summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/28175-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:37:41 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 02:37:41 -0700
commit634fdc833ab640c135a81f219e8ef4d7afd00fef (patch)
tree48eb908aeb16375d7d7c9541b325527575ec26f1 /28175-8.txt
initial commit of ebook 28175HEADmain
Diffstat (limited to '28175-8.txt')
-rw-r--r--28175-8.txt18678
1 files changed, 18678 insertions, 0 deletions
diff --git a/28175-8.txt b/28175-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5822a47
--- /dev/null
+++ b/28175-8.txt
@@ -0,0 +1,18678 @@
+The Project Gutenberg EBook of De lelie van 's-Gravenhage, by J.J. Cremer
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De lelie van 's-Gravenhage
+
+Author: J.J. Cremer
+
+Release Date: February 24, 2009 [EBook #28175]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE ***
+
+
+
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ De Lelie van 's-Gravenhage
+
+ Van
+
+ J. J. Cremer.
+
+
+ Zevende druk.
+
+ Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE.
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was een koude, gure November-nacht in den jare 1595; donkere wolken
+bedekten den hemel, en ontlastten zich in vreeselijke plasregens. Aan
+de anders zoo liefelijke maan was het niet vergund door dat dichte
+floers heen te dringen, en al vertoonde zij zich ook somwijlen,
+een zwarte massa wolken beroofde het aardrijk toch spoedig weder
+van haren glans, en het was slechts licht geweest, om den nacht nog
+nachtelijker te maken.
+
+Hooge populieren, reeds geheel van bladeren ontdaan, verhieven zich
+aan weerskanten van den breeden zandweg, die tusschen de steden Leiden
+en 's-Gravenhage was gelegen, en vertoonden zich als reusachtige
+spooksels, die zich onstuimig heen en weer bewogen.
+
+Het was in dien nacht en op dezen weg, dat eene kar, langzaam uit de
+richting van Leiden komende, een kruisweg naderde. De duisternis liet
+niet toe het zich daarin bevindende gezelschap te onderscheiden;
+bovendien werd het door een linnen huif bedekt, en eenigermate
+tegen wind en regen beschut. Na eenig stilzwijgen echter, sprak een
+vrouwenstem, ongetwijfeld het woord tot den vooropzittenden voerman
+richtende: "Let wel op, Casper! Gij weet dat wij bij het Steenen
+kruis, den weg ter rechterzijde moeten inslaan!--Het is nu geen tijd
+van slapen," duwde zij den man, hem hevig op den schouder slaande,
+toe, daar zij bemerkte dat hij hare woorden niet gehoord had: "Wij
+moeten rechts, verstaat gij?"
+
+De aangesprokene, zoo onzacht uit zijne dommeling gewekt, wreef zich
+geeuwende de oogen en keek in het rond.--"'t Is helsch donker," riep
+hij eindelijk met een forsche stem: "ik zie weg noch steg."--"Dan
+zult gij wél doen af te stappen en de plaats nader op te nemen,"
+hernam de eerste.
+
+Nadat Casper het paard had doen stilstaan, en het de teugels over den
+kop geworpen had, voldeed hij nogmaals geeuwende en schier onwillig
+aan het verzoek, dat meer nog naar een bevel geleek.
+
+Behalve de twee sprekende ingevoerde personen moest er zich nog
+een derde in het voertuig bevinden, die, wellicht door het luid
+gevoerde gesprek, of wel door het plotseling stilhouden der kar,
+was ontwaakt. Althans, nauwelijks had Casper den wagen verlaten,
+of men hoorde een zacht gekreun, hetwelk door een kind moest worden
+voortgebracht. De vrouw maakte een snelle achterwaartsche beweging
+en het scheen alsof zij een kleed over den kermende geworpen had,
+want, doffer en nauwelijks hoorbaar werd thans het klagend gekreun,
+dat trouwens telkens meer en meer door het akelig gefluit van den
+feller opstekenden stormwind verdoofd werd.
+
+"De d..... mag weten waar wij zijn!" riep Casper, terugkomende: "ik zie
+den zijweg niet. Dat die vervl.... maan er ook niet doorkomt!" ging
+hij brommende voort: "men kan geen hand voor oogen zien."--De vrouw,
+welke meer met de plaatselijke gesteldheid scheen bekend te zijn,
+en met onbenevelde oogen had rond getuurd, stak nu het hoofd uit de
+kar, en gebood den nog half slapenden Casper weder op te klimmen:
+"Ik zie duidelijk," zeide zij, "dat wij de sloot nog op zijde hebben;
+zij stuit tegen den kruisweg; rijd dus voort, en let wél op!"--Casper
+gehoorzaamde, zonder te antwoorden, doch noodzaakte het trage paard,
+door een: "Kovort, Bles!" hetwelk hij met een duchtigen zweepslag
+deed vergezeld gaan, zijn langzamen tred weder aan te nemem.
+
+Ruim tweehonderd schreden verder gekomen, ontdekte hij, zooals de
+vrouw gezegd had, dat de sloot werkelijk stuitte. Hier moest hij
+dus den gewonen rijweg verlaten en rechts inslaan. De kar verliet
+het spoor, het wiel kraste tegen een steen, het voertuig helde naar
+de linkerzijde en ware zeker omvergestort, zoo Casper niet een zwaren
+slag op het stijve beest had doen nederkomen, dat, daardoor verschrikt,
+eenen sprong voorwaarts deed. Door deze snelle beweging had het wiel
+den steen verlaten, zoodat het evenwicht hersteld was.
+
+"Bij alle heiligen! dat kruis had ons daar bijna den hals doen
+breken!" zeide de vrouw, schijnbaar ontsteld: "Gij moet wat
+voorzichtiger zijn," vervolgde zij: "nu, echter, kunnen wij niet
+meer dwalen; houd slechts het spoor; binnen een goed half uur zijn
+wij aan de Blankert."
+
+Casper antwoordde niet, maar prevelde iets binnensmonds, dat veel
+naar eene verwensching geleek. Zeker kon men echter overtuigd zijn
+dat hem deze nachtelijke tocht, in zulk een weder, niet beviel.
+
+Niemand sprak verder. De regen viel gestadig bij stroomen neder en had
+den weg schier in een modderpoel veranderd. De kar schokte geweldig,
+en het arme paard, telkens voortgezweept, scheen bijna niet meer in
+staat, zijn vreemde vracht voort te sleepen. Eindelijk werd de stilte
+weder afgebroken door het meer dan te voren hoorbare gekreun van
+het kind, dat zich nu scheen te bewegen. De vrouw sprak fluisterend
+eenige woorden, die alleen door het wezen tot hetwelk ze gericht
+waren, konden verstaan worden, en vervolgde toen luid tot Casper:
+"Mij dunkt, dat ik in de verte een schijnsel van licht ontdek?"
+
+"Dit zal zeker de Blankert wezen," zeide Casper, die insgelijks het
+licht ontwaarde: "Wij worden opgewacht. 't Is goed dat wij naderen,
+want Bles zou 't geen tien minuten meer kroppen.--Vort, Bles!" en
+het regende weer zweepslagen.
+
+Inderdaad naderde het voertuig de Blankert, en duidelijk ontwaarden de
+reizigers nu een persoon, die met een lantaarn op- en nederging. Nog
+eenige stappen, nog eenige schokken, en het voertuig bevond zich voor
+een opgehaalde brug, welke spoedig, door den persoon, die zich met
+de lantaarn aan gene zijde bevond, werd neergelaten. Laatstgenoemde
+trad nabij den wagen en lichtte er in.
+
+"'t Bevel!" riep de vrouw uit de kar den onderzoekende toe. Dit scheen
+het wachtwoord te zijn; althans eene toestemming tot voortrijden,
+dat Casper gold, doch welker uitvoering hem niettemin veel moeite
+kostte, volgde op dit gezegde.
+
+Dof dreunende, rolde nu het voorgelichte voertuig over de breede
+ophaalbrug, waarna de geleider het paard bij den kop vatte, het eerst
+door een holle poort, vervolgens over een breede met steenen geplaveide
+ruimte en eindelijk in een donkeren stal of schuur binnen voerde.
+
+"Voor den duivel, dat heet boos weer!" zeide Casper, die bij het
+binnenrijden was afgestapt: "geen kat of hond zou men er uitjagen;
+doch grof geld weegt zwaar," ging hij in zich zelven voort, terwijl hij
+den doorweekten ronden hoed met slappen rand, door heen en weerslaan,
+van het water zocht te ontdoen.
+
+De nieuwaangekomene, die hen zoo even ontvangen had, scheen zich echter
+niet met hem in een gesprek te willen begeven, maar trad, nadat hij de
+lantaarn in het midden van den stal aan een haak had gehangen, op de
+kar toe. Wat daar gesproken werd kon men niet duidelijk onderscheiden,
+dewijl het gesprek zeer zacht gevoerd werd.
+
+De lantaarn verspreidde een schemerachtig licht door de ruimte of
+stalling, doch evenwel helder genoeg, om meer nauwkeurig de personen,
+die zich aan deze plaats bevonden, op te nemen, en hunne bewegingen
+gade te slaan.
+
+Het gelaat van Casper vertoonde die ruwheid van karakter, welke men
+reeds eenigszins uit de weinige door hem gesprokene woorden heeft
+kunnen opmaken. Zijne oogen waren klein, zijn neus die alle kenmerken
+van 's mans neiging tot sterken drank droeg, was middelmatig, zijn
+mond was groot en met breede lippen voorzien, terwijl rosachtig
+haar zijn schedel bedekte 't welk thans, doornat van den regen, in
+pieken nederhing. Zijne kleeding bestond uit een blauw linnen kiel,
+een korte grijze broek, een paar wollen kousen en groote beslijkte
+holsblokken. Nadat het gesprek bij de kar eenige oogenblikken geduurd
+had, werd door de vrouw aan den vermoedelijken portier, een groot
+pak overhandigd dat zeer zwaar scheen. Wat dit pak bevatte liet zich
+weldra gissen. Dat klagend geluid, hetwelk wij reeds in den wagen
+gehoord hebben, deed zich ook nu weder hooren. De portier nam het
+hem toegereikte met beide handen vrij voorzichtig aan, en verdween
+er mede door een tot dus verre onopgemerkte zijdeur.
+
+De vrouw had hare plaats hernomen, en hoewel men haar door de
+schemering niet duidelijk kon opnemen, zoo zag men toch een paar
+glinsterende oogen, in de diepe kassen verscholen, van onder een paar
+donkere wenkbrauwen uitkomen. Zij scheen van middelbaren leeftijd,
+en was geheel in een bruinen mantel gehuld, waaraan eene kap was
+bevestigd, die mede voor het grootste gedeelte haar hoofd en aangezicht
+verborgen hield.
+
+Een aanhoudend geprevel, dat na verloop van ongeveer acht seconden,
+door een snelle beweging met de handen werd afgewisseld, gaf duidelijk
+te kennen dat zij een hoogst plechtig werk verrichtte, en zou voorzeker
+nog langer hebben voortgeduurd, zoo niet de portier ware teruggekomen
+en Casper, die het hongerige paard inmiddels den voederzak aan den kop
+had gebonden, een kelk met brandewijn had aangeboden, welke eerst door
+dezen tot op een vierde geledigd, en vervolgens met een hoofdschuddend:
+"Bah!" aan de prevelende werd toegereikt.
+
+De portier, die den kelk weder aangenomen had, sprak opnieuw eenige
+onverstaanbare woorden met de vrouw; overhandigde haar iets hetwelk
+men niet onderscheiden kon, en Casper vervolgens vier kronen in de
+hand stoppende, opende hij de groote dubbele deur, die hij bij het
+binnenrijden achter het voertuig had dichtgeslagen.
+
+"Gij zult spoed dienen te maken, om vóór het aanbreken van den dag
+weder te huis te zijn," sprak hij eindelijk: "Voor zulk een tocht
+en met zulke wegen hadt gij voor dien armzaligen knol wel wat beters
+kunnen nemen!"
+
+Om der vier kronen wille, vond Casper het geraden deze laatste
+aanmerking des portiers niet te beantwoorden. "Vóór zessen zijn wij
+reeds aan de Roemer," zeide hij; maakte toen den voederzak los; deed
+het paard het bit in den bek, en dwong, met een: "Terug, Bles!" het
+reeds zoozeer vermoeide beest eenige stappen achteruit te doen.
+
+Buiten den stal gekomen, wendde hij den wagen naar de andere zijde:
+nam de touwen leidsels in de hand, en beklom weder het voertuig.
+
+De portier nam de lantaarn uit den haak; vatte het paard bij den kop,
+en leidde alzoo het voertuig opnieuw over de ruimte, door de holle
+poort, wier gewelven het geluid van den rollenden wagen weerkaatsten,
+tot vóór de gemelde ophaalbrug.
+
+Dof dreunde het voertuig over de eikenhouten planken; een wederzijdsch:
+"Vaarwel," werd gewisseld, de portier haalde de klep der brug naar
+boven, en de hand voor het schijnsel der lantaarn houdende, zag hij
+de witte huif der kar langzaam in het nachtelijk duister verdwijnen.
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was den 6den van Sprokkelmaand in het jaar 1608,--dertien jaren
+dus na het in de vorige bladzijden vermelde nachtelijk avontuur,
+dat het vorstelijk 's-Gravenhage een feestelijk aanzien had. Vlaggen
+wapperden van de meeste gebouwen, drukte en gewoel heerschte alom op
+straten en pleinen, rijtuigen en wagens, menschen te voet en te paard
+verdrongen elkander en joelden in bonte kleuren dooreen. Hier zag men
+staatsiekoetsen, ginds vechtende jongens, elders bevallige maagden
+en kloeke jongelingen in feestelijk gewaad gedost, allen naar een
+en hetzelfde doel strevende, allen ijverende om een geschikte plaats
+te bekomen, ten einde datgene te aanschouwen waarnaar hunne begeerte
+zich uitstrekte.
+
+Was het ook al bij sommigen bloote nieuwsgierigheid, om iets
+buitengewoons te zien, die hen ter deure had uitgedreven, op de meeste
+aangezichten stond evenwel duidelijk een verhevener wensch en een
+blijde verwachting voor de toekomst uitgedrukt.
+
+Doch van waar die dringende volksmassa? Van waar die blijdschap, die
+drukte, die beweging? Wat stond er te gebeuren? Wat zou er voorvallen?
+
+Ter beantwoording dezer vragen en om zoo mogelijk iets meer
+dienaangaande te weten te komen, willen wij ons liefst bij eenige
+personen voegen, die in een groep bij elkander stonden.
+
+"Drie pinten brandewijn wil ik tegen ééne verwedden, dat hij een
+kop grooter is dan onze Prins," sprak een klein, schraal en slecht
+gekleed man.
+
+"Drie pinten tegen eene!" herhaalde hij, uitdagende blikken om zich
+heen werpende, terwijl hij eindelijk meer bepaald een jonkman bleef
+aanzien, die even te voren het tegendeel beweerd had.
+
+De jonkman die, naar het uitwendige te oordeelen, insgelijks niet
+veel te verliezen had, scheen de uitdaging niet zeer gretig aan te
+nemen, doch hetzij om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, of wel
+om zijne bekendheid met den bedoelden persoon te kennen te geven,
+sprak hij na eenig stilzwijgen:
+
+"Ongetwijfeld echter weet ik dat de markgraaf gezetter is dan Maurits,
+ik heb...."
+
+"Gelogen!" viel de eerste spreker hem driftig in de rede: "Gelogen
+vriend! Spinola is lang en mager, lang als Gerrit Aal uit de Wijnstok,
+en mager...."
+
+"En mager, als Sebastiaan Bril, baardschraper uit het Scheerbekken,"
+viel een forsche stem den spreker in de rede, welke laatste, op
+het hooren noemen van zijn naam, zich verschrikt omwendde en achter
+zich de forsche gestalte en het blozende gelaat van den waard uit de
+Wijnstok ontdekte.
+
+"Gerrit! Gerrit!" hernam de ontstelde baardschraper, zich herstellende:
+"Gij deedt beter, mij in het vervolg niet meer met uw barbaarsche
+stem te verschrikken, geloof mij, de Wijnstok zou mij voor 't laatst
+gezien hebben."
+
+"Bedaar, maat!" hervatte de dikke waard, die huiverde bij het
+denkbeeld, door eigen toedoen een der beste kalanten uit zijn kroeg te
+verjagen: "Bedaar! 't was niet kwaad gemeend.--Maar drommels!" ging hij
+lachende voort: "Gij bediendet u zoo vrijpostig van mijne lengte, om
+mij bij dien Spanjaard te vergelijken, dat mij evenzeer uw dunne beenen
+het recht gaven, om de door u aangevangene vergelijking te voltooien."
+
+Op deze aanmerking van Gerrit Aal, richtten zich verscheidene oogen
+naar de dunne eenigszins kromme beenen des baardschrapers, welke in
+uiterst versleten hozen staken, zoodat zij hier en daar hun natuurlijke
+kleur vertoonden.
+
+Een luid gelach was de uitwerking door deze opneming teweeggebracht,
+en zeker had Gerrit zijn vertoornden klant voor altoos verloren, had
+deze hem niet vertrouwelijk op den schouder geklopt en iets in het oor
+gefluisterd, 't welk den kleinen man geheel scheen te bevredigen. Met
+een luid: "Fiat, Gerrit!" scheen hij alle beleedigingen vergeten
+te hebben, of ten minste geneigd te zijn, er zich niet verder over
+te bekommeren.
+
+"'t Zal mij dan eens wonder benieuwen, of die twee malkaar den
+dolk niet in de ribben zullen stooten!" sprak een oud wijf met
+een taankleurig gelaat, hetwelk in allerlei richtingen met plooien
+en rimpels doorploegd was: "'t Was," ging zij krijschende voort:
+"de eenige manier, om aan alle ruzie een einde te maken, want
+razen en blazen zullen de kemphanen zoolang zij lucht in de longen
+hebben. Vrede, ja! bij mijne ziel, vrede zouden ze maken! 't
+Heeft wat in, een Spaansch varken schoon te krabben! Kokend
+water moet er op! Kokend water, zeg ik, en dan krabben met man en
+macht!--Bah!" reutelde zij in zich zelve voort, terwijl zij onze
+groep eensklaps verliet: "Bah! ze zullen met zijden lappen een varken
+schrapen!"
+
+Ondertusschen was de jonkman, dien wij het eerst met Sebastiaan Bril
+in eene woordenwisseling hebben aangetroffen, door een voorbijdringend
+maagdeke vriendelijk toegeknikt. "De trein is in aantocht!" had zij
+hem toegeroepen, en hem tegelijkertijd bij zijn wambuis grijpende,
+met zich voortgetrokken, waaraan hij, geenszins onwillig, niet den
+minsten weerstand geboden had.
+
+Werkelijk kondigde een dichte drom van menschen, die allen van de
+boschzijde kwamen aanstormen, duidelijk aan dat de zoolang verwachte
+personen weldra zouden voorbijkomen.
+
+De jonkman, aan wien in het vervolg door het meisje den naam van
+Maarten gegeven werd, had met haar, weinige schreden van de plaats
+waar wij hem het eerst aantroffen, op een steenen trap van een fraai
+gebouw aan het einde van den Kneuterdijk gelegen, post gevat, en zag
+nu, den arm om haar middel geslagen, dartel koutende, met het grootste
+geduld de komst van den trein te gemoet.
+
+Wij zullen de jonge lieden voor een oogenblik verlaten, om met onze
+Lezers, die uit het op straat verhandelde slechts gedeeltelijk de
+ware toedracht der zaak zullen begrepen hebben, zeer beknopt bij
+de geschiedenis van dien dag stil te staan, en hun de oorzaak dier
+feestelijkheden duidelijk te maken.
+
+Filips III, Koning van Spanje, neigde tot vrede; verscheidene
+beweegredenen drongen hem hiertoe, en voorzeker wel het meest
+de aanzienlijke geldsommen die het krijgvoeren in de Vereenigde
+Nederlandsche Gewesten aan den Spaanschen Staat kostten. Drie millioen,
+zesmaal honderdduizend kronen toch werden er minstens jaarlijks
+vereischt, om in de behoeften van dezen krijg te blijven voorzien.
+
+Door de ongeloofelijke dapperheid en het kloek beleid van Prins
+Maurits, was het den Spaanschen bevelhebber markgraaf Ambrosio
+Spinola bijna onmogelijk geweest, over de stroomen tot in het hart
+der Vereenigde Gewesten door te dringen, en zeker was het te voorzien,
+dat de weinige sterke plaatsen, welke hij genomen had, niet te houden
+zouden zijn, wanneer de Staten van Holland, door Frankrijk ondersteund,
+opnieuw tot een aanvallenden krijg, die hun vroeger zoo wel gelukt was,
+mochten besluiten.
+
+De geschillen van den Staat van Venetië met den Paus, in welke
+Filips zich gemengd had, dreigden hem nog bovendien met een krijg in
+Italië, welke onmogelijk kon gevoerd worden, zoolang hij niet met de
+Nederlanden bevredigd was.
+
+Voorts morden de Portugeezen dat hunne schepen door de Staatschen
+genomen, en hunne volkplantingen in de Oost-Indiën vermeesterd werden
+zoodat én koophandel én zeevaart ten eenenmale bedorven werden.
+
+Al deze krachtige redenen deden den jongen, in het oorlogen onbedreven
+Filips vurig naar vrede verlangen. Reeds in het vorige jaar, 1607,
+hadden de onderhandelingen een aanvang genomen, en had de aartshertog
+Albertus, daartoe door zijn gemalin Isabella gemachtigd, den Staten
+aangeboden, met hen, als met vrije volken, te onderhandelen, waarna,
+op den 12den van Grasmaand, een binnenlandsche wapenschorsing gesloten
+werd, met eenige bepalingen, en wel voornamelijk: dat de Koning van
+Spanje binnen drie maanden de Vereenigde Gewesten insgelijks voor
+vrije Landen zou erkennen.
+
+Prins Maurits, hoewel aanvankelijk onwillig om met den vijand
+tot vredesonderhandelingen over te gaan, had zich echter door den
+schranderen advocaat Johan van Oldenbarneveld, die op goede gronden
+voor den vrede ijverde, tot de ontvangst der vreemde gezanten laten
+overhalen. Oorlogzuchtig van aard, koesterde de Prins echter den
+heimelijken wensch, dat de onderhandelingen weldra door onoverkomelijke
+hinderpalen mochten verijdeld en afgebroken worden. Zijn juiste
+staatkunde deed hem echter duidelijk inzien, dat hij zich den haat
+van vele edelen en burgers op den hals zou halen, indien hij zich
+openlijk en met kracht tegen een aangebodene vredesonderhandeling op
+billijke voorwaarden verzette.
+
+En nu,--de Spaansche gezanten werden verwacht. Prins Maurits was
+reeds een uur geleden, door zijne edelen omringd, de ambassade te
+gemoet getogen. De algemeen beruchte markgraaf Ambrosio Spinola was
+het hoofd van het gezantschap. Trompetgeschal liet zich in de verte
+hooren; de trein naderde, en geenszins was het dus te verwonderen
+dat aller oogen eensklaps naar ééne zijde gericht werden en dat alle
+gesprekken, van welken aard ook, werden gestaakt, om door een zacht
+gemompel te worden vervangen.
+
+"Gij zult wél doen, Anne, een trap hooger te klimmen, als gij over al
+die hoofden wilt heen zien," sprak Maarten halfluid tot het meisje,
+hetwelk, op zijn arm leunende en zich al meermalen op de teenen
+verheffende, getracht had haar hoofd boven de menigte te doen
+uitkomen. Deze raad werd opgevolgd, en Maarten, die nu ook zijne
+plaats verliet om weder achter haar post te vatten, sloeg den arm
+om haar blanken hals, en beiden aanschouwden nu duidelijk, wat wij
+onzen lezers zullen mededeelen.
+
+Een korps hoornblazers en tamboers, door eenige hellebaardiers
+voorafgegaan, opende den trein; hierop volgde een heraut van wapenen
+te paard, en onmiddellijk daarna een prachtige staatsiewagen, met zes
+kloeke paarden bespannen, wier blinkende hoofdstellen vroolijk in de
+vriendelijke Februari-zon schitterden. De wagen, waarvan de wielen tot
+even boven de naven door sierlijk geschilderde raderkassen overdekt
+waren, bevatte op de hoeken vier vergulde ijzeren staven, die een
+bijna koepelvormigen hemel onderschraagden, welke uit vier paneelen
+bestaande, een punt formeerde, op welke eene grafelijke kroon bevestigd
+was. Gordijnen van hemelsblauwe zijde, met gouden borduursels omzoomd,
+omringden den hemel, en hingen, eenigszins op zijde geschoven, in
+sierlijk breede plooien naar beneden. Het inwendige der koets was
+geheel met rood fluweel bekleed, insgelijks met gouden boordsels
+afgezet, en op de portieren prijkten de wapens van het huis van Oranje.
+
+Vier pages, op het smaakvolst uitgedost, bevonden zich achter op het
+rijtuig, hetwelk voorts omringd en gevolgd werd door een aantal edelen
+en ridders te paard.
+
+Vóór dat wij echter met onze beschouwingen bij het vervolg van den
+trein stilstaan, werpen wij eerst een blik in het rijtuig zelf,
+en ontdekken weldra twee personen, die elkander met vele uitwendige
+hoffelijke gebaren levendig schijnen te onderhouden.
+
+De een, ter linkerzijde gezeten, was middelmatig van gestalte en
+eenigszins zwaarlijvig. De ander, ter rechterzijde, was rijziger, doch
+niettemin van krachtigen lichaamsbouw. De eerste had lichtblauwe oogen,
+waarin moed en vastberadenheid te lezen waren; gulle openhartigheid
+zetelde op zijn eenigszins blozend gelaat, en niet zelden speelde
+een ongekunstelde lach om zijne lippen; zijn hoofdhaar was blond en
+een breede baard van dezelfde kleur, omgaf zijne kaken. De oogen
+des anderen waren donkerbruin, en werden door lange wenkbrauwen
+overschaduwd. De groote arendsneus gaf eene buitengewone fierheid
+aan het gelaat, dat een meer zuidelijke tint had. Zijn hoofdhaar
+was zwart, een kleine puntige baard omringde zijne spitse kin, en
+forsche opgestreken knevels bedekten gedeeltelijk een kleinen mond,
+die, wanneer hij zich tot een lach vertrok, twee rijen tanden als
+van het blankst ivoor vertoonde.
+
+Het waren Prins Maurits en Spinola, de twee beroemdste veldheeren
+hunner eeuw, welke elkander vroeger nooit anders dan met de wapenen
+in de vuist hadden ontmoet, en die thans, naast elkander gezeten, in
+heuschheden wedijverden. Zooals wij gezegd hebben, de staatsiekoets
+werd omringd en gevolgd door verscheidene Nederlandsche edelen,
+in wier midden zich het overige gedeelte des gezantschaps bevond,
+waaronder zich ook bevonden Don Juan De Mancicidor, geheimschrijver
+des Konings van Spanje, Joan Richardot, Raad van State onder den
+Aartshertog en President van den geheimen Raad, benevens de in
+'s-Hage reeds bekende monniken Neijen en Verreijken.
+
+Op deze schaar van edelen en ridders te paard volgden verscheidene
+koetsen met twee paarden bespannen. In de eerste dezer koetsen
+bemerkte men, behalve den Pensionaris en den Burgemeester der stad
+'s-Gravenhage, ook 's Lands Advocaat en 's Prinsen eersten raadsman,
+Johan van Oldenbarneveld, Heer van Berkel en Rodenrijs. In de overige
+rijtuigen waren de leden van den Raad van State, volgens hun rang
+of ouderdom gezeten, terwijl de trein eindelijk gesloten werd door
+eenige hellebaardiers in volle wapenrusting.
+
+"Zie, welk een heerlijk ros!" zeide Maarten, toen de edelen en
+gezanten te paard de jonge lieden voorbij reden. "Welk een trotsch
+dier!" vervolgde hij, terwijl hij met den vinger naar een schimmel
+wees, waarop een jong ruiter gezeten was: "Bij mijne ziel, zóó fier
+zag ik nooit een paardennek gekromd."
+
+Anne, die op deze aanwijzing het beest vluchtig had opgenomen, scheen
+evenwel meer geneigd haar geheele aandacht te wijden aan dengenen die
+er op was gezeten, en van het ros op den ruiter springende, zeide zij,
+Maartens opmerkingen vervolgende: "En wat golven die kastanje bruine
+haarlokken schoon! Welk een edele houding!--hoe jammer dat hij nu
+juist het hoofd naar de andere zijde heeft gewend."
+
+Inderdaad, de jonge ruiter, die tot het gevolg des gezantschaps
+behoorde, hield zijne oogen op een schoone jonkvrouw gevestigd,
+die aan de overzijde der straat op een balkon den voorbijtrekkenden
+stoet mede in oogenschouw nam: hare oogen moesten die des ruiters
+hebben ontmoet, want een licht blosje verfde haar lelieblank gelaat;
+en snel hare blikken naar een meer bejaarden ridder wendende, wuifde
+zij dezen met haar zakdoek vriendelijk toe.
+
+Was het een zacht windje of misschien slechts een bloot toeval,
+'t welk den fijnen linnen zakdoek niet Brusselsche kanten omzet,
+aan haar kleine vingeren deed ontglippen? Wij weten het niet;
+doch langzaam dwarrelende, kwam de witte doek naar beneden, die
+door den jongen ruiter in het voorbijtrekken zeer behendig werd
+opgevangen. Nogmaals zag hij naar het balkon; een hoog rood overdekte
+de wangen der jonkvrouw; spoedig echter wendde zij zich om, en verdween
+door de openstaande balkondeur.
+
+Dit alles, hetwelk in een vluchtig oogenblik had plaats gegrepen, was
+noch aan Maarten noch aan zijn liefje ontgaan, en verder zagen beiden
+duidelijk, hoe de jonge ruiter eerst den doek nauwkeurig beschouwde,
+dien vervolgens in elkander wikkelde, en eindelijk zorgvuldig in zijn
+wambuis verborg. De jonge lieden staarden den ruiter na; zagen nog
+eenmaal naar het balkon, en Anne, die in de schoone dame hare meesteres
+herkend had, verloor zich, toen de trein geheel was voorbijgetrokken,
+arm in arm met haar Maarten in de dringende volksmenigte die, naarmate
+de stoet al meer en meer de plaats zijner bestemming naderde, ook
+steeds grooter en grooter werd.
+
+"Daar kan een slok op staan, Gerrit!" sprak de dunne baardschraper,
+die met den waard uit de Wijnstok diens heiligdom was binnengetreden:
+"Kom, Klaartje! kom kind, geef me gauw een spatje; je vader onthaalt,
+en ik ben zoo koud als een steen geworden."
+
+Nadat Klaartje het gevraagde spatje, hetwelk in een roemer brandewijn
+bestond, had overhandigd, traden er nog verscheidene lieden binnen,
+die allen--evenals dit ten huldigen dage bij feestelijke intochten
+of plechtigheden nog de gewoonte is,--voornemens waren de uitgestane
+vermoeienissen met een dronk weg te spoelen.
+
+De waard wierp nieuwe takkenbossen op het vuur, Klaartje bediende
+de gasten, en weldra ontstond er een vrij algemeen gesprek, dat
+door het genot van het geestrijk vocht, hoe langer hoe levendiger
+werd.--Natuurlijk voerden die drinkende en rookende mannen oorlog
+en sloten vrede, deden voorspellingen en regeerden met gloeiende
+aangezichten het land hunner inwoning, met eene wijsheid, die den
+wijzen koning Salomo zou beschaamd hebben.
+
+Sebastianus Bril die insgelijks, doch na den eersten roemer, voor eigen
+rekening, lustig had doorgedronken, was geen der minste redenaars. Zijn
+overredende en meesterachtige toon van spreken vond doorgaans een
+gereeden ingang bij zijn nog minder beschaafde toehoorders, die
+trouwens thans door het overmatig gebruik van sterken drank reeds
+voor het grootste gedeelte zaten te knikkebollen.
+
+"Ja, mannen! het was in 1604, nu vier jaar geleden, in Ostende andere
+kool. Bij dat beleg, dat u allen heugt, heb ik mij niet weinig roem
+verworven. Reeds van mijn vroegste jeugd af aan, zag mijne moeder
+iets groots in haar eenigen zoon. Sebastianus! Sebastianus! zeide
+zij meermalen, als ik 's vaders klanten behendig stond in te zeepen:
+Sebastianus! Sebastianus! gij zijt tot iets verhevens geboren;
+gij zult uw Vaderland groote diensten bewijzen en in roem en eere
+sterven. Ja, waarachtig! zij heeft tot dusverre waarheid gesproken"
+vervolgde Bril, terwijl hij zijn roemer tot op den bodem ledigde, die
+dadelijk daarop weder door den gedienstigen Gerrit werd volgeschonken:
+"zij heeft een voorspellenden geest gehad: luister aandachtig, mijne
+heeren! en ik zal u verhalen hoe ik vrijheid en leven voor Land en
+Vorst heb in de waagschaal gesteld."
+
+De aangesprokene heeren hadden meest allen oogen en ooren gesloten;
+doch Gerrit, die zijn klanten altijd met genoegen een luisterend
+oor leende, al had hij hunne verhalen ook reeds twintig malen met
+het uiterst geduld aangehoord, plaatste zich naast den spreker,
+die dadelijk aldus vervolgde:
+
+"Omtrent vier jaren lang hadden die Spaansche honden ons reeds
+geteisterd; met hunne ballen duizenden levenslampen uitgeblazen,
+en ons niet zelden kommer en gebrek doen lijden, toen aan Spinola de
+verdere belegering der vesting werd toevertrouwd. Van gemeen soldaat
+was ik zeer spoedig tot den rang van adsistent-heelmeester overgegaan;
+mijne behendigheid in het behandelen van snijdende instrumenten
+toch was overal bekend geworden, en mijne voorzichtigheid werd
+insgelijks hoog geroemd. Eenmaal slechts in mijn geheele leven heb
+ik een forschen knevelbaard, die besnoeid moest worden, zijn linker
+neusvleugel weggemaaid!--Van Der Noot, die het bevelhebberschap der
+stad later aan Herbaing overdroeg, had van mijn beleid hooren spreken,
+en juist een geschikt persoon noodig hebbende om de bewegingen der
+Spanjaarden te bespieden, had hij weldra zijne oogen op mij gevestigd
+en verkoos mij tot de belangrijke betrekking van spion.--In eene
+monnikspij gewikkeld, verliet ik op een donkeren avond de vesting, en
+kwam eindelijk, na op verscheidene plaatsen tot over de knieën door
+het water gewaad te hebben, in de legerplaats der vijanden.--Eenige
+Spaansche woorden kennende, kwam ik gelukkig door de voorposten;
+de roepende schildwachten lieten den armen bedelmonnik gereedelijk
+door, en maakten het teeken des kruises; doch, weinige schreden
+verder gekomen, stuitte ik op eene patrouille, die de ronde deed. Ik
+werd aangegrepen en naar het wachtwoord gevraagd. Niet wetende wat
+te antwoorden, zeide ik zeer gevat: Memento mori! De heeren, die
+er anders allen akelig barsch uitzagen, begonnen te schateren van
+lachen. Memento mori! riep ik nogmaals, zoo hard als mijne stem dit
+toeliet; doch de heeren schenen zich weinig aan deze aanmaning te
+storen, want zij lachten voort; plaatsten mij tusschen twee hunner
+soldaten, en brachten mij in eene tent, welke op het prachtigst met
+tapijten was behangen en door sierlijke lampen verlicht werd. Aan
+het einde eener tamelijk lange tafel, die met boeken en kaarten was
+overladen, zat de veldheer zelf. Ja, mijne heeren! het waren Ambrosio
+Spinola en Sebastianus Bril, die zich op dat oogenblik in eene en
+dezelfde tent, juist tegenover elkander bevonden."
+
+Hier wierp Bril triomfante blikken om zich henen, en Gerrit, die
+zeer bezorgd werd dat de keel des sprekers te droog zou worden,
+spoorde hem, met een verbaasd gelaat als hadde hij het gesprokene
+voor het eerst gehoord, tot het nemen eener teuge aan. Bril voldeed
+aan deze allervriendelijkste uitnoodiging, en zijn kromme beentjes
+over elkander slaande, ging hij voort: "Met scherpe blikken werd ik
+ondervraagd, en 't was geenszins uit vrees voor de pijnbank, maar
+alleen uit loutere liefde voor de waarheid en een aangeboren afkeer
+van al wat logen was, dat ik haarklein alles vertelde wat mijne
+ondervragers weten wilden.--Men prees mijn moed tot het aanvaarden
+van zulk een gevaarlijken tocht; doch, toen ik meende aller wenschen
+en weetlust bevredigd te hebben en henen wilde gaan, hield men mij
+staande, en deden die ondankbaren mij ijzeren boeien aan de handen,
+en voerden mij naar een houten loods, die tot bewaarplaats der
+krijgsgevangenen was ingericht. Wel is waar ontdekte ik daar veel
+brave kennissen, doch het leven was er allertreurigst. Water en brood
+was mijn voedsel, en voorzeker ware ik geheel en al uitgeteerd, zoo
+de Spanjaarden, die middelerwijl Ostende genomen hadden, mij niet met
+mijne lotgenooten, tegen de door ons gemaakte krijgsgevangenen hadden
+uitgewisseld.--Nogmaals zag ik echter den dood voor het Vaderland te
+gemoet; mijne waarheidsliefde was mij zeer kwalijk genomen; ik werd
+veroordeeld om gefusileerd te worden; doch de hemel zij gedankt,
+ik had een machtige voorspraak: het was de edele en machtige graaf
+Van Bergen, wien ik reeds vroeger in deze stad met mijne wapenen om
+de kin had gespeeld, die bij den Prins mijne gratie verwierf. Spoedig
+werd ik nu, na al het uitgestane leed, op vrije voeten gesteld, door
+dien edelsten der edelen, dien ik bedienen zal tot zijn einde, en
+voor wien ik door duizend vuren zou vliegen.--Lang leve Van Bergen! Ja
+lang, lang leve die waardige graaf!" besloot in verrukking de kleine
+barbier, terwijl hij den beker driemalen boven zijn hoofd rondzwaaide:
+"tot roem van zijn geslacht en tot heil van het Vaderland! Lang zal hij
+leven!" en bij den laatsten schellen uitroep ledigde hij den roemer,
+doch verloor tevens zijn evenwicht, en tuimelde vrij onzacht van zijn
+zetel op den steenen vloer.
+
+De waard richtte den ontstelden Bril op, en schonk hem nogmaals den
+beker vol. Velen der overige gasten, door het leven ontwaakt, wreven
+zich de oogen, en eischten eerst drank en vervolgens dobbelsteenen.
+
+Weldra nam nu het verderfelijke hazardspel een aanvang, dat tot laat
+in den nacht voortduurde, en met een bloedige kloppartij eindigde.
+
+De gasten keerden met ledige buidels en verhitte hoofden
+huiswaarts. Gerrit Aal liet den inhoud der welgevulde geldlade
+glimlachend in een grooten zak overgaan, en begaf zich eindelijk,
+vroolijk de handen wrijvende, naar zijne legerstede.
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+De zalen van 's Prinsen paleis op het Binnenhof waren prachtig
+verlicht. Vele pages en ontelbare bedienden liepen in snelle vaart
+op en neder, om alles te regelen of ten uitvoer te brengen.
+
+Spaansche en Nederlandsche vlaggen waren smaakvol als tropeeën boven
+de openstaande vleugeldeuren bevestigd. Aan het einde der groote
+zaal bevond zich een voor die tijden uitmuntend orkest, hetwelk,
+eenigszins in de hoogte geplaatst, achter bloeiende heesters en
+rijk beladen oranjeboomen verscholen was. De zalen waren meest
+alle met goudlederen behangsels bekleed, en sierlijke rustbanken,
+met fluweelen zittingen, waren langs de wanden geschikt. Zilveren
+drinkbekers en schenkkannen prijkten op groote bladen van hetzelfde
+metaal, en bokalen van fijn Venetiaansch glas, waarin de wapens der
+Prinsen van Oranje allerkeurigst gesneden waren, stonden in grooten
+getale en van onderscheidene grootte, op een marmeren aanrecht,
+waarachter in steenen kruiken of groene flesschen de edelste wijnen
+voor de komenden gereed stonden.
+
+Het was Prins Maurits, die den Spaanschen gezanten, weinige dagen na
+hunne aankomst in 's-Hage, een luisterrijk bal wenschte te geven. Te
+dien einde had hij de bloem der natie, voor zooverre zij daar kon
+tegenwoordig wezen, ten zijnent genoodigd, en niets gespaard om alles
+zoo prachtig mogelijk te maken.
+
+Het uur voor de ontvangst naderde. De bedienden en hoflakeien begaven
+zich naar hunne posten. Twee rijen van hellebaardiers stonden,
+met lange hellebaarden, in het met marmeren steenen geplaveide
+voorportaal. De koetsen rolden. De genoodigden kwamen, en weldra
+waren de zalen van het Prinselijk paleis opgevuld met edelen, vrouwen,
+jongelingen en maagden, die allen in pracht van kleedertooi schenen
+te wedijveren. Zware damasten, zijden en satijnen kleedingstukken
+boeiden de oogen der edele vrouwen, niets ontging dienaangaande
+zelfs eenigermate hare aandacht. Bekoorlijke jonkvrouwen trokken als
+krachtige magneten, de blikken der jonkers, ja zelfs der meer bejaarden
+tot zich. Doch ook door háár bleef geen jong edelman onopgemerkt,
+en elk dezer jonkvrouwen koos zich reeds met vurig verlangen, den
+schoonsten en bevalligsten knaap, om door hem ten dans te worden
+geleid. De gesprekken werden aanvankelijk zeer zacht gevoerd, en allen
+wachtten op de komst der hooge personages, die de Spaansche gezanten
+zouden binnenvoeren.
+
+Eensklaps werden door twee pages de tot dusverre geslotene
+vleugeldeuren eener aangrenzende zaal geopend.--Prins Maurits,
+in prachtig feestgewaad, trad met zijn jongeren broeder Frederik
+Hendrik de groote zaal binnen, vergezeld door de Spaansche gezanten
+met hun gevolg benevens den Raad van State, welke eersten hij op de
+hoffelijkste wijze aan de aanwezigen voorstelde. De edelen en vrouwen
+hadden zich, bij het binnenkomen der Vorsten, allen naar die zijde
+gekeerd, de mannen bogen hunne hoofden en de vrouwen neigden met de
+meeste bevalligheid. Na vele dergelijke ceremoniën, werd door den
+Prins zelf het teeken tot het aanvangnemen van den dans gegeven. Een
+liefelijke muziek ruischte door de schoone heesters den aanwezigen
+in de ooren. Edelen en vrouwen, jongelingen en jonkvrouwen, mengden
+zich nu spoedig dooreen, ieder der mannen koos zich zijne dame, en
+zij die door ouderdom of andere oorzaken zich den dans ontzegd zagen,
+plaatsten zich op de rustbanken en namen nauwkeurig de voorbijtrekkende
+paren in oogenschouw.
+
+Het was een verrukkelijk tooneel die bloeiende paren te zien, en
+die tevredene aangezichten, waarop gepaste vroolijkheid te lezen
+stond. Wel werden niet al die jonkvrouwen door het voorwerp harer
+heimelijke keuze ten dans gevoerd, doch allen schenen voldaan, aller
+kout was hartelijk en gul, en niets stoorde haar vreugde.--De paren
+werden en colonne gerangschikt: de menuet nam een aanvang.
+
+Prins Maurits zelf opende het bal. De schoonste der schoonen was door
+hem tot dat einde uitverkoren: het was de lelieblanke Adelgonde
+Van Bergen, algemeen onder den naam van de Hagenlelie bekend,
+die in de sierlijkste lichaamswendingen, aan 's Prinsen zijde haar
+gevestigden roem als de bevalligste der Hollandsche jonkvrouwen,
+op de schitterendste wijze handhaafde.
+
+Aller oogen waren thans op haar gevestigd. Adelgonde was schoon,
+te schoon zelfs om haar naar waarde te schetsen, en toch wagen wij
+het van dat liefelijke gelaat te spreken, en te vermelden wat ieder
+zoozeer aan haar boeide.
+
+Wie had ooit zulke hemelsche oogen gezien? Men vergeve ons deze
+uitdrukking, want hemelsch konden zij genoemd worden, de oogen,
+welke de spiegels der reinste ziel waren. Schier bovenaardsche
+zachtheid straalde uit die helderblauwe kijkers, welke niettemin
+vroolijk rondstaarden en voor alle bekenden een vriendelijken blik
+veil hadden. Haar neusje was datgene wat de Franschen ten huidigen
+dage petit mutin zouden noemen, en wanneer de twee rozeroode lipjes,
+die als voor de liefde geschapen schenen, zich tot een liefelijk
+lachje plooiden, vertoonde zich op de wangen der Hagenlelie een
+donzig kuiltje, hetwelk haar door vrouw Venus zelve zou zijn benijd
+geworden. Twee rijen tanden, helder als kristal en witter dan de
+sneeuw der Zwitsersche bergen, parelden in haar kleinen mond, en
+hare haren die, gedeeltelijk zichtbaar, in sierlijke lokken langs
+hare slapen nederhingen, waren van die satijnachtig blonde kleur, op
+welke de Hollandsche maagden zich met recht mogen verheffen. Hals en
+boezem die, volgens haar gelaat te oordeelen, het albast in schoonheid
+verre moesten overtreffen, waren, door de dracht dier tijden, aan
+het oog onttrokken. De breede fijn geplooide kraag omgaf den eerste,
+terwijl haar ranke leest in een wit satijn keursje gesloten was,
+'t welk hare houding op het voordeeligst deed uitkomen. Haar kleed,
+van dezelfde stoffage, en dat in breede plooien nederhing, was geheel
+met een boordsel van wit donzig bont omzet, en liet, in het midden een
+weinig opgenomen, het wit zijden onderkleed aanschouwen, hetwelk echter
+niet te lang was om nog een paar der fijnste voetjes te laten zien,
+die ooit te voren een sterveling gedragen hadden, en welke insgelijks
+weder in wit satijnen schoentjes staken, wier rosetten vervangen
+werden door een paar flonkerende diamanten van het zuiverste water.
+
+Nog rest ons te zeggen dat haar poezele armen in de eng geslotene
+mouwen van het onderkleed werden verborgen, en dat er drie rijen van
+de edelste paarlen door haar hoofdtooisel geslingerd waren.
+
+Nooit droeg zij een andere dan een geheel witte kleeding: doch,
+blanker dan deze was haar liefelijk gelaat; terwijl weder de blankste,
+de reinste ziel in dat bevallige lichaam huisvestte.
+
+Ziedaar de Hagenlelie geschetst; ziedaar de twintigjarige Adelgonde,
+zooals wij haar met onze zwakke pen waagden te beschrijven. Geen
+ijdel beminnaar van bonte verven gispe hare liefde voor die kleur der
+onschuld. O wij smeeken hem, aanschouw haar nogmaals in dat glanzige
+gewaad, in die bevallige lichaamswendingen aan 's Prinsen zijde,
+en gij zult verrukt zijn over ons ideaal van vrouwelijke schoonheid.
+
+Was het te verwonderen dat ieder haar beschouwde? dat alle jongelingen
+zich deze bloem tot gade wenschten, en de jonge Alonzo Spinola,
+oudste zoon des markgraven, zijn eigen dame schier vergetende, met
+gloeiende wangen dien hemelschen kelk, op kouden bodem gekweekt,
+geen oogenblik uit het oog verloor?
+
+De Prins had zijne dame naar eene rustbank gevoerd; twee of drie
+paren te gelijk voerden nu beurtelings de menuet uit, en wedijverden
+om Adelgonde Van Bergen in bevalligheid te evenaren.
+
+Was het Alonzo geweest, die met zielsverrukking de schoone Adelgonde
+had gadegeslagen, thans, nu de edele Spanjaard, aan de zijde van een
+andere Hollandsche schoone, zijne gaven ten toon spreidde, bleven
+ook hare blikken aan zijn minste bewegingen hangen, en met recht
+verdiende de fiere jongeling deze onderscheiding.
+
+Sierlijke bruine haarlokken omgolfden zijn schoon mannelijk gelaat;
+donkerbruin waren zijne oogen; zijn neus was, evenals die zijns vaders,
+eenigszins gewelfd; twee zwarte knevels zetelden boven den kleinen
+mond, en een puntige baard van dezelfde kleur omgaf zijne kin. Zijne
+kleeding was allerkeurigst, en behalve den breeden halskraag,
+welke in die dagen, helaas! voor sieraad gehouden werd, omsloot een
+prachtig wambuis, van lichtrood satijn met zilver doorstikt, zijn
+breede borst en bovenlijf tot op het midden. De mouwen waren boven
+de ellebogen opgedoft, en gevoerd met witte zijde, 't welk door
+langwerpige openingen zichtbaar was. De wijde broek, die tot even
+boven de knieën reikte, was van dezelfde stoffage; zijn welgevormde
+beenen staken in fijne witte hozen, en zijn schoeisel bestond in
+kleine lederen laarsjes, die van binnen met rozerood fluweel waren
+gevoerd. Blinkende knoopjes versierden zijn wambuis. Een breede gordel,
+met robijnen en andere edele steenen bezaaid, omgaf zijne lenden, en
+bevatte nog bovendien een kostbaren staatsiedegen met prachtig gevest.
+
+De menuet liep ten einde, en geurige mokka benevens kostelijke thee
+werden den gasten in het fijnste porselein aangeboden. Prins Maurits
+had zich met den markgraaf Spinola in een druk gesprek gewikkeld. Aan
+het tegenovergestelde einde der zaal stonden verscheidene edelen
+bijeen en voerden een geheimzinnig gesprek.
+
+"Het kost mij niet weinig," sprak een kloek edelman die den herfst
+zijns levens reeds zeer nabij scheen; "het kost mij waarachtig niet
+weinig moeite, die Spaansche bloedhonden van zoo nabij te zien en
+hen niet met het blanke zwaard tegemoet te snellen."
+
+"In het bosch moet men met de wolven huilen," zeide een jonkman,
+op wiens valsch gelaat men duidelijk de geschiktheid tot het ten
+uitvoer brengen van dit door hem aangevoerde argument kon lezen.
+
+"Wat moet je het geven!" vervolgde de eerste spreker, zonder op des
+jonkmans woorden acht te slaan: "Zij hebben de schapenvacht gehuisvest,
+zonder te bedenken dat er een levende wolf in steekt. Wie anders dan
+de Advocaat kan de Staten en Prins Maurits tot dit gevaarlijk spel
+hebben overgehaald?" Hij wierp een somberen blik op de veldheeren,
+die zich nog steeds druk met elkander onderhielden, en verliet, met
+een gelaat waar angstige bezorgdheid op te lezen stond, de edelen
+tot wie hij gesproken had.
+
+"De edele Van Bergen heeft gelijk: wij spelen een gewaagd spel,"
+zeide de baron Van Doorn tot den Zandheuvel, zoodra Van Bergen hen
+verlaten had: "zij willen tijd winnen en slaan daartoe een schijnbare
+vredesonderhandeling voor, die nooit tot stand zal komen. Wij vieren
+feesten, leggen gastmalen aan, terwijl de vijand zich versterkt,
+om ons spoedig uit dien dommeligen slaap wreedaardig te doen ontwaken."
+
+"Zoudt gij dan waarlijk van meening zijn dat Spanjes Koning niet
+werkelijk den vrede wenscht?" sprak de jonker Van Wolkensteijn,
+den laatsten spreker vragend aanziende.
+
+"'t Kan zijn," hervatte deze, de schouders ophalende: "doch nimmer
+zal ik gelooven, dat Spanje vrede zou sluiten met een gewest,
+'t welk hem de vaart op de Oost-Indiën zoo duchtig betwist."
+
+Gedurende dit gesprek, hetwelk in dier voege nog eenigen tijd werd
+voortgezet, viel er in een belendende zaal, een ander tooneel voor,
+hetwelk aan onze Lezeressen wellicht meer belang zal inboezemen.
+
+Alonzo Spinola, die de schoone Adelgonde, nadat de dans geëindigd was,
+geen oogenblik uit het oog had verloren, naderde met een hoogen blos
+doch ongedwongen houding, de beminnelijke jonkvrouw, en sprak haar,
+in vrij goed Nederlandsch, met een sierlijke buiging, in dezer voege
+aan: "Schoone jonkvrouw! voor weinige dagen deed het geluk mij een
+wezen ontmoeten, hetwelk men, eenmaal gezien hebbende, nimmer kan
+vergeten. Neen, ik bedroog mij niet toen ik, voor weinige oogenblikken,
+in het gelaat der bekoorlijke danseres aan 's Vorsten Maurits zijde,
+dezelfde hemelsche oogen zag schitteren die reeds eenmaal, door
+een driewerf gezegend toeval, op mij gericht waren.--Zeker zou ik
+u niet onaangemeld hebben genaderd," vervolgde hij met een bevallig
+glimlachen: "doch dat zelfde gezegende toeval scheen mij daartoe het
+recht te geven.--Deze fijne doek toch," ging hij voort, terwijl hij
+den ons reeds bekenden zakdoek uit zijn wambuis te voorschijn trok:
+"behoort aan niemand anders dan aan de bevallige jonkvrouw Van Bergen."
+
+Adelgonde, die bij het naderen van den Spanjaard, insgelijks met
+een sterken blos zijne komst had te gemoet gezien, had zich echter
+weldra hersteld en, even opgestaan zijnde, met een lichte neiging
+des jonkmans eerste woorden beantwoord.
+
+"O!" sprak zij eindelijk, nadat zij den doek uit zijne hand had
+aangenomen, met eene stem die Alonzo onbeschrijfelijk zoet en
+welluidend in de ooren klonk: "O waarlijk, edele heer, gij zijt al
+te verplichtend; een kleine onoplettendheid deed den doek aan mijne
+vingeren ontglippen toen ik mijn vader, die zich in uw midden bevond,
+van het balkon toewuifde.--Ik dank u zeer voor uwe behendigheid,"
+vervolgde zij, niet zonder eenige verwarring, ziende dat de jongeling
+haar zonder te antwoorden, met een vreemdsoortige uitdrukking, waarin
+bijna aanbidding te lezen was, bleef aanstaren: "en ik reken mij
+insgelijks gelukkig," voer zij, geheel in verwarring gerakende, voort:
+"door dit toeval.... u... mij.... in de gelegenheid te zien gesteld,
+eene kennismaking aan te knoopen, die...."
+
+"Die slechts door den dood zal worden afgebroken!" sprak de jongeling
+in vervoering; doch zich eensklaps bezinnende en heimelijk een
+rondheid verwenschende, die hem schier altijd de gedachten op de
+tong legde, ging hij langzamer en met verschuldigden eerbied voort:
+"Verschooning edele jonkvrouw, verschooning voor het uiten van een
+wensch, welke, zoo onstuimig ontboezemd, uw kiesch gevoel wellicht
+kwetst, en mij voor altoos zou verstoken laten van een vriendschap,
+die zoo vurig door mij wordt begeerd."
+
+Adelgonde sprak niet, maar sloeg hare oogen naar beneden; de stem des
+jonkmans had, wel verre van haar te kwetsen, de fijnste snaar harer
+ziel doen trillen; een ongekend gevoel doortintelde hare aderen, en
+toen zij, den blik weder opslaande, den jongeling zwijgend in de oogen
+zag, scheen deze door haar vriendelijk lachje geheel gerustgesteld:
+hij plaatste zich aan hare zijde, en vervolgde nu, door dat zelfde
+lachje aangemoedigd, terwijl zijne rechterhand met de fraaie halsketen
+die op zijne borst hing, doelloos speelde: "O Adelgonde!--verschoon
+mij, dat ik u zoo ongevraagd bij dien schoonen naam durf noemen?--uw
+eerste aanblik vervulde mij met duizend zoete droomen. Hoe dikwijls
+brandde ik in die weinige dagen niet reeds van verlangen om háár
+weder te zien die, van dat gezegende oogenblik af aan, mijn geheele
+ziel beheerschte.--Rusteloos hield mijn geest zich met u bezig;
+gestadig hield ik mijne oogen op den doek gevestigd, die mij door
+een goeden geest, uit uwe handen was tegemoet gevoerd. Hoe brandde
+ik van verlangen naar dit oogenblik, om u te zeggen, dat gij uit al
+de oorden door mij bezocht, van al de maagden door mij aanschouwd,
+de schoonste, de edelste en reinste zijt bevonden: dat gij alleen...."
+
+"Houd op edele graaf," viel Adelgonde den vurigen jongeling schielijk
+in de rede, die, zich zelven in zijne vervoering geheel vergetende,
+haar bij de fraaie hand had willen vatten: "Matig uwe opgewondenheid,"
+ging zij weder blozende voort: "gij kent mij niet; slechts weinige
+oogenblikken hebt gij u in mijne nabijheid bevonden; slechts weinige
+woorden nog heb ik u toegesproken, en reeds spreekt gij van mijne
+deugden, van...."
+
+"Alsof uw gelaat, uw oog bovenal, niet het toonbeeld, den spiegel
+uwer reine ziel ware," voerde Alonzo, op Adelgondes laatste woorden,
+haar overredend tegemoet: "Geloof mij edele jonkvrouw, waarachtige
+liefde woont in mijne borst. O, geef mij slechts eenige hoop; laat
+slechts één zoet woordeke uw rozemond ontglippen. O, zeg mij bovenal,
+dat geen voorwerp nog uwe keuze heeft bepaald; dat ik u niet geheel
+onverschillig, niet geheel...."
+
+Hier hield Alonzo op met spreken; pijnlijk vragend staarde hij op het
+blanke gelaat van de Hagenlelie; en Adelgonde, verrast en op zulk een
+tooneel niet voorbereid, zag zwijgend voor zich neder; een traan, aan
+het overrompeld vrouwelijk gemoed ontweld, parelde in haar hemelsblauw
+oog. Doch zich als 't ware eensklaps bezinnende, stond zij schielijk
+op: "Wij zullen elkander wederzien, edele graaf!" sprak zij halfluid,
+maakte toen een bevallige neiging, en zich daarna snel verwijderende,
+liet zij den jongen Spinola aan zich zelven over, die, alsof hij uit
+een droom ontwaakte, haar met teedere oogen nastaarde. Het ontging
+echter zijner aandacht niet, dat weinige schreden van die plaats,
+een jong edelman haar tegemoet trad, die, na eene korte toespraak
+haar den arm bood; hem een vluchtigen blik toewierp, en zich eindelijk
+met de schoone Adelgonde onder de overige gasten mengde.
+
+--Zou het inderdaad slechts een schoone droom zijn geweest,
+dacht Alonzo bij zich zelven; zou dat bekoorlijk schepsel
+slechts een baatzuchtige coquette zijn, die eerst met schijnbare
+belangstelling mijn waarachtige liefdesontboezemingen aanhoorde,
+om dat voorwerp, hetwelk haar meer dan zich zelven bemint, te
+zekerder aan haar triomfwagen te hechten, alleen met het doel om
+het getal harer aanbidders te vergrooten?--Maar neen! ging hij
+in zich zelven voort, terwijl hij een hem aangeboden roemer met
+kostbaren Rijnwijn van een zilveren schenkblad nam: neen! dat is
+niet mogelijk; dat engelengelaat kan zóó niet huichelen. Neen:
+Wij zullen elkander wederzien, heeft zij gezegd; ja, dat heeft zij
+duidelijk gezegd; en 't was toch niet geveinsd, dat in haar oog, den
+azuren hemel gelijk, die traan opwelde.--Maar toch.... zij verliet mij
+eensklaps.... eensklaps.... juist in dat zoozeer gewenschte oogenblik,
+toen ik een woord van liefde uit haren mond dacht te vernemen; en,
+zich verwijderende, ijlt zij een ander tegemoet, dien zij wellicht
+meer hare liefde waardig keurt, doch die haar nooit kan beminnen
+zooals ik haar bemin!
+
+Zeker zou Alonzo zijne bespiegelingen hebben voortgezet, en door zijn
+driftig gestel nog langer tusschen hoop en vrees zijn geslingerd
+geworden, ware de jonge edelman, die Adelgonde even te voren
+was tegemoet gaan, en in wien wij de trekken van hem herkennen,
+die in het vroeger met Van Bergen gevoerde gesprek, ons reeds zijn
+huichelachtigen aard ontdekte, hem niet met een schijnbaar vriendelijk
+gelaat ware genaderd, en, hem in zijne overpeinzingen storende,
+vragend had aangesproken.
+
+"Is het den edelen Alonzo Spinola vergund, met somberen blik een
+luisterrijk bal bij te wonen, 't welk Maurits mede ter zijner eere
+heeft aangelegd? Mag de edele graaf, wellicht treurende om eene
+in zuidelijker streken verlaten geliefde, de ook niet te verwerpen
+Hollandsche schoonen naar zich laten smachten, terwijl de muziek der
+liefelijke fandango hem in de ooren klinkt?--Kom," vervolgde hij,
+terwijl hij een zijdelings loerenden blik op Alonzo wierp: "kom! zij
+zal u niet vergeten. Spoedig keert gij tot haar terug, en het zal haar
+goed zijn te vernemen, dat gij, te midden der Nederlandsche maagden,
+alleen aan háár dacht, die uw geheele hart schijnt te beheerschen."
+
+Alonzo, die den onbescheiden vrager met eene buiging had begroet,
+scheen niet geneigd zijne geheimen voor hem bloot te leggen. "'t Is
+waar," sprak hij: "de fandango is een schoone dans, en zeer geliefd
+in mijn vaderland, ik dacht niet dat die hier reeds bekend was."
+
+Jonker Walter Van Rodenberg scheen niet voldaan met dit
+antwoord. Gemeenzaam, als waren zij oude bekenden, nam hij Alonzo
+onder den arm, en met hem de groote zaal binnenstappende, ging hij
+fluisterende voort: "Gij zult mij toch moeten bekennen, dat zich hier
+lieve schepseltjes in overvloed bevinden.--Zie," zeide hij, even met
+den vinger wijzende: "ziet gij die lieve brunette, in rood satijnen
+kleeding? zij is waarachtig niet slecht; of dat kleine zwarte ding
+daar, wier levenslust haar uit de oogen straalt? Of misschien staat
+u die lieve blondine daar beter aan?" vervolgde hij, op Adelgonde
+wijzende, die juist aan de overzijde der zaal, aan den arm van Van
+Wolkensteijn op en neder wandelde: "Nu, waarachtig, dan zou uwe keus
+niet slecht te noemen zijn, het is de freule Van Bergen; de kwade
+tongen betwisten haar wel is waar dien oud-adellijken naam, doch,"
+ging hij voort, terwijl hij ter sluiks een blik wierp op Alonzo,
+die bij deze laatste woorden zoo bleek als een doode geworden was:
+"doch wat raakt der liefde naam of geboorte; eene vrouw blijft eene
+vrouw; het genot van haar bezit blijft hetzelfde. De schoone zal mij
+reeds verwachten," zeide hij, zien eensklaps verwijderende, en naar
+Adelgonde toetredende, nam hij haar van den jonker Van Wolkensteijn
+over, en voegde zich met haar bij de dansende paren.
+
+Alonzo stond als aan den grond genageld. Wel had hij de vuile tong
+des jonkers willen bestraffen, doch de macht had hem daartoe ten
+eenenmale ontbroken. Roerloos stond hij daar; honderden gewaarwordingen
+doorwoelden zijne borst, en--dankbaar zegende hij den volgenden morgen
+de liefelijke droomen, die aan zijn overspannen geest, rust en kalmte
+hadden teruggegeven.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder
+gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteel den Oldenburgh,
+hetwelk ongeveer op een uur afstands van 's-Gravenhage was gelegen. Met
+strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks
+bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig
+waren opeengestapeld. Vroolijk knappend spatten de vonken en stegen
+in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine
+stofjes weder neer te komen.
+
+Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed
+gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in
+zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De
+wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten,
+waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten
+lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend,
+in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen
+schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood
+gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele
+kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu
+geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen
+doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk
+'s-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat--insgelijks
+in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der
+groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot,
+en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren
+de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde
+wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar
+hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel
+gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen.
+
+Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof
+teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen
+hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch,
+toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde
+haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met
+vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad
+en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde
+den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest
+komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren
+nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare
+kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem,
+en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met
+één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan
+het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten,
+en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde.
+
+Eensklaps werd de deur geopend en de gravin de douairière Van Bergen
+aangediend.
+
+Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek
+binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd
+kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten
+kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde
+gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest
+zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel
+in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar
+linkerschouder, gedeeltelijk over haar rug tot aan de knieën
+hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden
+halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met
+twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid
+aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar
+gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar
+schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs
+aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere
+afkomst deed denken.
+
+Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen
+gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De
+bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als
+dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op
+een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats,
+en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet,
+hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet
+op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich
+naar hare kamer.
+
+"Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?" begon de dame, zoodra zij
+zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche
+afkomst verried.
+
+"Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege
+voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast;
+het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord."
+
+"De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren,
+die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch...."
+
+"Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?" hernam Van Bergen,
+hare rede aanvullende.
+
+"Over zaken had ik u insgelijks te spreken," hervatte de dame:
+"Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige
+belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen,
+dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven."
+
+"Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik
+ten twee uren in Den Haag word verwacht," zeide Van Bergen, terwijl
+hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren,
+met den voet terugstiet.
+
+"Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat," hernam de
+andere: "De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien,
+en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen,
+dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van
+een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt,
+slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.--Mon Dieu! hoe
+is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die
+aan de douairière van uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik,
+van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te
+kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men
+van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige
+kasteel nu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid
+te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?--Impossible,
+zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon,
+die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten
+kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen,
+die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen."
+
+Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij
+haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen.
+
+Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na
+eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: "Gij schijnt te vergeten
+mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die,
+behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden,
+die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet
+meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht,
+en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de
+hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze
+aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is
+henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken,
+dat een andere vrouw," en hier sloeg de graaf een paar fonkelende
+oogen op zijne bezoekster: "in hare rechten tredende, dien zoon
+bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed
+had recht verkregen.--Het grieft mij tevens diep," vervolgde hij,
+terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder
+de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield
+nedergeslagen: "door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te
+herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid
+tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke
+redenen, had verstooten.--Laat mij uitspreken, bid ik u," ging hij
+voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: "Herinnert
+gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap
+heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts
+zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland
+te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb
+teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteel den Blankert met
+al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien
+die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op
+welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste
+onrecht?--Neen, spaar uwe woorden mevrouw!" vervolgde hij, terwijl
+hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: "Ik
+weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest;
+maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige
+oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade
+vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe
+schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde,
+om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw,
+dat gij uw zondigen aard niet verloochenende, hem spoedig daarna
+ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts
+in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb
+God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken
+die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd,
+tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen,
+beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten
+van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt,
+hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden
+verloren hebben.--Gij ziet," zoo eindigde hij: "dat, hoewel ik u in
+verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken
+toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag,
+in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige
+herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig
+voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds
+spoedig zult verlaten--verlaten, om rekenschap uwer daden af te
+leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste
+levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw
+jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden."
+
+Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en
+overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen,
+beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin.
+
+Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon
+vuur schitterden, naar hem op. "Gij valt mij hard graaf," sprak zij
+op diep verongelijkten toon: "Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is
+het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te
+kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om
+door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon
+gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de
+grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone
+Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik...."
+
+"Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet
+sneldet!" viel Van Bergen haar met een donderende stem in de
+rede.--"Vertrek mevrouw," ging hij voort: "verlaat mijne woning! Wat ik
+u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe
+nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke
+misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open,
+die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer
+u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk
+deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit
+tot u spreken zal."
+
+De graaf floot driemalen. "Is de koets der gravin in gereedheid?" vroeg
+hij een binnenkomenden bediende.
+
+"Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort."
+
+"Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden."
+
+Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur;
+maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van
+het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het in haar voordeel
+te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen,
+volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets,
+met de hel in het hart en een glimlach om de lippen.
+
+Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve
+overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat
+overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds
+had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar
+een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke
+kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten,
+dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde
+en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden.
+
+De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich
+zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden.
+
+--Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge
+Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is
+hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden,
+dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft
+hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo
+oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde
+getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is,
+'t welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft
+gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen
+dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden?
+
+Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar
+toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene
+ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op
+dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen.
+
+--Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken
+verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is
+fierder en kloeker gebouwd? Wie toch, van al die jonkers, spreekt zóó
+bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat
+zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van
+Alonzo's welluidende en zoetklinkende taal.
+
+Zoo droomde Adelgonde voort,--aan Alonzo gelijk, geslingerd door
+vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de
+sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen.
+
+Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden
+droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare
+lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige
+kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in
+het kleeden behulpzaam te zijn.
+
+Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke
+Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw
+Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer
+jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd,
+even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en
+vriendschap van hare gebiedster ten volle waardig was. Hare gestalte
+was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje,
+dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden
+de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart,
+doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel
+verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral
+muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in
+helderheid verre overtrof.
+
+"De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten." begon
+zij eenigszins spotachtig: "Gisteren, ja, toen moest er meer haast
+gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten,
+als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er
+niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen,
+en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd."
+
+"Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!" zeide Adelgonde: "De graaf
+is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een
+bezoek op den Oldenburgh komen afleggen?"
+
+"O!" hervatte Anne met een glimlachje: "er zijn zoovele vreemdelingen
+in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen
+opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!"
+
+"Waar zijn uwe gedachten Anne?" hervatte Adelgonde, die, hoewel
+heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier
+wilde bekennen: "Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert
+ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den
+zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren
+doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel
+andere bezigheden."
+
+"Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof
+mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk
+bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit
+koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het
+guurste weder iederen Zaterdag-avond naar den Oldenburgh. Maar al sta
+ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd
+alsof hij in een oven stond."
+
+"Dan denkt gij dat die heeren voor den Oldenburgh zouden gloeien,
+als uw Maarten voor zijn Anne?" vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel
+scheen te bevallen.
+
+"Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eens den Oldenburgh
+als zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen," hernam het meisje:
+"maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen,
+zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen."
+
+"Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest...."
+
+"Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens
+vertellen," viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: "Gij
+moet dan weten dat ik u, toen die gezanten--of hoe men die menschen
+noemt--in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het
+balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman,
+met haren, veel mooier dan de uwe of de mijne; juist tusschen onze
+kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking
+over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd
+zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone
+ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe
+gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.--Neen
+waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op
+het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde,
+ja bloosde--nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule."
+
+Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze
+liet zich niet afschrikken.
+
+"Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen," vervolgde
+zij: "dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien
+zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst
+heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te
+behouden, het mooie stel zou schenden."
+
+"Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster," zei
+Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok:
+"hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden."
+
+"Ha ha!" zeide het meisje lachende: "er heeft dus gisteren op het bal
+reeds een tête à tête plaats gehad, zooals de Franschen het noemen;
+nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest
+wel volgen."
+
+"Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden,"
+hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd.
+
+"Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde," ging
+Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen:
+"Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij
+eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed,
+en kan u zeer veel van dienst zijn.--Daar is Maarten, die is volmaakt
+voor een "poltron d'amour" geschikt, zooals de Franschen zeggen;
+hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje
+overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook
+wel zoo'n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik
+kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen
+moest ik op een klein stukje perkament zetten: "ik bemin u!" en
+dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart,
+tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt
+gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet,
+want hij moet--evenals Maarten van mij--ook een vlokje van uw haar
+hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle
+avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.--O,
+ik zou u nog veel meer kunnen vertellen," vervolgde zij, ziende dat
+Adelgonde glimlachte: "Gij moet elkander een suikeren hartje geven,
+en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags
+uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken; u des
+nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen,
+en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan
+ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt
+gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel
+dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat
+men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan
+drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel
+eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft
+ook veel ruwer handen dan ik.--Maar als hij mij zoent, zie, liefste
+freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen,
+zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!"
+
+Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals
+gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis
+vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen.
+
+"Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!" sprak Adelgonde,
+wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en
+al was geweken. "Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als
+Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten
+eenenmale afgedaan."
+
+"Toch niet! toch niet!" riep Anne: "hij heeft het suikeren hartje
+geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou
+ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd,
+niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?"
+
+"Gij meent het zeer goed met mij," zei de jonkvrouw vriendelijk:
+"Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs," en te gelijk
+verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen,
+zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd
+dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij
+zelve die van hare kamenier.
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herberg de Wijnstok
+binnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van
+Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht
+te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk,
+na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te
+treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken,
+was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur,
+waaraan eene klink was bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een
+tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij
+voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in
+het anders zoo armoedige vertrek.
+
+Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het
+rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den
+ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel
+oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit
+geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben,
+wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot
+en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was.
+
+De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door
+honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en
+kopieën naar Raphaël d'Urbino's prachtige schilderijen. Portefeuilles
+en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en
+lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten
+tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige
+wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee
+groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand
+bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes
+en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere
+penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats
+aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke
+zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een
+fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond
+nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim
+opgevulde vertrek.
+
+Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het
+genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner
+van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden.
+
+Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een
+slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde
+trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het
+gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op
+te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets
+zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange
+zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de
+schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit
+gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke
+als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden.
+
+Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode
+verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte
+liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het
+penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het
+bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer
+volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de
+beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling
+in de armen, in eenvoudige witte kleeding, door den kunstenaar op het
+zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er
+werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste
+eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch
+in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het
+beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des
+kunstenaars moest wezen.
+
+"Zoo! Geen penseelstreek meer!" riep hij, eensklaps eenige schreden
+achteruitgaande: "Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste
+trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat
+hemelsche lachje!--Getroffen!--Getroffen zonder wederga!--Ja, zoo zag
+zij mij aan!--Ja, juist zoo!--Met dat engelengelaat, met dat reine,
+tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon
+moet hebben aangezien! O heilige kunst!" vervolgde hij in dwepende
+verrukking: "Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven,
+wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden,
+doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,--hemelsch! ja,
+hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige
+Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!--Zoo mag
+ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,--wederzien,
+na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij
+zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu,
+nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen:
+mijn graf zal ook het uwe zijn!"
+
+In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht
+zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner
+verbeelding uit, doch--liet ze plotseling weder als machteloos
+zinken:--"Dwaas! dwaas!" sprak hij langzaam en met een diepen
+zucht: "Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer
+wenschen?--Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene
+herschapen?--Dwaas!" ging hij voort: "Dwaas! het zijn slechts
+verven--verven, door u zelven gemengd--door u zelven daarop
+gebracht.--En gij bemint uw eigen maaksel?--Dit onvolkomen afdruksel
+van dat prachtige origineel?"
+
+"Slechts verven!" riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl
+groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog
+onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder.
+
+Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen;
+zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan
+zijn geprangd gemoed.--Eenige minuten bleef hij in dezen toestand;
+toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand;
+sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende,
+doch klagende stem, de volgende woorden;
+
+
+ "Dáár, waar de Maas haar zilvren stroom
+ Langs hooge rotsen voert,
+ Daar droomde ik aan haar kabblend boord
+ In 't statig en toch lachend oord,
+ Een schoonen zoeten droom.
+
+ Ik droomde, dat in snelle vaart
+ Een jonkvrouw, fier en schoon,
+ Kwam rennen van der bergen top,
+ Haar arm geslagen om den kop
+ Van 't ongezadeld paard.
+
+ Haar angstkreet klonk van berg tot dal,
+ Door de echo weergekaatst;
+ Zij werd door vriend noch maag gehoord;
+ De klepper holde rustloos voort
+ En dreigde haar ten val.
+
+ Het ros, met schuim en stof bedekt,
+ Stoof pijlsnel langs mij heen;
+ Ik hoorde een klagend angstgeschrei;
+ Zij zag mij aan, en hield naar mij
+ Den blanken arm gestrekt.
+
+ Die blik, en 't kermend angstgeween
+ Ontvlamden mijn gemoed;
+ Met bliksemsnelheid vloog ik op
+ En greep den klepper bij den kop,
+ Die eensklaps roerloos scheen.
+
+ Eén schrede nog, en 't hollend beest,
+ Waar', met zijn schoonen last,
+ Gestort in 't zilverglanzend nat;
+ Eén schrede nog op 't aklig pad,
+ En 't waar' te laat geweest!
+
+ Maar hoor, toen nu haar stemme klonk,
+ Zoo rein, vol melodie,
+ Toen was het of ik in dien stond
+ Mij bij het Godenheir bevond
+ En zuivren nectar dronk.
+
+ "O," klonk dat lieflijk rein geluid:
+ "Ik dank u, edle knaap!
+ Mijn redder, en mijn goede Geest!
+ 't Waar' zonder u te laat geweest:
+ Gij hebt mijn val gestuit."
+
+ Ik droomde voort: Ik leidde haar
+ Den bergtop weder op,
+ Langs bloem en struik, langs mos en steen,
+ En voerde haar naar 't lustslot heen
+ Des graven Aduaar.
+
+ Ik droomde voort: Zij zag mij aan,
+ En nogmaals klonk haar stem,
+ Ten afscheid nu, een zacht: "Vaarwel!"
+ Zij drukte mij de hand, en snel
+ Was zij van dáár gegaan!
+
+ 'k Ontwaakte. Hemel! was 't een droom?
+ Slechts ijdle hersenschim?
+ Had 'k dan die engel niet gezien?
+ Had 'k niet getracht haar hulp te biên
+ Aan d' oever van dien stroom?--
+
+ Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort,
+ Reeds maanden, droef en lang.
+ Was 't werklijkheid of ideaal?
+ Slechts zinsbedrog?--Heb 'k dan haar taal
+ Niet hem hemelsch rein gehoord?"
+
+
+Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een
+bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking
+gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument
+gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret
+aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk
+herkende.
+
+Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne
+overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe
+weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit de Wijnstok, het
+onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad.
+
+Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en
+beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te
+lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel;
+boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn
+hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken:
+"Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone
+droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke
+wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen,
+'t welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.--Droom niet,
+Jakob," vervolgde zij: "ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij
+vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de
+werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen
+uw deel zijn. Leef voor...."
+
+Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en
+vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag
+haar niet, hij hoorde haar niet.
+
+"Vaarwel heeft zij gezegd!" sprak hij eindelijk: "Vaarwel!.... doch
+tot welken tijd?--Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen
+omdolen in die streken waar ik droomde....--Droomde....?
+
+
+ Ontferming, hemel! was 't een droom?
+ Slechts ijdle hersenschim'?
+ Heb 'k dan die engel niet gezien?--
+ Ja! 'k heb getracht haar hulp te biên
+ Aan d' oever van den stroom!"
+
+
+Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn
+besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij
+blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den
+weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had:
+
+"Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke
+kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, 't welk gij reeds
+zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw
+gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na
+te jagen?--Gij droomt Jakob," vervolgde zij, terwijl zij met hare
+hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde
+streek. "Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u
+aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!" De
+jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had
+haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping
+aangehoord. "Gij zijt een goed meisje!" sprak hij, als ontwakende: "gij
+hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik
+gevoel mij zeer afgemat."
+
+Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar,
+door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker
+nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware
+gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene
+inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den
+jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof
+zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou
+hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening
+naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met
+aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling,
+en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen
+eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het
+vertrek binnentrad.
+
+De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder
+iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje
+dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel
+met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt.
+
+"Waarachtig, een allerliefst tooneel!" sprak de jonker Van Rodenberg,
+op spotachtigen toon: "een schoone die haar slapenden minnaar
+bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!" ging hij, haar
+aansprekende, eenigszins harder voort: "dat gij niet, evenals Potifars
+huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt."
+
+Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate
+aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers
+zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerende
+vergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar
+gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande
+zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam
+te zuiveren.
+
+"Uw scherts is bitter en ongepast," sprak zij zachtjes: "De schilder is
+ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder
+u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken;
+kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten."
+
+"Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!" zeide Van Rodenberg:
+"Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog,
+toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als
+een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel,
+ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later
+voort.--Kom, wakkere kunstenaar!" riep hij, op het bed toetredende:
+"kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik
+heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!"
+
+"Om 's hemels wil, spreekt zacht," smeekte Klaartje. "De ongelukkige
+is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie
+weet of hij niet stervende is?--Ik bid u edele heer, ik bid u dringend:
+ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn
+einde nabij is."
+
+"Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!" sprak Van Rodenberg. "Een
+overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom
+kom!" vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij
+onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: "die comedie heeft
+al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat
+later terug, doch laat ons nu alleen."
+
+Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet
+beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof.
+
+De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd,
+en staarde in het rond.
+
+"Waar ben ik?" zeide hij: "Zij is er dus niet?--Alweder een
+droom!--Doch 't is voorbij!"
+
+"Het doet mij werkelijk leed," sprak Van Rodenberg die, in weerwil
+van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet
+willig scheen de waarheid te gelooven: "Het doet mij werkelijk leed
+u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret
+dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet
+langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen;
+het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn."
+
+Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een
+deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog
+steeds de Madonna stond. "Bij mijne ziel!" riep hij na eenig zwijgen:
+"wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame
+van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik
+waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het
+staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar
+het leven gemaald?"
+
+Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind
+gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter
+sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den
+jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm.
+
+"Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!--En
+gij.... gij bemint haar?" riep hij, terwijl een lichte blos zijn
+doodsbleek gelaat kleurde: "Waar is zij?--Spreek!--Ik zal haar dan
+zien.... eindelijk wederzien!"
+
+"Gij zijt dronken, knaap!" bromde Van Rodenberg: "Wilt gij op alle
+mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van
+Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u
+kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan
+die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!"
+
+De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich
+zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst;
+wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze
+op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid.
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen
+na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig
+verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed
+hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder
+verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen.
+
+--Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom
+zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn
+bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is
+groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land
+als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen
+staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De
+Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren?
+
+Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel
+te zadelen.
+
+"Moet ik uw genade vergezellen?" vroeg deze.
+
+"Dat is niet noodig Ferdinand." antwoordde Alonzo: "Ik zal...."
+
+Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van
+Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad.
+
+"Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?" vroeg deze, met de hem zoo
+eigen vrijpostige gemeenzaamheid: "Het was mij recht aangenaam kennis
+met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier,
+voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn, edele Spinola! Ik kom u
+de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen."
+
+"Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!" zeide Alonzo, nadat hij de
+verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had.
+
+Ferdinand boog en vertrok.
+
+"Gij zijt een vreemdeling in onze streken," vervolgde Van Rodenberg:
+"en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u
+mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat,
+zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan
+veraangenamen."--Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo
+die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen
+van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene
+hand en schudde die trouwhartig.
+
+"Gij maakt mij inderdaad verlegen," zeide hij: "Het is ongetwijfeld
+veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren."
+
+De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch
+Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die
+zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het
+tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over
+onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra
+ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande
+Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling,
+toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter
+begon te spreken.
+
+"Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den
+kop gejaagd," zeide hij: "Reeds menig wakker edelman heeft den
+steven naar den Oldenburgh gewend, doch werd door fellen stormwind
+teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest
+het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten
+loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen." Bij deze woorden
+sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien
+niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker,
+waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd,
+en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam.
+
+"Leve de vrijheid!" riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer
+zwaaiende: "Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet
+hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat
+bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te
+verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten
+kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn."
+
+Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij,
+om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En
+inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht--al gevoelde
+hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,--kon in zaken
+van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel
+geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer
+van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt.
+
+"Uw bedoelingen zijn wellicht goed," zeide hij: "en zoo ik hoop, wilt
+gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen
+zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde
+is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer
+geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der
+losbandigheid zijn."
+
+"Wel wel!" zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden
+fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken
+en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam
+van losbandige begiftigd.--Wij spreken in Holland ronde woorden:
+wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat
+mijne bedoelingen...."
+
+"Ik ben te voorbarig geweest," viel Alonzo hem in de rede, daar hij
+berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: "Mijne oordeelvellingen
+waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd
+beoordeeld," en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des
+jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem.
+
+"Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen,
+aan mijne losbandigheid overgegeven!" zeide Van Rodenberg: "Wij spreken
+in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!"
+
+Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde
+als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een
+goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig
+zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich
+zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid
+en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde
+en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande
+hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen
+medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken
+met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde?
+
+"Welaan!" zeide Alonzo: "gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen
+van dienst willen zijn?--Welnu dan:" en thans verhaalde hij met een
+vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich
+zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen
+nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard,
+en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden,
+voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek
+om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te
+verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist,
+of wat de wereld daarvan zeide.
+
+De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het
+uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking
+van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne
+groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen
+neus wijder opengespalkt waren.
+
+Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen
+nu Alonzo geëindigd had, was het weder--hoewel meer dan te voren
+gekunsteld--in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo's laatste
+vraag, vrij natuurlijk lachende: "Booze roover! kwaamt gij daarom
+herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem
+uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er
+bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch
+wat de ent aanbelangt" vervolgde hij, zich even bezinnende: "ja,
+die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld."
+
+"Wat bedoelt gij?"
+
+"Wat ieder weet," hervatte Van Rodenberg: "Zij is de natuurlijke
+dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde
+verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch," liet hij er
+onmiddellijk op volgen: "gij hebt mij rondborstig uw geheimen
+geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u,
+dat gij mijne woorden zult geheim houden."
+
+"Gij liegt!" riep Alonzo, opspringende: "Gij zegt iedereen weet de
+zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding."
+
+"En gij beleedigt mij!" hernam Van Rodenberg, mede opstaande;
+doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: "Neen, ik
+begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt
+gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen
+avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen
+uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat
+uur zal verwachten."
+
+Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk
+aannam.--"Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!" en hiermede verliet
+de jonker haastig de kamer.
+
+Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije
+lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde
+zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten
+galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste.
+
+Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts
+wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op
+Den Haag aanreed.
+
+De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo
+verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween
+ijlings in eene zijlaan.
+
+--Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet
+gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in
+te slaan?"
+
+Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan
+zijne woning terugkwam.
+
+Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem
+aan de deur verbeidde.
+
+Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de
+zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen?
+
+Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande
+Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niet te
+breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den
+schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield.
+
+Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het
+aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde,
+doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een
+nauwe steeg in.
+
+"Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!" zeide Alonzo:
+"hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn."
+
+"Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te
+brengen," antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen,
+opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen
+te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige
+trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap
+trad op eene--zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte
+vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend,
+en, door het sterke licht dat Alonzo--in tegenstelling van de buiten
+heerschende duisternis--op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in
+het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam
+echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige
+zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen
+rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden
+van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde
+hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden
+stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier
+heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan
+de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren.
+
+De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam
+was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd
+gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij
+terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen
+een: "Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!" uit Van Rodenbergs
+mond hem in de ooren klonk.
+
+Verrast zag hij om: "Is het hier?" vroeg hij dadelijk op fluisterenden
+toon: "dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo
+teedere zaak wilt geven?"
+
+"Bah!" zeide Van Rodenberg: "denkt gij daar nog aan! 't
+Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te
+maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die
+ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar
+thans niet om.--Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen
+vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen." Deze laatste
+woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de
+ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends
+stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo,
+niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich
+alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker.
+
+"Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen
+wijn gedronken," ging Van Rodenberg voort: "en hoewel er op onze
+naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen
+aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands
+bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken
+zal.--Gij zult mij eene welkomstteug," vervolgde hij tot Alonzo:
+"voorzeker niet weigeren?"
+
+De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld,
+en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen
+vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer
+moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van
+Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou
+ter hand stellen.
+
+"Nu," zeide hij, tegen zijn wil toegevende: "wij zullen uw wijn eens
+proeven." De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van
+Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze
+in de bekers.
+
+Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch
+bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar
+smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon
+onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker
+bescheid.
+
+"De derde flesch!" riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel
+slaande: "Doch voor den duivel!" vervolgde hij, een triomfanten
+blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: "wij
+kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij
+zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of
+goederen!" En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen.
+
+Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo
+op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van
+dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste
+matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen
+aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen
+van nabij gezien had.
+
+"Gij kunt uw gang gaan," zeide hij: "hoewel ik het u afraad; maar
+ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad
+beschouw."
+
+"Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!" riep Van Rodenberg:
+"welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een
+verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij
+eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid
+zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!--Leve het spel!"
+
+"De gierigaard alleen," zeide Arends, Van Rodenbergs woorden
+vervolgende: "schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil
+niets wagen, maar altijd zeker winnen."
+
+"Maar gij!" ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: "Gij! door wiens
+aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edel en vermogend,
+zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te
+wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet
+weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!"
+
+De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij
+op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig,
+hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren:
+Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde,
+en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den
+kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. "Gij hebt
+gewonnen!" zeide Van Rodenberg zeer koel: "Laat ons nogmaals drinken;
+de fortuin is mij niet gunstig."
+
+"Niettemin zullen wij nog één worp doen," sprak Alonzo, wien het
+hinderde gewonnen te hebben.
+
+"Welaan dan!" hernam Van Rodenberg: "doch dan zullen wij den inzet
+verdubbelen: zeshonderd kronen!" Weder klonken de steenen in den kroes,
+en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren.
+
+Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende,
+vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel
+en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij
+gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar
+niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening
+aannemen.--Door een onafgebroken quitte ou double werd de schuld van
+Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds
+door hem verloren.
+
+"Het geluk zit in uw kroes!" zeide hij eindelijk met een, door het
+gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: "Geef mij uw
+steenen, ik zet tweemaal double tegen quitte."
+
+De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig.
+
+"Waartoe zou dit dienen?" vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte
+middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een
+snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen,
+geveinsd lachende: "Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes
+steekt, welnu hier is hij."
+
+"Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!" riep Alonzo, eensklaps verwoed
+opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: "Gij zijt
+een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!--Mijne heeren!" ging
+hij overluid voort, de zaal rondziende: "duldt gij een edelman in uw
+midden die tevens een valsche speler is?"'
+
+Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest
+verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts
+een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: "Gij zijt mijn gast,"
+zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: "Gij zijt een
+vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van
+hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij
+zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid
+geworpen hebben!"
+
+Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard. Alonzo, door
+drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg
+vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone
+omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter
+verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat
+deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig
+echter sprong Van Rodenberg weder overeind; trok zijn degen, en zou
+Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen
+hem hadden tegengehouden.
+
+De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig
+hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te
+sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in
+weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde.
+
+"Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!" zeide Alonzo eindelijk:
+"doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig
+bestaan."
+
+"Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!" berstte Van
+Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk
+zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter
+eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden
+rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden.
+
+"Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft
+lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden
+ons leven zullen laten!"
+
+Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat
+nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede
+gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het
+andere gedreven.
+
+"Den degen!" zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en
+snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de
+gewelfde ruimte.
+
+Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte,
+niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde.
+
+"Wie daar?" riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel
+langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne
+hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn
+degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken:
+"Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!" en tevens het nedervallen van
+een lichaam.--"Zijt gij de graaf Spinola?" vroeg nogmaals dezelfde
+stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde,
+en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra
+in de open lucht. "Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere
+knaap!" zeide Alonzo: "doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht
+u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?"
+
+"Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!" zei de jongeling: "en daar
+ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad,
+was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van
+pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen."
+
+"Gij hebt braaf gehandeld," hernam Alonzo: "Doch gij hadt eene
+boodschap aan mij?"
+
+"Dit briefje moest ik u ter hand stellen," sprak de jonkman, die
+niemand anders dan Maarten was: "Het komt van den Oldenburgh."
+
+Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek
+tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand,
+begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden:
+
+"Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent
+bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste
+teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt."
+
+Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend.
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den
+Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe
+Oosteinde insloegen.--De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde
+een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met
+rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware
+vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde
+weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich
+de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede
+ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden
+teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven
+der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen
+en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een
+schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben
+hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun
+rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen
+niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg
+was besteed, zou hebben toegebracht.
+
+Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje
+te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen,
+diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden
+voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord
+en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal
+plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze
+willen mededeelen.
+
+"Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als
+mijn paard," zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpooten in
+de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in
+bedwang was te houden: "Zij zullen op de achterpooten gaan staan,
+en ons wellicht uit den zadel werpen."
+
+"Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja,
+dan zou ik dit voorzeker gelooven," antwoordde de markgraaf Ambrosio
+Spinola: "doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die
+Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem
+moeten wij vooral te vriend houden."
+
+"Wij spelen een vermakelijk spel," zeide Don Juan De Mancicidor, die
+den sprekenden ter zijde was gereden: "Waarachtig! wij handelen over
+een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden,
+die onze vijanden zijn."
+
+"Dit is niets vreemds," hernam Spinola: "en was ook hier te berekenen;
+doch zoo het al geen vrede zal zijn, bestand moet het toch worden."
+
+"Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden," zeide Richardot:
+"Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit
+verwenschte kikkerland!"
+
+"Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen," merkte
+Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld:
+"Ik ken hun aard," vervolgde hij: "dewijl mijn vader, Maarten Neijen,
+een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden
+godsdienst zullen zij nimmer toestaan."
+
+"Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven," antwoordde de
+toegesprokene. "Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden
+opdoen."
+
+"De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen," had
+Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: "doch dit punt moet
+met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen
+over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten
+tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch
+verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende,
+den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden."
+
+"Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan," zeide Richardot:
+"De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken."
+
+"Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!" riep nu eensklaps de
+kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden,
+die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees:
+"dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve,
+en vervolgens kan u de laan, die op het kasteel den Oldenburgh
+uitloopt, niet ontgaan."
+
+"Dus kunnen wij onzen "Memento Mori" zijn afscheid, en onzen paarden
+de sporen geven," zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp,
+hetwelk deze met een tevreden: "Dank mijne heeren!" opraapte, waarna
+hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen,
+om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal
+in den Wijnstok.
+
+De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en
+weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners van den Oldenburgh,
+de aankomst der Spaansche gasten.
+
+De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich
+tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien
+hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer
+hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen,
+en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere
+vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins
+Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en
+bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig
+zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar
+dagen lang de grootste drukte op den Oldenburgh geheerscht had. Bij
+zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou
+ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven,
+en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch
+welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den
+Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd,
+de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte
+slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende
+zaal bevonden, zouden gezeten zijn.
+
+Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra
+gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten
+was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren
+om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen
+die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen
+beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog
+somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op
+zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken
+dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met
+de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den
+minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar
+misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan,
+om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene
+zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd,
+die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het
+Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds
+met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende
+dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden
+had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige
+stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met
+de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd
+van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijd
+oprechte hartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van
+Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer,
+den beroemdsten van zijn tijd.
+
+Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeer goed dien
+somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen
+zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen
+des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt,
+hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben.
+
+Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok,
+was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers
+laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen
+dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden.
+
+Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het
+gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van
+Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten
+was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op
+haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten,
+en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin,
+met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om
+aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken
+zocht bezig te houden.
+
+Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten;
+des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin
+de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van
+Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der
+laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij
+den kruisweg, het Steenen kruis genaamd, met den degen te ontmoeten.
+
+Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn
+leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander,
+in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een
+blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan,
+zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was.
