imperat., vgl. 298.
+
+843. Te verklaren als: Indien je het hof wil maken in alle eerbaarheid,
+zonder bedrieglike voornemens. Vgl. in alle eer en deugd.--Vgl. "Die
+sonder achterdencken leven, staen als open, en zijn onderhevigh om
+gehoint te worden."--
+
+Of als: zonder dat dit haar ten schande kan strekken? Vgl. Kiliaen
+i. v. hoin.
+
+852. _uwe_, de uwe, vgl. 920; zie Vondels Taal I, blz. 124.
+
+872. _bij hem alleen_: zonder dat de anderen er bij waren en het
+bemerkten.
+
+899. met verstand en beleid te handelen.
+
+918. _in u vermaeck, u_ als gen. object, vgl. 10: haer diensten; 625:
+mijnen haet; 1088: in haer gesichte (in haar te zien)--_besteden_,
+vgl.:
+
+
+ "waer de beste sinnen
+ Besteden haren tyt ontrent een heyligh minnen."
+
+
+919. Vgl. 1407.
+
+936. _gaf_; vgl. Lat. dare, geven, uitstorten.
+
+937. _heb ... gaen beginnen_, passim bij schrijvers in de XVIIe eeuw.
+
+Het hulpwerkw. hoort bij de volgende infinitief, een transitivum,
+dat met "hebben" vervoegd wordt.
+
+Schijnt een Noordhollands eigenaardigheid.
+
+Vgl. Kern, De met het Participium Praeteriti omschreven
+Werkwoordsvormen in 't Nederlands (Verhand. Kon. Acad. 1912) § 226,
+blz. 200/1 en § 77, blz. 64/65.
+
+939. _uithangen_, c. dat. pers. "Hoe is mijn uiterlik voorkomen? Zoo
+zeggen wij nog van iemand, die zich uiterlik als vroom voordoet,
+dat hij _den vrome uithangt_, en van een leelijk, wanstaltig mensch,
+dat hij _een slecht uithangbord heeft_", Cats, ed. de Vries de Jager,
+Deventer, V, 68 noot.--Vgl.:
+
+
+ "Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken?
+ Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?"
+
+
+947. Wat beduiden deze regels? Men zou kunnen denken aan: volle
+maagdelike rijpheid; toen zij op haar middaghoogte was. Daartegen
+strijdt echter "terstont" (945).--Of maakt de juffer tweemaal 's
+daags toilet? Met den noen (voor zij tafelt) en 's middags (voor zij
+uitgaat)?--Of zijn eenvoudig "noen" en "midden op den dagh" synoniem,
+op de middag, in 't volle licht?
+
+950. _vougen tot_ = vereenigen met; vgl. vervoegen = vereenigen,
+bij Huyghens (Panth. 79, 9) en Pastor Fido van Bloemaert, 1650, p. 130:
+
+
+ En wilt met d'uwe toch vervoegen ons' gebeden.
+
+
+_syn leden_ = zich; vgl. ick schenck u dese leden, 714; als ick
+... myn leden overslough, 948. Vgl. nog het passieve in:
+
+
+ "Gij dan, van eersten aen dat _uwe_ teere _leden_
+ Syn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden."
+
+
+Vgl. ook: syn saken aanleggen = het aanleggen, 81 A.--
+
+952. zelfs van daag nog getrouwd. _Versegelt in de trou_, vgl. de
+aanhaling by 1252.--en: "Des Heeren goeden segen
+
+
+ Verkondight in de kerck, en opentlick gekregen
+ Versegelt echte trou; soo dat men even dan
+ Bekoomt een vollen naem van wijf en echte man."
+
+
+968. Hij is een zonderling, een ruwe klant, die noch om schoonheid,
+noch om rijkdom geeft.
+
+973. eigenaardige herhaling, vgl. 1175. En vooral Reynaert, Inleiding
+(Zw. Herdr. 1909) blz. LVIII, n. en blz. XXII.
+
+981. _syn hert is niet aen haer_. "syn aen" kan, evenals het Lat. _esse
+alicui_, betekenen: bezitten; vgl. het Mndl. Doch ook kan _aen_ hier
+de betekenis van _bij_ hebben. De eerste opvatting heeft voor, dat
+"esse alicui" gebruikt wordt, wanneer de nadruk op de zaak valt, gelijk
+hier "hert", vgl. de volgende tegenstelling; _haer_, pron. reflex.,
+waarvan het vrouwelik hert antecedent is.--Zijn hart is niet vrij.
+
+1004. Er is climax in de tekst: verrader, spoken, boose
+geesten. Verrader is een booswicht vol duivelse list, die niets
+menseliks meer heeft en tot alles in staat is; er is niet alleen aan
+eigenlik verraad te denken.
+
+1007. _suysebolt_, vgl. "drink datje suizebolt", Rabelais, Vertaalde
+Werken.
+
+1022. Andreas, wel wetende hoe de vrouwen razen, wanneer men haar
+lusten weigert te bevredigen.
+
+1032. De schout zendt op het vreemd verdacht gerucht de strenge
+rechters af.
+
+De editie van 1700 (zie 't Voorbericht) heeft _troep_.
+
+1034. _in de broecken_. Zelfs in de onderbroeken verstopte men de
+beurs, of kostbaarheden: vgl. Holl. Trouwgevallen, blz. 186. Koopman,
+blz. 146. Kind van Weelde II, 108.
+
+De studie van Jonkvr. Dr. de Jonge over De kleederdracht in de
+Nederlanden in de XVIe eeuw, in Oud-Holland 1919, geeft voor deze
+materie niets.
+
+1044. Relat. zin; het verbum wegens 't rythme verplaatst.
+
+1048. _niet en let_ = niets mankeert; vgl. "een peert dat schurrift
+is, en wil den roskam niet."
+
+1066. Hij dient naar de galeien veroordeeld.
+
+1070. _geesten_, vgl. het laatste gedeelte der aanhaling bij 151.
+
+Ook _dierlijke geesten_, animal spirits, esprits animaux,
+vgl. Ned. Woordenb.: "de fijne vluchtige vloeistoffen, die, naar men
+onderstelde, in het bloed aanwezig zijn en het eigenlijke beginsel
+uitmaken van gevoel en beweging. Door sommigen onderscheiden van de
+_levensgeesten_, die als de oorzaak van het leven golden."--"Vele
+malen bij C. deze geesten in betrekking tot de werking van die fijne
+zenuwvloeistoffen op het gevoel, de begeerten, hartstochten," enz.
+
+1072. Alleen zijn edele afkomst trekt hem voor de geest.--_spelen
+ontrent_ = zich bewegen om. Vgl.: "maer alle mijne sinnen spelen noch
+ontrent uwe laetste redenen."
+
+1119. _vast sit op haer en sagh_, zit op haar te zien; vgl.:
+
+
+ "Sy leyt er op en maelt als met de gantsche kracht
+ Oock midden in den droom, en in den middernacht."--
+ "Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh."
+
+
+Vgl. nog Noord en Zuid II, 138/9.
+
+1124. _landdrost_, waardigheid hoger dan schout; landdrost oefende
+in naam van de heer de lijfstraffelike rechtspleging uit.
+
+1127. _Al is de krijghsman doot_, Is de krijgsman gedood, dood.--_Al_,
+versterkend partikel = wel??--_doot_, oud part. tot adj. geworden,
+vgl. van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. III, 109.--Verdam,
+Middelned. Woordenboek, 297.--Alexander, ed. Franck, p. 421.
+
+1131. Ooit van zijn leven, een adverbiale accus. Vgl. "heb ik mijn
+leven!"--Vgl. Warenar 1053, var.
+
+1152. Aen (de ontroerde) vrou Giomaer schijnt het zelfs een stage
+vloet; aldus op te vatten?
+
+1160. (verwondert) _dat_, vgl. Mned. Woordenb. II, 86/7.
+
+1169. _opgetogen_, gespannen, ingespannen. Vgl.: opgespanne, Vondels
+Lucifer 145; ook: "die (geleerde) zijn dickwijls te veel opgetogen
+om een jonge vrouwe wat goets te doen"?--
+
+1170. Maiombe wikte ernstig haar droevige toestand.
+
+1194. Vgl. 739, 751.
+
+1226. _die_, relat. zin bij "slimme gangen" (vergif, coll. = slimme
+ganghen): constructio ad intellectum.
+
+1236. was (_het_) inderdaed; vgl.:
+
+
+ "Maer d'eerste is die my best behaeght."--
+ "Hy is die ware liefde plant:
+ Als vader van den echten bant."
+
+
+Vgl. van Helten, Vondels Taal II, § 212. Voor het duitsch:
+E. Bernhardt, Zs. f. D. Phil., 1903, 145.
+
+1252. _op de zaal_, zaal meestal het grote ontvangvertrek, hier echter
+vertrek in 't algemeen, vgl. vs. 1266.--Vgl. o. m.
+
+
+ "Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen,
+ Soo siet men op de zael terstond een priester komen,
+ Die heeft het jonge paer versegelt in de trou."
+
+
+En Trouringh, 4º., Ongel. Houwel., 197.--Antonius-Cleopatra, 595
+m.; etc.
+
+1285. _grijpt haer in den arm_, omarmen, vgl.:
+
+
+ "'t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soen
+ Ick wil ook even soo myn laetste plichten doen.
+ Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepen
+ Malkander in den arm, en vast aen een genepen
+ Gaen rollen van den rots....."
+
+
+1299, 1328. _ons_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, § 99;
+Mndl. Spraakl., blz. 444.
+
+1300. _in dese venster_.
+
+Vensters in de oude kastelen waren diepe nissen, met banken aan de
+zijden. Vgl. vooral Schulz, Höfisches Leben in MA.
+
+1304. _nam_ = zou nemen; vgl. 628.
+
+1312. Vgl. 1327.
+
+1322. _doot_ = ongeluk, vgl. Verdam, Mned. Woordenb. II, 296: "Bi aldus
+ghedaenre dinc so brinct hi sinen here ter doot", zie ook aldaar 297 g.
+
+1326. _op een nieu_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, 154.
+
+1331. werkelik, innerlik, en voor de mensen, _schijn_, uiterlik
+voorkomen.
+
+1351. _vertrout syn aen_, vgl. verloven; Mnederl. sekeren, versekeren,
+Taal- en Letterbode, II, 18.
+
+1356. Daarvan kon ik behoorlik van avond niet alles mededelen.
+
+1366. Vgl. 842, vv.--_tergen_, vgl.:
+
+
+ "De juffers van het hof die met geçierde rocken,
+ Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken,
+ Verdienen 't ongeluck dat ons haer wesen verght,
+ Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght."
+
+
+Vgl. ons: mondterging; en Gloss. Granida.
+
+1382. Op alle vragen geeft zij..... zo vriendelik en zo ten volle
+antwoord, dat.....
+
+_in volle leden_, volledig, ten volle, vgl.: (het onderzoek) "is by
+my niet overal in volle leden ghedaen konnen werden."
