diff options
Diffstat (limited to '28175-8.txt')
| -rw-r--r-- | 28175-8.txt | 18678 |
1 files changed, 18678 insertions, 0 deletions
diff --git a/28175-8.txt b/28175-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5822a47 --- /dev/null +++ b/28175-8.txt @@ -0,0 +1,18678 @@ +The Project Gutenberg EBook of De lelie van 's-Gravenhage, by J.J. Cremer + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De lelie van 's-Gravenhage + +Author: J.J. Cremer + +Release Date: February 24, 2009 [EBook #28175] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE *** + + + + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + De Lelie van 's-Gravenhage + + Van + + J. J. Cremer. + + + Zevende druk. + + Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij. + + + + + + + + + + +DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE. + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + +Het was een koude, gure November-nacht in den jare 1595; donkere wolken +bedekten den hemel, en ontlastten zich in vreeselijke plasregens. Aan +de anders zoo liefelijke maan was het niet vergund door dat dichte +floers heen te dringen, en al vertoonde zij zich ook somwijlen, +een zwarte massa wolken beroofde het aardrijk toch spoedig weder +van haren glans, en het was slechts licht geweest, om den nacht nog +nachtelijker te maken. + +Hooge populieren, reeds geheel van bladeren ontdaan, verhieven zich +aan weerskanten van den breeden zandweg, die tusschen de steden Leiden +en 's-Gravenhage was gelegen, en vertoonden zich als reusachtige +spooksels, die zich onstuimig heen en weer bewogen. + +Het was in dien nacht en op dezen weg, dat eene kar, langzaam uit de +richting van Leiden komende, een kruisweg naderde. De duisternis liet +niet toe het zich daarin bevindende gezelschap te onderscheiden; +bovendien werd het door een linnen huif bedekt, en eenigermate +tegen wind en regen beschut. Na eenig stilzwijgen echter, sprak een +vrouwenstem, ongetwijfeld het woord tot den vooropzittenden voerman +richtende: "Let wel op, Casper! Gij weet dat wij bij het Steenen +kruis, den weg ter rechterzijde moeten inslaan!--Het is nu geen tijd +van slapen," duwde zij den man, hem hevig op den schouder slaande, +toe, daar zij bemerkte dat hij hare woorden niet gehoord had: "Wij +moeten rechts, verstaat gij?" + +De aangesprokene, zoo onzacht uit zijne dommeling gewekt, wreef zich +geeuwende de oogen en keek in het rond.--"'t Is helsch donker," riep +hij eindelijk met een forsche stem: "ik zie weg noch steg."--"Dan +zult gij wél doen af te stappen en de plaats nader op te nemen," +hernam de eerste. + +Nadat Casper het paard had doen stilstaan, en het de teugels over den +kop geworpen had, voldeed hij nogmaals geeuwende en schier onwillig +aan het verzoek, dat meer nog naar een bevel geleek. + +Behalve de twee sprekende ingevoerde personen moest er zich nog +een derde in het voertuig bevinden, die, wellicht door het luid +gevoerde gesprek, of wel door het plotseling stilhouden der kar, +was ontwaakt. Althans, nauwelijks had Casper den wagen verlaten, +of men hoorde een zacht gekreun, hetwelk door een kind moest worden +voortgebracht. De vrouw maakte een snelle achterwaartsche beweging +en het scheen alsof zij een kleed over den kermende geworpen had, +want, doffer en nauwelijks hoorbaar werd thans het klagend gekreun, +dat trouwens telkens meer en meer door het akelig gefluit van den +feller opstekenden stormwind verdoofd werd. + +"De d..... mag weten waar wij zijn!" riep Casper, terugkomende: "ik zie +den zijweg niet. Dat die vervl.... maan er ook niet doorkomt!" ging +hij brommende voort: "men kan geen hand voor oogen zien."--De vrouw, +welke meer met de plaatselijke gesteldheid scheen bekend te zijn, +en met onbenevelde oogen had rond getuurd, stak nu het hoofd uit de +kar, en gebood den nog half slapenden Casper weder op te klimmen: +"Ik zie duidelijk," zeide zij, "dat wij de sloot nog op zijde hebben; +zij stuit tegen den kruisweg; rijd dus voort, en let wél op!"--Casper +gehoorzaamde, zonder te antwoorden, doch noodzaakte het trage paard, +door een: "Kovort, Bles!" hetwelk hij met een duchtigen zweepslag +deed vergezeld gaan, zijn langzamen tred weder aan te nemem. + +Ruim tweehonderd schreden verder gekomen, ontdekte hij, zooals de +vrouw gezegd had, dat de sloot werkelijk stuitte. Hier moest hij +dus den gewonen rijweg verlaten en rechts inslaan. De kar verliet +het spoor, het wiel kraste tegen een steen, het voertuig helde naar +de linkerzijde en ware zeker omvergestort, zoo Casper niet een zwaren +slag op het stijve beest had doen nederkomen, dat, daardoor verschrikt, +eenen sprong voorwaarts deed. Door deze snelle beweging had het wiel +den steen verlaten, zoodat het evenwicht hersteld was. + +"Bij alle heiligen! dat kruis had ons daar bijna den hals doen +breken!" zeide de vrouw, schijnbaar ontsteld: "Gij moet wat +voorzichtiger zijn," vervolgde zij: "nu, echter, kunnen wij niet +meer dwalen; houd slechts het spoor; binnen een goed half uur zijn +wij aan de Blankert." + +Casper antwoordde niet, maar prevelde iets binnensmonds, dat veel +naar eene verwensching geleek. Zeker kon men echter overtuigd zijn +dat hem deze nachtelijke tocht, in zulk een weder, niet beviel. + +Niemand sprak verder. De regen viel gestadig bij stroomen neder en had +den weg schier in een modderpoel veranderd. De kar schokte geweldig, +en het arme paard, telkens voortgezweept, scheen bijna niet meer in +staat, zijn vreemde vracht voort te sleepen. Eindelijk werd de stilte +weder afgebroken door het meer dan te voren hoorbare gekreun van +het kind, dat zich nu scheen te bewegen. De vrouw sprak fluisterend +eenige woorden, die alleen door het wezen tot hetwelk ze gericht +waren, konden verstaan worden, en vervolgde toen luid tot Casper: +"Mij dunkt, dat ik in de verte een schijnsel van licht ontdek?" + +"Dit zal zeker de Blankert wezen," zeide Casper, die insgelijks het +licht ontwaarde: "Wij worden opgewacht. 't Is goed dat wij naderen, +want Bles zou 't geen tien minuten meer kroppen.--Vort, Bles!" en +het regende weer zweepslagen. + +Inderdaad naderde het voertuig de Blankert, en duidelijk ontwaarden de +reizigers nu een persoon, die met een lantaarn op- en nederging. Nog +eenige stappen, nog eenige schokken, en het voertuig bevond zich voor +een opgehaalde brug, welke spoedig, door den persoon, die zich met +de lantaarn aan gene zijde bevond, werd neergelaten. Laatstgenoemde +trad nabij den wagen en lichtte er in. + +"'t Bevel!" riep de vrouw uit de kar den onderzoekende toe. Dit scheen +het wachtwoord te zijn; althans eene toestemming tot voortrijden, +dat Casper gold, doch welker uitvoering hem niettemin veel moeite +kostte, volgde op dit gezegde. + +Dof dreunende, rolde nu het voorgelichte voertuig over de breede +ophaalbrug, waarna de geleider het paard bij den kop vatte, het eerst +door een holle poort, vervolgens over een breede met steenen geplaveide +ruimte en eindelijk in een donkeren stal of schuur binnen voerde. + +"Voor den duivel, dat heet boos weer!" zeide Casper, die bij het +binnenrijden was afgestapt: "geen kat of hond zou men er uitjagen; +doch grof geld weegt zwaar," ging hij in zich zelven voort, terwijl hij +den doorweekten ronden hoed met slappen rand, door heen en weerslaan, +van het water zocht te ontdoen. + +De nieuwaangekomene, die hen zoo even ontvangen had, scheen zich echter +niet met hem in een gesprek te willen begeven, maar trad, nadat hij de +lantaarn in het midden van den stal aan een haak had gehangen, op de +kar toe. Wat daar gesproken werd kon men niet duidelijk onderscheiden, +dewijl het gesprek zeer zacht gevoerd werd. + +De lantaarn verspreidde een schemerachtig licht door de ruimte of +stalling, doch evenwel helder genoeg, om meer nauwkeurig de personen, +die zich aan deze plaats bevonden, op te nemen, en hunne bewegingen +gade te slaan. + +Het gelaat van Casper vertoonde die ruwheid van karakter, welke men +reeds eenigszins uit de weinige door hem gesprokene woorden heeft +kunnen opmaken. Zijne oogen waren klein, zijn neus die alle kenmerken +van 's mans neiging tot sterken drank droeg, was middelmatig, zijn +mond was groot en met breede lippen voorzien, terwijl rosachtig +haar zijn schedel bedekte 't welk thans, doornat van den regen, in +pieken nederhing. Zijne kleeding bestond uit een blauw linnen kiel, +een korte grijze broek, een paar wollen kousen en groote beslijkte +holsblokken. Nadat het gesprek bij de kar eenige oogenblikken geduurd +had, werd door de vrouw aan den vermoedelijken portier, een groot +pak overhandigd dat zeer zwaar scheen. Wat dit pak bevatte liet zich +weldra gissen. Dat klagend geluid, hetwelk wij reeds in den wagen +gehoord hebben, deed zich ook nu weder hooren. De portier nam het +hem toegereikte met beide handen vrij voorzichtig aan, en verdween +er mede door een tot dus verre onopgemerkte zijdeur. + +De vrouw had hare plaats hernomen, en hoewel men haar door de +schemering niet duidelijk kon opnemen, zoo zag men toch een paar +glinsterende oogen, in de diepe kassen verscholen, van onder een paar +donkere wenkbrauwen uitkomen. Zij scheen van middelbaren leeftijd, +en was geheel in een bruinen mantel gehuld, waaraan eene kap was +bevestigd, die mede voor het grootste gedeelte haar hoofd en aangezicht +verborgen hield. + +Een aanhoudend geprevel, dat na verloop van ongeveer acht seconden, +door een snelle beweging met de handen werd afgewisseld, gaf duidelijk +te kennen dat zij een hoogst plechtig werk verrichtte, en zou voorzeker +nog langer hebben voortgeduurd, zoo niet de portier ware teruggekomen +en Casper, die het hongerige paard inmiddels den voederzak aan den kop +had gebonden, een kelk met brandewijn had aangeboden, welke eerst door +dezen tot op een vierde geledigd, en vervolgens met een hoofdschuddend: +"Bah!" aan de prevelende werd toegereikt. + +De portier, die den kelk weder aangenomen had, sprak opnieuw eenige +onverstaanbare woorden met de vrouw; overhandigde haar iets hetwelk +men niet onderscheiden kon, en Casper vervolgens vier kronen in de +hand stoppende, opende hij de groote dubbele deur, die hij bij het +binnenrijden achter het voertuig had dichtgeslagen. + +"Gij zult spoed dienen te maken, om vóór het aanbreken van den dag +weder te huis te zijn," sprak hij eindelijk: "Voor zulk een tocht +en met zulke wegen hadt gij voor dien armzaligen knol wel wat beters +kunnen nemen!" + +Om der vier kronen wille, vond Casper het geraden deze laatste +aanmerking des portiers niet te beantwoorden. "Vóór zessen zijn wij +reeds aan de Roemer," zeide hij; maakte toen den voederzak los; deed +het paard het bit in den bek, en dwong, met een: "Terug, Bles!" het +reeds zoozeer vermoeide beest eenige stappen achteruit te doen. + +Buiten den stal gekomen, wendde hij den wagen naar de andere zijde: +nam de touwen leidsels in de hand, en beklom weder het voertuig. + +De portier nam de lantaarn uit den haak; vatte het paard bij den kop, +en leidde alzoo het voertuig opnieuw over de ruimte, door de holle +poort, wier gewelven het geluid van den rollenden wagen weerkaatsten, +tot vóór de gemelde ophaalbrug. + +Dof dreunde het voertuig over de eikenhouten planken; een wederzijdsch: +"Vaarwel," werd gewisseld, de portier haalde de klep der brug naar +boven, en de hand voor het schijnsel der lantaarn houdende, zag hij +de witte huif der kar langzaam in het nachtelijk duister verdwijnen. + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + +Het was den 6den van Sprokkelmaand in het jaar 1608,--dertien jaren +dus na het in de vorige bladzijden vermelde nachtelijk avontuur, +dat het vorstelijk 's-Gravenhage een feestelijk aanzien had. Vlaggen +wapperden van de meeste gebouwen, drukte en gewoel heerschte alom op +straten en pleinen, rijtuigen en wagens, menschen te voet en te paard +verdrongen elkander en joelden in bonte kleuren dooreen. Hier zag men +staatsiekoetsen, ginds vechtende jongens, elders bevallige maagden +en kloeke jongelingen in feestelijk gewaad gedost, allen naar een +en hetzelfde doel strevende, allen ijverende om een geschikte plaats +te bekomen, ten einde datgene te aanschouwen waarnaar hunne begeerte +zich uitstrekte. + +Was het ook al bij sommigen bloote nieuwsgierigheid, om iets +buitengewoons te zien, die hen ter deure had uitgedreven, op de meeste +aangezichten stond evenwel duidelijk een verhevener wensch en een +blijde verwachting voor de toekomst uitgedrukt. + +Doch van waar die dringende volksmassa? Van waar die blijdschap, die +drukte, die beweging? Wat stond er te gebeuren? Wat zou er voorvallen? + +Ter beantwoording dezer vragen en om zoo mogelijk iets meer +dienaangaande te weten te komen, willen wij ons liefst bij eenige +personen voegen, die in een groep bij elkander stonden. + +"Drie pinten brandewijn wil ik tegen ééne verwedden, dat hij een +kop grooter is dan onze Prins," sprak een klein, schraal en slecht +gekleed man. + +"Drie pinten tegen eene!" herhaalde hij, uitdagende blikken om zich +heen werpende, terwijl hij eindelijk meer bepaald een jonkman bleef +aanzien, die even te voren het tegendeel beweerd had. + +De jonkman die, naar het uitwendige te oordeelen, insgelijks niet +veel te verliezen had, scheen de uitdaging niet zeer gretig aan te +nemen, doch hetzij om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, of wel +om zijne bekendheid met den bedoelden persoon te kennen te geven, +sprak hij na eenig stilzwijgen: + +"Ongetwijfeld echter weet ik dat de markgraaf gezetter is dan Maurits, +ik heb...." + +"Gelogen!" viel de eerste spreker hem driftig in de rede: "Gelogen +vriend! Spinola is lang en mager, lang als Gerrit Aal uit de Wijnstok, +en mager...." + +"En mager, als Sebastiaan Bril, baardschraper uit het Scheerbekken," +viel een forsche stem den spreker in de rede, welke laatste, op +het hooren noemen van zijn naam, zich verschrikt omwendde en achter +zich de forsche gestalte en het blozende gelaat van den waard uit de +Wijnstok ontdekte. + +"Gerrit! Gerrit!" hernam de ontstelde baardschraper, zich herstellende: +"Gij deedt beter, mij in het vervolg niet meer met uw barbaarsche +stem te verschrikken, geloof mij, de Wijnstok zou mij voor 't laatst +gezien hebben." + +"Bedaar, maat!" hervatte de dikke waard, die huiverde bij het +denkbeeld, door eigen toedoen een der beste kalanten uit zijn kroeg te +verjagen: "Bedaar! 't was niet kwaad gemeend.--Maar drommels!" ging hij +lachende voort: "Gij bediendet u zoo vrijpostig van mijne lengte, om +mij bij dien Spanjaard te vergelijken, dat mij evenzeer uw dunne beenen +het recht gaven, om de door u aangevangene vergelijking te voltooien." + +Op deze aanmerking van Gerrit Aal, richtten zich verscheidene oogen +naar de dunne eenigszins kromme beenen des baardschrapers, welke in +uiterst versleten hozen staken, zoodat zij hier en daar hun natuurlijke +kleur vertoonden. + +Een luid gelach was de uitwerking door deze opneming teweeggebracht, +en zeker had Gerrit zijn vertoornden klant voor altoos verloren, had +deze hem niet vertrouwelijk op den schouder geklopt en iets in het oor +gefluisterd, 't welk den kleinen man geheel scheen te bevredigen. Met +een luid: "Fiat, Gerrit!" scheen hij alle beleedigingen vergeten +te hebben, of ten minste geneigd te zijn, er zich niet verder over +te bekommeren. + +"'t Zal mij dan eens wonder benieuwen, of die twee malkaar den +dolk niet in de ribben zullen stooten!" sprak een oud wijf met +een taankleurig gelaat, hetwelk in allerlei richtingen met plooien +en rimpels doorploegd was: "'t Was," ging zij krijschende voort: +"de eenige manier, om aan alle ruzie een einde te maken, want +razen en blazen zullen de kemphanen zoolang zij lucht in de longen +hebben. Vrede, ja! bij mijne ziel, vrede zouden ze maken! 't +Heeft wat in, een Spaansch varken schoon te krabben! Kokend +water moet er op! Kokend water, zeg ik, en dan krabben met man en +macht!--Bah!" reutelde zij in zich zelve voort, terwijl zij onze +groep eensklaps verliet: "Bah! ze zullen met zijden lappen een varken +schrapen!" + +Ondertusschen was de jonkman, dien wij het eerst met Sebastiaan Bril +in eene woordenwisseling hebben aangetroffen, door een voorbijdringend +maagdeke vriendelijk toegeknikt. "De trein is in aantocht!" had zij +hem toegeroepen, en hem tegelijkertijd bij zijn wambuis grijpende, +met zich voortgetrokken, waaraan hij, geenszins onwillig, niet den +minsten weerstand geboden had. + +Werkelijk kondigde een dichte drom van menschen, die allen van de +boschzijde kwamen aanstormen, duidelijk aan dat de zoolang verwachte +personen weldra zouden voorbijkomen. + +De jonkman, aan wien in het vervolg door het meisje den naam van +Maarten gegeven werd, had met haar, weinige schreden van de plaats +waar wij hem het eerst aantroffen, op een steenen trap van een fraai +gebouw aan het einde van den Kneuterdijk gelegen, post gevat, en zag +nu, den arm om haar middel geslagen, dartel koutende, met het grootste +geduld de komst van den trein te gemoet. + +Wij zullen de jonge lieden voor een oogenblik verlaten, om met onze +Lezers, die uit het op straat verhandelde slechts gedeeltelijk de +ware toedracht der zaak zullen begrepen hebben, zeer beknopt bij +de geschiedenis van dien dag stil te staan, en hun de oorzaak dier +feestelijkheden duidelijk te maken. + +Filips III, Koning van Spanje, neigde tot vrede; verscheidene +beweegredenen drongen hem hiertoe, en voorzeker wel het meest +de aanzienlijke geldsommen die het krijgvoeren in de Vereenigde +Nederlandsche Gewesten aan den Spaanschen Staat kostten. Drie millioen, +zesmaal honderdduizend kronen toch werden er minstens jaarlijks +vereischt, om in de behoeften van dezen krijg te blijven voorzien. + +Door de ongeloofelijke dapperheid en het kloek beleid van Prins +Maurits, was het den Spaanschen bevelhebber markgraaf Ambrosio +Spinola bijna onmogelijk geweest, over de stroomen tot in het hart +der Vereenigde Gewesten door te dringen, en zeker was het te voorzien, +dat de weinige sterke plaatsen, welke hij genomen had, niet te houden +zouden zijn, wanneer de Staten van Holland, door Frankrijk ondersteund, +opnieuw tot een aanvallenden krijg, die hun vroeger zoo wel gelukt was, +mochten besluiten. + +De geschillen van den Staat van Venetië met den Paus, in welke +Filips zich gemengd had, dreigden hem nog bovendien met een krijg in +Italië, welke onmogelijk kon gevoerd worden, zoolang hij niet met de +Nederlanden bevredigd was. + +Voorts morden de Portugeezen dat hunne schepen door de Staatschen +genomen, en hunne volkplantingen in de Oost-Indiën vermeesterd werden +zoodat én koophandel én zeevaart ten eenenmale bedorven werden. + +Al deze krachtige redenen deden den jongen, in het oorlogen onbedreven +Filips vurig naar vrede verlangen. Reeds in het vorige jaar, 1607, +hadden de onderhandelingen een aanvang genomen, en had de aartshertog +Albertus, daartoe door zijn gemalin Isabella gemachtigd, den Staten +aangeboden, met hen, als met vrije volken, te onderhandelen, waarna, +op den 12den van Grasmaand, een binnenlandsche wapenschorsing gesloten +werd, met eenige bepalingen, en wel voornamelijk: dat de Koning van +Spanje binnen drie maanden de Vereenigde Gewesten insgelijks voor +vrije Landen zou erkennen. + +Prins Maurits, hoewel aanvankelijk onwillig om met den vijand +tot vredesonderhandelingen over te gaan, had zich echter door den +schranderen advocaat Johan van Oldenbarneveld, die op goede gronden +voor den vrede ijverde, tot de ontvangst der vreemde gezanten laten +overhalen. Oorlogzuchtig van aard, koesterde de Prins echter den +heimelijken wensch, dat de onderhandelingen weldra door onoverkomelijke +hinderpalen mochten verijdeld en afgebroken worden. Zijn juiste +staatkunde deed hem echter duidelijk inzien, dat hij zich den haat +van vele edelen en burgers op den hals zou halen, indien hij zich +openlijk en met kracht tegen een aangebodene vredesonderhandeling op +billijke voorwaarden verzette. + +En nu,--de Spaansche gezanten werden verwacht. Prins Maurits was +reeds een uur geleden, door zijne edelen omringd, de ambassade te +gemoet getogen. De algemeen beruchte markgraaf Ambrosio Spinola was +het hoofd van het gezantschap. Trompetgeschal liet zich in de verte +hooren; de trein naderde, en geenszins was het dus te verwonderen +dat aller oogen eensklaps naar ééne zijde gericht werden en dat alle +gesprekken, van welken aard ook, werden gestaakt, om door een zacht +gemompel te worden vervangen. + +"Gij zult wél doen, Anne, een trap hooger te klimmen, als gij over al +die hoofden wilt heen zien," sprak Maarten halfluid tot het meisje, +hetwelk, op zijn arm leunende en zich al meermalen op de teenen +verheffende, getracht had haar hoofd boven de menigte te doen +uitkomen. Deze raad werd opgevolgd, en Maarten, die nu ook zijne +plaats verliet om weder achter haar post te vatten, sloeg den arm +om haar blanken hals, en beiden aanschouwden nu duidelijk, wat wij +onzen lezers zullen mededeelen. + +Een korps hoornblazers en tamboers, door eenige hellebaardiers +voorafgegaan, opende den trein; hierop volgde een heraut van wapenen +te paard, en onmiddellijk daarna een prachtige staatsiewagen, met zes +kloeke paarden bespannen, wier blinkende hoofdstellen vroolijk in de +vriendelijke Februari-zon schitterden. De wagen, waarvan de wielen tot +even boven de naven door sierlijk geschilderde raderkassen overdekt +waren, bevatte op de hoeken vier vergulde ijzeren staven, die een +bijna koepelvormigen hemel onderschraagden, welke uit vier paneelen +bestaande, een punt formeerde, op welke eene grafelijke kroon bevestigd +was. Gordijnen van hemelsblauwe zijde, met gouden borduursels omzoomd, +omringden den hemel, en hingen, eenigszins op zijde geschoven, in +sierlijk breede plooien naar beneden. Het inwendige der koets was +geheel met rood fluweel bekleed, insgelijks met gouden boordsels +afgezet, en op de portieren prijkten de wapens van het huis van Oranje. + +Vier pages, op het smaakvolst uitgedost, bevonden zich achter op het +rijtuig, hetwelk voorts omringd en gevolgd werd door een aantal edelen +en ridders te paard. + +Vóór dat wij echter met onze beschouwingen bij het vervolg van den +trein stilstaan, werpen wij eerst een blik in het rijtuig zelf, +en ontdekken weldra twee personen, die elkander met vele uitwendige +hoffelijke gebaren levendig schijnen te onderhouden. + +De een, ter linkerzijde gezeten, was middelmatig van gestalte en +eenigszins zwaarlijvig. De ander, ter rechterzijde, was rijziger, doch +niettemin van krachtigen lichaamsbouw. De eerste had lichtblauwe oogen, +waarin moed en vastberadenheid te lezen waren; gulle openhartigheid +zetelde op zijn eenigszins blozend gelaat, en niet zelden speelde +een ongekunstelde lach om zijne lippen; zijn hoofdhaar was blond en +een breede baard van dezelfde kleur, omgaf zijne kaken. De oogen +des anderen waren donkerbruin, en werden door lange wenkbrauwen +overschaduwd. De groote arendsneus gaf eene buitengewone fierheid +aan het gelaat, dat een meer zuidelijke tint had. Zijn hoofdhaar +was zwart, een kleine puntige baard omringde zijne spitse kin, en +forsche opgestreken knevels bedekten gedeeltelijk een kleinen mond, +die, wanneer hij zich tot een lach vertrok, twee rijen tanden als +van het blankst ivoor vertoonde. + +Het waren Prins Maurits en Spinola, de twee beroemdste veldheeren +hunner eeuw, welke elkander vroeger nooit anders dan met de wapenen +in de vuist hadden ontmoet, en die thans, naast elkander gezeten, in +heuschheden wedijverden. Zooals wij gezegd hebben, de staatsiekoets +werd omringd en gevolgd door verscheidene Nederlandsche edelen, +in wier midden zich het overige gedeelte des gezantschaps bevond, +waaronder zich ook bevonden Don Juan De Mancicidor, geheimschrijver +des Konings van Spanje, Joan Richardot, Raad van State onder den +Aartshertog en President van den geheimen Raad, benevens de in +'s-Hage reeds bekende monniken Neijen en Verreijken. + +Op deze schaar van edelen en ridders te paard volgden verscheidene +koetsen met twee paarden bespannen. In de eerste dezer koetsen +bemerkte men, behalve den Pensionaris en den Burgemeester der stad +'s-Gravenhage, ook 's Lands Advocaat en 's Prinsen eersten raadsman, +Johan van Oldenbarneveld, Heer van Berkel en Rodenrijs. In de overige +rijtuigen waren de leden van den Raad van State, volgens hun rang +of ouderdom gezeten, terwijl de trein eindelijk gesloten werd door +eenige hellebaardiers in volle wapenrusting. + +"Zie, welk een heerlijk ros!" zeide Maarten, toen de edelen en +gezanten te paard de jonge lieden voorbij reden. "Welk een trotsch +dier!" vervolgde hij, terwijl hij met den vinger naar een schimmel +wees, waarop een jong ruiter gezeten was: "Bij mijne ziel, zóó fier +zag ik nooit een paardennek gekromd." + +Anne, die op deze aanwijzing het beest vluchtig had opgenomen, scheen +evenwel meer geneigd haar geheele aandacht te wijden aan dengenen die +er op was gezeten, en van het ros op den ruiter springende, zeide zij, +Maartens opmerkingen vervolgende: "En wat golven die kastanje bruine +haarlokken schoon! Welk een edele houding!--hoe jammer dat hij nu +juist het hoofd naar de andere zijde heeft gewend." + +Inderdaad, de jonge ruiter, die tot het gevolg des gezantschaps +behoorde, hield zijne oogen op een schoone jonkvrouw gevestigd, +die aan de overzijde der straat op een balkon den voorbijtrekkenden +stoet mede in oogenschouw nam: hare oogen moesten die des ruiters +hebben ontmoet, want een licht blosje verfde haar lelieblank gelaat; +en snel hare blikken naar een meer bejaarden ridder wendende, wuifde +zij dezen met haar zakdoek vriendelijk toe. + +Was het een zacht windje of misschien slechts een bloot toeval, +'t welk den fijnen linnen zakdoek niet Brusselsche kanten omzet, +aan haar kleine vingeren deed ontglippen? Wij weten het niet; +doch langzaam dwarrelende, kwam de witte doek naar beneden, die +door den jongen ruiter in het voorbijtrekken zeer behendig werd +opgevangen. Nogmaals zag hij naar het balkon; een hoog rood overdekte +de wangen der jonkvrouw; spoedig echter wendde zij zich om, en verdween +door de openstaande balkondeur. + +Dit alles, hetwelk in een vluchtig oogenblik had plaats gegrepen, was +noch aan Maarten noch aan zijn liefje ontgaan, en verder zagen beiden +duidelijk, hoe de jonge ruiter eerst den doek nauwkeurig beschouwde, +dien vervolgens in elkander wikkelde, en eindelijk zorgvuldig in zijn +wambuis verborg. De jonge lieden staarden den ruiter na; zagen nog +eenmaal naar het balkon, en Anne, die in de schoone dame hare meesteres +herkend had, verloor zich, toen de trein geheel was voorbijgetrokken, +arm in arm met haar Maarten in de dringende volksmenigte die, naarmate +de stoet al meer en meer de plaats zijner bestemming naderde, ook +steeds grooter en grooter werd. + +"Daar kan een slok op staan, Gerrit!" sprak de dunne baardschraper, +die met den waard uit de Wijnstok diens heiligdom was binnengetreden: +"Kom, Klaartje! kom kind, geef me gauw een spatje; je vader onthaalt, +en ik ben zoo koud als een steen geworden." + +Nadat Klaartje het gevraagde spatje, hetwelk in een roemer brandewijn +bestond, had overhandigd, traden er nog verscheidene lieden binnen, +die allen--evenals dit ten huldigen dage bij feestelijke intochten +of plechtigheden nog de gewoonte is,--voornemens waren de uitgestane +vermoeienissen met een dronk weg te spoelen. + +De waard wierp nieuwe takkenbossen op het vuur, Klaartje bediende +de gasten, en weldra ontstond er een vrij algemeen gesprek, dat +door het genot van het geestrijk vocht, hoe langer hoe levendiger +werd.--Natuurlijk voerden die drinkende en rookende mannen oorlog +en sloten vrede, deden voorspellingen en regeerden met gloeiende +aangezichten het land hunner inwoning, met eene wijsheid, die den +wijzen koning Salomo zou beschaamd hebben. + +Sebastianus Bril die insgelijks, doch na den eersten roemer, voor eigen +rekening, lustig had doorgedronken, was geen der minste redenaars. Zijn +overredende en meesterachtige toon van spreken vond doorgaans een +gereeden ingang bij zijn nog minder beschaafde toehoorders, die +trouwens thans door het overmatig gebruik van sterken drank reeds +voor het grootste gedeelte zaten te knikkebollen. + +"Ja, mannen! het was in 1604, nu vier jaar geleden, in Ostende andere +kool. Bij dat beleg, dat u allen heugt, heb ik mij niet weinig roem +verworven. Reeds van mijn vroegste jeugd af aan, zag mijne moeder +iets groots in haar eenigen zoon. Sebastianus! Sebastianus! zeide +zij meermalen, als ik 's vaders klanten behendig stond in te zeepen: +Sebastianus! Sebastianus! gij zijt tot iets verhevens geboren; +gij zult uw Vaderland groote diensten bewijzen en in roem en eere +sterven. Ja, waarachtig! zij heeft tot dusverre waarheid gesproken" +vervolgde Bril, terwijl hij zijn roemer tot op den bodem ledigde, die +dadelijk daarop weder door den gedienstigen Gerrit werd volgeschonken: +"zij heeft een voorspellenden geest gehad: luister aandachtig, mijne +heeren! en ik zal u verhalen hoe ik vrijheid en leven voor Land en +Vorst heb in de waagschaal gesteld." + +De aangesprokene heeren hadden meest allen oogen en ooren gesloten; +doch Gerrit, die zijn klanten altijd met genoegen een luisterend +oor leende, al had hij hunne verhalen ook reeds twintig malen met +het uiterst geduld aangehoord, plaatste zich naast den spreker, +die dadelijk aldus vervolgde: + +"Omtrent vier jaren lang hadden die Spaansche honden ons reeds +geteisterd; met hunne ballen duizenden levenslampen uitgeblazen, +en ons niet zelden kommer en gebrek doen lijden, toen aan Spinola de +verdere belegering der vesting werd toevertrouwd. Van gemeen soldaat +was ik zeer spoedig tot den rang van adsistent-heelmeester overgegaan; +mijne behendigheid in het behandelen van snijdende instrumenten +toch was overal bekend geworden, en mijne voorzichtigheid werd +insgelijks hoog geroemd. Eenmaal slechts in mijn geheele leven heb +ik een forschen knevelbaard, die besnoeid moest worden, zijn linker +neusvleugel weggemaaid!--Van Der Noot, die het bevelhebberschap der +stad later aan Herbaing overdroeg, had van mijn beleid hooren spreken, +en juist een geschikt persoon noodig hebbende om de bewegingen der +Spanjaarden te bespieden, had hij weldra zijne oogen op mij gevestigd +en verkoos mij tot de belangrijke betrekking van spion.--In eene +monnikspij gewikkeld, verliet ik op een donkeren avond de vesting, en +kwam eindelijk, na op verscheidene plaatsen tot over de knieën door +het water gewaad te hebben, in de legerplaats der vijanden.--Eenige +Spaansche woorden kennende, kwam ik gelukkig door de voorposten; +de roepende schildwachten lieten den armen bedelmonnik gereedelijk +door, en maakten het teeken des kruises; doch, weinige schreden +verder gekomen, stuitte ik op eene patrouille, die de ronde deed. Ik +werd aangegrepen en naar het wachtwoord gevraagd. Niet wetende wat +te antwoorden, zeide ik zeer gevat: Memento mori! De heeren, die +er anders allen akelig barsch uitzagen, begonnen te schateren van +lachen. Memento mori! riep ik nogmaals, zoo hard als mijne stem dit +toeliet; doch de heeren schenen zich weinig aan deze aanmaning te +storen, want zij lachten voort; plaatsten mij tusschen twee hunner +soldaten, en brachten mij in eene tent, welke op het prachtigst met +tapijten was behangen en door sierlijke lampen verlicht werd. Aan +het einde eener tamelijk lange tafel, die met boeken en kaarten was +overladen, zat de veldheer zelf. Ja, mijne heeren! het waren Ambrosio +Spinola en Sebastianus Bril, die zich op dat oogenblik in eene en +dezelfde tent, juist tegenover elkander bevonden." + +Hier wierp Bril triomfante blikken om zich henen, en Gerrit, die +zeer bezorgd werd dat de keel des sprekers te droog zou worden, +spoorde hem, met een verbaasd gelaat als hadde hij het gesprokene +voor het eerst gehoord, tot het nemen eener teuge aan. Bril voldeed +aan deze allervriendelijkste uitnoodiging, en zijn kromme beentjes +over elkander slaande, ging hij voort: "Met scherpe blikken werd ik +ondervraagd, en 't was geenszins uit vrees voor de pijnbank, maar +alleen uit loutere liefde voor de waarheid en een aangeboren afkeer +van al wat logen was, dat ik haarklein alles vertelde wat mijne +ondervragers weten wilden.--Men prees mijn moed tot het aanvaarden +van zulk een gevaarlijken tocht; doch, toen ik meende aller wenschen +en weetlust bevredigd te hebben en henen wilde gaan, hield men mij +staande, en deden die ondankbaren mij ijzeren boeien aan de handen, +en voerden mij naar een houten loods, die tot bewaarplaats der +krijgsgevangenen was ingericht. Wel is waar ontdekte ik daar veel +brave kennissen, doch het leven was er allertreurigst. Water en brood +was mijn voedsel, en voorzeker ware ik geheel en al uitgeteerd, zoo +de Spanjaarden, die middelerwijl Ostende genomen hadden, mij niet met +mijne lotgenooten, tegen de door ons gemaakte krijgsgevangenen hadden +uitgewisseld.--Nogmaals zag ik echter den dood voor het Vaderland te +gemoet; mijne waarheidsliefde was mij zeer kwalijk genomen; ik werd +veroordeeld om gefusileerd te worden; doch de hemel zij gedankt, +ik had een machtige voorspraak: het was de edele en machtige graaf +Van Bergen, wien ik reeds vroeger in deze stad met mijne wapenen om +de kin had gespeeld, die bij den Prins mijne gratie verwierf. Spoedig +werd ik nu, na al het uitgestane leed, op vrije voeten gesteld, door +dien edelsten der edelen, dien ik bedienen zal tot zijn einde, en +voor wien ik door duizend vuren zou vliegen.--Lang leve Van Bergen! Ja +lang, lang leve die waardige graaf!" besloot in verrukking de kleine +barbier, terwijl hij den beker driemalen boven zijn hoofd rondzwaaide: +"tot roem van zijn geslacht en tot heil van het Vaderland! Lang zal hij +leven!" en bij den laatsten schellen uitroep ledigde hij den roemer, +doch verloor tevens zijn evenwicht, en tuimelde vrij onzacht van zijn +zetel op den steenen vloer. + +De waard richtte den ontstelden Bril op, en schonk hem nogmaals den +beker vol. Velen der overige gasten, door het leven ontwaakt, wreven +zich de oogen, en eischten eerst drank en vervolgens dobbelsteenen. + +Weldra nam nu het verderfelijke hazardspel een aanvang, dat tot laat +in den nacht voortduurde, en met een bloedige kloppartij eindigde. + +De gasten keerden met ledige buidels en verhitte hoofden +huiswaarts. Gerrit Aal liet den inhoud der welgevulde geldlade +glimlachend in een grooten zak overgaan, en begaf zich eindelijk, +vroolijk de handen wrijvende, naar zijne legerstede. + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + +De zalen van 's Prinsen paleis op het Binnenhof waren prachtig +verlicht. Vele pages en ontelbare bedienden liepen in snelle vaart +op en neder, om alles te regelen of ten uitvoer te brengen. + +Spaansche en Nederlandsche vlaggen waren smaakvol als tropeeën boven +de openstaande vleugeldeuren bevestigd. Aan het einde der groote +zaal bevond zich een voor die tijden uitmuntend orkest, hetwelk, +eenigszins in de hoogte geplaatst, achter bloeiende heesters en +rijk beladen oranjeboomen verscholen was. De zalen waren meest +alle met goudlederen behangsels bekleed, en sierlijke rustbanken, +met fluweelen zittingen, waren langs de wanden geschikt. Zilveren +drinkbekers en schenkkannen prijkten op groote bladen van hetzelfde +metaal, en bokalen van fijn Venetiaansch glas, waarin de wapens der +Prinsen van Oranje allerkeurigst gesneden waren, stonden in grooten +getale en van onderscheidene grootte, op een marmeren aanrecht, +waarachter in steenen kruiken of groene flesschen de edelste wijnen +voor de komenden gereed stonden. + +Het was Prins Maurits, die den Spaanschen gezanten, weinige dagen na +hunne aankomst in 's-Hage, een luisterrijk bal wenschte te geven. Te +dien einde had hij de bloem der natie, voor zooverre zij daar kon +tegenwoordig wezen, ten zijnent genoodigd, en niets gespaard om alles +zoo prachtig mogelijk te maken. + +Het uur voor de ontvangst naderde. De bedienden en hoflakeien begaven +zich naar hunne posten. Twee rijen van hellebaardiers stonden, +met lange hellebaarden, in het met marmeren steenen geplaveide +voorportaal. De koetsen rolden. De genoodigden kwamen, en weldra +waren de zalen van het Prinselijk paleis opgevuld met edelen, vrouwen, +jongelingen en maagden, die allen in pracht van kleedertooi schenen +te wedijveren. Zware damasten, zijden en satijnen kleedingstukken +boeiden de oogen der edele vrouwen, niets ontging dienaangaande +zelfs eenigermate hare aandacht. Bekoorlijke jonkvrouwen trokken als +krachtige magneten, de blikken der jonkers, ja zelfs der meer bejaarden +tot zich. Doch ook door háár bleef geen jong edelman onopgemerkt, +en elk dezer jonkvrouwen koos zich reeds met vurig verlangen, den +schoonsten en bevalligsten knaap, om door hem ten dans te worden +geleid. De gesprekken werden aanvankelijk zeer zacht gevoerd, en allen +wachtten op de komst der hooge personages, die de Spaansche gezanten +zouden binnenvoeren. + +Eensklaps werden door twee pages de tot dusverre geslotene +vleugeldeuren eener aangrenzende zaal geopend.--Prins Maurits, +in prachtig feestgewaad, trad met zijn jongeren broeder Frederik +Hendrik de groote zaal binnen, vergezeld door de Spaansche gezanten +met hun gevolg benevens den Raad van State, welke eersten hij op de +hoffelijkste wijze aan de aanwezigen voorstelde. De edelen en vrouwen +hadden zich, bij het binnenkomen der Vorsten, allen naar die zijde +gekeerd, de mannen bogen hunne hoofden en de vrouwen neigden met de +meeste bevalligheid. Na vele dergelijke ceremoniën, werd door den +Prins zelf het teeken tot het aanvangnemen van den dans gegeven. Een +liefelijke muziek ruischte door de schoone heesters den aanwezigen +in de ooren. Edelen en vrouwen, jongelingen en jonkvrouwen, mengden +zich nu spoedig dooreen, ieder der mannen koos zich zijne dame, en +zij die door ouderdom of andere oorzaken zich den dans ontzegd zagen, +plaatsten zich op de rustbanken en namen nauwkeurig de voorbijtrekkende +paren in oogenschouw. + +Het was een verrukkelijk tooneel die bloeiende paren te zien, en +die tevredene aangezichten, waarop gepaste vroolijkheid te lezen +stond. Wel werden niet al die jonkvrouwen door het voorwerp harer +heimelijke keuze ten dans gevoerd, doch allen schenen voldaan, aller +kout was hartelijk en gul, en niets stoorde haar vreugde.--De paren +werden en colonne gerangschikt: de menuet nam een aanvang. + +Prins Maurits zelf opende het bal. De schoonste der schoonen was door +hem tot dat einde uitverkoren: het was de lelieblanke Adelgonde +Van Bergen, algemeen onder den naam van de Hagenlelie bekend, +die in de sierlijkste lichaamswendingen, aan 's Prinsen zijde haar +gevestigden roem als de bevalligste der Hollandsche jonkvrouwen, +op de schitterendste wijze handhaafde. + +Aller oogen waren thans op haar gevestigd. Adelgonde was schoon, +te schoon zelfs om haar naar waarde te schetsen, en toch wagen wij +het van dat liefelijke gelaat te spreken, en te vermelden wat ieder +zoozeer aan haar boeide. + +Wie had ooit zulke hemelsche oogen gezien? Men vergeve ons deze +uitdrukking, want hemelsch konden zij genoemd worden, de oogen, +welke de spiegels der reinste ziel waren. Schier bovenaardsche +zachtheid straalde uit die helderblauwe kijkers, welke niettemin +vroolijk rondstaarden en voor alle bekenden een vriendelijken blik +veil hadden. Haar neusje was datgene wat de Franschen ten huidigen +dage petit mutin zouden noemen, en wanneer de twee rozeroode lipjes, +die als voor de liefde geschapen schenen, zich tot een liefelijk +lachje plooiden, vertoonde zich op de wangen der Hagenlelie een +donzig kuiltje, hetwelk haar door vrouw Venus zelve zou zijn benijd +geworden. Twee rijen tanden, helder als kristal en witter dan de +sneeuw der Zwitsersche bergen, parelden in haar kleinen mond, en +hare haren die, gedeeltelijk zichtbaar, in sierlijke lokken langs +hare slapen nederhingen, waren van die satijnachtig blonde kleur, op +welke de Hollandsche maagden zich met recht mogen verheffen. Hals en +boezem die, volgens haar gelaat te oordeelen, het albast in schoonheid +verre moesten overtreffen, waren, door de dracht dier tijden, aan +het oog onttrokken. De breede fijn geplooide kraag omgaf den eerste, +terwijl haar ranke leest in een wit satijn keursje gesloten was, +'t welk hare houding op het voordeeligst deed uitkomen. Haar kleed, +van dezelfde stoffage, en dat in breede plooien nederhing, was geheel +met een boordsel van wit donzig bont omzet, en liet, in het midden een +weinig opgenomen, het wit zijden onderkleed aanschouwen, hetwelk echter +niet te lang was om nog een paar der fijnste voetjes te laten zien, +die ooit te voren een sterveling gedragen hadden, en welke insgelijks +weder in wit satijnen schoentjes staken, wier rosetten vervangen +werden door een paar flonkerende diamanten van het zuiverste water. + +Nog rest ons te zeggen dat haar poezele armen in de eng geslotene +mouwen van het onderkleed werden verborgen, en dat er drie rijen van +de edelste paarlen door haar hoofdtooisel geslingerd waren. + +Nooit droeg zij een andere dan een geheel witte kleeding: doch, +blanker dan deze was haar liefelijk gelaat; terwijl weder de blankste, +de reinste ziel in dat bevallige lichaam huisvestte. + +Ziedaar de Hagenlelie geschetst; ziedaar de twintigjarige Adelgonde, +zooals wij haar met onze zwakke pen waagden te beschrijven. Geen +ijdel beminnaar van bonte verven gispe hare liefde voor die kleur der +onschuld. O wij smeeken hem, aanschouw haar nogmaals in dat glanzige +gewaad, in die bevallige lichaamswendingen aan 's Prinsen zijde, +en gij zult verrukt zijn over ons ideaal van vrouwelijke schoonheid. + +Was het te verwonderen dat ieder haar beschouwde? dat alle jongelingen +zich deze bloem tot gade wenschten, en de jonge Alonzo Spinola, +oudste zoon des markgraven, zijn eigen dame schier vergetende, met +gloeiende wangen dien hemelschen kelk, op kouden bodem gekweekt, +geen oogenblik uit het oog verloor? + +De Prins had zijne dame naar eene rustbank gevoerd; twee of drie +paren te gelijk voerden nu beurtelings de menuet uit, en wedijverden +om Adelgonde Van Bergen in bevalligheid te evenaren. + +Was het Alonzo geweest, die met zielsverrukking de schoone Adelgonde +had gadegeslagen, thans, nu de edele Spanjaard, aan de zijde van een +andere Hollandsche schoone, zijne gaven ten toon spreidde, bleven +ook hare blikken aan zijn minste bewegingen hangen, en met recht +verdiende de fiere jongeling deze onderscheiding. + +Sierlijke bruine haarlokken omgolfden zijn schoon mannelijk gelaat; +donkerbruin waren zijne oogen; zijn neus was, evenals die zijns vaders, +eenigszins gewelfd; twee zwarte knevels zetelden boven den kleinen +mond, en een puntige baard van dezelfde kleur omgaf zijne kin. Zijne +kleeding was allerkeurigst, en behalve den breeden halskraag, +welke in die dagen, helaas! voor sieraad gehouden werd, omsloot een +prachtig wambuis, van lichtrood satijn met zilver doorstikt, zijn +breede borst en bovenlijf tot op het midden. De mouwen waren boven +de ellebogen opgedoft, en gevoerd met witte zijde, 't welk door +langwerpige openingen zichtbaar was. De wijde broek, die tot even +boven de knieën reikte, was van dezelfde stoffage; zijn welgevormde +beenen staken in fijne witte hozen, en zijn schoeisel bestond in +kleine lederen laarsjes, die van binnen met rozerood fluweel waren +gevoerd. Blinkende knoopjes versierden zijn wambuis. Een breede gordel, +met robijnen en andere edele steenen bezaaid, omgaf zijne lenden, en +bevatte nog bovendien een kostbaren staatsiedegen met prachtig gevest. + +De menuet liep ten einde, en geurige mokka benevens kostelijke thee +werden den gasten in het fijnste porselein aangeboden. Prins Maurits +had zich met den markgraaf Spinola in een druk gesprek gewikkeld. Aan +het tegenovergestelde einde der zaal stonden verscheidene edelen +bijeen en voerden een geheimzinnig gesprek. + +"Het kost mij niet weinig," sprak een kloek edelman die den herfst +zijns levens reeds zeer nabij scheen; "het kost mij waarachtig niet +weinig moeite, die Spaansche bloedhonden van zoo nabij te zien en +hen niet met het blanke zwaard tegemoet te snellen." + +"In het bosch moet men met de wolven huilen," zeide een jonkman, +op wiens valsch gelaat men duidelijk de geschiktheid tot het ten +uitvoer brengen van dit door hem aangevoerde argument kon lezen. + +"Wat moet je het geven!" vervolgde de eerste spreker, zonder op des +jonkmans woorden acht te slaan: "Zij hebben de schapenvacht gehuisvest, +zonder te bedenken dat er een levende wolf in steekt. Wie anders dan +de Advocaat kan de Staten en Prins Maurits tot dit gevaarlijk spel +hebben overgehaald?" Hij wierp een somberen blik op de veldheeren, +die zich nog steeds druk met elkander onderhielden, en verliet, met +een gelaat waar angstige bezorgdheid op te lezen stond, de edelen +tot wie hij gesproken had. + +"De edele Van Bergen heeft gelijk: wij spelen een gewaagd spel," +zeide de baron Van Doorn tot den Zandheuvel, zoodra Van Bergen hen +verlaten had: "zij willen tijd winnen en slaan daartoe een schijnbare +vredesonderhandeling voor, die nooit tot stand zal komen. Wij vieren +feesten, leggen gastmalen aan, terwijl de vijand zich versterkt, +om ons spoedig uit dien dommeligen slaap wreedaardig te doen ontwaken." + +"Zoudt gij dan waarlijk van meening zijn dat Spanjes Koning niet +werkelijk den vrede wenscht?" sprak de jonker Van Wolkensteijn, +den laatsten spreker vragend aanziende. + +"'t Kan zijn," hervatte deze, de schouders ophalende: "doch nimmer +zal ik gelooven, dat Spanje vrede zou sluiten met een gewest, +'t welk hem de vaart op de Oost-Indiën zoo duchtig betwist." + +Gedurende dit gesprek, hetwelk in dier voege nog eenigen tijd werd +voortgezet, viel er in een belendende zaal, een ander tooneel voor, +hetwelk aan onze Lezeressen wellicht meer belang zal inboezemen. + +Alonzo Spinola, die de schoone Adelgonde, nadat de dans geëindigd was, +geen oogenblik uit het oog had verloren, naderde met een hoogen blos +doch ongedwongen houding, de beminnelijke jonkvrouw, en sprak haar, +in vrij goed Nederlandsch, met een sierlijke buiging, in dezer voege +aan: "Schoone jonkvrouw! voor weinige dagen deed het geluk mij een +wezen ontmoeten, hetwelk men, eenmaal gezien hebbende, nimmer kan +vergeten. Neen, ik bedroog mij niet toen ik, voor weinige oogenblikken, +in het gelaat der bekoorlijke danseres aan 's Vorsten Maurits zijde, +dezelfde hemelsche oogen zag schitteren die reeds eenmaal, door +een driewerf gezegend toeval, op mij gericht waren.--Zeker zou ik +u niet onaangemeld hebben genaderd," vervolgde hij met een bevallig +glimlachen: "doch dat zelfde gezegende toeval scheen mij daartoe het +recht te geven.--Deze fijne doek toch," ging hij voort, terwijl hij +den ons reeds bekenden zakdoek uit zijn wambuis te voorschijn trok: +"behoort aan niemand anders dan aan de bevallige jonkvrouw Van Bergen." + +Adelgonde, die bij het naderen van den Spanjaard, insgelijks met +een sterken blos zijne komst had te gemoet gezien, had zich echter +weldra hersteld en, even opgestaan zijnde, met een lichte neiging +des jonkmans eerste woorden beantwoord. + +"O!" sprak zij eindelijk, nadat zij den doek uit zijne hand had +aangenomen, met eene stem die Alonzo onbeschrijfelijk zoet en +welluidend in de ooren klonk: "O waarlijk, edele heer, gij zijt al +te verplichtend; een kleine onoplettendheid deed den doek aan mijne +vingeren ontglippen toen ik mijn vader, die zich in uw midden bevond, +van het balkon toewuifde.--Ik dank u zeer voor uwe behendigheid," +vervolgde zij, niet zonder eenige verwarring, ziende dat de jongeling +haar zonder te antwoorden, met een vreemdsoortige uitdrukking, waarin +bijna aanbidding te lezen was, bleef aanstaren: "en ik reken mij +insgelijks gelukkig," voer zij, geheel in verwarring gerakende, voort: +"door dit toeval.... u... mij.... in de gelegenheid te zien gesteld, +eene kennismaking aan te knoopen, die...." + +"Die slechts door den dood zal worden afgebroken!" sprak de jongeling +in vervoering; doch zich eensklaps bezinnende en heimelijk een +rondheid verwenschende, die hem schier altijd de gedachten op de +tong legde, ging hij langzamer en met verschuldigden eerbied voort: +"Verschooning edele jonkvrouw, verschooning voor het uiten van een +wensch, welke, zoo onstuimig ontboezemd, uw kiesch gevoel wellicht +kwetst, en mij voor altoos zou verstoken laten van een vriendschap, +die zoo vurig door mij wordt begeerd." + +Adelgonde sprak niet, maar sloeg hare oogen naar beneden; de stem des +jonkmans had, wel verre van haar te kwetsen, de fijnste snaar harer +ziel doen trillen; een ongekend gevoel doortintelde hare aderen, en +toen zij, den blik weder opslaande, den jongeling zwijgend in de oogen +zag, scheen deze door haar vriendelijk lachje geheel gerustgesteld: +hij plaatste zich aan hare zijde, en vervolgde nu, door dat zelfde +lachje aangemoedigd, terwijl zijne rechterhand met de fraaie halsketen +die op zijne borst hing, doelloos speelde: "O Adelgonde!--verschoon +mij, dat ik u zoo ongevraagd bij dien schoonen naam durf noemen?--uw +eerste aanblik vervulde mij met duizend zoete droomen. Hoe dikwijls +brandde ik in die weinige dagen niet reeds van verlangen om háár +weder te zien die, van dat gezegende oogenblik af aan, mijn geheele +ziel beheerschte.--Rusteloos hield mijn geest zich met u bezig; +gestadig hield ik mijne oogen op den doek gevestigd, die mij door +een goeden geest, uit uwe handen was tegemoet gevoerd. Hoe brandde +ik van verlangen naar dit oogenblik, om u te zeggen, dat gij uit al +de oorden door mij bezocht, van al de maagden door mij aanschouwd, +de schoonste, de edelste en reinste zijt bevonden: dat gij alleen...." + +"Houd op edele graaf," viel Adelgonde den vurigen jongeling schielijk +in de rede, die, zich zelven in zijne vervoering geheel vergetende, +haar bij de fraaie hand had willen vatten: "Matig uwe opgewondenheid," +ging zij weder blozende voort: "gij kent mij niet; slechts weinige +oogenblikken hebt gij u in mijne nabijheid bevonden; slechts weinige +woorden nog heb ik u toegesproken, en reeds spreekt gij van mijne +deugden, van...." + +"Alsof uw gelaat, uw oog bovenal, niet het toonbeeld, den spiegel +uwer reine ziel ware," voerde Alonzo, op Adelgondes laatste woorden, +haar overredend tegemoet: "Geloof mij edele jonkvrouw, waarachtige +liefde woont in mijne borst. O, geef mij slechts eenige hoop; laat +slechts één zoet woordeke uw rozemond ontglippen. O, zeg mij bovenal, +dat geen voorwerp nog uwe keuze heeft bepaald; dat ik u niet geheel +onverschillig, niet geheel...." + +Hier hield Alonzo op met spreken; pijnlijk vragend staarde hij op het +blanke gelaat van de Hagenlelie; en Adelgonde, verrast en op zulk een +tooneel niet voorbereid, zag zwijgend voor zich neder; een traan, aan +het overrompeld vrouwelijk gemoed ontweld, parelde in haar hemelsblauw +oog. Doch zich als 't ware eensklaps bezinnende, stond zij schielijk +op: "Wij zullen elkander wederzien, edele graaf!" sprak zij halfluid, +maakte toen een bevallige neiging, en zich daarna snel verwijderende, +liet zij den jongen Spinola aan zich zelven over, die, alsof hij uit +een droom ontwaakte, haar met teedere oogen nastaarde. Het ontging +echter zijner aandacht niet, dat weinige schreden van die plaats, +een jong edelman haar tegemoet trad, die, na eene korte toespraak +haar den arm bood; hem een vluchtigen blik toewierp, en zich eindelijk +met de schoone Adelgonde onder de overige gasten mengde. + +--Zou het inderdaad slechts een schoone droom zijn geweest, +dacht Alonzo bij zich zelven; zou dat bekoorlijk schepsel +slechts een baatzuchtige coquette zijn, die eerst met schijnbare +belangstelling mijn waarachtige liefdesontboezemingen aanhoorde, +om dat voorwerp, hetwelk haar meer dan zich zelven bemint, te +zekerder aan haar triomfwagen te hechten, alleen met het doel om +het getal harer aanbidders te vergrooten?--Maar neen! ging hij +in zich zelven voort, terwijl hij een hem aangeboden roemer met +kostbaren Rijnwijn van een zilveren schenkblad nam: neen! dat is +niet mogelijk; dat engelengelaat kan zóó niet huichelen. Neen: +Wij zullen elkander wederzien, heeft zij gezegd; ja, dat heeft zij +duidelijk gezegd; en 't was toch niet geveinsd, dat in haar oog, den +azuren hemel gelijk, die traan opwelde.--Maar toch.... zij verliet mij +eensklaps.... eensklaps.... juist in dat zoozeer gewenschte oogenblik, +toen ik een woord van liefde uit haren mond dacht te vernemen; en, +zich verwijderende, ijlt zij een ander tegemoet, dien zij wellicht +meer hare liefde waardig keurt, doch die haar nooit kan beminnen +zooals ik haar bemin! + +Zeker zou Alonzo zijne bespiegelingen hebben voortgezet, en door zijn +driftig gestel nog langer tusschen hoop en vrees zijn geslingerd +geworden, ware de jonge edelman, die Adelgonde even te voren +was tegemoet gaan, en in wien wij de trekken van hem herkennen, +die in het vroeger met Van Bergen gevoerde gesprek, ons reeds zijn +huichelachtigen aard ontdekte, hem niet met een schijnbaar vriendelijk +gelaat ware genaderd, en, hem in zijne overpeinzingen storende, +vragend had aangesproken. + +"Is het den edelen Alonzo Spinola vergund, met somberen blik een +luisterrijk bal bij te wonen, 't welk Maurits mede ter zijner eere +heeft aangelegd? Mag de edele graaf, wellicht treurende om eene +in zuidelijker streken verlaten geliefde, de ook niet te verwerpen +Hollandsche schoonen naar zich laten smachten, terwijl de muziek der +liefelijke fandango hem in de ooren klinkt?--Kom," vervolgde hij, +terwijl hij een zijdelings loerenden blik op Alonzo wierp: "kom! zij +zal u niet vergeten. Spoedig keert gij tot haar terug, en het zal haar +goed zijn te vernemen, dat gij, te midden der Nederlandsche maagden, +alleen aan háár dacht, die uw geheele hart schijnt te beheerschen." + +Alonzo, die den onbescheiden vrager met eene buiging had begroet, +scheen niet geneigd zijne geheimen voor hem bloot te leggen. "'t Is +waar," sprak hij: "de fandango is een schoone dans, en zeer geliefd +in mijn vaderland, ik dacht niet dat die hier reeds bekend was." + +Jonker Walter Van Rodenberg scheen niet voldaan met dit +antwoord. Gemeenzaam, als waren zij oude bekenden, nam hij Alonzo +onder den arm, en met hem de groote zaal binnenstappende, ging hij +fluisterende voort: "Gij zult mij toch moeten bekennen, dat zich hier +lieve schepseltjes in overvloed bevinden.--Zie," zeide hij, even met +den vinger wijzende: "ziet gij die lieve brunette, in rood satijnen +kleeding? zij is waarachtig niet slecht; of dat kleine zwarte ding +daar, wier levenslust haar uit de oogen straalt? Of misschien staat +u die lieve blondine daar beter aan?" vervolgde hij, op Adelgonde +wijzende, die juist aan de overzijde der zaal, aan den arm van Van +Wolkensteijn op en neder wandelde: "Nu, waarachtig, dan zou uwe keus +niet slecht te noemen zijn, het is de freule Van Bergen; de kwade +tongen betwisten haar wel is waar dien oud-adellijken naam, doch," +ging hij voort, terwijl hij ter sluiks een blik wierp op Alonzo, +die bij deze laatste woorden zoo bleek als een doode geworden was: +"doch wat raakt der liefde naam of geboorte; eene vrouw blijft eene +vrouw; het genot van haar bezit blijft hetzelfde. De schoone zal mij +reeds verwachten," zeide hij, zien eensklaps verwijderende, en naar +Adelgonde toetredende, nam hij haar van den jonker Van Wolkensteijn +over, en voegde zich met haar bij de dansende paren. + +Alonzo stond als aan den grond genageld. Wel had hij de vuile tong +des jonkers willen bestraffen, doch de macht had hem daartoe ten +eenenmale ontbroken. Roerloos stond hij daar; honderden gewaarwordingen +doorwoelden zijne borst, en--dankbaar zegende hij den volgenden morgen +de liefelijke droomen, die aan zijn overspannen geest, rust en kalmte +hadden teruggegeven. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + +De graaf Van Bergen zat in zijn hoogen, met rood marokijn leder +gevoerden ebbenhouten leuningstoel, op zijn kasteel den Oldenburgh, +hetwelk ongeveer op een uur afstands van 's-Gravenhage was gelegen. Met +strakke oogen staarde hij in het groote, helder vlammende vuur, welks +bestanddeelen, die spoedig in asch zouden verkeeren, bouwkunstig +waren opeengestapeld. Vroolijk knappend spatten de vonken en stegen +in den ontzaglijk breeden schoorsteen op, om weldra echter in kleine +stofjes weder neer te komen. + +Des graven lichaam was bijna geheel in een fluweelen morgenkleed +gewikkeld; alleen waren zijne beenen en voeten zichtbaar, die in +zwarte zijden kousen en groote roodlederen pantoffels staken. De +wanden van het ruime vertrek, aan welks einde Van Bergen was gezeten, +waren behangen met groote portretten in prachtig gesneden eikenhouten +lijsten. Het waren des graven ouders en voorouders, die zwijgend, +in ouderwetsche kleederdrachten, van hun hooge standplaatsen +schenen neder te zien. Die groote kruisramen met kleine in lood +gevatte vensterglazen, gaven over de breede gracht, die het geheele +kasteel omringde, het uitzicht op een eikenhouten bosschage, dat nu +geheel van bladeren ontdaan, door de ijle takken, het oog een vrijen +doorgang liet, en het de in nevelen gehulde torens van het vorstelijk +'s-Gravenhage in de verte deed aanschouwen. Adelgonde zat--insgelijks +in een morgengewaad, doch van witte stoffage, voor het middelste der +groote kruisramen. Een prachtig borduurwerk rustte op haren schoot, +en met een bewonderenswaardige vlugheid hanteerden haar kleine vingeren +de fijne borduurnaald. De stilte duurde onafgebroken voort. Adelgonde +wendde het oog naar haren vader, doch naardien hij met den rug naar +hare zijde gekeerd zat, kon zij noch den somberen ernst van zijn edel +gelaat, noch zijn zwaar gerimpeld voorhoofd aanschouwen. + +Nu sloeg zij haren blik naar het nevelachtige landschap. Akelig dof +teekenden zich de naakte takken der eiken tegen den somberen grijzen +hemel. Geen sterfelijk wezen ontwaarde zij in de rondte, en toch, +toch bleef haar oog in dat donkere verschiet staren, toch zweefde +haar geest over die thans zoo droeve landstreek, en dwaalde met +vurig verlangen, maar tevergeefs, door de ontvolkte straten der stad +en door de ontruimde balzalen van het Prinselijk paleis, ten einde +den schoonen jongeling te ontdekken, die uit vreemde gewesten moest +komen, om haar met een gevoel bekend te maken dat zij kort te voren +nog slechts bij name gekend had. Een diepe zucht, dat onbetwistbare +kenmerk van een vurig verlangen, ontglipte aan haar hijgenden boezem, +en slechts met ééne gedachte bezield, haar geest zich slechts met +één wezen bezighoudende, ontging het harer aandacht geheel, hoe aan +het andere einde der gracht de breede ophaalbrug werd nedergelaten, +en een fraaie koets de poort van het kasteel binnenrolde. + +Eensklaps werd de deur geopend en de gravin de douairière Van Bergen +aangediend. + +Het was een kleine, reeds bejaarde dame, die kort daarop het vertrek +binnentrad. Hare kleeding was smaakvol, doch voor haren leeftijd +kon men die met recht te zwierig noemen. Een zwaar, groen damasten +kleed omgaf haar wel is waar kleine, maar niettemin welgevormde +gestalte; kleine zilveren lokken die voorheen zwart moesten geweest +zijn, krulden om haar voorhoofd, terwijl haar verder hoofdtooisel +in een witten sluier verborgen was, die gedeeltelijk over haar +linkerschouder, gedeeltelijk over haar rug tot aan de knieën +hing. Van onder den witten kraag kwam een fraai bewerkte gouden +halsketen te voorschijn, waaraan een kruisje bevestigd was, dat met +twaalf diamanten schitterde. Voorheen had zij voorzeker op schoonheid +aanspraak gemaakt, want nog zelfs in dezen oogenblik vertoonde haar +gelaat wel verouderde, maar toch nog zeer regelmatige trekken. Haar +schier altijd nedergeslagene oogen echter, gaven iets geheimzinnigs +aan een gelaat dat, bij al het voormalige schoon, toch aan een mindere +afkomst deed denken. + +Van Bergen, door deze onverwachte verschijning in zijne overpeinzingen +gestoord, was de gravin bij haar binnenkomen te gemoet gegaan. De +bediende, in sierlijke liverei, had een soortgelijken leuningstoel als +dien waarop de graaf had gezeten, schuin tegenover den zijne, doch op +een grooteren afstand van het vuur nedergezet. De dame nam plaats, +en Adelgonde die de binnenkomende met een dienaresse had begroet, +hetwelk met een genadig hoofdknikje der andere was beantwoord, verliet +op een gebiedenden wenk van haren vader, het vertrek, en begaf zich +naar hare kamer. + +"Voorzeker hadt gij mij niet verwacht?" begon de dame, zoodra zij +zich met den graaf alleen bevond, terwijl haar stem een Fransche +afkomst verried. + +"Ik kan niet ontveinzen mevrouw, dat uwe komst in dit vroege +voormiddaguur, na een zoo lange afwezigheid, mij eenigszins verrast; +het schoone weder kon u onmogelijk tot dit bezoek hebben aangespoord." + +"De begeerte om u te zien was voorzeker niet de geringste drijfveeren, +die mij tot dezen wandelrit deden besluiten, doch...." + +"Ongetwijfeld is deze echter niet de voornaamste?" hernam Van Bergen, +hare rede aanvullende. + +"Over zaken had ik u insgelijks te spreken," hervatte de dame: +"Ik vertrouw dat de zoon van mijn zaligen echtgenoot mij met eenige +belangstelling zal aanhooren, en durf dit gereedelijk veronderstellen, +dewijl hij mij reeds zoovele blijken zijner goedheid heeft gegeven." + +"Gij zult mij verplichten het zoo kort mogelijk te maken, dewijl ik +ten twee uren in Den Haag word verwacht," zeide Van Bergen, terwijl +hij een paar brandende stukken hout die naar voren gevallen waren, +met den voet terugstiet. + +"Mijn speciaal verzoek is slechts in weinige woorden vervat," hernam de +andere: "De gegrondheid en billijkheid er van zult gij weldra inzien, +en mijn waarde zoon zal, vertrouw ik, volkomen met mij instemmen, +dat de weduwe van zijn dierbaren vader, onmogelijk op den duur van +een jaarwedde kan bestaan die, hoe edelmoedig ook door hem uitgereikt, +slechts de geringe som van vier duizend kronen bedraagt.--Mon Dieu! hoe +is het mogelijk van deze geringe som een staat te blijven voeren, die +aan de douairière van uwen vader past? Hoe is het mogelijk, zeg ik, +van zulk een gering jaargeld, behalve zich zelve, zijne bedienden te +kleeden, te voeden, zijne paarden en rijtuigen te onderhouden? Kan men +van deze som, ik vraag het u zelven, waarde zoon, op dat naargeestige +kasteel nu en dan menschen om zich verzamelen, ten einde de bewustheid +te behouden dat men nog in een bewoonde wereld leeft?--Impossible, +zeg ik u, en ieder zal mij dit toestemmen. En gij, dierbare zoon, +die even grootmoedig als dapper zijt, zult het mij voorzeker niet ten +kwade duiden dat ik op de verhooging eener jaarwedde kom aandringen, +die u zelven, bij eenig nadenken, onbeduidend moet voorkomen." + +Van Bergen heeft haar geheel laten uitspreken. Eenige malen had hij +haar reeds in de rede willen vallen, doch zich ook telkens bedwongen. + +Langzaam en met de oogen strak op het vuur gevestigd, ving hij, na +eenige oogenblikken zwijgens, aldus aan: "Gij schijnt te vergeten +mevrouw, dat het u niet vergund is mij bij een naam te noemen die, +behalve door mijn vader, mij alleen door háár kon gegeven worden, +die mij onder het hart heeft gedragen. Reeds lang bestaat zij niet +meer, de edele moeder, die mij met smart heeft ter wereld gebracht, +en mij van mijn vroegste jeugd af aan, godsvrucht en deugd als de +hoogste goederen leerde waardeeren. Zij bestaat niet meer op deze +aarde; doch in die zalige oorden, waar zij, in den Heere ontslapen, is +henengegaan, moet het haar als een heiligschennis in de ooren klinken, +dat een andere vrouw," en hier sloeg de graaf een paar fonkelende +oogen op zijne bezoekster: "in hare rechten tredende, dien zoon +bij een naam durft noemen, waarop zij alleen, door natuur en bloed +had recht verkregen.--Het grieft mij tevens diep," vervolgde hij, +terwijl de gravin, die gedurende deze toespraak, en ook nú nog, zonder +de minste gemoedsaandoening op het gelaat, de oogen voor zich hield +nedergeslagen: "door u in de noodzakelijkheid te zijn gebracht, u te +herinneren, dat ik u na den dood mijns vaders, uit uwe verworpenheid +tot een staat heb teruggevoerd waaruit hij u, niet zonder billijke +redenen, had verstooten.--Laat mij uitspreken, bid ik u," ging hij +voort, bemerkende dat de gravin hem in de rede wilde vallen: "Herinnert +gij u niet dat mijn vader u van alle rechten op zijne nalatenschap +heeft verstoken gelaten? Dat zijn uiterste wilsbeschikking u slechts +zóóveel verschafte als noodig was om behoorlijk naar uw vaderland +te kunnen terugkeeren? Dat ik u uit uw ellende en broodsgebrek heb +teruggehaald? Dat ik u het voorvaderlijk kasteel den Blankert met +al zijn toebehooren vrijwillig heb afgestaan, en u nog bovendien +die aanzienlijke jaarwedde van vier duizend kronen heb verleend, op +welke gij thans ondankbaar nederziet, als geschiedde u het grootste +onrecht?--Neen, spaar uwe woorden mevrouw!" vervolgde hij, terwijl +hij opstaande met driftige schreden het vertrek op en neder liep: "Ik +weet zeer wel dat gij de wettige gemalin van mijn vader zijt geweest; +maar ik weet ook zeer goed dat die vader duizend malen het onzalige +oogenblik heeft verwenscht waarin hij, God en zijn ontslapene gade +vergetende, uw liefde kocht, en eindelijk al meer en meer door uwe +schoonheid verblind en in uwe strikken verward, u herwaarts voerde, +om zich met u in den echt te begeven. Zeer wél weet ik mevrouw, +dat gij uw zondigen aard niet verloochenende, hem spoedig daarna +ontrouw zijt geworden, en dat de naam van Van Bergen door u slechts +in oneer is gedragen. Dit alles weet ik zeer goed mevrouw, doch heb +God tevens menigmalen gedankt, dat hij u geen zoon heeft geschonken +die het oud adellijke bloed der Van Bergens, met het uwe vermengd, +tot oneere van dat geslacht, zou hebben in stand gehouden. Neen, +beter is het mij dien naam met mij in het graf te nemen, dan spruiten +van dat geslacht te zien opgroeien die, op anderen bodem gekweekt, +hoogst waarschijnlijk hun eigendommelijke kleur en gedaante zouden +verloren hebben.--Gij ziet," zoo eindigde hij: "dat, hoewel ik u in +verscheidene jaren niet heb gezien, ik de ware toedracht der zaken +toch geenszins vergeten heb. Verschoon mij wat ik u bidden mag, +in het vervolg van uwe bezoeken; zij verlevendigen slechts treurige +herinneringen in mij. Stel u tevreden met datgene wat ik vrijwillig +voor u opoffer. Hecht u niet langer aan deze aarde, welke gij reeds +spoedig zult verlaten--verlaten, om rekenschap uwer daden af te +leggen. Bereid u voor tot dien gewichtigen stap, en wijd uw laatste +levensjaren niet aan het najagen van ijdel zingenot, dat u, in uw +jeugdigen leeftijd, het pad der zonde deed betreden." + +Van Bergen hield op met spreken; hij scheen vermoeid en +overspannen. Met de armen kruiselings over de borst geslagen, +beschouwde hij het onveranderlijke gelaat der gravin. + +Even sloeg zij hare oogen die, voor hare jaren, van een buitengewoon +vuur schitterden, naar hem op. "Gij valt mij hard graaf," sprak zij +op diep verongelijkten toon: "Gij valt mij inderdaad zeer hard. Is +het daarom dat gij mij uwe gunsten betoont, om mij geheel en al te +kunnen vernederen? Werd ik daarom de echtgenoot van uwen vader, om +door hem verstooten en onterfd te worden, en werd ik door den zoon +gedeeltelijk in mijne rechten hersteld, om daarna van hem weder de +grofste beleedigingen te moeten verduren? Moest ik daarom dat schoone +Frankrijk, dat aangebeden Parijs verlaten, waar ik...." + +"Waar gij in dolle vaart de hel en uw eeuwig verderf tegemoet +sneldet!" viel Van Bergen haar met een donderende stem in de +rede.--"Vertrek mevrouw," ging hij voort: "verlaat mijne woning! Wat ik +u bidden mag pijnig mij niet langer met uwe tegenwoordigheid. In uwe +nabijheid komt de zwakheid mijns vaders mij als een onvergeeflijke +misdaad voor. Scheur toch niet, gelijk de adder, de borst open, +die u nog liefderijk koestert. Verhard u niet, maar bekeer u; bekeer +u voor God die lankmoedig is en genadig. Ga nu van hier en herdenk +deze woorden, welke ik hoop dat de laatste zullen zijn, die ik ooit +tot u spreken zal." + +De graaf floot driemalen. "Is de koets der gravin in gereedheid?" vroeg +hij een binnenkomenden bediende. + +"Ja uw genade, zij wacht voor de kleine poort." + +"Dan zult gij hare genade naar den wagen begeleiden." + +Daarop vergezelde Van Bergen zijne stiefmoeder tot aan de deur; +maakte eene buiging; en de gravin die door deze spoedige wending van +het gesprek alle hoop moest vaarwel zeggen, om het in haar voordeel +te vervolgen, sprak geen enkel woord, neigde aan de deur gekomen, +volgde den vooruitloopenden bediende, en wierp zich in hare koets, +met de hel in het hart en een glimlach om de lippen. + +Adelgonde, op hare kamer gekomen, kon, nu geheel aan zich zelve +overgelaten, aan hare gewaarwordingen den vrijen teugel vieren. Dat +overkropte gevoel, hetwelk haar na het bal van den vorigen avond steeds +had bezield, en hetwelk doorgaans uit een onbevredigd verlangen naar +een geliefd voorwerp ontspruit, deed groote tranen langs hare blanke +kaken vloeien, welke tranen eenigermate haar gemoed verlichtten, +dewijl zij, doch zonder het nog recht te beseffen, reeds vurig beminde +en zich reeds eenzaam gevoelde in afwezigheid des geliefden. + +De schoone Adelgonde weerhield hare tranen niet, en gevoelde zich +zelfs ruimer toen ze ruimschoots vloeiden. + +--Bedrieg ik mij dan waarlijk niet, dacht zij: heeft die jonge +Spanjaard mij dan inderdaad zoo op eenmaal het hart ontstolen? Is +hij mij dan in die weinige oogenblikken reeds zóó dierbaar geworden, +dat ik mijne tranen niet weerhouden kan? Slechts weinige woorden heeft +hij mij toegesproken; doch zij waren zoo liefelijk, zij klonken zoo +oprecht, en hij sprak met een gevoel, dat van zijn waarachtige liefde +getuigde. Zou het dan waarheid zijn, dat mijn beeld het eerste is, +'t welk op zijn licht ontvlambaar gemoed een zoo diepen indruk heeft +gemaakt? Zou dan waarlijk mijn bleek gelaat hem meer hebben getroffen +dan de donkere haren en gloeiende oogen der dochteren van het Zuiden? + +Adelgonde sloeg bij deze laatste gedachte de oogen op haar +toiletspiegel, en hoewel zij de geringste ijdelheid zelfs als eene +ondeugd verfoeide, kon het niet anders of die blik moest haar, op +dit laatste punt, ten eenenmale geruststellen. + +--Wie is schooner dan hij? ging de bevallige, in Amors strikken +verwarde jonkvrouw bij zich zelve voort: Welk Nederlandsch edelman is +fierder en kloeker gebouwd? Wie toch, van al die jonkers, spreekt zóó +bevallig, en zóó oprecht van vriendschap en van liefde? O, neen! wat +zijn hunne woorden! Zouteloos, vervelend geklap, in vergelijking van +Alonzo's welluidende en zoetklinkende taal. + +Zoo droomde Adelgonde voort,--aan Alonzo gelijk, geslingerd door +vrees en hoop, door twijfel en vertrouwen; maar toch smolten door de +sympathie der zielen, hunne gedachten wonderbaar ineen. + +Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte haar uit dien streelenden +droom. Vlug pinkte zij den laatsten traan weg, die nog tusschen hare +lange wimpers parelde, en na bekomen verlof trad Adelgondes bevallige +kamenier het boudoir van hare gebiedster binnen, ten einde haar in +het kleeden behulpzaam te zijn. + +Het was Anne, de ons reeds bekende geliefde van Maarten, de vroolijke +Anne, die den benijdenswaardigen post van kamerjuffer bij de jonkvrouw +Van Bergen bekleedde: Anne, wie van het altijd keurige toilet harer +jeugdige meesteres de meeste eer toekwam; die altijd even opgeruimd, +even voorkomend, even dienstvaardig en bescheiden tevens, de achting en +vriendschap van hare gebiedster ten volle waardig was. Hare gestalte +was van een tamelijke lengte; hare vormen waren rond; haar kopje, +dat met een paar zwarte kijkers voorzien was, trok niet zelden +de aandacht der jonge lieden tot zich; haar haren waren gitzwart, +doch gedeeltelijk onder een klein kapje of mutsje van roséfluweel +verborgen; hare kleeding was net doch hoogst eenvoudig, en vooral +muntte daarvan het hagelwitte voorschoot uit, dat zelfs de sneeuw in +helderheid verre overtrof. + +"De lieve freule zou hare kleeding geheel en al vergeten." begon +zij eenigszins spotachtig: "Gisteren, ja, toen moest er meer haast +gemaakt worden: Maar het is ook niet alle dagen bal, zegt Maarten, +als hij mij eens een frisschen zoen geeft. Neen, van daag zal het er +niet zoo op aankomen; gisteren moest ik wel een uur te vroeg beginnen, +en nu is het waarlijk wel een half uur over den tijd." + +"Ik zal mij heden niet kleeden, Anne!" zeide Adelgonde: "De graaf +is naar de stad, komt eerst laat te huis, en wie zou heden nog een +bezoek op den Oldenburgh komen afleggen?" + +"O!" hervatte Anne met een glimlachje: "er zijn zoovele vreemdelingen +in Den Haag gekomen, die zullen de naburen toch wel eens komen +opzoeken. Wie weet welke bezoeken ons nog te wachten staan!" + +"Waar zijn uwe gedachten Anne?" hervatte Adelgonde, die, hoewel +heimelijk dezen wensch koesterende, dit toch niet voor hare kamenier +wilde bekennen: "Waar zijn uwe gedachten! Deze dorre landstreek levert +ook heel wat fraais op, om te bezien. Waren wij in de lente of in den +zomer, ik zou het u gewonnen geven; doch thans, neen.... die heeren +doen verstandig bij den warmen haard te blijven; zij hebben ook wel +andere bezigheden." + +"Nu ja, dat kan wel wezen. Doch wat die koude aanbelangt, geloof +mij lieve freule, er zijn immers ook nog jeugdigen, wier zuidelijk +bloed niet zoo spoedig in de aderen zal verkleumen. Maarten is nooit +koud als ik bij hem ben, en toch komt hij, zooals gij weet, door het +guurste weder iederen Zaterdag-avond naar den Oldenburgh. Maar al sta +ik dan ook te bibberen als een rietje, hij brandt en gloeit altijd +alsof hij in een oven stond." + +"Dan denkt gij dat die heeren voor den Oldenburgh zouden gloeien, +als uw Maarten voor zijn Anne?" vroeg Adelgonde, die dit gesprek wel +scheen te bevallen. + +"Voorzeker zou Maarten ook niet koud worden als hij eens den Oldenburgh +als zijn toekomstig erfdeel kon beschouwen," hernam het meisje: +"maar de bezielde persoontjes die in dat schoone kasteel wonen, +zullen die heeren toch wel het meeste aantrekken, naar ik meen." + +"Foei Anne, hoe komt ge op zulke gedachten! Gij moest...." + +"Hoe ik op zulke gedachten kom lieve freule, dat zal ik u eens +vertellen," viel het aardige kind Adelgonde snel in de rede: "Gij +moet dan weten dat ik u, toen die gezanten--of hoe men die menschen +noemt--in Den Haag kwamen, zeer wel bij den baron Van Doorn op het +balkon heb zien staan. Toen reed er achter den wagen een jong edelman, +met haren, veel mooier dan de uwe of de mijne; juist tusschen onze +kleuren in, donkerbruin, kastanjebruin. Ik was geheel in verrukking +over dien fraaien jonker. Maarten werd wezenlijk jaloersch; o hij werd +zoo jaloersch, en sprak maar alleen van den schimmel waar die schoone +ruiter op gezeten was. Maarten had wel gerust kunnen zijn, want hoe +gaarne ik hem ook eens in de oogen had gezien, dat behoefde niet.--Neen +waarlijk, hij had wel naar wat anders te kijken: de jonge dame op +het balkon hield hem geheel bezig, en die jonge schoone dame bloosde, +ja bloosde--nog veel sterker dan gij in dit oogenblik lieve freule." + +Adelgonde dreigde de ondeugende snapster met den vinger, doch deze +liet zich niet afschrikken. + +"Zie, daardoor ben ik op het zonderlinge denkbeeld gekomen," vervolgde +zij: "dat die schoone jonker u wel in eigen persoon den fraaien +zakdoek zou terugbrengen, dien ik dadelijk bij uwe te huiskomst +heb gemist. Het zou ook waarlijk jammer zijn als hij, door dien te +behouden, het mooie stel zou schenden." + +"Neen, nu hebt gij geheel en al misgerekend, booze praatster," zei +Adelgonde, terwijl zij den doek uit haar keursje te voorschijn trok: +"hier is de doek; ik had hem wel verloren maar toch ook wedergevonden." + +"Ha ha!" zeide het meisje lachende: "er heeft dus gisteren op het bal +reeds een tête à tête plaats gehad, zooals de Franschen het noemen; +nu, dan zullen de bezoeken ook niet achterwege blijven en zal de rest +wel volgen." + +"Gij deedt beter uw praatgraag mondje een weinig dicht te houden," +hervatte Adelgonde, schijnbaar vertoornd. + +"Och, neem het mij niet kwalijk, liefste freule Adelgonde," ging +Anne voort, ongeneigd aan het bevel harer gebiedster te gehoorzamen: +"Neem het mij toch niet kwalijk, maar ik ben zoo recht verheugd dat gij +eindelijk in mijn gild zijt gekomen. Geloof mij, ik ken die zaken goed, +en kan u zeer veel van dienst zijn.--Daar is Maarten, die is volmaakt +voor een "poltron d'amour" geschikt, zooals de Franschen zeggen; +hij kan u de grootste diensten bewijzen: bij voorbeeld uw briefje +overbrengen of zoo iets; want uw schoone Spaansche heer zal toch ook +wel zoo'n briefje moeten hebben, zooals Maarten van mij heeft. Ik +kan wel niet schrijven, doch hij heeft mijne hand bestuurd en toen +moest ik op een klein stukje perkament zetten: "ik bemin u!" en +dat stukje perkament moest ik hem toen bij de plaats van zijn hart, +tusschen het wambuis en de voering vastnaaien. Zie, dat briefje kunt +gij toch zelve niet naar Den Haag brengen. O neen, dat gaat niet, +want hij moet--evenals Maarten van mij--ook een vlokje van uw haar +hebben; dat behoort er zoo bij, freule, want dat zoent Maarten alle +avonden geregeld goeden nacht, voordat hij zijn gebed begint.--O, +ik zou u nog veel meer kunnen vertellen," vervolgde zij, ziende dat +Adelgonde glimlachte: "Gij moet elkander een suikeren hartje geven, +en dat in elkanders tegenwoordigheid geheel opeten; drie malen daags +uwe linkerhand zoenen en daarbij aan den geliefde denken; u des +nachts op de linkerzijde te slapen leggen, om van hem te droomen, +en honderden dingen meer, die Maarten u beter zou kunnen zeggen dan +ik het doen kan. En als men dan bij elkander is, freule! o, dan kunt +gij u niet verbeelden, hoe aardig dat toegaat. Dan gaan wij heel +dicht bij elkaar zitten, en dan praten wij heel zachtjes; niet omdat +men het niet hooren mag, maar omdat wij dan toch alleen zijn. Dan +drukken wij elkander de handen; Maarten kan mij tusschenbeide wel +eens zeer doen, maar dat neem ik hem niet kwalijk, want hij heeft +ook veel ruwer handen dan ik.--Maar als hij mij zoent, zie, liefste +freule, daarvoor zijt gij ongelukkig te laat gekomen: want zoenen, +zoenen doet hij, zooals dat geen mensch op de wereld meer kan!" + +Anne was geheel in vuur geraakt en Adelgonde bijna om den hals +gevlogen, daar zij, geheel en al met het beeld van haren Adonis +vervuld, in alles zijn wezen meende te aanschouwen. + +"Nu, gij zijt mij een waardige leermeesteres!" sprak Adelgonde, +wier droevige stemming, door de naïeve woorden van Anne geheel en +al was geweken. "Gij klapt al aardig uit de school der liefde! Als +Maarten dat wist, dan waren tusschen u beiden voorzeker alles ten +eenenmale afgedaan." + +"Toch niet! toch niet!" riep Anne: "hij heeft het suikeren hartje +geheel en al naar binnen; ik heb het met eigen oogen gezien; en zou +ik mijn goede, schoone meesteres, die mij zooveel heeft geleerd, +niet in datgene mogen onderrichten wat zij onmogelijk weten kan?" + +"Gij meent het zeer goed met mij," zei de jonkvrouw vriendelijk: +"Ik dank u recht hartelijk voor uw aangenaam onderwijs," en te gelijk +verborg zij den doek, welken zij uit de hand van Alonzo had aangenomen, +zonder dat Anne dit bemerkte, weder aan haren boezem, wel overtuigd +dat de vurige Alonzo, Maartens lessen evenmin zou behoeven, als zij +zelve die van hare kamenier. + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + +Het is voor de tweede maal dat wij onze Lezers de herberg de Wijnstok +binnenvoeren, doch nu niet met oogmerk om ons in de gelagkamer van +Gerrit Aal op te houden, en opnieuw in tabakswalm en brandewijnslucht +te vertoeven, maar om de smalle wenteltrap op te klimmen, en eindelijk, +na dien vermoeienden tocht, een tamelijk klein zolderkamertje binnen te +treden. Het vertrek, dat wij onzen Lezers aanschouwelijk willen maken, +was op genoemden zolder met planken afgeschoten. Een kleine deur, +waaraan eene klink was bevestigd, diende tot den ingang, terwijl een +tamelijk breed zoldervenster, eenigszins hoog geplaatst, een vrij +voldoend licht inliet. Er heerschte een niet onbevallige wanorde in +het anders zoo armoedige vertrek. + +Drie ouderwetsche stoelen van verschillenden vorm stonden in het +rond, een onopgemaakt vierkant rustbed stond in een hoek bij den +ingang, en was behangen met een rood damasten bekleedsel dat, hoewel +oud en eenigszins verschoten, toch een vlag op een modderschuit +geleek. Voorheen moest het zeker tot iets anders gediend hebben, +wijl het voor deze wellicht hare laatste bestemming, veel te groot +en dus vrij wijd en sierlijk geplooid was. + +De naaktheid der houten wanden werd zeer aangenaam gedekt door +honderden prenten, schetsen in olieverf, meest Madonna-kopjes en +kopieën naar Raphaël d'Urbino's prachtige schilderijen. Portefeuilles +en platen, paneelen en teekeningen, kleederen en verven, stonden en +lagen in de grootste verwarring, op en onder de kleine eikenhouten +tafel, op en nevens de fraaie stoelen, tegen en naast de veelkleurige +wanden, ja zelfs over den met stof bedekten vloer verspreid. Twee +groote wrijfsteenen met keien loopers stonden op eene aan den wand +bevestigde plank, welke door een ijzeren staaf werd ondersteund. Potjes +en fleschjes met verschillende oliën, benevens groote en kleinere +penseelen omringden die wrijfsteenen, doch gunden evenwel nog plaats +aan een ijzeren pot met gloeiende boekweitendoppen gevuld, welke +zeker moest dienen om het vertrek of den bewoner te verwarmen. Een +fraaie welbesnaarde citer, met een schoon geborduurden band, stond +nog bovendien in een hoek van het onaanzienlijk doch niettemin ruim +opgevulde vertrek. + +Te midden dier ontzettende wanorde, en wel bepaaldelijk bij het +genoemde dakvenster, zat, voor den grooten schildersezel, de bewoner +van het atelier, dat wij met onze lezers zijn binnengetreden. + +Hij scheen ongeveer vijf en twintig jaren oud te zijn, doch bij een +slechts oppervlakkige beschouwing, gaven zijn bleeke en vermagerde +trekken hem het aanzien van reeds de dertig te zijn ingetreden. Het +gelaat des jeugdigen kunstenaars, waar inspanning en afmatting op +te lezen stonden, had juist door die genoemde kleurloosheid, iets +zeer belangwekkends. Niet weinig werd dit verhoogd door de lange +zwarte haarlokken die, hoewel eenigszins onordelijk, tot op de +schouders nederhingen. Maar hetgeen ieder onwederstaanbaar aan dit +gelaat boeide, het waren vooral die twee flonkerende oogen, welke +als lichtende sterren aan een anders somberen hemel schitterden. + +Onafgebroken werkte hij met onuitputtelijken ijver voort; met doode +verven bezielde hij, vol innige zelfvoldoening, het bijna afgewerkte +liefelijke beeld, het voorwerp zijner schepping. Steeds woelde het +penseel door de verven, steeds bracht het de fijnste tinten op het +bijna hemelsche wezen over, dat al meer en meer het oogenblik harer +volmaakte vorming naderde. Het was de gezegendste aller vrouwen, de +beminnelijke Moeder van den Zoon des menschen, die met haren zuigeling +in de armen, in eenvoudige witte kleeding, door den kunstenaar op het +zielloos doek werd getooverd. Haar wezen was zóó gemaald als zij er +werkelijk moet hebben uitgezien. De diepste godsvrucht, de heiligste +eerbied voor haar eigen zuigeling was op haar gelaat te lezen. Doch +in de hoogste mate was ook aardsche schoonheid geschonken aan het +beeld der uitverkorene vrouw, hetwelk ongetwijfeld het ideaal des +kunstenaars moest wezen. + +"Zoo! Geen penseelstreek meer!" riep hij, eensklaps eenige schreden +achteruitgaande: "Ja, zij is het! Zij is het geheel! Die laatste +trek aan den mond maakte de gelijkenis volkomen. Dat lachje, dat +hemelsche lachje!--Getroffen!--Getroffen zonder wederga!--Ja, zoo zag +zij mij aan!--Ja, juist zoo!--Met dat engelengelaat, met dat reine, +tevredene, dankbare lachje, waarmede Maria haar goddelijken Zoon +moet hebben aangezien! O heilige kunst!" vervolgde hij in dwepende +verrukking: "Goddelijk talent! wat dood is, geeft gij het leven, +wat ons ontnomen was, geeft gij ons weder, wat wij verloren hadden, +doet gij ons wedervinden. O, onuitsprekelijk schoon,--hemelsch! ja, +hemelsch zijn uwe trekken! Gij alleen zijt waardig om de heilige +Maria voor te stellen in hare reinheid en lieftalligheid!--Zoo mag +ik u dan toch wederzien, na zulk een lange scheiding,--wederzien, +na al dat vruchteloos zoeken, na al dat duldeloos lijden. O, gij +zijt nog dezelfde. Nog even vriendelijk ziet gij mij aan, doch nu, +nu bezit ik u voor eeuwig, nu zal niemand ons meer scheiden! Neen: +mijn graf zal ook het uwe zijn!" + +In schier wanhopige verrukking snelde hij naar het gewrocht +zijner handen, strekte beide armen naar het voorwerp zijner +verbeelding uit, doch--liet ze plotseling weder als machteloos +zinken:--"Dwaas! dwaas!" sprak hij langzaam en met een diepen +zucht: "Is dit zwakke maaksel uwer handen dan het voorwerp uwer +wenschen?--Is dit vlakke doek dan nu op eenmaal in de verlorene +herschapen?--Dwaas!" ging hij voort: "Dwaas! het zijn slechts +verven--verven, door u zelven gemengd--door u zelven daarop +gebracht.--En gij bemint uw eigen maaksel?--Dit onvolkomen afdruksel +van dat prachtige origineel?" + +"Slechts verven!" riep hij nogmaals, en zeeg toen afgemat, terwijl +groote droppelen zweets langs zijn voorhoofd liepen, met het oog +onafgewend naar zijn tafereel gericht, op een stoel neder. + +Zijne ademhaling was diep en zwaar; zijne aderen waren dik gezwollen; +zijn hart klopte hoorbaar, en telkens ontvlood een diepe zucht aan +zijn geprangd gemoed.--Eenige minuten bleef hij in dezen toestand; +toen stond hij eenigszins bedaarder op; nam de citer ter hand; +sloeg eenige schoone akkoorden aan, en zong met een welluidende, +doch klagende stem, de volgende woorden; + + + "Dáár, waar de Maas haar zilvren stroom + Langs hooge rotsen voert, + Daar droomde ik aan haar kabblend boord + In 't statig en toch lachend oord, + Een schoonen zoeten droom. + + Ik droomde, dat in snelle vaart + Een jonkvrouw, fier en schoon, + Kwam rennen van der bergen top, + Haar arm geslagen om den kop + Van 't ongezadeld paard. + + Haar angstkreet klonk van berg tot dal, + Door de echo weergekaatst; + Zij werd door vriend noch maag gehoord; + De klepper holde rustloos voort + En dreigde haar ten val. + + Het ros, met schuim en stof bedekt, + Stoof pijlsnel langs mij heen; + Ik hoorde een klagend angstgeschrei; + Zij zag mij aan, en hield naar mij + Den blanken arm gestrekt. + + Die blik, en 't kermend angstgeween + Ontvlamden mijn gemoed; + Met bliksemsnelheid vloog ik op + En greep den klepper bij den kop, + Die eensklaps roerloos scheen. + + Eén schrede nog, en 't hollend beest, + Waar', met zijn schoonen last, + Gestort in 't zilverglanzend nat; + Eén schrede nog op 't aklig pad, + En 't waar' te laat geweest! + + Maar hoor, toen nu haar stemme klonk, + Zoo rein, vol melodie, + Toen was het of ik in dien stond + Mij bij het Godenheir bevond + En zuivren nectar dronk. + + "O," klonk dat lieflijk rein geluid: + "Ik dank u, edle knaap! + Mijn redder, en mijn goede Geest! + 't Waar' zonder u te laat geweest: + Gij hebt mijn val gestuit." + + Ik droomde voort: Ik leidde haar + Den bergtop weder op, + Langs bloem en struik, langs mos en steen, + En voerde haar naar 't lustslot heen + Des graven Aduaar. + + Ik droomde voort: Zij zag mij aan, + En nogmaals klonk haar stem, + Ten afscheid nu, een zacht: "Vaarwel!" + Zij drukte mij de hand, en snel + Was zij van dáár gegaan! + + 'k Ontwaakte. Hemel! was 't een droom? + Slechts ijdle hersenschim? + Had 'k dan die engel niet gezien? + Had 'k niet getracht haar hulp te biên + Aan d' oever van dien stroom?-- + + Zoo waak ik voort, zoo droom ik voort, + Reeds maanden, droef en lang. + Was 't werklijkheid of ideaal? + Slechts zinsbedrog?--Heb 'k dan haar taal + Niet hem hemelsch rein gehoord?" + + +Hier zweeg de zanger. De twee laatste coupletten had hij met een +bijzondere afwisseling in zijne stem en van gelaatsuitdrukking +gezongen. Hij werd door vrees en hoop geslingerd. Zijn instrument +gleed langs hem op den vloer neder, en somber bleef hij het portret +aanstaren, waarin hij de trekken der bezongene schoone zoo duidelijk +herkende. + +Een zacht tikken aan de kamerdeur wekte hem niet uit zijne +overpeinzingen, en evenzeer bleef het door hem onopgemerkt, hoe +weinige oogenblikken daarna, de lieve dochter uit de Wijnstok, het +onzen lezers reeds bekende Klaartje, de kamer binnentrad. + +Het meisje bleef eenige oogenblikken aan den ingang staan, en +beschouwde den jongeling met een oog, waarin meer dan medelijden te +lezen was. Zij naderde behoedzaam; plaatste zich achter zijn zetel; +boog haar lieve kopje over zijn schouder; sloeg den linkerarm om zijn +hals, en fluisterde toen, alsof zij een zacht slapende wilde wekken: +"Jakob, gij moet niet droomen; droomen is zinsbedrog; een schoone +droom is slechts een wreede kwelgeest die ons schatten toont, welke +wij nimmer zullen bezitten, die ons een paradijs doet aanschouwen, +'t welk wij op deze aarde nooit zullen binnentreden.--Droom niet, +Jakob," vervolgde zij: "ontwaak! leef in de werkelijkheid; gij +vermoeit uw geest en ondermijnt uwe lichaamskrachten. Leef voor de +werkelijkheid, leef voor uw hemelsche kunst: eer en lauweren zullen +uw deel zijn. Leef voor...." + +Hier hield zij eensklaps op; een hoogrood bedekte hare wangen, en +vragende zag zij, als ter sluik, den somberen jongeling aan. Hij zag +haar niet, hij hoorde haar niet. + +"Vaarwel heeft zij gezegd!" sprak hij eindelijk: "Vaarwel!.... doch +tot welken tijd?--Neen, ik zal haar nogmaals gaan zoeken, weder dagen +omdolen in die streken waar ik droomde....--Droomde....? + + + Ontferming, hemel! was 't een droom? + Slechts ijdle hersenschim'? + Heb 'k dan die engel niet gezien?-- + Ja! 'k heb getracht haar hulp te biên + Aan d' oever van den stroom!" + + +Deze woorden, welke hij onstuimiger dan de vorige zong, schenen zijn +besluit te bepalen. Eensklaps sprong hij op, en misschien zou hij +blootshoofds ter deure zijn uitgesneld, zoo Klaartje hem niet in den +weg ware getreden en, hem smeekend aanziende, gezegd had: + +"Hoe! wilt gij dan in dit koude jaargetijde, zonder behoorlijke +kleeding, verre van hier, datgene gaan zoeken, 't welk gij reeds +zoolang, doch steeds tevergeefs hebt gezocht? Wilt gij dan uw +gezondheid, zelfs uw leven ten offer brengen om een ijdele schim na +te jagen?--Gij droomt Jakob," vervolgde zij, terwijl zij met hare +hand de haarlokken, die over zijn voorhoofd gevallen waren, ter zijde +streek. "Kom tot u zelven; gij zijt ongesteld; een koorts heeft u +aangegrepen. O, ga niet van hier; blijf! ik zal u verzorgen!" De +jongeling was op Klaartjes woorden roerloos blijven staan. Hij had +haar met een mengeling van wezenloosheid, goedheid en onderwerping +aangehoord. "Gij zijt een goed meisje!" sprak hij, als ontwakende: "gij +hebt gelijk, wat zou het mij baten! doch het brandt mij inwendig.... ik +gevoel mij zeer afgemat." + +Bij deze laatste woorden zeeg de ongelukkige kunstenaar, +door geestinspanning uitgeput, langzaam ineen, en zou voorzeker +nedergevallen zijn, zoo niet het liefderijke meisje ter hulpe ware +gesneld, en den bezwijmde in hare armen had opgevangen. Met eene +inspanning, die hare krachten bijna te boven ging, nam zij den +jongeling op, en legde hem op het rustbed neder. Zachtkens schoof +zij de rood damasten gordijn dicht, opdat het daglicht hem niet zou +hinderen, en keek toen, met een bezorgd hart, door een kleine opening +naar den lijder, ten einde zich te overtuigen dat hij leefde. Met +aandacht luisterde zij naar zijn langzame doch geregelde ademhaling, +en lette met ingehouden adem op het kloppen van zijn hart, toen +eensklaps de deur openging en een sierlijk gekleed edelman het +vertrek binnentrad. + +De nieuw aangekomene had eerst eenige oogenblikken rondgezien zonder +iemand te ontdekken, doch ontwaarde eindelijk het bekommerde meisje +dat, gedeeltelijk in de plooien van het gordijn verborgen en geheel +met haar lijder vervuld, evenmin de komst des jonkers had opgemerkt. + +"Waarachtig, een allerliefst tooneel!" sprak de jonker Van Rodenberg, +op spotachtigen toon: "een schoone die haar slapenden minnaar +bespiedt! Het is voor u te wenschen aardig kind!" ging hij, haar +aansprekende, eenigszins harder voort: "dat gij niet, evenals Potifars +huisvrouw, een zedigen Jozef achter die gordijnen begluurt." + +Klaartje, hoewel de dochter eens kasteleins en derhalve eenigermate +aan onkiesche kortswijl gewoon, was door de komst des jonkers +zeer verrast. Zeker was de schijn tegen haar, doch de onteerende +vergelijking, die hij haar zoo onverdiend deed ondergaan, en haar +gevoel van eerbaarheid tegenover zijne betichting van verregaande +zedeloosheid, gaf haar den moed zich onverschrokken van die blaam +te zuiveren. + +"Uw scherts is bitter en ongepast," sprak zij zachtjes: "De schilder is +ziek, zeer ziek; hij slaapt; een flauwte heeft hem bevangen. Verwijder +u wat ik u bidden mag, edele heer! Gij kunt hem nu niet spreken; +kom dezen middag, kom morgen terug, doch laat hem nu rusten." + +"Dat ding is, bij mijne eer, drommels loos!" zeide Van Rodenberg: +"Die ziekte is hem dan al zeer spoedig aangewaaid. Zooeven nog, +toen ik op de straat voorbij kwam, zong die ongelukkige man als +een lijster. Ha ha! wij kennen die ziekten! Nu, voor den duivel, +ik neem het u niet kwalijk, doch zet die liefelijkheden wat later +voort.--Kom, wakkere kunstenaar!" riep hij, op het bed toetredende: +"kom voor den dag! Het spijt mij zeer u te moeten storen; doch ik +heb haast. Mijn portret moet gemaakt worden!" + +"Om 's hemels wil, spreekt zacht," smeekte Klaartje. "De ongelukkige +is door vermoeienis en uitputting bewusteloos terneder gevallen. Wie +weet of hij niet stervende is?--Ik bid u edele heer, ik bid u dringend: +ga van hier; heb medelijden met een wezen dat misschien weldra zijn +einde nabij is." + +"Gij zijt voorwaar een onnoozele deerne!" sprak Van Rodenberg. "Een +overdrevene verdediging pleit zelden voor de waarheid. Kom +kom!" vervolgde hij, terwijl hij het angstig afwerende meisje vrij +onzacht bij den arm greep en ter zijde schoof: "die comedie heeft +al lang genoeg geduurd; ik zal u uw minnaar niet ontrooven; kom wat +later terug, doch laat ons nu alleen." + +Klaartje hield wel den jonker bij zijn mantel vast, doch kon niet +beletten dat deze het rustbed naderde en de gordijnen ter zijde schoof. + +De schilder opende de oogen; streek met de hand over het voorhoofd, +en staarde in het rond. + +"Waar ben ik?" zeide hij: "Zij is er dus niet?--Alweder een +droom!--Doch 't is voorbij!" + +"Het doet mij werkelijk leed," sprak Van Rodenberg die, in weerwil +van de vermagerde trekken en het bleeke gelaat des kunstenaars, niet +willig scheen de waarheid te gelooven: "Het doet mij werkelijk leed +u in uw aangename droomerijen te moeten storen; doch mijn portret +dient spoedig gemaakt te worden. Ik zal u goed betalen; toef niet +langer, wakkere zoon der muzen! Het zal u voordeel en eer bezorgen; +het eerste vooral moet u niet onwelkom zijn." + +Na deze woorden verwijderde hij zich van het rustbed: neuriede een +deuntje, en plaatste zich toen voor den schildersezel waarop nog +steeds de Madonna stond. "Bij mijne ziel!" riep hij na eenig zwijgen: +"wie voor den duivel heeft het u in de gedachten gegeven, om de dame +van mijn hart met een kind op den schoot te schilderen? Dat heet ik +waarachtig de tijden vooruit loopen! Adelgonde als moeder! Nu, het +staat haar niet slecht. Hebt gij de jonkvrouw Van Bergen zóó naar +het leven gemaald?" + +Bij de eerste vraag des jonkers was de schilder in zijn bed overeind +gerezen en had den vrager strak aangestaard; bij de laatste echter +sprong hij, als buiten zich zelven van de legerstede; liep op den +jonker toe, en greep hem onstuimig bij den arm. + +"Spreek! kent gij haar? Adelgonde Van Bergen, zegt gij? Die engel!--En +gij.... gij bemint haar?" riep hij, terwijl een lichte blos zijn +doodsbleek gelaat kleurde: "Waar is zij?--Spreek!--Ik zal haar dan +zien.... eindelijk wederzien!" + +"Gij zijt dronken, knaap!" bromde Van Rodenberg: "Wilt gij op alle +mogelijke wijzen den draak met mij steken? Ik ben jonker Walter Van +Rodenberg; het moet u tot niet weinig eer verstrekken, dat ik tot u +kom om mijn portret door u te laten vervaardigen. Maak een einde aan +die schilders-zotheden; zet u aan den arbeid; mijn tijd is kostbaar!" + +De Geest was door deze, op gebiedenden toon geuite woorden tot zich +zelven gekomen. Wel doorwoelden honderden aandoeningen zijne borst; +wel bestierven honderden vragen hem op de lippen; doch hij kropte ze +op, en maakte werkelijk de noodige toebereidselen tot den arbeid. + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + +Reeds te lang hebben wij Alonzo uit het oog verloren. Den morgen +na het vermelde bal vinden wij hem in zijne kamer terug. Het vurig +verlangen om nader met de schoone Adelgonde bekend te worden, deed +hem tallooze plannen vormen, welke hij echter even spoedig weder +verwierp. Eindelijk scheen zijn besluit genomen. + +--Ik moet rechtstreeks handelen, sprak hij bij zich zelven: waarom +zijpaden bewandeld, daar de rechte weg voor mij open ligt? Mijn +bloed is even edel, wellicht edeler dan het hare; mijn vermogen is +groot; rijkdom en eer kunnen haar deel worden. Wij komen in dit land +als vrienden, niet als vijanden. Wat zou mij dan in den weg kunnen +staan? Op welken grond zou de graaf Van Bergen aan den markgraaf De +Spinola zijne dochter ten huwelijk weigeren? + +Hij floot, en beval den binnentredenden bediende zijn schimmel +te zadelen. + +"Moet ik uw genade vergezellen?" vroeg deze. + +"Dat is niet noodig Ferdinand." antwoordde Alonzo: "Ik zal...." + +Hier werd het gesprek gestoord door het aandienen van den jonker Van +Rodenberg, die dadelijk daarop binnentrad. + +"Bonjour, Bonjour! hoe hebt gij geslapen?" vroeg deze, met de hem zoo +eigen vrijpostige gemeenzaamheid: "Het was mij recht aangenaam kennis +met u te maken, en hoop die, gedurende uw vereerend verblijf alhier, +voort te zetten. Wij zullen vrienden zijn, edele Spinola! Ik kom u +de oprechte verzekering mijner genegenheid brengen." + +"Ik zal niet gaan rijden Ferdinand!" zeide Alonzo, nadat hij de +verplichtende woorden des jonkers beleefdelijk beantwoord had. + +Ferdinand boog en vertrok. + +"Gij zijt een vreemdeling in onze streken," vervolgde Van Rodenberg: +"en daarom eischt de Hollandsche gastvrijheid van mij dat ik u +mijne diensten kom aanbieden. Indien mijn gezelschap u aanstaat, +zult gij in mij een vriend vinden, die uw verblijf alhier kan +veraangenamen."--Bij deze woorden stak hij hem de hand toe, en Alonzo +die, hoewel niet geheel met den persoon tevreden, door zoovele bewijzen +van welwillendheid meer met hem verzoend werd, nam de aangebodene +hand en schudde die trouwhartig. + +"Gij maakt mij inderdaad verlegen," zeide hij: "Het is ongetwijfeld +veel eer voor mij, dat gij mij uw vriendschap wilt waardig keuren." + +De beide nieuwe vrienden plaatsten zich. Alonzo liet een flesch +Spaanschen morgenwijn komen en vulde de fijne glazen. Van Rodenberg die +zijn glas had opgenomen, stiet het tegen dat van Alonzo en ledigde het +tot op den bodem. Alonzo deed insgelijks. Het gesprek liep eerst over +onverschillige onderwerpen, het bal van den vorigen avond kwam weldra +ter sprake, en Alonzo die van begeerte brandde om iets aangaande +Adelgonde te vernemen, luisterde met geen geringe belangstelling, +toen de jonker over den edelen graaf Van Bergen en zijne dochter +begon te spreken. + +"Men heeft elkander om dat duifje reeds menigen kogel door den +kop gejaagd," zeide hij: "Reeds menig wakker edelman heeft den +steven naar den Oldenburgh gewend, doch werd door fellen stormwind +teruggedreven. Die oude graaf houdt het vogeltje in de kooi en verliest +het nimmer uit het oog. Zij heeft reeds menige blauwe scheen laten +loopen, en wel zou ik oppassen mij daaraan te wagen." Bij deze woorden +sloeg hij een veel beteekenenden blik op Alonzo; maar bemerkte dien +niet; maar voelde zich toch zonderling verlicht, daar hij den jonker, +waarom wist hij zelf niet, als een machtigen medeminnaar had beschouwd, +en nu uit zijn eigen mond de ongegrondheid van dit vermoeden vernam. + +"Leve de vrijheid!" riep de jonker, den opnieuw gevulden roemer +zwaaiende: "Leve de vrijheid met een welgevulden buidel! Vergeet +hier voor een tijd uw schoone en uwe eeden, gij behoort nog tot dat +bataljon, waarbij voor geld en goede woorden volkomen absolutie te +verkrijgen is. Geniet de vrijheid en de jeugd, zoolang gij ze genieten +kunt. Volg mij, ik zal u op dat pad een veilige leidsman zijn." + +Van Rodenberg zag aan de ernstige trekken des Spanjaards dat hij, +om tot zijn doel te geraken, den juisten toon niet getroffen had. En +inderdaad, Alonzo aan het geloof zijner vaderen gehecht--al gevoelde +hij ook zelf dat daarin vele dwaalbegrippen heerschten,--kon in zaken +van godsdienst geen den minsten spot verduren, en had daarbij, hoewel +geoorloofd genoegen geenszins verachtende, een natuurlijken afkeer +van dat losbandige leven, hetwelk op niets dan schade uitloopt. + +"Uw bedoelingen zijn wellicht goed," zeide hij: "en zoo ik hoop, wilt +gij mij of mijn geloof niet beleedigen, doch mijne grondbeginselen +zijn van dien aard dat ik niet in uwe gevoelens kan deelen. De liefde +is het edelste wat den mensch kan bezielen. Gepaste vreugde is zeer +geoorloofd, doch, met uw verlof, mijn leuze kan nooit de leuze der +losbandigheid zijn." + +"Wel wel!" zeide Van Rodenberg lachende: dat heet ik iemands woorden +fraai uitleggen. Ik wensch den somberen minnaar wat op te vroolijken +en eenige afleiding te bezorgen, en wordt daarom met den edelen naam +van losbandige begiftigd.--Wij spreken in Holland ronde woorden: +wij zeggen wat wij denken, doch zoo gij, graaf! veronderstelt dat +mijne bedoelingen...." + +"Ik ben te voorbarig geweest," viel Alonzo hem in de rede, daar hij +berouw had zich zoodanig te hebben uitgelaten: "Mijne oordeelvellingen +waren ontijdig, zonder u te kennen heb ik u wellicht verkeerd +beoordeeld," en zijn glas opnemende, stiet hij het tegen dat des +jonkers, en beiden ledigden nu den beker tot op den bodem. + +"Welnu, met dit glas hebt gij u, in weerwil van uwe grondbeginselen, +aan mijne losbandigheid overgegeven!" zeide Van Rodenberg: "Wij spreken +in het vervolg vrij met elkander en zullen voorzeker vrienden blijven!" + +Alonzo, wiens prikkelbaar gemoed even spoedig aan oprechtheid geloofde +als het zich aan achterdocht overgaf, beschouwde nu den jonker als een +goedhartigen doch vroolijken knaap, die hem ongevraagd en onbaatzuchtig +zijne vriendschap en diensten kwam aanbieden. Hij beschuldigde zich +zelven van ondankbaarheid zoo hij deze welwillendheid met stugheid +en achterhoudendheid beantwoordde. Van Rodenberg was met Adelgonde +en haar vader bekend; op het bal reeds had hij zich iets aangaande +hare afkomst laten ontvallen. Hij zag in hem nu geen jaloerschen +medeminnaar meer, en wat belette hem dus over deze zaak te spreken +met den man, die zich zoo welwillend jegens hem betoonde? + +"Welaan!" zeide Alonzo: "gij zult mij voorzeker met uwe inlichtingen +van dienst willen zijn?--Welnu dan:" en thans verhaalde hij met een +vloed van woorden, hoe hij Adelgonde had gezien, hoe hij bij zich +zelven gezworen had, nooit eene andere dan haar tot gade te zullen +nemen, dat hij haar reeds op het bal zijne liefde had geopenbaard, +en vast besloten had, haar zijn naam en zijn vermogen aan te bieden, +voorts dat hij reeds zeer spoedig bij den graaf Van Bergen aanzoek +om hare hand wilde doen, terwijl hij eindigde met Van Rodenberg te +verzoeken, hem datgene te melden wat hij aangaande hare geboorte wist, +of wat de wereld daarvan zeide. + +De spreker had in het vuur zijner rede niet opgemerkt dat, onder het +uiten dezer woorden, des hoorders vriendelijk gelaat de uitdrukking +van een loerenden hyena had gekregen; hij had niet gezien dat zijne +groote roode lippen verbleekt en de neusgaten van den kleinen stompen +neus wijder opengespalkt waren. + +Van Rodenberg had zijn gelaat naar een andere zij gewend; en toen +nu Alonzo geëindigd had, was het weder--hoewel meer dan te voren +gekunsteld--in dezelfde plooi, en antwoordde hij op Alonzo's laatste +vraag, vrij natuurlijk lachende: "Booze roover! kwaamt gij daarom +herwaarts? Zijn dat uwe bedoelingen? Wilt gij de schoonste bloem +uit het noorden in zuidelijker lucht overplanten? De hovenier zal er +bezwaarlijk van afstappen: zoolang gekweekt, zoolang getroeteld! Doch +wat de ent aanbelangt" vervolgde hij, zich even bezinnende: "ja, +die was wel echt, doch werd helaas! op wilden stam gegriffeld." + +"Wat bedoelt gij?" + +"Wat ieder weet," hervatte Van Rodenberg: "Zij is de natuurlijke +dochter van den graaf Van Bergen; de vrucht van een ongeoorloofde +verbintenis met een zijner dienstmaagden; doch," liet hij er +onmiddellijk op volgen: "gij hebt mij rondborstig uw geheimen +geopenbaard; ik zal ze bewaren, doch vertrouw insgelijks van u, +dat gij mijne woorden zult geheim houden." + +"Gij liegt!" riep Alonzo, opspringende: "Gij zegt iedereen weet de +zaak, en evenwel eischt gij mijne geheimhouding." + +"En gij beleedigt mij!" hernam Van Rodenberg, mede opstaande; +doch zich eensklaps bezinnende, vervolgde hij zeer kalm: "Neen, ik +begrijp uwe drift, maar, ik bid u, moet gij dit aan mij wijten? Wilt +gij bewijzen voor de waarheid mijner woorden? Ik zal ze u nog dezen +avond verschaffen; laat ons als vrienden scheiden, en tegen negen +uren zal ik u mijn knaap zenden, die u voeren zal waar ik u op dat +uur zal verwachten." + +Bij deze woorden stak hij Alonzo de hand toe, die haar werktuiglijk +aannam.--"Vaarwel, edele Spinola, tot hedenavond!" en hiermede verliet +de jonker haastig de kamer. + +Alonzo snakte, na dit zoo hoogst onaangenaam gesprek, naar vrije +lucht. De uitgestelde wandelrit wilde hij hervatten, en hij gevoelde +zich ruimer, toen hij, op zijn fraaien schimmel gezeten, in gestrekten +galop de lanen van het Haagsche Bosch doorkruiste. + +Toen hij bijna een paar uren gereden had, en zijn paard stadwaarts +wendde, zag hij in de verte een ruiter aankomen, die insgelijks op +Den Haag aanreed. + +De ruiter, die nu slechts een paar honderd schreden van Alonzo +verwijderd was, gaf eensklaps zijn paard de sporen, en verdween +ijlings in eene zijlaan. + +--Was dat jonker Van Rodenberg niet? dacht Alonzo: Zou hij mij niet +gezien hebben, of wat noopte hem anders zoo plotseling dat zijpad in +te slaan?" + +Langzaam reed hij door, en het was reeds schemerdonker toen hij aan +zijne woning terugkwam. + +Weldra was het negen uren, en Alonzo werd bericht dat een knaap hem +aan de deur verbeidde. + +Zou hij gaan? Zou hij zich naar een onbekende plaats begeven, om de +zekerheid van eene voor hem zoo treurige waarheid te bekomen? + +Alleen de drift om iets, wat het dan ook zijn mocht, aangaande +Adelgonde te vernemen, en om bovendien zijn gegeven woord niet te +breken, deed hem tot dien gang besluiten; hij wierp den mantel over den +schouder, en volgde den knaap die een kleine lantaarn in de hand hield. + +Het was een koude avond. Een dichte jachtsneeuw joeg Alonzo in het +aangezicht, en terwijl hij steeds zijn jeugdigen leidsman volgde, +doorliep hij verscheidene straten, en sloeg eindelijk met hem een +nauwe steeg in. + +"Gij brengt mij waarlijk in geen voorname buurt!" zeide Alonzo: +"hier kan onmogelijk de woning van den jonker Van Rodenberg zijn." + +"Zijnedele heeft mij gelast, uwe genade in den Avondtempel te +brengen," antwoordde de knaap. Weinige schreden verder gekomen, +opende hij een zware eikenhouten deur, en verzocht den graaf binnen +te treden. Beiden doorliepen nu eene vrij lange gang, daalden eenige +trappen af, en bevonden zich weldra in een gewelfde ruimte. De knaap +trad op eene--zich aan het einde bevindende groote deur toe, en klopte +vrij sterk met den klopper aan. De deur werd van binnen geopend, +en, door het sterke licht dat Alonzo--in tegenstelling van de buiten +heerschende duisternis--op eenmaal de oogen verblindde, kon hij in +het eerst niet duidelijk onderscheiden waar hij zich bevond. Langzaam +echter aan het licht wennende, zag hij nu dat hij een langwerpige +zaal was binnengetreden, welker lage zoldering op zes steenen kolommen +rustte; langs de wit gepleisterde wanden stonden, op kleine afstanden +van elkander, eikenhouten tafeltjes, benevens banken van hetzelfde +hout. De aanwezigen waren meest allen jonge lieden uit den beschaafden +stand. Hoewel dit echter geenszins merkbaar was aan den toon die hier +heerschte, kon hij dit toch bespeuren aan de kleederdrachten en aan +de, hoewel ruwe, toch meer verfijnde uitdrukkingen der heeren. + +De deur was dadelijk weder achter Alonzo dichtgeslagen, en onaangenaam +was hij te moede toen hij zich daar alleen te midden van een vreemd +gezelschap bevond. Na een oogenblik rondgezien te hebben, besloot hij +terug te keeren, en had reeds de hand aan de zware klink geslagen, toen +een: "Ha! zijt gij daar? Welkom! welkom vriend!" uit Van Rodenbergs +mond hem in de ooren klonk. + +Verrast zag hij om: "Is het hier?" vroeg hij dadelijk op fluisterenden +toon: "dat gij mij nadere opheldering of zekerheid omtrent een zoo +teedere zaak wilt geven?" + +"Bah!" zeide Van Rodenberg: "denkt gij daar nog aan! 't +Was voornamelijk mijn doel om u met onzen Avondtempel bekend te +maken. Hier vindt gij de aangenaamste en vroolijkste gasten. Die +ophelderingen zal ik u wel naderhand geven; doch bekreun u daar +thans niet om.--Jonker Arends! ik heb het genoegen u mijn waardigen +vriend, den edelen Alonzo Spinola voor te stellen." Deze laatste +woorden had Van Rodenberg gericht tot een jonkman, wiens gelaat de +ontegenzeggelijkste sporen van een verwaarloosd leven droeg. Arends +stond op, trad naar Alonzo toe, en bood hem zijne hand. Doch Alonzo, +niet gewoon zijne vriendschap zoo terstond weg te schenken, hield zich +alsof hij die aanbieding niet bemerkte, en boog zich voor den jonker. + +"Dezen morgen heb ik bij mijn vriend een kostelijk glas Spaanschen +wijn gedronken," ging Van Rodenberg voort: "en hoewel er op onze +naakte duinen geen wijnstok groeit, zoo bevat de kelder van onzen +aan Bachus gewijden tempel, toch druivensap dat, op Duitschlands +bergen gekweekt, in onze bekers parelen en onze harten vervroolijken +zal.--Gij zult mij eene welkomstteug," vervolgde hij tot Alonzo: +"voorzeker niet weigeren?" + +De aangesprokene zag zich in zijne verwachting deerlijk teleurgesteld, +en zou geld hebben willen geven, indien hij onmiddellijk had kunnen +vertrekken. Een aangeboden dronk te weigeren, ging echter zeer +moeielijk, en daarom besloot hij te vertoeven, in de hoop dat Van +Rodenberg spoedig met hem gaan, en hem dan de verlangde bewijzen zou +ter hand stellen. + +"Nu," zeide hij, tegen zijn wil toegevende: "wij zullen uw wijn eens +proeven." De drie jongelieden namen aan een tafeltje plaats. Van +Rodenberg bestelde eene flesch ouden Rijnwijn, en weldra parelde deze +in de bekers. + +Arends dronk onophoudelijk de gezondheid van al wat slechts Spaansch +bloed in de aderen had, en Alonzo, wien de edele wijn als nectar +smaakte, en bij iederen beker al minder waarheid van logen kon +onderscheiden, vergat weldra zijne zorgen, en deed den heeren wakker +bescheid. + +"De derde flesch!" riep Van Rodenberg, met de vuist op de tafel +slaande: "Doch voor den duivel!" vervolgde hij, een triomfanten +blik op de reeds eenigszins benevelde oogen van Alonzo slaande: "wij +kunnen niet met ledige handen dien heerlijken wijn zien schuimen. Wij +zullen ons geluk beproeven mijne heeren! wat raakt ons fortuin of +goederen!" En met nog grooter hevigheid eischte hij dobbelsteenen. + +Tegen dien laatsten voorslag echter, kwam het beter gevoel van Alonzo +op, hij had een afschuw van het spel, evenals hij een afkeer van +dronkenschap had; en hoewel reeds onwillekeurig de palen der strikste +matigheid te buiten gegaan, besloot hij niettemin geen deel te nemen +aan een vermaak, waarvan hij maar al te dikwijls de nadeelige gevolgen +van nabij gezien had. + +"Gij kunt uw gang gaan," zeide hij: "hoewel ik het u afraad; maar +ik zal niet spelen, dewijl ik het spel als een verderfelijk kwaad +beschouw." + +"Bij mijne eer, dat heet ik den fijne uithangen!" riep Van Rodenberg: +"welk een kinderachtige verontschuldiging. Mijn troetelkind een +verderfelijk kwaad? Elkander met gelijke wapenen bevechten, noemt gij +eene verkeerdheid? Gelijke kansen, gelijke steenen! Bah! malligheid +zeg ik u, niets dan hedendaagsche femelarij!--Leve het spel!" + +"De gierigaard alleen," zeide Arends, Van Rodenbergs woorden +vervolgende: "schrikt terug voor een eerlijk spel. Hij alleen wil +niets wagen, maar altijd zeker winnen." + +"Maar gij!" ging Van Rodenberg weder tot Alonzo voort: "Gij! door wiens +aderen onbaatzuchtig bloed stroomt; een Spanjaard, edel en vermogend, +zoudt gij werkelijk angstvallig zijn om iets van dat vermogen te +wagen? Neen! daarvoor ken ik u reeds te wél, gij zult mij een kans niet +weigeren. Drie honderd kronen wil ik in den eersten worp met u wagen!" + +De dobbelsteenen rommelden in den kroes, en negen punten wierp hij +op de tafel. De jonge Spinola aarzelde nog, doch den spotachtig, +hoonenden blik waarmede Arends hem aanzag, kon hij niet verduren: +Deze blik verlamde zijn vasten wil. Zijn genomen besluit wankelde, +en werd door een kwalijk geplaatst eergevoel vervangen. Hij vatte den +kroes op, schudde dien, en elf punten wierp hij ter neder. "Gij hebt +gewonnen!" zeide Van Rodenberg zeer koel: "Laat ons nogmaals drinken; +de fortuin is mij niet gunstig." + +"Niettemin zullen wij nog één worp doen," sprak Alonzo, wien het +hinderde gewonnen te hebben. + +"Welaan dan!" hernam Van Rodenberg: "doch dan zullen wij den inzet +verdubbelen: zeshonderd kronen!" Weder klonken de steenen in den kroes, +en zeven punten vielen. Alonzo wierp zes, en had verloren. + +Van Rodenberg, van zijn kant zich nu weder edelmoedig toonende, +vond goed het spel voort te zetten. Het geluk had Spinola geheel +en al den nek toegekeerd; hij verloor onophoudelijk, en hoewel hij +gedurig geneigd was het spel te staken, wilde zijne tegenpartij daar +niet van hooren: zulk een grove winst mocht hij niet zonder voldoening +aannemen.--Door een onafgebroken quitte ou double werd de schuld van +Alonzo bij iederen worp verdubbeld! Acht duizend kronen waren reeds +door hem verloren. + +"Het geluk zit in uw kroes!" zeide hij eindelijk met een, door het +gestadig gebruik van den zwaren wijn, verhit gelaat: "Geef mij uw +steenen, ik zet tweemaal double tegen quitte." + +De jonker Van Rodenberg verbleekte, doch herstelde zich spoedig. + +"Waartoe zou dit dienen?" vroeg hij zoo bedaard mogelijk, doch tastte +middelerwijl geheimzinnig in den zak van zijn wambuis; maakte een +snelle beweging met den kroes onder de tafel, en vervolgde toen, +geveinsd lachende: "Doch indien gij denkt dat mijn geluk in den kroes +steekt, welnu hier is hij." + +"Ellendige! gij hebt valsch gespeeld!" riep Alonzo, eensklaps verwoed +opspringende, en zich dreigend vóór Van Rodenberg plaatsende: "Gij zijt +een eervergeten schurk, jonker Van Rodenberg!