diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:46:09 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:46:09 -0700 |
| commit | cd1bb68008ebd7bc67767e8bbe94fb9d60afdbec (patch) | |
| tree | 3f4bc0243260941271603a01acfee8ad95491d80 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 28963-8.txt | 7889 | ||||
| -rw-r--r-- | 28963-8.zip | bin | 0 -> 177206 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h.zip | bin | 0 -> 2558163 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/28963-h.htm | 9837 | ||||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/einde.gif | bin | 0 -> 3168 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 48292 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/ornament1.gif | bin | 0 -> 1923 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/ornament2.gif | bin | 0 -> 2384 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p004.jpg | bin | 0 -> 95044 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p047.jpg | bin | 0 -> 113354 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p059.jpg | bin | 0 -> 88657 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p071.jpg | bin | 0 -> 101548 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p085.jpg | bin | 0 -> 115682 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p093.jpg | bin | 0 -> 110697 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p105.jpg | bin | 0 -> 107908 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p111.jpg | bin | 0 -> 99988 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p129.jpg | bin | 0 -> 54658 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p139.jpg | bin | 0 -> 124449 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p165.jpg | bin | 0 -> 104462 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p173.jpg | bin | 0 -> 100951 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p179.jpg | bin | 0 -> 94109 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p185.jpg | bin | 0 -> 127820 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p191.jpg | bin | 0 -> 97137 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p207.jpg | bin | 0 -> 79701 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p217.jpg | bin | 0 -> 103045 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p233.jpg | bin | 0 -> 111159 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p251.jpg | bin | 0 -> 103451 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p267.jpg | bin | 0 -> 96437 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/p277.jpg | bin | 0 -> 127255 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/titlepage1.gif | bin | 0 -> 75507 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 28963-h/images/titlepage2.gif | bin | 0 -> 73523 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
34 files changed, 17742 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/28963-8.txt b/28963-8.txt new file mode 100644 index 0000000..772f451 --- /dev/null +++ b/28963-8.txt @@ -0,0 +1,7889 @@ +Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het verhaal van de honingbij + +Author: Tickner Edwardes + +Translator: M. van Vloten + +Release Date: May 25, 2009 [EBook #28963] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + + + + + + + Wereld Bibliotheek + + Onder leiding van L. Simons. + + + Boeken zijn de universiteit onzer dagen. + + Uitgegeven door: + De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur + Amsterdam + + + + + + + Tickner Edwardes + + Het verhaal van de honingbij + + Vertaald door + M. van Vloten + + Met een aanhangsel + + De bij en haar wapenen + + Naar het Engelsch van + + DR. Percy E. Spielmann + + Geïllustreerd + + + + + + +VOORWOORD + + +De Schrijver van dit werk: The Lore of the Honeybee, dat thans den +lezers onzer bibliotheek in de geautoriseerde vertaling naar den +3en Engelschen druk wordt aangeboden, is een ijmker in Arundel, bij +het Nieuwe Bosch in Zuid-Engeland, en naar hij ons met voldoening +berichtte, van Nederlandsche herkomst: het eerste deel van zijn naam +duidde hij aan als een verengelsching van ons: Teekenaar. Bij het lezen +van zijn boek zal men den man van de praktijk, den wetenschappelijken +onderzoeker en den dichterlijk-gevoeligen natuurliefhebber vereenigd +vinden met den bespiegelaar over de toekomst van ons menschenras. Men +zal mogen meenen dat hij, in bewondering verzonken voor het vernuft +en de beginselvastheid der bij, wat al te zeer geneigd is haar met +den mensch te vergelijken en te vergeten dat diens beheersching der +natuurkrachten en de ruimte van zijn denken hem in staat stelt zijn +problemen geheel anders op te lossen dan het fijn en doortastend +gemeenschappelijk bijenvernuft dat vermocht. Doch men zal moeilijk +kunnen nalaten naar hem te luisteren zonder bekoord en geboeid te +worden door het verhaal dat hij ons doet omtrent het bijenleven: +zooals de mensch zich dat vroeger dacht, en zooals hij het thans +heeft leeren waarnemen. + +Dr. Percy E. Spielmann--chemicus te Londen--aan wiens vriendelijke +belangstelling in onze bibliotheek wij zelf de kennismaking met dit +boek danken, heeft van die belangstelling nog verder willen doen +blijken door ons een Bericht toe te zenden omtrent het Bijenvergif +en zijn werking, welk bericht wij als Bijlage achteraan opnemen. + + + +De lezer, die, even onkundig als wij zelf op dit stuk, gewend is +geweest den mannetjesbij als hommel aan te duiden, zal allicht vreemd +ervan opzien, dezen naam niet in onze vertaling aan te treffen, +doch wel den zeer weinig gekenden naam: dar. Doch onze vertaalster +heeft hier het gezag op haar hand van ons Nedl. Woordenboek, dat +o. m. van den heer Snellen van Vollenhoven uit zijn Gelede Dieren +deze nadrukkelijke uitspraak aanhaalt: "De mannetjes worden door +de bijenboeren darren of darries en door velen "verkeerdelijk" +hommels genoemd." + +De hommels behooren niet tot de honingbijen! maar zijn de diklijvige, +ruige, wilde bijen van het geslacht Bombus, waarvan in ons vaderland, +volgens diezelfde autoriteit, een twaalftal soorten te vinden zijn. + +Waarmee we alweer van een dwaling genezen worden. + + +Red. W. B. + + + + + + +INLEIDING + +HET OUDSTE BEDRIJF ONDER DE ZON. + + +Een van de oudste en mooiste fabels uit de Grieksche mythologie, +is die betreffende den oorsprong van de honingbij. Hoe de jonge god +Jupiter door zijn moeder Ops, bij de schoone dochters van den koning +van Kreta, Melissa en Amalthea, gebracht werd toen zijn vader Saturnus, +die de gewoonte had zijn kroost bij hun geboorte te verslinden, hem, +zijn laatstgeborene, zou gaan gebruiken voor zijn dagelijksch maal. + +Dit verhaal komt bij de oude schrijvers in verschillende lezingen +voor. Sommige zeggen, dat de bijen al bestonden, en noemen Amalthea +een gewone geit, met wier melk de kleine god gevoed werd; terwijl +Melissa de honing verkreeg van de wilde bijen, in de grot, waar Jupiter +verborgen werd gehouden. Een ander verhaal wil, dat de bijen zelf +naar de grot werden aangetrokken door het geraas, dat de voedsters +maakten, slaande zonder ophouden op koperen vaten om de ooren van den +verslindenden vader te verdooven voor het kinderlijk gekrijsch. Van +toen af brachten de bijen hem dagelijks zijn rantsoen honing, tot hij, +opgegroeid, zijn plaats kon houden op den Olympus. In beide verhalen +toont Jupiter, in waarheid als een god, zijn dankbaarheid aan zijn +redders. Bij de vroegste schrijvers vindt men al als een oud geloof, +dat in het bijzondere geval van de honingbij is afgeweken van het +algemeen beginsel: mannelijk en vrouwelijk, en dat de voortplanting van +die soort op bovenzienelijke wijze geschiedt. Dit wordt nu verklaard +als een bijzondere gift van Jupiter, in zijn erkentelijkheid voor den +onschatbaren dienst hem bewezen. Men vindt het in ééne lezing van +de hierboven genoemde fabel, en ook in de woorden van een beroemd +ijmker, die in 1657 schreef: "voor zulk een buitengewone weldaad +heeft Jupiter zijn voedsters beloond met de eigenschap: jongen voort +te brengen en hun geslacht voort te planten, buiten de verterende +geslachtsdrift om." In den anderen, en waarschijnlijk veel ouderen +vorm van de legende, werd Melissa, de schoone dochter van den koning +van Kreta, zelf door den god in een bij veranderd, eveneens met +onbevlekte voortplanting, en voortaan waren het hare nakomelingen, +op wie de taak zou rusten: honing te verzamelen tot voedsel voor de +menschen; die honing waarvan men lang gemeend heeft--tot maar weinig +eeuwen vóór onzen tijd--dat zij een wonderbaarlijke afscheiding was, +die van den hemel tot ons kwam. + +Maar zelfs wanneer men die schemerige oude verhalen der mythologie +wegdenkt, die eene romantische verklaring geven voor allen +levensoorsprong op aarde, moet men toch bij iedere poging om de +bijenteelt tot haar allereerste begin terug te brengen, weer opnieuw +den indruk krijgen, dat dit wel het oudste bedrijf onder de zon +is. Duizenden van jaren vóórdat de Groote Pyramide gebouwd werd, +moet het ijmken al een van ouder tot ouder gevestigde bezigheid van +den mensch zijn geweest. Men moet algemeen geweten hebben--en deze +wetenschap is gestempeld door het gezag der eeuwen--dat een bijenkorf, +behalve de massa van zijn werksters, één enkele groote, heerschende +bij inhield, voorbeeld van het door God begenadigde koningschap; +hoe anders zou in Egypte de bij verkoren zijn geworden om in de +hieroglyphische symbolen het koningschap te verbeelden? + +Maar niet alléén binnen de grenzen der historische tijden, het zij dan +ook in een nóg zoo ver verleden, vindt men de bewijzen besloten van +het bestaan der bijenteelt, of tenminste van het gebruik van honing +en was door den mensch in zijn dagelijksch leven. Men kan teruggaan +tot zelfs het Bronstijdperk toe, om de zekere bewijzen te vinden, +dat was werd gebruikt bij het vervaardigen van wapenen en sieraden. + +Men maakte een model van het voorwerp in een brandbare stof; dit +legde men in een bed van klei waaruit men dan het model wegbrandde, +en eindelijk vulde men den dus verkregen vorm met het gesmolten +metaal. Zonder twijfel werden in veel gevallen deze vormen in hout +gesneden; maar het is eveneens zeker dat ook een smijige stof dikwijls +gebruikt werd. Er zijn bronzen sieraden gevonden met de indrukken van +duimen er nog op, blijkbaar toevallige indrukken in het oorspronkelijke +model, nauwkeurig overgebracht op het metaal. En de grondstof, voor +deze modellen gebruikt, kon nauwelijks iets anders zijn geweest +dan bijenwas. + +Maar onze vermoedens omtrent den waarschijnlijken ouderdom van de +bijenteelt behoeven hier nog niet te eindigen. De betrouwbaarste +deskundigen beweren, dat men het levenstijdperk van den mensch op aarde +wel op 100.000 jaar kan schatten. De oudste sporen van den mensch, ver +in den schemer der fossiele tijden, toonen hem ons, als een vechtend en +jagend dier, waarin nog geen neiging ontwikkeld was tot landontginnen +of het temmen van de dieren uit zijne omgeving voor eigen en huiselijk +nut. Het blijkt, dat hij later in het Steentijdperk--eene periode +die toch nog oneindig ver achter ons ligt--verschillende dieren, +als os, schaap, en geit, tam maakte en in afgeperkte terreinen hield +om ze te slachten tot zijn voedsel, in plaats van steeds zwervend +te jagen op wild gedierte. In dezen zelfden tijd vindt men ook, +dat hij koren zaaide en zelfs een soort van brood bakte. Men moet +bedenken, dat, wanneer men honderd duizend jaar stelt als de grens +van het menschelijk leven op aarde, de ontwikkeling van andere +levende wezens en ook de meeste plantenvormen, onmetelijke tijden +vroeger was begonnen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de wereld van +boomen en bloeiende planten, waarin de oorspronkelijke mensch zich +bewoog, niet bijzonder sterk afweek van de groene wereld, die het +menschelijk leven in onzen tijd omgeeft. Het is zeker, dat de appel, +de peer, framboos, braam en pruim gewone vruchten waren in de latere +steenperiode; want van die alle zijn er zaden gevonden in verband met +neolithische overblijfselen. Bewijzen voor het bestaan van beuk en +iep--de laatste een geweldige stuifmeelverspreider--zijn al in een +veel vroeger tijdperk gevonden. Alle voorwaarden ten gunste van een +insektenwereld moeten al bestaan hebben lang voordat de mensch zich +vertoonde; en zonder twijfel had toen het insektenleven al een hooge +ontwikkeling bereikt. Het zou dus even weinig zin hebben te beweren, +dat de honingbij niet op aarde aanwezig was met haar voorraad zoete +spijs voor den mensch, als dat de mensch niet spoedig dien voorraad +ontdekt had, en er zijn dagelijksch werk van was gaan maken dien op +te zoeken; juist zooals hij er dag aan dag op uitging om te jagen en +viervoetig wild te schieten. + +Natuurlijk is er een groot verschil tusschen het ergens vinden van +een wilde-bijennest als verwachte mogelijkheid bij het opsporen +van het dagelijksch voedsel, en het gevestigd "houden" van bijen +als voedingsbron. + +Terwijl er reden is om aan te nemen, dat de eerste menschen de honing +gebruikten als deel van hun dagelijksch dieet, kan men rekenen, dat +deze menschen een zwervend ras waren, zich nooit lang in dezelfde +streek ophielden, en dus geen bijenhouders konden zijn in den gewonen +zin. Zij hingen af van de hoeveelheid wilde honing, die zij tijdelijk +in hun omgeving vonden. + +Maar het eerste teeken van beschaving moet zijn geweest, het gradueel +verminderen van dat nomadisch instinkt. Er zullen stammen zijn gekomen, +die stukken land, rijk aan wild, aan ooft, aan eetbare wortels etc. in +duurzaam bezit namen. En terzelfder tijd zullen de woonplaatsen van +wilde bijen gevonden zijn; hun vijanden werden verjaagd of geweerd, +de plaatsen waar de zwermen zich jaarlijks vestigden geregeld +opgemerkt en onthouden, en dus zou de eerste ijmkerij gevestigd zijn, +waarschijnlijk lang vóórdat er sprake was van grondontginning of het +temmen van wilde dieren tot huisdieren. + +Gewoonlijk wordt door de biologen als oudste menschelijk bedrijf de +jacht aangenomen; maar hun bekende deduktieve methode toepassend +zal men er mogelijk eerder toekomen, de bijenteelt als zoodanig +te beschouwen. Voor de eerste jagers moet het neerleggen van het +wild een groot bezwaar geweest zijn, en nog grooter weer schijnt de +moeilijkheid het te vatten, wanneer het gewond was, en toch nog in +staat te ontkomen. Voor dit doel was, in dien vóórtijd, een dier, +vlugger en slimmer dan zijn meester, nog noodiger dan later na de +uitvinding der vuurwapenen. Er is van geen elementaire beschaving in +de geschiedenis van den mensch gebleken zonder een zekere aanduiding, +dat hij toen al eenig soort van hond had tam gemaakt en afgericht +om hem bij het opsporen van zijn dagelijksch voedsel behulpzaam te +zijn. Maar de mensch moet al heel lang bestaan hebben, zonder dat +beschaving nog in eeuwen voor hem bereikbaar was. En in die tijden zal +hij, omringd van tegenstanders als hij was, zijn hut wel, als een nest, +in een hoogen, moeilijk aan te randen boom gemaakt hebben, buiten het +bereik van in den nacht aansluipende vijanden; en het is niet denkbaar, +dat in die omstandigheden de hond zijn metgezel was. Waarschijnlijk +dat hij toen in hoofdzaak van vruchten en honing leefde, en van de +kleinere dieren die hij in staat was met zijn handen te vangen. Dus zou +de eerste jager een bijenjager geweest kunnen zijn. De neolithische +mensch had denkelijk zijn eigen omgeving van rotsen of groepen van +holle boomen, waar de wilde bijen huisden; en met den komenden zomer +volgde hij wel zijn zwermen in de lichtingen der oerwouden, even +ijverig als de ijmker van deze tijden de gangen van zijn volken nagaat. + +Dergelijke beschouwingen zijn uitteraard fantastisch en vèr gezocht, +en in het geval van een klein en onaanzienlijk schepsel als de bij, +kunnen zij maar half ernstig zijn. Toch, uit een bijzonder en vrij +ongewoon gezichtspunt gezien, zijn zij belangrijk. + +Er is geen aantrekkelijker studie dan die van de oudste beschavingen: +van Egypte 10.000 jaar geleden, van Babylon waarschijnlijk nog +vroeger, en China, dat al eeuwen vóór Abraham's tijd schijnt te zijn +staan gebleven in absolute volmaaktheid wat onbelangrijke dingen +betreft. Toch is dit alles nog paddestoelengroei, vergeleken bij den +ouderdom en de ontwikkeling der bijenmaatschappij. Het is maar een +verhaal uit Liliput, de geschiedenis van een mikroskopisch volkje, +levend en handelend op een eigen tooneeltje. En toch, misschien +tienduizenden van jaren vóór dat de mensch voor het eerst vuur +gemaakt had, of van een stuk steen een bijl had gehakt, was bij +deze gevleugelde volken al een volmaakt levensstelsel ontwikkeld, +en waren daar maatschappelijke vraagstukken opgelost, die nu in de +twintigste eeuw pas beginnen den horizon van het menschelijk bestaan +te omnevelen. Maar zij, met hun samengestelde gemeenschappelijke +staatsinrichting zijn niet vervallen en vergaan, zooals het lot was +van de groote menschenvolkeren der oudheid, en, wie weet, misschien +zal wezen van die van heden. + +Zal de tijd komen, dat wij geen andere keus hebben, dan te leeren +van de honingbij, of te vergaan? Wij hebben misschien nog een paar +duizend jaren om daarover na te denken en ons voor te bereiden; +maar wanneer niet de wereld aan een eind komt, of de vermeerdering +van het menschengeslacht ophoudt, zal zeker ééne aarde ons +niet meer allen te zamen kunnen bevatten. Zoo men het leven der +bijen en hunne instellingen van uit dit standpunt bestudeert, +dan krijgen deze een geheel nieuw en belangrijk aanzien. Gesteld, +dat de staathuishoudkunde van den bijenkorf het voorland is van de +menschenmaatschappij, dan valt het niet te ontkennen, dat dit een +inzicht geeft in een hoogst verontrustenden toestand, ten minste +van het mannelijk gezichtspunt. Wij zien hier de triomf van het +matriarchaat [1]. Het vrouwelijk element heeft de opperste leiding in +de staatsaangelegenheden, en neemt niet alleen het initiatief tot alle +voorschriften betreffende het publieke leven; maar alle publieke werken +worden ook door haar ontworpen en uitgevoerd. Het mannelijk element +wordt teruggebracht tot den éénen noodzakelijken sexueelen plicht, en +dit nog maar voor één enkelen keer en toegestaan aan slechts weinigen +uit de duizend. Om nu het groot en blijvend leger werkers samen te +stellen, dat zulk een staat zou eischen, en dit uit enkel vrouwelijke +exemplaren te rekruteeren, was het noodig alle levenswetten van den +grond af te hervormen. En een krachtig besluit tot onthouding moet er +van de bijen, zoowel mannelijke als vrouwelijke, zijn uitgegaan, toen +de geheele plicht der voortplanting van hun soort werd toegewezen aan +slechts één enkel paar--één paar op ongeveer dertig duizend--zóódat +de rest zich uitsluitend en onafgebroken kon wijden aan den door geen +sexualisme gestoorden arbeid. + +Dit kan gevolgd zijn op een zéér bijzondere ontdekking, een ontdekking +die diep ingrijpende veranderingen bracht in het bijenleven en +zijn toekomst--de ondervinding namelijk, dat de jonge larve van +de vrouwelijke bij, door bijzondere voeding en verpleging, tot +een sekselooze, òverintelligente werkster kon vervormd worden, +of anders tot een wezen gemaakt, dat bij een volslagen gemis aan +ondernemingsgeest of intellektueele eigenschappen een lichaam zou +bezitten, dat haar tot moeder kon verheffen van een geheel volk. Dit +is wel de socialistische economie tot in haar uiterst strenge +konsekwentiën doorgevoerd. Alles opgeofferd aan het welzijn van +den staat. Het individu is niets, het ras is alles. "Wat ge doet, +doe het goed" is het motto van de honingbij, en zij brengt elke +theorie in praktijk tot de uiterste grens. De menschen noemen zich +gaarne bijen-meesters; maar de besten hunner kunnen niet meer doen, +dan de gangen der bijen na te gaan, te leeren in welke richting +hun bewegen is, en dan voor hen den weg te effenen. De massa der +werkbijen, kollektief genomen, zijn de hersenen in de onderneming, +en de bijenhouder is evenzeer de slaaf van de voorwaarden en wetten, +door haar ingesteld, als zijzelven het zijn; terwijl de koningin de +gewilligste, en op gezette tijden, de werkzaamste slavin is van allen. + +Het is nutteloos te ontkennen, dat de inrichting van den bijenstaat +met haar strenge sluitrekening van vernuft, haar meedoogenloos +vasthouden aan de eischen van een systeem dat door eeuwen en eeuwen +heen tot zulk een volmaking gebracht is, hare onaangename en zelfs +stuitende kanten heeft. De natuur is altijd vol wonderen maar niet +altijd bewonderenswaard, en een nauwlettende studie van het leven +in den bijenkorf brengt die waarheid misschien duidelijker aan het +licht, dan die van eenigen anderen levensvorm, den menschelijken +niet uitgesloten. Streng doorgevoerd communisme sluit dikwijls +wreedheid in: alleen onder een systeem van onderlinge overeenkomst, van +vriendschappelijk geven en nemen, kunnen recht en barmhartigheid samen +gaan. In de bijenmaatschappij heeft alléén recht van bestaan, wat het +geheel dient, en het algemeen welzijn niet schaden kan. Ieder individu +in den korf schijnt met dit algemeen beginsel in te stemmen--òf bij +keuze òf door dwang--van de moederbij tot den laatsten luien dar, +geboren in de korte weelde van den vollen zomertijd. Op 't hoogst +van het zomerseizoen vraagt de Staat een tot den nok gevulde +voorraadschuur; en alle bijen werken daaraan mee, onafgebroken +zonder rust, tot de dood door overwerk haar soms overvalt, zoodat +de laatste vracht den korf niet meer bereikt. Als de koningin oud +wordt, of als zij vóór den tijd haar vruchtbaarheid verliest, wordt +zij meedoogenloos geslacht, en haar plaats wordt ingenomen door eene +andere, die bij haar leven en onder haar oogen door de werksters wordt +opgevoed, met het doel om in zulk een geval te kunnen dienen. De darren +worden overvloedig gevoederd, voorzien van wat de korf het lekkerste +en fijnste oplevert; het wordt hun toegestaan ongehinderd door hun +dagen van onverzadelijken honger te luieren en te genieten, opdat geen +jonge koningin ongepaard haar bruidsvlucht zal volbrengen. Maar als de +laatste prinses haar maat gevonden heeft en weer veilig en warm in de +haar wachtende cel is opgeborgen, dan worden alle darren hardvochtig +ter dood gebracht of buiten den korf gedreven om te sterven. Als +slechte tijden dreigen, of de voorraadtoevoer vermindert, dan worden +de oude en zwakke werksters uitgeroeid, het telen houdt op, en het +ongeboren broed wordt uit de wieg-cellen gerukt en vernietigd, zoodat +er zoo weinig mogelijk monden te vullen zullen zijn in de komende +magere dagen. De teekenen van ophanden zijnden nood en voorspoed worden +bespied, en de vermeerdering of vermindering van de werkende bevolking +van den korf wordt geregeld naar toekomstige waarschijnlijkheden. + +Maar het meest verbijsterende en griezeligste in die bijenrepubliek is +het feit, dat hier met goed gevolg het vraagstuk van het evenwicht der +geslachten is opgelost. Terwijl alle andere wezens op aarde, hun soort, +mannelijk en vrouwelijk, voorttelen, als het ware op goed geluk af, +weten deze geheimzinnige korfbewoners hun koningin zoons of dochters +te doen baren, al naar de gemeenschap ze noodig heeft. Zij voeren +haar naar cellen voor de darren, en aanstonds legt ze eieren, die +onfeilbaar niets dan darren opleveren; en in de raten, bijzonderlijk +bestemd om er de verworden vrouwtjes, de werkbijen, in te kweeken, +wordt de koningin gedwongen eieren te leggen, die even zeker niets +te voorschijn brengen dan werkbijen. + +Deze merkwaardige republiek van het bijenvolk vertegenwoordigt +de oudste beschaving op aarde, en het kan zijn nut hebben, die te +beschouwen in het licht van denkbeelden, die nu nog maar hier en daar +onzeker opflikkeren op het vèrliggende pad der toekomst; maar mogelijk +ééns zullen uitbreken in lichte laaie. Men kan zich voorstellen, dat er +een tijd was, dat de verhoudingen in het bijenleven zéér verschillend +waren van wat wij nu opmerken. De bijen hebben zich saâmgetrokken +in uitgebreide gemeenschappen, juist zooals de menschen langzaam +maar zeker zich bijeentrekken in de steden. Er zou een tijd kunnen +komen waarin het leven buiten de stad voor menschen even onmogelijk +wordt als het nu voor afgezonderde bijenfamilies buiten den korf is; +en dan kan er een zuiver mannelijk dilemma ontstaan. Het is mogelijk, +dat de schitterende dar ééns een belangrijke plaats in de huishouding +innam. Het leven der bijen was er toen misschien een van talrijke +kleine gezinnen, waarvan elk zijn gewichtigen, sonoor gonzenden vader +had en zijn vruchtbare moeder, en waar een talrijk kroost opgroeide, +dat later een eigen thuis ging vestigen. Er is geen reden waarom ieder +van de dertig of veertig duizend ingeknepen maagden, in een korf, +niet een volkomen ontwikkelde vruchtbare koningin zou zijn geworden, +als haar maar het juiste voedsel in voldoende hoeveelheid gegeven +was in haar larfperiode. Maar de nood steeg in de gemeenschap; toen +werd het stelsel van de ééne nationale moeder ingevoerd en daarmede +de akte van onthouding geteekend, wat er ook van komen mocht. En voor +het mannelijk element begon nu de ellende. + +Men moet wel begrijpen, dat strikt genomen de honingbij geen angel +heeft of had. Wat bij haar de angel genoemd wordt is in werkelijkheid +de legboor, en als zoodanig wordt hij bijna uitsluitend gebruikt door +de hedendaagsche bijenkoningin in iederen korf. Maar toen door middel +van de hongerkuur de eerste horden van werkbijen werden gekweekt, +en inéén gekrompen tot niet veel anders dan geslachtlooze zenuwen +en hersenen, schijnen zij een vreeselijke wraak te hebben genomen op +hun voorvaderen. + +De nuttelooze legboor verkeerde in een geducht wapen, waartegen +de prachtige wapenrusting van den dar, zijn woede en vervaarlijk +gonzen, niets konden uitrichten. Het matriarchaat werd ingesteld +bij middel van de punt van het zwaard. Meedoogenlooze logica werd +tot àlheerscheres. En nu werd het zonnig daglicht verduisterd, +door het afsluiten van al de blijde bijkanten van het leven: wijn, +dans, lichte scherts en het lustig dolen op zijpaden, zoo geliefd +bij alle darren, bijen of menschen. Daar tegenover niet anders dan: +meer honing, een grooter voorraadschuur boordevol met het zoet, dat +nooit geproefd zal worden. En dat alles tot welk een prijs!--terwijl +de oude provisiekast voldoende zou zijn geweest voor alle werkelijke +behoeften. Het leven was dan blij en gemakkelijk gebleven! + +Dit is maar een fabel, ver gezocht als eenige die den kalif verteld +werd in den "1001 Nacht." Maar dáár had ook de vrouw haar zin als +vroeger de bijenvrouw; en mogelijk komt de dag dat zij nòg meer +verovert en op grooter schaal. Hoe dan met het zwaard dat ééns +naainaald was?! + + + + + + +HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ + + + "Sommigen zeggen, dat het hun Instinkt is, en daar leggen zij + zich bij neer en laten verder het vraagstuk rusten. + + "Maar ik geloof, dat God meer van ons verlangt, dan dat wij voor + de dingen namen bedenken en ze dan verder met rust laten"-- + + A. I. Root. + + + + + + +HOOFDSTUK I + +DE HONINGBIJ EN DE OUDE SCHRIJVERS. + + + "Terwijl de groote Cesar gelijk een bliksem, + omhoog aan den Eufraat + oorloogde ............ + te dien tijde voedde het aangename + Parthenope mij, Vergilius, die + in d'oefeninge van een onvermaarde + ledigheid groeide ........ + + (Vergilius--Vondel, Georgica IV) + + +In Napels--het Parthenope van de Ouden--werd "het beste boek door den +besten dichter" geschreven, bijna tweeduizend jaar geleden. Want daar +verkoos Vergilius, de hoofsche, de uiterst verfijnde, maar tevens vóór +alles, de apostel van het "Eenvoudige Leven," een vredig buitenbestaan +te leiden tusschen zijn citroenbosschen en met zijn bijenkorven. Zoo +wilde hij het, terwijl hij toch had kunnen verkeeren in het brandpunt +van glorie en eer, in de hoofdstad der Romeinen; want daar hield +zijn vriend en begunstiger Maecenas, eerste minister van Octavianus, +open hof voor al wat groot was in letteren en kunst. + +Door de moderne bijenhouders, tuk op Amerikanisatie, wordt tegenwoordig +weinig acht geslagen op de geschriften van den man door Bacon genoemd: +"de meest zuivere en de meest prinselijke van alle dichters, die +sedert menschenheugenis geleefd hebben." + +En toch, wanneer er gevraagd zou worden: "welk boek geeft men best +het eerst den leerling-ijmker in handen?" dan kan men geen beter +keuze doen dan juist dat vierde boek van de Georgica. + +Want Vergilius treft onmiddellijk het hart van de zaak, dat nu nog +hetzelfde is als tweeduizend jaar geleden: de bijenhouder moet in de +eerste plaats voor bijen voelen, of hij zal nooit slagen. + +En Vergilius' liefde voor zijn bijen doorglanst het geheele boek van +het begin tot het eind. Het is natuurlijk dat bij een schrijver, die +nog zoo doortrokken is van Grieksche invloeden, men verwachten moet in +zijn werk een getrouwe weergave te vinden van de meeste dwalingen, die +ongeveer driehonderd jaar te voren door Aristoteles onsterfelijk waren +gemaakt. Maar juist dáárdoor komt de groote waarde van het boek weer +naar voren. In die rijke zetting van dichterlijke verbeelding, in die +bekoorlijke mythologische omlijsting, voelen wij toch onfeilbaar het +beeld van den bijenvriend, die uit de schatten put van eigen ervaring, +en zijn kennis uit de eerste hand vergaarde bij zijn eigen bijen. + +Vergilius wist alles wat oogen en ooren hem van het leven der +bijen konden vertellen, en hij berichtte er van met liefde. Alléén +in de laatste tweehonderd jaar is er nu en dan nog eenig nieuw +feit toegevoegd aan wat Vergilius verzameld had. Al de schrijvers +over bijenteelt van de eerste tijden af tot in de achttiende eeuw, +hebben weinig anders gedaan dan de fantastische dwalingen der oude +"bijenvaders" van hand tot hand overreiken, behalve dat zij er nog van +hun eigen fantasterijen bijvoegden. En tot op den tijd, dat Schirach +zijn kleine schaar van geduldige onderzoekers van de bijenwereld bijeen +had gebracht, ongeveer honderd jaar geleden, was Vergilius' vierde +boek van de Georgica--als practische gids voor bijenkweekers--nog +haast even goed ingelicht en op de hoogte als éénig andere. + +Toch is het niet in hoofdzaak om zijn technische waarde, dat het +boek zoo warm is aan te bevelen aan de hedendaagsche leerlingen in 't +bijenvak. Dat alles is al hopeloos ouderwetsch sedert het uitsterven +van den ouden strookorf bij de vorige generatie. De innerlijke waarde +van Vergilius' werk ligt in de poëtische en romantische sfeer die, nu +als vroeger, niet af te scheiden is van een bedrijf, dat waarschijnlijk +het oudste in de wereld is. Van alle landelijke werkzaamheden in onze +dagen kan alleen de bijenkultuur zijn bekoorlijk oud aroma behouden en +toch produktief blijven. En als de moderne richting, die op weg is ook +van de bijenteelt een nuchter transatlantisch bedrijf te maken, ergens +door gestuit kan worden, dan zal zeker het inprenten van Vergilius' +mooie wijsgeerigheid daar meer dan iets anders toe bijdragen. + +Wanneer wij ons verdiepen in dit boeiend gedicht, dit aantrekkelijk +mengsel van met zorg geboekte feiten, rijke verbeelding en aardige, +bijeengeraapte verhalen, toen bekend, nu geheel verloren in den chaos +der eeuwen, dan kunnen wij in onzen geest het beeld terugroepen van +Vergilius' landgoed bij het "liefelijk Parthenope," waar hij zich +verpoosde en peinsde, en de vlekkelooze hexameters van de Georgica +wrocht, met zooveel zorg en moeite, dat hij voor het werk zeven jaar +noodig had--nog niet ééns één regel per dag. + +Vergilius' huis stond waarschijnlijk op de houtrijke helling boven de +stad Napels, midden tusschen sinaasappelbosschen en citroenplantages, +met het volle gezicht naar het Noorden op de Apenijnen en hun +sneeuwtoppen, en naar het Zuiden op den blauwen golf. De Vesuvius met +zijn eeuwig dreigement van grijze rookwolken stond donker uit in de +morgenzon, weinige mijlen ver; en de ten ondergang gedoemde steden +Herculanum en Pompeïi aan zijn voet, hadden nog een honderd jaar van +bezig leven voor zich. + +De bijenkorven in Vergilius' tijd--wij kunnen dat opmerken op +sommige nog bestaande oud-Romeinsche bas-reliefs,--waren van een +koepel-vormig model dat in een punt uitliep, en zij waren gemaakt +van aaneengenaaide boomschors of gevlochten van wilgenrijs, +zooals hij zelf vertelt. Sommige van zijn aanwijzingen, wat hun +plaatsing en omgeving betreft, zijn nog gulden regelen voor ieder +bijenhouder. "Het bijenpark," zegt hij, "moet beschut zijn voor den +wind en ontoegankelijk voor schapen of stootende geiten, die de +bloemen zouden vertrappen. Er moeten boomen in de nabijheid zijn +om hun koele schaduw, en ook om als rustplaats te strekken als de +nieuw gekroonde Koningen hun éérste zwermen uitleiden in het lieve +voorjaar." Hij zegt ons, de korven dicht bij water te plaatsen, +"of waar een vlug beekje zich door het gras spoedt;" en in het water +moeten wij "groote kiezelsteenen" leggen en "wilgentakken kruiswijs, +dat de bijen, wanneer zij drinken, bruggen hebben om op te staan, +en hun vleugeltjes kunnen uitspreiden in de zomerzon." + +Vergilius' methode voor het opvangen van een zwerm is nagenoeg nog +dezelfde als de hedendaagsche, door ouderwetsche bijenhouders in +praktijk gebracht. "De korf wordt ingewreven met fijn gemaakte +blaadjes van Melissa en wasbloempjes, en ge moet een getinkel +maken en de cymbalen van de Moeder"--dat is de Godin Cybele--"tegen +elkaar slaan. Dan zullen de bijen dadelijk opkomen," zegt hij, "en +de gereedstaande woning betrekken. Wanneer ge den honing-oogst in +bezit gaat nemen, moet ge eerst uw kleeren besprenkelen en uw adem +reinigen met zuiver water, en daarna pas de korven naderen, in uw +hand de opjagende rook houdende." En de ouderwetsche bijenhouder in +dezen tijd neemt nog, zooals zijn ritus het wil, zijn potje bier en +gaat zich wasschen vóórdat hij de korven aanraakt. + +Maar misschien ligt toch de sterke bekoring van het vierde boek van +de Georgica niet juist daarin, dat het zoo van nabij de waarheid van +het bijenleven raakt; maar eerder nog in de mooie oude mythen, die +er doorheen gevlochten zijn, en de haast niet minder aantrekkelijke +dwalingen van vervlogen tijden, die de middeneeuwsche schrijvers zoo +getrouw naverteld hebben. Maar de aspirant-ijmker van dezen tijd zal +er niet licht meer van hooren, tenzij hij die oude boeken opslaat. + +Vergilius begint zijn gedicht met te spreken van de honing, "hemelsche +gave, uit den aether ontvangen" daarmee zinspelende op het oude geloof, +dat de nektar in de bloemen niet door de plant zelf werd afgescheiden, +maar als manna uit de lucht viel. Hij waarschuwt zijn lezers ernstig +voor de slechte gevolgen van een echo op de bewoners der korven en +voor de gevaarlijke eigenschappen van verbrande kreeftenschalen; +en hij vertelt ons, dat bij winderig weêr de bijen kleine steentjes +meedragen als tegenwicht, "zooals de wankele scheepjes zand-ballast +innemen op de schokkende golven." + +Hij had een vast geloof in den goddelijken oorsprong der bijen. Want +voor alle volkeren der oudheid was de bij een eeuwig wonder; +het teeken van een almachtigen Wil, in de bloemenvelden gewekt, +zooals voor de moderne vromen de regenboog als teeken van dien +goddelijken wil in den hemel gezet is. Terwijl alle wezens op aarde +hun soort voortplantten door vereeniging der geslachten, schenen +deze geheimzinnige gevleugelde volken van die algemeene wet te zijn +ontheven. En Vergilius, copieerende van veel oudere schrijvers, zegt: +"zij kennen niet de vreugde van lichamelijke vereeniging, noch kennen +zij het versmachten in liefde, of brengen zij in lijden hun jongen +ter wereld; maar zij roepen met hun mond hun kinderen op bladeren en +zoetriekende kruiden, en maken zoo hun getal van jeugdige burgers vol." + +Even wonderlijk--tenminste voor moderne insektenkenners--schijnt het +onder de ouden wijdverbreide geloof, dat bijenzwermen willekeurig +kunnen gekweekt worden uit het rottend karkas van een os. Vergilius +beweert dit vermeld te hebben gevonden in een oude Egyptische legende, +en hij geeft zorgvuldige wenken aan bijenhouders, hoe zij deze, voor +hem ontwijfelbaar zekere, methode om een bijenvolk te verkrijgen +hebben toe te passen, die ik hier laat volgen: [2] + + + "Men kiest eerst luttel erfs, om 't werrek te voltrekken + En past dit met wat daks van pannen t'overdekken; + Met eenen nauwen wand te sluiten dit gesticht, + Waarin vier vensters naar vier winden haar gezicht + De zon toekeeren, die hier heet komt innestralen. + Dan past men eenen stier, twee jaren oud, te halen + Wiens horens krommen. Dan de neuslucht met geweld + Gestopt, den muil de lucht benomen, hem geveld + Met stokken, dat hij sterf, die nog een weinig lilde. + 't Gepletterde ingewand dan over d' ongevilde + En rauwe huid gespreid van dezen dooden stier, + Dan versche kassiegeur geslingerd onder 't dier + En thijm, en telg bij telg, gebroken van die heggen. + Zoo laten ze in die plaats den stier besloten leggen. + Dit wordt beschikt, wanneer de westenwind eerst speelt, + En met zijn adem in 't begin het water streelt, + Eer nog de beemd beginn' te bloeien, versch bewaterd, + De zwaluw 't broeinest welve' en onder 't rietdak snatert. + Terwijl 't gekneusd gebeent en warme bloed geraakt + Aan 't broeien, schijnt het of een vreemd gediert genaakt + En grimmelt ondereen: Men ziet eerst groote beenen, + Hoort veders snorren en zich mengen, en met éénen + Besteigeren ze allengs de hoogten in de lucht, + Totdat zij endelijk, gelijk een zomervlucht + En vlaag uit eene wolke uitspatten voor elks oogen, + Of als een lichte pijl uit Persiaansche bogen + Omhoog vliegt als de Parth nu toestreeft met den schicht." + + +Voor een studie over het hardnekkig vasthouden aan dwalingen is dit +dankbaar materiaal. In de eerste plaats is het ontstaan van bijen uit +rottende stoffen een onmogelijkheid en moet dit altijd geweest zijn. Er +is niets wat bijen zoozéér verafschuwen als alle soort van aas. Ja, +zelfs de lucht van rottende stoffen zal heel dikwijls een bijenstand +dwingen hun korven voor goed te verlaten, en het is dus uitgesloten, +dat zij zich ooit in de buurt zouden wagen van Vergilius' onwelriekend +proefmateriaal en daardoor den indruk maken er ontstaan te zijn. Maar +niet alleen, dat deze methode erkend en gevolgd werd, in Vergilius' +tijd; tot zelfs aan het eind der middeleeuwen werd er vast in geloofd; +ja zelfs tot wèl in de 17e eeuw. Er wordt zelfs vermeld, dat de proef +met volmaakt goed gevolg was genomen door een zekeren heer Carew van +Anthony in Cornwallis, in een nog veel later tijd. + +En deze praktijk was van een nog veel ouder datum, dan zelfs Vergilius +veronderstelde. Hij zegt, waarschijnlijk terecht, dat zij uit Egypte +stamt, en daarmee telt men dus al duizenden jaren terug. In Egypte +had men op de proef een merkwaardige variant. De os werd in den +grond gegraven, zóó, dat juist de horens er boven uitstaken. Als dan +het geboorteproces was verondersteld te zijn afgeloopen, werden de +punten van de horens afgezaagd en dan beweerde men, dat de bijen er uit +kwamen dringen als uit twee schoorsteenen. Bijna al de oude schrijvers, +met uitzondering van Aristoteles, maken in een of anderen vorm gewag +van deze methode. Varro, die een halve eeuw voor Vergilius schreef, +zegt: "uit rottende ossen worden de bijen, de moeders van den honing, +geboren." Ovidius geeft de geschiedenis van den Egyptischen herder +Aristueus, die naar hij zegt door Vergilius was uitgewerkt, en hij +voegt er een paar beschouwingen van zichzelf bij. Hij veronderstelt, +dat de ziel van den os is overgegaan in ontelbare bijenzielen, als +een straf voor den os, die zijn leven lang zoo jammerlijk onder de +bloemen en kruiden huishield, terwijl de bij een wezen is, dat de +kruiden niet schaden kan, en ze integendeel enkel goed doet. + +Nu is het duidelijk, dat waar een opvatting zoo algemeen verbreid is +en van zooveel onafhankelijke zijden bevestigd wordt, er een verklaring +moet bestaan, die de waarheid geeft en tegelijk de dwaling begrijpelijk +maakt. Een nauwkeurig onderzoek van de verschillende verhalen +betreffende bijenzwermen, op rottende dierlijke bestanddeelen ontstaan, +brengt al één algemeen verzuim aan het licht. Al de schrijvers zijn het +er over eens, dat dichte wolken van bij-achtige insekten uit die rotte +lichamen voortkwamen en zich in de lucht verspreidden, als gingen zij +onmiddellijk op honing uit. Maar geen enkele van die schrijvers noemt +het feit, dat er werkelijk honing door de insekten verzameld is, noch +ook wordt ergens gemeld, dat men ze er toe heeft kunnen bewegen een +korf in bezit te nemen, zooals gewone bijenzwermen heel gemakkelijk +doen. Zij worden meer genoemd als een verrijking van het aantal bijen +in hun omgeving dan als aanwinst voor eenigen bijenhouder. + +En hierin ligt wel zeker de verklaring van het wonder. Indien het niet +de honing-bij was--de Apis mellifica van de moderne naturalisten--die +geteeld werd uit het begraven lichaam van Vergilius' rampzalig +stierkalf, welk ander insekt, zóó sterk op een bij gelijkende, kon +dan wel in die omstandigheden worden voortgebracht? Het antwoord is +gemakkelijk gegeven door verscheidene natuurkenners van onzen tijd. + +Er bestaat een vlieg, de "rotjesvlieg" of "blinde bij," die geheel +aan deze moeilijkheid tegemoet komt. Hij gelijkt zoozeer op de gewone +honingbij, dat hij eens, en niet heel lang geleden nog, voor de +honingbij zelve gehouden werd, door iemand, die zich bijenexpert +noemde, en voorzien was van een diploma, dat hem officieel tot +dien titel bevoegd verklaarde. Deze rotjesvlieg zou zich in alle +opzichten juist zoo gedragen hebben, als Vergilius' uit het kalf +geboren honingbijen heeten zich gedragen te hebben, en geheel in +overeenstemming met de verschillende beschrijvingen van het geval, +door andere schrijvers vóór en nà Vergilius. Zij zouden onmiddellijk +bij het openen van hun gevangenisdeuren in een dichte wolk naar buiten +zijn gedrongen, en zich vroolijk in het open veld verspreid hebben +evenals een zwerm bijen zou doen; en nog eens weer zou Vergilius' +beschrijving van bijenproductie oogenschijnlijk waar gemaakt zijn. + +Maar nu wij zóó ver gekomen zijn met de "blinde bijen," is het +moeilijk niet iets verder te gaan. Wij kunnen hen zoo niet laten +in hun verwerpelijke betrekking tot ossen, in staat van ontbinding; +maar moeten hun ook de eer toekennen waarop zij aanspraak hebben van +eene konnektie van hooger orde: "Spijze ging uit van den Eter; en +zoetigheid ging uit van den Sterke." Toen Samson naar Timnath ging +op zijn noodlottige vrijage en onderweg het karkas zag onder een +wolk van insekten, was hij zonder twijfel in het oprechte geloof, +dat het honingbijen waren; en geheel te goeder trouw gaf hij zijn +raadsel op, waarvan de vorm zeer goed kon aangenomen worden als +een betamelijke en veroorloofde dichterlijke vrijheid. Maar dat de +diertjes, die hij om den dooden leeuw zag zwermen, werkelijk bijen +waren, en dat Samson inderdaad honing kreeg uit het karkas, dat kon +men niet aannemen, dan met een geloof, dat niet te onderscheiden is +van lichtgeloovigheid. Er zijn verscheiden pogingen gedaan om het +vraagstuk langs natuurwetenschappelijken weg op te lossen; maar met +geen enkel overtuigend resultaat. En nu is men er toe gekomen dat +gedeelte van het verhaal, dat betrekking heeft op den honing, voor +een handige opsiering te houden van een lateren kroniekschrijver; +en de insekten, die bij den dooden leeuw huisden, te beschouwen als +in werkelijkheid "blinde bijen," op dezelfde wijze ontstaan als die +uit den os van Vergilius. + +Misschien kan men nergens zoo goed een algemeenen indruk krijgen van +de bijenkennis in de oudheid als uit de geschriften van Plinius, +d. O., die geboren werd in het jaar 23 v. C. Ook hij behandelt de +bijengeboorte uit ossen. Maar de lezer zal het meest geboeid worden +door Plinius' ernstige en nauwgezette beschrijving van het leven en de +eigenschappen van de honingbij zooals dat toen ter tijd algemeen werd +aangenomen. Zeker hebben maar heel weinige van zijn schilderachtige +détails eenigen grond van waarheid. Zooals alle klassieke schrijvers +b.v. had hij even weinig juiste kennis van het leven in de bijenkorven +als wij het leven kennen op den bodem van den Grooten Oceaan. Maar +hij verhielp dit gebrek, zooals al zijn tijdgenooten het deden, door +een ruim gebruik te maken van de schatten uit eigen verbeelding en +uit de verbeelding van anderen geput. + +Zijn verhaal van het ontstaan en den aard van den honing heeft +een eigenaardige bekoring. "Honing," zegt hij, "wordt geboren in +den ether, veelal bij het opgaan der gesternten en bij voorkeur als +Sirius schijnt; maar nooit vóór het opgaan der Plejaden, en dan altijd +even voor het aanbreken van den dag.... Deze vloeistof kan het zweet +zijn van de hemelen, of een speeksel, uitvloeiende van de sterren, +of een afscheiding van den ether die zich zuivert. Ware hij nog maar, +als hij tot ons komt, zoo zuiver helder en onberoerd als toen hij +het eerst zijn nederdaling begon. Maar die val, van zulk een hoogte, +brengt bederf; de uitwasemingen der aarde, die hij ontmoet, tasten +hem aan; hij wordt opgezogen van de boomen en de kruiden der velden, +en verzameld in de magen der bijen; want die geven hem weer terug door +den mond; ook verontreinigd door de sappen der bloemen wordt hij dan in +de korven gebracht en aan zooveel veranderingen onderworpen--en toch +ten spijt van dit alles, geeft hij ons door zijn geurigen smaak een +uitgezochte vreugde, zonder twijfel het gevolg van zijn etherischen +aard en oorsprong." + +Moderne bijenhouders schrijven het verschil in kwaliteit van de +honing tegenwoordig toe aan het overheerschen van goede of slechte +nektarhoudende oogsten, of aan een vermenging met dat venijn voor +de ijmkers: de honingdauw. Maar voor Plinius hangt het geheel af +van den invloed der sterren. Bij het rijzen van sommige gesternten +aan den hemel was de honing slecht, omdat hunne afscheidingen +minderwaardig waren. Honing, die verzameld werd na den opgang van +Sirius, den beroemden honingstèr van alle schrijvers der oudheid, +was onvermijdelijk van goede hoedanigheid. Maar wanneer Sirius in de +hemelen heerschte samen met Venus, Jupiter of Mercurius, was honing +geen honing meer; maar een soort van hemelsch nostrum of medicament, +dat niet alleen kracht had, ziekten van de oogen en ingewanden +te genezen en zweren te heelen, maar zelfs uit den dood het leven +kon terugbrengen. Diezelfde deugd vond men in honing, die na het +verschijnen van een regenboog werd ingezameld, ten minste--zooals +Plinius er zorgzaam bijvoegt, "als er geen regen valt tusschen het +verschijnen van den regenboog en den tijd dat de bijen inzamelen." + +Over het leven van de bijen wijdt Plinius omstandig uit. Hij vertelt +ons van een volk van nijvere wezentjes, geregeerd door een koning +die een witte vlek als een diadeem op zijn voorhoofd draagt. Van +deze Koning-bijen waren er drie soorten--rood, zwart en gespikkeld; +maar de roode stonden het hoogst. + +Hij schijnt, hoewel met eenige terughouding, de oude legende aan +te nemen, dat geslachtsverkeer tusschen de bijen, door goddelijke +tusschenkomst, had opgehouden te bestaan, en veranderd was in een +voortplantingsysteem, dat uit de bloemen zijn oorsprong nam. Hij +spreekt ook van een gangbaar geloof--dat in zijnen tijd wel als +de stoutste ketterij moet hebben geklonken--dat de koning-bij het +eenige mannelijke exemplaar is, en al de rest wijfjes zijn. En met +het bestaan van de darren weet hij ook handig weg: + +"Men zou zeggen: een soort van onvolkomen bij, die het allerlaatst +gevormd wordt; een zwakke poging van uitgeputten ouderdom, een laat +nakroost." + +Strenge tucht heerschte er volgens Plinius in de bijenkorven. Vroeg +in den morgen blies een bij de klaroen om de geheele bevolking +te wekken. Met militaire striktheid werd het dagwerk ingedeeld en +uitgevoerd, en 's avonds vertoonde zich weer 's Konings hoornblazer en +fladderde rond den korf, terzelfder tijd toeterend, even schril als +bij het wekken. Dan was de dagtaak verricht en het werd plotseling +stil in den korf. + +Zijn boek is vol merkwaardige bijzonderheden betreffende het +korfleven. Als inzamelende bijen door den nacht worden overvallen, +dan leggen zij zich op hun rug om hun vleugels te beschutten voor +den dauw, en blijven zoo liggen wachten tot het eerste teeken van +den dageraad; dan vliegen zij weer naar de kolonie terug. Als de +zwermtijd gekomen is, vliegt de Koning-bij niet weg uit den korf, +maar wordt er uit gedragen door zijn gevolg. Plinius waarschuwt de +beginnende ijmkers, dat zij hun korven niet in het klankbereik van +een echo moeten plaatsen, daar dit voor bijen zéér schadelijk is; +maar hij voegt er bij, dat handgeklap en het getintel van metaal hun +een bijzonder genoegen geeft. Hij schrijft hun een langdurig leven +toe; sommigen leven wel zeven jaar. Maar de korven moeten buiten +het bereik van kikvorschen geplaatst worden, die de hebbelijkheid +bezitten van in de korven te ademen, wat een groote sterfte onder de +bewoners veroorzaakt. Als bijen kunstmatig voedsel noodig hebben, +geeft men ze rozijnen of gedroogde vijgen, tot moes gestampt, +gekoorde wol in wijn gedrenkt, de honingdrank hydromels, of rauw +hoendervleesch. "Was," zegt Plinius, "reinigt men het best, door ze +eerst in zeewater te koken en dan in den maneschijn te drogen om ze +goed wit te krijgen." Boosdoeners worden gewaarschuwd tegen het naderen +van bijenkorven of bijen, ten allen tijd. "Want," verzekert hij ons, +"bijen hebben een bijzonderen afkeer van dieven." + +Voor den praktischen ijmker van later tijden lijken al deze +bijzonderheden, door de klassieke schrijvers vermeld, niet anders +dan nutteloos en verwarrend gebazel; en men verwondert zich, hoe de +bijen het rooiden, dat zij nog bleven bestaan onder zulk een verfijnd +gekompliceerde, slechte behandeling: een mengsel van onwetenheid en +nauwelijks een enkel vastgesteld feit. Toch staat het vast, dat de +bijenteelt, twee duizend jaar geleden, in waarheid een zeer uitgebreid +en belangrijk bedrijf was. Varro vermeldt een bijenstand, die jaarlijks +vijfduizend pond honing opbracht, terwijl de jaarlijksche inkomsten +van een anderen de som van zesduizend sestercen bedroeg. De grootste +honingopbrengst, volgens Plinius, gaven Kreta, Cyprus en de kust van +Noord-Afrika. Sicilië was beroemd om de kwaliteit van zijn bijenwas; +maar Corsica leverde die toch in de grootste hoeveelheid. Toen het +eiland door de Romeinen werd onderworpen was de jaarlijksche schatting, +die het opbracht, naar men zegt, tweehonderd duizend pond was. Maar +dit is zulk een fabelachtig cijfer dat men het slechts aarzelend +kan aannemen. + +Blijkbaar deden de bijen in de oude tijden hun zaken goed, ondanks de +onwetendheid van hunne meesters, of tenminste van de oude schrijvers +de Re Rustica. [3] Men moet echter steeds bedenken, dat zij, die +over landbouw en dergelijke onderwerpen schreven, zelden menschen +van de praktijk waren. Met misschien de enkele uitzonderingen +van Vergilius' Georgica, zijn deze geschriften klaarblijkelijk +voor het grootste gedeelte compilaties uit nog oudere schrijvers, +en verder een samenraapsel van praatjes en verhalen, in dien tijd +in omloop. En het is zeker, dat degenen, die in waarheid hun werk +maakten van bijenteelt, en er het meest van wisten, er in 't geheel +niet over schreven. Waarschijnlijk hielden zij zich met mythen en +fabels betreffende hun vak niet op, en hadden hun voorspoed te danken +aan de strenge dagelijksche praktijk en ondervinding, zeker ook nu +nog de betrouwbaarste, en eigenlijk éénige gids. + + + + + + +HOOFDSTUK II + +HET HONING-EILAND + + +Als wij alles aannemen, wat de Romeinen tot hun eigen glorie verkondigd +hebben, dan moeten wij gelooven dat hunne zegevierende legioenen +barbaarschheid vonden waar zij kwamen, en daarvoor het zaad der +hoogste beschaving achterlieten--hooge beschaving, volgens den zin, +die dat woord had in die sombere en veelbewogen tijden. + +Maar het is de vraag of het land der Britten, dat Caesar vond, zoo +barbaarsch was als het wordt geschilderd. Wij zijn gewoon Caesar's +schets, van zijn eersten blik op Albion = Eilanban, het Witte Eiland, +zooals de Britten het zelf noemden, te beschouwen als ònzen eersten +blik in de geschiedenis van ons eigen land. Maar dit is in 't geheel +niet waar. De geschiedenis van Brittanje begint met het verhaal +van de eerste reis die de Feniciërs er heen maakten, toen ze, zich +verder wagende dan één van hun onversaagd ras, een landing deden op +de Scilly-Eilanden en de naburige kust van Cornwallis, en vandaar +hun eerste lading tin meenamen. + +En hoe lang dit geleden is? Wie kan het zeggen. De plaats, waar het +fenicische Barat Anac, het Tinland, lag, bleef eeuwen lang een geheim, +naijverig bewaard door deze oude zeevaarders, de eerste zeelieden, +die de wereld kende. Zij waren ervaren stuurlieden, die zich oneindig +ver op zee waagden, zelfs al in Koning Salomon's tijd, en dat was één +duizend jaar vóór de komst van Caesar. Het is zeer waarschijnlijk, +dat zij veelvuldig met de Britten verkeerd hadden, eeuwen vóór dat +de Grieken uitgingen om dit wonderbare tindragende land te zoeken, +en nog langer vóórdat de naam Barat-Anac verbasterd was in het +Brittannia van de Romeinen. En het is nauwelijks te veronderstellen, +dat een volk van zulk een oude beschaving en met zulk een grooten +roep wat kunst en levensverfijning betreft als de Feniciërs--een volk +waarvan zelfs de oude Grieken het letterschrift en de schrijfkunst +geleerd hadden--eeuwen lang in kontakt kon blijven met een volk als +de Britten, van zoo hoogen zin en geestelijke begaafdheid, zonder +van grooten invloed op hun ontwikkeling en beschaving te zijn. + +Want hoog van zin en knap waren de Britten zelfs in die schemerig verre +tijden. Caesar's verhaal, tusschen de regels in gelezen, komt in niets +overeen met de gewone opvatting, dat de Britten niets anders waren dan +een bende wilden, die als zwijnen samenhokten in rieten schuren, en +hun naakte lichamen blauw verfden, om den even barbaarschen gemoederen +van hun vijandige medeëilanders schrik aan te jagen. Wij krijgen een +indruk van een volk op veel hooger trap van ontwikkeling in de kunsten +van oorlog en vrede. Hoogstwaarschijnlijk hulden zij zich in gewone +tijden schilderachtig in de huiden der wilde dieren, die in overvloed +op hun eiland leefden, en alléén in oorlogstijd waren zij naakt +en beschilderd. Uit oude afbeeldingen zijn wij gemeenzaam geworden +met het uiterlijk der matrozen van Drake en Nelson, op dergelijke +wijze ontkleed; en tusschen de blauwe beschildering uit de tijden +der Druïden, en het roode laken en schitterend metaal der bewapening +van onze 19e eeuwsche krijgers ligt dus niet zulk een gapende kloof, +als de afstand der eeuwen zou doen denken. In de kunst der bewapening +deden de Britten niet zoo oneindig ver onder voor de Romeinen, en +wij vernemen dat zij schijnen te hebben uitgemunt in ten minste één +lastig handwerk: het vlechten van velerlei soort van mandenwerk. + +Maar er is een ander getuigenis, behalve dat van Caesar, ten gunste van +de opvatting, dat zij bij lange na geen barbaarsch volk waren. Diodorus +Siculus, een tijdgenoot van Caesar, roemt hun karaktereerlijkheid als +die van de Romeinen zelfs overtreffend, en Tacitus, die een eeuw later +schreef, spreekt van hun bijzonder vlug begrip en hoogen geestelijken +aanleg. Door de zee beschermd als zij waren, nam waarschijnlijk de +oorlog geen groote plaats in hun leven in, en in hoofdzaak waren +zij een landbouwend volk. Het is wel zeker, dat de beschaafde en +ondernemende Feniciërs de kust veel verder oostwaarts bezochten dan +ons bericht wordt, en dus de beschaving bij de Britten aanmerkelijk +verhaast zullen hebben, tenminste wat de stammen in het zuiden betreft. + +Het wordt gezegd--op welke gronden is moeilijk te bepalen--dat de +Romeinen, behalven dat zij de Britten alle andere handwerken en den +landbouw bijbrachten, ook de bijenteelt invoerden in de veroverde +eilanden. Maar Plinius, als hij verhaalt van de reizen van Pytheas, +die verondersteld worden drie honderd jaar gebeurd te zijn vóórdat +Caesar hier een voet gezet had, spreekt er van hoe de aardrijkskundige, +van Marseille in Brittanje landend, het volk daar een drank zag brouwen +uit tarwe en honing. Er is echter een andere bewijsbron op dit punt, +oneindig veel ouder nog dan de hierboven genoemde: Lang voordat de +fenicische zeevaarders hun Tin-eiland ontdekten, waren er barden in +Eilanban--het witte Eiland--die de heldendaden van hunne Veltische +helden bezongen, en de legendarische handelingen van hun ras. Deze +oude, wilde zangen gingen over van bard op bard door de eeuwen heen, +en vele van die oud-Welsche gedichten die nog zijn bewaard gebleven, +moeten van een onnaspeurlijken ouderdom zijn. Zij willen den toestand +van Brittanje beschrijven, beginnend met het allereerste menschelijk +leven dáár. + +In sommige van die zangen nu, die blijkbaar tot de oudsten behooren, +wordt Brittanje het "Honing-eiland" genoemd, om den overvloed van +wilde bijen in de oerwouden. Het zou nutteloos, en bovendien vrij +dwaas zijn, als wij aan deze oude overleveringen grooter beteekenis +hechtten dan hun toekomt. Maar de naam geeft te denken, en wij kunnen +veilig veronderstellen, dat als Brittanje bij de oude Druïdenbarden +bekend was als het "Honing-eiland," de natuurlijke omstandigheden, +die de aanleiding tot dien naam waren, nog wel aanwezig zouden zijn en +terug te vinden in het leven van het volk, dat Caesar zag samenscholen +op de witte rotsen boven zich, een krachtig, rosharig, en krijgshaftig +ras. Hij verhaalt, dat zij hunne kudden van tam vee bezaten en hunne +akkers bebouwden, en men kan met reden veronderstellen, dat de korven +van gevlochten wilgenrijs, waarover Vergilius een eeuw later schreef, +hun tegenhangers hadden in de mandenkorven van den Britschen dorper +uit dien tijd. + +Ongetwijfeld hebben de Romeinen bij hun tweede en blijvende bezetting, +eerst honderd jaar later, den Britten hun eigen methode van bijenteelt +geleerd en verschillende verbeteringen gebracht in de praktijk van +het handwerk, die bij de Britten zeker nog maar hoogst primitief +was. Maar eerst na het vertrek der Romeinen, toen de Angel-Saksische +heerschappij in het eiland gevestigd was, schijnt de bijenkultuur een +erkend nationaal bedrijf te zijn geworden. Van het maatschappelijk +leven uit dien tijd zijn er slechts spaarzame berichten; maar zeker +is het, dat de honing met zijn produkten een belangrijke plaats in +het dieet innam bij alle klassen, hoog en laag. + +Het is voor ons in dezen tijd, nu wij riet- en beetwortelsuiker hebben, +en zelfs chemische verzoetende middelen in voortdurend en algemeen +gebruik zijn, moeilijk te realiseeren, dat van de oudste tijden af tot +de vijftiende en zestiende eeuw, er feitelijk geen andere zoetigheid +was in de heele wereld dan honing; en ons dus voor te stellen wat +een voorname plaats het bijenbedrijf moet hebben ingenomen bij alle +volken. Voor alle mogelijke doeleinden was er enkel maar honing, en +men ziet ze aanhoudend genoemd in de oude kloosterkronieken, en in +de aardige kookboeken, die nog uit de Middeleeuwen zijn overgebleven. + +Wel is waar kan men, wat het suikerriet betreft, teruggaan tot +de eerste eeuw v. C..--Strabo, die juist vóor het begin van de +Christelijke jaartelling schreef, verhaalt hoe Nearchus, vlootvoogd +van Alexander den Groote, een belangrijke ontdekkingsreis maakte +in den Indischen oceaan, en berichten meebracht over een wonderbaar +"honingdragend riet," dat hij bij de inboorlingen had gevonden. Er +wordt ook vermeld, dat de Spanjaarden het suikerriet uit het Oosten +meebrachten en het plantten op Madeira, in het begin van de 15e eeuw; +en van daar breidde zich in deze en de volgende eeuw de kultuur uit +naar West-Indië en Zuid-Amerika. Gedurende de Middeleeuwen was het in +zeer beperkt gebruik bij de rijkste en edelste familiën van Europa; +het had toen Venetië als handels-centrum. Maar suikerriet was alleen +een kostbare luxe in het dieet, of een medicinaal bestanddeel, +zelfs bij de hoogsten in den lande, tot ver in de zeventiende +eeuw; toen begon het langzamerhand den honing uit de volksgunst te +verdringen. Doch het is zeer wel mogelijk dat de middel- en laagste +klassen in Engeland geen ander verzoetingsmiddel dan honing bezaten +en konden betalen, voor welk doel ook, tot ongeveer drie honderd jaar +geleden. Onder de Angel-Saksen voorzagen de bijenkorven het geheele +volk, van den Koning af tot den minsten daglooner, en niet alleen van +voedsel, maar tegelijk ook van drank en licht. Wij lezen hoe op de +Koninklijke feestmalen de Mede werd rondgediend, en hoe die drank in +ieder klooster algemeen werd gebruikt. Zelfs in die oude tijden waren +er herbergen aan de groote wegen, waar men drank kon krijgen, en in +hoofdzaak Meê, hoewel er ook een soort van bier werd gebrouwen. Geen +priester was het echter vergund deze taveernen te bezoeken, maar een +groote opoffering was dat zeker niet, daar hun dagelijksch rantsoen +aan Mede hen rijkelijk voorzag. Ethelwold stond ieder half dozijn +van zijn monniken aan het middagmaal een "sentarium" Mede toe, wat +in onze moderne maat waarschijnlijk gelijk staat met verscheidene +gallons. (1 gallon = 4.5 liter!) + +In de Angel-Saksische tijden werden er drie verschillende dranken +uit honing gebrouwen. De gewoonste, de eigenlijke "Mede," die men +kan beschouwen als den algemeenen drank van de groote menigte, +werd gemaakt van het stukgewreven overschot van de raten, nadat de +honing er uit was gedrukt; dit werd in water gedrenkt en naderhand +gezeefd en in aarden vaten weggezet, tot het ging gisten en tot Mede +werd. En hoe langer het bewaard werd des te sterker werd de drank. Een +tweede soort, uit honing, water en moerbeiensap, werd Morat genoemd; +en dit was waarschijnlijk de drank van de gezeten burgers. Een derde +brouwsel, bekend als Pigment, werd uit de zuiverste honing gestookt, +met verschillende kruiden vermengd en dan door bijvoeging van een +zekere wijnsoort versterkt. En dit was waarschijnlijk de Mede, die +aan de koninklijke tafel geschonken werd. De bediening van 's Konings +Schenker in die dagen kan geen sinecure geweest zijn; want het was bij +de Angelsaksische koningen het gebruik, hun gasten op vier feestmalen +per dag te onthalen, en de hoeveelheden drank, die volgens oude +berichten dan geschonken werden, schijnen ongeloofelijk, zelfs in de +annalen van zulk een stevig drinkend ras. En de nationale matigheid +werd, als een der voordeelen van de Normandische overheersching, +niet weinig gebaat, door de nieuwe regeling van William I, die deze +gastmalen beperkte tot slechts één per dag. + +Als wij aannemen, dat gedurende de regeering van Harald de populariteit +van ons goed oud Engelsch brouwsel haar hoogtepunt bereikt had, is +het eveneens zeker, dat met de komst van de Noormannen een langzame +daling kwam in zijn waardeering door het volk. In den nasleep van +Hertog William's ongeordend leger, volgden de verkoopers van de +buitenlandsche dranken uit druivensap; en al spoedig zal wijn de +plaats hebben ingenomen van de Saksische Mede, eerst bij de vreemde +edelen en later bij de eigen "Thanes." Van dien tijd af ging de roem +van de Mede gaandeweg achteruit, en heden ten dage is het bereiden +van Mede een verloren gegane kunst, nog maar heel zeldzaam te vinden +bij enkele ouderwetsche luiden, in afgelegen plaatsjes. + +Maar toch is ze te verkrijgen; en degenen van ons, die het geluk +hadden die goede oude Mede te drinken, wel belegen in het vat, hebben +zeker spijt gevoeld, dat er geen stevige poging gedaan wordt om ze +haar ouden nationalen roem terug te geven. Mij dunkt, dat er geen +gezonder drank in de wereld is, en zeker geen, die minder technische +bekwaamheid vereischt. Alle oude boeken over bijenteelt geven er +recepten voor, die alleen verschillen in de opgave van het aantal +vreemde bijvoegsels, die den smaak moeten verhoogen, maar hem, naar +ons inzicht, verknoeien. Want de edelste Mede kan gebrouwen worden +van enkel honing en water; en alle bijvoeging van kruiden of wat +ook, kan alleen het unieke aroma bederven. Eenige van de zestiende- +en zeventiende eeuwsche ijmkers waren in hun tijd beroemd voor het +brouwen van meê; en een van de allerbekwaamsten eischt voor zijn +drank speciale erkenning, daar de meest competente rechters hem in +niets te onderscheiden vonden van ouden Canarischen wijn. Hij geeft +zorgvuldige aanwijzingen voor de bereiding van zijn Mede, en deze +kunnen worden opgevolgd, en zijn dit ook in den laatsten tijd, met +volmaakt succes. Als deze Mede een aantal jaren goed bewaard blijft, +schuimt zij in het glas als champagne, maar zakt dadelijk weer neer; +en de binnenwand van het glas blijft dan bedekt met sprankelende +luchtbellen. De drank heeft de kleur van bleek goud als oude cider; +maar de smaak is niet te vergelijken met dien van eenigen anderen +drank uit dezen tijd. Het is van belang, dat wij van zijn bereider de +verzekering hebben, dat hij zoo sterk gelijkt op den Canarischen wijn, +omdat dit ons een juist begrip geeft van de innerlijke hoedanigheid +van een wijnsoort, die al sedert zoo langen tijd is verloren gegaan. + + + + + + +HOOFDSTUK III + +IJMKERS IN DE MIDDELEEUWEN. + + +Zij, die de oude boeken over de honingbij bestudeeren, worden +gewoonlijk getroffen door twee zeer opmerkelijke bijzonderheden: de +oud-klassieke en romantische geur in al die boeken, en hoe daarin +een groote hoeveelheid ontwijfelbare fabels behendig doorvlochten +zijn met een minimum van blijvende feiten. + +Vóórdat men zich heel diep in deze merkwaardige oude berichten heeft +ingewerkt, is het moeilijk zich er rekenschap van te geven, hoe door +en door verzadigd zij zijn met de bekoorlijke, maar grootendeels +onware ideeën van de oude klassieke bijenvaders. De schrijvers waren +bijna zonder uitzondering ernstige praktische menschen, voor wie de +studie en de uitoefening van hun bedrijf de uitsluitende levenstaak +was. Maar zij schenen van den eerste tot den laatste bezeten te zijn +door den drang om alles wat ooit door de oude Grieksche en Romeinsche +litteratoren over bijen geschreven was, als waarheid hoog te houden, en +door de gedachte, dat het de ergerlijkste ketterij zou zijn er éénige +nieuwe waarheid uit hun eigen ondervinding en waarneming aan toe te +voegen, tenzij zij die ampel ondersteunen konden met getuigenissen +uit diezelfde onfeilbare bronnen. + +Zij schenen de werken van Aristoteles, Vergilius, Plinius en de rest te +beschouwen als zoovele goddelijke openbaringen betreffende het mysterie +van het bijenleven, als een volmaakt afgesloten geheel; en zij lieten +nooit na ze aan te halen in ondersteuning van eigen beweringen of ter +weerlegging van die van anderen. Ongeveer zooals godsdienstleeraren +gewoon zijn twijfelaars naar bijbelplaatsen te verwijzen. + +Maar in de middeleeuwen waren het niet alleen de ijmkers, die van +dit bijzonder gezichtspunt uitgingen. Het scheen toen ter tijd het +heerschende standpunt te zijn bij alle klassen. En het zou haast een +gerechtvaardigde gevolgtrekking zijn wanneer men daaruit opmaakte, +dat bij die oude vasthoudende classici hun natuurstudie geen ander +doel had, dan te bevestigen wat door hunne eerbiedig vereerde orakels +reeds geboekt was. Het was genoeg, dat in de literaire jonkheid der +wereld iets in het Grieksch of Latijn geschreven was; het werd als +een vlekkelooze waarheid vereerd, als het eerste en het laatste woord +over die zaak; en als hun persoonlijke waarnemingen niet overeen +schenen te komen met eenige bewering van de oude schrijvers, dan +was de tegenstelling alleen maar schijnbaar en zou zonder twijfel +gemakkelijk kunnen uitgewischt worden door een grondiger onderlegd +kenner van die oude bijenlitteratuur. + +Het is bij een eerste beschouwing zeker verwonderlijk, dat menschen +een geheel leven in dit bedrijf konden werken en tegelijk zich +aan een onwrikbaar geloof konden houden, dat zooveel zwakke punten +blootgaf. Maar men moet bedenken, dat eenige juiste waarneming van +het innerlijke leven der honingbijen in die tijden nog bijzonder +bezwaarlijk was. Het was nagenoeg onmogelijk, iets te zien van wat +er gebeurde binnen de korven, zooals men die toen gebruikte. Plinius +spreekt van een bijenkorf, vervaardigd van wat hij spiegelsteen noemt; +dit was waarschijnlijk talk; en men kon door de doorzichtige zijden +ervan de bijen zien werken. Maar door de Engelsche ijmkers schijnt +iets van dien aard niet vóór de 17e eeuw beproefd te zijn. Buitendien, +al ware ook de korf geheel van helder glas gemaakt, zou de waarnemer +nog niet veel wijzer zijn geworden. Hij zou niet meer dan de +buitenkanten van de twee uiterste raten te zien hebben gekregen, +en hij zou veel heen en weer loopen bij de bijen hebben opgemerkt en +nu en dan even een verschijning van de koningin hebben gehad. Maar +al die verwonderlijke aktiviteit, ten koste van zooveel inspanning +opgemerkt door de waarnemers van onzen tijd, die zoovele vernuftig +uitgedachte hulpmiddelen tot hun dienst hadden, gebeurt uitsluitend in +het allerbinnenste van de korven; en iedere poging het leven der bijen +te bestudeeren met de hulpmiddelen der Middeleeuwen zou volslagen +nutteloos geweest zijn. Het was eerst nadat Huber's bladerkast was +in gebruik genomen--waarin het eenigermate mogelijk was de raten +tijdelijk van elkaar te verwijderen, zonder de bijen al te veel te +verstoren--dat er een merkelijke vooruitgang kwam in de kennis van het +bijenleven. Een nog grooter verbetering was de nieuwste observatiekorf, +waarin de bijen gedwongen worden hun raten tusschen glazen afdeelingen +op te bouwen, de een boven de ander, inplaats van naast elkaar; want +deze uitvinding veroorloofde de studie van het geheele leven binnen in +den korf. Maar hierop is aan te merken, dat bij zulk eene inrichting +de bijen onder te kunstmatige omstandigheden moeten werken. In een +natuurlijk bijennest worden de raten ruw naast elkaâr aangebracht, +en het broed wordt opgekweekt in het middengedeelte van iedere raat; +terwijl de oppervlakte, door de broedcellen ingenomen, in iedere +richting naar buiten toe, vermindert. Zoo neemt het broednest een +kogelachtigen vorm aan, met den honingvoorraad er boven en omheen, +en deze natuurlijke schikking wordt onvermijdelijk verstoord in een +korf, waar de raten boven- en niet naast elkaâr liggen. + +Daar het nu den ouden ijmkers onmogelijk was iets omtrent de bijen, +in hun strooien korven, te leeren, beperkten zij zich tot het herhalen +van wat de oude schrijvers geloofden, en doorvlochten dat handig met +eigen beschouwingen; en omdat niemand in staat was die te weerleggen, +werden zij met des temeer zekerheid geuit. + +In hoofdzaak schijnen zij het er over eens te zijn geweest, dat het +algemeene principe van voortplanting, geldig voor de geheele schepping, +wonderbaarlijk was opgeheven voor de honingbij alléén. Mozes Rusden, +ijmker van Koning Karel II, die in het jaar 1679 nog zijn "Verdere +ontdekkingen in het Bijenleven" uitgaf, geloofde, dat de werkbijen +niet alléén de levenskiemen, maar de feitelijke lichamelijke substantie +van de jonge bijen van de bloemen gaarden. + +Hij wees triomfantelijk op de kleine bolvormige klompjes van +veelkleurig stuifmeel, die de bijen zoo nijver in de korven +thuisbrengen gedurende het broedseizoen, en hij verzekerde, dat dit het +materiaal was, waaruit de jonge bijen zich ontwikkelden. Hij beweerde +ook, dat iedere korf onder de heerschappij van een koning stond; +maar dáárin trachtte Rusden blijkbaar twee heeren te dienen. Hij was +zonder twijfel een hartgrondig koningsgezinde, en had de diepste +verachting voor alles wat afweek van het dogma betreffende het +"goddelijk recht der koningen." Van Vergilius had hij getrouw het +gedeelte nageschreven dat handelt over het garen der levenskiemen op +de bloemen; maar hij voelde dat het als 's Koning's ijmker zijn plicht +was, waar het in zijn macht stond, een goed woord te spreken voor +het herstelde koningschap. Er leefden er nog velen in het koninkrijk, +die sterk tegen de Restauratie waren en waarschijnlijk nog veel meer +weifelaars. En Rusden stelde zich wel voor, dat wanneer hij wijzen kon +op een parallel voorbeeld in de natuur, waar het stelsel der monarchie +van een goddelijke wet uitging, hij zijn patroon een prachtig argument +aan de hand deed ten gunste van zijn koningschap, en tegelijker tijd +een bijzonderen indruk zou maken op de onontwikkelde en bijgeloovige +massa. Maar terwijl hij dit standpunt innam was Rusden toch ook de +echo van een eeuwenoud geloof, ingeworteld bij al de bijenvaders in +het verleden. + +De enkele groote bij, waarvan het bestaan in alle korven aan ieder +bekend was, werd algemeen gehouden voor den absoluten heerscher in +de gemeenschap. De 16e en 17e eeuwsche schrijvers noemen haar bij +afwisseling koning of koningin; maar alleen in den zin van bestuurder; +en men koos het woord in hoofdzaak al naar het geslacht van hem of +haar, die op dat oogenblik den engelschen troon innam. Zoo verwierp +Rusden wijselijk het idée eener koningin, toen hij rekening had +te houden met Karel II. Butler, misschien de geleerdste van al de +vroegere schrijvers over de honingbij, vermijdt even halsstarrig +het woord koning te noemen, want zijn boek verscheen toen koningin +Anna regeerde. Hij noemt het "De vrouwelijke Monarchie," maar hij +schijnt toch evenmin als een van zijne voorgangers het geringste +vermoeden gehad te hebben, dat de groote bij in waarheid de moeder +van de heele kolonie is. Echter staat hij haast alleen in zijn tijd +in het verwerpen van de bloemen-theorie der bijenvoortplanting, +en hij verzekert, dat de werkbijen en de darren respektievelijk de +vrouwelijke en mannelijke elementen zijn. "Maar," zegt hij, "zij +planten niet voort als andere levende wezens; hunne darren dulden +zij slechts één getij, door wier mannelijke kracht zij wonderdadig +ontvangen en voortbrengen, en aldus hun liefdelijke soort behouden." + +Over de moeilijkheid, dat er gedurende negen maanden geen darren in +de korven zijn, en toch het eierleggen voortgaat, zet hij zich heen +met de bewering, dat de werkbijen onbevlekt ontvangen van de darren +gedurende het seizoen, en dat die zomerbevruchting voldoende is, tot +de darren het volgende jaar in Mei terug komen. En zoo was hij, zonder +het te vermoeden, heel dicht bij de ontdekking van een van de meest +verwonderlijke feiten in de natuur--dat de koningin-bij in een korf, +na één enkele gemeenschap met een der darren, voortgaat bevruchte +eieren te leggen in haar geheele verdere leven, dat misschien nog +wel drie of zelfs vier jaren duurt. + +Butler's boek is rijk aan aardige bijzonderheden uit de bijenlegenden +van zijn tijd. Hij vertelt ons, dat de koningin-bij "ondergeschikte +goeverneurs en leiders" onder zich heeft. Zij onderscheiden zich van +de anderen door een soort donkergeel of bruin pluimpje of kwastje, +soms vóór afhangend als een struisveer, of ook wel rechtop staand +als bij de reigers. In minder dan een kwartier, zult ge er soms +drie of vier uit een goeden korf zien komen; maar nog in den tijd, +dat de zon in de Tweelingen staat, vóórdat zij bij het aanhoudend +werken die versierselen hebben afgesleten. En op iederen warmen +lente- of zomermorgen kan het u gebeuren, dat ge hetzelfde ziet: +In enkele bloemen, vooral in de avond-sleutelbloem, hangen soms de +stuifmeel-deeltjes in draden aanéén en zoo blijven zij soms vastzitten +aan de sprieten van de verzamelende bijen, en geven dan den indruk +van een pluimpje of kwastje, zooals Butler het in zijn dagen zag. + +Hij geeft ook wenken hoe een goed ijmker zich heeft te gedragen, die +wel waard zijn aangehaald te worden: "Als gij de gunst van uw bijen +wilt houden, dat zij u niet steken, dan moet gij de dingen vermijden, +die hen kunnen beleedigen: gij moet niet onkuisch noch onrein zijn; +want zelf uiterst kuisch en zuiver, verafschuwen zij alle vuilheid +en liederlijkheid. Gij moet niet tot hen komen met de reuk van zweet +aan u, of met een stinkenden adem, na het eten van prij of uien of +knoflook en dergelijke, of uit eenige andere oorzaak; het onaangename +daarvan neemt men weg met een kroes bier; en daarom is het niet goed +bij hen te gaan vóórdat gij gedronken hebt; gij moet niet overgegeven +zijn aan onmatigheid en drank. Gij moet niet hijgende en blazende +tot hen komen, noch, waar zij zijn, drukke bewegingen maken; noch +ook wanneer zij u schijnen te willen steken, hen heftig afweren; +maar voorzichtig uw hand bewegende moet gij ze zachtjes neerzetten; +en ten laatste moet gij hun niet vreemd zijn. In één woord: gij +moet kuisch, zindelijk, rustig, sober, zacht en gemeenzaam zijn; +dan zullen zij u liefhebben en uit alle anderen kennen." Zoo is dus +volgens Butler de goede ijmker een samenstelling van alle deugden, en +tot bevordering van het duizendjarig rijk schijnt niet anders noodig, +dan alle menschen te bewegen, ijmkers te worden. + +De middeleeuwsche schrijvers over de honingbij wedijveren in hun +getuigenissen betreffende de buitengewone kracht van intelligentie bij +de inwoners hunner korven. Maar één verhaal van Butler overtreft ze wel +alle. Hij leidt het in met de bewering: "bijen zijn zóó wijs en kundig, +dat ze niet alléén hun kleinen God-almachtig hebben uitgeroepen, +hoewel Hij tot hen kwam in de gedaante van een ouwel; maar zóózeer +zelfs, dat zij Hem een kunstige kapel gebouwd hebben," en verder +vertelt hij dan, dat "een zekere eenvoudige vrouw, bezittende eenige +korven met bijen, die haar niet het gewenschte voordeel gaven, maar +kwijnden en stierven aan de pest, zich beklaagde bij een andere vrouw +nog eenvoudiger dan zijzelve, die haar den raad gaf, een gewijde hostie +in een van haar korven te zetten. En dien raad opvolgende ging zij +tot een priester en verkreeg de hostie, die zij in haar mond bewaarde; +toen zij thuis kwam nam zij de hostie uit haar mond en legde haar in +een van de korven. Daarna hield de pest op en er kwam overvloedig +honing. En toen nu de tijd dáár was en de vrouw den korf oplichtte +om den honing er uit te nemen, zag zij--en het was wonderbaarlijk +om te zien--een kapel, gebouwd door de bijen, met een altaar er in, +en de muren van een verwonderlijken kunstigen bouw en versiering, +en met vensters op hun juiste plaats, ook een deur en een toren met +klokken. En de hostie op het altaar gelegd zijnde, vlogen de bijen +er met een zacht zoemen omheen." + +Dit verhaal heeft zijn weerga alleen in een ander, even oud, waarin +verteld wordt, hoe dieven in een kerk inbraken en het zilveren doosje +stalen, waarin de heilige ouwels bewaard werden. Zij vonden één ouwel +in het doosje en legden dien onder een bijenkorf, om daarna met het +kostbaarste gedeelte van hun buit zich uit de voeten te maken. En +in den nacht daarop, zoo schijnt het, werd de eigenaar van den korf +gewekt door een verrukkelijke muziek, die in strofen met gelijke +tusschenpoozen uit de richting van zijn bijentuin scheen te komen. Hij +nam een lantaarn om de oorzaak na te gaan, en ontdekte, dat de muziek +uit een der korven kwam. Ontsteld over dit wonder, ging hij tot den +bisschop en wekte hem om hem dit buitengewone voorval te openbaren; +en de bisschop met zijn gevolg verschijnende, lichtte de korf op +en bevond, dat de bijen den gewijden ouwel in bezit hadden genomen +en hem in het bovenste gedeelte van den korf gebracht, nadat zij +er eerst een doos voor hadden gemaakt van de zuiverste witte was, +een nauwkeurige navolging van dengene, die gestolen was. En rond +de doos zongen de bijen in koren, en zij hielden de wacht er bij, +zooals monniken het doen in een kapel. + +"Een geschiedenis," voegt de verhaler er profetisch bij, "die zeker +bij vele ongeloovigen verzet zal ontmoeten." + +In hunne aanwijzingen hoe een zwerm opgevangen moest worden, waren de +middeleeuwsche ijmkers altijd zonderling precies. Het voorbereiden van +den korf, die den zwerm moest opnemen, was een hoogst bewerkelijke +maatregel. Als de korf nieuw was, bevalen zij aan, hem eerst uit te +schuren met een handvol welriekende kruiden als thijm, marjolein of +hysop; en daarna kwam er een tweede behandeling met een mengsel van +honing en water, of melk en zout. Maar het klaarmaken van een ouden +korf moet een vrij onsmakelijk werk geweest zijn. Men moest twee handen +vol mout of erwten of ander graan in den korf leggen, en "laat er dan +een zwijn van eten. Intusschen draait ge de korf op zóódanige wijze, +dat het schuim, door het zwijn al etende gemaakt, den geheelen korf +rondgaat. Dan veegt ge den korf losjes uit met een linnen doek, +en de bijen zullen dezen korf liever hebben dan een nieuwe." + +Terwijl de bijen zwermden en "bezig waren met hun dans," moest men +hun "een vroolijk deuntje" voorspelen op een kom of pan of ketel, +om hen vlug te maken. We worden verzekerd, dat de zwerm vlugger of +zwaarder vliegt al naar het soort gedruisch, dat ze hooren. Als het +"vroolijke deuntje" in een vlugge maat werd gespeeld vlogen de bijen +snel en hoog; maar bij zachte slepende muziek ging het langzamer en +daalden zij spoedig. Dit eigenaardig gebruik van muziek maken voor +de bijen is ongetwijfeld van Romeinschen oorsprong; maar of het door +Caesar's opvolgers is ingevoerd of door die van Claudius in de eerste +eeuw, of dat misschien de engelsche ijmkers het uit de klassieke +schrijvers hebben afgeleid is moeilijk uit te maken. Men hoort het +nog op verschillende afgelegen plaatsen, en de aanhangers er van +schijnen het vaste geloof in de deugdelijkheid behouden te hebben, +dat hun voorvaders hadden. Waarschijnlijk had in vroeger tijden, toen +bijenparken veelvuldiger voorkwamen, het gebruik één onweersprekelijk +nut; het was voor de verschillende omwonende bijenhouders het bewijs, +dat er een zwerm was afgegaan en dat zijn rechtmatige eigenaar dat +wist. En op deze wijze werden zeker de onrechtmatige aanspraken op +den zwerm voorkomen, of ten minste ontmoedigd. + +De vraag of het gedruisch, dat men bij de bijen maakt, eenigen +werkelijken invloed op de zwermen heeft, is nog niet afdoende +beantwoord. Behalve een paar oude korvenbezitters, die in sommige +uithoeken nog wel te vinden zijn, hebben de moderne bijenkweekers +dat gebruik sinds lang afgeschaft als het uitvloeisel van grof +bijgeloof. Maar toch is in den laatsten tijd de vraag opgeworpen +of de geluiden, die door ouderwetsche bijenhouders gemaakt worden, +als er een zwerm is uitgetrokken, toch niet hun nut hebben. Men heeft +verondersteld, dat de bijenwolk--in het begin niet anders dan een chaos +van flakkerende vleugels, daar het geheele volk doelloos rondzwiert +en dwarrelt over een groote uitgestrektheid--in werkelijkheid op zoek +is naar de koningin. Nu is er geopperd, dat zij haar op het gehoor +af volgen; want men vermeent, dat zij een bijzonder fluitend geluid +maakt terwijl zij vliegt. Het getinkel van sleutels en pannen zou dan +de bijen verhinderen, dat geluid te hooren, en haar op haar eerste +omdolingen te volgen, zoodat er dan kans op is, dat de zwerm ergens +dichter bij huis neerstrijkt. Het is een interessante theorie, maar +eigenlijk niet houdbaar. Die oude volksmeeningen berusten gewoonlijk +niet op eenige feitelijke basis, en het is veel waarschijnlijker, +dat het gedruisch niet den minsten invloed op de bijen heeft. + +Wat betreft het recht van den ijmker, om zijn zwerm in een aangrenzend +land te volgen, is het aardig de verzekering te hooren van een van deze +oude schrijvers: "als gij ze niet tot neerstrijken kunt brengen, en +zij al voortvliegende buiten de grenzen van uw land gaan, dan vergunt +u de oude wet van het Christendom hen, waarheen ook, te volgen, opdat +gij uw eigendom terug krijgt." "Maar," voegt de schrijver er bij: +"als uw zwerm zich zóó snel en vèr verwijdert, dat gij ze uit uw +gehoor en gezicht verliest, dan verliest ge tegelijk ook alle recht +op hun bezit. In dat geval hebt gij wettelijk geen andere keus dan +uwe bijen over te laten aan hem die ze het eerst vindt." Met het oog +op verschillende hedendaagsche geschillen over deze zaak, waarbij +de uitspraak der wet willekeurig en vaag scheen, is het van belang +te wijzen op zulk een oude autoriteit betreffende de rechten van +den ijmker. + +Bijna geen détail van de kultuur, waaraan in de middeleeuwen geen +bijgeloovigheid of curieus gebruik verbonden was. Allen zonder +onderscheid schijnen te gelooven in de oude bewering, zooals zij ook +bij Vergilius voorkomt, dat de bijen kleine steentjes bij zich dragen, +om als het hevig waait hun vlucht te balanceeren, en er waren er +zelfs die dachten, dat zij bloemen aldus gebruikten. Rood gekleurde +stoffen werden als zeer hinderlijk voor de bijen beschouwd, en men +wordt gewaarschuwd niet in die kleeren gekleed in het bijenpark +te verschijnen. Men meende ook, dat de jonge en de oude bijen in +de korven van elkaar gescheiden waren. Wat dit betreft is het een +bewezen feit, dat op het hoogst van het honingseizoen de bijen in +het bovenste gedeelte der korven bijna uitsluitend jonge bijen zijn, +die nog niet gevlogen hebben. + +Men vertelt ons ook, dat wanneer er bijen zijn, die 's avonds nog +niet in den korf terugkwamen, de koningin uitgaat om ze op te sporen +en hun den weg terug te wijzen. En niemand behoeft bang te zijn, de +heerscheres van den korf over het hoofd te zien, omdat zij herkenbaar +is aan haar "fieren gang en haar gelaat, dat majesteit uitdrukt; +en op haar voorhoofd is een witte vlek die schittert als een diadeem." + +Een der oude schrijvers geeft den raad, recht door alle korven een gat +te boren, tegen spinnewebben. Hij gelooft ook, dat de bijen zwermen +ten gevolge van de tyrannie van de koningin, en als zij ze volgt, +dooden zij haar. Ook vertelt hij, dat de darren honingbijen zijn, +die hun angels hebben verloren en dikker geworden zijn. Dit was al een +oud geloof, en de sceptische Butler behandelt het op de volgende wijze: + +"Het algemeene oordeel betreffende de darren luidt: dat zij geworden +zijn uit honingbijen, die hun angels verloren, wat even waarschijnlijk +is als dat een dwerg, dien men zijn ingewanden ontneemt, een reus zou +worden." Maar de oude ijmkers waren altijd onverdraagzaam tegenover +de vergissingen van anderen, terwijl zij met de sterkste beweringen en +een groot vertoon van geleerdheid hun eigen, even vage bijgeloovigheden +verkondigden. + +Een boekje in 1656 uitgegeven en geheeten: "The Country Housewife's +Garden" is aardig, omdat het blijkbaar geschreven is voor eenvoudige +buitenmenschen, door iemand in dezelfde omstandigheden verkeerende; +terwijl in het algemeen de bijenboeken in de zestiende en zeventiende +eeuw in hoofdzaak het werk waren van menschen, maatschappelijk +aanmerkelijk hooger geplaatst. + +Dit boek is in zóóver eenig in zijn soort, dat het geen mooie +theoriën geeft inzake bijenkultuur; maar zich houdt aan de +overgeleverde methoden. De schrijver, die blijkbaar geen zwak heeft +voor beschouwingen inzake den oorsprong der bijen, maar zich in +zijn opmerkingen bepaalt tot de praktische honingproduktie, neemt +het volgende gezonde standpunt in: "er is veel geschrijf over +de Meester-bijen en hun rangen, staatsinrichting en regeering; +maar wat daarover gezegd wordt, berust meer op verbeelding dan op +bewezen feiten. Er zijn nu en dan gissingen gemaakt b.v. wij zien +in de raten verscheiden huizen grooter dan de anderen, en gewoonlijk +hooren wij des nachts vóórdat zij uitvliegen van twee of meer bijen +een geluid dat anders en luider is dan dat der anderen; ook bemerken +wij soms bijen met grooter lichaam dan de gewone soort; maar wat zou +dat alles? Ik houd niet van gissingen, maar schrijf alléén graag +neer wat ik weet de waarheid te zijn, en de rest laat ik over aan +de menschen die houden van raadsels oplossen." De "grootere huizen" +die hier genoemd worden, waren ongetwijfeld de groote cellen waarin +de koninginnen worden uitgebroed. Even vóór den zwermtijd worden er +soms wel negen of tien in één korf gevonden. + +Dezelfde schrijver spreekt het onvermijdelijk kwaad van de +darren. "Deze," zegt hij, "zijn naar alle waarschijnlijkheid een +lui en spilziek soort van bijen, die hun angels verloren hebben en, +aldus als het ware ontsekst, lui en groot geworden zijn. Zij haten +de bijen en maken, dat zij eerder gaan zwermen." + +Geen schepsel had ooit een slechter naam en onverdiender dan de +rampzalige dar bij die oude scribenten. Een ander van hen spreekt +van den dar als van "een groote korfbij zonder angel, die altijd +als luie doodeter te boek heeft gestaan, en wie gulzig in 't eten +en lui in 't werken is, wordt daarom met dien naam genoemd--want hoe +groot hij ook doet met zijn rond fluweelen kopje, zijn dikken buik en +zijn luide stem, hij is toch maar een luie kompaan, die zich te goed +doet waar anderen zweeten. Want werken doet hij in 't geheel niet, +noch binnenshuis noch daar buiten, en hij verbruikt toch zooveel als +twee arbeiders; nooit zult ge hem aantreffen zonder een droppel van +de zuiverste nektar in zijn maag. In de zomerhitte vliegt hij buiten +rond en met niet weinig gedruisch, als iemand die een groot werk +gaat doen; maar het is enkel voor zijn pleizier en om zijn vraatlust +te vergrooten; en als hij genoeg gevlogen heeft moet hij weer aan +het eten." + +Maar de eigenaardigste opvattingen vindt men bij de oude +bijen-meesters, die een hang hebben naar het kwakzalversberoep. Zij +vertellen ons, dat "honing wanneer men er 's morgens en 's avonds goed +het hoofd mee inwrijft," een uitstekend middel is tegen kaalheid, +en dat de uitwerking nog doeltreffender zou zijn wanneer men den +honing mengde met een paar doode bijen en een stukje oude was, +goed fijn gewreven. Doode bijen, gedroogd en tot poeder gewreven, +vormen het hoofdbestanddeel van allerlei soort medicamenten uit dien +tijd. Een dronk iederen morgen van dit poeder, met water vermengd, +wordt aanbevolen als een onfeilbaar zuiveringsmiddel. En wanneer men +een groot aantal bijenkoppen verzamelt, verbrandt en dan de asch met +wat honing mengt, krijgt men een voortreffelijk middel tegen alle +soorten van oogziekten. + +Er was ook een beroemd preparatief Oxymel geheeten, dat in de +middeleeuwen in groote gunst stond. Het schijnt niets anders te zijn +geweest dan een mengsel van honing, water en azijn, maar men schreef +het eene buitengewone kracht toe. Het was onfeilbaar tegen ischias, +jicht en dergelijke kwalen, en één schrijver beweert, dat het zeer +aan te bevelen is als spoeling bij een keelontsteking. + +Maar honing en doode bijen waren niet de éénige produkten der +bijenkorven, die tot den dienst der Geneeskunst geprest werden. Ook +aan de was werd bijzondere geneeskracht toegekend voor alle soorten +van menschelijke kwalen. Zij had de eigenschap zweren te genezen en +"als een hoeveelheid was, ter grootte van een erwt, wordt ingeslikt +door zoogende vrouwen, lost ze de gestolde melk in de tepels op." Zij +werd ook gebruikt om stijve ledematen en pijnlijke spieren mee in +te wrijven. De veronderstelde geneeskracht van bijenwas in zijn +natuurstaat was echter nog niet in vergelijking met haar waarde +wanneer zij gedistilleerd was. + +Dit medicament, bekend als was-olie, en in dien tijd over de geheele +wereld beroemd, schijnt nader aan het ideaal van een panacee gekomen te +zijn, dan iets anders daarvóór of daarna. Het bereiden van was-olie +schijnt een zeer ingewikkelde zaak te zijn geweest. Eerst moest +de was gesmolten worden, in zoeten wijn gegoten en met de handen +uitgedrukt. Dit gebeurde zeven maal, en iederen keer werd er nieuwe +wijn aan toegevoegd. Dan werd de was in een retort gedaan met een +hoeveelheid poeder van rooden steen en zorgvuldig gedistilleerd. Er +kwam dan een gele olie over, die ten tweede male gedistilleerd werd en +daarna was het "hemelsch en goddelijk geneesmiddel" bereid. Miraculeuze +voorteekenen schenen deze bereiding te vergezellen; want er wordt ons +verteld, dat bij "het ontstaan van deze olie in den ontvanger de vier +elementen verschijnen: het vuur, de lucht, het water en de aarde, +zeer verwonderlijk te zien." + +De kracht, onmiddellijk het uitvallen der haren te doen ophouden, +de zwaarste wonden in weinig dagen te heelen en tandpijn en pijn +in den rug te genezen, is nog maar een der mindere deugden van +dit middel. Op veel grootscher eigenschappen maakte de was-olie +aanspraak--want niet alléén "doodt zij de wormen en geneest zij +verlammingen en de zwartgallige luimen; maar zij brengt ook het doode +of levende kind te voorschijn." Van dien zelfden ouden schrijver +nog een laatste aanhaling;--zij heeft betrekking op het ontstaan der +bijen en brengt ons op de uiterste grens van het wonderbaarlijke. Na +een geleerde verhandeling over de methode van het kweeken van bijen +uit een dooden os--"kunnen we ons echter," zegt hij, "een dooden +leeuw voor dit proces aanschaffen, dan is dat nog beter, omdat het +den bijen ook leeuwenmoed zal bijbrengen"--gaat de schrijver voort +met aan te toonen hoe bijen nog op andere wijze kunnen voortgebracht +worden. Wij moeten daartoe alle doode bijen bewaren, ze verbranden en +de asch met wijn besprenkelen, en ze daarna op een warme plaats aan +de zon blootstellen. "Na een poosje," zegt hij, "zullen al de zoo +behandelde bijen weer levend worden; en wij hebben een nieuw volk +klaar voor den korf." + +Als wij ons verdiepen in deze verweerde oude schrifturen, met hun +vervaagde geel geworden letters en verouderde zinswendingen, dan +begint het ons pas duidelijk te worden, welk een luttel beetje die +oude bijenmeesters eigenlijk begrepen van de eigenlijke levenswijs +der honingbijen, en dat zij inderdaad niets wisten van bijenteelt. En +toch moet de honing- en wasproductie van grooten omvang en beteekenis +zijn geweest in die dagen. In spijt van hun verouderde theoriën en hun +noodeloos ingrijpen in het leven der korven, moeten deze menschen, hoe +dan ook, een markt hebben voorzien, van een uitgebreidheid waarvan wij +ons tegenwoordig nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen. De washandel +alléén moet al heel belangrijk zijn geweest; want behalve bij de +allerarmsten, was de was de éénige grondstof die in aanmerking kwam +als kunstmatige lichtbron. En voor de honing was de vraag veel meer +algemeen dan tegenwoordig, omdat rietsuiker nog onmogelijk ernstig +kon mededingen als verzoetingsmiddel voor de massa, in een tijd dat +hij misschien twee shillings het pond kostte. + +Maar bij beschouwingen als deze moeten wij in het oog houden, dat wel +de menschen, die over bijen schreven, een schilderachtige onwetenheid +aan den dag legden betreffende hun onderwerp; maar dat zij de kleinste +minderheid uitmaakten van de ijmkers in 't geheel. Waarschijnlijk +kwam het grootste contingent van de honing- en wasproductie van +bijenparken, waarvan de eigenaars niets wisten van boeken en er zich +ook niet om bekommerden; maar zich uitsluitend bezig hielden met de +praktische zijde van het werk. En hun kennis--die zij in hoofdzaak +van hun vader geërfd hadden--was ruim voldoende voor het aandeel dat +zij in de honingproduktie hadden. + +Het is bovendien ook eerst in dezen tijd van wetenschappelijke +bijenteelt, dat het werk van den ijmker zelf van meer gewicht is. Nu, +bij het licht der twintigste-eeuwsche kennis, kan het den dubbelen en +zelfs driedubbelen honingoogst produceeren van wat de oude methoden +opleverden. Maar de oude korvenbezitters konden niet veel anders doen +dan bij het werk van hun bijen toekijken, en hier en daar een-weinig +helpende-hand aanleggen. Bijna al de verdienste van wat men toen +verkreeg, moet worden toegeschreven aan de bijen zelve, die ontelbare +eeuwen te voren hun merkwaardige organisatie en politiek systeem +tot volmaking hadden gebracht. Waarschijnlijk lieten de ijmkers, +de praktische mannen, die bijen hielden in den ouden tijd, wel met +hetzelfde doorzicht de bijen hun gang gaan als de korvenbezitters van +de vorige generatie. En in veel opzichten deden zij, wáár zij ingrepen, +verkeerd b.v. in de oogenschijnlijk dwaze praktijk van het vernietigen +van bijen om de honing te verkrijgen. Maar zelfs dit was niet zóó'n +dwaas gebruik, als het heden ten dage schijnt. Het was eenvoudig, +naar de kennis van dien tijd, een zaken-kwestie. Hun methode was: +de lichtsten en de zwaarsten van hun stand tot den zwavelkuil te +veroordeelen. De ervaring had hun geleerd, dat de zwakke kolonies +weinig kans hadden door den winter te komen, tenzij zij kunstmatig +gevoed werden; terwijl, als de bijen uit de groote kolonies bleven +bestaan nadat hun voorraad hun ontnomen was, zij dezelfde verzorging +zouden noodig hebben. Het was maar een rekensom. Kunstmatige +voeding was toen een veel kostbaarder zaak dan tegenwoordig, en een +berekening toonde dat vernietiging het voordeeligst was. Van een +modern wetenschappelijk standpunt beschouwd is de slechtste kant van +deze behandeling, dat bij het oude stelsel van vernietiging alleen die +bijenvolken bleven bestaan, die ingewortelde zwermers waren; terwijl +de rustige en werkzame thuisblijvers, die de grootste honingprovisie +verzamelden, onveranderlijk werden uitgeroeid. En wanneer wij bedenken, +dat de moderne bijenwetenschap er naar streeft het zwermen geheel +te onderdrukken, is dit een noodlottige erfenis, die zij ons hebben +nagelaten. De gewoonte van zwermen staat het verkrijgen van een ruimen +honingoogst heel erg in den weg, en er zal altijd een element van +onzekerheid in de honingproductie zijn, zoolang de moderne ijmkers +niet een ras van niet-zwermende bijen hebben verkregen. + +De bijenmannen van den nieuweren tijd stemmen dus in met het koor van +hen, die de oude dwaze gewoonte van het bijen-verbranden afkeuren, +meer omdat dit hun de taak heeft opgelegd het werk van eeuwen ongedaan +te maken, vóór er eenig teeken van vooruitgang kan zijn, dan uit het +algemeen aangenomen beginsel van menschelijkheid. + + + + + + +HOOFDSTUK IV + +VOOR DE STADSPOORTEN. + + +In het zuiden van Sussex, in een dorp dicht aan den groenen rand der +"Downs" [4] wonen twee ijmkers, die in hun sterk uiteenloopende +methoden en hun verschil van uitgangspunt, de uitersten +vertegenwoordigen der bijenkultuur, zooals zij in dezen tijd nog +gelijktijdig bestaan. + +De éen woont in een antiek, met riet bedekt huisje, dat midden in +een ouderwetschen Engelschen tuin staat, en de stolpvormige strooien +bijenkorven zijn hier en daar neergezet tusschen een wilden groei +van al de ouderwetsche Engelsche bloemen. + +De ander bewoont een zelfgebouwde keurige villa op een helling, onder +bedekking van het dennebosch, dat den heuvel kroont; en hij heeft er +een groot modern bijenpark ingericht, dat in alle opzichten aan alle +eischen voldoet van de moderne apiarische wetenschap der twee werelden. + +Wanneer men op een mooien Meimorgen de dorpsstraat laat liggen en +in het open land bij een van deze twee inrichtingen komt, krijgt +men den indruk, dat al de romantiek en de legendarische sfeer +van de bijenwereld onvermijdelijk moeten gevonden worden in den +ouderwetschen bijentuin, waar de zacht gonzende muziek der korven uit +het dichtst der bloeiende seringen schijnt te komen en uit den rooden +meidoorn en de blauwe eereprijs; want de korven zelf ontdekt men het +allerlaatst in deze schitterende bloemenmengeling. Iets poëtisch te +verwachten in de andere inrichting--waar op een uitgestrekt terrein, +met sintels geplaveid, de moderne bijenkasten, in verschillende +kleuren geschilderd, op rijen staan; waar het woonhuis zooals het +daar is, uit een der Londensche voorsteden kon zijn overgebracht, +evenals de bijgebouwen met hun druk zakelijk bewegen, hun kuchenden +petroleummotor en het dreunen van hamer en zaag--zou zijn iets +verlangen, dat bespottelijk uit den tijd moest schijnen en zelfs +absoluut onmogelijk. Men kon even goed naar kunst in een Ghetto zoeken, +als naar eerbied voor oude bijengewoonten in een handelsinrichting +als deze, die alleen is opgericht om de honingmarkt te voorzien, +zooals een Manchester fabriek zijn stoffen aflevert. + +Veel liefhebbers van het buitenleven, in hoofdzaak voetreizende +kunstenaars en toevallige wandelaars, zijn met deze vooropgestelde +meening naar het dorp getogen, en als zij den ouden bijentuin bezocht +hadden en al de oude mooie dingen daar in grooten overvloed vonden, +gingen zij niet verder en werden niet wijzer. Zij slenterden langs de +netjes afgezette slingerpaadjes van den tuin met zijn ouderwetschen +eigenaar; zij bukten zich onder priëelen van levend goud en purper; +waadden door zeeën van scharlaken papavers en blauwe vergeet-mij-niet +en taankleurige resida; zij ontdekten oude bijenkorven in allerlei +onverwachte schaduwrijke hoekjes, en doken onder in middeneeuwschheid +tot aan hun ooren. Zelfs het gonzen der bijen scheen hun iets te +vertellen uit vervlogen tijden. Neen, alléén een hopelooze Vandaal zou +zijn bijen in een van die leelijke vierkante kasten kunnen stoppen, +en dan van hen verwachten, dat zij honing zouden zoeken op de oude, +harmonieuse, gelukkige manier, door de eeuwen gesanctionneerd. En +zoo waagden zij zich nooit den heuvel op naar het groote bijenpark, +maar bleven in het tuintje beneden, en luisterden uren achtereen naar +het aardige praten van den grijzen eigenaar in zijn gesmokte kiel, of +zij stonden heldhaftig onder aan den ladder als hij er opklom om een +zwerm los te maken van een ouden bemosten appelboom, en zij hielpen +hem de nieuwe strooien korven uit te wrijven met handenvol munt en +lavendel, en maakten grillige kunstelooze muziek met den huissleutel +op een ouden ijzeren pan, als de zwerm te hoog in de lucht was. + +Zeker er viel veel te leeren op rustige dagen, in den ouden bijentuin, +vooral in de Meimaand. Vóór de eerste zwermen op het punt waren de +korven te verlaten. + +Het eerste waar men zich op had toe te leggen, was zich tusschen +de bijen te bewegen en tusschen de korven te blijven staan, zonder +zich te laten verontrusten door hun onophoudelijke en dikwijls +beangstigende nadering. Want hoeveel vertrouwen men ook moge stellen +in des ijmkers verzekeringen, dat zijn bijen nooit steken, het getuigt +toch van onversaagdheid als men zijn volkomen gelijkmoedigheid kan +behouden, terwijl de bijen zich onophoudelijk op handen en gezicht en +overal neerzetten, en een geheel vliegend regiment steeds vijandig +om onze ooren bromt. Zij zullen geen kwaad doen, dat weten wij, +als men zich maar stil blijft houden. Maar de neiging zich om te +draaien en te vluchten, of tenminste die gewiekte atomen af te weren +met woest zwaaiende armbewegingen, wordt voor den nieuweling bijna +onweerstaanbaar. Men verzekert hem, dat zij op die wijze alléén hun +nieuwsgierigheid uitdrukken en trachten te bevredigen; en dat zij +daarna in alle onschuld naar den korf terugvliegen om daar bij de +heerschende machten een goed getuigenis van hem af te leggen. Maar hij +weet wel, dat die getuigenis volstrekt niet altijd bevredigend is. Er +zijn tenminste eenige rampzalige individuen op de wereld, die zich geen +twaalf meter bij den korf durven wagen zonder meedogenloos bestookt +te worden, en opgejaagd tot op minstens een kwart mijl afstands, +door een nijdig vendel van deze gestrenge maagden. Bovendien komt +het menigmaal voor bij een zekere weersgesteldheid--als er onweer +dreigt en de lucht zwaar en stil is--dat de bijen hun dolken steken +in iedere menschelijke huid, zelfs in die van hun eigenaar, die een +heel seizoen onaangerand in hun midden verkeerde. Er is dus voor +ieder die te dicht bij bijenkorven komt een noodlottige kwade kans; +hij heeft een gewaarwording alsof hij onder het vuur van den vijand +staat--zeker een heel nuttige oefening in zelfbeheersching, maar die +voor de vreesachtigen moeilijk kan gerekend worden onder de lichtere +genoegens des levens. + +Doch is de beschouwer deze eerste verschrikkingen gelukkig te boven +gekomen, dan zal hij vroeger of later zich gevangen voelen door de +zuivere bekoring van het geval, en zonder angst, en haast ademloos, +toekijken, naar wat eigenlijk niets anders is dan een leerrijke +verbeelding van het leven. + +Hij staat hier als een vreemdeling bij de poorten eener stad, bewoond +door een zeer belangwekkend, en in sommige opzichten allergeavanceerdst +volk. Van wat er binnen in de stad omgaat bemerkt hij niets, behalve +het diepe, bezige gonzen, dat tot hem doordringt, en hij zal er ook +nooit iets van te weten komen, tot hij zijn sentimenteelen trots heeft +afgeschud en een pelgrimstocht gemaakt heeft naar het groote bijenpark +op den heuvel. Maar intusschen vindt hij hier toch voedsel genoeg, +om den scherpsten honger naar het wonderbare te bevredigen. Komende +en gaande, in en uit de open poort, die in de stad leidt, bewegen +zich in de heete Meizon duizenden en duizenden van bezige wezens. De +breede drempel van den korf is geheel verborgen onder de tegengestelde +stroomingen, de eene zich spoedend in de richting van de geurige +velden en hagen, de ander tuimelend en dringend naar binnen, terwijl +haast iedere bij een geheimzinnigen schat meedraagt. + +Op twee verschillende wijzen willen de uitgaande bijen hun reis +beginnen. Sommigen rijzen onmiddellijk op hun vleugels recht in +den zonneschijn; en dit zijn proviandeerenden, die al verscheidene +reizen achter zich hebben, sedert de zon rossig en heet uitbrak +boven den oostelijken heuvel. Maar anderen, pas aan de eerste +excursie van dien dag, komen uit het murmereerend duister van +den korf gekropen en met een heftig aanloopje bereiken zij daarna +het eind van de vliegplank. Hier houden zij een oogenblik stil, +bewegen hun vleugels op en neer en wrijven uit hun groote oogen +den schemer van daar binnen. Daarna heffen zij zich in de lucht, +blijven een oogenblik zweven met de kopjes naar hun woning gekeerd, +om zich zorgvuldig te oriënteeren, en dan zwenken zij in het blauwe, +en vliegen met de rest naar den verren heuvelkant, met zijn witten +bruidstooi van klaverbloesem. + +De thuiskomende bijen gedragen zich veel stemmiger. Zij komen aanzeilen +als bronzen koopvaarders tot aan den waterrand geladen. Zij, die de +zakken gevuld met klavernektar dragen voor de honingbereiding, hebben +er zelden een aan den buitenkant gehouden stuifmeellading bij. Het +is hun al werks genoeg, hun uitgezette lichamen veilig te ankeren op +de vliegplank, en zij vallen recht den korf binnen, vervuld met maar +één enkele gedachte: hun vergaarde schatten over te dragen aan de +eerste huisbij, die in hun weg komt, en dan zich onmiddellijk heen te +spoeden om een nieuwe lading. Den stuifmeeldragers bezielt dezelfde +witgloeiende energie; maar hun ladingen zijn oneindig onhandiger, +en verlangen een rustiger bewegen. Sommigen, hun korfjes opgehoopt +met een diep-oranje gekleurde stof, moeten een oogenblik rust nemen +op den drempel; en daar dan weer krachten verzamelen om hun glanzenden +last door de poort te sleepen. + +Anderen begeeft de kracht juist vóór dat zij de haven zullen binnen +vallen en zij zinken neer op het gras vóór den korf, om het oogenblik +af te wachten dat versche kracht hen veilig in de volkrijke haven zal +brengen. Maar heel veel zijn er ook, die niet trachten, in eens door, +den haven te bereiken, en die, als zij veilig in de kalme wateren +van den tuin zijn aangeland, een oogenblik rust nemen op een bloem +of blad, en daar trillend en hijgend wachten, tot zij in staat zijn +koers te nemen naar hun woonplaats. + +Er is een oneindige verscheidenheid in de ladingen van deze +stuifmeeldragende bijen. Niet één van de kleuren van den regenboog +of zelfs van hunne schakeeringen, die niet ieder oogenblik in de +dringende menigte voorbij gaat. Iedere bij draagt een half bolletje +van deze zelfstandigheid, keurig gevormd en afgerond, aan ieder van +hare twee achterpootjes. Men zou door het juist observeeren van de +kleuren van haar last met zekerheid kunnen zeggen welke bloem zij +op ieder van haar uitstapjes geplunderd heeft. Het heldere oranje, +waarmee altijd de grootste en zwaarste bolletjes gekleurd zijn in den +stroom der ladingen, komt van de paardebloemen. Van den gaspeldoorn +komen haast even groote ladingen van een diep goudbruin. De herik, die +haar onnutte schoonheid aan al onze korenoogsten opdringt, verschaft +de bij een oneindigheid van goud. Witte en roode klaver laden de +kleine korf-koelies op met verscheidenheid van rossige tinten. Van +de appelboomgaarden komen overvolle korfjes van bleekgeel; de braam +levert stuifmeel van een fijn groenachtig wit. En als de zomer gekomen +is, en de klaprozen hun scharlaken toon geven in het koren, dan komt +de groote stroom van deze gevleugelde koopvrouwen met een rouwzwarte +lading naar huis. + +Maar indien ge de wacht houdt bij de korven op een helderen lente- +of zomermorgen, dan zult ge van tijd tot tijd afzonderlijke bijen +zien terugkomen met een lading, waarvan men geen oorsprong herkent. De +droge, glinsterende, taankleurige stof, die geregeld tusschen de bezige +menigte weg wordt gedragen is hars van pijnboom of populier; daarmeê +wordt de strooien korf ingewreven tot aan den vloerplank toe, en +tochtige spleten worden er mee dicht gestopt en onnutte hoeken er mee +aangevuld; en vloeibaar gemaakt, dient ze om de raten te bestrijken; +mèt een laag vernis die tegen zuur bestand is en bederf voorkomt. Doch +nu en dan komt er een bij met een lading, waarvan de kleur opvlamt +als een noodsignaal in het duister, schitterend scharlaken of zacht +rozig rood, of bleek lavendelblauw, of glinsterend wit--wie kan zeggen +in welken vergeten hoek haar avontuurlijke zin zich gewaagd heeft, of +welke zeldzame bloesem zij in de wildernis heeft opgespoord, en toen, +haar begeerig van haar maagdelijken schat beroovend, de schoonheid +verdubbeld heeft, die de reden was voor haar bestaan? + +Het grootste wonder in dit stuifmeel-vergaren evenwel is het feit, +dat iedere afzonderlijke lading in zijn geheel van één enkele +bloemsoort genomen wordt. De halve bolletjes worden zonder keuze in +de stuifmeelcelletjes gepakt, oranje op bruin, bleek geel met groen, +of roze of grijs dooreen gemengd. Maar ieder paar korfjes, dat de +vrucht is van één enkele reis, houdt ook maar het stuifmeel in van één +enkele bloemsoort. Wanneer men op een landweg of weiland op de bijen +let terwijl zij aan het werk zijn, dan schijnt het eerst, dat zij van +bloem tot bloem gaan met geen ander doel, dan op te laden van alles wat +bloeit op hun weg. Maar nauwkeuriger waarneming openbaart, dat er wel +degelijk een merkwaardig plan en orde in dit alles is, zooals in alle +dingen, die de bij onderneemt. Als men de gangen van een zelfde bij +langs de bloemrijke graskanten nagaat, dan blijkt het heel spoedig, +dat zij maar één soort van bloem bezoekt. Begint zij met meidoorn, +dan blijft het meidoorn van het begin tot het eind. Als haar lading +van wilgenroosjes-stuifmeel of nektar nog niet vol is, dan zal zij +alle ganzerikken en spiraea's, hoe aptijtelijk ook en ruim voorzien, +laten staan voor een schraal plekje paarsch, een heel eind verder. + +En waarom zij nu zooveel moeite doet om het stuifmeel afgezonderd te +houden bij het vergaâren, terwijl het in de voorraadschuren thuis +met alle andere soorten kris en kras doorééngemengd wordt, is een +vraagstuk, dat alleen maar door een bij kan worden opgelost. Echter, +het hoe en het waarom zijn in het leven van de honingbij zoo +eigenaardig saamgeweven uit koel verstand en sentiment, dat wij mogen +veronderstellen, dat noodzaak en gevoel gelijk deel hebben aan hare +leiding in dezen, zooals aan alles wat zij doet van de broedcel tot +aan het graf. Niet heelemaal in scherts mogen wij ook de mogelijkheid +laten doorschemeren, dat zij eenige bijzondere kleurschakeering +verkiest, omdat die als vliegkostuum bijzonder voldoet en haar goed +staat; dit is een minstens even waarschijnlijke grond, als dat zij +haar stuifmeellast zuiver op kleur houdt, omdat zij daarmee aan een +dringende voorwaarde van staats-economie voldoet. De faktor van het +geslacht is bij nauwkeurige studie van het leven in de bijenkorven +evenmin te verwaarloozen als bij de kritische waarneming van den +bewoner van een ander soort van korf, den mensch. + +Dit gestadig gaan en komen van de bezige proviandgaarders, is heel +aantrekkelijk voor den beschouwer; maar er zijn bewijzen van allerlei +werkzaamheden, die niet minder belangstelling verdienen. Het nektar- +en stuifmeel-vergaâren is maar een gedeelte der plichten van dit +zichzelf verminkend maagden-ras. Hier en daar tusschen deze driftige, +haastende menigte zijn bijen, die niet meê bewegen in den stroom, +maar daarin veilig geankerd liggen met hun kopjes omlaag en naar +den korf gericht; zij waaien onafgebroken met hun vleugels, en zoo +snel is die beweging, dat men den indruk krijgt, alsof zij in een +mist van grijzen nevel staan. Let ge beter op, dan bemerkt ge, dat +deze bijen in ten naastebij regelmatige rijen staan, de een achter +de ander, en zooveel plaats laten dat de botsende stroomingen der +proviandgaarders ongehinderd voorbij kunnen trekken. Als de toeschouwer +den moed heeft zijn oor op de hoogte van de vliegplank te brengen, +dan zal hij getroffen worden door een gestadig sissend geluid, dat +duidelijk uitkomt boven het geroes, door de gaande en komende reizigers +gemaakt. Deze rijen van waaiers strekken zich uit in rechte lijn, van +het vlieggat tot aan den rand van de vliegplank, maar aan ééne zijde +slechts; en bij een nog nauwlettender waarneming zal men bemerken, +dat zij aan een geregeld systeem van aflossing gehoorzamen. Terwijl het +totaal volume van het geluid geen oogenblik ook maar iets vermindert, +ziet men bij geregelde tusschenpoozen van eenige minuten, de een +of ander van de stilstaande bijen weggaan en de plaats onmiddellijk +door een ander innemen, die zich dan weer in de rij schikt tot het +vervullen van haar taak. De reden voor dit alles is heel duidelijk: +de waaiers moeten in de korven luchtverversching aanbrengen; een +stroom van bedorven lucht wordt door het vlieggat aan één kant er +uitgetrokken en parallel daarmee, zonder er meê in botsing te komen, +wordt de zuivere luchtstroom aan den anderen kant naar binnen gezogen. + +Gedurende de warme lente- en zomerdagen is deze afdeeling van waaiers +onafgebroken aan het werk; en zij blijven er voortwuiven, ook als de +duisternis intreedt. In kille nachten dunnen de gelederen tot soms maar +een paar enkele bijen, en bij een intermezzo van koud weer blijft er +zelfs geen enkele. Maar in de hondsdagen, of zooals de ouden zeiden: +"als Sirius, de honingster, straalt," dan verheft zich de diepe sistoon +van deze waaiers, in een rijk bevolkte korf, haast tot de geluidsterkte +van een windvlaag. Wie dan naar buiten komt onder de sterren in den +zomernacht, en in de dichte aromatische duisternis blijft luisteren +naar dien machtigen toon, krijgt een indruk van het bijenleven zooals +hij hem op geen anderen tijd voelen zal. Overdag wordt dit geluid +gemengd met het koor der vliegende bijen en daardoor overheerscht. Maar +nu zijn allen veilig thuis. Iedere korf is volgepakt van vloer tot +dak met tienduizenden ademende, warmtekweekende wezentjes; de noodzaak +voor het ventileeren is verveelvoudigd en nabij en ver in den bijentuin +zijn de waaierlegers met hart en ziel bij hun werk. + +De nieuweling in dezen bekorenden tak van natuurstudie, die in den +stillen nacht naar buiten genomen wordt om deze gargantua muziek te +hooren, wordt er steeds verwonderlijk door getroffen; sommige naturen +zelfs tot in het ongeloofelijke. In de geheele groote, vredige ruimte +van het heuvelland om hem, in den oneindigen blauwen koepel boven hem +met het levend zilver der stralende sterren, verneemt hij geen enkel +geluid, als soms den triller van een nachtegaal, of het blaffen van +een herder's hond op een verren heuvel, en nu en dan het gonzen van +een kever, die ongezien voorbij vliegt. De geheele aarde schijnt te +rusten, behalve dat geheimzinnige volk in de korven, en bij hen is +het gedruisch van den arbeid zelfs verdubbeld. Buigt men zich in de +duisternis over tot den naasten korf, dan komt het tot het oor als een +toornig dreunen van de zee. Weet men behoedzaam met een lantaarntje +om te gaan, dan ziet men de vliegplank als bedekt met bijen die allen +werken of 't om hun leven gaat; terwijl andere bijen onophoudelijk +uit en in het vlieggat trekken. Dit zijn de schildwachten, die dag en +nacht den korf bewaken, juist zooals in vroeger tijd de schildwachten +de stadspoorten bewaakten in de steden der menschen. De nieuweling +in het vak, zelfs de meest nuchtere en bedaarde, verzinkt bij dien +aanblik in een ernstig en verwonderd zwijgen. Maar als de nacht +meer dan gewoon heet en drukkend is, en het waaiend leger grooter +dan ooit, dan voltooit de ijmker, die gevoel heeft voor dramatisch +effekt, des nieuweling's ontroering gewoonlijk door een bekende truc +te vertoonen. Hij laat zijn kaars zakken tot de vlam juist achter +de ventileerende legerafdeeling brandt, en plotseling is alles in +'t duister; de luchtstroom, uit de korf getrokken, bleek sterk genoeg +om het licht te dooven. + +Ik heb gezegd, dat er schildwacht-bijen zijn, die de korven dag en +nacht bewaken. Voor het ongeoefend menschelijk oog is de ééne bij +gelijk aan de andere, en het is voor ons moeilijk te begrijpen, hoe de +wachters, onder de duizenden die voorbij trekken, steeds onfeilbaar de +indringers weten te ontdekken om hen daarna met onhoffelijke fikschheid +te verwijderen. Waarschijnlijk is het niet met het gezicht alléén, dat +deze indringers worden herkend. Het reukzintuig is bij de honingbijen +buitengemeen scherp, en zal zeker de schildwachten helpen bij hun +moeilijke taak. Het is bekend, dat een bijenkoningin een eigen, sterke +geur moet hebben, daar haar aanwezigheid, zelfs al is zij opgesloten, +van alle kanten de darren doet opkomen. Waarschijnlijk is een geheele +kolonie doortrokken van het bijzonder aroma hunner koningin, en zoo +zijn de wachtbijen in staat hun eigen volk te onderscheiden van een +vreemden stam. + +Wanneer men het buitenleven van een