+
+1384. _strecken over_, vgl.: (zijn gedachten) laten gaan over,
+maar hier sterker: zo had hij op haar zijn hart gezet.--_Sinnen_,
+vgl. gemoet, 702: hart, "'t beginsel van zijn neigingen, hartstochten",
+tegenover verstand, rede, vgl. 703.
+
+1388. _hertsen_, dubbelvormig uit hert_s_, en
+hert_en_. Vgl. o.a. Kolthoff, Het Subst. in 't Nederl. der 16e
+eeuw, 27.
+
+1393/4. _noemen: afgekomen_, rijm van _oe: o._ dat vaak voorkomt, zie
+Reynaert, (Zw. Herdr.) Inleiding blz. XLIV, vv., XLVI, en XXXIX. Met
+de daar aangehaalde litteratuur.
+
+1411. A. was haar voorspraak, pleitte verzachtende omstandigheden;
+de lant-vooght nam dit (wat hij bijbracht) aan; vgl. ons: iemand
+voorspreken. Kiliaen veur-spreken, fide iubere, stipulari et defendere
+verbis. Diefenbach: prolocutor vorspreke, vorsprecke. advocare
+vorsprechen, fideirbere, vorheyssen, borghe werden.
+
+1415. In ouden tijd kon manslag en moord met geld afgekocht.
+
+1450. Beeldspraak aan 't klein schippersbedrijf ontleend. Zeilt men
+met volle zeil, dan is de boegspriet vooruitgestoken; deze wordt
+echter opgetrokken of ingehaald, nadat de kluiver gestreken is,
+zodra men de haven en wal nadert, en vaart mindert.
+
+1457. _de_ man, naast _den_ man: passim; vgl. _die_ 407 _a_.
+
+1473. Ghy siet, Imperatief vgl. 298.
+
+_Pasquier_, vgl. 1792; beroemd Frans jurist en overheidspersoon van
+Parijs, 1529-1615. Onder meer: Les Recherches de la France (1560).
+
+1497. _mogen_ = moeten, vgl. Van Helten, Mndl. Spr. § 232; Verdam,
+Mndl. Wdbk., i.v. Nog in Zeeland.
+
+1500. _kruys-dragende_. Het kruis, dat gewoonlik aan een ketting om
+de hals werd gedragen, is het gewone onderscheidingsteken van alle
+bischoppen, en van die abten, aan wie de bischoppelike insignia
+zijn toegestaan. Men zal een, moeten inlassen na _kruys-dragende_,
+waarbij als appositie dan B. ofte A. staat. Eigenlik hier een min
+juiste vertaling van: "le Pape.... ordonna, comme on disait: que
+tout Evesque, et Abbé portant crosse, leur donneroit pour une fois
+dix livres tournois."
+
+1502. _Tournois_. In de ME. had bijna elke stad het muntrecht:
+daardoor ontstond allerlei muntwaarde, vandaar de bijvoeging (een pond)
+doorniksch, e.a. Vgl. nog pond sterling.
+
+1521. de mans wijs makende dat hun vrouwen verkeerde zaken bij de hand
+hadden, hun ontrouw waren.--Vgl.: "een vrouwe heeft ons een spinrocken
+gerockt daermen nu nacht en dach met besich is om quaet garen af
+te spinnen twelck wel int afhaspelen vuyl quaet wergaren mochte
+worden." Sermoenen-Broer Cornelis.--Vgl. Harrebomée, Spreekwoorden, I,
+202_b_: "Zoo 't wijf met de oogen gluurt, en met haar gangen draait,
+Is 't wonder dat ze niet met andrer garen naait."--ook: Stijntje
+en Trijntje, laat varen: Zij spinnen quaet garen (ald. L. S. I,
+XXXVIII) daar aangehaald: Gheurtz, 10, 76--_grof garen spinnen_,
+vgl. ook Zw. Herdr. 12/13 (Asselijn's Jan Klaaz) Aant. bij 152.
+
+1522. _uyt de lieden beurse_, vgl. ook Van Helten, Vondels Taal,
+Synt. blz. 141; mndl. de weeskinderen goeden;--die arme luden lijken,
+etc. in Mndl. Spr. blz. 450.--Ook?... "naar rijkelui gewoonte",
+Potgieter, Proza 394.
+
+1531. _Sebastiaen Munsterus_, Duits mathematicus en Hebraïcus, 1489
+(Ingelheim)--1552 (Basel). Zijn hoofdwerk: Cosmographia universa,
+een van de oudste aardrijkskundige werken.
+
+1535. _Philippe Camerarius_, 1537 (Tubingen)--1624, zoon van
+de beroemde Joachim (I) C, broeder van Joachim (II) C, schreef
+o. a. Orationes.
+
+1536. _Konrad von Gesner_, 1516-1565, polyhistor, gaf een nieuwe
+richting in de Litteratuurgeschiedenis door zijn Bibliotheca
+universalis sive Catalogus omnium scriptorum locupletissimus in 3
+linguis Gracca, Latina et Hebraica extantium, (Zurich, 1545-55); gaf
+verscheidene oude auteurs uit met commentaren, o. a.: Mithridates,
+sive de differentiis linguarum etc, Zürich, 1555. Vgl. Hanhart,
+K. v. G. 1824.
+
+1548. Volgens de wetenschap van medici en natuurvorsers.
+
+_Naturen_, subst. zw. genitief; vgl. zelfs _naturens_. Vondels Taal,
+I, § 68 i.f.
+
+1568. _Avicenna_, de beroemdste Arabiese Filosoof en arts, 980-1037;
+zijn beroemd werk "Kanun" grondt zich op Galenus. _Franciscus
+Valesius_, Spaans geneesheer XVIe eeuw, lijfarts van Philips II.
+
+1569. _Jacques Ferrand_, Frans medicus, te Agen geboren in het einde
+der XVIe eeuw. Traité de la maladie de l'Amour ou mélancholie érotique,
+Paris, 1623.
+
+1572. _geleerste_, _plur_. zonder _n_;, vgl. eenige, ervarenste 1566,
+voorlede 1592, geleerde 1606, groote 1628, e. a. Zie Vondels Taal I,
+§ 100, 105, p. 110. Mned. Spraakl. § 308, 309, 311.
+
+1582. _slagh-ader die uyt het herte haer beweginge heeft_: hier is
+Cats zeer "up to date" (in 1633 was hij al met het Sp. H. bezig);
+evenals van Beverwijck (deze in 1638?) nam C. de circulatie-theorie
+van Hervey aan (1628 gepubliceerd). Vgl. vooral _E. D. Baumann_, Van
+Beverwijck in leven en werken geschetst (1910) blz. 134 vv. De meeste
+gezaghebbende medici bleven tegenspartelen; en zelfs heftig bestrijden.
+
+1594. Ovidius, Heroïdes XI, 33, 34:
+
+ Prima malum nutrix animo praesentit anili:
+ Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas.
+
+
+1616. Vgl. Antwerper Lietboeck No. 215, p. 334:
+
+
+ Sotten, wat mach v gebreken?
+ Sottinnen, hebt goeden moet,
+ Als v die wespen steken,
+ Loopt inden haselaer metter spoet;
+ Die gaeren metten lenden wercken,
+ Compt doch metten hoop,
+ Papen ende clercken,
+ Die nooten zijn goeden coop.
+
+
+(Vgl. voor haselaer en noten, Kalff, Lied in de ME. 349, en Verwijs
+St. Nicolaas, 41/42, en Wolf s Zeitschr. f. D. Myth. III, 68.)
+
+1617. _Soranus van Ephese_. Sommigen spreken van twee, waarschijnlik is
+er maar éen geweest, die leefde tot 138 na Chr.? Aan deze toegeschreven
+een Leven van Hippocrates. Zijn hoofdwerk: Per'i gunaike'iwn paj=wn.
+
+Vgl. Ilberg, in de Abhandl. Sachs. Acad. XXVIII (1910).
+
+1623. _Valerius Maximus_, ± 30 na Chr., schreef De dictis factisque
+memorabilibus libri IX; met vele historiese anecdotes.
+
+1625. _den sieckaert maken_; Kil. Den sieckaert maecken, Aegrotum
+simulare, simulare morbem. Vgl. als of hij (God) den vrijer quame
+maken aen de menschen (Osea 3. 1) en daer na.... stelt sigh eerst als
+bruydegom, en daerna als echte man; ook: den duvel maken, I Martijn
+(ed. Verwijs), 149.
+
+1629. _Galenus_, naast Hippocrates de beroemdste Griekse geneesheer,
+in Pergamum, Alexandrië en in 164 na Chr. te Rome. Tal van werken.
+
+1665. _Paulus Aegineta_, beroemd Grieks chirurg, in Aegina geboren,
+volgens sommigen in de IVe, Ve, VIe, volgens anderen zelfs in de VIIe
+eeuw na Chr. Schreef een beroemd Compendium van de Medicijnen. Pauli
+Aeginetae de re medica libri septem, (gedrukt Venetië 1528, verbeterd
+Bazel 1538.)
+
+1671. Bij een ander verhaal zal daar over wel, is gesproken
+worden. Over de compositie van de Trouringh, zie Inleiding blz. VIII,
+vv.
+
+1689. _Erasistratus_, beroemde arts in Ceos, ± 300, lijfarts van
+Seleucus Nicator. Vgl. vs. 1621. Stichter van een eigen mediese school.
+
+1705. _uytmuntende_, vgl.: "dat de selve geen uytmuntende gebreken
+aen haer lichaem was hebbende" (bedoeld zijn "verlemtheyt, bultigheyt
+of diergelijcke")--"Of yemant, hebbende een uytmuntende lichamelick
+gebreck dient getrout."--"Yemant soude willen aanraden tot sodanige
+uyt-muntende gebreken (d. i. een openbaer sienlijck of tastelick
+gebreck), immers niet om des rijckdoms wille."
+
+1724. _meloenen_. Vgl.: "Het en beurt niet selden dat de menschen
+haer met Meloenen een sieckte op het lijf eten. Want sy bederven
+lichtelijck, en in den buyck bedorven sijnde, nemenze byna de nature
+van vergif aen, ende veroorsaken een sieckte, die wy Boorts noemen,
+ofte eenighe quaedtaerdighe koortsen..." I. van Beverwyck, Schat der
+Gesontheyt, (enz. 1651) blz. 104.
+
+1740. Verschillende leuke voorbeelden van handige "Doctoren" bij I
+van Beverwyck, Schat der Ongesontheyt, (1651), blz. 5.
+
+1762. _dat jae_, meermalen bij Cats, ook: "ick meyne dat neen", naast:
+"ick meyne ja".--zie 1830; vgl. Frans: que oui, que non.
+
+1772. _het vogeltjen onder de steert sien_. Harrebomée, Spreekw. "dat
+beteekent: ik moet eerst de zaak navorschen, 'zoo als de vogelaars',
+zegt van Eijk, 'om te onderzoeken, of het dier geen gebrek heeft'". Zie
+ook van Eijk, Nederlandsche Spreekwoorden (1838), 92; Bogaert,
+Toegepaste Spreekwoorden (1852), 91.