--Mijne heeren!" ging +hij overluid voort, de zaal rondziende: "duldt gij een edelman in uw +midden die tevens een valsche speler is?"' + +Van Rodenberg had een oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest +verloren, doch zich nu ontmaskerd ziende, begreep hij dat slechts +een koelbloedige bedaardheid hem kon redden: "Gij zijt mijn gast," +zeide hij, terwijl hij zich op de breede lippen beet: "Gij zijt een +vreemdeling in ons midden, en dus past het mij, u ongehinderd van +hier te laten gaan; doch, bij mijne eer, waart gij een Hollander, gij +zoudt niet ongestraft die grove blaam op mijn alom bekende eerlijkheid +geworpen hebben!" + +Al de aanwezigen hadden zich om de twistenden geschaard. Alonzo, door +drank en spel verhit, en bovendien met afkeer voor Van Rodenberg +vervuld, vergat zich zelven geheel, en door al die buitengewone +omstandigheden zijn anders zoo zachtmoedig en beminnelijk karakter +verloochenende, gaf hij den jonker een slag in het aangezicht, zoodat +deze achteruit tuimelde en bij een steenen kolom nederviel. Spoedig +echter sprong Van Rodenberg weder overeind; trok zijn degen, en zou +Alonzo ter neder hebben gestooten, zoo niet eenigen der aanwezigen +hem hadden tegengehouden. + +De jonge Spinola kwam tot zich zelven, en gevoelde nu eerst levendig +hoe ver zijn kwalijk geplaatst eergevoel hem had weten mee te +sleepen. Daar stond hij nu tegenover den nietswaardige, die, in +weerwil zijner schandelijke daad, zich nog beleedigd veinsde. + +"Uw geld zult gij hebben, lage gelukzoeker!" zeide Alonzo eindelijk: +"doch eenmaal zult gij rekenschap moeten afleggen van uw nietswaardig +bestaan." + +"Rekenschap! rekenschap! ja, die zult gij mij geven!" berstte Van +Rodenberg los, zich steeds verongelijkt veinzende, en wierp tegelijk +zijdelings een blik op iemand die, tot dusverre onopgemerkt achter +eene kolom had gezeten, en wiens kleine oogen van onder den breeden +rand van zijn grijzen hoed glurend rondstaarden. + +"Kies wapenen, vermetele Spanjaard, die een Hollandsch edelman durft +lasteren! Morgen zult gij de plaats vernemen waar wij een van beiden +ons leven zullen laten!" + +Niets kwam Alonzo verachtelijker voor dan een tweegevecht, en dat +nog wel met zulk een ellendeling; doch wat zou hij doen! Eéne schrede +gezet op het verkeerde pad, en men wordt van het eene kwaad tot het +andere gedreven. + +"Den degen!" zeide hij, Van Rodenbergs uitdaging aannemende, en +snel zijn mantel omwerpende, opende hij de deur, en verdween in de +gewelfde ruimte. + +Nog slechts weinige schreden was hij voortgegaan of hij bemerkte, +niettegenstaande de duisternis, dat hem iemand op den voet volgde. + +"Wie daar?" riep hij stilstaande. Tot bescheid gonsde hem een kogel +langs het oor, welke, slechts een duim juister aangehouden, zijne +hersenen zou verbrijzeld hebben. Alonzo, eenigszins ontsteld, trok zijn +degen, doch hoorde nu duidelijk de woorden, door een jonkman gesproken: +"Ziedaar ellendige sluipmoordenaar!" en tevens het nedervallen van +een lichaam.--"Zijt gij de graaf Spinola?" vroeg nogmaals dezelfde +stem. Alonzo antwoordde toestemmend: de jonkman trad hem nu op zijde, +en na met hem de lange gang te zijn doorgegaan, kwamen beiden weldra +in de open lucht. "Gij hebt mijn aanvaller gestraft. Ik dank u wakkere +knaap!" zeide Alonzo: "doch hoe kendet gij mij? en welk toeval bracht +u dáár in dien tempel des satans om mij te verdedigen?" + +"Ik heb eene boodschap aan u, edele heer!" zei de jongeling: "en daar +ik aan uwe woning vernam dat de jonker Van Rodenberg u genoodigd bad, +was ik zeker u in den Avondtempel te zullen vinden. Juist kwam ik van +pas om uw aanvaller met een duchtigen vuistslag ter aarde te werpen." + +"Gij hebt braaf gehandeld," hernam Alonzo: "Doch gij hadt eene +boodschap aan mij?" + +"Dit briefje moest ik u ter hand stellen," sprak de jonkman, die +niemand anders dan Maarten was: "Het komt van den Oldenburgh." + +Alonzo nam het briefje begeerig aan, en door Maarten op zijn verzoek +tot aan zijne woning vergezeld, stopte hij dezen eenig geld in de hand, +begaf zich vervolgens naar zijne kamer, en las de volgende woorden: + +"Waarschijnlijk zult gij u morgen met het gezantschap ten onzent +bevinden. Ik bid u, voor uwe en mijne rust, door geen het minste +teeken te verraden, dat gij mij genegen zijt." + +Deze regelen waren met de letters A. V. B. onderteekend. + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + +Het was in den morgen van den volgenden dag, dat eenige ruiters den +Bezuidenhoutschen weg opreden, en eindelijk de laan van het Nieuwe +Oosteinde insloegen.--De zon scheen vriendelijk; het landschap leverde +een prachtig schouwspel op; de takken der boomen waren allen met +rijp bedekt, en de reeds lang gevallen bladeren werden als het ware +vervangen door duizenden van flonkerende diamanten. De overstroomde +weilanden waren thans met een dichten ijsvloer bedekt, waaruit zich +de mede berijpte knotwilgen verhieven, die, aan hun voet met breede +ijskragen voorzien, door den helderen bodem waarop zij rustten, werden +teruggekaatst. De grond was hard bevroren; helder klonken de hoeven +der paarden; in dartele sprongen gaven zij mede door vurig brieschen +en snuiven aan dat vrije gevoel lucht, dat èn mensch èn dier op een +schoonen winterdag moet bezielen. De ruiters schenen werk te hebben +hunne rossen in den atap te houden; sommigen zelfs moesten al hun +rijkunst aanwenden om niet uit den zadel gelicht te worden, hetgeen +niet weinig schade aan hunne fraaie kleeding, waaraan de meeste zorg +was besteed, zou hebben toegebracht. + +Zij schenen in deze streken onbekend, want een klein schraal mannetje +te voet, in wien wij de figuur van Sebastianus Bril herkennen, +diende hun ten gids. Van daár dat de ruiters slechts stapvoets konden +voorttrekken, doch waardoor ook weder de gesprekken duidelijker gehoord +en geregelder konden gevoerd worden. Deze hadden in de Spaansche taal +plaats, welke wij echter, om verscheidene redenen, liever in de onze +willen mededeelen. + +"Ik vrees dat die moerasbewoners even onhandelbaar zullen zijn als +mijn paard," zeide Richardot, wiens ros telkens de voorpooten in +de lucht wierp, en slechts zeer moeielijk door teugel en spoor in +bedwang was te houden: "Zij zullen op de achterpooten gaan staan, +en ons wellicht uit den zadel werpen." + +"Zoo wij alleen met Maurits en zijne Zeeuwen te doen hadden, ja, +dan zou ik dit voorzeker gelooven," antwoordde de markgraaf Ambrosio +Spinola: "doch wij hebben wakkere bevorderaars van onze plannen. Die +Oldenbarneveld heeft den meesten invloed, zelfs op den Prins; hem +moeten wij vooral te vriend houden." + +"Wij spelen een vermakelijk spel," zeide Don Juan De Mancicidor, die +den sprekenden ter zijde was gereden: "Waarachtig! wij handelen over +een vrede, welken wij nimmer zullen sluiten, en eten met vrienden, +die onze vijanden zijn." + +"Dit is niets vreemds," hernam Spinola: "en was ook hier te berekenen; +doch zoo het al geen vrede zal zijn, bestand moet het toch worden." + +"Dit kan ik nog geenszins voor zeker houden," zeide Richardot: +"Waar vindt men stijver koppen en onbuigzamer gemoederen dan in dit +verwenschte kikkerland!" + +"Hunne kettersche gevoelens zullen zij nimmer verloochenen," merkte +Pater Jan Neijen aan, die in een gesprek met Verreijken was gewikkeld: +"Ik ken hun aard," vervolgde hij: "dewijl mijn vader, Maarten Neijen, +een Zeeuw van geboorte was. Vrijlating van onzen alleen zaligmakenden +godsdienst zullen zij nimmer toestaan." + +"Dit zal het laatste punt ter behandeling blijven," antwoordde de +toegesprokene. "Doch nog vóór dit, zullen er zich vele zwarigheden +opdoen." + +"De vrije vaart op de Indiën laten zij zich niet ontnemen," had +Spinola aan Richardot ten antwoord gegeven: "doch dit punt moet +met kracht worden volgehouden; er zullen wellicht hevige tooneelen +over plaats vinden; doch in weerwil dat de Gemachtigden den Staten +tot de handhaving van dit punt hebben aangespoord, begrijpen toch +verscheidenen, dat die handel, alleen bijzondere personen betreffende, +den door hen verlangden vrede niet behoort tegen te houden." + +"Op dat aambeeld moeten wij ten minste dapper slaan," zeide Richardot: +"De Fransche Gezant Jeannin zal tot ons plan medewerken." + +"Indien gij dezen weg vervolgt, mijne heeren!" riep nu eensklaps de +kleine gids, met een mengelmoes van Spaansche en Hollandsche woorden, +die zonderling waren dooreengewerkt, terwijl hij een zijweg aanwees: +"dan kunt gij onmogelijk dwalen: eerst hebt gij rechts een pachthoeve, +en vervolgens kan u de laan, die op het kasteel den Oldenburgh +uitloopt, niet ontgaan." + +"Dus kunnen wij onzen "Memento Mori" zijn afscheid, en onzen paarden +de sporen geven," zeide Spinola, terwijl hij Bril eenig geld toewierp, +hetwelk deze met een tevreden: "Dank mijne heeren!" opraapte, waarna +hij zich al groetend stadwaarts wendde, met het vaste voornemen, +om dien dag bij niemand anders door te brengen, dan bij Gerrit Aal +in den Wijnstok. + +De kleppers, nu den vrijen teugel gelaten, renden moedig voorwaarts, en +weldra verkondigde hun hoefgetrappel den bewoners van den Oldenburgh, +de aankomst der Spaansche gasten. + +De graaf Van Bergen, als vertrouwde vriend van Maurits, had het zich +tot een plicht gerekend, den man aan zijn disch te noodigen, dien +hij, evenals zijn Prins, om zijne dapperheid en waarde als veldheer +hoogschatte. Noodwendig moesten de overige gezanten hem vergezellen, +en vorderde de wellevendheid mede, dat de afgevaardigden van andere +vorsten en natiën insgelijks aan zijne tafel genoodigd werden. Prins +Maurits, de voornaamste beambten, benevens des graven vrienden en +bekenden met hunne vrouwen en dochters, zouden nog bovendien aanwezig +zijn, en geenszins was het dus te verwonderen, dat er reeds een paar +dagen lang de grootste drukte op den Oldenburgh geheerscht had. Bij +zulke gelegenheden was de graaf er bijzonder op gesteld dat niets zou +ontbreken. Met de grootste nauwgezetheid had hij zijne bevelen gegeven, +en zelfs die schotels, welke hij meende noodzakelijk te zijn, doch +welker bestanddeelen op zijn kasteel niet voorhanden waren, uit Den +Haag doen ontbieden. De groote of ridderzaal was smaakvol versierd, +de lange tafel stond aangerecht, en het opdragen der spijzen wachtte +slechts totdat de gasten, die zich nu voltallig in eene belendende +zaal bevonden, zouden gezeten zijn. + +Wij zullen niet breedvoerig gewagen van het middagmaal dat weldra +gehouden werd, niet de plaatsen aanwijzen waar elk der gasten gezeten +was, niet de verschillende gerechten opsommen die bestemd waren +om hun smaak te streelen, en evenmin de tafelgesprekken mededeelen +die, in het algemeen, vrij zouteloos konden genoemd worden. Alleen +beschouwen wij den graaf, op wiens gelaat dezelfde, zoo niet nog +somberder stemming te lezen stond, dan waarin wij hem reeds eenmaal op +zijn kasteel ontmoet hebben. Was dat gefronste voorhoofd een teeken +dat hij zich gramstorig gevoelde, dewijl niet al zijne bevelen met +de gewenschte stiptheid waren ten uitvoer gebracht? Lag er in den +minder vriendelijken blik waarmede hij Adelgonde aanzag, voor haar +misschien een klein verwijt dat zij niet al het hare had gedaan, +om luister aan dit gastmaal bij te zetten, of was het wellicht eene +zelf beschuldiging dat hij de mannen aan zijn disch had genoodigd, +die hij steeds als vijanden zou blijven beschouwen, dewijl zij het +Vaderland reeds sedert veertig jaren hadden geteisterd, en het steeds +met wraakgierige oogen zouden aanzien dat Luthers leer, de heerschende +dwaalbegrippen uit deze streken verbannende, voor helderder denkbeelden +had doen zegevieren? Noch het een, noch het ander kon zulk een ernstige +stemming teweegbrengen. Alles was in de ruimste mate aanwezig en met +de meeste zorg toebereid, en zelfs de laatste vooronderstelling werd +van allen grond ontbloot, wanneer men zag hoe hij, met zijne altijd +oprechte hartelijkheid, zijn beker tegen dien van Spinola stiet. Van +Bergen zag in zijn edelen gast, niet den Spanjaard, maar den veldheer, +den beroemdsten van zijn tijd. + +Eén was er slechts te midden dier aanzittenden, die zich zeer goed dien +somberen blik kon verklaren, die inwendig juichte over het welslagen +zijner poging, en een heimelijk genoegen schepte in het misnoegen +des graven, hetwelk, zoo het door de andere gasten ware opgemerkt, +hun voorzeker tot leedwezen zou verstrekt hebben. + +Adelgonde, wier treffend lelieblank gelaat aller oogen tot zich trok, +was naast den jonker Van Rodenberg gezeten, en schoon zij des jonkers +laffe aardigheden slechts luttel beantwoordde, meenden toch velen +dat deze jongelieden wel mettertijd een paar zouden worden. + +Doch hoe moest niet Alonzo te moede zijn, die insgelijks met het +gezantschap was medegekomen, en thans schuins tegenover de freule Van +Bergen en den, in zijne oogen, nietswaardigen Van Rodenberg gezeten +was? Voor de eene brandde hij van vurige liefde, welke hij echter, op +haar eigen verzoek, moest verbergen zonder de reden wáárom te weten, +en voor den ander blaakte hij van gramschap, en moest niettemin, +met schier ongeloofelijke inspanning, zijne bedaardheid bewaren, om +aan te zien hoe die ellendeling haar met zijne zoutelooze gesprekken +zocht bezig te houden. + +Nog dienzelfden avond was hij gehouden zich met Van Rodenberg te meten; +des morgens reeds vroegtijdig had hij een briefje ontvangen, waarin +de jonker hem had gemeld dat zij beiden zich op het kasteel van Van +Bergen zouden bevinden, en bij het naar huis rijden, aan het einde der +laan van het Nieuwe Oosteinde rechts moesten inslaan om elkander bij +den kruisweg, het Steenen kruis genaamd, met den degen te ontmoeten. + +Daar zag hij die twee naast elkander van welke hij de eene met zijn +leven tegen elken aanval zou willen verdedigen, terwijl de ander, +in zijn oog, niets anders dan den dood verdiende, dewijl hij een +blaam op hare afkomst geworpen had, en thans, in weerwil daarvan, +zich aanstelde alsof hij werkelijk haar uitverkoren ridder was. + +Van Rodenberg gevoelde insgelijks zeer wel wát er in het binnenste +van Alonzo omging, doch toen hij bemerkte dat de Spaansche jongeling +hem van ter zijde gadesloeg, zette hij zijn gruwelijk spel des te +wreedaardiger voort. + +En Adelgonde, wel verre van behagen te scheppen in de woorden des +jonkers, zag somwijlen met weemoed naar den schoonen Alonzo; zij maakte +vergelijkingen tusschen zijn edel gelaat en dat des jonkers, waar de +laagste hartstochten zoo duidelijk op te lezen stonden. Ook zij deed +zich geweld aan, ook zij had een hevigen strijd in haar binnenste te +voeren, en de eenige troost, dien de minnenden elkander geven konden, +was de uitdrukking van hun gemoedsbestaan op hunne gelaatstrekken, +hetgeen, hoewel voor anderen onopgemerkt blijvende, door de sympathie +hunner zielen duidelijk begrepen werd. + +"Maar om 's hemels wil, dierbare jonkvrouw!" zeide Alonzo, toen het +middagmaal was ten einde geloopen, en hij, opgestaan, onbespied eenige +woorden met Adelgonde kon wisselen: "wie toch heeft mij veroordeeld +in uwe nabijheid te zijn, zonder u te mogen toespreken, zonder u +te mogen zeggen wat ik mij zelven zoo dikwerf herhaal,--dat ik u +bemin? O verklaar mij dat raadsel, wat heb ik misdreven? Ik hoopte +op uw liefde. Gij zelve hebt mij die hoop geschonken. O, ontneem ze +mij niet langer. Zeg mij één woord! Wie weet of dit niet het laatste +zal zijn ...!"' doch eensklaps hield hij op; greep Adelgondes hand +en vervolgde; "Maar neen, dat zal het niet. Ik zal hem straffen, hem, +die u...." doch weder zweeg hij stil. Zou hij onkiesch genoeg zijn om +dat reine schepsel de blaam te ontdekken, welke slechts de valschheid +op hare afkomst kon geworpen hebben? Neen, spoedig veranderde hij +van toon en vervolgde zacht smeekend: "Ik bid u! schenk mij in dezen +stond het antwoord op de vraag: "Kunt gij mij waarlijk beminnen?" + +Adelgonde ontwaarde dat sommigen der aanwezenden hen konden bespieden; +zij moest een antwoord geven. Snel trok zij hare hand terug en +fluisterde zacht: "Alonzo, ik bemin u!" Dadelijk verwijderde zij zich, +en liet den jongeling in de zaligste verrukking achter. + + + +Het was vrij donker toen de gasten van den Oldenburgh huiswaarts +keerden, en ook de Spaansche gezanten hadden, na den gastheer hun dank +te hebben betuigd, den terugtocht aangenomen. Alonzo reed achteraan, +en het werd door de overigen niet opgemerkt dat hij, zijn paard +gedurig inhoudende, hoe langer hoe meer achterbleef. + +Aan het einde der laan gekomen, waren zijne gezellen hem omstreeks +honderd schreden vooruit, en toen zij links den weg naar 's-Hage +insloegen, reed hij in de tegenovergestelde richting, op het bepaalde +Steenen kruis aan. + +De jonge Alonzo, hoewel geenszins bevreesd voor de ophanden +zijnde ontmoeting, was echter zonderling te moede. Deze dag zou +mogelijk de laatste zijn welken hij beleefd had. Meermalen was hij +met onverschrokken moed het vijandelijke vuur tegemoet getrokken; +meermalen reeds had hij, op last van zijn vorst, aan de zijde zijns +dapperen vaders, den vijand bestreden; maar nimmer nog was hij in +een donkeren nacht uitgetogen, om zich met een vijand te meten, die +bovendien nog de laagste was, dien hij ooit te voren gekend had. De +werken der duisternis verafschuwende, en ijzende op het denkbeeld, een +mensch, wie het dan ook wezen mocht, zonder getuigen te vermoorden, +dit alles deed hem schier tot den terugtocht besluiten. Doch wat +zou hem dan te wachten staan? aan welke bespottingen zou hij zich +dan prijs geven? zou men hem dan met met den naam van lafhartige +bestempelen? Hij kon niet anders. Hij moest voorwaarts! En zoo zijn +laatste ure dan eens spoedig had geslagen; indien hij het slachtoffer +moest worden van een billijke zaak, wat zou zijn leven dan geweest +zijn! Hoe treurig zouden dan al zijne verwachtingen ten eenenmale den +bodem zijn ingeslagen. Zijn dierbaar vaderland, het schoone Spanje, +het land zijner vaderen, het nog schoonere Italië, zou hij nimmer +wederzien. Zijn vader zou hem tevergeefs onder de levenden zoeken; +hij zou niet op het veld van eer zijn gestorven, en nimmer zou hij +de zachte woorden: "Alonzo, ik bemin u!" meer hooren. Hij staarde in +de duisternis, maar nergens ontwaarde hij eenig licht. + +Plotseling echter werden zijne overpeinzingen afgebroken door een +zijsprong en het hevig steigeren van zijn klepper, die tot dusverre +een geregelden stap had gehouden. Alonzo, daarop weinig voorbereid, was +bijna uit den zadel gelicht, doch bedwong het verschrikte dier spoedig, +en nu naar de oorzaak daarvan zoekende, meende hij iets te ontwaren, +dat echter spoedig achter de dichte hoewel dorre struiken verdween. + +"Wie daar?" riep hij met krachtige stem, doch slechts een nauwelijks +hoorbaar geritsel in de dorre bladeren was het bescheid op deze vraag. + +--Het zal wellicht eenig azend gedierte zijn waarvoor mijn schimmel +zich bevreesd maakte, dacht Alonzo, en het beest nu de sporen in de +lenden drukkende, galoppeerde hij over den breeden zandweg, gedurig +uitziende naar den zijweg waar zich het Steenen kruis bevinden moest. + +Doch zonderling kwam het hem voor, dat telkens wanneer er zich aan zijn +rechterzijde eene opening in het kreupelhout bevond, een zwarte schim +met dezelfde snelheid als zijn ros daar voorbijging. Zijne schaduw +kon het onmogelijk wezen, want daarvoor was de schim te zwart en het +licht van slechts weinige, door een benevelde sneeuwlucht heendringende +sterren te zwak. Weder hield hij zijn paard in, doch bij een volgende +opening ophoudende, ten einde te weten wat het eigenlijk was, ontdekte +hij niets. + +--Ben ik dan waarachtig een kind of een jonge vrouw! sprak hij +eenigszins verstoord tot zich zelven: dat het bewegen van een blad, +of de verbeelding van eene schim te zien, mij vrees zou aanjagen, +of ten minste opmerkzaam maken.--"Ik ben Alonzo Spinola!" riep +hij eenigszins luid, doch steeds bij zich zelven sprekende, en +zocht door deze gedachte alle banden te verbreken, die hem nog aan +de bijgeloovigheid konden gekluisterd houden. Doch hoor, was dat +grinnikend lachen, hetwelk hij na dien laatsten uitroep vernam, ook +een spel zijner opgewekte verbeelding? Hadden zijne ooren hem dan ook +nú bedrogen? Weder hield hij zijn paard plotseling stil en luisterde +zeer aandachtig; doch--niet het minste geluid trof nu zijne ooren. + +Men duide het Alonzo niet ten kwade, en beschuldige hem niet van +kleinmoedigheid, dat hij, weder voortrijdende, zijn pistool uit den +holster trok en de oogen steeds naar de rechterzijde gewend hield, +want wie toch zou niet, evenals hij te moede zijn, in het nachtelijk +duister, op zulk een eenzamen weg, met zulk een doel voor oogen, +en, hetzij dan door de verbeelding of wel in de werkelijkheid, aan +dergelijke raadselachtige verschijningen overgegeven. + +Nog slechts weinige seconden had hij, alzoo gewapend, voortgereden, +of hij bemerkte aan de plaats zijner bestemming te zijn gekomen. Van +Rodenberg was nog niet aanwezig; en, van zijn paard stappende, +bond Alonzo het met den teugel aan den tak van een boom, die op den +hoek van den weg stond. Het was vrij koud en de Noordoostenwind begon +eenigermate op te steken; hij sloeg den mantel dichter om zijne leden, +en plaatste zich met den rug tegen zijn schimmel, zoodat deze hem +eenigszins tegen de koude beschutte. Zoo had hij nauwelijks eenige +oogenblikken gestaan, toen een schaterend lachen opnieuw zijne +ooren trof. + +"Gij zijt Alonzo Spinola!" riep eene stem, die den lach opvolgde, +welke Alonzo door merg en been had gedrongen; "Zie hier dan--de groete +van Van Rodenberg!" en in hetzelfde oogenblik brandde er eene pistool +los, welk schot Alonzo den hoed van het hoofd nam. Hoewel wreedaardig +verrast, verloor hij echter zijne tegenwoordigheid van geest niet; +maar met bliksemsnelheid op de plaats toeschietende, vanwaar hij het +vuurgeven had aanschouwd, zag hij er iemand staan, dien hij, zonder een +woord te spreken, door een forschen stoot op de borst, achterover in +een sloot wierp. De ijskorst, die deze sloot overdekte, tegen zulk een +zwaarte niet bestand zijnde, brak, en de gestrafde booswicht met het +bovenlijf door het ijs zakkende, ging in water en slijk een gewissen +dood te gemoet. Alonzo deed nog alle moeite om den sluipmoordenaar te +redden; maar tevergeefs stelde hij al zijne krachten in het werk. Na +vele ijdele pogingen gaf hij dezen treurigen arbeid op, en dewijl +de verslagene toch geen teeken van leven meer gaf, spoedde hij zich, +verkleumd van koude, naar zijn schimmel. Toen hij echter aan de plaats +was gekomen waar hij het beest had vastgebonden, ontdekte hij er geen +spoor meer van. Zeker had het dier, door het schieten verschrikt, +zich losgerukt en was het den weg stadwaarts ingeslagen. Daar stond +hij nu alleen op deze akelige plaats. Niets zag of hoorde hij dan +het fluiten van den guren wind. Vier wegen liepen hier ineen, en door +het akelige tooneel dat er had plaats gegrepen, was hij geheel in het +onzekere, welke dier vier wegen naar Den Haag voerde. Zijn paard, op +welks instinct hij zich veilig had kunnen verlaten, was hem ontvlucht; +niets bleef hem dus over dan op goed geluk een dier wegen te kiezen. + +Vruchteloos zocht hij eenige oogenblikken naar zijn hoed, doch toen hij +dien nergens ontwaarde, hing hij den mantel over het hoofd en sloeg den +weg in, welke hem het meest waarschijnlijk de rechte scheen te wezen. + +Alonzo, alzoo voortstappende, verloor zich in gissingen aangaande +den persoon, door wien hij op zulk eene schelmachtige wijze was +aangevallen. Zou het Van Rodenberg zelf zijn geweest, of slechts +een dienaar zijner ongerechtigheid? Hij wist het niet; doch dankte +den hemel, die hem nu reeds twee malen zoo duidelijk beschermd en +bewaard had. + +Verder komende, bemerkte hij hoe langer hoe duidelijker, dat hij een +verkeerden weg was ingeslagen; doch wat te doen? Zou hij terugkeeren, +om, op den kruisweg gekomen, wellicht nogmaals een verkeerden weg +te kiezen? Hij vond het geraden voort te gaan, en hoopte weldra eene +woning te vinden, waar hij tegen een ruime belooning, verwarming en +nachtverblijf zou kunnen bekomen. Weinige minuten slechts had hij +doorgeloopen, of hij werd aangenaam verrast door te ontwaren, dat hij +een kasteel of landhuis naderde. Weldra bevond hij zich werkelijk in +deszelfs nabijheid, doch zag nu een groote opgehaalde brug voor zich, +die hem den toegang belette. + +Hier echter kwam hem de winter te stade, en de natuur, der menschen +voorzorg bespottende, liet hem den vrijen toegang. Langzaam gleed hij +langs de steile helling der gracht naar beneden; wel kraakte het ijs +onder zijn lichten tred, doch in weinige vlugge stappen kwam Alonzo +behouden aan de overzijde. Met moeite kroop hij weder tegen de gladde +helling op; maar--vrij wat moeielijker zou het zijn om nu de zware +eikenhouten poort te openen, die van buiten met ijzer was beslagen +en van binnen voorzeker niet minder doelmatig zou voorzien zijn. + +Verscheiden malen deed hij van een: "Doe open!" de lucht weergalmen; +doch niemand scheen bereid aan zijn billijk verzoek te voldoen, +hetgeen hem echter niet afschrikte, maar aanwakkerde om des te harder +te roepen, terwijl hij bovendien zijne stem van duchtige slagen op de +zware poort deed vergezeld gaan. Een kwartier uurs mocht hij reeds +tevergeefs alle middelen in het werk hebben gesteld, en begon hij +de hoop op te geven van binnengelaten te zullen worden, toen hij van +binnen ijzeren boomen hoorde wegschuiven, en een slot omdraaien. + +"Wie daar?" riep eene stem door de geopende reet der poort; on Alonzo, +geen reden hebbende om zijn naam te verzwijgen, antwoordde schielijk, +in de hoop spoedig zijn doel te bereiken: "Ik ben Alonzo Spinola, zoon +van den markgraaf Ambrosio, behoorende tot het Spaansche gezantschap +in Den Haag. Op een rit ben ik verdwaald geraakt, en verzoek thans +zeer vriendelijk den eigenaar van dit kasteel, mij slechts voor een +nacht te willen huisvesten." + +"Zijt gij alleen?" vroeg de stem van binnen. + +"Geheel alleen!" was Alonzo's antwoord: "zelfs mijn paard heb ik +door een samenloop van omstandigheden verloren." De deur werd nu +van binnen weder gegrendeld en geboomd, en daar het scheen dat de +onderzoeker zich verwijderde, bleef Alonzo nog steeds aan de koude +gure nachtlucht prijsgegeven. + +Na opnieuw meer dan tien minuten te hebben gewacht, gedurende welken +tijd Alonzo, als een schildwacht hard stappende, had op- en neder +gegaan, weken de grendels voor goed, en noodigde hem de portier, +in naam zijner meesteres, binnen te treden onder voorwaarde echter +dat hij zijn degen zou afleggen. Als edelman nooit gewoon zich er +van te ontdoen, veel minder nog zich te laten ontwapenen, aarzelde +Alonzo eerst en maakte hiertegen eenige bedenkingen; doch de portier +had uitdrukkelijken last, en verklaarde, dat men in deze tijden, +ondanks den opgegeven naam, de voorzichtigheid niet uit het oog +mocht verliezen, en dat dus den vreemdeling geene herbergzaamheid +kon verleend worden zoo hij niet aan dezen eisch wilde gehoor geven. + +Alonzo moest van twee kwaden het minste kiezen. Het verschil tusschen +den kouden nacht daar buiten, zonder behoorlijke dekking in een +onbekende streek, en den koesterenden haard, een verkwikkende teug, +benevens een rustig nachtleger daar binnen, deed hem spoedig tot de +overgave van zijn sierlijk wapen besluiten. Nadat dit geschied en de +zware poort weder gesloten was, geleidde de portier den van koude +rillenden Alonzo over een ruime plaats en daarna eenige trappen +op; ontsloot weder eene deur, en, na met hem een klein portaal +te zijn binnengetreden, verzocht hij hem daar eenige oogenblikken +te wachten. Het duurde echter niet lang of de man kwam terug, en +den jongen Spinola weinige schreden vooruitgaande, opende hij hem +nogmaals eene deur, en nu trad Alonzo eindelijk een ruim en wél +verwarmd vertrek binnen, in welks midden twee personen gezeten waren. + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + +De graaf Van Bergen bracht den nacht na het door hem gegeven +gastmaal hoogst onrustig door. Geenszins was dit veroorzaakt door een +overmatig gebruik der voortreffelijke spijzen of kostelijke wijnen +die zijne tafel hadden bedekt; want Van Bergen had een afkeer van alle +onmatigheid, en zag steeds met minachting neder op hen, die: "van hun +buik," zooals zijn Verlosser gezegd had: "hun afgod maakten."--Het +waren zielskwellingen die wreedaardig den slaap uit zijne oogen +verbanden. Het was een pijnlijk opzien tegen den volgenden morgen, +een pijnlijk opzien tegen het ten uitvoer brengen van zijn genomen +besluit, en toch, toch kon en mocht hij niet anders handelen. + +Het was nog niet volkomen dag geworden toen Van Bergen reeds van zijn +legerstede sprong, en, na zich in een morgengewaad te hebben gestoken, +het raam openstiet. + +Wel waren de in lood gevatte vensterglazen met sierlijke +Februari-bloemen beschilderd; wel was het een koude wind die hem van +buiten tegenwoei, doch deze was hem als een zachte zefir, die zijn +gloeiende wangen aangenaam verfrischte. + +"God! wat zijt Gij groot en wat is Uwe schepping schoon!" riep de +graaf in verrukking uit, terwijl hij aan den oostelijken gezichteinder +de zon uit de kimmen zag verrijzen. "Ja, groot en goedertieren waart +Gij, o God! toen op uw machtig woord: "Daar zij licht!" de prachtige +hemelbol voor het eerst haar glans over dit aardrijk verspreidde. Groot +en goedertieren waart Gij toen reeds, o Hemelsche Vader! en toch zou +Uw zon slechts rechtvaardigen beschijnen, slechts zou zij licht en +warmte geven aan den mensch, die naar Uw beeld was geschapen. Doch, +waart Gij toen reeds een goedertieren en zorgend Vader, hoeveel te meer +zijt Gij het thans, nu Gij Uw zon laat opgaan over boozen en goeden, +nu Gij zegen schenkt aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen....--Ja, +genadig God! Gij zegent ook onrechtvaardigen!--Aan Uw gevallen zondig +schepsel hebt Gij een Heiland, een Zaligmaker, Uw eeniggeboren +Zoon geschonken, opdat een iegelijk in Hem zou gelooven, opdat +niemand zou verloren gaan, maar door Zijn schuldeloos vergoten +bloed eeuwig zalig zou worden.--O, dank daarvoor, oneindig groot +en barmhartig Opperwezen!" ging Van Bergen voort, terwijl hij zijne +handen samenvouwde en den blik dankbaar naar den hemel richtte: "Maar +dank, driewerf dank bovenal, dat Gij, door een Luther te verwekken, +ons hebt bewaard om weder van die reine leer afvallig te worden, +dat Gij ons door dien grooten hervormer van bij- en ongeloof hebt +willen losmaken, dat Gij ons door hem de woorden van Christus, tot +zijn volgelingen gesproken, hebt willen terugschenken, zoodat wij Hem +nader leeren kennen en U in Hem. Gij hebt het gezien, o God! wij hebben +ons leven voor des Zaligmakers reine Evangeliewoord veil gehad. O, +geef dat geen lauwheid voor dat heilige vuur, 't welk ons bezield +heeft, in de plaats trede; dat wij niet inslapen, en onze vijanden +gedurende dien slaap, ons datgene weder komen ontnemen, wat slechts +alleen in staat is aan onze zielen rust, en aan ons land geluk te +schenken, maar geef ons tevens, o Hemelsche Vader! dat wij onze +vijanden, hoewel bestraffende en hunne leer verwerpende, niettemin, +naar Christus voorbeeld, trachten lief te hebben en te vergeven, +gelijk wij steeds van U, liefde en vergeving noodig hebben." + +Van Bergen deed, na dit oprecht en geloovig gebed, het vensterraam +weder dicht; nam Luthers bijbelvertaling ter hand, en las daarin hoe +Christus den lijdenskelk geenszins van de hand gewezen, maar gewillig +geledigd had.--Naar dit voorbeeld zal ik handelen, dacht Van Bergen, +toen hij het boek weder dicht sloeg: met moed zal ik de moeielijke +taak vervullen, dewijl mijn plicht het vordert. + +Hij floot op zijn zilveren fluitje, en weldra trad zijn oude dienaar +Burgman binnen. + +"Goeden morgen uwe genade!" zeide deze: "dat heet ik vroeg opstaan. Om +halfacht al uit de veeren, zonder dat er iets te doen is. De jacht +is gesloten en de vijand is uit het veld." + +"Burgman, ik wenschte hier wat vuur aan den haard te hebben," zeide Van +Bergen, niet willens de opmerkingen van zijn dienaar te beantwoorden: +"Het ontbijt moet ook hier worden gebracht, en gij zult de freule +doen weten, dat ik haar, zoodra zij gekleed zal zijn, op mijne kamer +wensch te spreken." + +"Zeer wel uwe genade!" antwoordde Burgman, en ging deze bevelen ten +uitvoer brengen, niet begrijpende wat de oorzaak mocht wezen dat zijn +heer, die anders altijd een praatje voor hem veil had, dezen morgen +zoo stug en afgetrokken was. + +Weldra knapte het vuur aan den haard en stond het ontbijt op de +vierkante, met bruin leder bekleede tafel, en niet lang daarna trad +Adelgonde het slaapvertrek van haar vader binnen. + +"Hebt gij wel geslapen, lieve vader?" vroeg zij, terwijl zij den +graaf een hartelijken zoen gaf: "Ik heb mij gehaast aan uw verzoek +te voldoen; gij hadt mij, geloof ik, iets te zeggen, nietwaar?" en +tevens sloeg zij, licht blozende, hare oogen naar den grond. + +"Ja lieve Gonne," antwoordde Van Bergen langzaam, haar met meewarigen +blik beschouwende: "ja, ik heb u vele en belangrijke zaken mede te +deelen. Zet u hier nevens mij, en wil bedaard zijn zoo ik u over +zaken spreek die ik niet langer voor u verbergen mag, zoo ik snaren +aanroer die u pijnlijk zullen zijn, en die u wellicht wonden zullen +slaan. Mijn plicht gebiedt mij te spreken, en u te openbaren wat +ik tot dusverre voor u verborgen hield, maar tevens om u met mijne +raadgevingen naar vermogen te ondersteunen." + +"Goede hemel! gij doet mij ontstellen, liefste vader!" zeide Adelgonde, +die wel gissingen maakte, maar niet kon vermoeden wat zij zou vernemen: +"Uw gelaat staat zoo droevig, zoo ernstig; altijd hadt gij mij lief, +altijd zijt gij mij bijna meer dan een vader geweest, en thans, +in dit vroege morgen uur, ontbiedt gij mij om mij diepe wonden te +slaan....? Lieve vader, wat heb ik misdreven? Waaraan heb ik mij +schuldig, waardoor mij uwer onwaardig gemaakt? O, zeg het mij met +één woord, en ik zal u vergiffenis vragen en alles weder goedmaken." + +"Tot dusverre hebt gij niets misdreven, liefste Gonne!" hervatte +Van Bergen, die zich geweld moest doen om het aangevangen gesprek +te vervolgen: "Gij zijt mij boven alles dierbaar; niets beoog ik +dan uw geluk alleen, en daarom bid ik u, wil mij bedaard en kalm +aanhooren." Toen nam hij haar kleine hand een oogenblik in de zijne, +en vervolgde, haar liefderijk aanziende, aldus: "Achttien jaren reeds +mag ik u mijn lieve dochter noemen; achttien jaren heb ik u als mijn +oogappel liefgehad, voor u gezorgd, gewaakt en gebeden. Welk geluk +zou grooter voor mij kunnen zijn, dan u verder in dit aardsche, en +ook in het toekomende leven gelukkig te zien! Tot dusverre heb ik u +niet willen afstaan; de vele aanzoeken om uwe hand heb ik afgewezen; +ik had daarvoor vele redenen, welke ik u later zal ontvouwen. Maar +thans is het oogenblik gekomen waarin ik u een huwelijk heb voor +te slaan. Ik mag u niet langer aan uw bestemming onttrekken, om +zelfzuchtig u voor mij alleen te behouden. Een jong edelman biedt +u zijn hart en zijn naam aan; hij wil u beminnen en een alleszins +waardig echtgenoot voor u zijn." + +Adelgonde werd bij deze laatste woorden doodsbleek, zij bevroedde reeds +wie haar als echtgenoot zou worden voorgesteld. Zij huiverde op dat +denkbeeld, en de vraag: "Hoe is zijn naam?" bestierf haar op de lippen. + +"Ruim drie en twintig jaren geleden," ging Van Bergen voort; +"stond ik aan het sterfbed van mijn krijgsmakker, den baron Van +Rodenberg. Wij hadden lief en leed te zamen gedeeld, en eenmaal zelfs +had hij mij het leven gered. Een hevige koorts, door een zware wond +veroorzaakt, verhaastte zijn dood; in zijn laatste oogenblikken +stond ik bij hem, hij sprak niet meer; weinige seconden echter +voor hij den adem uitblies, stamelde hij nog met bevende lippen den +naam van Walter.... En nu, die Walter, de zoon van mijn getrouwen +strijdgezel, heeft uwe hand gevraagd. Wat dunkt u Gonne, van den naam +Van Rodenberg?" + +Een luid snikken was het eenige antwoord, dat het lieve meisje gaf. + +De graaf fronste de wenkbrauwen, zag haar vorschend aan, en ging +toen voort: "Zou het dan werkelijk waar zijn wat mij is ter oore +gekomen? Zoudt gij inderdaad uw liefde reeds hebben weggeschonken? Zou +het dan toch waar zijn dat gij een zondige neiging koestert, en een +Spanjaard bemint? Ben ik wel onderricht Adelgonde? Is het waarheid +wat ik hoorde maar niet kon gelooven? Wilt gij met den vijand +heulen!? Zoudt gij de gade willen worden van een man, die uw geloof +verkettert en onze reine leer beschimpt en versmaadt? O, als dat zoo +ware, zou ik wenschen u nimmer te hebben gekend! Goddank! dat ik nog +tijdig u kan waarschuwen tegen den verderfelijk en strik, dien gij +u zelven zoudt gespannen hebben. Bid om kracht Adelgonde! ten einde +een hartstocht te bestrijden, die Gode onteerend en uwer onwaardig is." + +Nadat Van Bergen deze woorden gesproken had, ontstond er een kleine +pauze, welke slechts door een pijnlijk snikken van Adelgonde werd +afgebroken. Zij had zulk een plotselinge ontknooping van hare +liefelijke droomen en teedere wenschen niet kunnen vermoeden. Wel +had zij in de laatste dagen aan het minder vriendelijke gelaat van +haar vader meenen te bespeuren dat hem iets in haar mishaagde, doch +zij was huiverig geweest om dat minder vriendelijke voorkomen aan de +ware oorzaak toe te schrijven, immers zij had het geraden gevonden, +om vooralsnog hare liefde zoowel voor hem als voor de wereld geheim +te houden, maar nu, geenszins had zij gedacht dat haar in plaats van +dien edelen Spanjaard, een man ten huwelijk zou worden aangeboden, +dien zij reeds bij een oppervlakkige beschouwing moest minachten. + +Adelgonde droogde eindelijk hare tranen af, en zeide met eene +nauwelijks hoorbare stem, terwijl zij den graaf met hare hemelsche, +doch thans natbekretene oogen aanzag: "Is het dan zonde lieve vader, +een vijand te beminnen? Heeft Christus ons niet geleerd zelfs zijne +vijanden lief te hebben? Kan het mij ten kwade geduid worden dat ik +een hemelsbreed onderscheid maak, tusschen den edelen Spinola en den +terugstootenden jonker Van Rodenberg. O, zie ze beiden, en veroordeel +mij niet." + +Van Bergen scheen in strijd met zich zelven. Zou hij spreken, zou hij +op den ingeslagen weg voortgaan, en het lieve meisje verder geheel ter +neder slaan? Of zou hij dit onderhoud staken, en nogmaals nauwkeurig +wikken en wegen hetgeen hij haar te zeggen had? Doch neen, waarom +thans verzwegen, 't geen hij haar toch eenmaal moest openbaren. Zijn +medelijdend hart spoorde hem wel tot zwijgen aan, doch zijn verstand +gebood hem te spreken. + +"En zoo het voor uwe eer," ging Van Bergen voort: "voor uwe en mijne +rust eens beter, ja zelfs noodig ware, dat gij uwe wenschen liet varen, +en Van Rodenberg zocht te beminnen....?" + +"Voor uw geluk, voor uwe rust!" viel Adelgonde hem snel in de rede: +"dierbare vader, daarvoor, ja daarvoor zou ik mijn leven gaarne veil +hebben, maar spreek, bid ik u, zeg mij, hoe is het mogelijk dat een +toestemmen in dit aanzoek, waarvoor ik terugdeins, ú gelukkig zou +kunnen maken en tevens voor mijne eer zou noodig zijn?" + +"Luister dan, goede Gonne!" hernam Van Bergen, terwijl hij de oogleden +op elkander drukte om een opwellenden traan te verbergen: "Luister +aandachtig, ik zal u een deel mijner treurige levensgeschiedenis +mededeelen.--Twee jaren na den dood van mijn vader, nu omstreeks zes +en twintig jaren geleden, leerde ik een jonge schoone kennen. Haar +blik had een diepen indruk op mij gemaakt, en dewijl mij niets in +den weg stond, besloot ik Clarisse Aduaar tot gade te nemen. Weldra +vroeg ik haar ten huwelijk en het duurde geen zes maanden of wij +waren echtgenooten. De reinste en teederste liefde heerschte er +steeds tusschen ons. Wij leefden voor elkander, en deelden samen des +huwelijks lief en leed...." Van Bergen hield eenige oogenblikken stil +en staarde strak voor zich neder. + +"Ga voort lieve vader!" zei Adelgonde: "Gij hebt mij nog nooit van +mijne moeder gesproken. O verhaal mij iets van haar, die ik nooit +heb mogen kennen." + +Van Bergen zag haar met een medelijdenden blik aan, en vervolgde: "Drie +jaren hadden wij reeds in liefde met elkander geleefd en tevergeefs +om een pand onzer huwelijkstrouw gebeden, toen ons gebed eindelijk +werd verhoord, en mijne dierbare Clarissa mij hare hoop openbaarde, +van moeder te zullen worden. Onze vreugde was groot, en de tijd harer +bevalling naderde. Doch helaas! de Hemel had niet besloten ons geluk +te volmaken. Mijne tegenwoordigheid werd in het leger vereischt; ik +kon mijne hulp aan het vaderland, zelfs in deze voor mij zoo zorgvolle +oogenblikken, niet weigeren. Ik moest mij tot den kamp gereed maken, +en mijn beminde vrouw in den bangen stond, die weldra zou aanbreken, +aan zich zelve overlaten. Na eene afwezigheid van drie treurige weken +keerde ik op den Oldenburgh terug. De luiken waren gesloten. Sidderend +vroeg ik aan den eersten bediende dien ik ontmoette, wat er was +voorgevallen. Mevrouw is veel beter, antwoordde hij. Zij leeft! riep ik +vol blijdschap en liep naar haar slaapvertrek. Clarisse lag, hoewel +doodsbleek en zwak, gespaard in haar ledikant. Dankbaar drukte ik +een kus op haar voorhoofd, en vroeg zacht: En ons kind? Zij sloeg +een treurigen blik hemelwaarts, maar antwoordde niet.--Waar is mijn +kind? vroeg ik aan de verzorgster mijner vrouw, die mede in het vertrek +was. Deze schudde het hoofd en wenkte mij haar te volgen. Is mijn kind +dood? vroeg ik weder toen de vrouw mij de blauwe kamer binnenvoerde, +die met rouwfloers was bekleed: "Helaas, uwe genade! zeide zij: het +lieve kind heeft maar weinige oogenblikken geleefd, nadat mevrouw het +met smart had ter wereld gebracht. En, hemel! daar lag werkelijk het +zoo vurig van God gebeden kind dood in zijn kistje!" + +Van Bergen hield weder eenige oogenblikken stil, en vervolgde toen: +"Ik nam het lijk van mijn zoontje uit zijn doodsche rustplaats; +drukte het aan mijn hart, doch dankte tevens den hemel, dat hij mij +nog niet alles had ontnomen, en ik, in Gods wil berustende, de woorden +van Job kon nazeggen: De Heere heeft gegeven; de Heere heeft genomen; +de naam des Heeren zij geloofd!.... Den volgenden dag bracht ik mijn +zoontje naar het stille graf. Clarisse herstelde, en weder sleten wij +in elkanders bezit dagen vol zaligheid. Eindelijk scheen God ons het +verlorene te willen terugschenken; weder verkeerde mijne nu zalige +gade in de blijde verwachting; weder hoopten wij op een spruit onzer +min; doch ook tevens weder zou het mij niet vergund worden bij hare +moederwording tegenwoordig te zijn. De verderfelijke woelingen der +Spanjaarden vereischten opnieuw mijne medewerking. Nogmaals keerde +ik behouden uit den strijd terug. Weder kwam ik door hoop en vrees +geslingerd op den Oldenburgh aan; doch, gerechte hemel! ook nu weder +waren de luiken gesloten; een doodsche stilte heerschte rondom mij, +en niemand kwam mij met een blijde boodschap te gemoet.--Wat is hier +voorgevallen? riep ik den eerste toe dien ik ontmoette: Ach! zijt gij +daar, uwe genade, was het antwoord: De goede gravin heeft eene dochter +ter wereld gebracht; doch hare genade is kort daarna bezweken...." + +Van Bergen begon bij de herinnering aan dat verpletterend oogenblik +hevig te beven. Krampachtig sloot hij de handen om de armen van zijn +leuningstoel, en Adelgonde, diep bewogen met hetgeen haar vader moest +lijden, gaf hem een dronk water; sloeg haar arm om zijn hals, en hem +vertroostend aanziende, zeide zij zacht: + +"Maar die goede lieve moeder had u immers eene dochter geschonken? en +die dochter heeft u immers lief? Zij wil u immers eenigszins dat +gemis vergoeden, en alles doen wat zij kan, om u ..." + +"Houd op! houd op!" riep Van Bergen op hartverscheurenden toon: "O mijn +God! Adelgonde! gij zijt mijne dochter niet. Zij is dood! dood! evenals +mijn zoon! evenals mijne Clarisse!.... Dood!"--riep hij nogmaals, +en zag toen hoe Adelgonde hare oogen stuipachtig sloot en weder open +deed, en eindelijk met een flauwen zucht bewusteloos nederzeeg. + +"Gonne, liefste Gonne!" smeekte Van Bergen, door dit toeval tot +zich zelven gekomen, terwijl hij het bezwijmde meisje op een stoel +plaatste: "Lieve dochter, kom tot u zelve! Moest ik u dan de waarheid +niet openbaren? Moest ik u niet mededeelen, dat een paar arme doch +eerlijke lieden uwe ouders waren; dat zij u aan mij hebben afgestaan, +wanneer ik als een vader voor u wilde zorgen, opdat ik door uw bezit, +eenigszins voor mijne dierbare verlorene betrekkingen mocht worden +schadeloos gesteld? Moest ik u niet zeggen dat Van Rodenberg--door +wien weet de hemel--achter de waarheid uwer afkomst gekomen, uw +naam wil bekend maken zoo gij zijne gade niet wordt? Gonne! dierbare +Gonne! ofschoon ik uw vader niet ben, ik blijf voor u niettemin steeds +een liefderijk vader! + +Adelgonde hoorde hem niet; hare ademhaling was ongeregeld: + +Een vreeselijke storm had over de teedere Hagenlelie gewoed! + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + +"Ik bid om verschooning, edele vrouw!" sprak Alonzo, toen hij +het slotvertrek binnengetreden, de vermoedelijke eigenares met een +sierlijke buiging naderde: "Ik vraag u zeer om verschooning, dat een +ongelukkig toeval mij in de noodzakelijkheid bracht, voor één nacht +uwe gastvrijheid te moeten inroepen. De wegen zijn niet veilig, en, +onbekend in deze streken, ben ik aan het dwalen geraakt." + +"Maak geen complimenten mijnheer!" zeide de dame, met een Fransch +accent, terwijl zij opstaande, Alonzo met eene nijging begroette: +"Het is mij zeer aangenaam u van dienst te kunnen zijn. Zie hier mijn +vriend en trouwen rentmeester Rosio!" vervolgde zij, Alonzo een man +voorstellende, die tot dusverre aandachtig in een klein gebedenboek +gelezen had. + +"De vermoeiden zijn ons steeds welkom," zeide Ambrosio, mede opstaande +en nam te gelijk met zijn kleine grijze oogen den nieuw aangekomene, +van het hoofd tot de voeten, nauwkeurig in oogenschouw. + +Weldra zat Alonzo bij het knappende vuur, en moest, op uitnoodiging +der dame, verhalen wat hem overkomen en hoe hij in dit late uur, +zonder paard, zoover van de stad verdwaald was. + +Met eenige omzichtigheid deelde hij het gastmaal op den Oldenburgh +mede; verzweeg de afgesprokene ontmoeting met Van Rodenberg, maar gaf +voor, in het naar huis rijden van den rechten weg te zijn afgedwaald; +verhaalde voorts dat hij door een straatroover was aangevallen, welken +hij ter aarde had geworpen; dat zijn paard hem in dien tusschentijd +was ontloopen, en hij, niet wetende waarheen zich te wenden, den weg +had ingeslagen, die hem, dank zij de goedheid der edele bewoners, +in deze veilige haven had binnengevoerd. + +"Het is onbegrijpelijk!" sprak de dame, toen Alonzo geëindigd had, +terwijl zij steelsgewijze haar rentmeester aanzag: "onbegrijpelijk! dat +er op de publieke wegen niet beter voor de veiligheid wordt +gewaakt. Den hemel zij echter gedankt," en zij maakte het teeken des +kruises: "dat een zoo schoon en kloek edelman niet het slachtoffer +der boosheid geworden is! Een roemer wijn zal u niet onwelkom +wezen?" vervolgde zij; "Rosio zal mij wel den dienst willen doen, +een goede flesch te gaan halen." + +Rosio stond, zonder te antwoorden, van zijne zitplaats op; zag zijne +gebiedster vragende aan, en Alonzo, die de spattende vonken gadesloeg, +bemerkte niet dat de dame dien vragenden blik met een heimelijk +knipoogen beantwoordde. + +"Gij kent dus den graaf Van Bergen?" vroeg de dame toen Rosio +vertrokken was. + +"Zooals ik u zeide, edele vrouw!" antwoordde Alonzo: "dezen middag +was ik zijn gast: evenwel was het mij niet vergund hem meer van nabij +te leeren kennen." + +"Dan is het al zeer toevallig," hernam de gravin: "dat gij uw +middagmaal bij den zoon hebt gebruikt en een nachtverblijf bij de +moeder komt zoeken." + +"De graaf Van Bergen is uw zoon?" zeide Alonzo verrast, terwijl +hij de dame met een blik beschouwde, die hare eigenliefde streelde: +"Voorwaar mevrouw," ging hij voort: "het geleden ongeval wordt mij +thans aangenaam vergoed, dewijl ik daardoor de eer en het genoegen +heb, kennis te maken met de moeder van den alom beminden en dapperen +graaf Van Bergen." + +De douairière glimlachte. "Met recht verdient mijn zoon de eer die +ieder hem toekent," hernam zij: "ook ben ik niet weinig trotsch op hem: +hij was de oogappel van zijn zaligen vader. Doch wat dunkt u van zijne +dochter Adelgonde?" en bij deze vraag zag zij den jongeling met hare +scherpe, meest voor zich nedergeslagen oogen zijdelings aan. + +Alonzo werd bij deze vraag vuurrood: "De freule is inderdaad +zeer schoon," antwoordde hij, zich herstellende: "nooit te voren, +mevrouw, zag ik een gelaat met zooveel uitdrukking als dat van uwe +kleindochter." + +"Het is de algemeene opinie," hervatte de gravin: "men kan zeggen, +dat hare schoonheid ruimschoots vergoedt hetgeen een onwettige geboorte +haar doet missen...." + +"Een onwettige geboorte?" riep Alonzo, met eene stem, die duidelijk +verried, dat zijn hart pijnlijk werd aangedaan: "Is het dan waarheid +mevrouw, hetgeen ik veronderstelde, dat slechts een valsch gerucht +kon hebben uitgestrooid?" + +"Gij hebt het niet geloofd mijnheer?" zeide de gravin, terwijl zij +haar fraaie kleine hand beschouwde aan welker vingeren verscheidene +kostbare ringen staken: "Inderdaad, het is zonderling," vervolgde zij: +"dat mijn zoon aan dit kind eene liefde toekent en haar eveneens +behandelt als ware het de dochter zijner overledene gade." + +Alonzo sprak niet, maar staarde vóór zich. De gravin had zeer wel den +indruk bespeurd, dien hare woorden op den jongen Spanjaard gemaakt +hadden; zij liet dit echter niet blijken, maar ging op een beklagenden +toon voort: "Ja, het lieve kind is wel medelijdenswaardig! hoe treurig +zal het haar eenmaal zijn, als zij verneemt dat een dienstbare van +haar vader hare moeder was. Eenmaal toch moet ook haar ter oore komen +hetgeen nu reeds ieder weet, en wat zal er dan van haar worden! Wat +zal het zijn na den dood van mijn zoon! Vermogen laat hij haar niet +na. Zijne goederen zijn bezwaard. Reeds is het schoone kasteel den +Oldenburgh het zijne niet meer. Gedurig put ik mij uit, om den zoon +van mijn onvergetelijken echtgenoot in zijn rang en stand staande te +houden. Verre is het echter, dat ik daar eenigen roem op zou dragen; +ik begeer zelfs geen dank; doch de arme Adelgonde, hoe ongelukkig, +hoe ellendig zal zij eenmaal zijn!" en bij deze laatste woorden drukte +zij de oogleden op elkaar, en weldra rolden er verscheidene tranen +over hare wangen. + +"Die schoone bloem!" zeide Alonzo met een diepen zucht: "Zoo hemelsch +schoon! zoo goed! zoo edel! en toch geschandvlekt voor de wereld!...." + +"Het eenige middel om haar te redden," hernam de gravin Van Bergen, +"is een goed huwelijk. Meermalen is zij werkelijk reeds, om hare +vermaarde schoonheid, bij de jongelingschap in aanmerking gekomen; +doch mijn zoon heeft haar helaas! als eene coquette grootgebracht; +de freule is niet weinig difficile. Dit komt haar vader echter zeer +te stade, want niets wenschte hij vuriger, dan dat zij de gade van een +jongen edelman zou worden, aan wien hij, om financieele omstandigheden, +de grootste verplichting heeft.--De jonker Van Rodenberg," vervolgde +zij, Alonzo even aanziende, "heeft hem reeds jaren lang op de +edelmoedigste wijze met zijn belangrijk vermogen bijgestaan; en deze +jonker Van Rodenberg, dien gij wellicht reeds hebt leeren kennen, +of anders hebt hooren noemen, heeft, zegt men, tot onuitsprekelijke +blijdschap van mijn zoon, ongeacht Adelgondes schandelijke geboorte +en Van Bergens treurige omstandigheden, hare hand gevraagd. Zoo +Adelgonde dit aanzoek van de hand wijst, is haar vader een verloren +man; aanzienlijke sommen is hij dien jonker schuldig, en voorzeker zal +deze als de beminde schoonzoon, die schulden grootmoedig kwijtschelden, +ja dán zelfs met zijne ondersteuning voortgaan; doch daarentegen ook, +als een afgewezen en mistroostig minnaar, een dreigend en vreeselijk +schuldeischer worden." + +Terwijl de gravin deze laatste woorden sprak, kwam Rosio terug, +gevolgd door een bediende, die eenige ververschingen benevens wijn +en bekers op de tafel plaatste. + +"Nu Mechteld dood is," ving de rentmeester aan, "kan men ternauwernood +de meest benoodigde zaken vinden. Aafke is vroom en goed, maar als +alle vrouwen Maria's waren, dan zouden wij mannen, wel Martha's moeten +worden.--Zie hier jonkman!" en hij overhandigde Alonzo een beker wijn. + +"Ik dank u mijnheer," zeide Alonzo, als uit een droom ontwakende, +en ledigde den hem toegereikten beker in één teug. + +"Gij zult het weinige, dat wij u kunnen aanbieden, voor lief moeten +nemen, edele gast!" zeide de gravin weder op minzamen toon: "Het zou +ons niet mogelijk zijn, u zulke schotels voor te zetten, als waarop +uw waardige gastheer u dezen middag heeft onthaald." Een spotachtige +glimlach speelde bij deze woorden om hare lippen: "maar," vervolgde +zij: "toch wil ik hopen dat dit weitebrood, die gebakken visch en +deze goede Hollandsche kaas, u eenigszins zullen verkwikken." + +"Het spijt mij inderdaad," zeide Alonzo, wiens eetlust, door hetgeen +hij gehoord had, ten eenenmale was geweken, "dat deze moeite voor +mij is gedaan, dewijl ik zelden des avonds eenige spijze gebruik." + +"Het is te wenschen," hernam de gravin, "dat deze Bourgogne meer genade +in uwe oogen zal hebben! Edele Spinola, ik drink het welzijn van uw +schoon vaderland! het welzijn van Spanje, dat land der oranjeboomen, +dat heerlijke land waar ik de zaligste uren gesmaakt heb!" en terwijl +zij haar beker ledigde, tintelden hare oogen van een vuur, dat met +haar leeftijd zonderling in weerspraak was. + +Alonzo, wien het goed deed den lof van zijn vaderland te hooren +verkondigen, en die de gastvrijheid welke hij genoot, niet met +onheuschheid wilde beantwoorden, deed, hoewel zijne ziel met een +geheel andere zaak was vervuld, de gravin op haar uitgebrachten toost +bescheid, en dronk op den vrede tusschen Holland en Spanje. + +Intusschen gaf Alonzo nu al spoedig te kennen dat hij zich zeer +vermoeid gevoelde, en dat het hem aangenaam zou zijn indien hij +zijn nachtleger mocht opzoeken. Aan dit verzoek werd met veel +bereidwilligheid gehoor gegeven. Alvorens te vertrekken moest Alonzo +echter nog een beker ledigen; en Rosio, die steeds geschonken had, +liet behendig, zonder dat de jongeling dit bemerkte, een poeder in +den beker glijden, dien hij vervolgens aan Alonzo overhandigde. + +"Morgen vroegtijdig wenschte ik weder stadwaarts te gaan," zeide Alonzo +opstaande: "Ik zal dan waarschijnlijk niet het genoegen hebben u nog te +zien. Met dezen dronk dank ik u dus edele vrouw, voor de mij betoonde +gastvrijheid, en wensch u evenals mijnheer Rosio een goede nachtrust!" + +Na dezen afscheidsdronk zeide de gravin hem met de meest mogelijke +vriendelijkheid vaarwel, en Rosio, den graaf tot aan de deur +vergezellende, reikte hem de hand ten afscheid, en gelastte een +bediende den graaf Spinola naar zijn slaapvertrek te geleiden. + +"De duivel gaf het hem in, niet langer te toeven," zeide de +rentmeester, zoodra Alonzo vertrokken was: "Van Rodenberg zit reeds +gedurende een half uur in de zijkamer te wachten.--Treed binnen +jonker!" riep hij, en opende eene deur, die aan het andere einde der +kamer was, en door welke Walter Van Rodenberg werkelijk binnentrad. + +"Die vervloekte hond is den dans ontsprongen!" zeide hij, zich in +een armstoel werpende, zonder de gravin of Rosio te groeten. "De +onhandigheid van dien altijd droomenden Casper was mij bijna duur te +staan gekomen. Goed dat die lummel naar de eeuwigheid ia verhuisd. Toen +ik op de plaats kwam waar ik den Spanjaard in zijn bloed dacht te +vinden, ontwaarde ik niets dan de beenen van den roodkop, die uit +de sloot omhoog staken. Met behulp van Arends trok ik hem er uit, en +waarachtig de onhandige kerel leefde nog. Vervloekt, zeide hij met een +flauwe stem; Van Rodenberg heeft mij tot dit schelmstuk overgehaald; +toen riep hij den hemel nog om genade aan, maar dewijl het mij niet +paste den ezel bij adem te laten, mij later in opspraak te brengen, +gaf ik hem den genadeslag. Nu is hij voorgoed bezorgd, en de zaak +zal voorzeker niet uitlekken." + +"Met dat al hebt gij niets gewonnen," zeide de gravin: "Uw medeminnaar +leeft; hij kan het gebeurde bij het gerecht aangeven. Alle schijn +is tegen u, en voorzeker zal Spinola begrijpen dat gij alleen den +aanslag hebt gesmeed." + +"Voor dien Spaanschen hond ben ik nu in het minst niet meer +bevreesd. De grap van dezen avond had zelfs wel geheel achterwege +kunnen blijven, want weet, dat ik geen oogenblik twijfel, of de zaak op +den Oldenburgh heeft zijn beslag. Bij mijne ziel! het was zonderling +te zien, welke oogen mijn aanstaande schoonpapa opzette, toen ik hem +verhaalde hetgeen hij dacht dat niemand ooit te weten was gekomen. De +vrees dat de wereld vernemen zou, wat ik, bij eene weigering, dreigde +te openbaren; de vriendschap die de graaf voor mijn vader heeft gehad, +en de aanbeveling op diens sterfbed, alles kwam mij te stade. Zelfs +was mijne vrees ongegrond dat Alonzo Spinola genade bij den graaf zou +gevonden hebben. Hij heeft een afkeer van zijne en uwe Paapsche leer, +en haat den vijand sterker dan ik dit eerst geloofde. Het lieve duifje +zal den wil van haren vader doen. Ik huw haar; de graaf sterft weldra, +en de goederen der Van Bergens worden mijn eigendom." + +"En gij zult uw geluk aan mij te danken hebben," hernam de gravin +toen Van Rodenberg geëindigd had. "Doch wat vangen wij thans met +Spinola aan?" + +"Hij slaapt voorzeker reeds als een roos," zeide Rosio: "Het ware +verkeerd geweest indien hij den jonker gezien had, doch mij dunkt...." + +"Hij moet ongedeerd van hier vertrekken," viel Van Rodenberg hem in +de rede: "Hij kan mij geen kwaad. Ik verwijt hem des noods dat hij +lafhartig achterwege is gebleven. Al wilde hij ook het voorgevallene +bekend maken, het zal mij niet deren. Hij kan niets tegen mij bewijzen; +of.... des noods heeft hij een moord begaan!" + +Intusschen werd Alonzo, in de hem aangewezen kamer gekomen, door een +hevigen slaap overvallen. Zijne oogleden werden hem zoo zwaar als +lood, en de ware oorzaak daarvan niet bevroedende, schreef hij dit +aan den ouden Bourgogne-wijn toe, waarvan hij misschien wat te veel +gedronken had. Snel ontdeed hij zich van zijn wambuis, en wierp zich +toen op het groote ledikant. + +Een diepe slaap maakte zich weldra van hem meester, en benauwende +droomen, zonder eenigen samenhang, vervingen elkander met de +zonderlingste afwisseling. Nu eens zag hij Adelgonde Van Bergen in +een vlammenden wagen gezeten, welke in de lucht door duivelen en +saters met woest geschreeuw werd voortgetrokken; dan weder vielen +er uit den hemel de schoonste bloemen voor zijne voeten neder, doch +veranderden, wanneer hij die wilde oprapen, eensklaps in sissende +slangen en venijnige adders. Spooksels en bekende personen dansten te +zamen in allerlei vreemde sprongen en met luid misbaar hand aan hand +om hem heen. Allen staken den draak met hem, en lachten luidkeels. In +'t eind verscheen er voor zijne oogen een lieftallig kind; het hief +de handjes naar hem op en zag hem smeekend aan. Het trok hem met zich +voort, al verder en verder, steeds afdalende en al dieper en dieper +zinkende. De plaats waar zij kwamen was akelig doodsch; een groote +blauwe zerk lag op de aarde; de steen ging langzaam open, en een levend +geraamte rees uit de groeve omhoog. "Edele heer! edele heer!" riep het +kind angstig smeekend: "edele heer!" riep het nogmaals luider, Alonzo +bij den arm trekkende. Alonzo wreef zich de oogen en ontwaakte. Een +schemerachtig licht drong reeds door de luikgaten naar binnen, en de +slaapdronken Alonzo ontwaarde nu, na zich nogmaals de lichtschuwende +oogen gewreven te hebben, dat een jong en bevallig meisje naast zijne +legerstede stond. "Edele heer!" zeide zij nogmaals, en schudde den arm +van den jongeling met haar kleine hand: "Ontwaak! In 's hemels naam, +wil mij een oogenblik aanhooren." + +"Wat verlangt gij van mij?" vroeg hij, zonderling te moede, en sprong +nu, tot zich zelven gekomen, van het ledikant. + +"O verschoon mij," bad het meisje: "verschoon mij dat ik uw +slaapvertrek ben binnen getreden; doch ik moest u spreken. Gij zijt +immers een edel en braaf heer?" + +"Welnu," zeide Alonzo, zijn wambuis aantrekkende, terwijl hij het +lieve kind aandachtig beschouwde, "spreek, wat verlangt gij van mij, +of wat hebt gij mij te zeggen?" + +"Gij zult het straks vernemen," zeide het meisje: "doch volg mij +zonder gedruisch;" en Alonzo voorgaande, bracht zij hem in eene +benedenverdieping van het kasteel, en verhaalde aldaar aan haar +aandachtigen toehoorder, hetgeen wij, om ons verhaal niet vooruit te +loopen, eerst later zullen mededeelen. + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + +De natuur was heerlijk uit haar doodschen winterslaap ontwaakt. De +aarde lachte als een blijde, sierlijk getooide bruid, en heuvelen en +bosschen verkondigden de grootheid des Scheppers. + +Wie zal het wagen den indruk te schetsen, het gevoel te malen, dat een +heerlijke lentedag op den sterveling uitoefent? Welke pen vermag den +zuiveren wellust te beschrijven, dien de mensch moet smaken, als hij +de verjongde natuur en haar verrukkelijk schoon gadeslaat? De verven +zijn te gevoelloos; het penseel is te slap; de gloeiende verbeelding +des dichters is te koud, om datgene uit te drukken, wat men slechts +gevoelen maar niet meedeelen kan. Die zoete balsemgeuren van het pas +ontloken groen; dat liefelijk gekweel der vogelen; die koesterende +stralen der vriendelijke zon: alles kan men genieten, al dat schoon +met onverzadelijke graagte genieten; stom van verrukking in aanbidding +vertoeven; nogmaals die lucht inademen; nogmaals de handen dankend +ten hemel heffen, maar spreken.... neen spreken kan de sterveling in +zulke oogenblikken niet. + +Ook het kasteel den Oldenburgh lag te midden van dien prachtigen +lentedos. Geheel anders vertoonde het zich thans dan toen wij het +vroeger bezochten. Over het nog jeugdige groen der eikenboomen en +akkermaals-bosschages lag een fijne roodachtige tint verspreid. De +bladeren der beuken- en kastanje-boomen hadden een zacht groene +kleur. De grasperken waren als met madeliefjes en boterbloempjes +bezaaid, en in de weilanden, die zich rondom doch op verderen afstand +van het kasteel uitstrekten, graasden en loeiden de runderen, en +blaatten de schapen, terwijl zij den dorst hunner lammeren leschten. De +ooievaar stapte met statigen tred in hun midden rond, en begaf zich +behoedzaam naar de waterachtige plaatsen, ten einde zich den kwakkenden +kikvorsch ten buit te maken. De muggen gonsden door de lucht, en het +fijne, zilverachtige groen der wilgen was treffend in harmonie met +de warme kleur van den azuurblauwen hemel. + +Twee jonge vrouwen wandelden op zulk een schoonen en verkwikkenden +lentedag door de paden en lanen, die het voornoemd kasteel omgaven. De +eene was doodsbleek, en leunde op den arm der andere die hare +dienstbare scheen. Zij was in het wit gekleed, en hield in hare hand +een korfje met voorjaarsbloemen. + +"Wij moesten hier even rusten," ving zij met een zwakke stem aan: +"Dit priëel Anne, geeft zulk een mooi uitzicht over de weilanden." + +"Dat zou ik u niet raden lieve freule!" antwoordde Adelgondes kamenier: +"de lucht is wel zacht, doch een klein tochtje zou u wellicht zeer +nadeelig zijn." + +"O neen!" hernam Adelgonde: "Ik ben immers weer geheel hersteld; de +zoete meilucht zal mij niet schaden. Laat ons hier even gaan zitten, +want ik ben een weinig vermoeid." + +"Sla dan ten minste dezen doek om uw hals," zei de bezorgde Anne: +"het is voor de eerste maal dat gij uwe kamer verlaat, en ik zou om +niets ter wereld willen, dat gij door mijne onvoorzichtigheid weder +ziek werdt." + +"Dat heeft geen nood," zeide Adelgonde, den doek met een dankend knikje +aannemende: "niets kan mij eer herstellen dan Gods vrije natuur. Dit +is het eerste uur, na dien schrikke.... na den dag dat ik zoo ziek ben +geworden, waarin ik weer verlang te leven. Ja in dezen stond zelfs +ben ik dankbaar dat God mij heeft bewaard, en dat ik zijn schoone +aarde nog eens mag betreden." + +"Maar waarom zoudt ge daar ook niet recht blijde om zijn, lieve +freule?" vroeg Anne: "Kijk, het kleine muschje, dat daar zoo tjilpend +van den eenen tak op den anderen springt, toont zijne blijdschap wel, +en zoudt gij dan op uw leeftijd--zooverre boven velen bevoorrecht--niet +heel dankbaar zijn dat gij gespaard werdt, om, zoo wij hopen, nog +vele jaren recht gelukkig en in vreugde te leven?" + +"Gelukkig!" zeide Adelgonde zuchtend: "het vogeltje mag zich gelukkig +gevoelen en vrij rondfladderen; maar ik, helaas!" en weder slaakte +zij een diepen zucht. + +"Wanneer uwe krachten geheel zijn teruggekomen, dan zult gij wel anders +spreken," hernam de kamenier: "Zulke zenuwkoortsen ondermijnen het +gestel, en mijnheer Bril, de barbier van den genadigen graaf, heeft +mij voor een paar dagen nog gezegd, dat als het lichaam van streek +is, de ziel ook van streek is, en dat ook de ziel weder in haar oude +doen komt als het lichaam sterker wordt. Wij zullen den tijd eens +afwachten freuletje-lief! De tijd baart rozen, zegt Maarten altijd; +en hoewel ik dat in vele dingen, en ook voor ú wel geloof, zoo kan ik +toch niet zeggen, dat hij voor Maarten heel veel mooie roosjes baart, +want de goede jongen werkt wel altijd ijverig en trouw, maar heel +veel verdienen doet hij niet." + +"Is het reeds lang geleden dat uw minnaar hier was?" vroeg Adelgonde, +door de woorden van Anne op andere gedachten gebracht. + +"Nog gisteravond," antwoordde het meisje: "maar drommels en +drommels! wat ben ik toch schrikkelijk dom en stoffelachtig!" vervolgde +zij, zich eensklaps bezinnende: "Nu hebt gij reden om mij dapper +te beknorren. Hij heeft mij iets voor u meegebracht!" Dit zeggende +haalde zij een briefje van onder haar rozerood jakje te voorschijn: +"Kijk freule, neem het mij toch niet kwalijk.... Wat ben ik toch +schrikkelijk vergeetachtig!" + +Adelgonde zag dadelijk dat het opschrift aan haar gericht en door +Alonzo Spinola geschreven was; een licht blosje verspreidde zich +over haar gelaat, en terwijl zij, niet zonder eenige verwarring, de +dierbare letteren uit de hand van Anne overnam, om die met gretige +aandacht te doorlezen, sprong de bescheidene kamenier vlug van hare +zitplaats op, en ging een schoonen gelen vlinder najagen, die van +bloem tot bloem, nu eens her- en dan weder derwaarts in verschillende +richtingen rondfladderde. + +Het briefje, dat Adelgonde geheel bezig hield, luidde als volgt: + + + "Dierbare jonkvrouw! + +"Hoe dikwijls ziet men, helaas! dat er zich voor onze dierbaarste +wenschen onoverkomelijke hinderpalen in den weg plaatsen; hoe dikwerf +worden wij in onze schoonste vooruitzichten droevig teleurgesteld, +en zien wij den straks nog helderen horizont onzes levens zich +weldra in donkere nevelen hullen. Zoo is het ook mij gegaan, schoone +Adelgonde! Met verrukking herdenk ik gedurig den dag toen ik dacht uwe +liefde te bezitten; toen ik besloot mij die liefde waardig te maken; +toen ik mij den grootsten monarch te rijk waande, en geen sterveling +mij zoo gelukkig en zoo zalig toescheen. Maar nogmaals, helaas! ik +heb mij niet lang met dat zoete denkbeeld mogen verkwikken. Reeds +spoedig wierpen zich ook voor mijne wenschen groote hinderpalen in +den weg. Ik mag en kan er niet meer aan denken, dat gij eenmaal +nog de mijne zoudt kunnen worden. Vele redenen bestaan er voor +de gegrondheid van deze vernietigde hoop. En de voornaamste dier +oorzaken is: dat de hand der schoone Hagenlelie reeds aan een ander +is toegezegd. En zult gij met hem gelukkig zijn? Zal die echtgenoot +u liefhebben zooals ik u zou hebben liefgehad? O Adelgonde! mijn +horizont staat beneveld, maar ook het verschiet van uw huwelijksleven +dreigt door zwarte wolken verduisterd te worden. Luister naar den +raad van hem, die het oogenblik nooit zal vergeten toen hij voor +de eerste en wellicht ook voor de laatste maal de woorden: "Ik min +u!" van uwe lippen hoorde vloeien. Dierbare Adelgonde, beproef hem +die uw echtgenoot zal worden. Sla hem gade, overweeg nauwkeurig +eer gij den onherroepelijken stap doet, die voor uw geheele leven +beslist. Onderzoek of hij uwe liefde en achting waardig is. Beter +ware het dat gij op jeugdigen leeftijd als maagd moest sterven, +dan dat gij te laat u een ongelukkigen stap zoudt beklagen. Nogmaals, +onvergetelijke Adelgonde! nogmaals: onderzoek en beproef uw aanstaanden +echtgenoot. Ik ken hem, ik ken het karakter van Van Rodenberg, hij +is uwer onwaardig. Geen laster, door vuige jaloezie opgewekt, doet +mij dit ternederschrijven. Beproef hem, en stort u niet in het ongeluk. + +"Behalve dezen raad, dien ik mij verplicht rekende u te geven, drong +mij nog een andere reden u te schrijven. Reeds vroeger had ik dit +gedaan, doch de treurige mare van uwe ernstige ongesteldheid hield +mij tot heden daarvan terug. Goddank! ik heb vernomen dat gij zoogoed +als hersteld zijt. Mijne gebeden voor uw herstel werden iederen dag +hemelwaarts gezonden. Doch nu, schoone Adelgonde! er is nóg iets, +'t welk ik verplicht ben u mede te deelen. Ik ben de deelgenoot +geworden van een belangrijk geheim. Het zou mij niet mogelijk zijn +dit in zijn geheel ter neder te schrijven, en, wellicht vertrekken wij +reeds spoedig uit deze streken. Adelgonde! ik moet u kenbaar maken wat +mij is ter oore gekomen. Wil mij mijne bede niet weigeren! Ik wensch +u alleen te spreken. Gij zelve kunt bepalen waar ons onderhoud zal +plaats hebben, en dan--dan zal ik u voor het laatst zien, voor het +laatst spreken, en u tevens voor altijd vaarwel zeggen! + +"O schenk slechts eenige regelen ten antwoord aan hem, die u dringend +smeekt zijn verzoek niet te weigeren, en die zich noemt: + + Uw heilzoekende en heilwenschende vriend, + + Alonzo. + + + +Nog staarden de vochtige oogen van Adelgonde op het papier, nog herlas +zij de woorden, die zoozeer van des Spanjaards innige deelneming in +haar lot getuigden, toen Anne weder kwam aanhuppelen en tusschen hare +vingeren den gevangen vlinder omhoog hield: "Kijk eens freule!" riep +zij Adelgonde reeds uit de verte toe: "Kijk eens, welk een fraai +diertje, geel als citroen, en zoo vlug als een ree!" + +"Foei, Anne!" zeide Adelgonde op bestraffenden toon: "moet gij dat +onschuldige vlindertje zijn vrijheid benemen? Gij weet niet wat het +zegt die te moeten missen. Geef het beestje zijn vrijheid terug!" + +"Welnu, trek dan in vrede!" zeide Anne, en het diertje loslatende, +zag zij het vroolijk en snel henenvliegen. + +"Geef mij nu uw arm en laat ons huiswaarts keeren!" zeide de freule. De +kleine kamerjuffer gehoorzaamde terstond, en beiden wandelden nu +weder door de lange zijlaan, stapten de brug, die aan de achterzijde +van het park uitkwam, over, en traden vervolgens het kasteel door de +kleine achterpoort binnen. + +"Wel foei Gonne! gij zijt recht ondeugend," zeide de graaf Van Bergen +lachende, die juist de breede trappen afkwam toen de vrouwen de gang +inkwamen: "zoo te ontsnappen, zonder verlof te vragen! Ik had gehoopt u +de eerste maal dat gij de buitenlucht zoudt genieten, te vergezellen, +doch ik zal u daarvoor straffen, en kom mij daarom dezen middag bij +u als gast opdringen." + +"Gij zult mij hartelijk welkom zijn," antwoordde Adelgonde: "Wat de +wandeling betreft, het liefste had ik die in uw gezelschap gedaan, +doch ik was bevreesd dat uwe bezigheden u met zouden toelaten...." + +"Nu nu, spaar die verontschuldigingen maar," viel haar de graaf in +de rede: "Gij ziet er zeer goed uit, lieve kind! de lucht heeft u, +dunkt mij, veel goed gedaan. Over een uur ben ik bij u." Hij gaf haar +bij deze woorden een kus op het voorhoofd, en ging, terwijl zij zich +naar hare kamer begaf, zijne paarden en honden in de stallen opzoeken. + +Nauwelijks was Gonne in haar grooten ziekenstoel gezeten of zij +haalde Alonzo's letteren weder te voorschijn, las deze nogmaals, +en besloot, daar zij, zooals wij vroeger reeds gezien hebben, vrij +goed schrijven kon, onmiddellijk aan het verlangen van den edelen +jongeling te voldoen. Zij beantwoordde zijn brief met deze woorden: + + + "Geachte vriend! + +Zoo toch mag en durf ik u noemen, daar gij toont een waar belang in +mijn lot te stellen. Uwe letteren heb ik in een vrij goeden welstand +ontvangen, en las die, toen ik voor de eerste maal na mijne ziekte +weder onder Gods vrijen hemel mocht ademhalen.--Gij hebt gelijk, wij +worden van elkander gescheiden. Gij hebt hinderpalen zien verrijzen, +die uwe wenschen in den weg traden, en voor mij, gij weet het, is de +droom onzer liefde eveneens in rook verdwenen.--Wat er ook van Van +Rodenberg zijn moge, hij zij dan edel of slecht, reeds zijn aanblik +hindert mij. Verdenk echter den liefderijksten en achtenswaardigsten +der vaders niet van hardheid; geloof niet dat hij mij dwingen zal +mijne keuze naar zijn wil te bepalen. Alles wat hij doet, beschouwt +hij in mijn belang.--Doch een treurige waarheid doet mij met groote +zelfopoffering besluiten zooveel mogelijk naar zijn begeerte te +handelen. Mijn geheele leven zal ik u dankbaar zijn voor uw warme +deelneming; doch, edele vriend! met de grootste moeielijkheid zal ik uw +laatste verzoek kunnen inwilligen. Mijne gezondheid laat mij niet toe +u des avonds ergens te ontmoeten. In mijne woning is dit onmogelijk, +en waar zou ik u dan kunnen zien?--Vertrouw aan het papier uw geheim, +doch zoo u dit niet doenlijk is, welnu, dan zal er wellicht in het +aangevangen warme seizoen nog wel een gelegenheid voor mij komen om +u aan te hooren en u vaarwel te zeggen."--Hier liet Adelgonde een +traan op het papier vallen, dien zij echter zorgvuldig zocht weg te +wisschen.--"Gods beste zegen vergezelle u op al uwe paden. Vergeet, +als gij in uw vaderland zult zijn teruggekeerd, dat er in deze streken +een hart voor u klopte. Vergeet den droom der moerassen, en haar die +zich noemt: + + A. V. B." + + + +Zorgvuldig verzegelde zij nu den brief en schreef het adres erop. + +"Gij zult de bezorging van deze letteren op u nemen," zeide zij tot +haar kamermeisje, die zich met eenig vrouwelijk handwerk had onledig +gehouden. + +"Volgaarne lieve freule!" antwoordde deze: "Maarten komt niet voor +Zaterdag, dus moet mijnheer Bril er zich mede belasten. Nu, hij is +ook in mijn dienst, en brengt mij schier iederen morgen de groete +van Maarten over. De brief moet in het logement van Gooswijn Meurkens +bezorgd worden, nietwaar?" + +"Ja!" zeide Adelgonde, licht blozende: "hij moet dien persoonlijk +aan den jongen graaf Spinola overhandigen." + +Anne nam den brief aan, verborg dien in haar keursje, en weldra +verscheen Burgman, om op de ziekenkamer de tafel voor het middagmaal +in gereedheid te brengen. + +Het maal was spoedig ten einde geloopen, en de graaf, die heden +bijzonder opgeruimd was, schikte zijn stoel wel voldaan naast dien +zijner pleegdochter. + +"Na lijden komt verblijden, lieve Gonne!" ving hij aan: "na regen +komt zonneschijn; na een strengen winter een verkwikkende lente. Ik +heb God om uitkomst gebeden; ik heb Hem gesmeekt u te bewaren, te +bewaren voor mij, uw teederminnenden vader." + +Adelgonde zag haar pleegvader dankend aan, doch zuchtte diep. + +"Maar ik wenschte uw beterschap niet," vervolgde hij, zeer wel +de oorzaak van dien zucht kennende: "ik wenschte die niet om u +neerslachtig en ongelukkig te zien; neen, dat zij verre, maar om u +evenals voorheen, vroolijk en opgeruimd te ontmoeten; om, evenals +vroeger, door uw aanhoudend en vriendelijk gesnap mij dat treurige +gedeelte uit mijn levensgeschiedenis te doen vergeten; om daardoor +mijn voorhoofd effen te houden, waarop zich anders maar al te dikwerf, +bij de sombere herinneringen, diepe groeven vertoonen...." + +"En zal dat mogelijk zijn?" vroeg Adelgonde. + +"Deze dag moet en zal voor u in alle deelen schoon zijn, dierbaar +kind!" hervatte de graaf, haar met innige liefde aanziende: "Geen +zwaar en moeielijk juk zal u drukken. Gij hebt uwe gezondheid en +tevens uwe vrijheid terug." + +"Wat bedoelt gij?" vroeg Adelgonde verrast. + +"Luister!" hernam Van Bergen: "Ik heb den aard en het karakter van +Walter leeren kennen. Zijn eerste bedreiging had mij reeds een slechten +indruk gegeven. Geldzucht is de drijfveer zijner keuze. Van Rodenberg +zal uw echtgenoot niet worden." + +"Niet!" riep Adelgonde met een gemengd gevoel van dankbaarheid en +verrukking tevens. "Maar," vervolgde zij langzaam: "maar zijne +bedreiging? Zal hij mij niet aan de minachting der hardvochtige +wereld prijs geven, indien hij bekend maakt dat mijn brave gestorvene +ouders slechts arme geringe lieden waren? Zal zijne boosheid niet, +uit teleurgestelde winzucht, vlekken op uw naam werpen, mij wellicht +voor een kind.... der.... schande." zij zeide deze woorden schier +onhoorbaar: "laten doorgaan; en zal de booze wereld daar geen geloof +aan hechten?" + +"Geen vrees!" antwoordde de graaf: "Zijn geldzucht is bevredigd; hij +zwijgt, en niemand ter wereld zal buiten ons weten, dat de schoone +Hagenlelie niet volgens de wetten van het bloed mijne dochter +is. Luister: Toen de crisis uwer ziekte gekomen was, en allen +voor uw behoud vreesden, toen kwam Van Rodenberg naar uw welstand +vernemen. Zijne teleurstelling was zichtbaar, doch ik rekende het +oogenblik gekomen dat ik hem moest mededeelen, dat gij gedurig reeds, +zoo wel in ijlende droomen als in helderder oogenblikken, uw tegenzin +in een huwelijk met hem hadt te kennen gegeven, en dat, zoo gij +hersteldet, gij toch nimmer zijne gemalin zoudt kunnen worden. Zijn +gelaat nam een wreedaardige plooi aan. Het kind van lage geboorte +versmaadt mijn naam? sprak hij scherp. O lieve Gonne! vergeef mij, +dat ik u zijne woorden herhaal, maar immers gij moet hem kennen, +nietwaar? Welnu, ging hij voort: dan zal de wereld ook weten wie de +dochter van den graaf Van Bergen is." + +"Ik vreesde dit!" zeide Adelgonde met nedergeslagene oogen. + +"Gij kunt begrijpen dat ik moeite had mijne bedaardheid te bewaren," +hernam Van Bergen: "vooral daar hij het was, dien ik van zijne jeugd +af aan, steeds met weldaden heb overladen. Doch, het was de zoon +van mijn besten vriend Robbert! Ik hield mij in, en deed mij voor als +doorgrondde ik de laagheid zijner woorden niet. Dit zou u weinig baten, +antwoordde ik hem: Oneer is het niet. Ik zag hem glimlachen. Maar, +vervolgde ik: Gij weet Walter, wat ik steeds voor u geweest ben. Ik +gevoel dat gij een teleurstelling ondervindt. Van jongs af aan dacht +gij Adelgonde tot vrouw, en met haar mijne nalatenschap te bekomen. Dit +is een bittere teleurstelling; doch welk heil zou u een huwelijk +aanbrengen met eene vrouw, die u niet genegen is? Laat Adelgonde in +het bezit van haar naam: doe afstand van uw wensch, en zij schenkt +u de helft van het vermogen, dat zij na mijn dood zal bezitten." + +"Gij zoudt....?" riep Adelgonde. + +"Heb ik niet wél gedaan, lieve Gonne?" hernam Van Bergen. "Voorzeker +heb ik wat ruim over het uwe beschikt, doch thans blijft en zijt gij +mijne lieve dochter." + +"Uwe liefde, uwe goedheid!" riep Adelgonde, hem om den hals vallende: +"o! die kan u alleen hiernamaals vergolden worden." + +"Zoo is het mij goed," sprak de graaf: "gij zijt tevreden. Welnu Gonne, +zult gij nu weder gelukkig zijn?" + +Adelgonde zweeg een oogenblik; zij beschouwde het vriendelijk +goedhartig gelaat van haar pleegvader, en zeide op vastberaden toon: +"Ja, ik zal, voor u levende, door uw wil te doen, door u in alles te +gehoorzamen, recht tevreden en ook gelukkig zijn." + +"Amen!" zeide Van Bergen; ledigde toen zijn roemer, drukte het schoone +meisje een kus op de lippen, en verwijderde zich. + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + +"Ik vind het heel niet aardig van u Pieter, dat gij mij de bloempjes +niet geven wilt; ik heb ze toch voor 't meest geplukt," sprak een +aardig meisje van ongeveer zes jaren tot haar broertje, dat ruim een +jaar ouder scheen en thans met een mandje bloemen op eenige passen +af stands van haar had postgevat. + +"Foei, Neeltje!" antwoordde de goudgelokte jongen: "ik vind het van +ú niet aardig; waarom moet gij ze dan hebben? Ik heb vrij wat meer +moeite gehad! Hoe hoog heb ik dan niet moeten klimmen om bij dien +gouden regen te komen?" + +"En hoe dikwijls heb ik dan niet moeten opspringen om dien tros +seringen beet te krijgen?" zeide Neeltje. + +"Ja, maar ik heb mijn vingers bijna allen opengekrabd aan de pieken +van de acasia's," hernam Pieter. + +"Och toe Pieterlief! geef mij nu maar het mandje?" smeekte het +aardige meisje. + +"Nu dan Neeltje! hoor: als je met mij wilt gaan varen." + +"Op de gracht?" vroeg het meisje: "Neen, dat durf ik niet." + +"Bah! wat een bangert; en waarom niet?" + +"Wel, omdat het niet mag." + +"Maar, dat heeft ons vandaag toch niemand verboden." + +"Vandaag, neen, dat is waar, maar gisteren zei Aafke toch, dat wij +volstrekt niet in de boot mochten gaan." + +"Hoe kinderachtig!" zeide Pieter lachende: "Is het dan vandaag +dezelfde dag als gisteren. Kom, ga maar even mee; de boot ligt daar, +en als gij het doet, geloof ik wel dat ik u de bloemen zal geven." + +"Zoudt gij dan niet denken dat Aafke ons beknorren zal?" vroeg Neeltje. + +"Wel neen, toch niet, en als gij haar de bloemen geeft, dan is het +immers dadelijk weer over. Wij zullen heel prettig varen." + +"Maar kunt gij wel roeien, Piet?" + +"Ja, of ik!" antwoordde het knaapje, terwijl hij, bij de schuit +gekomen, haar van den paal, waaraan zij was vastgebonden, losmaakte: +"Kom maar hier Neeltje! Ziezoo, wees voorzichtig, val niet.... Ga +daar nu maar achter op de bank zitten." + +"Hé Piet! als we nu maar geen knorren krijgen. Denkt gij niet? want +anders ga ik er nog liever weer uit." + +"Neen, volstrekt niet! Als ge nu maar heel stil blijft zitten." + +"Geef mij dan nu de bloemen; ge kunt ze nu toch niet vasthouden." + +"Tralala!" lachte de kleine plaaggeest: "Ik heb u in de schuit, +en nu kan ik nog doen wat ik wil." + +"Neen, maar dat vind ik nu al heel leelijk en stout," zeide het kleine +meisje, terwijl haar het huilen nader stond dan het lachen. + +"Nu, wees maar stil," hernam de jongen, die bang was dat zijn zusje +zou huilen of roepen: "Ik heb er wat op gevonden; wij zullen het +mandje samen geven." + +"Hoe kan dat?" vroeg Neeltje. + +"Wel, dan houden wij het beiden vast als wij het geven." + +"Ieder aan een kant?" + +"Ja, vindt gij dat niet goed?" + +"Ja, dat gaat nog al; maar dan mag ik toch zeggen, dat wij deze +bloemen voor Aafke hebben geplukt?" + +"Nu, dat kan mij niet schelen; of gij dit zegt of ik, dat is mij +hetzelfde. Maar," vervolgde hij, terwijl hij al zijn krachten inspande +om de boot van het droge vlot te krijgen: "maar Neel! wat zit die +schuit vast, help mij eens even tegen de roeispaan drukken." + +Neeltje gehoorzaamde en kwam zeer voorzichtig naar voren om den +kleinen jongen te helpen. Beiden hielden nu de roeispaan vast en +vereenigden hunne krachten om het vaartuig vlot te krijgen; doch +tevergeefs. "Ik zal de spaan eens tegen dien steen zetten," zeide de +knaap: "die is harder." Hij deed dit en de twee kinderen drukten en +persten met vereende krachten, totdat hunne aangezichtjes zoo rood +als scharlaken werden. + +"Nog eens: één, twee, drie!" zeide de knaap; de roeispaan gleed langs +den steen af; de kinderen verloren hun evenwicht en beiden vielen +voorover in de schuit neder. + +Een luid geween en geklaag was het begin en het besluit van dit +roeitochtje. Het schreien der kleinen werd ras vernomen, en het reeds +dikwerf genoemde Aafke kwam haastig aanloopen om de twee ongehoorzame +kinderen de behulpzame hand te bieden. + +Spoedig waren zij uit de schuit op den vasten wal overgebracht. Pieter +bloedde uit den mond, dewijl hem twee tandjes waren losgevallen. Maar +Neeltje, hoewel van het hoofd tot de voeten beslijkt, had volstrekt +geen letsel bekomen. + +"Foei! ik had het u zoo verboden," sprak de oudste zuster der nog +steeds weenende kinderen: "Ziedaar nu, Piet, de gevolgen van uw +ongehoorzaamheid." + +"Maar," zeide Neeltje nog steeds snikkende: "maar.... Aaf.... Piet +heeft.... gezegd.... dat wel gisteren.... maar niet.... vandaag." + +"Kom, dat weet hij wel beter," antwoordde Aafke: "eenmaal verboden +blijft verboden.--Maar zie, daar staat nog een mandje met bloemen in +de schuit.--Wacht," en meteen wipte zij weder in de boot en bracht +de bloemen mede terug. + +"En die hadden.... wij nog wel.... voor u geplukt," zeide Pieter op +verongelijkten toon. + +"Ja.... wij waren den ge....heelen morgen, voor u aan.... het zoeken +geweest...." hernam Neeltje weder, voortdurend hikkende. + +"Welnu, ik beknor u immers niet meer," zeide Aafke: "Ik ben recht +blijde met de bloemen; maar wees nu nooit weer ongehoorzaam." Zij nam +vervolgens op iederen arm een der kleinen, nam het mandje insgelijks +mede, en liep toen zoo snel als de tamelijk zware vracht haar dit +toeliet, naar de woning van haar vader, die tuinman op het kasteel den +Blankert was. Hier waschte zij haar broer en zusje de aangezichten +en handjes schoon; bezorgde Pieter een glas water om zijn mond te +spoelen; gaf hun eenige schoone roode kersen; liet het toezicht over +de kleinen aan hare twaalfjarige zuster over, en snelde toen vlug +met de ruimgevulde bloemenmand ter deure uit. + +Weldra was zij in het kasteel gekomen. Dadelijk verborg zij de bloemen +in een van de vertrekken der dienstboden; sneed toen eenige sneden van +een zeer groot grijsachtig brood; vulde eene kruik met helder water, +en stak zeer behendig een groot stuk kaas in den zak. + +"Mijnheer Rosio, wilt gij mij den sleutel van den kelder geven?" vroeg +Aafke aan den rentmeester van de gravin Van Bergen, die in vroegere +jaren zijne gebiedster uit Frankrijk naar Holland was gevolgd en in +alle opzichten haar zeer bijzonder vertrouwen genoot. + +"Gaat gij den boeteling nu reeds weder bezoeken?" vroeg Rosio. + +"Ik zal hem zijn maal brengen," antwoordde het meisje: "het wordt +hoog tijd: En ik moet dan nog wel alles in het werk stellen om hem +tot het gebruiken der spijzen over te halen." + +"Weigert hij te eten?" + +"De twee laatste malen wilde hij volstrekt niets nuttigen. Gij hebt +mij bevolen te wachten totdat hij gedaan heeft." + +"Eertijds verslond hij alles in een oogenblik," hernam Rosio; +"en thans...." + +"Zooals ik u zeg," zeide Aafke: "ik moet hem schier bidden en smeeken +om te eten." + +"De godsdienstijver kan overdreven worden," hernam Rosio. "Boetedoen +is goed en noodzakelijk, doch men moet niet verder gaan dan de Heilige +Kerk het beveelt. Hier is de sleutel; maar breng hem aan het verstand, +dat zijne zonden eeuwig gestraft zullen worden indien hij zijn geweten +nog bovendien met een zelfmoord zou bezwaren." + +"Zeer goed!" zeide het meisje, en snelde met den grooten sleutel +naar het dienstbodenvertrek terug. Zij haalde de bloemen weder te +voorschijn en plaatste het daarmede gevulde mandje op het grijze +brood, dat zij onder in een spijskorf gelegd had; nam den korf in +de eene en de waterkruik in de andere hand, en ging, alzoo voorzien, +den zoogenaamden boeteling opzoeken. + +Een smalle steenen wenteltrap voerde haar ongeveer twaalf voeten +onder de oppervlakte der aarde. Nog eenige schreden ging zij door +een nauwe en vochtige gang waarin het volkomen nacht was, en bevond +zich toen voor een zware met ijzer beslagene deur; lang zocht zij +met den sleutel naar het sleutelgat, doch eindelijk gelukte het haar +de deur te openen. Een zwavelachtige lucht drong haar tegemoet, en +een weifelachtige schemering, die de plaats waar zij binnengetreden +was aan een volstrekte duisternis onttrok, stelde haar in staat den +ongelukkigen bewoner van dit sombere verblijf te ontdekken. + +Het hol, want dezen naam verdiende het ellendige verblijf ten volle, +was een regelmatig vierkant, waarvan elke zijde ter nauwernood +zes voeten lengte had. Op de hooge steenen wanden parelde een +salpeterachtig vocht. Verscheidene slakken en andere kelderinsecten +kropen er in verschillende richtingen dooreen, en een kleine van +dikke ijzeren staven voorziene opening, welke zich op ruim tien +voeten hoogte bevond, gaf alleen het schaarsche licht en slechts +luttel versche lucht aan dit somber gewelf. + +Maar treuriger en akeliger dan de indruk van dit onderaardsche verblijf +was nog de indruk, dien het eenige redelijke wezen moest teweegbrengen, +'t welk er zijne dagen in jammer en ellende doorbracht. + +De ongelukkige was een jongeling van ruim een en twintig jaren. Zijn +leeftijd zou, indien men dien niet geweten had, moeilijk te bepalen +zijn geweest, want zonderling dooreen vertoonde zijn gelaat de sporen +van jeugd en ouderdom. + +Dof en gevoelloos staarden zijne oogen, zijn gelaatskleur was geel +of hetgeen men perkamentachtig zou kunnen noemen. Zijn voorhoofd was +gerimpeld: De zwarte haren vielen lang en sluik langs zijne slapen +neder. Zijne kleeding was van een grijze wolachtige stoffage, en +slechts weinige vlasachtige haartjes omgaven zijne kin. + +Met de beenen kruiselings onder zich, zat hij daar ginds in een hoek +op een reeds grauw geworden bos stroo en toen het meisje binnentrad, +wendde hij zijn hoofd even naar de deur, en trok den mond tot een +pijnlijk lachen. + +"Daar ben ik al vroeg Adel!" sprak Aafke hem aan: "Zeker zult gij +wel naar mij verlangd hebben. Hebt gij honger?" + +"Ja," antwoordde de ongelukkige, terwijl hij zijn antwoord met een +toestemmend knikken vergezelde. + +"Welnu," vervolgde het meisje, terwijl zij eerst de bloemen in een +hoek van den kerker plaatste: "hier is brood en water, doch ik heb +nog wat anders voor u meegebracht: zie hier een stuk kaas." + +"Kaas!" zeide Adel, met een vrij welluidende stem, en nam gretig het +aangeboden stuk in zijn magere handen. + +"Hoe nu!" hernam Aafke, terwijl ze hem verhinderde het dadelijk te +verslinden: "hebt gij reeds weder vergeten dat gij God om Zijn zegen +daarover bidden moet?" + +De ongelukkige voelde zich wel is waar teleurgesteld, doch legde het +stuk niettemin dadelijk naast zich neder, vouwde de handen, deed de +oogen dicht en bad luid: "Goede God! geef Uw zegen over dit voedsel." + +"Eet nu eerst dit stuk brood," zeide het meisje weder. De gevangene +voldeed hieraan, en weldra had hij het karige, doch voor hem +uitmuntende maal, met ongeloofelijke graagte verslonden. Toen hij de +laatste bete genuttigd had, vouwde hij uit eigene beweging nogmaals +de handen, sloot de oogen weder, en dankte op dezelfde wijze als hij +gebeden had. + +"Zoo is het goed!" zeide het meisje: "En nu, daar gij zoo wél onthouden +hebt wat ik u leerde, zal ik u ook eens wat moois laten zien dat die +goede God gemaakt heeft." Zij nam het mandje met bloemen, plaatste zich +naast den bewoner van dit sombere verblijf op het strooleger, nam toen +een fraaien tros seringen, en hield hem dien voor de oogen..... Adels +gelaat verkreeg, op het zien der schoone bloemen, eene uitdrukking +van kinderlijke blijdschap. "Mooi!" zeide hij, en vervolgde, telkens +zijne woorden afbrekende: "Mooi.... Adel hebben,.... moois van goeden +God,.... Aafke gekregen!" + +"God schenkt dit aan al zijne schepselen," hernam het meisje: "en +Hij wil het ook aan u geven, daarom heeft Hij u, nu Mechteld dood is, +mij tot verzorgster geschonken." + +"Mechteld!" riep Adel met een akelige stem, terwijl hij over zijn +geheele lichaam rilde. + +"Neen, wij zullen niet meer aan haar denken,'" hernam Aafke +medelijdend: "Zij is dood, en God zal haar het kwade vergelden, +dat zij u gedaan heeft." + +Intusschen had de ongelukkige Adel de bloemen reeds alle met verrukking +beschouwd en om zich heen geschikt. De liefderijke verzorgster ging +voort met hem op de schoonheid er van opmerkzaam te maken, verhaalde +hem voortdurend van de wonderen Gods, en vroeg hem eindelijk: "En zoudt +gij ook niet gaarne die aarde zien, waar al dat schoone op groeit?" + +Adel begreep niet recht wat het meisje daarmede wilde zeggen, en zag +haar vragende in de oogen. + +"Ziet gij dien blauwen hemel wel?" ging zij voort, naar het getraliede +venster wijzende: "Daarboven is God, en Hij kan u ook dáár brengen +als Hij dat goed vindt." + +"Gaan! dáárheen gaan!" zeide de jonkman terwijl hij den hals uitrekte. + +"Luister!" vervolgde Aafke: "die God wil u daar ontvangen, doch dan +moet gij ook Zijn heiligen Zoon bidden, dat Hij u komt verlossen." + +"Verlossen!" zeide Adel weder en strekte zijne armen naar de opening +uit. + +"Zoo moet gij dikwerf bidden," zeide het meisje: "en dan zal God u van +den booze bevrijden," doch eensklaps sprong zij verschrikt op, want +duidelijk hoorde zij een zwaren tred van de trappen naar beneden komen. + +In haastige drift gaarde zij terstond de verspreide bloemen bijeen, +wierp die in den spijskorf, en was juist daarmede gereed, toen Rosio +zich aan den ingang vertoonde. + +"Geloof vrij, Adel!" zeide het meisje nu luide: "dat ik u ditmaal voor +het laatst tot het gebruiken der spijzen heb aangemaand. Ik doe het +niet meer, en dan kunt gij ondervinden wat het zegt den hongerdood +te sterven!" Vervolgens keerde zij zich naar de deur, en hield zich +alsof zij verschrikte, toen zij den rentmeester ontmoette. + +Adel verstond de laatste snel gesprokene woorden van zijne weldadige +verzorgster niet, maar hield steeds het hoofd en de handen naar het +venster uitgestrekt; doch zoodra hij bemerkte, dat Aafke vertrokken +en Rosio den kerker was binnengetreden, kromp hij in een, en verborg +het hoofd tusschen de knieën. + +"Ik beveel u te eten!" sprak Rosio: "of ik zal u een kost geven, +die u minder smaken zal. Op deze wijze, verstaat gij?" en hij toonde +het ongelukkige wezen een stuk touw, in welks einde een dikke knoop +was gelegd. + +Adels angstig gekerm klonk door het hol; en nadat Rosio nog een +bespiedenden blik door den kerker had geworpen, verwijderde hij zich, +sloot de deur zeer zorgvuldig dicht, en trad weinige minuten daarna +het vertrek der gravin Van Bergen binnen. + +"De hemel mag weten," ving hij aan, terwijl hij zich verstoord op +een stoel wierp: "wat sedert Mechtelds dood, zulk eene verandering +bij dien Adel heeft teweeggebracht. Sinds Aafke hem verzorgt is hij +dezelfde niet meer." + +"Wellicht is dit toe te schrijven aan den indruk, dien een jonge +vrouw op hem maakt," zeide de gravin. + +"Hetgeen gij vooronderstelt Mathilde, kan er geenszins de oorzaak van +zijn," hernam de gunsteling: "Van liefde kan hij in zijn kindschen +staat onmogelijk eenig gevoel hebben. Neen, de veranderingen, die ik +bij hem bespeur, zijn ook van een anderen aard. Bij kastijding biedt +hij geen den minsten wederstand meer. Hij is gedwee, en hoewel het +meisje verzekert dat hij meermalen weigert spijze te nemen--hetgeen +hij vroeger nimmer deed--ziet hij er toch bijzonder goed uit; doch wat +mij het meest verwondert, is, dat zijne vroeger onverstaanbare klanken, +thans in goed verstaanbare woorden herschapen zijn. Zeer toevallig heb +ik hem eenige woorden hooren zeggen, en indien ik mij niet bedrieg, +dan heeft hij zelfs het woord verlossing geuit." + +"Dan zijn wij op weg om door die ellendige huichelaarster verraden en +verkocht te worden," borst de gravin los: "Heeft uw sluwe blik dit +niet eerder bespeurd? Heeft die eenvoudige deerne u dan reeds bijna +twee maanden om den tuin geleid? Tegen mijn wil, hebt gij dat kind voor +een vertrouwde in de plaats gesteld! Ik heb het u afgeraden, doch gij +waart verzekerd, dat uw ellendig sprookje, van een gevallen zondaar +die de kerk ter loutering, onder 't zegel der diepste geheimhouding, +aan ons ter bewaking zou hebben toevertrouwd, ten volle door haar +geloofd werd. Kleeft haar vader niet de kettersche gevoelens aan, +en is misschien de dochter daar ook niet mede besmet? Gij hebt dwaas, +ellendig dwaas gehandeld Rosio! De knaap sprak nu reeds van verlossing; +wie anders dan het meisje kan hem die denkbeelden hebben ingegeven? Is +dát uwe waakzaamheid? Oogenblikkelijk moet gij voor andere oppassing +zorgen, of anders zal ik zelve die taak op mij nemen. Wat het meisje +aanbelangt, gij zult met haar spreken; gij zult haar uw sprookje +waarschijnlijker maken, haar uwe vermoedens mededeelen, en haar onder +het oog houden, dat zij de grootste zonde begaat, met een, door God +veroordeelde, liefderijk te behandelen. Neen! het voorwerp mijner wraak +zal geen verzachting in zijn lot ondervinden," ging zij met gloeiende +wangen voort: "maar dit zeg ik u: verzeker u van de stilzwijgendheid +der ontslagene verzorgster, eer zij ons heeft verraden!" + +"Gij hebt gelijk!" antwoordde de rentmeester, door den woordenvloed +der boosaardige vrouw van zijn stuk geraakt: "Nog dezen avond +zal ik voor Aafkes stilzwijgendheid en voor hare plaatsvervanging +zorgen. Verontrust u niet; tot hiertoe weet ik dat zij nog niemand +deelgenoot heeft gemaakt van hetgeen zij gezien en vernomen heeft; +de betrekking van haar vader hing van hare stilzwijgendheid af. Ik +zweer u Mathilde, zij zal niet spreken, en nog dezen avond rijd ik +naar de Roemer, om u spoedig eene goede plaatsvervangster te bezorgen." + +Het was de dochter van den hovenier niet mogelijk den slaap te +vatten. Verscheidene malen wendde zij zich op hare legerstede om, doch +tevergeefs; telken reize hoorde zij nog de schrikkelijke bedreigingen, +die de rentmeester der gravin haar dezen middag had toegesproken. Zij +mocht den ongelukkigen Adel niet meer bezoeken! Goede God, en alles +wat zij met zooveel moeite had opgebouwd, en die gevoelens, welke zij +met zooveel inspanning bij hem had zoeken aan te kweeken, dat alles +zou nu op eenmaal weder afgebroken en verwoest worden!--En waarvoor +versmachtte dat ongelukkige wezen daar dan zoo wreedaardig in dien +schrikkelijken kerker? Neen, het kwam haar nu duidelijk als ongerijmde +logentaal voor, dat dit goede zwakke schepsel een kind des duivels zou +zijn; dat dit zachte lijdzame wezen, reeds bij zijne geboorte zijne +moeder zou hebben gevloekt en om het leven gebracht. Waarom dan de +vrees van den rentmeester, dat zij die eenvoudige waarheid aan anderen +zou mededeelen? Waarom moest zij voor iedereen, zelfs voor haar vader +verbergen, dat zij een schepsel verzorgde, die voor zware zonden boete +deed? En gesteld dit ware zoo, vervolgde het meisje bij zich zelve, nog +niet geheel ontdaan van de wanbegrippen der bijgeloovigheid. Gesteld +het ware werkelijk een verworpen wezen, een gevallen engel, dien God +op de wereld teruggezonden had om smarten en pijn te lijden, zou het +dan niet des Hemels doel zijn geweest, om hem hier weder op te voeden +en geschikt te maken voor den gelukstaat waarvan hij helaas, vervallen +is? Moet men hem dan maar aan zijn rampzalig lot overlaten?--"O goede +hemelsche Vader!" bad zij in stilte: "doe mij naar Uw wil handelen, +en leer mij mijn plicht kennen!" + +Doch eensklaps werd het meisje weder angstig bevreesd; nogmaals +herinnerde zij zich de vreeselijke bedreiging, die Rosio over haar +had uitgesproken, indien zij verried wat, volgens zijn zeggen, +voor de wereld geheim moest blijven. En reeds had zij dat bevel +overtreden. Reeds weken geleden had zij de geschiedenis, zooals +Rosio die verhaalde, en het lot van den rampzaligen Adel, aan een +vreemdeling medegedeeld, en had zij voor hem om redding en bescherming +gesmeekt. Wat stond haar te doen? Hevig woedde in haar binnenste +de strijd tusschen waarheid en bijgeloof, tusschen medelijden en +bezorgdheid voor het lot harer naaste betrekkingen, tusschen een +natuurlijk gevoel van plicht en de ontzaglijke bedreiging van den +man, dien men op de Blankert reeds gewoon was als heer en meester +te beschouwen. Wat in haar overwonnen had, wist zij zelve niet, +want het strijdvoeren werd hoe langer hoe flauwer, het strijdperk +werd met een dichten zwarten sluier bedekt. Een vaste slaap had de +oogleden van het meisje dichtgedrukt. + + + +Het begon reeds schemeravond te worden, toen Rosio, op een kloek +paard gezeten, de Blankert verliet. Een ronde hoed, waarvan de breede +rand zijn gelaat schier geheel verborgen hield, bedekte zijn hoofd, +en een groote bruine mantel hing van zijne schouders, over het paard, +tot op zijne voeten neder. + +De avondlucht was vrij koel, en zoodra Rosio op den zandweg gekomen +was, gaf hij zijn ros de sporen, en vervolgde in een gestadigen draf +zijn weg. + +Bij het Steenen kruis sloeg hij links de populierlaan in, en +berekende, dat hij, alzoo doorrijdende, binnen een uur aan de Roemer +kon zijn. Deze herberg, welke op een kwartier uurs afstand van Leiden +was gelegen, onderscheidde zich luttel van andere herbergen uit dien +tijd. De vermoeide reiziger kon, bij een uitwendige beschouwing, weinig +hoop voeden, in dien Roemer een zacht nachtleger te zullen aantreffen, +want het perceel zag er deerlijk verwaarloosd en vervallen uit. De +voorheen gepleisterde geval was thans geheel ontpleisterd. De vensters +en luiken waren, evenals de kleine deur, geheel verveloos. De in +lood gevatte glasruiten hadden voor 't meeren deel barsten, en waar +het glas geheel ontbrak, was het door papier of invulsels van oude +lompen vervangen, terwijl het meergemelde uithangbord nog slechts +aan ééne kram heen en weder bungelde. + +Bij het binnentreden ontwaarde men een vrij sterke evenredigheid van +het inwendige met het uitwendige. Het voorhuis, of de zoogenaamde +gelagkamer, was slechts schaars van meubelen voorzien. Een groote +bruingeverfde tafel stond midden in het vertrek. De zitplaatsen +waren houten banken, benevens weinige stoelen met versleten biezen +zittingen, en het eenige pronkmeubel was een geelgeverfde kast, waarop +eenig blauw aardewerk prijkte. De vloer, van roode steenen eindelijk, +was met fijn wit zand bestrooid, en achter de zitplaats der waardin +stonden, op houten schappen, de schenkkannen, die met bier, jenever +en brandewijn gevuld, op de komst van vermoeide reizigers wachtten, +om hen met hun inhoud te laven. + +De beheerscheres van dit verblijf was eene vrouw van ongeveer zes +en vijftig jaren. Aan haar gelaat kon men vrij duidelijk bespeuren, +dat zij reeds lang gewoon was met lieden van den minsten slag om te +gaan, en haar hoogroode kleur bewees dat het geenszins hare gewoonte +was, om het gebruikelijke toebrengen van een roemer geestrijk vocht +achterwege te laten. + +Op het oogenblik waarvan wij spreken, was er slechts één gast +aanwezig, die, in een hoek gezeten, onder het genot van eene kan bier, +zijne tabakswolken zat uit te blazen, terwijl de waardin zich juist +knikkebollend eenige rust gunde, toen er vrij sterk aan de deur werd +geklopt. De vrouw wreef zich de oogen; nam de lamp, die vóór haar +op het aanrecht had staan branden, en vroeg met een schelle stem: +wie binnengelaten wenschte te worden? + +"Een reiziger," was het antwoord. + +"Zeer goed," sprak zij; schoof toen spoedig de grendels der dubbele +deur op zijde, en een vreemdeling trad de herberg binnen. + +"Kunt gij mij een nachtleger bezorgen?" vroeg de nieuw aangekomene. + +"Een kostelijk nachtleger zelfs, uw edelheid!" antwoordde de waardin, +terwijl zij, na de deur te hebben gesloten, een stoel bij de tafel +plaatste: "Ik zal u het opkamertje geven, daar heeft Casper voorheen +altijd geslapen, doch nu is het onbezet daar hij,--de Hemel weet +door welk toeval, levenloos in eene sloot is gevonden. Maar neem +plaats!" vervolgde zij: "Uw edelheid schijnt zeer vermoeid. Zijt gij +reeds ver gekomen? Doch wacht, ik zal u van die pakkage ontlasten; +geef mij dat kistje maar in bewaring, edele heer!" + +De vreemdeling zag de vrouw met een angstigen blik aan. "Volstrekt +niet," zeide hij, haar afwerende: "Neen, ik zal het zelf +bewaren. Niemand ter wereld vertrouw ik dezen schat toe. Het éénige, +wat ik bezit.... het éénige, wat mij nog is overgebleven, bevindt +zich dáárin; nooit geef ik het uit mijne handen." + +De waardin nam den vreemdeling steelsgewijze van het hoofd tot de +voeten op; sloeg een bespiedenden blik naar het voorwerp, waaraan de +reiziger zooveel waarde hechtte, en ging toen vertrouwelijk voort: +"Zooals gij wilt, edele heer! doch geloof mij, wat ik bewaar, +is zeker en veilig; ik bewaak alles, wat mijn gasten toebehoort, +steeds als ware het mijn eigendom." + +De vreemdeling evenwel, was geenszins geneigd zijn schat aan de +bewaking der waardin over te geven, maar plaatste het kistje--dat +tamelijk groot en vierkant, doch zeer plat en slechts uit ruw hout +vervaardigd was--vóór zich op de tafel. "Geef mij wat brood en een +glas bier," zeide hij: "doch maak spoed, want ik heb den geheelen +dag nog niets gebruikt, en verlang zeer naar rust." + +"Ik zal er uw edelheid een goed stuk gerookte ham bij geven," sprak +de waardin, en spoedde zich om het gevraagde in gereedheid te brengen. + +De reiziger, die door de kasteleines gedurig met den titel van "uw +edelheid" was vereerd, onderscheidde zich wel door een meer beschaafd +voorkomen van de gewone bezoekers dezer herberg, doch had evenwel +het voorrecht niet een edelman te zijn; zelfs gaven zijne gelapte +kleederen en versletene schoenen hem zeer weinig het aanzien tot een +stand te behooren dien de waardin hem toekende. Zijne oogen waren +klein, en schitterden nu eens van een levendig vuur, en staarden dan +weder somber en dof op zijn schat. + +"Komt gij reeds ver vriendschap?" vroeg de man, die tot dusverre door +den vreemdeling niet was opgemerkt. + +De aangesprokene wendde zich tot den vrager, en antwoordde, terwijl +hij de handen op het vóór hem staande kistje legde: "Dezen morgen +ben ik van Utrecht gegaan, en hoewel ik gedacht had nog van avond +Den Haag te zullen bereiken, gevoelde ik mij, tot hier gekomen, +te vermoeid om mijn weg te vervolgen." + +"Gij kondt ook niet beter doen dan bij vrouw Barbara uw intrek te +nemen," hernam de man: "zij heeft goeden brandewijn en geeft volle +maat." + +De vreemdeling antwoordde niet. + +"Komt gij reeds verder dan 't Sticht?" ging de vrager voort. + +"Uit het Luiksche!" was het bescheid. + +"Ha! zoo!" hervatte de man weder: "Dat moet een goed land zijn. De +bieren zijn daar kostelijk en niet duur; ik heb dikwijls van de +Brabantsche bieren hooren spreken. Ons brouwsel is ellendig bitter of +zuur; ik kan het er niet bij houden. Wat den brandewijn betreft, die is +redelijk. Hé kameraad, gij moest mij eens op een slok onthalen?--Gij +hebt...." hier werd de spreker eensklaps gestoord door een krachtig: +"Doe open!" van buiten, en vrouw Barbara, die juist met het door +den vreemdeling bestelde kwam aandragen, plaatste dit spoedig op de +tafel, en, na een kort bescheid op de gebruikelijke vraag: "Wie is +daar?" opende zij de deur, en ontwaarde iemand te paard, die, in een +langen mantel gehuld, voor de herberg had stil gehouden. + +"Heer in den Hemel!" riep de waardin, toen zij den ruiter bij het +schijnsel der lamp herkende: "Wie had gedacht dat...." + +"Stil!" fluisterde de man te paard, die de rentmeester Rosio was: +"Stil! Is er volk in de gelagkamer?" + +"Er zijn slechts twee manspersonen," hernam vrouw Barbara insgelijks +zacht: "doch zij zullen zich spoedig ter rust begeven. Blijft mijnheer +de rentmeester dezen nacht in mijn herberg?" + +"Neen," antwoordde Rosio: "ik kom u slechts over eene zaak van +belang spreken. Houd u alsof gij mij niet kent en breng het paard +in het schuurtje." "Zeer wel!" zeide de waardin. Rosio stapte af,en +terwijl de vrouw het doornatte beest naar het schuurtje bracht, +trad de eerstgenoemde de gelagkamer binnen. + +De jonge vreemdeling--want ouder dan hoogstens acht en twintig jaren +was hij niet--had intusschen de spijzen naar zich toegetrokken, en +was bezig ze met eene hoogst natuurlijke graagte te nuttigen. De man, +die hem even te voren om een dronk gevraagd had, sloeg hem met een +wangunstig oog gade, en beiden beantwoordden slechts vluchtig den +groet, dien Rosio hun bij het binnentreden had toegeworpen. + +"Welnu!" hervatte de man, toen Rosio gezeten en Barbara teruggekomen +was: "Welnu kameraad! wat dunkt u van den slok brandewijn? 't Zal uwe +gezondheid zijn. Ik ben maar een arme duivel, een ellendige platzak, +en gij kunt het zeker wel missen, want naar het schijnt hebt gij nog +al kostbare zaken in uw bezit." + +"Ik heb ternauwernood genoeg om morgen de waardin te betalen," +antwoordde de jonge reiziger. + +"Dan zal ze dat vrachtje wel in betaling willen nemen," bromde de man, +en sloeg een begeerigen blik naar het bedoelde kistje. + +De tegenwoordigheid der beide mannen beviel Rosio niet, en hoewel het +te vermoeden was dat de jonkman spoedig zijn nachtleger zou opzoeken, +zoo vreesde hij toch, dat de ander met zijn ongeleschten dorst nog +lang hunkerend naar een dronk zou blijven uitzien. Hij wenkte daarom +de waardin: fluisterde haar iets in het oor, en deze zeide daarop +tot haar eersten gast: + +"Welnu, Aaij (Arie), deze heer kan niet zien dat iemand dorst lijdt; +hij zal u een glas brandewijn geven, onder beding, dat gij zijnedele +niet meer lastig valt, maar spoedig naar bed zult gaan, want het +is hem onmogelijk in uw tabakswalm te blijven zitten. Uw mond is, +bij mijne ziel! ook niets anders dan een eeuwig rookende schoorsteen." + +"Tap op dan, oude tooverkol!" zeide Aaij, zeer tevreden met +de aanbieding der waardin, en nadat hij zich nog eenmaal in een +zwarte rookwolk had gehuld, stak hij het dikke aarden pijpje in een +pijpendoosje en vervolgens in den zak van zijn wambuis. + +De jonge vreemdeling had inmiddels, na zijn maal geëindigd te hebben, +het houten kistje geopend, en beschouwde door een nauwe opening van +het deksel, den inhoud met een paar oogen, als waarmee de vrek zijn +stapels goud schijnt te verslinden. Rosio kon, schuins achter hem +gezeten, den inhoud gedeeltelijk ontwaren; doch Aaij,die tegen het +deksel zag, had gaarne zijn slok gegeven als hij mede eens even dien +kostbaren schat had mogen beschouwen. + +"Dat schijnt een zeer fraai kunststuk te zijn," ving Rosio aan, +die, zijne plaats verlaten hebbende, achter den jonkman had post +gevat. Deze, niet vermoedende dat men hem gadesloeg, zag verschrikt om, +en den man met den ronden hoed achter zich bemerkende, riep hij met +vonkelende oogen: "Schoon! Schoon! O! niemand dan ik alleen doorgrond +de schoonheid van dit stuk, het is meer dan een aardsch wezen, het +is een engel! Zie," vervolgde hij, en lichtte het deksel wat hooger +op: "zie, hebt gij op aarde ooit zulk een wezen aanschouwd? Nooit, +nietwaar? O neen! dat is het goddelijk vermogen der kunst, de +kracht der verbeelding! Hebt gij ooit zooveel schoonheid, zooveel +lieftalligheid en hemelsche reinheid tevens, in één menschelijk wezen +vereenigd aangetroffen?" + +Rosio, die het schilderstuk, dat een madonna met het kind voorstelde, +nauwkeurig beschouwde, meende echter voor zichzelven die trekken te +herkennen, en antwoordde op de ontboezeming des jonkmans: + +"Voorzeker moet ik bekennen dat het wezen der Heilige Maagd zeer +schoon en bevallig mag genoemd worden, doch bovenaardsch is het niet, +ik, ten minste, meen mij deze trekken zeer duidelijk te herinneren." + +"Gij meent," hernam de vreemdeling met een sombere melancholieke +stem: "Ik meende ook, doch helaas! het was een droom, niets dan +een droom! Gij bedriegt u, het is een ideaal, eene fantasie, het +uitvloeisel eener opgewonden verbeelding. Nooit heeft de groote Raphaël +voorheen zulk een oogenblik gehad." De jonkman beschouwde nogmaals het +bekoorlijke beeld, en deed toen het deksel van het kistje behoedzaam +weder dicht. + +--Een Raphaël d'Urbino! dacht Rosio. "Voorzeker," zeide hij overluid: +"deze Madonna moet dan wel zeer kostbaar zijn; die stukken hebben, +naar ik vermeen, een groote waarde?"' + +"Met geen schatten ware mij dit te betalen!" hernam de vreemdeling: +"eer zal ik van ellende en gebrek omkomen, dan deze beeltenis, tot +welken prijs ook afstaan." + +Spoedig na dit gesprek gaf de jonge vreemdeling te kennen dat hij +zijne slaapplaats wenschte op te zoeken; de waardin draalde niet aan +zijn verlangen te voldoen, maar opende de deur van het opkamertje, +en wenschte den edelen heer een goeden nacht. + +Aaij was bij het laatst gesprokene een aandachtig toehoorder geweest, +en toen hij den vreemdeling zijn slaapvertrek zag binnentreden, nam +hij het edelaardig besluit, om den zwakken reiziger zijn verderen +tocht te verlichten, door hem van dat kostbare vrachtje te ontlasten. + +Ook hij begaf zich weldra naar zijn slaapplaats. Vrouw Barbara wees +hem daartoe den kleinen zolder aan, die slechts met een verganen +plankenvloer van de gelagkamer gescheiden was. Toen de waardin zich +verwijderd, en Aaij de lamp had uitgeblazen, ontwaardde de laatste +een breede spleet in den vloer, waardoor hij alles kon zien wat er +beneden hem voorviel, en zag nu al spoedig zeer duidelijk dat de man +met den bruinen mantel in een geheimzinnig onderhoud met de waardin +was getreden. + +"Neen! Neen mijnheer!" hoorde Aaij de vrouw zeggen: "ik dankte voor +dertien jaren de Heilige Maagd dat ik dat postje kon overdoen, ik heb +toen zes jaren achtereen reeds angst genoeg uitgestaan, en het heeft +mij in dien tijd menigen droppel zweet gekost, maar nu... Ik heb er +het mijne van!" + +"Gij zijt een zot wijf, Barbara!" antwoordde Rosio zeer zacht: "Wie +is er beter voor berekend dan gij? Werd u die angst niet ruimschoots +betaald, en kunt gij niet op een nog ruimere belooning rekenen, +wanneer gij thans uw vroegere voogdijschap herneemt?" + +"Ja wat die belooning aangaat," bromde de waardin: "die was, bij +mijne ziel! karig genoeg. Wat zeggen die weinige kronen! Het grootste +gedeelte heb ik aan aflaten verknoeid om der ziele wil; maar nu, om +mij nogmaals te verbinden! neen, zie, daar kan ik tot mijn leedwezen +niet toe overgaan." + +"Gij vergeet, Barbara," hernam Rosio: "dat gij u een goeden ouden +dag bezorgt. Op de Blankert hebt gij alles wat uw hart kan begeeren, +terwijl hier...." + +"Ik ben aan de Roemer gehecht," viel de waardin hem in de rede: +"Ik ben hier geboren, en wil ook, dat mijn zondige ziel van hier +zal verhuizen." + +"En zoo u dan eens in 't vervolg de jaarlijksche toelage ontnomen +werd?" hervatte Rosio: "Zoo de gravin u eens zonder ondersteuning +liet? Geloof vrij, Barbara, gij zoudt weldra in uw bijna altijd +ledigen Roemer van gebrek en ellende moeten omkomen." + +"Omkomen? omkomen?" riep de waardin met een vrij sterke stem: +"Ja, dat geloof ik, maar dan," en zij grinnikte kwaadaardig: "dan, +bij mijn zondige ziel! zou de duivel u vooraf aan het rad of aan de +galg gebracht hebben. Neen, brave heer Rosio," ging zij zachter voort: +"daarvoor is Barbara te oud en verstandig geworden. Uw geheugen schijnt +u ontrouw te zijn, want dáár," en zij wees op de geel geverfde kast: +"dáár zijn de stukken die tegen U zouden kunnen getuigen. Als ik +hier van gebrek omkom, zal úw lichaam reeds tusschen lucht en aarde +gedwarreld hebben, en mogelijk zou dit voor mijn zondige ziel in het +loutervuur van een groote waarde zijn." + +"Bedaar! bedaar!" zeide Rosio op vriendelijker toon: "Welk een zotte +taal voert gij nu! Gij spreekt als ware u reeds het grootste onrecht +geschied. Zoo gij zelve niet wilt, welnu, de gravin Van Bergen zal +uwe diensten daarom niet vergeten. Geef ons slechts goeden raad. Zend +ons een vertrouwd persoon; gij hebt toch wel kennissen van dat soort; +en wat die papieren aanbelangt...." + +Hier kon Aaij niet verder onderscheiden wat er gesproken werd, +doch steeds met zijn oog door de reet van den vloer glurende, zag +hij Rosio kort daarop zijn afscheid nemen, en hoorde hij weder eenige +oogenblikken later het hinniken van een paard, hetwelk den rentmeester +naar het kasteel de Blankert terugvoerde. + +Hoewel het gevoerde gesprek voor Aaij weinig belangrijks had +opgeleverd, zoo was toch zijne nieuwsgierigheid opgewekt, en gevoelde +hij een sterke neiging, om de stukken te bezichtigen, die, volgens +Barbara's woorden, zoo krachtig tegen dien heer konden getuigen. + +Weldra werd het geheel stil in de kleine woning; de waardin had +zich ter rust begeven, en niets liet zich hooren dan het afwisselend +geblaf van eenige honden, die elkander van de naburige pachthoeven +toespraken. Behoedzaam trok Aaij nu zijn dikke lederen schoenen uit, en +sloop, met nauwelijks hoorbaren tred, de steile zoldertrap af. Spoedig +bevond hij zich in de gelagkamer, en zag bij het schijnsel der maan, +dat door de luikgaten naar binnen drong, de aangeduide kast, waarin +zich die belangrijke stukken moesten bevinden. De behendigheid, +waarmede Aaij, met behulp van een ijzeren haakje, het slot deed +openspringen, bewees genoegzaam, dat hij dit handwerk niet voor de +eerste maal verrichtte. + +De inhoud van het ontsloten meubel leverde echter, buiten hetgeen +hij er voornamelijk ging zoeken, weinig belangrijks op. Een zilveren +Christusbeeldje met wijwatersbakje van hetzelfde metaal, keurde hij +het meest zijner aandacht waardig, en deed beide derhalve in zijn +zak verdwijnen; de breekbare voorwerpen, waarmede de kast verder voor +het grootste gedeelte was opgevuld, hadden voor hem weinig waarde en +zouden ook moeielijk te vervoeren zijn. Zijne nasporingen bepaalden +zich dus alleen tot de genoemde papieren. Het slot eener kleine lade +week eveneens spoedig voor de macht zijner kunstbewerking. De inhoud +van deze lade was meer naar zijn zin. Eenige goudstukken, door de +spaarzame waardin bijeengegaard blonken hem vriendelijk tegen, en +zonder bedenking deed hij die insgelijks naar zijn zak verhuizen. Zoo +voortsnuffelende, ontdekte de sluwe dief nog een kleinere verborgene +lade, en toen hij deze geopend had, vond hij tot zijne blijdschap +eene rol papieren, die zonder eenigen twijfel de bedoelde bewijzen +zouden bevatten. + +Dat is één! zeide Aaij bij zich zelven, toen hij een en ander +zorgvuldig bij zich had gestoken en de kast weder in het slot deed +springen: Nu den anderen schat! en even behoedzaam ging hij de vier +aan het kelderluik bevestigde trappen op, en trad met ingehouden adem +het slaapvertrek des jongen vreemdelings binnen. + +Een diepe slaap had zich van dezen meester gemaakt. Het houten kistje, +dat Aaij tevergeefs op stoel en tafel zocht, ontwaarde hij eindelijk in +de bedstee des jonkmans. Voorzeker had deze, toen hij zich ter ruste +had nedergelegd, het in zijn arm gehouden, doch, ingeslapen zijnde, +het weder losgelaten. + +Met een ongeloofelijke voorzichtigheid maakte de nachtelijke dief +zich van het kistje meester; opende het; nam het schilderstuk er uit, +en legde toen het ledige voorwerp, ofschoon goed gesloten, weder +even voorzichtig op den arm des slapenden neder.