korf in dien ouden tuin +nauwkeurig blijft toekijken, komt er nog veel meer belangrijks aan het +licht. Zelfs in een ouderwetschen strooien stolpkorf zijn misschien +meer dan twintigduizend individuen onder dak: en het spreekt van zelf, +dat een geregeld reinigingssysteem dan onmisbaar is. Dit werk nu kan +men regelmatig zien gebeuren tusschen al de andere bedrijvigheden +door. Ieder oogenblik komen er bijen naar buiten met minder gewenschte +overblijfsels; zij gooien die over den rand van de vliegplank en +wringen zich dan onmiddellijk weer door de menigte naar binnen, +voor een volgenden last. Anderen dragen de lijken van hun kameraden, +die in den korf gestorven zijn; en nu en dan worstelt er zich een +door de menigte heen naar buiten, dragend hoog boven zich uit een +vreemd en griezelig ding, een volkomen duplicaat van haarzelf, maar +heelemaal wit behalve de zwarte kralenoogen. Dit is de ongeboren bij, +in de cel bezweken. Kindersterfte is zelfs bij de wijze honingbijen +nog niet overwonnen, en velen worden er zoo uitgedragen, vooral in +het vroege voorjaar. Bij het bespieden van die begrafenisbeambten +in hun griezelige maar noodzakelijke werkzaamheden, zal men iets +bijzonders opmerken. Terwijl alle andere ongerechtigheden eenvoudig +over den rand van de vliegplank worden heengeworpen, waar zij zich +ophoopen op den grond, gebeurt dat nooit met die doode larven. Hun +dragers vliegen met hen heen in rechte lijn naar de een of andere heg, +en laten ze dan vallen op een behoorlijken afstand van den korf. + +Nog een ander werk is in gang aan de poorten van de bijenstad. Sommige +van de thuisblijvers schijnen als een soort van opzichters dienst +te doen. Zij helpen de te zwaar bevrachten de poort te bereiken; +of als in de drukte soms een klompje stuifmeel losraakt en valt, dan +rapen deze bijen het op en brengen het in den korf. Soms komt er een +bij naar beneden zwenken, heelemaal dik onder het stuifmeel, als een +vergulde molenaar; dan vallen die opzichters onmiddellijk op haar aan +en ontdoen haar door kammen van dien hinderlijken schat. Andere hebben +de zorg voor de jonge bijen, die hun eerste vlucht zullen beginnen. Het +jonge ding zit kant en klaar en steekt zijn tong uit in haar geheele +lengte; om hem heen verzamelen zich dan een half dozijn bijen, die hem +van alle kanten gaan likken en bestrijken. Eindelijk is het toilet in +orde en hij wordt vrijgelaten; hij flakkert even met zijn vleugels +en schiet ver weg in de blauwe lucht en den zonneschijn, en vliegt +mee met de andere naar de klaverweide; nog lang nà-glinsterend in +het volle, blijde middaglicht. + +Want gaandeweg zijn de uren verstreken--het is middag geworden--en +de dichte bedrijvigheid, de diepe sonore zangtoon van den arbeid, +schijnen hun hoogtepunt bereikt te hebben. Maar nu rijst een sterker +geluid van overal: een gestadige stroom van bijen, grooter en dikker +dan de anderen, barst uit alle korven. De darren, de luie broeders +van deze nijvere vestaalschen, zijn eindelijk wakker geworden en +komen naar buiten voor hun dagelijksche vlucht. Bij tweeën en drieën, +in geheele bataljons, komen zij uit het vlieggat dringen, beginnen +hun middagevoluties rond de korven, en vervullen de lucht van een +rumoerig, vroolijk gegons. Na een poosje zullen ze allen heen zijn +naar hun geneuchten en de bijentuin schijnt dan in vergelijking +wonderrustig. Maar nu is een plotselinge toeneming van levenskracht +onmiskenbaar. Met het ontwaken der darren schijnt een nieuwe geest daar +buiten vaardig geworden. De lucht is niet meer overvol met bedrijvige +proviandzoekers. Want velen daarvan zijn gaan deelnemen aan den +middagrondedans, en iedere korf is het middelpunt van een gonzende, +dartelende menigte, door den geest der speelschheid of luiheid bezeten. + +Toch is het slechts een korte wijle van verpoozing. De darren +begeven zich naar hun echtelijke geneuchten daarbuiten. De rumoerige +middagsymphonie sterft uit, en wordt weer vervangen door den ouden, +regelmatigen, eentonigen werkzang. En de toeschouwer bij de poorten +der bijenstad, wendt zich om en gaat op zijn schreden terug door +den ouderwetschen bloementuin, vol van de wonderen, die hij zag; +maar niet bevredigd; want hij voelt zijn nieuwsgierigheid duizendmaal +sterker geprikkeld naar dat, wat hem zoo onverbiddelijk onthouden werd: +een kijk in de wereld achter die plagende strooien wanden. + +Langzaam huiswaarts slenterend, legt hij zichzelf allerlei vragen +voor. Wat is de reden van al dit ernstig, zoo juist geordend +werken? wat de uitkomst? Wat gebeurt er met het stuifmeel, dat den +heelen morgen wordt ingezameld? Waar zulk een ingewikkeld systeem, +zulke éénsgezindheid blijkt, en zulk eene vernuftige regeling der +werkzaamheden, moet noodzakelijk een heerschend en leidend intellekt +bestaan, dat ieder zijn taak in het geheel aanwijst. En dat er een +koningin zou zijn--een enkele bij, veel grooter dan de anderen, +die zij allen huldigen, en die haar geheele leven doorbrengt in 't +schemerig labyrinth der korven, als de paus in het Vatikaan--is dat +eene waarheid of alleen de verbeelding van het onwetend brein van +eenvoudige buitenlui? Als deze koningin bestaat, als iedere korf +inderdaad zijn alleenheerscher(es) heeft, die het geheele complex +van leven en staatsinrichting bestuurt, op welke hoogte moet die dan +geplaatst worden op den trap der denkende wezens? + +En als hij dan wijs is, dan zal de leerling er eindelijk toe komen +den schilderachtigen, ouden bijentuin juist te beoordeelen. Oude +dingen behouden hun schoonheid, en als de eeuwen voorbijgaan winnen +zij nog aan liefde bij hen, die hen terecht liefhebben. Maar hun +belangrijkheid, hun waarde, vergaat met de jaren, als het getij der +menschelijke kennis en beschaving verloopt. + +En zoo is het met den bijentuin in zijn Meikleed van groen loof en +bloesemkleuren. Hij is mooi in zijn blijde heerlijkheid, door de echo +der nu zwijgende stemmen uit oude tijden, en zijn gewijd aroma van oud +gebeuren. Maar van wat wij weten willen kon hij niet spreken. Hij kan +alleen ons voor raadsels stellen, die wij niet raden kunnen. En daarom +moeten wij alle fantastische vooroordeelen op zij zetten en den rug +keeren aan die zoete bekoring, om dan zonder omzien een vasten stap +te richten naar het groote moderne bijenpark op den heuvel. + + + + + + +HOOFDSTUK V + +DE REPUBLIEK BINNEN DE KORVEN. + + +Als een Droogstoppel een natuurwaarheid behandelt, weet hij zijn +onderwerp hopeloos saai en duf te maken; maar wie een dwaling +aankweekt, omdat die zijn artistiek gevoel bevredigt, doet nog +erger. Niets is droog en beuzelachtig in de Natuur, tenzij de +mensen het zoo voorstelt; maar er was ook geen mooie, gefantaiseerde +onwaarheid, die niet, in het volle daglicht, bleek schuim en klatergoud +te zijn. Romantiek en poëzy zijn in de laatste jaren wel zeer van +plaats veranderd. Zij, die tot in het onredelijke aan het strand van +den Tijd naar oude dingen graven, en oude gedachten en gebruiken, +hebben al zoolang in hetzelfde welvoorziene hoekje gewurmd, dat zij +gevaar loopen door den vloed overspoeld te worden; en zij moeten +haast maken of het zal zwemmen voor hen worden. De menschelijke geest +begint meer en meer zich te wenden tot hen die levende waarheden +geven--naar hen die de sterren onderzoeken, die nieuwe krachten halen +uit ons aller lucht, en hen, die eindelijk de ware lezing vinden +van de oude vergane teksten der rotsen en beken. Zij zijn de ware +dichters en romantici; vertellers van wonderverhalen, en zij zullen +de menigte trekken,--want de massa is nooit ver van de waarheid in +zijn intuïties--als al de zangers van ziekelijke wijsjes en al de +harpspelers op gesprongen gouden snaren, in een droevigen optocht, +naar de plaats zijn teruggegaan waar zij thuis hooren. + +Het oude verhaal--dat zoolang een eereplaats heeft ingenomen in +de schoolboeken, en in de geschriften van hen, die de wonderen +der Natuur behandelen vanuit hun studeerkamer--het oude verhaal +van de koningin-bij, die haar dertig- of veertigduizend gehoorzame +onderdanen regeert en hen onfeilbaar leidt in al hun verwonderlijke +werken en ondernemingen, die fabel moet den weg op van de rest. Want +de waarheid--door de moderne onderzoekers vastgesteld--is, dat +de koningin niet de heerscheres is in den korf; maar een getrouwer +onderdaan dan al de anderen. Wat er in het bijenleven gebeurt, gebeurt +door de werkbijen; zij alléén hebben het geheel in handen. De koningin +heeft part noch deel aan de leiding der staatsbelangen; ook heeft zij +geenerlei vermogen, geestelijk of lichamelijk, om de publieke werken te +helpen uitvoeren. Haar éénige plicht is haar moederschap, en zelfs het +initiatief daarin krijgt zij van de werkbijen. Zij is niet veel anders +dan een vernuftig mechanisme, en als zóódanig wordt zij verzorgd +en gekoesterd. Zij heeft zekere neigingen en zekere elementaire +hartstochten, die zij onfeilbaar op een zekere, vast bepaalde wijze +uit. Maar als intellekt, als produktieve kracht, telt zij niet mee. De +geest in den korf is de geest der gemeenschap, buiten de koningin en +de darren om, een overgeërfde geest, een gemeenschappelijk intellekt, +dat zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld, de totale som van alle +bijenervaring sedert de wereld der bijen begon. + +Maar als de nieuwere wetenschap ons noodzaakt, om de moederbij te +ontdoen van al haar koninklijken staat en grootheid, en zoo een van +de bekoorlijkste fantasieën der oude tijden te niet-doet, dan is dit +alleen om een waarheid aan het licht te brengen, die nog treffender en +romantischer is. In het licht van dit nieuwe weten sluiten deze oude +feiten een verwonderlijk mysterie in, dieper dan het oude. Want had de +studie van het leven der bijenkorven al zulk eene aantrekkelijkheid +voor ons, toen wij nog meenden, dat het uitging van een enkel +gevleugeld atoom met sterke en overheerschende eigenschappen, hoeveel +grooter moet dan de bekoring zijn nu wij er een zeer gecompliceerd +stelsel van staatsbeheer in zien, dat is uitgedacht en wordt +bijeengehouden door de samenwerking van tienduizenden redelijke wezens. + +Redelijk, met rede begaafd--het is een groot woord, een tweesnijdend +zwaard, dat voorzichtig gehanteerd moet worden. Wij zijn zoolang +gewoon het alleen te gebruiken voor onze eigen prachtige geestelijke +processen, en het schijnt ons dus belachelijk, het toe te passen +op zulk een klein partikel in de dierenwereld, als de honingbij +is. En toch, hoe dieper wij ons inwerken in al wat de bijen en haar +maatschappij betreft, des te moeilijker vinden wij een woord, dat de +slotsom van onze bevindingen juister weergeeft. "Instinkt" zegt het +niet. Instinkt bedoelt een doode volmaaktheid der motieven, die uit +alwetendheid voorkomt en in redelooze onveranderlijke organismen +werkt, tot het bereiken van een even volmaakt einddoel. Maar +van de bij kan men niet zeggen, dat zij in plan of uitvoering +onveranderlijk het volmaakte bereikt of zelfs bedoelt. Men zal +verderop zien, dat hare uitgangspunten, haar methoden, en wat zij +volbrengt heel dikwijls onmiskenbare dwalingen en feilen zijn. Zij +zal iets heel deugdelijks ondernemen en het daarna opgeven als zij +onvoorziene hindernissen ontmoet. Zij zal blindelings volhouden +in een allerdwaast beginnen en haar fout niet ontdekken tot lust +en kracht zijn uitgeput. Plotselinge omstandigheden kunnen soms +haar dringen tot de uiterste inspanning van haar vernuft, of ook +wel neerploffen in lustelooze mismoedigheid. Moed, werkzaamheid, +spaarzaamheid, wijs doorzicht, of nog wijzer nabetrachting zijn +algemeen in haar voorkomende eigenschappen. Maar zij kunnen evengoed +luiheid ontwikkelen, slofheid en slordigheid en zelfs oneerlijkheid, +als toeval of omstandigheden haar dien kant uitdrijven. + +En wat anders zijn al deze fouten dan de gebreken of eigenschappen +van de Rede? Als men wil aannemen, dat bijen en menschen beide +in goddelijken oorsprong wortelen en ook in dezelfde dwalingen en +ongerijmdheden vervallen, waarom zal men dan een scheiding tusschen +hen maken, door willekeurig een verschil aan te nemen in natuurlijke +oorzaken en gevolgen? + +Wanneer men voor het eerst de bijen waarneemt door de glazen wanden +van een observatie-korf, of in den haast even doelmatigen modernen +korf met lossen bouw, dan rijst deze vraag voortdurend in ons op en er +schijnt maar één antwoord te zijn. Er is iets merkwaardig menschelijks +in dat drukke bewegen bij de raten; en de oude vergelijking van een +bijenkorf met een menschenstad is steeds in onze gedachte. Het eeuwige +gaan en komen; toevallige ontmoetingen van vrienden ergens op den hoek +van een straat: geschillen waarbij wij meenen het norsche verwijt en +het kribbig antwoord te hooren; bezige metselaars, en leidekkers, en +magazijnbedienden overal aan 't werk; honderd verschillende zaken, +die omgaan in alle verkeerswegen of zijstraatjes, van den grooten +hoofdingang af, tot het verste darrenhoekje in den korf. + +Ge ziet ook de groote zwaarlijvige koningin zwoegende over de raten, +van cel naar cel; steeds door haar lijfgarde omgeven. In de hoogste +verdieping van den korf zijn de honingbereidsters bezig; zij storten +het pasgegaarde zoet in de vaten, of verzegelen de rijpe honing met +afsluitingen van was. + +Waar de broednesten liggen in het binnenste en warmste gedeelte van den +korf, ziet men het gestaâge bewegen van de voedsterbijen over de raten; +zij onderzoeken iedere cel om de ontwikkeling der larven te volgen en +geven ieder zijn bepaald rantsoen van bijenmelk; of als de tijd daar +is, sluiten zij de cel met een bedekking, die afzondering verzekert +en toch vrij de lucht doorlaat. Hier en daar zijn de bijen ontwaakt +uit hun vervormende verdooving en roeren zich bij de afsluiting +van hun vóorgeboorte-graven, en bijten zich er manhaftig een weg +doorheen, of strekken roode, glinsterende, begeerige tongen uit, +verlangend naar 't eind van hun langen vastentijd. Als deze jonge +gasten eindelijk zich een weg in het bestaan hebben gebaand, dan kan +men zien, hoe zij zich poetsen en opdoffen, of in de naastbijzijnde +raten naar honing zoeken, terwijl de voedsterbijen de cellen reinigen, +die zoo even verlaten werden, opdat de koningin ze klaar zou vinden, +op haar volgenden rondgang van eier-leggen. + +En al deze werkzaamheden gebeuren gelijktijdig op ongeloofelijk groote +schaal. Verwonderlijke staaltjes worden daarvan aan den beschouwer +gegeven, die hij aanhoort, maar op dat oogenblik niet naar waarde kan +schatten. Men zegt hem, dat de koningin de eenige moederbij in de +kolonie is, hoe groot die zijn mag; dat zij in den opgang van haar +moederschap wel 3.000 eieren per dag legt, en dat het in haar macht +staat, naar verkiezing mannelijke of vrouwelijke eieren te leggen of +wel heelemaal geen. Men vertelt hem, dat zij, behalve wanneer zij met +een zwerm uittrekt, maar éénmaal in haar leven den korf verlaat en +dat op haar huwelijksreis, en hoe zij bij die ééne gelegenheid verkeer +heeft met den dar, ergens ongeloofelijk hoog in de blauwe lucht en den +zonneschijn van den zomerdag, en dat onvermijdelijk dadelijke dood +het eenig deel van haar bruidegom is; dat zij daarna onmiddellijk +in den korf terugkeert, en na dat ééne oogenblik de rest van haar +leven, dat nog jaren duren kan, in onbevlekten weduwstaat doorbrengt, +terwijl zij toch tot het einde toe hare vruchtbaarheid behoudt. + +Zij wordt den verbijsterden nieuweling aangewezen, terwijl zij op +haar eeuwigen rondgang bij de broedraten is, en haar verschillende +eigenschappen worden hem daarbij uitgelegd. Men wijst hem hoeveel +grooter zij is dan de werkbijen; hoe haar geheele lichaamsbouw +op talrijke punten van den hunne afwijkt; hoe haar gewoonten en +instinkten haast in geen enkel opzicht dezelfde zijn als die der +gewone werksters. En eindelijk krijgt hij iets te hooren, waarbij +zelfs de beleefdste goedgeloovigheid twijfelen zou. Hoewel de +moederbij oogenschijnlijk van een geheel ander ras is, was toch het +ei, dat haar voortbracht, gelijk aan dat waaruit de kleine werksters +geboren worden. Haar grootte, de afwijkingen in vorm en getal van +hare organen, haar geestelijk verschillen, dat alles is enkel het +gevolg van behandeling en dieet. Had niet de gemeenschapsgeest het +zoo gewild, zij had dan evengoed een neutrale werkbij kunnen zijn, +en ieder van de dertig- of veertigduizend werksters had een groote +koningin-bij kunnen worden, en de eenige moeder van de geheele +kolonie. En nog verwonderlijker--de broeders, nooit de vaders van +hun eigen kolonie, zooals men vroeger meende--de darren hebben het +feit van hun geslacht geheel alleen te danken, aan den wil of gril +van de korf-autoriteit, die zich uitspreekt in het volgzame gedrag +der koningin. Tot het oogenblik vóórdat het ei gelegd wordt, is het +geslacht van de daaruit komende bij nog niet bepaald. Deze groote +wellusteling, de dar, wiens overmoedige mannelijkheid spreekt uit +al zijn doen en bewegen; zijn geheel verschillend organisme; zijn +onbekwaamheid in iets anders dan het vervullen van den éénen plicht +die van hem geëischt wordt;--want hij kan niet eens zichzelf voldoende +voeden;--zijn gewoonte zijn leven te verdeelen in een slaperig zich +vol eten te huis, en een liefdedronken dolende ridderschap buiten--deze +dar had een kleine, zwoegende werkbij kunnen zijn met een ingekrompen +en toch fijnbewerktuigd lichaam en verwonderlijk ontwikkeld brein met +den éénen drang bezield, de grootst mogelijke hoeveelheid werk af te +doen vóór de dood haar roept, en die gewapend is met een vreeselijken +vergiftigen angel, dien ook de dar moet missen. + +Het zou nutteloos zijn den leerling nu al te zeggen, dat al die +ingrijpende verschillen--wonderen in waarheid, in den gewonen zin van +het woord--door de leidende machten in den korf bewerkstelligd worden, +op zeer gemakkelijk te verklaren wijze. Want op dit oogenblik heeft hij +allen zin voor de détails verloren, hoe opmerkelijk zij mogen zijn, +door het nieuwe inzicht, dat hij verkreeg in zulk een veelomvattend +staatsbeleid. Hier is nu een gemeenschap, die naar het schijnt alle +problemen heeft opgelost in verband met het welzijn en den vooruitgang +van een talrijke, hooggeorganiseerde maatschappij. Moeilijkheden, +die de socialistische filosofen bij de menschen in verwarring brengen, +of die donker opdoemen in de nabije toekomst--vraagstukken betreffende +de vermeerdering der individuen in verband met den voedselvoorraad, +het evenwicht der geslachten, communaal of individueel eigendom, +geschiktheid voor het ouderschap, de opperheerschappij van Recht +of Macht--dit alles schijnt al lang geleden te zijn vastgesteld in +deze verwonderlijke bijenrepubliek. Een bijenkorf in goede condities +schijnt ons een levend voorbeeld, een volmaakte les van aanschouwelijk +onderwijs, in zake de beteekenis van het Socialisme, wanneer het +tot in zijn strengste uiterste konsequenties wordt doorgevoerd, +zoowel voor menschelijke- als voor bijenstaten. Hier is een aantal +individuen aanwezig, tusschen tienduizend en vijftig- of zestigduizend, +al naar mate hun toestand of het jaargetij, dat in een ruimte van +een paar kubieke voeten gezond en gemakkelijk leeft. Het beginsel: +de grootst mogelijke welstand voor het grootste aantal, is hier tot +het hoofdbeginsel geworden waarvoor ieder zich heeft te buigen. De +fictie van het koningschap wordt gehandhaafd in harmonie met den +volkomen republikeinschen geest. Het vrouwelijk element heerscht +in alles, het mannelijke in niets. De groei der bevolking wordt +aangezet of tegengehouden al naar dat de schatting uitvalt van de +aanwezige of toekomstige provisie. De verhouding der geslachten +wordt naar willekeur gewijzigd. De regel, dat wie niet werken kan, +niet leven zal, wordt met meedoogenlooze gestrengheid toegepast. Al +het bijeengebrachte staatsbezit behoort de gemeenschap. Wanneer de +kolonie te talrijk blijkt en de grenzen niet uitgelegd kunnen worden, +dan is een groot gedeelte der inwoners genoodzaakt uit te trekken, +en zij mogen niet meer nemen van het staatsbezit dan wat zij kunnen +meedragen en verliezen alle recht op de rest. Het leidende vrouwelijke +element schijnt besloten te hebben dat slechts één uit hun getal +het voorrecht zal worden toegekend het moederschap uit te oefenen; +en als haar vruchtbaarheid afneemt, wordt zij afgezet en er komt een +nieuwe moederbij, daartoe opzettelijk gekweekt, in haar plaats. + +Al deze feiten betreffende het bijenleven en nog een aantal andere +verdringen zich in het verbijsterde hoofd van den nieuweling tot hij +niets meer kan opnemen. Hij begint nu eindelijk in te zien, dat hij +een veelomvattende stof te vluchtig heeft willen bemachtigen en het +verkeerd heeft aangepakt; ongeveer zooals een studeerend jongeling, +die besluitende tot de studie van een nieuwen moeilijken tak van +wetenschap, aan het eind van een verhandeling begint en zich dan te +midden van termen en equaties voelt, waarvan hij niets begrijpt. Al +dit verwarde gekijk door korfvensters, en luisteren naar brokjes +verbazingwekkende bijzonderheden, is eigenlijk niets anders dan +het bijenlevensboek openslaan op goed geluk, en dan hier en daar een +bladzijde te lezen krijgen zonder verband, waardoor men vage, vluchtige +indrukken ontvangt van zekere in 't oogspringende, kaleidoscopische +bijzonderheden, maar geen grondige en aaneengeschakelde kennis der +feiten. En er zit niets anders op--als hij in waarheid het leven der +honingbijen wil kennen--dan terug te gaan tot de eerste bladzij van het +boek en vastberaden door te werken tot het einde--als er een eind is. + + + +Iedereen kent de Engelsche honingbij--de zwarte bij wordt zij +genoemd, gedeeltelijk om haar te onderscheiden van haar buitenlandsche +concurrenten en gedeeltelijk, zou men denken, omdat zij in 't geheel +niet zwart is; maar van een diep donker bruin.--Maar niet iedereen +kent haar oorsprong. Waarschijnlijk kwam zij uit de tropen tot ons, +bij korte dagreizen, een latere zwerm weer verder dan de vorige, tot +de ondernemendste van allen het Kanaal overstak in heel verre tijden, +toen het Kanaal nog maar een smalle streep water was, of misschien +wel vóórdat Groot-Brittannië van het vasteland was losgeraakt. + +Het was de zwarte bij, en niet de kleurige Italiaansche of eenige +andere variëteit, die naar Engeland kwam, misschien om dezelfde +reden als waarom de Kelten kwamen--omdat zij een forsch ras waren, +dat aan de frissche noordelijke atmosfeer de voorkeur gaf en er ook +beter tegen bestand was, dan tegen de hitte en zware lucht van het +zuiden. De moderne engelsche bijenkweekers, die zooveel moeite doen +om de goudgegordelde of zilvergefransde rassen van andere landen +te acclimatiseeren, mochten dit wel in het oog houden. Het groote +twistpunt tusschen de Britsche ijmkers tegenwoordig gaat over de +betrekkelijke verdiensten van de oorspronkelijke en de ingevoerde +stammen. Maar hier heeft toch zeker de Natuur niet gedwaald. South-Down +schapen kunnen in alle graafschappen geteeld worden; maar nergens +gelukt het zóó als op "Downs" van Sussex. Ditzelfde geldt voor de +Engelsche bij. De eeuwen hebben uit haar tropischen oorsprong dát +ontwikkeld wat zij nu is--een sterk, uitsluitend Britsch wezen, +dat door alle grillen van het klimaat is heengegroeid en er tegen +bestand is, terwijl haar teêrder zusters van het zuiden een harden +dobber hebben zich er door te slaan. Zij houdt het tegen hen uit, +dubbel en dwars. In de zeldzame jaren dat in letterlijken zin het land +overvloeit van honing, staan de wedijverende honingmakers wel gelijk; +maar alles saâmgenomen, goed en kwaad, vroeg en laat, verslaat toch +de Engelsche zwarte bij op den duur al haar mededingsters. Duizenden +van jaren waren noodig om van haar te maken wat zij is, en mogelijk +zullen ook duizenden van jaren de geelgerokte Ligurische geschikt +afleveren voor het werk in Brittanje. Maar werken voor zulk een ver +nageslacht zou een altruïsme zijn voor engelen, niet voor menschen. + +In den verren oertijd bekommerde de bij zich zeker niet om iets als een +korf, en zij zal haar raten wel hebben gehangen waar in de bosschen een +tak daartoe geschikt leek, zooals nu nog de bijen in Indië het doen. De +gewoonte een plaats te zoeken in een hollen boom of rotsspleet, zal +zij denkelijk verkregen hebben toen zij noordelijker was getrokken, +en een beschutting voor koude of het slechte jaargetij meer en meer +noodzaak werd. De tegenwoordige gewoonten van in het wild levende +dieren geven ons eenig denkbeeld van hunne levenswijze in vroeger +tijden; maar het is bovenal in hunne afwijkingen van die gewoonten, dat +wij een juiste aanwijzing krijgen van hun leven in den oorspronkelijken +natuurstaat. Als verdwaalde bijenzwermen geen betere plek vinden, dan +bouwen zij dikwijls in de open lucht, en hangen hun wassen huizen aan +een horizontalen tak, of maken hun nest in het dichtst van een boschje. + +De gewoonten van de honingbij zijn vol van zulke afwijkingen; +misschien dat tusschen hun moderne behoeften dan vage herinneringen +rijzen aan den oertijd. Het uitgaan der zwerm is mogelijk niets +anders dan een overgebleven oud proces, noodzakelijk in zijn tijd; +maar dat in de hedendaagsche beschaafde condities den prikkel dier +absolute noodzakelijkheid mist. Want het bijenleven, zoo oud als het +is, is een door evolutie verkregen beschaving, en niet een overgebleven +oertoestand. Het is begrijpelijk, dat de vossen hun holen, en de vogels +hun nesten hebben, zooals wij ze hadden, sedert Adam om Eva wierf. Maar +de honigbij in de twintigste eeuw is niet van dat soort. Zelfs is +misschien het gemeenschapsleven in een betrekkelijk late periode +van haar ontwikkeling ingetreden. Het is mogelijk eenig denkbeeld +te krijgen van wat zij zich in den loop der tijden veroverde, door +het bestudeeren van de levensgewoonten van andere wezens, die haar +verwant zijn, maar veel minder ver gekomen dan zij. Er zijn verre +betrekkingen van haar, eenzame, kleine boschwespjes en anderen, +die zich nooit met hun soort vereenigen; maar hunne zomerdagen in +eenzaamheid leven en met het kwijnend jaargetij sterven, terwijl zij +de voortplanting van hun soort nalaten aan een kroost, dat zij nooit +zullen zien. De gewone wesp staat in ontwikkeling dichter bij de +honingbij; maar toch nog heel ver achter. De bevruchte koningin-wesp +komt uit haar winterschuilplaats; maakt in een gat in den grond een +paar cellen en legt daarin haar eerste eieren, en zoo sticht zij een +kolonie, die hoewel zij in het seizoen volkrijk genoeg is, toch bij +de eerste winterkoude moet bezwijken. + +Misschien hebben in den oertijd de bijen in de tropen in afzonderlijke +families geleefd, ieder met zijn vruchtbare moeder en zijn luien +lummelenden vader, den Turveydrop [5] van de schepping--en hun +stortvloed van kroost, waarvan ieder volwassen individu uit zou +trekken om zich een eigen thuis in te richten. De moderne bijenstad +met zijn ingewikkelde stelsels en wetten, en zijn immense drommen +van bewoners, is misschien ontstaan toen verandering van woonplaats +en klimaat een nieuwe levenswijs gebood. Het leven in gestadige +warmte, in een land waar bloei na bloei kwam in oneindige opvolging, +maakte zulk een samenwerking niet noodig. Dat ééne, kleine gezin, in +zijn met mos gedekt hoekje, kon zijn eigen temperatuur onderhouden, +en waar een eeuwige nektarbron vloeide was voorzorg dwaasheid, de +winterprovisie was er van zelf. + +Maar naarmate de jonge bijen, die, hun woonplaats verlatende, altijd +verder naar het noorden vlogen, eerst aan de gematigde zônen kwamen en +toen binnen het bereik der pool-invloeden, werden de omstandigheden +geleidelijk anders. De eeuwige honingtuin was achtergebleven, en +ieder jaar kwam er een tijd--eerst kort maar steeds onherroepelijk +langer--dat er geen bloemen waren. Toen moet de harde noodzakelijkheid +de bijen wel geleerd hebben, in het koude jaargetijde zooveel mogelijk +bijeen te dringen tot het behoud van warmte; en toen de koude perioden +langer en langer werden, moesten zij voor winterprovisie zorgen, die +duren kon tot de lentezon weer de aarde zou liefkoozen en zij bloemen +gaf. En zoo moeten de eerste gemeenschappelijke bijennesten ontstaan +zijn door den nooddrang van het ras: de eerste gemeenschappelijke +voorraadschuren moesten ingesteld, voor een menigte van onvoorziene +moeilijkheden moest een uitweg gezocht, en de geest der vinding moest +tot de uiterste spanning vaardig zijn. Want nooit heeft Pandora +haar wonderkist met ernstiger gevolgen op aarde geopend, dan toen +de Groot-Kunstenaar de honingbij als voorbeeld in het stedenbouwen +stelde voor de nomadische menschen-wereld. + +Van het samenscholen der afzonderlijke bijenfamilies ter wederzijdsche +bescherming tegen de elementen, tot een algeheele samensmelting +van levensbelangen, moet, zooals de natuur werkt, maar één stap +geweest zijn. Maar er zullen tijden van groote beroering zijn +geweest--sociale oproeren, rampen bij de opvoeding, en vernietigende +geslachtsoorlogen. De bijenwereld zal op zijn grondvesten hebben +geschud. Wanneer en hoe de vrouwelijke bij het eerst de opperste +leiding kreeg, is onnoodig na te sporen. Maar het is zeker dàt zij +die verkreeg en steeds bleef handhaven. Het vraagstuk der bevolking +moet het overwegend probleem zijn geweest. Met honderden vruchtbare +moeders in den korf, die haar eigen kroost opkweekten, en een schaar +luie, onverantwoordelijke darren, die niet anders konden dan dansen +in den zonneschijn en uit vrijen gaan; hoe moest in de benoodigde +dagelijksche consumptie voorzien worden, om nog niet te spreken van +de provisie voor de komende winterdagen? + +Hier ging het om ingrijpende veranderingen of volslagen ondergang, +en het is begrijpelijk, dat de vrouwelijke bijen, toen het initiatief +bij de mannen ontbrak, de teugels in handen namen. + +Het is een geschiedenis met een profetische leering. Allereerst +ontdekten zij hun stille macht: de onschuldige legboor openbaarde +zich als een uitstekend verdedigingswapen. Het leger was dus met de +opstandelingen, en de rest volgde van zelf. Een grootsch, verstrekkend +schema werd opgezet. Het moederschap zou het voorrecht zijn van enkelen +en de daartoe het best geschikten; het werk was voor de massa. Zware +tijden hadden al een mager, onvruchtbaar slag onder hen gekweekt, +en het bleek, dat slechte rantsoenen in de kinderkamer op eenvoudige +wijze een vermeerdering van die natuurlijke ongehuwden ten gevolge +hadden. En toen werd die kleine sexlooze werkbij aangekweekt, terwijl +de rijkelijk gevoede moeders langzamerhand tot zeer weinige werden +teruggebracht en eindelijk tot maar één enkele. Het was de triomf +van gemeenschappelijke zelfopoffering ten bate van het welzijn en +het hoogste voortbestaan van het ras. + +Al dit mag men veronderstellen te hebben plaats gehad in oneindig +verre tijden, lang vóórdat het den mensch gelukt was zichzelf van +de apen te onderscheiden. In de honingbij van dezen tijd en haar +leven in de moderne korven hebben wij iets als de quintessence +der eeuwen: een wezen door zeldzame omstandigheden ontwikkeld naar +geest en lichaam, en deze omstandigheden haar weer dwingend tot dit +zeldzame levenssysteem. Als Ruskin's Venetiaan moet zij nobel leven, of +bezwijken. En nog wel meer wordt van haar geëischt dan de rol van huis- +en staatseconomist. Om een modernen bijenkorf de bestaansmogelijkheid +te verzekeren, moeten er bouwmeesters, rekenmeesters en scheikundigen +binnen zijn wanden huizen. De gezondheidsleer moet er grondig +behandeld worden of de bijenkorf zou binnen weinig tijd in een bijenval +verkeeren. Er moeten kundige landverkenners zijn, die een onderzoek +instellen naar nieuwe verblijfplaatsen, juist vóórdat de zwermen rijp +zijn. Er moeten opzichters zijn en ploegmeesteressen overal, om op +alles wat er in den korf omgaat toezicht te houden. En boven alles moet +er een opperste centrale macht heerschen, een vèrziende intelligentie, +die de onmiddellijke behoeften overziet en de krachten van den staat +aan het werk zet op den juisten tijd en in de juiste orde, om in die +behoeften te voorzien. Zoo dit alles niet in den hedendaagschen korf +kan gevonden worden, dan is toch de noodzakelijkheid er van niet te +ontkennen, en evenmin te ontkennen zijn de verkregen resultaten. + + + + + + +HOOFDSTUK VI + +HET EERSTE WERK IN DE BIJENSTAD. + + +Met "het keeren der dagen," als de winterzon zijn nadir van zwakte +voorbij is, en voor het eerst weer een bescheiden stukje van den hemel +veroverd heeft, begint ook het eigenlijke jaar der honingbij. Dan +worden er voor het eerst enkele eieren gelegd in het hart van het +broednest; en de slaperige klomp begint teekenen van leven te geven; +de waterdragers komen in beweging en zijn in afwachting van een +helderen warmen morgen om zich aan hun werk te begeven. + +Gevaarlijk werk in dit jaargetij; maar hoogst noodzakelijk. Zonder +water kunnen alléén maar op heel kleine schaal jonge bijen opgekweekt +worden. Water is er noodig op iederen trap van hun ontwikkeling, en als +het ontbreekt, is het met den vooruitgang der kolonie gedaan. Zelfs de +volwassen bijen moeten verhongeren en sterven te midden van overvloed, +als hun honingprovisie versuikerd is, en geen water voorhanden om het +onbruikbare zoet op te lossen. Ziet men in een korf honingkristallen +op den bodem liggen en bij den ingang gestrooid, dan kan men zeker +zijn, dat de toestand er hopeloos is. Dan rukken de bijen al de +proviandcellen open en gooien den gestolten honing als onbruikbaar weg +om de onderste nog vloeibare te kunnen bereiken. Als de koude buiten +zich niet ontspant of de ijmker niet klaar staat met een surrogaat, +dan moet de kolonie bezwijken. En daarom wachten de waterdragers op +den zonneschijn, en zijn eerste warmte brengt hen naar buiten om de +dichtstbijzijnde dauwdruppels te rooven of het verscholen beekje op te +zoeken, gelokt door het zoete ruischen. Velen verliezen bij dit werk +het leven in de eerste maanden van het jaar; zij komen om door de koude +van hun last op den terugweg, of worden in de vlucht door een vogel +weggepikt. Maar wat het kosten moge, het toekomstig leven in den korf +moet verzekerd zijn, al zou van de geheele bevolking ook alléén maar +de koningin-moeder overblijven om hem in zijn zomervolheid te zien. + +Wij zijn gewoon ons een korf met bijen als een eeuwig blijvende +instelling te denken, waar de Dood zijn oude, bezige, gestadige rol +speelt, maar het jonge leven hem overvleugelt, juist zooals het in +den stadskorf der menschen gebeurt. De vergelijking gaat op; alléén +gebeuren in den bijenkorf de veranderingen oneindig sneller. Het leven +van een werkbij duurt niet langer dan op zijn hoogst zes maanden; en +in het drukke seizoen leeft zij, door werken uitgeput, soms niet meer +dan zes weken. Zij, die het vorig jaar den honingoogst bezorgden, +waren al dood in den herfst. De laatgeboren bijen, die den winter +ingingen met glimmend borststuk en gekreukte vleugels, leefden juist +lang genoeg om hun onmiddellijke opvolgers te voeden; en deze zullen +alleen leven om het jonge lentebroed tot vollen wasdom te brengen. Geen +enkele van hen zal ooit meer honing inzamelen. Behalve de langlevende +koningin en de oude korf met zijn bouw, wordt iedere kolonie jaarlijks +geheel vernieuwd. + +Overwinteren in den eigenlijken zin komt in de bijenkorven niet +voor. De wesp-koningin en veel andere insekten overwinteren en brengen +de koude maanden door in een toestand van verdooving tot de inwerkende +warmte van het volgend jaar hen weer tot een handelend bestaan +wakker roept. Maar de bijen doen het beter: zij dringen bijeen tot +een dikken, bijna bewegingloozen klomp in het hart van den korf, met +hun kostelijke koningin in het midden en hun proviand boven hen. In +dien tijd is honing hun eenig noodige voedsel, maar een heel klein +verbruik daarvan houdt de kolonie al op de juiste temperatuur. + +Wanneer zij vliegen en aan hun werk zijn of bezig binnen in den korf, +moet het stikstofhoudend stuifmeel bij hun dagelijksch rantsoen nektar +gevoegd worden om de verbruikte weefsels weer aan te vullen; maar nu +is het éénige wat zij behoeven de honing, de geconcentreerde nektar, +de warmtevoortbrenger. De bijen van den klomp, die het dichtste bij de +raten zijn, breken de volle cellen open en de honing wordt aangenomen +en doorgegeven tot iedere bij haar schamel deel heeft ontvangen. + +Zuinigheid behoort nu tot de schoone kunsten. Niemand weet wanneer er +weer nieuwe voorraad te vinden zal zijn, hoewel geen kans ongebruikt +zal worden gelaten om de provisie aan te vullen bij het eerste teeken +van terugkeerende warmte. Maar tot zóólang wordt het kleinste minimum +voedsel verbruikt, en als de naastbijzijnde cellen van hun geheelen +inhoud ontdaan zijn, rijst de klomp weer wat hooger. Het systeem is +dus een soort van afgrazen van de raten, tot de dichte bijenkudde +de uiterste grens van den korf naar boven bereikt heeft; daarna moet +er naar een nieuwe weide uitgekeken. Maar het bewegen van den klomp +gaat uiterst langzaam; misschien is er geen langzamer beweging in de +gansche organische wereld. Allen weten, dat hun bestaan samenhangt +met het ledigen van de raten tot den allerlaatsten honingdroppel. Het +is een wetenschappelijk temperen van het levensvuur--een zorgvuldig +uitgedacht en volmaakt plan tot behoud van het grootst mogelijk aantal +werkbijen op het kleinst mogelijk rantsoen voedsel, zoodat in de lente +een maximum aantal broedbijen en honingdraagsters het leger moge vol +maken, dat het jonge broed, de vertegenwoordigers van de toekomstige +kolonie, moet opkweeken. + +Maar winterslaap is er niet. Het is zelfs niet eens zeker of bijen wel +ooit slapen, zoowel in hun drukken, bezigen zomertijd, als in de starre +diepte van den winter; want ten alle tijden is een licht tikje op den +korf voldoende om onmiddellijk een vreesachtige kreet van binnen op +te roepen. Een luider kloppen zal heel spoedig de waakbijen aan het +vlieggat brengen om de oorzaak van die stoornis te doorgronden en +er hebben al heel wat door die waakzaamheid alleen het leven moeten +inschieten. Met vriezend weer kan men dikwijls de meezen een taptoe +zien roffelen op den korf, om dan iedere bij op te pikken die naar +buiten komt; en ook verschillende andere vogels hebben al uitgevonden, +dat zij zich aldus een middagmaal kunnen verzekeren. + +Het feit, dat wanneer een volk in gezonde conditie is, het binnenste +van den korf altijd zindelijk blijft, wekt bij den nieuweling +gewoonlijk groote verbazing. 's Zomers, als de bijen gestadig in en uit +gaan, lijkt het zoo wonderlijk niet. Maar het is zeker opmerkelijk, +dat in den winter, wanneer zij weken achtereen in den korf moeten +blijven, noch de raten noch de vloer ooit met uitwerpselen bezoedeld +zijn. Deze moeilijkheid heeft het gezondheidsdepartement in den korf +al lang opgelost. Het moet wel een der allereerste vraagstukken geweest +zijn, die zich voordeden toen de honingbij op het ontwikkelingsstadium +van het gemeenschapsleven was gekomen. De ouden geloofden, dat al de +uitwerpselen door de bijen in bijzondere cellen werden gedeponeerd, +en van daar bij tusschenpoozen door de reinigingsafdeeling naar +buiten gebracht. In deze meening, hoe dwaas ook, ligt niets dat +buiten den kring valt van het bijenintellekt; integendeel; zulk een +onpraktisch plan zou zeker nooit bij het bijenvolk opkomen; omdat +het in de verste verte niet voldoende zou zijn. Welk een diepgaand +probleem het behoud der zindelijkheid in de korven is, kan men alléén +dan benaderen, wanneer men de zaak in zijn geheelen omvang beschouwt, +en dan van een menschelijk standpunt gezien. Vraag eens--en ik neem +de cijfers dan nog onvergeeflijk laag--hoeveel hoop op succes het +grootste gezondheidskundig genie van de wereld zou kunnen hebben, +als hij stond voor het probleem, een gebouw volkomen zindelijk en +volmaakt geventileerd te houden, waar 10.000 menschen opeengehoopt in +verdiepingen boven elkaar moesten leven; een gebouw, dat van boven tot +onder hermetisch dicht was, met uitzondering van een kleine opening +op het laagste plan, de eenige in- en uitgang voor al de bewoners, +en tegelijk het eenige afvoerkanaal voor de bedorven lucht en toegang +voor de zuivere lucht? De opgaaf zou al moeilijk genoeg zijn in +den zomer, als een groot gedeelte van de bevolking een heel stuk +van den dag buiten ging werken; maar in den winter, als allen weken +lang thuis moesten blijven, welk systeem zou er dan denkbaar zijn, +dat het gebouw kon verhinderen te verworden, eerst tot een mesthoop +en daarna tot een knekelhuis, waarbij vergeleken het "Zwarte Gat" +van Calcutta een model van hygiënische toevlucht zou zijn? + +Toch is het verschil tusschen zulk een gebouw en een bijenkorf er maar +een van graden. De zelfde condities bestaan er, en hetzelfde kwaad moet +bestreden. Naar verhouding staan de problemen gelijk. In het geval van +den bijenkorf heeft de noodzakelijkheid van dit opeengehoopt bestaan, +zich aan zijn bewoners gaandeweg opgedrongen. Een eeuwenheugend +gebruik, inwerkend op het individu, kweekte op den langen duur een +ras, dat zich verwonderlijk heeft aangepast aan zijne bijzondere +behoeften. Waarschijnlijk gebeurde het terughouden der faeces in den +korf oorspronkelijk vrijwillig. En deze gewoonte, overgebracht van +de eene generatie op de volgende, heeft in het organisme bewerkt, +dat, wat oorspronkelijk een gewoonte was, op den duur tot een tweede +natuur moest worden, en daarmeê is ten slotte de tegenwoordige toestand +bereikt. Het is nu een feit geworden, dat de bij niet meer in staat +is zich van haar uitwerpselen te ontlasten wanneer zij in den korf +of in rust is. De betrokken spieren kunnen alléén in beweging komen, +gedurende of onmiddellijk na een flinken vlucht. In den winter, in +lange perioden van koû, verlaat geen enkele bij den korf, soms weken +achtereen; maar een enkel uurtje van warmen zonneschijn brengt de +heele kolonie naar buiten; zij vliegen dan rond den korf en men kan +gemakkelijk waarnemen hoe dan de natuurdrang bij hen werkt. Deze +reinigingsvluchten gebeuren op alle daartoe geschikte tijden en +vervullen dan een dubbel doel; want bij het terugkomen in den korf +klampen zij zich weer te samen tusschen nog onaangetaste raten, +en de oude, gestadig-opstijgende, voedingsmarsch vangt weer aan, +maar op een nieuwe plaats. In heel buitengewone tijden, als de koude +steeds blijft aanhouden, gebeurt het, dat de bevolking van een korf +den hongerdood sterft midden tusschen hun overvloed, daar er geen +gelegenheid was voor zulk een reinigingsvlucht en dus de klomp op zijn +plaats is gebleven. En hier is nu de bij het slachtoffer van haar +eigen hoogtepunt van ontwikkeling. Instinkt zou haar nooit op zulk +een dwaalspoor geleid hebben; maar voor de rede is er mogelijkheid +te dwalen, en hier dwaalt zij geweldig. + +De vergelijking van een modernen bijenkorf met een gebouw, gelijk +van konstruktie, en even dicht bevolkt met menschelijke wezens, zet +het geheele vraagstuk in een scherp licht. In zulk een gebouw zou +alleen dan leven behouden kunnen worden, wanneer men er een gestadigen +luchtstroom doorheen kon leiden. Maar de bijen hebben de moeilijkheid +schitterend overwonnen, 't Zij winter of zomer, de lucht in den korf +blijft even zuiver als de buitenlucht, en de temperatuur kan naar +willekeur geregeld worden. Voor de gewone bestemming van den korf: +het honingmaken en het broeden, wordt die gewoonlijk op 80° tot 85° +Fahr. gehouden. Maar zijn de wasbouwers aan het werk, dan stijgt zij +plotseling tot 95° ongeveer, terwijl zij in de zwermkoortsperiode +dikwijls nog hooger gaat. Maar in het heetst van den zomer is het +binnen in een goed beheerden korf, tenzij de bewoners door een +emigratiewoede zijn aangegrepen, zelden meer dan 80°. En dit alles +wordt op hoogst eenvoudige wijze verkregen. + +De hygiënische expert van het menschenras zou de oplossing van het +vraagstuk maar van één kant kunnen benaderen. Hij zou zoeken een +gestadigen luchtstroom mechanisch of automatisch te verkrijgen en dan +had hij een verwarmingstoestel noodig in het gebouw, of een er buiten, +dat de binnenstroomende lucht verwarmde. Maar de bijen werken naar heel +andere beginselen. Zij moeten niets hebben van het ventilatiesysteem +met gestadigen luchtstroom. Als de vernuftige ijmker luchtgaten +maakt in de wanden van den korf, dan zullen de bijen ze in den nacht +zorgvuldig weer dichtstoppen. In den ouden bijentuin hebben wij gezien +hoe het waaiersleger de onzuivere lucht uittrok. Deze bijen hadden hun +kopjes naar het vlieggat gericht. Maar binnen in den korf was een ander +leger van waaiers, naar den anderen kant gewend, en dus meehelpende +om diezelfden zijstroom uit te drijven. En op heete dagen vindt men +door bijna den geheelen korf heen waaiende bijen, die medehelpen om +de lucht in beweging te houden. Het gevolg is, dat de zuivere lucht, +die van den eenen kant van het vlieggat naar binnen gezogen wordt, +binnenin rond den korf blijft stroomen en er aan den anderen kant van +den ingang weer uittrekt, ongeveer als een touw over een katrol. De +snelste stroom blijft langs de wanden gaan en boven in den korf, +terwijl de lucht in het midden trager beweegt. Zoo liggen dus de +honingraten, die altijd boven in den korf worden geplaatst, in den +vollen luchtstroom, en het vocht, dat de rijpende honing voortdurend +afgeeft, wordt snel mee weggedragen. Maar de broedbouw, die in het +lagere middengedeelte ligt, wordt trager geventileerd en de lucht is +geheel verwarmd als zij dien bereikt. Hoe grooter het waaileger is, +des te sneller beweegt zich de luchtstroom, en des te vlugger wordt de +hitte uit den korf meêgevoerd. Volgens deze methode kunnen de bijen de +temperatuur binnen den korf regelen naar den eisch van het oogenblik; +zij zetten eenvoudig meer ploegen aan het werk in 't heetst van het +seizoen, of zetten het ventileeren stop in de koude winterdagen, +wanneer de natuurlijke warmteuitstraling van den bijenklomp volstaat +om de lichte circulatie in gang te houden, die dan voldoende is. + +Soms, wanneer de kolonie buitensporig talrijk is, wordt het +waaiersleger gesplitst in twee afdeelingen, één aan iederen kant van +het vlieggat; het midden daarvan dient dan voor de instroomende +lucht. In dit geval schijnt er een dubbelstroom-stelsel van +luchtverversching te worden aangewend. + + + + + + +HOOFDSTUK VII + +HET ONTSTAAN DER KONINGIN. + + +Straks is al gezegd, dat de honingbij in hare gewoonten en gebruiken +niet onwankelbaar vast is, en dat zij meer dan ééns afwijkt van hare +wetten, waarvan er slechts weinige absoluut zijn. De regel b.v. van +slechts ééne koningin voor iederen korf schijnt vaster te zijn +dan éénige andere, en toch heeft ook die zijne uitzonderingen. Er +worden authentieke voorbeelden genoemd van twee koninginnen, die +vriendschappelijk samen in denzelfden korf hebben geleefd; zij +legden ieder hun dagelijksche hoeveelheid eieren ongehinderd en +oogenschijnlijk met volkomen goedkeuring van de korfautoriteiten. + +Het is nu ook vastgesteld dat een handig ijmker zijn bijen kan +gewennen aan de aanwezigheid van meer koninginnen. In Amerika zijn op +dit punt proeven genomen; maar hoewel volkomen gelukt en overtuigend, +voor zoover hun bewijskracht gaat, moet hun praktische waarde voor de +bijencultuur nog door den tijd bewezen worden. Het zou best kunnen +blijken, dat, voor de harmonie en het welzijn van een kolonie, een +vermeerdering der huisgodinnen alles behalve een weldaad is. In ieder +geval is het nu vastgesteld, dat de oude wet: één koningin tegelijk, +er geen van Meden en Perzen behoeft te zijn; maar of dit vermeerderen +op den duur houdbaar zou blijken en de honingproduktie ten goede komen, +kan alleen de tijd leeren. + +Eén enkele koningin, als zij jong en krachtig en van een goeden +stam is, vermag een geheelen korf met broed te vullen zoolang het +honingseizoen duurt. Het broednest van een moderne lossebouw-kast +heeft een raatoppervlakte van meer dan 2500 vierk. cm., wat ongeveer +50.000 cellen geeft voor het uitbroeden van jonge werkbijen. Dit +getal vertegenwoordigt in de tijden van den grootsten voorspoed een +zeer vlottende bevolking; maar wanneer er bij voortduring meerdere +koninginnen in één korf geplaatst kunnen worden, en de korven zóódanig +vergroot, dat zij alle haar volle productie-vermogen ontwikkelen +kunnen, dan zullen die cijfers tot in het oneindige uitloopen. Twee +waarheden zijn aan iederen ijmker van ondervinding bekend,--ten 1e) +dat ééne groote kolonie meer honing oplegt dan twee kleine, al is +het getal bijen gelijk, en ten 2e) dat, als de honingoogst op zijn +voordeeligst is, er zelden bijen genoeg zijn om hem binnen te halen. De +groote kunst van het hedendaagsch ijmkeren komt dan ook hier op neer, +dat de bijenhouders er zich voornamelijk op toe leggen de getalsterkte +van iedere kolonie tot haar maximum te brengen, tegen dat de groote +honing-overvloed op komst is. Toch kan in een nektarrijke streek, +waar groote klavervelden tegelijk in vollen bloei staan, en de honing +in veertien dagen moet ingezameld zijn om niet verloren te gaan, zelfs +de volkrijkste bijenstand zooveel honingdraagsters niet aanbrengen om +alles binnen te halen. Waarschijnlijk gaat in bijzonder honingrijke +jaren de helft van den oogst verloren uit gebrek aan bijen om hem in te +zamelen. Als dus het nieuwe systeem van meer koninginnen levensvatbaar +blijkt, dan kunnen wij in de toekomst een omwenteling verwachten +in alle denkbeelden omtrent de bijenkultuur. Vastgesteld is nu nog +alléén, dat men zoover is gekomen vijf koninginnen te zamen in rust +en vrede één korf te laten bewonen; of echter deze wonderbaarlijke +staat van zaken duurzaam zal kunnen zijn moet nog proefondervindelijk +bewezen worden. + +Een merkwaardig en verrassend gevolg van dit omverwerpen van een oude +en haast algemeene wet in de bijenwereld, is dat de neiging tot zwermen +afneemt wanneer tegelijk verscheidene moederbijen in een enkelen +korf huizen. Korven, die zóó behandeld zijn, hebben, zoover men weet, +nooit een zwerm uitgezonden. Het is een van de meest teleurstellende +ervaringen bij het ijmkeren, wanneer men een sterk en talrijk volk +zich ziet splitsen in verscheidene zwakke afdeelingen, juist vóórdat +het groote honingseizoen aanvangt, terwijl men weet, dat het ééne +noodige, getalsterkte is. En als een meervoudig koninginnen-systeem +dit kwaad kan voorkomen, dan zal het door den tijd geheiligde gebruik +zeker worden opgegeven. + +Wie het bijenleven bestudeert, en den jaarlijkschen arbeid volgt +van het begin af, en zijn gestadige rustige ontwikkeling gadeslaat, +zal spoedig begrijpen, hoe het oude geloof van de autocratie van de +ééne moederbij ontstaan en geworteld is. Het is zuiver bedriegelijke +schijn. In het hart van den winterklomp ziet men de koningin bezig +haar eerste eieren te leggen, terwijl de bijen om haar heen langzaam +ontwaken tot haar plicht. Met het verloopen der weken wordt het +broednest gestadig vergroot, en het tot nu toe dicht op een gepakte +kluwen der werksters begint zich uit te breiden over steeds meer raten; +de waterdraagsters zijn onafgebroken in de weer; de stuifmeeldraagsters +al bezig tusschen de crocussen in den tuin, waar het eerste goud en +wit en purper vroolijk fladdert in den zonneschijn. Wij merken ook op, +dat de gang der werkzaamheden in den warmen korf niet samenhangt met +den almanak; maar stop gezet wordt bij iedere koude periode, en pas in +ernst in gang komt als de lente voor goed heeft ingezet. Zelfs tegen +het eind van Februari, als de katjes van de hazelaars een smaragden +schijn geven tusschen het kale hout, gaat de kolonie nog spaarzaam om +met haar provisie, en zij tracht die zoo lang mogelijk te doen strekken +met een wijze schrielheid, die meer dan gerechtvaardigd zal blijken, +als de onvermijdelijke koude dagen komen midden in den bloesemenden +Mei. Het is onmogelijk voorbij te zien, dat hier een wijze leidende +kracht werkt; en waar zou die wijsheid zetelen zoo niet in het brein +van die ééne groote bij, omstuwd door die schare, die haar huldigt en +voedt en koestert zonder ophouden--haar, de moeder van tienduizenden, +die al zijn opgegroeid, haar, die ook het zaad in zich draagt van +alle komende geslachten? + +Maar de waarheid dient gezegd, dat de bijenkoningin de grootst +denkbare tegenstelling vormt van een heerscheres, in aard en +neigingen. Van intellekt heeft zij niet meer dan een zeer geringe +aanduiding. Zij heeft een prachtig lichaam, de uiterste volgzaamheid, +eenige onweerhoudbare aanvechtingen en hartstochten, en een echt +vrouwelijk zich geven en hang naar het juk: maar zij is niet in staat +tot ééne handeling, die niet uit lichamelijken aandrang ontstaat. Haar +hersensubstantie is veel geringer dan die van de werkbijen, en zij is +in heel veel andere opzichten hun mindere. De werkbijen beheerschen +haar geheel; zij ontwerpen voor haar de dagorde en gebruiken +haar tot het welzijn van de kolonie, in denzelfden geest als in +de menschenwereld een fijn en kostbaar méchanisme door een vakman +gebruikt wordt om eenig waardevol handelsartikel te vervaardigen. + +In 't kort, de koningin is de eenig overgebleven vertegenwoordigster +van de vrouwelijke honingbij, en de werkbijen, die verminkte wezens, +zijn bijna evenzeer een voortbrengsel der beschaving, als het +menschenras zelf. + +Iedere stap verder van nu af, in de studie van het bijenleven, gaat +door wonderen. Men ziet hoe de gewone werkbij wordt opgekweekt in een +cel, die haar een minimum van ruimte geeft voor haar ontwikkeling, +terwijl het vertrek waar de koningin gekoesterd wordt, minstens dubbel +zoo groot is als zij behoeft. De werkstercellen zijn zóó aangelegd, +dat een gegeven ruimte er zoo veel mogelijk kan bevatten, en dat +hun bouw een minimum van materiaal vereischt. Daarom zijn de cellen +zeshoeken, de eenige vorm, die den cylinder--den ideaal-vorm--nabij +komt, en waarvan een hoeveelheid bijeengevoegd kan worden, zonder +dat er tusschenruimte verloren gaat. Bovendien wordt nog de helft +van het noodzakelijk bodemmateriaal voor de cellen bespaard, door het +plaatsen van de raten rug aan rug, zoodat één bodem voor twee cellen +kan dienen. Maar die strenge spaarzaamheid wordt niet alleen aangewend +voor de konstruktie der wiegen van de werkbijen. Van het oogenblik af, +dat het ei is uitgebroed, tot de jonge larf in een pop is veranderd, +wordt slechts een karig rantsoen voedsel verstrekt, dat juist het +leven kan bewaren en de noodzakelijke ontwikkeling toelaten. + +Maar gaat het om de koninginnelarven, dan wordt van het begin af een +geheel ander stelsel toegepast. Niet alleen, dat haar kinderkamer haar +iedere toeneming van groei veroorlooft; maar zij krijgt bovendien +nacht en dag een buitengewoon voedzamen spijs, en zoo rijkelijk, +dat zij er haast in zwemt. De werkbijen doen niet anders dan haar +cel vullen met die glinsterend witte substantie, de geheele vijf +dagen van haar larftoestand, en de uitwerking van dit ruime dieet +is van 't begin af zichtbaar in haar veel sneller groei, vergeleken +met dien van de werkbijen. Een ander voorrecht is, dat bij de jonge +koningin gedurende haar geheele ontwikkeling de lucht vrijen toegang +heeft. De werkstercel wordt weinig geventileerd, alléén door de smalle +bovenopening, terwijl al haar zes zijden en de basis ondoordringbaar +zijn. Doch de koninginnewieg wordt niet alleen geheel van poreus +materiaal gemaakt, zij wordt gewoonlijk aan den hoek van een raat +beplaatst, waar zij aan den vollen luchtstroom is blootgesteld, terwijl +de lucht niet alleen vrij door de mondopening gaat maar ook door alle +wanden dringt. De hoofdoorzaak dus van het buitengewone verschil in +ontwikkeling bij de koningin en de werkbij ligt in de behandeling. De +eerste krijgt rijkelijk voedzamen spijs, toevoer van zuurstof en +ruimte om zich te ontwikkelen, de andere leeft op hongerdieet, +benauwde huisvesting en een minimum van lucht om in adem te halen. + +Maar al geven wij toe, dat deze behandeling op den groei der jonge +larven invloed heeft en die in 't eene geval bevordert, in 't andere +tegenhoudt, dan zijn wij toch nog niet nader aan de verklaring +van het mysterie gekomen. Wel zijn wij gedwongen te gelooven, dat +de substantie van het ei waaruit de werkster geboren wordt gelijk +is aan dat, waaruit de koningin zich ontwikkelt, omdat een heel +eenvoudige proefneming allen twijfel daaraan opheft. Wanneer men het +ei, dat in de koninginnecel gelegd is, wegneemt, en er een ander, uit +welke ook van de duizenden werkstercellen, voor in de plaats legt, +dan zal het werksterei altijd een volkomen ontwikkelde en met alle +hoedanigheden uitgeruste koningin voortbrengen. En handelt men in +tegenovergestelden zin, legt men dus een ei uit een koninginnewieg +in een werkstercel, dan zal er onfeilbaar een gewone, onuitgegroeide +werkbij uit voortkomen. Ongeloofelijk zou dit al klinken, als het +verschil tusschen een koningin en een werkbij alleen maar op de +grootte betrekking had. Gesteld, dat de koningin niet anders was dan +een buitengewoon groote werkbij, waarin enkele organen--onderdrukt bij +de werksters--tot volle ontwikkeling waren gekomen, dan zou het geval +toch al onbegrijpelijk genoeg zijn; maar de koningin verschilt niet +alleen van de werkbij in haar organisme; maar ook in verschillende, +heel belangrijke punten van lichaamsbouw. En hoe kunnen voedsel en +lucht alleen veranderingen van bouw teweeg brengen? De werkbij heeft +vele lichamelijke toestellen, sommige ledematen volmaakt aangepast aan +het werk, dat er van gevraagd wordt, die bij de koningin ontbreken; +het lichamelijk organisme van de koningin daarentegen verschilt van +dat der werksters in belangrijke mate. + +Een paar van deze verschillen zullen we opsommen. Het achterlijf van +de werkster is kort en afgerond, dat van de koningin is grooter en +langer en loopt in een vrij scherpe punt uit. De kaken van de koningin +zijn van binnen aan den rand ingesneden; die van de werkster gelijk, +als het lemmet van een mes. De tong van de werkbijen is spatelvormig +aan het eind en voorzien van gevoelige haartjes; de tong van de +koningin is korter, de spatel kleiner en de haartjes zijn langer. De +werkbij heeft een gecompliceerd systeem van afscheidende schijfjes +onder de hoornachtige platen van het achterlijf; bij de koningin +zijn die afwezig en zelfs niet de allerminste aanduiding is er +van te ontdekken. Ook in het zenuwstelsel is er een onderscheid; +de koningin bezit niet meer dan vier abdominale gonglieën en de +werkster heeft er vijf. De angel der koningin is gebogen en langer +dan die van de werkster, bij wie hij volkomen recht is. Aan hun +achterpooten hebben de werkbijen een merkwaardig toestel, door de +ijmkers het stuifmeelkorfje genoemd. Het is een uitholling van de +dij, met stijve haren omzet; en in die holte wordt het stuifmeel +gepakt en zoo mee naar huis gedragen. Bij de koningin geen holte +en geen haren. En dan verschilt zij ook in kleur van de werkbijen, +vooral haar pooten zijn van een veel roodachtiger bruin. + +Ziehier nu een vraagstuk voor onze groote biologen, waartegenover de +gewone allerdaagsche mensch zich machteloos moet voelen. Want hier +staan wij voor geheel nieuwe toestanden van het organisch leven, +feiten, die niet schijnen samen te gaan met de aangenomen begrippen +van het onvermijdelijk verband tusschen oorzaak en gevolg. Is men tot +dit punt genaderd, dan heeft men een onverwinbare neiging 't alles +nog eens over te doen; de proef van de geruilde eieren te herhalen +en scherp toe te zien of er niet een ingrijpende omstandigheid is +voorbij gezien. Maar altijd is de uitkomst dezelfde. Ook kan de +meest nauwgezette microskopische ontleding van de eieren niet het +geringste verschil aan den dag brengen. Dit mysterie van het verschil +in struktuur tusschen de koningin en de werkbij dringt ons om één van +drie alternatieven aan te nemen. Of het ei bevat twee levenskiemen, +waarvan de eene alléén onder een schraal régime ontwikkelt en de +andere bij weelderige verpleging. Of wij moeten tot de middeneeuwsche +zienswijze terugkeeren en gelooven, dat de werkbijen willekeurig een +levensprincipe van zichzelve geven of onthouden gedurende de verpleging +van het broed. Of eindelijk moeten wij het geheele vraagstuk laten +vallen en aannemen, dat de wetten der schepping werken volgens een +geheel ander plan, dan dat waaraan wij tot nu toe geloofd hebben. + +De verwikkeling wordt nog grooter door het feit, dat deze verandering +pas betrekkelijk laat in het leven der bij gebeurt. Het broeden +duurt drie dagen. Maar de jonge larve is nog minstens drie dagen +ouder vóórdat de natuur die onherroepelijke schrede doet naar één der +beide zijden. Want de proefneming van de plaatsverwisseling kan met +hetzelfde gevolg worden genomen met jonge bijenlarven van uiterlijk +drie dagen oud in plaats van met de onuitgebroede eieren. Het is +zelfs een verrichting die, als het noodig blijkt, door de broedbijen +zelve gedaan wordt. Als een korf zijn koningin verloren heeft, en +al de eieren in de werkstercellen al zijn uitgekomen, dan kweeken de +bijen een andere koningin van een der werksterlarven, die beschikbaar +is. En gewoonlijk met goed gevolg, als de jonge larve maar niet ouder +is dan drie dagen. Maar zelfs al zijn de larven ouder, dan zullen +de bijen het nóg ondernemen, wetende dat een volk zonder koningin +bezwijken moet. In dit geval echter zal de koningin veel gebreken +hebben. Waarschijnlijk zal zij niet bevrucht kunnen worden, en is +ze dus van alle nakomelingschap afgesneden. Als de ijmker den korf +dan niet van een nieuwe, bevruchte koningin voorziet, zal die zich +langzamerhand vullen met darren, de oude werkbijen gaan dood en het +volk moet uitsterven. + +Heeft de beschouwer zich eens aan de studie van het innerlijk +bijenleven gewaagd, dan zal hij al spoedig inzien, dat zijn scheepje +een bezwaarlijker reis ondernomen heeft, dan hij zelfs in zijn +stoutmoedigste oogenblikken durfde denken. In den ouden bijentuin +heerschte zulk een serene kalmte, en een zalige onwetenheid hield den +toeschouwer in zijn gemoedelijke Zondagsstemming. De zonneschijn, de +bloemen, het suizen van den wind in de boomtoppen en het droomerige +gonzen der korven; de stem van den ouden, grijzen bijenman, die het +oor zoo gemakkelijk volgt, terwijl hij de oude dwalingen in arabesken +welft; het plotseling juichend uitgonzen van een zwerm, dat de lucht +vol maakt met muziek en het flakkeren van ontelbare vleugeltjes; +de stilte in den nacht met den ondertoon van het bijengegons, en +de halve maan die, in wazigen nevel boven den heuveltop uitkomt; de +schimmige gebogen gedaante van den ouden ijmker, luisterend aan de +korfopeningen naar de oorlogskreten der naijverige koninginnen, die +moeilijkheden voorspellen voor den komenden dag--al deze herinneringen +dringen zich nu aan den toeschouwer op, en het is hem als verliet hij +zorgeloos een veilige haven voor de stormberoerde open zee. Want nu, +met het innerlijk leven van den korf voor hem, stapelt zich wonder op +wonder, en ieder feit, dat zich hem openbaart, brengt meer verwarring +in zijn denken, omdat het weêr een nieuw stuk afbreekt van de oude +geheiligde traditie. + +Het volk, dat zijn moeder-bij verloren heeft en niet bijtijds heeft +gezorgd voor een vruchtbare, volkomen ontwikkelde opvolgster, gaat +kwijnen in het getal zijner werksters, terwijl de darrenhorden +schrikbarend toenemen. Maar van waar die darren als de bron van +alle bijenleven is opgedroogd, door het verlies van eene bevruchte +koningin? Deze vraag brengt den toeschouwer voor een feit, dat +misschien het merkwaardigste is uit het geheele groote boek der +natuurlijke geschiedenis. + +Theologische twistpunten zijn hier niet aan de orde, en ik zal ook +niet den draad van het bijenleven laten slippen om af te wijken naar +den preekstoel. Maar hier is toch iets waarover het de moeite waard +is te denken: sedert twee duizend jaar is het dogma van de onbevlekte +ontvangenis het middelpunt van jammerlijk getwist onder de menschen +geweest. De voorstanders houden het hoog als een geloofsartikel, +eeuwig uitgesloten van de weerzinwekkende noodzakelijkheid van bewijs; +de gematigde tegenstanders zetten het met droevige berusting ter +zijde als een natuurlijke onmogelijkheid. Aan de ééne zijde luidt +de aanklacht: ongeloof!, aan de andere: blind geloof! En niemand +schijnt er aan gedacht te hebben een onderzoek in te stellen op +andere scheppingsparen dan de menschelijke, of er niet ergens +een parallel bestond, waarmede beide partijen geholpen waren, +en die de zwaarden terug zou wenken in de scheeden, daar het een +gemeenschappelijk mysterie geldt. Van alle gevleugelde schepselen is +zeker de honingbij een der kleinste; maar hier verschijnt zij groot, +een machtig symbool. Het is nu vastgesteld als een onweersprekelijk +feit, dat de maagdelijke bijenkoningin in staat is haar soort voort +te planten; maar alleen in het mannelijk geslacht. Wanneer zij laat +in het jaar geboren wordt, als er geen darren meer zijn, en dus +bevruchting is uitgesloten, of indien iets hapert aan haar vleugels, +dat haar de paringsvlucht belet, dan zal zij zich ijverig kwijten +van haar éénige taak, het eierleggen; en uit deze eieren ontwikkelt +zich niet anders dan mannelijk broed. Hetzelfde gebeurt in het geval +van den koninginloozen korf; als daar geen werkstereieren of larven, +niet ouder dan drie dagen, beschikbaar zijn, en de werkbijen toch +trachten een koningin te kweeken uit een larve van misschien vier +of vijf dagen oud, dan is de dus geschapen koningin slechts een +koningin in naam. Zij kan volkomen ontwikkelde eierstokken hebben; +maar zij mist van nature alle verdere eigenschappen. Zij zal noch de +neiging noch de kracht hebben den dar te ontvangen, en de eieren, +die zij des ondanks zoo onverdroten voortgaat af te zetten, zullen +slechts het getal waardelooze mannen vergrooten, die spoedig de éénige +vertegenwoordigers van het ten ondergang gedoemde volk zullen zijn. + +Volgen wij de ontwikkeling van een bijenkolonie in het klimmen der +lentedagen, dan zullen wij na iedere afgeloopen week een grooter +ruimte met de raten zien aangevuld, die het jonge werksterbroed +bergen, en in het midden van April bezoekt de koningin voor het +eerst de darrencellen, en legt dan in iedere cel een enkel ei, +zooals zij ook bij de anderen deed. Men stelt zich gewoonlijk +voor, dat de koningin steeds omstuwd is door een schare hovelingen, +waarvan ieder het hoofd eerbiedig naar de soevereine gewend houdt, en +achterwaarts haar voorgaat als zij voortschrijdt over de raten. Het +is waar, dat zoo iets gewoonlijk te zien is in den broedtijd, maar +dan ook alléén: later wordt er op de koningin gewoonlijk weinig acht +geslagen, en zij beweegt zich in den korf, zonder dat er van haar +meer werk wordt gemaakt dan van de andere bijen. De middeneeuwsche +schrijvers wisten van die lijfgarde, en geloofden, dat zij altijd juist +twaalf in getal waren, het cijfer van de apostelen. Maar een beetje +waarneming zal al spoedig aanwijzen, dat de bijen, die de koningin op +haar rondgang omgeven, niet haar getrouwen en hovelingen zijn. Zij +zijn feitelijk haar leidsters en bewaaksters; en iedere beweging, +die de koningin te maken heeft beduiden zij haar door haar zonder +ophouden aan te raken, te stooten of zachtjes te streelen met hunne +voelsprieten. Zoo staan zij haar vrije beweging over de raten toe; +maar bij iedere leege cel laten zij haar ophouden, en scharen zich +direct om haar heen, blijkbaar in de meest spannende belangstelling +naar wat zij gaat verrichten. Eerst kijkt zij in de cel en inspekteert +die zorgvuldig. Dan draait zij zich om, terwijl de bijen voor haar +uitwijken en gaat een paar passen vooruit, zoodat het achterlijf juist +boven de cel komt; daarna drukt zij het er diep in en blijft zoo een +oogenblik staan. Dan gaat zij weer verder over de raat en onmiddellijk +hernemen de wachters haar post en manoeuvreeren haar naar de volgende +leege cel. Men krijgt nooit den indruk, dat dit werk haastig geschiedt +en toch moet het in het drukste broedseizoen met geweldige snelheid +worden verricht; want men heeft berekend, dat een goede koningin +op deze wijze van twee- tot drieduizend cellen vult op één dag, wat +ongeveer uitkomt op twee eieren in de minuut; hierbij verondersteld, +dat zij de geheele vier en twintig uur zonder ophouden doorgaat. + +De cellen, voor het werksterbroed bestemd, zijn aan den wand 1/2 +c.m. wijd; de darrencellen zijn grooter, met een diameter van 3/4 +c.m. en zij zijn ook dieper. De koningin vergist zich heel zelden, +al gaat ze van de eene soort raat op de andere. Uit het ei in de +werkstercel komt een vrouwelijke bij, uit dat in de grootere een +mannelijke, een dar. Het blijkt heel duidelijk, dat de koningin +zelve het leggen der verschillende eieren beheerscht. Men heeft +ook opgemerkt, dat de moederbij niet alléén met onderscheiding +hare eieren legt, maar ook het aantal in haar macht heeft. Van het +oogenblik af, dat het leggen begint, tot zij in den voorzomer haar +grootste aktiviteit ontwikkelt, wordt de kolonie niet regelmatig +vermeerderd; maar het gaat met horten en stooten, in verband met +het weer en den inkomenden voorraad proviand. Als de provisie steeds +toeneemt, en het stuifmeel overvloedig is, dan gaat het broeden zijn +geregelden, vluggen gang; maar als perioden van ontijdige koû het +werk buiten stop zetten, zal dit onmiddellijk invloed hebben op het +eierleggen. En bij buitengewonen tegenspoed houdt het soms geheel +op. Dit kan ook gebeuren op het hoogtepunt van het honingseizoen, +in vollen zonneschijn en overvloed: als n.l. de korf te klein is en +niet meer bevatten kan. De raten zijn dan alle gevuld met honing en +broed, en de koningin moet wachten, tot er ruimte voor nieuwe eieren +kan gemaakt worden. Dat zij tot dat wachten in staat is,--dat haar +vermogen tot eieren afzetten kan vermeerderd en weêrhouden worden, +al naar de behoefte der kolonie, en dat de verhouding der geslachten, +willekeurig kan gewijzigd worden, naar de omstandigheden het eischen--, +is iets dat alléén dán begrijpelijk wordt, als wij den geheelen omvang +van haar levensgang in alle détails beschouwd hebben. + +Bij het normale, voorspoedige volk dat wij nu op het oog hebben, +is de koningin nog jong, en onder gewone omstandigheden, zal zij +aan het hoofd der zaken blijven, tot zij met den eersten zwerm +uitvliegt, in Mei of Juni. Een bijenkoningin bereikt het hoogtepunt +harer vruchtbaarheid in haar tweede levensjaar. Daarna neemt haar +legvermogen regelmatig af, hoewel zij tot vier of zelfs vijf jaar oud +kan worden. Maar de autoriteiten in den korf vergunnen eene moederbij +zelden haar plaats te behouden, als zij teekenen begint te geven van +afnemende vermogens. Er worden dan dadelijk maatregelen getroffen +voor het opkweeken van een nieuwe koningin. + +Een heel oude koningin kan geen werkstereieren meer leggen en teelt +enkel darren. Maar zóó dommelig zijn de werkbijen nooit, dat zij het +zoover laten komen, en lang vóor dat zoo iets gebeurt, is gewoonlijk +het bouwen van koninklijke cellen in den korf al begonnen. Een +koninginnecel is door verscheidene schrijvers al bij een eikel +vergeleken, en als ze half klaar is, is de overeenkomst in grootte en +vorm met een omgekeerd eikeldopje ook bijzonder sterk. Gewoonlijk wordt +zij met de opening naar beneden tegen den kant of aan den bodem van een +der middelste broedraten gehangen; maar soms wordt zij ook midden in de +raat geplaatst, en in dat geval worden de cellen er omheen weggesneden +dat ze ruimte en lucht krijgt. Of de oude koningin zelve een ei in de +koninklijke cel legt en op die wijze onwetend haar eigen onttroning +voorbereidt, of dat de werkbijen een ei of larve uit een gewone cel +naar die moederwieg overbrengen, is nog niet vastgesteld. Maar daar +gewoonlijk het gezicht alleen van een moederwieg de koningin tot de +uiterste woede prikkelt, is het waarschijnlijk, dat zij nooit in de +buurt van zulk een cel door de werkbijen is gebracht geworden, en het +ei er dus door deze heengevoerd is. In verreweg de meeste gevallen is +het waarschijnlijk, dat wanneer er nieuwe koninginnen geteeld moeten +worden, een reeds bestaande werkbijencel, waarin het ei al gelegd is, +wordt verwijd en verruimd. Zoover men kan nagaan gebeurt dit altijd +als men voor dit doel een larve gebruikt in plaats van een ei. Het is +ook zelfs mogelijk, dat de koningin physiek niet in staat is, een ei +dat een vrouwelijke bij moet voortbrengen in een moederwieg te leggen; +maar dit zeer merkwaardig punt zal eerst later besproken worden. + +Het bekende beweren van bijentelers, dat bijen nooit onveranderlijk +hetzelfde doen, wordt zeer zeker toegelicht wanneer men op hun leven +nader ingaat. Wij hebben er van gesproken hoe een volk, dat zijn +koningin mist en geen werksterei of larve van minder dan drie dagen oud +bezit om in de leemte te voorzien, binnen korter of langer tijd moet +uitsterven. Maar nu is het voorgekomen, dat korven die in dit geval +verkeerden, onverwacht en op onverklaarbare wijze, weer opleefden. Na +een periode van depressie, die zich over wel drie weken uitstrekte, +was er plotseling een vernieuwde bedrijvigheid en levenslust in den +korf ontstaan. De stuifmeeldraagsters, die tot nu toe haast werkeloos +waren gebleven, hervatten de werkzaamheden; en als de korf geopend +wordt, vindt men alle bewijzen, dat er een vruchtbare, eierleggende +koningin aanwezig was. Nu is waarschijnlijk in de meeste gevallen, +waarbij een nieuw kontrakt met het leven gesloten werd door een in druk +verkeerend volk, de schijn bedriegelijk geweest. De werkbijen hebben +wellicht in hun midden nog een werksterlarve ontdekt, die de grens +voor de bevordering tot het moederschap nog niet overschreden had, en +zoo te elfder ure zich nog uitkomst verschaft. Echter is er ten minste +één geval bekend, dat de mogelijkheid hiervan absoluut weerspreekt: +een beginnende korf, die maar drie of vier kleine raten bevatte en +misschien maar een vijfhonderd bijen, was zonder koningin geraakt. Tien +dagen later waren alle moederwiegen, die in dien tusschentijd in +de korf gebouwd waren, vernield en er was geen enkel ei of larve +over. En toch, toen na achttien dagen de korf geopend werd, vond men +een nieuwe koninginnecel met een ei. En uit dit ei ontwikkelde zich +een kloeke, goed gebouwde koningin. Nemen wij deze feiten als waar +aan--en zij schijnen onweersprekelijk--dan is hieruit slechts één +gevolgtrekking te maken: eene ondernemende bij uit de kolonie moet +naar een anderen korf gevlogen zijn en er een werksterei gevraagd, +geleend of gestolen hebben. Wetenschappelijke bijenkenners aarzelen, en +terecht, na één enkel voorbeeld, hoe de waarheid daarvan ook gestaafd +zij, de honingbij zulk een verwonderlijk vernuft toe te kennen. Maar +er worden meer voorbeelden genoemd, die haast even betrouwbaar zijn; +en daar het een onomstootelijk bewezen feit is, dat werkbijen eieren +overdragen van de eene raat naar de andere binnen hun eigen korf, +schijnt het niet zoo ongeloofelijk, dat zij, door zulk een ingrijpenden +nood tot de uiterste spanning van hun vernuft gedrongen, ook naburige +korven met dat doel bezoeken. Dit punt is van meer dan éen kant zeer +belangrijk; want het wijst onmiddellijk op het groote vraagstuk: +"Rede of Instinkt", dat op het oogenblik de meesten onzer moderne +natuurkenners bezig houdt. + +Op welke wijze nu ook het volk, dat een nieuwe koningin wil kweeken, +zich een ei voor de moederwieg verschaft, het eerste levensteeken +blijft altijd hetzelfde: een klein, wit, langachtig spikkeltje, +vastgekleefd onder aan den bodem, of eigenlijk het dak, van de +omgekeerde cel. Zoo blijft het ongeveer drie dagen, tot de larve +zich uit het ei ontwikkeld heeft, wanneer onmiddellijk de speciale +behandeling, voor de jonge koninginnen ingesteld, begint. Van haar +eerste levensteeken af wordt zij volgepropt met het kostelijkste +voedsel, zij zwemt letterlijk in die glimmende, witte, gelei-achtige +substantie, die de broedbijen onafgebroken uitbraken en in de cel +storten. Dit voedingsproces wordt ongeveer vijf dagen lang voortgezet, +dan heeft de larve haar vollen wasdom bereikt en de cel zijn grootste +afmetingen. De larve houdt nu op met eten en spint zich in een zilveren +wade, voordat zij tot den poptoestand overgaat, en de bijen verzegelen +de cel. In zijn volkomen vorm lijkt de moederwieg niet meer op een +eikel; maar eerder op een pijnappel. Voor de gewone werksters en +de darren worden de cellen van zuivere was gemaakt, terwijl alleen +de afsluiting uit was en stuifmeel dooreen gemengd bestaat. Maar de +koninginnecel wordt uitsluitend uit dit poreus materiaal vervaardigd. + +Na vijftien of zestien dagen sedert het ei gelegd werd, is +de koningin klaar en in de uiterste spanning om haar wieg te +verlaten. Maar gewoonlijk geven de bijen haar nog eerst, en het +is wel vroeg zoo in den allereersten aanvang van haar loopbaan, +een les in gehoorzaamheid. Want dit is een kritiek oogenblik in de +geschiedenis van de kolonie, en veel was er te handelen en te voorzien +bij de gecompliceerde dingen, die te gebeuren stonden. In de eerste +plaats zou het niet praktisch geweest zijn, de geheele toekomst +van het volk te laten afhangen van één enkel leven. Daarom werd er +niet ééne, maar verscheidene koninginnen opgekweekt. Wel vijf of zes +zijn er misschien bezig uit te komen op verschillende punten van het +broednest; maar geen van allen wordt het toegestaan uit de cel te +breken vóórdat het vastgestelde uur gekomen is. Nu wordt de wieg voor +haar een gevangenis. Er wordt een klein gaatje geboord in den celwand, +waardoor de ongeduldige gevangene gevoerd wordt tot het oogenblik +van verlossing zal gekomen zijn, en strenge wacht wordt er gehouden +bij iedere cel, om die te vrijwaren voor de gewelddaden van de oude +koningin, wier wantrouwen en rusteloosheid van uur tot uur toenemen. + +Hier ziet men een treffende bevestiging van de algeheele onderwerping +der koningin aan de heerschende werkbijenklasse van den korf. Zij is +een waardig exemplaar van een veelvuldig voorkomende vrouwensoort: +aantrekkelijk van uiterlijk, ongeschoold van geest, een hardnekkige +thuisblijfster, een vruchtbare moeder; en nu trilt ook de snaar +van de ijverzucht. Werd zij vrijgelaten om haar aandrang te volgen, +dan zou al heel gauw een eind zijn aan al wat in den korf met zooveel +doorzicht en zorg was voorbereid. Zij zou één voor één de koninklijke +cellen openrukken; en met één slag van haar wreed, krom zwaard, dat de +bijenkoniginnen alleen voor haar gelijken in rang gebruiken, zou zij +meedoogenloos de bewoonsters afmaken en haar eigen opperheerschappij +dus hernieuwen. Maar een geweldigen slagboom vindt zij op haar weg--den +gemeenschappelijken wil in den korf. Eens heeft zij het wellustig +genot van het dooden gekend; dat zal zich nooit herhalen. Nu gaat het +om haar eigen lot. Het kan de dood zijn; het kan ook zijn: een nieuw +leven in een nieuw tehuis. 't Hangt alles af van het wèloverwogen +besluit van hen, die haar gemaakt hebben tot wat zij is, en die haar +nu gebruiken of verwerpen al naar hun eigen oogmerken dat vragen. Is +het in de late lente en gedoogt het de toestand van het volk, dan +besluit licht de korfgeest tot kolonisatie, en er wordt over de oude +koningin beschikt, dat zij met een zwerm wordt uitgezonden. Maar er +kan ook anders besloten worden. Het kan te vroeg in den tijd zijn +of het weder is ongunstig. En dan zal haar het noodlot slaan in den +vorm van een meedoogenloos toepassen van beginselen; haar eigen wijze +kinderen zullen haar zonder genade dooden. + +Deze staatsexecutie der koningin, bij het afnemen van hare +vruchtbaarheid, is een treffend en zelfs tragisch moment in het +bijenleven. De strenge, wrange amazonen in de korven hebben bij al +wat zij ondernemen hun stelsels en gebruiken, en de onderdrukking +van de oude koningin zelfs moet onder bepaalde voorwaarden en met +een zeker ceremoniëel geschieden. Gesteld, dat het tegen het welzijn +der kolonie was, dat zij het leven behield na het verlies van hare +heerschappij, dan zou één angelsteek het uitmaken, en aan de wet, +dat in de bijenrepubliek geen nuttelooze leden geduld worden, zou +voldaan zijn. Maar de oude traditie wil, dat de koningin geen geweld +mag lijden door de wapenen van het gemeen. Sterven moet zij; maar door +andere middelen. En zoo dringen de vleiende beulen om haar heen in +een dichte omhelzing, dichter en dichter tot zij in die liefkoozing +verstikt wordt. In liefkoozingen heeft zij haar leven doorgebracht +en nu zal zij er in sterven, tot het laatst toe gekneld in dien +vreeselijken, zwijgenden greep. + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +DE BRUID-WEDUWE. + + +In den heeten gloed van den lichten Juni-morgen kunt gij haar +zien opstijgen, de jonge maagdelijke koningin, gereed tot haar +bruiloftsvlucht. + +Al aarzeling is zij in den aanvang en onbesloten; heen en weer +drentelend tusschen de menigte op den drempel, koketteert zij met +den zonneschijn; zij ging ongaarne terug in het schemerige zwoele +murmelende halfduister, dat zij zoo juist verliet; maar hoe waagt +zij de vlucht in de ruimte op haar onbeproefde vleugels?! + +Al drie lange dagen en nachten sedert haar bevrijding uit de +celgevangenis was zij een wonderlijk eenzame figuur in den bezigen +korfdrom. In plaats van al de blijde begroetingen, die zij verwachtte, +ziet zij zich omgeven door onverschillige vreemden. Geen dar wiens +blik naar haar afdwaalt, en de werksters, vervuld met hun bezigheden, +gaan haar schijnbaar achteloos voorbij. Zij geven zich niet eens +de moeite haar te voeden en zij moet zich zelf voorzien zoo goed en +zoo kwaad het gaat. Het geheele volk schijnt tot onverschilligheid +te hebben saamgezworen; want dit past bij den diepgaanden toeleg +tot haar opvoeding--indien zij het slechts wist.--Immers dit gedrag +is een domper op de vurige en grootsche aspiraties, die haar meer +en meer vervullen. Toch eindelijk komt de roep, die allen zwijgend +verwachtten, en zij gehoorzaamt, in onweerstaanbaren aandrang, en +gaat uit in het licht. + +En terwijl zij daar aarzelend staat, overgiet haar de heete Junizon +met vloeiend goud. Nu trekt haar de blauwe lucht. Die wereld van kleur +en leven en aroma lokt haar ter bruiloft en zij kan niet anders dan +gehoorzamen. Zij breekt los uit het gewarrel der menigte; zij flakkert +even blij met haar vleugels, en dan stijgt zij op in het licht. + +Boven talmt zij een oogenblik, en behoedzaam neemt zij een overzicht +van haar tehuis en zijne omgeving. Dan wiekt zij naar boven in wijder +en wijder cirkels, en met iedere zwenking krijgt zij ruimer blik op +de wereld beneden haar. Tot zij eindelijk voortschiet in de blauwe +lucht, en het menschelijk oog haar niet meer kan volgen. Maar dit is +slechts een korte vlucht. Ze is al weer terug, bijkans vóór dat men +haar gemist heeft; en haastig, als verschrikt van haar eigen durf, +vliegt zij terug, naar den ouden, veiligen schemer van haar korf. + +En zoo dartelt zij, op en neer, tusschen zonneschijn en duisternis, en +iederen nieuwen keer waagt zij zich wat verder in de blauwe speelplaats +van de bovenlucht--tot eindelijk het feit, het onvermijdelijke, +gebeurt. Een groote dar--een uit de rumoerige menigte, die den +bijentuin luid maakt met een schor gegons--ontdekt haar, onmiddellijk +is hij haar na. Zij ziet hem en wendt zich, en weg schiet zij snel +als het weerlicht, weg in den zonneschijn. Maar nauwelijks begon +de eerste dar zijn vlucht, of een ander volgt hem en weer, en weer +een ander. Nu komen zij op in dichte drommen voor de wedvlucht, +totdat de vluchtende koningin als een grijze wolk, die haar volgt, +een geheelen stroom van darren heeft aangelokt. Dit kunt ge nog zien, +als ge uw oogen sterk inspant om hun spoor te volgen; maar op eens +zijn jagers en wild verdwenen, als waren zij heengewerveld tot naar +het uiterste van den ether. + +Het geheele leven van de koningin, van hare geboorte af totdat +het dreigend cordon haar omsluit, kan gevolgd worden van stap tot +stap. Doch alléén dit ééne oogenblik van haar bruidschap blijft ons +altoos verborgen, en misschien moet het een verborgenheid blijven voor +het menschelijk weten, ten eeuwigen dage. Ge kunt u die wilde jacht +verbeelden in de lichte Junilucht en zonneschijn; in uw verbeelding +kunt ge ook den prijs geven aan de sterkste en vlugste; maar zéker zijt +ge alléén hiervan: na een korte poos komt de koningin naar den korf +terug, bedaard en eenzaam, en met haar mee draagt zij het onfeilbaar +bewijs van hare bevruchting en den dood van den overwinnaar. Bruid was +zij één enkel oogenblik; nu is zij haar leven lang weduwe. Voortaan +leeft zij haar dagen in het schemerig klooster van den korf, en +zóó zelden vliegt zij uit, dat menig ervaren bijenvader beweert, +dat zij maar éénmaal 's jaars den korf verlaat, om dan een zwerm te +geleiden. Nu draagt zij in haar lichaam het zaad waarvan een heel volk +zal groeien. Vóór haar bruidsvlucht was zij van allen in de kolonie het +minst in aanzien; nu wordt zij met een openbare en algemeene huldiging +ontvangen, geprezen, gevoed, gekoesterd; hoog wordt zij verheven, +het levend symbool van de tienduizenden, die nog geboren moeten worden. + +En zooals in oude, ruwe tijden bij vorstelijke feesten menschenoffers +gebracht werden, zoo moet ook deze opperste dag in het vervolmaakte +communisme van het bijenvolk, gevierd worden met een slachting. Maar +de Staatsslachtbanken zullen niet met slavenbloed gedrenkt worden dezen +keer, en het slachtzwaard zal niet het gewone beulszwaard zijn. Er zijn +gevangen koninginnen in de vesting--een vorstelijk offer bij de hand, +een vorstelijk zwaard begeerig zich te ontblooten. Heeft de koningin +haar eerste proeve van waarachtig moederschap afgelegd, liggen haar +eerste werkstereieren in de cellen, dan wijken de bewaaksters van +de koninklijke kerkers en het is haar vergund haar bloeddorst te +bevredigen. Het is alles heel gruwelijk, op miniatuurschaal; maar +toch ook heel koninklijk, volgens de oude tradities der menschelijke +koninginnen. Zij is gaarne bereid haar moederschap voor een oogenblik +neer te leggen en haast zich ter slachting, rukt de gevangenisdeuren +open, en moordt meedoogenloos de schreeuwende gevangenen. + +Maar afgezien van dit tragische element van zustermoord, in een +oogenblik voorbij en vergeten bij den algemeenen jubel, is er in den +aanvang van dit koninginneleven veel romantiek; bruid--vrouw--weduwe, +alles in één enkel uur. Toch ligt er in de bijzonderheden van +het dagelijksch leven, die nu volgen op die korte poos van hooge +spanning, en vooral in den verwonderlijken bouw van haar lichaam +en zijn functies, nog veel hooger romantiek. Dat zij maar ééns met +het mannelijk element samentreft, en daarna voor altijd bevrucht en +vruchtbaar is; dat het haar mogelijk is zonen en dochters voort te +brengen al naar het wel van den staat dat eischt, en dat zij het +toenemen der bevolking willekeurig tot stilstand kan brengen, aan +dit alles kan pas geloof worden gehecht op grond van vaste kennis. En +om te kunnen begrijpen hoe deze resultaten verkregen worden, is het +noodig iets te weten zoowel van de anatomie van de moeder-bij als +van den aard harer bevruchting. + +In de eerste plaats: houdt men zich aan het algemeen aangenomen begrip +van bevruchting van het eene geslacht door het andere, dan wordt de +bijenkoningin in het geheel niet bevrucht. De levensessence van den +dar dringt niet door tot den eierstok van de koningin; maar wordt +onmiddellijk na de paring ontvangen in een speciaal orgaan in haar +lichaam, waar hij bewaard blijft met behoud van zijn kracht, gedurende +bijna haar geheele leven. Wij hebben het feit reeds behandeld, dat ook +de maagdelijke koningin in staat is eieren te leggen, maar dat deze +alléén darren voortbrengen. De bevruchte koningin nu, kan mannelijke +en vrouwelijke eieren afzetten, en dit kan zij naar willekeur. Hoe +verbijsterend dit echter klinkt en hoe vèrstrekkend de gevolgen +zijn, het is toch hiermede zooals met veel ander verwonderlijks +in de natuur: de verklaring is hoogst eenvoudig. De klier waarin +de mannelijke levens-essens wordt uitgestort, kan willekeurig door +de moederbij geopend en gesloten worden, of beter uitgedrukt, naar +gelang der omstandigheden, die haar op dat oogenblik, hoewel onbewust, +onverbiddelijk dwingen. Als zij naar de groote darrecel gebracht wordt, +blijft de klier gesloten, en het ei ontsnapt zonder met den inhoud in +aanraking te zijn geweest. Maar bij de nauwe werkstercel opent zich de +klier, en het ei neemt in het voorbijglijden iets op van de kiemen, +die het inhoudt. Zoo wordt enkel uit het kontakt der beide ouders de +werkbij geboren; de dar is het produkt van de moeder alléén. + +Van dit eerste feit, de parthenogenesis, of geboorte van het volkomen +ontwikkeld mannelijk exemplaar uit het maagdelijk vrouwelijk, kan niet +veel anders gezegd worden, dan dat het een door de wetenschap, ook bij +sommige andere insekten, gestaafd natuurverschijnsel is. Maar nu wij +getuige zijn van de plaats, die de bevruchte koningin met haar fijn +bewerktuigd organisme in den bijenkorf inneemt, is er voor ons nog veel +meer op te merken; en hier vinden wij den sleutel voor het juist begrip +van de geheele organisatie der bijenrepubliek. Het zou al heel vreemd +zijn, indien de hoogste staatsaangelegenheden in handen waren gegeven +aan die koningin, die met haar zwak intellekt juist de allerlaatste +zou wezen om ze naar den eisch te behartigen, en wij zien dan ook, +dat die post van vertrouwen haar niet gegeven is. De werkbijen, die de +zorg voor haar op zich nemen na haar terugkeer van de paringsvlucht, +beïnvloeden van dat oogenblik af al haar handelen en gedragingen. Wij +hebben al gezien hoe zij over de raten geleid wordt van cel tot cel; +hoe het haar in de vroege lente maar vergund wordt enkele eieren te +leggen, terwijl zij er in den zomer vele duizenden mag afzetten; +en hoe het getal in de tusschenperioden naar omstandigheden wordt +verminderd of vermeerderd. Nu zullen wij nagaan hoe dat alles gebeurt, +of in ieder geval onze gissingen zoo dicht bij de waarheid trachten +te brengen als in dit moeielijk vraagstuk mogelijk is. + +Gedurende de twee eerste dagen nadat zij als volkomen insect uit +de cel was gekropen, zagen wij de koningin, geheel aan zich zelve +overgelaten, zich tusschen de menigte bewegen en zich voeden uit +den algemeenen voorraad. Maar na hare bevruchting heeft zij een +stoet van kamervrouwen, wier hoofdbezigheid is haar van voedsel te +voorzien. Zij voeden haar uit hun eigen mond, en waarschijnlijk krijgt +zij hetzelfde, kostelijke preparaat, dat haar in haar larvestaat +in de cel werd toegediend. Dit voedersap bestaat voornamelijk uit +honing en stuifmeel, vooraf verteerd; maar het is bewezen, dat de +samenstelling willekeurig gewijzigd kan worden door de werksters, +die het toedienen. Er kunnen bestanddeelen aan toegevoegd worden, +afzonderlijk of gemengd in verschillende verhoudingen, uit drie of vier +verschillende kliertjes, die elk voor zich een vloeistof afscheidt, +in hoedanigheid van de andere verschillend. Het bijzonder voedsel, +dat de eierleggende koningin gegeven wordt, dient tot het stimuleeren +der eierstokken. Hoe meer haar van dit soort spijs wordt toegediend, +des te overvloediger wordt haar eierafzet. Daartegenover staat, dat +een vermindering van dat dieet een afneming naar verhouding van haar +vermogen tot eierenleggen zal tengevolge hebben, terwijl wanneer dit +voedzaam preparaat haar geheel onthouden wordt, en zij dus gedwongen +is uit de algemeene honingcellen te nemen, gewoonlijk het eierleggen +geheel gestuit wordt, en zoo gebeurt het ook in den koudsten tijd van +het jaar. Zij is dus een instrument door de werkbijen bespeeld, en de +toon, dien zij voortbrengt, beantwoordt aan hunne bedoelingen. Als de +dagen lengen, en met de hooger rijzende zon de warmte komt, dan wekken +zij haar volgzame natuur tot het vervullen van haar opperste taak. En +in de weken van gloeiende zomerhitte is haar leven één feestmaal; +komt daarna de herfst met zijn kille nachten en verflauwend zonlicht, +dan nemen gaandeweg die overvloedige maaltijden af, en haar hofstoet +slinkt en verspreidt zich, tot zij eindelijk weer de eenzame vergeten +dolende is, die met de minste werkster uit de gewone dagelijksche +honingnap moet spijzen. + +Hoe de verhouding der geslachten zoo onfeilbaar geregeld kan +worden door den invloed der werksters op de moederbij, is niet +zoo gemakkelijk te verklaren; en het kan voor het oogenblik nog +maar alléén een vernuftige gissing zijn, een herleiden van gevolg +tot oorzaak. Waarschijnlijk gebeurt het zich openen of sluiten der +bevruchtende klier, waardoor het geslacht bepaald wordt, automatisch, +en geschiedt dit ingevolge van de houding der moederbij gedurende het +leggen. Als zij het achterlijf in de enge werkstercel steekt, wordt +dit noodzakelijk geknepen en deze drukking gaat over op het kliertje, +waardoor het ei dan bevrucht wordt. Maar in de wijdere darrencel komt +die gedrukte houding niet voor, en het is dus waarschijnlijk, dat het +ei onberoerd door de bevruchtingskiemen voorbij glijdt. Wordt deze +theorie aangenomen, dan volgt daaruit van zelf, dat óf de moederbij het +vermogen mist mannelijke eieren te leggen in de cellen, die speciaal +voor het broeden van koninginnen gebouwd zijn, daar deze de grootste +zijn van allemaal, óf, dat door eene bijzondere kromming in die cel +haar lichaam gedrongen wordt, zich te strekken bij het afzetten van +het eitje, zoodat het daardoor in dezelfde houding komt als in de +nauwe werkstercellen. + +Hoewel deze theorie op het oogenblik de aannemelijkste is, moet het +toch gezegd, dat zij door waargenomen feiten nog nooit bevestigd +is geworden. Het schijnt, dat niemand nog ooit de moederbij in een +koninginnecel heeft zien leggen, noch was ooit iemand getuige van +het overbrengen van een werksterei daarheen. Wat voor goed al deze +en dergelijke vragen tot zwijgen zou brengen is het vasthouden aan +het oude geloof, dat de koningin de opperheerscheres is, en de kracht +en de vermogens heeft van een alwijze despotische souvereine; dan zou +het wonderbaarlijkste van haar verwacht kunnen worden. Maar hoe dieper +men in dit uiterst belangrijke vraagstuk doordringt, hoe onhoudbaarder +deze oude meening schijnt. Want met ieder uur krijgen wij de bewijzen, +dat de moederbij een ondergeschikte en niet een heerscheres in den korf +is; en even zeker blijft ons het alvermogen van de werkbijen. Alles +wat in den korf gebeurt, geschiedt door haar collektieven wil en +bemiddeling; en het zou zeker heel vreemd zijn als het levenselement +der voortplanting niet onderworpen was aan dezelfde oppermacht. + + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +DE WERKBIJ, SOUVEREINE. + + +Als wij op het hoogtepunt van het drukke seizoen het leven in de +bijenkorven gadeslaan, dan zijn wij zeker sterk onder den indruk +van den geest van onvermoeibaren ijver, die de geheele bijenrepubliek +beheerscht; maar nóg meer treft ons het feit, dat er voor deze behoefte +aan rusteloos werken zooveel uitwegen zijn: dat er tegelijkertijd +zooveel verschillend noodzakelijk werk te doen valt. + +In den broedbouw zijn de broedbijen bezig de jonge larven te +voeden, of ze reinigen de ledige cellen en verzegelen die, waarin de +volkomen ontwikkelde nymfen zijn, om hun de rust voor de geboorte te +verzekeren. In hare onmiddellijke omgeving zijn de zaaisters bezig +aan het werk des levens; ze drijven hun zaad-kruiwagen, de koningin, +voor zich uit over de raten. Ergens anders hangen de wasbijen in +een zwijgenden kompakten klomp. Boven zien wij steeds het aantal +honingraten toenemen; de metselaars trekken de celmuren op; de +ingenieurs maken hun berekeningen, ondersteunen hier, stutten dáár, +of brengen luchtbogen van de ééne raat naar de andere; ook breken zij +in plaats van de oude straten nieuwe doorgangen uit, waar te groote +ophoopingen in het verkeer ontstonden. + +Tusschen alles door gaan de zuiveraars onophoudelijk af en aan en +nemen de kleinste portiekeltjes vuil meê en ruimen het op. + +Gevleugelde begrafenisdienaren dringen door de menigte met de +lijken van hun kameraden, oud en jong, dragen ze naar den ingang +en vliegen er mee weg in het zonlicht van den jongen lentedag. Dan +is er het ventilatieleger buiten de poort, vernuftig in ploegen +verdeeld, zóódat dag en nacht een bestendige luchtstroom in beweging +is. De poortwachters houden een waakzaam oog op al de komenden en +gaanden. En dan eindelijk nog het "Comité voor Algemeen Hulpbetoon", +dat zich buiten de poort ophoudt, om waar 't noodig is bijstand +te verleenen. Zij ondersteunen de te zwaar beladenen, reinigen de +bezoedelden, rapen gevallen schatten van den grond op, en het schijnt +wel of zij bovendien nauwlettend de weersgesteldheid opnemen voor hun +volgend officieel rapport. Gedurende de uren van zonneschijn vliegen +in ontelbare duizendtallen de honing- en stuifmeeldraagsters af en aan, +sommigen met nektar, anderen tot bezwijkens toe geladen met stuifmeel, +en weer anderen met volle waterzakken, en nog meer die dat merkwaardig +cement, de voorwas, meebrengen, dat door de Ouden Propolis genoemd +werd en dat voor zoo veel verschillende doeleinden wordt gebruikt +bij het dagelijksch werk in de korven. + +En dit alles gebeurt met de regelmaat van een goed georganiseerde +menschelijke kolonie. Er is veelvuldigheid, maar geen verwarring; er +is spoed, maar geen haast. Iedere bezige ploeg heeft oogenschijnlijk +een bepaalde juist omschreven taak te volbrengen, haar aangewezen +door de centrale korf-autoriteit; en blijkbaar zijn in alles wat de +belangen der republiek betreft, coöperatie en vooruitgang één met +oorzaak en gevolg. + +Bij een nauwgezette studie van het bijenleven en met behulp van +de nieuwe observatiekorven, komt men er heel gemakkelijk, ja +zelfs onvermijdelijk toe, het oude begrip van absolute monarchie +onder een koning of koningin over boord te gooien; maar niet zoo +gemakkelijk komt men tot het begrip, hoe dan in werkelijkheid +de kolonie beheerd wordt. Wij zien den geheelen dag door hoe aan +alle kanten beraadslagingen gehouden worden over kleinere belangen; +maar van een algemeene samenkomst valt niets te bespeuren. Hoe moet +er dan beslist worden over de groote nationale gebeurtenissen: het +uitzenden van een zwerm of het afzetten van een oude koningin? Hoe +moet er voorzien worden in de verschillende staatscrises? De éénig +aannemelijke gevolgtrekking uit alles wat men ziet, schijnt te zijn, +dat iedere werkbij op zich zelf de tot absolute volmaking ontwikkelde +vertegenwoordigster is van het republikeinsch principe, in wier +innerlijk alle in het gemeenschapsleven voorkomende moeielijkheden en +vraagstukken zijn opgelost, eene oplossing door de eeuwen beproefd +en als de juiste bewezen, en die zij dus natuurlijk en onfeilbaar +moet aanwenden. Zoo wordt er dus eene gemeenschappelijke behoefte +gevoeld, waarin onmiddellijk voorzien wordt door een gemeenschappelijk +erkenden maatregel. Het inzicht van één is noodzakelijk het inzicht +van allen. En ieder voorkomend probleem in het dagelijksch leven +vindt die ééne oplossing, die tot de uiterste volmaking werd gebracht +door de ervaring van ontelbare geslachten en zij wordt individueel +aangegrepen om in den gemeenschappelijken nood te voorzien; zooals de +algemeen bestaande nooddrang "honger" door ieder individu afzonderlijk +bevredigd wordt door: eten. + +Zulk een toestand zou zelfs in een gemeenschap van menschelijke wezens +een zeldzaam hoogen staat van geestelijke, zoo al niet moreele, +ontwikkeling in het individu te kennen geven. Want dit beteekent: +de uiterste zelfverloochening in het belang van het geheel. En +zelfs wanneer men er de sterk ingrijpende macht der erfelijkheid +bij in aanmerking neemt, zou er toch nog voor de jeugd een strikt +ascetische opvoeding moeten zijn en voor de volwassenen in geval van +overtreding een onmiddellijke onverbiddelijke en zware boetedoening, +wilde men den uitersten droom van het kommunisme werkelijkheid zien; +dat is, het afschaffen van alle wetten en alle straf, en inplaats +daarvan de natuurlijke heerschappij van wijsheid en recht. In de +bijenrepubliek schijnt inderdaad een soortgelijke toestand te bestaan, +de individueele werkbij lijkt wel gevormd te zijn door een dergelijk +systeem, doorgevoerd gedurende een onafzienbaar lang tijdsverloop. Er +is steeds volmaakte orde; de openbare werken worden geleidelijk en met +ijver voltooid; de klok van den nationalen vooruitgang blijft geregeld +tot op de seconde, en dit alles niet omdat er een centrale wijsheid +heerscht, die plannen maakt, die beheert, en die de onwilligen in toom +houdt; maar omdat iedere werkbij in zichzelf een miniatuurstaat is; +omdat alle neigingen, vreemd aan den zuiveren gemeenschapsgeest, +sedert oneindige jaarkringen bij haar zijn uitgedreven door de +dwingende noodzakelijkheid. + +Doch de werkbij, zooals wij haar nu in de korven bezig zien, is +evenzeer een vormsel van kunst als van de natuur, al zijn ook eeuwen +van evolutie noodig geweest om haar tegenwoordige geesteskracht en +lichamelijke geaardheid te bepalen. + +Wij hebben gezien hoe het ei, dat de vrouwelijke kiem draagt, +wanneer het alle ruimte tot ontwikkeling gegeven wordt, het volkomen +oorspronkelijke type voortbrengt van de vrouwelijke bij, dat in wel +een dozijn opzichten van de werkbij verschilt. En ook de koningin +is, in één harer eigenschappen ten minste--haar verbijsterende +vruchtbaarheid--stellig een schepping van het korvenvolk, daar haar +overproduktie door overvoeding wordt veroorzaakt, zoodat zij onder +kunstmatige omstandigheden aan haar bestemming kan beantwoorden. Aan +zichzelve overgelaten, in haren oorspronkelijken natuurtoestand, zou +haar eierproduktie zeker op veel bescheidener schaal gebeuren. Maar de +werkbijen hebben haar merkwaardigen bouw en geestelijke gesteldheid +bijna uitsluitend aan de tusschenkomst der broedbijen te danken, +van het oogenblik af, dat het eitje is uitgebroed. Een zorgvuldig +onderzoek heeft bewezen, dat de koninginlarve en de werksterlarve +volkomen gelijk zijn tot op de derden dag van hun bestaan in de cel, +behalve dat de koningin sneller groeit, dank zij het ruimer en zwaarder +voedsel. Na den derden dag beginnen de voortplantingsorganen zich te +ontwikkelen bij alle larven, wanneer er met dit rijk stikstofhoudend +dieet wordt voortgegaan. In het geval van de koningin wordt de larve +van deze vooraf-verteerde voedingsstof, bijenmelk genoemd, rijkelijk +voorzien tot het laatste oogenblik van haar larvenstaat, en het is +haar uitsluitend voedsel. + +Bij de werkbij daarentegen wordt het rantsoen bijenmelk niet alléén +ingekrompen zoowel in hoedanigheid als in hoeveelheid; maar nu, +juist vóór het oogenblik, dat de ontwikkeling van de eierstokken +zal beginnen, wordt er nog een belangrijke wijziging in de voeding +gebracht: het rantsoen bijenmelk slinkt tot een minimum en er wordt +gewone honing bij gegeven, echter in een even schrale hoeveelheid en +tot aan het einde van het vijfdaagsche larvenbestaan. + +Welke andere invloeden er nog op de jonge bij komen inwerken +op dit zéér gewichtig tijdstip van haar bestaan, is onmogelijk +te zeggen. In ieder geval is de voedingswijziging een bewezen +feit, en de gevolgen--òf hiervan alleen, òf in verband met andere +behandelingswijzen--zijn zeker verwonderlijk. Niet alléén wordt de +ontwikkeling der voortplantingsorganen in die mate tegengewerkt, dat +er in de volwassen werkbij nagenoeg geen spoor meer van te vinden is; +maar ook schijnt van dat oogenblik af de larve een totaal verschillend +wezen te worden, dat steeds meer eigenschappen van de voedsters +vertoont, en steeds meer gaat afwijken van de koningin. En wanneer +de larve in den poptoestand overgaat, ontwikkelen zich organen, +waarvan de koningin zelfs den geringsten aanleg niet heeft. Zoo +krijgt zij haar bijzondere uitrusting voor buitenwerk in een paar +stuifmeelkorfjes. Haar tong verlengt zich, zòo, dat hij den nektar +bereiken kan in het diepst van de klaverbloemen. Zij zal een bouwbij +worden en wordt daarom voorzien van een half dozijn smeltkroezen voor +de wasbereiding. Haar noodelooze legboor wordt in een wapen verkeerd; +hij wordt rechter en korter, en de haartjes waarmee hij bezet is +worden grooter in aantal en harder; een kliertje, dat zich er aan +bevindt, en dat bij de koningin een haast onschadelijk vocht bevat, +vult zich hier met een scherp vergif. En bovenal ontwikkelt zij een +intellekt, dat heel verre dat van de normale vrouwelijke bij, haar +moeder, overtreft. Ten slotte wordt zij voorzien van een geheel nieuw +systeem van aandriften en begeerten. + +Terwijl het natuurlijk element van de koningin het schemerduister +van den korf is en het zou schijnen of zij den zonneschijn moest +vreezen en haten, zoo is de werkbij aangewezen op de buitenlucht: +licht en lucht zijn haar levensfeer. En als de koningin, hoewel +haar bestemming nalevende, die haar overvruchtbaar deed zijn, toch +niet de geringste vreugde in haar moederschap toont, noch éénige +belangstelling in haar kinderen, werpt zich de werkbij op--hoewel +tot eeuwige jonkvrouwelijkheid gedoemd--als de waarachtige moeder en +verzorgster en opvoedster van al het broed in den korf. En de prijs +geëischt voor de macht en het gezag, die zij zich verworven heeft, +of die voor haar verworven werd door dat verre voorgeslacht, dat het +eerst de geslachtslooze honingbij uitvond, die prijs wordt met hard +geld betaald: met het leven zelf. Inplaats van het aantal jaren, dat in +het begin de Natuur aan haar soort toestond, leeft zij nu nauwelijks +zooveel maanden. Het noodlot en haar onbegrensde ijver maken haar rol +in het leven te zwaar. Haar verminkt en tegelijk te fijn bewerktuigd +lichaam, en haar overontwikkeld brein kunnen het niet lang uithouden +tegen de sloopende kracht van het leven, dat zij te leven heeft. Enkele +maanden, en dan bezwijkt zij onder het werk, of zij bereikt nog met +de uiterste inspanning van haar versleten en uitgerafelde vleugeltjes +het traditioneele kerkhof van den korf; of zij eindigt onder den +doodslag van de staatsbeulen. Want het ouderdomsvraagstuk is sedert +lang afdoend opgelost in de bijenrepubliek. Eene gerechtigheid, die nog +onderhevig is aan medelijden, draagt onverbiddelijk het merk van eigen +zwakte. Wanneer het beginsel: Ieder voor het welzijn van Allen, tot +zijn uiterste logische spanning wordt gehandhaafd, dan staat medelijden +met het individu gelijk met Jantje iets afnemen om het Pietje te +geven. In de bijengemeenschap is het eenige levensrecht bruikbaarheid; +dus moeten de oude, versleten, nuttelooze werksters gaan. + +Het is een merkwaardige studie, de ontwikkeling van het eitje van +den werkbij door zijn verschillende stadia van groei te volgen +tot het volkomen ontwikkeld insekt zijn cel verlaat. Het eitje op +zich zelf is al heel merkwaardig; want het is van buiten zeshoekig +beteekend. De groote samengestelde oogen van de volwassen bij +hebben dienzelfden vorm. Ieder oog bestaat uit ongeveer vierduizend +afzonderlijke lenzen, en iedere lens is een regelmatige zeshoek. Men +heeft zich dikwijls verwonderd over het vernuft van de bouwbijen, +die de cellen zeszijdig maken, waardoor dus een gegeven ruimte meer +vertrekken bevatten kan, dan zij er zou kunnen opnemen, wanneer zij +van een zelfde hoeveelheid materiaal in anderen vorm, welken ook, +opgebouwd waren. De oude schrijvers verklaarden deze voorkeur voor +de zeshoekige cel door de veronderstelling, dat de zes pootjes van +de bij tegelijk werkzaam waren bij den celbouw, en ieder pootje zijn +eigen deel van de cel construeerde. Maar een moderner verklaring is, +dat de bijzondere vorm der cellen toevallig ontstond, of liever, +dat de omstandigheden hier tot noodzaak werden: de gezamenlijke +wederzijdsche drukking zou de cellen in den zeshoekigen vorm wringen. + +Nu is het zeker waar, dat erwten, in een flesch geweekt, bij het +opzwellen dien vorm aannemen, maar men kan deze theorie niet aanwenden +bij de honingraten. Want in het werk van de bijen bestaat zulk een +drukken of samenwringen niet. Iedere cel wordt afzonderlijk gebouwd en +vereenigd met de bovengelegenen, en de raat strekt zich naar beneden +en terzijde vrij uit in de open ruimte, tot de gewenschte grens +bereikt is. Een veel aannemelijker verklaring is, dat de zeshoekige +vorm der cel door ervaring werd verkregen. De eerste raten kunnen +uit ronde cellen gevormd zijn geweest en de tusschenruimte met was +gevuld. Maar de bij, die in alles wat spaarzaamheid betreft ter dege +is uitgeslapen, zal al heel gauw het ondoelmatige van die ronde cellen +hebben ingezien. En zoo zou zij met den zeshoek, een vertrouwd motief +trouwens in den korf, getuige het eitje en het samengestelde oog, +al spoedig een beteren en meer wetenschappelijken weg zijn ingeslagen. + +Maar er is nog een anderen reden voor de zeshoekige cel, en minstens +even belangrijk: de deugdelijkheid van dien vorm bij het broeden en +het honing opleggen. Men moet begrijpen, dat het bestaand systeem +van vertikale wanden, parallel en dicht opeen, gevormd uit tallooze +kleine horizontale kamertjes rug aan rug, geen ideale inrichting is +voor het kweeken van jongen en het opleggen van voedsel. Maar het is +de beste oplossing in de omstandigheden waarin de bijen verkeeren, +genoodzaakt als zij zijn in groote menigte, dicht op-één gedrongen, +communistisch te leven. Lucht is een hoofdvereischte bij alles +wat in den korf omgaat; maar vooral moet er lucht zijn voor de +ontwikkeling der jonge bijen. Wanneer er een koningin moet gekweekt, +dan krijgt zij rijkelijk versche lucht; doch met opoffering van veel +kostbare ruimte. Maar voor de gewone soort, waarvan er soms tien- of +vijftienduizend tegelijk in het broednest rijpen, kan natuurlijk geen +dergelijke concessie gedaan worden. De jonge werksters of darren moeten +zooveel lucht tot zich nemen als zij kans zien door de nauwe celopening +te krijgen. Nu ademt de bij, in alle levensstadiën niet door den mond, +maar door middel van luchtgaten (trocheeën) aan beide zijden van het +achterlijf. Ware de cel rond, dan zou de larve, als zij uitgegroeid +was, de geheele ruimte vullen, en de lucht zou moeielijk de trocheeën +kunnen bereiken. Nu echter, hoe groot de jonge larve ook is, kan zij +nooit de hoeken van den zeshoek geheel opvullen en die omringen dus het +insekt met een half dozijn toegangen voor de versche lucht, tot aan den +bodem van de cel toe; en zoo heeft de larve den vollen toevoer van de +beschikbare lucht, al kan dat nooit meer dan een schrale voorraad zijn. + +Bij de honingcellen bewijzen de zes hoeken aan de cel een even grooten +dienst. De ideaal honingcel zou er een moeten zijn met den ingang +naar boven, zoodat zij op de gewone rationeele manier gevuld zou +kunnen worden. Maar bij de wetten van strikte spaarzaamheid, die in +de republiek van kracht zijn, is zulk eene inrichting ondoenlijk. De +honingraten liggen in horizontale richting op elkander, en moeten +dus aan den benedenkant gevuld kunnen worden. Nu zijn alle cellen +in een raat een klein weinigje opgericht, maar niet voldoende om +den vloeibaren inhoud binnen te houden indien de cel rond was. De +hoeken van het zeskant nu versterken juist dat inhoudensvermogen en de +ervaring heeft de bijen geleerd, hoe die eigenschap van hun zeshoekige +cellen te ondersteunen, door ze even op te zetten; daardoor wordt +dan het wegvloeien van den nektar onmogelijk. + +De werkbij ligt in den larvetoestand opgerold op den bodem van de +cel; maar naarmate zij groeit, neemt zij een houding in de lengte +aan met het hoofd voor de celopening. Deze houding is echter niet +onveranderlijk; want zij schijnt bij tusschenpoozen een reeks wendingen +of buitelingen te maken, waarschijnlijk om het afwerpen van de huid te +vergemakkelijken; dit geschiedt verscheidene malen gedurende de vijf +dagen van haar larveleven. Als die periode is afgeloopen, houden de +voedsters op met het voedingsproces en verzegelen de cellen. Nu gaat +de larve aan het werk; eerst spint zij zich een zijden kleedje, voordat +zij haar langen slaap als pop begint, en dan werpt zij voor het laatst +haar huid af. Bij de werkbij omsluit dat fijn bewerkt gewaad haar heele +lichaam als een gesloten cocon. Maar de koninginlarve weeft zich maar +een schamel jakje, dat alleen haar hoofd en borststuk bedekt, en het +geheele ondergedeelte vrij laat. De gewone theorie om dit te verklaren +is, dat wanneer de overtollige koninginnen in hun cellen vermoord +worden door de aangenomen moederbij na hare bevruchting, de slachting +gemakkelijker van de hand gaat door het ontbreken van het taaie spinsel +der cocons om het lichaamsdeel, waarop de aanval gewoonlijk gericht +is. Want het schijnt uitgemaakt, dat in een koninginnengevecht de +angels niet op goed geluk worden gebruikt zooals bij de werkbijen; +maar iedere koningin beproeft haar wapen aan te brengen in een van de +trocheeën van hare vijandinnen, waarvan ieder er veertien bezit, zeven +aan iederen kant. Zulk een steek schijnt altijd doodelijk te zijn. + +Maar waarschijnlijk moet de ware reden, waarom de koningin in +een kort manteltje slaapt van taaie ruwe stof, opgespoord worden +ergens terug in de oergeschiedenis van de honingbij. Ik geloof, +dat wij veilig de gesloten werkstercocon kunnen beschouwen als +een betrekkelijk nieuwe instelling, die zich ontwikkeld heeft ten +gevolge van eenigen nooddrang, ontstaan sedert de bijen een beschaafde +natie zijn geworden. Wat echter het oorspronkelijk begin er van was, +ligt buiten het bereik van éénige gissing. Een merkwaardig feit is, +dat deze cocons nooit uit de cellen verwijderd worden. Zij blijven +vastgekleefd aan de celwanden, en hoewel de cel grondig gereinigd +wordt nadat de jonge bij haar verlaten heeft, wordt er aan de cocon +niet geraakt; die blijft er in als een eeuwige voering. En dit +gaat zoo door alle opvolgende generaties heen, iedere bij laat haar +bakerkleêren achter, tot er zulk eene opeenhooping van komt, dat de cel +te klein wordt om iets anders voort te brengen, dan een minderwaardig, +onvolgroeid geslacht. Bij in het wild levende bijen, als het nest +in een hollen boom ligt en er gewoonlijk ruimte in overvloed is, +kunnen de broedraten zoo noodig verlaten worden en, verder op, nieuwe +gebouwd; en zoo wisselt het volk van jaar tot jaar zijn plaats. Deze +natuurlijke bijennesten blijven soms heel lang in gebruik. Het is +b.v. wel gebeurd dat er zwermen terecht kwamen in een huis onder de +daksparren: zij bleven dan door veel geslachten heen ongemoeid. Eens +werd er ook van een bijenkolonie verteld, dat zij vijf-en-veertig +jaar aan één stuk op een vliering in een boerderij had gehuisd, en +de legende ging, dat zij er verscheiden raten honing hadden opgepot; +maar toen het nest werd uitgezwaveld, bleek er niet veel anders te +zijn dan een opeengehoopte massa van raten, oude en jongere; van een +paar weken oud tot een ongisbaar aantal jaren. Het grootste gedeelte +was geheel zwart, en de cellen stikvol met poppencocons. + +Het feit, dat in die met cocons opgevulde cellen, al is de ruimte +ook nog zoo ver ingekrompen, het eierleggen doorgaat als er geen +leege beschikbaar zijn, weêrspreekt de theorie, dat van de grootte +van de cel het al of niet bevrucht worden van het eitje zou afhangen +als het door de koningin wordt afgezet. Men vindt soms heel oude +darrenraten in gebruik voor broed, waar de cellen ingekrompen zijn +tot de grootte van een normale werkstercel, en toch gaat de koningin +voort met daarin onbevruchte eieren te leggen. Dit vraagstuk schuilt +dus nog diep onder de raadsels. + +Na ongeveer drie weken, bij het begin te rekenen, kruipt de jonge +bij uit de pophuid, en bijt zich een weg door de celsluiting. Het +stuifmeel, dat voor deze dekseltjes met de was vermengd is, vervult +een dubbele bestemming. Het maakt de was poreus, zoodat de lucht +toegang heeft, en het dekseltje wordt er eetbaar door, zoo wordt +dus het jeugdig insekt door honger naar de vrijheid gedrongen. De +jonggeboren werkster, hoewel geheel volwassen, is een zwak, grauw +getint, slap wezentje en blijft zoo nog een poosje nadat zij haar wieg +verlaten heeft. Haar eerste aanvechting schijnt te zijn, zichzelf te +adoniseeren, en daarna een inspektiereis te gaan maken in haar nog enge +wereld van duister, rumoer en bedrijvigheid. Gedurende de twee eerste +dagen doet zij niet veel anders dan onopgemerkt rondscharrelen tusschen +de bezige menigte, steeds toenemende in kracht en stevigheid. De +tweeden dag ziet men haar uit de open honing- en stuifmeel vaten +nippen, waarvan er altijd enkele hier en daar tusschen de broedcellen +zijn aangebracht. Daarna schijnt zij eindelijk te ontwaken tot het +besef van haar plicht en verantwoordelijkheid; haar plaats is nu +tusschen de werksters, en zij begeeft zich aan die verbijsterende taak: +het voeden van de larven. + +In den gewonen loop van zaken verlaat de jonge werkbij den korf +niet voor ongeveer veertien dagen nadat zij de cel uit gekropen +is. Maar gedurende dat tijdsverloop heeft zij heel wat levenskennis +op te doen en verscheidene vakken te leeren. Het schijnt dat al het +binnenwerk in den korf door de jonge bijen verricht wordt in die +eerste weken van hun bestaan. Op háár rust de geheele zorg voor het +jonge broed. Zij bereiden de was en bouwen de raten; zij behartigen +orde en zindelijkheid in den korf; zij zijn de honingbrouwsters en de +pakhuisbewaarsters; zij voeden de koningin bij haar eeuwigen rondgang, +en geven de darren hun dagelijks rantsoen bijenmelk; want het is +uitgemaakt, dat de mannelijke bijen in hoofdzaak van de werksters +afhankelijk zijn voor hun voedsel, en maar een klein gedeelte van +hun dieet van de algemeene provisie betrekken. De oude bijen bezorgen +het proviandeeren; maar het schijnt, wel, dat de jongen hen bij hun +thuiskomst tegemoet komen en dat die den nektarlast, nadat dezen hem +hebben uitgebraakt, in hun zakjes van hen overnemen, om ze dan weer +in de provisieraten te ontlasten, in de hooger gelegen afdeelingen +van den korf. Wanneer men ten minste op het drukst van den dag de +voorraadkamer in een der korven opent, dan blijken er in het gedrang +der diertjes, die zoo ijverig bezig zijn de cellen met deze versche +lekkernij te vullen, zich haast geen oude bijen te bevinden. + +Niet vóór het begin van hun tweede levensweek leggen de jonge bijen +hun eerste vliegproef af, en dan is het nog maar voor een paar +minuten en op het heetst van den dag. Den ijmker is deze plotselinge +middagbeweging in het late voorjaar en in den zomer heel goed bekend; +in het begin nemen ook de darren in grooten getale deel aan het koor, +maar na een poosje vliegen zij weg en wat er dan overblijft in de +gonzende wolk, die men om alle korven ziet hangen en bewegen, zijn +uitsluitend huisbijen, die van hun dagelijksch kwantum beweging en +lucht genieten. + +Men heeft geconstateerd, dat de kliertjes voor de produktie van +broedvoeder en ook de organen, die de was afscheiden, in 't bijzonder +ontwikkeld zijn bij bijen van slechts een paar weken oud, terwijl na +het verloop van de eerste maand deze organen sterk zijn ingekrompen. De +bij begint gewoonlijk haar werkzaamheden als proviand-zoekster, zoodra +zij veertien dagen oud geworden is; maar vóórdat zij het ernstige werk +van het nektarzamelen onderneemt, moeten er waarschijnlijk nog wel een +paar weken bijkomen. Bijna al de stuifmeeldraagsters zijn bijen in hun +eerste volle kracht, en daarom bijzonder geschikt om zwaarder lasten te +dragen. Maar nauwelijks is de werkbij toegekomen aan die opperste taak, +het honingzamelen, of zij laat het stuifmeel met rust. Zoo is dus in +een normale kolonie het leven van de honingbij, zoo kort als het is, +zorgvuldig ingedeeld; in ieder levenstijdperk is er een vaste taak te +vervullen, waartoe het individu juist dan het best geschikt is. Toch +staat ook deze wet weer niet vaster dan eenige andere regel in de +korven. Komen er in de gemeenschap krachten te kort en zijn er niet +genoeg bijen van rijpen leeftijd om in te dragen, dan zullen de jonge +bijen op een vervroegden datum aan het inzamelen gezet worden. Zoo +ook wanneer de korf een tijd lang zonder koningin is geweest, en +er daarom als de jonge koningin zich eindelijk gevestigd heeft maar +weinig jonge bijen voor de verzorging van het broed beschikbaar zijn; +dan zullen vele van de oude werksters thuis blijven, en zich met het +broedwerk bezig houden, waaraan zij in gewone omstandigheden al lang +ontgroeid zouden zijn. + +Er zijn vele zulke voorbeelden van vernuftige inschikking of aanpassing +in het leven der honingbij. Dit schepseltje weet uitkomst in alle +voorkomende gevallen; maar bij het werken met uiterste middelen in +uiterste moeielijkheden toont zij zich toch in haar grootste kracht. De +ergste ramp in een bijenstaat is het verlies van de koningin, op een +oogenblik dat het onmogelijk is een plaatsvervangster aan te wijzen. De +standaard van intelligentie zoowel als van karakter verschilt bij de +bijen evenzeer als bij de menschen. Sommige volken werken harder en +meer uren dan de rest. Anderen zullen met werken ophouden, wanneer +zij meenen een voldoende provisie honing te hebben opgelegd, en dan +schijnt er een geest van luiheid over zulk een volk te komen. En in +enkele gevallen is er iets als een moreele kronkel in het nationale +karakter; en dan gaan de bijen proviand rooven bij hun buren in plaats +van hun eigen voorraad bijeen te brengen. + +Voortdurende ontstentenis van een koningin is een ramp, die bij +verschillende volken verschillend werkt. Bij sommige is een hopelooze +mismoedigheid het gevolg; alles staat stil, de lusteloosheid is +algemeen. Er wordt niet meer gewerkt; de wacht trekt zich van de +poort terug. De gemeenschap schijnt als één man het bijltje er bij +neer te leggen en den ondergang af te wachten, met de volslagen +hopeloosheid van gevonnisde misdadigers. Maar er zijn ook volken +bij wie de algemeene ramp een prikkel wordt tot het scherpen van +het vernuft en het vereenigen van alle geestkracht, een aangrijpen +van alles wat tot uitkomst kan dienen. Bij bijen van een dergelijk +temperament moeten wij gebeurtenissen verwachten als het kapen van +eieren om de koninginnecellen mee te voorzien, wat wij hierboven al +bespraken. Maar als uiting van tot de spits gedreven schranderheid, +ook al is het het meest hopelooze van alle hopelooze bedenksels, is er +niets te vergelijken bij het volgende probeersel: Het gebeurt soms als +men een korf van binnen bekijkt, die niet alléén geen koningin heeft, +maar ook niet de minste kans er een te kunnen kweeken, dat men dan +onverwacht eenige mysterieuse eieren ontdekt. Ze zijn blijkbaar pas +afgezet; maar niet op de oude rechtzinnige manier. Een normale koningin +gaat van cel tot cel over een vrij regelmatige raatoppervlakte, en zet +in iedere cel een eitje af; maar de eieren in dezen koninginloozen korf +zijn op een zonderlinge onregelmatige manier verspreid, als gestrooid +over de raten. Op de eene plaats zijn een stuk of drie cellen voorzien +en ergens anders weer een paar, zonder eenigen schijn van orde of +methode. Bovendien zijn er enkele cellen, waarin men twee of drie +eieren vindt, terwijl de rest er ieder één bevat. Het schijnt of een +geestelijk gekrenkte moederbij uit een anderen korf hier de wachten +in den dut heeft gevonden en nu een clandestien uitstapje gemaakt bij +het koninginlooze volk. Maar hoe men zoekt en speurt, een koningin +is niet te ontdekken. De verklaring van deze abnormaliteit is, dat +een van de werkbijen op de een of andere buitengewone manier haar +verstorven voortplantingsorganen heeft weten op te wekken en nu in +staat is geweest eieren te leggen. Maar hierdoor wordt het noodlot +niet van den korf afgewend, integendeel zelfs verhaast. Want deze +eieren zullen slechts darren voortbrengen, en er komen dus nog maar +meer nuttelooze monden die gespijsd moeten worden. Eén authentiek +gestaafd geval is bekend, dat de bijen in een korf zonder koningin een +koninginnewieg gebouwd hebben en daarin feitelijk een van die eitjes +brachten, die door een eierleggende werkbij waren afgezet. Men vond +naderhand in die koninginnecel een dooden dar. + +Hoe onder den prikkel van zulk een nationale krisis zulk een +eierleggende werkster verkregen wordt, is nog een punt van onderzoek; +waarschijnlijk wordt de jongste bij uit de kolonie voorzien van het +speciale koninginne voeder, en op die wijze worden dan misschien haar +voortplantingsorganen, ten minste ten deele, ontwikkeld. + + + + + + +HOOFDSTUK X. + +EEN ANATOMISCHE ROMANCE. + + +De moderne ijmker, die in de eerste plaats handelsman is--de man, +die zijn bijen in kasten houdt naar de nieuwste eischen ingericht, +alle gelijk in vorm en kleur, en op regelmatige rijen geplaatst--die +man is geneigd zich alléén met de praktische zijde van zijn werk +in te laten, en voelt een soort van kwalijk bedekte geringschatting +voor alles wat niet onmiddellijk in verband staat tot wat voor hem +de hoofdzaak bij de bijenkultuur is; de honingproduktie. + +Maar de bijenhouder, die tegelijk van bijen houdt, neigt juist +den gansch anderen kant uit. Is de geest eenmaal ondergedoken in +wonderen, zooals noodzakelijk gebeurt wanneer men in de studie van +'t bijenleven onder de oppervlakte gedrongen is, dan wordt men in den +wedren naar stoffelijk voordeel de man, die een manke knol zadelt. In +een bijentuin overmeestert ons de hebbelijkheid van peinzen als de +voortschrijdende paralyse, ongemerkt, maar onverbiddelijk. Het is +één ding, op een mooien Junimorgen naar buiten te slenteren, pijpje +in den mond, het kruiwagentje voor zich uit rollend, met het plan +op een langen werkdag tusschen de korven; maar een tweede is het, +dien langen werkdag ijverig vol te houden uren aanéén, terwijl de +zon u in zijn loomen gouden greep heeft, en het aanhoudend droomerig +gegons van de bijen op hart en geest blijft inwerken. + +Onder zulke verlokkende omstandigheden zakken de goede voornemens wel +eens stilletjes weg, en dat is heel natuurlijk. De kruiwagen is een +prettig zitje, en men kan hem in het dichtst van de lindenschaduw +trekken. En dan wordt door het blauwe rookwolkje uit de pijp, dat +langzaam naar boven drijft, juist die lust tot peinzen gewekt, dien +wij noodig hebben te midden van zulk een rustelooze, onverbiddelijk +slovende omgeving; en wat hindert ook één droomer op de honderdduizend +werkers? Zoo komt het, dat het heel vaak piepende wiel tot rust komt +onder de linden; de honing blijft voor de honingmakers; de gedachten +volgen de bijen in den korf; of ook wel richten zij zich naar ver over +de zee, waar de groote aanplantingen zijn, en het droge kruid dat +nu het pijpje vult, ééns een frisch blad was in een zee van groen, +geplekt met de kleur der bloemen; daarboven gonzen de bijen, wier +voorgeslacht misschien van die zelfde plek voor Oud-Engeland over +gekomen was, waar nu dit blad opgaat in rook, en rustig peinzen kweekt. + +Maar vooral op regenachtige dagen, wanneer er veel te doen valt +binnenshuis, als de sektie-raampjes in orde moeten gemaakt, en de +volle honingraten geleegd, dat zij naar de korven terug kunnen om den +volgenden dag weer gevuld te worden, en nog zooveel andere bezigheden +van die soort--dan is er een nog sterker bondgenoot voor de neiging +om de gewone routine van ijmkerplichten in den steek te laten. + +Heeft echter de bijenman een mikroskoop, dan steekt hij zijn geweten +in zevenmijls-laarzen; en gedurende zijn ganschen levensmarsch +heeft hij dan niet veel kans meer het in te halen. Is het +dagelijksch werk in den korf met het bloote oog al een zóó boeiende +bezigheid, dat zij nalatigheid in plichten kweekt, de mikroskopische +kennismaking met de korfarbeidsters zelf, en de bijzonderheden van +hun verwonderlijke uitrusting, openen een heele nieuwe wereld van +feiten en gedachten. Alleen onder een zéér sterke vergrooting kan +men een denkbeeld krijgen van de juiste plaats der honingbij in de +schepping. Wat zij werkt is duidelijk, zelfs voor een minder scherp +waarnemer; maar de werkster zelf is ons niet anders haast dan het +vaag visioen van een kristalvleugelig, sobergekleurd atoom, in een +eeuwig bewegen in zon en wind; of van een haast niet te onderscheiden +vlekje tusschen een krioelende menigte in ziedenden werkijver. + +Maar hier in de wereld van de mikroskoop openbaart zich de honingbij +als een geheel nieuw wezen, en van lieverlede ontvouwt zich een +geschiedenis, die in zijn soort het volmaakte Levensbeeld is. Niemand +kan lang de verwikkelingen van het korfleven bestudeerd hebben zonder +in te zien, dat een schepseltje, tot zulk een verscheidenheid van +gecompliceerde werkzaamheden geroepen, noodzakelijk zelf een hooge +ontwikkeling van geest en lichaam moet bereikt hebben. Maar komt het +tot mikroskopisch onderzoek van de gewone werkbij, dan is zelfs bij +den groensten nieuweling nog zelden de verwachting ook maar eenigszins +de werkelijkheid nabijgekomen. + +Het ongewapend oog ziet een schijnbaar hoogst eenvoudig gevormd +diertje--een bruin, tenger lichaampje, twee paar vleugeltjes, +6 pooten zooals bij alle insekten, en een paar gebogen hoorntjes, +als kleine dorschvlegeltjes, die aanhoudend in beweging zijn. Onder +het glas echter verdwijnt al dat eenvoudige. Van het uiterste puntje +van haar sprieten tot het behaarde uiteinde van haar angel, heeft de +honingbij niets, dat niet duidt op een verbijsterend samengesteld plan. + +Als men op een drukken zomerdag zich bij een korf geposteerd heeft, +dan wordt het eerst de aandacht getrokken door de stuifmeeldraagsters, +die bij duizenden tegelijk komen aanzwoegen, met een groote, ovale, +bontkleurige massa aan hun achterpootjes gekleefd; en zoo komt men +er toe het eerst het stuifmeeldragend organisme onder den mikroskoop +te bezien. Het blijkt nu, dat de zes pooten, die voor het bloote +oog ongeveer alle hetzelfde waren, in drie paren verdeeld zijn, +waarvan elk paar in konstruktie aanmerkelijk van de twee andere +verschilt. Zóó ver is het er van af, dat zij eenvoudige pootjes +zouden zijn, dat ieder uit niet minder dan negen deelen bestaat, +en bijna ieder deeltje draagt een bijzonder mechanisme, noodig en +onontbeerlijk in het dagelijksch leven van de bij. Men zou heele +verhandelingen kunnen schrijven over de funkties van de menschelijke +hand, en toch is de hand een heel eenvoudig samenstel vergeleken met +de pootjes van de honingbij. De inrichting voor het bergen van het +stuifmeel is aan de scheen van de achterpooten, die verbreed is en +eenigszins uitgehold; rond die langwerpige holte is een franje van +naar binnen gebogen borsteltjes, die er uit zien of zij alles vast +konden houden. Maar vóórdat het stuifmeel in die korfjes gaan kan +moet het verzameld en tot een bolletje gekneed worden. Eigenlijk +zou men kunnen zeggen, dat het geheele lichaam van de bij bij het +stuifmeelzamelen te pas komt. Onder zwakke vergrooting ziet men, +dat haast geen deel van het lichaam niet dicht met haren is bezet; +maar met het sterke objektief gezien, zijn die haren geen haren meer, +maar het blijken in werkelijkheid veertjes te zijn, fijne werktuigjes +in graatvorm, die het stuifmeel bij elkaar vegen, terwijl de bij in +de bloem duikt naar den nektar, die op den bodem ligt. + +Bijna ieder lid van ieder pootje is voorzien van een kam van +stijve haren, waarmee het stuifmeel wordt afgeschrapt en in het +draagkorfje gebracht, nadat het met de tong bevochtigd werd, terwijl +de achterpooten ieder een komplete roskam dragen. De poot is hier +verbreed en plat, en aan één kant bezet met negen of tien rijen korte, +sterke stekels, waarmee de bij haar lichaam afkamt, juist zooals +een rijknecht een paard kamt. In gewone tijden zal zij zorgvuldig +haar vrachtje stuifmeel opladen in de daartoe bestemde inrichting, +vóórdat zij naar den korf terug vliegt, zoodat het onmiddellijk in de +cel kan worden overgebracht. Bij de celopening aangeland, duwt zij +ieder klompje er af met haar andere pootjes, maar het vastdrukken +in de cel laat zij aan de proviandverzorgsters over. Er wordt hier +niet geschift; stuifmeel van alle kleuren gaat in één en dezelfde +cel en als die vol is wordt er een dun laagje honing over gesmeerd om +het inwerken van de lucht te verhinderen. Maar dringt soms de tijd, +dan blijft zij niet wachten om haar vracht samen te drukken; maar +draagt die mee naar huis zooals ze is, en als zij dan aankomt is zij +van top tot teen met goud poeder overdekt. Dan komen de huisbijen om +haar heen en borstelen haar af, waarna zij onmiddellijk weer op een +nieuwe vracht uitgaat. + +Het feit, dat insekten oogenschijnlijk met hetzelfde gemak onder +tegen iets aan kunnen loopen als er boven op, is, omdat wij nu éénmaal +gewoon zijn het dagelijks te zien, daarom niet minder opmerkelijk. Want +de vlieg, die tegen een ruit oploopt, of onder tegen 't plafond aan, +dankt haar vermogen van boven- en onderbeweging aan een zeer vernuftige +inrichting. Men kan dit aantoonen aan het pootje van een bij. Het +heeft een paar korte, stevige dubbele klauwtjes, waarmee zij zich +vast grijpen op ieder vlak, behalve op de allergladste; het is ook +door middel van die klauwtjes, dat de bijen zich in de korf tot die +dichte trossen op klompen of kettingen kunnen vormen; zij hangen als +het ware hand in hand in alle richtingen. Maar als de klauwtjes geen +vat kunnen krijgen, dan komt de beurt aan een ander lid. Dit is een +zacht, elastisch kussentje, altijd bedekt met een dikke olieachtige +afscheiding. Bij het loopen zet de bij drie pooten tegelijk neer, en +de kussentjes zuigen dan oogenblikkelijk vast als zij in kontakt met +het gladde oppervlak komen; bij de volgende beweging komen de drie +andere kussentjes aan de beurt, en de drie eerste trekken zich weer +los. Maar ieder pootje kan zich ook vrij van de andere neerzetten en +losmaken. Dit laatste gebeurt door het neerdrukken van de klauwtjes +van datzelfde pootje. + +Ook aan ieder van de voorpooten heeft de bij een inrichting, die een +heel belangrijke rol speelt. Het is een half cirkelvormig keepje, +afgezet met een franje van stijve haartjes; wanneer het pootje nu +omgebogen wordt, dan grijpt dit keepje met een merkwaardige projektie +in het daarboven gelegen lid, en vormt daarmee een soort van oogje van +ruwe ronding. Met dit fijn en doelmatig instrumentje reinigt zij haar +sprieten, en doet dat heel regelmatig gedurende den geheelen bezigen +tijd van haar leven, ongeveer zooals wij menschen onze oogen schoon +houden door knippen met de oogleden. Met ditzelfde werktuigje maakt +zij ook haar tong vrij van de aanklevende korreltjes stuifmeel. + +De vraag: hoe neemt de honingbij de sappen tot zich, waarvan zij +honing krijgt, wordt door sommige populaire schrijvers over de natuur +beantwoord met de verzekering dat zij ze opzuigt door een buisje. Maar +deze zeer gemakkelijke generalisatie komt heel dicht bij een stellige +onwaarheid. Een bijentong is geen buisje, tenminste zooals men dat +woord gewoonlijk begrijpt. En zij likt den nektar zeker even dikwijls +op, als zij ze opzuigt. Dat hangt geheel af van de hoeveelheid waarmee +zij te doen heeft. Een nauwkeurige ontleding van de monddeelen van +de bij, met behulp van den mikroskoop en een paar fijne naalden, +maken spoedig de heele zaak duidelijk. + +Een schoonheid is zij niet--de honingbij--zoo van dichtbij +beschouwd. Eindelooze arbeid, de natuur onderdrukt, het organisme +mismaakt, dat alles werkt niet gunstig op uiterlijk schoon, bij +geen van haar geslacht. Maar die sterke en bijna afschrikwekkende +leelijkheid, die aldus dichtbij haast afzichtelijk wordt, vergeet men +onmiddellijk, wanneer men haar verwonderlijken rijkdom leert kennen +aan die andere schoonheid: die der praktische nuttigheid. + +Voor het bloote oog is de tong een helder bruin, glimmend dingetje, +dat buiten haar mond uitsteekt, en dan naar beneden hangt, zoo ongeveer +als de snuit van een olifant. Onder den mikroskoop blijkt het echter +geen tong te zijn, in den gewonen zin; maar een voortzetting van de +onderlip. Het bestaat uit zes of zeven verschillende stukjes die in +de lengte kunnen worden bijeen gevoegd. Het middelste stuk is langer +dan de andere en steekt uit met een harig spateltje; wanneer nu de +overige deelen daaromheen sluiten, dan wordt het geheel feitelijk een +buisje in een buisje. Het spateltje wordt ingeval van heel geringe +hoeveelheden vloeistof voor het oplikken gebruikt, en de vloeistof +gaat dan den mond binnen minder door eigenlijk zuigen dan wel door +capillaire aantrekking; is er echter een boordevollen nektarbeker te +ledigen, dan wordt het geheele tongmechaniek in gang gebracht. De +strookjes voegen zich om het middengedeelte samen, en de vloeistof +wordt door de tongspieren uit den bloemkroon getrokken, ongeveer +zooals water door den zuiger van een pomp. + +Nu wij het kopje van de bij onder nauwkeurige observatie hebben, +kunnen wij ons van allerlei bijzondere dingen overtuigen. De sterke, +gebogen kaken, die zijdelings werken, zijn dubbel merkwaardig als +hoofdfaktoren bij de wasbereiding, en als belangrijk hulpwerktuig bij +het bouwen der raten. Maar het eerst wordt onze aandacht getrokken +door de oogen en de lange sprieten, die op dorschvlegels lijken. De +bij mag dan op haar leven zijn ingericht, of het leven heeft--door +onverbiddelijke omstandigheden--háár gemaakt tot wat zij nu is, +dit staat vast, dat haar organisme prachtig is aangepast aan haar +levenssfeer. De groote samengestelde oogen met hun duizenden facetten, +die ieder lichtelijk in richting afwijken, zijn zonder twijfel op +vèr en verwijderd uitkijken ingericht. Door juist deze oogen kan de +bij haar weg heen en terug vinden over afstanden van mijlen ver. Bij +de werkbijen nemen de oogen het geheele zijgedeelte van den kop in; +maar bij den dar zijn zij veel grooter en komen boven den kop geheel +samen. Zoo neemt hij, terwijl hij dartelt in den zonneschijn, tegelijk +den geheelen hemelboog in zijn gezichtsveld op, ieder oogenblik bereid +een jonge koningin te achtervolgen met zijn liefdedrang. + +Maar deze groote veelvoudige oogen hebben weinig doel voor de bij, +waar het kleine afstanden geldt of in het diepe schemer van de +korven. Voor binnenshuis en dichtbij zien heeft zij drie andere oogen, +ieder met één enkele lens, die in haar voorhoofd liggen, juist boven +de antennae(sprieten). Het volksgeloof, dat de honingbij haar drukke +en ingewikkelde werkzaamheden in absolute duisternis zou verrichten, +is een dwaalbegrip. Waarschijnlijk is er altijd wel éénig licht, zelfs +in de uiterste hoeken van den korf, genoeg ten minste altijd voor +de oogen van de bij, al is het niet voldoende voor onze menschelijke +gezichtsorganen. + +Maar de bij hangt ook niet van het gezicht alléén af bij het vervullen +van hare verschillende opgaven. Het is wel zeker, dat bij haar +ook de vier andere zintuigen een buitengewone ontwikkeling bereikt +hebben. Tong en lippen zijn voorzien van uiterst fijn bewerkte organen, +die wel niet anders dan smaakorganen kunnen zijn, en zelfs wie de meest +oppervlakkige kennis van het bijenleven heeft moet het duidelijk zijn, +dat de bij zeker de zintuigen voor reuk en gehoor bezit en zelfs zeer +fijn. Waar de zetel dier organen ligt is nog niet uitgemaakt, en ook de +verrichtingen der antennae kan men nog niet anders dan gissen. Maar wat +deze laatste betreft is het toch zeker, dat zij een krachtig aandeel +hebben in alles wat de bij verricht of onderneemt. Het is duidelijk, +dat de antennae zeer fijne gevoelsorganen zijn; maar het is even +duidelijk, dat zij nog veel meer beteekenen. Men heeft bevonden, +dat zij niet minder dan zes verschillende werktuigjes dragen, die +toch ieder hun bijzonder doel moeten hebben. + +De gangen der honingbij zijn al duizenden jaren nagegaan, en over +de bij zijn meer boeken geschreven dan over alle andere schepselen +samen. En toch kunnen wij veilig aannemen, dat onze kennis van hare +vermogens en organisatie nog in de kindsheid is. De microskopisten +hebben die voelsprieten ontleed en al hun verschillende deeltjes +afzonderlijk bestudeerd; maar wat hun eigenlijke funkties zijn +heeft men nog niet kunnen uitmaken of ten minste maar in heel geringe +mate. Er zijn zekere haartjes over hun geheele oppervlakte gelijdelijk +verspreid, die waarschijnlijk bij het voelen dienst doen. Maar er zijn +nog andere haartjes of fijne kegeltjes, die hol zijn en een uiterst +fijne zenuwdraad omsluiten; ook haartjes, die los staan in een holte; +gekromde en geringde haartjes, en van verschillende lengte. Dan zijn +er ook geheimzinnige putjes en verdiepinkjes, sommige open, andere +bedekt met ongelooflijk dunne vliezen, die dan weer zenuwuiteinden +bevatten, alléén met het sterkste objektief zichtbaar. En dat alles +houdt verband met een zóó ingewikkeld zenuwstelsel, dat het den +geduldigste en handigste onderzoeker van de wijs brengt. Is dan +eindelijk alles onderzocht en beschreven, dan weet men per slot nog +niets meer dan vóór het onderzoek. + +De antennae zijn zeker gevoelsorganen, en bovendien is het niet +onwaarschijnlijk, dat door hen de bij ook hoort en ruikt. Dit zijn +echter nog maar twee mogelijkheden uit vele. Want zeer zeker moeten +wij aannemen, dat de honingbij meer zintuigen heeft, dan de vijf +waarvan wij weten; en--het is maar raden--eenige van die geheimzinnige +organen op de antennae, zouden gedachte-overbrengers kunnen zijn +of ontvangers van draadlooze berichten. Want het verwonderlijk +éénstemmig handelen der bijen kan een bewijs zijn van draadloos +telegrafeeren--een overbrenging van gedachten door middel van de +lucht--zooals tegenwoordig de menschen dit nu eindelijk ook kunnen. En +misschien is dat, wat bij de menschen altijd hoog gehouden werd als +een kenteeken van hun verheven standpunt boven het dier, het vermogen +tot spreken, juist geheel verouderd en onbeschaafd, vergeleken met +de geestestaal van de honingbij. + +Men zou zich nog een andere verrichting van de sprieten kunnen +denken--een zich onmiddellijk en onfeilbaar vergewissen van kleine +afstanden. Zij zouden heel gevoelige maatinstrumentjes kunnen zijn, +niet mechanisch gebruikt als een meter of duimstok, maar door een +inherente eigenschap, zooals bijv. ons gehoor de intensiteit van +een toon zal schatten. Als dit zoo was zou er veel verklaard kunnen +worden o. a. hoe de honingraten worden gebouwd, hoe de afmetingen +van de cellen alle precies gelijk kunnen zijn, in vorm en grootte; +hoewel er toch honderden metselbijen aan meewerken, en niet alleen +gelijktijdig maar ook elkaar opvolgend, gaand en komend in 't duister +en 't bezig gewriemel in den korf; en ieder begint van zelve en +zonder aarzelen precies dáár waar haar voorgangster het heeft laten +liggen. Terwijl dan de centrale divisie van de raat aangroeide, +zich naar beneden uitstrekkend in alle richtingen en tegelijk de +cellen horizontaal werden uitgebouwd, zou iedere bij door haar zin +voor afmetingen kunnen weten, wanneer de grens van ieder kantje van +de zeshoekige celbasis bereikt was, en hoe groot de hoek moest zijn +waarmede zij af moest wijken naar de volgende bodemlijn. + +Iedereen, die een bij in haar vlucht volgt moet wel bijzonder getroffen +worden door haar snelheid niet alleen, maar ook vooral door het +zeldzame gemak en de losheid waarmede zij zich voortbeweegt. Behalve +dat zij zich als een buitengewoon bedreven luchtschipper doet kennen +is het ook duidelijk, dat zij zich met heel weinig inspanning in +de lucht ophoudt en voortbeweegt. Haar vliegapparaat moet dus wel +heel praktisch en volmaakt zijn; en toch, op het eerste gezicht, +is het ons niet duidelijk hoe zij het er zoo goed afbrengt. Wie het +vliegvraagstuk bestudeert en daarbij als punt van uitgang het vliegen +van vogels neemt, op welk hoofdbegrip hij dan zijn systeem grondt en +opbouwt, is gewoon vast te houden aan twee onmisbare hoofdfactoren +in het vliegproces; 1e) een paar vleugels of een combinatie van +aeroplanen en propellers die hem in staat stellen het toestel op +te houden in de lucht en tegelijk het voort te bewegen, en 2e) een +soort van stuurapparaat als de staart van een vogel. Maar voor zoover +wij uit een eerste algemeen onderzoek begrijpen, schijnt er bij de +bij geen stuur Mechanisme te bestaan en hangt zij dus bij al hare +bewegingen in de lucht van haar vleugels af. Nu hebben de vleugels van +een vogel afwisselende bewegingen. Zij kunnen tegelijk of afzonderlijk +gebruikt worden en hebben hetzelfde vermogen tot excentrische stelling, +zoowel in zichzelf als in betrekking tot elkaar, als de armen van een +mensch. Maar de vleugels van een bij hebben die eigenschappen niet. Zij +kunnen alleen die ééne beweging op en neer maken; ook werken zij +symmetrisch; het correspondeerende paar beweegt zich tegelijk. Toch +weet de bij zich in ontelbare van elkaar verschillende zwenkingen +volmaakt goed te sturen, en bereikt hetzelfde wat de vogel met zijn +veel meer samengestelde inrichting tot stand brengt. Dit probleem nu +hangt samen met een ander, en die twee, zoo moeilijk ieder op zichzelf +te verklaren zijn, saamgevat, heel gemakkelijk op te lossen. Insekten +(ingesneden) worden zoo genoemd, omdat hun lichaam uit twee deelen +bestaat, geheel los van elkander op een uiterst dun verbindingslid +na. Wij zijn zoo gewoon dit als iets heel natuurlijks aan te nemen, +dat maar heel weinigen er bij blijven staan, om over de beteekenis na +te denken. Oogenschijnlijk is dit een zeer bezwaarlijke inrichting +voor ieder levend schepsel. Maar bij de honingbij wordt het tot wat +wij een ideaal ongemak zouden kunnen noemen; want haar honingblaasje, +en al de samengestelde organen voor het bijenbrood en de voedermelk +liggen in haar achterlijf, en er is geen weg daarheen dan door dit +uiterst fijne lid. Dat moet een praktische oorzaak hebben, die alle +bedenkingen te niet doet, of het zou zoo niet zijn; en wanneer wij +deze zaak nu bestudeeren in verband met het bijzonder vliegsysteem +van de bij, dan komen wij spoedig tot de juiste oplossing. + +Het is gezegd, dat de vleugels van de bij een volkomen symmetrische +beweging hebben, en deze maar in één enkele vaste richting: n.l. op +en neer in een rechten hoek met de lijn van het borststuk. Onder +den mikroskoop gezien is ieder van de vleugels een doorschijnend, +ondoordringbaar vlies, doorsneden met fijne adertjes. Nu loopt door de +geheele lengte van de voorvleugels aan de bovenzijde een veel dikker +en steviger ader en hierop, op dezen hoofdader, concentreert zich +bijna de geheele kracht van de vliegspieren. Als ge nu verder kijkt, +zult ge bemerken, dat de ondervleugels ieder een rij fijne haakjes +langs den bovenkant hebben, terwijl de benedenkant van de voorvleugels +teruggevouwen is. Bij het vliegen grijpen de haakjes van den eenen +vleugel in het omgevouwen gedeelte van den anderen, en zoo worden de +twee vleugels aan iederen kant van het lichaam automatisch verbonden +en vormen daardoor één enkel oppervlak, dat weerstand biedt aan de +lucht. Deze gecombineerde vleugel is over 't geheel zeer buigzaam, +behalve aan den bovenkant waar de hoofdader hem stijft. En daar nu +bij het vliegen de kracht zich alleen op dien gespannen bovenkant +richt, die weerstand biedt aan de lucht, terwijl de rest van de +vleugel buigzaam blijft, volgt daaruit, dat de geheele vleugel een +bewegelijk, gebogen vlak wordt, waarvan de kromming, voorwaarts bij +den neergaanden slag, ook voorwaarts blijft bij den opgaande, omdat +de vlakkromming zich automatisch omwendt. + +Hieruit zal men begrijpen, hoe de buigzame vleugels van de bij gebruikt +worden bij een vlucht rechtuit; maar nu is het nog niet duidelijk hoe +zij zichzelve stuurt, bij het rijzen of dalen of zwenken, al naar het +haar invalt; de vleugels toch zijn niet ingericht op onafhankelijke +of onregelmatige beweging. En hier nu komt aan het licht waartoe haar +lichaam dien bijzonderen bouw heeft. Het fijne verbindingslid tusschen +het achterlijf en het borststuk is feitelijk een hoofdverbinding en +wordt door een reeks van krachtige kruisspieren in beweging gebracht; +de bij stuurt nu zichzelf in de lucht, door haar achterlijf als +tegenwicht te gebruiken. Haar zwaar abdomen vóór en achteruit zwaaiend, +of naar rechts of links, verlegt zij haar zwaartepunt en de krachtlijn +van haar aeroplanen terzelfder tijd. Feitelijk houdt haar lichaam, +dat het zwaarste deel is, zijn verticale stelling, en het lichtere, +de vleugels dragende, borststuk wordt afgebogen. Maar de uitwerking is +dezelfde; zij kan haar vlucht wijzigen in vele richtingen en op alle +manieren, en het schijnt wel, dat deze vlucht op een veel eenvoudiger +principe berust dan die der vogels. + +Een zeer moeilijk vraagstuk in het leven der bijen is ook hoe het +mogelijk is, dat zij de temperatuur in den korf willekeurig kunnen +wijzigen. Het stelsel van mechanische luchtverversching verklaart +natuurlijk hoe het inwendige van den korf in de drukkendste zomerhitte +koel kan blijven, maar het verklaart niet, hoe de temperatuur +er van tijd tot tijd zoo plotseling verhoogd wordt. Dit gebeurt +voornamelijk met de wasbereiding. Onder de platen van haar bronzen +harnas heeft de werkbij zes ondiepe, maar breede holten, waaronder +de waskliertjes liggen. Om die kliertjes tot werken te prikkelen +schijnt er volmaakte rust en een zeer hooge temperatuur noodig te +zijn, en gedurende het proces verbruiken de wasmaaksters een groote +hoeveelheid zoetigheid. Men neemt gewoonlijk aan, dat de bijen zich zoo +sterk mogelijk voeden met de rijpe honing uit den voorraad, vóórdat +zij zich in hun guirlanden bijeenvoegen tot een tros; maar het is +waarschijnlijker, dat het voedsel, dat gedurende de wasbereiding +verbruikt wordt in hoofdzaak nektar is, zooals ze onmiddellijk +uit de bloemen wordt ingezameld. Deze uitspraak wordt bevestigd +door enkele proeven, die genomen zijn om de hoeveelheid voedsel te +bepalen, gebruikt gedurende de produktie van een bepaald gewicht aan +was. Toen de bijen bij honing alléén werden toegelaten, gebruikten zij +er vijf of zes pond van gedurende den tijd, dat er één pond was werd +afgescheiden. Maar kregen zij in dien tijd zuivere rietsuikerstroop +dan werd er veel meer was gemaakt. De chemische samenstelling nu +van verschen nektar en rietsuiker is ongeveer gelijk; maar gerijpte +honing bevat feitelijk zoo goed als geen rietsuiker. En het is zeker +te betwijfelen of de nijvere bij haar, met zooveel zwoegen verkregen, +honingvoorraad zou opgebruiken, als zij haar doel zooveel goedkooper +kon bereiken. Ook moet men wel in het oog houden, dat de natuurlijke +tijd voor den ratenbouw samenvalt met den rijkelijksten nektaroogst. + +Deze plotselinge temperatuurwijzigingen schijnen zeer gemakkelijk te +weeg gebracht te worden door een algemeene versnelling der ademhaling; +en er is niets, dat zoo zeer de verwondering van den bijenstudent +gaande maakt, als het ademhalingsapparaat van de bij, zooals het zich +onder den mikroskoop vertoont. Door middel van hare vele tracheeën is +zij feitelijk in staat haar geheele fysisch systeem onmiddellijk van +lucht te voorzien. Voor zoover de mannen der wetenschap hebben kunnen +vaststellen, is er geen vezel of zenuw in haar geheele lichaam, die +niet bereikt wordt door die fijne vertakkingen van de luchtkanalen, +welke in direkte verbinding staan met de hoofdluchtvaten in het +onderlijf. Het ademhalen schijnt voor de bij een willekeurige beweging +te zijn. Zij doet het alléén maar wanneer het noodig is, en wacht +dan soms weer drie, vier minuten lang. Maar is het in den tijd van +de wasafscheiding of het zwermen, dan is door den geheelen bijenklomp +heen de sneltrillende beweging van het ademhalen duidelijk zichtbaar, +en de temperatuur van den korf klimt dan soms tot een dozijn graden +boven het normale cijfer. + +Het ademhalingssysteem der honingbij is ook nauw verbonden met de +geluidorganen. Ieder, wien men zou vragen het geluid, dat de bij +maakt, te beschrijven, zou waarschijnlijk zeggen, dat zij gonst +of bromt, of zoemt, en daarmee uit. Maar voor den bijenvader is +dat jammerlijke vaagheid. Het geluid, dat de bij maakt, is niet één +stem; maar een geheel koor; en zij beschikt over een omvang van wel 1 +1/2 oktaaf. Ieder van haar veertien tracheeën en ook ieder van haar +vleugels kan een toon voortbrengen, en deze tonen kunnen eindeloos +wisselen in hoedanigheid, intensiteit en hoogte. Men overdrijft niet +als men zegt, dat de bij een even goed musicus is als welke vogel ook; +maar in den korf gaat de stem van het individu op in de symphonie van +het geheel, en men krijgt moeilijk een indruk van haar bekwaamheden +als soliste. + +Het geluid-toestel in de tracheeën is wel het meest ingewikkelde +van de geheele anatomie der honingbij. Het is zeer samengesteld, en +ingericht op een groote verscheidenheid van tonen. Ook de vleugels +kunnen toonreeksen voortbrengen naar boven en naar beneden, in verband +met de snelheid hunner trillingen; en zij maken ook dat eigenaardig +sissend geluid, dat men "gonzen" noemt. Wànneer men ook naar de muziek +in den korf luistert, voelt men zich steeds gedrongen te gelooven, +dat de bijen niet alleen een individueel verkeer onderhouden met die +groote verscheidenheid van toon en geluid; maar dat bovendien die +algemeene zang, die uit allen tegelijk schijnt te komen, bepaald den +oogenblikkelijken stand van zaken in den korf moet uitdrukken. Een +voorspoedig volk geeft aan zijn bevredigend bezig-zijn een uiting, +die niet te miskennen is. Het is een diepe, sonore, blijde toon, +als het gelijkmatig loopen van een goedgesmeerde machine, waarvan +ieder wiel zijn snorrende melodie tot de harmonie van het geheel +bijdraagt. Zwakke of hongerige kolonies geven een weifelend afgebroken +geluid, een klaagstem vol zorg over de toekomst. Heeft een korf zijn +koningin verloren, dan moet het den geoefenden ijmker, als hij aan het +vlieggat luistert, niet moeilijk vallen den ramp te raden. Bij een +volk zonder koningin heerscht rumoer en gewar van oneenige stemmen +en van raadgevingen door elkaar; het gewone volle geluid van het +bevredigend werken zwijgt, en er gaat een alarmkreet door den korf als +bij een paniek. Wanneer men stilletjes een korf opent en met geringe +stoornis de koningin wegneemt, dan kan het soms een poosje duren, +voordat de bijen hun verlies gewaar worden. Maar eenige volken, +waarmede die proef genomen werd, gaven zich onmiddellijk rekenschap +van hun gemis en plotseling brak het moordgeschreeuw los. Een van +de opmerkelijkste dingen in het bijenleven is het onderscheid in +intelligentie en wakkerheid bij de verschillende volken. Een bedaard +en saai volk ontdekt het verlies van zijn koningin soms eerst na +vrij langen tijd. De gewone werktoon gaat onveranderd voort, tot zij +eindelijk besef krijgen van het gebeurde. En dan volgt het eigenaardige +schrille geluid, dat al het andere overstemt, tot de kolonie weer +tot rede komt en overgaat tot het kweeken van een nieuwe koningin. + +De stem van den dar is dieper en schorder dan die van de werkbij, +tengevolge van zijn grover lichaamsbouw en zijn luider gonzen wordt +verklaard door het grootere oppervlak van zijn vleugels. + +De koningin heeft, terwijl zij vliegt, ook een diepere en meer +schorre stem; maar daarbij heeft zij nog een eigen geluid, aan alle +bijenkenners de geheele wereld over zeer vertrouwd. Men hoort het +gewoonlijk juist even vóór het uittrekken van den zwerm. Er zijn oude +ijmkers, die zeggen, dat zij den datum waarop het zwermen zal beginnen +vooruit kunnen bepalen, door te letten op de bijzondere kreten van +de koningin. Men hoort ze veel in stille nachten kort vóór het begin +van den zwermtijd; als men met het oor aan het vlieggat luistert, +kan men ze boven alles uit herkennen. Het is een schril gepiep, altijd +weer herhaald, en dikwijls beantwoord door andere zwakkere tonen. Hoe +het wordt voortgebracht is nog niet vastgesteld; maar waarschijnlijk +gebeurt het, doordat vleugels of pooten sterk tegen elkaar gewreven +worden, ongeveer zooals bij de sprinkhanen en krekels. Het schrille, +sterke geluid komt van de oude koningin, en wat zij er mee meent +is duidelijk. IJverzucht en strijdlust zijn over haar gekomen, en +gaan uit naar de jonge prinsessen, die nog in de cellen gevangen +zitten. Het klinkt als een uiting van verstikte woede terwijl zij +door celwachten tegengehouden wordt; en het zwakker antwoord komt van +de gevangen tegenpartij, die even hard naar den strijd verlangt als +zij. Die oude ijmkers zijn nooit ver mis met hun berekening. Als het +zoover gekomen is, is de krisis op handen en met den komenden dag zal +zeker de emigranten-stroom uitvliegen om een nieuw tehuis te zoeken, +de oude koningin onweerstaanbaar met zich medevoerend. + +Wij hebben gezegd, dat de broedbijen, wier taak de geheele verzorging +van het jonge broed is, de larven uit hun mond voeden met een dikke, +witte vloeistof, zeer toepasselijk bijenmelk genoemd. Gedurende al den +tijd, dat de voedsters met dit werk bezig zijn, eten zij zelve flink +honing en stuifmeel; zoodat het lijkt of de bij de macht heeft hare +spijsvertering onmiddellijk te doen werken; zoo te verstaan, dat zij +het eene oogenblik zichzelve voedt en onmiddellijk daarop het voedsel +verteerd weer kan uitbraken om er de larven mee te verzorgen. Er is nog +een andere bijzonderheid aan de bijenmelk. Bij nauwkeurig onderzoek +is gebleken, dat zij zeer verschillend is van samenstelling. De dar, +de werkster en de koningin worden alle in hun larvetoestand er mee +gevoed; maar de zelfstandigheid is niet dezelfde; en niet alleen +verschilt die bij ieder soort van larve; maar ook wordt zij gewijzigd +voor den leeftijd. De bij moet dus haar spijsverteringsorganen geheel +en willekeurig kunnen beheerschen. En hoe zij deze netelige zaak tot +stand brengt, kan alleen een goede mikroskoop ons leeren. + +Misschien is er in de geheele anatomie van de bij niets +verwonderlijkers dan haar spijsverteringstoestel, met zijn +bijbehoorende verzameling van klieren, die alle hun bijzondere en +belangrijke bestemming hebben. Als zij den nektar uit de bloemen +tot zich neemt, gaat die onmiddellijk in de eerste van haar twee +magen, die niet anders is dan een reservoir. Hierin kan de bij hem +naar willekeur bewaren; zij kan hem weer opgeven en in de raatcellen +ontlasten voor de honingbereiding, of zij kan hem door een klapvliesje +in den bodem van het reservoir naar de lager gelegen maag laten gaan, +waar de spijsvertering plaats heeft en honing en stuifmeel in melksap +omgezet worden. Maar door een der vernuftigste inrichtingen van de +natuur kan die tweede maag ook haar inhoud aan den mond teruggeven +en het melksap wordt daar tot bijenmelk voor het voeden der larven. + +De werkbij heeft in het geheel vier verschillende klieren, die +ieder een vloeistof afscheiden, verschillend in samenstelling van de +andere. Deze klieren liggen alle in den mond. Twee ervan hebben een +gemeenschappelijke opening aan den bovenkant van den tongwortel; +en terwijl de bij den nektar tot zich neemt, mengen zich hun +afscheidingen automatisch met het bloemensap. Dit is de eerste stap +van nektar naar honing. Het derde kliertje ligt boven in den mond en +de afscheiding hieruit is het, die op het teruggegeven melksap werkt +en het verandert in bijenmelk. Het vierde kliertje, eindelijk, is +dubbel; en deze dubbele klier heeft zijn opening onder aan de kaken, +zoodat het kauwen noodig is om de afscheiding op te wekken. + +Het klapvliesje tusschen de boven- of honingmaag en de beneden- +of melksapmaag, is rekbaar, en de bij kan naar willekeur dit +teleskoop-achtige voorwerpje binnen door de honingmaag heen uitstrekken +tot aan de keelopening, zoodat de inhoud van de lager gelegen maag +zich in den mond kan uitstorten zonder in aanraking te komen met +de zoetigheid, die in het reservoir bewaard wordt; en dit vooraf +verteerd voedsel is ten allen tijde verkrijgbaar voor de larven, +en tot voeding voor de darren en de koningin. + +Wij hebben gehoord, dat het voedsterwerk uitsluitend door de +jonge bijen wordt verricht gedurende hunne twee eerste levensweken +ongeveer. Daarna gaan ze voor het eerst op fourageeren uit, beginnen +met het stuifmeel en laten dat weer in den steek, als zij hun vollen +wasdom bereikt hebben, voor het nektar-gaâren. De volwassen werksters +nemen geen deel aan de larven-verzorging, behalve in heel zeldzame +gevallen. In verband hiermee is het opmerkelijk, dat het kliertje +boven in den mond die het melksap in bijenmelk helpt omzetten, alléén +in zijn volkomen ontwikkeling is gedurende de eerste levensweken +van de werkbij. Heel spoedig daarop vermindert zijn werkzaamheid, +en bij de oude werksters sterft het bijna geheel af. + +Het klierensysteem voor de spijsvertering van de honingbij is door de +wetenschappelijke naturalisten vrij nauwkeurig onderzocht; maar er is +toch nog veel onverklaarbaars in, vooral wat de kliertjes betreft, +die aan de kaken verbonden zijn. Het vocht, dat door die kliertjes +wordt afgescheiden--blijkbaar een zeer sterk zuur--wordt in hoofdzaak +gebruikt om de ruwe was, die hard en stroef is, tot het zachte, +taaie materiaal te vormen waarvan de raten gemaakt zijn. Tot een +zekere hoogte dient het ook bij de bereiding van het broedvoeder in +vereeniging met de afscheiding uit het kliertje boven in den mond. Het +wordt ook met het stuifmeel vermengd, wanneer dit gekauwd wordt, +en doet zeker nog in veel meer gevallen dienst; maar niemand heeft +nog kunnen ontdekken, waarom die twee kliertjes zoo geweldig sterk +ontwikkeld zijn bij de koningin, die toch noch aan de verzorging van +het broed noch aan den ratenbouw deelneemt. Voor den gewonen lezer +is dit alles van betrekkelijk weinig belang; maar voor den bijenman +met een mikroskoop behoort het tot de gewichtige onderwerpen van +discussie. Als het verschil tusschen koningin en werkster--en het +is evenzeer een verschil in bouw als in ontwikkeling--inderdaad +wordt veroorzaakt door verschil in de hoeveelheid en de hoedanigheid +van het voeder aan de larven verstrekt, dan kan het belang van de +werking dezer kliertjes niet overschat worden en men kan ze niet +nauwkeurig genoeg bestudeeren; want dan zijn zij niet anders dan +de levensbron zelve. Maar staat het wel vast, dat de invloed door +de voedsters op de jonge larven uitgeoefend, beperkt blijft tot +het voedsel alleen? De werkbij heeft, behalve de reeds gemelde, +op verschillende plaatsen in haar lichaam nog verscheidene andere +eigenaardige organen en klierstelsels, waarvan de beteekenis en +het gebruik nog niet is opgehelderd. Hoe meer wij haar merkwaardige +uitrusting bestudeeren, hoe minder het ons gerechtvaardigd schijnt +dogmatisch hare verrichtingen te begrenzen, of ze te bepalen tot +eenig speciaal orgaan in die geheele samengestelde inrichting. Het +oude beweren, dat er niets onveranderlijk vaststaat in het bestaan der +honingbij slaat zoowel op haar lichaamsbouw als op hare levenswijze; +en het is niet onwaarschijnlijk, dat wat wij morgen zullen weten, +veel van het zorgvuldig verzameld weten van heden te niet zal doen. + +De anatomie van de honingbij, die wij zien als de afschaduwing +van een groot plan, brengt ons met haar verrassende organen, haar +avontuurlijke kleur in een sfeer van romantiek; en die kleur behoudt +zij wanneer wij ten slotte de bij nog gaan zien als een gewapende, die +een zóódanig moordwerktuig verbergt, als in den menschelijken geest +niet is opgekomen er een uit te denken. Het lange, kromme zwaard van +de koningin, dat zij zoo zorgvuldig bewaart, en dat niets ter wereld +haar ooit bewegen zou te gebruiken tegen een anderen vijand dan een +van koninklijken rang, is verder eigenlijk niet veel anders dan een +huiselijk meubel. Maar de angel van de moedige werkbij is, onder den +mikroskoop gezien, een vreeselijk vernielingswerktuig. De populaire +wetenschap beschrijft hem gewoonlijk als een van weerhaken voorziene +giftige dolk in een scheede, en daarbij wordt dan de afgezaagde +vergelijking gebruikt, dat, bij dien dolk vergeleken, de allerfijnste +naainaald een grove ijzeren bout lijkt. Maar die scheede is fantasie, +wat men met een beetje moeite spoedig ontdekt. + +De angel van de bij bestaat uit drie afzonderlijke lancetten, elk +uitgetand als zaagjes, en die onafhankelijk van elkaar uitgestooten +kunnen worden. Het middelste en breedste van de drie is aan de éene +zijde uitgehold met aan weerszijden een opstaande kant, die over +de geheele lengte doorloopt en aan de zijde van de beide anderen +bevindt zich in de lengte een groef, waarin de opstaande kanten van +het derde sluiten. Zoo gelijkt dus die angel op een drievoudig zwaard, +dat één geheel is maar waarvan de drie deelen in elkaar glijden. De +zaagdolkjes dringen achtereenvolgens in de wond, steeds dieper als +met voorbedachten rade, nadat de eerste stoot gegeven is. En dit is +dus een verfijnd oorlogshulpmiddel, waarbij de springende granaten +maar een plompe brutaliteit lijken. Toch is dit nog niet alles. Om den +doodsteek nog dubbel zeker te maken moet deze karaktersterke amazone +het gevest van haar drievoudig zwaard vullen met een subtiel vergif +en haar glijdend mekaniek zóó besturen, dat dezelfde beweging, die +de punten achtereenvolgens naar voren drijft, ook het geheele wapen +drenkt in het venijnige vocht. + +De neiging, pijnlijk wetenschappelijk te worden, en deze dingen met +de zuivere belangstelling van den onderzoeker, buiten alle fantasie +om te handelen, ontvangt hier voor goed haar doodsteek. Want wie +zich eenmaal rekenschap heeft gegeven van de doodende kracht van +den angel der honingbij, kan dat niet meer logisch aannemen als een +opmerkelijke voorziening der natuur, en er God gemoedelijk voor +prijzen. Hij moet er een beteekenis in voelen, die oneindig veel +verder strekt. Dit vernuftig samengestelde wapen van de verminkte +en in haar geslachtsontwikkeling gestuite werkbij, dankt zijn +bestaan evenzeer aan weloverwogen kunst als aan de natuur; of zij, +die het werken van de Almacht in de korven gadeslaan, moeten wel +verwonderlijk verdoold zijn in hun begrippen. Aan de koningin-moeder, +van wie wij kunnen zeggen dat haar fysiek organisme vergelijkenderwijs +bijna niet afwijkt van het oorspronkelijke type, zien wij bij het +lichaamsdeel, dat met den angel der werkbij overeenkomt, een absoluut +verschillende inrichting. De legboor van de koningin is langer; zij +is gekromd; de weerhaken zijn klein en onbeduidend; de vloeistof in de +afscheidingsklier is in 't geheel geen vergif; maar een dikke, troebele +zelfstandigheid, vermoedelijk bestemd om de eieren vast te kleven op +den celbodem. Hij is ook voorzien van een paar stompe werktuigjes, +met gevoelige haren bezet, die met den legboor samen dienen om +het eitje veilig op zijn plaats te brengen. De werkbij heeft die +voelers ook aan weerszijden van haar angel; maar verkeerde ze tot een +wreeder bestemming: het opzoeken van de verwondbare plekken bij haar +vijanden. En wat een geduchte verandering heeft haar wil, of die van +hare voedster-moeders, bewerkt in haar geheele wezen! Zij ruilde het +voorrecht van het moederschap en meerdere levensjaren tegen een bestaan +van maar enkele maanden en een deel in het beheer der gemeenschap. En +zij moet bereid zijn het welzijn van den staat te bevorderen door de +werken van den oorlog zoowel als die van den vrede. Daarom is het, +dat zij positief heeft medegeholpen de ploegschaar te verkeeren in +een kanon. Een kleine verandering in haar voeder in haar prille jeugd, +een onzichtbaar druppeltje uit een klier, die men niet anders dan met +de sterkste vergrooting van het sterkste glas kan waarnemen--en met +de andere veelvoudige veranderingen in haar bouw en karakter komt +ook dit wonder onmerkbaar tot stand. De buis, die de eieren afzet, +wordt kort en recht; de onbeduidende insnijdingen worden geduchte +zaagtanden, bestemd zoowel om vast te grijpen als te dooden. De +onschadelijke kleefstof, die de eieren vastlegt, wordt verscherpt +tot een venijnig gif. En dan is het moordtuig gereed tot den dienst +tegen alle honingvrienden, de erfvijanden van de korven. [6] + + + + + + +HOOFDSTUK XI + +HET MYSTERIE VAN DEN ZWERM. + + +De bekende "Meizwerm", het ideaal van den ouden ijmker, is hard +op weg zijn roem te overleven. Met de moderne korven en de moderne +methoden, al brachten zij nog niet het einddoel: het afschaffen van +alle natuurlijk zwermen, is toch dit bereikt, dat het den ijmker nu +mogelijk is die geweldige levensopbruisching in de korven van jaar +op jaar tot een veel later datum te verschuiven. Want verre van dat, +zooals vroeger, een tijdige zwerm een voordeel geacht zou worden, +is het den wetenschappelijken bijenteler nu gebleken, dat het zeer +zeker een nadeel is en zelfs een schande voor zijn kunnen. Maar de +bijen, hoe gemakkelijk zij ook te ontmoedigen zijn, zijn moeilijke +scholieren. Trots ruime korven en een zorgzamen ijmker, die steeds +bereid is een opvolgende reeks van jonge, vruchtbare koninginnen te +verschaffen, en ten allen tijde hun huis geheel nieuw te meubeleeren, +gaan de bijen toch voort met dit dolle spel van schierlookeren in +het groot. En nog altijd staat daar dan de bijenvader, een beeld +der wanhoop, midden tusschen zijn kostelijke inrichtingen; terwijl +zijn eigendom om zijn ooren gonst of hoog opwiekt in de lucht, even +onherroepelijk verloren, als het water dat een jaar geleden het +molenrad deed draaien. + +De ijmker noemt het zwermkoorts; en een koorts is het zeker. De +oorzaken zijn lang geleden nauwkeurig omschreven in preciese en +algemeen aangenomen zinnen. Overbevolking; het verlangen der bijen een +oude kwijnende koningin kwijt te raken; de opwinding van de koningin +zelve als mededingsters dreigen; het natuurlijk instinkt der kolonies +zich te vergrooten en te vermeerderen, alles en nog wat--behalve de +eenig duidelijke en afdoende reden dat de bijen zwermen onder een +plotselingen, hevigen aandrang, omdat zij "het niet laten" kunnen. + +De geschiedenis van den Sioux-Indiaan, die als kind al gewonnen +was voor de beschaving; die, òverontwikkeld, òververfijnd, met een +hoogen graad aan de universiteit, het sieraad werd van een beroemden +leerstoel, en die ineens de brui er van gaf, zijn kleêren afgooide, +zich beschilderde en met zijn stam wegstormde het oorlogspad op--die +geschiedenis doet ons een parallel aan de hand voor het gedrag der +bijen in den zwermtijd. Het instinkt kan geen deel hebben aan zulk +een inkonsekwentie, zulk een dollen levensovermoed en teugellooze +uitbundigheid. Maar juist aan de rede is het eigen, bij tijd en +wijle zoo schitterend onredelijk te zijn; en hier toont zich de +honingbij het echte kind van haar afkomst. Zij, de koude, strenge, +die het lot dwingt uit eigen keuze en aandrang, die zich verhard +heeft om te kunnen dringen naar de frontlinie van het leven, in een +onwrikbaar heenspringen over de hindernissen, over hart en haard--zij +wordt plotseling weer tot de oorspronkelijke bijenvrouw, gedachteloos, +zorgeloos en tuk op joligheid, die in één dol moment het goed vergooit, +in zooveel nijvere dagen bijeengegaard. + +Want men kan onmogelijk het zwermen beschouwen als een schakel te meer +in de ketting van nuchter berekenende bijenwijsheid. Het is duidelijk +een terugval, een loslaten van de alwijze gemeenschapskunde. Gedurende +één enkel uur in haar slovend, vreugdeloos, volmaakt leven, gooit zij +al haar deugden over boord en stormt weg--als de Sioux-Indiaan--om te +zwelgen in den stroom van verboden geneuchten, zonder met de kosten +te rekenen. Juist als de gemeenschappelijke onthouding hare eerste +vruchten opbrengt aan voorspoed, en de korf overvol is van burgers +en bezittingen, dan komt die koorts over hen en breidt zich uit als +een prairiebrand. En toch is het op dit tijdstip, dat de wetten der +voorzichtigheid ieder kind van de moedergemeenschap zouden gebieden +pal te staan aan haar zijde, om haar te houden op de hooge plaats, +die zij verkreeg door onverpoosden, harden en strengen arbeid, +en met opoffering van tallooze levens. Maar de herinnering aan den +voortijd is ontwaakt en die roep is niet te weerstaan. In het begin +der tijden maakte de Natuur de honingbij tot bewoonster der tropen, +waar geen noodzaak bestond voor gesloten huizen om de koude te weren, +en geen reden om een voorraad op te leggen voor de magere dagen; want +het land was overvloeiend van honing. Het bijenleven in die verre +eeuwen is niet anders dan dansen in den zonneschijn, en de eenige +arbeid voor de bijenvrouw was naar de naaste rijkelijk voorziene +bloemkroon te vliegen, als haar broed voedsel behoefde. Maar eene +afkoelende aarde, de toenemende noordwaartsche koers van het ras, +en ten slotte de dwaasheid van haar eigen wijsheid--het intellekt, +dat zich tegen zich zelf keerde--, alles werkte samen om haar oud, +weelderig paradijs en haar zorgeloos leven voor haar verloren te doen +gaan. De dar echter, omgekeerd redeneerende met de wijsheid van zijn +eigen dwaasheid, maakte eene andere schikking met de Natuur. Hij hield +vast--en tot elken prijs--aan zijn leven van weelde en gemakkelijke +genoegens, en liet zijn maat ongestoord haar eigen gang gaan, zijn +oogen sluitend voor eene nieuwe noodzakelijkheid. Het werken en de +verantwoordelijkheid verzuurden en verharden hààr en scherpten meer +en meer haar vernuft; en hij, met zijne afhankelijkheid van het +vrouwendom, werd gaandeweg veranderd in een schepsel, overgegeven +aan luiheid en het leven der zinnen. En toen hij er eindelijk toe +kwam zich rekenschap te geven van de gevolgen, was het te laat. Het +matriarchale gemeenebest was gegrondvest, omheind door een wal van +giftdolken. Zijn hartewensch was geweest een dar te zijn, en nu was +het darrendom--de loutere teeltkracht--hem voor goed toegewezen. Zoo +zou het misschien ook voor de menschen een gerechte straf zijn, als zij +in een volgend leven datgene voor eeuwig toegezegd verkregen, waarvoor +zij vruchteloos hun geheele leven lang hun gebed hadden opgezonden; +zóó weinig is mensch en dar in staat de dingen te onderscheiden, +die duurzaam zijn in leven en dood. + +Maar dìt lot moet wel het ondragelijkst zijn: de eigen eeuwigheid met +wijsheid te hebben gewild en schoon te hebben gevormd en dan, daar +wij slechts menschelijk, of tenminste redelijk, zijn, te bevinden, +dat haar goedheid werkelijk geleidelijk gaat, vast van kleur, overal +ondoordringbaar, zonder dat er ergens een enkele blijde verbreking +of scheur is, om de eentonigheid af te wisselen. Het is niet te +verwonderen, dat de honingbij "zwermt" en holderdebolder breekt uit +haar gevangenisleven van regelmaat, fatsoenlijken arbeid en kille +maagdelijke deugdzaamheid, en in dolheid uitgaat, om een uur te hebben +van uitzinnige pret en jool, zooals haar zusters uit den oertijd het +van dag tot dag beleefden, toen er nog geen korven waren, en toen het +moederschap nog geen voorrecht was van één op de dertigduizend, en +toen de zon nog hoog en blij in den hemel brandde het gansche, lange +tropische jaar. Het is gemakkelijk wijs en matig wetenschappelijk te +zijn in het verklaren van dien koortsigen aandrang der bijen als een +juisten en overwogen stap in den algemeenen ontwikkelingsgang. Maar +is het niet vóór alles de Natuur, de verkwijnde geslachtsgeest, die +ontwaakt, of tenminste even woelt, in haar eeuwenlangen slaap? In +de zwoele Augustusavonden dringen de jonge koninginnen van de +mierenhoopen in ontelbare duizenden naar buiten om de mannetjes te +ontmoeten en het roodachtig zonlicht is vol van het glinsterend leven +van hun vleugels. Dit is "zwermen" in den waren zin. Het vleugellooze, +arbeidzame, ondergrondsche bestaan volgt: maar de liefde-vlucht van +de mieren, zoolang als zij duurt, is daarom niet minder een echte +en hevige vreugde. En zonder twijfel is de zwermkoorts, die op zoo +vreemde wijze en zoo ongelegen het korfleven aangrijpt, er één mee, +naar natuur en geest, ofschoon de oorspronkelijke bedoeling en waarde +al reeds lang geleden in de tijden zijn verloren gegaan. + +De éénige in de geheele menigte, die voor zichzelve alléén het +volle recht van haar geslacht erft, schijnt dikwijls de aanzetster +tot de revolutie. Zeer zeker is zij soms degene, die het eerst dat +verlangen, die koortsige onrust ontwikkelt, en ze langzaam aan op de +geheele kolonie overbrengt. Hier komt het verschil in den bijenaard +scherp in het licht. Sommige korven vertoonen dezen rusteloozen +geest gedurende vele dagen vóórdat de zwerm uitgaat; terwijl bij +de anderen de groote opstand, voor zooverre hij het meerendeel +der bijen bevangt, een plotselinge, ònoverdachte daad schijnt te +zijn, gebeurend in ééns te midden van de algemeene tevredenheid +en werkijver. De voorzorgsmaatregelen voor het kweeken van nieuwe +koninginnen worden altijd bij tijds getroffen; maar dit is waarlijk +het werk van de voorzienige, bedachtzame oude bijen in den korf +voor wie het kommunisme sedert lang een vaste en aangenomen ramp +is geworden. Men mag veronderstellen, dat de bijen, die eindelijk +den zwerm zullen vormen, hun geheime begeerte gevoed hebben van het +oogenblik af, waarop de koningin het eerst teekenen van wispelturigheid +begon te vertoonen: zij veronachtzamen dan al hun oude plichten, +eerst innerlijk, dan inderdaad, en ten laatste, als de stemming van de +koningin het hoogtepunt bereikt heeft en haar werk in den korf zoo goed +als verlaten is, dan gooien zij potlood, troffel en kalkbak neer en +stroomen naar buiten in een wilde, opgewonden bende, gedreven door een +verlangen, dat zij evenmin in staat zijn te weerstaan als te begrijpen. + +In de studie van het bijenleven komt men voor vele vragen te staan, +maar zelden vindt men antwoorden voor alle. Indien de bevruchting van +de koningin slechts éénmaal in haar leven gebeurt, en de natuur dit als +voldoende bedoelt voor het geheele tijdperk van haar vruchtbaarheid, +dan is het niet gemakkelijk in te zien, waarom zij met den zwerm uit +zou gaan. Het is bewezen, dat zij niet in zulk een strenge afzondering +leeft als algemeen geloofd wordt, en men weet, dat zij nu en dan korte +uitvluchten maakt gedurende haar legtijd. Daarom kan de begeerte +om na een lange gevangenschap het licht weer te zien, niet worden +aangevoerd als reden voor haar met den zwerm mee te vliegen. En het is +aannemelijker te veronderstellen, dat de geslachtelijke drang opnieuw +in de koningin wordt opgewekt, juist zooals het dan voor den eersten +maal bij de werkbij schijnt te gebeuren, en dat bij allen de tocht +wordt ondernomen als een paringsvlucht, een zwak overblijfsel van +een rasgewoonte, die lang verdween, en die het meest gelijkt op het +paringszwermen van de mieren. Men moet in gedachte houden, dat ofschoon +de koningin door een enkele bevruchting ongetwijfeld in staat wordt +gesteld beide geslachten van haar soort voort te brengen gedurende +verscheidene jaren, men niet onherroepelijk kan bewijzen dat zij den +dar nooit meer onder éenige omstandigheid zou ontmoeten. Er is niets +in haar lichamelijk samenstel, dat een tweede bevruchting uitsluit, +hoewel dit voor denzelfden dar onmogelijk is; om meer redenen dan +die ééne afdoende--dat hij sterft in het huwelijksuur. + +Prettig is het, in de oude bijentuinen, waar de "zwerm in Mei" nog een +feit en een levend gebeuren is, in de rozige schaduw der bloesemende +appelboomen op het zwermen te wachten en dan over bijen te praten. Geen +bezigheid die zoo de zenuwen stilt en de ziel verfrischt. Er is nog +nooit een bijenhouder geweest, ouderwetsch of modern, die het dáár te +druk voor had, wel te verstaan natuurlijk, als ge hem maar te gemoet +kwaamt met begrijpen, en even prikkelbaar waart als hij op het punt +van afdwalen van het allerbelangrijkste onderwerp. Men krijgt er heel +gauw genoeg van, de wonderen van het bijenleven te openbaren aan een +onkundigen en min of meer angstigen bezoeker, en er is zeker niemand, +die daar zoo slecht tegen kan als de ijmker van de oude school. Zelfs +in het allerrustigste bijentuintje, waar niet anders geteeld wordt +dan het zuiver Engelsche ras, zijn er altijd een paar stekelige +individuen, die u zullen uitvinden in uw schaduwhoekje onder den +appelboom, en er zijn evenveel kansen vóór als tegen, dat ze u bij de +geringste aanleiding een dolksteek zullen geven. Zijt ge een bijenman, +dan blijft ge onverschillig onder al die vijandelijke naderingen; +ge blijft rustig luisteren naar het gebabbel van den ouden man, +terwijl ze tegen uw oogleden gonzen en in en uit uw oor kruipen. In +dat geval zal het saaie spelletje ze gauw vervelen, en ze wieken +weer weg zonder kwaad te stichten; de draad van 's ijmkers verhaal +blijft dan onverbroken. Maar de onervaren bezoeker is een lastpost +in die tweeledige eenzaamheden. Hij maakt schutterige bewegingen, +trekt herhaaldelijk zijn hoofd terug, slaat wild met zijn handen +om zich heen, of, als hij van harder metaal gesmeed is, gaat hij +steil rechtop zitten, waar hij los en rustig moest blijven leunen +en luistert met een allerpijnlijkste beleefdheid en een half oor, +zoodat de stroom van welsprekendheid onmiddellijk opdroogt, en hij +zich even welkom gaat voelen als Banquo's geest op Macbeth's gastmaal. + +Wie ééns gewoon is tusschen de korven te leven, kan hun muziek niet +goed meer missen. Op warme dagen, zoo 's winters als 's zomers, is +altijd het zachte dreunen van dien droomerigen zang in de lucht; +en even drukkend als een dans zonder begeleidenden vedelaar, is +voor een bijenman het slenteren in een tuin met enkel zwijgende +bloemen en groenten. Terwijl ge nu in dat appelbloesempriëel naar +de zwermen zit uit te kijken, komt die volle toon, dat bekorend +geluid, tot u, als de serene stem der bevrediging. Hij doordringt +het zonnelicht; tempert het ruischen van den zwakken wind, die door +de boomtoppen gaat; rijst en daalt als het verre geluid van de zee in +een zomernacht. Dit is de werkzang; de zwermzang heeft een heel ander +geluid. Het geoefende oor voelt den val, die plotseling intreedt, +zoo sterk als een pistoolschot, hoewel de onkundige misschien geen +verschil zou hooren. De oude bijenman breekt plotseling zijn verhaal +van beroemde honingjaren, een half menschenleven geleden, af, grijpt +pan en sleutel en spoedt zich door den tuin. En terwijl ge hem op +de hielen volgt vertelt hij, dat het weer de oude groene kast is, +die altijd den eersten Meizwerm gaf al zooveel jaren lang. En dan +beginnen sleutel en pan het tinkelende deuntje. + +De ouderwetsche bijenkultuur is niet altijd op enkel strooien korven +aangewezen; bijenkasten, zonder natuurlijk de moderne inrichting, zijn +haast even oud als de strookorf; en de korven in dezen tuin hebben +alle dien ouden kastvorm. De oude groene kast blijft trouw aan haar +roep. Zij is al het middelpunt van een wervelende bijenmassa en ge +ziet een dichten zwarten stroom uit het vlieggat dringen, in zóó'n +wilde haast, dat ge nauwelijks kunt onderscheiden wat ge ziet. En de +oude wilde trekzang wordt steeds sterker en dieper van toon; een vol +vibreerend ondergeluid, dat op geen anderen natuurklank gelijkt. En +wat het zeggen wil voelt ge duidelijk genoeg, terwijl ge daar staat +in het door een wolk van ontelbare vleugeltjes verduisterd zonlicht, +medegesleept in de algemeene opwinding, met een gevoel of ge opwerkt +tegen een stormenden zuidwester. Want ieder individu van die twintig +of dertigduizend bijen, die daar als uitzinnig rondwervelen boven +uw hoofd, ieder van hen zingt zijn stoutsten en luidsten zang. En +dit Gargantuakoor heeft maar één beteekenis: het is zuiver jubelen; +maar geharmoniseerd. Een blijde, wilde vrijheidshymne, alsof nog nooit +een enkele van al die bijen de weelde van een Engelschen mei-dag met +zijn zonneschijn heeft gevoeld. + +De groote huissleutel, een wichtig, ouderwetsch stuk metaal, slaat met +zwaar getinkel tegen de pan en de zwerm rijst hooger en hooger in het +blauw. Dan trekt zich gaandeweg de blauwe bijennevel bijeen, tot een +klein zwart wolkje, als afgedreven van een vergeten donderbui. En nu +zeilen zij langzaam noordwaarts, en de wiekende vleugeltjes vangen +oplichtend de zonnestralen als in een net van zilver. Dan zwenken +zij weer om, recht de zon in het oog en vervormen zich tot een zwart +warrelend lijnenspel: snorrende wieltjes in wielend insectenleven, +draaiende wieltjes, die de draden spinnen van een weefsel, dat een +geheel volk zal bekleeden, en zij snorren als nooit eenig ander +spinnewiel. + +Maar het begin van het einde is nabij; de tijd van zingen is haast +gedaan. De oude bijenman staakt zijn bovenaardsch geklingklang, gooit +sleutel en pan weg, en wijst naar den hoogsten tak van een jongen +appelboom. Ge ziet hoe er een zwart kluwentje bijen, niet grooter dan +een duivenei, aan vastkleeft. Een oogenblikje later is het dubbel +zoo groot als een vuist, en onmiddellijk daarna weer tweemaal zoo +groot, terwijl van alle richtingen de bijen toestroomen. Nu is het +zoo groot als een litermaat, en de tak buigt zich langzaam onder het +gewicht. In ongelooflijk korten tijd heeft zich de geheele zwerm in een +klomp bijeengetrokken; zij hangen aan elkaar als een lange, bruine, +glinsterende sigaarvormige tros, die haast tot aan den grond reikt, +en met het wilde, blijde gezang is het nu voor goed gedaan. + +Er is haast iets spookachtigs in zulk een zwerm, zooals zij daar +hangt, zachtjes heen en weer zwaaiend in de zon, een dood onbewegelijk +ding, waar alleen maar een paar enkele bijen omheen gonzen. Zoo kort +geleden was nog het heele tuintje één roezemoezig bewegen, nu is er +een vreemde stilte over dat alles gekomen, en men ontkomt niet aan den +indruk van een terugval, een drukkende reactie, als een ontgoocheling; +alsof het geheele geval maar een doldwaze escapade geweest ware, +waarover de bijen zich nu hartelijk schamen. Als wij het zwermen +mogen beschouwen als het doorbreken van een oeroude herinnering en +een plotselingen onweerstaanbaren aandrang om een ingewortelde, maar +sedert lang verloren gegane gewoonte te doen herleven, dan valt het +ons ook niet moeilijk, die zeer duidelijke verandering van stemming te +verklaren, die nu over de uitgewekenen gekomen is. Want toen zij nog +in den korf opeengepakt waren, een gistende, koortsig beroerde massa, +toen scheen alles mogelijk wat nu in 't klare daglicht de grootste +dwaasheid blijkt. + + + "Hevige vreugden hebben hevige einden + En sterven in hun zege." + + +En nu is daar de komende dag met zijn zorgen en bezwaren: de +wisselingen van weer en wind, waarin het leven moet mogelijk gemaakt; +een woning is noodig, en beschutting voor de koningin--voor haar, +die nu het eenig bezit is van dit ééns zoo rijke volk. Er staat zware +arbeid voor de deur, zwaar genoeg om de overmoedigsten onder hen tot +bezinning te brengen. De opgewondenheid ging zooals zij kwam; zoo ooit +is het nu zaak voor de honingbij zich een redelijk wezen te toonen. + +De meeste bijenhouders zijn van meening, dat de bijen hun toekomstige +woonplaats al te voren hebben uitgekozen, soms al verscheidene dagen +vóór de zwerm uittrekt. En het is onder hen een bekende handigheid om +dan leege korven in de tuintjes te zetten, die ook heel dikwijls de +zwervende bijen aantrekken. Men ziet er enkele losse bijen om heen +vliegen als op verkenning en de korven aan een grondig onderzoek +onderwerpen. Deze verkenners verdwijnen weer en na een onbepaald +tijdsverloop, van een paar minuten tot een paar uren en zelfs dagen, +daalt plotseling een heel leger bijen uit de lucht neer en neemt +bezit van de nieuwe woning. Als kort na de komst der verkennende +bijen de hoofdmacht verschijnt, dan zijn de spionnen waarschijnlijk +uitgezonden door een zwerm, die zich al ergens tot een tros gevormd +heeft; maar ligt er een lange tijdsruimte tusschen, dan moeten zij al +uitgezonden zijn op zoek naar een nieuw verblijf, vóórdat de zwerm +was uitgetrokken. Hoewel nu de groote massa van den zwerm enkel met +dien overmoedigen geest behept is, en er voor hen niets anders schijnt +te bestaan, dan de drang om naar buiten te komen en pret te maken, is +het toch waarschijnlijk, dat er verscheidene van de oudere en wijzere +bijen zijn, die op een soort van zakelijke manier, met bedaardheid en +ernst, het geheele geval behandelen, zooals zij iedere andere dagtaak +zouden verrichten. En dus mag die oude opvatting, dat er in een korf +"ondergeschikte luitenants, kapiteins en goeverneurs" zijn, niet zoo +ver bezijden de waarheid blijken. Dat die verkenners zeer zeker worden +uitgezonden om een geschikte plaats voor de nieuwe kolonie te vinden +òf vóórdat de zwerm uitgaat òf als zij zich buiten al samengetrokken +heeft, is een feit, en er zijn dus in ieder geval eenige bijen, +die in de chaötische verwarring hun zinnen bij elkaar houden. + +En tot die wijze maagden moet ook de koningin gerekend worden, ondanks +het feit, dat zij in de algemeene onrust en opwinding deelt. Al eenige +dagen vóor den grooten uittocht heeft zij het eierenleggen gestaakt, en +die beheersching maakt haar zoo omvangrijk en zwaar, dat zij dikwijls +nauwelijks kan opvliegen. Het doel daarvan is, dat zij des te meer tot +leggen bereid zal zijn, wanneer het nieuwe tehuis is ingericht. Men +heeft opgemerkt, dat alle zwermende bijen welgevulde honingzakjes +meêdragen; en dat het inladen voor de reis juist plaats heeft vóór dat +het signaal tot vertrekken gegeven wordt. Er is heel veel verschil in +de houding van verschillende bijenstanden gedurende den zwermtijd, +en nauwgezette waarnemers hebben niet altijd zekere teekenen kunnen +ontdekken, dat een bepaalde korf op het punt was te gaan zwermen. Maar +dit schijnt wel vast te staan, dat op het oogenblik vóór het zwermen +ongeveer al de bijen van dien korf thuis blijven, zelfs terwijl al de +andere kolonies in de volle beweging van het inzamelen zijn. Uit zulk +een korf komt een eigenaardig stootend geluid, dat doet denken aan een +zware locomotief, die tot stilstand gebracht is met vollen stoom op, +en begeerig om weer in gang te komen. Juist vóór het uittrekken van +den zwerm komt er dan een plotselinge rust in dat machtige, opgekropte +geluid, en waarschijnlijk is dit het oogenblik waarin de reizigers hun +proviand opladen. Onmiddellijk daarna--en het is dan moeilijk niet te +gelooven aan een bepaald autoritair signaal tot den uittocht--ontstaat +er een rumoer en beweging in het midden van den dichtbevolkten korf, +dat te vergelijken is met wat er gebeurt als een zware steen in het +water valt. Deze beweging breidt zich van het midden uit naar alle +zijden, tot zij de bijen aan den ingang bereikt, en dan begint het +uitstroomen naar buiten. + +Als een korf zwaar overbevolkt is, dan is er al een heele dot bijen, +dikwijls duizenden, samengepakt op de vliegplank, en soms bedekken zij +de heele buitenzijde van den korf. Maar die massa lost zich dadelijk +op als de beweging begint; en de wachtende bijen vliegen bijna gelijk +weg met de anderen. + +Vroeger geloofde men, dat de koningin den zwerm aanvoerde; maar +deze meening kan geen stand houden tegen de moderne waarneming. Heel +dikwijls is de helft van de bijen al uitgevlogen vóórdat de koningin +verschijnt, en soms komt zij pas met de allerlaatste; ook gebeurt +het wel, dat zij op het laatste oogenblik besluit heelemaal niet +te vertrekken. In dat geval vormen de bijen zich niet tot een tros; +maar blijven enkel een wilde tarantella dansen in den zonneschijn en +keeren na een paar minuten weêr in den korf terug. + +Als de zwerm vertrokken is, keert in den ouden korf de rust terug +en de gewone dagelijksche bezigheden gaan weêr hun gang of er niets +bijzonders was voorgevallen; behalve dat de toestand van overbevolking +heeft opgehouden, bleef alles bij het oude. De achtergebleven bijen +zijn meest jonge werksters, die nog niet met inzamelen begonnen zijn; +maar er is toch altijd nog een redelijk overschot van oude werksters +en darren. Gewoonlijk is op dat oogenblik de korf zonder koningin; +want de jonge koningin is dan nog niet uit haar cel gekropen. Er zijn +allicht vier of vijf koninginnewiegen in verschillende stadiën van +ontwikkeling en in zeldzame gevallen komt het wel tot twaalf. Soms +echter is de eerste van de jonge koninginnen al uitgekomen en beweegt +zich over de raten; zij ontmoet dan de gewone onverschilligheid +bij allen, die haar weg kruisen. Er zijn echter korven bekend, die +een zwerm uitzonden als de toebereidselen voor het kweeken van een +nieuwe koningin nog nauwelijks begonnen waren. Zoo onberekenbaar is +de honingbij in veel harer handelingen. + +Als nu het zwermen alleen ten doel had, de overbevolking te verlichten +en van moederbij te wisselen, dan zou alles hiermee uit zijn. Maar +de zwermdrang wortelt dieper dan in zuivere noodzakelijkheid. Bij +sommige generaties van bijen schijnt de zwermkoorts, als die ééne +aanval voorbij is, na te laten, en het volk houdt zich dan verder +rustig bij zijn werkzaamheden. Maar het is niet zeldzaam, dat als +zij den eersten smaak van het avontuurlijke beet hebben, de nationale +eetlust verscherpt wordt en het verlangen naar meer ontstaat. Ongeveer +negen dagen nadat de eerste zwerm den korf verlaten heeft, volgt er +dikwijls een tweede, en na een paar dagen soms nog een derde en vierde, +waarbij dan dikwijls het eind is, dat het volk geheel is uitgeput; +dit noemt men, het "zich doodzwermen van den moederstok". Het is +moeielijk te begrijpen, hoe in een gemeenschap waar het belang van +den éénling zoo meedoogenloos wordt opgeofferd aan het staatsbelang, +deze vernietigende politiek kan geduld worden. Maar gaat men uit van +het standpunt, dat het zwermen in hoofdzaak een vage en onvolmaakte +weeropleving is van een lang verouderde gewoonte, dan doet zich +onmiddellijk een aannemelijke theorie voor. In de omstandigheden van +den oertijd kan het voortbestaan van de moederkolonie onnoodig zijn +geweest. Waarschijnlijk had die volkomen haar bestemming vervuld, als +een voldoend aantal jonge koninginnen en darren gekweekt was, en het +geheel was uitgezwermd, om zich respektievelijk van een nieuw tehuis te +voorzien. Men moet bedenken dat de bijenkorf, in zijn voortbestaan van +jaar tot jaar, eigenlijk een moderne inrichting is, en eerst praktisch +nuttig werd met de uitvinding van den lossen bouw, die den ijmker +in staat stelt de raten te vernieuwen. Wij hebben er van gesproken, +hoe de broedraten zich langzamerhand heelemaal opvullen met de leege +cocons, die er door de uitkomende bijen worden achtergelaten. Deze +dingetjes zijn zóó ragfijn, dat zelfs een dozijn er van geen merkbare +verkleining van ruimte in de cel tengevolge heeft, en men weet van +broedraten die wel twintig jaar gediend hebben. Maar het eind is toch, +dat zij onbruikbaar worden en dan,--want bijen willen of kunnen geen +oude raten voor nieuwe verwisselen--moet de gemeenschap uittrekken +voor een nieuw tehuis of van lieverlede uitsterven. Zoo had dus de +gebruikstijd van de oude korven zijn grenzen. + +De moderne bijenteelt heeft nog meer veranderingen in het leven +van de honingbij gebracht, behalve het scheppen van een blijvende +korfstad. Het aantal bijen van een enkel sterk volk, dat een +lossen-bouwkast bewoont, is waarschijnlijk driemaal zoo groot als +dat van een wilde kolonie. Het werk van den ijmker grijpt in alle +verrichtingen der bijen in en brengt hun geheele levensplan op +grooter schaal en ruimer basis. Het gevolg hiervan is niet alleen +duidelijk in de toenemende volkssterkten en uitgebreider werken; +maar ook in eene verandering van hun levenssystemen zelve. Een plan, +dat op een kleinen grondslag goed werkt, slaagt niet altijd op een +grooteren. Gezondheidsproblemen in een dorp moeten noodzakelijk +verschillen van die in een stad, zoowel in beginselen als in +verhoudingen. En het is dus zeer waarschijnlijk, dat de mensch de +hand heeft in veel wat ons in het doen der bijen vernuftig gevonden +schijnt; met dien verstande, dat de nieuwe levensvoorwaarden, door +den ijmker ingevoerd, den bijen een prikkel zijn om hun vermogens +tot het uiterste in te spannen. + +Het gedrag van deze "nazwermen" vormt een opmerkelijke tegenstelling +tot dat van den hoofdzwerm. Als het mogelijk was in het bijenleven op +ééne vaste en onveranderlijke wet te wijzen, zou het die zijn, dat een +hoofdzwerm nooit anders den korf verlaat dan op een mooien, warmen dag, +en dan altijd omtrent het middaguur. Maar de nazwermen schijnen met +weer noch wind rekening te houden; zij trekken uit op ieder uur, dat +'t hun wordt ingegeven, 't zij vroeg of laat, en zonder in 't minst +de omstandigheden buiten in aanmerking te nemen. Men weet zelfs van +een nazwerm, die uittrok te middernacht bij volle maan en heldere, +warme lucht. + +Er schijnt over 't algemeen veel meer methode in de verdwaasdheid te +zijn, die een volk bij zijn eerste zwermen aangrijpt; en als na afloop +daarvan het korfleven weer in de oude banen voortglijdt, dan herstelt +zich ook spoedig het nationaal karakter van bezadigdheid en vlijt. Maar +juist de sterkte van deze algemeene neiging tot orde en werkzaamheid +verschilt aanmerkelijk bij verschillende volken. Als men zorgvuldig +bij den korf, die juist zijn eersten zwerm heeft uitgezonden, de wacht +houdt, kan men al spoedig vaststellen hoe de zaken zullen loopen. Er +zijn altijd verscheidene wiegen van koninginnen, enkele al verzegeld +en op het punt van open te gaan en andere in verschillende stadiën van +hunne ontwikkeling. Al deze cellen worden onafgebroken en nauwlettend +bewaakt door de werkbijen; want op hetzelfde oogenblik, dat een +koningin uitkomt, is zij klaar om door zustermoord een onmiddellijk +eind te maken aan alle toekomstige mededingsters. Brandend van begeerte +naar een gevecht komt zij blijkbaar uit haar cel, doortrokken van dien +ingekankerden haat tegen haar genooten, die de heerschende hartstocht +is in haar bestaan. + +Dat werkbijen en koninginnebijen in oorsprong gelijk zijn, en het de +natuur van de eene is in volmaakte harmonie te leven, terwijl de aard +van de andere haar noodzaakt door een voortdurend vijandig gevoel +beheerscht te worden, is een van die mysteries in het bijenleven +waarvan wij wel nooit de verklaring te weten zullen komen. Als de +hedendaagsche bijenkoningin inderdaad kan gelden voor ten naaste bij +het type van de oorspronkelijke vrouwelijke bij, dan is het niet +moeilijk te begrijpen, dat met die voortplanting op groote schaal +het gemeenschapsleven in den moederstok een onmogelijkheid moet zijn, +en dat met de paringsvlucht zijn natuurlijk bestaan tot een eind was +gekomen, ongeveer zooals het in het leven der wespen gaat. + +Het eigenaardig schrille geluid van de koningin wordt het meest +gehoord in stille nachten nadat er een zwerm is uitgetrokken. Zij uit +aanhoudend dat schelle piepen, terwijl zij worstelt met de waaksters, +die de nog gesloten cellen van de jonge koninginnen omgeven, en +tegelijk hoort men dan ook de gesmoorde kreten van de gevangenen, die +even hard naar den strijd verlangen als zij. Is de zwermkoorts nog +niet tot rust gekomen in den korf, dan hoort men die oorlogskreten +gedurig heen en weer gaan en de algemeene gisting wordt sterker, +tot eindelijk, als de toestand onhoudbaar is geworden, de jonge +koningin wegstormt door het vlieggat, gevolgd door het grootste +gedeelte van de bijen. In het geval van nazwermen leidt alles tot +de waarschijnlijkheid, dat de koningin wezenlijk den zwerm aanvoert; +echter ook hiervoor heeft men nog geen vasten regel kunnen opmerken. + +Maar de mogelijkheid bestaat, dat het volk ziek is van al die +onrust en roezigheid, waardoor het zoo lang werd beheerscht en dat +de algemeene zin neigt naar het status quo. Onder die omstandigheden +hebben de kreten, die uit den korf komen, een geheel ander geluid en +beteekenis. De koningin uit nog steeds haar oorlogskreet; maar die +wordt nu oogenblikkelijk gevolgd door een eigenaardig sissen van de +werksters. Het is juist, alsof zij haar, met haar te overschreeuwen, +tot zwijgen willen brengen; en als de oorlogskreet van de eerstgeboren +koningin beantwoord wordt met zulk een afkeurend koor, dan gebeurt +het zelden, dat er nog een nazwerm komt. De koningin gaat dan na een +paar dagen er op uit voor haar paringsvlucht en bij haar terugkomst +wordt het haar vergund naar hartelust haar verlangen naar zustermoord +te bevredigen. + + + + + + +HOOFDSTUK XII + +DE RAATBOUW. + + +In de vorige hoofdstukken hebben wij gepoogd aan te toonen, dat de +wereld waarin de honingbij leeft en werkt, er eene is, die door iets +beters wordt gedreven dan door ruw instinkt, in de gewone beteekenis +van dat woord. Voor den modernen bioloog, niet den kamergeleerde, +maar voor hem, die het leven overal en in al zijne openbaringen +bestudeert--voor hem moet deze bewering zoo overtollig lijken als +b.v. het vergulden van goud; het schijnt in waarheid toch nog maar +alleen de vraag te zijn welke de juiste plaats is, die op den schaal +der rede aan de honingbij moet worden toegekend. + +Alle bijenliefhebbers hebben zich schuldig te bekennen aan ingeroeste +partijdigheid, en schrijver dezes doet dat dan ook gulweg. Lauwheid +is niet bekend in dit vak, en over de geheele wereld is het gezegde +van kracht, dat dáár waar maar een paar bijenkorven bij elkaar zijn, +een gloeiend enthousiast niet ver af is. In Engeland is het woord +"vrijmetselarij" synoniem geworden met "broederschap"; maar even echt, +even duurzaam is de verbroedering onder de bijenhouders. Zeker, onder +elkaar zijn zij maar al te zeer geneigd tot het overdrijven van de +deugden en verrichtingen van hun pleegkinderen; zij zijn te gul met +gevolgtrekkingen uit schaarsche gegevens van feiten; en de bewezen +stelling, dat ieder, die met bijen te doen heeft, zeer zeker vroeger +of later zal meêgesleept worden door een vloedgolf van enthousiasme, +maakt het tot een moeielijke en kiesche taak de balans te bewaren +tusschen den geestdriftigen bijenliefhebber en den belangstellenden +maar bezadigden lezer. Ieder schrijver over de honingbij is te +beschouwen als een ultra-specialist in deze specialisten-eeuw; en +het is moeilijk de verhoudingen klaar te blijven zien, voor één, +die spreekt uit de gelederen van het ijmkersgild zelf, waar allen +zich mee schuldig maken aan overmoed en geen oor heeft voor eenige +waardeering onder hoogwater pijl. + +Maar de overgeestdriftige schrijver, die zich aan de geschiedenis +van het raatbouwen zet, heeft hier de gewone valstrikken niet te +vreezen. Die geschiedenis is in de eenvoudigste feiten en de minst +belangrijke bijzonderheden al zoo verwonderlijk, dat de bloemrijkste +taal hier evenmin zou kunnen overdrijven als een karig toegemeten +woord de innerlijke beteekenis verkleinen. Als de regeling van de +bijenrepubliek, hunne samengestelde hygiënische stelsels, de verdeeling +van arbeid, behandeling van de koninginne- en werksterlarve, ons in +verbazing brengen en ons onfeilbaar schijnen te wijzen op hoogere +vermogens, dan moeten wij de werkbijen wel een intelligentie van nog +hooger orde toekennen, als wij haar gaan beschouwen als ontwerpster +en vervaardigster van de honingraat. + +Hier ziet men haar in haar grootste kracht en beteekenis. De +samengestelde bouwsels, waarmee zij de bijenstad vult, vragen niet +enkel onvermoeiden arbeid; zij zouden niet kunnen tot stand gekomen +zijn als niet de gezamenlijke bekwaamheden van den ingenieur, den +architekt en den wiskunstenaar er aan hadden meegeholpen. Ook zijn het +niet enkel konstruktieve en wiskunstige vraagstukken, waar de bij zich +tegenover ziet gesteld, en evenmin zijn zij, hoewel moeielijk, altijd +dezelfde, zoodat een instinktive oplossing niet denkbaar is. Bijna bij +iedere raat vinden wij eenige bijzondere en noodwendig onvoorziene +moeilijkheid op schitterende wijze overwonnen. In den bouw van de +zeskantige cel, waarvan de basis uit drie ruiten is samengesteld, +gebruikt de bij een vorm, door de grootste wiskunstigen als de alléén +doelmatige vastgesteld, en de bijen houden zich altijd aan dien vorm +wanneer het maar eenigszins doenlijk is. Doch het gebeurt aanhoudend +bij den ratenbouw, dat plaatselijke verhoudingen haar plannen in +den weg staan, en dan maakt zij vijfkantige cellen of vierkantige +of driekantige of van welken vorm ook, naar de omstandigheden haar +dwingen. Het is gemakkelijk en eenvoudig, en men is in ééns klaar, +wanneer men dit alles op rekening schrijft van dat geheimzinnig +iets, het instinkt, de goddelijke gave waarmee het organisme van +de bij geladen is, zooals men electriciteit laadt in een Leidsche +flesch. Maar instinkt was het niet, dat Wren noopte den stalen kabel +om den koepel van St. Paul's te leggen en het was ook geen instinct +dat den sluitsteen op de Groote Pyramiden bracht. Dit zijn alle werken +van hooger begaafde wezens en toch staan zij wat kunst van vinding +betreft op één plan met de honingraat, die gevormd is uit een broze +stof, licht als de lucht, doch op zóódanig kunstige wijze door de +honingbij bewerkt, dat zij in staat is een gewicht, dertig maal zoo +groot als het hare, niet alleen te dragen, maar op te houden. + +Het feit, dat de bij haar bouwmateriaal niet bijeenzoekt maar het +uit eigen lichaam bereidt, is pas in de laatste honderdvijftig jaar +ongeveer aan het licht gekomen; echter vindt men in de geschriften +van de middeneeuwsche ijmkers nu en dan al schrandere gissingen +daaromtrent. De wesp, die in vernuftige vinding veel met de honingbij +gemeen heeft, doch gedoemd is ze op oneindig bescheidener schaal aan +te wenden, maakt zeshoekige cellen; maar haar materiaal haalt zij +van buiten, en het kan voor geen samengesteld doel gebruikt worden, +omdat het geen spanning verdraagt. En juist de bijenwas is de eenige +bestaande stof, die aan iederen eisch voldoet. Zij kan verwerkt +worden tot plaatjes, die niet dikker zijn dan 1/70 c.M. ongeveer, +wat de gebruikelijke dikte is van den celwand. Zij is onaantastbaar +voor alle elementen behalve hitte. Zij kan zacht en kneedbaar gemaakt +worden en toch ook verharden met behoud van soepelheid en leven. Zij +is een slechte warmtegeleider en daarom houdt zij de warmte van den +korf vast. Zij trekt geen ongedierte aan, en tot nu toe is er maar één +dier bekend, dat er van eet, n.l. de larve van een zekere motsoort; +maar een sterke kolonie houdt het daar altijd tegen uit. En daar het +ruwe materiaal voor hare bereiding bestaat uit afscheidingen uit het +eigen lichaam der bij, kan de voortbrenging gebeuren, als duisternis +of ongunstig weder het buitenwerk verhinderen. + +Het eerste werk, dat een zwerm na het betrekken van zijn nieuwe +woning onderneemt, is de ratenbouw. De tijdelijke inzinking die na de +opwinding van het zwermen volgt, is spoedig voorbij en het geheele +gezelschap concentreert zich op het inrichten en proviandeeren van +den nieuwen korf. De oudere bijen gaan op voedselverzamelen uit, +en één voor één blijven zij bij het wegvliegen in de lucht even +met het hoofd naar den korf om zich standplaats en omgeving eigen +te maken. Verreweg het grootste gedeelte echter vereenigt zich +thuis in een dichten klomp voor de wasbereiding. In deze eerste +verrichtingen van de nieuwe kolonie is tijd alles. De koningin, die +waarschijnlijk een dag of langer het eierleggen geschorst heeft, +is overbezwaard van vruchtbaarheid en zij moet zonder verwijl van +duizenden broedcellen voorzien worden. De provianddraagsters zullen +zwaar van nektar en stuifmeel naar huis keeren en er moeten dus +onmiddellijk voorraadschuren in gereedheid worden gebracht. Daarom +is er haast met de wasvorming, en de jonge bijen dringen op één, +met hunne koningin knus en warm in haar midden. + +Zonder twijfel is een van de voornaamste redenen waarom zwermende bijen +zich onmiddellijk in dien dichten tros vereenigen, het verhaasten +van het proces der wasvorming. Het is bewezen, dat de was zich het +gemakkelijkst afscheidt onder den invloed van groote hitte, en hitte +ontstaat er in dien dichten drom. Wanneer de verkenners een nieuwe +woonplaats gevonden hebben en dus de bijen weer verder moeten, +hebben al vele van hen de wastaschjes gevuld, en zijn dus klaar +om het raatbouwen te beginnen. Wanneer een zwerm wordt opgevangen, +zelfs reeds een korte poos na het uittrekken, kan men de kleine witte +wasschubjes tusschen de ringen van hun achterlijf zien uitkomen, +en dikwijls gebeurt het dat zij in de algemeene verwarring afvallen +en verloren gaan. + +Wat bij het opmerken van de bijen wel het allermoeielijkst is na +te gaan, is juist het bouwen van de raten. De wasbijen zijn zóó +dicht op elkaar en zoo aanhoudend in beweging, dat het wel schijnt +of de raat uit zichzelf aangroeit, inplaats van door die krioelende +menigte vervaardigd te worden; zij blijft haast voortdurend verborgen +voor het oog van den waarnemer, die maar te hooi en te gras een +verschijning krijgt van die witte, broze zelfstandigheid en haar fijne +teekening. Deze eerste pogingen van de raatbouwsters, gewoonlijk onder +gedwongen omstandigheden verricht, vallen wel eens verkeerd uit, alsof +zij met te groote haast in elkaar gezet waren. Somtijds zijn de eerste +celgroepen, door een zwerm gemaakt, geel en vochtig en sponsachtig +van uiterlijk, met dikke onregelmatige wanden, en het lijkt wel of +zij bedoeld zijn als niet anders dan een tijdelijke bergplaats voor +den komenden nektar, tot er tijd is om de eigenlijke honingcellen +klaar te krijgen. Deze hulpraat is in 't bijzonder merkwaardig omdat +zij weer een bewijs te meer is voor de handigheid van de bij, waar +het geldt in moeilijkheden te voorzien. In gewone tijden blijft de +metselbij rustig in den klomp hangen, tot de wasafscheidingsorganen +hun werk hebben verricht, en de zes langwerpige schubjes van de broze +stof gereed zijn voor het gebruik. Zij komen te voorschijn van onder +de harde platen, die het abdomen bedekken, drie aan iederen kant, +als briefjes, die half buiten de brievenbus steken. Aan een van de +kniegewrichten van haar achterpootjes heeft de werkbij een bijzonder +werktuigje, waarvan bij de koningin geen spoor te bekennen is. Het +ziet er uit als een soort van tangetje; maar inplaats van twee tot +elkaar neigende punten, is het aan den eenen kant voorzien van een rij +scherpe, stijve haren en om den anderen van een ondiep lepeltje. Met +dit bijzonder instrumentje grijpt de metselbij het wasschubbetje, +en trekt het uit zijn zakje. Het wordt dan overgebracht tusschen haar +kaken en zij haast zich ermee naar de raten. Bij een onvoltooide cel +gekomen, begint zij eerst de ruwe was tot een deeg te kouwen, terwijl +zij het met haar speeksel vermengt, en zoo vergroot zij tegelijk het +volumen. Dit zachte taaie materiaal wordt nu bij het werk aangewend +en gevormd. En op deze wijze wordt door de honderden van werksters, +in een onafgebroken komen en gaan, het lichte, fijne samenstel van +broed- en honingraten met zeldzame vlugheid opgebouwd. + +Hoe de ruwe, sponsige raten ontstaan, die de zwermen soms aanmaken, +kan niet met zekerheid worden meegedeeld. Zij hebben allen schijn +van ruwe was gemaakt te zijn, die haastig gekauwd en met honing +doorgewerkt is en waarschijnlijk zal het wel zoo zijn. Het afscheiden +uit de speekselklier gaat uitteraard langzaam, en als de tijd dringt +en honderden van ongeduldige voorraadbrengsters om hun ooren gonzen, +die haast hebben om af te laden en terug willen naar de klaver, +heeft de schrandere metselbij er op uitgevonden den inhoud van haar +honingzakje als surrogaat te gebruiken. Maar honing en ruwe was kunnen +zich alleen mechanisch bijeenvoegen, niet innig gemengd worden. De +was lost zich alleen op onder de inwerking van het speeksel der bij, +dat scherpe zuurdeelen bevat. + +Om goed te beseffen wat er al door de bijen verricht is, als een nieuwe +korf geheel met wasraten is gevuld, is het noodig de werkzaamheden +van den zwerm gedurende de eerste weken van zijn afzonderlijk bestaan +nauwkeurig te volgen. Het stichten van een geheel nieuwe bijenstad is +geen geringe onderneming; voor vele en verwikkelde vraagstukken zien +de bouwers zich gesteld. In de eerste plaats streeft de bij naar het +volmaakte, of zij het bereikt of niet. Erfelijke ondervinding heeft +haar bekend gemaakt met alle vereischten van het te huis der kolonie, +en zij zet zich er toe, die alle zoo volmaakt mogelijk te verkrijgen. + +Er is een stad te bouwen, die twintig- tot dertigduizend individuen +moet huisvesten. Er moet een uitgebreide kinderwoning zijn; want +het kan gebeuren dat er tien of twaalfduizend jeugdige schepseltjes +tegelijk moeten ondergebracht. Gedurende zes maanden van het jaar +is er buiten geen voedsel te verkrijgen, zoodat de stad groote +proviandschuren moet bevatten, die een voorraad inhouden voor meer +dan een half jaar. Daar in den winter de temperatuur alleen maar op de +benoodigde hoogte kan worden gehouden door de lichamelijke warmte der +inwoners zelve, moet het leven in de stad binnen de kleinst mogelijke +ruimte saamgevat worden. Het materiaal waaruit zij wordt opgebouwd +moet warmtehoudend zijn, terwijl toch de konstruktie ten allen tijd +volmaakt geventileerd moet kunnen worden; en in den zomer moet de +lucht vrij kunnen rondgaan zoodat de overtollige hitte kan worden +afgevoerd. De stad moet tegelijk een tehuis en een vesting zijn en +aan alle kanten dicht gesloten, beschut tegen de vele vijanden en +ook tegen de ruwheid van het klimaat. + +En dan is er nog een andere voorwaarde van een even ingrijpend belang +bij den bouw der raten--de noodzakelijkheid van strikte spaarzaamheid +met het materiaal. Als er eenige natuurlijke zelfstandigheid +bestond, die taai, licht, kneedbaar en sterk was, en voor de bijen +verkrijgbaar inplaats van was, dan zouden zij die zeker voor hun +ratenbouw gebruiken en niet zooveel uren van hun kostelijken tijd en +zulke groote hoeveelheden van hun zuur verkregen proviand opofferen, +om hun eigen was te vervaardigen. Maar er schijnt in de natuur niets +te zijn, dat gelijktijdig al die hoedanigheden bezit. Wel verzamelen +de bijen een harsachtige zelfstandigheid in hoofdzaak van de knoppen +der populieren, en gebruiken die om reten te stoppen; ook weten zij +er een soort van vernis van te maken, waarmede zij de afgewerkte raten +bestrijken, en soms zelfs vermengen zij het met was tot een soort van +ruwe vulling; maar voor celbouw schijnt het onbruikbaar. De geheele +stad moet noodzakelijk van was, en van was alléén gebouwd worden, +en de bijen gaan zoó zorgzaam om met dit kostbaar materiaal als een +vrek met zijn goud. + +Deze opgaaf in het oog houdende: de kolonie een voldoende behuizing +te verzekeren met zoo min mogelijk verlies van grondstof, tijd en +arbeid, begint de bij het probleem af te wikkelen met eene, aan 't +ongeloofelijke grenzende schranderheid. Bij het centrale punt der +moeielijkheid beginnende, schijnt zij van daar uit naar buiten te +werken, en tegelijk de bijkomende vraagstukken, die zij op haar weg +ontmoet, op te lossen; en aldus gaat dan wel haar redeneering: "Om de +jongen op te kweeken en den honing te bergen is een celvat noodig. De +jonge larven zijn cylindrisch; dus lijkt een cylindrisch gevormde cel +aangewezen; zoo eene kan ook gebruikt worden voor de honingraten. Er +zijn er echter niet maar een paar noodig; maar een heel groot getal, +vele duizenden; zij moeten daarom dicht bij elkaar geplaatst, zoowel +voor besparing van ruimte als voor het behoud van de natuurlijke +warmte. De cellen zouden met de opening naar boven en in horizontale +vlakken in verdiepingen boven elkaar geplaatst kunnen worden. Maar +zulk een bouwwijze zou onpractisch zijn. Om het wegzakken, in de +hitte van den korf, te verhinderen en ook om bestand te zijn tegen +den zwaren druk van het gewicht, dat zij te dragen krijgen, zouden de +celbodems gezamenlijk aangedikt moeten worden tot een stevigen vloer, +die van tijd tot tijd nog gestut zou moeten worden, zooals bij de +wespen. Maar hiervoor zou veel kostelijke grondstof aan haar eigenlijk +doel onttrokken worden. Zeker zou het een beter plan zijn de cellen +op hun zijde te leggen en ze tot een verticalen wand op te hoogen; en +even zeker is het, dat als twee wanden van deze op elkaar geplaatste +cellen rug aan rug werden gezet, zoodat één centrale wasplaat dienen +zou om den bodem van alle cellen tegelijk rechts en links af te +sluiten, de helft van het bodemmateriaal bespaard zou worden. + +Maar dit is nog enkel slechts een ruwe eerste schets van een plan. De +rechtopstaande raat uit een dubbelen stapel ronde cellen gevormd, +rug aan rug met een vlakke basis er tusschen, is, hoewel een groote +verbetering op de enkele laag van horizontale cellen, mechanisch en +economisch fout. De ronde cellen laten nuttelooze tusschenruimten open, +die met opvullen veel was zouden vragen, en de vlakke bodems komen niet +overeen met den vorm der larven, zoodat daarom nog meer ruimte verloren +gaat. Het is duidelijk, dat er alleen verbetering kan komen door een +veranderden celvorm. En hier schijnt de bij met zichzelve te rade zijn +gegaan, en heeft zegevierend een zéér gecompliceerd vraagstuk opgelost. + +Zij kende de afmetingen van de binnencelruimte, die eene larve voor +hare ontwikkeling noodig heeft, en nu was dit de opgaaf: een cel te +bouwen: waarvan de vorm zoo dicht mogelijk tot den cylinder naderde; +die de juiste afmetingen zou hebben; zoo sterk mogelijk zou zijn; zoo +min mogelijk plaats innemen; een minimum van grondstof zou vragen, +en waarvan een groot getal in een dubbel vertikaal vlak zou kunnen +worden opgebouwd, zóó dat er tusschen de cellen of vlakken geen +tusschenruimte open bleef. + +Dit vraagstuk heeft maar ééne oplossing en de honingbij heeft die +gevonden--hoe ontelbaar veel eeuwen geleden al?--in de zeshoekige cel, +met haar basis van drie ruiten. + +Hoe verbijsterend vernuftig deze vinding is kan alleen dan gerealiseerd +worden wanneer men een pas gevormd maagdelijk stuk raat, bijna geheel +afgewerkt, grondig bestudeert. Men zal dan onmiddellijk zien, dat de +zeshoekige cellen volstrekt geometrisch samenvallen over de geheele +oppervlakte der raat en dat de zeskantige vorm voor alle gebruik aan +het doel beantwoordt. Wanneer men aan de ééne zijde van de raat in de +cellen kijkt, dan merkt men op, dat de grondvlakken den vorm hebben +van holle pyramiden, die ieder zijn samengesteld uit drie ruitvormige +plaatjes, en draait men de raat om, dan ziet men aan de andere zijde +ook pyramidale celbodems. Neemt men de diepte van de cel aan de ééne +zijde der raat en voegt die bij de diepte van de tegenoverliggende cel, +terwijl men daarna de geheele dikte van de raat meet, dan vindt men, +dat de diepte van die twee cellen, opgeteld, een aanmerkelijk grooter +cijfer geeft dan men krijgt als men de dikte van de raat meet. Op +het eerste gezicht lijkt dat een geval waarbij het kleine het groote +insluit, dus een zichtbare onmogelijkheid. Maar houdt men de raat +tegen het licht dan doet men eene ontdekking, die de oogenschijnlijke +onmogelijkheid opheldert. De grondvlakken van de cellen zijn zóó dun, +dat zij haast doorschijnend worden en daardoor komt het uit dat zij +niet in een rechte lijn, bodem tegen bodem gebouwd zijn; maar dat +iedere celbasis aan de ééne zijde van de raat, een gedeelte dekt +van drie verschillende grondvlakken aan de andere. Als men die drie +ruitjes, die te samen de driehoekige basis van een enkele cel vormen, +met een naald doorprikt, dan blijkt bij het omdraaien der raat ieder +prikje uit te komen in een andere cel. Zoo wordt dus de besparing +op de dikte van de geheele raat veroorzaakt doordat de pyramidale +grondvlakken aan iedere zijde om en om in elkaar grijpen als de +tanden van een val; inplaats van elkaar rechtstreeks te ontmoeten, +schieten zij over elkaar heen, en de vlakken van de pyramide zijn +zoo ingericht, dat ieder er van twee cellen dekt. + +In deze inrichting wordt nog een ander voordeel duidelijk: de top +en drie ribben van iedere pyramidale basis vormen de grondlijnen +voor de celwanden aan de andere zijde der raat; dit beduidt, dat niet +alleen alle celwanden op een boog rusten; maar ook dat iedere celbasis +versterkt wordt door een drievoudigen gordel. Het gevolg daarvan is, +dat de benoodigde hoeveelheid was overal tot een volstrekt minimum kan +worden teruggebracht. Het is maar alleen de vraag, hoe dik de was moet +zijn om den honing te kunnen inhouden; en de ervaring heeft geleerd, +dat dit niet meer behoeft te zijn dan 1/70e ongeveer van een c.M. Men +kan in waarheid dit alles aannemen als een schitterend voorbeeld van +den zege van den geest over de stof. + +De meetkundige beginselen, toegepast bij den bouw der honigraten, +zijn een geliefkoosd onderwerp van studie voor de wiskunstenaars +van alle eeuwen geweest, en vooral het gebruik van de ruit voor de +celbodems. De ruit wordt het best omschreven als een plat vlak met +vier gelijke zijden, zooals die van een vierkant, maar waarvan de +hoeken niet recht zijn. Bij zulk een figuur zijn er noodzakelijk twee +grootere- en twee kleinere hoeken, die paarsgewijs tegenover elkander +staan. De drie ruiten, die het grondvlak van de honingcel vormen, +grenzen aan elkaar in den vorm van een vlakke pyramide en als men alle +hoeken als te verwaarloozen grootheden beschouwt, blijkt de vlakheid +van de pyramide zeer juist in een passende verhouding te staan tot +den vorm van de volwassen larve. Maar dit is niet de eenige reden, +waarom de bijen die bijzondere helling geven aan de ruiten, die van +iedere cel de basis vormen. Ook hier, als elders in haar ondernemen, +heerscht de wet der spaarzaamheid, en de waarheid dat zij het eenig +mogelijke grondvlak genomen heeft, dat bij zijn bouw een minimum van +grondstof vereischt, wordt treffend bevestigd. + +Het is een oud en beroemd verhaal: maar het verdient herhaald +te worden. Een groot naturalist gaf zich eens oneindige moeite +om de hoeken te meten, die de ruiten vormden in een groot aantal +raatcelbases, en hij vond, dat zij merkwaardig weinig verschilden. Het +zal ieder duidelijk zijn, dat de holle pyramide in den celbodem +dieper of ondieper zal zijn naar den vorm van de drie ruiten waaruit +zij is samengesteld. De top van de pyramide wordt gevormd door het +samenkomen van de drie gelijke hoeken, van ieder ruitje één, en het +spreekt van zelf, dat die top spits òf vlak zal zijn, naarmate de +samenkomende hoeken scherp of stomp zijn. Het was natuurlijk onmogelijk +de afmetingen van die hoeken met absoluut mikroskopische juistheid te +bepalen; maar de naturalist kon toch met behulp van de best afgewerkte +raat vaststellen, dat de twee grootste hoeken in een ruitje ongeveer +110° en de kleinste 70° bedroegen. Hij vond ook, dat de hoeken, +gevormd door het samenkomen van de celwanden met de grondvlakken, +dezelfde afmetingen hadden als die van de ruitjes. Aannemende daarom, +dat mathematisch de hoeken van de ruiten en de celwanden gelijk +moesten zijn, was hij in staat nauwkeurig de hoeken te berekenen die +de bijen blijkbaar trachten te verkrijgen in de konstruktie van de +ruiten--109°,28' en 70°,32'. + +Een andere wetenschappelijke bijenliefhebber, die over deze cijfers +zat na te denken, was er zeer door getroffen en besloot uit te +vinden waarom de bij steeds die vaste keus deed voor dien bijzonderen +ruitvorm. Hij kreeg toen den inval het bijeninzicht in de oplossing +van dit celbasis-vraagstuk te onderwerpen aan een onafhankelijke +autoriteit. Zonder dus zijn voornemen te kennen te geven legde hij +het volgende vraagstuk vóor aan een van de beroemdste mathematici +dier dagen: + +"Veronderstel eens," zei hij, "dat men u had opgegeven een zeskantig +vat af te sluiten met drie ruitvormige platen, welke hoeken zou men +dan moeten nemen, zoodat de grootst mogelijke ruimte zou gedekt worden +met de kleinst mogelijke hoeveelheid materiaal?" + +Het was een moeilijke opgaaf; maar de mathematicus kreeg haar toch +klaar en het antwoord was: 109° 26' en 70° 34'. + +Het verschil tusschen de berekening van de bij en die van den man was +dus maar heel gering; en niemand dacht er aan een fout te zoeken in de +oplossing van den man, die in zijn cijferwereld boven ieder uitstak. Er +werd daarom aangenomen, dat de bij een miniem vergissinkje begaan had, +zóó miniem, dat het bij den raatbouw geen bezwaar oplevert. Haar goede +naam bleef onaangetast en de honingcel bleef het volmaakte voorbeeld +van de grootste ruimte met het minste materiaal verkregen. + +Maar een andere mathematicus--een Schot dezen keer--ging de heele +zaak nog eens na, en hij bewees nadrukkelijk, dat de bij gelijk had +en de geleerde ongelijk. Hij toonde aan, dat het juiste antwoord op +het vraagstuk betreffende de hoeken, luiden moest: 109° 28' en 70° +32'--precies de cijfers verkregen bij het opmeten van de honigraat. + + + +In de voorafgaande bladzijden zijn wij wat dieper ingegaan op de +beginselen, bij den raatbouw toegepast, omdat juist dit het punt +is waar de gedachtelijnen van de oude en nieuwe naturalisten op +eigenaardige wijze van elkaar gaan afwijken. Beide scholen komen in +hoofdzaak in dit ééne punt overeen, dat uit ééne almachtige bron alle +levensvormen zijn voortgevloeid; en het doet weinig tot de zaak af of +zij de tijdruimten gedurende welke de schepping van alle dingen werd +volbracht, bij eeuwen rekenen of volgens de oude bijbelsche metafoor, +bij dagen. Maar terwijl de oude school zich houdt aan verschillende +hoedanigheden van leven: de onsterfelijke ziel in den mensch, en +een mystiek onderbewustzijn, een sterfelijk iets, instinkt genoemd, +in het dier--kan de nieuwe school geen ander verschil dan een van +graden ontdekken tusschen de geestelijk uitrusting van den mensch +en die van de dierlijke schepping. Tusschen de honingbij en haar +meester opent zich zeker een immense kloof; maar zij is merkbaar te +overbruggen. En tenzij wij besloten zijn met verkrachting van alle +logica een geliefkoosd stel vierkante meeningen te dwingen in de +ronde openingen van waargenomen feiten, is het moeilijk te gelooven, +dat de oude stelling houdbaar zal blijven. + +Wat dit bijzondere vraagstuk van den raatbouw betreft, wordt er nog +steeds een poging gedaan om aan te toonen, dat die niet anders zijn +kan dan het gevolg van sommige natuurwetten, en geheel onafhankelijk +van eenig intellekt of wil, die van de bijen zou uitgaan. Men zegt +ons dan, dat het begin van de cellen altijd cirkelvormig is; maar dat +zij naderhand geheel mechanisch tot den zeshoekigen vorm overgaan, +tengevolge van de wetten van wederzijdschen druk. En als bewijs hiervan +wordt er op gewezen, dat de buitenste cellen van een raat, die niet aan +de wetten onderworpen zijn, gewoonlijk min of meer ronden vorm hebben. + +Deze druktheorie is eigenlijk geen ernstige beschouwing waard; want +het is duidelijk, dat de groei der raten vrij en ongehinderd in zijn +werk gaat in alle opzichten. Als de bij haar cellen met zes zijden +en een pyramidale basis gedachteloos vormt, en onder het juk van een +katagorisch moeten, dan is dat zeker niet omdat de cellen elkaar dien +vorm opdringen zooals Buffon's erwten in een flesch. + +En als wij gelooven, dat de bij geblinddoekt werkt onder de wet +van wederzijdschen druk, dan moet ieder nauwkeurig onderzoek van +haar werk ons wel overtuigen, dat wij hier het eene wonder op zij +zetten voor een ander, dat nog grooter wonder is. Want dan zien wij +een natuurwet een heel onnatuurlijke eigenschap aannemen, n.l. die +van vernuftige aanpassing aan de omstandigheden. De raten voor +het gebruik in den broedbouw bedoeld, worden in twee verschillende +grootten vervaardigd. Degenen, die het werksterbroed moeten bergen, +hebben cellen van 0,5 m.M. middellijn en zijn iets minder dan 1.25 +m.M. diep; terwijl de darrencellen 0.625 m.M. middellijn hebben en +ongeveer 1,50 m.M. diep zijn. Deze zoo van elkaar verschillende cellen +liggen niet door elkaar heen over de geheele raat; maar in groote +groepen bijeen. Sommige raten bestaan bijna geheel uit werkstercellen, +waarvan het grootste aantal vereischt wordt, en andere weer uit +groepen van beide soorten. + +De bijen beginnen een raat met een klein kluitje was aan het dak +van den korf vast te kleven. Aan iederen kant van dat kluitje maken +zij daarna een kleine holte, die de grondvlakken van de eerste +cellen moeten vormen. Dan gaan zij aan het uitbreiden op zijde, +en naar beneden, terwijl de celbases in alle richtingen zoo snel +mogelijk vermenigvuldigd worden, zoodat er al een heel groot getal +aangelegde cellen bestaat, lang vóór dat de wanden van de eerste zijn +afgewerkt. Voor deze methode van werken bestaat een zeer grondige +reden. Wanneer een huis gebouwd wordt, legt men eerst zooveel mogelijk +van de fundamenten zoodat er daarna een groot getal metselaars tegelijk +aan het werk kunnen gaan bij het optrekken der muren; de bijen gaan +van hetzelfde beginsel uit als zij die groote uitbreiding aan hare +celgrondlagen geven. + +Als ongeveer de helft van de broedraten voor werksterbroed gebouwd +is, wordt er waarschijnlijk vastgesteld, dat de darren-celbouw kan +beginnen. Daar de grondvlakken van de darrencellen grooter zijn dan +die van de werksters, begrijpt men, dat er eene verandering moet +komen in het grondplan van de raat. De bijen bereiden dezen overgang +heel handig voor, blijkbaar trachten zij er naar, de regelmaat van +de raat zoo min mogelijk te verbreken. Somtijds bereiken zij die +verandering zonder nagenoeg eenig ruimteverlies; maar het komt meer +voor, dat er eerst eenige wanschapen cellen noodig zijn, voordat de +raat weer haar gewonen systematischen voortgang kan hebben. Dit hangt +heel veel af van de overgeërfde handigheid der bijen, die bij ieder +volk verschillend is, zooals alle ervaren ijmkers weten. + +Als nu de bijen hun raten bouwen onder den blinden drang der wet +van wederzijdschen druk, welke andere wet, vragen wij dan, heft dan +deze weer op wanneer de overgang van de kleinere tot de grootere cel +gemaakt moet worden? Als dat alles een soort van kristallisatie is, +die werkt geheel onafhankelijk van wil of verlangen der bijen, dan +is het wel meer dan verwonderlijk, dat de molen grof en fijn maalt, +al naar de vereischten van den korf. + +Maar de geheele veronderstelling is eigenlijk niets anders dan +een treffend voorbeeld hoe verkeerd het is gevolgtrekkingen te +maken uit een vergelijking. Geweekte erwten in een flesch zwellen +op tot zeshoeken of liever twaalfhoeken, tengevolge der wet van +wederzijdschen druk. Zeepbellen doen hetzelfde zonder andere +drukking dan die van hun eigen gewicht. Maar erwten en zeepbellen +waren op zichzelf bestaande dingen voordat zij te samen gebracht +werden. Als de bijen een groot aantal losse ronde cellen maakten +en ze dan alle gelijk te samen voegden, zouden zeker alle cellen, +behalve de buitenste, den vorm van zeskanten krijgen. Maar juist de +essence van de kunst en het vernuft der bijen ligt in het feit, dat +zoo iets als een afzonderlijke cel niet bestaat. Iedere afdeeling in +de raat heeft zijn deelen gemeenschappelijk met niet minder dan negen +andere afdeelingen. En te praten van wederzijdschen druk wanneer er +geen zelfstandig bestaan is, noem ik het zeestrand ploegen. + +Er zijn nog andere omstandigheden in verband met den bouw der raten, +die heel veel bijdragen tot bevestiging van de stelling, dat de bijen +door verstand geleid worden, en door een verstand van de hoogste +orde. Wij hebben al gezegd, dat het inwendige van een korf overdag +niet geheel donker is. Waarschijnlijk hebben de bijen gedurende hunne +bezigste uren altijd genoeg licht om hun weg te vinden met behulp +van hun verwonderlijke binnenhuis-oogen, die, onder den mikroskoop +gezien, al de plechtige wijsheid in zich hebben van uilenoogen. Maar +het is een feit, dat het bouwen der raten in den nacht verricht wordt, +als al de andere bezigheden tijdelijk zijn geschorst. Waarschijnlijk +is wat voor onze menschenoogen de zwaarste duisternis schijnt, in +'t geheel geen duisternis voor bijen; in ieder geval, voor ons is +het of de honingraat in het duister gemaakt wordt. + +Intusschen worden zij naast elkaar gebouwd en dikwijls +tegelijkertijd. Zij groeien tegelijk in benedenwaartsche richting, en +behouden toch altijd hun juisten afstand van elkaar; zoodat, als zij +voltooid zijn, er een doorgang blijft tusschen de verzegelde cellen, +van ongeveer een 0.6 centimeter, juist genoeg voor de gaande en komende +bijenstroomen om elkaar rug aan rug te kunnen voorbijgaan. Hoe worden +nu die afstanden gelijk gehouden, daar de bijen aan het werk zijn +aan den bovenrand van iedere raat, en van elkaar gescheiden door een +leege donkere ruimte van 3 tot 4 c.M. ongeveer? + +Een eenvoudige proef zal dit onmiddellijk ophelderen. Als een korf, +waarin een zwerm ongeveer de halve diepte van den raatbouw voltooid +heeft, even schuin wordt gezet, zoodat de raat uit de loodlijn komt, +en men dan den korf zoo eenige dagen laat staan, dan zal men daarna +bemerken, dat van het oogenblik van de stoornis af, bij den verderen +bouw de nieuwe vertikale lijn gevolgd is; de raten zullen alle een +lichte helling naar één kant vertoonen. Dit beduidt, dat de bijen +òf een natuurlijken zin voor de loodrechte richting hebben, òf, +dat zij met de loodlijn werken zooals de mensch gedwongen is te +doen. En het schijnt werkelijk een feit, dat de recht naar beneden +hangende waswerkstertros den dienst doet van een levend paslood, +en de richting aangeeft voor den groei der raat naar beneden. + +Maar hangen de bijen wel altijd hun raten op? Bouwen zij nooit +hun wassen voorraadschuren zóó, dat zij laag op laag optrekken van +den vloer af, naar de manier van dat meer intelligente schepsel, +den Mensch? + +Wat hier het eerst van te zeggen valt, is, dat zulk een afwijken van +hun vaste methode geen vooruitgang, maar een stap terug zou zijn. Deze +lange raatmuren van de bijen doen zeer sterk denken aan de nieuwe +Amerikaansche "wolkenkrabbers". De moeielijkheid bij het oprichten +van dergelijke gebouwen is een basis te verkrijgen voldoende voor +de hoogte. Als de Amerikaansche ingenieurs over materiaal konden +beschikken, dat een voldoende spanningskracht bezat, en er bovendien in +de natuur iets was om de skyscrapers aan op te hangen, dan zou het, +wetenschappelijk gesproken, zeker praktischer zijn deze gebouwen +te laten ophangen, dan ze op te richten, omdat zij dan volgens +natuurlijke strekking hun vertikale richting zouden behouden en het +grondslag-vraagstuk was dan van de baan. En daar de bijen grondstof +van ideale spanning bij de hand hebben en een geschikte hangbalk, +laten zij om dezelfde reden wijselijk hun zwaargeladen raten van het +dak afhangen, in plaats van ze op te zetten zooals sommige mieren +doen bij hun bouw. + +Maar ongetwijfeld worden zij hier geleid door een ervaring +van eeuwen hèr van het ras en worden zij niet verhinderd door +gebrek aan bekwaamheid om de door den mensch bevonden methode te +volgen. Zelden--slechts zóó zelden, dat de schrijver, gedurende het +lange tijdsverloop dat hij onder bijen verkeerde, er niet meer dan +éen voorbeeld van heeft gezien, bouwen de bijen hun raten opwaarts, +als de omstandigheden geen andere mogelijkheid toelaten. En dit is zoo +goed als een laatsten nagel slaan in de doodkist van die ongelukkige +instinkt-theorie, en tegelijk er een grafschrift bij maken. + +In het vermelde geval was een doos met glazen bodem omgekeerd over +het voedingsgat van een gewonen korf gezet en was daar vergeten. In +den loop van het seizoen geraakte de korf vol met bijen en honing, +en het werd dringend noodig in de doos boven op den korf nieuwe +proviandraat te bouwen. Maar het gladde glas bood geen vasten voet aan +de metselbijen. Keer op keer moeten zij wel opnieuw gepoogd hebben om +er den bouw te beginnen, met hun wastaschjes vol, en nooit mocht het +gelukken; het was niet mogelijk hier op de gewone wijze te bouwen. Toen +zijn de korfingenieurs, door de moeilijkheid geprikkeld, iets anders +begonnen. Op den planken vloer beneden legden zij het plan uit voor +een voorraadschuur niet volgens de gewone methode van parallelraten; +maar een regelmatig, langwerpig huis met cellulaire provisiekamers en +daartusschen verbindingsgangen. Hierop bouwden zij laag op laag van +horizontale cellen, tot het glazen dak bijna bereikt was. Toen zij op +dit punt gekomen waren, was waarschijnlijk de groote honingoogst