+
+Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste
+van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling
+hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te
+wreedaardiger voort.
+
+En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des
+jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte
+vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de
+laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed
+zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te
+voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden,
+was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken,
+hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie
+hunner zielen duidelijk begrepen werd.
+
+"Maar om 's hemels wil, dierbare jonkvrouw!" zeide Alonzo, toen het
+middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige
+woorden met Adelgonde kon wisselen: "wie toch heeft mij veroordeeld
+in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken, zonder u
+te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,--dat ik u
+bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte
+op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze
+mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste
+zal zijn ...!"' doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand
+en vervolgde; "Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen, hem,
+die u...." doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om
+dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid
+op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij
+van toon en vervolgde zacht smeekend: "Ik bid u! schenk mij in dezen
+stond het antwoord op de vraag: "Kunt gij mij waarlijk beminnen?"
+
+Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden;
+zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en
+fluisterde zacht: "Alonzo, ik bemin u!" Dadelijk verwijderde zij zich,
+en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter.
+
+
+
+Het was vrij donker toen de gasten van den Oldenburgh huiswaarts
+keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank
+te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan,
+en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard
+gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef.
+
+Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks
+honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar 's-Hage
+insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaalde
+Steenen kruis aan.
+
+De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden
+zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou
+mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij
+met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken;
+meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns
+dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in
+een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die
+bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De
+werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een
+mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden,
+dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat
+zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich
+dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige
+bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn
+laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer
+moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest
+zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den
+bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje,
+het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer
+wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken;
+hij zou niet op het veld van eer zijn gestorven, en nimmer zou hij
+de zachte woorden: "Alonzo, ik bemin u!" meer hooren. Hij staarde in
+de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht.
+
+Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een
+zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre
+een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was
+bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig,
+en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren,
+dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween.
+
+"Wie daar?" riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks
+hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag.
+
+--Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel
+zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de
+lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig
+uitziende naar den zijweg waar zich het Steenen kruis bevinden moest.
+
+Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn
+rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim
+met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw
+kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het
+licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende
+sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende
+opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte
+hij niets.
+
+--Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij
+eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad,
+of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen,
+of ten minste opmerkzaam maken.--"Ik ben Alonzo Spinola!" riep
+hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en
+zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan
+de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was dat
+grinnikend lachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook
+een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook
+nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde
+zeer aandachtig; doch--niet het minste geluid trof nu zijne ooren.
+
+Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van
+kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den
+holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield,
+want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk
+duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen,
+en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan
+dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven.
+
+Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden,
+of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van
+Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende,
+bond Alonzo het met den teugel aan den tak van een boom, die op den
+hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon
+eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden,
+en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem
+eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige
+oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne
+ooren trof.
+
+"Gij zijt Alonzo Spinola!" riep eene stem, die den lach opvolgde,
+welke Alonzo door merg en been had gedrongen; "Zie hier dan--de groete
+van Van Rodenberg!" en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool
+los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig
+verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet;
+maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het
+vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een
+woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in
+een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een
+zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het
+bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen
+dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te
+redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na
+vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl
+de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich,
+verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats
+was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen
+spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt,
+zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond
+hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan
+het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door
+het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het
+onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op
+welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht;
+niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen.
+
+Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij
+dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den
+weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen.
+
+Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande
+den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was
+aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts
+een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte
+den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en
+bewaard had.
+
+Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een
+verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren,
+om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg
+te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene
+woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en
+nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinige minuten slechts had hij
+doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij
+een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in
+deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich,
+die hem den toegang belette.
+
+Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen
+voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij
+langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs
+onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo
+behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde
+helling op; maar--vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware
+eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen
+en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn.
+
+Verscheiden malen deed hij van een: "Doe open!" de lucht weergalmen;
+doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen,
+hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder
+te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de
+zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds
+tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij
+de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van
+binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien.
+
+"Wie daar?" riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo,
+geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk,
+in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: "Ik ben Alonzo Spinola, zoon
+van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap
+in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans
+zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een
+nacht te willen huisvesten."
+
+"Zijt gij alleen?" vroeg de stem van binnen.
+
+"Geheel alleen!" was Alonzo's antwoord: "zelfs mijn paard heb ik
+door een samenloop van omstandigheden verloren." De deur werd nu
+van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de
+onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude
+gure nachtlucht prijsgegeven.
+
+Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken
+tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder
+gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier,
+in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter
+dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er
+van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde
+Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier
+had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden,
+ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog
+mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid
+kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven.
+
+Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen
+den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een
+onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug,
+benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de
+overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de
+zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude
+rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen
+op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal
+te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken
+te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en
+den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem
+nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél
+verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren.
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven
+gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een
+overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen
+die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle
+onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: "van hun
+buik," zooals zijn Verlosser gezegd had: "hun afgod maakten."--Het
+waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen
+verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen,
+een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen
+besluit, en toch, toch kon en mocht hij niet anders handelen.
+
+Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn
+legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken,
+het raam openstiet.
+
+Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke
+Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van
+buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn
+gloeiende wangen aangenaam verfrischte.
+
+"God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!" riep de
+graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder
+de zon uit de kimmen zag verrijzen. "Ja, groot en goedertieren waart
+Gij, o God! toen op uw machtig woord: "Daar zij licht!" de prachtige
+hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot
+en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou
+Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en
+warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch,
+waart Gij toen reeds een goedertieren en zorgend Vader, hoeveel te meer
+zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden,
+nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....--Ja,
+genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!--Aan Uw gevallen zondig
+schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren
+Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat
+niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten
+bloed eeuwig zalig zou worden.--O, dank daarvoor, oneindig groot
+en barmhartig Opperwezen!" ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne
+handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: "Maar
+dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken,
+ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden,
+dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt
+willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot
+zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem
+nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben
+ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O,
+geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, 't welk ons bezield
+heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden
+gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts
+alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te
+schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze
+vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin,
+naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven,
+gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben."
+
+Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam
+weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe
+Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig
+geledigd had.--Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen,
+toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke
+taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert.
+
+Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar
+Burgman binnen.
+
+"Goeden morgen uwe genade!" zeide deze: "dat heet ik vroeg opstaan. Om
+halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht
+is gesloten en de vijand is uit het veld."
+
+"Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben," zeide Van
+Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden:
+"Het ontbijt moet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule
+doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer
+wensch te spreken."
+
+"Zeer wel uwe genade!" antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten
+uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn
+heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen
+zoo stug en afgetrokken was.
+
+Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de
+vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad
+Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen.
+
+"Hebt gij wel geslapen, lieve vader?" vroeg zij, terwijl zij den
+graaf een hartelijken zoen gaf: "Ik heb mij gehaast aan uw verzoek
+te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?" en
+tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond.
+
+"Ja lieve Gonne," antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen
+blik beschouwende: "ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te
+deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over
+zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren
+aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen
+slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat
+ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne
+raadgevingen naar vermogen te ondersteunen."
+
+"Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!" zeide Adelgonde,
+die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen:
+"Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief,
+altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans,
+in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te
+slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij
+schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met
+één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken."
+
+"Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!" hervatte
+Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek
+te vervolgen: "Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik
+dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm
+aanhooren." Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne,
+en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: "Achttien jaren reeds
+mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn
+oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk
+zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en
+ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u
+niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen;
+ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar
+thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor
+te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om
+zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt
+u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins
+waardig echtgenoot voor u zijn."
+
+Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds
+wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat
+denkbeeld, en de vraag: "Hoe is zijn naam?" bestierf haar op de lippen.
+
+"Ruim drie en twintig jaren geleden," ging Van Bergen voort;
+"stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van
+Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs
+had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond
+veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikken
+stond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter
+voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den
+naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen
+strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam
+Van Rodenberg?"
+
+Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf.
+
+De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging
+toen voort: "Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore
+gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou
+het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een
+Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid
+wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand
+heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof
+verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo
+ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog
+tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij
+u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde
+een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is."
+
+Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine
+pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd
+afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare
+liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel
+had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van
+haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch
+zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de
+ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden,
+om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim
+te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van
+dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden,
+dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten.
+
+Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene
+nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche,
+doch thans natbekretene oogen aanzag: "Is het dan zonde lieve vader,
+een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne
+vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik
+een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den
+terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel
+mij niet."
+
+Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij
+op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter
+neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig
+wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom
+thans verzwegen, 't geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn
+medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand
+gebood hem te spreken.
+
+"En zoo het voor uwe eer," ging Van Bergen voort: "voor uwe en mijne
+rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwe wenschen liet varen,
+en Van Rodenberg zocht te beminnen....?"
+
+"Voor uw geluk, voor uwe rust!" viel Adelgonde hem snel in de rede:
+"dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil
+hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een
+toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou
+kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?"
+
+"Luister dan, goede Gonne!" hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden
+op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: "Luister
+aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis
+mededeelen.--Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes
+en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar
+blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in
+den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra
+vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij
+waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er
+steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des
+huwelijks lief en leed...." Van Bergen hield eenige oogenblikken stil
+en staarde strak voor zich neder.
+
+"Ga voort lieve vader!" zei Adelgonde: "Gij hebt mij nog nooit van
+mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit
+heb mogen kennen."
+
+Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: "Drie
+jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs
+om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk
+werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde,
+van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer
+bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk
+te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik
+kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle
+oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken,
+en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken,
+aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken
+keerde ik op den Oldenburgh terug. De luiken waren gesloten. Sidderend
+vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was
+voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik
+vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel
+doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik
+een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg
+een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.--Waar is mijn
+kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek
+was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind
+dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde,
+die met rouwfloers was bekleed: "Helaas, uwe genade! zeide zij: het
+lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het
+met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het
+zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!"
+
+Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen:
+"Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats;
+drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij
+nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden
+van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen;
+de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn
+zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij
+in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het
+verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige
+gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer
+min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare
+moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der
+Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde
+ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees
+geslingerd op den Oldenburgh aan; doch, gerechte hemel! ook nu weder
+waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij,
+en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.--Wat is hier
+voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij
+daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter
+ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken...."
+
+Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik
+hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn
+leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest
+lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem
+vertroostend aanziende, zeide zij zacht:
+
+"Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en
+die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat
+gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ..."
+
+"Houd op! houd op!" riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: "O mijn
+God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals
+mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!"--riep hij nogmaals,
+en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open
+deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg.
+
+"Gonne, liefste Gonne!" smeekte Van Bergen, door dit toeval tot
+zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel
+plaatste: "Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid
+niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch
+eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan,
+wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit,
+eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden
+schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg--door
+wien weet de hemel--achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw
+naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare
+Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds
+een liefderijk vader!
+
+Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld:
+
+Een vreeselijke storm had over de teedere Hagenlelie gewoed!
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+"Ik bid om verschooning, edele vrouw!" sprak Alonzo, toen hij
+het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een
+sierlijke buiging naderde: "Ik vraag u zeer om verschooning, dat een
+ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht
+uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en,
+onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt."
+
+"Maak geen complimenten mijnheer!" zeide de dame, met een Fransch
+accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette:
+"Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn
+vriend en trouwen rentmeester Rosio!" vervolgde zij, Alonzo een man
+voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek
+gelezen had.
+
+"De vermoeiden zijn ons steeds welkom," zeide Ambrosio, mede opstaande
+en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene,
+van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw.
+
+Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging
+der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur,
+zonder paard, zoover van de stad verdwaald was.
+
+Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal op den Oldenburgh
+mede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf
+voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald;
+verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken
+hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd
+was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg
+had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners,
+in deze veilige haven had binnengevoerd.
+
+"Het is onbegrijpelijk!" sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had,
+terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: "onbegrijpelijk! dat
+er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt
+gewaakt. Den hemel zij echter gedankt," en zij maakte het teeken des
+kruises: "dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer
+der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom
+wezen?" vervolgde zij; "Rosio zal mij wel den dienst willen doen,
+een goede flesch te gaan halen."
+
+Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne
+gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonken gadesloeg,
+bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk
+knipoogen beantwoordde.
+
+"Gij kent dus den graaf Van Bergen?" vroeg de dame toen Rosio
+vertrokken was.
+
+"Zooals ik u zeide, edele vrouw!" antwoordde Alonzo: "dezen middag
+was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij
+te leeren kennen."
+
+"Dan is het al zeer toevallig," hernam de gravin: "dat gij uw
+middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de
+moeder komt zoeken."
+
+"De graaf Van Bergen is uw zoon?" zeide Alonzo verrast, terwijl
+hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde:
+"Voorwaar mevrouw," ging hij voort: "het geleden ongeval wordt mij
+thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen
+heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen
+graaf Van Bergen."
+
+De douairière glimlachte. "Met recht verdient mijn zoon de eer die
+ieder hem toekent," hernam zij: "ook ben ik niet weinig trotsch op hem:
+hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne
+dochter Adelgonde?" en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare
+scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan.
+
+Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: "De freule is inderdaad
+zeer schoon," antwoordde hij, zich herstellende: "nooit te voren,
+mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe
+kleindochter."
+
+"Het is de algemeene opinie," hervatte de gravin: "men kan zeggen,
+dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte
+haar doet missen...."
+
+"Een onwettige geboorte?" riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk
+verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: "Is het dan waarheid
+mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht
+kon hebben uitgestrooid?"
+
+"Gij hebt het niet geloofd mijnheer?" zeide de gravin, terwijl zij
+haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene
+kostbare ringen staken: "Inderdaad, het is zonderling," vervolgde zij:
+"dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens
+behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade."
+
+Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den
+indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt
+hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden
+toon voort: "Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig
+zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van
+haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen
+hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat
+zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet
+na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteel den
+Oldenburgh het zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon
+van mijn onvergetelijken echtgenoot in zijn rang en stand staande te
+houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen;
+ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig,
+hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!" en bij deze laatste woorden drukte
+zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen
+over hare wangen.
+
+"Die schoone bloem!" zeide Alonzo met een diepen zucht: "Zoo hemelsch
+schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!...."
+
+"Het eenige middel om haar te redden," hernam de gravin Van Bergen,
+"is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare
+vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen;
+doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht;
+de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer
+te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een
+jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden,
+de grootste verplichting heeft.--De jonker Van Rodenberg," vervolgde
+zij, Alonzo even aanziende, "heeft hem reeds jaren lang op de
+edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze
+jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen,
+of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke
+blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte
+en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo
+Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren
+man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal
+deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden,
+ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook,
+als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk
+schuldeischer worden."
+
+Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug,
+gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn
+en bekers op de tafel plaatste.
+
+"Nu Mechteld dood is," ving de rentmeester aan, "kan men ternauwernood
+de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als
+alle vrouwen Maria's waren, dan zouden wij mannen, wel Martha's moeten
+worden.--Zie hier jonkman!" en hij overhandigde Alonzo een beker wijn.
+
+"Ik dank u mijnheer," zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende,
+en ledigde den hem toegereikten beker in één teug.
+
+"Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten
+nemen, edele gast!" zeide de gravin weder op minzamen toon: "Het zou
+ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop
+uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald." Een spotachtige
+glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: "maar," vervolgde
+zij: "toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en
+deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken."
+
+"Het spijt mij inderdaad," zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeen
+hij gehoord had, ten eenenmale was geweken, "dat deze moeite voor
+mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik."
+
+"Het is te wenschen," hernam de gravin, "dat deze Bourgogne meer genade
+in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw
+schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen,
+dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!" en terwijl
+zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met
+haar leeftijd zonderling in weerspraak was.
+
+Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren
+verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met
+onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een
+geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost
+bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje.
+
+Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer
+vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij
+zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel
+bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo
+echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had,
+liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in
+den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde.
+
+"Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan," zeide Alonzo
+opstaande: "Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te
+zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde
+gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!"
+
+Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke
+vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur
+vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een
+bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden.
+
+"De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven," zeide de
+rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: "Van Rodenberg zit reeds
+gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.--Treed binnen
+jonker!" riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der
+kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad.
+
+"Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!" zeide hij, zich in
+een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. "De
+onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te
+staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen
+ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te
+vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit
+de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en
+waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een
+flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald;
+toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet
+paste den ezel bij adem te laten, mij later in opspraak te brengen,
+gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak
+zal voorzeker niet uitlekken."
+
+"Met dat al hebt gij niets gewonnen," zeide de gravin: "Uw medeminnaar
+leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn
+is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den
+aanslag hebt gesmeed."
+
+"Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer
+bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege
+kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak op
+den Oldenburgh heeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling
+te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem
+verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De
+vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde
+te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad,
+en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs
+was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou
+gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer,
+en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje
+zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra,
+en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom."
+
+"En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben," hernam de gravin
+toen Van Rodenberg geëindigd had. "Doch wat vangen wij thans met
+Spinola aan?"
+
+"Hij slaapt voorzeker reeds als een roos," zeide Rosio: "Het ware
+verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt...."
+
+"Hij moet ongedeerd van hier vertrekken," viel Van Rodenberg hem in
+de rede: "Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij
+lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene
+bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen;
+of.... des noods heeft hij een moord begaan!"
+
+Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een
+hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als
+lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit
+aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel
+gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich
+toen op het groote ledikant.
+
+Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende
+droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de
+zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in
+een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en
+saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen
+er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch
+veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende
+slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te
+zamen in allerlei vreemde sprongen en met luid misbaar hand aan hand
+om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In
+'t eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief
+de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich
+voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper
+zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote
+blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend
+geraamte rees uit de groeve omhoog. "Edele heer! edele heer!" riep het
+kind angstig smeekend: "edele heer!" riep het nogmaals luider, Alonzo
+bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een
+schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de
+slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende
+oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne
+legerstede stond. "Edele heer!" zeide zij nogmaals, en schudde den arm
+van den jongeling met haar kleine hand: "Ontwaak! In 's hemels naam,
+wil mij een oogenblik aanhooren."
+
+"Wat verlangt gij van mij?" vroeg hij, zonderling te moede, en sprong
+nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant.
+
+"O verschoon mij," bad het meisje: "verschoon mij dat ik uw
+slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt
+immers een edel en braaf heer?"
+
+"Welnu," zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het
+lieve kind aandachtig beschouwde, "spreek, wat verlangt gij van mij,
+of wat hebt gij mij te zeggen?"
+
+"Gij zult het straks vernemen," zeide het meisje: "doch volg mij
+zonder gedruisch;" en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene
+benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar
+aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te
+loopen, eerst later zullen mededeelen.
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De natuur was heerlijk uit haar doodschen winterslaap ontwaakt. De
+aarde lachte als een blijde, sierlijk getooide bruid, en heuvelen en
+bosschen verkondigden de grootheid des Scheppers.
+
+Wie zal het wagen den indruk te schetsen, het gevoel te malen, dat een
+heerlijke lentedag op den sterveling uitoefent? Welke pen vermag den
+zuiveren wellust te beschrijven, dien de mensch moet smaken, als hij
+de verjongde natuur en haar verrukkelijk schoon gadeslaat? De verven
+zijn te gevoelloos; het penseel is te slap; de gloeiende verbeelding
+des dichters is te koud, om datgene uit te drukken, wat men slechts
+gevoelen maar niet meedeelen kan. Die zoete balsemgeuren van het pas
+ontloken groen; dat liefelijk gekweel der vogelen; die koesterende
+stralen der vriendelijke zon: alles kan men genieten, al dat schoon
+met onverzadelijke graagte genieten; stom van verrukking in aanbidding
+vertoeven; nogmaals die lucht inademen; nogmaals de handen dankend
+ten hemel heffen, maar spreken.... neen spreken kan de sterveling in
+zulke oogenblikken niet.
+
+Ook het kasteel den Oldenburgh lag te midden van dien prachtigen
+lentedos. Geheel anders vertoonde het zich thans dan toen wij het
+vroeger bezochten. Over het nog jeugdige groen der eikenboomen en
+akkermaals-bosschages lag een fijne roodachtige tint verspreid. De
+bladeren der beuken- en kastanje-boomen hadden een zacht groene
+kleur. De grasperken waren als met madeliefjes en boterbloempjes
+bezaaid, en in de weilanden, die zich rondom doch op verderen afstand
+van het kasteel uitstrekten, graasden en loeiden de runderen, en
+blaatten de schapen, terwijl zij den dorst hunner lammeren leschten. De
+ooievaar stapte met statigen tred in hun midden rond, en begaf zich
+behoedzaam naar de waterachtige plaatsen, ten einde zich den kwakkenden
+kikvorsch ten buit te maken. De muggen gonsden door de lucht, en het
+fijne, zilverachtige groen der wilgen was treffend in harmonie met
+de warme kleur van den azuurblauwen hemel.
+
+Twee jonge vrouwen wandelden op zulk een schoonen en verkwikkenden
+lentedag door de paden en lanen, die het voornoemd kasteel omgaven. De
+eene was doodsbleek, en leunde op den arm der andere die hare
+dienstbare scheen. Zij was in het wit gekleed, en hield in hare hand
+een korfje met voorjaarsbloemen.
+
+"Wij moesten hier even rusten," ving zij met een zwakke stem aan:
+"Dit priëel Anne, geeft zulk een mooi uitzicht over de weilanden."
+
+"Dat zou ik u niet raden lieve freule!" antwoordde Adelgondes kamenier:
+"de lucht is wel zacht, doch een klein tochtje zou u wellicht zeer
+nadeelig zijn."
+
+"O neen!" hernam Adelgonde: "Ik ben immers weer geheel hersteld; de
+zoete meilucht zal mij niet schaden. Laat ons hier even gaan zitten,
+want ik ben een weinig vermoeid."
+
+"Sla dan ten minste dezen doek om uw hals," zei de bezorgde Anne:
+"het is voor de eerste maal dat gij uwe kamer verlaat, en ik zou om
+niets ter wereld willen, dat gij door mijne onvoorzichtigheid weder
+ziek werdt."
+
+"Dat heeft geen nood," zeide Adelgonde, den doek met een dankend knikje
+aannemende: "niets kan mij eer herstellen dan Gods vrije natuur. Dit
+is het eerste uur, na dien schrikke.... na den dag dat ik zoo ziek ben
+geworden, waarin ik weer verlang te leven. Ja in dezen stond zelfs
+ben ik dankbaar dat God mij heeft bewaard, en dat ik zijn schoone
+aarde nog eens mag betreden."
+
+"Maar waarom zoudt ge daar ook niet recht blijde om zijn, lieve
+freule?" vroeg Anne: "Kijk, het kleine muschje, dat daar zoo tjilpend
+van den eenen tak op den anderen springt, toont zijne blijdschap wel,
+en zoudt gij dan op uw leeftijd--zooverre boven velen bevoorrecht--niet
+heel dankbaar zijn dat gij gespaard werdt, om, zoo wij hopen, nog
+vele jaren recht gelukkig en in vreugde te leven?"
+
+"Gelukkig!" zeide Adelgonde zuchtend: "het vogeltje mag zich gelukkig
+gevoelen en vrij rondfladderen; maar ik, helaas!" en weder slaakte
+zij een diepen zucht.
+
+"Wanneer uwe krachten geheel zijn teruggekomen, dan zult gij wel anders
+spreken," hernam de kamenier: "Zulke zenuwkoortsen ondermijnen het
+gestel, en mijnheer Bril, de barbier van den genadigen graaf, heeft
+mij voor een paar dagen nog gezegd, dat als het lichaam van streek
+is, de ziel ook van streek is, en dat ook de ziel weder in haar oude
+doen komt als het lichaam sterker wordt. Wij zullen den tijd eens
+afwachten freuletje-lief! De tijd baart rozen, zegt Maarten altijd;
+en hoewel ik dat in vele dingen, en ook voor ú wel geloof, zoo kan ik
+toch niet zeggen, dat hij voor Maarten heel veel mooie roosjes baart,
+want de goede jongen werkt wel altijd ijverig en trouw, maar heel
+veel verdienen doet hij niet."
+
+"Is het reeds lang geleden dat uw minnaar hier was?" vroeg Adelgonde,
+door de woorden van Anne op andere gedachten gebracht.
+
+"Nog gisteravond," antwoordde het meisje: "maar drommels en
+drommels! wat ben ik toch schrikkelijk dom en stoffelachtig!" vervolgde
+zij, zich eensklaps bezinnende: "Nu hebt gij reden om mij dapper
+te beknorren. Hij heeft mij iets voor u meegebracht!" Dit zeggende
+haalde zij een briefje van onder haar rozerood jakje te voorschijn:
+"Kijk freule, neem het mij toch niet kwalijk.... Wat ben ik toch
+schrikkelijk vergeetachtig!"
+
+Adelgonde zag dadelijk dat het opschrift aan haar gericht en door
+Alonzo Spinola geschreven was; een licht blosje verspreidde zich
+over haar gelaat, en terwijl zij, niet zonder eenige verwarring, de
+dierbare letteren uit de hand van Anne overnam, om die met gretige
+aandacht te doorlezen, sprong de bescheidene kamenier vlug van hare
+zitplaats op, en ging een schoonen gelen vlinder najagen, die van
+bloem tot bloem, nu eens her- en dan weder derwaarts in verschillende
+richtingen rondfladderde.
+
+Het briefje, dat Adelgonde geheel bezig hield, luidde als volgt:
+
+
+ "Dierbare jonkvrouw!
+
+"Hoe dikwijls ziet men, helaas! dat er zich voor onze dierbaarste
+wenschen onoverkomelijke hinderpalen in den weg plaatsen; hoe dikwerf
+worden wij in onze schoonste vooruitzichten droevig teleurgesteld,
+en zien wij den straks nog helderen horizont onzes levens zich
+weldra in donkere nevelen hullen. Zoo is het ook mij gegaan, schoone
+Adelgonde! Met verrukking herdenk ik gedurig den dag toen ik dacht uwe
+liefde te bezitten; toen ik besloot mij die liefde waardig te maken;
+toen ik mij den grootsten monarch te rijk waande, en geen sterveling
+mij zoo gelukkig en zoo zalig toescheen. Maar nogmaals, helaas! ik
+heb mij niet lang met dat zoete denkbeeld mogen verkwikken. Reeds
+spoedig wierpen zich ook voor mijne wenschen groote hinderpalen in
+den weg. Ik mag en kan er niet meer aan denken, dat gij eenmaal
+nog de mijne zoudt kunnen worden. Vele redenen bestaan er voor
+de gegrondheid van deze vernietigde hoop. En de voornaamste dier
+oorzaken is: dat de hand der schoone Hagenlelie reeds aan een ander
+is toegezegd. En zult gij met hem gelukkig zijn? Zal die echtgenoot
+u liefhebben zooals ik u zou hebben liefgehad? O Adelgonde! mijn
+horizont staat beneveld, maar ook het verschiet van uw huwelijksleven
+dreigt door zwarte wolken verduisterd te worden. Luister naar den
+raad van hem, die het oogenblik nooit zal vergeten toen hij voor
+de eerste en wellicht ook voor de laatste maal de woorden: "Ik min
+u!" van uwe lippen hoorde vloeien. Dierbare Adelgonde, beproef hem
+die uw echtgenoot zal worden. Sla hem gade, overweeg nauwkeurig
+eer gij den onherroepelijken stap doet, die voor uw geheele leven
+beslist. Onderzoek of hij uwe liefde en achting waardig is. Beter
+ware het dat gij op jeugdigen leeftijd als maagd moest sterven,
+dan dat gij te laat u een ongelukkigen stap zoudt beklagen. Nogmaals,
+onvergetelijke Adelgonde! nogmaals: onderzoek en beproef uw aanstaanden
+echtgenoot. Ik ken hem, ik ken het karakter van Van Rodenberg, hij
+is uwer onwaardig. Geen laster, door vuige jaloezie opgewekt, doet
+mij dit ternederschrijven. Beproef hem, en stort u niet in het ongeluk.
+
+"Behalve dezen raad, dien ik mij verplicht rekende u te geven, drong
+mij nog een andere reden u te schrijven. Reeds vroeger had ik dit
+gedaan, doch de treurige mare van uwe ernstige ongesteldheid hield
+mij tot heden daarvan terug. Goddank! ik heb vernomen dat gij zoogoed
+als hersteld zijt. Mijne gebeden voor uw herstel werden iederen dag
+hemelwaarts gezonden. Doch nu, schoone Adelgonde! er is nóg iets,
+'t welk ik verplicht ben u mede te deelen. Ik ben de deelgenoot
+geworden van een belangrijk geheim. Het zou mij niet mogelijk zijn
+dit in zijn geheel ter neder te schrijven, en, wellicht vertrekken wij
+reeds spoedig uit deze streken. Adelgonde! ik moet u kenbaar maken wat
+mij is ter oore gekomen. Wil mij mijne bede niet weigeren! Ik wensch
+u alleen te spreken. Gij zelve kunt bepalen waar ons onderhoud zal
+plaats hebben, en dan--dan zal ik u voor het laatst zien, voor het
+laatst spreken, en u tevens voor altijd vaarwel zeggen!
+
+"O schenk slechts eenige regelen ten antwoord aan hem, die u dringend
+smeekt zijn verzoek niet te weigeren, en die zich noemt:
+
+ Uw heilzoekende en heilwenschende vriend,
+
+ Alonzo.
+
+
+
+Nog staarden de vochtige oogen van Adelgonde op het papier, nog herlas
+zij de woorden, die zoozeer van des Spanjaards innige deelneming in
+haar lot getuigden, toen Anne weder kwam aanhuppelen en tusschen hare
+vingeren den gevangen vlinder omhoog hield: "Kijk eens freule!" riep
+zij Adelgonde reeds uit de verte toe: "Kijk eens, welk een fraai
+diertje, geel als citroen, en zoo vlug als een ree!"
+
+"Foei, Anne!" zeide Adelgonde op bestraffenden toon: "moet gij dat
+onschuldige vlindertje zijn vrijheid benemen? Gij weet niet wat het
+zegt die te moeten missen. Geef het beestje zijn vrijheid terug!"
+
+"Welnu, trek dan in vrede!" zeide Anne, en het diertje loslatende,
+zag zij het vroolijk en snel henenvliegen.
+
+"Geef mij nu uw arm en laat ons huiswaarts keeren!" zeide de freule. De
+kleine kamerjuffer gehoorzaamde terstond, en beiden wandelden nu
+weder door de lange zijlaan, stapten de brug, die aan de achterzijde
+van het park uitkwam, over, en traden vervolgens het kasteel door de
+kleine achterpoort binnen.
+
+"Wel foei Gonne! gij zijt recht ondeugend," zeide de graaf Van Bergen
+lachende, die juist de breede trappen afkwam toen de vrouwen de gang
+inkwamen: "zoo te ontsnappen, zonder verlof te vragen! Ik had gehoopt u
+de eerste maal dat gij de buitenlucht zoudt genieten, te vergezellen,
+doch ik zal u daarvoor straffen, en kom mij daarom dezen middag bij
+u als gast opdringen."
+
+"Gij zult mij hartelijk welkom zijn," antwoordde Adelgonde: "Wat de
+wandeling betreft, het liefste had ik die in uw gezelschap gedaan,
+doch ik was bevreesd dat uwe bezigheden u met zouden toelaten...."
+
+"Nu nu, spaar die verontschuldigingen maar," viel haar de graaf in
+de rede: "Gij ziet er zeer goed uit, lieve kind! de lucht heeft u,
+dunkt mij, veel goed gedaan. Over een uur ben ik bij u." Hij gaf haar
+bij deze woorden een kus op het voorhoofd, en ging, terwijl zij zich
+naar hare kamer begaf, zijne paarden en honden in de stallen opzoeken.
+
+Nauwelijks was Gonne in haar grooten ziekenstoel gezeten of zij
+haalde Alonzo's letteren weder te voorschijn, las deze nogmaals,
+en besloot, daar zij, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, vrij
+goed schrijven kon, onmiddellijk aan het verlangen van den edelen
+jongeling te voldoen. Zij beantwoordde zijn brief met deze woorden:
+
+
+ "Geachte vriend!
+
+Zoo toch mag en durf ik u noemen, daar gij toont een waar belang in
+mijn lot te stellen. Uwe letteren heb ik in een vrij goeden welstand
+ontvangen, en las die, toen ik voor de eerste maal na mijne ziekte
+weder onder Gods vrijen hemel mocht ademhalen.--Gij hebt gelijk, wij
+worden van elkander gescheiden. Gij hebt hinderpalen zien verrijzen,
+die uwe wenschen in den weg traden, en voor mij, gij weet het, is de
+droom onzer liefde eveneens in rook verdwenen.--Wat er ook van Van
+Rodenberg zijn moge, hij zij dan edel of slecht, reeds zijn aanblik
+hindert mij. Verdenk echter den liefderijksten en achtenswaardigsten
+der vaders niet van hardheid; geloof niet dat hij mij dwingen zal
+mijne keuze naar zijn wil te bepalen. Alles wat hij doet, beschouwt
+hij in mijn belang.--Doch een treurige waarheid doet mij met groote
+zelfopoffering besluiten zooveel mogelijk naar zijn begeerte te
+handelen. Mijn geheele leven zal ik u dankbaar zijn voor uw warme
+deelneming; doch, edele vriend! met de grootste moeielijkheid zal ik uw
+laatste verzoek kunnen inwilligen. Mijne gezondheid laat mij niet toe
+u des avonds ergens te ontmoeten. In mijne woning is dit onmogelijk,
+en waar zou ik u dan kunnen zien?--Vertrouw aan het papier uw geheim,
+doch zoo u dit niet doenlijk is, welnu, dan zal er wellicht in het
+aangevangen warme seizoen nog wel een gelegenheid voor mij komen om
+u aan te hooren en u vaarwel te zeggen."--Hier liet Adelgonde een
+traan op het papier vallen, dien zij echter zorgvuldig zocht weg te
+wisschen.--"Gods beste zegen vergezelle u op al uwe paden. Vergeet,
+als gij in uw vaderland zult zijn teruggekeerd, dat er in deze streken
+een hart voor u klopte. Vergeet den droom der moerassen, en haar die
+zich noemt:
+
+ A. V. B."
+
+
+
+Zorgvuldig verzegelde zij nu den brief en schreef het adres erop.
+
+"Gij zult de bezorging van deze letteren op u nemen," zeide zij tot
+haar kamermeisje, die zich met eenig vrouwelijk handwerk had onledig
+gehouden.
+
+"Volgaarne lieve freule!" antwoordde deze: "Maarten komt niet voor
+Zaterdag, dus moet mijnheer Bril er zich mede belasten. Nu, hij is
+ook in mijn dienst, en brengt mij schier iederen morgen de groete
+van Maarten over. De brief moet in het logement van Gooswijn Meurkens
+bezorgd worden, nietwaar?"
+
+"Ja!" zeide Adelgonde, licht blozende: "hij moet dien persoonlijk
+aan den jongen graaf Spinola overhandigen."
+
+Anne nam den brief aan, verborg dien in haar keursje, en weldra
+verscheen Burgman, om op de ziekenkamer de tafel voor het middagmaal
+in gereedheid te brengen.
+
+Het maal was spoedig ten einde geloopen, en de graaf, die heden
+bijzonder opgeruimd was, schikte zijn stoel wel voldaan naast dien
+zijner pleegdochter.
+
+"Na lijden komt verblijden, lieve Gonne!" ving hij aan: "na regen
+komt zonneschijn; na een strengen winter een verkwikkende lente. Ik
+heb God om uitkomst gebeden; ik heb Hem gesmeekt u te bewaren, te
+bewaren voor mij, uw teederminnenden vader."
+
+Adelgonde zag haar pleegvader dankend aan, doch zuchtte diep.
+
+"Maar ik wenschte uw beterschap niet," vervolgde hij, zeer wel
+de oorzaak van dien zucht kennende: "ik wenschte die niet om u
+neerslachtig en ongelukkig te zien; neen, dat zij verre, maar om u
+evenals voorheen, vroolijk en opgeruimd te ontmoeten; om, evenals
+vroeger, door uw aanhoudend en vriendelijk gesnap mij dat treurige
+gedeelte uit mijn levensgeschiedenis te doen vergeten; om daardoor
+mijn voorhoofd effen te houden, waarop zich anders maar al te dikwerf,
+bij de sombere herinneringen, diepe groeven vertoonen...."
+
+"En zal dat mogelijk zijn?" vroeg Adelgonde.
+
+"Deze dag moet en zal voor u in alle deelen schoon zijn, dierbaar
+kind!" hervatte de graaf, haar met innige liefde aanziende: "Geen
+zwaar en moeielijk juk zal u drukken. Gij hebt uwe gezondheid en
+tevens uwe vrijheid terug."
+
+"Wat bedoelt gij?" vroeg Adelgonde verrast.
+
+"Luister!" hernam Van Bergen: "Ik heb den aard en het karakter van
+Walter leeren kennen. Zijn eerste bedreiging had mij reeds een slechten
+indruk gegeven. Geldzucht is de drijfveer zijner keuze. Van Rodenberg
+zal uw echtgenoot niet worden."
+
+"Niet!" riep Adelgonde met een gemengd gevoel van dankbaarheid en
+verrukking tevens. "Maar," vervolgde zij langzaam: "maar zijne
+bedreiging? Zal hij mij niet aan de minachting der hardvochtige
+wereld prijs geven, indien hij bekend maakt dat mijn brave gestorvene
+ouders slechts arme geringe lieden waren? Zal zijne boosheid niet,
+uit teleurgestelde winzucht, vlekken op uw naam werpen, mij wellicht
+voor een kind.... der.... schande." zij zeide deze woorden schier
+onhoorbaar: "laten doorgaan; en zal de booze wereld daar geen geloof
+aan hechten?"
+
+"Geen vrees!" antwoordde de graaf: "Zijn geldzucht is bevredigd; hij
+zwijgt, en niemand ter wereld zal buiten ons weten, dat de schoone
+Hagenlelie niet volgens de wetten van het bloed mijne dochter
+is. Luister: Toen de crisis uwer ziekte gekomen was, en allen
+voor uw behoud vreesden, toen kwam Van Rodenberg naar uw welstand
+vernemen. Zijne teleurstelling was zichtbaar, doch ik rekende het
+oogenblik gekomen dat ik hem moest mededeelen, dat gij gedurig reeds,
+zoo wel in ijlende droomen als in helderder oogenblikken, uw tegenzin
+in een huwelijk met hem hadt te kennen gegeven, en dat, zoo gij
+hersteldet, gij toch nimmer zijne gemalin zoudt kunnen worden. Zijn
+gelaat nam een wreedaardige plooi aan. Het kind van lage geboorte
+versmaadt mijn naam? sprak hij scherp. O lieve Gonne! vergeef mij,
+dat ik u zijne woorden herhaal, maar immers gij moet hem kennen,
+nietwaar? Welnu, ging hij voort: dan zal de wereld ook weten wie de
+dochter van den graaf Van Bergen is."
+
+"Ik vreesde dit!" zeide Adelgonde met nedergeslagene oogen.
+
+"Gij kunt begrijpen dat ik moeite had mijne bedaardheid te bewaren,"
+hernam Van Bergen: "vooral daar hij het was, dien ik van zijne jeugd
+af aan, steeds met weldaden heb overladen. Doch, het was de zoon
+van mijn besten vriend Robbert! Ik hield mij in, en deed mij voor als
+doorgrondde ik de laagheid zijner woorden niet. Dit zou u weinig baten,
+antwoordde ik hem: Oneer is het niet. Ik zag hem glimlachen. Maar,
+vervolgde ik: Gij weet Walter, wat ik steeds voor u geweest ben. Ik
+gevoel dat gij een teleurstelling ondervindt. Van jongs af aan dacht
+gij Adelgonde tot vrouw, en met haar mijne nalatenschap te bekomen. Dit
+is een bittere teleurstelling; doch welk heil zou u een huwelijk
+aanbrengen met eene vrouw, die u niet genegen is? Laat Adelgonde in
+het bezit van haar naam: doe afstand van uw wensch, en zij schenkt
+u de helft van het vermogen, dat zij na mijn dood zal bezitten."
+
+"Gij zoudt....?" riep Adelgonde.
+
+"Heb ik niet wél gedaan, lieve Gonne?" hernam Van Bergen. "Voorzeker
+heb ik wat ruim over het uwe beschikt, doch thans blijft en zijt gij
+mijne lieve dochter."
+
+"Uwe liefde, uwe goedheid!" riep Adelgonde, hem om den hals vallende:
+"o! die kan u alleen hiernamaals vergolden worden."
+
+"Zoo is het mij goed," sprak de graaf: "gij zijt tevreden. Welnu Gonne,
+zult gij nu weder gelukkig zijn?"
+
+Adelgonde zweeg een oogenblik; zij beschouwde het vriendelijk
+goedhartig gelaat van haar pleegvader, en zeide op vastberaden toon:
+"Ja, ik zal, voor u levende, door uw wil te doen, door u in alles te
+gehoorzamen, recht tevreden en ook gelukkig zijn."
+
+"Amen!" zeide Van Bergen; ledigde toen zijn roemer, drukte het schoone
+meisje een kus op de lippen, en verwijderde zich.
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+"Ik vind het heel niet aardig van u Pieter, dat gij mij de bloempjes
+niet geven wilt; ik heb ze toch voor 't meest geplukt," sprak een
+aardig meisje van ongeveer zes jaren tot haar broertje, dat ruim een
+jaar ouder scheen en thans met een mandje bloemen op eenige passen
+af stands van haar had postgevat.
+
+"Foei, Neeltje!" antwoordde de goudgelokte jongen: "ik vind het van
+ú niet aardig; waarom moet gij ze dan hebben? Ik heb vrij wat meer
+moeite gehad! Hoe hoog heb ik dan niet moeten klimmen om bij dien
+gouden regen te komen?"
+
+"En hoe dikwijls heb ik dan niet moeten opspringen om dien tros
+seringen beet te krijgen?" zeide Neeltje.
+
+"Ja, maar ik heb mijn vingers bijna allen opengekrabd aan de pieken
+van de acasia's," hernam Pieter.
+
+"Och toe Pieterlief! geef mij nu maar het mandje?" smeekte het
+aardige meisje.
+
+"Nu dan Neeltje! hoor: als je met mij wilt gaan varen."
+
+"Op de gracht?" vroeg het meisje: "Neen, dat durf ik niet."
+
+"Bah! wat een bangert; en waarom niet?"
+
+"Wel, omdat het niet mag."
+
+"Maar, dat heeft ons vandaag toch niemand verboden."
+
+"Vandaag, neen, dat is waar, maar gisteren zei Aafke toch, dat wij
+volstrekt niet in de boot mochten gaan."
+
+"Hoe kinderachtig!" zeide Pieter lachende: "Is het dan vandaag
+dezelfde dag als gisteren. Kom, ga maar even mee; de boot ligt daar,
+en als gij het doet, geloof ik wel dat ik u de bloemen zal geven."
+
+"Zoudt gij dan niet denken dat Aafke ons beknorren zal?" vroeg Neeltje.
+
+"Wel neen, toch niet, en als gij haar de bloemen geeft, dan is het
+immers dadelijk weer over. Wij zullen heel prettig varen."
+
+"Maar kunt gij wel roeien, Piet?"
+
+"Ja, of ik!" antwoordde het knaapje, terwijl hij, bij de schuit
+gekomen, haar van den paal, waaraan zij was vastgebonden, losmaakte:
+"Kom maar hier Neeltje! Ziezoo, wees voorzichtig, val niet.... Ga
+daar nu maar achter op de bank zitten."
+
+"Hé Piet! als we nu maar geen knorren krijgen. Denkt gij niet? want
+anders ga ik er nog liever weer uit."
+
+"Neen, volstrekt niet! Als ge nu maar heel stil blijft zitten."
+
+"Geef mij dan nu de bloemen; ge kunt ze nu toch niet vasthouden."
+
+"Tralala!" lachte de kleine plaaggeest: "Ik heb u in de schuit,
+en nu kan ik nog doen wat ik wil."
+
+"Neen, maar dat vind ik nu al heel leelijk en stout," zeide het kleine
+meisje, terwijl haar het huilen nader stond dan het lachen.
+
+"Nu, wees maar stil," hernam de jongen, die bang was dat zijn zusje
+zou huilen of roepen: "Ik heb er wat op gevonden; wij zullen het
+mandje samen geven."
+
+"Hoe kan dat?" vroeg Neeltje.
+
+"Wel, dan houden wij het beiden vast als wij het geven."
+
+"Ieder aan een kant?"
+
+"Ja, vindt gij dat niet goed?"
+
+"Ja, dat gaat nog al; maar dan mag ik toch zeggen, dat wij deze
+bloemen voor Aafke hebben geplukt?"
+
+"Nu, dat kan mij niet schelen; of gij dit zegt of ik, dat is mij
+hetzelfde. Maar," vervolgde hij, terwijl hij al zijn krachten inspande
+om de boot van het droge vlot te krijgen: "maar Neel! wat zit die
+schuit vast, help mij eens even tegen de roeispaan drukken."
+
+Neeltje gehoorzaamde en kwam zeer voorzichtig naar voren om den
+kleinen jongen te helpen. Beiden hielden nu de roeispaan vast en
+vereenigden hunne krachten om het vaartuig vlot te krijgen; doch
+tevergeefs. "Ik zal de spaan eens tegen dien steen zetten," zeide de
+knaap: "die is harder." Hij deed dit en de twee kinderen drukten en
+persten met vereende krachten, totdat hunne aangezichtjes zoo rood
+als scharlaken werden.
+
+"Nog eens: één, twee, drie!" zeide de knaap; de roeispaan gleed langs
+den steen af; de kinderen verloren hun evenwicht en beiden vielen
+voorover in de schuit neder.
+
+Een luid geween en geklaag was het begin en het besluit van dit
+roeitochtje. Het schreien der kleinen werd ras vernomen, en het reeds
+dikwerf genoemde Aafke kwam haastig aanloopen om de twee ongehoorzame
+kinderen de behulpzame hand te bieden.
+
+Spoedig waren zij uit de schuit op den vasten wal overgebracht. Pieter
+bloedde uit den mond, dewijl hem twee tandjes waren losgevallen. Maar
+Neeltje, hoewel van het hoofd tot de voeten beslijkt, had volstrekt
+geen letsel bekomen.
+
+"Foei! ik had het u zoo verboden," sprak de oudste zuster der nog
+steeds weenende kinderen: "Ziedaar nu, Piet, de gevolgen van uw
+ongehoorzaamheid."
+
+"Maar," zeide Neeltje nog steeds snikkende: "maar.... Aaf.... Piet
+heeft.... gezegd.... dat wel gisteren.... maar niet.... vandaag."
+
+"Kom, dat weet hij wel beter," antwoordde Aafke: "eenmaal verboden
+blijft verboden.--Maar zie, daar staat nog een mandje met bloemen in
+de schuit.--Wacht," en meteen wipte zij weder in de boot en bracht
+de bloemen mede terug.
+
+"En die hadden.... wij nog wel.... voor u geplukt," zeide Pieter op
+verongelijkten toon.
+
+"Ja.... wij waren den ge....heelen morgen, voor u aan.... het zoeken
+geweest...." hernam Neeltje weder, voortdurend hikkende.
+
+"Welnu, ik beknor u immers niet meer," zeide Aafke: "Ik ben recht
+blijde met de bloemen; maar wees nu nooit weer ongehoorzaam." Zij nam
+vervolgens op iederen arm een der kleinen, nam het mandje insgelijks
+mede, en liep toen zoo snel als de tamelijk zware vracht haar dit
+toeliet, naar de woning van haar vader, die tuinman op het kasteel den
+Blankert was. Hier waschte zij haar broer en zusje de aangezichten
+en handjes schoon; bezorgde Pieter een glas water om zijn mond te
+spoelen; gaf hun eenige schoone roode kersen; liet het toezicht over
+de kleinen aan hare twaalfjarige zuster over, en snelde toen vlug
+met de ruimgevulde bloemenmand ter deure uit.
+
+Weldra was zij in het kasteel gekomen. Dadelijk verborg zij de bloemen
+in een van de vertrekken der dienstboden; sneed toen eenige sneden van
+een zeer groot grijsachtig brood; vulde eene kruik met helder water,
+en stak zeer behendig een groot stuk kaas in den zak.
+
+"Mijnheer Rosio, wilt gij mij den sleutel van den kelder geven?" vroeg
+Aafke aan den rentmeester van de gravin Van Bergen, die in vroegere
+jaren zijne gebiedster uit Frankrijk naar Holland was gevolgd en in
+alle opzichten haar zeer bijzonder vertrouwen genoot.
+
+"Gaat gij den boeteling nu reeds weder bezoeken?" vroeg Rosio.
+
+"Ik zal hem zijn maal brengen," antwoordde het meisje: "het wordt
+hoog tijd: En ik moet dan nog wel alles in het werk stellen om hem
+tot het gebruiken der spijzen over te halen."
+
+"Weigert hij te eten?"
+
+"De twee laatste malen wilde hij volstrekt niets nuttigen. Gij hebt
+mij bevolen te wachten totdat hij gedaan heeft."
+
+"Eertijds verslond hij alles in een oogenblik," hernam Rosio;
+"en thans...."
+
+"Zooals ik u zeg," zeide Aafke: "ik moet hem schier bidden en smeeken
+om te eten."
+
+"De godsdienstijver kan overdreven worden," hernam Rosio. "Boetedoen
+is goed en noodzakelijk, doch men moet niet verder gaan dan de Heilige
+Kerk het beveelt. Hier is de sleutel; maar breng hem aan het verstand,
+dat zijne zonden eeuwig gestraft zullen worden indien hij zijn geweten
+nog bovendien met een zelfmoord zou bezwaren."
+
+"Zeer goed!" zeide het meisje, en snelde met den grooten sleutel
+naar het dienstbodenvertrek terug. Zij haalde de bloemen weder te
+voorschijn en plaatste het daarmede gevulde mandje op het grijze
+brood, dat zij onder in een spijskorf gelegd had; nam den korf in
+de eene en de waterkruik in de andere hand, en ging, alzoo voorzien,
+den zoogenaamden boeteling opzoeken.
+
+Een smalle steenen wenteltrap voerde haar ongeveer twaalf voeten
+onder de oppervlakte der aarde. Nog eenige schreden ging zij door
+een nauwe en vochtige gang waarin het volkomen nacht was, en bevond
+zich toen voor een zware met ijzer beslagene deur; lang zocht zij
+met den sleutel naar het sleutelgat, doch eindelijk gelukte het haar
+de deur te openen. Een zwavelachtige lucht drong haar tegemoet, en
+een weifelachtige schemering, die de plaats waar zij binnengetreden
+was aan een volstrekte duisternis onttrok, stelde haar in staat den
+ongelukkigen bewoner van dit sombere verblijf te ontdekken.
+
+Het hol, want dezen naam verdiende het ellendige verblijf ten volle,
+was een regelmatig vierkant, waarvan elke zijde ter nauwernood
+zes voeten lengte had. Op de hooge steenen wanden parelde een
+salpeterachtig vocht. Verscheidene slakken en andere kelderinsecten
+kropen er in verschillende richtingen dooreen, en een kleine van
+dikke ijzeren staven voorziene opening, welke zich op ruim tien
+voeten hoogte bevond, gaf alleen het schaarsche licht en slechts
+luttel versche lucht aan dit somber gewelf.
+
+Maar treuriger en akeliger dan de indruk van dit onderaardsche verblijf
+was nog de indruk, dien het eenige redelijke wezen moest teweegbrengen,
+'t welk er zijne dagen in jammer en ellende doorbracht.
+
+De ongelukkige was een jongeling van ruim een en twintig jaren. Zijn
+leeftijd zou, indien men dien niet geweten had, moeilijk te bepalen
+zijn geweest, want zonderling dooreen vertoonde zijn gelaat de sporen
+van jeugd en ouderdom.
+
+Dof en gevoelloos staarden zijne oogen, zijn gelaatskleur was geel
+of hetgeen men perkamentachtig zou kunnen noemen. Zijn voorhoofd was
+gerimpeld: De zwarte haren vielen lang en sluik langs zijne slapen
+neder. Zijne kleeding was van een grijze wolachtige stoffage, en
+slechts weinige vlasachtige haartjes omgaven zijne kin.
+
+Met de beenen kruiselings onder zich, zat hij daar ginds in een hoek
+op een reeds grauw geworden bos stroo en toen het meisje binnentrad,
+wendde hij zijn hoofd even naar de deur, en trok den mond tot een
+pijnlijk lachen.
+
+"Daar ben ik al vroeg Adel!" sprak Aafke hem aan: "Zeker zult gij
+wel naar mij verlangd hebben. Hebt gij honger?"
+
+"Ja," antwoordde de ongelukkige, terwijl hij zijn antwoord met een
+toestemmend knikken vergezelde.
+
+"Welnu," vervolgde het meisje, terwijl zij eerst de bloemen in een
+hoek van den kerker plaatste: "hier is brood en water, doch ik heb
+nog wat anders voor u meegebracht: zie hier een stuk kaas."
+
+"Kaas!" zeide Adel, met een vrij welluidende stem, en nam gretig het
+aangeboden stuk in zijn magere handen.
+
+"Hoe nu!" hernam Aafke, terwijl ze hem verhinderde het dadelijk te
+verslinden: "hebt gij reeds weder vergeten dat gij God om Zijn zegen
+daarover bidden moet?"
+
+De ongelukkige voelde zich wel is waar teleurgesteld, doch legde het
+stuk niettemin dadelijk naast zich neder, vouwde de handen, deed de
+oogen dicht en bad luid: "Goede God! geef Uw zegen over dit voedsel."
+
+"Eet nu eerst dit stuk brood," zeide het meisje weder. De gevangene
+voldeed hieraan, en weldra had hij het karige, doch voor hem
+uitmuntende maal, met ongeloofelijke graagte verslonden. Toen hij de
+laatste bete genuttigd had, vouwde hij uit eigene beweging nogmaals
+de handen, sloot de oogen weder, en dankte op dezelfde wijze als hij
+gebeden had.
+
+"Zoo is het goed!" zeide het meisje: "En nu, daar gij zoo wél onthouden
+hebt wat ik u leerde, zal ik u ook eens wat moois laten zien dat die
+goede God gemaakt heeft." Zij nam het mandje met bloemen, plaatste zich
+naast den bewoner van dit sombere verblijf op het strooleger, nam toen
+een fraaien tros seringen, en hield hem dien voor de oogen..... Adels
+gelaat verkreeg, op het zien der schoone bloemen, eene uitdrukking
+van kinderlijke blijdschap. "Mooi!" zeide hij, en vervolgde, telkens
+zijne woorden afbrekende: "Mooi.... Adel hebben,.... moois van goeden
+God,.... Aafke gekregen!"
+
+"God schenkt dit aan al zijne schepselen," hernam het meisje: "en
+Hij wil het ook aan u geven, daarom heeft Hij u, nu Mechteld dood is,
+mij tot verzorgster geschonken."
+
+"Mechteld!" riep Adel met een akelige stem, terwijl hij over zijn
+geheele lichaam rilde.
+
+"Neen, wij zullen niet meer aan haar denken,'" hernam Aafke
+medelijdend: "Zij is dood, en God zal haar het kwade vergelden,
+dat zij u gedaan heeft."
+
+Intusschen had de ongelukkige Adel de bloemen reeds alle met verrukking
+beschouwd en om zich heen geschikt. De liefderijke verzorgster ging
+voort met hem op de schoonheid er van opmerkzaam te maken, verhaalde
+hem voortdurend van de wonderen Gods, en vroeg hem eindelijk: "En zoudt
+gij ook niet gaarne die aarde zien, waar al dat schoone op groeit?"
+
+Adel begreep niet recht wat het meisje daarmede wilde zeggen, en zag
+haar vragende in de oogen.
+
+"Ziet gij dien blauwen hemel wel?" ging zij voort, naar het getraliede
+venster wijzende: "Daarboven is God, en Hij kan u ook dáár brengen
+als Hij dat goed vindt."
+
+"Gaan! dáárheen gaan!" zeide de jonkman terwijl hij den hals uitrekte.
+
+"Luister!" vervolgde Aafke: "die God wil u daar ontvangen, doch dan
+moet gij ook Zijn heiligen Zoon bidden, dat Hij u komt verlossen."
+
+"Verlossen!" zeide Adel weder en strekte zijne armen naar de opening
+uit.
+
+"Zoo moet gij dikwerf bidden," zeide het meisje: "en dan zal God u van
+den booze bevrijden," doch eensklaps sprong zij verschrikt op, want
+duidelijk hoorde zij een zwaren tred van de trappen naar beneden komen.
+
+In haastige drift gaarde zij terstond de verspreide bloemen bijeen,
+wierp die in den spijskorf, en was juist daarmede gereed, toen Rosio
+zich aan den ingang vertoonde.
+
+"Geloof vrij, Adel!" zeide het meisje nu luide: "dat ik u ditmaal voor
+het laatst tot het gebruiken der spijzen heb aangemaand. Ik doe het
+niet meer, en dan kunt gij ondervinden wat het zegt den hongerdood
+te sterven!" Vervolgens keerde zij zich naar de deur, en hield zich
+alsof zij verschrikte, toen zij den rentmeester ontmoette.
+
+Adel verstond de laatste snel gesprokene woorden van zijne weldadige
+verzorgster niet, maar hield steeds het hoofd en de handen naar het
+venster uitgestrekt; doch zoodra hij bemerkte, dat Aafke vertrokken
+en Rosio den kerker was binnengetreden, kromp hij in een, en verborg
+het hoofd tusschen de knieën.
+
+"Ik beveel u te eten!" sprak Rosio: "of ik zal u een kost geven,
+die u minder smaken zal. Op deze wijze, verstaat gij?" en hij toonde
+het ongelukkige wezen een stuk touw, in welks einde een dikke knoop
+was gelegd.
+
+Adels angstig gekerm klonk door het hol; en nadat Rosio nog een
+bespiedenden blik door den kerker had geworpen, verwijderde hij zich,
+sloot de deur zeer zorgvuldig dicht, en trad weinige minuten daarna
+het vertrek der gravin Van Bergen binnen.
+
+"De hemel mag weten," ving hij aan, terwijl hij zich verstoord op
+een stoel wierp: "wat sedert Mechtelds dood, zulk eene verandering
+bij dien Adel heeft teweeggebracht. Sinds Aafke hem verzorgt is hij
+dezelfde niet meer."
+
+"Wellicht is dit toe te schrijven aan den indruk, dien een jonge
+vrouw op hem maakt," zeide de gravin.
+
+"Hetgeen gij vooronderstelt Mathilde, kan er geenszins de oorzaak van
+zijn," hernam de gunsteling: "Van liefde kan hij in zijn kindschen
+staat onmogelijk eenig gevoel hebben. Neen, de veranderingen, die ik
+bij hem bespeur, zijn ook van een anderen aard. Bij kastijding biedt
+hij geen den minsten wederstand meer. Hij is gedwee, en hoewel het
+meisje verzekert dat hij meermalen weigert spijze te nemen--hetgeen
+hij vroeger nimmer deed--ziet hij er toch bijzonder goed uit; doch wat
+mij het meest verwondert, is, dat zijne vroeger onverstaanbare klanken,
+thans in goed verstaanbare woorden herschapen zijn. Zeer toevallig heb
+ik hem eenige woorden hooren zeggen, en indien ik mij niet bedrieg,
+dan heeft hij zelfs het woord verlossing geuit."
+
+"Dan zijn wij op weg om door die ellendige huichelaarster verraden en
+verkocht te worden," borst de gravin los: "Heeft uw sluwe blik dit
+niet eerder bespeurd? Heeft die eenvoudige deerne u dan reeds bijna
+twee maanden om den tuin geleid? Tegen mijn wil, hebt gij dat kind voor
+een vertrouwde in de plaats gesteld! Ik heb het u afgeraden, doch gij
+waart verzekerd, dat uw ellendig sprookje, van een gevallen zondaar
+die de kerk ter loutering, onder 't zegel der diepste geheimhouding,
+aan ons ter bewaking zou hebben toevertrouwd, ten volle door haar
+geloofd werd. Kleeft haar vader niet de kettersche gevoelens aan,
+en is misschien de dochter daar ook niet mede besmet? Gij hebt dwaas,
+ellendig dwaas gehandeld Rosio! De knaap sprak nu reeds van verlossing;
+wie anders dan het meisje kan hem die denkbeelden hebben ingegeven? Is
+dát uwe waakzaamheid? Oogenblikkelijk moet gij voor andere oppassing
+zorgen, of anders zal ik zelve die taak op mij nemen. Wat het meisje
+aanbelangt, gij zult met haar spreken; gij zult haar uw sprookje
+waarschijnlijker maken, haar uwe vermoedens mededeelen, en haar onder
+het oog houden, dat zij de grootste zonde begaat, met een, door God
+veroordeelde, liefderijk te behandelen. Neen! het voorwerp mijner wraak
+zal geen verzachting in zijn lot ondervinden," ging zij met gloeiende
+wangen voort: "maar dit zeg ik u: verzeker u van de stilzwijgendheid
+der ontslagene verzorgster, eer zij ons heeft verraden!"
+
+"Gij hebt gelijk!" antwoordde de rentmeester, door den woordenvloed
+der boosaardige vrouw van zijn stuk geraakt: "Nog dezen avond
+zal ik voor Aafkes stilzwijgendheid en voor hare plaatsvervanging
+zorgen. Verontrust u niet; tot hiertoe weet ik dat zij nog niemand
+deelgenoot heeft gemaakt van hetgeen zij gezien en vernomen heeft;
+de betrekking van haar vader hing van hare stilzwijgendheid af. Ik
+zweer u Mathilde, zij zal niet spreken, en nog dezen avond rijd ik
+naar de Roemer, om u spoedig eene goede plaatsvervangster te bezorgen."
+
+Het was de dochter van den hovenier niet mogelijk den slaap te
+vatten. Verscheidene malen wendde zij zich op hare legerstede om, doch
+tevergeefs; telken reize hoorde zij nog de schrikkelijke bedreigingen,
+die de rentmeester der gravin haar dezen middag had toegesproken. Zij
+mocht den ongelukkigen Adel niet meer bezoeken! Goede God, en alles
+wat zij met zooveel moeite had opgebouwd, en die gevoelens, welke zij
+met zooveel inspanning bij hem had zoeken aan te kweeken, dat alles
+zou nu op eenmaal weder afgebroken en verwoest worden!--En waarvoor
+versmachtte dat ongelukkige wezen daar dan zoo wreedaardig in dien
+schrikkelijken kerker? Neen, het kwam haar nu duidelijk als ongerijmde
+logentaal voor, dat dit goede zwakke schepsel een kind des duivels zou
+zijn; dat dit zachte lijdzame wezen, reeds bij zijne geboorte zijne
+moeder zou hebben gevloekt en om het leven gebracht. Waarom dan de
+vrees van den rentmeester, dat zij die eenvoudige waarheid aan anderen
+zou mededeelen? Waarom moest zij voor iedereen, zelfs voor haar vader
+verbergen, dat zij een schepsel verzorgde, die voor zware zonden boete
+deed? En gesteld dit ware zoo, vervolgde het meisje bij zich zelve, nog
+niet geheel ontdaan van de wanbegrippen der bijgeloovigheid. Gesteld
+het ware werkelijk een verworpen wezen, een gevallen engel, dien God
+op de wereld teruggezonden had om smarten en pijn te lijden, zou het
+dan niet des Hemels doel zijn geweest, om hem hier weder op te voeden
+en geschikt te maken voor den gelukstaat waarvan hij helaas, vervallen
+is? Moet men hem dan maar aan zijn rampzalig lot overlaten?--"O goede
+hemelsche Vader!" bad zij in stilte: "doe mij naar Uw wil handelen,
+en leer mij mijn plicht kennen!"
+
+Doch eensklaps werd het meisje weder angstig bevreesd; nogmaals
+herinnerde zij zich de vreeselijke bedreiging, die Rosio over haar
+had uitgesproken, indien zij verried wat, volgens zijn zeggen,
+voor de wereld geheim moest blijven. En reeds had zij dat bevel
+overtreden. Reeds weken geleden had zij de geschiedenis, zooals
+Rosio die verhaalde, en het lot van den rampzaligen Adel, aan een
+vreemdeling medegedeeld, en had zij voor hem om redding en bescherming
+gesmeekt. Wat stond haar te doen? Hevig woedde in haar binnenste
+de strijd tusschen waarheid en bijgeloof, tusschen medelijden en
+bezorgdheid voor het lot harer naaste betrekkingen, tusschen een
+natuurlijk gevoel van plicht en de ontzaglijke bedreiging van den
+man, dien men op de Blankert reeds gewoon was als heer en meester
+te beschouwen. Wat in haar overwonnen had, wist zij zelve niet,
+want het strijdvoeren werd hoe langer hoe flauwer, het strijdperk
+werd met een dichten zwarten sluier bedekt. Een vaste slaap had de
+oogleden van het meisje dichtgedrukt.
+
+
+
+Het begon reeds schemeravond te worden, toen Rosio, op een kloek
+paard gezeten, de Blankert verliet. Een ronde hoed, waarvan de breede
+rand zijn gelaat schier geheel verborgen hield, bedekte zijn hoofd,
+en een groote bruine mantel hing van zijne schouders, over het paard,
+tot op zijne voeten neder.
+
+De avondlucht was vrij koel, en zoodra Rosio op den zandweg gekomen
+was, gaf hij zijn ros de sporen, en vervolgde in een gestadigen draf
+zijn weg.
+
+Bij het Steenen kruis sloeg hij links de populierlaan in, en
+berekende, dat hij, alzoo doorrijdende, binnen een uur aan de Roemer
+kon zijn. Deze herberg, welke op een kwartier uurs afstand van Leiden
+was gelegen, onderscheidde zich luttel van andere herbergen uit dien
+tijd. De vermoeide reiziger kon, bij een uitwendige beschouwing, weinig
+hoop voeden, in dien Roemer een zacht nachtleger te zullen aantreffen,
+want het perceel zag er deerlijk verwaarloosd en vervallen uit. De
+voorheen gepleisterde geval was thans geheel ontpleisterd. De vensters
+en luiken waren, evenals de kleine deur, geheel verveloos. De in
+lood gevatte glasruiten hadden voor 't meeren deel barsten, en waar
+het glas geheel ontbrak, was het door papier of invulsels van oude
+lompen vervangen, terwijl het meergemelde uithangbord nog slechts
+aan ééne kram heen en weder bungelde.
+
+Bij het binnentreden ontwaarde men een vrij sterke evenredigheid van
+het inwendige met het uitwendige. Het voorhuis, of de zoogenaamde
+gelagkamer, was slechts schaars van meubelen voorzien. Een groote
+bruingeverfde tafel stond midden in het vertrek. De zitplaatsen
+waren houten banken, benevens weinige stoelen met versleten biezen
+zittingen, en het eenige pronkmeubel was een geelgeverfde kast, waarop
+eenig blauw aardewerk prijkte. De vloer, van roode steenen eindelijk,
+was met fijn wit zand bestrooid, en achter de zitplaats der waardin
+stonden, op houten schappen, de schenkkannen, die met bier, jenever
+en brandewijn gevuld, op de komst van vermoeide reizigers wachtten,
+om hen met hun inhoud te laven.
+
+De beheerscheres van dit verblijf was eene vrouw van ongeveer zes
+en vijftig jaren. Aan haar gelaat kon men vrij duidelijk bespeuren,
+dat zij reeds lang gewoon was met lieden van den minsten slag om te
+gaan, en haar hoogroode kleur bewees dat het geenszins hare gewoonte
+was, om het gebruikelijke toebrengen van een roemer geestrijk vocht
+achterwege te laten.
+
+Op het oogenblik waarvan wij spreken, was er slechts één gast
+aanwezig, die, in een hoek gezeten, onder het genot van eene kan bier,
+zijne tabakswolken zat uit te blazen, terwijl de waardin zich juist
+knikkebollend eenige rust gunde, toen er vrij sterk aan de deur werd
+geklopt. De vrouw wreef zich de oogen; nam de lamp, die vóór haar
+op het aanrecht had staan branden, en vroeg met een schelle stem:
+wie binnengelaten wenschte te worden?
+
+"Een reiziger," was het antwoord.
+
+"Zeer goed," sprak zij; schoof toen spoedig de grendels der dubbele
+deur op zijde, en een vreemdeling trad de herberg binnen.
+
+"Kunt gij mij een nachtleger bezorgen?" vroeg de nieuw aangekomene.
+
+"Een kostelijk nachtleger zelfs, uw edelheid!" antwoordde de waardin,
+terwijl zij, na de deur te hebben gesloten, een stoel bij de tafel
+plaatste: "Ik zal u het opkamertje geven, daar heeft Casper voorheen
+altijd geslapen, doch nu is het onbezet daar hij,--de Hemel weet
+door welk toeval, levenloos in eene sloot is gevonden. Maar neem
+plaats!" vervolgde zij: "Uw edelheid schijnt zeer vermoeid. Zijt gij
+reeds ver gekomen? Doch wacht, ik zal u van die pakkage ontlasten;
+geef mij dat kistje maar in bewaring, edele heer!"
+
+De vreemdeling zag de vrouw met een angstigen blik aan. "Volstrekt
+niet," zeide hij, haar afwerende: "Neen, ik zal het zelf
+bewaren. Niemand ter wereld vertrouw ik dezen schat toe. Het éénige,
+wat ik bezit.... het éénige, wat mij nog is overgebleven, bevindt
+zich dáárin; nooit geef ik het uit mijne handen."
+
+De waardin nam den vreemdeling steelsgewijze van het hoofd tot de
+voeten op; sloeg een bespiedenden blik naar het voorwerp, waaraan de
+reiziger zooveel waarde hechtte, en ging toen vertrouwelijk voort:
+"Zooals gij wilt, edele heer! doch geloof mij, wat ik bewaar,
+is zeker en veilig; ik bewaak alles, wat mijn gasten toebehoort,
+steeds als ware het mijn eigendom."
+
+De vreemdeling evenwel, was geenszins geneigd zijn schat aan de
+bewaking der waardin over te geven, maar plaatste het kistje--dat
+tamelijk groot en vierkant, doch zeer plat en slechts uit ruw hout
+vervaardigd was--vóór zich op de tafel. "Geef mij wat brood en een
+glas bier," zeide hij: "doch maak spoed, want ik heb den geheelen
+dag nog niets gebruikt, en verlang zeer naar rust."
+
+"Ik zal er uw edelheid een goed stuk gerookte ham bij geven," sprak
+de waardin, en spoedde zich om het gevraagde in gereedheid te brengen.
+
+De reiziger, die door de kasteleines gedurig met den titel van "uw
+edelheid" was vereerd, onderscheidde zich wel door een meer beschaafd
+voorkomen van de gewone bezoekers dezer herberg, doch had evenwel
+het voorrecht niet een edelman te zijn; zelfs gaven zijne gelapte
+kleederen en versletene schoenen hem zeer weinig het aanzien tot een
+stand te behooren dien de waardin hem toekende. Zijne oogen waren
+klein, en schitterden nu eens van een levendig vuur, en staarden dan
+weder somber en dof op zijn schat.
+
+"Komt gij reeds ver vriendschap?" vroeg de man, die tot dusverre door
+den vreemdeling niet was opgemerkt.
+
+De aangesprokene wendde zich tot den vrager, en antwoordde, terwijl
+hij de handen op het vóór hem staande kistje legde: "Dezen morgen
+ben ik van Utrecht gegaan, en hoewel ik gedacht had nog van avond
+Den Haag te zullen bereiken, gevoelde ik mij, tot hier gekomen,
+te vermoeid om mijn weg te vervolgen."
+
+"Gij kondt ook niet beter doen dan bij vrouw Barbara uw intrek te
+nemen," hernam de man: "zij heeft goeden brandewijn en geeft volle
+maat."
+
+De vreemdeling antwoordde niet.
+
+"Komt gij reeds verder dan 't Sticht?" ging de vrager voort.
+
+"Uit het Luiksche!" was het bescheid.
+
+"Ha! zoo!" hervatte de man weder: "Dat moet een goed land zijn. De
+bieren zijn daar kostelijk en niet duur; ik heb dikwijls van de
+Brabantsche bieren hooren spreken. Ons brouwsel is ellendig bitter of
+zuur; ik kan het er niet bij houden. Wat den brandewijn betreft, die is
+redelijk. Hé kameraad, gij moest mij eens op een slok onthalen?--Gij
+hebt...." hier werd de spreker eensklaps gestoord door een krachtig:
+"Doe open!" van buiten, en vrouw Barbara, die juist met het door
+den vreemdeling bestelde kwam aandragen, plaatste dit spoedig op de
+tafel, en, na een kort bescheid op de gebruikelijke vraag: "Wie is
+daar?" opende zij de deur, en ontwaarde iemand te paard, die, in een
+langen mantel gehuld, voor de herberg had stil gehouden.
+
+"Heer in den Hemel!" riep de waardin, toen zij den ruiter bij het
+schijnsel der lamp herkende: "Wie had gedacht dat...."
+
+"Stil!" fluisterde de man te paard, die de rentmeester Rosio was:
+"Stil! Is er volk in de gelagkamer?"
+
+"Er zijn slechts twee manspersonen," hernam vrouw Barbara insgelijks
+zacht: "doch zij zullen zich spoedig ter rust begeven. Blijft mijnheer
+de rentmeester dezen nacht in mijn herberg?"
+
+"Neen," antwoordde Rosio: "ik kom u slechts over eene zaak van
+belang spreken. Houd u alsof gij mij niet kent en breng het paard
+in het schuurtje." "Zeer wel!" zeide de waardin. Rosio stapte af,en
+terwijl de vrouw het doornatte beest naar het schuurtje bracht,
+trad de eerstgenoemde de gelagkamer binnen.
+
+De jonge vreemdeling--want ouder dan hoogstens acht en twintig jaren
+was hij niet--had intusschen de spijzen naar zich toegetrokken, en
+was bezig ze met eene hoogst natuurlijke graagte te nuttigen. De man,
+die hem even te voren om een dronk gevraagd had, sloeg hem met een
+wangunstig oog gade, en beiden beantwoordden slechts vluchtig den
+groet, dien Rosio hun bij het binnentreden had toegeworpen.
+
+"Welnu!" hervatte de man, toen Rosio gezeten en Barbara teruggekomen
+was: "Welnu kameraad! wat dunkt u van den slok brandewijn? 't Zal uwe
+gezondheid zijn. Ik ben maar een arme duivel, een ellendige platzak,
+en gij kunt het zeker wel missen, want naar het schijnt hebt gij nog
+al kostbare zaken in uw bezit."
+
+"Ik heb ternauwernood genoeg om morgen de waardin te betalen,"
+antwoordde de jonge reiziger.
+
+"Dan zal ze dat vrachtje wel in betaling willen nemen," bromde de man,
+en sloeg een begeerigen blik naar het bedoelde kistje.
+
+De tegenwoordigheid der beide mannen beviel Rosio niet, en hoewel het
+te vermoeden was dat de jonkman spoedig zijn nachtleger zou opzoeken,
+zoo vreesde hij toch, dat de ander met zijn ongeleschten dorst nog
+lang hunkerend naar een dronk zou blijven uitzien. Hij wenkte daarom
+de waardin: fluisterde haar iets in het oor, en deze zeide daarop
+tot haar eersten gast:
+
+"Welnu, Aaij (Arie), deze heer kan niet zien dat iemand dorst lijdt;
+hij zal u een glas brandewijn geven, onder beding, dat gij zijnedele
+niet meer lastig valt, maar spoedig naar bed zult gaan, want het
+is hem onmogelijk in uw tabakswalm te blijven zitten. Uw mond is,
+bij mijne ziel! ook niets anders dan een eeuwig rookende schoorsteen."
+
+"Tap op dan, oude tooverkol!" zeide Aaij, zeer tevreden met
+de aanbieding der waardin, en nadat hij zich nog eenmaal in een
+zwarte rookwolk had gehuld, stak hij het dikke aarden pijpje in een
+pijpendoosje en vervolgens in den zak van zijn wambuis.
+
+De jonge vreemdeling had inmiddels, na zijn maal geëindigd te hebben,
+het houten kistje geopend, en beschouwde door een nauwe opening van
+het deksel, den inhoud met een paar oogen, als waarmee de vrek zijn
+stapels goud schijnt te verslinden. Rosio kon, schuins achter hem
+gezeten, den inhoud gedeeltelijk ontwaren; doch Aaij,die tegen het
+deksel zag, had gaarne zijn slok gegeven als hij mede eens even dien
+kostbaren schat had mogen beschouwen.
+
+"Dat schijnt een zeer fraai kunststuk te zijn," ving Rosio aan,
+die, zijne plaats verlaten hebbende, achter den jonkman had post
+gevat. Deze, niet vermoedende dat men hem gadesloeg, zag verschrikt om,
+en den man met den ronden hoed achter zich bemerkende, riep hij met
+vonkelende oogen: "Schoon! Schoon! O! niemand dan ik alleen doorgrond
+de schoonheid van dit stuk, het is meer dan een aardsch wezen, het
+is een engel! Zie," vervolgde hij, en lichtte het deksel wat hooger
+op: "zie, hebt gij op aarde ooit zulk een wezen aanschouwd? Nooit,
+nietwaar? O neen! dat is het goddelijk vermogen der kunst, de
+kracht der verbeelding! Hebt gij ooit zooveel schoonheid, zooveel
+lieftalligheid en hemelsche reinheid tevens, in één menschelijk wezen
+vereenigd aangetroffen?"
+
+Rosio, die het schilderstuk, dat een madonna met het kind voorstelde,
+nauwkeurig beschouwde, meende echter voor zichzelven die trekken te
+herkennen, en antwoordde op de ontboezeming des jonkmans:
+
+"Voorzeker moet ik bekennen dat het wezen der Heilige Maagd zeer
+schoon en bevallig mag genoemd worden, doch bovenaardsch is het niet,
+ik, ten minste, meen mij deze trekken zeer duidelijk te herinneren."
+
+"Gij meent," hernam de vreemdeling met een sombere melancholieke
+stem: "Ik meende ook, doch helaas! het was een droom, niets dan
+een droom! Gij bedriegt u, het is een ideaal, eene fantasie, het
+uitvloeisel eener opgewonden verbeelding. Nooit heeft de groote Raphaël
+voorheen zulk een oogenblik gehad." De jonkman beschouwde nogmaals het
+bekoorlijke beeld, en deed toen het deksel van het kistje behoedzaam
+weder dicht.
+
+--Een Raphaël d'Urbino! dacht Rosio. "Voorzeker," zeide hij overluid:
+"deze Madonna moet dan wel zeer kostbaar zijn; die stukken hebben,
+naar ik vermeen, een groote waarde?"'
+
+"Met geen schatten ware mij dit te betalen!" hernam de vreemdeling:
+"eer zal ik van ellende en gebrek omkomen, dan deze beeltenis, tot
+welken prijs ook afstaan."
+
+Spoedig na dit gesprek gaf de jonge vreemdeling te kennen dat hij
+zijne slaapplaats wenschte op te zoeken; de waardin draalde niet aan
+zijn verlangen te voldoen, maar opende de deur van het opkamertje,
+en wenschte den edelen heer een goeden nacht.
+
+Aaij was bij het laatst gesprokene een aandachtig toehoorder geweest,
+en toen hij den vreemdeling zijn slaapvertrek zag binnentreden, nam
+hij het edelaardig besluit, om den zwakken reiziger zijn verderen
+tocht te verlichten, door hem van dat kostbare vrachtje te ontlasten.
+
+Ook hij begaf zich weldra naar zijn slaapplaats. Vrouw Barbara wees
+hem daartoe den kleinen zolder aan, die slechts met een verganen
+plankenvloer van de gelagkamer gescheiden was. Toen de waardin zich
+verwijderd, en Aaij de lamp had uitgeblazen, ontwaardde de laatste
+een breede spleet in den vloer, waardoor hij alles kon zien wat er
+beneden hem voorviel, en zag nu al spoedig zeer duidelijk dat de man
+met den bruinen mantel in een geheimzinnig onderhoud met de waardin
+was getreden.
+
+"Neen! Neen mijnheer!" hoorde Aaij de vrouw zeggen: "ik dankte voor
+dertien jaren de Heilige Maagd dat ik dat postje kon overdoen, ik heb
+toen zes jaren achtereen reeds angst genoeg uitgestaan, en het heeft
+mij in dien tijd menigen droppel zweet gekost, maar nu... Ik heb er
+het mijne van!"
+
+"Gij zijt een zot wijf, Barbara!" antwoordde Rosio zeer zacht: "Wie
+is er beter voor berekend dan gij? Werd u die angst niet ruimschoots
+betaald, en kunt gij niet op een nog ruimere belooning rekenen,
+wanneer gij thans uw vroegere voogdijschap herneemt?"
+
+"Ja wat die belooning aangaat," bromde de waardin: "die was, bij
+mijne ziel! karig genoeg. Wat zeggen die weinige kronen! Het grootste
+gedeelte heb ik aan aflaten verknoeid om der ziele wil; maar nu, om
+mij nogmaals te verbinden! neen, zie, daar kan ik tot mijn leedwezen
+niet toe overgaan."
+
+"Gij vergeet, Barbara," hernam Rosio: "dat gij u een goeden ouden
+dag bezorgt. Op de Blankert hebt gij alles wat uw hart kan begeeren,
+terwijl hier...."
+
+"Ik ben aan de Roemer gehecht," viel de waardin hem in de rede:
+"Ik ben hier geboren, en wil ook, dat mijn zondige ziel van hier
+zal verhuizen."
+
+"En zoo u dan eens in 't vervolg de jaarlijksche toelage ontnomen
+werd?" hervatte Rosio: "Zoo de gravin u eens zonder ondersteuning
+liet? Geloof vrij, Barbara, gij zoudt weldra in uw bijna altijd
+ledigen Roemer van gebrek en ellende moeten omkomen."
+
+"Omkomen? omkomen?" riep de waardin met een vrij sterke stem:
+"Ja, dat geloof ik, maar dan," en zij grinnikte kwaadaardig: "dan,
+bij mijn zondige ziel! zou de duivel u vooraf aan het rad of aan de
+galg gebracht hebben. Neen, brave heer Rosio," ging zij zachter voort:
+"daarvoor is Barbara te oud en verstandig geworden. Uw geheugen schijnt
+u ontrouw te zijn, want dáár," en zij wees op de geel geverfde kast:
+"dáár zijn de stukken die tegen U zouden kunnen getuigen. Als ik
+hier van gebrek omkom, zal úw lichaam reeds tusschen lucht en aarde
+gedwarreld hebben, en mogelijk zou dit voor mijn zondige ziel in het
+loutervuur van een groote waarde zijn."
+
+"Bedaar! bedaar!" zeide Rosio op vriendelijker toon: "Welk een zotte
+taal voert gij nu! Gij spreekt als ware u reeds het grootste onrecht
+geschied. Zoo gij zelve niet wilt, welnu, de gravin Van Bergen zal
+uwe diensten daarom niet vergeten. Geef ons slechts goeden raad. Zend
+ons een vertrouwd persoon; gij hebt toch wel kennissen van dat soort;
+en wat die papieren aanbelangt...."
+
+Hier kon Aaij niet verder onderscheiden wat er gesproken werd,
+doch steeds met zijn oog door de reet van den vloer glurende, zag
+hij Rosio kort daarop zijn afscheid nemen, en hoorde hij weder eenige
+oogenblikken later het hinniken van een paard, hetwelk den rentmeester
+naar het kasteel de Blankert terugvoerde.
+
+Hoewel het gevoerde gesprek voor Aaij weinig belangrijks had
+opgeleverd, zoo was toch zijne nieuwsgierigheid opgewekt, en gevoelde
+hij een sterke neiging, om de stukken te bezichtigen, die, volgens
+Barbara's woorden, zoo krachtig tegen dien heer konden getuigen.
+
+Weldra werd het geheel stil in de kleine woning; de waardin had
+zich ter rust begeven, en niets liet zich hooren dan het afwisselend
+geblaf van eenige honden, die elkander van de naburige pachthoeven
+toespraken. Behoedzaam trok Aaij nu zijn dikke lederen schoenen uit, en
+sloop, met nauwelijks hoorbaren tred, de steile zoldertrap af. Spoedig
+bevond hij zich in de gelagkamer, en zag bij het schijnsel der maan,
+dat door de luikgaten naar binnen drong, de aangeduide kast, waarin
+zich die belangrijke stukken moesten bevinden. De behendigheid,
+waarmede Aaij, met behulp van een ijzeren haakje, het slot deed
+openspringen, bewees genoegzaam, dat hij dit handwerk niet voor de
+eerste maal verrichtte.
+
+De inhoud van het ontsloten meubel leverde echter, buiten hetgeen
+hij er voornamelijk ging zoeken, weinig belangrijks op. Een zilveren
+Christusbeeldje met wijwatersbakje van hetzelfde metaal, keurde hij
+het meest zijner aandacht waardig, en deed beide derhalve in zijn
+zak verdwijnen; de breekbare voorwerpen, waarmede de kast verder voor
+het grootste gedeelte was opgevuld, hadden voor hem weinig waarde en
+zouden ook moeielijk te vervoeren zijn. Zijne nasporingen bepaalden
+zich dus alleen tot de genoemde papieren. Het slot eener kleine lade
+week eveneens spoedig voor de macht zijner kunstbewerking. De inhoud
+van deze lade was meer naar zijn zin. Eenige goudstukken, door de
+spaarzame waardin bijeengegaard blonken hem vriendelijk tegen, en
+zonder bedenking deed hij die insgelijks naar zijn zak verhuizen. Zoo
+voortsnuffelende, ontdekte de sluwe dief nog een kleinere verborgene
+lade, en toen hij deze geopend had, vond hij tot zijne blijdschap
+eene rol papieren, die zonder eenigen twijfel de bedoelde bewijzen
+zouden bevatten.
+
+Dat is één! zeide Aaij bij zich zelven, toen hij een en ander
+zorgvuldig bij zich had gestoken en de kast weder in het slot deed
+springen: Nu den anderen schat! en even behoedzaam ging hij de vier
+aan het kelderluik bevestigde trappen op, en trad met ingehouden adem
+het slaapvertrek des jongen vreemdelings binnen.
+
+Een diepe slaap had zich van dezen meester gemaakt. Het houten kistje,
+dat Aaij tevergeefs op stoel en tafel zocht, ontwaarde hij eindelijk in
+de bedstee des jonkmans. Voorzeker had deze, toen hij zich ter ruste
+had nedergelegd, het in zijn arm gehouden, doch, ingeslapen zijnde,
+het weder losgelaten.
+
+Met een ongeloofelijke voorzichtigheid maakte de nachtelijke dief
+zich van het kistje meester; opende het; nam het schilderstuk er uit,
+en legde toen het ledige voorwerp, ofschoon goed gesloten, weder
+even voorzichtig op den arm des slapenden neder.--Nauwelijks had hij
+echter den stoutmoedigen diefstal gepleegd, of de vrees bekroop hem,
+dat de vreemdeling zou ontwaken. Deze toch maakte een lichte beweging;
+greep met beide handen naar het ledige omhulsel van zijn dierbaren
+schat, en lispelde zacht, als zong hij een klaaglied:
+
+
+ "Haar afscheid was een zoet vaarwel,
+ Zij drukte mij de hand en snel
+ Was zij van mij gegaan."
+
+
+--Droom genoeglijk voort, dacht Aaij, wiens vrees van ontdekt te
+zullen worden, door het weer rustig nederliggen des jonkmans geheel
+was geweken: Droom genoeglijk voort, en de hemel beware mij, dat die
+kostbare juffrouw ooit weder in uwe handen zal komen. Wel voldaan
+over den goeden uitslag van zijn nachtelijke huiszoeking, kwam Aaij
+op zijn zolderkamertje terug, en daar hij er geenszins op gesteld was
+de ontwaking der waardin af te wachten, stiet hij het zoldervenster
+open, sprong, met zijn buit beladen, naar beneden, en kwam, zonder
+eenig letsel, in het mulle duinzand neder.
+
+De zon stond reeds vrij hoog aan den hemel, toen de jonge
+vreemdeling--wien onze Lezer reeds lang zal herkend hebben--uit zijn
+vasten slaap verkwikt ontwaakte.
+
+Vrouw Barbara, die weinig vermoedde welk een jammerlijke ontdekking
+haar te wachten stond, was reeds eenige uren met huiselijken arbeid
+bezig geweest, en had zich juist verwonderd dat haar beide gasten
+zoolang sliepen, toen de vreemdeling haar uit zijn slaapvertrek te
+gemoet trad; zijn rekening met haar vereffende, en--steeds met zijn
+goed gesloten kistje onder den arm--al spoedig ook de Roemer verliet.
+
+De dag was zeer drukkend; geen windje bewoog de bladeren, geen tochtje
+verfrischte het met zweet en stof overdekte gelaat van den jongen
+kunstschilder. Evenwel stapte hij onvermoeid voort. In zijn rampzaligen
+toestand was het zijn eenige streven om toch zoo spoedig mogelijk Den
+Haag te bereiken, ten einde er aanstonds aangifte van het gebeurde
+te doen. Reeds was hij tot aan de laan van het Nieuwe Oost-Einde,
+op omstreeks een kwartier afstands van Den Haag gekomen, toen hij
+uit zijn droeve mijmering werd opgewekt, door het zien van een dikke
+stofwolk die zich in de verte vertoonde. Een fraai rijtuig met twee
+paarden bespannen, naderde al meer en meer. Een postiljon reed voorop,
+en in den wagen zelf was een edelman van reeds meer dan middelbaren
+leeftijd gezeten, die aan zijn linkerzijde eene schoone jonge dame had.
+
+"Welnu," zeide de edelman, die niemand anders dan de graaf Van Bergen
+was: "Welnu Gonne! dit toertje moet u wel bevallen. Gij geniet,
+dunkt mij, zoo, op een gemakkelijke en aangename wijze de buitenlucht."
+
+"Voorzeker lieve vader!" was Adelgondes antwoord: "Eene wandeling
+zou te vermoeiend zijn."
+
+"Vooral bij zulk drukkend weer," hernam Van Bergen: "het is waarlijk
+zoo warm alsof wij reeds in de hondsdagen waren.--Zie dien armen
+wandelaar dáár," vervolgde hij, Adelgonde op den zooeven door ons
+verlaten jonkman wijzende: "Zie eens, de zweetdroppels parelen hem op
+het gelaat. De arme drommel neemt ons wel nauwkeurig in oogenschouw."
+
+"Zijn doordringende blik jaagt mij bijkans vrees aan," zeide Adelgonde,
+en richtte hare oogen naar de andere zijde van den weg. Doch nauwelijks
+had zij opgehouden den reiziger aan te zien, of een kreet van:
+"Houdt op! Houdt op!" trof hare oogen.
+
+"Mijn ideaal! mijn droom! houdt op!" riep de jonkman nogmaals, en hield
+de armen naar het rijtuig uitgestrekt. Doch de postiljon, onmeedoogend,
+en niet geneigd aan de bede van den landlooper gehoor te geven, deed
+zijne zweep door de lucht klinken; de kloeke paarden renden rapper dan
+te voren, en weldra verdween het rijtuig weder in een dikke stofwolk.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+
+De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het
+begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten
+begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche
+gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot
+het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te
+onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen.
+
+Vooral op het punt van godsdienst--die voorname oorzaak van den
+Spaanschen krijg--vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen
+en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit
+zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat
+velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk
+af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de
+wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk
+zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in
+zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van
+Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins
+voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het
+einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en
+de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk,
+hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand
+werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de
+onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten
+van Herfstmaand mochten worden voortgezet.
+
+Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de
+verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn
+bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was.
+
+In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats
+zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een
+breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven
+het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of
+zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te
+zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren
+kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met
+weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte.
+
+Zijn twijfelmoedig karakter bracht hem tot den vruchteloozen wensch,
+dat hij nimmer dat land van geluk en zaligheid mocht aanschouwd
+hebben.--O! dacht hij: waarom moest ik ook herwaarts komen! Waarom
+moest ik hier eene vrouw leeren kennen, wier eerste blik een
+onuitwischbaren indruk op mijn hart heeft gemaakt! Waarom moest
+ik hier voor het eerst beminnen! Waarom haar beminnen, haar, die
+nimmer de mijne kan worden!?--"Kan worden?" ging hij,--de laatste
+woorden overluid met nadruk herhalende, voort: "Kan worden? Zou
+het mij volstrekt onmogelijk zijn dat paradijs te betreden? Is dat
+bekoorlijke wezen mij dan geheel onverschillig? Heeft zij een afkeer
+van mij....? Goddank, neen! vervolgde hij en trok een brief uit zijn
+fluweelen wambuis te voorschijn. Neen, deze regelen zelfs getuigen van
+liefde. Welke noodlottige bezwaren er ook, na onze laatste ontmoeting
+op den Oldenburgh, voor haar mogen ontstaan zijn, die woorden:
+"Ik min u!" heeft zij nog geenszins teruggenomen. Ik heb mij harer
+in dien tijd niet onwaardig gemaakt. Zie, hier staat het geschreven
+Zij noemt mij haar vriend, zij heeft denzelfden wensch gekoesterd als
+ik. O! dat zijn hare woorden: "Wij worden van elkander gescheiden. Ook
+voor mij is de droom onzer liefde in rook verdwenen."
+
+Zoo dacht Alonzo een geruimen tijd. Nu eens verwenschte hij zijn
+kleinmoedige voorbarigheid, en verweet zich zelven die schoone lelie
+een brief te hebben geschreven, waarin hij zich van hare liefde
+had zoeken los te maken, en wel om redenen die nimmer geldig konden
+zijn. Want meer dan kleinmoedig toch moest het haar voorkomen, dat
+hij, die haar waarachtig beminde, terugdeinsde voor een medeminnaar,
+dien hij wist dat hare liefde niet bezat en haar tevens onwaardig was.
+
+Dan weder bedacht Alonzo de ware reden zijner handelwijze: Adelgonde
+was eene dochter uit de heffe des volks, wellicht een kind der
+schande. De man, die haar zou huwen, de moeder van haren pleegvader
+zelve, hadden hem die noodlottige waarheid meegedeeld, en hij,
+Spinola, de stamhouder van dat aloude geslacht, de zoon van den
+markgraaf Ambrosio, kon, mocht hij die vrouw tot gade nemen? Nimmer
+zou zijn vader dit dulden. Geen naam, hun edelen stamboom onwaardig,
+zou ooit door hem gedoogd worden. De haat diens vaders, de minachting
+der gansche familie, onterving, ellende, armoede, dit alles zou zijn
+deel worden, hij kon, hij mocht aan zijn neiging geen voedsel geven,
+en toch,--toch beminde hij Adelgonde Van Bergen sterker dan te voren.
+
+De loop van Alonzo's gedachten werd eindelijk gestoord. De knecht
+uit de herberg van Gooswijn Meurskens, waar de markgraaf met een deel
+van het gezantschap zijn intrek had genomen, trad het vertrek binnen,
+en meldde iemand aan, die den jongen graaf wenschte te spreken.
+
+"Hoe is zijn naam?" vroeg de jongeling.