--Nauwelijks had hij +echter den stoutmoedigen diefstal gepleegd, of de vrees bekroop hem, +dat de vreemdeling zou ontwaken. Deze toch maakte een lichte beweging; +greep met beide handen naar het ledige omhulsel van zijn dierbaren +schat, en lispelde zacht, als zong hij een klaaglied: + + + "Haar afscheid was een zoet vaarwel, + Zij drukte mij de hand en snel + Was zij van mij gegaan." + + +--Droom genoeglijk voort, dacht Aaij, wiens vrees van ontdekt te +zullen worden, door het weer rustig nederliggen des jonkmans geheel +was geweken: Droom genoeglijk voort, en de hemel beware mij, dat die +kostbare juffrouw ooit weder in uwe handen zal komen. Wel voldaan +over den goeden uitslag van zijn nachtelijke huiszoeking, kwam Aaij +op zijn zolderkamertje terug, en daar hij er geenszins op gesteld was +de ontwaking der waardin af te wachten, stiet hij het zoldervenster +open, sprong, met zijn buit beladen, naar beneden, en kwam, zonder +eenig letsel, in het mulle duinzand neder. + +De zon stond reeds vrij hoog aan den hemel, toen de jonge +vreemdeling--wien onze Lezer reeds lang zal herkend hebben--uit zijn +vasten slaap verkwikt ontwaakte. + +Vrouw Barbara, die weinig vermoedde welk een jammerlijke ontdekking +haar te wachten stond, was reeds eenige uren met huiselijken arbeid +bezig geweest, en had zich juist verwonderd dat haar beide gasten +zoolang sliepen, toen de vreemdeling haar uit zijn slaapvertrek te +gemoet trad; zijn rekening met haar vereffende, en--steeds met zijn +goed gesloten kistje onder den arm--al spoedig ook de Roemer verliet. + +De dag was zeer drukkend; geen windje bewoog de bladeren, geen tochtje +verfrischte het met zweet en stof overdekte gelaat van den jongen +kunstschilder. Evenwel stapte hij onvermoeid voort. In zijn rampzaligen +toestand was het zijn eenige streven om toch zoo spoedig mogelijk Den +Haag te bereiken, ten einde er aanstonds aangifte van het gebeurde +te doen. Reeds was hij tot aan de laan van het Nieuwe Oost-Einde, +op omstreeks een kwartier afstands van Den Haag gekomen, toen hij +uit zijn droeve mijmering werd opgewekt, door het zien van een dikke +stofwolk die zich in de verte vertoonde. Een fraai rijtuig met twee +paarden bespannen, naderde al meer en meer. Een postiljon reed voorop, +en in den wagen zelf was een edelman van reeds meer dan middelbaren +leeftijd gezeten, die aan zijn linkerzijde eene schoone jonge dame had. + +"Welnu," zeide de edelman, die niemand anders dan de graaf Van Bergen +was: "Welnu Gonne! dit toertje moet u wel bevallen. Gij geniet, +dunkt mij, zoo, op een gemakkelijke en aangename wijze de buitenlucht." + +"Voorzeker lieve vader!" was Adelgondes antwoord: "Eene wandeling +zou te vermoeiend zijn." + +"Vooral bij zulk drukkend weer," hernam Van Bergen: "het is waarlijk +zoo warm alsof wij reeds in de hondsdagen waren.--Zie dien armen +wandelaar dáár," vervolgde hij, Adelgonde op den zooeven door ons +verlaten jonkman wijzende: "Zie eens, de zweetdroppels parelen hem op +het gelaat. De arme drommel neemt ons wel nauwkeurig in oogenschouw." + +"Zijn doordringende blik jaagt mij bijkans vrees aan," zeide Adelgonde, +en richtte hare oogen naar de andere zijde van den weg. Doch nauwelijks +had zij opgehouden den reiziger aan te zien, of een kreet van: +"Houdt op! Houdt op!" trof hare oogen. + +"Mijn ideaal! mijn droom! houdt op!" riep de jonkman nogmaals, en hield +de armen naar het rijtuig uitgestrekt. Doch de postiljon, onmeedoogend, +en niet geneigd aan de bede van den landlooper gehoor te geven, deed +zijne zweep door de lucht klinken; de kloeke paarden renden rapper dan +te voren, en weldra verdween het rijtuig weder in een dikke stofwolk. + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + +De wapenschorsing, door de Staten met Spanje gesloten, was met het +begin van Bloeimaand ten einde geloopen, en de Vereenigde Gewesten +begonnen nu hoe langer hoe duidelijker in te zien dat de Spaansche +gezanten bedekt spel speelden. Voor het grootste gedeelte verdroot +het den gemachtigden van onze zijde derhalve, langer over een vrede te +onderhandelen, welke zij wel begrepen dat nimmer tot stand zou komen. + +Vooral op het punt van godsdienst--die voorname oorzaak van den +Spaanschen krijg--vermoedden zij dat de Spanjaard hun eischen zou doen +en wetten zou willen voorschrijven, waarin zij van hunne zijde nooit +zouden kunnen treden, en geenszins was het dus te verwonderen dat +velen verlangden de onderhandeling met Spanje zoo spoedig mogelijk +af te breken. Prins Maurits vooral noemde het eene dwaasheid de +wapenschorsing voor langeren tijd te verlengen dan hoog noodzakelijk +zou zijn. De provinciën Friesland, Utrecht en Zeeland deelden in +zijn gevoelen, en stelden voor, het bestand slechts tot het einde van +Hooimaand te verlengen. Oldenbarneveld echter hield een vrede geenszins +voor onmogelijk, en deed derhalve wat hij kon om de schorsing tot het +einde des jaars te rekken. De overige provinciën vielen hem bij, en +de overredende taal van den schranderen advocaat, deed hem eindelijk, +hoewel met groote moeite, zijn wensch verkrijgen. De wapenstilstand +werd tot het einde des jaars verlengd, onder beding echter, dat de +onderhandelingen volstrekt niet langer dan uiterlijk tot den laatsten +van Herfstmaand mochten worden voortgezet. + +Alonzo Spinola kon zich zelven de vraag niet beantwoorden, of de +verlenging van het verblijf des gezantschaps in Holland, voor zijn +bijzondere belangen al dan niet wenschelijk was. + +In deze oogenblikken gevoelde hij zich als een reiziger, die de plaats +zijner bestemming zoekt te bereiken, en onverhoeds op zijn weg een +breeden stroom ontwaart. Zal hij terugkeeren en den wensch opgeven +het schoone land te betreden waar geluk en voorspoed hem verbeiden? of +zal hij zich zonder aarzeling in dien stroom werpen, zijne wellicht te +zwakke krachten aanwenden, en moedig met het element en zijne gevaren +kampen? Hij stond besluiteloos, en evenals de reiziger, staarde hij met +weemoed op den breeden hinderpaal, die zich tegen zijn geluk kantte. + +Zijn twijfelmoedig karakter bracht hem tot den vruchteloozen wensch, +dat hij nimmer dat land van geluk en zaligheid mocht aanschouwd +hebben.--O! dacht hij: waarom moest ik ook herwaarts komen! Waarom +moest ik hier eene vrouw leeren kennen, wier eerste blik een +onuitwischbaren indruk op mijn hart heeft gemaakt! Waarom moest +ik hier voor het eerst beminnen! Waarom haar beminnen, haar, die +nimmer de mijne kan worden!?--"Kan worden?" ging hij,--de laatste +woorden overluid met nadruk herhalende, voort: "Kan worden? Zou +het mij volstrekt onmogelijk zijn dat paradijs te betreden? Is dat +bekoorlijke wezen mij dan geheel onverschillig? Heeft zij een afkeer +van mij....? Goddank, neen! vervolgde hij en trok een brief uit zijn +fluweelen wambuis te voorschijn. Neen, deze regelen zelfs getuigen van +liefde. Welke noodlottige bezwaren er ook, na onze laatste ontmoeting +op den Oldenburgh, voor haar mogen ontstaan zijn, die woorden: +"Ik min u!" heeft zij nog geenszins teruggenomen. Ik heb mij harer +in dien tijd niet onwaardig gemaakt. Zie, hier staat het geschreven +Zij noemt mij haar vriend, zij heeft denzelfden wensch gekoesterd als +ik. O! dat zijn hare woorden: "Wij worden van elkander gescheiden. Ook +voor mij is de droom onzer liefde in rook verdwenen." + +Zoo dacht Alonzo een geruimen tijd. Nu eens verwenschte hij zijn +kleinmoedige voorbarigheid, en verweet zich zelven die schoone lelie +een brief te hebben geschreven, waarin hij zich van hare liefde +had zoeken los te maken, en wel om redenen die nimmer geldig konden +zijn. Want meer dan kleinmoedig toch moest het haar voorkomen, dat +hij, die haar waarachtig beminde, terugdeinsde voor een medeminnaar, +dien hij wist dat hare liefde niet bezat en haar tevens onwaardig was. + +Dan weder bedacht Alonzo de ware reden zijner handelwijze: Adelgonde +was eene dochter uit de heffe des volks, wellicht een kind der +schande. De man, die haar zou huwen, de moeder van haren pleegvader +zelve, hadden hem die noodlottige waarheid meegedeeld, en hij, +Spinola, de stamhouder van dat aloude geslacht, de zoon van den +markgraaf Ambrosio, kon, mocht hij die vrouw tot gade nemen? Nimmer +zou zijn vader dit dulden. Geen naam, hun edelen stamboom onwaardig, +zou ooit door hem gedoogd worden. De haat diens vaders, de minachting +der gansche familie, onterving, ellende, armoede, dit alles zou zijn +deel worden, hij kon, hij mocht aan zijn neiging geen voedsel geven, +en toch,--toch beminde hij Adelgonde Van Bergen sterker dan te voren. + +De loop van Alonzo's gedachten werd eindelijk gestoord. De knecht +uit de herberg van Gooswijn Meurskens, waar de markgraaf met een deel +van het gezantschap zijn intrek had genomen, trad het vertrek binnen, +en meldde iemand aan, die den jongen graaf wenschte te spreken. + +"Hoe is zijn naam?" vroeg de jongeling. + +"Ik weet het niet uw genade!" antwoordde de bediende: "Dezen morgen +heeft die man hier zijn intrek genomen. Hij schijnt een reiziger te +zijn die van verre is gekomen, en die, op het hooren van uw naam, +mij verzocht heeft hem bij u aan melden." + +"Het is goed, laat hem hier komen!" zeide Alonzo. + +Het duurde niet lang of de bedoelde persoon trad met de vreemdste en +nederigste strijkages Alonzo's kamer binnen. + +De man die, naar het uitwendige te oordeelen, weinig beschaving bezat, +stak bovendien in een zonderlinge, zelfs kluchtige kleeding. Het gele +met gouden boordsels omzette wambuis, was zijn bewoner veel te eng; +de breede schouders dreigden het vaneen te scheuren, terwijl de ruwe +handen en roode polsen zonderling uit de veel te korte mouwen te +voorschijn kwamen. De broek daarentegen, die van rood fluweel was, +had een verbazende wijdte en hing van achteren als een zak naar +beneden. De beenen van den man staken in grijze wollen kousen, zijne +voeten in open gele laarsjes, en op zijn hoofd prijkte een fluweelen +baret, aan welks linkerzijde een groote witte veer golfde, terwijl +hij op den linkerarm een grijzen mantel droeg, die in zeer breede +plooi ter nederhing. Zijn groote knevels en breede baard waren van +een donkere kleur, en onwillekeurig moest men de echtheid er van in +twijfel trekken, wanneer men het stekelig gele hoofdhaar beschouwde, +dat van onder den fraaien baret te voorschijn kwam. De degen, dien +hij aan de verkeerde zijde had vastgemaakt, was voor zijn lengte +omstreeks een halven voet te groot, zoodat alles te zamen niet kon +nalaten een potsierlijken indruk te maken, en den binnentredende veel +overeenkomst deed hebben met een figurant of koorzanger eener opera +uit den tegenwoordigen tijd. + +Alonzo die niet wist wat hij met dit vreemde model had uit te staan, +moest heimelijk glimlachen om de voortdurende strijkages, waarmee de +man hem bleef begroeten; eindelijk echter, dit gebarenspel moede, +begeerde hij te weten wat de bezoeker van hem verlangde of hem had +mee te deelen. + +"Uw genade vergunt mij te spreken." ving de man aan, terwijl hij in een +gebogen houding voor Alonzo staan bleef: "Welnu, dan moet ik uw genade +zeggen, dat er ten alle tijde geesten zijn geweest, en dat er ook ten +allen tijde geen geesten zijn geweest. Dat er ten huidigen dage groote +geesten zijn, en dat er evenzeer ten huidigen dage geen groote geesten +zijn. Uw genade ziet in mij een vereerder der geesten, en ik geniet +het onuitsprekelijke voorrecht tot een kenner der geesten te spreken." + +Het sprak vanzelf dat Alonzo van dien zotteklap niets begreep, +en het berouwde hem den zonderling bij zich toegelaten te hebben: +"De onderscheiding die gij mij toekent is inderdaad vereerend," +zeide Alonzo: "doch ik moet u verzoeken mij zeer kort te zeggen wat +gij verlangt." + +"Ik verlang iets en ik verlang niets," hernam de vereerder der geesten: +"Het is aan u om te zien, te bewonderen en te verlangen. Weet dan uw +genade! dat ik uit Italië...." doch hier kon de man, zoo het scheen +niet verder gaan, want een vreeselijk hoesten en kuchen,--dat Alonzo +niet recht kon onderscheiden of het gemaakt of niet gemaakt was,--brak +zijne woorden af. + +"Gij komt uit Italië?" vroeg Alonzo, dien dat hoesten en kuchen wat +al te lang duurde. + +Met verlof van uw genade!" hervatte de man, die inmiddels het +spraakvermogen had terugbekomen: "Ik kom uit Italië, en ik kom niet uit +Italië, in ieder geval echter is het een schoon land, rijk aan geesten, +rijk aan vernuften! Italië is...." doch weer brak een hoestbui des +redenaars woorden af. + +"Het is onnoodig mij dat land te beschrijven," hernam Alonzo: +"ik ben er meermalen geweest, en zelfs in Italië geboren." + +"Uwe genade!? Gij?" zeide de man, tot bedaren gekomen, terwijl +hij Alonzo nauwkeurig beschouwde: "Ik moet uw genade gelooven, en +ik moet uw genade niet gelooven. De Italianen zijn immers van een +zwarte gelaatskleur." + +Alonzo moest om 's mans uitgebreide volkenkennis onwillekeurig lachen; +en deze, niet recht wetende waaraan zich te houden, vervolgde met +een diep nadenkend knikken: "Voorzeker, uw genade heeft gelijk: +de Italianen zijn zwart en zijn niet zwart, dit is ook tamelijk +hetzelfde; doch hetgeen zij hebben voortgebracht, dat is schoon, +dat is rein, dat is in alle deelen onnavolgbaar; denk slechts aan de +groote geesten, die...." doch een nieuwe aanval van hoesten belette +den spreker weder voort te gaan. + +"Het zal mij zeer aangenaam zijn," zeide Alonzo eenigszins gramstorig: +"dat gij eindelijk ter zake komt. Hebt gij mij nog iets te zeggen?" + +"Ik heb uw genade nog iets, en echter niets meer te zeggen," hernam de +man: "Ik bewonder het vernuft en bezit ook de uitvloeiselen van een +Italiaansch vernuft. Ik wilde uw genade dit uitvloeisel aanbieden +of niet aanbieden," liet hij er voorzichtigheidshalve op volgen: +"maar in oogenschouw doen nemen; er met uw genade over handelen of +niet over handelen. Ik bezit een echte, Italiaansche blanke Maria met +haar Heiligen Zoon; een schilderstuk van groote waarde; geschilderd +door den beroemden schilder Rachel d'Urbibo." + +"Een Raphaël d'Urbino!" zeide Alonzo verwonderd: "Is een stuk van +die waarde uw eigendom?" + +"Zooals uw genade zegt, een Raphaël d'Urbino," antwoordde de man: +"Het stuk is in mijn bezit, en is niet in mijn bezit. Ik ben met uw +verlof vereerder der kunst en handelaar tevens. Vergun mij dat ik +het u ter bezichtiging aanbiede." + +Alonzo was inderdaad een bewonderaar der schoone kunsten, en gaf +derhalve zijn wensch te kennen om het werk van dien grooten meester te +beschouwen. De kunsthandelaar aarzelde geen oogenblik aan de begeerte +van den jongen Spanjaard te voldoen. + +"Het stuk is wel bewaard en niet wel bewaard," zeide hij, terwijl +hij het uit de vreemde plooi van zijn grijzen mantel te voorschijn +haalde. "Het is zaak met zulke voorwerpen van waarde voorzichtig te +zijn. Men moet ze voor het oog der wereld verborgen houden en niet +verborgen houden. De Hollanders," vervolgde hij: "waardeeren de geesten +niet, maar uw genade, die een vreemdeling, een Spanjaard, of, met uw +welnemen, geen Spanjaard, maar een Italiaan zijt, zult zien, bewonderen +en de heilige beeltenis in eigendom wenschen te bezitten. Oordeel zelf, +uw genade, heb ik gelijk of heb ik geen gelijk?" + +Alonzo sloeg een blik op het schilderstuk, 't welk de man thans met +zijn beide handen naar voren hield, doch--ter nauwernood had hij het +gezien, of hij sprong onstuimig van zijn zitplaats op, beschouwde +de schoone Madonna met vonkelende oogen, en riep eindelijk, geheel +buiten zich zelven: "Is het mogelijk! Gij!? Kerel! spreek.... lieg +niet: waar hebt gij dit portret bekomen?" + +Een zoo overgroote verrukking had de aangesprokene zich niet durven en +kunnen voorstellen. Die vraag trouwens, viel hem niet zoo gemakkelijk +te beantwoorden. + +"Ik heb ... uw genade!...." ving hij aan, maar weder verhinderde zijn +noodlottige borstkwaal hem verder te spreken, en Alonzo mocht bidden +of dreigen, dezelfde akelige muziek was steeds zijn bescheid. + +"Dit stuk is nooit uw rechtmatig eigendom geweest," zeide de jongeling +eindelijk, en trok het uit de handen van den kennelijk bedremmelden +kunsthandelaar. "Ik gebied u te spreken!" vervolgde hij, den hoestenden +roodbroek met een doordringenden blik in de oogen ziende: "Spreek +zeg ik u: waar hebt gij dit portret gestolen?" + +Het woord gestolen, maakte een gewenschten indruk. "Gestolen!" zeide de +man, zich herstellende: "Het is niet gestolen! Ik heb het, of liever +ik heb het niet, maar een mijner vrienden heeft het uit de handen +van den maker zelven, uit de handen van den heer Raphaël ontvangen." + +"Gij zijt een schurk!" riep Alonzo in woede: "Raphaël is reeds +lang dood." + +"Met verlof uw genade," hervatte de man: "hij is dood en hij is niet +dood. Hij leeft...." + +"Al leefde hij honderdmalen," viel Alonzo hem in de rede: "gij zijt +een schelm en blijft een schelm! Pak u terstond van hier! Dit stuk +is uw eigendom niet. Ik zal mij belasten om het aan den rechtmatigen +eigenaar terug te geven." + +"Bedenk, uw genade," zeide de man weder, na driemalen gekucht te +hebben: "bedenk toch dat het stuk mij behoort, en mij niet behoort, +dat...." + +"Juist, omdat het u niet behoort, zal ik het in bewaring nemen," +hernam Alonzo: "Vertrek van hier! en zoo gij nog een oogenblik draalt, +dan zal de gevangenpoort u dezen nacht ten herberg verstrekken!" + +Tegen deze laatste afdoende drangreden scheen de man niets in het +midden te kunnen brengen; zonder een woord te spreken maakte hij dus +een nederige buiging voor den jongen edelman, en verliet het vertrek, +waar hij zijn Raphaël moest achterlaten. + +Nadat de heler van gestolen goed vertrokken was en aan zijn +ambtgenooten zijn welslagen, of zijn niet welslagen, ging +mededeelen, verloor Alonzo zich geheel in de beschouwing der schoone +Madonna. Hetgeen hem bij den eersten aanblik zoozeer getroffen had, +was de sprekende gelijkenis van dit portret met de schoone Adelgonde +Van Bergen. + +Deze beeltenis was naar het leven gemaald. Dat waren de trekken der +bekoorlijke Hagenlelie; de trekken der vrouw die hij aanbad.... Doch +dat kind aan haren boezem!?.... Die zuigeling, waar zij met moederlijke +liefde op nederzag?.... + +Het was hem onverklaarbaar. Het was, naar zijne meening, eene +ongerijmdheid.... Doch neen, een licht ging er voor den nadenkenden +jongeling op. Deze beeltenis moest het portret van Adelgondes moeder +zijn. Voor hem bestond er geen twijfel meer. Het oog der moeder, +hoewel even helder en rein als dat der dochter, stond ernstiger. Met +moederlijke bezorgdheid staarde zij op haren telg, en die uitdrukking +van moederlijke teederheid, welke zoo duidelijk was wedergegeven, +kon nooit de uitdrukking eener maagd zijn geweest. + +Dit was dan de moeder zijner onvergetelijke Adelgonde. Hier zag Alonzo +dan nu de trekken voor zich van haar, aan welke die voortreffelijke +bloem haar aanzijn verschuldigd was. En deze vrouw? deze fijn en +edel gevormde vrouw,--was zij een dienstbare, eene vrouw uit den +geringen stand, van armoedige geboorte geweest? Hadden die teedere +handen, die fijne vingeren veelvuldigen arbeid gedaan? Had die +reine ziel--want de blankste ziel teekende dat hemelsch gelaat--had +die reine ziel hare eer, hare schaamte roekeloos der zinnelijkheid +opgeofferd!?--Onmogelijk! dacht Alonzo: Dit wezen was rein, rein +als de bloem zelve die uit haar is voortgesproten. Hemel! het was +dan laster, Godtergende laster!?--En ik, die daaraan geloof heb +willen slaan, zoo ging hij voort, terwijl zijne wangen van innige +blijdschap en verlevendigde hoop gloeiden: Ik, die dit heb kunnen +gelooven,--ik maakte mij schuldig aan heiligschennis; ik beschouwde +den edelen diamant door de ruwe schors van afgunst en laster: maar +thans, mijn geluk moet niet vernietigd worden, mijne hoop mag niet +verloren gaan! De hemel zelf bracht mij tot de ware bevinding. Dit +tafereel is de bode eener zalige toekomst geworden. De onoverkomelijke +hinderpalen zullen wijken; zij zullen voorbijgaan voor de macht der +liefde. Adelgonde leeft in mijn hart en zal de mijne worden! + +In een opgewonden gemoedsstemming liep hij het vertrek op en neder, +en toen hij eindelijk onwillekeurig naar den vloer blikte, ontwaarde +hij eene rol papier, die dicht bij de deur lag. + +Alonzo was begeerig te weten wat deze papieren zouden +bevatten. Voorzeker waren zij, evenals het schoone portret, in de +plooien van den grijzen mantel verborgen geweest en den ronselaar +bij zijn overhaast vertrek ontvallen. + +Een vluchtige blik was hem reeds voldoende om te bespeuren dat de +inhoud dezer papieren zijner aandacht overwaardig was. Hoe meer hij +zijn onderzoek voortzette, hoe belangrijker ze hem werden. Zijne lippen +beefden van verontwaardiging. Zijne oogen konden niet gelooven wat zij +aanschouwden. "O mijn God! is het mogelijk!" riep hij eindelijk uit, +en bedekte met beide handen zijn van aandoening, deernis en afgrijzen +gloeiend gelaat. + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + +Het atelier van den jongen kunstschilder Jakob De Geest, leverde den +dag nadat hij van zijne reis was teruggekomen, een allertreurigst +schouwspel op. + +De reis--welke hij met geen ander doel had ondernomen dan om zijn +ideaal aan de oevers der Maas te gaan opsporen--was door hem uit de +gelden bekostigd, die hij voor het vervaardigen van Van Rodenbergs +portret had ontvangen. + +Geheel in het onzekere of hij een ideaal dan wel de werkelijkheid ging +najagen, had hij dagen lang die rotsen beklommen en in de streken +omgedoold, waar hij zelf niet wist of hij droomend of wakend die +hemelsche verschijning had aanschouwd. Te vergeefs had hij gezocht, +te vergeefs al zijne nasporingen in het werk gesteld, te vergeefs in de +nabijheid van het slot Aduaar zich ter ruste nedergelegd. Het schoone +wezen was nergens te vinden. Geene hernieuwing van dien heerlijken +droom had zijne zinnen mogen streelen. Te vergeefs was zijn vertoeven +in die streken geweest. De uitslag van dezen tocht had des jongelings +hoop teleurgesteld, en slechts met zijn schepping, het uitvloeisel van +den indruk, dien hij van dat onvergetelijke droombeeld had ontvangen, +slechts met het portret der schoone, 't welk hij op zijn tocht steeds +had medegevoerd, kwam hij in Holland terug, en zagen wij hem in vrouw +Barbara's herberg zijn intrek nemen. + +Wat er in zijne ziel was omgegaan, wat hij gevoeld en welke zaligheid +hij gesmaakt had toen dat rijtuig op den zandweg hem, in Adelgonde Van +Bergen, nogmaals dat bekoorlijk droombeeld in de werkelijkheid had doen +aanschouwen, die zielstoestand, dat gevoel, laat zich niet beschrijven. + +Met uitgestrekte armen, doch roerloos en als aan den grond genageld, +was hij blijven staan, en stom van verbazing had hij het rijtuig +zien henensnellen, 't welk háár met zich voerde die hij, reeds +sedert maanden, niet uit zijn geest had kunnen verbannen! Zelfs +wist hij niet hoe het hem nog mogelijk was geweest zijne woning te +bereiken. De innige blijdschap, welke Klaartje bij zijne terugkomst +had aan den dag gelegd, had hij niet bespeurd. Den teederen blik, +waarmede zij hem had begroet, had hij niet begrepen of beantwoord. Dof +en gevoelloos was hij op zijn kamertje in een armstoel neergezegen, +en had weinige oogenblikken daarna het kistje geopend om nogmaals +de trekken te beschouwen van haar, die hij nu wist dat geen schepsel +zijner verbeelding maar een levende hemelsche schoone was. + +Wij wagen het niet dat oogenblik te beschrijven, dat vernietigende +oogenblik, waarin de jonge kunstenaar het deksel van het kistje opende, +en slechts een ledige ruimte ontwaarde. + +Dat was te veel.... te veel voor zijn verzwakt en ondermijnd +zenuwgestel. Een doodelijke bleekheid verspreidde zich over zijn, +reeds vóór den tijd, vermagerd gelaat. Een hevige koorts greep hem +aan, en zóó, in dien droevigen toestand, vinden wij hem op zijne +legerstede weder. + +Het was omstreeks twee uren na den middag. De zieke lag in een diepen +slaap; een zacht gekreun was het eenige teeken dat hij nu en dan van +leven gaf. + +Het zorgvolle Klaartje had met de meeste bereidwilligheid den post van +verzorgster op zich genomen. Het was haar meer dan een genoegen den +ongelukkigen lijder op zijn minste wenken te bedienen, te verkwikken +en te laven: het was de begeerte van haar hart. Neen, zij kon het +zich zelve niet ontveinzen, het was de liefde die haar tot deze taak +riep; het was de innigste liefde, die haar tot de trouwe verpleging +van den jongeling aanspoorde. Het was de liefde die haar tot een +biddende bewaakster van den kranke maakte.--En hij? de kranke, die +daar uitgeput en naar het scheen zelfs stervende nederlag, hij kende, +hij begreep den oorsprong harer trouwe zorge niet. Een ander wezen +had, helaas! zijn hartstocht te onstuimig in beweging gebracht. De +jonkman minde zonder wederbemind te worden. Hij aanbad zonder zijn +aangebedene te kennen, en reeds dreigde die onbevredigde gloed zijn +lichaam met een spoedig uiteinde.--En zij? Ook zij beminde oprecht; +ook zij hing met de teerste liefde aan het wezen, dat zij boven +allen wenschte te bezitten. En, dat wezen, die beminde, was haar +nabij; zij sloeg hem gade; zij voorkwam zijn geringste wenschen; met +betraande oogen bad zij zonder ophouden tot God, om het behoud van +dien geliefde; en evenwel--hij begreep hare liefde niet; nog nimmer +had hij in hare oogen de zuivere min gelezen, die er hem steeds uit had +tegengestraald. En de zwakke vrouw, het teedere meisje, beschaamde den +sterkeren man. Zij had gestreden, zij streed nog; en waar het meisje +moedig haar gevoel bleef overwinnen, daar stortte, voor dat zelfde +overheerschende gevoel, de jongeling gansch machteloos ter neder! + +Uit een lichte beweging van den lijder begreep Klaartje, die voor +het bed was gezeten, dat hij zijn brandenden dorst wenschte te +lesschen. Aan die begeerte was spoedig voldaan, en de weinige +droppelen, waarmede het meisje zijne lippen bevochtigde, waren +voldoende om de gewenschte verkwikking te bezorgen. Een tevreden lachje +speelde er om zijne lippen, en dat lachje, o! geene schatten waren +in staat geweest het meisje zoo te beloonen, en geene woorden hadden +haar ooit zóózeer verrukt, als die lachende trek der dankbaarheid. + +"Hoe bevindt gij u Jakob?" vroeg het meisje met een nauwelijks hoorbare +stem: "Gij hebt gerust geslapen, nietwaar? Drie volle uren hebt gij +stil en kalm gelegen. Ik heb voor uw behoud gebeden, en nu gevoelt +gij u ook iets beter. Is het niet zoo?" + +De schilder knikte toestemmend. "Het is voorbij," zeide hij na een +kleine pauze, met zwakke stem: "De nevelen zijn opgeklaard.--Het is +weder licht voor mijne oogen. Geen droom benevelt meer mijn geest. Het +is voorbij, Goddank! De strijd is gestreden. Ik zal leven...." + +"Gij zult leven! Ja, dat zult gij!" zeide het meisje met innige +verrukking. + +"Leven...., ja, leven.... dáár....," hervatte de jongeling, terwijl +hij zijn zwakke oogen hemelwaarts sloeg. "Hier op aarde was er voor mij +geene rust. De hartstochten hebben hevig in mijn binnenste gewoed. Ik +leefde, doch helaas! zonder mij zelven bewust te zijn. Ik bemin, o +rampzalige gedachte! zonder bemind te worden. Tweemalen aanschouwde +ik de toovergodin uit mijn droom; tweemalen ook verdween zij weder +als de schaduw van den eik bij het ondergaan der zon. Eindelijk.... O +God! Gij hebt den dwependen minnaar streng gestraft! Doch hij verdiende +Uw toorn; hij beminde het maaksel meer dan den Schepper zelven. Gij +hebt hem alles ontnomen, alles wat hem aan haar, die eenige schoone, +kon herinneren; maar tevens hebt Gij hem tot U teruggevoerd; tot U, +die reeds van eeuwigheid in Uw Goddelijk raadsbesluit hadt vastgesteld, +dat zijn lichaam op aarde geen geluk zou vinden, maar dat zijne ziel +eeuwig bij U zou leven!" Deze lange ontboezeming had den zwakken +spreker zeer vermoeid; een diepe zucht gleed er van zijne lippen. De +ziel had hare rust herkregen, de ziel had opgehouden mede te werken +tot de begeerlijkheden des lichaams. De geest des jongelings had +sterkte verkregen, door een vertrouwend opzien naar den hoogen; maar +zijn lichaam--ongewoon aan die kalmte der ziel, gewoon aan het woeden +der hartstochten daarbinnen--het lichaam gevoelde zich verlaten. Het +was alsof de ziel, die het bewoonde, reeds was heengegaan, alsof +een andere kracht dat lichaam nu bezielde; de ziel en het lichaam +verstonden elkander niet meer, het lichaam voelde zich verlamd, daar +zijne tegenpartij de overwinning behaalde; de ziel daarentegen was in +eene zalige verrukking, en wenschte niets vuriger dan eene woonplaats +te verlaten waar zij helaas, op een verkeerde wijze was werkzaam +geweest, en waar zij gevoelde thans niet meer thuis te behooren. + +Het meisje evenwel begreep dien toestand van den beminden lijder +niet. Met innige blijdschap en een dankbaar gemoed had zij de woorden +gehoord, die haar een gunstige wending in den toestand des jonkmans +deden voorzien. Zijne hersenschimmen waren geweken. Hij had zelf zijne +dweepzucht beleden; hij had zich tot God gewend, en--die God zou hem +vergeving schenken; Hij zou hem oprichten van zijn krankbed; Hij zou +hem opnieuw doen leven, van zijne dwalingen bevrijd; wellicht hem de +oogen openen voor een ware liefde, en dan.... dan zou zij niet alleen +beminnen, dan zou zij ook weder bemind worden, en de gelukkigste der +stervelingen zijn. + +Zoo droomde Klaartje nog van aardsch geluk, terwijl de jongeling +reeds een voorsmaak van de hemelsche gelukzaligheid had. Zoo bad +het meisje om leven en herstelling voor den kranke, terwijl hij +onophoudelijk den Vader aanriep, tot wien hij hoopte henen te gaan; +hij deed dit met onhoorbare woorden, maar met een helderen geest, en +bad om bevrijding van den aardschen tabernakel, om genade, ontferming +en een eeuwig zalig leven. + +De heerschende stilte werd eindelijk afgebroken door het binnentreden +van Bril, die, bij zijne betrekking van baardschraper, naar gelang +der omstandigheden, ook de functiën van genees- en heelmeester +uitoefende. Hier vooral had hij, als vriend van den huize, en juist +op het oogenblik tegenwoordig zijnde toen den jongen kunstenaar +die hevige koorts overviel, zijne diensten aangeboden en den zieke +een drank voorgeschreven. Begeerig om dus de uitwerking van zijn +geneesmiddel--dat Klaartje den kranke geregeld had toegediend--te +zien, kwam hij nu--den volgenden dag--in zijn voornoemde betrekking +van geneesheer, den patiënt bezoeken. + +Met wezenlijke belangstelling, doch tevens met een bijzondere +waardigheid, welke hem geenszins eigen was, doch thans voor zijn +verhevene betrekking door hem noodzakelijk werd geoordeeld, wenkte +hij het meisje van hare zitplaats tot zich; deed haar eenige vragen +aangaande de rust en den toestand des lijders, en aan de tevredene +uitdrukking van des geneesheers gelaat was het duidelijk te bespeuren, +dat die inlichtingen van een alleszins geruststellenden aard waren. + +Na dit korte en zacht gevoerde onderhoud, nam Bril de plaats in, +welke het meisje zooeven had verlaten; wisselde eenige woorden met +den patiënt; voelde hem vervolgens met halfgeslotene oogen--ten einde +de grootst mogelijke nauwkeurigheid aan te wenden--den pols, en zag +daarna het angstig wachtende Klaartje met een blijden en zegevierenden +blik aan. + +"De pols slaat geregeld," zeide hij. "Uw bevinding is zeer juist. De +lijder is kalm en rustig. Hij is nu zonder koorts; wellicht zal deze +zich tegen den avond herhalen: een geregeld gebruik der medicijnen +kan dit evenwel geheel voorkomen.--Morgen hoop ik u volkomen hersteld +te vinden," vervolgde hij tot den jongeling: "mijn geneesmiddel en +de goede oppassing van Klaartje zullen u voorzeker, met Gods hulp, +de gezondheid wedergeven." + +Een glimlachend hoofdknikken was het bescheid van den schilder. + +Bril stond op, en Klaartje die hem tot aan de deur vergezelde, drukte +den arts de hand, en vroeg nogmaals met een paar oogen, die van +innige blijdschap schitterden: "Gij hebt dan waarlijk hoop? Gelooft +gij werkelijk dat hij morgen reeds zal hersteld zijn?" + +"Buiten twijfel!" hernam de kleine geneesheer: "Een trouw gebruik van +den heilzaam werkenden drank; een rustige nacht, en gij zult zien, +morgen is de zieke jonkman weder gezond en frisch, ja zelfs gezonder +dan te voren!" + +Klaartje was buiten zich zelve van verrukking. Zulk een heerlijke +uitkomst, zulk een spoedige herstelling had zij zich niet durven +voorstellen. Jakob zou leven! Jakob zou bevrijd zijn van zijne +zielskwelling, en leven, gezonder dan te voren, gezond naar ziel en +lichaam! O, een dankgebed steeg uit haar vol gemoed naar boven. God +had hém willen sparen die haar dierbaar was; God had hem van de +banden willen bevrijden, die hem aan een denkbeeldige wereld hadden +gekluisterd; God zou hem doen leven, leven--om geluk en vrede te +smaken zooals hij die nog nimmer gesmaakt had. + +En inderdaad, de Hemelsche Vader had in Zijne wijsheid besloten dat +de jongeling zou leven, dat zijne ziel rust en vrede zou vinden.--Doch +Zijne goedheid was grooter, oneindig grooter en van wijder omvang dan +die der menschen. De lijder zou worden vrijgemaakt van de boeien, +die hem aan een denkbeeldige wereld met hare vergankelijkheden +hadden gekluisterd. De ziel zou leven, en in een reiner kring haar +loopbaan beginnen;--maar het lichaam zou die ziel niet langer met zich +rondvoeren. Het oude kleed zou aan het verderf worden overgegeven, +maar, een reiner en schooner tooisel verbeidde den jongeling in die +gewesten, waar geen nacht meer is, waar geene hartstochten woeden, +en, waar een naar hooger dorstende geest, onder het gejuich van +Gods heilige engelen, door hen zegevierend en met jubelzangen wordt +binnengevoerd. + +De avond begon te vallen. + +--De Geest slaapt lang, dacht Klaartje: De tijd om zijn drankje +in te nemen is reeds verstreken. Zou ik hem wakker maken?--Hij +ligt zoo gerust. De slaap zal hem wellicht meer versterken dan +dit geneesmiddel.--Zie, ik mag hem niet wakker maken, hij ligt zoo +kalm.--Zijn gekreun heeft reeds geheel opgehouden; zijn ademhaling +is ook nauwelijks hoorbaar. Zij bracht haar oor dichter aan zijn +mond, maar hoorde niets: "Jakob!" sprak zij met een angstige stem: +"Jakob! ontwaak!" + +De jongeling opende nog eenmaal de brekende oogen, zag het meisje +met een onbeschrijfelijke verrukking aan, sloot toen de oogen weder, +en slaakte een diepen zucht. De strijd was gestreden. De ziel was +verlost. De ongelukkige doch thans zalige jongeling had het tijdelijke +met het eeuwige verwisseld. + + + +Een zachte roodachtige schemering drong door de vensterglazen +naar binnen. De ondergaande zon blikte nog eenmaal in die nederige +werkplaats, waar de kunstenaar weleer het schepsel van Gods hand had +trachten na te bootsen, waar hij met koude verven het doode doek had +bezield. Nog eenmaal kleurde zij met haren glans het reeds verbleekte +gelaat van den gestorvene, nog eenmaal schonk zij eenige warmte aan +het verkleumde wezen, met vriendelijke zachtheid beschouwde zij het +schier wanhopige, op den ontslagene neergezonken meisje, en verdween +toen--om andere ongelukkigen met hare komst te verblijden. + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + +De douairière Van Bergen tuurde, door een der hooge vensterramen +van haar kasteel, in de met zware wolken bezwangerde lucht, en sloeg +de vurige slangen gade, die door het weerlicht aan den westelijken +gezichteinder werden voortgebracht. Haar gelaat had echter geenszins +de uitdrukking van dat gevoel, waarmee de sterveling de natuurkrachten +nagaat, ten einde door deze tot den Schepper te worden opgevoerd. Neen, +hare oogen zagen wel Gods macht en Zijne wonderen in de Schepping, +doch haar hart werd door dit alles niet tot dien Formeerder heengeleid. + +Even snel als de wolken aan het hemelruim elkander opvolgden en +verdrongen, even snel ook zweefden er honderden ijdele wenschen voor +haren geest, en even snel verdrongen zich tallooze voornemens en +plannen in haar binnenste, die, helaas! even zwart, ja nog zwarter +waren dan de donkerste wolken aan het luchtgewelf. Het waren haat, +nijd, afgunst, wraak en geldzucht, die haar het hart tot een moordkuil +maakten. Zij moest, zij zou zegevieren! + +Dat geslacht, hetwelk zij haat had gezworen, zou zij vernietigen +en verdelgen! Verdelgen? Neen--de wraak moest voortduren. Hare +slachtoffers moesten leven, moesten onder haar vernietigenden invloed +blijven bestaan! + +--Gij hebt mij verstooten, graaf! sprak zij bij zich zelve: Gij hebt +mij verstooten omdat ik de jeugd meer beminde dan uw grijze kruin, +omdat een ander mijn bekoorlijkheden meer waardeerde dan gij. Ik +heb het u voorspeld: uw bloed zou die blaam betalen. Ha! korten tijd +daarna leefdet gij reeds niet meer. En nu.... ik haat het bloed der +Van Bergens. Het zal langzaam verkwijnen, en geheel ten ondergaan! en +hij, om wiens bestaan ik werd verjaagd, hij zal uwe goederen in +erfenis bezitten, slechts weinige jaren na uw dood zal hij reeds in +uwe rechten zijn getreden. Ha! graaf Van Bergen, dat hadt gij niet +gedacht. Kondt gij nu uit uw graf nog eens mijn arbeid beschouwen, +dan zoudt gij zien dat mijne woorden zijn bewaarheid geworden: dat +uw bloed den hoon, mij aangedaan, zou betalen! + +De hoefslag van een paard deed zich op de brug hooren.--Dat zal Van +Rodenberg zijn, dacht de gravin: wat voert hem zoo laat herwaarts? Het +opkomende onweder kan hem niet hebben uitgelokt; ongetwijfeld heeft +hij mij iets belangrijks mee te deelen. + +Werkelijk trad jonker Walter Van Rodenberg weinige oogenblikken later +het vertrek binnen. + +De gravin had hem nu, ondanks de reeds heerschende schemering, aan +zijn tred volkomen herkend. + +"Gij hebt mij voorzeker iets bijzonders te zeggen?" voerde zij den +jonker te gemoet: "Reeds zijn er verscheidene weken verloopen sedert +gij op den Blankert zijt geweest. Gij houdt uwe bezoeken wel op prijs, +en dan nog zijt gij steeds een onweersvogel; men ziet u niet dan bij +avond en ontijden, bij stormen en onweders. Intusschen verheugt het +mij u te zien, en gij moogt blijde wezen onder dak te zijn, want die +donkere wolken daarbuiten worden hoe langer hoe dreigender." + +"Inderdaad mevrouw," gaf Van Rodenberg--die inmiddels had plaats +genomen, ten antwoord: "het is reeds eenigen tijd geleden dat ik hier +ben geweest, en werkelijk is het iets bijzonders, eene verandering in +mijne omstandigheden, waarvan ik u bij dit bezoek wilde kennis geven." + +"Eene verandering in uwe omstandigheden?" hernam de gravin: "Gij +bedoelt uw huwelijk dat wellicht spoedig zal worden voltrokken? Is +de freule eindelijk hersteld? Hare ziekte heeft mij om uwentwil +verontrust. Door een te schielijk uiteinde had mijne hoop kunnen +verijdeld worden. Uwe belangen...." + +"Mijne belangen mevrouw, werden door u op een zeer verplichtende +wijze behartigd," viel de jonker haar in de rede. "Zij schenen +echter eenigermate met de uwe verbonden te zijn. Gij hebt mij dat +huwelijk aangeraden, ja, opgedrongen, doch ik wenschte het alleen +om der fortuinswille. Bij dezen kom ik u mijn dank betuigen mevrouw, +voor de inlichtingen, die gij mij aangaande Adelgondes geboorte hebt +gegeven. Ik heb er mijn oogmerk mee bereikt. Mijne bekendheid met hare +afkomst deed den graaf, uw zoon, naar eene verbintenis tusschen ons +verlangen. De freule echter beminde mij evenmin als ik haar. Ik haat +het huwelijk. Gelukkig voor mij was het ook geenszins de echtgenoot, +dien men in mij verlangde; maar mijne stilzwijgendheid moest tot +elken prijs gekocht worden. Daarom alleen moest Adelgonde mijne vrouw +worden. Om kort te gaan, ik deed afstand van hare hand, en liet mij +mijne stilzwijgendheid duur betalen. Ik heb...." + +Een heldere bliksemstraal brak eensklaps Van Rodenbergs woorden af, en +terwijl het vertrek door het felle schijnsel verlicht werd, aanschouwde +de jonker op het gelaat der gravin eene uitdrukking van verkropte +woede. Hare lippen waren verbleekt en op elkander geperst. Haar +spraakvermogen scheen als verlamd, en het was in hare oogen te lezen, +dat Van Rodenbergs weinige en oogenschijnlijk onbeduidende woorden, +haar een bittere teleurstelling hadden veroorzaakt. + +Het aanhoudende bliksemvuur werd door een ratelenden donderslag +opgevolgd. Het scheen alsof de aarde op hare grondvesten schudde. Het +gebouw dreunde, en de vensterglazen rinkelden in hunne looden +omvatsels. + +"Mijne woorden schijnen u meer getroffen te hebben dan de bliksem dit +zou vermogen," hervatte Van Rodenberg: "Ik heb echter in mijn belang +gehandeld. Dit land, en vooral Den Haag met zijn stijve en eentonige +vermaken, verveelt en walgt mij op den duur. In uw vaderland, mevrouw, +vindt men de ware genoegens des levens; gij hebt mij daar dikwerf +van verhaald. Men moet de wereld genieten zoolang men haar genieten +kan. Welnu, ik ga naar Parijs; daar zal ik met mijne fortuin een waar +levensgenot smaken, en mij in de armen van een onbezorgd en altijd +vroolijk leven werpen." + +"Hoe!" riep de gravin eensklaps, met een van woede bevende stem: "Gij +wilt u tegen hetgeen ik verlang, tegen mijn wil verzetten? Ha!" zeide +zij akelig lachende: "Ik zeg u neen!--Hetgeen ik bepaald, hetgeen +ik gezworen heb, zult gij doen. Gij zult mijn wreker, gij moet mijn +wreker zijn! Gij kent mij niet, jonker Van Rodenberg!" ging zij in +één adem voort: "Gij weet niet waarom ik u tot mijn vertrouwde heb +gemaakt; ik zou dit nooit op een lossen grond hebben gedaan, nooit, +indien ik zelve daarvan niet de vruchten had willen plukken.--Gij +zult mij gehoorzamen!" vervolgde zij, terwijl zij, opstaande, zich +in een dreigende houding voor den jonker plaatste. "Ik heb macht +over u. Gij zult u aan mijn wil onderwerpen! Nog eens, ik begeer, +ik eisch, dat gij Van Bergens dochter tot uwe vrouw maakt." + +"Gij eischt van mij, mevrouw?" riep Van Rodenberg: "Waarachtig! mijne +verwondering grenst aan verbazing. Wie--wát geeft u het recht om zóó +tot mij te spreken? Ben ik niet mijn eigen heer en meester? Wilt +gij den jonker Van Rodenberg, Walter Van Rodenberg, uit een +der aanzienlijkste geslachten gesproten, wilt gij mij de wet +voorschrijven? wilt gij dit doen mevrouw! Gij, die, ondanks den +naam dien gij thans voert, eene.... Ha!" vervolgde hij lachende: +"Dit is te dwaas, mevrouw! Het kan u onmogelijk ernst zijn. Hoe dit +echter ook zijn moge, ik ga mijn gang. Vaarwel, gravin Van Bergen! het +blijft steeds eene eer voor mij, uw onderdanige dienaar te zijn." Na +dit gezegd te hebben, stond Van Rodenberg snel op, en ging naar de +deur; doch de gravin, blakend van inwendige spijt en gramschap, greep +hem bij den arm, en wilde hem beletten het vertrek te verlaten. Van +Rodenberg echter, geenszins gewoon zijn wil aan banden te zien leggen, +dwong de gravin door een hevigen ruk met zijn arm, hem los te laten, +en wierp haar daardoor tevens achterover op den vloer. + +"Blijf, ellendeling!" riep de nederliggende gravin: "toef, monster! en +gij zult vernemen, wie gij...." doch het was haar onmogelijk voort te +spreken, want door de deur, welke Van Rodenberg geopend had, drong +een dikke rookmassa naar binnen; een benauwde brandlucht vervulde +het vertrek, en de kreet van "Brand! Brand!" weergalmde eensklaps +door het kasteel. + + + +Terwijl het beschrevene binnen een der vertrekken aan de westzijde +van het kasteel voorviel, greep daarbuiten, aan den tegenovergestelden +kant, een geheel ander tooneel plaats. + +In de schuit, waar de lezer reeds vroeger de kinderen van den +hovenier heeft aangetroffen, bevonden zich op dit oogenblik twee +jonge mannen. De een stuwde met de roeispaan de boot dwars door +de gracht op het kasteel aan, terwijl de ander met een haak in een +tralievenster greep. + +"Gij zult moeite hebben, die ijzeren bouten los te krijgen," zeide +de man met de roeispaan. + +"Toch niet, edele heer," antwoordde de andere: "die bouten zijn +slechts met eenige verroeste spijkers bevestigd; ik ben van de +noodige breekijzers voorzien; wanneer er slechts één bout uit den +weg is geruimd, wordt de opening reeds wijd genoeg." + +Werkelijk week de bedoelde bout zeer spoedig voor breekijzer en +hamerslag; de opening was nu bijna anderhalve voet groot, en het leed +geen twijfel of een mensch zou er gemakkelijk doorheen kunnen glijden. + +De man met de roeispaan sprak nu eenige woorden door de opening +naar beneden; eene vrouw deed hem bescheid, en kort daarna lieten +de mannen een stevig koord, waaraan een haak was bevestigd, door het +opengebroken tralievenster naar omlaag. + +Met groote krachtsinspanning trokken de mannen weinige oogenblikken +later het koord weder naar boven. Hun arbeid was niet te vergeefs +geweest, want den ongelukkige, dien zij uit een diepen kerker hadden +verlost, legden zij weldra behouden in hunne boot neder. + +"Goddank!" riep de eerste spreker in verrukking: "De gevaarlijke +arbeid is verricht. De krachten hebben ons niet begeven. God laat +de ondeugd nimmer zegevieren!" Na deze woorden wendde hij zich nog +eenmaal naar het tralievenster; haalde een toegevouwen papier uit zijn +wambuis te voorschijn en liet het naar binnen vallen. De schuit was +daarna spoedig weder aan wal gevoerd, en nadat de mannen den geredde +er uit hadden gedragen, gingen zij met hem naar een elzenboschje, +waarachter een voertuig hunne terugkomst verbeidde. + +Eenige oogenblikken later toen het voertuig, door de twee mannen +te paard vergezeld, zich in beweging zette, vlamde het bliksemvuur +onafgebroken met zijne schichten om de torenspits van het kasteel. + +Een dikke rookwolk steeg weldra uit den brandenden toren omhoog, +en spoedig daarna hoorde de kleine aftrekkende stoet, te midden +der rollende donderslagen, den kreet: "Brand! Brand!" door de lucht +weergalmen. + +Hevig woedden de vlammen door het oude kasteel; op twee plaatsen was +de bliksem schier gelijktijdig ingeslagen. De leien pannen knapten +in den heeten vuurgloed. De balken kraakten en stortten brandend +neer. Uit de meeste vensters sloegen dikke roode vuurvlammen naar +boven, en teekenden zich hel af tegen de donkere zwarte lucht. Aan +blusschen was niet te denken; de felle brand nam van oogenblik tot +oogenblik in hevigheid toe. Elk was op eigen redding bedacht; elk +greep naar eigen goederen: elk zocht voor zich te behouden wat hem +dierbaar was, doch niet één kwam op het denkbeeld, om de meesteres +te verwittigen van het gevaar waarin zij verkeerde. + +"Om Gods wil, red mij!" riep de gravin Van Bergen met heesche stem: +"Om Gods wil, Walter! wilt gij mij hier in een brandend graf doen +omkomen! Walter! waar zijt gij?" riep zij angstig: "Ik zie u niet. Ik +zal in dezen akeligen rookwalm stikken! Redding! help! help!" + +"Het is te laat!" zei Van Rodenberg, in het vertrek terugkeerende, +met een insgelijks door rook en walm benauwde stem: "Het portaal staat +in lichtelaaie. De uitgang langs dien weg is onmogelijk. Wellicht +door deze zijdeur," vervolgde hij, snel daar heengaande. Doch ook +deze uitgang was geheel versperd. Insgelijks woedden de vlammen in +dat aangrenzend vertrek. Wel wilde hij het wagen zich een doortocht +te banen, doch een brandende balk, die met een geweldig gedruisch +voor zijne voeten neerstortte, deed hem ijlings terugkeeren: "Aan +ontkomen is niet te denken," riep hij de kermende gravin toe: "Er +is geen uitweg meer dan alleen door dit venster." Met een krachtige +hand rukte hij het bedoelde kruisraam open: "De gracht is breed en +diep," vervolgde hij: "doch slechts langs dezen kant is nog redding +mogelijk. Vaarwel mevrouw! Vaarwel, voor eeuwig!" + +Reeds had hij den voet op de vensterbank gezet, om zich in het +water te werpen, toen de gravin, deze beweging ziende, en eenigszins +hersteld door de lucht, welke thans het vertrek was binnengedrongen, +met een doodsangst op het gelaat, hem bij zijn wambuis terughield: +"Gij zult mij niet verlaten!" riep zij met bevende stem: "Gij zult +mij niet aan de vlammen ter prooi geven. Neen, ik kan, ik wil niet +sterven!--Ik wil leven!--Ik moet leven! en zoo er voor mij geene +redding is dan zult gij met mij vergaan!" + +De jonker, alleen op eigen redding bedacht, zocht zich aan de +krampachtige handen te onttrekken, die hem in zijne vlucht belemmerden; +doch zijne pogingen waren vruchteloos. + +"Neen, gij moogt mij niet aan een rampzalig lot prijsgeven!" riep de +gravin, terwijl zij met zenuwachtige krachtsinspanning den worstelenden +jonkman staande hield: "Gij kunt, gij zult háár niet doen omkomen, +aan wie gij uw aanzijn verschuldigd zijt. Verneem, Walter, verneem in +dit bange oogenblik, wat ik u nimmer had willen openbaren. Walter, +red mij!--want ik heb u onder het hart gedragen. Walter, gij zijt +mijn zoon! Ja ik ben uwe moeder! Om uwentwil heb ik angst en smart +uitgestaan; voor u heb ik geleefd; voor u wil ik blijven leven; om +uwentwil heb ik wraak gezworen! Red mij--om Gods wil, red mij!--Neen, +gij zult uw moeder niet vermoorden!" + +"Wijf! gij zijt razend!" riep Van Rodenberg, terwijl het klamme zweet +op zijn voorhoofd parelde: "Laat mij los zeg ik u!--Laat mij los!" riep +hij heviger, daar de gravin hem hoe langer hoe vaster omklemde: +"Gij liegt!--Ik uw zoon?--Bij God! neen, dat is gelogen!--Gij mijne +moeder?--Ik een kind der schande?--Een basterd?--Wijf, gij hebt +gelogen!" riep hij nogmaals: "Trek uwe woorden in; zeg dat gij +onwaarheid, dat gij lastertaal hebt gesproken; laat mij los en ik +zal u redden!" + +"Mijn zoon! Mijn zoon!" riep de gravin smeekend en schier buiten zich +zelve: "Ja, ik wist het, gij zoudt mij niet verstooten!" + +"Nogmaals dien naam!" brulde Van Rodenberg: "Weg van mij, verachte +vrouw!" vervolgde hij, zijn uiterste krachten verzamelende: "Weg +van mij met uw ellendige logentaal!" en met een geweldigen ruk +slingerde hij de rampzalige vrouw achter in het vertrek.--Zonder een +oogenblik te dralen, sprong de jonker nu uit de hooge verdieping in +de breede slotgracht, en zwom, in weerwil van zijne kleederen, naar +de overzijde. Een rauwe gil drong hem in de ooren. Een vrouwelijke +gedaante vertoonde zich aan het open venster. Eensklaps verdween +zij in de diepte. Het water plompte onder den val van een lichaam, +en niets meer ontwaarde de jonker dan een witte strook, die nog een +paar malen boven de watervlakte te voorschijn kwam, maar toen ook +voorgoed verdween. + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + +De mare van den schrikkelijken brand was den graaf Van Bergen spoedig +ter oore gekomen. + +Met het krieken van den dag steeg hij te paard en reed naar den +Blankert, om de verwoesting in oogenschouw te nemen. + +Het groote kasteel was schier geheel in een puinhoop veranderd De +linkervleugel slechts was nog gedeeltelijk in wezen. + +Op verscheidene plaatsen stegen dikke rookwolken uit de smeulende +puinhoopen omhoog. Het was een droevig tooneel, die schouwplaats +der vergankelijkheid. + +--O God! wat is bestendig hier beneden! sprak Van Bergen bij zich +zelven: Wat is toch de aarde met al wat daarop is! Slechts stof, +niets dan stof, aan verderf en vernietiging ter prooi! Statig en +fier verhief zich nog gisteren dit kasteel op zijne fondamenten, en +heden? heden duiden slechts ruwe steenklompen de plek aan, waar het +nog weinige uren geleden stond.--Omstreeks twee eeuwen lang hebben +stormen en onweders er boven gewoed, en thans, één vuurstraal van Uwe +almacht o God! en zie, het zware gebouw stort ineen. Stof, niets dan +stof is het wat daarvan overblijft! + +Met betraande oogen bleef de graaf in het rookende puin staren. In dat +kasteel had hij het eerste daglicht aanschouwd; dáár had hij de dagen +zijner zorgelooze jeugd gesleten, en de jaren zijner jongelingschap in +kommerlooze vreugde doorgebracht; dáár was het dat een goede moeder +hem de eerste schreden op het pad der deugd had leeren zetten; dáár +was het ook, dat hem die dierbare moeder zoo vroeg reeds door den +dood was ontrukt. + +--Vergankelijkheid! vergankelijkheid! ja, dat predikt Uwe +schepping! zoo eindigde Van Bergen, den blik naar den hemel richtende: +Hier beneden is het niet; daar boven, bij U, bij U alleen, is +onvergankelijkheid! Bij U leven de reine zielen zonder ophouden. Bij +U zijn mijne dierbare dooden. Bij U zal ik hen wedervinden. Bij U, +o liefderijk Vader! die door Jezus Christus ook mijne ziel van het +eeuwig verderf hebt vrijgemaakt. + +Met zulke gedachten vervuld, was Van Bergen aan de zuidzijde van het +kasteel gekomen. Te midden der bouwvallen ontwaarde hij nu een man, +die met ingespannen krachten de opeengehoopte steenklompen zocht weg +te ruimen. + +"Mijne dochter! mijne lieve dochter! waar zijt gij?" kermde de +ongelukkige hovenier: "Mijn Aafke! mijn kind! zijt gij levend onder +dat puin begraven? Hoort gij uw vader niet? Geef antwoord, lieve +dochter! O God! waarom hebt Gij mij mijn kind ontnomen?" + +Zoo jammerde de beklagenswaardige vader, terwijl hij zijne krachten +verdubbelde, ten einde zijn lieveling levend of dood weder te vinden. + +"Mist gij uwe dochter?" riep de graaf den vruchteloos zoekende toe: +"Is uw kind het offer van dezen brand geworden? Schep moed, brave +Rijnveld, ik zal u mannen zenden, die u behulpzaam kunnen zijn." + +De aangesprokene had bij de deelnemende toespraak des graven zijn +arbeid voor een oogenblik gestaakt. + +"O, het valt hard, uw genade, zijn oogappel, zijn dierbaar kind +te verliezen!" antwoordde hij met een tranenvloed: "Zij was zoo +schoon, zoo braaf, zoo rein; en nu... dood.... in de lente haars +levens! Gerechte God! wat heb ik misdaan, dat Gij mij zoo zwaar +kastijdt?" + +Van Bergen gevoelde innig wat die ongelukkige vader moest lijden. Ook +hij was dikwerf en bang beproefd. + +"Gods wegen zijn onnaspeurlijk," hernam hij op vertroostenden toon: "De +Heer bezoekt het meest zijne uitverkorenen. Wat God doet is welgedaan!" + +Na deze woorden reed de graaf de achterzijde van het kasteel langs, +en kwam weldra weder aan den linkervleugel. + +Daar heerschte een buitengewone drukte. Onderscheidene meubelen lagen +op het binnenplein, dat de poort van het kasteel scheidde, in de +grootste verwarring dooreen. Alles wat aan de vlammen ontkomen was, +bevond zich op deze plaats. Als een troep hongerige wolven aasden de +dienstbaren der gravin Van Bergen op buit. Voorwerpen van waarde of +goeden smaak, waren reeds alle door hen prijs gemaakt. Het was een +volstrekte plundering waarvan de graaf hier ooggetuige was. + +"Ellendig volk!" riep hij den roofzuchtigen toe: "Slechts op +eigen voordeel bedacht, zoekt gij een laag gewin, terwijl wellicht +ongelukkigen, onder het brandend puin bedolven, om uwe hulp smeeken, +en God bidden, dat Hij u ter hunner redding zendt. Toef hier niet +langer. "Gij zult niet stelen," zegt de Heer. Ga!--Rijnveld zoekt zijn +kind. Help hem zijne dochter, zoo zij nog leeft, terugvinden. Voorwaar, +uw loon zal groot zijn, grooter dan het vergankelijke wat gij hier +zoekt." + +De gebiedende toon, waarop Van Bergen gesproken had, maakte een +gewenschten indruk. Eenige mannen begaven zich onmiddellijk naar de +plaats, waar de hovenier zijne nasporingen voortzette. + +"Is de gravin aan het gevaar ontkomen?" vroeg de graaf aan een knaap, +die weinige schreden van hem stond. + +"Zij is gered uw genade," antwoordde deze: "doch één oogenblik later, +en het ware te laat geweest. Voorzeker moet de gravin uit het venster +in de gracht zijn gesprongen. Toen wij op haar noodgeschrei afkwamen, +hield zij zich aan den rand der boot boven water. Nu ligt hare genade +in de woning van Rijnveld, maar het al te bezien staan of zij den +schrik te boven komt." + +Van Bergen stapte van zijn paard, en na het aan de zorg van den knaap +te hebben toevertrouwd, begaf hij zich naar de kleine woning van den +hovenier. Hier verbeidde hem een nog akeliger tooneel dan hetgeen +hij daarbuiten aanschouwd had. Zijn rampzalige stiefmoeder lag in een +ijlende koorts op een bos stroo ter neder. Hare oogen waren diep in +hunne kassen verscholen, en sluik lagen de natte grijze haren langs +haar bleeke kaken. Nauwelijks was Van Bergen het kleine vertrek +binnengetreden, of de gravin richtte zich in hare legerstede overeind. + +"Ha, zijt gij daar, verrader!" riep zij hem toe: "Gij zijt het, +gij alleen die de hel boven mijn hoofd hebt ontstoken. In de vlammen +hebt gij mij geworpen. In het water hebt gij mij gestort. Gij hebt +gesidderd voor mijne wraak. Ja! zie, gij rilt nog. Gij zijt bevreesd +voor mijn toorn.--Vergif zal u doen kwijnen: evenals uw vader. Waar +toeft gij, Rosio?" ging zij, strak voor zich uitziende, voort: "Waarom +aarzelt gij: Dien toe;--uw middel werkt langzaam maar zeker. Zie, hij +kwijnt, zijn einde is nabij.--Hij sterft!--Wraak Van Bergen!--Wraak +over u!--Mijn zoon zal leven!--Mijn zoon, mijn Walter.--Ja, Walter, +ik ben uwe moeder.--O God! gij gelooft het niet.--Gij verstoot mij +omdat gij een bastaard zijt, gij werpt mij van u af?--Gij laat mij +aan de vlammen ter prooi--O God! ik brand! Ik verga! Water, water!" + +Met onleschbaren dorst dronk de gravin een haar toegereikte kom met +water ledig. + +Voor een oogenblik scheen haar dit eenige rust te verschaffen, doch +zoodra zij den graaf weder ontwaarde, ving zij opnieuw met woorden +zonder samenhang aan. + +"Ik versta uw blik, Van Bergen! Ja, ik weet wat gij van mij +verlangt. Gij wilt úw kind, úw zoon aan mijne macht ontrukken. Gij +verbleekt. Het baat u niet. Uw zoon was wel bewaard. In een diepen +kerker. Dáár, dáár in uw kasteel.--Wraak voor mijn zoon! Wraak voor +de schande mij aangedaan!" + +Een koude rilling ging Van Bergen bij het hooren dezer woorden +door de leden. Met angstige gejaagdheid had hij elken klank +opgevangen. God! zouden deze woorden eenige beteekenis hebben, of +slechts door een verhitte verbeelding zijn voortgebracht? + +"Vrouw! wat zegt gij?" riep hij met een van aandoening verkropte stem: +"Herhaal uwe woorden. Zijt gij bij uwe zinnen? Spreek, wát is er van +mijn zoon?" + +"Ha! daar staat de fiere graaf!" riep de ijlende vrouw, akelig +lachende: "Uw zoon?--Brand! brand! vlammen! vuur! Gij hebt het zelf +ontstoken. Hij is bedolven. Dáár onder puin en asch. Daar in dien +vuurpoel ligt hij te branden. Hou vast Rosio! laat niet los; neen, +hij mag ons niet ontkomen!" + +Van Bergen stond als aan den grond genageld. Het was hem niet mogelijk +deze verwarde woorden tot een geheel te vormen en op zichzelven +toe te passen. Hij doorgrondde het fijne weefsel van menschelijke +boosheid niet. + +Zijn zoon?--En echter had hij zijn eerstgeborene levenloos aan +zijn borst gedrukt. Hij had zijn zoontje zelf naar het stille +graf gebracht. En toch, een vreeselijk vermoeden rees er in zijn +binnenste op. "Hemel! zou het mogelijk zijn!?" riep hij uit: +"Spoed! spoed! misschien bestaat er nog kans op redding!" + +Met het vaste voornemen om alles in het werk te stellen ten einde +zekerheid te bekomen, snelde hij voort, en had juist de klink der +deur gegrepen, toen deze van buiten geopend werd. Eene burrie werd +door twee mannen het vertrek binnengedragen. Een jeugdig meisje lag +er op. Aan haar voorhoofd gaapte een breede wond, en hare haren waren +met bloed bevlekt. + +Het was Aafke, Rijnvelds brave dochter, die door vereende krachten +aan een brandend graf was ontrukt. + +De smart des vaders grensde aan wanhoop. + +Die schoone maagd, die dierbare trouwe dochter lag daar verminkt en +zieltogend ter neder! + +De vader had zijn kind wedergevonden, maar helaas, in een toestand, +om het spoedig voor altijd te verliezen. + +Van Bergen was door dit roerend tooneel een oogenblik in zijn voornemen +gestuit. Met innige deelneming beschouwde hij de smartelijke wonde, +en reinigde die eigenhandig zooveel hem dit mogelijk was. + +Het ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht; even sloeg zij de +reeds brekende oogen op, en zag haren liefderijken helper aan. Een +lichte blos verspreidde zich over haar gelaat; er scheen iets +buitengewoons in haar binnenste om te gaan; zij wilde spreken, doch +hare krachten schoten te kort. + +"Wat wilt gij, lief kind?" vroeg Van Bergen, die haar in den arm +genomen en een weinig overeind had gezet. + +Nogmaals wendde het meisje een uiterste poging tot spreken aan. Hare +lippen bewogen zich, en schier onhoorbaar lispte zij de woorden: "Hij +is gered.... uw zoon.... uit den kerker.... Bewijs.... dáár.... in +mijn keurslijf." + +Geen engeltonen hadden den graaf met hemelscher wellust kunnen +vervullen, dan die woorden van het stervende meisje. Aan deze sponde +der smart ontwaakte een ongekende zaligheid in zijne borst. De mond +der boosheid had hem een zoon en diens verderf aangekondigd, de stem +der onschuld meldde hem de redding van dat kind, van welks bestaan +hij tot heden onbewust was gebleven. + +Zou dat kleine stuk papier, 't welk daar uit haar keursje steekt, +inderdaad het bedoelde bewijs bevatten? + +Zonder aarzelen trok hij het behoedzaam te voorschijn. Met sidderende +hand ontvouwde hij het papier, en las de volgende woorden: + +"Edel meisje! Met Gods hulp is het ons gelukt den armen gekerkerde te +bevrijden. Daartoe zijt gij, in Gods hand, het middel geweest. Nog +weet gij niet wie het was die jaren achtereen in dezen kerker +versmachtte. De ongelukkige Adel is niemand anders dan de eenige +zoon des graven Van Bergen. Hem hebt gij bevrijd. Leef gelukkig, edel +meisje! Smaak de vruchten van uw goede daad, en zoo gij hier beneden +daarvoor niet vergolden wordt, dan zal God u in Zijn hoogen hemel +ruimschoots vergelden, wat gij aan een zijner ongelukkige schepselen +hebt gedaan. + + +A. S......" + + +"Ja, God zal u vergelden wat geen sterveling u meer vergelden +kan!" sprak Van Bergen met een onbeschrijfbaar gevoel, terwijl hij +de gestorven redster van zijn kind, met schier vaderlijke liefde een +zoen op het voorhoofd drukte. Ja, bij Hem zult gij het loon voor uw +edele daad ontvangen!" + +"Laat af! laat af!" riep de gravin Van Bergen met stervende stem: +"Weg, weg van mij, gij helsche folteringen! Ik wil niet sterven! Mijn +Zoon! mijn Walter!--Mijn Walter!" herhaalde zij, nauwelijks +hoorbaar. Nog één snik, nog ééne trekking der zenuwen en zij was +niet meer. + +In hetzelfde oogenblik verschenen twee onsterfelijke zielen voor den +rechterstoel des Allerhoogsten. + +De eene was blank en rein, de andere met de zonden dezer wereld besmet. + +De eerste ging in ter rechterzijde. + +De andere?.... Oordeel niet. God alleen mag oordeelen. De Heer is +rechtvaardig--maar genadig. + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + +De kleine stoet, dien wij in het voorlaatste hoofdstuk den Blankert +zagen verlaten, naderde hoe langer hoe meer de plaats zijner +bestemming. + +Langs den noordelijken zoom van het Haagsche bosch, waar zich de oude +eiken ter rechter- en de naakte duinen ter linkerzijde verhieven, +voerde een breed zandspoor naar een eenvoudige pachthoeve. + +Hier gaf Alonzo het teeken om stand te houden. + +"De Heilige Maagd zij geloofd!" sprak hij tot Maarten, nadat deze +hem behulpzaam was geweest om den ongelukkigen Adel de nederige +woning binnen te dragen: "Hier zal de ondeugd haar slachtoffer niet +zoeken. Morgen zal zij dit niet meer vermogen; doch tot zóólang is +voorzichtigheid noodzakelijk. + +Ten einde de bevrijding in geenen deele te belemmeren, had Aafke +den gekerkerden jongeling, op bevel van haren hoogen bondgenoot--den +jongen graaf Spinola--een toereikend slaapmiddel ingegeven. Door de +macht van den slaap geketend, was niets in staat geweest hem aan die +banden te ontrukken. In weerwil van de geweldige donderslagen en de +vele bezwaren, die zijne ontvoering vergezelden, had hij zijne oogen +niet geopend, en, wellicht van zijne beulen droomende, vermoedde hij +niet dat God Zijne engelen had gezonden om voor zijn leven te waken; +dat een paar goede geesten hem beschermden en hem de vrijheid terug +schonken. + +De hoeve, welke door Alonzo tot nachtverblijf voor den bevrijde was +gekozen, behoorde tot de goederen van den graaf Van Bergen en werd +bewoond door Maartens grootvader. + +Met de meeste schroomvalligheid had de oude man het verzoek van zijn +kleinzoon toegestaan. Het was hem gansch niet aangenaam de hand te +leenen in eene zaak, die hem hoe langer hoe meer verdacht voorkwam. + +--Wie was de Spaansche vreemdeling, die hem voor zijne herbergzaamheid +zoo ruimschoots wilde beloonen? Welk voornemen had deze met den +ongelukkige, die daar thans slapende in de bedstee lag? Waarom juist +bij hem, in deze afgelegene woning, eene schuilplaats gezocht? Deze +en vele dergelijke vragen bestormden en verontrustten den zwakken +grijsaard. Hij werd zeer bevreesd, en alles wél overwegende, vermoedde +hij in den slapende niets minder dan een Spaanschen prins, die, de +hemel wist om welke staatsintriges, in een vreemd land moest worden +om hals gebracht. + +Hij huiverde bij het denkbeeld, dat zijn vreedzame woning het +schouwtooneel van een vorstenmoord zou worden, en dat hij zelf, in +stede van zijne dagen in rust en kalmte te eindigen, als medeplichtige, +een schandelijken dood zou moeten ondergaan. + +--Wat hun voornemen ook zijn moge, zoo dacht hij: ik zal zorg dragen, +dat den jongen vorst op deze hoeve geen leed geschiede. Den nacht +zal ik wakend doorbrengen, en morgen, met het krieken van den dag, +begeef ik mij naar den Oldenburgh, ten einde den graaf van alles +te onderrichten. + +Inmiddels was Alonzo met Maarten naar buiten gegaan. De lucht, door +het onweder gezuiverd, was met de liefelijkste geuren vervuld. Even +verruimd en verlucht als de natuur, gevoelde zich ook Alonzo na de +wél volbrachte taak. + +Met het voornemen om zelf naar Den Haag terug te keeren, gaf hij +aangaande Adels bewaking nog eenige bevelen aan Maarten, en zich +toen tot den grijsaard wendende, die in de halfgeopende huisdeur +met achterdochtige blikken de twee samenzweerders of vorstendooders +had trachten te beluisteren, zeide hij op minzamen toon: "En gij, +oude man, die zoo liefderijk een ongelukkige hebt willen opnemen, +het geldelijk loon dat u daarvoor toekomt, zal niet kunnen opwegen +tegen de dankbaarheid, die u in veler hart een eerste plaats zal doen +bekleeden. Vaarwel! morgen hoop ik u weer te zien." Na deze woorden +wierp Alonzo zich in den zadel, en links het bosch in galoppeerende +bereikte hij weldra de stad. + + + +Het was den volgenden morgen, weinige minuten nadat wij den graaf Van +Bergen naar den Blankert zagen vertrekken, dat een oud man, ademloos +de binnenplaats van het kasteel den Oldenburgh betrad. + +De oude Burgman was juist bezig de verspreide fazanten, kalkoenen en +kippen, met zijn: "Tuk tuk tuk!" tot hun ontbijt bijeen te roepen, +terwijl hij tevens naar het geschikte oogenblik zocht om zich van de +drie bonte haantjes meester te maken, die bestemd waren hun laatste +levensdagen in overdaad door te brengen. + +"Wel Esser, wat voert u zoo vroeg naar het kasteel?" riep de +fungeerende pluimgraaf den nieuwaangekomene toe: "Gij schijnt haast +te hebben.--Proe! slokhals! gunt ge dien anderen niets?--Wacht! jaag +me die kleine zwartkuif eens even hier op aan.--Kip ik heb je!" riep +Burgman, terwijl hij het kakelend diertje dat, voor Essers opgeheven +stok verschrikt, zijn waar verderf was te gemoet gesneld, in een +overdekte mand plaatste: "Ziezoo; gij komt alsof gij geroepen +waart. Hoe gaat het in 't duin?--Proe! proe! die grijze is een +vlugge rakkert.--Houdt tegen! houdt tegen!--Mis baas! je dacht me +te ontsnappen. Nou stil maar, je zult goede dagen hebben; daar, +zwartje! daar heb je een kameraad!" en de tweede gevangene gleed bij +de eerste in de overdekte mand. + +"Maar Burgman," ving Esser aan, die de vroege wandeling niet had +ondernomen om den ouden dienaar in het haantjesvangen behulpzaam te +zijn: "ik moet den graaf spreken. Is zijn genade al bij de hand? Ik +bid u, ga hem terstond om een oogenblik onderhoud verzoeken. Het is +van groot belang. Ik kan mijn tijd niet verbeuzelen." + +"Ja, indien gij den graaf moet spreken dan hadt gij maar vroeger +moeten opstaan," antwoordde Burgman verstoord, dewijl Esser het +haantjesvangen "zijn tijd te verbeuzelen" had genoemd: "De graaf is +reeds lang vertrokken, maar indien gij zoo iets belangrijks hebt +mee te deelen,--daar komt de freule, die u misschien te woord zal +willen staan." + +Esser trad met den hoed in de hand op Adelgonde toe, terwijl de +gekrenkte Burgman met een langzaam vleiend: "Kip!--kip!--kip!" zijn +derde slachtoffer zocht meester te worden, dat hij ook weldra bij de +anderen in de mand liet glijden, om ze vervolgens naar de mestkooi +te brengen. + +"Hetgeen gij mij daar zegt is zeer vreemd," zeide Adelgonde, die +aandachtig naar den oude geluisterd had: "Ik ben niet bevoegd om u in +dezen raad te geven, doch naar het mij toeschijnt, zal uw kleinzoon +zijn grijzen grootvader toch niet aan gevaren blootstellen. Maarten +is mij bekend, hij is oppassend en braaf. Gij zult toch niet +veronderstellen dat hij zich, om geldelijk voordeel, in eene zaak +zou mengen, die gij zoo zwart hebt afgeteekend?" + +De oude man schudde het hoofd. "Hij is zoo gesloten als een pot, +genadige freule!" hernam hij. "Hoe dikwerf heb ik hem niet gevraagd, +wie en wat dan eigenlijk die jongeling was.--Grootvader, was steeds +zijn bescheid: een ongelukkige dien wij aan de handen zijner beulen +hebben ontrukt, en dien gij, herbergzaamheid schenkende, een grooten +dienst bewijst. Zie, genadige freule, "aan de handen zijner beulen +ontrukt" dat klinkt verdacht. Waarom den naam verzwegen? Wat mij +betreft, ik ben van mijne jeugd af aan steeds rond voor mijne zaken +uitgekomen, ik heb nimmer iets verzwegen; neen, een goede zaak schuwt +het daglicht niet." + +--Deze, in de meeste opzichten voortreffelijke hoedanigheid van dien +grijsaard, heeft zeker voor Maarten de stilzwijgendheid noodzakelijk +gemaakt, dacht Adelgonde. "Intusschen, oude man," vervolgde zij tot +Esser: "zal ik den graaf bij zijne terugkomst dadelijk met de zaak +bekend maken. Verontrust u niet; reken op de deugd van uw kleinzoon. Ga +u eerst in de keuken wat ververschen, en keer dan welgemoed naar uwe +hoeve terug." + +Esser schudde nogmaals het hoofd.--Zoo stapt de zorglooze jeugd +met luchtigen tred over de gewichtigste zaken heen! dacht hij: +"De ondervinding leert ons voorzichtigheid," zeide hij luid: "en al +heb ik mij ditmaal door de schoonklinkende woorden van Maarten laten +in slaap wiegen, mijne oogen zijn nu geopend, en voorzeker zal de +genadige graaf, door een tijdige overkomst, een vorstenzoon van den +dood redden, diens moordenaars aan het gerecht in handen leveren, en +mijn grijze kruin voor schande en ellende behoeden. De hemel beware u, +genadige freule! thans keer ik onmiddellijk naar 't duin terug. In +mijne afwezigheid heeft niemand kunnen ontsnappen. Het vertrek waar +de prins ligt, is geheel afgesloten. Met ongeduld zal ik de komst +van den genadigen graaf te gemoet zien. God zij met u!" + +Na deze woorden boog zich de oude man, en verliet de binnenplaats +zoo snel als zijn wankelende tred zulks toeliet, om den terugtocht +naar zijne woning aan te nemen. + +Adelgonde, nu aan zich zelve overgelaten, zette hare morgenwandeling +voort. Het was dien dag juist vier maanden geleden dat zij den edelen +Spanjaard voor het eerst had gezien. Hoe veel was er in dien korten +tijd, ook voor haar, veranderd!--O, dacht zij, terwijl een traan +bij haar opwelde: hoe ras zijn die schoone dagen van vreugde en +zorgeloosheid vervlogen! Hoe trotsch was ik, mij eene dochter van +dien alom beminden en goeden graaf te kunnen noemen. Met welk een +onuitsprekelijke, ja, meer dan kinderlijke liefde hing ik hem aan; en +hij--hij noemde mij zijn lieve dochter. Helaas! ik was zijne dochter +niet. En thans--dezelfde liefde blijft hij mij bewijzen! voortdurend +noemt hij mij zijn lieve kind; maar ach! hoe schoon, hoe liefelijk +mij voorheen die naam ook in de ooren klonk, thans rijt zij gruwzaam +de mij toegebrachte diepe wond telkens weer open.--En gij Alonzo, +o waarom drong de liefde voor u mijn harte binnen? waarom moest die +wensch om u te bezitten, voor mij de dierbaarste worden? waarom heb +ik u bemind, daar ik u nimmer kon toebehooren!? + +Het schoone doch ongelukkige meisje slaakte een diepen zucht. Doch, +een nieuwe gedachte rees bij haar op: Wellicht leefden haar arme +ouders nog!--Moest het hun tot eene misdaad worden gerekend, dat +zij hun kind hadden afgestaan om het in ruimer omstandigheden te +doen opvoeden? Gewis, zij hadden uit liefde voor dat kind zich die +opoffering getroost.--Ach, niets kwam Adelgonde nu wenschelijker +voor, dan in den stand harer ouders terug te keeren, hopende bij +hen de rust voor haar gemoed te zullen wedervinden. Voorzeker, haar +waardige pleegvader zou haar in dit besluit geenszins hinderlijk +willen zijn. Hij zag het immers, hoe zij, na het vernemen dier treurige +waarheid, hare dagen in droefheid had doorgebracht; hoe zij niet meer +dartel liefkoozend, maar schuchter zijne goedheden had beantwoord; +hij zag het immers, hoe zij steeds alle bezoeken zocht te ontvlieden; +hoe zij schroomvallig de oogen nedersloeg wanneer een dienstbode +haar met eerbied naderde, en hoe dikwerf een donker rood hare wangen +kleurde wanneer een adellijk bezoeker, al schertsend, den mindere in +zijne handelingen bespottelijk zocht voor te stellen. + +--Neen! besloot het teergevoelige meisje: neen, het is niet mogelijk +mij langer achter een valsch masker te verbergen. Ik kan, ik mag niet +langer schijnen wat ik niet ben; eenmaal toch zal de wereld mijne +afkomst vernemen: waar zal ik dan vluchten om hare verachting te +ontgaan! waar zal ik schuilen om haar smadende blikken te ontvlieden!?" + +Aan een zodenbank gekomen, nam zij plaats, en staarde met bekretene +oogen voor zich neder. Weldra trof een zeer bekende stem hare ooren. + +"Alweer in tranen liefste Gonne?" riep Van Bergen zijne pleegdochter +toe: "ik had zoo innig gehoopt een vroolijk lachje als welkomst te +zullen ontvangen.--Hier, Burgman, neem mij Wakker eens mede: het +goede dier is doornat en verlangt naar een welgevulde ruif." + +Nadat Burgman den hinnikenden bruin met zich had genomen, nam Van +Bergen naast Adelgonde plaats. + +Den, in de oefenschool der ondervinding volleerden, man was het +niet aan te zien dat hem dien morgen reeds zoo vele aandoeningen +hadden bestormd. Wel had zijn vaderhart hoorbaar geklopt; wel +was een vluchtige schim van hoop hem voorbij gesneld, doch hij +waagde het niet die hemelplant in zijn binnenste te doen wortelen: +Wat toch was zijn leven anders geweest dan een aaneenschakeling van +teleurstellingen! Dikwerf was de zon helder voor zijne oogen verrezen, +doch maar al te dikwerf ook was zij spoedig weder achter donkere +wolken schuilgegaan. + +Met eenige omzichtigheid verhaalde nu de graaf zijne ontmoetingen +van dien morgen: hoe zijn rampzalige stiefmoeder was gestorven, en +hoe hem toevallig was ter oore gekomen, dat een knaap, jaren lang +door die ontaarde vrouw gekerkerd, weinige oogenblikken vóór den +schrikkelijken brand, door een reddende hand was verlost. + +Bij deze laatste woorden schoot Adelgonde de geschiedenis van den +ouden Esser te binnen; met weinige woorden deelde zij haren pleegvader +den inhoud van Essers verhaal en diens angstige bezorgdheid mede; +besluitende met haar natuurlijk vermoeden: dat de gewaande prins +niemand anders dan de geredde knaap zou zijn.--Nauwelijks had Adelgonde +geëindigd, of zij bespeurde op het gelaat des graven eene voor haar +onbegrijpelijke uitdrukking van verrukking. Zijne oogen waren naar +boven gericht; het was alsof een stroom van innige dankbaarheid zijn +halfgeopenden mond ontvlood, alsof een hemelbode hem de zekerheid +des eeuwigen levens had aangekondigd. + +Vragend zag Adelgonde haren pleegvader aan. Hij echter waagde het +niet zijne blijdschap in woorden lucht te geven; doch eindelijk de +hand van Adelgonde vattende, drukte hij die aan zijn hart en riep: +"O Gonne! liefste Gonne! wat er ook verandere, vergeet nooit dat ik +u als een vader bemin." + +Na deze woorden rees bij Adelgonde een flauw vermoeden der +waarheid.--Zwijgend zag zij voor zich neder; zwijgend nam zij den +aangeboden arm van haren pleegvader; zwijgend trad zij met hem de +groote poort van het kasteel binnen, en begaf zich, in diepe gedachten +verzonken, naar hare kamer. + +"Reeds een geruimen tijd heb ik op uwe terugkomst gewacht lieve +freule!" zeide Adelgondes kamenier, die hare gebiedster op den drempel +te gemoet trad: "Zooeven heeft een boerenknaapje mij dit briefje +voor u overhandigd. Het opschrift komt mij eenigszins bekend voor, +en ik twijfel niet of het zal u aangenaam zijn." + +"Het is wél, Anne, doch laat mij nu alleen," zeide Adelgonde, en +de deur van binnen gesloten hebbende, las zij Alonzo's brief, wiens +zonderlinge inhoud haar voorhoofd deed gloeien, haar boezem jagen, +en haar gemoed aan honderden aandoeningen ter prooi gaf. + +Van Bergen had zich insgelijks naar zijne kamer begeven. Dáár gekomen, +was het hem een behoefte zich dankende voor de voeten van zijn God +neder te werpen. O, hoe duidelijk ontwaarde hij in den samenloop +der omstandigheden, den leidenden vinger Gods. Hoe treffend was het, +dat de achterdocht eens grijsaards hem reeds zoo spoedig de plaats +moest wijzen waar hij den zoon uit de handen zijner bevrijders kon +terug erlangen: "O God, sterk mij wanneer ik mijn ongelukkig kind zal +wederzien," bad hij eindelijk: "Geef Gij mij kracht, want zóó--zóó +heeft een vader nog nooit zijn kind teruggevonden." + +Langzaam rees hij op; gaf bevel om terstond zijn paard te zadelen; +besteeg het weinige oogenblikken later, en het dier in den stap +dwingende, sloeg hij den weg in, die hem naar de woning van Esser +zou voeren. + + + +Reeds had de zon de grootste helft van haar dagelijkschen loop +volbracht, toen Alonzo, uit Den Haag in de hoeve aan het duin +terugkeerde. + +De bezorgde oude zat voor Adels legerstede, en had niet gedoogd dat +Maarten hem uit zijn--nog steeds voortdurenden slaap opwekte. Alonzo, +die geenszins had bevroed welke ongerijmde vermoedens de grijsaard +koesterde, schudde hem trouwhartig de hand. "Gij zijt een zorgvuldig +wachter!" zeide hij vriendelijk: "Uw kleinzoon heeft uw goedheid niet +ijdel geroemd. Zet nog een oogenblik uw waakzaamheid voort. Plaats +u voor den ingang uwer woning, en zorg dat niemand er binnen treedt +terwijl wij den slapende wekken, hem van zijne onreinheid zuiveren +en een voegzamer kleeding zullen aantrekken." + +Esser scheen besluiteloos. Des vreemdelings open oog en minzame +toon hadden wel voor een oogenblik de stem der achterdocht in zijn +binnenste doen zwijgen, doch zijne vrees voor moord of mishandeling +was nog geenszins verdwenen. Wat stond hem, zwakken grijsaard, +te doen? hij toch kon zich niet tegen twee krachtvolle mannen +verzetten.--Welaan! sprak hij tot zich zelven: ik zal mij voor den +ingang mijner woning plaatsen; van dáár zal ik door het venster de +verrichtingen daar binnen kunnen gadeslaan; bij de minste beweging, +die mij verdacht voorkomt, zal ik om hulp kunnen roepen. God moge +den ongelukkige beschermen, en, zoo het noodig moest zijn, tijdige +hulp doen opdagen. + + + +Nog steeds hield de graaf Van Bergen zijn vurig ros in den stap. Met +bedaardheid wilde hij het gewichtige oogenblik te gemoet gaan. Nu eens +had hij, om zijn geest tot kalmte te stemmen, een danken smeekgebed +tot God opgezonden, dan weder had hij de natuur in hare duizendvoudige +schoonheid gadegeslagen. + +De weg dien hij volgde, doorsneed, van den Bezuidenhoutschen weg, +het schoone Haagsche bosch in een schuine richting. Reeds was hij het +einde van zijn tocht nabij, reeds zag hij door de uiterste stammen +aan de noordzijde de zilveren duinen blinken, en ontwaarde hij zijn +hoeve, welke door den ouden Esser bewoond werd. + +Nog slechts weinige schreden was hij van de woning verwijderd toen +de oude pachter zijn heer ontdekte. + +"Goddank, genadige graaf!" riep hij in verrukking uit: "Goddank dat +gij gekomen zijt, want zij staan gereed met hem te vertrekken, en +zonder dat ik zulks verhinderen kon. O, nu zal de boosheid verijdeld +worden! Voor uw paard zal ik zorg dragen genadige heer," vervolgde +hij, terwijl hij den graaf in het afstijgen behulpzaam was: "O, uwe +komst geeft mij waarlijk het leven terug!" en den graaf op die plaats +achterlatende, verwijderde hij zich met den klepper ten einde hem in +de achterwoning op stal te zetten. + +Daar stond nu Van Bergen: slechts weinige schreden nog en hij zou, +indien God het wilde, zijn kind in de armen drukken. Was het dan +werkelijk geen heerlijke droom die zijne zinnen verrukte? Met beide +handen bedekte hij het voorhoofd als zocht hij allen schijn te +verbannen, en, toen hij nu, met helderen blik voor zich uitziende, +den tempel zijns heils wilde binnentreden, toen ontvlood een kreet +van tienvoudige aandoening zijne borst, zoodat hij onwillekeurig +gedrongen werd eenige schreden achterwaarts te doen. + + + +Wij vermogen niet de waarde van het oogenblik te schetsen, toen de +verrukte Adel, door zijn beide redders ondersteund, de kleine woning +verlatende, voor de eerste maal Gods heerlijke schepping binnentrad. + +Welk sterveling is er die zich de hemelsche gelukzaligheid niet +eens op deze of gene zinnelijke wijze heeft voorgesteld? Die niet +het hemelsche paradijs heeft meenen te aanschouwen, zoo schoon, +zoo heerlijk in tegenstelling met dit aardsche tranendal? + +Zoo ook had Adel in zijn droevig kerkerhol van den hemel hooren +spreken. Ook hij had zich een gelukkige wereld daarbuiten voorgesteld; +ook hij had, door zijn liefderijke verzorgster, een God, een Verlosser +leeren aanroepen; ook hij was met de heerlijkheid van een eeuwig +leven bekend geworden. + +En nu--uit een diepen slaap ontwaakt,--uit nacht en banden verlost, +gereinigd,--in een schoone kleeding,--als met een nieuw lichaam +begiftigd,--door zijn bevrijder en diens dienaar ondersteund,--zóó +die heerlijke schepping aanschouwende, wat was natuurlijker dan dat +de langgemartelde jongeling waande Gods hoogen hemel zelven binnen +te gaan. + +En Van Bergen--roerloos en als aan den grond genageld stond +hij daar. Hij kon niet spreken. Dat bleeke, dat uitgeteerde +gelaat! Ja!--ja! het waren de trekken van zijn dierbare, zijn zalige +Clarisse; nu kon hij veilig de waarheid vertrouwen, en met een van +aandoening schier angstverwekkende stem riep hij: "Mijn zoon, mijn +kind, hier is uw vader!" + +Bij deze ontboezeming voer den zwakken knaap eene rilling door +de leden. + +"Gij--God!--mijn hemelsche Vader!?" zeide hij op doffen toon, terwijl +hij den sierlijk gekleeden man met angstige oogen beschouwde; en +terstond indachtig aan het hem door Aafke geleerde gebed, vervolgde +hij: "Wil mij verlossen goede God! Amen!" + +Van Bergen sprak niet; met grenzenlooze blijdschap drukte hij zijn kind +aan het hart; de tolken der dankbaarheid vloeiden hem langs de kaken, +en den blik naar Alonzo wendende, verstond deze daaruit alles--wat +het overkropte gemoed van dien vader niet in woorden kon brengen. + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + +De klokken van het naburig 's-Gravenhage verkondigden het negende uur +na den middag, toen een ruiter in eene zijlaan van het kasteel den +Oldenburgh langzaam op en neer stapte. Met ongeduld scheen hij iemands +komst te verbeiden, en gedurig blikte hij naar de kleine achterpoort, +waaruit de gewacht wordende moest te voorschijn komen. + +Het duurde dan ook werkelijk maar weinige minuten, of de bedoelde poort +werd geopend, en eene in het wit gekleede gedaante trad er uit. Met +langzamen doch lichten tred ging zij over de smalle slotbrug, en was +reeds op weinige schreden na aan de zijlaan gekomen, toen zij stand +hield en, zich omkeerende, de oogen naar het kasteel wendde. Eensklaps, +als tot andere gedachten gekomen, keerde zij eenige schreden terug; +schijnbaar besluiteloos echter bleef zij ook nu weder staan; strekte +de armen naar de reeds in schemerlicht gehulde muren van het kasteel +uit; wuifde het een laatst vaarwel toe; keerde toen nogmaals op haar +voorgenomen pad terug, en bevond zich weldra in de nabijheid des +ruiters. Deze, inmiddels van het paard gestegen, had den hoed dieper +in de oogen gedrukt, en de snikkende jonkvrouw behoedzaam naderende, +zeide hij met een zachte doch gemaakte stem: "Ik wachtte u reeds, +dierbare Adelgonde. Het in mij gestelde vertrouwen zal ik op waardige +wijze beloonen." + +Een koude huivering deed Adelgonde het bloed in de aderen stollen. + +"Laat af! laat af!" gilde zij, zich verwerende,--doch tevergeefs; +een stevige arm hield haar omkneld. "Help! help!" riep zij nogmaals, +doch ook die kreten werden gesmoord. De vreemdeling had haar een +wijden mantel over het hoofd geworpen, en bewusteloos zeeg zij in +de armen van haren roover, die haar vóór zich op het ros plaatste, +en in gestrekten ren met haar den weg naar Leiden insloeg. + +In teugellooze vaart ging het steeds voorwaarts. De ruiter hield het +meisje omkneld. Loerende sloeg hij gedurig de oogen om zich heen en +waande in iederen boom, ja in zijn eigen schaduw, woedende vervolgers +te ontdekken, die hem den geroofden buit wilden betwisten. + +--Geen vrees! sprak hij bij zich zelven: Wij zijn ons doel nabij. De +stoute daad wordt ruimschoots beloond, en waarom zou ik dralen indien +bergen van blinkend goud mij vriendelijk tegenlachen? + +Na een rit van nauwelijks drie kwartuurs, hield de ruiter voor de +ellendige herberg stil, waar een roemer op het vergane uithangbord +prijkte. + +Vrouw Barbara had den hoefslag en het stilhouden van een paard +gehoord. Met eene lantaarn in de hand trad zij naar buiten en begroette +den nieuw aangekomene. + +"Gij hebt goed doorgereden," zeide zij: "minstens had ik u een half +uur later gewacht.--Doch," ging zij fluisterende voort: "wij zijn +niet alleen; vriend Rosio is zooeven aangekomen. Door den brand, +die den Blankert gisteravond verwoestte, is hij van dáár verjaagd, +en nu, van een goeden buit voorzien, is hij voornemens zich morgen +naar Frankrijk op reis te begeven. + +Des vreemdelings oogen schitterden: + +"'t Is wel," zeide hij, en de nog steeds bewustelooze Adelgonde +op zijne armen nemende, trad hij de woning binnen; beklom met haar +hetzelfde kamertje, waar wij den ongelukkigen kunstenaar, eenigen tijd +geleden, zijn nachtverblijf zagen nemen, en legde haar op het bed, +'t welk vrouw Barbara te dien einde in gereedheid had gebracht. + +De vreemdeling, in wien wij reeds den jonker Walter Van Rodenberg +hebben herkend, brandde nu van verlangen om te weten welke +kostbaarheden door de ontvoering van Adelgonde in zijn bezit waren +gekomen. + +Met de verregaandste onkieschheid doorzocht hij de kleederen der +schoone Hagenlelie, die daar als een marmeren beeld ter neer lag. + +Een klein pakje benevens eenige oude brieven, was het eenige wat hij +bij haar vond. + +Zijn hooge verwachting werd door den inhoud van dat pakje bitter +teleurgesteld. + +Behalve een klein rolletje goud--Adelgondes bespaarde +penningen--bevatte het niets dan een vierkant doosje, waarin +het portret van den graaf Van Bergen lag, en dat, in een zilveren +medaillon gevat, met juweelen en paarlen was omzet.--Is dit dan alles +wat de deerne heeft meegenomen! dacht Van Rodenberg met van woede +bevende lippen: Heb ik dan voor niets de armoede harer ouders zoo +sterk geteekend! Maar, bij den hemel! ik zal mij weten schadeloos te +stellen. De losprijs zal naar deze teleurstelling geëvenredigd zijn! + +Na de gevonden voorwerpen bij zich te hebben gestoken, ging hij het +kelderluik af en trad de gelagkamer binnen, alwaar Rosio, als reizende +koopman vermomd, zijn avondmaal zat te nuttigen. + +"Goedenavond, mijn brave heer," zeide Van Rodenberg spottend, terwijl +hij een glurenden blik naar eenige op elkander gestapelde pakken sloeg: +"Uw vermomming is voortreffelijk. Zie, bij den eersten aanblik herken +ik u dadelijk. Ei ei! gij zijt dus van uwe waardigheid ontslagen! Heeft +de genadige gravin uw alvermogende hulp niet meer noodig? Gij zijt wel +diep te beklagen, want zeker moet gij thans met eenigen kleinhandel +uw dagelijksch brood zuur verdienen, en boer of edelman om een dak +om Godswil aanspreken!" + +"Wij kennen elkander!" sprak Rosio, die zeer wel begreep, dat +Van Rodenberg den draak met hem stak: "Maar bij het heil mijner +ziel!" vervolgde hij: "hetgeen gij zegt is waar: slechts weinige +oude boeken en geschriften, behalve hetgeen mij toebehoorde, heb ik +uit den hevigen brand kunnen redden. Gij weet het immers, jonker, +dat de Blankert een prooi der vlammen is geworden?" + +"Als ik mij niet vergis," antwoordde Van Rodenberg, "dan was ik bij +die grap tegenwoordig. Het had mij bijna het leven gekost. Doch genoeg +daarvan. De edele gravin is...." + +"Leeft de gravin nog?" viel hem Rosio haastig in de rede, terwijl hij +zijn bezorgdheid en vrees daarvoor achter een masker van levendige +belangstelling zocht te verbergen. + +"Stel u gerust," hernam Van Rodenberg glimlachend: "ik heb dezen +middag vernomen, dat zij de vuurproef moedig heeft doorstaan, doch +dat de waterproef haar minder goed is bekomen. Dezen morgen is zij +bezweken, en heeft in haar laatste oogenblikken nog met de meeste +liefde van u gesproken. + +"De Heer hebbe hare ziel!" zuchtte Rosio. + +"Of de duivel!" hernam Van Rodenberg: "Om 't even. Gij weet niet," +ging hij langzaam voort, terwijl hij met zijne vingers op de tafel +trommelde en Rosio met halfgeslotene oogen doordringend aanzag: +"Gij weet niet wie de eenige erfgenaam mijner lieve moeder is?" + +"Uwer moeder?" riep Rosio in de grootste verwarring: "Wie--de +gravin? wie heeft u gezegd....?" + +"Eilieve, Barbara, wees zoo goed en ga mijn schoonen buit eens +opzoeken," zeide Van Rodenberg tot de waardin, die reeds voor eenige +oogenblikken de kamer was binnengekomen: "Ik geloof," vervolgde hij: +"dat het fijne ding wat opwekkingsmiddelen zal noodig hebben; gedurende +den geheelen tocht is zij buiten kennis geweest." + +Barbara had zich reeds op dit bevel voorbereid; doch hare +nieuwsgierigheid was door het gesprek der heeren gaande gemaakt, en +gaarne had zij nog een oogenblik willen toeven; nu evenwel voldeed +zij aan Van Rodenbergs verlangen, en zich met eene lamp naar het +opkamertje begevende, verloor zij den draad van het gesprek, 't welk +hare belangstelling zoozeer had opgewekt. + +--Men heeft mij toch niet te veel van hare schoonheid verhaald, +dacht de waardin, toen zij Adelgondes fijne trekken aanschouwde: +Het arme kind moet dan schrikkelijk zijn ontsteld. "Kom hier mijn +duifje! ruik eens," sprak zij, terwijl zij Adelgonde een fleschje met +geestrijk vocht onder het kleine neusje drukte: "dit zal u goed doen." + +Werkelijk opende Adelgonde weinige oogenblikken later de oogen. "Waar +ben ik?" vroeg zij met een angstige stem, terwijl zij de waardin +bevreesd aanzag. + +"Bij wie anders dan bij Barbara?" antwoordde de vrouw: "Nu, ik wil +wel gelooven, mijn hartje, dat gij mij niet herkent," vervolgde zij: +"want toen ik u de laatste maal verliet, waart ge nog slechts een +nuchter wicht: 't is heel wat tijd geleden!" + +Adelgonde kon zich,--uit haar bezwijming ontwaakt, geen duidelijk +denkbeeld vormen van hetgeen er met haar was voorgevallen. Wèl +herinnerde zij zich Alonzo's brief, waarin deze haar had gemeld, +dat hare ouders nog leefden; dat hij haar, zoo zij dit begeerde, in +de armen dier ouders wilde terugvoeren; dat die goede lieden in den +bittersten nood verkeerden, en zij derhalve zooveel als haar mogelijk +zou zijn, moest medenemen om hen, aan wie zij het leven verschuldigd +was, met het hare te ondersteunen; en eindelijk dat hij zich had +voorgenomen, om haar aan hare wettige ouders ten huwelijk te vragen, +dewijl rang noch geboorte hem zouden beletten haar als zijne vrouw te +beminnen. Insgelijks herinnerde zij zich den tweestrijd, welke haar +binnenste bij het lezen dier letteren had vervuld; hoe zij nu eens +besloten, dan weder gewankeld had; hoe innige dankbaarheid aan haren +pleegvader haar aan den Oldenburgh had geboeid, maar kinderliefde +en teedere min haar nochtans tot den voorgeslagen stap hadden doen +besluiten.--Doch, wat er met haar was voorgevallen nadat de stem van +Van Rodenberg haar als een donderslag in de ooren was gedrongen.... dit +kon zij zich niet te binnenbrengen, en nogmaals de waardin vragend +aanziende, zeide zij: "En Alonzo?" + +"Wel, die heeft u hier gebracht, mijn torteltje!" was het antwoord: +"Hij heeft u alleen gelaten om u eenige rust te doen genieten. Het +is een mooi knap heer." + +Adelgonde schudde ongeloovig het hoofd. "Maar gij?" zeide zij, de +waardin weder vragend beschouwende: "Wie zijt gij?" + +"Wie ik ben?" hervatte vrouw Barbara: "Wel, wie ben ik anders dan uwe +moeder. Kunt gij het dan aan uw hartje niet voelen dat gij uw eerste +voedsel aan mijne borst genoten hebt?--Maar zie, toen waart gij pas zóó +groot," vervolgde zij, bespeurende dat Adelgonde zich geweld deed om +hetgeen zij hoorde te gelooven: "en op dien leeftijd zien de oogen nog +niet verder dan de neus lang is. Wacht, mijn torteltje, ik zal u wat +eten halen. Ik neem het u niet kwalijk dat gij mij niet hebt herkend." + +Zoodra vrouw Barbara vertrokken was, richtte Adelgonde zich overeind, +en bij het schijnsel der achtergelatene lamp, doorzag zij nu het +kleine naargeestige vertrek, dat somber en droevig afstak bij de +groote zalen en ruime kamers waarin zij was opgevoed. + +--Dus is die vrouw mijne moeder, dacht Adelgonde: Zoo zijn die ruwe +gelaatstrekken dan de trekken van haar, die ik mij in mijn kindsche +dagen schier als een heilige had voorgesteld! + +Onwillekeurig werd het teedere meisje zeer bevreesd. Alles kwam haar +zoo vreemd, zoo zonderling voor. Was het dan niet Van Rodenberg die +haar, in stede van Alonzo, had weggevoerd? + +--O God! wat wil men van mij, wat heeft men met mij voor? dacht zij +voort: Neen ik had niet zoo moeten handelen, men heeft mij in een +valstrik gelokt, ik ben bedrogen! Goede God, red mij! Wat zal er van +mij worden! + +Een luidruchtig gesprek, dat in de gelagkamer werd gevoerd, boeide +eensklaps hare opmerkzaamheid. Duidelijk onderscheidde zij de stem +van den man, die haar steeds den meesten afschuw had ingeboezemd. Er +bestond geen twijfel meer, het was Van Rodenberg, die in hevigen +twist met een ander was geraakt. + +Hare legerstede verlatende, naderde zij behoedzaam de deur, en zocht +nu eenige woorden op te vangen. Doch tevergeefs, de twistenden schenen +zich verstaan te hebben, en niets vernam zij verder dan het stooten +van twee kroezen tegen elkander, waarop er nog eenige woorden werden +gewisseld, totdat eindelijk een der mannen zijn afscheid nam, en zich +te paard van de woning verwijderde. + +Adelgonde voelde haar gemoed niet weinig verruimd toen zij in den +aftrekkende, haren vijand vermoedde. Met het vaste voornemen om moedig +de waarheid te onderzoeken, en zich in Gods hand veilig te vertrouwen, +zette zij zich op een kleine bank, die voor een vermolmde eikenhouten +tafel stond. + +Vrouw Barbara trad kort daarop het kamertje weder binnen. In de eene +hand hield zij eenige sneden grof brood, in de andere een kan met +zoete melk gevuld. + +"Zie zoo mijn duifje!" riep zij Adelgonde toe: "zoo is het goed, +nu zijt gij toch van den schrik bekomen. Eet en drink nu maar eens +naar hartelust, het is u volkomen gegund." + +Hoewel Adelgonde niet den minsten eetlust gevoelde, zoo verkwikte +haar toch de aangebodene melk, en vrouw Barbara voor hare zorgen dank +zeggende, gaf zij tevens haar wensch te kennen om, alleen gelaten, +zich ter rust te kunnen begeven. + +"Allerbest mijn hartje!" zeide Barbara: "Gij zijt hier zoo vrij als +op het kasteel. Morgen zal mijnheer Van Ro.... mijnheer Spinola, +wil ik zeggen, u wel eens komen bezoeken. Ik weet niet, maar ik heb +hem zoo wat van trouwen hooren prevelen. Hé, dat zou u lijken, geloof +ik. Het is een knap man, daar blijf ik bij. Nu, mijn aardig torteltje, +ik wensch u een goeden nacht," en het onaangeroerde brood weder met +zich nemende, verliet de waardin het vertrek. + +Daar zat nu het schoone doch zwakke meisje, aan de somberste +gedachten ter prooi gelaten. Hoe was het haar mogelijk te gelooven +dat de edele Alonzo, den verachtelijksten der mannen, in zijn belang +zou hebben genomen! Doch die brief! was die dan niet van de hand des +geliefden? Nogmaals wilde zij die letteren herlezen, om allen twijfel +te verbannen; zich nogmaals overtuigen dat zij door Alonzo geschreven, +en niet door een andere hand kunstig waren nagebootst; doch hoe klom +haar heimelijke vrees tot de vernietigendste bezorgdheid, toen zij +het pakje miste, hetwelk Van Rodenberg haar in haar bezwijming had +ontvreemd. + +Nu eerst begreep Adelgonde ten volle dat de lage man een vreemd en +schandelijk spel met haar speelde. Hier in dit huis bevond zij zich in +zijne macht; ondanks de mogelijkheid zelfs dat die vrouw hare moeder +was, durfde zij van dien kant niet op hulp en bescherming rekenen. Wat +stond haar te doen!? Niets bleef haar in dit bange oogenblik over +dan een spoedige vlucht, en in weerwil der moeielijkheden aan deze +ontkoming en den nachtelijken tocht verbonden, nam zij het kloekmoedig +besluit, al hare krachten bijeen te zamelen, en, als een berouwvolle +dochter, smeekend in de armen van haar liefderijken pleegvader terug +te keeren. + +Nog eenige oogenblikken luisterde Adelgonde aandachtig, om zich te +overtuigen dat er in het aangrenzende vertrek geen personen meer +aanwezig waren. Alles was stil. De bewoners schenen zich ter rust te +hebben begeven. + +Hierop trad zij behoedzaam naar het kleine venster, en zocht met haar +fijne handen den grendel weg te schuiven, die in het omvatsel zat +vast geroest. Zij verdubbelde hare krachten; en werkelijk bereikte +zij gelukkig haar doel. + +Het venster nu geopend zijnde, kostte het haar geringe moeite de +schier vergane vensterluiken insgelijks naar buiten open te stooten, +doch hoorbaar klopte haar hart toen zij bemerkte dat het venster, +waaruit zij den sprong moest wagen, ruim zeven voet boven den vlakken +grond verheven was. + +--God zal mij behoeden! dacht Adelgonde: Hij weet dat ik met goede +bedoelingen den dwazen stap heb gewaagd. Hij zal mij vergeven, +gelijk de edele en goede graaf mij weder met liefde in zijne armen +zal opnemen. + +Een zacht geritsel aan de buitenzijde der deur wekte eensklaps +hare aandacht. Adelgonde sidderde. Het raam weder dicht te trekken +en de nog brandende lamp uit te blazen, was het werk van een +oogenblik. Nauwelijks was dit verricht, of de deur werd geopend, +en een man trad het kamertje binnen, wiens trekken, verlicht door +het schijnsel eener lantaarn welke hij in de hand hield, Adelgonde +zich niet herinnerde vroeger te hebben gezien. + +"Vrees niet!" sprak de man op fluisterenden toon: "Gij behoeft voor +mij niet te beven. Zonder u te kennen, schoone jonkvrouw, ben ik uw +vriend. Gij zijt in arglistige handen, doch ik kom u redden; ik zal +u aan de handen van Van Rodenberg ontrukken." + +Adelgonde wist niet wat zij van deze plotselinge verschijning moest +denken. Wel waren de gesprokene woorden geschikt om haar vrees +te verbannen; doch in die glurende kleine oogen las zij iets meer +dan belangelooze welwillendheid; in dien naar boven getrokken mond +lag iets anders dan zuivere deelneming in het lot van een belaagd +onschuldig meisje. + +"En waarvoor zou ik vreezen?" zeide Adelgonde, terwijl het haar was +aan te zien, dat haar gemoedstoestand zonderling met hare woorden +in tegenspraak was. "Ik heb hier niets te duchten. Vertrek van hier, +mijnheer, als ik u bidden mag. Ik ben hier veilig, hier, in de woning +mijner ouders." + +"En evenwel hebt gij dat venster geopend?" hernam de vreemdeling: +"Zie maar, het is door de tocht weer opengegaan. Doch vertrouw op +mij, schoone jonkvrouw," vervolgde hij, haar langzaam naderende: +"ik weet nauwkeurig wat men met u voor heeft; geloof mij, ik ken de +netten welke u gespreid worden." + +"Mensch! wat wilt gij van mij?" riep Adelgonde met bevende stem, +terwijl haar het angstzweet op het voorhoofd parelde: "Wie geeft u +het recht mijn slaapvertrek binnen te treden!? Verwijder u van hier, +zoo gij het wél met mij meent." + +"Het schijnt mij toe, dat ik u slechts afkeer kan inboezemen," hernam +de vreemdeling, die niemand anders dan Rosio was: "Is mijn gelaat +dan zoo afschuwelijk? Doch ik versta u," ging hij voort, terwijl hij +de tot ter dood ontstelde Adelgonde hoe langer hoe meer naderde: +"ik versta die angstige bezorgdheid: "Een Spaansch edelman wordt +door de zedige schoone in het nachtelijk uur ten harent gewacht. Het +venster is reeds geopend; de lamp is uitgedoofd. Ha ha! laat den +knaap nog een oogenblik smachten. Zie, schoonste bloem, de vlam der +liefde heeft ook mijn hart voor u doen branden. Waarom moet ik door +dat vuur verkwijnen terwijl een ander...." + +"Laat af,--laat af!" riep de engelreine Adelgonde, terwijl zij zich +met schier bovennatuurlijke krachten uit den arm zocht los te rukken, +dien de ellendeling reeds om haar slanke leest geslagen had: "Heilige +Vader! sta mij bij!" gilde zij, zich krachtdadig verwerende. Doch, +haar schier waanzinnige pogingen waren vruchteloos; Rosio's ijzeren +arm hield haar omkneld, en grinnikend lachte het onmensch, toen +hij de angstkreten der onschuld met een dikken doek had gesmoord, +en alzoo de zege over het zwakke reine schepsel had bevochten. + +Dáár echter, waar de nood tot aan de lippen is geklommen en de +sterveling aan Gods reddende macht begint te wanhopen, is Zijn reddende +hand hem vaak het dichtst nabij. Weet dan de grijze booswicht niet, +dat hij weldra zijn breeden en effen weg zal hebben afgehold? Weet +hij niet dat de wijde poort hem wacht, doch dat een diepe poel aan +het eind dier baan is gedolven? Hij weet dit, en evenzeer ziet hij +dat menig zijpad hem nog op den moeielijken doch rechten weg kan +terugvoeren. Hij wil het niet; welnu, een ander, die achter hem komt, +zal hem in zijn vaart nog sneller tot het einde voeren; nog ééne +schrede, en hij stort in den afgrond. Doch zelfs ook dán, in dien +laatsten stond, dan nog wankelt hij een oogenblik; dan zelfs ziet hij +nog aan de rechterzijde van dien poel, een doornig en rotsachtig pad, +'t welk steil naar boven gaat; dan nog kan hij keeren; dan nog trekt +hem een stem naar boven. Schep moed! roept deze hem vriendelijk toe: +de weg is moeielijk, doch toef niet, hier in het Huis des Heeren +rusten de geloovigen van hun kommervollen tocht, en zijn zij vroolijk +als de gasten op een bruiloftsfeest. + +God is rechtvaardig: vroeg of laat treft Hij den zondaar; hier of in +Zijn eeuwig rijk loont Hij den moedigen strijder. + +Zoo daagde er dan ook voor Adelgonde, in het jammervolle oogenblik toen +men haar het kostbaarste wat zij bezat, schandelijk wilde ontrooven, +onverwachte hulp en redding. + +De krachtige arm, waarmede Rosio zijne prooi hield omvat, werd +eensklaps verlamd. Een doodsche kleur overtoog zijn gelaat, en de +hevigste pijnen dreigden zijn ingewanden vaneen te rijten. + +Met het vreeselijkst misbaar liep de snoode ellendeling nu het kleine +vertrek rond; krampachtig wrong hij de handen, en, zich nu eens over +den vloer wentelende, dan weder onstuimig opspringende, kermde hij nu +zelf om redding en hulp, terwijl hij even te voren, op onmeedoogende +wijze, die kreten bij zijn onschuldig slachtoffer had zoeken te smoren. + +Daar lag nu de grijze deugdvertreder; daar wentelde hij zich aan +den rand van de kolk, waar geween en eeuwige duisternis heerscht. De +geldzucht van een medereiziger op het breede spoor, had hem eenige +oogenblikken vroeger aan het einde van zijn loopbaan gebracht. God +had den verleider getroffen, en de onschuld wonderbaar gered. Met +stomme verbazing, met innige dankbaarheid, doch met deernis in het +lot van haren vijand tevens, aanschouwde Adelgonde dat droeve tooneel. + +"Ik ben vergeven! vergeven!" brulde Rosio, terwijl hij zich +wanhopend de grijze haren uit den schedel trok: "Is er dan geen +tegengift? Melk! melk!" kermde hij: "Een monster verscheurt mij +van binnen." + +"Doe uw vijand wél!" sprak eene stem in Adelgondes boezem. Gehoorzaam +aan het bevel van haar grooten Meester, nam zij de nog schier gevulde +kan met melk; reikte die den lijdende toe, en zag hoe hij die in ééne +teug ledigde. + +Naderende voetstappen deden haar vrouw Barbara's komst vermoeden. Nog +een oogenblik aarzelde zij. De moed ontbrak haar om langer in +die onheilspellende woning te vertoeven. Hoewel het leven aan die +vrouw verschuldigd, zou zij háár, door misdaad en schande omgeven, +toch nimmer als eene moeder kunnen beminnen. Zou zij dien sprong +uit het venster wagen? Voelde zij zich sterk genoeg, om eenzaam in +het nachtelijk duister, op onbekende wegen rond te dolen?--God zij +mijn staf! dacht het schoone meisje; en juist werd de deur van het +opkamertje door de waardin geopend, toen Adelgonde behouden aan de +andere zijde van het venster in het mulle zand ter nederkwam. + +Door angst voor achtervolging gedreven, snelde Adelgonde met de +vlugheid eener hinde voorwaarts. Door een gunstig toeval geleid, +had zij, zonder te weten waarheen, den weg gekozen, welke naar den +viersprong bij het meergemelde Steenen kruis voerde. + +Nauwelijks een paar honderd schreden van de herberg verwijderd, hield +zij ademloos stand, en wilde een oogenblik rusten om nieuwe krachten +te verzamelen, toen de krijschende stem van vrouw Barbara haar in de +ooren klonk, die haar de laagste scheldnamen nazond, en haar dreigend +vermaande om terug te keeren. + +Door den angst nogmaals gesterkt, toefde Adelgonde niet langer, +en diep ademhalende, vervolgde zij haar nachtelijke vlucht. + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + +Op den Oldenburgh was alles in rep en roer. + +Weinige minuten na Adelgondes ontvoering was de opgetogen graaf, +aan de zijde van zijn wedergevonden zoon, door den jongen Spinola, +Maarten en diens grootvader vergezeld, aan het kasteel teruggekeerd. + +Met van blijdschap vonkelende oogen had hij zelf den zwakken Adel +binnen de muren zijner woning gedragen, en zijne dienstbaren en +huisgenooten doen bijeenroepen, ten einde hun de reden zijner +grenzenlooze vreugde en dankbaarheid kenbaar te maken. + +Met den ouden Burgman aan het hoofd, trad dan ook weldra de kleine +schaar de ridderzaal binnen. + +Slechts een flauwe schemering vervulde nog het ruime vertrek. + +Weinige doch aandoenlijk waren de woorden welke Van Bergen sprak: +"Gaat," zoo eindigde hij: "en verheugt u met uwen heer; maar dankt +ook den Heer der heeren, dat Hij uw meester zulk een groot geluk +heeft doen deelachtig worden." + +"En waar toeft mijne Gonne?" zeide Van Bergen, toen de diep getroffen +dienstbaren, heilwenschend de zaal hadden verlaten: "Moet mijn in +tranen zwemmend oog, haar, in dezen voor mij zoo zaligen stond, +dan nog in een duisteren hoek opsporen?" + +Een zacht geween was het eenig bescheid dat Van Bergen op zijne +vraag bekwam. + +"Is daar dan mijne Gonne niet?" vroeg Van Bergen nogmaals, terwijl +hij op Adelgondes weenend kamermeisje toetrad. + +"Ach, genadige graaf!" snikte Anne: "de lieve freule is er niet. O +lieve God! wat of er van haar geworden is! Ik ben er wellicht de +oorzaak van; had ik den brief van den boozen Spanjaard maar niet +gegeven! Hij is het die haar dezen avond heeft ontvoerd." + +"Meisje, ik versta u niet," hernam Van Bergen: "Spreek, verklaar +u nader." + +"Ja, genadige graaf," hernam de kamenier: "zooeven op de kamer der +lieve freule gekomen, ten einde haar van uw komst te verwittigen, +vond ik die door haar verlaten. Een open brief, aan u gericht, lag +op de tafel. Ik heb er een blik in geslagen; lees genadige graaf, +maar verstoot mij niet." + +Wie schetst de verslagenheid, welke aller gemoed vervulde, toen de +lichten waren ontstoken en de treurige inhoud der letteren aan de +omstanders bekend werd. + +De brief luidde aldus: + + + "Edele graaf! Veelgeliefde pleegvader! + +"Wanneer gij deze regelen zult lezen, zal ik wellicht reeds ver van de +plaats zijn verwijderd, welke mij altijd zoo dierbaar was. Veroordeel +mij niet dewijl ik een stap heb gedaan, dien gij, in uw groote liefde +tot mij, zult laken en misprijzen. God is het bekend, geliefde tweede +vader! hoezeer mijn hart heeft gestreden; hoezeer ik door liefde +en dankbaarheid aan u als gekluisterd werd; hoe ik met mij zelve, +met mijne plichten, met Gods heilig Woord te rade ben gegaan, en de +overtuiging heb bekomen, dat ik zóó en niet anders handelen moest. + +"Ja, ik zal u verlaten: de banden des bloeds eischen dit offer +van mij! Uw stand, uw rang zijn de mijnen niet. "Hebt uwe ouders +lief!" staat er geschreven, en ik zou die armen verachten, +en mij, zelve op deze aarde een lot toeëigenen, dat mij niet is +voorbeschikt? Ik zal u verlaten! De jonge Spanjaard, voor wien ik +zuivere liefde in het hart heb gedragen, biedt mij aan mij in de woning +mijner ouders terug te voeren. Hij is edel en braaf; aan hem durf ik +mij veilig toevertrouwen. God helpe mij! Hij vergeve mij, zoo ik in +eenig opzicht mocht gedwaald hebben. Hij doove de vlam der liefde in +mijn binnenste, dewijl ik Alonzo nimmer zal kunnen toebehooren. Hij +zegene u, dierbare lieve tweede vader! O hoe zwaar zal het mij zijn, +mijn plicht te volbrengen. Dank, dank, duizendmaal dank voor uwe liefde +en onverdiende goedheden! God vergelde u wat gij aan mij hebt gedaan; +aan mij, de uw heil wenschende en voor uw heil biddende + + Adelgonde." + + + +Wij zullen niet lang stilstaan bij de vele doch verschillende +gemoedsaandoeningen die ieders borst deden kloppen. + +Het treurige oogenblik vorderde den meest mogelijken spoed. + +"En staat dan niet hier aan mijne zijde de wakkere redder van mijn +zoon!" sprak Van Bergen: "Hoe ware het mogelijk dat hij mij een +zoon in de armen zou voeren, om mij terzelfder tijd eene dochter +te ontrooven!?" + +"Het is gelogen!" riep Alonzo in woede, toen de graaf hem den +hoofdzakelijken inhoud van den brief had meegedeeld: "Gevloekt zij +de ellendeling, die met schendige hand de schoonste lelie van haren +stengel dorst rukken! Op mannen, geen tijd verloren! De Moeder Gods +zal haar beschermen! Met hare hulp, edele graaf, voeren wij uwe dochter +rein in uwe armen terug. Vaarwel! De Heiligen zullen met ons zijn!" + +"De Vader zelf geleide u!" riep Van Bergen den vurigen jongeling +na, en weinige minuten later zag hij een aantal mannen te paard, en +verscheidene te voet, met fakkels en lantaarns de slotpoort uitsnellen, +ten einde in verschillende richtingen hunne nasporingen te beginnen. + +Inmiddels verzuimde de graaf niet zijn zwakken, door de zonderlinge +lotsverwisseling afgematten zoon, de noodige versterking en rust te +doen genieten; dit gedaan zijnde, deed hij de luchters in de kleine +achterzaal ontsteken, en, hoewel zelf rust en slaap behoevende, was +het hem niet mogelijk zich aan die rust te wijden zoolang de teeder +beminde pleegdochter niet in zijne woning was teruggekeerd. + +Dáár, met ernstigen blik ternedergezeten, herdacht hij de vele en +wondervolle oogenblikken, welke hem dien enkelen dag tot een reeks +van dagen maakten. + +Ondanks zich zelven sloten zich eindelijk zijne oogen, en in een half +wakenden half droomenden toestand ontwaarde hij,--dat de deur openging +en de schim zijner ontslapene stiefmoeder de zaal binnentrad. Op eenige +schreden afstands bleef zij staan, en trok met baar ontvleesde handen +een naakt, uitgeteerd en levenloos wezen van onder haar witte kleederen +te voorschijn. Dat uitgeteerde lijk.... was de ongelukkige Adel! + +Van Bergen ontstelde, en zich haastig met de hand over het voorhoofd +strijkende, zag hij navorschend de zaal rond, doch bespeurde weldra +dat de schim zijner stiefmoeder die plaats had verlaten, dat een +droombeeld zijn geest had beangst. + +Eenig gedruisch op het portaal boeide nu weder Van Bergens aandacht. + +--Wellicht is hunne nasporing reeds met een goeden uitslag bekroond, +dacht hij, en wilde juist den terugkeerenden te gemoet snellen, +toen een jong edelman haastig de zaal binnentrad. + +Het baarde den graaf geen geringe verwondering, toon hij in dit +nachtelijk uur jonker Walter Van Rodenberg voor zich zag. + +"Wat voert u herwaarts?" was Van Bergens eerste en hoogst natuurlijke +vraag: "Ik had gedacht Walter, u nimmer weer in mijn kasteel te zullen +ontmoeten. Wat kunt gij van mij verlangen in dezen laten stond?" + +"Vergeef mij waarde graaf," ving Van Rodenberg aan: "dat mijn plicht +mij gebood, voor ditmaal uw gebod te overtreden. Door een samenloop +van omstandigheden ben ik den dader op het spoor gekomen, die den +schandelijken roof aan uw beminnelijke pleegdochter heeft begaan." + +"Gij," zeide Van Bergen, den jonker vragend aanziende. + +"Van een wandelrit naar Delft huiswaarts keerende," hervatte de +schandelijke leugenaar: "zag ik nabij de herberg het Gouden Zwaantje +een ruiter mij voorbijsnellen, die vóór zich op het paard eene in +zwijm liggende schoone had. Door nieuwsgierigheid gedreven hield +ik stand, en zag dat weinige schreden van de herberg iets wits, +hetwelk ik echter niet onderscheiden kon, den vluchtenden ontviel. De +ontvoerde schoone,--want daarvoor mocht ik haar gereedelijk houden, +werd door haren schaker in de herberg gedragen. Ongezien naderde ik +nu het kleine witte voorwerp, nam het op, en, bespeurende dat het +een klein pakje was, werd ik zeer begeerig te weten wat daarvan de +inhoud mocht zijn. Om dit te onderzoeken, besloot ik insgelijks in de +kroeg te gaan. Na mijn paard aan het rasterwerk te hebben gebonden, +trad ik binnen. Het was blijkbaar dat mijne komst eenige opschudding +veroorzaakte. Ik hield mij als bespeurde ik dit niet, en eene kan +bier eischende, nam ik eenige brieven en voorwerpen uit mijn zak, +verdiepte mij schijnbaar in de lectuur en beschouwing er van, zoodat +ik ongemerkt het pakje onder de tafel kon openen, en hetgeen er in +was met het reeds vóór mij liggende vermengen. Het pakje bevatte +niets dan eenige oude brieven, doch hoe zal ik u mijne verbazing +schetsen, toen ik de opschriften, alle eensluidende, aan uw bekoorlijke +pleegdochter gericht vond. Alleen om mij nader aangaande de waarheid +mijner vermoedens te overtuigen, en den roover des te zekerder te +vangen, doorliep ik vluchtig eenige brieven. Sommige waren van u, +reeds verscheidene jaren geleden aan Adelgonde, van verschillende +plaatsen, gezonden; één insgelijks van u, door haar, tijdens haar +verblijf op het slot Aduaar in het Luiksche ontvangen; nog eenige +van speelnooten of vriendinnen uit vroegeren of lateren leeftijd, +en eindelijk verscheidene van den u bekenden paapschen Spanjaard +Alonzo Spinola, de zoon, naar men zegt, van den markgraaf Ambrosio." + +"Welnu?" zeide Van Bergen, zeer wel wetende dat Alonzo met den roof +zijner Adelgonde niets gemeens had. + +"Welnu," hernam Walter: "die brieven des Spanjaards vloeiden over +van de teederste woorden en de zoetste namen. Hij sprak van eeuwige +trouw, van vurige liefde, van een ijzeren doch verroeste keten, die de +schoonste der schoonen in een doodsch kasteel gekluisterd hield--die +keten waart gij, genadige graaf,--van een alleenzaligmakende kerk, +en van de vreugde over hare toezegging dat zij aan zijne zijde de +kettersche gevoelens zou afzweren." + +De graaf had moeite zijne bedaardheid en het stilzwijgen te bewaren. + +"Ja," ging Van Rodenberg voort: "mijn vermoeden klom weldra tot +zekerheid, ik had mij niet bedrogen: de laatste van des Spanjaards +brieven behelsde een wel doordacht en fijn geslepen plan om Adelgonde +te ontvoeren." + +Van Bergen stond op, trad op den jonker toe, sloeg de armen kruiselings +over de borst, zag hem scherp in de oogen, en zeide bedaard doch met +een diep doordringende stem: "Walter! gij spreekt onwaarheid!" + +Onwillekeurig deed Van Rodenberg eenige schreden achterwaarts, +zijn roode lippen verbleekten; doch zich weldra herstellende, zeide +hij, als ware hij schandelijk miskend: "Denkt gij dat ik lieg, +graaf Van Bergen? Meent gij dat ik mijne woorden niet zou kunnen +bewijzen? Ziehier!" vervolgde hij met verheffing van stem, terwijl hij +een pakket brieven op de tafel wierp: "Lees zelf: zijn dat uwe brieven +niet? en deze....? overtuig u dan dat ik waarheid gesproken heb." + +"Wat gaan mij die brieven aan!" hernam Van Bergen, in dezelfde +onwrikbare houding: "Ik zeg u, gij liegt! De jonge Spinola is +onschuldig aan de daad, die gij hem ten laste legt. Den geheelen +middag was ik in zijn gezelschap, en eerst sedert een paar uren heeft +hij het kasteel verlaten, om mijn lieve dochter op te sporen." + +"En wie heeft u gezegd dat Adelgonde door Spinola zelven is +ontvoerd?" hernam Van Rodenberg, heimelijk glimlachende, daar zijne +zaak een gunstige wending scheen te nemen: "Heeft uw schrandere blik +de fijnheid van het spel nog niet geraden? Geloof mij edele graaf. Ik +ben veel aan u verschuldigd, en wat zou het mij baten een onschuldige +te belasteren, terwijl de zaak dezelfde blijft. Luister nog een +oogenblik, en gij zult zelf oordeelen of mijne woorden waarheid of +logen behelsden.