buiten +gedaan; want de cellen van het proviandhuis werden nooit verzegeld, +hoewel zij bijna geheel vol met honing waren; later in den tijd werd +dit honinghuisje gevonden en meegenomen door den ijmker, die het nog +bewaart als een bijzondere kuriositeit. Hij draagt een welbekenden +naam: Dr. Herbert Mac Donald Phillpotts, van Kingswear, Devon, en +zijn getuigenis betreffende het vervaardigen van dit merkwaardige +honinghuisje is boven allen twijfel verheven; maar bovendien draagt +het zijn eigen onfeilbaren stempel van echtheid. Alle honingcellen, +door bijen gemaakt, hebben een lichte opwaartsche buiging, waardoor, +zooals reeds verklaard werd, het uitvloeien van den inhoud wordt belet, +tot zij kunnen verzegeld worden. En iedere cel in dit proviandhuisje +vertoonde duidelijk het opstaande kantje. + + + + + + +HOOFDSTUK XIII + +WAAR "HET BIEKEN HONING PUURT". + + +Het is een eigenaardig feit, dat zij, die van bijen onkundig zijn, +zich dikwijls angstig toonen waar geen gevaar dreigt, en met de +stoutmoedigheid, uit onwetenheid geboren, zich dáár wagen, waar juist +de oude, ervaren bijenkenners niet graag een voet zouden zetten. + +Bij dit onberekenbaarste van alle schepselen is het humeur nog +onberekenbaarder dan al het andere. Er zijn tijden, b. v. als er een +onweer dreigt en de lucht geladen is met elektriciteit, dat men zich in +een wis gevaar begeeft als men onder bijen gaat; en dan weer, b.v. in +het seizoen van den vollen nektaroogst, kan men zich letterlijk alle +vrijheden met hen veroorloven, zonder dat er eenige wraak te duchten +is. Toch is dit ook weer geen regel. Er hangt hier heel veel af van +hun afkomst en de zuiverheid van het ras, en ook van de methode van +den ijmker. Bijen zijn, als andere huisdieren, zeer gevoelig voor +een wijze en tegemoetkomende behandeling. Als men doortastend, rustig +en gelijkmatig met ze weet om te gaan, is men bij de kwaadaardigste +kolonie dikwijls volkomen veilig; terwijl de zachtaardigste bijen tot +eene onmiddellijke oorlogsverklaring overgaan bij eene schutterige, +onhandige aanraking. + +Sedert de Italiaansche bij, ongeveer een halve eeuw geleden, naar +Engeland is overgebracht, is er zeker een aanmerkelijke wijziging +gekomen in het Engelsche ras. Zelfs twijfelen eenige autoriteiten +er aan of er in werkelijkheid nog wel volkomen raszuivere Engelsche +bijen over zijn. Men ziet de gouden gordels van de Italiaansche +op de onmogelijkste plaatsen opduiken; het vreemde bloed schijnt +overal in het ras te zijn doorgedrongen, behalve in de allerverste +uithoeken. Het is zeker te betreuren, hoewel dit berouw nu te laat +komt, dat men ooit die ongewenschte vreemdelingen op onze terreinen +toeliet. Wat in eenig land gedijt en er blijft voortbestaan, moet voor +dat bijzondere land wel het best geschikt zijn, en deze zuidelijke +bijenrassen schijnen, en zeer in het nadeel van onzen Engelschen +stam, aan het ras eigenaardigheden te hebben teruggegeven, die bij +de inheemsche bij door lange kultuur geheel verdwenen waren. Veel +van de prikkelbaarheid en vatbaarheid voor verschillende ziekten, +die wij bij de hedendaagsche honingbijen opmerken, zijn min of meer +terug te brengen tot de inmenging van het vreemde bloed, en het +groote en bijzondere voordeel van de Italiaansche bij, de beroemde +en wijd en zijd uitgeklonken lange tong--is gebleken een fabel te +zijn. Ontelbare opmetingen gedaan door onze grootste wetenschappelijke +bijenkenners hebben aangetoond, dat de tong van de Italiaansche bij +niet langer is dan die van eenige andere; echter kennen de meesten +haar zeer gereedelijk een bijzonder langen en tot steken bereiden +angel toe. Maar hier zijn wij onrechtvaardig: de Italiaansche werkbij +van zuiver ras is even goed of slecht gehumeurd als iedere andere +van haar soort. Het zijn de eerste kruisingen met de inheemsche bij, +die zich zoo uitdagend en wraakzuchtig aanstelden, en daaraan heeft +het geheele ras zijn slechten naam te danken. + +In den rijksten oogsttijd--die in Zuid-Engeland al in Mei aanvangt, +vroeg of laat, al naar het jaargetij uitvalt, en die dikwijls zes +weken duurt--, komt het heel veel voor, dat men de angstige wandelaars +ziet rennen langs de voetpaden tusschen de klavervelden, verschrikt +door de geweldige roezigheid van de inzamelende bijen. Wanneer die +velden zeer uitgestrekt zijn en het een bijzondere heldere dag is, +krijgt dat geluid een omvang, dat men het haast niet meer houden +kan voor een zang van werk en rust. Het lijkt meer op het dreunen +van een algemeenen bijenoorlog, en het is niet te verwonderen, dat +de onkundigen wat zeden en gewoonten der korven betreft, zich niet +wagen in wat hun zeker een tooneel van moord en doodslag lijkt. + +En toch is er in het heele jaar geen seizoen, waarin de bij minder +geneigd is haar menschelijke medeschepselen te lijf te gaan. Zoo lang +het honing-weder blijft aanhouden--de warme nachten waarin de nektar +wordt afgescheiden, en de regenlooze dagen als hij kan ingezameld +worden--is zij haast niet tot een aanval te prikkelen, al wordt haar +huis ook binnenste buiten gekeerd, zoodat het zonlicht plotseling +het duister door en door zeeft. + +Tot voor betrekkelijk korten tijd was algemeen aangenomen, dat honing +een zuivere, onaangeroerde afscheiding der planten was, en dat behalve +het inzamelen en opleggen, de bijen geen deel aan zijn voortbrenging +hadden. Dit is echter een ernstige vergissing. Honing moet vervaardigd +worden, en verschilt bijna in alle opzichten van de zuivere sappen, +die in de verschillende bloemen worden afgescheiden. De bloemennektar +schijnt, vóórdat de bij hem heeft ingezameld, geen enkele van de +elementen te bezitten, die den rijpen honing samenstellen. Drie +vierde van het volume bestaat uit zuiver water, waarin ongeveer 20° +rietsuiker is opgelost, terwijl de rest bestaat uit vluchtige olieën +en gommen, die er den bijzonderen smaak aan geven. Maar rijpe honing +bevat heel weinig water, nooit meer dan een zesde van zijn volume. En +de suiker in honing is bijna geheel druivensuiker. Honing is ook zeer +bepaald zuur, terwijl nektar positief neutraal is. En de olieën en +aromatische essencen van de bloemsappen zijn gerijpt en overgegaan +in den welbekenden honinggeur, die op niets anders ter wereld gelijkt. + +Het staat vast, dat het verwerken van den nektar tot honing +onmiddellijk begint als de bij het zoete sap uit de bloem tot zich +neemt. Als het vocht in den honingzak komt, is het al vermengd met de +zure afscheiding van de klier aan den tongwortel. Komt de bij in den +korf terug dan brengt ze niet dadelijk den honing in de cellen; maar +geeft dien over aan een van de huisbijen, die hem naar de honingraten +overbrengt. Het is zelfs waarschijnlijk, dat hij nog een tweeden keer +wordt overgegeven vóór hij in de cel komt, maar dat punt is nog niet +vastgesteld. Het gevolg van het overgeven aan een ander is, dat er +meer zure eigenschappen aan het oorspronkelijke sap worden toegevoegd. + +De honing schijnt in den korf een geregeld brouwproces te +ondergaan. Hij wordt gehouden op een temperatuur van 80° of 85° +Fahr. en daarbij gaat het overtollige water in damp over. Op die +wijze verliest de ruwe nektar minstens 2/3 van zijn natuurlijk +volume, voordat hij definitief tot honing wordt omgewerkt. Men zegt +dat op het laatste oogenblik, juist vóordat iedere cel verzegeld +wordt met een ondoordringbaar wasdekseltje, de bij zich ronddraait +en een droppel van het vergif uit haar angel in den honing spuit; +maar hiervan schijnt niet het geringste bewijs aanwezig. Het is waar, +dat de inhoud van het gifzakje voornamelijk uit mierenzuur bestaat, +dat zéér bederfwerend is; en het is ook een feit, dat er sporen +van mierenzuur in allen honing te vinden zijn. Maar het is toch ook +stellig bewezen, dat dit zuur zijn weg tot den honing vindt uit het +klierensysteem van de bij en niet door den angel. + +De ijver, door de bij aan den dag gelegd bij het nektarzamelen, is +altijd een punt van verbazing geweest en algemeen werd verondersteld, +dat zij met het volle instinkt voor haar taak geboren wordt. Maar gaat +men aan het waarnemen, dan ligt die theorie al heel gauw omver. Dit +werk moet stap voor stap geleerd worden, zooals alle bijenwerk, dat een +zekere bedrevenheid vereischt. De jonge bij gaat met den besten wil van +de wereld op haar eerste vlucht uit, en haar nabootsingsvermogen is in +hoogen mate ontwikkeld; maar met verdere gaven voor dezen specialen +arbeid schijnt zij niet te zijn toegerust. Haar eerste pogingen zijn +een opéénvolging van vergissingen. Zij schijnt niet zeker te weten +waar dat begeerde zoet eigenlijk te vinden is, en men ziet haar soms +op de onaannemelijkste plaatsen met een ernstig onderzoek in de weer, +bij spleten in een muur, toefjes gras of de bladen van een plant, +inplaats van bij de bloemen. Het feit, dat de nektar onder in de +bloem verborgen is, voorbij het stuifmeeldragend mechanisme, schijnt +pas voor haar te dagen na heel wat nadenken en vergeefsche moeite. + +Het is bewezen, dat bijen soms tot twee en drie mijlen ver gaan op haar +inzamelvluchten. De afstand schijnt in verband te staan met den aard +van de streek. De bijen uit een heuvelland wagen zich maar op kleine +afstanden van huis, terwijl in een vlakker streek de reizen veel verder +worden uitgestrekt. De bijen-lijn is spreekwoordelijk geworden voor +den rechten koers; maar het is te betwijfelen of de bij ooit volmaakt +rechtuit vliegt van punt tot punt. De waarheid schijnt te wezen, +dat er vaste lucht-wegen uit en thuis voor iederen bijentuin zijn, +en dat die altijd door een dichten stroom gaande en komende bijen +bezet zijn, gedurende de dagelijksche werkuren. Deze verkeerswegen +liggen hoog boven de hoogste hindernissen, zóó hoog zelfs, dat het +scherpste gezicht ze niet ontdekken zal. Alleen de bezige zang van de +reizigers is te hooren, als was er een zingende rivier hoog boven ons. + +In de South Down streek, waar de afgelegen boerderijen ieder omgeven +zijn door hun kompakt akkersysteem met bloeiend schapenvoêr, +en waartusschen niets te zien is dan mijlen en mijlen van kaal +kortgrasland, kunnen die bijen-wegen in de lucht gemakkelijk gevonden +en bestudeerd worden. Terwijl ge over het veêrend, golvend gras loopt +in den kalmen vrede van een zomermorgen, dringt plotseling een verre +vage toon tot u door, alsof hoog in het blauw een enkele harpsnaar werd +aangeslagen. Ge doet een paar stappen en hebt hem weer verloren; gaat +ge terug dan hoort ge hem weer. Zien doet ge niets, hoe ge uw oogen +ook moogt inspannen; maar de oorzaak van het geluid is duidelijk, +en met een beetje moeite kunt ge heel gauw de hoofdrichting van de +vlucht uitmaken, en ge ziet dan verderop in de laagte het complex +van de daken eener boerensteê met zijn geplekte akkers er omheen, +wit van klaver of rozerood van Espareette, in vollen bloei. + +Er is misschien op de geheele wereld nergens zulke kostelijke honing +te vinden als in deze afgelegen Downlandsche boerderijen. Bij den +gewonen verbruiker is honing eenvoudig honing en daarmee uit. Maar +de bijenman weet, dat de honing evenzoo veel kwaliteiten kent als de +wijn. Bij een eerste proefje kan hij onmiddellijk zeggen uit welke +bloemen hij gemaakt is, of hij uit één of meerdere bronnen bijeen +is gezameld, of hij enkel bloemessence is, of bezoedeld is geworden +door dien afschuwelijken honingdauw, die in 't geheel geen honing +is. Beneden in het laagland is het, behalve in de zeldzame seizoenen, +als er maar één soort van oogst is, bijna volslagen onmogelijk honing +te krijgen van slechts één enkele bron. Maar hier op de heuvelen +worden de bijen niet aangelokt door kleurige tuinen, met hun zwakke, +waterige zoetigheid, noch worden zij er verleid door den groven +liguster, of de paardenkastanje of zonnebloem. Neen, er is maar één +gerecht op tafel: maar dit is dan ook onuitputtelijk, onbegrensd. Zij +hebben niet anders te doen dan heen en weer te vliegen uit en thuis, +tusschen hun korf en één enkelen akker. + +Het is heel moeielijk met het schatten van de hoeveelheid honing, +die één oogst van bloemen oplevert, de waarheid ook maar eenigszins +te benaderen. Maar gesteld, dat alle omstandigheden meewerken, dan +komt er op ieder roede Hollandsche klaver ongeveer vijf pond zuivere +honing per dag, zoolang het veld in vollen bloei staat. De nektar wordt +klaarblijkelijk door de bloem afgescheiden als aantrekking voor de +bijen, die, met hun stuifmeel beklodderd lichaam er op neer vallend, +onbewust de bevruchting bewerken. Onmiddellijk nadat dit doel bereikt +is, schijnt het nektarvloeien in iedere bloem afzonderlijk op te +houden en de honingdraagster gaat haar voorbij. + +Als men de oude boeken over bijenkultuur bestudeert, verbaast men zich, +dat er de honingdauw zoo geprezen wordt, terwijl er in de moderne +bijentuinen niet genoeg kwaad van kan gezegd worden. Men hoort daar, +dat onmiddellijk wanneer de bijen honingdauw beginnen te zamelen, +de honingsecties uit de korven worden genomen, of de goede honing zou +bedorven zijn, wat kleur en smaak betreft. Men toont ons een leelijk +donker waterig goedje, dat zorgvuldig door de bijen verzegeld is en +men vertelt, dat dat haast enkel honingdauw is. Maar dan vraagt men +zichzelf af: "kan dit dezelfde stof zijn, die door de oude meesters +zoo vurig geprezen wordt?" De waarheid is, dat wanneer de oude en +middeleeuwsche schrijvers van honingdauw spraken, zij dat woord in 't +algemeen gebruikten voor alles wat de bijen inzamelden. Voor hen was +alle honing een dauw, een goddelijk goed uit den hemel geregend; en het +is volkomen in overeenstemming met het algemeen gebrek aan bijenkennis +tot ongeveer het begin van de negentiende eeuw toe, dat zóó weinigen +hebben gegist, dat bloemen iets met de zaak te maken hadden. Vergilius +en de andere klassieken gaven uitsluitend den toon aan voor allen, die +maar op eenige beschaving aanspraak maakten, en zelfs de naturalisten +schijnen de wilde natuur alléén maar bestudeerd te hebben om de feiten +aan te passen aan oude dichterlijke fantasieën. De oude schrijvers +verklaarden het verschil in de hoedanigheid van den honing als +veroorzaakt door den invloed van de sterren, die op het tijdstip +der inzameling aan den hemel rezen, en de honing was goed of slecht +naarmate die invloed gunstig of ongunstig was. + +De hoedanigheid en samenstelling van den honing kan oneindig +verschillen, afhankelijk als zij zijn van de verschillende +nektarbronnen; maar ongetwijfeld verdient de honingdauw ten volle +zijn slechten naam bij de moderne bijenhouders. Er worden door de +Engelsche natuurkundigen misschien driehonderd soorten van bladluizen +(aphides) onderscheiden, en al deze scheiden het zoete vocht af, dat +onder sommige omstandigheden door de bijen wordt ingezameld. De smaak +van dezen honingdauw verschilt naar de soorten van bronnen, waarop +het sap gevonden wordt. Waarschijnlijk zijn de meeste soorten niet +anders dan een zoet, eenigszins wee smakend vocht, dat in zuiveren +staat den echten honing niet veel in smaak doet afwijken, tenminste +voor een ongeoefend smaakorgaan. Maar, helaas voor de ijmkers, is +de eik door die parasieten het meest gezocht; niet minder dan zes +variëteiten houden zich òp op die ééne boomsoort. En de honingdauw +van den eik is een walging. Vrij algemeen wordt verondersteld, dat de +eerste koude nachten, die het begin van het honingseizoen kenmerken, +de productie van honingdauw prikkelen; want na zulke kille nachten +ziet men gewoonlijk de bijen aan het werk op de boomen waar de +bladluizen huizen. Het is echter een aannemelijker theorie, dat de +koude de afscheiding van den honingdauw niet versnelt; maar eerder de +rechtmatige honingbronnen voor de bijen afsnijdt, juist wanneer zij +nog in den vollen werktijd zijn; en zoo zijn dus de immense legers van +proviandzoekers tijdelijk werkeloos en moeten een nieuw veld vinden +om hun dringenden ijver te uiten. De afscheiding van den echten +nektar geschiedt in hoofdzaak 's nachts, en vraagt een temperatuur +van ongeveer 70° Fahr. Iedere lagere temperatuur beduidt schraalte +voor den volgenden dag, hoe mooi en warm het weer dan ook zijn moge. + +De donkere kleur van de bladluisstroop--en het kleinste beetje er +van bederft al de markt voor den prachtigsten honing--schijnt zoowel +veroorzaakt te worden door vreemde stoffen als door zijn eigen slechte +hoedanigheid. Er leeft een eigenaardige fungus op de schors van vele +boomen, waarop bladluizen huizen, de roetfungus. Deze wordt met den +honingdauw samen tot een donkere troebele massa--en zeer zeker zou +zelfs het geringste spoor er van genoeg zijn om den kostelijksten +honing te bederven. Er schijnt voor de ijmkers niets anders over te +schieten, dan tegen het eind van het honingseizoen acht te geven op +de eerste kille nachten, en dan heel vroeg in den ochtend er bij +te zijn om de reserve honingraten uit te korven te nemen, vóór de +bijen gelegenheid hebben gehad ze te bederven. Maar de bij is geen +heldin in het vroeg opstaan, al staat zij nog zoo hoog aangeschreven +in 't boek der moraal. Gewoonlijk wacht zij tot de morgenzon den +nachtdauw heeft opgedroogd en de bloemkelken verwarmd, en dan gaat +zij pas in ernst aan den arbeid. De eerste vroege bijen, die men +in het eerste zomermorgenlicht ziet uitvliegen, zijn waarschijnlijk +waterdraagsters. In den broedtijd is voor iederen korf het water-dragen +de eerste en de laatste zorg van den dag. Ieder bijenpark schijnt zijn +eigen vaste waterreservoir te hebben, gewoonlijk de moerassige rand +van een naburigen vijver; en hier kan men heele bijenbataillons zien +drinken, in den vroegen morgen en tegen den laten namiddag, terwijl +zij midden op den dag bijna geheel verlaten zijn. Het is aardig, +dat deze tijden van het water-innemen samenvallen met die waarin +het minst nektar te verkrijgen is, of wanneer de voorraad van dien +dag is uitgeput; en hier valt weer een zijlicht op de economische +eigenschappen van het bijenvolk. + +De bijen op hun honingoogsten te volgen, staat gelijk met een +overzicht te nemen van den geheelen natuurlijken groei en leven, +het jaar rond. In Zuid-Engeland wordt de eerste nektar van de wilgen +verkregen, die laat in Maart in bloei komen, maar hun zoet terughouden +tot het eerste mooie warme weer volgt op de kille noordewinden. Er +kan weinig of veel wilgenhoning zijn, al naar de nacht-temperatuur +geweest is. Gewoonlijk gaat dat met horten en stooten. Soms zijn +een paar dagen lang hier en daar de wilgen overstroomd met bijen, +en soms gedurende weken heelemaal verlaten. Het is waar, dat altijd +wanneer de zon schijnt, die boomen, die als gouden toortsen opstaan +in het nevelig purper van de knoppende bosschen, vol zijn van een +zoemende menigte; maar dat zijn enkel stuifmeeldraagsters. De wilgen, +die den nektar inhouden, hebben een bescheidener aanzien. Hun katjes +zijn klein: dichte, groene kwastjes; en als een warme nacht hun +voordeel heeft gebracht, lokken zij de drukke zangers van mijlen +uit de rondte. De ijmkers laten gewoonlijk de wilgen als honingbron +buiten hunne berekeningen; maar in waterrijke distrikten en in gunstige +seizoenen behooren zij toch niet voorbij gezien te worden. Het gebeurt +soms, dat April inzet met een opeenvolging van zachte zonnige dagen +en warme nachten, en dan zijn de korven plotseling boordende vol +van wilgenhoning. Als de gele katjes uit het gezicht verdwijnen, +verdwijnen licht ook de wilgen uit het geheugen, en het schijnt niet +algemeen bekend, dat de vrouwelijke katjes voortgaan met rijkelijk +nektar af te scheiden tot soms het eind van Mei toe. + +Goede honingjaren zijn zeldzaam onder de veranderlijke Engelsche +luchten; maar de natuur geeft toch blijkbaar aan de bijen een +onafgebroken reeks van honingafscheidende planten, gedurende de +geheele lengte van het lente- en zomerseizoen; en stuifmeel is er, +wanneer maar een zonnige dag hen naar buiten lokt. De witte klaver +is zelden in bloei vóór de eerste week van Juni; maar van de eerste +wilgen in Maart af, tot de laatste van de bloemenoogsten in het eind +van Juli, is er voorraad te over, als de wispelturige zon maar haar +plicht wil doen. Als gevolg van de tegenwoordige wijze van het land +te bebouwen is de klaver de hoofdbron voor den honing, tenminste voor +Zuid-Engeland; maar de kenners zijn het er nog niet over ééns, welke +plant eigenlijk den volstrekt volmaakten honing levert. De Schotten +zijn o--wonder!--in dit enkel geval roerend éénstemmig en willen +op dit punt van niets anders hooren dan van hei; zij onderscheiden +daarbij nauwkeurig de dopheide, die goed, en de struikheide die nog +onvergelijkelijk veel beter is. Maar er is toch een honingsoort, +of liever een honingkombinatie, die ze alle overtreft, die echter +even zeldzaam en kostbaar is als de eens beroemde druivenoogst in +een komeetjaar. Men verkrijgt ze alléén dan, als de appelbloesem en +meidoorn met hun vollen bloei tegelijk komen, en dat kan alleen wanneer +een koude April den appel heeft teruggehouden, en een zomerachtige +Mei den bloei van den meidoorn heeft verhaast. Want dan voegt zich +bij den zachten fijnen appelbloesem-nektar, de pittige amandelgeur +van de mei, en zoo wordt de honing, uit die twee samengesteld, de +allerfijnst denkbare lekkernij. + +Men heeft zich er dikwijls over verwonderd dat een van de meest +algemeen gekweekte planten, de roode klaver, zoo zelden door de +honingbij bezocht wordt, terwijl die velden den heelen dag vol +zijn van het sonoor trombone-geluid der hommels. Het is wel waar, +dat de tong van de honingbij niet in staat is den bodem van de +lange bloemkelk van de roode klaver te bereiken; maar dat zou haar +zeker niet terughouden als de nektar de moeite van het garen waard +was. Zij zou de bloem aan de basis doorbijten, zooals zij het bij +veel andere bloemen doet en zoo haar beter toegerusten mededinger een +vlieg afvangen. Maar roode klavernektar is schraal van samenstelling +en grof van smaak. In den vollen bloeitijd zou zij een onbeperkte +hoeveelheid honing leveren; maar juist op dien tijd kan de bij veel +voordeeliger werkzaam zijn. Nadat de eerste oogst van roode klaver +gesneden is, komt er gewoonlijk een nabloei met minder ontwikkelde +bloembuizen, die dus korter zijn dan de vorigen en nu beginnen ook +de betere nektarbronnen hard te verminderen. En de bij, voor wie in +tijden van voorspoed het beste maar juist goed genoeg is, moet haar +smaak wijzigen naar de omstandigheden. Daarom is zij in dezen tijd +ook zeer in de weer in de roode klaver. En hoort men haar helderder +zachter toon tusschen de meer schorre contra-ält van de hommels, +dan kan men rekenen, dat de hoogtijd van het jaar voorbij is, en de +gevulde sekties moeten zonder verwijl uit de korven genomen worden. + + + + + + +HOOFDSTUK XIV + +DE DAR EN ZIJN GESCHIEDENIS. + + +Een feit is het dat alle bijenhouders enthousiasten zijn; en het is ook +een feit, dat een omgang van jaren met de korven onvermijdelijk een +vertrouwd kameraadschap kweekt, een voortreffelijke verstandhouding +tusschen den ijmker en zijne legioenen. Maar even waar is het ook +dat hoe meer men den aard der honingbij bestudeert, hoe minder men +behagen gaat scheppen in sommige harer gedragingen. + +Als de jaren verloopen besluipt de ziel van den ouden bijenman een +gevoel voor de honingbij als een soort van heilig ontzag. Zij is +zoo duidelijk een kracht in haar kleine wereld, zulk een heerschende +macht; zij is zoo moedig, zoo vernuftig, heeft zooveel hersens. Alle +zwakheden en concessies en haast alle vreugden zijn al lang uit haar +leven verdreven, oogenschijnlijk door eigen wil en doorzetting; maar +hiermede heeft zij dan ook de kunst van het burgerschap geraffineerd +tot op de zuivere elementen. Haar volstrekte onzelfzuchtigheid, +haar volkomen overgave van zichzelve aan het wel van den staat, +staan onweersprekelijk vast en zijn onveranderlijk. Het openbare +leven der bijen is, als geheel genomen, zóó zeer onze bewondering +waard, en in eene vergelijking met sommige menschelijke pogingen in +die richting, komt hare voortreffelijkheid zóó duidelijk naar voren, +dat men wezenlijk geneigd wordt al hare hoedanigheden tot deugden +te verheffen; en men komt dan allicht tot de slotsom, dat het niet +anders dan een vèrziende en alwijze goedheid kan geweest zijn, die +den bijenstaat tot zijn volkomenheid bracht, en niet de koude strenge +logica, die hem in werkelijkheid gevormd heeft. + +Dit onverbiddelijk omsmelten van het leven in de vaste vormen van +"beginsel zonder barmhartigheid of feil" krijgt op den duur zulk een +macht over den geest van den beschouwer, dat hij vroeger of later, +al heeft hij sedert lang alle vrees voor den angel verloren, een +ander soort van vrees voor de honingbij in zich voelt ontwikkelen, +die het meest gelijkt op een vaag ontzag. + +En juist zooals Mozes Rusden, 's konings ijmker, in de wereld der +honingbij het bewijs van een goddelijken wil zag, toepasselijk op het +aardsche koningschap, zoo komt de man, die in dezen tijd de honingbij +bestudeert, er toe zich de vraag te stellen, of de bijenrepubliek +niet op een autoritaire moraal duidt in een andere richting. Hier +is nu een Staat--een op heel kleine schaal, zeker, maar toch een +die meetelt--waar verscheidene van de brandende vraagstukken in +het moderne menschenleven sinds lang een aangenomen en vervolmaakte +oplossing vonden, en deze in haar volledig resultaat zijn waar te +nemen. Iedere poging om man en vrouw ernstig te vergelijken met dar en +werkbij, zou den schrijver blootstellen aan het verwijt van dwazelijke +oppervlakkigheid. Maar toch is het niet alleen onze verbeelding, die +overeenkomst ziet tusschen de beginselen waarop iedere beschaving +gegrond moet zijn, zij het dan in de menschenwereld of in die der +insekten. Wij kunnen niet meer ontkennen, dat het gemeenschapsleven van +de bij op een plan staat van hooge beschaving; dat het zich zoo gevormd +heeft in den loop der eeuwen, door den drang der noodzakelijkheden; +dat het ééne geslacht het andere volstrekt onderworpen heeft en +streng beheerscht, en dat voor het voorrecht van die oppermacht het +heerschende geslacht een vervaarlijken prijs heeft betaald. + +De werkbij van heden is een òververgeestelijkt, neurotisch, +ziekelijk-plichtmatig schepsel, terwijl men van den dar niet anders +getuigen kan, dan dat hij een domme, gelukkige en sensueele lummel +is. Als dit uiterste verschil in de twee geslachten bij de bijen +van den oorsprong af zoo bestaan had, dan zouden de betrekkingen +tusschen dar en werkbij, zooals wij ze nu zien, ons natuurlijk, +behoorlijk en redelijk genoeg voorkomen; maar er schijnen voldoende +bewijzen, dat ver terug in het leven van de honingbij het vrouwelijk +exemplaar volstrekt niet zoo hopeloos hoog verheven was boven het +mannelijke. Naar alle waarschijnlijkheid is de koningin-van-nu ongeveer +het type van de moederbij van toen, vóórdat de afkoelende aardkorst +een beschutte woning noodzakelijk maakte--tegelijk het eerste begin +van het op-elkaar-dringen tot behoud der wederzijdsche warmte, waaruit +gaandeweg het hedendaagsch verwikkelde gemeenschapsleven groeide. Maar +wij kunnen toch niet alles wat wij zien op rekening der évolutie +schrijven; ook révolutie moet deel hebben gehad in de vorming van +de moderne ontsekste werkbij. Wij hebben gezien, dat physiologisch +iedere werkbij in den korf evengoed een moederbij had kunnen worden, +een vruchtbare moeder van duizenden. De werkbijen zijn niet in den +loop der tijden door den drang der noodzakelijkheid gaandeweg tot +een verminkt en gespecialiseerd ras geworden, dat eigen lichamelijke +onvolkomenheid blijft voortplanten; maar iedere werkster wordt met +overleg gemaakt naar een vast model, door de autoriteiten aangegeven, +ingevolge de eischen der gemeenschap. En wanneer zouden wel de bijen +het eerst begonnen zijn met dat ingrijpen in den natuurlijken loop +der dingen, met dat vervolmaken van de schepping? Wanneer deden zij +de eerste schrede, zonder welke nooit de bijenrepubliek zooals zij +nu is had kunnen bestaan? Men denkt aan een genialen zet, aan een +prachtige strategische beweging van den hoofdleider in den grooten +oerkrijg der geslachten, die met één slag den zege bracht, en waaruit +de verdere afwikkeling van het veroveringsschema logisch volgde. + +Het geheele vraagstuk van de kunstmatige vorming der werkbij is vol +van moeilijkheden, en in verband met het peil van onze kennis is er +nog niet veel anders mogelijk, dan de feiten te konstateeren en het +daarbij te laten blijven. De opperheerschappij in de korven van het +vrouwelijk element schijnt te dagteekenen van den tijd dat de groote +meerderheid zichzelf beroofde, of werd beroofd door hun onmiddellijke +voorgangers, van haar deel in de voortplanting; toen ook de legboor +zich openbaarde als een offensief en defensief wapen. Voordat de +werkbijen een gewapende macht vertegenwoordigden is er geen reden te +veronderstellen, dat de vrouwelijke bij fysieke overmacht had over +den dar. De neiging van de koningin om haar legboor in de tracheeën +van hare mededingsters te priemen, en zich zóó met één slag van haar +te ontdoen; en ook haar ingekankerde haat tegen hare genooten, kunnen +tot een latere ontwikkeling behooren, het gevolg van het kunstmatig +en afgezonderd leven, dat zij te lijden kreeg. Terwijl de werkbij +altijd met haar angel klaar staat, gebruikt de koningin den hare zóó +zelden, dat vele oude en ervaren ijmkers van tegenwoordig haar zelfs +het vermogen van te kunnen steken ontzeggen. Zij heeft veeleer een +natuurlijke neiging om te bijten; en als het komt tot het gebruik van +de scherpe, sterke, zijdelingsche kaken dan heeft de dar daarin een +veel vervaarlijker uitrusting, hoewel het schijnt of hij den lust en +den zin om er gebruik van te maken verloren heeft. + +Wat ook de dar vroeger moge geweest zijn, de werkbijen hebben hem nu +stevig vast in de ijzeren greep van matriarchale noodzakelijkheid; +en zij waken er voor, dat hij maar alléén en uitsluitend geschikt +is voor zijn éénen onvermijdelijken plicht, al leggen zij al haar +schranderheid eraan ten koste, hem op dit stuk te volmaken tot wat +hij zijn moet. Het is duidelijk, dat zij, als het mogelijk was, +het zonder hem zouden doen. Nu zijn er negen maanden lang geen +darren; en daarna worden er in iederen korf maar een paar honderd +gekweekt--dit is een minimum, dat een vruchtbaar huwelijk verzekert +aan de jonge koninginnen, als de zomerzonneschijn haar ter bruiloft +lokt. Men zou kunnen veronderstellen, dat wanneer er betrekkelijk +zoo weinig koninginnen te bevruchten zijn--op zijn meest twee of drie +in iederen korf en dan nog maar eenmaal in haar leven--, het aantal +darren, dat nog geduld wordt, toch het benoodigde getal verre moet +te boven gaan. Maar een hoofdbeginsel in het bijenleven is, dat +de jonge koninginnen hun maat moeten kiezen uit een anderen stam, +opdat er zoodoende gestadig nieuw bloed aan een volk toevloeie. Dit +kan alleen maar buiten gebeuren en zoo ver mogelijk van den eigen +korf. En de sterkste drang in de maagdelijke koningin, wanneer zij ter +paringsvlucht uitgaat, is zoo spoedig mogelijk uit hare eigen omgeving +weg te komen. Zij verdwijnt met vervaarlijken spoed en in een rechte +lijn, en heeft dus alle kans onbemerkt in een nieuw land te komen, en +op de verkenningsterreinen van vreemde darren. Een andere reden voor +hare verre en snelle vlucht is, dat alleen de sterkste en vlugste dar +uit den geheelen drom harer vervolgers haar zal kunnen achterhalen; +wat ook weer meewerkt tot de verbetering van het ras. In de geheele +natuur bestaat misschien geen tweede voorbeeld van een zoo zorgvuldige +uitlezing der meest geschikte individuen tot voortplanting der soort +en zeker tengevolge hiervan heeft de honingbij haar hoogen rang +in de reeks der schepselen verkregen. Toch sluit dit plan groote +gevaren in voor de jonge koningin. Overal loert dit gevaar op haar +weg. Zij is een kostelijk hapje voor ieder van de tallooze vogels, +die in den Junimorgen rondvliegen. Haar onbeproefde vleugels kunnen +haar begeven. En komt zij veilig in het bijenpark terug, dan kan +zij nog een verkeerden korf binnenvliegen om daar een wissen dood +te vinden. Toch moet zij het wagen; en het eenige middel om haar +afwezigheid van huis zooveel mogelijk te bekorten en haar bevruchting +tot zekerheid te maken, is een zóó talrijke bevolking van de zwervende +darren, dat zij er vindt op welken vliegafstand ook. + +Van het allereerste begin af verschilt de verzorging van een dar van +die der werkbij. Het ei wordt in een grooter en dieper cel gelegd, en +gedurende de eerste drie levensdagen wordt de darlarve met bijenmelk +gevoed, die bovendien waarschijnlijk van een bijzonder soort is en +in ruime hoeveelheid wordt toegediend. + +Er zijn ongeveer vierentwintig of vijfentwintig dagen noodig om den +volkomen dar te vormen, terwijl men eenentwintig dagen rekent voor +een werkbij. De koningin, zooals wij gezien hebben, ontwikkelt zich +in veel minder tijd; er liggen niet veel meer dan veertien dagen +tusschen het oogenblik, dat het ei wordt gelegd en het moment dat +zij klaar is zich een weg uit haar cel te bijten. + +Nadat de dar zijn volkomen ontwikkeling bereikt heeft, duurt het +nog ongeveer twee weken, vóórdat hij zich het eerst in de open +lucht waagt. Gedurende al dien tijd heeft hij het vrije gebruik +van de provisiekamers, en hij is constant bezig zich met honing vol +te stoppen, als hij niet de gevolgen van zijn vratigheid ligt uit +te slapen in een gezellig uithoekje van den korf. Maar honing is +niet zijn éénig--noch zijn hoofdvoedsel. Gedurende zijn heele leven +wordt hij geregeld door de huisbijen voorzien van de voedzame melk, +waarmede hij ook als larve gespijsd wordt, en het is bewezen, dat +wanneer die hem ook maar drie dagen wordt onthouden, hij van honger +sterft, zelfs te midden van een overvloed van honing. Zoo hebben de +werkbijen hem geheel in haar macht. + +De eerste vlucht der darren is een gebeurtenis van gewicht in den +bijentuin. Het gewone gonzen gaat eigenlijk het geheele jaar door; +op iederen zonnigen middag, wanneer de temperatuur tot 45° of 50° +stijgt, zijn de korven het middelpunt van een kleine groep zangers; +het is alleen het volume van het geluid dat met de lengende of kortende +dagen versterkt of verzwakt. Maar als de darren buiten komen, verandert +plotseling de geheele symphonie van het bijenpark. Zij verlaten nooit +hun genoegelijke binnenkwartieren vóórdat de morgen is overgegaan in +den middag, en dan nog maar alléén bij het allermooiste weer. Dan +komen ze met veel misbaar uit het vlieggat, en dringen aanmatigend +tusschen de bezige provianddraagsters heen; zij rijzen zwaar op hun +vleugels, en onmiddellijk daarop wordt het gewone geluid van den tuin +overstemd door het nieuwe lawaai. Zij schijnen haast gelijktijdig +uit alle korven tegelijk te komen. Gedurende een paar minuten blijft +de lucht vervuld van de zware schorre melodie, dan sterft dat geluid +even plotseling weer weg, en de rumoerige doenieten verdwijnen over +heuvelen en dalen, en ieder zoekt zijn uitverkoren jachtterrein. + +Er heerscht veel meeningsverschil ten opzichte van de vlucht der +darren wat den afstand betreft; maar waarschijnlijk vliegt hij +sneller en verder dan men tot dusverre heeft aangenomen. De kracht +en wijdte van zijn vleugels stempelen hem tot vlieger. Hij is enkel +lichaamskracht en vitaliteit; en het zou wel vreemd zijn als hij, +die maar één enkele opgaaf in zijn leven heeft--n.l. het uitgaan op +een liefdesavontuur--voor die taak niet in alle opzichten berekend +was. Als een korf met bijen op het hoogst van het seizoen op eenigen +afstand verplaatst wordt, dan kan men er zeker van zijn, dat er +een klein aantal zoowel werksters als darren op de oude plaats +terugkomt. Dit is geregeld gebeurd wanneer men met de korven niet +verder ging dan drie kilometer. Maar in één geval, toen de afstand +meer dan tweemaal zoover werd genomen, zag men geen werksters meer om +den ouden plek heen; maar alléén een gezelschap darren bewoog zich +doelloos boven den korfloozen standaard; en er kon weinig twijfel +bestaan of deze hadden tot de verplaatste kolonie behoord. Er wordt +niet beweerd, dat zij van hun doel bewust al die kilometers hadden +afgevlogen. Waarschijnlijk kwamen zij op hun dagelijksche vlucht +zoo ver van de nieuwe standplaats, dat zij in de streek van de oude +omgeving geraakten, en zoo van zelf den ouden bekenden weg volgden. + +De dar was sedert onheugelijke tijden het staande voorbeeld van den +luiaard en doeniet in de elementaire schoolboeken. Doch wat ook zijne +oorspronkelijke uitrusting voor nuttigen arbeid moge geweest zijn, +het is zeker, dat hij nu niet werken kan, al zou hij nog zoo graag +willen. Lichamelijk--behalve wat de spieren betreft--en geestelijk +is hij in alle opzichten de mindere geworden van de werkbij. Bij hem +zijn al die bijzondere inrichtingen afwezig, waarmede de werkster zoo +ruim is toegerust. Hij heeft geen stuifmeelkorfjes, noch éénige van +die vernuftige borstels en kammetjes, waarmede zij het stuifmeel bij +zich zelve en andere afkrabt. Hij heeft noch was-afscheidingsorganen +noch tangetjes, om die was te hanteeren. Zijn tong is te kort om den +nektar te bereiken; zijn hersenen zijn nog geringer van omvang dan +die van de zwakgeestige koningin. De gekompliceerde kliersystemen, +die zulk een belangrijke rol spelen bij den dagelijkschen arbeid +van de werkbij, zijn bij hem of geheel afgestorven, of bestaan +in elementairen vorm. Terwijl de Wil der Gemeenschap verlangde, +dat de werkbij ongehoorde voortreffelijkheden van geest en lichaam +zou ontwikkelen, is diezelfde macht steeds werkzaam geweest, om het +mannelijk exemplaar terug te brengen tot een volstrekt afhankelijk +wezen met verlies van alle initiatief en gedachte, behalve in ééne +richting. Het is met dar en werkster evenals met de koningin en de +werkbij; zij schijnen nauwelijks tot hetzelfde ras te behooren. + +En toch, zoo royaal onbekrabbeld en nuchter als hij is, heeft de dar +in vergelijking met zijn wrange, koude, plichtaanbiddende zuster, iets +verfrisschends; hij is zijn leven lang een onverbeterlijk optimist. Hij +fluit zijn wijsje al brandt de stad; of hij al zou klagen en jammeren, +geen vonkje zou er door gebluscht worden; en daarom is het bij hem: +"eten, drinken en vroolijk zijn" echter met de intuitie van alle +darren dat hem morgen de Nemesis wacht met iets onaangenaams. Het +is onmogelijk, langen tijd de gangen der darren na te gaan zonder te +worden getroffen door den geest van ruwen jool, dolle jongensachtige +dartelheid, die hen bezielt bij al hun doen. Zij komen met veel drukte +hals over kop den korf uitstommelen, bonzen onbesuisd tegen alles aan +wat op hun weg komt, en heffen hun rumoerigen en bombastischen zang +aan als een soort van protest tegen al dien pijnlijken ijver om hen +heen. Eenmaal buiten de omgeving van de korven blijven zij onafgebroken +rondvliegen, tot de honger hen weer naar huis dringt. Want niemand +heeft ooit een dar gezien tusschen de insekten, die rond de bloemen +vliegen, noch ook ooit hem zien zitten om zich te zonnen op een warm +plekje, een muur of boomstronk, wat toch de gewoonte is van haast +ieder ander gevleugeld insect. + +Hij komt naar den korf terug met dezelfde lawaaiïge, zorgelooze +fanfaronnade, en wordt door de werksters ontvangen met dezelfde +norsche onverschilligheid. Zij helpen hem tot oververzadigings toe +aan bijenmelk, tong aan tong, terwijl hij opzit als een vette vratige +baby, die altijd maar om meer eten drenst. Zij laten hem ongehinderd +toe aan de honingvaten te zwelgen; maar het is duidelijk, dat zij +hem verachten. Hij is een vervaarlijke schadepost voor den Staat; +doch onontbeerlijk. Zwijgend gaan zij aan hun taak hem te voederen, +zwijgend maar met onheilspellende lankmoedigheid. Zij misgunnen hem +iederen drop en tegelijk dwingen zij hem tot onmatigheid. Het is niet +voor lang. De dag der afrekening is nabij. De klaproozen beginnen al +met hun vurig scharlaken te gloeien tegen de heuvelen--de klaproozen, +die de kentering van den zomer aanzeggen; na hen komt de groote daling, +en het zonlicht gaat kwijnen; iedere dag een schaarscher bloemenoogst, +tot het pad weer verloopt in de dorre ééntonigheid, het doffe bruin +en grijs van den winterdood. + +En nu gaat de werkbij een groezelige vlek op haar karakter vertoonen, +die kwalijk past bij de fijne schakeeringen en de groote hoedanigheden +van haar geest, die haar zoo terecht beroemd maakten. En dat zij +niet absoluut volmaakt, niet in alle opzichten te bewonderen is, dat +heeft haar juist die groote liefde bezorgd, welke de harten van hen +bevangt, die haar door en door kennen. De darrenmoord heeft zijn weergâ +niet in onverbiddelijke wreedheid--in hartstochtelijk toegeven aan +wraakzucht, lang teruggehouden, terwille van de noodzakelijkheid. Nu +komen de eerste kille nachten van midden Juli en de nektarvloed wordt +plotseling onderbroken. Klaver en Espareette zijn al onder den sikkel +gevallen. Alleen de grootste hitte en de weelderigste overvloed van +den zomer zouden de myriaden honingmaaksters kunnen helpen in haar +vraag; en een paar uren van afkoeling dammen plotseling den reeds +langzaam vloeienden nektarvloed af. De tijden van voorspoed zijn +geweest. De honingovervloed komt niet meer. Nu moet het genie der +korfzuinigheid beslissen hoeveel van den voorraad er bespaard kan +worden voor latere behoeften. + +Het eerste voorteeken van de débâcle is het verwijderen uit de korven +van zekere bleeke, griezelige dingen--de lichamen der onrijpe darren, +niet door een natuurlijk toeval gestorven; maar meedoogenloos uit hun +cellen gerukt. Dit duurt soms eenige dagen achtereen, en hoewel dit +wreede werk onder hun oogen gebeurt, zien de levende darren er geen +waarschuwing in. Zij blijven voortgaan met hun vroolijken rondedans; +het eeuwige feestgetier gaat zijn gang; nog dagelijks vult zich de +bijentuin met hun zorgeloos overmoedig gegons. Maar dan eindelijk +wordt het teeken tot den moord gegeven. Vreemde, stootende kreten +stijgen uit iederen korf--kreten die enkel door den doodsangst worden +uitgedrongen. De darren liggen niet meer onbekommerd tusschen de raten +gerijd, rustig de eene roes uitslapend en droomend van de volgende. Zij +zijn nu allen goed wakker, en vluchten radeloos om hun leven, door +de nauwe straten van de bijenstad, woest gejaagd door de werksters. + +Steeds intenser worden de diepe, vibreerende angstkreten. Als de beulen +hun slachtoffers achterhalen, grijpen zij ze bij de aanhechting der +vleugels, en geholpen door de andere furiën, trekken en sleepen zij +ze door het gedrang, tot zij buiten zijn, en rollen dan met hen op den +grond; de darren steeds worstelend en zich verwerend en nog altijd die +waanzinnige angstkreten uitstootend, de werkster onafgebroken knagend +aan den vleugel tot hij machteloos is, en het slachtoffer nooit meer +naar den korf kan terugkeeren. Vele van de sterkste darren ontkomen +tijdelijk aan hun vervolgsters en vliegen onverlet weg. Doch dat rekt +hun leven maar een enkel uur. De honger zal hen weer naar den korf +terugdrijven, waar de wachten hen overvallen en hen verminken of nog +eens verdrijven. Het is zeer opmerkelijk, dat de bijen bij die groote +jaarlijksche slachting nooit de darren steken; díe methode is er in +hun waanzin; want bij dat ruwe worstelen zouden de angels met den +wortel worden uitgerukt en vele kostbare levens gingen dan tegelijk +met de minderwaardige verloren. De eenige toeleg schijnt te zijn, +het verblijf in de korven aan alle darren voor goed onmogelijk te +maken, en het verlammen van één vleugel schijnt daarvoor voldoende; +naar dit doel wordt door de behendige moordenares enkel gestreefd. + +Bij sommige bijenrassen is de darrenmoord in ongelooflijk korten +tijd afgeloopen; maar andere rekken den gruwel dagen lang. De +rampzalige heeren der korven staan tusschen twee vuren, en er is geen +ontkomen. Vliegen zij weg naar buiten, dan doodt hen de honger of +de koude nachten, gaan ze naar den korf terug, dan achterhaalt het +noodlot hen nog eerder. In dezen tijd zijn nacht en dag de wachters +aan de poort verdubbeld, en zelfs de listigste dar zal hen niet kunnen +ontgaan. Toch kiest hij gewoonlijk die kans: vroeger of later komt +hij den korf binnenvallen, en valt dan recht in het zwaard. + +Dit is de gewone gang van zaken in de bijenrepubliek, als het seizoen +normaal verloopt en de kolonie een moederbij bezit, die jong en sterk +en beproefd vruchtbaar is. Maar er komen tijden voor, dat de darren, +hoe bezwarend ook voor den staat, geduld worden tot laat in den herfst, +en zelfs soms ongehinderd mogen leven gedurende den winter en het +volgende voorjaar. Als de ijmker darren om een korf ziet vliegen, +terwijl de andere kolonies al lang met de hunnen hebben afgerekend, +dan weet hij wel wat aan dat volk mankeert. De koningin is oud +en kwijnend, en deze scherpzinnige amazonen hebben hun manvolk +respijt gegeven tot een nieuwe moederbij kan zijn opgekweekt en +passend uitgehuwelijkt. Het is een geval van begenadiging voor de +darren, met juist zooveel recht voor haarzelve vereenigd, dat het de +oorspronkelijke deugd weer uitwischt. + +En blijven in een korf de darren den winter over, dan is dat een +teeken, dat er niet alleen geen koningin is, maar dat dit volk er +nooit een zal krijgen van het eigen ras. Het in leven blijven der +darren waarborgt tenminste één onmisbaar element voor het behoud van +het volk en--wie kan het tegenspreken van een soevereinen geest als +de werkbij?--misschien vertrouwen zij van den ijmker, dat die haar +nood zal kennen en er in voorzien, door haar een andere koningin te +verschaffen, nog bijtijds genoeg om zijn bezitting van den ondergang +te redden. + + + + + + +HOOFDSTUK XV + +NA HET BANKET. + + +Zooals in den bijentuin het jaar opgaat, zoo daalt het ook weer, haast +onmerkbaar, stap voor stap. Als in Zuid-Engeland het zaadhooi gesneden +is, hebben de bijen niet veel anders meer te doen, dan de korven in +orde te maken voor den komenden winter. De koningin wordt door een +gradueele verandering in het voedsel gespeend van haar neiging tot +eierleggen. Iederen dag krijgt zij wat minder van de geheimzinnige +bijenmelk, die haar aanzette en bezielde, van dag tot dag voelt zij +zich sterker gedrongen haar honger te stillen aan de toegankelijke +honingcellen, te zamen met het gewone volk. Van dag tot dag worden er +minder kinderen geboren, en van dag tot dag ook verdwijnen er meer +van de oude werksters, op hun onverklaarbare wijze; zij gebruiken +misschien hun laatste vleugelkracht om zich terug te trekken op +het traditioneele kerkhof van hun soort. Wat van haar wordt, weet +de wijste bijenvader niet te zeggen; maar dat is zeker, zooals zij +leefden in het kommunistisch principe, zoo sterven zij ook, en haar +laatste handeling is eene kollektivistische--zij verwijderen haar eigen +lichamen daàrheen, waar zij onschadelijk zijn voor den dierbaren Staat. + +Als de dagen afnemen, vermindert ook zichtbaar de bevolking der +korven; en met het dunnen van de gelederen komt er een even merkbare +verandering in het humeur der bijen. De oude ijmkers weten bij +ervaring, dat in den herfst waakzaamheid pas geeft. Alles wat leeft, +ondergaat in den herfst eene beproeving van het karakter en dit is in +'t bijzonder waar voor de honingbij. Iedere stam heeft zijn goede of +kwade neigingen die in dit jaargetijde geregeld voor den dag komen. En +eerder nog zullen zich de kwade neigingen vertoonen, nu de drang om +te werken tot stilstand kwam, en de werkkracht haar weg moet gaan +vinden op een steeds enger wordend pad. + +Het vinden van krasse oneerlijkheid in zulk een atoom, als de bij is +in de schepping, maakt op ouderwetsche geesten een diepgaanden indruk; +maar dat verhelpt niet, dat ontegenzeggelijk sommige bijenvolken de +hebbelijkheid hebben, zich te ontwikkelen tot inbrekers en roovers +van het eigendom hunner geburen, meestal vroeg in den herfst, of +ook, maar zeldzamer, als in het vroege voorjaar de eerste schrale +nektaroogst begint. + +Vergilius en haast alle oude schrijvers geven treffende beschrijvingen +van in hun tijd veelvuldig voorkomende bijenveldslagen. Zij vertellen +ons van hevige schermutselingen hoog in de lucht, en hoe de koningen +hun krijgerhorden dan aanvoeren--het gedruisch der slachting, +en een regen van gewonden en dooden, die neerkomt uit de blauwe +zomerlucht. Deze beschrijvingen zijn altijd een groot raadsel geweest +voor moderne bijenkenners, omdat in onze dagen niets van dien aard +ooit schijnt te gebeuren. Tegenwoordig houdt voor het oog iedere korf +zich aan zijn eigen zaken, volkomen onverschillig voor het bestaan +van andere korven. Noch in de omgeving der korven, noch daar buiten, +wordt ooit iets als oneenigheid tusschen bijen waargenomen, niet +tusschen enkele individuen en ook niet groepsgewijze. De honingbij +is een uiterst vreedzaam schepsel, behalve wanneer men baldadig haar +huis belaagt. + +Maar in den herfst vallen er meer dan eens dadelijkheden voor tusschen +roofbijen en de bewoners der korven, die door hen worden aangevallen; +en men komt er toe te gelooven, dat het deze gevallen zijn, waarop +Vergilius doelt. + +Misschien is het wel zoo, dat wanneer een volk éénmaal heeft ontdekt, +hoeveel gemakkelijker en vlugger men honing krijgt met stelen +dan door de omslachtige verzamelmethode, deze bijen nooit meer +voor een eerlijke levenswijs terug te winnen zijn. En niet alleen, +dat de moederstok aan het eind van ieder seizoen op die wijze zal +losbreken; maar al de zwermen uit dien korf zullen dezelfde neiging +vertoonen. Die stam zal dan een aanhoudende zorg blijven voor den +ijmker, en als hij een wijs man is zal hij korte metten maken, door +dat volk een andere koningin te geven en zoo den oorspronkelijken +stam te laten uitsterven. Is het in zijn eigen tuin, dan is de zaak +niet moeilijk op te lossen; maar dikwijls zijn de roovers wilde bijen, +vrijbuiters, die ergens in een hollen boom huizen, in een bosch in de +buurt, en vandaar uit strooptochten ondernemen bij hun wettiglevende +buren in de omliggende dorpen; zooals alle bandieten dat doen over +de geheele wereld. Die vreemdelingen hebben dikwijls een eigenaardig +uiterlijk, waardoor men ze onmiddellijk kan onderscheiden van de +wettige bijentuin-bewoners. Zij zijn glimmender, en donkerder van +kleur, en bewegen zich tegelijk driest en gluiperig, waardoor zij +zich dadelijk als stroopers doen kennen. + +Wie op een mooien Septembermorgen tusschen de korven drentelt, +zal opmerken hoe verscheidene van die sinistere figuren om het +vlieggat van een korf zwermen, of er ongemerkt in trachten binnen +te dringen. Ze worden echter aanstonds ontdekt en er ontstaat een +plotseling opstootje als de korfwachters de insluipers aanvallen en +ze verjagen. Hun bedoeling is duidelijk. Het zijn verkenners van het +rooverkamp en zij zijn er op uit om de zwakke volken te ontdekken, +die een gemakkelijke prooi zijn voor een sterkere roovermacht. Sterke +volken behoeven geen roovers te vreezen; zij houden het altijd wel uit +tegen een aanval, en daarom worden zij gewoonlijk ongemoeid gelaten. + +Die verkenners verdwijnen na een poosje, en de korf keert weer tot +de gewone bezige kalmte terug. Maar het duurt niet lang of er wordt +een klein wolkje bijen boven den heg zichtbaar, die recht op den +uitverkoren korf af vliegen. Nu is het geen listig verkennen meer; +het is royaal oorlog. De roovers vallen neer op hun prooi; en een +hevige schermutseling begint, een wanhopig gevecht, man tegen man, +tusschen belegeraars en belegerden. Wordt de zwakke korf aan zichzelven +overgelaten, dan is de uitslag al te voren beslist en hij is in +korten tijd overwonnen. Dan gebeurt er gewoonlijk iets merkwaardigs: +de bijen van den korf, die den slag overleefd hebben, loopen over +naar den vijand, en zij helpen zelf mee om hun rechtmatige schatten +over te brengen in het hol van de bandieten. Gelukkig heeft de ijmker +een bijna onfeilbaar voorbehoedmiddel in zijn macht om dit gevaar af +te wenden. Hij kan veilig al de in getal sterke volken aan zich zelf +overlaten; en van hen die weinig in aantal zijn kan hij er twee of drie +bij elkaar voegen, waardoor zij weer sterke kolonies worden, in staat +zichzelf te beveiligen. De moderne losse-bouw korf is een macht in +de handen van den bekwamen ijmker; want de raampjes van verschillende +korven kunnen te zamen in één korf geplaatst worden, en in dit seizoen +blijven de bijen wel eendrachtig te zamen, vooral wanneer men ze met +meel bestuift of ze met eenzelfde reukmiddel besprenkelt, zoodat ze in +uiterlijk en lucht gelijk zijn. Waarschijnlijk heeft iedere korf zijn +eigen lucht, die ook alle burgers van dien staat gemeen hebben; en dit +is zeker het hulpmiddel waardoor de wachters aan het vlieggat hun eigen +medeburgers herkennen, en alle indringers onmiddellijk overvallen. + +De toebereidselen in den korf voor de winterperiode worden door de +bijen even grondig behartigd, als alles wat zij ondernemen. Naar mate +de oppervlakte van haar broednest inkrimpt, worden de leege cellen +met honing gevuld, die wordt overgebracht uit de verst afgelegen +proviandcellen. De honingdraagsters blijven geregeld aan het werk +wanneer maar het weer gunstig is, zij gaâren de resten van het banket +bijeen en vullen er thuis de proviandkamers mee aan. Op plaatsen waar +veel klimop is kan men op mooie Oktoberdagen de bijen zoo ijverig +bezig zien, als ooit in de heerlijkste Junizon; alleen is het aantal +duidelijk minder. De echte sonore levenszang komt later op den dag +en duurt alléén in de helderste uren: en dat wonderbaar nachtgeluid, +het diep ondergrondsch dreunen van de waaiende bijen is weg uit den +tuin; zooals ook de geur van den klaver-nektar, die dampt en gist in +de korven, niet langer uit het duister doordringt, en het huis van +den ijmker vult met een geurigheid, die hem liever is dan wat ook +anders ter wereld. + +De oude bijen, rafelig en verfomfaaid van vleugels, die den harden +arbeid van het groote werkseizoen hadden doorstaan, zijn nu bijna +alle verdwenen. De korven zijn vol met bijen van eenzelfde geslacht, +doortrokken met dezelfde tradities; maar zij staan aan het begin +van het leven, ongeoefende rekruten van het lot, een troep, die moet +dienen om de gaten te stoppen. Zij dragen geen herinnering om van de +tijden toen het werken een koorts was, een stormachtige wedkamp met +de zon, waarbij de vlugsten nog moesten achterblijven. Zij hebben +nooit de overzware vrachten gekend, de barstende honingzakjes, en de +stuifmeelkorfjes zóó zwaar geladen, dat zij ze nauwelijks den korf +konden binnen sleepen, en zij zullen dat alles nooit kennen. Over deze +bijen, laat in den tijd geboren, beschikte het lot, dat de troebele +poel van het door den vloed achtergelaten water hun wereldje moet +zijn. Hun leven is niet meer dan een rekken van dagen, zoodat zij het +uit kunnen houden tot het eerste lentebroed in het leven gewarmd moet +worden. De enkele dagen van hitte, die in Engeland onvermijdelijk +terugkomen tusschen de Maartsche sneeuw--zij schijnen oneindig, +onbereikbaar ver af nog--zullen allèen hun de macht van het zonlicht +leeren kennen; maar de zomerzon zullen zij nooit voelen. Winterbijen +worden in de gevangenis geboren, in en voor de gevangenis leven en +sterven zij. + +Een werkbij leeft op zijn hoogst maar zes maanden; en op zijn minst--en +dit is het lot van velen--weerstaat zij het onafgebroken slaven +en zwoegen van haar moeilijk bestaan niet langer dan zes of als 't +meeloopt, acht weken. Zoo is dus de bevolking van een korf, al is die +steeds volgepakt met burgers, steeds veranderlijk. Ge kunt zesmaal in +het jaar naar uw bijentuin gaan en dit twintig jaar lang doen, en bij +iederen gang zult ge u tusschen tienduizenden bewegen voor wie gij een +volslagen vreemdeling zijt, en die ge zelf nooit te voren gezien hebt; +en toch is in al zijn gebruiken, in zijn neigingen, in zijn traditie +het leven der bijen een voorbeeld van het Blijvende. Ge maakt een +reis om de wereld en blijft tien jaar weg, en komt ge terug in het +oude lommerrijke hoekje, dan staat daar nog altijd de groene kast +onder de sering, en nog altijd is zij het middelpunt van schijnbaar +dezelfde menigte gewiekte koopvrouwen, die onder kleurige vlaggen naar +huis zeilen, zij zingen dezelfde blijde wijsjes, bouwen nog dezelfde +verwonderlijke inrichtingen in het duister, en veranderen nog altijd +dezelfde geurige essencen in een gouden elixir. En wat is dit mysterie, +dat Bijenrepubliek geheeten wordt en dat alléén onsterfelijk is, +terwijl zij die haar samenstellen, alles wat tot haar behoort, en +haar in stand houdt, tijdelijk is en te niet gaat? + +Hier moet gij de bijenkoningin niet vergeten. Herinnert u, dat +zij alléén van jaar tot jaar blijft voortleven, terwijl de steeds +elkaâr opvolgende geslachten van hare kinderen om haar heen worden +en vergaan--honderdduizend wel misschien in een jaar, duizenden +tusschen een enkelen zomermorgenstond en de schemering van den +westelijken hemel. Methusalem moet op bescheidener menschelijke schaal +iets dergelijks ervaren hebben--hij moet het breedere levensplan +hebben afgeleid uit de onderbroken, wisselende reeks van kansen en +veranderingen, die aan zijn geest voorbij trokken. Alleen den ouden van +dagen is het gegeven het algemeene te symboliseeren; en hij uit alle +menschen had geleerd te peilen en te schatten en uit het glinsterend +veelkleurig kaf des levens het simpele dofgetinte graankorreltje +te ziften. Altijd en altijd weer moet hij met een enkel wijs woord +de waarheid waar gehouden hebben, of met één enkelen zwaai van den +spiegel der eeuwen den schijn hebben verblind en vernietigd. Hij +was een levend geschiedverhaal, waarin ieder den gang en uitgang van +het leven leeren kon. En zoo staat nu wel de bijenkoningin voor het +geschiedverhaal der bijenwereld, een levend archief van haar plan, +haar gedachte, haar ideaal--zij, die in vergelijking met het komen +en gaan der duizenden, een eeuwenoud, onvergankelijk wezen lijkt. + +En zoo moogt gij u haar denken in de korte December schemerdagen, +of in de eindelooze nachtduisternis, als de winterwinden gieren, +hoe zij dan haar kinderen om zich heen verzamelt en hun verhalen +vertelt van de heldenfeiten van het voorgeslacht, hoe zij hun de oude +bijenzangen leert met altijd datzelfde refrein van werken en winnen; +en daarbij nooit haar eigen geschiedenisje vergeet--dat korte uur +van haar huwelijksvlucht, en dat huwelijk gekocht en betaald met een +levenslang weduwschap. + + + + + + +HOOFDSTUK XVI + +HET MODERNE BIJENPARK. + + +Het is goed en wel het bijenleven van den wetenschappelijken kant +te zien, omdat die zoo bijzonder belangwekkend is, en dan aan die +studie den lof te geven, dat men zich in zijn vrije uren met geen +boeiender werk kan bezig houden; maar de honingbij is toch ook nog +iets anders, dan een wonderding of een voorwendsel om in moraal te +liefhebberen. Goed behandeld en juist begrepen, kan zij van groot +nut zijn in de wereld. + +Er zijn twee dingen in ons Engeland, welke ieder verbazen die +een juiste voorstelling heeft van de mogelijkheden door haar +aangeboden. Ge kunt het land in alle richtingen doorkruisen, en dan +zal het allerlaatste wat ge aantreft een bijenpark zijn; zelfs niet +een paar korven in den tuin van een landhuis; en toch heeft ieder +stukje van den weg zijn hoekje bloemen, en op afstanden van niet meer +dan een meter vindt ge bloemrijk weiland, waar zonder overdrijving +ieder jaar vaten honing te loor gaan. Dit zou alles kunnen ingezameld +en met weinig moeite en groote winst den volke verkocht worden; als +de ondernemingsgeest maar uit zijn eiland-slaap woû wakker worden en +de handen uit den mouw steken. Maar jaar aan jaar gaat vruchteloos +voorbij en niets gebeurt. Hier en daar een enkele wakkere landbouwer, +die een aardige buurschap van korven bijeen heeft, al de honing in +zijn omgeving afzet, en dientengevolge zijn zakken kan voeren met +goud en zilver. Maar dit is niet meer dan een druppel in de zee, +en de Brit moet naar het buitenland om honing, wat hem komt op het +belangrijke sommetje van meer dan fl 360.000 's jaars. + +Tot nu toe--wanneer wij terugrekenen van gevolg naar oorzaak--schijnt +het wel, dat het boerenbedrijf alléén winstgevend kan zijn, wanneer het +op groote schaal gebeurt; maar zij die de teekenen des tijds opmerken, +zeggen, dat de eeuw, die nu in de landelijke wereld juist begint +te dagen, de eeuw zal zijn van den kleinen man. En dit beduidt dan +wel, dat de erfelijke aristokratie onder de kultuurplanten--tarwe, +haver, gerst--langzaam plaats zal gaan maken voor het klein +bedrijf; in kort, dat men den grond niet meer dingen zal vragen, +die de traditie en onze landbouwersfamilietrots hebben gemaakt tot +het begin en het eind van den landbouw; maar de kleinere, nederige +levensbenoodigdheden, die iedere stad en ieder dorp in den rijken +zwarten grond in de onmiddellijke nabijheid behoorde te vinden, +maar er nu steeds te vergeefs zoekt. Dan zullen de dames van de +landbouwers niet langer in hun salon zitten en in hun landauers +rijden, en dat zal een verandering ten goede zijn, eenvoudiger en +meer naar verhouding. De stedelingen weten dit alles zoo niet; maar +wie buiten woont heeft heel goed gemerkt, hoe veel gecompliceerder +en weelderiger het leven in de oude Engelsche hoeven geworden is, +al roept men over dure tijden; en hoe de boerin niet meer in de melk- +en kaaskelder gaat, en ook niet meer die heerlijke eigen dingen maakt +zooals dat vroeger in de boerderijen het geval was, en waaraan het +oud-Engelsche buitenleven van ouds zijn roep te danken had; en hij +weet ook hoe de groote heeren-boeren nu de hoofdafnemers zijn van de +groote Londensche "Stores" terwijl de kleine plaatselijke winkeliers +niet anders zien dan den daglooner van zeven of tien gulden in de week. + +Voor het klein bedrijf, dat zich weldra over het geheele land +vermenigvuldigen zal, is er nu iets te ondernemen, dat tot nog toe +nauwelijks is aangepakt. Voor den handwerksman was altijd een staande +ergernis de kapitalist, die zoo lui leeft als hij wil en den arbeider +voor zich laat tobben. Maar als de kleine man nu bijen gaat houden, +dan kan hij ook luieren, en toekijken hoe zijn duizenden gevleugelde +arbeiders zijn voorraadkamers vullen met een van de nuttigste +en verkoopbaarste artikelen van de wereld. Het is een axioma in +den handel, dat een goed aanbod even zeker een vraag schept als de +algemeene behoefte aan iets de produktie ervan prikkelt. En Engeland +behoeft op het oogenblik een ruimen voorraad goeden en goedkoopen +honing; wordt die eenmaal aangeboden, dan is het ook zeker, dat de +vraag steeds grooter zal worden. + +Er zijn verschillende redenen waarom de menschen honing behooren te +kiezen voor hun hoofdvoeding, inplaats van de beetwortelsuiker die +nu zoo algemeen wordt gebruikt. In de eerste plaats is honing een +zuiver, natuurlijk, onvervalscht zoet, terwijl bij het bereiden +van gewone suiker het vermengen met meer of minder schadelijke +chemikaliën onvermijdelijk schijnt te zijn. Als een bijenkolonie +kunstmatig gevoed moet worden, en voor dat doel gewone kruideniers' +suiker gebruikt wordt dan heeft dat gewoonlijk de vergiftiging van +het halve volk ten gevolge, door de chemische stoffen waarmee de +suiker in de raffineerderij behandeld is geworden. En als ze zóó +werkt op de bijen dan ligt het voor de hand, dat ze niet heelemaal +onschadelijk kan zijn voor menschen. Maar de zuiverheid alleen is +niet de reden waarom honing het algemeene verzoetingsmiddel voor de +menschen behoorde te zijn. Honing is de suiker, die mee den nektar +vormt; maar dan geconcentreerd en verwerkt tot wat in de scheikunde +bekend is als druivensuiker; en zoo is dus in rijpen honing het eerste +en belangrijkste deel van de spijsvertering reeds gebeurd, vóór dat zij +uit de raat genomen wordt. Dit verklaart waarom zooveel zwakke menschen +en vooral kinderen zoo gemakkelijk voedsel met honing verzoet kunnen +verteren, terwijl zij alle andere vormen van zoet niet verdragen. + +De geneesheeren vinden steeds nieuwe deugden in honing. Zijn +gelijkmatig regelende werking op de ingewanden is sinds lang bekend, +en het is door bevoegden gestaafd, dat er feitelijk in het menschelijk +lichaam geen enkel orgaan is, dat niet eenigen invloed ten goede +ondervindt bij het regelmatig gebruik van honing. Bij alle uitterende +ziekten en zeker het schitterendst bij tuberculose, is het gebleken, +dat honing het lichaam kan opbouwen, waar andere middelen faalden. Het +is zeker, dat verschillende gevallen van tering volslagen genezen +zijn door een ruim honingdieet, en het is ook opvallend dat honing +het hoofdbestanddeel is van bijna alle gebruikelijke geneesmiddelen +voor ziekten van borst en keel. Gewoonlijk worden therapeutische +wenken van leeken door de faculteit met een scheel oog aangezien, +tenminste bij de meer ouderwetsche leden; doch in de hoop, dat deze +bladzij door een meer onbevangen geest gelezen moge worden, waag ik +het er op. Er zijn er velen, die, en met reden, in honing gelooven +als een speciaal middel bij uitterende ziekten. Het is niet anders +dan het eens zoo beroemde "Athol brose", dat, zooals alle Schotsche +ijmkers weten, bestaat uit gelijke deelen goede, dikke honing, +liefst van de heide (Calluna-), room en belegen Schotsche whisky +van de potstokerij. "Dikwijls en met kleine hoeveelheden," luidt de +gebruiksaanwijzing; maar in tegenstelling met andere huismiddeltjes +heeft het geloof niets te maken met de wonderwerking. Het gedijt even +goed in sceptischen bodem als in iederen anderen. + +De industrieel, die besloten heeft van het ijmkeren zijn broodwinning +te maken, moet al vóór den aanvang weten op welke schaal hij zich zal +inrichten. Er zijn twee kanten aan de zaak, de een aantrekkelijker +dan de andere, al naar het temperament en het standpunt. Er is het +"Eenvoudige leven" en de bijentuin--een rustig bestaan in het lommer +van een Engelsch dorp, binnen het bereik van een marktplaats, waar +de opbrengst der korven kan worden afgezet. En er is de onderneming +in het groot, het inrichten van een bijenpark op uitgebreide schaal +en op erkend wetenschappelijken grondslag, met het doel de groote +centraalmarkten te voorzien; minder met het oog op onmiddellijke +lokale behoeften. + +Bij het inrichten van een bijenpark, moet de eerste zorg de keuze zijn +van een geschikte streek. En de natuur van het omringende land moet in +hoofdzaak aangeven hoe de inrichting het voordeeligst werken kan. De +eerste regel voor hem, die met voordeel bijen wil houden, is te zorgen, +dat alle korven opgepropt vol met werkbijen zijn als de tijd van de +groote honingdracht daar is. Maar die tijd hangt af van de streek. Waar +in hoofdzaak vruchtboomen zijn, hebben wij de werksters vroeg noodig; +op de heide is het laat. In het Zuid-Westen van Engeland, waar het +land uit de helft ooftboomen en de helft heidevelden bestaat, moeten +zoowel vroeg als laat sterke volken zijn. Maar waar de ijmker met den +schapeboer samengaat--en er is geen beter gids voor honing dan een +schaap--is het wijsheid voor hem zijn kolonie tot de grootste sterkte +op te werken tegen den tijd, dat de grootste oogsten van schapevoeder +in bloei komen, wat zelden is vóór midden Mei. En al deze beschouwingen +doen ons belanden bij een veel betwiste vraag in de moderne bijenteelt: +moeten bijen al of niet kunstmatig gevoed, en zoo ja, hoe en wanneer? + +Wanneer alleen de zuiverste rietsuiker wordt gebruikt en de stroop +goed gekookt wordt en nooit verbrand is, is er tegen die praktijk +niets te zeggen, wat betreft nadeel aan de volken. Als er vroege bijen +verlangd worden is het volstrekt noodzakelijk, hen geregeld van een +vasten voorraad suikerstroop te voorzien, van het oogenblik af, dat +het broeden in de korven begint. Chemisch is het zoete bestanddeel in +den nektar nagenoeg identiek met dat uit rietsuiker, en suikerstroop +heeft dàt voor op het voeren met honing, dat het beter de natuurlijke +afscheiding aanzet. De bijen, die de verantwoording hebben over het +broedwerk in de korven, zijn jonge werksters, die nog nooit gevlogen +hebben. Zij kunnen dus alleen maar oordeelen over het voortschrijden +van het jaargetijde naar de hoeveelheid nektar en stuifmeel, die den +korf binnen komt. Waar die hoeveelheid van dag tot dag stijgt--en het +is het werk van den ijmker te trachten den indruk van het regelmatig +voortgaan van het seizoen bij de kunstmatige voeding op de bijen over +te brengen--dan krijgen zij vertrouwen, en het broedkweeken gaat met +kracht voort. + +Maar suikerstroop en erwtemeel is geen natuurlijk bijenvoedsel, en +het is niet te betwijfelen, dat een te lange voortzetting van een +dergelijk dieet een daling van het weerstandsvermogen van het ras +tengevolge zou hebben, en dus den weg openen voor het intreden van +ziekten. De gulden regel schijnt in dit geval wel te zijn, dat men +alleen tot kunstmatige voeding moet overgaan, waar de sterkte van +het volk den oogst moet verzekeren, of waar hongerdood dreigt. In +zuivere hei-distrikten waar men zijn sterke volken vroeg genoeg +bij de hand heeft aan het eind van Juni, mag alleen het feitelijk +gevaar van hongerdood den ijmker er toe noopen tot kunstmatige, dus +minderwaardige voeding zijn toevlucht te nemen. Dezelfde regel geldt +voor schapendistrikten. Men kan van een sterk volk, in 't bezit van +een jonge levenskrachtige koningin, verwachten, dat het, behalve in +buitengewoon ongunstige jaren, zichzelf in uitstekende conditie kan +houden totdat de tijd van de groote honingdracht daar is. In zulke +gevallen heeft de ijmker alleen maar te zorgen, dat geen zijner korven +volslagen gebrek heeft aan het noodige levensonderhoud. + +Maar in het warme, zoo begunstigde zuid-westen, de streken van hei +en appelbloesem, waar zoowel een vroege als een late oogst is in te +zamelen, moet een geheel verschillend systeem gevolgd. En hier zijn wij +genaderd aan het tweede voorschrift voor hen, die met goeden uitslag +bijen willen houden--de noodzakelijkheid in alle korven niet anders +dan de allervruchtbaarste moederbijen te hebben. Wil men inderdaad +voordeelige honingoogsten krijgen, dan moet zelden een koningin langer +dan twee jaar in den korf blijven. Daarna is zij niet veel meer waard +en moet afgezet worden, of door den ijmker of door de bijen. Maar +wanneer een koningin in het voorjaar door sterke voeding overprikkeld +is geworden tot het voortbrengen van een buitengemeen groote bevolking, +dan is zij gewoonlijk niet in staat tot een dergelijke overspanning +in den herfst. Het is daarom verstandig, daar waar een belangrijke +honingdracht is, de oude koninginnen nadat het vroege werk gedaan is, +op te ruimen en ze te vervangen door koninginnen in hun krachtigste +periode, doch aan het begin daarvan, niet aan het einde. Op deze +wijze is er spoedig een tweede krachtig arbeidsleger voorhanden, +en de dubbele oogst is verzekerd. + +Het is moeilijk in bijzonderheden te treden over de vraag, wat +wel de beste korven zijn voor handelsbijenteelt op groote of kleine +schaal. Generaliseeren is hier gemakkelijker. Iedere ijmker heeft zijn +eigen inzichten betreffende de détails; maar allen zijn het gelukkig +eens over de beginselen van de hoofdstruktuur. Ondervinding heeft zoo +goed als uitgewezen, dat een flinke koningin, onder het hedendaagsche +stelsel van intensieve kultuur, voor haar broed een raatoppervlakte +vereischt van ongeveer 11.500 vierk. centimeter. Een broedbouw +van geringer inhoud zou haar noodzaken haar werk te schorsen op het +hoogtepunt van haar vruchtbaarheid, en alles wat die maat te boven gaat +beduidt zooveel meer honing verloren voor de bovenkamers, die alléén in +aanmerking komen voor den ijmker. Honing opgezameld in het broednest, +behalve buiten de seizoenen, is verlies inplaats van winst. De beste +korf daarom, zal precies zooveel broedraten bevatten in losse raampjes, +als den vereischten inhoud verzekeren; en alle raampjes in het geheele +bijenpark moeten gelijk van afmetingen zijn, om in de verschillende +korven verwisseld te kunnen worden. Dit is een kardinaal punt voor een +winstgevende bijenkultuur; want het stelt den ijmker in staat, niet +alleen de sterkte van zijn volken gelijk te houden, door raten met +uitkomend broed van den eenen korf naar den anderen over te brengen; +maar hij kan ook den schraal geproviandeerden kolonies raampjes met +verzegelde honingcellen geven uit de overdaad van hunne buren. Ook +kan hij de zwakke kolonies samenvoegen en ze daardoor versterken. + +Overigens moeten de korven zóó gemaakt zijn, dat in het koude +seizoen de hitte geheel binnen gehouden wordt, en even radikaal wordt +uitgesloten in het heete jaargetij. Dubbele wanden om den broedbouw +zijn een vereischte in het veranderlijk Britsch klimaat, waar men in +minstens tien maanden van de twaalf altijd kille dagen verwachten kan. + +De bijenhouder zal evenveel voordeel trekken van de wasproduktie als +van den honing. Zoo goed als leder stof is, die door niets vervangen +kan worden, zoo houdt ook bijenwas zijn plaats op de markt, ten +spijt van alle parafine substituten. Maar het was verliest veel +van zijn waarde doordat het algemeen wordt vervalscht; en de fout +ligt bij de ijmkers, die nooit ernstig getracht hebben in de vraag +te voorzien. Wasproduktie op groote schaal is heel wel mogelijk, en +het is zeker, dat het eene belangrijke industrie zou kunnen worden, +zooals het in de middeleeuwen er eene placht te zijn. Maar wij leven +in tijden van hervorming; en het is mogelijk, dat de honingbij tot +hare oude nationale roeping zal terugkeeren: licht te brengen in onze +duisternis, en goed en zuiver voedsel aan onze lichamen. + + + + + + +HOOFDSTUK XVII + +BIJENHOUDEN EN EENVOUDIG LEVEN. + + +De Engelsche zonneschijn is wispelturig zoodat niemand ooit zeker +is van het blijvend gezelschap van zijn schaduw. Maar als de zon +schijnt in Engeland, dan lijkt het een eeuwig blijvende kracht, en het +grauwe gisteren, het tikkelend wijsje van den regen tegen de ruiten, +worden er tot een droom. Ge hadt geslapen onder het zware blauw van +den zomernacht, en die druipende vale luchten waren een visioen, +dat ging met de blijheid, die de morgen bracht. En morgen, als de +wilde jacht van de stormluchten misschien terugkomt, en aan alle +kanten van het huis de stroomende dakgoten kletteren, dan zal dat +ook weer een droom zijn; zeker zult ge dat dan tegen u zelf zeggen, +als de zon door die wolken breekt en de wind zijn kracht mindert, +en uit het stukje blauwe lucht een broek te snijden valt; en wanneer +ge dan buiten komt in het glinsteren van dien vochtigen grond en +in dat hernieuwde leven; zoo blij met dat alles als de vinken en de +vlinders, die vóór u uit fladderen op het grasveld. De zon schijnt: +de zon heeft altijd geschenen onveranderlijk als de Tijd. + +Met dit vertrouwen--ongegrond en daarom onweersprekelijk,--ging ik uit +in den gloed van een heerlijken Junimorgen, langs bloeiende klaver, +veld na veld, tot ik aan het hek stond van den bijentuin tegen den +heuvel. Met den naam was ik al lang vertrouwd; want in het lokale +blaadje was geregeld de kleine vijfregelige advertentie te vinden, +die in zijn eigenaardigen stijl honing te koop annonceerde. Maar ik +was er nooit geweest, had ook nooit een voet gezet in dit gedeelte van +het goede land van Sussex. En zoo kwam ik er toe op dezen overstelpend +heerlijken Junimorgen, voor ééns den teugel te vieren aan mijne luimen, +en ik trad naar buiten in die vredige glinstering en de blijde rust +van den dag; en eindelijk kwam ik aan mijn bestemming--den bijentuin, +die gemetseld is tegen de groene Downlandsche heuvelen. + +Hij was ingesloten door een hooge haag van witte mei als in sneeuw van +bloesems, even roze getint, het merk van hun aanstaand verkwijnen. Over +de haag heen zag ik de takken der appelboomen zich uitstrekken, +groen, met wijd uitbloeiende bloesemtuiltjes, die vol waren met het +driftig gonzen van ontelbare nijvere bijen. Een blauw rookwolkje uit +een schoorsteen dreef langzaam weg in de lucht, alles wat te zien was +van het gezellige met rietbedekte landhuisje, dat binnen lag; en ik +hoorde stemmen: een rustigen baryton en een plotselingen hoogen lach, +blijkbaar een vrouwenstem, en soms een paar regels uit een oud liedje, +afgebroken en gedachteloos gezongen. + +Toen de zang een oogenblik staakte--lichtte ik de klink van het hek op; +en op het klikkend geluid verrees aan het eind van den tuin in haar +volle lengte een magere mannenfiguur. Hij had daar gebogen gestaan +tusschen een wildernis van korven. En toen de man naar mij toekwam +zonder jas, in zijn opgestroopte hemdsmouwen, met zijn stevige, +bruine armen in de volle Junizon, nam ik het geheele vreedzame, +bezige tafereel in mij op. Het kronkelend pad, afgezet met roode +pannen, een zee van ouderwetsche tuinbloemen ter weerszijden; golven +van seringen en roode mei en gouden regen, schaduwige blauwe diepten +van vergeet-mij-nieten, scharlaken tulpen als vuurtorens er tusschen, +en ondiepten van amberkleurige reseda; vlak bij een net huisje met +schitterend heldere ruiten als diamantfacetten, en vroolijk flakkerend +waschgoed aan een lijn; een oude hond, die lag te dommelen op het +stroo in een ton; een kat naast een melkkan op den helder geschrobden +drempel. En overal bijenkorven ieder in een andere harmonieerende +kleurschakeering, niet in plechtige rijen gerangschikt; maar hier +en daar verspreid bij twee en drie tegelijk, in de ordelooze orde, +geliefd bij bijen en buitenmenschen. + +De ijmker had scherpe, diepliggende grijze oogen, in een eerlijk door +de zon verbrand gezicht, en hij had de radde tong van alle bijenmannen +over de heele wereld. Hij stond klaar om alles te vertellen van +zijn werk en wie hij was, en wat hij gedaan had; en hij begon zijn +verhaal, terwijl wij langzaam door zijn domein slenterden. Hij was +een Londener, tenminste, twaalf jaar geleden was hij dat geweest, +een City klerk wit als de bladen van het grootboek, die dag aan +dag van negen tot zes door zijn vingers gleden. En thuis in een +lugubre woesternij van huizen, die Nunhead heette--waarheen nooit +een wreed noodlot mij moge drijven--daar naaiden zijn zusters voor +haar levensonderhoud, bleek als hijzelf. Maar eens op een dag kreeg +hij in een tweedehands-boekwinkeltje een boekje in handen--een schat +voor drie stuivers, handelend over bijenteelt. Hij las er in terwijl +de trein voortkrabbelde naar zijn woonplaats, op een verstijvenden, +mistigen, kouden winteravond; en toen en dáár, in dat vuile beestenhok +van een derdeklaswagen, werd in zijn verbeelding de bijentuin ingewijd, +die zich in die jaren ontwikkeld had tot alles wat ik nu om mij heen +zag op dien heerlijken morgen in Juni. + +Het had een heelen tijd geduurd, vertelde hij mij, terwijl wij tusschen +het bezig gedoe van de korven drentelden, een lange, moeilijke en +schraperige tijd. Er moest geld overgelegd worden, het kapitaal voor de +onderneming; en dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan uit een totaal +familie-inkomen van 24 gulden in de week. Maar eindelijk was het geld +er toch, en het was er ruim. En de dag kwam, dat de heele familie het +stof van Nunhead afschudde, en het vervallen huisje in bezit nam met +het stukje, nauwelijks twintig are verwaarloosden grond. Het was een +moeielijke tijd geweest, zei hij--en het gezicht waarmee hij het zei, +paste niet bij de woorden--maar "kijk nu eens hoe alles veranderd +is"! en hij wuifde om zich heen met het zegevierend gebaar van een +bezitter. Het huis was in goeden doen en goed gemeubeld. De drie of +vier korven waarmee hij begonnen was, waren nu uitgedijd tot zestig of +zeventig, allemaal eigen gemaakt. Waar hij zijn bijen vandaan had? Wel, +dat geheim had hij uit het driestuivers boekje, het geheim van het +"afkloppen". Bijna al de bijenhouders tot mijlen ver in den omtrek, +hadden de gewoonte hun bijen dood te zwavelen om bij den honing +te kunnen komen. Toen was hij een eersten herfst, en alle herfsten +daarna, naar zijn buren gegaan en had hun aangeboden, de bijen voor +hen uit de korven te nemen en hun nog een goeden fooi toe te geven, +als hij dan voor zijn moeite de bijen mocht houden. Daartoe bleken +zij meer dan bereid; en zoo had hij langzamerhand zijn vorstendommetje +van korven opgebouwd. + +En het voordeel? Ja, dat was nu niet om buitengewoon op te roemen. Hij +verkocht al zijn honing en was; verzond ze voor het grootste gedeelte +met de post, en breidde zijn kring van afnemers ieder jaar iets +verder uit. De goede en slechte jaren samen genomen, maakte hij door +elkaar voor iederen korf f 24 netto;--in overvloedige jaren was het +altijd veel meer--het was zeker geen rijkdom, maar zij waren met +niet meer dan drie, en hadden niet veel behoeften. Wat zij het meest +begeerden--frissche lucht, vrede, een rustig bestaan, en het gezonde +buitenleven--dat had men voor niets. En wat kleêren betreft--wel, +als men eenmaal heeft opgegeven een "stand op te houden", dan wordt +men pas gewaar hoe weinig die uiterlijke schijn eigenlijk telt in de +wereld. In ieder geval was voor hen het succes volkomen. Er woonden in +die streek menschen, die halve provincies bebouwden en nog mopperden; +hij niet, hij had rust en at zijn genoegen van zijn twintig are "en +de meisjes? wel, die lachten en zongen van den ochtend tot den avond." + +Zoo slenterden en babbelden wij; en ik, mij van den domme houdende +in bijendingen--want hij mocht niet denken, dat ik uit louter +menschenliefde uilen naar Athene droeg--ik kocht honing en vroeg +naar allerlei; en van stukje tot beetje kwam ik er heelemaal achter, +wat er door die bevrijde slaven uit het City-klerkendom al zoo gedaan +was. De ijmker schoof zijn hoed van zijn schrander voorhoofd af naar +achteren, en stak een allergenoegelijkst pijpje op. Blijkbaar had hij +het heele vraagstuk al sedert lang grondig uitgedacht en het gegrepen +in zijn innerlijkste wezen. + +"Wat wij hier doen", zei hij, "kan door honderd anderen gedaan worden, +die nog in Londen leven in denzelfden toestand waaruit wij ons hebben +losgemaakt. Groote bijenparken zijn goed en wel; maar dat is toch nog +meer iets voor de toekomst--iets, dat zich nog moet loswerken uit de +behoeften der eeuw. Maar voor den bijentuin is overal plaats, in alle +distrikten met een voldoend dichte bevolking. De gewoonte van honing +te gebruiken is er uitgegaan bij de menschen, omdat ze zoo zelden in +de winkels te koop is; maar als ze er geregeld aan herinnerd worden, +dan zullen zij ze weer gaan eten, en zij zullen op het laatst niet +meer begrijpen hoe zij het er zoo lang zonder deden. Doch het moet +hun smakelijk gemaakt worden. Lekhoning moet zuiver en helder zien, +in aardige fleschjes verpakt en met een net etiket. En de raathoning, +die verkocht wordt, moet in onberispelijk schoone, witte sekties +zijn. In dat oude boekje, dat mij aan de bijen gebracht heeft, staat, +dat alleen de engelsche bij behoort geteeld te worden, omdat zij een +beter honingdraagster is. Maar van een koopman's standpunt is er nog +een veel gewichtiger reden om alle uitheemsche bijen af te schaffen. De +engelsche bij laat een kleine tusschenruimte over tusschen den honing +en het celdekseltje, en tengevolge daarvan zijn de raten altijd +vlekkeloos wit. Maar bijna alle vreemde bijenrassen vullen hun cellen +tot den rand, en dit brengt mee, dat de mooiste raten er donker en vuil +uit zullen zien, en dus heel weinig aanlokkelijk voor den kooper. Aan +zoo iets denkt een zakenman het eerst, en de oude Londensche jaren +zijn daarom niet heelemaal nutteloos voor ons geweest." + +Het zingen, dat ik vaag uit de verte gehoord had, toen ik nog buiten +het hek stond, werd helderder naarmate wij voortliepen; wij gingen +nu den hoek van het huis om, en kwamen bij nog meer korven, en midden +daartusschen bewoog zich een meisjesfiguur; er was daar ook een klein +waschschuurtje, waar ik een verschijning zag van bruine armen, diep +in een waschtobbe, en tegelijk kreeg ik het laatste couplet van het +vaag gehoorde liedje. + +"Dit is Hetty", lichtte de ijmker toe, "die helpt in den tuin +en--helpen, zei ik? ze is veel handiger er mee dan ik! Er is zooveel +werk bij de bijen, waarvoor een lichte vrouwenhand noodig is. En Debora +is onze huishoudster. Wist u, dat het woord Debora het Hebreeuwsch +is voor honingbij? Maar kom nu mee, dan zal ik u laten zien, waar +ik bij winterdag de korven maak, en waar wij den honing slingeren, +en waar wij de sekties in de raampjes zetten en al zoo meer." + +Hij vertoonde mij toen de werkkamer en een schuurtje met gazen +vensters, waar een eigen gemaakte slingermachine stond--een +snedig, centrifugaal ding, waarin de raten konden gelegd worden +en onbeschadigd aan de bijen teruggegeven en daarna geregeld weêr +gevuld en uitgeslingerd. En er was een provisiekamer, waar lange rijen +honingpotten stonden, en stapels sekties, en blokken licht gele was +lagen te wachten op de koopers en er was ook een pakschuur, waar de +kartonnen postdoozen in orde werden gemaakt. En eindelijk werd mij +in een uithoek van den tuin een ezel gewezen, ruig en goed doorvoed, +die vreedzaam stond te smangelen, en onder een afdak daarbij een +karretje, dat een bijzonderheid in zijn soort was. De houten kap +had den vorm van een grooten bijenkorf, en daarop was de naam van +den tuin geschilderd en een lijst van de produkten, die het karretje +inhield. De ijmker legde met een bewonderend gebaar er zijn hand op. + +"Dit is heelemaal een bedenksel van Hetty," zei hij. "Voor zoo iets +moet je de Londensche meisjes hebben. In het seizoen rijdt zij er +iedere veertien dagen mee naar stad; propvol gaat het weg, en geloof +maar, dat ze geen honing weer mee terug brengt. Ik weet het niet, +maar die meisjes hoorden van naam te veranderen." + + + +Terugwandelend naar het station in den eeuwigen Engelschen zonneschijn, +en langs den keten van bloeiende velden, luisterde ik naar den +bijenzang om mij heen; en hoe was het, dat ik in dezen zang, waarmeê +ik een geheel lang leven vertrouwd was geweest, vandaag iets hoorde, +dat ik er nooit in gehoord had? De diepe tonen rezen en daalden en +stierven uit toen het pad door de vlekkelooze roode klaver leidde; +toen verhief het zich weer als de rozige velden met espareette kwamen, +en werd tot een luide blijde symphonie waar een plek mosterdzaad zijn +veracht en onbegeerd geel mengde tusschen het zaaisel van den boer; het +scheen of het rijzend en dalend refrein mij dit toezong: "Ge dacht, dat +ge onze gangen en wegen kendet van A tot Z! Ge hebt ons dag en nacht +gespionneerd in en buiten het seizoen. Ge hebt ons gechloroformeerd, +gevivisekteerd, onze doode zusters lid voor lid van elkaar getrokken, +om de wreed glinsterende oogen van je tweeoog te verzadigen. Ge waart +er eindelijk toegekomen te denken, dat er niets meer aan ons was, +van buiten en van binnen en rondom, waar ge niet alles van wist. En +daar komt nu een gewone City-klerk, die zijn erfelijken plicht den rug +heeft gekeerd, en die vertelt u in niet meer dan een uurtje een heel +kwantum dingen, waar jij, dwarskijker, met je levenslang gespionneer +geen schijntje van vermoed hadt. Weg met jou! Je verdient je heele +verdere leven met niet anders dan hommels om te gaan!" + +Want hoe meer ik nadacht, dat bijentuinen, als die ik juist bezocht +had, over het geheele land verspreid zouden kunnen zijn, des te +duidelijker werd het mij, dat dit een zending voor de honingbij was, +die mij volslagen was ontgaan; en het denkbeeld werd hoe langer +hoe aantrekkelijker. Met ijmkeren op groote schaal is er altijd +het bezwaar, dat het bijenpark te groot zou kunnen worden voor zijn +honingbronnen in het omliggende land, hoewel het zéér zeker waar is, +dat speciaal voor bijen gezaaide bloemenvelden hun kosten kunnen +opbrengen. Maar een kleine bijentuin zou nooit het land kunnen +uitputten binnen zijn noodzakelijken kring van drie mijlen, en al de +nektar, die de bijen indroegen, zou gratis verkregen zijn. "Hoera voor +Nunhead!" dacht ik, terwijl ik mijn rustigen gang tusschen de klaver +vervolgde. En waarom niet alle andere Nunheads en evengoed alle andere +grootere steden? Er zullen er altijd genoeg overblijven, die het stof +en stadsrumoer verkiezen, dus dat kleine groepje bijenmannen zal niet +gemist worden. + +En ik dacht ook nog over iets anders, terwijl ik voortschreed in den +engelschen zonneschijn, die eeuwig is; en ik zwaaide mijn overscharige +maar veel geprezen pot met honing er lustig bij in mijn hand. + +Het liedje en het vroolijk lachen--het was nog altijd in mijn ooren, +en het mengde zich in den werkzang van de bijen langs mijn weg. Kijk, +geen twaalf kilometer verderop over de heuvelen in de blauwnevelige +Sussex vallei, daar wist ik van juist zulk een bijentuin, waar +twee broers--maar deze geen Londeners, een paar echte Downlandsche +jongens--zich hadden gevestigd; zij hadden het goed, maar allebei +waren ze ongetrouwd. En geen week geleden, hadden ze zich over dat +feit bij mij beklaagd, en--Neen stil! Huwelijksmakelarij is geen werk +voor den schrijver van het Verhaal van de Honingbij! + + + + + + + + + Aanhangsel + + De Bij en haar Wapenen + + Door Percy E. Spielmann + + Ph. D., B.Sc. (London), F. I. C-, A. R. C. Sc. + + Vertaald door L. S. + + + + + + +DE BIJ EN HAAR WAPENEN + + +Maeterlinck, dichter en ijmker tegelijk, heeft ons een zeer +aantrekkelijk verslag gedaan van de monarchale republiek der bijen, +en thans biedt Tickner Edwardes, ijmker en dichter naar geest en +ziel, ons een nieuwe aanlokkelijke beschrijving van het bijenleven, +die ons nog dichter bij de natuur brengt. Beide schrijvers hebben, +evenals de bijen zelf, gepuurd uit natuursvoorraadschuur, en ons hun +oogst aangeboden in de meest smakelijken en lichtst verteerbaren vorm. + +Het diepe geheimenis, dat den korf en haar verborgenheden omringt, +is doorbroken door flitsen van onderzoek, schitterend en toch niet +sterk genoeg om meer te doen dan den weg tot verder onderzoek te +verlichten, en de bekoring van het onderwerp te versterken door ons +de onthullingen te laten voorgevoelen van wat het warme duister van +den korf voor wonderen voor ons verbergt. De groote moeilijkheden, +die zich den wetenschappelijken onderzoeker vóordoen, ontsteken en +dempen tegelijk zijn ijver. Men kan de evolutie van de bij volgen +door vergelijking met haar vele, minder ontwikkelde verwanten onder +de hymenoptera, doch hoe zij tot haar eind-ontwikkeling gekomen is, +is voor den onderzoeker nog steeds een aanleiding tot verbazing. We +kennen de wijze waarop de honing voortgebracht wordt en ook haar +samenstelling; maar het biologisch verband tusschen het voedsel der +bijen en de afscheiding van was, ligt tot heden letterlijk buiten +onzen gis. + +En de moeilijkheden worden niet minder door de geringheid van de +hoeveelheden voor het onderzoek beschikbaar, zoodra we het vergif +in de bijensteek en het broedvoedsel chemisch willen ontleden. Beide +substanties zijn aan onderzoek onderworpen, en al kan niet veel met +zekerheid worden verklaard, de richting, die de verkregen uitkomst +heeft aangewezen, is van beteekenis. Meest weten we van het vergif +in de bijensteek, en daar wil ik het thans kortelijk over hebben. + +Het bijenvergif blijkt, bij anatomisch onderzoek, geleverd te worden +door twee verschillende kliertjes. Ieder geeft een eigen vloeistof af: +de èene zurig, de andere alkalisch. Het vergif komt zelfs vóor in de +eieren van de bijen, en als beide stoffen tegelijk in een wond worden +ingespoten,--zooals in de natuur onveranderlijk gebeurt--is de werking +op het hevigst. Proefnemingen hebben bewezen dat een indruppelen van +een van beide afzonderlijk veel minder werkzaam is dan wanneer beide +tegelijk of aanstonds na elkaar in een wondje worden gebracht. Bij +de sluipwesp--een verre verwante van de bij, die haar slachtoffer +slechts zòo steekt dat het verlamd wordt en aldus tot een maal kan +dienen voor het broed tijdens den broedtijd--kunnen we het kliertje, +dat de alkalische stof afscheidt, nauwelijks meer ontdekken. + +Hoe hooger de hymenoptera in ontwikkeling en bezit stijgt, des te +sterker wordt de werking van haar vergif, zelfs zóo dat het voor +den mensch levensgevaarlijk wordt. En zelfs hangt dit weer af van +omstandigheden, die zorgvuldig moeten onderscheiden worden. Hoe meer +een bij vertoornd is, des te feller is haar steek, waarschijnlijk omdat +zij dan haar vergif sterker uitspuit en mogelijk omdat de afscheiding +uit het alkalisch kliertje grooter is. In den herfst is de werking +van een steek erger dan in het voorjaar, wat misschien is toe te +schrijven aan een verschil in de temperatuur of in de afscheiding van +een late bij in vergelijking tot die van een voorjaarsinsect. Doch +het ergst zijn de gevolgen op een zeer warmen dag, en hier komt ook +de menschelijke factor mee in het spel. Immers al maakt de hitte een +bij prikkelbaar, en al mag die, door invloed van haar zenuwgestel, +haar afscheidingen en werkingen wijzigen gelijk ze dit in andere dieren +eveneens doet, het feit dat de mensch onder invloed van de warmte veel +minder weerstandskrachtig is tegen vergiften spreekt stellig mee. Hij +is gevoeliger in het algemeen, en zijn bloed doorloopt zijn lichaam +sneller en krachtiger en verspreidt het vergif dus deugdelijker. + +De schrijver van dit boek verhaalt van een zijner ervaringen, +bijzonderlijk interessant omdat die veel ernstiger was dan gemeenlijk +ondervonden worden, en hij, na zijn herstel, de bijzonderheden +zorgvuldig opschreef. "Er kwamen," zegt hij, "zeven bijen op me +af uit een korf, die door een onverschillig helper behandeld werd, +en zij zetten zich bijna gelijktijdig op mijn hand en pols.--'t Was +een heel warme, benauwde, stille namiddag; ik had al een acht tot +tien korven nagegaan en bevond me in een toestand van tamelijke +vermoeidheid, met duidelijke transpiratie. Zoo gewend ben ik er +aan, gestoken te worden, dat ik heel weinig op dezen aanval lette, +de bijen eenvoudig verwijderde en hun angel met den nagel van mijn +vinger wegkijlde. Daarop ging ik door met mijn werk, maar bemerkte na +een minuut of zoo een branding op mijn tong, die zich heel spoedig +over mijn ganschen mond en keel verspreidde. Al die lichaamsdeelen +schenen nu op te zwellen, en die neiging tot opzwellen verspreidde +zich over het geheele hoofd en in 't bijzonder tot de lippen, zoodat +het spreken moeilijk ging vallen. Dat gevoel van branderigheid +verbreidde zich nu over mijn geheele lijf; mijn oogen leken uit te +puilen en het gezicht begaf me, zoodat ik zoo goed als niets meer +zien kon. Een aandoening van misselijkheid en zwakheid overviel me; +armen en beenen leken machteloos te worden en in het eind verloor ik +mijn bewustzijn. Dit alles gebeurde binnen het bestek van hoogstens +8 tot 10 minuten. Naar men me vertelde bleef ik minstens 10 tot 15 +minuten bewusteloos. Nadat ik was bijgekomen duurde de nawerking nog +ongeveer een half uur; toen was alles voorbij en ik kon verder gaan +met mijn werk. Ik moet hier bijvoegen dat die bijen me totaal vreemd +waren, en hun eigenaar hen niet al te goed verzorgd had."-- + +Uit dit alles volgt dat de veel verbreide meening, alsof het +bijenvergift uit niets dan mierenzuur bestaat, niet geheel juist kan +zijn. Voortgezet onderzoek brengt aan het licht dat dit naar alle +waarschijnlijkheid niet de eenige prikkel is in het geval van een +mierenbijt, en dat het zeker niet voorkomt in brandnetels, gelijk +tot heden is aangenomen. Men heeft toch berekend dat een haar van +den netel niet meer dan 0.00006 miligram van dat zuur kan bevatten, +en dat is een geheel te versmaden kleine hoeveelheid, terwijl ook het +andere bewijsmateriaal tegen zijn aanwezigheid daarin zeer sterk is. + +Een droppel bijenvergift weegt tusschen 2 en 3 tienden miligrammen; +het is glashelder en heeft een bitteren smaak en een eigenaardigen +aromatischen geur. Om het chemisch te kunnen onderzoeken heeft men +het vergift van 12000 tot 25000 bijen moeten bijeenbrengen. Zelfs +met deze hoeveelheid is men nog niet erg ver kunnen komen. Ook een +anderen weg, meer biologisch, heeft men gevolgd, door het vergift +in te brengen bij musschen, nadat men het eerst voldoende verhit +had om achtereenvolgens de verschillende elementen, die het vergift +samenstellen, te vernietigen. De uitkomsten van deze twee methoden +van onderzoek, hoewel ze niet volkomen overeenkomen, laten evenwel +vrijwel toe, een gemiddelde slotsom te trekken. + +En deze is, dat het bijenvergift drieledig is, en dat de "zuur"-klier +twee der drie stoffen afscheidt. Die zurigheid is te wijten aan +mierenzuur, dat allereerst de plaatselijke prikkeling van de wond +schijnt te veroorzaken. Het doel van zijn aanwezigheid schijnt te +zijn, het voortbrengsel van de "alkalische" klier opgelost te houden, +nadat het reeds in het lichtelijk alkalisch bloed is overgegaan. De +andere afscheiding van deze "zuur"-klier is een verdoovend middel, +met eenige overeenkomst van wat we in slangengif vinden. Zij behoort +tot de "toxalbumens," met even boosaardige eigenschappen als hun +bloedverwant, het ei-albumen, er zegenrijke heeft. + +De alkalische afscheiding, een basis of alkaloid, is een der +vele dierlijke producten, overeenkomend met de sterk vergiftige +plantaardige, die in de geneeskunst zulk een rol spelen. Het is van +een bitter "beginsel" en is op zich zelf in staat stuiptrekkingen +bij het slachtoffer te verwekken. + +Deze onderzoekingen laten, van wetenschappelijk standpunt, de +onder ijmkers wijdverspreide meening onbeslist, dat bijensteken een +geneesmiddel zouden zijn tegen rheumatiek. De ervaring schijnt dit +inzicht te bevestigen, ofschoon niet absoluut. Als het juist bleek +zou het geen op zichzelf staand verschijnsel zijn; want het is bekend +dat steken van de kwallen spit genezen. + +Ten slotte een woord over het onvatbaar-maken. Na langen tijd wordt +een persoon tegen bijensteken gehard, zij hebben weinig effect meer +op hem. Blijkbaar berust dit op den prikkel die het menschelijk +systeem ondergaat tot het voortbrengen van een tegengift om het +ingespoten vergift te bestrijden. Hierin ligt niets nieuws. Het is +een van de grondslagen van elke serum-behandeling tegen bacterien, +en van de inenting van personen, die nog onaangetast bleven; en werd +allereerst door Pasteur op een breeden wetenschappelijken grondslag +gevest. Doch wat wel opmerkelijk is, is dat men bijenvergift kan +aanwenden als tegengift tegen dat van slangen; door een voorafgaande +inspuiting van het eerste verzwakt men zeer sterk de werking van het +laatste. Bijenvergift werkt eenigermate als dat van slangen, en dat +het nu dit laatste kan tegengaan wijst op een nog nauwer onderling +verband. Aldus blijken de gift-voortbrengsels van bijen, bacteria, +slangen, en de nog minder bekende vergiften van scorpioenen en spinnen, +onderling verbonden in een van die geheimzinnige verknoopingen, +daar de natuur zich bijzonder in schijnt te verlustigen. Wezenlijk +is het echter geen "verknooping"; de wetten en voortbrengselen der +natuur zijn volstrekt niet verward; het is onze beperkte kennis die +ze ons voor verward doet aanzien. De wezenlijke paradox is dat de +natuur tegelijkertijd buitengewoon samengesteld èn dood-eenvoudig +is; al de duizenden feiten en ervaringen die we verzameld hebben +en die een doorvlechting lijken van eindelooze bijzonderheden, +brengen tegelijk meer en meer duidelijk aan het licht naar welk een +allereenvoudigst stelsel de natuur is opgebouwd. Uit dat velerlei +der bijzonderheden volgen ten slotte de algemeene wetten, die de +afgescheiden verschijnselen onderling verbonden toonen. Aldus ook in +dit geval. Als het voortgezet onderzoek de bij, met haar wonderlijke +geheimenissen, in verband zal hebben gebracht met andere, even duistere +en moeilijke vraagstukken, zullen in het mozaiek van het heelal nieuwe +steentjes hun plaats gevonden hebben, en het stelsel der natuur zal +ons nòg meer verduidelijkt zijn. + + + + + + +INHOUD + + + + Blz. + Voorwoord der Redactie V + + Inleiding: Het oudste bedrijf onder de Zon IX + + I De Honingbij en de oude Schrijvers 5 + II Het Honing-eiland 19 + III IJmkers in de Middeleeuwen 27 + IV Voor de Stadspoorten 46 + V De Republiek binnen de korven 65 + VI Het eerste werk in de Bijenstad 82 + VII Het Ontstaan der Koningin 92 + VIII De Bruid-Weduwe 117 + IX De Werkbij, Souvereine 125 + X Een Anatomische romance 146 + XI Het mysterie van den Zwerm 172 + XII De Raatbouw 198 + XIII Waar "het Bieken honing puurt" 223 + XIV De Dar en zijn Geschiedenis 238 + XV Na het Banket 253 + XVI Het Moderne Bijenpark 261 + XVII Bijenhouden en Eenvoudig leven 272 + + Aanhangsel: De Bij en haar Wapenen, + door Percy E. Spielmann 283 + + + + + + +ILLUSTRATIES + + + Blz. + De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende bijen 4 + Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke ligging + der raten toont 47 + Ouderwetsche bijenwoning in Sussex 59 + Raat uit Moderne Korf, met Koningin 71 + Winter in den Bijentuin 85 + Darren- en Werkbijenbroed 93 + De Koningin in broed-tijd 105 + Broedcel voor Koningin 111 + De Honingbij vergroot 129 + Raat met Broedcellen 139 + Bijen-Kinderkamer 165 + Een bijenzwerm in Mei 173 + Een Reuzen-zwerm 179 + Het opvangen van een zwerm 185 + De zwerm in den korf 191 + Honingraat onder verlichting 207 + Raat, naar boven toe opgebouwd 217 + De Voorraadschuur 233 + Koningin buiten het broedseizoen 251 + IJmkerij zonder verstand 267 + Een IJmkerij in het bosch 277 + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Matriarchaat: Zie hierover Eisler's Sociologie (W.B.), pag. 171, +173, 202. + +[2] Ik geef hier inplaats van de Engelsche vertaling van Vergilius, +die door den schrijver wordt aangehaald, de hollandsche van Vondel. + +(De Vert.) + +[3] Over het Landleven. + +[4] Downs: heuvelen. + +[5] Bekende figuur uit Dickens roman Het verlaten Huis. + +[6] Zie over het vergif in den angel van de werkbij het aanhangsel +in ons boekje: "de Bij en haar Wapenen", van dr. P. E. Spielmann. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ *** + +***** This file should be named 28963-8.txt or 28963-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/8/9/6/28963/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/28963-8.zip b/28963-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..309fa21 --- /dev/null +++ b/28963-8.zip diff --git a/28963-h.zip b/28963-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9bb2648 --- /dev/null +++ b/28963-h.zip diff --git a/28963-h/28963-h.htm b/28963-h/28963-h.htm new file mode 100644 index 0000000..e1018bb --- /dev/null +++ b/28963-h/28963-h.htm @@ -0,0 +1,9837 @@ +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org"> +<meta http-equiv="Content-Type" content= +"text/html; charset=ISO-8859-1"> +<title>Het verhaal van de honingbij</title> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Tickner Edwardes (1865–1944)"> +<meta name="DC.Creator" content="Tickner Edwardes (1865–1944)"> +<meta name="DC.Title" content="Het verhaal van de honingbij"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<style type="text/css"> + /* Standard CSS stylesheet */ +body +{ + font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; + margin: 1.58em 16%; + text-align: left; +} +.titlePage +{ + border: #DDDDDD 2px solid; + margin: 3em 0% 7em 0%; + padding: 5em 10% 6em 10%; +} +h1.docTitle +{ + font-size:1.6em; + line-height:2em; +} +h2.byline +{ + font-size:1.1em; + font-weight:normal; + line-height:1.44em; +} +span.docAuthor +{ + font-size:1.2em; + font-weight:bold; +} +h2.docImprint +{ + font-size:1.2em; + font-weight:normal; +} +.transcribernote +{ + background-color:#DDE; + border:black 1px dotted; + color:#000; + font-family:sans-serif; + font-size:80%; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.advertisment +{ + background-color:#FFFEE0; + border:black 1px dotted; + color:#000; + margin:2em 5%; + padding:1em; +} +.div0 +{ + padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ + padding-top: 4.8em; +} +.index +{ + font-size: 80%; +} +.div2 +{ + padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ + padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ + padding: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ + clear: both; + font-style: normal; + text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; +} +h3.label +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ + font-size:1em; + line-height:1.2em; +} +h4.lghead +{ + margin-left:10%; + margin-right:10%; +} +.alignleft +{ + text-align:left; +} +.alignright +{ + text-align:right; +} +.alignblock +{ + text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ + margin-top: 1.6em; + margin-bottom: 1.6em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + text-align: center; +} +p.poetry +{ + margin:0 10% 1.58em; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ + color: white; +} +p.line +{ + margin:0 10%; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ + margin:1.58em 10%; +} +p.tocChapter +{ + margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ + margin:0.7em 5%; +} +div.epigraph +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + width: 60%; + margin-left: auto; +} +.epigraph .bibl +{ + text-align: right; +} +.epigraph .poem +{ + margin-left: 0; +} +.epigraph .line +{ + margin-left: 0; + text-indent: 0; +} +.trailer +{ + clear: both; + padding-top: 2.4em; + padding-bottom: 1.6em; +} +.floatLeft +{ + float:left; + margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ + float:right; + margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ + font-size:100%; + text-align:center; +} +.figure p +{ + font-size:80%; + margin-top:0; + text-align:center; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ + color:#666666; + font-size:80%; +} +span.parnum +{ + font-weight: bold; +} +.leftnote +{ + font-size:0.8em; + height:0; + left:1%; + line-height:1.2em; + position:absolute; + text-indent:0; + width:14%; +} +.pagenum +{ + display:inline; + font-size:70%; + font-style:normal; + margin:0; + padding:0; + position:absolute; + right:1%; + text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ + font-size: 80%; + text-decoration: none; + vertical-align: 0.25em; +} +.red +{ + color: red; +} +.displayfootnote +{ + display: none; +} +div.footnotes +{ + margin-top: 1em; + padding: 0; +} +hr.fnsep +{ + margin-left: 0; + margin-right: 0; + text-align: left; + width: 25%; +} +p.footnote +{ + font-size: 80%; + margin-bottom: 0.5em; + margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ + float: left; + text-align:left; + width:2em; +} +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ + font-size: 80%; +} +.centertable +{ + /* center the table */ + margin: 0px auto; +} +.poem +{ + margin-left:5%; + position:relative; + text-align:left; + width:90%; +} +.poem h4 +{ + font-weight:normal; + margin-left:5em; +} +.poem .linenum +{ + color:#777; + font-size:90%; + left:-2.5em; + margin:0; + position:absolute; + text-align:center; + text-indent:0; + top:auto; + width:1.75em; +} +.versenum +{ + font-weight:bold; +} +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ + position: absolute; + right: 16%; + top: auto; +} +.footnotes .line +{ + font-size:80%; + margin:0 5%; +} +.poem .i0 +{ + display:block; + margin-left:2em; +} +.poem .i1 +{ + display:block; + margin-left:3em; +} +.poem .i2 +{ + display:block; + margin-left:4em; +} +.poem .i3 +{ + display:block; + margin-left:5em; +} +.poem .i4 +{ + display:block; + margin-left:6em; +} +.poem .i5 +{ + display:block; + margin-left:7em; +} +.poem .i6 +{ + display:block; + margin-left:8em; +} +.poem .i7 +{ + display:block; + margin-left:9em; +} +.poem .i8 +{ + display:block; + margin-left:10em; +} +.poem .i9 +{ + display:block; + margin-left:11em; +} +span.corr +{ + border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ + border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ + border-bottom:1px dotted green; +} +.letterspaced +{ + letter-spacing:0.2em; +} +.smallcaps +{ + font-variant:small-caps; +} +.caps +{ + text-transform:uppercase; +} +.fraktur +{ + font-family: 'Walbaum-Fraktur'; +} +.rm +{ + font-style: normal; +} +hr +{ + clear:both; + height:1px; + margin-left:auto; + margin-right:auto; + margin-top:1em; + text-align:center; + width:45%; +} +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ + text-align:center; +} +h1,h2 +{ + font-size:1.44em; + line-height:1.5em; +} +h1.label,h2.label +{ + font-size:1.2em; + line-height:1.2em; + margin-bottom:0; +} +h5,h6 +{ + font-size:1em; + font-style:italic; + line-height:1em; +} +p,p.initial +{ + text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ + text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ + float: left; + clear: left; + margin: 0em 0.05em 0 0; + padding: 0px; + line-height: 0.8em; + font-size: 420%; + vertical-align:super; +} +.poem +{ + padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ + font-size:0.9em; + line-height:1.2em; + margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ + text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: disc; } +ol { list-style-type: decimal; } +ol.AL { list-style-type: lower-alpha; } +ol.AU { list-style-type: upper-alpha; } +ol.RU { list-style-type: upper-roman; } +ol.RL { list-style-type: lower-roman; } +.lsdisc { list-style-type: disc; } +.lsoff { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } + /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml + " */ +body +{ + background: #FFFFFF; + font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ + color: black; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ + color: #001FA4; + font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ + font-style: italic; + margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage +{ + color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ + color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ + color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ + color: #001FA4; + font-weight: bold; +} +sub, sup +{ + line-height: 0; +} + /* Standard Aural CSS stylesheet */ +.pagenum, .linenum +{ + speak: none; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het verhaal van de honingbij + +Author: Tickner Edwardes + +Translator: M. van Vloten + +Release Date: May 25, 2009 [EBook #28963] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/front.jpg" alt= +"Oorspronkelijke voorkant." width="452" height="720"></div> +</div> + +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<p class="aligncenter">Het verhaal van de honingbij</p> +</div> + +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/titlepage1.gif" alt= +"Oorspronkelijke titelpagina." width="472" height="720"></div> +</div> + +<div class="titlePage"> +<h1 class="docTitle">Wereld Bibliotheek</h1> + +<h2 class="byline">Onder leiding van L. Simons.</h2> + +<h2 class="docImprint">Boeken zijn de universiteit onzer dagen.<br> + Uitgegeven door:<br> + De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur · +Amsterdam</h2> +</div> + +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/titlepage2.gif" alt= +"Oorspronkelijke titelpagina." width="480" height="720"></div> +</div> + +<div class="titlePage"> +<h2 class="byline"><span class="docAuthor">Tickner Edwardes</span></h2> + +<h1 class="docTitle">Het verhaal van de honingbij</h1> + +<h2 class="byline">Vertaald door<br> + <span class="docAuthor">M. van Vloten</span><br> + Met een aanhangsel</h2> + +<h1 class="docTitle">De bij en haar wapenen</h1> + +<h2 class="byline">Naar het Engelsch van<br> + <span class="docAuthor">DR. Percy E. Spielmann</span><br> + <span class="corr" id="xd0e136" title="Bron: Geillustreerd"> +Geïllustreerd</span></h2> +</div> + +<span class="pagenum">[<a id="xd0e138" href="#xd0e138">V</a>]</span> +<div id="pre" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Voorwoord</h2> + +<p>De Schrijver van dit werk: <i lang="en">The Lore of the +Honeybee</i>, dat thans den lezers onzer bibliotheek in de +geautoriseerde vertaling naar den 3<sup>en</sup> Engelschen druk wordt +aangeboden, is een ijmker in Arundel, bij het Nieuwe Bosch in +Zuid-Engeland, en naar hij ons met voldoening berichtte, van +Nederlandsche herkomst: het eerste deel van zijn naam duidde hij aan +als een verengelsching van ons: <span class="letterspaced"> +Teekenaar</span>. Bij het lezen van zijn boek zal men den man van de +praktijk, den wetenschappelijken onderzoeker en den +dichterlijk-gevoeligen natuurliefhebber vereenigd vinden met den +bespiegelaar over de toekomst van ons menschenras. Men zal mogen meenen +dat hij, in bewondering verzonken voor het vernuft en de +beginselvastheid der bij, wat al te zeer geneigd is haar met den mensch +te vergelijken en te vergeten dat diens beheersching der natuurkrachten +en de ruimte van zijn denken hem in staat stelt zijn problemen geheel +anders <span class="pagenum">[<a id="xd0e153" href= +"#xd0e153">VI</a>]</span>op te lossen dan het fijn en doortastend +gemeenschappelijk bijenvernuft dat vermocht. Doch men zal moeilijk +kunnen nalaten naar hem te luisteren zonder bekoord en geboeid te +worden door het verhaal dat hij ons doet omtrent het bijenleven: zooals +de mensch zich dat vroeger dacht, en zooals hij het thans heeft leeren +waarnemen.</p> + +<p>Dr. Percy E. Spielmann—chemicus te Londen—aan wiens +vriendelijke belangstelling in onze bibliotheek wij zelf de +kennismaking met dit boek danken, heeft van die belangstelling nog +verder willen doen blijken door ons een Bericht toe te zenden omtrent +het Bijenvergif en zijn werking, welk bericht wij als Bijlage achteraan +opnemen.</p> + +<hr class="tb"> +<p>De lezer, die, even onkundig als wij zelf op dit stuk, gewend is +geweest den mannetjesbij als <i>hommel</i> aan te duiden, zal allicht +vreemd ervan opzien, dezen naam niet in onze vertaling aan te treffen, +doch wel den zeer weinig gekenden naam: <span class="letterspaced"> +dar</span>. Doch onze vertaalster heeft hier het gezag op haar hand van +ons Nedl. Woordenboek, dat o. m. van den heer Snellen van Vollenhoven +uit zijn <i>Gelede Dieren</i> deze nadrukkelijke uitspraak aanhaalt: +“De mannetjes <span class="pagenum">[<a id="xd0e170" href= +"#xd0e170">VII</a>]</span>worden door de bijenboeren <span class= +"letterspaced">darren</span> of <span class="letterspaced"> +darries</span> en door velen “verkeerdelijk” <span class= +"letterspaced">hommels</span> genoemd.”</p> + +<p>De <i>hommels</i> behooren niet tot de <span class="corr" id="err.1" +title="Bron: koningsbijen">honingbijen</span>! maar zijn de diklijvige, +ruige, wilde bijen van het geslacht <i>Bombus</i>, waarvan in ons +vaderland, volgens diezelfde autoriteit, een twaalftal soorten te +vinden zijn.</p> + +<p>Waarmee we alweer van een dwaling genezen worden.</p> + +<p style="text-indent: 2em; ">Red. W. B. <span class="pagenum">[<a id= +"xd0e196" href="#xd0e196">IX</a>]</span></p> +</div> + +<div id="intro" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Inleiding</h2> + +<h2 class="normal">Het oudste bedrijf onder de zon.</h2> + +<p>Een van de oudste en mooiste fabels uit de Grieksche mythologie, is +die betreffende den oorsprong van de honingbij. Hoe de jonge god +Jupiter door zijn moeder Ops, bij de schoone dochters van den koning +van Kreta, Melissa en Amalthea, gebracht werd toen zijn vader Saturnus, +die de gewoonte had zijn kroost bij hun geboorte te verslinden, hem, +zijn laatstgeborene, zou gaan gebruiken voor zijn dagelijksch maal.</p> + +<p>Dit verhaal komt bij de oude schrijvers in verschillende lezingen +voor. Sommige zeggen, dat de bijen al bestonden, en noemen Amalthea een +gewone geit, met wier melk de kleine god gevoed werd; terwijl Melissa +de honing verkreeg van de wilde bijen, in de grot, waar Jupiter +verborgen werd gehouden. Een ander verhaal wil, dat de bijen zelf naar +de grot werden aangetrokken door het geraas, dat de voedsters maakten, +slaande zonder ophouden op koperen vaten om de ooren van den +verslindenden vader te verdooven voor het kinderlijk gekrijsch. Van +toen af brachten de bijen hem dagelijks zijn rantsoen honing, tot hij, +opgegroeid, zijn plaats kon houden op den Olympus. In beide verhalen +toont Jupiter, in waarheid als een god, zijn dankbaarheid aan zijn +redders. Bij de vroegste schrijvers vindt men al als een oud geloof, +dat in het <span class="corr" id="xd0e206" title="Bron: bizondere"> +bijzondere</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e209" href= +"#xd0e209">X</a>]</span>geval van de honingbij is afgeweken van het +algemeen beginsel: mannelijk en vrouwelijk, en dat de voortplanting van +die soort op bovenzienelijke wijze geschiedt. Dit wordt nu verklaard +als een bijzondere gift van Jupiter, in zijn erkentelijkheid voor den +onschatbaren dienst hem bewezen. Men vindt het in ééne +lezing van de hierboven genoemde fabel, en ook in de woorden van een +beroemd <span class="corr" id="xd0e211" title="Bron: ymker"> +ijmker</span>, die in 1657 schreef: “voor zulk een buitengewone +weldaad heeft Jupiter zijn voedsters beloond met de eigenschap: jongen +voort te brengen en hun geslacht voort te planten, buiten de verterende +geslachtsdrift om.” In den anderen, en waarschijnlijk veel +ouderen vorm van de legende, werd Melissa, de schoone dochter van den +koning van Kreta, zelf door den god in een bij veranderd, eveneens met +onbevlekte voortplanting, en voortaan waren het hare nakomelingen, op +wie de taak zou rusten: honing te verzamelen tot voedsel voor de +menschen; die honing waarvan men lang gemeend heeft—tot maar +weinig eeuwen vóór onzen tijd—dat zij een +wonderbaarlijke afscheiding was, die van den hemel tot ons kwam.