+
+"Ik weet het niet uw genade!" antwoordde de bediende: "Dezen morgen
+heeft die man hier zijn intrek genomen. Hij schijnt een reiziger te
+zijn die van verre is gekomen, en die, op het hooren van uw naam,
+mij verzocht heeft hem bij u aan melden."
+
+"Het is goed, laat hem hier komen!" zeide Alonzo.
+
+Het duurde niet lang of de bedoelde persoon trad met de vreemdste en
+nederigste strijkages Alonzo's kamer binnen.
+
+De man die, naar het uitwendige te oordeelen, weinig beschaving bezat,
+stak bovendien in een zonderlinge, zelfs kluchtige kleeding. Het gele
+met gouden boordsels omzette wambuis, was zijn bewoner veel te eng;
+de breede schouders dreigden het vaneen te scheuren, terwijl de ruwe
+handen en roode polsen zonderling uit de veel te korte mouwen te
+voorschijn kwamen. De broek daarentegen, die van rood fluweel was,
+had een verbazende wijdte en hing van achteren als een zak naar
+beneden. De beenen van den man staken in grijze wollen kousen, zijne
+voeten in open gele laarsjes, en op zijn hoofd prijkte een fluweelen
+baret, aan welks linkerzijde een groote witte veer golfde, terwijl
+hij op den linkerarm een grijzen mantel droeg, die in zeer breede
+plooi ter nederhing. Zijn groote knevels en breede baard waren van
+een donkere kleur, en onwillekeurig moest men de echtheid er van in
+twijfel trekken, wanneer men het stekelig gele hoofdhaar beschouwde,
+dat van onder den fraaien baret te voorschijn kwam. De degen, dien
+hij aan de verkeerde zijde had vastgemaakt, was voor zijn lengte
+omstreeks een halven voet te groot, zoodat alles te zamen niet kon
+nalaten een potsierlijken indruk te maken, en den binnentredende veel
+overeenkomst deed hebben met een figurant of koorzanger eener opera
+uit den tegenwoordigen tijd.
+
+Alonzo die niet wist wat hij met dit vreemde model had uit te staan,
+moest heimelijk glimlachen om de voortdurende strijkages, waarmee de
+man hem bleef begroeten; eindelijk echter, dit gebarenspel moede,
+begeerde hij te weten wat de bezoeker van hem verlangde of hem had
+mee te deelen.
+
+"Uw genade vergunt mij te spreken." ving de man aan, terwijl hij in een
+gebogen houding voor Alonzo staan bleef: "Welnu, dan moet ik uw genade
+zeggen, dat er ten alle tijde geesten zijn geweest, en dat er ook ten
+allen tijde geen geesten zijn geweest. Dat er ten huidigen dage groote
+geesten zijn, en dat er evenzeer ten huidigen dage geen groote geesten
+zijn. Uw genade ziet in mij een vereerder der geesten, en ik geniet
+het onuitsprekelijke voorrecht tot een kenner der geesten te spreken."
+
+Het sprak vanzelf dat Alonzo van dien zotteklap niets begreep,
+en het berouwde hem den zonderling bij zich toegelaten te hebben:
+"De onderscheiding die gij mij toekent is inderdaad vereerend,"
+zeide Alonzo: "doch ik moet u verzoeken mij zeer kort te zeggen wat
+gij verlangt."
+
+"Ik verlang iets en ik verlang niets," hernam de vereerder der geesten:
+"Het is aan u om te zien, te bewonderen en te verlangen. Weet dan uw
+genade! dat ik uit Italië...." doch hier kon de man, zoo het scheen
+niet verder gaan, want een vreeselijk hoesten en kuchen,--dat Alonzo
+niet recht kon onderscheiden of het gemaakt of niet gemaakt was,--brak
+zijne woorden af.
+
+"Gij komt uit Italië?" vroeg Alonzo, dien dat hoesten en kuchen wat
+al te lang duurde.
+
+Met verlof van uw genade!" hervatte de man, die inmiddels het
+spraakvermogen had terugbekomen: "Ik kom uit Italië, en ik kom niet uit
+Italië, in ieder geval echter is het een schoon land, rijk aan geesten,
+rijk aan vernuften! Italië is...." doch weer brak een hoestbui des
+redenaars woorden af.
+
+"Het is onnoodig mij dat land te beschrijven," hernam Alonzo:
+"ik ben er meermalen geweest, en zelfs in Italië geboren."
+
+"Uwe genade!? Gij?" zeide de man, tot bedaren gekomen, terwijl
+hij Alonzo nauwkeurig beschouwde: "Ik moet uw genade gelooven, en
+ik moet uw genade niet gelooven. De Italianen zijn immers van een
+zwarte gelaatskleur."
+
+Alonzo moest om 's mans uitgebreide volkenkennis onwillekeurig lachen;
+en deze, niet recht wetende waaraan zich te houden, vervolgde met
+een diep nadenkend knikken: "Voorzeker, uw genade heeft gelijk:
+de Italianen zijn zwart en zijn niet zwart, dit is ook tamelijk
+hetzelfde; doch hetgeen zij hebben voortgebracht, dat is schoon,
+dat is rein, dat is in alle deelen onnavolgbaar; denk slechts aan de
+groote geesten, die...." doch een nieuwe aanval van hoesten belette
+den spreker weder voort te gaan.
+
+"Het zal mij zeer aangenaam zijn," zeide Alonzo eenigszins gramstorig:
+"dat gij eindelijk ter zake komt. Hebt gij mij nog iets te zeggen?"
+
+"Ik heb uw genade nog iets, en echter niets meer te zeggen," hernam de
+man: "Ik bewonder het vernuft en bezit ook de uitvloeiselen van een
+Italiaansch vernuft. Ik wilde uw genade dit uitvloeisel aanbieden
+of niet aanbieden," liet hij er voorzichtigheidshalve op volgen:
+"maar in oogenschouw doen nemen; er met uw genade over handelen of
+niet over handelen. Ik bezit een echte, Italiaansche blanke Maria met
+haar Heiligen Zoon; een schilderstuk van groote waarde; geschilderd
+door den beroemden schilder Rachel d'Urbibo."
+
+"Een Raphaël d'Urbino!" zeide Alonzo verwonderd: "Is een stuk van
+die waarde uw eigendom?"
+
+"Zooals uw genade zegt, een Raphaël d'Urbino," antwoordde de man:
+"Het stuk is in mijn bezit, en is niet in mijn bezit. Ik ben met uw
+verlof vereerder der kunst en handelaar tevens. Vergun mij dat ik
+het u ter bezichtiging aanbiede."
+
+Alonzo was inderdaad een bewonderaar der schoone kunsten, en gaf
+derhalve zijn wensch te kennen om het werk van dien grooten meester te
+beschouwen. De kunsthandelaar aarzelde geen oogenblik aan de begeerte
+van den jongen Spanjaard te voldoen.
+
+"Het stuk is wel bewaard en niet wel bewaard," zeide hij, terwijl
+hij het uit de vreemde plooi van zijn grijzen mantel te voorschijn
+haalde. "Het is zaak met zulke voorwerpen van waarde voorzichtig te
+zijn. Men moet ze voor het oog der wereld verborgen houden en niet
+verborgen houden. De Hollanders," vervolgde hij: "waardeeren de geesten
+niet, maar uw genade, die een vreemdeling, een Spanjaard, of, met uw
+welnemen, geen Spanjaard, maar een Italiaan zijt, zult zien, bewonderen
+en de heilige beeltenis in eigendom wenschen te bezitten. Oordeel zelf,
+uw genade, heb ik gelijk of heb ik geen gelijk?"
+
+Alonzo sloeg een blik op het schilderstuk, 't welk de man thans met
+zijn beide handen naar voren hield, doch--ter nauwernood had hij het
+gezien, of hij sprong onstuimig van zijn zitplaats op, beschouwde
+de schoone Madonna met vonkelende oogen, en riep eindelijk, geheel
+buiten zich zelven: "Is het mogelijk! Gij!? Kerel! spreek.... lieg
+niet: waar hebt gij dit portret bekomen?"
+
+Een zoo overgroote verrukking had de aangesprokene zich niet durven en
+kunnen voorstellen. Die vraag trouwens, viel hem niet zoo gemakkelijk
+te beantwoorden.
+
+"Ik heb ... uw genade!...." ving hij aan, maar weder verhinderde zijn
+noodlottige borstkwaal hem verder te spreken, en Alonzo mocht bidden
+of dreigen, dezelfde akelige muziek was steeds zijn bescheid.
+
+"Dit stuk is nooit uw rechtmatig eigendom geweest," zeide de jongeling
+eindelijk, en trok het uit de handen van den kennelijk bedremmelden
+kunsthandelaar. "Ik gebied u te spreken!" vervolgde hij, den hoestenden
+roodbroek met een doordringenden blik in de oogen ziende: "Spreek
+zeg ik u: waar hebt gij dit portret gestolen?"
+
+Het woord gestolen, maakte een gewenschten indruk. "Gestolen!" zeide de
+man, zich herstellende: "Het is niet gestolen! Ik heb het, of liever
+ik heb het niet, maar een mijner vrienden heeft het uit de handen
+van den maker zelven, uit de handen van den heer Raphaël ontvangen."
+
+"Gij zijt een schurk!" riep Alonzo in woede: "Raphaël is reeds
+lang dood."
+
+"Met verlof uw genade," hervatte de man: "hij is dood en hij is niet
+dood. Hij leeft...."
+
+"Al leefde hij honderdmalen," viel Alonzo hem in de rede: "gij zijt
+een schelm en blijft een schelm! Pak u terstond van hier! Dit stuk
+is uw eigendom niet. Ik zal mij belasten om het aan den rechtmatigen
+eigenaar terug te geven."
+
+"Bedenk, uw genade," zeide de man weder, na driemalen gekucht te
+hebben: "bedenk toch dat het stuk mij behoort, en mij niet behoort,
+dat...."
+
+"Juist, omdat het u niet behoort, zal ik het in bewaring nemen,"
+hernam Alonzo: "Vertrek van hier! en zoo gij nog een oogenblik draalt,
+dan zal de gevangenpoort u dezen nacht ten herberg verstrekken!"
+
+Tegen deze laatste afdoende drangreden scheen de man niets in het
+midden te kunnen brengen; zonder een woord te spreken maakte hij dus
+een nederige buiging voor den jongen edelman, en verliet het vertrek,
+waar hij zijn Raphaël moest achterlaten.
+
+Nadat de heler van gestolen goed vertrokken was en aan zijn
+ambtgenooten zijn welslagen, of zijn niet welslagen, ging
+mededeelen, verloor Alonzo zich geheel in de beschouwing der schoone
+Madonna. Hetgeen hem bij den eersten aanblik zoozeer getroffen had,
+was de sprekende gelijkenis van dit portret met de schoone Adelgonde
+Van Bergen.
+
+Deze beeltenis was naar het leven gemaald. Dat waren de trekken der
+bekoorlijke Hagenlelie; de trekken der vrouw die hij aanbad.... Doch
+dat kind aan haren boezem!?.... Die zuigeling, waar zij met moederlijke
+liefde op nederzag?....
+
+Het was hem onverklaarbaar. Het was, naar zijne meening, eene
+ongerijmdheid.... Doch neen, een licht ging er voor den nadenkenden
+jongeling op. Deze beeltenis moest het portret van Adelgondes moeder
+zijn. Voor hem bestond er geen twijfel meer. Het oog der moeder,
+hoewel even helder en rein als dat der dochter, stond ernstiger. Met
+moederlijke bezorgdheid staarde zij op haren telg, en die uitdrukking
+van moederlijke teederheid, welke zoo duidelijk was wedergegeven,
+kon nooit de uitdrukking eener maagd zijn geweest.
+
+Dit was dan de moeder zijner onvergetelijke Adelgonde. Hier zag Alonzo
+dan nu de trekken voor zich van haar, aan welke die voortreffelijke
+bloem haar aanzijn verschuldigd was. En deze vrouw? deze fijn en
+edel gevormde vrouw,--was zij een dienstbare, eene vrouw uit den
+geringen stand, van armoedige geboorte geweest? Hadden die teedere
+handen, die fijne vingeren veelvuldigen arbeid gedaan? Had die
+reine ziel--want de blankste ziel teekende dat hemelsch gelaat--had
+die reine ziel hare eer, hare schaamte roekeloos der zinnelijkheid
+opgeofferd!?--Onmogelijk! dacht Alonzo: Dit wezen was rein, rein
+als de bloem zelve die uit haar is voortgesproten. Hemel! het was
+dan laster, Godtergende laster!?--En ik, die daaraan geloof heb
+willen slaan, zoo ging hij voort, terwijl zijne wangen van innige
+blijdschap en verlevendigde hoop gloeiden: Ik, die dit heb kunnen
+gelooven,--ik maakte mij schuldig aan heiligschennis; ik beschouwde
+den edelen diamant door de ruwe schors van afgunst en laster: maar
+thans, mijn geluk moet niet vernietigd worden, mijne hoop mag niet
+verloren gaan! De hemel zelf bracht mij tot de ware bevinding. Dit
+tafereel is de bode eener zalige toekomst geworden. De onoverkomelijke
+hinderpalen zullen wijken; zij zullen voorbijgaan voor de macht der
+liefde. Adelgonde leeft in mijn hart en zal de mijne worden!
+
+In een opgewonden gemoedsstemming liep hij het vertrek op en neder,
+en toen hij eindelijk onwillekeurig naar den vloer blikte, ontwaarde
+hij eene rol papier, die dicht bij de deur lag.
+
+Alonzo was begeerig te weten wat deze papieren zouden
+bevatten. Voorzeker waren zij, evenals het schoone portret, in de
+plooien van den grijzen mantel verborgen geweest en den ronselaar
+bij zijn overhaast vertrek ontvallen.
+
+Een vluchtige blik was hem reeds voldoende om te bespeuren dat de
+inhoud dezer papieren zijner aandacht overwaardig was. Hoe meer hij
+zijn onderzoek voortzette, hoe belangrijker ze hem werden. Zijne lippen
+beefden van verontwaardiging. Zijne oogen konden niet gelooven wat zij
+aanschouwden. "O mijn God! is het mogelijk!" riep hij eindelijk uit,
+en bedekte met beide handen zijn van aandoening, deernis en afgrijzen
+gloeiend gelaat.
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den
+dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst
+schouwspel op.
+
+De reis--welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn
+ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen--was door hem uit de
+gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs
+portret had ontvangen.
+
+Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging
+najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken
+omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die
+hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht,
+te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de
+nabijheid van het slot Aduaar zich ter ruste nedergelegd. Het schoone
+wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken
+droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven
+in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings
+hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van
+den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen,
+slechts met het portret der schoone, 't welk hij op zijn tocht steeds
+had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw
+Barbara's herberg zijn intrek nemen.
+
+Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid
+hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van
+Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen
+aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven.
+
+Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld,
+was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig
+zien henensnellen, 't welk háár met zich voerde die hij, reeds
+sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs
+wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te
+bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst
+had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik,
+waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof
+en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen,
+en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals
+de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel
+zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was.
+
+Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende
+oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende,
+en slechts een ledige ruimte ontwaarde.
+
+Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijnd
+zenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn,
+reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem
+aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne
+legerstede weder.
+
+Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen
+slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van
+leven gaf.
+
+Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van
+verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den
+ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken
+en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het
+zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak
+riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging
+van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een
+biddende bewaakster van den kranke maakte.--En hij? de kranke, die
+daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende,
+hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen
+had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De
+jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn
+aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn
+lichaam met een spoedig uiteinde.--En zij? Ook zij beminde oprecht;
+ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven
+allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar
+nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met
+betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van
+dien geliefde; en evenwel--hij begreep hare liefde niet; nog nimmer
+had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had
+tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den
+sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje
+moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde
+overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder!
+
+Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor
+het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te
+lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige
+droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren
+voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje
+speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren
+in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden
+haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid.
+
+"Hoe bevindt gij u Jakob?" vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare
+stem: "Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij
+stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt
+gij u ook iets beter. Is het niet zoo?"
+
+De schilder knikte toestemmend. "Het is voorbij," zeide hij na een
+kleine pauze, met zwakke stem: "De nevelen zijn opgeklaard.--Het is
+weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijn geest. Het
+is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven...."
+
+"Gij zult leven! Ja, dat zult gij!" zeide het meisje met innige
+verrukking.
+
+"Leven...., ja, leven.... dáár....," hervatte de jongeling, terwijl
+hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. "Hier op aarde was er voor mij
+geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik
+leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o
+rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde
+ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder
+als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O
+God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende
+Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij
+hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone,
+kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U,
+die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld,
+dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel
+eeuwig bij U zou leven!" Deze lange ontboezeming had den zwakken
+spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De
+ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken
+tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had
+sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar
+zijn lichaam--ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden
+der hartstochten daarbinnen--het lichaam gevoelde zich verlaten. Het
+was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof
+een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam
+verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar
+zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in
+eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats
+te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam
+geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren.
+
+Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder
+niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden
+gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans
+deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne
+dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en--die God zou hem
+vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou
+hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de
+oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij niet alleen
+beminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der
+stervelingen zijn.
+
+Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling
+reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad
+het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij
+onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan;
+hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en
+bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming
+en een eeuwig zalig leven.
+
+De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden
+van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang
+der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester
+uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist
+op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar
+die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke
+een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn
+geneesmiddel--dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend--te
+zien, kwam hij nu--den volgenden dag--in zijn voornoemde betrekking
+van geneesheer, den patiënt bezoeken.
+
+Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere
+waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn
+verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte
+hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen
+aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene
+uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren,
+dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren.
+
+Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in,
+welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met
+den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen--ten einde
+de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden--den pols, en zag
+daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden
+blik aan.
+
+"De pols slaat geregeld," zeide hij. "Uw bevinding is zeer juist. De
+lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze
+zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen
+kan dit evenwel geheel voorkomen.--Morgen hoop ik u volkomen hersteld
+te vinden," vervolgde hij tot den jongeling: "mijn geneesmiddel en
+de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp,
+de gezondheid wedergeven."
+
+Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder.
+
+Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte
+den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van
+innige blijdschap schitterden: "Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft
+gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?"
+
+"Buiten twijfel!" hernam de kleine geneesheer: "Een trouw gebruik van
+den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien,
+morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder
+dan te voren!"
+
+Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke
+uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven
+voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne
+zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en
+lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God
+had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de
+banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden
+gekluisterd; God zou hem doen leven, leven--om geluk en vrede te
+smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had.
+
+En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat
+de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.--Doch
+Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan
+die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien,
+die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden
+hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar
+loopbaan beginnen;--maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich
+rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven,
+maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die
+gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden,
+en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van
+Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt
+binnengevoerd.
+
+De avond begon te vallen.
+
+--De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje
+in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?--Hij
+ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan
+dit geneesmiddel.--Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo
+kalm.--Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling
+is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn
+mond, maar hoorde niets: "Jakob!" sprak zij met een angstige stem:
+"Jakob! ontwaak!"
+
+De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje
+met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder,
+en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was
+verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke
+met het eeuwige verwisseld.
+
+
+
+Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen
+naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige
+werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had
+trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had
+bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte
+gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan
+het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het
+schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween
+toen--om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden.
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De douairière Van Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen
+van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg
+de vurige slangen gade, die door het weerlicht aan den westelijken
+gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins
+de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten
+nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen,
+hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping,
+doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid.
+
+Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en
+verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor
+haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en
+plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter
+waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf. Het waren haat,
+nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil
+maakten. Zij moest, zij zou zegevieren!
+
+Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen
+en verdelgen! Verdelgen? Neen--de wraak moest voortduren. Hare
+slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed
+blijven bestaan!
+
+--Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt
+mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin,
+omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik
+heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd
+daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der
+Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en
+hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in
+erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in
+uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet
+gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen,
+dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat
+uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen!
+
+De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.--Dat zal Van
+Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het
+opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft
+hij mij iets belangrijks mee te deelen.
+
+Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later
+het vertrek binnen.
+
+De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan
+zijn tred volkomen herkend.
+
+"Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?" voerde zij den
+jonker te gemoet: "Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert
+gij op den Blankert zijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs,
+en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij
+avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het
+mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die
+donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender."
+
+"Inderdaad mevrouw," gaf Van Rodenberg--die inmiddels had plaats
+genomen, ten antwoord: "het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier
+ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eene verandering in
+mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven."
+
+"Eene verandering in uwe omstandigheden?" hernam de gravin: "Gij
+bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is
+de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil
+verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen
+verijdeld worden. Uwe belangen...."
+
+"Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende
+wijze behartigd," viel de jonker haar in de rede. "Zij schenen
+echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat
+huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen
+om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw,
+voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt
+gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare
+afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons
+verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat
+het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot,
+dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot
+elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw
+worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij
+mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb...."
+
+Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en
+terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde
+de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte
+woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar
+spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen,
+dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden,
+haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt.
+
+Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag
+opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het
+gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden
+omvatsels.
+
+"Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit
+zou vermogen," hervatte Van Rodenberg: "Ik heb echter in mijn belang
+gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige
+vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw,
+vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf
+van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten
+kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar
+levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd
+vroolijk leven werpen."
+
+"Hoe!" riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: "Gij
+wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!" zeide
+zij akelig lachende: "Ik zeg u neen!--Hetgeen ik bepaald, hetgeen
+ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gij moet mijn
+wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!" ging zij in
+één adem voort: "Gij weet niet waarom ik u tot mijn vertrouwde heb
+gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit,
+indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.--Gij
+zult mij gehoorzamen!" vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich
+in een dreigende houding voor den jonker plaatste. "Ik heb macht
+over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer,
+ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt."
+
+"Gij eischt van mij, mevrouw?" riep Van Rodenberg: "Waarachtig! mijne
+verwondering grenst aan verbazing. Wie--wát geeft u het recht om zóó
+tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt
+gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een
+der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gij mij de wet
+voorschrijven? wilt gij dit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den
+naam dien gij thans voert, eene.... Ha!" vervolgde hij lachende:
+"Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit
+echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het
+blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn." Na
+dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de
+deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep
+hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van
+Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen,
+dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten,
+en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer.
+
+"Blijf, ellendeling!" riep de nederliggende gravin: "toef, monster! en
+gij zult vernemen, wie gij...." doch het was haar onmogelijk voort te
+spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong
+een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde
+het vertrek, en de kreet van "Brand! Brand!" weergalmde eensklaps
+door het kasteel.
+
+
+
+Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde
+van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden
+kant, een geheel ander tooneel plaats.
+
+In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den
+hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee
+jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door
+de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een
+tralievenster greep.
+
+"Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen," zeide
+de man met de roeispaan.
+
+"Toch niet, edele heer," antwoordde de andere: "die bouten zijn
+slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de
+noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den
+weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg."
+
+Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en
+hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed
+geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden.
+
+De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening
+naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten
+de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het
+opengebroken tralievenster naar omlaag.
+
+Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken
+later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs
+geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden
+verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder.
+
+"Goddank!" riep de eerste spreker in verrukking: "De gevaarlijke
+arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat
+de ondeugd nimmer zegevieren!" Na deze woorden wendde hij zich nog
+eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn
+wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen. De schuit was
+daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde
+er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje,
+waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde.
+
+Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen
+te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur
+onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel.
+
+Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog,
+en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden
+der rollende donderslagen, den kreet: "Brand! Brand!" door de lucht
+weergalmen.
+
+Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was
+de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten
+in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend
+neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar
+boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan
+blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot
+oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk
+greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem
+dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres
+te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde.
+
+"Om Gods wil, red mij!" riep de gravin Van Bergen met heesche stem:
+"Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen
+omkomen! Walter! waar zijt gij?" riep zij angstig: "Ik zie u niet. Ik
+zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!"
+
+"Het is te laat!" zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende,
+met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: "Het portaal staat
+in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht
+door deze zijdeur," vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook
+deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in
+dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht
+te banen, doch een brandende balk, die met een geweldig gedruisch
+voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: "Aan
+ontkomen is niet te denken," riep hij de kermende gravin toe: "Er
+is geen uitweg meer dan alleen door dit venster." Met een krachtige
+hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: "De gracht is breed en
+diep," vervolgde hij: "doch slechts langs dezen kant is nog redding
+mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!"
+
+Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het
+water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins
+hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen,
+met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield:
+"Gij zult mij niet verlaten!" riep zij met bevende stem: "Gij zult
+mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet
+sterven!--Ik wil leven!--Ik moet leven! en zoo er voor mij geene
+redding is dan zult gij met mij vergaan!"
+
+De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de
+krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden;
+doch zijne pogingen waren vruchteloos.
+
+"Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!" riep de
+gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden
+jonkman staande hield: "Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen,
+aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in
+dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter,
+red mij!--want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt
+mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart
+uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om
+uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij--om Gods wil, red mij!--Neen,
+gij zult uw moeder niet vermoorden!"
+
+"Wijf! gij zijt razend!" riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet
+op zijn voorhoofd parelde: "Laat mij los zeg ik u!--Laat mij los!" riep
+hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde:
+"Gij liegt!--Ik uw zoon?--Bij God! neen, dat is gelogen!--Gij mijne
+moeder?--Ik een kind der schande?--Een basterd?--Wijf, gij hebt
+gelogen!" riep hij nogmaals: "Trek uwe woorden in; zeg dat gij
+onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik
+zal u redden!"
+
+"Mijn zoon! Mijn zoon!" riep de gravin smeekend en schier buiten zich
+zelve: "Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!"
+
+"Nogmaals dien naam!" brulde Van Rodenberg: "Weg van mij, verachte
+vrouw!" vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: "Weg
+van mij met uw ellendige logentaal!" en met een geweldigen ruk
+slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.--Zonder een
+oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in
+de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar
+de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke
+gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween
+zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam,
+en niets meer ontwaarde de jonker dan een witte strook, die nog een
+paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook
+voorgoed verdween.
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig
+ter oore gekomen.
+
+Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naar den
+Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen.
+
+Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De
+linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen.
+
+Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende
+puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats
+der vergankelijkheid.
+
+--O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich
+zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof,
+niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en
+fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en
+heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het
+nog weinige uren geleden stond.--Omstreeks twee eeuwen lang hebben
+stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe
+almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan
+stof is het wat daarvan overblijft!
+
+Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat
+kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen
+zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in
+kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder
+hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár
+was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den
+dood was ontrukt.
+
+--Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe
+schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende:
+Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is
+onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij
+U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U,
+o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het
+eeuwig verderf hebt vrijgemaakt.
+
+Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het
+kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man,
+die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg
+te ruimen.
+
+"Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?" kermde de
+ongelukkige hovenier: "Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onder
+dat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve
+dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?"
+
+Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten
+verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden.
+
+"Mist gij uwe dochter?" riep de graaf den vruchteloos zoekende toe:
+"Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave
+Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn."
+
+De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn
+arbeid voor een oogenblik gestaakt.
+
+"O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind
+te verliezen!" antwoordde hij met een tranenvloed: "Zij was zoo
+schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars
+levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar
+kastijdt?"
+
+Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook
+hij was dikwerf en bang beproefd.
+
+"Gods wegen zijn onnaspeurlijk," hernam hij op vertroostenden toon: "De
+Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!"
+
+Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs,
+en kwam weldra weder aan den linkervleugel.
+
+Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen
+op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de
+grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was,
+bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de
+dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of
+goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een
+volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was.
+
+"Ellendig volk!" riep hij den roofzuchtigen toe: "Slechts op
+eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht
+ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken,
+en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet
+langer. "Gij zult niet stelen," zegt de Heer. Ga!--Rijnveld zoekt zijn
+kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar,
+uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier
+zoekt."
+
+De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een
+gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de
+plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette.
+
+"Is de gravin aan het gevaar ontkomen?" vroeg de graaf aan een knaap,
+die weinige schreden van hem stond.
+
+"Zij is gered uw genade," antwoordde deze: "doch één oogenblik later,
+en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster
+in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen,
+hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade
+in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den
+schrik te boven komt."
+
+Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap
+te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den
+hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen
+hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een
+ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in
+hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs
+haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek
+binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind.
+
+"Ha, zijt gij daar, verrader!" riep zij hem toe: "Gij zijt het,
+gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen
+hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt
+gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd
+voor mijn toorn.--Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar
+toeft gij, Rosio?" ging zij, strak voor zich uitziende, voort: "Waarom
+aarzelt gij: Dien toe;--uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij
+kwijnt, zijn einde is nabij.--Hij sterft!--Wraak Van Bergen!--Wraak
+over u!--Mijn zoon zal leven!--Mijn zoon, mijn Walter.--Ja, Walter,
+ik ben uwe moeder.--O God! gij gelooft het niet.--Gij verstoot mij
+omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?--Gij laat mij
+aan de vlammen ter prooi--O God! ik brand! Ik verga! Water, water!"
+
+Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met
+water ledig.
+
+Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch
+zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden
+zonder samenhang aan.
+
+"Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij
+verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij
+verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen
+kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.--Wraak voor mijn zoon! Wraak voor
+de schande mij aangedaan!"
+
+Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden
+door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank
+opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of
+slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht?
+
+"Vrouw! wat zegt gij?" riep hij met een van aandoening verkropte stem:
+"Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van
+mijn zoon?"
+
+"Ha! daar staat de fiere graaf!" riep de ijlende vrouw, akelig
+lachende: "Uw zoon?--Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf
+ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien
+vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen,
+hij mag ons niet ontkomen!"
+
+Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk
+deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven
+toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke
+boosheid niet.
+
+Zijn zoon?--En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aan
+zijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille
+graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn
+binnenste op. "Hemel! zou het mogelijk zijn!?" riep hij uit:
+"Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!"
+
+Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde
+zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der
+deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd
+door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag
+er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren
+met bloed bevlekt.
+
+Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten
+aan een brandend graf was ontrukt.
+
+De smart des vaders grensde aan wanhoop.
+
+Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en
+zieltogend ter neder!
+
+De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand,
+om het spoedig voor altijd te verliezen.
+
+Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen
+gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde,
+en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was.
+
+Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de
+reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een
+lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets
+buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch
+hare krachten schoten te kort.
+
+"Wat wilt gij, lief kind?" vroeg Van Bergen, die haar in den arm
+genomen en een weinig overeind had gezet.
+
+Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare
+lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: "Hij
+is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in
+mijn keurslijf."
+
+Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen
+vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde
+der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond
+der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem
+der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan
+hij tot heden onbewust was gebleven.
+
+Zou dat kleine stuk papier, 't welk daar uit haar keursje steekt,
+inderdaad het bedoelde bewijs bevatten?
+
+Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende
+hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden:
+
+"Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te
+bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog
+weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker
+versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige
+zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel
+meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad, en zoo gij hier beneden
+daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel
+ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen
+hebt gedaan.
+
+
+A. S......"
+
+
+"Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden
+kan!" sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij
+de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een
+zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw
+edele daad ontvangen!"
+
+"Laat af! laat af!" riep de gravin Van Bergen met stervende stem:
+"Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn
+Zoon! mijn Walter!--Mijn Walter!" herhaalde zij, nauwelijks
+hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was
+niet meer.
+
+In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den
+rechterstoel des Allerhoogsten.
+
+De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet.
+
+De eerste ging in ter rechterzijde.
+
+De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is
+rechtvaardig--maar genadig.
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstuk den Blankert
+zagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner
+bestemming.
+
+Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude
+eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven,
+voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve.
+
+Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden.
+
+"De Heilige Maagd zij geloofd!" sprak hij tot Maarten, nadat deze
+hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige
+woning binnen te dragen: "Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet
+zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is
+voorzichtigheid noodzakelijk.
+
+Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke
+den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot--den
+jongen graaf Spinola--een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de
+macht van den slaap geketend, was niets in staat geweest hem aan die
+banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de
+vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen
+niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij
+niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken;
+dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug
+schonken.
+
+De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was
+gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd
+bewoond door Maartens grootvader.
+
+Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn
+kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te
+leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam.
+
+--Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid
+zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den
+ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist
+bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze
+en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken
+grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde
+hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de
+hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden
+om hals gebracht.
+
+Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het
+schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in
+stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige,
+een schandelijken dood zou moeten ondergaan.
+
+--Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen,
+dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht
+zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag,
+begeef ik mij naar den Oldenburgh, ten einde den graaf van alles
+te onderrichten.
+
+Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door
+het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even
+verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de
+wél volbrachte taak.
+
+Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij
+aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich
+toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur
+met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders
+had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: "En gij,
+oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen,
+het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen
+tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen
+bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien." Na deze woorden
+wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende
+bereikte hij weldra de stad.
+
+
+
+Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van
+Bergen naar den Blankert zagen vertrekken, dat een oud man, ademloos
+de binnenplaats van het kasteel den Oldenburgh betrad.
+
+De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en
+kippen, met zijn: "Tuk tuk tuk!" tot hun ontbijt bijeen te roepen,
+terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de
+drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste
+levensdagen in overdaad door te brengen.
+
+"Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?" riep de
+fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: "Gij schijnt haast
+te hebben.--Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?--Wacht! jaag
+me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.--Kip ik heb je!" riep
+Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven
+stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een
+overdekte mand plaatste: "Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen
+waart. Hoe gaat het in 't duin?--Proe! proe! die grijze is een
+vlugge rakkert.--Houdt tegen! houdt tegen!--Mis baas! je dacht me
+te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar,
+zwartje! daar heb je een kameraad!" en de tweede gevangene gleed bij
+de eerste in de overdekte mand.
+
+"Maar Burgman," ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had
+ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te
+zijn: "ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik
+bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is
+van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen."
+
+"Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger
+moeten opstaan," antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het
+haantjesvangen "zijn tijd te verbeuzelen" had genoemd: "De graaf is
+reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt
+mee te deelen,--daar komt de freule, die u misschien te woord zal
+willen staan."
+
+Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de
+gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: "Kip!--kip!--kip!" zijn
+derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de
+anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi
+te brengen.
+
+"Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd," zeide Adelgonde, die
+aandachtig naar den oude geluisterd had: "Ik ben niet bevoegd om u in
+dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon
+zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten
+is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet
+veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak
+zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?"
+
+De oude man schudde het hoofd. "Hij is zoo gesloten als een pot,
+genadige freule!" hernam hij. "Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd,
+wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.--Grootvader, was steeds
+zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen
+hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten
+dienst bewijst. Zie, genadige freule, "aan de handen zijner beulen
+ontrukt" dat klinkt verdacht. Waarom den naam verzwegen? Wat mij
+betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken
+uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt
+het daglicht niet."
+
+--Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien
+grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk
+gemaakt, dacht Adelgonde. "Intusschen, oude man," vervolgde zij tot
+Esser: "zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak
+bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga
+u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe
+hoeve terug."
+
+Esser schudde nogmaals het hoofd.--Zoo stapt de zorglooze jeugd
+met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij:
+"De ondervinding leert ons voorzichtigheid," zeide hij luid: "en al
+heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten
+in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de
+genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den
+dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en
+mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u,
+genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar 't duin terug. In
+mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar
+de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst
+van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!"
+
+Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats
+zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht
+naar zijne woning aan te nemen.
+
+Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling
+voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen
+Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten
+tijd, ook voor haar, veranderd!--O, dacht zij, terwijl een traan
+bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en
+zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van
+dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een
+onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en
+hij--hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter
+niet. En thans--dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend
+noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk
+mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam
+de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.--En gij Alonzo,
+o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die
+wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb
+ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!?
+
+Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch,
+een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme
+ouders nog!--Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat
+zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te
+doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die
+opoffering getroost.--Ach, niets kwam Adelgonde nu wenschelijker
+voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij
+hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar
+waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk
+willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige
+waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer
+dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord;
+hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden;
+hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode
+haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen
+kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in
+zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen.
+
+--Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk
+mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet
+langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne
+afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te
+ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?"
+
+Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene
+oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren.
+
+"Alweer in tranen liefste Gonne?" riep Van Bergen zijne pleegdochter
+toe: "ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te
+zullen ontvangen.--Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het
+goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif."
+
+Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van
+Bergen naast Adelgonde plaats.
+
+Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden, man was het
+niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen
+hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel
+was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij
+waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen:
+Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van
+teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen,
+doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere
+wolken schuilgegaan.
+
+Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen
+van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en
+hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang
+door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den
+schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost.
+
+Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den
+ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader
+den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede;
+besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins
+niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.--Nauwelijks had Adelgonde
+geëindigd, of zij bespeurde op het gelaat des graven eene voor haar
+onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar
+boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn
+halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid
+des eeuwigen levens had aangekondigd.
+
+Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het
+niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de
+hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep:
+"O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik
+u als een vader bemin."
+
+Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der
+waarheid.--Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den
+aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de
+groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten
+verzonken, naar hare kamer.
+
+"Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve
+freule!" zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel
+te gemoet trad: "Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje
+voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor,
+en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn."
+
+"Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen," zeide Adelgonde, en
+de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo's brief, wiens
+zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen,
+en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf.
+
+Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen,
+was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God
+neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop
+der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het,
+dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats
+moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon
+terug erlangen: "O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal
+wederzien," bad hij eindelijk: "Geef Gij mij kracht, want zóó--zóó
+heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden."
+
+Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen;
+besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap
+dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser
+zou voeren.
+
+
+
+Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop
+volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin
+terugkeerde.
+
+De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat
+Maarten hem uit zijn--nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo,
+die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard
+koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. "Gij zijt een zorgvuldig
+wachter!" zeide hij vriendelijk: "Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet
+ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats
+u voor den ingang uwer woning, en zorg dat niemand er binnen treedt
+terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren
+en een voegzamer kleeding zullen aantrekken."
+
+Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame
+toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn
+binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling
+was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard,
+te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen
+verzetten.--Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den
+ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de
+verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging,
+die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge
+den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige
+hulp doen opdagen.
+
+
+
+Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met
+bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens
+had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed
+tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige
+schoonheid gadegeslagen.
+
+De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg,
+het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het
+einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen
+aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn
+hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd.
+
+Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen
+de oude pachter zijn heer ontdekte.
+
+"Goddank, genadige graaf!" riep hij in verrukking uit: "Goddank dat
+gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en
+zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld
+worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer," vervolgde
+hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: "O, uwe
+komst geeft mij waarlijk het leven terug!" en den graaf op die plaats
+achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in
+de achterwoning op stal te zetten.
+
+Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou,
+indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan
+werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide
+handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te
+verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende,
+den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet
+van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig
+gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen.
+
+
+
+Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de
+verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning
+verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad.
+
+Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid niet
+eens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet
+het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon,
+zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal?
+
+Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren
+spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld;
+ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser
+leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig
+leven bekend geworden.
+
+En nu--uit een diepen slaap ontwaakt,--uit nacht en banden verlost,
+gereinigd,--in een schoone kleeding,--als met een nieuw lichaam
+begiftigd,--door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,--zóó
+die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat
+de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen
+te gaan.
+
+En Van Bergen--roerloos en als aan den grond genageld stond
+hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde
+gelaat! Ja!--ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige
+Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van
+aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: "Mijn zoon, mijn
+kind, hier is uw vader!"
+
+Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door
+de leden.
+
+"Gij--God!--mijn hemelsche Vader!?" zeide hij op doffen toon, terwijl
+hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en
+terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde
+hij: "Wil mij verlossen goede God! Amen!"
+
+Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind
+aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken,
+en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles--wat
+het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen.
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+De klokken van het naburig 's-Gravenhage verkondigden het negende uur
+na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteel den
+Oldenburgh langzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands
+komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort,
+waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen.
+
+Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort
+werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met
+langzamen doch lichten tred ging zij over de smalle slotbrug, en was
+reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand
+hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps,
+als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug;
+schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte
+de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel
+uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar
+voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des
+ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper
+in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende,
+zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: "Ik wachtte u reeds,
+dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige
+wijze beloonen."
+
+Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen.
+
+"Laat af! laat af!" gilde zij, zich verwerende,--doch tevergeefs;
+een stevige arm hield haar omkneld. "Help! help!" riep zij nogmaals,
+doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een
+wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in
+de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste,
+en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg.
+
+In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het
+meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en
+waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers
+te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten.
+
+--Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De
+stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien
+bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen?
+
+Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de
+ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord
+prijkte.
+
+Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard
+gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette
+den nieuw aangekomene.
+
+"Gij hebt goed doorgereden," zeide zij: "minstens had ik u een half
+uur later gewacht.--Doch," ging zij fluisterende voort: "wij zijn
+niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand,
+die den Blankert gisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd,
+en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen
+naar Frankrijk op reis te begeven.
+
+Des vreemdelings oogen schitterden:
+
+"'t Is wel," zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde
+op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar
+hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd
+geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed,
+'t welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht.
+
+De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg
+hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke
+kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren
+gekomen.
+
+Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der
+schoone Hagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag.
+
+Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij
+bij haar vond.
+
+Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter
+teleurgesteld.
+
+Behalve een klein rolletje goud--Adelgondes bespaarde
+penningen--bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin
+het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren
+medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.--Is dit dan alles
+wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede
+bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo
+sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te
+stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn!
+
+Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het
+kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende
+koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen.
+
+"Goedenavond, mijn brave heer," zeide Van Rodenberg spottend, terwijl
+hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg:
+"Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken
+ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft
+de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel
+diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel
+uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak
+om Godswil aanspreken!"
+
+"Wij kennen elkander!" sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat
+Van Rodenberg den draak met hem stak: "Maar bij het heil mijner
+ziel!" vervolgde hij: "hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige
+oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik
+uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker,
+dat de Blankert een prooi der vlammen is geworden?"
+
+"Als ik mij niet vergis," antwoordde Van Rodenberg, "dan was ik bij
+die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg
+daarvan. De edele gravin is...."
+
+"Leeft de gravin nog?" viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij
+zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige
+belangstelling zocht te verbergen.
+
+"Stel u gerust," hernam Van Rodenberg glimlachend: "ik heb dezen
+middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch
+dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij
+bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste
+liefde van u gesproken.
+
+"De Heer hebbe hare ziel!" zuchtte Rosio.
+
+"Of de duivel!" hernam Van Rodenberg: "Om 't even. Gij weet niet,"
+ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel
+trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag:
+"Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?"
+
+"Uwer moeder?" riep Rosio in de grootste verwarring: "Wie--de
+gravin? wie heeft u gezegd....?"
+
+"Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens
+opzoeken," zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige
+oogenblikken de kamer was binnengekomen: "Ik geloof," vervolgde hij:
+"dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende
+den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest."
+
+Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare
+nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en
+gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed
+zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het
+opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, 't welk
+hare belangstelling zoozeer had opgewekt.
+
+--Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald,
+dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde:
+Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. "Kom hier mijn
+duifje! ruik eens," sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met
+geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: "dit zal u goed doen."
+
+Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. "Waar
+ben ik?" vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin
+bevreesd aanzag.
+
+"Bij wie anders dan bij Barbara?" antwoordde de vrouw: "Nu, ik wil
+wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent," vervolgde zij:
+"want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een
+nuchter wicht: 't is heel wat tijd geleden!"
+
+Adelgonde kon zich,--uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk
+denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl
+herinnerde zij zich Alonzo's brief, waarin deze haar had gemeld,
+dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in
+de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den
+bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk
+zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd
+was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had
+voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen,
+dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te
+beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar
+binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens
+besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren
+pleegvader haar aan den Oldenburgh had geboeid, maar kinderliefde
+en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen
+besluiten.--Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van
+Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... dit
+kon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend
+aanziende, zeide zij: "En Alonzo?"
+
+"Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!" was het antwoord:
+"Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het
+is een mooi knap heer."
+
+Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. "Maar gij?" zeide zij, de
+waardin weder vragend beschouwende: "Wie zijt gij?"
+
+"Wie ik ben?" hervatte vrouw Barbara: "Wel, wie ben ik anders dan uwe
+moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste
+voedsel aan mijne borst genoten hebt?--Maar zie, toen waart gij pas zóó
+groot," vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om
+hetgeen zij hoorde te gelooven: "en op dien leeftijd zien de oogen nog
+niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat
+eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend."
+
+Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind,
+en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het
+kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de
+groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed.
+
+--Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe
+gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche
+dagen schier als een heilige had voorgesteld!
+
+Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar
+zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die
+haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd?
+
+--O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij
+voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een
+valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van
+mij worden!
+
+Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide
+eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem
+van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er
+bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen
+twist met een ander was geraakt.
+
+Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht
+nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen
+zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten
+van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden
+gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich
+te paard van de woning verwijderde.
+
+Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den
+aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig
+de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen,
+zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten
+tafel stond.
+
+Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene
+hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met
+zoete melk gevuld.
+
+"Zie zoo mijn duifje!" riep zij Adelgonde toe: "zoo is het goed,
+nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens
+naar hartelust, het is u volkomen gegund."
+
+Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte
+haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank
+zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten,
+zich ter rust te kunnen begeven.
+
+"Allerbest mijn hartje!" zeide Barbara: "Gij zijt hier zoo vrij als
+op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola,
+wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb
+hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof
+ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje,
+ik wensch u een goeden nacht," en het onaangeroerde brood weder met
+zich nemende, verliet de waardin het vertrek.
+
+Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste
+gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven
+dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang
+zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des
+geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel
+te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven,
+en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom
+haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij
+het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had
+ontvreemd.
+
+Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en
+schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in
+zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder
+was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat
+stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over
+dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze
+ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig
+besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle
+dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug
+te keeren.
+
+Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te
+overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer
+aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te
+hebben begeven.
+
+Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar
+fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat
+vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte
+zij gelukkig haar doel.
+
+Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de
+schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten,
+doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster,
+waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken
+grond verheven was.
+
+--God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede
+bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven,
+gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen
+zal opnemen.
+
+Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps
+hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken
+en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een
+oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend,
+en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door
+het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde
+zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien.
+
+"Vrees niet!" sprak de man op fluisterenden toon: "Gij behoeft voor
+mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw
+vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal
+u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken."
+
+Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest
+denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees
+te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer
+dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond
+lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd
+onschuldig meisje.
+
+"En waarvoor zou ik vreezen?" zeide Adelgonde, terwijl het haar was
+aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden
+in tegenspraak was. "Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier,
+mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig, hier, in de woning
+mijner ouders."
+
+"En evenwel hebt gij dat venster geopend?" hernam de vreemdeling:
+"Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op
+mij, schoone jonkvrouw," vervolgde hij, haar langzaam naderende:
+"ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de
+netten welke u gespreid worden."
+
+"Mensch! wat wilt gij van mij?" riep Adelgonde met bevende stem,
+terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: "Wie geeft u
+het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier,
+zoo gij het wél met mij meent."
+
+"Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen," hernam
+de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: "Is mijn gelaat
+dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u," ging hij voort, terwijl hij
+de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde:
+"ik versta die angstige bezorgdheid: "Een Spaansch edelman wordt
+door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het
+venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den
+knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der
+liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moet ik door
+dat vuur verkwijnen terwijl een ander...."
+
+"Laat af,--laat af!" riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich
+met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken,
+dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: "Heilige
+Vader! sta mij bij!" gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch,
+haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio's ijzeren
+arm hield haar omkneld, en grinnikend lachte het onmensch, toen
+hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord,
+en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten.
+
+Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de
+sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende
+hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet,
+dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet
+hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan
+het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij
+dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan
+terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt,
+zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne
+schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien
+laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij
+nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad,
+'t welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt
+hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe:
+de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren
+rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk
+als de gasten op een bruiloftsfeest.
+
+God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in
+Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder.
+
+Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen
+men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven,
+onverwachte hulp en redding.
+
+De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd
+eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de
+hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten.
+
+Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine
+vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over
+den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu
+zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende
+wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren.
+
+Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan
+den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De
+geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige
+oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God
+had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met
+stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het
+lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel.
+
+"Ik ben vergeven! vergeven!" brulde Rosio, terwijl hij zich
+wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: "Is er dan geen
+tegengift? Melk! melk!" kermde hij: "Een monster verscheurt mij
+van binnen."
+
+"Doe uw vijand wél!" sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam
+aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij de nog schier gevulde
+kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne
+teug ledigde.
+
+Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara's komst vermoeden. Nog
+een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in
+die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die
+vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven,
+toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong
+uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in
+het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?--God zij
+mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het
+opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de
+andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam.
+
+Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de
+vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid,
+had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den
+viersprong bij het meergemelde Steenen kruis voerde.
+
+Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield
+zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten
+te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de
+ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend
+vermaande om terug te keeren.
+
+Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer,
+en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht.
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Op den Oldenburgh was alles in rep en roer.
+
+Weinige minuten na Adelgondes ontvoering was de opgetogen graaf,
+aan de zijde van zijn wedergevonden zoon, door den jongen Spinola,
+Maarten en diens grootvader vergezeld, aan het kasteel teruggekeerd.
+
+Met van blijdschap vonkelende oogen had hij zelf den zwakken Adel
+binnen de muren zijner woning gedragen, en zijne dienstbaren en
+huisgenooten doen bijeenroepen, ten einde hun de reden zijner
+grenzenlooze vreugde en dankbaarheid kenbaar te maken.
+
+Met den ouden Burgman aan het hoofd, trad dan ook weldra de kleine
+schaar de ridderzaal binnen.
+
+Slechts een flauwe schemering vervulde nog het ruime vertrek.
+
+Weinige doch aandoenlijk waren de woorden welke Van Bergen sprak:
+"Gaat," zoo eindigde hij: "en verheugt u met uwen heer; maar dankt
+ook den Heer der heeren, dat Hij uw meester zulk een groot geluk
+heeft doen deelachtig worden."
+
+"En waar toeft mijne Gonne?" zeide Van Bergen, toen de diep getroffen
+dienstbaren, heilwenschend de zaal hadden verlaten: "Moet mijn in
+tranen zwemmend oog, haar, in dezen voor mij zoo zaligen stond,
+dan nog in een duisteren hoek opsporen?"
+
+Een zacht geween was het eenig bescheid dat Van Bergen op zijne
+vraag bekwam.
+
+"Is daar dan mijne Gonne niet?" vroeg Van Bergen nogmaals, terwijl
+hij op Adelgondes weenend kamermeisje toetrad.
+
+"Ach, genadige graaf!" snikte Anne: "de lieve freule is er niet. O
+lieve God! wat of er van haar geworden is! Ik ben er wellicht de
+oorzaak van; had ik den brief van den boozen Spanjaard maar niet
+gegeven! Hij is het die haar dezen avond heeft ontvoerd."
+
+"Meisje, ik versta u niet," hernam Van Bergen: "Spreek, verklaar
+u nader."
+
+"Ja, genadige graaf," hernam de kamenier: "zooeven op de kamer der
+lieve freule gekomen, ten einde haar van uw komst te verwittigen,
+vond ik die door haar verlaten. Een open brief, aan u gericht, lag
+op de tafel. Ik heb er een blik in geslagen; lees genadige graaf,
+maar verstoot mij niet."
+
+Wie schetst de verslagenheid, welke aller gemoed vervulde, toen de
+lichten waren ontstoken en de treurige inhoud der letteren aan de
+omstanders bekend werd.
+
+De brief luidde aldus:
+
+
+ "Edele graaf! Veelgeliefde pleegvader!
+
+"Wanneer gij deze regelen zult lezen, zal ik wellicht reeds ver van de
+plaats zijn verwijderd, welke mij altijd zoo dierbaar was. Veroordeel
+mij niet dewijl ik een stap heb gedaan, dien gij, in uw groote liefde
+tot mij, zult laken en misprijzen. God is het bekend, geliefde tweede
+vader! hoezeer mijn hart heeft gestreden; hoezeer ik door liefde
+en dankbaarheid aan u als gekluisterd werd; hoe ik met mij zelve,
+met mijne plichten, met Gods heilig Woord te rade ben gegaan, en de
+overtuiging heb bekomen, dat ik zóó en niet anders handelen moest.
+
+"Ja, ik zal u verlaten: de banden des bloeds eischen dit offer
+van mij! Uw stand, uw rang zijn de mijnen niet. "Hebt uwe ouders
+lief!" staat er geschreven, en ik zou die armen verachten,
+en mij, zelve op deze aarde een lot toeëigenen, dat mij niet is
+voorbeschikt? Ik zal u verlaten! De jonge Spanjaard, voor wien ik
+zuivere liefde in het hart heb gedragen, biedt mij aan mij in de woning
+mijner ouders terug te voeren. Hij is edel en braaf; aan hem durf ik
+mij veilig toevertrouwen. God helpe mij! Hij vergeve mij, zoo ik in
+eenig opzicht mocht gedwaald hebben. Hij doove de vlam der liefde in
+mijn binnenste, dewijl ik Alonzo nimmer zal kunnen toebehooren. Hij
+zegene u, dierbare lieve tweede vader! O hoe zwaar zal het mij zijn,
+mijn plicht te volbrengen. Dank, dank, duizendmaal dank voor uwe liefde
+en onverdiende goedheden! God vergelde u wat gij aan mij hebt gedaan;
+aan mij, de uw heil wenschende en voor uw heil biddende
+
+ Adelgonde."
+
+
+
+Wij zullen niet lang stilstaan bij de vele doch verschillende
+gemoedsaandoeningen die ieders borst deden kloppen.
+
+Het treurige oogenblik vorderde den meest mogelijken spoed.
+
+"En staat dan niet hier aan mijne zijde de wakkere redder van mijn
+zoon!" sprak Van Bergen: "Hoe ware het mogelijk dat hij mij een
+zoon in de armen zou voeren, om mij terzelfder tijd eene dochter
+te ontrooven!?"
+
+"Het is gelogen!" riep Alonzo in woede, toen de graaf hem den
+hoofdzakelijken inhoud van den brief had meegedeeld: "Gevloekt zij
+de ellendeling, die met schendige hand de schoonste lelie van haren
+stengel dorst rukken! Op mannen, geen tijd verloren! De Moeder Gods
+zal haar beschermen! Met hare hulp, edele graaf, voeren wij uwe dochter
+rein in uwe armen terug. Vaarwel! De Heiligen zullen met ons zijn!"
+
+"De Vader zelf geleide u!" riep Van Bergen den vurigen jongeling
+na, en weinige minuten later zag hij een aantal mannen te paard, en
+verscheidene te voet, met fakkels en lantaarns de slotpoort uitsnellen,
+ten einde in verschillende richtingen hunne nasporingen te beginnen.
+
+Inmiddels verzuimde de graaf niet zijn zwakken, door de zonderlinge
+lotsverwisseling afgematten zoon, de noodige versterking en rust te
+doen genieten; dit gedaan zijnde, deed hij de luchters in de kleine
+achterzaal ontsteken, en, hoewel zelf rust en slaap behoevende, was
+het hem niet mogelijk zich aan die rust te wijden zoolang de teeder
+beminde pleegdochter niet in zijne woning was teruggekeerd.
+
+Dáár, met ernstigen blik ternedergezeten, herdacht hij de vele en
+wondervolle oogenblikken, welke hem dien enkelen dag tot een reeks
+van dagen maakten.
+
+Ondanks zich zelven sloten zich eindelijk zijne oogen, en in een half
+wakenden half droomenden toestand ontwaarde hij,--dat de deur openging
+en de schim zijner ontslapene stiefmoeder de zaal binnentrad. Op eenige
+schreden afstands bleef zij staan, en trok met baar ontvleesde handen
+een naakt, uitgeteerd en levenloos wezen van onder haar witte kleederen
+te voorschijn. Dat uitgeteerde lijk.... was de ongelukkige Adel!
+
+Van Bergen ontstelde, en zich haastig met de hand over het voorhoofd
+strijkende, zag hij navorschend de zaal rond, doch bespeurde weldra
+dat de schim zijner stiefmoeder die plaats had verlaten, dat een
+droombeeld zijn geest had beangst.
+
+Eenig gedruisch op het portaal boeide nu weder Van Bergens aandacht.
+
+--Wellicht is hunne nasporing reeds met een goeden uitslag bekroond,
+dacht hij, en wilde juist den terugkeerenden te gemoet snellen,
+toen een jong edelman haastig de zaal binnentrad.
+
+Het baarde den graaf geen geringe verwondering, toon hij in dit
+nachtelijk uur jonker Walter Van Rodenberg voor zich zag.
+
+"Wat voert u herwaarts?" was Van Bergens eerste en hoogst natuurlijke
+vraag: "Ik had gedacht Walter, u nimmer weer in mijn kasteel te zullen
+ontmoeten. Wat kunt gij van mij verlangen in dezen laten stond?"
+
+"Vergeef mij waarde graaf," ving Van Rodenberg aan: "dat mijn plicht
+mij gebood, voor ditmaal uw gebod te overtreden. Door een samenloop
+van omstandigheden ben ik den dader op het spoor gekomen, die den
+schandelijken roof aan uw beminnelijke pleegdochter heeft begaan."
+
+"Gij," zeide Van Bergen, den jonker vragend aanziende.
+
+"Van een wandelrit naar Delft huiswaarts keerende," hervatte de
+schandelijke leugenaar: "zag ik nabij de herberg het Gouden Zwaantje
+een ruiter mij voorbijsnellen, die vóór zich op het paard eene in
+zwijm liggende schoone had. Door nieuwsgierigheid gedreven hield
+ik stand, en zag dat weinige schreden van de herberg iets wits,
+hetwelk ik echter niet onderscheiden kon, den vluchtenden ontviel. De
+ontvoerde schoone,--want daarvoor mocht ik haar gereedelijk houden,
+werd door haren schaker in de herberg gedragen. Ongezien naderde ik
+nu het kleine witte voorwerp, nam het op, en, bespeurende dat het
+een klein pakje was, werd ik zeer begeerig te weten wat daarvan de
+inhoud mocht zijn. Om dit te onderzoeken, besloot ik insgelijks in de
+kroeg te gaan. Na mijn paard aan het rasterwerk te hebben gebonden,
+trad ik binnen. Het was blijkbaar dat mijne komst eenige opschudding
+veroorzaakte. Ik hield mij als bespeurde ik dit niet, en eene kan
+bier eischende, nam ik eenige brieven en voorwerpen uit mijn zak,
+verdiepte mij schijnbaar in de lectuur en beschouwing er van, zoodat
+ik ongemerkt het pakje onder de tafel kon openen, en hetgeen er in
+was met het reeds vóór mij liggende vermengen. Het pakje bevatte
+niets dan eenige oude brieven, doch hoe zal ik u mijne verbazing
+schetsen, toen ik de opschriften, alle eensluidende, aan uw bekoorlijke
+pleegdochter gericht vond. Alleen om mij nader aangaande de waarheid
+mijner vermoedens te overtuigen, en den roover des te zekerder te
+vangen, doorliep ik vluchtig eenige brieven. Sommige waren van u,
+reeds verscheidene jaren geleden aan Adelgonde, van verschillende
+plaatsen, gezonden; één insgelijks van u, door haar, tijdens haar
+verblijf op het slot Aduaar in het Luiksche ontvangen; nog eenige
+van speelnooten of vriendinnen uit vroegeren of lateren leeftijd,
+en eindelijk verscheidene van den u bekenden paapschen Spanjaard
+Alonzo Spinola, de zoon, naar men zegt, van den markgraaf Ambrosio."
+
+"Welnu?" zeide Van Bergen, zeer wel wetende dat Alonzo met den roof
+zijner Adelgonde niets gemeens had.
+
+"Welnu," hernam Walter: "die brieven des Spanjaards vloeiden over
+van de teederste woorden en de zoetste namen. Hij sprak van eeuwige
+trouw, van vurige liefde, van een ijzeren doch verroeste keten, die de
+schoonste der schoonen in een doodsch kasteel gekluisterd hield--die
+keten waart gij, genadige graaf,--van een alleenzaligmakende kerk,
+en van de vreugde over hare toezegging dat zij aan zijne zijde de
+kettersche gevoelens zou afzweren."
+
+De graaf had moeite zijne bedaardheid en het stilzwijgen te bewaren.
+
+"Ja," ging Van Rodenberg voort: "mijn vermoeden klom weldra tot
+zekerheid, ik had mij niet bedrogen: de laatste van des Spanjaards
+brieven behelsde een wel doordacht en fijn geslepen plan om Adelgonde
+te ontvoeren."
+
+Van Bergen stond op, trad op den jonker toe, sloeg de armen kruiselings
+over de borst, zag hem scherp in de oogen, en zeide bedaard doch met
+een diep doordringende stem: "Walter! gij spreekt onwaarheid!"
+
+Onwillekeurig deed Van Rodenberg eenige schreden achterwaarts,
+zijn roode lippen verbleekten; doch zich weldra herstellende, zeide
+hij, als ware hij schandelijk miskend: "Denkt gij dat ik lieg,
+graaf Van Bergen? Meent gij dat ik mijne woorden niet zou kunnen
+bewijzen? Ziehier!" vervolgde hij met verheffing van stem, terwijl hij
+een pakket brieven op de tafel wierp: "Lees zelf: zijn dat uwe brieven
+niet? en deze....? overtuig u dan dat ik waarheid gesproken heb."
+
+"Wat gaan mij die brieven aan!" hernam Van Bergen, in dezelfde
+onwrikbare houding: "Ik zeg u, gij liegt! De jonge Spinola is
+onschuldig aan de daad, die gij hem ten laste legt. Den geheelen
+middag was ik in zijn gezelschap, en eerst sedert een paar uren heeft
+hij het kasteel verlaten, om mijn lieve dochter op te sporen."
+
+"En wie heeft u gezegd dat Adelgonde door Spinola zelven is
+ontvoerd?" hernam Van Rodenberg, heimelijk glimlachende, daar zijne
+zaak een gunstige wending scheen te nemen: "Heeft uw schrandere blik
+de fijnheid van het spel nog niet geraden? Geloof mij edele graaf. Ik
+ben veel aan u verschuldigd, en wat zou het mij baten een onschuldige
+te belasteren, terwijl de zaak dezelfde blijft. Luister nog een
+oogenblik, en gij zult zelf oordeelen of mijne woorden waarheid of
+logen behelsden.--Nadat ik," zoo vervolgde hij: "zekerheid had bekomen,
+trad een man, dien ik vroeger meermalen meende gezien te hebben, uit
+eene zijdeur, in de gelagkamer, sloot de deur behoedzaam, en stak den
+sleutel zorgvuldig in den zak. Zijne over den vloer weidende oogen
+schenen iets te zoeken; ik vermoedde het door mij gevonden pakje. De
+man fluisterde eenige woorden met den hospes, bekwam van dezen eene
+lantaarn, en verliet daarop de kroeg. Spoedig verzamelde ik de vóór
+mij liggende papieren, vereffende mijne rekening met den waard, en
+volgde den zoekende buiten de herberg. Weldra was ik hem genaderd: Gij
+zijt een lage schurk! beet ik hem vrij krachtig in de ooren: Wie geeft
+u het recht de freule Van Bergen te ontvoeren?--Zonder de geringste
+ontsteltenis lichtte de man mij met zijne lantaarn in het aangezicht,
+en zeide met een schelle stem: Daar zal ik ú wel geen rekenschap
+van behoeven te geven, jonker Van Rodenberg! gij toch hebt reeds
+voor lang van uw rechten op het lieve duifje afstand gedaan.--Deze
+verregaande beleediging, gevoegd bij het schandelijke der daad, deed
+mijne aderen zwellen.--En evenwel vorder ik de freule uit uwe handen
+terug, riep ik met hevigheid.--Gij hebt volstrekt niets te vorderen,
+hernam de man, terwijl hij mij de tromp van een pistool onder de oogen
+hield:--Verstaat gij, niets vordert gij van mij; maar ik vorder van u,
+mij die brieven terug te geven, welke ik zooeven verloren heb.--Doch
+waartoe, genadige graaf, zal ik u haarklein ieder woord herhalen
+'t welk door ons gesproken werd," vervolgde Van Rodenberg, ziende
+dat Van Bergen weinig of niet naar zijn langwijlig verhaal luisterde,
+maar ongeduldig de zaal op en neer ging: "Kortom, ik bad, ik smeekte,
+ik dreigde; niets mocht baten, de man bleef onverbiddelijk, en reeds
+begon de hoop mij te begeven uwe lieve dochter ongedeerd in uwe
+armen terug te voeren, toen de man mij eindelijk schamper toevoegde:
+Maar voor den drommel! denkt gij dan dat ik zulk een hapje voor mijn
+genoegen hierheen heb gesmokkeld. De eigenaar zou raar opkijken als
+ik hem een ledige kamer aanbood. Neen vriend, ik zou andere munt
+ontvangen dan die mij is toegezegd. Mijne zakken zijn ledig, en een
+goede belooning laat men zoo makkelijk niet in den steek.--Dus is
+het winzucht alleen, die u tot deze daad heeft aangespoord? hernam
+ik. Dat juist niet, zeide de man weder: Gehechtheid aan mijn meester
+is een hoofdtrek in mijn karakter; die gelden dienen slechts om de
+zaak wat aan te dringen. Maar zoo u dan eens van een andere zijde méér
+kronen toevloeiden, hernam ik: zou uw gehechtheid dan niet wat minder
+worden?--Dat zou er naar kunnen zijn! antwoordde de man. In 't eind,
+edele graaf, zijn wij de zaak eens geworden. Nog een uur moest er
+verloopen eer Spinola aan het Zwaantje kwam. Indien ik binnen dien
+tijd aan de herberg terug was, kon ik de lieve Adelgonde tegen eene
+som van zeven duizend kronen lossen; doch kwam ik eenige oogenblikken
+later, dan zou de schoone Adelgonde voor u verloren, en door Spinola
+reeds naar een veiliger schuilplaats zijn overgebracht."
+
+Van Rodenberg hield op met spreken. Niet zonder eenigen schroom
+verwachtte hij Van Bergens antwoord. De graaf echter bewaarde een
+nadenkend stilzwijgen; eindelijk floot hij twee malen op zijn zilveren
+fluitje, en weldra verscheen de eenige mannelijke dienst bode, die
+nog op het kasteel was achtergebleven.
+
+"Jozef, ga terstond naar den stal en zadel mijn paard," zeide Van
+Bergen: "maak spoed, ik heb geen oogenblik te verliezen."
+
+Hoe listig de grove leugenaar zijn verhaal ook geweven, hoe kunstig
+hij iedere omstandigheid ook geplooid en geschikt had, deze natuurlijke
+wending, die de voorgedragen logen schier in ieder geval moest nemen,
+had hij niet berekend, of met achteloosheid over het hoofd gezien.
+
+Zoo vermetel als hij even te voren was geweest, zoo verlegen en
+verward was hij thans.
+
+"Er zijn geene paarden meer op stal, uw genade!" antwoordde Jozef,
+toen Van Bergen zijn bevel gegeven had: "Hoewel Wakker reeds doodaf
+was, zoo heeft Burgman hem toch nog meegenomen. Elbert heeft Pretty,
+en Ras wordt door Rudolf bereden."
+
+Van Rodenberg schepte weder adem.
+
+"O," hernam Van Bergen, zich tot den jonker wendende: "gij zult mij
+uw paard wel voor een uur willen afstaan! Spoedig Jozef, houd het
+paard van den jonker Van Rodenberg in gereedheid."
+
+De dienaar boog en vertrok.
+
+"Genadige graaf!" stotterde Walter: "Ik zal niet gedoogen.... Gij
+wilt toch niet in dit nachtelijk uur.... Waarom mij die eervolle taak
+niet opgedragen?--Gij zoudt u aan gevaren blootstellen! Overhandig
+mij spoedig de som, welke de snoodaard eischt, en ik vlieg, om u
+wellicht het laatste bewijs mijner dankbaarheid te geven."
+
+"Spaar uw overdreven dienstvaardigheid," zeide Van Bergen, die den
+jonker--wiens karakter hem sedert eenigen tijd maar al te bekend was
+geworden--door het laatst gegeven bevel geheel in de val had gebracht:
+"Hier," vervolgde hij, eene deur openende: "hier kunt gij voorloopig
+van uw vermoeienissen in mijn belang wat uitrusten. Ga binnen en
+wacht rustig mijne weerkomst af."
+
+"Gij; wilt mij in de torenkamer sluiten!" riep Van Rodenberg met
+hevigheid: "Is dat dewijl ik uw ellendig basterdkind wilde redden! Bij
+mijne ziel....!" doch het werd hem niet vergund zijn dreigende
+woorden te vervolgen; want Van Bergen, wiens kaken van de diepste
+verontwaardiging gloeiden, greep den verachtelijken knaap bij den arm,
+wierp hem in het geopende kamertje en deed de deur op het dubbele slot.
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+Zoodra Alonzo met zijne volgelingen buiten het kasteel was gekomen,
+verdeelde hij de manschappen in eenige groepen. Elk dezer groepen
+wees hij een verschillenden weg aan, met bevel om aan alle woningen,
+die zij voorbij zouden komen, een nauwkeurig onderzoek in het werk
+te stellen. Maarten werd, met nog twee andere knapen, stadwaarts
+gezonden. Burgman moest met de zijnen het zandspoor naar Delft
+volgen. Elbert met nog eenigen moest den zandweg houden, die
+van het kasteel rechtstreeks op Leiden aanliep, terwijl Alonzo
+zich voorbehield om met Rudolf de stadwaarts trekkenden, langs de
+laan van het Nieuw-Oosteinde tot aan den Bezuidenhoutschen weg te
+vergezellen, waarna hij, hen verlatende, het Bosch in alle richtingen
+wilde doorkruisen, om eindelijk op den zandweg tusschen Den Haag en
+Leiden zijne nasporingen voort te zetten.
+
+Weldra verloren de optrekkenden elkander uit het oog. Geen woord werd
+er gesproken; de diepste stilte werd door allen in acht genomen, en
+ieder wenschte zich het voorrecht te mogen hebben, de veelgeliefde
+jonkvrouw binnen de muren van den Oldenburgh terug te voeren.
+
+"God geve dat de anderen gelukkiger zijn!" zeide Rudolf, toen hij,
+na een rit van bijkans twee uren, met Alonzo op den voornoemden
+zandweg kwam. "Wij kunnen nu de lantaarn wel uitdoen," vervolgde hij:
+"het is hier veel lichter dan in het bosch, en de lucht begint in
+het Oosten al helder te worden."
+
+"Geen hoop verloren!" zeide Alonzo: "Wij zullen de paarden nu in een
+kleinen draf zetten. Liggen er geen woningen aan dezen weg?"
+
+"Laat zien," antwoordde Rudolf: "nog een goed kwartier rijdens en wij
+zijn aan den viersprong. Een half uurtje verder ligt een boerenhoeve,
+en nabij Leiden moeten wij rechts nog een kleine kroeg voorbij."
+
+"Ja, ik herinner mij dien viersprong zeer goed," hernam Alonzo:
+"Indien ik mij niet bedrieg staat er een steenen kruis."
+
+"Daar zou ik u wonderlijke avonturen van kunnen verhalen," zeide
+Rudolf: "menige goede ziel is van die plaats naar de eeuwigheid
+verhuisd! Men wil dat de duivel zelf dat kruis daar heeft gezet,
+om de geloovigen te lokken en ze daarna den nek te breken."
+
+"Malligheid!" bromde Alonzo, die eenmaal zelf met dien duivel had
+kennis gemaakt! "Niets dan oudewijven praatjes. Ik hoop niet dat gij
+dien zotteklap gelooft?"
+
+"Ik niet," hernam Rudolf: "en al ware het ook zoo, al krioelde het
+er ook, zooals men zegt, van duivels en spoken, ons protestanten
+durven ze toch niet aan; maar de geloovige papen, ja als ze die in
+hun midden kunnen krijgen, dan blijft er geen haar of been van over."
+
+"Dan dien ik op mijne hoede te zijn," zeide Alonzo glimlachend.
+
+"Gij, edele heer?" zeide Rudolf, terwijl hij zijn tochtgenoot
+bedenkelijk aanzag.
+
+"Welzeker," hervatte Alonzo: "ik behoor tot die geloovige papen,
+zooals gij ons katholieken gelieft te noemen. Uw gezelschap zal
+mij nú echter, zoo ik hoop, tegen een aanranding van die gevreesde
+personages vrijwaren."
+
+Rudolf antwoordde niet; hij gevoelde zich zeer onaangenaam te moede;
+maar dankte evenwel den hemel dat het spoedig dag zou worden, en
+de kwade geesten dan--bij het eerste morgenlicht voor goed naar hun
+donkere schuilplaats zouden terugkeeren.
+
+Alonzo, met zijn belangrijk doel voor oogen, had verder geen lust
+zich met den eenvoudigen rijknecht bezig te houden, terwijl deze,
+met zijn katholieken metgezel, zich maar half op zijn gemak bevond,
+en het geraden oordeelde, tot voorbij het steenen kruis, de achterhoede
+uit te maken.
+
+"Groote God, wees onzer genadig!" riep Rudolf eensklaps met angstige
+stem. Alonzo zag verschrikt om en ontwaarde den dienaar die, met de
+doodskleur op het gelaat, stokstijf voor zich uit staarde.
+
+"Wat moet dat misbaar beteekenen?" vroeg Alonzo gramstorig.
+
+"Dáár, dáár," stotterde Rudolf, met den vinger voor zich uit wijzende:
+"ziet gij dáár, aan den kruisweg, dat witte spook niet fladderen? Bij
+het heil mijner zalige moeder, ik ga geen stap verder! Laat ons
+terugkeeren genadige heer! geloof mij, als wij in de handen dier
+wezens vallen, dan blijft er geen spoor van ons over."
+
+Alonzo richtte zijn blik naar de aangeduide plaats, en werkelijk zag
+hij het voorwerp van Rudolfs vrees. Een kreet van verrukking ontglipte
+er aan zijn mond; zonder een oogenblik te toeven gaf hij zijn paard
+de sporen, en rende den ontstelden dienaar voorbij en op het steenen
+kruis aan.
+
+"Het is met hem gedaan!" riep Rudolf, en zich niet sterk genoeg
+gevoelende, om het ijselijk schouwspel aan te zien, wendde hij
+zijn ros, en nam, met denzelfden spoed, den terugtocht naar den
+Oldenburgh aan.
+
+Weldra was Alonzo de bedoelde plaats genaderd; snel sprong hij van zijn
+paard, en ijlings op het gewaande spook toegetreden, bespeurde hij tot
+zijn onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne hoop hem niet had bedrogen,
+dat de schoone Adelgonde in waarheid door hem was wedergevonden.
+
+Daar lag de bekoorlijke Hagenlelie, van vermoeienis aan deze eenzame
+plaats in slaap gevallen. De nachtwind speelde kwistig met haar
+blonde lokken, en deed het witte kleedje om haar verkleumde leden
+fladderen. Daar lag zij, de bloem der schoonen! Maar hoe!--had de
+vorst der duisternis haar niet op een lage doch listige wijze, in
+zijn strik gelokt; had hij haar niet schandelijk haar eer ontroofd? of
+had de heilige Moeder Gods haar wellicht wonderbaarlijk beschermd?
+
+"Ontwaak schoone Adelgonde!" riep Alonzo, terwijl hij zich over
+de bekoorlijke slaapster henenboog en met innige verrukking hare
+hemelsche trekken beschouwde.
+
+"Wie roept mij?" lispte het nog sluimerende meisje, nadat een pijnlijk
+lachje zich over haar gelaat had verspreid; doch plotseling wreef
+zij de nog benevelde oogen, en zag Alonzo vol verbazing aan.
+
+"Ga, ga!" zeide zij: "gij zijt immers Spinola, gij, de vijand die mij
+in het verderf hebt willen storten. Ga, vlucht, of mijn toorn blijft
+op u!"
+
+"Adelgonde! dierbare Adelgonde!" sprak Alonzo smeekend: "Wat heb ik
+gedaan dat uw mond deze woorden tot mij spreekt? Bij God! ik ben
+onschuldig aan het onheil dat u is weervaren. Weer mij niet van u
+af; ik zal u aan uw vader teruggeven, Ach, dood mij niet met het
+ondraaglijk gevoel uwer verachting!"
+
+"Ja, gij hebt mij in de woning mijner ware ouders laten terugvoeren,
+maar door wien!" hernam Adelgonde: "door een booswicht. En in die
+woning!.... De hemel weet hoe zwaar ik er beproefd ben geworden."
+
+Alonzo wist niet te antwoorden. Dat een ander haar onder zijn naam
+had ontvoerd, hij was er zeker van. Wie die ellendeling was, liet
+zich zeer wel gissen, doch, wat die terugvoering in de woning harer
+ouders, waarvan Adelgonde sprak, beteekende, dit kon hij zich niet
+verklaren. Wél had hij bij zijn toevallig bezoek op den Blankert,
+haar onwettige afkomst hooren bevestigen; doch het onder zijne handen
+berustende portret had hem,--naar zijne meening--, een sprekend
+tegenbewijs geleverd, en thans,--van die heuglijke waarheid overtuigd,
+hoorde hij nu Adelgonde zelve van haar ware ouders gewagen.
+
+Hoezeer Alonzo's karakter in enkele opzichten twijfelmoedig kon
+genoemd worden, in dit oogenblik, met het werkelijke beeld eener
+idealische heilige vóór zich, kon hij niet langer wankelen. Liefde
+en trots worstelden niet meer in zijn binnenste, en wat Adelgonde ook
+mocht gevoelen, welke drijfveeren haar ook mochten hebben aangespoord
+tot het schrijven van de letteren welke hij, eenigen tijd geleden,
+ontvangen had--Alonzo verstond het duidelijk, dat, terwijl hare
+lippen de woorden: vijand en toorn hadden uitgesproken, de echo van
+haar hart de klanken: vriend en liefde hadden weerkaatst.
+
+"En gij zoudt kunnen denken, dierbare Adelgonde," hervatte Alonzo
+eindelijk: "dat ik haar, die mij eenmaal de woorden: "Ik bemin u,"
+heeft toegefluisterd, aan de misdaad en schande zou prijs geven? O! wat
+ons ook van elkander heeft gescheiden, niets is meer in staat om mijne
+liefde voor u te dooven. De hemel doet mij u ten tweedenmale op mijn
+weg ontmoeten; ik heb den waardigen graaf een zoon doen wedervinden:
+God zij dank dat ik hem ook eene dochter terugschenken mag!"
+
+Afgemat en verkleumd, kon Adelgonde den geheelen samenloop der
+omstandigheden nog geenszins in haren geest verbinden, en ook de
+laatste woorden begreep zij niet, doch Alonzo's edele blik boezemde
+haar een onbepaald vertrouwen in, en gewillig gaf zij zich aan zijn
+zorgvuldige leiding over.
+
+"Ik ben zeer koud," zeide zij, klappertandende: "mijne kleeren zijn
+nat van den dauw."
+
+De jongeling was het dierbare meisje nu in het opstaan behulpzaam;
+met de teederste bezorgdheid sloeg hij zijn mantel om hare schouders,
+tilde haar vervolgens op zijn paard, en terwijl hij haar met de eene
+hand ondersteunde, nam hij de teugels in de andere, en leidde alzoo
+den kostbaren weergevonden schat naar de woning, waar men in gespannen
+verwachting den uitslag der nasporingen te gemoet zag.
+
+Reeds werden de toppen der boomen door de eerste stralen der morgenzon
+verguld, reeds weken de dampen om door kleuren vervangen te worden,
+en verliet de leeuwerik zijn nederig verblijf, ten einde het voedsel
+voor zijn gezin te zoeken, toen Van Bergen is voortdurende onrust,
+zijn kasteel op en neer liep.
+
+In hetzelfde oogenblik dat Rudolf kwam aanrennen, bevond hij zich op
+de binnenplaats.
+
+"Gij brengt mij geen goede tijding," zeide Van Bergen, toen bij het
+bleeke gelaat van den rijknecht bespeurde.
+
+"O, het is verschrikkelijk!" antwoordde de dienaar, terwijl hij van
+het schuimende ros stapte: "Hij is door een helsch wezen naar den
+afgrond gesleept."
+
+"Hebt ge uw hersens verloren Rudolf!" zei de graaf, terwijl bij hem
+scherp in de oogen zag: "Wat en van wien spreekt gij?"
+
+Rudolf verhaalde nu hoe zijn paapsche metgezel door een bovennatuurlijk
+wezen in het verderf was gelokt, en hoe datzelfde wezen hem, weinige
+seconden later, als door een tooverslag had vernietigd.
+
+"Hebt gij dat met eigen oogen gezien?" vroeg de graaf, nadat Rudolf
+had uitgesproken.
+
+"Gezien, genadige heer?" antwoordde de bijgeloovige man: "Ja zie,
+gezien heb ik het eigenlijk niet; de moed ontbrak mij om koelbloedig
+het einde der zaak af te wachten: maar zeker toch heb ik het spook
+zien fladderen, en nauwelijks had ik het dien paapschen heer doen
+opmerken, of hij werd door een bovennatuurlijke kracht naar die plaats
+getrokken, en...."
+
+"En koost gij, door een ellendig bijgeloof gedreven, lafhartig het
+hazenpad? Ik versta dit," vervolgde Van Bergen: "en toch vorder ik
+van u, ondanks alle spoken of helsche wezens, dat gij den jongen
+graaf Spinola gaat opzoeken, ten einde mij te berichten, wat er van
+hem geworden is."
+
+Rudolf zette een gezicht als ware hij tot den brandstapel verwezen;
+doch het karakter van zijn heer kennende, en zeer wel wetende dat
+alle tegenspraak vruchteloos zou zijn, zette hij den voet in den
+stijgbeugel en verliet weinige seconden later de binnenplaats.
+
+"Indien gij het mocht vergeten hebben," riep Van Bergen hem achterna:
+"zoo herinner ik u: dat hij die zich op God verlaat, in Zijn hand
+altijd veilig en wél bewaard is."
+
+Wel verre van in Rudolfs verhaal iets verontrustends te zien,
+koesterde Van Bergen integendeel de heimelijke en, zoo wij weten,
+gegronde hoop, dat Alonzo met een gelukkig gevolg zijne nasporingen
+zou hebben voortgezet, en dat het witte spook zijn geliefde Adelgonde
+zou geweest zijn.
+
+Weder was er een uur verstreken.
+
+De graaf had zich op eene bank onder den zwaren lindeboom
+nedergezet. Van deze plaats kon hij beurtelings den blik richten
+naar de drie verschillende wegen, langs welke zijne zendelingen
+moesten terugkomen.
+
+Na lang turen zag hij eindelijk aan het einde der laan een dikke
+stofwolk opstuiven. Het was Rudolf, die nog sneller dan te voren kwam
+aanrennen, terwijl zijn gelaat heel anders stond dan bij zijn eerste
+te huiskomst.
+
+"Zij is er! zij is er!" riep hij den graaf reeds van verre toe:
+"Binnen een half uur zijn zij hier!" vervolgde hij, naderbij gekomen:
+"De freule is frisch en gezond; ik heb haar gezien; zij lachte van
+blijdschap, en de jonge Spaansche graaf gaat insgelijks ongedeerd
+aan hare zijde."
+
+Zooals Rudolf gezegd had, verliep er nog ruim een half uur, eer
+Van Bergen de terugkeerenden ontwaarde. Reeds had hij in zijn geest
+de woorden gekozen, welke hij het lieve meisje zou toespreken, om
+eensdeels haar gevoelig hart niet te kwetsen, doch om haar tevens op
+een zachte wijze het verkeerde van hare daad onder het oog te brengen.
+
+Deze voorzorg echter was noodeloos geweest, want nauwelijks had het
+beproefde meisje haar pleegvader ontdekt, of zij snelde luid snikkende
+naar hem toe, en hij.... stom van blijdschap, drukte haar vast in zijn
+armen, en kon niets uitbrengen dan de woorden: "Gonne! mijn lieve,
+mijn beste Gonne!"
+
+Alonzo werd door dit schoon doch roerend tooneel diep getroffen. O
+hoe gaarne had hij in dit oogenblik dien edelen, dien waardigen man
+insgelijks vader, en die zachte schoone, zijn lieve Gonne genoemd;
+ja, in dezen stond kon slechts kieschheid hem beletten, om voor zijn
+dubbelen dienst een zoo gewenschte belooning af te smeeken.
+
+Zoodra Van Bergen met zijne pleegdochter en Alonzo in de kleine zaal
+was gekomen, liet hij eenige ververschingen opdragen.
+
+"Ik ben u oneindig veel verplicht, wakkere jongeling!" sprak hij
+tot Alonzo. "Ja, Gonne, gij weet het nog niet: van nu aan hebt gij
+een broeder. Spinola heeft mij een verloren zoon doen wedervinden,
+zooals ook gij, door zijn ijverige nasporingen, ongedeerd in mijne
+armen zijt teruggevoerd."
+
+Adelgonde zag den graaf vragend aan.
+
+"Alles is mij zelven een raadsel," ging Van Bergen voort: "God alleen
+is het bekend, waarom de boosheid tot heden zulke dichte netten om mijn
+levensgeluk heeft moeten werpen. Thans echter ben ik weer gelukkig,
+en hij, dien ik naast God den meesten dank ben verschuldigd, hij kan
+tot mijn laatsten snik op die dankbaarheid staat maken; hem zij de
+zegen van God en de eere der menschen, terwijl ik voor altijd zijn
+schuldenaar zal blijven."
+
+Het hart van den vurigen minnaar klopte hevig in zijne borst, Hij wilde
+spreken, doch aarzelde weder. Eenige oogenblikken nog bleven zijn
+donkerbruine oogen op Adelgonde gevestigd; toen wendde hij zich tot
+den graaf, en sprak langzaam doch met een vaste stem: "De goede daad,
+uit baatzucht volbracht, verliest hare waarde; daarom edele graaf,
+ben ik bevreesd door u veroordeeld te worden. Mijn woord als edelman
+echter zij u voldoende, om te gelooven dat ik onbaatzuchtig aan de
+stem der menschlievendheid het oor heb geleend.--Door de gunst der
+Heiligen mocht ik het voorrecht hebben tot uw geluk werkzaam te zijn;
+ik heb dien eervollen plicht vervuld, en wel verre van uwe dankbaarheid
+te vorderen, moet ik de Heiligen danken, dat ik hierdoor aan mijn
+eeuwig heil heb mogen arbeiden.--Maar nochtans, edele graaf!" ging
+Alonzo voort: "is het vreemd dat hij, die u een zoon en een dochter
+mocht terugschenken, u bidt: o maak een klaverblad van het getal uwer
+kinderen; neem hem tot zoon, die u zoo gaarne vader zou noemen: hij
+biedt u zijn kinderlijke liefde, en uw engelreine dochter: zijn hart,
+zijne trouw en zijn gansche leven aan."
+
+Van Bergen stond als door den bliksem getroffen. Hoe! was die redder
+van zijn lievelingen dan niet de zoon van den beruchten Spinola? was
+hij geen Spanjaard? geen vijand van het dierbare Nederland? geen vijand
+van het zoo duur gekocht geloof? Zou Adelgonde ooit in dat land van
+bij- en ongeloof met dien vreemdeling gelukkig kunnen zijn? En hij
+zelf, zou hij dat dierbare wezen verre--verre van zich laten gaan,
+en alzoo vrijwillig de hoop verijdelen, om haar aan de zijde van een
+waardigen echtgenoot in zijn laatste levensjaren gelukkig te zien?
+
+"Jongeling! gij eischt veel, gij eischt het onmogelijke van mij," sprak
+de graaf: "Beseft gij dan niet, dat mijn geslacht evenmin met het uwe
+kan vereenigd worden, als Nederland, zoo lang er nog strijdbare mannen
+zijn, aan Spanje kan toebehooren?--Jongeling, zoo waar God leeft, ik
+acht u hoog," vervolgde de graaf, terwijl hij Alonzo de hand reikte:
+"Beschuldig mij niet van ondankbaarheid. Ik weet het, gij zijt de
+man die mij mijne kinderen hebt teruggegeven, doch juist daarom zult
+gij mij die lievelingen laten behouden; eisch alles wat gij wilt,
+maar laat mij mijne dochter! Uw vaderland is het hare niet; en uwe
+kerk--zij is de hare evenmin."
+
+Alonzo was op dit antwoord geenszins voorbereid. De woorden van den
+graaf waren hem als kokend lood op het hart gevallen. Een oogenblik
+stond hij als versteend; doch weldra zijne tegenwoordigheid van geest
+terugbekomende, trad hij op Van Bergen toe; nam de hem toegereikte hand
+aan, en beurtelings zijne oogen naar Adelgonde en haren pleegvader
+wendende, sprak hij met een stem bevende van aandoening: "Graaf Van
+Bergen, het is u gebleken dat ik wél uw geluk, maar geenszins uw
+ongeluk heb bedoeld. Mijn geluk derhalve begeer ik niet ten koste
+van het uwe. Adelgonde zal, evenals ik, gelaten haar kinderplicht
+vervullen. Welaan dan, mijne taak in uwe woning is afgedaan; ik
+vertrek, en de tijd zal, zoo ik hoop, mijne smart verzachten. Geloof
+echter, edele graaf, dat mijn vaderland dáár is waarheen mijn hart
+trekt, en dat mijne kerk die kerk is, waar God en zijn groote Zoon
+verheerlijkt worden."
+
+Alonzo zweeg,--Adelgonde zag strak voor zich neer, en Van Bergen, in
+wiens oogen een paar dikke tranen waren opgeweld, wilde den jongeling
+nog eenige woorden toespreken, toen hij daarin eensklaps verhinderd
+werd door een hevig rumoer, 't welk zich op het portaal liet hooren.
+
+"Laat mij door! laat mij door, zeg ik u!" riep eene vrouwenstem buiten
+de zaal: "Ik moet, ik wil den graaf spreken. Waar is hij? O ik bid u,
+laat mij bij hem!"
+
+Van Bergen, niet begrijpende wat dit moest beteekenen, deed de deur
+open, en onmiddellijk stoof vrouw Barbara in havelooze kleeren en
+met loshangende haren de zaal binnen.
+
+"Wij hebben dit wijf nabij Leiden ontmoet," zeide Elbert, die met zijne
+knapen op het portaal was blijven staan: "Wij hebben haar ondervraagd
+om de genadige freule op het spoor te komen, doch zij antwoordde niet,
+en zeide alleen naar den Oldenburgh te gaan, om uw genade onverwijld
+te kunnen spreken; wij zijn toen dadelijk teruggekeerd en wilden haar
+beneden houden om u van de zaak kennis te geven, doch zij stelde zich
+zoodanig te weer, dat wij haar onmogelijk konden beletten onaangediend
+tot uw genade door te dringen."
+
+Zoodra Barbara de haar ontvluchte Adelgonde gewaar werd, ontstelde
+zij zichtbaar.
+
+"Vrouw, wat wilt gij?" zeide Van Bergen, nadat hij Elbert een wenk
+had gegeven om zich te verwijderen.
+
+"Genade! vergeving! ontferming!" riep Barbara, terwijl zij aan des
+graven voeten neerviel: "Genade voor mij en voor een stervende,
+die onder hevige smarten zijn einde te gemoet gaat."
+
+"Sta op, vrouw," zeide Van Bergen: "voor God alleen moogt gij
+knielen. Welke misdaad hebt gij bedreven? Waarvoor komt gij mijn
+genade inroepen? Spreek zonder dralen, doch maak het kort!"
+
+Vrouw Barbara stond op; wischte zich het zweet van het voorhoofd,
+en begon eindelijk met een eenigszins bevende stem: "Mijn gelaat
+zult gij u wellicht niet meer herinneren, genadige graaf; ook is het
+reeds meer dan twintig jaren geleden, dat wij elkander voor het laatst
+gezien hebben. Ik ben Barbara Leendertz, de vrouw die baker bij uwe
+gemalin was, toen hare genade voor de eerste maal moeder werd. De
+man die thans zieltogend in mijne woning ligt, was de vreemde arts,
+die bij hare moederwording tegenwoordig was. Gij waart in den strijd,
+genadige graaf, en toen gij terugkwaamt...."
+
+"Werd mij door u een dood wicht als de pasgeboren zoon aangewezen,"
+viel Van Bergen haar schielijk in de rede.
+
+"Het is zoo," hernam Barbara: "doch de duivel had mij verleid om u die
+leugen te verkondigen. Zekere Rosio, een geneesheer, zooals hij zich
+noemde, uit Frankrijk afkomstig, wist mij door schoone woorden en een
+ruime belooning tot een schandelijk bedrog over te halen. Gij bewijst
+der kerk van Rome een onschatbaren dienst, zeide hij: indien gij dat
+kind aan het kettersche geloof ontrukt en voor de Heilige Moederkerk
+bewaart.--Den vorigen nacht was eene mijner kennissen van een dooden
+zoon bevallen; dat lijkje werd,--tegen een kleine belooning, weldra
+ons eigendom; en terwijl de geneesheer uw levenden zoon naar mijne
+woning bracht, legde ik het doode kind in een kistje, en bleef tot
+uwe tehuiskomst uw zwakke vrouw bewaken."
+
+"Groote God!" riep Van Bergen uit, "moest zóó dat ongelukkige kind aan
+onze zorgen worden ontrukt!--Ga voort," vervolgde hij tot Barbara:
+"en de Heer schenke mij kracht om even bedaard te vernemen wat gij
+met mijn zoon hebt aangevangen, als Hij langmoedig de zonden zijner
+menschenkinderen gadeslaat."
+
+"Nadat uw kind verscheidene jaren door mij was bewaard," hervatte
+Barbara: "kwam op zekeren avond een man in mijne woning, dien ik
+weldra voor dien geneesmeester Rosio herkende. Zes jaren was hij
+uitlandig geweest, en had bij de oude gravin Van Bergen God hebbe hare
+ziel!--de plaats van rentmeester bekomen; hij vernam naar uw zoon,
+dien ik gedurende al dien tijd voor de wereld had verborgen gehouden,
+en gaf mij den wensch der gravin te kennen, om het kind ten harent te
+ontvangen, ten einde het verder, op een meer gepaste wijze, in het
+ware geloof te laten opvoeden. Op een stormarchtigen nacht bracht
+ik het kind, met mijn nu zaligen zoon Casper, naar den Blankert,
+waar die rentmeester verder voor de opvoeding heeft zorg gedragen,
+doch waar het arme schaap nu zeker met dien schrikkelijken brand
+onder het puin is omgekomen."
+
+Van Bergen sprak niet, maar greep Alonzo's hand, en terwijl hij die
+aan zijn hart drukte, scheen hij nu eerst recht te beseffen, welk
+een onschatbare weldaad de edele Spanjaard hem had bewezen.
+
+"En hebt gij bewijzen van hetgeen gij zegt?" zei de graaf eindelijk,
+terwijl hij, hoewel innerlijk van de waarheid overtuigd, reikhalzend
+naar schriftelijke bewijzen uitzag.