+
+_dagh en raet_, komt er tijd, komt er raad. Ook
+Harrebomée. Spreekwoordenboek 3 dln., 1858-1870, die verwijst naar
+Servilius, Adagiorum epitome (enz.), Antwerpen 1545, blz. 253; Gemeene
+Duytsche Spreekw. gedrukt tot Campen, bij Peter Warnersen, in den
+Witten Valck, _s. a._, blz. 12; Sartorius Adagiorum (enz.) 1556,
+blz. 128; Tuinman, Oorsprong en uitlegging (enz.) 1726/7, I, 331.
+
+1773. Vgl. 105 vv.
+
+1781. _Martin-Antoine Delrio_, geleerde Nederl. Jezuiet, 1551
+(Antwerpen)--1608 (Leuven). Van hem: Disquitionum magicorum libri
+sex. Leuven, 1599.
+
+1790. Oversettinge van Hieronymus; in de Vulgata: door verschillende
+synoden (laatstelijk Trente) geauthoriseerde Lat. Bijbelvertaling.
+
+1791. _dient daerom na-gesien_: "te worden" door vele grammatici
+geëist, ontbreekt hier. Vgl. Van Helten, Vondels Taal, Synt. § 248
+en Tijdschr. XI, 180.
+
+1839. Het gemene recht, het recht dat algemeen geldt in een landstreek,
+Ned. Woordenb.--De Gemene rechten zullen doelen op het Rom. Recht;
+naast de landrechten, elk in hun biezondere streek.
+
+1841. _gaende maecken_, vgl.:
+
+
+ "Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken,
+ Die met een stille kracht de menschen gaende maken."
+
+
+"die hem de sinnen gaende maken."--"de jeught, de min, de nacht,
+die als een stille wint de lusten gaende maken."
+
+1844. _Justus Lipsius_, de beroemde humanist. 18 Oct. 1547-24 Maart
+1606, prof. in Leiden en Leuven; o.a.: Monita & Exempla politica,
+Leiden, 1601. Vgl. verder het Leven en Werken in Bibliographie
+Liptienne (Gand 1886).
+
+1851. De Joden, het uitverkoren bondsvolk, vgl. Genesis XVII. Daarna
+onder de Nieuwe Bedeling: het Genadeverbond, ook over andere volken
+zich uitstrekkend; vgl. Hebr. VII, 22; VIII, 6, 13; I Kor. XI, 25;
+II Kor. III, 6, 14, ook Matth. XXVI, 28. Teken: de doop, vgl. 624;
+vgl. het Belijdenisformulier, Art. XXXIV.
+
+Calvinisties betoog.
+
+1863. Oud-christelike voorstelling die berust op allegoriese
+verklaring van het Hooglied bij de Joden: Sulamith, de geliefde, =
+Joodse volk; de minnaar, Jehova; vgl. o. a. ook Ezech. XVI; later
+pasten de kerkvaders (Origenes, Hieronymus) dit op de gemeente van
+Christus toe; vgl. Chr. de Bruidegom in het N. T.; toen niet meer
+allegories maar in mystiese zin verklaard. Ook aldus in de Protestantse
+Kerk. Vgl. het Trouwformulier.
+
+1887. de een met de ander: met elk-anderen. Vgl. o. m.: "gehoude
+lieden met onderlinge bewilginge sigh van den anderen wel mogen
+onthouden."--"twee, die geen vryheyt hebben van verkiesinge, krijgen
+dickmael een af-keer van den anderen."
+
+1889. Wel zou de man zijn vrouw niet haten, toch haat de dwaling
+de waarheid.
+
+_Hypolite Salviani_, Italiaans medicus en natuurkundige, 1514-1572,
+pauselik lijfarts, o. a. van Julius III. Is hier bedoeld De crisibus
+ad Galeni censuram liber (1558)?
+
+1892. _Henniagus Arnisoeus_, Duits geneesheer (1580, Halberstadt-1626);
+lijfarts van Christiaan IV van Denemarken; schreef vele mediese en
+juridiese werken, o. a. De jure connubii.
+
+1902. De brief van Paulus aan Philemon.
+
+1906. _Molin_, Petrus Molinaeus (du Molin) 1568-1658, Frans
+Hugenoten-prediker, na 1620 prof. theol. in Sedan. Ging 1615 naar
+Engeland op verzoek van Jakobus I. Zie G. Gory, P. d. M., Paris
+1888.--Is bedoeld "Conseil fidèle et salutaire sur les mariages des
+personnes de Religion contraire"?--Zie Jöcher, Gelehrten Lexicon.
+
+1916. _immers_ = altans, vgl.:
+
+
+ "Het maeckt een groot gherucht,
+ Het schijnt of dat 'et krijst, of immers dat 'et sucht."
+
+
+Vgl. een andere plaats 1705 A.
+
+1918. _sedigheyt_, vgl. woest; _geloove_, ongeloovigh, 1907, zie
+1848, vv.
+
+1920. Vgl. Paulus aan de Korint. I, 16, welk vers in Cats-z'n tijd op
+vs. 12, 13, 14 slaat.--Vgl. Grotius, Annotationes in N. T.: "Magnam
+enim vim habeat in animos sancta viri aut mulieris conversatio".
+
+1939. _Vrij wat slots hebben_, slot hebben = zin hebben, sluiten, vgl.
+
+
+ "'t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden,
+ 't Is beyde sonder slot, en buyten alle reden."--
+ "Als er iemand boecken schrijft
+ De leser lacht, de leser kijft
+ De leser prijst, de leser spot
+ En beyde dickmaal sonder slot."--
+ "Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halen
+ Of fabels sonder slot en oude leugen-talen,
+ O, regter! achtet niet al wat de bouve seyt
+ Ten heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt."
+
+
+1972. Dochters Laban; vele Hebr. eigennamen in de Septuagint en in
+'t N. T. onverbuigbaar; vgl. vooral Matth. I; Luc. III, 23, 30, 32; X,
+30; XVIII, 35; Joh. XVIII, 1; vgl. Robertson (Louïsville, Ky U. S.), A
+Grammar of the Greek New Testament in the light of historical research3
+(1919).--Thackeray, a Grammar of the O. T. in Greek I (1909).
+
+1979. _nachtegael_. Vgl.:
+
+
+ "O nachtegael die op de peluw sit
+ Ghy kond voorwaer te wonder krachtigh singen."--
+
+
+vgl. ook? Ver nachtegael, Kalff, 360, 355.--Nachtegaal op de peluw:
+vrouw, die in bed knort! Van Dale-Manhave.
+
+Harrebomée, Spreekw. kent nog: Het is een nachtegaeltje op de peluw:
+dat is: moeder zingt 's nachts haar kind in slaap.--Een kwaad wijf,
+is een kwade nachtegaal.--Dat is maar om kennis te maken, zei losse
+Filip, en hij lichtte zijne vrouw met een houten lantaarn naar bed,
+daar de nachtegaal zeven jaren op gezongen had.
+
+1981. Veel vermag de smeektaal van de vrouw.
+
+
+
+
+
+
+GLOSSARIUM
+
+
+A. verwijst naar de aanteekeningen.
+
+
+
+
+
+
+A
+
+
+ader, 260: slagaar, pols? zie slagh-ader.
+
+ader-slagh, 1691.
+
+aen-doen, 679: aannemen.
+
+aengaen, overkomen, 613.
+-- op, 1726.
+
+aengevochten met droefheyt, 10 A.
+
+aen-leggen, overleggen, inrichten, 81 A. 130. 182.
+
+aen-nemen, tot zich nemen, ontvangen, accipere, 854
+--aannemen, 1411 A.
+
+aen-schouwen, 941.
+
+aen-steken met, ontsteken in, 1265.
+
+aen-vangen, aanvaarden, 717.
+
+aen-veerden, 682: den spinrock, gaan spinnen.
+
+aen-voeden, kweken, 1022 A.
+
+aerdigh, bevallig, lief, fraai, 138, 150, 337, 1052, 1178.
+
+aerdsche dal, 766, 819.
+
+aert, natuur, geaardheid, inborst, soort, 823, 928, 1271, 1296,
+wijze, 562.
+
+aes, voedsel, 511.
+
+af-breken, doen ophouden, 1350.
+
+afgesondert, 1850: afgescheiden.
+
+af-leyden, 1312: weg voeren.
+
+af-nemen, opmaken, uitlezen, 1668.
+
+achter, door langs, 579, 618.
+
+achtinge, (in -- komen), aanmerking, 1911.
+
+al, geheel, alle, 80, 354, 1190.
+
+al, wel, nu, al, 123, 147, 351, 594, 826, 1127 A., 1141, 1170,
+1319, 1397, 1610: nog al, 1930.
+
+algelijck, evenzeer, 1070.
+-- evenwel, 1363.
+
+schoon ... al, ofschoon, 268, 605.
+
+al te mael, alles (te zamen), 135, 645.
+
+als, alles, 724.
+
+ampt, taak, 21.
+
+anders, voor 't overige, 1800.
+
+
+
+
+B
+
+
+baey, 312.
+
+banen, doorploegen, 250.
+
+bedencken, overwegen, 596.
+ in -- brengen, 833.
+ een in -- houden, 216.
+ in -- komen, 1847.
+
+bedrijf, 126: doen en laten.
+-- 755: gerei.
+
+bedroufd, droevig, 1123, 1176, 1290.
+
+bedroufd syn in, 172.
+
+beducht, bekommerd, 775.
+
+began, praes.?, 721 A.
+
+begerigh des, 1646.
+
+begeven, hem -- tot, zich inlaten met, 870.
+
+begrijp, 346.
+
+behulp, hulp, 206, 254, 1172, 1335.
+
+bejagh, handelingen, bedrijf, nering, voordeel, 11, 62, 536, 848,
+1036, 1044, 1058, 1224, 1800.
+
+bekeyd, verkeerd, 170 A.
+
+bekend, noyt --, ongehoord, 700.
+
+bekennen, herkennen, 860, 1575.
+
+beklappen, verraden, 1219. Kil. deferre; vgl. Mned.
+
+bequaem, geschikt, 543, 636.
+
+beleeft, fatsoenlik, innemend, 290, 303, 485, 1142.
+
+belenden, terechtkomen, 296.
+
+belet, beletsel, 308.
+
+bemercken, opmerken, 1648, 1799.
+
+bemoeyen, hem -- des, 1065.
+
+benaeuwen, knellen, 1417.
+
+benevens, naast, met, 332, 579.
+
+beprouven, ondervinden, 763.
+
+bericht, lering en oefening, 1714.
+
+beroeren, ontroeren, 504.
+ 790: raken; 885.
+
+beschadigen, kwaad doen, 1958.
+
+bescheet, bescheid, 1533.
+
+bescheyden, duidelik te onderscheiden, 1763.