</p> + +<p>Maar zelfs wanneer men die schemerige oude verhalen der mythologie +wegdenkt, die eene romantische verklaring geven voor allen +levensoorsprong op aarde, moet men toch bij iedere poging om de +bijenteelt tot haar allereerste begin terug te brengen, weer opnieuw +den indruk krijgen, dat dit wel het oudste bedrijf onder de zon is. +Duizenden van jaren vóórdat de Groote Pyramide gebouwd +werd, moet het ijmken al een van ouder tot ouder gevestigde bezigheid +van den mensch zijn geweest. Men moet algemeen geweten hebben—en +deze wetenschap is gestempeld door het gezag der eeuwen—dat een +bijenkorf, behalve de massa van zijn werksters, één +enkele groote, heerschende bij inhield, voorbeeld van het door God +begenadigde koningschap; hoe <span class="pagenum">[<a id="xd0e216" +href="#xd0e216">XI</a>]</span>anders zou in Egypte de bij verkoren zijn +geworden om in de hieroglyphische symbolen het koningschap te +verbeelden?</p> + +<p>Maar niet alléén binnen de grenzen der historische +tijden, het zij dan ook in een nóg zoo ver verleden, vindt men +de bewijzen besloten van het bestaan der bijenteelt, of tenminste van +het gebruik van honing en was door den mensch in zijn dagelijksch +leven. Men kan teruggaan tot zelfs het Bronstijdperk toe, om de zekere +bewijzen te vinden, dat was werd gebruikt bij het vervaardigen van +wapenen en sieraden.</p> + +<p>Men maakte een model van het voorwerp in een brandbare stof; dit +legde men in een bed van klei waaruit men dan het model wegbrandde, en +eindelijk vulde men den dus verkregen vorm met het gesmolten metaal. +Zonder twijfel werden in veel gevallen deze vormen in hout gesneden; +maar het is eveneens zeker dat ook een smijige stof dikwijls gebruikt +werd. Er zijn bronzen sieraden gevonden met de indrukken van duimen er +nog op, blijkbaar toevallige indrukken in het oorspronkelijke model, +nauwkeurig overgebracht op het metaal. En de grondstof, voor deze +modellen gebruikt, kon nauwelijks iets anders zijn geweest dan +bijenwas.</p> + +<p>Maar onze vermoedens omtrent den waarschijnlijken ouderdom van de +bijenteelt behoeven hier nog niet te eindigen. De betrouwbaarste +deskundigen beweren, dat men het levenstijdperk van den mensch op aarde +wel op 100.000 jaar kan schatten. De oudste sporen van den mensch, ver +in den schemer der fossiele tijden, toonen hem ons, als een vechtend en +jagend dier, waarin nog geen neiging ontwikkeld was tot landontginnen +of het temmen van de dieren uit zijne omgeving voor eigen en huiselijk +nut. Het blijkt, dat hij later in het Steentijdperk—eene periode +die toch nog oneindig <span class="pagenum">[<a id="xd0e224" href= +"#xd0e224">XII</a>]</span>ver achter ons ligt—verschillende +dieren, als os, schaap, en geit, tam maakte en in afgeperkte terreinen +hield om ze te slachten tot zijn voedsel, in plaats van steeds zwervend +te jagen op wild gedierte. In dezen zelfden tijd vindt men ook, dat hij +koren zaaide en zelfs een soort van brood bakte. Men moet bedenken, +dat, wanneer men honderd duizend jaar stelt als de grens van het +menschelijk leven op aarde, de ontwikkeling van andere levende wezens +en ook de meeste plantenvormen, onmetelijke tijden vroeger was +begonnen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de wereld van boomen en +bloeiende planten, waarin de oorspronkelijke mensch zich bewoog, niet +bijzonder sterk afweek van de groene wereld, die het menschelijk leven +in onzen tijd omgeeft. Het is zeker, dat de appel, de peer, framboos, +braam en pruim gewone vruchten waren in de latere steenperiode; want +van die alle zijn er zaden gevonden in verband met neolithische +overblijfselen. Bewijzen voor het bestaan van beuk en iep—de +laatste een geweldige stuifmeelverspreider—zijn al in een veel +vroeger tijdperk gevonden. Alle voorwaarden ten gunste van een +insektenwereld moeten al bestaan hebben lang voordat de mensch zich +vertoonde; en zonder twijfel had toen het insektenleven al een hooge +ontwikkeling bereikt. Het zou dus even weinig zin hebben te beweren, +dat de honingbij niet op aarde aanwezig was met haar voorraad zoete +spijs voor den mensch, als dat de mensch niet spoedig dien voorraad +ontdekt had, en er zijn dagelijksch werk van was gaan maken dien op te +zoeken; juist zooals hij er dag aan dag op uitging om te jagen en +viervoetig wild te schieten.</p> + +<p>Natuurlijk is er een groot verschil tusschen het ergens vinden van +een wilde-bijennest als verwachte mogelijkheid bij het opsporen van het +dagelijksch voedsel, en het gevestigd “houden” van bijen +als voedingsbron. <span class="pagenum">[<a id="xd0e228" href= +"#xd0e228">XIII</a>]</span></p> + +<p>Terwijl er reden is om aan te nemen, dat de eerste menschen de +honing gebruikten als deel van hun dagelijksch dieet, kan men rekenen, +dat deze menschen een zwervend ras waren, zich nooit lang in dezelfde +streek ophielden, en dus geen bijenhouders konden zijn in den gewonen +zin. Zij hingen af van de hoeveelheid wilde honing, die zij tijdelijk +in hun omgeving vonden.</p> + +<p>Maar het eerste teeken van beschaving moet zijn geweest, het +gradueel verminderen van dat nomadisch instinkt. Er zullen stammen zijn +gekomen, die stukken land, rijk aan wild, aan ooft, aan eetbare wortels +etc. in duurzaam bezit namen. En terzelfder tijd zullen de woonplaatsen +van wilde bijen gevonden zijn; hun vijanden werden verjaagd of geweerd, +de plaatsen waar de zwermen zich jaarlijks vestigden geregeld opgemerkt +en onthouden, en dus zou de eerste ijmkerij gevestigd zijn, +waarschijnlijk lang vóórdat er sprake was van +grondontginning of het temmen van wilde dieren tot huisdieren.</p> + +<p>Gewoonlijk wordt door de biologen als oudste menschelijk bedrijf de +jacht aangenomen; maar hun bekende deduktieve methode toepassend zal +men er mogelijk eerder toekomen, de bijenteelt als zoodanig te +beschouwen. Voor de eerste jagers moet het neerleggen van het wild een +groot bezwaar geweest zijn, en nog grooter weer schijnt de moeilijkheid +het te vatten, wanneer het gewond was, en toch nog in staat te +ontkomen. Voor dit doel was, in dien vóórtijd, een dier, +vlugger en slimmer dan zijn meester, nog noodiger dan later na de +uitvinding der vuurwapenen. Er is van geen elementaire beschaving in de +geschiedenis van den mensch gebleken zonder een zekere aanduiding, dat +hij toen al eenig soort van hond had tam gemaakt en afgericht om hem +bij het opsporen van zijn dagelijksch voedsel behulpzaam te zijn. Maar +de mensch moet al heel lang <span class="pagenum">[<a id="xd0e235" +href="#xd0e235">XIV</a>]</span>bestaan hebben, zonder dat beschaving +nog in eeuwen voor hem bereikbaar was. En in die tijden zal hij, +omringd van tegenstanders als hij was, zijn hut wel, als een nest, in +een hoogen, moeilijk aan te randen boom gemaakt hebben, buiten het +bereik van in den nacht aansluipende vijanden; en het is niet denkbaar, +dat in die omstandigheden de hond zijn metgezel was. Waarschijnlijk dat +hij toen in hoofdzaak van vruchten en honing leefde, en van de kleinere +dieren die hij in staat was met zijn handen te vangen. Dus zou de +eerste jager een bijenjager geweest kunnen zijn. De <span class="corr" +id="xd0e237" title="Bron: eolithische">neolithische</span> mensch had +denkelijk zijn eigen omgeving van rotsen of groepen van holle boomen, +waar de wilde bijen huisden; en met den komenden zomer volgde hij wel +zijn zwermen in de lichtingen der oerwouden, even ijverig als de ijmker +van deze tijden de gangen van zijn volken nagaat.</p> + +<p>Dergelijke beschouwingen zijn uitteraard fantastisch en vèr +gezocht, en in het geval van een klein en onaanzienlijk schepsel als de +bij, kunnen zij maar half ernstig zijn. Toch, uit een bijzonder en vrij +ongewoon gezichtspunt gezien, zijn zij belangrijk.</p> + +<p>Er is geen aantrekkelijker studie dan die van de oudste +beschavingen: van Egypte 10.000 jaar geleden, van Babylon +waarschijnlijk nog vroeger, en China, dat al eeuwen vóór +Abraham’s tijd schijnt te zijn staan gebleven in absolute +volmaaktheid wat onbelangrijke dingen betreft. Toch is dit alles nog +paddestoelengroei, vergeleken bij den ouderdom en de ontwikkeling der +bijenmaatschappij. Het is maar een verhaal uit Liliput, de geschiedenis +van een mikroskopisch volkje, levend en handelend op een eigen +tooneeltje. En toch, misschien tienduizenden van jaren +vóór dat de mensch voor het eerst vuur gemaakt had, of +van een stuk steen een bijl had gehakt, was bij deze gevleugelde volken +al <span class="pagenum">[<a id="xd0e244" href= +"#xd0e244">XV</a>]</span>een volmaakt levensstelsel ontwikkeld, en +waren daar maatschappelijke vraagstukken opgelost, die nu in de +twintigste eeuw pas beginnen den horizon van het menschelijk bestaan te +omnevelen. Maar zij, met hun samengestelde gemeenschappelijke +staatsinrichting zijn niet vervallen en vergaan, zooals het lot was van +de groote menschenvolkeren der oudheid, en, wie weet, misschien zal +wezen van die van heden.</p> + +<p>Zal de tijd komen, dat wij geen andere keus hebben, dan te leeren +van de honingbij, of te vergaan? Wij hebben misschien nog een paar +duizend jaren om daarover na te denken en ons voor te bereiden; maar +wanneer niet de wereld aan een eind komt, of de vermeerdering van het +menschengeslacht ophoudt, zal zeker ééne aarde ons niet +meer allen te zamen kunnen bevatten. Zoo men het leven der bijen en +hunne instellingen van uit dit standpunt bestudeert, dan krijgen deze +een geheel nieuw en belangrijk aanzien. Gesteld, dat de +staathuishoudkunde van den bijenkorf het voorland is van de +menschenmaatschappij, dan valt het niet te ontkennen, dat dit een +inzicht geeft in een hoogst verontrustenden toestand, ten minste van +het mannelijk gezichtspunt. Wij zien hier de triomf van het +matriarchaat<a class="noteref" id="xd0e248src" href="#xd0e248">1</a>. +Het vrouwelijk element heeft de opperste leiding in de +staatsaangelegenheden, en neemt niet alleen het initiatief tot alle +voorschriften betreffende het publieke leven; maar alle publieke werken +worden ook door haar ontworpen en uitgevoerd. Het mannelijk element +wordt teruggebracht tot den éénen noodzakelijken +sexueelen plicht, en dit nog maar voor één enkelen keer +en toegestaan aan slechts weinigen uit de duizend. Om nu het groot en +blijvend leger werkers samen te stellen, dat zulk een staat zou +eischen, en dit uit enkel vrouwelijke exemplaren <span class="pagenum"> +[<a id="xd0e253" href="#xd0e253">XVI</a>]</span>te rekruteeren, was het +noodig alle levenswetten van den grond af te hervormen. En een krachtig +besluit tot onthouding moet er van de bijen, zoowel mannelijke als +vrouwelijke, zijn uitgegaan, toen de geheele plicht der voortplanting +van hun soort werd toegewezen aan slechts één enkel +paar—één paar op ongeveer dertig +duizend—zóódat de rest zich uitsluitend en +onafgebroken kon wijden aan den door geen sexualisme gestoorden +arbeid.</p> + +<p>Dit kan gevolgd zijn op een zéér bijzondere +ontdekking, een ontdekking die diep ingrijpende veranderingen bracht in +het bijenleven en zijn toekomst—de ondervinding namelijk, dat de +jonge larve van de vrouwelijke bij, door bijzondere voeding en +verpleging, tot een sekselooze, òverintelligente werkster kon +vervormd worden, of anders tot een wezen gemaakt, dat bij een volslagen +gemis aan ondernemingsgeest of intellektueele eigenschappen een lichaam +zou bezitten, dat haar tot moeder kon verheffen van een geheel volk. +Dit is wel de socialistische economie tot in haar uiterst strenge +konsekwentiën doorgevoerd. Alles opgeofferd aan het welzijn van +den staat. Het individu is niets, het ras is alles. “Wat ge doet, +doe het goed” is het motto van de honingbij, en zij brengt elke +theorie in praktijk tot de uiterste grens. De menschen noemen zich +gaarne bijen-meesters; maar de besten hunner kunnen niet meer doen, dan +de gangen der bijen na te gaan, te leeren in welke richting hun bewegen +is, en dan voor hen den weg te effenen. De massa der werkbijen, +kollektief genomen, zijn de hersenen in de onderneming, en de +bijenhouder is evenzeer de slaaf van de voorwaarden en wetten, door +haar ingesteld, als zijzelven het zijn; terwijl de koningin de +gewilligste, en op gezette tijden, de werkzaamste slavin is van +allen.</p> + +<p>Het is nutteloos te ontkennen, dat de inrichting van <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e259" href="#xd0e259">XVII</a>]</span>den +bijenstaat met haar strenge sluitrekening van vernuft, haar +meedoogenloos vasthouden aan de eischen van een systeem dat door eeuwen +en eeuwen heen tot zulk een volmaking gebracht is, hare onaangename en +zelfs stuitende kanten heeft. De natuur is altijd vol wonderen maar +niet altijd bewonderenswaard, en een nauwlettende studie van het leven +in den bijenkorf brengt die waarheid misschien duidelijker aan het +licht, dan die van eenigen anderen levensvorm, den menschelijken niet +uitgesloten. Streng doorgevoerd communisme sluit dikwijls wreedheid in: +alleen onder een systeem van onderlinge overeenkomst, van +vriendschappelijk geven en nemen, kunnen recht en barmhartigheid samen +gaan. In de bijenmaatschappij heeft alléén recht van +bestaan, wat het geheel dient, en het algemeen welzijn niet schaden +kan. Ieder individu in den korf schijnt met dit algemeen beginsel in te +stemmen—òf bij keuze òf door dwang—van de +moederbij tot den laatsten luien dar, geboren in de korte weelde van +den vollen zomertijd. Op ’t hoogst van het zomerseizoen vraagt de +Staat een tot den nok gevulde voorraadschuur; en alle bijen werken +daaraan mee, onafgebroken zonder rust, tot de dood door overwerk haar +soms overvalt, zoodat de laatste vracht den korf niet meer bereikt. Als +de koningin oud wordt, of als zij vóór den tijd haar +vruchtbaarheid verliest, wordt zij meedoogenloos geslacht, en haar +plaats wordt ingenomen door eene andere, die bij haar leven en onder +haar oogen door de werksters wordt opgevoed, met het doel om in zulk +een geval te kunnen dienen. De darren worden overvloedig gevoederd, +voorzien van wat de korf het lekkerste en fijnste oplevert; het wordt +hun toegestaan ongehinderd door hun dagen van onverzadelijken honger te +luieren en te genieten, opdat geen jonge koningin ongepaard haar +bruidsvlucht zal volbrengen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e261" +href="#xd0e261">XVIII</a>]</span>Maar als de laatste prinses haar maat +gevonden heeft en weer veilig en warm in de haar wachtende cel is +opgeborgen, dan worden alle darren hardvochtig ter dood gebracht of +buiten den korf gedreven om te sterven. Als slechte tijden dreigen, of +de voorraadtoevoer vermindert, dan worden de oude en zwakke werksters +uitgeroeid, het telen houdt op, en het ongeboren broed wordt uit de +wieg-cellen gerukt en vernietigd, zoodat er zoo weinig mogelijk monden +te vullen zullen zijn in de komende magere dagen. De teekenen van +ophanden zijnden nood en voorspoed worden bespied, en de vermeerdering +of vermindering van de werkende bevolking van den korf wordt geregeld +naar toekomstige waarschijnlijkheden.</p> + +<p>Maar het meest verbijsterende en griezeligste in die bijenrepubliek +is het feit, dat hier met goed gevolg het vraagstuk van het evenwicht +der geslachten is opgelost. Terwijl alle andere wezens op aarde, hun +soort, mannelijk en vrouwelijk, voorttelen, als het ware op goed geluk +af, weten deze geheimzinnige korfbewoners hun koningin zoons of +dochters te doen baren, al naar de gemeenschap ze noodig heeft. Zij +voeren haar naar cellen voor de darren, en aanstonds legt ze eieren, +die onfeilbaar niets dan darren opleveren; en in de raten, +bijzonderlijk bestemd om er de verworden vrouwtjes, de werkbijen, in te +kweeken, wordt de koningin gedwongen eieren te leggen, die even zeker +niets te voorschijn brengen dan werkbijen.</p> + +<p>Deze merkwaardige republiek van het bijenvolk vertegenwoordigt de +oudste beschaving op aarde, en het kan zijn nut hebben, die te +beschouwen in het licht van denkbeelden, die nu nog maar hier en daar +onzeker opflikkeren op het vèrliggende pad der toekomst; maar +mogelijk ééns zullen uitbreken in lichte laaie. Men kan +zich voorstellen, dat er een tijd was, dat de <span class="pagenum">[<a +id="xd0e267" href="#xd0e267">XIX</a>]</span>verhoudingen in het +bijenleven zéér verschillend waren van wat wij nu +opmerken. De bijen hebben zich saâmgetrokken in uitgebreide +gemeenschappen, juist zooals de menschen langzaam maar zeker zich +bijeentrekken in de steden. Er zou een tijd kunnen komen waarin het +leven buiten de stad voor menschen even onmogelijk wordt als het nu +voor afgezonderde bijenfamilies buiten den korf is; en dan kan er een +zuiver mannelijk dilemma ontstaan. Het is mogelijk, dat de schitterende +dar ééns een belangrijke plaats in de huishouding innam. +Het leven der bijen was er toen misschien een van talrijke kleine +gezinnen, waarvan elk zijn gewichtigen, sonoor gonzenden vader had en +zijn vruchtbare moeder, en waar een talrijk kroost opgroeide, dat later +een eigen thuis ging vestigen. Er is geen reden waarom ieder van de +dertig of veertig duizend ingeknepen maagden, in een korf, niet een +volkomen ontwikkelde vruchtbare koningin zou zijn geworden, als haar +maar het juiste voedsel in voldoende hoeveelheid gegeven was in haar +larfperiode. Maar de nood steeg in de gemeenschap; toen werd het +stelsel van de ééne nationale moeder ingevoerd en +daarmede de akte van onthouding geteekend, wat er ook van komen mocht. +En voor het mannelijk element begon nu de ellende.</p> + +<p>Men moet wel begrijpen, dat strikt genomen de honingbij geen angel +heeft of had. Wat bij haar de angel genoemd wordt is in werkelijkheid +de legboor, en als zoodanig wordt hij bijna uitsluitend gebruikt door +de hedendaagsche bijenkoningin in iederen korf. Maar toen door middel +van de hongerkuur de eerste horden van werkbijen werden gekweekt, en +inéén gekrompen tot niet veel anders dan geslachtlooze +zenuwen en hersenen, schijnen zij een vreeselijke wraak te hebben +genomen op hun voorvaderen.</p> + +<p>De nuttelooze legboor verkeerde in een geducht <span class= +"pagenum">[<a id="xd0e273" href="#xd0e273">XX</a>]</span>wapen, +waartegen de prachtige wapenrusting van den dar, zijn woede en +vervaarlijk gonzen, niets konden uitrichten. Het matriarchaat werd +ingesteld bij middel van de punt van het zwaard. Meedoogenlooze logica +werd tot àlheerscheres. En nu werd het zonnig daglicht +verduisterd, door het afsluiten van al de blijde bijkanten van het +leven: wijn, dans, lichte scherts en het lustig dolen op zijpaden, zoo +geliefd bij alle darren, bijen of menschen. Daar tegenover niet anders +dan: meer honing, een grooter voorraadschuur boordevol met het zoet, +dat nooit geproefd zal worden. En dat alles tot welk een +prijs!—terwijl de oude provisiekast voldoende zou zijn geweest +voor alle werkelijke behoeften. Het leven was dan blij en gemakkelijk +gebleven!</p> + +<p>Dit is maar een fabel, ver gezocht als eenige die den kalif verteld +werd in den “1001 Nacht.” Maar dáár had ook +de vrouw haar zin als vroeger de bijenvrouw; en mogelijk komt de dag +dat zij nòg meer verovert en op grooter schaal. Hoe dan met het +zwaard dat ééns naainaald was?!</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e248src" id="xd0e248">1</a></span> <i>Matriarchaat</i>: Zie +hierover Eisler’s Sociologie (W.B.), pag. 171, 173, 202.</p> +</div> +</div> +</div> + +<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="pb1" href= +"#pb1">1</a>]</span> +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="super">Het Verhaal van de Honingbij</h2> + +<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2">2</a>]</span> +<div class="epigraph"> +<p>“Sommigen zeggen, dat het hun Instinkt is, en daar leggen zij +zich bij neer en laten verder het vraagstuk rusten.</p> + +<p>“Maar ik geloof, dat God meer van ons verlangt, dan dat wij +voor de dingen namen bedenken en ze dan verder met rust +laten”—</p> + +<p class="alignright"><span class="smallcaps">A. I. Root.</span></p> +</div> + +<span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4">4</a>]</span> +<div id="p004" class="figure"><img border="0" src="images/p004.jpg" +alt="De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende bijen" width="515" +height="695"> +<p class="figureHead">De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende +bijen</p> +</div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch1" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk I</h2> + +<h2 class="normal">De Honingbij en de oude Schrijvers.</h2> + +<div class="epigraph"> +<div class="poem"> +<p class="line">“Terwijl de groote Cesar gelijk een bliksem,</p> + +<p class="line">omhoog aan den Eufraat</p> + +<p class="line">oorloogde ............</p> + +<p class="line">te dien tijde voedde het aangename</p> + +<p class="line">Parthenope mij, Vergilius, die</p> + +<p class="line">in d’oefeninge van een onvermaarde</p> + +<p class="line">ledigheid groeide ........</p> +</div> + +<p>(Vergilius—Vondel, Georgica IV)</p> +</div> + +<p>In Napels—het Parthenope van de Ouden—werd “het +beste boek door den besten dichter” geschreven, bijna tweeduizend +jaar geleden. Want daar verkoos Vergilius, de hoofsche, de uiterst +verfijnde, maar tevens vóór alles, de apostel van het +“Eenvoudige Leven,” een vredig buitenbestaan te leiden +tusschen zijn citroenbosschen en met zijn bijenkorven. Zoo wilde hij +het, terwijl hij toch had kunnen verkeeren in het brandpunt van glorie +en eer, in de hoofdstad der Romeinen; want daar hield zijn vriend en +begunstiger Maecenas, eerste minister van Octavianus, open hof voor al +wat groot was in letteren en kunst.</p> + +<p>Door de moderne bijenhouders, tuk op Amerikanisatie, wordt +tegenwoordig weinig acht geslagen op de geschriften van den man door +Bacon genoemd: “de meest zuivere en de meest prinselijke van alle +dichters, die sedert menschenheugenis geleefd hebben.” <span +class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span></p> + +<p>En toch, wanneer er gevraagd zou worden: “welk boek geeft men +best het eerst den leerling-ijmker in handen?” dan kan men geen +beter keuze doen dan juist dat vierde boek van de Georgica.</p> + +<p>Want Vergilius treft onmiddellijk het hart van de zaak, dat nu nog +hetzelfde is als tweeduizend jaar geleden: de bijenhouder moet in de +eerste plaats voor bijen voelen, of hij zal nooit slagen.</p> + +<p>En Vergilius’ liefde voor zijn bijen doorglanst het geheele +boek van het begin tot het eind. Het is natuurlijk dat bij een +schrijver, die nog zoo doortrokken is van Grieksche invloeden, men +verwachten moet in zijn werk een getrouwe weergave te vinden van de +meeste dwalingen, die ongeveer driehonderd jaar te voren door +Aristoteles onsterfelijk waren gemaakt. Maar juist +dáárdoor komt de groote waarde van het boek weer naar +voren. In die rijke zetting van dichterlijke verbeelding, in die +bekoorlijke mythologische omlijsting, voelen wij toch onfeilbaar het +beeld van den bijenvriend, die uit de schatten put van eigen ervaring, +en zijn kennis uit de eerste hand vergaarde bij zijn eigen bijen.</p> + +<p>Vergilius wist alles wat oogen en ooren hem van het leven der bijen +konden vertellen, en hij berichtte er van met liefde. +Alléén in de laatste tweehonderd jaar is er nu en dan nog +eenig nieuw feit toegevoegd aan wat Vergilius verzameld had. Al de +schrijvers over bijenteelt van de eerste tijden af tot in de achttiende +eeuw, hebben weinig anders gedaan dan de fantastische dwalingen der +oude “bijenvaders” van hand tot hand overreiken, behalve +dat zij er nog van hun eigen fantasterijen bijvoegden. En tot op den +tijd, dat Schirach zijn kleine schaar van geduldige onderzoekers van de +bijenwereld bijeen had gebracht, ongeveer honderd jaar geleden, was +Vergilius’ vierde boek van de Georgica—als practische gids +voor bijenkweekers—nog haast <span class="pagenum">[<a id="pb7" +href="#pb7">7</a>]</span>even goed ingelicht en op de hoogte als +éénig andere.</p> + +<p>Toch is het niet in hoofdzaak om zijn technische waarde, dat het +boek zoo warm is aan te bevelen aan de hedendaagsche leerlingen in +’t bijenvak. Dat alles is al hopeloos ouderwetsch sedert het +uitsterven van den ouden strookorf bij de vorige generatie. De +innerlijke waarde van Vergilius’ werk ligt in de poëtische +en romantische sfeer die, nu als vroeger, niet af te scheiden is van +een bedrijf, dat waarschijnlijk het oudste in de wereld is. Van alle +landelijke werkzaamheden in onze dagen kan alleen de bijenkultuur zijn +bekoorlijk oud aroma behouden en toch produktief blijven. En als de +moderne richting, die op weg is ook van de bijenteelt een nuchter +transatlantisch bedrijf te maken, ergens door gestuit kan worden, dan +zal zeker het inprenten van Vergilius’ mooie wijsgeerigheid daar +meer dan iets anders toe bijdragen.</p> + +<p>Wanneer wij ons verdiepen in dit boeiend gedicht, dit aantrekkelijk +mengsel van met zorg geboekte feiten, rijke verbeelding en aardige, +bijeengeraapte verhalen, toen bekend, nu geheel verloren in den chaos +der eeuwen, dan kunnen wij in onzen geest het beeld terugroepen van +Vergilius’ landgoed bij het “liefelijk Parthenope,” +waar hij zich verpoosde en peinsde, en de vlekkelooze hexameters van de +Georgica wrocht, met zooveel zorg en moeite, dat hij voor het werk +zeven jaar noodig had—nog niet ééns +één regel per dag.</p> + +<p>Vergilius’ huis stond waarschijnlijk op de houtrijke helling +boven de stad Napels, midden tusschen sinaasappelbosschen en +citroenplantages, met het volle gezicht naar het Noorden op de +Apenijnen en hun sneeuwtoppen, en naar het Zuiden op den blauwen golf. +De Vesuvius met zijn eeuwig dreigement van grijze rookwolken stond +donker uit in de morgenzon, weinige mijlen ver; en de ten ondergang +gedoemde <span class="pagenum">[<a id="pb8" href= +"#pb8">8</a>]</span>steden Herculanum en Pompeïi aan zijn voet, +hadden nog een honderd jaar van bezig leven voor zich.</p> + +<p>De bijenkorven in Vergilius’ tijd—wij kunnen dat +opmerken op sommige nog bestaande oud-Romeinsche +bas-reliefs,—waren van een koepel-vormig model dat in een punt +uitliep, en zij waren gemaakt van aaneengenaaide boomschors of +gevlochten van wilgenrijs, zooals hij zelf vertelt. Sommige van zijn +aanwijzingen, wat hun plaatsing en omgeving betreft, zijn nog gulden +regelen voor ieder bijenhouder. “Het bijenpark,” zegt hij, +“moet beschut zijn voor den wind en ontoegankelijk voor schapen +of stootende geiten, die de bloemen zouden vertrappen. Er moeten boomen +in de nabijheid zijn om hun koele schaduw, en ook om als rustplaats te +strekken als de nieuw gekroonde Koningen hun éérste +zwermen uitleiden in het lieve voorjaar.” Hij zegt ons, de korven +dicht bij water te plaatsen, “of waar een vlug beekje zich door +het gras spoedt;” en in het water moeten wij “groote +kiezelsteenen” leggen en “wilgentakken kruiswijs, dat de +bijen, wanneer zij drinken, bruggen hebben om op te staan, en hun +vleugeltjes kunnen uitspreiden in de zomerzon.”</p> + +<p>Vergilius’ methode voor het opvangen van een zwerm is nagenoeg +nog dezelfde als de hedendaagsche, door ouderwetsche bijenhouders in +praktijk gebracht. “De korf wordt ingewreven met fijn gemaakte +blaadjes van Melissa en wasbloempjes, en ge moet een getinkel maken en +de cymbalen van de Moeder”—dat is de Godin +Cybele—“tegen elkaar slaan. Dan zullen de bijen dadelijk +opkomen,” zegt hij, “en de gereedstaande woning betrekken. +Wanneer ge den honing-oogst in bezit gaat nemen, moet ge eerst uw +kleeren besprenkelen en uw adem reinigen met zuiver water, en daarna +pas de korven naderen, in uw hand de opjagende rook houdende.” En +de ouderwetsche bijenhouder in dezen <span class="pagenum">[<a id="pb9" +href="#pb9">9</a>]</span>tijd neemt nog, zooals zijn ritus het wil, +zijn potje bier en gaat zich wasschen vóórdat hij de +korven aanraakt.</p> + +<p>Maar misschien ligt toch de sterke bekoring van het vierde boek van +de Georgica niet juist daarin, dat het zoo van nabij de waarheid van +het bijenleven raakt; maar eerder nog in de mooie oude mythen, die er +doorheen gevlochten zijn, en de haast niet minder aantrekkelijke +dwalingen van vervlogen tijden, die de middeneeuwsche schrijvers zoo +getrouw naverteld hebben. Maar de aspirant-ijmker van dezen tijd zal er +niet licht meer van hooren, tenzij hij die oude boeken opslaat.</p> + +<p>Vergilius begint zijn gedicht met te spreken van de honing, +“hemelsche gave, uit den aether ontvangen” daarmee +zinspelende op het oude geloof, dat de nektar in de bloemen niet door +de plant zelf werd afgescheiden, maar als manna uit de lucht viel. Hij +waarschuwt zijn lezers ernstig voor de slechte gevolgen van een echo op +de bewoners der korven en voor de gevaarlijke eigenschappen van +verbrande kreeftenschalen; en hij vertelt ons, dat bij winderig +weêr de bijen kleine steentjes meedragen als tegenwicht, +“zooals de wankele scheepjes zand-ballast innemen op de +schokkende golven.”</p> + +<p>Hij had een vast geloof in den goddelijken oorsprong der bijen. Want +voor alle volkeren der oudheid was de bij een eeuwig wonder; het teeken +van een almachtigen Wil, in de bloemenvelden gewekt, zooals voor de +moderne vromen de regenboog als teeken van dien goddelijken wil in den +hemel gezet is. Terwijl alle wezens op aarde hun soort voortplantten +door vereeniging der geslachten, schenen deze geheimzinnige gevleugelde +volken van die algemeene wet te zijn ontheven. En Vergilius, +copieerende van veel oudere schrijvers, zegt: “zij kennen niet de +vreugde van lichamelijke vereeniging, noch <span class="pagenum">[<a +id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>kennen zij het versmachten in +liefde, of brengen zij in lijden hun jongen ter wereld; maar zij roepen +met hun mond hun kinderen op bladeren en zoetriekende kruiden, en maken +zoo hun getal van jeugdige burgers vol.”</p> + +<p>Even wonderlijk—tenminste voor moderne +insektenkenners—schijnt het onder de ouden wijdverbreide geloof, +dat bijenzwermen willekeurig kunnen gekweekt worden uit het rottend +karkas van een os. Vergilius beweert dit vermeld te hebben gevonden in +een oude Egyptische legende, en hij geeft zorgvuldige wenken aan +bijenhouders, hoe zij deze, voor hem ontwijfelbaar zekere, methode om +een bijenvolk te verkrijgen hebben toe te passen, die ik hier laat +volgen:<a class="noteref" id="xd0e365src" href="#xd0e365">1</a></p> + +<div class="poem"> +<p class="line"><span class="linenum">385</span>“Men kiest eerst +luttel erfs, om ’t werrek te voltrekken</p> + +<p class="line">En past dit met wat daks van pannen +t’overdekken;</p> + +<p class="line">Met eenen nauwen wand te sluiten dit gesticht,</p> + +<p class="line">Waarin vier vensters naar vier winden haar gezicht</p> + +<p class="line">De zon toekeeren, die hier heet komt innestralen.</p> + +<p class="line"><span class="linenum">390</span>Dan past men eenen +stier, twee jaren oud, te halen</p> + +<p class="line">Wiens horens krommen. Dan de neuslucht met geweld</p> + +<p class="line">Gestopt, den muil de lucht benomen, hem geveld</p> + +<p class="line">Met stokken, dat hij sterf, die nog een weinig +lilde.</p> + +<p class="line">’t Gepletterde ingewand dan over d’ +ongevilde</p> + +<p class="line"><span class="linenum">395</span>En rauwe huid gespreid +van dezen dooden stier,</p> + +<p class="line">Dan versche kassiegeur geslingerd onder ’t +dier</p> + +<p class="line">En thijm, en telg bij telg, gebroken van die +heggen.</p> + +<p class="line">Zoo laten ze in die plaats den stier besloten +leggen.</p> + +<p class="line">Dit wordt beschikt, wanneer de westenwind eerst +speelt,</p> + +<p class="line"><span class="linenum">400</span>En met zijn adem in +’t begin het water streelt,</p> + +<p class="line">Eer nog de beemd beginn’ te bloeien, versch +bewaterd,</p> + +<p class="line">De zwaluw ’t broeinest welve’ en onder +’t rietdak snatert.</p> + +<p class="line">Terwijl ’t gekneusd gebeent en warme bloed +geraakt</p> + +<p class="line">Aan ’t broeien, schijnt het of een vreemd gediert +genaakt</p> + +<p class="line"><span class="linenum">405</span>En grimmelt ondereen: +Men ziet eerst groote beenen,</p> + +<p class="line">Hoort veders snorren en zich mengen, en met +éénen</p> + +<p class="line">Besteigeren ze allengs de hoogten in de lucht, <span +class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span></p> + +<p class="line">Totdat zij endelijk, gelijk een zomervlucht</p> + +<p class="line">En vlaag uit eene wolke uitspatten voor elks oogen,</p> + +<p class="line"><span class="linenum">410</span>Of als een lichte pijl +uit Persiaansche bogen</p> + +<p class="line">Omhoog vliegt als de Parth nu toestreeft met den +schicht.”</p> +</div> + +<p>Voor een studie over het hardnekkig vasthouden aan dwalingen is dit +dankbaar materiaal. In de eerste plaats is het ontstaan van bijen uit +rottende stoffen een onmogelijkheid en moet dit altijd geweest zijn. Er +is niets wat bijen zoozéér verafschuwen als alle soort +van aas. Ja, zelfs de lucht van rottende stoffen zal heel dikwijls een +bijenstand dwingen hun korven voor goed te verlaten, en het is dus +uitgesloten, dat zij zich ooit in de buurt zouden wagen van +Vergilius’ onwelriekend proefmateriaal en daardoor den indruk +maken er ontstaan te zijn. Maar niet alleen, dat deze methode erkend en +gevolgd werd, in Vergilius’ tijd; tot zelfs aan het eind der +middeleeuwen werd er vast in geloofd; ja zelfs tot wèl in de 17e +eeuw. Er wordt zelfs vermeld, dat de proef met volmaakt goed gevolg was +genomen door een zekeren heer Carew van Anthony in Cornwallis, in een +nog veel later tijd.</p> + +<p>En deze praktijk was van een nog veel ouder datum, dan zelfs +Vergilius veronderstelde. Hij zegt, waarschijnlijk terecht, dat zij uit +Egypte stamt, en daarmee telt men dus al duizenden jaren terug. In +Egypte had men op de proef een merkwaardige variant. De os werd in den +grond gegraven, zóó, dat juist de horens er boven +uitstaken. Als dan het geboorteproces was verondersteld te zijn +afgeloopen, werden de punten van de horens afgezaagd en dan beweerde +men, dat de bijen er uit kwamen dringen als uit twee schoorsteenen. +Bijna al de oude schrijvers, met uitzondering van Aristoteles, maken in +een of anderen vorm gewag van deze methode. Varro, die een halve eeuw +voor Vergilius schreef, zegt: “uit rottende ossen worden de +bijen, de moeders van <span class="pagenum">[<a id="pb12" href= +"#pb12">12</a>]</span>den honing, geboren.” Ovidius geeft de +geschiedenis van den Egyptischen herder Aristueus, die naar hij zegt +door Vergilius was uitgewerkt, en hij voegt er een paar beschouwingen +van zichzelf bij. Hij veronderstelt, dat de ziel van den os is +overgegaan in ontelbare bijenzielen, als een straf voor den os, die +zijn leven lang zoo jammerlijk onder de bloemen en kruiden huishield, +terwijl de bij een wezen is, dat de kruiden niet schaden kan, en ze +integendeel enkel goed doet.</p> + +<p>Nu is het duidelijk, dat waar een opvatting zoo algemeen verbreid is +en van zooveel onafhankelijke zijden bevestigd wordt, er een verklaring +moet bestaan, die de waarheid geeft en tegelijk de dwaling begrijpelijk +maakt. Een nauwkeurig onderzoek van de verschillende verhalen +betreffende bijenzwermen, op rottende dierlijke bestanddeelen ontstaan, +brengt al één algemeen verzuim aan het licht. Al de +schrijvers zijn het er over eens, dat dichte wolken van bij-achtige +insekten uit die rotte lichamen voortkwamen en zich in de lucht +verspreidden, als gingen zij onmiddellijk op honing uit. Maar geen +enkele van die schrijvers noemt het feit, dat er werkelijk honing door +de insekten verzameld is, noch ook wordt ergens gemeld, dat men ze er +toe heeft kunnen bewegen een korf in bezit te nemen, zooals gewone +bijenzwermen heel gemakkelijk doen. Zij worden meer genoemd als een +verrijking van het aantal bijen in hun omgeving dan als aanwinst voor +eenigen bijenhouder.</p> + +<p>En hierin ligt wel zeker de verklaring van het wonder. Indien het +niet de honing-bij was—de <i>Apis mellifica</i> van de moderne +naturalisten—die geteeld werd uit het begraven lichaam van +Vergilius’ rampzalig stierkalf, welk ander insekt, +zóó sterk op een bij gelijkende, kon dan wel in die +omstandigheden worden voortgebracht? Het antwoord is gemakkelijk +gegeven <span class="pagenum">[<a id="pb13" href= +"#pb13">13</a>]</span>door verscheidene natuurkenners van onzen +tijd.</p> + +<p>Er bestaat een vlieg, de “rotjesvlieg” of “blinde +bij,” die geheel aan deze moeilijkheid tegemoet komt. Hij gelijkt +zoozeer op de gewone honingbij, dat hij eens, en niet heel lang geleden +nog, voor de honingbij zelve gehouden werd, door iemand, die zich +bijenexpert noemde, en voorzien was van een diploma, dat hem <span +class="corr" id="xd0e444" title="Bron: officiëel">officieel</span> +tot dien titel bevoegd verklaarde. Deze rotjesvlieg zou zich in alle +opzichten juist zoo gedragen hebben, als Vergilius’ uit het kalf +geboren honingbijen heeten zich gedragen te hebben, en geheel in +overeenstemming met de verschillende beschrijvingen van het geval, door +andere schrijvers vóór en nà Vergilius. Zij zouden +onmiddellijk bij het openen van hun gevangenisdeuren in een dichte wolk +naar buiten zijn gedrongen, en zich vroolijk in het open veld verspreid +hebben evenals een zwerm bijen zou doen; en nog eens weer zou +Vergilius’ beschrijving van bijenproductie oogenschijnlijk waar +gemaakt zijn.</p> + +<p>Maar nu wij zóó ver gekomen zijn met de “blinde +bijen,” is het moeilijk niet iets verder te gaan. Wij kunnen hen +zoo niet laten in hun verwerpelijke betrekking tot ossen, in staat van +ontbinding; maar moeten hun ook de eer toekennen waarop zij aanspraak +hebben van eene konnektie van hooger orde: “Spijze ging uit van +den Eter; en zoetigheid ging uit van den Sterke.” Toen Samson +naar Timnath ging op zijn noodlottige vrijage en onderweg het karkas +zag onder een wolk van insekten, was hij zonder twijfel in het oprechte +geloof, dat het honingbijen waren; en geheel te goeder trouw gaf hij +zijn raadsel op, waarvan de vorm zeer goed kon aangenomen worden als +een betamelijke en veroorloofde dichterlijke vrijheid. Maar dat de +diertjes, die hij om den dooden leeuw zag zwermen, werkelijk bijen +waren, en dat Samson inderdaad <span class="pagenum">[<a id="pb14" +href="#pb14">14</a>]</span>honing kreeg uit het karkas, dat kon men +niet aannemen, dan met een geloof, dat niet te onderscheiden is van +lichtgeloovigheid. Er zijn verscheiden pogingen gedaan om het vraagstuk +langs natuurwetenschappelijken weg op te lossen; maar met geen enkel +overtuigend resultaat. En nu is men er toe gekomen dat gedeelte van het +verhaal, dat betrekking heeft op den honing, voor een handige opsiering +te houden van een lateren kroniekschrijver; en de insekten, die bij den +dooden leeuw huisden, te beschouwen als in werkelijkheid “blinde +bijen,” op dezelfde wijze ontstaan als die uit den os van +Vergilius.</p> + +<p>Misschien kan men nergens zoo goed een algemeenen indruk krijgen van +de bijenkennis in de oudheid als uit de geschriften van Plinius, d. O., +die geboren werd in het jaar 23 v. C. Ook hij behandelt de +bijengeboorte uit ossen. Maar de lezer zal het meest geboeid worden +door Plinius’ ernstige en nauwgezette beschrijving van het leven +en de eigenschappen van de honingbij zooals dat toen ter tijd algemeen +werd aangenomen. Zeker hebben maar heel weinige van zijn +schilderachtige détails eenigen grond van waarheid. Zooals alle +klassieke schrijvers b.v. had hij even weinig juiste kennis van het +leven in de bijenkorven als wij het leven kennen op den bodem van den +Grooten Oceaan. Maar hij verhielp dit gebrek, zooals al zijn +tijdgenooten het deden, door een ruim gebruik te maken van de schatten +uit eigen verbeelding en uit de verbeelding van anderen geput.</p> + +<p>Zijn verhaal van het ontstaan en den aard van den honing heeft een +eigenaardige bekoring. “Honing,” zegt hij, “wordt +geboren in den ether, veelal bij het opgaan der gesternten en bij +voorkeur als Sirius schijnt; maar nooit vóór het opgaan +der Plejaden, en dan altijd even voor het aanbreken van den dag.... +Deze vloeistof <span class="pagenum">[<a id="pb15" href= +"#pb15">15</a>]</span>kan het zweet zijn van de hemelen, of een +speeksel, uitvloeiende van de sterren, of een afscheiding van den ether +die zich zuivert. Ware hij nog maar, als hij tot ons komt, zoo zuiver +helder en onberoerd als toen hij het eerst zijn nederdaling begon. Maar +die val, van zulk een hoogte, brengt bederf; de uitwasemingen der +aarde, die hij ontmoet, tasten hem aan; hij wordt opgezogen van de +boomen en de kruiden der velden, en verzameld in de magen der bijen; +want die geven hem weer terug door den mond; ook verontreinigd door de +sappen der bloemen wordt hij dan in de korven gebracht en aan zooveel +veranderingen onderworpen—en toch ten spijt van dit alles, geeft +hij ons door zijn geurigen smaak een uitgezochte vreugde, zonder +twijfel het gevolg van zijn etherischen aard en oorsprong.”</p> + +<p>Moderne bijenhouders schrijven het verschil in kwaliteit van de +honing tegenwoordig toe aan het overheerschen van goede of slechte +nektarhoudende oogsten, of aan een vermenging met dat venijn voor de +ijmkers: de honingdauw. Maar voor Plinius hangt het geheel af van den +invloed der sterren. Bij het rijzen van sommige gesternten aan den +hemel was de honing slecht, omdat hunne afscheidingen minderwaardig +waren. Honing, die verzameld werd na den opgang van Sirius, den +beroemden honingstèr van alle schrijvers der oudheid, was +onvermijdelijk van goede hoedanigheid. Maar wanneer Sirius in de +hemelen heerschte samen met Venus, Jupiter of Mercurius, was honing +geen honing meer; maar een soort van hemelsch nostrum of medicament, +dat niet alleen kracht had, ziekten van de oogen en ingewanden te +genezen en zweren te heelen, maar zelfs uit den dood het leven kon +terugbrengen. Diezelfde deugd vond men in honing, die na het +verschijnen van een regenboog werd ingezameld, <span class="pagenum"> +[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>ten minste—zooals +Plinius er zorgzaam bijvoegt, “als er geen regen valt tusschen +het verschijnen van den regenboog en den tijd dat de bijen +inzamelen.”</p> + +<p>Over het leven van de bijen wijdt Plinius omstandig uit. Hij vertelt +ons van een volk van nijvere wezentjes, geregeerd door een koning die +een witte vlek als een diadeem op zijn voorhoofd draagt. Van deze +Koning-bijen waren er drie soorten—rood, zwart en gespikkeld; +maar de roode stonden het hoogst.</p> + +<p>Hij schijnt, hoewel met eenige terughouding, de oude legende aan te +nemen, dat geslachtsverkeer tusschen de bijen, door goddelijke +tusschenkomst, had opgehouden te bestaan, en veranderd was in een +voortplantingsysteem, dat uit de bloemen zijn oorsprong nam. Hij +spreekt ook van een gangbaar geloof—dat in zijnen tijd wel als de +stoutste ketterij moet hebben geklonken—dat de koning-bij het +eenige mannelijke exemplaar is, en al de rest wijfjes zijn. En met het +bestaan van de darren weet hij ook handig weg:</p> + +<p>“Men zou zeggen: een soort van onvolkomen bij, die het +allerlaatst gevormd wordt; een zwakke poging van uitgeputten ouderdom, +een laat nakroost.”</p> + +<p>Strenge tucht heerschte er volgens Plinius in de bijenkorven. Vroeg +in den morgen blies een bij de klaroen om de geheele bevolking te +wekken. Met militaire striktheid werd het dagwerk ingedeeld en +uitgevoerd, en ’s avonds vertoonde zich weer ’s Konings +hoornblazer en fladderde rond den korf, terzelfder tijd toeterend, even +schril als bij het wekken. Dan was de dagtaak verricht en het werd +plotseling stil in den korf.</p> + +<p>Zijn boek is vol merkwaardige bijzonderheden betreffende het +korfleven. Als inzamelende bijen door den nacht worden overvallen, dan +leggen zij zich op hun rug om hun vleugels te beschutten voor den dauw, +<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>en +blijven zoo liggen wachten tot het eerste teeken van den dageraad; dan +vliegen zij weer naar de kolonie terug. Als de zwermtijd gekomen is, +vliegt de Koning-bij niet weg uit den korf, maar wordt er uit gedragen +door zijn gevolg. Plinius waarschuwt de beginnende ijmkers, dat zij hun +korven niet in het klankbereik van een echo moeten plaatsen, daar dit +voor bijen zéér schadelijk is; maar hij voegt er bij, dat +handgeklap en het getintel van metaal hun een bijzonder genoegen geeft. +Hij schrijft hun een langdurig leven toe; sommigen leven wel zeven +jaar. Maar de korven moeten buiten het bereik van kikvorschen geplaatst +worden, die de hebbelijkheid bezitten van in de korven te ademen, wat +een groote sterfte onder de bewoners veroorzaakt. Als bijen kunstmatig +voedsel noodig hebben, geeft men ze rozijnen of gedroogde vijgen, tot +moes gestampt, gekoorde wol in wijn gedrenkt, de honingdrank hydromels, +of rauw hoendervleesch. “Was,” zegt Plinius, “reinigt +men het best, door ze eerst in zeewater te koken en dan in den +maneschijn te drogen om ze goed wit te krijgen.” Boosdoeners +worden gewaarschuwd tegen het naderen van bijenkorven of bijen, ten +allen tijd. “Want,” verzekert hij ons, “bijen hebben +een bijzonderen afkeer van dieven.”</p> + +<p>Voor den praktischen ijmker van later tijden lijken al deze +bijzonderheden, door de klassieke schrijvers vermeld, niet anders dan +nutteloos en verwarrend gebazel; en men verwondert zich, hoe de bijen +het rooiden, dat zij nog bleven bestaan onder zulk een verfijnd +gekompliceerde, slechte behandeling: een mengsel van onwetenheid en +nauwelijks een enkel vastgesteld feit. Toch staat het vast, dat de +bijenteelt, twee duizend jaar geleden, in waarheid een zeer uitgebreid +en belangrijk bedrijf was. Varro vermeldt een bijenstand, die jaarlijks +vijfduizend pond honing opbracht, terwijl <span class="pagenum">[<a id= +"pb18" href="#pb18">18</a>]</span>de jaarlijksche inkomsten van een +anderen de som van zesduizend sestercen bedroeg. De grootste +honingopbrengst, volgens Plinius, gaven Kreta, Cyprus en de kust van +Noord-Afrika. Sicilië was beroemd om de kwaliteit van zijn +bijenwas; maar Corsica leverde die toch in de grootste hoeveelheid. +Toen het eiland door de Romeinen werd onderworpen was de jaarlijksche +schatting, die het opbracht, naar men zegt, tweehonderd duizend pond +was. Maar dit is zulk een fabelachtig cijfer dat men het slechts +aarzelend kan aannemen.</p> + +<p>Blijkbaar deden de bijen in de oude tijden hun zaken goed, ondanks +de onwetendheid van hunne meesters, of tenminste van de oude schrijvers +<i lang="la">de Re Rustica</i>.<a class="noteref" id="xd0e482src" href= +"#xd0e482">2</a> Men moet echter steeds bedenken, dat zij, die over +landbouw en dergelijke onderwerpen schreven, zelden menschen van de +praktijk waren. Met misschien de enkele uitzonderingen van +Vergilius’ Georgica, zijn deze geschriften klaarblijkelijk voor +het grootste gedeelte compilaties uit nog oudere schrijvers, en verder +een samenraapsel van praatjes en verhalen, in dien tijd in omloop. En +het is zeker, dat degenen, die in waarheid hun werk maakten van +bijenteelt, en er het meest van wisten, er in ’t geheel niet over +schreven. Waarschijnlijk hielden zij zich met mythen en fabels +betreffende hun vak niet op, en hadden hun voorspoed te danken aan de +strenge dagelijksche praktijk en ondervinding, zeker ook nu nog de +betrouwbaarste, en eigenlijk éénige gids.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span></p> + +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e365src" id="xd0e365">1</a></span> Ik geef hier inplaats van de +Engelsche vertaling van Vergilius, die door den schrijver wordt +aangehaald, de hollandsche van Vondel.</p> + +<p class="footnote">(De Vert.)</p> + +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e482src" id="xd0e482">2</a></span> Over het Landleven.</p> +</div> +</div> + +<div id="ch2" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk II</h2> + +<h2 class="normal">Het Honing-eiland</h2> + +<p>Als wij alles aannemen, wat de Romeinen tot hun eigen glorie +verkondigd hebben, dan moeten wij gelooven dat hunne zegevierende +legioenen barbaarschheid vonden waar zij kwamen, en daarvoor het zaad +der hoogste beschaving achterlieten—hooge beschaving, volgens den +zin, die dat woord had in die sombere en veelbewogen tijden.</p> + +<p>Maar het is de vraag of het land der Britten, dat Caesar vond, zoo +barbaarsch was als het wordt geschilderd. Wij zijn gewoon +Caesar’s schets, van zijn eersten blik op Albion = Eilanban, het +Witte Eiland, zooals de Britten het zelf noemden, te beschouwen als +ònzen eersten blik in de geschiedenis van ons eigen land. Maar +dit is in ’t geheel niet waar. De geschiedenis van Brittanje +begint met het verhaal van de eerste reis die de Feniciërs er heen +maakten, toen ze, zich verder wagende dan één van hun +onversaagd ras, een landing deden op de Scilly-Eilanden en de naburige +kust van Cornwallis, en vandaar hun eerste lading tin meenamen.</p> + +<p>En hoe lang dit geleden is? Wie kan het zeggen. De plaats, waar het +fenicische Barat Anac, het Tinland, lag, bleef eeuwen lang een geheim, +naijverig bewaard door deze oude zeevaarders, de eerste zeelieden, die +de wereld kende. Zij waren ervaren stuurlieden, die zich oneindig <span +class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>ver op zee +waagden, zelfs al in Koning Salomon’s tijd, en dat was <span +class="corr" id="xd0e504" title="Bron: éen"> +één</span> duizend jaar vóór de komst van +Caesar. Het is zeer waarschijnlijk, dat zij veelvuldig met de Britten +verkeerd hadden, eeuwen <span class="corr" id="xd0e507" title="Bron: +vóor">vóór</span> dat de Grieken uitgingen om dit +wonderbare tindragende land te zoeken, en nog langer +vóórdat de naam Barat-Anac verbasterd was in het +Brittannia van de Romeinen. En het is nauwelijks te veronderstellen, +dat een volk van zulk een oude beschaving en met zulk een grooten roep +wat kunst en levensverfijning betreft als de Feniciërs—een +volk waarvan zelfs de oude Grieken het letterschrift en de schrijfkunst +geleerd hadden—eeuwen lang in kontakt kon blijven met een volk +als de Britten, van zoo hoogen zin en geestelijke begaafdheid, zonder +van grooten invloed op hun ontwikkeling en beschaving te zijn.</p> + +<p>Want hoog van zin en knap waren de Britten zelfs in die schemerig +verre tijden. Caesar’s verhaal, tusschen de regels in gelezen, +komt in niets overeen met de gewone opvatting, dat de Britten niets +anders waren dan een bende wilden, die als zwijnen samenhokten in +rieten schuren, en hun naakte lichamen blauw verfden, om den even +barbaarschen gemoederen van hun vijandige medeëilanders schrik aan +te jagen. Wij krijgen een indruk van een volk op veel hooger trap van +ontwikkeling in de kunsten van oorlog en vrede. Hoogstwaarschijnlijk +hulden zij zich in gewone tijden schilderachtig in de huiden der wilde +dieren, die in overvloed op hun eiland leefden, en alléén +in oorlogstijd waren zij naakt en beschilderd. Uit oude afbeeldingen +zijn wij gemeenzaam geworden met het uiterlijk der matrozen van Drake +en Nelson, op dergelijke wijze ontkleed; en tusschen de blauwe +beschildering uit de tijden der Druïden, en het roode laken en +schitterend metaal der bewapening van onze 19e eeuwsche krijgers <span +class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span>ligt dus niet +zulk een gapende kloof, als de afstand der eeuwen zou doen denken. In +de kunst der bewapening deden de Britten niet zoo oneindig ver onder +voor de Romeinen, en wij vernemen dat zij schijnen te hebben uitgemunt +in ten minste één lastig handwerk: het vlechten van +velerlei soort van mandenwerk.</p> + +<p>Maar er is een ander getuigenis, behalve dat van Caesar, ten gunste +van de opvatting, dat zij bij lange na geen barbaarsch volk waren. +Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Caesar, roemt hun +karaktereerlijkheid als die van de Romeinen zelfs overtreffend, en +Tacitus, die een eeuw later schreef, spreekt van hun bijzonder vlug +begrip en hoogen geestelijken aanleg. Door de zee beschermd als zij +waren, nam waarschijnlijk de oorlog geen groote plaats in hun leven in, +en in hoofdzaak waren zij een landbouwend volk. Het is wel zeker, dat +de beschaafde en ondernemende Feniciërs de kust veel verder +oostwaarts bezochten dan ons bericht wordt, en dus de beschaving bij de +Britten aanmerkelijk verhaast zullen hebben, tenminste wat de stammen +in het zuiden betreft.</p> + +<p>Het wordt gezegd—op welke gronden is moeilijk te +bepalen—dat de Romeinen, behalven dat zij de Britten alle andere +handwerken en den landbouw bijbrachten, ook de bijenteelt invoerden in +de veroverde eilanden. Maar Plinius, als hij verhaalt van de reizen van +Pytheas, die verondersteld worden drie honderd jaar gebeurd te zijn +vóórdat Caesar hier een voet gezet had, spreekt er van +hoe de aardrijkskundige, van Marseille in Brittanje landend, het volk +daar een drank zag brouwen uit tarwe en honing. Er is echter een andere +bewijsbron op dit punt, oneindig veel ouder nog dan de hierboven +genoemde: Lang voordat de fenicische zeevaarders hun Tin-eiland +ontdekten, waren er barden in Eilanban—het witte Eiland—die +de heldendaden <span class="pagenum">[<a id="pb22" href= +"#pb22">22</a>]</span>van hunne Veltische helden bezongen, en de +legendarische handelingen van hun ras. Deze oude, wilde zangen gingen +over van bard op bard door de eeuwen heen, en vele van die oud-Welsche +gedichten die nog zijn bewaard gebleven, moeten van een onnaspeurlijken +ouderdom zijn. Zij willen den toestand van Brittanje beschrijven, +beginnend met het allereerste menschelijk leven dáár.</p> + +<p>In sommige van die zangen nu, die blijkbaar tot de oudsten behooren, +wordt Brittanje het “Honing-eiland” genoemd, om den +overvloed van wilde bijen in de oerwouden. Het zou nutteloos, en +bovendien vrij dwaas zijn, als wij aan deze oude overleveringen grooter +beteekenis hechtten dan hun toekomt. Maar de naam geeft te denken, en +wij kunnen veilig veronderstellen, dat als Brittanje bij de oude +Druïdenbarden bekend was als het “Honing-eiland,” de +natuurlijke omstandigheden, die de aanleiding tot dien naam waren, nog +wel aanwezig zouden zijn en terug te vinden in het leven van het volk, +dat Caesar zag samenscholen op de witte rotsen boven zich, een +krachtig, rosharig, en krijgshaftig ras. Hij verhaalt, dat zij hunne +kudden van tam vee bezaten en hunne akkers bebouwden, en men kan met +reden veronderstellen, dat de korven van gevlochten wilgenrijs, +waarover Vergilius een eeuw later schreef, hun tegenhangers hadden in +de mandenkorven van den Britschen dorper uit dien tijd.</p> + +<p>Ongetwijfeld hebben de Romeinen bij hun tweede en blijvende +bezetting, eerst honderd jaar later, den Britten hun eigen methode van +bijenteelt geleerd en verschillende verbeteringen gebracht in de +praktijk van het handwerk, die bij de Britten zeker nog maar hoogst +primitief was. Maar eerst na het vertrek der Romeinen, toen de +Angel-Saksische heerschappij in het eiland gevestigd was, schijnt de +bijenkultuur een <span class="pagenum">[<a id="pb23" href= +"#pb23">23</a>]</span>erkend nationaal bedrijf te zijn geworden. Van +het maatschappelijk leven uit dien tijd zijn er slechts spaarzame +berichten; maar zeker is het, dat de honing met zijn produkten een +belangrijke plaats in het dieet innam bij alle klassen, hoog en +laag.</p> + +<p>Het is voor ons in dezen tijd, nu wij riet- en beetwortelsuiker +hebben, en zelfs chemische verzoetende middelen in voortdurend en +algemeen gebruik zijn, moeilijk te realiseeren, dat van de oudste +tijden af tot de vijftiende en zestiende eeuw, er feitelijk geen andere +zoetigheid was in de heele wereld dan honing; en ons dus voor te +stellen wat een voorname plaats het bijenbedrijf moet hebben ingenomen +bij alle volken. Voor alle mogelijke doeleinden was er enkel maar +honing, en men ziet ze aanhoudend genoemd in de oude kloosterkronieken, +en in de aardige kookboeken, die nog uit de Middeleeuwen zijn +overgebleven.</p> + +<p>Wel is waar kan men, wat het suikerriet betreft, teruggaan tot de +eerste eeuw v. C..—Strabo, die juist vóor het begin van de +Christelijke jaartelling schreef, verhaalt hoe Nearchus, vlootvoogd van +Alexander den Groote, een belangrijke ontdekkingsreis maakte in den +Indischen oceaan, en berichten meebracht over een wonderbaar +“honingdragend riet,” dat hij bij de inboorlingen had +gevonden. Er wordt ook vermeld, dat de Spanjaarden het suikerriet uit +het Oosten meebrachten en het plantten op Madeira, in het begin van de +15e eeuw; en van daar breidde zich in deze en de volgende eeuw de +kultuur uit naar West-Indië en Zuid-Amerika. Gedurende de +Middeleeuwen was het in zeer beperkt gebruik bij de rijkste en edelste +familiën van Europa; het had toen Venetië als +handels-centrum. Maar suikerriet was alleen een kostbare luxe in het +dieet, of een medicinaal bestanddeel, zelfs bij de hoogsten in den +lande, tot ver in de zeventiende eeuw; toen begon <span class= +"pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>het langzamerhand +den honing uit de volksgunst te verdringen. Doch het is zeer wel +mogelijk dat de middel- en laagste klassen in Engeland geen ander +verzoetingsmiddel dan honing bezaten en konden betalen, voor welk doel +ook, tot ongeveer drie honderd jaar geleden. Onder de Angel-Saksen +voorzagen de bijenkorven het geheele volk, van den Koning af tot den +minsten daglooner, en niet alleen van voedsel, maar tegelijk ook van +drank en licht. Wij lezen hoe op de Koninklijke feestmalen de Mede werd +rondgediend, en hoe die drank in ieder klooster algemeen werd gebruikt. +Zelfs in die oude tijden waren er herbergen aan de groote wegen, waar +men drank kon krijgen, en in hoofdzaak Meê, hoewel er ook een +soort van bier werd gebrouwen. Geen priester was het echter vergund +deze taveernen te bezoeken, maar een groote opoffering was dat zeker +niet, daar hun dagelijksch rantsoen aan Mede hen rijkelijk voorzag. +Ethelwold stond ieder half dozijn van zijn monniken aan het middagmaal +een “sentarium” Mede toe, wat in onze moderne maat +waarschijnlijk gelijk staat met verscheidene gallons. (1 gallon = 4.5 +liter!)</p> + +<p>In de Angel-Saksische tijden werden er drie verschillende dranken +uit honing gebrouwen. De gewoonste, de eigenlijke “Mede,” +die men kan beschouwen als den algemeenen drank van de groote menigte, +werd gemaakt van het stukgewreven overschot van de raten, nadat de +honing er uit was gedrukt; dit werd in water gedrenkt en naderhand +gezeefd en in aarden vaten weggezet, tot het ging gisten en tot Mede +werd. En hoe langer het bewaard werd des te sterker werd de drank. Een +tweede soort, uit honing, water en moerbeiensap, werd Morat genoemd; en +dit was waarschijnlijk de drank van de gezeten burgers. Een derde +brouwsel, bekend als Pigment, werd uit de zuiverste honing <span class= +"pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>gestookt, met +verschillende kruiden vermengd en dan door bijvoeging van een zekere +wijnsoort versterkt. En dit was waarschijnlijk de Mede, die aan de +koninklijke tafel geschonken werd. De bediening van ’s Konings +Schenker in die dagen kan geen sinecure geweest zijn; want het was bij +de Angelsaksische koningen het gebruik, hun gasten op vier feestmalen +per dag te onthalen, en de hoeveelheden drank, die volgens oude +berichten dan geschonken werden, schijnen ongeloofelijk, zelfs in de +annalen van zulk een stevig drinkend ras. En de nationale matigheid +werd, als een der voordeelen van de Normandische overheersching, niet +weinig gebaat, door de nieuwe regeling van William I, die deze +gastmalen beperkte tot slechts één per dag.</p> + +<p>Als wij aannemen, dat gedurende de regeering van Harald de +populariteit van ons goed oud Engelsch brouwsel haar hoogtepunt bereikt +had, is het eveneens zeker, dat met de komst van de Noormannen een +langzame daling kwam in zijn waardeering door het volk. In den nasleep +van Hertog William’s ongeordend leger, volgden de verkoopers van +de buitenlandsche dranken uit druivensap; en al spoedig zal wijn de +plaats hebben ingenomen van de Saksische Mede, eerst bij de vreemde +edelen en later bij de eigen “Thanes.” Van dien tijd af +ging de roem van de Mede gaandeweg achteruit, en heden ten dage is het +bereiden van Mede een verloren gegane kunst, nog maar heel zeldzaam te +vinden bij enkele ouderwetsche luiden, in afgelegen plaatsjes.</p> + +<p>Maar toch is ze te verkrijgen; en degenen van ons, die het geluk +hadden die goede oude Mede te drinken, wel belegen in het vat, hebben +zeker spijt gevoeld, dat er geen stevige poging gedaan wordt om ze haar +ouden nationalen roem terug te geven. Mij dunkt, dat er <span class= +"pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span>geen gezonder drank +in de wereld is, en zeker geen, die minder technische bekwaamheid +vereischt. Alle oude boeken over bijenteelt geven er recepten voor, die +alleen verschillen in de opgave van het aantal vreemde bijvoegsels, die +den smaak moeten verhoogen, maar hem, naar ons inzicht, verknoeien. +Want de edelste Mede kan gebrouwen worden van enkel honing en water; en +alle bijvoeging van kruiden of wat ook, kan alleen het unieke aroma +bederven. Eenige van de zestiende- en zeventiende eeuwsche ijmkers +waren in hun tijd beroemd voor het brouwen van meê; en een van de +allerbekwaamsten eischt voor zijn drank speciale erkenning, daar de +meest competente rechters hem in niets te onderscheiden vonden van +ouden Canarischen wijn. Hij geeft zorgvuldige aanwijzingen voor de +bereiding van zijn Mede, en deze kunnen worden opgevolgd, en zijn dit +ook in den laatsten tijd, met volmaakt succes. Als deze Mede een aantal +jaren goed bewaard blijft, schuimt zij in het glas als champagne, maar +zakt dadelijk weer neer; en de binnenwand van het glas blijft dan +bedekt met sprankelende luchtbellen. De drank heeft de kleur van bleek +goud als oude cider; maar de smaak is niet te vergelijken met dien van +eenigen anderen drank uit dezen tijd. Het is van belang, dat wij van +zijn bereider de verzekering hebben, dat hij zoo sterk gelijkt op den +Canarischen wijn, omdat dit ons een juist begrip geeft van de +innerlijke hoedanigheid van een wijnsoort, die al sedert zoo langen +tijd is verloren gegaan.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch3" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk III</h2> + +<h2 class="normal">IJmkers in de Middeleeuwen.</h2> + +<p>Zij, die de oude boeken over de honingbij bestudeeren, worden +gewoonlijk getroffen door twee zeer opmerkelijke bijzonderheden: de +oud-klassieke en romantische geur in al die boeken, en hoe daarin een +groote hoeveelheid ontwijfelbare fabels behendig doorvlochten zijn met +een minimum van blijvende feiten.</p> + +<p>Vóórdat men zich heel diep in deze merkwaardige oude +berichten heeft ingewerkt, is het moeilijk zich er rekenschap van te +geven, hoe door en door verzadigd zij zijn met de bekoorlijke, maar +grootendeels onware ideeën van de oude klassieke bijenvaders. De +schrijvers waren bijna zonder uitzondering ernstige praktische +menschen, voor wie de studie en de uitoefening van hun bedrijf de +uitsluitende levenstaak was. Maar zij schenen van den eerste tot den +laatste bezeten te zijn door den drang om alles wat ooit door de oude +Grieksche en Romeinsche litteratoren over bijen geschreven was, als +waarheid hoog te houden, en door de gedachte, dat het de ergerlijkste +ketterij zou zijn er éénige nieuwe waarheid uit hun eigen +ondervinding en waarneming aan toe te voegen, tenzij zij die ampel +ondersteunen konden met getuigenissen uit diezelfde onfeilbare +bronnen.</p> + +<p>Zij schenen de werken van Aristoteles, Vergilius, <span class= +"pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span>Plinius en de rest +te beschouwen als zoovele goddelijke openbaringen betreffende het +mysterie van het bijenleven, als een volmaakt afgesloten geheel; en zij +lieten nooit na ze aan te halen in ondersteuning van eigen beweringen +of ter weerlegging van die van anderen. Ongeveer zooals +godsdienstleeraren gewoon zijn twijfelaars naar bijbelplaatsen te +verwijzen.</p> + +<p>Maar in de middeleeuwen waren het niet alleen de ijmkers, die van +dit bijzonder gezichtspunt uitgingen. Het scheen toen ter tijd het +heerschende standpunt te zijn bij alle klassen. En het zou haast een +gerechtvaardigde gevolgtrekking zijn wanneer men daaruit opmaakte, dat +bij die oude vasthoudende classici hun natuurstudie geen ander doel +had, dan te bevestigen wat door hunne eerbiedig vereerde orakels reeds +geboekt was. Het was genoeg, dat in de literaire jonkheid der wereld +iets in het Grieksch of Latijn geschreven was; het werd als een +vlekkelooze waarheid vereerd, als het eerste en het laatste woord over +die zaak; en als hun persoonlijke waarnemingen niet overeen schenen te +komen met eenige bewering van de oude schrijvers, dan was de +tegenstelling alleen maar schijnbaar en zou zonder twijfel gemakkelijk +kunnen uitgewischt worden door een grondiger onderlegd kenner van die +oude bijenlitteratuur.</p> + +<p>Het is bij een eerste beschouwing zeker verwonderlijk, dat menschen +een geheel leven in dit bedrijf konden werken en tegelijk zich aan een +onwrikbaar geloof konden houden, dat zooveel zwakke punten blootgaf. +Maar men moet bedenken, dat eenige juiste waarneming van het innerlijke +leven der honingbijen in die tijden nog bijzonder bezwaarlijk was. Het +was nagenoeg onmogelijk, iets te zien van wat er gebeurde binnen de +korven, zooals men die toen gebruikte. Plinius spreekt van een +bijenkorf, vervaardigd van wat <span class="pagenum">[<a id="pb29" +href="#pb29">29</a>]</span>hij spiegelsteen noemt; dit was +waarschijnlijk talk; en men kon door de doorzichtige zijden ervan de +bijen zien werken. Maar door de Engelsche ijmkers schijnt iets van dien +aard niet vóór de 17e eeuw beproefd te zijn. Buitendien, +al ware ook de korf geheel van helder glas gemaakt, zou de waarnemer +nog niet veel wijzer zijn geworden. Hij zou niet meer dan de +buitenkanten van de twee uiterste raten te zien hebben gekregen, en hij +zou veel heen en weer loopen bij de bijen hebben opgemerkt en nu en dan +even een verschijning van de koningin hebben gehad. Maar al die +verwonderlijke aktiviteit, ten koste van zooveel inspanning opgemerkt +door de waarnemers van onzen tijd, die zoovele vernuftig uitgedachte +hulpmiddelen tot hun dienst hadden, gebeurt uitsluitend in het +allerbinnenste van de korven; en iedere poging het leven der bijen te +bestudeeren met de hulpmiddelen der Middeleeuwen zou volslagen +nutteloos geweest zijn. Het was eerst nadat Huber’s bladerkast +was in gebruik genomen—waarin het eenigermate mogelijk was de +raten tijdelijk van elkaar te verwijderen, zonder de bijen al te veel +te verstoren—dat er een merkelijke vooruitgang kwam in de kennis +van het bijenleven. Een nog grooter verbetering was de nieuwste +observatiekorf, waarin de bijen gedwongen worden hun raten tusschen +glazen afdeelingen op te bouwen, de een boven de ander, inplaats van +naast elkaar; want deze uitvinding veroorloofde de studie van het +geheele leven binnen in den korf. Maar hierop is aan te merken, dat bij +zulk eene inrichting de bijen onder te kunstmatige omstandigheden +moeten werken. In een natuurlijk bijennest worden de raten ruw naast +elkaâr aangebracht, en het broed wordt opgekweekt in het +middengedeelte van iedere raat; terwijl de oppervlakte, door de +broedcellen ingenomen, in iedere richting naar buiten toe, vermindert. +Zoo neemt het broednest <span class="pagenum">[<a id="pb30" href= +"#pb30">30</a>]</span>een kogelachtigen vorm aan, met den +honingvoorraad er boven en omheen, en deze natuurlijke schikking wordt +onvermijdelijk verstoord in een korf, waar de raten boven- en niet +naast elkaâr liggen.</p> + +<p>Daar het nu den ouden ijmkers onmogelijk was iets omtrent de bijen, +in hun strooien korven, te leeren, beperkten zij zich tot het herhalen +van wat de oude schrijvers geloofden, en doorvlochten dat handig met +eigen beschouwingen; en omdat niemand in staat was die te weerleggen, +werden zij met des temeer zekerheid geuit.</p> + +<p>In hoofdzaak schijnen zij het er over eens te zijn geweest, dat het +algemeene principe van voortplanting, geldig voor de geheele schepping, +wonderbaarlijk was opgeheven voor de honingbij alléén. +Mozes Rusden, ijmker van Koning Karel II, die in het jaar 1679 nog zijn +“Verdere ontdekkingen in het Bijenleven” uitgaf, geloofde, +dat de werkbijen niet alléén de levenskiemen, maar de +feitelijke lichamelijke substantie van de jonge bijen van de bloemen +gaarden.</p> + +<p>Hij wees triomfantelijk op de kleine bolvormige klompjes van +veelkleurig stuifmeel, die de bijen zoo nijver in de korven +thuisbrengen gedurende het broedseizoen, en hij verzekerde, dat dit het +materiaal was, waaruit de jonge bijen zich ontwikkelden. Hij beweerde +ook, dat iedere korf onder de heerschappij van een koning stond; maar +dáárin trachtte Rusden blijkbaar twee heeren te dienen. +Hij was zonder twijfel een hartgrondig koningsgezinde, en had de +diepste verachting voor alles wat afweek van het dogma betreffende het +“goddelijk recht der koningen.” Van Vergilius had hij +getrouw het gedeelte nageschreven dat handelt over het garen der +levenskiemen op de bloemen; maar hij voelde dat het als ’s +Koning’s ijmker zijn plicht was, waar het in zijn macht stond, +een goed woord te spreken voor <span class="pagenum">[<a id="pb31" +href="#pb31">31</a>]</span>het herstelde koningschap. Er leefden er nog +velen in het koninkrijk, die sterk tegen de Restauratie waren en +waarschijnlijk nog veel meer weifelaars. En Rusden stelde zich wel +voor, dat wanneer hij wijzen kon op een <span class="corr" id="xd0e577" +title="Bron: paralel">parallel</span> voorbeeld in de natuur, waar het +stelsel der monarchie van een goddelijke wet uitging, hij zijn patroon +een prachtig argument aan de hand deed ten gunste van zijn koningschap, +en tegelijker tijd een <span class="corr" id="xd0e580" title="Bron: +bizonderen">bijzonderen</span> indruk zou maken op de onontwikkelde en +bijgeloovige massa. Maar terwijl hij dit standpunt innam was Rusden +toch ook de echo van een eeuwenoud geloof, ingeworteld bij al de +bijenvaders in het verleden.</p> + +<p>De enkele groote bij, waarvan het bestaan in alle korven aan ieder +bekend was, werd algemeen gehouden voor den absoluten heerscher in de +gemeenschap. De 16e en 17e eeuwsche schrijvers noemen haar bij +afwisseling koning of koningin; maar alleen in den zin van bestuurder; +en men koos het woord in hoofdzaak al naar het geslacht van hem of +haar, die op dat oogenblik den engelschen troon innam. Zoo verwierp +Rusden wijselijk het idée eener koningin, toen hij rekening had +te houden met Karel II. Butler, misschien de geleerdste van al de +vroegere schrijvers over de honingbij, vermijdt even halsstarrig het +woord koning te noemen, want zijn boek verscheen toen koningin Anna +regeerde. Hij noemt het “De vrouwelijke Monarchie,” maar +hij schijnt toch evenmin als een van zijne voorgangers het geringste +vermoeden gehad te hebben, dat de groote bij in waarheid de moeder van +de heele kolonie is. Echter staat hij haast alleen in zijn tijd in het +verwerpen van de bloemen-theorie der bijenvoortplanting, en hij +verzekert, dat de werkbijen en de darren respektievelijk de vrouwelijke +en mannelijke elementen zijn. “Maar,” zegt hij, “zij +planten niet voort als andere <span class="pagenum">[<a id="pb32" href= +"#pb32">32</a>]</span>levende wezens; hunne darren dulden zij slechts +één getij, door wier mannelijke kracht zij wonderdadig +ontvangen en voortbrengen, en aldus hun liefdelijke soort +behouden.”</p> + +<p>Over de moeilijkheid, dat er gedurende negen maanden geen darren in +de korven zijn, en toch het eierleggen voortgaat, zet hij zich heen met +de bewering, dat de werkbijen onbevlekt ontvangen van de darren +gedurende het seizoen, en dat die zomerbevruchting voldoende is, tot de +darren het volgende jaar in Mei terug komen. En zoo was hij, zonder het +te vermoeden, heel dicht bij de ontdekking van een van de meest +verwonderlijke feiten in de natuur—dat de koningin-bij in een +korf, na één enkele gemeenschap met een der darren, +voortgaat bevruchte eieren te leggen in haar geheele verdere leven, dat +misschien nog wel drie of zelfs vier jaren duurt.</p> + +<p>Butler’s boek is rijk aan aardige bijzonderheden uit de +bijenlegenden van zijn tijd. Hij vertelt ons, dat de koningin-bij +“ondergeschikte goeverneurs en leiders” onder zich heeft. +Zij onderscheiden zich van de anderen door een soort donkergeel of +bruin pluimpje of kwastje, soms vóór afhangend als een +struisveer, of ook wel rechtop staand als bij de reigers. In minder dan +een kwartier, zult ge er soms drie of vier uit een goeden korf zien +komen; maar nog in den tijd, dat de zon in de Tweelingen staat, +vóórdat zij bij het aanhoudend werken die versierselen +hebben afgesleten. En op iederen warmen lente- of zomermorgen kan het u +gebeuren, dat ge hetzelfde ziet: In enkele bloemen, vooral in de +avond-sleutelbloem, hangen soms de stuifmeel-deeltjes in draden +aanéén en zoo blijven zij soms vastzitten aan de sprieten +van de verzamelende bijen, en geven dan den indruk van een pluimpje of +kwastje, zooals Butler het in zijn dagen zag. <span class="pagenum">[<a +id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span></p> + +<p>Hij geeft ook wenken hoe een goed ijmker zich heeft te gedragen, die +wel waard zijn aangehaald te worden: “Als gij de gunst van uw +bijen wilt houden, dat zij u niet steken, dan moet gij de dingen +vermijden, die hen kunnen beleedigen: gij moet niet onkuisch noch +onrein zijn; want zelf uiterst kuisch en zuiver, verafschuwen zij alle +vuilheid en liederlijkheid. Gij moet niet tot hen komen met de reuk van +zweet aan u, of met een stinkenden adem, na het eten van prij of uien +of knoflook en dergelijke, of uit eenige andere oorzaak; het +onaangename daarvan neemt men weg met een kroes bier; en daarom is het +niet goed bij hen te gaan vóórdat gij gedronken hebt; gij +moet niet overgegeven zijn aan onmatigheid en drank. Gij moet niet +hijgende en blazende tot hen komen, noch, waar zij zijn, drukke +bewegingen maken; noch ook wanneer zij u schijnen te willen steken, hen +heftig afweren; maar voorzichtig uw hand bewegende moet gij ze zachtjes +neerzetten; en ten laatste moet gij hun niet vreemd zijn. In +één woord: gij moet kuisch, zindelijk, rustig, sober, +zacht en gemeenzaam zijn; dan zullen zij u liefhebben en uit alle +anderen kennen.” Zoo is dus volgens Butler de goede ijmker een +samenstelling van alle deugden, en tot bevordering van het duizendjarig +rijk schijnt niet anders noodig, dan alle menschen te bewegen, ijmkers +te worden.</p> + +<p>De middeleeuwsche schrijvers over de honingbij wedijveren in hun +getuigenissen betreffende de buitengewone kracht van intelligentie bij +de inwoners hunner korven. Maar één verhaal van Butler +overtreft ze wel alle. Hij leidt het in met de bewering: “bijen +zijn zóó wijs en kundig, dat ze niet alléén +hun kleinen God-almachtig hebben uitgeroepen, hoewel Hij tot hen kwam +in de gedaante van een ouwel; maar zóózeer zelfs, dat zij +Hem een kunstige kapel gebouwd hebben,” <span class="pagenum">[<a +id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>en verder vertelt hij dan, dat +“een zekere eenvoudige vrouw, bezittende eenige korven met bijen, +die haar niet het gewenschte voordeel gaven, maar kwijnden en stierven +aan de pest, zich beklaagde bij een andere vrouw nog eenvoudiger dan +zijzelve, die haar den raad gaf, een gewijde hostie in een van haar +korven te zetten. En dien raad opvolgende ging zij tot een priester en +verkreeg de hostie, die zij in haar mond bewaarde; toen zij thuis kwam +nam zij de hostie uit haar mond en legde haar in een van de korven. +Daarna hield de pest op en er kwam overvloedig honing. En toen nu de +tijd dáár was en de vrouw den korf oplichtte om den +honing er uit te nemen, zag zij—en het was wonderbaarlijk om te +zien—een kapel, gebouwd door de bijen, met een altaar er in, en +de muren van een verwonderlijken kunstigen bouw en versiering, en met +vensters op hun juiste plaats, ook een deur en een toren met klokken. +En de hostie op het altaar gelegd zijnde, vlogen de bijen er met een +zacht zoemen omheen.”</p> + +<p>Dit verhaal heeft zijn weerga alleen in een ander, even oud, waarin +verteld wordt, hoe dieven in een kerk inbraken en het zilveren doosje +stalen, waarin de heilige ouwels bewaard werden. Zij vonden +één ouwel in het doosje en legden dien onder een +bijenkorf, om daarna met het kostbaarste gedeelte van hun buit zich uit +de voeten te maken. En in den nacht daarop, zoo schijnt het, werd de +eigenaar van den korf gewekt door een verrukkelijke muziek, die in +strofen met gelijke tusschenpoozen uit de richting van zijn bijentuin +scheen te komen. Hij nam een lantaarn om de oorzaak na te gaan, en +ontdekte, dat de muziek uit een der korven kwam. Ontsteld over dit +wonder, ging hij tot den bisschop en wekte hem om hem dit buitengewone +voorval te openbaren; en de bisschop met zijn gevolg verschijnende, +lichtte de korf op en bevond, dat de bijen <span class="pagenum">[<a +id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span>den gewijden ouwel in bezit hadden +genomen en hem in het bovenste gedeelte van den korf gebracht, nadat +zij er eerst een doos voor hadden gemaakt van de zuiverste witte was, +een nauwkeurige navolging van dengene, die gestolen was. En rond de +doos zongen de bijen in koren, en zij hielden de wacht er bij, zooals +<span class="corr" id="xd0e602" title="Bron: monnikken">monniken</span> +het doen in een kapel.</p> + +<p>“Een geschiedenis,” voegt de verhaler er profetisch bij, +“die zeker bij vele ongeloovigen verzet zal ontmoeten.”</p> + +<p>In hunne aanwijzingen hoe een zwerm opgevangen moest worden, waren +de middeleeuwsche ijmkers altijd zonderling precies. Het voorbereiden +van den korf, die den zwerm moest opnemen, was een hoogst bewerkelijke +maatregel. Als de korf nieuw was, bevalen zij aan, hem eerst uit te +schuren met een handvol welriekende kruiden als thijm, marjolein of +hysop; en daarna kwam er een tweede behandeling met een mengsel van +honing en water, of melk en zout. Maar het klaarmaken van een ouden +korf moet een vrij onsmakelijk werk geweest zijn. Men moest twee handen +vol mout of erwten of ander graan in den korf leggen, en “laat er +dan een zwijn van eten. Intusschen draait ge de korf op +zóódanige wijze, dat het schuim, door het zwijn al etende +gemaakt, den geheelen korf rondgaat. Dan veegt ge den korf losjes uit +met een linnen doek, en de bijen zullen dezen korf liever hebben dan +een nieuwe.”</p> + +<p>Terwijl de bijen zwermden en “bezig waren met hun dans,” +moest men hun “een vroolijk deuntje” voorspelen op een kom +of pan of ketel, om hen vlug te maken. We worden verzekerd, dat de +zwerm vlugger of zwaarder vliegt al naar het soort gedruisch, dat ze +hooren. Als het “vroolijke deuntje” in een vlugge maat werd +gespeeld vlogen de bijen snel en hoog; maar bij zachte slepende muziek +ging het langzamer en daalden <span class="pagenum">[<a id="pb36" href= +"#pb36">36</a>]</span>zij spoedig. Dit eigenaardig gebruik van muziek +maken voor de bijen is ongetwijfeld van Romeinschen oorsprong; maar of +het door Caesar’s opvolgers is ingevoerd of door die van Claudius +in de eerste eeuw, of dat misschien de engelsche ijmkers het uit de +klassieke schrijvers hebben afgeleid is moeilijk uit te maken. Men +hoort het nog op verschillende afgelegen plaatsen, en de aanhangers er +van schijnen het vaste geloof in de deugdelijkheid behouden te hebben, +dat hun voorvaders hadden. Waarschijnlijk had in vroeger tijden, toen +bijenparken veelvuldiger voorkwamen, het gebruik één +onweersprekelijk nut; het was voor de verschillende omwonende +bijenhouders het bewijs, dat er een zwerm was afgegaan en dat zijn +rechtmatige eigenaar dat wist. En op deze wijze werden zeker de +onrechtmatige aanspraken op den zwerm voorkomen, of ten minste +ontmoedigd.</p> + +<p>De vraag of het gedruisch, dat men bij de bijen maakt, eenigen +werkelijken invloed op de zwermen heeft, is nog niet afdoende +beantwoord. Behalve een paar oude korvenbezitters, die in sommige +uithoeken nog wel te vinden zijn, hebben de moderne bijenkweekers dat +gebruik sinds lang afgeschaft als het uitvloeisel van grof bijgeloof. +Maar toch is in den laatsten tijd de vraag opgeworpen of de geluiden, +die door ouderwetsche bijenhouders gemaakt worden, als er een zwerm is +uitgetrokken, toch niet hun nut hebben. Men heeft verondersteld, dat de +bijenwolk—in het begin niet anders dan een chaos van flakkerende +vleugels, daar het geheele volk doelloos rondzwiert en dwarrelt over +een groote uitgestrektheid—in werkelijkheid op zoek is naar de +koningin. Nu is er geopperd, dat zij haar op het gehoor af volgen; want +men vermeent, dat zij een bijzonder fluitend geluid maakt terwijl zij +vliegt. Het getinkel van sleutels en <span class="pagenum">[<a id= +"pb37" href="#pb37">37</a>]</span>pannen zou dan de bijen verhinderen, +dat geluid te hooren, en haar op haar eerste omdolingen te volgen, +zoodat er dan kans op is, dat de zwerm ergens dichter bij huis +neerstrijkt. Het is een interessante theorie, maar eigenlijk niet +houdbaar. Die oude volksmeeningen berusten gewoonlijk niet op eenige +feitelijke basis, en het is veel waarschijnlijker, dat het gedruisch +niet den minsten invloed op de bijen heeft.</p> + +<p>Wat betreft het recht van den ijmker, om zijn zwerm in een +aangrenzend land te volgen, is het aardig de verzekering te hooren van +een van deze oude schrijvers: “als gij ze niet tot neerstrijken +kunt brengen, en zij al voortvliegende buiten de grenzen van uw land +gaan, dan vergunt u de oude wet van het Christendom hen, waarheen ook, +te volgen, opdat gij uw eigendom terug krijgt.” +“Maar,” voegt de schrijver er bij: “als uw zwerm zich +zóó snel en vèr verwijdert, dat gij ze uit uw +gehoor en gezicht verliest, dan verliest ge tegelijk ook alle recht op +hun bezit. In dat geval hebt gij wettelijk geen andere keus dan uwe +bijen over te laten aan hem die ze het eerst vindt.” Met het oog +op verschillende hedendaagsche geschillen over deze zaak, waarbij de +uitspraak der wet willekeurig en vaag scheen, is het van belang te +wijzen op zulk een oude autoriteit betreffende de rechten van den +ijmker.</p> + +<p>Bijna geen détail van de kultuur, waaraan in de middeleeuwen +geen bijgeloovigheid of curieus gebruik verbonden was. Allen zonder +onderscheid schijnen te gelooven in de oude bewering, zooals zij ook +bij Vergilius voorkomt, dat de bijen kleine steentjes bij zich dragen, +om als het hevig waait hun vlucht te balanceeren, en er waren er zelfs +die dachten, dat zij bloemen aldus gebruikten. Rood gekleurde stoffen +werden als zeer hinderlijk voor de bijen beschouwd, en men wordt +gewaarschuwd niet in die kleeren gekleed in het bijenpark <span class= +"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>te verschijnen. Men +meende ook, dat de jonge en de oude bijen in de korven van elkaar +gescheiden waren. Wat dit betreft is het een bewezen feit, dat op het +hoogst van het honingseizoen de bijen in het bovenste gedeelte der +korven bijna uitsluitend jonge bijen zijn, die nog niet gevlogen +hebben.</p> + +<p>Men vertelt ons ook, dat wanneer er bijen zijn, die ’s avonds +nog niet in den korf terugkwamen, de koningin uitgaat om ze op te +sporen en hun den weg terug te wijzen. En niemand behoeft bang te zijn, +de heerscheres van den korf over het hoofd te zien, omdat zij +herkenbaar is aan haar “fieren gang en haar gelaat, dat majesteit +uitdrukt; en op haar voorhoofd is een witte vlek die schittert als een +diadeem.”</p> + +<p>Een der oude schrijvers geeft den raad, recht door alle korven een +gat te boren, tegen spinnewebben. Hij gelooft ook, dat de bijen zwermen +ten gevolge van de tyrannie van de koningin, en als zij ze volgt, +dooden zij haar. Ook vertelt hij, dat de darren honingbijen zijn, die +hun angels hebben verloren en dikker geworden zijn. Dit was al een oud +geloof, en de sceptische Butler behandelt het op de volgende wijze:</p> + +<p>“Het algemeene oordeel betreffende de darren luidt: dat zij +geworden zijn uit honingbijen, die hun angels verloren, wat even +waarschijnlijk is als dat een dwerg, dien men zijn ingewanden ontneemt, +een reus zou worden.” Maar de oude ijmkers waren altijd +onverdraagzaam tegenover de vergissingen van anderen, terwijl zij met +de sterkste beweringen en een groot vertoon van geleerdheid hun eigen, +even vage bijgeloovigheden verkondigden.</p> + +<p>Een boekje in 1656 uitgegeven en geheeten: “<span lang= +"en">The Country Housewife’s Garden</span>” is aardig, +omdat het blijkbaar geschreven is voor eenvoudige buitenmenschen, door +iemand in dezelfde omstandigheden verkeerende; <span class="pagenum"> +[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>terwijl in het algemeen de +bijenboeken in de zestiende en zeventiende eeuw in hoofdzaak het werk +waren van menschen, maatschappelijk aanmerkelijk hooger geplaatst.</p> + +<p>Dit boek is in zóóver eenig in zijn soort, dat het +geen mooie theoriën geeft inzake bijenkultuur; maar zich houdt aan +de overgeleverde methoden. De schrijver, die blijkbaar geen zwak heeft +voor beschouwingen inzake den oorsprong der bijen, maar zich in zijn +opmerkingen bepaalt tot de praktische honingproduktie, neemt het +volgende gezonde standpunt in: “er is veel geschrijf over de +Meester-bijen en hun rangen, staatsinrichting en regeering; maar wat +daarover gezegd wordt, berust meer op verbeelding dan op bewezen +feiten. Er zijn nu en dan gissingen gemaakt b.v. wij zien in de raten +verscheiden huizen grooter dan de anderen, en gewoonlijk hooren wij des +nachts vóórdat zij uitvliegen van twee of meer bijen een +geluid dat anders en luider is dan dat der anderen; ook bemerken wij +soms bijen met grooter lichaam dan de gewone soort; maar wat zou dat +alles? Ik houd niet van gissingen, maar schrijf alléén +graag neer wat ik weet de waarheid te zijn, en de rest laat ik over aan +de menschen die houden van raadsels oplossen.” De “grootere +huizen” die hier genoemd worden, waren ongetwijfeld de groote +cellen waarin de koninginnen worden uitgebroed. Even vóór +den zwermtijd worden er soms wel negen of tien in één +korf gevonden.</p> + +<p>Dezelfde schrijver spreekt het onvermijdelijk kwaad van de darren. +“Deze,” zegt hij, “zijn naar alle waarschijnlijkheid +een lui en spilziek soort van bijen, die hun angels verloren hebben en, +aldus als het ware ontsekst, lui en groot geworden zijn. Zij haten de +bijen en maken, dat zij eerder gaan zwermen.”</p> + +<p>Geen schepsel had ooit een slechter naam en onverdiender <span +class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>dan de +rampzalige dar bij die oude scribenten. Een ander van hen spreekt van +den dar als van “een groote korfbij zonder angel, die altijd als +luie doodeter te boek heeft gestaan, en wie gulzig in ’t eten en +lui in ’t werken is, wordt daarom met dien naam +genoemd—want hoe groot hij ook doet met zijn rond fluweelen +kopje, zijn dikken buik en zijn luide stem, hij is toch maar een luie +kompaan, die zich te goed doet waar anderen zweeten. Want werken doet +hij in ’t geheel niet, noch binnenshuis noch daar buiten, en hij +verbruikt toch zooveel als twee arbeiders; nooit zult ge hem aantreffen +zonder een droppel van de zuiverste nektar in zijn maag. In de +zomerhitte vliegt hij buiten rond en met niet weinig gedruisch, als +iemand die een groot werk gaat doen; maar het is enkel voor zijn +pleizier en om zijn vraatlust te vergrooten; en als hij genoeg gevlogen +heeft moet hij weer aan het eten.”</p> + +<p>Maar de eigenaardigste opvattingen vindt men bij de oude +bijen-meesters, die een hang hebben naar het kwakzalversberoep. Zij +vertellen ons, dat “honing wanneer men er ’s morgens en +’s avonds goed het hoofd mee inwrijft,” een uitstekend +middel is tegen kaalheid, en dat de uitwerking nog doeltreffender zou +zijn wanneer men den honing mengde met een paar doode bijen en een +stukje oude was, goed fijn gewreven. Doode bijen, gedroogd en tot +poeder gewreven, vormen het hoofdbestanddeel van allerlei soort +medicamenten uit dien tijd. Een dronk iederen morgen van dit poeder, +met water vermengd, wordt aanbevolen als een onfeilbaar +zuiveringsmiddel. En wanneer men een groot aantal bijenkoppen +verzamelt, verbrandt en dan de asch met wat honing mengt, krijgt men +een voortreffelijk middel tegen alle soorten van oogziekten.</p> + +<p>Er was ook een beroemd preparatief Oxymel geheeten, dat in de +middeleeuwen in groote gunst stond. <span class="pagenum">[<a id="pb41" +href="#pb41">41</a>]</span>Het schijnt niets anders te zijn geweest dan +een mengsel van honing, water en azijn, maar men schreef het eene +buitengewone kracht toe. Het was onfeilbaar tegen ischias, jicht en +dergelijke kwalen, en één schrijver beweert, dat het zeer +aan te bevelen is als spoeling bij een keelontsteking.</p> + +<p>Maar honing en doode bijen waren niet de éénige +produkten der bijenkorven, die tot den dienst der Geneeskunst geprest +werden. Ook aan de was werd bijzondere geneeskracht toegekend voor alle +soorten van menschelijke kwalen. Zij had de eigenschap zweren te +genezen en “als een hoeveelheid was, ter grootte van een erwt, +wordt ingeslikt door zoogende vrouwen, lost ze de gestolde melk in de +tepels op.” Zij werd ook gebruikt om stijve ledematen en +pijnlijke spieren mee in te wrijven. De veronderstelde geneeskracht van +bijenwas in zijn natuurstaat was echter nog niet in vergelijking met +haar waarde wanneer zij gedistilleerd was.</p> + +<p>Dit medicament, bekend als was-olie, en in dien tijd over de geheele +wereld beroemd, schijnt nader aan het ideaal van een panacee gekomen te +zijn, dan iets anders daarvóór of daarna. Het bereiden +van was-olie schijnt een zeer ingewikkelde zaak te zijn geweest. Eerst +moest de was gesmolten worden, in zoeten wijn gegoten en met de handen +uitgedrukt. Dit gebeurde zeven maal, en iederen keer werd er nieuwe +wijn aan toegevoegd. Dan werd de was in een retort gedaan met een +hoeveelheid poeder van rooden steen en zorgvuldig gedistilleerd. Er +kwam dan een gele olie over, die ten tweede male gedistilleerd werd en +daarna was het “hemelsch en goddelijk geneesmiddel” bereid. +Miraculeuze voorteekenen schenen deze bereiding te vergezellen; want er +wordt ons verteld, dat bij “het ontstaan van deze olie in den +ontvanger de vier elementen verschijnen: het <span class="pagenum">[<a +id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>vuur, de lucht, het water en de +aarde, zeer verwonderlijk te zien.”</p> + +<p>De kracht, onmiddellijk het uitvallen der haren te doen ophouden, de +zwaarste wonden in weinig dagen te heelen en tandpijn en pijn in den +rug te genezen, is nog maar een der mindere deugden van dit middel. Op +veel grootscher eigenschappen maakte de was-olie aanspraak—want +niet alléén “doodt zij de wormen en geneest zij +verlammingen en de zwartgallige luimen; maar zij brengt ook het doode +of levende kind te voorschijn.” Van dien zelfden ouden schrijver +nog een laatste aanhaling;—zij heeft betrekking op het ontstaan +der bijen en brengt ons op de uiterste grens van het wonderbaarlijke. +Na een geleerde verhandeling over de methode van het kweeken van bijen +uit een dooden os—“kunnen we ons echter,” zegt hij, +“een dooden leeuw voor dit proces aanschaffen, dan is dat nog +beter, omdat het den bijen ook leeuwenmoed zal +bijbrengen”—gaat de schrijver voort met aan te toonen hoe +bijen nog op andere wijze kunnen voortgebracht worden. Wij moeten +daartoe alle doode bijen bewaren, ze verbranden en de asch met wijn +besprenkelen, en ze daarna op een warme plaats aan de zon blootstellen. +“Na een poosje,” zegt hij, “zullen al de zoo +behandelde bijen weer levend worden; en wij hebben een nieuw volk klaar +voor den korf.”</p> + +<p>Als wij ons verdiepen in deze verweerde oude schrifturen, met hun +vervaagde geel geworden letters en verouderde zinswendingen, dan begint +het ons pas duidelijk te worden, welk een luttel beetje die oude +bijenmeesters eigenlijk begrepen van de eigenlijke levenswijs der +honingbijen, en dat zij inderdaad niets wisten van bijenteelt. En toch +moet de honing- en wasproductie van grooten omvang en beteekenis zijn +geweest in die dagen. In spijt van hun verouderde theoriën en hun +<span class="pagenum">[<a id="pb43" href= +"#pb43">43</a>]</span>noodeloos ingrijpen in het leven der korven, +moeten deze menschen, hoe dan ook, een markt hebben voorzien, van een +uitgebreidheid waarvan wij ons tegenwoordig nauwelijks een denkbeeld +kunnen vormen. De washandel alléén moet al heel +belangrijk zijn geweest; want behalve bij de allerarmsten, was de was +de éénige grondstof die in aanmerking kwam als +kunstmatige lichtbron. En voor de honing was de vraag veel meer +algemeen dan tegenwoordig, omdat rietsuiker nog onmogelijk ernstig kon +mededingen als verzoetingsmiddel voor de massa, in een tijd dat hij +misschien twee shillings het pond kostte.</p> + +<p>Maar bij beschouwingen als deze moeten wij in het oog houden, dat +wel de menschen, die over bijen schreven, een schilderachtige +onwetenheid aan den dag legden betreffende hun onderwerp; maar dat zij +de kleinste minderheid uitmaakten van de ijmkers in ’t geheel. +Waarschijnlijk kwam het grootste contingent van de honing- en +wasproductie van bijenparken, waarvan de eigenaars niets wisten van +boeken en er zich ook niet om bekommerden; maar zich uitsluitend bezig +hielden met de praktische zijde van het werk. En hun kennis—die +zij in hoofdzaak van hun vader geërfd hadden—was ruim +voldoende voor het aandeel dat zij in de honingproduktie hadden.</p> + +<p>Het is bovendien ook eerst in dezen tijd van wetenschappelijke +bijenteelt, dat het werk van den ijmker zelf van meer gewicht is. Nu, +bij het licht der twintigste-eeuwsche kennis, kan het den dubbelen en +zelfs driedubbelen honingoogst produceeren van wat de oude methoden +opleverden. Maar de oude korvenbezitters konden niet veel anders doen +dan bij het werk van hun bijen toekijken, en hier en daar een-weinig +helpende-hand aanleggen. Bijna al de verdienste van wat men toen +verkreeg, moet worden toegeschreven aan de <span class="pagenum">[<a +id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>bijen zelve, die ontelbare eeuwen +te voren hun merkwaardige organisatie en politiek systeem tot volmaking +hadden gebracht. Waarschijnlijk lieten de ijmkers, de praktische +mannen, die bijen hielden in den ouden tijd, wel met hetzelfde +doorzicht de bijen hun gang gaan als de korvenbezitters van de vorige +generatie. En in veel opzichten deden zij, wáár zij +ingrepen, verkeerd b.v. in de oogenschijnlijk dwaze praktijk van het +vernietigen van bijen om de honing te verkrijgen. Maar zelfs dit was +niet zóó’n dwaas gebruik, als het heden ten dage +schijnt. Het was eenvoudig, naar de kennis van dien tijd, een +zaken-kwestie. Hun methode was: de lichtsten en de zwaarsten van hun +stand tot den zwavelkuil te veroordeelen. De ervaring had hun geleerd, +dat de zwakke kolonies weinig kans hadden door den winter te komen, +tenzij zij kunstmatig gevoed werden; terwijl, als de bijen uit de +groote kolonies bleven bestaan nadat hun voorraad hun ontnomen was, zij +dezelfde verzorging zouden noodig hebben. Het was maar een rekensom. +Kunstmatige voeding was toen een veel kostbaarder zaak dan +tegenwoordig, en een berekening toonde dat vernietiging het +voordeeligst was. Van een modern wetenschappelijk standpunt beschouwd +is de slechtste kant van deze behandeling, dat bij het oude stelsel van +vernietiging alleen die bijenvolken bleven bestaan, die ingewortelde +zwermers waren; terwijl de rustige en werkzame thuisblijvers, die de +grootste honingprovisie verzamelden, onveranderlijk werden uitgeroeid. +En wanneer wij bedenken, dat de moderne bijenwetenschap er naar streeft +het zwermen geheel te onderdrukken, is dit een noodlottige erfenis, die +zij ons hebben nagelaten. De gewoonte van zwermen staat het verkrijgen +van een ruimen honingoogst heel erg in den weg, en er zal altijd een +element van onzekerheid in de honingproductie zijn, zoolang de moderne +<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>ijmkers +niet een ras van niet-zwermende bijen hebben verkregen.</p> + +<p>De bijenmannen van den nieuweren tijd stemmen dus in met het koor +van hen, die de oude dwaze gewoonte van het bijen-verbranden afkeuren, +meer omdat dit hun de taak heeft opgelegd het werk van eeuwen ongedaan +te maken, vóór er eenig teeken van vooruitgang kan zijn, +dan uit het algemeen aangenomen beginsel van menschelijkheid.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch4" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk IV</h2> + +<h2 class="normal">Voor de Stadspoorten.</h2> + +<p>In het zuiden van Sussex, in een dorp dicht aan den groenen rand der +“Downs”<a class="noteref" id="xd0e685src" href= +"#xd0e685">1</a> wonen twee ijmkers, die in hun sterk uiteenloopende +methoden en hun verschil van uitgangspunt, de uitersten +vertegenwoordigen der bijenkultuur, zooals zij in dezen tijd nog +gelijktijdig bestaan.</p> + +<p>De éen woont in een antiek, met riet bedekt huisje, dat +midden in een ouderwetschen Engelschen tuin staat, en de stolpvormige +strooien bijenkorven zijn hier en daar neergezet tusschen een wilden +groei van al de ouderwetsche Engelsche bloemen.</p> + +<p>De ander bewoont een zelfgebouwde keurige villa op een helling, +onder bedekking van het dennebosch, dat den heuvel kroont; en hij heeft +er een groot modern bijenpark ingericht, dat in alle opzichten aan alle +eischen voldoet van de moderne apiarische wetenschap der twee +werelden.</p> + +<div id="p047" class="figure"><img border="0" src="images/p047.jpg" +alt= +"Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke ligging der raten toont" +width="514" height="720"> +<p class="figureHead">Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke +ligging der raten toont</p> +</div> + +<p>Wanneer men op een mooien Meimorgen de dorpsstraat laat liggen en in +het open land bij een van deze twee inrichtingen komt, krijgt men den +indruk, dat al de romantiek en de legendarische sfeer van de +bijenwereld onvermijdelijk moeten gevonden worden <span class= +"pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>in den ouderwetschen +bijentuin, waar de zacht gonzende muziek der korven uit het dichtst der +bloeiende seringen schijnt te komen en uit den rooden meidoorn en de +blauwe eereprijs; want de korven zelf ontdekt men het allerlaatst in +deze schitterende bloemenmengeling. Iets poëtisch te verwachten in +de andere inrichting—waar op een uitgestrekt terrein, met sintels +geplaveid, de moderne bijenkasten, in verschillende kleuren +geschilderd, op rijen staan; waar het woonhuis zooals het daar is, uit +een der Londensche voorsteden kon zijn overgebracht, evenals de +bijgebouwen met hun druk zakelijk bewegen, hun kuchenden petroleummotor +en het dreunen van hamer en zaag—zou zijn iets verlangen, dat +bespottelijk uit den tijd moest schijnen en zelfs absoluut onmogelijk. +Men kon even goed naar kunst in een Ghetto zoeken, als naar eerbied +voor oude bijengewoonten in een handelsinrichting als deze, die alleen +is opgericht om de honingmarkt te voorzien, zooals een Manchester +fabriek zijn stoffen aflevert.</p> + +<p>Veel liefhebbers van het buitenleven, in hoofdzaak voetreizende +kunstenaars en toevallige wandelaars, zijn met deze vooropgestelde +meening naar het dorp getogen, en als zij den ouden bijentuin bezocht +hadden en al de oude mooie dingen daar in grooten overvloed vonden, +gingen zij niet verder en werden niet wijzer. Zij slenterden langs de +netjes afgezette slingerpaadjes van den tuin met zijn ouderwetschen +eigenaar; zij bukten zich onder priëelen van levend goud en +purper; waadden door zeeën van scharlaken papavers en blauwe +vergeet-mij-niet en taankleurige resida; zij ontdekten oude bijenkorven +in allerlei onverwachte schaduwrijke hoekjes, en doken onder in +middeneeuwschheid tot aan hun ooren. Zelfs het gonzen der bijen scheen +hun iets te vertellen uit vervlogen tijden. Neen, alléén +een <span class="pagenum">[<a id="pb50" href= +"#pb50">50</a>]</span>hopelooze Vandaal zou zijn bijen in een van die +leelijke vierkante kasten kunnen stoppen, en dan van hen verwachten, +dat zij honing zouden zoeken op de oude, harmonieuse, gelukkige manier, +door de eeuwen gesanctionneerd. En zoo waagden zij zich nooit den +heuvel op naar het groote bijenpark, maar bleven in het tuintje +beneden, en luisterden uren achtereen naar het aardige praten van den +grijzen eigenaar in zijn gesmokte kiel, of zij stonden heldhaftig onder +aan den ladder als hij er opklom om een zwerm los te maken van een +ouden bemosten appelboom, en zij hielpen hem de nieuwe strooien korven +uit te wrijven met handenvol munt en lavendel, en maakten grillige +kunstelooze muziek met den huissleutel op een ouden ijzeren pan, als de +zwerm te hoog in de lucht was.</p> + +<p>Zeker er viel veel te leeren op rustige dagen, in den ouden +bijentuin, vooral in de Meimaand. <span class="corr" id="xd0e707" +title="Bron: Vóor">Vóór</span> de eerste zwermen +op het punt waren de korven te verlaten.</p> + +<p>Het eerste waar men zich op had toe te leggen, was zich tusschen de +bijen te bewegen en tusschen de korven te blijven staan, zonder zich te +laten verontrusten door hun onophoudelijke en dikwijls beangstigende +nadering. Want hoeveel vertrouwen men ook moge stellen in des ijmkers +verzekeringen, dat zijn bijen nooit steken, het getuigt toch van +onversaagdheid als men zijn volkomen gelijkmoedigheid kan behouden, +terwijl de bijen zich onophoudelijk op handen en gezicht en overal +neerzetten, en een geheel vliegend regiment steeds vijandig om onze +ooren bromt. Zij zullen geen kwaad doen, dat weten wij, als men zich +maar stil blijft houden. Maar de neiging zich om te draaien en te +vluchten, of tenminste die gewiekte atomen af te weren met woest +zwaaiende armbewegingen, wordt voor den nieuweling bijna +onweerstaanbaar. Men verzekert hem, dat zij op die wijze +alléén <span class="pagenum">[<a id="pb51" href= +"#pb51">51</a>]</span>hun nieuwsgierigheid uitdrukken en trachten te +bevredigen; en dat zij daarna in alle onschuld naar den korf +terugvliegen om daar bij de heerschende machten een goed getuigenis van +hem af te leggen. Maar hij weet wel, dat die getuigenis volstrekt niet +altijd bevredigend is. Er zijn tenminste eenige rampzalige individuen +op de wereld, die zich geen twaalf meter bij den korf durven wagen +zonder meedogenloos bestookt te worden, en opgejaagd tot op minstens +een kwart mijl afstands, door een nijdig vendel van deze gestrenge +maagden. Bovendien komt het menigmaal voor bij een zekere +weersgesteldheid—als er onweer dreigt en de lucht zwaar en stil +is—dat de bijen hun dolken steken in iedere menschelijke huid, +zelfs in die van hun eigenaar, die een heel seizoen onaangerand in hun +midden verkeerde. Er is dus voor ieder die te dicht bij bijenkorven +komt een noodlottige kwade kans; hij heeft een gewaarwording alsof hij +onder het vuur van den vijand staat—zeker een heel nuttige +oefening in zelfbeheersching, maar die voor de vreesachtigen moeilijk +kan gerekend worden onder de lichtere genoegens des levens.</p> + +<p>Doch is de beschouwer deze eerste verschrikkingen gelukkig te boven +gekomen, dan zal hij vroeger of later zich gevangen voelen door de +zuivere bekoring van het geval, en zonder angst, en haast ademloos, +toekijken, naar wat eigenlijk niets anders is dan een leerrijke +verbeelding van het leven.</p> + +<p>Hij staat hier als een vreemdeling bij de poorten eener stad, +bewoond door een zeer belangwekkend, en in sommige opzichten +allergeavanceerdst volk. Van wat er binnen in de stad omgaat bemerkt +hij niets, behalve het diepe, bezige gonzen, dat tot hem doordringt, en +hij zal er ook nooit iets van te weten komen, tot hij zijn +sentimenteelen trots heeft afgeschud en een pelgrimstocht gemaakt heeft +naar het groote bijenpark <span class="pagenum">[<a id="pb52" href= +"#pb52">52</a>]</span>op den heuvel. Maar intusschen vindt hij hier +toch voedsel genoeg, om den scherpsten honger naar het wonderbare te +bevredigen. Komende en gaande, in en uit de open poort, die in de stad +leidt, bewegen zich in de heete Meizon duizenden en duizenden van +bezige wezens. De breede drempel van den korf is geheel verborgen onder +de tegengestelde stroomingen, de eene zich spoedend in de richting van +de geurige velden en hagen, de ander tuimelend en dringend naar binnen, +terwijl haast iedere bij een geheimzinnigen schat meedraagt.</p> + +<p>Op twee verschillende wijzen willen de uitgaande bijen hun reis +beginnen. Sommigen rijzen onmiddellijk op hun vleugels recht in den +zonneschijn; en dit zijn proviandeerenden, die al verscheidene reizen +achter zich hebben, sedert de zon rossig en heet uitbrak boven den +oostelijken heuvel. Maar anderen, pas aan de eerste excursie van dien +dag, komen uit het murmereerend duister van den korf gekropen en met +een heftig aanloopje bereiken zij daarna het eind van de vliegplank. +Hier houden zij een oogenblik stil, bewegen hun vleugels op en neer en +wrijven uit hun groote oogen den schemer van daar binnen. Daarna heffen +zij zich in de lucht, blijven een oogenblik zweven met de kopjes naar +hun woning gekeerd, om zich zorgvuldig te <span class="corr" id= +"xd0e722" title="Bron: orienteeren">oriënteeren</span>, en dan +zwenken zij in het blauwe, en vliegen met de rest naar den verren +heuvelkant, met zijn witten bruidstooi van klaverbloesem.</p> + +<p>De thuiskomende bijen gedragen zich veel stemmiger. Zij komen +aanzeilen als bronzen koopvaarders tot aan den waterrand geladen. Zij, +die de zakken gevuld met klavernektar dragen voor de honingbereiding, +hebben er zelden een aan den buitenkant gehouden stuifmeellading bij. +Het is hun al werks genoeg, hun uitgezette lichamen veilig te ankeren +op de vliegplank, en zij <span class="pagenum">[<a id="pb53" href= +"#pb53">53</a>]</span>vallen recht den korf binnen, vervuld met maar +één enkele gedachte: hun vergaarde schatten over te +dragen aan de eerste huisbij, die in hun weg komt, en dan zich +onmiddellijk heen te spoeden om een nieuwe lading. Den stuifmeeldragers +bezielt dezelfde witgloeiende energie; maar hun ladingen zijn oneindig +onhandiger, en verlangen een rustiger bewegen. Sommigen, hun korfjes +opgehoopt met een diep-oranje gekleurde stof, moeten een oogenblik rust +nemen op den drempel; en daar dan weer krachten verzamelen om hun +glanzenden last door de poort te sleepen.</p> + +<p>Anderen begeeft de kracht juist vóór dat zij de haven +zullen binnen vallen en zij zinken neer op het gras vóór +den korf, om het oogenblik af te wachten dat versche kracht hen veilig +in de volkrijke haven zal brengen. Maar heel veel zijn er ook, die niet +trachten, in eens door, den haven te bereiken, en die, als zij veilig +in de kalme wateren van den tuin zijn aangeland, een oogenblik rust +nemen op een bloem of blad, en daar trillend en hijgend wachten, tot +zij in staat zijn koers te nemen naar hun woonplaats.</p> + +<p>Er is een oneindige verscheidenheid in de ladingen van deze +stuifmeeldragende bijen. Niet één van de kleuren van den +regenboog of zelfs van hunne schakeeringen, die niet ieder oogenblik in +de dringende menigte voorbij gaat. Iedere bij draagt een half bolletje +van deze zelfstandigheid, keurig gevormd en afgerond, aan ieder van +hare twee achterpootjes. Men zou door het juist observeeren van de +kleuren van haar last met zekerheid kunnen zeggen welke bloem zij op +ieder van haar uitstapjes geplunderd heeft. Het heldere oranje, waarmee +altijd de grootste en zwaarste bolletjes gekleurd zijn in den stroom +der ladingen, komt van de paardebloemen. Van den gaspeldoorn komen +haast even groote ladingen van een diep goudbruin. De herik, <span +class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>die haar +onnutte schoonheid aan al onze korenoogsten opdringt, verschaft de bij +een oneindigheid van goud. Witte en roode klaver laden de kleine +korf-koelies op met verscheidenheid van rossige tinten. Van de +appelboomgaarden komen overvolle korfjes van bleekgeel; de braam levert +stuifmeel van een fijn groenachtig wit. En als de zomer gekomen is, en +de klaprozen hun scharlaken toon geven in het koren, dan komt de groote +stroom van deze gevleugelde koopvrouwen met een rouwzwarte lading naar +huis.</p> + +<p>Maar indien ge de wacht houdt bij de korven op een helderen lente- +of zomermorgen, dan zult ge van tijd tot tijd afzonderlijke bijen zien +terugkomen met een lading, waarvan men geen oorsprong herkent. De +droge, glinsterende, taankleurige stof, die geregeld tusschen de bezige +menigte weg wordt gedragen is hars van pijnboom of populier; +daarmeê wordt de strooien korf ingewreven tot aan den vloerplank +toe, en tochtige spleten worden er mee dicht gestopt en onnutte hoeken +er mee aangevuld; en vloeibaar gemaakt, dient ze om de raten te +bestrijken; mèt een laag vernis die tegen zuur bestand is en +bederf voorkomt. Doch nu en dan komt er een bij met een lading, waarvan +de kleur opvlamt als een noodsignaal in het duister, schitterend +scharlaken of zacht rozig rood, of bleek lavendelblauw, of glinsterend +wit—wie kan zeggen in welken vergeten hoek haar avontuurlijke zin +zich gewaagd heeft, of welke zeldzame bloesem zij in de wildernis heeft +opgespoord, en toen, haar begeerig van haar maagdelijken schat +beroovend, de schoonheid verdubbeld heeft, die de reden was voor haar +bestaan?</p> + +<p>Het grootste wonder in dit stuifmeel-vergaren evenwel is het feit, +dat iedere afzonderlijke lading in zijn geheel van één +enkele bloemsoort genomen wordt. De halve bolletjes worden zonder keuze +in de stuifmeelcelletjes <span class="pagenum">[<a id="pb55" href= +"#pb55">55</a>]</span>gepakt, oranje op bruin, bleek geel met groen, of +roze of grijs dooreen gemengd. Maar ieder paar korfjes, dat de vrucht +is van <span class="corr" id="xd0e741" title="Bron: éen"> +één</span> enkele reis, houdt ook maar het stuifmeel in +van één enkele bloemsoort. Wanneer men op een landweg of +weiland op de bijen let terwijl zij aan het werk zijn, dan schijnt het +eerst, dat zij van bloem tot bloem gaan met geen ander doel, dan op te +laden van alles wat bloeit op hun weg. Maar nauwkeuriger waarneming +openbaart, dat er wel degelijk een merkwaardig plan en orde in dit +alles is, zooals in alle dingen, die de bij onderneemt. Als men de +gangen van een zelfde bij langs de bloemrijke graskanten nagaat, dan +blijkt het heel spoedig, dat zij maar één soort van bloem +bezoekt. Begint zij met meidoorn, dan blijft het meidoorn van het begin +tot het eind. Als haar lading van wilgenroosjes-stuifmeel of nektar nog +niet vol is, dan zal zij alle ganzerikken en spiraea’s, hoe +aptijtelijk ook en ruim voorzien, laten staan voor een schraal plekje +paarsch, een heel eind verder.</p> + +<p>En waarom zij nu zooveel moeite doet om het stuifmeel afgezonderd te +houden bij het vergaâren, terwijl het in de voorraadschuren thuis +met alle andere soorten kris en kras doorééngemengd +wordt, is een vraagstuk, dat alleen maar door een bij kan worden +opgelost. Echter, het hoe en het waarom zijn in het leven van de +honingbij zoo eigenaardig saamgeweven uit koel verstand en sentiment, +dat wij mogen veronderstellen, dat noodzaak en gevoel gelijk deel +hebben aan hare leiding in dezen, zooals aan alles wat zij doet van de +broedcel tot aan het graf. Niet heelemaal in scherts mogen wij ook de +mogelijkheid laten doorschemeren, dat zij eenige bijzondere +kleurschakeering verkiest, omdat die als vliegkostuum bijzonder voldoet +en haar goed staat; dit is een minstens <span class="pagenum">[<a id= +"pb56" href="#pb56">56</a>]</span>even waarschijnlijke grond, als dat +zij haar stuifmeellast zuiver op kleur houdt, omdat zij daarmee aan een +dringende voorwaarde van staats-economie voldoet. De faktor van het +geslacht is bij nauwkeurige studie van het leven in de bijenkorven +evenmin te verwaarloozen als bij de kritische waarneming van den +bewoner van een ander soort van korf, den mensch.</p> + +<p>Dit gestadig gaan en komen van de bezige proviandgaarders, is heel +aantrekkelijk voor den beschouwer; maar er zijn bewijzen van allerlei +werkzaamheden, die niet minder belangstelling verdienen. Het nektar- en +stuifmeel-vergaâren is maar een gedeelte der plichten van dit +zichzelf verminkend maagden-ras. Hier en daar tusschen deze driftige, +haastende menigte zijn bijen, die niet meê bewegen in den stroom, +maar daarin veilig geankerd liggen met hun kopjes omlaag en naar den +korf gericht; zij waaien onafgebroken met hun vleugels, en zoo snel is +die beweging, dat men den indruk krijgt, alsof zij in een mist van +grijzen nevel staan. Let ge beter op, dan bemerkt ge, dat deze bijen in +ten naastebij regelmatige rijen staan, de een achter de ander, en +zooveel plaats laten dat de botsende stroomingen der proviandgaarders +ongehinderd voorbij kunnen trekken. Als de toeschouwer den moed heeft +zijn oor op de hoogte van de vliegplank te brengen, dan zal hij +getroffen worden door een gestadig sissend geluid, dat duidelijk +uitkomt boven het geroes, door de gaande en komende reizigers gemaakt. +Deze rijen van waaiers strekken zich uit in rechte lijn, van het +vlieggat tot aan den rand van de vliegplank, maar aan +ééne zijde slechts; en bij een nog nauwlettender +waarneming zal men bemerken, dat zij aan een geregeld systeem van +aflossing gehoorzamen. Terwijl het totaal volume van het geluid geen +oogenblik ook maar iets vermindert, ziet men bij geregelde +tusschenpoozen van eenige <span class="pagenum">[<a id="pb57" href= +"#pb57">57</a>]</span>minuten, de een of ander van de stilstaande bijen +weggaan en de plaats onmiddellijk door een ander innemen, die zich dan +weer in de rij schikt tot het vervullen van haar taak. De reden voor +dit alles is heel duidelijk: de waaiers moeten in de korven +luchtverversching aanbrengen; een stroom van bedorven lucht wordt door +het vlieggat aan één kant er uitgetrokken en <span class= +"corr" id="xd0e752" title="Bron: paralel">parallel</span> daarmee, +zonder er meê in botsing te komen, wordt de zuivere luchtstroom +aan den anderen kant naar binnen gezogen.</p> + +<p>Gedurende de warme lente- en zomerdagen is deze afdeeling van +waaiers onafgebroken aan het werk; en zij blijven er voortwuiven, ook +als de duisternis intreedt. In kille nachten dunnen de gelederen tot +soms maar een paar enkele bijen, en bij een intermezzo van koud weer +blijft er zelfs geen enkele. Maar in de hondsdagen, of zooals de ouden +zeiden: “als Sirius, de honingster, straalt,” dan verheft +zich de diepe sistoon van deze waaiers, in een rijk bevolkte korf, +haast tot de geluidsterkte van een windvlaag. Wie dan naar buiten komt +onder de sterren in den zomernacht, en in de dichte aromatische +duisternis blijft luisteren naar dien machtigen toon, krijgt een indruk +van het bijenleven zooals hij hem op geen anderen tijd voelen zal. +<span class="corr" id="xd0e757" title="Bron: Over dag">Overdag</span> +wordt dit geluid gemengd met het koor der vliegende bijen en daardoor +overheerscht. Maar nu zijn allen veilig thuis. Iedere korf is volgepakt +van vloer tot dak met tienduizenden ademende, warmtekweekende +wezentjes; de noodzaak voor het ventileeren is verveelvoudigd en nabij +en ver in den bijentuin zijn de waaierlegers met hart en ziel bij hun +werk.</p> + +<p>De nieuweling in dezen bekorenden tak van natuurstudie, die in den +stillen nacht naar buiten genomen wordt om deze gargantua muziek te +hooren, wordt er steeds verwonderlijk door getroffen; sommige naturen +zelfs <span class="pagenum">[<a id="pb58" href= +"#pb58">58</a>]</span>tot in het ongeloofelijke. In de geheele groote, +vredige ruimte van het heuvelland om hem, in den oneindigen blauwen +koepel boven hem met het levend zilver der stralende sterren, verneemt +hij geen enkel geluid, als soms den triller van een nachtegaal, of het +blaffen van een herder’s hond op een verren heuvel, en nu en dan +het gonzen van een kever, die ongezien voorbij vliegt. De geheele aarde +schijnt te rusten, behalve dat geheimzinnige volk in de korven, en bij +hen is het gedruisch van den arbeid zelfs verdubbeld. Buigt men zich in +de duisternis over tot den naasten korf, dan komt het tot het oor als +een toornig dreunen van de zee. Weet men behoedzaam met een lantaarntje +om te gaan, dan ziet men de vliegplank als bedekt met bijen die allen +werken of ’t om hun leven gaat; terwijl andere bijen +onophoudelijk uit en in het vlieggat trekken. Dit zijn de +schildwachten, die dag en nacht den korf bewaken, juist zooals in +vroeger tijd de schildwachten de stadspoorten bewaakten in de steden +der menschen. De nieuweling in het vak, zelfs de meest nuchtere en +bedaarde, verzinkt bij dien aanblik in een ernstig en verwonderd +zwijgen. Maar als de nacht meer dan gewoon heet en drukkend is, en het +waaiend leger grooter dan ooit, dan voltooit de ijmker, die gevoel +heeft voor dramatisch effekt, des nieuweling’s ontroering +gewoonlijk door een bekende truc te vertoonen. Hij laat zijn kaars +zakken tot de vlam juist achter de ventileerende legerafdeeling brandt, +en plotseling is alles in ’t duister; de luchtstroom, uit de korf +getrokken, bleek sterk genoeg om het licht te dooven.</p> + +<div id="p059" class="figure"><img border="0" src="images/p059.jpg" +alt="Ouderwetsche bijenwoning in Sussex" width="574" height="433"> +<p class="figureHead">Ouderwetsche bijenwoning in Sussex</p> +</div> + +<p>Ik heb gezegd, dat er schildwacht-bijen zijn, die de korven dag en +nacht bewaken. Voor het ongeoefend menschelijk oog is de <span class= +"corr" id="xd0e771" title="Bron: éene">ééne</span> +bij gelijk aan de andere, en het is voor ons moeilijk te begrijpen, hoe +de wachters, onder de duizenden die voorbij trekken, steeds onfeilbaar +<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>de +indringers weten te ontdekken om hen daarna met onhoffelijke fikschheid +te verwijderen. Waarschijnlijk is het niet met het gezicht +alléén, dat deze indringers worden herkend. Het +reukzintuig is bij de honingbijen buitengemeen scherp, en zal zeker de +schildwachten helpen bij hun moeilijke taak. Het is bekend, dat een +bijenkoningin een eigen, sterke geur moet hebben, daar haar +aanwezigheid, zelfs al is zij opgesloten, van alle kanten de darren +doet opkomen. Waarschijnlijk is een geheele kolonie doortrokken van het +bijzonder aroma hunner koningin, en zoo zijn de wachtbijen in staat hun +eigen volk te onderscheiden van een vreemden stam.