+
+"Denkt gij dan dat ik mij zelve zou komen beliegen?" hernam Barbara:
+"De man smeekt en kermt om uwe vergiffenis; zonder die is hij verdoemd,
+en bedreigt hij ook mij met het eeuwige vuur. Doch bewijzen? ja ik heb
+ze gehad," ging zij voort: "maar ze zijn mij ontstolen. Een aflaat om
+mijn geweten te stillen mij door dien rentmeester bezorgd, benevens
+een bewijs van ontvangst door de gravin Van Bergen onderteekend,
+dit zouden waarborgen voor de waarheid mijner woorden zijn geweest."
+
+Alonzo bracht de hand aan het voorhoofd om zich te bezinnen waar hij
+de papieren, aan den ronselaar ontsnapt, had gelaten.
+
+"Die stukken zullen u geworden," zeide hij eensklaps tot Van Bergen:
+"ze zijn door bijzondere omstandigheden mijn eigendom geworden. Morgen
+of heden nog, zullen ze in uwe handen zijn."
+
+"Zijt gij de dief?" riep Barbara, terwijl zij zich geheel vergetende,
+met de armen in de zij voor Alonzo plaatste: "Spreek, schurk, met uw
+fijn geslepen tronie, waar is mijn geld? Ha! ik begrijp al wie gij
+zijt," vervolgde zij, nadat de gebiedende stem van den graaf haar
+vruchteloos tot zwijgen had aangemaand: "gij zijt de bondgenoot van
+dien ellendigen vadermoorder, van dien Van Rodenberg, die, voor een
+goede som dat arme bloedje dáár, dezen nacht in mijne woning heeft
+gebracht.--Ja, genadige graaf," ging zij in één adem tot Van Bergen
+voort: "ja, dat mensch heeft het lieve duifje in het ongeluk willen
+storten, maar hij kwam te laat, en toen Rosio de schoone vrucht vóór de
+komst van dien ander wilde plukken, bleef zij evenwel ongedeerd, want
+hij zonk plotseling ineen, dewijl een hevig vergif zijne ingewanden
+verscheurde. Zijn bastaardkind had hem vergiftigd. Die Van Rodenberg,
+het monster, 't welk Rosio bij uwe stiefmoeder verwekt en als vondeling
+had neergelegd, was door den tijd tot vadermoorder opgewassen. God
+verdelge hem! maar vergeve ons dat wij hem behulpzaam zijn geweest om
+u zoo vele jaren van ongeluk te berokkenen. Ja graaf, gij weet nog
+niet alles: Gij weet niet dat de haat, de nijd en de afgunst van uw
+stiefmoeder, u ongeluk en rouw hadden gezworen; gij weet niet dat uw
+grijze vader, kort nadat hij zijn onwaardige gemalin had verstooten,
+aan een langzaam werkend vergif is weggekwijnd; Rosio mengde die drank;
+ook daarvoor smeekt hij u genade."
+
+Om 's graven antwoord af te wachten zweeg Barbara een oogenblik. Deze
+echter sprak niet maar was in diepe gedachten verzonken.
+
+"Nog slechts weinige woorden heb ik tot u te spreken, genadige graaf,"
+hervatte de vrouw: "maar bij de Heilige Maagd! zeg mij dan eerst
+of gij het ons vergeven wilt? Zie, ik biecht voor u, dewijl Rosio
+het mij bevolen heeft. Gij behoort wel is waar tot de ket.... de
+hervormden, maar Rosio zeide mij dat uw vrijspraak, de genade uit
+den hemel was. Wilt gij echter geen genade schenken, zoo moet ik
+bidden voor het heil der gezonkene ziel, die al stervende bekent,
+het verderf van uw geslacht te hebben bewerkt."
+
+"Wat God over ulieden besloten heeft is mij niet bekend," zeide Van
+Bergen: "Geen sterfelijk wezen is de raadsman naar wiens uitspraken
+de Onzienlijke zich richten zal. Wij allen hebben vergeving
+noodig. "Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan
+onze schuldenaren," dit is de bede welke ik dagelijks ten hemel
+opzend. Welnu, toon uw berouw, en God zal u genadig zijn zooals ik
+ulieden insgelijks wil vergeven."
+
+"Die woorden gaven u de Heiligen te spreken!" riep vrouw Barbara,
+nadat zij door den graaf was verhinderd nogmaals aan zijne voeten neer
+te knielen. "O ik zie het," ging zij voort: "gij zijt vergevensgezind,
+en ik durf dus hopen, goedgunstig door u te worden aangehoord wanneer
+ik u nog een geheim meedeel, 't welk mijn geweten sinds vele jaren
+bezwaarde."
+
+Van Bergen hield zijne oogen doordringend op Barbara gevestigd.
+
+Alonzo, gerust in de overtuiging zijn plicht te hebben vervuld, had
+zich wijselijk van een woordenstrijd met de vreemde vrouw onthouden;
+hij vertrouwde, en met recht, dat men te zeer van zijn welgemeende
+gevoelens zou doordrongen zijn, dan dat men hem een oogenblik van
+de aangetijgde wandaad zou kunnen verdenken. Integendeel voelde hij
+zich gelukkig, eenige duistere wolken te zien wegdrijven, en zich
+ongezocht nog eenige oogenblikken in de beschouwing der bekoorlijke
+Adelgonde te kunnen verlustigen.
+
+"De dag zal u gewis nog heugen," ving Barbara weder aan: "toen gij,
+drie jaren na de eerste bevalling uwer zalige gemalin, nogmaals te
+velde trekkende, haar in gezegenden toestand moest achterlaten. Gij
+kwaamt terug, en terwijl gij de hoop voeddet twee dierbare wezens aan
+het hart te drukken, vondt gij bij uw tehuiskomst een woning van rouw,
+want moeder en kind lagen reeds verscheidene dagen in het donkere
+graf.--Ja, ik weet nog zeer goed hoe gij jammerdet en kermdet,"
+vervolgde Barbara: "hoe gij het graf wildet ontsluiten, om de lijken
+van moeder en kind met uw tranen te bevochtigen; hoe de raad van
+uw vrienden, en bovenal van den geneesheer Rosio--want deze was ook
+nu weder bij de bevalling tegenwoordig geweest--u met moeite van dat
+akelige voornemen deed afzien, en hoe gij dagen en nachten vruchteloos
+ronddooldet om uw rust en kalmte terug te vinden.--Graaf Van Bergen,
+herinnert gij u nog hoe eenige dagen later, een kind, een meisje,
+in lompen gewikkeld, bij de poort van dit kasteel door u zelf werd
+gevonden? hoe tusschen die lompen een stukje papier was gestoken,
+waarop met onduidelijke letters geschreven stond: dat een paar arme
+doch brave ouders, u dit kind ter verpleging aanboden; dat zij niet
+bekend wilden zijn, doch den volgenden avond aan die zelfde plaats
+zouden terugkomen om uw antwoord daar te vinden, hetzij de kleine,
+zoo gij u harer niet wildet aantrekken, hetzij een geldelijke
+ondersteuning ten einde hun andere kinderen voor broodsgebrek
+te bewaren?--Gij hebt toen het wurmpje liefderijk opgenomen,"
+vervolgde Barbara: "gij hebt het tot eene maagd zien opgroeien, die,
+om haar uitnemende schoonheid, in de vorstenstad en hare omstreken
+de Hagenlelie wordt genoemd.--Welnu, dat kind--dat meisje, 't welk
+gij thans zoo onuitsprekelijk lief hebt, weet gij graaf Van Bergen,
+wie de moeder van dat wurmpje was?--Zij is het kind van uw gade--zij
+is uw eigen dochter.--Jezus! Maria! weest ons genadig! Wij hadden
+het u, evenals uw zoon ontstolen, en het stoffelijk overschot uwer
+zalige gemalin,--wier spoedig uiteinde door Rosio was bewerkt,--is
+slechts alleen naar het graf gedragen."
+
+
+
+Het zou voorzeker een wanhopige poging zijn om de diep ontroerde
+gemoederen op de onstuimige baren hunner aandoeningen te volgen.
+
+Neen; wij wagen ons niet op het fel bewogen element; de winden zijn
+te hevig, de golven schuimen te hoog, en de krachten des schippers
+zijn te zwak om het roer naar eisch te wenden.
+
+Genoeg,--bij zooveel misdaad en toch nog zooveel zegen in 't eind,
+kampten verontwaardiging en jammer met dankbaarheid en verrukking.
+
+Van Bergen had de spreekster ternauwernood tot het einde kunnen
+aanhooren. Bij de woorden: "Zij is het kind van uw gade," was hij
+eensklaps van zijne zitplaats opgesprongen, en had de vrouw bij haar
+beide armen gevat, als om zich te overtuigen dat een levend wezen
+hem deze woorden had toegesproken.
+
+"Adelgonde! Adelgonde!" riep hij eindelijk;
+"God! Zij is mijn kind!--Gerechte hemelsche Vader! is het
+waarheid? Adelgonde!--mijne--mijne lieve dochter! kom--o kom--in de
+armen van uw vader...." Nu was het den graaf onmogelijk verder te
+spreken. Een luid geween verlamde zijne tong, en nadat Alonzo hem het
+dierbare meisje in de armen had gevoerd, overlaadde Van Bergen haar
+met tallooze kussen, en klemde haar vast aan zijn hart, als vreesde
+hij dat nieuwe aardsche machten hem zijn schat zouden ontrooven.
+
+Zoo liefelijk als het veelal is eene vrouw in vreugde of droefheid
+te zien weenen, zoo akelig is het steeds wanneer een man zijne
+aandoeningen op deze wijze moet lucht geven: Van Bergen was schier
+niet tot bedaren te brengen, en Alonzo die over deze uitkomst minder
+verrast dan de graaf, met afgrijzen het schrikkelijk aantal misdaden
+had hooren opsommen, beschouwde met fonkelende oogen de ontaarde
+vrouw die, met saamgevouwen handen, nogmaals voor den graaf op de
+knieën was neergevallen.
+
+"Monster! ga van hier!" sprak Alonzo op gebiedenden toon: "Wat baat
+u en uw medeplichtige de vergeving der menschen, daar alreeds het
+helsche vuur voor ulieden brandt. Wat baat u de genade der wereld,
+zoo het tal van uw zonden zelfs door de verdiensten der Heiligen niet
+kan worden uitgewischt."
+
+Vrouw Barbara wierp een blik van minachting op den vertoornden
+spreker. Biddende bleef zij de armen naar den graaf uitstrekken, en
+zelve ontsteld door de uitwerking, die haar verhaal had teweeggebracht,
+riep zij op smeekenden toon:
+
+"Neen, ik zal, ik kan niet van hier gaan aleer de edele graaf ons
+genade heeft toegezegd.--O! de Heiligen weten het, hoe dikwerf mijn
+geweten mij tot spreken aanspoorde; hoe dikwerf ik wenschte van die
+ijselijke eeden ontslagen te zijn, doch dan zweefde de dreigende
+vloek van Rosio mij weder met vurige letters voor den geest; dan
+zag ik mij weer aan den haat en de vervolging van uw stiefmoeder
+prijsgegeven. Ja, zij was het die de ellende en den rouw over uw
+huis heeft gebracht. Zij, door haar echtgenoot verstooten, wenschte
+haar bastaardkind in die rechten te zien treden, waarop zij zelve in
+de eerste plaats meende aanspraak te hebben. Daarom moest uw zoon
+gedood, of voor de wereld verdonkerd worden; daarom moest uw gade
+zoo vroegtijdig sterven, en gij uw eigen dochter grootbrengen, in den
+waan dat zij een kind van lage afkomst was. Ja, zij had besloten dat
+niemand anders dan haar verachtelijke zoon uw dochter tot echtgenoot
+zou erlangen; bij eene weigering van uw zijde, was hij gewapend;
+hem was de leugen van Adelgondes geboorte voor waarheid verhaald;
+hij zou u bedreigen met de wereld daarvan te onderrichten. Uw antwoord
+was dan niet langer twijfelachtig, en als Adelgondes gemaal, zou hij
+na uw dood,--die dan spoedig volgen moest, in uwe rechten treden,
+zoodat de zoon uwer stiefmoeder een geslacht zou vervangen, dat kort
+te voren nog zoo fier den nek tegen haar had gekromd."
+
+Nauwelijks had vrouw Barbara deze woorden geëindigd, of een vreeselijke
+knal drong den aanwezigen in de ooren. Zij zelve stortte, met een
+rauwen gil, bewusteloos op den grond, en terwijl de dienstboden,
+door den slag ontsteld, ijlings naar de zaal stormden, opende
+Alonzo het torenkamertje, waaruit een pistoolschot was gelost,
+doch ontwaarde niets dan een tamelijk lang koord, 't welk uit het
+venster hing. Voorzeker moest het de ontkoming van Van Rodenberg
+hebben bevorderd, die eerst over de slotgracht was gezwommen en zich
+daarna in allerijl uit de voeten had gemaakt.
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige
+aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens
+was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en
+telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te
+hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw,
+na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was
+het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof,
+verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede
+reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene
+verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten
+Augustus 1608, de krijg feller dan te voren zou hervat worden. Openlijk
+hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter
+hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden
+geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe
+echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk
+hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door
+vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten
+en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te
+besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af
+aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren.
+
+Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche
+en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor.
+
+De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst,
+zeer voor deze zaak.
+
+Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor
+Nederland--wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen--liever
+een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste
+geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond,
+hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten
+verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden,
+bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen
+een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen,
+doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men
+zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het
+verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen.
+
+Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van
+zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te
+neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen
+noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat
+Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust,
+in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men
+eindelijk--nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende,
+door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te
+wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven
+de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden,
+tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen.
+
+De Algemeene Staten evenwel--Zeeland uitgezonderd--besloten, door
+geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden
+van den vijand aan te hooren.
+
+De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord
+en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden
+volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de
+vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde,
+te bezinnen.
+
+Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden
+verstaan.
+
+Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal
+genoodigd.
+
+Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola
+van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn
+ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke
+hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. "Deze dronk,"
+zoo eindigde hij: "zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij
+onthaal hier te lande genoten."
+
+Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord.
+
+"Mijne heeren!" zeide hij: "Wij zijn als vrienden, niet als vijanden
+te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen,
+doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang
+zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars
+blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende
+wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te
+meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn
+wij in den strijd,--laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin
+des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten
+onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen
+zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond,
+mijne heeren!" aldus besloot de prins: "zal ons samenzijn iets goeds
+gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken
+achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!"
+
+Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden
+avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën
+van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede:
+
+
+ "God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten
+ daarvan men met 'er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne
+ van desen staet." [1]
+
+
+Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede
+uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest.
+
+Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader,
+bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was,
+bevond zijn geest zich op den Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en
+treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin
+hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem
+gevonden schat voor altijd moest achterlaten.
+
+De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee
+groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden.
+
+Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de
+onderhandelingen voor altijd waren afgebroken.
+
+Dien keer echter moesten de zaken niet nemen.
+
+De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van
+Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegen Maurits
+en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak
+te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd
+bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger
+gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig
+heeft samengewerkt.
+
+Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een
+onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen
+Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen
+lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend. [2]
+
+
+
+Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden
+de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk
+'s-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De
+bode des vredes had gesproken,--het gesloten bestand was met de meeste
+plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,--de vreugdeschoten knalden
+door de Maliebaan--'t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren:
+
+
+ "Rust Neerland!"--was de kreet:
+ "Rust van Uw heldendaen."
+
+
+"Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast
+in de boutjes," zei een man uit de menigte tot iemand die zich,
+in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den
+had gemengd.
+
+"Het ding was malsch en niet malsch," antwoordde de aangesprokene:
+"haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als
+krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in
+mijn zak overgegaan."
+
+"Geef hier!" hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het
+halssieraad bij zich stak: "Gij zijt een slimme vogel; een dief die
+zijn handwerk verstaat."
+
+"Ik ben een dief en geen dief," hernam de tweede: "ik neem,--evenals
+de rijken--wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne
+kronen in den zak houd."
+
+"Uwe kronen! dat geloof ik," zei de eerste glimlachend, en dan:
+"Hebt gij Aaij ook gesproken?"
+
+"Gesproken en niet gesproken," hernam de hansworst: "Ik ontmoette hem,
+of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij,
+zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft
+zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben
+weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer."
+
+Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna
+rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewonden
+publiek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te
+beter zijne kansen te kunnen waarnemen.
+
+
+ "Leve de rust! leve de vreugd!
+ Leve de rust die 't hart verheugt!
+ Weg met den nijd, weg met den strijd!
+ Leve de vree en de vroolijkheid!"
+
+
+Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen
+de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst
+behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen.
+
+"Nietwaar seigneur!" riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje
+te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong,
+die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts
+langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende
+massa's te veroorzaken: "Nietwaar seigneur?" riep de hansworst
+nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter,
+de omstanders deed schateren van lachen.
+
+Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens
+de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer
+diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch
+eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds
+in het aangezicht.
+
+"Wij zijn elkander niet vreemd," zeide de vreemdeling: "Mij dunkt dat
+ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg
+van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.--Voorzichtig, maat!" vervolgde
+hij zachter: "steek den buidel even behendig weer in mijn zak als
+gij er dien uit hebt genomen, of anders...." en hij liet dit woord
+door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan.
+
+De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te
+hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte
+van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel
+eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht
+verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter
+werd verlaagd.
+
+Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van
+algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende
+omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller,
+voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid.
+
+"Mijn jachtmes!"--"Mijn buidel!"--"Mijn zakboek!" riepen eenige mannen.
+
+"Zie, mijn zilveren beugel!"--"Mijn gouden doekspeld!"--"Mijn
+reukdoosje!" riepen eenige vrouwen.
+
+"Houdt den dief!"--"Houdt den schurk!"--"Houdt den afzetter!" riepen
+allen.
+
+De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst
+en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den
+weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwende stedelingen
+hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het
+aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen.
+
+Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola
+zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen,
+gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur,
+voor de geopende poort van den Oldenburgh.
+
+Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier
+heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien
+heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid
+aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle
+goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland
+een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken.
+
+Maar Alonzo?--In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van
+die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven
+op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken.
+
+--Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik
+staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk,
+met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij
+in dit kasteel vertoonen?--Ja! het is de heilige engel des Heeren die
+mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik
+den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want,
+zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart.
+
+Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo
+hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde
+de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden,
+hare wedergade niet vond.
+
+Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen,
+en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds
+welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en
+drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst.
+
+Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste
+stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins
+de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast
+elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug.
+
+"Alonzo!" zeide het meisje: "hebt gij wel gehandeld? Is het uit een
+zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend,
+het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij
+zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O
+Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt
+gij Zijns niet waardig."
+
+"Gij miskent mij, dierbaar meisje!" riep Alonzo, haar aan zijn
+hart drukkende: "Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den
+hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hem
+sloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans--evenals Saulus
+werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd
+gebracht--evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij
+tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige
+dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop
+aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde
+boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden,
+waren deze: "Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van
+Mij getuigen." Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn
+hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk,
+waartoe ik behoorde, verbiedt 't geen God heeft bevolen. Alles werd mij
+duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek
+verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij,
+door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid
+doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het
+aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe
+hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans
+geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer."
+
+Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige
+liefde. "En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor
+u neder," zeide zij op zacht smeekenden toon: "Zijt gij dan toch nog
+bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht
+nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien
+bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?"
+
+"Ons geluk!" riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart
+drukte: "Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel
+niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is
+het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo
+teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. "Ga van hier ontaarde
+zoon!" waren de woorden mijns vaders: "Ga van hier, door God verdoemde
+ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht,
+wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben."
+
+Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen
+jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en
+terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het
+minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te
+troosten en op te beuren.
+
+"Lang leve onze waardige graaf!" was de kreet, die eensklaps den jongen
+lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats
+op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn
+geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen.
+
+Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward,
+snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne
+armen.
+
+
+
+
+
+EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en
+op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de
+schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel
+verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan
+ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans
+der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den
+alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten,
+op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren.
+
+De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van
+België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit
+geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem
+verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij
+bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij
+met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen,
+om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen.
+
+In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel
+Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd
+toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige
+broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht
+graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen;
+drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde
+op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch
+de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong
+met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af,
+die rijp was voor den grooten oogst des Heeren.
+
+Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De
+doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats
+gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en
+vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen.
+
+Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven,
+een bewoner terugbekomen.
+
+De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle
+verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten
+inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet
+gekend had.
+
+"Ben ik vandaag zoet geweest?" zeide een allerliefst driejarig meisje,
+dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken
+van Beaufort zat te spelen: "Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet
+stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet,
+en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar
+zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens bij u op schootje zitten?"--en
+zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende,
+zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar
+met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren.
+
+"Gij zijt een kleine plaagster!" zeide Klaartje, terwijl zij het lieve
+kind op haar schoot nam: "Met u kan men nauwelijks de helft van zijn
+werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders...."
+
+"Ja, heel stil!" hernam het lieve kind: "en Klaartje zal mij dan
+vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje
+zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het
+zal koud worden."
+
+De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing,
+doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even
+blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij:
+"Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor
+te zijn. Want ziet gij," vervolgde zij, zich met Clarisje op den
+arm voor het portret plaatsende: "dat is een geschilderd kindje;
+het kan niet praten, niet zien, niet...."
+
+"Ja maar het lacht toch," zeide het lieve meisje, haar in de rede
+vallende: "en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat
+kindje, of is het een ander kindje van mama?"
+
+"Hoor lieve," antwoordde Klaartje: "ik zal u dat later wel eens
+vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik
+u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of
+komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man,
+die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens
+het leven gered."
+
+"Dat moet een goede man zijn geweest," zeide Clarisje: "Ik zal
+dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem,
+nietwaar lieve Klaartje?"
+
+Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet
+onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe
+wond in haar binnenste opengereten: "Ja, voorzeker!" zeide zij
+eindelijk: "doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat
+gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan
+zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed
+onthouden hebt."
+
+Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo
+Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een
+hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde
+Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand
+hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster
+had toegehaald.
+
+Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal,
+had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. "Is Spanje
+met Nederland in vrede," had hij gezegd: "en hebt gij de leer van
+Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag
+mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van
+mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kunt gij mijn kleinood naar
+het altaar geleiden.--Ga! God zij met u!"
+
+En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde
+geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn
+zoon had uitgesproken. "Wie vader of moeder lief heeft boven Mij,
+is Mijns niet waardig." Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had
+wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat
+het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de
+goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den
+hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde,
+die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren.
+
+Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand,
+hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en
+trouw gezworen.
+
+Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest,
+en het huwelijksfeest, 't welk juist tot het jaarfeest des graven
+was uitgesteld, werd met ongemeenen luister op den Oldenburgh gevierd.
+
+Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den
+graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toen Adelgonde eindelijk, na den
+dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam
+der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet
+langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen
+zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd
+zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem
+nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het
+thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn
+ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog
+eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten.
+
+"Mijn Gonne is altijd even toegevend," zeide Alonzo eens tot zijn
+bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten,
+zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. "Ik
+wilde wel," vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn
+voet over den vloer heen en weer rolde: "ik wilde wel, Gonne, dat gij
+mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt,
+ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf
+zulk een liefde niet te verdienen."
+
+"Beste Alonzo," zeide Adelgonde: "waarom zoudt gij die liefde niet
+verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd
+al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig
+te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder
+u was er voor mij toch geen geluk op aarde."
+
+"Gij zijt een engel!" hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast
+dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag
+een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien.
+
+"Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt,"
+hernam hij: "Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een
+zoen. Zie zoo!--gij moogt uw lieve oogen niet bederven."
+
+"'t Is waar," zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: "Het licht
+is al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij
+voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht,
+nietwaar beste vriend?"
+
+Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig
+wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes
+schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het,
+terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde:
+"Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje
+zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man
+geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!" en het aardige meisje
+kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien.
+
+"O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!" zeide
+Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: "maar,"
+vervolgde hij vleiend: "gij zult mij ook een zoon schenken, is het
+niet zoo?" en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een
+zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden:
+Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand."
+
+Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het
+avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een
+buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld
+doch verrast deed opspringen.
+
+"Lieve vader!" riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die,
+in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden:
+"Lieve beste vader!" riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven
+hals bleef hangen: "hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!"
+
+Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn
+schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste
+verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem
+door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne
+kinderen naast zijnen zetel plaats namen: "Het is mij goed weer bij
+u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde,
+deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en...."
+
+"Een gevaar!?" riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: "Wat is
+u overkomen?"
+
+"Ik zal het u verhalen," hernam Van Bergen: "doch vooraf verzoek ik
+u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf,
+dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn."
+
+Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen
+hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht,
+toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had
+gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave
+van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door
+den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze
+de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens
+een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was
+neergevallen.
+
+Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en
+verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden
+vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien.
+
+Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo's knechten het
+kasteel Beaufort binnengedragen.
+
+De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep;
+een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten,
+niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven
+zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen.
+
+Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis
+bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek,
+waar de ongelukkige terneer lag.
+
+Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins
+wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken
+lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van
+verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd
+verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich
+vroeger Walter Van Rodenberg noemde.
+
+"God, Walter! zijt gij het?" riep de graaf, terwijl hij verbleekte,
+en bevend den nederliggende beschouwde: "Walter, Walter! waartoe zijt
+gij gekomen!"
+
+Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich
+heen.
+
+"Ha!--eindelijk vernietigd!" riep hij met schorre stem: "Het is reeds
+lang genoeg.--Waar is de dood?--Kom spoedig!"--en met een ontzettende
+krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een
+hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het
+aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend
+den geest gaf.
+
+Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen
+indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen
+had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was "het
+opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid
+afgegleden," en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van
+Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar
+zijn laatste rustplaats.
+
+Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor
+de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den
+Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier
+een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd.
+
+Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat
+de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift
+van zijn doorluchtigen beschermer.
+
+Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen,
+veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal
+geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de
+oogen. "Dáár, dáár," riep hij in vervoering uit: "lees.... zie.... ik
+kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft
+zich mijner ontfermd!"
+
+Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was
+de voorspraak van den echtgenoot der schoone Hagenlelie geweest, en
+de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon
+weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen
+weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn
+ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor
+meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan.
+
+
+
+Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven
+nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te
+zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen.
+
+Het vroolijke kamermeisje van de schoone Hagenlelie was, twee
+maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt
+getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken,
+en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op
+het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad,
+gelijk zijn goede huisplaag,--zooals hij Anne meermalen schertsend
+noemde--steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene
+trouwe moeder voor hare kinderen bleef.
+
+Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen,
+dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen
+kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend
+gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige
+oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan
+zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes
+plaats bij haar te komen innemen.
+
+Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De
+akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds
+sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede
+gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed
+aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken
+had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant
+van een wissen dood had gered.
+
+Het schilderstuk, 't welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien,
+was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen,
+en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van
+hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat
+het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen.
+
+Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het
+sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste
+oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer
+zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht.
+
+Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot
+toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomen vergiffenis
+geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster
+als berouwhebbend Katholiek gestorven.
+
+Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene
+kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt
+getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken;
+en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot
+zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne
+schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel van den goeden
+graaf gegeven.
+
+Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf op den Oldenburgh, en door
+hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds,
+de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te
+kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden
+Burgman is verloren gegaan.
+
+Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde
+niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft
+hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem
+nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer
+ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig
+gevonden heeft.
+
+
+
+
+
+
+
+
+GELEGENHEIDSSTUKKEN.
+
+
+DE REUS VAN ANTWERPEN.
+
+
+Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade
+was een reuzin.
+
+En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich
+Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot
+en hoog.
+
+En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan
+had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon
+op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners
+er boven uitspringen, en glanzen in 't zonnelicht; maar ook, als de
+wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers
+met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan
+de Schelde was!
+
+En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster
+zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg
+den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderend
+halt door de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en
+greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er
+kraakte en schokte.
+
+En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd,
+dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat.
+
+En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of
+anders--anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting
+aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg!
+
+Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige
+burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want--deden zij
+'t niet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met
+zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van 't lijf, en wierp ze,
+och arme! ten aas voor de visschen in 't diep van den stroom.
+
+En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef
+rustig zijn tol en schatting heffen--of wel, hij greep de schepen
+bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel
+een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en--het kappen van
+der weerspannigen handen, en het Handwerpen in de Schelde bleef zijn
+geliefkoosd vermaak.
+
+Maar Brabo nadert.
+
+Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht
+om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen,
+om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan.
+
+En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat
+Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht
+de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo
+zal ze houwen in eeuwentartend graniet.
+
+En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun
+beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de
+oogleen des geweldigen toe,--en de schippers varen ongehinderd voorbij.
+
+En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de
+sterke in 't einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen
+van een tweede als hij--het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus
+zelf--gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit
+gehoorde zilveren tonen van Brabo's stemme en lier, rukt hij zich,
+bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te
+verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht.
+
+Maar ziet, Brabo's stalen beitel snort door de lucht, en treft er den
+kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter
+aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren;
+en die beiden--zijn de laatsten van hun geslacht.
+
+
+ Leve de Verwinnaar!
+
+
+En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was,
+toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met
+blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held,
+een schoone stad op den oever der Schelde--waarvan de reuzenburg de
+hoeksteen bleef--en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van:
+
+
+ Antwerpen.
+
+
+En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne
+kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo
+den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne
+liederen, en juichten: De geweldige is verslagen!
+
+Maar toch--toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds
+rondwaart door Antwerpens straten; dat hij--ofschoon de held der
+beschaving hem versloeg--nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken
+in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon
+nog immer meewerkt tot den roem van Brabo's nakroost.
+
+
+
+Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe
+wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen,
+en er de achtkante tafel--Antigoons steenen disch--ter zwaarte van
+tweemaal zesduizend kilo's, nog hooger dan viermaal honderd voeten
+optillen dorst....?
+
+Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw
+veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot
+klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op
+'t midden der "groene plaetse"?
+
+En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den
+kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en
+gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De
+meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte [3] van Noord en van
+Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom
+griffelen deed in 't eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen,
+die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld
+genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester--door verspreiding
+van licht en beschaving, in beeld en in schrift?
+
+Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet,
+zij lacht vroolijk.
+
+Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte
+uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van 't genie te zaam aan
+uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders
+van éénen stam met warmte aan 't harte drukten; dat de zonen van
+'t machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun
+aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders
+één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van
+Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle
+strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle
+zonen der Kunst....?
+
+
+
+En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens
+straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u van de gevels
+der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en....
+
+
+
+Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij
+langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige
+banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den
+weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve
+Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert.
+
+
+
+Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden
+God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm?
+
+Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God,
+als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen,
+die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd
+opnieuw miskenden en heiligen God.
+
+Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele
+vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige
+waarheid is:
+
+Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich
+zelven!
+
+
+
+Liefde voor God en de menschen!
+
+Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel
+der Kunst.
+
+En in dien tempel--Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één,
+dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij
+gebrekkige vormen in beeld of in schrift.
+
+En ziet--nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van 't
+genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij 't aanschouwen van
+dien slavenroof aan Afrika's kuste. Uw harte bloedt bij het angstig
+bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel
+ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt. [4]
+
+Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook, hoe zij haar God zocht te
+dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet,
+die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks
+haar ten vure zal doemen? [5] Neen, neen! gij hoort haar angstkreet,
+haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de
+aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des
+verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf
+der Kunst--zij wekt ons tot liefde.
+
+Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe
+arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen
+kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van
+uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de
+truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat
+paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen. [6]
+
+Arme vrouwe, wij weten 't wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd
+op het doek, doch--aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen
+van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft
+gefluisterd van broederliefde, en,--broederliefde en christenzin,
+zijn die beide niet één.
+
+En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst
+maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke
+schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen,
+woelende zeeën, tintelende luchten! En--als gij dan den maker prijst
+van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem
+der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat
+alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde!
+
+Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door
+de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij 't ook hoe gij
+daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;--hoe gij daar vrijheid
+eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven-
+den broedermoord;--hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat
+en voor godsdienstkrijg;--hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de
+armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen
+zooveel;--hoe ge daar leeraart en predikt: 't is er zoo goed aan den
+huiselijken haard, 't is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....?
+
+O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt
+ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij
+die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren!
+
+Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare
+niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is
+er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal
+in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau's lied in den
+Feërieken lusthof ook allen het harte getroffen.
+
+O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als
+in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de
+woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee
+van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan,
+de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in
+heur diep diepe blauw.
+
+
+ SOLO.
+
+ Salut, o phalange sacrée,
+ Dont l'aspect nous fait tressailler;
+ Gloire aux soldats de la pensée.
+ Aux pionniers de l'avenir.
+
+ RÉCITATIF.
+
+ Fréres en vous comptant, une ivresse profonde
+ S'empare de mon coeur, oui, nous pourrons un jour,
+ Peintres, poétes, penseurs, régénérer le monde
+ Par la foi, le travail, le génie et l'amour.
+
+ STROPHES.
+
+ Oui, je voudrais, dans un élan sublime,
+ Vous presser tous sur mon coeur palpitant:
+ Enfants de Dieu qu'un meme zéle anime,
+ Courrez au but, la palme vous attends.
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+
+ Si le trépas, Fréres venus de France,
+ A parmi vous fait des vides nombreux;
+ Serrez vos rangs, espoir et confiance!
+ Suivez les pas de vos morts glorieux.
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+
+ Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves,
+ Fils d'Albion, vous qu'entourent les mers,
+ Unissez vous, pour les arts plus d'entraves,
+ Par vos travaux étonnez l'univers!
+ Et vous enfants de la rive bénie,
+ Oú tout rayonne; et la terre et le ciel,
+ Puissent vos maux fimir, l'Italie
+ Produire encor un nouveau Raphaël. [7]
+
+ Et toi, sois fier, o mon pays que j'aime!
+ Qui donc encor t'ose appeler petit?
+ N'es-tu pas grand par eet éclat suprême,
+ Qui de tes fils jusqu'à toi rejaillit?
+ Ce jour t'acquiert une gloire nouvelle,
+ Pays des arts et de la liberté,
+ Tu vas fonder la paix universelle,
+ Sur le talent et la fraternité.
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+
+
+
+En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt:
+
+
+ Retentissez, chants de victoire,
+ Éveille-toi, noble cité,
+ Fêtons les élus de la gloire,
+ Les fils de l'immortalité....
+
+
+dan--dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is,
+dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,--straks ook
+dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en
+wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe
+ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en
+vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een
+huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft
+de Kunst hier getooverd!
+
+Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem,
+en ziet: Een reine vuurstraal ZUCHT krachtig naar boven, en schoone
+duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt
+zachtkens vanbinnen:
+
+
+ Bloemen en gaven zij dalen van Boven:
+ Zoekt met Uw gaven den Gever te loven!
+
+
+En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens
+kathedrale.
+
+Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum
+ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan
+in stilte:
+
+
+ Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam,
+ U, eeuwig Vader, U verheft al 't schepsel saam.
+ Zingt Serafs, Eng'len zingt; heft Machten aan en Tronen;
+ Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen,
+ Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen,
+ Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren. [8]
+
+
+En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden,
+dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg
+meer te duchten, dan is het:
+
+
+ La paix universelle
+ Par la foi, le travail, le génie et l'amour.
+
+
+Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts!
+
+
+
+En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van
+uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte,
+den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte
+als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting
+als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed
+samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken
+met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de
+opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar
+waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid. Kunst! dochter der
+WIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde!
+
+En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving
+der gedachten in 't leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler
+profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn
+levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn
+er geslagen, en koude harten--ze hebben gegloeid! Stad van den reus,
+dank, dank voor uwe zegepraal.
+
+En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd
+en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten
+het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen,
+toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij,
+wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen--den omgang der reuzen
+en wagens.
+
+En ziet, de walvisch--de reus der zeeën--opent den trein. Uit zijne
+neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het
+jubelende volk, en hij schijnt er te roepen:
+
+Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën
+en Schelde zijn één!
+
+Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus,
+de ranke dolfijnen.
+
+En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met
+kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze:
+
+Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met
+het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt
+aan de oevers der Schelde.
+
+Ziet gij 't wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden
+bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook
+de VROUWE mag GROOT zijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet:
+rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als
+het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van
+den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der
+heiligste Liefde.
+
+Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de
+forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, 't is zijn afbeeldsel
+wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar
+door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in 't ronde omdat
+hij nog kleinheid bespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik:
+kleinheid, die snel voor hem heengaat. "Weest groot zooals ik!" klonk
+eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ook rondwaart,
+hij kan er niet achter zich zien en aanschouwen wat hem volgt op den
+voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch--werd
+grooter dan hij.
+
+Brabo's triumf:
+
+Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving,
+door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen
+zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met
+u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan
+den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te
+luider een driewerf: Houzee!
+
+Houzee!
+
+En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden;
+en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de
+nakomelingschap, en wijst op de schatten van 't genie, die zijne
+wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne
+plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf,
+klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling
+met zich voert.
+
+En--wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht
+heeft?
+
+Ziet, daar nadert Flora's zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke
+maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel,
+omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt
+haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en
+tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat.
+
+Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en
+der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten
+wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen.
+
+En--als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste
+blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in 't klokkengelui
+van den toren alweder den nagalm van 't lied, het lied dat ook dié
+omdracht u zong:
+
+Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U,
+door U zij er vrede op aarde!
+
+
+
+En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de
+voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige
+schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest.
+
+Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige
+vertooning zocht te schetsen--de naklank, de naklank er van is zuiver.
+
+Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden
+van het verheffende psalmlied zong:
+
+
+ "I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria."
+
+
+Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter
+beheerscht, die er te zamen herhaalden:
+
+
+ I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria.
+
+
+Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover,
+dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer--ook Hollands grootste
+toonzetters in vervoering bracht.
+
+Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien
+onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf.
+
+En--zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van
+Antwerpens Kunstfeest:
+
+
+ Vrede! vrede op aarde!
+
+
+En--toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend:
+Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het
+harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de
+veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een
+traan in het oog; maar ook--toen was het hem een heerlijk symbool,
+dat zich daarginds, in 't lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon
+van Mars ter ruste ging nedervlijen, [9] en--zijn afscheid was: Vrede!
+
+En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig
+dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den
+schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en--Antwerpens
+wapen boeide zijn geest.
+
+Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven.
+
+Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden
+der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw;
+de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring;
+[10] van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten
+hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en
+hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter
+van het reusachtige Kunst-Congres. Ziet, en ze wuiven nogmaals:
+Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder
+als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van
+'t Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens
+met verrukking die handen--ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen
+'t zich niet.--Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem;
+God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en--zij
+er een grens tusschen 't Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst
+bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang,
+blijve de leuze; en thans voor het laatst: Uw kunst werke mee tot
+den vrede op aarde!
+
+
+
+
+
+TE WOLFHEZEN.
+
+ Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder
+ P. L. L. Oerder gewijd.
+
+
+Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte
+u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp,
+de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen
+braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij
+den jongsten snik.
+
+Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij
+daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch--toch
+kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar--wanneer ik in
+vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs
+het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal
+het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan
+tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf,
+dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn
+vriend--hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden--ook
+gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige
+schepping, en mij, in u zelven den reinen mensch doen waardeeren,
+ongeacht den vorm--den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering
+op aarde.
+
+
+
+Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem
+wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u
+naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw,
+een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den
+drieëenigen God ter eere!
+
+En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan,
+en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en
+spoedden zich voort naar het schoone woud.
+
+Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat
+de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief
+door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in
+het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon.
+
+Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker--die zulk
+een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders
+naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds.
+
+Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad
+en 't klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend
+te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand.
+
+En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want
+zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel
+der vogels in 't ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, 't
+geritsel door 't loof van den vallenden eikel, en 't vluchtig gekrak
+van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in 't eikenhout;
+zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die
+plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord.
+
+En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize
+deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der
+kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder,
+door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje
+werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der
+klokjes hem trof, als Harm "de scheper" aan gene zijde der beek zijn
+kudde voorbijdreef, en de schapen--in deze landstreek zoo goed met
+schilders als schepers bekend--niet aarzelden om ter lessching van
+hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun
+fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet,
+er parels deden opspatten van vloeiend kristal.
+
+Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en
+schoon!--Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den
+vroegen morgen:
+
+
+ Als bij 't lieflijk voog'len kweelen
+ 't Luchtig morgenkoeltje suist,
+ En bij 't pooplen van de abeelen,
+ 't Vaarkruid boven 't beekje ruischt.
+
+ Als er blauwe nevels dwalen,
+ Ginds waar 't woud zijn toppen beurt,
+ En de zon met de eerste stralen
+ 't Zilvren web der heide kleurt.
+
+ Als de boekweit geurt vol zoetheid,
+ En het bijtje u gonst in 't oor:
+ De aard is vol van 's Heeren goedheid
+ Looft zijn naam alle eeuwen door!
+
+
+En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde
+in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten
+grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord....
+
+Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook
+niet. Maar--wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den
+arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest,
+terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei,
+en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw
+goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil
+van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die--daarbuiten--niet las
+in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid
+hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was
+uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij
+vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren
+dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt
+gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook
+dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was--de menschen
+weten niet wat daarmee te worstelen valt--misschien zelfs worsteldet
+met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts
+eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een
+overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd
+daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dien toorn.... ik zou
+er u gaarne de hand nog voor drukken.
+
+
+
+En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te
+vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt
+door geestverwantschap, en in gloed voor het doel--al zou hij wel
+gaarne het rijk der liefde prediken "beginnende van Jeruzalem" en al
+vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te
+zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte
+zich op en voor 't grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den
+vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest,
+om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest--naar sommiger
+meening--de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een
+reine maagd vol onverwelkbare schoonheid.
+
+
+
+En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem,
+als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine
+raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen
+nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende
+licht der zon: bij stilte of storm, 't zij grooter of kleiner, 't zij
+helder of troebel,--zij alle van denzelfden oorsprong--vlietende naar
+dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan....
+
+En het werd een schoone--al werd het geen heldere dag.
+
+
+
+De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom
+golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een
+vroolijk "vaarwel" toe.
+
+En ik--in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over
+de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar
+hoorde ik weer in 't gestoot van den wagen die droevige profetie:
+"Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!"
+
+Maar neen--in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die
+burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe,
+en op mijn "Donker luchtje mijnheer," meende hij: "Dat het nog op kon
+klaren," och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En "de lange
+gezichten", ik zag ze niet: en de "smachtende blikken ten Hoogen", neen
+waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op
+de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard;
+ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen.
+
+En eensklaps--daar was voorzeker een wenk gegeven--kwam een ernstiger
+plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen
+zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen
+weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied:
+
+
+ Looft den Heer want Hij is goed,
+ Looft Hem met een blij gemoed.
+ Want Zijn gunst alom verspreid,
+ Zal bestaan in eeuwigheid.
+
+
+Dat was vreemd nietwaar in den wagen?
+
+Pieter, wat zoudt GIJ genoten en helder hebben meegezongen; en gij
+mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt
+met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart
+ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en
+wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige,
+van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd,
+doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en
+alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij
+stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel
+gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel,
+terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds
+haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechts spotten zal
+waar door stervelingen, den Formeerder van millioenen werelden, den
+Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook,
+het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht.
+
+En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming
+bleef ongestoord in dien wagen heerschen.
+
+Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest
+in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon
+uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet
+onaardige--ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk,
+dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke
+gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen
+mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk
+dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en--of ook een wenk
+voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering
+mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen.
+
+En na het genot, en wat kout over 't weer en de heerlijke landstreek,
+waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied den trillenden
+wagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder
+lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der
+meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik
+op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere
+vermoeienis een....
+
+Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen
+ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en
+of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel
+verzwakt zoude zijn indien....?
+
+Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en--hij zou maar eens een sigaartje
+opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden
+ze dit--dit lied eens aanheffen: "Het betere vaderland" dat was zoo
+schoon, en de wijs: bijzonder!
+
+En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde
+het toch den vreemde wel toegeven: ja--dat het vaderland voor de
+ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds de aarde moest zijn,
+en, dat het hijgen en zuchten naar een beter vaderland inderdaad
+ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel
+wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan,
+dat de hemel der ziele is: DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED.
+
+Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook,
+dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven "de stad voor
+Gods bruid met de straten van goud" toch eigenlijk geen ruste zou
+zijn in den zin van aardsche ruste.
+
+Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de
+bepaling: Hemelsche rust!
+
+Maar--zoo meende ik weder--of het dan toch niet beter zou zijn, den
+zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van
+tot die hemelsche rust--tot een hemelsche WERKZAAMHEID?
+
+Ja--ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat
+"betere vaderland" en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens
+aanheffen, doch--niet te hoog.
+
+En het gezang klonk--ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het
+geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen
+de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man
+die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend
+meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden
+er de tranen van in de oogen.
+
+Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige,
+te HOOG was, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet
+ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er
+ook geen twist, 't was er harmonie tot den einde toe.
+
+De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels,
+reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de
+verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied
+werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk
+door Wolfhezens dreven.
+
+
+
+Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station
+door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen,
+naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar
+nu.... Zie mij die schare eens aan!
+
+Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg
+met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat
+voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud.
+
+Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg
+der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe
+feestelingen aan, die--evenals wij nog kort geleden--er vrienden
+ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren
+morgentocht.
+
+En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in
+'t midden dier bonte menigte en mijn oog....
+
+Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al
+aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep,
+die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard
+hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik
+hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met
+de schaapskooi op den top, en 't geboomte van verre, waardoor
+de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille
+dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt
+den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche
+groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich al slingrend
+verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding
+van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte
+zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den
+mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te
+geven in 't eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware
+te vinden geweest, en dat, waar vele menschen bij elkaar zijn gekomen,
+zelfs in de schoone natuur, al licht een wanklank geboren wordt.
+
+
+
+Voor u wien Wolfhezens schoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er
+met de pen een flauwen omtrek van schetsen:
+
+Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den
+golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei
+der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde
+beekje.
+
+Door dat sparrenbosch heen--welke plek gij niet zult vergeten--kronkelt
+het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte
+voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn
+linkeroever--dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek
+en ook het feestterrein bepaalt--dan treden wij op den heuvelrug langs
+zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene
+struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit
+te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid.
+
+Reeds hier is het schoon; doch verder.
+
+Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is
+het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke
+abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende
+uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den
+groenen oeverzoom.
+
+En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in
+slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte
+varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud--ofschoon
+niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de
+beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht.
+
+Zie--het fijne, grauw-blanke zand, het breekt en het schertst er al
+meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende
+langs den oever, 't zij hooger of lager, naar boven of onder,
+vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin
+de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven
+het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende
+kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in 't
+eind waar de hel-witte berk zoo slank zich verheft en met de zilveren
+blaadjes victorie kleppert, hoog--hoog in de blauwe lucht.
+
+En--als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door
+die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam
+ontwaart, die door den storm, 't zij met de kruin in den vliet,
+'t zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant
+werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig--niet ver van een
+kleine ruimte in het bosch--de zware, nu schier vermolmde abeel,
+die er reeds vele jaren nederligt.
+
+Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn
+prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in 't rond,
+en de schoonste en krachtigste zoon scheen van 't gansche woud. Gij
+weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste,
+en--toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den
+schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den
+gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar--het
+was een schoone studie.
+
+Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie.
+
+Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder,
+mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde
+ruimte door--waaraan ik vluchtig herinneren zal--en naderen ongemerkt
+Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte.
+
+Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als
+'t ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn
+nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan
+weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds--aan de overzij,
+ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens
+zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te
+zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier--de
+heuvel waarop gij treedt--dartel in het volle licht der stralende zon,
+de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al
+glanzende buigen.... over donkere diepten.
+
+En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde
+naar den hoogeren heuvel wendt--den heuvel dien wij een berg willen
+noemen--dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte
+golving naar dien bergrug omhoog, en--gij weet niet wáár gij u 't
+allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds,
+op de helling van den ros-groenen berg, in 't lommer van eik en van
+beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en
+blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of
+hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve
+in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een
+teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen,
+ten hoogen hemel.
+
+En--schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik
+ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug,
+een zonderling tafreel.
+
+
+
+Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den
+pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en de voeten
+ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar
+in wijden kring geschaard.
+
+Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in
+witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven,
+straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo's
+weerkaatst.
+
+En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die
+kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige
+barden.
+
+En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort
+langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en
+kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den
+bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding,
+de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen
+boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat
+er en deinst op de helling terug. "Mijn kind! mijn kind!" krijt
+ze op zielverscheurenden toon: "Op Franken, wraak! Jezus Christus
+wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak
+voor mijn kind!" En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem
+in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik
+zie haar niet meer.
+
+
+
+Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik.
+
+Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het
+struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast
+opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde
+punt gericht.
+
+Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in
+dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene
+hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad.
+
+Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel
+op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot,
+de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de
+fulpen baret met golvende pluimen.
+
+En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante
+kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten
+zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en--luisterende steeds,
+haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze
+ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende
+naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels.
+
+Een zoete vrucht in scherpe dorens!!
+
+Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus
+en hellebaard gewapend--op verren afstand ginds en her verspreid,
+zij houden de wacht, want hoor, die man daar in 't zwart, hij
+spreekt er op diep doordringenden toon--van de ure die gekomen is
+waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods,
+en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor,
+hij roept steeds met luider stemme:
+
+Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en
+zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi,
+maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen
+hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren
+voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet,
+noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen,
+gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en
+jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en
+weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw
+beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht
+de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt
+langs Jericho's muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den
+Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in
+ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie,
+maar dán ook: strijdt, strijdt....
+
+Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van 't woud:
+musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......!
+
+
+
+Ha! 't is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd
+heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van
+Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof
+ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame
+plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar
+de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer
+prachtige natuur.
+
+Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk
+bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu--en in volle
+werkelijkheid--met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met
+duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen,
+ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten
+op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor
+het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij
+de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve.
+
+En--evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den
+bergrug--de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt--evenals
+dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals
+verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde
+sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den
+rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken,
+een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft
+het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter
+omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer
+nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man,
+die aanstonds het woord zal voeren.
+
+En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den
+volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijns Heeren, den
+stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek,
+dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar
+één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar
+staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik
+slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in
+zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!--Daar
+verheft hij zijn stem.
+
+Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte.
+
+De bonte schare luistert.
+
+Het welkom! wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank
+gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te
+geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt
+nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen
+van een blijden psalm, den "Rotssteen van ons heil", den "Koning aller
+koningen" ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag,
+ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang.
+
+O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen
+aangeheven er misplaatst zij geweest, neen niemand, niemand zal van
+Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met
+dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een
+loflied werd toegebracht--in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel.
+
+En onder welke omstandigheden?
+
+Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde,
+wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar
+in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of
+verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel--de eerste
+misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen
+en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe
+afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren;
+hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken
+kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen
+om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun
+ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een
+andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke
+meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de
+zege dezer eeuw; maar toch--toch lagen in ver verwijderde oorden nog
+millioenen menschen geketend in de banden van het "barbarisme". En
+dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van
+den strijd des Christendoms tégen dat "barbarisme". Een heerlijk, een
+heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen,
+dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter
+wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine
+tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te
+verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op
+het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn,
+in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.
+
+Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo
+breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar
+mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel,
+hij kon er niet hooren alleen, hij moest er ook zien.
+
+'t Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en
+vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende
+in een wijden--wijden kring naar den bergrug heen.
+
+Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van
+den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje,
+den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen
+burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel,
+en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand
+en de matte oogen naar boven gericht.
+
+Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en
+vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op
+een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar
+voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert,
+met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze
+nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan--met zich zelve. Men
+zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo
+hoog en hoe hooger men staat....!
+
+En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar
+de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte:
+dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar
+alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds
+en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die
+evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en
+vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden
+voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren
+op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden
+en predikten in dien heerlijken tempel?
+
+O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar
+nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars;
+ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting
+en leering heeft kunnen zijn, maar toch--met een smartelijk gevoel
+heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte
+taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: "een
+reuke des doods ten doode"! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden,
+Gods reine adem slechts trilt en verkwikt.
+
+Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest
+ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche
+groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald:
+Verdoemenis! verdoemenis!!
+
+
+
+Wilt ge nog even den blik slaan in 't ronde en menschen zien--al zijn
+het er weinigen--in Wolfhezens woud?
+
+Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij
+neder in 't groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken,
+"die hier maar zóó in 't wilde groeien". Weet ge, zij zal ze meenemen
+voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van
+huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch,
+waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken.
+
+En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u
+gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar,
+in de stilte, verboden drank....!
+
+Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt
+immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met
+zijn vrienden een statigen psalm.
+
+Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een
+aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange
+jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak;
+een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu
+onder den arm.
+
+Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak,
+den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige
+handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste
+regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een
+knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens
+den blik in 't ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders
+komen voegen bij de weinige vrouwen die hem--'t zij met bevreemding of
+ook met diepe verrukking beschouwen--smakt hij op zalvenden toon het
+begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn
+zalige vrouw, op haar, die hij "bekeerd had fijn--om eeuwig leevent
+te zijn--Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt--Door hem en
+Christie bloed tot de verreizenis gebragd."
+
+'t Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was.
+
+En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende
+van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd,
+opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te
+bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een
+aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje
+háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen
+niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje.
+
+Doch--waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen,
+de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd,
+de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en
+hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen
+boezem!
+
+
+
+Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene
+zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot
+wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffen moet, het heeft
+zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van 't gerecht,
+die ik er zag, aan 't geeuwen bracht.
+
+Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man
+getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag,
+die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure.
+
+Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het
+al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons
+dierbaar Nederland--dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch
+eerst aan zijn vruchten leert kennen--terwijl ik u voor het laatst in
+gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste
+verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud--dan--dan tuur
+ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als
+het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier.
+
+En dan--dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan
+uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst:
+dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden,
+voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter
+wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar
+zelfs--als het zoo wezen moet--om er ook weder vele menschen bijeen
+te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en
+verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde.
+
+
+
+
+
+GEDACHTE OP DEN LAATSTEN AVOND VAN EEN DROEVIG JAAR.
+
+
+De Bestuurder van den Spoortrein, waarmede wij allen reizen, schijnt
+jaarlijks al meer en meer snelheid en vooruitgang te beoogen.
+
+Wat halen de Engelsche en Duitsche Spoorweg-Maatschappijen bij de
+onverpoosde snelheid, waarmee de Tijd ons met zich voert.
+
+'t Was een droeve landstreek, die wij voorbijgingen sedert het vorige
+Station; ja, 't was wel het droevigste en somberste gedeelte der
+geheele reize.
+
+De lucht was zwart; 't verschiet lag in een donkeren nevel; het
+liefelijk gekweel der vogelen deed zich niet hooren, hunne reine
+zangen waren door den stormwind weggeloeid.
+
+Maar bovenal zagen wij droevig voor ons neer, toen een lieve reisgenoot
+ons had verlaten; toen hij de plaats zijner bestemming had bereikt,
+en wij voorwaarts moesten--voorwaarts zonder ophouden.
+
+Ja, het valt hard den beminden reisgezel te moeten achterlaten. Nog
+zit men gezellig bijeen; nog verlustigt men zich in zijn opbeurende
+gesprekken; nog beschouwt men dat vriendelijk gelaat, en drukt hem met
+teederheid de hand;--hij verlaat ons, en voordat wij nog recht kunnen
+beseffen, dat hij niet meer bij ons is, staat hij reeds zoo heel heel
+ver van ons verwijderd. Wij zien nog eens om; en ja--wij ontdekken hem,
+maar het is slechts flauw--dat telkens omzien valt ook moeielijk--nog
+eens--doch nu worden zijne trekken al onduidelijker; zijne stem kunnen
+wij niet meer hooren--de groote krachtige sleepmachine vliegt steeds
+voorwaarts, en--wij zien.... niets dan den zwarten nevel, die hem
+aan onze oogen onttrekt.
+
+En nu: de bengel van een volgend station klinkt ons weder in
+de ooren. Wij zullen met een ander nommer doorstoomen--alweder
+sneller. Schijnbaar gaat het een oogenblik langzamer, doch neen,
+wij houden niet stil: Voorwaarts gaat het, voorwaarts zonder ophouden!
+
+Heeft men het kwade gehad, dan volgt meestal het goede.
+
+Na zware schokken en groote vermoeienis volgt eene zoete rust.
+
+Wanneer de donkere wolken zijn weggedreven, dan zal het zacht azuur
+ons weer vriendelijk in de oogen stralen, en zullen wij met een helder
+zonnetje vroolijk mogen doorstoomen.
+
+Tevredenheid moet bovenal onze onafscheidelijke reisgenoote zijn;
+de groote sleepmachine toch schenkt ons geen oogenblik tot verademing.
+
+Of gij de reize moede wordt of niet, daar stoort zij zich niet
+aan. Voordat gij aan de plaats uwer bestemming zijt, kunt gij niet
+rusten; al hebt ge 't nog zoo hard op die houten banken der derde
+klasse,--al vermoeit gij u nog zoo in die stootende wagons der
+middelklasse,--al glijdt gij nog zoo dikwijls van die roodlederen
+zittingen,--ja! al geeuwt gij ook en al verveelt gij u ook in die
+mollige kussens der eerste klasse--'t baat u niet of gij klaagt,--gij
+moet mede.
+
+Doch, mort niet, gij, die met weinige stuivers uwe reize moet
+vervolgen.
+
+Wordt niet moedeloos, brave reizigers van den middelrang.
+
+En gij--gij vooral--geeuwt niet, die daar makkelijk in het dons wordt
+gewiegd. Ziet--gij hebt niets dat u hindert; ziet, ú juist valt het
+zooveel lichter uw geest te verheffen. Waarom verveelt gij u? Hebben
+de reisgenooten op de harde banken en roede zittingen niet denzelfden
+droeven tocht te maken, dien gij te volgen hebt?
+
+Maar nog ééne bedenking: Wij zijn vreemdelingen in deze streken;
+wij weten niet hoe lang de sterke machine ons nog zal medevoeren; wij
+kennen de plaats niet, waar wij moeten afstappen, en kunnen evenmin
+den juisten tijd bepalen, waarin wij met een ander voertuig naar ons
+eeuwig verblijf zullen worden overgebracht.
+
+Daarom is de Waakzaamheid nuttig en noodzakelijk.
+
+Laat ons niet insluimeren op de donzige kussens; indien wij sliepen
+zouden wij het doel onzer reis, onze ware bestemming lichtelijk
+missen. Hoe nuttig zijn de schokken,--hoe goed is het, dat nu en dan
+zelfs een lieve tochtgenoot ons verlaat!
+
+Ziet, dáárdoor blijven wij wakker; dáárdoor worden wij tot waakzaamheid
+gewekt.
+
+Moet men niet met verlangen het onbekende Land te gemoet gaan? Wilt
+gij liever slapen dan het schoone aanschouwen?
+
+Zijt dan te vreden, en waakt!
+
+Verlaat den wagen niet voordat gij geroepen wordt.
+
+Vrij vermoeie u de reize.--Na uwe aankomst vindt gij rust--rust
+en vrede!
+
+
+
+
+
+KENTEEKENEN VAN FATSOEN,
+
+getrokken uit de brieven van een commis-voyageur aan zijn vriend Janus.
+
+
+
+Waardste Janus!
+
+
+Al tamelijk wel, kom ik tegenwoordig op de hoogte om mij als een zeer
+voornaam en hoogst fatsoenlijk persoon voor te doen.
+
+Ja jongenlief, 't is een groot voorrecht, indien men kan opmerken,
+en het talent bezit om in praktijk te brengen, hetgeen men in de
+hooge wereld gebeuren ziet.
+
+Janus, wij hebben 't altijd zoo best met elkander kunnen vinden,
+en daar je nu den patroon hebt verlaten om als reiziger van het huis
+Jeeger & Comp. de wereld in te treden, zoo wil ik je, gedachtig aan
+onze vriendschap, de juiste middelen aan de hand doen om, evenals
+ik, wanneer de bezigheden, vooral op den Zondag, het veroorloven,
+u en vrai gentilhomme te kunnen vertoonen.
+
+Wij hebben veel vóór, Janus, dat wij drie jaren in het gezelschap
+van Leneuf, den maître tailleur van onzen patroon verkeerden. Al
+aardig hebben wij door dien omgang den Franschen slag beet gekregen,
+want je weet wel, hoe Leneuf, nog kort voor je vertrek, toen we met
+de winkeldames en heeren de potpartij hadden, verklaarde, dat er aan
+'t hof niet beter Fransch kon gesproken worden dan in onzen kring.
+
+Fransch, Janus, dat is toch altijd een hoofdvereischte. 't Is
+verschriklijk onfatsoenlijk ons gemeen en plat Neerlandsch te
+spreken. Engelsch! Ja, ze zeggen wel dat de Engelsche taal thans
+meer in de mode is, maar ik bemerkte er weinig van, en, 't laat zich
+hooren dat zij niet algemeen wordt, want de hooge fatsoenlijke stand
+is behoudend, en nieuws aan te leeren of in praktijk te brengen,
+kost al te veel inspanning.
+
+Vooreerst dan, Janus, spreek Fransch, spreek altijd Fransch, denk
+zelfs, wanneer je over straat gaat, hardop in 't Fransch; maar, dit
+zeg ik je, nooit over mantilles of guipures, maar altijd over graven
+en freules of wat met die hooglieden in verband staat.
+
+Wat je toilet betreft, de tailleur van Jeeger zal, evenals Leneuf,
+wel het juiste snit aan je rok en pantalon geven, maar vooral,
+jongenlief, verlakte laarsjes, en op je kaken hamvormige bakkebaarden.
+
+Zorg steeds, Janus, althans in de plaatsen waar je gezien wilt wezen,
+dat je nooit je stalendoos in persoon draagt; neem altijd een jongen,
+en laat hem minstens twintig passen achter je aankomen, want zaken
+hebben, is erg onfatsoenlijk. Verder, mijn vriend, is de wijze,
+waarop je loopt, gansch niet onverschillig; 't hoofd op zij, den
+neus in de lucht, maar vooral, al braden de musschen op de daken, een
+tween onder den arm. Groeten op straat is in 't geheel niet voegzaam,
+den hoed afnemen staat bijster commun. Zie je personen, die je wel
+dient te groeten, knijp dan je oogen half dicht, glimlach, buig je
+hoofd even naar je rechterschouder, en wend het dan spoedig naar een
+andere zij, desnoods naar eene modiste, die voor haar raam zit, want,
+op mijn woord van eer, modistes en winkeldames, daar kun je zelfs op
+straat zoo vriendelijk tegen zijn als je maar wilt.
+
+Wanneer je somtijds eens een coup hebt gemaakt, waar de patroon
+niets mee te maken heeft--je verstaat me--verknoei dan toch nooit
+je geld aan den zoogenaamden "kalen bluf". 't Is kale bluf waar je
+niets verder meekomt, indien je in een afgesleten huurrijtuig gaat
+toeren. Spaar je geld en loop liever; loop liever tienmalen met je
+tween over den arm en je lorgnet in 't oog--want goed te kunnen zien,
+is ook bijzonder onfatsoenlijk--rondom de buiten-sociëteit, alsof je
+er je rijpaard wacht, dan dat je een glas advocatenborrel of zelfs
+malaga drinkt, in een tent of kroeg, waar iedereen binnenrukt, die
+geen lid van No. één kan worden.
+
+Spaar je geld, Janus, en dineer liever eenmaal in een der eerste
+hotels goed, dan dat je tweemaal eet, zonder aan je fatsoen te werken.
+
+Kom je de groote zaal binnen, waar table d'hôte gehouden wordt, zie dan
+volstrekt niet naar 't geen op tafel staat, maar, valt je een persoon
+in 't oog, die gedecoreerd is--'t metalen kruis niet meegerekend--knijp
+dan, weer glimlachend, hoofdbuigend je oogen dicht, en hoewel de
+gedecoreerde je niet kent, hij zal zijn geheugen ontrouw noemen,
+je wederkeerig groeten, en terwijl je, na de wijnkaart te hebben
+ingezien, een flesch wijn bestelt--maar vooral een fijn merk--zal hij
+aan zijn buurman zeggen dat hij je kent maar niet thuis kan brengen,
+en je voor den zoon van een zijner voorname kennissen houden.
+
+Als je de soep eet, vooral slobberen of liever slurpen, jongenlief,
+en in 't minst geen moeite doen om den garçon in 't aangeven van
+borden of lepels en vorken behulpzaam te zijn. Aan tafel iets lekker
+noemen is allerijselijkst gemeen; nooit vragen wat het is dat men
+je voorzet. Je moet eten alsof je niet weet dat er zuurkool in de
+wereld is, en wanneer je spijzen worden voorgezet, waarin je zwarte
+stukken vindt, dan moet je die toch vooral niet ter zij leggen, in
+de meening dat het iets onzindelijks is; beste Janus, al vindt gij
+'t niet, 't is een erkende lekkernij, want die zwarte stukken noemt
+men truffels en kosten razend veel geld. Ben je bij toeval naast
+een persoon geplaatst, die je wat bourgeois toeschijnt, geef hem op
+zijn vragen vooral geen antwoord; doe alsof je niet bemerkt dat hij
+je aansprak, maar geef te gelijkertijd een minzaam knikje aan eene
+wat ver van je afgeplaatste jonge dame, die je bij toeval de freule
+Van L. hebt hooren noemen. Let op, de dame zal blozen; eensklaps zal
+zij een gesprek met haar papa of mama aanknoopen, je rechter buurman,
+een vreemdeling van hoogen adel, die straks door zijn anderen buurman
+betreffende de schoone, werd ingelicht, zal je vragen of je haar kent,
+en terwijl je vreeselijk met je broodje gaat kruimelen, geef je ten
+antwoord--en 't is geen leugen--eenmaal met de freule Van L. gedineerd
+te hebben. 't Is mij gebeurd, Janus, dat zulk een coup mij een tour
+en calèche bezorgde. Met een baron en calèche, hoe vaar je!.... Je
+zoudt me niet gekend hebben Janus, en of ik Janus zou gekend hebben
+indien hij ons toevallig op den weg ware tegengekomen, daar zal ik het
+antwoord liefst op schuldig blijven, want om fatsoenlijk te handelen,
+moet men in sommige gevallen wel kort van geheugen zijn. Eén ding
+echter, wanneer je ooit in zoo'n rijtuig mocht komen, dan raad ik je
+aan vooral niet te zitten; neen, liggen moet je, al is het laken ook
+nog zoo wit en zoo zuiver, gerust het hoofd er tegen aan, liggen is een
+hoofdvereischte; alleen fatsoenlijke lieden begrijpen hun positie in
+zoo'n rijtuig; 't is hun niets vreemds, en alleen door een nonchalante
+houding kan men toonen dat zulk rijden een alledaagsche zaak is.
+
+Denk nooit, Janus, dat je voor een fatsoenlijk man zult gehouden
+worden wanneer je eenige avonden achtereen in het parterre van de
+opera verschijnt. 't Woord parterre alleen klinkt den man van rang en
+fatsoen in de ooren alsof wij van den Engelenbak spraken. Neen vriend,
+nooit daar beneden, liever eens in 't balcon, of wel in de stalles,
+dan avonden achtereen in dat verwenschte parterre.
+
+Eene bijzondere studie wordt er toe vereischt om daar op een waardige
+wijze te verschijnen en b. v. voor een neef of vriend van den Franschen
+ambassadeur te worden aangezien.
+
+Janus geef acht! Gesteld de Favorite wordt opgevoerd. Ten zeven uren
+neemt de voorstelling een aanvang. Om halfacht ga je er heen;--vergeet
+vooral niet een tooneelkijker te huren, let wel, omdat je den uwen
+vergeten hebt. Welnu, de deur der balconloge wordt je geopend, en,
+juist op het oogenblik dat Fernand uit het klooster is vertrokken,
+het sombere kloosterportaal in een lachende tuin wordt herschapen,
+en eene bevallige chanteuse van "Rayons dorés" begint te zingen, kom
+je binnen; buigt je hoofd eenmaal naar de rechter- en eenmaal naar
+de linkerzijde, waarna je je hoed op den grond en je lichaam in een
+fauteuil werpt; terstond daarop den kijker voor je oogen plaatst,
+om niet naar het tooneel, maar--zoo brutaal mogelijk--de zaal met
+toeschouwers rond te zien--vooral niet naar de bovenste galerij--lang,
+zóólang totdat de eerste acte geheel is afgespeeld.
+
+'t Gaat, Janus, met het mooi vinden als met het lekker vinden. Toon
+volstrekt door geen handgeklap, in 't geheel niet door bravogeroep,
+dat de muziek of zang je gehoorzenuwen streelt. 't Gebeurt somwijlen
+dat de Favorite werkelijk een Favorite is, dan, ja, dan maakt het
+een onderscheid, je kunt je dan spoedig overtuigen of het handgeklap
+fatsoenlijk wordt. Wanneer het parterre in een uitbundig gejuich
+losbarst over het "O! mon Fernand" etc. der Favorite, glimlach
+dan meelijdend, en debiteer aan een heer, die met een rood lint in
+zijn knoopsgat naast je zit, dat je te Milaan heel wat anders hebt
+gehoord; en, wanneer Fernand zijn: "Cette épée avilie, je la brise
+à vos pieds", uitgalmt, zeg hem weder dat het "tu mens"! van Duprez
+in de Jérusalem,--die je te Parijs hebt gehoord, heel wat sterker
+was. 't Geen je bijzonder te observeeren hebt zijn de balletten. Met
+alle gerustheid kun je dan met je kijker de bevallige en kiesche
+luchtsprongen volgen, die om het kunstige alleen je bewondering wekken;
+maar vooral, Janus, neem geen ijs in de entre-actes; men zou alras
+op het denkbeeld komen dat je geen ijs aan 't dessert had gebruikt.
+
+Janus, wil je je hoogst fatsoenlijk houden, verlaat dan je loge nog
+vóórdat de belangrijke scéne tusschen Leonore en Fernand in het vierde
+bedrijf plaats grijpt, of wel vertrek juist op het oogenblik dat het:
+"Fernand imite la clémence", uit den mond van Leonore het plebs in
+vervoering brengt; en, ik ben verzekerd dat, zoo je na eenige dagen,
+of weken, of maanden weder in de balcon-loge komt, men je zal groeten
+als ware je een Don, of Lord, of Comte in eigen persoon. Jongenlief,
+ik heb hooge verwachtingen van de toekomst; wie weet hoe je vriend
+Gerrit--onuitstaanbaar onfatsoenlijke naam--je vriend Gérard,
+nog eens carriére zal maken. De goede manieren verschaffen in de
+hooge kringen den besten toegang; geld is een bijzaak, want jij,
+die jaren boekhouder bij den patroon bent geweest, jij weet het best,
+hoe onfatsoenlijk het--terstond betalen is.
+
+Vaarwel, Janus, misschien later meer. Volg den raad van je vriend,
+die zich noemt:
+
+
+Gérard.
+
+
+P. S. Het is zeer fatsoenlijk tot de Waalsche religie te behooren;
+de Hollandsche kerken zijn in de beschaafde wereld geheel uit de mode.
+
+
+
+
+
+IETS UIT HET JAAR 1870.
+
+ Medegedeeld aan de Leidsche Burgerij, bij den aanvang van
+ het jaar 1871, door de Evangelisch Luthersche Weezen.
+
+
+Wij willen U heden op den eersten dag van het nieuwe jaar niet zooals
+gewoonlijk een versje aanbieden. 't Was wel heel vriendelijk van de
+Heeren, die het vroeger voor ons maakten, en wij hopen ook wel dat zij
+het later nog eens weer zullen doen, maar nu moeten wij U zelf iets
+vertellen. Wij hebben het van een Mijnheer gehoord, die het voor ons
+zal opschrijven.--U moet dan weten, lieve Mijnheeren en Dames, dat er
+dit jaar een oorlog is geweest tusschen de Pruisen en Franschen. Nu,
+dat zult U eigenlijk wel weten, want de Vader las er alle dagen
+van in de courant. Nu moeten de Franschen een keizer hebben, en de
+Pruisen een koning--een koning is minder--maar de keizer, die tegen
+den koning gezeid had, dat hij maar moest uitkomen als hij durfde,
+heeft er leelijk van langs gekregen. Een vreeselijke boel menschen
+zijn er door dien oorlog gewond en gedood en gevangen genomen, en de
+keizer zelf is ook gevangen, maar die keizer zit niet achter tralies;
+dat dachten we eerst.
+
+Nu, dit alles zult U wel weten, maar wij gelooven niet dat U weet wat
+er te S. in een dorp niet ver van B. is voorgevallen. Daar was een
+vader en moeder, een echte vader en moeder--niet zooals van ons--en
+die hadden drie kinderen, een van vijf, een van bijna vier, en een
+van bijna één jaar. Die vader was een timmerman en een Franschman ook.
+
+Op een goejen dag--of eigenlijk een heel leelijken dag--toen kwam
+er een bevel dat hij mee moest vechten, want hij was zooveel als
+bij ons een schutter, of in 't vervolg een scherpschutter. De vrouw
+vond het wel verdrietig om het werk, maar zij zag er toch niet veel
+kwaad in, omdat de Pruisen, zooals ze allemaal zeiden, haast altijd
+verloren. Maar dat was niet waar, want in Frankrijk kunnen de groote
+menschen erg jokken. Nu, de vrouw was ten minste niet bang, en heel
+blij dat haar man in het stadje kon blijven, al moest hij dan ook gaan
+exerceeren. Het oudste jongetje--och hoe was nu zijn naam ook weer--een
+mooi jongetje met zwart krulhaar, dat niks anders als Fransch kon, vond
+zijn papa--want timmermansjongetjes zeggen daar ook papa--hij vond zijn
+papa veel mooier als soldaat; en als die papa van het exerceeren thuis
+kwam, dan mocht hij wel eens met de sabel spelen, maar die niet uit
+de schee trekken, want dan zou ie zich snijen. Aan 't geweer mocht
+hij in 't geheel niet komen, want dat was een gevaarlijk geweer,
+waar die papa zelf heel voorzichtig mee omging. Zoo'n nieuwerwetsch.
+
+Nu gebeurde het wel eens dat de timmerman in een paar dagen niet thuis
+kwam, want men moest alles goed in orde hebben als de vijanden--dat
+waren de Pruisen--zouden komen; en dat vond de vrouw heel naar, en
+dan huilde zij wel eens, en dan begon de kleine Henri--zoo heette
+het tweede jongetje--ook te huilen, en het jongste kindje van den
+weeromstuit; maar dat vond het oudste jongetje niet plezierig en
+begon dan met een hamer zoo hard op de tafel te slaan, dat de mama
+hem verbieden moest en zoodoende niet meer schreien kon.
+
+Op een anderen dag was de timmerman heel vroeg de deur uitgegaan,
+en had zijn vrouw eerst wel driemaal gekust, en gezeid dat het een
+heete dag zou worden; en toen had hij het kleine meisje, dat Lotte
+heette, gezoend en Henrietje ook, en later Alphonsje--o ja, zoo heette
+dat oudste jongetje.--En toen, met een paar tranen in de oogen,
+had hij nog gezegd: dat zij altijd maar gehoorzaam moesten zijn,
+en dat de Pruisen allemaal verdoemd waren. Dat wist die timmerman
+toch niet--van dat verdoemd zijn--want dat zou toch niet mooi van
+onzen lieven Heer wezen; maar dat zei hij alleen omdat de Pruisen den
+vorigen dag ergens in de buurt een paar dorpen en een stadje hadden
+ingenomen, en dat vonden de Franschen naar.
+
+Nu gebeurde eigenlijk wat het ergste is. Maar de vrouw en de kinderen
+wisten het niet, en kleine Alphonsje speelde zelfs met zijn broertje
+soldaatje met een paar latten in de werkplaats. Het kleine zusje
+kon nog niet meedoen. Natuurlijk, nog geen jaar oud. Die stond in
+een loopwagen.
+
+Buiten het stadje was, eerst nogal veraf, een vreeselijk gevecht. Daar
+werden wel tienmaal zooveel menschen in een uur doodgemaakt als wij
+hier samen kinderen in het weeshuis zijn--dat zei de Mijnheer--dus
+wat een boel!
+
+Zoo omstreeks vijf uren 's middags waren al de menschen in het stadje
+vreeselijk bang, en hadden allen de deuren en ramen gesloten, want de
+kogels en verschrikkelijk groote bommen vielen op de huizen en overal.
+
+De vrouw van den timmerman zat met de kinderen onder de woonkamer in
+een kleinen kelder, en zag niet eens dat het oudste jongetje met zijn
+vingertje uit een aarden potje boter zat te snoepen, en zijn broertje
+soms likken liet. Nu kwam het allerergste:
+
+Een vreeselijk leven en gedreun en ijselijk schieten hoorde men in
+de straat. De Pruisen hadden de Franschen achteruit in het stadje
+gejaagd, en schoten er net zooveel dood als ze maar raken konden. Dat
+was akelig, want ze kenden hen niet eens, en hadden eigenlijk nooit
+geen ruzie samen gehad. Nu dat kon niet, want de een spreekt Fransch
+en de andere Duitsch.--Alphonsje werd toen bang, want hij dacht dat het
+heel erg donderde, maar dat dee het niet, en hij riep dat hij weer uit
+den kelder naar boven wou, en dat wou Henrietje ook; maar de moeder
+hoorde er niet naar, en bad met de oogen open, wel zesmaal achter
+elkaar het Onze Vader.--De Mijnheer zei dat ze niet Luthersch maar
+Roomsch was, maar dat de Roomschen net zoowel het Onze Vader bidden.
+
+Toen ze nog bezig was, hoorde zij opeens een vreeselijk geweld, vlak
+voor de deur. Hoe het alles gegaan was, dat weten we niet meer, maar
+een klein beetje later klonk er vlak boven haar hoofd in de woonkamer,
+een slag alsof er iemand op den grond viel, en een geluid, alsof er
+kermende haar naam werd geroepen.
+
+Zonder aan de kinderen te denken, vloog de vrouw toen de trap op met
+het kleintje in den arm--dat had ze altijd in den arm gehad. Alphonsje
+en Henri kropen haar na. U kunt wel begrijpen hoe zij schrok. Toen zij
+in de kamer boven de kelder kwam, lee daar de timmerman--die soldaat
+was geweest--vol bloed en heel akelig bleek op den grond. Van iets
+dat boven op een geweer zit, had hij dicht bij zijn eigen huis een
+vreeselijken steek door de borst gekregen. Met heel veel moeite was hij
+nog tot bij de voordeur gekomen, maar die was gesloten. Gelukkig was
+de deur van de werkplaats opengebleven--die had de vrouw vergeten--en
+zóó kwam hij nog binnen.
+
+Toen de vrouw zoo haar lieven man zag, gilde zij van schrik, en wou
+hem nog ophelpen en water laten drinken; maar water zag zij niet,
+en drinken kon hij ook niet meer, want hij riep in het Fransch:
+"Vaarwel" en was dood. Toen gilde de vrouw nog erger en greep een mes,
+dat op de tafel lag, en hoorde niet dat al de kinderen schreiden,
+maar lee kleine Lotte haastig in een houten wiegje, en vloog toen
+naar de deur, en zoo de straat op.
+
+De vrouw riep nu ook: dat al de Pruisen verdoemd waren; en, zonder dat
+ze haast wist wat ze deed, stak ze een voornaam soldaat, die met een
+heele boel soldatenvolk juist voorbij kwam, het mes in eens achter in
+den rug. Toen werd het nog akeliger, want de voorname soldaat, die een
+officier was, riep in het Pruisisch: dat ze het wijf moesten doodslaan,
+en het huis in brand steken! Toen hij dat gezegd had, viel de officier
+in eens achterover, want het was erg raak geweest; en de soldaten--dat
+waren Pruisen--werden toen vreeselijk boos omdat die vrouw dat gedaan
+had; en, nog gauwer als men het vertellen kan, had een der soldaten
+de arme vrouw met een kolf van zijn geweer zoo op het hoofd geslagen,
+dat het allerakeligst was en zij in eens heelemaal dood bleef.
+
+Het was toch eigenlijk iets vreemds dat de vrouw, die pas nog dacht:
+ik zal die mannen doodmaken omdat ze mijn lieven man doodmaakten,
+nu zelve al dood was.
+
+De Mijnheer zei dat het dien dag juist erg regende, en dat het water
+dat door de goot liep net zoo rood zag als bij den slachter als er
+geslacht is. Hoe vies! en het is toch al zoo naar van een beest!
+
+Maar nu moet U hooren. U weet nog wel dat de officier dat mes achter
+in den rug kreeg en neerviel? Nu, en toen kon hij niet verder; en
+de aandrang van het volk was zoo groot--want het paardenvolk met de
+kanonnen kwam ook al achteraan--dat een sergeant en twee soldaten
+van de Pruisen, den officier maar gauw in het huis droegen waar ze
+juist voor stonden. Nu was dat eigenlijk hoognoodig, want de officier
+zou bijna door zijn eigen volk onder den voet zijn geraakt, zoo hard
+liepen ze van blijheid dat de Franschen op de vlucht waren en het
+weer hadden verloren. En ziet U, dat was nog gelukkig, want nu de
+officier er in was, nu werd het huis niet in brand gestoken, en het
+was juist het huis van den timmerman. Vindt U dat niet baldadig,
+dat in brand steken? Maar nu moet u verder hooren, want, daar was
+het om! Toen die vreemde soldaten dan in het huis kwamen, zagen ze
+de drie kinderen.--Alphonsje was bang geworden voor zijn vader,
+die daar zoo akelig op den grond lag, en was boven op een kastje
+geklauterd. Kleine Henri schreeuwde uit al zijn macht, en kleine
+Lotte ook, zeker omdat ze haar moeder niet zag. De sergeant zei aan
+een der soldaten dat hij die kinders maar in de achterstraat moest
+jagen, en dat hij het lijk van dien man in de werkplaats zou sleepen.
+
+Alphonsje schreeuwde nu op die kast uit al zijn macht, en smeet den
+soldaat die hem pakken wou, met een mooi pronkkopje; maar het raakte
+gelukkig niet.
+
+Toen de soldaat hem eindelijk beet had, en Henrietje ook, en hij
+Lotte met haar mooie zwarte oogjes uit de wieg wilde nemen, toen
+begon Alphonsje zoo hard om zijn vader en moeder te gillen, dat de
+mannen zelf er naar van werden.
+
+"Afblijven! Zusje geen kwaad doen!" riep hij, allemaal in het Fransch:
+"anders zal ik je bijten!"--Dat verstonden die mannen niet, maar
+de officier, die op het bed van den vader en de moeder was gelegd,
+en juist door een soldatendokter geholpen werd, zei iets. En toen
+kwam de soldaat met het kindje bij den officier. En de officier zag
+toen naar de kleine Lotte, en kreeg de tranen in de oogen, en zei in
+het Duitsch: "Och, mijn kind!"--Weet U, toen dacht hij aan zijn eigen
+kindje, omdat hij ook zou doodgaan. De soldaat moest Lotte toen eens
+heel dicht bij hem houden. En toen zei hij nog eens: "Och mijn lieve
+kindje!" En het kindje lachte; zeker omdat hij zooveel mooi rood en
+gouden knoopen aanhad, en zei: dada, net als kleine kinderen bij ons
+in het Hollandsch, en toen kuste die officier het kindje op de mooie
+roode lipjes, o zulke snoeperige lipjes--net rozévleugeltjes--en zei
+toen: "Hier blijven, hier!" en viel toen in slaap. U begrijpt wel,
+dat zei de officier.
+
+En zoo gebeurde het ook; de kinderen mochten in het huis blijven,
+precies zoolang als de officier er bleef. En een heel arme buurvrouw
+moest hen daar verzorgen en oppassen, want de kinderen hadden niets
+geen familie, en een weeshuis was er niet, en de rijke menschen, die
+er toch maar weinig in het stadje waren, hadden zooveel te geven en
+op te brengen dat ze aan geen weezen konden denken. Nu dat behoefde
+ook niet; want weet U wie die officier was? Dat was een neef van den
+Prins Von W., een heel voorname rijke Duitsche officier. En wat heeft
+die gedaan? Die heeft gezorgd dat de drie kinderen van den timmerman
+op een van zijn eigen landgoederen in den kost kwamen, en hij zal ze
+laten leeren net als in ons weeshuis.
+
+En, nu is het uit; maar nu zei de Mijnheer, die ons dit vertelde dat
+wij eens moesten nadenken hoe slecht het is dat menschen elkaar zoo
+doodmaken, en hoe dom het is om te zeggen dat al de menschen, die op
+bevel tegen andere menschen vechten, verdoemd zijn; want de officier,
+die door de vrouw in haar akelige droefheid bijna dood werd gestoken,
+en dus zeker in haar oogen een van de eersten moest zijn die verdoemd
+zouden wezen, diezelfde officier, hoewel hij riep dat men haar zou
+doodslaan, hij meende het zoo niet, want hij werd toch om zoo te
+zeggen het weeshuis voor die kinderen.
+
+Als het nu wezenlijk waar is dat Onze lieve Heer menschen
+verdoemt--maar dat zal Hij wel niet, want Hij is toch zoo goed
+nietwaar?--dan denk ik dat hij het tenminste nooit al die arme menschen
+zal doen, die zonder dat ze boos op elkaar zijn, toch malkaar moeten
+doodslaan, maar veel eerder die keizers en koningen omdat zij het
+beginnen. Hé! zoudt U wel zoo'n keizer of koning durven zijn? Zij
+zullen zeker 's avonds in het donker wel bang wezen. Wij zijn het
+heusch nooit meer.
+
+En wat we hier aan het eind nu nog zeggen wilden, het is dit:
+
+Lieve Mijnheeren en Mevrouwen, als het soms eens moest uitkomen dat
+dit niet alles precies zoo gebeurd is--want de menschen vertellen
+tegenwoordig zooveel--dan is het toch zeker waar dat er door al dat
+slechte moorden en vechten, veel, heel veel ongelukkige weesjes onder
+de Duitsche en Fransche menschen zijn gekomen, al hebben dan velen
+ook hun moeder nog behouden. Nu dan, wij hopen dat U, die altijd zoo
+goed voor ons zijt, ook aan hen zult willen geven als er soms wat
+gevraagd wordt. En als U dat doen wilt, dan wil de Mijnheer, die ons
+dit stukje vertelde, het ook wel ten voordeele van die arme kinderen
+in het licht geven, met zijn naam er bij. En weet U, dan zouden wij
+ieder zoo graag een week zakgeld geven; dat was dan van ons allemaal
+iets in dit nieuwe jaar voor de weezen van 1870.
+
+En nu, lieve Mijnheeren en Dames, bedanken wij U nog eens hartelijk,
+en hopen dat Uw kinderen U allemaal heel lang zullen behouden.
+
+O ja, de Mijnheer vertelde nog, dat de neef van den Prins Von W. weer
+beter wordt; en dat Alphonsje wel eens op zijn knie zit als hij een
+enkelen keer bij hem komt, en dat hij hem dan maar zoo, alsof het
+geen neef van een prins was, bij den langen knevel trekt.
+
+Henrietje daar weet ik niks van, maar Lotte drinkt Duitsche koemelk.
+
+
+
+
+
+UIT "DE SPECTATOR."
+
+
+GEEN RECENSIE.
+
+
+De heer W. C. Wansleven Jr. heeft dezer dagen een verzameling zijner
+verspreide lettervruchten onder den titel Kleine verhalen het licht
+doen zien.
+
+De geachte auteur heeft de bijzondere goedheid, om de genoemde verhalen
+door een kort woord tot mij gericht, te doen voorafgaan.
+
+De heer Wansleven vangt aldus zijn schrijven aan:
+
+"Als ik er met de uitgave van deze mijne Kleine verhalen niet
+te best afkom, zal ik het verdriet daarover grootendeels aan u
+te wijten hebben. Gij toch hebt met zeldzame volharding op die
+uitgave aangedrongen. Ik weet wel waarom gij het deedt...." en de
+schrijver zegt dat hij er alleen het bewijs mijner belangstelling in
+ziet. "Maar," zoo vervolgt hij iets later, "gij hebt waarschijnlijk
+niet bedacht dat er sedert het opstellen van het jongste dezer
+novellen al verscheidene jaren zijn verloopen en de smaak van ons
+lezend publiek in die jaren aanmerkelijk is gewijzigd, zoodat ook
+gij voorzeker, als gij ze nu voor de eerste maal laast, er u niet
+zoo mee ingenomen zoudt betoonen als ge als knaap en jongeling deedt."
+
+Dit schrijven, het pleit m. i. slechts voor de buitengewone nederigheid
+van den geachten auteur.
+
+Ofschoon volgaarne toestemmende dat de smaak van ons lezend publiek
+in de laatste jaren is gewijzigd--ik meen ten goede gewijzigd--zoo
+begrijp ik echter niet hoe die smaak in een tijdsverloop van nauwelijks
+vier jaren--de tijd die er sedert de eerste verschijning der genoemde
+"jongste novelle" verliep--zoozeer zou kunnen gewijzigd zijn, dat
+men nú zal verwerpen wat toen met graagte gelezen, en o. a. door een
+geestig en zeer begaafd beoordeelaar, in een goed bekend maandwerk,
+ten zeerste geroemd werd.
+
+"Ons Spieker," zoo schreef T., in het Maart No. van De Tijdspiegel,
+jaargang 1859. "Ons Spieker van W. C. Wansleven, wien wij alleen
+verwijten dat hij zoo zelden als schrijver optreedt, tintelt van
+waarheid; de eigenaars van dat Geldersche buitentje zijn uitnemend
+geschetst, al verschillen ze onderling niet weinig, terwijl het geheel
+overvloeit van lessen voor wie ze er uit halen wil."
+
+Mij dunkt dat mijn stelling geen nadere verdediging behoeft. Ofschoon
+ook het uitgebrachte oordeel over Ons Spieker niet gelden kan voor
+het overige zevental novellen, zoozeer van elkander verschillende;
+waar deze ons voert naar het paleis van Galilea'a viervorst, Herodes
+Antipas; of gene naar Bethulië als een Judith er zegevierende
+binnentreedt met het hoofd van Israëls vijand; of een ander
+weder naar Smyrna, waar in de tweede eeuw onzer jaartelling de
+grijze Polycarpus als Christen blijmoedig den marteldood sterft;
+of ook waar die overige verhalen ons terugvoeren naar het midden
+dezer eeuw, en ons op aandoenlijke wijze de slachtoffers toonen van
+kwalijk begrepen eergevoel, van een zoogenaamd "goed huwelijk", van
+geloofsdwang en lagen hartstocht in 't eind; ja, ofschoon het niet te
+verwachten is dat de kritiek--waar zoo velerlei smaak en richting haar
+bestuurt--over al deze verhalen een oordeel zal vellen, zooals er over
+het genoemde juweeltje werd uitgebracht,--ik geloof in waarheid dat
+de geachte schrijver, waar hij met een verwijt als het bovenstaande
+vereerd werd,--zijn onderstelling met de meeste gerustheid had kunnen
+terughouden, evenals naar sommiger meening wellicht den geheelen brief,
+die het boekske tot inleiding strekt.
+
+En toch, al had ik zelf den heer Wansleven het schrijven van dien
+brief moeten ontraden, nu hij geschreven is, nu verheug ik mij er in,
+want slechts door hem kon ik er toe komen om dit woord te spreken,
+en openlijk den innigen wensch te uiten, dat de waardige auteur--aan
+wiens talent en dichterlijk gevoel de jongere vriend zooveel te danken
+heeft, die in zijn vriendelijke woning of aan zijn zij in Lochems
+schoone dreven zooveel onvergetelijke indrukken ontvangen mocht--dat
+hij zal terugkomen van zijn besluit "om de pen te laten rusten",
+maar de Nederlandsche litteratuur nog dikwijls zal verrijken met de
+vruchten van zijn geest en zijn hart, het allerliefst geplukt in den
+rijken gaard zijner dagelijksche omgeving.
+
+
+
+'s-Gravenhage, 9 Sept. 1863.
+
+
+
+
+
+MIJNHEER DE SPECTATOR!
+
+
+"Mijnheer de Spectator!" Om dien aanhef heb ik eens iemand vreeselijk
+hooren lachen. Die lacher vond het dwaas, en bovendien vond hij
+niets heerlijks aan de Spectator. ZEd. was boekverkooper en had
+er geene enkele bestelling op. Maar--ofschoon de man gerust mocht
+lachen, aangezien de Spectator zoomin als de redactie een mijnheer
+is--immers indien ik mij niet bedrieg bestaat de laatste uit twee
+of drie mijnheeren--zoo schreef ik toch in navolging van anderen:
+Mijnheer de Spectator, en 't blijft er staan. Wat doen we niet veel
+in navolging van anderen, soms dwaas, bespottelijk dwaas.... Vormen
+mijnheer, je kunt alle vormen niet zoo inééns op zij zetten.
+
+Doch ter zake. Ik wend mij tot u mijnheer de Spectator, dewijl mij in
+den laatsten tijd vele vragen zijn gedaan, die ik graag beantwoorden
+wil. In de eerste plaats--metterdaad--de dikwijls herhaalde: Schrijf
+je niet meer in de Spectator?--Liefst geen vertellingen mijnheer,
+ziet ge, omdat ik niet houd van afbreken--al is het stuk dan ook zoo
+voortreffelijk niet. De meerderheid raakt de klus kwijt, en het stuk,
+waarvan men trachtte een goed geheel te maken, ligt verbrokkeld. Er
+moet altijd weer verzameld worden, dat is niet anders.
+
+Mijn vriend B kon wel gelijk hebben, indien hij nu al voor de tweede
+maal een zinspeling in mijne woorden heeft gevonden. Geen wonder,
+ik wil vragen beantwoorden; die antwoorden liggen gereed, en, iets
+anders ligt mij op het hart. Dat moet er af!
+
+Desiderius, ik heb uw stuk "Een afscheid aan de kerk", naar aanleiding
+van Dr. Piersons jongste geschrift, in het eerste nommer voor 1866
+van de Ned. Spectator, gelezen.
+
+Ik moet daareven over spreken, want het heeft een diep leedgevoel
+bij mij verwekt. Hoe is het mogelijk, dacht ik na de lezing, dat
+beminnelijke, brave, rechtschapene en veelal zoo helderziende menschen,
+een oogenblik in den waan komen dat Revilles: "Jan Rap,"--door
+verstandigen althans--op hen wordt toegepast. De De Génestets Jan Rap
+ziet op degenen, die zich verheugen in den ondergang van al wat rein
+is en edel:
+
+
+ "Als hij 's avonds laat thuis komt psalmzingt hij:
+ Vrijheid! Blijheid!
+
+ "Zijn geweten is van ruim fatsoen en tamelijk versleten."
+
+
+In één woord. 't Is de dierlijk lichtzinnige mensch. Neen--waar
+streven naar volmaking is, in den edelsten zin, daar is geen Jan Rap,
+daar is godsdienst.
+
+En nu over de kerk. (Ik versta onder kerk een vereeniging van menschen,
+die dezelfde of nagenoeg dezelfde Godsvereering of Godsdienstige
+uiting hebben.)