+
+bescheydentheit, oordeel, 1741.
+
+bescheyt, met --, 256, klaar en duidelik.
+
+beschrijven, schriftelik uitnodigen, 1421.
+
+beseten, in bezit genomen, 230.
+
+beset, wel overlegd, bedachtzaam, 572, 1381.
+
+besien, opmerken, 401, 403, 405, 409.
+
+besigh in, druk met, 351.
+ ontrent, 373.
+
+besmetten haer bedde, 742.
+
+besluyten, opmaken, 88, 1796.
+
+besorgen, zorgen voor, 1209.
+
+besorght syn, zorg hebben, 769.
+
+bespreck, overeenkomst, 854.
+
+bestaen, gaan staan, 1278;
+ (iem.) -- (als), verwant zijn, 1387.
+
+besteden in, aanwenden, gebruiken tot, 46, 918, 1798.
+
+beste-moeder, grootmoeder, 329.
+
+beswaerd, 1395: bitter.
+
+bevallick, 893.
+
+bevallen, c. dat. pers., goed zijn, 498, 638 A.
+
+bevangen (van), overheerst, 1385, 1649, 1750.
+
+bevestigen, handhaven, volhouden, 1787, 1796.
+
+bevragen, ondervragen, 279.
+
+bevrijt met ... van, 334.
+
+bewegen, aandoening, 1301.
+-- drijven, 893.
+--, ontroeren, 1069; vgl. gewach, Gloss. Gran.
+
+bewijzen, tonen, 336.
+
+bewust, wetende, kennis hebbende, 177, 1021.
+
+by, door, 357, 731, passim.
+
+bidden des, 191, 1721.
+
+bieden (geluck), wensen, 734.
+
+billick, rechtgeaard, 294.
+
+binden, samenvoegen, verbinden, 1125, 1282.
+
+binnen-komen, te binnen komen, 1688.
+
+bysonder, merkwaardig, 1814
+
+bly van, 547.
+
+blussen, 1118: doen ophouden.
+
+bocht, kromming, perk, 71, 367.
+
+bosch, coll., 354.
+ bossen, 903.
+
+bont-genoot, bondslid, 827.
+
+bot, op een--, in eens, 1679.
+
+bouve-jacht, boevetroep, 1064; vgl. Hd. Jagd.
+
+boven al, voornamelik, 81.
+
+brant, 711: vlam?
+
+breet, uitvoerig, 103.
+--, algemeen, 1741.
+
+breyn, 151 A. 1006.
+
+breken, den kop --, inslaan, 748.
+ aen stucken -- 850.
+
+broeck, 1034 A.
+
+bruyt-stuck, 323 A.
+
+bucht, beurs, 830.
+
+buyten, zonder, 120.
+
+buyten gewoonte, ongewoon, 1703.
+
+buyten spoor, 169, 658.
+
+buyten-hof, uitspanning, 333.
+
+
+
+
+D
+
+
+daet, in --, werkelik, 1331 A: innerlik.
+ inder --, juist, 1236.
+ metter --, dadelik, 499, 1258, 1279, 1422.
+ in volle --, ten volle, 1352, 1410; 583: in werkelikheid.
+
+dan, 1435.
+
+danck, tegen --, zijns ondanks, 1166.
+
+dapper, snel, krachtig, 1068.
+
+dat, omdat, 24, 794.
+
+dat jae, 1762 A.
+
+dat neen, 1830.
+
+de lieden beurse, 1522 A.
+
+deerlick, betrokken, 269.
+
+deerne, 1552, 1636, 1757.
+
+deftigh, soliede, degelik, ernstig, 659 A, 683, 1525.
+
+des, derhalve, 57.
+
+die, pron., 183, 1007.
+-- ... -- 1954.
+
+diefte, diefstal, 749, 1305.
+
+dienen, c. dat., dienstig zijn, passen, 587, 592.
+
+dier, meisje, passim.
+
+dicht, gedicht, 187.
+
+dickmael, 109.
+
+doen, bystant --, 1306.
+
+doen, 705.
+ als --, 1506.
+
+doen, remplacerend werkw., 442, 1043, 1791.
+
+dom, onervaren, onnozel, 1345.
+
+doorsien, doordringen in, 1205.
+
+doot, 1127 A.
+
+doot, de bleecke --, 1312, 1322 A.: diep ongeluk.
+
+draet, op een -- weten, 93.
+
+dragen, voeren, 1114.
+ -- (tot), koesteren, toedragen aan, 1619, 1635, 1642.
+ hem --, zich gedragen, 126.
+ -- dulden, lijden, 1214.
+
+dralen, gedraal, 1197.
+
+dreyghen, 99: voorspellen.
+
+dril, 1663: trilling, beweging.
+
+drillen, sidderen, 1218.
+
+drouf, 1213, 1264, 1328.
+
+druck, verdriet, 1118, 1335.
+
+duyden, strekken, 684 A.
+
+dutten, mijmeren, soezen, 379.
+
+dwingen, noodzaken, 1137.
+
+
+
+
+E
+
+
+echter, 1344.
+
+edel, voortreffelik, ridderlik, 230, 1130; 1425: -- geest, bel
+esprit. -- helt, 821. -- man, van voorname afkomst, 720.
+
+eenigh, enkel, 920.
+
+eens, eenmaal, 1201.
+-- 805, 1327, 1399.
+
+eensaem, alleen, 18, 267, 355, 891.
+-- 524: verlaten.
+
+eer, 723: na.
+
+eer, met --, 1368.
+
+eerbaer, fatsoenlik, 955.
+
+eerlick, 949: deftig.
+
+eerst, 35: in de eerste plaats.
+
+eerste, voornaamste, 1336.
+
+eertzvaders, 1964.
+
+eerweerd, edel, 1171.
+
+eygen, zelfde, 149, 173, 490, 599.
+--, eigenaardig, biezonder, 1607, 1763.
+
+eygentlyck, biezonder, 1436.
+
+eyntelick, 1523.
+
+ergh, boos, 999.
+
+ernst, aandrang, verlangen, drift, 190, 1093, 1267, 1273.
+
+ernstelick, met aandrang, 1719.
+
+ervarentheyt, ondervinding, 1808, 1832, 1956.
+
+even, even zeer, 644.
+--, juist, 1067, 1593, 1620, 1947.
+
+even-selfs, insgelijks, 234, 278.
+
+even soo, even wèl, 754.
+
+even-staegh, voortdurend, 166, 307, 331, 1118, 1215.
+
+
+
+
+F
+
+
+frissche, (leden), ongerept, maagdelik, 917.
+
+
+
+
+G
+
+
+gaen, -- boven, te boven gaan, 342.
+-- in, overgaan tot, 572.
+-- tot besluit, 576: een besluit nemen.
+
+gaen, 899 A.
+ ront --, 262: openhartig zich uitspreken.
+ wel --, slagen, 991.
+
+gaendemaken, in beweging brengen, opruien, 1841 A.
+
+gangh, plur., 1000, 1225: streken.
+
+gast, 9, 129, 1049.
+ schippers --, 319.
+
+gau, vlug, 15.
+ 142: slim.
+
+gaven, begaafdheden, 1658.
+
+gebaer, gedragingen, uiterlik, 266, 845.
+--, ceremoniën, 728.
+--, getier, 855.
+
+gebieden, verzoeken, 1023.
+
+gebonden, 485 A.
+
+gebreck, kwaal, 272.
+
+gebroet, schepsel, 630.
+
+gebruick, collect., usus, gewoonten, 589, 823.
+
+gebruick, nut, 1645, 1671.
+
+gebruicken (syn lust), voldoen, 120.
+
+gedans, collectief, 46.
+
+geducht, gevreesd, die men ontziet, 813.
+
+gedurigh, voortdurend, 2, 655, 1314.
+
+geest, ziel, gemoed, geest, esprit, 225.
+--, persoon, 230 A., 465, 486, 691, 1072 A, 1144, 1205, 1215, 1385,
+1425.
+
+geesten, 1070 A. --, vernuften, 1588.
+
+geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai, 36, 213.
+-- 23, 185, 187, 222, 322, 377, 576, 665, 897, 946, 1094, 1387.
+
+geestigheyt, geest, 1658.
+
+geheym, coll., mysteria, 1560.
+
+gehengen, toelaten, 834, 873.
+
+geklagh, klacht, 1029.
+
+gelaet, voorkomen, uiterlik, 42, 369, 473, 482, 568, 706, 1805.
+
+gelach, scherts, 847.
+
+gelagh, hart --, 963.
+
+geleert (in), ervaren, 514.
+
+geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in, 1221.
+
+gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid,
+gesteldheid, 1566, 1609, 1644, 1793, 1930.
+ op de -- van, 1465: naar aanleiding van.
+
+gelucken, imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen,
+Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire.
+
+gemael, gemalin, 1160.
+
+gemeen, alledaags, 1963.
+-- gemeenschappelik, 1899.
+
+gemerck, teeken, 563.
+
+gemoet, hart, gezindheid, zin, 496, 504, 530, 540, 588, 610, 631,
+702: wil, begeerte; 1360.
+-- 1294.
+ tot zijn -- spreken, 610: tot zich zelf.
+
+genegen, geneigd, passim.
+
+genegentheyt, neiging, geneigdheid, 1578, 1622.
+
+generen, hem --, zich levensonderhoud verschaffen, "sich
+nähren." 1500.
+
+genieten, bekomen, 243 A. 909.
+
+genough, 1255: erg; vgl. Mned. Wb. II, 1431.
+
+genucht, geneugte, 263.
+
+gepast zijn met, gediend zijn van, 637.
+
+gerief, beschikking, wil, 636, 648.
+
+geselschap, huweliksgemeenschap, 628.
+
+gesint, wel --, er mee in zijn schik, 1423.
+
+gespreck, spreken, praten, 252, 345.
+
+gespuys, lelik soort, 1514.
+
+gestage roeden, 990.
+
+gestalte, 1805, 1817.
+--, (inwendige) gesteldheid, 1611.
+
+gestel, aard, 883, vgl. 396.
+
+gestelt sijn, 396: het geval zijn met.
+
+getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden, 1042.
+
+geval, zaak, toedracht, 1096.
+
+gevat zijn, 152 A.
+
+geven, 936 A.
+ -- eenpraet --, 22.
+ reden --, 262 A.
+ hem --, 162: zich neergeven.
+ --, begeven, 471, 1268.
+
+gevoelen, aanvoelen, 1817.
+
+gevoelen des, -- van, van gevoelen zijn over, denken, 1380, 1472.
+
+gevolgh, collect., volgelingen, 15, 175.
+--, gevolgtrekking, 102.
+-- gevolgen, 106.
+
+gewaer, heeft hij niet -- geworden, 1973.
+
+gewaet, kleding, 24.
+
+gewagh doen van, 1690.
+
+gewoel, onrust, 888.
+
+gewrichte, sing.? 95.
+-- plur., leden, 1426, vgl. 1141.