--Nadat ik," zoo vervolgde hij: "zekerheid had bekomen, +trad een man, dien ik vroeger meermalen meende gezien te hebben, uit +eene zijdeur, in de gelagkamer, sloot de deur behoedzaam, en stak den +sleutel zorgvuldig in den zak. Zijne over den vloer weidende oogen +schenen iets te zoeken; ik vermoedde het door mij gevonden pakje. De +man fluisterde eenige woorden met den hospes, bekwam van dezen eene +lantaarn, en verliet daarop de kroeg. Spoedig verzamelde ik de vóór +mij liggende papieren, vereffende mijne rekening met den waard, en +volgde den zoekende buiten de herberg. Weldra was ik hem genaderd: Gij +zijt een lage schurk! beet ik hem vrij krachtig in de ooren: Wie geeft +u het recht de freule Van Bergen te ontvoeren?--Zonder de geringste +ontsteltenis lichtte de man mij met zijne lantaarn in het aangezicht, +en zeide met een schelle stem: Daar zal ik ú wel geen rekenschap +van behoeven te geven, jonker Van Rodenberg! gij toch hebt reeds +voor lang van uw rechten op het lieve duifje afstand gedaan.--Deze +verregaande beleediging, gevoegd bij het schandelijke der daad, deed +mijne aderen zwellen.--En evenwel vorder ik de freule uit uwe handen +terug, riep ik met hevigheid.--Gij hebt volstrekt niets te vorderen, +hernam de man, terwijl hij mij de tromp van een pistool onder de oogen +hield:--Verstaat gij, niets vordert gij van mij; maar ik vorder van u, +mij die brieven terug te geven, welke ik zooeven verloren heb.--Doch +waartoe, genadige graaf, zal ik u haarklein ieder woord herhalen +'t welk door ons gesproken werd," vervolgde Van Rodenberg, ziende +dat Van Bergen weinig of niet naar zijn langwijlig verhaal luisterde, +maar ongeduldig de zaal op en neer ging: "Kortom, ik bad, ik smeekte, +ik dreigde; niets mocht baten, de man bleef onverbiddelijk, en reeds +begon de hoop mij te begeven uwe lieve dochter ongedeerd in uwe +armen terug te voeren, toen de man mij eindelijk schamper toevoegde: +Maar voor den drommel! denkt gij dan dat ik zulk een hapje voor mijn +genoegen hierheen heb gesmokkeld. De eigenaar zou raar opkijken als +ik hem een ledige kamer aanbood. Neen vriend, ik zou andere munt +ontvangen dan die mij is toegezegd. Mijne zakken zijn ledig, en een +goede belooning laat men zoo makkelijk niet in den steek.--Dus is +het winzucht alleen, die u tot deze daad heeft aangespoord? hernam +ik. Dat juist niet, zeide de man weder: Gehechtheid aan mijn meester +is een hoofdtrek in mijn karakter; die gelden dienen slechts om de +zaak wat aan te dringen. Maar zoo u dan eens van een andere zijde méér +kronen toevloeiden, hernam ik: zou uw gehechtheid dan niet wat minder +worden?--Dat zou er naar kunnen zijn! antwoordde de man. In 't eind, +edele graaf, zijn wij de zaak eens geworden. Nog een uur moest er +verloopen eer Spinola aan het Zwaantje kwam. Indien ik binnen dien +tijd aan de herberg terug was, kon ik de lieve Adelgonde tegen eene +som van zeven duizend kronen lossen; doch kwam ik eenige oogenblikken +later, dan zou de schoone Adelgonde voor u verloren, en door Spinola +reeds naar een veiliger schuilplaats zijn overgebracht." + +Van Rodenberg hield op met spreken. Niet zonder eenigen schroom +verwachtte hij Van Bergens antwoord. De graaf echter bewaarde een +nadenkend stilzwijgen; eindelijk floot hij twee malen op zijn zilveren +fluitje, en weldra verscheen de eenige mannelijke dienst bode, die +nog op het kasteel was achtergebleven. + +"Jozef, ga terstond naar den stal en zadel mijn paard," zeide Van +Bergen: "maak spoed, ik heb geen oogenblik te verliezen." + +Hoe listig de grove leugenaar zijn verhaal ook geweven, hoe kunstig +hij iedere omstandigheid ook geplooid en geschikt had, deze natuurlijke +wending, die de voorgedragen logen schier in ieder geval moest nemen, +had hij niet berekend, of met achteloosheid over het hoofd gezien. + +Zoo vermetel als hij even te voren was geweest, zoo verlegen en +verward was hij thans. + +"Er zijn geene paarden meer op stal, uw genade!" antwoordde Jozef, +toen Van Bergen zijn bevel gegeven had: "Hoewel Wakker reeds doodaf +was, zoo heeft Burgman hem toch nog meegenomen. Elbert heeft Pretty, +en Ras wordt door Rudolf bereden." + +Van Rodenberg schepte weder adem. + +"O," hernam Van Bergen, zich tot den jonker wendende: "gij zult mij +uw paard wel voor een uur willen afstaan! Spoedig Jozef, houd het +paard van den jonker Van Rodenberg in gereedheid." + +De dienaar boog en vertrok. + +"Genadige graaf!" stotterde Walter: "Ik zal niet gedoogen.... Gij +wilt toch niet in dit nachtelijk uur.... Waarom mij die eervolle taak +niet opgedragen?--Gij zoudt u aan gevaren blootstellen! Overhandig +mij spoedig de som, welke de snoodaard eischt, en ik vlieg, om u +wellicht het laatste bewijs mijner dankbaarheid te geven." + +"Spaar uw overdreven dienstvaardigheid," zeide Van Bergen, die den +jonker--wiens karakter hem sedert eenigen tijd maar al te bekend was +geworden--door het laatst gegeven bevel geheel in de val had gebracht: +"Hier," vervolgde hij, eene deur openende: "hier kunt gij voorloopig +van uw vermoeienissen in mijn belang wat uitrusten. Ga binnen en +wacht rustig mijne weerkomst af." + +"Gij; wilt mij in de torenkamer sluiten!" riep Van Rodenberg met +hevigheid: "Is dat dewijl ik uw ellendig basterdkind wilde redden! Bij +mijne ziel....!" doch het werd hem niet vergund zijn dreigende +woorden te vervolgen; want Van Bergen, wiens kaken van de diepste +verontwaardiging gloeiden, greep den verachtelijken knaap bij den arm, +wierp hem in het geopende kamertje en deed de deur op het dubbele slot. + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + +Zoodra Alonzo met zijne volgelingen buiten het kasteel was gekomen, +verdeelde hij de manschappen in eenige groepen. Elk dezer groepen +wees hij een verschillenden weg aan, met bevel om aan alle woningen, +die zij voorbij zouden komen, een nauwkeurig onderzoek in het werk +te stellen. Maarten werd, met nog twee andere knapen, stadwaarts +gezonden. Burgman moest met de zijnen het zandspoor naar Delft +volgen. Elbert met nog eenigen moest den zandweg houden, die +van het kasteel rechtstreeks op Leiden aanliep, terwijl Alonzo +zich voorbehield om met Rudolf de stadwaarts trekkenden, langs de +laan van het Nieuw-Oosteinde tot aan den Bezuidenhoutschen weg te +vergezellen, waarna hij, hen verlatende, het Bosch in alle richtingen +wilde doorkruisen, om eindelijk op den zandweg tusschen Den Haag en +Leiden zijne nasporingen voort te zetten. + +Weldra verloren de optrekkenden elkander uit het oog. Geen woord werd +er gesproken; de diepste stilte werd door allen in acht genomen, en +ieder wenschte zich het voorrecht te mogen hebben, de veelgeliefde +jonkvrouw binnen de muren van den Oldenburgh terug te voeren. + +"God geve dat de anderen gelukkiger zijn!" zeide Rudolf, toen hij, +na een rit van bijkans twee uren, met Alonzo op den voornoemden +zandweg kwam. "Wij kunnen nu de lantaarn wel uitdoen," vervolgde hij: +"het is hier veel lichter dan in het bosch, en de lucht begint in +het Oosten al helder te worden." + +"Geen hoop verloren!" zeide Alonzo: "Wij zullen de paarden nu in een +kleinen draf zetten. Liggen er geen woningen aan dezen weg?" + +"Laat zien," antwoordde Rudolf: "nog een goed kwartier rijdens en wij +zijn aan den viersprong. Een half uurtje verder ligt een boerenhoeve, +en nabij Leiden moeten wij rechts nog een kleine kroeg voorbij." + +"Ja, ik herinner mij dien viersprong zeer goed," hernam Alonzo: +"Indien ik mij niet bedrieg staat er een steenen kruis." + +"Daar zou ik u wonderlijke avonturen van kunnen verhalen," zeide +Rudolf: "menige goede ziel is van die plaats naar de eeuwigheid +verhuisd! Men wil dat de duivel zelf dat kruis daar heeft gezet, +om de geloovigen te lokken en ze daarna den nek te breken." + +"Malligheid!" bromde Alonzo, die eenmaal zelf met dien duivel had +kennis gemaakt! "Niets dan oudewijven praatjes. Ik hoop niet dat gij +dien zotteklap gelooft?" + +"Ik niet," hernam Rudolf: "en al ware het ook zoo, al krioelde het +er ook, zooals men zegt, van duivels en spoken, ons protestanten +durven ze toch niet aan; maar de geloovige papen, ja als ze die in +hun midden kunnen krijgen, dan blijft er geen haar of been van over." + +"Dan dien ik op mijne hoede te zijn," zeide Alonzo glimlachend. + +"Gij, edele heer?" zeide Rudolf, terwijl hij zijn tochtgenoot +bedenkelijk aanzag. + +"Welzeker," hervatte Alonzo: "ik behoor tot die geloovige papen, +zooals gij ons katholieken gelieft te noemen. Uw gezelschap zal +mij nú echter, zoo ik hoop, tegen een aanranding van die gevreesde +personages vrijwaren." + +Rudolf antwoordde niet; hij gevoelde zich zeer onaangenaam te moede; +maar dankte evenwel den hemel dat het spoedig dag zou worden, en +de kwade geesten dan--bij het eerste morgenlicht voor goed naar hun +donkere schuilplaats zouden terugkeeren. + +Alonzo, met zijn belangrijk doel voor oogen, had verder geen lust +zich met den eenvoudigen rijknecht bezig te houden, terwijl deze, +met zijn katholieken metgezel, zich maar half op zijn gemak bevond, +en het geraden oordeelde, tot voorbij het steenen kruis, de achterhoede +uit te maken. + +"Groote God, wees onzer genadig!" riep Rudolf eensklaps met angstige +stem. Alonzo zag verschrikt om en ontwaarde den dienaar die, met de +doodskleur op het gelaat, stokstijf voor zich uit staarde. + +"Wat moet dat misbaar beteekenen?" vroeg Alonzo gramstorig. + +"Dáár, dáár," stotterde Rudolf, met den vinger voor zich uit wijzende: +"ziet gij dáár, aan den kruisweg, dat witte spook niet fladderen? Bij +het heil mijner zalige moeder, ik ga geen stap verder! Laat ons +terugkeeren genadige heer! geloof mij, als wij in de handen dier +wezens vallen, dan blijft er geen spoor van ons over." + +Alonzo richtte zijn blik naar de aangeduide plaats, en werkelijk zag +hij het voorwerp van Rudolfs vrees. Een kreet van verrukking ontglipte +er aan zijn mond; zonder een oogenblik te toeven gaf hij zijn paard +de sporen, en rende den ontstelden dienaar voorbij en op het steenen +kruis aan. + +"Het is met hem gedaan!" riep Rudolf, en zich niet sterk genoeg +gevoelende, om het ijselijk schouwspel aan te zien, wendde hij +zijn ros, en nam, met denzelfden spoed, den terugtocht naar den +Oldenburgh aan. + +Weldra was Alonzo de bedoelde plaats genaderd; snel sprong hij van zijn +paard, en ijlings op het gewaande spook toegetreden, bespeurde hij tot +zijn onuitsprekelijke blijdschap, dat zijne hoop hem niet had bedrogen, +dat de schoone Adelgonde in waarheid door hem was wedergevonden. + +Daar lag de bekoorlijke Hagenlelie, van vermoeienis aan deze eenzame +plaats in slaap gevallen. De nachtwind speelde kwistig met haar +blonde lokken, en deed het witte kleedje om haar verkleumde leden +fladderen. Daar lag zij, de bloem der schoonen! Maar hoe!--had de +vorst der duisternis haar niet op een lage doch listige wijze, in +zijn strik gelokt; had hij haar niet schandelijk haar eer ontroofd? of +had de heilige Moeder Gods haar wellicht wonderbaarlijk beschermd? + +"Ontwaak schoone Adelgonde!" riep Alonzo, terwijl hij zich over +de bekoorlijke slaapster henenboog en met innige verrukking hare +hemelsche trekken beschouwde. + +"Wie roept mij?" lispte het nog sluimerende meisje, nadat een pijnlijk +lachje zich over haar gelaat had verspreid; doch plotseling wreef +zij de nog benevelde oogen, en zag Alonzo vol verbazing aan. + +"Ga, ga!" zeide zij: "gij zijt immers Spinola, gij, de vijand die mij +in het verderf hebt willen storten. Ga, vlucht, of mijn toorn blijft +op u!" + +"Adelgonde! dierbare Adelgonde!" sprak Alonzo smeekend: "Wat heb ik +gedaan dat uw mond deze woorden tot mij spreekt? Bij God! ik ben +onschuldig aan het onheil dat u is weervaren. Weer mij niet van u +af; ik zal u aan uw vader teruggeven, Ach, dood mij niet met het +ondraaglijk gevoel uwer verachting!" + +"Ja, gij hebt mij in de woning mijner ware ouders laten terugvoeren, +maar door wien!" hernam Adelgonde: "door een booswicht. En in die +woning!.... De hemel weet hoe zwaar ik er beproefd ben geworden." + +Alonzo wist niet te antwoorden. Dat een ander haar onder zijn naam +had ontvoerd, hij was er zeker van. Wie die ellendeling was, liet +zich zeer wel gissen, doch, wat die terugvoering in de woning harer +ouders, waarvan Adelgonde sprak, beteekende, dit kon hij zich niet +verklaren. Wél had hij bij zijn toevallig bezoek op den Blankert, +haar onwettige afkomst hooren bevestigen; doch het onder zijne handen +berustende portret had hem,--naar zijne meening--, een sprekend +tegenbewijs geleverd, en thans,--van die heuglijke waarheid overtuigd, +hoorde hij nu Adelgonde zelve van haar ware ouders gewagen. + +Hoezeer Alonzo's karakter in enkele opzichten twijfelmoedig kon +genoemd worden, in dit oogenblik, met het werkelijke beeld eener +idealische heilige vóór zich, kon hij niet langer wankelen. Liefde +en trots worstelden niet meer in zijn binnenste, en wat Adelgonde ook +mocht gevoelen, welke drijfveeren haar ook mochten hebben aangespoord +tot het schrijven van de letteren welke hij, eenigen tijd geleden, +ontvangen had--Alonzo verstond het duidelijk, dat, terwijl hare +lippen de woorden: vijand en toorn hadden uitgesproken, de echo van +haar hart de klanken: vriend en liefde hadden weerkaatst. + +"En gij zoudt kunnen denken, dierbare Adelgonde," hervatte Alonzo +eindelijk: "dat ik haar, die mij eenmaal de woorden: "Ik bemin u," +heeft toegefluisterd, aan de misdaad en schande zou prijs geven? O! wat +ons ook van elkander heeft gescheiden, niets is meer in staat om mijne +liefde voor u te dooven. De hemel doet mij u ten tweedenmale op mijn +weg ontmoeten; ik heb den waardigen graaf een zoon doen wedervinden: +God zij dank dat ik hem ook eene dochter terugschenken mag!" + +Afgemat en verkleumd, kon Adelgonde den geheelen samenloop der +omstandigheden nog geenszins in haren geest verbinden, en ook de +laatste woorden begreep zij niet, doch Alonzo's edele blik boezemde +haar een onbepaald vertrouwen in, en gewillig gaf zij zich aan zijn +zorgvuldige leiding over. + +"Ik ben zeer koud," zeide zij, klappertandende: "mijne kleeren zijn +nat van den dauw." + +De jongeling was het dierbare meisje nu in het opstaan behulpzaam; +met de teederste bezorgdheid sloeg hij zijn mantel om hare schouders, +tilde haar vervolgens op zijn paard, en terwijl hij haar met de eene +hand ondersteunde, nam hij de teugels in de andere, en leidde alzoo +den kostbaren weergevonden schat naar de woning, waar men in gespannen +verwachting den uitslag der nasporingen te gemoet zag. + +Reeds werden de toppen der boomen door de eerste stralen der morgenzon +verguld, reeds weken de dampen om door kleuren vervangen te worden, +en verliet de leeuwerik zijn nederig verblijf, ten einde het voedsel +voor zijn gezin te zoeken, toen Van Bergen is voortdurende onrust, +zijn kasteel op en neer liep. + +In hetzelfde oogenblik dat Rudolf kwam aanrennen, bevond hij zich op +de binnenplaats. + +"Gij brengt mij geen goede tijding," zeide Van Bergen, toen bij het +bleeke gelaat van den rijknecht bespeurde. + +"O, het is verschrikkelijk!" antwoordde de dienaar, terwijl hij van +het schuimende ros stapte: "Hij is door een helsch wezen naar den +afgrond gesleept." + +"Hebt ge uw hersens verloren Rudolf!" zei de graaf, terwijl bij hem +scherp in de oogen zag: "Wat en van wien spreekt gij?" + +Rudolf verhaalde nu hoe zijn paapsche metgezel door een bovennatuurlijk +wezen in het verderf was gelokt, en hoe datzelfde wezen hem, weinige +seconden later, als door een tooverslag had vernietigd. + +"Hebt gij dat met eigen oogen gezien?" vroeg de graaf, nadat Rudolf +had uitgesproken. + +"Gezien, genadige heer?" antwoordde de bijgeloovige man: "Ja zie, +gezien heb ik het eigenlijk niet; de moed ontbrak mij om koelbloedig +het einde der zaak af te wachten: maar zeker toch heb ik het spook +zien fladderen, en nauwelijks had ik het dien paapschen heer doen +opmerken, of hij werd door een bovennatuurlijke kracht naar die plaats +getrokken, en...." + +"En koost gij, door een ellendig bijgeloof gedreven, lafhartig het +hazenpad? Ik versta dit," vervolgde Van Bergen: "en toch vorder ik +van u, ondanks alle spoken of helsche wezens, dat gij den jongen +graaf Spinola gaat opzoeken, ten einde mij te berichten, wat er van +hem geworden is." + +Rudolf zette een gezicht als ware hij tot den brandstapel verwezen; +doch het karakter van zijn heer kennende, en zeer wel wetende dat +alle tegenspraak vruchteloos zou zijn, zette hij den voet in den +stijgbeugel en verliet weinige seconden later de binnenplaats. + +"Indien gij het mocht vergeten hebben," riep Van Bergen hem achterna: +"zoo herinner ik u: dat hij die zich op God verlaat, in Zijn hand +altijd veilig en wél bewaard is." + +Wel verre van in Rudolfs verhaal iets verontrustends te zien, +koesterde Van Bergen integendeel de heimelijke en, zoo wij weten, +gegronde hoop, dat Alonzo met een gelukkig gevolg zijne nasporingen +zou hebben voortgezet, en dat het witte spook zijn geliefde Adelgonde +zou geweest zijn. + +Weder was er een uur verstreken. + +De graaf had zich op eene bank onder den zwaren lindeboom +nedergezet. Van deze plaats kon hij beurtelings den blik richten +naar de drie verschillende wegen, langs welke zijne zendelingen +moesten terugkomen. + +Na lang turen zag hij eindelijk aan het einde der laan een dikke +stofwolk opstuiven. Het was Rudolf, die nog sneller dan te voren kwam +aanrennen, terwijl zijn gelaat heel anders stond dan bij zijn eerste +te huiskomst. + +"Zij is er! zij is er!" riep hij den graaf reeds van verre toe: +"Binnen een half uur zijn zij hier!" vervolgde hij, naderbij gekomen: +"De freule is frisch en gezond; ik heb haar gezien; zij lachte van +blijdschap, en de jonge Spaansche graaf gaat insgelijks ongedeerd +aan hare zijde." + +Zooals Rudolf gezegd had, verliep er nog ruim een half uur, eer +Van Bergen de terugkeerenden ontwaarde. Reeds had hij in zijn geest +de woorden gekozen, welke hij het lieve meisje zou toespreken, om +eensdeels haar gevoelig hart niet te kwetsen, doch om haar tevens op +een zachte wijze het verkeerde van hare daad onder het oog te brengen. + +Deze voorzorg echter was noodeloos geweest, want nauwelijks had het +beproefde meisje haar pleegvader ontdekt, of zij snelde luid snikkende +naar hem toe, en hij.... stom van blijdschap, drukte haar vast in zijn +armen, en kon niets uitbrengen dan de woorden: "Gonne! mijn lieve, +mijn beste Gonne!" + +Alonzo werd door dit schoon doch roerend tooneel diep getroffen. O +hoe gaarne had hij in dit oogenblik dien edelen, dien waardigen man +insgelijks vader, en die zachte schoone, zijn lieve Gonne genoemd; +ja, in dezen stond kon slechts kieschheid hem beletten, om voor zijn +dubbelen dienst een zoo gewenschte belooning af te smeeken. + +Zoodra Van Bergen met zijne pleegdochter en Alonzo in de kleine zaal +was gekomen, liet hij eenige ververschingen opdragen. + +"Ik ben u oneindig veel verplicht, wakkere jongeling!" sprak hij +tot Alonzo. "Ja, Gonne, gij weet het nog niet: van nu aan hebt gij +een broeder. Spinola heeft mij een verloren zoon doen wedervinden, +zooals ook gij, door zijn ijverige nasporingen, ongedeerd in mijne +armen zijt teruggevoerd." + +Adelgonde zag den graaf vragend aan. + +"Alles is mij zelven een raadsel," ging Van Bergen voort: "God alleen +is het bekend, waarom de boosheid tot heden zulke dichte netten om mijn +levensgeluk heeft moeten werpen. Thans echter ben ik weer gelukkig, +en hij, dien ik naast God den meesten dank ben verschuldigd, hij kan +tot mijn laatsten snik op die dankbaarheid staat maken; hem zij de +zegen van God en de eere der menschen, terwijl ik voor altijd zijn +schuldenaar zal blijven." + +Het hart van den vurigen minnaar klopte hevig in zijne borst, Hij wilde +spreken, doch aarzelde weder. Eenige oogenblikken nog bleven zijn +donkerbruine oogen op Adelgonde gevestigd; toen wendde hij zich tot +den graaf, en sprak langzaam doch met een vaste stem: "De goede daad, +uit baatzucht volbracht, verliest hare waarde; daarom edele graaf, +ben ik bevreesd door u veroordeeld te worden. Mijn woord als edelman +echter zij u voldoende, om te gelooven dat ik onbaatzuchtig aan de +stem der menschlievendheid het oor heb geleend.--Door de gunst der +Heiligen mocht ik het voorrecht hebben tot uw geluk werkzaam te zijn; +ik heb dien eervollen plicht vervuld, en wel verre van uwe dankbaarheid +te vorderen, moet ik de Heiligen danken, dat ik hierdoor aan mijn +eeuwig heil heb mogen arbeiden.--Maar nochtans, edele graaf!" ging +Alonzo voort: "is het vreemd dat hij, die u een zoon en een dochter +mocht terugschenken, u bidt: o maak een klaverblad van het getal uwer +kinderen; neem hem tot zoon, die u zoo gaarne vader zou noemen: hij +biedt u zijn kinderlijke liefde, en uw engelreine dochter: zijn hart, +zijne trouw en zijn gansche leven aan." + +Van Bergen stond als door den bliksem getroffen. Hoe! was die redder +van zijn lievelingen dan niet de zoon van den beruchten Spinola? was +hij geen Spanjaard? geen vijand van het dierbare Nederland? geen vijand +van het zoo duur gekocht geloof? Zou Adelgonde ooit in dat land van +bij- en ongeloof met dien vreemdeling gelukkig kunnen zijn? En hij +zelf, zou hij dat dierbare wezen verre--verre van zich laten gaan, +en alzoo vrijwillig de hoop verijdelen, om haar aan de zijde van een +waardigen echtgenoot in zijn laatste levensjaren gelukkig te zien? + +"Jongeling! gij eischt veel, gij eischt het onmogelijke van mij," sprak +de graaf: "Beseft gij dan niet, dat mijn geslacht evenmin met het uwe +kan vereenigd worden, als Nederland, zoo lang er nog strijdbare mannen +zijn, aan Spanje kan toebehooren?--Jongeling, zoo waar God leeft, ik +acht u hoog," vervolgde de graaf, terwijl hij Alonzo de hand reikte: +"Beschuldig mij niet van ondankbaarheid. Ik weet het, gij zijt de +man die mij mijne kinderen hebt teruggegeven, doch juist daarom zult +gij mij die lievelingen laten behouden; eisch alles wat gij wilt, +maar laat mij mijne dochter! Uw vaderland is het hare niet; en uwe +kerk--zij is de hare evenmin." + +Alonzo was op dit antwoord geenszins voorbereid. De woorden van den +graaf waren hem als kokend lood op het hart gevallen. Een oogenblik +stond hij als versteend; doch weldra zijne tegenwoordigheid van geest +terugbekomende, trad hij op Van Bergen toe; nam de hem toegereikte hand +aan, en beurtelings zijne oogen naar Adelgonde en haren pleegvader +wendende, sprak hij met een stem bevende van aandoening: "Graaf Van +Bergen, het is u gebleken dat ik wél uw geluk, maar geenszins uw +ongeluk heb bedoeld. Mijn geluk derhalve begeer ik niet ten koste +van het uwe. Adelgonde zal, evenals ik, gelaten haar kinderplicht +vervullen. Welaan dan, mijne taak in uwe woning is afgedaan; ik +vertrek, en de tijd zal, zoo ik hoop, mijne smart verzachten. Geloof +echter, edele graaf, dat mijn vaderland dáár is waarheen mijn hart +trekt, en dat mijne kerk die kerk is, waar God en zijn groote Zoon +verheerlijkt worden." + +Alonzo zweeg,--Adelgonde zag strak voor zich neer, en Van Bergen, in +wiens oogen een paar dikke tranen waren opgeweld, wilde den jongeling +nog eenige woorden toespreken, toen hij daarin eensklaps verhinderd +werd door een hevig rumoer, 't welk zich op het portaal liet hooren. + +"Laat mij door! laat mij door, zeg ik u!" riep eene vrouwenstem buiten +de zaal: "Ik moet, ik wil den graaf spreken. Waar is hij? O ik bid u, +laat mij bij hem!" + +Van Bergen, niet begrijpende wat dit moest beteekenen, deed de deur +open, en onmiddellijk stoof vrouw Barbara in havelooze kleeren en +met loshangende haren de zaal binnen. + +"Wij hebben dit wijf nabij Leiden ontmoet," zeide Elbert, die met zijne +knapen op het portaal was blijven staan: "Wij hebben haar ondervraagd +om de genadige freule op het spoor te komen, doch zij antwoordde niet, +en zeide alleen naar den Oldenburgh te gaan, om uw genade onverwijld +te kunnen spreken; wij zijn toen dadelijk teruggekeerd en wilden haar +beneden houden om u van de zaak kennis te geven, doch zij stelde zich +zoodanig te weer, dat wij haar onmogelijk konden beletten onaangediend +tot uw genade door te dringen." + +Zoodra Barbara de haar ontvluchte Adelgonde gewaar werd, ontstelde +zij zichtbaar. + +"Vrouw, wat wilt gij?" zeide Van Bergen, nadat hij Elbert een wenk +had gegeven om zich te verwijderen. + +"Genade! vergeving! ontferming!" riep Barbara, terwijl zij aan des +graven voeten neerviel: "Genade voor mij en voor een stervende, +die onder hevige smarten zijn einde te gemoet gaat." + +"Sta op, vrouw," zeide Van Bergen: "voor God alleen moogt gij +knielen. Welke misdaad hebt gij bedreven? Waarvoor komt gij mijn +genade inroepen? Spreek zonder dralen, doch maak het kort!" + +Vrouw Barbara stond op; wischte zich het zweet van het voorhoofd, +en begon eindelijk met een eenigszins bevende stem: "Mijn gelaat +zult gij u wellicht niet meer herinneren, genadige graaf; ook is het +reeds meer dan twintig jaren geleden, dat wij elkander voor het laatst +gezien hebben. Ik ben Barbara Leendertz, de vrouw die baker bij uwe +gemalin was, toen hare genade voor de eerste maal moeder werd. De +man die thans zieltogend in mijne woning ligt, was de vreemde arts, +die bij hare moederwording tegenwoordig was. Gij waart in den strijd, +genadige graaf, en toen gij terugkwaamt...." + +"Werd mij door u een dood wicht als de pasgeboren zoon aangewezen," +viel Van Bergen haar schielijk in de rede. + +"Het is zoo," hernam Barbara: "doch de duivel had mij verleid om u die +leugen te verkondigen. Zekere Rosio, een geneesheer, zooals hij zich +noemde, uit Frankrijk afkomstig, wist mij door schoone woorden en een +ruime belooning tot een schandelijk bedrog over te halen. Gij bewijst +der kerk van Rome een onschatbaren dienst, zeide hij: indien gij dat +kind aan het kettersche geloof ontrukt en voor de Heilige Moederkerk +bewaart.--Den vorigen nacht was eene mijner kennissen van een dooden +zoon bevallen; dat lijkje werd,--tegen een kleine belooning, weldra +ons eigendom; en terwijl de geneesheer uw levenden zoon naar mijne +woning bracht, legde ik het doode kind in een kistje, en bleef tot +uwe tehuiskomst uw zwakke vrouw bewaken." + +"Groote God!" riep Van Bergen uit, "moest zóó dat ongelukkige kind aan +onze zorgen worden ontrukt!--Ga voort," vervolgde hij tot Barbara: +"en de Heer schenke mij kracht om even bedaard te vernemen wat gij +met mijn zoon hebt aangevangen, als Hij langmoedig de zonden zijner +menschenkinderen gadeslaat." + +"Nadat uw kind verscheidene jaren door mij was bewaard," hervatte +Barbara: "kwam op zekeren avond een man in mijne woning, dien ik +weldra voor dien geneesmeester Rosio herkende. Zes jaren was hij +uitlandig geweest, en had bij de oude gravin Van Bergen God hebbe hare +ziel!--de plaats van rentmeester bekomen; hij vernam naar uw zoon, +dien ik gedurende al dien tijd voor de wereld had verborgen gehouden, +en gaf mij den wensch der gravin te kennen, om het kind ten harent te +ontvangen, ten einde het verder, op een meer gepaste wijze, in het +ware geloof te laten opvoeden. Op een stormarchtigen nacht bracht +ik het kind, met mijn nu zaligen zoon Casper, naar den Blankert, +waar die rentmeester verder voor de opvoeding heeft zorg gedragen, +doch waar het arme schaap nu zeker met dien schrikkelijken brand +onder het puin is omgekomen." + +Van Bergen sprak niet, maar greep Alonzo's hand, en terwijl hij die +aan zijn hart drukte, scheen hij nu eerst recht te beseffen, welk +een onschatbare weldaad de edele Spanjaard hem had bewezen. + +"En hebt gij bewijzen van hetgeen gij zegt?" zei de graaf eindelijk, +terwijl hij, hoewel innerlijk van de waarheid overtuigd, reikhalzend +naar schriftelijke bewijzen uitzag. + +"Denkt gij dan dat ik mij zelve zou komen beliegen?" hernam Barbara: +"De man smeekt en kermt om uwe vergiffenis; zonder die is hij verdoemd, +en bedreigt hij ook mij met het eeuwige vuur. Doch bewijzen? ja ik heb +ze gehad," ging zij voort: "maar ze zijn mij ontstolen. Een aflaat om +mijn geweten te stillen mij door dien rentmeester bezorgd, benevens +een bewijs van ontvangst door de gravin Van Bergen onderteekend, +dit zouden waarborgen voor de waarheid mijner woorden zijn geweest." + +Alonzo bracht de hand aan het voorhoofd om zich te bezinnen waar hij +de papieren, aan den ronselaar ontsnapt, had gelaten. + +"Die stukken zullen u geworden," zeide hij eensklaps tot Van Bergen: +"ze zijn door bijzondere omstandigheden mijn eigendom geworden. Morgen +of heden nog, zullen ze in uwe handen zijn." + +"Zijt gij de dief?" riep Barbara, terwijl zij zich geheel vergetende, +met de armen in de zij voor Alonzo plaatste: "Spreek, schurk, met uw +fijn geslepen tronie, waar is mijn geld? Ha! ik begrijp al wie gij +zijt," vervolgde zij, nadat de gebiedende stem van den graaf haar +vruchteloos tot zwijgen had aangemaand: "gij zijt de bondgenoot van +dien ellendigen vadermoorder, van dien Van Rodenberg, die, voor een +goede som dat arme bloedje dáár, dezen nacht in mijne woning heeft +gebracht.--Ja, genadige graaf," ging zij in één adem tot Van Bergen +voort: "ja, dat mensch heeft het lieve duifje in het ongeluk willen +storten, maar hij kwam te laat, en toen Rosio de schoone vrucht vóór de +komst van dien ander wilde plukken, bleef zij evenwel ongedeerd, want +hij zonk plotseling ineen, dewijl een hevig vergif zijne ingewanden +verscheurde. Zijn bastaardkind had hem vergiftigd. Die Van Rodenberg, +het monster, 't welk Rosio bij uwe stiefmoeder verwekt en als vondeling +had neergelegd, was door den tijd tot vadermoorder opgewassen. God +verdelge hem! maar vergeve ons dat wij hem behulpzaam zijn geweest om +u zoo vele jaren van ongeluk te berokkenen. Ja graaf, gij weet nog +niet alles: Gij weet niet dat de haat, de nijd en de afgunst van uw +stiefmoeder, u ongeluk en rouw hadden gezworen; gij weet niet dat uw +grijze vader, kort nadat hij zijn onwaardige gemalin had verstooten, +aan een langzaam werkend vergif is weggekwijnd; Rosio mengde die drank; +ook daarvoor smeekt hij u genade." + +Om 's graven antwoord af te wachten zweeg Barbara een oogenblik. Deze +echter sprak niet maar was in diepe gedachten verzonken. + +"Nog slechts weinige woorden heb ik tot u te spreken, genadige graaf," +hervatte de vrouw: "maar bij de Heilige Maagd! zeg mij dan eerst +of gij het ons vergeven wilt? Zie, ik biecht voor u, dewijl Rosio +het mij bevolen heeft. Gij behoort wel is waar tot de ket.... de +hervormden, maar Rosio zeide mij dat uw vrijspraak, de genade uit +den hemel was. Wilt gij echter geen genade schenken, zoo moet ik +bidden voor het heil der gezonkene ziel, die al stervende bekent, +het verderf van uw geslacht te hebben bewerkt." + +"Wat God over ulieden besloten heeft is mij niet bekend," zeide Van +Bergen: "Geen sterfelijk wezen is de raadsman naar wiens uitspraken +de Onzienlijke zich richten zal. Wij allen hebben vergeving +noodig. "Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan +onze schuldenaren," dit is de bede welke ik dagelijks ten hemel +opzend. Welnu, toon uw berouw, en God zal u genadig zijn zooals ik +ulieden insgelijks wil vergeven." + +"Die woorden gaven u de Heiligen te spreken!" riep vrouw Barbara, +nadat zij door den graaf was verhinderd nogmaals aan zijne voeten neer +te knielen. "O ik zie het," ging zij voort: "gij zijt vergevensgezind, +en ik durf dus hopen, goedgunstig door u te worden aangehoord wanneer +ik u nog een geheim meedeel, 't welk mijn geweten sinds vele jaren +bezwaarde." + +Van Bergen hield zijne oogen doordringend op Barbara gevestigd. + +Alonzo, gerust in de overtuiging zijn plicht te hebben vervuld, had +zich wijselijk van een woordenstrijd met de vreemde vrouw onthouden; +hij vertrouwde, en met recht, dat men te zeer van zijn welgemeende +gevoelens zou doordrongen zijn, dan dat men hem een oogenblik van +de aangetijgde wandaad zou kunnen verdenken. Integendeel voelde hij +zich gelukkig, eenige duistere wolken te zien wegdrijven, en zich +ongezocht nog eenige oogenblikken in de beschouwing der bekoorlijke +Adelgonde te kunnen verlustigen. + +"De dag zal u gewis nog heugen," ving Barbara weder aan: "toen gij, +drie jaren na de eerste bevalling uwer zalige gemalin, nogmaals te +velde trekkende, haar in gezegenden toestand moest achterlaten. Gij +kwaamt terug, en terwijl gij de hoop voeddet twee dierbare wezens aan +het hart te drukken, vondt gij bij uw tehuiskomst een woning van rouw, +want moeder en kind lagen reeds verscheidene dagen in het donkere +graf.--Ja, ik weet nog zeer goed hoe gij jammerdet en kermdet," +vervolgde Barbara: "hoe gij het graf wildet ontsluiten, om de lijken +van moeder en kind met uw tranen te bevochtigen; hoe de raad van +uw vrienden, en bovenal van den geneesheer Rosio--want deze was ook +nu weder bij de bevalling tegenwoordig geweest--u met moeite van dat +akelige voornemen deed afzien, en hoe gij dagen en nachten vruchteloos +ronddooldet om uw rust en kalmte terug te vinden.--Graaf Van Bergen, +herinnert gij u nog hoe eenige dagen later, een kind, een meisje, +in lompen gewikkeld, bij de poort van dit kasteel door u zelf werd +gevonden? hoe tusschen die lompen een stukje papier was gestoken, +waarop met onduidelijke letters geschreven stond: dat een paar arme +doch brave ouders, u dit kind ter verpleging aanboden; dat zij niet +bekend wilden zijn, doch den volgenden avond aan die zelfde plaats +zouden terugkomen om uw antwoord daar te vinden, hetzij de kleine, +zoo gij u harer niet wildet aantrekken, hetzij een geldelijke +ondersteuning ten einde hun andere kinderen voor broodsgebrek +te bewaren?--Gij hebt toen het wurmpje liefderijk opgenomen," +vervolgde Barbara: "gij hebt het tot eene maagd zien opgroeien, die, +om haar uitnemende schoonheid, in de vorstenstad en hare omstreken +de Hagenlelie wordt genoemd.--Welnu, dat kind--dat meisje, 't welk +gij thans zoo onuitsprekelijk lief hebt, weet gij graaf Van Bergen, +wie de moeder van dat wurmpje was?--Zij is het kind van uw gade--zij +is uw eigen dochter.--Jezus! Maria! weest ons genadig! Wij hadden +het u, evenals uw zoon ontstolen, en het stoffelijk overschot uwer +zalige gemalin,--wier spoedig uiteinde door Rosio was bewerkt,--is +slechts alleen naar het graf gedragen." + + + +Het zou voorzeker een wanhopige poging zijn om de diep ontroerde +gemoederen op de onstuimige baren hunner aandoeningen te volgen. + +Neen; wij wagen ons niet op het fel bewogen element; de winden zijn +te hevig, de golven schuimen te hoog, en de krachten des schippers +zijn te zwak om het roer naar eisch te wenden. + +Genoeg,--bij zooveel misdaad en toch nog zooveel zegen in 't eind, +kampten verontwaardiging en jammer met dankbaarheid en verrukking. + +Van Bergen had de spreekster ternauwernood tot het einde kunnen +aanhooren. Bij de woorden: "Zij is het kind van uw gade," was hij +eensklaps van zijne zitplaats opgesprongen, en had de vrouw bij haar +beide armen gevat, als om zich te overtuigen dat een levend wezen +hem deze woorden had toegesproken. + +"Adelgonde! Adelgonde!" riep hij eindelijk; +"God! Zij is mijn kind!--Gerechte hemelsche Vader! is het +waarheid? Adelgonde!--mijne--mijne lieve dochter! kom--o kom--in de +armen van uw vader...." Nu was het den graaf onmogelijk verder te +spreken. Een luid geween verlamde zijne tong, en nadat Alonzo hem het +dierbare meisje in de armen had gevoerd, overlaadde Van Bergen haar +met tallooze kussen, en klemde haar vast aan zijn hart, als vreesde +hij dat nieuwe aardsche machten hem zijn schat zouden ontrooven. + +Zoo liefelijk als het veelal is eene vrouw in vreugde of droefheid +te zien weenen, zoo akelig is het steeds wanneer een man zijne +aandoeningen op deze wijze moet lucht geven: Van Bergen was schier +niet tot bedaren te brengen, en Alonzo die over deze uitkomst minder +verrast dan de graaf, met afgrijzen het schrikkelijk aantal misdaden +had hooren opsommen, beschouwde met fonkelende oogen de ontaarde +vrouw die, met saamgevouwen handen, nogmaals voor den graaf op de +knieën was neergevallen. + +"Monster! ga van hier!" sprak Alonzo op gebiedenden toon: "Wat baat +u en uw medeplichtige de vergeving der menschen, daar alreeds het +helsche vuur voor ulieden brandt. Wat baat u de genade der wereld, +zoo het tal van uw zonden zelfs door de verdiensten der Heiligen niet +kan worden uitgewischt." + +Vrouw Barbara wierp een blik van minachting op den vertoornden +spreker. Biddende bleef zij de armen naar den graaf uitstrekken, en +zelve ontsteld door de uitwerking, die haar verhaal had teweeggebracht, +riep zij op smeekenden toon: + +"Neen, ik zal, ik kan niet van hier gaan aleer de edele graaf ons +genade heeft toegezegd.--O! de Heiligen weten het, hoe dikwerf mijn +geweten mij tot spreken aanspoorde; hoe dikwerf ik wenschte van die +ijselijke eeden ontslagen te zijn, doch dan zweefde de dreigende +vloek van Rosio mij weder met vurige letters voor den geest; dan +zag ik mij weer aan den haat en de vervolging van uw stiefmoeder +prijsgegeven. Ja, zij was het die de ellende en den rouw over uw +huis heeft gebracht. Zij, door haar echtgenoot verstooten, wenschte +haar bastaardkind in die rechten te zien treden, waarop zij zelve in +de eerste plaats meende aanspraak te hebben. Daarom moest uw zoon +gedood, of voor de wereld verdonkerd worden; daarom moest uw gade +zoo vroegtijdig sterven, en gij uw eigen dochter grootbrengen, in den +waan dat zij een kind van lage afkomst was. Ja, zij had besloten dat +niemand anders dan haar verachtelijke zoon uw dochter tot echtgenoot +zou erlangen; bij eene weigering van uw zijde, was hij gewapend; +hem was de leugen van Adelgondes geboorte voor waarheid verhaald; +hij zou u bedreigen met de wereld daarvan te onderrichten. Uw antwoord +was dan niet langer twijfelachtig, en als Adelgondes gemaal, zou hij +na uw dood,--die dan spoedig volgen moest, in uwe rechten treden, +zoodat de zoon uwer stiefmoeder een geslacht zou vervangen, dat kort +te voren nog zoo fier den nek tegen haar had gekromd." + +Nauwelijks had vrouw Barbara deze woorden geëindigd, of een vreeselijke +knal drong den aanwezigen in de ooren. Zij zelve stortte, met een +rauwen gil, bewusteloos op den grond, en terwijl de dienstboden, +door den slag ontsteld, ijlings naar de zaal stormden, opende +Alonzo het torenkamertje, waaruit een pistoolschot was gelost, +doch ontwaarde niets dan een tamelijk lang koord, 't welk uit het +venster hing. Voorzeker moest het de ontkoming van Van Rodenberg +hebben bevorderd, die eerst over de slotgracht was gezwommen en zich +daarna in allerijl uit de voeten had gemaakt. + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +In een tijdsverloop van ongeveer negen maanden, hadden de staatkundige +aangelegenheden gedurig een geheel ander aanzien verkregen. Telkens +was de wapenschorsing tusschen Spanje en Nederland verlengd, en +telkens weder was zij ten einde geloopen zonder eenige vrucht te +hebben opgeleverd. Was het te verwonderen dat de stier en de leeuw, +na een zoo langen worstelstrijd, niet tot vrede konden komen? Was +het te verwonderen dat Spanje en Nederland, verschillende in geloof, +verschillende in krachten, elkander niet terstond de hand tot vrede +reikten? Neen, zelfs had men zich voorgesteld dat, ingevolge eene +verklaring der Staten, gedagteekend van den vijf en twintigsten +Augustus 1608, de krijg feller dan te voren zou hervat worden. Openlijk +hadden zij betuigd, dat zij, door menige ondervinding het karakter +hunner vijanden hadden leeren kennen, en derhalve met recht hadden +geaarzeld in eene vredesonderhandeling met hen te treden. Daartoe +echter door de Spaanschen aangezocht, hadden de Staten duidelijk +hunne meening doen verstaan, terwijl de vijand daarentegen, door +vele lagen en fijne listen, de reeds zoo dikwerf toegestane rechten +en de boven alles dierbare vrijheid, punt voor punt had trachten te +besnoeien en terug te trekken, zoodat de Staten besloten van nu af +aan de vredes-onderhandelingen stellig voor afgebroken te verklaren. + +Twee dagen echter nadat dit besluit was genomen, sloegen de Engelsche +en Fransche gezanten aan de beide partijen een veeljarig bestand voor. + +De Fransche afgevaardigde Jeannin ijverde, op last van zijn vorst, +zeer voor deze zaak. + +Behalve uit diepere staatkundige inzichten, verlangde Hendrik IV voor +Nederland--wanneer een vrede mocht worden van de hand gewezen--liever +een veeljarig bestand dan den oorlog, dewijl hij in het laatste +geval, ingevolge een in Januari met de Nederlanden gesloten verbond, +hun eene ondersteuning van tien duizend voetknechten zou moeten +verleenen. Zoodra de voorslag van een bestand was bekend geworden, +bracht dit geen geringe beweging in de Nederlandsche gemoederen. Tegen +een vrede waren reeds verscheidene geschriften in het licht gekomen, +doch thans, nu er slechts van een bestand gesproken werd, ontzag men +zich niet openlijk voor de meening uit te komen, dat zoo iets het +verval der ingezetenen, ja slavernij zou na zich sleepen. + +Prins Maurits was insgelijks ernstig beducht voor de gevolgen van +zulk een bestand, en zocht den koning van Frankrijk tot den oorlog te +neigen, door schriftelijk te verklaren: dat een bestand deze landen +noodwendig aan de Spaansche heerschappij moest doen vervallen; dat +Philips, wiens schatkist nu ledig was, na het einde der jaren van rust, +in staat zou zijn den oorlog met meer geweld te hervatten, terwijl men +eindelijk--nu reeds in de gewesten en steden tweedracht bespeurende, +door rust en ledigheid gevoed, eerlang openbare verdeeldheden te +wachten had, welke den vijand eene schoone gelegenheid zouden geven +de snoodsten, of hen die reeds naar der Spaanschen zijde neigden, +tot ontrouw om te koopen ten einde hunne belangen te bevorderen. + +De Algemeene Staten evenwel--Zeeland uitgezonderd--besloten, door +geldelijke uitputting voornamelijk daartoe gedreven, de voorwaarden +van den vijand aan te hooren. + +De bepalingen en eischen der Spaanschen waren echter dermate ongehoord +en eigendunkelijk, dat de Staten bij het genomen besluit wilden +volharden, en den vijand nog slechts tot den laatsten September de +vrijheid gaven om zich op billijker voorwaarden, van hunne zijde, +te bezinnen. + +Ook die dag verscheen zonder dat de beide partijen elkander hadden +verstaan. + +Voor de laatste maal waren de gezanten bij den prins ten middagmaal +genoodigd. + +Aan het einde van den maaltijd stond de markgraaf Ambrosio Spinola +van zijne zitplaats op; nam den beker in de hand, en betuigde zijn +ongeveinsde smart over het afbreken van eene onderhandeling, welke +hij had gehoopt dat beide landen ten zegen zou zijn. "Deze dronk," +zoo eindigde hij: "zij de tolk mijner dankbaarheid voor het gastvrij +onthaal hier te lande genoten." + +Nadat Spinola gesproken had, nam prins Maurits het woord. + +"Mijne heeren!" zeide hij: "Wij zijn als vrienden, niet als vijanden +te zamen geweest. In de raadzalen hadden wij verschillende belangen, +doch in onze woningen is de vrede niet verstoord geworden. Eerlang +zullen wij elkander weder ontmoeten; slechts tot het einde dezes jaars +blijft de wapenschorsing voortduren; wij zullen elkander strijdende +wederzien. God geve dat Nederland kracht behoude om zich met u te +meten! Edel is het, met kracht zijne rechten te verdedigen. Zijn +wij in den strijd,--laat ons dan edel kampen; edel in den vollen zin +des woords: Vurig en onversaagd zoo het Vaderland en zijne rechten +onzen arm behoeft; doch laat ons menschen, vrienden, Christenen +zijn, zoo de overwinning aan onze zijde is. Door dit verbond, +mijne heeren!" aldus besloot de prins: "zal ons samenzijn iets goeds +gewrocht hebben, en zullen uwe namen bij velen in gezegend aandenken +achterblijven. Vaartwel mijne heeren! God zij met u!" + +Na deze woorden werd de afscheidsgroet gedronken, en dien zelfden +avond nog vertrokken de Spaansche gezanten, terwijl in de Resolutiën +van Holland hun vertrek staat geboekt met deze bede: + + + "God geve dat se alhier geen quaet saet en hebben gelaten + daarvan men met 'er tydt de effecten gewaer werde tot ruïne + van desen staet." [1] + + +Bij dit afscheidsmaal was de graaf Van Bergen, hoewel mede +uitgenoodigd, niet tegenwoordig geweest. + +Alonzo Spinola had het, op den uitdrukkelijken wil van zijn vader, +bijgewoond; doch terwijl zijn lichaam aan die plaats tegenwoordig was, +bevond zijn geest zich op den Oldenburgh; en alzoo droefgeestig en +treurig terneergezeten, zag hij met weemoed de ure naderen, waarin +hij een land zou vaarwel zeggen, waar hij den kostbaren door hem +gevonden schat voor altijd moest achterlaten. + +De vijandschap der landen, het verschil des geloofs, ziedaar de twee +groote hinderpalen, die zijn aardsch geluk belemmerden. + +Na het vertrek der Spanjaarden was het dus zoogoed als zeker dat de +onderhandelingen voor altijd waren afgebroken. + +Dien keer echter moesten de zaken niet nemen. + +De vaderlandsche historiebladen vermelden ons hoe Johan Van +Oldenbarneveld, door Engeland en Frankrijk ondersteund, tegen Maurits +en de Zeeuwen heeft gekampt ten einde ook hen voor de goede zaak +te winnen. Wij vinden het beschreven hoe deze strijd met zegen werd +bekroond, en Nederland, getrouw aan de les door den grooten Zwijger +gegeven, ook in dezen eensgezind tot onderling geluk krachtdadig +heeft samengewerkt. + +Zoo werd na een tweede bijeenkomst, en wel te Antwerpen, na een +onderhandeling van ruim twee maanden, het Twaalfjarig Bestand tusschen +Nederland en Spanje gesloten, waarvan de inhoud, voor den weetgierigen +lezer, in de Nederlandsche geschiedrollen is opgeteekend. [2] + + + +Het was den vijf en twintigsten April des jaars 1609. Weer wapperden +de vlaggen; weer joelde de menigte; weer leverde het vorstelijk +'s-Gravenhage, in feestkleedij getooid, een vroolijk schouwspel op. De +bode des vredes had gesproken,--het gesloten bestand was met de meeste +plechtigheid van het raadhuis afgekondigd,--de vreugdeschoten knalden +door de Maliebaan--'t Wilhelmus van Nassauwen deed zich hooren: + + + "Rust Neerland!"--was de kreet: + "Rust van Uw heldendaen." + + +"Wel duivels, hansworst, gij hadt dat zoete brokje daar vast +in de boutjes," zei een man uit de menigte tot iemand die zich, +in de vermomming van een potsenmaker, tusschen de feestvieren den +had gemengd. + +"Het ding was malsch en niet malsch," antwoordde de aangesprokene: +"haar koontjes waren als kussentjes, doch hare nageltjes waren als +krabbertjes; tot straf echter is de gouden boot van haar hals, in +mijn zak overgegaan." + +"Geef hier!" hernam de eerste spreker, en vervolgde terwijl hij het +halssieraad bij zich stak: "Gij zijt een slimme vogel; een dief die +zijn handwerk verstaat." + +"Ik ben een dief en geen dief," hernam de tweede: "ik neem,--evenals +de rijken--wat mij bevalt, met dit onderscheid echter, dat ik mijne +kronen in den zak houd." + +"Uwe kronen! dat geloof ik," zei de eerste glimlachend, en dan: +"Hebt gij Aaij ook gesproken?" + +"Gesproken en niet gesproken," hernam de hansworst: "Ik ontmoette hem, +of ik ontmoette hem niet, maar hij ontmoette mij, en toen liet hij, +zonder iets te zeggen, deze prullen in mijn zak glijden. Hij heeft +zich slecht gekweten. Daar Bram, pak aan! en als gij alles zult hebben +weggemoffeld, zie ik u over een uur in de Bagijnenstraat weer." + +Bram stak de ontronselde goederen bij zich, maakte daarna +rechtsomkeert, en liet het aan den hansworst over om het opgewonden +publiek met zijne aardigheden te blinddoeken, ten einde alzoo des te +beter zijne kansen te kunnen waarnemen. + + + "Leve de rust! leve de vreugd! + Leve de rust die 't hart verheugt! + Weg met den nijd, weg met den strijd! + Leve de vree en de vroolijkheid!" + + +Zoo zingende en schreeuwende danste de hansworst-zakkenroller tusschen +de jubelende volksmenigte door, en zocht zich telkens, op een uiterst +behendige wijze, een loon naar welgevallen te verschaffen. + +"Nietwaar seigneur!" riep hij eensklaps, terwijl hij, na zijn liedje +te hebben opgedreund, achter op het paard van een ruiter sprong, +die zijn schimmel nu eens moest doen stilstaan en dan weder slechts +langzaam deed stappen, om geen ongelukken te midden der dringende +massa's te veroorzaken: "Nietwaar seigneur?" riep de hansworst +nogmaals, terwijl hij door zijn zotte grimassen achter den ruiter, +de omstanders deed schateren van lachen. + +Het voorwerp van des zakkenrollers vrijpostigheid scheen niet willens +de vreugde van het oogenblik te storen. Gedwee liet hij zijn bespringer +diens aardigheden achter hem uitkramen, als bemerkte hij ze niet; doch +eindelijk den snaak moede, wendde hij zich om, en zag hem onverhoeds +in het aangezicht. + +"Wij zijn elkander niet vreemd," zeide de vreemdeling: "Mij dunkt dat +ik den heer hansworst als kunsthandelaar reeds eenmaal in de herberg +van Gooswijn Meurskens heb ontmoet.--Voorzichtig, maat!" vervolgde +hij zachter: "steek den buidel even behendig weer in mijn zak als +gij er dien uit hebt genomen, of anders...." en hij liet dit woord +door een veelbeteekenenden blik vergezeld gaan. + +De hansworst was eenigermate van zijn stuk gebracht, en begon hevig te +hoesten. De ruiter echter, op die muziek niet gesteld, en de zwaarte +van zijn geldbeurs in zijn zak terug gevoelende, liet den schimmel +eenige luchtsprongen maken, zoodat de aardige man weldra het evenwicht +verloor en onder het gejuich der menigte al spoedig tot straatruiter +werd verlaagd. + +Het vroolijk rumoer werd evenwel spoedig door een ontboezeming van +algemeene verontwaardiging vervangen. De voorwerpen, aan verschillende +omstanders ontrold, lagen naast den terneergeworpen zakkenroller, +voor de oogen der eigenaars of eigenaressen ten toon gespreid. + +"Mijn jachtmes!"--"Mijn buidel!"--"Mijn zakboek!" riepen eenige mannen. + +"Zie, mijn zilveren beugel!"--"Mijn gouden doekspeld!"--"Mijn +reukdoosje!" riepen eenige vrouwen. + +"Houdt den dief!"--"Houdt den schurk!"--"Houdt den afzetter!" riepen +allen. + +De ruiter, omziende, zag nogmaals naar den ongelukkigen hansworst +en bespeurde hem hinkende aan de zij van een man, die met hem den +weg naar het Buitenhof insloeg, terwijl de schreeuwende stedelingen +hem allen in diezelfde richting nastormden, om tot den einde toe het +aangename schouwspel van een arrestatie te kunnen bijwonen. + +Intusschen vervolgde de ruiter, in wien men reeds den jongen Spinola +zal vermoed hebben, ongestoord zijn weg. Aan de boschzijde gekomen, +gaf hij zijn paard de sporen, en bevond zich binnen een klein half uur, +voor de geopende poort van den Oldenburgh. + +Ook hier wuifde de driekleurige vlag van den slottoren, ook hier +heerschten vreugde en blijdschap. Vreugde was de leus van dien +heerlijken lentedag. Vreugde was er in de reine harten. Dankbaarheid +aan God bezielde de rechtgeaarde gemoederen; Hij, de Gever van alle +goeds, had met de verjongde natuur, ook voor het geteisterde Nederland +een liefelijke lente van vrede en rust doen aanbreken. + +Maar Alonzo?--In weerwil van de heerschende vreugde, in weerwil van +die algemeene blijdschap, vertoonden er zich meermalen diepe groeven +op zijn edel voorhoofd. Een buitengewone last scheen hem te drukken. + +--Gevloekt! zeide hij bij zich zelven, terwijl hij een oogenblik +staan bleef: Gevloekt! Verstooten! Onterfd! Durf ik dan werkelijk, +met den vadervloek beladen, nogmaals dit oord betreden? Durf ik mij +in dit kasteel vertoonen?--Ja! het is de heilige engel des Heeren die +mij wenkt. O geliefde Adelgonde! voor u wil ik leven; voor u wil ik +den vadervloek tot mijn einde torsen; voor u wil ik sterven, want, +zonder u zijn de dagen voor mij als kerkernachten, lang en zwart. + +Een licht geritsel liet zich achter den treurig peinzenden Alonzo +hooren: hij zag om, en.... zijne oogen bedrogen hem niet, hij ontwaarde +de hemelsche schoone die, op aarde, van het noorden tot het zuiden, +hare wedergade niet vond. + +Met de snelheid van den bliksem was Alonzo uit den zadel gesprongen, +en terwijl de schimmel, vrijgelaten, naar den stal en de hem reeds +welbekende kribbe liep, ijlde Alonzo naar zijn dierbare Adelgonde, en +drukte haar met onstuimige teerheid en liefde aan zijn beklemde borst. + +Wij zullen niet met onkiesche blikken, de geliefden in de eerste +stomme oogenblikken huns wederziens bespieden; wij willen geenszins +de rol van valsche getuigen spelen, maar vinden hen liever, naast +elkander op een zodenbank gezeten, eenige minuten later terug. + +"Alonzo!" zeide het meisje: "hebt gij wel gehandeld? Is het uit een +zuivere bron dat uw liefde tot ons geloof ontspruit? O dierbare vriend, +het is aardsche liefde, liefde voor mij, voor een zondig schepsel! Gij +zoekt door God, tot mij te komen: gij hebt mij liever dan Christus. O +Alonzo, ik kan het u vergeven, maar Hij, de Heer, hij zegt, dan zijt +gij Zijns niet waardig." + +"Gij miskent mij, dierbaar meisje!" riep Alonzo, haar aan zijn +hart drukkende: "Zie, ik durf vrijmoedig mijne oogen naar den +hemel richten. Steeds heb ik Christus gediend; uit liefde voor Hem +sloeg mijn zwaard de ketters ter neder, doch thans--evenals Saulus +werd bekeerd, evenals hij door de stem des Heeren tot inkeer werd +gebracht--evenzoo hebben eenige woorden der Heilige Schrift mij +tot nadenken aangespoord. In den herfst des vorigen jaars, weinige +dagen vóór ons vertrek, werd mij eene bijbelvertaling te koop +aangeboden. Begeerig die te doorsnuffelen, sloeg ik het gewijde +boek open, en zie, de eerste woorden die mijne aandacht boeiden, +waren deze: "Onderzoekt de Schriften, want zij zijn het, die van +Mij getuigen." Deze woorden, dierbare Adelgonde, ze spraken tot mijn +hart. Onderzoekt de Schriften! is het gebod des Heeren, en de kerk, +waartoe ik behoorde, verbiedt 't geen God heeft bevolen. Alles werd mij +duidelijk en klaar; mijne zaligheid moest door een ijverig onderzoek +verzekerd worden. Een licht rees er op in mijne ziel. God had mij, +door deze schijnbaar toevallige omstandigheid, den weg der zaligheid +doen vinden, de zaligheid voor het toekomende, de zaligheid voor het +aardsche leven. Ja Adelgonde, de vervolger van uw geloof mocht uwe +hand niet verwerven, den Hervormde moogt gij beminnen: hij is thans +geen vijand van uw land, geen vijand van uw geloof meer." + +Adelgonde beschouwde den jongeling met oogen vol teederheid en innige +liefde. "En evenwel ziet gij telkens zoo droefgeestig en somber voor +u neder," zeide zij op zacht smeekenden toon: "Zijt gij dan toch nog +bevreesd dat ons geluk zal verbroken worden? Vertrouwt gij wellicht +nog niet volkomen op mijn waarachtige liefde, of zijt gij misschien +bevreesd dat mijn lieve vader zijn gegeven woord zal breken?" + +"Ons geluk!" riep Alonzo, terwijl hij Adelgondes hand aan zijn hart +drukte: "Ons geluk! o, het is nog niet bevestigd. Neen, ik twijfel +niet aan uwe liefde; uw oog bedriegt mij niet. Doch helaas! wie is +het die u bemint? O, Adelgonde! dierbare Adelgonde! hij die u zoo +teeder bemint, is door zijn vader gevloekt. "Ga van hier ontaarde +zoon!" waren de woorden mijns vaders: "Ga van hier, door God verdoemde +ketter! Ga! ik vloek u in dezen stond. Vlied, want God die u veracht, +wil niet dat ik u langer als mijn zoon zal liefhebben." + +Bij de treurige herinnering dezer woorden, faalde het den edelen +jongeling schier aan kracht om zijne bedaardheid te bewaren, en +terwijl hij met de beide handen het aangezicht bedekte, zocht het +minnende meisje haar bedroefden vriend door eenige zoete woorden te +troosten en op te beuren. + +"Lang leve onze waardige graaf!" was de kreet, die eensklaps den jongen +lieden in de ooren drong. Adelgonde sprong ontsteld van hare zitplaats +op. Haar vader vierde op dezen, voor den Staat zoo heuglijken dag, zijn +geboortefeest. De slotbewoners begroetten hun heer met blijde galmen. + +Van Bergen trad de slotbrug over, en Adelgonde, ontroerd en verward, +snelde naar haren vader toe, en wierp zich luid snikkende in zijne +armen. + + + + + +EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + +Wanneer de reiziger ten huidigen dage de oevers der Maas bezoekt, en +op het dek der kleine doch ranke stoomboot gezeten, met verrukking de +schoone rotswanden beschouwt, die zich nu eens uit den waterspiegel +verheffen, en dan weder op eenigen afstand zijn oog bepalen, dan +ziet hij, op vele dier steilten, nog menigen slottoren in den glans +der morgen, middag- of avondzon blinken, doch bespeurt tevens den +alles verwoestenden tand des tijds, die zelfs de schoonste burchten, +op rotsen gegrond, in bouwvallen doet verkeeren. + +De opmerkzame reiziger ontwaart, als hij dat schoone gedeelte van +België bezoekt, aan den rechteroever der rivier een bouwval. Dit +geringe overblijfsel van een voormalig schoon kasteel, wordt hem +verhaald, de ruïne van het kasteel Beaufort te zijn, en terwijl hij +bij het schoone weder gemakkelijk zijn manilla wegdampt, beschouwt hij +met een dweepachtige oudheidsliefde, die twee bemoste steenklompen, +om ze in zijne verbeelding tot het voormalige slot weer op te bouwen. + +In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, mocht het kasteel +Beaufort een der fraaiste van den Maasstroom genoemd worden; het werd +toen bewoond door den markgraaf Reinier Van Aduaar, die de eenige +broeder was van Van Bergens overledene gemalin. Drie jaren lang mocht +graaf Reinier in kalmte en vrede zich in Neerlands rust verheugen; +drie jaren nog mocht hij, na het gesloten bestand, het goede der aarde +op zijn adellijk slot genieten; doch toen konden de zware muren noch +de ijzeren sloten den aanrukkenden vijand afweren. De dood drong +met zijn snijdend wapen ongenoodigd binnen, en sloeg de vrucht af, +die rijp was voor den grooten oogst des Heeren. + +Het eene geslacht gaat voorbij, het andere treedt in zijne plaats. De +doode boom wordt uitgeroeid; een nieuwe stam wordt weer op die plaats +gezet, om insgelijks zijne takken tot schaduw te verspreiden, en +vruchten voort te brengen tot nut en heil der menschen. + +Ook het kasteel Beaufort had, weinige maanden na den dood des graven, +een bewoner terugbekomen. + +De zalen en vertrekken, door den vorigen bezitter meest alle +verwaarloosd, waren nu van hun naargeestige tint bevrijd, en uiten +inwendig getuigde Beaufort van een welvaart, die het sinds jaren niet +gekend had. + +"Ben ik vandaag zoet geweest?" zeide een allerliefst driejarig meisje, +dat, met eenig speelgoed om zich heen, in een der bovenvertrekken +van Beaufort zat te spelen: "Hé, Klaartje, Clarisje is toch niet +stout? Neen zie, ik heb het ju-paardje van papa weer in den stal gezet, +en als grootpa hier komt, zal het wel van zelf kunnen loopen. Nietwaar +zoete Klaartje, nu mag Clarisje wel eens bij u op schootje zitten?"--en +zich vleiend naast het ijverig naaiende kindermeisje plaatsende, +zag zij deze met haar blauwe oogjes vriendelijk aan, en belette haar +met de kleine handjes, de naald naar eisch te hanteeren. + +"Gij zijt een kleine plaagster!" zeide Klaartje, terwijl zij het lieve +kind op haar schoot nam: "Met u kan men nauwelijks de helft van zijn +werk verrichten; nu moet gij ook stilzitten, hoor! want anders...." + +"Ja, heel stil!" hernam het lieve kind: "en Klaartje zal mij dan +vertellen wie toch dat bloote kindje is, dat daar bij mama op schootje +zit. Hé Klaartje, waarom heeft dat kindje geen kleertjes aan? het +zal koud worden." + +De vraag der kleine, welke op een portret, dat aan den wand hing, +doelde, bracht Klaartje in eenige verwarring, en terwijl zij, even +blozende, den blik naar het schilderstuk sloeg, antwoordde zij: +"Dat kindje zal niet koud worden, daar behoeft gij niet bang voor +te zijn. Want ziet gij," vervolgde zij, zich met Clarisje op den +arm voor het portret plaatsende: "dat is een geschilderd kindje; +het kan niet praten, niet zien, niet...." + +"Ja maar het lacht toch," zeide het lieve meisje, haar in de rede +vallende: "en mama lacht ook. Zeg eens, Klaartje, is Clarisje dat +kindje, of is het een ander kindje van mama?" + +"Hoor lieve," antwoordde Klaartje: "ik zal u dat later wel eens +vertellen; nu zoudt gij alles nog niet begrijpen; alleen dit kan ik +u zeggen, dat dit kindje het braafste was dat er ooit geweest is of +komen zal; het heeft nooit in zijn leven kwaad gedaan, en de man, +die dat mooie kindje daarop heeft geschilderd, heeft uw mama eens +het leven gered." + +"Dat moet een goede man zijn geweest," zeide Clarisje: "Ik zal +dus veel van hem houden, en Klaartje houdt zeker ook veel van hem, +nietwaar lieve Klaartje?" + +Het bevallige kindermeisje kon een opwellenden traan niet +onderdrukken. De onschuldige vraag van het lieve kind had een diepe +wond in haar binnenste opengereten: "Ja, voorzeker!" zeide zij +eindelijk: "doch kom mijn aardig snapstertje, het wordt tijd dat +gij naar uw bedje gaat; wij zullen papa en mama goeden nacht gaan +zeggen, en dan zal ik straks eens zien of gij uw avondgebedje goed +onthouden hebt." + +Adelgonde Van Bergen was sedert vier jaren de echtgenoot van Alonzo +Spinola. De teederminnende echtelieden vonden in elkanders bezit een +hemel op aarde, en nauwelijks een jaar na hun huwelijk verblijdde +Adelgonde haar aangebeden Alonzo met eene dochter, welk kostbaar pand +hunner liefde den onverbrekelijken knoop van huwelijkstrouw nog vaster +had toegehaald. + +Als man van eer, als rechtgeaard Hollander, doch als Christen bovenal, +had de graaf Van Bergen zijn gegeven woord niet gebroken. "Is Spanje +met Nederland in vrede," had hij gezegd: "en hebt gij de leer van +Rome verlaten, zoo keer in mijne woning terug: vóór dien tijd mag +mijne dochter uw gade niet worden; dán echter zal ik den redder van +mijne kinderen als zoon ontvangen, dán kunt gij mijn kleinood naar +het altaar geleiden.--Ga! God zij met u!" + +En de graaf had woord gehouden. In zijn warmen ijver voor het hervormde +geloof, telde hij den vloek niet dien de markgraaf Spinola over zijn +zoon had uitgesproken. "Wie vader of moeder lief heeft boven Mij, +is Mijns niet waardig." Dit had de Zaligmaker gezegd. Alonzo had +wél gehandeld, hij had den Heer gekozen boven de menschen. En wat +het vermogen van Alonzo betrof, al was hij onterfd, al zouden de +goederen van den markgraaf nimmer de zijne worden, de schat in den +hemel verworven, was van hooger waarde dan alle schatten der aarde, +die de dieven doorgraven en de mot en de roest verteren. + +Een jaar dus na de heuglijke afkondiging van het Twaalfjarig Bestand, +hadden de jonge lieden elkander, voor het oog des Heeren, liefde en +trouw gezworen. + +Prins Maurits was bij de trouwplechtigheid tegenwoordig geweest, +en het huwelijksfeest, 't welk juist tot het jaarfeest des graven +was uitgesteld, werd met ongemeenen luister op den Oldenburgh gevierd. + +Twee jaren alzoo bewoonden de jonge echtelingen, op begeerte van den +graaf, het vaderlijk kasteel, doch, toen Adelgonde eindelijk, na den +dood van haar oom Reinier, volgens diens testament de eenige erfgenaam +der goederen van Beaufort bleek te zijn, toen wilde Van Bergen niet +langer baatzuchtig zijne kinderen nabij zich houden, maar drong hen +zelf: den weg te volgen dien de Heer hun had aangewezen. Diep ontroerd +zag hij zijne dierbaren vertrekken. De zwakke Adel alleen bleef hem +nu over; en, van het geluk zijner lieve Gonne overtuigd, was het +thans zijn eenig streven, en bleef het zijn grootste genoegen, zijn +ongelukkigen zoon te leiden, en diens geest te beschaven, opdat hij nog +eenmaal goede vruchten van die verwaarloosde plant zou mogen oogsten. + +"Mijn Gonne is altijd even toegevend," zeide Alonzo eens tot zijn +bevallige gade, die, voor een der ramen aan den Maaskant gezeten, +zich in het treffende schouwspel der ondergaande zon verlustigde. "Ik +wilde wel," vervolgde hij, terwijl hij den bruinen jachthond met zijn +voet over den vloer heen en weer rolde: "ik wilde wel, Gonne, dat gij +mij toch eens iets kondt weigeren. Ik kan u niets vragen of gij zegt, +ja! Gij zijt al te goed, mijn lieve vrouw, en ik verwijt mij dikwerf +zulk een liefde niet te verdienen." + +"Beste Alonzo," zeide Adelgonde: "waarom zoudt gij die liefde niet +verdienen? Gij zijt immers alles voor mij. Voorkomt gij niet altijd +al mijne wenschen? O, het is mij een plicht, een wellust, u gelukkig +te maken; want Alonzo, gij hebt veel voor mij opgeofferd; en zonder +u was er voor mij toch geen geluk op aarde." + +"Gij zijt een engel!" hernam Alonzo opstaande, en zijn stoel naast +dien van Adelgonde plaatsende, zette hij zich aan hare zijde, en zag +een tolk van innig geluk langs hare wangen vloeien. + +"Die scherpe stralen der zon hebben uwe oogen vochtig gemaakt," +hernam hij: "Kom lieve vrouw, zie mij eens aan, en geef mij een +zoen. Zie zoo!--gij moogt uw lieve oogen niet bederven." + +"'t Is waar," zeide Adelgonde, hare kijkers afdrogende: "Het licht +is al te sterk. Wel honderd roode en groene sterretjes zweven mij +voor de oogen. Morgen gaan wij dus te zamen naar de valkenjacht, +nietwaar beste vriend?" + +Op dit oogenblik trad Klaartje met Clarisje de zaal binnen. Het aardig +wichtje huppelde vroolijk naar hare ouders, klauterde op Adelgondes +schoot, en, beurtelings hare moeder en Alonzo kussende, riep het, +terwijl zij met de kleine armpjes de twee echtelieden vereenigde: +"Nacht maatje! nacht paatje! Clarisje is heel zoet geweest; Clarisje +zal ook zoo braaf worden als het bloote kindje, dat die goede man +geschilderd heeft. Nacht maatje, nacht paatje!" en het aardige meisje +kuste en pakte hare ouders weder dat het een lust was om aan te zien. + +"O Adelgonde, hoeveel hebt gij mij met dit kind geschonken!" zeide +Alonzo, nadat Klaartje met de lieveling vertrokken was: "maar," +vervolgde hij vleiend: "gij zult mij ook een zoon schenken, is het +niet zoo?" en den arm om het midden zijner gade slaande, zag hij een +zacht rood hare kaken verven, en las hij in hare oogen de woorden: +Gij weet het Alonzo, de zegen op aarde ligt in des Heeren hand." + +Nog zat het gelukkige echtpaar zoet koutend bijeen, nog was het +avondrood niet geheel van den hemel geweken, toen eensklaps een +buitengewone verschijning de stilte verbrak, en de echtelingen ontsteld +doch verrast deed opspringen. + +"Lieve vader!" riep Adelgonde, naar Van Bergen toesnellende, die, +in reisgewaad, onaangediend en zachtkens de zaal was binnengetreden: +"Lieve beste vader!" riep zij nogmaals, terwijl zij aan des graven +hals bleef hangen: "hoe onuitsprekelijk verblijdt mij uw komst!" + +Van Bergen omhelsde zijn kind met innige warmte: drukte zijn +schoonzoon recht vaderlijk de hand; ontdeed zich, na de eerste +verrukking des wederziens, van zijn mantel; zette zich in een hem +door Alonzo toegeschoven leuningstoel, en sprak toen, terwijl zijne +kinderen naast zijnen zetel plaats namen: "Het is mij goed weer bij +u te zijn. God zij gedankt, die mij aan het gevaar dat mij dreigde, +deed ontkomen. Hij heeft mij gered, en...." + +"Een gevaar!?" riepen Alonzo en Adelgonde schier te gelijk: "Wat is +u overkomen?" + +"Ik zal het u verhalen," hernam Van Bergen: "doch vooraf verzoek ik +u een paar mannen naar het rivierpad te zenden, ten einde Rudolf, +dien ik bij mijn aanvaller heb achtergelaten, behulpzaam te zijn." + +Alonzo had weldra zijn bevelen gegeven, en nu verhaalde Van Bergen +hoe hij gelukkig zijn tocht tot aan den steilen slotweg had volbracht, +toen eensklaps een verwilderd haveloos man zijn paard bij den toom had +gegrepen, en hem een pistool op de borst drukkende, tot de overgave +van zijn geldbeurs had aangemaand; hoe Rudolf, waarschijnlijk door +den roover niet opgemerkt, dadelijk was ter hulpe gesneld; hoe deze +de pistool uit de hand van den schurk had geslagen, en hem tevens +een diepe wond had toegebracht, zoodat de ellendeling voor dood was +neergevallen. + +Dankbaar sloegen ook Adelgonde en Alonzo den blik naar boven, en +verheugden zich met ongeveinsde blijdschap, dat ze hun veelgeliefden +vader ongedeerd aan hunne zijde mochten zien. + +Intusschen was de straatroover, door Rudolf en Alonzo's knechten het +kasteel Beaufort binnengedragen. + +De wonde, hem door Rudolf in de borst toegebracht, was breed en diep; +een schrikkelijk bloedverlies had hem geheel uitgeput, en de knechten, +niet wetende hoe zij hem eenige verzachting zouden toebrengen, begaven +zich naar hun meester om diens hulp voor den lijder in te roepen. + +Terstond was Van Bergen gereed om Alonzo met zijn meerdere kennis +bij te staan, en beiden gingen derhalve naar het benedenvertrek, +waar de ongelukkige terneer lag. + +Zoodra Van Bergen echter met een natgemaakte doek de wonde eenigszins +wilde reinigen, en hij den lijder, bij het schijnsel der aangestoken +lamp, in het verwilderde aangezicht zag, ontglipte een kreet van +verbazing aan zijne lippen, want hij herkende in die vóór den tijd +verouderde en verdierlijkte trekken, het gelaat van hem, die zich +vroeger Walter Van Rodenberg noemde. + +"God, Walter! zijt gij het?" riep de graaf, terwijl hij verbleekte, +en bevend den nederliggende beschouwde: "Walter, Walter! waartoe zijt +gij gekomen!" + +Walter Van Rodenberg opende zijne oogen en keek verwilderd om zich +heen. + +"Ha!--eindelijk vernietigd!" riep hij met schorre stem: "Het is reeds +lang genoeg.--Waar is de dood?--Kom spoedig!"--en met een ontzettende +krachtsinspanning balde hij zijn vuist, en sloeg zich met zulk een +hevigheid op de diep gapende wond, dat het bloed den aanwezigen in het +aangezicht spatte, en hij zelf, weinige seconden later, stuiptrekkend +den geest gaf. + +Het duurde verscheidene dagen eer de bewoners van Beaufort den somberen +indruk van dat treurige schouwspel konden verbannen; vooral Van Bergen +had dit schrikverwekkend tooneel diep getroffen. Nogmaals was "het +opgeheven zwaard der boosheid langs het schild van Gods voorzienigheid +afgegleden," en, twee dagen na deze akelige gebeurtenis bracht Van +Bergen het lijk van den ongelukkigen zoon zijner stiefmoeder naar +zijn laatste rustplaats. + +Eene week na des graven onverwachte komst op Beaufort, daagde er voor +de jongen echtelieden een morgen van grenzenlooze vreugd. Uit Den +Haag was in allerijl een koerier komen aanrennen, die den portier +een pakket met het wapen der Oranjes verzegeld, had overhandigd. + +Het adres luidde aan Alonzo, en de jonge Spinola, niet vermoedende wat +de vorst hem kon te melden hebben, doorlas met ongeduld het geschrift +van zijn doorluchtigen beschermer. + +Het was hem niet mogelijk den brief tot het einde te doorlezen, +veel minder nog ook het daarbij gaande blad, in de Spaansche taal +geschreven, nauwkeurig te doorloopen. De letters dansten hem voor de +oogen. "Dáár, dáár," riep hij in vervoering uit: "lees.... zie.... ik +kan niet meer. Dierbare Adelgonde! mijn vader.... o God! hij heeft +zich mijner ontfermd!" + +Alonzo had wél gezien: de vadervloek was opgeheven; prins Maurits was +de voorspraak van den echtgenoot der schoone Hagenlelie geweest, en +de markgraaf Ambrosio, tot hiertoe hardnekkig en ongeneigd zijn zoon +weder aan te nemen, had de bede van den fieren veldheer niet kunnen +weerstaan, maar, hopende op de belofte van Maurits, wilde hij zijn +ketterschen zoon genade schenken, zoo het Katholieke geloof daardoor +meer oogluikend in de Nederlanden werd toegestaan. + + + +Gevoegelijk zouden wij hier de pen kunnen neerleggen, doch gelooven +nog eenige inlichtingen aangaande sommige personen verschuldigd te +zijn, welke wij dan ook onmiddellijk laten volgen. + +Het vroolijke kamermeisje van de schoone Hagenlelie was, twee +maanden na het huwelijk harer meesteres, met Maarten in den echt +getreden. Adelgonde had haar een aanzienlijke huwelijksgift geschonken, +en Maarten, in een eigen smederij getreden, deed den hamer lustig op +het aambeeld klinken, en bleef steeds een ijverig burger der hofstad, +gelijk zijn goede huisplaag,--zooals hij Anne meermalen schertsend +noemde--steeds een liefhebbende vrouw en, tot aan haar einde, eene +trouwe moeder voor hare kinderen bleef. + +Van den barbier Sebastianus Bril weten wij niet anders te verhalen, +dan dat door hem de treurige geschiedenis van den jeugdigen +kunstschilder, Jakob De Geest, aan den graaf Van Bergen werd bekend +gemaakt. Adelgonde, die haren redder, behalve in dat vluchtige +oogenblik op den weg, nimmer had wedergezien, wijdde een traan aan +zijne nagedachtenis, en noodigde het treurende Klaartje uit om Annes +plaats bij haar te komen innemen. + +Klaartje gevoelde zich in deze betrekking recht op haar gemak. De +akelige taak van schenkster in de kroeg haars vaders, had haar reeds +sedert lang tegengestaan. Nu was het haar streven en lust, hare goede +gebiedster in alles te voldoen; en dikwerf nog dacht zij met weemoed +aan den ongelukkigen Jakob, voor wien Alonzo een klein gedenkteeken +had doen oprichten, ter plaatse waar hij Adelgonde aan den Maaskant +van een wissen dood had gered. + +Het schilderstuk, 't welk wij reeds in de kinderkamer hebben gezien, +was daar met voordacht en tot groot genoegen van Klaartje opgehangen, +en toen Clarisje eenige jaren ouder was geworden, leerde zij van +hare verzorgster het ons bekende droomlied van den kunstenaar, dat +het meisje den ongelukkigen jongeling zoo dikwerf had hooren zingen. + +Van Bergen leefde nog vijftien jaren na het huwelijk zijner Gonne. Het +sterven was hem gewin, want reikhalzend zag hij in de laatste +oogenblikken zijns levens de ure naderen, waarin hij met zijn Heer +zou vereenigd worden, dien hij op aarde zoo vurig had gezocht. + +Vrouw Barbara is van de wonde, haar door Van Rodenbergs pistoolschot +toegebracht, hersteld. Van Bergen heeft haar volkomen vergiffenis +geschonken, en, zoo wij wél onderricht zijn, is zij in een klooster +als berouwhebbend Katholiek gestorven. + +Wat Adel betreft, deze is op zijn veertigste jaar, met eene +kleindochter van den baron Van Doorn tot den Zandheuvel in den echt +getreden. Zijne vrouw heeft hem echter geen kinderen geschonken; +en hoewel steeds achterlijk in zijne geestvermogens, werd hij tot +zijn einde door zijne onderhoorigen bemind, en werd hem, om zijne +schier vrouwelijke zachtaardigheid, den eeretitel van den goeden +graaf gegeven. + +Burgman bleef tot aan zijn dood pluimgraaf op den Oldenburgh, en door +hem is de belangrijke kunst uitgevonden, om in zeven dagen tijds, +de schraalste haantjes of kippen tot de vetste tafelsieraden op te +kweeken; wij gelooven evenwel dat deze edele kunst met den goeden +Burgman is verloren gegaan. + +Het doet ons leed, eindelijk nog te moeten mededeelen, dat Adelgonde +niet al de wenschen van haren echtvriend heeft vervuld; zij heeft +hem geen zoon ter wereld gebracht, maar ter vergoeding daarvan hem +nog eene dochter geschonken, die, evenals Clarisse, het sieraad harer +ouders werd, en evenals die oudere zuster, eene partij harer waardig +gevonden heeft. + + + + + + + + +GELEGENHEIDSSTUKKEN. + + +DE REUS VAN ANTWERPEN. + + +Daar was eens een reus en zijn naam was Druon-Antigoon en zijn gade +was een reuzin. + +En op den schoonen oever van den breeden Schelde-stroom bouwde zich +Druon-Antigoon een sterken burg, en de zalen waren vervaarlijk groot +en hoog. + +En als Druon-Antigoon voor het breede burgvenster gezeten was, dan +had hij het uitzicht over den voorbijsnellenden vloed, en als de zon +op het watervlak speelde, dan zag hij de zilverschubbige bewoners +er boven uitspringen, en glanzen in 't zonnelicht; maar ook, als de +wind het lies aan den oever deed ruischen, dan zag hij de schippers +met volle zeilen voorbij den burg varen, ha! alsof er geen reus aan +de Schelde was! + +En op een vroegen morgen toen Druon-Antigoon weer voor zijn venster +zat, en hij een schipper, laveerende, naar het basalt van den burg +den steven zag wenden, toen klonk er uit koperen longen een donderend +halt door de lucht, en stak de reus zijn arm uit het venster, en +greep er met ijzeren hand den mast van het vaartuig, dat alles er +kraakte en schokte. + +En de visschen met hun zilveren schubben hadden Antigoon gezegd, +dat de Schelde hem meer moest geven dan het vleesch van hun graat. + +En Antigoon bulderde weder: Menschenworm! zijt groot zooals ik, of +anders--anders zult ge tol en schatting betalen, tol en schatting +aan Druon-Antigoon, den eeuwigen reus in zijn burg! + +Maar de arme schippers konden niet groot zijn zooals die geweldige +burgheer, en ze betaalden hun tol en hun schatting, want--deden zij +'t niet, dan rukte de wreede hen weg van het roer, en hieuw met +zijn vreeselijk slagzwaard hun handen van 't lijf, en wierp ze, +och arme! ten aas voor de visschen in 't diep van den stroom. + +En gansch het land schreeuwde wraak. Maar Druon-Antigoon bleef +rustig zijn tol en schatting heffen--of wel, hij greep de schepen +bij hun masten, en hief ze boven den vloed, en deed ze met de kiel +een halven cirkel door het luchtruim beschrijven, en--het kappen van +der weerspannigen handen, en het Handwerpen in de Schelde bleef zijn +geliefkoosd vermaak. + +Maar Brabo nadert. + +Brabo de held, met zijn beitel en lier. En in zijn borst woont de zucht +om de bekoorlijke oevers der Schelde van den geweldige te verlossen, +om Druon-Antigoon, den reus, te verslaan. + +En onder het venster van den hechten burg, roept Brabo dat +Druon-Antigoon met zijn gade zal uitkomen, want heel het land wenscht +de beeltenis van den burgheer en zijn gemalinne te zien, en Brabo +zal ze houwen in eeuwentartend graniet. + +En Antigoon en zijne gade verlaten den burg, en Brabo houwt hun +beeltenis met vaste hand. Maar als de kunstenaar arbeidt, dan vallen de +oogleen des geweldigen toe,--en de schippers varen ongehinderd voorbij. + +En Brabo werkt voort, en zingt bijwijlen zijne liederen; maar als de +sterke in 't einde ontwaakt, dan deinst hij terug bij het aanschouwen +van een tweede als hij--het beeld nóg grooter dan de Schelde-reus +zelf--gewrocht door het genie. En bij het vernemen van de nooit +gehoorde zilveren tonen van Brabo's stemme en lier, rukt hij zich, +bevend, het slagzwaard van de zijde, en dreigt er den dwerg te +verslaan, den dwerg, die zijn zinnen beheerscht. + +Maar ziet, Brabo's stalen beitel snort door de lucht, en treft er den +kop des geweldigen; en Druon-Antigoon stort met een rauwen kreet ter +aarde, en in zijn val verplet hij de vrouw, die hem zonen zou baren; +en die beiden--zijn de laatsten van hun geslacht. + + + Leve de Verwinnaar! + + +En toen de reus, met háár, die hem zonen zou baren, verslagen was, +toen stroomde het volk van heinde en verre bijeen, en juichte met +blijde klanken den verwinnaar toe, en bouwde met Brabo, den held, +een schoone stad op den oever der Schelde--waarvan de reuzenburg de +hoeksteen bleef--en schonk haar ter eeuwiger herinnering, den naam van: + + + Antwerpen. + + +En het volk vertelde de geschiedenis van Druon-Antigoon aan zijne +kinderen en kleinkinderen, en allen verheugden zich dat kloeke Brabo +den woestaard verwon, en aanschouwden zijn werk, en zongen zijne +liederen, en juichten: De geweldige is verslagen! + +Maar toch--toch meent de naneef dat Druon-Antigoon nog somtijds +rondwaart door Antwerpens straten; dat hij--ofschoon de held der +beschaving hem versloeg--nog somtijds met zijn reuzenschim komt spoken +in den boezem van Antwerpens grooten en kleinen; dat Druon-Antigoon +nog immer meewerkt tot den roem van Brabo's nakroost. + + + +Zeg, Genius van Antwerpens bouwkunst! zaagt gij den reus niet in uwe +wallen, die er den prachtigen toren uwer hoofdkerk deed verrijzen, +en er de achtkante tafel--Antigoons steenen disch--ter zwaarte van +tweemaal zesduizend kilo's, nog hooger dan viermaal honderd voeten +optillen dorst....? + +Spreek, Genius van Antwerpens schilderschole! mocht niet de reus in uw +veste als vorst den kunstschepter zwaaien, de reus, wiens name groot +klinkt in vijf werelden, en wiens standbeeld gij deedt verrijzen op +'t midden der "groene plaetse"? + +En gij, Antwerpens stedemaagd! buigt gij het hoofd niet voor den +kolos, die de poorten uwer grootsche stad wijd, wijde ontsloot, en +gansch het kunstlievend Europa als gast dorst nooden in uwe wallen? De +meer dan tienmaal honderd strijders der gedachte [3] van Noord en van +Zuid, het luide welkom, welkom! deed hooren. Die het luidere welkom +griffelen deed in 't eeremetaal, als een blijvend welkom aan allen, +die broeders willen zijn in de Kunst, broeders door het onbezoedeld +genie, hoogepriesters van den eeuwigen Bouwmeester--door verspreiding +van licht en beschaving, in beeld en in schrift? + +Maar neen, zij buigt het hoofd niet, Antwerpens stedemaagd. Ziet, +zij lacht vroolijk. + +Zeg, fiere maagd, lacht ge dáárom zoo blij, dat de reus der gedachte +uw roem heeft gehandhaafd en al die zonen van 't genie te zaam aan +uwen disch deed nederzitten; dat Rus en Italiaan elkaar als broeders +van éénen stam met warmte aan 't harte drukten; dat de zonen van +'t machtige Albion, het kloeke Germanje, en het stoute Frankrijk hun +aller moeder een heildronk wijdden; dat Zuid- en Noord-Nederlanders +één tale roemden in uw grootsche zaal, en samen juichten ter eere van +Antwerpens reus der negentiende eeuw: de zucht naar éénheid voor alle +strijders der gedachte, de zucht tot inniger verbroedering voor alle +zonen der Kunst....? + + + +En vlaggen van allerlei kleur wuifden het Heil U! langs Antwerpens +straten; en wapenschilden van velerlei natie riepen u van de gevels +der huizen de namen toe van hen, die men er gastvrij ontving; en.... + + + +Maar stil, daar nadert een breede stoet. Blootshoofds treden zij +langzaam voort, de mannen in hun gewijde kleeren en met hun prachtige +banieren. Bloem en loof wordt met kwistige hand gestrooid langs den +weg dien de stoet heeft te volgen. Zie, dat is het beeld der Lieve +Vrouwe, dat men in plechtigen optocht en statig rondvoert. + + + +Denker! zult gij het hoofd niet ontblooten; kinderen van denzelfden +God! zult ge minachten den hier gehuldigden vorm? + +Gij, die van den Christus verstaan hebt rechtstreeks tot uw God, +als tot uw liefdevollen vader te spreken, zult ge hen veroordeelen, +die hier nog kiezen de Lieve Vrouwe tot verteedering van den altijd +opnieuw miskenden en heiligen God. + +Ontbloot vrij uw hoofd. Veracht niet den vorm. Denker! daar zijn vele +vormen, doch weet het, daar is slechts ééne waarheid, en die eeuwige +waarheid is: + +Zalig zijn ze die God liefhebben bovenal, en den naaste als zich +zelven! + + + +Liefde voor God en de menschen! + +Dát, dát alleen is het hechte fondament voor den heiligen tempel +der Kunst. + +En in dien tempel--Broeders, wij zijn er één! Wij zijn er één, +dewijl wij het kunstschoon genieten bij velerlei vorm, ja zelfs bij +gebrekkige vormen in beeld of in schrift. + +En ziet--nu gij de zalen betreedt, waar de voortbrengsels van 't +genie de wanden versieren, ja, nu huivert gij bij 't aanschouwen van +dien slavenroof aan Afrika's kuste. Uw harte bloedt bij het angstig +bespieden van dat afgrijslijk schoon tafreel, waar de blanke duivel +ten troon zit en die arme zwarten tot dieren verlaagt. [4] + +Zegt, Broeders der Kunst, vraagt gij ook, hoe zij haar God zocht te +dienen, nu gij die Syrische vrouwe ten prooi van den woesteling ziet, +die haar met onzalige vingers den teederen boezem nijpt, en straks +haar ten vure zal doemen? [5] Neen, neen! gij hoort haar angstkreet, +haar smeeken, haar kermen. En het bloed stroomt u sneller door de +aders; gij wilt haar verlossen, haar scheuren uit de klauwen des +verderfs. Broeders! wij zijn één in geloof; dát, dát is de triomf +der Kunst--zij wekt ons tot liefde. + +Arme moeder op uw zoldervertrekje, met uw kruisken in de hand; met uwe +arme kinders geknield bij de lijkwa van uw echtvriend, van uw eenigen +kostwinner! Arme vrouwe, zie daar staan ze nu, de gereedschappen van +uw altijd zoo werkzamen echtvriend; zie, nog kleeft de kalk aan de +truffel, die hij zoo kloek kon hanteeren, en dien voegspijker en dat +paslood, arme, arme weduw, hij zal ze nimmer, nimmermeer besturen. [6] + +Arme vrouwe, wij weten 't wel, gij zijt met uw smart slechts getooverd +op het doek, doch--aller oog is vochtig geworden bij het aanschouwen +van uw diep treffend leed, en die traan, ontlokt door de Kunst, heeft +gefluisterd van broederliefde, en,--broederliefde en christenzin, +zijn die beide niet één. + +En al verder treedt gij door die rijk versierde zalen, en de Kunst +maakt u opmerkzaam, hoe schoon het daar buiten in Gods heerlijke +schepping is: Bloeiende velden, lachende heuvels, trotsche bergen, +woelende zeeën, tintelende luchten! En--als gij dan den maker prijst +van het beeld, dat u weer deed genieten wat ge eens aan den boezem +der natuur hebt gesmaakt, dan, dan prijst uw ziel toch bóven dat +alles den Schepper van hemel en aarde, den Vader der Liefde! + +Maar Broeders der Kunst, gij wist het wel dat wij één waren: één door +de zucht naar het eeuwige schoon; doch zegt, voelt gij 't ook hoe gij +daar leeraart en predikt met klinkende stemmen;--hoe gij daar vrijheid +eischt voor de kinderen Gods, en er afgrijzen wekt voor den slaven- +den broedermoord;--hoe ge daar huiveren doet voor godsdiensthaat +en voor godsdienstkrijg;--hoe ge daar luide verkondigt: zoekt ze de +armen, de weduwen en weezen, en steunt ze met uwe gaven, zij missen +zooveel;--hoe ge daar leeraart en predikt: 't is er zoo goed aan den +huiselijken haard, 't is er zoo schoon in Gods prachtige schepping....? + +O Broeders der Kunst, Apostelen Gods! wat zijt gij groot! Wat moogt +ge nederig fier zijn op uwe roeping. Maar wee! wee over ons, zoo wij +die roeping vergeten, het schoone miskennen, het reine onteeren! + +Verstom naargeestige toon! Op Antwerpens reuzenfeest mag die snare +niet trillen. De zonen der gedachte, ze waren er één! en daarom is +er geen wanklank vernomen, en dáárom was het schitterend eeremaal +in waarheid een broedermaal, en dáárom heeft Demarteau's lied in den +Feërieken lusthof ook allen het harte getroffen. + +O Fisscher en Tillez! doet uwe zilverstemmen nogmaals ruischen als +in dien heerlijken nacht. Honderden vangen met naamlooze stilte de +woorden op dier schoone melodie. Geen blaadje beweegt er; een zee +van kunstlicht doet u aanschouwen hoe alles er luistert; en de maan, +de volle maan daarboven de statige populieren, zij luistert mee in +heur diep diepe blauw. + + + SOLO. + + Salut, o phalange sacrée, + Dont l'aspect nous fait tressailler; + Gloire aux soldats de la pensée. + Aux pionniers de l'avenir. + + RÉCITATIF. + + Fréres en vous comptant, une ivresse profonde + S'empare de mon coeur, oui, nous pourrons un jour, + Peintres, poétes, penseurs, régénérer le monde + Par la foi, le travail, le génie et l'amour. + + STROPHES. + + Oui, je voudrais, dans un élan sublime, + Vous presser tous sur mon coeur palpitant: + Enfants de Dieu qu'un meme zéle anime, + Courrez au but, la palme vous attends. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + + Si le trépas, Fréres venus de France, + A parmi vous fait des vides nombreux; + Serrez vos rangs, espoir et confiance! + Suivez les pas de vos morts glorieux. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + + Fréres du Nord, Russes, Germains, Bataves, + Fils d'Albion, vous qu'entourent les mers, + Unissez vous, pour les arts plus d'entraves, + Par vos travaux étonnez l'univers! + Et vous enfants de la rive bénie, + Oú tout rayonne; et la terre et le ciel, + Puissent vos maux fimir, l'Italie + Produire encor un nouveau Raphaël. [7] + + Et toi, sois fier, o mon pays que j'aime! + Qui donc encor t'ose appeler petit? + N'es-tu pas grand par eet éclat suprême, + Qui de tes fils jusqu'à toi rejaillit? + Ce jour t'acquiert une gloire nouvelle, + Pays des arts et de la liberté, + Tu vas fonder la paix universelle, + Sur le talent et la fraternité. + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + + + +En als het koor dan juichend den aanhef der schoone Cantate herhaalt: + + + Retentissez, chants de victoire, + Éveille-toi, noble cité, + Fêtons les élus de la gloire, + Les fils de l'immortalité.... + + +dan--dan heerscht er een diepe stilte; maar als het geëindigd is, +dan barst er een oorverdoovend Bravo los, en straks,--straks ook +dondert het kunstvuur een alles beheerschend BRAVO in de lucht, en +wendt gij den blik dan naar boven, dan ziet gij de booze geesten, hoe +ze vuurspuwend met gloeiende sikkels elkaar vernielen. Kanongebulder en +vreeselijk musketvuur schokken den bodem waarop gij den voet drukt. Een +huivering doortrilt uwe ziel. Maar, victorie! victorie! weer heeft +de Kunst hier getooverd! + +Vrede, vrede op aarde! is de bee, die er opwelt in aller boezem, +en ziet: Een reine vuurstraal ZUCHT krachtig naar boven, en schoone +duizendkleurige bloemen vlokken naar omlaag en een stemme spreekt +zachtkens vanbinnen: + + + Bloemen en gaven zij dalen van Boven: + Zoekt met Uw gaven den Gever te loven! + + +En het Te Deum heeft weerklonken in de kruisgewelven van Antwerpens +kathedrale. + +Broeders Protestanten! ook hier zijn vreemde vormen, maar dat Te Deum +ia ook voor ons het Godgewijde lied bij uitnemendheid. Ei, stemt dan +in stilte: + + + Wij loven U, o God, wij prijzen Uwen naam, + U, eeuwig Vader, U verheft al 't schepsel saam. + Zingt Serafs, Eng'len zingt; heft Machten aan en Tronen; + Onafgebroken rijze uw lied op hooge tonen, + Gij, driewerf heilig zijt Ge, o God der legerscharen, + Dat aarde en hemel steeds Uw grootheid openbaren. [8] + + +En als de volkeren der gansche aarde dat lied verstaan en doorgronden, +dan, dan is er geen burgeroorlog en geen bloediger godsdienstkrijg +meer te duchten, dan is het: + + + La paix universelle + Par la foi, le travail, le génie et l'amour. + + +Voorwaarts dan zonen der Kunst. Voorwaarts! + + + +En alweder, Antwerpens stedemaagd, hebt gij ons binnen de zalen van +uw Kunst-Congres den reus doen aanschouwen, den reus der gedachte, +den reus die meer dan duizend mannen, zoo verschillend van geboorte +als van genie en ontwikkeling, zoo verscheiden van kunstuiting +als van godsdienstvormen, in velerlei tale deed samenspreken; deed +samenspreken zonder verstoring van den broederzin; deed samenspreken +met warmte tot één eenig doel: de verheffing, de waardeering, de +opbouwing van de Kunst. De kunst, die schoone dochter der zucht naar +waarheid, der begeerte naar eeuwige wijsheid. Kunst! dochter der +WIJSBEGEERTE! Wijsbegeerte, telg der Godheid op aarde! + +En de reuzengeest, die het denkbeeld van zulk een grootsche wrijving +der gedachten in 't leven riep, heeft getriomfeerd in spijt van veler +profetie. De rechten der Kunst, haar doel en hare bestemming zijn +levendiger geworden in den boezem dier vergadering. Vonken vuurs zijn +er geslagen, en koude harten--ze hebben gegloeid! Stad van den reus, +dank, dank voor uwe zegepraal. + +En als gij ons dan verder uwe Kunsttrezoren hebt getoond en altijd +en altijd genieten deedt, welaan, voer hem dan rond door uwe straten +het beeld van den kolos, die, ofschoon door de beschaving verslagen, +toch immer de grondlegger der grootsche Scheldestad blijft. Ook wij, +wij willen het beeld uwer grootheid aanschouwen--den omgang der reuzen +en wagens. + +En ziet, de walvisch--de reus der zeeën--opent den trein. Uit zijne +neusgaten blaast hij het water der Schelde ginds en her over het +jubelende volk, en hij schijnt er te roepen: + +Van den oceaan ben ik tot u gekomen. Heerscht over de wateren. Zeeën +en Schelde zijn één! + +Ziet, en achter hem volgen ze reeds; de boden en dienaars van Neptunus, +de ranke dolfijnen. + +En kleine booten klieven alree de golven; en, als de roeiers met +kloeke handen de riemen bewegen, dan zien ze: + +Het schip al volgen, het groote schip in volle zeilen; het schip met +het wakkere scheepsvolk aan boord, dat overzeesche schatten brengt +aan de oevers der Schelde. + +Ziet gij 't wel, op dien wagen met vele rijk getooide paarden +bespannen, volgt nu het beeld van Druon-Antigoons gade. Ja, ook +de VROUWE mag GROOT zijn, maar dat heur ziele toch rein zij, ziet: +rein als het witte kleed dat die gestalte omhult; heur tale zij als +het zilver waarmede dat kleed is bestikt, en de roode sjerp, die van +den schouder tot op de heupe zwiert, moet haar het beeld zijn der +heiligste Liefde. + +Daar komt hij.... daar komt hij met zijn zwaard en zijn schild, de +forschgespierde, de burgheer der Schelde. Ja, 't is zijn afbeeldsel +wel. Fier doet men hem rondzien, en hij blikt er van zijn triumfkar +door de hoogste vensters naar binnen, en grimt er in 't ronde omdat +hij nog kleinheid bespeurt, kleinheid, die vlucht voor zijn aanblik: +kleinheid, die snel voor hem heengaat. "Weest groot zooals ik!" klonk +eertijds zijn stem. Maar thans, hoe zijn beeld er ook rondwaart, +hij kan er niet achter zich zien en aanschouwen wat hem volgt op den +voet. En ziet, wat hem volgt heeft zijn geroep gehoord, doch--werd +grooter dan hij. + +Brabo's triumf: + +Prachtwagen met de zinnebeelden van Antwerpens bloei door beschaving, +door zeevaart en handel. Welkom wakkere stedemaagd! Van uw hoogen +zetel ziet gij met welgevallen neder op de vele natiën die gij met +u voert. Druon-Antigoon is voorbijgegaan, en des geweldigen arm kan +den buit niet meer bereiken, en de triton achter uw zetel blaast te +luider een driewerf: Houzee! + +Houzee! + +En welvaart heerscht er; en Antwerpen is groot onder de steden; +en de wagen die volgt toont zijn roem en zijn reuzengeest aan de +nakomelingschap, en wijst op de schatten van 't genie, die zijne +wallen omsluit. Wat al mannen van kracht en van geest nemen er hunne +plaatsen op in. Schoon en verheven als het prachtige voertuig zelf, +klinken de namen van hen, wier nagedachtenis het in bonte mengeling +met zich voert. + +En--wilt ge nóg zien wat Kunst en wat Arbeid in deze oorden gewrocht +heeft? + +Ziet, daar nadert Flora's zegewagen. Zij nadert, de vriendelijke +maagd in haar witte kleeding. Gezeten in haar lommerrijk priëel, +omgeven van bloeiende planten uit Noorder- en Zuiderluchten, drukt +haar voet het mollige grastapeet dat met bloemen bezaaid is. Akker- en +tuinbouw juichen mede ter eere der Kunst, der Kunst die hen voorgaat. + +Ontwikkeling, welvaart, vrede! Kinderen der hooge wijsbegeerte en +der immer voorwaarts strevende Kunst! Fiere maagden! op den laatsten +wagen hebt gij met nog meer zusters uwe plaatsen genomen. + +En--als de stoet voorbij is, dan staart nog het oog op dat achterste +blazoen van dien laatsten der wagens, en hoort gij in 't klokkengelui +van den toren alweder den nagalm van 't lied, het lied dat ook dié +omdracht u zong: + +Voorwaarts zonen der Kunst! voorwaarts kinderen der beschaving! Door U, +door U zij er vrede op aarde! + + + +En die nagalm, het is een zuivere toon; zuiver, al was het de +voorstelling niet van het ongewone, grootsche, maar te vluchtige +schouwspel, dat den Noord-Nederlander verrassen en verbazen moest. + +Onzuiver zij de omtrek, waarmee hij den indruk dier prachtige +vertooning zocht te schetsen--de naklank, de naklank er van is zuiver. + +Zuiver als Artots stem, toen zij daar in die weidsche zale de woorden +van het verheffende psalmlied zong: + + + "I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria." + + +Zuiver als de driehonderd stemmen, door Callaerts kunstschepter +beheerscht, die er te zamen herhaalden: + + + I cieli immensi narrando del grande Iddio la gloria. + + +Zuiver is die nagalm, zuiver en rein als Joachims snarengetoover, +dat een onafzienbare schare verrukte, ja meer--ook Hollands grootste +toonzetters in vervoering bracht. + +Zuiver, als het kunstgenot dat Antwerpens reuzengeest op dien +onvergetelijk en avond aan allen te smaken gaf. + +En--zuiver maar krachtig blijve het voortruischen, dat thema van +Antwerpens Kunstfeest: + + + Vrede! vrede op aarde! + + +En--toen de dag nu aanlichtte, waarop het welkom met een roerend: +Vaarwel! werd verwisseld; toen het scheiden van zoovele broeders het +harte week maakte, en de Noord-Nederlander nog eens omzag naar de +veste, waar de reus der Kunsten ten troon zit, toen welde hem een +traan in het oog; maar ook--toen was het hem een heerlijk symbool, +dat zich daarginds, in 't lauwe gras der sterke wallen, een kloeke zoon +van Mars ter ruste ging nedervlijen, [9] en--zijn afscheid was: Vrede! + +En toen hij daar voortgleed op de wiek van den stoom naar den eeuwig +dierbaren geboortegrond, toen, toen bezag hij ook nogmaals den +schoonen gedenkpenning aan die onvergetelijke dagen; en--Antwerpens +wapen boeide zijn geest. + +Boven den hechten burg ziet hij die handen naar boven. + +Neen, dat zijn hem niet meer de handen der arme schippers uit de tijden +der sage; dat zijn hem de handen van den Antwerpschen reus dezer eeuw; +de handen der vele broeders uit Antwerpens onvergetelijken Kunstkring; +[10] van den dierbaren vriend en de zijnen, in wier woning en harten +hij plaatse bekwam. Dat zijn hem de handen van Antwerpens eersten en +hoogwaardigen Magistraat, van den edelen Burgervader, den voorzitter +van het reusachtige Kunst-Congres. Ziet, en ze wuiven nogmaals: +Vaarwel, vaarwel! gij strijders der gedachte. Zij wenken: Komt weder +als het u wel was in onzen tempel der Kunst! En hij, de broeder van +'t Noord, de broeder der zelfde tale bovendien, hij drukt ze nog eens +met verrukking die handen--ja, ook de hoog edelsten dáár ze schamen +'t zich niet.--Vaarwel! roept hij mede. Dank, dank! stamelt zijn stem; +God zegene u allen! God zegene u, heerlijk lustoord der Kunst! en--zij +er een grens tusschen 't Zuid en het Noord; in het rijk der Kunst +bestaan geene grenzen: Broeders voorwaarts! Eenheid, Vooruitgang, +blijve de leuze; en thans voor het laatst: Uw kunst werke mee tot +den vrede op aarde! + + + + + +TE WOLFHEZEN. + + Herinnering aan mijn ontslapen vriend, den Kunstschilder + P. L. L. Oerder gewijd. + + +Gij zijt niet meer, mijn goede vriend Pieter. De levensvijand tastte +u aan, en ofschoon men u ook overwinnaar waande in den heeten kamp, +de wonde u toegebracht zij was te geweldig en in de armen van onzen +braven leermeester, uw trouwsten vriend en geestverwant, gaaft gij +den jongsten snik. + +Oerder, mijn ontslapen vriend, al is het mij ook als stondt gij +daar nog, met uw gul en blozend, trouwhartig gelaat, toch--toch +kan ik niet meer tot u spreken zooals voorheen, maar--wanneer ik in +vluchtige trekken aan anderen verhalen ga, wat mij vroeger en onlangs +het schoone Wolfhezen te zien, te hooren en te gevoelen gaf, dan zal +het mij zeker nog dikwijls zijn als sprak ik tot u; en als ik dan +tevens, doch ongemerkt, een loover kan neerleggen op uw eenzaam graf, +dan heb ik voldaan aan de behoefte van mijn hart, want ook gij mijn +vriend--hoezeer wij in geloofsovertuiging van elkander verschilden--ook +gij hebt mijn oog helpen richten op de schoonheden van Gods prachtige +schepping, en mij, in u zelven den reinen mensch doen waardeeren, +ongeacht den vorm--den immer gebrekkigen vorm zijner Godsvereering +op aarde. + + + +Daar klonk in de jongste dagen een stem door het land, een stem +wier weerklank was: Op, Christenen! dost u in feestgewaad; spoedt u +naar Gelderlands lustoord; gij zult er een feest vieren, een nieuw, +een heerlijk feest: den heiden ten zegen, uw ziele ten heil, den +drieëenigen God ter eere! + +En de roepstem werd vernomen, en de geest der roependen werd verstaan, +en duizenden uit vele oorden des lands, zij maakten zich op, en +spoedden zich voort naar het schoone woud. + +Duizenden! en onder die duizenden zoovelen in het vast geloof, dat +de adelbrief der rechtzinnigheid aan hen was verleend, de adelbrief +door God zelven geteekend met de pen der genade, en die gedoopt in +het dierbaar bloed van Zijn heiligen Zoon. + +Doch onder die duizenden was er één, één dat weet ik zeker--die zulk +een geestelijken adelbrief nog niet had ontvangen, en door iets anders +naar dat schoone oord werd getrokken dan die duizenden ginds. + +Wolfhezen was hem lief. Hoe dikwijls zat hij er neder om boom en blad +en 't klare beekje langs de blanke heuvels in groenen zoom, nauwlettend +te bespieden, en ook te schetsen in verven ofschoon met zwakke hand. + +En niets, niets stoorde dan de plechtige stilte die er heerschte, want +zelfs het bijna onhoorbaar gemurmel der beek, het lieflijk gekweel +der vogels in 't ronde, het klagend gekor der woudduif van verre, 't +geritsel door 't loof van den vallenden eikel, en 't vluchtig gekrak +van het doode takje als het eekhoorntje rondsprong in 't eikenhout; +zij zelfs, de zoetste stemmen der natuur, ze smolten inéén met die +plechtige stilte, tot het lieflijkst akkoord. + +En, als een ander geluid den jeugdigen schilder een enkele reize +deed opzien van zijn arbeid, dan was het, wanneer het schokken der +kleine met plaggen beladene kar hem wekte, terwijl zij daarginder, +door den statig-stappenden rood-bonten os, over het aardige beekbrugje +werd voortgetrokken, of ook, wanneer het zachte gekling-klang der +klokjes hem trof, als Harm "de scheper" aan gene zijde der beek zijn +kudde voorbijdreef, en de schapen--in deze landstreek zoo goed met +schilders als schepers bekend--niet aarzelden om ter lessching van +hun dorst den beekheuvel af te dalen, terwijl de blanke kiezels hun +fijne pootjes reeds vooruit rolden en plassende in den helderen vliet, +er parels deden opspatten van vloeiend kristal. + +Ja, Wolfhezen was hem lief, want de natuur is er heerlijk en +schoon!--Schoon, verheffend schoon, bovenal in den morgen, in den +vroegen morgen: + + + Als bij 't lieflijk voog'len kweelen + 't Luchtig morgenkoeltje suist, + En bij 't pooplen van de abeelen, + 't Vaarkruid boven 't beekje ruischt. + + Als er blauwe nevels dwalen, + Ginds waar 't woud zijn toppen beurt, + En de zon met de eerste stralen + 't Zilvren web der heide kleurt. + + Als de boekweit geurt vol zoetheid, + En het bijtje u gonst in 't oor: + De aard is vol van 's Heeren goedheid + Looft zijn naam alle eeuwen door! + + +En in zulk een morgen, was het dan vreemd dat er een traan welde +in het oog van den jongeling, en dat er een woord, uit den diepsten +grond des harten geweld, aan zijn lippen ontvlood, een enkel woord.... + +Pieter, gij hebt dat woord niet vernomen. Dat behoefde ook +niet. Maar--wanneer wij wel eens voor een wijlen poozende van den +arbeid, het penseel lieten rusten en ik u onwillens verrassen moest, +terwijl gij achter een heuvel verscholen neerlaagt op de bruine hei, +en er in uw bijbeltje laast, met een zoo ongehuichelde vroomheid op uw +goed gelaat, zeg, hebt gij dan ook misschien gebeden voor het zieleheil +van uw jongen vriend, den armen verdoolde! die--daarbuiten--niet las +in een bijbeltje en niet gelooven wilde wat gij voor eeuwige waarheid +hieldt? Ja, ik weet het, gij hebt gebeden, maar ook, en dát, dát was +uw waarachtigst gebed: gij hebt gewerkt. Nooit! neen nooit zelfs bij +vroolijke scherts, heeft een onrein woord uit uw mond den zuiveren +dampkring bezoedeld; altijd hulpvaardig, altijd voorkomend stondt +gij den jongeren leerling ter zij, en immer goedaardig en stil, ook +dán wanneer gij worsteldet met de kunst die u lief was--de menschen +weten niet wat daarmee te worstelen valt--misschien zelfs worsteldet +met uw lichaam er bij, heeft hij geen wrevel in u bespeurd, slechts +eenmaal uw toorn.... Maar inderdaad, dat was een al te groote, een +overdreven ijver, mijn goede Pieter, immers de naam van uw God werd +daar niet gelasterd, en toch, ook zelfs voor dien toorn.... ik zou +er u gaarne de hand nog voor drukken. + + + +En onder de duizenden, die zich opmaakten om het Zendingsfeest te +vieren, was er dan één, die niet opging zooals de groote schare, gewekt +door geestverwantschap, en in gloed voor het doel--al zou hij wel +gaarne het rijk der liefde prediken "beginnende van Jeruzalem" en al +vindt hij het denkbeeld verheffend schoon, den Schepper een loflied te +zingen in zijn prachtigsten tempel: de reine natuur. Neen, hij maakte +zich op en voor 't grootste deel, om zijn dierbaar Wolfhezen in den +vreemden tooi te zien, die aan vervlogene eeuwen herinneren moest, +om zich met eigen oogen te overtuigen of dat feest--naar sommiger +meening--de plek niet ontwijden zou, die hem immer toelachte als een +reine maagd vol onverwelkbare schoonheid. + + + +En de nacht wekte hem van zijn leger, en de vroege morgen groette hem, +als hij aan den oever van den breeden Maasstroom door het kleine +raampje van den spoorwagen heen, de golfjes zich alle in grauwen +nevel zag voortspoeden, beden in den nevel; morgen in het glanzende +licht der zon: bij stilte of storm, 't zij grooter of kleiner, 't zij +helder of troebel,--zij alle van denzelfden oorsprong--vlietende naar +dien oorsprong terug, naar den eindeloozen Oceaan.... + +En het werd een schoone--al werd het geen heldere dag. + + + +De feesttrein snelde voort, en zijn breede blanke pluim van stoom +golfde met hem mee, en wuifde den nieuwsgierigen langs zijn pad een +vroolijk "vaarwel" toe. + +En ik--in mijn hoekske gezeten, terwijl ik mijn oog liet weiden over +de bonte rijen van mannen en vrouwen, van jongen en ouden, daar +hoorde ik weer in 't gestoot van den wagen die droevige profetie: +"Wat zult gij een huichlende vroomheid zien!" + +Maar neen--in waarheid hier in den feesttrein zag ik ze niet. Die +burgerman met zijn witte das lachte mij vriendelijk groetende toe, +en op mijn "Donker luchtje mijnheer," meende hij: "Dat het nog op kon +klaren," och, doodeenvoudig: dat het nog op kon klaren. En "de lange +gezichten", ik zag ze niet: en de "smachtende blikken ten Hoogen", neen +waarlijk ik bespeurde ze nergens; de vroolijkste verwachting las ik op +de meeste aangezichten; ze praatten en lachten, doch stemmig bedaard; +ja inderdaad het waren menschen! gewone doch fatsoenlijke menschen. + +En eensklaps--daar was voorzeker een wenk gegeven--kwam een ernstiger +plooi op veler gelaat; de mannen ontblootten het hoofd, de vrouwen +zagen stil voor zich heen, en de snorrende dreunende spoorwagen +weerklonk van het zuiver aangeheven psalmlied: + + + Looft den Heer want Hij is goed, + Looft Hem met een blij gemoed. + Want Zijn gunst alom verspreid, + Zal bestaan in eeuwigheid. + + +Dat was vreemd nietwaar in den wagen? + +Pieter, wat zoudt GIJ genoten en helder hebben meegezongen; en gij +mijn vriend de profeet, die in uw gelooven zoo hemelsbreed verschilt +met de volgelingen der Dordtsche vaderen, ja, ik weet het, waart +ge daar tegenwoordig geweest, ook gij zoudt het hoofd ontbloot en +wellicht hebben meegestemd in dat lied ter eere van den Eeuwige, +van Hem, die wel bij vele namen door Zijne schepselen wordt genoemd, +doch voor de uiting van wiens naam alle aardsche taal te arm is, en +alle aardsche wijsheid te gering om dien naar eisch te bepalen. Gij +stemt het mij toe, slechts sectenhaat of blinde partijzucht zal wrevel +gevoelen bij de uiting van eens anders waarachtig godsdienstig gevoel, +terwijl alleen een bittere ervaring er toe leiden kan om al aanstonds +haar oprechtheid te verdenken, en de lichtzinnige slechts spotten zal +waar door stervelingen, den Formeerder van millioenen werelden, den +Voeder van legioenen billioenen schepselen, hoe onvolkomen dan ook, +het: Looft, looft Hem! wordt toegebracht. + +En de trein snelde voort, en een vroolijke maar opgeruimde stemming +bleef ongestoord in dien wagen heerschen. + +Behalve den reeds genoemden burgerman, bestond het klubje, het meest +in mijn nabijheid gezeten, uit een paar oude juffrouwen, een zoon +uit den ambachtsstand, en een viertal meisjes met stemmige, niet +onaardige--ja twee er van zelfs met geestige gezichtjes. En waarlijk, +dat klubje het onderscheidde zich door een onderlinge hartelijke +gulheid, waarvan ook de vreemden de tastbare bewijzen ontvangen +mochten. Ik weet niet wat schatten van proviand ons vriendelijk +dringend met een: toe maar! werden aangeboden, en--of ook een wenk +voldoende was om daarvoor dank te betuigen, een kleine versnapering +mocht niet versmaad maar haastig worden aangenomen. + +En na het genot, en wat kout over 't weer en de heerlijke landstreek, +waarheen men ons voerde, vervulde opnieuw een psalmlied den trillenden +wagen. En al zag ik ook nu, en straks, en tot den einde bij ieder +lied dat weerklonk, de groote blauwe oogen van het blondste der +meisjes voortdurend van reine geestdrift schitteren, toch las ik +op sommige aangezichten bij het derde of vierde lied een zekere +vermoeienis een.... + +Maar gij begrijpt wat ik zeggen wil; de man verstond mij ook toen +ik hem opmerkte, dat men dien dag nog zooveel zou moeten zingen en +of de stemming, die zij op Wolfhezen wenschten, niet reeds te veel +verzwakt zoude zijn indien....? + +Ja, hij gevoelde dat zeer goed, en--hij zou maar eens een sigaartje +opsteken. Weet u, maar ze zongen zoo gaarne, en straks dan zouden +ze dit--dit lied eens aanheffen: "Het betere vaderland" dat was zoo +schoon, en de wijs: bijzonder! + +En de vriendelijke man al vond hij het lied ook schoon, hij wilde +het toch den vreemde wel toegeven: ja--dat het vaderland voor de +ziel toch eigenlijk in de eerste plaats, reeds de aarde moest zijn, +en, dat het hijgen en zuchten naar een beter vaderland inderdaad +ondankbaarheid aan den Schepper mocht heeten, aan Hem, die den hemel +wel zeker reeds op aarde vestte voor hen die maar goed verstaan, +dat de hemel der ziele is: DE VREDE VAN EEN REIN GEMOED. + +Ja, al vond hij het lied toch schoon, hij wilde wel toestemmen ook, +dat het uitzicht der ruste in het Jeruzalem daarboven "de stad voor +Gods bruid met de straten van goud" toch eigenlijk geen ruste zou +zijn in den zin van aardsche ruste. + +Neen, ziet u, na dat viermalen: rust, rust! rust, rust! volgde de +bepaling: Hemelsche rust! + +Maar--zoo meende ik weder--of het dan toch niet beter zou zijn, den +zin der menschen voor hier en voor eeuwig op te wekken, in stee van +tot die hemelsche rust--tot een hemelsche WERKZAAMHEID? + +Ja--ja, dat kon wel waar wezen, maar toch het was een mooi gedicht dat +"betere vaderland" en de wijs! en de meisjes moesten straks maar eens +aanheffen, doch--niet te hoog. + +En het gezang klonk--ofschoon wat eentonig, toch lief, en toen het +geëindigd was, toen knikte ik den zangers toe; en de meisjes namen +de bijvalsbetuiging gaarne met een zedig glimlachje aan, en de man +die haar leermeester was, hij zeide half lachend en hoofdschuddend +meteen, dat het toch wel wat hoog was geweest: het blondje stonden +er de tranen van in de oogen. + +Of hij bedoelde dat het lied voor mij, den schijnbaar ongeloovige, +te HOOG was, ik geloof het niet; dat velen het meenen zullen dat weet +ik zeker; wij willen er niet over twisten, in den spoorwagen was er +ook geen twist, 't was er harmonie tot den einde toe. + +De feesttrein doorsneed de laatste steil afgestoken spoorwegheuvels, +reeds vroeger door de meesten der Hollandsche feestelingen, met de +verrukking der nieuwheid, als hooge bergen begroet. Nog een psalmlied +werd gezongen, en het snijdend gefluit van den salamander weerklonk +door Wolfhezens dreven. + + + +Het is een steeds dalende straatweg, die van het kleine station +door de breede, ten deele ontgonnen en golvende heivlakten heen, +naar Wolfhezens paradijs voert. Straks zult gij het betreden. Maar +nu.... Zie mij die schare eens aan! + +Hier op dit heuveltje geklommen, ziet ge dien golvenden straatweg +met duizenden menschen overdekt, gelijk aan een bontkleurig lint dat +voortfladdert naar ginder.... verre.... tot aan het groene woud. + +Welk een ontzettende menschenmassa op dezen anders zoo stillen weg +der groote heerlijkheid. En nog altijd voert de stoom er nieuwe +feestelingen aan, die--evenals wij nog kort geleden--er vrienden +ontmoeten, waarmee ze zich voortspoeden naar het doel van hun verren +morgentocht. + +En ook ik, mijn dierbaar plekje, ook ik betrad u dan weder, maar nu in +'t midden dier bonte menigte en mijn oog.... + +Maar stil; wat zoudt gij wel gezegd hebben mijn Pieter, indien gij al +aanstonds op den oever van het beekje nabij de schoone eiken groep, +die voor de hoeve staat, die lange blauwgeverfde broodkraam ontwaard +hadt. Ik weet het, gij zoudt verdrietig zijn geworden en den blik +hebben afgewend, om liever rechts te turen naar de bruine hei met +de schaapskooi op den top, en 't geboomte van verre, waardoor +de beek zich voortspoedt al verder en verder naar het stille +dorp, om er het molenrad te doen klepperen. Of wel, gij zoudt +den blik voor u uit gericht en u vermeid hebben in het frissche +groen van het akkermaalshout, waarin de straatweg zich al slingrend +verschuilt. Nietwaar, die houten kraam, gij hadt haar gewis ontwijding +van dit schoonste oord genoemd, maar toch, toch zoudt ge de menigte +zijn gevolgd, en het ongelukkige voorwerp zijn voorbijgegaan, dat den +mensch zoo krachtig aan zijn menschelijkheid herinnert, om mij toe te +geven in 't eind, dat er toch bezwaarlijk een betere plek voor ware +te vinden geweest, en dat, waar vele menschen bij elkaar zijn gekomen, +zelfs in de schoone natuur, al licht een wanklank geboren wordt. + + + +Voor u wien Wolfhezens schoonste gedeelte nog onbekend is, wil ik er +met de pen een flauwen omtrek van schetsen: + +Op een groot kwartier afstands van de plek, waar wij langs den +golvenden straatweg zijn aangekomen, ontspringt in een kleine vallei +der heide, op den zoom van een sparrenbosch, het straks genoemde +beekje. + +Door dat sparrenbosch heen--welke plek gij niet zult vergeten--kronkelt +het met twee armen, die zich echter al spoedig vereenen, in de diepte +voort, van het Oosten naar het Westen; en, als wij blijven op zijn +linkeroever--dewijl die oever ten Noorden het schoonste deel der streek +en ook het feestterrein bepaalt--dan treden wij op den heuvelrug langs +zijn boord het mastbosch door, en grijpen wel eens naar de groene +struiken wanneer de voet, bij een golving van den grond dreigt uit +te glijden op de mossige hei, zoo mild met dennenaalden bezaaid. + +Reeds hier is het schoon; doch verder. + +Steeds volgende het immer kronkelende stroompje ter rechterzijde, is +het niet langer een mastbosch dat uw pad beschauwt. Zie, de blanke +abeelen ze stoeien dooreen met beuk en met eik, hier opschietende +uit het dichtst geblaart, daar met den ruig bemosten voet in den +groenen oeverzoom. + +En dan, terwijl het beekje bij elken kronkel als wegschuilt in +slingerend braam- en struikgewas, terwijl het omlaag de breedgewiekte +varen kust en dartelt door de biezen heen, dan wordt het woud--ofschoon +niet dichter, steeds schooner van vorm en van tooi, en stralen de +beekheuvels steeds rijker in kleurenpracht. + +Zie--het fijne, grauw-blanke zand, het breekt en het schertst er al +meer en meer door het fulpen tapeet, smalle paadjes zich banende +langs den oever, 't zij hooger of lager, naar boven of onder, +vriendelijk lachende tegen het malsche groen der lage plantjes waarin +de bosch-bes schuilt; jubelende tegen den zwartbruinen zoom waarboven +het paars-rosse heibloempje troont, schaterende waar zijn glinsterende +kiezels als stoeien met het goudgele mos; stil zich schamende in 't +eind waar de hel-witte berk zoo slank zich verheft en met de zilveren +blaadjes victorie kleppert, hoog--hoog in de blauwe lucht. + +En--als gij nog altijd voorttreedt met het beekje ter rechterzijde door +die prachtige schoone natuur, en nu eens een berk of een beukenstam +ontwaart, die door den storm, 't zij met de kruin in den vliet, +'t zij van gindschen heuvelvoet tegen de helling naar dezen kant +werd neergeworpen, dan treft u mede al spoedig--niet ver van een +kleine ruimte in het bosch--de zware, nu schier vermolmde abeel, +die er reeds vele jaren nederligt. + +Pieter, wij hebben hem gekend toen hij zich stout verhief op zijn +prachtigen stam en de reuzenarmen beschermend uitbreidde in 't rond, +en de schoonste en krachtigste zoon scheen van 't gansche woud. Gij +weet het nog, daar was een verborgen kanker in zijn binnenste, +en--toen de storm eens loeide door het bosch, toen smakte hij den +schoonen forschen boom ter aarde, en wij kwamen er, en stonden bij den +gevallen stam, en zagen elkander droevig aan, maar toch, nietwaar--het +was een schoone studie. + +Ja zeker, zulk een gevallen grootheid is een schoone studie. + +Met een weemoedigen blik naar den vermolmden boom gaan wij verder, +mijn lezer, bij een sterkere kromming der beek de straks genoemde +ruimte door--waaraan ik vluchtig herinneren zal--en naderen ongemerkt +Wolfhezens bekoorlijkst gedeelte. + +Nietwaar, bij iedere nieuwe bocht van het beekje vertoont zich als +'t ware een schooner tafreel. De zandheuvels aan beide zijden zijn +nog rijker in afwisseling van lijnen en tinten; nu eens steil dan +weder zacht-glooiend afdalende naar de beek; ginds--aan de overzij, +ten deele gevangen in de schaduw van den prachtigen beukeboom, wiens +zware wortels nu eens naar boven worstelen om even het zonlicht te +zien en dan weer schuil te gaan in het grauw-blanke zand; hier--de +heuvel waarop gij treedt--dartel in het volle licht der stralende zon, +de heuvel met zijn sprietjes en takjes en bloempjes die vaak zich al +glanzende buigen.... over donkere diepten. + +En dan, als gij den blik een honderd schreden ver, ter linkerzijde +naar den hoogeren heuvel wendt--den heuvel dien wij een berg willen +noemen--dan weiden uw oogen door een frissche vallei met een zachte +golving naar dien bergrug omhoog, en--gij weet niet wáár gij u 't +allereerst een wijle tot rusten zoudt nedervlijen.... Daarginds, +op de helling van den ros-groenen berg, in 't lommer van eik en van +beuk, van berk en den, als de zon er toch spartelt door takken en +blaren en gouden glansen strooit in het groene boschbessendal.... Of +hier, met het oog langs het aardige beekbrugje heen naar de hoeve +in groenen krans gesloten, de hoeve die uit haar witte schouw een +teeder rookzuiltje langs het donkere eikenloof doet opkronkelen, +ten hoogen hemel. + +En--schier turens moe naar dat rookzuiltje uit de schouw, zie ik +ter linkerzij onder het zwaar geboomte aan het eind van den bergrug, +een zonderling tafreel. + + + +Met helm en werpspies gewapend, het zwaard in den gordel en den +pijlkoker over den schouder; armen en beenen naakt en de voeten +ongeschoeid, staan daar forsch gespierde mannen om een steenen altaar +in wijden kring geschaard. + +Zie, meer nabij het altaar daar staan met kaal geschoren kruin in +witten tabbaard de priesters van Wodan, de handen ten Hoogen geheven, +straks neervallende op de knieën, kreten slakende door de echo's +weerkaatst. + +En het droevig gekrijt van den zuigeling wordt overstemd door die +kreten der priesters en door de Wodan-gewijde liederen hunner heilige +barden. + +En dichte rookwolken stijgen op van het altaar, en dwarrelen voort +langs stam en langs takken, en zeulen in het dicht geblaart, en +kleuren het morsig grauw. En hoor, een snijdende gil glijdt van den +bergtop naar beneden; een jonge vrouw met opgescheurde kleeding, +de lange blonde haren wild golvend langs naakte schouders en vollen +boezem; een houten kruis in de dreigend gehevene hand, zij staat +er en deinst op de helling terug. "Mijn kind! mijn kind!" krijt +ze op zielverscheurenden toon: "Op Franken, wraak! Jezus Christus +wraak! Wodan zij vervloekt! Zijn priesters vervloekt! Wraak, wraak +voor mijn kind!" En zie, dan rijt ze met scherpe nagels heur boezem +in bloed en ijlt den bergrug af op priesters en altaar toe en.... Ik +zie haar niet meer. + + + +Een ander tafreel, en meer van nabij, treft mijnen blik. + +Een ontelbare schare van mannen en vrouwen, ten deele achter het +struikgewas verscholen, ze staan of liggen er in bonte maar vast +opeengedrongen groepen, het oog schier allen naar een en hetzelfde +punt gericht. + +Hun kleeding herinnert aan Neerlands roemrijkst verleden; de mannen in +dichtgesloten wambuis, in wijde broek en strak om het been geslotene +hozen; de vrouwen in haar stemmig gewaad. + +Sommigen der eersten in rijkeren tooi, den korten mantel van fluweel +op den schouder, doch evenals al die mannen de hoofden ontbloot, +de eerstgenoemden hun laag ronden hoed in de hand, de laatsten de +fulpen baret met golvende pluimen. + +En daar, nabij den forschen eikeboom, daar staat op een lage vierkante +kar een man in zwarte kleeding. Zijn stem bereikt ook den uitersten +zoom dier schare waar de jonge moeder nederzit, en--luisterende steeds, +haar zuigeling laaft; tot daar, waar de krachtige man den grijze +ondersteunt en aan de andere zijde het jongske weerhoudt dat, tastende +naar bramen, zich reeds de vingertjes kwetst aan de nijdige prikkels. + +Een zoete vrucht in scherpe dorens!! + +Ja, zie maar, die lieden met zinkroer en zijdgeweer, of ook met bus +en hellebaard gewapend--op verren afstand ginds en her verspreid, +zij houden de wacht, want hoor, die man daar in 't zwart, hij +spreekt er op diep doordringenden toon--van de ure die gekomen is +waarin tribulatiën en perikelen dreigen den uitverkorenen Gods, +en de Antichrist strijd voert tegen de gezalfden des Heeren. Hoor, +hij roept steeds met luider stemme: + +Mannen broeders! wandelt als kinderen des lichts, vervloekende Satan en +zijn ongerechtigheid; wandelt in de liefde onzes Heeren Jesu Christi, +maar óók, maar óók omgordende uwe lendenen en heffende het zwaard tegen +hen, die afhoereeren van den eenigen God, en valsche goden offeren +voor Zijn heilig aangezicht. Mannen broeders! vreest den strijd niet, +noch vervolging, noch naaktheid, noch honger, noch dorst, want neen, +gij zult niet hongeren noch dorsten in eeuwigheid. En gij vrouwen en +jonge dochters! murmureert niet tegen den Heer; wat zoudt gij klagen en +weenen, al zaagt gij uw vaders en broeders, uw echtgenooten of ook uw +beminden ten mutsaard gesleept. Op! op dan! zijt moedig en fier; ducht +de woede der Isebels niet. Hoort, hoort! Israëls bazuine weerschalt +langs Jericho's muren, en Babylon zal vallen voor het woord van den +Heer uwen God. Geliefden! broeders en zusters! zingt den Heere in +ootmoedigheid uwe psalmen, totdat de ure komt, de ure der persecutie, +maar dán ook: strijdt, strijdt.... + +Doch zie, daar wenden zich aller oogen naar den uitgang van 't woud: +musketvuur en wapengekletter weerklinkt er.......... Strijd......! + + + +Ha! 