</p> + +<p>Wanneer men het buitenleven van een korf in dien ouden tuin +nauwkeurig blijft toekijken, komt er nog veel meer belangrijks aan het +licht. Zelfs in een ouderwetschen strooien stolpkorf zijn misschien +meer dan twintigduizend individuen onder dak: en het spreekt van zelf, +dat een geregeld reinigingssysteem dan onmisbaar is. Dit werk nu kan +men regelmatig zien gebeuren tusschen al de andere bedrijvigheden door. +Ieder oogenblik komen er bijen naar buiten met minder gewenschte +overblijfsels; zij gooien die over den rand van de vliegplank en +wringen zich dan <span class="corr" id="xd0e778" title="Bron: +onmiddelijk">onmiddellijk</span> weer door de menigte naar binnen, voor +een volgenden last. Anderen dragen de lijken van hun kameraden, die in +den korf gestorven zijn; en nu en dan worstelt er zich een door de +menigte heen naar buiten, dragend hoog boven zich uit een vreemd en +griezelig ding, een volkomen duplicaat van haarzelf, maar heelemaal wit +behalve de zwarte kralenoogen. Dit is de ongeboren bij, in de cel +bezweken. Kindersterfte is zelfs bij de wijze honingbijen nog niet +overwonnen, en velen worden er zoo uitgedragen, vooral in het vroege +voorjaar. Bij het bespieden van die begrafenisbeambten in hun +griezelige maar noodzakelijke <span class="pagenum">[<a id="pb62" href= +"#pb62">62</a>]</span>werkzaamheden, zal men iets bijzonders opmerken. +Terwijl alle andere ongerechtigheden eenvoudig over den rand van de +vliegplank worden heengeworpen, waar zij zich ophoopen op den grond, +gebeurt dat nooit met die doode larven. Hun dragers vliegen met hen +heen in rechte lijn naar de een of andere heg, en laten ze dan vallen +op een behoorlijken afstand van den korf.</p> + +<p>Nog een ander werk is in gang aan de poorten van de bijenstad. +Sommige van de thuisblijvers schijnen als een soort van opzichters +dienst te doen. Zij helpen de te zwaar bevrachten de poort te bereiken; +of als in de drukte soms een klompje stuifmeel losraakt en valt, dan +rapen deze bijen het op en brengen het in den korf. Soms komt er een +bij naar beneden zwenken, heelemaal dik onder het stuifmeel, als een +vergulde molenaar; dan vallen die opzichters onmiddellijk op haar aan +en ontdoen haar door kammen van dien hinderlijken schat. Andere hebben +de zorg voor de jonge bijen, die hun eerste vlucht zullen beginnen. Het +jonge ding zit kant en klaar en steekt zijn tong uit in haar geheele +lengte; om hem heen verzamelen zich dan een half dozijn bijen, die hem +van alle kanten gaan likken en bestrijken. Eindelijk is het toilet in +orde en hij wordt vrijgelaten; hij flakkert even met zijn vleugels en +schiet ver weg in de blauwe lucht en den zonneschijn, en vliegt mee met +de andere naar de klaverweide; nog lang nà-glinsterend in het +volle, blijde middaglicht.</p> + +<p>Want gaandeweg zijn de uren verstreken—het is middag +geworden—en de dichte bedrijvigheid, de diepe sonore zangtoon van +den arbeid, schijnen hun hoogtepunt bereikt te hebben. Maar nu rijst +een sterker geluid van overal: een gestadige stroom van bijen, grooter +en dikker dan de anderen, barst uit alle korven. De darren, de luie +broeders van deze nijvere vestaalschen, zijn eindelijk wakker geworden +en komen naar buiten <span class="pagenum">[<a id="pb63" href= +"#pb63">63</a>]</span>voor hun dagelijksche vlucht. Bij tweeën en +drieën, in geheele bataljons, komen zij uit het vlieggat dringen, +beginnen hun middagevoluties rond de korven, en vervullen de lucht van +een rumoerig, vroolijk gegons. Na een poosje zullen ze allen heen zijn +naar hun geneuchten en de bijentuin schijnt dan in vergelijking +wonderrustig. Maar nu is een plotselinge toeneming van levenskracht +onmiskenbaar. Met het ontwaken der darren schijnt een nieuwe geest daar +buiten vaardig geworden. De lucht is niet meer overvol met bedrijvige +proviandzoekers. Want velen daarvan zijn gaan deelnemen aan den +middagrondedans, en iedere korf is het middelpunt van een gonzende, +dartelende menigte, door den geest der speelschheid of luiheid +bezeten.</p> + +<p>Toch is het slechts een korte wijle van verpoozing. De darren +begeven zich naar hun echtelijke geneuchten daarbuiten. De rumoerige +middagsymphonie sterft uit, en wordt weer vervangen door den ouden, +regelmatigen, eentonigen werkzang. En de toeschouwer bij de poorten der +bijenstad, wendt zich om en gaat op zijn schreden terug door den +ouderwetschen bloementuin, vol van de wonderen, die hij zag; maar niet +bevredigd; want hij voelt zijn nieuwsgierigheid duizendmaal sterker +geprikkeld naar dat, wat hem zoo onverbiddelijk onthouden werd: een +kijk in de wereld achter die plagende strooien wanden.</p> + +<p>Langzaam huiswaarts slenterend, legt hij zichzelf allerlei vragen +voor. Wat is de reden van al dit ernstig, zoo juist geordend werken? +wat de uitkomst? Wat gebeurt er met het stuifmeel, dat den heelen +morgen wordt ingezameld? Waar zulk een ingewikkeld systeem, zulke +éénsgezindheid blijkt, en zulk eene vernuftige regeling +der werkzaamheden, moet noodzakelijk een heerschend en leidend +intellekt bestaan, dat ieder zijn taak in het geheel aanwijst. En dat +er een koningin <span class="pagenum">[<a id="pb64" href= +"#pb64">64</a>]</span>zou zijn—een enkele bij, veel grooter dan +de anderen, die zij allen huldigen, en die haar geheele leven +doorbrengt in ’t schemerig labyrinth der korven, als de paus in +het Vatikaan—is dat eene waarheid of alleen de verbeelding van +het onwetend brein van eenvoudige buitenlui? Als deze koningin bestaat, +als iedere korf inderdaad zijn alleenheerscher(es) heeft, die het +geheele complex van leven en staatsinrichting bestuurt, op welke hoogte +moet die dan geplaatst worden op den trap der denkende wezens?</p> + +<p>En als hij dan wijs is, dan zal de leerling er eindelijk toe komen +den schilderachtigen, ouden bijentuin juist te beoordeelen. Oude dingen +behouden hun schoonheid, en als de eeuwen voorbijgaan winnen zij nog +aan liefde bij hen, die hen <i>terecht</i> liefhebben. Maar hun +belangrijkheid, hun waarde, vergaat met de jaren, als het getij der +menschelijke kennis en beschaving verloopt.</p> + +<p>En zoo is het met den bijentuin in zijn Meikleed van groen loof en +bloesemkleuren. Hij is mooi in zijn blijde heerlijkheid, door de echo +der nu zwijgende stemmen uit oude tijden, en zijn gewijd aroma van oud +gebeuren. Maar van wat wij weten willen kon hij niet spreken. Hij kan +alleen ons voor raadsels stellen, die wij niet raden kunnen. En daarom +moeten wij alle fantastische vooroordeelen op zij zetten en den rug +keeren aan die zoete bekoring, om dan zonder omzien een vasten stap te +richten naar het groote moderne bijenpark op den heuvel.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p> + +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e685src" id="xd0e685">1</a></span> Downs: heuvelen.</p> +</div> +</div> + +<div id="ch5" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk V</h2> + +<h2 class="normal">De Republiek binnen de korven.</h2> + +<p>Als een Droogstoppel een natuurwaarheid behandelt, weet hij zijn +onderwerp hopeloos saai en duf te maken; maar wie een dwaling +aankweekt, omdat die zijn artistiek gevoel bevredigt, doet nog erger. +Niets is droog en beuzelachtig in de Natuur, tenzij de mensen het zoo +voorstelt; maar er was ook geen mooie, gefantaiseerde onwaarheid, die +niet, in het volle daglicht, bleek schuim en klatergoud te zijn. +Romantiek en poëzy zijn in de laatste jaren wel zeer van plaats +veranderd. Zij, die tot in het onredelijke aan het strand van den Tijd +naar oude dingen graven, en oude gedachten en gebruiken, hebben al +zoolang in hetzelfde welvoorziene hoekje gewurmd, dat zij gevaar loopen +door den vloed overspoeld te worden; en zij moeten haast maken of het +zal zwemmen voor hen worden. De menschelijke geest begint meer en meer +zich te wenden tot hen die levende waarheden geven—naar hen die +de sterren onderzoeken, die nieuwe krachten halen uit ons aller lucht, +en hen, die eindelijk de ware lezing vinden van de oude vergane teksten +der rotsen en beken. Zij zijn de ware dichters en romantici; vertellers +van wonderverhalen, en zij zullen de menigte trekken,—want de +massa is nooit ver van de waarheid in zijn intuïties—als al +de zangers van ziekelijke wijsjes en al de harpspelers <span class= +"pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>op gesprongen gouden +snaren, in een droevigen optocht, naar de plaats zijn teruggegaan waar +zij thuis hooren.</p> + +<p>Het oude verhaal—dat zoolang een eereplaats heeft ingenomen in +de schoolboeken, en in de geschriften van hen, die de wonderen der +Natuur behandelen vanuit hun studeerkamer—het oude verhaal van de +koningin-bij, die haar dertig- of veertigduizend gehoorzame onderdanen +regeert en hen onfeilbaar leidt in al hun verwonderlijke werken en +ondernemingen, die fabel moet den weg op van de rest. Want de +waarheid—door de moderne onderzoekers vastgesteld—is, dat +de koningin niet de heerscheres is in den korf; maar een getrouwer +onderdaan dan al de anderen. Wat er in het bijenleven gebeurt, gebeurt +door de werkbijen; zij alléén hebben het geheel in +handen. De koningin heeft part noch deel aan de leiding der +staatsbelangen; ook heeft zij geenerlei vermogen, geestelijk of +lichamelijk, om de publieke werken te helpen uitvoeren. Haar +éénige plicht is haar moederschap, en zelfs het +initiatief daarin krijgt zij van de werkbijen. Zij is niet veel anders +dan een vernuftig mechanisme, en als zóódanig wordt zij +verzorgd en gekoesterd. Zij heeft zekere neigingen en zekere +elementaire hartstochten, die zij onfeilbaar op een zekere, vast +bepaalde wijze uit. Maar als intellekt, als produktieve kracht, telt +zij niet mee. De geest in den korf is de geest der gemeenschap, buiten +de koningin en de darren om, een overgeërfde geest, een +gemeenschappelijk intellekt, dat zich door de eeuwen heen heeft +ontwikkeld, de totale som van alle bijenervaring sedert de wereld der +bijen begon.</p> + +<p>Maar als de nieuwere wetenschap ons noodzaakt, om de moederbij te +ontdoen van al haar koninklijken staat en grootheid, en zoo een van de +bekoorlijkste fantasieën der oude tijden te niet-doet, dan is dit +alleen <span class="pagenum">[<a id="pb67" href= +"#pb67">67</a>]</span>om een waarheid aan het licht te brengen, die nog +treffender en romantischer is. In het licht van dit nieuwe weten +sluiten deze oude feiten een verwonderlijk mysterie in, dieper dan het +oude. Want had de studie van het leven der bijenkorven al zulk eene +aantrekkelijkheid voor ons, toen wij nog meenden, dat het uitging van +een enkel gevleugeld atoom met sterke en overheerschende eigenschappen, +hoeveel grooter moet dan de bekoring zijn nu wij er een zeer +gecompliceerd stelsel van staatsbeheer in zien, dat is uitgedacht en +wordt bijeengehouden door de samenwerking van tienduizenden redelijke +wezens.</p> + +<p>Redelijk, met rede begaafd—het is een groot woord, een +tweesnijdend zwaard, dat voorzichtig gehanteerd moet worden. Wij zijn +zoolang gewoon het alleen te gebruiken voor onze eigen prachtige +geestelijke processen, en het schijnt ons dus belachelijk, het toe te +passen op zulk een klein partikel in de dierenwereld, als de honingbij +is. En toch, hoe dieper wij ons inwerken in al wat de bijen en haar +maatschappij betreft, des te moeilijker vinden wij een woord, dat de +slotsom van onze bevindingen juister weergeeft. “Instinkt” +zegt het niet. Instinkt bedoelt een doode volmaaktheid der motieven, +die uit <span class="corr" id="xd0e825" title="Bron: alwetenheid"> +alwetendheid</span> voorkomt en in redelooze onveranderlijke organismen +werkt, tot het bereiken van een even volmaakt einddoel. Maar van de bij +kan men niet zeggen, dat zij in plan of uitvoering onveranderlijk het +volmaakte bereikt of zelfs bedoelt. Men zal verderop zien, dat hare +uitgangspunten, haar methoden, en wat zij volbrengt heel dikwijls +onmiskenbare dwalingen en feilen zijn. Zij zal iets heel deugdelijks +ondernemen en het daarna opgeven als zij onvoorziene hindernissen +ontmoet. Zij zal blindelings volhouden in een allerdwaast beginnen en +haar fout niet ontdekken tot lust en kracht zijn uitgeput. <span class= +"pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span>Plotselinge +omstandigheden kunnen soms haar dringen tot de uiterste inspanning van +haar vernuft, of ook wel neerploffen in lustelooze mismoedigheid. Moed, +werkzaamheid, spaarzaamheid, wijs doorzicht, of nog wijzer +nabetrachting zijn algemeen in haar voorkomende eigenschappen. Maar zij +kunnen evengoed luiheid ontwikkelen, slofheid en slordigheid en zelfs +oneerlijkheid, als toeval of omstandigheden haar dien kant +uitdrijven.</p> + +<p>En wat anders zijn al deze fouten dan de gebreken of eigenschappen +van de Rede? Als men wil aannemen, dat bijen en menschen beide in +goddelijken oorsprong wortelen en ook in dezelfde dwalingen en +ongerijmdheden vervallen, waarom zal men dan een scheiding tusschen hen +maken, door willekeurig een verschil aan te nemen in natuurlijke +oorzaken en gevolgen?</p> + +<p>Wanneer men voor het eerst de bijen waarneemt door de glazen wanden +van een observatie-korf, of in den haast even doelmatigen modernen korf +met lossen bouw, dan rijst deze vraag voortdurend in ons op en er +schijnt maar één antwoord te zijn. Er is iets merkwaardig +menschelijks in dat drukke bewegen bij de raten; en de oude +vergelijking van een bijenkorf met een menschenstad is steeds in onze +gedachte. Het eeuwige gaan en komen; toevallige ontmoetingen van +vrienden ergens op den hoek van een straat: geschillen waarbij wij +meenen het norsche verwijt en het kribbig antwoord te hooren; bezige +metselaars, en leidekkers, en magazijnbedienden overal aan ’t +werk; honderd verschillende zaken, die omgaan in alle verkeerswegen of +zijstraatjes, van den grooten hoofdingang af, tot het verste +darrenhoekje in den korf.</p> + +<p>Ge ziet ook de groote zwaarlijvige koningin zwoegende over de raten, +van cel naar cel; steeds door haar lijfgarde omgeven. In de hoogste +verdieping van den <span class="pagenum">[<a id="pb69" href= +"#pb69">69</a>]</span>korf zijn de honingbereidsters bezig; zij storten +het pasgegaarde zoet in de vaten, of verzegelen de rijpe honing met +afsluitingen van was.</p> + +<p>Waar de broednesten liggen in het binnenste en warmste gedeelte van +den korf, ziet men het gestaâge bewegen van de voedsterbijen over +de raten; zij onderzoeken iedere cel om de ontwikkeling der larven te +volgen en geven ieder zijn bepaald rantsoen van bijenmelk; of als de +tijd daar is, sluiten zij de cel met een bedekking, die afzondering +verzekert en toch vrij de lucht doorlaat. Hier en daar zijn de bijen +ontwaakt uit hun vervormende verdooving en roeren zich bij de +afsluiting van hun vóorgeboorte-graven, en bijten zich er +manhaftig een weg doorheen, of strekken roode, glinsterende, begeerige +tongen uit, verlangend naar ’t eind van hun langen vastentijd. +Als deze jonge gasten eindelijk zich een weg in het bestaan hebben +gebaand, dan kan men zien, hoe zij zich poetsen en opdoffen, of in de +naastbijzijnde raten naar honing zoeken, terwijl de voedsterbijen de +cellen reinigen, die zoo even verlaten werden, opdat de koningin ze +klaar zou vinden, op haar volgenden rondgang van eier-leggen.</p> + +<p>En al deze werkzaamheden gebeuren gelijktijdig op ongeloofelijk +groote schaal. Verwonderlijke staaltjes worden daarvan aan den +beschouwer gegeven, die hij aanhoort, maar op dat oogenblik niet naar +waarde kan schatten. Men zegt hem, dat de koningin de eenige moederbij +in de kolonie is, hoe groot die zijn mag; dat zij in den opgang van +haar moederschap wel 3.000 eieren per dag legt, en dat het in haar +macht staat, naar verkiezing mannelijke of vrouwelijke eieren te leggen +of wel heelemaal geen. Men vertelt hem, dat zij, behalve wanneer zij +met een zwerm uittrekt, maar éénmaal in haar leven den +korf verlaat en dat op haar huwelijksreis, en hoe zij bij die +ééne gelegenheid verkeer heeft <span class="pagenum">[<a +id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>met den dar, ergens ongeloofelijk +hoog in de blauwe lucht en den zonneschijn van den zomerdag, en dat +onvermijdelijk dadelijke dood het eenig deel van haar bruidegom is; dat +zij daarna onmiddellijk in den korf terugkeert, en na dat +ééne oogenblik de rest van haar leven, dat nog jaren +duren kan, in onbevlekten weduwstaat doorbrengt, terwijl zij toch tot +het einde toe hare vruchtbaarheid behoudt.</p> + +<p>Zij wordt den verbijsterden nieuweling aangewezen, terwijl zij op +haar eeuwigen rondgang bij de broedraten is, en haar verschillende +eigenschappen worden hem daarbij uitgelegd. Men wijst hem hoeveel +grooter zij is dan de werkbijen; hoe haar geheele lichaamsbouw op +talrijke punten van den hunne afwijkt; hoe haar gewoonten en instinkten +haast in geen enkel opzicht dezelfde zijn als die der gewone werksters. +En eindelijk krijgt hij iets te hooren, waarbij zelfs de beleefdste +goedgeloovigheid twijfelen zou. Hoewel de moederbij oogenschijnlijk van +een geheel ander ras is, was toch het ei, dat haar voortbracht, gelijk +aan dat waaruit de kleine werksters geboren worden. Haar grootte, de +afwijkingen in vorm en getal van hare organen, haar geestelijk +verschillen, dat alles is enkel het gevolg van behandeling en dieet. +Had niet de gemeenschapsgeest het zoo gewild, zij had dan evengoed een +neutrale werkbij kunnen zijn, en ieder van de dertig- of veertigduizend +werksters had een groote koningin-bij kunnen worden, en de eenige +moeder van de geheele kolonie. En nog verwonderlijker—de +broeders, nooit de vaders van hun eigen kolonie, zooals men vroeger +meende—de darren hebben het feit van hun geslacht geheel alleen +te danken, aan den wil of gril van de korf-autoriteit, die zich +uitspreekt in het volgzame gedrag der koningin. Tot het oogenblik +vóórdat het ei gelegd wordt, is het geslacht van de +daaruit komende bij nog niet bepaald. <span class="pagenum">[<a id= +"pb73" href="#pb73">73</a>]</span>Deze groote wellusteling, de dar, +wiens overmoedige mannelijkheid spreekt uit al zijn doen en bewegen; +zijn geheel verschillend organisme; zijn onbekwaamheid in iets anders +dan het vervullen van den éénen plicht die van hem +geëischt wordt;—want hij kan niet eens zichzelf voldoende +voeden;—zijn gewoonte zijn leven te verdeelen in een slaperig +zich vol eten te huis, en een liefdedronken dolende ridderschap +buiten—deze dar had een kleine, zwoegende werkbij kunnen zijn met +een ingekrompen en toch fijnbewerktuigd lichaam en verwonderlijk +ontwikkeld brein met den éénen drang bezield, de grootst +mogelijke hoeveelheid werk af te doen vóór de dood haar +roept, en die gewapend is met een vreeselijken vergiftigen angel, dien +ook de dar moet missen.</p> + +<div id="p071" class="figure"><img border="0" src="images/p071.jpg" +alt="Raat uit Moderne Korf, met Koningin" width="463" height="720"> +<p class="figureHead">Raat uit Moderne Korf, met Koningin</p> +</div> + +<p>Het zou nutteloos zijn den leerling nu al te zeggen, dat al die +ingrijpende verschillen—wonderen in waarheid, in den gewonen zin +van het woord—door de leidende machten in den korf bewerkstelligd +worden, op zeer gemakkelijk te verklaren wijze. Want op dit oogenblik +heeft hij allen zin voor de détails verloren, hoe opmerkelijk +zij mogen zijn, door het nieuwe inzicht, dat hij verkreeg in zulk een +veelomvattend staatsbeleid. Hier is nu een gemeenschap, die naar het +schijnt alle problemen heeft opgelost in verband met het welzijn en den +vooruitgang van een talrijke, hooggeorganiseerde maatschappij. +Moeilijkheden, die de socialistische filosofen bij de menschen in +verwarring brengen, of die donker opdoemen in de nabije +toekomst—vraagstukken betreffende de vermeerdering der individuen +in verband met den voedselvoorraad, het evenwicht der geslachten, +communaal of individueel eigendom, geschiktheid voor het ouderschap, de +opperheerschappij van Recht of Macht—dit alles schijnt al lang +geleden te zijn vastgesteld in deze verwonderlijke <span class= +"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>bijenrepubliek. Een +bijenkorf in goede condities schijnt ons een levend voorbeeld, een +volmaakte les van aanschouwelijk onderwijs, in zake de beteekenis van +het Socialisme, wanneer het tot in zijn strengste uiterste +konsequenties wordt doorgevoerd, zoowel voor menschelijke- als voor +bijenstaten. Hier is een aantal individuen aanwezig, tusschen +tienduizend en vijftig- of zestigduizend, al naar mate hun toestand of +het jaargetij, dat in een ruimte van een paar kubieke voeten gezond en +gemakkelijk leeft. Het beginsel: de grootst mogelijke welstand voor het +grootste aantal, is hier tot het hoofdbeginsel geworden waarvoor ieder +zich heeft te buigen. De fictie van het koningschap wordt gehandhaafd +in harmonie met den volkomen republikeinschen geest. Het vrouwelijk +element heerscht in alles, het mannelijke in niets. De groei der +bevolking wordt aangezet of tegengehouden al naar dat de schatting +uitvalt van de aanwezige of toekomstige provisie. De verhouding der +geslachten wordt naar willekeur gewijzigd. De regel, dat wie niet +werken kan, niet leven zal, wordt met meedoogenlooze gestrengheid +toegepast. Al het bijeengebrachte staatsbezit behoort de gemeenschap. +Wanneer de kolonie te talrijk blijkt en de grenzen niet uitgelegd +kunnen worden, dan is een groot gedeelte der inwoners genoodzaakt uit +te trekken, en zij mogen niet meer nemen van het staatsbezit dan wat +zij kunnen meedragen en verliezen alle recht op de rest. Het leidende +vrouwelijke element schijnt besloten te hebben dat slechts +één uit hun getal het voorrecht zal worden toegekend het +moederschap uit te oefenen; en als haar vruchtbaarheid afneemt, wordt +zij afgezet en er komt een nieuwe moederbij, daartoe opzettelijk +gekweekt, in haar plaats.</p> + +<p>Al deze feiten betreffende het bijenleven en nog een aantal andere +verdringen zich in het verbijsterde hoofd <span class="pagenum">[<a id= +"pb75" href="#pb75">75</a>]</span>van den nieuweling tot hij niets meer +kan opnemen. Hij begint nu eindelijk in te zien, dat hij een +veelomvattende stof te vluchtig heeft willen bemachtigen en het +verkeerd heeft aangepakt; ongeveer zooals een studeerend jongeling, die +besluitende tot de studie van een nieuwen moeilijken tak van +wetenschap, aan het eind van een verhandeling begint en zich dan te +midden van termen en equaties voelt, waarvan hij niets begrijpt. Al dit +verwarde gekijk door korfvensters, en luisteren naar brokjes +verbazingwekkende bijzonderheden, is eigenlijk niets anders dan het +bijenlevensboek openslaan op goed geluk, en dan hier en daar een +bladzijde te lezen krijgen zonder verband, waardoor men vage, vluchtige +indrukken ontvangt van zekere in ’t oogspringende, +kaleidoscopische <span class="corr" id="xd0e861" title="Bron: +bizonderheden">bijzonderheden</span>, maar geen grondige en +aaneengeschakelde kennis der feiten. En er zit niets anders +op—als hij in waarheid het leven der honingbijen wil +kennen—dan terug te gaan tot de eerste bladzij van het boek en +vastberaden door te werken tot het einde—als er een eind is.</p> + +<hr class="tb"> +<p>Iedereen kent de Engelsche honingbij—de zwarte bij wordt zij +genoemd, gedeeltelijk om haar te onderscheiden van haar buitenlandsche +concurrenten en gedeeltelijk, zou men denken, omdat zij in ’t +geheel niet zwart is; maar van een diep donker bruin.—Maar niet +iedereen kent haar oorsprong. Waarschijnlijk kwam zij uit de tropen tot +ons, bij korte dagreizen, een latere zwerm weer verder dan de vorige, +tot de ondernemendste van allen het Kanaal overstak in heel verre +tijden, toen het Kanaal nog maar een smalle streep water was, of +misschien wel vóórdat <span class="corr" id="xd0e868" +title="Bron: Groot-Britannië">Groot-Brittannië</span> van het +vasteland was losgeraakt.</p> + +<p>Het was de zwarte bij, en niet de kleurige Italiaansche <span class= +"pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>of eenige andere +variëteit, die naar Engeland kwam, misschien om dezelfde reden als +waarom de Kelten kwamen—omdat zij een forsch ras waren, dat aan +de frissche noordelijke atmosfeer de voorkeur gaf en er ook beter tegen +bestand was, dan tegen de hitte en zware lucht van het zuiden. De +moderne engelsche bijenkweekers, die zooveel moeite doen om de +goudgegordelde of zilvergefransde rassen van andere landen te +acclimatiseeren, mochten dit wel in het oog houden. Het groote +twistpunt tusschen de Britsche ijmkers tegenwoordig gaat over de +betrekkelijke verdiensten van de oorspronkelijke en de ingevoerde +stammen. Maar hier heeft toch zeker de Natuur niet gedwaald. South-Down +schapen kunnen in alle graafschappen geteeld worden; maar nergens +gelukt het zóó als op “Downs” van Sussex. +Ditzelfde geldt voor de Engelsche bij. De eeuwen hebben uit haar +tropischen oorsprong dát ontwikkeld wat zij nu is—een +sterk, uitsluitend Britsch wezen, dat door alle grillen van het klimaat +is heengegroeid en er tegen bestand is, terwijl haar teêrder +zusters van het zuiden een harden dobber hebben zich er door te slaan. +Zij houdt het tegen hen uit, dubbel en dwars. In de zeldzame jaren dat +in letterlijken zin het land overvloeit van honing, staan de +wedijverende honingmakers wel gelijk; maar alles saâmgenomen, +goed en kwaad, vroeg en laat, verslaat toch de Engelsche zwarte bij op +den duur al haar mededingsters. Duizenden van jaren waren noodig om van +haar te maken wat zij is, en mogelijk zullen ook duizenden van jaren de +geelgerokte Ligurische geschikt afleveren voor het werk in Brittanje. +Maar werken voor zulk een ver nageslacht zou een altruïsme zijn +voor engelen, niet voor menschen.</p> + +<p>In den verren oertijd bekommerde de bij zich zeker niet om iets als +een korf, en zij zal haar raten wel <span class="pagenum">[<a id="pb77" +href="#pb77">77</a>]</span>hebben gehangen waar in de bosschen een tak +daartoe geschikt leek, zooals nu nog de bijen in Indië het doen. +De gewoonte een plaats te zoeken in een hollen boom of rotsspleet, zal +zij denkelijk verkregen hebben toen zij noordelijker was getrokken, en +een beschutting voor koude of het slechte jaargetij meer en meer +noodzaak werd. De tegenwoordige gewoonten van in het wild levende +dieren geven ons eenig denkbeeld van hunne levenswijze in vroeger +tijden; maar het is bovenal in hunne afwijkingen van die gewoonten, dat +wij een juiste aanwijzing krijgen van hun leven in den oorspronkelijken +natuurstaat. Als verdwaalde bijenzwermen geen betere plek vinden, dan +bouwen zij dikwijls in de open lucht, en hangen hun wassen huizen aan +een horizontalen tak, of maken hun nest in het dichtst van een +boschje.</p> + +<p>De gewoonten van de honingbij zijn vol van zulke afwijkingen; +misschien dat tusschen hun moderne behoeften dan vage herinneringen +rijzen aan den oertijd. Het uitgaan der zwerm is mogelijk niets anders +dan een overgebleven oud proces, noodzakelijk in zijn tijd; maar dat in +de hedendaagsche beschaafde condities den prikkel dier absolute +noodzakelijkheid mist. Want het bijenleven, zoo oud als het is, is een +door evolutie verkregen beschaving, en niet een overgebleven +oertoestand. Het is begrijpelijk, dat de vossen hun holen, en de vogels +hun nesten hebben, zooals wij ze hadden, sedert Adam om Eva wierf. Maar +de honigbij in de twintigste eeuw is niet van dat soort. Zelfs is +misschien het gemeenschapsleven in een betrekkelijk late periode van +haar ontwikkeling ingetreden. Het is mogelijk eenig denkbeeld te +krijgen van wat zij zich in den loop der tijden veroverde, door het +bestudeeren van de levensgewoonten van andere wezens, die haar verwant +zijn, maar veel minder ver gekomen dan zij. Er zijn verre <span class= +"pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>betrekkingen van +haar, eenzame, kleine boschwespjes en anderen, die zich nooit met hun +soort vereenigen; maar hunne zomerdagen in eenzaamheid leven en met het +kwijnend jaargetij sterven, terwijl zij de voortplanting van hun soort +nalaten aan een kroost, dat zij nooit zullen zien. De gewone wesp staat +in ontwikkeling dichter bij de honingbij; maar toch nog heel ver +achter. De bevruchte koningin-wesp komt uit haar winterschuilplaats; +maakt in een gat in den grond een paar cellen en legt daarin haar +eerste eieren, en zoo sticht zij een kolonie, die hoewel zij in het +seizoen volkrijk genoeg is, toch bij de eerste winterkoude moet +bezwijken.</p> + +<p>Misschien hebben in den oertijd de bijen in de tropen in +afzonderlijke families geleefd, ieder met zijn vruchtbare moeder en +zijn luien lummelenden vader, den Turveydrop<a class="noteref" id= +"xd0e885src" href="#xd0e885">1</a> van de schepping—en hun +stortvloed van kroost, waarvan ieder volwassen individu uit zou trekken +om zich een eigen thuis in te richten. De moderne bijenstad met zijn +ingewikkelde stelsels en wetten, en zijn immense drommen van bewoners, +is misschien ontstaan toen verandering van woonplaats en klimaat een +nieuwe levenswijs gebood. Het leven in gestadige warmte, in een land +waar bloei na bloei kwam in oneindige opvolging, maakte zulk een +samenwerking niet noodig. Dat ééne, kleine gezin, in zijn +met mos gedekt hoekje, kon zijn eigen temperatuur onderhouden, en waar +een eeuwige nektarbron vloeide was voorzorg dwaasheid, de +winterprovisie was er van zelf.</p> + +<p>Maar naarmate de jonge bijen, die, hun woonplaats verlatende, altijd +verder naar het noorden vlogen, eerst aan de gematigde zônen +kwamen en toen binnen het bereik der pool-invloeden, werden de +omstandigheden <span class="pagenum">[<a id="pb79" href= +"#pb79">79</a>]</span>geleidelijk anders. De eeuwige honingtuin was +achtergebleven, en ieder jaar kwam er een tijd—eerst kort maar +steeds onherroepelijk langer—dat er geen bloemen waren. Toen moet +de harde noodzakelijkheid de bijen wel geleerd hebben, in het koude +jaargetijde zooveel mogelijk bijeen te dringen tot het behoud van +warmte; en toen de koude perioden langer en langer werden, moesten zij +voor winterprovisie zorgen, die duren kon tot de lentezon weer de aarde +zou liefkoozen en zij bloemen gaf. En zoo moeten de eerste +gemeenschappelijke bijennesten ontstaan zijn door den nooddrang van het +ras: de eerste gemeenschappelijke voorraadschuren moesten ingesteld, +voor een menigte van onvoorziene moeilijkheden moest een uitweg +gezocht, en de geest der vinding moest tot de uiterste spanning vaardig +zijn. Want nooit heeft Pandora haar wonderkist met ernstiger gevolgen +op aarde geopend, dan toen de Groot-Kunstenaar de honingbij als +voorbeeld in het stedenbouwen stelde voor de nomadische +menschen-wereld.</p> + +<p>Van het samenscholen der afzonderlijke bijenfamilies ter +wederzijdsche bescherming tegen de elementen, tot een algeheele +samensmelting van levensbelangen, moet, zooals de natuur werkt, maar +één stap geweest zijn. Maar er zullen tijden van groote +beroering zijn geweest—sociale oproeren, rampen bij de opvoeding, +en vernietigende geslachtsoorlogen. De bijenwereld zal op zijn +grondvesten hebben geschud. Wanneer en hoe de vrouwelijke bij het eerst +de opperste leiding kreeg, is onnoodig na te sporen. Maar het is zeker +dàt zij die verkreeg en steeds bleef handhaven. Het vraagstuk +der bevolking moet het overwegend probleem zijn geweest. Met honderden +vruchtbare moeders in den korf, die haar eigen kroost opkweekten, en +een schaar luie, onverantwoordelijke darren, die niet anders <span +class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>konden dan +dansen in den zonneschijn en uit vrijen gaan; hoe moest in de +benoodigde dagelijksche consumptie voorzien worden, om nog niet te +spreken van de provisie voor de komende winterdagen?</p> + +<p>Hier ging het om ingrijpende veranderingen of volslagen ondergang, +en het is begrijpelijk, dat de vrouwelijke bijen, toen het initiatief +bij de mannen ontbrak, de teugels in handen namen.</p> + +<p>Het is een geschiedenis met een profetische leering. Allereerst +ontdekten zij hun stille macht: de onschuldige legboor openbaarde zich +als een uitstekend verdedigingswapen. Het leger was dus met de +opstandelingen, en de rest volgde van zelf. Een grootsch, verstrekkend +schema werd opgezet. Het moederschap zou het voorrecht zijn van enkelen +en de daartoe het best geschikten; het werk was voor de massa. Zware +tijden hadden al een mager, onvruchtbaar slag onder hen gekweekt, en +het bleek, dat slechte rantsoenen in de kinderkamer op eenvoudige wijze +een vermeerdering van die natuurlijke ongehuwden ten gevolge hadden. En +toen werd die kleine sexlooze werkbij aangekweekt, terwijl de rijkelijk +gevoede moeders langzamerhand tot zeer weinige werden teruggebracht en +eindelijk tot maar één enkele. Het was de triomf van +gemeenschappelijke zelfopoffering ten bate van het welzijn en het +hoogste voortbestaan van het ras.</p> + +<p>Al dit mag men veronderstellen te hebben plaats gehad in oneindig +verre tijden, lang vóórdat het den mensch gelukt was +zichzelf van de apen te onderscheiden. In de honingbij van dezen tijd +en haar leven in de moderne korven hebben wij iets als de quintessence +der eeuwen: een wezen door zeldzame omstandigheden ontwikkeld naar +geest en lichaam, en deze omstandigheden haar weer dwingend tot dit +zeldzame levenssysteem. Als Ruskin’s Venetiaan moet zij nobel +leven, of <span class="pagenum">[<a id="pb81" href= +"#pb81">81</a>]</span>bezwijken. En nog wel meer wordt van haar +geëischt dan de rol van huis- en staatseconomist. Om een modernen +bijenkorf de bestaansmogelijkheid te verzekeren, moeten er +bouwmeesters, rekenmeesters en scheikundigen binnen zijn wanden huizen. +De gezondheidsleer moet er grondig behandeld worden of de bijenkorf zou +binnen weinig tijd in een bijenval verkeeren. Er moeten kundige +landverkenners zijn, die een onderzoek instellen naar nieuwe +verblijfplaatsen, juist vóórdat de zwermen rijp zijn. Er +moeten opzichters zijn en ploegmeesteressen overal, om op alles wat er +in den korf omgaat toezicht te houden. En boven alles moet er een +opperste centrale macht heerschen, een vèrziende intelligentie, +die de onmiddellijke behoeften overziet en de krachten van den staat +aan het werk zet op den juisten tijd en in de juiste orde, om in die +behoeften te voorzien. Zoo dit alles niet in den hedendaagschen korf +kan <i>gevonden</i> worden, dan is toch de noodzakelijkheid er van niet +te ontkennen, en evenmin te ontkennen zijn de verkregen resultaten.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span></p> + +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e885src" id="xd0e885">1</a></span> Bekende figuur uit <span class= +"letterspaced">Dickens</span> roman <i>Het verlaten Huis</i>.</p> +</div> +</div> + +<div id="ch6" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk VI</h2> + +<h2 class="normal">Het eerste werk in de Bijenstad.</h2> + +<p>Met “het keeren der dagen,” als de winterzon zijn nadir +van zwakte voorbij is, en voor het eerst weer een bescheiden stukje van +den hemel veroverd heeft, begint ook het eigenlijke jaar der honingbij. +Dan worden er voor het eerst enkele eieren gelegd in het hart van het +broednest; en de slaperige klomp begint teekenen van leven te geven; de +waterdragers komen in beweging en zijn in afwachting van een helderen +warmen morgen om zich aan hun werk te begeven.</p> + +<p>Gevaarlijk werk in dit jaargetij; maar hoogst noodzakelijk. Zonder +water kunnen alléén maar op heel kleine schaal jonge +bijen opgekweekt worden. Water is er noodig op iederen trap van hun +ontwikkeling, en als het ontbreekt, is het met den vooruitgang der +kolonie gedaan. Zelfs de volwassen bijen moeten verhongeren en sterven +te midden van overvloed, als hun honingprovisie versuikerd is, en geen +water voorhanden om het onbruikbare zoet op te lossen. Ziet men in een +korf honingkristallen op den bodem liggen en bij den ingang gestrooid, +dan kan men zeker zijn, dat de toestand er hopeloos is. Dan rukken de +bijen al de proviandcellen open en gooien den gestolten honing als +onbruikbaar weg om de onderste nog vloeibare te kunnen bereiken. Als de +koude buiten <span class="pagenum">[<a id="pb83" href= +"#pb83">83</a>]</span>zich niet ontspant of de ijmker niet klaar staat +met een surrogaat, dan moet de kolonie bezwijken. En daarom wachten de +waterdragers op den zonneschijn, en zijn eerste warmte brengt hen naar +buiten om de dichtstbijzijnde dauwdruppels te rooven of het verscholen +beekje op te zoeken, gelokt door het zoete ruischen. Velen verliezen +bij dit werk het leven in de eerste maanden van het jaar; zij komen om +door de koude van hun last op den terugweg, of worden in de vlucht door +een vogel weggepikt. Maar wat het kosten moge, het toekomstig leven in +den korf moet verzekerd zijn, al zou van de geheele bevolking ook +alléén maar de koningin-moeder overblijven om hem in zijn +zomervolheid te zien.</p> + +<p>Wij zijn gewoon ons een korf met bijen als een eeuwig blijvende +instelling te denken, waar de Dood zijn oude, bezige, gestadige rol +speelt, maar het jonge leven hem overvleugelt, juist zooals het in den +stadskorf der menschen gebeurt. De vergelijking gaat op; +alléén gebeuren in den bijenkorf de veranderingen +oneindig sneller. Het leven van een werkbij duurt niet langer dan op +zijn hoogst zes maanden; en in het drukke seizoen leeft zij, door +werken uitgeput, soms niet meer dan zes weken. Zij, die het vorig jaar +den honingoogst bezorgden, waren al dood in den herfst. De laatgeboren +bijen, die den winter ingingen met glimmend borststuk en gekreukte +vleugels, leefden juist lang genoeg om hun onmiddellijke opvolgers te +voeden; en deze zullen alleen leven om het jonge lentebroed tot vollen +wasdom te brengen. Geen enkele van hen zal ooit meer honing inzamelen. +Behalve de langlevende koningin en de oude korf met zijn bouw, wordt +iedere kolonie jaarlijks geheel vernieuwd.</p> + +<p>Overwinteren in den eigenlijken zin komt in de bijenkorven niet +voor. De wesp-koningin en veel <span class="pagenum">[<a id="pb84" +href="#pb84">84</a>]</span>andere insekten overwinteren en brengen de +koude maanden door in een toestand van verdooving tot de inwerkende +warmte van het volgend jaar hen weer tot een handelend bestaan wakker +roept. Maar de bijen doen het beter: zij dringen bijeen tot een dikken, +bijna bewegingloozen klomp in het hart van den korf, met hun kostelijke +koningin in het midden en hun proviand boven hen. In dien tijd is +honing hun eenig noodige voedsel, maar een heel klein verbruik daarvan +houdt de kolonie al op de juiste temperatuur.</p> + +<p>Wanneer zij vliegen en aan hun werk zijn of bezig binnen in den +korf, moet het stikstofhoudend stuifmeel bij hun dagelijksch rantsoen +nektar gevoegd worden om de verbruikte weefsels weer aan te vullen; +maar nu is het éénige wat zij behoeven de honing, de +geconcentreerde nektar, de warmtevoortbrenger. De bijen van den klomp, +die het dichtste bij de raten zijn, breken de volle cellen open en de +honing wordt aangenomen en doorgegeven tot iedere bij haar schamel deel +heeft ontvangen.</p> + +<div id="p085" class="figure"><img border="0" src="images/p085.jpg" +alt="Winter in den Bijentuin" width="712" height="506"> +<p class="figureHead">Winter in den Bijentuin</p> +</div> + +<p>Zuinigheid behoort nu tot de schoone kunsten. Niemand weet wanneer +er weer nieuwe voorraad te vinden zal zijn, hoewel geen kans ongebruikt +zal worden gelaten om de provisie aan te vullen bij het eerste teeken +van terugkeerende warmte. Maar tot zóólang wordt het +kleinste minimum voedsel verbruikt, en als de naastbijzijnde cellen van +hun geheelen inhoud ontdaan zijn, rijst de klomp weer wat hooger. Het +systeem is dus een soort van afgrazen van de raten, tot de dichte +bijenkudde de uiterste grens van den korf naar boven bereikt heeft; +daarna moet er naar een nieuwe weide uitgekeken. Maar het bewegen van +den klomp gaat uiterst langzaam; misschien is er geen langzamer +beweging in de gansche organische wereld. Allen weten, dat hun bestaan +samenhangt met het ledigen van de <span class="pagenum">[<a id="pb87" +href="#pb87">87</a>]</span>raten tot den allerlaatsten honingdroppel. +Het is een wetenschappelijk temperen van het levensvuur—een +zorgvuldig uitgedacht en volmaakt plan tot behoud van het grootst +mogelijk aantal werkbijen op het kleinst mogelijk rantsoen voedsel, +zoodat in de lente een maximum aantal broedbijen en honingdraagsters +het leger moge vol maken, dat het jonge broed, de vertegenwoordigers +van de toekomstige kolonie, moet opkweeken.</p> + +<p>Maar winterslaap is er niet. Het is zelfs niet eens zeker of bijen +wel ooit slapen, zoowel in hun drukken, bezigen zomertijd, als in de +starre diepte van den winter; want ten alle tijden is een licht tikje +op den korf voldoende om onmiddellijk een vreesachtige kreet van binnen +op te roepen. Een luider kloppen zal heel spoedig de waakbijen aan het +vlieggat brengen om de oorzaak van die stoornis te doorgronden en er +hebben al heel wat door die waakzaamheid alleen het leven moeten +inschieten. Met vriezend weer kan men dikwijls de meezen een taptoe +zien roffelen op den korf, om dan iedere bij op te pikken die naar +buiten komt; en ook verschillende andere vogels hebben al uitgevonden, +dat zij zich aldus een middagmaal kunnen verzekeren.</p> + +<p>Het feit, dat wanneer een volk in gezonde conditie is, het binnenste +van den korf altijd zindelijk blijft, wekt bij den nieuweling +gewoonlijk groote verbazing. ’s Zomers, als de bijen gestadig in +en uit gaan, lijkt het zoo wonderlijk niet. Maar het is zeker +opmerkelijk, dat in den winter, wanneer zij weken achtereen in den korf +moeten blijven, noch de raten noch de vloer ooit met uitwerpselen +bezoedeld zijn. Deze moeilijkheid heeft het gezondheidsdepartement in +den korf al lang opgelost. Het moet wel een der allereerste +vraagstukken geweest zijn, die zich voordeden toen de honingbij op het +ontwikkelingsstadium van het gemeenschapsleven <span class="pagenum"> +[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>was gekomen. De ouden +geloofden, dat al de uitwerpselen door de bijen in bijzondere cellen +werden gedeponeerd, en van daar bij tusschenpoozen door de +reinigingsafdeeling naar buiten gebracht. In deze meening, hoe dwaas +ook, ligt niets dat buiten den kring valt van het bijenintellekt; +integendeel; zulk een onpraktisch plan zou zeker nooit bij het +bijenvolk opkomen; omdat het in de verste verte niet voldoende zou +zijn. Welk een diepgaand probleem het behoud der zindelijkheid in de +korven is, kan men alléén dan benaderen, wanneer men de +zaak in zijn geheelen omvang beschouwt, en dan van een menschelijk +standpunt gezien. Vraag eens—en ik neem de cijfers dan nog +onvergeeflijk laag—hoeveel hoop op succes het grootste +gezondheidskundig genie van de wereld zou kunnen hebben, als hij stond +voor het probleem, een gebouw volkomen zindelijk en volmaakt +geventileerd te houden, waar 10.000 menschen opeengehoopt in +verdiepingen boven elkaar moesten leven; een gebouw, dat van boven tot +onder hermetisch dicht was, met uitzondering van een kleine opening op +het laagste plan, de eenige in- en uitgang voor al de bewoners, en +tegelijk het eenige afvoerkanaal voor de bedorven<span class="corr" id= +"xd0e953" title="Bron: -"> lucht</span> en toegang voor de zuivere +lucht? De opgaaf zou al moeilijk genoeg zijn in den zomer, als een +groot gedeelte van de bevolking een heel stuk van den dag buiten ging +werken; maar in den winter, als allen weken lang thuis moesten blijven, +welk systeem zou er dan denkbaar zijn, dat het gebouw kon verhinderen +te verworden, eerst tot een mesthoop en daarna tot een knekelhuis, +waarbij vergeleken het “Zwarte Gat” van Calcutta een model +van hygiënische toevlucht zou zijn?</p> + +<p>Toch is het verschil tusschen zulk een gebouw en een bijenkorf er +maar een van graden. De zelfde condities bestaan er, en hetzelfde kwaad +moet bestreden. Naar <span class="pagenum">[<a id="pb89" href= +"#pb89">89</a>]</span>verhouding staan de problemen gelijk. In het +geval van den bijenkorf heeft de noodzakelijkheid van dit opeengehoopt +bestaan, zich aan zijn bewoners gaandeweg opgedrongen. Een +eeuwenheugend gebruik, inwerkend op het individu, kweekte op den langen +duur een ras, dat zich verwonderlijk heeft aangepast aan zijne +bijzondere behoeften. Waarschijnlijk gebeurde het terughouden der +faeces in den korf oorspronkelijk vrijwillig. En deze gewoonte, +overgebracht van de eene generatie op de volgende, heeft in het +organisme bewerkt, dat, wat oorspronkelijk een gewoonte was, op den +duur tot een tweede natuur moest worden, en daarmeê is ten slotte +de tegenwoordige toestand bereikt. Het is nu een feit geworden, dat de +bij niet meer in staat is zich van haar uitwerpselen te ontlasten +wanneer zij in den korf of in rust is. De betrokken spieren kunnen +alléén in beweging komen, gedurende of onmiddellijk na +een flinken vlucht. In den winter, in lange perioden van koû, +verlaat geen enkele bij den korf, soms weken achtereen; maar een enkel +uurtje van warmen zonneschijn brengt de heele kolonie naar buiten; zij +vliegen dan rond den korf en men kan gemakkelijk waarnemen hoe dan de +natuurdrang bij hen werkt. Deze reinigingsvluchten gebeuren op alle +daartoe geschikte tijden en vervullen dan een dubbel doel; want bij het +terugkomen in den korf klampen zij zich weer te samen tusschen nog +onaangetaste raten, en de oude, gestadig-opstijgende, <span class= +"corr" id="xd0e960" title="Bron: voedigsmarsch">voedingsmarsch</span> +vangt weer aan, maar op een nieuwe plaats. In heel buitengewone tijden, +als de koude steeds blijft aanhouden, gebeurt het, dat de bevolking van +een korf den hongerdood sterft midden tusschen hun overvloed, daar er +geen gelegenheid was voor zulk een reinigingsvlucht en dus de klomp op +zijn plaats is gebleven. En hier is nu de bij het slachtoffer van haar +eigen hoogtepunt van ontwikkeling. <span class="pagenum">[<a id="pb90" +href="#pb90">90</a>]</span>Instinkt zou haar nooit op zulk een +dwaalspoor geleid hebben; maar voor de rede is er mogelijkheid te +dwalen, en hier dwaalt zij geweldig.</p> + +<p>De vergelijking van een modernen bijenkorf met een gebouw, gelijk +van konstruktie, en even dicht bevolkt met menschelijke wezens, zet het +geheele vraagstuk in een scherp licht. In zulk een gebouw zou alleen +dan leven behouden kunnen worden, wanneer men er een gestadigen +luchtstroom doorheen kon leiden. Maar de bijen hebben de moeilijkheid +schitterend overwonnen, ’t Zij winter of zomer, de lucht in den +korf blijft even zuiver als de buitenlucht, en de temperatuur kan naar +willekeur geregeld worden. Voor de gewone bestemming van den korf: het +honingmaken en het broeden, wordt die gewoonlijk op 80° tot 85° +Fahr. gehouden. Maar zijn de wasbouwers aan het werk, dan stijgt zij +plotseling tot 95° ongeveer, terwijl zij in de <span class="corr" +id="xd0e967" title="Bron: zwermkoorstperiode">zwermkoortsperiode</span> +dikwijls nog hooger gaat. Maar in het heetst van den zomer is het +binnen in een goed beheerden korf, tenzij de bewoners door een +emigratiewoede zijn aangegrepen, zelden meer dan 80°. En dit alles +wordt op hoogst eenvoudige wijze verkregen.</p> + +<p>De hygiënische expert van het menschenras zou de oplossing van +het vraagstuk maar van één kant kunnen benaderen. Hij zou +zoeken een gestadigen luchtstroom mechanisch of automatisch te +verkrijgen en dan had hij een verwarmingstoestel noodig in het gebouw, +of een er buiten, dat de binnenstroomende lucht verwarmde. Maar de +bijen werken naar heel andere beginselen. Zij moeten niets hebben van +het ventilatiesysteem met gestadigen luchtstroom. Als de vernuftige +ijmker luchtgaten maakt in de wanden van den korf, dan zullen de bijen +ze in den nacht zorgvuldig weer dichtstoppen. In den ouden bijentuin +hebben wij gezien hoe het waaiersleger de onzuivere lucht uittrok. Deze +bijen <span class="pagenum">[<a id="pb91" href= +"#pb91">91</a>]</span>hadden hun kopjes naar het vlieggat gericht. Maar +binnen in den korf was een ander leger van waaiers, naar den anderen +kant gewend, en dus meehelpende om diezelfden zijstroom uit te drijven. +En op heete dagen vindt men door bijna den geheelen korf heen waaiende +bijen, die medehelpen om de lucht in beweging te houden. Het gevolg is, +dat de zuivere lucht, die van den eenen kant van het vlieggat naar +binnen gezogen wordt, binnenin rond den korf blijft stroomen en er aan +den anderen kant van den ingang weer uittrekt, ongeveer als een touw +over een katrol. De snelste stroom blijft langs de wanden gaan en boven +in den korf, terwijl de lucht in het midden trager beweegt. Zoo liggen +dus de honingraten, die altijd boven in den korf worden geplaatst, in +den vollen luchtstroom, en het vocht, dat de rijpende honing +voortdurend afgeeft, wordt snel mee weggedragen. Maar de broedbouw, die +in het lagere middengedeelte ligt, wordt trager geventileerd en de +lucht is geheel verwarmd als zij dien bereikt. Hoe grooter het +waaileger is, des te sneller beweegt zich de luchtstroom, en des te +vlugger wordt de hitte uit den korf meêgevoerd. Volgens deze +methode kunnen de bijen de temperatuur binnen den korf regelen naar den +eisch van het oogenblik; zij zetten eenvoudig meer ploegen aan het werk +in ’t heetst van het seizoen, of zetten het ventileeren stop in +de koude winterdagen, wanneer de natuurlijke warmteuitstraling van den +bijenklomp volstaat om de lichte circulatie in gang te houden, die dan +voldoende is.</p> + +<p>Soms, wanneer de kolonie buitensporig talrijk is, wordt het +waaiersleger gesplitst in twee afdeelingen, één aan +iederen kant van het vlieggat; het midden daarvan dient dan voor de +instroomende lucht. In dit geval schijnt er een dubbelstroom-stelsel +van luchtverversching te worden aangewend.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch7" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk VII</h2> + +<h2 class="normal">Het Ontstaan der Koningin.</h2> + +<p>Straks is al gezegd, dat de honingbij in hare gewoonten en gebruiken +niet onwankelbaar vast is, en dat zij meer dan ééns +afwijkt van hare wetten, waarvan er slechts weinige absoluut zijn. De +regel b.v. van slechts ééne koningin voor iederen korf +schijnt vaster te zijn dan éénige andere, en toch heeft +ook die zijne uitzonderingen. Er worden authentieke voorbeelden genoemd +van twee koninginnen, die vriendschappelijk samen in denzelfden korf +hebben geleefd; zij legden ieder hun dagelijksche hoeveelheid eieren +ongehinderd en oogenschijnlijk met volkomen goedkeuring van de +korfautoriteiten.</p> + +<p>Het is nu ook vastgesteld dat een handig ijmker zijn bijen kan +gewennen aan de aanwezigheid van meer koninginnen. In Amerika zijn op +dit punt proeven genomen; maar hoewel volkomen gelukt en overtuigend, +voor zoover hun bewijskracht gaat, moet hun praktische waarde voor de +bijencultuur nog door den tijd bewezen worden. Het zou best kunnen +blijken, dat, voor de harmonie en het welzijn van een kolonie, een +vermeerdering der huisgodinnen alles behalve een weldaad is. In ieder +geval is het nu vastgesteld, dat de oude wet: één +koningin tegelijk, er geen van Meden en Perzen behoeft te zijn; maar of +dit vermeerderen op <span class="pagenum">[<a id="pb95" href= +"#pb95">95</a>]</span>den duur houdbaar zou blijken en de +honingproduktie ten goede komen, kan alleen de tijd leeren.</p> + +<div id="p093" class="figure"><img border="0" src="images/p093.jpg" +alt="Darren- en Werkbijen-broed" width="519" height="720"> +<p class="figureHead">Darren- en Werkbijen-broed</p> +</div> + +<p>Eén enkele koningin, als zij jong en krachtig en van een +goeden stam is, vermag een geheelen korf met broed te vullen zoolang +het honingseizoen duurt. Het broednest van een moderne lossebouw-kast +heeft een raatoppervlakte van meer dan 2500 vierk. cm., wat ongeveer +50.000 cellen geeft voor het uitbroeden van jonge werkbijen. Dit getal +vertegenwoordigt in de tijden van den grootsten voorspoed een zeer +vlottende bevolking; maar wanneer er bij voortduring meerdere +koninginnen in één korf geplaatst kunnen worden, en de +korven zóódanig vergroot, dat zij alle haar volle +productie-vermogen ontwikkelen kunnen, dan zullen die cijfers tot in +het oneindige uitloopen. Twee waarheden zijn aan iederen ijmker van +ondervinding bekend,—<span class="corr" id="xd0e1000" title="Niet +in bron">ten</span> 1e) dat ééne groote kolonie meer +honing oplegt dan twee kleine, al is het getal bijen gelijk, en <span +class="corr" id="xd0e1003" title="Niet in bron">ten</span> 2e) dat, als +de honingoogst op zijn voordeeligst is, er zelden bijen genoeg zijn om +hem binnen te halen. De groote kunst van het hedendaagsch ijmkeren komt +dan ook hier op neer, dat de bijenhouders er zich voornamelijk op toe +leggen de getalsterkte van iedere kolonie tot haar maximum te brengen, +tegen dat de groote honing-overvloed op komst is. Toch kan in een +nektarrijke streek, waar groote klavervelden tegelijk in vollen bloei +staan, en de honing in veertien dagen moet ingezameld zijn om niet +verloren te gaan, zelfs de volkrijkste bijenstand zooveel +honingdraagsters niet aanbrengen om alles binnen te halen. +Waarschijnlijk gaat in bijzonder honingrijke jaren de helft van den +oogst verloren uit gebrek aan bijen om hem in te zamelen. Als dus het +nieuwe systeem van meer koninginnen levensvatbaar blijkt, dan kunnen +wij in de toekomst een omwenteling verwachten in alle denkbeelden +omtrent de bijenkultuur. <span class="pagenum">[<a id="pb96" href= +"#pb96">96</a>]</span>Vastgesteld is nu nog alléén, dat +men zoover is gekomen vijf koninginnen te zamen in rust en vrede +één korf te laten bewonen; of echter deze wonderbaarlijke +staat van zaken duurzaam zal kunnen zijn moet nog proefondervindelijk +bewezen worden.</p> + +<p>Een merkwaardig en verrassend gevolg van dit omverwerpen van een +oude en haast algemeene wet in de bijenwereld, is dat de neiging tot +zwermen afneemt wanneer tegelijk verscheidene moederbijen in een +enkelen korf huizen. Korven, die zóó behandeld zijn, +hebben, zoover men weet, nooit een zwerm uitgezonden. Het is een van de +meest teleurstellende ervaringen bij het ijmkeren, wanneer men een +sterk en talrijk volk zich ziet splitsen in verscheidene zwakke +afdeelingen, juist vóórdat het groote honingseizoen +aanvangt, terwijl men weet, dat het ééne noodige, +getalsterkte is. En als een meervoudig koninginnen-systeem dit kwaad +kan voorkomen, dan zal het door den tijd geheiligde gebruik zeker +worden opgegeven.</p> + +<p>Wie het bijenleven bestudeert, en den jaarlijkschen arbeid volgt van +het begin af, en zijn gestadige rustige ontwikkeling gadeslaat, zal +spoedig begrijpen, hoe het oude geloof van de autocratie van de +ééne moederbij ontstaan en geworteld is. Het is zuiver +bedriegelijke schijn. In het hart van den winterklomp ziet men de +koningin bezig haar eerste eieren te leggen, terwijl de bijen om haar +heen langzaam ontwaken tot haar plicht. Met het verloopen der weken +wordt het broednest gestadig vergroot, en het tot nu toe dicht op een +gepakte kluwen der werksters begint zich uit te breiden over steeds +meer raten; de waterdraagsters zijn onafgebroken in de weer; de +stuifmeeldraagsters al bezig tusschen de crocussen in den tuin, waar +het eerste goud en wit en purper vroolijk fladdert in den zonneschijn. +Wij merken ook op, dat de gang der werkzaamheden <span class="pagenum"> +[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>in den warmen korf niet +samenhangt met den almanak; maar stop gezet wordt bij iedere koude +periode, en pas in ernst in gang komt als de lente voor goed heeft +ingezet. Zelfs tegen het eind van Februari, als de katjes van de +hazelaars een smaragden schijn geven tusschen het kale hout, gaat de +kolonie nog spaarzaam om met haar provisie, en zij tracht die zoo lang +mogelijk te doen strekken met een wijze schrielheid, die meer dan +gerechtvaardigd zal blijken, als de onvermijdelijke koude dagen komen +midden in den bloesemenden Mei. Het is onmogelijk voorbij te zien, dat +hier een wijze leidende kracht werkt; en waar zou die wijsheid zetelen +zoo niet in het brein van die ééne groote bij, omstuwd +door die schare, die haar huldigt en voedt en koestert zonder +ophouden—haar, de moeder van tienduizenden, die al zijn +opgegroeid, haar, die ook het zaad in zich draagt van alle komende +geslachten?</p> + +<p>Maar de waarheid dient gezegd, dat de bijenkoningin de grootst +denkbare tegenstelling vormt van een heerscheres, in aard en neigingen. +Van intellekt heeft zij niet meer dan een zeer geringe aanduiding. Zij +heeft een prachtig lichaam, de uiterste volgzaamheid, eenige +onweerhoudbare aanvechtingen en hartstochten, en een echt vrouwelijk +zich geven en hang naar het juk: maar zij is niet in staat tot +ééne handeling, die niet uit lichamelijken aandrang +ontstaat. Haar hersensubstantie is veel geringer dan die van de +werkbijen, en zij is in heel veel andere opzichten hun mindere. De +werkbijen beheerschen haar geheel; zij ontwerpen voor haar de dagorde +en gebruiken haar tot het welzijn van de kolonie, in denzelfden geest +als in de menschenwereld een fijn en kostbaar méchanisme door +een vakman gebruikt wordt om eenig waardevol handelsartikel te +vervaardigen. <span class="pagenum">[<a id="pb98" href= +"#pb98">98</a>]</span></p> + +<p>In ’t kort, de koningin is de eenig overgebleven +vertegenwoordigster van de vrouwelijke honingbij, en de werkbijen, die +verminkte wezens, zijn bijna evenzeer een voortbrengsel der beschaving, +als het menschenras zelf.</p> + +<p>Iedere stap verder van nu af, in de studie van het bijenleven, gaat +door wonderen. Men ziet hoe de gewone werkbij wordt opgekweekt in een +cel, die haar een minimum van ruimte geeft voor haar ontwikkeling, +terwijl het vertrek waar de koningin gekoesterd wordt, minstens dubbel +zoo groot is als zij behoeft. De werkstercellen zijn zóó +aangelegd, dat een gegeven ruimte er zoo veel mogelijk kan bevatten, en +dat hun bouw een minimum van materiaal vereischt. Daarom zijn de cellen +zeshoeken, de eenige vorm, die den cylinder—den +ideaal-vorm—nabij komt, en waarvan een hoeveelheid bijeengevoegd +kan worden, zonder dat er tusschenruimte verloren gaat. Bovendien wordt +nog de helft van het noodzakelijk bodemmateriaal voor de cellen +bespaard, door het plaatsen van de raten rug aan rug, zoodat +één bodem voor twee cellen kan dienen. Maar die strenge +spaarzaamheid wordt niet alleen aangewend voor de konstruktie der +wiegen van de werkbijen. Van het oogenblik af, dat het ei is +uitgebroed, tot de jonge larf in een pop is veranderd, wordt slechts +een karig rantsoen voedsel verstrekt, dat juist het leven kan bewaren +en de noodzakelijke ontwikkeling toelaten.</p> + +<p>Maar gaat het om de koninginnelarven, dan wordt van het begin af een +geheel ander stelsel toegepast. Niet alleen, dat haar kinderkamer haar +iedere toeneming van groei veroorlooft; maar zij krijgt bovendien nacht +en dag een buitengewoon voedzamen spijs, en zoo rijkelijk, dat zij er +haast in zwemt. De werkbijen doen niet anders dan haar cel vullen met +die glinsterend witte substantie, de geheele vijf dagen <span class= +"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>van haar +larftoestand, en de uitwerking van dit ruime dieet is van ’t +begin af zichtbaar in haar veel sneller groei, vergeleken met dien van +de werkbijen. Een ander voorrecht is, dat bij de jonge koningin +gedurende haar geheele ontwikkeling de lucht vrijen toegang heeft. De +werkstercel wordt weinig geventileerd, alléén door de +smalle bovenopening, terwijl al haar zes zijden en de basis +ondoordringbaar zijn. Doch de koninginnewieg wordt niet alleen geheel +van poreus materiaal gemaakt, zij wordt gewoonlijk aan den hoek van een +raat beplaatst, waar zij aan den vollen luchtstroom is blootgesteld, +terwijl de lucht niet alleen vrij door de mondopening gaat maar ook +door alle wanden dringt. De hoofdoorzaak dus van het buitengewone +verschil in ontwikkeling bij de koningin en de werkbij ligt in de +behandeling. De eerste krijgt rijkelijk voedzamen spijs, toevoer van +zuurstof en ruimte om zich te ontwikkelen, de andere leeft op +hongerdieet, benauwde huisvesting en een minimum van lucht om in adem +te halen.</p> + +<p>Maar al geven wij toe, dat deze behandeling op den groei der jonge +larven invloed heeft en die in ’t eene geval bevordert, in +’t andere tegenhoudt, dan zijn wij toch nog niet nader aan de +verklaring van het mysterie gekomen. Wel zijn wij gedwongen te +gelooven, dat de substantie van het ei waaruit de werkster geboren +wordt gelijk is aan dat, waaruit de koningin zich ontwikkelt, omdat een +heel eenvoudige proefneming allen twijfel daaraan opheft. Wanneer men +het ei, dat in de koninginnecel gelegd is, wegneemt, en er een ander, +uit welke ook van de duizenden werkstercellen, voor in de plaats legt, +dan zal het werksterei altijd een volkomen ontwikkelde en met alle +hoedanigheden uitgeruste koningin voortbrengen. En handelt men in +tegenovergestelden zin, legt men dus een ei uit een koninginnewieg +<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span>in +een werkstercel, dan zal er onfeilbaar een gewone, onuitgegroeide +werkbij uit voortkomen. Ongeloofelijk zou dit al klinken, als het +verschil tusschen een koningin en een werkbij alleen maar op de grootte +betrekking had. Gesteld, dat de koningin niet anders was dan een +buitengewoon groote werkbij, waarin enkele organen—onderdrukt bij +de werksters—tot volle ontwikkeling waren gekomen, dan zou het +geval toch al onbegrijpelijk genoeg zijn; maar de <span class="corr" +id="xd0e1029" title="Bron: koninigin">koningin</span> verschilt niet +alleen van de werkbij in haar organisme; maar ook in verschillende, +heel belangrijke punten van lichaamsbouw. En hoe kunnen voedsel en +lucht alleen veranderingen van bouw teweeg brengen? De werkbij heeft +vele lichamelijke toestellen, sommige ledematen volmaakt aangepast aan +het werk, dat er van gevraagd wordt, die bij de koningin ontbreken; het +lichamelijk organisme van de koningin daarentegen verschilt van dat der +werksters in belangrijke mate.</p> + +<p>Een paar van deze verschillen zullen we opsommen. Het achterlijf van +de werkster is kort en afgerond, dat van de koningin is grooter en +langer en loopt in een vrij scherpe punt uit. De kaken van de koningin +zijn van binnen aan den rand ingesneden; die van de werkster gelijk, +als het lemmet van een mes. De tong van de werkbijen is spatelvormig +aan het eind en voorzien van gevoelige haartjes; de tong van de +koningin is korter, de spatel kleiner en de haartjes zijn langer. De +werkbij heeft een gecompliceerd systeem van afscheidende schijfjes +onder de hoornachtige platen van het achterlijf; bij de koningin zijn +die afwezig en zelfs niet de allerminste aanduiding is er van te +ontdekken. Ook in het zenuwstelsel is er een onderscheid; de koningin +bezit niet meer dan vier abdominale gonglieën en de werkster heeft +er vijf. De angel der koningin is gebogen en langer dan die van de +werkster, bij wie hij volkomen <span class="pagenum">[<a id="pb101" +href="#pb101">101</a>]</span>recht is. Aan hun achterpooten hebben de +werkbijen een merkwaardig toestel, door de ijmkers het stuifmeelkorfje +genoemd. Het is een uitholling van de dij, met stijve haren omzet; en +in die holte wordt het stuifmeel gepakt en zoo mee naar huis gedragen. +Bij de <span class="corr" id="xd0e1036" title="Bron: koninigin"> +koningin</span> geen holte en geen haren. En dan verschilt zij ook in +kleur van de werkbijen, vooral haar pooten zijn van een veel +roodachtiger bruin.</p> + +<p>Ziehier nu een vraagstuk voor onze groote biologen, waartegenover de +gewone allerdaagsche mensch zich machteloos moet voelen. Want hier +staan wij voor geheel nieuwe toestanden van het organisch leven, +feiten, die niet schijnen samen te gaan met de aangenomen begrippen van +het onvermijdelijk verband tusschen oorzaak en gevolg. Is men tot dit +punt genaderd, dan heeft men een onverwinbare neiging ’t alles +nog eens over te doen; de proef van de geruilde eieren te herhalen en +scherp toe te zien of er niet een ingrijpende omstandigheid is voorbij +gezien. Maar altijd is de uitkomst dezelfde. Ook kan de meest +nauwgezette microskopische ontleding van de eieren niet het geringste +verschil aan den dag brengen. Dit mysterie van het verschil in +struktuur tusschen de koningin en de werkbij dringt ons om +één van drie alternatieven aan te nemen. Of het ei bevat +twee levenskiemen, waarvan de eene alléén onder een +schraal régime ontwikkelt en de andere bij weelderige +verpleging. Of wij moeten tot de middeneeuwsche zienswijze terugkeeren +en gelooven, dat de werkbijen willekeurig een levensprincipe van +zichzelve geven of onthouden gedurende de verpleging van het broed. Of +eindelijk moeten wij het geheele vraagstuk laten vallen en aannemen, +dat de wetten der schepping werken volgens een geheel ander plan, dan +dat waaraan wij tot nu toe geloofd hebben.</p> + +<p>De verwikkeling wordt nog grooter door het feit, <span class= +"pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span>dat deze +verandering pas betrekkelijk laat in het leven der bij gebeurt. Het +broeden duurt drie dagen. Maar de jonge larve is nog minstens drie +dagen ouder vóórdat de natuur die onherroepelijke schrede +doet naar één der beide zijden. Want de proefneming van +de plaatsverwisseling kan met hetzelfde gevolg worden genomen met jonge +bijenlarven van uiterlijk drie dagen oud in plaats van met de +onuitgebroede eieren. Het is zelfs een verrichting die, als het noodig +blijkt, door de broedbijen zelve gedaan wordt. Als een korf zijn +koningin verloren heeft, en al de eieren in de werkstercellen al zijn +uitgekomen, dan kweeken de bijen een andere koningin van een der +werksterlarven, die beschikbaar is. En gewoonlijk met goed gevolg, als +de jonge larve maar niet ouder is dan drie dagen. Maar zelfs al zijn de +larven ouder, dan zullen de bijen het nóg ondernemen, wetende +dat een volk zonder koningin bezwijken moet. In dit geval echter zal de +koningin veel gebreken hebben. Waarschijnlijk zal zij niet bevrucht +kunnen worden, en is ze dus van alle nakomelingschap afgesneden. Als de +ijmker den korf dan niet van een nieuwe, bevruchte koningin voorziet, +zal die zich langzamerhand vullen met darren, de oude werkbijen gaan +dood en het volk moet uitsterven.</p> + +<p>Heeft de beschouwer zich eens aan de studie van het innerlijk +bijenleven gewaagd, dan zal hij al spoedig inzien, dat zijn scheepje +een bezwaarlijker reis ondernomen heeft, dan hij zelfs in zijn +stoutmoedigste oogenblikken durfde denken. In den ouden bijentuin +heerschte zulk een serene kalmte, en een zalige onwetenheid hield den +toeschouwer in zijn gemoedelijke Zondagsstemming. De zonneschijn, de +bloemen, het suizen van den wind in de boomtoppen en het droomerige +gonzen der korven; de stem van den ouden, grijzen bijenman, die het oor +zoo gemakkelijk volgt, terwijl <span class="pagenum">[<a id="pb103" +href="#pb103">103</a>]</span>hij de oude dwalingen in arabesken welft; +het plotseling juichend uitgonzen van een zwerm, dat de lucht vol maakt +met muziek en het flakkeren van ontelbare vleugeltjes; de stilte in den +nacht met den ondertoon van het bijengegons, en de halve maan die, in +wazigen nevel boven den heuveltop uitkomt; de schimmige gebogen +gedaante van den ouden ijmker, luisterend aan de korfopeningen naar de +oorlogskreten der naijverige koninginnen, die moeilijkheden voorspellen +voor den komenden dag—al deze herinneringen dringen zich nu aan +den toeschouwer op, en het is hem als verliet hij zorgeloos een veilige +haven voor de stormberoerde open zee. Want nu, met het innerlijk leven +van den korf voor hem, stapelt zich wonder op wonder, en ieder feit, +dat zich hem openbaart, brengt meer verwarring in zijn denken, omdat +het weêr een nieuw stuk afbreekt van de oude geheiligde +traditie.</p> + +<p>Het volk, dat zijn moeder-bij verloren heeft en niet bijtijds heeft +gezorgd voor een vruchtbare, volkomen ontwikkelde opvolgster, gaat +kwijnen in het getal zijner werksters, terwijl de darrenhorden +schrikbarend toenemen. Maar van waar die darren als de bron van alle +bijenleven is opgedroogd, door het verlies van eene bevruchte koningin? +Deze vraag brengt den toeschouwer voor een feit, dat misschien het +merkwaardigste is uit het geheele groote boek der natuurlijke +geschiedenis.</p> + +<p>Theologische twistpunten zijn hier niet aan de orde, en ik zal ook +niet den draad van het bijenleven laten slippen om af te wijken naar +den preekstoel. Maar hier is toch iets waarover het de moeite waard is +te denken: sedert twee duizend jaar is het dogma van de onbevlekte +ontvangenis het middelpunt van jammerlijk getwist onder de menschen +geweest. De voorstanders houden het hoog als een geloofsartikel, eeuwig +uitgesloten van <span class="pagenum">[<a id="pb104" href= +"#pb104">104</a>]</span>de weerzinwekkende noodzakelijkheid van bewijs; +de gematigde tegenstanders zetten het met droevige berusting ter zijde +als een natuurlijke onmogelijkheid. Aan de ééne zijde +luidt de aanklacht: ongeloof!, aan de andere: blind geloof! En niemand +schijnt er aan gedacht te hebben een onderzoek in te stellen op andere +scheppingsparen dan de menschelijke, of er niet ergens een <span class= +"corr" id="xd0e1055" title="Bron: paralel">parallel</span> bestond, +waarmede beide partijen geholpen waren, en die de zwaarden terug zou +wenken in de scheeden, daar het een gemeenschappelijk mysterie geldt. +Van alle gevleugelde schepselen is zeker de honingbij een der kleinste; +maar hier verschijnt zij groot, een machtig symbool. Het is nu +vastgesteld als een onweersprekelijk feit, dat de <i>maagdelijke</i> +bijenkoningin in staat is haar soort voort te planten; maar alleen in +het mannelijk geslacht. Wanneer zij laat in het jaar geboren wordt, als +er geen darren meer zijn, en dus bevruchting is uitgesloten, of indien +iets hapert aan haar vleugels, dat haar de paringsvlucht belet, dan zal +zij zich ijverig kwijten van haar éénige taak, het +eierleggen; en uit deze eieren ontwikkelt zich niet anders dan +mannelijk broed. Hetzelfde gebeurt in het geval van den koninginloozen +korf; als daar geen werkstereieren of larven, niet ouder dan drie +dagen, beschikbaar zijn, en de werkbijen toch trachten een koningin te +kweeken uit een larve van misschien vier of vijf dagen oud, dan is de +dus geschapen koningin slechts een koningin in naam. Zij kan volkomen +ontwikkelde eierstokken hebben; maar zij mist van nature alle verdere +eigenschappen. Zij zal noch de neiging noch de kracht hebben den dar te +ontvangen, en de eieren, die zij des ondanks zoo onverdroten voortgaat +af te zetten, zullen slechts het getal waardelooze mannen vergrooten, +die spoedig de éénige vertegenwoordigers van het ten +ondergang gedoemde volk zullen zijn. <span class="pagenum">[<a id= +"pb105" href="#pb105">105</a>]</span></p> + +<div id="p105" class="figure"><img border="0" src="images/p105.jpg" +alt="De Koningin in broed-tijd" width="521" height="720"> +<p class="figureHead">De Koningin in broed-tijd</p> + +<p>(Men ziet haar bezig met eieren-leggen, haar garde om haar heen)</p> +</div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb107" href= +"#pb107">107</a>]</span></p> + +<p>Volgen wij de ontwikkeling van een bijenkolonie in het klimmen der +lentedagen, dan zullen wij na iedere afgeloopen week een grooter ruimte +met de raten zien aangevuld, die het jonge werksterbroed bergen, en in +het midden van April bezoekt de koningin voor het eerst de +darrencellen, en legt dan in iedere cel een enkel ei, zooals zij ook +bij de anderen deed. Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de koningin +steeds omstuwd is door een schare hovelingen, waarvan ieder het hoofd +eerbiedig naar de soevereine gewend houdt, en achterwaarts haar +voorgaat als zij voortschrijdt over de raten. Het is waar, dat zoo iets +gewoonlijk te zien is in den broedtijd, maar dan ook +alléén: later wordt er op de koningin gewoonlijk weinig +acht geslagen, en zij beweegt zich in den korf, zonder dat er van haar +meer werk wordt gemaakt dan van de andere bijen. De middeneeuwsche +schrijvers wisten van die lijfgarde, en geloofden, dat zij altijd juist +twaalf in getal waren, het cijfer van de apostelen. Maar een beetje +waarneming zal al spoedig aanwijzen, dat de bijen, die de koningin op +haar rondgang omgeven, niet haar getrouwen en hovelingen zijn. Zij zijn +feitelijk haar leidsters en bewaaksters; en iedere beweging, die de +koningin te maken heeft beduiden zij haar door haar zonder ophouden aan +te raken, te stooten of zachtjes te streelen met hunne voelsprieten. +Zoo staan zij haar vrije beweging over de raten toe; maar bij iedere +leege cel laten zij haar ophouden, en scharen zich direct om haar heen, +blijkbaar in de meest spannende belangstelling naar wat zij gaat +verrichten. Eerst kijkt zij in de cel en inspekteert die zorgvuldig. +Dan draait zij zich om, terwijl de bijen voor haar uitwijken en gaat +een paar passen vooruit, zoodat het achterlijf juist boven de cel komt; +daarna drukt zij het er diep in en blijft zoo een oogenblik staan. Dan +gaat zij weer verder over de <span class="pagenum">[<a id="pb108" href= +"#pb108">108</a>]</span>raat en onmiddellijk hernemen de wachters haar +post en manoeuvreeren haar naar de volgende leege cel. Men krijgt nooit +den indruk, dat dit werk haastig geschiedt en toch moet het in het +drukste broedseizoen met geweldige snelheid worden verricht; want men +heeft berekend, dat een goede koningin op deze wijze van twee- tot +drieduizend cellen vult op één dag, wat ongeveer uitkomt +op twee eieren in de minuut; hierbij verondersteld, dat zij de geheele +vier en twintig uur zonder ophouden doorgaat.</p> + +<p>De cellen, voor het werksterbroed bestemd, zijn aan den wand +½ c.m. wijd; de darrencellen zijn grooter, met een diameter van +¾ c.m. en zij zijn ook dieper. De koningin vergist zich heel +zelden, al gaat ze van de eene soort raat op de andere. Uit het ei in +de werkstercel komt een vrouwelijke bij, uit dat in de grootere een +mannelijke, een dar. Het blijkt heel duidelijk, dat de koningin zelve +het leggen der verschillende eieren beheerscht. Men heeft ook +opgemerkt, dat de moederbij niet alléén met +onderscheiding hare eieren legt, maar ook het aantal in haar macht +heeft. Van het oogenblik af, dat het leggen begint, tot zij in den +voorzomer haar grootste aktiviteit ontwikkelt, wordt de kolonie niet +regelmatig vermeerderd; maar het gaat met horten en stooten, in verband +met het weer en den inkomenden voorraad proviand. Als de provisie +steeds toeneemt, en het stuifmeel overvloedig is, dan gaat het broeden +zijn geregelden, vluggen gang; maar als perioden van ontijdige +koû het werk buiten stop zetten, zal dit onmiddellijk invloed +hebben op het eierleggen. En bij buitengewonen tegenspoed houdt het +soms geheel op. Dit kan ook gebeuren op het hoogtepunt van het +honingseizoen, in vollen zonneschijn en overvloed: als n.l. de korf te +klein is en niet meer bevatten kan. De raten zijn dan alle gevuld met +honing en broed, en de koningin <span class="pagenum">[<a id="pb109" +href="#pb109">109</a>]</span>moet wachten, tot er ruimte voor nieuwe +eieren kan gemaakt worden. Dat zij tot dat wachten in staat +is,—dat haar vermogen tot eieren afzetten kan vermeerderd en +weêrhouden worden, al naar de behoefte der kolonie, en dat de +verhouding der geslachten, willekeurig kan gewijzigd worden, naar de +omstandigheden het eischen—, is iets dat alléén +dán begrijpelijk wordt, als wij den geheelen omvang van haar +levensgang in alle détails beschouwd hebben.</p> + +<p>Bij het normale, voorspoedige volk dat wij nu op het oog hebben, is +de koningin nog jong, en onder gewone omstandigheden, zal zij aan het +hoofd der zaken blijven, tot zij met den eersten zwerm uitvliegt, in +Mei of Juni. Een bijenkoningin bereikt het hoogtepunt harer +vruchtbaarheid in haar tweede levensjaar. Daarna neemt haar legvermogen +regelmatig af, hoewel zij tot vier of zelfs vijf jaar oud kan worden. +Maar de autoriteiten in den korf vergunnen eene moederbij zelden haar +plaats te behouden, als zij teekenen begint te geven van afnemende +vermogens. Er worden dan dadelijk maatregelen getroffen voor het +opkweeken van een nieuwe koningin.</p> + +<p>Een heel oude koningin kan geen werkstereieren meer leggen en teelt +enkel darren. Maar zóó dommelig zijn de werkbijen nooit, +dat zij het zoover laten komen, en lang vóor dat zoo iets +gebeurt, is gewoonlijk het bouwen van koninklijke cellen in den korf al +begonnen. Een koninginnecel is door verscheidene schrijvers al bij een +eikel vergeleken, en als ze half klaar is, is de overeenkomst in +grootte en vorm met een omgekeerd eikeldopje ook bijzonder sterk. +Gewoonlijk wordt zij met de opening naar beneden tegen den kant of aan +den bodem van een der middelste broedraten gehangen; maar soms wordt +zij ook midden in de raat geplaatst, en in dat geval worden de cellen +er omheen weggesneden <span class="pagenum">[<a id="pb110" href= +"#pb110">110</a>]</span>dat ze ruimte en lucht krijgt. Of de oude +koningin zelve een ei in de koninklijke cel legt en op die wijze +onwetend haar eigen onttroning voorbereidt, of dat de werkbijen een ei +of larve uit een gewone cel naar die moederwieg overbrengen, is nog +niet vastgesteld. Maar daar gewoonlijk het gezicht alleen van een +moederwieg de koningin tot de uiterste woede prikkelt, is het +waarschijnlijk, dat zij nooit in de buurt van zulk een cel door de +werkbijen is gebracht geworden, en het ei er dus door deze heengevoerd +is. In verreweg de meeste gevallen is het waarschijnlijk, dat wanneer +er nieuwe <span class="corr" id="xd0e1084" title="Bron: koniginnen"> +koninginnen</span> geteeld moeten worden, een reeds bestaande +werkbijencel, waarin het ei al gelegd is, wordt verwijd en verruimd. +Zoover men kan nagaan gebeurt dit altijd als men voor dit doel een +larve gebruikt in plaats van een ei. Het is ook zelfs mogelijk, dat de +koningin physiek niet in staat is, een ei dat een vrouwelijke bij moet +voortbrengen in een moederwieg te leggen; maar dit zeer merkwaardig +punt zal eerst later besproken worden.</p> + +<div id="p111" class="figure"><img border="0" src="images/p111.jpg" +alt="Broedcel voor Koningin" width="511" height="692"> +<p class="figureHead">Broedcel voor Koningin</p> +</div> + +<p>Het bekende beweren van bijentelers, dat bijen nooit onveranderlijk +hetzelfde doen, wordt zeer zeker toegelicht wanneer men op hun leven +nader ingaat. Wij hebben er van gesproken hoe een volk, dat zijn +koningin mist en geen werksterei of larve van minder dan drie dagen oud +bezit om in de leemte te voorzien, binnen korter of langer tijd moet +uitsterven. Maar nu is het voorgekomen, dat korven die in dit geval +verkeerden, onverwacht en op onverklaarbare wijze, weer opleefden. Na +een periode van depressie, die zich over wel drie weken uitstrekte, was +er plotseling een vernieuwde bedrijvigheid en levenslust in den korf +ontstaan. De stuifmeeldraagsters, die tot nu toe haast werkeloos waren +gebleven, hervatten de werkzaamheden; en als de korf geopend wordt, +vindt men alle bewijzen, <span class="pagenum">[<a id="pb113" href= +"#pb113">113</a>]</span>dat er een vruchtbare, eierleggende koningin +aanwezig was. Nu is waarschijnlijk in de meeste gevallen, waarbij een +nieuw kontrakt met het leven gesloten werd door een in druk verkeerend +volk, de schijn bedriegelijk geweest. De werkbijen hebben wellicht in +hun midden nog een werksterlarve ontdekt, die de grens voor de +bevordering tot het moederschap nog niet overschreden had, en zoo te +elfder ure zich nog uitkomst verschaft. Echter is er ten minste +één geval bekend, dat de mogelijkheid hiervan absoluut +weerspreekt: een beginnende korf, die maar drie of vier kleine raten +bevatte en misschien maar een vijfhonderd bijen, was zonder koningin +geraakt. Tien dagen later waren alle moederwiegen, die in dien +tusschentijd in de korf gebouwd waren, vernield en er was geen enkel ei +of larve over. En toch, toen na achttien dagen de korf geopend werd, +vond men een nieuwe koninginnecel met een ei. En uit dit ei ontwikkelde +zich een kloeke, goed gebouwde koningin. Nemen wij deze feiten als waar +aan—en zij schijnen onweersprekelijk—dan is hieruit slechts +één gevolgtrekking te maken: eene ondernemende bij uit de +kolonie moet naar een anderen korf gevlogen zijn en er een werksterei +gevraagd, geleend of gestolen hebben. Wetenschappelijke bijenkenners +aarzelen, en terecht, na één enkel voorbeeld, hoe de +waarheid daarvan ook gestaafd zij, de honingbij zulk een verwonderlijk +vernuft toe te kennen. Maar er worden meer voorbeelden genoemd, die +haast even betrouwbaar zijn; en daar het een onomstootelijk bewezen +feit is, dat werkbijen eieren overdragen van de eene raat naar de +andere binnen hun eigen korf, schijnt het niet zoo ongeloofelijk, dat +zij, door zulk een ingrijpenden nood tot de uiterste spanning van hun +vernuft gedrongen, ook naburige korven met dat doel bezoeken. Dit punt +is van meer dan éen kant zeer <span class="pagenum">[<a id= +"pb114" href="#pb114">114</a>]</span>belangrijk; want het wijst +onmiddellijk op het groote vraagstuk: “Rede of Instinkt”, +dat op het oogenblik de meesten onzer moderne natuurkenners bezig +houdt.</p> + +<p>Op welke wijze nu ook het volk, dat een nieuwe koningin wil kweeken, +zich een ei voor de moederwieg verschaft, het eerste levensteeken +blijft altijd hetzelfde: een klein, wit, langachtig spikkeltje, +vastgekleefd onder aan den bodem, of eigenlijk het dak, van de +omgekeerde cel. Zoo blijft het ongeveer drie dagen, tot de larve zich +uit het ei ontwikkeld heeft, wanneer onmiddellijk de speciale +behandeling, voor de jonge koninginnen ingesteld, begint. Van haar +eerste levensteeken af wordt zij volgepropt met het kostelijkste +voedsel, zij zwemt letterlijk in die glimmende, witte, <span class= +"corr" id="xd0e1100" title="Bron: geleïachtige"> +gelei-achtige</span> substantie, die de broedbijen onafgebroken +uitbraken en in de cel storten. Dit voedingsproces wordt ongeveer vijf +dagen lang voortgezet, dan heeft de larve haar vollen wasdom bereikt en +de cel zijn grootste afmetingen. De larve houdt nu op met eten en spint +zich in een zilveren wade, voordat zij tot den poptoestand overgaat, en +de bijen verzegelen de cel. In zijn volkomen vorm lijkt de moederwieg +niet meer op een eikel; maar eerder op een pijnappel. Voor de gewone +werksters en de darren worden de cellen van zuivere was gemaakt, +terwijl alleen de afsluiting uit was en stuifmeel dooreen gemengd +bestaat. Maar de koninginnecel wordt uitsluitend uit dit poreus +materiaal vervaardigd.</p> + +<p>Na vijftien of zestien dagen sedert het ei gelegd werd, is de +koningin klaar en in de uiterste spanning om haar wieg te verlaten. +Maar gewoonlijk geven de bijen haar nog eerst, en het is wel vroeg zoo +in den allereersten aanvang van haar loopbaan, een les in +gehoorzaamheid. Want dit is een kritiek oogenblik in de geschiedenis +van de kolonie, en veel was er te handelen en te voorzien <span class= +"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>bij de +gecompliceerde dingen, die te gebeuren stonden. In de eerste plaats zou +het niet praktisch geweest zijn, de geheele toekomst van het volk te +laten afhangen van één enkel leven. Daarom werd er niet +ééne, maar verscheidene koninginnen opgekweekt. Wel vijf +of zes zijn er misschien bezig uit te komen op verschillende punten van +het broednest; maar geen van allen wordt het toegestaan uit de cel te +breken vóórdat het vastgestelde uur gekomen is. Nu wordt +de wieg voor haar een gevangenis. Er wordt een klein gaatje geboord in +den celwand, waardoor de ongeduldige gevangene gevoerd wordt tot het +oogenblik van verlossing zal gekomen zijn, en strenge wacht wordt er +gehouden bij iedere cel, om die te vrijwaren voor de gewelddaden van de +oude koningin, wier wantrouwen en rusteloosheid van uur tot uur +toenemen.</p> + +<p>Hier ziet men een treffende bevestiging van de algeheele +onderwerping der koningin aan de heerschende werkbijenklasse van den +korf. Zij is een waardig exemplaar van een veelvuldig voorkomende +vrouwensoort: aantrekkelijk van uiterlijk, ongeschoold van geest, een +hardnekkige thuisblijfster, een vruchtbare moeder; en nu trilt ook de +snaar van de ijverzucht. Werd zij vrijgelaten om haar aandrang te +volgen, dan zou al heel gauw een eind zijn aan al wat in den korf met +zooveel doorzicht en zorg was voorbereid. Zij zou één +voor één de <span class="corr" id="xd0e1109" title="Bron: +konnklijke">koninklijke</span> cellen openrukken; en met +één slag van haar wreed, krom zwaard, dat de +bijenkoniginnen alleen voor haar gelijken in rang gebruiken, zou zij +meedoogenloos de bewoonsters afmaken en haar eigen opperheerschappij +dus hernieuwen. Maar een geweldigen slagboom vindt zij op haar +weg—den gemeenschappelijken wil in den korf. Eens heeft zij het +wellustig genot van het dooden gekend; dat zal zich nooit herhalen. Nu +gaat het om haar eigen lot. Het kan de <span class="pagenum">[<a id= +"pb116" href="#pb116">116</a>]</span>dood zijn; het kan ook zijn: een +nieuw leven in een nieuw tehuis. ’t Hangt alles af van het +wèloverwogen besluit van hen, die haar gemaakt hebben tot wat +zij is, en die haar nu gebruiken of verwerpen al naar hun eigen +oogmerken dat vragen. Is het in de late lente en gedoogt het de +toestand van het volk, dan besluit licht de korfgeest tot kolonisatie, +en er wordt over de oude koningin beschikt, dat zij met een zwerm wordt +uitgezonden. Maar er kan ook anders besloten worden. Het kan te vroeg +in den tijd zijn of het weder is ongunstig. En dan zal haar het noodlot +slaan in den vorm van een meedoogenloos toepassen van beginselen; haar +eigen wijze kinderen zullen haar zonder genade dooden.</p> + +<p>Deze staatsexecutie der koningin, bij het afnemen van hare +vruchtbaarheid, is een treffend en zelfs tragisch moment in het +bijenleven. De strenge, wrange amazonen in de korven hebben bij al wat +zij ondernemen hun stelsels en gebruiken, en de onderdrukking van de +oude koningin zelfs moet onder bepaalde voorwaarden en met een zeker +ceremoniëel geschieden. Gesteld, dat het tegen het welzijn der +kolonie was, dat zij het leven behield na het verlies van hare +heerschappij, dan zou één angelsteek het uitmaken, en aan +de wet, dat in de bijenrepubliek geen nuttelooze leden geduld worden, +zou voldaan zijn. Maar de oude traditie wil, dat de koningin geen +geweld mag lijden door de wapenen van het gemeen. Sterven moet zij; +maar door andere middelen. En zoo dringen de vleiende beulen om haar +heen in een dichte omhelzing, dichter en dichter tot zij in die +liefkoozing verstikt wordt. In liefkoozingen heeft zij haar leven +doorgebracht en nu zal zij er in sterven, tot het laatst toe gekneld in +dien vreeselijken, zwijgenden greep.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb117" href= +"#pb117">117</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch8" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk VIII.</h2> + +<h2 class="normal">De Bruid-Weduwe.</h2> + +<p>In den heeten gloed van den lichten Juni-morgen kunt gij haar zien +opstijgen, de jonge maagdelijke koningin, gereed tot haar +bruiloftsvlucht.</p> + +<p>Al aarzeling is zij in den aanvang en onbesloten; heen en weer +drentelend tusschen de menigte op den drempel, koketteert zij met den +zonneschijn; zij ging ongaarne terug in het schemerige zwoele +murmelende halfduister, dat zij zoo juist verliet; maar hoe waagt zij +de vlucht in de ruimte op haar onbeproefde vleugels?!</p> + +<p>Al drie lange dagen en nachten sedert haar bevrijding uit de +celgevangenis was zij een wonderlijk eenzame figuur in den bezigen +korfdrom. In plaats van al de blijde begroetingen, die zij verwachtte, +ziet zij zich omgeven door onverschillige vreemden. Geen dar wiens blik +naar haar afdwaalt, en de werksters, vervuld met hun bezigheden, gaan +haar schijnbaar achteloos voorbij. Zij geven zich niet eens de moeite +haar te voeden en zij moet zich zelf voorzien zoo goed en zoo kwaad het +gaat. Het geheele volk schijnt tot onverschilligheid te hebben +saamgezworen; want dit past bij den diepgaanden toeleg tot haar +opvoeding—indien zij het slechts wist.—Immers dit gedrag is +een domper op de vurige en grootsche aspiraties, die haar meer en meer +vervullen. Toch eindelijk komt de roep, die allen zwijgend verwachtten, +<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>en +zij gehoorzaamt, in onweerstaanbaren aandrang, en gaat uit in het +licht.</p> + +<p>En terwijl zij daar aarzelend staat, overgiet haar de heete Junizon +met vloeiend goud. Nu trekt haar de blauwe lucht. Die wereld van kleur +en leven en aroma lokt haar ter bruiloft en zij kan niet anders dan +gehoorzamen. Zij breekt los uit het gewarrel der menigte; zij flakkert +even blij met haar vleugels, en dan stijgt zij op in het licht.</p> + +<p>Boven talmt zij een oogenblik, en behoedzaam neemt zij een overzicht +van haar tehuis en zijne omgeving. Dan wiekt zij naar boven in wijder +en wijder cirkels, en met iedere zwenking krijgt zij ruimer blik op de +wereld beneden haar. Tot zij eindelijk voortschiet in de blauwe lucht, +en het menschelijk oog haar niet meer kan volgen. Maar dit is slechts +een korte vlucht. Ze is al weer terug, bijkans vóór dat +men haar gemist heeft; en haastig, als verschrikt van haar eigen durf, +vliegt zij terug, naar den ouden, veiligen schemer van haar korf.</p> + +<p>En zoo dartelt zij, op en neer, tusschen zonneschijn en duisternis, +en iederen nieuwen keer waagt zij zich wat verder in de blauwe +speelplaats van de bovenlucht—tot eindelijk het feit, het +onvermijdelijke, gebeurt. Een groote dar—een uit de rumoerige +menigte, die den bijentuin luid maakt met een schor +gegons—ontdekt haar, onmiddellijk is hij haar na. Zij ziet hem en +wendt zich, en weg schiet zij snel als het weerlicht, weg in den +zonneschijn. Maar nauwelijks begon de eerste dar zijn vlucht, of een +ander volgt hem en weer, en weer een ander. Nu komen zij op in dichte +drommen voor de wedvlucht, totdat de vluchtende koningin als een grijze +wolk, die haar volgt, een geheelen stroom van darren heeft aangelokt. +Dit kunt ge nog zien, als ge uw oogen sterk inspant om hun spoor te +volgen; maar <span class="pagenum">[<a id="pb119" href= +"#pb119">119</a>]</span>op eens zijn jagers en wild verdwenen, als +waren zij heengewerveld tot naar het uiterste van den ether.</p> + +<p>Het geheele leven van de koningin, van hare geboorte af totdat het +dreigend cordon haar omsluit, kan gevolgd worden van stap tot stap. +Doch alléén dit ééne oogenblik van haar +bruidschap blijft ons altoos verborgen, en misschien moet het een +verborgenheid blijven voor het menschelijk weten, ten eeuwigen dage. Ge +kunt u die wilde jacht verbeelden in de lichte Junilucht en +zonneschijn; in uw verbeelding kunt ge ook den prijs geven aan de +sterkste en vlugste; maar zéker zijt ge alléén +hiervan: na een korte poos komt de koningin naar den korf terug, +bedaard en eenzaam, en met haar mee draagt zij het onfeilbaar bewijs +van hare bevruchting en den dood van den overwinnaar. Bruid was zij +één enkel oogenblik; nu is zij haar leven lang weduwe. +Voortaan leeft zij haar dagen in het schemerig klooster van den korf, +en zóó zelden vliegt zij uit, dat menig ervaren +bijenvader beweert, dat zij maar éénmaal ’s jaars +den korf verlaat, om dan een zwerm te geleiden. Nu draagt zij in haar +lichaam het zaad waarvan een heel volk zal groeien. Vóór +haar bruidsvlucht was zij van allen in de kolonie het minst in aanzien; +nu wordt zij met een openbare en algemeene huldiging ontvangen, +geprezen, gevoed, gekoesterd; hoog wordt zij verheven, het levend +symbool van de tienduizenden, die nog geboren moeten worden.</p> + +<p>En zooals in oude, ruwe tijden bij vorstelijke feesten +menschenoffers gebracht werden, zoo moet ook deze opperste dag in het +vervolmaakte communisme van het bijenvolk, gevierd worden met een +slachting. Maar de Staatsslachtbanken zullen niet met slavenbloed +gedrenkt worden dezen keer, en het slachtzwaard zal niet het gewone +beulszwaard zijn. Er zijn gevangen koninginnen in de vesting—een +vorstelijk offer bij de hand, <span class="pagenum">[<a id="pb120" +href="#pb120">120</a>]</span>een vorstelijk zwaard begeerig zich te +ontblooten. Heeft de koningin haar eerste proeve van waarachtig +moederschap afgelegd, liggen haar eerste werkstereieren in de cellen, +dan wijken de bewaaksters van de koninklijke kerkers en het is haar +vergund haar bloeddorst te bevredigen. Het is alles heel gruwelijk, op +miniatuurschaal; maar toch ook heel koninklijk, volgens de oude +tradities der menschelijke koninginnen. Zij is gaarne bereid haar +moederschap voor een oogenblik neer te leggen en haast zich ter +slachting, rukt de gevangenisdeuren open, en moordt meedoogenloos de +schreeuwende gevangenen.</p> + +<p>Maar afgezien van dit tragische element van zustermoord, in een +oogenblik voorbij en vergeten bij den algemeenen jubel, is er in den +aanvang van dit koninginneleven veel romantiek; +bruid—vrouw—weduwe, alles in één enkel uur. +Toch ligt er in de bijzonderheden van het dagelijksch leven, die nu +volgen op die korte poos van hooge spanning, en vooral in den +verwonderlijken bouw van haar lichaam en zijn functies, nog veel hooger +romantiek. Dat zij maar ééns met het mannelijk element +samentreft, en daarna voor altijd bevrucht en vruchtbaar is; dat het +haar mogelijk is zonen en dochters voort te brengen al naar het wel van +den staat dat eischt, en dat zij het toenemen der bevolking willekeurig +tot stilstand kan brengen, aan dit alles kan pas geloof worden gehecht +op grond van vaste kennis. En om te kunnen begrijpen hoe deze +resultaten verkregen worden, is het noodig iets te weten zoowel van de +anatomie van de moeder-bij als van den aard harer bevruchting.</p> + +<p>In de eerste plaats: houdt men zich aan het algemeen aangenomen +begrip van bevruchting van het eene geslacht door het andere, dan wordt +de bijenkoningin in het geheel niet bevrucht. De levensessence van den +dar <span class="pagenum">[<a id="pb121" href= +"#pb121">121</a>]</span>dringt niet door tot den eierstok van de +koningin; maar wordt onmiddellijk na de paring ontvangen in een +speciaal orgaan in haar lichaam, waar hij bewaard blijft met behoud van +zijn kracht, gedurende bijna haar geheele leven. Wij hebben het feit +reeds behandeld, dat ook de maagdelijke koningin in staat is eieren te +leggen, maar dat deze alléén darren voortbrengen. De +bevruchte koningin nu, kan mannelijke en vrouwelijke eieren afzetten, +en dit kan zij naar willekeur. Hoe verbijsterend dit echter klinkt en +hoe vèrstrekkend de gevolgen zijn, het is toch hiermede zooals +met veel ander verwonderlijks in de natuur: de verklaring is hoogst +eenvoudig. De klier waarin de mannelijke levens-essens wordt +uitgestort, kan willekeurig door de moederbij <span class="corr" id= +"xd0e1155" title="Bron: geöpend">geopend</span> en gesloten +worden, of beter uitgedrukt, naar gelang der omstandigheden, die haar +op dat oogenblik, hoewel onbewust, onverbiddelijk dwingen. Als zij naar +de groote darrecel gebracht wordt, blijft de klier gesloten, en het ei +ontsnapt zonder met den inhoud in aanraking te zijn geweest. Maar bij +de nauwe werkstercel opent zich de klier, en het ei neemt in het +voorbijglijden iets op van de kiemen, die het inhoudt. Zoo wordt enkel +uit het kontakt der beide ouders de werkbij geboren; de dar is het +produkt van de moeder alléén.</p> + +<p>Van dit eerste feit, de parthenogenesis, of geboorte van het +volkomen ontwikkeld mannelijk exemplaar uit het maagdelijk vrouwelijk, +kan niet veel anders gezegd worden, dan dat het een door de wetenschap, +ook bij sommige andere insekten, gestaafd natuurverschijnsel is. Maar +nu wij getuige zijn van de plaats, die de bevruchte koningin met haar +fijn bewerktuigd organisme in den bijenkorf inneemt, is er voor ons nog +veel meer op te merken; en hier vinden wij den sleutel voor het juist +begrip van de geheele organisatie der bijenrepubliek. Het zou al heel +vreemd zijn, indien de <span class="pagenum">[<a id="pb122" href= +"#pb122">122</a>]</span>hoogste staatsaangelegenheden in handen waren +gegeven aan die koningin, die met haar zwak intellekt juist de +allerlaatste zou wezen om ze naar den eisch te behartigen, en wij zien +dan ook, dat die post van vertrouwen haar niet gegeven is. De +werkbijen, die de zorg voor haar op zich nemen na haar terugkeer van de +paringsvlucht, beïnvloeden van dat oogenblik af al haar handelen +en gedragingen. Wij hebben al gezien hoe zij over de raten geleid wordt +van cel tot cel; hoe het haar in de vroege lente maar vergund wordt +enkele eieren te leggen, terwijl zij er in den zomer vele duizenden mag +afzetten; en hoe het getal in de tusschenperioden naar omstandigheden +wordt verminderd of vermeerderd. Nu zullen wij nagaan hoe dat alles +gebeurt, of in ieder geval onze gissingen zoo dicht bij de waarheid +trachten te brengen als in dit moeielijk vraagstuk mogelijk is.</p> + +<p>Gedurende de twee eerste dagen nadat zij als volkomen insect uit de +cel was gekropen, zagen wij de koningin, geheel aan zich zelve +overgelaten, zich tusschen de menigte bewegen en zich voeden uit den +algemeenen voorraad. Maar na hare bevruchting heeft zij een stoet van +kamervrouwen, wier hoofdbezigheid is haar van voedsel te voorzien. Zij +voeden haar uit hun eigen mond, en waarschijnlijk krijgt zij hetzelfde, +kostelijke preparaat, dat haar in haar larvestaat in de cel werd +toegediend. Dit voedersap bestaat voornamelijk uit honing en stuifmeel, +vooraf verteerd; maar het is bewezen, dat de samenstelling willekeurig +gewijzigd kan worden door de werksters, die het toedienen. Er kunnen +bestanddeelen aan toegevoegd worden, afzonderlijk of gemengd in +verschillende verhoudingen, uit drie of vier verschillende kliertjes, +die elk voor zich een vloeistof afscheidt, in hoedanigheid van de +andere verschillend. Het bijzonder voedsel, dat de eierleggende +koningin gegeven wordt, dient tot het stimuleeren der eierstokken. +<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span>Hoe +meer haar van dit soort spijs wordt toegediend, des te overvloediger +wordt haar eierafzet. Daartegenover staat, dat een vermindering van dat +dieet een afneming naar verhouding van haar vermogen tot eierenleggen +zal tengevolge hebben, terwijl wanneer dit voedzaam preparaat haar +geheel onthouden wordt, en zij dus gedwongen is uit de algemeene +honingcellen te nemen, gewoonlijk het eierleggen geheel gestuit wordt, +en zoo gebeurt het ook in den koudsten tijd van het jaar. Zij is dus +een instrument door de werkbijen bespeeld, en de toon, dien zij +voortbrengt, beantwoordt aan hunne bedoelingen. Als de dagen lengen, en +met de hooger rijzende zon de warmte komt, dan wekken zij haar volgzame +natuur tot het vervullen van haar opperste taak. En in de weken van +gloeiende zomerhitte is haar leven één feestmaal; komt +daarna de herfst met zijn kille nachten en verflauwend zonlicht, dan +nemen gaandeweg die overvloedige maaltijden af, en haar hofstoet slinkt +en verspreidt zich, tot zij eindelijk weer de eenzame vergeten dolende +is, die met de minste werkster uit de gewone dagelijksche honingnap +moet spijzen.</p> + +<p>Hoe de verhouding der geslachten zoo onfeilbaar geregeld kan worden +door den invloed der werksters op de moederbij, is niet zoo gemakkelijk +te verklaren; en het kan voor het oogenblik nog maar +alléén een vernuftige gissing zijn, een herleiden van +gevolg tot oorzaak. Waarschijnlijk gebeurt het zich openen of sluiten +der bevruchtende klier, waardoor het geslacht bepaald wordt, +automatisch, en geschiedt dit ingevolge van de houding der moederbij +gedurende het leggen. Als zij het achterlijf in de enge werkstercel +steekt, wordt dit noodzakelijk geknepen en deze drukking gaat over op +het kliertje, waardoor het ei dan bevrucht wordt. Maar in de wijdere +darrencel komt die gedrukte houding <span class="pagenum">[<a id= +"pb124" href="#pb124">124</a>]</span>niet voor, en het is dus +waarschijnlijk, dat het ei onberoerd door de bevruchtingskiemen voorbij +glijdt. Wordt deze theorie aangenomen, dan volgt daaruit van zelf, dat +óf de moederbij het vermogen mist mannelijke eieren te leggen in +de cellen, die speciaal voor het broeden van koninginnen gebouwd zijn, +daar deze de grootste zijn van allemaal, óf, dat door eene +bijzondere kromming in die cel haar lichaam gedrongen wordt, zich te +strekken bij het afzetten van het eitje, zoodat het daardoor in +dezelfde houding komt als in de nauwe werkstercellen.</p> + +<p>Hoewel deze theorie op het oogenblik de aannemelijkste is, moet het +toch gezegd, dat zij door waargenomen feiten nog nooit bevestigd is +geworden. Het schijnt, dat niemand nog ooit de moederbij in een +koninginnecel heeft zien leggen, noch was ooit iemand getuige van het +overbrengen van een werksterei daarheen. Wat voor goed al deze en +dergelijke vragen tot zwijgen zou brengen is het vasthouden aan het +oude geloof, dat de koningin de opperheerscheres is, en de kracht en de +vermogens heeft van een alwijze despotische souvereine; dan zou het +wonderbaarlijkste van haar verwacht kunnen worden. Maar hoe dieper men +in dit uiterst belangrijke vraagstuk doordringt, hoe onhoudbaarder deze +oude meening schijnt. Want met ieder uur krijgen wij de bewijzen, dat +de moederbij een ondergeschikte en niet een heerscheres in den korf is; +en even zeker blijft ons het alvermogen van de werkbijen. Alles wat in +den korf gebeurt, geschiedt door haar collektieven wil en bemiddeling; +en het zou zeker heel vreemd zijn als het levenselement der +voortplanting niet onderworpen was aan dezelfde oppermacht.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb125" href= +"#pb125">125</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch9" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk IX.</h2> + +<h2 class="normal">De Werkbij, Souvereine.</h2> + +<p>Als wij op het hoogtepunt van het drukke seizoen het leven in de +bijenkorven gadeslaan, dan zijn wij zeker sterk onder den indruk van +den geest van onvermoeibaren ijver, die de geheele bijenrepubliek +beheerscht; maar nóg meer treft ons het feit, dat er voor deze +behoefte aan rusteloos werken zooveel uitwegen zijn: dat er +tegelijkertijd zooveel verschillend noodzakelijk werk te doen valt.</p> + +<p>In den broedbouw zijn de broedbijen bezig de jonge larven te voeden, +of ze reinigen de ledige cellen en verzegelen die, waarin de volkomen +ontwikkelde nymfen zijn, om hun de rust voor de geboorte te verzekeren. +In hare onmiddellijke omgeving zijn de zaaisters bezig aan het werk des +levens; ze drijven hun zaad-kruiwagen, de koningin, voor zich uit over +de raten. Ergens anders hangen de wasbijen in een zwijgenden kompakten +klomp. Boven zien wij steeds het aantal honingraten toenemen; de +metselaars trekken de celmuren op; de ingenieurs maken hun +berekeningen, ondersteunen hier, stutten dáár, of brengen +luchtbogen van de ééne raat naar de andere; ook breken +zij in plaats van de oude straten nieuwe doorgangen uit, waar te groote +ophoopingen in het verkeer ontstonden.</p> + +<p>Tusschen alles door gaan de zuiveraars onophoudelijk <span class= +"pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>af en aan en +nemen de kleinste portiekeltjes vuil meê en ruimen het op.</p> + +<p>Gevleugelde begrafenisdienaren dringen door de menigte met de lijken +van hun kameraden, oud en jong, dragen ze naar den ingang en vliegen er +mee weg in het zonlicht van den jongen lentedag. Dan is er het +ventilatieleger buiten de poort, vernuftig in ploegen verdeeld, +zóódat dag en nacht een bestendige luchtstroom in +beweging is. De poortwachters houden een waakzaam oog op al de komenden +en gaanden. En dan eindelijk nog het “Comité voor Algemeen +Hulpbetoon”, dat zich buiten de poort ophoudt, om waar ’t +noodig is bijstand te verleenen. Zij ondersteunen de te zwaar +beladenen, reinigen de bezoedelden, rapen gevallen schatten van den +grond op, en het schijnt wel of zij bovendien nauwlettend de +weersgesteldheid opnemen voor hun volgend officieel rapport. Gedurende +de uren van zonneschijn vliegen in ontelbare duizendtallen de honing- +en stuifmeeldraagsters af en aan, sommigen met nektar, anderen tot +bezwijkens toe geladen met stuifmeel, en weer anderen met volle +waterzakken, en nog meer die dat merkwaardig cement, de voorwas, +meebrengen, dat door de Ouden Propolis genoemd werd en dat voor zoo +veel verschillende doeleinden wordt gebruikt bij het dagelijksch werk +in de korven.</p> + +<p>En dit alles gebeurt met de regelmaat van een goed georganiseerde +menschelijke kolonie. Er is veelvuldigheid, maar geen verwarring; er is +spoed, maar geen haast. Iedere bezige ploeg heeft oogenschijnlijk een +bepaalde juist omschreven taak te volbrengen, haar aangewezen door de +centrale korf-autoriteit; en blijkbaar zijn in alles wat de belangen +der republiek betreft, coöperatie en vooruitgang één +met oorzaak en gevolg.</p> + +<p>Bij een nauwgezette studie van het bijenleven en met behulp van de +nieuwe observatiekorven, komt men <span class="pagenum">[<a id="pb127" +href="#pb127">127</a>]</span>er heel gemakkelijk, ja zelfs +onvermijdelijk toe, het oude begrip van absolute monarchie onder een +koning of koningin over boord te gooien; maar niet zoo gemakkelijk komt +men tot het begrip, hoe dan in werkelijkheid de kolonie beheerd wordt. +Wij zien den geheelen dag door hoe aan alle kanten beraadslagingen +gehouden worden over kleinere belangen; maar van een algemeene +samenkomst valt niets te bespeuren. Hoe moet er dan beslist worden over +de groote nationale gebeurtenissen: het uitzenden van een zwerm of het +afzetten van een oude koningin? Hoe moet er voorzien worden in de +verschillende staatscrises? De éénig aannemelijke +gevolgtrekking uit alles wat men ziet, schijnt te zijn, dat iedere +werkbij op zich zelf de tot absolute volmaking ontwikkelde +vertegenwoordigster is van het republikeinsch principe, in wier +innerlijk alle in het gemeenschapsleven voorkomende moeielijkheden en +vraagstukken zijn opgelost, eene oplossing door de eeuwen beproefd en +als de juiste bewezen, en die zij dus natuurlijk en onfeilbaar moet +aanwenden. Zoo wordt er dus eene gemeenschappelijke behoefte gevoeld, +waarin onmiddellijk voorzien wordt door een gemeenschappelijk erkenden +maatregel. Het inzicht van één is noodzakelijk het +inzicht van allen. En ieder voorkomend probleem in het dagelijksch +leven vindt die ééne oplossing, die tot de uiterste +volmaking werd gebracht door de ervaring van ontelbare geslachten en +zij wordt individueel aangegrepen om in den gemeenschappelijken nood te +voorzien; zooals de algemeen bestaande nooddrang “honger” +door ieder individu afzonderlijk bevredigd wordt door: eten.</p> + +<p>Zulk een toestand zou zelfs in een gemeenschap van menschelijke +wezens een zeldzaam hoogen staat van geestelijke, zoo al niet moreele, +ontwikkeling in het individu te kennen geven. Want dit beteekent: de +uiterste <span class="pagenum">[<a id="pb128" href= +"#pb128">128</a>]</span>zelfverloochening in het belang van het geheel. +En zelfs wanneer men er de sterk ingrijpende macht der erfelijkheid bij +in aanmerking neemt, zou er toch nog voor de jeugd een strikt +ascetische opvoeding moeten zijn en voor de volwassenen in geval van +overtreding een onmiddellijke onverbiddelijke en zware boetedoening, +wilde men den uitersten droom van het kommunisme werkelijkheid zien; +dat is, het afschaffen van alle wetten en alle straf, en inplaats +daarvan de natuurlijke heerschappij van wijsheid en recht. In de +bijenrepubliek schijnt inderdaad een soortgelijke toestand te bestaan, +de individueele werkbij lijkt wel gevormd te zijn door een dergelijk +systeem, doorgevoerd gedurende een onafzienbaar lang tijdsverloop. Er +is steeds volmaakte orde; de openbare werken worden geleidelijk en met +ijver voltooid; de klok van den nationalen vooruitgang blijft geregeld +tot op de seconde, en dit alles niet omdat er een centrale wijsheid +heerscht, die plannen maakt, die beheert, en die de onwilligen in toom +houdt; maar omdat iedere werkbij in zichzelf een miniatuurstaat is; +omdat alle neigingen, vreemd aan den zuiveren gemeenschapsgeest, sedert +oneindige jaarkringen bij haar zijn uitgedreven door de dwingende +noodzakelijkheid.</p> + +<p>Doch de werkbij, zooals wij haar nu in de korven bezig zien, is +evenzeer een vormsel van kunst als van de natuur, al zijn ook eeuwen +van evolutie noodig geweest om haar tegenwoordige geesteskracht en +lichamelijke geaardheid te bepalen.</p> + +<div id="p129" class="figure"><img border="0" src="images/p129.jpg" +alt= +"In het midden: de honigbij (vergroot); er om heen: hoe oude natuuronderzoekers haar hebben uitgeteekend" + width="503" height="674"> +<p class="figureHead">In het midden: de honigbij (vergroot); er om +heen: hoe oude natuuronderzoekers haar hebben uitgeteekend</p> +</div> + +<p>Wij hebben gezien hoe het ei, dat de vrouwelijke kiem draagt, +wanneer het alle ruimte tot ontwikkeling gegeven wordt, het volkomen +oorspronkelijke type voortbrengt van de vrouwelijke bij, dat in wel een +dozijn opzichten van de werkbij verschilt. En ook de koningin is, in +één harer eigenschappen ten minste<span class= +"pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>—haar +verbijsterende vruchtbaarheid—stellig een schepping van het +korvenvolk, daar haar overproduktie door overvoeding wordt veroorzaakt, +zoodat zij onder kunstmatige omstandigheden aan haar bestemming kan +beantwoorden. Aan zichzelve overgelaten, in haren oorspronkelijken +natuurtoestand, zou haar eierproduktie zeker op veel bescheidener +schaal gebeuren. Maar de werkbijen hebben haar merkwaardigen bouw en +geestelijke gesteldheid bijna uitsluitend aan de tusschenkomst der +broedbijen te danken, van het oogenblik af, dat het eitje is +uitgebroed. Een zorgvuldig onderzoek heeft bewezen, dat de +koninginlarve en de werksterlarve volkomen gelijk zijn tot op de derden +dag van hun bestaan in de cel, behalve dat de koningin sneller groeit, +dank zij het ruimer en zwaarder voedsel. Na den derden dag beginnen de +voortplantingsorganen zich te ontwikkelen bij alle larven, wanneer er +met dit rijk stikstofhoudend dieet wordt voortgegaan. In het geval van +de koningin wordt de larve van deze vooraf-verteerde voedingsstof, +bijenmelk genoemd, rijkelijk voorzien tot het laatste oogenblik van +haar larvenstaat, en het is haar uitsluitend voedsel.</p> + +<p>Bij de werkbij daarentegen wordt het rantsoen bijenmelk niet +alléén ingekrompen zoowel in hoedanigheid als in +hoeveelheid; maar nu, juist vóór het oogenblik, dat de +ontwikkeling van de eierstokken zal beginnen, wordt er nog een +belangrijke wijziging in de voeding gebracht: het rantsoen bijenmelk +slinkt tot een minimum en er wordt gewone honing bij gegeven, echter in +een even schrale hoeveelheid en tot aan het einde van het vijfdaagsche +larvenbestaan.</p> + +<p>Welke andere invloeden er nog op de jonge bij komen inwerken op dit +zéér gewichtig tijdstip van haar bestaan, is onmogelijk +te zeggen. In ieder geval is de voedingswijziging een bewezen feit, en +de gevolgen—òf <span class="pagenum">[<a id="pb132" href= +"#pb132">132</a>]</span>hiervan alleen, òf in verband met andere +behandelingswijzen—zijn zeker verwonderlijk. Niet +alléén wordt de ontwikkeling der voortplantingsorganen in +die mate tegengewerkt, dat er in de volwassen werkbij nagenoeg geen +spoor meer van te vinden is; maar ook schijnt van dat oogenblik af de +larve een totaal verschillend wezen te worden, dat steeds meer +eigenschappen van de voedsters vertoont, en steeds meer gaat afwijken +van de koningin. En wanneer de larve in den poptoestand overgaat, +ontwikkelen zich organen, waarvan de koningin zelfs den geringsten +aanleg niet heeft. Zoo krijgt zij haar bijzondere uitrusting voor +buitenwerk in een paar stuifmeelkorfjes. Haar tong verlengt zich, +zòo, dat hij den nektar bereiken kan in het diepst van de +klaverbloemen. Zij zal een bouwbij worden en wordt daarom voorzien van +een half dozijn smeltkroezen voor de wasbereiding. Haar noodelooze +legboor wordt in een wapen verkeerd; hij wordt rechter en korter, en de +haartjes waarmee hij bezet is worden grooter in aantal en harder; een +kliertje, dat zich er aan bevindt, en dat bij de koningin een haast +onschadelijk vocht bevat, vult zich hier met een scherp vergif. En +bovenal ontwikkelt zij een intellekt, dat heel verre dat van de normale +vrouwelijke bij, haar moeder, overtreft. Ten slotte wordt zij voorzien +van een geheel nieuw systeem van aandriften en begeerten.</p> + +<p>Terwijl het natuurlijk element van de koningin het schemerduister +van den korf is en het zou schijnen of zij den zonneschijn moest +vreezen en haten, zoo is de werkbij aangewezen op de buitenlucht: licht +en lucht zijn haar levensfeer. En als de koningin, hoewel haar +bestemming nalevende, die haar overvruchtbaar deed zijn, toch niet de +geringste vreugde in haar moederschap toont, noch éénige +belangstelling in haar kinderen, werpt zich de werkbij op—hoewel +tot eeuwige jonkvrouwelijkheid <span class="pagenum">[<a id="pb133" +href="#pb133">133</a>]</span>gedoemd—als de waarachtige moeder en +verzorgster en opvoedster van al het broed in den korf. En de prijs +geëischt voor de macht en het gezag, die zij zich verworven heeft, +of die voor haar verworven werd door dat verre voorgeslacht, dat het +eerst de geslachtslooze honingbij uitvond, die prijs wordt met hard +geld betaald: met het leven zelf. Inplaats van het aantal jaren, dat in +het begin de Natuur aan haar soort toestond, leeft zij nu nauwelijks +zooveel maanden. Het noodlot en haar onbegrensde ijver maken haar rol +in het leven te zwaar. Haar verminkt en tegelijk te fijn bewerktuigd +lichaam, en haar overontwikkeld brein kunnen het niet lang uithouden +tegen de sloopende kracht van het leven, dat zij te leven heeft. Enkele +maanden, en dan bezwijkt zij onder het werk, of zij bereikt nog met de +uiterste inspanning van haar versleten en uitgerafelde vleugeltjes het +traditioneele kerkhof van den korf; of zij eindigt onder den doodslag +van de staatsbeulen. Want het ouderdomsvraagstuk is sedert lang afdoend +opgelost in de bijenrepubliek. Eene gerechtigheid, die nog onderhevig +is aan medelijden, draagt onverbiddelijk het merk van eigen zwakte. +Wanneer het beginsel: Ieder voor het welzijn van Allen, tot zijn +uiterste logische spanning wordt gehandhaafd, dan staat medelijden met +het individu gelijk met Jantje iets afnemen om het Pietje te geven. In +de bijengemeenschap is het eenige levensrecht bruikbaarheid; dus moeten +de oude, versleten, nuttelooze werksters gaan.</p> + +<p>Het is een merkwaardige studie, de ontwikkeling van het eitje van +den werkbij door zijn verschillende stadia van groei te volgen tot het +volkomen ontwikkeld insekt zijn cel verlaat. Het eitje op zich zelf is +al heel merkwaardig; want het is van buiten zeshoekig beteekend. De +groote samengestelde oogen van de volwassen <span class="pagenum">[<a +id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>bij hebben dienzelfden vorm. +Ieder oog bestaat uit ongeveer vierduizend afzonderlijke lenzen, en +iedere lens is een regelmatige zeshoek. Men heeft zich dikwijls +verwonderd over het vernuft van de bouwbijen, die de cellen zeszijdig +maken, waardoor dus een gegeven ruimte meer vertrekken bevatten kan, +dan zij er zou kunnen opnemen, wanneer zij van een zelfde hoeveelheid +materiaal in anderen vorm, welken ook, opgebouwd waren. De oude +schrijvers verklaarden deze voorkeur voor de zeshoekige cel door de +veronderstelling, dat de zes pootjes van de bij tegelijk werkzaam waren +bij den celbouw, en ieder pootje zijn eigen deel van de cel +construeerde. Maar een moderner verklaring is, dat de bijzondere vorm +der cellen toevallig ontstond, of liever, dat de omstandigheden hier +tot noodzaak werden: de gezamenlijke wederzijdsche drukking zou de +cellen in den zeshoekigen vorm wringen.</p> + +<p>Nu is het zeker waar, dat erwten, in een flesch geweekt, bij het +opzwellen dien vorm aannemen, maar men kan deze theorie niet aanwenden +bij de honingraten. Want in het werk van de bijen bestaat zulk een +drukken of samenwringen niet. Iedere cel wordt afzonderlijk gebouwd en +vereenigd met de bovengelegenen, en de raat strekt zich naar beneden en +terzijde vrij uit in de open ruimte, tot de gewenschte grens bereikt +is. Een veel aannemelijker verklaring is, dat de zeshoekige vorm der +cel door ervaring werd verkregen. De eerste raten kunnen uit ronde +cellen gevormd zijn geweest en de tusschenruimte met was gevuld. Maar +de bij, die in alles wat spaarzaamheid betreft ter dege is uitgeslapen, +zal al heel gauw het ondoelmatige van die ronde cellen hebben ingezien. +En zoo zou zij met den zeshoek, een vertrouwd motief trouwens in den +korf, getuige het eitje en het samengestelde oog, al spoedig een +beteren en meer wetenschappelijken weg zijn ingeslagen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span></p> + +<p>Maar er is nog een anderen reden voor de zeshoekige cel, en minstens +even belangrijk: de deugdelijkheid van dien vorm bij het broeden en het +honing opleggen. Men moet begrijpen, dat het bestaand systeem van +vertikale wanden, parallel en dicht opeen, gevormd uit tallooze kleine +horizontale kamertjes rug aan rug, geen ideale inrichting is voor het +kweeken van jongen en het opleggen van voedsel. Maar het is de beste +oplossing in de omstandigheden waarin de bijen verkeeren, genoodzaakt +als zij zijn in groote menigte, dicht op-één gedrongen, +communistisch te leven. Lucht is een hoofdvereischte bij alles wat in +den korf omgaat; maar vooral moet er lucht zijn voor de ontwikkeling +der jonge bijen. Wanneer er een koningin moet gekweekt, dan krijgt zij +rijkelijk versche lucht; doch met opoffering van veel kostbare ruimte. +Maar voor de gewone soort, waarvan er soms tien- of vijftienduizend +tegelijk in het broednest rijpen, kan natuurlijk geen dergelijke +concessie gedaan worden. De jonge werksters of darren moeten zooveel +lucht tot zich nemen als zij kans zien door de nauwe celopening te +krijgen. Nu ademt de bij, in alle levensstadiën niet door den +mond, maar door middel van luchtgaten (trocheeën) aan beide zijden +van het achterlijf. Ware de cel rond, dan zou de larve, als zij +uitgegroeid was, de geheele ruimte vullen, en de lucht zou moeielijk de +trocheeën kunnen bereiken. Nu echter, hoe groot de jonge larve ook +is, kan zij nooit de hoeken van den zeshoek geheel opvullen en die +omringen dus het insekt met een half dozijn toegangen voor de versche +lucht, tot aan den bodem van de cel toe; en zoo heeft de larve den +vollen toevoer van de beschikbare lucht, al kan dat nooit meer dan een +schrale voorraad zijn.