+
+gierigh, begerig, 323.
+
+git, een --, 43.
+
+goed, 1123.
+
+gortigh, schurftig, 419.
+
+graet, trap, 429.
+
+gras, grasveld, 363.
+
+grilligh, dartel, 646, 671, 887.
+
+groene, in het --, 375.
+
+groen, kruid, 168.
+
+groen, weelderig, dartel, 1406.
+-- fris, 439 A.
+
+groeten, 793 A.
+-- als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor, 539, 1162.
+
+grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste,
+40, 68, 83, 89, 143, 236, 244, 257, 302, 736, 1060, 1388.
+--, ware, 761, 1231.
+
+guyt, fielt, schelm, 447, 1043.
+
+gul, weelderig, overvloedig, 90, 252.
+
+gulde son, 600, 815.
+
+gunst, genegenheid, gunst, genade, 183, 293, 313, 527, 914, 996,
+1098, 1321, 1396, 1399.
+
+
+
+
+H
+
+
+haer, hun, hen, 256, 464, passim.
+
+haest, weldra, 498.
+ inder --, plotseling, met spoed, 686, 1198.
+
+hals-gerecht, hoge justitie, 1079.
+
+handel, zaak, zaken, handelingen, 123, 285, 576, 1010, 1136, 1230.
+
+hant-çieraet, 1391.
+
+hant-gespel, 39 A. 341.
+
+happigh, begerig, 1050.
+
+harde, -- kost, 194: zwaar.
+
+haten, 268: hekel hebben, trachten te vermijden.
+
+haveloos, zonder have of goed, 753.
+
+hebben te, 270 A.
+-- gaen beginnen, 937 A.
+
+heyden, veld, 522.
+ aen der --, buiten, op het veld, 369, 385, 905.
+
+hel, een hellen diamant, 556.
+
+hersens, 1069; vgl. breyn.
+
+hertsen, gen. van hert, 1388 A.
+
+hetselve, 1241.
+
+heus, vriendelik, 881, 892, 1163.
+--, kies, 55.
+--, betamelik, 845.
+
+hier, 998.
+
+hitten, 1695 noot.
+
+hoin, bedrog, 843 A.
+
+hoofsche, van het hof, 505, 548.
+--, edel, 687.
+
+hooft-gelt, schatting, capitatio, 811.
+
+hooft-stuk, hoofddeel, 1856.
+
+hoogh gemoet, 631.
+
+hooge zalen, 862.
+
+hoogh gaen, ver gaan, 113, 844.
+
+hoogsten, ten --, 184.
+
+hoop, bende, 69.
+
+houden, 216.
+--, het er voor houden, 145.
+
+houden, sigh --, zich ophouden, 804.
+
+houden van, menen, 1468.
+
+houdende, zijn -- van, 1808.
+
+hulp, steun, 16.
+
+huys, huisgezin, 172.
+
+hups(ch), knap, sierlik, 211, 421.
+
+
+
+
+I, Y
+
+
+ydelheyt, nietigheid, 1798.
+
+yet, iets, 757.
+
+yet sulcx, 1767, 1775.
+
+yet wes, 1834.
+
+immer, ook, 31, 188, 287.
+
+immers, altans, 1916 A.
+
+in, op, 429.
+
+in dese woorden, 192.
+
+in-beelden, wijs maken, 1520.
+
+in-brengen, 1576: aanvoeren.
+
+in-halen, intrekken, 664.
+
+innigh, het diepste van, intimus, 224.
+
+innemen, bezetten, 801.
+
+insettinge, instelling, 1871.
+
+in-val, opmerking, gedachte, 1459.
+
+yver, vurig verlangen, 1265.
+
+
+
+
+J
+
+
+jaren, 242 A.
+ oude --, 673: de oude tyd.
+
+jegenwoordelyck, op het ogenblik, 1812.
+
+jeught, jeugd, (jeugdige) lust, 45, 150, 232, 422, 655 A.
+ 292, 868, 880, 1291.
+
+jeught, jongelingschap, 915.
+
+jock, scherts, 54.
+
+jocken, hof maken, tändeln, 541, 842.
+
+jongen, knecht, 1013.
+
+jonnen, gunnen, 916.
+
+
+
+
+K, Q
+
+
+kan, kent, 1352.
+
+ké, hè, 311 A.
+
+keeren, kern, 220.
+
+kennelic, duidelik, 1868.
+
+keurs, lijfrok, 1034.
+
+klaerlick, duidelik, 1619.
+
+kleynheyt, oneer, 1908; vgl. 570.
+
+klis, 957.
+
+kloen, kluwen, 1682.
+
+klouck, scherpzinnig, schrander, 98, 259, 1831.
+
+kluchtigh, grappig, komiek, 14.
+
+koffer, goed gesloten kist 1016; vgl. het Frans.
+
+koorts, 288 A.
+
+kop, hoofd, 733, 748, 825, 1007.
+
+korten, in --, 206.
+
+kost, collect., onkosten, 778.
+
+kraem, voorwerp, ding, 79.
+
+krevel, minneprikkeling, 318.
+
+kroon, 421: krans.
+
+kunst, kunde, 235.
+
+kunstenaer, kenner, 1609.
+
+kunstigh, handig, met bedrevenheid, 258.
+
+quale, 1407.
+
+quaet, kwaal, 171.
+
+queelen, zingen, 52, 187, 463.
+
+queen, lelik wijf, 943.
+
+quellen, vervolgen, 350.
+
+
+
+
+
+L
+
+
+laegh, hinderlaag, 210.
+
+laegh, gering, onbekend, 122.
+-- plaets, 614 A.
+
+laegh, 1478: beneden, bassus.
+
+lanckheyt, met -- van tijde, in de loop van de tijd, op de
+lange duur, 1832.
+
+langen, aanreiken, 718.
+
+lant-drost, 1124 A.
+
+lant-loopers, zwervers, 1433.
+
+lant-vooghdin, 1090.
+
+lasten, gelasten, opdragen, 1498.
+
+laten, 5 A.
+--, verlaten, 617.
+-- onder sijn tonge, zwijgen van, 1673.
+
+laven, hem --, zich verkwikken, 510.
+
+leden, 950 A. 714.
+ diepste --, 326.
+
+leggen, in beraet --, zich beraden, 1200.
+
+leyder, begeleider, 839.
+
+lest, voor het--, ten slotte, 1371.
+
+letten, merken, 291, 585, 1540.
+--, opletten, 1684, 1743.
+
+letten, hinderen, schelen, 180, 1048.
+
+leven in een wyse, 822.
+
+liefgetal, lief, aangenaam, 119, 347.
+
+licht, het groote --, 693.
+
+lichte koy, 548.
+
+lichtveerdigheyt, onstandvastigheid, 1488.
+
+lieven, 985.
+
+lijckewel, evenwel, 157, 321.
+
+lijden, dulden, 14.
+--, toelaten, 847, 1917.
+
+lijf, ingewand? moederlijf (uterus)? 197.
+
+linden, sing., 77.
+
+lincker, vleier, schalk, 453, 548.
+
+listen, plur. 1114.
+
+listigh, behendig, loos, 285.
+
+loeren op, bespieden, 466.
+
+loffelick, met lof, 1657.
+
+loopen op, van toepassing zijn op, 85, 1670.
+
+loos, vals, bedriegelik, 140, 583.
+
+los, ongebonden, onsamenhangend, onzeker, 82, 128, 610, 1768.
+
+lucht, 144 A.
+
+luym, opwelling, gedachte, 1109.
+
+lust, 1367.
+ lusten, 344: lustige gewaarwordingen.
+
+
+
+
+M
+
+
+Madril, 13, 1242.
+ Oude naam van Madrid; nog 't adjektief: Madrileens.
+
+maeghde-krans, 200 A.
+
+mael, male, reiszak, 1014, 1015, 1050.
+
+maer en, 47 A., 484, 950, 1602.
+
+machtigh, rijk, overvloedig, 104, 581, 635, 643, 1146, 1416.
+
+maken, doen, 889, 1254.
+-- fingéren, verdichten, 75.
+ hem --, zich begeven, 479.
+ den sieckaert --, het schijn van ziek aannemen, ziek zijn, 1625 A.
+
+mal, dwaas, dartel, 524, 1634.
+
+mal, dwaasheid, 960.
+
+mallen, mal doen, 613.
+
+medeçijn, doctor medicus, 164; passim.
+
+meer, sonder --, 1177.
+
+meest, meest altijd, 350.
+
+meynen, denken, 1025.
+
+meyt, maagd, 695.
+
+meloenen, 1724 A.
+
+memorie, by -- stellen, 1246: te boek stellen.
+
+mensch, niet een --, 40, 795.
+ geen --, 23, 1413.
+
+merckelick, duidelik, gewichtig, 1610.
+
+mercken, zich bepalen bij, 1310.
+
+midden, te -- (op, in,) 17, 520, 565.
+
+min, minder, 1585.
+
+minnekoortse, 1585.
+
+mits, vermits, met dat, door, 14, 63, 147, 326, 361, 519, 1153.
+
+moedigh, driest, 1059.
+
+mogen, kunnen, 3, 12, 48, 497, 535, 585, 704, 730, 782, 834, 1039,
+1068, 1306, 1375, 1412, 1427, 1499, 1534, 1925.
+--, mogen, 1223, 1413, 1414, 1498.
+--, moeten, 1497 A.
+
+
+
+
+N
+
+
+naderhant, daarna, later, 283.
+
+naer, duister, 124, 728.
+
+naer, na, nadat, 317, 553.
+
+naerder, 189.
+
+nau, scherp, 29.
+
+naeu-keurigh, kieskeurig, 640.
+
+neygen, sich --, 100 A.
+
+nemen, aannemen, 1304.
+--, uithalen, opmaken, 1584.
+ lust -- in, behagen krijgen, 1088.
+
+neus, 89 A.
+
+nevens, naast, in gezelschap van, 355, 622.
+
+niet, niets, 320, 756, 766, 768, 818, 1048.
+
+nieusgier volck, 340.
+
+nieuwen, van -- aan, 699.
+
+nichte, kleindochter, 330, 478, 1108.
+
+nicker, duivel, boze geest, 1000.
+
+nimmermeer, nooit, 631, 742, 771, 797.
+
+noen, 947 A.
+
+noch, nog, nochtans, bovendien, ook, 49, 135, 612, 802, 869.
+
+noyt, nimmermeer, 1222.
+
+noodelick, noodzakelik, 1863.
+
+nootsakelick, natuurlik,1943.
+
+
+
+
+O
+
+
+oyt, 1131: wanneer ook.
+
+ombreken, ontbreken, 1098.
+
+om-drijven, verbijsteren, 234.
+
+ommegaen, gebeuren, voorvallen, 1008.
+
+ommegangh, voorgevallene, verloop, 1378.
+
+omringht met, 1269.
+
+omsichtigheyt, 1765.
+
+om-tieën, vertrekken, verbijsteren, 885.