't is voorbij. Dat waren droevige tafreelen. Neen, gedroomd +heb ik niet, want het kronkelende rookzuiltje uit de schouw van +Wolfhezens hoeve hield ik steeds in het oog. Maar toch is het mij alsof +ik.... droom, voortdurend droom. Is dit dan inderdaad het vreedzame +plekje, zoo schaars door een menschenvoet betreden, het oord waar +de hoorbare stilte u slechts wijst op de oneindige schoonheid dezer +prachtige natuur. + +Ja, mijn dierbaar Wolfhezen, gij zijt het wel. Uw heerlijk +bosch, uw bergrug en beekheuvel, ik zie ze, maar nu--en in volle +werkelijkheid--met ontelbare menschengroepen gestoffeerd: met +duizenden menschen die daar dwalen, ginds en her, mannen en vrouwen, +ouden en jongen, aanzienlijken en geringen, zich nu eens neerzetten +op de ruwhouten banken voor den feestdag hier opgeslagen, of voor +het meerendeel zich scharende alreeds in breeden kring, hier nabij +de beek van waar gij het rookzuiltje ziet opgaan van Wolfhezens hoeve. + +En--evenals ginder onder het dichte geboomte aan het eind van den +bergrug--de bergrug die ten Zuiden het feestterrein bepaalt--evenals +dáár en in de opene ruimte, waaraan ik u herinneren zou, evenals +verder nog nabij den oorsprong van het beekje in het straks genoemde +sparrenbosch, evenals dáár staat ook hier op den beekheuvel, met den +rug naar den vliet, en tusschen het groen van drie sierlijke beuken, +een spreekgestoelte. Van jong gekliefde sparren ineengeslagen, verheft +het zich zonder sieraad, en de menigte, die er zich steeds dichter +omheen verzamelt, noodt de scharen, die nog ronddwalen of immer +nog toestroomen, om er te komen en mee te luisteren naar den man, +die aanstonds het woord zal voeren. + +En zie, daar beklimt hij het gestoelte. Duizenden blikken zijn op den +volksman gericht. Gij kent hem, den ijverigen dienaar zijns Heeren, den +stichter van het toevluchtsoord voor gevallen vrouwen, het Steenbeek, +dat den spotlach reeds dan zou doen verstommen, wanneer het ook maar +één, één enkele ongelukkige uit den zondenpoel had opgericht. Daar +staat hij zonder uiterlijk vertoon, terwijl hij den ernstigen blik +slechts vluchtig over die duizenden weiden laat. Wat er omgaat in +zijne ziel, nu hij het eerst tot die schare zal spreken!!--Daar +verheft hij zijn stem. + +Wolfhezen herneemt zijn plechtige stilte. + +De bonte schare luistert. + +Het welkom! wordt haar toegebracht. Een mannenkoor door bazuinenklank +gesteund, neemt dat welkom over, in een opwekking om eer en lof te +geven aan den Schepper, de Levensbron. En de man op het gestoelte neemt +nogmaals het woord, en noodigt de gansche schare uit tot het aanheffen +van een blijden psalm, den "Rotssteen van ons heil", den "Koning aller +koningen" ter eere. En van het gestoelte wuift een kleine vredevlag, +ten teeken dat het orkest zijn koperen stem zal paren aan dien zang. + +O, wie er dan ook nog meenen mocht, dat het lied in den spoorwagen +aangeheven er misplaatst zij geweest, neen niemand, niemand zal van +Wolfhezen in zijn woning zijn wedergekeerd, die spotten durft met +dát heilige oogenblik, toen daar door die duizenden den Schepper een +loflied werd toegebracht--in Zijn schoonsten, Zijn eigenmaakten tempel. + +En onder welke omstandigheden? + +Hoor, de redenaar schetst het: De beeke volgende naar heur einde, +wijst zij u gedenktekenen der oudheid aan: ginds een heuvel waar +in vroegere eeuwen het heidendom de asch zijner dooden begroef; of +verder nog den boom, die spreekt van de Christen-kapel--de eerste +misschien in deze oorden gesticht. De spreker herinnert aan de Saksen +en Franken; hoe woeste horden der eersten, ginds naar de Betuwe +afdaalden en er Christen-offers roofden voor hun bloedige altaren; +hij wijst op den lateren tijd toen gewetensdwang den fanatieken +kop verhief in deze landen, en de arme vervolgden bijeenscholen +om in wouden of in velden te hooren naar een prediking waaraan hun +ziele behoefte had; hij schetste... Maar genoeg, nu, nú was het een +andere tijd; menschen-offers den heidenschen goden, of kerkelijke +meeningen gewijd, zij vielen niet meer. Gewetensvrijheid was de +zege dezer eeuw; maar toch--toch lagen in ver verwijderde oorden nog +millioenen menschen geketend in de banden van het "barbarisme". En +dit, dit plechtige feest, het zou gevierd worden als het feest van +den strijd des Christendoms tégen dat "barbarisme". Een heerlijk, een +heilig feest! Terwijl men de schare naar dezen tempel had opgeroepen, +dewijl er geen kerkgebouw groot genoeg was om de telken jare grooter +wordende menigte te kunnen bevatten, voorzeker, nu zou ook deze reine +tempel er toe bijdragen om de stemming der heilige feestvreugde te +verhoogen; en biddend, en dankzeggend, en lofzingend en offerend op +het altaar der barmhartigheid, zou men in liefde daar bijeen zijn, +in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. + +Wil het mij niet ten kwade duiden, indien ik des sprekers rede in zoo +breede trekken hoogst onvolkomen teruggaf. Hij die niet onvatbaar +mag heeten voor het schoon van een frisch en bekoorlijk tafreel, +hij kon er niet hooren alleen, hij moest er ook zien. + +'t Was een treffende aanblik die ontelbare menigte aan weerszijden en +vóór het spreekgestoelte op den beekheuvel te aanschouwen, afdalende +in een wijden--wijden kring naar den bergrug heen. + +Ja, ik zie ze nog voor mij, die schoone groepen aan de helling van +den heuvel. De blonde Geldersche deerne in haar eenvoudig paars jakje, +den blik onafgebroken naar den spreker gewend; zij, naast den grijzen +burger uit de stad, met zijn zilverwitten steeds ongedekten schedel, +en aan zijn arm den zwakken blinden jongen, met het petje in de hand +en de matte oogen naar boven gericht. + +Ik zie haar nog te midden van meerendeels neergezeten mannen en +vrouwen, de schoone, blanke Noord-Hollandsche boerin, onwillens op +een kleine verhevenheid geraakt, uitstekend boven velen en zichtbaar +voor ieders oog. Ik zie haar nog terwijl zij zich wendt en keert, +met iets schichtigs in den blik, zich bedroevende misschien, dat ze +nú in dezen stond met niets kon vervuld zijn dan--met zich zelve. Men +zal u niet hard vallen schoone vrouw, nietwaar, gij stondt daar zoo +hoog en hoe hooger men staat....! + +En straks, zal ik de scharen betrachten terwijl zij zich spoeden naar +de ververschings-plaats, waar aan menigeen den wensch ontsnapte: +dat hij er hartiger bete mocht vinden dan brood en brood maar +alleen? Zal ik de menigte nauwlettender bespieden waar ze ginds +en her in schilderachtige groepen zijn neergezeten, de velen, die +evenals mijn reisgenooten in den spoorwagen, of de betrekkingen en +vrienden die ik te Wolfhezen vond, zich van een ruime proviand hadden +voorzien voor den vermoeienden dag? Zal ik later de redenaars hooren +op de vier gestoelten in het bosch, en u verhalen wat ze daar leerden +en predikten in dien heerlijken tempel? + +O, ik bid u, verg mij althans dit laatste niet. Ik geloof wel dat daar +nog veel waars en veel goeds is gesproken door die vele redenaars; +ja, ik zelf heb er menig woord vernomen, dat velen ter stichting +en leering heeft kunnen zijn, maar toch--met een smartelijk gevoel +heb ik u verlaten, schoon sparrenbosch, toen in weinig gekuischte +taal daar een gebed ten Hoogen werd opgezonden, vermengd met: "een +reuke des doods ten doode"! Schoon sparrenbosch! waar in uw midden, +Gods reine adem slechts trilt en verkwikt. + +Mijn dierbaar Wolfhezen, een bitter pijnlijken indruk moest +ik ontvangen, toen op uw schoonste gedeelte, onder het malsche +groen uwer beuken en eiken, al galmend dat woord werd herhaald: +Verdoemenis! verdoemenis!! + + + +Wilt ge nog even den blik slaan in 't ronde en menschen zien--al zijn +het er weinigen--in Wolfhezens woud? + +Zie, een aanvallig meisje van twintig jaren omtrent, ginds bukt zij +neder in 't groen en wordt niet moede kleine boschbessen te plukken, +"die hier maar zóó in 't wilde groeien". Weet ge, zij zal ze meenemen +voor haar lieve kleine broertje, die zoo verdrietig was dat zuster van +huis ging. En de bessen, wacht, zij zal ze bergen in de kleine flesch, +waaruit ze met vader en moeder straks aalbessennat heeft gedronken. + +En zie, nu parelt er een traan in haar oog. Arm kind, men heeft u +gevoelig gekrenkt. Een vrome kennis heeft u verdacht dat ge daar, +in de stilte, verboden drank....! + +Die vrome man! Zeg, hoe kwam hij op zulk een gedachte! Liefde denkt +immers geen kwaad en hij.... ginds zit hij nu neder, en zingt met +zijn vrienden een statigen psalm. + +Hebt ge dien man wel gezien, dien leelijken man, met zijn neus als een +aardappel, een bruine groote neus met wratten er op? Hij had een lange +jas aan, een heel lange jas, waaruit een lang papier naar boven stak; +een witte das droeg hij om den gelen hals en een vaalbruine paraplu +onder den arm. + +Dáár hebt gij hem weder. Nu staat hij onder zijn vaalbruine dak, +den steel er van tusschen den arm geklemd; in de beide knoesterige +handen houdt hij het lange beduimelde papier, en terwijl de eerste +regenvlaag de punten van zijn dak tot gootjes maakt, waarvan een +knaapje met wijden mond een stroompje opvangt; terwijl hij telkens +den blik in 't ronde werpt om te zien of zich geen nieuwe hoorders +komen voegen bij de weinige vrouwen die hem--'t zij met bevreemding of +ook met diepe verrukking beschouwen--smakt hij op zalvenden toon het +begrafenislied, dat hij dichtte, waarschijnlijk bij den dood van zijn +zalige vrouw, op haar, die hij "bekeerd had fijn--om eeuwig leevent +te zijn--Gestaan had te midden van een verdoemt geslagt--Door hem en +Christie bloed tot de verreizenis gebragd." + +'t Was zeker niet beter dat vers, als het niet slechter was. + +En verder, ik zie daar het oude vrouwtje, zoo moeielijk oprijzende +van de houten bank, waarop voor haar eenig kleedingstuk is neergelegd, +opstaan om den jongen man dien zij dominee noemt, haar zitplaats aan te +bieden. En de jonge man, ik zie hem.... zich nederzetten; maar ook, een +aardig meisje zie ik wat verder heel haastig opstaan om het vrouwtje +háár plaatsje te gunnen. Was dat mijn blondje uit den spoorwagen +niet? Ja wel zij was het, ik kreeg nog een vriendelijk knikje. + +Doch--waar moest ik eindigen, indien ik de menschen wilde schetsen, +de menschen der richting te Wolfhezen het meest vertegenwoordigd, +de menschen zoo als zij daar waren: goeden en kwaden, nederigen en +hoogmoedigen, vromen en huichelaars, elk met zijn rechter in eigen +boezem! + + + +Mijn dierbaar Wolfhezen! Ik ga u verlaten. Het feest in uw groene +zalen gevierd, ofschoon het ook wanklanken deed hooren, die de spot +wel mag treffen, maar liever de ernst toch bestraffen moet, het heeft +zich gekenmerkt door een orde, die de vier dienaren van 't gerecht, +die ik er zag, aan 't geeuwen bracht. + +Het was een feestdag waarvan een eenvoudig doch rechtschapen man +getuigde, dat het de schoonste zijns levens geweest was, een dag, +die hem onvergetelijk zou blijven tot aan zijn jongste ure. + +Nu ik, mijn Pieter, als ik geen oordeel waag uit te spreken over het +al dan niet wenschelijke eener herhaling van zulke feesten in ons +dierbaar Nederland--dewijl gij mij toestemt dat men den boom toch +eerst aan zijn vruchten leert kennen--terwijl ik u voor het laatst in +gedachten de hand druk, en u langzaam zie verdwijnen in de diepste +verte van het straks weer eenzaam en schemerig woud--dan--dan tuur +ik ook nóg eens naar het rookzuiltje dat opstijgt uit de schouw als +het van lieverlede schuil gaat in den zachten avondsluier. + +En dan--dan komen ook die dagen mij weder voor den geest, de dagen aan +uwe zij in Wolfhezen gesleten, en de wensch wordt vurig in mijne borst: +dat Wolfhezen, door zijn edele eigenaars, zoo ongerept als tot heden, +voor het nageslacht moge bewaard worden, zij het niet slechts ter +wille van den verrukten natuurbeschouwer of den zoon der kunst, maar +zelfs--als het zoo wezen moet--om er ook weder vele menschen bijeen +te vergaren, menschen steeds edeler en reiner; niet oordeelende en +verdoemende, maar één, één in de heiligste Liefde. + + + + + +GEDACHTE OP DEN LAATSTEN AVOND VAN EEN DROEVIG JAAR. + + +De Bestuurder van den Spoortrein, waarmede wij allen reizen, schijnt +jaarlijks al meer en meer snelheid en vooruitgang te beoogen. + +Wat halen de Engelsche en Duitsche Spoorweg-Maatschappijen bij de +onverpoosde snelheid, waarmee de Tijd ons met zich voert. + +'t Was een droeve landstreek, die wij voorbijgingen sedert het vorige +Station; ja, 't was wel het droevigste en somberste gedeelte der +geheele reize. + +De lucht was zwart; 't verschiet lag in een donkeren nevel; het +liefelijk gekweel der vogelen deed zich niet hooren, hunne reine +zangen waren door den stormwind weggeloeid. + +Maar bovenal zagen wij droevig voor ons neer, toen een lieve reisgenoot +ons had verlaten; toen hij de plaats zijner bestemming had bereikt, +en wij voorwaarts moesten--voorwaarts zonder ophouden. + +Ja, het valt hard den beminden reisgezel te moeten achterlaten. Nog +zit men gezellig bijeen; nog verlustigt men zich in zijn opbeurende +gesprekken; nog beschouwt men dat vriendelijk gelaat, en drukt hem met +teederheid de hand;--hij verlaat ons, en voordat wij nog recht kunnen +beseffen, dat hij niet meer bij ons is, staat hij reeds zoo heel heel +ver van ons verwijderd. Wij zien nog eens om; en ja--wij ontdekken hem, +maar het is slechts flauw--dat telkens omzien valt ook moeielijk--nog +eens--doch nu worden zijne trekken al onduidelijker; zijne stem kunnen +wij niet meer hooren--de groote krachtige sleepmachine vliegt steeds +voorwaarts, en--wij zien.... niets dan den zwarten nevel, die hem +aan onze oogen onttrekt. + +En nu: de bengel van een volgend station klinkt ons weder in +de ooren. Wij zullen met een ander nommer doorstoomen--alweder +sneller. Schijnbaar gaat het een oogenblik langzamer, doch neen, +wij houden niet stil: Voorwaarts gaat het, voorwaarts zonder ophouden! + +Heeft men het kwade gehad, dan volgt meestal het goede. + +Na zware schokken en groote vermoeienis volgt eene zoete rust. + +Wanneer de donkere wolken zijn weggedreven, dan zal het zacht azuur +ons weer vriendelijk in de oogen stralen, en zullen wij met een helder +zonnetje vroolijk mogen doorstoomen. + +Tevredenheid moet bovenal onze onafscheidelijke reisgenoote zijn; +de groote sleepmachine toch schenkt ons geen oogenblik tot verademing. + +Of gij de reize moede wordt of niet, daar stoort zij zich niet +aan. Voordat gij aan de plaats uwer bestemming zijt, kunt gij niet +rusten; al hebt ge 't nog zoo hard op die houten banken der derde +klasse,--al vermoeit gij u nog zoo in die stootende wagons der +middelklasse,--al glijdt gij nog zoo dikwijls van die roodlederen +zittingen,--ja! al geeuwt gij ook en al verveelt gij u ook in die +mollige kussens der eerste klasse--'t baat u niet of gij klaagt,--gij +moet mede. + +Doch, mort niet, gij, die met weinige stuivers uwe reize moet +vervolgen. + +Wordt niet moedeloos, brave reizigers van den middelrang. + +En gij--gij vooral--geeuwt niet, die daar makkelijk in het dons wordt +gewiegd. Ziet--gij hebt niets dat u hindert; ziet, ú juist valt het +zooveel lichter uw geest te verheffen. Waarom verveelt gij u? Hebben +de reisgenooten op de harde banken en roede zittingen niet denzelfden +droeven tocht te maken, dien gij te volgen hebt? + +Maar nog ééne bedenking: Wij zijn vreemdelingen in deze streken; +wij weten niet hoe lang de sterke machine ons nog zal medevoeren; wij +kennen de plaats niet, waar wij moeten afstappen, en kunnen evenmin +den juisten tijd bepalen, waarin wij met een ander voertuig naar ons +eeuwig verblijf zullen worden overgebracht. + +Daarom is de Waakzaamheid nuttig en noodzakelijk. + +Laat ons niet insluimeren op de donzige kussens; indien wij sliepen +zouden wij het doel onzer reis, onze ware bestemming lichtelijk +missen. Hoe nuttig zijn de schokken,--hoe goed is het, dat nu en dan +zelfs een lieve tochtgenoot ons verlaat! + +Ziet, dáárdoor blijven wij wakker; dáárdoor worden wij tot waakzaamheid +gewekt. + +Moet men niet met verlangen het onbekende Land te gemoet gaan? Wilt +gij liever slapen dan het schoone aanschouwen? + +Zijt dan te vreden, en waakt! + +Verlaat den wagen niet voordat gij geroepen wordt. + +Vrij vermoeie u de reize.--Na uwe aankomst vindt gij rust--rust +en vrede! + + + + + +KENTEEKENEN VAN FATSOEN, + +getrokken uit de brieven van een commis-voyageur aan zijn vriend Janus. + + + +Waardste Janus! + + +Al tamelijk wel, kom ik tegenwoordig op de hoogte om mij als een zeer +voornaam en hoogst fatsoenlijk persoon voor te doen. + +Ja jongenlief, 't is een groot voorrecht, indien men kan opmerken, +en het talent bezit om in praktijk te brengen, hetgeen men in de +hooge wereld gebeuren ziet. + +Janus, wij hebben 't altijd zoo best met elkander kunnen vinden, +en daar je nu den patroon hebt verlaten om als reiziger van het huis +Jeeger & Comp. de wereld in te treden, zoo wil ik je, gedachtig aan +onze vriendschap, de juiste middelen aan de hand doen om, evenals +ik, wanneer de bezigheden, vooral op den Zondag, het veroorloven, +u en vrai gentilhomme te kunnen vertoonen. + +Wij hebben veel vóór, Janus, dat wij drie jaren in het gezelschap +van Leneuf, den maître tailleur van onzen patroon verkeerden. Al +aardig hebben wij door dien omgang den Franschen slag beet gekregen, +want je weet wel, hoe Leneuf, nog kort voor je vertrek, toen we met +de winkeldames en heeren de potpartij hadden, verklaarde, dat er aan +'t hof niet beter Fransch kon gesproken worden dan in onzen kring. + +Fransch, Janus, dat is toch altijd een hoofdvereischte. 't Is +verschriklijk onfatsoenlijk ons gemeen en plat Neerlandsch te +spreken. Engelsch! Ja, ze zeggen wel dat de Engelsche taal thans +meer in de mode is, maar ik bemerkte er weinig van, en, 't laat zich +hooren dat zij niet algemeen wordt, want de hooge fatsoenlijke stand +is behoudend, en nieuws aan te leeren of in praktijk te brengen, +kost al te veel inspanning. + +Vooreerst dan, Janus, spreek Fransch, spreek altijd Fransch, denk +zelfs, wanneer je over straat gaat, hardop in 't Fransch; maar, dit +zeg ik je, nooit over mantilles of guipures, maar altijd over graven +en freules of wat met die hooglieden in verband staat. + +Wat je toilet betreft, de tailleur van Jeeger zal, evenals Leneuf, +wel het juiste snit aan je rok en pantalon geven, maar vooral, +jongenlief, verlakte laarsjes, en op je kaken hamvormige bakkebaarden. + +Zorg steeds, Janus, althans in de plaatsen waar je gezien wilt wezen, +dat je nooit je stalendoos in persoon draagt; neem altijd een jongen, +en laat hem minstens twintig passen achter je aankomen, want zaken +hebben, is erg onfatsoenlijk. Verder, mijn vriend, is de wijze, +waarop je loopt, gansch niet onverschillig; 't hoofd op zij, den +neus in de lucht, maar vooral, al braden de musschen op de daken, een +tween onder den arm. Groeten op straat is in 't geheel niet voegzaam, +den hoed afnemen staat bijster commun. Zie je personen, die je wel +dient te groeten, knijp dan je oogen half dicht, glimlach, buig je +hoofd even naar je rechterschouder, en wend het dan spoedig naar een +andere zij, desnoods naar eene modiste, die voor haar raam zit, want, +op mijn woord van eer, modistes en winkeldames, daar kun je zelfs op +straat zoo vriendelijk tegen zijn als je maar wilt. + +Wanneer je somtijds eens een coup hebt gemaakt, waar de patroon +niets mee te maken heeft--je verstaat me--verknoei dan toch nooit +je geld aan den zoogenaamden "kalen bluf". 't Is kale bluf waar je +niets verder meekomt, indien je in een afgesleten huurrijtuig gaat +toeren. Spaar je geld en loop liever; loop liever tienmalen met je +tween over den arm en je lorgnet in 't oog--want goed te kunnen zien, +is ook bijzonder onfatsoenlijk--rondom de buiten-sociëteit, alsof je +er je rijpaard wacht, dan dat je een glas advocatenborrel of zelfs +malaga drinkt, in een tent of kroeg, waar iedereen binnenrukt, die +geen lid van No. één kan worden. + +Spaar je geld, Janus, en dineer liever eenmaal in een der eerste +hotels goed, dan dat je tweemaal eet, zonder aan je fatsoen te werken. + +Kom je de groote zaal binnen, waar table d'hôte gehouden wordt, zie dan +volstrekt niet naar 't geen op tafel staat, maar, valt je een persoon +in 't oog, die gedecoreerd is--'t metalen kruis niet meegerekend--knijp +dan, weer glimlachend, hoofdbuigend je oogen dicht, en hoewel de +gedecoreerde je niet kent, hij zal zijn geheugen ontrouw noemen, +je wederkeerig groeten, en terwijl je, na de wijnkaart te hebben +ingezien, een flesch wijn bestelt--maar vooral een fijn merk--zal hij +aan zijn buurman zeggen dat hij je kent maar niet thuis kan brengen, +en je voor den zoon van een zijner voorname kennissen houden. + +Als je de soep eet, vooral slobberen of liever slurpen, jongenlief, +en in 't minst geen moeite doen om den garçon in 't aangeven van +borden of lepels en vorken behulpzaam te zijn. Aan tafel iets lekker +noemen is allerijselijkst gemeen; nooit vragen wat het is dat men +je voorzet. Je moet eten alsof je niet weet dat er zuurkool in de +wereld is, en wanneer je spijzen worden voorgezet, waarin je zwarte +stukken vindt, dan moet je die toch vooral niet ter zij leggen, in +de meening dat het iets onzindelijks is; beste Janus, al vindt gij +'t niet, 't is een erkende lekkernij, want die zwarte stukken noemt +men truffels en kosten razend veel geld. Ben je bij toeval naast +een persoon geplaatst, die je wat bourgeois toeschijnt, geef hem op +zijn vragen vooral geen antwoord; doe alsof je niet bemerkt dat hij +je aansprak, maar geef te gelijkertijd een minzaam knikje aan eene +wat ver van je afgeplaatste jonge dame, die je bij toeval de freule +Van L. hebt hooren noemen. Let op, de dame zal blozen; eensklaps zal +zij een gesprek met haar papa of mama aanknoopen, je rechter buurman, +een vreemdeling van hoogen adel, die straks door zijn anderen buurman +betreffende de schoone, werd ingelicht, zal je vragen of je haar kent, +en terwijl je vreeselijk met je broodje gaat kruimelen, geef je ten +antwoord--en 't is geen leugen--eenmaal met de freule Van L. gedineerd +te hebben. 't Is mij gebeurd, Janus, dat zulk een coup mij een tour +en calèche bezorgde. Met een baron en calèche, hoe vaar je!.... Je +zoudt me niet gekend hebben Janus, en of ik Janus zou gekend hebben +indien hij ons toevallig op den weg ware tegengekomen, daar zal ik het +antwoord liefst op schuldig blijven, want om fatsoenlijk te handelen, +moet men in sommige gevallen wel kort van geheugen zijn. Eén ding +echter, wanneer je ooit in zoo'n rijtuig mocht komen, dan raad ik je +aan vooral niet te zitten; neen, liggen moet je, al is het laken ook +nog zoo wit en zoo zuiver, gerust het hoofd er tegen aan, liggen is een +hoofdvereischte; alleen fatsoenlijke lieden begrijpen hun positie in +zoo'n rijtuig; 't is hun niets vreemds, en alleen door een nonchalante +houding kan men toonen dat zulk rijden een alledaagsche zaak is. + +Denk nooit, Janus, dat je voor een fatsoenlijk man zult gehouden +worden wanneer je eenige avonden achtereen in het parterre van de +opera verschijnt. 't Woord parterre alleen klinkt den man van rang en +fatsoen in de ooren alsof wij van den Engelenbak spraken. Neen vriend, +nooit daar beneden, liever eens in 't balcon, of wel in de stalles, +dan avonden achtereen in dat verwenschte parterre. + +Eene bijzondere studie wordt er toe vereischt om daar op een waardige +wijze te verschijnen en b. v. voor een neef of vriend van den Franschen +ambassadeur te worden aangezien. + +Janus geef acht! Gesteld de Favorite wordt opgevoerd. Ten zeven uren +neemt de voorstelling een aanvang. Om halfacht ga je er heen;--vergeet +vooral niet een tooneelkijker te huren, let wel, omdat je den uwen +vergeten hebt. Welnu, de deur der balconloge wordt je geopend, en, +juist op het oogenblik dat Fernand uit het klooster is vertrokken, +het sombere kloosterportaal in een lachende tuin wordt herschapen, +en eene bevallige chanteuse van "Rayons dorés" begint te zingen, kom +je binnen; buigt je hoofd eenmaal naar de rechter- en eenmaal naar +de linkerzijde, waarna je je hoed op den grond en je lichaam in een +fauteuil werpt; terstond daarop den kijker voor je oogen plaatst, +om niet naar het tooneel, maar--zoo brutaal mogelijk--de zaal met +toeschouwers rond te zien--vooral niet naar de bovenste galerij--lang, +zóólang totdat de eerste acte geheel is afgespeeld. + +'t Gaat, Janus, met het mooi vinden als met het lekker vinden. Toon +volstrekt door geen handgeklap, in 't geheel niet door bravogeroep, +dat de muziek of zang je gehoorzenuwen streelt. 't Gebeurt somwijlen +dat de Favorite werkelijk een Favorite is, dan, ja, dan maakt het +een onderscheid, je kunt je dan spoedig overtuigen of het handgeklap +fatsoenlijk wordt. Wanneer het parterre in een uitbundig gejuich +losbarst over het "O! mon Fernand" etc. der Favorite, glimlach +dan meelijdend, en debiteer aan een heer, die met een rood lint in +zijn knoopsgat naast je zit, dat je te Milaan heel wat anders hebt +gehoord; en, wanneer Fernand zijn: "Cette épée avilie, je la brise +à vos pieds", uitgalmt, zeg hem weder dat het "tu mens"! van Duprez +in de Jérusalem,--die je te Parijs hebt gehoord, heel wat sterker +was. 't Geen je bijzonder te observeeren hebt zijn de balletten. Met +alle gerustheid kun je dan met je kijker de bevallige en kiesche +luchtsprongen volgen, die om het kunstige alleen je bewondering wekken; +maar vooral, Janus, neem geen ijs in de entre-actes; men zou alras +op het denkbeeld komen dat je geen ijs aan 't dessert had gebruikt. + +Janus, wil je je hoogst fatsoenlijk houden, verlaat dan je loge nog +vóórdat de belangrijke scéne tusschen Leonore en Fernand in het vierde +bedrijf plaats grijpt, of wel vertrek juist op het oogenblik dat het: +"Fernand imite la clémence", uit den mond van Leonore het plebs in +vervoering brengt; en, ik ben verzekerd dat, zoo je na eenige dagen, +of weken, of maanden weder in de balcon-loge komt, men je zal groeten +als ware je een Don, of Lord, of Comte in eigen persoon. Jongenlief, +ik heb hooge verwachtingen van de toekomst; wie weet hoe je vriend +Gerrit--onuitstaanbaar onfatsoenlijke naam--je vriend Gérard, +nog eens carriére zal maken. De goede manieren verschaffen in de +hooge kringen den besten toegang; geld is een bijzaak, want jij, +die jaren boekhouder bij den patroon bent geweest, jij weet het best, +hoe onfatsoenlijk het--terstond betalen is. + +Vaarwel, Janus, misschien later meer. Volg den raad van je vriend, +die zich noemt: + + +Gérard. + + +P. S. Het is zeer fatsoenlijk tot de Waalsche religie te behooren; +de Hollandsche kerken zijn in de beschaafde wereld geheel uit de mode. + + + + + +IETS UIT HET JAAR 1870. + + Medegedeeld aan de Leidsche Burgerij, bij den aanvang van + het jaar 1871, door de Evangelisch Luthersche Weezen. + + +Wij willen U heden op den eersten dag van het nieuwe jaar niet zooals +gewoonlijk een versje aanbieden. 't Was wel heel vriendelijk van de +Heeren, die het vroeger voor ons maakten, en wij hopen ook wel dat zij +het later nog eens weer zullen doen, maar nu moeten wij U zelf iets +vertellen. Wij hebben het van een Mijnheer gehoord, die het voor ons +zal opschrijven.--U moet dan weten, lieve Mijnheeren en Dames, dat er +dit jaar een oorlog is geweest tusschen de Pruisen en Franschen. Nu, +dat zult U eigenlijk wel weten, want de Vader las er alle dagen +van in de courant. Nu moeten de Franschen een keizer hebben, en de +Pruisen een koning--een koning is minder--maar de keizer, die tegen +den koning gezeid had, dat hij maar moest uitkomen als hij durfde, +heeft er leelijk van langs gekregen. Een vreeselijke boel menschen +zijn er door dien oorlog gewond en gedood en gevangen genomen, en de +keizer zelf is ook gevangen, maar die keizer zit niet achter tralies; +dat dachten we eerst. + +Nu, dit alles zult U wel weten, maar wij gelooven niet dat U weet wat +er te S. in een dorp niet ver van B. is voorgevallen. Daar was een +vader en moeder, een echte vader en moeder--niet zooals van ons--en +die hadden drie kinderen, een van vijf, een van bijna vier, en een +van bijna één jaar. Die vader was een timmerman en een Franschman ook. + +Op een goejen dag--of eigenlijk een heel leelijken dag--toen kwam +er een bevel dat hij mee moest vechten, want hij was zooveel als +bij ons een schutter, of in 't vervolg een scherpschutter. De vrouw +vond het wel verdrietig om het werk, maar zij zag er toch niet veel +kwaad in, omdat de Pruisen, zooals ze allemaal zeiden, haast altijd +verloren. Maar dat was niet waar, want in Frankrijk kunnen de groote +menschen erg jokken. Nu, de vrouw was ten minste niet bang, en heel +blij dat haar man in het stadje kon blijven, al moest hij dan ook gaan +exerceeren. Het oudste jongetje--och hoe was nu zijn naam ook weer--een +mooi jongetje met zwart krulhaar, dat niks anders als Fransch kon, vond +zijn papa--want timmermansjongetjes zeggen daar ook papa--hij vond zijn +papa veel mooier als soldaat; en als die papa van het exerceeren thuis +kwam, dan mocht hij wel eens met de sabel spelen, maar die niet uit +de schee trekken, want dan zou ie zich snijen. Aan 't geweer mocht +hij in 't geheel niet komen, want dat was een gevaarlijk geweer, +waar die papa zelf heel voorzichtig mee omging. Zoo'n nieuwerwetsch. + +Nu gebeurde het wel eens dat de timmerman in een paar dagen niet thuis +kwam, want men moest alles goed in orde hebben als de vijanden--dat +waren de Pruisen--zouden komen; en dat vond de vrouw heel naar, en +dan huilde zij wel eens, en dan begon de kleine Henri--zoo heette +het tweede jongetje--ook te huilen, en het jongste kindje van den +weeromstuit; maar dat vond het oudste jongetje niet plezierig en +begon dan met een hamer zoo hard op de tafel te slaan, dat de mama +hem verbieden moest en zoodoende niet meer schreien kon. + +Op een anderen dag was de timmerman heel vroeg de deur uitgegaan, +en had zijn vrouw eerst wel driemaal gekust, en gezeid dat het een +heete dag zou worden; en toen had hij het kleine meisje, dat Lotte +heette, gezoend en Henrietje ook, en later Alphonsje--o ja, zoo heette +dat oudste jongetje.--En toen, met een paar tranen in de oogen, +had hij nog gezegd: dat zij altijd maar gehoorzaam moesten zijn, +en dat de Pruisen allemaal verdoemd waren. Dat wist die timmerman +toch niet--van dat verdoemd zijn--want dat zou toch niet mooi van +onzen lieven Heer wezen; maar dat zei hij alleen omdat de Pruisen den +vorigen dag ergens in de buurt een paar dorpen en een stadje hadden +ingenomen, en dat vonden de Franschen naar. + +Nu gebeurde eigenlijk wat het ergste is. Maar de vrouw en de kinderen +wisten het niet, en kleine Alphonsje speelde zelfs met zijn broertje +soldaatje met een paar latten in de werkplaats. Het kleine zusje +kon nog niet meedoen. Natuurlijk, nog geen jaar oud. Die stond in +een loopwagen. + +Buiten het stadje was, eerst nogal veraf, een vreeselijk gevecht. Daar +werden wel tienmaal zooveel menschen in een uur doodgemaakt als wij +hier samen kinderen in het weeshuis zijn--dat zei de Mijnheer--dus +wat een boel! + +Zoo omstreeks vijf uren 's middags waren al de menschen in het stadje +vreeselijk bang, en hadden allen de deuren en ramen gesloten, want de +kogels en verschrikkelijk groote bommen vielen op de huizen en overal. + +De vrouw van den timmerman zat met de kinderen onder de woonkamer in +een kleinen kelder, en zag niet eens dat het oudste jongetje met zijn +vingertje uit een aarden potje boter zat te snoepen, en zijn broertje +soms likken liet. Nu kwam het allerergste: + +Een vreeselijk leven en gedreun en ijselijk schieten hoorde men in +de straat. De Pruisen hadden de Franschen achteruit in het stadje +gejaagd, en schoten er net zooveel dood als ze maar raken konden. Dat +was akelig, want ze kenden hen niet eens, en hadden eigenlijk nooit +geen ruzie samen gehad. Nu dat kon niet, want de een spreekt Fransch +en de andere Duitsch.--Alphonsje werd toen bang, want hij dacht dat het +heel erg donderde, maar dat dee het niet, en hij riep dat hij weer uit +den kelder naar boven wou, en dat wou Henrietje ook; maar de moeder +hoorde er niet naar, en bad met de oogen open, wel zesmaal achter +elkaar het Onze Vader.--De Mijnheer zei dat ze niet Luthersch maar +Roomsch was, maar dat de Roomschen net zoowel het Onze Vader bidden. + +Toen ze nog bezig was, hoorde zij opeens een vreeselijk geweld, vlak +voor de deur. Hoe het alles gegaan was, dat weten we niet meer, maar +een klein beetje later klonk er vlak boven haar hoofd in de woonkamer, +een slag alsof er iemand op den grond viel, en een geluid, alsof er +kermende haar naam werd geroepen. + +Zonder aan de kinderen te denken, vloog de vrouw toen de trap op met +het kleintje in den arm--dat had ze altijd in den arm gehad. Alphonsje +en Henri kropen haar na. U kunt wel begrijpen hoe zij schrok. Toen zij +in de kamer boven de kelder kwam, lee daar de timmerman--die soldaat +was geweest--vol bloed en heel akelig bleek op den grond. Van iets +dat boven op een geweer zit, had hij dicht bij zijn eigen huis een +vreeselijken steek door de borst gekregen. Met heel veel moeite was hij +nog tot bij de voordeur gekomen, maar die was gesloten. Gelukkig was +de deur van de werkplaats opengebleven--die had de vrouw vergeten--en +zóó kwam hij nog binnen. + +Toen de vrouw zoo haar lieven man zag, gilde zij van schrik, en wou +hem nog ophelpen en water laten drinken; maar water zag zij niet, +en drinken kon hij ook niet meer, want hij riep in het Fransch: +"Vaarwel" en was dood. Toen gilde de vrouw nog erger en greep een mes, +dat op de tafel lag, en hoorde niet dat al de kinderen schreiden, +maar lee kleine Lotte haastig in een houten wiegje, en vloog toen +naar de deur, en zoo de straat op. + +De vrouw riep nu ook: dat al de Pruisen verdoemd waren; en, zonder dat +ze haast wist wat ze deed, stak ze een voornaam soldaat, die met een +heele boel soldatenvolk juist voorbij kwam, het mes in eens achter in +den rug. Toen werd het nog akeliger, want de voorname soldaat, die een +officier was, riep in het Pruisisch: dat ze het wijf moesten doodslaan, +en het huis in brand steken! Toen hij dat gezegd had, viel de officier +in eens achterover, want het was erg raak geweest; en de soldaten--dat +waren Pruisen--werden toen vreeselijk boos omdat die vrouw dat gedaan +had; en, nog gauwer als men het vertellen kan, had een der soldaten +de arme vrouw met een kolf van zijn geweer zoo op het hoofd geslagen, +dat het allerakeligst was en zij in eens heelemaal dood bleef. + +Het was toch eigenlijk iets vreemds dat de vrouw, die pas nog dacht: +ik zal die mannen doodmaken omdat ze mijn lieven man doodmaakten, +nu zelve al dood was. + +De Mijnheer zei dat het dien dag juist erg regende, en dat het water +dat door de goot liep net zoo rood zag als bij den slachter als er +geslacht is. Hoe vies! en het is toch al zoo naar van een beest! + +Maar nu moet U hooren. U weet nog wel dat de officier dat mes achter +in den rug kreeg en neerviel? Nu, en toen kon hij niet verder; en +de aandrang van het volk was zoo groot--want het paardenvolk met de +kanonnen kwam ook al achteraan--dat een sergeant en twee soldaten +van de Pruisen, den officier maar gauw in het huis droegen waar ze +juist voor stonden. Nu was dat eigenlijk hoognoodig, want de officier +zou bijna door zijn eigen volk onder den voet zijn geraakt, zoo hard +liepen ze van blijheid dat de Franschen op de vlucht waren en het +weer hadden verloren. En ziet U, dat was nog gelukkig, want nu de +officier er in was, nu werd het huis niet in brand gestoken, en het +was juist het huis van den timmerman. Vindt U dat niet baldadig, +dat in brand steken? Maar nu moet u verder hooren, want, daar was +het om! Toen die vreemde soldaten dan in het huis kwamen, zagen ze +de drie kinderen.--Alphonsje was bang geworden voor zijn vader, +die daar zoo akelig op den grond lag, en was boven op een kastje +geklauterd. Kleine Henri schreeuwde uit al zijn macht, en kleine +Lotte ook, zeker omdat ze haar moeder niet zag. De sergeant zei aan +een der soldaten dat hij die kinders maar in de achterstraat moest +jagen, en dat hij het lijk van dien man in de werkplaats zou sleepen. + +Alphonsje schreeuwde nu op die kast uit al zijn macht, en smeet den +soldaat die hem pakken wou, met een mooi pronkkopje; maar het raakte +gelukkig niet. + +Toen de soldaat hem eindelijk beet had, en Henrietje ook, en hij +Lotte met haar mooie zwarte oogjes uit de wieg wilde nemen, toen +begon Alphonsje zoo hard om zijn vader en moeder te gillen, dat de +mannen zelf er naar van werden. + +"Afblijven! Zusje geen kwaad doen!" riep hij, allemaal in het Fransch: +"anders zal ik je bijten!"--Dat verstonden die mannen niet, maar +de officier, die op het bed van den vader en de moeder was gelegd, +en juist door een soldatendokter geholpen werd, zei iets. En toen +kwam de soldaat met het kindje bij den officier. En de officier zag +toen naar de kleine Lotte, en kreeg de tranen in de oogen, en zei in +het Duitsch: "Och, mijn kind!"--Weet U, toen dacht hij aan zijn eigen +kindje, omdat hij ook zou doodgaan. De soldaat moest Lotte toen eens +heel dicht bij hem houden. En toen zei hij nog eens: "Och mijn lieve +kindje!" En het kindje lachte; zeker omdat hij zooveel mooi rood en +gouden knoopen aanhad, en zei: dada, net als kleine kinderen bij ons +in het Hollandsch, en toen kuste die officier het kindje op de mooie +roode lipjes, o zulke snoeperige lipjes--net rozévleugeltjes--en zei +toen: "Hier blijven, hier!" en viel toen in slaap. U begrijpt wel, +dat zei de officier. + +En zoo gebeurde het ook; de kinderen mochten in het huis blijven, +precies zoolang als de officier er bleef. En een heel arme buurvrouw +moest hen daar verzorgen en oppassen, want de kinderen hadden niets +geen familie, en een weeshuis was er niet, en de rijke menschen, die +er toch maar weinig in het stadje waren, hadden zooveel te geven en +op te brengen dat ze aan geen weezen konden denken. Nu dat behoefde +ook niet; want weet U wie die officier was? Dat was een neef van den +Prins Von W., een heel voorname rijke Duitsche officier. En wat heeft +die gedaan? Die heeft gezorgd dat de drie kinderen van den timmerman +op een van zijn eigen landgoederen in den kost kwamen, en hij zal ze +laten leeren net als in ons weeshuis. + +En, nu is het uit; maar nu zei de Mijnheer, die ons dit vertelde dat +wij eens moesten nadenken hoe slecht het is dat menschen elkaar zoo +doodmaken, en hoe dom het is om te zeggen dat al de menschen, die op +bevel tegen andere menschen vechten, verdoemd zijn; want de officier, +die door de vrouw in haar akelige droefheid bijna dood werd gestoken, +en dus zeker in haar oogen een van de eersten moest zijn die verdoemd +zouden wezen, diezelfde officier, hoewel hij riep dat men haar zou +doodslaan, hij meende het zoo niet, want hij werd toch om zoo te +zeggen het weeshuis voor die kinderen. + +Als het nu wezenlijk waar is dat Onze lieve Heer menschen +verdoemt--maar dat zal Hij wel niet, want Hij is toch zoo goed +nietwaar?--dan denk ik dat hij het tenminste nooit al die arme menschen +zal doen, die zonder dat ze boos op elkaar zijn, toch malkaar moeten +doodslaan, maar veel eerder die keizers en koningen omdat zij het +beginnen. Hé! zoudt U wel zoo'n keizer of koning durven zijn? Zij +zullen zeker 's avonds in het donker wel bang wezen. Wij zijn het +heusch nooit meer. + +En wat we hier aan het eind nu nog zeggen wilden, het is dit: + +Lieve Mijnheeren en Mevrouwen, als het soms eens moest uitkomen dat +dit niet alles precies zoo gebeurd is--want de menschen vertellen +tegenwoordig zooveel--dan is het toch zeker waar dat er door al dat +slechte moorden en vechten, veel, heel veel ongelukkige weesjes onder +de Duitsche en Fransche menschen zijn gekomen, al hebben dan velen +ook hun moeder nog behouden. Nu dan, wij hopen dat U, die altijd zoo +goed voor ons zijt, ook aan hen zult willen geven als er soms wat +gevraagd wordt. En als U dat doen wilt, dan wil de Mijnheer, die ons +dit stukje vertelde, het ook wel ten voordeele van die arme kinderen +in het licht geven, met zijn naam er bij. En weet U, dan zouden wij +ieder zoo graag een week zakgeld geven; dat was dan van ons allemaal +iets in dit nieuwe jaar voor de weezen van 1870. + +En nu, lieve Mijnheeren en Dames, bedanken wij U nog eens hartelijk, +en hopen dat Uw kinderen U allemaal heel lang zullen behouden. + +O ja, de Mijnheer vertelde nog, dat de neef van den Prins Von W. weer +beter wordt; en dat Alphonsje wel eens op zijn knie zit als hij een +enkelen keer bij hem komt, en dat hij hem dan maar zoo, alsof het +geen neef van een prins was, bij den langen knevel trekt. + +Henrietje daar weet ik niks van, maar Lotte drinkt Duitsche koemelk. + + + + + +UIT "DE SPECTATOR." + + +GEEN RECENSIE. + + +De heer W. C. Wansleven Jr. heeft dezer dagen een verzameling zijner +verspreide lettervruchten onder den titel Kleine verhalen het licht +doen zien. + +De geachte auteur heeft de bijzondere goedheid, om de genoemde verhalen +door een kort woord tot mij gericht, te doen voorafgaan. + +De heer Wansleven vangt aldus zijn schrijven aan: + +"Als ik er met de uitgave van deze mijne Kleine verhalen niet +te best afkom, zal ik het verdriet daarover grootendeels aan u +te wijten hebben. Gij toch hebt met zeldzame volharding op die +uitgave aangedrongen. Ik weet wel waarom gij het deedt...." en de +schrijver zegt dat hij er alleen het bewijs mijner belangstelling in +ziet. "Maar," zoo vervolgt hij iets later, "gij hebt waarschijnlijk +niet bedacht dat er sedert het opstellen van het jongste dezer +novellen al verscheidene jaren zijn verloopen en de smaak van ons +lezend publiek in die jaren aanmerkelijk is gewijzigd, zoodat ook +gij voorzeker, als gij ze nu voor de eerste maal laast, er u niet +zoo mee ingenomen zoudt betoonen als ge als knaap en jongeling deedt." + +Dit schrijven, het pleit m. i. slechts voor de buitengewone nederigheid +van den geachten auteur. + +Ofschoon volgaarne toestemmende dat de smaak van ons lezend publiek +in de laatste jaren is gewijzigd--ik meen ten goede gewijzigd--zoo +begrijp ik echter niet hoe die smaak in een tijdsverloop van nauwelijks +vier jaren--de tijd die er sedert de eerste verschijning der genoemde +"jongste novelle" verliep--zoozeer zou kunnen gewijzigd zijn, dat +men nú zal verwerpen wat toen met graagte gelezen, en o. a. door een +geestig en zeer begaafd beoordeelaar, in een goed bekend maandwerk, +ten zeerste geroemd werd. + +"Ons Spieker," zoo schreef T., in het Maart No. van De Tijdspiegel, +jaargang 1859. "Ons Spieker van W. C. Wansleven, wien wij alleen +verwijten dat hij zoo zelden als schrijver optreedt, tintelt van +waarheid; de eigenaars van dat Geldersche buitentje zijn uitnemend +geschetst, al verschillen ze onderling niet weinig, terwijl het geheel +overvloeit van lessen voor wie ze er uit halen wil." + +Mij dunkt dat mijn stelling geen nadere verdediging behoeft. Ofschoon +ook het uitgebrachte oordeel over Ons Spieker niet gelden kan voor +het overige zevental novellen, zoozeer van elkander verschillende; +waar deze ons voert naar het paleis van Galilea'a viervorst, Herodes +Antipas; of gene naar Bethulië als een Judith er zegevierende +binnentreedt met het hoofd van Israëls vijand; of een ander +weder naar Smyrna, waar in de tweede eeuw onzer jaartelling de +grijze Polycarpus als Christen blijmoedig den marteldood sterft; +of ook waar die overige verhalen ons terugvoeren naar het midden +dezer eeuw, en ons op aandoenlijke wijze de slachtoffers toonen van +kwalijk begrepen eergevoel, van een zoogenaamd "goed huwelijk", van +geloofsdwang en lagen hartstocht in 't eind; ja, ofschoon het niet te +verwachten is dat de kritiek--waar zoo velerlei smaak en richting haar +bestuurt--over al deze verhalen een oordeel zal vellen, zooals er over +het genoemde juweeltje werd uitgebracht,--ik geloof in waarheid dat +de geachte schrijver, waar hij met een verwijt als het bovenstaande +vereerd werd,--zijn onderstelling met de meeste gerustheid had kunnen +terughouden, evenals naar sommiger meening wellicht den geheelen brief, +die het boekske tot inleiding strekt. + +En toch, al had ik zelf den heer Wansleven het schrijven van dien +brief moeten ontraden, nu hij geschreven is, nu verheug ik mij er in, +want slechts door hem kon ik er toe komen om dit woord te spreken, +en openlijk den innigen wensch te uiten, dat de waardige auteur--aan +wiens talent en dichterlijk gevoel de jongere vriend zooveel te danken +heeft, die in zijn vriendelijke woning of aan zijn zij in Lochems +schoone dreven zooveel onvergetelijke indrukken ontvangen mocht--dat +hij zal terugkomen van zijn besluit "om de pen te laten rusten", +maar de Nederlandsche litteratuur nog dikwijls zal verrijken met de +vruchten van zijn geest en zijn hart, het allerliefst geplukt in den +rijken gaard zijner dagelijksche omgeving. + + + +'s-Gravenhage, 9 Sept. 1863. + + + + + +MIJNHEER DE SPECTATOR! + + +"Mijnheer de Spectator!" Om dien aanhef heb ik eens iemand vreeselijk +hooren lachen. Die lacher vond het dwaas, en bovendien vond hij +niets heerlijks aan de Spectator. ZEd. was boekverkooper en had +er geene enkele bestelling op. Maar--ofschoon de man gerust mocht +lachen, aangezien de Spectator zoomin als de redactie een mijnheer +is--immers indien ik mij niet bedrieg bestaat de laatste uit twee +of drie mijnheeren--zoo schreef ik toch in navolging van anderen: +Mijnheer de Spectator, en 't blijft er staan. Wat doen we niet veel +in navolging van anderen, soms dwaas, bespottelijk dwaas.... Vormen +mijnheer, je kunt alle vormen niet zoo inééns op zij zetten. + +Doch ter zake. Ik wend mij tot u mijnheer de Spectator, dewijl mij in +den laatsten tijd vele vragen zijn gedaan, die ik graag beantwoorden +wil. In de eerste plaats--metterdaad--de dikwijls herhaalde: Schrijf +je niet meer in de Spectator?--Liefst geen vertellingen mijnheer, +ziet ge, omdat ik niet houd van afbreken--al is het stuk dan ook zoo +voortreffelijk niet. De meerderheid raakt de klus kwijt, en het stuk, +waarvan men trachtte een goed geheel te maken, ligt verbrokkeld. Er +moet altijd weer verzameld worden, dat is niet anders. + +Mijn vriend B kon wel gelijk hebben, indien hij nu al voor de tweede +maal een zinspeling in mijne woorden heeft gevonden. Geen wonder, +ik wil vragen beantwoorden; die antwoorden liggen gereed, en, iets +anders ligt mij op het hart. Dat moet er af! + +Desiderius, ik heb uw stuk "Een afscheid aan de kerk", naar aanleiding +van Dr. Piersons jongste geschrift, in het eerste nommer voor 1866 +van de Ned. Spectator, gelezen. + +Ik moet daareven over spreken, want het heeft een diep leedgevoel +bij mij verwekt. Hoe is het mogelijk, dacht ik na de lezing, dat +beminnelijke, brave, rechtschapene en veelal zoo helderziende menschen, +een oogenblik in den waan komen dat Revilles: "Jan Rap,"--door +verstandigen althans--op hen wordt toegepast. De De Génestets Jan Rap +ziet op degenen, die zich verheugen in den ondergang van al wat rein +is en edel: + + + "Als hij 's avonds laat thuis komt psalmzingt hij: + Vrijheid! Blijheid! + + "Zijn geweten is van ruim fatsoen en tamelijk versleten." + + +In één woord. 't Is de dierlijk lichtzinnige mensch. Neen--waar +streven naar volmaking is, in den edelsten zin, daar is geen Jan Rap, +daar is godsdienst. + +En nu over de kerk. (Ik versta onder kerk een vereeniging van menschen, +die dezelfde of nagenoeg dezelfde Godsvereering of Godsdienstige +uiting hebben.) + +Onder die vele kerken is er noodwendig ééne, die de zuiverste vormen +heeft of er naar streeft. Ik geloof dat de nieuwe of zoogenoemde +Moderne richting in het oog der edele vrije denkers--van Jan Rap +spreken we niet--dan toch nog de beste richting of kerk is. Voorzichtig +dan, vel den boom niet omdat zijn vruchten nog groen en onrijp +zijn.--Maar gij, Desiderius, gij wilt hem niet vellen, gij wilt +hem dulden. En als ge dan aan anderen die vruchten gunt, vergeet +gij het lommer....? Doch waartoe die beelden. Ik bid u, blijf niet +stilstaan bij de tientallen die gij kent; bij menschen onder hen, +als gij, bevoorrecht boven velen met gaven van geest en van hart; +neen, zie in breeder kring, denk aan de duizenden van nabij en verre, +in steden en dorpen, die slaven den ganschen dag--en ze zullen er +tot den einde toe zijn--om zich schatten te verzamelen en tot eer of +grootheid te geraken. Zie rond, telkens verder, en juich het dan toe +dat er in al die steden en dorpen nog mannen worden gevonden--wij hopen +hoe langer hoe meer, eenvoudige mannen, beseffende dat ze mensch zijn +en niets meer,--mannen, die er in de grootste gebouwen--welke met hun +hooge torens zich als boven het alledaagsche verheffen--den medemensch +herinneren dat er nog iets meer en iets hoogers is, dan geld en goed, +en eer en aanzien: weldoen in stilte; den naaste te geven wat hem +toekomt; aan den beleediger de hand ter verzoening te reiken.--Juich +het toe dat er nog gewezen wordt op de schoonste bladzijden der +wereldgeschiedenis, of op voorbeelden vol leven en gloed. + +O, ik heb zooveel te zeggen, maar de woorden op 't papier zijn te +zwak. Daar is een kerk noodig, daar zal een kerk noodig blijven +zoolang de mensch geen dier wordt. De mensch wil Godsvereering, +hij wil, hij moet aanbidden. Gij Desiderius doet het ook. Ja innig; +al bewondert ge maar het genie in den mensch, die sprank van het +Ongeziene. En als ge dat doet, dan huldigt ge God. Als ge verrukt +staat waar de dalende zon speelt over de rosse hei, daar aanbidt +ge. En als ge sprakeloos van verrukking daar hoordet aan uw zij: +Hoed af voor den grooten Schepper van hemel en aarde! gij zoudt.... + +Maar hoe, twijfelde ik daaraan een oogenblik? Neen, waarlijk waarlijk +neen. Maar anderen twijfelen daaraan, niet waar....? doch daarvan +later. + +En de aanbidding van het genie, het verheven reine genie van Jezus was +juist uw grootste grief tegen de kerk tot heden. Maar nu, nu wil de +nieuwe richting geen genie-aanbidding meer. Zij wil--indien ik haar +wel begrijp--hulde brengen en recht laten weervaren aan het groote +genie van vóór achttien eeuwen, aan den onovertroffen dichterlijken +tolk der verhevenste uitingen van het menschelijk hart. Zij wil +zijn lessen volgen, die nooit in schooner en sprekender vorm werden +gegeven. Zij wil prediken: "Och menschen onder dezelfde zon, hebt toch +geen twist en tweedracht onder elkander, en neemt geen wraak als men u +misdeed." Immers zoo krachtig, maar tevens zoo dichterlijk klonk het: +"Vergeven zult ge tot zeventigmaal zevenmalen; die u sloeg op de +linkerwang, keer hem ook de rechter toe." Is dat niet geniaal? Ja, +'t is nu een oud en bekend refrein, maar 't is prachtig geniaal. Daar +kunt ge niet tusschen komen, met geen speld. Al onze maren zijn van +nul en geen waarde. + +Ja, zich te veredelen, te verheffen naar den rein godsdienstigen zin +van Jezus,--ik meen dat deze zin de veelal zoo mystiek verklaarde +heilige geest is--dat is, naar ik vertrouw, ook de leus der +nieuwe richting in de kerk, die moet blijven arbeiden totdat alle +menschen--ook de zeer zeer slecht ontwikkelden, vrij zullen kunnen +denken en geen herinnering meer behoeven aan hun duurste plichten, +of, wilt ge, aan de eischen der ware humaniteit, die wel niets anders +zal bedoelen dan den naaste liefhebben en den Schepper bovenal. + +Maar, hoe dikwijls zal vóór dien tijd de boom zijn blad nog +verjongen?--Voorzeker, een kerk zal er noodig zijn, noodig, zoolang de +mensch behoefte heeft om een Eere! Eere! te brengen aan dien Oneindige +en Onbegrijpelijke, die de zonnen doet wentelen door het heelal en +een gansche wereld onderhoudt in een enkelen waterdroppel. Noodig, +zoolang de mensch gevoelt dat hij volmaakt zou kunnen zijn, maar het +niet wordt op deze wereld; zoolang hij beseft dat er oneindig veel +is wat hem in dit leven nimmer zal geopenbaard worden, hoezeer hij +er naar haakt, hoe dikwijls hij ook naar de ontsluiering van vele +raadselen smacht. Een kerk zal er moeten zijn om te troosten met de +gronden der hoop, dat het leven niet eindigt met dit aardsche bestaan, +waar het wijst op levens vol onschuldig lijden en onverdienden hoon; +op het sterven van zuigelingen, van mannen en vrouwen in de kracht +van het leven, zoo uitstekend en nog zoo nuttig in hun kring; van +ellendigen, kinderen van ontaarden, die rondtastten hun gansche leven +in de onreinheid en stierven met een godslastering op de lippen. + +Op dat alles heeft de kerk die duizenden te wijzen. Ja stichten, +troosten, vermanen en veredelen moet zij zonder ophouden; maar ook +aansporen tot nutte werkzaamheid in het heden, om in 't eind te +komen tot den blijden toon: Moed gehouden als u deze aarde ontvalt, +want luister, luister naar den genialen dichter: + + + "Vele woningen zijn er in des Vaders huis!" + + +Maar immers ik wist het, Desiderius heeft hier niets tegen. De kerk +besta, mits zij den ouden slenterweg verlate. Geen nieuwe wijn in +oude zakken, geen.... + +Maar toch wel een versterkende spijs in de aarden pan, als men tot nog +toe geen porselein bemachtigen kon. Toch liever met de grove schaaf +geschaafd dan met de zachte vlakke hand over het ruwe hout gegleden. + +Hoe dan, geen doop! Geen avondmaal! Geen kerkelijke inzegening van +het huwelijk meer! En waarom niet, mits geen geheimzinnige mystieke +kracht daarin gelegd of gezocht wordt: + +Het kindje wordt opgenomen in de groote vereeniging van menschen, die +op dezelfde wijze naar God en volmaking streven. Met helder water wordt +het gezichtje besproeid. Water, het beeld der reinheid. En dan--zou +het niet goed zijn dat die ouders--velen althans--omringd van vrienden +en getuigen, nog eens worden herinnerd aan de plichten die hun, met +het geschenk dat ze ontvingen, zijn op de schouders gelegd, en aan +God beloven: Vader! wij zullen ons kindje opvoeden naar UW reinen wil. + +Geen avondmaal! Waarom niet? Is het, in kleine plaatsen vooral, +niet een aandoenlijk en plechtig middel om menschen met menschen te +vereenen, hun te herinneren dat ze gelijk zijn voor den Oneindige; +dat ze liefde moeten hebben voor elkander, en dat verzoening--zoo +die noodig is--hun een ongekende zaligheid schenken zal--Maar in +die groote kerken? Ja, ja! daar moet verandering komen.... of.... de +menschen moeten veranderen, ik weet het niet. + +En 't kerkelijk trouwen!--O, begin maar vrij uw huwelijk in het +huis, dat aan den Schepper aller dingen is gewijd! begin maar vrij +met een lofzang aan Hem uit het hart.... Noemt gij het dwaas? Mij +komt dat uur niet in de herinnering of nog wellen er tranen in +mijn oogen. Dwaas? noem dan heelemaal een huwelijk dwaas, of uw +moeder een zoen geven dwaas, en zooveel, zoo ontzettend veel dwaas, +bespottelijk dwaas! + +Maar Desiderius, dit zeide ik niet tot u. Ik dacht niet eens meer +aan u, want tot u moet ik geheel anders spreken. Gij zoudt recht +hebben indien gij u gekrenkt vondt, beleedigd door een liefdeloos en +onrechtvaardig oordeel van zoo velen uit den schoot der kerk--der oude +vooral--dewijl zij u niet kennen, niet begrijpen en u veroordeelen +omdat gij hunne vormen niet als voortreffelijk huldigen kunt, omdat +hun geloof voor u geen waarheid is, en gij vrij wilt zijn en vrij +wilt denken en God dienen in 't gemoed op uwe wijze, zelfs al moest +het schijnen dat ge leeft zonder een God. + +Maar hoe--waarom kant ge u tegen de kerk, terwijl gij slechts +gewetensdwang en liefdeloozen eigenwaan te bestrijden hebt. O sla de +bijl niet aan den stam waar de boom zich verjongt met frissche blaren, +ofschoon ze nog teer zijn van vorm en van kleur. Nog eens, zoolang +er menschen leven zal er Godsvereering zijn, en de Godsvereering +wil zich meestal uiten op breede schaal en heeft een vorm noodig, +altijd een vorm. + +Schrik ze niet af de jongelingen, die zich wijden willen aan de +ontwikkeling der menschheid; die verlichten en voorgaan willen in het +goede en zich stellen tegen dogma en gewetensdwang. Spreek hun moed +in met mij, 't is zulk een schoone roeping, raad en troost te geven +aan zwakken en armen; op te bouwen in het goede, den mensch te houden +in den heiligen zin, in den geest die uit God is: reinheid! liefde! + +En hoe, hoe zullen en kunnen ze daartoe komen, in al die steden en +dorpen, dan binnen de grenzen--ik had haast gezegd dan binnen de muren +eener kerk, die feilen zal in begrippen en vormen tot den einde toe, +evenals wij feilen Desiderius, evenals gij en ik. + +Dit moest mij van 't hart, mijnheer de Spectator! De vragen beantwoord +ik nader; misschien is dit meteen wel het antwoord geweest op de vraag: +Zijt ge het altijd eens met den Spectator? [11] + + +Jan. 1866. + + +(Wordt vervolgd). + + + + + +II. + + +Mijnheer de Spectator! + + +Gij herinnert u het doel van mijn schrijven, namelijk om op eenige +vragen, die mij in den laatsten tijd gedaan werden, het antwoord +te geven. + +Ik spreek maar terloops van sommige aanzoeken, om pas verschenen +boeken te beoordeelen, o. a. een werk van Ds. Adama Van Scheltema, +getiteld: Wat ik goeds zag in den vreemde, 't geen ik reeds goed zou +kunnen noemen, omdat het goede op te merken in mijn oog heel goed +is,--ook het goede niet in den vreemde.--Maar immers ik ben geen +recensent en al heeft een geestig vriend eens beweerd dat men zulke +dingen niet zeggen moet, ik zeg het toch nog maar even heel zachtjes +aan u, mijnheer de S. in de hoop dat men mij daardoor niet meer met +de toezending van werken ter beoordeeling vereeren zal. + +Maar de fabriekskinderen! Komt daar nu niets van? Is dat al +doodgebloed? Is die commissie van onderzoek....? + +Stil, dat zijn vragen die zeer doen. Nietwaar, 't gaat langzaam, +alles zeer langzaam in ons lieve vaderland! Misschien heeft het +zijn goede zijde, maar--'t is treurig, heel treurig, dat die arme, +bleeke, naar ziel en lichaam verwaarloosde kinderen intusschen nog +maar altijd op vele plaatsen 15 en meer uren daags moeten werken, +dat ze nog maar altijd niets NIETS kunnen leeren, en dat men in +Nederland menschen doemt tot machines, tot wezens dikwijls beneden het +redelooze dier.--Wij moeten geduld hebben. Ik vernam dat onze minister +van Binn. Zaken al gedurig naar den uitslag van het onderzoek der +commissie heeft gevraagd. Maar, de commissie zal waarschijnlijk niet +altijd haar tijd beschikbaar hebben voor de taak, die zij gaarne uit +plichtgevoel of menschlievendheid aanvaardde, en vermoedelijk heeft +zij te kampen met velerlei natuurlijke bezwaren. Doch--geduld! de tijd +komt waarin zij erkennen zal dat er verandering noodig is; erkennen, +dat die arme kleinen nimmer kloeke mannen en vrouwen, nimmer knappe +werklieden kunnen worden; misschien zelfs zal zij zich losrukken van +de hoogst twijfelachtige cijfers in dezen, om, getroffen door zooveel +ellende naar ziel en lichaam, van onze regeering te vragen een wet +ter regeling van den arbeid der fabriekskinderen. + +Maar die regeering, mag zij de Nederlandsche industrie aan banden +leggen....? + +O die oude, zoo dikwijls beantwoorde vraag! En dat antwoord: Ja gewis, +als die banden noodig zijn ter handhaving van de maatschappelijke +rechten; als zij strekken om den mensch te binden aan wat goed is, +en leiden tot veredeling van den geest. Ja, voorzeker mag zij dat, +wanneer zoo groot een aantal vertegenwoordigers der industrie +gedurig daarom vragen, ten volle verzekerd dat een wet ten behoeve +dier kinderen te gelijk een wet zal zijn in het waarachtig belang +der volksontwikkeling en zoo ook in het belang der nijverheid. Hoe, +daar is een wet in Nederland, die den armen vader tot den kerker +veroordeelt, dewijl hij een brood stal voor zijn behoeftig gezin. Ja, +hem wordt de vrijheid benomen, dat eischt.... de bakker die zijn +brood mist. Rechtvaardig! zeer rechtvaardig! Maar UWE burgerrechten, +UWE rechten als menschen, arme, arme kinders! Doch geduld, nog een +kleinen tijd en uw arbeid zal verlicht en uw geest zal ontwikkeld +worden, en misschien--als gij later knappe werklieden wordt, dan +krijgt ge ook nog wel iets meer te eten dan uw slechte aardappels +met mosterd en uw kleffe poffers met kalk. + +Maar gelooft gij dan--zoo klinkt alweder een vraag--dat onze +fabrikanten gevoellooze menschen zijn! doof en blind voor den toestand +der armen die hen dienen, dienen voor een loon dat den ouders dier +kleinen een bloedgeld moest zijn--arme ouders, treurig overschot van +een geslacht fabriekskinderen dat verging. + +Neen, NEEN, zeg ik u. In gemoede houd ik vol dat het gevoeligste +hart kan wonen in de borst van hem die zijn zaak ziet bloeien, +zelfs ten koste van het arme jonge leven. Gewoonte, ziet ge, dat +is de dommekracht die hen deed voortgaan tot nog voor weinig tijd; +dat is de doffe bril waardoor men in die kinderen machines zag, +werktuigen en niet veel meer. + +"Marie, geef dien armen drommel daar op straat 'en boterham, 't is +beroerd zooals dat kind d'r uitziet--zoo'n wurm!" + +En dat kind werkte bij mijnheer zelf in de fabriek. "Ja, ziet ge, +als men IN DE FABRIEK is dan is 't natuurlijk dat ze er zóó uitzien, +maar op straat en voor het raam van je huiskamer, neen, dát maakt +een verschil, dat doet waarachtig zeer." + +Ja ZEER, omdat het oog er niet aan gewend en het hart toch goed +is. Geduld dan kinderen, het grootste deel uwer heeren en meesters +beseft al dat gij tot wat meer zijt geboren dan gij nu worden +kunt; die heeren beseffen al dat uw belang ook het hunne wordt, +als ze zien naar den fabriekswerkman ginds in het praktisch nijvere +Engeland. Geduld maar, uw meesters, al doen er sommigen reeds veel om +uw lot te verbeteren, ze kunnen nu nog niet alles wat ze willen--de +meesten hunner althans--want ziet ge, daar is een andere macht, +die hen tot nu toe weerhoudt: de concurrentie, een macht.... + +Maar arme fabriekskinderen, wat praat ik tot u; al kondt gij +den Spectator lezen, ge zoudt er geen woord van verstaan; neen, +mijnheer de Spectator, tot u is het dat ik spreek, en door u tot +hen, die zoo dikwijls en ernstig vragen: Wat wordt er van de zaak +der fabriekskinderen? + +En het antwoord er op, vat ik nog eens saam in deze woorden: Wat elders +noodzakelijk was zal ook hier blijken noodig te zijn; wat elders de +schoonste vruchten oplevert [12] mag hier niet ontbreken. Nog een +wijle geduld!--Voor de eer van Nederland, en--wij moeten het dankbaar +erkennen--met den wensch van vele, ook der eerste fabrikanten, gaan +wij een betere toekomst te gemoet, want, daar moet, daar zal een +wet komen ten behoeve van het ongelukkige fabriekskind, een wet ter +handhaving van den bloei der Nederlandsche industrie. + + + +Een vraag van geheel anderen aard klonk menigmaal. Hoe schrijf je +voortaan, heelemaal woordenboeks? of....? + +'t Zou voor een belletrist, die zich volstrekt niet inbeeldt een +taalkenner te zijn, misschien verstandiger wezen, om dit chapitre +in uw weekblad blauwblauw te laten, doch de zaak der spelling raakt +den auteur zoo van nabij, dat hij,--om niet inconsequent te schijnen +wanneer hij zich afwijkingen veroorloven gaat--zich wel eens openlijk +verklaren mag.--En zoo antwoord ik dan gaarne: dat ik op gezag--ja op +gezag--in vele woorden meer letters zal schrijven dan ik gewoon was; +ik wil de vorsten lang laten regeeren, en aan een adellijke een l meer +geven dan aan een edeling of zelfs een hemeling--ofschoon ik het niet +rechtvaardig vind. De trotsche paauw zal ik met genoegen kortwieken +en met pleizier aan alle draaijers en vleijers een been ontnemen, +op gevaar af dat men ze niet meer kennen zal. Wat mij betreft ik had +er echter niet aan getornd om een mooije vrouw heelemaal van de been +te helpen en had haar in allen geval--indien ze dan wat van haar mooi +moest verliezen--veel liever de i ontnomen, en mooje in plaats van +mooie gezet. Al die klinkletters naast elkaar, 't is Hottentotsch en +een fraaiigheid om in te verbiesteren, zei Toon de kruier--misschien +landerig omdat hem ook al z'n been ontfutseld was. + +Maar ik ben bedroefd over de komst der g. Onze dierbare moedertaal +wordt naar de keel gedrongen; die zachte g moet verdwijnen, de +g die ons herinneren moest: spreek toch vóór in den mond en niet +als de schreeuwers die de "levendiche schchellevisch" venten en de +"maachchies acht om een dubbeltje, pak ze maar wech!" 't Is treurig, +maar, als de wetenschap: leve de ch zegt, dan zal ik haar gaarne gunnen +zich te warmen aan een kachel zonder g, en te lachen ook al zonder g, +lachen zelfs om de dwaasheid dat ik laatst een lief maar onnoozel kind +hoorde voorlezen: "hij zat bij de kac-hel.... vreeselijk te lac-hen." + +Doch dit gepraat zou in 't geheel niets beduiden indien ik mij niet +wilde verklaren omtrent een paar woorden, waarin ik de g zal blijven +gebruiken in weerwil van de aangenomen regels. Ik bedoel de woorden +ligt voor niet zwaar, en digt voor toe. Het onderscheid wensch ik bij +de lezing niet twijfelachtig te hebben. Wanneer ik straks geschreven +had: geduld kinderen, uw arbeid zal verlicht worden, dan had men een +oogenblik aan meer dag- of kunstlicht in de fabrieken kunnen denken, +'t geen toch waarlijk de bedoeling niet was. En gesteld eens dat +daar geschreven staat: "Het boek is dicht," zou hij die van Vlotens +Dicht en Ondicht bezit, niet een oogenblik in de war kunnen komen, +evenals de vriend in de residentie, die een beklag ontving uit een +der noordelijke provincies, en wel ter oorzake dat aan een Hagenaar +een onderscheiding was te beurt gevallen waarop de noordelijke meer +aanspraak meende te hebben, en de vriend nu las: maar geen wonder +hij is "dichter bij het Hof". De vriend wist niet dat Z. M. er een +privaat dichter op nahield. Nu wil ik gaarne aanstonds toestemmen, +dat men zóó kan schrijven dat een vergissing niet ligt mogelijk wordt, +doch, waar op den regel de ch voor de t de uitzonderingen gelden: +behalve in de regelmatige vervoeging der werkwoorden wier stam op een +g eindigt, en, in de zelfstandige naamwoorden door achtervoeging van +de te gevormd van bijvoeglijke naamwoorden uitgaande op g; daar mag +mijns inziens nog wel déze derde uitzondering gelden: en behalve in +de woorden ligt en digt--voor niet zwaar en toe--die eensluidend +als de woorden licht en dicht maar verschillend van beteekenis +zijn." En nu, terwijl ik het geen gevaar acht dat men mijn derde +uitzondering ligt en digt zal noemen, omdat zij juist daardoor tot +een zekere bekendheid zou geraken, stap ik van dit onderwerp af, om +met blijdschap de woordenlijst der Ned. taal van de wakkere heeren +de Vries en te Winkel te begroeten. Gaven zij dikwijls gaarne de +verzekering dat zij hun werk niet als verbindend willen beschouwd +hebben, zij zullen, ik ben er zeker van, ook deze afwijking waar men +die volgt, gaarne eerbiedigen. [13] + + + +En nu ten slotte die vele vragen naar aanleiding van de schier +algeheele afkeuring van mijn jongste tooneelwerk aan de eene, en +het buitengewoon groot succes er van aan de andere zijde. Ik zal +er niet op antwoorden, alleen wil ik met het oog op mijn vaderstad, +voor de inwijding van wier nieuwen schouwburg ik mijn Emma Berthold +heb geschreven, openlijk den wensch uiten, dat een reeks van meer +dan veertig voorstellingen er van te Rotterdam haar de overtuiging +zal hebben geschonken, dat de auteur zich de taak in waarheid niet +ligt heeft geacht, maar ter eere van Arnhem--en mocht het zijn van het +Ned. tooneel--getracht heeft het beste te schenken wat hij te schenken +had. Niets anders dan de zucht om zoo mogelijk ons tooneel te helpen +zuiveren van de gruwelen en onzinnigheden, die er zoo dikwijls den +volke worden vertoond, spoorde hem aan om het, in ons land waarlijk +niet uitlokkende veld te bearbeiden, en, als ik nu met blijdschap +verneem, dat een schoon oorspronkelijk werk van onzen genialen Schimmel +zoo groote scharen naar den schouwburg lokt, dan word ik gedrongen om +allen, die hun volk liefhebben en zich krachtig tot die taak gevoelen, +krachtiger dan ik, luide toe te roepen: Schrijft mannen, schrijft +goede stukken, zorgt voor een juiste opvoering er van, evenals onze +classieken daarvoor zorgden, en, gij zult den bloei van ons tooneel +bevorderen en den wansmaak verjagen uit die leerschool voor het volk. + + +Den Haag, 22 Jan. 66. + + + + +CORRESPONDENTIE. + + + Aan den WelEd. Z.Gel. Heer Dr. S. Sr. Coronel. + + Geachte Heer! + + +Ontvang mijn vriendelijken dank dat gij naar aanleiding van +mijne regelen in den Spectator, nog eens de belangen der arme +fabriekskinderen hebt ter sprake gebracht. + +Mij dunkt wij zijn het volkomen eens. Men moet geduld hebben--ofschoon +het moeite kost. Doch, waar uw naam wordt genoemd, daar voel ik mij +gedrongen om aan hen, die ongeduldig telkens weder vragen: komt er nog +geen verandering in den toestand der ongelukkige fabriekskinderen, den +raad te geven, al wachtende, nog eens uw dieptreffend en verre boven +mijn lof verheven In 't Gooi te lezen, te vinden in den Gids jaargang +1863, maar vooral ook uw sprekend betoog, getiteld: De toestand der +kinderen in onze fabrieken en het gewicht eener regeling van hunnen +arbeid, uitgegeven bij de Erven Loosjes te Haarlem 1863. + +Geloof mij inmiddels met de meeste hoogachting te zijn: + + WelEd. Zeer. Gel. Heer, + + 12 Febr. 1866. Uw. Dw. Dienaar. + + + + + +EEN KUNSTENAAR MÆCEEN. + + + Mijnheer de Spectator! + + +Vergun mij u iets mee te deelen. + +Omdat gij er nog niet van gesproken hebt vermoed ik dat het u òf +onbekend òf althans slechts bij geruchte zal bekend zijn. + +Natuurlijk kent gij Dantes Divina Commedia. De Hollandsche vertalingen, +inzonderheid die van A. S. Kok in metrische verzen, zullen u evenmin +vreemd zijn: en zeker hebt gij de platen van Gustave Doré bewonderd, +waarmee de Fransche pracht-uitgave van Dantes Inferno geïllustreerd +werd. + +Indien gij nú niet begrijpt wat ik bedoel, dan kan ik gerust vertellen; +de zaak moet u vreemd, en de naam van den man u nog onbekend +zijn.... Maar stil. + +Nog zelden had ik zulk een prachtig boek in handen, en zeker heb ik +nooit gedacht er zoo een present te zullen krijgen. Als er niets +grooters is dan folio-formaat, dan is het folio, maar anders--is +het grooter. + +Zie, nu ik de zwart kartonnen doos open, waarin het groote boek, op +de wijze als onze photographie-albums, besloten ligt, nu is een goed +deel van onze theetafel bedekt. We zouden de thee wel kunnen wegzetten. + +Voorzichtig! Die band--rood met verguld--is smaakvol en stevig. Op +den rug--die nog te zien is--leest ge in gulden letters: De Komedie +van Dante, en dan op het bovenblad in het beeld der eeuwigheid: +De Hel van Dante. + +Onwillekeurig worden de vingertoppen, hoe schoon ze ook zijn, nog eens +vluchtig aan den zakdoek gebracht, want de uitroep: prachtig! komt +telkens terug. + +Zwaar, deftig en blank is het papier. Erg veel wit zien we in 't begin. + +Ha! dat is schoon: Tegenover het titelblad, waarvan de roode en zwarte +letters door het glanzig vloeipapier gluren, zien we het borstbeeld +van den man wiens reuzenschepping de eeuwen trotseerde: het beeld +van Dante Alighieri in overschoone photographie. + +Die photographie--van den heer F. W. Deutmann te Amsterdam--werd +genomen naar een marmeren buste, vervaardigd te Rome door Eumene +Baratta op last van den eigenaar die.... Maar, nog even geduld, +want luister, op de volgende bladzij zingt onze Ten Kate den bard +der oudheid toe: + + + + Dante Alighieri. + + "In één grootsch werk de schepper van zijn taal, + En 't heerlijkste, ooit in menschentaal geschreven, + Waarin niet slechts de middeneeuwen leven, + Maar 's levens polsen kloppen, al te maal. + + Der volkren Dichter, door zijn volk verdreven + En vogelvrij verklaard, in zegepraal + Op vleuglen van 't genie naar 't ideaal + Der liefde, zijn Beatrix, opgeheven! + + Van uit den diepsten nacht in 't hoogste licht + Trapswijz' geklommen, wordt zijn Hemelsch Dicht + Symbool der weergeboorte uit zonde en smarte, + Die 't menschlijk leven godlijk loutren moet. + Zóó schildert, met zijn tranen en zijn bloed, + Deez' Dante in beelden 't drama van elks harte." + + +En als we dan het zware blad weer omslaan dan lezen we: + + +Mijnen waarden vriend Dr. Hacke, vertolker van Dante's Inferno. + + +En weer klinkt het lied van onzen zanger: + + + "Gij zijt hen nagewandeld, onbevreesd + Als derde volgend door de ongastvrije oorden! + En wat Virgiel en Dante zagen, hoorden, + Gij hebt het mee ervaren in den geest. + + Ja meer! Gij zijt des Dichters tolk geweest, + En 't is uw roem, als voortaan in ons Noorden + Het zuidlijk orgel zingt met de eeuwige akkoorden, + En Neerland huivrend zijn Inferno leest! + + Excelsior! Van uit de schriklandouwen + Naar boven!..... Zalig zijn zij die daar rouwen! + De smart tot God is heilig loutringsvuur. + Doe als uw meester! Stil ter goeder uur + De zielzucht onzer edeler natuur: + Wij smachten naar Beatrix--doe ze aanschouwen! + + +"Dr. Hacke?" + +Jawel, Dr. J. C. Hacke van Mijnden! Kent ge hem niet? + +"Hacke van Mijnden?" zegt ge, en kijkt rechts en links, "Dr. Hacke +van Mijnden--Doctor....?" + +Tob maar niet langer. Gij kent hem niet. En dat is juist het mooie +van de zaak. + +Ik herhaal het: dat is nu 't mooie van de zaak. + +Dr. Hacke is een man van middelbaren leeftijd, en het eerste dichtwerk, +dat hij het publiek--neen nog slechts zijn' vrienden aanbiedt, het +is de vrucht van een studie sinds de dagen zijner jeugd. Mij dunkt +dat heet liefde en eerbied hebben voor de kunst, dat heet eerbied en +achting gevoelen voor haar waardige vierschaar, en--voor zich zelven! + +Men heeft mij gezegd--en 't kwam uit een goede bron--dat Dr. Hacke +de geheele Divina Commedia--of althans de Inferno--reeds driemalen +voor eigen studie en genot in 't Nederlandsch overbracht, om steeds +dieper de schoonheden van het onsterfelijk gedicht te peilen, aleer hij +besluiten kon een vertolking er van aan de pers te vertrouwen. Luister +even welke eischen de ernstige man zichzelven stelt. Hij zegt in zijn +voorwoord--zonder opschrift: + +"Indien het nu bij de overbrenging van een dichterlijk kunstwerk +in eene andere taal altijd een vereischte is, den vorm, waarin de +dichter zijne gedachte gekleed heeft, in het oog te houden, dan is +het vooral bij Dantes Komedie het geval, waar niets willekeurig is, +waar alles mathematisch en harmonisch in elkander past, waar elke +uitdrukking, elke vorm, ik zou haast zeggen elk woord, met een bepaald +doel gekozen werd." + +En verder: + +"Niettegenstaande de redenen door Macaulay aangevoerd voor zijne +uitspraak, dat eene vertaling nooit behoort geschreven te worden in +verzen, die bijzondere moeilijkheid voor het rijm opleveren, heb ik +getracht, én den geest, én den nauw daarmede verwanten vorm van het +dichtstuk te bewaren, door niet alleen voor zooverre 't mogelijk was, +regel voor regel en woordelijk te vertalen, maar ook vooral, door de +terzine met hare driemaal herhaalde vrouwelijke (slepende) eindrijmen +na te volgen; het rijm toch maakt de terzini uit, die zonder dat, +van kleur en doel verstoken zou zijn." + +Of Dr. Hacke daarin geslaagd is, en of hij het gezegde der Italianen: +"Traduttore-traditore (vertaler-verrader)" op zich behoeft toe +te passen; of hij schitterend de vele bezwaren heeft overwonnen, +die hij vond op zijn moeielijk pad, dewijl onze taal "noch den +rijkdom, noch de verscheidenheid van slepende uitgangen heeft die +aan de Italiaansche eigen zijn". Op dit alles zal ik u geen antwoord +geven. Gij weet het, ik matig mij niet gaarne in 't publiek een oordeel +over anderer kunstwerken aan, en vooral zou het hier al zeer dwaas +zijn een oordeel over een jarenlange studie te vellen, gesteld zelfs +dat wij het Italiaansch spraken als onze moedertaal òf--als Dr. Hacke. + +Maar wilt gij eenige bladen met mij omslaan en luisteren, dan kunt +gij zelf oordeelen. + +Doch eerst moet ge zien, want door het vloeipapier, waarop in 't +midden keurig en zuiver gedrukt staat: + + + "In 't midden van de loopbaan van ons leven + Heb ik mij in een duister woud bevonden. + + De Hel, Z. I. I." + + +door dat vloeipapier heen schittert reeds een der geniale scheppingen +van den Czaar der teekenaren, en als ge het rammelend vloeipapier +omslaat, dan ziet gij dat eenzame woud, met zijn fantastisch licht, +zooals alleen Gustave Doré het schetsen kon, het duistere woud, dat +de wereld moet voorstellen, verzonken in onwetendheid en zonde, en +waarin de dichter, zelf met den voet in struik en distelen, angstig +omziet, dewijl hij "het rechte pad had laten varen". + +Wij slaan nu eenige bladen om en, luister: + +Virgilius heeft Dante de poort der helle gewezen waarboven geschreven +staat: + + + "Wie binnentreedt late alle hope varen." + + +en Dante spreekt: + + + Toen vatte hij mijn hand, en wel tevreden + Zag hij mij aan, en schonk mij nieuwe krachten, + Zoo daalden we in den afgrond naar beneden, + + Waar zuchten, luide kreten, jammerklachten, + Die duistre sterrelooze lucht doorboorden, + Zoodat ze mij tot droeve tranen brachten. + + Vermengde talen, vreeselijke akkoorden, + Geschrei van smart en wanhoop of van woede, + Met handgeklap en schelle of doffe woorden + + Verwekten een geweld, dat, nimmer moede, + In 't rond draait in die eeuwig duistre luchten, + Als zand, gedreven door des stormwinds roede. + + +Nu zou ik wel kunnen voortgaan, maar de Inferno heeft drie en dertig +zangen, en elke zang gemiddeld honderd veertig verzen.--Ei! zie nog +eens even die terzines: + + + Krachten, klachten, brachten. + Doorboorden, akkoorden, woorden. + Woede, moede, roede. + + +En dan, een schier woordelijke vertolking! + +Mij dunkt wij moeten eerbied krijgen voor den man, die niet slechts +den moed had om Virgiel en Dante te volgen op hun somber pad, maar +die er zijn leven aan wijdt om een klassiek kunstgewrocht van vreemden +bodem in een Nederlandsch kunstwerk voor het heden te herscheppen. + +In een Nederlandsch kunstwerk! Zie Mijnheer de Spectator, ik ben +er zeker van: het doet u goed zoowel als mij, dat een vermogend +Nederlander, in stee van met Franschen tongval te spreken, ons +dierbaar Nederlandsch zóó lief heeft dat hij het kneden en vormen +wil tot de herbouwing van een onvolprezen monument der middeleeuwen, +op vaderlandschen grond! + +Ja het doet ons harte goed, en met hooge ingenomenheid mogen +we wijzen op dit feit in de geschiedenis onzer hedendaagsche +letterkunde, want eene vertolking als door Dr. Hacke geleverd--en +nog te leveren--bewijst ons opnieuw den onwaardeerbaren rijkdom +onzer heerlijke moedertaal. En--wat wordt zij dikwijls verloochend, +die lieve taal van Vader en Moeder! + +Gij hebt het reeds gehoord, de dichter--rijk in meer dan eene +beteekenis--hij gaf de volwassen vrucht van zijn talent, mét de gouden +schalen waarop hij haar aanbood, aan zijn vrienden ten geschenke.--'t +Is niet alledaagsch wat ik u vertel en wel de moeite waard er nota +van te nemen. + +Maar 't zou nu toch wel mogelijk kunnen zijn dat gij juist van dit +laatste uw grief maaktet tegen den dichter; de grief namelijk, dat +Dr. Hacke slechts aan zijn vrienden schonk waar gansch Neerland recht +op heeft. + +Neen, ik weet wel, gij eischt niet dat het getal vrienden zal +afhangen van de vrienden. 't Getal is al wél zult ge zeggen: honderd +vijftig! Maar wat gij hem in stilte verwijt misschien, 't is dat hij +zijn werk niet in een gewonen vorm--al ware het dan ook tegen een +matigen prijs--voor 't groote publiek heeft doen verkrijgbaar stellen. + +'t Is mij onbekend welke redenen Dr. Hacke daarvan terughielden. Maar, +het begonnen en nog slechts voor één deel voltooide werk heeft hij +lief. Vermoedelijk wil hij het gaarne heel rustig voltooien en althans +tot zoolang van zijn lievelingsstudie slechts smaken, wat hij er mee te +geven wenscht.--'t Kan zijn dat ik mistast, maar het komt mij zoo voor. + +Nu zult gij wellicht vragen--en oogenschijnlijk met eenig recht--of +het mij dan vergund was u, en mét u het publiek op deze prachtuitgave +opmerkzaam te maken, terwijl Dr. Hacke haar niet aan de openlijke +critiek onderwerpt. Ik herhaal u dat ik er niet aan dacht een +beoordeeling van zulk een werk te schrijven, maar,--voelde ik mij +gedrongen op het feit te wijzen, een woord van den dichter zelf geeft +mij 't recht tot deze mededeeling, en, ik weet het vooruit, uw eerbied +zal stijgen voor den man, die bij zooveel studie en dichtvuur, ook de +Nederlandsche beeldende kunst beschermen wil, door haar zoo mogelijk +aan zijn grootsche taak te verbinden. Dr. Hacke schrijft: + +"Er blijft mij bij de uitgave van dit eerste gedeelte alleen nog dit +te zeggen overig: met de vertaling van het tweede gedeelte ben ik +reeds gevorderd, en hoop, zoo God mij het leven laat, dit evenals het +laatste in denzelfden vorm uit te geven. Voor dit gedeelte kon ik van +de schoone platen van Doré gebruik maken; voor de beide volgende deelen +hebben verschillende kunstenaars onder mijne vrienden mij reeds hunne +hulp toegezegd; zeker ben ik daardoor, dat die deelen in belangrijkheid +zullen winnen. [14] Het zou mij zeer aangenaam zijn zoo deze woorden +aanleiding konden geven, dat nog meer kunstenaars uitgelokt werden +om mij hunne talenten tot het illustreeren van dit werk aan te bieden." + +Gij ziet het.... terwijl Dr. Hacke zijne vrienden reeds heeft +uitgenoodigd, wenscht hij dat nog meer kunstenaars hem hunne talenten +zullen aanbieden, en, ben ik dan niet in mijn recht wanneer ik door +middel van deze regelen, de tolk zijner wenschen tracht te zijn in +'t belang der Nederlandsche kunst! + +Mijnheer de Spectator, terwijl ik weet dat gij mij gaarne het +prachtwerk gunt, 't welk ik dank aan een gelukkige kennismaking +met den Kunstenaar Mæceen, geef ik u evenzeer de verzekering dat +Dr. Hackes werk ten mijnent voor u met de meeste liefde ter lecture +en ter bezichtiging openligt. Kom en gevoel mét mij, wat reuzenarbeid +de dichter ondernam, en voor een derde reeds ten einde bracht. Zie +nogmaals de drie en veertig u bekende meesterstukken van Doré; merk +op hoe onze Haarlemsche Kruseman mede een kunstenaar is waar hij een +prachtwerk weet uit te geven, dat naar mijn inzien aan de hoogste +eischen van goeden smaak en typographische uitvoering voldoet. + +Kom en zie, en wensch dan evenals ik: dat de dichter gespaard zal +worden tot de voltooiing van zijn werk, dat hij "in dien arbeid troost +en kalmte moge vinden bij de herinnering aan bittere verliezen", en dat +eens zijn geheele vertolking der Divina Commedia het algemeen eigendom +zal zijn van het onverdeeld en altijd Nederlandsch sprekende Vaderland. + + + Den Haag, 10 April 1867. + + + +EEN TALENTVOL ANNEXEERDER. + + +'t Is wel eens gezegd dat er in Nederland moed toe behoort om te +zijn wat men "auteur" noemt. Immers zeide men, het land is zoo klein +en bovendien is het aantal Nederlandsch lezende Nederlanders naar +verhouding te klein. Ja, voegde men er bij, de volharding van een +Nederlandsche auteur mag wel bewonderd worden: hij is kunstenaar uit +roeping, uit liefde tot de kunst. + +Op deze vereerende beschouwing mogen we niets afdingen. Wel hooren we +achter ons vragen, of Joostje, die met de meeste volharding dagelijks +lucifers vent--voorzeker gedreven door een inwendige roeping om anderen +van vuur en van licht te voorzien--niet insgelijks om zijn volharding +moet worden bewonderd? De stumper weet immers dat hij maar weinig +kans op debiet en nog minder op prijsjes heeft, want, zegt Joostje, +gaat de eerste niet dadelijk af dan heeten ze allemaal vochtig. + +Maar men zou kunnen zeggen dat de heer, die zoo vraagt, de zaken +door elkander haspelt. Joostje is toch in elk geval geen auteur, +en Nederlandsche geschriften zijn geen lucifers. De heer zegt niet +eens of hij houten- of windlucifers bedoelt, of wasjes misschien. + +Wat ons betreft, we zullen de quaestie--zoo het er eene wezen mocht--de +quaestie laten. + +Maar--in allen ernst kunnen we toch bij nader inzien niet zoo volledig +toestemmen dat de Nederlandsche auteur, om zijn beperkten kring van +lezers, in 't beklag moet wezen. + +Immers er zijn twee middelen, die den kring voor hem verwijden, +zoo dat noodig of wenschelijk is: + +Zijn de Levens van Rembrandt door Mr. Vosmaer, en van Steen en Potter +door Van Westrheene geen echt Nederlandsche werken, al werden zij +door hen in 't Fransch geschreven? Slechts een Nederlander kon het +doen zooals zij het deden, en, deinsden zij niet terug voor het +moeielijke van hun taak, in al de landen waar men met ingenomenheid +een nieuw licht over de levens en werken dier coryphaeën der kunst +zag opgaan, daar worden nu mede de namen hunner talentvolle biografen +met dankbaarheid en eere vermeld. + +Het tweede middel is voor den Nederlandschen auteur wat gemakkelijker. + +Hoe langer hoe meer ziet men in den vreemde mannen verschijnen, +die onze schoone moedertaal beoefenen en zich geroepen gevoelen om +de literarische vruchten van Nederlandschen bodem op den hunnen over +te brengen. + +De Nederlander, nog niet bijzonder gewoon aan zulk een beleefdheid, +voelt er zich een weinig door vereerd, en 't geeft hem eenigermate +de gewaarwording alsof hij bij voorbeeld aan een Duitsche badplaats +het Wien Neerlandsch bloed hoort spelen; soms veel te gauw of veel te +langzaam, maar dat doet er niet toe, 't is toch het Wien Neerlandsch +Bloed van ons! + +De gemoedelijke Nederlander zou aanstonds als hij dat hoort, en maar +in staat was om een quartet te blazen, uit gevoelige dankbaarheid +het Volkslied van.... enfin van de Badplaats gaan aanheffen, maar +dat kan niet en hij bepaalt er zich toe om straks den kapelmeester +zijn compliment te maken: 's War schön! Wunderschön! + +Nu zijn we waar we wezen willen. + +Een Duitsch literator heeft zich de moeite gegeven om eenige +Nederlandsche geschriften in zijne moedertaal te vertolken, en +is daarin volgens het oordeel van vele Duitsche tijdschriften en +couranten uitmuntend geslaagd. + +Reeds een paar malen vonden wij zijn naam in onze nieuwsbladen +abusivelijk vermeld, en kwam het ons voor dat de man, die o. a. het +jongste werk van den grijzen Van Lennep op meesterlijke wijze voor +Duitschers "genietbaar" maakte, aanspraak heeft op onzen dank en een +eervolle vermelding in deze kolommen, te meer dewijl wij vernamen +dat het zijn voornemen is om voort te gaan met het vertolken van +Nederlandsche geschriften, die hij daartoe geschikt zal achten. + +Dr. Adolf Glaser is te Wiesbaden in 1829 geboren. Aanvankelijk voor +den handelsstand bestemd, bleef hij tot zijn vijftiende jaar op 't +gymnasium te Wiesbaden, en kwam daarna in een fabriek van een oom te +Mainz, die veel zaken met Holland deed en daarom den jongen Glaser +de Nederlandsche taal deed beoefenen. + +In 't belang der zaak reisde Glaser zeer veel, niet slechts in +Duitschland, maar ook in Zwitserland, Italië, België en Nederland. Op +zijne reizen ontwaakte steeds meer en meer in de borst van den jongen +koopman de liefde voor natuurschoon en kunst, zoodat hij eindelijk +besloot den handelsstand te verlaten en zich, door de studie der +fraaie letteren, aan de kunst te wijden. + +In 1853--op vier en twintigjarigen leeftijd--vertrok hij, na eenige +voorbereidende studiën, naar de academie te Berlijn en werd in 56 +tot doctor gepromoveerd. + +Reeds als student had Glaser zich een goeden naam door het schrijven +van drama's en novellen verworven, zoodat hem al spoedig te Brunswijk +de redactie van het Tijdschrift Westermann'sche Illustrirte Monatshefte +werd toevertrouwd, welk blad onder zijne leiding weldra een zeer +goeden naam en groot debiet mocht verwerven. + +Sedert zijne vroegere reizen in Nederland, waar hij zich meermalen +een geruimen tijd ophield, was het steeds een lievelingsdenkbeeld van +Glaser, om de Nieuwere Nederlandsche literatuur in Duitschland bekend +te maken. In 1857 had hij reeds met goeden uitslag zijne krachten aan +een onzer klassieke werken beproefd. Herrigs Archif für das Studium +der neueren Sprachen, nam een verhandeling van Glaser op, die getiteld +was: Joost van den Vondel und sein Lucifer, een stuk waarin hij de +verheven schoonheid van Vondels treurspel in een helder licht plaatste. + +In 't jaar 1865 begon hij echter meer bepaaldelijk nieuwere +belletristische werken van Nederlandschen bodem in 't Duitsch +te vertolken. Zijn het er nog slechts weinige, met het oog op de +toekomst is het voor ieder Nederlandsch auteur en voor de eer onzer +letterkunde zeer belangrijk te vernemen, dat de Duitsche tijdschriften +en nieuwsbladen den heer Glaser den overvloedigsten lof brengen voor +de uitmuntende wijze waarop hij: Nederlandsche Novellen, en Hänschen +Siebenstern, bij hen heeft ingeleid. + +Om bijzondere redenen bepalen wij ons tot een paar mededeelingen +betreffende Glasers jongste werk. + +De Augsburger Allgemeine Zeitung zegt: Dass wir es können--Klaasje +Zevenster naar waarde schatten--das danken wir Herrn Adolph Glaser dem +Redakteur der Westermann'schen Monatshefte und bekannten Novellisten, +der uns den Roman "Hänschen Siebenstern" in gutes Deutsch so gut +übersetzte dass wir uns an der Uebersetzung wie an einem Original +freuen konnten. Solche holländisehe Annexionen lassen wir uns gerne +gefallen, enz. enz. + +In de Hausblätter leest men: "Die Uebersetzung ist dem Original +ebenbürtig--sie spricht uns durchaus an, als sei sie selber ein +Solches." Wat ons betreft, die met de Niederländische Novellen mochten +kennis maken, we moeten erkennen dat zeker maar zelden eenig vertaler +beter de eigenaardigheden onzer taal zal vatten dan de heer Glaser +het deed. + +In een verslag van de Gartenlaube für Oesterreich wordt doctor +G. genoemd: der bekannte, geistreiche Erzähler und Redacteur der +Illustrirten Monatshefte von Westermann, der gediegensten Zeitschrift +Deutschlands. Elders, in de Berliner National Zeitung wordt hij de +bekende dichter genoemd. + +Uit dit alles zal blijken dat de Nederlandsche literatuur zich in +Duitschland in uitmuntende handen bevindt. + +Tot de oorspronkelijke werken van Glaser behooren: Familie Schaller, +roman in zwei Bänden, Bianca Candiano, Erzählung, Erzählungen und +Novellen, drei Bände. Voor zijne Gedichten ontving hij van den +voormaligen Hertog van Nassau de gouden medaille van verdiensten, +en voor het drama Galileo Galilei--'t welk van zijn tooneelwerken +vooral in Weimar den meesten opgang maakte, van den later ontslagen +Koning van Hanover, mede het gouden eerbewijs. + +Wij eindigen dit verslag met den wensch, dat Glaser nog lang den lust +zal behouden om op zijne wijze te annexiren. Misschien biedt Kellers +Van Huis hem al terstond daartoe de schoonste gelegenheid aan. + + + Den Haag, 26 S. 67. + + +Tot mijn groot leedwezen is het later bij herhaling gebleken, dat de +heer A. Glaser een groot deel van zijn goeden naam in Duitschland aan +een annexatie-geest heeft te danken die in zijn land, zonder twijfel, +even slecht staat aangeschreven als in ons dierbaar Nederland. + +Slechts twee feiten ten bewijze: + + +I. Die Pflegemutter von Adolf Glaser is een woordelijke vertaling +van J. J. Cremers Deine-meu. + +II. Sommige letterlijke vertalingen van Glaser--zoowel werken van +andere Nederlandsche auteurs als van mij, verzwijgen het vaderschap, +en vermelden een: dem Holländischen nacherzählt, terwijl--ook dan +wanneer de auteur werkelijk op een middenschotje vermeld is, de naam +van den vertaler op den omslag, ja op den rug en menigmaal boven elke +pagina prijkt. In Bohemen werd mij door een boekhandelaar Von der +Bühnenwelt von Glaser ter lezing aanbevolen. Het was eene vertaling +van mijn Tooneelspelers. + + + 28 Jan. 1878. + + + + + +DIENTJE VAN 'T VEER. + + +De heer Slingervoet Ramondt heeft onder den bovenstaanden titel, +"een verhaal uit de Betuwe" in 't licht gegeven, "ten voordeele van +de noodlijdenden door de overstrooming, in de provincie Ferrara in +Italië." In zijn woord vooraf verklaart hij, dat de zucht om die +ongelukkigen nog wat meer te kunnen helpen dan hij 't reeds deed, +hem tot schrijven heeft gedrongen: "C'était plus fort que moi," zegt +de heer R.: "Ik schreef in de vrije uren die mijn beroepsbezigheden +mij overlieten. Ik schreef haastig, omdat spoedige hulp noodig +was." En iets verder: "Het is mijne bedoeling volstrekt niet, de +toegevendheid van het publiek, de welwillendheid der recensenten +in te roepen. Onverbiddelijk heb ik zelf vaak het produceeren van +liefdadigheids-literatuur en liefdadigheids-kunst afgekeurd. Ik lever +dan ook thans mijn werk over aan de gestrengste, onmeedoogendste +critiek." + +"En dat staat er werkelijk?" vroeg een hooggeëerde bezoekster, terwijl +een trek van edele verontwaardiging haar schoon gewelfd voorhoofd kwam +plooien: "Maar dat is spotternij! "Een schrijver, die zelf menigmaal +de "liefdadigheidskunst onverbiddelijk heeft afgekeurd" roept de +strengste, de onmeedoogendste critiek in, over een lettervrucht die +hij schreef--let wel--in de vrije uren die zijn beroepsbezigheden hem +overlieten,--alzoo vermoeid van den arbeid misschien--en, HAASTIG, +omdat een spoedige hulp er noodig was!--Maar wie zoo schrijven kan, +hij is.... hij verdient...." + +"Bedaar, hooggeachte vriendin, en bedenk dat die schrijver toch +het hart op de rechte plaats heeft: Door liefde gedrongen heeft hij +gezongen, en in weerwil dat hij 't zoo druk had.--Ik bid u wees niet +te gestreng?" + +"Hij verlangt het. Geen de minste toegevendheid begeert hij. Hij moet +wel zeer overtuigd zijn van de voortreffelijkheid zijner schepping. Zie +maar, hij staat daar met het hoofd achterover, met de hand aan +'t rapier." + +"Mijn geëerde vriendin was nooit voorbarig. Neen, die schrijver +staat daar niet met het hoofd in den nek of de hand aan den degen, +ik heb u nog niet gezegd wat hij er spoedig op volgen laat. Luister: +Hij wacht zijn vonnis. Hij is er van overtuigd dat er geen genade voor +hem is. Hij wenscht slechts dat gij zijn vonnis niet al te spoedig zult +vellen, "omdat anders het doel van zijn uitgave gemist zoude zijn." + +"Het doel! Altijd dat doel! Kan er ooit een doel zijn, waaraan men +de heilige Kunst mag ten offer brengen!" De Kunst eischt van hare +priesters algeheele toewijding; althans geen onmogelijk-vluchtige, geen +gejaagde, met een brok brood in den mond, met den lijmpot in de hand, +en de bedelaars aan de deur.--Kunst en Philanthropie gaan dikwerf te +zamen; maar familie zijn ze niet. Zal de Philanthropie--hoe edel haar +karakter ook zij--nog langer ongestraft de verheven figuur aller eeuwen +en gedachten durven beleedigen, en haar rein gewaad bezoedelen in haar +domme haast!--"C'était plus fort que moi!"--Weet hij dan niet hoeveel +zelfbeheersching er geëischt wordt van de ware priesters der Kunst; +hoeveel onwrikbaar geduld, hoeveel zelfverloochening!--Kent hij Da +Costa niet!--Heel 't Oosten is een graf! schreef de groote dichter. En +hij schetste verder het gloeiende Oosten, met zijn vervallen steden, +zijn tempels en paleizen in puin; de lachende vruchtbare dreven van +weleer, in woestijnen veranderd. Twee drie bladzijden heerlijke +verzen! Maar die bladzijden--gewikt en gewogen--werden met één +pennestreek vernietigd; en, daar stond als in arduin gehouwen, +dat plechtig: + +--Heel 't Oosten is een graf. [15] + + + +Er werd aan de deur geklopt, en--reeds in hetzelfde oogenblik geopend, +trad een allerliefst persoontje de kamer in. + +De ernstige spreekster van zooeven stond op; sloeg haar bournous +in edele plooi om den schouder, en verliet met een deftigen groet +het vertrek.--Ik volgde haar; drukte haar bij 't uitlaten de hand, +en zij wist wat die handdruk haar zeggen moest. + +--Niet goed gemutst? vroeg de schoone bezoekster lachend, terwijl +zij bij mijn terugkomst in de richting van de deur wees. + +--Een weinig ontstemd. Er is een verhaal in 't licht gekomen ten +behoeve van de noodlijdenden in Ferrara, en.... + +--O dan spreek je van een nieuwen Betuwschen schrijver, viel de +andere in: Ik heb dat allerliefste stukje van den heer Slingervoet +Ramondt daar juist gelezen.--Je kent de Betuw tusschen Rijn en Waal; +den dijk er omheen; de lachende heuvels aan gindsche zij. Je kent haar +'s winters.... ijsgang; watersnood.--Prachtig is die watersnood in +dat verhaal geteekend; dat klimmend gevaar, die angst; 't verlaten van +de bedreigde woning; die achterblijvende hond! 'k Zeg allerliefst! En +natuurlijk!? Daar komt een ontvanger in; van der Teen, of.... van der +Veen,--precies naar 't leven genomen! Wat ruw, maar magnifique! En +dan de droefheid der ouders in de schuit die hen redt, nadat hun +arme jongen verdronken is. En die lafhartige Willem Van Balen, +de onwaardige ellendeling, zoo armzalig afstekende bij den ruwen +maar flinken ontvanger.--En eindelijk het lieve Dientje zelve. 't +Is wel geen aangrijpende figuur, maar, als het boekje is uitgelezen, +dan blijft ge nog een wijl op haar grafschrift staren, en veegt een +traan uit uw oog.--Ja allerliefst en aandoenlijk! En dan nog wel in +der haast geschreven omdat de nood in Ferrara zoo groot is. Nobel, +allernobelst! ik wensch den schrijver met zijn edel hart, de meeste +voldoening toe, en hoop dat honderden zijn Dientje Van 't Veer zullen +lezen en koopen. + + + + Waarde Spectator! + + +Gij hebt u herinnerd dat ik geen critiek schrijf, en vraagt mij +nochtans mijn oordeel over het verhaal uit de Betuw van den heer S. R. + +En mijn antwoord? + +De ernstige Critiek, mijn eerste bezoekster, zal den heer S. R. zeker +volgaarne zoo gestreng mogelijk haar oordeel zeggen, indien hij +haar later eens een werk kan aanbieden, 't welk hij onder andere +omstandigheden het licht doet zien. + +Wat mij betreft, terwijl ik den heer R. gaarne mijn meening over het +schrijven en aanwenden van het Betuwsch dialect zou zeggen, indien +ik eens 't genoegen had persoonlijk met hem kennis te maken,--want +voor uwe lezers is het van weinig belang--zoo wil ik nu slechts het +wel wat vluchtige oordeel van mijn laatste bezoekster onderschrijven, +en er aan toevoegen: Iemand die reeds zóó in der haast zijn verhalen +dicht, wat zal men niet van hem mogen verwachten indien hij eens wat +minder gejaagd is. + +Met den wensch dat de veelbelovende schrijver zijn tijd in 't belang +der Nederlandsche letterkunde voortaan ruimschoots zal vinden, en de +tijd zijn werk in 't eind overvloedig moge kronen, noem ik mij + + + Uw Dw. + + + + + +EEN MOOIE APRILMORGEN IN 'T HAAGSCHE BOSCH. + + +Langs het vijvervlak door een koeltje gerimpeld, glanst vroolijk +de lentemorgenzon. Blij schallend vieren de vogels hun hoogtij in +'t woud. De fijne bolsters hebben den drang van 't jonge leven niet +langer weerstaan. Tusschen de zware stammen zijn de heesters reeds +geheel met lichtgroen omhuifd, en ook de iepen en beuken tooiden zich +reeds met een zachtgroen waas. De rosse knopjes der eiken glimmen +hooger, bottende in 't zonlicht. Frisch groen breekt het bruin van den +sierlijk golvenden bodem, die bedekt is met een glanzige bloemensneeuw +van duizenden bosch-anemonen. + +Verrukkelijk bosch! Trotsch in den zomer, als ge uw rijkdom van +lommer aan den frisschen vijverzoom huwt; prachtig in 't najaar, als +de schuine zonnestralen tinten tooveren in uw dieper groen en bruin; +liefelijk, betooverend schoon in 't voorjaar, als het koeltje suist, +en de zonnestraal spreekt van lieven en leven. + +En gewis, alles stroomt er naar buiten; oud en jong, rijk en arm, +nu de zon, na malschen regen de lustwarande der hofstad zoo prachtig +tooit voor het groote jaarfeest der Natuur....? Zacht wat! Nu ik +aan 't eind van den breeden vijver,--als zoo dikwijls reeds op dit +vriendelijk plekje--de zoete stemmen van een eersten lentemorgen +beluister, nu bespeur ik, noch langs die vijverzoomen, noch op de +paden tusschen 't hout, eenig spoor van menschelijk leven. Doch zie, +een woudduif schrikt op. 't Geklinklang van een bungelend wapen doet +zich hooren. Achter den heuvel, waar 't zwartaarden rijpad slingert, +worden twee ruiters ten deele zichtbaar. In galop schieten ze langs +'t malsche heestergroen voorbij. Ginds, bij 't klimmen van den heuvel, +verrijzen ze even, maar duiken ook aanstonds weer weg achter den zoom +der bosch-anemonen. + +Hoe! is er in dit vriendelijk morgenuur--en immers nog vóór +bureautijd--geen enkele wandelaar in 't prachtige Haagsche Bosch? + +Ja toch, ginds in de verte daar gaat "de grijze mijnheer," en daar, op +'t groote pad, keert de altijd lezende bakkersjongen met zijn leege +broodmand als naar gewoonte dood-langzaam naar de stad terug. Of hij +wijsheid of dwaasheid zoekt....? Natuurschoon en 's meesters voordeel +zeker niet. Ei zie, 't is waarlijk druk dezen morgen; daar komen nog +twee personen de kleine brug af, en gaan mijn zitplaats voorbij. + +"Nein! Traviata nicht gesehn, nein!" + +--'t Is egoïstisch misschien maar bij 't vernemen van iets dergelijks, +krijgt men er vrede mee, dat het 's morgens vóór den pantoffeltijd, +zoo kalm blijft in het heerlijke bosch. + +En bij 't stil genieten van 't jonge leven in 't ronde, is 't zeker +niet vreemd dat de geest terugdwaalt naar de lente van 't leven, +die reeds zoolang voorbij is. Wat was 't een heerlijke tijd, die +blonde jeugd! ... vroolijk, vrij, zonder zorg, in dartele onschuld +genietende.... + +Straks bij 't opstaan zal ik 't eerst begrijpen hoe David Bot mij +plotseling zoo klaar voor den geest is gekomen. + +'t Was in den knikkertijd. David had me al mijn knikkers afgenomen, +en bovendien was ik er hem nog twintig schuldig gebleven--twintig +met inbegrip van twee albasters. + +"Willen we quite ou double?" zei David.--"Wat is dat kiet oe +doebel?"--David was drie jaar ouder en veel sterker en ook knapper dan +ik.--"Wel we doen even of oneven; als je 't raadt ben je me niemendal +schuldig, en anders dubbel zooveel."--Goed! Ik raadde even. 't Was +oneven. "Da's veertig!" zei David: "Nog eens!"--"Oneven"--"'t Is +even" zei David: "da's tachtig." Ik kreeg het vreeselijk warm.--"Nog +eens?" vroeg. David. "Neen, neen!"--"Niet? Ben je mal; als je 't +raadt heb je alles weerom!"--"Nou! oneven."--"Mis!" zei David: +"da's honderd zestig."--nou win je 't!"--"Even!"--"Alweer mis, +driehonderd-twintig." De tranen sprongen mij in de oogen. + +"Nogeens!" riep David. En nog eens raadde ik mis, en David lachte, +en telkens stak hij mij zijn roode saamgeknepen hand toe; en toen ik +nog vijf malen met bevende stem had misgeraden, toen grinnikte David: +"Nou schei ik er uit! Twaalf duizend vierhonderd tachtig knikkers +ben je me schuldig. Je zult ze me geven hoor of anders ben je een +dief en je komt aan de galg!" + +O zalige kindertijd! Acht dagen lang heb ik in doodsangsten +doorgebracht. Ellendiger kan de totaal geruïneerde huisvader zich niet +gevoelen, dan ik mij gevoelde; vooral wanneer die kleine propperig +dikke David, mij, sarrende, telkens papiertjes in handen speelde, +waarop dat schrikkelijke cijfer geschreven stond, o, dan brak mij +het angstzweet uit, en eens, midden onder schooltijd, toen hij de lei +omhoog hield met een poppetje aan de galg er op en alweer dat cijfer +er onder, toen wenschte ik dat ik dood was. Eerst nadat ik alles +aan mijn goede moeder gezegd en zij mij honderd knikkers gekocht +had, ademde ik weer vrijer, want de propperige David vond--evenals +ik--tusschen de getallen 1 2 4 8 O en 100 zoo'n groot onderscheid niet. + +Blijde kinderjaren! Mijn nichtje Anna had een bakkesje om te stelen, +en op de kinderbals dansten we meestal samen. Eens had zij tegen +David gezegd, dat zij niet met hem dansen wilde, omdat hij zoo +gniepig met mij gespeeld had. Den volgenden dag zei David tegen mij, +dat Anna scheel zag, en van de pokken geschonden was. Ik ben toen +woedend geworden, want Anna was als een meikers zoo glad, en mooier +oogjes waren er niet in de heele wereld! Hoewel David zooveel ouder en +sterker was dan ik, heb ik hem toch een duchtigen slag gegeven. Maar +David heeft me daarop met zijn stevige knuisten zoo erbarmelijk +toegetakeld, dat mijn linkeroog bont en blauw zag. 't Was om razend te +worden! Meester zei dat ik was begonnen en daarom moest schoolblijven, +en duizendmaal schrijven: Ik mag mijn kameraden niet slaan. Toen +David naar huis ging, stak hij de tong tegen mij uit en fluisterde: +"Weet je, ze is scheel en mottig!" + +En ik, die duizendmaal schrijven moest, dat die leelijkerd mijn +kameraad was!! Toen ik thuis kwam zei mijn vader, dat meester mij +stellig niet onrechtvaardig zou gestraft hebben, en moeder, dat het +van David zeker een grapje geweest was. + +In den zwaren beukestam ginds, staat met kolossale letters de naam +DAVID gesneden; en David Bot heeft mij aan die donkere dagen herinnerd, +en aan nog zoovele andere uit die vroolijke zorgelooze jeugd, uit +die nooit volprezen lente van 't leven. + +In 't midden van een breed uitgesneden hart, staat in dienzelfden +beukestam, ter linkerzij en veel hooger den naam Maria. + +Maria! En ik denk aan het schoone jonge vrouwtje dat haar Eduard +aanbad. Hij--hij droeg haar op de handen. Hun liefde was hun +hemel. En--nog was het kindje niet geboren, dat hun echt bekronen zou, +toen zij starend neerzat in 't sombere rouwkleed. Geknakte lelie! En uw +zomer zou zoo schoon zijn! Maar uw kind werd uw liefde en rijkdom. Zoo +had de zomer dan toch zijn bloemen voor u, trouwe moeder. + +In dien boomstam staan nog een menigte naamcijfers en +jaartallen. Misschien bezie ik de kloeke beuken, die de herinnering aan +meer dan drie geslachten bewaren, later wel eens wat nauwkeuriger; +nu is 't genoeg. Met de frissche morgenlucht heb ik tevens een +fiksche teug uit den frisschen levenskelk genoten. Neen, als de +lente herleeft, en land en bosch jubelt in den zonnestraal met de +zachtste tinten en kleuren, dan droomen we niet van een zoet weleer, +dat slechts in de herinnering zoo vlekkeloos schoon was; dan leven +we evenmin in een toekomst, hunkerende naar een zorgloozen ouderdom, +die nooit zal komen; maar dan leven we in het heden en roemen in de +heerlijke lente, die nu weer haar schatten ontplooit.... Maar zie, +bij 't genietend voortwandelen langs het lichtste groen van iepen +en eschdoorns, terwijl hooger de vogelkers met zijn sierlijk witte +bloemtrossen, honinggeuren door 't bosch verspreidt, komt toch een +droeve toon, een toon van smart en rouw en vervlogen kracht en geluk +het hart beroeren: Ginds op een bank zit een grijsaard. 't Is een arme; +een houten kruk staat naast hem; om zijn versleten zeer rossen hoed, +zit een breede nog rosser rouwband. Zijn gezicht moet hij missen, +want de drie kinderen, die slechts op zeer korten afstand anemonen +plukken, hij roept ze en waarschuwt hen toch niet te dicht bij het +water te komen--ofschoon de vijver nog op grooten afstand is. + +Arme tobber, eens kondt ge zien; eens kondt ge de lente genieten; +eens kondt ge u vrij bewegen, dartel zooals die kleinen ginds, of +rustig zooals hij die uw zitplaats nadert. + +En de kinderen keeren met hun bloemen tot grootvader terug; en, als +ze hem hun schat toonen--alsof hij dien zien kon--en het kleinste +meisje hem de anemonen onder den neus drukt, dan lacht hij tevreden +en niest, om zijn verrukking aan 't kind te toonen. En terwijl +grootvader de roode wangen van het lieve bloemplukstertje streelt, +roept haar oudere zusje: "Nou draaien, grootvader! Toe!" En zie, +zij heeft den oude het eind van een lang touw reeds in de hand +gegeven. "Ja kom, nu lustig aan 't springen," zegt grootvader: "Jij +Jan, 't eerst meedraaien." En de grijsaard draait het springtouw. En +met luisterend oor, het hoofd een weinig ter zij, bespiedt hij den +lustigen touwdans der kleinste. Ei, 't oudste zusje, ongeduldig, +springt mee in de bocht. En grootvader glimlacht, want: Ja ja, +hij bemerkt het wel. Maar ze mag het wel doen! En het touw vervat +hij gedurig van de eene in de andere hand. "Neen, ga je gang maar; +grootvader zal wel draaien, als jelui maar pret hebt!" + +Hij zou wel draaien, als die kinderen maar pret hadden!--En nog +een poos zag ik naar 't lustig gespring der kleinen, die, eerlijk +om beurten met grootvader het touw draaiden; en ook zag ik naar +dien oude met zijn vergenoegden lach op het kennelijk door smarten +gegroefd gelaat. En weer voortgaande langs het tintelend weefsel van +doorschijnende blaadjes, dacht ik nogmaals aan dat ziekelijk dwalen +in verleden en toekomst; en het bosch met zijn stemmen van vogels en +kleuren en geuren het riep mij nogmaals toe: Prachtig is deze lente! 't +Is niet te denken dat er voor u schoonere zullen komen! Geniet dan, +o mensch, en klaag en zucht niet om 't geen voorbij is, en hunker en +jaag niet naar.... uw graf. Als ge zelf niet meer springen kunt, welnu +draai dan het touw voor de kleinen. Als anderen lachen en vroolijk +zijn dan zult ge nog mee genieten. Leef in het heden! zie--de zon in +die blaadjes, ze lacht zelfs voor den zwaarst beproefden sterveling. + +Juist bij 't uitgaan van 't bosch gaat Flanor mij voorbij. "Prachtig in +'t bosch!" roep ik hem toe.--"Overheerlik!" is zijn antwoord. + +Of het Flanor werkelijk ernst is de ij af te schaffen? Ik weet +het niet; maar, nu zijn overheerlik mij nog in de ooren trilt, +en ik hem in 't groote bosch langzamerhand zoo heel klein zie +worden.... nu geloof ik toch dat hij in zijn "Spectator" bij ongeluk +God zonder hoofdletter heeft geschreven. Ik nam het voor ernst, en vond +het.... kinderachtig. De oorsprong van alle bestaan; de bron van alle +leven door het zonnestofje mensch, onder vele namen ook GOD geheeten; +dat hoogste waarnaar de wijsheid vorschte sinds 's werelds bestaan, +Flanor zal het alvast eenvoudig geen hoofdletter waardig keuren! Maar +neen, de kerel meent het niet, hij heeft er te veel hart en verstand +voor. Straks als hij 't Groote orkest der natuur in 't bosch zal +gehoord hebben, dan lacht hij er zelf om--of, hij lacht er niet om, +en misschien is 't nog beter. + + + + + +ANTWOORD VAN DE WEDUWE SAMÜËL ZADOK, GEB. SARA LOT, + +op den brief van haren zoon Levie, vrijwilliger bij het Fransche +leger in de Krim. + + +Feelgeliewde Heer Zoon! + +As 'k iwes brief in de voorhuijs kwam staan te hontfange was ik zoo +veraltereerd as vader Mozes as ie in de bieze kistje geen aasshem +kon krijge. + +"'n Brief uit de Krimp," zee Asser de briewebesteller, en as ie me zee, +wat ie khostte, was 'k op stikke af, en as ie me kwam staan khabaal te +schoppe--as 'k 'm los had gemaakt--heb 'k em 'n ouwe diffel, deer ie 'n +bhrander op had, in 't vesier gesmhete--as 'r de rhasende mot in was. + +Nah! liewe Lewie, heb ik de brief van iwes sjlecht kunne lese; ben +ik geloope naar Lijpie, die leest as 'n prefhester, en heb ik mijn +memmeles gefoel khomme te honderdrikke, as 'k gheen luijsig figuur +wou sjlaan. + +Ach! ik weet nog zoo goed as de dag van ghistere dat iwes me hadie +zee, en 'k dacht toen: as Lewie maar in de reusedensie is, dan zal +ie wel 'n sjmeer van de fet meekhrijge, en as 'n Rotsjchild bij zijn +memmele, die em gedhrage en geshoogd het, terugkeere. Ach! 