</p> + +<p>Bij de honingcellen bewijzen de zes hoeken aan de cel een even +grooten dienst. De ideaal honingcel zou er <span class="pagenum">[<a +id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>een moeten zijn met den ingang +naar boven, zoodat zij op de gewone rationeele manier gevuld zou kunnen +worden. Maar bij de wetten van strikte spaarzaamheid, die in de +republiek van kracht zijn, is zulk eene inrichting ondoenlijk. De +honingraten liggen in horizontale richting op elkander, en moeten dus +aan den benedenkant gevuld kunnen worden. Nu zijn alle cellen in een +raat een klein weinigje opgericht, maar niet voldoende om den +vloeibaren inhoud binnen te houden indien de cel rond was. De hoeken +van het zeskant nu versterken juist dat inhoudensvermogen en de +ervaring heeft de bijen geleerd, hoe die eigenschap van hun zeshoekige +cellen te ondersteunen, door ze even op te zetten; daardoor wordt dan +het wegvloeien van den nektar onmogelijk.</p> + +<p>De werkbij ligt in den larvetoestand opgerold op den bodem van de +cel; maar naarmate zij groeit, neemt zij een houding in de lengte aan +met het hoofd voor de celopening. Deze houding is echter niet +onveranderlijk; want zij schijnt bij tusschenpoozen een reeks wendingen +of buitelingen te maken, waarschijnlijk om het afwerpen van de huid te +vergemakkelijken; dit geschiedt verscheidene malen gedurende de vijf +dagen van haar larveleven. Als die periode is afgeloopen, houden de +voedsters op met het voedingsproces en verzegelen de cellen. Nu gaat de +larve aan het werk; eerst spint zij zich een zijden kleedje, voordat +zij haar langen slaap als pop begint, en dan werpt zij voor het laatst +haar huid af. Bij de werkbij omsluit dat fijn bewerkt gewaad haar heele +lichaam als een gesloten cocon. Maar de koninginlarve weeft zich maar +een schamel jakje, dat alleen haar hoofd en borststuk bedekt, en het +geheele ondergedeelte vrij laat. De gewone theorie om dit te verklaren +is, dat wanneer de overtollige koninginnen in hun cellen vermoord +worden door de aangenomen moederbij <span class="pagenum">[<a id= +"pb137" href="#pb137">137</a>]</span>na hare bevruchting, de slachting +gemakkelijker van de hand gaat door het ontbreken van het taaie spinsel +der cocons om het lichaamsdeel, waarop de aanval gewoonlijk gericht is. +Want het schijnt uitgemaakt, dat in een koninginnengevecht de angels +niet op goed geluk worden gebruikt zooals bij de werkbijen; maar iedere +koningin beproeft haar wapen aan te brengen in een van de +trocheeën van hare vijandinnen, waarvan ieder er veertien bezit, +zeven aan iederen kant. Zulk een steek schijnt altijd doodelijk te +zijn.</p> + +<p>Maar waarschijnlijk moet de ware reden, waarom de koningin in een +kort manteltje slaapt van taaie ruwe stof, opgespoord worden ergens +terug in de oergeschiedenis van de honingbij. Ik geloof, dat wij veilig +de gesloten werkstercocon kunnen beschouwen als een betrekkelijk nieuwe +instelling, die zich ontwikkeld heeft ten gevolge van eenigen +nooddrang, ontstaan sedert de bijen een beschaafde natie zijn geworden. +Wat echter het oorspronkelijk begin er van was, ligt buiten het bereik +van éénige gissing. Een merkwaardig feit is, dat deze +cocons nooit uit de cellen verwijderd worden. Zij blijven vastgekleefd +aan de celwanden, en hoewel de cel grondig gereinigd wordt nadat de +jonge bij haar verlaten heeft, wordt er aan de cocon niet geraakt; die +blijft er in als een eeuwige voering. En dit gaat zoo door alle +opvolgende generaties heen, iedere bij laat haar bakerkleêren +achter, tot er zulk eene opeenhooping van komt, dat de cel te klein +wordt om iets anders voort te brengen, dan een minderwaardig, +onvolgroeid geslacht. Bij in het wild levende bijen, als het nest in +een hollen boom ligt en er gewoonlijk ruimte in overvloed is, kunnen de +broedraten zoo noodig verlaten worden en, verder op, nieuwe gebouwd; en +zoo wisselt het volk van jaar tot jaar zijn plaats. Deze natuurlijke +bijennesten blijven soms heel lang in gebruik. Het is <span class= +"pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span>b.v. wel gebeurd +dat er zwermen terecht kwamen in een huis onder de daksparren: zij +bleven dan door veel geslachten heen ongemoeid. Eens werd er ook van +een bijenkolonie verteld, dat zij vijf-en-veertig jaar aan +één stuk op een vliering in een boerderij had gehuisd, en +de legende ging, dat zij er verscheiden raten honing hadden opgepot; +maar toen het nest werd uitgezwaveld, bleek er niet veel anders te zijn +dan een opeengehoopte massa van raten, oude en jongere; van een paar +weken oud tot een ongisbaar aantal jaren. Het grootste gedeelte was +geheel zwart, en de cellen stikvol met poppencocons.</p> + +<p>Het feit, dat in die met cocons opgevulde cellen, al is de ruimte +ook nog zoo ver ingekrompen, het eierleggen <span class="corr" id= +"xd0e1247" title="Bron: door gaat">doorgaat</span> als er geen leege +beschikbaar zijn, weêrspreekt de theorie, dat van de grootte van +de cel het al of niet bevrucht worden van het eitje zou afhangen als +het door de koningin wordt afgezet. Men vindt soms heel oude +darrenraten in gebruik voor broed, waar de cellen ingekrompen zijn tot +de grootte van een normale werkstercel, en toch gaat de koningin voort +met daarin onbevruchte eieren te leggen. Dit vraagstuk schuilt dus nog +diep onder de raadsels.</p> + +<p>Na ongeveer drie weken, bij het begin te rekenen, kruipt de jonge +bij uit de pophuid, en bijt zich een weg door de celsluiting. Het +stuifmeel, dat voor deze dekseltjes met de was vermengd is, vervult een +dubbele bestemming. Het maakt de was poreus, zoodat de lucht toegang +heeft, en het dekseltje wordt er eetbaar door, zoo wordt dus het +jeugdig insekt door honger naar de vrijheid gedrongen. De jonggeboren +werkster, hoewel geheel <span class="corr" id="xd0e1252" title="Bron: +volwasen">volwassen</span>, is een zwak, grauw getint, slap <span +class="corr" id="xd0e1255" title="Bron: wezenttje">wezentje</span> en +blijft zoo nog een poosje nadat zij haar wieg verlaten heeft. Haar +eerste aanvechting schijnt te zijn, zichzelf te adoniseeren, en daarna +een inspektiereis <span class="pagenum">[<a id="pb141" href= +"#pb141">141</a>]</span>te gaan maken in haar nog enge wereld van +duister, rumoer en bedrijvigheid. Gedurende de twee eerste dagen doet +zij niet veel anders dan onopgemerkt rondscharrelen tusschen de bezige +menigte, steeds toenemende in kracht en stevigheid. De tweeden dag ziet +men haar uit de open honing- en stuifmeel vaten nippen, waarvan er +altijd enkele hier en daar tusschen de broedcellen zijn aangebracht. +Daarna schijnt zij eindelijk te ontwaken tot het besef van haar plicht +en verantwoordelijkheid; haar plaats is nu tusschen de werksters, en +zij begeeft zich aan die verbijsterende taak: het voeden van de +larven.</p> + +<div id="p139" class="figure"><img border="0" src="images/p139.jpg" +alt="Raat met Broedcellen" width="518" height="713"> +<p class="figureHead">Raat met Broedcellen</p> + +<p>(Men ziet er in: eieren; larven in verschillende staten van hun +groei; verzegelde cellen, en jonge bijen aan het werk om zich zelf te +verlossen)</p> +</div> + +<p>In den gewonen loop van zaken verlaat de jonge werkbij den korf niet +voor ongeveer veertien dagen nadat zij de cel uit gekropen is. Maar +gedurende dat tijdsverloop heeft zij heel wat levenskennis op te doen +en verscheidene vakken te leeren. Het schijnt dat al het binnenwerk in +den korf door de jonge bijen verricht wordt in die eerste weken van hun +bestaan. Op háár rust de geheele zorg voor het jonge +broed. Zij bereiden de was en bouwen de raten; zij behartigen orde en +zindelijkheid in den korf; zij zijn de honingbrouwsters en de +pakhuisbewaarsters; zij voeden de koningin bij haar eeuwigen rondgang, +en geven de darren hun dagelijks rantsoen bijenmelk; want het is +uitgemaakt, dat de mannelijke bijen in hoofdzaak van de werksters +afhankelijk zijn voor hun voedsel, en maar een klein gedeelte van hun +dieet van de algemeene provisie betrekken. De oude bijen bezorgen het +proviandeeren; maar het schijnt, wel, dat de jongen hen bij hun +thuiskomst tegemoet komen en dat die den nektarlast, nadat dezen hem +hebben uitgebraakt, in hun zakjes van hen overnemen, om ze dan weer in +de provisieraten te ontlasten, in de hooger gelegen afdeelingen van den +korf. Wanneer men ten minste op het drukst van <span class="pagenum"> +[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>den dag de voorraadkamer in +een der korven opent, dan blijken er in het gedrang der diertjes, die +zoo ijverig bezig zijn de cellen met deze versche lekkernij te vullen, +zich haast geen oude bijen te bevinden.</p> + +<p>Niet vóór het begin van hun tweede levensweek leggen +de jonge bijen hun eerste vliegproef af, en dan is het nog maar voor +een paar minuten en op het heetst van den dag. Den ijmker is deze +plotselinge middagbeweging in het late voorjaar en in den zomer heel +goed bekend; in het begin nemen ook de darren in grooten getale deel +aan het koor, maar na een poosje vliegen zij weg en wat er dan +overblijft in de gonzende wolk, die men om alle korven ziet hangen en +bewegen, zijn uitsluitend huisbijen, die van hun dagelijksch kwantum +beweging en lucht genieten.</p> + +<p>Men heeft geconstateerd, dat de kliertjes voor de produktie van +broedvoeder en ook de organen, die de was afscheiden, in ’t +bijzonder ontwikkeld zijn bij bijen van slechts een paar weken oud, +terwijl na het verloop van de eerste maand deze organen sterk zijn +ingekrompen. De bij begint gewoonlijk haar werkzaamheden als +proviand-zoekster, zoodra zij veertien dagen oud geworden is; maar +vóórdat zij het ernstige werk van het nektarzamelen +onderneemt, moeten er waarschijnlijk nog wel een paar weken bijkomen. +Bijna al de stuifmeeldraagsters zijn bijen in hun eerste volle kracht, +en daarom bijzonder geschikt om zwaarder lasten te dragen. Maar +nauwelijks is de werkbij toegekomen aan die opperste taak, het +honingzamelen, of zij laat het stuifmeel met rust. Zoo is dus in een +normale kolonie het leven van de honingbij, zoo kort als het is, +zorgvuldig ingedeeld; in ieder levenstijdperk is er een vaste taak te +vervullen, waartoe het individu juist dan het best geschikt is. Toch +staat ook deze wet weer niet vaster dan eenige andere regel in de +korven. <span class="pagenum">[<a id="pb143" href= +"#pb143">143</a>]</span>Komen er in de gemeenschap krachten te kort en +zijn er niet genoeg bijen van rijpen leeftijd om in te dragen, dan +zullen de jonge bijen op een vervroegden datum aan het inzamelen gezet +worden. Zoo ook wanneer de korf een tijd lang zonder koningin is +geweest, en er daarom als de jonge koningin zich eindelijk gevestigd +heeft maar weinig jonge bijen voor de verzorging van het broed +beschikbaar zijn; dan zullen vele van de oude werksters thuis blijven, +en zich met het broedwerk bezig houden, waaraan zij in gewone +omstandigheden al lang ontgroeid zouden zijn.</p> + +<p>Er zijn vele zulke voorbeelden van vernuftige inschikking of +aanpassing in het leven der honingbij. Dit schepseltje weet uitkomst in +alle voorkomende gevallen; maar bij het werken met uiterste middelen in +uiterste moeielijkheden toont zij zich toch in haar grootste kracht. De +ergste ramp in een bijenstaat is het verlies van de koningin, op een +oogenblik dat het onmogelijk is een plaatsvervangster aan te wijzen. De +standaard van intelligentie zoowel als van karakter verschilt bij de +bijen evenzeer als bij de menschen. Sommige volken werken harder en +meer uren dan de rest. Anderen zullen met werken ophouden, wanneer zij +meenen een voldoende provisie honing te hebben opgelegd, en dan schijnt +er een geest van luiheid over zulk een volk te komen. En in enkele +gevallen is er iets als een moreele kronkel in het nationale karakter; +en dan gaan de bijen proviand rooven bij hun buren in plaats van hun +eigen voorraad bijeen te brengen.</p> + +<p>Voortdurende ontstentenis van een koningin is een ramp, die bij +verschillende volken verschillend werkt. Bij sommige is een hopelooze +mismoedigheid het gevolg; alles staat stil, de lusteloosheid is +algemeen. Er wordt niet meer gewerkt; de wacht trekt zich van de poort +terug. De gemeenschap schijnt als één man het <span +class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>bijltje er +bij neer te leggen en den ondergang af te wachten, met de volslagen +hopeloosheid van gevonnisde misdadigers. Maar er zijn ook volken bij +wie de algemeene ramp een prikkel wordt tot het scherpen van het +vernuft en het vereenigen van alle geestkracht, een aangrijpen van +alles wat tot uitkomst kan dienen. Bij bijen van een dergelijk +temperament moeten wij gebeurtenissen verwachten als het kapen van +eieren om de koninginnecellen mee te voorzien, wat wij hierboven al +bespraken. Maar als uiting van tot de spits gedreven schranderheid, ook +al is het het meest hopelooze van alle hopelooze bedenksels, is er +niets te vergelijken bij het volgende probeersel: Het gebeurt soms als +men een korf van binnen bekijkt, die niet alléén geen +koningin heeft, maar ook niet de minste kans er een te kunnen kweeken, +dat men dan onverwacht eenige mysterieuse eieren ontdekt. Ze zijn +blijkbaar pas afgezet; maar niet op de oude rechtzinnige manier. Een +normale koningin gaat van cel tot cel over een vrij regelmatige +raatoppervlakte, en zet in iedere cel een eitje af; maar de eieren in +dezen koninginloozen korf zijn op een zonderlinge onregelmatige manier +verspreid, als gestrooid over de raten. Op de eene plaats zijn een stuk +of drie cellen voorzien en ergens anders weer een paar, zonder eenigen +schijn van orde of methode. Bovendien zijn er enkele cellen, waarin men +twee of drie eieren vindt, terwijl de rest er ieder één +bevat. Het schijnt of een geestelijk gekrenkte moederbij uit een +anderen korf hier de wachten in den dut heeft gevonden en nu een +clandestien uitstapje gemaakt bij het koninginlooze volk. Maar hoe men +zoekt en speurt, een koningin is niet te ontdekken. De verklaring van +deze abnormaliteit is, dat een van de werkbijen op de een of andere +buitengewone manier haar verstorven voortplantingsorganen heeft weten +op te wekken en nu in <span class="pagenum">[<a id="pb145" href= +"#pb145">145</a>]</span>staat is geweest eieren te leggen. Maar +hierdoor wordt het noodlot niet van den korf afgewend, integendeel +zelfs verhaast. Want deze eieren zullen slechts darren voortbrengen, en +er komen dus nog maar meer nuttelooze monden die gespijsd moeten +worden. Eén authentiek gestaafd geval is bekend, dat de bijen in +een korf zonder koningin een koninginnewieg gebouwd hebben en daarin +feitelijk een van die eitjes brachten, die door een eierleggende +werkbij waren afgezet. Men vond naderhand in die koninginnecel een +dooden dar.</p> + +<p>Hoe onder den prikkel van zulk een nationale krisis zulk een +eierleggende werkster verkregen wordt, is nog een punt van onderzoek; +waarschijnlijk wordt de jongste bij uit de kolonie voorzien van het +speciale koninginne voeder, en op die wijze worden dan misschien haar +voortplantingsorganen, ten minste ten deele, ontwikkeld.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb146" href= +"#pb146">146</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch10" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk X.</h2> + +<h2 class="normal">Een Anatomische Romance.</h2> + +<p>De moderne ijmker, die in de eerste plaats handelsman is—de +man, die zijn bijen in kasten houdt naar de nieuwste eischen ingericht, +alle gelijk in vorm en kleur, en op regelmatige rijen +geplaatst—die man is geneigd zich alléén met de +praktische zijde van zijn werk in te laten, en voelt een soort van +kwalijk bedekte geringschatting voor alles wat niet onmiddellijk in +verband staat tot wat voor hem de hoofdzaak bij de bijenkultuur is; de +honingproduktie.</p> + +<p>Maar de bijenhouder, die tegelijk van bijen houdt, neigt juist den +gansch anderen kant uit. Is de geest eenmaal ondergedoken in wonderen, +zooals noodzakelijk gebeurt wanneer men in de studie van ’t +bijenleven onder de oppervlakte gedrongen is, dan wordt men in den +wedren naar stoffelijk voordeel de man, die een manke knol zadelt. In +een bijentuin overmeestert ons de hebbelijkheid van peinzen als de +voortschrijdende paralyse, ongemerkt, maar onverbiddelijk. Het is +één ding, op een mooien Junimorgen naar buiten te +slenteren, pijpje in den mond, het kruiwagentje voor zich uit rollend, +met het plan op een langen werkdag tusschen de korven; maar een tweede +is het, dien langen werkdag ijverig vol te houden uren +aanéén, terwijl de zon u in zijn loomen gouden greep +heeft, en het <span class="pagenum">[<a id="pb147" href= +"#pb147">147</a>]</span>aanhoudend droomerig gegons van de bijen op +hart en geest blijft inwerken.</p> + +<p>Onder zulke verlokkende omstandigheden zakken de goede voornemens +wel eens stilletjes weg, en dat is heel natuurlijk. De kruiwagen is een +prettig zitje, en men kan hem in het dichtst van de lindenschaduw +trekken. En dan wordt door het blauwe rookwolkje uit de pijp, dat +langzaam naar boven drijft, juist die lust tot peinzen gewekt, dien wij +noodig hebben te midden van zulk een rustelooze, onverbiddelijk +slovende omgeving; en wat hindert ook één droomer op de +honderdduizend werkers? Zoo komt het, dat het heel vaak piepende wiel +tot rust komt onder de linden; de honing blijft voor de honingmakers; +de gedachten volgen de bijen in den korf; of ook wel richten zij zich +naar ver over de zee, waar de groote aanplantingen zijn, en het droge +kruid dat nu het pijpje vult, ééns een frisch blad was in +een zee van groen, geplekt met de kleur der bloemen; daarboven gonzen +de bijen, wier voorgeslacht misschien van die zelfde plek voor +Oud-Engeland over gekomen was, waar nu dit blad opgaat in rook, en +rustig peinzen kweekt.</p> + +<p>Maar vooral op regenachtige dagen, wanneer er veel te doen valt +binnenshuis, als de sektie-raampjes in orde moeten gemaakt, en de volle +honingraten geleegd, dat zij naar de korven terug kunnen om den +volgenden dag weer gevuld te worden, en nog zooveel andere bezigheden +van die soort—dan is er een nog sterker bondgenoot voor de +neiging om de gewone routine van ijmkerplichten in den steek te +laten.</p> + +<p>Heeft echter de bijenman een <span class="corr" id="xd0e1310" title= +"Bron: miskroskoop">mikroskoop</span>, dan steekt hij zijn geweten in +zevenmijls-laarzen; en gedurende zijn ganschen levensmarsch heeft hij +dan niet veel kans meer het in te halen. Is het dagelijksch werk in den +korf met het bloote oog al een zóó boeiende bezigheid, +<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>dat +zij nalatigheid in plichten kweekt, de mikroskopische kennismaking met +de korfarbeidsters zelf, en de bijzonderheden van hun verwonderlijke +uitrusting, openen een heele nieuwe wereld van feiten en gedachten. +Alleen onder een zéér sterke vergrooting kan men een +denkbeeld krijgen van de juiste plaats der honingbij in de schepping. +Wat zij werkt is duidelijk, zelfs voor een minder scherp waarnemer; +maar de werkster zelf is ons niet anders haast dan het vaag visioen van +een kristalvleugelig, sobergekleurd atoom, in een eeuwig bewegen in zon +en wind; of van een haast niet te onderscheiden vlekje tusschen een +krioelende menigte in ziedenden werkijver.</p> + +<p>Maar hier in de wereld van de mikroskoop openbaart zich de honingbij +als een geheel nieuw wezen, en van lieverlede ontvouwt zich een +geschiedenis, die in zijn soort het volmaakte Levensbeeld is. Niemand +kan lang de verwikkelingen van het korfleven bestudeerd hebben zonder +in te zien, dat een schepseltje, tot zulk een verscheidenheid van +gecompliceerde werkzaamheden geroepen, noodzakelijk zelf een hooge +ontwikkeling van geest en lichaam moet bereikt hebben. Maar komt het +tot mikroskopisch onderzoek van de gewone werkbij, dan is zelfs bij den +groensten nieuweling nog zelden de verwachting ook maar eenigszins de +werkelijkheid nabijgekomen.</p> + +<p>Het ongewapend oog ziet een schijnbaar hoogst eenvoudig gevormd +diertje—een bruin, tenger lichaampje, twee paar vleugeltjes, 6 +pooten zooals bij alle insekten, en een paar gebogen hoorntjes, als +kleine dorschvlegeltjes, die aanhoudend in beweging zijn. Onder het +glas echter verdwijnt al dat eenvoudige. Van het uiterste puntje van +haar sprieten tot het behaarde uiteinde van haar angel, heeft de +honingbij niets, dat niet duidt op een verbijsterend samengesteld plan. +<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span></p> + +<p>Als men op een drukken zomerdag zich bij een korf geposteerd heeft, +dan wordt het eerst de aandacht getrokken door de stuifmeeldraagsters, +die bij duizenden tegelijk komen aanzwoegen, met een groote, ovale, +bontkleurige massa aan hun achterpootjes gekleefd; en zoo komt men er +toe het eerst het stuifmeeldragend organisme onder den <span class= +"corr" id="xd0e1322" title="Bron: mikroscoop">mikroskoop</span> te +bezien. Het blijkt nu, dat de zes pooten, die voor het bloote oog +ongeveer alle hetzelfde waren, in drie paren verdeeld zijn, waarvan elk +paar in konstruktie aanmerkelijk van de twee andere verschilt. +Zóó ver is het er van af, dat zij eenvoudige pootjes +zouden zijn, dat ieder uit niet minder dan negen deelen bestaat, en +bijna ieder deeltje draagt een bijzonder mechanisme, noodig en +onontbeerlijk in het dagelijksch leven van de bij. Men zou heele +verhandelingen kunnen schrijven over de funkties van de menschelijke +hand, en toch is de hand een heel eenvoudig samenstel vergeleken met de +pootjes van de honingbij. De inrichting voor het bergen van het +stuifmeel is aan de scheen van de achterpooten, die verbreed is en +eenigszins uitgehold; rond die langwerpige holte is een franje van naar +binnen gebogen borsteltjes, die er uit zien of zij alles vast konden +houden. Maar vóórdat het stuifmeel in die korfjes gaan +kan moet het verzameld en tot een bolletje gekneed worden. Eigenlijk +zou men kunnen zeggen, dat het geheele lichaam van de bij bij het +stuifmeelzamelen te pas komt. Onder zwakke vergrooting ziet men, dat +haast geen deel van het lichaam niet dicht met haren is bezet; maar met +het sterke objektief gezien, zijn die haren geen haren meer, maar het +blijken in werkelijkheid veertjes te zijn, fijne werktuigjes in +graatvorm, die het stuifmeel bij elkaar vegen, terwijl de bij in de +bloem duikt naar den nektar, die op den bodem ligt.</p> + +<p>Bijna ieder lid van ieder pootje is voorzien van een <span class= +"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>kam van stijve +haren, waarmee het stuifmeel wordt afgeschrapt en in het draagkorfje +gebracht, nadat het met de tong bevochtigd werd, terwijl de +achterpooten ieder een komplete roskam dragen. De poot is hier verbreed +en plat, en aan één kant bezet met negen of tien rijen +korte, sterke stekels, waarmee de bij haar lichaam afkamt, juist zooals +een rijknecht een paard kamt. In gewone tijden zal zij zorgvuldig haar +vrachtje stuifmeel opladen in de daartoe bestemde inrichting, +vóórdat zij naar den korf terug vliegt, zoodat het +onmiddellijk in de cel kan worden overgebracht. Bij de celopening +aangeland, duwt zij ieder klompje er af met haar andere pootjes, maar +het vastdrukken in de cel laat zij aan de proviandverzorgsters over. Er +wordt hier niet geschift; stuifmeel van alle kleuren gaat in +één en dezelfde cel en als die vol is wordt er een dun +laagje honing over gesmeerd om het inwerken van de lucht te +verhinderen. Maar dringt soms de tijd, dan blijft zij niet wachten om +haar vracht samen te drukken; maar draagt die mee naar huis zooals ze +is, en als zij dan aankomt is zij van top tot teen met goud poeder +overdekt. Dan komen de huisbijen om haar heen en borstelen haar af, +waarna zij onmiddellijk weer op een nieuwe vracht uitgaat.</p> + +<p>Het feit, dat insekten oogenschijnlijk met hetzelfde gemak onder +tegen iets aan kunnen loopen als er boven op, is, omdat wij nu +éénmaal gewoon zijn het dagelijks te zien, daarom niet +minder opmerkelijk. Want de vlieg, die tegen een ruit oploopt, of onder +tegen ’t plafond aan, dankt haar vermogen van boven- en +onderbeweging aan een zeer vernuftige inrichting. Men kan dit aantoonen +aan het pootje van een bij. Het heeft een paar korte, stevige dubbele +klauwtjes, waarmee zij zich vast grijpen op ieder vlak, behalve op de +allergladste; het is ook door middel van die <span class="pagenum">[<a +id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>klauwtjes, dat de bijen zich in +de korf tot die dichte trossen op klompen of kettingen kunnen vormen; +zij hangen als het ware hand in hand in alle richtingen. Maar als de +klauwtjes geen vat kunnen krijgen, dan komt de beurt aan een ander lid. +Dit is een zacht, elastisch kussentje, altijd bedekt met een dikke +olieachtige afscheiding. Bij het loopen zet de bij drie pooten tegelijk +neer, en de kussentjes zuigen dan oogenblikkelijk vast als zij in <span +class="corr" id="xd0e1333" title="Bron: kontrakt">kontakt</span> met +het gladde oppervlak komen; bij de volgende beweging komen de drie +andere kussentjes aan de beurt, en de drie eerste trekken zich weer +los. Maar ieder pootje kan zich ook vrij van de andere neerzetten en +losmaken. Dit laatste gebeurt door het neerdrukken van de klauwtjes van +datzelfde pootje.</p> + +<p>Ook aan ieder van de voorpooten heeft de bij een inrichting, die een +heel belangrijke rol speelt. Het is een half cirkelvormig keepje, +afgezet met een franje van stijve haartjes; wanneer het pootje nu +omgebogen wordt, dan grijpt dit keepje met een merkwaardige projektie +in het daarboven gelegen lid, en vormt daarmee een soort van oogje van +ruwe ronding. Met dit fijn en doelmatig instrumentje reinigt zij haar +sprieten, en doet dat heel regelmatig gedurende den geheelen bezigen +tijd van haar leven, ongeveer zooals wij menschen onze oogen schoon +houden door knippen met de oogleden. Met ditzelfde werktuigje maakt zij +ook haar tong vrij van de aanklevende korreltjes stuifmeel.</p> + +<p>De vraag: hoe neemt de honingbij de sappen tot zich, waarvan zij +honing krijgt, wordt door sommige populaire schrijvers over de natuur +beantwoord met de verzekering dat zij ze opzuigt door een buisje. Maar +deze zeer gemakkelijke generalisatie komt heel dicht bij een stellige +onwaarheid. Een bijentong is geen buisje, tenminste zooals men dat +woord gewoonlijk <span class="pagenum">[<a id="pb152" href= +"#pb152">152</a>]</span>begrijpt. En zij likt den nektar zeker even +dikwijls op, als zij ze opzuigt. Dat hangt geheel af van de hoeveelheid +waarmee zij te doen heeft. Een nauwkeurige ontleding van de monddeelen +van de bij, met behulp van den <span class="corr" id="xd0e1342" title= +"Bron: mikroscoop">mikroskoop</span> en een paar fijne naalden, maken +spoedig de heele zaak duidelijk.</p> + +<p>Een schoonheid is zij niet—de honingbij—zoo van dichtbij +beschouwd. Eindelooze arbeid, de natuur onderdrukt, het organisme +mismaakt, dat alles werkt niet gunstig op uiterlijk schoon, bij geen +van haar geslacht. Maar die sterke en bijna afschrikwekkende +leelijkheid, die aldus dichtbij haast afzichtelijk wordt, vergeet men +onmiddellijk, wanneer men haar verwonderlijken rijkdom leert kennen aan +die andere schoonheid: die der praktische nuttigheid.</p> + +<p>Voor het bloote oog is de tong een helder bruin, glimmend dingetje, +dat buiten haar mond uitsteekt, en dan naar beneden hangt, zoo ongeveer +als de snuit van een olifant. Onder den mikroskoop blijkt het echter +geen tong te zijn, in den gewonen zin; maar een voortzetting van de +onderlip. Het bestaat uit zes of zeven verschillende stukjes die in de +lengte kunnen worden bijeen gevoegd. Het middelste stuk is langer dan +de andere en steekt uit met een harig spateltje; wanneer nu de overige +deelen daaromheen sluiten, dan wordt het geheel feitelijk een buisje in +een buisje. Het spateltje wordt ingeval van heel geringe hoeveelheden +vloeistof voor het oplikken gebruikt, en de vloeistof gaat dan den mond +binnen minder door eigenlijk zuigen dan wel door capillaire +aantrekking; is er echter een boordevollen nektarbeker te ledigen, dan +wordt het geheele tongmechaniek in gang gebracht. De strookjes voegen +zich om het middengedeelte samen, en de vloeistof wordt door de +tongspieren uit den bloemkroon getrokken, ongeveer zooals water door +den zuiger van een pomp. <span class="pagenum">[<a id="pb153" href= +"#pb153">153</a>]</span></p> + +<p>Nu wij het kopje van de bij onder nauwkeurige observatie hebben, +kunnen wij ons van allerlei bijzondere dingen overtuigen. De sterke, +gebogen kaken, die zijdelings werken, zijn dubbel merkwaardig als +hoofdfaktoren bij de wasbereiding, en als belangrijk hulpwerktuig bij +het bouwen der raten. Maar het eerst wordt onze aandacht getrokken door +de oogen en de lange sprieten, die op dorschvlegels lijken. De bij mag +dan op haar leven zijn ingericht, of het leven heeft—door +onverbiddelijke omstandigheden—háár gemaakt tot wat +zij nu is, dit staat vast, dat haar organisme prachtig is aangepast aan +haar levenssfeer. De groote samengestelde oogen met hun duizenden +facetten, die ieder lichtelijk in richting afwijken, zijn zonder +twijfel op vèr en verwijderd uitkijken ingericht. Door juist +deze oogen kan de bij haar weg heen en terug vinden over afstanden van +mijlen ver. Bij de werkbijen nemen de oogen het geheele zijgedeelte van +den kop in; maar bij den dar zijn zij veel grooter en komen boven den +kop geheel samen. Zoo neemt hij, terwijl hij dartelt in den +zonneschijn, tegelijk den geheelen hemelboog in zijn gezichtsveld op, +ieder oogenblik bereid een jonge koningin te achtervolgen met zijn +liefdedrang.</p> + +<p>Maar deze groote veelvoudige oogen hebben weinig doel voor de bij, +waar het kleine afstanden geldt of in het diepe schemer van de korven. +Voor binnenshuis en dichtbij zien heeft zij drie andere oogen, ieder +met één enkele lens, die in haar voorhoofd liggen, juist +boven de antennae(sprieten). Het volksgeloof, dat de honingbij haar +drukke en ingewikkelde werkzaamheden in absolute duisternis zou +verrichten, is een dwaalbegrip. Waarschijnlijk is er altijd wel +éénig licht, zelfs in de uiterste hoeken van den korf, +genoeg ten minste altijd voor de oogen van de bij, al is het niet +voldoende voor onze menschelijke gezichtsorganen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span></p> + +<p>Maar de bij hangt ook niet van het gezicht alléén af +bij het vervullen van hare verschillende opgaven. Het is wel zeker, dat +bij haar ook de vier andere zintuigen een buitengewone ontwikkeling +bereikt hebben. Tong en lippen zijn voorzien van uiterst fijn bewerkte +organen, die wel niet anders dan smaakorganen kunnen zijn, en zelfs wie +de meest oppervlakkige kennis van het bijenleven heeft moet het +duidelijk zijn, dat de bij zeker de zintuigen voor reuk en gehoor bezit +en zelfs zeer fijn. Waar de zetel dier organen ligt is nog niet +uitgemaakt, en ook de verrichtingen der antennae kan men nog niet +anders dan gissen. Maar wat deze laatste betreft is het toch zeker, dat +zij een krachtig aandeel hebben in alles wat de bij verricht of +onderneemt. Het is duidelijk, dat de antennae zeer fijne gevoelsorganen +zijn; maar het is even duidelijk, dat zij nog veel meer beteekenen. Men +heeft bevonden, dat zij niet minder dan zes verschillende werktuigjes +dragen, die toch ieder hun bijzonder doel moeten hebben.</p> + +<p>De gangen der honingbij zijn al duizenden jaren nagegaan, en over de +bij zijn meer boeken geschreven dan over alle andere schepselen samen. +En toch kunnen wij veilig aannemen, dat onze kennis van hare vermogens +en organisatie nog in de kindsheid is. De microskopisten hebben die +voelsprieten ontleed en al hun verschillende deeltjes afzonderlijk +bestudeerd; maar wat hun eigenlijke funkties zijn heeft men nog niet +kunnen uitmaken of ten minste maar in heel geringe mate. Er zijn zekere +haartjes over hun geheele oppervlakte gelijdelijk verspreid, die +waarschijnlijk bij het voelen dienst doen. Maar er zijn nog andere +haartjes of fijne kegeltjes, die hol zijn en een uiterst fijne +zenuwdraad omsluiten; ook haartjes, die los staan in een holte; +gekromde en geringde haartjes, en van verschillende lengte. Dan zijn er +ook geheimzinnige putjes <span class="pagenum">[<a id="pb155" href= +"#pb155">155</a>]</span>en verdiepinkjes, sommige open, andere bedekt +met ongelooflijk dunne vliezen, die dan weer zenuwuiteinden bevatten, +alléén met het sterkste objektief zichtbaar. En dat alles +houdt verband met een zóó ingewikkeld zenuwstelsel, dat +het den geduldigste en handigste onderzoeker van de wijs brengt. Is dan +eindelijk alles onderzocht en beschreven, dan weet men per slot nog +niets meer dan vóór het onderzoek.</p> + +<p>De antennae zijn zeker gevoelsorganen, en bovendien is het niet +onwaarschijnlijk, dat door hen de bij ook hoort en ruikt. Dit zijn +echter nog maar twee mogelijkheden uit vele. Want zeer zeker moeten wij +aannemen, dat de honingbij meer zintuigen heeft, dan de vijf waarvan +wij weten; en—het is maar raden—eenige van die +geheimzinnige organen op de <span class="corr" id="xd0e1363" title= +"Bron: ontennae">antennae</span>, zouden gedachte-overbrengers kunnen +zijn of ontvangers van draadlooze berichten. Want het verwonderlijk +éénstemmig handelen der bijen kan een bewijs zijn van +draadloos telegrafeeren—een overbrenging van gedachten door +middel van de lucht—zooals tegenwoordig de menschen dit nu +eindelijk ook kunnen. En misschien is dat, wat bij de menschen altijd +hoog gehouden werd als een kenteeken van hun verheven standpunt boven +het dier, het vermogen tot spreken, juist geheel verouderd en +onbeschaafd, vergeleken met de geestestaal van de honingbij.</p> + +<p>Men zou zich nog een andere verrichting van de sprieten kunnen +denken—een zich onmiddellijk en onfeilbaar vergewissen van kleine +afstanden. Zij zouden heel gevoelige maatinstrumentjes kunnen zijn, +niet mechanisch gebruikt als een meter of duimstok, maar door een +inherente eigenschap, zooals bijv. ons gehoor de intensiteit van een +toon zal schatten. Als dit zoo was zou er veel verklaard kunnen worden +o. a. hoe de honingraten worden gebouwd, hoe de afmetingen <span class= +"pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>van de cellen +alle precies gelijk kunnen zijn, in vorm en grootte; hoewel er toch +honderden metselbijen aan meewerken, en niet alleen gelijktijdig maar +ook elkaar opvolgend, gaand en komend in ’t duister en ’t +bezig gewriemel in den korf; en ieder begint van zelve en zonder +aarzelen precies dáár waar haar voorgangster het heeft +laten liggen. Terwijl dan de centrale divisie van de raat aangroeide, +zich naar beneden uitstrekkend in alle richtingen en tegelijk de cellen +horizontaal werden uitgebouwd, zou iedere bij door haar zin voor +afmetingen kunnen weten, wanneer de grens van ieder kantje van de +zeshoekige celbasis bereikt was, en hoe groot de hoek moest zijn +waarmede zij af moest wijken naar de volgende bodemlijn.</p> + +<p>Iedereen, die een bij in haar vlucht volgt moet wel bijzonder +getroffen worden door haar snelheid niet alleen, maar ook vooral door +het zeldzame gemak en de losheid waarmede zij zich voortbeweegt. +Behalve dat zij zich als een buitengewoon bedreven luchtschipper doet +kennen is het ook duidelijk, dat zij zich met heel weinig inspanning in +de lucht ophoudt en voortbeweegt. Haar vliegapparaat moet dus wel heel +praktisch en volmaakt zijn; en toch, op het eerste gezicht, is het ons +niet duidelijk hoe zij het er zoo goed afbrengt. Wie het vliegvraagstuk +bestudeert en daarbij als punt van uitgang het vliegen van vogels +neemt, op welk hoofdbegrip hij dan zijn systeem grondt en opbouwt, is +gewoon vast te houden aan twee onmisbare hoofdfactoren in het +vliegproces; 1e) een paar vleugels of een combinatie van aeroplanen en +propellers die hem in staat stellen het toestel op te houden in de +lucht en tegelijk het voort te bewegen, en 2e) een soort van +stuurapparaat als de staart van een vogel. Maar voor zoover wij uit een +eerste algemeen onderzoek begrijpen, schijnt er bij de bij geen stuur +Mechanisme te bestaan en hangt zij dus <span class="pagenum">[<a id= +"pb157" href="#pb157">157</a>]</span>bij al hare bewegingen in de lucht +van haar vleugels af. Nu hebben de vleugels van een vogel afwisselende +bewegingen. Zij kunnen tegelijk of afzonderlijk gebruikt worden en +hebben hetzelfde vermogen tot excentrische stelling, zoowel in zichzelf +als in betrekking tot elkaar, als de armen van een mensch. Maar de +vleugels van een bij hebben die eigenschappen niet. Zij kunnen alleen +die ééne beweging op en neer maken; ook werken zij +symmetrisch; het correspondeerende paar beweegt zich tegelijk. Toch +weet de bij zich in ontelbare van elkaar verschillende zwenkingen +volmaakt goed te sturen, en bereikt hetzelfde wat de vogel met zijn +veel meer samengestelde inrichting tot stand brengt. Dit probleem nu +hangt samen met een ander, en die twee, zoo moeilijk ieder op zichzelf +te verklaren zijn, saamgevat, heel gemakkelijk op te lossen. Insekten +(ingesneden) worden zoo genoemd, omdat hun lichaam uit twee deelen +bestaat, geheel los van elkander op een uiterst dun verbindingslid na. +Wij zijn zoo gewoon dit als iets heel natuurlijks aan te nemen, dat +maar heel weinigen er bij blijven staan, om over de beteekenis na te +denken. Oogenschijnlijk is dit een zeer bezwaarlijke inrichting voor +ieder levend schepsel. Maar bij de honingbij wordt het tot wat wij een +ideaal ongemak zouden kunnen noemen; want haar honingblaasje, en al de +samengestelde organen voor het bijenbrood en de voedermelk liggen in +haar achterlijf, en er is geen weg daarheen dan door dit uiterst fijne +lid. Dat moet een praktische oorzaak hebben, die alle bedenkingen te +niet doet, of het zou zoo niet zijn; en wanneer wij deze zaak nu +bestudeeren in verband met het bijzonder vliegsysteem van de bij, dan +komen wij spoedig tot de juiste oplossing.</p> + +<p>Het is gezegd, dat de vleugels van de bij een volkomen symmetrische +beweging hebben, en deze maar in één <span class= +"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span>enkele vaste +richting: n.l. op en neer in een rechten hoek met de lijn van het +borststuk. Onder den mikroskoop gezien is ieder van de vleugels een +doorschijnend, ondoordringbaar vlies, doorsneden met fijne adertjes. Nu +loopt door de geheele lengte van de voorvleugels aan de bovenzijde een +veel dikker en steviger ader en hierop, op dezen hoofdader, +concentreert zich bijna de geheele kracht van de vliegspieren. Als ge +nu verder kijkt, zult ge bemerken, dat de ondervleugels ieder een rij +fijne haakjes langs den bovenkant hebben, terwijl de benedenkant van de +voorvleugels teruggevouwen is. Bij het vliegen grijpen de haakjes van +den eenen vleugel in het omgevouwen gedeelte van den anderen, en zoo +worden de twee vleugels aan iederen kant van het lichaam automatisch +verbonden en vormen daardoor één enkel oppervlak, dat +weerstand biedt aan de lucht. Deze gecombineerde vleugel is over +’t geheel zeer buigzaam, behalve aan den bovenkant waar de +hoofdader hem stijft. En daar nu bij het vliegen de kracht zich alleen +op dien gespannen bovenkant richt, die weerstand biedt aan de lucht, +terwijl de rest van de vleugel buigzaam blijft, volgt daaruit, dat de +geheele vleugel een bewegelijk, gebogen vlak wordt, waarvan de +kromming, voorwaarts bij den neergaanden slag, ook voorwaarts blijft +bij den opgaande, omdat de vlakkromming zich automatisch omwendt.</p> + +<p>Hieruit zal men begrijpen, hoe de buigzame vleugels van de bij +gebruikt worden bij een vlucht rechtuit; maar nu is het nog niet +duidelijk hoe zij zichzelve stuurt, bij het rijzen of dalen of zwenken, +al naar het haar invalt; de vleugels toch zijn niet ingericht op +onafhankelijke of onregelmatige beweging. En hier nu komt aan het licht +waartoe haar lichaam dien bijzonderen bouw heeft. Het fijne +verbindingslid tusschen het achterlijf en het borststuk is feitelijk +een hoofdverbinding <span class="pagenum">[<a id="pb159" href= +"#pb159">159</a>]</span>en wordt door een reeks van krachtige +kruisspieren in beweging gebracht; de bij stuurt nu zichzelf in de +lucht, door haar achterlijf als tegenwicht te gebruiken. Haar zwaar +abdomen vóór en achteruit zwaaiend, of naar rechts of +links, verlegt zij haar zwaartepunt en de krachtlijn van haar +aeroplanen terzelfder tijd. Feitelijk houdt haar lichaam, dat het +zwaarste deel is, zijn verticale stelling, en het lichtere, de vleugels +dragende, borststuk wordt afgebogen. Maar de uitwerking is dezelfde; +zij kan haar vlucht wijzigen in vele richtingen en op alle manieren, en +het schijnt wel, dat deze vlucht op een veel eenvoudiger principe +berust dan die der vogels.</p> + +<p>Een zeer moeilijk vraagstuk in het leven der bijen is ook hoe het +mogelijk is, dat zij de temperatuur in den korf willekeurig kunnen +wijzigen. Het stelsel van mechanische luchtverversching verklaart +natuurlijk hoe het inwendige van den korf in de drukkendste zomerhitte +koel kan blijven, maar het verklaart niet, hoe de temperatuur er van +tijd tot tijd zoo plotseling verhoogd wordt. Dit gebeurt voornamelijk +met de wasbereiding. Onder de platen van haar bronzen harnas heeft de +werkbij zes ondiepe, maar breede holten, waaronder de waskliertjes +liggen. Om die kliertjes tot werken te prikkelen schijnt er volmaakte +rust en een zeer hooge temperatuur noodig te zijn, en gedurende het +proces verbruiken de wasmaaksters een groote hoeveelheid zoetigheid. +Men neemt gewoonlijk aan, dat de bijen zich zoo sterk mogelijk voeden +met de rijpe honing uit den voorraad, vóórdat zij zich in +hun guirlanden bijeenvoegen tot een tros; maar het is waarschijnlijker, +dat het voedsel, dat gedurende de wasbereiding verbruikt wordt in +hoofdzaak nektar is, zooals ze onmiddellijk uit de bloemen wordt +ingezameld. Deze uitspraak wordt bevestigd door enkele proeven, die +<span class="pagenum">[<a id="pb160" href= +"#pb160">160</a>]</span>genomen zijn om de hoeveelheid voedsel te +bepalen, gebruikt gedurende de produktie van een bepaald gewicht aan +was. Toen de bijen bij honing alléén werden toegelaten, +gebruikten zij er vijf of zes pond van gedurende den tijd, dat er +één pond was werd afgescheiden. Maar kregen zij in dien +tijd zuivere rietsuikerstroop dan werd er veel meer was gemaakt. De +chemische samenstelling nu van verschen nektar en rietsuiker is +ongeveer gelijk; maar gerijpte honing bevat feitelijk zoo goed als geen +rietsuiker. En het is zeker te betwijfelen of de nijvere bij haar, met +zooveel zwoegen verkregen, <span class="corr" id="xd0e1386" title= +"Bron: honnigvoorraad">honingvoorraad</span> zou opgebruiken, als zij +haar doel zooveel goedkooper kon bereiken. Ook moet men wel in het oog +houden, dat de natuurlijke tijd voor den ratenbouw samenvalt met den +rijkelijksten nektaroogst.</p> + +<p>Deze plotselinge temperatuurwijzigingen schijnen zeer gemakkelijk te +weeg gebracht te worden door een algemeene versnelling der ademhaling; +en er is niets, dat zoo zeer de verwondering van den bijenstudent +gaande maakt, als het ademhalingsapparaat van de bij, zooals het zich +onder den mikroskoop vertoont. Door middel van hare vele tracheeën +is zij feitelijk in staat haar geheele fysisch systeem onmiddellijk van +lucht te voorzien. Voor zoover de mannen der wetenschap hebben kunnen +vaststellen, is er geen vezel of zenuw in haar geheele lichaam, die +niet bereikt wordt door die fijne vertakkingen van de luchtkanalen, +welke in direkte verbinding staan met de hoofdluchtvaten in het +onderlijf. Het ademhalen schijnt voor de bij een willekeurige beweging +te zijn. Zij doet het alléén maar wanneer het noodig is, +en wacht dan soms weer drie, vier minuten lang. Maar is het in den tijd +van de wasafscheiding of het zwermen, dan is door den geheelen +bijenklomp heen de sneltrillende beweging van het <span class= +"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>ademhalen +duidelijk zichtbaar, en de temperatuur van den korf klimt dan soms tot +een dozijn graden boven het normale cijfer.</p> + +<p>Het ademhalingssysteem der honingbij is ook nauw verbonden met de +geluidorganen. Ieder, wien men zou vragen het geluid, dat de bij maakt, +te beschrijven, zou waarschijnlijk zeggen, dat zij gonst of bromt, of +zoemt, en daarmee uit. Maar voor den bijenvader is dat jammerlijke +vaagheid. Het geluid, dat de bij maakt, is niet één stem; +maar een geheel koor; en zij beschikt over een omvang van wel 1½ +oktaaf. Ieder van haar veertien tracheeën en ook ieder van haar +vleugels kan een toon voortbrengen, en deze tonen kunnen eindeloos +wisselen in hoedanigheid, intensiteit en hoogte. Men overdrijft niet +als men zegt, dat de bij een even goed musicus is als welke vogel ook; +maar in den korf gaat de stem van het individu op in de symphonie van +het geheel, en men krijgt moeilijk een indruk van haar bekwaamheden als +soliste.</p> + +<p>Het geluid-toestel in de tracheeën is wel het meest +ingewikkelde van de geheele anatomie der honingbij. Het is zeer +samengesteld, en ingericht op een groote verscheidenheid van tonen. Ook +de vleugels kunnen toonreeksen voortbrengen naar boven en naar beneden, +in verband met de snelheid hunner trillingen; en zij maken ook dat +eigenaardig sissend geluid, dat men “gonzen” noemt. +Wànneer men ook naar de muziek in den korf luistert, voelt men +zich steeds gedrongen te gelooven, dat de bijen niet alleen een +individueel verkeer onderhouden met die groote verscheidenheid van toon +en geluid; maar dat bovendien die algemeene zang, die uit allen +tegelijk schijnt te komen, bepaald den oogenblikkelijken stand van +zaken in den korf moet uitdrukken. Een voorspoedig volk geeft aan zijn +bevredigend bezig-zijn een uiting, die niet te miskennen <span class= +"pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span>is. Het is een +diepe, sonore, blijde toon, als het gelijkmatig loopen van een +goedgesmeerde machine, waarvan ieder wiel zijn snorrende melodie tot de +harmonie van het geheel bijdraagt. Zwakke of hongerige kolonies geven +een weifelend afgebroken geluid, een klaagstem vol zorg over de +toekomst. Heeft een korf zijn koningin verloren, dan moet het den +geoefenden ijmker, als hij aan het vlieggat luistert, niet moeilijk +vallen den ramp te raden. Bij een volk zonder koningin heerscht rumoer +en gewar van oneenige stemmen en van raadgevingen door elkaar; het +gewone volle geluid van het bevredigend werken zwijgt, en er gaat een +alarmkreet door den korf als bij een paniek. Wanneer men stilletjes een +korf opent en met geringe stoornis de koningin wegneemt, dan kan het +soms een poosje duren, voordat de bijen hun verlies gewaar worden. Maar +eenige volken, waarmede die proef genomen werd, gaven zich onmiddellijk +rekenschap van hun gemis en plotseling brak het moordgeschreeuw los. +Een van de opmerkelijkste dingen in het bijenleven is het onderscheid +in intelligentie en wakkerheid bij de verschillende volken. Een bedaard +en saai volk ontdekt het verlies van zijn koningin soms eerst na vrij +langen tijd. De gewone werktoon gaat onveranderd voort, tot zij +eindelijk besef krijgen van het gebeurde. En dan volgt het eigenaardige +schrille geluid, dat al het andere overstemt, tot de kolonie weer tot +rede komt en overgaat tot het kweeken van een nieuwe koningin.</p> + +<p>De stem van den dar is dieper en schorder dan die van de werkbij, +tengevolge van zijn grover lichaamsbouw en zijn luider gonzen wordt +verklaard door het grootere oppervlak van zijn vleugels.</p> + +<p>De koningin heeft, terwijl zij vliegt, ook een diepere en meer +schorre stem; maar daarbij heeft zij nog een eigen geluid, aan alle +bijenkenners de geheele wereld <span class="pagenum">[<a id="pb163" +href="#pb163">163</a>]</span>over zeer vertrouwd. Men hoort het +gewoonlijk juist even vóór het uittrekken van den zwerm. +Er zijn oude ijmkers, die zeggen, dat zij den datum waarop het zwermen +zal beginnen vooruit kunnen bepalen, door te letten op de bijzondere +kreten van de koningin. Men hoort ze veel in stille nachten kort +vóór het begin van den zwermtijd; als men met het oor aan +het vlieggat luistert, kan men ze boven alles uit herkennen. Het is een +schril gepiep, altijd weer herhaald, en dikwijls beantwoord door andere +zwakkere tonen. Hoe het wordt voortgebracht is nog niet vastgesteld; +maar waarschijnlijk gebeurt het, doordat vleugels of pooten sterk tegen +elkaar gewreven worden, ongeveer zooals bij de sprinkhanen en krekels. +Het schrille, sterke geluid komt van de oude koningin, en wat zij er +mee meent is duidelijk. IJverzucht en strijdlust zijn over haar +gekomen, en gaan uit naar de jonge <span class="corr" id="xd0e1405" +title="Bron: princessen">prinsessen</span>, die nog in de cellen +gevangen zitten. Het klinkt als een uiting van verstikte woede terwijl +zij door celwachten tegengehouden wordt; en het zwakker antwoord komt +van de gevangen tegenpartij, die even hard naar den strijd verlangt als +zij. Die oude ijmkers zijn nooit ver mis met hun berekening. Als het +zoover gekomen is, is de krisis op handen en met den komenden dag zal +zeker de emigranten-stroom uitvliegen om een nieuw tehuis te zoeken, de +oude koningin onweerstaanbaar met zich medevoerend.</p> + +<p>Wij hebben gezegd, dat de broedbijen, wier taak de geheele +verzorging van het jonge broed is, de larven uit hun mond voeden met +een dikke, witte vloeistof, zeer toepasselijk bijenmelk genoemd. +Gedurende al den tijd, dat de voedsters met dit werk bezig zijn, eten +zij zelve flink honing en stuifmeel; zoodat het lijkt of de bij de +macht heeft hare spijsvertering onmiddellijk te doen werken; zoo te +verstaan, dat zij het eene oogenblik <span class="pagenum">[<a id= +"pb164" href="#pb164">164</a>]</span>zichzelve voedt en onmiddellijk +daarop het voedsel verteerd weer kan uitbraken om er de larven mee te +verzorgen. Er is nog een andere bijzonderheid aan de bijenmelk. Bij +nauwkeurig onderzoek is gebleken, dat zij zeer verschillend is van +samenstelling. De dar, de werkster en de koningin worden alle in hun +larvetoestand er mee gevoed; maar de zelfstandigheid is niet dezelfde; +en niet alleen verschilt die bij ieder soort van larve; maar ook wordt +zij gewijzigd voor den leeftijd. De bij moet dus haar +spijsverteringsorganen geheel en willekeurig kunnen beheerschen. En hoe +zij deze netelige zaak tot stand brengt, kan alleen een goede +mikroskoop ons leeren.</p> + +<p>Misschien is er in de geheele anatomie van de bij niets +verwonderlijkers dan haar spijsverteringstoestel, met zijn +bijbehoorende verzameling van klieren, die alle hun bijzondere en +belangrijke bestemming hebben. Als zij den nektar uit de bloemen tot +zich neemt, gaat die onmiddellijk in de eerste van haar twee magen, die +niet anders is dan een reservoir. Hierin kan de bij hem naar willekeur +bewaren; zij kan hem weer opgeven en in de raatcellen ontlasten voor de +honingbereiding, of zij kan hem door een klapvliesje in den bodem van +het reservoir naar de lager gelegen maag laten gaan, waar de +spijsvertering plaats heeft en honing en stuifmeel in melksap omgezet +worden. Maar door een der vernuftigste inrichtingen van de natuur kan +die tweede maag ook haar inhoud aan den mond teruggeven en het melksap +wordt daar tot bijenmelk voor het voeden der larven.</p> + +<div id="p165" class="figure"><img border="0" src="images/p165.jpg" +alt="Bijen-Kinderkamer: (verzorging van het jonge broed)." width="519" +height="720"> +<p class="figureHead">Bijen-Kinderkamer: (verzorging van het jonge +broed).</p> +</div> + +<p>De werkbij heeft in het geheel vier verschillende klieren, die ieder +een vloeistof afscheiden, verschillend in samenstelling van de andere. +Deze klieren liggen alle in den mond. Twee ervan hebben een +gemeenschappelijke opening aan den bovenkant van den tongwortel; <span +class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span>en terwijl +de bij den nektar tot zich neemt, mengen zich hun afscheidingen +automatisch met het bloemensap. Dit is de eerste stap van nektar naar +honing. Het derde kliertje ligt boven in den mond en de afscheiding +hieruit is het, die op het teruggegeven melksap werkt en het verandert +in bijenmelk. Het vierde kliertje, eindelijk, is dubbel; en deze +dubbele klier heeft zijn opening onder aan de kaken, zoodat het kauwen +noodig is om de afscheiding op te wekken.</p> + +<p>Het klapvliesje tusschen de boven- of honingmaag en de beneden- of +melksapmaag, is rekbaar, en de bij kan naar willekeur dit +teleskoop-achtige voorwerpje binnen door de honingmaag heen uitstrekken +tot aan de keelopening, zoodat de inhoud van de lager gelegen maag zich +in den mond kan uitstorten zonder in aanraking te komen met de +zoetigheid, die in het reservoir bewaard wordt; en dit vooraf verteerd +voedsel is ten allen tijde verkrijgbaar voor de larven, en tot voeding +voor de darren en de koningin.</p> + +<p>Wij hebben gehoord, dat het voedsterwerk uitsluitend door de jonge +bijen wordt verricht gedurende hunne twee eerste levensweken ongeveer. +Daarna gaan ze voor het eerst op fourageeren uit, beginnen met het +stuifmeel en laten dat weer in den steek, als zij hun vollen wasdom +bereikt hebben, voor het nektar-gaâren. De volwassen werksters +nemen geen deel aan de larven-verzorging, behalve in heel zeldzame +gevallen. In verband hiermee is het opmerkelijk, dat het kliertje boven +in den mond die het melksap in bijenmelk helpt omzetten, +alléén in zijn volkomen ontwikkeling is gedurende de +eerste levensweken van de werkbij. Heel spoedig daarop vermindert zijn +werkzaamheid, en bij de oude werksters sterft het bijna geheel af.</p> + +<p>Het klierensysteem voor de spijsvertering van de honingbij is door +de wetenschappelijke naturalisten <span class="pagenum">[<a id="pb168" +href="#pb168">168</a>]</span>vrij nauwkeurig onderzocht; maar er is +toch nog veel onverklaarbaars in, vooral wat de kliertjes betreft, die +aan de kaken verbonden zijn. Het vocht, dat door die kliertjes wordt +afgescheiden—blijkbaar een zeer sterk zuur—wordt in +hoofdzaak gebruikt om de ruwe was, die hard en stroef is, tot het +zachte, taaie materiaal te vormen waarvan de raten gemaakt zijn. Tot +een zekere hoogte dient het ook bij de bereiding van het broedvoeder in +vereeniging met de afscheiding uit het kliertje boven in den mond. Het +wordt ook met het stuifmeel vermengd, wanneer dit gekauwd wordt, en +doet zeker nog in veel meer gevallen dienst; maar niemand heeft nog +kunnen ontdekken, waarom die twee kliertjes zoo geweldig sterk +ontwikkeld zijn bij de koningin, die toch noch aan de verzorging van +het broed noch aan den ratenbouw deelneemt. Voor den gewonen lezer is +dit alles van betrekkelijk weinig belang; maar voor den bijenman met +een mikroskoop behoort het tot de gewichtige onderwerpen van discussie. +Als het verschil tusschen koningin en werkster—en het is evenzeer +een verschil in bouw als in ontwikkeling—inderdaad wordt +veroorzaakt door verschil in de hoeveelheid en de hoedanigheid van het +voeder aan de larven verstrekt, dan kan het belang van de werking dezer +kliertjes niet overschat worden en men kan ze niet nauwkeurig genoeg +bestudeeren; want dan zijn zij niet anders dan de levensbron zelve. +Maar staat het wel vast, dat de invloed door de voedsters op de jonge +larven uitgeoefend, beperkt blijft tot het voedsel alleen? De werkbij +heeft, behalve de reeds gemelde, op verschillende plaatsen in haar +lichaam nog verscheidene andere eigenaardige organen en klierstelsels, +waarvan de beteekenis en het gebruik nog niet is opgehelderd. Hoe meer +wij haar merkwaardige uitrusting bestudeeren, hoe minder het ons +gerechtvaardigd schijnt <span class="pagenum">[<a id="pb169" href= +"#pb169">169</a>]</span>dogmatisch hare verrichtingen te begrenzen, of +ze te bepalen tot eenig speciaal orgaan in die geheele samengestelde +inrichting. Het oude beweren, dat er niets onveranderlijk vaststaat in +het bestaan der honingbij slaat zoowel op haar lichaamsbouw als op hare +levenswijze; en het is niet onwaarschijnlijk, dat wat wij morgen zullen +weten, veel van het zorgvuldig verzameld weten van heden te niet zal +doen.</p> + +<p>De anatomie van de honingbij, die wij zien als de afschaduwing van +een groot plan, brengt ons met haar verrassende organen, haar +avontuurlijke kleur in een sfeer van romantiek; en die kleur behoudt +zij wanneer wij ten slotte de bij nog gaan zien als een gewapende, die +een zóódanig moordwerktuig verbergt, als in den +menschelijken geest niet is opgekomen er een uit te denken. Het lange, +kromme zwaard van de koningin, dat zij zoo zorgvuldig bewaart, en dat +niets ter wereld haar ooit bewegen zou te gebruiken tegen een anderen +vijand dan een van koninklijken rang, is verder eigenlijk niet veel +anders dan een huiselijk meubel. Maar de angel van de moedige werkbij +is, onder den mikroskoop gezien, een vreeselijk vernielingswerktuig. De +populaire wetenschap beschrijft hem gewoonlijk als een van weerhaken +voorziene giftige dolk in een scheede, en daarbij wordt dan de +afgezaagde vergelijking gebruikt, dat, bij dien dolk vergeleken, de +allerfijnste naainaald een grove ijzeren bout lijkt. Maar die scheede +is fantasie, wat men met een beetje moeite spoedig ontdekt.</p> + +<p>De angel van de bij bestaat uit drie afzonderlijke lancetten, elk +uitgetand als zaagjes, en die onafhankelijk van elkaar uitgestooten +kunnen worden. Het middelste en breedste van de drie is aan de +éene zijde uitgehold met aan weerszijden een opstaande kant, die +over de geheele lengte doorloopt en aan de zijde van de beide anderen +bevindt zich in de lengte een groef, waarin <span class="pagenum">[<a +id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span>de opstaande kanten van het +derde sluiten. Zoo gelijkt dus die angel op een drievoudig zwaard, dat +één geheel is maar waarvan de drie deelen in elkaar +glijden. De zaagdolkjes dringen achtereenvolgens in de wond, steeds +dieper als met voorbedachten rade, nadat de eerste stoot gegeven is. En +dit is dus een verfijnd oorlogshulpmiddel, waarbij de springende +granaten maar een plompe brutaliteit lijken. Toch is dit nog niet +alles. Om den doodsteek nog dubbel zeker te maken moet deze +karaktersterke amazone het gevest van haar drievoudig zwaard vullen met +een subtiel vergif en haar glijdend mekaniek zóó +besturen, dat dezelfde beweging, die de punten achtereenvolgens naar +voren drijft, ook het geheele wapen drenkt in het venijnige vocht.</p> + +<p>De neiging, pijnlijk wetenschappelijk te worden, en deze dingen met +de zuivere belangstelling van den onderzoeker, buiten alle fantasie om +te handelen, ontvangt hier voor goed haar doodsteek. Want wie zich +eenmaal rekenschap heeft gegeven van de doodende kracht van den angel +der honingbij, kan dat niet meer logisch aannemen als een opmerkelijke +voorziening der natuur, en er God gemoedelijk voor prijzen. Hij moet er +een beteekenis in voelen, die oneindig veel verder strekt. Dit +vernuftig samengestelde wapen van de verminkte en in haar +geslachtsontwikkeling gestuite werkbij, dankt zijn bestaan evenzeer aan +weloverwogen kunst als aan de natuur; of zij, die het werken van de +Almacht in de korven gadeslaan, moeten wel verwonderlijk verdoold zijn +in hun begrippen. Aan de koningin-moeder, van wie wij kunnen zeggen dat +haar fysiek organisme vergelijkenderwijs bijna niet afwijkt van het +oorspronkelijke type, zien wij bij het lichaamsdeel, dat met den angel +der werkbij overeenkomt, een absoluut verschillende inrichting. De +legboor van de koningin is langer; zij is gekromd; de weerhaken <span +class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171">171</a>]</span>zijn klein +en onbeduidend; de vloeistof in de afscheidingsklier is in ’t +geheel geen vergif; maar een dikke, troebele zelfstandigheid, +vermoedelijk bestemd om de eieren vast te kleven op den celbodem. Hij +is ook voorzien van een paar stompe werktuigjes, met gevoelige haren +bezet, die met den legboor samen dienen om het eitje veilig op zijn +plaats te brengen. De werkbij heeft die voelers ook aan weerszijden van +haar angel; maar verkeerde ze tot een wreeder bestemming: het opzoeken +van de verwondbare plekken bij haar vijanden. En wat een geduchte +verandering heeft haar wil, of die van hare voedster-moeders, bewerkt +in haar geheele wezen! Zij ruilde het voorrecht van het moederschap en +meerdere levensjaren tegen een bestaan van maar enkele maanden en een +deel in het beheer der gemeenschap. En zij moet bereid zijn het welzijn +van den staat te bevorderen door de werken van den oorlog zoowel als +die van den vrede. Daarom is het, dat zij positief heeft medegeholpen +de ploegschaar te verkeeren in een kanon. Een kleine verandering in +haar voeder in haar prille jeugd, een onzichtbaar druppeltje uit een +klier, die men niet anders dan met de sterkste vergrooting van het +sterkste glas kan waarnemen—en met de andere veelvoudige +veranderingen in haar bouw en karakter komt ook dit wonder onmerkbaar +tot stand. De buis, die de eieren afzet, wordt kort en recht; de +onbeduidende insnijdingen worden geduchte zaagtanden, bestemd zoowel om +vast te grijpen als te dooden. De onschadelijke kleefstof, die de +eieren vastlegt, wordt verscherpt tot een venijnig gif. En dan is het +moordtuig gereed tot den dienst tegen alle honingvrienden, de +erfvijanden van de korven.<a class="noteref" id="xd0e1443src" href= +"#xd0e1443">1</a></p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb172" href= +"#pb172">172</a>]</span></p> + +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href= +"#xd0e1443src" id="xd0e1443">1</a></span> Zie over het vergif in den +angel van de werkbij het aanhangsel in ons boekje: “de Bij en +haar Wapenen”, van dr. P. E. Spielmann.</p> +</div> +</div> + +<div id="ch11" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk XI</h2> + +<h2 class="normal">Het mysterie van den Zwerm.</h2> + +<p>De bekende “Meizwerm”, het ideaal van den ouden ijmker, +is hard op weg zijn roem te overleven. Met de moderne korven en de +moderne methoden, al brachten zij nog niet het einddoel: het afschaffen +van alle natuurlijk zwermen, is toch dit bereikt, dat het den ijmker nu +mogelijk is die geweldige levensopbruisching in de korven van jaar op +jaar tot een veel later datum te verschuiven. Want verre van dat, +zooals vroeger, een tijdige zwerm een voordeel geacht zou worden, is +het den wetenschappelijken bijenteler nu gebleken, dat het zeer zeker +een nadeel is en zelfs een schande voor zijn kunnen. Maar de bijen, hoe +gemakkelijk zij ook te ontmoedigen zijn, zijn moeilijke scholieren. +Trots ruime korven en een zorgzamen ijmker, die steeds bereid is een +opvolgende reeks van jonge, vruchtbare koninginnen te verschaffen, en +ten allen tijde hun huis geheel nieuw te meubeleeren, gaan de bijen +toch voort met dit dolle spel van schierlookeren in het groot. En nog +altijd staat daar dan de bijenvader, een beeld der wanhoop, midden +tusschen zijn kostelijke inrichtingen; terwijl zijn eigendom om zijn +ooren gonst of hoog opwiekt in de lucht, even onherroepelijk verloren, +als het water dat een jaar geleden het molenrad deed draaien.</p> + +<div id="p173" class="figure"><img border="0" src="images/p173.jpg" +alt="Een bijenzwerm in Mei." width="493" height="720"> +<p class="figureHead">Een bijenzwerm in Mei.</p> +</div> + +<p>De ijmker noemt het zwermkoorts; en een koorts <span class= +"pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>is het zeker. De +oorzaken zijn lang geleden nauwkeurig omschreven in preciese en +algemeen aangenomen zinnen. Overbevolking; het verlangen der bijen een +oude kwijnende koningin kwijt te raken; de opwinding van de koningin +zelve als mededingsters dreigen; het natuurlijk instinkt der kolonies +zich te vergrooten en te vermeerderen, alles en nog wat—behalve +de eenig duidelijke en afdoende reden dat de bijen zwermen onder een +plotselingen, hevigen aandrang, omdat zij “het niet laten” +kunnen.</p> + +<p>De geschiedenis van den Sioux-Indiaan, die als kind al gewonnen was +voor de beschaving; die, òverontwikkeld, òververfijnd, +met een hoogen graad aan de universiteit, het sieraad werd van een +beroemden leerstoel, en die ineens de brui er van gaf, zijn +kleêren afgooide, zich beschilderde en met zijn stam wegstormde +het oorlogspad op—die geschiedenis doet ons een parallel aan de +hand voor het gedrag der bijen in den zwermtijd. Het instinkt kan geen +deel hebben aan zulk een inkonsekwentie, zulk een dollen levensovermoed +en teugellooze uitbundigheid. Maar juist aan de rede is het eigen, bij +tijd en wijle zoo schitterend onredelijk te zijn; en hier toont zich de +honingbij het echte kind van haar afkomst. Zij, de koude, strenge, die +het lot dwingt uit eigen keuze en aandrang, die zich verhard heeft om +te kunnen dringen naar de frontlinie van het leven, in een onwrikbaar +heenspringen over de hindernissen, over hart en haard—zij wordt +plotseling weer tot de oorspronkelijke bijenvrouw, gedachteloos, +zorgeloos en tuk op joligheid, die in één dol moment het +goed vergooit, in zooveel nijvere dagen bijeengegaard.</p> + +<p>Want men kan onmogelijk het zwermen beschouwen als een schakel te +meer in de ketting van nuchter berekenende bijenwijsheid. Het is +duidelijk een terugval, een loslaten van de alwijze gemeenschapskunde. +<span class="pagenum">[<a id="pb176" href= +"#pb176">176</a>]</span>Gedurende één enkel uur in haar +slovend, vreugdeloos, volmaakt leven, gooit zij al haar deugden over +boord en stormt weg—als de Sioux-Indiaan—om te zwelgen in +den stroom van verboden geneuchten, zonder met de kosten te rekenen. +Juist als de gemeenschappelijke onthouding hare eerste vruchten +opbrengt aan voorspoed, en de korf overvol is van burgers en +bezittingen, dan komt die koorts over hen en breidt zich uit als een +prairiebrand. En toch is het op dit tijdstip, dat de wetten der +voorzichtigheid ieder kind van de moedergemeenschap zouden gebieden pal +te staan aan haar zijde, om haar te houden op de hooge plaats, die zij +verkreeg door onverpoosden, harden en strengen arbeid, en met +opoffering van tallooze levens. Maar de herinnering aan den voortijd is +ontwaakt en die roep is niet te weerstaan. In het begin der tijden +maakte de Natuur de honingbij tot bewoonster der tropen, waar geen +noodzaak bestond voor gesloten huizen om de koude te weren, en geen +reden om een voorraad op te leggen voor de magere dagen; want het land +was overvloeiend van honing. Het bijenleven in die verre eeuwen is niet +anders dan dansen in den zonneschijn, en de eenige arbeid voor de +bijenvrouw was naar de naaste rijkelijk voorziene bloemkroon te +vliegen, als haar broed voedsel behoefde. Maar eene afkoelende aarde, +de toenemende noordwaartsche koers van het ras, en ten slotte de +dwaasheid van haar eigen wijsheid—het intellekt, dat zich tegen +zich zelf keerde—, alles werkte samen om haar oud, weelderig +paradijs en haar zorgeloos leven voor haar verloren te doen gaan. De +dar echter, omgekeerd redeneerende met de wijsheid van zijn eigen +dwaasheid, maakte eene andere schikking met de Natuur. Hij hield +vast—en tot elken prijs—aan zijn leven van weelde en +gemakkelijke genoegens, en liet zijn maat ongestoord haar eigen gang +gaan, <span class="pagenum">[<a id="pb177" href= +"#pb177">177</a>]</span>zijn oogen sluitend voor eene nieuwe +noodzakelijkheid. Het werken en de verantwoordelijkheid verzuurden en +verharden hààr en scherpten meer en meer haar vernuft; en +hij, met zijne afhankelijkheid van het vrouwendom, werd gaandeweg +veranderd in een schepsel, overgegeven aan luiheid en het leven der +zinnen. En toen hij er eindelijk toe kwam zich rekenschap te geven van +de gevolgen, was het te laat. Het matriarchale gemeenebest was +gegrondvest, omheind door een wal van giftdolken. Zijn hartewensch was +geweest een dar te zijn, en nu was het darrendom—de loutere +teeltkracht—hem voor goed toegewezen. Zoo zou het misschien ook +voor de menschen een gerechte straf zijn, als zij in een volgend leven +datgene voor eeuwig toegezegd verkregen, waarvoor zij vruchteloos hun +geheele leven lang hun gebed hadden opgezonden; zóó +weinig is mensch en dar in staat de dingen te onderscheiden, die +duurzaam zijn in leven en dood.</p> + +<p>Maar dìt lot moet wel het ondragelijkst zijn: de eigen +eeuwigheid met wijsheid te hebben gewild en schoon te hebben gevormd en +dan, daar wij slechts menschelijk, of tenminste redelijk, zijn, te +bevinden, dat haar goedheid werkelijk geleidelijk gaat, vast van kleur, +overal ondoordringbaar, zonder dat er ergens een enkele blijde +verbreking of scheur is, om de eentonigheid af te wisselen. Het is niet +te verwonderen, dat de honingbij “zwermt” en holderdebolder +breekt uit haar gevangenisleven van regelmaat, fatsoenlijken arbeid en +kille maagdelijke deugdzaamheid, en in dolheid uitgaat, om een uur te +hebben van uitzinnige pret en jool, zooals haar zusters uit den oertijd +het van dag tot dag beleefden, toen er nog geen korven waren, en toen +het moederschap nog geen voorrecht was van één op de +dertigduizend, en toen de zon nog hoog en blij in den hemel brandde het +gansche, lange <span class="pagenum">[<a id="pb178" href= +"#pb178">178</a>]</span>tropische jaar. Het is gemakkelijk wijs en +matig wetenschappelijk te zijn in het verklaren van dien koortsigen +aandrang der bijen als een juisten en overwogen stap in den algemeenen +ontwikkelingsgang. Maar is het niet vóór alles de Natuur, +de verkwijnde geslachtsgeest, die ontwaakt, of tenminste even woelt, in +haar eeuwenlangen slaap? In de zwoele Augustusavonden dringen de jonge +koninginnen van de mierenhoopen in ontelbare duizenden naar buiten om +de mannetjes te ontmoeten en het roodachtig zonlicht is vol van het +glinsterend leven van hun vleugels. Dit is “zwermen” in den +waren zin. Het vleugellooze, arbeidzame, ondergrondsche bestaan volgt: +maar de liefde-vlucht van de mieren, zoolang als zij duurt, is daarom +niet minder een echte en hevige vreugde. En zonder twijfel is de +zwermkoorts, die op zoo vreemde wijze en zoo ongelegen het korfleven +aangrijpt, er één mee, naar natuur en geest, ofschoon de +<span class="corr" id="xd0e1480" title="Bron: oorsponkelijke"> +oorspronkelijke</span> bedoeling en waarde al reeds lang geleden in de +tijden zijn verloren gegaan.</p> + +<p>De éénige in de geheele menigte, die voor zichzelve +alléén het volle recht van haar geslacht erft, schijnt +dikwijls de aanzetster tot de revolutie. Zeer zeker is zij soms degene, +die het eerst dat verlangen, die koortsige onrust ontwikkelt, en ze +langzaam aan op de geheele kolonie overbrengt. Hier komt het verschil +in den bijenaard scherp in het licht. Sommige korven vertoonen dezen +rusteloozen geest gedurende vele dagen vóórdat de zwerm +uitgaat; terwijl bij de anderen de groote opstand, voor zooverre hij +het meerendeel der bijen bevangt, een plotselinge, ònoverdachte +daad schijnt te zijn, gebeurend in ééns te midden van de +algemeene tevredenheid en werkijver. De voorzorgsmaatregelen voor het +kweeken van nieuwe koninginnen worden altijd bij tijds getroffen; maar +dit is waarlijk het werk van de voorzienige, bedachtzame oude bijen in +den korf voor wie <span class="pagenum">[<a id="pb181" href= +"#pb181">181</a>]</span>het kommunisme sedert lang een vaste en +aangenomen ramp is geworden. Men mag veronderstellen, dat de bijen, die +eindelijk den zwerm zullen vormen, hun geheime begeerte gevoed hebben +van het oogenblik af, waarop de koningin het eerst teekenen van +wispelturigheid begon te vertoonen: zij veronachtzamen dan al hun oude +plichten, eerst innerlijk, dan inderdaad, en ten laatste, als de +stemming van de koningin het hoogtepunt bereikt heeft en haar werk in +den korf zoo goed als verlaten is, dan gooien zij potlood, troffel en +kalkbak neer en stroomen naar buiten in een wilde, opgewonden bende, +gedreven door een verlangen, dat zij evenmin in staat zijn te weerstaan +als te begrijpen.</p> + +<div id="p179" class="figure"><img border="0" src="images/p179.jpg" +alt="Een Reuzen-zwerm." width="720" height="450"> +<p class="figureHead">Een Reuzen-zwerm.</p> +</div> + +<p>In de studie van het bijenleven komt men voor vele vragen te staan, +maar zelden vindt men antwoorden voor alle. Indien de bevruchting van +de koningin slechts éénmaal in haar leven gebeurt, en de +natuur dit als voldoende bedoelt voor het geheele tijdperk van haar +vruchtbaarheid, dan is het niet gemakkelijk in te zien, waarom zij met +den zwerm uit zou gaan. Het is bewezen, dat zij niet in zulk een +strenge afzondering leeft als algemeen geloofd wordt, en men weet, dat +zij nu en dan korte uitvluchten maakt gedurende haar legtijd. Daarom +kan de begeerte om na een lange gevangenschap het licht weer te zien, +niet worden aangevoerd als reden voor haar met den zwerm mee te +vliegen. En het is aannemelijker te veronderstellen, dat de +geslachtelijke drang opnieuw in de koningin wordt opgewekt, juist +zooals het dan voor den eersten maal bij de werkbij schijnt te +gebeuren, en dat bij allen de tocht wordt ondernomen als een +paringsvlucht, een zwak overblijfsel van een rasgewoonte, die lang +verdween, en die het meest gelijkt op het paringszwermen van de mieren. +Men moet in gedachte houden, dat ofschoon de koningin door een enkele +bevruchting <span class="pagenum">[<a id="pb182" href= +"#pb182">182</a>]</span>ongetwijfeld in staat wordt gesteld beide +geslachten van haar soort voort te brengen gedurende verscheidene +jaren, men niet onherroepelijk kan bewijzen dat zij den dar nooit meer +onder éenige omstandigheid zou ontmoeten. Er is niets in haar +lichamelijk samenstel, dat een tweede bevruchting uitsluit, hoewel dit +voor denzelfden dar onmogelijk is; om meer redenen dan die +ééne afdoende—dat hij sterft in het +huwelijksuur.</p> + +<p>Prettig is het, in de oude bijentuinen, waar de “zwerm in +Mei” nog een feit en een levend gebeuren is, in de rozige schaduw +der bloesemende appelboomen op het zwermen te wachten en dan over bijen +te praten. Geen bezigheid die zoo de zenuwen stilt en de ziel +verfrischt. Er is nog nooit een bijenhouder geweest, ouderwetsch of +modern, die het dáár te druk voor had, wel te verstaan +natuurlijk, als ge hem maar te gemoet kwaamt met begrijpen, en even +prikkelbaar waart als hij op het punt van afdwalen van het +allerbelangrijkste onderwerp. Men krijgt er heel gauw genoeg van, de +wonderen van het bijenleven te openbaren aan een onkundigen en min of +meer angstigen bezoeker, en er is zeker niemand, die daar zoo slecht +tegen kan als de ijmker van de oude school. Zelfs in het allerrustigste +bijentuintje, waar niet anders geteeld wordt dan het zuiver Engelsche +ras, zijn er altijd een paar stekelige individuen, die u zullen +uitvinden in uw schaduwhoekje onder den appelboom, en er zijn evenveel +kansen vóór als tegen, dat ze u bij de geringste +aanleiding een dolksteek zullen geven. Zijt ge een bijenman, dan blijft +ge onverschillig onder al die vijandelijke naderingen; ge blijft rustig +luisteren naar het gebabbel van den ouden man, terwijl ze tegen uw +oogleden gonzen en in en uit uw oor kruipen. In dat geval zal het saaie +spelletje ze gauw vervelen, <span class="pagenum">[<a id="pb183" href= +"#pb183">183</a>]</span>en ze wieken weer weg zonder kwaad te stichten; +de draad van ’s ijmkers verhaal blijft dan onverbroken. Maar de +onervaren bezoeker is een lastpost in die tweeledige eenzaamheden. Hij +maakt schutterige bewegingen, trekt herhaaldelijk zijn hoofd terug, +slaat wild met zijn handen om zich heen, of, als hij van harder metaal +gesmeed is, gaat hij steil rechtop zitten, waar hij los en rustig moest +blijven leunen en luistert met een allerpijnlijkste beleefdheid en een +half oor, zoodat de stroom van welsprekendheid onmiddellijk opdroogt, +en hij zich even welkom gaat voelen als Banquo’s geest op +Macbeth’s gastmaal.</p> + +<p>Wie ééns gewoon is tusschen de korven te leven, kan +hun muziek niet goed meer missen. Op warme dagen, zoo ’s winters +als ’s zomers, is altijd het zachte dreunen van dien droomerigen +zang in de lucht; en even drukkend als een dans zonder begeleidenden +vedelaar, is voor een bijenman het slenteren in een tuin met enkel +zwijgende bloemen en groenten. Terwijl ge nu in dat +appelbloesempriëel naar de zwermen zit uit te kijken, komt die +volle toon, dat bekorend geluid, tot u, als de serene stem der +bevrediging. Hij doordringt het zonnelicht; tempert het ruischen van +den zwakken wind, die door de boomtoppen gaat; rijst en daalt als het +verre geluid van de zee in een zomernacht. Dit is de werkzang; de +zwermzang heeft een heel ander geluid. Het geoefende oor voelt den val, +die plotseling intreedt, zoo sterk als een pistoolschot, hoewel de +onkundige misschien geen verschil zou hooren. De oude bijenman breekt +plotseling zijn verhaal van beroemde <span class="corr" id="xd0e1502" +title="Bron: honigjaren">honingjaren</span>, een half menschenleven +geleden, af, grijpt pan en sleutel en spoedt zich door den tuin. En +terwijl ge hem op de hielen volgt vertelt hij, dat het weer de oude +groene kast is, die altijd den eersten Meizwerm gaf al zooveel jaren +lang. En dan beginnen sleutel en pan het tinkelende deuntje. <span +class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span></p> + +<p>De ouderwetsche bijenkultuur is niet altijd op enkel strooien korven +aangewezen; bijenkasten, zonder natuurlijk de moderne inrichting, zijn +haast even oud als de strookorf; en de korven in dezen tuin hebben alle +dien ouden kastvorm. De oude groene kast blijft trouw aan haar roep. +Zij is al het middelpunt van een wervelende bijenmassa en ge ziet een +dichten zwarten stroom uit het vlieggat dringen, in +zóó’n wilde haast, dat ge nauwelijks kunt +onderscheiden wat ge ziet. En de oude wilde trekzang wordt steeds +sterker en dieper van toon; een vol vibreerend ondergeluid, dat op geen +anderen natuurklank gelijkt. En wat het zeggen wil voelt ge duidelijk +genoeg, terwijl ge daar staat in het door een wolk van ontelbare +vleugeltjes verduisterd zonlicht, medegesleept in de algemeene +opwinding, met een gevoel of ge opwerkt tegen een stormenden +zuidwester. Want ieder individu van die twintig of dertigduizend bijen, +die daar als uitzinnig rondwervelen boven uw hoofd, ieder van hen zingt +zijn stoutsten en luidsten zang. En dit Gargantuakoor heeft maar +één beteekenis: het is zuiver jubelen; maar +geharmoniseerd. Een blijde, wilde vrijheidshymne, alsof nog nooit een +enkele van al die bijen de weelde van een Engelschen mei-dag met zijn +zonneschijn heeft gevoeld.</p> + +<p>De groote huissleutel, een wichtig, ouderwetsch stuk metaal, slaat +met zwaar getinkel tegen de pan en de zwerm rijst hooger en hooger in +het blauw. Dan trekt zich gaandeweg de blauwe bijennevel bijeen, tot +een klein zwart wolkje, als afgedreven van een vergeten donderbui. En +nu zeilen zij langzaam noordwaarts, en de wiekende vleugeltjes vangen +oplichtend de zonnestralen als in een net van zilver. Dan zwenken zij +weer om, recht de zon in het oog en vervormen zich tot een zwart +warrelend lijnenspel: snorrende wieltjes in wielend insectenleven, +draaiende wieltjes, <span class="pagenum">[<a id="pb187" href= +"#pb187">187</a>]</span>die de draden spinnen van een weefsel, dat een +geheel volk zal bekleeden, en zij snorren als nooit eenig ander +spinnewiel.</p> + +<div id="p185" class="figure"><img border="0" src="images/p185.jpg" +alt="Het opvangen van een zwerm." width="519" height="720"> +<p class="figureHead">Het opvangen van een zwerm.</p> +</div> + +<p>Maar het begin van het einde is nabij; de tijd van zingen is haast +gedaan. De oude bijenman staakt zijn bovenaardsch geklingklang, gooit +sleutel en pan weg, en wijst naar den hoogsten tak van een jongen +appelboom. Ge ziet hoe er een zwart kluwentje bijen, niet grooter dan +een duivenei, aan vastkleeft. Een oogenblikje later is het dubbel zoo +groot als een vuist, en onmiddellijk daarna weer tweemaal zoo groot, +terwijl van alle richtingen de bijen toestroomen. Nu is het zoo groot +als een litermaat, en de tak buigt zich langzaam onder het gewicht. In +ongelooflijk korten tijd heeft zich de geheele zwerm in een klomp +bijeengetrokken; zij hangen aan elkaar als een lange, bruine, +glinsterende sigaarvormige tros, die haast tot aan den grond reikt, en +met het wilde, blijde gezang is het nu voor goed gedaan.</p> + +<p>Er is haast iets spookachtigs in zulk een zwerm, zooals zij daar +hangt, zachtjes heen en weer zwaaiend in de zon, een dood onbewegelijk +ding, waar alleen maar een paar enkele bijen omheen gonzen. Zoo kort +geleden was nog het heele tuintje één roezemoezig +bewegen, nu is er een vreemde stilte over dat alles gekomen, en men +ontkomt niet aan den indruk van een terugval, een drukkende reactie, +als een ontgoocheling; alsof het geheele geval maar een doldwaze +escapade geweest ware, waarover de bijen zich nu hartelijk schamen. Als +wij het zwermen mogen beschouwen als het doorbreken van een oeroude +herinnering en een plotselingen onweerstaanbaren aandrang om een +ingewortelde, maar sedert lang verloren gegane gewoonte te doen +herleven, dan valt het ons ook niet moeilijk, die zeer duidelijke +verandering van stemming te verklaren, <span class="pagenum">[<a id= +"pb188" href="#pb188">188</a>]</span>die nu over de uitgewekenen +gekomen is. Want toen zij nog in den korf opeengepakt waren, een +gistende, koortsig beroerde massa, toen scheen alles mogelijk wat nu in +’t klare daglicht de grootste dwaasheid blijkt.</p> + +<div class="poem"> +<p class="line">“Hevige vreugden hebben hevige einden</p> + +<p class="line">En sterven in hun zege.”</p> +</div> + +<p>En nu is daar de komende dag met zijn zorgen en bezwaren: de +wisselingen van weer en wind, waarin het leven moet mogelijk gemaakt; +een woning is noodig, en beschutting voor de koningin—voor haar, +die nu het eenig bezit is van dit ééns zoo rijke volk. Er +staat zware arbeid voor de deur, zwaar genoeg om de overmoedigsten +onder hen tot bezinning te brengen. De opgewondenheid ging zooals zij +kwam; zoo ooit is het nu zaak voor de honingbij zich een redelijk wezen +te toonen.</p> + +<p>De meeste bijenhouders zijn van meening, dat de bijen hun +toekomstige woonplaats al te voren hebben uitgekozen, soms al +verscheidene dagen vóór de zwerm uittrekt. En het is +onder hen een bekende handigheid om dan leege korven in de tuintjes te +zetten, die ook heel dikwijls de zwervende bijen aantrekken. Men ziet +er enkele losse bijen om heen vliegen als op verkenning en de korven +aan een grondig onderzoek onderwerpen. Deze verkenners verdwijnen weer +en na een onbepaald tijdsverloop, van een paar minuten tot een paar +uren en zelfs dagen, daalt plotseling een heel leger bijen uit de lucht +neer en neemt bezit van de nieuwe woning. Als kort na de komst der +verkennende bijen de hoofdmacht verschijnt, dan zijn de spionnen +waarschijnlijk uitgezonden door een zwerm, die zich al ergens tot een +tros gevormd heeft; maar ligt er een lange tijdsruimte tusschen, dan +moeten zij al uitgezonden zijn op zoek naar een nieuw verblijf, +vóórdat de zwerm <span class="pagenum">[<a id="pb189" +href="#pb189">189</a>]</span>was uitgetrokken. Hoewel nu de groote +massa van den zwerm enkel met dien overmoedigen geest behept is, en er +voor hen niets anders schijnt te bestaan, dan de drang om naar buiten +te komen en pret te maken, is het toch waarschijnlijk, dat er +verscheidene van de oudere en wijzere bijen zijn, die op een soort van +zakelijke manier, met bedaardheid en ernst, het geheele geval +behandelen, zooals zij iedere andere dagtaak zouden verrichten. En dus +mag die oude opvatting, dat er in een korf “ondergeschikte +luitenants, kapiteins en goeverneurs” zijn, niet zoo ver bezijden +de waarheid blijken. Dat die verkenners zeer zeker worden uitgezonden +om een geschikte plaats voor de nieuwe kolonie te vinden òf +vóórdat de zwerm uitgaat òf als zij zich buiten al +samengetrokken heeft, is een feit, en er zijn dus in ieder geval eenige +bijen, die in de chaötische verwarring hun zinnen bij elkaar +houden.</p> + +<p>En tot die wijze maagden moet ook de koningin gerekend worden, +ondanks het feit, dat zij in de algemeene onrust en opwinding deelt. Al +eenige dagen vóor den grooten uittocht heeft zij het +eierenleggen gestaakt, en die beheersching maakt haar zoo omvangrijk en +zwaar, dat zij dikwijls nauwelijks kan opvliegen. Het doel daarvan is, +dat zij des te meer tot leggen bereid zal zijn, wanneer het nieuwe +tehuis is ingericht. Men heeft opgemerkt, dat alle zwermende bijen +welgevulde honingzakjes meêdragen; en dat het inladen voor de +reis juist plaats heeft vóór dat het signaal tot +vertrekken gegeven wordt. Er is heel veel verschil in de houding van +verschillende bijenstanden gedurende den zwermtijd, en nauwgezette +waarnemers hebben niet altijd zekere teekenen kunnen ontdekken, dat een +bepaalde korf op het punt was te gaan zwermen. Maar dit schijnt wel +vast te staan, dat op het oogenblik vóór het zwermen +ongeveer al de bijen van dien korf thuis blijven, zelfs <span class= +"pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span>terwijl al de +andere kolonies in de volle beweging van het inzamelen zijn. Uit zulk +een korf komt een eigenaardig stootend geluid, dat doet denken aan een +zware locomotief, die tot stilstand gebracht is met vollen stoom op, en +begeerig om weer in gang te komen. Juist vóór het +uittrekken van den zwerm komt er dan een plotselinge rust in dat +machtige, opgekropte geluid, en waarschijnlijk is dit het oogenblik +waarin de reizigers hun proviand opladen. Onmiddellijk daarna—en +het is dan moeilijk niet te gelooven aan een bepaald autoritair signaal +tot den uittocht—ontstaat er een rumoer en beweging in het midden +van den dichtbevolkten korf, dat te vergelijken is met wat er gebeurt +als een zware steen in het water valt. Deze beweging breidt zich van +het midden uit naar alle zijden, tot zij de bijen aan den ingang +bereikt, en dan begint het uitstroomen naar buiten.</p> + +<p>Als een korf zwaar overbevolkt is, dan is er al een heele dot bijen, +dikwijls duizenden, samengepakt op de vliegplank, en soms bedekken zij +de heele buitenzijde van den korf. Maar die massa lost zich dadelijk op +als de beweging begint; en de wachtende bijen vliegen bijna gelijk weg +met de anderen.</p> + +<p>Vroeger geloofde men, dat de koningin den zwerm aanvoerde; maar deze +meening kan geen stand houden tegen de moderne waarneming. Heel +dikwijls is de helft van de bijen al uitgevlogen vóórdat +de <span class="corr" id="xd0e1542" title="Bron: konigin"> +koningin</span> verschijnt, en soms komt zij pas met de allerlaatste; +ook gebeurt het wel, dat zij op het laatste oogenblik besluit heelemaal +niet te vertrekken. In dat geval vormen de bijen zich niet tot een +tros; maar blijven enkel een wilde tarantella dansen in den zonneschijn +en keeren na een paar minuten weêr in den korf terug.</p> + +<div id="p191" class="figure"><img border="0" src="images/p191.jpg" +alt="De zwerm in den korf" width="512" height="660"> +<p class="figureHead">De zwerm in den korf</p> +</div> + +<p>Als de zwerm vertrokken is, keert in den ouden korf de rust terug en +de gewone dagelijksche bezigheden <span class="pagenum">[<a id="pb193" +href="#pb193">193</a>]</span>gaan weêr hun gang of er niets +bijzonders was voorgevallen; behalve dat de toestand van overbevolking +heeft opgehouden, bleef alles bij het oude. De achtergebleven bijen +zijn meest jonge werksters, die nog niet met inzamelen begonnen zijn; +maar er is toch altijd nog een redelijk overschot van oude werksters en +darren. Gewoonlijk is op dat oogenblik de korf zonder koningin; want de +jonge koningin is dan nog niet uit haar cel gekropen. Er zijn allicht +vier of vijf <span class="corr" id="xd0e1554" title="Bron: +koniniginnewiegen">koninginnewiegen</span> in verschillende +stadiën van ontwikkeling en in zeldzame gevallen komt het wel tot +twaalf. Soms echter is de eerste van de jonge koninginnen al uitgekomen +en beweegt zich over de raten; zij ontmoet dan de gewone +onverschilligheid bij allen, die haar weg kruisen. Er zijn echter +korven bekend, die een zwerm uitzonden als de toebereidselen voor het +kweeken van een nieuwe koningin nog nauwelijks begonnen waren. Zoo +onberekenbaar is de honingbij in veel harer handelingen.</p> + +<p>Als nu het zwermen alleen ten doel had, de overbevolking te +verlichten en van moederbij te wisselen, dan zou alles hiermee uit +zijn. Maar de zwermdrang wortelt dieper dan in zuivere +noodzakelijkheid. Bij sommige generaties van bijen schijnt de +zwermkoorts, als die ééne aanval voorbij is, na te laten, +en het volk houdt zich dan verder rustig bij zijn werkzaamheden. Maar +het is niet zeldzaam, dat als zij den eersten smaak van het +avontuurlijke beet hebben, de nationale eetlust verscherpt wordt en het +verlangen naar meer ontstaat. Ongeveer negen dagen nadat de eerste +zwerm den korf verlaten heeft, volgt er dikwijls een tweede, en na een +paar dagen soms nog een derde en vierde, waarbij dan dikwijls het eind +is, dat het volk geheel is uitgeput; dit noemt men, het “zich +doodzwermen van den moederstok”. Het is moeielijk te begrijpen, +hoe in een gemeenschap waar het belang van den éénling +<span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span>zoo +meedoogenloos wordt opgeofferd aan het staatsbelang, deze vernietigende +politiek kan geduld worden. Maar gaat men uit van het standpunt, dat +het zwermen in hoofdzaak een vage en onvolmaakte weeropleving is van +een lang verouderde gewoonte, dan doet zich onmiddellijk een +aannemelijke theorie voor. In de omstandigheden van den oertijd kan het +voortbestaan van de moederkolonie onnoodig zijn geweest. Waarschijnlijk +had die volkomen haar bestemming vervuld, als een voldoend aantal jonge +koninginnen en darren gekweekt was, en het geheel was uitgezwermd, om +zich respektievelijk van een nieuw tehuis te voorzien. Men moet +bedenken dat de bijenkorf, in zijn voortbestaan van jaar tot jaar, +eigenlijk een moderne inrichting is, en eerst praktisch nuttig werd met +de uitvinding van den lossen bouw, die den ijmker in staat stelt de +raten te vernieuwen. Wij hebben er van gesproken, hoe de broedraten +zich langzamerhand heelemaal opvullen met de leege cocons, die er door +de uitkomende bijen worden achtergelaten. Deze dingetjes zijn +zóó ragfijn, dat zelfs een dozijn er van geen merkbare +verkleining van <span class="corr" id="xd0e1561" title="Bron: zuimte"> +ruimte</span> in de cel tengevolge heeft, en men weet van broedraten +die wel twintig jaar gediend hebben. Maar het eind is toch, dat zij +onbruikbaar worden en dan,—want bijen willen of kunnen geen oude +raten voor nieuwe verwisselen—moet de gemeenschap uittrekken voor +een nieuw tehuis of van lieverlede uitsterven. Zoo had dus de +gebruikstijd van de oude korven zijn grenzen.</p> + +<p>De moderne bijenteelt heeft nog meer veranderingen in het leven van +de honingbij gebracht, behalve het scheppen van een blijvende korfstad. +Het aantal bijen van een enkel sterk volk, dat een lossen-bouwkast +bewoont, is waarschijnlijk driemaal zoo groot als dat van een wilde +kolonie. Het werk van den ijmker grijpt in alle verrichtingen der bijen +in en brengt hun geheele <span class="pagenum">[<a id="pb195" href= +"#pb195">195</a>]</span>levensplan op grooter schaal en ruimer basis. +Het gevolg hiervan is niet alleen duidelijk in de toenemende +volkssterkten en uitgebreider werken; maar ook in eene verandering van +hun levenssystemen zelve. Een plan, dat op een kleinen grondslag goed +werkt, slaagt niet altijd op een grooteren. Gezondheidsproblemen in een +dorp moeten noodzakelijk verschillen van die in een stad, zoowel in +beginselen als in verhoudingen. En het is dus zeer waarschijnlijk, dat +de mensch de hand heeft in veel wat ons in het doen der bijen vernuftig +gevonden schijnt; met dien verstande, dat de nieuwe levensvoorwaarden, +door den ijmker ingevoerd, den bijen een prikkel zijn om hun vermogens +tot het uiterste in te spannen.</p> + +<p>Het gedrag van deze “nazwermen” vormt een opmerkelijke +tegenstelling tot dat van den hoofdzwerm. Als het mogelijk was in het +bijenleven op ééne vaste en onveranderlijke wet te +wijzen, zou het die zijn, dat een hoofdzwerm nooit anders den korf +verlaat dan op een mooien, warmen dag, en dan altijd omtrent het +middaguur. Maar de nazwermen schijnen met weer noch wind rekening te +houden; zij trekken uit op ieder uur, dat ’t hun wordt ingegeven, +’t zij vroeg of laat, en zonder in ’t minst de +omstandigheden buiten in aanmerking te nemen. Men weet zelfs van een +nazwerm, die uittrok te middernacht bij volle maan en heldere, warme +lucht.</p> + +<p>Er schijnt over ’t algemeen veel meer methode in de +verdwaasdheid te zijn, die een volk bij zijn eerste zwermen aangrijpt; +en als na afloop daarvan het korfleven weer in de oude banen +voortglijdt, dan herstelt zich ook spoedig het nationaal karakter van +bezadigdheid en vlijt. Maar juist de sterkte van deze algemeene neiging +tot orde en werkzaamheid verschilt aanmerkelijk bij verschillende +volken. Als men zorgvuldig bij <span class="pagenum">[<a id="pb196" +href="#pb196">196</a>]</span>den korf, die juist zijn eersten zwerm +heeft uitgezonden, de wacht houdt, kan men al spoedig vaststellen hoe +de zaken zullen loopen. Er zijn altijd verscheidene wiegen van +koninginnen, enkele al verzegeld en op het punt van open te gaan en +andere in verschillende stadiën van hunne ontwikkeling. Al deze +cellen worden onafgebroken en nauwlettend bewaakt door de werkbijen; +want op hetzelfde oogenblik, dat een koningin uitkomt, is zij klaar om +door zustermoord een onmiddellijk eind te maken aan alle toekomstige +mededingsters. Brandend van begeerte naar een gevecht komt zij +blijkbaar uit haar cel, doortrokken van dien ingekankerden haat tegen +haar genooten, die de heerschende hartstocht is in haar bestaan.</p> + +<p>Dat werkbijen en koninginnebijen in oorsprong gelijk zijn, en het de +natuur van de eene is in volmaakte harmonie te leven, terwijl de aard +van de andere haar noodzaakt door een voortdurend vijandig gevoel +beheerscht te worden, is een van die mysteries in het bijenleven +waarvan wij wel nooit de verklaring te weten zullen komen. Als de +hedendaagsche bijenkoningin inderdaad kan gelden voor ten naaste bij +het type van de oorspronkelijke vrouwelijke bij, dan is het niet +moeilijk te begrijpen, dat met die voortplanting op groote schaal het +gemeenschapsleven in den moederstok een onmogelijkheid moet zijn, en +dat met de paringsvlucht zijn natuurlijk bestaan tot een eind was +gekomen, ongeveer zooals het in het leven der wespen gaat.</p> + +<p>Het eigenaardig schrille geluid van de koningin wordt het meest +gehoord in stille nachten nadat er een zwerm is uitgetrokken. Zij uit +aanhoudend dat schelle piepen, terwijl zij worstelt met de waaksters, +die de nog gesloten cellen van de jonge koninginnen omgeven, en +tegelijk hoort men dan ook de gesmoorde kreten van de gevangenen, die +even hard naar den strijd <span class="pagenum">[<a id="pb197" href= +"#pb197">197</a>]</span>verlangen als zij. Is de zwermkoorts nog niet +tot rust gekomen in den korf, dan hoort men die oorlogskreten gedurig +heen en weer gaan en de algemeene gisting wordt sterker, tot eindelijk, +als de toestand onhoudbaar is geworden, de jonge koningin wegstormt +door het vlieggat, gevolgd door het grootste gedeelte van de bijen. In +het geval van nazwermen leidt alles tot de waarschijnlijkheid, dat de +koningin wezenlijk den zwerm aanvoert; echter ook hiervoor heeft men +nog geen vasten regel kunnen opmerken.</p> + +<p>Maar de mogelijkheid bestaat, dat het volk ziek is van al die onrust +en roezigheid, waardoor het zoo lang werd beheerscht en dat de +algemeene zin neigt naar het status quo. Onder die omstandigheden +hebben de kreten, die uit den korf komen, een geheel ander geluid en +beteekenis. De koningin uit nog steeds haar oorlogskreet; maar die +wordt nu oogenblikkelijk gevolgd door een eigenaardig sissen van de +werksters. Het is juist, alsof zij haar, met haar te overschreeuwen, +tot zwijgen willen brengen; en als de oorlogskreet van de eerstgeboren +koningin beantwoord wordt met zulk een afkeurend koor, dan gebeurt het +zelden, dat er nog een nazwerm komt. De koningin gaat dan na een paar +dagen er op uit voor haar paringsvlucht en bij haar terugkomst wordt +het haar vergund naar hartelust haar verlangen naar zustermoord te +bevredigen.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb198" href= +"#pb198">198</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch12" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk XII</h2> + +<h2 class="normal">De Raatbouw.</h2> + +<p>In de vorige hoofdstukken hebben wij gepoogd aan te toonen, dat de +wereld waarin de honingbij leeft en werkt, er eene is, die door iets +beters wordt gedreven dan door ruw instinkt, in de gewone beteekenis +van dat woord. Voor den modernen bioloog, niet den kamergeleerde, maar +voor hem, die het leven overal en in al zijne openbaringen +bestudeert—voor hem moet deze bewering zoo overtollig lijken als +b.v. het vergulden van goud; het schijnt in waarheid toch nog maar +alleen de vraag te zijn welke de juiste plaats is, die op den schaal +der rede aan de honingbij moet worden toegekend.</p> + +<p>Alle bijenliefhebbers hebben zich schuldig te bekennen aan +ingeroeste partijdigheid, en schrijver dezes doet dat dan ook gulweg. +Lauwheid is niet bekend in dit vak, en over de geheele wereld is het +gezegde van kracht, dat dáár waar maar een paar +bijenkorven bij elkaar zijn, een gloeiend enthousiast niet ver af is. +In Engeland is het woord “vrijmetselarij” synoniem geworden +met “broederschap”; maar even echt, even duurzaam is de +verbroedering onder de bijenhouders. Zeker, onder elkaar zijn zij maar +al te zeer geneigd tot het overdrijven van de deugden en verrichtingen +van hun pleegkinderen; zij zijn te gul met <span class="pagenum">[<a +id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span>gevolgtrekkingen uit schaarsche +gegevens van feiten; en de bewezen stelling, dat ieder, die met bijen +te doen heeft, zeer zeker vroeger of later zal meêgesleept worden +door een vloedgolf van enthousiasme, maakt het tot een moeielijke en +kiesche taak de balans te bewaren tusschen den geestdriftigen +bijenliefhebber en den belangstellenden maar bezadigden lezer. Ieder +schrijver over de honingbij is te beschouwen als een ultra-specialist +in deze specialisten-eeuw; en het is moeilijk de verhoudingen klaar te +blijven zien, voor één, die spreekt uit de gelederen van +het ijmkersgild zelf, waar allen zich mee schuldig maken aan overmoed +en geen oor heeft voor eenige waardeering <i>onder</i> hoogwater +pijl.</p> + +<p>Maar de overgeestdriftige schrijver, die zich aan de geschiedenis +van het raatbouwen zet, heeft hier de gewone valstrikken niet te +vreezen. Die geschiedenis is in de eenvoudigste feiten en de minst +belangrijke bijzonderheden al zoo verwonderlijk, dat de bloemrijkste +taal hier evenmin zou kunnen overdrijven als een karig toegemeten woord +de innerlijke beteekenis verkleinen. Als de regeling van de +bijenrepubliek, hunne samengestelde hygiënische stelsels, de +verdeeling van arbeid, behandeling van de koninginne- en werksterlarve, +ons in verbazing brengen en ons onfeilbaar schijnen te wijzen op +hoogere vermogens, dan moeten wij de werkbijen wel een intelligentie +van nog hooger orde toekennen, als wij haar gaan beschouwen als +ontwerpster en vervaardigster van de honingraat.</p> + +<p>Hier ziet men haar in haar grootste kracht en beteekenis. De +samengestelde bouwsels, waarmee zij de bijenstad vult, vragen niet +enkel onvermoeiden arbeid; zij zouden niet kunnen tot stand gekomen +zijn als niet de gezamenlijke bekwaamheden van den ingenieur, den +architekt en den wiskunstenaar er aan <span class="pagenum">[<a id= +"pb200" href="#pb200">200</a>]</span>hadden meegeholpen. Ook zijn het +niet enkel konstruktieve en wiskunstige vraagstukken, waar de bij zich +tegenover ziet gesteld, en evenmin zijn zij, hoewel moeielijk, altijd +dezelfde, zoodat een instinktive oplossing niet denkbaar is. Bijna bij +iedere raat vinden wij eenige bijzondere en noodwendig onvoorziene +moeilijkheid op schitterende wijze overwonnen. In den bouw van de +zeskantige cel, waarvan de basis uit drie ruiten is samengesteld, +gebruikt de bij een vorm, door de grootste wiskunstigen als de +alléén doelmatige vastgesteld, en de bijen houden zich +altijd aan dien vorm wanneer het maar eenigszins doenlijk is. Doch het +gebeurt aanhoudend bij den ratenbouw, dat plaatselijke verhoudingen +haar plannen in den weg staan, en dan maakt zij vijfkantige cellen of +vierkantige of driekantige of van welken vorm ook, naar de +omstandigheden haar dwingen. Het is gemakkelijk en eenvoudig, en men is +in ééns klaar, wanneer men dit alles op rekening schrijft +van dat geheimzinnig iets, het instinkt, de goddelijke gave waarmee het +organisme van de bij geladen is, zooals men electriciteit laadt in een +Leidsche flesch. Maar instinkt was het niet, dat Wren noopte den stalen +kabel om den koepel van St. Paul’s te leggen en het was ook geen +instinct dat den sluitsteen op de Groote Pyramiden bracht. Dit zijn +alle werken van hooger begaafde wezens en toch staan zij wat kunst van +vinding betreft op één plan met de honingraat, die +gevormd is uit een broze stof, licht als de lucht, doch op +zóódanig kunstige wijze door de honingbij bewerkt, dat +zij in staat is een gewicht, dertig maal zoo groot als het hare, niet +alleen te dragen, maar <i>op te houden</i>.</p> + +<p>Het feit, dat de bij haar bouwmateriaal niet bijeenzoekt maar het +uit eigen lichaam bereidt, is pas in de laatste honderdvijftig jaar +ongeveer aan het licht gekomen; echter vindt men in de geschriften van +de <span class="pagenum">[<a id="pb201" href= +"#pb201">201</a>]</span>middeneeuwsche ijmkers nu en dan al schrandere +gissingen daaromtrent. De wesp, die in vernuftige vinding veel met de +honingbij gemeen heeft, doch gedoemd is ze op oneindig bescheidener +schaal aan te wenden, maakt zeshoekige cellen; maar haar materiaal +haalt zij van buiten, en het kan voor geen samengesteld doel gebruikt +worden, omdat het geen spanning verdraagt. En juist de bijenwas is de +eenige bestaande stof, die aan iederen eisch voldoet. Zij kan verwerkt +worden tot plaatjes, die niet dikker zijn dan 1/70 c.M<span class= +"corr" id="xd0e1615" title="Niet in bron">.</span> ongeveer, wat de +gebruikelijke dikte is van den celwand. Zij is onaantastbaar voor alle +elementen behalve hitte. Zij kan zacht en kneedbaar gemaakt worden en +toch ook verharden met behoud van soepelheid en leven. Zij is een +slechte warmtegeleider en daarom houdt zij de warmte van den korf vast. +Zij trekt geen ongedierte aan, en tot nu toe is er maar +één dier bekend, dat er van eet, n.l. de larve van een +zekere motsoort; maar een sterke kolonie houdt het daar altijd tegen +uit. En daar het ruwe materiaal voor hare bereiding bestaat uit +afscheidingen uit het eigen lichaam der bij, kan de voortbrenging +gebeuren, als duisternis of ongunstig weder het buitenwerk +verhinderen.</p> + +<p>Het eerste werk, dat een zwerm na het betrekken van zijn nieuwe +woning onderneemt, is de ratenbouw. De tijdelijke inzinking die na de +opwinding van het zwermen volgt, is spoedig voorbij en het geheele +gezelschap concentreert zich op het inrichten en proviandeeren van den +nieuwen korf. De oudere bijen gaan op voedselverzamelen uit, en +één voor één blijven zij bij het wegvliegen +in de lucht even met het hoofd naar den korf om zich standplaats en +omgeving eigen te maken. Verreweg het grootste gedeelte echter +vereenigt zich thuis in een dichten klomp voor de wasbereiding. In deze +eerste verrichtingen van de nieuwe kolonie is <span class="pagenum">[<a +id="pb202" href="#pb202">202</a>]</span>tijd alles. De koningin, die +waarschijnlijk een dag of langer het eierleggen geschorst heeft, is +overbezwaard van vruchtbaarheid en zij moet zonder verwijl van +duizenden broedcellen voorzien worden. De provianddraagsters zullen +zwaar van nektar en stuifmeel naar huis keeren en er moeten dus +onmiddellijk voorraadschuren in gereedheid worden gebracht. Daarom is +er haast met de wasvorming, en de jonge bijen dringen op +één, met hunne koningin knus en warm in haar midden.</p> + +<p>Zonder twijfel is een van de voornaamste redenen waarom zwermende +bijen zich onmiddellijk in dien dichten tros vereenigen, het verhaasten +van het proces der wasvorming. Het is bewezen, dat de was zich het +gemakkelijkst afscheidt onder den invloed van groote hitte, en hitte +ontstaat er in dien dichten drom. Wanneer de verkenners een nieuwe +woonplaats gevonden hebben en dus de bijen weer verder moeten, hebben +al vele van hen de wastaschjes gevuld, en zijn dus klaar om het +raatbouwen te beginnen. Wanneer een zwerm wordt opgevangen, zelfs reeds +een korte poos na het uittrekken, kan men de kleine witte wasschubjes +tusschen de ringen van hun achterlijf zien uitkomen, en dikwijls +gebeurt het dat zij in de algemeene verwarring afvallen en verloren +gaan.</p> + +<p>Wat bij het opmerken van de bijen wel het allermoeielijkst is na te +gaan, is juist het bouwen van de raten. De wasbijen zijn +zóó dicht op elkaar en zoo aanhoudend in beweging, dat +het wel schijnt of de raat uit zichzelf aangroeit, inplaats van door +die krioelende menigte vervaardigd te worden; zij blijft haast +voortdurend verborgen voor het oog van den waarnemer, die maar te hooi +en te gras een verschijning krijgt van die witte, broze zelfstandigheid +en haar fijne teekening. Deze eerste pogingen van de raatbouwsters, +gewoonlijk onder <span class="pagenum">[<a id="pb203" href= +"#pb203">203</a>]</span>gedwongen omstandigheden verricht, vallen wel +eens verkeerd uit, alsof zij met te groote haast in elkaar gezet waren. +Somtijds zijn de eerste celgroepen, door een zwerm gemaakt, geel en +vochtig en sponsachtig van uiterlijk, met dikke onregelmatige wanden, +en het lijkt wel of zij bedoeld zijn als niet anders dan een tijdelijke +bergplaats voor den komenden nektar, tot er tijd is om de eigenlijke +honingcellen klaar te krijgen. Deze hulpraat is in ’t bijzonder +merkwaardig omdat zij weer een bewijs te meer is voor de handigheid van +de bij, waar het geldt in moeilijkheden te voorzien. In gewone tijden +blijft de metselbij rustig in den klomp hangen, tot de +wasafscheidingsorganen hun werk hebben verricht, en de zes langwerpige +schubjes van de broze stof gereed zijn voor het gebruik. Zij komen te +voorschijn van onder de harde platen, die het abdomen bedekken, drie +aan iederen kant, als briefjes, die half buiten de brievenbus steken. +Aan een van de kniegewrichten van haar achterpootjes heeft de werkbij +een bijzonder werktuigje, waarvan bij de koningin geen spoor te +bekennen is. Het ziet er uit als een soort van tangetje; maar inplaats +van twee tot elkaar neigende punten, is het aan den eenen kant voorzien +van een rij scherpe, stijve haren en om den anderen van een ondiep +lepeltje. Met dit bijzonder instrumentje grijpt de metselbij het +wasschubbetje, en trekt het uit zijn zakje. Het wordt dan overgebracht +tusschen haar kaken en zij haast zich ermee naar de raten. Bij een +onvoltooide cel gekomen, begint zij eerst de ruwe was tot een deeg te +kouwen, terwijl zij het met haar speeksel vermengt, en zoo vergroot zij +tegelijk het volumen. Dit zachte taaie materiaal wordt nu bij het werk +aangewend en gevormd. En op deze wijze wordt door de honderden van +werksters, in een onafgebroken komen en gaan, het lichte, fijne +samenstel van broed- en honingraten met zeldzame vlugheid opgebouwd. +<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span></p> + +<p>Hoe de ruwe, sponsige raten ontstaan, die de zwermen soms aanmaken, +kan niet met zekerheid worden meegedeeld. Zij hebben allen schijn van +ruwe was gemaakt te zijn, die haastig gekauwd en met honing doorgewerkt +is en waarschijnlijk zal het wel zoo zijn. Het afscheiden uit de +speekselklier gaat uitteraard langzaam, en als de tijd dringt en +honderden van ongeduldige voorraadbrengsters om hun ooren gonzen, die +haast hebben om af te laden en terug willen naar de klaver, heeft de +schrandere metselbij er op uitgevonden den inhoud van haar honingzakje +als surrogaat te gebruiken. Maar honing en ruwe was kunnen zich alleen +mechanisch bijeenvoegen, niet innig gemengd worden. De was lost zich +alleen op onder de inwerking van het speeksel der bij, dat scherpe +zuurdeelen bevat.</p> + +<p>Om goed te beseffen wat er al door de bijen verricht is, als een +nieuwe korf geheel met wasraten is gevuld, is het noodig de +werkzaamheden van den zwerm gedurende de eerste weken van zijn +afzonderlijk bestaan nauwkeurig te volgen. Het stichten van een geheel +nieuwe bijenstad is geen geringe onderneming; voor vele en verwikkelde +vraagstukken zien de bouwers zich gesteld. In de eerste plaats streeft +de bij naar het volmaakte, of zij het bereikt of niet. Erfelijke +ondervinding heeft haar bekend gemaakt met alle vereischten van het te +huis der kolonie, en zij zet zich er toe, die alle zoo volmaakt +mogelijk te verkrijgen.</p> + +<p>Er is een stad te bouwen, die twintig- tot dertigduizend individuen +moet huisvesten. Er moet een uitgebreide kinderwoning zijn; want het +kan gebeuren dat er tien of twaalfduizend jeugdige schepseltjes +tegelijk moeten ondergebracht. Gedurende zes maanden van het jaar is er +buiten geen voedsel te verkrijgen, zoodat de stad groote +proviandschuren moet bevatten, die een voorraad inhouden voor meer dan +een half jaar. Daar <span class="pagenum">[<a id="pb205" href= +"#pb205">205</a>]</span>in den winter de temperatuur alleen maar op de +benoodigde hoogte kan worden gehouden door de lichamelijke warmte der +inwoners zelve, moet het leven in de stad binnen de kleinst mogelijke +ruimte saamgevat worden. Het materiaal waaruit zij wordt opgebouwd moet +warmtehoudend zijn, terwijl toch de konstruktie ten allen tijd volmaakt +geventileerd moet kunnen worden; en in den zomer moet de lucht vrij +kunnen rondgaan zoodat de overtollige hitte kan worden afgevoerd. De +stad moet tegelijk een tehuis en een vesting zijn en aan alle kanten +dicht gesloten, beschut tegen de vele vijanden en ook tegen de ruwheid +van het klimaat.</p> + +<p>En dan is er nog een andere voorwaarde van een even ingrijpend +belang bij den bouw der raten—de noodzakelijkheid van strikte +spaarzaamheid met het materiaal. Als er eenige natuurlijke +zelfstandigheid bestond, die taai, licht, kneedbaar en sterk was, en +voor de bijen verkrijgbaar inplaats van was, dan zouden zij die zeker +voor hun ratenbouw gebruiken en niet zooveel uren van hun kostelijken +tijd en zulke groote hoeveelheden van hun zuur verkregen proviand +opofferen, om hun eigen was te vervaardigen. Maar er schijnt in de +natuur niets te zijn, dat gelijktijdig al die hoedanigheden bezit. Wel +verzamelen de bijen een harsachtige zelfstandigheid in hoofdzaak van de +knoppen der populieren, en gebruiken die om reten te stoppen; ook weten +zij er een soort van vernis van te maken, waarmede zij de afgewerkte +raten bestrijken, en soms zelfs vermengen zij het met was tot een soort +van ruwe vulling; maar voor celbouw schijnt het onbruikbaar. De geheele +stad moet noodzakelijk van was, en van was alléén gebouwd +worden, en de bijen gaan zoó zorgzaam om met dit kostbaar +materiaal als een vrek met zijn goud.</p> + +<p>Deze opgaaf in het oog houdende: de kolonie een voldoende behuizing +te verzekeren met zoo min mogelijk <span class="pagenum">[<a id="pb206" +href="#pb206">206</a>]</span>verlies van grondstof, tijd en arbeid, +begint de bij het probleem af te wikkelen met eene, aan ’t +ongeloofelijke grenzende schranderheid. Bij het centrale punt der +moeielijkheid beginnende, schijnt zij van daar uit naar buiten te +werken, en tegelijk de bijkomende vraagstukken, die zij op haar weg +ontmoet, op te lossen; en aldus gaat dan wel haar redeneering: +“Om de jongen op te kweeken en den honing te bergen is een celvat +noodig. De jonge larven zijn cylindrisch; dus lijkt een cylindrisch +gevormde cel aangewezen; zoo eene kan ook gebruikt worden voor de +honingraten. Er zijn er echter niet maar een paar noodig; maar een heel +groot getal, vele duizenden; zij moeten daarom dicht bij elkaar +geplaatst, zoowel voor besparing van ruimte als voor het behoud van de +natuurlijke warmte. De cellen zouden met de opening naar boven en in +horizontale vlakken in verdiepingen boven elkaar geplaatst kunnen +worden. Maar zulk een bouwwijze zou onpractisch zijn. Om het wegzakken, +in de hitte van den korf, te verhinderen en ook om bestand te zijn +tegen den zwaren druk van het gewicht, dat zij te dragen krijgen, +zouden de celbodems gezamenlijk aangedikt moeten worden tot een +stevigen vloer, die van tijd tot tijd nog gestut zou moeten worden, +zooals bij de wespen. Maar hiervoor zou veel kostelijke grondstof aan +haar eigenlijk doel onttrokken worden. Zeker zou het een beter plan +zijn de cellen op hun zijde te leggen en ze tot een verticalen wand op +te hoogen; en even zeker is het, dat als twee wanden van deze op elkaar +geplaatste cellen rug aan rug werden gezet, zoodat één +centrale wasplaat dienen zou om den bodem van alle cellen tegelijk +rechts en links af te sluiten, de helft van het bodemmateriaal bespaard +zou worden.</p> + +<div id="p207" class="figure"><img border="0" src="images/p207.jpg" +alt="Honingraat onder verlichting" width="538" height="561"> +<p class="figureHead">Honingraat onder verlichting</p> + +<p>(Men ziet de cellen-ordening aan beide zijden)</p> +</div> + +<p>Maar dit is nog enkel slechts een ruwe eerste schets van een plan. +De rechtopstaande raat uit een dubbelen <span class="pagenum">[<a id= +"pb209" href="#pb209">209</a>]</span>stapel ronde cellen gevormd, rug +aan rug met een vlakke basis er tusschen, is, hoewel een groote +verbetering op de enkele laag van horizontale cellen, mechanisch en +economisch fout. De ronde cellen laten nuttelooze tusschenruimten open, +die met opvullen veel was zouden vragen, en de vlakke bodems komen niet +overeen met den vorm der larven, zoodat daarom nog meer ruimte verloren +gaat. Het is duidelijk, dat er alleen verbetering kan komen door een +veranderden celvorm. En hier schijnt de bij met zichzelve te rade zijn +gegaan, en heeft zegevierend een zéér gecompliceerd +vraagstuk opgelost.</p> + +<p>Zij kende de afmetingen van de binnencelruimte, die eene larve voor +hare ontwikkeling noodig heeft, en nu was dit de opgaaf: een cel te +bouwen: waarvan de vorm zoo dicht mogelijk tot den cylinder naderde; +die de juiste afmetingen zou hebben; zoo sterk mogelijk zou zijn; zoo +min mogelijk plaats innemen; een minimum van grondstof zou vragen, en +waarvan een groot getal in een dubbel vertikaal vlak zou kunnen worden +opgebouwd, zóó dat er tusschen de cellen of vlakken geen +tusschenruimte open bleef.</p> + +<p>Dit vraagstuk heeft maar ééne oplossing en de +honingbij heeft die gevonden—hoe ontelbaar veel eeuwen geleden +al?—in de zeshoekige cel, met haar basis van drie ruiten.</p> + +<p>Hoe verbijsterend vernuftig deze vinding is kan alleen dan +gerealiseerd worden wanneer men een pas gevormd maagdelijk stuk raat, +bijna geheel afgewerkt, grondig bestudeert. Men zal dan onmiddellijk +zien, dat de zeshoekige cellen volstrekt geometrisch samenvallen over +de geheele oppervlakte der raat en dat de zeskantige vorm voor alle +gebruik aan het doel beantwoordt. Wanneer men aan de ééne +zijde van de raat in de cellen kijkt, dan merkt men op, dat de +grondvlakken <span class="pagenum">[<a id="pb210" href= +"#pb210">210</a>]</span>den vorm hebben van holle pyramiden, die ieder +zijn samengesteld uit drie ruitvormige plaatjes, en draait men de raat +om, dan ziet men aan de andere zijde ook pyramidale celbodems. Neemt +men de diepte van de cel aan de ééne zijde der raat en +voegt die bij de diepte van de tegenoverliggende cel, terwijl men +daarna de geheele dikte van de raat meet, dan vindt men, dat de diepte +van die twee cellen, opgeteld, een aanmerkelijk grooter cijfer geeft +dan men krijgt als men de dikte van de raat meet. Op het eerste gezicht +lijkt dat een geval waarbij het kleine het groote insluit, dus een +zichtbare onmogelijkheid. Maar houdt men de raat tegen het licht dan +doet men eene ontdekking, die de oogenschijnlijke onmogelijkheid +opheldert. De grondvlakken van de cellen zijn zóó dun, +dat zij haast doorschijnend worden en daardoor komt het uit dat zij +niet in een rechte lijn, bodem tegen bodem gebouwd zijn; maar dat +iedere celbasis aan de ééne zijde van de raat, een +gedeelte dekt van drie verschillende grondvlakken aan de andere. Als +men die drie ruitjes, die te samen de driehoekige basis van een enkele +cel vormen, met een naald doorprikt, dan blijkt bij het omdraaien der +raat ieder prikje uit te komen in een andere cel. Zoo wordt dus de +besparing op de dikte van de geheele raat veroorzaakt doordat de +pyramidale grondvlakken aan iedere zijde om en om in elkaar grijpen als +de tanden van een val; inplaats van elkaar rechtstreeks te ontmoeten, +schieten zij over elkaar heen, en de vlakken van de pyramide zijn zoo +ingericht, dat ieder er van twee cellen dekt.