+
+Onder die vele kerken is er noodwendig ééne, die de zuiverste vormen
+heeft of er naar streeft. Ik geloof dat de nieuwe of zoogenoemde
+Moderne richting in het oog der edele vrije denkers--van Jan Rap
+spreken we niet--dan toch nog de beste richting of kerk is. Voorzichtig
+dan, vel den boom niet omdat zijn vruchten nog groen en onrijp
+zijn.--Maar gij, Desiderius, gij wilt hem niet vellen, gij wilt
+hem dulden. En als ge dan aan anderen die vruchten gunt, vergeet
+gij het lommer....? Doch waartoe die beelden. Ik bid u, blijf niet
+stilstaan bij de tientallen die gij kent; bij menschen onder hen,
+als gij, bevoorrecht boven velen met gaven van geest en van hart;
+neen, zie in breeder kring, denk aan de duizenden van nabij en verre,
+in steden en dorpen, die slaven den ganschen dag--en ze zullen er
+tot den einde toe zijn--om zich schatten te verzamelen en tot eer of
+grootheid te geraken. Zie rond, telkens verder, en juich het dan toe
+dat er in al die steden en dorpen nog mannen worden gevonden--wij hopen
+hoe langer hoe meer, eenvoudige mannen, beseffende dat ze mensch zijn
+en niets meer,--mannen, die er in de grootste gebouwen--welke met hun
+hooge torens zich als boven het alledaagsche verheffen--den medemensch
+herinneren dat er nog iets meer en iets hoogers is, dan geld en goed,
+en eer en aanzien: weldoen in stilte; den naaste te geven wat hem
+toekomt; aan den beleediger de hand ter verzoening te reiken.--Juich
+het toe dat er nog gewezen wordt op de schoonste bladzijden der
+wereldgeschiedenis, of op voorbeelden vol leven en gloed.
+
+O, ik heb zooveel te zeggen, maar de woorden op 't papier zijn te
+zwak. Daar is een kerk noodig, daar zal een kerk noodig blijven
+zoolang de mensch geen dier wordt. De mensch wil Godsvereering,
+hij wil, hij moet aanbidden. Gij Desiderius doet het ook. Ja innig;
+al bewondert ge maar het genie in den mensch, die sprank van het
+Ongeziene. En als ge dat doet, dan huldigt ge God. Als ge verrukt
+staat waar de dalende zon speelt over de rosse hei, daar aanbidt
+ge. En als ge sprakeloos van verrukking daar hoordet aan uw zij:
+Hoed af voor den grooten Schepper van hemel en aarde! gij zoudt....
+
+Maar hoe, twijfelde ik daaraan een oogenblik? Neen, waarlijk waarlijk
+neen. Maar anderen twijfelen daaraan, niet waar....? doch daarvan
+later.
+
+En de aanbidding van het genie, het verheven reine genie van Jezus was
+juist uw grootste grief tegen de kerk tot heden. Maar nu, nu wil de
+nieuwe richting geen genie-aanbidding meer. Zij wil--indien ik haar
+wel begrijp--hulde brengen en recht laten weervaren aan het groote
+genie van vóór achttien eeuwen, aan den onovertroffen dichterlijken
+tolk der verhevenste uitingen van het menschelijk hart. Zij wil
+zijn lessen volgen, die nooit in schooner en sprekender vorm werden
+gegeven. Zij wil prediken: "Och menschen onder dezelfde zon, hebt toch
+geen twist en tweedracht onder elkander, en neemt geen wraak als men u
+misdeed." Immers zoo krachtig, maar tevens zoo dichterlijk klonk het:
+"Vergeven zult ge tot zeventigmaal zevenmalen; die u sloeg op de
+linkerwang, keer hem ook de rechter toe." Is dat niet geniaal? Ja,
+'t is nu een oud en bekend refrein, maar 't is prachtig geniaal. Daar
+kunt ge niet tusschen komen, met geen speld. Al onze maren zijn van
+nul en geen waarde.
+
+Ja, zich te veredelen, te verheffen naar den rein godsdienstigen zin
+van Jezus,--ik meen dat deze zin de veelal zoo mystiek verklaarde
+heilige geest is--dat is, naar ik vertrouw, ook de leus der
+nieuwe richting in de kerk, die moet blijven arbeiden totdat alle
+menschen--ook de zeer zeer slecht ontwikkelden, vrij zullen kunnen
+denken en geen herinnering meer behoeven aan hun duurste plichten,
+of, wilt ge, aan de eischen der ware humaniteit, die wel niets anders
+zal bedoelen dan den naaste liefhebben en den Schepper bovenal.
+
+Maar, hoe dikwijls zal vóór dien tijd de boom zijn blad nog
+verjongen?--Voorzeker, een kerk zal er noodig zijn, noodig, zoolang de
+mensch behoefte heeft om een Eere! Eere! te brengen aan dien Oneindige
+en Onbegrijpelijke, die de zonnen doet wentelen door het heelal en
+een gansche wereld onderhoudt in een enkelen waterdroppel. Noodig,
+zoolang de mensch gevoelt dat hij volmaakt zou kunnen zijn, maar het
+niet wordt op deze wereld; zoolang hij beseft dat er oneindig veel
+is wat hem in dit leven nimmer zal geopenbaard worden, hoezeer hij
+er naar haakt, hoe dikwijls hij ook naar de ontsluiering van vele
+raadselen smacht. Een kerk zal er moeten zijn om te troosten met de
+gronden der hoop, dat het leven niet eindigt met dit aardsche bestaan,
+waar het wijst op levens vol onschuldig lijden en onverdienden hoon;
+op het sterven van zuigelingen, van mannen en vrouwen in de kracht
+van het leven, zoo uitstekend en nog zoo nuttig in hun kring; van
+ellendigen, kinderen van ontaarden, die rondtastten hun gansche leven
+in de onreinheid en stierven met een godslastering op de lippen.
+
+Op dat alles heeft de kerk die duizenden te wijzen. Ja stichten,
+troosten, vermanen en veredelen moet zij zonder ophouden; maar ook
+aansporen tot nutte werkzaamheid in het heden, om in 't eind te
+komen tot den blijden toon: Moed gehouden als u deze aarde ontvalt,
+want luister, luister naar den genialen dichter:
+
+
+ "Vele woningen zijn er in des Vaders huis!"
+
+
+Maar immers ik wist het, Desiderius heeft hier niets tegen. De kerk
+besta, mits zij den ouden slenterweg verlate. Geen nieuwe wijn in
+oude zakken, geen....
+
+Maar toch wel een versterkende spijs in de aarden pan, als men tot nog
+toe geen porselein bemachtigen kon. Toch liever met de grove schaaf
+geschaafd dan met de zachte vlakke hand over het ruwe hout gegleden.
+
+Hoe dan, geen doop! Geen avondmaal! Geen kerkelijke inzegening van
+het huwelijk meer! En waarom niet, mits geen geheimzinnige mystieke
+kracht daarin gelegd of gezocht wordt:
+
+Het kindje wordt opgenomen in de groote vereeniging van menschen, die
+op dezelfde wijze naar God en volmaking streven. Met helder water wordt
+het gezichtje besproeid. Water, het beeld der reinheid. En dan--zou
+het niet goed zijn dat die ouders--velen althans--omringd van vrienden
+en getuigen, nog eens worden herinnerd aan de plichten die hun, met
+het geschenk dat ze ontvingen, zijn op de schouders gelegd, en aan
+God beloven: Vader! wij zullen ons kindje opvoeden naar UW reinen wil.
+
+Geen avondmaal! Waarom niet? Is het, in kleine plaatsen vooral,
+niet een aandoenlijk en plechtig middel om menschen met menschen te
+vereenen, hun te herinneren dat ze gelijk zijn voor den Oneindige;
+dat ze liefde moeten hebben voor elkander, en dat verzoening--zoo
+die noodig is--hun een ongekende zaligheid schenken zal--Maar in
+die groote kerken? Ja, ja! daar moet verandering komen.... of.... de
+menschen moeten veranderen, ik weet het niet.
+
+En 't kerkelijk trouwen!--O, begin maar vrij uw huwelijk in het
+huis, dat aan den Schepper aller dingen is gewijd! begin maar vrij
+met een lofzang aan Hem uit het hart.... Noemt gij het dwaas? Mij
+komt dat uur niet in de herinnering of nog wellen er tranen in
+mijn oogen. Dwaas? noem dan heelemaal een huwelijk dwaas, of uw
+moeder een zoen geven dwaas, en zooveel, zoo ontzettend veel dwaas,
+bespottelijk dwaas!
+
+Maar Desiderius, dit zeide ik niet tot u. Ik dacht niet eens meer
+aan u, want tot u moet ik geheel anders spreken. Gij zoudt recht
+hebben indien gij u gekrenkt vondt, beleedigd door een liefdeloos en
+onrechtvaardig oordeel van zoo velen uit den schoot der kerk--der oude
+vooral--dewijl zij u niet kennen, niet begrijpen en u veroordeelen
+omdat gij hunne vormen niet als voortreffelijk huldigen kunt, omdat
+hun geloof voor u geen waarheid is, en gij vrij wilt zijn en vrij
+wilt denken en God dienen in 't gemoed op uwe wijze, zelfs al moest
+het schijnen dat ge leeft zonder een God.
+
+Maar hoe--waarom kant ge u tegen de kerk, terwijl gij slechts
+gewetensdwang en liefdeloozen eigenwaan te bestrijden hebt. O sla de
+bijl niet aan den stam waar de boom zich verjongt met frissche blaren,
+ofschoon ze nog teer zijn van vorm en van kleur. Nog eens, zoolang
+er menschen leven zal er Godsvereering zijn, en de Godsvereering
+wil zich meestal uiten op breede schaal en heeft een vorm noodig,
+altijd een vorm.
+
+Schrik ze niet af de jongelingen, die zich wijden willen aan de
+ontwikkeling der menschheid; die verlichten en voorgaan willen in het
+goede en zich stellen tegen dogma en gewetensdwang. Spreek hun moed
+in met mij, 't is zulk een schoone roeping, raad en troost te geven
+aan zwakken en armen; op te bouwen in het goede, den mensch te houden
+in den heiligen zin, in den geest die uit God is: reinheid! liefde!
+
+En hoe, hoe zullen en kunnen ze daartoe komen, in al die steden en
+dorpen, dan binnen de grenzen--ik had haast gezegd dan binnen de muren
+eener kerk, die feilen zal in begrippen en vormen tot den einde toe,
+evenals wij feilen Desiderius, evenals gij en ik.
+
+Dit moest mij van 't hart, mijnheer de Spectator! De vragen beantwoord
+ik nader; misschien is dit meteen wel het antwoord geweest op de vraag:
+Zijt ge het altijd eens met den Spectator? [11]
+
+
+Jan. 1866.
+
+
+(Wordt vervolgd).
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+Mijnheer de Spectator!
+
+
+Gij herinnert u het doel van mijn schrijven, namelijk om op eenige
+vragen, die mij in den laatsten tijd gedaan werden, het antwoord
+te geven.
+
+Ik spreek maar terloops van sommige aanzoeken, om pas verschenen
+boeken te beoordeelen, o. a. een werk van Ds. Adama Van Scheltema,
+getiteld: Wat ik goeds zag in den vreemde, 't geen ik reeds goed zou
+kunnen noemen, omdat het goede op te merken in mijn oog heel goed
+is,--ook het goede niet in den vreemde.--Maar immers ik ben geen
+recensent en al heeft een geestig vriend eens beweerd dat men zulke
+dingen niet zeggen moet, ik zeg het toch nog maar even heel zachtjes
+aan u, mijnheer de S. in de hoop dat men mij daardoor niet meer met
+de toezending van werken ter beoordeeling vereeren zal.
+
+Maar de fabriekskinderen! Komt daar nu niets van? Is dat al
+doodgebloed? Is die commissie van onderzoek....?
+
+Stil, dat zijn vragen die zeer doen. Nietwaar, 't gaat langzaam,
+alles zeer langzaam in ons lieve vaderland! Misschien heeft het
+zijn goede zijde, maar--'t is treurig, heel treurig, dat die arme,
+bleeke, naar ziel en lichaam verwaarloosde kinderen intusschen nog
+maar altijd op vele plaatsen 15 en meer uren daags moeten werken,
+dat ze nog maar altijd niets NIETS kunnen leeren, en dat men in
+Nederland menschen doemt tot machines, tot wezens dikwijls beneden het
+redelooze dier.--Wij moeten geduld hebben. Ik vernam dat onze minister
+van Binn. Zaken al gedurig naar den uitslag van het onderzoek der
+commissie heeft gevraagd. Maar, de commissie zal waarschijnlijk niet
+altijd haar tijd beschikbaar hebben voor de taak, die zij gaarne uit
+plichtgevoel of menschlievendheid aanvaardde, en vermoedelijk heeft
+zij te kampen met velerlei natuurlijke bezwaren. Doch--geduld! de tijd
+komt waarin zij erkennen zal dat er verandering noodig is; erkennen,
+dat die arme kleinen nimmer kloeke mannen en vrouwen, nimmer knappe
+werklieden kunnen worden; misschien zelfs zal zij zich losrukken van
+de hoogst twijfelachtige cijfers in dezen, om, getroffen door zooveel
+ellende naar ziel en lichaam, van onze regeering te vragen een wet
+ter regeling van den arbeid der fabriekskinderen.
+
+Maar die regeering, mag zij de Nederlandsche industrie aan banden
+leggen....?
+
+O die oude, zoo dikwijls beantwoorde vraag! En dat antwoord: Ja gewis,
+als die banden noodig zijn ter handhaving van de maatschappelijke
+rechten; als zij strekken om den mensch te binden aan wat goed is,
+en leiden tot veredeling van den geest. Ja, voorzeker mag zij dat,
+wanneer zoo groot een aantal vertegenwoordigers der industrie
+gedurig daarom vragen, ten volle verzekerd dat een wet ten behoeve
+dier kinderen te gelijk een wet zal zijn in het waarachtig belang
+der volksontwikkeling en zoo ook in het belang der nijverheid. Hoe,
+daar is een wet in Nederland, die den armen vader tot den kerker
+veroordeelt, dewijl hij een brood stal voor zijn behoeftig gezin. Ja,
+hem wordt de vrijheid benomen, dat eischt.... de bakker die zijn
+brood mist. Rechtvaardig! zeer rechtvaardig! Maar UWE burgerrechten,
+UWE rechten als menschen, arme, arme kinders! Doch geduld, nog een
+kleinen tijd en uw arbeid zal verlicht en uw geest zal ontwikkeld
+worden, en misschien--als gij later knappe werklieden wordt, dan
+krijgt ge ook nog wel iets meer te eten dan uw slechte aardappels
+met mosterd en uw kleffe poffers met kalk.
+
+Maar gelooft gij dan--zoo klinkt alweder een vraag--dat onze
+fabrikanten gevoellooze menschen zijn! doof en blind voor den toestand
+der armen die hen dienen, dienen voor een loon dat den ouders dier
+kleinen een bloedgeld moest zijn--arme ouders, treurig overschot van
+een geslacht fabriekskinderen dat verging.
+
+Neen, NEEN, zeg ik u. In gemoede houd ik vol dat het gevoeligste
+hart kan wonen in de borst van hem die zijn zaak ziet bloeien,
+zelfs ten koste van het arme jonge leven. Gewoonte, ziet ge, dat
+is de dommekracht die hen deed voortgaan tot nog voor weinig tijd;
+dat is de doffe bril waardoor men in die kinderen machines zag,
+werktuigen en niet veel meer.
+
+"Marie, geef dien armen drommel daar op straat 'en boterham, 't is
+beroerd zooals dat kind d'r uitziet--zoo'n wurm!"
+
+En dat kind werkte bij mijnheer zelf in de fabriek. "Ja, ziet ge,
+als men IN DE FABRIEK is dan is 't natuurlijk dat ze er zóó uitzien,
+maar op straat en voor het raam van je huiskamer, neen, dát maakt
+een verschil, dat doet waarachtig zeer."
+
+Ja ZEER, omdat het oog er niet aan gewend en het hart toch goed
+is. Geduld dan kinderen, het grootste deel uwer heeren en meesters
+beseft al dat gij tot wat meer zijt geboren dan gij nu worden
+kunt; die heeren beseffen al dat uw belang ook het hunne wordt,
+als ze zien naar den fabriekswerkman ginds in het praktisch nijvere
+Engeland. Geduld maar, uw meesters, al doen er sommigen reeds veel om
+uw lot te verbeteren, ze kunnen nu nog niet alles wat ze willen--de
+meesten hunner althans--want ziet ge, daar is een andere macht,
+die hen tot nu toe weerhoudt: de concurrentie, een macht....
+
+Maar arme fabriekskinderen, wat praat ik tot u; al kondt gij
+den Spectator lezen, ge zoudt er geen woord van verstaan; neen,
+mijnheer de Spectator, tot u is het dat ik spreek, en door u tot
+hen, die zoo dikwijls en ernstig vragen: Wat wordt er van de zaak
+der fabriekskinderen?
+
+En het antwoord er op, vat ik nog eens saam in deze woorden: Wat elders
+noodzakelijk was zal ook hier blijken noodig te zijn; wat elders de
+schoonste vruchten oplevert [12] mag hier niet ontbreken. Nog een
+wijle geduld!--Voor de eer van Nederland, en--wij moeten het dankbaar
+erkennen--met den wensch van vele, ook der eerste fabrikanten, gaan
+wij een betere toekomst te gemoet, want, daar moet, daar zal een
+wet komen ten behoeve van het ongelukkige fabriekskind, een wet ter
+handhaving van den bloei der Nederlandsche industrie.
+
+
+
+Een vraag van geheel anderen aard klonk menigmaal. Hoe schrijf je
+voortaan, heelemaal woordenboeks? of....?
+
+'t Zou voor een belletrist, die zich volstrekt niet inbeeldt een
+taalkenner te zijn, misschien verstandiger wezen, om dit chapitre
+in uw weekblad blauwblauw te laten, doch de zaak der spelling raakt
+den auteur zoo van nabij, dat hij,--om niet inconsequent te schijnen
+wanneer hij zich afwijkingen veroorloven gaat--zich wel eens openlijk
+verklaren mag.--En zoo antwoord ik dan gaarne: dat ik op gezag--ja op
+gezag--in vele woorden meer letters zal schrijven dan ik gewoon was;
+ik wil de vorsten lang laten regeeren, en aan een adellijke een l meer
+geven dan aan een edeling of zelfs een hemeling--ofschoon ik het niet
+rechtvaardig vind. De trotsche paauw zal ik met genoegen kortwieken
+en met pleizier aan alle draaijers en vleijers een been ontnemen,
+op gevaar af dat men ze niet meer kennen zal. Wat mij betreft ik had
+er echter niet aan getornd om een mooije vrouw heelemaal van de been
+te helpen en had haar in allen geval--indien ze dan wat van haar mooi
+moest verliezen--veel liever de i ontnomen, en mooje in plaats van
+mooie gezet. Al die klinkletters naast elkaar, 't is Hottentotsch en
+een fraaiigheid om in te verbiesteren, zei Toon de kruier--misschien
+landerig omdat hem ook al z'n been ontfutseld was.
+
+Maar ik ben bedroefd over de komst der g. Onze dierbare moedertaal
+wordt naar de keel gedrongen; die zachte g moet verdwijnen, de
+g die ons herinneren moest: spreek toch vóór in den mond en niet
+als de schreeuwers die de "levendiche schchellevisch" venten en de
+"maachchies acht om een dubbeltje, pak ze maar wech!" 't Is treurig,
+maar, als de wetenschap: leve de ch zegt, dan zal ik haar gaarne gunnen
+zich te warmen aan een kachel zonder g, en te lachen ook al zonder g,
+lachen zelfs om de dwaasheid dat ik laatst een lief maar onnoozel kind
+hoorde voorlezen: "hij zat bij de kac-hel.... vreeselijk te lac-hen."
+
+Doch dit gepraat zou in 't geheel niets beduiden indien ik mij niet
+wilde verklaren omtrent een paar woorden, waarin ik de g zal blijven
+gebruiken in weerwil van de aangenomen regels. Ik bedoel de woorden
+ligt voor niet zwaar, en digt voor toe. Het onderscheid wensch ik bij
+de lezing niet twijfelachtig te hebben. Wanneer ik straks geschreven
+had: geduld kinderen, uw arbeid zal verlicht worden, dan had men een
+oogenblik aan meer dag- of kunstlicht in de fabrieken kunnen denken,
+'t geen toch waarlijk de bedoeling niet was. En gesteld eens dat
+daar geschreven staat: "Het boek is dicht," zou hij die van Vlotens
+Dicht en Ondicht bezit, niet een oogenblik in de war kunnen komen,
+evenals de vriend in de residentie, die een beklag ontving uit een
+der noordelijke provincies, en wel ter oorzake dat aan een Hagenaar
+een onderscheiding was te beurt gevallen waarop de noordelijke meer
+aanspraak meende te hebben, en de vriend nu las: maar geen wonder
+hij is "dichter bij het Hof". De vriend wist niet dat Z. M. er een
+privaat dichter op nahield. Nu wil ik gaarne aanstonds toestemmen,
+dat men zóó kan schrijven dat een vergissing niet ligt mogelijk wordt,
+doch, waar op den regel de ch voor de t de uitzonderingen gelden:
+behalve in de regelmatige vervoeging der werkwoorden wier stam op een
+g eindigt, en, in de zelfstandige naamwoorden door achtervoeging van
+de te gevormd van bijvoeglijke naamwoorden uitgaande op g; daar mag
+mijns inziens nog wel déze derde uitzondering gelden: en behalve in
+de woorden ligt en digt--voor niet zwaar en toe--die eensluidend
+als de woorden licht en dicht maar verschillend van beteekenis
+zijn." En nu, terwijl ik het geen gevaar acht dat men mijn derde
+uitzondering ligt en digt zal noemen, omdat zij juist daardoor tot
+een zekere bekendheid zou geraken, stap ik van dit onderwerp af, om
+met blijdschap de woordenlijst der Ned. taal van de wakkere heeren
+de Vries en te Winkel te begroeten. Gaven zij dikwijls gaarne de
+verzekering dat zij hun werk niet als verbindend willen beschouwd
+hebben, zij zullen, ik ben er zeker van, ook deze afwijking waar men
+die volgt, gaarne eerbiedigen. [13]
+
+
+
+En nu ten slotte die vele vragen naar aanleiding van de schier
+algeheele afkeuring van mijn jongste tooneelwerk aan de eene, en
+het buitengewoon groot succes er van aan de andere zijde. Ik zal
+er niet op antwoorden, alleen wil ik met het oog op mijn vaderstad,
+voor de inwijding van wier nieuwen schouwburg ik mijn Emma Berthold
+heb geschreven, openlijk den wensch uiten, dat een reeks van meer
+dan veertig voorstellingen er van te Rotterdam haar de overtuiging
+zal hebben geschonken, dat de auteur zich de taak in waarheid niet
+ligt heeft geacht, maar ter eere van Arnhem--en mocht het zijn van het
+Ned. tooneel--getracht heeft het beste te schenken wat hij te schenken
+had. Niets anders dan de zucht om zoo mogelijk ons tooneel te helpen
+zuiveren van de gruwelen en onzinnigheden, die er zoo dikwijls den
+volke worden vertoond, spoorde hem aan om het, in ons land waarlijk
+niet uitlokkende veld te bearbeiden, en, als ik nu met blijdschap
+verneem, dat een schoon oorspronkelijk werk van onzen genialen Schimmel
+zoo groote scharen naar den schouwburg lokt, dan word ik gedrongen om
+allen, die hun volk liefhebben en zich krachtig tot die taak gevoelen,
+krachtiger dan ik, luide toe te roepen: Schrijft mannen, schrijft
+goede stukken, zorgt voor een juiste opvoering er van, evenals onze
+classieken daarvoor zorgden, en, gij zult den bloei van ons tooneel
+bevorderen en den wansmaak verjagen uit die leerschool voor het volk.
+
+
+Den Haag, 22 Jan. 66.
+
+
+
+
+CORRESPONDENTIE.
+
+
+ Aan den WelEd. Z.Gel. Heer Dr. S. Sr. Coronel.
+
+ Geachte Heer!
+
+
+Ontvang mijn vriendelijken dank dat gij naar aanleiding van
+mijne regelen in den Spectator, nog eens de belangen der arme
+fabriekskinderen hebt ter sprake gebracht.
+
+Mij dunkt wij zijn het volkomen eens. Men moet geduld hebben--ofschoon
+het moeite kost. Doch, waar uw naam wordt genoemd, daar voel ik mij
+gedrongen om aan hen, die ongeduldig telkens weder vragen: komt er nog
+geen verandering in den toestand der ongelukkige fabriekskinderen, den
+raad te geven, al wachtende, nog eens uw dieptreffend en verre boven
+mijn lof verheven In 't Gooi te lezen, te vinden in den Gids jaargang
+1863, maar vooral ook uw sprekend betoog, getiteld: De toestand der
+kinderen in onze fabrieken en het gewicht eener regeling van hunnen
+arbeid, uitgegeven bij de Erven Loosjes te Haarlem 1863.
+
+Geloof mij inmiddels met de meeste hoogachting te zijn:
+
+ WelEd. Zeer. Gel. Heer,
+
+ 12 Febr. 1866. Uw. Dw. Dienaar.
+
+
+
+
+
+EEN KUNSTENAAR MÆCEEN.
+
+
+ Mijnheer de Spectator!
+
+
+Vergun mij u iets mee te deelen.
+
+Omdat gij er nog niet van gesproken hebt vermoed ik dat het u òf
+onbekend òf althans slechts bij geruchte zal bekend zijn.
+
+Natuurlijk kent gij Dantes Divina Commedia. De Hollandsche vertalingen,
+inzonderheid die van A. S. Kok in metrische verzen, zullen u evenmin
+vreemd zijn: en zeker hebt gij de platen van Gustave Doré bewonderd,
+waarmee de Fransche pracht-uitgave van Dantes Inferno geïllustreerd
+werd.
+
+Indien gij nú niet begrijpt wat ik bedoel, dan kan ik gerust vertellen;
+de zaak moet u vreemd, en de naam van den man u nog onbekend
+zijn.... Maar stil.
+
+Nog zelden had ik zulk een prachtig boek in handen, en zeker heb ik
+nooit gedacht er zoo een present te zullen krijgen. Als er niets
+grooters is dan folio-formaat, dan is het folio, maar anders--is
+het grooter.
+
+Zie, nu ik de zwart kartonnen doos open, waarin het groote boek, op
+de wijze als onze photographie-albums, besloten ligt, nu is een goed
+deel van onze theetafel bedekt. We zouden de thee wel kunnen wegzetten.
+
+Voorzichtig! Die band--rood met verguld--is smaakvol en stevig. Op
+den rug--die nog te zien is--leest ge in gulden letters: De Komedie
+van Dante, en dan op het bovenblad in het beeld der eeuwigheid:
+De Hel van Dante.
+
+Onwillekeurig worden de vingertoppen, hoe schoon ze ook zijn, nog eens
+vluchtig aan den zakdoek gebracht, want de uitroep: prachtig! komt
+telkens terug.
+
+Zwaar, deftig en blank is het papier. Erg veel wit zien we in 't begin.
+
+Ha! dat is schoon: Tegenover het titelblad, waarvan de roode en zwarte
+letters door het glanzig vloeipapier gluren, zien we het borstbeeld
+van den man wiens reuzenschepping de eeuwen trotseerde: het beeld
+van Dante Alighieri in overschoone photographie.
+
+Die photographie--van den heer F. W. Deutmann te Amsterdam--werd
+genomen naar een marmeren buste, vervaardigd te Rome door Eumene
+Baratta op last van den eigenaar die.... Maar, nog even geduld,
+want luister, op de volgende bladzij zingt onze Ten Kate den bard
+der oudheid toe:
+
+
+
+ Dante Alighieri.
+
+ "In één grootsch werk de schepper van zijn taal,
+ En 't heerlijkste, ooit in menschentaal geschreven,
+ Waarin niet slechts de middeneeuwen leven,
+ Maar 's levens polsen kloppen, al te maal.
+
+ Der volkren Dichter, door zijn volk verdreven
+ En vogelvrij verklaard, in zegepraal
+ Op vleuglen van 't genie naar 't ideaal
+ Der liefde, zijn Beatrix, opgeheven!
+
+ Van uit den diepsten nacht in 't hoogste licht
+ Trapswijz' geklommen, wordt zijn Hemelsch Dicht
+ Symbool der weergeboorte uit zonde en smarte,
+ Die 't menschlijk leven godlijk loutren moet.
+ Zóó schildert, met zijn tranen en zijn bloed,
+ Deez' Dante in beelden 't drama van elks harte."
+
+
+En als we dan het zware blad weer omslaan dan lezen we:
+
+
+Mijnen waarden vriend Dr. Hacke, vertolker van Dante's Inferno.
+
+
+En weer klinkt het lied van onzen zanger:
+
+
+ "Gij zijt hen nagewandeld, onbevreesd
+ Als derde volgend door de ongastvrije oorden!
+ En wat Virgiel en Dante zagen, hoorden,
+ Gij hebt het mee ervaren in den geest.
+
+ Ja meer! Gij zijt des Dichters tolk geweest,
+ En 't is uw roem, als voortaan in ons Noorden
+ Het zuidlijk orgel zingt met de eeuwige akkoorden,
+ En Neerland huivrend zijn Inferno leest!
+
+ Excelsior! Van uit de schriklandouwen
+ Naar boven!..... Zalig zijn zij die daar rouwen!
+ De smart tot God is heilig loutringsvuur.
+ Doe als uw meester! Stil ter goeder uur
+ De zielzucht onzer edeler natuur:
+ Wij smachten naar Beatrix--doe ze aanschouwen!
+
+
+"Dr. Hacke?"
+
+Jawel, Dr. J. C. Hacke van Mijnden! Kent ge hem niet?
+
+"Hacke van Mijnden?" zegt ge, en kijkt rechts en links, "Dr. Hacke
+van Mijnden--Doctor....?"
+
+Tob maar niet langer. Gij kent hem niet. En dat is juist het mooie
+van de zaak.
+
+Ik herhaal het: dat is nu 't mooie van de zaak.
+
+Dr. Hacke is een man van middelbaren leeftijd, en het eerste dichtwerk,
+dat hij het publiek--neen nog slechts zijn' vrienden aanbiedt, het
+is de vrucht van een studie sinds de dagen zijner jeugd. Mij dunkt
+dat heet liefde en eerbied hebben voor de kunst, dat heet eerbied en
+achting gevoelen voor haar waardige vierschaar, en--voor zich zelven!
+
+Men heeft mij gezegd--en 't kwam uit een goede bron--dat Dr. Hacke
+de geheele Divina Commedia--of althans de Inferno--reeds driemalen
+voor eigen studie en genot in 't Nederlandsch overbracht, om steeds
+dieper de schoonheden van het onsterfelijk gedicht te peilen, aleer hij
+besluiten kon een vertolking er van aan de pers te vertrouwen. Luister
+even welke eischen de ernstige man zichzelven stelt. Hij zegt in zijn
+voorwoord--zonder opschrift:
+
+"Indien het nu bij de overbrenging van een dichterlijk kunstwerk
+in eene andere taal altijd een vereischte is, den vorm, waarin de
+dichter zijne gedachte gekleed heeft, in het oog te houden, dan is
+het vooral bij Dantes Komedie het geval, waar niets willekeurig is,
+waar alles mathematisch en harmonisch in elkander past, waar elke
+uitdrukking, elke vorm, ik zou haast zeggen elk woord, met een bepaald
+doel gekozen werd."
+
+En verder:
+
+"Niettegenstaande de redenen door Macaulay aangevoerd voor zijne
+uitspraak, dat eene vertaling nooit behoort geschreven te worden in
+verzen, die bijzondere moeilijkheid voor het rijm opleveren, heb ik
+getracht, én den geest, én den nauw daarmede verwanten vorm van het
+dichtstuk te bewaren, door niet alleen voor zooverre 't mogelijk was,
+regel voor regel en woordelijk te vertalen, maar ook vooral, door de
+terzine met hare driemaal herhaalde vrouwelijke (slepende) eindrijmen
+na te volgen; het rijm toch maakt de terzini uit, die zonder dat,
+van kleur en doel verstoken zou zijn."
+
+Of Dr. Hacke daarin geslaagd is, en of hij het gezegde der Italianen:
+"Traduttore-traditore (vertaler-verrader)" op zich behoeft toe
+te passen; of hij schitterend de vele bezwaren heeft overwonnen,
+die hij vond op zijn moeielijk pad, dewijl onze taal "noch den
+rijkdom, noch de verscheidenheid van slepende uitgangen heeft die
+aan de Italiaansche eigen zijn". Op dit alles zal ik u geen antwoord
+geven. Gij weet het, ik matig mij niet gaarne in 't publiek een oordeel
+over anderer kunstwerken aan, en vooral zou het hier al zeer dwaas
+zijn een oordeel over een jarenlange studie te vellen, gesteld zelfs
+dat wij het Italiaansch spraken als onze moedertaal òf--als Dr. Hacke.
+
+Maar wilt gij eenige bladen met mij omslaan en luisteren, dan kunt
+gij zelf oordeelen.
+
+Doch eerst moet ge zien, want door het vloeipapier, waarop in 't
+midden keurig en zuiver gedrukt staat:
+
+
+ "In 't midden van de loopbaan van ons leven
+ Heb ik mij in een duister woud bevonden.
+
+ De Hel, Z. I. I."
+
+
+door dat vloeipapier heen schittert reeds een der geniale scheppingen
+van den Czaar der teekenaren, en als ge het rammelend vloeipapier
+omslaat, dan ziet gij dat eenzame woud, met zijn fantastisch licht,
+zooals alleen Gustave Doré het schetsen kon, het duistere woud, dat
+de wereld moet voorstellen, verzonken in onwetendheid en zonde, en
+waarin de dichter, zelf met den voet in struik en distelen, angstig
+omziet, dewijl hij "het rechte pad had laten varen".
+
+Wij slaan nu eenige bladen om en, luister:
+
+Virgilius heeft Dante de poort der helle gewezen waarboven geschreven
+staat:
+
+
+ "Wie binnentreedt late alle hope varen."
+
+
+en Dante spreekt:
+
+
+ Toen vatte hij mijn hand, en wel tevreden
+ Zag hij mij aan, en schonk mij nieuwe krachten,
+ Zoo daalden we in den afgrond naar beneden,
+
+ Waar zuchten, luide kreten, jammerklachten,
+ Die duistre sterrelooze lucht doorboorden,
+ Zoodat ze mij tot droeve tranen brachten.
+
+ Vermengde talen, vreeselijke akkoorden,
+ Geschrei van smart en wanhoop of van woede,
+ Met handgeklap en schelle of doffe woorden
+
+ Verwekten een geweld, dat, nimmer moede,
+ In 't rond draait in die eeuwig duistre luchten,
+ Als zand, gedreven door des stormwinds roede.
+
+
+Nu zou ik wel kunnen voortgaan, maar de Inferno heeft drie en dertig
+zangen, en elke zang gemiddeld honderd veertig verzen.--Ei! zie nog
+eens even die terzines:
+
+
+ Krachten, klachten, brachten.
+ Doorboorden, akkoorden, woorden.
+ Woede, moede, roede.
+
+
+En dan, een schier woordelijke vertolking!
+
+Mij dunkt wij moeten eerbied krijgen voor den man, die niet slechts
+den moed had om Virgiel en Dante te volgen op hun somber pad, maar
+die er zijn leven aan wijdt om een klassiek kunstgewrocht van vreemden
+bodem in een Nederlandsch kunstwerk voor het heden te herscheppen.
+
+In een Nederlandsch kunstwerk! Zie Mijnheer de Spectator, ik ben
+er zeker van: het doet u goed zoowel als mij, dat een vermogend
+Nederlander, in stee van met Franschen tongval te spreken, ons
+dierbaar Nederlandsch zóó lief heeft dat hij het kneden en vormen
+wil tot de herbouwing van een onvolprezen monument der middeleeuwen,
+op vaderlandschen grond!
+
+Ja het doet ons harte goed, en met hooge ingenomenheid mogen
+we wijzen op dit feit in de geschiedenis onzer hedendaagsche
+letterkunde, want eene vertolking als door Dr. Hacke geleverd--en
+nog te leveren--bewijst ons opnieuw den onwaardeerbaren rijkdom
+onzer heerlijke moedertaal. En--wat wordt zij dikwijls verloochend,
+die lieve taal van Vader en Moeder!
+
+Gij hebt het reeds gehoord, de dichter--rijk in meer dan eene
+beteekenis--hij gaf de volwassen vrucht van zijn talent, mét de gouden
+schalen waarop hij haar aanbood, aan zijn vrienden ten geschenke.--'t
+Is niet alledaagsch wat ik u vertel en wel de moeite waard er nota
+van te nemen.
+
+Maar 't zou nu toch wel mogelijk kunnen zijn dat gij juist van dit
+laatste uw grief maaktet tegen den dichter; de grief namelijk, dat
+Dr. Hacke slechts aan zijn vrienden schonk waar gansch Neerland recht
+op heeft.
+
+Neen, ik weet wel, gij eischt niet dat het getal vrienden zal
+afhangen van de vrienden. 't Getal is al wél zult ge zeggen: honderd
+vijftig! Maar wat gij hem in stilte verwijt misschien, 't is dat hij
+zijn werk niet in een gewonen vorm--al ware het dan ook tegen een
+matigen prijs--voor 't groote publiek heeft doen verkrijgbaar stellen.
+
+'t Is mij onbekend welke redenen Dr. Hacke daarvan terughielden. Maar,
+het begonnen en nog slechts voor één deel voltooide werk heeft hij
+lief. Vermoedelijk wil hij het gaarne heel rustig voltooien en althans
+tot zoolang van zijn lievelingsstudie slechts smaken, wat hij er mee te
+geven wenscht.--'t Kan zijn dat ik mistast, maar het komt mij zoo voor.
+
+Nu zult gij wellicht vragen--en oogenschijnlijk met eenig recht--of
+het mij dan vergund was u, en mét u het publiek op deze prachtuitgave
+opmerkzaam te maken, terwijl Dr. Hacke haar niet aan de openlijke
+critiek onderwerpt. Ik herhaal u dat ik er niet aan dacht een
+beoordeeling van zulk een werk te schrijven, maar,--voelde ik mij
+gedrongen op het feit te wijzen, een woord van den dichter zelf geeft
+mij 't recht tot deze mededeeling, en, ik weet het vooruit, uw eerbied
+zal stijgen voor den man, die bij zooveel studie en dichtvuur, ook de
+Nederlandsche beeldende kunst beschermen wil, door haar zoo mogelijk
+aan zijn grootsche taak te verbinden. Dr. Hacke schrijft:
+
+"Er blijft mij bij de uitgave van dit eerste gedeelte alleen nog dit
+te zeggen overig: met de vertaling van het tweede gedeelte ben ik
+reeds gevorderd, en hoop, zoo God mij het leven laat, dit evenals het
+laatste in denzelfden vorm uit te geven. Voor dit gedeelte kon ik van
+de schoone platen van Doré gebruik maken; voor de beide volgende deelen
+hebben verschillende kunstenaars onder mijne vrienden mij reeds hunne
+hulp toegezegd; zeker ben ik daardoor, dat die deelen in belangrijkheid
+zullen winnen. [14] Het zou mij zeer aangenaam zijn zoo deze woorden
+aanleiding konden geven, dat nog meer kunstenaars uitgelokt werden
+om mij hunne talenten tot het illustreeren van dit werk aan te bieden."
+
+Gij ziet het.... terwijl Dr. Hacke zijne vrienden reeds heeft
+uitgenoodigd, wenscht hij dat nog meer kunstenaars hem hunne talenten
+zullen aanbieden, en, ben ik dan niet in mijn recht wanneer ik door
+middel van deze regelen, de tolk zijner wenschen tracht te zijn in
+'t belang der Nederlandsche kunst!
+
+Mijnheer de Spectator, terwijl ik weet dat gij mij gaarne het
+prachtwerk gunt, 't welk ik dank aan een gelukkige kennismaking
+met den Kunstenaar Mæceen, geef ik u evenzeer de verzekering dat
+Dr. Hackes werk ten mijnent voor u met de meeste liefde ter lecture
+en ter bezichtiging openligt. Kom en gevoel mét mij, wat reuzenarbeid
+de dichter ondernam, en voor een derde reeds ten einde bracht. Zie
+nogmaals de drie en veertig u bekende meesterstukken van Doré; merk
+op hoe onze Haarlemsche Kruseman mede een kunstenaar is waar hij een
+prachtwerk weet uit te geven, dat naar mijn inzien aan de hoogste
+eischen van goeden smaak en typographische uitvoering voldoet.
+
+Kom en zie, en wensch dan evenals ik: dat de dichter gespaard zal
+worden tot de voltooiing van zijn werk, dat hij "in dien arbeid troost
+en kalmte moge vinden bij de herinnering aan bittere verliezen", en dat
+eens zijn geheele vertolking der Divina Commedia het algemeen eigendom
+zal zijn van het onverdeeld en altijd Nederlandsch sprekende Vaderland.
+
+
+ Den Haag, 10 April 1867.
+
+
+
+EEN TALENTVOL ANNEXEERDER.
+
+
+'t Is wel eens gezegd dat er in Nederland moed toe behoort om te
+zijn wat men "auteur" noemt. Immers zeide men, het land is zoo klein
+en bovendien is het aantal Nederlandsch lezende Nederlanders naar
+verhouding te klein. Ja, voegde men er bij, de volharding van een
+Nederlandsche auteur mag wel bewonderd worden: hij is kunstenaar uit
+roeping, uit liefde tot de kunst.
+
+Op deze vereerende beschouwing mogen we niets afdingen. Wel hooren we
+achter ons vragen, of Joostje, die met de meeste volharding dagelijks
+lucifers vent--voorzeker gedreven door een inwendige roeping om anderen
+van vuur en van licht te voorzien--niet insgelijks om zijn volharding
+moet worden bewonderd? De stumper weet immers dat hij maar weinig
+kans op debiet en nog minder op prijsjes heeft, want, zegt Joostje,
+gaat de eerste niet dadelijk af dan heeten ze allemaal vochtig.
+
+Maar men zou kunnen zeggen dat de heer, die zoo vraagt, de zaken
+door elkander haspelt. Joostje is toch in elk geval geen auteur,
+en Nederlandsche geschriften zijn geen lucifers. De heer zegt niet
+eens of hij houten- of windlucifers bedoelt, of wasjes misschien.
+
+Wat ons betreft, we zullen de quaestie--zoo het er eene wezen mocht--de
+quaestie laten.
+
+Maar--in allen ernst kunnen we toch bij nader inzien niet zoo volledig
+toestemmen dat de Nederlandsche auteur, om zijn beperkten kring van
+lezers, in 't beklag moet wezen.
+
+Immers er zijn twee middelen, die den kring voor hem verwijden,
+zoo dat noodig of wenschelijk is:
+
+Zijn de Levens van Rembrandt door Mr. Vosmaer, en van Steen en Potter
+door Van Westrheene geen echt Nederlandsche werken, al werden zij
+door hen in 't Fransch geschreven? Slechts een Nederlander kon het
+doen zooals zij het deden, en, deinsden zij niet terug voor het
+moeielijke van hun taak, in al de landen waar men met ingenomenheid
+een nieuw licht over de levens en werken dier coryphaeën der kunst
+zag opgaan, daar worden nu mede de namen hunner talentvolle biografen
+met dankbaarheid en eere vermeld.
+
+Het tweede middel is voor den Nederlandschen auteur wat gemakkelijker.
+
+Hoe langer hoe meer ziet men in den vreemde mannen verschijnen,
+die onze schoone moedertaal beoefenen en zich geroepen gevoelen om
+de literarische vruchten van Nederlandschen bodem op den hunnen over
+te brengen.
+
+De Nederlander, nog niet bijzonder gewoon aan zulk een beleefdheid,
+voelt er zich een weinig door vereerd, en 't geeft hem eenigermate
+de gewaarwording alsof hij bij voorbeeld aan een Duitsche badplaats
+het Wien Neerlandsch bloed hoort spelen; soms veel te gauw of veel te
+langzaam, maar dat doet er niet toe, 't is toch het Wien Neerlandsch
+Bloed van ons!
+
+De gemoedelijke Nederlander zou aanstonds als hij dat hoort, en maar
+in staat was om een quartet te blazen, uit gevoelige dankbaarheid
+het Volkslied van.... enfin van de Badplaats gaan aanheffen, maar
+dat kan niet en hij bepaalt er zich toe om straks den kapelmeester
+zijn compliment te maken: 's War schön! Wunderschön!
+
+Nu zijn we waar we wezen willen.
+
+Een Duitsch literator heeft zich de moeite gegeven om eenige
+Nederlandsche geschriften in zijne moedertaal te vertolken, en
+is daarin volgens het oordeel van vele Duitsche tijdschriften en
+couranten uitmuntend geslaagd.
+
+Reeds een paar malen vonden wij zijn naam in onze nieuwsbladen
+abusivelijk vermeld, en kwam het ons voor dat de man, die o. a. het
+jongste werk van den grijzen Van Lennep op meesterlijke wijze voor
+Duitschers "genietbaar" maakte, aanspraak heeft op onzen dank en een
+eervolle vermelding in deze kolommen, te meer dewijl wij vernamen
+dat het zijn voornemen is om voort te gaan met het vertolken van
+Nederlandsche geschriften, die hij daartoe geschikt zal achten.
+
+Dr. Adolf Glaser is te Wiesbaden in 1829 geboren. Aanvankelijk voor
+den handelsstand bestemd, bleef hij tot zijn vijftiende jaar op 't
+gymnasium te Wiesbaden, en kwam daarna in een fabriek van een oom te
+Mainz, die veel zaken met Holland deed en daarom den jongen Glaser
+de Nederlandsche taal deed beoefenen.
+
+In 't belang der zaak reisde Glaser zeer veel, niet slechts in
+Duitschland, maar ook in Zwitserland, Italië, België en Nederland. Op
+zijne reizen ontwaakte steeds meer en meer in de borst van den jongen
+koopman de liefde voor natuurschoon en kunst, zoodat hij eindelijk
+besloot den handelsstand te verlaten en zich, door de studie der
+fraaie letteren, aan de kunst te wijden.
+
+In 1853--op vier en twintigjarigen leeftijd--vertrok hij, na eenige
+voorbereidende studiën, naar de academie te Berlijn en werd in 56
+tot doctor gepromoveerd.
+
+Reeds als student had Glaser zich een goeden naam door het schrijven
+van drama's en novellen verworven, zoodat hem al spoedig te Brunswijk
+de redactie van het Tijdschrift Westermann'sche Illustrirte Monatshefte
+werd toevertrouwd, welk blad onder zijne leiding weldra een zeer
+goeden naam en groot debiet mocht verwerven.
+
+Sedert zijne vroegere reizen in Nederland, waar hij zich meermalen
+een geruimen tijd ophield, was het steeds een lievelingsdenkbeeld van
+Glaser, om de Nieuwere Nederlandsche literatuur in Duitschland bekend
+te maken. In 1857 had hij reeds met goeden uitslag zijne krachten aan
+een onzer klassieke werken beproefd. Herrigs Archif für das Studium
+der neueren Sprachen, nam een verhandeling van Glaser op, die getiteld
+was: Joost van den Vondel und sein Lucifer, een stuk waarin hij de
+verheven schoonheid van Vondels treurspel in een helder licht plaatste.
+
+In 't jaar 1865 begon hij echter meer bepaaldelijk nieuwere
+belletristische werken van Nederlandschen bodem in 't Duitsch
+te vertolken. Zijn het er nog slechts weinige, met het oog op de
+toekomst is het voor ieder Nederlandsch auteur en voor de eer onzer
+letterkunde zeer belangrijk te vernemen, dat de Duitsche tijdschriften
+en nieuwsbladen den heer Glaser den overvloedigsten lof brengen voor
+de uitmuntende wijze waarop hij: Nederlandsche Novellen, en Hänschen
+Siebenstern, bij hen heeft ingeleid.
+
+Om bijzondere redenen bepalen wij ons tot een paar mededeelingen
+betreffende Glasers jongste werk.
+
+De Augsburger Allgemeine Zeitung zegt: Dass wir es können--Klaasje
+Zevenster naar waarde schatten--das danken wir Herrn Adolph Glaser dem
+Redakteur der Westermann'schen Monatshefte und bekannten Novellisten,
+der uns den Roman "Hänschen Siebenstern" in gutes Deutsch so gut
+übersetzte dass wir uns an der Uebersetzung wie an einem Original
+freuen konnten. Solche holländisehe Annexionen lassen wir uns gerne
+gefallen, enz. enz.
+
+In de Hausblätter leest men: "Die Uebersetzung ist dem Original
+ebenbürtig--sie spricht uns durchaus an, als sei sie selber ein
+Solches." Wat ons betreft, die met de Niederländische Novellen mochten
+kennis maken, we moeten erkennen dat zeker maar zelden eenig vertaler
+beter de eigenaardigheden onzer taal zal vatten dan de heer Glaser
+het deed.
+
+In een verslag van de Gartenlaube für Oesterreich wordt doctor
+G. genoemd: der bekannte, geistreiche Erzähler und Redacteur der
+Illustrirten Monatshefte von Westermann, der gediegensten Zeitschrift
+Deutschlands. Elders, in de Berliner National Zeitung wordt hij de
+bekende dichter genoemd.
+
+Uit dit alles zal blijken dat de Nederlandsche literatuur zich in
+Duitschland in uitmuntende handen bevindt.
+
+Tot de oorspronkelijke werken van Glaser behooren: Familie Schaller,
+roman in zwei Bänden, Bianca Candiano, Erzählung, Erzählungen und
+Novellen, drei Bände. Voor zijne Gedichten ontving hij van den
+voormaligen Hertog van Nassau de gouden medaille van verdiensten,
+en voor het drama Galileo Galilei--'t welk van zijn tooneelwerken
+vooral in Weimar den meesten opgang maakte, van den later ontslagen
+Koning van Hanover, mede het gouden eerbewijs.
+
+Wij eindigen dit verslag met den wensch, dat Glaser nog lang den lust
+zal behouden om op zijne wijze te annexiren. Misschien biedt Kellers
+Van Huis hem al terstond daartoe de schoonste gelegenheid aan.
+
+
+ Den Haag, 26 S. 67.
+
+
+Tot mijn groot leedwezen is het later bij herhaling gebleken, dat de
+heer A. Glaser een groot deel van zijn goeden naam in Duitschland aan
+een annexatie-geest heeft te danken die in zijn land, zonder twijfel,
+even slecht staat aangeschreven als in ons dierbaar Nederland.
+
+Slechts twee feiten ten bewijze:
+
+
+I. Die Pflegemutter von Adolf Glaser is een woordelijke vertaling
+van J. J. Cremers Deine-meu.
+
+II. Sommige letterlijke vertalingen van Glaser--zoowel werken van
+andere Nederlandsche auteurs als van mij, verzwijgen het vaderschap,
+en vermelden een: dem Holländischen nacherzählt, terwijl--ook dan
+wanneer de auteur werkelijk op een middenschotje vermeld is, de naam
+van den vertaler op den omslag, ja op den rug en menigmaal boven elke
+pagina prijkt. In Bohemen werd mij door een boekhandelaar Von der
+Bühnenwelt von Glaser ter lezing aanbevolen. Het was eene vertaling
+van mijn Tooneelspelers.
+
+
+ 28 Jan. 1878.
+
+
+
+
+
+DIENTJE VAN 'T VEER.
+
+
+De heer Slingervoet Ramondt heeft onder den bovenstaanden titel,
+"een verhaal uit de Betuwe" in 't licht gegeven, "ten voordeele van
+de noodlijdenden door de overstrooming, in de provincie Ferrara in
+Italië." In zijn woord vooraf verklaart hij, dat de zucht om die
+ongelukkigen nog wat meer te kunnen helpen dan hij 't reeds deed,
+hem tot schrijven heeft gedrongen: "C'était plus fort que moi," zegt
+de heer R.: "Ik schreef in de vrije uren die mijn beroepsbezigheden
+mij overlieten. Ik schreef haastig, omdat spoedige hulp noodig
+was." En iets verder: "Het is mijne bedoeling volstrekt niet, de
+toegevendheid van het publiek, de welwillendheid der recensenten
+in te roepen. Onverbiddelijk heb ik zelf vaak het produceeren van
+liefdadigheids-literatuur en liefdadigheids-kunst afgekeurd. Ik lever
+dan ook thans mijn werk over aan de gestrengste, onmeedoogendste
+critiek."
+
+"En dat staat er werkelijk?" vroeg een hooggeëerde bezoekster, terwijl
+een trek van edele verontwaardiging haar schoon gewelfd voorhoofd kwam
+plooien: "Maar dat is spotternij! "Een schrijver, die zelf menigmaal
+de "liefdadigheidskunst onverbiddelijk heeft afgekeurd" roept de
+strengste, de onmeedoogendste critiek in, over een lettervrucht die
+hij schreef--let wel--in de vrije uren die zijn beroepsbezigheden hem
+overlieten,--alzoo vermoeid van den arbeid misschien--en, HAASTIG,
+omdat een spoedige hulp er noodig was!--Maar wie zoo schrijven kan,
+hij is.... hij verdient...."
+
+"Bedaar, hooggeachte vriendin, en bedenk dat die schrijver toch
+het hart op de rechte plaats heeft: Door liefde gedrongen heeft hij
+gezongen, en in weerwil dat hij 't zoo druk had.--Ik bid u wees niet
+te gestreng?"
+
+"Hij verlangt het. Geen de minste toegevendheid begeert hij. Hij moet
+wel zeer overtuigd zijn van de voortreffelijkheid zijner schepping. Zie
+maar, hij staat daar met het hoofd achterover, met de hand aan
+'t rapier."
+
+"Mijn geëerde vriendin was nooit voorbarig. Neen, die schrijver
+staat daar niet met het hoofd in den nek of de hand aan den degen,
+ik heb u nog niet gezegd wat hij er spoedig op volgen laat. Luister:
+Hij wacht zijn vonnis. Hij is er van overtuigd dat er geen genade voor
+hem is. Hij wenscht slechts dat gij zijn vonnis niet al te spoedig zult
+vellen, "omdat anders het doel van zijn uitgave gemist zoude zijn."
+
+"Het doel! Altijd dat doel! Kan er ooit een doel zijn, waaraan men
+de heilige Kunst mag ten offer brengen!" De Kunst eischt van hare
+priesters algeheele toewijding; althans geen onmogelijk-vluchtige, geen
+gejaagde, met een brok brood in den mond, met den lijmpot in de hand,
+en de bedelaars aan de deur.--Kunst en Philanthropie gaan dikwerf te
+zamen; maar familie zijn ze niet. Zal de Philanthropie--hoe edel haar
+karakter ook zij--nog langer ongestraft de verheven figuur aller eeuwen
+en gedachten durven beleedigen, en haar rein gewaad bezoedelen in haar
+domme haast!--"C'était plus fort que moi!"--Weet hij dan niet hoeveel
+zelfbeheersching er geëischt wordt van de ware priesters der Kunst;
+hoeveel onwrikbaar geduld, hoeveel zelfverloochening!--Kent hij Da
+Costa niet!--Heel 't Oosten is een graf! schreef de groote dichter. En
+hij schetste verder het gloeiende Oosten, met zijn vervallen steden,
+zijn tempels en paleizen in puin; de lachende vruchtbare dreven van
+weleer, in woestijnen veranderd. Twee drie bladzijden heerlijke
+verzen! Maar die bladzijden--gewikt en gewogen--werden met één
+pennestreek vernietigd; en, daar stond als in arduin gehouwen,
+dat plechtig:
+
+--Heel 't Oosten is een graf. [15]
+
+
+
+Er werd aan de deur geklopt, en--reeds in hetzelfde oogenblik geopend,
+trad een allerliefst persoontje de kamer in.
+
+De ernstige spreekster van zooeven stond op; sloeg haar bournous
+in edele plooi om den schouder, en verliet met een deftigen groet
+het vertrek.--Ik volgde haar; drukte haar bij 't uitlaten de hand,
+en zij wist wat die handdruk haar zeggen moest.
+
+--Niet goed gemutst? vroeg de schoone bezoekster lachend, terwijl
+zij bij mijn terugkomst in de richting van de deur wees.
+
+--Een weinig ontstemd. Er is een verhaal in 't licht gekomen ten
+behoeve van de noodlijdenden in Ferrara, en....
+
+--O dan spreek je van een nieuwen Betuwschen schrijver, viel de
+andere in: Ik heb dat allerliefste stukje van den heer Slingervoet
+Ramondt daar juist gelezen.--Je kent de Betuw tusschen Rijn en Waal;
+den dijk er omheen; de lachende heuvels aan gindsche zij. Je kent haar
+'s winters.... ijsgang; watersnood.--Prachtig is die watersnood in
+dat verhaal geteekend; dat klimmend gevaar, die angst; 't verlaten van
+de bedreigde woning; die achterblijvende hond! 'k Zeg allerliefst! En
+natuurlijk!? Daar komt een ontvanger in; van der Teen, of.... van der
+Veen,--precies naar 't leven genomen! Wat ruw, maar magnifique! En
+dan de droefheid der ouders in de schuit die hen redt, nadat hun
+arme jongen verdronken is. En die lafhartige Willem Van Balen,
+de onwaardige ellendeling, zoo armzalig afstekende bij den ruwen
+maar flinken ontvanger.--En eindelijk het lieve Dientje zelve. 't
+Is wel geen aangrijpende figuur, maar, als het boekje is uitgelezen,
+dan blijft ge nog een wijl op haar grafschrift staren, en veegt een
+traan uit uw oog.--Ja allerliefst en aandoenlijk! En dan nog wel in
+der haast geschreven omdat de nood in Ferrara zoo groot is. Nobel,
+allernobelst! ik wensch den schrijver met zijn edel hart, de meeste
+voldoening toe, en hoop dat honderden zijn Dientje Van 't Veer zullen
+lezen en koopen.
+
+
+
+ Waarde Spectator!
+
+
+Gij hebt u herinnerd dat ik geen critiek schrijf, en vraagt mij
+nochtans mijn oordeel over het verhaal uit de Betuw van den heer S. R.
+
+En mijn antwoord?
+
+De ernstige Critiek, mijn eerste bezoekster, zal den heer S. R. zeker
+volgaarne zoo gestreng mogelijk haar oordeel zeggen, indien hij
+haar later eens een werk kan aanbieden, 't welk hij onder andere
+omstandigheden het licht doet zien.
+
+Wat mij betreft, terwijl ik den heer R. gaarne mijn meening over het
+schrijven en aanwenden van het Betuwsch dialect zou zeggen, indien
+ik eens 't genoegen had persoonlijk met hem kennis te maken,--want
+voor uwe lezers is het van weinig belang--zoo wil ik nu slechts het
+wel wat vluchtige oordeel van mijn laatste bezoekster onderschrijven,
+en er aan toevoegen: Iemand die reeds zóó in der haast zijn verhalen
+dicht, wat zal men niet van hem mogen verwachten indien hij eens wat
+minder gejaagd is.
+
+Met den wensch dat de veelbelovende schrijver zijn tijd in 't belang
+der Nederlandsche letterkunde voortaan ruimschoots zal vinden, en de
+tijd zijn werk in 't eind overvloedig moge kronen, noem ik mij
+
+
+ Uw Dw.
+
+
+
+
+
+EEN MOOIE APRILMORGEN IN 'T HAAGSCHE BOSCH.
+
+
+Langs het vijvervlak door een koeltje gerimpeld, glanst vroolijk
+de lentemorgenzon. Blij schallend vieren de vogels hun hoogtij in
+'t woud. De fijne bolsters hebben den drang van 't jonge leven niet
+langer weerstaan. Tusschen de zware stammen zijn de heesters reeds
+geheel met lichtgroen omhuifd, en ook de iepen en beuken tooiden zich
+reeds met een zachtgroen waas. De rosse knopjes der eiken glimmen
+hooger, bottende in 't zonlicht. Frisch groen breekt het bruin van den
+sierlijk golvenden bodem, die bedekt is met een glanzige bloemensneeuw
+van duizenden bosch-anemonen.
+
+Verrukkelijk bosch! Trotsch in den zomer, als ge uw rijkdom van
+lommer aan den frisschen vijverzoom huwt; prachtig in 't najaar, als
+de schuine zonnestralen tinten tooveren in uw dieper groen en bruin;
+liefelijk, betooverend schoon in 't voorjaar, als het koeltje suist,
+en de zonnestraal spreekt van lieven en leven.
+
+En gewis, alles stroomt er naar buiten; oud en jong, rijk en arm,
+nu de zon, na malschen regen de lustwarande der hofstad zoo prachtig
+tooit voor het groote jaarfeest der Natuur....? Zacht wat! Nu ik
+aan 't eind van den breeden vijver,--als zoo dikwijls reeds op dit
+vriendelijk plekje--de zoete stemmen van een eersten lentemorgen
+beluister, nu bespeur ik, noch langs die vijverzoomen, noch op de
+paden tusschen 't hout, eenig spoor van menschelijk leven. Doch zie,
+een woudduif schrikt op. 't Geklinklang van een bungelend wapen doet
+zich hooren. Achter den heuvel, waar 't zwartaarden rijpad slingert,
+worden twee ruiters ten deele zichtbaar. In galop schieten ze langs
+'t malsche heestergroen voorbij. Ginds, bij 't klimmen van den heuvel,
+verrijzen ze even, maar duiken ook aanstonds weer weg achter den zoom
+der bosch-anemonen.
+
+Hoe! is er in dit vriendelijk morgenuur--en immers nog vóór
+bureautijd--geen enkele wandelaar in 't prachtige Haagsche Bosch?
+
+Ja toch, ginds in de verte daar gaat "de grijze mijnheer," en daar, op
+'t groote pad, keert de altijd lezende bakkersjongen met zijn leege
+broodmand als naar gewoonte dood-langzaam naar de stad terug. Of hij
+wijsheid of dwaasheid zoekt....? Natuurschoon en 's meesters voordeel
+zeker niet. Ei zie, 't is waarlijk druk dezen morgen; daar komen nog
+twee personen de kleine brug af, en gaan mijn zitplaats voorbij.
+
+"Nein! Traviata nicht gesehn, nein!"
+
+--'t Is egoïstisch misschien maar bij 't vernemen van iets dergelijks,
+krijgt men er vrede mee, dat het 's morgens vóór den pantoffeltijd,
+zoo kalm blijft in het heerlijke bosch.
+
+En bij 't stil genieten van 't jonge leven in 't ronde, is 't zeker
+niet vreemd dat de geest terugdwaalt naar de lente van 't leven,
+die reeds zoolang voorbij is. Wat was 't een heerlijke tijd, die
+blonde jeugd! ... vroolijk, vrij, zonder zorg, in dartele onschuld
+genietende....
+
+Straks bij 't opstaan zal ik 't eerst begrijpen hoe David Bot mij
+plotseling zoo klaar voor den geest is gekomen.
+
+'t Was in den knikkertijd. David had me al mijn knikkers afgenomen,
+en bovendien was ik er hem nog twintig schuldig gebleven--twintig
+met inbegrip van twee albasters.
+
+"Willen we quite ou double?" zei David.--"Wat is dat kiet oe
+doebel?"--David was drie jaar ouder en veel sterker en ook knapper dan
+ik.--"Wel we doen even of oneven; als je 't raadt ben je me niemendal
+schuldig, en anders dubbel zooveel."--Goed! Ik raadde even. 't Was
+oneven. "Da's veertig!" zei David: "Nog eens!"--"Oneven"--"'t Is
+even" zei David: "da's tachtig." Ik kreeg het vreeselijk warm.--"Nog
+eens?" vroeg. David. "Neen, neen!"--"Niet? Ben je mal; als je 't
+raadt heb je alles weerom!"--"Nou! oneven."--"Mis!" zei David:
+"da's honderd zestig."--nou win je 't!"--"Even!"--"Alweer mis,
+driehonderd-twintig." De tranen sprongen mij in de oogen.
+
+"Nogeens!" riep David. En nog eens raadde ik mis, en David lachte,
+en telkens stak hij mij zijn roode saamgeknepen hand toe; en toen ik
+nog vijf malen met bevende stem had misgeraden, toen grinnikte David:
+"Nou schei ik er uit! Twaalf duizend vierhonderd tachtig knikkers
+ben je me schuldig. Je zult ze me geven hoor of anders ben je een
+dief en je komt aan de galg!"
+
+O zalige kindertijd! Acht dagen lang heb ik in doodsangsten
+doorgebracht. Ellendiger kan de totaal geruïneerde huisvader zich niet
+gevoelen, dan ik mij gevoelde; vooral wanneer die kleine propperig
+dikke David, mij, sarrende, telkens papiertjes in handen speelde,
+waarop dat schrikkelijke cijfer geschreven stond, o, dan brak mij
+het angstzweet uit, en eens, midden onder schooltijd, toen hij de lei
+omhoog hield met een poppetje aan de galg er op en alweer dat cijfer
+er onder, toen wenschte ik dat ik dood was. Eerst nadat ik alles
+aan mijn goede moeder gezegd en zij mij honderd knikkers gekocht
+had, ademde ik weer vrijer, want de propperige David vond--evenals
+ik--tusschen de getallen 1 2 4 8 O en 100 zoo'n groot onderscheid niet.
+
+Blijde kinderjaren! Mijn nichtje Anna had een bakkesje om te stelen,
+en op de kinderbals dansten we meestal samen. Eens had zij tegen
+David gezegd, dat zij niet met hem dansen wilde, omdat hij zoo
+gniepig met mij gespeeld had. Den volgenden dag zei David tegen mij,
+dat Anna scheel zag, en van de pokken geschonden was. Ik ben toen
+woedend geworden, want Anna was als een meikers zoo glad, en mooier
+oogjes waren er niet in de heele wereld! Hoewel David zooveel ouder en
+sterker was dan ik, heb ik hem toch een duchtigen slag gegeven. Maar
+David heeft me daarop met zijn stevige knuisten zoo erbarmelijk
+toegetakeld, dat mijn linkeroog bont en blauw zag. 't Was om razend te
+worden! Meester zei dat ik was begonnen en daarom moest schoolblijven,
+en duizendmaal schrijven: Ik mag mijn kameraden niet slaan. Toen
+David naar huis ging, stak hij de tong tegen mij uit en fluisterde:
+"Weet je, ze is scheel en mottig!"
+
+En ik, die duizendmaal schrijven moest, dat die leelijkerd mijn
+kameraad was!! Toen ik thuis kwam zei mijn vader, dat meester mij
+stellig niet onrechtvaardig zou gestraft hebben, en moeder, dat het
+van David zeker een grapje geweest was.
+
+In den zwaren beukestam ginds, staat met kolossale letters de naam
+DAVID gesneden; en David Bot heeft mij aan die donkere dagen herinnerd,
+en aan nog zoovele andere uit die vroolijke zorgelooze jeugd, uit
+die nooit volprezen lente van 't leven.
+
+In 't midden van een breed uitgesneden hart, staat in dienzelfden
+beukestam, ter linkerzij en veel hooger den naam Maria.
+
+Maria! En ik denk aan het schoone jonge vrouwtje dat haar Eduard
+aanbad. Hij--hij droeg haar op de handen. Hun liefde was hun
+hemel. En--nog was het kindje niet geboren, dat hun echt bekronen zou,
+toen zij starend neerzat in 't sombere rouwkleed. Geknakte lelie! En uw
+zomer zou zoo schoon zijn! Maar uw kind werd uw liefde en rijkdom. Zoo
+had de zomer dan toch zijn bloemen voor u, trouwe moeder.
+
+In dien boomstam staan nog een menigte naamcijfers en
+jaartallen. Misschien bezie ik de kloeke beuken, die de herinnering aan
+meer dan drie geslachten bewaren, later wel eens wat nauwkeuriger;
+nu is 't genoeg. Met de frissche morgenlucht heb ik tevens een
+fiksche teug uit den frisschen levenskelk genoten. Neen, als de
+lente herleeft, en land en bosch jubelt in den zonnestraal met de
+zachtste tinten en kleuren, dan droomen we niet van een zoet weleer,
+dat slechts in de herinnering zoo vlekkeloos schoon was; dan leven
+we evenmin in een toekomst, hunkerende naar een zorgloozen ouderdom,
+die nooit zal komen; maar dan leven we in het heden en roemen in de
+heerlijke lente, die nu weer haar schatten ontplooit.... Maar zie,
+bij 't genietend voortwandelen langs het lichtste groen van iepen
+en eschdoorns, terwijl hooger de vogelkers met zijn sierlijk witte
+bloemtrossen, honinggeuren door 't bosch verspreidt, komt toch een
+droeve toon, een toon van smart en rouw en vervlogen kracht en geluk
+het hart beroeren: Ginds op een bank zit een grijsaard. 't Is een arme;
+een houten kruk staat naast hem; om zijn versleten zeer rossen hoed,
+zit een breede nog rosser rouwband. Zijn gezicht moet hij missen,
+want de drie kinderen, die slechts op zeer korten afstand anemonen
+plukken, hij roept ze en waarschuwt hen toch niet te dicht bij het
+water te komen--ofschoon de vijver nog op grooten afstand is.
+
+Arme tobber, eens kondt ge zien; eens kondt ge de lente genieten;
+eens kondt ge u vrij bewegen, dartel zooals die kleinen ginds, of
+rustig zooals hij die uw zitplaats nadert.
+
+En de kinderen keeren met hun bloemen tot grootvader terug; en, als
+ze hem hun schat toonen--alsof hij dien zien kon--en het kleinste
+meisje hem de anemonen onder den neus drukt, dan lacht hij tevreden
+en niest, om zijn verrukking aan 't kind te toonen. En terwijl
+grootvader de roode wangen van het lieve bloemplukstertje streelt,
+roept haar oudere zusje: "Nou draaien, grootvader! Toe!" En zie,
+zij heeft den oude het eind van een lang touw reeds in de hand
+gegeven. "Ja kom, nu lustig aan 't springen," zegt grootvader: "Jij
+Jan, 't eerst meedraaien." En de grijsaard draait het springtouw. En
+met luisterend oor, het hoofd een weinig ter zij, bespiedt hij den
+lustigen touwdans der kleinste. Ei, 't oudste zusje, ongeduldig,
+springt mee in de bocht. En grootvader glimlacht, want: Ja ja,
+hij bemerkt het wel. Maar ze mag het wel doen! En het touw vervat
+hij gedurig van de eene in de andere hand. "Neen, ga je gang maar;
+grootvader zal wel draaien, als jelui maar pret hebt!"
+
+Hij zou wel draaien, als die kinderen maar pret hadden!--En nog
+een poos zag ik naar 't lustig gespring der kleinen, die, eerlijk
+om beurten met grootvader het touw draaiden; en ook zag ik naar
+dien oude met zijn vergenoegden lach op het kennelijk door smarten
+gegroefd gelaat. En weer voortgaande langs het tintelend weefsel van
+doorschijnende blaadjes, dacht ik nogmaals aan dat ziekelijk dwalen
+in verleden en toekomst; en het bosch met zijn stemmen van vogels en
+kleuren en geuren het riep mij nogmaals toe: Prachtig is deze lente! 't
+Is niet te denken dat er voor u schoonere zullen komen! Geniet dan,
+o mensch, en klaag en zucht niet om 't geen voorbij is, en hunker en
+jaag niet naar.... uw graf. Als ge zelf niet meer springen kunt, welnu
+draai dan het touw voor de kleinen. Als anderen lachen en vroolijk
+zijn dan zult ge nog mee genieten. Leef in het heden! zie--de zon in
+die blaadjes, ze lacht zelfs voor den zwaarst beproefden sterveling.
+
+Juist bij 't uitgaan van 't bosch gaat Flanor mij voorbij. "Prachtig in
+'t bosch!" roep ik hem toe.--"Overheerlik!" is zijn antwoord.
+
+Of het Flanor werkelijk ernst is de ij af te schaffen? Ik weet
+het niet; maar, nu zijn overheerlik mij nog in de ooren trilt,
+en ik hem in 't groote bosch langzamerhand zoo heel klein zie
+worden.... nu geloof ik toch dat hij in zijn "Spectator" bij ongeluk
+God zonder hoofdletter heeft geschreven. Ik nam het voor ernst, en vond
+het.... kinderachtig. De oorsprong van alle bestaan; de bron van alle
+leven door het zonnestofje mensch, onder vele namen ook GOD geheeten;
+dat hoogste waarnaar de wijsheid vorschte sinds 's werelds bestaan,
+Flanor zal het alvast eenvoudig geen hoofdletter waardig keuren! Maar
+neen, de kerel meent het niet, hij heeft er te veel hart en verstand
+voor. Straks als hij 't Groote orkest der natuur in 't bosch zal
+gehoord hebben, dan lacht hij er zelf om--of, hij lacht er niet om,
+en misschien is 't nog beter.
+
+
+
+
+
+ANTWOORD VAN DE WEDUWE SAMÜËL ZADOK, GEB. SARA LOT,
+
+op den brief van haren zoon Levie, vrijwilliger bij het Fransche
+leger in de Krim.
+
+
+Feelgeliewde Heer Zoon!
+
+As 'k iwes brief in de voorhuijs kwam staan te hontfange was ik zoo
+veraltereerd as vader Mozes as ie in de bieze kistje geen aasshem
+kon krijge.
+
+"'n Brief uit de Krimp," zee Asser de briewebesteller, en as ie me zee,
+wat ie khostte, was 'k op stikke af, en as ie me kwam staan khabaal te
+schoppe--as 'k 'm los had gemaakt--heb 'k em 'n ouwe diffel, deer ie 'n
+bhrander op had, in 't vesier gesmhete--as 'r de rhasende mot in was.
+
+Nah! liewe Lewie, heb ik de brief van iwes sjlecht kunne lese; ben
+ik geloope naar Lijpie, die leest as 'n prefhester, en heb ik mijn
+memmeles gefoel khomme te honderdrikke, as 'k gheen luijsig figuur
+wou sjlaan.
+
+Ach! ik weet nog zoo goed as de dag van ghistere dat iwes me hadie
+zee, en 'k dacht toen: as Lewie maar in de reusedensie is, dan zal
+ie wel 'n sjmeer van de fet meekhrijge, en as 'n Rotsjchild bij zijn
+memmele, die em gedhrage en geshoogd het, terugkeere. Ach! 'k had
+'r illisie van; 'k dacht al: God zel 'em zegene, dacht ik; me zelle
+de haffaire in heijere en zier van khant make,--as er toch zoo weinig
+zier wordt geghete,--en pheperement in 't groot gaan verhandele, as
+er maghtig feel in wordt homgezet; 'k dacht al, as Lewie der weer is,
+kan ie de huitdragerij op 'n ghroote sjhaal contenueere en me zelle in
+'t fette khomme as Joseph in Egipte.
+
+God bewhare! as de mensche die in de reusedensie khomme sjwart
+worde! Beter in 't fet, as in 't smet; en as 'k gewhete had as ze
+m'n eige vleesch sjwart hadde gemaakt, had ik ze 'n mhaling gesjopt
+as Mozes as ie 't khalf van goud zag.
+
+Lewie! Lewie!! as 'k hoorde as iwes in 'n groot huys in Barijs iwes
+zelvres met de bon mesjeurs was te bhuite gegaan, heb ik geroepe: O
+waai! O waai! as Lijpie, die meende as 'k pijn in de puik kreeg zee:
+"Wallê"....? zeej 'k: "Luisige jonge wat raakt het jou, lees jij
+maar verder."
+
+Lijpie kwam verder te lese, en as ie me kwam te zegge at iwes in de
+puik van de prepheet Jonas over de zee was gefare, dacht 'k: wat zal
+Lewie 'n honger hebbe gehad; 'k zel gesond weze as 'k iwes niet met
+liewde foor 'n dhibbeltje heijers met khroot in 't zier had gegewe,
+as 'k ze toch niet huit de khim kan houwe.
+
+'k Was, liewe Lewie, weer meer as gefoelig van fhreugde as 'k kwam
+staan te hoore as iwes gesond te Hafrika in Halgiers was aangekhomme,
+maar as 'k hoorde as iwes most sjchiette en nekserseere heb 'k 'n
+sjchreeuw gelate, asof 'r 'n fiegelante teuge me zierhaffaire aanrhee,
+en zeej 'k: "as ze Lewie maar niet wheerom sjchiete. God gaf as ze
+ferlamde en as ze de ooge fol drek van de Bhreestraat hadde, en Lewie,
+de zoone Sams geshond bleef, as de khindere Abrams, tijdens de phlage
+van Egipte."
+
+Heb ik verder gehoord as Lijpie las, as iwes over de Sjwarte see was
+gefare, 't was 'n goeije massematte, en Lewie, as iwes gochem bent,
+kon 't 'n mooi hakkefietje voor iwes memmele, en iwes zijn. Stier me
+'n honderd khruike van dat sjwarte whater, m'n jonge, as 'r toch
+in 't gezegende faderland zoo feel wordt geklad en gesjchrewe, as
+'r geen hinkt genoeg is; of 'r voor al 't gesjchrijf lezers zijn
+gaat me geen luijs aan, en of de hinkt sthand houwe zel, gaat me ook
+niet aan, as, die 't leze motte d'r ook niet om mahle. As iwes Lewie
+soms digt in de biert van de rhooije see benne, stier me dan ook 'n
+honderd van 't rhooije d'rbij, as d'r tegenwhoordig feel kleine met
+rhood motte poeke as ghroote geen moos bethale. 'k Kan me ter whereld
+niet beghrijpen wat iwes in iwes missiwe van 'n sjletel van Jerisalem
+hebt gesichreven, 'k sou--'k mag geshond blijwe!--iwes niet voor de
+whaarheid kenne zegge waar die sjletel te finde is. Of de Koeizak,
+of de Ris, of de Tirk, of de Hengels, of de Vrans, of de Mensekop
+of de Luijbrandi of wie iwes ook zee, 'em hebbe--iwes memmele weet
+'t niet as ik 'r gheen een van kan, al fiel 'k 'r over.
+
+Lewie! Lewie! daar gaat me 'n licht op as de heerste dag toen er licht
+was; zeg Lewie, as de ghroote sjetel, die nog altijd in de oudroestbak,
+bij de khopsphijkers ligt,.... is pasthe! zeg Lewie--gezegende
+Lewie! lieve Lewie! as.... die is pasthe, en as je memmele die zelvres
+is opfijlde en poesthe en die aan iwes oversond! alle khindere
+Abrams en Isacs en Jacobs zelle geshond weze!--wie weet Lewie of
+iwes dan niet 'n ghraaf, of 'n mijoor of wel hopper-rhabijn van die
+geshegende Synagoge zelvres, zou worde. Och Lewie, lieve Lewie, as je
+memmele--God zegen d'r--zoo gelikkig mogt zijn, dan zou ze d'r eenige
+soon Lewie Mozes Zadok aan d'r hart dhrikke en Sjinkel en Bahlmann
+zou ze'n sjmet doen, as ze khonne hoprolle d'r matthe, en de risie
+van de sjletel, zou door Samuëls zoon, en z'n memmele Sara gesjlecht
+zijn .... flaauw as ze wordt, as 'r om één sjletel zoofeel khoppe,
+en arrheme, en pheene worde afgesjlage.
+
+Liewe Lewie tot hiertoe heb ik iwes ghistere geschrewe, of
+liefer--heeft Lijpie geschrewe, as 'k hem toch gedicteerd heb.
+
+Mijn gefoel was te heefig gesjockt as d'r ook bijkwam as 'r nafraag van
+de thinne nachtsjpiegel was--No. twee van de bovenste phlank--weetje,
+hebbe ze gepooije en gedhonge, heb ik ze eindelijk voor drie kwartjes
+gelate--as ie toch lek was. Nou mot iwes wete, as ik op hede mijn
+brief zal khomme te contenueere met iwes het een en ander te mhelde
+van honse frinden en goeije kennisse en wat ik meer zal wete.
+
+Zoo mot iwes dan wete, as Lijpie in iwes brief van sjchapefelle las,
+'n ghroote ambisie khreeg om met iwes op de Khrimp te handele,
+as ie toch 'n maght hasefelle in huijs, en met feel liewhebberij
+'n ghroote khattejagt gemaakt heeft.--Khatte!--Khatte! Lewie is 't
+mooiste wat 'r is. De felle gewe prefijt, de dharme gewe prefijt en de
+gesthroopte kat geeft ook prefijt.--Of ze ze hebbe wille....?--Lang
+sel je geshond weze. In de resterasies.... as iwes maar blieft; en
+'t kost 'r maar drie dibbeltjes 'n fette porsie khattepeper. Lijpie
+sel de felle cefiel levere en fhranko aan de beertschip besthelle. Gun
+'m de khlandisie en as ie me geseid het as er bij iwes in de Khrimp
+soofeel khapotte jasse van noode zijn, denk dan--simon blê, seggen de
+Vransen--ook aan je memmele as ze d'r nog acht en van alle khleure in
+'t voorhuijs het hange, en nog vier somerphantelons van alle stoffe,
+daar iwes toch sjchrijft as 't nog wel 'n poosje kan diere.
+
+As iwes liewste Lewie, in de laatsthe tijd in Hamsterdam was geweest,
+zou iwes 'n maght lawaai aan de hoverkant van de Hamstel hebbe
+gehoord. Hebbe ze gerhoepe en gesjchreeuwd door de stad as ze zeejen,
+'n wolf was losgebhroke en ie liep rond in 'n sjchaapskleed. 'k Sta
+je te zegge geen Israëliet was er 's avonds op straat sonder mes op
+sak. Hebbe ze nog gesjchreeuwd en gerhoepe en hebbe ze gekhomme bij
+ons, en hebbe ze gezeid--as t'r te ferdiene was.--Hebbe ze wille
+ferdiene as t'r te ferdiene was.--Hebbe ze weer gezeid--as te wolf
+most worde wegghesonge.--Hebbe ze alle in de biert o waai! gerhoepe,
+as ze niet op wolve gestheld wahre.--Hebbe ze nog weer gezeid as
+te wolf.... geen wolf, as ie 'n dhomenie was. [16] Nah! zeej'ik,
+en Nah! zeejen ze halle, late we de fingers niet brande, en late
+ze de wolf zelvres tam make. Lijpie het 'm later gesien en--ie liep
+net as 'n mens, en was tam as 'n lam: het ie ewel gehoord, ze hadden
+em zóó besjchote en gejhaagd as ie soo magher as prood en soo gheel
+as shaffraan was--tothaal in de khrimp! As ie ook van 't sjweete de
+khoors 't lijf het. 't Is beter Lewie op katthe te jage as op mense,
+je memmele Lewie zeid 't aan de hoffesiere en gineraals, en aan de
+jhagers van dhomenies.
+
+Om hop de friende terig te kbomme liewe Lewie, zei ik je segge as
+Rachel, de nest-dot van smoel of de hazelip, ook al d'r zjwarte
+khop het khaal geschore en 'n phruik het opgezet, as ze de bedgenoot
+van Joppie is gewhorde; ze zijn zes dage na de Freegde der Wet van
+'t jaar na de sjchepping: Vijfduizend zeshonderd en vhijftien in d'
+echt gethrede, en Rachel het 'm gebhaard twee stamhouwers ineens,
+waarvan de houdste, die twaalf mhenute houwer as de jhongste is,
+in de bhotte en de jhongste in de lucewere negosie zel worde hopgeleid.
+
+Sam ken 'k iwes khomplemente niet make, as ie twee dage voor 't nieuwe
+jhaar [17] naar de sjchoot van Vader Abram is afgereisd. Z'n hebbe
+en houwe is in m'n voorhuvs, en as, liewste Lewie, Lijpie de felle,
+en je memmele de khapotte jasse en shomerbroekjes levert, zei ik
+'r die stikke maar bijdoen; d'infentaris hieronder, halles cefiel.
+
+Moses dhient de khoning; hij is met de khramp uit de khamp gekhomme
+en het 'r de puyk fol van. 't Sjchiete was nhimmer z'n lieuwhebberij,
+en as ie sjchoot, het ie aan Lijpie gezeid, kneep ie altijd de ooge
+toe, as ie niet whete wou waar de khoegel bleef. Een gehk voor Moses
+as ze nooit op 'm hebbe afgevierd, had ie zich anders bedaan van
+benaauwdheid.
+
+Bram zel met Liewde iwes brief ontfange, 't is anders 'n sjlecht
+Israëliet, want as ie met schoenpoese 'n sjlomp geld het verdhiend
+kan ie 't niet late--as Joppie zee--om zelvres bij 't sabbeslamp z'n
+cente te thelle. Nau Lewie, frucht van m'n liewde, leef frolik en
+geshond m'n liewe jonge. Sjhrijf me apsjluut van de SJLETEL en van
+de levransie. Zeg Lewie--as j'm zelvres kwam hale;.... je ken nooit
+whete m'n liewe jonge.... je kon dan de sjwarte en rhooije hinkt au
+phesant meêbrenge, en de levransie van je memmele en de felle van
+Lijpie hop je nek meephakke. Zel je me jonge....? Nou hadie m'n Lewie
+tot shiens, mogt 'r bij jeluih nog gesjchote worde hou iwes nheutraal;
+'t this 't beste werachtig! de menisters bij hons zegge 't ook--as ze
+'t fet hebbe!--Hebbe ze gelijk....? Nah!
+
+Gelik m'n Lewie, de hemel segene iwes, en make as iwes rhijk te huijs
+khomme bij iwes liewhebbende
+
+
+ Amsterdam Jan. 1855 (5616).
+
+ memmele: wedhuwe Samuel Zadok
+ geb. Sara Lot.
+
+
+PS. De groetenisse van halle; as iwes khomt, kan iwes de thabak
+zelvres meênhneme as 'k 'r zoo geen verstand van heb.
+
+
+
+INFENTARIS VAN 'T GOED VAN SAM.
+
+Behalve één khapotte jas; een gelapte diffilsche proek.
+
+Eén fest met dhiffrente knoope.
+
+Één paar fetleere sjchoene, die maar gesoold en gehachterlapt hoeve
+te worde.
+
+Één rhooije poeffante (as 'r voor ingestaan wordt, als Sam 'm z'n
+heele lehwe met sicces het gebruikt).
+
+Één pet, as ie ghlimmend is gewhorde goed voor d' afloop van
+'t rhegewater.
+
+Één khatoene hemd (krimpvrij).
+
+Één sjhoenepoesbak met TWEE bhorstels en 'n potje d'r bij voor
+'t sjchoenesjmeer.
+
+ Behalvres:
+
+Nog eenige rhariteite waarvan we de sjubtansies niet hielk en één
+aan de nees kenne hange.
+
+
+
+
+
+BRIEVEN VAN GRIETJE SLUIMER.
+
+Vier brieven van Grietje Sluimer aan de redactie van "De
+Dames-Courant".
+
+
+
+I.
+
+Mijnheer de courantier of uitgever, of hoe gij heeten moogt, ik,
+ben zoo om en bij de zestig jaren oud, mijn vader heette Mispel en
+was in zijn tijd schoolmeester te Dinges, mijne moeder was juffrouw
+Mispel zijne vrouw.
+
+Toen ik de school ontleerd was en geen slag had om als mijn oudere
+zuster met de kleinen--wij waren met z'n dertienen--om te gaan,
+zei vader: "Grietje kan 't wolle- en linnen-naaien, strijken en al
+die aardigheden meer, ze moet dus maar 'n dienst zoeken en de deur
+uit." 't Was koorn op mijn molen, want dat kinderdragen, daar wier
+ik ijselijk moe van en toen zocht ik 'n dienst en ik kreeg er een,
+en een bovenste beste ook als linnenmeid. Nu zult u zeggen: "Wat gaat
+mij dit aan," maar wacht, ik ben er nog niet. 'k Hield veel meer
+van mijn ouders en ook van mijn zusters en broers--tot de ergste
+schreeuwers toe--toen ik in den vreemde was. 'k Stuurde dikwijls,
+vooral met Sinterklaas lekkers en aardigheden naar Dinges, voor
+vader en moeder en de kleuters, want ik verdiende een aardig duitje,
+en verval was er, dat zou je niet gelooven. We waren in dien dienst
+met z'n zevene booien: 'n gezelschapsjuffrouw die ook het huishouden
+deed, 'n keuken- en werkmeid, ikke, 'n koetsier, 'n huisknecht die
+ook palfrenier was en 'en tuinman. Dat doet er nu ook wel niet toe,
+maar 't was zoo en daarom zeg ik het. 'k Zal me zelve niet prijzen,
+daar hou ik niet van, maar vast is het waar dat ik eerlijk en trouw
+was--al heb ik het nooit op schrift gekregen--en 't bewijs zal ik
+leveren, want, net precies dertig jaren bleef ik bij m'n eerste lui
+en als God ze niet twee maanden na elkaar had geroepen,--na vier jaar
+geleden--dan was ik er nog.
+
+Dat ik verschrikkelijk triest was toen mevrouw op d'r sterfbed me nog
+goejen dag zei en prees dat ik altijd zoo ijvrig en trouw was geweest,
+waar God me voor loonen zou, dat kan je begrijpen. Zij gaf mij de
+hand en zei nog ten slotte: "Grietje in den hemel hoop ik je weer
+te zien, dan zijn we allen gelijk." Ik zei: "Ja mevrouw," zei ik,
+"dat benne we ook" en toen schoot mij 't gemoed vol en ik ging.
+
+Nu, toen ze begraven was--mijnheer was haar voorgegaan--kwamen de
+neefjes en nichtjes omdat er geen kinders waren, en hoezeerden in
+huis, en alles van den vloer dat het een schand was. Maar weet je,
+daar spreek ik misschien wel eens later van; voor 't oogenblik wou ik
+maar zeggen dat Grietje Mispel, zoogoed als de beste in het testament
+vermeld stond. Ja mijnheer de courantier of redacteur, ze hadden
+er niet veel plezier in, die azers, dat aan Grietje de linnenmeid,
+Aaltje de keukenmeid en Koendert den huisknecht--wij met z'n drieën
+waren blijvers geweest, de andere booien trekvogels--een lijfrente
+van vijfhonderd gulden vermaakt was. Nu het was zoo en ik dankte er
+God voor, maar vooral ook de goede mevrouw, die ons een onbezorgden
+ouden dag had verzekerd.
+
+Koendert, die altijd vriendelijk was geweest, en 'en goed kameraad,
+vroeg me, een maand of twee later, of we botje bij botje zouden leggen,
+maar zie je, daar kon ik zoo dadelijk geen antwoord op geven. Zes
+en vijftig, en dan nog trouwen! maar eindelijk.... Koendert vroeg
+er zoo vriendelijk om en, ik gaf hem de hand en ja, we trouwden vijf
+maanden later.
+
+Zie je mijnheer, nu wonen we in een paar nette kamers, heel kneuterig
+en we leven zoo stilletjes en hebben 't meisje van m'n jongste zuster,
+die ook al rondom in de kleuters zit, bij ons ingenomen. "Wat kan
+mij dat schelen," zegt u alweer, maar hoor, ik kom tot de zaak:
+
+'k Heb altijd van lezen gehouden. De werkjes van 't Nut kregen
+we altijd in de keuken; de kranten, als mijnheer ze uit had, ook,
+en Koendert en ik we lazen 's avonds als we tijd hadden om beurten
+voor en soms waren er kameraads die er plezier in hadden, maar de
+meesten hielden er niet van en dommelden in. Zoo lezen wij ook nu
+nog--behalve den Bijbel, dat spreekt toch vanzelf--de Haarlemmer en
+'t Handelsblad, wel vijf dagen later dan ze uitkomen, maar dat is
+ons precies hetzelfde, en zie, nu las ik voor eenigen tijd in een
+van die beide dat er een Dames-Courant bestaat, en dadelijk werd ik
+nieuwsgierig om dat blad eens te zien.
+
+'t Jongentje uit den boekwinkel, die ons de oude kranten bezorgt, vroeg
+ik er naar, maar weet je mijnheer, wat die ten bescheid gaf....? "'t Is
+geen krant voor jou, juffrouw, 't is een dames-krant." Zie mijnheer,
+met dat antwoord ben ik dagen doende geweest, en heb me honderd
+malen afgevraagd, wie nu eigenlijk tot de dames en wie er niet toe
+behooren. De weduwe van den sergeant-majoor Teleskoop, die wel eens
+met haar breikous komt buren, spreekt altijd over de regiments-dames
+en ze bedoelt er de onderofficiers-vrouwen mede, daar ze mee "op
+en neer ging". Maar juffrouw Teleskoop draagt ook precies 'n muts,
+zooals vroeger mijn goede mevrouw droeg, maar met veel meer linten
+dan HEdl....!
+
+Ja, mijnheer, ik was, al meer en meer over het damesschap en
+de krant denkende, nog nieuwsgieriger naar uw blad geworden en
+juffrouw Teleskoop, die mij gaarne plezier doet en zooals ik zeide,
+een damesmuts draagt, haalde op een morgen toen ze toch winkelde,
+voor mij bij den boekverkooper het eerste No. op bezien en kreeg er
+een briefje bij dat een programma was.
+
+Maar mijnheer, hoe zal ik u mijne verwondering beschrijven, toen
+ik daar boven het eerste opstel al dadelijk las: "een woord tot
+de vrouwen." De vrouwen! ik had er den krantenjongen wel met zijn
+neus op willen drukken. De Krant voor Dames, maar het woord tot de
+Vrouwen! Dat ik, mijnheer! geen dame ben, dat weet ik maar al te goed,
+doch dat ik een vrouw, en meer bepaald Koenderts vrouw ben, dat zegt
+hij wel honderdmaal daags.
+
+Dat eerste stuk althans mocht ik, als ook tot mij gericht, wel degelijk
+lezen, en dat ik het mooi vond, dat verzeker ik u. Zeg mijnheer,
+wat meen je nu eigenlijk; is het een krant alleen voor dames en
+stond er bij vergissing: Een woord tot de Vrouwen, dan pas ik er
+voor; Koendert zegt: "Vlieg niet hooger dan je met eere kunt," en,
+nu mijn nieuwsgierigheid om die krant eens te zien voldaan is, wil ik,
+zoo zij niet voor mij en 's-gelijken wordt gedrukt, er niets van weten
+ook. Maar, is het wel degelijk een blad voor alle vrouwen die smaak in
+'t lezen hebben, en had het eigenlijk: Een vrouwen-courant, of: Een
+courant voor vrouwen en jonge dochters, moeten heeten--al klinkt zulks
+ook minder voornaam--dan wil ik haar evenals de Haarlemmer geregeld
+lezen, en zelfs nu en dan iets van de verschillende dames opstellen,
+die ik alzoo in mijn leven ontmoette, gij kunt dan daarvan het een
+of ander in gedachten houden om er misschien in een uwer stukken,
+als 't u goeddunkt, partij van te trekken.
+
+Zoo ik niets van u verneem houde ik de zaak voor afgedaan, anders
+een regel antwoord aan haar, die zich hoogachtend noemt, Mijnheer de
+Courantier of Redacteur,
+
+
+ Uw Dw. Dienaresse,
+ GRIETJE SLUIMER,
+ geb. MISPEL.
+
+
+ Arnhem,
+ 30 April 1856.
+
+P. S. We wonen bij Sliedrecht op de Varkesmarkt.