+
+om-voeren, rondvoeren, brengen, 2, 1314.
+--, medeslepen 344.
+--, doen bewegen, kloppen, 1156.
+
+onbekend, vreemd, 76, 356.
+
+onbekommert, zonder lasten, 810.
+
+onbewust, zonder erg, 1300.
+
+onderdies, ondertussen, 489.
+
+onderentusschen, 1939.
+
+onderhouwen, bezig houden, 138.
+
+onderrechten, inlichten, 1547.
+
+ondersouck doen op, onderzoek instellen naar, 1445, 1558, 1828.
+
+onderstaen, ondernemen, 719, 1967.
+
+ondertasten, doorwoelen, 1050.
+
+ondervinden, uitvorsen, te weten komen, 258, 1132, 1598, 1615, 1633.
+
+onder-vragen, navorsen, 1836.
+
+ondeugend, slecht, verkeerd, 1214.
+
+oneenigheyt, tweedracht, 1885.
+
+oneerlick, oneerbaar, 56.
+
+ongebonden, uit het bedwang, 1006.
+
+ongedaen, haveloos, deformis; verwilderd, dissolutus, 1511.
+
+ongelegentheyt, verlegenheid, 1707.
+
+ongemack, ongeluk, schade, 526.
+
+onguer, onrein, vuil, onkies, gemeen, vies, 26, 543, 646, 1366.
+
+onlanghs, kort te voren, 1478.
+
+onlustigh, ontdaan, terneergeslagen, 608.
+
+onreyn aen, 1896.
+
+onruste, ontevredenheid, 1885.
+
+ons, onze, 1299 A., 1328.
+
+ontdoen, hem -- van, in de steek laten, 1308.
+
+ontfangen, 293.
+--, aannemen, 310, 917.
+
+ontgaen, hem -- in, zich te buiten gaan in, 127.
+
+onthouden, sich --, zijn verblijf houden, 1637.
+--, wegblijven, 607.
+
+ontijdigh, onrijp, 194.
+
+ontluicken, 1333: open gaan.
+
+ontrecken, 1853.
+
+ontrent, om, bij, in, onder, 24, 60, 96, 174, 1016, 1693, 1721, 1723.
+
+ontseggen, weigeren, van de hand wijzen, 932, 980.
+
+ontset, verbijsterd, 969.
+
+ontsluyten, beginnen, 1120.
+
+ontsteken, ontroerd, irritatus, 221, 1164.
+
+ontstelt, uit de gewone toestand gebracht, 489.
+
+ontwaecken, 388: tot zelfkennis komen.
+
+ontwerp, voorstel, 595.
+
+onverbroken, niet te verbreken, 1858.
+
+onverdult, toorn, 1128.
+
+onverlet, desen --, desniettegenstaande, 164 A., 1085.
+--, ongehinderd, 770.
+
+onwaardeerlick, onwaardeerbaar, 1934.
+
+oock, nog, 644, 707, 952, 1008, 1024, 1219.
+
+oorlof, verlof, 1349.
+
+oorspronck, herkomst, origo, 1433.
+
+op een nieu, 1326 A.
+
+open, met een -- mont, 1235.
+-- doen (de werelt), verlichten, 815; vgl. patefacere orbem.
+
+open stellen, open en bloot leggen, 738.
+
+openen, een heusche mont --, 892.
+
+opmerkinge, opmerkzaamheid, 1833.
+
+op-nemen, in bescherming nemen, 1768.
+
+op-tieën, naar boven trekken, 1070.
+--, spannen, 1169 A.
+
+op-tijgen, aanwrijven, 749.
+
+op-vatten, aangrijpen, 1367, 1373.
+
+over-dragen, aandragen, 371.
+
+over-eenkomste, overeenstemming, 1884.
+
+overgeven, hem --, zich onderwerpen, 578.
+
+overheeren, meester zijn, 702.
+
+overhoop, door elkaar, 1077, 1087.
+
+overlast, overladen, 195.
+
+overslaen, het oog laten gaan over, 948.
+
+overstorten, 1055.
+
+
+
+
+P
+
+
+pagjen, kleine page, 354.
+
+payen, 142: verschalken.
+
+palen, plur., oord, 2, 1198; vgl. fines, orae.
+
+pant, bezitting, schat, 544, 580.
+--, onderpand, 559.
+-- goed, 72.
+
+paren, metgezel worden, consociare, 1272.
+
+partuyr, wederhelft, 1918.
+
+passen op, letten op, geven om, zich storen aan, saamgaan met, 10,
+21, 968, 1437, 1608, 1696, 1764.
+
+peyl, merkteeken, 827.
+
+peysen op, bepeinsen, 590.
+
+perck, omheinde ruimte, 906. Kil. parck, warande, roborarium:
+viviarium, locus septus in quo ferae vivae pascuntur, vulgo parcus.
+
+plegen, doen, 1200, 1895.
+
+plagh, 94 A., 707, 722, 866, 986, 1675, 1923.
+--, 792, 971.
+
+pogen, 983.
+
+praem, knel, 1222.
+
+praet, 22, 1196.
+
+prang, 650: nauwende perken.
+
+prangen, de ziele --, 1226.
+
+predicatie doen, 1525.
+
+prenten, 84 A.: bezig houden?
+
+preuf, preuve, proef, bewijs, 591, 1364, 1653.
+
+
+
+
+R
+
+
+racker, gerechtsdienaar, 1031.
+
+raden tot, dringen, drijven tot, 1360. Kil. raeden, j(tem),
+op-raeden, incitare.
+
+raet, middel, 153.
+--, overleg, 572.
+
+raken, betreffen, aangaan, 110, 931, 1106, 1223, 1416, 1561: roeren.
+
+rakente, 352: raken aan het.
+
+ranck, streek, boerte? klucht? 54.
+
+rapen, verzamelen, 769, 776.
+ vreughde --, 161. vgl. Kil. raepen ghe-noeghte. voluptatem capere,
+ haurire: delectari. Vgl. Oudemans.
+
+ras, 1267.
+
+rasen, de baren --, 806.
+
+rauw, rouw, onbeschaafd, lomp, 305, 967, 1849.
+--, onervaren, 672.
+
+recht, juist, 1452.
+
+rechten, de gemeene --, 1839, A.
+
+reden, spreken, taal, woorden, 262 A, 485 A. 734, 933, 1038.
+
+reden, verstand, 229, 298, 671, 703.
+ schijn van --, 142: schijn van waarheid.
+
+reys, een --, 52, 193, 515, 711.
+
+ridder, 720.
+
+ridderschap, het --, ridderlike waardigheid, 558.
+
+ringekens, 1508.
+
+rijck, machtig, 114.
+
+rijsen, komen, 446, 526, 922.
+
+roemen, zich beroemen, 1629.
+
+roep, gerucht, 1032 A.
+
+roepen over, 1729: halen bij.
+
+roeren, aanroeren, behandelen, "Aenmerck." bladz. 69.
+
+rock, 542 A.
+
+romp, lichaem, 1186.
+
+ront, openhartig, 205, 262, 598.
+
+rot, bende, schaar, 61, 175, 612.
+-- 370, A: troepje.
+
+rustigh, solide, flink, 272.
+-- vertrouwd, 832.
+
+
+
+
+S, Z
+
+
+sap, drank, 168, 245 A.
+
+schamel, arm, behoeftig, 939.
+
+schamperheyt, smaad, 1753.
+
+scheen, een blauwe -- loopen, 944.
+
+schendigh, schandelik, 116.
+
+scheppen (lust), 391; vgl. haurire.
+
+scheppinge, scheppingsdag, 1948 A.
+
+schier, (-- of morgen), van daag, 1247; vgl. Warenar 194;
+Kil. schier, oft morghen, hodie aut cras: nunc aut post. vgl. van
+Hasselt op Kil.
+
+schijnen, 3 A., 388, 608, 704.
+
+scheen, ofschoon, al, 220, 309.
+
+schoot, in ... --, 910, 916.
+
+schoots, buiten --, 800.
+
+schor, het --, land buitendijks, 905.
+
+schorten, haperen, 1056.
+
+schrijven, beschrijven, 1669.
+
+schroom, schrik, vrees, 1063.
+
+schroomen, c. acc., vreezen, 112, 1219.
+
+schuym van bouvejacht, 1064.
+
+zeden, aard, karakter, 485, 1142; vgl. mores.
+
+sedigheyt, zedelikheid, 1918.
+
+seggen, noemen, 677, 732.
+-- 696: afspreken.
+-- voor, 1092, zie spreken.
+
+seker, 1435: duidelik, indubitatus.
+
+selfs, zelf, zelve, 1336, 1403, 1891, etc.
+--, nog, 1001, 1011.
+
+selsaem, zelden voorkomend, biezonder, zonderling, vreemd, raar,
+1, 6, 182, 496, 877, 890, 967, 1008, 1409, 1459, 1707.
+
+setten, sigh --, zich zetten tot iets, 189.
+ liefde --, 926, 957.
+
+ziel, 315.
+--, hart, 1100.
+--, gemoed, 1380.
+ de goede --, 315.
+
+sien, toezien, 923.
+-- in, inzicht hebben in, 1604.
+
+sier, niet een --, 820.
+
+sijgen, zich gaan vlijen, 492.
+
+zijn aen, 981 A.
+
+zijn tegen, tegen-zijn aan, 823.
+
+sin, zin, zinnigheid, 586, 959.
+--, gedachte, 699.
+
+sinnen, gemoed, geest, verstand, zin, ziel, 55, 331, 826, 875, 885,
+997, 1006, 1102, 1155, 1169, 1345, 1348, 1384, 1397, 1404.
+
+slagh van volck, 1836.
+
+slagh, -- van drouven reden, 832.
+
+slagh-ader, 1582 A.
+
+slecht, eenvoudig, onnozel, 509.
+-- gering, 942.
+
+slim, slecht, erg, boos, 54, 447, 1036, 1225, 1262.
+
+sloir, sloerie, 688, 937.
+
+slons, 943.
+
+slot, besluit, zin, beduidenis, 76, 593, 1939 A.
+
+sneegh, scherpzinnig, behendig, vlug, 67, 136, 209, 284, 339,
+350, 1220.
+
+snellen (na), 773: jagen, streven.
+
+soeken syn bejagh op, 1044.
+
+soet, zacht, lief, 186, 895, 1699.
+--, best, 183, 1291, 1699.
+-- aert, 1271.
+
+soetelick, zachtjes, 1651.
+
+soetigheyt, liefheid, 1882.
+
+sonderlingh, biezonder, merkwaardig, 1442, 1482, 1661, 1793, 1833.
+
+sorghen, beducht zijn, 1216.
+
+spel, 148; Kil. spel, schouwspel .... spectaculum ludi, spectacula
+publica.
+
+spelen ontrent, 1072 A.
+
+spijt, smaad, boosheid, 629, 996.
+-- 281: minachting.