'k had +'r illisie van; 'k dacht al: God zel 'em zegene, dacht ik; me zelle +de haffaire in heijere en zier van khant make,--as er toch zoo weinig +zier wordt geghete,--en pheperement in 't groot gaan verhandele, as +er maghtig feel in wordt homgezet; 'k dacht al, as Lewie der weer is, +kan ie de huitdragerij op 'n ghroote sjhaal contenueere en me zelle in +'t fette khomme as Joseph in Egipte. + +God bewhare! as de mensche die in de reusedensie khomme sjwart +worde! Beter in 't fet, as in 't smet; en as 'k gewhete had as ze +m'n eige vleesch sjwart hadde gemaakt, had ik ze 'n mhaling gesjopt +as Mozes as ie 't khalf van goud zag. + +Lewie! Lewie!! as 'k hoorde as iwes in 'n groot huys in Barijs iwes +zelvres met de bon mesjeurs was te bhuite gegaan, heb ik geroepe: O +waai! O waai! as Lijpie, die meende as 'k pijn in de puik kreeg zee: +"Wallê"....? zeej 'k: "Luisige jonge wat raakt het jou, lees jij +maar verder." + +Lijpie kwam verder te lese, en as ie me kwam te zegge at iwes in de +puik van de prepheet Jonas over de zee was gefare, dacht 'k: wat zal +Lewie 'n honger hebbe gehad; 'k zel gesond weze as 'k iwes niet met +liewde foor 'n dhibbeltje heijers met khroot in 't zier had gegewe, +as 'k ze toch niet huit de khim kan houwe. + +'k Was, liewe Lewie, weer meer as gefoelig van fhreugde as 'k kwam +staan te hoore as iwes gesond te Hafrika in Halgiers was aangekhomme, +maar as 'k hoorde as iwes most sjchiette en nekserseere heb 'k 'n +sjchreeuw gelate, asof 'r 'n fiegelante teuge me zierhaffaire aanrhee, +en zeej 'k: "as ze Lewie maar niet wheerom sjchiete. God gaf as ze +ferlamde en as ze de ooge fol drek van de Bhreestraat hadde, en Lewie, +de zoone Sams geshond bleef, as de khindere Abrams, tijdens de phlage +van Egipte." + +Heb ik verder gehoord as Lijpie las, as iwes over de Sjwarte see was +gefare, 't was 'n goeije massematte, en Lewie, as iwes gochem bent, +kon 't 'n mooi hakkefietje voor iwes memmele, en iwes zijn. Stier me +'n honderd khruike van dat sjwarte whater, m'n jonge, as 'r toch +in 't gezegende faderland zoo feel wordt geklad en gesjchrewe, as +'r geen hinkt genoeg is; of 'r voor al 't gesjchrijf lezers zijn +gaat me geen luijs aan, en of de hinkt sthand houwe zel, gaat me ook +niet aan, as, die 't leze motte d'r ook niet om mahle. As iwes Lewie +soms digt in de biert van de rhooije see benne, stier me dan ook 'n +honderd van 't rhooije d'rbij, as d'r tegenwhoordig feel kleine met +rhood motte poeke as ghroote geen moos bethale. 'k Kan me ter whereld +niet beghrijpen wat iwes in iwes missiwe van 'n sjletel van Jerisalem +hebt gesichreven, 'k sou--'k mag geshond blijwe!--iwes niet voor de +whaarheid kenne zegge waar die sjletel te finde is. Of de Koeizak, +of de Ris, of de Tirk, of de Hengels, of de Vrans, of de Mensekop +of de Luijbrandi of wie iwes ook zee, 'em hebbe--iwes memmele weet +'t niet as ik 'r gheen een van kan, al fiel 'k 'r over. + +Lewie! Lewie! daar gaat me 'n licht op as de heerste dag toen er licht +was; zeg Lewie, as de ghroote sjetel, die nog altijd in de oudroestbak, +bij de khopsphijkers ligt,.... is pasthe! zeg Lewie--gezegende +Lewie! lieve Lewie! as.... die is pasthe, en as je memmele die zelvres +is opfijlde en poesthe en die aan iwes oversond! alle khindere +Abrams en Isacs en Jacobs zelle geshond weze!--wie weet Lewie of +iwes dan niet 'n ghraaf, of 'n mijoor of wel hopper-rhabijn van die +geshegende Synagoge zelvres, zou worde. Och Lewie, lieve Lewie, as je +memmele--God zegen d'r--zoo gelikkig mogt zijn, dan zou ze d'r eenige +soon Lewie Mozes Zadok aan d'r hart dhrikke en Sjinkel en Bahlmann +zou ze'n sjmet doen, as ze khonne hoprolle d'r matthe, en de risie +van de sjletel, zou door Samuëls zoon, en z'n memmele Sara gesjlecht +zijn .... flaauw as ze wordt, as 'r om één sjletel zoofeel khoppe, +en arrheme, en pheene worde afgesjlage. + +Liewe Lewie tot hiertoe heb ik iwes ghistere geschrewe, of +liefer--heeft Lijpie geschrewe, as 'k hem toch gedicteerd heb. + +Mijn gefoel was te heefig gesjockt as d'r ook bijkwam as 'r nafraag van +de thinne nachtsjpiegel was--No. twee van de bovenste phlank--weetje, +hebbe ze gepooije en gedhonge, heb ik ze eindelijk voor drie kwartjes +gelate--as ie toch lek was. Nou mot iwes wete, as ik op hede mijn +brief zal khomme te contenueere met iwes het een en ander te mhelde +van honse frinden en goeije kennisse en wat ik meer zal wete. + +Zoo mot iwes dan wete, as Lijpie in iwes brief van sjchapefelle las, +'n ghroote ambisie khreeg om met iwes op de Khrimp te handele, +as ie toch 'n maght hasefelle in huijs, en met feel liewhebberij +'n ghroote khattejagt gemaakt heeft.--Khatte!--Khatte! Lewie is 't +mooiste wat 'r is. De felle gewe prefijt, de dharme gewe prefijt en de +gesthroopte kat geeft ook prefijt.--Of ze ze hebbe wille....?--Lang +sel je geshond weze. In de resterasies.... as iwes maar blieft; en +'t kost 'r maar drie dibbeltjes 'n fette porsie khattepeper. Lijpie +sel de felle cefiel levere en fhranko aan de beertschip besthelle. Gun +'m de khlandisie en as ie me geseid het as er bij iwes in de Khrimp +soofeel khapotte jasse van noode zijn, denk dan--simon blê, seggen de +Vransen--ook aan je memmele as ze d'r nog acht en van alle khleure in +'t voorhuijs het hange, en nog vier somerphantelons van alle stoffe, +daar iwes toch sjchrijft as 't nog wel 'n poosje kan diere. + +As iwes liewste Lewie, in de laatsthe tijd in Hamsterdam was geweest, +zou iwes 'n maght lawaai aan de hoverkant van de Hamstel hebbe +gehoord. Hebbe ze gerhoepe en gesjchreeuwd door de stad as ze zeejen, +'n wolf was losgebhroke en ie liep rond in 'n sjchaapskleed. 'k Sta +je te zegge geen Israëliet was er 's avonds op straat sonder mes op +sak. Hebbe ze nog gesjchreeuwd en gerhoepe en hebbe ze gekhomme bij +ons, en hebbe ze gezeid--as t'r te ferdiene was.--Hebbe ze wille +ferdiene as t'r te ferdiene was.--Hebbe ze weer gezeid--as te wolf +most worde wegghesonge.--Hebbe ze alle in de biert o waai! gerhoepe, +as ze niet op wolve gestheld wahre.--Hebbe ze nog weer gezeid as +te wolf.... geen wolf, as ie 'n dhomenie was. [16] Nah! zeej'ik, +en Nah! zeejen ze halle, late we de fingers niet brande, en late +ze de wolf zelvres tam make. Lijpie het 'm later gesien en--ie liep +net as 'n mens, en was tam as 'n lam: het ie ewel gehoord, ze hadden +em zóó besjchote en gejhaagd as ie soo magher as prood en soo gheel +as shaffraan was--tothaal in de khrimp! As ie ook van 't sjweete de +khoors 't lijf het. 't Is beter Lewie op katthe te jage as op mense, +je memmele Lewie zeid 't aan de hoffesiere en gineraals, en aan de +jhagers van dhomenies. + +Om hop de friende terig te kbomme liewe Lewie, zei ik je segge as +Rachel, de nest-dot van smoel of de hazelip, ook al d'r zjwarte +khop het khaal geschore en 'n phruik het opgezet, as ze de bedgenoot +van Joppie is gewhorde; ze zijn zes dage na de Freegde der Wet van +'t jaar na de sjchepping: Vijfduizend zeshonderd en vhijftien in d' +echt gethrede, en Rachel het 'm gebhaard twee stamhouwers ineens, +waarvan de houdste, die twaalf mhenute houwer as de jhongste is, +in de bhotte en de jhongste in de lucewere negosie zel worde hopgeleid. + +Sam ken 'k iwes khomplemente niet make, as ie twee dage voor 't nieuwe +jhaar [17] naar de sjchoot van Vader Abram is afgereisd. Z'n hebbe +en houwe is in m'n voorhuvs, en as, liewste Lewie, Lijpie de felle, +en je memmele de khapotte jasse en shomerbroekjes levert, zei ik +'r die stikke maar bijdoen; d'infentaris hieronder, halles cefiel. + +Moses dhient de khoning; hij is met de khramp uit de khamp gekhomme +en het 'r de puyk fol van. 't Sjchiete was nhimmer z'n lieuwhebberij, +en as ie sjchoot, het ie aan Lijpie gezeid, kneep ie altijd de ooge +toe, as ie niet whete wou waar de khoegel bleef. Een gehk voor Moses +as ze nooit op 'm hebbe afgevierd, had ie zich anders bedaan van +benaauwdheid. + +Bram zel met Liewde iwes brief ontfange, 't is anders 'n sjlecht +Israëliet, want as ie met schoenpoese 'n sjlomp geld het verdhiend +kan ie 't niet late--as Joppie zee--om zelvres bij 't sabbeslamp z'n +cente te thelle. Nau Lewie, frucht van m'n liewde, leef frolik en +geshond m'n liewe jonge. Sjhrijf me apsjluut van de SJLETEL en van +de levransie. Zeg Lewie--as j'm zelvres kwam hale;.... je ken nooit +whete m'n liewe jonge.... je kon dan de sjwarte en rhooije hinkt au +phesant meêbrenge, en de levransie van je memmele en de felle van +Lijpie hop je nek meephakke. Zel je me jonge....? Nou hadie m'n Lewie +tot shiens, mogt 'r bij jeluih nog gesjchote worde hou iwes nheutraal; +'t this 't beste werachtig! de menisters bij hons zegge 't ook--as ze +'t fet hebbe!--Hebbe ze gelijk....? Nah! + +Gelik m'n Lewie, de hemel segene iwes, en make as iwes rhijk te huijs +khomme bij iwes liewhebbende + + + Amsterdam Jan. 1855 (5616). + + memmele: wedhuwe Samuel Zadok + geb. Sara Lot. + + +PS. De groetenisse van halle; as iwes khomt, kan iwes de thabak +zelvres meênhneme as 'k 'r zoo geen verstand van heb. + + + +INFENTARIS VAN 'T GOED VAN SAM. + +Behalve één khapotte jas; een gelapte diffilsche proek. + +Eén fest met dhiffrente knoope. + +Één paar fetleere sjchoene, die maar gesoold en gehachterlapt hoeve +te worde. + +Één rhooije poeffante (as 'r voor ingestaan wordt, als Sam 'm z'n +heele lehwe met sicces het gebruikt). + +Één pet, as ie ghlimmend is gewhorde goed voor d' afloop van +'t rhegewater. + +Één khatoene hemd (krimpvrij). + +Één sjhoenepoesbak met TWEE bhorstels en 'n potje d'r bij voor +'t sjchoenesjmeer. + + Behalvres: + +Nog eenige rhariteite waarvan we de sjubtansies niet hielk en één +aan de nees kenne hange. + + + + + +BRIEVEN VAN GRIETJE SLUIMER. + +Vier brieven van Grietje Sluimer aan de redactie van "De +Dames-Courant". + + + +I. + +Mijnheer de courantier of uitgever, of hoe gij heeten moogt, ik, +ben zoo om en bij de zestig jaren oud, mijn vader heette Mispel en +was in zijn tijd schoolmeester te Dinges, mijne moeder was juffrouw +Mispel zijne vrouw. + +Toen ik de school ontleerd was en geen slag had om als mijn oudere +zuster met de kleinen--wij waren met z'n dertienen--om te gaan, +zei vader: "Grietje kan 't wolle- en linnen-naaien, strijken en al +die aardigheden meer, ze moet dus maar 'n dienst zoeken en de deur +uit." 't Was koorn op mijn molen, want dat kinderdragen, daar wier +ik ijselijk moe van en toen zocht ik 'n dienst en ik kreeg er een, +en een bovenste beste ook als linnenmeid. Nu zult u zeggen: "Wat gaat +mij dit aan," maar wacht, ik ben er nog niet. 'k Hield veel meer +van mijn ouders en ook van mijn zusters en broers--tot de ergste +schreeuwers toe--toen ik in den vreemde was. 'k Stuurde dikwijls, +vooral met Sinterklaas lekkers en aardigheden naar Dinges, voor +vader en moeder en de kleuters, want ik verdiende een aardig duitje, +en verval was er, dat zou je niet gelooven. We waren in dien dienst +met z'n zevene booien: 'n gezelschapsjuffrouw die ook het huishouden +deed, 'n keuken- en werkmeid, ikke, 'n koetsier, 'n huisknecht die +ook palfrenier was en 'en tuinman. Dat doet er nu ook wel niet toe, +maar 't was zoo en daarom zeg ik het. 'k Zal me zelve niet prijzen, +daar hou ik niet van, maar vast is het waar dat ik eerlijk en trouw +was--al heb ik het nooit op schrift gekregen--en 't bewijs zal ik +leveren, want, net precies dertig jaren bleef ik bij m'n eerste lui +en als God ze niet twee maanden na elkaar had geroepen,--na vier jaar +geleden--dan was ik er nog. + +Dat ik verschrikkelijk triest was toen mevrouw op d'r sterfbed me nog +goejen dag zei en prees dat ik altijd zoo ijvrig en trouw was geweest, +waar God me voor loonen zou, dat kan je begrijpen. Zij gaf mij de +hand en zei nog ten slotte: "Grietje in den hemel hoop ik je weer +te zien, dan zijn we allen gelijk." Ik zei: "Ja mevrouw," zei ik, +"dat benne we ook" en toen schoot mij 't gemoed vol en ik ging. + +Nu, toen ze begraven was--mijnheer was haar voorgegaan--kwamen de +neefjes en nichtjes omdat er geen kinders waren, en hoezeerden in +huis, en alles van den vloer dat het een schand was. Maar weet je, +daar spreek ik misschien wel eens later van; voor 't oogenblik wou ik +maar zeggen dat Grietje Mispel, zoogoed als de beste in het testament +vermeld stond. Ja mijnheer de courantier of redacteur, ze hadden +er niet veel plezier in, die azers, dat aan Grietje de linnenmeid, +Aaltje de keukenmeid en Koendert den huisknecht--wij met z'n drieën +waren blijvers geweest, de andere booien trekvogels--een lijfrente +van vijfhonderd gulden vermaakt was. Nu het was zoo en ik dankte er +God voor, maar vooral ook de goede mevrouw, die ons een onbezorgden +ouden dag had verzekerd. + +Koendert, die altijd vriendelijk was geweest, en 'en goed kameraad, +vroeg me, een maand of twee later, of we botje bij botje zouden leggen, +maar zie je, daar kon ik zoo dadelijk geen antwoord op geven. Zes +en vijftig, en dan nog trouwen! maar eindelijk.... Koendert vroeg +er zoo vriendelijk om en, ik gaf hem de hand en ja, we trouwden vijf +maanden later. + +Zie je mijnheer, nu wonen we in een paar nette kamers, heel kneuterig +en we leven zoo stilletjes en hebben 't meisje van m'n jongste zuster, +die ook al rondom in de kleuters zit, bij ons ingenomen. "Wat kan +mij dat schelen," zegt u alweer, maar hoor, ik kom tot de zaak: + +'k Heb altijd van lezen gehouden. De werkjes van 't Nut kregen +we altijd in de keuken; de kranten, als mijnheer ze uit had, ook, +en Koendert en ik we lazen 's avonds als we tijd hadden om beurten +voor en soms waren er kameraads die er plezier in hadden, maar de +meesten hielden er niet van en dommelden in. Zoo lezen wij ook nu +nog--behalve den Bijbel, dat spreekt toch vanzelf--de Haarlemmer en +'t Handelsblad, wel vijf dagen later dan ze uitkomen, maar dat is +ons precies hetzelfde, en zie, nu las ik voor eenigen tijd in een +van die beide dat er een Dames-Courant bestaat, en dadelijk werd ik +nieuwsgierig om dat blad eens te zien. + +'t Jongentje uit den boekwinkel, die ons de oude kranten bezorgt, vroeg +ik er naar, maar weet je mijnheer, wat die ten bescheid gaf....? "'t Is +geen krant voor jou, juffrouw, 't is een dames-krant." Zie mijnheer, +met dat antwoord ben ik dagen doende geweest, en heb me honderd +malen afgevraagd, wie nu eigenlijk tot de dames en wie er niet toe +behooren. De weduwe van den sergeant-majoor Teleskoop, die wel eens +met haar breikous komt buren, spreekt altijd over de regiments-dames +en ze bedoelt er de onderofficiers-vrouwen mede, daar ze mee "op +en neer ging". Maar juffrouw Teleskoop draagt ook precies 'n muts, +zooals vroeger mijn goede mevrouw droeg, maar met veel meer linten +dan HEdl....! + +Ja, mijnheer, ik was, al meer en meer over het damesschap en +de krant denkende, nog nieuwsgieriger naar uw blad geworden en +juffrouw Teleskoop, die mij gaarne plezier doet en zooals ik zeide, +een damesmuts draagt, haalde op een morgen toen ze toch winkelde, +voor mij bij den boekverkooper het eerste No. op bezien en kreeg er +een briefje bij dat een programma was. + +Maar mijnheer, hoe zal ik u mijne verwondering beschrijven, toen +ik daar boven het eerste opstel al dadelijk las: "een woord tot +de vrouwen." De vrouwen! ik had er den krantenjongen wel met zijn +neus op willen drukken. De Krant voor Dames, maar het woord tot de +Vrouwen! Dat ik, mijnheer! geen dame ben, dat weet ik maar al te goed, +doch dat ik een vrouw, en meer bepaald Koenderts vrouw ben, dat zegt +hij wel honderdmaal daags. + +Dat eerste stuk althans mocht ik, als ook tot mij gericht, wel degelijk +lezen, en dat ik het mooi vond, dat verzeker ik u. Zeg mijnheer, +wat meen je nu eigenlijk; is het een krant alleen voor dames en +stond er bij vergissing: Een woord tot de Vrouwen, dan pas ik er +voor; Koendert zegt: "Vlieg niet hooger dan je met eere kunt," en, +nu mijn nieuwsgierigheid om die krant eens te zien voldaan is, wil ik, +zoo zij niet voor mij en 's-gelijken wordt gedrukt, er niets van weten +ook. Maar, is het wel degelijk een blad voor alle vrouwen die smaak in +'t lezen hebben, en had het eigenlijk: Een vrouwen-courant, of: Een +courant voor vrouwen en jonge dochters, moeten heeten--al klinkt zulks +ook minder voornaam--dan wil ik haar evenals de Haarlemmer geregeld +lezen, en zelfs nu en dan iets van de verschillende dames opstellen, +die ik alzoo in mijn leven ontmoette, gij kunt dan daarvan het een +of ander in gedachten houden om er misschien in een uwer stukken, +als 't u goeddunkt, partij van te trekken. + +Zoo ik niets van u verneem houde ik de zaak voor afgedaan, anders +een regel antwoord aan haar, die zich hoogachtend noemt, Mijnheer de +Courantier of Redacteur, + + + Uw Dw. Dienaresse, + GRIETJE SLUIMER, + geb. MISPEL. + + + Arnhem, + 30 April 1856. + +P. S. We wonen bij Sliedrecht op de Varkesmarkt. + +[Door juffrouw Sluimers brief in zijn geheel in dit No. op te nemen, +alsmede door HEdl. een present-exemplaar van ons weekblad aan te +bieden, toonen wij dat het ons eene eer is HEdl. onder de lezeressen +en inzonderheid onder de medewerksters aan de Dames-Courant te +mogen rangschikken, terwijl wij, met de verzekering, dat wij met +dien titel niets anders dan eene Courant voor beschaafde lezeressen +bedoelden, haar vriendelijk uitnoodigen om spoedig aan hare belofte +te voldoen. Wij zullen de stukken gaarne plaatsen en ons maar zooveel +noodig, in taal of spelling, kleine veranderingen veroorloven.] + +DE REDACTIE. + + + + +II. + + + Mijn Heer de Redactie! + + +'t Is al meer als 'n maand geleden dat ik 'n kleur kreeg als 't lint +op de muts van.... ja van een zekere juffrouw, die boos op mij is, +omdat haar naam, de naam van een sergeantmajoors-weduwe zegt ze, in +de krant heeft gestaan. Nu 't is hetzelfde, maar Koendert vroeg me, +wát of me scheelde. + +U moet dan weten dat ik over de post in een geel omslag het 6e nommer +van de krant voor beschaafde lezeressen kreeg met.... warempel met +den heelen brief er in, precies zooals ik die geschreven had. Ik kan u +niet zeggen hoe ik er van ontsteld was, al die letters, al die woorden, +die ik zelve geschreven had, zoo mooi gedrukt te zien en mijn naam en +alles er onder! Neen waarlijk mijnheer,'t was alteé, en toen ik alles +en ook uw antwoord gelezen had, was ik er beduusd van en wist niet +of ik boos op u moest zijn om zoo misbruik van mijn brief te maken, +of wel vereerd, omdat u er zóó gebruik van hadt gemaakt. Koendert vond +het ijselijk gek dat mijn hebben en houen zoo publiek was, maar nam +toch, evenals ik wel twaalfmaal in één uur het blad op om dien "Brief" +in te zien en ongejokt dat hij hem twintigmaal gelezen heeft. Weet +je mijnheer hoe het toen gegaan is? Den eersten dag was 'k boos en +vereerd, 's nachts droomde ik er van en ook dat ik in ééns in juffrouw +of mevrouw Toussein werd veranderd, die ook zoo mooi schrijven kan, +u weet wel. Den anderen dag was ik uit het veld geslagen, omdat ik +ruzie met juffrouw T--p (ik zal haar naam niet meer noemen) kreeg, +die me verweet dat ik haar aan de klok had gehangen--nota béne.--Nu, +ze liep kwaad de deur uit en zei dat ik "een schandaal" was,--omdat +ik de waarheid had gezegd. Dien nacht, mijnheer, sliep ik al zeer +onrustig en droomde dat ik onder een stapel dames-couranten bedolven +lag, waarop duiveltjes met roodbelinte mutsen stonden te dansen, +'s Morgens kon ik uw krant niet meer zien, ik was er wee van, maar +ziet u, van lieverlede kwam de aardigheid er voor toch weer boven, +en op 'n goejen achtermiddag toen wij--Koendert en ik--aan de thee +zaten, zei ik: "Koendert wat dunkt je?" + +"Wat meen je?" zei Koendert. + +"Wel van de krant," zei ik weder. "Zou ik het doen?"' + +"Nog eens schrijven?" vroeg mijn man, en daar hij glimlachend zijn +kopje vatte, begreep ik het al dat hij er trotsch op was en zei ik: +"Waarom zou ik het laten nietwaar?" + +Zie je mijnheer, ofschoon ik dien eersten brief niet had geschreven om +zoo heel te laten drukken, maar alleen om u van die krant te vragen, +en ook slechts van meening was om u 't een en ander van eenige dames +te melden, opdat gij 't zelf eens zoudt kunnen beschrijven, zoo ben +ik nu tot het besluit gekomen om mij maar net als die mevr. Dolly +en juffer Koosje en juffr. Elise, voor uw krant aan 't schrijven +te zetten, als gij de fouten maar wat veranderen wilt want zie je, +ik ben van 't jaar 97. + +Als ik u dan wat zal schrijven over dames, dan komt mij 't eerst die +brave mevrouw voor den geest, die ik dertig jaren answiet, zooals ik +reeds vroeger zeide, eerlijk gediend heb. + +Zie je, ze was deftig van postuur; toen ik er 't eerst kwam was ze vier +en dertig en zag er--zooals Koendert zegt--kostuljeus uit. Altijd +netjes maar eenvoudig, in de kleederen eenvoudig, want prachtig +gekleed te gaan dat deden, zooals ze zeide, de dames van 't minste +állooi. Nou, 't schemerde mijn goeje mevrouw in 't geheel niet. Ze +was wonderlijk vlug van verstand en sprak precies zoogoed Fransch +en Duitsch en Engelsch wanneer het te pas kwam als haar moedertaal; +als het te pas kwam, want die 't Hollandsch verstonden daar sprak +ze geen Fransch of wat anders tegen. 't Was goed voor de kinderen +om zoo'n taal te leeren, maar van groote menschen vond zij 't even +verkeerd, ja slecht, als wanneer een kind zijn moeder verloochent, +die hem heeft grootgebracht. Mevrouw las machtig veel boeken, maar +altijd op gezette uren, want op haar tijd ging ze ook met de juffrouw +van gezelschap 't huishouden na, en later 'n wandeling doen of rijden, +al naar het uitkwam. 's Morgens als 't ontbijt was afgeloopen, dan +moesten wij booien altijd binnenkomen en dan las zij ons uit een +godsdienstig boek, ja soms ook wel eens de Bergrede of een gelijkenis +van den Heere Jezus voor, och, en dat deed zij zoo mooi, dat het +was alsof je er bij waart. Als mijnheer--die veel in Den Haag op de +kamers van de regeering moest zijn--te huis was, dan deed die het, +maar och hechie! daar hadt je niet de helft aan; mevrouw zei altijd +dat men in een goed huishouden geregeld des morgens, "iets goeds" +moest lezen en dat het onvergeeflijk was indien heeren en vrouwen +aan hunne booien, daar ze over gesteld waren, die lezing onthielden; +en ze had wel gelijk, daarom, als Koendert en ikke 's Woensdags en +'s Zaterdags de werkvrouw hebben dan roepen wij ze ook altijd om +'t lezen te hooren, maar och Heere! wij kunnen 't bij lange na niet +zóó als onze goeje mevrouw. + +Nu zult u misschien wel denken dat mevrouw, omdat ze zoo niets voor +opschik en fratsen was en zooveel van degelijke boeken hield, geen +liefhebberij in handwerken had. Verexcuseer me wel, als je 't gezien +hadt, dan zou je de handen er van in mekaar hebben geslagen. Ze deed +niet zooals zoo vele juffertjes tegenwoordig, die 'n geruit papier +koopen met prenten er op en dan mannetje aan mannetje natellen en +nazoeken, nu 'n draadje van dit, en dan weer van dat, neen, 't was +heel wat anders. Uit de hand, mijnheer, werkte mevrouw op satijn, heele +landschappen en figuren en binnenkamers met gekleurde zijde, zoo maar +gladweg naar zwarte platen of levende bloemen, 't was meesterachtig +en HEd. heeft mij toch dikwijls gezegd als ik er over uit was, dat +zij alleen in haar jeugd een weinigje teekenen had geleerd en dit was +begonnen eerst gebrekkig, maar allengs beter. Een slaafsch navolgen +van gekleurde ruitjes was in hare oogen een onverdraaglijk werk, even +onbeduidend als het natekenen van platen, die er bij honderden zijn, +en waarvan--zooals ik mevrouw hoorde zeggen--de eenige verdienste is, +dat men er vijf of zes of acht weken op peutert om bijna aan het +voorbeeld gelijk te worden, 't welk men niet zelden voor weinige +stuivers koopen kan. + +Zie mijnheer de redactie, als dit nu de jonge dames lezen, dan zullen +ze zeggen, die Grietje de linnenmeid spreekt van dingen daar ze geen +verstand van heeft--pantoffels, voetenzakken, canapé-kussens, wat +al niet meer zouden we die nu met zijde op satijn gaan werken? Zie +je mijnheer, ik weet van al die dingen best, maar 't was mijn +bedoeling niet om die dames--als ze plezier er in hebben--haar werk te +beschimpen, maar slechts om haar te zeggen wat mevrouw mij meermalen +zeide: Een handwerk krijgt eerst waarde, wanneer daar eenig vernuft +uit blijkt. Als er nu jonge dames zijn, die weten willen hoe mijn +goede mevrouw dat werk op satijn aanvatte, dan moeten ze 't maar +eens in de krant vragen, dan zal ik het eens duidelijker zeggen, +zooveel als ik er mij van herinneren kan. + +Als ik zoo van mevrouw aan 't praten raak, dan zou ik haast van +geen uitscheiden weten. Als ik denk hoe goed ze voor de armen was +en toch nooit een cent aan de deur gaf. Een staaltje van de wijze, +waarop mevrouw weldeed moet ik toch geven. + +In de stad bij ons was een man komen te vallen, die eene vrouw met acht +bloeien van kinders naliet. Koendert vertelde het in de keuken, en ook +er bij dat die vrouw 'n slechte peuzel was--zooals men zeide--smerig +en lui en heel gemeen ook. 's Anderen daags, toen ik aan 't vouwen +van damasten tafellakens was en mevrouw kwam kijken, sprak ik er van, +precies zooals Koendert het gezegd had. Een paar dagen later kwam +de werkmeid, juist toen mevrouw mij haar kraagjes te strijken gaf, +en bracht haar een briefje waarop antwoord moest wezen. Dat briefje, +'t welk mevrouw mij naderhand lezen en behouden liet, en dat ik uit +een aardigheid tot heden bewaarde, was precies als hier volgt: + + + hoogWelEdele Mijnvrouw als UwelEdele MijnVrouw het Niet + kwaalik neem heef ik zooVeel as Mijn man Verloore en Zit met + ag Schaap Van Kinders alleenig oVer, God zel Mij niet verlaate + WelEdele MijnVrouw als U mij Niet kwaalik neem ik van Uwes + een klijnigheidje voor mijn armen schapen vraag De God en + de hemelSche Vader zal U eewiglijk loone Voor wat UwelEdele + Mijnvrouw aan Mijn gedaan heef, zal ik Verblijven In de hoop + U dit niet kwaalik neem Uwe Bedroefde Dienaar--Esze De weduwe + Roos. woon kortestraat 75. + + +Ziet u, mijnheer! ik heb dien brief maar precies zoo afgeschreven +uit een aardigheid, maar toen onze mevrouw hem gelezen had gaf ze +een dubbeltje aan de werkmeid, die een gezicht zette alsof ze zeggen +wilde: Hoe kaal voor zoo'n rijk mensch. De weduwvrouw aan de deur +had ook braaf geprutteld, maar 't bleef er bij. 's Avonds, toen +de gezelschapsjuffrouw vrij-af bij de familie had, schelde mevrouw +driemalen--dat was voor mij--ik kwam, en kort en goed mijnheer, wilde +mevrouw dat ik HEd., 't zij met eerbied gezegd, een kornet zou geven +en een jak en rok, en grummels, mijnheer! toen verkleedde mevrouw +zich precies alsof ze een booi was, maar een mooie booi was ze, dat +verzeker ik u. Om niet te lang te worden zal ik u 't beloop maar kort +verhalen. We gingen samen, mevrouw en ikke, naar de Kortestraat en +kwamen na eenig zoeken op de kamer waar de weduwvrouw van den opperman +woonde. Weet je mijnheer, toen moest ik het woord doen zooals mevrouw +'t mij gezegd had. 't Was er zoo netjes dat het een lust was om aan te +zien, al de kinders behalve de twee oudste meisjes lagen in een bedstee +te slapen. De weduwvrouw huilde ijselijk en zei dat ze niet wist hoe ze +'t aan moest, ze had aan drie van de voornaamsten briefjes geschreven, +maar twaalf stuivers was alles wat ze gekregen had, bedelen dat wilde +ze niet en van de diakenie daar had ze ook wel uitzicht maar nog geen +dadelijkheid van. Toen mevrouw nu alles gehoord, en gezegd had dat ze +iemand heel goed kende die veel naaiwerk had en als het handig gedaan +wier er goed voor betalen wou, zei de weduwe dat ze er maar al te +dankbaar voor wezen zou, en dat Mieneke en Kaatje ook zouden werken +zoo hard als ze konden. Zie je mijnheer, 't kwam heel anders uit dan +de menschen gepraat hadden en mevrouw was er toch zóó mee begaan dat +ze verder aan vrouw Roos deed wat ze maar kon en nog wel vijfmaal is +ze verkleed naar die arme vrouw geweest, die in plaats van smerig en +lui en heel gemeen, netjes en werkzaam en zeer fatsoenlijk was. Zie je, +dat was nu een voorbeeld dat men de armen niet alleen geven, maar ook +bezoeken moet, en als het nu gebleken was dat vrouw Roos niet deugde, +wat dan? zul je zeggen. Weet je wat onze mevrouw antwoordde toen ik +haar hetzelfde vroeg. Ik zou getracht hebben haar hare verkeerdheden +te doen verbeteren, zeide zij, en in ieder geval voor de arme kinders +wat gedaan hebben. Zie, dat moeten de beschaafde lezeressen ook zoo +doen. Er zijn er wel, maar niet als te veel. + +Nu mijnheer de Redactie, eindig ik deze, Koendert en ikke we gaan +naar mijn zuster en zwager Janssen in Doesborgh lozeeren, dus, +of ik gauw weer zal kunnen schrijven weet ik niet, maar als ik nu +den volgenden keer eens over een andere dame spreek, dan zal ik van +onze goede mevrouw, ook nog wel een woordje zeggen zoo af en toe, +want over HEd. ben ik nooit uitgepraat. + +Nu mijnheer, zet deze nu maar in de krant, ik ben al weer nieuwsgierig +om het te zien, en ook met de groeten van Koendert noem ik mij met +de meeste hoogachting, mijnheer de Redactie + + + Uw Dw. Dienaresse, + GRIETJE SLUIMER. + geb. MISPEL. + + + Arnhem, + 18 Junij 1856. + + +P. S. Ik bedank u wel voor uw present-exemplaar. + + Atjuus. + + + + +III. + + Mijnheer de Uitgever van het Dames-Weekblad. + + +Ik ben een boon als UE. al niet lang zult gedacht hebben: waar +zit Grietje Sluimer toch, ze schreef in haar laatsten brief dat ze +lozeeren ging te Doesborgh, maar van Juni tot haast November zal ze +daar niet geplakt hebben. Mis gedacht Mijnheer! en toch goed gedacht, +want wij zijn wel uit geweest al dien tijd, maar niet achtereenvolgend +in Doesborgh gebleven. + +Nu voor acht dagen weer te huis gekomen, had ik heel wat te redderen, +want het huis van Sliedrecht is wel wat vochtig; de spinnen hadden +ook braaf geboezeerd, zooals Koendert dat noemt. Op een stapeltje +vond ik al de Nos. van de Dames-Courant bijeen, die ik gemist had, +en ik dank UE. daar wel vrindelijk voor. Om op mijn propo te komen, +wat ik ook zeggen wou.... á ja, met veel genoegen mijnheer, las ik +vooral mijn eigen brief weder; Koendert had er ook aardigheid van, en +kan zich met mij best begrijpen, dat er--zooals zij het noemen--zooveel +oteurs komen, omdat het zoo iets aardigs is, dat inktgeknoei in mooie +drukletters te zien overgebracht. Nou kunt u wel denken dat ik het +fameus druk had zooals ik reeds zeide, en niet dadelijk kon gaan zitten +om UE. te schrijven, maar de boel is nu zoo wat aan kant en alles op +zijn plaats, reden waarom ik zoo vrij ben, u eens weder te schrijven. + +Waar een mensch toch toe komen kan! Lieve deugd, wat heb ik staan +kijken. Zie, ik dacht dadelijk, dat moet ik voor de krant eens +opstellen, zonder namen te noemen. Ja mijnheer, in mijn vuur zou ik +de kluts kwijtraken om geregeld te vertellen. Mijn voeten worden koud, +wacht ik zal eerst een kooltje nemen. + +Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan, +bij een Neef en Nicht van Koendert, die een kommenij hebben, zonder +kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want +Esboom heeft van UE weet wel, en Doortje-nicht--een beste vrouw--kan er +van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een +dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de +Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie +mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de +oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en +eeuwigheid worden behouden; 'k ga graag naar een komedie en ook wel +graag naar een paardenspul, maar 'k verzie op dat Mettree nog liever +een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het +is een mooi en heerlijk gesticht, zooals ik wenschen zou dat er een +paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in Zutphen zelf is nog +een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig +is, maar toch aan vreemdelingen, zooals Koendert en ikke, een naren +indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom, +woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen +troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders +gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken, +buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een +zijn tegen gekomen. + +Op een Woensdag morgen--ik weet nog best, we zaten te ontbijten--was +er een akelige drukte op straat; een lijkstaatsie kwam roerende ons +huis voorbij met twee koetsen er achter. + +Esboom, die van alles het fijne nog al weet, zei dat het zeker een +doode uit het gesticht was, want het kwam van dien kant en de dokter +zat in de tweede koets. Toen hij er goed over nadacht, herinnerde +hij zich van een oppasser--waar hij zeer mee bevriend is--voor eenige +dagen gehoord te hebben, dat een dame van grooten huize erg slecht lei; +die zou het zeker wezen, maar hij zou het nader nog wel eens vragen. + +'s Anderendaags kwam Polle--zoo heet Esbooms vriend--tusschen +schemerdonker eens even aanloopen. Het duurde niet lang of +Doortje-nicht had hem reeds naar de lijkstaatsie en naar den persoon +gevraagd die begraven was. + +"Wel ongelukkig," antwoordde Polle: "'t was zoo'n knap slag van +een vrouw, de dochter van een schout-bij-nacht, uit 's-Gravenhage +geboortig, zij heette van E." + +Ziet gij mijnheer, namen wil ik niet noemen, en daarom zet ik maar +blootweg een E. Toen ik dien naam hoorde, liet ik waarlijk van schrik +de breikous zakken en vroeg: "heette zij Mathilde of Dora?" + +De heer Polle bedacht zich en verzekerde dat de eerste letters van +haar voornaam M. A. waren. Mathilde Aleksandrine riep ik, en had werk +om van mijne verbazing te bekomen. Zij gestorven, zoo ongelukkig +gestorven, dat beeldschoone meisje. O mijnheer, ik had haar gekend +zoogoed als mij zelve. Haar moeder, een juffrouw B. van haar eigen, +was een beste vriendin van mijn brave zalige mevrouw, ieder jaar kwam +zij met Mathilde en Dora een week of wat bij ons lozeeren. Poetjes +van kinderen! Mathilde, waarover ik schrijven wil. was als een +beeldje zoo mooi, en werd van jaar tot jaar al mooier, ze was zwart +van haar, bruin van oogen en blank daarbij als krijt. Wat ze hebben +wou kon ze krijgen, want mevrouw Van E. gaf haar alles toe, zoodat +mijn goeje mevrouw wel eens zei: "'t lieve kind wordt te ijdel," +en mevrouw had gelijk. Toen ze achttien jaar oud was. wier ze al +ten huwelijk gevraagd, maar ze bedankte omdat haar zinnen voornamer +waren. Ik geloof niet dat mijn beste mevrouw in een heel jaar zoo +dikwijls in den spiegel zag als juffrouw Mathilde op éénen dag. Het +allerliefste zat ze dan ook vlak over den spiegel, maar overdag, voor +'t raam, om zooals Koendert destijds zeide: naar de wandelstokken +te zien. Nooit heb ik met een lozee zooveel te stellen gehad. Als +de dames eens uitgingen dan had ik met juffrouw Mathilde alleen wel +een groot uur werk. "Trui wat dunk je," was het dan, "staat me dit +goed, of kijk, vin je dat beter, of dit?" of weer wat anders, o, +in 't bespottelijke! Somwijlen drie zijden japonnen op één dag; ja +'t was akelig, en altijd draaien om in 't oog te vallen zelfs bij +ons achter, als er binnen te weinig op gelet wier. Het heugt mij nog +als de dag van gisteren, dat ze eens mee naar een bal was geweest en +thuis gekomen, onder het uitkleeden in tranen uitbarstte. Juffrouw +Dora vroeg naar de oorzaak, maar toen begon onze juffrouw Mathilde +in het Fransch, en ziet u, dat verstond ik niet, maar eindelijk kon +zij in 't Fransch van kwaadheid niet meer voort, en ik merkte, dat ze +te weinig naar haar zin gedanst had, en verweet zulks hare zuster, +dewijl zij haar voor dien avond een zijden kleed had aangeraden, +'t welk haar zooals ze zeide, "zat als een gek, en niemendal kleurde". + +Mijn brief zou veel te lang worden, wanneer ik alles van juffrouw +Mathilde zou verhalen; genoeg mijnheer, zij was zoo ijdel als +zij mooi was, en heeft het genoeg getoond met dien knappen G. die +candidaat-notaris was, en dien zij letterlijk met haar gekheid--de +Heere vergeve mij--in 't graf heeft geholpen. + +Sedert een jaar of zes had ik volstrekt niets van de dames Van +E. gehoord en u kunt dus begrijpen, hoe ik ontstelde, toen de vriend +van Esboom dat treurige nieuws verhaalde. + +"Ja," zeide de heer Polle, toen ik van mijn eerste verbazing +eenigszins bekomen was, "die ongelukkige dame was wel de voornaamste +en de knapste die wij hadden. Geen kosten zijn er door haar moeder +gespaard, doch alles vruchteloos. Zij meende de troonopvolgster van +de koningin--ik meen--van Engeland, Victoria te zijn en wachtte alle +dagen in de grootste onrust op een brief, die haar tot de regeering zou +roepen. Haar parelen en diamanten, die ze had meegebracht, verwerkte +zij zelve, op een balein, tot een soort van kroon, en indien de dokter +of haar verzorgster niet met eerbiedige buigingen tot haar kwamen, +dan ontvlamde zij in de schrikkelijkste woede. + +Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om 't +hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in +twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna +onherkenbaar geworden. + +Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar +Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn er +op gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde +Aleksandrina Van E. er op. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden +van mijn zalige mevrouw: "Het kind wordt te ijdel!" en ik dacht ook +aan mevrouw Van E., die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd +in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of +weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in +den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op weg +naar juffrouw Mathilde, naar--o! foei! ik kan er akelig van worden en +wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen: +"Pas op, dat uwe meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het +kerkhof te Zutphen en 't was zoo'n mooie!" + +'t Wordt tijd dat ik eindig; als dit geschrift gedrukt onder de oogen +van spiegeljuffers komt, dan wensch ik haar dat ze bang worden, en aan +'t versje zullen denken, dat mijn vader ons in de school liet opzeggen: + + + Wil 'k weten wie ik ben; + Zoo moet Gods woord de spiegel zijn + Waar ik mijn hart uit ken. + + +Nu vaarwel mijnheer, zet dit maar gerust in uw krant, en verblijve: + + + Uw Dienstw. Dienaresse, + GRIETJE SLUIMER, + geb. Mispel. + + Arnhem, + 22 Oct. 1856. + + +[De Redactie plaatst den brief van Mej. Sluimer volgaarne, doch +verzoekt HEd. vriendelijk zoo HEd. later weer mocht schrijven, iets +meer op taal en spelling te letten, dewijl de correctie al te veel tijd +vordert. Enkele fouten liet zij onverbeterd. Het laatste gedeelte van +den brief was bijna onleesbaar. Intusschen blijft zij zich aanbevelen.] + + + +IV. + + + Mijnheer de uitgever van het Dames-Weekblad! + + +Als ik eens een boek las of een verhaaltje, dan heb ik meestal +opgelet dat de schrijvers net deden als de meeste menschen, namelijk +dat ze met een weerpraatje begonnen. 'T is: óf een zoete, geurige +zomermorgen, óf een regenachtige najaarsavond, maar 't allermeest +een koude stikdonkere winternacht. 't Is wel iets om tot lezen uit te +lokken dat ze daarmee beginnen, dewijl alle menschen bijzonder veel +belang in 't weer stellen, natuurlijk omdat zij er zoo afhankelijk +van zijn. Vandaag--'t is den 5den Januari--heb ik mij op uw verzoek +eens weer aan een brief voor het Weekblad gezet, en nu ik zit, nu +kan ik niet nalaten om toch ook iets van 't weer te zeggen, want hoe +hard of Koendert ook in onze potkachel zit te pooken, hoe hard hij ook +uit zijn doorrooker dampt en hoe'n flinke kool ik ook in de test heb, +we zeggen toch maar gedurig dat het grummels koud is geworden. 't Is +waarlijk griemelig als je naar buiten ziet. Aan de overzij woont een +knappe Schoolmeester, maar ik heb medelijden met al die roodneusjes +die daar binnengaan. Nu, 't sneeuwt ook niet weinig en zoo jachterig, +weet je, iederen keer met zoo'n rukwind er bij dat de sneeuw opstuift +alsof een bakker aan 't ziften is. Mijn zusters kind dat we, zooals +U weet, bij ons in hebben, is met boodschappen naar den slager en +den kruidenier toe; ik heb met de stumperd te doen en wou dat ze +al terug was; maar zie je mijnheer, waar de dingen toch al weer +goed voor kunnen zijn; dat het vandaag zulk koud en guur weer is, +doet mij aan een persoon denken, die met juist zulk weer bij mijn +zalige mevrouw kwam. 't Was een Zaterdag avond--'t heugt me als de +dag van gisteren--Aaltje was met de vaten bezig, Koendert met het +zilver schuren en ik met het opbouten van nachtmutsen--zoo goed weet +ik het nog. Nu was het bij ons aan huis Zaterdags avonds altijd een +druk geschel; slager, bakker, kruienier en zoo al meer omdat er bij +mevrouw 's Zondags nooit van boodschappen-doen inkwam. + +In de kwiesienjeere--zooals ze zeggen--brandde een stevig vuurtje, +want het was vinnig koud en het stormde buiten van geweld. Opeens wordt +er weer gescheld en omdat Koendert juist met het mooie tabaks-komfoor +doende was, zoo liep ik maar even naar de voordeur en nam een servet +voor 't warme brood mee. + +Maar jawel, pas had ik de deur open of ik zag al dat het de bakker +niet was. + +"Ben ik hier terecht bij mijnheer Van W?" klonk een beverige stem en +ik zag een soort van juffrouw voor mij, die een alles behalve proper +voorkomen had, terwijl zij een jongetje van een jaar of tien aan de +hand hield. + +"Ja wel," zeide ik, "maar mijnheer is niet thuis," die was in Den +Haag op de Kamers van de regeering. "Niet thuis" zuchtte de juffrouw; +"och asjeblieft ga 't maar eens vragen." + +Dat wilde zooveel zeggen als: "je hebt zeker gelogen, mijnheer is wel +thuis;" ik werd er niet boos om, wel wetende dat zulke onwaarheden +dikwijls van wegens de lui moeten overgebracht worden en de dienstboden +alzoo in kommissie--zooals ze 't noemen,--tegen beter weten en willen +aan, liegen moeten, maar zie je mijnheer, daar was mijn goeje mevrouw +niet van thuis en ik herhaalde daarom dat mijnheer uit de stad, +maar mevrouw wel thuis was. + +De vreemde juffrouw steunde een woordje, dat hare blijdschap moest +uitdrukken en stapte de deur binnen. Ik wist niet recht, mijnheer, +of ik haar toe zou laten of tegenhouden, want bedelarij mocht 's +avonds de deur niet in, dat was 'n vaste boodschap, maar, ik had +den moed toch niet om de juffrouw den toegang te weigeren en, om de +waarheid te zeggen, de scherpe wind stond ook zoo vreeselijk op de +voordeur dat ik weinig behagen in een langer gesprek tusschen deur en +drempel had. In één woord mijnheer, vóór dat ik het zelve recht wist, +stond de avondbezoekster op de mat ook binnen de lakensche tochtdeur; +en, bij 't licht der kloklantaarn zag ik nu eerst recht wat een naar +en haveloos perceeltje ik in huis had gehaald en zou--ziedaar!--twee +zesthalven uit mijn zak hebben gegeven zoo ik die juffer met goed +fatsoen weer op straat had gehad. + +"Maar wie bent uwes dan?" zeide ik, haar nogmaals van 't hoofd tot de +voeten opnemende. "Wie moet ik aan mevrouw zeggen dat er is....?" ik +was een beetje onthutst mijnheer--"want zie je, als u komt om een +aalmoes dan mag ik niet naar binnen gaan. Mevrouw geeft nooit aan de +deur, maar althans niet bij avond en ontijden." + +"Och! neen," klonk toen haar antwoord,--en ik vond bij me zelve dat ze +wel iets moois en fatsoenlijks in haar stem had,--"neen ik kom geen +aalmoes vragen, ik kom.... ik ben...." maar ze sprak niet verder en +ik zag duidelijk dat ze moeite had om haar tranen te bedwingen. Het +jongske aan haar zijde stond te knie-knikken van de kou en hield zijn +ijskoude vingertoppen in den mond om ze met zijn adem te verwarmen. + +Ik hield mij toen overtuigd mijnheer, dat er bij die vrouw geen kwaad +overleg was, maar vroeg tevergeefs naar naar naam, totdat ten laatste +haar woorden: "zeg maar een oude bekende," mij verwonderd deden opzien +maar mij tevens zoo spoedig mogelijk aan haar verlangen deden voldoen. + +Nooit in mijn leven mijnheer, heb ik zoo'n raren avond beleefd. Mevrouw +had twee dames op theevisite en een warm broodje. Zij deed mij licht +in het spreekkamertje brengen, en ontmoette er de juffrouw met het +kind. Toen wist ik natuurlijk niet wat er verhandeld werd--later +begreep ik het.--Mevrouw schelde driemalen, weet je voor mij--en +ik kwam. Wat ik nooit verwacht had te hooren, werd mij gelast. De +juffrouw, die door mevrouw gladweg haar nicht werd genoemd, moest +met het kind in de achterkamer gebracht, dáár de kachel aangelegd +en goed koffie met brood worden toegediend. "Mijn nicht wil liever +alleen blijven," zeide mevrouw: "omdat zij vermoeid van de reis is." + +Zonder een woord te kunnen zeggen, want ik beefde inwendig een beetje, +omdat zoo'n soort van.... arme landloopster door mijn mevrouw nicht +werd genoemd,--zonder te kunnen spreken knikte ik zooveel als, ja +wel mevrouw, en wilde gaan, maar opeens werd ik getroffen door een +aandoenlijk gezicht, daar ik nog--'t is misschien kinderachtig--een +traan van in de oogen krijg, als ik er om denk. De juffrouw, zooveel +als de nicht, sloeg hare magere handen voor het aangezicht en begon +zoo luid en zoo bitterlijk te schreien dat mevrouw er merkbaar van +ontdaan werd, doch haastig zeide: "Bedaar Emilie, ga en rust eerst +wat van je vermoeienissen uit, morgen zullen wij samen spreken; +je kind heeft ook wat verkwikking noodig,--nietwaar ventje?" + +Het kind keek verlegen vóór zich en antwoordde niet, doch Emilie--zal +ik maar zeggen--kon niet zoo aanstonds bedaren, maar schreide bitter +voort, en terwijl zij eindelijk mijne lieve mevrouw bij de hand +vatte en die vreeselijk kuste, riep zij gedurig: "U verstoot mij niet +edele vrouw! o die barmhartigheid zal God u vergelden!" en nog een +heele boel dergelijke uitdrukkingen meer, die ik nu om de waarheid +te zeggen vergeten ben. + +Wat ik vergeten zal of niet, zeker de oogenblikken nooit, die ik met +mevrouw in het spreekkamertje doorbracht, nadat ik de nicht met haar +zoontje in de achterkamer gebracht, er licht ontstoken en Koendert +gezegd had, dat hij er de kachel zou aanleggen.--In plaats dat mevrouw +naar de zaal bij de dames zou zijn teruggekeerd zat HE. nog in het +kamertje--en grummels wat zag ze bleek! + +"Is u niet wel mevrouw?" vroeg ik zacht en vroeg ook, of ik een +glas water zou halen. Mevrouw knikte, ik haalde het spoedig en liet +mevrouw drinken. Dat moet mevrouw goedgedaan hebben, want haastig +stond zij op, drukte haar zakdoek even voor de oogen en mij toen +tot zich wenkende zeide HE. met een bewogen stem: "Grietje wat je +gezien en gehoord hebt, behoeft in mijn huis geen geheim te blijven, +want, dergelijke geheimhoudingen baren slechts nieuwsgierigheid en +laakbaren achterklap. Zeg aan je kameraden gerust dat de aangekomene +een ongelukkige nicht van mij is, terwijl ik hun vriendelijk verzoek +haar met den verschuldigden eerbied te bejegenen; jou, Grietje," +liet mevrouw er op volgen, "behoef ik zulks niet eens te zeggen; +je ziet dat de wederontmoeting mij eenigszins heeft getroffen, maar +nu gevoel ik mij toch weer in staat om naar mijn gezelschap terug te +keeren." Zie mijnheer, dit is misschien niet zoo heel belangrijk voor +u en ook niet voor de beschaafde lezeressen van uw weekblad, maar wat +de hoofdzaak van het geval betreft. die ik u verder mee zal deelen, ik +geloof dat die wel belangrijk genoeg voor u en voor iedereen zal zijn. + +Den volgenden morgen dan gaf mevrouw mij orders om de nieuwe lozee +van mevrouws kleeren een stel uit te zoeken, want wat ze aan 't +lijf had was bijster verlapt en schunnig en voor den wintertijd +kaal en dunnetjes. Wat zag die arme nicht, bij daglicht bekeken er +millankeliekjes en schraal uit. Grummels! ik had er mee te doen. Ze +zat met haar zoontje bij het vuur, en schrikte letterlijk toen ik +binnenkwam. Ik zei: "Goeje morgen juffrouw, of u die kleeren eens +woudt passen," en toen stond de juffrouw op, kwam naar mij toe en +vatte mij zoo aandoenlijk bij de handen, dat ik er puur kippevel van +kreeg. "O!" zeide zij, en de tranen maakten haar het spreken moeielijk: +"O, het moet u wel zeer verwonderen in mij eene nicht van uwe rijke +mevrouw te zien; in mij die.... die het kleed der armoede draagt en +wie de ellende op het wezen staat. De schuld.... de zonde...." maar +zij sprak niet verder, en toch hield zij mijn handen vast, alsof +ze mij ongaarne zag vertrekken, misschien in mij een wezen gevonden +hebbende dat zij, om zoo te zeggen, tusschen haar en haar tante stelde. + +"Och heden! mevrouw heeft wel met u te doen," zei ik, "u hebt zeker +veel verdriet gehad juffrouw?" + +"Verdriet! o! God weet het alleen wat ik geleden heb!" zuchtte de +ongelukkige dame: "maar mijn ellende was het loon voor zonde en +berokkend verdriet...." Weer zweeg zij en mij eenige oogenblikken +later schuchter in de oogen ziende, zeide zij zachtjes: "zeg meisje, +heeft uw edele mevrouw u niets gezegd...?" "Neen, juffrouw, waarlijk +niet," antwoordde ik, en nauwelijks had ik dit gezegd of de deur +ging open, mevrouw kwam binnen en zag ons staan, zooals ik zeide met +de handen inéén. Emilie--zal ik maar zeggen--liet mij dadelijk los, +en luid snikkende op mijn goede mevrouw toetredende, riep zij met +afgebroken woorden: "Vergeef mij, vergeef mij, brave grootmoedige +tante! Ik heb zoo zwaar misdaan; zoo weinig uw liefde beantwoord. O, +vergeef mij, om den wille van mijn ongelukkig kind? God weet het, hoe +uw voorkomende liefde zonder eenig verwijt nog meer mijn hart heeft +verbrijzeld. Ik bid, ik smeek u om vergiffenis!" Ik was al bij de deur +om heen te gaan, want bij zóó iets hoorde ik niet, maar het "Grietje +blijf!" van mevrouw deed mij blijven en op den achtergrond staande, +hoorde ik verder wat er tusschen mevrouw en haar ongelukkige nicht +verhandeld werd, iets wat mevrouw, zooals HE. later zeide, deed, +omdat ik ten deele de waarheid gehoord hebbende, haar ook geheel +moest kennen, dewijl er leering uit te trekken en zij overtuigd was, +dat ik er nooit dan gepast en ten nutte van anderen over spreken zou. + +De menschen in die zaak betrokken zijn allen dood mijnheer, en een +leering zit in deze zaak, dus schrijf ik u ronduit wat er van aan +is. Gelukkig! daar komt de kleine meid terug met de koffie en grauwe +erwten voor van middag--eerst koffie zetten. + +Ziezoo, dat heeft den inwendigen mensch goedgedaan. Zoo'n kopje koffie +verwarmt het hart--grummels wat zeg ik, het hart? neen, mijn hart +had geen koffie tot verwarming noodig, want dáár was ik straks zoo +warm als op het oogenblik. Hoe zou het anders wanneer men een daad +kan vermelden, die aan de hoogste liefde raakt. + +Kortom, mijnheer,--want ik ben al bang dat de brief te lang +wordt hoewel ik zoo kneuterig op mijn schrijf ben--kortom dan, +ik hoorde toen en later wat de oorzaak dier armoede geworden +was. De juffrouw--nicht--werd als wees van Mevrouws eigen zuster +bij HE. grootgebracht. Ze had niets geen geld, maar moet een lief +meisje geweest zijn, hoewel altijd met romans van die Franschen, daar +mevrouw, zoo'n afkeer van had. Ze las stil bij avond, op bed, en wier +wat ze romenesk noemen. De juffrouw kreeg les in alles, tot de piano +en teekenen toe. Maar door die piano, zie, daardoor kwam het. Die +muziekmeester was een Franse flierfluiter die snorren en lang zwart +haar had. Meestal zat mevrouw er bij, maar soms was ze wel eens uit of +er niet bij als ze hoofdpijn had. Die Fransoos moet de juffrouw altijd +geprezen en gezegd hebben, dat ze zulke mooie bandjes en wat al niet +meer had en ook, dat ze hem op de piano haast de baas was. Dat streelde +de juffrouw en ze studieerde op de piano dat het mevrouw soms te druk +wier, maar ook--en daar zat hem de kwaje kneep--ze verlangde naar niets +en naar niemand sterker dan naar dien vreemden muziek-poespas. Wat er +toen allemaal zoo precies is voorgevallen, dat weet ik niet, maar wél, +dat die twee meer voor malkaar gingen voelen dan rechtuit,--zij ten +minste. Hij moet haar een heelen boel in 't hoofd hebben gehangen +en zij moet hem gezegd hebben dat ze ook smoorlijk op hem verliefd +was. Daar was het spul aan den gang. Op zekeren dag werd onze mijnheer +zoo maar brutaal weg door dien Fransoos aangesproken en om de hand +der nicht gevraagd. Wat een narigheid--dat kun je begrijpen. Een +vreemde overgewaaide snoeshaan, die in de Vlakkesteeg op een kleine +kamer woonde en wel om zijn knapheid, gaandeweg eenige lessen kreeg, +maar een slechte betaler was, die kwam maar zóó om de hand van een +meisje, dat destijds haast als mijnheers en mevrouws dochter werd +aangemerkt. Dat het spaak liep kun je begrijpen. Huilen van juffrouw +Emilie geen gebrek, maar mijn goeje mevrouw had door haar godsdienstige +en verstandige gesprekken toch zooveel vermogen op de juffrouw dat zij +hare dwaze en dolzinnige plannen liet varen--dat meende mevrouw ten +minste. Mooie stukken! drie weken ging alles zijn gang. De Fransoos +had als muziekmeester natuurlijk zijn paspoort met een replement er +bij gekregen. Daar kwam mijnheer en mevrouw op een goejen morgen +in de ontbijtkamer, en daar lag een brief op tafel van de hand +van juffrouw Emilie. Wat mevrouw ontstelde, kan ik u niet zeggen, +want ze las niets meer of minder, dan dat de juffrouw niet langer +in een huis kon blijven waar zij met de grootste onbarmhartigheid +werd behandeld en waar men haar tijdelijk geluk dwarsboomde. Kort +en goed, zij had den heer Dulo--of zoo wat--niet kunnen en willen +vergeten en ongelukkig maken; zij hadden elkander eeuwiglijk trouw +gezworen en dien eed mocht ze niet breken. Als mevrouw den brief las, +zou ze reeds naar Frankrijk vertrokken zijn, met den man dien ze als +haar zelve liefhad. God zou het haar vergeven--schreef ze--dat zij om +het heil haars levens te verwerven een klein misdrijf had gepleegd, +en uit tantes schrijftafel eenige losse gelden en drie bankjes van +honderd gulden had meegenomen, benevens het juweelen garnituur, +dat zij van tante toch krijgen zou als ze meerderjarig zou worden, +besluitende met de toezegging, dat zij die schuld later wel af zou +doen, want dat ze met haar eenig dierbaren Alfonsus--geloof ik--de +wereld zou doorreizen om met hunne talenten veel geld te verdienen. + +Hoe die eerste dagen zullen geweest zijn kunt gij begrijpen. Mijnheer +schreef naar Brussel en Frankrijk, want in 't land was van die twee +geen spoor te vinden; maar wat hij schreef of deed van de ongelukkige +juffrouw Emilie hoorden ze verder niets. + +En ja, die daar tien jaren later--ik was bij mevrouw toen in 't +achtste jaar--'s avonds berooid met een kind kwam aanzetten was +diezelfde juffrouw Emilie. 't Was haar naar werken vergaan. Niet +naar Frankrijk maar naar Amerika had zij zich met haar Alfonsus +ingescheept,--daar had mijnheer geen idees op gehad. In 't eerst was +alles mooi geweest en ze hadden waarlijk, in Nieuw-jork en nog meer +zulke namen, gespeeld op conserten ook; toen was de juffrouw--zie, +zonder zelfs getrouwd te zijn--van een zoon bevallen en had later weer +van voren af aan, getrokken en geleefd, zonder zin of nagedachte, +altijd met de muziek voorop. Maar de juffrouw was er van al dat +trekken en die vermoeienissen niet mooier op geworden; kortom, die +lieve mijnheer Alfonsus had zijn bekomst van de mooie handjes, en +toen, toen was er voor de ongelukkige een leven begonnen, te akelig +om te zeggen. Als ik er van verhalen wou, zouden de dames er naar +van worden; aan de woorden: schelden, razen, slaan en gebrek, hebben +zij zeker genoeg. Nog drie jaren--vijf in 't geheel--hield ze het met +dien poespas uit, toen liep ze van hem weg, zwierf, tobde en wurmde met +haar kind nog vijf jaren in de vreemde wereld op de ellendigste wijze, +kwam om Godswil mee terug naar Holland, en na een geheelen dag in de +nabijheid van het huis te hebben gedwaald, waagde zij het eindelijk +'s avonds aan te schellen. + +Ziedaar de heele historie;--maar het einde....? Geen verwijt zelfs kwam +over de lieve lippen der brave mevrouw. Alleen zeide zij--toen ik er +bij was--deze woorden: "Kind, je hebt veel geleden, zie dáár ligt de +bijbel; en dáár," zij wees door het venster naar den hemel--"dáár woont +God!" Mevrouw deed wat zij dikwijls haren Zaligmaker na had gebeden: +zij vergaf gelijk zij wenschte vergiffenis te bekomen. Zij deelde +in de blijdschap des hemels, die verheugd is, over één zondaar die +zich bekeert. Zij vergaf niet alleen, maar zij deed wèl bovendien. In +overeenstemming met haar echtgenoot werd er voor de jonge, maar door +het leed vroeg verflenste vrouw, ten platten lande bij fatsoenlijke +lieden een paar kamers gehuurd; dáár leefde zij, door ervaring tot +God gebracht, met haren zoon in vrede en dankbaarheid; daar beweende +zij vurig de groote zonden der jeugd; en hare brieven getuigden van +de meeste dankbaarheid jegens hare weldadige bloedverwanten en van +de hope op vergeving bij God. + +Als dáár geen leering in zit, mijnheer dan weet ik het niet. Van 't +begin tot het einde zie ik er leering in--zelfs betreffende mijn brave +mevrouw, die met dien Fransoos en de mooie woorden van Emilie te goed +van vertrouwen was geweest. Afein, dat alles wil ik niet uitpluizen, +de dames hebben verstand genoeg. Het zoontje is zoo wat drie jaren +vóór zijn diepbedroefde moeder gestorven--waaraan weet ik niet; +de juffrouw zelve een jaar vóór mevrouw, ik geloof aan een hartkwaal. + +Grummels, wat een lange brief; ik eindig dus maar sito, we moeten +ook aan de erwten, en noem mij hoogachtend: + + + Uw Dw. Dienaresse, + GRIETJE SLUIMER + geb. MISPEL. + + + Arnhem, 5 Januari 1857. + + +P. S. Ik heb de kleine meid die school gaat, nog eens de fouten laten +nazien en laat het maar verder aan u over; snejeer u niet om te laten +staan of te verbeteren wat u goedvindt. 't Komt maar op de zaak aan, +en al zie ik ook tot mijn spijt dat de laatste pagina's wel een beetje +slecht zijn geschreven, nichtje kon er uit wijs worden en hoop zulks +ook bij u het geval zal zijn. + + Atjuus. + + + + + +JAN, PIER EN KLOAS. + +'En oud vertelseltje nog eens verteld. + + +'t Was op een zomermiddag dat Jochem, de klompenmaker van 't dorp, zich +de zweetdroppels van 't aangezicht wischte--zoo had ie geloopen. Met +een stevigen ruk trok hij aan de schel van dominee's pastorie; streek +met de mouw nog eens langs het glimmende voorhoofd, en vroeg aan Saar +de meid die opendeed, of onze jonge domenei thuus was? + +--Neen, ja, maar dominee zat aan de preek. + +--'t Kos niet schêlen d'r was hoast bij, groote hoast. + +"Toch geen zieken in huus?" + +"Neen." + +"'En kiend gekommen?" + +"Neen neen." + +"Ruzie?" + +"Neen neen!" Moar domenei most ie sprêken eer 't te loat was.--Eer +'t te loat was....! + +Saar vloog de trappen op en, een paar minuten later stond Jochem in +de deur van dominee's "stedeerkoamer", en zei: "Dag soamen m'nheer +domenei," en streek zich de gele haren glad over 't voorhoofd.... + +"Zoo Jochem, thuis alles wel? Had je me wat te vragen?" + +"Da's te zeggen, 'en verken z'n eigen de poot verzwikt, moar Geis de +schêper het 'em besproken.... en nou wordt ie béter; anders alles heel +best domenei, moar ik heb oe asteblief vrindelik wat te verzuuken...." + +"Zoo en dat is?" + +"Joa domenei, ikke.... hêhêhê!" + +"En wat zal 't wezen Jochem?" + +"Ikke, hêhêhê.... ze zeggen domenei da'k zoo verdrêjd mooi zingen kan; +en zonder m'n eiges te schandoalizeeren, mo'k zeggen dat ze geliek +hebben; 'k kan ook net brommen as 'en urgel, zeggen ze, met gebazuun +d'r bij zeggen ze." + +"Zoo! en....?" + +"Joa, zie, domenei, en.... en.... Nou he'k geheurd dat +meister,--domenei zal nie kwoalik nemen--z'n eigen zooveel as +verploatsen geet, en...." + +"En....?" + +"Domenei zal niet ten kwoaje rêkenen: nou docht ik.... neen, nou +docht Mei, m'n wief, domenei, dat ikke...." + +"Wou je meester worden, Jochem?" + +"Potstorie! meister worden? ikke domenei? neen, a'k zoo wies geleerd +as domenei was.... hêhêhê...." Lekt met de roode tong langs de klep +van zijn pet: "'t Veurzangers boantje.... hêhêhê.... Za'k verzuupen +domenei a'k 'et niet wêzen wou?" + +"Ahzoo Jochem, was dat je wensch. Wel man wou jij voorzingen? Zoo zoo, +enne.... Ben jij zoo in de zangwijzen thuis?" + +"Dat zal woar wêzen domenei.... hêhê!"--Kijkt bescheielijk naar +dominee's pantoffels; veegt met den rug van z'n hand langs den +mond; smijt eensklaps het hoofd achterover en gilt eensklaps op +hartverscheurenden toon, terwijl hij met zijn klompenmakersvinger +de maat slaat, het eerste vers van den 96sten psalm: Zingt zingt een +nieuw gezang, en wat er verder volgt. + +Dominee schoof onder Jochems lofzang het raam dicht, 't geen echter +niet verhinderde dat een paar voorbijgangers met verbazing naar de +studeerkamer der pastorie opzagen, en de kalkoenen als bezetenen aan +'t schateren gingen. + +"Nou, hêhêhê--wat he'k domenei gezeid....?" grinnikt Jochem nu hij +gedaan heeft en met de oogen dominee's pantoffels weer opzoekt. + +Dominee is inééns schrikkelijk verkouden geworden en schermt van +belang met den zakdoek langs mond en neus. + +"Waarlijk Jochem, je hebt een stem van belang; maar zie je...." Dominee +wendt zich weer haastig naar 't venster en Jochem kijkt zeer verrast +naar buiten, want--kiek, domenei giebelt van 't lachen. + +"Dat kalf!" hakkelt de lacher ter afleiding terwijl hij naar buiten +wijst. + +Jochem mot ook lachen alhoewel ie niks vremds oan dat kalf ziet.... + +"Zoo'n dom.... gezicht!" hakkelt dominee, terwijl hij met geweld zijn +lachen zoekt te bedwingen. + +"Kiek, nou blêrt ie, domenei," roept Jochem, terwijl hij op het kalf +wijst, en heft daarbij een zoo langgerekten hikkerigen lach aan, +dat dominee het eensklaps weer uitproest en, alles in de kamer aan +'t schudden raakt. + +"Zoo'n beest!" brabbelt "onze jonge domenei" na eenige pijnlijke +seconden. + +Maar nu--nu heeft hij al zijn zelf beheersching tegenover dien +uitspattenden lachlust gesteld.... + +"Enne Jochem, dus wou je voorzanger worden?" + +"Krek domenei, hihihihi, en NOU nog liever, went ik wiest niet dat +onze jonge domenei zoo vroolik van memeur was. As domenei is stroef +is, zei mien wief. Moar ze most 'et is weten! 'En mins mag vroolik +wêzen óók, wat zeg gij d'r nou toe?" + +"Welzeker Jochem. Maar gesteld eens dat jij voorzanger kondt worden, +weet je wel dat het een kerkelijke bediening is, en....?" + +"Joa! joa wel, krek! kark-karkse-bediening domenei." + +"Juist, maar dat daarom een voorzanger, die tegelijk voorlezer moet +zijn, bijzonder in de bijbelsche geschriften te huis behoort te wezen." + +"Juust, krek domenei, dat he'k dukkels gezeid, en doarum as we 's +oavends niks bêters te doen hebben, dan lês ik de vrouw nog altied +uut de biebelse historie-vroagen veur, woar oe zoalige veurganger +mien uut gekortegezeerd het." + +"Dat is heel loffelijk Jochem." + +"Verekskezeer, domenei, niet loffelik, moar schriftuurlik, went de +biebelse historie-vroagen zin uut de schriftures." + +"O, dan zul je daar zeker nog al in thuis wezen." + +Jochem slaat een schuin linkschen blik op het borstbeeld van +Bilderdijk, dat op de hooge boekenkast staat, en zegt: "Zou 'k oe +verzuuken domenei!" + +"Komaan Jochem, dan moest jij me eens op den weg helpen...."--Jochem, +steeds naar boven ziende, knijpt een oog dicht, en drukt de lippen +opeen. + +"Nietwaar Jochem, Noach had drie zonen?" + +"Joa wel!" + +"En hun namen waren?" + +"De noamen.... hêhê.... de noamen?.... Noach had drie zeuns: Zak, +Zak.... Kem.... och Zak-Zak-Zak...." + +Dominee ziet even naar buiten. Ernstig: "Sem, Cham en Jafet, nietwaar?" + +"Doar hei't. Zek, Zak en Joafet--krek! Net as domenei zeit en in +de historie-vroagen steet; 't lee me ien 't heufd te drêjen, moar +'en mins kan z'n eigen versprêken. Zek, Zak en Joafet." + +"Sem, Cham en Jafet!" + +"Da's den uitsproak domenei. Krek: Sem, Kam en Joafet." + +"Heel goed, Jochem, en nou wilde ik graag eens weten wie de vader +van Cham was." + +Jochem ziet nog hooger, en krijgt een klein spinnewebje in 'toog, +waarin een onnoozel mugje gesnapt wordt. + +"De voader van Kam....? De voader.... van.... Kam?" Hij wendt het +oog van het mugje aan den zolder naar 't kalf in de wei.... "De +voader.... van Kam.... ? Domenei meint wie de voad'.... van Kam +was....?" + +"Ja wel Jochem, dat moest je me eens zeggen." + +Jochem diepzinnig: "Joa moar, za'k verzinken, da's buuten de +biebelse historie-vroagen! De voader.... van Kam....? dat zin +striekvroagen. Domenei mot niet kwoalik nemen, dat zin duuvelse +vroagen.... Zeg ik!" + +De duuvelsvroager glijdt achter zijn schrijflessenaar weg, en 't klinkt +den klompenmaker op heel vroolijken, moedgevenden toon in het oor: + +"Neen 't is geen duivelsvraag maar heel natuurlijk. Weet je wàt +Jochem--ga jij d'er maar eens over denken, of met je vrouw o..o..ver +praten". En de spin vliegt verschrikt naar den hoek van den zolder, en +Jochem: "Zoo domenei; nou bestig dan"--hikkerig lachende--"met plezier +domenei; zal 't es beprakkezieren, met de vrouw over proaten, atjuus!" + + + +"Hoe is 't gegoan Jochem? Zou 't lukken met 't veurzangersboantje, +en zu'j dan nog een keuje nemen, en krieg 'k de neie iezeren pot, +en den blauwen rok en...." + +Jochem kan op al die vragen niet inééns antwoorden. Aldat ie veur +deez keer op schoenen liep, hij is buuten oajem. + +"Goed gegoan Trieneke; best gegoan! Onze neie jonge domenei had schik +in mien. 'En oarig vroolijk mins; lachen dee ie net of 't m'n buur was, +niks domeneisachtig; moatjes egoal. Moar geleerd, wies geleerd! nog +boven de biebelse historie-vroagen uut." + +"En zou'j 'et boantje dan kriegen Jochem; en hoeveul zou 'et +afschuuven, zeg?" + +"Loop! weet IK 'et! moar kriegen doe 'k 'et zeker. As ik één vroag +buuten 't buukske moar beantwoorden kos. Alêvel: as't geen duuvelsvroag +is, 'en striekvroag blieft 'et da's zeker." + +"'En striekvroag, loa's heuren Jochem?" + +"Joa, zie, we sprakken van de kalver, en toen kwiem 't op den ark van +Noach, en toen zeidie: Noach had drie zeuns. Joa, krek zei ik.--Sem, +Kam en Joafet, zeidie. Joa, krek zei-ik. Nou, zeidie, dan most gij +m'n es zeggen, wie de voader van Kam was." + +Griet slaat de handen ineen: "En wist ie dát niet.... ezel....!?" + +Jochem beteuterd: "Ikke?" + +"Kuuken!" + +"Wa' blief?" + +"Schoapskop zeg ik!" + +"Hê!?" + +"Domme eend, da'j niet wiezer bint!" + +Jochem wou dat ie licht kreeg, en kiekt noar 't vuur: "Moar wát, +wát is 't dan toch?" + +"Zie, ge bint zoo stomp as 'en klomp. Noach had drie zeuns: Sem, Kam en +Joafet, nietwoar prefester! Wie is nou de voader van Kam? Boeh! heij' +oe begriep dan niet? De meulenoar van 't darp het drie zeuns: Jan, +Pier en Kloas.--Klomp van 'en kerl, wie is nou de voader van Pier?" + +"Potstorie da's woar!" roept Jochem: "da's zoo kloar as 'en neie +klomp." + +"Ezel! en dat was 'en striekvroag, hè! A'j nou niet gauw loopt noar +'t domineishuus, dan zel 't veurzangersboantje wel heelegoar verspeuld +zin, en 't keuje, en de iezderen pot en de blauwstreepsen rok....! Vort +domoor, vort!" + + + +En Jochem staat weer in--domenei's stedeerkoamer. + +Over 't stuk had ie noagedocht; 'en mins was niet altied glad bij de +tong. Domenei had van.... van.... van....--Hij strijkt zich de haren +glad, en lekt zich den duim.--Domenei had van.... Jozef gesproken, +of...." + +"Je zoudt me zeggen, wie de vader van Cham was," helpt dominee, +terwijl hij, aan de schrijftafel gezeten, en op den elleboog geleund, +met de volle hand zijn lachspieren omvat. + +En Jochem, nu geheel op de hoogte, roept, terwijl hij een triumfanten +blik werpt op het herkauwende kalf in de wei: "De voader van Kam, +domenei--a'k 'et boantje zal hebben; wel domenei: de meulenoar van +'t darp, de meulenoar van 't darp!" + + + + + +BRIEVEN UIT NIZZA (NICE). + + + Nice, 7 Maart 1879. + + Amice! + + +In de hoop dat het u niet onaangenaam zal zijn van de boorden der +Middellandsche Zee eenige potloodkrabbels van mij te ontvangen, +zend ik ze u, met den wensch, dat ze--althans voor een deel uwer +lezers--nog wel iets wetenswaardigs mogen bevatten. + +Misschien zult ge mij benijden, indien ik u zeg, dat wij heden, na +ons ontbijt in het ruime Café de la Victoire geheel à l'instar de +Paris te hebben gebruikt, op het breede trottoir onder een overdekte +kolonnade en met het uitzicht op de altijd drukke Place Masséna, +omringd door hooge laurierstruiken, oranjeboomen, palmen en velerlei +andere gewassen, een uurtje zitten te genieten bij een frischwarme +temperatuur, terwijl een bonte menigte--zelfs tusschen de beide +rijen tafeltjes onder die trottoir-kolonnade door--voor onze oogen +voorbijgaat. Ja--ofschoon gij niet jaloersch zijt--ge zult mij benijden +en ge moogt het vrij, want al werd ons dit nieuwe leven niet zonder +uren van angst en smart geschonken, dankbaar mogen we thans een zon +zien blinken, die deze kusten, vooral in den winter, tot El Dorado +van Europa maakt. + +Wanneer gij het schoone Frankrijk van zijn Noorder-grenzen tot verre +beneden Lyon, onder een dicht sneeuwkleed hebt bedolven gezien, +en de sneeuwstorm zelfs nog met hevigheid woedt, als de avond de +portierglazen van den nachttrein allengs verduistert; wanneer ge dan +voorts na een twaalf uren schuddens en geeuwens, half duttend, half +slapend, gedurig wakker geschrikt door een onheilspellend gefluit, +wanneer ge dan--plotseling opziende, u verbeelden gaat, dat de +glazen der slecht verlichte coupée weer doorschijnend beginnen +te worden, en ge--wel schuiverig nog, maar toch opgewekt door +het steeds groeiende licht, haastig met het coupée-gordijntje den +wasem van het glas verwijdert en den blik naar buiten werpt, waar +de morgenschemering gloort, waar heuvels en bergen zien allengskens +baden in een fijnblauwen nevel, waar de velden bedekt zijn met het +groen van gras en kruid, de amandel- en andere vruchtboomen omhuifd +met roode en witte bloesems; als ge de witte scherp geteekende +woonhuizen met hun platvormige daken al spoedig ziet blinken in de +warme stralen der steeds klimmende zon, en de eeuwig groene ceders, +met hun breede kruinen op die rotsheuvels aanschouwt: of ook--bij het +steeds zuidwaarts snellen, den blik houdt gericht op die velden met de +duizenden altijd groene olijfboomen, of de oranje- en citroenboomen met +hun krachtig blad en de roode en goudgele appels er tusschen, zie, dan +maakt zich een gevoel van u meester, 't welk ge niet gemakkelijk zult +beschrijven, maar u hoe langer hoe meer, vooral met die tegenstelling +van de vorige dagen, vol verrukking doet beseffen, dat de donkere lange +nacht u, ongemerkt van den barren winter in den zomer heeft verplaatst. + +Die zomer in den winter, ziedaar wat Nice, nog meer dan eenige andere +plaats aan de Middellandsche Zee, tot het vereenigingsoord maakt +van allen, die, in ruwer klimaat geboren, zich de weelde kunnen +veroorloven, den winter abominable te vinden en hem geheel of ten +deele uit hun kalender te verbannen. + +Nice ligt aan een bocht der zee, die de Baie des Anges wordt genoemd +en is aan de landzijde geheel ingesloten door een reeks van heuvels +en bergen, die met hun ontelbare witte landhuizen en villa's zich +amphitheaterswijze verheffen en van verre door de sneeuwtoppen der +Alpen zijn gekroond. + +Verrukkelijk is een vertoeven aan zee! Langs de bocht der golf bevindt +zich, boven het smalle, onbegaanbare strand van gladde, grijswitte +keisteenen, een breed terras, waarnevens een rijweg, die door de +prachtigste hotels en villa's wordt begrensd. Dit terras--voor 't +grootste deel La Promenade des Anglais genoemd--ongeveer een half +uur gaans--wordt door de uitmonding van een kleinen bergstroom, +le Paillon geheeten, in tweeën gedeeld. Aan de zeezijde heeft dit +terras een dichte, altijd groene haag, achter welke de wandelaars +zich gaarne op banken of stoelen neerzetten en er door haar beschut +worden voor de somtijds vrij koele winden uit zee. Aan de zij van +den rijweg heeft dit terras een beplanting van vrij hooge palmen +en mirten en oleanders die,--welig groeiende zoo dicht aan zee, wel +het bewijs leveren, dat men hier de uiterste grenzen der tropische +gewesten reeds zeer is genaderd. + +Ik waag mij niet aan een beschrijving van de zoo vermaarde kuststad, +die sedert de gebeurtenissen van 1859, een Fransche in plaats van een +Italiaansche is geworden; en nu--zonder de duizenden vreemdelingen er +bij te tellen, een bevolking van omstreeks 55000 zielen heeft. Nochtans +wil ik u even doen zien, hoe het zeer breede rivierbed van de +Paillon--'t welk voor 't grootste deel slechts kiezelsteenen en +maar zeer weinig water bevat, ja zelfs in den zomer meest geheel +en al droog is, hoe die bedding--evenwijdig loopende met de zee, +totdat het stroompje ter helfte van de stad zich eensklaps zuidwaarts +keert om in zee te verdwijnen, hoe die breede keisteenen-rivier de +oude stad aan de zeezijde afscheidt van de nieuwe stad--die alzoo +achter haar bedding ligt. Evenals de oevers der Seine te Parijs of +der Elbe te Dresden, verbinden fraaie steenen bruggen, die omstreeks +honderd meter lang zijn, het Nice der oudheid met dat der hotels en +magazijnen der negentiende eeuw. Een dier bruggen, waarop ik juist +uit mijn venster het oog heb, en waarop voortdurend het gewemel +van rijtuigen en voetgangers wordt waargenomen, verbindt de beide +woelige hoofdpleinen; de reeds genoemde plaats Masséna der nieuwe +met de Place Charles Albert der oude stad. + +Maar 't is een wanhopig werk om steden als Nice met slechts enkele +pen- of potloodstrepen aanschouwelijk te willen maken; ik wil u dus +slechts schetsen wat mij bijzonder in 't oog viel. + +Aan Nices oostelijk einde, juist achter de genoemde kustpromenade (aan +deze zijde: "Le Quai du Midi" genoemd) bevinden zich twee rijen zeer +lage woningen, meest eenvoudige winkelhuizen of estaminets, waarover, +reeds voor vele jaren, omstreeks 250 meters lange asphaltwandelingen +zijn aangelegd, welke terrassen--met hun steenen kanteelen, +waaruit zich van afstand tot afstand de veelal ranke schoorsteenen +verheffen--voorheen tot de grootste merkwaardigheden der stad zijn +gerekend, doch die, sedert den aanleg der veel lager en dichter +aan zee gelegen promenades, schier geheel zijn verlaten. Slechts +nu en dan waagt zich nog een nieuwsgierige aan den gloed der zon, +door het asphalt weerkaatst, om nog iets meer uit de hoogte, over den +grijswitten steen der kanteelen, het prachtige blauw der zee met haar +blinkenden golfslag tegen de grijsgroene kust te kunnen genieten. + +Het inwendige der oude stad is het echte Italiaansche Nizza. Tegen +de helling gebouwd, zijn de straten--amphitheaterswijze oploopende, +zeer smal en donker, en zóó vuil, dat een Hollandsche huisvrouw--die +tegenwoordig de schoonmaak in 't hoofd heeft, er met recht van aan +'t draaien zou raken. Maar ofschoon ik niet geloof, dat er in die +oude stad met haar hooge, grijze, uiterst schilderachtige woningen +en duizend verrassende tafreelen--die men straatinterieuren noemt, +veel aan een geregelde schoonmaak wordt gedacht--zoodat de neusorganen +er mede dikwijls last lijden; elders wordt er wel degelijk geklopt +en geboend en geborsteld. Onder de hooge brugbogen van het genoemde, +voor een groot deel droge rivierbed staan de mannen met hun verbrande +gezichten, zware knevels, grijze kleeren en veelal roode mutsen te +beuken op tapijten, waarvan het stof der vreemdelingen in dichte +wolken opstijgt. En zie dan, waar het groenglanzige water van het +bergstroompje--na de regens der voorlaatste week--nog haastig +voortsnelt om zich al spoedig geheel te verliezen in zee, daar +hurken aan weerszijden van zijn boorden, in grooten getale, jonge en +oudere vrouwen neer en strijken met krachtige hand haar groote stukken +wit-gele zeep op katoen of linnen, en wasschen, en wringen en spoelen, +en spreiden straks de witte en grijze en roode kleedingstukken op het +steenen bleekveld der bedding, waarop--behalve de heldere zon--van +den heden nochtans gedurig met zware wolken bedekten hemel--ook de +vreemdeling een wijle uit de hoogte blijft turen, indien hij althans +nog niet te lui is geworden om anderen vlijtig aan 't werk te zien. + +Voor hem, die eerst sedert een week aan deze zuidergrens van ons +werelddeel vertoeft, vernieuwt zich telkens weder die zonderlinge +verrukking van zich om dezen tijd van het jaar--b. v. in een +dichtbelommerd park bij springende fonteinen met boek of nieuwsblad te +kunnen neerzetten, of ook aan het strand de koele zeelucht te mogen +inademen met hetzelfde gevoel van welbehagen als op den schoonsten, +doch niet te warmen Juli-dag, aan ons Scheveningsch duin. + +Wat den bladertooi aan deze zuiderkusten betreft, ik moet bekennen, +dat het voor het meerendeel niet het sappige groen van onze boomen +en heesters in den zomer is. Ofschoon men de bladvormen met die +van onze linden, peppels, seringen, moerbeziën en vele andere zou +kunnen vergelijken, het blijvend blad heeft meer het harde, vaste +van onze conifeeren. De olijfboomen zou men bijna voor een soort van +knotwilgen houden, nochtans hooger en met hunne takken rechtstreeks aan +den stam verbonden en niet gesproten uit den steeds weer besnoeiden +moederstronk. Tot de steeds groene boomsoorten, als palmen, olijven, +ceders en velerlei dennen, waaronder er zijn, die men treurdennen +zou kunnen noemen--behoort inzonderheid, als een der grootste en +lommerrijkste, de calyptus, die men langs het trottoir alsmede in +parken en tuinen veelvuldig ziet. Geheel zonder bast, met zware, bijna +candelaberswijze opgaande, even bastelooze takken, heeft de calyptus +een dicht loof van blaren, die den vorm hebben van zeer groote, doch +geheel platte peulen. Wat de boomen betreft, die ook in ons Noorder +klimaat worden gevonden, zooals eiken en platanen, ze verliezen in +'t late najaar hun blad, doch nu reeds ziet men langs de avenues +de lange rijen der laatste in het lichtgroene waas, dat een spoedig +ontplooien der blaadjes voorspelt. Wat de kleine heesters betreft, +ze zijn reeds alle in 't blad, de rozen vertoonen haar knoppen en +bloemen, zoo ook de geraniums, een keur van balsemijnen prijkt om +den muziektempel in den Jardin Public, waar een kolossale mirteboom u +inzonderheid treft. Waar men ook langs tuinen of parken wandelt, ziet +men steeds de roodgele oranjes en citroenen in hun hooge bladerkroon +prijken, en--naar ik verneem, is dit alles slechts een schaduw van +den rijkdom aan planten en bloemen die men vindt in de parken der +villa's rondom de zoozeer bevoorrechte stad. + +Bij 't nazien van mijn gekrabbel bespeur ik, u slechts een zeer +flauwen weerklank te hebben gegeven van 't geen hier verrast en +bekoort. Misschien schrijf ik u later wat beter en deel u dan eens +een enkel tafreeltje uit deze streken mee. Wilt ge alvast een paar +bijzonderheden: + +Wie hier een woning of kamers huurt, moet vooruit betalen, omdat--door +de nabijheid van het beruchte Monaco, de verhuurder nooit zeker +is, dat zijn huurder, na het verschijnen der huur, geen geruïneerd +man zal wezen. Gisteren onder de kolonnade van het genoemde Café +de la Victoire nabij een jongen Hongaar gezeten, hoorde ik hem tot +zijn metgezel op zeer matwrevelen toon de woorden zeggen: "Ah! dans +cet enfer de Monaco, on perd tout son argent!" Nochtans voldeed hij +zijn absinth met een biljet van honderd francs in betaling te geven, +en kocht van een bloemenmeisje een welriekenden rooden Anjer en gaf +haar meer dan zij hebben moest. + +Dames, die op diamanten verzot zijn, kunnen hier volop gratis genieten, +nl. met het zien van de prachtigste garnituren. Voor een winkelraam +zag ik een steen, vieille roche 20 1/2 car. genoteerd fr. 80,000. Twee +oorbellen "Très-belles roses d' Hollande" fr. 2200. Twee steenen, +oorknoppen nouvelle roche 4522/32 car. fr. 2500, en twee oorknoppen +vieille roche 30 1/2 car. fr. 105,000. + +'s Morgens en 's avonds vooral kunnen wij onze winterjassen en mantels +best velen. Men zegt, dat het hier om dezen tijd van het jaar bijna +nooit zoo koud was; maar we zitten binnenshuis zonder vuur, zien +de vliegen al dwalen en--'s middags eten we onze doperwtjes van den +kouden grond. + + Vaarwel! + + + + + + Nice, 13 Maart 1879. + + Amice! + + +Gij wilt nog iets meer uit Nice vernemen; welnu, in mijn vorig +schrijven sprak ik van de kostbare edelgesteenten, die hier achter de +winkelramen zijn uitgestald en steeds met onweerstaanbare kracht zoowel +de donkere kijkers van 't Zuiden als de blondlokkige dochteren van +Noordelijker streken geboeid houden; ten opzichte van deze en velerlei +andere kostbaarheden--waartoe ook vooral diamanten heerenringen en +gouden horloges met zware kettingen behooren--wordt mij verzekerd, +dat men ze hier op onderscheidene plaatsen tegen een uiterst lagen +prijs kan bekomen, en wel omdat die voorwerpen de laatste droevige +plechtankers zijn geweest, waaraan de slachtoffers van Monaco zich +tevergeefs in hun speelwoede hebben vastgeklampt. + +Uit mijn venster, ter zijde aan de straat Charles Albert, heb ik het +oog op een zwart bord, waarop met roode letters: "Facteurs Express" +staat te lezen, en te midden van andere aankondigingen dier heeren +zaakwaarnemers trekt het zwart op wit: "Villa à vendre" niet het +minst de aandacht. + +Naar ik vernam, is het een "voorname" cocotte, die deze villa aan +haar bekoorlijkheden was verschuldigd, doch haar eigendom nu à tout +prix verkoopen moet, aangezien zij in "cet enfer de Monaco",--volgens +onzen Hongaar--haar geheele vermogen verloor.--"Verdiende loon!" zegt +er iemand. En de Franschman: "Déshabillée! que veut-elle de plus!" + +Meer dan ergens elders in Europa worden aan de Baie des Anges alle +talen der beschaafde en minder beschaafde wereld gesproken. Russen, +Engelschen, Denen, Amerikanen, Nederlanders--ofschoon niet in grooten +getale--Turken, Grieken, Duitschers, Zwitsers, Italianen "het woelt +en krioelt hier alles dooreen", en het zou al spoedig de Babelsche +spraakverwarring wezen, indien het liefelijk vloeiende Fransch niet +door al die vreemdelingen werd gehuldigd als "la langue du monde +entier" waarop slechts de lords en ladies van tijd tot tijd een +uitzondering maken en daarvoor natuurlijk nog wat meer betalen dan +de minder preutsche vreemdelingen van het continent. + +Dat een winterverblijf te Nice niet goedkoop is, zal u geenszins +verwonderen, en zulks te minder, indien gij in aanmerking neemt, +dat het "saison" er tegen het einde van November begint om in het +begin van April te eindigen. + +Van Mei tot November is Nice bijna even verlaten als Scheveningen +of zoovele andere badplaatsen in Duitschland of Zwitserland in den +zomer zijn bezocht. Vele voorname hotels worden er geheel gesloten +en zeer vele groote magazijnen en kunstuitstallingen breken op +en trekken naar koeler oorden om er aan badgasten en reizigers de +van het zuider stof gereinigde preciosa als hautes nouveautés te +doen bewonderen. Met het sluiten van die hotels verdwijnt ook een +groot deel van het heirleger der onbegrepen wezens, die men--hoe +oud ze ook zijn--garçons blijft noemen. Zij vertrekken mede--veelal +naar Zwitserland, om er hun dienenden geest in een Schweitzerhof of +hotel Rigi-Kulm, op zóó vele meters boven de oppervlakte der zee te +verheffen. Ook de portiers volgen hun voorbeeld en blijven--ofschoon +in een geheel andere omgeving, volmaakt dezelfden: behalve dat zij +een ander portaal zullen bewonen en een anderen hotelnaam in gouden +letters op hun pet zullen dragen. + +Zooeven sprak ik van nouveautés, maar ontegenzeglijk is het waar, dat +wie zich de allereerste voorjaars- of zomer-modes wil aanschaffen, +ze het vroegst in Nice of in andere zuidelijke zustersteden zal +vinden, in weerwil dat Parijs steeds de modewereld regeert. Doch 't +is natuurlijk, dat Parijs, 't welk zich zelf nog gedurende eenige +weken ferm in 't bont blijft hullen, het eerst zijn clientèle aan +de Méditerrannée bedenkt, waar het o. a. heden een dag is--hoewel de +wind voor hier zelfs buitengewoon koel blijft--dat een vrij spraakzaam +Engelschman er dezen morgen van beweerde, dat men er zóó te Londen +geen twintig in den ganschen zomer telt. + +En nu reeds sedert twee weken zagen we alle dagen de zon aan den +diepblauwen hemel--slechts enkele malen voor korten tijd met zware +wolken bedekt, doch zonder dat deze vacantie gaven aan de wakkere +spuitgasten, die hier van den morgen tot den avond in de weer zijn +om het witachtig stofplaveisel van straten en parken en pleinen in +een grijsachtige modder te herscheppen. + +De trottoirs blinken hel, de blauwe brillen zijn legio, terwijl men +ontelbare witte en grijze en roode parasols op alle wegen en niet +het minst tusschen 2 en 5 uren op de Promenade des Anglais, tusschen +de palmen en oleanders en tegen het blauw der kalme zee ziet wiegen +en blinken. + +De geur van Nice--althans van het nieuwe Nice--is in dit seizoen +de geur van--violen. In mijn geheele leven zag ik zoovele van die +welriekende bloempjes niet als hier op één enkelen dag. Overal ziet +men viooltjes, bij een kleurenpracht van velerlei andere bloemen +zonder wederga. Van de twintig voorbijgangers--'t zij mannen of +vrouwen--zelfs van de zeer eenvoudigen, heeft er zeker één, aan +boezem of in knoopsgat, een tuiltje van groene blaadjes met een +centrum van violen. Dat er, behalve in zoovele bloemwinkels, een +schat van kleuren en geuren langs de straat wordt te koop geboden, +behoef ik u niet te zeggen. 't Zij mij vergund u even te verhalen, +van welk klein drama een der Nicische bloemenmeisjes vóór luttele +dagen de hoofdpersoon is geweest. + +Rosa Chiappero, een zeventienjarige Nicienne met prachtig zwart haar, +met een rozenblos op haar zuidelijk teint, een paar zwarte bijna +doorloopende wenkbrauwen, een oogenpaar donker als marmerzwart, +doch met al den gloed der Italiaansche zon, Rosa had haar mand met +violen-bouquetjes even op een bank van de quai St. Jean Baptiste +neergezet, toen een rijzig jong werkman--Philippe Loudello--door +een oud man--Philippes vader--gevolgd. snel op haar toetrad, haar, +met bekendschap groetende, toesprak en haar fraai gevormde lippen +nog schooner roemde dan de roos in het violen-bouquetje, 't welk hij +á tout prix van haar begeerde. + +Mlle Chiappero scheen het zeer warm te krijgen en trok den rooden +foulard los, dien ze om het kwistig in breede tressen gevlochten +haar had gebonden: "Ah M.'sieur Philippe." sprak ze, "prenez-un, +s'ilvousplaît!" en wierp met een soufflement de phh! haar fraaie +kopje een weinig in den nek, alsof ze met niets anders dan met de +zonnewarmte te kampen had, en liet terzelfder tijd den rooden foulard +naast zich op de bank glijden. + +Hoelang Philippe Loudello zich nog--bij de geur der welvoorziene +bloemenmand,--in de zonnestralen van Rosa's heerlijk oogenpaar bleef +koesteren, we weten het niet, maar zooveel is zeker; dat hij--nà +zijn bouquetje zorgvuldig met een speld, hem door Rosa gegeven, in +het knoopsgat te hebben bevestigd, haar vaarwel zei met den zacht +gefluisterden wensch: dat ze hem met de mi-carême ook die andere +bloem,--de bloem van haar rozenlipjes zou schenken! + +Toen Rosa's lange koolzwarte wimpers bij Philippes zoetklinkende +woorden naar omlaag gingen, werd er eensklaps een! "Ah mon Dieu!" uit +haar mond vernomen: "Ah mon Dieu! le foulard! Hier was hij, en hij +is er niet meer!" + +"Dites.... mon pére, tu l'auras vu....?" riep Loudello; maar rondziende +zag hij den toegesproken grijze evenmin als Rosa--steeds zoekende--haar +zijden foulard. De oude Loudello moest ongetwijfeld zijn doorgewandeld +en zijn weg om den hoek der rue Chauvin hebben vervolgd. + +Philippe was zeer begaan met het lieve kind en sprak haar +geruststellend toe; hij zou niet rusten, eer zij haar mooien doek +terug had, 't zij door de hulp der politie, 't zij dat hij haar een +nieuwen foulard mocht vereeren.--Dat "un méchant" den doek in 't +voorbijgaan had weggenomen, zulks leed geen twijfel. Want er woei +geen windje en--noch op dit wandelpad naast den rijweg met zijn +hooge winkelhuizen, noch in de diepte op het steenachtige bed van +den Paillon was hij te bemerken. + +Toen mlle. Chiappero Philippes verzekering had vernomen, toen zag ze +hem met haar glinsterende oogen, waarin reeds een traantje geblonken +had, zóó vriendelijk dankbaar aan, dat mr. Philippe in stilte den +eed herhaalde, dien hij zich zelven gezworen had. + +Met de laatste carnavalsfeesten heeft hij Rosa voor 't eerst ontmoet, +en toen hij haar, op dien zoeten avond verliet, had hij in stilte +gezegd, dat zij zijn vrouwtje moest worden, zoodra zijn patroon hem, +ter wille van zijn goeden naam en erkende kundigheden, van gewoon +ouvrier tot maître d'atelier zou hebben bevorderd. + +Zeer in de nabijheid der jongelieden, doch voor hen geheel +onzichtbaar--nl. om den hoek der reeds genoemde rue Chauvin--had +terzelfder tijd de oplossing plaats van het raadsel: waar toch de +foulard mocht gebleven zijn! + +Een zeer bejaard man had zich zoo snel hij kon van de quai St. Jean +Baptiste, langs wagens en rijtuigen heen, naar de rue Chauvin begeven, +en, na een paar maal met een schuwen blik te hebben omgezien, heeft +hij een roodzijden foulard uit zijn broekzak te voorschijn gehaald, +met het voornemen om hem haastig in den binnenzak van zijn paletot +te verbergen. + +Doch zie, eensklaps verbleekt de nu eenigszins verhoogde kleur van +den 78-jarigen man. Een op de quai St. J. B. gestationneerd sergeant +de ville had van verre gezien, hoe Monsieur François Loudello--le +vieux--den doek van de bank genomen en er zich zeer snel mee +verwijderd had. + +Weinige minuten later berustte het corpus delicti op het politiebureel +en ontving de oude Loudello een aanzegging om--als beschuldigd van +diefstal op den openbaren weg, des anderen daags ter terechtzitting +te verschijnen. + +Maar de oude man verscheen er niet.--Hij was ziek!--très-malade, le +pauvre vieillard!--Doodsbleek verklaarde Philippe Loudello zulks aan +den rechter, en roerend was de toon, waarop hij smeekte, dat hij in +de plaats van zijn "bon vieux père" zou worden verhoord en, zoo men +een altijd braaf en eerlijk oud man moest straffen, omdat hij, kindsch +geworden, als een kind had gehandeld, dat men dan hem--Philippe mocht +gevangen zetten, ofschoon die smaad hem dan ook zijn naam, zijn eer, +zijn toekomst als maître d'atelier, zijn liefde, zijn leven zou kosten! + +Maar hoe treffend Philippes pleidooi voor den ouden vader al +verder mocht zijn, het recht moest zijn loop hebben, en de arme +Philippe barstte in een bitter snikken los, toen hij aan 't einde +der zitting den ouden vader tot een gevangenisstraf van 10 dagen +hoorde veroordeelen. Bijna stikkende in tranen van smart en verkropte +woede, heeft Philippe de rechtzaal verlaten, en,--Rosa voorbijgaande, +heeft hij het gelaat met de beide handen bedekt en verzucht: "Ah! ce +maudit foulard." + +En het eind der geschiedenis! + +Hij zal ziek zijn en ziek blijven! had Philippe gezworen: "In de +gevangenis komt le vieux chéri, zoolang ik adem heb, nooit." + +Wordt het laatste bewaarheid, van die ziekte schijnt de oude man reeds +hersteld te zijn; althans, naar men zegt, is de grijze Loudello voor +een paar dagen weder in het Parc public gezien, terwijl hij er naast +mlle. Rosa met haar bloemen op een bank onder den hoogen mirteboom zat. + +De punt van den roodzijden foulard kwam uit den borstzak des ouden te +voorschijn, terwijl Rosa zelf een witten foulard om haar ravenzwart +haar had gebonden. + +Avec le ciel il y a des accommodements. Men zegt, dat mlle. Chiappero +ter elfder ure op den inval is gekomen, van zich te herinneren, dat +zij tijdens de carnavalsfeesten den foulard aan den ouden Loudello, +die hem zoo mooi vond, had toegezegd en--dat de sergeants de ville +in last hebben gekregen om, à l'égard du vieux, de vijf vingers +voor de oogen te houden. En voorts zegt men, dat de chef van +Mons. Philippe--vernemende hoe de brave jongen zich, in weerwil +van die gevreesde schande, voor zijn grijzen vader heeft willen +opofferen, hem met den 1sten Mei tot maître d'atelier zal verheffen, +en dat met de mi-carême, le bon et beau Philippe van de lippen der +schoone zwartoog het roosje zal plukken, waarvan de geur zich steeds +zal vernieuwen en even duurzaam zal zijn als de kleur van le foulard +du vieux père Loudello. + + + + + + Nice, 24 Maart 1879. + + + Amice! + + +Het komt mij bijna onmogelijk voor om in dit seizoen uit Nice te +schrijven, zonder van den zomer te gewagen, die hier telkens meer +bekoort en verrukt. + + + "In 't volle groen! Met bloemen zonder tal!" + + +Ik vermoed, dat de Baie des Anges zijn naam is verschuldigd aan +de onzichtbare nabijheid "dier zalige hemelingen", gelokt en +onweerstaanbaar geboeid door den bloemengeur, die van zijn oevers +opstijgt. + +Met de mi-carême, wanneer onze jonge vriend Loudello van +madlle. Chiappero een ander langgewenscht bloempje zal ontvangen, dan +moet er een bouquettenfeest plaats hebben, en waarschijnlijk zult gij +daar later van hooren; voor 't oogenblik moet ik u een bouquet doen +zien, dat hier voor een paar dagen onder een der kolonnades van de +Place Masséna veler aandacht trok. Stel u een bouquet voor, waarvan +de uiterste rand uit frischgroene varen bestaat; naast, of tegen die +varen, een cirkel van ruikende viooltjes en het middenrond gevuld met +witte camelia's en andere witte bloemen, waaronder hyacinten. Eenvoudig +zult ge zeggen. Maar de afmeting! Zoo iets zag ik nooit: de bouquet +had een omtrek van drie meters en een middellijn van één meter en +dertig centimeters, terwijl ik omstreeks honderd witte camelia's +in het centrum geteld heb. Hoe de zangeres Madlle. Ciuti, voor +wie de bouquet als Aïda bestemd was, er haar dankbare révérence +mee zal gemaakt hebben begrijp ik niet, want de persoon, die dit +niet alledaagsche huldeblijk aan de succursale der bloemisterij ter +tijdelijke uitstalling kwam brengen, bezweek haast onder zijn last +en beet zich vergenoegd op den forsch vooruitspringenden knevel, +toen hij de monster-cornet met haar geurenden inhoud stevig en wel +op de leuningen van een drietal stoelen geplaatst had. + +Ofschoon het bezichtigen van kerken in den regel niet tot mijn +liefhebberijen behoort, tenzij er kunstschatten te bewonderen zijn, +zoo bekroop mij Zondag ll. toch de lust om--na een vluchtig kijkje in +de Notre Dame de Nice te hebben genomen, er mij des namiddags nog eens +heen te begeven. Op muren en pilaren stond het volgend Avis te lezen: +"Dimanche à trois heures et demi un sermon de charité sera prêché +par sa Grandeur Monseigneur l'évêque de Nice, pour les besoins du +Diocèse et en particulier pour l'oeuvre si important des vocations +ecclésiastiques." + +Zeer tijdig er heengegaan, bekwam ik, in weerwil van een buitengewoon +groote opkomst, een uitmuntende plaats, zeer in de nabijheid van het +weelderig met bloemen versierde hoofdaltaar en tevens van den kansel, +waarop de bisschop zijn preek zou houden. + +Wie aan onze deftige of--vooral in onze R.-K. kerken, veelal +fraai gesneden houten kansels gewoon is, wordt onwillekeurig op +'t zonderlingst getroffen door dien preekstoel, geheel bekleed met +rood damast en dito fluweel, terwijl gouden belegsels en franjes er +kwistig zijn aangebracht. + +De vesperdienst, waarop ik niet had gerekend, duurde mij wel wat +lang. Nadat hij geëindigd was, opende een "Suisse" die een rood gewaad, +met goud-zilveren borduursels en epauletten, een grooten steek met +witte veer en een soort van lans met vergulde piek in de hand droeg, +den stoet van priesters en koorknapen--altemaal in roode en witte +dienstkleederen, die den bisschop van Nice tot achter den preekstoel +vergezelden. + +Een oogenblik later zag ik het neerhangende rood damast in het fond +van den preekstoel vaneengaan en den bisschop--Mons. Balin, in een +straal van het hooge kruisraam achter den stoel, in den kansel treden, +waarna de draperie zich weder achter hem sloot. + +Vele stoelen, die front naar het altaar hadden gemaakt, werden nu +eenigszins schuin, ter zij naar den redenaar gekeerd; de "Suisse" +voerde de priesters en koorknapen naar de hooge ruimte bij het altaar +terug, waar zij allen plaats namen, en--de bisschop begon zijn rede. + +--Het was voor hem een plechtig en ernstig oogenblik. Zijn ziel was +bedroefd. Hij--de bisschop van Nice,--hij moest met smart getuigen! dat +men hem priesters vroeg, en hij er geen had te geven. + +--Er waren gemeenten in zijn bisdom, die, verzonken in de onwetendheid, +voortleefden zonder God, zonder vergiffenis hunner zonden en zonder +de genademiddelen der Heilige Kerk te ontvangen. + +--O! terwijl er in deze tijden vorsten waren die de priesters +verdreven, moest de bisschop van Nice vragen: Geeft ons +priesters!--Maar hij vraagt ze niet aan zijn hoorders. Hij weet wel, +dat ze hem hun zonen niet zullen geven; neen, hij vraagt de hulp, +de milde hand der schare, opdat men ginds op de bergen ga zoeken en +vragen, en voorzeker, de armen en eenvoudigen zullen hun zonen met +liefde zenden in den wijngaard des Heeren! + +--In deze heilige ure heeft de bisschop zich voorgesteld om te spreken +van de hooge roeping en het eminente standpunt des priesters. + +Het zij mij vergund de--letterlijk door den bisschop gesproken woorden +onvertaald te doen blijven.--Z. E. vervolgde zijn rede. + +"Vóór alles en vóór alle schepselen bestond God; oneindig in grootheid, +oneindig in liefde. + +"In den beginne besloot ce grand Dieu om hemel en aarde te scheppen. + +"Als een verheven artist il prit palette et pinceaux en maakte het +kunstwerk, les cieux et la terre. Aan het prachtig tafreel ontbrak in +'t einde niets dan een sprank der Godheid zelve, en,--een laatste +coup de maître voltooide het geheel; de mensch was geschapen. + +"Maar ziet, de duivel--jaloersch op het werk, 't welk hij zag, bracht +den mensch ten val. + +"Nochtans Gods goedheid was onbegrensd. Zijn eigen Zoon moest van +den hemel nederdalen om den mensch te behouden, ja hem op aarde reeds +grooter te maken dan hij te voren geweest was. + +"Die verhevener mensch is de christen. + +"Doch boven den christen staat de priester! + +"Le prêtre mes frères, cette main de poussière, wat is hij groot, +wat is hij machtig! + +"De helden en wijzen en kunstenaars der oudheid, wat zijn ze! Wat +zij deden of wrochtten het is voor het meerendeel vergeten, +vernietigd. Maar wat de priester werkte aan de zielen der gemeente, +het ging niet verloren, het leeft in den hemel! + +"Keizers en koningen der aarde, wat zijn ze! De machtigste zelfs, die +de geheele wereld aan zijn schepter verbindt, o, op zijn beurt ziet hij +zich straks overwonnen, beroofd van macht, van glorie en kroon. Maar +de kroon van den priester blijft! blijft eeuwig in den hemel! + +"Hoe zal ik u de grootheid des priesters schetsen, mes frères, +vervolgde de bisschop: hij overtreft die der hemelingen, la puissance +des Anges! "Wat kunnen de engelen voor het arme menschenkind +doen! Helaas!--Maar de priester, is hij niet l'intermédiaire--de +middelaar Gods en der menschen? + +"En gij, o liefelijke heilige Moedermaagd! Wanneer wij de hooge +waardigheid van den priester schetsen en zijn macht boven de uwe +verheffen, o, gij weet het, dan doen wij niets te kort aan onze liefde +en vereering voor u. Ja, de priester staat hooger dan gij. Voorzeker, +gij hebt het leven geschonken aan den Zoon des menschen, maar de +priester,--schenkt hij in het misoffer niet iederen dag van nieuws +af aan het leven aan den Heiland der wereld! + +"O prêtres de notre Seigneur, que vous êtes nobles et puissants! Ja, +meer vermoogt gij op aarde zelfs dan Jezus, de Heer, die u het recht +schonk om in Zijn naam de zonde te vergeven en aan het sterfbed de +zielen te redden van een eeuwig verderf. De priester, mes frères, +is hij niet de hoogste macht op aarde! Oui mes frères le prêtre +c'est Dieu!" + + + +Van commentaren onthoud ik mij. Ik gaf slechts hetgeen ik hoorde, +maar geloof zeer zeker, dat zelfs onze R.-K. landgenooten de preek van +monseigneur Balin wel wat door de zuiderzon gekleurd zullen vinden. De +bisschop, wiens kleeding bestond uit den violetkleurigen schoudermantel +op de zwarte soutane met een summarium of overkleed van geborduurd +neteldoek--had bij iedere gesticulatie een zeer grooten prachtigen +diamant aan zijn vinger doen schitteren, en toen hij nu ten slotte +zijn toehoorders nogmaals zeer dringend had opgewekt tot het geven van +milde bijdragen ten behoeve van de zoo bitter noodlijdende kerk, toen +had ik hem wel willen vragen, of hij zelf niet zou vóórgaan met het +werpen van dien kostbaren steen op een der zilveren schalen--waarmee +na zijn: Ainsi soit il! een aantal jonge en ook enkele oudere dames +de kerk doorkruisten. Maar ik geloof, dat die vraag minstens toch +zeer onbescheiden zou zijn geweest--immers wie onzer is gewoon den +arme, dan blinde, den kreupele zoo aanstonds zijn kostbaarheden in +den schoot te werpen! + +Ik schrikte. Ternauwernood was de bisschop weer door de roode +draperie van den preekstoel verdwenen of een zwaar orkest op het +Koor viel oorverdoovend in, en terwijl de Turksche muziek er dapper +op losbeukte, meende ik--ook straks in een solo cornet-à-piston, +zeer duidelijk Verdi uit zijn opera's te herkennen. Bij het uitgaan +van de kerk trof het mij, bij een zoo groote schare, die gedurig door +den bisschop: mes frères was betiteld, zoo weinig mannen te zien. Ik +geloof getrouw aan de waarheid te blijven, indien ik verzeker, dat +van de honderd personen er ongetwijfeld tachtig vrouwen waren. Een +allervreeselijkst geschuifel, veroorzaakt door het onophoudelijk in- +en uitloopen van kerkbezoekers, het veelvuldig gefluister en zelfs +eenige malen het geschrei van zuigelingen, dit alles maakte het den +bisschop kwaad genoeg en dwong hem tot het krachtig uitzetten van +zijn stem, waardoor zij niet altijd harmonisch klonk. + + + + + + Nice, 26 Maart 1879. + + + Amice! + + +Reeds sedert vele weken verkondigen reusachtige aanplakbiljetten, +dat er onder bescherming van den hier bestaanden Cercle de la +Méditerranée, tegen 20 en 21 Maart Les Régates zouden plaats hebben. En +de toebereidselen tot dat zeefeest werden mede reeds sedert dagen +gemaakt. Een groot gedeelte van de zeer lange Promenade des Anglais +werd door een planken schutting van den rijweg afgescheiden, welke +schutting slechts in het midden een opening heeft ter plaatse, waar +een breede houten brug, met vele vlaggen versierd, het prachtigste +gebouw van den Cercle--over den rijweg heen--met tribunes verbindt. Die +tribunes, aan de zeezijde tegen de steenen helling, over een lengte +van meer dan 100 meters opgericht, werden van boven met blauw katoen +bekleed, ten einde de houders van kaarten à 10 francs, niet gehinderd +door een te felle zon, het schouwspel te doen genieten van een stoom- +en zeil- en roeiwedstrijd op de blauwe wateren der Middellandsche +Zee. Aan de hooge staken, die zich bij honderden boven de tribunes en +ook aan de achterzij van het afgezette wandelpad tusschen de palmen +en oleanders verheffen, wapperden, mede reeds sedert eenige dagen, +kleine vlaggen van allerlei kleur, ofschoon ze niet meer behoefden +te verhalen, dat het een internationaal feest zou zijn, aangezien +de programma's met zeer groote letters verkondigden, dat Le Prince +de Gales de hooge beschermheer was, men elkander zelfs vrij stellig +verzekerde, dat Son Alt. Royale ongetwijfeld in eigen persoon de +feesten zou bijwonen. + +Voor den wedstrijd van stoombooten van alle natiën, alsmede voor zeil- +en roeivaartuigen werden door velerlei corporaties en particulieren +prijzen uitgeloofd. + +Volgens het Plan et Parcours des Régates zouden de stoomschepen den +20sten van Nice vertrekken, eerst met een wending zuidwestwaarts, +om dan--wat verder van de kust, in rechte lijn oostwaarts koers te +zetten naar het wat meer in zee vooruitspringende Monaco. Den volgenden +dag--21 Maart--zouden de stoomers langs denzelfden weg terugkeeren, +terwijl de kampioenen der zeil- en roeivaartuigen wat dichter nabij +de kust den wedstrijd zouden houden. Vier observatiebooten moesten in +zee stationneeren. Eén het dichtst bij de kust juist tegenover het +gebouw van den Cercle M.; één op het punt, vanwaar de stoombooten, +ná den Z.-W. tocht, rechtstreeks oostelijk koers naar Monaco zullen +zetten; één ongeveer ter helfte van Monaco en de vierde aan de ree +van Monaco zelf. + +Zóô was alles bepaald en geregeld. Maar helaas! het eerste alhier zeer +schitterend te vieren Internationale Zeefeest zou het lot deelen van +zoovele Nederlandsche zomerfeesten in de open lucht! + +Bijna drie weken achtereen scheen de zon met helderen glans, maar +als zij hier schuilgaat en een ZO. wind--de Libeccio, een wind uit +Libye--de zwarte wolken voortzweept en wolken stofs doet opstuiven, +zoodat hij straten en pleinen in grijze nevelen hult; wanneer dan +na het vallen van enkele zware regendroppels al spoedig plasregens +neerstorten, die slechts een oogenblik verminderen om door nieuwe +stroomen uit de sluizen des hemels te worden gevolgd, dan verwondert +men zich niet, dat men de straten, die met fijngeklopten kalksteen +gemacadamiseerd zijn, in ware modderwegen ziet verkeeren, terwijl +slechts de huurkoetsiers--allen met een paraplu boven het hoofd--den +zilverstroom des hemels zegenen, waardoor ook het zilver der vreemden +nog wat milder in hun zakken vloeien zal. + +In den nacht van 18 op 19 Maart hadden wind en regen de feestcommissie +reeds doen voorhoofd-rimpelen. Op Woensdag den 19en Maart floot de +Libeccio met zóóveel kracht, dat hij de palen der tribunes aan zee +deed kraken of neerwierp, het blauwe doek ter wering van 't zonlicht +vaneen scheurde en ginds en her in flarden deed vliegen hoog door de +lucht. De regen viel steeds bij stroomen. "Un temps du diable, mon +s'r!" zei de hotelhouder Platel, toen we des avonds, omstreeks zeven +uren, zijn salle á manger verlieten. "Et les Régates, mon s'r Platel!?" + +"Ah! ze zijn tot aanstaanden Maandag uitgesteld. We zijn niet gelukkig +met onze feesten van 't jaar. Vóór het Carnaval hadden we prachtige +dagen, maar niet zoodra zouden de feesten beginnen, of daar kwam +gedurig de regen, en nu, le temps se moque des Régates!" + +"Als het hier regent, dan schijnt het raak te zijn!" + +"Ah si; les averses sont souvent d'une violence extrême comme +les pluies des régions tropicales. On compte avoir 55 á 65 jours +parfaitement beaux dans chaque saison, et pourtant, malgré la rareté +des pluies, la quantité d'eau qui ce précipite annuellement dans le +bassin de Nice, est supérieure á la masse liquide qui arrose chaque +année les campagnes du Nord de la France; tandis qu'á Paris la moyenne +est de 54 cent., elle est á Nice de 70 cent." + +Als men, naar buiten ziende, de zware droppels in dichte massa's zag +neergutsen, dan kon men aannemen, dat M. Platel die wijsheid uit +een even degelijke bron had als de bron overvloedig mocht heeten, +die nu den meestal schier drogen Paillon met twee fiksche stroomen +door zijn steenen bedding deed bruisen. + +Terwijl het zoo regent, maar de zachtste weersgesteldheid u toch +volstrekt niet belet om na het diner, bv. van 8-9 uren onder de +arcade--of kolonnade--van het café de la Victoire uw demi-tasse te +gaan gebruiken, zie ik een der hoofd-garçons contre-maître genoemd, +met een geweldig blond oog en een zeer gehavenden neus ces Messieurs +en Mesdames bedienen. + +"Hoe ben je aan die illustraties gekomen?" vroeg ik hem bij 't schenken +van onze café au lait. + +"Le diable de comte! Hij kwam dronken hier. Nadat hij la gentille dame +au comptoir beleedigd had en ik hem weigerde absinth te schenken, +maar hem de deur wees, stiet hij mij op 't hevigst met de vuist in +het oog en kwetste mij bovendien gevoelig met den grooten steen van +zijn ring. Maar nog denzelfden avond zat hij au violon en kan nu 15 +dagen zijn roes uitslapen, eer hij tot zijn etat normal d'ivrogne +mag terugkeeren. Mauvaise clientéle, m'sieur!" + +Weinige oogenblikken later las ik in "Le progrès de Nice" een bijna +eensluidend verhaal, nl. van zekere nommé Landino, die den kastelein +Palmieri van de Brasserie du Littoral--omdat hij den dronkaard niet +meer schenken wilde, met een glas op het hoofd had geslagen.--En +iets verder: + +"La nommée Marie M.... a été arrêtée pour ivresse scandaleuse." + +En weer iets lager, 't geen ik terwille van de eigenaardige wijze +van vermelding letterlijk afschrijf: + +"Arrestation. M. Pierre G...., le jour de la Mi-Carême, se dit: Il +pleut, maist c'est pas une raison pour ne pas se divertir un peu; si on +se mouille á l'extérieur, il faut réagir et s'humecter à l'intérieur. + +"Il a tant réagi que la réaction ne s'est terminé que le lendemain +au violon." + +Men ziet het, dat er niet alleen in ons dierbaar Nederland aan +Bacchus wordt geofferd, en ofschoon ik bekennen moet meermalen +zwaaiende personen in echt vroolijke stemming te hebben ontmoet, +ja dikwijls een niet onharmonisch gezang uit hun mond heb vernomen, +het medegedeelde bewijst genoeg, dat een "kwade dronk" ook in het +zuiden niet zeldzaam is. + +Is de smaak voor geestrijke dranken al tamelijk gelijk aan die in ons +lieve vaderland, het politiek leven is hier in 't Zuiden oneindig +meer ontwikkeld. Bij duizenden worden de exemplaren van Fransche +nieuwsbladen--van allerlei vorm en politieke kleur, langs de straten +verkocht en veelal gelezen. Mannen en zelfs vrouwen van allerlei +stand ziet men met een nieuwsblad op banken gezeten of langzaam +lezende voortgaan. De vele zoozeer uiteenloopende richtingen dier +bladen vinden alle ook hier hun aanhangers, en 't is wel een wonder, +dat men bij de heftigheid, waarmee bijv. "een Progrés de Nice" +zijn tegenstander "Le Journal Niçois" bestrijdt, onder hun trouwe, +zoo licht ontvlambare volgelingen niet meer van moord en doodslag +verneemt. Dat het peil van ontwikkeling bij al dat politieke leven +hier hooger dan bij ons zou staan, ik betwijfel het zeer. Aan meer dan +twintig, meest welgekleede inwoners van Nice vroeg ik naar den naam +van een hoogopgroeiend heestergewas, 't welk men hier overal ziet en +welks bladen in vorm en kleur aan onze linden- en moerbezie-blaren +herinneren, terwijl het een overvloed van lieve witte bloempjes met +gele harten draagt. De antwoorden klonken steeds uiterst beleefd, +maar ik kreeg niet anders te hooren dan een: "Ah mille pardons! Je +ne saurais le dire!" of iets van dien aard. Een der garçons van het +meergenoemde Café, waar zeer hooge exemplaren van die struiksoort +tusschen de kolonnades bloeien, keek óók zeer verwonderd bij mijn +vraag en had ze blijkbaar nog nooit opgemerkt; intusschen hij kende +een monsieur très-savant, en,--gisteren gaf hij mij een klein plankje +waarop die geleerde geschreven had: Sparmagnia. + +Op den 20sten Maart--den eersten dag waarop de nu uitgestelde +Régates zouden hebben plaats gehad, moesten de blauwe wateren der +Middellandsche Zee in plaats van een feestvierende kust te besproeien +veler harten met diepe wonden slaan. + +'t Is u bekend, dat het stoomschip l'Arrogante,--een instructieschip +van Toulon nabij de zee van Porquerolles--zijnde een der drie "îles +d'Hyères",--heeft schipbreuk geleden en vijftig mannen en jongelingen +er hun dood in de golven moesten vinden. En onder de honderden te +Toulon, die zich hadden voorgesteld om op dien dag het feest in +"Nizza la bella" te gaan bijwonen en er het vroolijk gewemel van +stoomers en zeilers en roeiers op de Baie des Anges te genieten, o, +ze bleven verre van de schoone stad, maar ze tuurden met starren blik +op diezelfde zee, aan wie ze hun dierbren terugvroegen, 't zij met een +traan of een zucht of--met een "Ah, ces eaux maudites!" op de lippen. + +Met betrekking tot de hevigheid van den storm zegt "le Journal de +Nice": "Sur la rade des îles d'Hyères l'Arrogante reçut l'ouragan, +qui de mémoire des plus vieux marins de nos côtes a dépassé en violence +tous ceux enregistrés jusqu'à ce jour." + +Nader iets over de feesten en--over Monaco. + + + + + + Nice, 29 Maart 1879. + + + Amice! + + +"Nizza la bella" was op Maandag den 24sten Maart werkelijk de +lachende schoone, blij glanzend van feestvreugd, onder een hemel van +'t diepste blauw. + +Van heinde en verre waren nog altijd vreemdelingen toegestroomd. + +Wie zich echter had voorgesteld de stad, die voor het eerst haar +Régates zou vieren, met vlaggen en groen en bloemen getooid te zien, +hij zou zich zeer vergist hebben, want, zoomin aan publieke als aan +particuliere gebouwen was er het geringste spoor van te ontdekken. + +Slechts aan zee waren het gebouw van den Cercle de la Méditerranée, +de houten brug van zijn balcon over den rijweg tot aan de tribunes +en die lange tribunes zelven met vlaggen versierd, zoodat die aanblik +uit zee wel het verrassendst moet geweest zijn. + +--En het feest?--In weerwil van alle ophemeling geloof ik te +mogen zeggen, dat het zoogoed als mislukt is.--Door de zeeramp +der "Arrogante" van Toulon was het reeds kleine getal van vijf +stoomschepen, die aan den wedstrijd zouden deelnemen, nog tot drie +verminderd--want Toulon, in diepen rouw, had zich teruggetrokken--en +de toeschouwer zag dus slechts die drie booten, soms op vrij verren +afstand, tweemaal in een zeer grooten kring voorbij het gebouw van +den Cercle stoomen, alvorens koers naar Monaco te zetten. De voorste +bleef de voorste, en de achterste de achterste. Onwillekeurig--en +natuurlijk zeer ongepast--kwam mij het rijmpje in de gedachten: +Drie oude wijven; ze konden mekaar niet krijgen; enz. enz. + +De zeil- en roeiwedstrijd was dien dag vrij aardig--inzonderheid +voor hen, die de schepen of roeiers kenden; maar op die groote en +grootsche zee werd alles zoo klein en zoo nietig. + +En van de duizenden, die men op de tribunes had verwacht, waren er +zoovele honderden, en van de duizenden, die het buiten de tribunes +evengoed of misschien nog veel beter zagen, waren er weer honderden, +die het wel heel mooi of aardig vonden, maar toch reeds lang vóór +het einde de kust door den Jardin Public of langs de zij der hooge +Terrasses verlieten. "En avant, pour la gymnastique!" zei een roodbroek +tot zijn kameraden; en dat laatste wil zeggen: Met den gezwinden pas! + +Ongetwijfeld heeft het groote vuurwerk, 't welk des avonds op zee zou +worden ontstoken, wel een belangrijk deel in de aantrekkingskracht +tot het feest gehad. + +Toen het des avonds negen uren terdege donker was--want dikke wolken +hadden zich in den namiddag weder saamgepakt--toen was het aantal +menschen uit de uitgestrekte wandeling aan zee zeker even ontelbaar +als het starrenheir, 't welk zich nu achter die wolken verschool. + +De tribunes met hun verlichting à giorno waren slecht bezet; ik geloof, +dat het aantal gekleurde ballons dat der bezoekers nog overtrof. De +feestcommissie, met haar hooge gasten, bevond zich meest op de breede +brug van het gebouw, naar het strand. + +Tuurde men op de zee, dan zag men.... een nachtelijk +duister. Allengskens echter daagden er van de linkerzijde--om den +hoek van den vuurtoren, zeer van verre, eenige roodlichtende bollen +op, die veel overeenkomst hadden met groote, vanbinnen verlichte +oranjes. Bij twintig- en dertigtallen, slingerswijze, doch zeer +onregelmatig op- en neerdobberende, namen zij al meer en meer in +aantal toe, en eindelijk--steeds voorwaarts trekkende--formeerden zij +twee rijen juist tegenover het feestgebouw, 't welk nu inderdaad op +'t prachtigst met gas en velerlei kleuren was verlicht--en tevens +flankeerden zij de twee nog onzichtbare schepen in zee, waarop het +vuurwerk zou worden ontstoken. + +De wind werd vrij koel. Van tijd tot tijd vielen er eenige +verontrustende regendroppels. + +"La pièce!" zei er een; maar slechts het gebruis van den zwaren +golfslag op het keien-strand gaf antwoord. En, de zóóvele honderden +lichtende oranjes bleven op- en neerdansen zonder dat er van de +schuiten zelf, waarop ze wiegden, noch van al de roeiers, die er met +een tamelijk bewogen watervlak te kampen hadden, het geringste kon +worden waargenomen. + +"La Pièce!" + +Nog altijd dansten de oranjes en brak de golfslag met geweld op +het strand. + +Maar hoor, het signaal wordt gegeven. + +Aan het groote water zal een hulde worden gebracht door het vuur; +en de mensch zal juichen, want: de negentiende eeuw is trotsch op de +beide broeders, die hen doen voortsnellen op de wiek van den stroom! + +En................................................ + +Een vijfhonderdtal vuurpijlen schoot sissend en met ontzettend geraas +gelijktijdig ten duisteren hemel op. Een vuurbouquet van millioenen +roode, blauwe en allerlei andere bloemenkleuren ontplofte in het als +vanéénscheurende zwerk en daalden in gouden en purperen en zilveren +regens, hel blinkend neer. De zee tot aan den verren horizon was helder +verlicht, de kust met haar ademlooze duizenden met een tooverachtig +daglicht gekleurd. + +En terzelfder tijd ontbrandde het vuur van een vijftigtal groote +pektonnen, die zich--een pyramide formeerende--uit zee verhieven. En +van dien reusachtigen vuurtoren schoten twee rosse bliksemschichten +naar rechts en naar links en raakten de hooge masttoppen van +twee fregatten [18], die in hetzelfde oogenblik elkaar met een +oorverdoovende kanonnade in de schitterendste kleuren bestookten +en de kust deden daveren van het geweld hunner slagen. De strijd +was geweldig! Maar zie:--Eensklaps sloegen de trotsche schepen in +lichterlaaie van rood en van wit en van blauw. En de zee weerkaatste in +duizenden prachtige tinten die vlammen en vonken: robijnen, safieren, +diamanten en............................. + +Ik vraag u wel om verschooning! Dit alles zag ik slechts in mijn +verbeelding. + +Misschien is het niet mogelijk om op onze Nederlandsche kust een +vaar-wedstrijd op groote schaal te doen plaats hebben: maar kon +dit zoo wezen, dan houd ik mij overtuigd, dat althans zeer zeker het +gemeentebestuur van 's-Gravenhage voor zijn groot stedelijk Badhuis te +Scheveningen iets anders zou ontsteken dan 't geen de Franschen hier: +Superbe! Splendide! en ik weet niet wat meer noemen. + +Het vuurwerk bestond in een vuurpijl.--Hê!--Nóg één.--Hê!--En nog één; +enz.--Een donderbus; een wiel; een donderbus; een vuurpijl.--Weer +een wiel.... + +Maar genoeg. Het slottableau was een scheepje in Bengaalsch vuur, +met--pief--paf, knap!--Uit!-- + +Ik verzeker u, dat een gewoon Donderdagavond-vuurwerk even mooi +is als het vuurwerk der groote Régates te Nice, behalve--dit moet +gezegd worden--het niet onaardig gehobbel der oranjes en het werkelijk +prachtig weerspiegelen van een veelkleurig vuur in de golvende zee. + +En de afloop van den stoom-, zeil- en roeiwedstrijd op den tweeden +feestdag? + +--Helaas, te twee uren stak er weder zulk een hevige wind op, dat de +kampioenen,--vooral de roeiers, onmogelijk den kamp konden wagen of +voleinden en zoo snel mogelijk de haven trachtten te bereiken. Twee +zeilschepen verloren hun masten; vele kleine vaartuigen kregen averij, +en één hunner werd zelfs door een hevigen windstoot omvergeworpen. + +Te vijf uren zag men tusschen de hooggekamde golven nog een paar +kleine booten, die--worstelende met het onstuimig element den bijna +gezonken confrater op sleeptouw hadden.... Gelukkig had de bemanning +van het scheepje zich weten te redden. Maar toch, om denzelfden tijd +zag men langs den Paillon een brancard zeer langzaam in de richting +van het hospitaal verdwijnen. Het heeft zich helaas bevestigd, dat +een matroos er zeer slecht aan toe is. + +Nogmaals moest nu de laatste wedkamp worden uitgesteld; maar--toen +hij Donderdag den 27sten plaats had, toen waren de oogen van inwoners +en vreemdelingen vrij wat minder naar zee dan naar de landzij gekeerd. + +Geen wonder: Op de Promenade des Anglais--den rijweg naast +het wandelpad aan zee--daar zou de "Bataille des Fleurs" worden +gehouden.--Had reeds de Carême zijn fête des fleurs gehad, de Mi-Carême +moest die evenzeer hebben. + +En dat was aardig, smaakvol, allerliefst! + +Op dien breeden rijweg met zijn palmen en oleanders langs de zee was +het een onafzienbare reeks van open rijtuigen, vele op het kwistigst +met groen en bloemen versierd, die elkander stapvoets voorbijreden. + +Het aantal bouquetten, veelal aan de zijden of ook geheel rondom +de landauers en calêches tentoongesteld, maar voor 't meerendeel +binnen die rijtuigen in langwerpige manden opeengehoopt, is niet +te bepalen. Prachtig was de versiering van sommige equipages, die, +aan de voornaamste villa-bewoners toebehoorden, of ook van die, +waarin slechts enkele "dames" waren gezeten. + +Wij zagen een landauer, die behalve de wielen geheel onder groen en +bloemen was verscholen. Verbeeld u, dat de tuigen van sommige paarden +geheel in een bloementuig waren herschapen, en dat o.a. de reepen +(of lederen treklijnen) uit een vaste aaneenschakeling van fonkelend +roode camelia's bestonden. + +Welk een weelde van bloemen! In Maart! + +En de bataille?--Bij 't zien van vrienden of bekenden werpt men +elkander in 't voorbijrijden om strijd zijn ruikers toe, en ook de +onbekenden worden niet altijd vergeten. + +Wie den rijksten oogst hebben, dat zijn misschien wel de arme stakkers, +die telkens toeschieten om de geurige projectielen, welke hun doel +hebben gemist, soms niet zonder eigen gevaar, voor een verpletteren +onder hoeven of wielen te bewaren. + +O! als er eens geen andere batailles dan zulke batailles werden +geleverd! + +En--zou er zulk een, in ons lieve--des zomers zoo bloemrijke Nederland, +niet op haar plaats zijn!? + +"Nice leeft van feesten!" zei mij een inwoner. "In den zomer hebben we +zelfs la Fête des Boîteux et Bossus! 't Is zeer eigenaardig. Al wat +maar op den naam van gebrekkig kan aanspraak maken, trekt dan naar +de bekende Promenade en vertoont zich aan hun--op dezen dag vrij wat +minder interessante natuurgenooten." + +Maar hiermee eindig ik niet. + +Weet ge wie de voornaamste, zoo niet de eenige grootheid van Nice +op kunstgebied is geweest? Het was de kunstschilder Carel Van Loo +(Carle Vanloo), de zoon van een Nederlandsch timmerman. + +En--was het niet aardig, dat bij die Régates toch de allereerste +prijs voor stoombootvaart werd behaald door een Parijzenaar, wiens +naam wel duidelijk den Nederlander verraadt, Monsieur d'Outhoorn! + +En dan,--het doet het vaderlandsch hart zoo goed, ook hier steeds +weder de werken van onze eenige oud-Hollandsche schilderschool te +zien en te hooren bewonderen. + +--Noblesse oblige! + +Maar ook, hier--in het land der bloemen, leeft Holland met eere: In +de breede Avenue de la Gare--de lange hoofdstraat van Nice,--is een +groote bloemisterij, en voor de vitrines zag ik prachtige Azalea's, +met de namen in top: Eugène Mazel, François De Vos, Le roi d'Hollande. + + + + + +MONTE-CARLO. + + +"Cet enfer de Monaco!" dat waren de woorden, die ik van een +teruggekeerde uit Monte-Carlo vernomen had, en de man had het voorkomen +van iemand, die zich diep ongelukkig gevoelt. Het heeft mij vroeger +wel eens verbaasd, dat zoovele menschen, die vast aan een "hel" +gelooven, zoo gerust een weg bewandelen, waarop zij--volgens dat +geloof--wiskunstig zeker die hel te gemoet gaan. + +Nadat ik echter op zoo menig schouwtooneel die folterplaats, vol +geween en knarsing der tanden, als een tooverpaleis, stralende van +licht en van kleuren, vol zingenot zag voorgesteld, maar vooral ook, +sedert Dantes hel, met die van Doré vereenigd, mij een onvergetelijk +kunstgenot schonk, begrijp ik nog beter dat de bedoelde personen, +in weerwil van hun geloof, op een hel rekenen, die inderdaad nog niet +zoo zwart en zoo heel verschrikkelijk wezen zal. + + + +Men noemt oneigenlijk den naam van het stadje Monaco, als men van de +plaats spreekt, die op een andere rotshoogte der kust, ongeveer een +kwartier verder westwaarts is gelegen. + +Monte-Carlo! Prachtig plekje aan de Middellandsche Zee! + +Als men het spoorwegstation, juist bij den golfslag aan den voet der +rots, heeft verlaten, dan vindt men aanstonds er achter de breede +glooiende trappen, die over en naast den rotswand, naar het Dorado +voeren. + +Boven gekomen, waart het verraste oog met verrukking rond. + +In fijnen toon ziet gij rechts, aan de overzij van een kleine bocht +der zee, de rots die, met haar drie étages van woningen in 't groen, +Monaco en zijn vorstelijk paleis omhoog beurt, terwijl de zon vroolijk +schittert in het zeenat aan zijn voet en fonkelt in den schuimenden +golfslag, die sinds eeuwen de rots bekampt, maar niet zal doen wijken. + +Recht voor u uit, en ook ter linkerzijde, hebt gij de zee, die +groote--die "blauwe zee!" blauw tot den horizon toe. + +En, als zij u uit overoude tijden verhaalt, hoe Hercules van Hellas' +boorden hier 't allereerst voet aan wal kwam zetten; hoe de oud +Grieksche held er Geryon en de woeste bergroovers bestreed en verwon, +hoe hij de Grieksche beschaving er bracht en hier een weg dwars door +de Alpen sloeg, waardoor aan dit oord voor altijd de naam van Portus +Herculis verzekerd werd; als gij nog luistert naar haar sprookjes: van +de zeenimfen en de Saracenen, en uw oog eensklaps door een eenigszins +lager liggende groene vlakte wordt getroffen, dan--schrikt ge, want +ge hoort een stem aan uw zij, en het klinkt in uw oor! + +"Die groene vlakte dáár, dat is de Tir aux pigeons." + +"Ei, is dat de Tir aux pigeons!" Uit zekeren hemel was ik alreeds in +een soort van hel gevallen. + +Het schandelijkst, lafhartigst en wreedst vermaak, 't welk ooit werd +uitgedacht, wordt ook hier even schaamteloos aangeboden, als helaas +door zoovelen zonder zelfverachting genoten. + +Is niet de duif het beeld der reinheid en zachtheid, 't symbool der +zoetste liefde? Welnu, tweemaal 's weeks worden een aantal van die +bevallige diertjes, wit als sneeuw of blauw als een zomerhemel, uit +hun cages genomen en gekerkerd in gaten met beweegbare kleppen, welke +gaten op kleine afstanden van elkander, in die grasvlakte zijn gemaakt. + +De duif, snakkende naar licht en lucht, wendt binnen die holen haar +uiterste krachten aan, om dien vreeselijken onderaardschen kerker te +ontkomen. Ten laatste doodelijk vermoeid, ontsnapt het diertje aan +dat knellende en martelende dak. + +Het duizelt, zwenkt, ziet de blauwe lucht, verzamelt nog eens zijn +krachten om zich hoog boven die aardsche folterplaats te verheffen, +en.... Dan is het oogenblik van genot voor den mensch gekomen. De +arme bedwelmde duif te treffen in haar vlucht; haar te zien buitelen, +vallen! welk een voldoening! + +Maar niet zelden mist het schot van den onervaren schutter geheel of +ten deele. In het eerste geval keert de argelooze duif naar haar kooi +terug, waar zij haastig wordt binnengelaten, om haar weinige dagen +later nogmaals aan dat "vermakelijke spel" te kunnen overleveren. In +het tweede geval heeft men het eigenaardig genot van zijn slachtoffer +te zien fladderen,--telkens weer zich verheffende, om het allengskens +afgetobt te zien dalen, al lager en lager naar de zee--die zich straks +over de arme ontfermen zal. + +Men zegt dat ook vrouwen.... + +"Kom mee; we moeten verder!" + + + +Als gij u omwendt, dan ziet ge op de hoogte van het zeer breede terras +den prachtigen nieuw opgetrokken voorgevel van het Casino-gebouw aan +de zeezijde--met zijn schoone lijnen en voortreffelijk beeldwerk. Doch +de toegang tot het gebouw is niet aan deze zijde. Van het terras, +met zijn hooge, wit marmeren bloemvazen, begeven wij ons, langs welig +begroeide perken, naar dien ingang aan de landzijde. De liefelijkste +plekjes, en tal van belommerde banken nooden u er een wijle te rusten. + +Die verzoeking kunt en moogt ge niet weerstaan. Zie, de cactussen +met haar opeengroeiende bladeren, grooter dan het ovaal van een +menschenhoofd, reusachtige aloë's, hier en ginder bloeiende met een +stengel van ruim zes meters hoog; bloemen, overal lachende in 't rond, +purperroode camelia's, geraniums vol geuren, en inzonderheid de rozen, +die hier voor geen wintermaand wijken.--En dan, langs die bosschages, +zoowel van het blijvende, alsook van het nú weer zoo liefelijk +ontloken lentegroen, langs de stammen en onder het loof door van +ceders en mirten en oranjes, van seringen, peperboomen en citroenen, +tintelt in het helblinkende zonlicht de blauwe zee, en schittert het +witte zeil van een schip in de verte. + +O, men zou er willen blijven in dat paradijs. Maar, de paradijsslang +verloor haar lokstem nog niet. + +Toen men dit Eden op de eertijds zoo weinig bezochte rotshoogte, +grootendeels kunstmatig, in 't aanzijn riep, toen heeft men wel +degelijk op haar lokstem gerekend. Neen, onder dat heerlijke lommer +toeft men niet langer. Men moet verder! Die slingerpaden golven zelfs +niet veel, en voeren schier rechtstreeks tot het doel.--Reeds bevindt +ge u aan de Noordzijde, bij den ingang van het Casino. + +Een breede trap met kolonnade, die u aan het Stedelijk Badhuis te +Scheveningen herinnert, voert u in een zeer breede vestibule.--Recht +voor u uit--over de geheele breedte van het gebouw--bevindt zich de +bal- en concertzaal, waar des middags en 's avonds een uitmuntend en +sterk bezet orkest bij voorkeur Italiaansche muziek doet hooren. Het +plafond der zaal, waarvan de eenigszins gewelfde hoeken door vier +reusachtige, vergulde vrouwenbeelden--de priesteressen van een "gouden" +vrede--wordt gedragen, is voorts versierd met onderscheidene hoogst +verdienstelijk geschilderde tafreelen, in den geest van het carré boven +de vermaarde trap der groote opera te Parijs. De toon der geheele zaal, +die nog met een menigte ander beeld- en schilderwerk, op 't kwistigst +is versierd, heeft, in den toon van havanna met goud, iets sombers, +zoodat de frisch roode kleur van het fluweel der achthonderd zeer +gemakkelijke fauteuils er volstrekt geen kwaad doet. + +Ter rechterzijde van de straks binnengetreden vestibule, bevinden +zich de conversatie- en leeszalen. In een der laatsten is het getal +nieuwsbladen legio, en ook Nederlandsche couranten ontbreken er niet. + +Het Casino van den Monte-Carlo biedt alles, wat er in zijn parken te +zien, of binnen zijn zalen te genieten valt, den vreemdeling gratis +aan en zoo ook het noodzakelijke toegang-bewijs tot de groote zaal +ter linkerzijde der vestibule. + +Een goud-gegalonneerde Cerberus opent u een breede deur, en gij +betreedt die zoozeer bevoorrechte plek, waaraan de bekrompen geest +dezer eeuw nog niet zijn ruwe hand durfde slaan, en waar het den +mensch ten minste nog vrij staat zijn geluk te beproeven! + +Overdag en zelfs des avonds bij lamplicht, heeft die zeer groote +speelzaal mede iets sombers. Zij is in Moorschen stijl gebouwd en op +Oostersche wijze rijk gekleurd en behangen. + +Aan de zes tamelijk ver vaneen geplaatste speeltafels ziet gij, +in 't midden der roulette-tafels, vier croupiers, twee aan +twee tegenover elkander gezeten, en achter hen, op wat hoogere +stoelen, hun bespieders, inspecteurs genoemd; terwijl aan de beide +uiteinden der tafel weder een assistent heeft plaats genomen. Aan +de trente-et-quarante-tafels is het dienstdoende personeel iets +minder sterk. Die "ambtenaren" worden van tijd tot tijd door versche +confraters afgewisseld, want van des middags 12 tot des avonds 11 +uren staat de affaire geen oogenblik stil. + +En--tusschen die mannen met hun zwarte harkjes en scherpziende oogen +en ongeloofelijk snel geldschietende en geldstapelende vingers, +tusschen die dienaren van "la veuve Blanc", zitten mannen en vrouwen +van allerlei stand en leeftijd,--men zou zeggen "op 't eendrachtigst +saamverbonden" neer. + +De Prince de X zit er naast den nommé Pyr, die als garçon de café +in Florence zijn meester bestal en al spoedig zal worden ingerekend, +na het gestolen geld aan den speelduivel te hebben geofferd. + +Madame la Baronne de V. zit er tegenover een vervaarlijk roodgeverfde +matrone met elf ringen aan vijf vingers. + +Inzonderheid om de tafels waaraan een speler--bij uitzondering--zeer +"en veine" is, of ook waar in weinige oogenblikken duizenden worden +verloren, verdringt zich de vlottende menigte, die overigens met een +onophoudelijk va-et-vient haar geluk nu eens aan deze, dan weder aan +gene tafel beproeft. + +Te midden van een aanhoudend geschuifel en gefluister, waarboven +slechts de stem van den croupier en het voortdurend gekling-klang +van geld wordt vernomen, treffen de zachtgesproken woorden: "Tiens, +comme ce grand est en veine!" mijn oor. + +'t Was een breedgeschouderd man van een buitengewone grootte, +met een aristocratisch schoon gelaat. De rechte neus zetelde +boven den forsch vooruitspringenden knevel, die den fijn besneden +mond overschaduwde. Aan zijn blanke hand droeg hij een zwaren +zegelring.--Achter de speeltafel staande speelde hij over den schouder +der zittenden heen. Eenige goudstukken van honderd francs [19] werden +door hem op "rood" gezet, en, zeven bankbiljetten van vijfhonderd +franc fladderden er naast. + +Het balletje der roulette vloog in 't rond. + +Welke diepe voren ploegden nu dat schoone voorhoofd! + +"Treize; noir, impaire; passe!" riep de croupier, terwijl hij schier +terzelfder tijd het geld van den edelman wegharkte en tevens het goud +en zilver van zoovelen, die den man "en veine" op "rood" waren gevolgd. + +Tot hen behoorde een oud heer met zilverwitte haren en een hoogst +eerwaardig voorkomen; althans wanneer hij met de blanke wimpers naar +omlaag,--prikkende in het speelkaartje--zijn kans te berekenen zat. Als +hij de oogleden even opsloeg, dan zochten ze goud! + +Een dame aan zijn zij ziet zeer bleek, terwijl ze een klein hoopje +goud met haar fijne vingertoppen terdeeg schikt, maar inderdaad, +blijkbaar zoekt ze te tellen. Een heer, die tegenover haar zit en +gedurig schuw in 't rond ziet, is zeer rood, geweldig rood, bijna +zoo rood als de roos op den sterk gewelfden boezem van een dametje, +dat telkens moet wisselen en opzetten voor een zonderling geverfd +oud heer met een magnifique zwarte krulpruik en een verbazend groot +bouquet in den boezem van zijn vest, waarboven hij een hemelsblauwe +das draagt. Die heer is blind en ik hoor hem tot zijn dametje zeggen; +Yes darling twenty-four, and black!" + +Darling speelt en verliest. Of darling zóóveel opzet als de blinde +bedoelt.... dat weet ik niet. + +Naar mijn vluchtige berekening heeft de groote edelman van daareven +in drie zetten meer dan tienduizend francs verloren. Hij begeeft zich +van de roulette naar een trente-et-quarante-tafel. + +Een keurig gekleed heer van omstreeks vijf en twintig jaren trekt nu +mijn opmerkzaamheid. Ik ken hem; 't is geen landgenoot, maar te Nice +heeft hij zijne kamer naast de onze. + +Ja, 't is de neef van een Franschman, wiens groote gaven zijn naam +beroemd maken. Nog geen jaar geleden is die neef getrouwd; hij had +fortuin; maar--het bekoorlijke vrouwtje--la gentille Alice B....--die +hem haar hand en hart wou schenken, we hadden haar voor weinige dagen +op den corridor ontmoet met oogen van 't schreien rood. + +"Ah c'est lui qui l'a fait!" had men ons gezegd: "Il perd tout son +argent! la pauvre belle femme!" + +En daar zat hij. En zijn oogen zwommen in een geelachtig rood, en met +de vlakke hand streek hij van tijd tot tijd de zweetparels weg, die hem +van de haren dropen--ofschoon zijn uiterlijk voor 't overige zeer kalm +schijnt. Hij neemt een bankbiljet uit een blijkbaar schraalvoorziene +portefeuille.... Neen, het bankbiljet verdwijnt weder.--Hij opent een +portemonnaie, neemt een goudstuk en volgt met schijnbaar rustigen blik +het loopende spel.... Zie, de bank verliest. Ha! Nú moet het goudstuk +wachten, en tóch het bankbiljet van vijfhonderd francs gewaagd worden. + +Hij zet op 20--l'age d'Alice! + +Een oogenblik later heeft de hark van den croupier de vijfhonderd +francs doen verdwijnen. Op het gelaat van den speler is geen bijzondere +gewaarwording te lezen. Nochtans zijn hand trilt zichtbaar als zij in +'t einde het straks teruggehouden goudstuk op "rood" zet. + +"Vingt; noir, pair, passe!" roept de croupier. + +Het gelaat van den jongen man is nu doodelijk wit geworden. Hij +ziet naar de schatten van den croupier en ook vluchtig naar de +stapeltjes goud van den matrone die naast hem zit.--'t Wordt er hem te +benauwd.--"Permettez!" zegt hij opstaande, en als hij achter de massa +verdwijnt, dan heeft een vreeselijk bleek jonkman, die akelig kucht +en hoogst waarschijnlijk in de laatste periode van tering verkeert, +den verlaten stoel reeds in bezit genomen. + +Een zonderling gedruisch wordt op 't onverwachts in de zaal gehoord. De +menigte, die zich voortdurend rondom de tafels beweegt, stroomt +eensklaps naar eenzelfde tafel ter linkerzij. Men mompelt en spreekt +alras luider. + +Wat is er gebeurd? Men weet het niet. + +De bankdirectie wil het niet weten. Een schandaal moet á tout prix +vermeden worden.--'t Is hier alles digne, hoogst fatsoenlijk!--La +banque, c'est la paix! + +De persoon, die met zooveel behendigheid een goudstuk onder de hand +van den croupier heeft weggemoffeld, wordt openlijk in het gelijk +gesteld. 't Was een vergissing. De persoon die den dief heeft betrapt +zal zich vergist hebben. + +"Messieurs faites votre jeu!" + +Indien gij meent, dat de jonge man, die den beroemden naam draagt, +en zooeven zijn laatste goudstuk verloor, zich tot het plegen van +een diefstal heeft kunnen verlagen, dan bedriegt gij u. De dief, +die door zekere personen scherp in het oog wordt gehouden, en zich +al spoedig ziet aangesproken, om zich kort daarna met zijn nieuwen +"vriend"--een net gekleed geheim politie-agent te verwijderen, is +le nommé Pyr, garçon de café van Florence, en--'t werd reeds vroeger +gezegd, dat hij zijn dierbare vaderstad slechts vluchtig zal weerzien +om een établissement in Toulon te betrekken, waar hem voor altijd de +lust zal vergaan, zijn fortuin met gestolen geld te beproeven. + +Maar de man met den gevierden naam? + +Tegen den middag van dienzelfden dag moesten de lampen reeds +vroegtijdig in de speelzaal worden ontstoken. Een geelbleeke, bijna +armoedig gekleede dame, die, sedert een groot jaar dagelijks van +Nice vice-versa reist, om, in weerwil dat zij somtijds kleine sommen +wint en te gelijk nooit meer dan een vijf-francstuk waagt, toch van +lieverlee haar matig vermogen te zien verdwijnen, die dame, reeds +scherp turende door haar lorgnet, had reeds de opmerking gefluisterd, +dat het te donker werd, om het spel naar eisch te kunnen volgen. + +De jonkman met de tering, die een paar vuurroode kleurtjes boven de +jukbeenderen heeft, zegt kuchende: "Ich spiele im Nachtdunkel." + +De vroegere duisternis werd veroorzaakt door een wolkenmassa, die +uit zee kwam opzetten en straks, na een vluchtig licht, de hooge +zaalvensters doet dreunen van een geweldigen donderslag. + +De gaskronen zijn spoedig ontstoken. Het bevreemdt u dat er geen gas +boven die speeltafels brandt, maar--le maître d'hôtel connait son +monde. Boven iedere tafel worden twee brandende carcellampen aan de +vergulde kettingen opgehangen. Met zulke olielampen loopt men geen +gevaar, door het afsluiten van een gaskraan de speeltafel met haar +schatten plotseling in 't duister te zien gehuld. + +En buiten ontlast zich het donkere zwerk in een geweldigen +plasregen. Langs de paden, terrassen en trappen van den Monte-Carlo +stroomt het water gutsend naar omlaag. De voorlaatste trein in de +richting van Nice en Marseille zal slechts luttel reizigers van +Monte-Carlo met zich nemen. Om den regenstroom te ontgaan blijft men +in de speelzaal een goudstroom verwachten. + +Binnen de schier ledige wachtkamer van het station Monte-Carlo heeft +zich een net gekleed heer in een der causeuses gezet. + +Nu staat hij op; gaat het vertrek een paar malen op en neer en vraagt +dan aan den deurwachter of de laatste trein naar Nice niet te elf +uren twaalf minuten vertrekt. + +Na een bevestigend antwoord te hebben ontvangen, begeeft de jonge man +zich naar buiten. 't Besluit was genomen. Men zegt dat de eigenares +van de bank den totaal geruïneerde niet verlegen laat.--Ja, die oude +vrouw zal helpen;--Nu zijn vermogen het hare is geworden, nu zal zij +den berooide een klein gedeelte er van niet weigeren! + +Haastig voortgaande bemerkt hij ternauwernood dat de slagregen +zijn kleeren geheel doortrekt en dat hij bij het stijgen schier een +bergstroom doorwaadt. + +Nochtans, nu staat hij weer stil en aarzelt opnieuw. + +De drager van een naam door meer dan één volk met eere genoemd, zal +hij zich verlagen tot het smeeken om een aalmoes aan de vrouw, die?.... + +Wie is zij? Wie was haar man!? + +Men heeft hem van een fortuinzoeker verhaald, die slechts een speelzaal +te Parijs verliet, om te Homburg zijn werk te vervolgen; die, van +daar verdreven, een vorst aan den speelduivel koppelde en het vorige +jaar ten grave daalde zonder van zijn vermogen, meer dan tachtig +millioenen schats, iets anders te kunnen meenemen dan de vervloeking +van duizenden, die hij in de zonde gestijfd en verstrikt had. + +Maar die vrouw! Men heeft hem immers ook gezegd dat zij kerken en +godshuizen bouwt, en stijgt haar naam niet in eere, als zij met die +millioenen haar dochters aan prinsen en vorsten huwt! + +Doch hoor, de stormwind loeit: en ja, daar boven in die groote +zalen van het Casino, daar wordt wel het noodweer door muziektonen +en goudgeklank overstemd, maar ginder, dringt er diezelfde huilende +storm niet door tot een vrouwenhart, als hij hier langs palmen en +cypressen de schrille kreten wekt: + +"Wij lieten ons goud ook in uwe zalen en stortten ons bloed ook naast +uwe bloemen. Gevloekt, gevloekt, zij uw naam!" + +En tot háár zou hij zich om een aalmoes wenden!?--Neen, duizendwerf +neen! Liever berooid, en met tranen het brood der ellende gegeten, +dan te bedelen bij haar, die met kwistige hand den speelduivel voedt. + +Maar hij zelf, hij heeft immers aan dien duivel geofferd: ja, groote +God, gansch en al, en geheel vrijwillig: vermogen; geluk; de toekomst +van zijne jonge vrouw, en--van hun kind, nog ongeboren! + +Een paar uren later vliegt de sneltrein door den duisteren nacht. + +Een conducteur heeft aan het station te Monte-Carlo de retourbiljetten +van de reizigers der eerste klasse gezien. + +Naast een ons reeds bekende geelbleeke dame, die sedert haar afreis +in den morgen in 't Casino niets heeft genuttigd, en daarom nu op de +terugreis, volgens gewoonte, haar broodje en granaatappels en gebraden +kastanjes gebruikt--naast haar zit een man, wiens kleeren zoodanig van +het regenwater druipen, dat de dame haar japon reeds wat ter zij heeft +getrokken en een der tegenover hem gezeten reizigers gedurig pruttelt +en ten slotte de opmerking maakt, dat de bodem van dit compartiment +"un vrai Paillon" gelijkt. + +Slechts de naam van den bergstroom heeft het oor van dien man +getroffen. Strak staart hij voor zich heen. In zijn binnenste kookt +het, zooals die stroom over zijn keien-bed thans voortbruist in +woeste vaart. + +Wat men rondom hem spreekt hij weet het niet. Het sterker gerommel +van den trein, wanneer hij door de lange tunnels boort, ontgaat hem, +of wel, het doet hem in stilte verzuchten: dat die tunnel instorten +en het rotsgevaarte hem voor eeuwig begraven mocht. + +En in het namiddaguur van dien zelfden dag heeft een jonge vrouw de +lange Avenue de la Gare te Nice ten einde gewandeld, en achter den +stam van een hoogen Eucalyptus, ter zij van den breeden stationsweg, +heeft zij getoefd en getuurd in de richting van het station, totdat +een traan haar oogen geheel heeft verduisterd. + +Gérard had gezegd, dat hij waarschijnlijk reeds met den namiddagtrein +van Monte-Carlo zou terugkeeren. Het jaarcijfer van zijn Alice zou +hem geluk brengen. Ja zeker! dat wist hij! + +En sedert dien namiddag is het een avond geworden met regen en +storm. En met den sneltrein van omstreeks elf uren--waarmee hij +gewoonlijk terugkwam, is hij nog niet gekomen.--Misschien is er +een oponthoud geweest, zoo peinst zij. In den grooten tunnel bij +Villefranche is men met herstellingen bezig en 't gebeurt wel eens, dat +de trein er een geruimen tijd moet wachten. Misschien ook was Gérard +"en veine" en bleef hij er daarom tot den laatsten trein.--O! indien +hij eens alles had teruggewonnen! + +--Maar neen, neen, dat zal, dat kan niet zoo wezen. Immers zij heeft +hem gesmeekt, gebeden, niet meer naar die speelhel te gaan, want, +ja, haar voorspelling moest uitkomen dat hij alles, ALLES verliezen +zou.--O God,.... als die tunnel eens ingestort was! + +Bij die laatste zoo plotseling gerezen gedachte is het angstzweet der +arme vrouw uitgebroken. IJlings staat zij op, opent het venster en ziet +naar buiten, maar de wind slaat haar den fellen regen in het aangezicht +en dooft terzelfder tijd de bougie die er brandt op de tafel. + +O, groote God, die tunnel! Men heeft gesproken van gevaar door de +veelvuldige regens der laatste dagen veroorzaakt. Ja, dat water, +neerstortende langs holen en spleten, boort er kanalen en doet de +kalksteen splijten, en, o Sainte Vierge! schreit de jonge vrouw schier +overluid, sauve lui, mon cher, mon pauvre Gérard! + +In allerijl heeft ze het licht weer ontstoken. Ze ziet op de pendule, +'t Is bij halftwaalf.--O, die onzekerheid! Ze zal........ Neen, +ze moet kalm zijn.--Die laatste dagen van spanning hebben haar +angstig gemaakt. Als vrouw, als aanstaande moeder is zij verplicht +den lang voorzienen vreeselijken slag met waardigheid te dragen. Die +vrees voor tunnels en levensgevaar, 't was overdreven.--'t Is immers +nog tweemaal gebeurd, dat Gérard met den laatsten trein, omstreeks +kwart na twaalven, was teruggekeerd. Ze zal hem nu rustig wachten, +en dan,--wanneer zijn eertijds zoo vriendelijk stralend oog haar +met matten blik de droeve waarheid zal hebben gemeld, dan zal ze +hem niets verwijten, niets! dan zal ze hem te gemoet treden, en het +hoofd tegen zijn schouder leunen, en den arm om zijn hals slaan en +hem toefluisteren: Dat alles is nu voorbij, Gérard. Maar we hebben +elkaar toch behouden, is het zoo niet! En van de kleine rente, die +ik jaarlijks ontvang, zullen we heel zuinig leven op het land, en +werken zullen we allebei; en het grootste geluk zal ons de lieveling +schenken, die we verwachten, ons kindje, dat onze rijkdom zal wezen, +en nooit mag weten dat zijne moeder, vóór zijne komst wel eens heel +droevig heeft geschreid. + +--Ja, ja, zoo zal ze spreken,--of neen, aan dat schreien zal ze +hem niet herinneren; die razernij, die speelwoede moet vergeten, +een gansch afgesloten verleden worden. Van de toekomst alleen zal ze +hem spreken, van een nieuw werkzaam leven, arm in arm, hart aan hart; +van een klaverblad, rijk en schoon door de innigste liefde. + +--Hoor! daar klinkt een voetstap.--O, als Gérard nu binnenkwam, dan zou +ze juist kalm, en vol waarachtige liefde, in dien geest kunnen spreken. + +--Maar, hij is het niet.--De laatste trein kan ook nauwelijks +aanwezen.--Doch ja, aangekomen moet hij reeds zijn.--Indien het +niet zulk weer was, dan zou zij den vriend te gemoet gaan.--In den +nacht? Waarom niet! Het hotel blijft tot twee uren open; en aan den +portier kan ze zeggen.... Of eigenlijk behoeft ze dien man niets te +zeggen. De eigen vrouw zal toch wel het recht hebben om, zelfs als +het wat laat is, haar man van den trein te gaan halen, en vooral als +zij wat onrustig wordt. + +--Maar zij is niet onrustig; ze wil alleen zoo spoedig mogelijk haar +lieven man ontmoeten, om hem een zoen--zoo'n innigen zoen te geven en +hem zóó reeds te doen gevoelen, dat hij "het beste" nog niet verloor. + +Toch staat zij een oogenblik later weer in onrust op en +luistert.... doch verneemt niets dan het nog sterker gekletter van +den regen tegen de ruiten. + +--O zeker, haar gejaagdheid is zeer verklaarbaar. Doch,--zij wil zich +verstrooien. Wel zeker, het hoofdstuk, 't welk ze in den namiddag +begon, wil zij ten einde lezen. Zij zet zich. Maar als zij aan +'t eind der eerste bladzij is gekomen, dan heeft zij, wel woorden +gezien, doch niets gelezen. Ze was te Monaco. Op de terrassen zag ze +Gérard. Ze hoort een schot.... + +En slechts weinige minuten later stond daar achter een der vierkante +kolommen van de arcade aan het eind der Place Masséna een jonge vrouw, +turende in de richting van de Avenue de la Gare. Het vreeselijk +visioen van daar straks, het staat haar gedurig voor den geest. Of +de trein reeds lang aan en het dus te laat is, zij weet het niet. + +Er komen nog rijtuigen en ook zeer enkele voetgangers uit die richting +naar deze zij. Neen, men zal haar niet bemerken. Maar al zou men +haar zien en haar schaamteloos toespreken, ze zal hier blijven; +immers wat deert het haar; zij wacht haar man! + +En hij zal komen.... ja, want die akelige voorstelling was een +leugen, een zinsbedrog. Een siddering van verrukking doortintelt +de arme vrouw. O Jezus! Maria dank! daar komt hij! Bij dat gaslicht +van verre heeft ze hem gezien. Dat was zijn gang--zijn figuur. Ja, +hij draagt een lagen hoed.--Zie hij nadert.--Ondanks den plassenden +regen ijlt ze op hem toe. Maar.... groote God! dat stak als een dolk: +een vreemde wijkt ter zij en werpt haar de woorden toe: "Trop tard +petite; ma femme m'attend." + +"O, Sainte Vierge!" krijt de hevig geschokte, en duikt, zedig in haar +donkeren schuilhoek. En schreiende en snikkende, leeft de flauwe hoop +nog op in haar borst, dat Gérard langs een anderen weg in hun hotel +zal zijn teruggekeerd, en als een gejaagde hinde spoedt zij zich voort +en bereikt de zoozeer bevolkte woning, die voor haar echter ledig, +geheel en al ledig is. + + + +Omstreeks dien zelfden tijd, terwijl de bezoekers van Monte-Carlo, +die met den laatsten trein in Nice waren teruggekeerd, voorzeker reeds +allen hun woning hadden bereikt, ging een jong man langzaam langs een +der achterstraten van Nice naar de Place Grimaldi, een lommerrijk +plantsoen, 't welk rust op bogen, waaronder de bergstroom voor een +wijle in 't verborgen bruist. Nog slechts weinige minuten geleden +stond hij op den hoek van den breeden Pont Neuf, het oog strak gericht +op de kamers, waar de vrouw hem wachtte, die hij zoo innig liefhad +aleer de zucht naar rijkdom en goud die liefde versmoorde.--Maar +dat was gelogen! Hij heeft haar nóg lief. 't Was immers zijn doel, +zijn streven geweest om haar rijk en gelukkig te maken! O God! en +het moest hun verderf worden! Zij heeft het hem gezegd! Duizendmalen +heeft zij hem gesmeekt--gebeden, om niet voort te gaan op dien weg. + +Doch de hartstocht heeft hem verblind. De winzucht heeft hem koortsig +het bloed door de aderen gejaagd. "Terugwinnen!" is de lokstem geworden +van den satan--die hem altijd weder bergen vol gouds in de toekomst +bleef toonen. + +O groote God! waartoe te leven? Die jonge schoone vrouw zien wegkwijnen +in armoede en ellende; geketend aan den man, die als het beeld van +wroeging steeds een schaduw zal werpen op haar pad!--Ja zonder hem zal +zij vrijer ademen; voor haar alleen zal het noodige niet ontbreken; +en--verlost van den "speler" zullen bloedverwanten en vrienden haar +met liefde omringen! + +De nacht is donker. Ofschoon het niet meer regent, jagen zware wolken +nog steeds voort aan den hemel. Van verre ratelt de golfslag der +hoogschuimende zee langs het keien-strand. Op den linkeroever van +den Paillon, onder de hooge platanen, wier takken zwiepen en kraken, +wendt de jonge man eensklaps zijn schreden naar de steenen balustrade, +aan wier buitenwand de bergstroom zich in de diepte een weg baant naar +zee. Bij het flikkerend licht van een gaslantaarn vindt hij gemakkelijk +de steenen trap, die naar de veeltijds droge bedding voert, terwijl +nu echter, bij den hooggezwollen stroom, het schuimende water op de +onderste treden klotst. + +Bij het afdalen raakt zijn gloeiende hand den ijskouden glibberigen +muur.--Dat is de doodskou!--Hij huivert. De klokken van Nice +verkondigen het eerste uur na middernacht; maar toch, het licht van +dezen nieuwen dag zal hij niet aanschouwen. + +Nooit zal hij het daglicht meer zien, de zon die zoo helder scheen, +toen zij op dien schoonsten dag van zijn leven, in 't wit satijn +en met den witten sluier om haar blanke schouders, aan zijn zijde +zijn eenige rijkdom was, toen haar liefdevol oog hem toeblonk als de +reinste diamant........ + +--Haar diamanten!--Als hij eens een laatste kans kon beproeven met de +kleinoodien, die Alice bezit.--O God, dat was de duivel!--De vonken +en glanzen, die ginds en her van gaslantaarns of hoog vensterlicht in +'t bruisende water wiegen, ze hebben hem de diamanten en nogmaals het +goud dier speelbank getoond. O, glimplichten zijn het!--rijk worden, +'t is een hersenschim. Nog geluk vinden op aarde--een onmogelijkheid! + +Zie, de bergstroom klimt. Duizelig donker is het daarbeneden. Een +vochtwalm, met dampen van den plotseling overstroomden vunzen bodem +benauwen de borst. En de klokken van "Nizza la bella" brommen in dien +donkeren nacht reeds het tweede uur van den nieuwen dag. En nog altijd +giert de Libeccio en bruist de Paillon, terwijl de laatste, wat hem +weerstaat meesleurt, langs pijler en steen naar den wijden Oceaan. + + + +In den namiddag van dien zelfden dag berichtten reeds de nieuwsbladen +van Nice dat men nabij de monding van den Paillon, tusschen een paar +rotsblokken gekneld, het lijk van een jonkman had gevonden, wiens +gelaat deerlijk verminkt, niet te herkennen was, terwijl nadere +bijzonderheden omtrent den persoon vooralsnog ontbraken. Naar +men vermoedde--zoo schreef men--moest de ongelukkige een nieuw +slachtoffer zijn van den duivel, die, van elders verjaagd, helaas +voorgoed naar 't scheen, zijn troon aan de boorden der Middellandsche +Zee had gevestigd. En, met de bijvoeging, dat men zich gelukkig mocht +achten, dewijl er in de verloopen maand, slechts twee gevallen van +zelfmoord hadden plaats gehad, terwijl men er in dezelfde maand van +het vorige jaar een twaalftal [20] te vermelden had, constateerde men +den volgenden dag niet slechts het droevige feit, dat de speeltafel +een nieuw slachtoffer telde, maar verzekerde men er nog bij, dat, +de ongelukkige zijn zeer aanzienlijk vermogen tot den laatsten franc +toe had verspeeld, en een treurende weduwe niet slechts in droefheid, +maar ook in bitteren nood had achtergelaten. + +En het nieuwsblad, waarin dit treffende bericht stond te lezen, het +trilde in de hand van de jonge vrouw die, twee dagen geleden onder de +arcades, haar Gérard heeft gewacht en die nog later zoo vele bloedige +tranen heeft geschreid. + +"O God!" roept ze, terwijl het nieuwsblad haar hand ontglijdt en ze +zich aan de borst van haar dierbaren, tot haar wedergekeerden man +werpt. "O Gérard, je hebt me lief! Ja dat heb je getoond, mijn schat, +mijn leven!" + +En hij, hij drukte haar vurig aan zijn borst. + +Engelachtig geduld! onbegrensde vrouwenliefde! Och hij heeft haar +getoond hoe lief hij haar had! Als de berooide is hij tot haar +teruggekeerd. Arm zijn ze; arm heeft hij haar gemaakt, ellendig en +arm. Maar zij--"Neen, neen" vleit ze op den zoetsten toon der liefde; +"Rijk heb je mij gemaakt door je moed, door niet te vertwijfelen +in die bange ure; door het besluit om te willen leven, ja, te leven +voor mij!--O God! die arme vrouw!" en met een blik naar het vallende +nieuwsblad herhaalde zij: "Die arme, arme vrouw!" + + + +En drie dagen later verlieten de jeugdige echtgenooten de woning, die, +ofschoon wel vroolijk gelegen, voor hen zoo somber was geweest. Ze +traden mij voorbij, met een groet, en het was alsof de jonge man +zich schaamde omdat--ja, omdat het wel bekend kon wezen dat men de +terugreis naar 't Westen van Frankrijk bekostigde van hetgeen de +diamanten zijner Alice hadden opgebracht. + +Maar het oog der jonge vrouw straalde vol levenshoop, als wilde zij +zeggen: "wij zullen ons geluk herwinnen; ziet maar, hij heeft zijn +vrouw geen weduw, en ons kindje geen wees willen maken. Wij zullen +arbeiden en keeren voor eeuwig den rug----à cet enfer de Monaco!" + + + + + +FABRIEKSKINDEREN. + +Een bede, maar niet om geld. + + +'t Is winter. Een koude Decembernacht houdt met kille vingers oud +Hollands grijze academieveste den blinddoek voor de oogen. + +Slechts een waardig trawant van den reuzengeest dezer eeuw voert strijd +met den nacht, en rukt er gedurig den blinddoek weer los. Zie maar, +de gasvlammen werpen van afstand tot afstand een vluchtig licht in +de holle straten en ginds langs de sombere grachten. + +Waartoe die kamp; waartoe dat licht? Immers de stad ging ter ruste +en slaapt. + +Geloof het niet, want telkens moet ze wakker en ziende zijn, wakker en +ziende om er te waken voor het onheil dat naderen kon. En de oude stad, +zij slaapt dan ook niet. Slechts bij wijlen bevangt haar een lichte +sluimering, en 't schijnt u toe als droomde zij van haar alouden +roem,--evenals de teedere loot van den grijzen vorst der Alpen, +die zoetjes dommelt aan haren boezem, en murmelt en fluistert van de +grootheid harer afkomst. + +Maar toch de grijze veste, hoe vluchtig ook haar sluimering +zij--telkens turende over den blinddoek heen, om er te waken zelfs +in den nacht, toch vermag zij het niet zooals zij 't zou willen. + +De arme is krank! + +Ja, 't hoofd is wel helder, zelfs klaarder dan voorheen; ja haar hart +klopt wel even luide voor deugd en voor trouw als in de dagen harer +jeugd, nochtans gij ziet het wel hoe haar rechterarm als verlamd +terneder ligt. + +Luister: + +Een deel van haar eelste sappen ging over in onzuivere vochten; +in vochten die zich vormden tot een afzichtelijke wonde; een wonde +die hare krachten verteert, en wellicht in 't einde haar voert tot +de slooping van haar glorierijk bestaan. + +Arme stad! Dochter van den Staat! Richt u op, en werp u aan 's vaders +borst. Daar zijn nog zusteren die lijden als gij. Smeek hem dat hij, +voor u en voor haar, ter hulpe kome; dat hij zijne dienaars zende +met artsenij en zalve, ware het noodig, met vlijmend lancet. + + + +Maar gij, novellendichter, wat spreekt ge in beelden en raadsels? Hoort +ge niet reeds de stemme opgaan, die u vermaant tot eenvoud en kalmte, +die u toeroept; Blijf wie ge zijn wilt? + +En ja, hij gevoelt wel de juistheid dier woorden; maar +ach! koortsachtig jaagde hem het bloed door de aderen, want immers--men +heeft hem die wonde getoond! Van hem heeft men een woord begeerd aan +den vader der lijdende stad; een smeekwoord om hulpe, ter spoedige +redding. Was het wonder dat hij moeite had al aanstonds den juisten +toon te treffen, beseffende het hoog gewicht zijner roeping. Nochtans +van nu aan zal hij trachten eenvoudig te zijn, ontzettend eenvoudig. + + + +'t Is winter. Koud was Decembernacht, en ijzig koud is nog zijn vroege +morgen. Zes slagen bromt de klok uit Leidens hoogsten toren. Door de +Breestraat en de Hoogewoerd leidt onze weg naar een der achterbuurten +der stad. + +Bij het licht eener gaslantaarn zien wij, op weinige schreden afstands, +een armelijke woning. Haar bouw herinnert aan Leidens glorievolle +eeuw, aan de eeuw toen zijne zonen en dochters kloek waren en sterk, +en streden voor recht en voor vrijheid. + +Niets is er aan dien gevel veranderd; alleen zoudt ge bij dag kunnen +zien, hoe de kleine in lood gevatte ruiten van voorheen, naar den +eisch der tijden, door een wat grooter soort zijn vervangen. Eertijds +kon Gods lieve zon slechts luttel in die woning schijnen; maar +nu...? Helaas, gij ziet het niet hoe die grootere ruiten voor 't +meeste deel met een vettig stof zijn overdekt; hoe er vele, onachtzaam +gebroken, slechts ruw met ondoorschijnend papier werden beplakt; hoe +er thans in die armoedige woning, overdag nog minder licht straalt +dan weleer, en--maar genoeg, dat is bedroevend, zeer bedroevend! + +In de kamer der genoemde kleine woning, die wij al aanstonds door de +voordeur betreden, zou een volslagen duisternis heerschen, indien niet +de gaslantaarn daarbuiten, door het straks genoemde venster, eenig +schijnsel naar binnen wierp. Het zwaar geronk van een man, benevens de +geregelde of snellere ademhaling van eenige slapende kinderen, treft +onze ooren. Juist op dit oogenblik bericht de groote torenklok het +zesde uur na middernacht. In de bedstee waaruit het naar geronk blijft +klinken, verneemt ge, te gelijk met den eersten klokslag daarbuiten, +eenige beweging. 't Is eene vrouw die zich haastig opricht. Met een +nijdig: "Snork toch zoo niet!" geeft zij den man aan hare zijde een +stomp op den schouder, en leent, terwijl het nare geluid een wijle +verstomt, nauwlettend het oor aan den doffen klokslag uit de verte. + +"Zes!" bromt de vrouw binnensmonds, rekt zich geeuwende de leden, +stapt nu spoedig uit de hooge bedstee, en sloft een oogenblik later +op neergetrapte pantoffels naar een andere bedstee. + +Drie kinderen slapen er bijeen; twee jongens van tien en dertien jaren, +benevens een meisje, dat bijna haar twaalfde jaar heeft bereikt. In +de slaapstee der ouders kreunt vluchtig een kind van weinige maanden, +waarschijnlijk nu het bespeurt dat moeder hem verliet, en, in de wieg +er voor, droomt een meisje van vier jaren, misschien met een droevig +lachje om den mond, van mooie winkels met allerlei brood. + +"Toe kinders, er uit!" roept de moeder met schrille stem het slapende +drietal toe, en als zij het schamele dekkleed heeft weggeslagen, +dan trekt zij den oudsten knaap bij den arm, haar Evert die, langzaam +ontwakende, met lodderigen blik voor zich heen ziet, terwijl zij verder +op soortgelijke wijze de beide andere kinderen te wekken tracht. Die +taak is geen lichte. Saartje althans weert onbewust de moederhand af, +die haar diepen slaap komt verstoren, wijkt naar de achterste hoek +der bedstee terug, en kromt zich schier tot een bal ineen, met het +hoofd op de knieën. + +Een klagend geween vervult eensklaps het vertrek. 't Is Sander, +het jongste der knaapjes. Onbarmhartig door de moeder uit de bedstee +getild, staat hij half wakende, half droomende, met de bloote voetjes +op den killen vloer. + +"Stil Sander, als vader het hoort!" vermaant de moeder, en als zij +nu hém en ook haar oudste--die inmiddels zijn bed heeft verlaten, +de schamele kleeren heeft toegeduwd, dan tast zij opnieuw naar het +weggedoken meisje, trekt haar bij haar hemdrokje naar voren en beurt +het kind, dat woest van zich afslaat, mede uit het bed. + +Saartje, op den grond gezet, opent de oogen; zij droomde daareven, +dat een akelig dier haar bij de keel had; nu ziet ze.... haar moeder; +en de teedere handjes klemt ze inéén, en de kille knuistjes drukt ze +tegen de brandende oogen, en zegt dat het zoo tikt in haar hoofdje. + +Maar de moeder hoort het niet. Toen zij Sander heeft losgelaten om +het meisje te wekken, is het jongske, overheerd door den slaap, in +de knieën gezakt, en ligt met het hoofd tegen den muur, opnieuw in +een diepe rust. + +"'t Is ook wat erg, ze gingen om twaalf uur naar bed!" mompelt de +moeder. Zich schielijk tot het jongske voorover buigende, schudt zij +hem nogmaals wakker; doch, als nu het kind opnieuw en sterker dan +straks aan het krijten gaat, dan legt zij hem haastig de hand voor den +mond, en ziet er met angstigen blik naar de zij van haar bedstee, +want--ruw klinkt de stem van haar man, met een nijdigen vloek: +"Hé--mondhouwen. Zeg!" + + + +Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen +in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt. + +De nachtwacht, die van zijn laatste ronde huiswaarts keert, hij +kent ze wel. 't Zijn de kinderen van Gerrit Zwarte den voormaligen +timmermansknecht; van Zwarte, die sinds een paar jaren--zooals hij +zich uitdrukt--bang voor springende knokkels is geworden, en daarom +zijn handen maar in de broekzakken houdt. + +Daar gaan ze, die kinderen. Evert, de oudste, trekt Sander met zich +voort, en paait den bibberenden kleine met de woorden: "Kom maar, +'t is warm daarginder." + +Sander kan 't niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die +stoep, en--met het handje, waarin nog de kruimels van den straks +gekregen en haastig opgegeten kouden aardappel kleven, wrijft hij +zich steeds en alweder langs de loodzware oogleden: hij wil niet +verder--weet je, hij wil niet! + +En Saartje, met opgetrokken schouders en de armen in haar boezelaar +gerold, gaat ze haar broertjes op eenige schreden afstands haastig +vooruit. Bij iederen voetstap dien ze doet, tikt het haar sneller en +sterker in 't hoofdje; dat heeft ze eergister ook gehad; maar nu is +'t erger, veel erger; ze zal maar doorloopen, nóg harder, dat ze +eerder in de warmte komt. + +Saartje is ginds om den hoek reeds verdwenen. Evert kan met Sander, +dien hij stevig vasthoudt, niet zoo haastig voortgaan. + +Eensklaps ontsnapt er een nare kreet aan zijn mond; met pijnlijk +gebaar trekt hij ijlings de hand terug, waarmee hij Sander heeft +voortgetrokken. Het arme slaapdronken kind had hem kwaadaardig gebeten, +gebeten in de hand, die tot loopen hem dwong, dewijl hij slapen wilde, +niet anders dan slapen. + +"Leelijke rakker!" schreeuwt Evert, en.... Doch neen, wij vervolgen +hier niet. Arme zwakke onwetende schapen! We zouden u beschuldigen, +wij, terwijl we slechts deernis met u hebben, en slechts medelijden +voor u vragen. Ha! of we niets meer voor u wilden! + + + +En waarheen zal het nu? + +Zie, een steenen vinger, hoog zich verheffende boven de daken, hij +wenkt uit de verte. + +En daar--gij betreedt er eene der vele werkplaatsen van den grootschen +werkman, kloeksten zoon van den geest dien we noemden. + +Wondere spruit van genie en verstand, bedeeld met ontzettende kracht +en rusteloozen ijver, geboren den menschen ten welvaart en zegen--stil, +wie fluistert daar zacht: en vaak ook ten moordenaar? + +Zie, in de voorhoven van zijn werkplaats, daar stoken de dienaars +een vuur van bedwelmende hitte. + +Uit vluchtigen sluimer ontwakende, rekt hij en spant hij zijn leden +en spieren. + +Krachtig heft hij zijn ijzeren armen omhoog, en--wanneer hij ze heft, +dan grijpen zijn vingers in stang en in drijfwiel; dan stampen zijn +voeten op kammen en staven; dan wielen en keeren ontelbare raders; +dan snort het, en gonst het, en bonst het alomme, en trilt er zijn +stem als met dondrenden klank: "Voort raderen, voort! Schept haastig +uit ruwe wol een kostlijken draad, den menschen ten koesterend +dekkleed!" En--'t snort en het dreunt en 't bonst er nog sterker; +en altijd klinkt nog die stem: + +"Voort raderen, voort!" + + + +Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is +zij binnengegaan; een steile trap heeft zij beklommen, en, hijgende +naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte +stoom-wolspinnerij. + +Evert, die zijn broertje in de eenzame straat heeft achtergelaten, +moet haar al spoedig gevolgd zijn; ook hem ontdekt gij niet meer. + +Zijt gij een vreemdeling in dit verblijf, dan ziet gij in den +aanvang slechts weinig. Wel flonkeren er, in afwachting van den +naderenden morgen, een menigte gasvlammen, doch het licht wordt +gedurig onderschept en gebroken door een aantal gevaarten, die +gestadig hun arbeid verrichten. Zijt voorzichtig dat uw kleed niet +gevat wordt door een der vele machine-raderen, die u bij den nauwen +doortocht van weerszijden bedreigen, en--let op den grond, dat uw +voet niet haakt in de breede pees, die ginder een zeer groote schijf +in beweging brengt. Die schijf, 't is het hoofdrad der trommel van +den schrobbelmolen der machine, die de vastgepakte wol in losse en +platte vlokken te voorschijn brengt. + +En er naast, dat andere werktuig, dat is de kaardmachine, die immer de +vlokkige wol blijft ontvangen, ze kaardt en verdeelt in haar ijzeren +binnenste, en vallen laat in donzige plokken. + +En die plokken of rolletjes wol,--zoolang als een arm, zoo dun als een +pink, en zoo licht als een veder--wáár of ze blijven? Zie, vele losse +raderen wentelen heen en weer; en voeren ze toe aan den grofmolen +daar; zij lasschen ze snel aan de plokken of draden, die haast zijn +versponnen, snel, ongelooflijk snel: zevenhonderdmalen in één uur, +negen duizendmalen op den langen dag. + +Doch die losse raderen hier, zie, ze zijn van een ander fatsoen dan +de grootere dáár, die er wielen en snorren om hunne assen. + +Nietwaar, ge zoudt zweren dat het menschen waren, heel kleine +menschen, die staan op hunne voeten als wij; met armen en handen, +zeer zwakke handjes; met aangezichten als die van ons, maar flets +van kleur en slap van vormen; aangezichten waarin oogjes blinken +als een laatste vonk in den bleeken aschhoop. Gij zoudt zweren dat +het menschen waren, akelig kleine en arme oude mannen en vrouwtjes, +die gaarne hijgende zouden neerzitten bij den warmen haard, en de +dorre handen uitstrekken naar een versterkende bete. Nietwaar, gij +zoudt zweren dat het natuurgenooten waren, arme ontzenuwde wezens van +gelijken aanleg, met dezelfde behoeften als wij; maar gij bedriegt u, +zie slechts hoe ze wielen en keeren; negen duizend malen op den langen +dag, voortgejaagd door den werkman die--grootsch als zijn oorsprong, +doch gesard door zijn duivel, steeds woedender brult: + +"Voort, raderen, voort!" + + + +Doch gij vertrouwt ons niet, hoe langer gij tuurt op die kleine +raders--want gij gevoelt wel dat het raderen zijn,--toch ziet ge +klaar, onbedrieglijk zeker, dat zij--geschapen tot redelijke wezens, +nog met het kleed der menschen zijn bedekt. + +Immers, in 't midden van die bontvale rij--het helderst door een der +gasvlammen verlicht, daar ziet ge Saartje, het kind van Gerrit Zwarte, +het arme kind dat de koorts heeft, dat zich reppen moet, ongelooflijk +snel en gestadig. Gij herkent het arme meisje wel, al schrikt ge terug, +nu ge haar droevig figuurtje in 't volle licht te beter kunt zien. + +Een hoofd, een gansch hoofd is zij kleiner dan uw dochtertje, dat in +dit uur gezond, ja met de rozen op de wangen, op 't zachte kussen te +droomen ligt en zoo oud is als zij. + +Gij schrikt terug bij het beschouwen van dat voos en flets gezichtje, +met dien wijden mond en die onnatuurlijk glinsterende oogjes. Gij wendt +den blik van haar af, en uw oog blijft gevestigd op het jongske aan +hare zijde. Tien jaren oud, gelijkt hij een kind van zeven lentes--wat +zeg ik, een kind--van zeven barre winters te zijn. Telkens en telkens +werpt hij een lodderigen blik op den grofspinner, die aan gene zijde +van den molen zijn werken bespiedt; en angstig rept hij gestadig de +handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen +tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg +valsch en gemeen! + +En aan deze zijde van den tweeden molen, ziet gij dien krommen knaap +er wel staan? Zijn hoog en breed voorhoofd doet u vermoeden dat zijn +geest iets meer behoeft dan een werktuiglijken arbeid voor zijne +handen. Arme onderdrukte geest! wat kan hij meer doen dan tellen, +altijd tellen: Zie, zóóveel plokken gelascht geeft ééne minuut, en +zestig malen dat getal maakt omstreeks een uur, en als hij die zelfde +som straks driemaal verkrijgt, dan is de schoft- of laveitijd nabij; +dan mag er het kind.... Doch neen, zijn rust te nemen, dat mag hij dan +niet; dat uur is voor zijn kwelgeest, den spinner. Immers, de groote +machine weet van geen rusten; immers de plokken, die zij aanhoudend +laat vallen, ofschoon ze niet aanstonds verwerkt zullen worden, ze +moeten geraapt en op hoopen gelegd. En straks, als de spinner weer +aanvangen zal, dan is er de taak van den knaap schier verdubbeld; want, +de voorraad van gansch een uur moet worden ingehaald op het nimmer +vertragende werktuig, het werktuig, dat altijd plokken voortbrengt; +wel honderd in ééne minuut. + +Maar toch, die lavei, zij gunt er den kleine een uur van minder +gestadigen arbeid. Dat uur is hem welkom, het uur van negen tot +tienen. Jaapje heeft een goede moeder, en die moeder heeft hem voor +zijn ontbijt een koekebak gegeven, een heele-cents koekebak; dien +kan hij nu opeten, en hij smaakt zoo lekker. Wat weert zich die arme +kromme knaap om zijn geel-grauwen poffer--waarvan de wetenschap leert +dat hij slechts één vijfde voedende deelen bevat, zoo zuurachtig klef +en zoo krakend van kalk of van krijtstof--naar binnen te slokken. + +Doch gij zult het begrijpen, daar zijn de kinderen van Zwarte en nog +anderen, die hebben zulke goede moeders niet als hij; ze zien hem +aan met begeerige blikken, en Heintje Pink heeft gister gedreigd: +dat Jaapje de helft er van mee heeft te geven, of dat hij hem +anders........ Maar Heintje ziet een anderen kant uit, en het arme +Jaapje grijnst van genot nu hij het ziekelijk mengsel binnen heeft: +Te tellen, dát heeft hij geleerd, te deelen nog niet. + +En ginder nabij de fijnspin-tafels, waaraan voor 't grootste deel de +meisjes haar arbeid verrichten, daar staat Heintje Pink, die Jaap +en zijn koekebak heeft vergeten. Zijn luid geschreeuw kunt ge niet +hooren door het alles overstemmende geraas der machines. Terwijl hij +de wol in het kaardwerktuig bracht, hadden zijne kleine vingers te +zorgen meteen dat de altijd grijpende tandjes er binnen, gezuiverd +werden van de vezelen wol, die er kleven en groeien in het geoliede +ijzer.--En 't was voor de derde maal in weinige weken dat die nijdige +haastige tandjes hem knepen het vleesch van zijn schrompele vingers; +en Heintje, hij schreeuwt en hij kromt van de pijn, en de meisjes, +die van nabij zijn gejammer aanschouwen, ze trekken voor 't meerendeel +haar oude gezichtjes in lachende plooien. + +Arme, verstompte, gevoellooze meisjes! Zwakke, ellendig verdorvene +kinders! Hoe--kinderen? Neen! 't was toch voorzeker een optisch bedrog; +want hoor, nu het uur is verstreken, nu klinkt met verheffing van stem +en nog sterkeren klank weer het woord van den vreeselijken werkman: + +"Voort raderen, voort!" + + + +Doch gij toefdet daar reeds lang genoeg en wilt een ander tafreel. + +Welnu, een net steenen huisje staat voor ons open. In het ruime +voorhuis wordt gij aangenaam getroffen door den zoeten roomgeur die het +vervult, en de helderheid van maat en vaatwerk, die u als tegenlacht. + +Gij bevindt u in de woning van een echt Hollandschen melkboer. 't +Is er vroeg dag in zoo'n huis. Hij, de jonge bewoner der beide +boven-voorkamers, Willem baron Van Hogenstad, jurist aan de Leidsche +academie, hij had daar ook op gerekend. Gisteravond heeft hij met +Koen op diens kamer Mathesis gewerkt. Na éénen heeft hij turende +en turende op een hellend vlak, dat vlak al grooter en grooter zien +worden, akelig groot, en het vlak heeft hem opgeslokt, inééns, zonder +dat hij er iets van bemerkte. + +Koenraad moet wel zijn best hebben gedaan om Willem weer wakker te +krijgen, doch het is hem niet gelukt. Toen Willem omtrent zes uren in +den morgen de oogen heeft geopend, toen lag hij op de canapé, met een +kussen onder 't hoofd en een deken over zich heen gespreid. Ha! Koen +had best gezorgd; maar--op z'n eigen kast, in z'n eigen bed, daar +zou 't nog beter zijn. Weinige minuten later is Koenraads huisploert +wakker geschrikt van het toetrekken der huisdeur. + +Willem, diep in den kraag van zijn overjas gedoken, vervolgde +intusschen haastig zijn weg naar de straks genoemde woning van den +melkboer. Omstreeks aan 't einde van een smalle straat gekomen, die +hij ter bekorting van zijn weg had gekozen, heeft hij een zonderlinge +vondst gedaan. Daar lag een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje +rustende op den kleinen arm, en dien arm gekromd op den scherpen rand +van een lage stoep. + +Wat waren zijn wangen koud!--Was hij dood? Neen, zijn ademhaling +ging vrij geregeld. Maar wat te doen met dat kind! Hem +meenemen!? Waarachtig! Zoo'n arme drommel! + +Ha! dat was een goed besluit; het moet wel voortkomen uit een +onbevangen edelaardig gemoed. 't Was niet het gevolg der berekening, +omdat geen andere hulp er nabij was. Neen, meenemen! waarachtig! dat +was het eerste, en 't bleef zoo. + +Bravo, zoon van Minerva! gij zijt er één van het echt oud Neerlandsche +bloed. Bravo, Willem Van Hogenstad, nu toont ge dat ge van adel +zijt, niet slechts van den adel die de kwartieren în 't wapen telt, +maar van dien dieperen adel der ziel.... Doch stil, ga niet voort, +of hij smijt u naar 't hoofd dat ge de klaplooper zijt. + +Een half uur later staat de zwaarlijvige echtgenoote van Baks den +melkboer, op den drempel van een der mooie kamers, die haar voornamen +student tot zit- en studeerkamer dient. Zij kan 't zich ter wereld +niet begrijpen, hoe mijnheer zoo'n vuil schandaal van de straat mee +naar boven heeft gedragen. Goddank, ze houdt van helder en netjes, +weet je, en nou leit daar op de andere kamer zoo'n smerig sezjet in +mijnheers ledikant, en de hemel mag weten wat voor ontuig hij mee in +huis heeft gebracht. + +"Wil j' is kijken?" fluistert Van Hogenstad, terwijl hij de juffrouw +wenkt hem in de achterste kamer te volgen, en haar te gelijk--half +ironisch, half ernstig--een knipoogje geeft. + +"Kijken! wát zou ik kijken!" prevelt de juffrouw, terwijl zij met +krakenden tred den jonker volgt, den jonker, die, op zijn teenen +loopende, haar naar het ledikant in de andere kamer is voorgegaan, +en nu het groen damasten gordijn ter zijde schuift. + +"Hoe vin je dat, hé?" + +"Hoe ik dat vind....? Mag ik reis vragen, mijnheer, hoe uwes mama +dat zou vinden?" + +"Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met 'en stoep +tot je kussen?" + +"Lieve hemel, ikke!" roept de juffrouw: "Ik ben Goddank 'en +fatsoenlik-manskind; maar weet je waar zu'k gespuis van afkomstig +is,"--en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die +in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt,--"van 't repalje +weet je, uit de febrieken; van ouwers die drinken en luieren en d'r +eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie je, weet u +mijnheer, van zu'k repalje!" + +"Zoo, juffrouw Baks." + +"Ja van volk, dat z'n eigen vader en moeder voor 'en glas jenever +aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen mijnheer, +als je van 'en ouwer mensch 'en goeje raad wilt aannemen: pas op +dat je je vingers niet brandt; 't vuilmaken van je eigen boel en 't +gebabbel in de straat wil ik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd +en liederlijk sezjet heel Christelijk aan te trekken, ga je vlak +buiten je boekje. Als we t' avond of morgen zoo'n zuiplap in de deur +krijgen, die mijn of m'n man 'en maling schopt, omdat we z'n kind van +'t febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; iederman +blijft baas over z'n eigen kinders. Als bijvoorbeeld uwes mama...." + +"Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?!" + +Lieve hemel, wat zette ie vreeselijke oogen op. + +"Ja wel mijnheer; twee kadetjes, niet waar?" + +"Zes kadetjes en tien krentenbroodjes juffrouw Baks." + +Guns watte oogen! + +"Koffie- of theewater mijnheer?" + +"Chocolade-water, juffrouw Baks." + +Juffrouw Baks maakt rechtsom-keer; en als ze langzaam wegschommelt, +dan mompelt ze bij zich zelve: Om zoo'n vuil opraapsel 'en fatsoenlik +mensch nog te schandalizeeren ook.--Weet je, ze zou wel.... maar, +d'r kamers, en 't lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld! + +En terwijl ginder in de fabriek de grofspinner vloekt omdat hij één +der raderen mist aan zijn molen, slaapt de arme kleine Sander zoo +rustig voort op het kostelijk leger van zijn weldoener. + +Toen Willem de kamer van Koenraad verliet, toen heeft hij gerekend nog +een paar zoete uurtjes op zijn bed te zullen doorbrengen, maar nu--zijn +slaap is gansch en al geweken. Hij heeft het ook druk gekregen. Om de +waarheid te zeggen, toen hij het ongelukkige perceeltje op zijn kamer +had, toen is 't hem bij eene nadere beschouwing niet meegevallen. 't +Begin was niets geweest; maar om nu vol te houden! Boeh! wat een morsig +boeltje. Doch een student weet zich te redden. Met behulp van een mes +heeft hij het kind, dat dubbende en slapende, niets anders dan: och, +en ajasses, gezegd had, de armelijke kleeren van 't lijf getrokken; +heeft verder den steenkouden bloed haastig een oude wollen overjas om +de droevig tengere leedjes geslagen, en, na hem vervolgens op zijn bed +te hebben gelegd, heeft hij de dekens over hem heen getrokken, hoog-op +tot aan den neus, nog hooger, tot aan de ooren; zoo'n arme drommel! + +'t Was geen wonder dat de jonge baron de vunze kleeren van 't ventje +met de tang in de kachel wierp. + +Fluks een paar turven er op gelegd, en toen het boeltje in brand +gestoken, zag hij alras hoe de vlammen eensklaps zoowel van boven +als van onder uit de kachel sloegen. Ja, juffrouw Baks heeft gelijk: +Als je zoo'n ouwen rommel opruimt, dan krijg je een vlam en een rook +van geweld; maar 't is heel gauw gedaan; 't heeft niets te beduiden. + +Een groot uur later ontwaakt de arme Sander uit een diepen slaap. Eerst +tuurt hij geeuwende een wijle suf voor zich heen; maar dan, dan spalkt +hij de oogen open, al wijder en wijder, steekt zijn hoofdje buiten +het ledikant, en werpt een onbeschrijfelijk vreesachtig verbaasden +blik in het keurige slaapvertrek waarin hij getooverd is. + +Een angstig geween roept eensklaps den jonker. + +Bij het zien van den voornamen heer die hem haastig nadert, duikt +het schreiende kind vreesachtig terug, en verbergt zijn hoofd in +het kussen. + +"Zoo, kleine slaper, ben je al wakker!" zegt Willem met zijn +vriendelijk welluidende stem, en laat er dan aanstonds op volgen: +"Zeg, lust je een boterham?" + +Dat laatste woord werkt machtig.--Een boterham? Ja, ja, die lust +hij wel; en terwijl hij door de tranen heen een tweeden blik op den +vrager werpt, doch ook aanstonds zijn oogen weer neerslaat, glijdt +een nauwelijks hoorbaar ja hem van de lippen. + +Ik weet niet of gij zoudt gelachen hebben, indien gij Willem opnieuw +met het altijd vreesachtige knaapje hadt zien tobben en sollen; +wanneer ge gezien hadt, hoe hij hem tilde van 't bed, hem dwong +de voeten te steken in een paar wollen kousen, die nog veel langer +dan zijn geheele beentjes waren; hoe hij de dunne armpjes door de +mouwen van de oude overjas trok, en die mouwen, ter vrijmaking van +de handjes, meer dan ter halverwege opsloeg; toen hij het arme zoo +wonderlijk toegetakelde manneke in zijn zit- en studeerkamer op de +canapé deed plaats nemen; hem overlaadde met dik geboterde broodjes +en krentenbollen, en verder onthaalde op een enormen kop zeer dikke +en geurige waterchocola. Ik weet niet wie er zou gelachen hebben om +de inderdaad overdreven goedheid van den student, maar zeker, zeer +zeker zijn lieve moeder niet; zij zou een traan hebben weggepinkt; +zij zou.... Doch genoeg, de zoon denkt het allerminst om zich zelf; +hij heeft slechts oogen voor het arme schaap, het knaapje dat zeker +één van die ongelukkige fabriekskinderen is, waarvan men hem wel eens +verhaalde, één van de ongelukkige wezens, die geboren worden met den +vloek, dat hun lichaam--niet een tempel, maar een ellendige kerker +zal zijn voor den geest, die sprank van het eeuwige, van het ideaal, +die sprank der Godheid zelve. + +Nu Willem zoo'n schepseltje van nabij ziet, nu is het hem +onbegrijpelijk dat hij vroeger zoo koud is gebleven als er sprake +was van hun rampzaligen toestand. + +Maar, zoo zijn de menschen, ze moeten zien om te gevoelen; ze lezen +in hunne nieuwsbladen van de duizenden slachtoffers der mijnen, +en van de honderdduizenden in den bloedigen krijg. Ja, 't heet dan +verschrikkelijk, maar ook aanstonds, aanstonds plooit weer een lach +hun mond, want daarnevens--in het nieuwsblad, worden zij vergast +op een aardig avontuur. Ja, zóó zijn de menschen, zoo zijn wij, +WIJ menschen! We moeten zien van nabij, we moeten hooren en tasten; +maar wij schuwen de ellende en houden haar gaarne van verre. + +Ei zie dan, en luister nog even. 't Zal nu zoo akelig niet zijn, +misschien zelfs--om te lachen. + +"Ben jij 'en prins?" klinkt het zachtjes van Sanders lippen, en het +jongske, wiens vreeze na het kostelijk onthaal voor een groot deel +was geweken, werpt een schuwen blik op zijn gastheer, doch slaat de +oogen ook aanstonds weer neer. + +"Ik? Wel neen!" lacht Willem, uit zijn gemijmer ontwakende: "Maar--áls +ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?" + +"Ja wel," zegt Sander. + +"Waarom?" + +"Om ditte!" zegt de jongen en likt nog eens langs den rand van den +grooten chocolade-kop. + +"Hadt je dat nooit geproefd?" + +Het ventje grinnikt alsof hij wil zeggen: Dat kun je begrijpen! "'k +Docht eerst dat het mosterd was," zegt hij iets later. + +"Mosterd?" + +"Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags als we van 't +febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in +'t water." + +"Niets anders?" + +"Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en moeder eten meestal spek, +maar da's gallig voor de kinders zeit moeder." + +"Beesten!" roept Willem. + +Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uws +gelijken; hoor maar, hij vraagt u weer vriendelijk: + +"En hoe heet je vader?" + +"Dat weet ik niet," is het antwoord. + +"Maar jij, hoe heet jij?" + +"Sander Zwarte." + +"En wat doet je vader?" + +"Hé, hé," grinnikt de jongen, "moeder zeit zuipen." + +"Maar wat is hij van zijn ambacht?" + +"Ambacht?" grinnikt het kind.... daar had hij nooit van gehoord. + +"Waar verdient hij zijn centen mee?" + +"Dat doen wellui." + +"En hoe oud ben je al ventje; ben je al zeven?" + +"Ikke," zegt het jongske, "ikke ben tien." + +Ongelooflijk! zoo'n worm! "Dus moet je zeker in de fabriek +werken?" vraagt Willem opnieuw. + +Angstig kruipt het jongske ineen. Die vraag had hem eensklaps aan zijn +plicht, aan zijn vreeselijk lange dagtaak herinnerd; aan den spinner, +die hem zijn loon onthouden, aan den vader die hem ranselen, aan de +moeder, die hem geen eten zal geven; en bevende zegt hij: + +"Maar 'k had ook zoo'n slaap, en gisteravond toen ik dertien of +veertien uren gelascht had, toen dreigde de spinner dat ie me zou +kielhalen als ik weer stond te hangjassen, zeidie." + +"Kielhalen!" herhaalt de student met saamgetrokken wenkbrauwen: +"kielhalen, wat is dat?" + +"Ja, dat weet ik niet," herneemt de jongen, en angstig rondziende, als +vreest hij dat iemand hem beluistert, vervolgt hij: "maar ze zeggen +dat ie achter z'n bast 'en emmer met water hêt staan; en als nou +'en slecht kind--zoo zeit ie--z'n luie oogen niet open wil houwen, +dan douwt ie 'em even met het hoofd in den emmer: ten minste als +'t opperste menheer van 't febriek d'r niet bij is; maar 't zal niet +waar wezen; hé zoo koud!" + + + +Ja koud, ijzig koud; om van te rillen. + + + +"En ga je ook school?" vraagt Willem weder, na een oogenblik van +sombere stilte. + +Zie--tegenover het jongske, tot wien de vraag was gericht, daar +staan in de breede en nette boekenkast--slechts weinige achter een +groene gordijn verscholen--de bronnen en schatkamers van wijsheid en +wetenschap, van deugd en van recht, van beschaving en godsdienst; +daar staan de klassieken die getuigen, hoe voor tientallen eeuwen +'s menschen geest reeds krachtig streefde naar het schoonste ideaal: +des geestes eeuwige volmaking! Daar staan ze, de wetten der Oude +Romeinen, die reeds de zwakken beschermden tegen het onrecht en der +moordenaren staal; daar staan ze in de bontste mengeling dooreen, die +wijzen en geleerden, die godvruchtigen en zedenmeesters van vroegeren +en lateren tijd; en het is alsof ze luisteren, aandachtig luisteren +naar de antwoorden van dat kind. + +Neen, naar school gaat hij niet. + +Naar school kan hij niet gaan, want dertien, veertien, ja vijftien +uren moet hij werken--staande werken, op éénen dag. + +Naar school gaat hij niet, want het dagloon moest dan minder worden, +en dat zou voor vader en moeder te schadelijk zijn. + +Boeken? Neen, boeken heeft hij nooit gezien. + +Ja! als dát, daar tegenover hem, boeken zijn, dan weet hij 't wel: +dat zijn bijbels; moeder heeft er ook zoo een, en ze zeit: "'en +dominee's-bedrieger." + +Wat een dominee is? Dat weet hij niet. Of ja, die woont in de kerk. + +En wat de menschen Zondags gaan doen in de kerk? dat kan hij niet +zeggen; want hij is er wel in geweest, maar heeft toen geslapen. + +En waar het brood van gebakken wordt? dat weet hij niet. + +En dat de tafels en stoelen van het hout der boomen gemaakt worden, +dat weet hij evenmin; ja zelfs nooit heeft hij gehoord vanwaar de wol +afkomstig is, die reeds bij duizenden ponden door zijne handjes ging; +noch heeft hij vernomen dat van diezelfde draden, die hij laschte, +een kleed wordt geweven, zooals er nu een zoo warmpjes om zijne +leedjes sluit. + +Hebt ge dat gehoord, groote mannen van den ouden en nieuwen +tijd? Nietwaar, dat was een droevig examen in de aloude en wijd +vermaarde academiestad. Mij dunkt, ik zie de gulden rugtitels +verbleeken op de werken van uwen geest; ik zie ze huiveren en +inéénkrimpen de vruchten van uw hart of verstand; gij wenscht dat de +gordijn der breede boekenkast u scheide van dat ongelukkige voorwerp, +van het voorwerp dat u driest in het aangezicht slaat, en u kermende +toekrijt: + +Gelogen dat de mensch een heer der schepping zou zijn! + +Daar is geen vrije wil. + +Daar is geen recht in de wereld, noch een rechtvaardigheid die haar +bestiert. + +Daar is.... + + + +Doch wij grijpen de gordijn en schuiven haar voor de breede boekenkast, +en te gelijk voor dit droevig tafreel. + + + +Nochtans onze taak is daarmede niet ten einde. Wij hebben nog twee +andere tafreelen. + +Het eerste ziet ge in een schoon doch fantastisch licht; het tweede +in het diepe zwart van den nacht, wanneer er slechts ééne enkele ster +breekt door de voortgezweepte wolken. + +En dat eerste tafreel? + +Zie, in dat schitterende kunstlicht, lieflijk als het schijnsel der +maan, maar toch zoo klaar als de zon, blinkende als goud en zilver +dooréén gemengeld, daar ziet ge, te midden van een lachend plantsoen, +een jongeling; gij herkent hem terstond: 't is de wakkere edelman, +die zich toerust met de kennis om later te waken voor de rechten der +menschheid, 't is Willem Van Hogenstad. + +Aan zijn zijde staat een teer doch aardig jongske dat, netjes en helder +in de kleeren, te midden van den rijkdom en pracht eener te voren niet +gekende natuur, de oogen telkens met de uitdrukking der dankbaarste +verrukking en der innigste gehechtheid tot zijn weldoener opslaat. + +Dat jongske is het arme fabriekskind, het kind van Zwarte; het knaapje, +dat door de macht van het geld werd gered uit zijn ellendigen staat, +en opgevoed en onderwezen zal worden, om mensch te zijn, waarachtig +mensch! + +'t Is wel jammer dat zulk een kunstlicht zoo spoedig voorbijgaat. Het +schoone tafreel is verdwenen. Wij staan in het duister, in 't +nachtelijk zwart. + +Hoort ge daarginder--dáár in dien donkeren hoek, dat klagende stemmetje +wel. Het kermt om--water.... water! Ontelbare malen hoort ge dat: +water! En dan, als wierd het stemmetje moe van altijd datzelfde woord, +dan kreunt het: "Dorst, dorst!" + +Ouders! hoort ge uw kind dan niet? Moeder Zwarte, weet gij 't niet +dat uw arme Saartje, met brandende lippen en tong, naar een teuge +smacht en te zwak is om die zelve te krijgen? + +Maar de moeder slaapt, en de vader, hij ronkt. Voor het te bedde +gaan heeft de beschonken man gezegd, dat hij die fratsen wel kende, +en--als ze te lui was voor d'r werk, dat ze zich dan, evenals Sander, +ook maar door zoo'n sinjeur moest laten oprapen; dat gaf nog betere +rekening. En de moeder heeft gemeend dat het zoo erg niet zou zijn, +als ze maar eens goed warm kon worden; en zij heeft het bibberende +meisje met een rok, waarvan zij zich bij het te bedde gaan ontdeed, +wat beter toegestopt. Toen de moeder dat gedaan heeft, toen was het dat +er een klein, een heel klein sterretje tusschen de zwarte wolken blonk. + +Maar nu, nú is 't weer nacht, pikduistere nacht; want ook de stormwind +heeft de gasvlam uitgedoofd, die er nog brandde niet verre van +Zwartes woning. + +En daar slapen de ouders, die, al ware het uit lage zelfzucht alleen, +te waken hadden bij het bed van hun doodzieke kind. En dat kind, +het kan niet meer zeggen dat ze dorst heeft; haar lippen zijn als +verschroeid; haar mondje is vuur van binnen; in haar hoofdje bonst +en giert en dreunt het. Dat doet de koorts, de heete verslindende +koorts. Zoo'n arm verzwakt schepseltje is niet in staat om die koorts +te doorstaan. + +En--niemand hoort er haar telkens stiller en doffer gekreun. En niemand +ziet het klamme zweet daar parelen op het dof gezichtje: en niemand +hoort er, na zes uren strijds, dat laatste, dat allerlaatste zacht +pijnlijke snikje, het snikje dat klinkt als een dankbaar zoetvloeiend +... verlost! + +En daarbuiten, daar buldert de stormwind als met donderenden weerklank: +Vermoord! vermoord! + + + +En dát, dát is nu de wonde der arme academiestad. + +Zij is afgrijselijk! Gij begrijpt het nu wel dat het een dringend +verzoek is om artsenij, waarmee de boodschapper zich belastte. + +Een verzoek? Neen, een smeekschrift; want hij is de eerste boodschapper +niet; hij dringt slechts tot spoed. + +Vermoord! Vermoord! buldert de wind. En ja, die arme fabriekskinderen, +ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam. + +In een nieuwen vorm gaf ik u die oude, maar des te vreeselijker +waarheid. Slechts wat ik zelf gezien en gehoord, of ook door +ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. En +dat mijn verhaal u niet heeft voldaan; dat gij het "niet mooi" hebt +gevonden, zie, dat zou mij verheugen, indien ik u maar getroffen +had, indien ge maar diep gevoeldet, dat daarginder natuurgenooten, +zwakke kinderen, armelijk gekleed en ellendig gevoed, 13-14-15 uren +daags moeten werken in een klein bestek, ja--somtijds nog bovendien +den ganschen langen nacht, wanneer de Zondag moet volgen. + +En een groot deel van die ongelukkige schepsels! ze zijn de kostwinners +voor hun luie onbarmhartige ouders; ze zijn.... Doch immers, ik heb +ze u geschetst, naar waarheid geschetst, al sprak ik u niet van de +verregaande zedeloosheid, die hen almede besmettend omringd. En gelooft +gij mij niet: welnu, bezoek de Leidsche fabrieken; gij zult zien, en, +zoo uw harte al aanstonds niet bloedt, dan zult ge toch voorzeker, +weergekeerd in uwe woning, bij het aanschouwen van uw lief en bloeiend +kroost, moeten uitroepen: Groote God! bestaat er zulk een ontzettend +kwaad in ons dierbaar Nederland, in het land welks grootsch verleden +van vrijheid spreekt en van recht voor allen! Goede God, wordt er dan +niets gedaan in ons lieve vaderland voor die honderden, ja duizenden +van rampzaligen, die er vermoord worden, langzaam vermoord! En al +zijn die ellendige ouders ook verschoonbaar, ja onschuldig zoo +ge wilt, onwetende, ontzenuwde wezens als ze veelal zelven van +jongs af aan waren, en al ziet ook een groot aantal fabrikanten met +deernis neder op de ellende die hen omringt; al geven u vele brave +rechtschapene mannen onder hen, de oprechte verzekering, dat ook zij +zoo vuriglijk wenschen die armen eenigszins te kunnen opheffen uit den +deerniswaardigen toestand, waarin zij verkeeren, ze fluisteren u toe: +"Wat we willen, we kunnen het niet; ééne is er die 't ons belet, +en haar naam is: Concurrentie!" + +Hoe! zou zij de moordenares der arme kinderen zijn, zij, de schoone +kloeke vrouw, die de leuze van vrijheid in hare banier voert? + +Ja, zij is het! En de schoone vrouw, die zich baadt in de wierookgeuren +die men haar toezwaait, ze zondigt, bedwelmd door dien geur; en haar +leuze van vrijheid, zij voert ze hoog, schaamteloos hoog! Vrijheid! ja +vrijheid voor allen en voor alles! gilt ze in dollen overmoed: Wie +zal er den ouders het recht over hunne kinderen ontnemen; wie zal ze +gelasten, hunnen arbeid te verlichten of hen ter schole te zenden, +wie, wie zal MIJ beletten.... + +Zwijg: schoone waanzinnige vrouw! Weet gij 't dan niet hoe de +Staat--en rechtvaardig,--der arme gevallene, die uit schaamte haar kind +vermoordde, de vrijheid ontneemt? Ha! voor die ongelukkige den kerker, +en voor u de dartelste vrijheid; gij die boeleert met den gouddorst, +en duizenden kinders vermoordt, zonder blozen vermoordt naar ziel en +naar lichaam! + +Neen! ik zeg het u, de ure zal weldra slaan, waarin men u ketenen zal, +ja ketenen in de banden eener zegenrijke wet! + +Edelen, en grootmachtige wetgevers in den Staat! Ziet, daar valt de +smeekbrief neer voor uwe voeten. + +Nogmaals, ten laatste: De kranke stad en hare zusters snakken naar +redding en artsenij. Gij vraagt den boodschapper niet waar het +kruid is te vinden, het kruid dat hulpe kan geven. Gij weet het wel: +Daarginder, aan gene zijde van den Oceaan, daar bloeit en daar tiert +het op Engelands bodem; daar behoedt een schoone zegenrijke wet die +arme arme fabriekskinderen voor den ellendigen toestand, waarin zij +hier te lande verkeeren. Dáár zijn hunne werkuren minder in aantal; +daar gaan ze ter schole en worden ze onderwezen, drie, ja vijf uren +per dag. En de onderwezen kinderen worden bekwame werklieden; en de +nijverheid, zij bloeit er; en ik bid u, waarom zouden wij bij onze +overzeesche naburen, ja zelfs bij het grootste deel ook der minder +ontwikkelde Staten van Europa ten achterstaan? + +Maar wat spreek ik van artsenij te zoeken in den vreemde; Uwe wijsheid +zal het weten te vinden op eigen bodem, naar eigen behoeften. Neen, ik +vraag u niets meer dan eene wet in het belang dier ongelukkigen. Het +tafreel, dat ik schetste van den edelen knaap met het jongske aan +zijne zijde, het was in een kunstlicht geplaatst. Dat beeld zou een +uitzondering kunnen zijn; een toekomst voor die armen kan het niet +worden. Die minvermogende kinderen, ze moeten werken en zij zullen en +kunnen het, indien gij u hunner ontfermt; ja ze zullen meer doen dan +nu, want immers nu zijn ze verlamd en ontzenuwd, en de ervaring heeft +elders--ook reeds hier te lande, in de werkplaatsen van waarachtig +menschlievende mannen geleerd, dat te veelvuldige arbeid der Industrie +nádeelig wordt, terwijl meerdere rust en onderwijs voor die kleinen +haar krachtig verheft. + +Machtige wetgevers in den Staat! gelooft ze niet de valsche +boodschappers, indien ze komen mochten, die u zouden verhalen, dat de +hulpe, die wij van u afsmeeken, een onnoodige is.--Zij zouden liegen! + +Maar neen, komen zullen ze niet; want ik zeg u: Zij, zij zouden +metterdaad de ellendigen zijn, die de schoone vrouw tot ontucht en +kindermoord verleiden. Die boodschappers, ja, ze zouden verbleeken +indien gij hen krachtig betichttet dat zij dus inderdaad de moordenaar +onzer arme fabriekskinderen zijn. Neen, daar zal er geen komen, die +u driest in het aangezicht zal werpen dat daar geen moord geschiedt +in den vollen zin des woords. + +Ik bid u, laat mij begaan met hem die het zou wagen; ik vraag hem +dan zacht: Zeg, ongelukkige, hebt gij dan dat eene kamertje vergeten, +het kamertje met de reinigings-machine van het ruwe katoen, waarbij +het kind in slechts luttele jaren zijn rampzalig leven der win- +of der sleurzucht ten offer brengt? Zie,--zie--dán verbleekt hij, +en sluipt hij terug. + +Maar ik weet het, daar zullen, daar kunnen geen boodschappers komen, +om tegen mijne zending te getuigen. Hoor maar, hoor! de arme stad, +zij kermt te luide en roept om hulp. + +Edelen en grootmachtige wetgevers in den Staat, ziet, aan uwe en mijne +kleederen, waaraan de handjes dier kleinen werkten, kleven droppelen +bloeds. O! toeft dan geen oogenblik langer, zendt de hulpe die Gij +gebieden kunt; dat heeft haast, groote haast. Doet de stad verrijzen +uit haren nood, en hare zusteren met haar; en dan, dan zal er een +stemme suizen door uwe zielen: Wél u, dat gij hebt saamgewerkt--niet +tot leniging, maar ter voorkoming van jammer en ellende. Wél u, dat gij +der Nederlandsche Nijverheid een schoonere toekomst hebt gewaarborgd; +en wél u, wél u bovenal, dat Gij die armen daarginder--en nu zonder +geld--naar ziel en lichaam gered en WAARLIJK HEBT LIEFGEHAD. + + + + + +EEN WOORD AAN MIJN LANDGENOOTEN. [21] + + +'t Was een prachtige zomeravond. + +Aan 't eind van den grooten dorpstuin met het uitzicht langs den +wegkronkelenden zandweg, over de golvende korenvelden, dáár, onder +het lommerrijk geboomte, hield hij mij staande. + +"Gij moet mij helpen," sprak hij met warmte. + +Ik zag hem vragend aan.--Wij hadden over den toestand van het +ongelukkige fabriekskind gesproken. Hij was er mee bekend: immers +zijn ambt bracht hem gedurig in de stoomfabrieken van ons vaderland. + +"Zou ik u helpen? Ik?" + +"Ja, met de gave die God u schonk. Schets een verhaal uit de +werkelijkheid waarvan ik u sprak, en niet slechts zult ge de harten +uwer lezers treffen, maar ook hen opwekken om ter redding dier arme +wezens de handen inéén te slaan. + +Had ik hem goed begrepen? Wenschte hij een verhaal, een vertelling over +den toestand van het fabriekskind in ons vaderland!? 't Was mij alsof +ik voor den ingang eener duistere, mij geheel onbekende groeve stond, +en men 't verzoek tot mij richtte om er als gids in vooruit te gaan. + +Zonder antwoord te geven staarde ik in het dommelig verschiet. + +Hij begreep dat zwijgen. + +"Je hebt kinderen, nietwaar?" hernam hij ernstig: "welnu, ga dan +de kinderen zien, die in de fabrieken werken; keer naar huis terug, +en--schrijf." + +De nijgende zon wierp gouden glansen over de golvende korenvelden.--Ik +drukte hem de hand. Wij hadden in Gods prachtigen tempel ons verbond +gesloten. + +En, Landgenooten, de schrijver dezer regelen ging, en zag. En toen +hij thuis kwam, en zijn eigen kinderen liefkoosde en kuste--ach, hij +wist niet waarom zoo anders dan gewoonlijk--toen hij daar verhalen +moest van die bleeke holoogige dwergjes, die men fabriekskinderen +noemt; en de zijnen daar dwong om te eten, neen, om slechts een +enkele kruimel te proeven van den erbarmelijken kalkmeel-poffer, +die het leven dier arme kleinen moet rekken voor een geestdoodenden +arbeid van 12-15 uren daags. Toen, ja waarachtig, toen wist hij 't wel +wat hij schrijven zou; hij zou zijn stem voegen bij die van Coronel +[22], van Le Poole [23] en anderen, en de uitkomst moest leeren of de +eenvoudige vertelling [24] inderdaad eenig gewicht zou kunnen leggen +in de schaal der menschelijkheid. + + + +Landgenooten! 't Is u bekend wat er sedert dien tijd geschied is. + +In 1863 benoemde de Minister Thorbecke een commissie, die belast +werd met het onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende +in de fabrieken; en de man, wiens hart op dien zomeravond zoo warm +had gesproken, hij mocht de voldoening smaken zich aan het hoofd der +commissie gekozen te zien. + + + +Zeven jaren zijn voorbijgegaan. Zeven! + +Waarom leg ik zulk een nadruk op dat woord? + +Zal het een verwijt zijn aan de commissie van onderzoek, +omdat zij zeven lange jaren behoefde voor haar moeilijke +taak?--Neen! beschuldiging zou miskenning kunnen worden, en misschien +slechts terugkaatsen op den Minister, die tot leden dier commissie +mannen koos, van wier kunde en trouw hij was verzekerd, doch wier +maatschappelijke stand hun slechts luttel tijds voor het gewichtig +onderzoek gunde. + +Neen Landgenooten, wij beschuldigen niet, maar ik leg een sterken +klemtoon op dat getal, omdat menig hart in dien langen tusschentijd +heeft gebloed bij 't bedenken: En terwijl men nu past en meet en +weegt, kwijnen en lijden en ontberen die armen maar altijd voort, +en sterven van uitputting vóór dat ze geleefd hebben. + +Nederlanders, 'k zal u de stemmen niet herhalen, die voor zeven jaren, +'t zij uit onwetendheid, 't zij uit een kwalijk begrepen eigenbelang, +te midden uwer verontwaardiging klonken, en den "novellendichter" +wat al te gemakkelijk van overdrijving beschuldigden. Ze zullen thans +niet zoo licht herhaald worden; immers, landgenooten, de commissie van +onderzoek naar den toestand der kinderen, arbeidende in de fabrieken, +heeft in haar rapport een veroordeelend votum uitgebracht. + +Van de vele woorden en cijfers, in de laatste dagen namens haar in +'t licht gegeven, neem ik slechts de volgende volzinnen over: + +"Men bevindt dat het fabriekskind in ontwikkeling ten achteren is bij +andere kinderen, die niet in de fabrieken arbeiden. Men bevindt dat +die achterlijkheid ten deele ook het gevolg is van te vroegen en te +langdurig voortgezetten arbeid." + +Dit te vernemen is ons genoeg. Dit slechts wilden we door die mannen +bevestigd zien. + +Men kan zich bedriegen; maar wanneer bij een aandachtige lezing van +het bedoelde rapport, de overtuiging zich schier op elke bladzij aan +ons opdringt: dat men tot een slotsom geraakte, geheel in strijd met +een vooropgestelde of vroeger gevestigde meening, dan juist heeft +die uitspraak, terwijl ze mede 't bewijs is van oprechte trouw, +de grootste waarde. + +"Wij zullen zien!" sprak een hooggeleerd lid der commissie, toen +hij voor zeven jaren zijn taak zou beginnen; doch, na zijn eerste +onderzoekingen klonk het reeds zachter: "'t Is erger dan ik dacht. Er +moet wat aan gedaan worden." + +En dat laatste woord van dien hooggeachten geleerde, is nu, Gode +zij dank, de uitspraak der geheele commissie: Er moet wat aan gedaan +worden. + +En wat is dan haar voorstel; welke wet wenscht zij dan als "de beste +voorbehoeding tegen onredelijke exploitatie van het kind", en om het +"de gelegenheid tot behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest te +verzekeren?" Hoort: + +Het eenige middel waarvan zij een goede uitkomst verwacht, is: Een +algemeen verplichtend schoolonderwijs. + +Verplicht schoolonderwijs? Ja, ja waarlijk, zoo klonken er stemmen: +niet slechts voor die arme fabriekskinderen, maar voor alle onwetende +kleinen moet de wetgever zorgen. Zie Duitschland, zie.... + +Stil! Weet gij 't niet Nederlanders, dat de man, die mij tot het +schrijven van een verhaal bewoog, dat de president der genoemde +commissie bij het gezamenlijk onderteekend rapport, een afzonderlijken +brief heeft gevoegd? + +"Mijn voorstel," zoo schrijft hij aan den Minister: "moet een geheel +ander zijn dan U door haar--de commissie--wordt aangeboden. Ik acht," +zoo gaat hij wat verder voort: "dat een wet tot algemeen verplicht +schoolonderwijs, als in strijd met den volksgeest hier te lande, +niet gemakkelijk tot stand zou komen, en beschouw, op dien grond, +het voorstel der commissie zoogoed als een voorstel om den bevonden +slechten toestand te laten zooals hij is. Enz." + + get. A. A. C. De Vries Robbé. + + +Den toestand te laten zooals zij is! Maar Nederlanders, +landgenooten! die uw kinderen liefhebt, dat wilt ge niet! Hebben ZIJ +dan geen kinderen, de overige leden dier commissie? O, indien zij ze +hadden, ze zouden bedacht hebben dat hun raad, het begraven was eener +zaak, die niet slechts een onderzoek vorderde, maar nu 't allereerst +beteugeling van het kwaad, terwijl dat kwaad als werkelijk bestaande +werd aan 't licht gebracht. + +Of meent gij nog dat een wet, als door de commissie begeerd, geenszins +in strijd is met den Nederlandschen volksgeest en nog bovendien +wenschelijk zou zijn? + +Leest dan Landgenooten, het uitmuntende hoofdartikel in de Nos. van 6, +7, 8 en 9 Nov. 1869, der Nieuwe Rotterdamsche Courant. Mij dunkt de +voorstanders van een algemeen verplicht schoolonderwijs, ze moeten na +de lezing er van wel in tegenstanders veranderen, of althans erkennen +dat het voorstel der commissie ten behoeve van het fabriekskind, +inderdaad--maar zeker ter goeder trouw--een voorstel is geweest om +den bevonden slechten toestand te laten zooals hij is. + +Maar wat dan?--Zou men blind willen zijn voor de eerlijke en dikwijls +niet geheel ongegronde bezwaren tegen een wettelijke regeling van +den arbeid der kinderen in de fabrieken? Zal men het oor sluiten voor +de waarschuwende stemmen, als ze daar spreken van de gevaren waaraan +men het kind gaat blootstellen, erger misschien dan waaraan men het +te ontrukken wenscht? Zal men doof zijn voor de eischen der vrijheid +in ons eenig en dierbaar Nederland!? + +Neen, voorzeker neen! Immers juist eerst dán wanneer men al die +bezwaren goed heeft doorzien, eerst dan zal de wetgever kunnen optreden +om ook de vrijheid te waarborgen van het mishandelde kind. + +En spreken moet hij. Zou Nederland nog langer dralen om het voorbeeld +van het grootste deel der Europeesche naties te volgen, en de stem +der menschelijkheid te doen klinken? + +Nog eens: de toestand is slecht. Dit is een bestaande zekerheid. Hierin +te voorzien is plicht. De gevolgen, die men van een wettelijke regeling +vreest, zijn onbewezen mogelijkheden! + +Zal men den uitgehongerde een maaltijd weigeren, uit vrees dat hij +door overmatig gebruik zijn leven in gevaar zou brengen!? Zou men ook +nu in Nederland weer nalaten het goede te doen, omdat men het betere, +het volmaakte niet aanstonds bereiken zal? + + + +Wat wij dan willen? + +Nederlanders, wij willen een verstandige wettelijke regeling van +den arbeid der kinderen in de fabrieken, zoo mogelijk gepaard aan +verplicht schoolonderwijs. Wij willen dat de wet ook zal straffen +wanneer onmeedoogende ouders niet zelden beulen voor hun kinderen +blijken te zijn. [25] + +Wij willen dat de wet zal straffen wanneer de industrie--'t zij +dan moedwillig of uit gewoonte en sleur--menschenlevens verwoest, +en alzoo werkelijk "verrotting brengt in den Staat." + +Wij willen dat er een wet kome: + +omdat wij gelooven dat inmenging der Regeering hier evenzeer +noodzakelijk is, als waar zij elders optreedt als beschermster van het +kind en met straf bedreigt wie "zijn bestaan in gevaar brengt"; [26] + +omdat wij gelooven dat een wet, én voor die arme schepsels én voor +de industrie zelve, van onberekenbaar nut zal worden indien zij niet +te veel wil, doch wat ze gebiedt met gestrengheid zal handhaven. + +Of zou men zich toch laten afschrikken door den kreet: Maar om Godswil, +wat moet er dan van den arbeid worden! wie zal de ontbrekende en zoo +noodige handjes aanvullen, wie....!? + +Nieuwe toestanden, nieuwe hulpbronnen! Bekreunt zich de IJzeren-baan om +'t verval langs den straatweg!--En immers, wanneer een machine naait +of breit, dan zullen ijzeren raders ook wel spoedig die arme levende +raderen kunnen vervangen. + +En wat vreest men dan weder dat er ouders zullen zijn, die hun +niet verdienende kinderen binnenshuis op nog zwaarder proef zullen +stellen! Neen, wanneer die arme verdierlijkte onmondige ouders de +zekerheid hebben dat er een toezicht bestaat, en dat als gevolg er +van het publiek en vooral ook de armbesturen het oog op hen gevestigd +houden, dan wagen zij het niet, en zullen wellicht in 't eind nog +beseffen dat men dit strenge toezicht tot hun waarachtig welzijn in +'t leven riep. + + + +Landgenooten! in een zitting der Tweede Kamer onzer Staten-Generaal, +heeft de Minister Fock in antwoord op een interpellatie van den heer +Van der Maesen de Sombreff gezegd, dat hij omtrent het toezicht op +de fabriekskinderen nog geen wetsontwerp wilde voorstellen: Eerst +moest de openbare meening zich krachtiger uitspreken. + +Nu zult gij 't weten waarom ik u schrijf. + +Landgenooten, mannen en vrouwen, ouden en jongen, 't is omdat ik +wensch dat gij als één man zult opstaan en uw bee voegen bij de mijne; +dat gij tot den Koning een adres zult richten 't zij in den volgenden +of in een beteren vorm: + + + Sire! + + "Nu de toestand der kinderen, werkende in de fabrieken, is + gebleken slecht te zijn tengevolge van een te vroegen en te + langdurig voortgezetten arbeid, nu naderen wij Uwe Majesteit + met eerbiedig verzoek, dat het Uwer Majesteit zal behagen + met Uwer Majesteits regeering een wet in 't leven te roepen, + die het arme fabriekskind tegen een onredelijke exploitatie + beschermen, en het zoo mogelijk de gelegenheid tot een + behoorlijke ontwikkeling van lichaam en geest verzekeren zal. + + Uwer Majesteits getrouwe onderdanen, enz. enz. + + +Ik weet het, Landgenooten, waar 't een werk der liefde geldt, en mede +in 't waarachtig belang der Nederlandsche Industrie, daar zult gij +niet achterblijven. + +En wanneer dan te midden dier vele namen, ook hier en daar de namen +zullen prijken van hen, die aanstonds bereid zijn om oogenblikkelijk +voordeel prijs te geven, nu zij de waarheid moesten hooren van hen +die hard schenen omdat de Concurrentie hen tot hardheid dwong of de +sleur hen verblindde; ja, dan zullen die namen der edele Nederlandsche +industriëelen, als diamanten schitteren in den band der liefde dien +wij te zamen mochten vlechten. + +God geve dat geen enkele hunner ontbreken zal! + + + +Ruim zeven jaren zijn er voorbijgegaan sedert den schoonen zomeravond, +toen de ondergaande zon haar gouden glansen over de golvende +graanakkers wierp; zeven lange jaren sedert den stond dat mij het +woord in de ooren klonk: Welnu, ga dan de kinderen zien die in de +fabrieken arbeiden. Ga ze zien! + +En nu nóg werken en slaven ze, en grijpen als raderen mee in de groote +machine, van 12 tot 15 uren daags. Nog bloeden ze, en schreien ze, +en roepen om hulp. + +Spoedt u dan Landgenooten! Gij hebt het gehoord: De openbare meening +moet zich krachtiger uitspreken. + +Zoudt gij nog aarzelen? Neen, zie, daar staat uw eigen dierbaar kind; +het ziet u liefdevol aan; het vliegt u in den arm, en smeekt u om +zijnentwil, dat ge gaan zult, haastig gaan, ter bescherming van die +arme gemartelde natuurgenootjes. + + + + + +OPENBARE BRIEF AAN ZIJNE EXCELLENTIE DEN +MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN. + +1870. + + Ick bidde U Indien Gij heden geen + gelegenen Tijt hebt om desen Epistel + te lesen, doet het Morgen; maer by + Uwe veele drockten, vergeet denselven + niet. + + Excellentie! + + +In de hoop dat dit schrijven in 't belang der arme fabriekskinderen +mijn laatste zal kunnen zijn, richt ik het tot U, Excellentie, +Minister van Binnenlandsche Zaken! + +Ik doe het met vertrouwen, wel wetende dat het lot dier armen U ter +harte gaat, al wordt ook de brief van den Haarlemschen burgemeester, +[27] tot nog toe, vruchteloos gezocht in het anders zoo volledige +Rapport der "Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen +arbeidende in de fabrieken". + + + +Excellentie! 't Is U bekend: in 't jaar 1863 ontving de genoemde +Commissie van den Minister Thorbecke haar mandaat. + +Zij arbeidde zeven jaren. + +Eindelijk ziet haar uitspraak het licht. + +En zij constateert dat.... zwart zwart is. + +Nochtans, de Commissie ging verder. In strijd met haar vroegere +meening--volgens den president dier commissie, mede blijkbaar uit +haar ingediend Rapport--heeft zij een voorstel van wet gedaan, en +wel, om het fabriekskind voor zooveel mogelijk tegen een onredelijke +exploitatie te beschermen, door eene wet tot Algemeen Verplicht +Schoolonderwijs. + +De president der Commissie teekent in een afzonderlijk schrijven +hiertegen protest aan, met de woorden + +"Ik acht dat eene wet tot algemeen verplicht schoolonderwijs, als in +strijd met den volksgeest hier te lande, niet gemakkelijk zal tot +stand komen, en beschouw op dien grond het voorstel der Commissie, +zoogoed als een voorstel om den bevonden slechten toestand te laten +zooals zij is." + +Er verloopen vele dagen.--De Nieuwe Rotterdamsche Courant maakt er +gebruik van, en neemt de woorden van dien president tot motto, om al +vast het weinig populaire commissie-voorstel met kracht te bestrijden. + +En toen? + +Men wachtte op U, Excellentie.--Nietwaar: De arme kinderen hadden al +zooveel jaren gewacht. + +Ha! Daar wordt weer een stem gehoord. De heer Van der Maesen de +Sombreff--de volksvertegenwoordiger--vraagt U in 's lands vergaderzaal: + +"Minister van Binnenlandsche Zaken, wat zult Gij doen?" + +En uw antwoord klinkt: + +"De openbare meening moet zich krachtiger uitspreken." + + + +Neen, men had geen recht om Uw woorden in een oneigenlijken zin +te verklaren: + +Volgens mijne opvatting verstaat men door de openbare meening: +Het overwegend volksoordeel gegrond in zijn nationaliteit, en met +zijn eigenaardige begrippen van recht en onrecht.--Neen, zij is +geen: "op redenen en argumenten steunende, met cijfers gestaafde, +overtuiging". En bovendien, zou dan Uwe Exc., na 't ontvangen van het +Rapport der Commissie, dat Rapport--inderdaad niet zonder cijfers--als +van nul en geener waarde hebben ter zijde gelegd, om nu eens een +meer algemeene, op redenen en argumenten steunende, en met cijfers +gestaafde overtuiging te vragen aan--de openbare meening! + +Genoeg, Gij hebt de Volksstem willen hooren.--"Mannen van energie," +zegt een hoogbegaafd Nederlandsch geleerde: "zijn de Staatslieden, +die acht weten te geven op de publieke opinie". + + + +Toen, overtuigd dat slechts zeer weinigen in den lande, de vele cijfers +zouden narekenen, die de Commissie U nog had aan te bieden: toen, +na het "hooren en wederhooren" der Commissie en haren president; maar +tevens na rijp beraad en ernstig onderzoek, heb ik mijn landgenooten +toegeroepen: + +"Nederlanders, hoort ge 't wel? De Minister vraagt U dat gij krachtiger +spreken zult." + + + +En de openbare meening heeft zich verklaard. + +En in dien tusschentijd zijn de vogels teruggekeerd uit het warme +Zuiden, en hebben hun nestjes gebouwd; en de boomen zijn groen +geworden; en.... men heeft kermis gevierd in de Residentie; en--die +kinderen in de fabrieken hebben gewacht en geleden. + + + +Heeft Uwe Exc. misschien nog te weinig stemmen gehoord; te weinig +vooral in evenredigheid van Neerlands bevolking? + +'t Is zeer waarschijnlijk!--Maar ik herinner U, dat men met het +bedoelde kwaad, over 't algemeen slechts in fabriekplaatsen, en +dikwijls zelfs dáár nog maar ten deele bekend is. Ik herinner U, +dat het petitioneeren niet in den Nederlandschen volksgeest ligt; +maar tevens en vooral: + +Dat de namen van onze nobele Industriëelen, zoowel uit Twente als uit +andere streken van ons Vaderland--die zelfs met hunne firma's op de +adressen aan den Koning prijken--een overwegende beteekenis hebben; +dat zij te zamen een stem vormen reeds van veel grooter kracht dan de +geheele en toch kloeke stem der openbare meening; en, dat men althans +voor deze namen alleen, gerust de duizenden kan missen van hen, +die--wel zeker gaarne in 't belang van arme kindertjes dat stuk aan +den Koning zouden teekenen, wanneer men 't hun maar voorleggen wilde, +doch die, na het uitbrengen van hun stem zullen vragen: "En wat is nu +eigenlijk de zaak?" of, tastende in den zak: "En, hoeveel kost dat nu?" + + + +Excellentie, de volksgeest wil verbetering van 't lot der +fabriekskinderen. Immers van welke richting of begrippen ook, er +is geen Nederlander, die een toestemmend antwoord zal geven op de +vraag: Vindt gij 't waarachtig goed dat jonge kinderen zoo boven +hunne krachten werken, en zoo ellendig onwetend blijven? + +Goddank! geen Nederlander wil dat in ernst. Die 't feit dulden, ze +zijn verblind. Ja, meelijdend kunnen ze zijn. Ze geven aalmoezen +gaarne,--misschien meer dan goed is--maar spreekt men van de +ongelukkige kinderen die hen dienen, dan spreekt men van een +werkkracht. Van een werkkracht. 't Is niet anders.--Wij hebben 't +vroeger gezegd: raderen zijn het, anders niet. + +Excellentie! Men heeft aan uw wensch voldaan. + +Men heeft van vele zijden gesproken: + +Ten 1ste. De Commissie van onderzoek naar den toestand der kinderen, +arbeidende in de fabrieken, heeft u voorgesteld om het kind tegen +een onredelijke exploitatie te beschermen, door eene wet tot algemeen +verplicht schoolonderwijs. + +Ten 2de. Reeds voorlang teekenden dertig Leidsche fabrikanten een +adres, met verzoek om dien arbeid te regelen bij de wet. + +Ten 3de. De Maatschappij van Nijverheid deed hare stem hooren. + +Ten 4de. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen kon in 't einde +niet zwijgen. + +Ten 5de. Een adres der Twentsche Vereeniging van Handel en Industrie +kwam U in handen. + +Ten 6de. Zoo mede een legio van dag- en weekbladen, 't welk artikels +wijdde in 't belang eener wettelijke regeling; en ook het kleine +getal dat, tegen die regeling gestemd, nochtans het bestaande kwaad +volmondig erkent, terwijl het zich daarna in vrome wenschen voor de +toekomst verliest, en zijn redeneeringen besluit met een: "O mochten +eerlang....!" of: "Wij hopen van harte...!!" + +Maar Exc., niet alle Nederlanders--al erkennen allen dat de toestand +van het fabriekskind verbetering behoeft--wenschen, zooals wij, +dat de arbeid dier kinderen zal worden geregeld door eene wet. + +Ten 1ste. In 't vrije Nederland willen sommigen geen inmenging der +regeering in zaken van Handel en Nijverheid. Handel en Nijverheid +moeten zich vrij ontwikkelen en bewegen. + +Ten 2de. Het middel--zoo vreest men--zal erger zijn dan de kwaal: +Wanneer de kinderhanden voor een groot deel aan den fabrieksarbeid +worden ontnomen, dan zal de fabrikant een grooter getal kinderen moeten +aan 't werk zetten; het getal fabriekskinderen wordt dan misschien +wel verdubbeld, en--zooveel te meer ellendigen zullen er zijn. + +Ten 3de. Bij minder verdienste der kinderen zal de armoede der gezinnen +nog grooter worden. + +Ten 4de. Het ten deele vrijgestelde kind zal misschien door +onmenschelijke ouders elders tot het verrichten van nog zwaarder +arbeid worden genoodzaakt. + +Ten 5de. De wet in Engeland, die men in substantie hier te lande zou +willen volgen, werkt--zoo beweert men--òf slecht òf gebrekkig. + +Ten 6de. Al kon er zulk een wet tot stand komen, hoe zal men, zonder +groote en voor den Staat zeer drukkende lasten, die wet naar behooren +gestreng kunnen handhaven? + +Uwe Excellentie zal toestemmen dat de bezwaren niet door mij worden +voorbijgezien. + +Mag ik--zoo kort mogelijk--een antwoord geven? + +Ten 1ste. Geen inmenging der regeering.--De grootste voorstander van +den vrijen handel, de Engelschman, wiens naam door de gansche wereld +klinkt, Macaulay, toont met onweerlegbare klaarheid aan, [28] dat +juist in 't belang van Volk en Nijverheid, de wetgever moet ingrijpen, +waar men 't kind ten behoeve der industrie, op onredelijke wijze +exploiteert en ongeschikt maakt om ooit een denkend werkman te worden. + +Wie Macaulay in dezen niet gehoord heeft, dien zal Uwe Exc. naar ik +vertrouw, het recht van spreken, zoo niet ontzeggen, dan toch voorzeker +niet toekennen. En, als de groote Macaulay het woord heeft, dan mag de +Nederlandsche auteur gevoeglijk zwijgen, om nochtans, indien er tóch +weder van het "aan banden leggen der vrije Industrie" mocht sprake +zijn, den onnadenkende nogmaals toe te roepen: De fabrieksnijverheid +hier, ligt inderdaad door den kinderarbeid gebonden. + +Ten 2de. Gesteld dat het getal fabriekskinderen inderdaad werd +verdubbeld--'t geen niet het geval behoefde te worden--dan nog zou dat +dubbel getal een minder geëxploiteerd, en zeker een beter onderwezen +cijfer uitmaken. + +Ten 3de. Men zegt: Bij mindere verdiensten zal de armoede nog grooter +worden. Ik vraag Uwe Exc.: wanneer een onzer eerste en edelste +fabrikanten, die in zijn fabriek de kinderen reeds vrijwillig in +plaats van 12-16 uren daags, slechts 8 uren werken laat en 2 uren +onderwijs geven, wanneer deze verklaart, dat hij hunne verdiensten +nagegaan, en bevonden heeft: dat de kinderen in 8 uren tijds juist +hetzelfde verdienden als vroeger in een zooveel langeren tijd; wanneer +de uitkomsten elders--zoomede in Engeland--dit eveneens aantoonen, +dán mag men de sombere voorstelling van grootere armoede, inderdaad +met schouderophalen begroeten. Immers 't is een gezonde redeneering: +Het kind dat minder werkt, werkt beter. Waar het product in waarde +rijst, daar kan het werkloon grooter worden. Maar zelfs in het +ergste geval--aangenomen dat de loonsvermindering plaats had--waarin +men toch zou kunnen voorzien--dan zal ze slechts tijdelijk en een +gevolg zijn van den eersten schok. En, ware het niet de grootste +onredelijkheid om de volgende geslachten fabriekskinderen, ja, de nu +reeds ter exploitatie aangewezen maar nog wat al te jeugdige wurmen, +meedoogenloos op te offeren voor de mogelijke, maar stellig ras +voorbijgaande gevolgen van dien eersten schok! + +Ten 4de. Dat de kinderen nog meer zullen te lijden krijgen is alweder +een onjuiste voorstelling. Indien de kinderen van 8-13 jaren, voortaan +bijvoorbeeld zeven uren per dag zouden werken, en drie uren schoolgaan, +wanneer ze zóó, tien uren per dag zullen bezig zijn; dan immers +wordt de vrees, de sombere voorstelling tamelijk ongegrond, dat de +ouders, 't zij in hunne woningen 't zij er buiten, nog een geschikte +gelegenheid zullen vinden of scheppen, om hun kroost aan eenigen +geregelden winstgevenden arbeid te zetten. Bovendien, wanneer het den +Staat ernst is met Zijn toezicht, dan zal hij in verband met gemeente-, +kerk- of armbesturen, ook daartegen maatregelen kunnen nemen. + +Ten 5de. De Engelsche wet--zoo beweert men--werkt slecht of +gebrekkig. Volmaakt doet ze het zeker niet, hoe zou dat mogelijk +zijn. Maar wie beweren durft dat ze slecht werkt, ik vraag het Uwe +Excellentie: Zou een Engelsch Minister van Binnenlandsche Zaken, +zou een Bruce, heden eene wet voordragen ter regeling van den arbeid +der kinderen die in de mijnen arbeiden--eene wet in den geest van die +op den arbeid der kinderen in de fabrieken, indien de laatstgenoemde +bevonden werd slecht te zijn. Mij dunkt dit kan volstaan. + +Of is die man krankzinnig misschien! + +Ten 6de. De wet, zoo zij tot stand zal komen, moet gestreng gehandhaafd +worden, en, het toezicht zal voor de schatkist alweder een drukkende +lastpost zijn. + +Voorzeker, gestreng en met de beste krachten zal zij moeten gehandhaafd +worden. + +En de middelen...? Excellentie! indien het geld dan werkelijk een +bezwaar--ofschoon toch in veler oogen zeer zeker een allerlaatste +bezwaar kan wezen, welnu, dan neem ik de vrijheid om, als equivalent +voor 't geen de arme fabriekskinderen den Staat zullen kosten, +UExc. het denkbeeld aan de hand te doen van een andere kinderwet +er tegenover. + +Ik zou dan voorstellen, dat de Regeering eene belastingwet op de vóór- +of doopnamen in 't leven riep. + +Mijne bedoeling is deze: + +De eerste vóórnaam zal vrij zijn; doch de tweede met vijf gulden +belast, en de volgenden met een steeds klimmende taxe, zoodat men +voor een zesden naam een som van twee honderd gulden of meer, bij de +geboorte-aangifte zou moeten voldoen. + +Deze belasting--UExc. zal 't gereedelijk toestemmen--ware er eene die +niemand zal drukken: die, naar mijne berekening, jaarlijks een bedrag +van f 200,000 aan 's Rijks schatkist kon opleveren, en waarschijnlijk +veel meer, aangezien het zwak voor namen bij de gegoede standen +er zeker niet op verminderen zou. 't Ware een luxe-belasting in +'t belang der armen. + +"In 't belang der armen?" vraagt nóg de tegenstander, die in weerwil +van de uitkomst door den genoemden fabrikant verkregen, beweren blijft +dat de armoede der fabrieksgezinnen--althans in den aanvang bij het +in werking treden eener wet--grooter zal worden dan zij reeds was. + +"In 't belang der armen!?"--UExc. vergunne mij nog eens te antwoorden: + +Aangenomen voor een oogenblik dat door bijzondere locale oorzaken, +die armoede bij den eersten schok inderdaad hier en daar zal toenemen, +dán juist zou die tweede kinderwet in den nood kunnen voorzien.--Men +roept reeds met luide stem: Welk een misgreep! De Staat kan geen +philanthropie uitoefenen. + +Ik weet het. Doch wie zal het philanthropie kunnen noemen wanneer +men iemand een hem toegebrachte schade vergoedt? Indien de Staat dan +werkelijk met het uitvaardigen eener wet individuën benadeelt, dan +zal hij dit uit de aangewezen gelden kunnen vergoeden. Wat de Staat +onteigent ten algemeene nutte, dat betaalt hij, en ruim. Waar de +Staat zijn onderdanen in 't belang van Volk en Nijverheid--gesteld +dan!--verdiensten ontneemt, dáár moet hij tegemoetkomen. Ja +zelfs, aan de kleine fabrikanten, die door 't begeeren van eene +schadeloosstelling, blijk zouden geven van onvermogen, kon hij in den +aanvang een vast te stellen vergoeding schenken, naar evenredigheid van +'t aantal kinderen, 't welk hem door de wet zou worden ontnomen. Indien +de Staat op deze wijze, uit de baten der tweede kinderwet, de gevreesde +gevolgen der eerste--volgens die sombere beschouwingen--hielp +verijdelen, dan oefende hij zeker nóg minder philanthropie uit, +dan wanneer hij gratificaties aan weduwen en weezen verstrekt, voor +diensten door echtgenooten of vaders aan den lande bewezen. + +Mijn laatste voorstel zal echter, naar ik vertrouw,--ofschoon het +m. i. uitvoerbaar is--niet ten uitvoer behoeven gebracht te worden. De +mededeeling er van moest UExc. slechts bewijzen, dat de gewichtige +zaak wel degelijk van alle zijden door mij werd bezien, aleer ik onze +Landgenooten opwekte om aan Uw roepstem gehoor te geven.--Wat den eisch +van sommigen betreft, dat ik aan UExc. een concept-wet ter regeling +van den arbeid der kinderen in de fabrieken zou moeten aanbieden; de +Nederlandsche auteur, meent zijn roeping niet te mogen voorbijzien; +het was zijn plicht om telkens mede op de wond te wijzen, die zoo +dringend genezing behoeft; doch geneesmiddelen voor te schrijven, +of desgevorderd het lancet in 't zieke vleesch te zetten.... dát is +de roeping en taak der Nederlandsche Regeering. + +Excellentie, de zaak "der gemartelde natuurgenootjes", is er eene van +het allergrootste gewicht. Zal men in den naam eener valsch begrepen +vrijheid, de marteling dier kinderen meedoogenloos doen voortduren; de +wonde al meer en meer doen inkankeren? Zal men, voor het hoogvereerde +beeld der vrijheid geknield, wonderen van die vrijheid verwachten, +en slechts biddende zuchten, zonder de handen met kracht aan 't werk +te slaan!? + +"Vrijheid, vrijheid in Nederland!" roept men ons toe: "Vrijheid +in ALLES!"--Welzeker! in alles! Loopt dan met revolvers gewapend, +gij mannen dier vrijheid, en schiet uw tegenstander overhoop. Laat +de spoortreinen vertrekken zonder regel of orde, en tegen elkander +instormen als 't u vermaken kan. Bergt vrij petroleüm of buskruit +in uw pakhuizen, en steekt den rommel in brand, dat het dreunt en +dondert in 't rond, indien ge ruimte wilt, ruimte voor uw vrijheid! + +Maar Exc., de zaak is te ernstig voor zulke dwaze consequenties. + +Immers, 't geldt de vrijheid, de rechten dier arme kinderen.--Ik +weet dat UExc. het gevoelt: 't Geldt hier het leven van aankomende +Nederlanders, van toekomstige burgers, 't welk in de fabrieken physiek +en moreel wordt verwoest. + +Neen, UExc. wil die marteling niet straffeloos doen voortduren, +maar bestrijden--ook in 't belang der Nederlandsche Industrie. De +volksstem heeft gesproken en zijn wensch tot den Koning gericht. Gij +hebt dien wensch vernomen; en, wanneer Gij nu in des Konings naam, de +handen aan 't werk slaat, ik bid U, vergeet dan toch de vele stemmen +onzer eerste Industriëelen niet, en vergeet Macaulay niet, en vooral +niet dat de behandeling dezer volkszaak, na zoovele jaren wachtens, +spoed vereischt, grooten spoed, want de verdrukking van die ellendige +kleinen moet een eind nemen in ons vrije dierbare Nederland. + +Excellentie, Minister van Binnenlandsche Zaken, men wacht op U. + +Met de meeste hoogachting teeken ik mij, + + + Uwer Excellentie's Dw. Dienaar: + + J. J. Cremer. + + + + + + En men heeft op den Minister gewacht, totdat nog drie jaren + later, de eerste wet ter regeling van den kinderarbeid in de + fabrieken, door een nieuwe regeering bekrachtigd werd. + + + + + +BRIEF VAN JAN STUKADOOR. + +METSELAAR. + +Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B. + + + Aan den lezer. + + +De neef van den werkman door wien mij het nevensgaande opstel in +handen kwam, zal het mij--zoo min als de Lezer--ten kwade duiden, +dat ik een aantal van zijne verbeteringen, zoowel in stijl als taal, +tot het oorspronkelijke heb teruggebracht, ja zelfs dat eenige +door hem geschrapte woorden--waarin de schrijver niets vreemds had +gevonden--door mij op hun plaats zijn hersteld. + +Dat de Nederlandsche werklieden de veelal zeer juiste beschouwingen +van den wakkeren Jan met een Bravo! zullen begroeten, en, beter nog, +ter harte willen nemen, is de wensch van: + + + J. J. C. + + + + + +AAN ALLE NEDERLANDSCHE WERKLIEDEN + +LEDEN EN GEEN-LEDEN DER INTERNATIONALE. + + +Vrienden, laat ik je zeggen, dat je gefopt wordt, op mijn woord van +eer. Ik zeg niet, dat ze het niet goed met je meenen; neen, maar dan +foppen ze zich zelf. Ik ben zooveel als handwerksman of metselaar, en +versta mijn vak zoogoed als mijn baas, daar durf ik me op beroemen, +en ofschoon de roem is uitgesloten, ik zeg het, omdat het waar is, +en ik een hekel aan praatjes heb. + +In den laatsten tijd hoorde ik gedurig van de kameraden dat ze armoe +hadden, geen eten genoeg, omdat ze te weinig verdienden. Dat is waar, +vooral als ze--zooals Jan Van End--een vrouw hebben die vijfmaal in +de kleine zes jaren een kind krijgt, en op den koop toe een slons is. + +Weet je wat ik verdien in de week? Gemiddeld, winter en zomer, negen +gulden. En daar moet ik van leven met mijne vrouw, vijf kinderen--God +weet of het er bij blijven zal--en, behalve een kanarievogeltje van +Jans, mijne oude halfblinde moeder. Bedeeling zou ze kunnen krijgen, +maar ik zeg: eer zullen ze me doodschoppen, eer dat ze mijne arme +moeder van den arme zullen bedeelen. + +Is negen gulden te veel met zijn achten, als ik de kanarie van Jans +meereken? Dat weet jelui wel beter; en toch Goddank jongens, ik +heb nog nooit honger geleden. Dat zit hem hierin, dat ik geen drank +gebruik. Of ik geen borrel lust? Nou, daar mot je om kommen! Als ik +hem zie, dan komt me het water over't hart; maar ik zeg, neen baas, +je zult me niet pieren, want ik heb er een kennis aan dood; dien stond +het schuim op den mond toen hij de eeuwigheid inging, en was zoo zwart +van binnen als een schoorsteen. Nou, als je van klare zwart wordt, dan +zit er toch de duivel in, al heeft hij geen bokspooten of kettings aan. + +Ik zei dan dat ik nooit honger heb geleden, en daar geef ik je mijn +woord van eer op. Maar weet je wie daar ook de schuld van is, dat +is mijne vrouw. Als je ze zag--ze zit hier bij me terwijl ik dezen +brief schrijf, want de meester zei: schrijf jij gerust Jan, jij weet +het goed uit te leggen, en ik, zeidie, zal je wel met de taal en de +spelling helpen--ik zeg dan, als je mijn vrouw zag dan zou je zeggen: +een knap wijf, en ik zeg een goed wijf ook; die het anders zei, die +heeft er geen verstand van of is jaloersch; zooals de vrouw van P.