+
+[Door juffrouw Sluimers brief in zijn geheel in dit No. op te nemen,
+alsmede door HEdl. een present-exemplaar van ons weekblad aan te
+bieden, toonen wij dat het ons eene eer is HEdl. onder de lezeressen
+en inzonderheid onder de medewerksters aan de Dames-Courant te
+mogen rangschikken, terwijl wij, met de verzekering, dat wij met
+dien titel niets anders dan eene Courant voor beschaafde lezeressen
+bedoelden, haar vriendelijk uitnoodigen om spoedig aan hare belofte
+te voldoen. Wij zullen de stukken gaarne plaatsen en ons maar zooveel
+noodig, in taal of spelling, kleine veranderingen veroorloven.]
+
+DE REDACTIE.
+
+
+
+
+II.
+
+
+ Mijn Heer de Redactie!
+
+
+'t Is al meer als 'n maand geleden dat ik 'n kleur kreeg als 't lint
+op de muts van.... ja van een zekere juffrouw, die boos op mij is,
+omdat haar naam, de naam van een sergeantmajoors-weduwe zegt ze, in
+de krant heeft gestaan. Nu 't is hetzelfde, maar Koendert vroeg me,
+wát of me scheelde.
+
+U moet dan weten dat ik over de post in een geel omslag het 6e nommer
+van de krant voor beschaafde lezeressen kreeg met.... warempel met
+den heelen brief er in, precies zooals ik die geschreven had. Ik kan u
+niet zeggen hoe ik er van ontsteld was, al die letters, al die woorden,
+die ik zelve geschreven had, zoo mooi gedrukt te zien en mijn naam en
+alles er onder! Neen waarlijk mijnheer,'t was alteé, en toen ik alles
+en ook uw antwoord gelezen had, was ik er beduusd van en wist niet
+of ik boos op u moest zijn om zoo misbruik van mijn brief te maken,
+of wel vereerd, omdat u er zóó gebruik van hadt gemaakt. Koendert vond
+het ijselijk gek dat mijn hebben en houen zoo publiek was, maar nam
+toch, evenals ik wel twaalfmaal in één uur het blad op om dien "Brief"
+in te zien en ongejokt dat hij hem twintigmaal gelezen heeft. Weet
+je mijnheer hoe het toen gegaan is? Den eersten dag was 'k boos en
+vereerd, 's nachts droomde ik er van en ook dat ik in ééns in juffrouw
+of mevrouw Toussein werd veranderd, die ook zoo mooi schrijven kan,
+u weet wel. Den anderen dag was ik uit het veld geslagen, omdat ik
+ruzie met juffrouw T--p (ik zal haar naam niet meer noemen) kreeg,
+die me verweet dat ik haar aan de klok had gehangen--nota béne.--Nu,
+ze liep kwaad de deur uit en zei dat ik "een schandaal" was,--omdat
+ik de waarheid had gezegd. Dien nacht, mijnheer, sliep ik al zeer
+onrustig en droomde dat ik onder een stapel dames-couranten bedolven
+lag, waarop duiveltjes met roodbelinte mutsen stonden te dansen,
+'s Morgens kon ik uw krant niet meer zien, ik was er wee van, maar
+ziet u, van lieverlede kwam de aardigheid er voor toch weer boven,
+en op 'n goejen achtermiddag toen wij--Koendert en ik--aan de thee
+zaten, zei ik: "Koendert wat dunkt je?"
+
+"Wat meen je?" zei Koendert.
+
+"Wel van de krant," zei ik weder. "Zou ik het doen?"'
+
+"Nog eens schrijven?" vroeg mijn man, en daar hij glimlachend zijn
+kopje vatte, begreep ik het al dat hij er trotsch op was en zei ik:
+"Waarom zou ik het laten nietwaar?"
+
+Zie je mijnheer, ofschoon ik dien eersten brief niet had geschreven om
+zoo heel te laten drukken, maar alleen om u van die krant te vragen,
+en ook slechts van meening was om u 't een en ander van eenige dames
+te melden, opdat gij 't zelf eens zoudt kunnen beschrijven, zoo ben
+ik nu tot het besluit gekomen om mij maar net als die mevr. Dolly
+en juffer Koosje en juffr. Elise, voor uw krant aan 't schrijven
+te zetten, als gij de fouten maar wat veranderen wilt want zie je,
+ik ben van 't jaar 97.
+
+Als ik u dan wat zal schrijven over dames, dan komt mij 't eerst die
+brave mevrouw voor den geest, die ik dertig jaren answiet, zooals ik
+reeds vroeger zeide, eerlijk gediend heb.
+
+Zie je, ze was deftig van postuur; toen ik er 't eerst kwam was ze vier
+en dertig en zag er--zooals Koendert zegt--kostuljeus uit. Altijd
+netjes maar eenvoudig, in de kleederen eenvoudig, want prachtig
+gekleed te gaan dat deden, zooals ze zeide, de dames van 't minste
+állooi. Nou, 't schemerde mijn goeje mevrouw in 't geheel niet. Ze
+was wonderlijk vlug van verstand en sprak precies zoogoed Fransch
+en Duitsch en Engelsch wanneer het te pas kwam als haar moedertaal;
+als het te pas kwam, want die 't Hollandsch verstonden daar sprak
+ze geen Fransch of wat anders tegen. 't Was goed voor de kinderen
+om zoo'n taal te leeren, maar van groote menschen vond zij 't even
+verkeerd, ja slecht, als wanneer een kind zijn moeder verloochent,
+die hem heeft grootgebracht. Mevrouw las machtig veel boeken, maar
+altijd op gezette uren, want op haar tijd ging ze ook met de juffrouw
+van gezelschap 't huishouden na, en later 'n wandeling doen of rijden,
+al naar het uitkwam. 's Morgens als 't ontbijt was afgeloopen, dan
+moesten wij booien altijd binnenkomen en dan las zij ons uit een
+godsdienstig boek, ja soms ook wel eens de Bergrede of een gelijkenis
+van den Heere Jezus voor, och, en dat deed zij zoo mooi, dat het
+was alsof je er bij waart. Als mijnheer--die veel in Den Haag op de
+kamers van de regeering moest zijn--te huis was, dan deed die het,
+maar och hechie! daar hadt je niet de helft aan; mevrouw zei altijd
+dat men in een goed huishouden geregeld des morgens, "iets goeds"
+moest lezen en dat het onvergeeflijk was indien heeren en vrouwen
+aan hunne booien, daar ze over gesteld waren, die lezing onthielden;
+en ze had wel gelijk, daarom, als Koendert en ikke 's Woensdags en
+'s Zaterdags de werkvrouw hebben dan roepen wij ze ook altijd om
+'t lezen te hooren, maar och Heere! wij kunnen 't bij lange na niet
+zóó als onze goeje mevrouw.
+
+Nu zult u misschien wel denken dat mevrouw, omdat ze zoo niets voor
+opschik en fratsen was en zooveel van degelijke boeken hield, geen
+liefhebberij in handwerken had. Verexcuseer me wel, als je 't gezien
+hadt, dan zou je de handen er van in mekaar hebben geslagen. Ze deed
+niet zooals zoo vele juffertjes tegenwoordig, die 'n geruit papier
+koopen met prenten er op en dan mannetje aan mannetje natellen en
+nazoeken, nu 'n draadje van dit, en dan weer van dat, neen, 't was
+heel wat anders. Uit de hand, mijnheer, werkte mevrouw op satijn, heele
+landschappen en figuren en binnenkamers met gekleurde zijde, zoo maar
+gladweg naar zwarte platen of levende bloemen, 't was meesterachtig
+en HEd. heeft mij toch dikwijls gezegd als ik er over uit was, dat
+zij alleen in haar jeugd een weinigje teekenen had geleerd en dit was
+begonnen eerst gebrekkig, maar allengs beter. Een slaafsch navolgen
+van gekleurde ruitjes was in hare oogen een onverdraaglijk werk, even
+onbeduidend als het natekenen van platen, die er bij honderden zijn,
+en waarvan--zooals ik mevrouw hoorde zeggen--de eenige verdienste is,
+dat men er vijf of zes of acht weken op peutert om bijna aan het
+voorbeeld gelijk te worden, 't welk men niet zelden voor weinige
+stuivers koopen kan.
+
+Zie mijnheer de redactie, als dit nu de jonge dames lezen, dan zullen
+ze zeggen, die Grietje de linnenmeid spreekt van dingen daar ze geen
+verstand van heeft--pantoffels, voetenzakken, canapé-kussens, wat
+al niet meer zouden we die nu met zijde op satijn gaan werken? Zie
+je mijnheer, ik weet van al die dingen best, maar 't was mijn
+bedoeling niet om die dames--als ze plezier er in hebben--haar werk te
+beschimpen, maar slechts om haar te zeggen wat mevrouw mij meermalen
+zeide: Een handwerk krijgt eerst waarde, wanneer daar eenig vernuft
+uit blijkt. Als er nu jonge dames zijn, die weten willen hoe mijn
+goede mevrouw dat werk op satijn aanvatte, dan moeten ze 't maar
+eens in de krant vragen, dan zal ik het eens duidelijker zeggen,
+zooveel als ik er mij van herinneren kan.
+
+Als ik zoo van mevrouw aan 't praten raak, dan zou ik haast van
+geen uitscheiden weten. Als ik denk hoe goed ze voor de armen was
+en toch nooit een cent aan de deur gaf. Een staaltje van de wijze,
+waarop mevrouw weldeed moet ik toch geven.
+
+In de stad bij ons was een man komen te vallen, die eene vrouw met acht
+bloeien van kinders naliet. Koendert vertelde het in de keuken, en ook
+er bij dat die vrouw 'n slechte peuzel was--zooals men zeide--smerig
+en lui en heel gemeen ook. 's Anderen daags, toen ik aan 't vouwen
+van damasten tafellakens was en mevrouw kwam kijken, sprak ik er van,
+precies zooals Koendert het gezegd had. Een paar dagen later kwam
+de werkmeid, juist toen mevrouw mij haar kraagjes te strijken gaf,
+en bracht haar een briefje waarop antwoord moest wezen. Dat briefje,
+'t welk mevrouw mij naderhand lezen en behouden liet, en dat ik uit
+een aardigheid tot heden bewaarde, was precies als hier volgt:
+
+
+ hoogWelEdele Mijnvrouw als UwelEdele MijnVrouw het Niet
+ kwaalik neem heef ik zooVeel as Mijn man Verloore en Zit met
+ ag Schaap Van Kinders alleenig oVer, God zel Mij niet verlaate
+ WelEdele MijnVrouw als U mij Niet kwaalik neem ik van Uwes
+ een klijnigheidje voor mijn armen schapen vraag De God en
+ de hemelSche Vader zal U eewiglijk loone Voor wat UwelEdele
+ Mijnvrouw aan Mijn gedaan heef, zal ik Verblijven In de hoop
+ U dit niet kwaalik neem Uwe Bedroefde Dienaar--Esze De weduwe
+ Roos. woon kortestraat 75.
+
+
+Ziet u, mijnheer! ik heb dien brief maar precies zoo afgeschreven
+uit een aardigheid, maar toen onze mevrouw hem gelezen had gaf ze
+een dubbeltje aan de werkmeid, die een gezicht zette alsof ze zeggen
+wilde: Hoe kaal voor zoo'n rijk mensch. De weduwvrouw aan de deur
+had ook braaf geprutteld, maar 't bleef er bij. 's Avonds, toen
+de gezelschapsjuffrouw vrij-af bij de familie had, schelde mevrouw
+driemalen--dat was voor mij--ik kwam, en kort en goed mijnheer, wilde
+mevrouw dat ik HEd., 't zij met eerbied gezegd, een kornet zou geven
+en een jak en rok, en grummels, mijnheer! toen verkleedde mevrouw
+zich precies alsof ze een booi was, maar een mooie booi was ze, dat
+verzeker ik u. Om niet te lang te worden zal ik u 't beloop maar kort
+verhalen. We gingen samen, mevrouw en ikke, naar de Kortestraat en
+kwamen na eenig zoeken op de kamer waar de weduwvrouw van den opperman
+woonde. Weet je mijnheer, toen moest ik het woord doen zooals mevrouw
+'t mij gezegd had. 't Was er zoo netjes dat het een lust was om aan te
+zien, al de kinders behalve de twee oudste meisjes lagen in een bedstee
+te slapen. De weduwvrouw huilde ijselijk en zei dat ze niet wist hoe ze
+'t aan moest, ze had aan drie van de voornaamsten briefjes geschreven,
+maar twaalf stuivers was alles wat ze gekregen had, bedelen dat wilde
+ze niet en van de diakenie daar had ze ook wel uitzicht maar nog geen
+dadelijkheid van. Toen mevrouw nu alles gehoord, en gezegd had dat ze
+iemand heel goed kende die veel naaiwerk had en als het handig gedaan
+wier er goed voor betalen wou, zei de weduwe dat ze er maar al te
+dankbaar voor wezen zou, en dat Mieneke en Kaatje ook zouden werken
+zoo hard als ze konden. Zie je mijnheer, 't kwam heel anders uit dan
+de menschen gepraat hadden en mevrouw was er toch zóó mee begaan dat
+ze verder aan vrouw Roos deed wat ze maar kon en nog wel vijfmaal is
+ze verkleed naar die arme vrouw geweest, die in plaats van smerig en
+lui en heel gemeen, netjes en werkzaam en zeer fatsoenlijk was. Zie je,
+dat was nu een voorbeeld dat men de armen niet alleen geven, maar ook
+bezoeken moet, en als het nu gebleken was dat vrouw Roos niet deugde,
+wat dan? zul je zeggen. Weet je wat onze mevrouw antwoordde toen ik
+haar hetzelfde vroeg. Ik zou getracht hebben haar hare verkeerdheden
+te doen verbeteren, zeide zij, en in ieder geval voor de arme kinders
+wat gedaan hebben. Zie, dat moeten de beschaafde lezeressen ook zoo
+doen. Er zijn er wel, maar niet als te veel.
+
+Nu mijnheer de Redactie, eindig ik deze, Koendert en ikke we gaan
+naar mijn zuster en zwager Janssen in Doesborgh lozeeren, dus,
+of ik gauw weer zal kunnen schrijven weet ik niet, maar als ik nu
+den volgenden keer eens over een andere dame spreek, dan zal ik van
+onze goede mevrouw, ook nog wel een woordje zeggen zoo af en toe,
+want over HEd. ben ik nooit uitgepraat.
+
+Nu mijnheer, zet deze nu maar in de krant, ik ben al weer nieuwsgierig
+om het te zien, en ook met de groeten van Koendert noem ik mij met
+de meeste hoogachting, mijnheer de Redactie
+
+
+ Uw Dw. Dienaresse,
+ GRIETJE SLUIMER.
+ geb. MISPEL.
+
+
+ Arnhem,
+ 18 Junij 1856.
+
+
+P. S. Ik bedank u wel voor uw present-exemplaar.
+
+ Atjuus.
+
+
+
+
+III.
+
+ Mijnheer de Uitgever van het Dames-Weekblad.
+
+
+Ik ben een boon als UE. al niet lang zult gedacht hebben: waar
+zit Grietje Sluimer toch, ze schreef in haar laatsten brief dat ze
+lozeeren ging te Doesborgh, maar van Juni tot haast November zal ze
+daar niet geplakt hebben. Mis gedacht Mijnheer! en toch goed gedacht,
+want wij zijn wel uit geweest al dien tijd, maar niet achtereenvolgend
+in Doesborgh gebleven.
+
+Nu voor acht dagen weer te huis gekomen, had ik heel wat te redderen,
+want het huis van Sliedrecht is wel wat vochtig; de spinnen hadden
+ook braaf geboezeerd, zooals Koendert dat noemt. Op een stapeltje
+vond ik al de Nos. van de Dames-Courant bijeen, die ik gemist had,
+en ik dank UE. daar wel vrindelijk voor. Om op mijn propo te komen,
+wat ik ook zeggen wou.... á ja, met veel genoegen mijnheer, las ik
+vooral mijn eigen brief weder; Koendert had er ook aardigheid van, en
+kan zich met mij best begrijpen, dat er--zooals zij het noemen--zooveel
+oteurs komen, omdat het zoo iets aardigs is, dat inktgeknoei in mooie
+drukletters te zien overgebracht. Nou kunt u wel denken dat ik het
+fameus druk had zooals ik reeds zeide, en niet dadelijk kon gaan zitten
+om UE. te schrijven, maar de boel is nu zoo wat aan kant en alles op
+zijn plaats, reden waarom ik zoo vrij ben, u eens weder te schrijven.
+
+Waar een mensch toch toe komen kan! Lieve deugd, wat heb ik staan
+kijken. Zie, ik dacht dadelijk, dat moet ik voor de krant eens
+opstellen, zonder namen te noemen. Ja mijnheer, in mijn vuur zou ik
+de kluts kwijtraken om geregeld te vertellen. Mijn voeten worden koud,
+wacht ik zal eerst een kooltje nemen.
+
+Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan,
+bij een Neef en Nicht van Koendert, die een kommenij hebben, zonder
+kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want
+Esboom heeft van UE weet wel, en Doortje-nicht--een beste vrouw--kan er
+van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een
+dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de
+Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie
+mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de
+oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en
+eeuwigheid worden behouden; 'k ga graag naar een komedie en ook wel
+graag naar een paardenspul, maar 'k verzie op dat Mettree nog liever
+een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het
+is een mooi en heerlijk gesticht, zooals ik wenschen zou dat er een
+paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in Zutphen zelf is nog
+een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig
+is, maar toch aan vreemdelingen, zooals Koendert en ikke, een naren
+indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom,
+woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen
+troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders
+gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken,
+buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een
+zijn tegen gekomen.
+
+Op een Woensdag morgen--ik weet nog best, we zaten te ontbijten--was
+er een akelige drukte op straat; een lijkstaatsie kwam roerende ons
+huis voorbij met twee koetsen er achter.
+
+Esboom, die van alles het fijne nog al weet, zei dat het zeker een
+doode uit het gesticht was, want het kwam van dien kant en de dokter
+zat in de tweede koets. Toen hij er goed over nadacht, herinnerde
+hij zich van een oppasser--waar hij zeer mee bevriend is--voor eenige
+dagen gehoord te hebben, dat een dame van grooten huize erg slecht lei;
+die zou het zeker wezen, maar hij zou het nader nog wel eens vragen.
+
+'s Anderendaags kwam Polle--zoo heet Esbooms vriend--tusschen
+schemerdonker eens even aanloopen. Het duurde niet lang of
+Doortje-nicht had hem reeds naar de lijkstaatsie en naar den persoon
+gevraagd die begraven was.
+
+"Wel ongelukkig," antwoordde Polle: "'t was zoo'n knap slag van
+een vrouw, de dochter van een schout-bij-nacht, uit 's-Gravenhage
+geboortig, zij heette van E."
+
+Ziet gij mijnheer, namen wil ik niet noemen, en daarom zet ik maar
+blootweg een E. Toen ik dien naam hoorde, liet ik waarlijk van schrik
+de breikous zakken en vroeg: "heette zij Mathilde of Dora?"
+
+De heer Polle bedacht zich en verzekerde dat de eerste letters van
+haar voornaam M. A. waren. Mathilde Aleksandrine riep ik, en had werk
+om van mijne verbazing te bekomen. Zij gestorven, zoo ongelukkig
+gestorven, dat beeldschoone meisje. O mijnheer, ik had haar gekend
+zoogoed als mij zelve. Haar moeder, een juffrouw B. van haar eigen,
+was een beste vriendin van mijn brave zalige mevrouw, ieder jaar kwam
+zij met Mathilde en Dora een week of wat bij ons lozeeren. Poetjes
+van kinderen! Mathilde, waarover ik schrijven wil. was als een
+beeldje zoo mooi, en werd van jaar tot jaar al mooier, ze was zwart
+van haar, bruin van oogen en blank daarbij als krijt. Wat ze hebben
+wou kon ze krijgen, want mevrouw Van E. gaf haar alles toe, zoodat
+mijn goeje mevrouw wel eens zei: "'t lieve kind wordt te ijdel,"
+en mevrouw had gelijk. Toen ze achttien jaar oud was. wier ze al
+ten huwelijk gevraagd, maar ze bedankte omdat haar zinnen voornamer
+waren. Ik geloof niet dat mijn beste mevrouw in een heel jaar zoo
+dikwijls in den spiegel zag als juffrouw Mathilde op éénen dag. Het
+allerliefste zat ze dan ook vlak over den spiegel, maar overdag, voor
+'t raam, om zooals Koendert destijds zeide: naar de wandelstokken
+te zien. Nooit heb ik met een lozee zooveel te stellen gehad. Als
+de dames eens uitgingen dan had ik met juffrouw Mathilde alleen wel
+een groot uur werk. "Trui wat dunk je," was het dan, "staat me dit
+goed, of kijk, vin je dat beter, of dit?" of weer wat anders, o,
+in 't bespottelijke! Somwijlen drie zijden japonnen op één dag; ja
+'t was akelig, en altijd draaien om in 't oog te vallen zelfs bij
+ons achter, als er binnen te weinig op gelet wier. Het heugt mij nog
+als de dag van gisteren, dat ze eens mee naar een bal was geweest en
+thuis gekomen, onder het uitkleeden in tranen uitbarstte. Juffrouw
+Dora vroeg naar de oorzaak, maar toen begon onze juffrouw Mathilde
+in het Fransch, en ziet u, dat verstond ik niet, maar eindelijk kon
+zij in 't Fransch van kwaadheid niet meer voort, en ik merkte, dat ze
+te weinig naar haar zin gedanst had, en verweet zulks hare zuster,
+dewijl zij haar voor dien avond een zijden kleed had aangeraden,
+'t welk haar zooals ze zeide, "zat als een gek, en niemendal kleurde".
+
+Mijn brief zou veel te lang worden, wanneer ik alles van juffrouw
+Mathilde zou verhalen; genoeg mijnheer, zij was zoo ijdel als
+zij mooi was, en heeft het genoeg getoond met dien knappen G. die
+candidaat-notaris was, en dien zij letterlijk met haar gekheid--de
+Heere vergeve mij--in 't graf heeft geholpen.
+
+Sedert een jaar of zes had ik volstrekt niets van de dames Van
+E. gehoord en u kunt dus begrijpen, hoe ik ontstelde, toen de vriend
+van Esboom dat treurige nieuws verhaalde.
+
+"Ja," zeide de heer Polle, toen ik van mijn eerste verbazing
+eenigszins bekomen was, "die ongelukkige dame was wel de voornaamste
+en de knapste die wij hadden. Geen kosten zijn er door haar moeder
+gespaard, doch alles vruchteloos. Zij meende de troonopvolgster van
+de koningin--ik meen--van Engeland, Victoria te zijn en wachtte alle
+dagen in de grootste onrust op een brief, die haar tot de regeering zou
+roepen. Haar parelen en diamanten, die ze had meegebracht, verwerkte
+zij zelve, op een balein, tot een soort van kroon, en indien de dokter
+of haar verzorgster niet met eerbiedige buigingen tot haar kwamen,
+dan ontvlamde zij in de schrikkelijkste woede.
+
+Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om 't
+hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in
+twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna
+onherkenbaar geworden.
+
+Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar
+Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn er
+op gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde
+Aleksandrina Van E. er op. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden
+van mijn zalige mevrouw: "Het kind wordt te ijdel!" en ik dacht ook
+aan mevrouw Van E., die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd
+in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of
+weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in
+den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op weg
+naar juffrouw Mathilde, naar--o! foei! ik kan er akelig van worden en
+wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen:
+"Pas op, dat uwe meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het
+kerkhof te Zutphen en 't was zoo'n mooie!"
+
+'t Wordt tijd dat ik eindig; als dit geschrift gedrukt onder de oogen
+van spiegeljuffers komt, dan wensch ik haar dat ze bang worden, en aan
+'t versje zullen denken, dat mijn vader ons in de school liet opzeggen:
+
+
+ Wil 'k weten wie ik ben;
+ Zoo moet Gods woord de spiegel zijn
+ Waar ik mijn hart uit ken.
+
+
+Nu vaarwel mijnheer, zet dit maar gerust in uw krant, en verblijve:
+
+
+ Uw Dienstw. Dienaresse,
+ GRIETJE SLUIMER,
+ geb. Mispel.
+
+ Arnhem,
+ 22 Oct. 1856.
+
+
+[De Redactie plaatst den brief van Mej. Sluimer volgaarne, doch
+verzoekt HEd. vriendelijk zoo HEd. later weer mocht schrijven, iets
+meer op taal en spelling te letten, dewijl de correctie al te veel tijd
+vordert. Enkele fouten liet zij onverbeterd. Het laatste gedeelte van
+den brief was bijna onleesbaar. Intusschen blijft zij zich aanbevelen.]
+
+
+
+IV.
+
+
+ Mijnheer de uitgever van het Dames-Weekblad!
+
+
+Als ik eens een boek las of een verhaaltje, dan heb ik meestal
+opgelet dat de schrijvers net deden als de meeste menschen, namelijk
+dat ze met een weerpraatje begonnen. 'T is: óf een zoete, geurige
+zomermorgen, óf een regenachtige najaarsavond, maar 't allermeest
+een koude stikdonkere winternacht. 't Is wel iets om tot lezen uit te
+lokken dat ze daarmee beginnen, dewijl alle menschen bijzonder veel
+belang in 't weer stellen, natuurlijk omdat zij er zoo afhankelijk
+van zijn. Vandaag--'t is den 5den Januari--heb ik mij op uw verzoek
+eens weer aan een brief voor het Weekblad gezet, en nu ik zit, nu
+kan ik niet nalaten om toch ook iets van 't weer te zeggen, want hoe
+hard of Koendert ook in onze potkachel zit te pooken, hoe hard hij ook
+uit zijn doorrooker dampt en hoe'n flinke kool ik ook in de test heb,
+we zeggen toch maar gedurig dat het grummels koud is geworden. 't Is
+waarlijk griemelig als je naar buiten ziet. Aan de overzij woont een
+knappe Schoolmeester, maar ik heb medelijden met al die roodneusjes
+die daar binnengaan. Nu, 't sneeuwt ook niet weinig en zoo jachterig,
+weet je, iederen keer met zoo'n rukwind er bij dat de sneeuw opstuift
+alsof een bakker aan 't ziften is. Mijn zusters kind dat we, zooals
+U weet, bij ons in hebben, is met boodschappen naar den slager en
+den kruidenier toe; ik heb met de stumperd te doen en wou dat ze
+al terug was; maar zie je mijnheer, waar de dingen toch al weer
+goed voor kunnen zijn; dat het vandaag zulk koud en guur weer is,
+doet mij aan een persoon denken, die met juist zulk weer bij mijn
+zalige mevrouw kwam. 't Was een Zaterdag avond--'t heugt me als de
+dag van gisteren--Aaltje was met de vaten bezig, Koendert met het
+zilver schuren en ik met het opbouten van nachtmutsen--zoo goed weet
+ik het nog. Nu was het bij ons aan huis Zaterdags avonds altijd een
+druk geschel; slager, bakker, kruienier en zoo al meer omdat er bij
+mevrouw 's Zondags nooit van boodschappen-doen inkwam.
+
+In de kwiesienjeere--zooals ze zeggen--brandde een stevig vuurtje,
+want het was vinnig koud en het stormde buiten van geweld. Opeens wordt
+er weer gescheld en omdat Koendert juist met het mooie tabaks-komfoor
+doende was, zoo liep ik maar even naar de voordeur en nam een servet
+voor 't warme brood mee.
+
+Maar jawel, pas had ik de deur open of ik zag al dat het de bakker
+niet was.
+
+"Ben ik hier terecht bij mijnheer Van W?" klonk een beverige stem en
+ik zag een soort van juffrouw voor mij, die een alles behalve proper
+voorkomen had, terwijl zij een jongetje van een jaar of tien aan de
+hand hield.
+
+"Ja wel," zeide ik, "maar mijnheer is niet thuis," die was in Den
+Haag op de Kamers van de regeering. "Niet thuis" zuchtte de juffrouw;
+"och asjeblieft ga 't maar eens vragen."
+
+Dat wilde zooveel zeggen als: "je hebt zeker gelogen, mijnheer is wel
+thuis;" ik werd er niet boos om, wel wetende dat zulke onwaarheden
+dikwijls van wegens de lui moeten overgebracht worden en de dienstboden
+alzoo in kommissie--zooals ze 't noemen,--tegen beter weten en willen
+aan, liegen moeten, maar zie je mijnheer, daar was mijn goeje mevrouw
+niet van thuis en ik herhaalde daarom dat mijnheer uit de stad,
+maar mevrouw wel thuis was.
+
+De vreemde juffrouw steunde een woordje, dat hare blijdschap moest
+uitdrukken en stapte de deur binnen. Ik wist niet recht, mijnheer,
+of ik haar toe zou laten of tegenhouden, want bedelarij mocht 's
+avonds de deur niet in, dat was 'n vaste boodschap, maar, ik had
+den moed toch niet om de juffrouw den toegang te weigeren en, om de
+waarheid te zeggen, de scherpe wind stond ook zoo vreeselijk op de
+voordeur dat ik weinig behagen in een langer gesprek tusschen deur en
+drempel had. In één woord mijnheer, vóór dat ik het zelve recht wist,
+stond de avondbezoekster op de mat ook binnen de lakensche tochtdeur;
+en, bij 't licht der kloklantaarn zag ik nu eerst recht wat een naar
+en haveloos perceeltje ik in huis had gehaald en zou--ziedaar!--twee
+zesthalven uit mijn zak hebben gegeven zoo ik die juffer met goed
+fatsoen weer op straat had gehad.
+
+"Maar wie bent uwes dan?" zeide ik, haar nogmaals van 't hoofd tot de
+voeten opnemende. "Wie moet ik aan mevrouw zeggen dat er is....?" ik
+was een beetje onthutst mijnheer--"want zie je, als u komt om een
+aalmoes dan mag ik niet naar binnen gaan. Mevrouw geeft nooit aan de
+deur, maar althans niet bij avond en ontijden."
+
+"Och! neen," klonk toen haar antwoord,--en ik vond bij me zelve dat ze
+wel iets moois en fatsoenlijks in haar stem had,--"neen ik kom geen
+aalmoes vragen, ik kom.... ik ben...." maar ze sprak niet verder en
+ik zag duidelijk dat ze moeite had om haar tranen te bedwingen. Het
+jongske aan haar zijde stond te knie-knikken van de kou en hield zijn
+ijskoude vingertoppen in den mond om ze met zijn adem te verwarmen.
+
+Ik hield mij toen overtuigd mijnheer, dat er bij die vrouw geen kwaad
+overleg was, maar vroeg tevergeefs naar naar naam, totdat ten laatste
+haar woorden: "zeg maar een oude bekende," mij verwonderd deden opzien
+maar mij tevens zoo spoedig mogelijk aan haar verlangen deden voldoen.
+
+Nooit in mijn leven mijnheer, heb ik zoo'n raren avond beleefd. Mevrouw
+had twee dames op theevisite en een warm broodje. Zij deed mij licht
+in het spreekkamertje brengen, en ontmoette er de juffrouw met het
+kind. Toen wist ik natuurlijk niet wat er verhandeld werd--later
+begreep ik het.--Mevrouw schelde driemalen, weet je voor mij--en
+ik kwam. Wat ik nooit verwacht had te hooren, werd mij gelast. De
+juffrouw, die door mevrouw gladweg haar nicht werd genoemd, moest
+met het kind in de achterkamer gebracht, dáár de kachel aangelegd
+en goed koffie met brood worden toegediend. "Mijn nicht wil liever
+alleen blijven," zeide mevrouw: "omdat zij vermoeid van de reis is."
+
+Zonder een woord te kunnen zeggen, want ik beefde inwendig een beetje,
+omdat zoo'n soort van.... arme landloopster door mijn mevrouw nicht
+werd genoemd,--zonder te kunnen spreken knikte ik zooveel als, ja
+wel mevrouw, en wilde gaan, maar opeens werd ik getroffen door een
+aandoenlijk gezicht, daar ik nog--'t is misschien kinderachtig--een
+traan van in de oogen krijg, als ik er om denk. De juffrouw, zooveel
+als de nicht, sloeg hare magere handen voor het aangezicht en begon
+zoo luid en zoo bitterlijk te schreien dat mevrouw er merkbaar van
+ontdaan werd, doch haastig zeide: "Bedaar Emilie, ga en rust eerst
+wat van je vermoeienissen uit, morgen zullen wij samen spreken;
+je kind heeft ook wat verkwikking noodig,--nietwaar ventje?"
+
+Het kind keek verlegen vóór zich en antwoordde niet, doch Emilie--zal
+ik maar zeggen--kon niet zoo aanstonds bedaren, maar schreide bitter
+voort, en terwijl zij eindelijk mijne lieve mevrouw bij de hand
+vatte en die vreeselijk kuste, riep zij gedurig: "U verstoot mij niet
+edele vrouw! o die barmhartigheid zal God u vergelden!" en nog een
+heele boel dergelijke uitdrukkingen meer, die ik nu om de waarheid
+te zeggen vergeten ben.
+
+Wat ik vergeten zal of niet, zeker de oogenblikken nooit, die ik met
+mevrouw in het spreekkamertje doorbracht, nadat ik de nicht met haar
+zoontje in de achterkamer gebracht, er licht ontstoken en Koendert
+gezegd had, dat hij er de kachel zou aanleggen.--In plaats dat mevrouw
+naar de zaal bij de dames zou zijn teruggekeerd zat HE. nog in het
+kamertje--en grummels wat zag ze bleek!
+
+"Is u niet wel mevrouw?" vroeg ik zacht en vroeg ook, of ik een
+glas water zou halen. Mevrouw knikte, ik haalde het spoedig en liet
+mevrouw drinken. Dat moet mevrouw goedgedaan hebben, want haastig
+stond zij op, drukte haar zakdoek even voor de oogen en mij toen
+tot zich wenkende zeide HE. met een bewogen stem: "Grietje wat je
+gezien en gehoord hebt, behoeft in mijn huis geen geheim te blijven,
+want, dergelijke geheimhoudingen baren slechts nieuwsgierigheid en
+laakbaren achterklap. Zeg aan je kameraden gerust dat de aangekomene
+een ongelukkige nicht van mij is, terwijl ik hun vriendelijk verzoek
+haar met den verschuldigden eerbied te bejegenen; jou, Grietje,"
+liet mevrouw er op volgen, "behoef ik zulks niet eens te zeggen;
+je ziet dat de wederontmoeting mij eenigszins heeft getroffen, maar
+nu gevoel ik mij toch weer in staat om naar mijn gezelschap terug te
+keeren." Zie mijnheer, dit is misschien niet zoo heel belangrijk voor
+u en ook niet voor de beschaafde lezeressen van uw weekblad, maar wat
+de hoofdzaak van het geval betreft. die ik u verder mee zal deelen, ik
+geloof dat die wel belangrijk genoeg voor u en voor iedereen zal zijn.
+
+Den volgenden morgen dan gaf mevrouw mij orders om de nieuwe lozee
+van mevrouws kleeren een stel uit te zoeken, want wat ze aan 't
+lijf had was bijster verlapt en schunnig en voor den wintertijd
+kaal en dunnetjes. Wat zag die arme nicht, bij daglicht bekeken er
+millankeliekjes en schraal uit. Grummels! ik had er mee te doen. Ze
+zat met haar zoontje bij het vuur, en schrikte letterlijk toen ik
+binnenkwam. Ik zei: "Goeje morgen juffrouw, of u die kleeren eens
+woudt passen," en toen stond de juffrouw op, kwam naar mij toe en
+vatte mij zoo aandoenlijk bij de handen, dat ik er puur kippevel van
+kreeg. "O!" zeide zij, en de tranen maakten haar het spreken moeielijk:
+"O, het moet u wel zeer verwonderen in mij eene nicht van uwe rijke
+mevrouw te zien; in mij die.... die het kleed der armoede draagt en
+wie de ellende op het wezen staat. De schuld.... de zonde...." maar
+zij sprak niet verder, en toch hield zij mijn handen vast, alsof
+ze mij ongaarne zag vertrekken, misschien in mij een wezen gevonden
+hebbende dat zij, om zoo te zeggen, tusschen haar en haar tante stelde.
+
+"Och heden! mevrouw heeft wel met u te doen," zei ik, "u hebt zeker
+veel verdriet gehad juffrouw?"
+
+"Verdriet! o! God weet het alleen wat ik geleden heb!" zuchtte de
+ongelukkige dame: "maar mijn ellende was het loon voor zonde en
+berokkend verdriet...." Weer zweeg zij en mij eenige oogenblikken
+later schuchter in de oogen ziende, zeide zij zachtjes: "zeg meisje,
+heeft uw edele mevrouw u niets gezegd...?" "Neen, juffrouw, waarlijk
+niet," antwoordde ik, en nauwelijks had ik dit gezegd of de deur
+ging open, mevrouw kwam binnen en zag ons staan, zooals ik zeide met
+de handen inéén. Emilie--zal ik maar zeggen--liet mij dadelijk los,
+en luid snikkende op mijn goede mevrouw toetredende, riep zij met
+afgebroken woorden: "Vergeef mij, vergeef mij, brave grootmoedige
+tante! Ik heb zoo zwaar misdaan; zoo weinig uw liefde beantwoord. O,
+vergeef mij, om den wille van mijn ongelukkig kind? God weet het, hoe
+uw voorkomende liefde zonder eenig verwijt nog meer mijn hart heeft
+verbrijzeld. Ik bid, ik smeek u om vergiffenis!" Ik was al bij de deur
+om heen te gaan, want bij zóó iets hoorde ik niet, maar het "Grietje
+blijf!" van mevrouw deed mij blijven en op den achtergrond staande,
+hoorde ik verder wat er tusschen mevrouw en haar ongelukkige nicht
+verhandeld werd, iets wat mevrouw, zooals HE. later zeide, deed,
+omdat ik ten deele de waarheid gehoord hebbende, haar ook geheel
+moest kennen, dewijl er leering uit te trekken en zij overtuigd was,
+dat ik er nooit dan gepast en ten nutte van anderen over spreken zou.
+
+De menschen in die zaak betrokken zijn allen dood mijnheer, en een
+leering zit in deze zaak, dus schrijf ik u ronduit wat er van aan
+is. Gelukkig! daar komt de kleine meid terug met de koffie en grauwe
+erwten voor van middag--eerst koffie zetten.
+
+Ziezoo, dat heeft den inwendigen mensch goedgedaan. Zoo'n kopje koffie
+verwarmt het hart--grummels wat zeg ik, het hart? neen, mijn hart
+had geen koffie tot verwarming noodig, want dáár was ik straks zoo
+warm als op het oogenblik. Hoe zou het anders wanneer men een daad
+kan vermelden, die aan de hoogste liefde raakt.
+
+Kortom, mijnheer,--want ik ben al bang dat de brief te lang
+wordt hoewel ik zoo kneuterig op mijn schrijf ben--kortom dan,
+ik hoorde toen en later wat de oorzaak dier armoede geworden
+was. De juffrouw--nicht--werd als wees van Mevrouws eigen zuster
+bij HE. grootgebracht. Ze had niets geen geld, maar moet een lief
+meisje geweest zijn, hoewel altijd met romans van die Franschen, daar
+mevrouw, zoo'n afkeer van had. Ze las stil bij avond, op bed, en wier
+wat ze romenesk noemen. De juffrouw kreeg les in alles, tot de piano
+en teekenen toe. Maar door die piano, zie, daardoor kwam het. Die
+muziekmeester was een Franse flierfluiter die snorren en lang zwart
+haar had. Meestal zat mevrouw er bij, maar soms was ze wel eens uit of
+er niet bij als ze hoofdpijn had. Die Fransoos moet de juffrouw altijd
+geprezen en gezegd hebben, dat ze zulke mooie bandjes en wat al niet
+meer had en ook, dat ze hem op de piano haast de baas was. Dat streelde
+de juffrouw en ze studieerde op de piano dat het mevrouw soms te druk
+wier, maar ook--en daar zat hem de kwaje kneep--ze verlangde naar niets
+en naar niemand sterker dan naar dien vreemden muziek-poespas. Wat er
+toen allemaal zoo precies is voorgevallen, dat weet ik niet, maar wél,
+dat die twee meer voor malkaar gingen voelen dan rechtuit,--zij ten
+minste. Hij moet haar een heelen boel in 't hoofd hebben gehangen
+en zij moet hem gezegd hebben dat ze ook smoorlijk op hem verliefd
+was. Daar was het spul aan den gang. Op zekeren dag werd onze mijnheer
+zoo maar brutaal weg door dien Fransoos aangesproken en om de hand
+der nicht gevraagd. Wat een narigheid--dat kun je begrijpen. Een
+vreemde overgewaaide snoeshaan, die in de Vlakkesteeg op een kleine
+kamer woonde en wel om zijn knapheid, gaandeweg eenige lessen kreeg,
+maar een slechte betaler was, die kwam maar zóó om de hand van een
+meisje, dat destijds haast als mijnheers en mevrouws dochter werd
+aangemerkt. Dat het spaak liep kun je begrijpen. Huilen van juffrouw
+Emilie geen gebrek, maar mijn goeje mevrouw had door haar godsdienstige
+en verstandige gesprekken toch zooveel vermogen op de juffrouw dat zij
+hare dwaze en dolzinnige plannen liet varen--dat meende mevrouw ten
+minste. Mooie stukken! drie weken ging alles zijn gang. De Fransoos
+had als muziekmeester natuurlijk zijn paspoort met een replement er
+bij gekregen. Daar kwam mijnheer en mevrouw op een goejen morgen
+in de ontbijtkamer, en daar lag een brief op tafel van de hand
+van juffrouw Emilie. Wat mevrouw ontstelde, kan ik u niet zeggen,
+want ze las niets meer of minder, dan dat de juffrouw niet langer
+in een huis kon blijven waar zij met de grootste onbarmhartigheid
+werd behandeld en waar men haar tijdelijk geluk dwarsboomde. Kort
+en goed, zij had den heer Dulo--of zoo wat--niet kunnen en willen
+vergeten en ongelukkig maken; zij hadden elkander eeuwiglijk trouw
+gezworen en dien eed mocht ze niet breken. Als mevrouw den brief las,
+zou ze reeds naar Frankrijk vertrokken zijn, met den man dien ze als
+haar zelve liefhad. God zou het haar vergeven--schreef ze--dat zij om
+het heil haars levens te verwerven een klein misdrijf had gepleegd,
+en uit tantes schrijftafel eenige losse gelden en drie bankjes van
+honderd gulden had meegenomen, benevens het juweelen garnituur,
+dat zij van tante toch krijgen zou als ze meerderjarig zou worden,
+besluitende met de toezegging, dat zij die schuld later wel af zou
+doen, want dat ze met haar eenig dierbaren Alfonsus--geloof ik--de
+wereld zou doorreizen om met hunne talenten veel geld te verdienen.
+
+Hoe die eerste dagen zullen geweest zijn kunt gij begrijpen. Mijnheer
+schreef naar Brussel en Frankrijk, want in 't land was van die twee
+geen spoor te vinden; maar wat hij schreef of deed van de ongelukkige
+juffrouw Emilie hoorden ze verder niets.
+
+En ja, die daar tien jaren later--ik was bij mevrouw toen in 't
+achtste jaar--'s avonds berooid met een kind kwam aanzetten was
+diezelfde juffrouw Emilie. 't Was haar naar werken vergaan. Niet
+naar Frankrijk maar naar Amerika had zij zich met haar Alfonsus
+ingescheept,--daar had mijnheer geen idees op gehad. In 't eerst was
+alles mooi geweest en ze hadden waarlijk, in Nieuw-jork en nog meer
+zulke namen, gespeeld op conserten ook; toen was de juffrouw--zie,
+zonder zelfs getrouwd te zijn--van een zoon bevallen en had later weer
+van voren af aan, getrokken en geleefd, zonder zin of nagedachte,
+altijd met de muziek voorop. Maar de juffrouw was er van al dat
+trekken en die vermoeienissen niet mooier op geworden; kortom, die
+lieve mijnheer Alfonsus had zijn bekomst van de mooie handjes, en
+toen, toen was er voor de ongelukkige een leven begonnen, te akelig
+om te zeggen. Als ik er van verhalen wou, zouden de dames er naar
+van worden; aan de woorden: schelden, razen, slaan en gebrek, hebben
+zij zeker genoeg. Nog drie jaren--vijf in 't geheel--hield ze het met
+dien poespas uit, toen liep ze van hem weg, zwierf, tobde en wurmde met
+haar kind nog vijf jaren in de vreemde wereld op de ellendigste wijze,
+kwam om Godswil mee terug naar Holland, en na een geheelen dag in de
+nabijheid van het huis te hebben gedwaald, waagde zij het eindelijk
+'s avonds aan te schellen.
+
+Ziedaar de heele historie;--maar het einde....? Geen verwijt zelfs kwam
+over de lieve lippen der brave mevrouw. Alleen zeide zij--toen ik er
+bij was--deze woorden: "Kind, je hebt veel geleden, zie dáár ligt de
+bijbel; en dáár," zij wees door het venster naar den hemel--"dáár woont
+God!" Mevrouw deed wat zij dikwijls haren Zaligmaker na had gebeden:
+zij vergaf gelijk zij wenschte vergiffenis te bekomen. Zij deelde
+in de blijdschap des hemels, die verheugd is, over één zondaar die
+zich bekeert. Zij vergaf niet alleen, maar zij deed wèl bovendien. In
+overeenstemming met haar echtgenoot werd er voor de jonge, maar door
+het leed vroeg verflenste vrouw, ten platten lande bij fatsoenlijke
+lieden een paar kamers gehuurd; dáár leefde zij, door ervaring tot
+God gebracht, met haren zoon in vrede en dankbaarheid; daar beweende
+zij vurig de groote zonden der jeugd; en hare brieven getuigden van
+de meeste dankbaarheid jegens hare weldadige bloedverwanten en van
+de hope op vergeving bij God.
+
+Als dáár geen leering in zit, mijnheer dan weet ik het niet. Van 't
+begin tot het einde zie ik er leering in--zelfs betreffende mijn brave
+mevrouw, die met dien Fransoos en de mooie woorden van Emilie te goed
+van vertrouwen was geweest. Afein, dat alles wil ik niet uitpluizen,
+de dames hebben verstand genoeg. Het zoontje is zoo wat drie jaren
+vóór zijn diepbedroefde moeder gestorven--waaraan weet ik niet;
+de juffrouw zelve een jaar vóór mevrouw, ik geloof aan een hartkwaal.
+
+Grummels, wat een lange brief; ik eindig dus maar sito, we moeten
+ook aan de erwten, en noem mij hoogachtend:
+
+
+ Uw Dw. Dienaresse,
+ GRIETJE SLUIMER
+ geb. MISPEL.
+
+
+ Arnhem, 5 Januari 1857.
+
+
+P. S. Ik heb de kleine meid die school gaat, nog eens de fouten laten
+nazien en laat het maar verder aan u over; snejeer u niet om te laten
+staan of te verbeteren wat u goedvindt. 't Komt maar op de zaak aan,
+en al zie ik ook tot mijn spijt dat de laatste pagina's wel een beetje
+slecht zijn geschreven, nichtje kon er uit wijs worden en hoop zulks
+ook bij u het geval zal zijn.
+
+ Atjuus.
+
+
+
+
+
+JAN, PIER EN KLOAS.
+
+'En oud vertelseltje nog eens verteld.
+
+
+'t Was op een zomermiddag dat Jochem, de klompenmaker van 't dorp, zich
+de zweetdroppels van 't aangezicht wischte--zoo had ie geloopen. Met
+een stevigen ruk trok hij aan de schel van dominee's pastorie; streek
+met de mouw nog eens langs het glimmende voorhoofd, en vroeg aan Saar
+de meid die opendeed, of onze jonge domenei thuus was?
+
+--Neen, ja, maar dominee zat aan de preek.
+
+--'t Kos niet schêlen d'r was hoast bij, groote hoast.
+
+"Toch geen zieken in huus?"
+
+"Neen."
+
+"'En kiend gekommen?"
+
+"Neen neen."
+
+"Ruzie?"
+
+"Neen neen!" Moar domenei most ie sprêken eer 't te loat was.--Eer
+'t te loat was....!
+
+Saar vloog de trappen op en, een paar minuten later stond Jochem in
+de deur van dominee's "stedeerkoamer", en zei: "Dag soamen m'nheer
+domenei," en streek zich de gele haren glad over 't voorhoofd....
+
+"Zoo Jochem, thuis alles wel? Had je me wat te vragen?"
+
+"Da's te zeggen, 'en verken z'n eigen de poot verzwikt, moar Geis de
+schêper het 'em besproken.... en nou wordt ie béter; anders alles heel
+best domenei, moar ik heb oe asteblief vrindelik wat te verzuuken...."
+
+"Zoo en dat is?"
+
+"Joa domenei, ikke.... hêhêhê!"
+
+"En wat zal 't wezen Jochem?"
+
+"Ikke, hêhêhê.... ze zeggen domenei da'k zoo verdrêjd mooi zingen kan;
+en zonder m'n eiges te schandoalizeeren, mo'k zeggen dat ze geliek
+hebben; 'k kan ook net brommen as 'en urgel, zeggen ze, met gebazuun
+d'r bij zeggen ze."
+
+"Zoo! en....?"
+
+"Joa, zie, domenei, en.... en.... Nou he'k geheurd dat
+meister,--domenei zal nie kwoalik nemen--z'n eigen zooveel as
+verploatsen geet, en...."
+
+"En....?"
+
+"Domenei zal niet ten kwoaje rêkenen: nou docht ik.... neen, nou
+docht Mei, m'n wief, domenei, dat ikke...."
+
+"Wou je meester worden, Jochem?"
+
+"Potstorie! meister worden? ikke domenei? neen, a'k zoo wies geleerd
+as domenei was.... hêhêhê...." Lekt met de roode tong langs de klep
+van zijn pet: "'t Veurzangers boantje.... hêhêhê.... Za'k verzuupen
+domenei a'k 'et niet wêzen wou?"
+
+"Ahzoo Jochem, was dat je wensch. Wel man wou jij voorzingen? Zoo zoo,
+enne.... Ben jij zoo in de zangwijzen thuis?"
+
+"Dat zal woar wêzen domenei.... hêhê!"--Kijkt bescheielijk naar
+dominee's pantoffels; veegt met den rug van z'n hand langs den
+mond; smijt eensklaps het hoofd achterover en gilt eensklaps op
+hartverscheurenden toon, terwijl hij met zijn klompenmakersvinger
+de maat slaat, het eerste vers van den 96sten psalm: Zingt zingt een
+nieuw gezang, en wat er verder volgt.
+
+Dominee schoof onder Jochems lofzang het raam dicht, 't geen echter
+niet verhinderde dat een paar voorbijgangers met verbazing naar de
+studeerkamer der pastorie opzagen, en de kalkoenen als bezetenen aan
+'t schateren gingen.
+
+"Nou, hêhêhê--wat he'k domenei gezeid....?" grinnikt Jochem nu hij
+gedaan heeft en met de oogen dominee's pantoffels weer opzoekt.
+
+Dominee is inééns schrikkelijk verkouden geworden en schermt van
+belang met den zakdoek langs mond en neus.
+
+"Waarlijk Jochem, je hebt een stem van belang; maar zie je...." Dominee
+wendt zich weer haastig naar 't venster en Jochem kijkt zeer verrast
+naar buiten, want--kiek, domenei giebelt van 't lachen.
+
+"Dat kalf!" hakkelt de lacher ter afleiding terwijl hij naar buiten
+wijst.
+
+Jochem mot ook lachen alhoewel ie niks vremds oan dat kalf ziet....
+
+"Zoo'n dom.... gezicht!" hakkelt dominee, terwijl hij met geweld zijn
+lachen zoekt te bedwingen.
+
+"Kiek, nou blêrt ie, domenei," roept Jochem, terwijl hij op het kalf
+wijst, en heft daarbij een zoo langgerekten hikkerigen lach aan,
+dat dominee het eensklaps weer uitproest en, alles in de kamer aan
+'t schudden raakt.
+
+"Zoo'n beest!" brabbelt "onze jonge domenei" na eenige pijnlijke
+seconden.
+
+Maar nu--nu heeft hij al zijn zelf beheersching tegenover dien
+uitspattenden lachlust gesteld....
+
+"Enne Jochem, dus wou je voorzanger worden?"
+
+"Krek domenei, hihihihi, en NOU nog liever, went ik wiest niet dat
+onze jonge domenei zoo vroolik van memeur was. As domenei is stroef
+is, zei mien wief. Moar ze most 'et is weten! 'En mins mag vroolik
+wêzen óók, wat zeg gij d'r nou toe?"
+
+"Welzeker Jochem. Maar gesteld eens dat jij voorzanger kondt worden,
+weet je wel dat het een kerkelijke bediening is, en....?"
+
+"Joa! joa wel, krek! kark-karkse-bediening domenei."
+
+"Juist, maar dat daarom een voorzanger, die tegelijk voorlezer moet
+zijn, bijzonder in de bijbelsche geschriften te huis behoort te wezen."
+
+"Juust, krek domenei, dat he'k dukkels gezeid, en doarum as we 's
+oavends niks bêters te doen hebben, dan lês ik de vrouw nog altied
+uut de biebelse historie-vroagen veur, woar oe zoalige veurganger
+mien uut gekortegezeerd het."
+
+"Dat is heel loffelijk Jochem."
+
+"Verekskezeer, domenei, niet loffelik, moar schriftuurlik, went de
+biebelse historie-vroagen zin uut de schriftures."
+
+"O, dan zul je daar zeker nog al in thuis wezen."
+
+Jochem slaat een schuin linkschen blik op het borstbeeld van
+Bilderdijk, dat op de hooge boekenkast staat, en zegt: "Zou 'k oe
+verzuuken domenei!"
+
+"Komaan Jochem, dan moest jij me eens op den weg helpen...."--Jochem,
+steeds naar boven ziende, knijpt een oog dicht, en drukt de lippen
+opeen.
+
+"Nietwaar Jochem, Noach had drie zonen?"
+
+"Joa wel!"
+
+"En hun namen waren?"
+
+"De noamen.... hêhê.... de noamen?.... Noach had drie zeuns: Zak,
+Zak.... Kem.... och Zak-Zak-Zak...."
+
+Dominee ziet even naar buiten. Ernstig: "Sem, Cham en Jafet, nietwaar?"
+
+"Doar hei't. Zek, Zak en Joafet--krek! Net as domenei zeit en in
+de historie-vroagen steet; 't lee me ien 't heufd te drêjen, moar
+'en mins kan z'n eigen versprêken. Zek, Zak en Joafet."
+
+"Sem, Cham en Jafet!"
+
+"Da's den uitsproak domenei. Krek: Sem, Kam en Joafet."
+
+"Heel goed, Jochem, en nou wilde ik graag eens weten wie de vader
+van Cham was."
+
+Jochem ziet nog hooger, en krijgt een klein spinnewebje in 'toog,
+waarin een onnoozel mugje gesnapt wordt.
+
+"De voader van Kam....? De voader.... van.... Kam?" Hij wendt het
+oog van het mugje aan den zolder naar 't kalf in de wei.... "De
+voader.... van Kam.... ? Domenei meint wie de voad'.... van Kam
+was....?"
+
+"Ja wel Jochem, dat moest je me eens zeggen."
+
+Jochem diepzinnig: "Joa moar, za'k verzinken, da's buuten de
+biebelse historie-vroagen! De voader.... van Kam....? dat zin
+striekvroagen. Domenei mot niet kwoalik nemen, dat zin duuvelse
+vroagen.... Zeg ik!"
+
+De duuvelsvroager glijdt achter zijn schrijflessenaar weg, en 't klinkt
+den klompenmaker op heel vroolijken, moedgevenden toon in het oor:
+
+"Neen 't is geen duivelsvraag maar heel natuurlijk. Weet je wàt
+Jochem--ga jij d'er maar eens over denken, of met je vrouw o..o..ver
+praten". En de spin vliegt verschrikt naar den hoek van den zolder, en
+Jochem: "Zoo domenei; nou bestig dan"--hikkerig lachende--"met plezier
+domenei; zal 't es beprakkezieren, met de vrouw over proaten, atjuus!"
+
+
+
+"Hoe is 't gegoan Jochem? Zou 't lukken met 't veurzangersboantje,
+en zu'j dan nog een keuje nemen, en krieg 'k de neie iezeren pot,
+en den blauwen rok en...."
+
+Jochem kan op al die vragen niet inééns antwoorden. Aldat ie veur
+deez keer op schoenen liep, hij is buuten oajem.
+
+"Goed gegoan Trieneke; best gegoan! Onze neie jonge domenei had schik
+in mien. 'En oarig vroolijk mins; lachen dee ie net of 't m'n buur was,
+niks domeneisachtig; moatjes egoal. Moar geleerd, wies geleerd! nog
+boven de biebelse historie-vroagen uut."
+
+"En zou'j 'et boantje dan kriegen Jochem; en hoeveul zou 'et
+afschuuven, zeg?"
+
+"Loop! weet IK 'et! moar kriegen doe 'k 'et zeker. As ik één vroag
+buuten 't buukske moar beantwoorden kos. Alêvel: as't geen duuvelsvroag
+is, 'en striekvroag blieft 'et da's zeker."
+
+"'En striekvroag, loa's heuren Jochem?"
+
+"Joa, zie, we sprakken van de kalver, en toen kwiem 't op den ark van
+Noach, en toen zeidie: Noach had drie zeuns. Joa, krek zei ik.--Sem,
+Kam en Joafet, zeidie. Joa, krek zei-ik. Nou, zeidie, dan most gij
+m'n es zeggen, wie de voader van Kam was."
+
+Griet slaat de handen ineen: "En wist ie dát niet.... ezel....!?"
+
+Jochem beteuterd: "Ikke?"
+
+"Kuuken!"
+
+"Wa' blief?"
+
+"Schoapskop zeg ik!"
+
+"Hê!?"
+
+"Domme eend, da'j niet wiezer bint!"
+
+Jochem wou dat ie licht kreeg, en kiekt noar 't vuur: "Moar wát,
+wát is 't dan toch?"
+
+"Zie, ge bint zoo stomp as 'en klomp. Noach had drie zeuns: Sem, Kam en
+Joafet, nietwoar prefester! Wie is nou de voader van Kam? Boeh! heij'
+oe begriep dan niet? De meulenoar van 't darp het drie zeuns: Jan,
+Pier en Kloas.--Klomp van 'en kerl, wie is nou de voader van Pier?"
+
+"Potstorie da's woar!" roept Jochem: "da's zoo kloar as 'en neie
+klomp."
+
+"Ezel! en dat was 'en striekvroag, hè! A'j nou niet gauw loopt noar
+'t domineishuus, dan zel 't veurzangersboantje wel heelegoar verspeuld
+zin, en 't keuje, en de iezderen pot en de blauwstreepsen rok....! Vort
+domoor, vort!"
+
+
+
+En Jochem staat weer in--domenei's stedeerkoamer.
+
+Over 't stuk had ie noagedocht; 'en mins was niet altied glad bij de
+tong. Domenei had van.... van.... van....--Hij strijkt zich de haren
+glad, en lekt zich den duim.--Domenei had van.... Jozef gesproken,
+of...."
+
+"Je zoudt me zeggen, wie de vader van Cham was," helpt dominee,
+terwijl hij, aan de schrijftafel gezeten, en op den elleboog geleund,
+met de volle hand zijn lachspieren omvat.
+
+En Jochem, nu geheel op de hoogte, roept, terwijl hij een triumfanten
+blik werpt op het herkauwende kalf in de wei: "De voader van Kam,
+domenei--a'k 'et boantje zal hebben; wel domenei: de meulenoar van
+'t darp, de meulenoar van 't darp!"
+
+
+
+
+
+BRIEVEN UIT NIZZA (NICE).
+
+
+ Nice, 7 Maart 1879.
+
+ Amice!
+
+
+In de hoop dat het u niet onaangenaam zal zijn van de boorden der
+Middellandsche Zee eenige potloodkrabbels van mij te ontvangen,
+zend ik ze u, met den wensch, dat ze--althans voor een deel uwer
+lezers--nog wel iets wetenswaardigs mogen bevatten.
+
+Misschien zult ge mij benijden, indien ik u zeg, dat wij heden, na
+ons ontbijt in het ruime Café de la Victoire geheel à l'instar de
+Paris te hebben gebruikt, op het breede trottoir onder een overdekte
+kolonnade en met het uitzicht op de altijd drukke Place Masséna,
+omringd door hooge laurierstruiken, oranjeboomen, palmen en velerlei
+andere gewassen, een uurtje zitten te genieten bij een frischwarme
+temperatuur, terwijl een bonte menigte--zelfs tusschen de beide
+rijen tafeltjes onder die trottoir-kolonnade door--voor onze oogen
+voorbijgaat. Ja--ofschoon gij niet jaloersch zijt--ge zult mij benijden
+en ge moogt het vrij, want al werd ons dit nieuwe leven niet zonder
+uren van angst en smart geschonken, dankbaar mogen we thans een zon
+zien blinken, die deze kusten, vooral in den winter, tot El Dorado
+van Europa maakt.
+
+Wanneer gij het schoone Frankrijk van zijn Noorder-grenzen tot verre
+beneden Lyon, onder een dicht sneeuwkleed hebt bedolven gezien,
+en de sneeuwstorm zelfs nog met hevigheid woedt, als de avond de
+portierglazen van den nachttrein allengs verduistert; wanneer ge dan
+voorts na een twaalf uren schuddens en geeuwens, half duttend, half
+slapend, gedurig wakker geschrikt door een onheilspellend gefluit,
+wanneer ge dan--plotseling opziende, u verbeelden gaat, dat de
+glazen der slecht verlichte coupée weer doorschijnend beginnen
+te worden, en ge--wel schuiverig nog, maar toch opgewekt door
+het steeds groeiende licht, haastig met het coupée-gordijntje den
+wasem van het glas verwijdert en den blik naar buiten werpt, waar
+de morgenschemering gloort, waar heuvels en bergen zien allengskens
+baden in een fijnblauwen nevel, waar de velden bedekt zijn met het
+groen van gras en kruid, de amandel- en andere vruchtboomen omhuifd
+met roode en witte bloesems; als ge de witte scherp geteekende
+woonhuizen met hun platvormige daken al spoedig ziet blinken in de
+warme stralen der steeds klimmende zon, en de eeuwig groene ceders,
+met hun breede kruinen op die rotsheuvels aanschouwt: of ook--bij het
+steeds zuidwaarts snellen, den blik houdt gericht op die velden met de
+duizenden altijd groene olijfboomen, of de oranje- en citroenboomen met
+hun krachtig blad en de roode en goudgele appels er tusschen, zie, dan
+maakt zich een gevoel van u meester, 't welk ge niet gemakkelijk zult
+beschrijven, maar u hoe langer hoe meer, vooral met die tegenstelling
+van de vorige dagen, vol verrukking doet beseffen, dat de donkere lange
+nacht u, ongemerkt van den barren winter in den zomer heeft verplaatst.
+
+Die zomer in den winter, ziedaar wat Nice, nog meer dan eenige andere
+plaats aan de Middellandsche Zee, tot het vereenigingsoord maakt
+van allen, die, in ruwer klimaat geboren, zich de weelde kunnen
+veroorloven, den winter abominable te vinden en hem geheel of ten
+deele uit hun kalender te verbannen.
+
+Nice ligt aan een bocht der zee, die de Baie des Anges wordt genoemd
+en is aan de landzijde geheel ingesloten door een reeks van heuvels
+en bergen, die met hun ontelbare witte landhuizen en villa's zich
+amphitheaterswijze verheffen en van verre door de sneeuwtoppen der
+Alpen zijn gekroond.
+
+Verrukkelijk is een vertoeven aan zee! Langs de bocht der golf bevindt
+zich, boven het smalle, onbegaanbare strand van gladde, grijswitte
+keisteenen, een breed terras, waarnevens een rijweg, die door de
+prachtigste hotels en villa's wordt begrensd. Dit terras--voor 't
+grootste deel La Promenade des Anglais genoemd--ongeveer een half
+uur gaans--wordt door de uitmonding van een kleinen bergstroom,
+le Paillon geheeten, in tweeën gedeeld. Aan de zeezijde heeft dit
+terras een dichte, altijd groene haag, achter welke de wandelaars
+zich gaarne op banken of stoelen neerzetten en er door haar beschut
+worden voor de somtijds vrij koele winden uit zee. Aan de zij van
+den rijweg heeft dit terras een beplanting van vrij hooge palmen
+en mirten en oleanders die,--welig groeiende zoo dicht aan zee, wel
+het bewijs leveren, dat men hier de uiterste grenzen der tropische
+gewesten reeds zeer is genaderd.
+
+Ik waag mij niet aan een beschrijving van de zoo vermaarde kuststad,
+die sedert de gebeurtenissen van 1859, een Fransche in plaats van een
+Italiaansche is geworden; en nu--zonder de duizenden vreemdelingen er
+bij te tellen, een bevolking van omstreeks 55000 zielen heeft. Nochtans
+wil ik u even doen zien, hoe het zeer breede rivierbed van de
+Paillon--'t welk voor 't grootste deel slechts kiezelsteenen en
+maar zeer weinig water bevat, ja zelfs in den zomer meest geheel
+en al droog is, hoe die bedding--evenwijdig loopende met de zee,
+totdat het stroompje ter helfte van de stad zich eensklaps zuidwaarts
+keert om in zee te verdwijnen, hoe die breede keisteenen-rivier de
+oude stad aan de zeezijde afscheidt van de nieuwe stad--die alzoo
+achter haar bedding ligt. Evenals de oevers der Seine te Parijs of
+der Elbe te Dresden, verbinden fraaie steenen bruggen, die omstreeks
+honderd meter lang zijn, het Nice der oudheid met dat der hotels en
+magazijnen der negentiende eeuw. Een dier bruggen, waarop ik juist
+uit mijn venster het oog heb, en waarop voortdurend het gewemel
+van rijtuigen en voetgangers wordt waargenomen, verbindt de beide
+woelige hoofdpleinen; de reeds genoemde plaats Masséna der nieuwe
+met de Place Charles Albert der oude stad.
+
+Maar 't is een wanhopig werk om steden als Nice met slechts enkele
+pen- of potloodstrepen aanschouwelijk te willen maken; ik wil u dus
+slechts schetsen wat mij bijzonder in 't oog viel.
+
+Aan Nices oostelijk einde, juist achter de genoemde kustpromenade (aan
+deze zijde: "Le Quai du Midi" genoemd) bevinden zich twee rijen zeer
+lage woningen, meest eenvoudige winkelhuizen of estaminets, waarover,
+reeds voor vele jaren, omstreeks 250 meters lange asphaltwandelingen
+zijn aangelegd, welke terrassen--met hun steenen kanteelen,
+waaruit zich van afstand tot afstand de veelal ranke schoorsteenen
+verheffen--voorheen tot de grootste merkwaardigheden der stad zijn
+gerekend, doch die, sedert den aanleg der veel lager en dichter
+aan zee gelegen promenades, schier geheel zijn verlaten. Slechts
+nu en dan waagt zich nog een nieuwsgierige aan den gloed der zon,
+door het asphalt weerkaatst, om nog iets meer uit de hoogte, over den
+grijswitten steen der kanteelen, het prachtige blauw der zee met haar
+blinkenden golfslag tegen de grijsgroene kust te kunnen genieten.
+
+Het inwendige der oude stad is het echte Italiaansche Nizza. Tegen
+de helling gebouwd, zijn de straten--amphitheaterswijze oploopende,
+zeer smal en donker, en zóó vuil, dat een Hollandsche huisvrouw--die
+tegenwoordig de schoonmaak in 't hoofd heeft, er met recht van aan
+'t draaien zou raken. Maar ofschoon ik niet geloof, dat er in die
+oude stad met haar hooge, grijze, uiterst schilderachtige woningen
+en duizend verrassende tafreelen--die men straatinterieuren noemt,
+veel aan een geregelde schoonmaak wordt gedacht--zoodat de neusorganen
+er mede dikwijls last lijden; elders wordt er wel degelijk geklopt
+en geboend en geborsteld. Onder de hooge brugbogen van het genoemde,
+voor een groot deel droge rivierbed staan de mannen met hun verbrande
+gezichten, zware knevels, grijze kleeren en veelal roode mutsen te
+beuken op tapijten, waarvan het stof der vreemdelingen in dichte
+wolken opstijgt. En zie dan, waar het groenglanzige water van het
+bergstroompje--na de regens der voorlaatste week--nog haastig
+voortsnelt om zich al spoedig geheel te verliezen in zee, daar
+hurken aan weerszijden van zijn boorden, in grooten getale, jonge en
+oudere vrouwen neer en strijken met krachtige hand haar groote stukken
+wit-gele zeep op katoen of linnen, en wasschen, en wringen en spoelen,
+en spreiden straks de witte en grijze en roode kleedingstukken op het
+steenen bleekveld der bedding, waarop--behalve de heldere zon--van
+den heden nochtans gedurig met zware wolken bedekten hemel--ook de
+vreemdeling een wijle uit de hoogte blijft turen, indien hij althans
+nog niet te lui is geworden om anderen vlijtig aan 't werk te zien.
+
+Voor hem, die eerst sedert een week aan deze zuidergrens van ons
+werelddeel vertoeft, vernieuwt zich telkens weder die zonderlinge
+verrukking van zich om dezen tijd van het jaar--b. v. in een
+dichtbelommerd park bij springende fonteinen met boek of nieuwsblad te
+kunnen neerzetten, of ook aan het strand de koele zeelucht te mogen
+inademen met hetzelfde gevoel van welbehagen als op den schoonsten,
+doch niet te warmen Juli-dag, aan ons Scheveningsch duin.
+
+Wat den bladertooi aan deze zuiderkusten betreft, ik moet bekennen,
+dat het voor het meerendeel niet het sappige groen van onze boomen
+en heesters in den zomer is. Ofschoon men de bladvormen met die
+van onze linden, peppels, seringen, moerbeziën en vele andere zou
+kunnen vergelijken, het blijvend blad heeft meer het harde, vaste
+van onze conifeeren. De olijfboomen zou men bijna voor een soort van
+knotwilgen houden, nochtans hooger en met hunne takken rechtstreeks aan
+den stam verbonden en niet gesproten uit den steeds weer besnoeiden
+moederstronk. Tot de steeds groene boomsoorten, als palmen, olijven,
+ceders en velerlei dennen, waaronder er zijn, die men treurdennen
+zou kunnen noemen--behoort inzonderheid, als een der grootste en
+lommerrijkste, de calyptus, die men langs het trottoir alsmede in
+parken en tuinen veelvuldig ziet. Geheel zonder bast, met zware, bijna
+candelaberswijze opgaande, even bastelooze takken, heeft de calyptus
+een dicht loof van blaren, die den vorm hebben van zeer groote, doch
+geheel platte peulen. Wat de boomen betreft, die ook in ons Noorder
+klimaat worden gevonden, zooals eiken en platanen, ze verliezen in
+'t late najaar hun blad, doch nu reeds ziet men langs de avenues
+de lange rijen der laatste in het lichtgroene waas, dat een spoedig
+ontplooien der blaadjes voorspelt. Wat de kleine heesters betreft,
+ze zijn reeds alle in 't blad, de rozen vertoonen haar knoppen en
+bloemen, zoo ook de geraniums, een keur van balsemijnen prijkt om
+den muziektempel in den Jardin Public, waar een kolossale mirteboom u
+inzonderheid treft. Waar men ook langs tuinen of parken wandelt, ziet
+men steeds de roodgele oranjes en citroenen in hun hooge bladerkroon
+prijken, en--naar ik verneem, is dit alles slechts een schaduw van
+den rijkdom aan planten en bloemen die men vindt in de parken der
+villa's rondom de zoozeer bevoorrechte stad.
+
+Bij 't nazien van mijn gekrabbel bespeur ik, u slechts een zeer
+flauwen weerklank te hebben gegeven van 't geen hier verrast en
+bekoort. Misschien schrijf ik u later wat beter en deel u dan eens
+een enkel tafreeltje uit deze streken mee. Wilt ge alvast een paar
+bijzonderheden:
+
+Wie hier een woning of kamers huurt, moet vooruit betalen, omdat--door
+de nabijheid van het beruchte Monaco, de verhuurder nooit zeker
+is, dat zijn huurder, na het verschijnen der huur, geen geruïneerd
+man zal wezen. Gisteren onder de kolonnade van het genoemde Café
+de la Victoire nabij een jongen Hongaar gezeten, hoorde ik hem tot
+zijn metgezel op zeer matwrevelen toon de woorden zeggen: "Ah! dans
+cet enfer de Monaco, on perd tout son argent!" Nochtans voldeed hij
+zijn absinth met een biljet van honderd francs in betaling te geven,
+en kocht van een bloemenmeisje een welriekenden rooden Anjer en gaf
+haar meer dan zij hebben moest.
+
+Dames, die op diamanten verzot zijn, kunnen hier volop gratis genieten,
+nl. met het zien van de prachtigste garnituren. Voor een winkelraam
+zag ik een steen, vieille roche 20 1/2 car. genoteerd fr. 80,000. Twee
+oorbellen "Très-belles roses d' Hollande" fr. 2200. Twee steenen,
+oorknoppen nouvelle roche 4522/32 car. fr. 2500, en twee oorknoppen
+vieille roche 30 1/2 car. fr. 105,000.
+
+'s Morgens en 's avonds vooral kunnen wij onze winterjassen en mantels
+best velen. Men zegt, dat het hier om dezen tijd van het jaar bijna
+nooit zoo koud was; maar we zitten binnenshuis zonder vuur, zien
+de vliegen al dwalen en--'s middags eten we onze doperwtjes van den
+kouden grond.
+
+ Vaarwel!
+
+
+
+
+
+ Nice, 13 Maart 1879.
+
+ Amice!
+
+
+Gij wilt nog iets meer uit Nice vernemen; welnu, in mijn vorig
+schrijven sprak ik van de kostbare edelgesteenten, die hier achter de
+winkelramen zijn uitgestald en steeds met onweerstaanbare kracht zoowel
+de donkere kijkers van 't Zuiden als de blondlokkige dochteren van
+Noordelijker streken geboeid houden; ten opzichte van deze en velerlei
+andere kostbaarheden--waartoe ook vooral diamanten heerenringen en
+gouden horloges met zware kettingen behooren--wordt mij verzekerd,
+dat men ze hier op onderscheidene plaatsen tegen een uiterst lagen
+prijs kan bekomen, en wel omdat die voorwerpen de laatste droevige
+plechtankers zijn geweest, waaraan de slachtoffers van Monaco zich
+tevergeefs in hun speelwoede hebben vastgeklampt.
+
+Uit mijn venster, ter zijde aan de straat Charles Albert, heb ik het
+oog op een zwart bord, waarop met roode letters: "Facteurs Express"
+staat te lezen, en te midden van andere aankondigingen dier heeren
+zaakwaarnemers trekt het zwart op wit: "Villa à vendre" niet het
+minst de aandacht.
+
+Naar ik vernam, is het een "voorname" cocotte, die deze villa aan
+haar bekoorlijkheden was verschuldigd, doch haar eigendom nu à tout
+prix verkoopen moet, aangezien zij in "cet enfer de Monaco",--volgens
+onzen Hongaar--haar geheele vermogen verloor.--"Verdiende loon!" zegt
+er iemand. En de Franschman: "Déshabillée! que veut-elle de plus!"
+
+Meer dan ergens elders in Europa worden aan de Baie des Anges alle
+talen der beschaafde en minder beschaafde wereld gesproken. Russen,
+Engelschen, Denen, Amerikanen, Nederlanders--ofschoon niet in grooten
+getale--Turken, Grieken, Duitschers, Zwitsers, Italianen "het woelt
+en krioelt hier alles dooreen", en het zou al spoedig de Babelsche
+spraakverwarring wezen, indien het liefelijk vloeiende Fransch niet
+door al die vreemdelingen werd gehuldigd als "la langue du monde
+entier" waarop slechts de lords en ladies van tijd tot tijd een
+uitzondering maken en daarvoor natuurlijk nog wat meer betalen dan
+de minder preutsche vreemdelingen van het continent.
+
+Dat een winterverblijf te Nice niet goedkoop is, zal u geenszins
+verwonderen, en zulks te minder, indien gij in aanmerking neemt,
+dat het "saison" er tegen het einde van November begint om in het
+begin van April te eindigen.
+
+Van Mei tot November is Nice bijna even verlaten als Scheveningen
+of zoovele andere badplaatsen in Duitschland of Zwitserland in den
+zomer zijn bezocht. Vele voorname hotels worden er geheel gesloten
+en zeer vele groote magazijnen en kunstuitstallingen breken op
+en trekken naar koeler oorden om er aan badgasten en reizigers de
+van het zuider stof gereinigde preciosa als hautes nouveautés te
+doen bewonderen. Met het sluiten van die hotels verdwijnt ook een
+groot deel van het heirleger der onbegrepen wezens, die men--hoe
+oud ze ook zijn--garçons blijft noemen. Zij vertrekken mede--veelal
+naar Zwitserland, om er hun dienenden geest in een Schweitzerhof of
+hotel Rigi-Kulm, op zóó vele meters boven de oppervlakte der zee te
+verheffen. Ook de portiers volgen hun voorbeeld en blijven--ofschoon
+in een geheel andere omgeving, volmaakt dezelfden: behalve dat zij
+een ander portaal zullen bewonen en een anderen hotelnaam in gouden
+letters op hun pet zullen dragen.
+
+Zooeven sprak ik van nouveautés, maar ontegenzeglijk is het waar, dat
+wie zich de allereerste voorjaars- of zomer-modes wil aanschaffen,
+ze het vroegst in Nice of in andere zuidelijke zustersteden zal
+vinden, in weerwil dat Parijs steeds de modewereld regeert. Doch 't
+is natuurlijk, dat Parijs, 't welk zich zelf nog gedurende eenige
+weken ferm in 't bont blijft hullen, het eerst zijn clientèle aan
+de Méditerrannée bedenkt, waar het o. a. heden een dag is--hoewel de
+wind voor hier zelfs buitengewoon koel blijft--dat een vrij spraakzaam
+Engelschman er dezen morgen van beweerde, dat men er zóó te Londen
+geen twintig in den ganschen zomer telt.
+
+En nu reeds sedert twee weken zagen we alle dagen de zon aan den
+diepblauwen hemel--slechts enkele malen voor korten tijd met zware
+wolken bedekt, doch zonder dat deze vacantie gaven aan de wakkere
+spuitgasten, die hier van den morgen tot den avond in de weer zijn
+om het witachtig stofplaveisel van straten en parken en pleinen in
+een grijsachtige modder te herscheppen.
+
+De trottoirs blinken hel, de blauwe brillen zijn legio, terwijl men
+ontelbare witte en grijze en roode parasols op alle wegen en niet
+het minst tusschen 2 en 5 uren op de Promenade des Anglais, tusschen
+de palmen en oleanders en tegen het blauw der kalme zee ziet wiegen
+en blinken.
+
+De geur van Nice--althans van het nieuwe Nice--is in dit seizoen
+de geur van--violen. In mijn geheele leven zag ik zoovele van die
+welriekende bloempjes niet als hier op één enkelen dag. Overal ziet
+men viooltjes, bij een kleurenpracht van velerlei andere bloemen
+zonder wederga. Van de twintig voorbijgangers--'t zij mannen of
+vrouwen--zelfs van de zeer eenvoudigen, heeft er zeker één, aan
+boezem of in knoopsgat, een tuiltje van groene blaadjes met een
+centrum van violen. Dat er, behalve in zoovele bloemwinkels, een
+schat van kleuren en geuren langs de straat wordt te koop geboden,
+behoef ik u niet te zeggen. 't Zij mij vergund u even te verhalen,
+van welk klein drama een der Nicische bloemenmeisjes vóór luttele
+dagen de hoofdpersoon is geweest.
+
+Rosa Chiappero, een zeventienjarige Nicienne met prachtig zwart haar,
+met een rozenblos op haar zuidelijk teint, een paar zwarte bijna
+doorloopende wenkbrauwen, een oogenpaar donker als marmerzwart,
+doch met al den gloed der Italiaansche zon, Rosa had haar mand met
+violen-bouquetjes even op een bank van de quai St. Jean Baptiste
+neergezet, toen een rijzig jong werkman--Philippe Loudello--door
+een oud man--Philippes vader--gevolgd. snel op haar toetrad, haar,
+met bekendschap groetende, toesprak en haar fraai gevormde lippen
+nog schooner roemde dan de roos in het violen-bouquetje, 't welk hij
+á tout prix van haar begeerde.
+
+Mlle Chiappero scheen het zeer warm te krijgen en trok den rooden
+foulard los, dien ze om het kwistig in breede tressen gevlochten
+haar had gebonden: "Ah M.'sieur Philippe." sprak ze, "prenez-un,
+s'ilvousplaît!" en wierp met een soufflement de phh! haar fraaie
+kopje een weinig in den nek, alsof ze met niets anders dan met de
+zonnewarmte te kampen had, en liet terzelfder tijd den rooden foulard
+naast zich op de bank glijden.
+
+Hoelang Philippe Loudello zich nog--bij de geur der welvoorziene
+bloemenmand,--in de zonnestralen van Rosa's heerlijk oogenpaar bleef
+koesteren, we weten het niet, maar zooveel is zeker; dat hij--nà
+zijn bouquetje zorgvuldig met een speld, hem door Rosa gegeven, in
+het knoopsgat te hebben bevestigd, haar vaarwel zei met den zacht
+gefluisterden wensch: dat ze hem met de mi-carême ook die andere
+bloem,--de bloem van haar rozenlipjes zou schenken!
+
+Toen Rosa's lange koolzwarte wimpers bij Philippes zoetklinkende
+woorden naar omlaag gingen, werd er eensklaps een! "Ah mon Dieu!" uit
+haar mond vernomen: "Ah mon Dieu! le foulard! Hier was hij, en hij
+is er niet meer!"
+
+"Dites.... mon pére, tu l'auras vu....?" riep Loudello; maar rondziende
+zag hij den toegesproken grijze evenmin als Rosa--steeds zoekende--haar
+zijden foulard. De oude Loudello moest ongetwijfeld zijn doorgewandeld
+en zijn weg om den hoek der rue Chauvin hebben vervolgd.
+
+Philippe was zeer begaan met het lieve kind en sprak haar
+geruststellend toe; hij zou niet rusten, eer zij haar mooien doek
+terug had, 't zij door de hulp der politie, 't zij dat hij haar een
+nieuwen foulard mocht vereeren.--Dat "un méchant" den doek in 't
+voorbijgaan had weggenomen, zulks leed geen twijfel. Want er woei
+geen windje en--noch op dit wandelpad naast den rijweg met zijn
+hooge winkelhuizen, noch in de diepte op het steenachtige bed van
+den Paillon was hij te bemerken.
+
+Toen mlle. Chiappero Philippes verzekering had vernomen, toen zag ze
+hem met haar glinsterende oogen, waarin reeds een traantje geblonken
+had, zóó vriendelijk dankbaar aan, dat mr. Philippe in stilte den
+eed herhaalde, dien hij zich zelven gezworen had.
+
+Met de laatste carnavalsfeesten heeft hij Rosa voor 't eerst ontmoet,
+en toen hij haar, op dien zoeten avond verliet, had hij in stilte
+gezegd, dat zij zijn vrouwtje moest worden, zoodra zijn patroon hem,
+ter wille van zijn goeden naam en erkende kundigheden, van gewoon
+ouvrier tot maître d'atelier zou hebben bevorderd.
+
+Zeer in de nabijheid der jongelieden, doch voor hen geheel
+onzichtbaar--nl. om den hoek der reeds genoemde rue Chauvin--had
+terzelfder tijd de oplossing plaats van het raadsel: waar toch de
+foulard mocht gebleven zijn!
+
+Een zeer bejaard man had zich zoo snel hij kon van de quai St. Jean
+Baptiste, langs wagens en rijtuigen heen, naar de rue Chauvin begeven,
+en, na een paar maal met een schuwen blik te hebben omgezien, heeft
+hij een roodzijden foulard uit zijn broekzak te voorschijn gehaald,
+met het voornemen om hem haastig in den binnenzak van zijn paletot
+te verbergen.
+
+Doch zie, eensklaps verbleekt de nu eenigszins verhoogde kleur van
+den 78-jarigen man. Een op de quai St. J. B. gestationneerd sergeant
+de ville had van verre gezien, hoe Monsieur François Loudello--le
+vieux--den doek van de bank genomen en er zich zeer snel mee
+verwijderd had.
+
+Weinige minuten later berustte het corpus delicti op het politiebureel
+en ontving de oude Loudello een aanzegging om--als beschuldigd van
+diefstal op den openbaren weg, des anderen daags ter terechtzitting
+te verschijnen.
+
+Maar de oude man verscheen er niet.--Hij was ziek!--très-malade, le
+pauvre vieillard!--Doodsbleek verklaarde Philippe Loudello zulks aan
+den rechter, en roerend was de toon, waarop hij smeekte, dat hij in
+de plaats van zijn "bon vieux père" zou worden verhoord en, zoo men
+een altijd braaf en eerlijk oud man moest straffen, omdat hij, kindsch
+geworden, als een kind had gehandeld, dat men dan hem--Philippe mocht
+gevangen zetten, ofschoon die smaad hem dan ook zijn naam, zijn eer,
+zijn toekomst als maître d'atelier, zijn liefde, zijn leven zou kosten!
+
+Maar hoe treffend Philippes pleidooi voor den ouden vader al
+verder mocht zijn, het recht moest zijn loop hebben, en de arme
+Philippe barstte in een bitter snikken los, toen hij aan 't einde
+der zitting den ouden vader tot een gevangenisstraf van 10 dagen
+hoorde veroordeelen. Bijna stikkende in tranen van smart en verkropte
+woede, heeft Philippe de rechtzaal verlaten, en,--Rosa voorbijgaande,
+heeft hij het gelaat met de beide handen bedekt en verzucht: "Ah! ce
+maudit foulard."
+
+En het eind der geschiedenis!
+
+Hij zal ziek zijn en ziek blijven! had Philippe gezworen: "In de
+gevangenis komt le vieux chéri, zoolang ik adem heb, nooit."
+
+Wordt het laatste bewaarheid, van die ziekte schijnt de oude man reeds
+hersteld te zijn; althans, naar men zegt, is de grijze Loudello voor
+een paar dagen weder in het Parc public gezien, terwijl hij er naast
+mlle. Rosa met haar bloemen op een bank onder den hoogen mirteboom zat.
+
+De punt van den roodzijden foulard kwam uit den borstzak des ouden te
+voorschijn, terwijl Rosa zelf een witten foulard om haar ravenzwart
+haar had gebonden.
+
+Avec le ciel il y a des accommodements. Men zegt, dat mlle. Chiappero
+ter elfder ure op den inval is gekomen, van zich te herinneren, dat
+zij tijdens de carnavalsfeesten den foulard aan den ouden Loudello,
+die hem zoo mooi vond, had toegezegd en--dat de sergeants de ville
+in last hebben gekregen om, à l'égard du vieux, de vijf vingers
+voor de oogen te houden. En voorts zegt men, dat de chef van
+Mons. Philippe--vernemende hoe de brave jongen zich, in weerwil
+van die gevreesde schande, voor zijn grijzen vader heeft willen
+opofferen, hem met den 1sten Mei tot maître d'atelier zal verheffen,
+en dat met de mi-carême, le bon et beau Philippe van de lippen der
+schoone zwartoog het roosje zal plukken, waarvan de geur zich steeds
+zal vernieuwen en even duurzaam zal zijn als de kleur van le foulard
+du vieux père Loudello.
+
+
+
+
+
+ Nice, 24 Maart 1879.
+
+
+ Amice!
+
+
+Het komt mij bijna onmogelijk voor om in dit seizoen uit Nice te
+schrijven, zonder van den zomer te gewagen, die hier telkens meer
+bekoort en verrukt.
+
+
+ "In 't volle groen! Met bloemen zonder tal!"
+
+
+Ik vermoed, dat de Baie des Anges zijn naam is verschuldigd aan
+de onzichtbare nabijheid "dier zalige hemelingen", gelokt en
+onweerstaanbaar geboeid door den bloemengeur, die van zijn oevers
+opstijgt.
+
+Met de mi-carême, wanneer onze jonge vriend Loudello van
+madlle. Chiappero een ander langgewenscht bloempje zal ontvangen, dan
+moet er een bouquettenfeest plaats hebben, en waarschijnlijk zult gij
+daar later van hooren; voor 't oogenblik moet ik u een bouquet doen
+zien, dat hier voor een paar dagen onder een der kolonnades van de
+Place Masséna veler aandacht trok. Stel u een bouquet voor, waarvan
+de uiterste rand uit frischgroene varen bestaat; naast, of tegen die
+varen, een cirkel van ruikende viooltjes en het middenrond gevuld met
+witte camelia's en andere witte bloemen, waaronder hyacinten. Eenvoudig
+zult ge zeggen. Maar de afmeting! Zoo iets zag ik nooit: de bouquet
+had een omtrek van drie meters en een middellijn van één meter en
+dertig centimeters, terwijl ik omstreeks honderd witte camelia's
+in het centrum geteld heb. Hoe de zangeres Madlle. Ciuti, voor
+wie de bouquet als Aïda bestemd was, er haar dankbare révérence
+mee zal gemaakt hebben begrijp ik niet, want de persoon, die dit
+niet alledaagsche huldeblijk aan de succursale der bloemisterij ter
+tijdelijke uitstalling kwam brengen, bezweek haast onder zijn last
+en beet zich vergenoegd op den forsch vooruitspringenden knevel,
+toen hij de monster-cornet met haar geurenden inhoud stevig en wel
+op de leuningen van een drietal stoelen geplaatst had.
+
+Ofschoon het bezichtigen van kerken in den regel niet tot mijn
+liefhebberijen behoort, tenzij er kunstschatten te bewonderen zijn,
+zoo bekroop mij Zondag ll. toch de lust om--na een vluchtig kijkje in
+de Notre Dame de Nice te hebben genomen, er mij des namiddags nog eens
+heen te begeven. Op muren en pilaren stond het volgend Avis te lezen:
+"Dimanche à trois heures et demi un sermon de charité sera prêché
+par sa Grandeur Monseigneur l'évêque de Nice, pour les besoins du
+Diocèse et en particulier pour l'oeuvre si important des vocations
+ecclésiastiques."
+
+Zeer tijdig er heengegaan, bekwam ik, in weerwil van een buitengewoon
+groote opkomst, een uitmuntende plaats, zeer in de nabijheid van het
+weelderig met bloemen versierde hoofdaltaar en tevens van den kansel,
+waarop de bisschop zijn preek zou houden.
+
+Wie aan onze deftige of--vooral in onze R.-K. kerken, veelal
+fraai gesneden houten kansels gewoon is, wordt onwillekeurig op
+'t zonderlingst getroffen door dien preekstoel, geheel bekleed met
+rood damast en dito fluweel, terwijl gouden belegsels en franjes er
+kwistig zijn aangebracht.
+
+De vesperdienst, waarop ik niet had gerekend, duurde mij wel wat
+lang. Nadat hij geëindigd was, opende een "Suisse" die een rood gewaad,
+met goud-zilveren borduursels en epauletten, een grooten steek met
+witte veer en een soort van lans met vergulde piek in de hand droeg,
+den stoet van priesters en koorknapen--altemaal in roode en witte
+dienstkleederen, die den bisschop van Nice tot achter den preekstoel
+vergezelden.
+
+Een oogenblik later zag ik het neerhangende rood damast in het fond
+van den preekstoel vaneengaan en den bisschop--Mons. Balin, in een
+straal van het hooge kruisraam achter den stoel, in den kansel treden,
+waarna de draperie zich weder achter hem sloot.
+
+Vele stoelen, die front naar het altaar hadden gemaakt, werden nu
+eenigszins schuin, ter zij naar den redenaar gekeerd; de "Suisse"
+voerde de priesters en koorknapen naar de hooge ruimte bij het altaar
+terug, waar zij allen plaats namen, en--de bisschop begon zijn rede.
+
+--Het was voor hem een plechtig en ernstig oogenblik. Zijn ziel was
+bedroefd. Hij--de bisschop van Nice,--hij moest met smart getuigen! dat
+men hem priesters vroeg, en hij er geen had te geven.
+
+--Er waren gemeenten in zijn bisdom, die, verzonken in de onwetendheid,
+voortleefden zonder God, zonder vergiffenis hunner zonden en zonder
+de genademiddelen der Heilige Kerk te ontvangen.
+
+--O! terwijl er in deze tijden vorsten waren die de priesters
+verdreven, moest de bisschop van Nice vragen: Geeft ons
+priesters!--Maar hij vraagt ze niet aan zijn hoorders. Hij weet wel,
+dat ze hem hun zonen niet zullen geven; neen, hij vraagt de hulp,
+de milde hand der schare, opdat men ginds op de bergen ga zoeken en
+vragen, en voorzeker, de armen en eenvoudigen zullen hun zonen met
+liefde zenden in den wijngaard des Heeren!
+
+--In deze heilige ure heeft de bisschop zich voorgesteld om te spreken
+van de hooge roeping en het eminente standpunt des priesters.
+
+Het zij mij vergund de--letterlijk door den bisschop gesproken woorden
+onvertaald te doen blijven.--Z. E. vervolgde zijn rede.
+
+"Vóór alles en vóór alle schepselen bestond God; oneindig in grootheid,
+oneindig in liefde.
+
+"In den beginne besloot ce grand Dieu om hemel en aarde te scheppen.
+
+"Als een verheven artist il prit palette et pinceaux en maakte het
+kunstwerk, les cieux et la terre. Aan het prachtig tafreel ontbrak in
+'t einde niets dan een sprank der Godheid zelve, en,--een laatste
+coup de maître voltooide het geheel; de mensch was geschapen.
+
+"Maar ziet, de duivel--jaloersch op het werk, 't welk hij zag, bracht
+den mensch ten val.
+
+"Nochtans Gods goedheid was onbegrensd. Zijn eigen Zoon moest van
+den hemel nederdalen om den mensch te behouden, ja hem op aarde reeds
+grooter te maken dan hij te voren geweest was.
+
+"Die verhevener mensch is de christen.
+
+"Doch boven den christen staat de priester!
+
+"Le prêtre mes frères, cette main de poussière, wat is hij groot,
+wat is hij machtig!
+
+"De helden en wijzen en kunstenaars der oudheid, wat zijn ze! Wat
+zij deden of wrochtten het is voor het meerendeel vergeten,
+vernietigd. Maar wat de priester werkte aan de zielen der gemeente,
+het ging niet verloren, het leeft in den hemel!
+
+"Keizers en koningen der aarde, wat zijn ze! De machtigste zelfs, die
+de geheele wereld aan zijn schepter verbindt, o, op zijn beurt ziet hij
+zich straks overwonnen, beroofd van macht, van glorie en kroon. Maar
+de kroon van den priester blijft! blijft eeuwig in den hemel!
+
+"Hoe zal ik u de grootheid des priesters schetsen, mes frères,
+vervolgde de bisschop: hij overtreft die der hemelingen, la puissance
+des Anges! "Wat kunnen de engelen voor het arme menschenkind
+doen! Helaas!--Maar de priester, is hij niet l'intermédiaire--de
+middelaar Gods en der menschen?