+
+spijten, verachtelik voorkomen, 257.
+
+spoedelick, met spoed, 1530.
+
+spoker, zwarte kunstenaar, 1005, 1835.
+
+spoor, sleep, trein, 753.
+
+spraeck, spreken, 553.
+
+spreken, aanspreken, 185 A.
+ -- voor, voorspraak zijn, 1411 A.
+
+springen, dansen, 35, 338 A.
+
+spruyt, 375.
+
+staegh, voortdurend, onafgebroken, 10, 108, 250.
+
+staen, laten --, staken, 1264.
+ ten toone --, 438 A., 468.
+ -- in de plaats, 992.
+
+staet, stand, 154, 570.
+
+stam, afkomst, 1142.
+
+stant, staat, toestand, 296, 712, 812, 1170.
+
+stellen, opstellen, zetten, 751 A., 1247.
+ in 't werk --,
+ hem --, 117, 137.
+ --, toepassen, 1742, 1898, 1984.
+ open --, openen, 519. Kil. applicare operi, Et exercere, cogere
+ in opus.
+
+stem, geluid, klank, 356.
+
+sterven, bezwijken, 1286.
+
+stil, heimelik, zacht, rustig, 272, 359, 1012.
+--, apart, 1266.
+
+stillen, den loop --, 1307.
+
+stonden, van -- aen, 1051.
+
+stracx, dadelik, 1057, 1256, 1374.
+
+strate, weg, 618.
+
+streeck, zet, trek, 135, 186.
+
+strecken over, bezig houden met, 1384 A.
+ sigh -- na, zich begeven, 1273.
+ -- voor..., tot, 838.
+
+streelen, vleien, 542, 795.
+
+stremmen, doen ophouden, 252.
+
+strengh, strikt, vast, 823.
+
+stuck, 569. Kil. res, causa, factum, facinus.
+
+stuur, bar, 334.
+
+suyker, 195 A.
+
+suysebollen, 1007 A., 1069.
+
+sulcx, 1720: zodanige, dergelijke zaken.
+
+suur, scherp, 785.
+
+swarte hoop 841.
+
+sweven, zwerven, 878.
+ boven --, overtreffen, 339 A.
+
+
+
+
+T
+
+
+taey, karig, tenax, 311.
+
+te, 358 A.
+
+te, zeer? al te? 155.
+
+teen, plur. van tee, 1279.
+
+teer, aanvallig, teder, teer, 34, 55 A., 292, 840, 1139, 1366.
+--, leden, 201, 203.
+
+t'elcken, telkens, 1691, 1705.
+
+tergen, prikkelen, 1366 A.
+
+terstont, zo even, 945? 1293.
+
+terwijlen, 1081.
+
+'t gunt, 1283.
+
+tieën na hem, 1969: veroorzaken.
+
+tijt, jonge --, jeugd, 896.
+
+tijt, nu ter --, 1182, 1292.
+ doen ter --, 1244.
+
+toe-komende, toekomstig, 1559.
+
+toestaen, toestemmen, 1831.
+
+tol, belasting, census, 809.
+
+tot, te, 1202.
+
+tot aen, 604.
+-- in, 678, 1086.
+
+tranen-broot, 1311. vgl. Ps. 80, 6.
+
+trecken, trekken, aanhalen, nemen, 79, 819, 1788, 1872.
+
+treden in het ondersouck, 1813.
+
+trou, in -- gebonden, verloofd, 1125.
+
+troutel-reden, vleitaal, 517.
+
+trouwe, 851: vaste verbintenis. Kil. fides, fidelitas.
+
+tucht, eerbaarheid, 653.
+
+tuygh, gerei, 757.
+
+t'wijl, terwijl, 351, passim.
+
+
+
+
+U
+
+
+uytgelesen, 336.
+
+uyt-hangen, 939 A.
+
+uytkomste, 1827.
+
+uytmuntend, sterk uitkomend, 1705 A.
+
+uytnemen, uitzonderen, 741.
+
+uyt-strijcken, bedriegen, 506, 849.
+
+uytvinden, ontdekken, 78, 1542, 1621.
+
+
+
+
+V
+
+
+vallen, voorvallen, komen, uitkomen, terechtkomen, 141, 316, 335,
+782, 1099; komen te -- op, overslaan op, 1891.
+-- in gedachten, geraken, 697.
+-- in beraet, 701.
+-- aen, vlug gaan aan, 1426.
+
+van, door, 1965.
+
+van gelijck, gelijcke (n), evenzo, 1138, 1521, 1629, 1839.
+
+vant, 16 (:), 1136 (:), ouder (ook Zeeuws?) praeteritum van vinden;
+naast vont, 891.
+ 1164 (:), 1199 (:), 1275, 1621.
+
+varen, gebeuren, fieri, 713.
+
+vast, 1269: nauw.
+--, zeker, 1930.
+
+vast houden, voor zeker houden, 846. vgl. houden.
+
+vast stellen, voor zeker aannemen, bepalen, 277, 287, 592, 1201,
+1572, 1747, 1762, 1982.
+
+vatten, begrijpen, 92.
+--, vangen, 152, 376; vgl. amore captus.
+
+veerdigh, met spoed, 69, 1180.
+
+veynzen, ontveinsen, 280.
+
+veysen, veinsen, 589.
+
+velden, groene --, 1429.
+
+venster, dese --, 1300. Vgl. Kolthoff, blz. 61.
+
+verbaest, verstomd, verbijsterd, 549, 1054, 1167, 1253.
+
+verbond, bond, kring, 835.
+
+verde, verre, 596.
+
+verderven, vergaan, 403.
+
+verdrayen, verwringen, 197.
+-- 141: plooien.
+
+verdrucken, 420 A.
+
+verdwelmen, bedwelmen, 1101.
+
+vereeren, versieren, decorare, 34, 1210.
+
+vergapen, hem --, 1701.
+
+vergen aen, tot, vragen, eischen, voorstellen, 812, 901, 1909.
+
+vergenought, hem -- houden (met), zich vergenoegen, 1537.
+
+verhael, het verhalen, 324.
+
+verhalen uyt, mededelen volgens, 1504.
+
+verheven, grootmachtig, 814.
+
+verhopen, hopen, 1883. (Vgl. onverhoopt.)
+
+verklaren, uitkomen voor, 1854.
+
+verquicken, opleven, bijkomen, 1255.
+
+vermaeck, ontspanning, genoegen, 366, 386, 918.
+
+vermaken, 641 A., 985.
+--, verkwikken, opvroliken, recreare, 178.
+
+vermenghen, paren, 464.
+
+vermogen, vrijheid hebben, 1780, 1848.
+
+vernemen, bemerken, 374, 601, 1691.
+
+vernougen, voldoening, 640.
+ vernugen, 1943.
+
+vernougen, hem -- des, ingenomen zijn met, 949, 1975.
+
+vernuf, verstand, 42, 1427.
+
+vernuft, verstand, 1766.
+
+verrader, 1004 A.: booswicht.
+
+verrassen, 22.
+
+verrucken, vervoeren, 377, 686.
+
+versaden, 48: zat zien.
+
+versch, fris, 373, 706.
+
+verscheydenlick, verschillend, 1472.
+
+versegelen, in de trou --, 952 A.
+
+versekeren, zekerheid geven, 1284.
+
+verselschapt, verloofd, 1424.
+
+versouck, bezoek, 1455.
+--, aanzoek, 956.
+
+versoucken des, 253.
+
+verstaen, begrijpen, 1779, 1803.
+--, vernemen, 1467.
+
+verstant, 15, mening.
+--, 1194.
+
+verstellen, veranderen, 203.
+
+verstopt, opgehouden, 201 A.
+
+vertrecken, hem --, weggaan, 858.
+
+vertrout, 1351 A.; vgl. in trou gebonden.
+
+vervoeren, wegslepen, 657, 1406, 1544.
+
+vervougen, hem -- na, zich begeven naar, 1490.
+
+verw, schoone --, schoonheid, 41, 393, 968.
+
+verwecken, opwekken, 49.
+
+verwerren, verward raken, 98.
+-- 1196: (in de praet) verwerret, verwikkeld, verdiept.
+
+verwonderen des, 1736.
+
+veur, voor, 250.
+
+vinden, opmerken, 51.
+--, bevinden, gevoelen, 289.
+
+vinnigh, 1068.
+--, dreigend, 804.
+
+vlam, 1143.
+
+vleck, plaats, 25.
+
+vlijt, 294: met alle vlijt, vurig.
+
+vlijtich, nauwlettend, 1278, 755.
+
+vloeyen, 483.
+
+vogeltje, 't -- onder de steert zien, 1772 A.
+
+vol, in volle daet, 583.
+ met (een) -- mont, gul uit, 284, 467.
+ --, smakelik, 523 A.
+ in -- leden, volledig, 1382 A.
+
+volgende, dien --, diens volgens, 1581.
+
+vond, vinding, zet, 284, 486 A.
+
+vonck, 489 A.
+
+voor eerst, in de eerste plaats, 739; vgl. eerst.
+
+voor-komen, 1297: het komt mij voor, ik herinner mij.
+
+voornamelick, voornaam, 1630.
+
+voorraet, in --, bij voorbaat, 830.
+
+voor-seggen, 1439.
+
+voorstel, aanzoek, 626.
+
+voortbrengen, voorstellen, opperen, 595.
+
+voor-vallen, toevallig voorkomen, 1950.
+
+vordere, verdere, 1826.
+
+voren, 1762: vroeger.
+
+vougen, schikken, sigh --, 518.
+ syn leden -- tot, zich voegen naar, 950 A.
+ --, passen, 692.
+
+in vougen dat, zo dat, 47.
+
+vragen des, 953.
+-- op, ondervragen, 73. vgl. bevragen.
+
+vrat, wrat, 1275, 1282.
+
+vreedsaem, in vrede, 1412.
+
+vremd, zonderling, 703.
+
+vreught, 543, 896, 1003, 1286.
+
+vrienden, famielie, 954.
+
+vry, vrij wat, nog, 698, 953.
+
+vrye woorden, 922.
+
+vrijster, ongehuwde maagd, 36, 1365, 1403.
+
+vrolick sijn van, 831: feest vieren van.
+
+vroom, braaf, moedig, 1128.
+
+vrou moeder, 295.
+
+vuyl, gemeen, schandelik, slecht, 53, 62, 873.
+
+vuylheyt, gemeenheid, 59.
+
+
+
+
+W
+
+
+wacker, helder, 43.
+
+waen, 1929.
+
+waer, hoever, 469. Kil. ad quem locum.
+
+waer nemen, merken, opletten, 1025.
+
+wagen, dreunen, 1010.
+
+wassen, groeien, 37.
+
+weder-klack, echo, 1431.
+
+weert, lief, passim; vgl. Fr. cher.
+
+weerd des, 1670.
+
+wech dragen, roven; vgl. to carry away, 538.
+
+wech leyden, meevoeren, 663.
+
+wech-rucken, wegslepen, 656.