--ik +wil zijn naam geen schande aandoen, maar die is jaloersch. Jongens, +je moest ook eens kunnen zien wat een helder wijf of ik heb. Toen ze +voor de vierde keer--in de negen jaren een kleintje had, toen was +Wouter, de lieve schreeuwer met zijn mooie oogjes, nog geen tien +uren oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en, nog al +geen gaten!--Neen, zooals mijn beste wijf den boel bij elkaar houdt, +daar weet je niet van; en ik zeg, als ze van kapitaal spreken: daar +zit kapitaal in de armen van Jans. En toch geen houten, waarachtig +niet: mollig als boter. Als alleman zoo'n vrouw had, dan was er geen +armoe. Van één gulden maakt zij er twee; ook omdat zij van twee uren +er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze pruttelt, dan is het +alleen over de belasting op de zeep. + +Maar alleman kan zoo'n vrouw niet krijgen, dat weet ik wel; dáárom +en ook met dien ellendigen drank heeft er menigeen veel meer noodig +dan ik. Maar, is het misschien door ziektens of dingsigheden dat +je armoe hebt, terwijl je werkt zooveel en zoogoed als je kunt, en +den boel niet vergooit of verzwendelt, dán zeg ik: jongens, zoekt, +als je loon te laag is en je met al je werken niet te eten hebt, in +de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Ik zeg in de redelijkheid, +want of wij elkaar een loer willen draaien of niet,--anders draai je +je zelf den hals om, en daar heb je niks geen plezier van. + +Onze kleine Albert was krek een jaar--ik weet het nog, omdat de +vrouw toen op suiker bij de koffie trakteerde, en dat is een heele +ekstra--toen kwam Van Vlot bij ons inloopen. Ik begreep hem niet, +want hij zei den heelen tijd zoo'n Fransch woord. Nou ken ik het; +'t was de Internationale.--Meester heeft het me voorgespeld. Als ik +daar lid van werd, dan kregen we mettertijd net zoogoed te vreten--dat +waren met permissie zijn eigen woorden--als de rijkdom en al de +grootheid in eigen persoon. Wis en waarachtig, zei Van Vlot, hier bij +ons in 't land zijn we wel gek om ons eigen dood te werken voor dat +rijkelui'svolk, en voor de bazen, die van ons zweet en bloed mooi weer +spelen. De Internationale, zoo zei die, wil met orde en recht onzen +toestand verbeteren. We zullen een tijd beleven Jan, zoo zei die, +dat al die wind van groote huizen en van de swietmesjeus met hun +mooie dametjes uit is, alleman egaal, jij net gelijk met je baas, +en je baas net gelijk met den grootsten baron of ginneraal uit het +Voorhout. Allemaal glad weg van één slag, en allemaal krek evenveel +centen op zak. Ook de centen van den koning moeten we verdeelen, +en van de prinsen. Alle grootheid naar de weerlich, zei die; dat was +nou het communismus. Dit laatste woord heb ik zelf onthouwen, want +dat ding leek me een slaadje als het goed was. Nou, zei Van Vlot, +als je niet tegen je eigen vleesch bent, dan moet je ook lid van die +Internationale worden, daar staan pieten aan 't hoofd, en ze hebben in +andere landen al zooveel jongens en centen bijeen, dat ze ons best den +mond kunnen openhouwen als wij alvast de weerlich van 't werk geven. + +Toen Van Vlot niks meer zei, toen zei ik: Maar dan zul jij er zeker +al wel dadelijk uitscheien Piet, want aan werken daar heeft hij in den +regel kaas aan. Neen nog niet Jan, zeidie toen, want die Internationale +stuurt geen kind om een boodschap. Zoo gauw als wij van onzen stand +hier te lande zoo goed als allemaal lid van die vereeniging zijn, en de +kans schoon staat om onzen slag te slaan, dan beginnen we dat vetje; +dan gooien we--'t waren zijn eigen woorden--bij al dat groote volk +lekkertjes de glazen in, en houwen acht dagen vetpot, en dan: naar den +grond met al de rijkelui'shuizen, en, verdeeling van de dubbeltjes in +de Maliebaan! Wil je lid worden? zei Piet er bot bovenop. En ik zei: +Wat kost het? Zooveel, zei Piet.--Ik keek Jans aan, en Jans zei niks, +maar ik zei: Ik zou je danken. 'k Wil er eerst over prakkezeeren. + +Toen Van Vlot weg was--eerst zanikte hij nog wel een uur lang, en +'t meest over dat pleziertje in de Maliebaan--toen zei ik tegen Jans: +Wat dunkt je? + +Jans zei: Wat wil dat zeggen, Inter? + +Dat weet ik niet, zei ik. Toen dadelijk naar meester. + +Meester zei dat Internationale zooveel beduidt als een verbond tusschen +alle naties of volken; en dat het hier dus de vereeniging was van al +de werklieden over de geheele wereld. + +Dat zoodje zou ik wel eens bijeen willen zien, zei ik tegen Jans toen +ik weer thuis kwam--'t was Zondag. + +Ik niet, zei Jans: vooral vandaag niet, want dan staan de meesten +niet vast op hun beenen. + +De meesten, dat was onredelijk. Nu moet ik zeggen dat Jans alleen +op dát punt onredelijk is. Maar ik dank er God voor, want als Jans +het niet geweest was, wie weet of ik tóch niet van tijd tot tijd +bij Nol op den hoek er eentje zou gepakt hebben. Ééns is geens zegt +het spreekwoord, en zoo kom je op een kouwen avond tot tienmaal ééns +is tienmaal geens; en dan heb je veertig centen aan je broek, en je +kijkt als een vijfcents pekelharing of een schar zonder kop. + +Maar jongens, nou moet ik je zeggen, dat ik al een maand aan het +denken ben geweest over die woorden van Van Vlot of eigenlijk over die +Internationale. Ik zei tegen Jans: Ja maar, als we nu toch waarachtig +door dat lid worden, in het huis van V. B.... konden komen (meester +zei dat ik den naam hier weg moest laten) nou, in dat mooie groote +huis met al die meubels en gordijnen, me dunkt.... + +Me dankt, zei Jans, dat je je verstand moest gebruiken. Van Vlot zei +dat ze AL de huizen zouden afbreken, en dus kwam jij dan tóch niet +in het groote huis van V. B.... + +Dáár had ze gelijk in, en ja, als we allemaal precies gelijk zouden +worden, dan moest eigenlijk--na dat pleiziertje in de Maliebaan--de +heele stad voor den grond worden gesmeten, om ook de steenen en het +houtmateriaal gelijk te verdeelen. Ja wel, elk voor zich kon dan zijn +portie meenemen om naar goedvinden op een--óók eerlijk gedeeld stuk +grond, zijn huisje te kunnen zetten. + +Maar zie je jongens, toen ik daar goed over prakkezeerde, toen +begon het me te draaien voor de oogen. Wie drommel zou eerst +de stad afbreken? Verbranden was nog zonde, want wat weg is is +weg.--De voorname lui? Och goeje hemel, als ze een halven dag aan +'t steenbikken waren geweest, bij voorbeeld de graaf van.... (weer +geen naam zei meester) afijn dan lee ie voor mirakel; daar zit geen +pit in die vingers. + +En ik zelf? Als ik mijn portie beet had, wat deed ik er mee? Metselen +is mijn vak, ja wel, maar al zat ik op water en brood, om een huis +te bouwen, zoo'n beetje behoorlijk, ik zou er geen kans toe zien. + +Maar, zei Jans toen, al kon jij als metselaar, net zoo wel als Hein +van 't fabriek van Enthoven, en de baron van Die en Die, en de grutter +naast ons hofje, en Hannes de diender en allemaal die nooit gemetseld +of gezaagd hebben, je eigen huis bouwen, wat moesten dan de zieke +weduwvrouwen beginnen? + +Ben je gek Jans, zei ik, dat verdeelen en zelf opbouwen da's +onmogelijk, da's larie! + +Ik moest er om lachen, en Jans begon ook te lachen, zoodat kleine +Anneke, die de borst kreeg, losliet. Toen lachten we allebei dat we +schudden. Denkt eens jongens, hoe de molenaars en de ministers en de +slachters en de boekverkoopers en de notarissen en de vroedvrouwen +en de dominee's en pastoors, afijn de heele wereld die van 't bouwen +niks wisten, in de knoei zouden zitten. Wat zou je zien gebeuren--dat +zei ik tegen Van Vlot op een avond dat hij mij weer den kop kwam +gekmaken: Laten we nou veronderstellen, zei ik, dat er op de vijftig +huishouwens die bouwen moesten, veertig er zelf niet kapabel toe +waren, en dat elk driehonderd gulden vrij geld in de Maliebaan had +gebeurd; nietwaar, dan zou de een--al was het geen verplichting, +toch alweer tegen den ander zeggen: Och vrind of burger-commun, +help jij me een handje, want mijn moeder is rhumatiek of aamborstig +en kan toch niet zoo tusschen 't afbraak blijven zitten.--Neen, zou +die zeggen: Ieder voor zich.--Dan zou die ander hem bijvoorbeeld drie +rijksdaalders onder den neus kunnen houwen. Was de persoon die rook, +geresolveerd, dan zei ie: Akkoord! Was hij een schrok, dan zei ie: +Voor zes rijksdaalders; en was hij een luie kerel dan zei ie neen, +en ging op zijn eigen afbraak liggen. + +Nou vraag ik jou, Van Vlot, of er dienzelfden dag alweer geen verschil +van stand zou wezen, want die hielp, had de rijksdaalders van den +ander. Zie je, zoo'n stad van gelijkheid is onmogelijk. Maar zei ik, +verondersteld dat je zoo'n stad kondt hebben, dan zet ik het jou om +me te zeggen hoe de magere kranten-Hannes met zijn zuster Letje--de +strijkster-zwavelstok--aan den kost moesten komen? We zouden alles +zelf moeten doen, want maatjes egaal, alles gelijk, nietwaar? Op onzen +lap grond, zaaien en oogsten; koren dorschen en malen; meel kneden, +brood bakken,--vee fokken, slachten, natuurlijk alles! + +Maar toen viel Jans me in de rede, en zei: Kom schei toch uit met die +gekkenpraat; waar wil jij mee ploegen als je geen ploegen kunt koopen, +hoe wil je dorschen zonder vlegel, malen zonder molen, slachten +zonder mes. Waar moet dat alles vandaan komen en wie zal dat maken +als iedereen zaaien en maaien en dorschen en bakken en slachten moet? + +Waar de machines vandaan moeten komen? zei Van Vlot: wel, net als de +messen en allerlei meer tegenwoordig: uit Engeland. + +Zie je jongens, nu zijn we wel dom, maar toen lachten ik en de +vrouw toch nog ééns zoo hard. Wij dachten dat dié Internationale +over de heele wereld, voor alle landen was. Meende Van Vlot dan dat +ze in Engeland toch wel ten pleziere van ons Hollanders aan 't werk +zouden blijven. + +Van Vlot werd nijdig om 't lachen en liep de deur uit. 's Nachts om +éen uur kwam hij stomdronken in vergissing bij ons aankloppen, en +toen vroeg ik: wie--ná dat vetje in de Maliebaan--den jenever voor +hem zou stoken? En toen zeidie met een smoorvloek erg door den neus: +Dat doet de.... de Inter....nation....ale.... voor den duivel!--Nou, +als die Internationale de likeurstoker voor den duivel is, zei ik, +dan blijf je me met dat ding van mijn lijf af, en ik bracht den lap +in zijn huis, want ik had met z'n arme vrouw te doen. + +Toen jongens, zijn er een paar maanden voorbijgegaan, en ik +heb druk werk gehad in 't voorjaar, zoodat ik van dat ding niet +meer hoorde. Maar op een avond dat ik naar huis ga zeit Pietersen +tegen me--met een knoop er op: Waarom ben jij nog geen lid van de +Internationale? We moeten er hier kerels als jou bij hebben. + +Waarom Pietersen? vroeg ik. + +Omdat jij een knappe kerel bent, zeidie: Van Vlot en zijn soort kunnen +we missen. Dronken volk geeft geen fedusie, en het ding is goed--voor +den donder! + +Als het ding goed voor den donder is Pietersen, zei ik, dan is het +toch ergens goed voor. + +Ergens! zei Pietersen: wou jij zeggen dat het niet heelemaal goed +was? Moet de eene mensch slaven en zweeten, terwijl de ander, God +beter 't, als een lui varken in zijn stoel leit? Kijk--zie, daar heb +je weer zoo'n schandaal! die mooie mesjeu in dat open rijtuig leit er +als een beest. En wat doet ie? Niemendal!--Ik zeg je: er uit moeten +ze! dat volk! 't Is van ons gestolen! + +Nou wist ik toevallig dat de heer in dat rijtuig--want er kwam ons +een rijtuig voorbij--een dokter was die zich niet geneert om bij de +kwaadaardigste ziekten in de grootste achtergaten te gaan. Cholera of +pokken daar maalt hij niet om; en ook dat hij niet alleen met de gift, +maar niet minder om zijn taal voor de armsten als een vader is. + +Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter V. van jou gestolen heeft? zei ik. + +Ja, G. v. d.! riep Pietersen. We zullen ze wel krijgen G. v. d.! + +Toen jongens, wier ik er koud van, maar ik zweeg. Dat zwijgen beviel +Pietersen niet. Hij begon lastig te worden en grof als riviergrind, +'t Liep zoo graveelig dat hij zijn gezegde van "knappe kerel" weerom +nam; ik was een...... (het woord was te smerig zei meester, ik moest +maar titteltjes zetten.) Best; maar dat andere woord was eigenlijk +nog gemeener hoewel het niet zoo vuil was: ik was een verraderlijke +Pietjak.--Wat Pietjak is dat weet ik nog niet.--Zulke kerels, die de +goeje zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pietersen, al vooruit +op d'r ziel hebben, en als hij mij 't avond of morgen bij den kraag +kon krijgen, dan zou hij zijn eigen daarop trakteeren. + +De kameraads wilden het bijleggen, maar ik zei dat er van bijleggen +geen spraak was, omdat er niets bij te leggen viel. Maar toen we +'t politie-bureau voorbijkwamen, toen zei ik, hard genoeg dat ie +'t hooren kon: Zoolang als de eene werkman den ander nog bedreigt, +is het goed dat ze dáár wacht houwen, en dat de heeren op 't Binnenhof +ook nog recht en gerechtigheid spreken. + +Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-commun was, hoe zou +je dan hulp krijgen als je ziek lei, en recht krijgen als een gemeene +rakker je bij avond of ontijd een loer had gedraaid? + +Toen heb ik gaan zitten nadenken, en hoe langer ik nadacht en met +meester en Jans er over sprak--de meester is nog een neef van mijn +vrouwskant,--hulponderwijzer--hoe meer ik begreep dat die heele +broederschap en alles maatjes gelijk, net zoo onmogelijk is als +met de hand aan den hemel te reiken. De meester zei, en daar had +hij gelijk in: Moeten de kinderen dan voortaan niet meer leeren +op school? Om kinderen te kunnen onderwijzen moet je met je hoofd +en niet met je handen werken. Om dokter en rechter en profester te +worden, is het allemaal met den kop werken. Nu moeten die lui toch +op stoelen zitten als ze hun hersens inspannen om de wijsheid uit +de boeken te halen. Zie je, en dáárom kunnen ze 't ruwe weer zoo +niet verdragen; en als het werkvolk grof werk doet met de handen, +dan doen zij fijn werk met het hoofd. En, werken met de handen, +dat kun je vrij wat langer volhouden als met den kop. Laat Pietersen +of Van Vlot eens een klein briefje schrijven, zei Jans, dan zul je +eens zien hoe'n spul ze daarmee hebben. Wil je wel gelooven jongens, +dat ik zelf over dit opstel al meer als een verreljaar doende ben; +alle Zaterdag avonden, en soms Zondags een beetje. Maar ik zeg je +dat ik er menig zweetje op gehaald heb, en dat ik 't al lang had +laten steken als meester en Jans niet zeien dat ik 't doen moest, +en meester niet altijd hielp met overschrijven. Wat betreft dat ik +jelui wil zeggen wat ik denk, ik dank God dat ik het doen kan, want, +nóg eens jongens, die Internationale die piert ons met open oogen. Ik +zeg niet uit wreedheid of slechtheid, maar omdat ze niet zien kan. + +Ik zeg tegen Jans, hoe moeten al de brieven door 't land komen, en +van Oost en West--waar ik nog een broer bij 't Zevende heb--als je +geen heeren hadt, die al die landen en plaatsen van de wereld kennen +en zooveel als de direktie verstaan? Als je alles zoo naprakkezeert, +dan moeten er heeren zijn op 't kantoor, die een boel meer weten +als de bestellers, die alleen maar 't adres hoeven te lezen.--Larie +dat maatjes-egaal van de commun. Larie, dat zei ik al een half +jaar geleden. En nou? Jongens, lees jelui de krant niet?--Ei, zeg +ik tegen Van Vlot--want tegen Pietersen daar spreek ik niet meer +tegen--ze hebben zich mooi laten kijken in Parijs, die oppersten van de +maatjes-egaals. Toen ze in de knoei kwamen en hun lijf moesten bergen, +toen werden ze gevonden met duizenden franken--dat zijn zooveel als +halve guldens bij ons--hun kleeren genaaid aan specie en papier. Zie +je, dat waren de lui die krek regeerden als alle andere regeerders, +maar onder een schijn van maatjes-egaal. Ze aten en dronken van de +bovenste plank, en verlakten het werkvolk, waar de meesten van hen, +vroeger zelf toe behoorden. Begrepen jongens: één zeit er bij voorbeeld +tegen je: Vooruit mannen, er onder met de rijken! Dan denken jelui: +Vooruit naar den vetpot, nietwaar? Maar hij die je aanvoerder is, komt +het eerst bij het laadje, en als jelui dan aan 't vechten bent en in de +konkels raken, dan pakt hij zijn biezen naar Noord- of Zuid-Amerika, +en jelui--je wordt in de doos gestopt. Heb je 't niet gelezen? Neen, +in de doos niet alleen, je wordt als krengen in de kalk verbrand, +levendig, net als een slak waar je zout op doet. Maar--dat is de +gerechtigheid. Ja zoo waarachtig als God leeft, jongens, ik zeg met +de volle overtuiging: dat is de gerechtigheid! Als ik er niet zoogoed +over geprakkezeerd had, dan zou ik zeggen: ik weet het niet. Maar nou, +ik heb goed nagedacht en--ik begrijp er alles van! + +Ja kameraden, God heeft groot en klein verordineerd in de wereld: daar +heb je een vlooi en een olifant, nietwaar? een keisteentje en een hooge +berg, een grasscheutje en een eik in 't bosch. Notabene! Maatjes-egaal +in de wereld! Jans en zelfs Van Vlot, toen ie goed nuchter was, +we hebben weer geschaterd van 't lachen: dan moesten de vrouwen ook +maar een broek aantrekken, en de kinderen hun vader en moeder de les +lezen. Neen, Van Vlot, zei ik, God heeft kleine sterren en groote +zonnen gemaakt, en zoo denk ik dat Hij 't met de menschen ook gewild +heeft. Neem jij één stand uit de wereld weg--ik meen van wat goed +of noodig is--en de heele boel leit op z'n....--Als de opstekers +van 't gas 's winters bij donkeren avond, hun werk niet deden, +dan ging jij en ik bij Janssens op den hoek, met een fortuintje +'t water in; en--als ze commun waren, dan verdikten ze 't zeker om +voor jan en alleman 't gas aan te steken.--Nog eens, die zijn hersens +bijeen houdt, die is wel stekeblind als hij niet ziet dat die heele +Internationale, misschien met een goeden aard en bedoeling begonnen, +eindelijk den ondergang van den werkman achter de mouw heeft. Lees +de krant jongens, als je lezen kunt: geen mooie praatjes van vetpot, +maar van daadwerkelijke zaken. Staat maar op tegen de wet van God +of de natuur, en je krijgt het voorgoed op den kop. Nu liggen al de +mannen, die al weer op den vetpot te Parijs rekenden, en die al met +het omverhalen van rijkelui's huizen en verbranden zijn begonnen, voor +goed onder den grond.--Heb jelui daar pleizier in, ga dan je gang; +maar ik zou je danken. Ik zeg tegen Jans--of eigenlijk ik heb het +eergisteravond gezeid, toen we samen in de bedstee leien: God geef +dat onze Hollandsche jongens zich niet door die vreemde poespas in +de draaierij laten brengen. Ik zeg maar: als je je best doet, zooals +wij, nietwaar, dan ben je misschien geen haar minder gelukkig dan +bijvoorbeeld de baron van (ik schrijf den naam niet, want dat geeft +weer spul met den meester) afijn, ik zeg geen haar minder. Of zijn +bed zooveel mooier is, daar ziet hij niks van als ie slaapt; en als +de rijke lui graag op die weeke spullen van bedden en donsen liggen, +ik voor mijn part, ....'k zeg tegen Jans, kunnen ze nou beter slapen +dan wij met zijn beiden?--En dan de pot? Jans heeft twee diensten +gehad, de laatste als keukenmeid. Maar denk jelui, jongens, dat ze +dien pot toen we getrouwd waren, een halven dag heeft gemist? Jans +zeit dat het met lekker eten net gaat als met alles, wat je alle +dagen hebt, daar gaat het raar van af. Ze zeit dat haar volk--groote +lui hoor--altijd aan hun vrienden vertellen van een reisje, toen ze +ergens--ik weet niet waar--geen lozies konden krijgen; toen ze zich +op een zolderkamertje in een bedstee behelpen moesten, en twee dagen +niks als zwart brood en melk en een eindje worst konden krijgen, +en dat ze daar altijd met zoo'n schik en behei van vertelden alsof +dat nou de pleizierigste tijd van hun leven was geweest.--Ja, zul +jelui zeggen, maar 't rijkelui's smullen is toch niet kinderachtig, +en ik wou toch liever aan hun tafels zitten dan voor onzen schralen +kost. Ik zei het ook, maar meester gaf me laatst een goed bescheid: +Dat moet je nog niet zeggen, zei die. Alles heeft zijn mooi en zijn +leelijk. God is rechtvaardig, zei meester, en let jij nou eens op, zei +die tegen me, of de rijke lui over het algemeen niet ongezonder zijn, +en bleeker en lang zoo sterk niet als de werkman. En wat de sterkte +betreft, dat is vreemd genoeg, want de grooten kunnen toch alle dagen +hun vleesch krijgen en eiers en al wat ze lusten; en neef, zei die, +de rijke die altijd lekker volop heeft, kent geen honger. Alle lusten +hebben hun lasten, en alle lasten hun lusten, want God is rechtvaardig, +al schijnt het zoo niet. Het liedje zegt: + + + "Rijken altijd volle maag. + Armen steeds in 't eten graag. + Honger maakt blauwboonen zoet. + Vet de maag bederven doet." + + +Ik zeg ja, wij zijn sterk, ja wel, maar als de ziektens komen, dan +maaien ze toch altijd 't meest in onze buurten. + +Dat komt omdat de mindere man niet zindelijk is, zei meester. Toen +wier Jans giftig; want Jans is als een brand. Maar toen zeit +meester: Zoo hebben jelui dan ook de cholera in 66 en nou de pokken +gehad? Watblief? Neen, zei Jans.--Akkoord, zei meester, dat komt +omdat jij van geen smerigheid houdt, en omdat jelui je zelf en de +kinders verstandig hebt laten inenten, en geen kwezels bent, die +van Godslasterlijk jammeren als God zelf het medicijnmiddel aan de +hand geeft. Zie je jongens, ik ben Griffermeerd van mijn geloof; wat +jelui bent dat kan me niet schelen, want ik zeg altijd, de secties +en de pletons maken toch maar één schutterij, is 't nietwaar; en of +je onzen lieven Heer al wegcijfert, dat gaat er net mee als met de +ginneraal of kornel. Jij kunt wel zeggen: ik lach er wat in; maar je +zult tóch aantreeën en marcheeren en ekserseeren, zooals hij verkiest, +net zoogoed als de korperaals en de sergeants en de luitenants en de +heele schutterij.--Nou jongens--en daar heb je het alweer--wat zou +de heele schutterij doen--of laten we nou de heele militaare macht +nemen--als er geen onderscheid van stand was? Wat waren de soldaten +zonder onder- en boven-officieren? Over de stommigheid van Pietersen +moest ik lachen. Die zei dat ze die luie bl.... bovenop hun paarden +mettertijd ook wel 't loopen zouden leeren. Nou vraag ik, wat wou een +leger beginnen, als ze geen hoofdofficiers hadden, die uit de hoogte +alles afkeken en meer overleg in één uur moeten hebben als een gewoon +soldaat in een heel jaar? + +Weet jelui wat ik zeg--en ik blijf er bij--al dat maatjes-egaal-commun, +dat is de kooi waar de vreemden ons in willen vangen. Ik heb er +over geprakkezeerd, en zeg: als je goed werkt, en niet den luiaard +uithangt; als je je geld niet aan klare spendeert en ook niet door je +vrouwen aan allerlei mutsen en linten en snoeperijen laat verknoeien; +als je dan in de redelijkheid niet genoeg voor je vrouw en kinders +te eten hebt, zegt het, en klaagt er over in de redelijkheid, en +zonder dreigementen, dát is van Gods wege ons recht; maar laat je +niet pieren door mooie praatjes van de Internationale.--Weet je wat +die heele Internationale is, zei meester: dat is de domme goeje eend +die een haviksei uitbroeide en later door zijn kuiken werd opgegeten; +of anders zei meester: 't is de vos, die de kat de kastanjes uit het +vuur laat halen.--Jongens als jelui lid er van wordt, dan ben je niks +wijzer als die eend of die kat, en daar ben je te goed voor. + +Weet je wat ik zeg tegen Jans, ik zeg: Jans, een varken eet afval, +een koe gras en hooi, en 't roofgedierte verslindt de krengen. Maar +de mensch eet wat gebakken of gekookt is, nietwaar? Alweer ieder naar +zijn aard van mensch of dier. Maar als een mensch zich verlaagt tot +een roofdier, dan moet hij ook krengen verslinden zeg ik. + +Ik zeg nóg eens, dat ik geen enkelen groote ken, noch van het Voorhout +noch van de Vijverberg, die gestolen heeft, zooals ze vertellen, want +ze zeggen: Bezitting is diefstal. Neen, als bezitting diefstal is, +dan, zeg ik tegen Jans, kunnen ze jou gouwe bellen, die ik eens met +een ekstra verdiende, ook wel diefstal noemen; dan kunnen ze onzen +baas die als opperman is begonnen, maar die van den morgen tot den +avond gewerkt heeft en nog van alles geleerd tot in den nacht toe, +dan kunnen ze hém, omdat hij een kop voor tien had, óók wel een dief +noemen. Als ik onze baas was en ze noemden me een dief omdat ik met +Gods hulp gelukkig gewerkt had, dan zou ik óf de tranen in de oogen +krijgen óf liederlijk kwaad worden misschien. + +Neen jongens, de standen in de stad en overal, dat zit hem in de +verscheidenheid van hersens en het maaksel van de menschen. Net als +er geen twee blaren aan de rozestruik dáár in den pot, egaal van maat +zijn, en evenmin als er twee menschen zijn die je niet van elkaar +kunt onderscheiden--ten minste altijd nog wat in 't een of ander--even +zoomin kunnen er twee menschen bestaan die precies even knap zijn, of +evenveel verstand en ook evenveel geld en goed in de wereld hebben. Dat +is niet anders.--Of ik niet liever, als ik het voor 't kiezen had, +een menister als metselaar zou zijn? Waarachtig wel, maar al dat +gezanik, dat zoo'n man heeft en in de kranten en veel niet genoeg, +dat is ook geen slaadje, zeit meester.--Als ik 's avonds met Jans en de +twee oudste kinders de boteram met koffie gebruik, dan zeg ik altijd: +Goddank!--Vraag maar aan Jans of 't waar is of niet, en dat doe ik uit +mijn hart en mijn ziel, want waarachtig jongens, als je tevreden bent, +dan heb je niks meer van noode; Meer is larie; LEKKER is ook larie, +aan MEER heb je niks anders als oppassen en bewaren en uit het bederf +houwen, en LEKKER is..... koffie met roggebrood als je honger hebt, +veel meer dan taart met wijn als je nooit honger en zelfs geen tijd +of werk genoeg hebt om honger te krijgen.--Maar, zeg je, wijn is +toch een andere smaak, en versterkend.--Versterkend? zeit meester, +niks zeit ie: de rijken drinken het om de maag, die nooit trek heeft +wat grager te maken; en lekker? meester had eens op een trouwerij het +spelletje gezien, dat ze met de oogen dicht geen onderscheid tusschen +wijn en water konden proeven, dat had ie zelf mee ondervonden, en nu +zeg ik: als dát je lekker is, dan komt er toch ook voor een stooter +verbeelding bij. + +Weet je wat het is jongens? Wij moeten voor ons eigen zien dat we, +net als de voorvaders van onze rijke lui, door werken en goed oppassen +vooruit komen. Als de rijke lui TEKORT KOMEN TEGEN ONS, DAT MOETEN ZIJ +VOOR GOD EN HUN GEWETEN VERANTWOORDEN; ja, dan moeten ze 't met hun +krachtelooze en zieke lichamen maar boeten ook! God is rechtvaardig; +maar wij hebben niks van hen te reclameeren als alleen dat ze goed +werk naar den eisch betalen. Rijden ze in mooie wagens, daar leven +de wagenmakers van, en de lijstenmaker van 't verguldsel. Als je +zeggen zoudt dat de groote kapitalen--zooals ze tegenwoordig op den +winkel praten--ons den dood doen, en dat die de wereld uit moeten, +en ook verdeeld moeten worden, net als alles in de Maliebaan, of +ievers anders, dan, zeit meester,--en ik mot zeggen dat was het +naadje van de kous--dan, zeit ie, als die kapitalen er niet meer +waren, dan zou je nooit van zijn leven een groot werk zien tot stand +komen. Zie je jongens, nu begrijp ik het ook: die heele rijke lui +zitten met den aap, en spikkeleeren daarmee in wijsheid of domheid, +net zoolang totdat ze bij voorbeeld een spoorweg moeten aanleggen, +of een Haarlemmermeer moeten leegmalen--nog al geen kleinigheid--of +totdat ze op groote schaal werkmanswoningen gaan bouwen.--Nou wat +zeg je. Als we neen zeggen dan bennen we onredelijk. Onder de grooten +zijn er tegenwoordig meer als genoeg, die toonen dat ze ons jandoosie +beter lozies gunnen dan in 't gevangenhuis of in de ongebluschte +kalk.--Pas op, jongens, laat je niet foppen. We moeten vooruit, +dát is sekuur. Ons villen mag er geen een, dáárom moeten we lid van +een goede werkmansvereeniging worden, waar we ons eigen belang naar +wet en recht kunnen bespikkuleeren. Die vereeniging of vereenigingen +kunnen we de Nationalen noemen, dan hebben we met geen Pruisen en +Fransoozen te maken (ze zeggen dat het voornamelijk Engelschen en +Italianen zijn, maar wat raken ons de Engelschen of Italianen!) Ik +geef je den raad jongens, werkt, en drinkt niet, en laat je vrouw +de kinders den neus afvegen, en verzuimt niet om ze naar school te +sturen. Als ze goed geleerd hebben dan kunnen ze (als ze van God de +hersens er voor kregen) bazen worden, van niemendal op, en zelfs wel +ginneraal of alles wat hoogheid is. Meester heeft uit een boek daarvan +voorgelezen, maar Jans en ik sloegen de handen er van ineen. Nou van +De Ruyter dat weet jelui allemaal. + +En als je nou zegt dat je toch geen loon genoeg krijgt, en dat ik +wel schrijven kan, maar dat je daar niet van eten kunt, dan--dat zei +Jans--lees dan eerst dit alles nog eens na, of laat het je voorlezen; +en nog eens: wordt lid van een Nationale. Ga bij de lui, die het +zeker goed met je meenen, omdat ze de menschen niet ontevreden met +Gods bestier maar tevreden willen maken. Ik zeg, laten wij niet met +de Fransoos of de Pruis konkelen, die liggen toch al op de loer, +maar laten we echte Hollandsche jongens blijven--meester zeit echte +Neerlandsche jongens blijven--en ons aansluiten bij die vaderlandsche +vereenigingen, die het goede en de verbetering van onzen stand in +de redelijkheid bedoelen. In Utrecht daar hebben de bazen en het +werkvolk het allereerst een voorbeeld gegeven. Daar gaven zij die +Internationale een schop, en hebben ze zich vereenigd met de spreuk: +Orde, vrijheid en recht.--Orde in de hut, dat is de baas! Vrijheid +bestig, als je in vrijheid maar geen kwaad doet. Vrijheid is een wonder +ding. Als ik bij voorbeeld mijn vrijheid wou gebruiken om mijn moeder +dood te slaan, of om te luilakken, of mij zelf te bedrinken en ons +zoodoende aan lager wal te brengen, dan zeg ik, vrouw, als het noodig +mocht zijn--wie weet waar een mensch toe komen kan--hou mijn arm vast; +sluit de deur, of blaas de lamp uit. Ja de vrijheid is een wonder ding, +want daar heb je de kanarie van Jans, als die los in de kamer vliegt +dan gaat ie strijk en zet vanzelf de kooi weer in; en nietwaar als +een vogel, die voor de vrije lucht is geschapen dan tevreden in een +kooi is! Ik geloof jongens dat tevreden zijn met je staat, terwijl +je toch werkt om het beter te krijgen, al de rechte vrijheid is.--En +dan van Recht gesproken: akkoord! Recht moeten we hebben, niet meer +en niet minder. Ik zeg: met God in de gerechtigheid, vooruit! + +Meen jelui dat wij zelf toch niet meer zoover kunnen komen, dan zeg +ik: jongens laten we dan toch zorgen dat ze van onze kinders pieten +maken. Zonder leeren komen er geen knappe bazen in de wereld. Naar +de school moeten ze! als wij dan oud zijn dan lachen we nog in ons +vuistje, want zij zullen 't beter hebben dan wij tegenwoordig in het +algemeen.--Of ze dan allemaal bazen zullen worden? Nou zoo gek ben +je ook niet! Maar aldat de roem is uitgesloten, omdat ik zelf maar +werkman ben, en kapabel genoeg om dit verhaal te schrijven, zoo ben +ik daardoor juist in een tevreden humeur, en heb er pleizier in; en +dat komt omdat ik op de school zoowat haantje op de voorste bank was, +en voor het bouwkundig teekenen kreeg ik de medaille. + +Maar nu denk je, Jan gaat zijn eigen opvijzelen. Neen, ik wou nog van +de bazen spreken. Pas op jongens, je hebt van die zoogenaamde royale +bazen die je laten verdienen in de drukke maanden, maar je dan naar +huis sturen; of ook die je meer loon geven als een andere baas, omdat +zij slecht werk leveren; ik zeg je, dat je dan de heler van den steler +bent. Laten de bazen eerlijk blijven, en zoodoende geen brave bazen het +brood uit den mond stooten. De groote lui kunnen best betalen. Wat ze +niet betalen kunnen daar moeten ze maar afblijven; dat is soms beter +ook, want Jans haar eerste dienst was bij zoogenaamde groote lui, +en daar heeft ze een armoe bijgewoond misschien nog erger dan bij +ons. Want ze moesten nog mooi weer spelen ook. En er zijn er zoo een +boel: van boven bont en van onderen.... Meester wou niet hebben dat +ik het laatste woord zou zetten; maar het is zoo. + +Nou, als je merkt dat de bazen slecht werk leveren en je dáárdoor +meer betalen, verlaagt je dan niet om dat bedrog, een handje te +helpen. Tegen de gerechtigheid in, dat komt toch altijd neer op je +zelf, want als die bedrieger-baas genoeg van je heeft, dan smijt hij +je weg als een afgekloven bot en dan komen de honden en knauwen je +kapot. Dat rijmt wel, maar dat vleit niet. + +Luistert toch naar me, kameraden, als ik zeg: zoekt hooger loon en +verbetering van je stand in de gerechtigheid,--misschien was het +ook niet kwaad, als het kon, door een aandeeltje in de winst van de +bazen?--want op mijn woord, in de verhooging van loon alleen zit de +voorspoed nog niet. Als wij, zal ik veronderstellen, het loon te +hoog opdrijven, dan moet bij voorbeeld de winkelier het huis, dat +hij laat bouwen, ook duurder betalen; en, om dát er uit te halen, +smeert hij ons de katoen en pilo en petten en koloniale waren ook +weer duurder aan, en zie je, dan kom je met al dat hooger toch aan +geen beter kantoor. Hebben de bazen al niet vrijwillig in de laatste +jaren de loonen met 20 à 30 percent verhoogd? En is het er beter om? + +En zoodoende zal ik met goed fatsoen besluiten, want nu kan ik je +die vereenigingen in ons land--die Nationale Werkmansvereenigingen +van orde, vrijheid en recht aanrecommandeeren. Als je daar lid van +wordt, en ik geloof dat je dat maar twaalf stuivers of twintig borrels +voor je heele huishouwen in het jaar kost, dan kun je klagen, en in +redelijkheid zooveel recht krijgen als je wilt. + +Maar jongens, denkt niet dat je er dadelijk geld mee winnen zult +en vet van worden. Larie! Werk je niet dan eet je niet, en werk je +niet en eet je tóch, dan ben je een dief, en je eindigt in de kast, +of erger, zooals dat arme opgehitste werkvolk te Parijs. + +Jongens, de standen zijn van God verordineerd. Nog eens: laat je +vrouw de kinders wasschen, en stuurt ze naar school, dat is heel wat +voordeeliger op den duur dan dat ze zoo vroeg worden afgebeuld om +bloedgeld voor jelui te verdienen. Ja bloedgeld mannen! Zoo denken +ikke en Jans. + +En alzoo, laat het vreemde ding loopen; sluit je niet bij die Inter- +maar bij een echt Nationale Werkmansvereeniging aan, en toont dat +je wijzer bent dan de eend die--je weet wel--door zijn eigen kuiken +werd opgegeten. + +Nou weten jelui er alles van, en blijf ik niet met de pen maar met +het hart, + + + Jelui Kameraad, + + Jan Stukadoor, + + Metselaar. + + + + + +ANTWOORD VAN JAN STUKADOOR AAN PIET SCHAVER. + + + Aan den lezer. + + +Jan Stukadoor heeft een antwoord aan Piet Schaver geschreven, [29] en +ik ben hem gaarne behulpzaam om het onder de oogen van zijn kameraden +te brengen. + +Dat de man het beter met hen meent dan Schaver uit zijn brief heeft +willen opmaken, daarvoor kan ik instaan. + +Was zijn hoofddoel, om den werkman allereerst te waarschuwen tegen +een onmogelijk communisme, waarmee men, in navolging van elders, +ook ten onzent de hoofden op hol zoekt te brengen, hij wenscht niet +minder van harte dat er spoedig verbetering zal komen in het lot van +zijne standgenooten, indien zij werkelijk reden hebben tot klagen in +deze dure tijden. + +Jan Stukadoor is een eenvoudig man, die de groote sociale quaestie +evenmin zal oplossen als Pieter Schaver, al meenen zij beiden er iets +op gevonden te hebben; maar ik meen toch dat èn Stukadoor èn Schaver +wenken geven die der overweging wel waardig zijn. De philanthropie kan +slechts den arme te hulp komen. De werkman moet door eigen krachten +tot een beteren toestand geraken. Doch de standen die boven hem +zijn, dienen hem daartoe de hand te reiken en allerminst in den +weg te staan. De rijken, zegt Jan in zijn eersten brief, kunnen +best betalen. Welzeker! Maar de rijken--en ook allen die zich, 't +zij meer of minder tot den gegoeden stand mogen rekenen, zij willen +niet genieten ten koste van den nijveren werkman, wien dikwerf het +noodigste voor zijn gezin ontbreekt, en die zijn kinderen moet laten +arbeiden in stee van ze te doen onderwijzen. De rijken in ons vrije +Nederland willen niet rijk zijn ten koste van den armen werkman, +die in 't zweet van zijn aanschijn of met verkleumde handen hunne +kostelijke huizen bouwt of de weelde van hun salons helpt verhoogen. + +En de Nederlandsche fabrikanten en werkbazen, ook zij begeeren hun +winsten niet ten koste van hen, die voor hen den arbeid verrichten. Hun +hart zal hen dringen om steeds vaster de handen ineen te slaan tot +het beramen van de middelen, die den werkman zullen opheffen uit +zijn veelal beklagenswaardigen staat. Maar ook, Jan Stukadoor heeft +het reeds gezegd: van het onredelijk opdrijven der loonen kan de +werkman geen duurzame verbetering van zijn lot verwachten. De loonen +moeten--naar gelang van den arbeid--in billijke evenredigheid staan +tot de prijzen der eerste levensbehoeften.--Mijns inziens heeft Jan +zijn beste woord aan het eind van dezen brief gesproken. Men leze en +oordeele of zijn denkbeeld voor verwezenlijking vatbaar is. + +Dat dan door vereeniging van alle krachten de tijd spoedig moge komen, +waarin tevredene werklieden als Jan Stukadoor--indien 't beweren +van Schaver in dit opzicht waar moest wezen--niet langer tot de +uitzonderingen zullen behooren, is de oprechte wensch van + + + J. J. C. + + + + + +ANTWOORD AAN PIET SCHAVER. + +Timmerman. + + +Piet Schaver, als ik je niet voor een eerlijk kameraad hiew dan zweeg +ik, maar nou wil ik niet zwijgen, en al heb ik er spul mee, ik wil +nog een korte brief aan je schrijven zonder dat ik mijn neef er mee +inhaal want, daar schijn jij een mier aan te hebben, en mijnheer +C. zal hem toch wel nazien wegens de fouten. Maar als jij een mier +aan schoolmeesters hebt dan ben je toch glad mis, want van de scholen +moeten onze kinders het hebben. + +Ik zeg dan dat ik schreef omdat ik geloof dat jij het eerlijk meent, +maar anders staat het je alles behalve mooi om mijn goeje gezindheid +voor de kammeraden verdacht te maken. Wil ik je zeggen hoe dat +komt? Dat komt omdat je mijn brief al heel slecht gelezen hebt, +en dat had je gepast als je me voor een zeur en een kind en ik weet +niet wat meer scheldt. + +Maar pikkeneurig of bekanterig ben ik niet, en daarom zal ik je maar +heel kort en goed vertellen dat ik het net zoogoed, en misschien nog +wel beter met onzen stand van menschen meen als jij. + +Ik begin maar met je te zeggen dat je rekening voor jou misschien +heel mooi, maar voor mij geen pijp tabak waard is. Jij zegt dat ik de +rekening voor zijn achten maak en dat ik dan nog een kanarie heb. Nu +schreef ik duidelijk "acht met de kanarie mee." Dus dat is zeven Piet, +en niet acht; want de kanarie kost zoowat 1-1/2 cent in een heele +week aan zaad. Dus zie je, ik heb negen gulden voor z'n zevenen. + +Maar aldat ik gelijk heb dan zul je nog zeggen dat het hier in Den +Haag te weinig is. Akkoord! ten minste zoo als jij het opneemt. Maar +je hebt slecht gelezen zeg ik nog eens. Ik heb in mijn brief mij zelf +in 't geheel niet als zoo'n bovenste willen ophemelen omdat ik rond +kom, en ook niet als voorbeeld willen stellen, want ik heb het meer +als duidelijk en wel drie of vier keer gezeid: dat mijn vrouw er +mee schuld van is dat wij 't, na venant, goed hebben, Goddank! Heb +je dan niet gelezen wat ik van mijn wijf zei? Staat er niet in mijn +brief duidelijk en klaar dat er kapitaal in de armen van Jans zit, +en dat zij werkt meer as meer, en van een gulden er twee maakt? Jans +wou niet dat ik er alles van zeggen zou, maar je hebt toch van de vier +wollen sokken gelezen. Dikwijls heeft ze door de mevrouw bij wie ze +'t laatst diende wat grof naai- of breiwerk, en Dinsdags en Vrijdags +gaat ze uit schoonmaken omdat moeder toch op de kleintjes past. + +Zie Piet, als je mijn brief niet averechts hadt uitgeleid dan zou je +me al dit schrijven bespaard hebben, want de vingers staan er niet +naar. Maar jij doet me in alles onrecht. Heb ik gezeid dat het schande +is dat de vrouw van P. alle jaar een kind krijgt? God beware! Jans had +er alle jaar óók wel een kunnen krijgen als het de wil van God was +geweest, maar ik zeg, of ik meende ten minste, dat het niet vreemd +is als er armoe wordt geleden wanneer de vrouw, die zoo dikwijls in +'t bed leit, een slons van een wijf is. Zie je dát was de riddenaasie. + +Heb ik gezeid, Piet, dat alle vrouwen van onzen stand slonsen zijn, +en zoodoende jou Neeltje ook beklad? Ik zeg je dat dat een groote +leugen is; jou Neeltje kan net zoogoed als mijn Jans zijn, en ik ken +er wel drie bij ons op 't hofje die ik met pleizier gemorgen en g'n +avond zeg, maar Teun van Van E. is een slons, en zoo zijn er meer, +en--zeg ik: dan is er armoe en averij, al verdienden ze achttien +gulden in plaats van negen. + +En van den drank gesproken. Je weet hoe ik er over denk, maar, heb +ik alweer gezeid dat al onze kammeraden zuiplappen zijn! Van hen die +af en toe een borrel drinken, daar spreek ik niet van. Neen Piet, +dan zou ik me schamen als ik zóó de kammeraden geschandalizeerd +had. Ik weet te goed hoeveel brave kerels er zijn die weten wat hun +vrouw en kinders toekomt. Maar omdat de drank een pest is waar toch +zoo onmannierlijk veel aan versplendeerd wordt, daarom spreek ik er +met zoo'n schuwigheid van, en zeg nog eens: jongens past op dat je je +niet door dien duivel strikken laat--want gelijk heb je, de drang is +groot en de trek is ook groot, maar: drie borrels maken een roggetje! + +Neen man, jij hebt mijn bedoeling heelemaal verkeerd uitgelegd; want +wat was dan eigenlijk mijn heele bedoeling? Om jou voor te rekenen dat +men van negen gulden leven kan? Neen! Wat zou het beduiden! Jij weet +wel dat ze in andere plaatsen van 't land nog van heel wat minder +moeten rondscharrelen.--Ik heb met mijn domme verstand alleen maar +willen zeggen, hoe dom ik het ding vind dat ze: de Internationale +noemen. En als jij nu zegt dat het onnoodig was, dan zeg ik: dat je +nooit met Van Vlot en nog een boel anderen hebt gesproken.--Zou jij +denken dat er niet een heele boel zijn die meenen dat het maatjes-egaal +best mogelijk is, als ze worden opgeruid? Ik zeg je ja; en omdat ik +begrijp dat er zoo zijn--al zijn de meesten wijzer--ik wou toch eens +uitleggen hoe dom en hoe gevaarlijk dat ding is. En zie je, dat heb +ik gedaan, en ik heb er geen berouw van. + +Maar vooral Piet Schaver, ben ik verdrietig dat je mijn hoofdbedoeling +zoo scheef heb uitgelegd. Meen jij het misschien beter met de +kammeraden dan ik? Zoo doe jij het voorkomen. En ik schreef juist +omdat ik wou dat allen het beter kregen, of--zoo goed hadden als ik. + +Dat alle werklieden het graag beter willen hebben dat is waar, en +dat is ook goed. Maar dat alle werklieden ontevreden zijn dat is niet +waar. Ik ben het niet. En nou kun je denken wat je wilt, maar ik weet +wat ik ben. Jans kan het getuigen. + +En nu zeg ik in 't geheel niet dat onze stand maar moet blijven +zooals die is omdat IK tevreden ben, gezegend met gezondheid en met +een vrouw als Jans. Neen waarachtig niet; ook ik wil zelfs graag wat +meer verdienen als 't wezen kan. Kammeraden! heb ik gezegd, zoekt in +de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Sluit je aan bij de nationale +werkmansvereenigingen, die samen naar de beste middelen zoeken om +onzen stand te verbeteren, dát heb ik gezegd. Schreef ik niet in mijn +brief: Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Met God in +de gerechtigheid vooruit!--Heb ik niet gezegd dat de groote lui best +betalen kunnen, en dat ze er anders maar af moeten blijven? + +Neen, Piet Schaver, onzen stand te verbeteren door gepaste middelen +dát heb ik geen larie genoemd, want als ik alles maar bij 't oude wou +laten dan zou ik niet van klagen spreken. Maar larie is het, als men, +zooals jij, van zeuren en kletspraat spreekt wanneer een mensch uit +den drang van 't hart, zijn kammeraden wil zeggen wat de verkeerde +weg is, om tot beter te komen. + +Maar nou de rechte weg, zul je vragen? Ik heb er alles van gezeid +wat ik weet: aansluiten bij een Nationale zei ik, en dan zorgen dat +onze kinders toch behoorlijk leeren, want dat is een voorname. Maar +zie je, waar jij in 't eind op neerkomt daar had ikke en Jans wel +schik in. Wel zeker als er nog zooveel land is, dan moesten ze dat +in de kamers van de Staten ginderaal maar uitmaken om volk aan 't +werk te zetten; of anders zei ik laatst tegen Van Wiel--die familie +in Australië heeft en daar zoo ijselijk van ophemelt--dan moesten er +maar een boel naar zoo'n land over zee trekken, en als zij het daar +goed konden hebben--ik suspeneer dat het zoo is omdat Van Wiel het met +een woord van waarheid betuigde--ik zeg als zij het daar goed konden +hebben, dan dunde het hier wat op, en zouden de bazen wat minder volk +kunnen krijgen en wat beter over de brug moeten komen. Zie je Piet, +ik blijf er bij: Ik wil geen klagen in onredelijkheid, geen gemor en +gemopper, maar vooruit in de gerechtigheid! + +En nou atjuus, ik meen het zeker zoogoed als jij met de kammeraden, +en eindig met de pen maar niet met het hart als dat ik mij noem zonder +verdere kriewel of nietsigheid uw vriend: + + + Jan Stukadoor. + + +Leve de Neerlandsche jongens! + + + + + +DE OORLOG EEN NOODZAKELIJK KWAAD? + + +'t Is al laat in den avond, doch binnen de kleine landbouwerswoning, +schuins achter 't zwarte dennenbosch, daar brandt nog een lichtje. + +Moeder slaapt, ja kijk maar. Als vader haar nu, zooals hij gezegd +had, nog eens zachtjes g'endag kuste, dan zou kleine Karl de lamp wel +uitblazen, en gauw in de bedstee kruipen. Ja zeker, en heel stil zijn; +en zorgen dat Lieschen en Else niet wakker werden; ja, en als hij +zelf schreien moest, dan zou hij de handjes maar vast voor den mond +houden, want Koning Wilhelm zal vader toch wel gauw weerom sturen, +nietwaar? Koning Wilhelm was immers zoo heel braaf, en kon ook niet +weten dat moeder nu juist zoo ziek was, neen! + +Fluistrend heeft het zevenjarige jongske gesproken terwijl hij tot zijn +vader opzag, en de vader--die straks nog, tot lang na zonsondergang, +de sikkel dreef door het rijpe graan, maar ach! zonder het werk te +kunnen volenden--hij drukt de vereelte hand op het hoofdje van zijn +kind, en dan.... Maar neen, spreken kan hij niet. + +"En als vadertje dan weer thuiskomt, dan zal hij voor Karl ook een +mooie klapbus van vlierhout snijen; is 't niet vader?" vleit het +jongske op nog zoeter toon. + +God, wat bange stond! Bevend heft de vader het kind omhoog; drukt zijn +lippen op dat lief en rond gezichtje, en zegt dan bijna onhoorbaar: + +"Zoet wezen Karl, heel zoet! en".... Maar, verder kan hij niet; +dikke tranen breken met geweld naar buiten. + +Wees krachtig Walter! Ja, krachtig!--Zóó. Nog een zoen op Karls +voorhoofd. Nu tilt hij het kind in de bedstee over de slapende moeder +heen. Dáár, op vaders plaats, zou het jongske slapen voortaan.--Karl +fluistert nog dat hij aan onzen lieven Heertje zal vragen of vader +er Zondag mag weerzijn, want dan blijft hij thuis uit de school, +en zal dan een heele boel boschbessen voor 't zoete vadertje plukken. + +"Goed mijn jongen, goed! Maar stil nu dat moeder niet wakker wordt." + +Ach, nu zal hij dan aan die lieve zieke vrouw den zoen ten afscheid +moeten geven.... Neen, eerst in de bedstee ginds de beide kleine +meisjes zachtjes vaarwel gekust! + +Zie, daar liggen ze, de blonde koornbloemen--roode koonen, blauwe +oogen.--Maar die oogjes zijn nu gesloten, ze zien hem niet aan. + +Weet hij wel wat hij doet nu hij ze zachtjes, beurt voor beurt, op +die roode lipjes en malsche armpjes zoent; nu hij Lieschens zacht +weerstrevend handje vastklemt en het drukt aan zijn lippen; nu hij +Elsje--kleine woelwater, ruiter van vaders knie--de blootgewoelde +beentjes nog eens toedekt? Ach neen, hij weet niet wat hij doet +nu hij zijn kranke vrouw--om haar een doodend afscheid te besparen, +schier onvoelbaar zacht een zoen op de bleeke wang drukt.--Groote God, +welk een andere zoen dan dien hij haar gaf.... ha, op dien heerlijken +middag, nu zeven jaren geleden ... Voor de bedstee valt hij op de +knieën neer. Zijn handen blijven een wijle gevouwen; zijn lippen +bewegen zich krampachtig.--Moed, Walter; moed!--Voort nu.--Ja, voort! + +Zóó, het licht is al uitgeblazen.--Voort!-- + +"Nacht vader. Zondag zeker weerkomen vader!" klinkt het nog eens aan +moeders zij. + +En moeder Bertha.... Wat! wie.... wat is er? + +Eensklaps gaan haar matte oogleden open; ze tast met de hand voor +zich uit. + +"Walter, Walter!" roept ze.--Hoort ze de deur niet zachtjes +sluiten?--"Walter!" klinkt het nog eens met angstige kracht terwijl ze +overeind vliegt: "Walter! O gerechte God, waar is hij? Walter, Walter!" + +"Stil Moeke, niet schreien! Karl zal aan Koning Wilhelm gaan zeggen dat +Moeke zoo ziek en bedroefd is, en dan brengt ie vader weer mee, en...." + +Maar de zwakke vrouw verstaat hem niet. Ze wil haar steun, haar liefde, +haar helper, haar trouwe, navliegen; ze zal hem terugbrengen; ze moet +hem hier houden, tot morgen, ach ja! tot morgen althans. + +Doch, haar krachten.... haar duizelend hoofd.... en, losbarstende in +'t vreeselijkst geklag: + +"Weg, weg! O groote God, mijn Walter! weg!?" + + + +Ach arme, ja! Uw Walter ging heen, en, voor altijd. + + + +II. + +Frau Remse stond peinzend voor het raam van haar kleinen winkel, +en tuurde naar de dikke regenwolken, die over de smalle straat naar +het marktplein joegen. + +Ja, wat een mensch zich wel eens tot een ongeluk rekent, zoo denkt ze, +dat blijkt hem later soms ten zegen te zijn. + +Heeft ze niet dikwijls geklaagd dat haar eenige Frits nog zoo jong +en zoo wild was: die goeje Frits! te jong en te wild althans om +haar in haar kleine winkelzaak met den noodigen ernst van dienst te +zijn. Maar nu, Godlof! met dien vreeselijken Erbfeind, terwijl alle +Landeskinder gereed moesten staan om 't leven voor 't vaderland te +wagen, ja nu behoudt zij haar jongen toch, haar ondeugenden besten +Frits, ha!--omdat hij gelukkig nog te jong is. + +Wel dubbel moet ze deernis hebben met haar arme buurvrouw: Vier kloeke +zonen zag die goede moeder gisteren heentrekken om ze misschien--wie +kon het zeggen--nooit weder te zien. + +"Stil Mirza," roept Frau Remse, terwijl ze nu naar de winkeldeur ziet, +want Mirza, de mooie witte does, krabde met zijn pootje gedurig tegen +het onderplint, en joeg onstuimig zijn staart heen en weer, en weder +en nogmaals krabbende, maakte hij een jankend geluid. + +"Stil Does! Frits zal wel dadelijk komen. De leerink bij dominee zal +wel gauw uit zijn. Kom dan maar hier Doeske, hier bij de vrouw!" + +Maar Doeske deed alsof ie 't niet hoorde. 't Was al over den tijd dat +de jonge baas moest thuiskomen, dat wist hij zeker, en--met het neusje +schuins ter zij, even jankende, komt het voorpootje weer vooruit, +en krabt hij opnieuw uit al zijn macht. + +"Foei, Mirza!... Zoek dan den baas!" roept Frau Remse, en legt op +dat laatste een bijzondere klem. + +'t Zou toch mogelijk kunnen zijn, meent de hond; en ijlings zijn plaats +verlatende, vliegt hij den winkel uit, naar achter, de gang ten einde, +ritselt met de nagelpootjes langs de trap in weinige sprongen naar +boven, en dan, na 't snufflend zoeken op het kamertje van den jongen +baas--onder 't bed en naast de kleerkast, hier, ginds, overal, maakt +hij ijlings denzelfden weg--ritslend langs de trappen terug, en zit +al spoedig weder voor de deur in den winkel, en krabt, luid jankende, +vier vijf malen achtereen. + +Frits kwam wel een half uur over etenstijd; maar, hij kon het niet +helpen. Al de jongens van de leerink waren in optocht gegaan naar +ouden Heinrich, met z'n verminkt en verhakt karkas--zooals hij 't zelf +noemde--om Heinrich te feliciteeren dat Duitschland nu eindelijk eens +met den Erbfeind zou afrekenen, en de kwitantie presenteeren voor de +beenen, die Heinrich bij Leipzig verloren had. + +"Z'n oogen fonkelden moeder," zegt Frits bij 't verhalen: "Ha! riep ie, +als ze 't maar wilden, dan ging ik nog op m'n krukken mee, zoo oud +als ik ben." En dan tot Mirza die den kop onder zijn hand poogt te +schuiven: "Stil Doesje, koest! Heb jij honger! Dáár! Ik heb het niet!" + +Maar Frits moest toch wat eten.--Zie er was wel veel sombers in dezen +tijd, omdat zoovelen van de zij hunner geliefden werden opgeroepen, +maar--moeder en Frits, hoe dikwijls ze ook in de laatste twee jaren +werden beklaagd om het droevige lot van den armen krankzinnigen vader, +nu kon men hen benijden: ze bleven te zamen, ja, Goddank, want Frits +haar lieve wildzang was pas zeventien jaar. + +Frits keek strak naar den grond. Maar hij was dan toch zeventien +jaar! Heeft oude Heinrich niet gezegd: Als ik jou beenen en jou +jong bloed in 't lijf had: Donnerwetter! dan zou ik ze leeren die +sakkerbleus! + +Frits had geen rust op zijn stoel. Hij moest weer voort. Met een +twintigtal Turners had hij afgesproken om Zum weissen Hirsch op de +markt bijeen te komen. Daar werden telegrammen en de Köllnische Zeitung +gelezen; daar zouden ze een Lebe Hoch wijden aan Koning en Vaderland, +daar zingen het: + + + "Heil dir im Siegerkranz!" + + +en het + + + "Fest steht die Wacht am Rhein!" + + +Neen, nu kan hij niet thuisblijven. Peter Kraus wil als vrijwilliger +gaan, en dien moeten ze ook een driewerf Donnerendes Lebe Hoch +brengen.... "Och neen Moeder, neen! wie zou er nu om onze galanterie +prullen komen! Voor Fransch verguldsel, bah!--Marsch Doeske, +marsch! Dag Moe." En, haastig snelt hij heen, luide zingende: + + + "Lieb Vaterland magst ruhig sein, + Fest steht und treu die Wacht, die Wacht am Rhein!" + + +En de moeder staat weer voor het winkelraam. En de donkere wolken +jagen nog altijd boven de straat in de richting van het marktplein. + +O! waarom bonst haar hart zoo geweldig? Zou het toch mogelijk kunnen +zijn dat hij...? + +Maar, als zij, zijn eigen moeder, het niet wilde! als zij het +verbood....? Verbieden! hem!? Zwakke vrouw, zal ze hem, den sterken, +den boven zijn leeftijd krachtigen Frits kunnen weerhouden indien +hij wilde....? Wát zou hij willen?--Neen, neen! dát wil hij niet. O +God! als zij dat eenig kind, dien eenigen schat moest verliezen! + +Zoo peinsde en streed ze totdat ze starende naar boven zelfs de donkere +wolken niet meer onderscheiden kon. Ach! 't Was óók zoo duister in +haar beklemd gemoed. + +Hoor, wat klinkt daar van verre?--Is het muziek? Ja, de gansche +straat tot ginds bij het marktplein--phantastisch verlicht door schier +ontelbare papieren ballons bijwijze van fakkels gedragen--weerkaatst +de schetterende tonen van het diep in de ziele grijpende: + + + "Lieb Vaterland--Lieb Vaterland!" + + +Frau Remse beeft. Een donderend Lebe Hoch breekt er los uit duizenden +kelen. Men weet het: de Duitscher heeft Gesiegt!--Victorie soll +geschossen werden, heeft Koning Wilhelm geschreven, en, nóg eens juicht +het hier donderend: Victorie, victorie! mee.--'t Is een serenade aan +den Landraad ter eere van de overwinning: + + + "Hurrah! Germania Hurrah!" + + +En de Landraad spreekt tot het Turn-Verein van de grootheid en kracht +der Duitsche natie, die ze dankt aan haar degelijken zin; aan de +opvoeding der moeders; aan de orde en tucht harer Landeskinder, +geroepen om den Erbfeind te straffen wanneer hij hun rust komt +verstoren.--En, oorverdoovend trillen nu de kreten ter eere van Koning, +Prinsen en Vaderland! + + + "Hurrah! Hurrah! + Hurrah! Germania!" + + +Waarom vliegt Mirza gedurig als half waanzinnig door 't kleine huis, +den winkel uit, de gang door, naar boven, 't kamertje van den jongen +baas in; snuffelend en jankend, straks met den mooien staart tusschen +de beenen weer naar beneden; de achterkamer binnen, onder den stoel +van den goejen baas, óp dien stoel, driemaal ronddraaiende als waande +hij dat men zich zoo verschuilen kon? Waarom kermt en kreunt hij zoo +geweldig, en krabt hij de verf van deuren en raamkozijnen totdat hij +buiten op straat is, om daar al snuffelend te jagen naar 't marktplein, +Zum weissen Hirsch binnen te sluipen doch straks ook terug te keeren, +om nóg eens zijn jacht te beginnen door 't huis van den jongen baas? + +Men zegt dat Frau Remse zich goed heeft gehouden, heel goed, zooals +dat een kloeke Pruisin betaamt. Maar aan den avond van den dag toen +Frits haar verliet met de woorden: "'t Zou Duitschland bestelen zijn +moeder, wanneer ik den Koning mijn kokend bloed en mijn krachtigen +arm onthield;" aan dien avond vond men haar op het verlaten kamertje +van haar Frits in bezwijming neerliggen bij zijn stoel. En, toen +ze weer bijkwam.... neen, men zegt niet wat ze toen deed; maar men +fluistert.... dat ze toen den koning vervloekte, en..... Doch dat kan +niet waar zijn, want vrouw Remse is een Duitsche vrouw, en Duitsche +vrouwen zijn kloek, en ook een Duitsche moeder is verstandiger dan +een stom en, redeloos dier.--Zie dan, Mirza is niet weg te slaan van +het kamertje, waar nog kort geleden zijn jonge meester sliep. Voor +zijn bed ligt hij nacht en dag, en 't eten laat hij onaangeroerd +staan. Wie hem nadert of een hand naar de kleeren over dien stoel, +of naar die oude schoenen ginds in den hoek durft uitsteken, dien +gromt hij tegen.... En--gisteren lag hij roerloos stijf op de peluw +van het verlaten bed. Hij heeft het gevoeld, die vroolijke jonge +vriend zou hem nooit meer liefkoozen, nooit! + + + +Monsieur Toulemaire heeft zijn kleine nette villa geen vijftig schreden +buiten het dorp. 't Ligt aan de helling van den berg met het uitzicht +op het dal, waardoor het blinkende stroompje zich dartel een weg baant. + +Monsieur Toulemaire woont daar met zijne vrouw en twee volwassen +dochters. + +Blanche en Virginie moeten 't zeker wel weten dat ze "de bloemen van +Monsieur Toulemaire" genoemd worden, want Gaspard en Antoine zeggen +'t haar zoo dikwijls en o, ze zeggen haar nog veel meer, heel in +vertrouwen, als ze 's avonds soms paar aan paar in den heerlijken +omtrek dwalen. Maar Blanche en Virginie zijn natuurkinderen, in den +edelsten reinsten zin van het woord, doch beschaafd, en verstandig +ontwikkeld niettemin, en daarom, of ze 't al weten dat ze de schoonste +meisjes van het dorp zijn, toch eigenlijk weten zij 't niet. + +En, in den laatsten tijd hadden ze wel aan wat anders te denken. Haar +lieve ouders zullen dit jaar in 't midden van den zomer hun +vijfentwintigjarig huwelijksfeest vieren. Sedert vele weken reeds +waren Blanche en hare zuster 's morgens heel vroeg, en 's avonds tot +'s nachts zeer laat, in de weer om de prachtige handwerken bijtijds +gereed te hebben: roode en witte camelia's, naar zelve geteekende +modellen, op satijn geborduurd in het genre der Gobelins. Twee +fauteuils, met die kostbare bloemen versierd en bekleed, zullen op +den zilveren trouwdag voor het dierbare bruidspaar gereed staan. + +En ha! gisteravond, toen le bon papa met la chère maman op visite +bij hun vriend Le Pochon waren--men had het zoo heel stilletjes +bedisseld--toen heeft de meubelmaker uit stad de beide prachtstoelen +kant en klaar in de villa Toulemaire gebracht, en Gaspard en +Antoine hebben de bloemen in verrukking aangestaard. Welke bloemen +'t meest....? Dat zag de kleine achterkamer wel, waar de stoelen +verborgen zouden staan tot den dag dat le bon petit pére en l'ange +mére, het feest zouden vieren met hun vier kinderen.... Ja vier, +bien certes! car: deux et deux font quatre. + +Blanche en Virginie ontstelden er van. Had papa woorden gehad met +den goeden vriend Le Pochon? Wat was er voorgevallen dat hij zoo +onbegrijpelijk rood zag, en een paar malen een leelijk woord tusschen +de hagelwitte tanden zocht te smoren. + +Monsieur Butel, gewezen wachtmeester, die bij Solferino een arm +verloor, en nu brievenbesteller op het dorp is, Monsieur Butel, +met zijn groote snorren en blank geschuurde decoratie op de borst, +hij zal 't verklaren misschien. + +Men spreekt van een oorlog tegen Pruisen. De Hertog van Pruisen zou +te Weenen, zoo verhaalde Monsieur Butel, een brief vol insultes--sacré +tonnerre--aan Keizer Napoleon hebben geschreven, niets meer of minder +dan: Blancbec! omdat Keizer Napoleon er voor zorgde dat de Hertog +van Pruisen aan zijne Heiligheid den Paus la Province du Rhin niet +ontweldigen kon. "Ha!" zoo eindigde Monsieur Butel zijn inlichting: +"Één Franschman geldt meer dan tien Pruisen-kinkels, die parbleu! te +stupide zijn dat ze een woord Fransch verstaan." En dan met verheffing; +"Ik heb er een gekend, Hans Rölich uit Kopenhague! 'En ezel! sacrè +tonnerre!" + +Monsieur Toulemaire wist er meer van. Doch evenals den ouden +onderofficier kookte 't hem in de borst. + +Wat hij gevoelde? Luister: + +Tot voor weinige jaren was hij fabrikant te Salins. Sedert den dag +dat de marquis De *** de Salins, aan 't hof der Tuilerieën zijn +invloed kon doen gelden, nam de zaak van Toulemaire een groote maar +tevens een welverdiende vlucht. "En nu," zoo sprak hij: "naast God +en mijn vlijt, dank ik mijn voorspoed en een gezegenden ouderdom, +aan het tweede Keizerrijk. Vive l'Empereur! Vive l'Empereur: Vive la +France! A bas les ennemis! Mortdieu!" + +Dit laatste overluid gesproken woord was een ongewone klank in den +mond van dien goedaardigen man. + +"'t Zal alles nog ten beste gekeerd worden lieve papa," zegt Blanche: +"Aan couranten-berichten kan men geen onvoorwaardelijk geloof +slaan. Kom, we mogen nu niet anders dan vroolijk aan ons heerlijk +feest denken, nietwaar?" + +"Ja zeker!" vleit Virginie, en drukt haar rozenmond op het heldere +voorhoofd van den geliefden man: "Is 't zoo niet beste vadertje? Zie +maar, uw lieve aanstaande bruid knikt u zoo opbeurend toe."--En zij, +die aanstaande zilveren bruid: + +"Pierre," zegt ze: "geen zorg in 't verschiet. Al moest er oorlog +komen, hier toch zal het vrede blijven. Waar is men veiliger en kalmer +dan in ons lieve dorp, in onze heerlijke vallei!" + +"Veilig! daar spreek ik niet van Eugénie. La France, c'est la force, +la gloire! la victoire! Ik zou niet weten hoe men een enkel Fransch +burger één haar zou kunnen krenken. De Keizer wenkt en 't gaat naar +Berlin, waarachtig naar Berlin!" + +Papa had gelijk, zóó zou het wezen! En hier in het stille heerlijk +gelegen dorp, had men toch zeker niets te duchten. De ramp voor het +arme Duitschland zou groot zijn, nu ja! men kon ze betreuren, men kon +medelijden met dat in vele opzichten nog zoo ruwe volk hebben, maar, +onder Gods leiding moeten immers zelfs bloedige oorlogen meewerken tot +de opvoeding en beschaving van nog weinig ontwikkelde naties. (!) Ach +Blanche en Virginie willen 't hopen met haar lieve ouders mee, +dat God ook nu uit dit schijnbaar kwade, het goede zal doen geboren +worden. Als 't noodig moest zijn, dan zal men haar vooraan vinden +in de rijen van hen, die den vijand zullen weldoen; want immers nog +dezen morgen had Monsieur le Curé zoo roerend als krachtig gezegd: +"Mais moi je vous dis: Aimez vos ennemis; bénissez ceux qui vous +maudissent; faites du bien á ceux qui vous haïssent, et priez pour +ceux qui vous outragent et persécutent!" En nu, geen somberheid meer; +nog veertien dagen maar, en dan is het de heerlijke dag, dat de villa +Toulemaire één enkel feestbouquet zal zijn, en dat de armen van 't +vreedzame dorp het zilveren bruidspaar zullen zegenen voor de milde +giften, die het voor hen heeft weggelegd. + + + +Veertien dagen later was het een prachtige zomerdag. + +Aan den voorgevel der villa Toulemaire stak men de groote vlag +uit. Geen wonder, 't zilveren trouwfeest wordt gevierd. + +Maar hoe! is het de grijze bruidegom zelf, die de driekleur ter +viering van het feest langs den fraai met sierplanten begroeiden +gevel zal doen wapperen?--Ja, maar doodsbleek is zijn gelaat; zijn +tanden klemmen soms knarsende opeen. + +"Stil! Ik wil het Eugénie, ik wil het! Laat los! weerhoud me niet." + +"Maar Pierre.... ik bid, ik smeek je, goede trouwe man!" + +"Vervloekt! zij zullen 't weten dat ik het een laagheid zou achten. Een +verraad! te gehoorzamen aan 's vijands bevel.--Laat los!--Zoo! Daar +waait ze, de vlag!" + +"Maar Pierre! In 's hemelsnaam denk aan onze kinderen. Denk aan +Blanche en Virginie. Mijn God. wie zal ze beschermen tegen de woede +dier barbaren, indien....?" + +"Beschermen!? God zal ze beschermen Eugénie, de God die ons vijf en +twintig jaar te zamen spaarde en zegende. God zeg ik, door mijn arm." + +"Pierre, och lieve Pierre! weersta die woestaards niet. Je hebt het +gelezen dat alle tegenstand der bevolking vreeselijk zal gestraft +worden.--O God, welk een feestdag!" + +Pierre antwoordde niet, maar zijn oog sprak het bevel dat de Fransche +vlag daar zou blijven, om den vijand te toonen dat Pierre Toulemaire +geen lâche en geen traître was. + +Ja, dat zal hij toonen. Zie maar: in zijn keurig schrijfvertrek +gekomen, neemt hij uit de geheime lade zijner secretaire, een +paar kleine revolvers; laadt ze en verbergt ze zorgvuldig in zijn +kleeding. Ha, nietwaar, men zal toch vreugdeschoten lossen op een +zilveren bruiloftsfeest! + +En de zilveren bruid, als zij straks weer beneden komt, dan bekruipt +haar opnieuw en sterker de angst dat die breede helderkleurige vlag, +dat gedenkstuk van zoovele blijde dagen, haar en haar geliefden ten +verderve zal worden. Zij wil.... + +Maar groote God, wat weerhoudt haar om reeds aanstonds haar plan te +volvoeren? Ziet ze goed? Is dat Gaspard, Blanches beminde, zoo bleek, +zoo deerlijk gehavend?--Hoe! is het waar 't geen hij snakkend naar +adem met snijdend geluid en slechts ten deele verstaanbaar uitbrengt? + +In weerwil van de Duitsche proclamaties tegen 't verzet der +Fransche burgers, en 't geen nog daarenboven in dien geest door den +"flauwhartigen" dorpsmaire was aangeplakt, waren hij--Gaspard en +Antoine, Virginie's aanstaande,--met nog twee vrienden, benevens een +schaapherder en nog drie jonge boeren, allen met buksen gewapend, +naar den Steenenburg gegaan om van daar--schier aan alle kanten +gedekt en met het steil uitgehouwen rotspad in den rug--naar de zij +der chaussée te kunnen vuren, indien de vijand het dorp durfde naderen. + +Gaspard heeft bijna niet verder kunnen spreken. Het roekelooze maar +toch vaderlandslievende waagstuk is den uitvoerders duur, ontzettend +duur te staan gekomen. + +"Ga niet naar den Steenenburg, nooit nooit meer," heeft Gaspard in +'t eind half waanzinnig gestameld: "Nauwelijks was er een schot +gelost of drie der onzen sloegen reeds neer, en stortten langs de +smalle rotstrap naar beneden. En de anderen....? O God, hier ben ik +om te zeggen wat hun lot werd of worden zal. Ga nooit meer naar den +Steenenburg! De takken zijn er niet hoog, neen, maar toch ... O, +ga er nooit meer heen, in Gods naam, nooit!" + +Blanche klemt zich aan den roekeloozen dierbare vast, en smeekt hem +dat hij haar niet meer verlaten zal. + +"En Antoine....?" krijt een andere vrouwenstem. + +Uit de verte klinkt trompetgeschetter. Langs de breede chaussée trekt +een deel van het zegevierend leger naar het dorp in kwartier. De +grond dreunt van 't steeds naderkomende heir; 't gerommel van de +raderen der kanonnen, de hoefklank der paarden, het kettinggerammel +der amunitie-wagens, vermengd met het luid gezang der overwinnaars, +'t weergalmt als een onweer van verre.... en straks in het oor der +bleeke dorpers, als het vreugdgeschrei eener helsche macht, of het +brullen van wild gedierte ter vernieling gereed. Een kleine voorhoede +is reeds van achter het beukenhout in de vallei voor de bewoners der +villa zichtbaar geworden. + +"O Jésus Marie!" gilt weer de stem, die straks naar den geliefde +vroeg, maar geen antwoord bekwam. Nu behoeft ze dat antwoord niet +meer. Staart ze in een vuurpoel waarin haar schat ligt? Ziet ze een +toekomst van geluk plotseling geheel verdonkerd? Ze weet niet wat ze +ziet.... Ja toch: Aan deze zij van de bonte krijgsgroep treedt hij, +Antoine, blootshoofds met verwilderde haren naast een te paard gezeten +"duivel" voort. Zijn bovenkleeren schijnen hem in een fellen strijd +van 't lijf gescheurd. De beide handen heeft men hem vast op den rug +gebonden, en met het paard moet hij gelijken tred houden, want, om +den ontblooten hals heeft men, o God van liefde, een touwstrik gelegd! + +Virginie Toulemaire kent zich zelve niet meer. + +In wanhoop vliegt ze voort naar beneden. Zij zal die wreedaards +dreigen, smeeken.... Maar, hoor, nog eer ze beneden kwam, knalde +er reeds van achter een klein bosschage bij den landweg een schot, +en weder, en nogmaals, tot twaalf malen achtereen. + +Was hij krankzinnig geworden, de brave beweldadigde van het tweede +Keizerrijk? + +Heeft hij zóó met zijn revolvers de overwinning der Pruisen willen +verkleinen? Heeft dan de grijze Toulemaire--achter die heestergroep +verscholen--niet bespeurd dat het leven van jongeren, die toch niet +roekeloozer waren dan hij, reeds aan een zijden draad hangt en besefte +hij niet dat door zijn hernieuwd vergrijp, dat leven reddeloos moet +verloren zijn! + +Een der huzaren is neergestort. + +"Donnerwetter! Verfluchter Franzoos!" Ha! in 't open veld, op leven +en dood een kamp te wagen, dat wil de eerlijke Duitscher, maar tegen +'t verraad...! Daar klinken twee, drie karabijnschoten. De oude man +zinkt bewusteloos neer. + +De huzaar, die Antoine bij het moorddadige koord vasthield, heeft +zijn plicht gedaan. Daar lag hij "der alte schwartzhosige Turco!" + +Maar zie, op 't oogenblik dat de huzaar den dood van zijn nevenman +wreekte, heeft hij het touw, waarmee hij Antoine regeert te luttel +vastgehouden, en, met een ruk, die hem schier de oogen uit de kassen +wrong, is de ter dood verwezen jonkman in vrijheid! + +Terwijl de verraste huzaar, verwoed, ijlings uit den zadel springt, +knetteren weer karabijnschoten. + +Men had niet slechts den vluchtenden Franzoos, neen, men had ook +de vlag van den Erbfeind gezien. Alsof er geen Sieg en Proclamaties +bestonden, zag men daar voor het hooge dakvenster een bejaarde dame +door anderen geholpen, nog juist de laatste hand slaan aan het tergend +werk om met het uitsteken dier verwenschte driekleur den overwinnaar +te bespotten. + +Men bedroog zich. De vlag, die straks achter het geboomte was +verscholen, heeft men niet eerder kunnen zien, en het inhalen er van +zag men nu voor een tergend uitsteken aan. + +Joseph, de huisknecht, wankelt op den zolder achteruit, en slaakt +een kreet van ontzetting. Zijn brave meesteres, die niet rustte aleer +zij, ondanks Pierre's verbod, de vlag zou hebben ingehaald, mevrouw +Toulemaire sloeg de hand op de borst, werd zoo wit als het wit der +driekleur, en zonk door een kogel getroffen ineen. Blanche staat als +verlamd. Gaspard, nog ontdaan van 't geen hem weervoer, en 't geen +hij zag, vangt nabij het zolderraam gekomen de waardige vrouw in zijn +armen op.--Maar, een tweede kogel vliegt het dakvenster binnen.--Buiten +wordt een luid Hurrah! vernomen. Ze hadden hem daarboven herkend den +"sluipmoordenaar", dien men losliet om aan 't dorp te boodschappen +wat het lot van "struikroovers" werd.--Hoe! durfde hij nog van boven +hen bespotten: Hurrah! die Zündnadelspitze ging hem dwars door de +hersenpan heen! + +Vorwärts! Marsch! Is die villa hier een rooversnest, een +moordenaarshol! Vorwärts! Den brand er in! Al het bandietentuig +gestraft ten exempel. Vorwärts! Hurrah! + +Intusschen is Antoine Berrier, aan den huzaar en het vreeselijke +koord ontkomen, ijlings langs het struikgewas, waarachter de oude man +zich straks heeft verschanst, de buitenplaats ingerend. Geen andere +drijfveer dan zelfbehoud jaagt hem voort. Doch nu, wat is het dat hem +den weg verspert? Een jonge vrouw ligt daar gebogen over het lichaam +van.... O God! den edelen Toulemaire! + +"Virginie! mijn engel!" roept de vluchteling nu hij mede zijn dierbare +herkent. + +Het meisje ziet op; doet een poging om te spreken, doch haar tanden +klemmen opeen; haar oogen draaien onbestemd; een zachte kreet ontsnapt +aan haar doodsbleeke lippen, en nevens het lijk.... zoo meent ze, +van haar dierbaren vader zinkt ze machteloos neer. + +Een rassche wending op de hem wel bekende slingerpaden bezijden +de villa, had Antoine zooeven aan 't oog van zijn vervolger +ontrukt. Vluchtig omziende neemt hij nu zijn dierbare in den trillenden +arm, en voelt met de andere hand of inderdaad het hart van dien braven +oude niet meer slaat. Maar neen, hij is niet dood, de edele Toulemaire. + +"Virginie hij leeft! Moed, moed!" roept Antoine op gedempten toon. + +Zij heeft het gehoord, maar ze kan.... neen.... ja, ja toch, +'t is eensklaps alsof er een nevel optrekt, alsof er een zonlicht +doorbreekt. Zij opent de oogen; drukt de hand op den boezem, en, nadat +een huivering haar trillen deed, komt ze langzaam overeind. De hoop +om dien lieven vader te behouden, schenkt haar schier bovenaardsche +krachten. Langs een dicht begroeid zijpad, dragen Antoine en Virginie +den zieltogenden man naar de villa. Door de achterdeur zullen ze er +binnengaan, en, om de arme moeder den eersten schrik te besparen, +zullen ze hem brengen in de kleine kamer, die vooral in den laatsten +tijd als het heiligdom der "bloemen van Monsieur Toulemaire" werd +beschouwd, ja, ja, omdat men wel wist dat ze er iets werkten en +bewaarden voor den heerlijken feestdag. + +Maar hoor, wat gillend angstgeschrei vervult het vriendelijk +lusthuis? Een "waanzinnige furie" vliegt de breede vestibule door en +naar buiten: + +"Beulen!" gilt ze: "Beulen!" en altijd weder datzelfde, dat tergende: +"Beulen!"--'t Is Blanche. O God, ze weet niet wat ze doet; ze weet +niet dat zij zich uit de armen van een paar trouwe dienstboden met +geweld heeft losgerukt; en dat haar kleeren er door gescheurd, en +haar haren zijn losgegaan. Ze weet niet welk ijzeren voorwerp ze +greep om er den dood mee te wreken van.... O Heere Jezus! hoe kan +ze de namen noemen van een engelachtige moeder; van een innig innig +geliefde! "Beulen! Moordenaars!" gilt en grijnst nu de teedere maagd, +die nog slechts van het vreeselijk tooneel op den zolder getuige was, +en vliegt langs de prachtige bloemperken een viertal huzaren te gemoet +die haastig naderen, met den hun opgedragen last om dit nest uit te +roeien met al het "schurftgebroed" dat zich er in bevindt. + +Nu houden ze stand. Donnerwetter, tegenover zulk een vijand staan ze +niet dikwijls. Prachtvolles Mädchen! Ha! + +De ruwe scherts van een dier krijgers hoort Blanche niet. Doch nu, +nu voelt ze een hand op haar schouder, en op luchtigen toon de vraag: +of Mamsell die Herren komt einladen in Paris den Cancan zu tanzen? + +Maar zij--ze hoort niet wat ze zeggen: + +"Beulen! Beulen!" krijt ze opnieuw, en.... + +Men had het zoo niet verwacht. Dat schoone Fransche kind is een ware +tijgerin! Met een kleine zaag, het eerste voorwerp, 't welk haar +straks op den zolder in 't oog viel, merkt ze den driesten spreker +op vreeselijke wijze het aangezicht. + +De scherts maakt plaats voor een hevigen toorn. Ze hebben wel harten +die mannen, en Karl Wunder zou zelfs in gewone dagen een schoone +vrouw niet zuur kunnen aanzien, laat staan haar leed doen--maar nu, +als ze zóó op z'n Turco's beginnen...! + +Een ruwe uitval en een forsche greep naar de teedere hand, die tot een +vernieuwden aanval het vreemde wapen verhief, doen Blanche plotseling +geheel en al verlammen. Een doodelijk wit vervangt haar hoogroode +kleur. Dikke zweetdroppels glijden langs haar blanke blauwgemarmerde +slapen en gitzwarte lokken naar beneden. Een hevig zenuwtoeval schokt +haar slanke leden. + +Men werpt haar naast het bloemperk in 't gras neer. + +Is men hardvochtig! Wie kan het helpen, als God het zoo +wil(!) "Vorwärts!" + +En de Duitscher, het felst gebeten op hen, die na een heeten strijd +den overwinnaar nog het zoet van de zege en het genot eener korte +ruste benemen durft, kent op hoog bevel geen genade: + +"Voort meiden en knechten van dit weerspannig +nest. Heraus! Donnerwetter, heraus!!" + +Ha! dat is een poltron! Wat schreit en klaagt en bidt die gegalonneerde +Franzoos, terwijl hij op de knieën gevallen angstig met de hand naar +dat kleine vertrek wijst.... Was will er? Nun!? Geen genade!--Maar +nochtans, aleer ze onverbiddelijk hun werk gaan beginnen, toeven de +Duitsche krijgers een oogenblik. + +Daar op den dorpel van dat kleine vertrek staat: "de sluipmoordenaar", +die zooeven ontsnapte aan het koord waarmee men hem--wat nader bij +het dorp dan zijne kameraden--ten afschrik van alle "valschaards" +heeft willen straffen. Daar staat hij. Vlammen vuurs schieten er +uit zijn oogen, maar toch, evenals de livreiknecht, die ginds steeds +handenwringend op de knieën ligt, klinkt zijn stem schier schreiend, +terwijl hij als in vertwijfeling bidt dat men genadig zal zijn, want: +dat ze daar sterven in dat kamertje, die nu vijf en twintig jaren +vereenigde echtgenooten, het zilveren bruidspaar! + +De Duitschers verstaan hem niet. Doch, wát hij ook smeeken moge, +er is geen genade voor de burgers die zich verzetten. + +Helaas! het zal Antoine niet meer baten of hij smeekt en klaagt en +dreigt en vloekt, en tandenknarsend zich verweert, terwijl hij--nu +men hem terdege bindt--tevens gedurig met wanhopigen blik naar zijn +engel, zijn dierbare Virginie blijft omzien. + +En zij! O God, kan ze hier in deze kamer werkeloos blijven! + +De hand van den stervenden vader laat ze ijlings los, en even als +Blanche straks daarbuiten, vliegt ze op die wreedaards toe om hun +den dierbaren buit te betwisten. + +Maar neen, er is geen God meer! de menschen zijn duivels, verscheurende +dieren! Durven zelfs die Duitsche klauwen haar tengere leest zoo ruw +en schaamteloos omvatten! + +Durven!--Gott im Himmel! Krabt die Fransche furie niet met haar spitse +nagels het vleesch van Heinrichs aangezicht! Slaat ze die nagels niet +in Friedrichs oog!--Ja, laat hij maar vloeken en tieren der verdammte +Franzoos. Voort met het Eugénieënbrut! Smijt het razende dier in den +kelder, of buiten, bij nummer eins! + +Friedrich trilt van woede. Zijn linkeroog brandt in de oogkas.--Nog +één ruk, en hij sleurt de teedere jonkvrouw die zulk een furie werd, +van zich af; zij smakt met het hoofd tegen den muur der vestibule. + +Antoine, ofschoon vastgebonden, kent zich zelven niet meer: + +"Satan de l'enfer!" gilt hij wanhopend, op 't zien van den vreeselijken +gruwel aan zijn liefste gepleegd.--Onmachtig om zich los te wringen, +ten einde dat dierbare kind--de schoone bloem van het dal--ter hulp te +snellen, grijnst hij als in razernij; en, zich vluchtig verheffende, +bijt hij den armen Heinrich--die toch zijn plicht deed--zoo hevig +in het aangezicht, dat deze een rauwen kreet slaakt, maar ook op +hetzelfde tijdstip den kolf van zijn karabijn verheffende, den armen +Antoine daarmee een zoo hevigen slag op den schedel toebrengt dat hij +zieltogend neerstort, terwijl zijn vergruisde hersens rondspatten in +de marmeren vestibule. + + + +Begint zij walging te baren de schets? Wordt zij kwetsend voor +het gevoel? + +Maar groote hemel zijn we dan niet gestikt in den stroom van +menschenbloed, waarin we reeds zoovele maanden, en tegen wil en dank, +werden gedompeld! + +Doch gewis, indien wij zelf die vreeselijke tooneelen hadden +aanschouwd, indien wij zelf een gewaarwording hadden opgedaan als +die wanneer de spitse degen of de scherp gewette bajonet, na een +krachtigen stoot, zoo week door het lillend ingewand van den ons +vreemden evenmensch glijdt; wanneer wij het zelf hadden gezien hoe het +bloed, de straks nog gloeiende wang van ons slachtoffer ontvluchtende, +uit den opgescheurden strot naar buiten perst, terwijl het ons lauw +in het aangezicht spat. Wanneer de brekende oogen onzer verslagenen +ons maar levendig voor den geest stonden, de blauwe oogen vooral van +dien blonden jonkman met den wijd opgesperden mond, waaraan nog met +een pijnlijken zucht den naam eener dierbare ontsnapt; of die van +den forschen krijger, akelig puilende uit de kassen, terwijl zijn +laatste woord een vervloeking was van zijn moordenaar! + +Ja, groote God, indien wij die vreeselijke werkelijkheid hadden getast +en aanschouwd.... + +Ei! sla den blik op het zegevierend leger terwijl het de groote +hoofdstad binnentrekt, op die krijgers, overladen met roem en +eer. Bloemen en bouquetten worden hun toegeworpen. Jubelend keeren +ze in 't vaderland terug. Wilhelm draagt er roem op dat hij, hij +alleen, dertien Franschen voor zijn lood of kolf zag neerzinken; +en Dominique, zoo pas uit de gevangenschap ontslagen, brengt toch de +glorie mee naar het arme Frankrijk, dat hij met dezen zelfden sabel, +een damné colonel Prussien naar de andere wereld zond. + +Moesten wij 't zelf niet vernemen uit den mond van een jong en zeer +beschaafd strijder, dat hij--neen! op dit oogenblik, geen zweem van +medelijden heeft gevoeld bij 't neerschieten van een paar roodbroeken, +maar dat het hem goeddeed ze te zien bijten in 't zand. + +Een jachtgenot wordt de oorlog, geprikkeld door 't levensgevaar. + +O mijn God, indien de krijg zelfs uw edelste menschenkinderen +tot furies en duivelen maakt, wie zal hem dan géén vervloeking +noemen?--Dronken zijn ze die juichen bij 't vergoten bloed van hun +naaste, dronken! krankzinnig! + +Ha! daar nadert een breede schaar. Twee banieren heft ze omhoog. Die +van 't Roode Kruis en den Vredebond. + +'t Licht moet schijnen in de duisternis. Liefde wordt gesteld tegenover +Volkenhaat. + +Beschaving tegenover Barbarisme. + +Vrede op aarde! + +Helaas! gij breede schare, er zullen nog eeuwen voorbijgaan eer ge +uw taak hebt volbracht. + +Eeuwen, eer de hoofden der volken geen opperste krijgslieden, maar +de eerste burgers van den Staat zullen zijn. + +Eeuwen, eer men het mes in des vleeschhouwers scheede minder verachten +zal dan den degen, toch slechts gesmeed met het doel om te vlijmen +door eens menschen ingewand. + +Doch schep moed, de dag zal komen! Gij legt de grondslagen tot het +gebouw eener schoonere toekomst. + +Uw leger, saamgevloeid uit de edelste krachten der menschheid, zal +steeds grooter worden. Uw wapenen zullen de wapenen der beschaving +zijn: Onderwijs! Volksontwikkeling! Verzet tegen de zonden der naties, +en tegen het meest algemeene der menschheid onteerende dwaalbegrippen. + +Laat uw licht schijnen, en keer u 't allereerst tegen dien leugen: +dat de oorlog een noodzakelijk kwaad.... of zelfs een heilzaam goed is! + +Ja, zoo beweert men: Even noodzakelijk als de stormen en onweders in +de natuur, even zoo noodzakelijk zijn het de oorlogen in 't belang +der volken. + +"Nietwaar, dat is zoo begrijpelijk: Evenals twee wolken, zoo stooten +twee volken tegen elkaar. De bliksem is 't oorlogsvuur, de donder het +krijgsgeknal. Daarna, de gezuiverde lucht!--O, ongetwijfeld slaan die +vreeselijke wereldstormen diepe wonden, maar er is een God van liefde, +die 't alles bestuurt, en zonder Zijn wil...." + +"Neen, natuurlijk, natuurlijk! Ongelukkig de mensch, die dat een +oogenblik zou kunnen vergeten." + +Een God van liefde!? + +Blanche en Virginie Toulemaire, vergaten het een oogenblik, en zelfs +die oude waardige zilveren bruid, ze vergat het in de laatste ure +van haar leven! + +Vermoorden van Pantin! beklaagt u niet. + +Monster Traupmann, leg uw hoofd met gerustheid op het blok. Immers +alles wat er op de wereld geschiedt, het geschiedt met den wil van God. + +En welzeker, de God van liefde neemt ook het dankoffer genadig aan van +de zeer geleerde heeren, die de resultaten hunner hersengymnastiek +aan de wereld konden toonen; van de uitvinders dier onsterfelijke +mitrailleuses Montigny, Marklerberg en Durand, waarvan de laatsten +niet door kruit maar door stoom gedreven, 3600 kogels per minuut +werpen, terwijl ze dooden op 400 meters afstand. God neemt het innige +dankoffer genadig aan van Zijn rijk begaafd menschenkind, den uitvinder +dier granaten, waarvan er één voldoende is om duizend van zijn andere +menschenkinderen te gelijk te vernietigen; van den heer Gaudin, die de +aarde met zijn uit luchtballons te werpen brandgranaten ten zegen werd. + +En dan, mochten zij hun tijdelijke welvaart niet met blijdschap zien +toenemen, en leeren zij hun lieve kleinen daarvoor niet innig dankbaar +de handjes ten hemel heffen, de papa's die met hun satans-raketten, +grieksch vuur, springmijnen en stinkbommen, de wereld en.... misschien +ook wel het Opperwezen zoozeer aan zich verplichtten! + + + +Zal men zich in duistere vraagstukken verdiepen? Neen! maar al zonden +ook duizend dierbare oorkonden en tienduizend achtenswaardige leeraars +'t ons vermelden: dat er niets, niets geschiedt zonder Gods heiligen +wil, wij achten het een leugen, een verderfelijke leugen: dat zonde +en ongerechtigheid en inhumaniteit, ofschoon ze een plaats hebben in +het grootsche wereldplan, de uitvloeisels van Gods wil zouden zijn. + +Is het Gods wil dat een zoon, zijn trouwe moeder, die hem vermaant, +in koelen bloede een mes door het hart jaagt....? Neen, zeg nu maar +NEEN. Dát toch wil God niet. + +Niet dóór en met het onreine en onedele, neen, door den strijd er +tegen klimt het menschelijk geslacht al hooger en hooger. + +Die strijd, dát is de strijd die er zijn moet op aarde; de gymnastiek +voor den geest ter bereiking van zijn hoogere bestemming, of wilt ge, +ter bevordering eener trapswijze ontwikkeling van het menschelijk +geslacht. + +Oorlog is liefdeloosheid. Liefdeloosheid is zonde. God wil de zonde +niet. + +Niet? En waarom schiep dan Zijn Almacht geen zondelooze wereld? Van +den grooten Schepper ging toch óók het denkbeeld zonde uit Hij gaf +er plaats aan op deze aarde!? + +Alzoo wil God dat de mensch zal omkomen van kou omdat hij den winter +zulke scherpe pijlen gaf; dat hij verbranden zal omdat het vuur hem +niet spaart wanneer hij zich aan de woedende vlammen waagt? + +Alzoo wil God dat de mensch zal honger lijden omdat Hij den honger +schiep!? + +Neen, God wil de zonde niet. Hij kan niets willen wat in strijd is +met het rein-menschelijke. + +Het rein-menschelijke! + +En tóch: een onderling vernielen en vermoorden! + +En toch: de oorlog een noodzakelijk kwaad!? + +Met verblinding zijn ze geslagen de vorsten, die volgens de oude sleur +hun volken ter slachtbank voeren, met den roep dat het hun ten zegen +zal zijn. + +En de oorsprong dier verblinding. Ziet: Ook uit het kwade--heerlijk +scheppingsplan!--ontstaat nog het goede. + +Naar dat goede, 't welk de oorlog ondanks zich zelven bewerkt, zoekt +en tast men met gretige oogen en handen; en, hoe gering ook, het moet +luide verkondigd, breed uitgemeten en grootsch genoemd worden. Zonder +die som zou men z'n eigen vonnis vellen. Noodlottig zelfbedrog! + +Wat de oorlogen in 't eind nog goeds bewerken: + +Het staat in geen evenredigheid tot de som hunner jammeren. + +En tevens: + +Zonder oorlogen zullen de volken, met den waarachtigen strijd op aarde, +zelfs in ruimere mate, en bovendien veel eerder dat goede verwerven. + +Aanschouwt de vruchten van het bloedbad 't welk nu weder werd +aangericht: + +Er is een haat geboren, die nog het nageslacht zal prikkelen tot wraak. + +Ziet, daar treden ze voorwaarts, jammerende en in rouwgewaad, de +weduwen en weezen dier in dolle woede geslachte krijgers. + +Daar gaan ze, de eertijds zoo vroolijk blozende maagden, nu verbleekt +en met roodgeschreide oogen, de liefhebbende warme zielen voor wie +de teedere naam van vrouw of moeder nooit klinken zal. + +Daar zijn ze de tienduizenden, ongelukkig verminkte wezens, mannen +zonder handen of armen en beenen, mannen die gedoemd zijn om hun +leven in een beuzelachtig nietsdoen te slijten, en te pralen met de +wreedheden die ze bedreven, of den haat levendig te houden tegen dien +"erfvijand van hun volk". + +Arme verminkte mannen! Is het hun schuld dat ze vergeten dat die +erfvijand hun naaste, en dat de haat een roest is die 't hart +verteert?" + +Zie ze die legioenen krijgers: Eertijds--hoe velen hunner erkennen het +nog met trots--eertijds konden ze geen mugje leed doen, eertijds! Maar +nu: Valt aan! Houwt en sabelt neer wat uw vijand heet, 't zij oud of +jong, man of vrouw, kind of grijsaard; slaat ze dood die u in den +weg staan. Zie ze plassen in 't menschenbloed, geen dieren- maar +MENSCHENbloed!--Eertijds, nu ja, maar thans: de Keizer, de Koning, +het Vaderland roept. Nu.... voorwaarts! Een nieuw bloedblad: nieuwe +lauweren! + +En ginder--zie, zij zoekt zich te verbergen die breede schaar van +huichelaars, gekweekt in de school van den oorlog. Met de hel in het +hart, hebben zich die ruggen gekromd. Stil! in de harten van sommigen +hunner, wekte wraak of zelfbehoud zelfs den sluipmoordenaar op. + +En nu, sla den blinddoek weg; zie de waarheid--al zij het ook een +naakte waarheid--onverbloemd in het aangezicht: + +Daar gaan ze de ongelukkigen, die bezweken in hun zedelijken strijd +te midden van dien zelfmoord der menschheid. + +Daar gaan ze, de gieren van 't slagveld, de dieven der +gelegenheid. Daar zijn ze, de ontuchtigen en dierlijken door +onthouding. En dan, helaas! de arme vrouwen die de ongeborenen +verwenschen in haar schoot, omdat de woestaards, die--óf haar +trouw als echtgenoot verlamden, óf schaamteloos haar maagden-eer +roofden--duivels waren; ze zullen dat kroost verachten en het den +ongekenden vader leeren vloeken. Arme moeders! + +Schatten van Kunst en Wetenschap vernield! Stilstand van alle werken +tot heil der menschheid! + +Vernieling van duizenden menschenlevens! + +Verkrachting van de wetten der hoogste liefde en waarachtige +humaniteit! + +Ziedaar dan de vruchten van den oorlog. + + + +Halt! Nu klinkt er een andere stem: + +"Kortzichtige, kunt ge niet verder zien dan de spanne tijds van een +menschenleven? Wat zijn al die jammeren, vergeleken bij de weldaad +aan een volk bewezen, wanneer men het wakker schudt uit zijn vadsigen +dommel, en tot zijn zedelijk bewustzijn ontwaken doet!" + + + +Alzoo, al die jammeren, en al die ellenden--heugenis voor honderden +jaren--ze dienen om een volk--of de volken--te leeren.... Wat? + +Iets 't geen ze niet weten konden zonder een oorlog? Iets wat nergens +elders gevonden werd? Of 't geen niet langs andere wegen te bereiken +was? + +De oorlog van 1870 moest aan het Fransche volk dus leeren: + +Dat een oneerlijk bewind het volk--vooral in oorlogstijd--noodlottig +wordt. + +Dat de Fransche natie over 't algemeen slecht wordt onderwezen, +en beter onderwijs alzoo hoog noodig is. + +Dat een volk zich vrij moet ontwikkelen, niet geketend door de +willekeur van een overmoedig bestuur. + +Maar is het ernst!? Om dát te leeren, moesten daarvoor al die +gruwelen geschieden; moeten daarvoor die wonden nog zoolang bloeden +en inkankeren? + +Of ook, moest dat helsche vuur worden ontstoken, om te voorkomen +dat het eene volk het andere voortaan nogmaals zou kunnen bedreigen +of beleedigen? + +Maar als dat andere volk dan nu het ééne heeft geleerd zijn toon +wat lager te stemmen, en het geknakt heeft en vernederd, dan kon dat +wijzere volk op zijne beurt wel eens den toon wat hoog gaan stellen, +en op zijne beurt gaan dreigen en beleedigen. + +Mettertijd! Wie weet! + +Maar hoort, men zegt weder: dat in oorlogstijden de edele gezindheden +insgelijks meer op den voorgrond treden en ontwikkeld worden. + +Ziet dien moed; die krachts-ontwikkeling; die warme vaderlandsliefde; +die hulp en troost bij al den jammer. + +De hulp en troost. Ja Goddank! + +De warme vaderlandsliefde. O, dat zij spreke, altijd luid en krachtig, +die liefde voor het lieve vaderland. Maar--nooit krankzinnig. + +De krachts-ontwikkeling. O dolle kracht! O vernieling!--De beste +klachten verkracht! + +Den moed! + +Wat is moed? + +Moed is de vastberadenheid die gevaren trotseert, en zelfs den dood +veracht in 't belang der menschheid of van 't vaderland. + +Gode zij dank. Zoo verstaat ook de edele krijgsman zijn roeping. Zou +hij hunkeren om toch spoedig zijn moed te toonen door het vernietigen +van menschenlevens, door een triumfantelijk omhoog heffen van +het bebloede staal?--Overwinnen dát is zijn leus. Overwinnen of +sterven. Maar neen, aan dat slachten en vernielen dááraan dacht hij +niet toen hij als knaap den degen koos. Toen dacht hij--en misschien +bij den zegen van den vrede nog zooveel te meer--aan verheffing in +rang, aan eer en roem, maar ten koste van zooveel bloed en tranen, +neen, dat heeft een menschelijk soldaat zich waarachtig nooit klaar +voor oogen gespiegeld, noch ooit begeerd. + +Vraagt het aan de edelen onder de strijders, of hun hart, in weerwil +van alle doodsverachting, niet een oogenblik onrustig klopte bij het +naderen van den stond, toen ze voor 't eerst het bloed van geslachte +menschen zouden zien. Ja, maar ze hebben dat aanstonds onderdrukt, +want immers de overlevering zegt: wanneer de oorlog is verklaard, dan +gelden de gewone aandoeningen niet meer, menschen zijn dan eigenlijk +voorwerpen--sabel-, geweer- en kanonspijs, of wilt gij 't liever, +ze zijn de geroepenen op hooger bevel, de dienaars van vorst en +Vaderland!--Al die fraaie gevoelens uit den lieven vredestijd komen +niet meer in aanmerking. Geen weekheid, zwakheid of lafhartigheid!! A +la guerre comme à la guerre! + +En, toen het bloed maar stroomde, toen was de zwakheid--de liefde +tot den naaste--verdwenen, toen ging het comme à la guerre. + + + +Op een verderfelijken doolweg voert de onzalige stelling: dat oorlog +een noodzakelijk kwaad is, al moge hij een noodwendig gevolg van +zonde en slaafschheid zijn. + +Een gruwel is hij, een den mensch onteerend, verdervend, gansch +onnoodig kwaad. + +Al het zoogenaamde goede dat een oorlog bewerkt, 't is oneindig +geringer dan het kwade, 't welk hij sticht voor vele jaren. + +Ja, ook uit het kwade komt nog het goede voort. Maar steeds in +geringere mate. Wanneer men een prachtigen vruchtboom uitroeit, dan +zal het gras weliger tieren dáár waar de boom voorheen zijn schaduw +wierp. En, als dan in den herfst de kostbare vruchten niet meer geoogst +worden, welzeker, dan moet men wel roemen in dat heerlijke groene gras! + +Maar ziet dan, Frankrijk is toch wakker geschud. Zijn banden zijn +verbroken. Met de leuze vrijheid en ontwikkeling gaat het een schoonere +toekomst tegemoet! + +Is het geen verblinding? Zal werkelijk het Fransche volk bij 't eind +van dit schrikkelijk bloedbad, een ander volk worden? Zullen zijn +bewindslieden, onder welken titel zij 't schip van staat ook zullen +besturen, zullen ze--misschien minder zelfzuchtig dan hunne voorgangers +(?)--nochtans de voetstappen van die voorgangers niet voor een groot +deel moeten drukken, omdat zij rekening hebben te houden met het +verleden? Kan een natie, die langzaam rijpen moet voor de vrijheid, +plotseling worden vrij verklaard? + +Als men den leiband, waaraan het kind langzaam vooruitscharrelt, +plotseling loslaat, dan valt dat kind. + +De band is verbroken!--Zal er geen nieuwe noodig worden?--Maar toch, +Frankrijk heeft geleerd! + +Ja in waarheid, maar wát het leerde, 't zal niets meer zijn dan hoe +het zijn krachten heeft in te spannen, om na jaren--misschien niet vele +jaren--over de nu geledene schande een bloedige wraak te kunnen nemen. + +Doch, zal men de vrucht van dezen krijg voor het zegevierende Pruisen +vergeten! Ziet men dan, in weerwil van al zijn rouw: zijn heil, +zijn Bondgenootschap met de Broeders van het Zuiden niet! + +Maar zou dat Bondgenootschap inderdaad een vrucht van dezen oorlog +mogen heeten! Neen, 't is een vrucht van den gemeenschappelijken +haat. Dat Bondgenootschap ontstond niet dóór, maar het bestond reeds +lang vóór den oorlog. + +En als nu de verwenschte vreemdeling door vereenigde krachten in zijn +hoek is teruggejaagd, en de broeders straks weer rustig te huis zijn, +dan--'t zou niet onmogelijk wezen--dán misschien zal het onderling +krakeelen opnieuw een aanvang nemen, en.... Maar de tractaten?--Nu +ja de tractaten! + +En als de broeders niet gaan krakeelen, wie waarborgt ons dat ze te +zamen niet overmoedig zullen worden, steeds hunkerende naar meer, +totdat ze ten leste gaan inslapen op hunne lauweren. + +En dan, dan komen die vreemden opnieuw, en rukken de lauweren weg +onder die slapende hoofden. + +'t Is reeds gezegd: Leer om leer! + +Helaas! de stem zal zich weder verheffen, die ons van kortzichtigheid +beschuldigt, en een glimp van waarheid weet te geven aan de traditie +dat de oorlogen noodzakelijk waren, en nóg zijn voor volksontwikkeling +en beschaving. + +Ja, maar zij zal 't vergeten dat schier alle groote werken ten nutte +der menschheid kinderen des vredes waren. + +Getuigt het allen, gij denkers van vroeger en later tijd, die de wereld +met de uitkomsten uwer studies op zedelijk en stoffelijk gebied hebt +verrast en zoo duur aan u verbonden. + +Getuigt het allen, die zint op vooruitgang en volksbeschaving, dat +de oorlog steeds uw felste vijand is geweest; getuigt en verbreidt +het dat de zegeningen door dien vijand der menschheid aangebracht, +'t allereerst tegen haar gekeerd waren.--Ook uit het kwade kan nog +het goede voortkomen. Gode zij dank!--Men zag ze, die inspanning van +krachten om het luchtschip te stieren--door den nood gedrongen, doch +ook ter vernieling. Misschien ten zegen voor de toekomst? Maar het +luchtschip bestond. Een kind van den oorlog is het niet; neen. De +mitrailleuses, de satans-raketten en stinkbommen--dàt zijn zijne +welpen. + +De oorlog is een kwaad, een volstrekt onnoodig kwaad.--Niets wezenlijk +goeds kan er door den oorlog tot stand komen 't geen niet langs den +rein menschelijken weg zou zijn te verwerven geweest. + +Was het dan in Europa tot heden een verborgenheid dat degelijk +onderwijs een volk ten zegen is? Moesten duizenden moorddadige +bommen en kogels verkondigen 't geen één enkel helder hoofd, één +enkel waarachtig vaderlandslievend hart ten goede had kunnen bewerken? + +Zijn dan de oorlogen nu nog noodzakelijk ter verbroedering van de +volken--indien ze het al vroeger moeten geweest zijn--nu, terwijl +bergen noch zeeën de naties meer scheiden? Zijn er geen andere +middelen inderdaad om de volken wakker te doen blijven, en hun kracht +te bewaren of meer te ontwikkelen! + +Een gruwel is de oorlog. Een toegeven op reusachtige schaal aan wraak +en haat en veroveringszucht, onder het mom van vaderlandsliefde. + +Waarachtige vaderlandsliefde is: Het werken met alle krachten aan de +beschaving en ontwikkeling van zijn volk; maar ook: Het werken zelfs +in den kleinsten kring met lust en noeste vlijt. Vaderlandsliefde is +een ijverig voorwaarts streven door gepaste middelen, zonder dwaze +verheffing boven zijn stand; een bevorderen en schragen van het te +dikwijls verbroken maatschappelijk evenwicht. Vaderlandsliefde is het +kweeken van een reinen onziekelijken Godsdienstzin; van humaniteit +waaruit de waarachtige vrijheid wordt geboren, waardoor in 't einde +de vrede moet komen op aarde. + +Vaderlandsliefde! + +Maar als een wreede roover het dierbaar erf bedreigt; wanneer het +ruw geweld met ijzeren vuist op deuren en vensters beukt? + +Hoe! Zal men den woestaard dan met een ernstig vermaan tot rede +kunnen brengen; zal hij het oor leenen aan die woorden van den +edelsten onder de menschen, den grooten Jezus van Golgotha: Steekt +het zwaard in de scheede. Hebt elkander lief. Bidt voor degenen die +u haten!--en nog zoovele andere uitingen der reinste humaniteit, +der warmste menschenliefde!? + +Helaas! indien het ruw geweld u tot handelen dwingt, zoekt het met +krachtige hand te beteugelen, en--wordt gij gedwongen zijn helsche +wapens te kiezen.... God wil dat ge uw leven en dat uwer dierbaren +zult beschermen. Maar wee wee den mensch door wien de ergernissen in +de wereld komen! + +Één enkel boosaardig hart behoeft slechts één enkele vuurvonk om een +gansche stad te verwoesten. Doch wee, wee dat hart, na zijn ontwaken +uit den helschen roes bij 't aanschouwen van den jammer door hem +aangericht. + +Vaderlandsliefde!--Preekt het van de daken dat het geen waarborg is +voor 't geluk van een volk, wanneer zijn land al grooter en grooter, +al machtiger en machtiger wordt. + +Preekt het van de daken dat de kleine naties zoowel recht hebben van +bestaan als de groote; dat zij veelal gelukkiger zijn, huiselijker +van aard, en meer geadeld door den waren vrijheidszin. + +Groot en klein, 't zijn twee machtige factoren van het +scheppingsplan. Ziet ze, de onmetelijke zonnen, en de kleinste +planeten; de hemelhooge bergen, en de liefelijke heuvels; ziet ze, +de cederen van den Libanon, en het fijngetakte plantje der hei; +den olifant en het miscroscopisch insekt. + +Vaderlandsliefde!--Verkondig het alomme, gij kleine natie, dierbaar +Nederland, dat gij recht hebt van bestaan, gij bovenal!--Laat uw stem +klinken, met verstandigen ernst, wijd en zijd, dat gij uw huis zult +bewaken, en zonder inwendig krakeel, uw huis aan zee, wel wat vochtig, +maar toch zoogoed! + +Verkondig het, dat ge de bondgenoot wilt zijn voor alle werken des +vredes, maar ook, dat ge bij overheersching de taak zoudt vervullen +van het folterende geweten, telkens in opstand, en triumfeerende in +'t eind! + +Zal het de stem wezen van een roepende in de woestijn, klein Nederland, +indien gij luide verkondigt: + +"De vorsten moeten de eerste Staatsburgers zijn. + +"Een gewapende vrede is de eeuwigdurende oorlog. Algemeene ontwapening, +dat is de waarborg des vredes." + +Wanneer men gereed is ten strijde--of het meent te wezen--dan trekt +men het zwaard. Hoort! De gelegenheid maakt den dief, soms ook maakt +de dief de gelegenheid. Maar de ontwapende dief? Misschien gaat hij +werken en ziet hij af van inbraak en roof. + +Klein Nederland, verhef uw stem; misschien kan het baten in 't eind. + +Immers men weet dat gij wel klein zijt, maar ook 't geen men dapper +pleegt te noemen; dat slechts een paniek in staat is om u voor een +oogenblik u zelf te doen vergeten. + +Vrij, dierbaar Nederland! roept het den volken toe: + +"Slecht uw vestingen, uw arsenalen en tuighuizen; vernietigt uw +heillooze wapenfabrieken, uw monster-geschutgieterijen. Dat alles +knaagt aan uw eigen welvaart en dwingt een volk, 't welk u de +broederhand zou willen reiken, om zich evenals gij in 't ijzeren +pantser te steken: 't pantser, knellende, drukkende, den vrijen +bloedsomloop belemmerende, 't hoofd verhitten de, drijvende den arm +tot vernieling en broedermoord. + +Maar vooral, klein Nederland, al wijst gij ook met krachtig en vinger +op de misgeboorten van het genie, op stinkbommen en satansraketten, +gedraag u verstandig en wijs, terwijl ge de vaan van den Vredebond +hoog en met frissche kleuren doet wapperen door uw vrije lucht; +wees wijs en verstandig, terwijl ge uw stem verheft opdat men u niet +verdenke van lafheid, en u bespotte in 't eind. + +Wees wijs en verstandig; zeg niet dat ge uw heil van de naaste toekomst +verwacht. Verkondig het luide: dat ge niet zult wanhopen indien er +nog eeuwen moeten voorbijgaan eer de oorlog tot de barbaarschheden +van een vroeger tijdvak zal worden gerekend; indien er nog eeuwen--ja +zelfs vele eeuwen moeten verloopen, eer uw Vredebond waarachtig een +algemeene onverbreekbare Vredebond zal zijn; eer de geschillen der +volken alleen zullen beslist worden voor de hooge Internationale +vierschaar van 't kloek verstand en 't onkreukbaarste recht! + +Wees verstandig en wijs, want die tijd zal toch komen. Maar, bij +den goeden strijd, dien gij strijden wilt, klein dierbaar Nederland, +vergeet het niet om het woord van mond tot mond te doen gaan, dat de +NOODZAKELIJKHEID VAN DEN OORLOG EEN DER MENSCHHEID EN GOD ONTEERENDE +LEUGEN is. + + + +Aan den avond van den dag dat de villa Toulemaire voor een groot deel +in de asch werd gelegd, ontstond er in de dichtst daarbij gelegen +woning, terwijl eenige hoofd-officieren van het zegevierend leger er +bijeen waren, een hevig rumoer. + +Van waar zij gekomen was, dat wist men niet, maar eensklaps was een +jonge doodsbleeke vrouw met angstverwekkend gegil, uit een kelderdeur +de donkere gang ingevlogen. Men heeft haar niet kunnen vatten aleer +zij de deur van het vertrek had losgerukt waar de Duitsche strijders +vertoefden, en aan niets dachten....? dan aan den roem, waarmee zij +'t Lieb Vaterland overlaadden. + +Was het Blanche Toulemaire, zij, de eenig overgeblevene van het +gelukkige zestal, 't welk heden een zoo schoonen feestdag zou vieren? + +Ja. Uit haar bedwelming ontwaakt is ze voortgeijld. Waarheen? Ze +weet het niet. Vurige slangen joegen haar voort; slangen die zich +om haar leden kronkelden, en den ademtocht belemmerden. Waar zij +een ganschen dag heeft getoefd dat weet ze evenmin. Ze wist niet +dat pachter Micauld, de naaste buurman van Toulemaire, haar heeft +bemerkt en in zijn woning gebracht. Ze weet het niet hoe ze telkens +knarsetandend is opgevlogen, terwijl ze gedurig, maar ook al doffer +en doffer, haar woord van dien morgen herhaalde: "Beulen, moordenaars!" + +In 't eind, of ze geslapen heeft of wel dat nogmaals een zenuwtoeval +haar neerwierp, 't was donker om haar heen, zeer donker toen ze zich +oprichtte, en rondstarende, zachtkens vroeg: Waar men haar lijk had +neergelegd; want, dat ze een lijk was dat voelde ze wel. + +Micauld de welgestelde pachter zat met zijn jonge vrouw aan 't einde +van den ruimen kelder. Jeanne was juist van boven gekomen; zij had de +Herrschaften bediend. Micauld zou 't besterven als hij het moest doen. + +Goddank, men zag nu bij 't schijnsel der kleine lamp, die de jonge +boerin ontstak, dat de arme juffrouw Blanche wat kalmer ontwaakte. + +Neen, lieve God, neen, zeker, een lijk was zij niet. Och zij moest maar +kalm en niet al te neerslachtig wezen. 't Heele dorp is immers ook wel +in rouw en angst. Overal is 't vol met arme verwonde soldaten.--Neen, +hier boven den kelder in de groote voorkamer dáár zijn geen gewonden; +eenige voorname officieren, die hier in kwartier liggen zijn er +bijeen. Och, zoo kwaad zijn ze niet als men maar doet wat ze zeggen. Ze +weten zich ook nog al te behelpen, want behalve een paar makkelijke +stoelen, die de soldaten uit den brand wisten te redden, moeten zij +'t boerengerei maar voorlief nemen. Komaan, juffrouw Blanche moest nu +maar weer wat zien te slapen. Ja 't was wel verschrikkelijk.... en +allerverschrikkelijkst, zeker; maar och, die goede oudeluidjes zou +ze toch ééns hebben moeten verliezen nietwaar? en haar zuster, als +ze misschien getrouwd de ouderlijke woning verlaten had, wie weet +hoe weinig juffrouw Blanche haar dan had weergezien; en, wat haar +vrijer betrof: Och ja, heeft madam Micauld al verder getroost, dat +hij zich zoo bij den Steenenburg durfde wagen, dat was ook eigenlijk +geen liefde; en dan, zij heeft het met Pierre Legros ondervonden, +een half jaar na zijn dood--'t was anders zoo'n brave jongen--toen +had ze Micauld haar woord al gegeven, en, wie is er beter dan hij! + +Eensklaps met een vreeselijken gil is Blanche toen overeind +gevlogen. Uit de armen van Micauld en Jeanne, die haar wilden +terughouden, heeft ze zich losgerukt. De keldertrappen op, en de gang +der hoeve is zij ingevlogen. + +De wacht aan de deur schiet ijlings toe; doch de witte gedaante, +die men in 't donker zag, heeft de deur der groote hoeve-kamer reeds +geopend. + +Het licht der hanglampen en der bougies op flesschen verblindt haar +de oogen. + +Men heeft haar vastgegrepen. Zijn dat de slangen weer, die zich +kronkelen om haar trillende leden? + +"Wat wil die vrouw!" roept een der officieren. En dan, na een +oogenblik stilte: "Laat haar los! Tegen weerlooze vrouwen vechten +we niet." Daarna op Blanche toetredende, herneemt hij in vloeiend +Fransch, terwijl zijn krijgsmakkers het schoone maar doodsbleeke +meisje met belangstelling gadeslaan: + +"Ik geloof, juffrouw, dat een vergissing u in deze kamer bracht, +ten minste...." + +Maar de Huzaren-ritmeester gaat niet verder. Hij heeft een arme +krankzinnige voor zich, dat bespeurt hij nu wel. + +Bij het plotseling zien van zoovele vreemde officieren is Blanche +onthutst een paar schreden teruggegaan, doch nu, terwijl ze weer +stand houdt, staart ze hem aan met zulk een vreeselijke uitdrukking +in haar tintelende blauwe oogen, dat hij onwillekeurig een oogenblik +zwijgt zonder te weten hoe met het arme schepsel te handelen. + +En Blanche. Hoor! ze fluistert op diep doordringenden toon: + +"Wees niet bang; een lijk kan u geen kwaad doen. Kom mee als ge niet +bang zijt, kom mee naar den Steenenburg; daar zullen ze mij met al de +lijken begraven. Wacht maar, wacht! Allen wordt ge dan ook begraven, +allen! nu of morgen. Maar bidt eerst voor de rust uwer zielen, want +morgen zal het zijn, morgen zeker!" + +Een doodelijke stilte heerschte er in het vertrek. 't Was een treurige +verschijning, die schoone waanzinnige met haar droeve profetie. + +Aan slagvelden raakt men gewoon, maar zulke woorden, uit zulk een mond! + +Een waardig Duitsch krijgsman met zilveren haren is nu mede opgestaan, +en nadert het meisje om zoo spoedig mogelijk in haar eigen belang +een eind aan dit tooneel te maken. Doch, op datzelfde oogenblik valt +Blanches oog op den sierlijken voltaire dien hij verliet. Een rauwe +kreet ontsnapt er aan haar hijgende borst. Zij snelt op den prachtigen +zetel toe; zinkt op haar knieën er bij neer, en dan, terwijl haar +hoofd machteloos neervalt op haar eigen kunstig borduurwerk voor het +zilveren bruidsfeest vervaardigd, klinkt nogmaals hijgend en dof die +snijdende aanklacht van haar trillende lippen: + +"Beulen! Moordenaars!" + + + +'t Is drie maanden later. De gure nachtwind jaagt een sneeuwkleed +over het vreeselijk slagveld, 't welk de grauwe dag zag aanrichten. + +Er heerscht een volkomen duisternis. De angst- en smartkreten hier +en ginder worden door den steeds feller opstekenden wind verstrooid +en versmoord. + +Rillend in zijn laatste worsteling met den dood, treft een paard met +zijn killen hoef den fel gekorven schedel van een grijzen krijger, +die op gruwelijke wijze door een woedenden Franschman werd neergeveld +en verminkt, maar toch den laatsten strijd nog te strijden had. + +O! waarom moest hij nog weder ontwaken in die ontzettende duisternis, +met dien vreeselijk brandenden dorst, met die ontzettende pijnen, +hier, aan het hoofd, en overal; onmachtig om zich te kunnen wenden, +onmachtig om het verminkte been weg te rukken onder het lijk van een +neergestorten vijand.--Waarom? Zal de sneeuw die hij opvangt in den +wijdgeopenden mond hem nog verkwikken kunnen....! Zal hij nog kunnen +denken aan zijne dierbaren....! + +O God! zijn dit de smarten der hel! + +"Help! Erbarming! Help!" + +De nachtwind feller loeiende, spot met dien kreet. + +"O Heere God!" kermt nog eens de grijze Duitscher, nadat hij een +vergeefsche poging deed om zich op te richten van dat vreeselijke +doodsleger. + +Vruchteloos is elke poging; tevergeefs is alle uitzicht op hulp.--O +Heere God, welk een eeuwigheid! + +Maar straks is ook die laatste strijd gestreden, en de sneeuw ontdooit +niet meer van de verstijfde lippen, met wier laatste smartkreten +zich telkens de aanklacht eener schoone waanzinnige vermengde, het +nooit vergeten: + +"Beulen, moordenaars!" + + + +In dien zelfden nacht gleed er in de hoogte over dat slagveld met al +zijn jammer de tijding: + +"Hevige strijd *** duizend man gesneuveld. Roemvolle overwinning. God +zij dank!" + +En de Leugen wierp zijn stem in den loeienden nachtstorm; en verbreidde +dien dank, met grijnzenden schaterlach. + +Maar als de storm in den uchtend bedaarde, en de zon koud en vuurrood +opging over dat grillig golvende sneeuwkleed, met purper doorsijpeld, +dan verborg zij haar gelaat, want ontzettend was de aanblik van dat +met bloed bezoedelde lijkkleed, 't welk den broedermoord bedekte, +den moord van kinderen.... van eenzelfden Vader! + + + + + + + +INHOUD. + + + + Bladz. + +De Lelie van 's-Gravenhage 1 + +Gelegenheidsstukken. + + + De Reus van Antwerpen 149 + Te Wolfhezen 160 + Gedachte op den laatsten avond van een droevig + jaar 174 + Kenteekenen van fatsoen 176 + Iets uit het jaar 1870 180 + Uit "De Spectator" 185 + Een mooie Aprilmorgen in 't Haagsche Bosch 208 + Antwoord van de weduwe Samuël Zadok, geb. Sara Lot, + op den brief van haren zoon Levie, vrijwilliger bij + het Fransche leger in de Krim 213 + Brieven van Grietje Sluimer 218 + Jan, Pier en Kloas 235 + Brieven uit Nizza (Nice) 240 + Monte-Carlo 260 + Fabriekskinderen 272 + Een woord aan mijn landgenooten 289 + Openbare brief aan Zijne Excellentie den Minister + van Binnenlandse Zaken 295 + Brief van Jan Stukadoor 303 + Antwoord van Jan Stukadoor aan Piet Schaver 316 + De oorlog een noodzakelijk kwaad? 321 + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Resol. Holl. 30 Sept, 1608, bl. 223. + +[2] O. a. Wagenaar, deel IX, boek XXXVI, blz. 436, enz. + +[3] "Soldats de la pensée." Le triomphe des arts. Feest-Cantate van +G. Demarteau. + +[4] Schilderij van Biard. + +[5] Schilderij van Cermak. + +[6] Schilderij van De Bruycker. + +[7] De zanger wijzigde aldus de woorden van Demarteau's Cantate, +die oorspronkelijk luidden: Produire encor des Nouveaux Raphaël. + +[8] Het Te Deum--3de der Nederd. Evang. gezangen. + +[9] Naar het leven. + +[10] Cercle Artistique. + +[11] Zie, als 't u in handen komt, nader mijn Nieuwe en oude orgel, +uitgegeven door de Gebr. Van Es, waarop Erasmus de goedheid had uw +aandacht te vestigen. + +[12] Zie de sprekende berichten van Mr. Samuel le Poole, in de +Economist van 1865 en vroeger. + +[13] Sedert het schrijven van den bovenstaanden brief, zijn +er reeds heel wat jaren verloopen, en ik weet niet of het mijn +hooggeachten vriend De Vries is geweest, die mij heeft overreed om +mijn "uitzondering" maar te laten varen, of wel dat onze zetters +en heeren Correctors er mij langzamerhand toe gedwongen hebben. Hoe +'t zij--gedachtig aan ons echt Neerlandsch: Eendracht maakt macht, +schrijf ik voortaan STEEDS: Licht en dicht. + +Maar--nog en noch?? + +Ja, dát maakt een onderscheid. Het schrijven van ons voegwoord nog +met c.h. is zeer geschikt om iemand bij 't vóórlezen geheel in de +war te brengen, en--men moet onze dierbare Moedertaal zóó iets toch +nooit kunnen verwijten. + +28 Jan. 1878. + +[14] Deze wensch is echter niet vervuld geworden. Ook de beide +volgende deelen van Dantes C. D. door Dr. Hacke van Mijnden, zijn, +met de bekende platen van Doré versierd, aan des dichters vrienden +vereerd doch, nog eer het derde ofschoon voltooide deel aan de pers +kon worden toevertrouwd was de talentvolle man, zijn grooten meester, +den onsterfelijken dichter, helaas, reeds voorgoed gevolgd in die +oorden waar hij gedurende de laatste maanden zijns levens zoo gestadig +in den geest had vertoefd en--er "Beatrix aanschouwen deed". + +[15] Dit treffelijk blijk van zelfbeheersching en zelfverloochening +ter wille van de Kunst, werd ons door een van Da Costa's vrienden +meegedeeld. + +[16] Kabaal naar aanleiding van het beroep van Ds. Meijboom, destijds +predikant van de Groninger richting. + +[17] 13 en 14 Sept. + +[18] Ze konden ook nagebootst zijn. + +[19] Den Minister van Financiën geven we eerbiedig in overweging, +om ook in ons Nederland goudstukken van 50 en 100 gulden te doen +slaan, natuurlijk niet ten behoeve van hen die ze te Monte-Carlo +gaan verspelen. + +[20] Wij laten deze cijfers voor rekening van dien berichtgever. + +J. J. C. + +[21] Het Vaderland, No. 44, 1870. + +[22] Zie o. a. zijn meesterlijk stuk, getiteld: In 't Gooi, Maart en +April Nos. van de Gids. + +[23] Economist, enz. + +[24] Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld. + +[25] Een der edeldenkendste fabrikanten in Twente verhaalde mij +nog onlangs, dat er o. a. ouders zijn die--om de arme schepseltjes +'s winters heel vroeg wakker te doen worden, ze uit de warme bedstee +nemen en met de bloote voetjes op den ijskouden haardsteen zetten! + +[26] Wetboek van Strafrecht. Zesde Afdeeling. + +[27] De Haarlemsche burgemeester, die mede geklaagd had over den +toestand der lijdende Fabriekskinderen werd later Minister van B. Z., +en tot hém werd dit schrijven gericht. + +[28] Thomas Babington Macaulay's redevoering over den arbeid der +kinderen in de fabrieken, gehouden 22 Mei 1846. + +[29] De laatste klaagt over een onduidelijk adres, terwijl het zijne in +'t geheel niet te vinden was. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De lelie van 's-Gravenhage, by J.J. Cremer + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE LELIE VAN 'S-GRAVENHAGE *** + +***** This file should be named 28175-8.txt or 28175-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/8/1/7/28175/ + +Produced by The Online Distributed Proofreading Team at +http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