+
+"En gij, o liefelijke heilige Moedermaagd! Wanneer wij de hooge
+waardigheid van den priester schetsen en zijn macht boven de uwe
+verheffen, o, gij weet het, dan doen wij niets te kort aan onze liefde
+en vereering voor u. Ja, de priester staat hooger dan gij. Voorzeker,
+gij hebt het leven geschonken aan den Zoon des menschen, maar de
+priester,--schenkt hij in het misoffer niet iederen dag van nieuws
+af aan het leven aan den Heiland der wereld!
+
+"O prêtres de notre Seigneur, que vous êtes nobles et puissants! Ja,
+meer vermoogt gij op aarde zelfs dan Jezus, de Heer, die u het recht
+schonk om in Zijn naam de zonde te vergeven en aan het sterfbed de
+zielen te redden van een eeuwig verderf. De priester, mes frères,
+is hij niet de hoogste macht op aarde! Oui mes frères le prêtre
+c'est Dieu!"
+
+
+
+Van commentaren onthoud ik mij. Ik gaf slechts hetgeen ik hoorde,
+maar geloof zeer zeker, dat zelfs onze R.-K. landgenooten de preek van
+monseigneur Balin wel wat door de zuiderzon gekleurd zullen vinden. De
+bisschop, wiens kleeding bestond uit den violetkleurigen schoudermantel
+op de zwarte soutane met een summarium of overkleed van geborduurd
+neteldoek--had bij iedere gesticulatie een zeer grooten prachtigen
+diamant aan zijn vinger doen schitteren, en toen hij nu ten slotte
+zijn toehoorders nogmaals zeer dringend had opgewekt tot het geven van
+milde bijdragen ten behoeve van de zoo bitter noodlijdende kerk, toen
+had ik hem wel willen vragen, of hij zelf niet zou vóórgaan met het
+werpen van dien kostbaren steen op een der zilveren schalen--waarmee
+na zijn: Ainsi soit il! een aantal jonge en ook enkele oudere dames
+de kerk doorkruisten. Maar ik geloof, dat die vraag minstens toch
+zeer onbescheiden zou zijn geweest--immers wie onzer is gewoon den
+arme, dan blinde, den kreupele zoo aanstonds zijn kostbaarheden in
+den schoot te werpen!
+
+Ik schrikte. Ternauwernood was de bisschop weer door de roode
+draperie van den preekstoel verdwenen of een zwaar orkest op het
+Koor viel oorverdoovend in, en terwijl de Turksche muziek er dapper
+op losbeukte, meende ik--ook straks in een solo cornet-à-piston,
+zeer duidelijk Verdi uit zijn opera's te herkennen. Bij het uitgaan
+van de kerk trof het mij, bij een zoo groote schare, die gedurig door
+den bisschop: mes frères was betiteld, zoo weinig mannen te zien. Ik
+geloof getrouw aan de waarheid te blijven, indien ik verzeker, dat
+van de honderd personen er ongetwijfeld tachtig vrouwen waren. Een
+allervreeselijkst geschuifel, veroorzaakt door het onophoudelijk in-
+en uitloopen van kerkbezoekers, het veelvuldig gefluister en zelfs
+eenige malen het geschrei van zuigelingen, dit alles maakte het den
+bisschop kwaad genoeg en dwong hem tot het krachtig uitzetten van
+zijn stem, waardoor zij niet altijd harmonisch klonk.
+
+
+
+
+
+ Nice, 26 Maart 1879.
+
+
+ Amice!
+
+
+Reeds sedert vele weken verkondigen reusachtige aanplakbiljetten,
+dat er onder bescherming van den hier bestaanden Cercle de la
+Méditerranée, tegen 20 en 21 Maart Les Régates zouden plaats hebben. En
+de toebereidselen tot dat zeefeest werden mede reeds sedert dagen
+gemaakt. Een groot gedeelte van de zeer lange Promenade des Anglais
+werd door een planken schutting van den rijweg afgescheiden, welke
+schutting slechts in het midden een opening heeft ter plaatse, waar
+een breede houten brug, met vele vlaggen versierd, het prachtigste
+gebouw van den Cercle--over den rijweg heen--met tribunes verbindt. Die
+tribunes, aan de zeezijde tegen de steenen helling, over een lengte
+van meer dan 100 meters opgericht, werden van boven met blauw katoen
+bekleed, ten einde de houders van kaarten à 10 francs, niet gehinderd
+door een te felle zon, het schouwspel te doen genieten van een stoom-
+en zeil- en roeiwedstrijd op de blauwe wateren der Middellandsche
+Zee. Aan de hooge staken, die zich bij honderden boven de tribunes en
+ook aan de achterzij van het afgezette wandelpad tusschen de palmen
+en oleanders verheffen, wapperden, mede reeds sedert eenige dagen,
+kleine vlaggen van allerlei kleur, ofschoon ze niet meer behoefden
+te verhalen, dat het een internationaal feest zou zijn, aangezien
+de programma's met zeer groote letters verkondigden, dat Le Prince
+de Gales de hooge beschermheer was, men elkander zelfs vrij stellig
+verzekerde, dat Son Alt. Royale ongetwijfeld in eigen persoon de
+feesten zou bijwonen.
+
+Voor den wedstrijd van stoombooten van alle natiën, alsmede voor zeil-
+en roeivaartuigen werden door velerlei corporaties en particulieren
+prijzen uitgeloofd.
+
+Volgens het Plan et Parcours des Régates zouden de stoomschepen den
+20sten van Nice vertrekken, eerst met een wending zuidwestwaarts,
+om dan--wat verder van de kust, in rechte lijn oostwaarts koers te
+zetten naar het wat meer in zee vooruitspringende Monaco. Den volgenden
+dag--21 Maart--zouden de stoomers langs denzelfden weg terugkeeren,
+terwijl de kampioenen der zeil- en roeivaartuigen wat dichter nabij
+de kust den wedstrijd zouden houden. Vier observatiebooten moesten in
+zee stationneeren. Eén het dichtst bij de kust juist tegenover het
+gebouw van den Cercle M.; één op het punt, vanwaar de stoombooten,
+ná den Z.-W. tocht, rechtstreeks oostelijk koers naar Monaco zullen
+zetten; één ongeveer ter helfte van Monaco en de vierde aan de ree
+van Monaco zelf.
+
+Zóô was alles bepaald en geregeld. Maar helaas! het eerste alhier zeer
+schitterend te vieren Internationale Zeefeest zou het lot deelen van
+zoovele Nederlandsche zomerfeesten in de open lucht!
+
+Bijna drie weken achtereen scheen de zon met helderen glans, maar
+als zij hier schuilgaat en een ZO. wind--de Libeccio, een wind uit
+Libye--de zwarte wolken voortzweept en wolken stofs doet opstuiven,
+zoodat hij straten en pleinen in grijze nevelen hult; wanneer dan
+na het vallen van enkele zware regendroppels al spoedig plasregens
+neerstorten, die slechts een oogenblik verminderen om door nieuwe
+stroomen uit de sluizen des hemels te worden gevolgd, dan verwondert
+men zich niet, dat men de straten, die met fijngeklopten kalksteen
+gemacadamiseerd zijn, in ware modderwegen ziet verkeeren, terwijl
+slechts de huurkoetsiers--allen met een paraplu boven het hoofd--den
+zilverstroom des hemels zegenen, waardoor ook het zilver der vreemden
+nog wat milder in hun zakken vloeien zal.
+
+In den nacht van 18 op 19 Maart hadden wind en regen de feestcommissie
+reeds doen voorhoofd-rimpelen. Op Woensdag den 19en Maart floot de
+Libeccio met zóóveel kracht, dat hij de palen der tribunes aan zee
+deed kraken of neerwierp, het blauwe doek ter wering van 't zonlicht
+vaneen scheurde en ginds en her in flarden deed vliegen hoog door de
+lucht. De regen viel steeds bij stroomen. "Un temps du diable, mon
+s'r!" zei de hotelhouder Platel, toen we des avonds, omstreeks zeven
+uren, zijn salle á manger verlieten. "Et les Régates, mon s'r Platel!?"
+
+"Ah! ze zijn tot aanstaanden Maandag uitgesteld. We zijn niet gelukkig
+met onze feesten van 't jaar. Vóór het Carnaval hadden we prachtige
+dagen, maar niet zoodra zouden de feesten beginnen, of daar kwam
+gedurig de regen, en nu, le temps se moque des Régates!"
+
+"Als het hier regent, dan schijnt het raak te zijn!"
+
+"Ah si; les averses sont souvent d'une violence extrême comme
+les pluies des régions tropicales. On compte avoir 55 á 65 jours
+parfaitement beaux dans chaque saison, et pourtant, malgré la rareté
+des pluies, la quantité d'eau qui ce précipite annuellement dans le
+bassin de Nice, est supérieure á la masse liquide qui arrose chaque
+année les campagnes du Nord de la France; tandis qu'á Paris la moyenne
+est de 54 cent., elle est á Nice de 70 cent."
+
+Als men, naar buiten ziende, de zware droppels in dichte massa's zag
+neergutsen, dan kon men aannemen, dat M. Platel die wijsheid uit
+een even degelijke bron had als de bron overvloedig mocht heeten,
+die nu den meestal schier drogen Paillon met twee fiksche stroomen
+door zijn steenen bedding deed bruisen.
+
+Terwijl het zoo regent, maar de zachtste weersgesteldheid u toch
+volstrekt niet belet om na het diner, bv. van 8-9 uren onder de
+arcade--of kolonnade--van het café de la Victoire uw demi-tasse te
+gaan gebruiken, zie ik een der hoofd-garçons contre-maître genoemd,
+met een geweldig blond oog en een zeer gehavenden neus ces Messieurs
+en Mesdames bedienen.
+
+"Hoe ben je aan die illustraties gekomen?" vroeg ik hem bij 't schenken
+van onze café au lait.
+
+"Le diable de comte! Hij kwam dronken hier. Nadat hij la gentille dame
+au comptoir beleedigd had en ik hem weigerde absinth te schenken,
+maar hem de deur wees, stiet hij mij op 't hevigst met de vuist in
+het oog en kwetste mij bovendien gevoelig met den grooten steen van
+zijn ring. Maar nog denzelfden avond zat hij au violon en kan nu 15
+dagen zijn roes uitslapen, eer hij tot zijn etat normal d'ivrogne
+mag terugkeeren. Mauvaise clientéle, m'sieur!"
+
+Weinige oogenblikken later las ik in "Le progrès de Nice" een bijna
+eensluidend verhaal, nl. van zekere nommé Landino, die den kastelein
+Palmieri van de Brasserie du Littoral--omdat hij den dronkaard niet
+meer schenken wilde, met een glas op het hoofd had geslagen.--En
+iets verder:
+
+"La nommée Marie M.... a été arrêtée pour ivresse scandaleuse."
+
+En weer iets lager, 't geen ik terwille van de eigenaardige wijze
+van vermelding letterlijk afschrijf:
+
+"Arrestation. M. Pierre G...., le jour de la Mi-Carême, se dit: Il
+pleut, maist c'est pas une raison pour ne pas se divertir un peu; si on
+se mouille á l'extérieur, il faut réagir et s'humecter à l'intérieur.
+
+"Il a tant réagi que la réaction ne s'est terminé que le lendemain
+au violon."
+
+Men ziet het, dat er niet alleen in ons dierbaar Nederland aan
+Bacchus wordt geofferd, en ofschoon ik bekennen moet meermalen
+zwaaiende personen in echt vroolijke stemming te hebben ontmoet,
+ja dikwijls een niet onharmonisch gezang uit hun mond heb vernomen,
+het medegedeelde bewijst genoeg, dat een "kwade dronk" ook in het
+zuiden niet zeldzaam is.
+
+Is de smaak voor geestrijke dranken al tamelijk gelijk aan die in ons
+lieve vaderland, het politiek leven is hier in 't Zuiden oneindig
+meer ontwikkeld. Bij duizenden worden de exemplaren van Fransche
+nieuwsbladen--van allerlei vorm en politieke kleur, langs de straten
+verkocht en veelal gelezen. Mannen en zelfs vrouwen van allerlei
+stand ziet men met een nieuwsblad op banken gezeten of langzaam
+lezende voortgaan. De vele zoozeer uiteenloopende richtingen dier
+bladen vinden alle ook hier hun aanhangers, en 't is wel een wonder,
+dat men bij de heftigheid, waarmee bijv. "een Progrés de Nice"
+zijn tegenstander "Le Journal Niçois" bestrijdt, onder hun trouwe,
+zoo licht ontvlambare volgelingen niet meer van moord en doodslag
+verneemt. Dat het peil van ontwikkeling bij al dat politieke leven
+hier hooger dan bij ons zou staan, ik betwijfel het zeer. Aan meer dan
+twintig, meest welgekleede inwoners van Nice vroeg ik naar den naam
+van een hoogopgroeiend heestergewas, 't welk men hier overal ziet en
+welks bladen in vorm en kleur aan onze linden- en moerbezie-blaren
+herinneren, terwijl het een overvloed van lieve witte bloempjes met
+gele harten draagt. De antwoorden klonken steeds uiterst beleefd,
+maar ik kreeg niet anders te hooren dan een: "Ah mille pardons! Je
+ne saurais le dire!" of iets van dien aard. Een der garçons van het
+meergenoemde Café, waar zeer hooge exemplaren van die struiksoort
+tusschen de kolonnades bloeien, keek óók zeer verwonderd bij mijn
+vraag en had ze blijkbaar nog nooit opgemerkt; intusschen hij kende
+een monsieur très-savant, en,--gisteren gaf hij mij een klein plankje
+waarop die geleerde geschreven had: Sparmagnia.
+
+Op den 20sten Maart--den eersten dag waarop de nu uitgestelde
+Régates zouden hebben plaats gehad, moesten de blauwe wateren der
+Middellandsche Zee in plaats van een feestvierende kust te besproeien
+veler harten met diepe wonden slaan.
+
+'t Is u bekend, dat het stoomschip l'Arrogante,--een instructieschip
+van Toulon nabij de zee van Porquerolles--zijnde een der drie "îles
+d'Hyères",--heeft schipbreuk geleden en vijftig mannen en jongelingen
+er hun dood in de golven moesten vinden. En onder de honderden te
+Toulon, die zich hadden voorgesteld om op dien dag het feest in
+"Nizza la bella" te gaan bijwonen en er het vroolijk gewemel van
+stoomers en zeilers en roeiers op de Baie des Anges te genieten, o,
+ze bleven verre van de schoone stad, maar ze tuurden met starren blik
+op diezelfde zee, aan wie ze hun dierbren terugvroegen, 't zij met een
+traan of een zucht of--met een "Ah, ces eaux maudites!" op de lippen.
+
+Met betrekking tot de hevigheid van den storm zegt "le Journal de
+Nice": "Sur la rade des îles d'Hyères l'Arrogante reçut l'ouragan,
+qui de mémoire des plus vieux marins de nos côtes a dépassé en violence
+tous ceux enregistrés jusqu'à ce jour."
+
+Nader iets over de feesten en--over Monaco.
+
+
+
+
+
+ Nice, 29 Maart 1879.
+
+
+ Amice!
+
+
+"Nizza la bella" was op Maandag den 24sten Maart werkelijk de
+lachende schoone, blij glanzend van feestvreugd, onder een hemel van
+'t diepste blauw.
+
+Van heinde en verre waren nog altijd vreemdelingen toegestroomd.
+
+Wie zich echter had voorgesteld de stad, die voor het eerst haar
+Régates zou vieren, met vlaggen en groen en bloemen getooid te zien,
+hij zou zich zeer vergist hebben, want, zoomin aan publieke als aan
+particuliere gebouwen was er het geringste spoor van te ontdekken.
+
+Slechts aan zee waren het gebouw van den Cercle de la Méditerranée,
+de houten brug van zijn balcon over den rijweg tot aan de tribunes
+en die lange tribunes zelven met vlaggen versierd, zoodat die aanblik
+uit zee wel het verrassendst moet geweest zijn.
+
+--En het feest?--In weerwil van alle ophemeling geloof ik te
+mogen zeggen, dat het zoogoed als mislukt is.--Door de zeeramp
+der "Arrogante" van Toulon was het reeds kleine getal van vijf
+stoomschepen, die aan den wedstrijd zouden deelnemen, nog tot drie
+verminderd--want Toulon, in diepen rouw, had zich teruggetrokken--en
+de toeschouwer zag dus slechts die drie booten, soms op vrij verren
+afstand, tweemaal in een zeer grooten kring voorbij het gebouw van
+den Cercle stoomen, alvorens koers naar Monaco te zetten. De voorste
+bleef de voorste, en de achterste de achterste. Onwillekeurig--en
+natuurlijk zeer ongepast--kwam mij het rijmpje in de gedachten:
+Drie oude wijven; ze konden mekaar niet krijgen; enz. enz.
+
+De zeil- en roeiwedstrijd was dien dag vrij aardig--inzonderheid
+voor hen, die de schepen of roeiers kenden; maar op die groote en
+grootsche zee werd alles zoo klein en zoo nietig.
+
+En van de duizenden, die men op de tribunes had verwacht, waren er
+zoovele honderden, en van de duizenden, die het buiten de tribunes
+evengoed of misschien nog veel beter zagen, waren er weer honderden,
+die het wel heel mooi of aardig vonden, maar toch reeds lang vóór
+het einde de kust door den Jardin Public of langs de zij der hooge
+Terrasses verlieten. "En avant, pour la gymnastique!" zei een roodbroek
+tot zijn kameraden; en dat laatste wil zeggen: Met den gezwinden pas!
+
+Ongetwijfeld heeft het groote vuurwerk, 't welk des avonds op zee zou
+worden ontstoken, wel een belangrijk deel in de aantrekkingskracht
+tot het feest gehad.
+
+Toen het des avonds negen uren terdege donker was--want dikke wolken
+hadden zich in den namiddag weder saamgepakt--toen was het aantal
+menschen uit de uitgestrekte wandeling aan zee zeker even ontelbaar
+als het starrenheir, 't welk zich nu achter die wolken verschool.
+
+De tribunes met hun verlichting à giorno waren slecht bezet; ik geloof,
+dat het aantal gekleurde ballons dat der bezoekers nog overtrof. De
+feestcommissie, met haar hooge gasten, bevond zich meest op de breede
+brug van het gebouw, naar het strand.
+
+Tuurde men op de zee, dan zag men.... een nachtelijk
+duister. Allengskens echter daagden er van de linkerzijde--om den
+hoek van den vuurtoren, zeer van verre, eenige roodlichtende bollen
+op, die veel overeenkomst hadden met groote, vanbinnen verlichte
+oranjes. Bij twintig- en dertigtallen, slingerswijze, doch zeer
+onregelmatig op- en neerdobberende, namen zij al meer en meer in
+aantal toe, en eindelijk--steeds voorwaarts trekkende--formeerden zij
+twee rijen juist tegenover het feestgebouw, 't welk nu inderdaad op
+'t prachtigst met gas en velerlei kleuren was verlicht--en tevens
+flankeerden zij de twee nog onzichtbare schepen in zee, waarop het
+vuurwerk zou worden ontstoken.
+
+De wind werd vrij koel. Van tijd tot tijd vielen er eenige
+verontrustende regendroppels.
+
+"La pièce!" zei er een; maar slechts het gebruis van den zwaren
+golfslag op het keien-strand gaf antwoord. En, de zóóvele honderden
+lichtende oranjes bleven op- en neerdansen zonder dat er van de
+schuiten zelf, waarop ze wiegden, noch van al de roeiers, die er met
+een tamelijk bewogen watervlak te kampen hadden, het geringste kon
+worden waargenomen.
+
+"La Pièce!"
+
+Nog altijd dansten de oranjes en brak de golfslag met geweld op
+het strand.
+
+Maar hoor, het signaal wordt gegeven.
+
+Aan het groote water zal een hulde worden gebracht door het vuur;
+en de mensch zal juichen, want: de negentiende eeuw is trotsch op de
+beide broeders, die hen doen voortsnellen op de wiek van den stroom!
+
+En................................................
+
+Een vijfhonderdtal vuurpijlen schoot sissend en met ontzettend geraas
+gelijktijdig ten duisteren hemel op. Een vuurbouquet van millioenen
+roode, blauwe en allerlei andere bloemenkleuren ontplofte in het als
+vanéénscheurende zwerk en daalden in gouden en purperen en zilveren
+regens, hel blinkend neer. De zee tot aan den verren horizon was helder
+verlicht, de kust met haar ademlooze duizenden met een tooverachtig
+daglicht gekleurd.
+
+En terzelfder tijd ontbrandde het vuur van een vijftigtal groote
+pektonnen, die zich--een pyramide formeerende--uit zee verhieven. En
+van dien reusachtigen vuurtoren schoten twee rosse bliksemschichten
+naar rechts en naar links en raakten de hooge masttoppen van
+twee fregatten [18], die in hetzelfde oogenblik elkaar met een
+oorverdoovende kanonnade in de schitterendste kleuren bestookten
+en de kust deden daveren van het geweld hunner slagen. De strijd
+was geweldig! Maar zie:--Eensklaps sloegen de trotsche schepen in
+lichterlaaie van rood en van wit en van blauw. En de zee weerkaatste in
+duizenden prachtige tinten die vlammen en vonken: robijnen, safieren,
+diamanten en.............................
+
+Ik vraag u wel om verschooning! Dit alles zag ik slechts in mijn
+verbeelding.
+
+Misschien is het niet mogelijk om op onze Nederlandsche kust een
+vaar-wedstrijd op groote schaal te doen plaats hebben: maar kon
+dit zoo wezen, dan houd ik mij overtuigd, dat althans zeer zeker het
+gemeentebestuur van 's-Gravenhage voor zijn groot stedelijk Badhuis te
+Scheveningen iets anders zou ontsteken dan 't geen de Franschen hier:
+Superbe! Splendide! en ik weet niet wat meer noemen.
+
+Het vuurwerk bestond in een vuurpijl.--Hê!--Nóg één.--Hê!--En nog één;
+enz.--Een donderbus; een wiel; een donderbus; een vuurpijl.--Weer
+een wiel....
+
+Maar genoeg. Het slottableau was een scheepje in Bengaalsch vuur,
+met--pief--paf, knap!--Uit!--
+
+Ik verzeker u, dat een gewoon Donderdagavond-vuurwerk even mooi
+is als het vuurwerk der groote Régates te Nice, behalve--dit moet
+gezegd worden--het niet onaardig gehobbel der oranjes en het werkelijk
+prachtig weerspiegelen van een veelkleurig vuur in de golvende zee.
+
+En de afloop van den stoom-, zeil- en roeiwedstrijd op den tweeden
+feestdag?
+
+--Helaas, te twee uren stak er weder zulk een hevige wind op, dat de
+kampioenen,--vooral de roeiers, onmogelijk den kamp konden wagen of
+voleinden en zoo snel mogelijk de haven trachtten te bereiken. Twee
+zeilschepen verloren hun masten; vele kleine vaartuigen kregen averij,
+en één hunner werd zelfs door een hevigen windstoot omvergeworpen.
+
+Te vijf uren zag men tusschen de hooggekamde golven nog een paar
+kleine booten, die--worstelende met het onstuimig element den bijna
+gezonken confrater op sleeptouw hadden.... Gelukkig had de bemanning
+van het scheepje zich weten te redden. Maar toch, om denzelfden tijd
+zag men langs den Paillon een brancard zeer langzaam in de richting
+van het hospitaal verdwijnen. Het heeft zich helaas bevestigd, dat
+een matroos er zeer slecht aan toe is.
+
+Nogmaals moest nu de laatste wedkamp worden uitgesteld; maar--toen
+hij Donderdag den 27sten plaats had, toen waren de oogen van inwoners
+en vreemdelingen vrij wat minder naar zee dan naar de landzij gekeerd.
+
+Geen wonder: Op de Promenade des Anglais--den rijweg naast
+het wandelpad aan zee--daar zou de "Bataille des Fleurs" worden
+gehouden.--Had reeds de Carême zijn fête des fleurs gehad, de Mi-Carême
+moest die evenzeer hebben.
+
+En dat was aardig, smaakvol, allerliefst!
+
+Op dien breeden rijweg met zijn palmen en oleanders langs de zee was
+het een onafzienbare reeks van open rijtuigen, vele op het kwistigst
+met groen en bloemen versierd, die elkander stapvoets voorbijreden.
+
+Het aantal bouquetten, veelal aan de zijden of ook geheel rondom
+de landauers en calêches tentoongesteld, maar voor 't meerendeel
+binnen die rijtuigen in langwerpige manden opeengehoopt, is niet
+te bepalen. Prachtig was de versiering van sommige equipages, die,
+aan de voornaamste villa-bewoners toebehoorden, of ook van die,
+waarin slechts enkele "dames" waren gezeten.
+
+Wij zagen een landauer, die behalve de wielen geheel onder groen en
+bloemen was verscholen. Verbeeld u, dat de tuigen van sommige paarden
+geheel in een bloementuig waren herschapen, en dat o.a. de reepen
+(of lederen treklijnen) uit een vaste aaneenschakeling van fonkelend
+roode camelia's bestonden.
+
+Welk een weelde van bloemen! In Maart!
+
+En de bataille?--Bij 't zien van vrienden of bekenden werpt men
+elkander in 't voorbijrijden om strijd zijn ruikers toe, en ook de
+onbekenden worden niet altijd vergeten.
+
+Wie den rijksten oogst hebben, dat zijn misschien wel de arme stakkers,
+die telkens toeschieten om de geurige projectielen, welke hun doel
+hebben gemist, soms niet zonder eigen gevaar, voor een verpletteren
+onder hoeven of wielen te bewaren.
+
+O! als er eens geen andere batailles dan zulke batailles werden
+geleverd!
+
+En--zou er zulk een, in ons lieve--des zomers zoo bloemrijke Nederland,
+niet op haar plaats zijn!?
+
+"Nice leeft van feesten!" zei mij een inwoner. "In den zomer hebben we
+zelfs la Fête des Boîteux et Bossus! 't Is zeer eigenaardig. Al wat
+maar op den naam van gebrekkig kan aanspraak maken, trekt dan naar
+de bekende Promenade en vertoont zich aan hun--op dezen dag vrij wat
+minder interessante natuurgenooten."
+
+Maar hiermee eindig ik niet.
+
+Weet ge wie de voornaamste, zoo niet de eenige grootheid van Nice
+op kunstgebied is geweest? Het was de kunstschilder Carel Van Loo
+(Carle Vanloo), de zoon van een Nederlandsch timmerman.
+
+En--was het niet aardig, dat bij die Régates toch de allereerste
+prijs voor stoombootvaart werd behaald door een Parijzenaar, wiens
+naam wel duidelijk den Nederlander verraadt, Monsieur d'Outhoorn!
+
+En dan,--het doet het vaderlandsch hart zoo goed, ook hier steeds
+weder de werken van onze eenige oud-Hollandsche schilderschool te
+zien en te hooren bewonderen.
+
+--Noblesse oblige!
+
+Maar ook, hier--in het land der bloemen, leeft Holland met eere: In
+de breede Avenue de la Gare--de lange hoofdstraat van Nice,--is een
+groote bloemisterij, en voor de vitrines zag ik prachtige Azalea's,
+met de namen in top: Eugène Mazel, François De Vos, Le roi d'Hollande.
+
+
+
+
+
+MONTE-CARLO.
+
+
+"Cet enfer de Monaco!" dat waren de woorden, die ik van een
+teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen
+van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger
+wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een "hel"
+gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij--volgens dat
+geloof--wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan.
+
+Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol
+geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van
+licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook,
+sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk
+kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen,
+in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet
+zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal.
+
+
+
+Men noemt oneigenlijk den naam van het stadje Monaco, als men van de
+plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een
+kwartier verder westwaarts is gelegen.
+
+Monte-Carlo! Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee!
+
+Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der
+rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede
+glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado
+voeren.
+
+Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond.
+
+In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht
+der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in 't groen,
+Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk
+schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden
+golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken.
+
+Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die
+groote--die "blauwe zee!" blauw tot den horizon toe.
+
+En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas'
+boorden hier 't allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oud
+Grieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon,
+hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door
+de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus
+Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van
+de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins
+lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan--schrikt ge, want
+ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor!
+
+"Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons."
+
+"Ei, is dat de Tir aux pigeons!" Uit zekeren hemel was ik alreeds in
+een soort van hel gevallen.
+
+Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, 't welk ooit werd
+uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas
+door zoovelen zonder zelfverachting genoten.
+
+Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, 't symbool der
+zoetste liefde? Welnu, tweemaal 's weeks worden een aantal van die
+bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit
+hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke
+gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt.
+
+De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar
+uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te
+ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan
+dat knellende en martelende dak.
+
+Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn
+krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen,
+en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De
+arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen,
+vallen! welk een voldoening!
+
+Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of
+ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi
+terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen
+later nogmaals aan dat "vermakelijke spel" te kunnen overleveren. In
+het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer
+te zien fladderen,--telkens weer zich verheffende, om het allengskens
+afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee--die zich straks
+over de arme ontfermen zal.
+
+Men zegt dat ook vrouwen....
+
+"Kom mee; we moeten verder!"
+
+
+
+Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras
+den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan
+de zeezijde--met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch
+de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras,
+met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig
+begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste
+plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten.
+
+Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussen
+met haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een
+menschenhoofd, reusachtige aloë's, hier en ginder bloeiende met een
+stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in 't rond,
+purperroode camelia's, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen,
+die hier voor geen wintermaand wijken.--En dan, langs die bosschages,
+zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk
+ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van
+ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen,
+tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het
+witte zeil van een schip in de verte.
+
+O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang
+verloor haar lokstem nog niet.
+
+Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte,
+grootendeels kunstmatig, in 't aanzijn riep, toen heeft men wel
+degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer
+toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs
+niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.--Reeds bevindt
+ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino.
+
+Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te
+Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.--Recht
+voor u uit--over de geheele breedte van het gebouw--bevindt zich de
+bal- en concertzaal, waar des middags en 's avonds een uitmuntend en
+sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het
+plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier
+reusachtige, vergulde vrouwenbeelden--de priesteressen van een "gouden"
+vrede--wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst
+verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven
+de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal,
+die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op 't kwistigst
+is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers,
+zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer
+gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet.
+
+Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden
+zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal
+nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet.
+
+Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te
+zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis
+aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal
+ter linkerzijde der vestibule.
+
+Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij
+betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest
+dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den
+mensch ten minste nog vrij staat zijn geluk te beproeven!
+
+Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote
+speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op
+Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen.
+
+Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij,
+in 't midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan
+twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere
+stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide
+uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan
+de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets
+minder sterk. Die "ambtenaren" worden van tijd tot tijd door versche
+confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11
+uren staat de affaire geen oogenblik stil.
+
+En--tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen
+en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers,
+tusschen die dienaren van "la veuve Blanc", zitten mannen en vrouwen
+van allerlei stand en leeftijd,--men zou zeggen "op 't eendrachtigst
+saamverbonden" neer.
+
+De Prince de X zit er naast den nommé Pyr, die als garçon de café
+in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend,
+na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd.
+
+Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde
+matrone met elf ringen aan vijf vingers.
+
+Inzonderheid om de tafels waaraan een speler--bij uitzondering--zeer
+"en veine" is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden
+verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een
+onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan
+gene tafel beproeft.
+
+Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven
+slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang
+van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: "Tiens,
+comme ce grand est en veine!" mijn oor.
+
+'t Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte,
+met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde
+boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden
+mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren
+zegelring.--Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder
+der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs [19] werden
+door hem op "rood" gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd
+franc fladderden er naast.
+
+Het balletje der roulette vloog in 't rond.
+
+Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd!
+
+"Treize; noir, impaire; passe!" riep de croupier, terwijl hij schier
+terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud
+en zilver van zoovelen, die den man "en veine" op "rood" waren gevolgd.
+
+Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst
+eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blanke wimpers naar
+omlaag,--prikkende in het speelkaartje--zijn kans te berekenen zat. Als
+hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud!
+
+Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje
+goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad,
+blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en
+gedurig schuw in 't rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna
+zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje,
+dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd
+oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot
+bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe
+das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen;
+Yes darling twenty-four, and black!"
+
+Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde
+bedoelt.... dat weet ik niet.
+
+Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven
+in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich
+van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel.
+
+Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu
+mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; 't is geen landgenoot, maar te Nice
+heeft hij zijne kamer naast de onze.
+
+Ja, 't is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam
+beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had
+fortuin; maar--het bekoorlijke vrouwtje--la gentille Alice B....--die
+hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen
+op den corridor ontmoet met oogen van 't schreien rood.
+
+"Ah c'est lui qui l'a fait!" had men ons gezegd: "Il perd tout son
+argent! la pauvre belle femme!"
+
+En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met
+de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem
+van de haren dropen--ofschoon zijn uiterlijk voor 't overige zeer kalm
+schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene
+portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.--Hij opent een
+portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik
+het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk
+wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden.
+
+Hij zet op 20--l'age d'Alice!
+
+Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd
+francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere
+gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in
+'t einde het straks teruggehouden goudstuk op "rood" zet.
+
+"Vingt; noir, pair, passe!" roept de croupier.
+
+Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij
+ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de
+stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.--'t Wordt er hem te
+benauwd.--"Permettez!" zegt hij opstaande, en als hij achter de massa
+verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht
+en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert,
+den verlaten stoel reeds in bezit genomen.
+
+Een zonderling gedruisch wordt op 't onverwachts in de zaal gehoord. De
+menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt
+eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt
+alras luider.
+
+Wat is er gebeurd? Men weet het niet.
+
+De bankdirectie wil het niet weten. Een schandaal moet á tout prix
+vermeden worden.--'t Is hier alles digne, hoogst fatsoenlijk!--La
+banque, c'est la paix!
+
+De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand
+van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk
+gesteld. 't Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt
+zal zich vergist hebben.
+
+"Messieurs faites votre jeu!"
+
+Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt,
+en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van
+een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief,
+die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich
+al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen
+"vriend"--een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, is
+le nommé Pyr, garçon de café van Florence, en--'t werd reeds vroeger
+gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien
+om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de
+lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven.
+
+Maar de man met den gevierden naam?
+
+Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds
+vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna
+armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van
+Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen
+wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van
+lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds
+scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd,
+dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen.
+
+De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de
+jukbeenderen heeft, zegt kuchende: "Ich spiele im Nachtdunkel."
+
+De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die
+uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge
+zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag.
+
+De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas
+boven die speeltafels brandt, maar--le maître d'hôtel connait son
+monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de
+vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen
+gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar
+schatten plotseling in 't duister te zien gehuld.
+
+En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen
+plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlo
+stroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de
+richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van
+Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men
+in de speelzaal een goudstroom verwachten.
+
+Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft
+zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet.
+
+Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt
+dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf
+uren twaalf minuten vertrekt.
+
+Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man
+zich naar buiten. 't Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares
+van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.--Ja, die oude
+vrouw zal helpen;--Nu zijn vermogen het hare is geworden, nu zal zij
+den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren!
+
+Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen
+zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een
+bergstroom doorwaadt.
+
+Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw.
+
+De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal
+hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?....
+
+Wie is zij? Wie was haar man!?
+
+Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal
+te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van
+daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige
+jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig
+millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking
+van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had.
+
+Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en
+godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die
+millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt!
+
+Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote
+zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen
+en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende
+storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en
+cypressen de schrille kreten wekt:
+
+"Wij lieten ons goud ook in uwe zalen en stortten ons bloed ook naast
+uwe bloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!"
+
+En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?--Neen, duizendwerf
+neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten,
+dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt.
+
+Maar hij zelf, hij heeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote
+God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst
+van zijne jonge vrouw, en--van hun kind, nog ongeboren!
+
+Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht.
+
+Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten
+van de reizigers der eerste klasse gezien.
+
+Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis
+in den morgen in 't Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de
+terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden
+kastanjes gebruikt--naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van
+het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft
+getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt
+en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment
+"un vrai Paillon" gelijkt.
+
+Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man
+getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt
+het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in
+woeste vaart.
+
+Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel
+van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem,
+of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten
+en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht.
+
+En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de
+lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den
+stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg,
+heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat
+een traan haar oogen geheel heeft verduisterd.
+
+Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein
+van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfer van zijn Alice zou
+hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij!
+
+En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en
+storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren--waarmee hij
+gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.--Misschien is er
+een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij
+Villefranche is men met herstellingen bezig en 't gebeurt wel eens, dat
+de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard
+"en veine" en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.--O! indien
+hij eens alles had teruggewonnen!
+
+--Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft
+hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want,
+ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles, ALLES verliezen
+zou.--O God,.... als die tunnel eens ingestort was!
+
+Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der
+arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet
+naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht
+en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel.
+
+O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de
+veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water,
+neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de
+kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier
+overluid, sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard!
+
+In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule,
+'t Is bij halftwaalf.--O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen,
+ze moet kalm zijn.--Die laatste dagen van spanning hebben haar
+angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht
+den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die
+vrees voor tunnels en levensgevaar, 't was overdreven.--'t Is immers
+nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks
+kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten,
+en dan,--wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar
+met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze
+hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het
+hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en
+hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben
+elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die
+ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en
+werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling
+schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen,
+en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel
+droevig heeft geschreid.
+
+--Ja, ja, zoo zal ze spreken,--of neen, aan dat schreien zal ze
+hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten,
+een gansch afgesloten verleden worden. Van de toekomst alleen zal ze
+hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart;
+van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde.
+
+--Hoor! daar klinkt een voetstap.--O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou
+ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken.
+
+--Maar, hij is het niet.--De laatste trein kan ook nauwelijks
+aanwezen.--Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.--Indien het
+niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.--In den
+nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den
+portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te
+zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als
+het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als
+zij wat onrustig wordt.
+
+--Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar
+lieven man ontmoeten, om hem een zoen--zoo'n innigen zoen te geven en
+hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij "het beste" nog niet verloor.
+
+Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en
+luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van
+den regen tegen de ruiten.
+
+--O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,--zij wil zich
+verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, 't welk ze in den namiddag
+begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan
+'t eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden
+gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze
+Gérard. Ze hoort een schot....
+
+En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante
+kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw,
+turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk
+visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of
+de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet.
+
+Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting
+naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men
+haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven;
+immers wat deert het haar; zij wacht haar man!
+
+En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een
+leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt
+de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht
+van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang--zijn figuur. Ja,
+hij draagt een lagen hoed.--Zie hij nadert.--Ondanks den plassenden
+regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk:
+een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: "Trop tard
+petite; ma femme m'attend."
+
+"O, Sainte Vierge!" krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar
+donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop
+nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel
+zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort
+en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig,
+geheel en al ledig is.
+
+
+
+Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo,
+die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds
+allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een
+der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk
+plantsoen, 't welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een
+wijle in 't verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden
+stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht
+op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad
+aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.--Maar
+dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. 't Was immers zijn doel,
+zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en
+het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen
+heeft zij hem gesmeekt--gebeden, om niet voort te gaan op dien weg.
+
+Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig
+het bloed door de aderen gejaagd. "Terugwinnen!" is de lokstem geworden
+van den satan--die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst
+bleef toonen.
+
+O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen
+in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van
+wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!--Ja zonder hem zal
+zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken;
+en--verlost van den "speler" zullen bloedverwanten en vrienden haar
+met liefde omringen!
+
+De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken
+nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der
+hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van
+den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken,
+wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade,
+aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar
+zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk
+de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl
+nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de
+onderste treden klotst.
+
+Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen
+muur.--Dat is de doodskou!--Hij huivert. De klokken van Nice
+verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van
+dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen.
+
+Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen,
+toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in 't wit satijn
+en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde
+zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de
+reinste diamant........
+
+--Haar diamanten!--Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de
+kleinoodien, die Alice bezit.--O God, dat was de duivel!--De vonken
+en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in
+'t bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het
+goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!--rijk worden,
+'t is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde--een onmogelijkheid!
+
+Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een
+vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem
+benauwen de borst. En de klokken van "Nizza la bella" brommen in dien
+donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd
+giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem
+weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan.
+
+
+
+In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen
+van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar
+rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens
+gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere
+bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar
+men vermoedde--zoo schreef men--moest de ongelukkige een nieuw
+slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas
+voorgoed naar 't scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche
+Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht
+achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van
+zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van
+het vorige jaar een twaalftal [20] te vermelden had, constateerde men
+den volgenden dag niet slechts het droevige feit, dat de speeltafel
+een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat,
+de ongelukkige zijn zeer aanzienlijk vermogen tot den laatsten franc
+toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid,
+maar ook in bitteren nood had achtergelaten.
+
+En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het
+trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de
+arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige
+tranen heeft geschreid.
+
+"O God!" roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze
+zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man
+werpt. "O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat,
+mijn leven!"
+
+En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst.
+
+Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar
+getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar
+teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en
+arm. Maar zij--"Neen, neen" vleit ze op den zoetsten toon der liefde;
+"Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen
+in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven
+voor mij!--O God! die arme vrouw!" en met een blik naar het vallende
+nieuwsblad herhaalde zij: "Die arme, arme vrouw!"
+
+
+
+En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die,
+ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze
+traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man
+zich schaamde omdat--ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de
+terugreis naar 't Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de
+diamanten zijner Alice hadden opgebracht.
+
+Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij
+zeggen: "wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn
+vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen
+arbeiden en keeren voor eeuwig den rug----à cet enfer de Monaco!"
+
+
+
+
+
+FABRIEKSKINDEREN.
+
+Een bede, maar niet om geld.
+
+
+'t Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud
+Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen.
+
+Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd
+met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar,
+de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in
+de holle straten en ginds langs de sombere grachten.
+
+Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste
+en slaapt.
+
+Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en
+ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad,
+zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte
+sluimering, en 't schijnt u toe als droomde zij van haar alouden
+roem,--evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen,
+die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de
+grootheid harer afkomst.
+
+Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering
+zij--telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs
+in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij 't zou willen.
+
+De arme is krank!
+
+Ja, 't hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart
+klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer
+jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd
+terneder ligt.
+
+Luister:
+
+Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten;
+in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde
+die hare krachten verteert, en wellicht in 't einde haar voert tot
+de slooping van haar glorierijk bestaan.
+
+Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan 's vaders
+borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeek hem dat hij,
+voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende
+met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet.
+
+
+
+Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort
+ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte,
+die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt?
+
+En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar
+ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers--men
+heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan
+den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige
+redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten
+toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans
+van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn, ontzettend eenvoudig.
+
+
+
+'t Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege
+morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de
+Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten
+der stad.
+
+Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands,
+een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle
+eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk,
+en streden voor recht en voor vrijheid.
+
+Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen
+zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den
+eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds
+kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar
+nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor 't
+meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam
+gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe
+er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt
+dan weleer, en--maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend!
+
+In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de
+voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet
+de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig
+schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de
+geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft
+onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het
+zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft
+klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten,
+eenige beweging. 't Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een
+nijdig: "Snork toch zoo niet!" geeft zij den man aan hare zijde een
+stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle
+verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte.
+
+"Zes!" bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden,
+stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later
+op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee.
+
+Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren,
+benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In
+de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden,
+waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg
+er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig
+lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood.
+
+"Toe kinders, er uit!" roept de moeder met schrille stem het slapende
+drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen,
+dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam
+ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder
+op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die
+taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af,
+die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek
+der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het
+hoofd op de knieën.
+
+Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. 't Is Sander,
+het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee
+getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes
+op den killen vloer.
+
+"Stil Sander, als vader het hoort!" vermaant de moeder, en als zij
+nu hém en ook haar oudste--die inmiddels zijn bed heeft verlaten,
+de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het
+weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt
+het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed.
+
+Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven,
+dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder;
+en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze
+tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje.
+
+Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om
+het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in
+de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in
+een diepe rust.
+
+"'t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!" mompelt de
+moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij
+hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan
+straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den
+mond, en ziet er met angstigen blik naar de zij van haar bedstee,
+want--ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek:
+"Hé--mondhouwen. Zeg!"
+
+
+
+Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen
+in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt.
+
+De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij
+kent ze wel. 't Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen
+timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren--zooals hij
+zich uitdrukt--bang voor springende knokkels is geworden, en daarom
+zijn handen maar in de broekzakken houdt.
+
+Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich
+voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: "Kom maar,
+'t is warm daarginder."
+
+Sander kan 't niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die
+stoep, en--met het handje, waarin nog de kruimels van den straks
+gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij
+zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hij wil niet
+verder--weet je, hij wil niet!
+
+En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar
+gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig
+vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en
+sterker in 't hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is
+'t erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze
+eerder in de warmte komt.
+
+Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander,
+dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan.
+
+Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk
+gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft
+voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten,
+gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde,
+niet anders dan slapen.
+
+"Leelijke rakker!" schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen
+hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen,
+wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden
+voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden!
+
+
+
+En waarheen zal het nu?
+
+Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij
+wenkt uit de verte.
+
+En daar--gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen
+werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden.
+
+Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht
+en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen--stil,
+wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar?
+
+Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars
+een vuur van bedwelmende hitte.
+
+Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden
+en spieren.
+
+Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en--wanneer hij ze heft,
+dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn
+voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders;
+dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn
+stem als met dondrenden klank: "Voort raderen, voort! Schept haastig
+uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend
+dekkleed!" En--'t snort en het dreunt en 't bonst er nog sterker;
+en altijd klinkt nog die stem:
+
+"Voort raderen, voort!"
+
+
+
+Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is
+zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende
+naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte
+stoom-wolspinnerij.
+
+Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten,
+moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer.
+
+Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den
+aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den
+naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt
+gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die
+gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet
+gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen
+doortocht van weerszijden bedreigen, en--let op den grond, dat uw
+voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf
+in beweging brengt. Die schijf, 't is het hoofdrad der trommel van
+den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en
+platte vlokken te voorschijn brengt.
+
+En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de
+vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren
+binnenste, en vallen laat in donzige plokken.
+
+En die plokken of rolletjes wol,--zoolang als een arm, zoo dun als een
+pink, en zoo licht als een veder--wáár of ze blijven? Zie, vele losse
+raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen
+daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn
+versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur,
+negen duizendmalen op den langen dag.
+
+Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan
+de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen.
+
+Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine
+menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen,
+zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets
+van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken
+als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat
+het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes,
+die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de
+dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij
+zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van
+gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u,
+zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen
+dag, voortgejaagd door den werkman die--grootsch als zijn oorsprong,
+doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult:
+
+"Voort, raderen, voort!"
+
+
+
+Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine
+raders--want gij gevoelt wel dat het raderen zijn,--toch ziet ge
+klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij--geschapen tot redelijke wezens,
+nog met het kleed der menschen zijn bedekt.
+
+Immers, in 't midden van die bontvale rij--het helderst door een der
+gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte,
+het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk
+snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug,
+nu ge haar droevig figuurtje in 't volle licht te beter kunt zien.
+
+Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in
+dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op 't zachte kussen te
+droomen ligt en zoo oud is als zij.
+
+Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje,
+met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt
+den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan
+hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes--wat
+zeg ik, een kind--van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens
+werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde
+van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de
+handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen
+tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg
+valsch en gemeen!
+
+En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap
+er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn
+geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne
+handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen,
+altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en
+zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde
+som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft- of laveitijd nabij;
+dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan
+niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote
+machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend
+laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze
+moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer
+aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want,
+de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer
+vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt;
+wel honderd in ééne minuut.
+
+Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder
+gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot
+tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor
+zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien
+kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme
+kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer--waarvan de wetenschap leert
+dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef
+en zoo krakend van kalk of van krijtstof--naar binnen te slokken.
+
+Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog
+anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem
+aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd:
+dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem
+anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme
+Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft:
+Te tellen, dát heeft hij geleerd, te deelen nog niet.
+
+En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor 't grootste deel de
+meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap
+en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet
+hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij
+de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te
+zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd
+werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede
+ijzer.--En 't was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige
+haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers;
+en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes,
+die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor 't meerendeel
+haar oude gezichtjes in lachende plooien.
+
+Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene
+kinders! Hoe--kinderen? Neen! 't was toch voorzeker een optisch bedrog;
+want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem
+en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman:
+
+"Voort raderen, voort!"
+
+
+
+Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel.
+
+Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime
+voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het
+vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht.
+
+Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. 't
+Is er vroeg dag in zoo'n huis. Hij, de jonge bewoner der beide
+boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche
+academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met
+Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende
+en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien
+worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder
+dat hij er iets van bemerkte.
+
+Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te
+krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in
+den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een
+kussen onder 't hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen
+had best gezorgd; maar--op z'n eigen kast, in z'n eigen bed, daar
+zou 't nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert
+wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur.
+
+Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde
+intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den
+melkboer. Omstreeks aan 't einde van een smalle straat gekomen, die
+hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge
+vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje
+rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand
+van een lage stoep.
+
+Wat waren zijn wangen koud!--Was hij dood? Neen, zijn ademhaling
+ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem
+meenemen!? Waarachtig! Zoo'n arme drommel!
+
+Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een
+onbevangen edelaardig gemoed. 't Was niet het gevolg der berekening,
+omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat
+was het eerste, en 't bleef zoo.
+
+Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche
+bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel
+zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în 't wapen telt,
+maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort,
+of hij smijt u naar 't hoofd dat ge de klaplooper zijt.
+
+Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den
+melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen
+student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan 't zich ter wereld
+niet begrijpen, hoe mijnheer zoo'n vuil schandaal van de straat mee
+naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes,
+weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo'n smerig sezjet in
+mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in
+huis heeft gebracht.
+
+"Wil j' is kijken?" fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouw
+wenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk--half
+ironisch, half ernstig--een knipoogje geeft.
+
+"Kijken! wát zou ik kijken!" prevelt de juffrouw, terwijl zij met
+krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen
+loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan,
+en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift.
+
+"Hoe vin je dat, hé?"
+
+"Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama
+dat zou vinden?"
+
+"Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met 'en stoep
+tot je kussen?"
+
+"Lieve hemel, ikke!" roept de juffrouw: "Ik ben Goddank 'en
+fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu'k gespuis van afkomstig
+is,"--en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die
+in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,--"van 't repalje
+weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d'r
+eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u
+mijnheer, van zu'k repalje!"
+
+"Zoo, juffrouw Baks."
+
+"Ja van volk, dat z'n eigen vader en moeder voor 'en glas jenever
+aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer,
+als je van 'en ouwer mensch 'en goeje raad wilt aannemen: pas op
+dat je je vingers niet brandt; 't vuilmaken van je eigen boel en 't
+gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd
+en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak
+buiten je boekje. Als we t' avond of morgen zoo'n zuiplap in de deur
+krijgen, die mijn of m'n man 'en maling schopt, omdat we z'n kind van
+'t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman
+blijft baas over z'n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama...."
+
+"Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!"
+
+Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op.
+
+"Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?"
+
+"Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks."
+
+Guns watte oogen!
+
+"Koffie- of theewater mijnheer?"
+
+"Chocolade-water, juffrouw Baks."
+
+Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt,
+dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo'n vuil opraapsel 'en fatsoenlik
+mensch nog te schandalizeeren ook.--Weet je, ze zou wel.... maar,
+d'r kamers, en 't lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!
+
+En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één
+der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo
+rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener.
+
+Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog
+een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu--zijn
+slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de
+waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkige perceeltje op zijn kamer
+had, toen is 't hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. 't
+Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig
+boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes
+heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och,
+en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van 't lijf getrokken;
+heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om
+de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed
+te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op
+tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo'n arme drommel!
+
+'t Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van 't ventje
+met de tang in de kachel wierp.
+
+Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand
+gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven
+als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk:
+Als je zoo'n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook
+van geweld; maar 't is heel gauw gedaan; 't heeft niets te beduiden.
+
+Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst
+tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt
+hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten
+het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden
+blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is.
+
+Een angstig geween roept eensklaps den jonker.
+
+Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt
+het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in
+het kussen.
+
+"Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!" zegt Willem met zijn
+vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen:
+"Zeg, lust je een boterham?"
+
+Dat laatste woord werkt machtig.--Een boterham? Ja, ja, die lust
+hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den
+vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt
+een nauwelijks hoorbaar ja hem van de lippen.
+
+Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw
+met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen;
+wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van 't bed, hem dwong
+de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer
+dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de
+mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van
+de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo
+wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de
+canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes
+en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke
+en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om
+de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer
+zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt;
+zij zou.... Doch genoeg, de zoon denkt het allerminst om zich zelf;
+hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker
+één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens
+verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den
+vloek, dat hun lichaam--niet een tempel, maar een ellendige kerker
+zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal,
+die sprank der Godheid zelve.
+
+Nu Willem zoo'n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem
+onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake
+was van hun rampzaligen toestand.
+
+Maar, zoo zijn de menschen, ze moeten zien om te gevoelen; ze lezen
+in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen,
+en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, 't heet dan
+verschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach
+hun mond, want daarnevens--in het nieuwsblad, worden zij vergast
+op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij,
+WIJ menschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten;
+maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre.
+
+Ei zie dan, en luister nog even. 't Zal nu zoo akelig niet zijn,
+misschien zelfs--om te lachen.
+
+"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het
+jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel
+was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de
+oogen ook aanstonds weer neer.
+
+"Ik? Wel neen!" lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: "Maar--áls
+ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?"
+
+"Ja wel," zegt Sander.
+
+"Waarom?"
+
+"Om ditte!" zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den
+grooten chocolade-kop.
+
+"Hadt je dat nooit geproefd?"
+
+Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! "'k
+Docht eerst dat het mosterd was," zegt hij iets later.
+
+"Mosterd?"
+
+"Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags als we van 't
+febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in
+'t water."
+
+"Niets anders?"
+
+"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek,
+maar da's gallig voor de kinders zeit moeder."
+
+"Beesten!" roept Willem.
+
+Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws
+gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk:
+
+"En hoe heet je vader?"
+
+"Dat weet ik niet," is het antwoord.
+
+"Maar jij, hoe heet jij?"
+
+"Sander Zwarte."
+
+"En wat doet je vader?"
+
+"Hé, hé," grinnikt de jongen, "moeder zeit zuipen."
+
+"Maar wat is hij van zijn ambacht?"
+
+"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord.
+
+"Waar verdient hij zijn centen mee?"
+
+"Dat doen wellui."
+
+"En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?"
+
+"Ikke," zegt het jongske, "ikke ben tien."
+
+Ongelooflijk! zoo'n worm! "Dus moet je zeker in de fabriek
+werken?" vraagt Willem opnieuw.
+
+Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn
+plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner,
+die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de
+moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij:
+
+"Maar 'k had ook zoo'n slaap, en gisteravond toen ik dertien of
+veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou
+kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie."
+
+"Kielhalen!" herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen:
+"kielhalen, wat is dat?"
+
+"Ja, dat weet ik niet," herneemt de jongen, en angstig rondziende, als
+vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: "maar ze zeggen
+dat ie achter z'n bast 'en emmer met water hêt staan; en als nou
+'en slecht kind--zoo zeit ie--z'n luie oogen niet open wil houwen,
+dan douwt ie 'em even met het hoofd in den emmer: ten minste als
+'t opperste menheer van 't febriek d'r niet bij is; maar 't zal niet
+waar wezen; hé zoo koud!"
+
+
+
+Ja koud, ijzig koud; om van te rillen.
+
+
+
+"En ga je ook school?" vraagt Willem weder, na een oogenblik van
+sombere stilte.
+
+Zie--tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar
+staan in de breede en nette boekenkast--slechts weinige achter een
+groene gordijn verscholen--de bronnen en schatkamers van wijsheid en
+wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst;
+daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen
+'s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal:
+des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude
+Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der
+moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die
+wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren
+en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren
+naar de antwoorden van dat kind.
+
+Neen, naar school gaat hij niet.
+
+Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien
+uren moet hij werken--staande werken, op éénen dag.
+
+Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden,
+en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn.
+
+Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien.
+
+Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij 't wel:
+dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: "'en
+dominee's-bedrieger."
+
+Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk.
+
+En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet
+zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen.
+
+En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet.
+
+En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden,
+dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol
+afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging;
+noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte,
+een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne
+leedjes sluit.
+
+Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen
+tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd
+vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels
+verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en
+inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de
+gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp,
+van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende
+toekrijt:
+
+Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn!
+
+Daar is geen vrije wil.
+
+Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar
+bestiert.
+
+Daar is....
+
+
+
+Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast,
+en te gelijk voor dit droevig tafreel.
+
+
+
+Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee
+andere tafreelen.
+
+Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede
+in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster
+breekt door de voortgezweepte wolken.
+
+En dat eerste tafreel?
+
+Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der
+maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver
+dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen,
+een jongeling; gij herkent hem terstond: 't is de wakkere edelman,
+die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der
+menschheid, 't is Willem Van Hogenstad.
+
+Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder
+in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eener te voren niet
+gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste
+verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat.
+
+Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje,
+dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat,
+en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn, waarachtig
+mensch!
+
+'t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het
+schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in 't
+nachtelijk zwart.
+
+Hoort ge daarginder--dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje
+wel. Het kermt om--water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat:
+water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord,
+dan kreunt het: "Dorst, dorst!"
+
+Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij 't niet
+dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge
+smacht en te zwak is om die zelve te krijgen?
+
+Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde
+gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende,
+en--als ze te lui was voor d'r werk, dat ze zich dan, evenals Sander,
+ook maar door zoo'n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere
+rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn,
+als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende
+meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed,
+wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat
+er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk.
+
+Maar nu, nú is 't weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind
+heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van
+Zwartes woning.
+
+En daar slapen de ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen,
+te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind,
+het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als
+verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst
+en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende
+koorts. Zoo'n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts
+te doorstaan.
+
+En--niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand
+ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand
+hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht
+pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend
+... verlost!
+
+En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank:
+Vermoord! vermoord!
+
+
+
+En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad.
+
+Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend
+verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte.
+
+Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper
+niet; hij dringt slechts tot spoed.
+
+Vermoord! Vermoord! buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen,
+ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam.
+
+In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker
+waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door
+ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En
+dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het "niet mooi" hebt
+gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen
+had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten,
+zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13-14-15 uren
+daags moeten werken in een klein bestek, ja--somtijds nog bovendien
+den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen.
+
+En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners
+voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb
+ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de
+verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft
+gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zult zien, en,
+zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker,
+weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend
+kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend
+kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden
+van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan
+niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden
+van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al
+zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo
+ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van
+jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met
+deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave
+rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij
+zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den
+deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe:
+"Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die 't ons belet,
+en haar naam is: Concurrentie!"
+
+Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone
+kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert?
+
+Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren
+die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar
+leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja
+vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie
+zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze
+gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden,
+wie, wie zal MIJ beletten....
+
+Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij 't dan niet hoe de
+Staat--en rechtvaardig,--der arme gevallene, die uit schaamte haar kind
+vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker,
+en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst,
+en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en
+naar lichaam!
+
+Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal,
+ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet!
+
+Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de
+smeekbrief neer voor uwe voeten.
+
+Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar
+redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het
+kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel:
+Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert
+het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die
+arme arme fabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij
+hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal;
+daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren
+per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de
+nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze
+overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder
+ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan?
+
+Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid
+zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik
+vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het
+tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan
+zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een
+uitzondering kunnen zijn; een toekomst voor die armen kan het niet
+worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en
+kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan
+nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft
+elders--ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig
+menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie
+nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen
+haar krachtig verheft.
+
+Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche
+boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de
+hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.--Zij zouden liegen!
+
+Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden
+metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en
+kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken
+indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar
+onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die
+u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt
+in den vollen zin des woords.
+
+Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem
+dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertje vergeten,
+het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij
+het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win-
+of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,--zie--dán verbleekt hij,
+en sluipt hij terug.
+
+Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen,
+om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad,
+zij kermt te luide en roept om hulp.
+
+Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne
+kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen
+bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij
+gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen
+uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een
+stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt--niet
+tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij
+der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd;
+en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder--en nu zonder
+geld--naar ziel en lichaam gered en WAARLIJK HEBT LIEFGEHAD.
+
+
+
+
+
+EEN WOORD AAN MIJN LANDGENOOTEN. [21]
+
+
+'t Was een prachtige zomeravond.
+
+Aan 't eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den
+wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder
+het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande.
+
+"Gij moet mij helpen," sprak hij met warmte.
+
+Ik zag hem vragend aan.--Wij hadden over den toestand van het
+ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers
+zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland.
+
+"Zou ik u helpen? Ik?"
+
+"Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de
+werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten
+uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme
+wezens de handen inéén te slaan.
+
+Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over
+den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? 't Was mij alsof
+ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond,
+en men 't verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan.
+
+Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet.
+
+Hij begreep dat zwijgen.
+
+"Je hebt kinderen, nietwaar?" hernam hij ernstig: "welnu, ga dan
+de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug,
+en--schrijf."
+
+De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.--Ik
+drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond
+gesloten.
+
+En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen
+hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste--ach, hij
+wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk--toen hij daar verhalen
+moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen
+noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een
+enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer,
+die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden
+arbeid van 12-15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij 't wel
+wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel
+[22], van Le Poole [23] en anderen, en de uitkomst moest leeren of de
+eenvoudige vertelling [24] inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen
+in de schaal der menschelijkheid.
+
+
+
+Landgenooten! 't Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is.
+
+In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast
+werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende
+in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm
+had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der
+commissie gekozen te zien.
+
+
+
+Zeven jaren zijn voorbijgegaan. Zeven!
+
+Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord?
+
+Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek,
+omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke
+taak?--Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien
+slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie
+mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier
+maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig
+onderzoek gunde.
+
+Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken
+klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd
+heeft gebloed bij 't bedenken: En terwijl men nu past en meet en
+weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort,
+en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben.
+
+Nederlanders, 'k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren,
+'t zij uit onwetendheid, 't zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang,
+te midden uwer verontwaardiging klonken, en den "novellendichter"
+wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans
+niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten, de commissie van
+onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken,
+heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht.
+
+Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in
+'t licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over:
+
+"Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij
+andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat
+die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te
+langdurig voortgezetten arbeid."
+
+Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen
+bevestigd zien.
+
+Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van
+het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan
+ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met
+een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft
+die uitspraak, terwijl ze mede 't bewijs is van oprechte trouw,
+de grootste waarde.
+
+"Wij zullen zien!" sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen
+hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste
+onderzoekingen klonk het reeds zachter: "'t Is erger dan ik dacht. Er
+moet wat aan gedaan worden."
+
+En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode
+zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan
+worden.
+
+En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als "de beste
+voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind", en om het
+"de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te
+verzekeren?" Hoort:
+
+Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een
+algemeen verplichtend schoolonderwijs.
+
+Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen:
+niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende
+kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie....
+
+Stil! Weet gij 't niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het
+schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde
+commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken
+brief heeft gevoegd?
+
+"Mijn voorstel," zoo schrijft hij aan den Minister: "moet een geheel
+ander zijn dan U door haar--de commissie--wordt aangeboden. Ik acht,"
+zoo gaat hij wat verder voort: "dat een wet tot algemeen verplicht
+schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande,
+niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond,
+het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden
+slechten toestand te laten zooals hij is. Enz."
+
+ get. A. A. C. De Vries Robbé.
+
+
+Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders,
+landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ
+dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze
+hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener
+zaak, die niet slechts een onderzoek vorderde, maar nu 't allereerst
+beteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande
+werd aan 't licht gebracht.
+
+Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins
+in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien
+wenschelijk zou zijn?
+
+Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6,
+7, 8 en 9 Nov. 1869, der Nieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de
+voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na
+de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen
+dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind,
+inderdaad--maar zeker ter goeder trouw--een voorstel is geweest om
+den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is.
+
+Maar wat dan?--Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls
+niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van
+den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor
+de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan
+men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het
+te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid
+in ons eenig en dierbaar Nederland!?
+
+Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die
+bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden
+om ook de vrijheid te waarborgen van het mishandelde kind.
+
+En spreken moet hij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld
+van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem
+der menschelijkheid te doen klinken?
+
+Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin
+te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regeling
+vreest, zijn onbewezen mogelijkheden!
+
+Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij
+door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook
+nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere,
+het volmaakte niet aanstonds bereiken zal?
+
+
+
+Wat wij dan willen?
+
+Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van
+den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan
+verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen
+wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen
+blijken te zijn. [25]
+
+Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie--'t zij
+dan moedwillig of uit gewoonte en sleur--menschenlevens verwoest,
+en alzoo werkelijk "verrotting brengt in den Staat."
+
+Wij willen dat er een wet kome:
+
+omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer
+noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het
+kind en met straf bedreigt wie "zijn bestaan in gevaar brengt"; [26]
+
+omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor
+de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zij niet
+te veel wil, doch wat ze gebiedt met gestrengheid zal handhaven.
+
+Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil,
+wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo
+noodige handjes aanvullen, wie....!?
+
+Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich de IJzeren-baan om
+'t verval langs den straatweg!--En immers, wanneer een machine naait
+of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende
+raderen kunnen vervangen.
+
+En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun
+niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen
+stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de
+zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er
+van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd
+houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in 't eind nog
+beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in
+'t leven riep.
+
+
+
+Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal,
+heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer
+Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op
+de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen: Eerst
+moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken.
+
+Nu zult gij 't weten waarom ik u schrijf.
+
+Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, 't is omdat ik
+wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne;
+dat gij tot den Koning een adres zult richten 't zij in den volgenden
+of in een beteren vorm:
+
+
+ Sire!
+
+ "Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is
+ gebleken slecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te
+ langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit
+ met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen
+ met Uwer Majesteits regeering een wet in 't leven te roepen,
+ die het arme fabriekskind tegen een onredelijke exploitatie
+ beschermen, en het zoo mogelijk de gelegenheid tot een
+ behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal.
+
+ Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz.
+
+
+Ik weet het, Landgenooten, waar 't een werk der liefde geldt, en mede
+in 't waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij
+niet achterblijven.
+
+En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen
+zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk
+voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen
+die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de
+sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche
+industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien
+wij te zamen mochten vlechten.
+
+God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal!
+
+
+
+Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond,
+toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende
+graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het
+woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderen zien die in de
+fabrieken arbeiden. Ga ze zien!
+
+En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote
+machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze,
+en roepen om hulp.
+
+Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord: De openbare meening
+moet zich krachtiger uitspreken.
+
+Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind;
+het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om
+zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die
+arme gemartelde natuurgenootjes.
+
+
+
+
+
+OPENBARE BRIEF AAN ZIJNE EXCELLENTIE DEN
+MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.
+
+1870.
+
+ Ick bidde U Indien Gij heden geen
+ gelegenen Tijt hebt om desen Epistel
+ te lesen, doet het Morgen; maer by
+ Uwe veele drockten, vergeet denselven
+ niet.
+
+ Excellentie!
+
+
+In de hoop dat dit schrijven in 't belang der arme fabriekskinderen
+mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie,
+Minister van Binnenlandsche Zaken!
+
+Ik doe het met vertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter
+harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester,
+[27] tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige
+Rapport der "Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen
+arbeidende in de fabrieken".
+
+
+
+Excellentie! 't Is U bekend: in 't jaar 1863 ontving de genoemde
+Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat.
+
+Zij arbeidde zeven jaren.
+
+Eindelijk ziet haar uitspraak het licht.
+
+En zij constateert dat.... zwart zwart is.
+
+Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere
+meening--volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit
+haar ingediend Rapport--heeft zij een voorstel van wet gedaan, en
+wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegen een onredelijke
+exploitatie te beschermen, door eene wet tot Algemeen Verplicht
+Schoolonderwijs.
+
+De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven
+hiertegen protest aan, met de woorden
+
+"Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in
+strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot
+stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie,
+zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten
+zooals zij is."
+
+Er verloopen vele dagen.--De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er
+gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al
+vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden.
+
+En toen?
+
+Men wachtte op U, Excellentie.--Nietwaar: De arme kinderen hadden al
+zooveel jaren gewacht.
+
+Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de
+Sombreff--de volksvertegenwoordiger--vraagt U in 's lands vergaderzaal:
+
+"Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?"
+
+En uw antwoord klinkt:
+
+"De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken."
+
+
+
+Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin
+te verklaren:
+
+Volgens mijne opvatting verstaat men door de openbare meening:
+Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met
+zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.--Neen, zij is
+geen: "op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde,
+overtuiging". En bovendien, zou dan Uwe Exc., na 't ontvangen van het
+Rapport der Commissie, dat Rapport--inderdaad niet zonder cijfers--als
+van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een
+meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers
+gestaafde overtuiging te vragen aan--de openbare meening!
+
+Genoeg, Gij hebt de Volksstem willen hooren.--"Mannen van energie,"
+zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: "zijn de Staatslieden,
+die acht weten te geven op de publieke opinie".
+
+
+
+Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers
+zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen,
+na het "hooren en wederhooren" der Commissie en haren president; maar
+tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten
+toegeroepen:
+
+"Nederlanders, hoort ge 't wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger
+spreken zult."
+
+
+
+En de openbare meening heeft zich verklaard.
+
+En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme
+Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen
+geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en--die
+kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden.
+
+
+
+Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig
+vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking?
+
+'t Is zeer waarschijnlijk!--Maar ik herinner U, dat men met het
+bedoelde kwaad, over 't algemeen slechts in fabriekplaatsen, en
+dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U,
+dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt;
+maar tevens en vooral:
+
+Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit
+andere streken van ons Vaderland--die zelfs met hunne firma's op de
+adressen aan den Koning prijken--een overwegende beteekenis hebben;
+dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de
+geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans
+voor deze namen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen,
+die--wel zeker gaarne in 't belang van arme kindertjes dat stuk aan
+den Koning zouden teekenen, wanneer men 't hun maar voorleggen wilde,
+doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: "En wat is nu
+eigenlijk de zaak?" of, tastende in den zak: "En, hoeveel kost dat nu?"
+
+
+
+Excellentie, de volksgeest wil verbetering van 't lot der
+fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er
+is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de
+vraag: Vindt gij 't waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven
+hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven?
+
+Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die 't feit dulden, ze
+zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen
+gaarne,--misschien meer dan goed is--maar spreekt men van de
+ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een
+werkkracht. Van een werkkracht. 't Is niet anders.--Wij hebben 't
+vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet.
+
+Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan.
+
+Men heeft van vele zijden gesproken:
+
+Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen,
+arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen
+een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen
+verplicht schoolonderwijs.
+
+Ten 2de. Reeds voorlang teekenden dertig Leidsche fabrikanten een
+adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet.
+
+Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren.
+
+Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen kon in 't einde
+niet zwijgen.
+
+Ten 5de. Een adres der Twentsche Vereeniging van Handel en Industrie
+kwam U in handen.
+
+Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, 't welk artikels
+wijdde in 't belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine
+getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad
+volmondig erkent, terwijl het zich daarna in vrome wenschen voor de
+toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: "O mochten
+eerlang....!" of: "Wij hopen van harte...!!"
+
+Maar Exc., niet alle Nederlanders--al erkennen allen dat de toestand
+van het fabriekskind verbetering behoeft--wenschen, zooals wij,
+dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet.
+
+Ten 1ste. In 't vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der
+regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid
+moeten zich vrij ontwikkelen en bewegen.
+
+Ten 2de. Het middel--zoo vreest men--zal erger zijn dan de kwaal:
+Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid
+worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten
+aan 't werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien
+wel verdubbeld, en--zooveel te meer ellendigen zullen er zijn.
+
+Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen
+nog grooter worden.
+
+Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door
+onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder
+arbeid worden genoodzaakt.
+
+Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou
+willen volgen, werkt--zoo beweert men--òf slecht òf gebrekkig.
+
+Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zonder
+groote en voor den Staat zeer drukkende lasten, die wet naar behooren
+gestreng kunnen handhaven?
+
+Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden
+voorbijgezien.
+
+Mag ik--zoo kort mogelijk--een antwoord geven?
+
+Ten 1ste. Geen inmenging der regeering.--De grootste voorstander van
+den vrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld
+klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan, [28] dat
+juist in 't belang van Volk en Nijverheid, de wetgever moet ingrijpen,
+waar men 't kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze
+exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden.
+
+Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik
+vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dan toch voorzeker
+niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de
+Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch
+weder van het "aan banden leggen der vrije Industrie" mocht sprake
+zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheid
+hier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden.
+
+Ten 2de. Gesteld dat het getal fabriekskinderen inderdaad werd
+verdubbeld--'t geen niet het geval behoefde te worden--dan nog zou dat
+dubbel getal een minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen
+cijfer uitmaken.
+
+Ten 3de. Men zegt: Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter
+worden. Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste
+fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in
+plaats van 12-16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren
+onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten
+nagegaan, en bevonden heeft: dat de kinderen in 8 uren tijds juist
+hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer
+de uitkomsten elders--zoomede in Engeland--dit eveneens aantoonen,
+dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad
+met schouderophalen begroeten. Immers 't is een gezonde redeneering:
+Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde
+rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het
+ergste geval--aangenomen dat de loonsvermindering plaats had--waarin
+men toch zou kunnen voorzien--dan zal ze slechts tijdelijk en een
+gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste
+onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu
+reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen,
+meedoogenloos op te offeren voor de mogelijke, maar stellig ras
+voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok!
+
+Ten 4de. Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgen is alweder
+een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8-13 jaren, voortaan
+bijvoorbeeld zeven uren per dag zouden werken, en drie uren schoolgaan,
+wanneer ze zóó, tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers
+wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de
+ouders, 't zij in hunne woningen 't zij er buiten, nog een geschikte
+gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen
+geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den
+Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-,
+kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen.
+
+Ten 5de. De Engelsche wet--zoo beweert men--werkt slecht of
+gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk
+zijn. Maar wie beweren durft dat ze slecht werkt, ik vraag het Uwe
+Excellentie: Zou een Engelsch Minister van Binnenlandsche Zaken,
+zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid
+der kinderen die in de mijnen arbeiden--eene wet in den geest van die
+op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde
+bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan.
+
+Of is die man krankzinnig misschien!
+
+Ten 6de. De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd
+worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende
+lastpost zijn.
+
+Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd
+worden.
+
+En de middelen...? Excellentie! indien het geld dan werkelijk een
+bezwaar--ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste
+bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent
+voor 't geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten,
+UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van een andere kinderwet
+er tegenover.
+
+Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eene belastingwet op de vóór-
+of doopnamen in 't leven riep.
+
+Mijne bedoeling is deze:
+
+De eerste vóórnaam zal vrij zijn; doch de tweede met vijf gulden
+belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men
+voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de
+geboorte-aangifte zou moeten voldoen.
+
+Deze belasting--UExc. zal 't gereedelijk toestemmen--ware er eene die
+niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag
+van f 200,000 aan 's Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk
+veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen
+er zeker niet op verminderen zou. 't Ware een luxe-belasting in
+'t belang der armen.
+
+"In 't belang der armen?" vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil
+van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft
+dat de armoede der fabrieksgezinnen--althans in den aanvang bij het
+in werking treden eener wet--grooter zal worden dan zij reeds was.
+
+"In 't belang der armen!?"--UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden:
+
+Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken,
+die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen,
+dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.--Men
+roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen
+philanthropie uitoefenen.
+
+Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer
+men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan
+werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan
+zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat
+onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de
+Staat zijn onderdanen in 't belang van Volk en Nijverheid--gesteld
+dan!--verdiensten ontneemt, dáár moet hij tegemoetkomen. Ja
+zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door 't begeeren van eene
+schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den
+aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van
+'t aantal kinderen, 't welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien
+de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde
+gevolgen der eerste--volgens die sombere beschouwingen--hielp
+verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit,
+dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor
+diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen.
+
+Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,--ofschoon het
+m. i. uitvoerbaar is--niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De
+mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige
+zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze
+Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.--Wat den eisch
+van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling
+van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de
+Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien;
+het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo
+dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven,
+of desgevorderd het lancet in 't zieke vleesch te zetten.... dát is
+de roeping en taak der Nederlandsche Regeering.
+
+Excellentie, de zaak "der gemartelde natuurgenootjes", is er eene van
+het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen
+vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de
+wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde
+beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten,
+en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan 't werk
+te slaan!?
+
+"Vrijheid, vrijheid in Nederland!" roept men ons toe: "Vrijheid
+in ALLES!"--Welzeker! in alles! Loopt dan met revolvers gewapend,
+gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat
+de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander
+instormen als 't u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit
+in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en
+dondert in 't rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid!
+
+Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties.
+
+Immers, 't geldt de vrijheid, de rechten dier arme kinderen.--Ik
+weet dat UExc. het gevoelt: 't Geldt hier het leven van aankomende
+Nederlanders, van toekomstige burgers, 't welk in de fabrieken physiek
+en moreel wordt verwoest.
+
+Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren,
+maar bestrijden--ook in 't belang der Nederlandsche Industrie. De
+volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij
+hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de
+handen aan 't werk slaat, ik bid U, vergeet dan toch de vele stemmen
+onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral
+niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens,
+spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige
+kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland.
+
+Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U.
+
+Met de meeste hoogachting teeken ik mij,
+
+
+ Uwer Excellentie's Dw. Dienaar:
+
+ J. J. Cremer.
+
+
+
+
+
+ En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren
+ later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de
+ fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd.
+
+
+
+
+
+BRIEF VAN JAN STUKADOOR.
+
+METSELAAR.
+
+Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.
+
+
+ Aan den lezer.
+
+
+De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in
+handen kwam, zal het mij--zoo min als de Lezer--ten kwade duiden,
+dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal,
+tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige
+door hem geschrapte woorden--waarin de schrijver niets vreemds had
+gevonden--door mij op hun plaats zijn hersteld.
+
+Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen
+van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog,
+ter harte willen nemen, is de wensch van:
+
+
+ J. J. C.
+
+
+
+
+
+AAN ALLE NEDERLANDSCHE WERKLIEDEN
+
+LEDEN EN GEEN-LEDEN DER INTERNATIONALE.
+
+
+Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van
+eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan
+foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en
+versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen,
+en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat het waar is,
+en ik een hekel aan praatjes heb.
+
+In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe
+hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar,
+vooral als ze--zooals Jan Van End--een vrouw hebben die vijfmaal in
+de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is.
+
+Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen
+gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen--God
+weet of het er bij blijven zal--en, behalve een kanarievogeltje van
+Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen,
+maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme
+moeder van den arme zullen bedeelen.
+
+Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans
+meereken? Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik
+heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank
+gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik
+hem zie, dan komt me het water over't hart; maar ik zeg, neen baas,
+je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond
+het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart
+van binnen als een schoorsteen. Nou, als je van klare zwart wordt, dan
+zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan.
+
+Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn
+woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat
+is mijne vrouw. Als je ze zag--ze zit hier bij me terwijl ik dezen
+brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet
+het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de
+spelling helpen--ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen:
+een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die
+heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.--ik
+wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens,
+je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze
+voor de vierde keer--in de negen jaren een kleintje had, toen was
+Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien
+uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al
+geen gaten!--Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt,
+daar weet je niet van; en ik zeg, als ze van kapitaal spreken: daar
+zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig
+niet: mollig als boter. Als alleman zoo'n vrouw had, dan was er geen
+armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren
+er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het
+alleen over de belasting op de zeep.
+
+Maar alleman kan zoo'n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom
+en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig
+dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat
+je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en
+den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt,
+als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in
+de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Ik zeg in de redelijkheid,
+want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,--anders draai je
+je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van.
+
+Onze kleine Albert was krek een jaar--ik weet het nog, omdat de
+vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele
+ekstra--toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet,
+want hij zei den heelen tijd zoo'n Fransch woord. Nou ken ik het;
+'t was de Internationale.--Meester heeft het me voorgespeld. Als ik
+daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten--dat
+waren met permissie zijn eigen woorden--als de rijkdom en al de
+grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij
+ons in 't land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat
+rijkelui'svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer
+spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen
+toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die,
+dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun
+mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas,
+en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het
+Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel
+centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen,
+en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was
+nou het communismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want
+dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot,
+als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die
+Internationale worden, daar staan pieten aan 't hoofd, en ze hebben in
+andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den
+mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van 't werk geven.
+
+Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker
+al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den
+regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale
+stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand
+hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de
+kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje;
+dan gooien we--'t waren zijn eigen woorden--bij al dat groote volk
+lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den
+grond met al de rijkelui'shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in
+de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei:
+Wat kost het? Zooveel, zei Piet.--Ik keek Jans aan, en Jans zei niks,
+maar ik zei: Ik zou je danken. 'k Wil er eerst over prakkezeeren.
+
+Toen Van Vlot weg was--eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en
+'t meest over dat pleziertje in de Maliebaan--toen zei ik tegen Jans:
+Wat dunkt je?
+
+Jans zei: Wat wil dat zeggen, Inter?
+
+Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester.
+
+Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen
+alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al
+de werklieden over de geheele wereld.
+
+Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen
+ik weer thuis kwam--'t was Zondag.
+
+Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten
+niet vast op hun beenen.
+
+De meesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen
+op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans
+het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd
+bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt
+het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tot tienmaal ééns
+is tienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je
+kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop.
+
+Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het
+denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die
+Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig
+door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester
+zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote
+huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt....
+
+Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei
+dat ze AL de huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet
+in het groote huis van V. B....
+
+Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden
+worden, dan moest eigenlijk--na dat pleiziertje in de Maliebaan--de
+heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het
+houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn
+portie meenemen om naar goedvinden op een--óók eerlijk gedeeld stuk
+grond, zijn huisje te kunnen zetten.
+
+Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen
+begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst
+de stad afbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is
+weg.--De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan
+'t steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer
+geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen
+pit in die vingers.
+
+En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen
+is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis
+te bouwen, zoo'n beetje behoorlijk, ik zou er geen kans toe zien.
+
+Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein
+van 't fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter
+naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld
+of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke
+weduwvrouwen beginnen?
+
+Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da's
+onmogelijk, da's larie!
+
+Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine
+Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we
+schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de
+slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen
+en de dominee's en pastoors, afijn de heele wereld die van 't bouwen
+niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren--dat
+zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam
+gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig
+huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe
+waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had
+gebeurd; nietwaar, dan zou de een--al was het geen verplichting,
+toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun,
+help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig
+en kan toch niet zoo tusschen 't afbraak blijven zitten.--Neen, zou
+die zeggen: Ieder voor zich.--Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie
+rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook,
+geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie:
+Voor zes rijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen,
+en ging op zijn eigen afbraak liggen.
+
+Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil
+van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den
+ander. Zie je, zoo'n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik,
+verondersteld dat je zoo'n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om
+me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje--de
+strijkster-zwavelstok--aan den kost moesten komen? We zouden alles
+zelf moeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen
+lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden,
+brood bakken,--vee fokken, slachten, natuurlijk alles!
+
+Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die
+gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen,
+hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten
+zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken
+als iedereen zaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet?
+
+Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de
+messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland.
+
+Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de
+vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale
+over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat
+ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan 't werk
+zouden blijven.
+
+Van Vlot werd nijdig om 't lachen en liep de deur uit. 's Nachts om
+éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en
+toen vroeg ik: wie--ná dat vetje in de Maliebaan--den jenever voor
+hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus:
+Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!--Nou,
+als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik,
+dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap
+in zijn huis, want ik had met z'n arme vrouw te doen.
+
+Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik
+heb druk werk gehad in 't voorjaar, zoodat ik van dat ding niet
+meer hoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen
+tegen me--met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de
+Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben.
+
+Waarom Pietersen? vroeg ik.
+
+Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen
+we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed--voor
+den donder!
+
+Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het
+toch ergens goed voor.
+
+Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed
+was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God
+beter 't, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk--zie, daar heb
+je weer zoo'n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er
+als een beest. En wat doet ie? Niemendal!--Ik zeg je: er uit moeten
+ze! dat volk! 't Is van ons gestolen!
+
+Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig--want er kwam ons
+een rijtuig voorbij--een dokter was die zich niet geneert om bij de
+kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of
+pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift,
+maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is.
+
+Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik.
+
+Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.!
+
+Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel
+Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind,
+'t Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van "knappe kerel" weerom
+nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest
+maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk
+nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke
+Pietjak.--Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.--Zulke kerels, die de
+goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit
+op d'r ziel hebben, en als hij mij 't avond of morgen bij den kraag
+kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren.
+
+De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen
+geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we
+'t politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie
+'t hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt,
+is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op 't Binnenhof
+ook nog recht en gerechtigheid spreken.
+
+Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou
+je dan hulp krijgen als je ziek lei, en recht krijgen als een gemeene
+rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid?
+
+Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met
+meester en Jans er over sprak--de meester is nog een neef van mijn
+vrouwskant,--hulponderwijzer--hoe meer ik begreep dat die heele
+broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als
+met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had
+hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan niet meer leeren
+op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd
+en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te
+worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch
+op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit
+de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze 't ruwe weer zoo
+niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen,
+dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen,
+dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen
+of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je
+eens zien hoe'n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens,
+dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben;
+alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maar ik zeg je
+dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik 't al lang had
+laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik 't doen moest,
+en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik
+jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want,
+nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik
+zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan.
+
+Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door 't land komen, en
+van Oost en West--waar ik nog een broer bij 't Zevende heb--als je
+geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen
+en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert,
+dan moeten er heeren zijn op 't kantoor, die een boel meer weten
+als de bestellers, die alleen maar 't adres hoeven te lezen.--Larie
+dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half
+jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?--Ei, zeg
+ik tegen Van Vlot--want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer
+tegen--ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de
+maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen,
+toen werden ze gevonden met duizenden franken--dat zijn zooveel als
+halve guldens bij ons--hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie
+je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders,
+maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de
+bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen,
+vroeger zelf toe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld
+tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui:
+Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt
+het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan 't vechten bent en in de
+konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika,
+en jelui--je wordt in de doos gestopt. Heb je 't niet gelezen? Neen,
+in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand,
+levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar--dat is de
+gerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met
+de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed
+over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou,
+ik heb goed nagedacht en--ik begrijp er alles van!
+
+Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar
+heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge
+berg, een grasscheutje en een eik in 't bosch. Notabene! Maatjes-egaal
+in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was,
+we hebben weer geschaterd van 't lachen: dan moesten de vrouwen ook
+maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les
+lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote
+zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij 't met de menschen ook gewild
+heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg--ik meen van wat goed
+of noodig is--en de heele boel leit op z'n....--Als de opstekers
+van 't gas 's winters bij donkeren avond, hun werk niet deden,
+dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje
+'t water in; en--als ze commun waren, dan verdikten ze 't zeker om
+voor jan en alleman 't gas aan te steken.--Nog eens, die zijn hersens
+bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele
+Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen,
+eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees
+de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot,
+maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God
+of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de
+mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met
+het omverhalen van rijkelui's huizen en verbranden zijn begonnen, voor
+goed onder den grond.--Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang;
+maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans--of eigenlijk ik heb het
+eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef
+dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in
+de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals
+wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan
+bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft
+weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn
+bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als
+de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen,
+ik voor mijn part, ....'k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen
+dan wij met zijn beiden?--En dan de pot? Jans heeft twee diensten
+gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze
+dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans
+zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle
+dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk--groote
+lui hoor--altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze
+ergens--ik weet niet waar--geen lozies konden krijgen; toen ze zich
+op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen
+niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen,
+en dat ze daar altijd met zoo'n schik en behei van vertelden alsof
+dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.--Ja, zul
+jelui zeggen, maar 't rijkelui's smullen is toch niet kinderachtig,
+en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen
+kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid:
+Dat moet je nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn
+leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei
+die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn,
+en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte
+betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen
+hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die,
+de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten
+hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig,
+al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt:
+
+
+ "Rijken altijd volle maag.
+ Armen steeds in 't eten graag.
+ Honger maakt blauwboonen zoet.
+ Vet de maag bederven doet."
+
+
+Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan
+maaien ze toch altijd 't meest in onze buurten.
+
+Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen
+wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit
+meester: Zoo hebben jelui dan ook de cholera in 66 en nou de pokken
+gehad? Watblief? Neen, zei Jans.--Akkoord, zei meester, dat komt
+omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de
+kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die
+van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de
+hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat
+jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties
+en de pletons maken toch maar één schutterij, is 't nietwaar; en of
+je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de
+ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je
+zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest,
+net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de
+heele schutterij.--Nou jongens--en daar heb je het alweer--wat zou
+de heele schutterij doen--of laten we nou de heele militaare macht
+nemen--als er geen onderscheid van stand was? Wat waren de soldaten
+zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen
+moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden
+mettertijd ook wel 't loopen zouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een
+leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte
+alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon
+soldaat in een heel jaar?
+
+Weet jelui wat ik zeg--en ik blijf er bij--al dat maatjes-egaal-commun,
+dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er
+over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard
+uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je
+vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien;
+als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders
+te eten hebt, zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en
+zonder dreigementen, dát is van Gods wege ons recht; maar laat je
+niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.--Weet je wat
+die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend
+die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten;
+of anders zei meester: 't is de vos, die de kat de kastanjes uit het
+vuur laat halen.--Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks
+wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor.
+
+Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval,
+een koe gras en hooi, en 't roofgedierte verslindt de krengen. Maar
+de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar
+zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot
+een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik.
+
+Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout
+noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want
+ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is,
+dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met
+een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen
+baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den
+avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe,
+dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief
+noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met
+Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen
+krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien.
+
+Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem in de
+verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als
+er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat
+zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar
+kunt onderscheiden--ten minste altijd nog wat in 't een of ander--even
+zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of
+evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat
+is niet anders.--Of ik niet liever, als ik het voor 't kiezen had,
+een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat
+gezanik, dat zoo'n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg,
+dat is ook geen slaadje, zeit meester.--Als ik 's avonds met Jans en de
+twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd:
+Goddank!--Vraag maar aan Jans of 't waar is of niet, en dat doe ik uit
+mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent,
+dan heb je niks meer van noode; Meer is larie; LEKKER is ook larie,
+aan MEER heb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf
+houwen, en LEKKER is..... koffie met roggebrood als je honger hebt,
+veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd
+of werk genoeg hebt om honger te krijgen.--Maar, zeg je, wijn is
+toch een andere smaak, en versterkend.--Versterkend? zeit meester,
+niks zeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft
+wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het
+spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen
+wijn en water konden proeven, dat had ie zelf mee ondervonden, en nu
+zeg ik: als dát je lekker is, dan komt er toch ook voor een stooter
+verbeelding bij.
+
+Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we,
+net als de voorvaders van onze rijke lui, door werken en goed oppassen
+vooruit komen. Als de rijke lui TEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ
+VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze 't met hun
+krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig;
+maar wij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat ze goed
+werk naar den eisch betalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven
+de wagenmakers van, en de lijstenmaker van 't verguldsel. Als je
+zeggen zoudt dat de groote kapitalen--zooals ze tegenwoordig op den
+winkel praten--ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten,
+en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of
+ievers anders, dan, zeit meester,--en ik mot zeggen dat was het
+naadje van de kous--dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer
+waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand
+komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui
+zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid,
+net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen,
+of een Haarlemmermeer moeten leegmalen--nog al geen kleinigheid--of
+totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.--Nou wat
+zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten
+zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie
+beter lozies gunnen dan in 't gevangenhuis of in de ongebluschte
+kalk.--Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit,
+dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van
+een goede werkmansvereeniging worden, waar we ons eigen belang naar
+wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen
+kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en
+Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en
+Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik
+geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw
+de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te
+sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de
+hersens er voor kregen) bazen worden, van niemendal op, en zelfs wel
+ginneraal of alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan
+voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van
+De Ruyter dat weet jelui allemaal.
+
+En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en dat ik
+wel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan--dat zei
+Jans--lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen;
+en nog eens: wordt lid van een Nationale. Ga bij de lui, die het
+zeker goed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met
+Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met
+de Fransoos of de Pruis konkelen, die liggen toch al op de loer,
+maar laten we echte Hollandsche jongens blijven--meester zeit echte
+Neerlandsche jongens blijven--en ons aansluiten bij die vaderlandsche
+vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in
+de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het
+werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die
+Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk:
+Orde, vrijheid en recht.--Orde in de hut, dat is de baas! Vrijheid
+bestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder
+ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder
+dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons
+zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig
+mocht zijn--wie weet waar een mensch toe komen kan--hou mijn arm vast;
+sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding,
+want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt
+dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als
+een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een
+kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl
+je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.--En
+dan van Recht gesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer
+en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit!
+
+Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg
+ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten
+maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar
+de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons
+vuistje, want zij zullen 't beter hebben dan wij tegenwoordig in het
+algemeen.--Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben
+je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar
+werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben
+ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en
+dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was,
+en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille.
+
+Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van
+de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale
+bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar
+huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat
+zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler
+bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het
+brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze
+niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter
+ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui,
+en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij
+ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een
+boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat
+ik het laatste woord zou zetten; maar het is zoo.
+
+Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor
+meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handje te
+helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je
+zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij
+je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je
+kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet.
+
+Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg: zoekt hooger loon en
+verbetering van je stand in de gerechtigheid,--misschien was het
+ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de
+bazen?--want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de
+voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te
+hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat
+hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen,
+smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook
+weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan
+geen beter kantoor. Hebben de bazen al niet vrijwillig in de laatste
+jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om?
+
+En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je
+die vereenigingen in ons land--die Nationale Werkmansvereenigingen
+van orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van
+wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels
+voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in
+redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt.
+
+Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult
+en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je
+niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast,
+of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs.
+
+Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je
+vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat
+voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om
+bloedgeld voor jelui te verdienen. Ja bloedgeld mannen! Zoo denken
+ikke en Jans.
+
+En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij die Inter-
+maar bij een echt Nationale Werkmansvereeniging aan, en toont dat
+je wijzer bent dan de eend die--je weet wel--door zijn eigen kuiken
+werd opgegeten.
+
+Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met
+het hart,
+
+
+ Jelui Kameraad,
+
+ Jan Stukadoor,
+
+ Metselaar.
+
+
+
+
+
+ANTWOORD VAN JAN STUKADOOR AAN PIET SCHAVER.
+
+
+ Aan den lezer.
+
+
+Jan Stukadoor heeft een antwoord aan Piet Schaver geschreven, [29] en
+ik ben hem gaarne behulpzaam om het onder de oogen van zijn kameraden
+te brengen.
+
+Dat de man het beter met hen meent dan Schaver uit zijn brief heeft
+willen opmaken, daarvoor kan ik instaan.
+
+Was zijn hoofddoel, om den werkman allereerst te waarschuwen tegen
+een onmogelijk communisme, waarmee men, in navolging van elders,
+ook ten onzent de hoofden op hol zoekt te brengen, hij wenscht niet
+minder van harte dat er spoedig verbetering zal komen in het lot van
+zijne standgenooten, indien zij werkelijk reden hebben tot klagen in
+deze dure tijden.