+
+wegen, schatten, 1881. Vgl. Lat. pendere.
+
+weyden, breet -- in, 123: veel doen aan.
+
+weynigh, een --, 1349; vgl. un peu.
+
+wel, heel, 320.
+
+werden, worden, 73, passim; praet. wort, passim; ook praes.
+wort (?) 384 A.
+
+werck maken van, hoog lopen met, 1785; vgl. Kil.
+
+wesen, voorkomen, gelaat, uiterlik, 41, 86, 134, 377, 469, 481,
+769, 1139, 1660, 1749, 1805.
+ --, gestel? 205, 317.
+
+wet, (maatschappelike) instelling, 307, 738.
+ buyten wetten, 958.
+ --, overheid, 1405.
+
+wetten op, 1627: spitsen.
+
+wie, relatief, 101.
+
+wieen, wijden, 727.
+
+wiens, 21 A.
+
+wijf, huisvrouw, 682, 743.
+ --, 999.
+
+wijse, zeden, gebruiken, 821, 877; plur., 717.
+
+wijsen, aanwijzen, 1231.
+
+wil, om uwen t' --, 719.
+ te -- zijn, 216.
+
+willen, 191, 930, 1168: zullen.
+
+wil, zin, 964.
+
+wilde, 1849.
+
+wind, windhond, 353.
+
+winnen, 740.
+
+woelen, zijn best doen, 983.
+
+woest, 869, 1917 A.
+
+wonder, collect. wonderen, 998.
+
+wonderbaer, wonderlik, zeldzaam, Aenmerck. blz. 69.
+
+worden (niet bij participia), 1791 A.
+
+wrangh, bitter, 965.
+
+wrocken, 841.
+
+wulp, jonge --, jonge kwant, jongmens, 96, 318.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEKENINGEN
+
+
+[1] Deze werd gedrukt voor Matthias Havius, "opper-Klerck van den
+Raet-Pensionaris", by Hendrick van Esch, boeckdrucker, woonende in
+'t Hof, in de Druckerije van de Maeght van Dordrecht.
+
+De titelplaat: "A v. Venne, inuen:" en "Crispiaen v.q. sculp:"--heeft
+als bijschrift: I Cats | Prouf-steen | van den Trou-ringh. | 1636. |
+
+'t Privilegie is van 4 April 1635.
+
+'t Werk is al enige jaren vroeger opgezet en bij gedeelten afgewerkt;
+zie hierna, blz. XXI, over het Sp. Heyd., en blz. XVIII.
+
+[2] Voorreden.
+
+[3] Aenm. Adams Houwelick.
+
+[4] Voorreden.
+
+[5] Verzamelde bewijzen bij _Kalff_, Cats, _Gids_ 1899,
+III, blz. 387. En bij _Van Heeckeren_, Vader Cats: _Taal
+en Letteren_ V. Verder: Uit alle de Wercken van Jacob Cats,
+blz. VI. Med. Dr. E.D. _Baumann_, Johan van Beverwijck, in leven en
+werken geschetst (1910), blz. 41 vv.--Zie ook over zijn populariteit:
+_Nieuwe Gids_ 1910, II, 412, _Groot Nederland_ 1911, II, blz. 225.
+
+[6] Cats, Trouringh, 't Gront-Houwelick, blz. 6.
+
+[7] Lees verder de mooie bladzijden betreffende _Cats_ van
+Dr. _A. Kuyper_, Het Calvinisme en de Kunst, 1888, blz. 34 vv.
+
+[8] Vryster-mart (slot).
+
+[9] Zo schrijft _van Heeckeren_ (1876) in _Taal en Letteren,_ V, 83.
+
+[10] Q. geeft.
+
+[11] C. Huygens, Costelick Mal.
+
+Zie o. a. hier Aant. bij 1582.
+
+In zijn Trouringh (1637) 4º, blz. 304 vermeldt hij, hoe het Parlement
+van Parijs--5e Sept. 1634--het geval beslist van "de broeder des
+konings."
+
+[12] Bij haar afbeeldsel, achter de Tafel in de Trouringh.--Zie over
+haar: _Eucleria_, van haar zelf, Altona, 1673.
+
+[13] Tijdschrift Mij. Letterkunde, Leiden, VI. 25.
+
+[14] Inleydinge (of "Voorreden") van de Trouringh 1637.
+
+[15] In de voorrede van de Lat. bewerking, die ook in dit opzicht van
+Cats zijn werk verschilt, worden beide personen aldus gekarakteriseerd:
+"Loquuntur in Opere Catsii Belgico Sophroniscus et Philogamus,
+quorum hic discentis, ille docentis partes sustinet, hic amantium
+officia scire satagit, ille exponit. alter concitatior et ardentior,
+alter cautior; alter nullum non conjugii modum probat; alter non
+nisi legibus circumscriptum: hic juvenili ardore et fiducia promit,
+quiequid dictat amoris affectus, ille senili gravitate regit dictis
+animos et pectora mulcet, hic, ut vivant, aut ut vivere optent amantes,
+ille ut vivere oporteat, ostendit."
+
+[16] _Ebert_, Allgem. Gesch. d. litt. d. MA. II.--_Kalff_,
+Nederl. Letterk. I, 419.
+
+[17] "Est historia quaedam ex hispanorum monumentis depromta
+lectu amoena ob varios cuentus: Doctor Potzzo hispanice dicitur eam
+descripsisse, quem autorem tamen non vidi. habet quaedam similia cum
+narrationibus Heliodori. argumentum est nobilis quidam hispanus amore
+ill ctus Aegiptiam puellam (quam nos heijdens vocamus) per longum satis
+tempus sequitur, vitam illam rudem, mendicam et rusticam tolerat, et
+mores sorditos istius hominum generis, tandem agnita fuit ista Aegiptia
+pro virgine nobili et hinc foelix matrimonium." (Tijdschrift 1.1.)
+
+[18] "En igitur tibi historiam quam ex hispanorum monumentis hausi,
+siue illa vera, vt isti affirmant, siue noua, siue ex antiquitate
+deprompta, non admodum curo; narratio est rara et amoena, ego
+rudi Minerea eam tractaui, tu contrahere, omittere, noua inserere,
+prout videbitar, poteris. locus communis his in Censurâ esse poterit
+... narrationes ... rudes sunt, secundas expectant et requirunt curas.
+
+In nominibus si quid mutare tibi visum, non refragabor; teut nica
+disponam vt potero; minima mutatio etiam optima." (Tijdschrift
+1.1. 27, 28.)
+
+[19] Zie _J. A. Worp_, Noord en Zuid XX, 56.
+
+Of gebruikt Cats Ferdinando om de maat? Wat heeft de franse
+vertaling? Waarschijnliker toch gebruikte Cats een franse.
+
+[20] _Worp_, a. pl.
+
+[21] _A. Borgeld_, Tijdschr. XXV, 73.
+
+In de Vyf nieuwicheden (1653 door Henryk Takama vertaald) wordt dit
+Sp. H. vermeld als vroeger al uitgegeven.
+
+[22] Alleen de e (nu en dan) is voluit als en gedrukt; het een enkele
+maal voorkomende en (naast ende) als ende; de vv als w. Vgl. hiervoor,
+Cats-z'n tekst op blz. VI.
+
+[23] Men zie Mr. Ch. M. Dozy: Pieter Nolpe, _Oud-Holland_ 1897 pag. 49.
+
+[24] De l'origine des Egiptiens, autrement Bohemiens, vide
+Est. Pasquier des Recherches de France lib. 4. cap. 17. Et
+de horum Chiromantia lib. 7. cap. 39. Item
+Camerar. part. 1. Meditat. historic. cap. 17.
+
+[25] 7. F2 dat 'et; in F2 zijn de enclytica overal door een '
+gescheiden; zo b.v. 32. weet 'er 44. uyt 'er, 60. sy 'er ; 73. gunt
+'er; 114. of 'er; 173. quam 'er; 312. waer 'et; 328. was 'et, (enz.).
+
+[26] 13. F2 Madrid.
+
+[27] 47. voegen: aldus in de regel de ou (= onze oe).
+
+[28] 64. Q F spelen. O F2 stelen.
+
+[29] 69. F2 vaerdig; en zo geregeld deze ee.
+
+[30] 175. F. ontbr. Voor haer. F2 haer en haer.
+
+[31] 313. F mynen 't wil. F2 mijnent wil.
+
+[32] Dit is een seker hantghespel in Spaengjen ghebruyckelick, 1
+daer onder met eene na de mate wert gesongen.
+
+[33] 354. F2 paegjen.
+
+[34] 358. F2 afgekomen.
+
+[35] 508. F2 al wat 'er.
+
+[36] 591. proeve.
+
+[37] 719. F uwen 't wil. F2 uwent wil.
+
+[38] 789. oorlogh.
+
+[39] 843. F2 hoon.
+
+[40] 859. Uyt.
+
+[41] 929. F2 Uw.
+
+[42] 1098. F2 ontbreken.
+
+[43] 1128. F2 ongedult.
+
+[44] 1252. F2 op dese.
+
+[45] 1333. Q Canstançes.
+
+[46] 1364. proef.
+
+[47] Den vermaerden schrijver doctor _Pozzo_, wordt geseyt in
+'t 1425
+Spaens deze historie beschreven te hebben.
+
+[48] F wonderbaerlick.
+
+[49] 1529. F2 geloof hadden gegeven.
+
+[50] 1579. F2 houdt.
+
+[51] 1582. F2 ader.
+
+[52] 1593. ontdekt.
+
+[53] 1598. Vyt.
+
+[54] 1653. proeve.
+
+[55] 1695. hitten.
+
+[56] 1703. Q af. F1 F2 of.
+
+[57] 1791. F2 Even-wel _Estienne P._
+
+[58] 1797. F2 dat'er.
+
+[59] 1807. F2 van houden.
+
+[60] 1943. F1 F2 vernoegen.
+
+[61] 1972. F2 van Laban.
+
+[62] 1975. F2 my in uwe.
+
+[63] Vgl. daarmee: _dede_: "het selve gebreck hebbende dat onse Crates
+_dede_, te weten een bult op den rugh."
+
+[64] Vgl. Tijdschr. Ned. Letterk. II, 20.
+
+[65] Vgl. ook ald. 22, noot.
+
+[66] Vgl. ook: _Jos. Bédier_, Les Fabliaux. Etudes de littérature
+populaire et d'histoire littéraire du moyen-Age2, 1895. Daarover
+_G. Busken Huet_, Komen onze sprookjes en vertellingen uit Indië,
+_Gids_, Okt. 1902. Verder: Bursian Jahresbericht, XIIe Jahrg. (1884)
+II, I, 20, 205, 271.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Spaens Heydinnetie, by Jacob Cats
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPAENS HEYDINNETIE ***
+
+***** This file should be named 26696-8.txt or 26696-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/6/6/9/26696/
+
+Produced by Jeroen Hellingman, Andrew Sly and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.