+
+Jan Stukadoor is een eenvoudig man, die de groote sociale quaestie
+evenmin zal oplossen als Pieter Schaver, al meenen zij beiden er iets
+op gevonden te hebben; maar ik meen toch dat èn Stukadoor èn Schaver
+wenken geven die der overweging wel waardig zijn. De philanthropie kan
+slechts den arme te hulp komen. De werkman moet door eigen krachten
+tot een beteren toestand geraken. Doch de standen die boven hem
+zijn, dienen hem daartoe de hand te reiken en allerminst in den
+weg te staan. De rijken, zegt Jan in zijn eersten brief, kunnen
+best betalen. Welzeker! Maar de rijken--en ook allen die zich, 't
+zij meer of minder tot den gegoeden stand mogen rekenen, zij willen
+niet genieten ten koste van den nijveren werkman, wien dikwerf het
+noodigste voor zijn gezin ontbreekt, en die zijn kinderen moet laten
+arbeiden in stee van ze te doen onderwijzen. De rijken in ons vrije
+Nederland willen niet rijk zijn ten koste van den armen werkman,
+die in 't zweet van zijn aanschijn of met verkleumde handen hunne
+kostelijke huizen bouwt of de weelde van hun salons helpt verhoogen.
+
+En de Nederlandsche fabrikanten en werkbazen, ook zij begeeren hun
+winsten niet ten koste van hen, die voor hen den arbeid verrichten. Hun
+hart zal hen dringen om steeds vaster de handen ineen te slaan tot
+het beramen van de middelen, die den werkman zullen opheffen uit
+zijn veelal beklagenswaardigen staat. Maar ook, Jan Stukadoor heeft
+het reeds gezegd: van het onredelijk opdrijven der loonen kan de
+werkman geen duurzame verbetering van zijn lot verwachten. De loonen
+moeten--naar gelang van den arbeid--in billijke evenredigheid staan
+tot de prijzen der eerste levensbehoeften.--Mijns inziens heeft Jan
+zijn beste woord aan het eind van dezen brief gesproken. Men leze en
+oordeele of zijn denkbeeld voor verwezenlijking vatbaar is.
+
+Dat dan door vereeniging van alle krachten de tijd spoedig moge komen,
+waarin tevredene werklieden als Jan Stukadoor--indien 't beweren
+van Schaver in dit opzicht waar moest wezen--niet langer tot de
+uitzonderingen zullen behooren, is de oprechte wensch van
+
+
+ J. J. C.
+
+
+
+
+
+ANTWOORD AAN PIET SCHAVER.
+
+Timmerman.
+
+
+Piet Schaver, als ik je niet voor een eerlijk kameraad hiew dan zweeg
+ik, maar nou wil ik niet zwijgen, en al heb ik er spul mee, ik wil
+nog een korte brief aan je schrijven zonder dat ik mijn neef er mee
+inhaal want, daar schijn jij een mier aan te hebben, en mijnheer
+C. zal hem toch wel nazien wegens de fouten. Maar als jij een mier
+aan schoolmeesters hebt dan ben je toch glad mis, want van de scholen
+moeten onze kinders het hebben.
+
+Ik zeg dan dat ik schreef omdat ik geloof dat jij het eerlijk meent,
+maar anders staat het je alles behalve mooi om mijn goeje gezindheid
+voor de kammeraden verdacht te maken. Wil ik je zeggen hoe dat
+komt? Dat komt omdat je mijn brief al heel slecht gelezen hebt,
+en dat had je gepast als je me voor een zeur en een kind en ik weet
+niet wat meer scheldt.
+
+Maar pikkeneurig of bekanterig ben ik niet, en daarom zal ik je maar
+heel kort en goed vertellen dat ik het net zoogoed, en misschien nog
+wel beter met onzen stand van menschen meen als jij.
+
+Ik begin maar met je te zeggen dat je rekening voor jou misschien
+heel mooi, maar voor mij geen pijp tabak waard is. Jij zegt dat ik de
+rekening voor zijn achten maak en dat ik dan nog een kanarie heb. Nu
+schreef ik duidelijk "acht met de kanarie mee." Dus dat is zeven Piet,
+en niet acht; want de kanarie kost zoowat 1-1/2 cent in een heele
+week aan zaad. Dus zie je, ik heb negen gulden voor z'n zevenen.
+
+Maar aldat ik gelijk heb dan zul je nog zeggen dat het hier in Den
+Haag te weinig is. Akkoord! ten minste zoo als jij het opneemt. Maar
+je hebt slecht gelezen zeg ik nog eens. Ik heb in mijn brief mij zelf
+in 't geheel niet als zoo'n bovenste willen ophemelen omdat ik rond
+kom, en ook niet als voorbeeld willen stellen, want ik heb het meer
+als duidelijk en wel drie of vier keer gezeid: dat mijn vrouw er
+mee schuld van is dat wij 't, na venant, goed hebben, Goddank! Heb
+je dan niet gelezen wat ik van mijn wijf zei? Staat er niet in mijn
+brief duidelijk en klaar dat er kapitaal in de armen van Jans zit,
+en dat zij werkt meer as meer, en van een gulden er twee maakt? Jans
+wou niet dat ik er alles van zeggen zou, maar je hebt toch van de vier
+wollen sokken gelezen. Dikwijls heeft ze door de mevrouw bij wie ze
+'t laatst diende wat grof naai- of breiwerk, en Dinsdags en Vrijdags
+gaat ze uit schoonmaken omdat moeder toch op de kleintjes past.
+
+Zie Piet, als je mijn brief niet averechts hadt uitgeleid dan zou je
+me al dit schrijven bespaard hebben, want de vingers staan er niet
+naar. Maar jij doet me in alles onrecht. Heb ik gezeid dat het schande
+is dat de vrouw van P. alle jaar een kind krijgt? God beware! Jans had
+er alle jaar óók wel een kunnen krijgen als het de wil van God was
+geweest, maar ik zeg, of ik meende ten minste, dat het niet vreemd
+is als er armoe wordt geleden wanneer de vrouw, die zoo dikwijls in
+'t bed leit, een slons van een wijf is. Zie je dát was de riddenaasie.
+
+Heb ik gezeid, Piet, dat alle vrouwen van onzen stand slonsen zijn,
+en zoodoende jou Neeltje ook beklad? Ik zeg je dat dat een groote
+leugen is; jou Neeltje kan net zoogoed als mijn Jans zijn, en ik ken
+er wel drie bij ons op 't hofje die ik met pleizier gemorgen en g'n
+avond zeg, maar Teun van Van E. is een slons, en zoo zijn er meer,
+en--zeg ik: dan is er armoe en averij, al verdienden ze achttien
+gulden in plaats van negen.
+
+En van den drank gesproken. Je weet hoe ik er over denk, maar, heb
+ik alweer gezeid dat al onze kammeraden zuiplappen zijn! Van hen die
+af en toe een borrel drinken, daar spreek ik niet van. Neen Piet,
+dan zou ik me schamen als ik zóó de kammeraden geschandalizeerd
+had. Ik weet te goed hoeveel brave kerels er zijn die weten wat hun
+vrouw en kinders toekomt. Maar omdat de drank een pest is waar toch
+zoo onmannierlijk veel aan versplendeerd wordt, daarom spreek ik er
+met zoo'n schuwigheid van, en zeg nog eens: jongens past op dat je je
+niet door dien duivel strikken laat--want gelijk heb je, de drang is
+groot en de trek is ook groot, maar: drie borrels maken een roggetje!
+
+Neen man, jij hebt mijn bedoeling heelemaal verkeerd uitgelegd; want
+wat was dan eigenlijk mijn heele bedoeling? Om jou voor te rekenen dat
+men van negen gulden leven kan? Neen! Wat zou het beduiden! Jij weet
+wel dat ze in andere plaatsen van 't land nog van heel wat minder
+moeten rondscharrelen.--Ik heb met mijn domme verstand alleen maar
+willen zeggen, hoe dom ik het ding vind dat ze: de Internationale
+noemen. En als jij nu zegt dat het onnoodig was, dan zeg ik: dat je
+nooit met Van Vlot en nog een boel anderen hebt gesproken.--Zou jij
+denken dat er niet een heele boel zijn die meenen dat het maatjes-egaal
+best mogelijk is, als ze worden opgeruid? Ik zeg je ja; en omdat ik
+begrijp dat er zoo zijn--al zijn de meesten wijzer--ik wou toch eens
+uitleggen hoe dom en hoe gevaarlijk dat ding is. En zie je, dat heb
+ik gedaan, en ik heb er geen berouw van.
+
+Maar vooral Piet Schaver, ben ik verdrietig dat je mijn hoofdbedoeling
+zoo scheef heb uitgelegd. Meen jij het misschien beter met de
+kammeraden dan ik? Zoo doe jij het voorkomen. En ik schreef juist
+omdat ik wou dat allen het beter kregen, of--zoo goed hadden als ik.
+
+Dat alle werklieden het graag beter willen hebben dat is waar, en
+dat is ook goed. Maar dat alle werklieden ontevreden zijn dat is niet
+waar. Ik ben het niet. En nou kun je denken wat je wilt, maar ik weet
+wat ik ben. Jans kan het getuigen.
+
+En nu zeg ik in 't geheel niet dat onze stand maar moet blijven
+zooals die is omdat IK tevreden ben, gezegend met gezondheid en met
+een vrouw als Jans. Neen waarachtig niet; ook ik wil zelfs graag wat
+meer verdienen als 't wezen kan. Kammeraden! heb ik gezegd, zoekt in
+de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Sluit je aan bij de nationale
+werkmansvereenigingen, die samen naar de beste middelen zoeken om
+onzen stand te verbeteren, dát heb ik gezegd. Schreef ik niet in mijn
+brief: Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Met God in
+de gerechtigheid vooruit!--Heb ik niet gezegd dat de groote lui best
+betalen kunnen, en dat ze er anders maar af moeten blijven?
+
+Neen, Piet Schaver, onzen stand te verbeteren door gepaste middelen
+dát heb ik geen larie genoemd, want als ik alles maar bij 't oude wou
+laten dan zou ik niet van klagen spreken. Maar larie is het, als men,
+zooals jij, van zeuren en kletspraat spreekt wanneer een mensch uit
+den drang van 't hart, zijn kammeraden wil zeggen wat de verkeerde
+weg is, om tot beter te komen.
+
+Maar nou de rechte weg, zul je vragen? Ik heb er alles van gezeid
+wat ik weet: aansluiten bij een Nationale zei ik, en dan zorgen dat
+onze kinders toch behoorlijk leeren, want dat is een voorname. Maar
+zie je, waar jij in 't eind op neerkomt daar had ikke en Jans wel
+schik in. Wel zeker als er nog zooveel land is, dan moesten ze dat
+in de kamers van de Staten ginderaal maar uitmaken om volk aan 't
+werk te zetten; of anders zei ik laatst tegen Van Wiel--die familie
+in Australië heeft en daar zoo ijselijk van ophemelt--dan moesten er
+maar een boel naar zoo'n land over zee trekken, en als zij het daar
+goed konden hebben--ik suspeneer dat het zoo is omdat Van Wiel het met
+een woord van waarheid betuigde--ik zeg als zij het daar goed konden
+hebben, dan dunde het hier wat op, en zouden de bazen wat minder volk
+kunnen krijgen en wat beter over de brug moeten komen. Zie je Piet,
+ik blijf er bij: Ik wil geen klagen in onredelijkheid, geen gemor en
+gemopper, maar vooruit in de gerechtigheid!
+
+En nou atjuus, ik meen het zeker zoogoed als jij met de kammeraden,
+en eindig met de pen maar niet met het hart als dat ik mij noem zonder
+verdere kriewel of nietsigheid uw vriend:
+
+
+ Jan Stukadoor.
+
+
+Leve de Neerlandsche jongens!
+
+
+
+
+
+DE OORLOG EEN NOODZAKELIJK KWAAD?
+
+
+'t Is al laat in den avond, doch binnen de kleine landbouwerswoning,
+schuins achter 't zwarte dennenbosch, daar brandt nog een lichtje.
+
+Moeder slaapt, ja kijk maar. Als vader haar nu, zooals hij gezegd
+had, nog eens zachtjes g'endag kuste, dan zou kleine Karl de lamp wel
+uitblazen, en gauw in de bedstee kruipen. Ja zeker, en heel stil zijn;
+en zorgen dat Lieschen en Else niet wakker werden; ja, en als hij
+zelf schreien moest, dan zou hij de handjes maar vast voor den mond
+houden, want Koning Wilhelm zal vader toch wel gauw weerom sturen,
+nietwaar? Koning Wilhelm was immers zoo heel braaf, en kon ook niet
+weten dat moeder nu juist zoo ziek was, neen!
+
+Fluistrend heeft het zevenjarige jongske gesproken terwijl hij tot zijn
+vader opzag, en de vader--die straks nog, tot lang na zonsondergang,
+de sikkel dreef door het rijpe graan, maar ach! zonder het werk te
+kunnen volenden--hij drukt de vereelte hand op het hoofdje van zijn
+kind, en dan.... Maar neen, spreken kan hij niet.
+
+"En als vadertje dan weer thuiskomt, dan zal hij voor Karl ook een
+mooie klapbus van vlierhout snijen; is 't niet vader?" vleit het
+jongske op nog zoeter toon.
+
+God, wat bange stond! Bevend heft de vader het kind omhoog; drukt zijn
+lippen op dat lief en rond gezichtje, en zegt dan bijna onhoorbaar:
+
+"Zoet wezen Karl, heel zoet! en".... Maar, verder kan hij niet;
+dikke tranen breken met geweld naar buiten.
+
+Wees krachtig Walter! Ja, krachtig!--Zóó. Nog een zoen op Karls
+voorhoofd. Nu tilt hij het kind in de bedstee over de slapende moeder
+heen. Dáár, op vaders plaats, zou het jongske slapen voortaan.--Karl
+fluistert nog dat hij aan onzen lieven Heertje zal vragen of vader
+er Zondag mag weerzijn, want dan blijft hij thuis uit de school,
+en zal dan een heele boel boschbessen voor 't zoete vadertje plukken.
+
+"Goed mijn jongen, goed! Maar stil nu dat moeder niet wakker wordt."
+
+Ach, nu zal hij dan aan die lieve zieke vrouw den zoen ten afscheid
+moeten geven.... Neen, eerst in de bedstee ginds de beide kleine
+meisjes zachtjes vaarwel gekust!
+
+Zie, daar liggen ze, de blonde koornbloemen--roode koonen, blauwe
+oogen.--Maar die oogjes zijn nu gesloten, ze zien hem niet aan.
+
+Weet hij wel wat hij doet nu hij ze zachtjes, beurt voor beurt, op
+die roode lipjes en malsche armpjes zoent; nu hij Lieschens zacht
+weerstrevend handje vastklemt en het drukt aan zijn lippen; nu hij
+Elsje--kleine woelwater, ruiter van vaders knie--de blootgewoelde
+beentjes nog eens toedekt? Ach neen, hij weet niet wat hij doet
+nu hij zijn kranke vrouw--om haar een doodend afscheid te besparen,
+schier onvoelbaar zacht een zoen op de bleeke wang drukt.--Groote God,
+welk een andere zoen dan dien hij haar gaf.... ha, op dien heerlijken
+middag, nu zeven jaren geleden ... Voor de bedstee valt hij op de
+knieën neer. Zijn handen blijven een wijle gevouwen; zijn lippen
+bewegen zich krampachtig.--Moed, Walter; moed!--Voort nu.--Ja, voort!
+
+Zóó, het licht is al uitgeblazen.--Voort!--
+
+"Nacht vader. Zondag zeker weerkomen vader!" klinkt het nog eens aan
+moeders zij.
+
+En moeder Bertha.... Wat! wie.... wat is er?
+
+Eensklaps gaan haar matte oogleden open; ze tast met de hand voor
+zich uit.
+
+"Walter, Walter!" roept ze.--Hoort ze de deur niet zachtjes
+sluiten?--"Walter!" klinkt het nog eens met angstige kracht terwijl ze
+overeind vliegt: "Walter! O gerechte God, waar is hij? Walter, Walter!"
+
+"Stil Moeke, niet schreien! Karl zal aan Koning Wilhelm gaan zeggen dat
+Moeke zoo ziek en bedroefd is, en dan brengt ie vader weer mee, en...."
+
+Maar de zwakke vrouw verstaat hem niet. Ze wil haar steun, haar liefde,
+haar helper, haar trouwe, navliegen; ze zal hem terugbrengen; ze moet
+hem hier houden, tot morgen, ach ja! tot morgen althans.
+
+Doch, haar krachten.... haar duizelend hoofd.... en, losbarstende in
+'t vreeselijkst geklag:
+
+"Weg, weg! O groote God, mijn Walter! weg!?"
+
+
+
+Ach arme, ja! Uw Walter ging heen, en, voor altijd.
+
+
+
+II.
+
+Frau Remse stond peinzend voor het raam van haar kleinen winkel,
+en tuurde naar de dikke regenwolken, die over de smalle straat naar
+het marktplein joegen.
+
+Ja, wat een mensch zich wel eens tot een ongeluk rekent, zoo denkt ze,
+dat blijkt hem later soms ten zegen te zijn.
+
+Heeft ze niet dikwijls geklaagd dat haar eenige Frits nog zoo jong
+en zoo wild was: die goeje Frits! te jong en te wild althans om
+haar in haar kleine winkelzaak met den noodigen ernst van dienst te
+zijn. Maar nu, Godlof! met dien vreeselijken Erbfeind, terwijl alle
+Landeskinder gereed moesten staan om 't leven voor 't vaderland te
+wagen, ja nu behoudt zij haar jongen toch, haar ondeugenden besten
+Frits, ha!--omdat hij gelukkig nog te jong is.
+
+Wel dubbel moet ze deernis hebben met haar arme buurvrouw: Vier kloeke
+zonen zag die goede moeder gisteren heentrekken om ze misschien--wie
+kon het zeggen--nooit weder te zien.
+
+"Stil Mirza," roept Frau Remse, terwijl ze nu naar de winkeldeur ziet,
+want Mirza, de mooie witte does, krabde met zijn pootje gedurig tegen
+het onderplint, en joeg onstuimig zijn staart heen en weer, en weder
+en nogmaals krabbende, maakte hij een jankend geluid.
+
+"Stil Does! Frits zal wel dadelijk komen. De leerink bij dominee zal
+wel gauw uit zijn. Kom dan maar hier Doeske, hier bij de vrouw!"
+
+Maar Doeske deed alsof ie 't niet hoorde. 't Was al over den tijd dat
+de jonge baas moest thuiskomen, dat wist hij zeker, en--met het neusje
+schuins ter zij, even jankende, komt het voorpootje weer vooruit,
+en krabt hij opnieuw uit al zijn macht.
+
+"Foei, Mirza!... Zoek dan den baas!" roept Frau Remse, en legt op
+dat laatste een bijzondere klem.
+
+'t Zou toch mogelijk kunnen zijn, meent de hond; en ijlings zijn plaats
+verlatende, vliegt hij den winkel uit, naar achter, de gang ten einde,
+ritselt met de nagelpootjes langs de trap in weinige sprongen naar
+boven, en dan, na 't snufflend zoeken op het kamertje van den jongen
+baas--onder 't bed en naast de kleerkast, hier, ginds, overal, maakt
+hij ijlings denzelfden weg--ritslend langs de trappen terug, en zit
+al spoedig weder voor de deur in den winkel, en krabt, luid jankende,
+vier vijf malen achtereen.
+
+Frits kwam wel een half uur over etenstijd; maar, hij kon het niet
+helpen. Al de jongens van de leerink waren in optocht gegaan naar
+ouden Heinrich, met z'n verminkt en verhakt karkas--zooals hij 't zelf
+noemde--om Heinrich te feliciteeren dat Duitschland nu eindelijk eens
+met den Erbfeind zou afrekenen, en de kwitantie presenteeren voor de
+beenen, die Heinrich bij Leipzig verloren had.
+
+"Z'n oogen fonkelden moeder," zegt Frits bij 't verhalen: "Ha! riep ie,
+als ze 't maar wilden, dan ging ik nog op m'n krukken mee, zoo oud
+als ik ben." En dan tot Mirza die den kop onder zijn hand poogt te
+schuiven: "Stil Doesje, koest! Heb jij honger! Dáár! Ik heb het niet!"
+
+Maar Frits moest toch wat eten.--Zie er was wel veel sombers in dezen
+tijd, omdat zoovelen van de zij hunner geliefden werden opgeroepen,
+maar--moeder en Frits, hoe dikwijls ze ook in de laatste twee jaren
+werden beklaagd om het droevige lot van den armen krankzinnigen vader,
+nu kon men hen benijden: ze bleven te zamen, ja, Goddank, want Frits
+haar lieve wildzang was pas zeventien jaar.
+
+Frits keek strak naar den grond. Maar hij was dan toch zeventien
+jaar! Heeft oude Heinrich niet gezegd: Als ik jou beenen en jou
+jong bloed in 't lijf had: Donnerwetter! dan zou ik ze leeren die
+sakkerbleus!
+
+Frits had geen rust op zijn stoel. Hij moest weer voort. Met een
+twintigtal Turners had hij afgesproken om Zum weissen Hirsch op de
+markt bijeen te komen. Daar werden telegrammen en de Köllnische Zeitung
+gelezen; daar zouden ze een Lebe Hoch wijden aan Koning en Vaderland,
+daar zingen het:
+
+
+ "Heil dir im Siegerkranz!"
+
+
+en het
+
+
+ "Fest steht die Wacht am Rhein!"
+
+
+Neen, nu kan hij niet thuisblijven. Peter Kraus wil als vrijwilliger
+gaan, en dien moeten ze ook een driewerf Donnerendes Lebe Hoch
+brengen.... "Och neen Moeder, neen! wie zou er nu om onze galanterie
+prullen komen! Voor Fransch verguldsel, bah!--Marsch Doeske,
+marsch! Dag Moe." En, haastig snelt hij heen, luide zingende:
+
+
+ "Lieb Vaterland magst ruhig sein,
+ Fest steht und treu die Wacht, die Wacht am Rhein!"
+
+
+En de moeder staat weer voor het winkelraam. En de donkere wolken
+jagen nog altijd boven de straat in de richting van het marktplein.
+
+O! waarom bonst haar hart zoo geweldig? Zou het toch mogelijk kunnen
+zijn dat hij...?
+
+Maar, als zij, zijn eigen moeder, het niet wilde! als zij het
+verbood....? Verbieden! hem!? Zwakke vrouw, zal ze hem, den sterken,
+den boven zijn leeftijd krachtigen Frits kunnen weerhouden indien
+hij wilde....? Wát zou hij willen?--Neen, neen! dát wil hij niet. O
+God! als zij dat eenig kind, dien eenigen schat moest verliezen!
+
+Zoo peinsde en streed ze totdat ze starende naar boven zelfs de donkere
+wolken niet meer onderscheiden kon. Ach! 't Was óók zoo duister in
+haar beklemd gemoed.
+
+Hoor, wat klinkt daar van verre?--Is het muziek? Ja, de gansche
+straat tot ginds bij het marktplein--phantastisch verlicht door schier
+ontelbare papieren ballons bijwijze van fakkels gedragen--weerkaatst
+de schetterende tonen van het diep in de ziele grijpende:
+
+
+ "Lieb Vaterland--Lieb Vaterland!"
+
+
+Frau Remse beeft. Een donderend Lebe Hoch breekt er los uit duizenden
+kelen. Men weet het: de Duitscher heeft Gesiegt!--Victorie soll
+geschossen werden, heeft Koning Wilhelm geschreven, en, nóg eens juicht
+het hier donderend: Victorie, victorie! mee.--'t Is een serenade aan
+den Landraad ter eere van de overwinning:
+
+
+ "Hurrah! Germania Hurrah!"
+
+
+En de Landraad spreekt tot het Turn-Verein van de grootheid en kracht
+der Duitsche natie, die ze dankt aan haar degelijken zin; aan de
+opvoeding der moeders; aan de orde en tucht harer Landeskinder,
+geroepen om den Erbfeind te straffen wanneer hij hun rust komt
+verstoren.--En, oorverdoovend trillen nu de kreten ter eere van Koning,
+Prinsen en Vaderland!
+
+
+ "Hurrah! Hurrah!
+ Hurrah! Germania!"
+
+
+Waarom vliegt Mirza gedurig als half waanzinnig door 't kleine huis,
+den winkel uit, de gang door, naar boven, 't kamertje van den jongen
+baas in; snuffelend en jankend, straks met den mooien staart tusschen
+de beenen weer naar beneden; de achterkamer binnen, onder den stoel
+van den goejen baas, óp dien stoel, driemaal ronddraaiende als waande
+hij dat men zich zoo verschuilen kon? Waarom kermt en kreunt hij zoo
+geweldig, en krabt hij de verf van deuren en raamkozijnen totdat hij
+buiten op straat is, om daar al snuffelend te jagen naar 't marktplein,
+Zum weissen Hirsch binnen te sluipen doch straks ook terug te keeren,
+om nóg eens zijn jacht te beginnen door 't huis van den jongen baas?
+
+Men zegt dat Frau Remse zich goed heeft gehouden, heel goed, zooals
+dat een kloeke Pruisin betaamt. Maar aan den avond van den dag toen
+Frits haar verliet met de woorden: "'t Zou Duitschland bestelen zijn
+moeder, wanneer ik den Koning mijn kokend bloed en mijn krachtigen
+arm onthield;" aan dien avond vond men haar op het verlaten kamertje
+van haar Frits in bezwijming neerliggen bij zijn stoel. En, toen
+ze weer bijkwam.... neen, men zegt niet wat ze toen deed; maar men
+fluistert.... dat ze toen den koning vervloekte, en..... Doch dat kan
+niet waar zijn, want vrouw Remse is een Duitsche vrouw, en Duitsche
+vrouwen zijn kloek, en ook een Duitsche moeder is verstandiger dan
+een stom en, redeloos dier.--Zie dan, Mirza is niet weg te slaan van
+het kamertje, waar nog kort geleden zijn jonge meester sliep. Voor
+zijn bed ligt hij nacht en dag, en 't eten laat hij onaangeroerd
+staan. Wie hem nadert of een hand naar de kleeren over dien stoel,
+of naar die oude schoenen ginds in den hoek durft uitsteken, dien
+gromt hij tegen.... En--gisteren lag hij roerloos stijf op de peluw
+van het verlaten bed. Hij heeft het gevoeld, die vroolijke jonge
+vriend zou hem nooit meer liefkoozen, nooit!
+
+
+
+Monsieur Toulemaire heeft zijn kleine nette villa geen vijftig schreden
+buiten het dorp. 't Ligt aan de helling van den berg met het uitzicht
+op het dal, waardoor het blinkende stroompje zich dartel een weg baant.
+
+Monsieur Toulemaire woont daar met zijne vrouw en twee volwassen
+dochters.
+
+Blanche en Virginie moeten 't zeker wel weten dat ze "de bloemen van
+Monsieur Toulemaire" genoemd worden, want Gaspard en Antoine zeggen
+'t haar zoo dikwijls en o, ze zeggen haar nog veel meer, heel in
+vertrouwen, als ze 's avonds soms paar aan paar in den heerlijken
+omtrek dwalen. Maar Blanche en Virginie zijn natuurkinderen, in den
+edelsten reinsten zin van het woord, doch beschaafd, en verstandig
+ontwikkeld niettemin, en daarom, of ze 't al weten dat ze de schoonste
+meisjes van het dorp zijn, toch eigenlijk weten zij 't niet.
+
+En, in den laatsten tijd hadden ze wel aan wat anders te denken. Haar
+lieve ouders zullen dit jaar in 't midden van den zomer hun
+vijfentwintigjarig huwelijksfeest vieren. Sedert vele weken reeds
+waren Blanche en hare zuster 's morgens heel vroeg, en 's avonds tot
+'s nachts zeer laat, in de weer om de prachtige handwerken bijtijds
+gereed te hebben: roode en witte camelia's, naar zelve geteekende
+modellen, op satijn geborduurd in het genre der Gobelins. Twee
+fauteuils, met die kostbare bloemen versierd en bekleed, zullen op
+den zilveren trouwdag voor het dierbare bruidspaar gereed staan.
+
+En ha! gisteravond, toen le bon papa met la chère maman op visite
+bij hun vriend Le Pochon waren--men had het zoo heel stilletjes
+bedisseld--toen heeft de meubelmaker uit stad de beide prachtstoelen
+kant en klaar in de villa Toulemaire gebracht, en Gaspard en
+Antoine hebben de bloemen in verrukking aangestaard. Welke bloemen
+'t meest....? Dat zag de kleine achterkamer wel, waar de stoelen
+verborgen zouden staan tot den dag dat le bon petit pére en l'ange
+mére, het feest zouden vieren met hun vier kinderen.... Ja vier,
+bien certes! car: deux et deux font quatre.
+
+Blanche en Virginie ontstelden er van. Had papa woorden gehad met
+den goeden vriend Le Pochon? Wat was er voorgevallen dat hij zoo
+onbegrijpelijk rood zag, en een paar malen een leelijk woord tusschen
+de hagelwitte tanden zocht te smoren.
+
+Monsieur Butel, gewezen wachtmeester, die bij Solferino een arm
+verloor, en nu brievenbesteller op het dorp is, Monsieur Butel,
+met zijn groote snorren en blank geschuurde decoratie op de borst,
+hij zal 't verklaren misschien.
+
+Men spreekt van een oorlog tegen Pruisen. De Hertog van Pruisen zou
+te Weenen, zoo verhaalde Monsieur Butel, een brief vol insultes--sacré
+tonnerre--aan Keizer Napoleon hebben geschreven, niets meer of minder
+dan: Blancbec! omdat Keizer Napoleon er voor zorgde dat de Hertog
+van Pruisen aan zijne Heiligheid den Paus la Province du Rhin niet
+ontweldigen kon. "Ha!" zoo eindigde Monsieur Butel zijn inlichting:
+"Één Franschman geldt meer dan tien Pruisen-kinkels, die parbleu! te
+stupide zijn dat ze een woord Fransch verstaan." En dan met verheffing;
+"Ik heb er een gekend, Hans Rölich uit Kopenhague! 'En ezel! sacrè
+tonnerre!"
+
+Monsieur Toulemaire wist er meer van. Doch evenals den ouden
+onderofficier kookte 't hem in de borst.
+
+Wat hij gevoelde? Luister:
+
+Tot voor weinige jaren was hij fabrikant te Salins. Sedert den dag
+dat de marquis De *** de Salins, aan 't hof der Tuilerieën zijn
+invloed kon doen gelden, nam de zaak van Toulemaire een groote maar
+tevens een welverdiende vlucht. "En nu," zoo sprak hij: "naast God
+en mijn vlijt, dank ik mijn voorspoed en een gezegenden ouderdom,
+aan het tweede Keizerrijk. Vive l'Empereur! Vive l'Empereur: Vive la
+France! A bas les ennemis! Mortdieu!"
+
+Dit laatste overluid gesproken woord was een ongewone klank in den
+mond van dien goedaardigen man.
+
+"'t Zal alles nog ten beste gekeerd worden lieve papa," zegt Blanche:
+"Aan couranten-berichten kan men geen onvoorwaardelijk geloof
+slaan. Kom, we mogen nu niet anders dan vroolijk aan ons heerlijk
+feest denken, nietwaar?"
+
+"Ja zeker!" vleit Virginie, en drukt haar rozenmond op het heldere
+voorhoofd van den geliefden man: "Is 't zoo niet beste vadertje? Zie
+maar, uw lieve aanstaande bruid knikt u zoo opbeurend toe."--En zij,
+die aanstaande zilveren bruid:
+
+"Pierre," zegt ze: "geen zorg in 't verschiet. Al moest er oorlog
+komen, hier toch zal het vrede blijven. Waar is men veiliger en kalmer
+dan in ons lieve dorp, in onze heerlijke vallei!"
+
+"Veilig! daar spreek ik niet van Eugénie. La France, c'est la force,
+la gloire! la victoire! Ik zou niet weten hoe men een enkel Fransch
+burger één haar zou kunnen krenken. De Keizer wenkt en 't gaat naar
+Berlin, waarachtig naar Berlin!"
+
+Papa had gelijk, zóó zou het wezen! En hier in het stille heerlijk
+gelegen dorp, had men toch zeker niets te duchten. De ramp voor het
+arme Duitschland zou groot zijn, nu ja! men kon ze betreuren, men kon
+medelijden met dat in vele opzichten nog zoo ruwe volk hebben, maar,
+onder Gods leiding moeten immers zelfs bloedige oorlogen meewerken tot
+de opvoeding en beschaving van nog weinig ontwikkelde naties. (!) Ach
+Blanche en Virginie willen 't hopen met haar lieve ouders mee,
+dat God ook nu uit dit schijnbaar kwade, het goede zal doen geboren
+worden. Als 't noodig moest zijn, dan zal men haar vooraan vinden
+in de rijen van hen, die den vijand zullen weldoen; want immers nog
+dezen morgen had Monsieur le Curé zoo roerend als krachtig gezegd:
+"Mais moi je vous dis: Aimez vos ennemis; bénissez ceux qui vous
+maudissent; faites du bien á ceux qui vous haïssent, et priez pour
+ceux qui vous outragent et persécutent!" En nu, geen somberheid meer;
+nog veertien dagen maar, en dan is het de heerlijke dag, dat de villa
+Toulemaire één enkel feestbouquet zal zijn, en dat de armen van 't
+vreedzame dorp het zilveren bruidspaar zullen zegenen voor de milde
+giften, die het voor hen heeft weggelegd.
+
+
+
+Veertien dagen later was het een prachtige zomerdag.
+
+Aan den voorgevel der villa Toulemaire stak men de groote vlag
+uit. Geen wonder, 't zilveren trouwfeest wordt gevierd.
+
+Maar hoe! is het de grijze bruidegom zelf, die de driekleur ter
+viering van het feest langs den fraai met sierplanten begroeiden
+gevel zal doen wapperen?--Ja, maar doodsbleek is zijn gelaat; zijn
+tanden klemmen soms knarsende opeen.
+
+"Stil! Ik wil het Eugénie, ik wil het! Laat los! weerhoud me niet."
+
+"Maar Pierre.... ik bid, ik smeek je, goede trouwe man!"
+
+"Vervloekt! zij zullen 't weten dat ik het een laagheid zou achten. Een
+verraad! te gehoorzamen aan 's vijands bevel.--Laat los!--Zoo! Daar
+waait ze, de vlag!"
+
+"Maar Pierre! In 's hemelsnaam denk aan onze kinderen. Denk aan
+Blanche en Virginie. Mijn God. wie zal ze beschermen tegen de woede
+dier barbaren, indien....?"
+
+"Beschermen!? God zal ze beschermen Eugénie, de God die ons vijf en
+twintig jaar te zamen spaarde en zegende. God zeg ik, door mijn arm."
+
+"Pierre, och lieve Pierre! weersta die woestaards niet. Je hebt het
+gelezen dat alle tegenstand der bevolking vreeselijk zal gestraft
+worden.--O God, welk een feestdag!"
+
+Pierre antwoordde niet, maar zijn oog sprak het bevel dat de Fransche
+vlag daar zou blijven, om den vijand te toonen dat Pierre Toulemaire
+geen lâche en geen traître was.
+
+Ja, dat zal hij toonen. Zie maar: in zijn keurig schrijfvertrek
+gekomen, neemt hij uit de geheime lade zijner secretaire, een
+paar kleine revolvers; laadt ze en verbergt ze zorgvuldig in zijn
+kleeding. Ha, nietwaar, men zal toch vreugdeschoten lossen op een
+zilveren bruiloftsfeest!
+
+En de zilveren bruid, als zij straks weer beneden komt, dan bekruipt
+haar opnieuw en sterker de angst dat die breede helderkleurige vlag,
+dat gedenkstuk van zoovele blijde dagen, haar en haar geliefden ten
+verderve zal worden. Zij wil....
+
+Maar groote God, wat weerhoudt haar om reeds aanstonds haar plan te
+volvoeren? Ziet ze goed? Is dat Gaspard, Blanches beminde, zoo bleek,
+zoo deerlijk gehavend?--Hoe! is het waar 't geen hij snakkend naar
+adem met snijdend geluid en slechts ten deele verstaanbaar uitbrengt?
+
+In weerwil van de Duitsche proclamaties tegen 't verzet der
+Fransche burgers, en 't geen nog daarenboven in dien geest door den
+"flauwhartigen" dorpsmaire was aangeplakt, waren hij--Gaspard en
+Antoine, Virginie's aanstaande,--met nog twee vrienden, benevens een
+schaapherder en nog drie jonge boeren, allen met buksen gewapend,
+naar den Steenenburg gegaan om van daar--schier aan alle kanten
+gedekt en met het steil uitgehouwen rotspad in den rug--naar de zij
+der chaussée te kunnen vuren, indien de vijand het dorp durfde naderen.
+
+Gaspard heeft bijna niet verder kunnen spreken. Het roekelooze maar
+toch vaderlandslievende waagstuk is den uitvoerders duur, ontzettend
+duur te staan gekomen.
+
+"Ga niet naar den Steenenburg, nooit nooit meer," heeft Gaspard in
+'t eind half waanzinnig gestameld: "Nauwelijks was er een schot
+gelost of drie der onzen sloegen reeds neer, en stortten langs de
+smalle rotstrap naar beneden. En de anderen....? O God, hier ben ik
+om te zeggen wat hun lot werd of worden zal. Ga nooit meer naar den
+Steenenburg! De takken zijn er niet hoog, neen, maar toch ... O,
+ga er nooit meer heen, in Gods naam, nooit!"
+
+Blanche klemt zich aan den roekeloozen dierbare vast, en smeekt hem
+dat hij haar niet meer verlaten zal.
+
+"En Antoine....?" krijt een andere vrouwenstem.
+
+Uit de verte klinkt trompetgeschetter. Langs de breede chaussée trekt
+een deel van het zegevierend leger naar het dorp in kwartier. De
+grond dreunt van 't steeds naderkomende heir; 't gerommel van de
+raderen der kanonnen, de hoefklank der paarden, het kettinggerammel
+der amunitie-wagens, vermengd met het luid gezang der overwinnaars,
+'t weergalmt als een onweer van verre.... en straks in het oor der
+bleeke dorpers, als het vreugdgeschrei eener helsche macht, of het
+brullen van wild gedierte ter vernieling gereed. Een kleine voorhoede
+is reeds van achter het beukenhout in de vallei voor de bewoners der
+villa zichtbaar geworden.
+
+"O Jésus Marie!" gilt weer de stem, die straks naar den geliefde
+vroeg, maar geen antwoord bekwam. Nu behoeft ze dat antwoord niet
+meer. Staart ze in een vuurpoel waarin haar schat ligt? Ziet ze een
+toekomst van geluk plotseling geheel verdonkerd? Ze weet niet wat ze
+ziet.... Ja toch: Aan deze zij van de bonte krijgsgroep treedt hij,
+Antoine, blootshoofds met verwilderde haren naast een te paard gezeten
+"duivel" voort. Zijn bovenkleeren schijnen hem in een fellen strijd
+van 't lijf gescheurd. De beide handen heeft men hem vast op den rug
+gebonden, en met het paard moet hij gelijken tred houden, want, om
+den ontblooten hals heeft men, o God van liefde, een touwstrik gelegd!
+
+Virginie Toulemaire kent zich zelve niet meer.
+
+In wanhoop vliegt ze voort naar beneden. Zij zal die wreedaards
+dreigen, smeeken.... Maar, hoor, nog eer ze beneden kwam, knalde
+er reeds van achter een klein bosschage bij den landweg een schot,
+en weder, en nogmaals, tot twaalf malen achtereen.
+
+Was hij krankzinnig geworden, de brave beweldadigde van het tweede
+Keizerrijk?
+
+Heeft hij zóó met zijn revolvers de overwinning der Pruisen willen
+verkleinen? Heeft dan de grijze Toulemaire--achter die heestergroep
+verscholen--niet bespeurd dat het leven van jongeren, die toch niet
+roekeloozer waren dan hij, reeds aan een zijden draad hangt en besefte
+hij niet dat door zijn hernieuwd vergrijp, dat leven reddeloos moet
+verloren zijn!
+
+Een der huzaren is neergestort.
+
+"Donnerwetter! Verfluchter Franzoos!" Ha! in 't open veld, op leven
+en dood een kamp te wagen, dat wil de eerlijke Duitscher, maar tegen
+'t verraad...! Daar klinken twee, drie karabijnschoten. De oude man
+zinkt bewusteloos neer.
+
+De huzaar, die Antoine bij het moorddadige koord vasthield, heeft
+zijn plicht gedaan. Daar lag hij "der alte schwartzhosige Turco!"
+
+Maar zie, op 't oogenblik dat de huzaar den dood van zijn nevenman
+wreekte, heeft hij het touw, waarmee hij Antoine regeert te luttel
+vastgehouden, en, met een ruk, die hem schier de oogen uit de kassen
+wrong, is de ter dood verwezen jonkman in vrijheid!
+
+Terwijl de verraste huzaar, verwoed, ijlings uit den zadel springt,
+knetteren weer karabijnschoten.
+
+Men had niet slechts den vluchtenden Franzoos, neen, men had ook
+de vlag van den Erbfeind gezien. Alsof er geen Sieg en Proclamaties
+bestonden, zag men daar voor het hooge dakvenster een bejaarde dame
+door anderen geholpen, nog juist de laatste hand slaan aan het tergend
+werk om met het uitsteken dier verwenschte driekleur den overwinnaar
+te bespotten.
+
+Men bedroog zich. De vlag, die straks achter het geboomte was
+verscholen, heeft men niet eerder kunnen zien, en het inhalen er van
+zag men nu voor een tergend uitsteken aan.
+
+Joseph, de huisknecht, wankelt op den zolder achteruit, en slaakt
+een kreet van ontzetting. Zijn brave meesteres, die niet rustte aleer
+zij, ondanks Pierre's verbod, de vlag zou hebben ingehaald, mevrouw
+Toulemaire sloeg de hand op de borst, werd zoo wit als het wit der
+driekleur, en zonk door een kogel getroffen ineen. Blanche staat als
+verlamd. Gaspard, nog ontdaan van 't geen hem weervoer, en 't geen
+hij zag, vangt nabij het zolderraam gekomen de waardige vrouw in zijn
+armen op.--Maar, een tweede kogel vliegt het dakvenster binnen.--Buiten
+wordt een luid Hurrah! vernomen. Ze hadden hem daarboven herkend den
+"sluipmoordenaar", dien men losliet om aan 't dorp te boodschappen
+wat het lot van "struikroovers" werd.--Hoe! durfde hij nog van boven
+hen bespotten: Hurrah! die Zündnadelspitze ging hem dwars door de
+hersenpan heen!
+
+Vorwärts! Marsch! Is die villa hier een rooversnest, een
+moordenaarshol! Vorwärts! Den brand er in! Al het bandietentuig
+gestraft ten exempel. Vorwärts! Hurrah!
+
+Intusschen is Antoine Berrier, aan den huzaar en het vreeselijke
+koord ontkomen, ijlings langs het struikgewas, waarachter de oude man
+zich straks heeft verschanst, de buitenplaats ingerend. Geen andere
+drijfveer dan zelfbehoud jaagt hem voort. Doch nu, wat is het dat hem
+den weg verspert? Een jonge vrouw ligt daar gebogen over het lichaam
+van.... O God! den edelen Toulemaire!
+
+"Virginie! mijn engel!" roept de vluchteling nu hij mede zijn dierbare
+herkent.
+
+Het meisje ziet op; doet een poging om te spreken, doch haar tanden
+klemmen opeen; haar oogen draaien onbestemd; een zachte kreet ontsnapt
+aan haar doodsbleeke lippen, en nevens het lijk.... zoo meent ze,
+van haar dierbaren vader zinkt ze machteloos neer.
+
+Een rassche wending op de hem wel bekende slingerpaden bezijden
+de villa, had Antoine zooeven aan 't oog van zijn vervolger
+ontrukt. Vluchtig omziende neemt hij nu zijn dierbare in den trillenden
+arm, en voelt met de andere hand of inderdaad het hart van dien braven
+oude niet meer slaat. Maar neen, hij is niet dood, de edele Toulemaire.
+
+"Virginie hij leeft! Moed, moed!" roept Antoine op gedempten toon.
+
+Zij heeft het gehoord, maar ze kan.... neen.... ja, ja toch,
+'t is eensklaps alsof er een nevel optrekt, alsof er een zonlicht
+doorbreekt. Zij opent de oogen; drukt de hand op den boezem, en, nadat
+een huivering haar trillen deed, komt ze langzaam overeind. De hoop
+om dien lieven vader te behouden, schenkt haar schier bovenaardsche
+krachten. Langs een dicht begroeid zijpad, dragen Antoine en Virginie
+den zieltogenden man naar de villa. Door de achterdeur zullen ze er
+binnengaan, en, om de arme moeder den eersten schrik te besparen,
+zullen ze hem brengen in de kleine kamer, die vooral in den laatsten
+tijd als het heiligdom der "bloemen van Monsieur Toulemaire" werd
+beschouwd, ja, ja, omdat men wel wist dat ze er iets werkten en
+bewaarden voor den heerlijken feestdag.
+
+Maar hoor, wat gillend angstgeschrei vervult het vriendelijk
+lusthuis? Een "waanzinnige furie" vliegt de breede vestibule door en
+naar buiten:
+
+"Beulen!" gilt ze: "Beulen!" en altijd weder datzelfde, dat tergende:
+"Beulen!"--'t Is Blanche. O God, ze weet niet wat ze doet; ze weet
+niet dat zij zich uit de armen van een paar trouwe dienstboden met
+geweld heeft losgerukt; en dat haar kleeren er door gescheurd, en
+haar haren zijn losgegaan. Ze weet niet welk ijzeren voorwerp ze
+greep om er den dood mee te wreken van.... O Heere Jezus! hoe kan
+ze de namen noemen van een engelachtige moeder; van een innig innig
+geliefde! "Beulen! Moordenaars!" gilt en grijnst nu de teedere maagd,
+die nog slechts van het vreeselijk tooneel op den zolder getuige was,
+en vliegt langs de prachtige bloemperken een viertal huzaren te gemoet
+die haastig naderen, met den hun opgedragen last om dit nest uit te
+roeien met al het "schurftgebroed" dat zich er in bevindt.
+
+Nu houden ze stand. Donnerwetter, tegenover zulk een vijand staan ze
+niet dikwijls. Prachtvolles Mädchen! Ha!
+
+De ruwe scherts van een dier krijgers hoort Blanche niet. Doch nu,
+nu voelt ze een hand op haar schouder, en op luchtigen toon de vraag:
+of Mamsell die Herren komt einladen in Paris den Cancan zu tanzen?
+
+Maar zij--ze hoort niet wat ze zeggen:
+
+"Beulen! Beulen!" krijt ze opnieuw, en....
+
+Men had het zoo niet verwacht. Dat schoone Fransche kind is een ware
+tijgerin! Met een kleine zaag, het eerste voorwerp, 't welk haar
+straks op den zolder in 't oog viel, merkt ze den driesten spreker
+op vreeselijke wijze het aangezicht.
+
+De scherts maakt plaats voor een hevigen toorn. Ze hebben wel harten
+die mannen, en Karl Wunder zou zelfs in gewone dagen een schoone
+vrouw niet zuur kunnen aanzien, laat staan haar leed doen--maar nu,
+als ze zóó op z'n Turco's beginnen...!
+
+Een ruwe uitval en een forsche greep naar de teedere hand, die tot een
+vernieuwden aanval het vreemde wapen verhief, doen Blanche plotseling
+geheel en al verlammen. Een doodelijk wit vervangt haar hoogroode
+kleur. Dikke zweetdroppels glijden langs haar blanke blauwgemarmerde
+slapen en gitzwarte lokken naar beneden. Een hevig zenuwtoeval schokt
+haar slanke leden.
+
+Men werpt haar naast het bloemperk in 't gras neer.
+
+Is men hardvochtig! Wie kan het helpen, als God het zoo
+wil(!) "Vorwärts!"
+
+En de Duitscher, het felst gebeten op hen, die na een heeten strijd
+den overwinnaar nog het zoet van de zege en het genot eener korte
+ruste benemen durft, kent op hoog bevel geen genade:
+
+"Voort meiden en knechten van dit weerspannig
+nest. Heraus! Donnerwetter, heraus!!"
+
+Ha! dat is een poltron! Wat schreit en klaagt en bidt die gegalonneerde
+Franzoos, terwijl hij op de knieën gevallen angstig met de hand naar
+dat kleine vertrek wijst.... Was will er? Nun!? Geen genade!--Maar
+nochtans, aleer ze onverbiddelijk hun werk gaan beginnen, toeven de
+Duitsche krijgers een oogenblik.
+
+Daar op den dorpel van dat kleine vertrek staat: "de sluipmoordenaar",
+die zooeven ontsnapte aan het koord waarmee men hem--wat nader bij
+het dorp dan zijne kameraden--ten afschrik van alle "valschaards"
+heeft willen straffen. Daar staat hij. Vlammen vuurs schieten er
+uit zijn oogen, maar toch, evenals de livreiknecht, die ginds steeds
+handenwringend op de knieën ligt, klinkt zijn stem schier schreiend,
+terwijl hij als in vertwijfeling bidt dat men genadig zal zijn, want:
+dat ze daar sterven in dat kamertje, die nu vijf en twintig jaren
+vereenigde echtgenooten, het zilveren bruidspaar!
+
+De Duitschers verstaan hem niet. Doch, wát hij ook smeeken moge,
+er is geen genade voor de burgers die zich verzetten.
+
+Helaas! het zal Antoine niet meer baten of hij smeekt en klaagt en
+dreigt en vloekt, en tandenknarsend zich verweert, terwijl hij--nu
+men hem terdege bindt--tevens gedurig met wanhopigen blik naar zijn
+engel, zijn dierbare Virginie blijft omzien.
+
+En zij! O God, kan ze hier in deze kamer werkeloos blijven!
+
+De hand van den stervenden vader laat ze ijlings los, en even als
+Blanche straks daarbuiten, vliegt ze op die wreedaards toe om hun
+den dierbaren buit te betwisten.
+
+Maar neen, er is geen God meer! de menschen zijn duivels, verscheurende
+dieren! Durven zelfs die Duitsche klauwen haar tengere leest zoo ruw
+en schaamteloos omvatten!
+
+Durven!--Gott im Himmel! Krabt die Fransche furie niet met haar spitse
+nagels het vleesch van Heinrichs aangezicht! Slaat ze die nagels niet
+in Friedrichs oog!--Ja, laat hij maar vloeken en tieren der verdammte
+Franzoos. Voort met het Eugénieënbrut! Smijt het razende dier in den
+kelder, of buiten, bij nummer eins!
+
+Friedrich trilt van woede. Zijn linkeroog brandt in de oogkas.--Nog
+één ruk, en hij sleurt de teedere jonkvrouw die zulk een furie werd,
+van zich af; zij smakt met het hoofd tegen den muur der vestibule.
+
+Antoine, ofschoon vastgebonden, kent zich zelven niet meer:
+
+"Satan de l'enfer!" gilt hij wanhopend, op 't zien van den vreeselijken
+gruwel aan zijn liefste gepleegd.--Onmachtig om zich los te wringen,
+ten einde dat dierbare kind--de schoone bloem van het dal--ter hulp te
+snellen, grijnst hij als in razernij; en, zich vluchtig verheffende,
+bijt hij den armen Heinrich--die toch zijn plicht deed--zoo hevig
+in het aangezicht, dat deze een rauwen kreet slaakt, maar ook op
+hetzelfde tijdstip den kolf van zijn karabijn verheffende, den armen
+Antoine daarmee een zoo hevigen slag op den schedel toebrengt dat hij
+zieltogend neerstort, terwijl zijn vergruisde hersens rondspatten in
+de marmeren vestibule.
+
+
+
+Begint zij walging te baren de schets? Wordt zij kwetsend voor
+het gevoel?
+
+Maar groote hemel zijn we dan niet gestikt in den stroom van
+menschenbloed, waarin we reeds zoovele maanden, en tegen wil en dank,
+werden gedompeld!
+
+Doch gewis, indien wij zelf die vreeselijke tooneelen hadden
+aanschouwd, indien wij zelf een gewaarwording hadden opgedaan als
+die wanneer de spitse degen of de scherp gewette bajonet, na een
+krachtigen stoot, zoo week door het lillend ingewand van den ons
+vreemden evenmensch glijdt; wanneer wij het zelf hadden gezien hoe het
+bloed, de straks nog gloeiende wang van ons slachtoffer ontvluchtende,
+uit den opgescheurden strot naar buiten perst, terwijl het ons lauw
+in het aangezicht spat. Wanneer de brekende oogen onzer verslagenen
+ons maar levendig voor den geest stonden, de blauwe oogen vooral van
+dien blonden jonkman met den wijd opgesperden mond, waaraan nog met
+een pijnlijken zucht den naam eener dierbare ontsnapt; of die van
+den forschen krijger, akelig puilende uit de kassen, terwijl zijn
+laatste woord een vervloeking was van zijn moordenaar!
+
+Ja, groote God, indien wij die vreeselijke werkelijkheid hadden getast
+en aanschouwd....
+
+Ei! sla den blik op het zegevierend leger terwijl het de groote
+hoofdstad binnentrekt, op die krijgers, overladen met roem en
+eer. Bloemen en bouquetten worden hun toegeworpen. Jubelend keeren
+ze in 't vaderland terug. Wilhelm draagt er roem op dat hij, hij
+alleen, dertien Franschen voor zijn lood of kolf zag neerzinken;
+en Dominique, zoo pas uit de gevangenschap ontslagen, brengt toch de
+glorie mee naar het arme Frankrijk, dat hij met dezen zelfden sabel,
+een damné colonel Prussien naar de andere wereld zond.
+
+Moesten wij 't zelf niet vernemen uit den mond van een jong en zeer
+beschaafd strijder, dat hij--neen! op dit oogenblik, geen zweem van
+medelijden heeft gevoeld bij 't neerschieten van een paar roodbroeken,
+maar dat het hem goeddeed ze te zien bijten in 't zand.
+
+Een jachtgenot wordt de oorlog, geprikkeld door 't levensgevaar.
+
+O mijn God, indien de krijg zelfs uw edelste menschenkinderen
+tot furies en duivelen maakt, wie zal hem dan géén vervloeking
+noemen?--Dronken zijn ze die juichen bij 't vergoten bloed van hun
+naaste, dronken! krankzinnig!
+
+Ha! daar nadert een breede schaar. Twee banieren heft ze omhoog. Die
+van 't Roode Kruis en den Vredebond.
+
+'t Licht moet schijnen in de duisternis. Liefde wordt gesteld tegenover
+Volkenhaat.
+
+Beschaving tegenover Barbarisme.
+
+Vrede op aarde!
+
+Helaas! gij breede schare, er zullen nog eeuwen voorbijgaan eer ge
+uw taak hebt volbracht.
+
+Eeuwen, eer de hoofden der volken geen opperste krijgslieden, maar
+de eerste burgers van den Staat zullen zijn.
+
+Eeuwen, eer men het mes in des vleeschhouwers scheede minder verachten
+zal dan den degen, toch slechts gesmeed met het doel om te vlijmen
+door eens menschen ingewand.
+
+Doch schep moed, de dag zal komen! Gij legt de grondslagen tot het
+gebouw eener schoonere toekomst.
+
+Uw leger, saamgevloeid uit de edelste krachten der menschheid, zal
+steeds grooter worden. Uw wapenen zullen de wapenen der beschaving
+zijn: Onderwijs! Volksontwikkeling! Verzet tegen de zonden der naties,
+en tegen het meest algemeene der menschheid onteerende dwaalbegrippen.
+
+Laat uw licht schijnen, en keer u 't allereerst tegen dien leugen:
+dat de oorlog een noodzakelijk kwaad.... of zelfs een heilzaam goed is!
+
+Ja, zoo beweert men: Even noodzakelijk als de stormen en onweders in
+de natuur, even zoo noodzakelijk zijn het de oorlogen in 't belang
+der volken.
+
+"Nietwaar, dat is zoo begrijpelijk: Evenals twee wolken, zoo stooten
+twee volken tegen elkaar. De bliksem is 't oorlogsvuur, de donder het
+krijgsgeknal. Daarna, de gezuiverde lucht!--O, ongetwijfeld slaan die
+vreeselijke wereldstormen diepe wonden, maar er is een God van liefde,
+die 't alles bestuurt, en zonder Zijn wil...."
+
+"Neen, natuurlijk, natuurlijk! Ongelukkig de mensch, die dat een
+oogenblik zou kunnen vergeten."
+
+Een God van liefde!?
+
+Blanche en Virginie Toulemaire, vergaten het een oogenblik, en zelfs
+die oude waardige zilveren bruid, ze vergat het in de laatste ure
+van haar leven!
+
+Vermoorden van Pantin! beklaagt u niet.
+
+Monster Traupmann, leg uw hoofd met gerustheid op het blok. Immers
+alles wat er op de wereld geschiedt, het geschiedt met den wil van God.
+
+En welzeker, de God van liefde neemt ook het dankoffer genadig aan van
+de zeer geleerde heeren, die de resultaten hunner hersengymnastiek
+aan de wereld konden toonen; van de uitvinders dier onsterfelijke
+mitrailleuses Montigny, Marklerberg en Durand, waarvan de laatsten
+niet door kruit maar door stoom gedreven, 3600 kogels per minuut
+werpen, terwijl ze dooden op 400 meters afstand. God neemt het innige
+dankoffer genadig aan van Zijn rijk begaafd menschenkind, den uitvinder
+dier granaten, waarvan er één voldoende is om duizend van zijn andere
+menschenkinderen te gelijk te vernietigen; van den heer Gaudin, die de
+aarde met zijn uit luchtballons te werpen brandgranaten ten zegen werd.
+
+En dan, mochten zij hun tijdelijke welvaart niet met blijdschap zien
+toenemen, en leeren zij hun lieve kleinen daarvoor niet innig dankbaar
+de handjes ten hemel heffen, de papa's die met hun satans-raketten,
+grieksch vuur, springmijnen en stinkbommen, de wereld en.... misschien
+ook wel het Opperwezen zoozeer aan zich verplichtten!
+
+
+
+Zal men zich in duistere vraagstukken verdiepen? Neen! maar al zonden
+ook duizend dierbare oorkonden en tienduizend achtenswaardige leeraars
+'t ons vermelden: dat er niets, niets geschiedt zonder Gods heiligen
+wil, wij achten het een leugen, een verderfelijke leugen: dat zonde
+en ongerechtigheid en inhumaniteit, ofschoon ze een plaats hebben in
+het grootsche wereldplan, de uitvloeisels van Gods wil zouden zijn.
+
+Is het Gods wil dat een zoon, zijn trouwe moeder, die hem vermaant,
+in koelen bloede een mes door het hart jaagt....? Neen, zeg nu maar
+NEEN. Dát toch wil God niet.
+
+Niet dóór en met het onreine en onedele, neen, door den strijd er
+tegen klimt het menschelijk geslacht al hooger en hooger.
+
+Die strijd, dát is de strijd die er zijn moet op aarde; de gymnastiek
+voor den geest ter bereiking van zijn hoogere bestemming, of wilt ge,
+ter bevordering eener trapswijze ontwikkeling van het menschelijk
+geslacht.
+
+Oorlog is liefdeloosheid. Liefdeloosheid is zonde. God wil de zonde
+niet.
+
+Niet? En waarom schiep dan Zijn Almacht geen zondelooze wereld? Van
+den grooten Schepper ging toch óók het denkbeeld zonde uit Hij gaf
+er plaats aan op deze aarde!?
+
+Alzoo wil God dat de mensch zal omkomen van kou omdat hij den winter
+zulke scherpe pijlen gaf; dat hij verbranden zal omdat het vuur hem
+niet spaart wanneer hij zich aan de woedende vlammen waagt?
+
+Alzoo wil God dat de mensch zal honger lijden omdat Hij den honger
+schiep!?
+
+Neen, God wil de zonde niet. Hij kan niets willen wat in strijd is
+met het rein-menschelijke.
+
+Het rein-menschelijke!
+
+En tóch: een onderling vernielen en vermoorden!
+
+En toch: de oorlog een noodzakelijk kwaad!?
+
+Met verblinding zijn ze geslagen de vorsten, die volgens de oude sleur
+hun volken ter slachtbank voeren, met den roep dat het hun ten zegen
+zal zijn.
+
+En de oorsprong dier verblinding. Ziet: Ook uit het kwade--heerlijk
+scheppingsplan!--ontstaat nog het goede.
+
+Naar dat goede, 't welk de oorlog ondanks zich zelven bewerkt, zoekt
+en tast men met gretige oogen en handen; en, hoe gering ook, het moet
+luide verkondigd, breed uitgemeten en grootsch genoemd worden. Zonder
+die som zou men z'n eigen vonnis vellen. Noodlottig zelfbedrog!
+
+Wat de oorlogen in 't eind nog goeds bewerken:
+
+Het staat in geen evenredigheid tot de som hunner jammeren.
+
+En tevens:
+
+Zonder oorlogen zullen de volken, met den waarachtigen strijd op aarde,
+zelfs in ruimere mate, en bovendien veel eerder dat goede verwerven.
+
+Aanschouwt de vruchten van het bloedbad 't welk nu weder werd
+aangericht:
+
+Er is een haat geboren, die nog het nageslacht zal prikkelen tot wraak.
+
+Ziet, daar treden ze voorwaarts, jammerende en in rouwgewaad, de
+weduwen en weezen dier in dolle woede geslachte krijgers.
+
+Daar gaan ze, de eertijds zoo vroolijk blozende maagden, nu verbleekt
+en met roodgeschreide oogen, de liefhebbende warme zielen voor wie
+de teedere naam van vrouw of moeder nooit klinken zal.
+
+Daar zijn ze de tienduizenden, ongelukkig verminkte wezens, mannen
+zonder handen of armen en beenen, mannen die gedoemd zijn om hun
+leven in een beuzelachtig nietsdoen te slijten, en te pralen met de
+wreedheden die ze bedreven, of den haat levendig te houden tegen dien
+"erfvijand van hun volk".
+
+Arme verminkte mannen! Is het hun schuld dat ze vergeten dat die
+erfvijand hun naaste, en dat de haat een roest is die 't hart
+verteert?"
+
+Zie ze die legioenen krijgers: Eertijds--hoe velen hunner erkennen het
+nog met trots--eertijds konden ze geen mugje leed doen, eertijds! Maar
+nu: Valt aan! Houwt en sabelt neer wat uw vijand heet, 't zij oud of
+jong, man of vrouw, kind of grijsaard; slaat ze dood die u in den
+weg staan. Zie ze plassen in 't menschenbloed, geen dieren- maar
+MENSCHENbloed!--Eertijds, nu ja, maar thans: de Keizer, de Koning,
+het Vaderland roept. Nu.... voorwaarts! Een nieuw bloedblad: nieuwe
+lauweren!
+
+En ginder--zie, zij zoekt zich te verbergen die breede schaar van
+huichelaars, gekweekt in de school van den oorlog. Met de hel in het
+hart, hebben zich die ruggen gekromd. Stil! in de harten van sommigen
+hunner, wekte wraak of zelfbehoud zelfs den sluipmoordenaar op.
+
+En nu, sla den blinddoek weg; zie de waarheid--al zij het ook een
+naakte waarheid--onverbloemd in het aangezicht:
+
+Daar gaan ze de ongelukkigen, die bezweken in hun zedelijken strijd
+te midden van dien zelfmoord der menschheid.
+
+Daar gaan ze, de gieren van 't slagveld, de dieven der
+gelegenheid. Daar zijn ze, de ontuchtigen en dierlijken door
+onthouding. En dan, helaas! de arme vrouwen die de ongeborenen
+verwenschen in haar schoot, omdat de woestaards, die--óf haar
+trouw als echtgenoot verlamden, óf schaamteloos haar maagden-eer
+roofden--duivels waren; ze zullen dat kroost verachten en het den
+ongekenden vader leeren vloeken. Arme moeders!
+
+Schatten van Kunst en Wetenschap vernield! Stilstand van alle werken
+tot heil der menschheid!
+
+Vernieling van duizenden menschenlevens!
+
+Verkrachting van de wetten der hoogste liefde en waarachtige
+humaniteit!
+
+Ziedaar dan de vruchten van den oorlog.
+
+
+
+Halt! Nu klinkt er een andere stem:
+
+"Kortzichtige, kunt ge niet verder zien dan de spanne tijds van een
+menschenleven? Wat zijn al die jammeren, vergeleken bij de weldaad
+aan een volk bewezen, wanneer men het wakker schudt uit zijn vadsigen
+dommel, en tot zijn zedelijk bewustzijn ontwaken doet!"
+
+
+
+Alzoo, al die jammeren, en al die ellenden--heugenis voor honderden
+jaren--ze dienen om een volk--of de volken--te leeren.... Wat?
+
+Iets 't geen ze niet weten konden zonder een oorlog? Iets wat nergens
+elders gevonden werd? Of 't geen niet langs andere wegen te bereiken
+was?
+
+De oorlog van 1870 moest aan het Fransche volk dus leeren:
+
+Dat een oneerlijk bewind het volk--vooral in oorlogstijd--noodlottig
+wordt.
+
+Dat de Fransche natie over 't algemeen slecht wordt onderwezen,
+en beter onderwijs alzoo hoog noodig is.
+
+Dat een volk zich vrij moet ontwikkelen, niet geketend door de
+willekeur van een overmoedig bestuur.
+
+Maar is het ernst!? Om dát te leeren, moesten daarvoor al die
+gruwelen geschieden; moeten daarvoor die wonden nog zoolang bloeden
+en inkankeren?
+
+Of ook, moest dat helsche vuur worden ontstoken, om te voorkomen
+dat het eene volk het andere voortaan nogmaals zou kunnen bedreigen
+of beleedigen?
+
+Maar als dat andere volk dan nu het ééne heeft geleerd zijn toon
+wat lager te stemmen, en het geknakt heeft en vernederd, dan kon dat
+wijzere volk op zijne beurt wel eens den toon wat hoog gaan stellen,
+en op zijne beurt gaan dreigen en beleedigen.
+
+Mettertijd! Wie weet!
+
+Maar hoort, men zegt weder: dat in oorlogstijden de edele gezindheden
+insgelijks meer op den voorgrond treden en ontwikkeld worden.
+
+Ziet dien moed; die krachts-ontwikkeling; die warme vaderlandsliefde;
+die hulp en troost bij al den jammer.
+
+De hulp en troost. Ja Goddank!
+
+De warme vaderlandsliefde. O, dat zij spreke, altijd luid en krachtig,
+die liefde voor het lieve vaderland. Maar--nooit krankzinnig.
+
+De krachts-ontwikkeling. O dolle kracht! O vernieling!--De beste
+klachten verkracht!
+
+Den moed!
+
+Wat is moed?
+
+Moed is de vastberadenheid die gevaren trotseert, en zelfs den dood
+veracht in 't belang der menschheid of van 't vaderland.
+
+Gode zij dank. Zoo verstaat ook de edele krijgsman zijn roeping. Zou
+hij hunkeren om toch spoedig zijn moed te toonen door het vernietigen
+van menschenlevens, door een triumfantelijk omhoog heffen van
+het bebloede staal?--Overwinnen dát is zijn leus. Overwinnen of
+sterven. Maar neen, aan dat slachten en vernielen dááraan dacht hij
+niet toen hij als knaap den degen koos. Toen dacht hij--en misschien
+bij den zegen van den vrede nog zooveel te meer--aan verheffing in
+rang, aan eer en roem, maar ten koste van zooveel bloed en tranen,
+neen, dat heeft een menschelijk soldaat zich waarachtig nooit klaar
+voor oogen gespiegeld, noch ooit begeerd.
+
+Vraagt het aan de edelen onder de strijders, of hun hart, in weerwil
+van alle doodsverachting, niet een oogenblik onrustig klopte bij het
+naderen van den stond, toen ze voor 't eerst het bloed van geslachte
+menschen zouden zien. Ja, maar ze hebben dat aanstonds onderdrukt,
+want immers de overlevering zegt: wanneer de oorlog is verklaard, dan
+gelden de gewone aandoeningen niet meer, menschen zijn dan eigenlijk
+voorwerpen--sabel-, geweer- en kanonspijs, of wilt gij 't liever,
+ze zijn de geroepenen op hooger bevel, de dienaars van vorst en
+Vaderland!--Al die fraaie gevoelens uit den lieven vredestijd komen
+niet meer in aanmerking. Geen weekheid, zwakheid of lafhartigheid!! A
+la guerre comme à la guerre!
+
+En, toen het bloed maar stroomde, toen was de zwakheid--de liefde
+tot den naaste--verdwenen, toen ging het comme à la guerre.
+
+
+
+Op een verderfelijken doolweg voert de onzalige stelling: dat oorlog
+een noodzakelijk kwaad is, al moge hij een noodwendig gevolg van
+zonde en slaafschheid zijn.
+
+Een gruwel is hij, een den mensch onteerend, verdervend, gansch
+onnoodig kwaad.
+
+Al het zoogenaamde goede dat een oorlog bewerkt, 't is oneindig
+geringer dan het kwade, 't welk hij sticht voor vele jaren.
+
+Ja, ook uit het kwade komt nog het goede voort. Maar steeds in
+geringere mate. Wanneer men een prachtigen vruchtboom uitroeit, dan
+zal het gras weliger tieren dáár waar de boom voorheen zijn schaduw
+wierp. En, als dan in den herfst de kostbare vruchten niet meer geoogst
+worden, welzeker, dan moet men wel roemen in dat heerlijke groene gras!
+
+Maar ziet dan, Frankrijk is toch wakker geschud. Zijn banden zijn
+verbroken. Met de leuze vrijheid en ontwikkeling gaat het een schoonere
+toekomst tegemoet!
+
+Is het geen verblinding? Zal werkelijk het Fransche volk bij 't eind
+van dit schrikkelijk bloedbad, een ander volk worden? Zullen zijn
+bewindslieden, onder welken titel zij 't schip van staat ook zullen
+besturen, zullen ze--misschien minder zelfzuchtig dan hunne voorgangers
+(?)--nochtans de voetstappen van die voorgangers niet voor een groot
+deel moeten drukken, omdat zij rekening hebben te houden met het
+verleden? Kan een natie, die langzaam rijpen moet voor de vrijheid,
+plotseling worden vrij verklaard?
+
+Als men den leiband, waaraan het kind langzaam vooruitscharrelt,
+plotseling loslaat, dan valt dat kind.
+
+De band is verbroken!--Zal er geen nieuwe noodig worden?--Maar toch,
+Frankrijk heeft geleerd!
+
+Ja in waarheid, maar wát het leerde, 't zal niets meer zijn dan hoe
+het zijn krachten heeft in te spannen, om na jaren--misschien niet vele
+jaren--over de nu geledene schande een bloedige wraak te kunnen nemen.
+
+Doch, zal men de vrucht van dezen krijg voor het zegevierende Pruisen
+vergeten! Ziet men dan, in weerwil van al zijn rouw: zijn heil,
+zijn Bondgenootschap met de Broeders van het Zuiden niet!
+
+Maar zou dat Bondgenootschap inderdaad een vrucht van dezen oorlog
+mogen heeten! Neen, 't is een vrucht van den gemeenschappelijken
+haat. Dat Bondgenootschap ontstond niet dóór, maar het bestond reeds
+lang vóór den oorlog.
+
+En als nu de verwenschte vreemdeling door vereenigde krachten in zijn
+hoek is teruggejaagd, en de broeders straks weer rustig te huis zijn,
+dan--'t zou niet onmogelijk wezen--dán misschien zal het onderling
+krakeelen opnieuw een aanvang nemen, en.... Maar de tractaten?--Nu
+ja de tractaten!
+
+En als de broeders niet gaan krakeelen, wie waarborgt ons dat ze te
+zamen niet overmoedig zullen worden, steeds hunkerende naar meer,
+totdat ze ten leste gaan inslapen op hunne lauweren.
+
+En dan, dan komen die vreemden opnieuw, en rukken de lauweren weg
+onder die slapende hoofden.
+
+'t Is reeds gezegd: Leer om leer!
+
+Helaas! de stem zal zich weder verheffen, die ons van kortzichtigheid
+beschuldigt, en een glimp van waarheid weet te geven aan de traditie
+dat de oorlogen noodzakelijk waren, en nóg zijn voor volksontwikkeling
+en beschaving.
+
+Ja, maar zij zal 't vergeten dat schier alle groote werken ten nutte
+der menschheid kinderen des vredes waren.
+
+Getuigt het allen, gij denkers van vroeger en later tijd, die de wereld
+met de uitkomsten uwer studies op zedelijk en stoffelijk gebied hebt
+verrast en zoo duur aan u verbonden.
+
+Getuigt het allen, die zint op vooruitgang en volksbeschaving, dat
+de oorlog steeds uw felste vijand is geweest; getuigt en verbreidt
+het dat de zegeningen door dien vijand der menschheid aangebracht,
+'t allereerst tegen haar gekeerd waren.--Ook uit het kwade kan nog
+het goede voortkomen. Gode zij dank!--Men zag ze, die inspanning van
+krachten om het luchtschip te stieren--door den nood gedrongen, doch
+ook ter vernieling. Misschien ten zegen voor de toekomst? Maar het
+luchtschip bestond. Een kind van den oorlog is het niet; neen. De
+mitrailleuses, de satans-raketten en stinkbommen--dàt zijn zijne
+welpen.
+
+De oorlog is een kwaad, een volstrekt onnoodig kwaad.--Niets wezenlijk
+goeds kan er door den oorlog tot stand komen 't geen niet langs den
+rein menschelijken weg zou zijn te verwerven geweest.
+
+Was het dan in Europa tot heden een verborgenheid dat degelijk
+onderwijs een volk ten zegen is? Moesten duizenden moorddadige
+bommen en kogels verkondigen 't geen één enkel helder hoofd, één
+enkel waarachtig vaderlandslievend hart ten goede had kunnen bewerken?
+
+Zijn dan de oorlogen nu nog noodzakelijk ter verbroedering van de
+volken--indien ze het al vroeger moeten geweest zijn--nu, terwijl
+bergen noch zeeën de naties meer scheiden? Zijn er geen andere
+middelen inderdaad om de volken wakker te doen blijven, en hun kracht
+te bewaren of meer te ontwikkelen!
+
+Een gruwel is de oorlog. Een toegeven op reusachtige schaal aan wraak
+en haat en veroveringszucht, onder het mom van vaderlandsliefde.
+
+Waarachtige vaderlandsliefde is: Het werken met alle krachten aan de
+beschaving en ontwikkeling van zijn volk; maar ook: Het werken zelfs
+in den kleinsten kring met lust en noeste vlijt. Vaderlandsliefde is
+een ijverig voorwaarts streven door gepaste middelen, zonder dwaze
+verheffing boven zijn stand; een bevorderen en schragen van het te
+dikwijls verbroken maatschappelijk evenwicht. Vaderlandsliefde is het
+kweeken van een reinen onziekelijken Godsdienstzin; van humaniteit
+waaruit de waarachtige vrijheid wordt geboren, waardoor in 't einde
+de vrede moet komen op aarde.
+
+Vaderlandsliefde!
+
+Maar als een wreede roover het dierbaar erf bedreigt; wanneer het
+ruw geweld met ijzeren vuist op deuren en vensters beukt?
+
+Hoe! Zal men den woestaard dan met een ernstig vermaan tot rede
+kunnen brengen; zal hij het oor leenen aan die woorden van den
+edelsten onder de menschen, den grooten Jezus van Golgotha: Steekt
+het zwaard in de scheede. Hebt elkander lief. Bidt voor degenen die
+u haten!--en nog zoovele andere uitingen der reinste humaniteit,
+der warmste menschenliefde!?
+
+Helaas! indien het ruw geweld u tot handelen dwingt, zoekt het met
+krachtige hand te beteugelen, en--wordt gij gedwongen zijn helsche
+wapens te kiezen.... God wil dat ge uw leven en dat uwer dierbaren
+zult beschermen. Maar wee wee den mensch door wien de ergernissen in
+de wereld komen!
+
+Één enkel boosaardig hart behoeft slechts één enkele vuurvonk om een
+gansche stad te verwoesten. Doch wee, wee dat hart, na zijn ontwaken
+uit den helschen roes bij 't aanschouwen van den jammer door hem
+aangericht.
+
+Vaderlandsliefde!--Preekt het van de daken dat het geen waarborg is
+voor 't geluk van een volk, wanneer zijn land al grooter en grooter,
+al machtiger en machtiger wordt.
+
+Preekt het van de daken dat de kleine naties zoowel recht hebben van
+bestaan als de groote; dat zij veelal gelukkiger zijn, huiselijker
+van aard, en meer geadeld door den waren vrijheidszin.
+
+Groot en klein, 't zijn twee machtige factoren van het
+scheppingsplan. Ziet ze, de onmetelijke zonnen, en de kleinste
+planeten; de hemelhooge bergen, en de liefelijke heuvels; ziet ze,
+de cederen van den Libanon, en het fijngetakte plantje der hei;
+den olifant en het miscroscopisch insekt.
+
+Vaderlandsliefde!--Verkondig het alomme, gij kleine natie, dierbaar
+Nederland, dat gij recht hebt van bestaan, gij bovenal!--Laat uw stem
+klinken, met verstandigen ernst, wijd en zijd, dat gij uw huis zult
+bewaken, en zonder inwendig krakeel, uw huis aan zee, wel wat vochtig,
+maar toch zoogoed!
+
+Verkondig het, dat ge de bondgenoot wilt zijn voor alle werken des
+vredes, maar ook, dat ge bij overheersching de taak zoudt vervullen
+van het folterende geweten, telkens in opstand, en triumfeerende in
+'t eind!
+
+Zal het de stem wezen van een roepende in de woestijn, klein Nederland,
+indien gij luide verkondigt:
+
+"De vorsten moeten de eerste Staatsburgers zijn.
+
+"Een gewapende vrede is de eeuwigdurende oorlog. Algemeene ontwapening,
+dat is de waarborg des vredes."
+
+Wanneer men gereed is ten strijde--of het meent te wezen--dan trekt
+men het zwaard. Hoort! De gelegenheid maakt den dief, soms ook maakt
+de dief de gelegenheid. Maar de ontwapende dief? Misschien gaat hij
+werken en ziet hij af van inbraak en roof.
+
+Klein Nederland, verhef uw stem; misschien kan het baten in 't eind.
+
+Immers men weet dat gij wel klein zijt, maar ook 't geen men dapper
+pleegt te noemen; dat slechts een paniek in staat is om u voor een
+oogenblik u zelf te doen vergeten.
+
+Vrij, dierbaar Nederland! roept het den volken toe:
+
+"Slecht uw vestingen, uw arsenalen en tuighuizen; vernietigt uw
+heillooze wapenfabrieken, uw monster-geschutgieterijen. Dat alles
+knaagt aan uw eigen welvaart en dwingt een volk, 't welk u de
+broederhand zou willen reiken, om zich evenals gij in 't ijzeren
+pantser te steken: 't pantser, knellende, drukkende, den vrijen
+bloedsomloop belemmerende, 't hoofd verhitten de, drijvende den arm
+tot vernieling en broedermoord.
+
+Maar vooral, klein Nederland, al wijst gij ook met krachtig en vinger
+op de misgeboorten van het genie, op stinkbommen en satansraketten,
+gedraag u verstandig en wijs, terwijl ge de vaan van den Vredebond
+hoog en met frissche kleuren doet wapperen door uw vrije lucht;
+wees wijs en verstandig, terwijl ge uw stem verheft opdat men u niet
+verdenke van lafheid, en u bespotte in 't eind.
+
+Wees wijs en verstandig; zeg niet dat ge uw heil van de naaste toekomst
+verwacht. Verkondig het luide: dat ge niet zult wanhopen indien er
+nog eeuwen moeten voorbijgaan eer de oorlog tot de barbaarschheden
+van een vroeger tijdvak zal worden gerekend; indien er nog eeuwen--ja
+zelfs vele eeuwen moeten verloopen, eer uw Vredebond waarachtig een
+algemeene onverbreekbare Vredebond zal zijn; eer de geschillen der
+volken alleen zullen beslist worden voor de hooge Internationale
+vierschaar van 't kloek verstand en 't onkreukbaarste recht!
+
+Wees verstandig en wijs, want die tijd zal toch komen. Maar, bij
+den goeden strijd, dien gij strijden wilt, klein dierbaar Nederland,
+vergeet het niet om het woord van mond tot mond te doen gaan, dat de
+NOODZAKELIJKHEID VAN DEN OORLOG EEN DER MENSCHHEID EN GOD ONTEERENDE
+LEUGEN is.
+
+
+
+Aan den avond van den dag dat de villa Toulemaire voor een groot deel
+in de asch werd gelegd, ontstond er in de dichtst daarbij gelegen
+woning, terwijl eenige hoofd-officieren van het zegevierend leger er
+bijeen waren, een hevig rumoer.
+
+Van waar zij gekomen was, dat wist men niet, maar eensklaps was een
+jonge doodsbleeke vrouw met angstverwekkend gegil, uit een kelderdeur
+de donkere gang ingevlogen. Men heeft haar niet kunnen vatten aleer
+zij de deur van het vertrek had losgerukt waar de Duitsche strijders
+vertoefden, en aan niets dachten....? dan aan den roem, waarmee zij
+'t Lieb Vaterland overlaadden.
+
+Was het Blanche Toulemaire, zij, de eenig overgeblevene van het
+gelukkige zestal, 't welk heden een zoo schoonen feestdag zou vieren?
+
+Ja. Uit haar bedwelming ontwaakt is ze voortgeijld. Waarheen? Ze
+weet het niet. Vurige slangen joegen haar voort; slangen die zich
+om haar leden kronkelden, en den ademtocht belemmerden. Waar zij
+een ganschen dag heeft getoefd dat weet ze evenmin. Ze wist niet
+dat pachter Micauld, de naaste buurman van Toulemaire, haar heeft
+bemerkt en in zijn woning gebracht. Ze weet het niet hoe ze telkens
+knarsetandend is opgevlogen, terwijl ze gedurig, maar ook al doffer
+en doffer, haar woord van dien morgen herhaalde: "Beulen, moordenaars!"
+
+In 't eind, of ze geslapen heeft of wel dat nogmaals een zenuwtoeval
+haar neerwierp, 't was donker om haar heen, zeer donker toen ze zich
+oprichtte, en rondstarende, zachtkens vroeg: Waar men haar lijk had
+neergelegd; want, dat ze een lijk was dat voelde ze wel.
+
+Micauld de welgestelde pachter zat met zijn jonge vrouw aan 't einde
+van den ruimen kelder. Jeanne was juist van boven gekomen; zij had de
+Herrschaften bediend. Micauld zou 't besterven als hij het moest doen.
+
+Goddank, men zag nu bij 't schijnsel der kleine lamp, die de jonge
+boerin ontstak, dat de arme juffrouw Blanche wat kalmer ontwaakte.
+
+Neen, lieve God, neen, zeker, een lijk was zij niet. Och zij moest maar
+kalm en niet al te neerslachtig wezen. 't Heele dorp is immers ook wel
+in rouw en angst. Overal is 't vol met arme verwonde soldaten.--Neen,
+hier boven den kelder in de groote voorkamer dáár zijn geen gewonden;
+eenige voorname officieren, die hier in kwartier liggen zijn er
+bijeen. Och, zoo kwaad zijn ze niet als men maar doet wat ze zeggen. Ze
+weten zich ook nog al te behelpen, want behalve een paar makkelijke
+stoelen, die de soldaten uit den brand wisten te redden, moeten zij
+'t boerengerei maar voorlief nemen. Komaan, juffrouw Blanche moest nu
+maar weer wat zien te slapen. Ja 't was wel verschrikkelijk.... en
+allerverschrikkelijkst, zeker; maar och, die goede oudeluidjes zou
+ze toch ééns hebben moeten verliezen nietwaar? en haar zuster, als
+ze misschien getrouwd de ouderlijke woning verlaten had, wie weet
+hoe weinig juffrouw Blanche haar dan had weergezien; en, wat haar
+vrijer betrof: Och ja, heeft madam Micauld al verder getroost, dat
+hij zich zoo bij den Steenenburg durfde wagen, dat was ook eigenlijk
+geen liefde; en dan, zij heeft het met Pierre Legros ondervonden,
+een half jaar na zijn dood--'t was anders zoo'n brave jongen--toen
+had ze Micauld haar woord al gegeven, en, wie is er beter dan hij!
+
+Eensklaps met een vreeselijken gil is Blanche toen overeind
+gevlogen. Uit de armen van Micauld en Jeanne, die haar wilden
+terughouden, heeft ze zich losgerukt. De keldertrappen op, en de gang
+der hoeve is zij ingevlogen.
+
+De wacht aan de deur schiet ijlings toe; doch de witte gedaante,
+die men in 't donker zag, heeft de deur der groote hoeve-kamer reeds
+geopend.
+
+Het licht der hanglampen en der bougies op flesschen verblindt haar
+de oogen.
+
+Men heeft haar vastgegrepen. Zijn dat de slangen weer, die zich
+kronkelen om haar trillende leden?
+
+"Wat wil die vrouw!" roept een der officieren. En dan, na een
+oogenblik stilte: "Laat haar los! Tegen weerlooze vrouwen vechten
+we niet." Daarna op Blanche toetredende, herneemt hij in vloeiend
+Fransch, terwijl zijn krijgsmakkers het schoone maar doodsbleeke
+meisje met belangstelling gadeslaan:
+
+"Ik geloof, juffrouw, dat een vergissing u in deze kamer bracht,
+ten minste...."
+
+Maar de Huzaren-ritmeester gaat niet verder. Hij heeft een arme
+krankzinnige voor zich, dat bespeurt hij nu wel.
+
+Bij het plotseling zien van zoovele vreemde officieren is Blanche
+onthutst een paar schreden teruggegaan, doch nu, terwijl ze weer
+stand houdt, staart ze hem aan met zulk een vreeselijke uitdrukking
+in haar tintelende blauwe oogen, dat hij onwillekeurig een oogenblik
+zwijgt zonder te weten hoe met het arme schepsel te handelen.
+
+En Blanche. Hoor! ze fluistert op diep doordringenden toon:
+
+"Wees niet bang; een lijk kan u geen kwaad doen. Kom mee als ge niet
+bang zijt, kom mee naar den Steenenburg; daar zullen ze mij met al de
+lijken begraven. Wacht maar, wacht! Allen wordt ge dan ook begraven,
+allen! nu of morgen. Maar bidt eerst voor de rust uwer zielen, want
+morgen zal het zijn, morgen zeker!"
+
+Een doodelijke stilte heerschte er in het vertrek. 't Was een treurige
+verschijning, die schoone waanzinnige met haar droeve profetie.
+
+Aan slagvelden raakt men gewoon, maar zulke woorden, uit zulk een mond!
+
+Een waardig Duitsch krijgsman met zilveren haren is nu mede opgestaan,
+en nadert het meisje om zoo spoedig mogelijk in haar eigen belang
+een eind aan dit tooneel te maken. Doch, op datzelfde oogenblik valt
+Blanches oog op den sierlijken voltaire dien hij verliet. Een rauwe
+kreet ontsnapt er aan haar hijgende borst. Zij snelt op den prachtigen
+zetel toe; zinkt op haar knieën er bij neer, en dan, terwijl haar
+hoofd machteloos neervalt op haar eigen kunstig borduurwerk voor het
+zilveren bruidsfeest vervaardigd, klinkt nogmaals hijgend en dof die
+snijdende aanklacht van haar trillende lippen:
+
+"Beulen! Moordenaars!"
+
+
+
+'t Is drie maanden later. De gure nachtwind jaagt een sneeuwkleed
+over het vreeselijk slagveld, 't welk de grauwe dag zag aanrichten.
+
+Er heerscht een volkomen duisternis. De angst- en smartkreten hier
+en ginder worden door den steeds feller opstekenden wind verstrooid
+en versmoord.
+
+Rillend in zijn laatste worsteling met den dood, treft een paard met
+zijn killen hoef den fel gekorven schedel van een grijzen krijger,
+die op gruwelijke wijze door een woedenden Franschman werd neergeveld
+en verminkt, maar toch den laatsten strijd nog te strijden had.
+
+O! waarom moest hij nog weder ontwaken in die ontzettende duisternis,
+met dien vreeselijk brandenden dorst, met die ontzettende pijnen,
+hier, aan het hoofd, en overal; onmachtig om zich te kunnen wenden,
+onmachtig om het verminkte been weg te rukken onder het lijk van een
+neergestorten vijand.--Waarom? Zal de sneeuw die hij opvangt in den
+wijdgeopenden mond hem nog verkwikken kunnen....! Zal hij nog kunnen
+denken aan zijne dierbaren....!
+
+O God! zijn dit de smarten der hel!
+
+"Help! Erbarming! Help!"
+
+De nachtwind feller loeiende, spot met dien kreet.
+
+"O Heere God!" kermt nog eens de grijze Duitscher, nadat hij een
+vergeefsche poging deed om zich op te richten van dat vreeselijke
+doodsleger.
+
+Vruchteloos is elke poging; tevergeefs is alle uitzicht op hulp.--O
+Heere God, welk een eeuwigheid!
+
+Maar straks is ook die laatste strijd gestreden, en de sneeuw ontdooit
+niet meer van de verstijfde lippen, met wier laatste smartkreten
+zich telkens de aanklacht eener schoone waanzinnige vermengde, het
+nooit vergeten:
+
+"Beulen, moordenaars!"
+
+
+
+In dien zelfden nacht gleed er in de hoogte over dat slagveld met al
+zijn jammer de tijding:
+
+"Hevige strijd *** duizend man gesneuveld. Roemvolle overwinning. God
+zij dank!"
+
+En de Leugen wierp zijn stem in den loeienden nachtstorm; en verbreidde
+dien dank, met grijnzenden schaterlach.
+
+Maar als de storm in den uchtend bedaarde, en de zon koud en vuurrood
+opging over dat grillig golvende sneeuwkleed, met purper doorsijpeld,
+dan verborg zij haar gelaat, want ontzettend was de aanblik van dat
+met bloed bezoedelde lijkkleed, 't welk den broedermoord bedekte,
+den moord van kinderen.... van eenzelfden Vader!
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+
+  Bladz.
+
+De Lelie van 's-Gravenhage 1
+
+Gelegenheidsstukken.
+
+
+ De Reus van Antwerpen 149
+ Te Wolfhezen 160
+ Gedachte op den laatsten avond van een droevig
+ jaar 174
+ Kenteekenen van fatsoen 176
+ Iets uit het jaar 1870 180
+ Uit "De Spectator" 185
+ Een mooie Aprilmorgen in 't Haagsche Bosch 208
+ Antwoord van de weduwe Samuël Zadok, geb. Sara Lot,
+ op den brief van haren zoon Levie, vrijwilliger bij
+ het Fransche leger in de Krim 213
+ Brieven van Grietje Sluimer 218
+ Jan, Pier en Kloas 235
+ Brieven uit Nizza (Nice) 240
+ Monte-Carlo 260
+ Fabriekskinderen 272
+ Een woord aan mijn landgenooten 289
+ Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister
+ van Binnenlandse Zaken 295
+ Brief van Jan Stukadoor 303
+ Antwoord van Jan Stukadoor aan Piet Schaver 316
+ De oorlog een noodzakelijk kwaad? 321
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223.
+
+[2] O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz.
+
+[3] "Soldats de la pensée." Le triomphe des arts. Feest-Cantate van
+G. Demarteau.
+
+[4] Schilderij van Biard.
+
+[5] Schilderij van Cermak.
+
+[6] Schilderij van De Bruycker.
+
+[7] De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau's Cantate,
+die oorspronkelijk luidden: Produire encor des Nouveaux Raphaël.
+
+[8] Het Te Deum--3de der Nederd. Evang. gezangen.
+
+[9] Naar het leven.
+
+[10] Cercle Artistique.
+
+[11] Zie, als 't u in handen komt, nader mijn Nieuwe en oude orgel,
+uitgegeven door de Gebr. Van Es, waarop Erasmus de goedheid had uw
+aandacht te vestigen.
+
+[12] Zie de sprekende berichten van Mr. Samuel le Poole, in de
+Economist van 1865 en vroeger.
+
+[13] Sedert het schrijven van den bovenstaanden brief, zijn
+er reeds heel wat jaren verloopen, en ik weet niet of het mijn
+hooggeachten vriend De Vries is geweest, die mij heeft overreed om
+mijn "uitzondering" maar te laten varen, of wel dat onze zetters
+en heeren Correctors er mij langzamerhand toe gedwongen hebben. Hoe
+'t zij--gedachtig aan ons echt Neerlandsch: Eendracht maakt macht,
+schrijf ik voortaan STEEDS: Licht en dicht.
+
+Maar--nog en noch??
+
+Ja, dát maakt een onderscheid. Het schrijven van ons voegwoord nog
+met c.h. is zeer geschikt om iemand bij 't vóórlezen geheel in de
+war te brengen, en--men moet onze dierbare Moedertaal zóó iets toch
+nooit kunnen verwijten.
+
+28 Jan. 1878.
+
+[14] Deze wensch is echter niet vervuld geworden. Ook de beide
+volgende deelen van Dantes C. D. door Dr. Hacke van Mijnden, zijn,
+met de bekende platen van Doré versierd, aan des dichters vrienden
+vereerd doch, nog eer het derde ofschoon voltooide deel aan de pers
+kon worden toevertrouwd was de talentvolle man, zijn grooten meester,
+den onsterfelijken dichter, helaas, reeds voorgoed gevolgd in die
+oorden waar hij gedurende de laatste maanden zijns levens zoo gestadig
+in den geest had vertoefd en--er "Beatrix aanschouwen deed".
+
+[15] Dit treffelijk blijk van zelfbeheersching en zelfverloochening
+ter wille van de Kunst, werd ons door een van Da Costa's vrienden
+meegedeeld.
+
+[16] Kabaal naar aanleiding van het beroep van Ds. Meijboom, destijds
+predikant van de Groninger richting.
+
+[17] 13 en 14 Sept.
+
+[18] Ze konden ook nagebootst zijn.
+
+[19] Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging,
+om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen
+slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo
+gaan verspelen.
+
+[20] Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever.
+
+J. J. C.
+
+[21] Het Vaderland, No. 44, 1870.
+
+[22] Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld: In 't Gooi, Maart en
+April Nos. van de Gids.
+
+[23] Economist, enz.
+
+[24] Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld.
+
+[25] Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij
+nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die--om de arme schepseltjes
+'s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee
+nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten!
+
+[26] Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling.
+
+[27] De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den
+toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z.,
+en tot hém werd dit schrijven gericht.
+
+[28] Thomas Babington Macaulay's redevoering over den arbeid der
+kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846.
+
+[29] De laatste klaagt over een onduidelijk adres, terwijl het zijne in
+'t geheel niet te vinden was.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De lelie van 's-Gravenhage, by J.J. Cremer
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE ***
+
+***** This file should be named 28175-8.txt or 28175-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/8/1/7/28175/
+
+Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
+http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.