</p> + +<p>In deze inrichting wordt nog een ander voordeel duidelijk: de top en +drie ribben van iedere pyramidale basis vormen de grondlijnen voor de +celwanden aan de andere zijde der raat; dit beduidt, dat niet alleen +alle celwanden op een boog rusten; maar ook dat iedere <span class= +"pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span>celbasis +versterkt wordt door een drievoudigen gordel. Het gevolg daarvan is, +dat de benoodigde hoeveelheid was overal tot een volstrekt minimum kan +worden teruggebracht. Het is maar alleen de vraag, hoe dik de was moet +zijn om den honing te kunnen inhouden; en de ervaring heeft geleerd, +dat dit niet meer behoeft te zijn dan 1/70<sup>e</sup> ongeveer van een +c.M. Men kan in waarheid dit alles aannemen als een schitterend +voorbeeld van den zege van den geest over de stof.</p> + +<p>De meetkundige beginselen, toegepast bij den bouw der honigraten, +zijn een geliefkoosd onderwerp van studie voor de wiskunstenaars van +alle eeuwen geweest, en vooral het gebruik van de ruit voor de +celbodems. De ruit wordt het best omschreven als een plat vlak met vier +gelijke zijden, zooals die van een vierkant, maar waarvan de hoeken +niet recht zijn. Bij zulk een figuur zijn er noodzakelijk twee +grootere- en twee kleinere hoeken, die paarsgewijs tegenover elkander +staan. De drie ruiten, die het grondvlak van de honingcel vormen, +grenzen aan elkaar in den vorm van een vlakke pyramide en als men alle +hoeken als te verwaarloozen grootheden beschouwt, blijkt de vlakheid +van de pyramide zeer juist in een passende verhouding te staan tot den +vorm van de volwassen larve. Maar dit is niet de eenige reden, waarom +de bijen die bijzondere helling geven aan de ruiten, die van iedere cel +de basis vormen. Ook hier, als elders in haar ondernemen, heerscht de +wet der spaarzaamheid, en de waarheid dat zij het eenig mogelijke +grondvlak genomen heeft, dat bij zijn bouw een minimum van grondstof +vereischt, wordt treffend bevestigd.</p> + +<p>Het is een oud en beroemd verhaal: maar het verdient herhaald te +worden. Een groot naturalist gaf zich eens oneindige moeite om de +hoeken te meten, die de ruiten vormden in een groot aantal +raatcelbases, en hij <span class="pagenum">[<a id="pb212" href= +"#pb212">212</a>]</span>vond, dat zij merkwaardig weinig verschilden. +Het zal ieder duidelijk zijn, dat de holle pyramide in den celbodem +dieper of ondieper zal zijn naar den vorm van de drie ruiten waaruit +zij is samengesteld. De top van de pyramide wordt gevormd door het +samenkomen van de drie gelijke hoeken, van ieder ruitje +één, en het spreekt van zelf, dat die top spits òf +vlak zal zijn, naarmate de samenkomende hoeken scherp of stomp zijn. +Het was natuurlijk onmogelijk de afmetingen van die hoeken met absoluut +mikroskopische juistheid te bepalen; maar de naturalist kon toch met +behulp van de best afgewerkte raat vaststellen, dat de twee grootste +hoeken in een ruitje ongeveer 110° en de kleinste 70° +bedroegen. Hij vond ook, dat de hoeken, gevormd door het samenkomen van +de celwanden met de grondvlakken, dezelfde afmetingen hadden als die +van de ruitjes. Aannemende daarom, dat mathematisch de hoeken van de +ruiten en de celwanden gelijk moesten zijn, was hij in staat nauwkeurig +de hoeken te berekenen die de bijen blijkbaar trachten te verkrijgen in +de konstruktie van de ruiten—109°,28′ en +70°,32′.</p> + +<p>Een andere wetenschappelijke bijenliefhebber, die over deze cijfers +zat na te denken, was er zeer door getroffen en besloot uit te vinden +waarom de bij steeds die vaste keus deed voor dien bijzonderen +ruitvorm. Hij kreeg toen den inval het bijeninzicht in de oplossing van +dit celbasis-vraagstuk te onderwerpen aan een onafhankelijke +autoriteit. Zonder dus zijn voornemen te kennen te geven legde hij het +volgende vraagstuk vóor aan een van de beroemdste mathematici +dier dagen:</p> + +<p>“Veronderstel eens,” zei hij, “dat men u had +opgegeven een zeskantig vat af te sluiten met drie ruitvormige platen, +welke hoeken zou men dan moeten nemen, zoodat de grootst mogelijke +ruimte zou gedekt worden met de kleinst mogelijke hoeveelheid +materiaal?” <span class="pagenum">[<a id="pb213" href= +"#pb213">213</a>]</span></p> + +<p>Het was een moeilijke opgaaf; maar de mathematicus kreeg haar toch +klaar en het antwoord was: 109° 26′ en 70° 34′.</p> + +<p>Het verschil tusschen de berekening van de bij en die van den man +was dus maar heel gering; en niemand dacht er aan een fout te zoeken in +de oplossing van den man, die in zijn cijferwereld boven ieder uitstak. +Er werd daarom aangenomen, dat de bij een miniem vergissinkje begaan +had, zóó miniem, dat het bij den raatbouw geen bezwaar +oplevert. Haar goede naam bleef onaangetast en de honingcel bleef het +volmaakte voorbeeld van de grootste ruimte met het minste materiaal +verkregen.</p> + +<p>Maar een andere mathematicus—een Schot dezen keer—ging +de heele zaak nog eens na, en hij bewees nadrukkelijk, dat de bij +gelijk had en de geleerde ongelijk. Hij toonde aan, dat het juiste +antwoord op het vraagstuk betreffende de hoeken, luiden moest: 109° +28′ en 70° 32′—precies de cijfers verkregen bij +het opmeten van de honigraat.</p> + +<hr class="tb"> +<p>In de voorafgaande bladzijden zijn wij wat dieper ingegaan op de +beginselen, bij den raatbouw toegepast, omdat juist dit het punt is +waar de gedachtelijnen van de oude en nieuwe naturalisten op +eigenaardige wijze van elkaar gaan afwijken. Beide scholen komen in +hoofdzaak in dit ééne punt overeen, dat uit +ééne almachtige bron alle levensvormen zijn +voortgevloeid; en het doet weinig tot de zaak af of zij de tijdruimten +gedurende welke de schepping van alle dingen werd volbracht, bij eeuwen +rekenen of volgens de oude bijbelsche metafoor, bij dagen. Maar terwijl +de oude school zich houdt aan verschillende hoedanigheden van leven: de +onsterfelijke ziel in den mensch, en een mystiek onderbewustzijn, een +sterfelijk iets, instinkt <span class="pagenum">[<a id="pb214" href= +"#pb214">214</a>]</span>genoemd, in het dier—kan de nieuwe school +geen ander verschil dan een van graden ontdekken tusschen de geestelijk +uitrusting van den mensch en die van de dierlijke schepping. Tusschen +de honingbij en haar meester opent zich zeker een immense kloof; maar +zij is merkbaar te overbruggen. En tenzij wij besloten zijn met +verkrachting van alle logica een geliefkoosd stel vierkante meeningen +te dwingen in de ronde openingen van waargenomen feiten, is het +moeilijk te gelooven, dat de oude stelling houdbaar zal blijven.</p> + +<p>Wat dit <span class="corr" id="xd0e1694" title="Bron: bizondere"> +bijzondere</span> vraagstuk van den raatbouw betreft, wordt er nog +steeds een poging gedaan om aan te toonen, dat die niet anders zijn kan +dan het gevolg van sommige natuurwetten, en geheel onafhankelijk van +eenig intellekt of wil, die van de bijen zou uitgaan. Men zegt ons dan, +dat het begin van de cellen altijd cirkelvormig is; maar dat zij +naderhand geheel mechanisch tot den zeshoekigen vorm overgaan, +tengevolge van de wetten van wederzijdschen druk. En als bewijs hiervan +wordt er op gewezen, dat de buitenste cellen van een raat, die niet aan +de wetten onderworpen zijn, gewoonlijk min of meer ronden vorm +hebben.</p> + +<p>Deze druktheorie is eigenlijk geen ernstige beschouwing waard; want +het is duidelijk, dat de groei der raten vrij en ongehinderd in zijn +werk gaat in alle opzichten. Als de bij haar cellen met zes zijden en +een pyramidale basis gedachteloos vormt, en onder het juk van een +katagorisch moeten, dan is dat zeker niet omdat de cellen elkaar dien +vorm opdringen zooals Buffon’s erwten in een flesch.</p> + +<p>En als wij gelooven, dat de bij geblinddoekt werkt onder de wet van +wederzijdschen druk, dan moet ieder nauwkeurig onderzoek van haar werk +ons wel overtuigen, dat wij hier het eene wonder op zij zetten voor een +ander, dat nog grooter wonder is. <span class="pagenum">[<a id="pb215" +href="#pb215">215</a>]</span>Want dan zien wij een natuurwet een heel +onnatuurlijke eigenschap aannemen, n.l. die van vernuftige aanpassing +aan de omstandigheden. De raten voor het gebruik in den broedbouw +bedoeld, worden in twee verschillende grootten vervaardigd. Degenen, +die het werksterbroed moeten bergen, hebben cellen van 0,5 m.M. +middellijn en zijn iets minder dan 1.25 m.M. diep; terwijl de +darrencellen 0.625 m.M. middellijn hebben en ongeveer 1,50 m.M. diep +zijn. Deze zoo van elkaar verschillende cellen liggen niet door elkaar +heen over de geheele raat; maar in groote groepen bijeen. Sommige raten +bestaan bijna geheel uit werkstercellen, waarvan het grootste aantal +vereischt wordt, en andere weer uit groepen van beide soorten.</p> + +<p>De bijen beginnen een raat met een klein kluitje was aan het dak van +den korf vast te kleven. Aan iederen kant van dat kluitje maken zij +daarna een kleine holte, die de grondvlakken van de eerste cellen +moeten vormen. Dan gaan zij aan het uitbreiden op zijde, en naar +beneden, terwijl de celbases in alle richtingen zoo snel mogelijk +vermenigvuldigd worden, zoodat er al een heel groot getal aangelegde +cellen bestaat, lang vóór dat de wanden van de eerste +zijn afgewerkt. Voor deze methode van werken bestaat een zeer grondige +reden. Wanneer een huis gebouwd wordt, legt men eerst zooveel mogelijk +van de fundamenten zoodat er daarna een groot getal metselaars tegelijk +aan het werk kunnen gaan bij het optrekken der muren; de bijen gaan van +hetzelfde beginsel uit als zij die groote uitbreiding aan hare +celgrondlagen geven.</p> + +<p>Als ongeveer de helft van de broedraten voor werksterbroed gebouwd +is, wordt er waarschijnlijk vastgesteld, dat de darren-celbouw kan +beginnen. Daar de grondvlakken van de darrencellen grooter zijn dan die +van de werksters, begrijpt men, dat er eene verandering <span class= +"pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216">216</a>]</span>moet komen in het +grondplan van de raat. De bijen bereiden dezen overgang heel handig +voor, blijkbaar trachten zij er naar, de regelmaat van de raat zoo min +mogelijk te verbreken. Somtijds bereiken zij die verandering zonder +nagenoeg eenig ruimteverlies; maar het komt meer voor, dat er eerst +eenige wanschapen cellen noodig zijn, voordat de raat weer haar gewonen +systematischen voortgang kan hebben. Dit hangt heel veel af van de +overgeërfde handigheid der bijen, die bij ieder volk verschillend +is, zooals alle ervaren ijmkers weten.</p> + +<p>Als nu de bijen hun raten bouwen onder den blinden drang der wet van +wederzijdschen druk, welke andere wet, vragen wij dan, heft dan deze +weer op wanneer de overgang van de kleinere tot de grootere cel gemaakt +moet worden? Als dat alles een soort van kristallisatie is, die werkt +geheel onafhankelijk van wil of verlangen der bijen, dan is het wel +meer dan verwonderlijk, dat de molen grof en fijn maalt, al naar de +vereischten van den korf.</p> + +<p>Maar de geheele veronderstelling is eigenlijk niets anders dan een +treffend voorbeeld hoe verkeerd het is gevolgtrekkingen te maken uit +een vergelijking. Geweekte erwten in een flesch zwellen op tot +zeshoeken of liever twaalfhoeken, tengevolge der wet van wederzijdschen +druk. Zeepbellen doen hetzelfde zonder andere drukking dan die van hun +eigen gewicht. Maar erwten en zeepbellen waren op zichzelf bestaande +dingen voordat zij te samen gebracht werden. Als de bijen een groot +aantal losse ronde cellen maakten en ze dan alle gelijk te samen +voegden, zouden zeker alle cellen, behalve de buitenste, den vorm van +zeskanten krijgen. Maar juist de essence van de kunst en het vernuft +der bijen ligt in het feit, dat zoo iets als een afzonderlijke cel niet +bestaat. Iedere afdeeling in de raat heeft zijn <span class="pagenum"> +[<a id="pb219" href="#pb219">219</a>]</span>deelen gemeenschappelijk +met niet minder dan negen andere afdeelingen. En te praten van +wederzijdschen druk wanneer er geen zelfstandig bestaan is, noem ik het +zeestrand ploegen.</p> + +<div id="p217" class="figure"><img border="0" src="images/p217.jpg" +alt="Raat, naar boven toe opgebouwd" width="494" height="720"> +<p class="figureHead">Raat, naar boven toe opgebouwd</p> +</div> + +<p>Er zijn nog andere omstandigheden in verband met den bouw der raten, +die heel veel bijdragen tot bevestiging van de stelling, dat de bijen +door verstand geleid worden, en door een verstand van de hoogste orde. +Wij hebben al gezegd, dat het inwendige van een korf overdag niet +geheel donker is. Waarschijnlijk hebben de bijen gedurende hunne +bezigste uren altijd genoeg licht om hun weg te vinden met behulp van +hun verwonderlijke binnenhuis-oogen, die, onder den mikroskoop gezien, +al de plechtige wijsheid in zich hebben van uilenoogen. Maar het is een +feit, dat het bouwen der raten in den nacht verricht wordt, als al de +andere bezigheden tijdelijk zijn geschorst. Waarschijnlijk is wat voor +onze menschenoogen de zwaarste duisternis schijnt, in ’t geheel +geen duisternis voor bijen; in ieder geval, voor ons is het of de +honingraat in het duister gemaakt wordt.</p> + +<p>Intusschen worden zij naast elkaar gebouwd en dikwijls +tegelijkertijd. Zij groeien tegelijk in benedenwaartsche richting, en +behouden toch altijd hun juisten afstand van elkaar; zoodat, als zij +voltooid zijn, er een doorgang blijft tusschen de verzegelde cellen, +van ongeveer een 0.6 centimeter, juist genoeg voor de gaande en komende +bijenstroomen om elkaar rug aan rug te kunnen voorbijgaan. Hoe worden +nu die afstanden gelijk gehouden, daar de bijen aan het werk zijn aan +den bovenrand van iedere raat, en van elkaar gescheiden door een leege +donkere ruimte van 3 tot 4 c.M. ongeveer?</p> + +<p>Een eenvoudige proef zal dit onmiddellijk ophelderen. Als een korf, +waarin een zwerm ongeveer de halve <span class="pagenum">[<a id="pb220" +href="#pb220">220</a>]</span>diepte van den raatbouw voltooid heeft, +even schuin wordt gezet, zoodat de raat uit de loodlijn komt, en men +dan den korf zoo eenige dagen laat staan, dan zal men daarna bemerken, +dat van het oogenblik van de stoornis af, bij den verderen bouw de +nieuwe vertikale lijn gevolgd is; de raten zullen alle een lichte +helling naar één kant vertoonen. Dit beduidt, dat de +bijen òf een natuurlijken zin voor de loodrechte richting +hebben, òf, dat zij met de loodlijn werken zooals de mensch +gedwongen is te doen. En het schijnt werkelijk een feit, dat de recht +naar beneden hangende waswerkstertros den dienst doet van een levend +paslood, en de richting aangeeft voor den groei der raat naar +beneden.</p> + +<p>Maar hangen de bijen wel altijd hun raten op? Bouwen zij nooit hun +wassen voorraadschuren zóó, dat zij laag op laag +optrekken van den vloer af, naar de manier van dat meer intelligente +schepsel, den Mensch?</p> + +<p>Wat hier het eerst van te zeggen valt, is, dat zulk een afwijken van +hun vaste methode geen vooruitgang, maar een stap terug zou zijn. Deze +lange raatmuren van de bijen doen zeer sterk denken aan de nieuwe +Amerikaansche “wolkenkrabbers”. De moeielijkheid bij het +oprichten van dergelijke gebouwen is een basis te verkrijgen voldoende +voor de hoogte. Als de Amerikaansche ingenieurs over materiaal konden +beschikken, dat een voldoende spanningskracht bezat, en er bovendien in +de natuur iets was om de skyscrapers aan op te hangen, dan zou het, +wetenschappelijk gesproken, zeker praktischer zijn deze gebouwen te +laten ophangen, dan ze op te richten, omdat zij dan volgens natuurlijke +strekking hun vertikale richting zouden behouden en het +grondslag-vraagstuk was dan van de baan. En daar de bijen grondstof van +ideale spanning <span class="pagenum">[<a id="pb221" href= +"#pb221">221</a>]</span>bij de hand hebben en een geschikte hangbalk, +laten zij om dezelfde reden wijselijk hun zwaargeladen raten van het +dak afhangen, in plaats van ze op <span class="corr" id="xd0e1734" +title="Bron: te te">te</span> zetten zooals sommige mieren doen bij hun +bouw.</p> + +<p>Maar ongetwijfeld worden zij hier geleid door een ervaring van +eeuwen hèr van het ras en worden zij niet verhinderd door gebrek +aan bekwaamheid om de door den mensch bevonden methode te volgen. +Zelden—slechts zóó zelden, dat de schrijver, +gedurende het lange tijdsverloop dat hij onder bijen verkeerde, er niet +meer dan éen voorbeeld van heeft gezien, bouwen de bijen hun +raten opwaarts, als de omstandigheden geen andere mogelijkheid +toelaten. En dit is zoo goed als een laatsten nagel slaan in de +doodkist van die ongelukkige instinkt-theorie, en tegelijk er een +grafschrift bij maken.</p> + +<p>In het vermelde geval was een doos met glazen bodem omgekeerd over +het voedingsgat van een gewonen korf gezet en was daar vergeten. In den +loop van het seizoen geraakte de korf vol met bijen en honing, en het +werd dringend noodig in de doos boven op den korf nieuwe proviandraat +te bouwen. Maar het gladde glas bood geen vasten voet aan de +metselbijen. Keer op keer moeten zij wel opnieuw gepoogd hebben om er +den bouw te beginnen, met hun wastaschjes vol, en nooit mocht het +gelukken; het was niet mogelijk hier op de gewone wijze te bouwen. Toen +zijn de korfingenieurs, door de moeilijkheid geprikkeld, iets anders +begonnen. Op den planken vloer beneden legden zij het plan uit voor een +voorraadschuur niet volgens de gewone methode van <span class="corr" +id="xd0e1741" title="Bron: paralelraten">parallelraten</span>; maar een +regelmatig, langwerpig huis met cellulaire provisiekamers en +daartusschen verbindingsgangen. Hierop bouwden zij laag op laag van +horizontale cellen, tot het glazen dak bijna bereikt was. Toen zij op +dit punt gekomen <span class="pagenum">[<a id="pb222" href= +"#pb222">222</a>]</span>waren, was waarschijnlijk de groote honingoogst +buiten gedaan; want de cellen van het proviandhuis werden nooit +verzegeld, hoewel zij bijna geheel vol met honing waren; later in den +tijd werd dit honinghuisje gevonden en meegenomen door den ijmker, die +het nog bewaart als een <span class="corr" id="xd0e1746" title="Bron: +byzondere">bijzondere</span> kuriositeit. Hij draagt een welbekenden +naam: Dr. Herbert Mac Donald Phillpotts, van Kingswear, Devon, en zijn +getuigenis betreffende het vervaardigen van dit merkwaardige +honinghuisje is boven allen twijfel verheven; maar bovendien draagt het +zijn eigen onfeilbaren stempel van echtheid. Alle honingcellen, door +bijen gemaakt, hebben een lichte opwaartsche buiging, waardoor, zooals +reeds verklaard werd, het uitvloeien van den inhoud wordt belet, tot +zij kunnen verzegeld worden. En iedere cel in dit proviandhuisje +vertoonde duidelijk het opstaande kantje.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb223" href= +"#pb223">223</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch13" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk XIII</h2> + +<h2 class="normal">Waar “het Bieken honing puurt”.</h2> + +<p>Het is een eigenaardig feit, dat zij, die van bijen onkundig zijn, +zich dikwijls angstig toonen waar geen gevaar dreigt, en met de +stoutmoedigheid, uit onwetenheid geboren, zich dáár +wagen, waar juist de oude, ervaren bijenkenners niet graag een voet +zouden zetten.</p> + +<p>Bij dit onberekenbaarste van alle schepselen is het humeur nog +onberekenbaarder dan al het andere. Er zijn tijden, b. v. als er een +onweer dreigt en de lucht geladen is met elektriciteit, dat men zich in +een wis gevaar begeeft als men onder bijen gaat; en dan weer, b.v. in +het seizoen van den vollen nektaroogst, kan men zich letterlijk alle +vrijheden met hen veroorloven, zonder dat er eenige wraak te duchten +is. Toch is dit ook weer geen regel. Er hangt hier heel veel af van hun +afkomst en de zuiverheid van het ras, en ook van de methode van den +<span class="corr" id="xd0e1764" title="Bron: ymker">ijmker</span>. +Bijen zijn, als andere huisdieren, zeer gevoelig voor een wijze en +tegemoetkomende behandeling. Als men doortastend, rustig en gelijkmatig +met ze weet om te gaan, is men bij de kwaadaardigste kolonie dikwijls +volkomen veilig; terwijl de zachtaardigste bijen tot eene onmiddellijke +oorlogsverklaring overgaan bij eene schutterige, onhandige +aanraking.</p> + +<p>Sedert de Italiaansche bij, ongeveer een halve eeuw <span class= +"pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224">224</a>]</span>geleden, naar +Engeland is overgebracht, is er zeker een aanmerkelijke wijziging +gekomen in het Engelsche ras. Zelfs twijfelen eenige autoriteiten er +aan of er in werkelijkheid nog wel volkomen raszuivere Engelsche bijen +over zijn. Men ziet de gouden gordels van de Italiaansche op de +onmogelijkste plaatsen opduiken; het vreemde bloed schijnt overal in +het ras te zijn doorgedrongen, behalve in de allerverste uithoeken. Het +is zeker te betreuren, hoewel dit berouw nu te laat komt, dat men ooit +die ongewenschte vreemdelingen op onze terreinen toeliet. Wat in eenig +land gedijt en er blijft voortbestaan, moet voor dat bijzondere land +wel het best geschikt zijn, en deze zuidelijke bijenrassen schijnen, en +zeer in het nadeel van onzen Engelschen stam, aan het ras +eigenaardigheden te hebben teruggegeven, die bij de inheemsche bij door +lange kultuur geheel verdwenen waren. Veel van de prikkelbaarheid en +vatbaarheid voor verschillende ziekten, die wij bij de hedendaagsche +honingbijen opmerken, zijn min of meer terug te brengen tot de +inmenging van het vreemde bloed, en het groote en bijzondere voordeel +van de Italiaansche bij, de beroemde en wijd en zijd uitgeklonken lange +tong—is gebleken een fabel te zijn. Ontelbare opmetingen gedaan +door onze grootste wetenschappelijke bijenkenners hebben aangetoond, +dat de tong van de Italiaansche bij niet langer is dan die van eenige +andere; echter kennen de meesten haar zeer gereedelijk een bijzonder +langen en tot steken bereiden angel toe. Maar hier zijn wij +onrechtvaardig: de Italiaansche werkbij van zuiver ras is even goed of +slecht gehumeurd als iedere andere van haar soort. Het zijn de eerste +kruisingen met de inheemsche bij, die zich zoo uitdagend en +wraakzuchtig aanstelden, en daaraan heeft het geheele ras zijn slechten +naam te danken. <span class="pagenum">[<a id="pb225" href= +"#pb225">225</a>]</span></p> + +<p>In den rijksten oogsttijd—die in <span class="corr" id= +"xd0e1774" title="Bron: Zuid-Engelan">Zuid-Engeland</span> al in Mei +aanvangt, vroeg of laat, al naar het jaargetij uitvalt, en die dikwijls +zes weken duurt—, komt het heel veel voor, dat men de angstige +wandelaars ziet rennen langs de voetpaden tusschen de klavervelden, +verschrikt door de geweldige roezigheid van de inzamelende bijen. +Wanneer die velden zeer uitgestrekt zijn en het een bijzondere heldere +dag is, krijgt dat geluid een omvang, dat men het haast niet meer +houden kan voor een zang van werk en rust. Het lijkt meer op het +dreunen van een algemeenen bijenoorlog, en het is niet te verwonderen, +dat de onkundigen wat zeden en gewoonten der korven betreft, zich niet +wagen in wat hun zeker een tooneel van moord en doodslag lijkt.</p> + +<p>En toch is er in het heele jaar geen seizoen, waarin de bij minder +geneigd is haar menschelijke medeschepselen te lijf te gaan. Zoo lang +het honing-weder blijft aanhouden—de warme nachten waarin de +nektar wordt afgescheiden, en de regenlooze dagen als hij kan +ingezameld worden—is zij haast niet tot een aanval te prikkelen, +al wordt haar huis ook binnenste buiten gekeerd, zoodat het zonlicht +plotseling het duister door en door zeeft.</p> + +<p>Tot voor betrekkelijk korten tijd was algemeen aangenomen, dat +honing een zuivere, onaangeroerde afscheiding der planten was, en dat +behalve het inzamelen en opleggen, de bijen geen deel aan zijn +voortbrenging hadden. Dit is echter een ernstige vergissing. Honing +moet vervaardigd worden, en verschilt bijna in alle opzichten van de +zuivere sappen, die in de verschillende bloemen worden afgescheiden. De +bloemennektar schijnt, vóórdat de bij hem heeft +ingezameld, geen enkele van de elementen te bezitten, die den rijpen +honing samenstellen. Drie vierde van het volume bestaat uit zuiver +water, waarin ongeveer 20° rietsuiker is opgelost, <span class= +"pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226">226</a>]</span>terwijl de rest +bestaat uit vluchtige olieën en gommen, die er den bijzonderen +smaak aan geven. Maar rijpe honing bevat heel weinig water, nooit meer +dan een zesde van zijn volume. En de suiker in honing is bijna geheel +druivensuiker. Honing is ook zeer bepaald zuur, terwijl nektar positief +neutraal is. En de olieën en aromatische essencen van de +bloemsappen zijn gerijpt en overgegaan in den welbekenden honinggeur, +die op niets anders ter wereld gelijkt.</p> + +<p>Het staat vast, dat het verwerken van den nektar tot honing +onmiddellijk begint als de bij het zoete sap uit de bloem tot zich +neemt. Als het vocht in den honingzak komt, is het al vermengd met de +zure afscheiding van de klier aan den tongwortel. Komt de bij in den +korf terug dan brengt ze niet dadelijk den honing in de cellen; maar +geeft dien over aan een van de huisbijen, die hem naar de honingraten +overbrengt. Het is zelfs waarschijnlijk, dat hij nog een tweeden keer +wordt overgegeven vóór hij in de cel komt, maar dat punt +is nog niet vastgesteld. Het gevolg van het overgeven aan een ander is, +dat er meer zure eigenschappen aan het oorspronkelijke sap worden +toegevoegd.</p> + +<p>De honing schijnt in den korf een geregeld brouwproces te ondergaan. +Hij wordt gehouden op een temperatuur van <span class="measure" title= +"26.7°">80°</span> of <span class="measure" title="29.4° +Celcius">85° Fahr.</span> en daarbij gaat het overtollige water in +damp over. Op die wijze verliest de ruwe nektar minstens ⅔ van +zijn natuurlijk volume, voordat hij definitief tot honing wordt +omgewerkt. Men zegt dat op het laatste oogenblik, juist vóordat +iedere cel verzegeld wordt met een ondoordringbaar wasdekseltje, de bij +zich ronddraait en een droppel van het vergif uit haar angel in den +honing spuit; maar hiervan schijnt niet het geringste bewijs aanwezig. +Het is waar, dat de inhoud van het gifzakje voornamelijk uit mierenzuur +bestaat, dat zéér bederfwerend is; <span class="pagenum"> +[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>en het is ook een feit, dat +er sporen van mierenzuur in allen honing te vinden zijn. Maar het is +toch ook stellig bewezen, dat dit zuur zijn weg tot den honing vindt +uit het klierensysteem van de bij en niet door den angel.</p> + +<p>De ijver, door de bij aan den dag gelegd bij het nektarzamelen, is +altijd een punt van verbazing geweest en algemeen werd verondersteld, +dat zij met het volle instinkt voor haar taak geboren wordt. Maar gaat +men aan het waarnemen, dan ligt die theorie al heel gauw omver. Dit +werk moet stap voor stap geleerd worden, zooals alle bijenwerk, dat een +zekere bedrevenheid vereischt. De jonge bij gaat met den besten wil van +de wereld op haar eerste vlucht uit, en haar nabootsingsvermogen is in +hoogen mate ontwikkeld; maar met verdere gaven voor dezen specialen +arbeid schijnt zij niet te zijn toegerust. Haar eerste pogingen zijn +een opéénvolging van vergissingen. Zij schijnt niet zeker +te weten waar dat begeerde zoet eigenlijk te vinden is, en men ziet +haar soms op de onaannemelijkste plaatsen met een ernstig onderzoek in +de weer, bij spleten in een muur, toefjes gras of de bladen van een +plant, inplaats van bij de bloemen. Het feit, dat de nektar onder in de +bloem verborgen is, voorbij het stuifmeeldragend mechanisme, schijnt +pas voor haar te dagen na heel wat nadenken en vergeefsche moeite.</p> + +<p>Het is bewezen, dat bijen soms tot twee en drie mijlen ver gaan op +haar inzamelvluchten. De afstand schijnt in verband te staan met den +aard van de streek. De bijen uit een heuvelland wagen zich maar op +kleine afstanden van huis, terwijl in een vlakker streek de reizen veel +verder worden uitgestrekt. De bijen-lijn is spreekwoordelijk geworden +voor den rechten koers; maar het is te betwijfelen of de bij ooit +volmaakt rechtuit vliegt van punt tot punt. De waarheid schijnt te +wezen, dat er vaste <i>lucht</i>-wegen uit en thuis voor iederen +bijentuin <span class="pagenum">[<a id="pb228" href= +"#pb228">228</a>]</span>zijn, en dat die altijd door een dichten stroom +gaande en komende bijen bezet zijn, gedurende de dagelijksche werkuren. +Deze verkeerswegen liggen hoog boven de hoogste hindernissen, +zóó hoog zelfs, dat het scherpste gezicht ze niet +ontdekken zal. Alleen de bezige zang van de reizigers is te hooren, als +was er een zingende rivier hoog boven ons.</p> + +<p>In de South Down streek, waar de afgelegen boerderijen ieder omgeven +zijn door hun kompakt akkersysteem met bloeiend schapenvoêr, en +waartusschen niets te zien is dan mijlen en mijlen van kaal +kortgrasland, kunnen die bijen-wegen in de lucht gemakkelijk gevonden +en bestudeerd worden. Terwijl ge over het veêrend, golvend gras +loopt in den kalmen vrede van een zomermorgen, dringt plotseling een +verre vage toon tot u door, alsof hoog in het blauw een enkele +harpsnaar werd aangeslagen. Ge doet een paar stappen en hebt hem weer +verloren; gaat ge terug dan hoort ge hem weer. Zien doet ge niets, hoe +ge uw oogen ook moogt inspannen; maar de oorzaak van het geluid is +duidelijk, en met een beetje moeite kunt ge heel gauw de hoofdrichting +van de vlucht uitmaken, en ge ziet dan verderop in de laagte het +complex van de daken eener boerensteê met zijn geplekte akkers er +omheen, wit van klaver of rozerood van Espareette, in vollen bloei.</p> + +<p>Er is misschien op de geheele wereld nergens zulke kostelijke honing +te vinden als in deze afgelegen Downlandsche boerderijen. Bij den +gewonen verbruiker is honing eenvoudig honing en daarmee uit. Maar de +bijenman weet, dat de honing evenzoo veel kwaliteiten kent als de wijn. +Bij een eerste proefje kan hij onmiddellijk zeggen uit welke bloemen +hij gemaakt is, of hij uit één of meerdere bronnen bijeen +is gezameld, of hij enkel bloemessence is, of bezoedeld is geworden +door dien <span class="pagenum">[<a id="pb229" href= +"#pb229">229</a>]</span>afschuwelijken honingdauw, die in ’t +geheel geen honing is. Beneden in het laagland is het, behalve in de +zeldzame seizoenen, als er maar één soort van oogst is, +bijna volslagen onmogelijk honing te krijgen van slechts +één enkele bron. Maar hier op de heuvelen worden de bijen +niet aangelokt door kleurige tuinen, met hun zwakke, waterige +zoetigheid, noch worden zij er verleid door den groven liguster, of de +paardenkastanje of zonnebloem. Neen, er is maar één +gerecht op tafel: maar dit is dan ook onuitputtelijk, onbegrensd. Zij +hebben niet anders te doen dan heen en weer te vliegen uit en thuis, +tusschen hun korf en één enkelen akker.</p> + +<p>Het is heel moeielijk met het schatten van de hoeveelheid honing, +die één oogst van bloemen oplevert, de waarheid ook maar +eenigszins te benaderen. Maar gesteld, dat alle omstandigheden +meewerken, dan komt er op ieder roede Hollandsche klaver ongeveer vijf +pond zuivere honing per dag, zoolang het veld in vollen bloei staat. De +nektar wordt klaarblijkelijk door de bloem afgescheiden als aantrekking +voor de bijen, die, met hun stuifmeel beklodderd lichaam er op neer +vallend, onbewust de bevruchting bewerken. Onmiddellijk nadat dit doel +bereikt is, schijnt het nektarvloeien in iedere bloem afzonderlijk op +te houden en de honingdraagster gaat haar voorbij.</p> + +<p>Als men de oude boeken over bijenkultuur bestudeert, verbaast men +zich, dat er de honingdauw zoo geprezen wordt, terwijl er in de moderne +bijentuinen niet genoeg kwaad van kan gezegd worden. Men hoort daar, +dat onmiddellijk wanneer de bijen honingdauw beginnen te zamelen, de +honingsecties uit de korven worden genomen, of de goede honing zou +bedorven zijn, wat kleur en smaak betreft. Men toont ons een leelijk +donker waterig goedje, dat zorgvuldig door de bijen verzegeld is en men +vertelt, dat dat haast enkel honingdauw <span class="pagenum">[<a id= +"pb230" href="#pb230">230</a>]</span>is. Maar dan vraagt men zichzelf +af: “kan dit dezelfde stof zijn, die door de oude meesters zoo +vurig geprezen wordt?” De waarheid is, dat wanneer de oude en +middeleeuwsche schrijvers van honingdauw spraken, zij dat woord in +’t algemeen gebruikten voor alles wat de bijen inzamelden. Voor +hen was alle honing een dauw, een goddelijk goed uit den hemel +geregend; en het is volkomen in overeenstemming met het algemeen gebrek +aan bijenkennis tot ongeveer het begin van de negentiende eeuw toe, dat +zóó weinigen hebben gegist, dat bloemen iets met de zaak +te maken hadden. Vergilius en de andere klassieken gaven uitsluitend +den toon aan voor allen, die maar op eenige beschaving aanspraak +maakten, en zelfs de naturalisten schijnen de wilde natuur +alléén maar bestudeerd te hebben om de feiten aan te +passen aan oude dichterlijke fantasieën. De oude schrijvers +verklaarden het verschil in de hoedanigheid van den honing als +veroorzaakt door den invloed van de sterren, die op het tijdstip der +inzameling aan den hemel rezen, en de honing was goed of slecht +naarmate die invloed gunstig of ongunstig was.</p> + +<p>De hoedanigheid en samenstelling van den honing kan oneindig +verschillen, afhankelijk als zij zijn van de verschillende +nektarbronnen; maar ongetwijfeld verdient de honingdauw ten volle zijn +slechten naam bij de moderne bijenhouders. Er worden door de Engelsche +natuurkundigen misschien driehonderd soorten van bladluizen (aphides) +onderscheiden, en al deze scheiden het zoete vocht af, dat onder +sommige omstandigheden door de bijen wordt ingezameld. De smaak van +dezen honingdauw verschilt naar de soorten van bronnen, waarop het sap +gevonden wordt. Waarschijnlijk zijn de meeste soorten niet anders dan +een zoet, eenigszins wee smakend vocht, dat in zuiveren staat den +echten honing niet veel in smaak doet afwijken, <span class="pagenum"> +[<a id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span>tenminste voor een +ongeoefend smaakorgaan. Maar, helaas voor de ijmkers, is de eik door +die parasieten het meest gezocht; niet minder dan zes variëteiten +houden zich òp op die ééne boomsoort. En de +honingdauw van den eik is een walging. Vrij algemeen wordt +verondersteld, dat de eerste koude nachten, die het begin van het +honingseizoen kenmerken, de productie van honingdauw prikkelen; want na +zulke kille nachten ziet men gewoonlijk de bijen aan het werk op de +boomen waar de bladluizen huizen. Het is echter een aannemelijker +theorie, dat de koude de afscheiding van den honingdauw niet versnelt; +maar eerder de rechtmatige honingbronnen voor de bijen afsnijdt, juist +wanneer zij nog in den vollen werktijd zijn; en zoo zijn dus de immense +legers van proviandzoekers tijdelijk werkeloos en moeten een nieuw veld +vinden om hun dringenden ijver te uiten. De afscheiding van den echten +nektar geschiedt in hoofdzaak ’s nachts, en vraagt een +temperatuur van ongeveer 70° Fahr. Iedere lagere temperatuur +beduidt schraalte voor den volgenden dag, hoe mooi en warm het weer dan +ook zijn moge.</p> + +<p>De donkere kleur van de bladluisstroop—en het kleinste beetje +er van bederft al de markt voor den prachtigsten honing—schijnt +zoowel veroorzaakt te worden door vreemde stoffen als door zijn eigen +slechte hoedanigheid. Er leeft een eigenaardige fungus op de schors van +vele boomen, waarop bladluizen huizen, de roetfungus. Deze wordt met +den honingdauw samen tot een donkere troebele massa—en zeer zeker +zou zelfs het geringste spoor er van genoeg zijn om den kostelijksten +honing te bederven. Er schijnt voor de ijmkers niets anders over te +schieten, dan tegen het eind van het honingseizoen acht te geven op de +eerste kille nachten, en dan heel vroeg in den ochtend er bij te zijn +om de reserve honingraten uit te korven te nemen, vóór de +<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232">232</a>]</span>bijen +gelegenheid hebben gehad ze te bederven. Maar de bij is geen heldin in +het vroeg opstaan, al staat zij nog zoo hoog aangeschreven in ’t +boek der moraal. Gewoonlijk wacht zij tot de morgenzon den nachtdauw +heeft opgedroogd en de bloemkelken verwarmd, en dan gaat zij pas in +ernst aan den arbeid. De eerste vroege bijen, die men in het eerste +zomermorgenlicht ziet uitvliegen, zijn waarschijnlijk waterdraagsters. +In den broedtijd is voor iederen korf het water-dragen de eerste en de +laatste zorg van den dag. Ieder bijenpark schijnt zijn eigen vaste +waterreservoir te hebben, gewoonlijk de moerassige rand van een +naburigen vijver; en hier kan men heele bijenbataillons zien drinken, +in den vroegen morgen en tegen den laten namiddag, terwijl zij midden +op den dag bijna geheel verlaten zijn. Het is aardig, dat deze tijden +van het water-innemen samenvallen met die waarin het minst nektar te +verkrijgen is, of wanneer de voorraad van dien dag is uitgeput; en hier +valt weer een zijlicht op de economische eigenschappen van het +bijenvolk.</p> + +<div id="p233" class="figure"><img border="0" src="images/p233.jpg" +alt="De Voorraadschuur" width="521" height="720"> +<p class="figureHead">De Voorraadschuur</p> + +<p>(Het verzegelen van den jongen honing)</p> +</div> + +<p>De bijen op hun honingoogsten te volgen, staat gelijk met een +overzicht te nemen van den geheelen natuurlijken groei en leven, het +jaar rond. In Zuid-Engeland wordt de eerste nektar van de wilgen +verkregen, die laat in Maart in bloei komen, maar hun zoet terughouden +tot het eerste mooie warme weer volgt op de kille noordewinden. Er kan +weinig of veel wilgenhoning zijn, al naar de nacht-temperatuur geweest +is. Gewoonlijk gaat dat met horten en stooten. Soms zijn een paar dagen +lang hier en daar de wilgen overstroomd met bijen, en soms gedurende +weken heelemaal verlaten. Het is waar, dat altijd wanneer de zon +schijnt, die boomen, die als gouden toortsen opstaan in het nevelig +purper van de knoppende bosschen, vol zijn van een zoemende menigte; +maar dat <span class="pagenum">[<a id="pb235" href= +"#pb235">235</a>]</span>zijn enkel stuifmeeldraagsters. De wilgen, die +den nektar inhouden, hebben een bescheidener aanzien. Hun katjes zijn +klein: dichte, groene kwastjes; en als een warme nacht hun voordeel +heeft gebracht, lokken zij de drukke zangers van mijlen uit de rondte. +De ijmkers laten gewoonlijk de wilgen als honingbron buiten hunne +berekeningen; maar in waterrijke distrikten en in gunstige seizoenen +behooren zij toch niet voorbij gezien te worden. Het gebeurt soms, dat +April inzet met een opeenvolging van zachte zonnige dagen en warme +nachten, en dan zijn de korven plotseling boordende vol van +wilgenhoning. Als de gele katjes uit het gezicht verdwijnen, verdwijnen +licht ook de wilgen uit het geheugen, en het schijnt niet algemeen +bekend, dat de vrouwelijke katjes voortgaan met rijkelijk nektar af te +scheiden tot soms het eind van Mei toe.</p> + +<p>Goede honingjaren zijn zeldzaam onder de veranderlijke Engelsche +luchten; maar de natuur geeft toch blijkbaar aan de bijen een +onafgebroken reeks van honingafscheidende planten, gedurende de geheele +lengte van het lente- en zomerseizoen; en stuifmeel is er, wanneer maar +een zonnige dag hen naar buiten lokt. De witte klaver is zelden in +bloei vóór de eerste week van Juni; maar van de eerste +wilgen in Maart af, tot de laatste van de bloemenoogsten in het eind +van Juli, is er voorraad te over, als de wispelturige zon maar haar +plicht wil doen. Als gevolg van de tegenwoordige wijze van het land te +bebouwen is de klaver de hoofdbron voor den honing, tenminste voor +Zuid-Engeland; maar de kenners zijn het er nog niet over +ééns, welke plant eigenlijk den volstrekt volmaakten +honing levert. De Schotten zijn o—wonder!—in dit enkel +geval roerend éénstemmig en willen op dit punt van niets +anders hooren dan van hei; zij onderscheiden daarbij nauwkeurig de +dopheide, die goed, en de struikheide <span class="pagenum">[<a id= +"pb236" href="#pb236">236</a>]</span>die nog onvergelijkelijk veel +beter is. Maar er is toch een honingsoort, of liever een +honingkombinatie, die ze alle overtreft, die echter even zeldzaam en +kostbaar is als de eens beroemde druivenoogst in een komeetjaar. Men +verkrijgt ze alléén dan, als de appelbloesem en meidoorn +met hun vollen bloei tegelijk komen, en dat kan alleen wanneer een +koude April den appel heeft teruggehouden, en een zomerachtige Mei den +bloei van den meidoorn heeft verhaast. Want dan voegt zich bij den +zachten fijnen appelbloesem-nektar, de pittige amandelgeur van de mei, +en zoo wordt de honing, uit die twee samengesteld, de allerfijnst +denkbare lekkernij.</p> + +<p>Men heeft zich er dikwijls over verwonderd dat een van de meest +algemeen gekweekte planten, de roode klaver, zoo zelden door de +honingbij bezocht wordt, terwijl die velden den heelen dag vol zijn van +het sonoor trombone-geluid der hommels. Het is wel waar, dat de tong +van de honingbij niet in staat is den bodem van de lange bloemkelk van +de roode klaver te bereiken; maar dat zou haar zeker niet terughouden +als de nektar de moeite van het garen waard was. Zij zou de bloem aan +de basis doorbijten, zooals zij het bij veel andere bloemen doet en zoo +haar beter toegerusten mededinger een vlieg afvangen. Maar roode +klavernektar is schraal van samenstelling en grof van smaak. In den +vollen bloeitijd zou zij een onbeperkte hoeveelheid honing leveren; +maar juist op dien tijd kan de bij veel voordeeliger werkzaam zijn. +Nadat de eerste oogst van roode klaver gesneden is, komt er gewoonlijk +een nabloei met minder ontwikkelde bloembuizen, die dus korter zijn dan +de vorigen en nu beginnen ook de betere nektarbronnen hard te +verminderen. En de bij, voor wie in tijden van voorspoed het beste maar +juist goed genoeg is, moet haar smaak wijzigen naar de omstandigheden. +Daarom is zij in dezen tijd ook zeer in de weer in de <span class= +"pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237">237</a>]</span>roode klaver. En +hoort men haar helderder zachter toon tusschen de meer schorre +contra-ält van de hommels, dan kan men rekenen, dat de hoogtijd +van het jaar voorbij is, en de gevulde sekties moeten zonder verwijl +uit de korven genomen worden.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb238" href= +"#pb238">238</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch14" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk XIV</h2> + +<h2 class="normal">De Dar en zijn Geschiedenis.</h2> + +<p>Een feit is het dat alle bijenhouders enthousiasten zijn; en het is +ook een feit, dat een omgang van jaren met de korven onvermijdelijk een +vertrouwd kameraadschap kweekt, een voortreffelijke verstandhouding +tusschen den ijmker en zijne legioenen. Maar even waar is het ook dat +hoe meer men den aard der honingbij bestudeert, hoe minder men behagen +gaat scheppen in sommige harer gedragingen.</p> + +<p>Als de jaren verloopen besluipt de ziel van den ouden bijenman een +gevoel voor de honingbij als een soort van heilig ontzag. Zij is zoo +duidelijk een kracht in haar kleine wereld, zulk een heerschende macht; +zij is zoo moedig, zoo vernuftig, heeft zooveel hersens. Alle zwakheden +en concessies en haast alle vreugden zijn al lang uit haar leven +verdreven, oogenschijnlijk door eigen wil en doorzetting; maar hiermede +heeft zij dan ook de kunst van het burgerschap geraffineerd tot op de +zuivere elementen. Haar volstrekte onzelfzuchtigheid, haar volkomen +overgave van zichzelve aan het wel van den staat, staan +onweersprekelijk vast en zijn onveranderlijk. Het openbare leven der +bijen is, als geheel genomen, zóó zeer onze bewondering +waard, en in eene vergelijking met sommige menschelijke pogingen in die +richting, komt hare voortreffelijkheid <span class="pagenum">[<a id= +"pb239" href="#pb239">239</a>]</span>zóó duidelijk naar +voren, dat men wezenlijk geneigd wordt al hare hoedanigheden tot +deugden te verheffen; en men komt dan allicht tot de slotsom, dat het +niet anders dan een vèrziende en alwijze goedheid kan geweest +zijn, die den bijenstaat tot zijn volkomenheid bracht, en niet de koude +strenge logica, die hem in werkelijkheid gevormd heeft.</p> + +<p>Dit onverbiddelijk omsmelten van het leven in de vaste vormen van +“beginsel zonder barmhartigheid of feil” krijgt op den duur +zulk een macht over den geest van den beschouwer, dat hij vroeger of +later, al heeft hij sedert lang alle vrees voor den angel verloren, een +ander soort van vrees voor de honingbij in zich voelt ontwikkelen, die +het meest gelijkt op een vaag ontzag.</p> + +<p>En juist zooals Mozes Rusden, ’s konings ijmker, in de wereld +der honingbij het bewijs van een goddelijken wil zag, toepasselijk op +het aardsche koningschap, zoo komt de man, die in dezen tijd de +honingbij bestudeert, er toe zich de vraag te stellen, of de +bijenrepubliek niet op een autoritaire moraal duidt in een andere +richting. Hier is nu een Staat—een op heel kleine schaal, zeker, +maar toch een die meetelt—waar verscheidene van de brandende +vraagstukken in het moderne menschenleven sinds lang een aangenomen en +vervolmaakte oplossing vonden, en deze in haar volledig resultaat zijn +waar te nemen. Iedere poging om man en vrouw ernstig te vergelijken met +dar en werkbij, zou den schrijver blootstellen aan het verwijt van +<span class="corr" id="xd0e1864" title="Bron: dwaselijke"> +dwazelijke</span> oppervlakkigheid. Maar toch is het niet alleen onze +verbeelding, die overeenkomst ziet tusschen de beginselen waarop iedere +beschaving gegrond moet zijn, zij het dan in de menschenwereld of in +die der insekten. Wij kunnen niet meer ontkennen, dat het +gemeenschapsleven van de bij op een plan staat van hooge beschaving; +dat het zich zoo gevormd <span class="pagenum">[<a id="pb240" href= +"#pb240">240</a>]</span>heeft in den loop der eeuwen, door den drang +der noodzakelijkheden; dat het ééne geslacht het andere +volstrekt onderworpen heeft en streng beheerscht, en dat voor het +voorrecht van die oppermacht het heerschende geslacht een vervaarlijken +prijs heeft betaald.</p> + +<p>De werkbij van heden is een òververgeestelijkt, neurotisch, +ziekelijk-plichtmatig schepsel, terwijl men van den dar niet anders +getuigen kan, dan dat hij een domme, gelukkige en sensueele lummel is. +Als dit uiterste verschil in de twee geslachten bij de bijen van den +oorsprong af zoo bestaan had, dan zouden de betrekkingen tusschen dar +en werkbij, zooals wij ze nu zien, ons natuurlijk, behoorlijk en +redelijk genoeg voorkomen; maar er schijnen voldoende bewijzen, dat ver +terug in het leven van de honingbij het vrouwelijk exemplaar volstrekt +niet zoo hopeloos hoog verheven was boven het mannelijke. Naar alle +waarschijnlijkheid is de koningin-van-nu ongeveer het type van de +moederbij van toen, vóórdat de afkoelende aardkorst een +beschutte woning noodzakelijk maakte—tegelijk het eerste begin +van het op-elkaar-dringen tot behoud der wederzijdsche warmte, waaruit +gaandeweg het hedendaagsch verwikkelde gemeenschapsleven groeide. Maar +wij kunnen toch niet alles wat wij zien op rekening der évolutie +schrijven; ook révolutie moet deel hebben gehad in de vorming +van de moderne ontsekste werkbij. Wij hebben gezien, dat physiologisch +iedere werkbij in den korf evengoed een moederbij had kunnen worden, +een vruchtbare moeder van duizenden. De werkbijen zijn niet in den loop +der tijden door den drang der noodzakelijkheid gaandeweg tot een +verminkt en gespecialiseerd ras geworden, dat eigen lichamelijke +onvolkomenheid blijft voortplanten; maar iedere werkster wordt met +overleg gemaakt naar een vast model, door de autoriteiten aangegeven, +ingevolge <span class="pagenum">[<a id="pb241" href= +"#pb241">241</a>]</span>de eischen der gemeenschap. En wanneer zouden +wel de bijen het eerst begonnen zijn met dat ingrijpen in den +natuurlijken loop der dingen, met dat vervolmaken van de schepping? +Wanneer deden zij de eerste schrede, zonder welke nooit de <span class= +"corr" id="xd0e1873" title="Bron: bijenrepubiiek">bijenrepubliek</span> +zooals zij nu is had kunnen bestaan? Men denkt aan een genialen zet, +aan een prachtige strategische beweging van den hoofdleider in den +grooten oerkrijg der geslachten, die met één slag den +zege bracht, en waaruit de verdere afwikkeling van het +veroveringsschema logisch volgde.</p> + +<p>Het geheele vraagstuk van de kunstmatige vorming der werkbij is vol +van moeilijkheden, en in verband met het peil van onze kennis is er nog +niet veel anders mogelijk, dan de feiten te konstateeren en het daarbij +te laten blijven. De opperheerschappij in de korven van het vrouwelijk +element schijnt te dagteekenen van den tijd dat de groote meerderheid +zichzelf beroofde, of werd beroofd door hun onmiddellijke voorgangers, +van haar deel in de voortplanting; toen ook de legboor zich openbaarde +als een offensief en defensief wapen. Voordat de werkbijen een +gewapende macht vertegenwoordigden is er geen reden te veronderstellen, +dat de vrouwelijke bij fysieke overmacht had over den dar. De neiging +van de koningin om haar legboor in de tracheeën van hare +mededingsters te priemen, en zich zóó met +één slag van haar te ontdoen; en ook haar ingekankerde +haat tegen hare genooten, kunnen tot een latere ontwikkeling behooren, +het gevolg van het kunstmatig en afgezonderd leven, dat zij te lijden +kreeg. Terwijl de werkbij altijd met haar angel klaar staat, gebruikt +de koningin den hare zóó zelden, dat vele oude en ervaren +ijmkers van tegenwoordig haar zelfs het vermogen van te kunnen steken +ontzeggen. Zij heeft veeleer een natuurlijke neiging om te bijten; en +als het komt tot het gebruik van de scherpe, sterke, zijdelingsche +<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242">242</a>]</span>kaken +dan heeft de dar daarin een veel vervaarlijker uitrusting, hoewel het +schijnt of hij den lust en den zin om er gebruik van te maken verloren +heeft.</p> + +<p>Wat ook de dar vroeger moge geweest zijn, de werkbijen hebben hem nu +stevig vast in de ijzeren greep van matriarchale noodzakelijkheid; en +zij waken er voor, dat hij maar alléén en uitsluitend +geschikt is voor zijn éénen onvermijdelijken plicht, al +leggen zij al haar schranderheid eraan ten koste, hem op dit stuk te +volmaken tot wat hij zijn moet. Het is duidelijk, dat zij, als het +mogelijk was, het zonder hem zouden doen. Nu zijn er negen maanden lang +geen darren; en daarna worden er in iederen korf maar een paar honderd +gekweekt—dit is een minimum, dat een vruchtbaar huwelijk +verzekert aan de jonge koninginnen, als de zomerzonneschijn haar ter +bruiloft lokt. Men zou kunnen veronderstellen, dat wanneer er +betrekkelijk zoo weinig koninginnen te bevruchten zijn—op zijn +meest twee of drie in iederen korf en dan nog maar eenmaal in haar +leven—, het aantal darren, dat nog geduld wordt, toch het +benoodigde getal verre moet te boven gaan. Maar een hoofdbeginsel in +het bijenleven is, dat de jonge koninginnen hun maat moeten kiezen uit +een anderen stam, opdat er zoodoende gestadig nieuw bloed aan een volk +toevloeie. Dit kan alleen maar buiten gebeuren en zoo ver mogelijk van +den eigen korf. En de sterkste drang in de maagdelijke koningin, +wanneer zij ter paringsvlucht uitgaat, is zoo spoedig mogelijk uit hare +eigen omgeving weg te komen. Zij verdwijnt met vervaarlijken spoed en +in een rechte lijn, en heeft dus alle kans onbemerkt in een nieuw land +te komen, en op de verkenningsterreinen van vreemde darren. Een andere +reden voor hare verre en snelle vlucht is, dat alleen de sterkste en +vlugste dar uit den geheelen drom harer vervolgers <span class= +"pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243">243</a>]</span>haar zal kunnen +achterhalen; wat ook weer meewerkt tot de verbetering van het ras. In +de geheele natuur bestaat misschien geen tweede voorbeeld van een zoo +zorgvuldige uitlezing der meest geschikte individuen tot voortplanting +der soort en zeker tengevolge hiervan heeft de honingbij haar hoogen +rang in de reeks der schepselen verkregen. Toch sluit dit plan groote +gevaren in voor de jonge koningin. Overal loert dit gevaar op haar weg. +Zij is een kostelijk hapje voor ieder van de tallooze vogels, die in +den Junimorgen rondvliegen. Haar onbeproefde vleugels kunnen haar +begeven. En komt zij veilig in het bijenpark terug, dan kan zij nog een +verkeerden korf binnenvliegen om daar een wissen dood te vinden. Toch +moet zij het wagen; en het eenige middel om haar afwezigheid van huis +zooveel mogelijk te bekorten en haar bevruchting tot zekerheid te +maken, is een zóó talrijke bevolking van de zwervende +darren, dat zij er vindt op welken vliegafstand ook.</p> + +<p>Van het allereerste begin af verschilt de verzorging van een dar van +die der werkbij. Het ei wordt in een grooter en dieper cel gelegd, en +gedurende de eerste drie levensdagen wordt de darlarve met bijenmelk +gevoed, die bovendien waarschijnlijk van een bijzonder soort is en in +ruime hoeveelheid wordt toegediend.</p> + +<p>Er zijn ongeveer vierentwintig of vijfentwintig dagen noodig om den +volkomen dar te vormen, terwijl men eenentwintig dagen rekent voor een +werkbij. De koningin, zooals wij gezien hebben, ontwikkelt zich in veel +minder tijd; er liggen niet veel meer dan veertien dagen tusschen het +oogenblik, dat het ei wordt gelegd en het moment dat zij klaar is zich +een weg uit haar cel te bijten.</p> + +<p>Nadat de dar zijn volkomen ontwikkeling bereikt heeft, duurt het nog +ongeveer twee weken, vóórdat hij zich het eerst in de +open lucht waagt. Gedurende <span class="pagenum">[<a id="pb244" href= +"#pb244">244</a>]</span>al dien tijd heeft hij het vrije gebruik van de +provisiekamers, en hij is constant bezig zich met honing vol te +stoppen, als hij niet de gevolgen van zijn vratigheid ligt uit te +slapen in een gezellig uithoekje van den korf. Maar honing is niet zijn +éénig—noch zijn hoofdvoedsel. Gedurende zijn heele +leven wordt hij geregeld door de huisbijen voorzien van de voedzame +melk, waarmede hij ook als larve gespijsd wordt, en het is bewezen, dat +wanneer die hem ook maar drie dagen wordt onthouden, hij van honger +sterft, zelfs te midden van een overvloed van honing. Zoo hebben de +werkbijen hem geheel in haar macht.</p> + +<p>De eerste vlucht der darren is een gebeurtenis van gewicht in den +bijentuin. Het gewone gonzen gaat eigenlijk het geheele jaar door; op +iederen zonnigen middag, wanneer de temperatuur tot 45° of 50° +stijgt, zijn de korven het middelpunt van een kleine groep zangers; het +is alleen het volume van het geluid dat met de lengende of kortende +dagen versterkt of verzwakt. Maar als de darren buiten komen, verandert +plotseling de geheele symphonie van het bijenpark. Zij verlaten nooit +hun genoegelijke binnenkwartieren vóórdat de morgen is +overgegaan in den middag, en dan nog maar alléén bij het +allermooiste weer. Dan komen ze met veel misbaar uit het vlieggat, en +dringen aanmatigend tusschen de bezige provianddraagsters heen; zij +rijzen zwaar op hun vleugels, en onmiddellijk daarop wordt het gewone +geluid van den tuin overstemd door het nieuwe lawaai. Zij schijnen +haast gelijktijdig uit alle korven tegelijk te komen. Gedurende een +paar minuten blijft de lucht vervuld van de zware schorre melodie, dan +sterft dat geluid even plotseling weer weg, en de rumoerige doenieten +verdwijnen over heuvelen en dalen, en ieder zoekt zijn uitverkoren +jachtterrein. <span class="pagenum">[<a id="pb245" href= +"#pb245">245</a>]</span></p> + +<p>Er heerscht veel meeningsverschil ten opzichte van de vlucht der +darren wat den afstand betreft; maar waarschijnlijk vliegt hij sneller +en verder dan men tot dusverre heeft aangenomen. De kracht en wijdte +van zijn vleugels stempelen hem tot vlieger. Hij is enkel +lichaamskracht en vitaliteit; en het zou wel vreemd zijn als hij, die +maar één enkele opgaaf in zijn leven heeft—n.l. het +uitgaan op een liefdesavontuur—voor die taak niet in alle +opzichten berekend was. Als een korf met bijen op het hoogst van het +seizoen op eenigen afstand verplaatst wordt, dan kan men er zeker van +zijn, dat er een klein aantal zoowel werksters als darren op de oude +plaats terugkomt. Dit is geregeld gebeurd wanneer men met de korven +niet verder ging dan drie kilometer. Maar in één geval, +toen de afstand meer dan tweemaal zoover werd genomen, zag men geen +werksters meer om den ouden plek heen; maar alléén een +gezelschap darren bewoog zich doelloos boven den korfloozen standaard; +en er kon weinig twijfel bestaan of deze hadden tot de verplaatste +kolonie behoord. Er wordt niet beweerd, dat zij van hun doel bewust al +die kilometers hadden afgevlogen. Waarschijnlijk kwamen zij op hun +dagelijksche vlucht zoo ver van de nieuwe standplaats, dat zij in de +streek van de oude omgeving geraakten, en zoo van zelf den ouden +bekenden weg volgden.</p> + +<p>De dar was sedert onheugelijke tijden het staande voorbeeld van den +luiaard en doeniet in de elementaire schoolboeken. Doch wat ook zijne +oorspronkelijke uitrusting voor nuttigen arbeid moge geweest zijn, het +is zeker, dat hij nu niet werken kan, al zou hij nog zoo graag willen. +Lichamelijk—behalve wat de spieren betreft—en geestelijk is +hij in alle opzichten de mindere geworden van de werkbij. Bij hem zijn +al die bijzondere inrichtingen afwezig, waarmede de werkster zoo <span +class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246">246</a>]</span>ruim is +toegerust. Hij heeft geen stuifmeelkorfjes, noch éénige +van die vernuftige borstels en kammetjes, waarmede zij het stuifmeel +bij zich zelve en andere afkrabt. Hij heeft noch +was-afscheidingsorganen noch tangetjes, om die was te hanteeren. Zijn +tong is te kort om den nektar te bereiken; zijn hersenen zijn nog +geringer van omvang dan die van de zwakgeestige koningin. De +gekompliceerde kliersystemen, die zulk een belangrijke rol spelen bij +den dagelijkschen arbeid van de werkbij, zijn bij hem of geheel +afgestorven, of bestaan in elementairen vorm. Terwijl de Wil der +Gemeenschap verlangde, dat de werkbij ongehoorde voortreffelijkheden +van geest en lichaam zou ontwikkelen, is diezelfde macht steeds +werkzaam geweest, om het mannelijk exemplaar terug te brengen tot een +volstrekt afhankelijk wezen met verlies van alle initiatief en +gedachte, behalve in ééne richting. Het is met dar en +werkster evenals met de koningin en de werkbij; zij schijnen nauwelijks +tot hetzelfde ras te behooren.</p> + +<p>En toch, zoo royaal onbekrabbeld en nuchter als <span class="corr" +id="xd0e1903" title="Bron: bij">hij</span> is, heeft de dar in +vergelijking met zijn wrange, koude, plichtaanbiddende zuster, iets +verfrisschends; hij is zijn leven lang een onverbeterlijk optimist. Hij +fluit zijn wijsje al brandt de stad; of hij al zou klagen en jammeren, +geen vonkje zou er door gebluscht worden; en daarom is het bij hem: +“eten, drinken en vroolijk zijn” echter met de intuitie van +alle darren dat hem morgen de Nemesis wacht met iets onaangenaams. Het +is onmogelijk, langen tijd de gangen der darren na te gaan zonder te +worden getroffen door den geest van ruwen jool, dolle jongensachtige +dartelheid, die hen bezielt bij al hun doen. Zij komen met veel drukte +hals over kop den korf uitstommelen, bonzen onbesuisd tegen alles aan +wat op hun weg komt, en heffen hun rumoerigen en bombastischen zang aan +als een soort <span class="pagenum">[<a id="pb247" href= +"#pb247">247</a>]</span>van protest tegen al dien pijnlijken ijver om +hen heen. Eenmaal buiten de omgeving van de korven<a id="xd0e1908"></a> +blijven zij onafgebroken rondvliegen, tot de honger hen weer naar huis +dringt. Want niemand heeft ooit een dar gezien tusschen de insekten, +die rond de bloemen vliegen, noch ook ooit hem zien zitten om zich te +zonnen op een warm plekje, een muur of boomstronk, wat toch de gewoonte +is van haast ieder ander gevleugeld insect.</p> + +<p>Hij komt naar den korf terug met dezelfde lawaaiïge, zorgelooze +fanfaronnade, en wordt door de werksters ontvangen met dezelfde norsche +onverschilligheid. Zij helpen hem tot oververzadigings toe aan +bijenmelk, tong aan tong, terwijl hij opzit als een vette vratige baby, +die altijd maar om meer eten drenst. Zij laten hem ongehinderd toe aan +de honingvaten te zwelgen; maar het is duidelijk, dat zij hem +verachten. Hij is een vervaarlijke schadepost voor den Staat; doch +onontbeerlijk. Zwijgend gaan zij aan hun taak hem te voederen, zwijgend +maar met onheilspellende lankmoedigheid. Zij misgunnen hem iederen drop +en tegelijk dwingen zij hem tot onmatigheid. Het is niet voor lang. De +dag der afrekening is nabij. De klaproozen beginnen al met hun vurig +scharlaken te gloeien tegen de heuvelen—de klaproozen, die de +kentering van den zomer aanzeggen; na hen komt de groote daling, en het +zonlicht gaat kwijnen; iedere dag een schaarscher bloemenoogst, tot het +pad weer verloopt in de dorre ééntonigheid, het doffe +bruin en grijs van den winterdood.</p> + +<p>En nu gaat de werkbij een groezelige vlek op haar karakter +vertoonen, die kwalijk past bij de fijne schakeeringen en de groote +hoedanigheden van haar geest, die haar zoo terecht beroemd maakten. En +dat zij niet absoluut volmaakt, niet in alle opzichten te bewonderen +is, dat heeft haar juist die groote liefde <span class="pagenum">[<a +id="pb248" href="#pb248">248</a>]</span>bezorgd, welke de harten van +hen bevangt, die haar door en door kennen. De darrenmoord heeft zijn +weergâ niet in onverbiddelijke wreedheid—in hartstochtelijk +toegeven aan wraakzucht, lang teruggehouden, terwille van de +noodzakelijkheid. Nu komen de eerste kille nachten van midden Juli en +de nektarvloed wordt plotseling onderbroken. Klaver en Espareette zijn +al onder den sikkel gevallen. Alleen de grootste hitte en de +weelderigste overvloed van den zomer zouden de myriaden honingmaaksters +kunnen helpen in haar vraag; en een paar uren van afkoeling dammen +plotseling den reeds langzaam vloeienden nektarvloed af. De tijden van +voorspoed zijn geweest. De honingovervloed komt niet meer. Nu moet het +genie der korfzuinigheid beslissen hoeveel van den voorraad er bespaard +kan worden voor latere behoeften.</p> + +<p>Het eerste voorteeken van de débâcle is het verwijderen +uit de korven van zekere bleeke, griezelige dingen—de lichamen +der onrijpe darren, niet door een natuurlijk toeval gestorven; maar +meedoogenloos uit hun cellen gerukt. Dit duurt soms eenige dagen +achtereen, en hoewel dit wreede werk onder hun oogen gebeurt, zien de +levende darren er geen waarschuwing in. Zij blijven voortgaan met hun +vroolijken rondedans; het eeuwige feestgetier gaat zijn gang; nog +dagelijks vult zich de bijentuin met hun zorgeloos overmoedig gegons. +Maar dan eindelijk wordt het teeken tot den moord gegeven. Vreemde, +stootende kreten stijgen uit iederen korf—kreten die enkel door +den doodsangst worden uitgedrongen. De darren liggen niet meer +onbekommerd tusschen de raten gerijd, rustig de eene roes uitslapend en +droomend van de volgende. Zij zijn nu allen goed wakker, en vluchten +radeloos om hun leven, door de nauwe straten van de bijenstad, woest +gejaagd door de werksters. <span class="pagenum">[<a id="pb249" href= +"#pb249">249</a>]</span></p> + +<p>Steeds intenser worden de diepe, vibreerende angstkreten. Als de +beulen hun slachtoffers achterhalen, grijpen zij ze bij de aanhechting +der vleugels, en geholpen door de andere furiën, trekken en +sleepen zij ze door het gedrang, tot zij buiten zijn, en rollen dan met +hen op den grond; de darren steeds worstelend en zich verwerend en nog +altijd die waanzinnige angstkreten uitstootend, de werkster +onafgebroken knagend aan den vleugel tot hij machteloos is, en het +slachtoffer nooit meer naar den korf kan terugkeeren. Vele van de +sterkste darren ontkomen tijdelijk aan hun vervolgsters en vliegen +onverlet weg. Doch dat rekt hun leven maar een enkel uur. De honger zal +hen weer naar den korf terugdrijven, waar de wachten hen overvallen en +hen verminken of nog eens verdrijven. Het is zeer opmerkelijk, dat de +bijen bij die groote jaarlijksche slachting nooit de darren steken; +díe methode is er in hun waanzin; want bij dat ruwe worstelen +zouden de angels met den wortel worden uitgerukt en vele kostbare +levens gingen dan tegelijk met de minderwaardige verloren. De eenige +toeleg schijnt te zijn, het verblijf in de korven aan alle darren voor +goed onmogelijk te maken, en het verlammen van één +vleugel schijnt daarvoor voldoende; naar dit doel wordt door de +behendige moordenares enkel gestreefd.</p> + +<p>Bij sommige bijenrassen is de darrenmoord in ongelooflijk korten +tijd afgeloopen; maar andere rekken den gruwel dagen lang. De +rampzalige heeren der korven staan tusschen twee vuren, en er is geen +ontkomen. Vliegen zij weg naar buiten, dan doodt hen de honger of de +koude nachten, gaan ze naar den korf terug, dan achterhaalt het noodlot +hen nog eerder. In dezen tijd zijn nacht en dag de wachters aan de +poort verdubbeld, en zelfs de listigste dar zal hen niet kunnen +ontgaan. Toch kiest hij gewoonlijk die kans: <span class="pagenum">[<a +id="pb250" href="#pb250">250</a>]</span>vroeger of later komt hij den +korf binnenvallen, en valt dan recht in het zwaard.</p> + +<p>Dit is de gewone gang van zaken in de bijenrepubliek, als het +seizoen normaal verloopt en de kolonie een moederbij bezit, die jong en +sterk en beproefd vruchtbaar is. Maar er komen tijden voor, dat de +darren, hoe bezwarend ook voor den staat, geduld worden tot laat in den +herfst, en zelfs soms ongehinderd mogen leven gedurende den winter en +het volgende voorjaar. Als de ijmker darren om een korf ziet vliegen, +terwijl de andere kolonies al lang met de hunnen hebben afgerekend, dan +weet hij wel wat aan dat volk mankeert. De koningin is oud en kwijnend, +en deze scherpzinnige amazonen hebben hun manvolk respijt gegeven tot +een nieuwe moederbij kan zijn opgekweekt en passend uitgehuwelijkt. Het +is een geval van begenadiging voor de darren, met juist zooveel recht +voor haarzelve vereenigd, dat het de oorspronkelijke deugd weer +uitwischt.</p> + +<p>En blijven in een korf de darren den winter over, dan is dat een +teeken, dat er niet alleen geen koningin is, maar dat dit volk er nooit +een zal krijgen van het eigen ras. Het in leven blijven der darren +waarborgt tenminste één onmisbaar element voor het behoud +van het volk en—wie kan het tegenspreken van een soevereinen +geest als de werkbij?—misschien vertrouwen zij van den ijmker, +dat die haar nood zal kennen en er in voorzien, door haar een andere +koningin te verschaffen, nog bijtijds genoeg om zijn bezitting van den +ondergang te redden. <span class="pagenum">[<a id="pb251" href= +"#pb251">251</a>]</span></p> + +<div id="p251" class="figure"><img border="0" src="images/p251.jpg" +alt="Koningin buiten het broedseizoen" width="465" height="720"> +<p class="figureHead">Koningin buiten het broedseizoen</p> + +<p>(Men ziet dat de werksters zich niet <span class="corr" id= +"xd0e1936" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> om haar +bekommeren)</p> +</div> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb253" href= +"#pb253">253</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch15" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk XV</h2> + +<h2 class="normal">Na het Banket.</h2> + +<p>Zooals in den bijentuin het jaar opgaat, zoo daalt het ook weer, +haast onmerkbaar, stap voor stap. Als in Zuid-Engeland het zaadhooi +gesneden is, hebben de bijen niet veel anders meer te doen, dan de +korven in orde te maken voor den komenden winter. De koningin wordt +door een gradueele verandering in het voedsel gespeend van haar neiging +tot eierleggen. Iederen dag krijgt zij wat minder van de geheimzinnige +bijenmelk, die haar aanzette en bezielde, van dag tot dag voelt zij +zich sterker gedrongen haar honger te stillen aan de toegankelijke +honingcellen, te zamen met het gewone volk. Van dag tot dag worden er +minder kinderen geboren, en van dag tot dag ook verdwijnen er meer van +de oude werksters, op hun onverklaarbare wijze; zij gebruiken misschien +hun laatste vleugelkracht om zich terug te trekken op het traditioneele +kerkhof van hun soort. Wat van haar wordt, weet de wijste bijenvader +niet te zeggen; maar dat is zeker, zooals zij leefden in het +kommunistisch principe, zoo sterven zij ook, en haar laatste handeling +is eene kollektivistische—zij verwijderen haar eigen lichamen +daàrheen, waar zij onschadelijk zijn voor den dierbaren +Staat.</p> + +<p>Als de dagen afnemen, vermindert ook zichtbaar <span class= +"pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254">254</a>]</span>de bevolking der +korven; en met het dunnen van de gelederen komt er een even merkbare +verandering in het humeur der bijen. De oude ijmkers weten bij +ervaring, dat in den herfst waakzaamheid pas geeft. Alles wat leeft, +ondergaat in den herfst eene beproeving van het karakter en dit is in +’t bijzonder waar voor de honingbij. Iedere stam heeft zijn goede +of kwade neigingen die in dit jaargetijde geregeld voor den dag komen. +En eerder nog zullen zich de kwade neigingen vertoonen, nu de drang om +te werken tot stilstand kwam, en de werkkracht haar weg moet gaan +vinden op een steeds enger wordend pad.</p> + +<p>Het vinden van krasse oneerlijkheid in zulk een atoom, als de bij is +in de schepping, maakt op ouderwetsche geesten een diepgaanden indruk; +maar dat verhelpt niet, dat ontegenzeggelijk sommige bijenvolken de +hebbelijkheid hebben, zich te ontwikkelen tot inbrekers en roovers van +het eigendom hunner geburen, meestal vroeg in den herfst, of ook, maar +zeldzamer, als in het vroege voorjaar de eerste schrale nektaroogst +begint.</p> + +<p>Vergilius en haast alle oude schrijvers geven treffende +beschrijvingen van in hun tijd veelvuldig voorkomende bijenveldslagen. +Zij vertellen ons van hevige schermutselingen hoog in de lucht, en hoe +de koningen hun krijgerhorden dan aanvoeren—het gedruisch der +slachting, en een regen van gewonden en dooden, die neerkomt uit de +blauwe zomerlucht. Deze beschrijvingen zijn altijd een groot raadsel +geweest voor moderne bijenkenners, omdat in onze dagen niets van dien +aard ooit schijnt te gebeuren. Tegenwoordig houdt voor het oog iedere +korf zich aan zijn eigen zaken, volkomen onverschillig voor het bestaan +van andere korven. Noch in de omgeving der korven, noch daar buiten, +wordt ooit iets als oneenigheid tusschen <span class="pagenum">[<a id= +"pb255" href="#pb255">255</a>]</span>bijen waargenomen, niet tusschen +enkele individuen en ook niet groepsgewijze. De honingbij is een +uiterst vreedzaam schepsel, behalve wanneer men <span class="corr" id= +"xd0e1963" title="Bron: balddadig">baldadig</span> haar huis +belaagt.</p> + +<p>Maar in den herfst vallen er meer dan eens dadelijkheden voor +tusschen roofbijen en de bewoners der korven, die door hen worden +aangevallen; en men komt er toe te gelooven, dat het deze gevallen +zijn, waarop Vergilius doelt.</p> + +<p>Misschien is het wel zoo, dat wanneer een volk éénmaal +heeft ontdekt, hoeveel gemakkelijker en vlugger men honing krijgt met +stelen dan door de omslachtige verzamelmethode, deze bijen nooit meer +voor een eerlijke levenswijs terug te winnen zijn. En niet alleen, dat +de moederstok aan het eind van ieder seizoen op die wijze zal +losbreken; maar al de zwermen uit dien korf zullen dezelfde neiging +vertoonen. Die stam zal dan een aanhoudende zorg blijven voor den +ijmker, en als hij een wijs man is zal hij korte metten maken, door dat +volk een andere koningin te geven en zoo den oorspronkelijken stam te +laten uitsterven. Is het in zijn eigen tuin, dan is de zaak niet +moeilijk op te lossen; maar dikwijls zijn de roovers wilde bijen, +vrijbuiters, die ergens in een hollen boom huizen, in een bosch in de +buurt, en vandaar uit strooptochten ondernemen bij hun wettiglevende +buren in de omliggende dorpen; zooals alle bandieten dat doen over de +geheele wereld. Die vreemdelingen hebben dikwijls een eigenaardig +uiterlijk, waardoor men ze onmiddellijk kan onderscheiden van de +wettige bijentuin-bewoners. Zij zijn glimmender, en donkerder van +kleur, en bewegen zich tegelijk driest en gluiperig, waardoor zij zich +dadelijk als stroopers doen kennen.</p> + +<p>Wie op een mooien Septembermorgen tusschen de korven drentelt, zal +opmerken hoe verscheidene van <span class="pagenum">[<a id="pb256" +href="#pb256">256</a>]</span>die sinistere figuren om het vlieggat van +een korf zwermen, of er ongemerkt in trachten binnen te dringen. Ze +worden echter aanstonds ontdekt en er ontstaat een plotseling opstootje +als de korfwachters de insluipers aanvallen en ze verjagen. Hun +bedoeling is duidelijk. Het zijn verkenners van het rooverkamp en zij +zijn er op uit om de zwakke volken te ontdekken, die een gemakkelijke +prooi zijn voor een sterkere roovermacht. Sterke volken behoeven geen +roovers te vreezen; zij houden het altijd wel uit tegen een aanval, en +daarom worden zij gewoonlijk ongemoeid gelaten.</p> + +<p>Die verkenners verdwijnen na een poosje, en de korf keert weer tot +de gewone bezige kalmte terug. Maar het duurt niet lang of er wordt een +klein wolkje bijen boven den heg zichtbaar, die recht op den +uitverkoren korf af vliegen. Nu is het geen listig verkennen meer; het +is royaal oorlog. De roovers vallen neer op hun prooi; en een hevige +schermutseling begint, een wanhopig gevecht, man tegen man, tusschen +belegeraars en belegerden. Wordt de zwakke korf aan zichzelven +overgelaten, dan is de uitslag al te voren beslist en hij is in korten +tijd overwonnen. Dan gebeurt er gewoonlijk iets merkwaardigs: de bijen +van den korf, die den slag overleefd hebben, loopen over naar den +vijand, en zij helpen zelf mee om hun rechtmatige schatten over te +brengen in het hol van de bandieten. Gelukkig heeft de ijmker een bijna +onfeilbaar voorbehoedmiddel in zijn macht om dit gevaar af te wenden. +Hij kan veilig al de in getal sterke volken aan zich zelf overlaten; en +van hen die weinig in aantal zijn kan hij er twee of drie bij elkaar +voegen, waardoor zij weer sterke kolonies worden, in staat zichzelf te +beveiligen. De moderne losse-bouw korf is een macht in de handen van +den bekwamen ijmker; want de raampjes van verschillende korven kunnen +te zamen in één korf geplaatst worden, <span class= +"pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257">257</a>]</span>en in dit seizoen +blijven de bijen wel eendrachtig te zamen, vooral wanneer men ze met +meel bestuift of ze met eenzelfde reukmiddel besprenkelt, zoodat ze in +uiterlijk en lucht gelijk zijn. Waarschijnlijk heeft iedere korf zijn +eigen lucht, die ook alle burgers van dien staat gemeen hebben; en dit +is zeker het hulpmiddel waardoor de wachters aan het vlieggat hun eigen +medeburgers herkennen, en alle indringers onmiddellijk overvallen.</p> + +<p>De toebereidselen in den korf voor de winterperiode worden door de +bijen even grondig behartigd, als alles wat zij ondernemen. Naar mate +de oppervlakte van haar broednest inkrimpt, worden de leege cellen met +honing gevuld, die wordt overgebracht uit de verst afgelegen +proviandcellen. De honingdraagsters blijven geregeld aan het werk +wanneer maar het weer gunstig is, zij gaâren de resten van het +banket bijeen en vullen er thuis de proviandkamers mee aan. Op plaatsen +waar veel klimop is kan men op mooie Oktoberdagen de bijen zoo ijverig +bezig zien, als ooit in de heerlijkste Junizon; alleen is het aantal +duidelijk minder. De echte sonore levenszang komt later op den dag en +duurt alléén in de helderste uren: en dat wonderbaar +nachtgeluid, het diep ondergrondsch dreunen van de waaiende bijen is +weg uit den tuin; zooals ook de geur van den klaver-nektar, die dampt +en gist in de korven, niet langer uit het duister doordringt, en het +huis van den ijmker vult met een geurigheid, die hem liever is dan wat +ook anders ter wereld.</p> + +<p>De oude bijen, rafelig en verfomfaaid van vleugels, die den harden +arbeid van het groote werkseizoen hadden doorstaan, zijn nu bijna alle +verdwenen. De korven zijn vol met bijen van eenzelfde geslacht, +doortrokken met dezelfde tradities; maar zij staan aan het begin van +het leven, ongeoefende rekruten van het lot, <span class="pagenum">[<a +id="pb258" href="#pb258">258</a>]</span>een troep, die moet dienen om +de gaten te stoppen. Zij dragen geen herinnering om van de tijden toen +het werken een koorts was, een stormachtige wedkamp met de zon, waarbij +de vlugsten nog moesten achterblijven. Zij hebben nooit de overzware +vrachten gekend, de barstende honingzakjes, en de stuifmeelkorfjes +zóó zwaar geladen, dat zij ze nauwelijks den korf konden +binnen sleepen, en zij zullen dat alles nooit kennen. Over deze bijen, +laat in den tijd geboren, beschikte het lot, dat de troebele poel van +het door den vloed achtergelaten water hun wereldje moet zijn. Hun +leven is niet meer dan een rekken van dagen, zoodat zij het uit kunnen +houden tot het eerste lentebroed in het leven gewarmd moet worden. De +enkele dagen van hitte, die in Engeland onvermijdelijk terugkomen +tusschen de Maartsche sneeuw—zij schijnen oneindig, onbereikbaar +ver af nog—zullen allèen hun de macht van het zonlicht +leeren kennen; maar de zomerzon zullen zij nooit voelen. Winterbijen +worden in de gevangenis geboren, in en voor de gevangenis leven en +sterven zij.</p> + +<p>Een werkbij leeft op zijn hoogst maar zes maanden; en op zijn +minst—en dit is het lot van velen—weerstaat zij het +onafgebroken slaven en zwoegen van haar moeilijk bestaan niet langer +dan zes of als ’t meeloopt, acht weken. Zoo is dus de bevolking +van een korf, al is die steeds volgepakt met burgers, steeds +veranderlijk. Ge kunt zesmaal in het jaar naar uw bijentuin gaan en dit +twintig jaar lang doen, en bij iederen gang zult ge u tusschen +tienduizenden bewegen voor wie gij een volslagen vreemdeling zijt, en +die ge zelf nooit te voren gezien hebt; en toch is in al zijn +gebruiken, in zijn neigingen, in zijn traditie het leven der bijen een +voorbeeld van het Blijvende. Ge maakt een reis om de wereld en blijft +tien jaar weg, en komt ge terug in het oude <span class="pagenum">[<a +id="pb259" href="#pb259">259</a>]</span>lommerrijke hoekje, dan staat +daar nog altijd de groene kast onder de sering, en nog altijd is zij +het middelpunt van schijnbaar dezelfde menigte gewiekte koopvrouwen, +die onder kleurige vlaggen naar huis zeilen, zij zingen dezelfde blijde +wijsjes, bouwen nog dezelfde verwonderlijke inrichtingen in het +duister, en veranderen nog altijd dezelfde geurige essencen in een +gouden elixir. En wat is dit mysterie, dat Bijenrepubliek geheeten +wordt en dat alléén onsterfelijk is, terwijl zij die haar +samenstellen, alles wat tot haar behoort, en haar in stand houdt, +tijdelijk is en te niet gaat?</p> + +<p>Hier moet gij de bijenkoningin niet <span class="corr" id="xd0e1990" +title="Bron: vegeten">vergeten</span>. Herinnert u, dat zij +alléén van jaar tot jaar blijft voortleven, terwijl de +steeds elkaâr opvolgende geslachten van hare kinderen om haar +heen worden en vergaan—honderdduizend wel misschien in een jaar, +duizenden tusschen een enkelen zomermorgenstond en de schemering van +den westelijken hemel. Methusalem moet op bescheidener menschelijke +schaal iets dergelijks ervaren hebben—hij moet het breedere +levensplan hebben afgeleid uit de onderbroken, wisselende reeks van +kansen en veranderingen, die aan zijn geest voorbij trokken. Alleen den +ouden van dagen is het gegeven het algemeene te symboliseeren; en hij +uit alle menschen had geleerd te peilen en te schatten en uit het +glinsterend veelkleurig kaf des levens het simpele dofgetinte +graankorreltje te ziften. Altijd en altijd weer moet hij met een enkel +wijs woord de waarheid waar gehouden hebben, of met één +enkelen zwaai van den spiegel der eeuwen den schijn hebben verblind en +vernietigd. Hij was een levend geschiedverhaal, waarin ieder den gang +en uitgang van het leven leeren kon. En zoo staat nu wel de +bijenkoningin voor het geschiedverhaal der bijenwereld, een levend +archief van haar plan, haar gedachte, haar ideaal—zij, die in +vergelijking met het <span class="pagenum">[<a id="pb260" href= +"#pb260">260</a>]</span>komen en gaan der duizenden, een eeuwenoud, +onvergankelijk wezen lijkt.</p> + +<p>En zoo moogt gij u haar denken in de korte December schemerdagen, of +in de eindelooze nachtduisternis, als de winterwinden gieren, hoe zij +dan haar kinderen om zich heen verzamelt en hun verhalen vertelt van de +heldenfeiten van het voorgeslacht, hoe zij hun de oude bijenzangen +leert met altijd datzelfde refrein van werken en winnen; en daarbij +nooit haar eigen geschiedenisje vergeet—dat korte uur van haar +huwelijksvlucht, en dat huwelijk gekocht en betaald met een levenslang +weduwschap.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb261" href= +"#pb261">261</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch16" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk XVI</h2> + +<h2 class="normal">Het Moderne Bijenpark.</h2> + +<p>Het is goed en wel het bijenleven van den wetenschappelijken kant te +zien, omdat die zoo bijzonder belangwekkend is, en dan aan die studie +den lof te geven, dat men zich in zijn vrije uren met geen boeiender +werk kan bezig houden; maar de honingbij is toch ook nog iets anders, +dan een wonderding of een voorwendsel om in moraal te liefhebberen. +Goed behandeld en juist begrepen, kan zij van groot nut zijn in de +wereld.</p> + +<p>Er zijn twee dingen in ons Engeland, welke ieder verbazen die een +juiste voorstelling heeft van de mogelijkheden door haar aangeboden. Ge +kunt het land in alle richtingen doorkruisen, en dan zal het +allerlaatste wat ge aantreft een bijenpark zijn; zelfs niet een paar +korven in den tuin van een landhuis; en toch heeft ieder stukje van den +weg zijn hoekje bloemen, en op afstanden van niet meer dan een meter +vindt ge bloemrijk weiland, waar zonder overdrijving ieder jaar vaten +honing te loor gaan. Dit zou alles kunnen ingezameld en met weinig +moeite en groote winst den volke verkocht worden; als de +ondernemingsgeest maar uit zijn eiland-slaap woû wakker worden en +de handen uit den mouw steken. Maar jaar aan jaar gaat vruchteloos +voorbij en niets gebeurt. Hier en daar <span class="pagenum">[<a id= +"pb262" href="#pb262">262</a>]</span>een enkele wakkere landbouwer, die +een aardige buurschap van korven bijeen heeft, al de honing in zijn +omgeving afzet, en dientengevolge zijn zakken kan voeren met goud en +zilver. Maar dit is niet meer dan een druppel in de zee, en de Brit +moet naar het buitenland om honing, wat hem komt op het belangrijke +sommetje van meer dan fl 360.000 ’s jaars.</p> + +<p>Tot nu toe—wanneer wij terugrekenen van gevolg naar +oorzaak—schijnt het wel, dat het boerenbedrijf +alléén winstgevend kan zijn, wanneer het op groote schaal +gebeurt; maar zij die de teekenen des tijds opmerken, zeggen, dat de +eeuw, die nu in de landelijke wereld juist begint te dagen, de eeuw zal +zijn van den kleinen man. En dit beduidt dan wel, dat de erfelijke +aristokratie onder de kultuurplanten—tarwe, haver, +gerst—langzaam plaats zal gaan maken voor het klein bedrijf; in +kort, dat men den grond niet meer dingen zal vragen, die de traditie en +onze landbouwersfamilietrots hebben gemaakt tot het begin en het eind +van den landbouw; maar de kleinere, nederige levensbenoodigdheden, die +iedere stad en ieder dorp in den rijken zwarten grond in de +onmiddellijke nabijheid behoorde te vinden, maar er nu steeds te +vergeefs zoekt. Dan zullen de dames van de landbouwers niet langer in +hun salon zitten en in hun landauers rijden, en dat zal een verandering +ten goede zijn, eenvoudiger en meer naar verhouding. De stedelingen +weten dit alles zoo niet; maar wie buiten woont heeft heel goed +gemerkt, hoe veel gecompliceerder en weelderiger het leven in de oude +Engelsche hoeven geworden is, al roept men over dure tijden; en hoe de +boerin niet meer in de melk- en kaaskelder gaat, en ook niet meer die +heerlijke eigen dingen maakt zooals dat vroeger in de boerderijen het +geval was, en waaraan het oud-Engelsche buitenleven van ouds zijn roep +te danken <span class="pagenum">[<a id="pb263" href= +"#pb263">263</a>]</span>had; en hij weet ook hoe de groote +heeren-boeren nu de hoofdafnemers zijn van de groote Londensche +“Stores” terwijl de kleine plaatselijke winkeliers niet +anders zien dan den daglooner van zeven of tien gulden in de week.</p> + +<p>Voor het klein bedrijf, dat zich weldra over het geheele land +vermenigvuldigen zal, is er nu iets te ondernemen, dat tot nog toe +nauwelijks is aangepakt. Voor den handwerksman was altijd een staande +ergernis de kapitalist, die zoo lui leeft als hij wil en den arbeider +voor zich laat tobben. Maar als de kleine man nu bijen gaat houden, dan +kan hij ook luieren, en toekijken hoe zijn duizenden gevleugelde +arbeiders zijn voorraadkamers vullen met een van de nuttigste en +verkoopbaarste artikelen van de wereld. Het is een axioma in den +handel, dat een goed aanbod even zeker een vraag schept als de +algemeene behoefte aan iets de produktie ervan prikkelt. En Engeland +behoeft op het oogenblik een ruimen voorraad goeden en goedkoopen +honing; wordt die eenmaal aangeboden, dan is het ook zeker, dat de +vraag steeds grooter zal worden.</p> + +<p>Er zijn verschillende redenen waarom de menschen honing behooren te +kiezen voor hun hoofdvoeding, inplaats van de beetwortelsuiker die nu +zoo algemeen wordt gebruikt. In de eerste plaats is honing een zuiver, +natuurlijk, onvervalscht zoet, terwijl bij het bereiden van gewone +suiker het vermengen met meer of minder schadelijke chemikaliën +onvermijdelijk schijnt te zijn. Als een bijenkolonie kunstmatig gevoed +moet worden, en voor dat doel gewone kruideniers’ suiker gebruikt +wordt dan heeft dat gewoonlijk de vergiftiging van het halve volk ten +gevolge, door de chemische stoffen waarmee de suiker in de +raffineerderij behandeld is geworden. En als ze zóó werkt +op de bijen dan ligt het voor de hand, dat ze niet heelemaal +onschadelijk <span class="pagenum">[<a id="pb264" href= +"#pb264">264</a>]</span>kan zijn voor menschen. Maar de zuiverheid +alleen is niet de reden waarom honing het algemeene verzoetingsmiddel +voor de menschen behoorde te zijn. Honing is de suiker, die mee den +nektar vormt; maar dan geconcentreerd en verwerkt tot wat in de +scheikunde bekend is als druivensuiker; en zoo is dus in rijpen honing +het eerste en belangrijkste deel van de spijsvertering reeds gebeurd, +vóór dat zij uit de raat genomen wordt. Dit verklaart +waarom zooveel zwakke menschen en vooral kinderen zoo gemakkelijk +voedsel met honing verzoet kunnen verteren, terwijl zij alle andere +vormen van zoet niet verdragen.</p> + +<p>De geneesheeren vinden steeds nieuwe deugden in honing. Zijn +gelijkmatig regelende werking op de <span class="corr" id="xd0e2026" +title="Bron: lngewanden">ingewanden</span> is sinds lang bekend, en het +is door bevoegden gestaafd, dat er feitelijk in het menschelijk lichaam +geen enkel orgaan is, dat niet eenigen invloed ten goede ondervindt bij +het regelmatig gebruik van honing. Bij alle uitterende ziekten en zeker +het schitterendst bij tuberculose, is het gebleken, dat honing het +lichaam kan opbouwen, waar andere middelen faalden. Het is zeker, dat +verschillende gevallen van tering volslagen genezen zijn door een ruim +honingdieet, en het is ook opvallend dat honing het hoofdbestanddeel is +van bijna alle gebruikelijke geneesmiddelen voor ziekten van borst en +keel. Gewoonlijk worden therapeutische wenken van leeken door de +faculteit met een scheel oog aangezien, tenminste bij de meer +ouderwetsche leden; doch in de hoop, dat deze bladzij door een meer +onbevangen geest gelezen moge worden, waag ik het er op. Er zijn er +velen, die, en met reden, in honing gelooven als een speciaal middel +bij uitterende ziekten. Het is niet anders dan het eens zoo beroemde +“Athol brose”, dat, zooals alle Schotsche ijmkers weten, +bestaat uit gelijke deelen goede, dikke <span class="pagenum">[<a id= +"pb265" href="#pb265">265</a>]</span>honing, liefst van de heide +(Calluna-), room en belegen Schotsche whisky van de potstokerij. +“Dikwijls en met kleine hoeveelheden,” luidt de +gebruiksaanwijzing; maar in tegenstelling met andere huismiddeltjes +heeft het geloof niets te maken met de wonderwerking. Het gedijt even +goed in sceptischen bodem als in iederen anderen.</p> + +<p>De industrieel, die besloten heeft van het ijmkeren zijn +broodwinning te maken, moet al vóór den aanvang weten op +welke schaal hij zich zal inrichten. Er zijn twee kanten aan de zaak, +de een aantrekkelijker dan de andere, al naar het temperament en het +standpunt. Er is het “Eenvoudige leven” en de +bijentuin—een rustig bestaan in het lommer van een Engelsch dorp, +binnen het bereik van een marktplaats, waar de opbrengst der korven kan +worden afgezet. En er is de onderneming in het groot, het inrichten van +een bijenpark op uitgebreide schaal en op erkend wetenschappelijken +grondslag, met het doel de groote centraalmarkten te voorzien; minder +met het oog op onmiddellijke lokale behoeften.</p> + +<p>Bij het inrichten van een bijenpark, moet de eerste zorg de keuze +zijn van een geschikte streek. En de natuur van het omringende land +moet in hoofdzaak aangeven hoe de inrichting het voordeeligst werken +kan. De eerste regel voor hem, die met voordeel bijen wil houden, is te +zorgen, dat alle korven opgepropt vol met werkbijen zijn als de tijd +van de groote honingdracht daar is. Maar die tijd hangt af van de +streek. Waar in hoofdzaak vruchtboomen zijn, hebben wij de werksters +vroeg noodig; op de heide is het laat. In het Zuid-Westen van Engeland, +waar het land uit de helft ooftboomen en de helft heidevelden bestaat, +moeten zoowel vroeg als laat sterke volken zijn. Maar waar de ijmker +met den schapeboer samengaat—en er is geen <span class="pagenum"> +[<a id="pb266" href="#pb266">266</a>]</span>beter gids voor honing dan +een schaap—is het wijsheid voor hem zijn kolonie tot de grootste +sterkte op te werken tegen den tijd, dat de grootste oogsten van +schapevoeder in bloei komen, wat zelden is vóór midden +Mei. En al deze beschouwingen doen ons belanden bij een veel betwiste +vraag in de moderne bijenteelt: moeten bijen al of niet kunstmatig +gevoed, en zoo ja, hoe en wanneer?</p> + +<p>Wanneer alleen de zuiverste rietsuiker wordt gebruikt en de stroop +goed gekookt wordt en nooit verbrand is, is er tegen die praktijk niets +te zeggen, wat betreft nadeel aan de volken. Als er vroege bijen +verlangd worden is het volstrekt noodzakelijk, hen geregeld van een +vasten voorraad suikerstroop te voorzien, van het oogenblik af, dat het +broeden in de korven begint. Chemisch is het zoete bestanddeel in den +nektar nagenoeg identiek met dat uit rietsuiker, en suikerstroop heeft +dàt voor op het voeren met honing, dat het beter de natuurlijke +afscheiding aanzet. De bijen, die de verantwoording hebben over het +broedwerk in de korven, zijn jonge werksters, die nog nooit gevlogen +hebben. Zij kunnen dus alleen maar oordeelen over het voortschrijden +van het jaargetijde naar de hoeveelheid nektar en stuifmeel, die den +korf binnen komt. Waar die hoeveelheid van dag tot dag stijgt—en +het is het werk van den ijmker te trachten den indruk van het +regelmatig voortgaan van het seizoen bij de kunstmatige voeding op de +bijen over te brengen—dan krijgen zij vertrouwen, en het +broedkweeken gaat met kracht voort.</p> + +<div id="p267" class="figure"><img border="0" src="images/p267.jpg" +alt="IJmkerij zonder verstand" width="617" height="535"> +<p class="figureHead">IJmkerij zonder verstand</p> + +<p>(De bijen van een te grooten zwerm moeten buiten den korf +blijven)</p> +</div> + +<p>Maar suikerstroop en erwtemeel is geen natuurlijk bijenvoedsel, en +het is niet te betwijfelen, dat een te lange voortzetting van een +dergelijk dieet een daling van het weerstandsvermogen van het ras +tengevolge zou hebben, en dus den weg openen voor het intreden <span +class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269">269</a>]</span>van +ziekten. De gulden regel schijnt in dit geval wel te zijn, dat men +alleen tot kunstmatige voeding moet overgaan, waar de sterkte van het +volk den oogst moet verzekeren, of waar hongerdood dreigt. In zuivere +hei-distrikten waar men zijn sterke volken vroeg genoeg bij de hand +heeft aan het eind van Juni, mag alleen het feitelijk gevaar van +hongerdood den ijmker er toe noopen tot kunstmatige, dus minderwaardige +voeding zijn toevlucht te nemen. Dezelfde regel geldt voor +schapendistrikten. Men kan van een sterk volk, in ’t bezit van +een jonge levenskrachtige koningin, verwachten, dat het, behalve in +buitengewoon ongunstige jaren, zichzelf in uitstekende conditie kan +houden totdat de tijd van de groote honingdracht daar is. In zulke +gevallen heeft de ijmker alleen maar te zorgen, dat geen zijner korven +volslagen gebrek heeft aan het noodige levensonderhoud.</p> + +<p>Maar in het warme, zoo begunstigde zuid-westen, de streken van hei +en appelbloesem, waar zoowel een vroege als een late oogst is in te +zamelen, moet een geheel verschillend systeem gevolgd. En hier zijn wij +genaderd aan het tweede voorschrift voor hen, die met goeden uitslag +bijen willen houden—de noodzakelijkheid in alle korven niet +anders dan de allervruchtbaarste moederbijen te hebben. Wil men +inderdaad voordeelige honingoogsten krijgen, dan moet zelden een +koningin langer dan twee jaar in den korf blijven. Daarna is zij niet +veel meer waard en moet afgezet worden, of door den ijmker of door de +bijen. Maar wanneer een koningin in het voorjaar door sterke voeding +overprikkeld is geworden tot het voortbrengen van een buitengemeen +groote bevolking, dan is zij gewoonlijk niet in staat tot een +dergelijke overspanning in den herfst. Het is daarom verstandig, daar +waar een belangrijke honingdracht is, de oude koninginnen <span class= +"pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270">270</a>]</span>nadat het vroege +werk gedaan is, op te ruimen en ze te vervangen door koninginnen in hun +krachtigste periode, doch aan het begin daarvan, niet aan het einde. Op +deze wijze is er spoedig een tweede krachtig arbeidsleger voorhanden, +en de dubbele oogst is verzekerd.</p> + +<p>Het is moeilijk in bijzonderheden te treden over de vraag, wat wel +de beste korven zijn voor handelsbijenteelt op groote of kleine schaal. +Generaliseeren is hier gemakkelijker. Iedere ijmker heeft zijn eigen +inzichten betreffende de détails; maar allen zijn het gelukkig +eens over de beginselen van de hoofdstruktuur. Ondervinding heeft zoo +goed als uitgewezen, dat een flinke koningin, onder het hedendaagsche +stelsel van intensieve kultuur, voor haar broed een raatoppervlakte +vereischt van ongeveer 11.500 vierk. centimeter. Een broedbouw van +geringer inhoud zou haar noodzaken haar werk te schorsen op het +hoogtepunt van haar vruchtbaarheid, en alles wat die maat te boven gaat +beduidt zooveel meer honing verloren voor de bovenkamers, die +alléén in aanmerking komen voor den ijmker. Honing +opgezameld in het broednest, behalve buiten de seizoenen, is verlies +inplaats van winst. De beste korf daarom, zal precies zooveel +broedraten bevatten in losse raampjes, als den vereischten inhoud +verzekeren; en alle raampjes in het geheele bijenpark moeten gelijk van +afmetingen zijn, om in de verschillende korven verwisseld te kunnen +worden. Dit is een kardinaal punt voor een winstgevende bijenkultuur; +want het stelt den ijmker in staat, niet alleen de sterkte van zijn +volken gelijk te houden, door raten met uitkomend broed van den eenen +korf naar den anderen over te brengen; maar hij kan ook den schraal +geproviandeerden kolonies raampjes met verzegelde honingcellen geven +uit de overdaad van hunne buren. Ook <span class="pagenum">[<a id= +"pb271" href="#pb271">271</a>]</span>kan hij de zwakke kolonies +samenvoegen en ze daardoor versterken.</p> + +<p>Overigens moeten de korven zóó gemaakt zijn, dat in +het koude seizoen de hitte geheel binnen gehouden wordt, en even +radikaal wordt uitgesloten in het heete jaargetij. Dubbele wanden om +den broedbouw zijn een vereischte in het veranderlijk Britsch klimaat, +waar men in minstens tien maanden van de twaalf altijd kille dagen +verwachten kan.</p> + +<p>De bijenhouder zal evenveel voordeel trekken van de wasproduktie als +van den honing. Zoo goed als leder stof is, die door niets vervangen +kan worden, zoo houdt ook bijenwas zijn plaats op de markt, ten spijt +van alle parafine substituten. Maar het was verliest veel van zijn +waarde doordat het algemeen wordt vervalscht; en de fout ligt bij de +ijmkers, die nooit ernstig getracht hebben in de vraag te voorzien. +Wasproduktie op groote schaal is heel wel mogelijk, en het is zeker, +dat het eene belangrijke industrie zou kunnen worden, zooals het in de +middeleeuwen er eene placht te zijn. Maar wij leven in tijden van +hervorming; en het is mogelijk, dat de honingbij tot hare oude +nationale roeping zal terugkeeren: licht te brengen in onze duisternis, +en goed en zuiver voedsel aan onze lichamen.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt= +"Ornament." width="239" height="82"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb272" href= +"#pb272">272</a>]</span></p> +</div> + +<div id="ch17" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Hoofdstuk XVII</h2> + +<h2 class="normal">Bijenhouden en Eenvoudig Leven.</h2> + +<p>De Engelsche zonneschijn is wispelturig zoodat niemand ooit zeker is +van het blijvend gezelschap van zijn schaduw. Maar <i>als</i> de zon +schijnt in Engeland, dan lijkt het een eeuwig blijvende kracht, en het +grauwe gisteren, het tikkelend wijsje van den regen tegen de ruiten, +worden er tot een droom. Ge hadt geslapen onder het zware blauw van den +zomernacht, en die druipende vale luchten waren een visioen, dat ging +met de blijheid, die de morgen bracht. En morgen, als de wilde jacht +van de stormluchten misschien terugkomt, en aan alle kanten van het +huis de stroomende dakgoten kletteren, dan zal dat ook weer een droom +zijn; zeker zult ge dat dan tegen u zelf zeggen, als de zon door die +wolken breekt en de wind zijn kracht mindert, en uit het stukje blauwe +lucht een broek te snijden valt; en wanneer ge dan buiten komt in het +glinsteren van dien vochtigen grond en in dat hernieuwde leven; zoo +blij met dat alles als de vinken en de vlinders, die vóór +u uit fladderen op het grasveld. De zon schijnt: de zon heeft altijd +geschenen onveranderlijk als de Tijd.</p> + +<p>Met dit vertrouwen—ongegrond en daarom +onweersprekelijk,—ging ik uit in den gloed van een heerlijken +Junimorgen, langs bloeiende klaver, veld na veld, tot ik aan het hek +stond van den bijentuin tegen den <span class="pagenum">[<a id="pb273" +href="#pb273">273</a>]</span>heuvel. Met den naam was ik al lang +vertrouwd; want in het lokale blaadje was geregeld de kleine +vijfregelige advertentie te vinden, die in zijn eigenaardigen stijl +honing te koop annonceerde. Maar ik was er nooit geweest, had ook nooit +een voet gezet in dit gedeelte van het goede land van Sussex. En zoo +kwam ik er toe op dezen overstelpend heerlijken Junimorgen, voor +ééns den teugel te vieren aan mijne luimen, en ik trad +naar buiten in die vredige glinstering en de blijde rust van den dag; +en eindelijk kwam ik aan mijn bestemming—den bijentuin, die +gemetseld is tegen de groene Downlandsche heuvelen.</p> + +<p>Hij was ingesloten door een hooge haag van witte mei als in sneeuw +van bloesems, even roze getint, het merk van hun aanstaand verkwijnen. +Over de haag heen zag ik de takken der appelboomen zich uitstrekken, +groen, met wijd uitbloeiende bloesemtuiltjes, die vol waren met het +driftig gonzen van ontelbare nijvere bijen. Een blauw rookwolkje uit +een schoorsteen dreef langzaam weg in de lucht, alles wat te zien was +van het gezellige met rietbedekte landhuisje, dat binnen lag; en ik +hoorde stemmen: een rustigen baryton en een plotselingen hoogen lach, +blijkbaar een vrouwenstem, en soms een paar regels uit een oud liedje, +afgebroken en gedachteloos gezongen.</p> + +<p>Toen de zang een oogenblik staakte—lichtte ik de klink van het +hek op; en op het klikkend geluid verrees aan het eind van den tuin in +haar volle lengte een magere mannenfiguur. Hij had daar gebogen gestaan +tusschen een wildernis van korven. En toen de man naar mij toekwam +zonder jas, in zijn opgestroopte hemdsmouwen, met zijn stevige, bruine +armen in de volle Junizon, nam ik het geheele vreedzame, bezige +tafereel in mij op. Het kronkelend pad, afgezet met roode pannen, een +zee van ouderwetsche tuinbloemen <span class="pagenum">[<a id="pb274" +href="#pb274">274</a>]</span>ter weerszijden; golven van seringen en +roode mei en gouden regen, schaduwige blauwe diepten van +vergeet-mij-nieten, scharlaken tulpen als vuurtorens er tusschen, en +ondiepten van amberkleurige reseda; vlak bij een net huisje met +schitterend heldere ruiten als diamantfacetten, en vroolijk flakkerend +waschgoed aan een lijn; een oude hond, die lag te dommelen op het stroo +in een ton; een kat naast een melkkan op den helder geschrobden +drempel. En overal bijenkorven ieder in een andere harmonieerende +kleurschakeering, niet in plechtige rijen gerangschikt; maar hier en +daar verspreid bij twee en drie tegelijk, in de ordelooze orde, geliefd +bij bijen en buitenmenschen.</p> + +<p>De ijmker had scherpe, diepliggende grijze oogen, in een eerlijk +door de zon verbrand gezicht, en hij had de radde tong van alle +bijenmannen over de heele wereld. Hij stond klaar om alles te vertellen +van zijn werk en wie hij was, en wat hij gedaan had; en hij begon zijn +verhaal, terwijl wij langzaam door zijn domein slenterden. Hij was een +Londener, tenminste, twaalf jaar geleden was hij dat geweest, een City +klerk wit als de bladen van het grootboek, die dag aan dag van negen +tot zes door zijn vingers gleden. En thuis in een lugubre woesternij +van huizen, die Nunhead heette—waarheen nooit een wreed noodlot +mij moge drijven—daar naaiden zijn zusters voor haar +levensonderhoud, bleek als hijzelf. Maar eens op een dag kreeg hij in +een tweedehands-boekwinkeltje een boekje in handen—een schat voor +drie stuivers, handelend over bijenteelt. Hij las er in terwijl de +trein voortkrabbelde naar zijn woonplaats, op een verstijvenden, +mistigen, kouden winteravond; en toen en dáár, in dat +vuile beestenhok van een derdeklaswagen, werd in zijn verbeelding de +bijentuin ingewijd, die zich in die jaren ontwikkeld had <span class= +"pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275">275</a>]</span>tot alles wat ik +nu om mij heen zag op dien heerlijken morgen in Juni.</p> + +<p>Het had een heelen tijd geduurd, vertelde hij mij, terwijl wij +tusschen het bezig gedoe van de korven drentelden, een lange, moeilijke +en schraperige tijd. Er moest geld overgelegd worden, het kapitaal voor +de onderneming; en dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan uit een +totaal familie-inkomen van 24 gulden in de week. Maar eindelijk was het +geld er toch, en het was er ruim. En de dag kwam, dat de heele familie +het stof van Nunhead afschudde, en het vervallen huisje in bezit nam +met het stukje, nauwelijks twintig are verwaarloosden grond. Het was +een moeielijke tijd geweest, zei hij—en het gezicht waarmee hij +het zei, paste niet bij de woorden—maar “kijk nu eens hoe +alles veranderd is”! en hij wuifde om zich heen met het +zegevierend gebaar van een bezitter. Het huis was in goeden doen en +goed gemeubeld. De drie of vier korven waarmee hij begonnen was, waren +nu uitgedijd tot zestig of zeventig, allemaal eigen gemaakt. Waar hij +zijn bijen vandaan had? Wel, dat geheim had hij uit het driestuivers +boekje, het geheim van het “afkloppen”. Bijna al de +bijenhouders tot mijlen ver in den omtrek, hadden de gewoonte hun bijen +dood te zwavelen om bij den honing te kunnen komen. Toen was hij een +eersten herfst, en alle herfsten daarna, naar zijn buren gegaan en had +hun aangeboden, de bijen voor hen uit de korven te nemen en hun nog een +goeden fooi toe te geven, als hij dan voor zijn moeite de bijen mocht +houden. Daartoe bleken zij meer dan bereid; en zoo had hij +langzamerhand zijn vorstendommetje van korven opgebouwd.</p> + +<p>En het voordeel? Ja, dat was nu niet om buitengewoon op te roemen. +Hij verkocht al zijn honing en was; verzond ze voor het grootste +gedeelte met de post, en <span class="pagenum">[<a id="pb276" href= +"#pb276">276</a>]</span>breidde zijn kring van afnemers ieder jaar iets +verder uit. De goede en slechte jaren samen genomen, maakte hij door +elkaar voor iederen korf f 24 netto;—in overvloedige jaren +was het altijd veel meer—het was zeker geen rijkdom, maar zij +waren met niet meer dan drie, en hadden niet veel behoeften. Wat zij +het meest begeerden—frissche lucht, vrede, een rustig bestaan, en +het gezonde buitenleven—dat had men voor niets. En wat +kleêren betreft—wel, als men eenmaal heeft opgegeven een +“stand op te houden”, dan wordt men pas gewaar hoe weinig +die uiterlijke schijn eigenlijk telt in de wereld. In ieder geval was +voor hen het succes volkomen. Er woonden in die streek menschen, die +halve provincies bebouwden en nog mopperden; hij niet, hij had rust en +at zijn genoegen van zijn twintig are “en de meisjes? wel, die +lachten en zongen van den ochtend tot den avond.”</p> + +<p>Zoo slenterden en babbelden wij; en ik, mij van den domme houdende +in bijendingen—want hij mocht niet denken, dat ik uit louter +menschenliefde uilen naar Athene droeg—ik kocht honing en vroeg +naar allerlei; en van stukje tot beetje kwam ik er heelemaal achter, +wat er door die bevrijde slaven uit het City-klerkendom al zoo gedaan +was. De ijmker schoof zijn hoed van zijn schrander voorhoofd af naar +achteren, en stak een allergenoegelijkst pijpje op. Blijkbaar had hij +het heele vraagstuk al sedert lang grondig uitgedacht en het gegrepen +in zijn innerlijkste wezen.</p> + +<div id="p277" class="figure"><img border="0" src="images/p277.jpg" +alt="Een IJmkerij in het bosch" width="720" height="479"> +<p class="figureHead">Een IJmkerij in het bosch</p> +</div> + +<p>“Wat wij hier doen”, zei hij, “kan door honderd +anderen gedaan worden, die nog in Londen leven in denzelfden toestand +waaruit wij ons hebben losgemaakt. Groote bijenparken zijn goed en wel; +maar dat is toch nog meer iets voor de toekomst—iets, dat zich +nog moet loswerken uit de behoeften der eeuw. Maar voor den bijentuin +is overal plaats, in alle distrikten <span class="pagenum">[<a id= +"pb279" href="#pb279">279</a>]</span>met een voldoend dichte bevolking. +De gewoonte van honing te gebruiken is er uitgegaan bij de menschen, +omdat ze zoo zelden in de winkels te koop is; maar als ze er geregeld +aan herinnerd worden, dan zullen zij ze weer gaan eten, en zij zullen +op het laatst niet meer begrijpen hoe zij het er zoo lang zonder deden. +Doch het moet hun smakelijk gemaakt worden. Lekhoning moet zuiver en +helder zien, in aardige fleschjes verpakt en met een net etiket. En de +raathoning, die verkocht wordt, moet in onberispelijk schoone, witte +sekties zijn. In dat oude boekje, dat mij aan de bijen gebracht heeft, +staat, dat alleen de engelsche bij behoort geteeld te worden, omdat zij +een beter honingdraagster is. Maar van een koopman’s standpunt is +er nog een veel gewichtiger reden om alle uitheemsche bijen af te +schaffen. De engelsche bij laat een kleine tusschenruimte over tusschen +den honing en het celdekseltje, en tengevolge daarvan zijn de raten +altijd vlekkeloos wit. Maar bijna alle vreemde bijenrassen vullen hun +cellen tot den rand, en dit brengt mee, dat de mooiste raten er donker +en vuil uit zullen zien, en dus heel weinig aanlokkelijk voor den +kooper. Aan zoo iets denkt een zakenman het eerst, en de oude +Londensche jaren zijn daarom niet heelemaal nutteloos voor ons +geweest.”</p> + +<p>Het zingen, dat ik vaag uit de verte gehoord had, toen ik nog buiten +het hek stond, werd helderder naarmate wij voortliepen; wij gingen nu +den hoek van het huis om, en kwamen bij nog meer korven, en midden +daartusschen bewoog zich een meisjesfiguur; er was daar ook een klein +waschschuurtje, waar ik een verschijning zag van bruine armen, diep in +een waschtobbe, en tegelijk kreeg ik het laatste couplet van het vaag +gehoorde liedje.</p> + +<p>“Dit is Hetty”, lichtte de ijmker toe, “die helpt +<span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280">280</a>]</span>in +den tuin en—helpen, zei ik? ze is veel handiger er mee dan ik! Er +is zooveel werk bij de bijen, waarvoor een lichte vrouwenhand noodig +is. En Debora is onze huishoudster. Wist u, dat het woord Debora het +Hebreeuwsch is voor honingbij? Maar kom nu mee, dan zal ik u laten +zien, waar ik bij winterdag de korven maak, en waar wij den honing +slingeren, en waar wij de sekties in de raampjes zetten en al zoo +meer.”</p> + +<p>Hij vertoonde mij toen de werkkamer en een schuurtje met gazen +vensters, waar een eigen gemaakte slingermachine stond—een +snedig, centrifugaal ding, waarin de raten konden gelegd worden en +onbeschadigd aan de bijen teruggegeven en daarna geregeld weêr +gevuld en uitgeslingerd. En er was een provisiekamer, waar lange rijen +honingpotten stonden, en stapels sekties, en blokken licht gele was +lagen te wachten op de koopers en er was ook een pakschuur, waar de +kartonnen postdoozen in orde werden gemaakt. En eindelijk werd mij in +een uithoek van den tuin een ezel gewezen, ruig en goed doorvoed, die +vreedzaam stond te smangelen, en onder een afdak daarbij een karretje, +dat een bijzonderheid in zijn soort was. De houten kap had den vorm van +een grooten bijenkorf, en daarop was de naam van den tuin geschilderd +en een lijst van de produkten, die het karretje inhield. De ijmker +legde met een bewonderend gebaar er zijn hand op.</p> + +<p>“Dit is heelemaal een bedenksel van Hetty,” zei hij. +“Voor zoo iets moet je de Londensche meisjes hebben. In het +seizoen rijdt zij er iedere veertien dagen mee naar stad; propvol gaat +het weg, en geloof maar, dat ze geen honing weer mee terug brengt. Ik +weet het niet, maar die meisjes hoorden van naam te +veranderen.”</p> + +<hr class="tb"> +<p>Terugwandelend naar het station in den eeuwigen Engelschen +zonneschijn, en langs den keten van <span class="pagenum">[<a id= +"pb281" href="#pb281">281</a>]</span>bloeiende velden, luisterde ik +naar den bijenzang om mij heen; en hoe was het, dat ik in dezen zang, +waarmeê ik een geheel lang leven vertrouwd was geweest, vandaag +iets hoorde, dat ik er nooit in gehoord had? De diepe tonen rezen en +daalden en stierven uit toen het pad door de vlekkelooze roode klaver +leidde; toen verhief het zich weer als de rozige velden met espareette +kwamen, en werd tot een luide blijde symphonie waar een plek +mosterdzaad zijn veracht en onbegeerd geel mengde tusschen het zaaisel +van den boer; het scheen of het rijzend en dalend refrein mij dit +toezong: “Ge dacht, dat ge onze gangen en wegen kendet van A tot +Z! Ge hebt ons dag en nacht gespionneerd in en buiten het seizoen. Ge +hebt ons gechloroformeerd, gevivisekteerd, onze doode zusters lid voor +lid van elkaar getrokken, om de wreed glinsterende oogen van je tweeoog +te verzadigen. Ge waart er eindelijk toegekomen te denken, dat er niets +meer aan ons was, van buiten en van binnen en rondom, waar ge niet +alles van wist. En daar komt nu een gewone City-klerk, die zijn +erfelijken plicht den rug heeft gekeerd, en die vertelt u in niet meer +dan een uurtje een heel kwantum dingen, waar jij, dwarskijker, met je +levenslang gespionneer geen schijntje van vermoed hadt. Weg met jou! Je +verdient je heele verdere leven met niet anders dan hommels om te +gaan!”</p> + +<p>Want hoe meer ik nadacht, dat bijentuinen, als die ik juist bezocht +had, over het geheele land verspreid zouden <span class="corr" id= +"xd0e2127" title="Bron: kunen">kunnen</span> zijn, des te duidelijker +werd het mij, dat dit een zending voor de honingbij was, die mij +volslagen was ontgaan; en het denkbeeld werd hoe langer hoe +aantrekkelijker. Met ijmkeren op groote schaal is er altijd het +bezwaar, dat het bijenpark te groot zou kunnen worden voor zijn +honingbronnen in het omliggende land, hoewel het zéér +zeker waar is, <span class="pagenum">[<a id="pb282" href= +"#pb282">282</a>]</span>dat speciaal voor bijen gezaaide bloemenvelden +hun kosten kunnen opbrengen. Maar een kleine bijentuin zou nooit het +land kunnen uitputten binnen zijn noodzakelijken kring van drie mijlen, +en al de nektar, die de bijen indroegen, zou gratis verkregen zijn. +“Hoera voor Nunhead!” dacht ik, terwijl ik mijn rustigen +gang tusschen de klaver vervolgde. En waarom niet alle andere Nunheads +en evengoed alle andere grootere steden? Er zullen er altijd genoeg +overblijven, die het stof en stadsrumoer verkiezen, dus dat kleine +groepje bijenmannen zal niet gemist worden.</p> + +<p>En ik dacht ook nog over iets anders, terwijl ik voortschreed in den +engelschen zonneschijn, die eeuwig is; en ik zwaaide mijn overscharige +maar veel geprezen pot met honing er lustig bij in mijn hand.</p> + +<p>Het liedje en het vroolijk lachen—het was nog altijd in mijn +ooren, en het mengde zich in den werkzang van de bijen langs mijn weg. +Kijk, geen twaalf kilometer verderop over de heuvelen in de +blauwnevelige Sussex vallei, daar wist ik van juist zulk een bijentuin, +waar twee broers—maar deze geen Londeners, een paar echte +Downlandsche jongens—zich hadden gevestigd; zij hadden het goed, +maar allebei waren ze ongetrouwd. En geen week geleden, hadden ze zich +over dat feit bij mij beklaagd, en—Neen stil! Huwelijksmakelarij +is geen werk voor den schrijver van het Verhaal van de Honingbij!</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt= +"Ornament." width="154" height="81"></div> + +<p> <span class="pagenum">[<a id="pb283" href= +"#pb283">283</a>]</span></p> +</div> + +<div id="appendix" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="label">Aanhangsel</h2> + +<h2 class="normal">De Bij en haar Wapenen</h2> + +<p class="byline + ">Door Percy E. Spielmann</p> + +<p>Ph. D., B.Sc. (London), F. I. C-, A. R. C. Sc.</p> + +<p>Vertaald door L. S. <span class="pagenum">[<a id="pb285" href= +"#pb285">285</a>]</span></p> +</div> + +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">De Bij en haar Wapenen</h2> + +<p>Maeterlinck, dichter en <span class="corr" id="xd0e2159" title= +"Bron: ymker">ijmker</span> tegelijk, heeft ons een zeer aantrekkelijk +verslag gedaan van de monarchale republiek der bijen, en thans biedt +Tickner Edwardes, <span class="corr" id="xd0e2162" title="Bron: ymker"> +ijmker</span> en dichter naar geest en ziel, ons een nieuwe +aanlokkelijke beschrijving van het bijenleven, die ons nog dichter bij +de natuur brengt. Beide schrijvers hebben, evenals de bijen zelf, +gepuurd uit natuursvoorraadschuur, en ons hun oogst aangeboden in de +meest smakelijken en lichtst verteerbaren vorm.</p> + +<p>Het diepe geheimenis, dat den korf en haar verborgenheden omringt, +is doorbroken door flitsen van onderzoek, schitterend en toch niet +sterk genoeg om meer te doen dan den weg tot verder onderzoek te +verlichten, en de bekoring van het onderwerp te versterken door ons de +onthullingen te laten voorgevoelen van wat het warme duister van den +korf voor wonderen voor ons verbergt. De groote moeilijkheden, die zich +den wetenschappelijken onderzoeker vóordoen, ontsteken en dempen +tegelijk zijn ijver. Men kan de evolutie van de bij volgen door +vergelijking met haar vele, minder ontwikkelde verwanten onder de +hymenoptera, doch hoe zij tot haar eind-ontwikkeling gekomen is, is +voor den onderzoeker nog steeds een aanleiding tot verbazing. We kennen +de wijze waarop de honing voortgebracht wordt en ook haar +samenstelling; maar het <span class="pagenum">[<a id="pb286" href= +"#pb286">286</a>]</span>biologisch verband tusschen het voedsel der +bijen en de afscheiding van was, ligt tot heden letterlijk buiten onzen +gis.</p> + +<p>En de moeilijkheden worden niet minder door de geringheid van de +hoeveelheden voor het onderzoek beschikbaar, zoodra we het vergif in de +bijensteek en het broedvoedsel chemisch willen ontleden. Beide +substanties zijn aan onderzoek onderworpen, en al kan niet veel met +zekerheid worden verklaard, de richting, die de verkregen uitkomst +heeft aangewezen, is van beteekenis. Meest weten we van het vergif in +de bijensteek, en daar wil ik het thans kortelijk over hebben.</p> + +<p>Het bijenvergif blijkt, bij anatomisch onderzoek, geleverd te worden +door twee verschillende kliertjes. Ieder geeft een eigen vloeistof af: +de èene zurig, de andere alkalisch. Het vergif komt zelfs +vóor in de eieren van de bijen, en als beide stoffen tegelijk in +een wond worden ingespoten,—zooals in de natuur onveranderlijk +gebeurt—is de werking op het hevigst. Proefnemingen hebben +bewezen dat een indruppelen van een van beide afzonderlijk veel minder +werkzaam is dan wanneer beide tegelijk of aanstonds na elkaar in een +wondje worden gebracht. Bij de sluipwesp—een verre verwante van +de bij, die haar slachtoffer slechts zòo steekt dat het verlamd +wordt en aldus tot een maal kan dienen voor het broed tijdens den +broedtijd—kunnen we het kliertje, dat de alkalische stof +afscheidt, nauwelijks meer ontdekken.</p> + +<p>Hoe hooger de hymenoptera in ontwikkeling en bezit stijgt, des te +sterker wordt de werking van haar vergif, zelfs zóo dat het voor +den mensch levensgevaarlijk wordt. En zelfs hangt dit weer af van +omstandigheden, die zorgvuldig moeten onderscheiden worden. Hoe meer +een bij vertoornd is, des te feller is haar steek, <span class= +"pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287">287</a>]</span>waarschijnlijk +omdat zij dan haar vergif sterker uitspuit en mogelijk omdat de +afscheiding uit het alkalisch kliertje grooter is. In den herfst is de +werking van een steek erger dan in het voorjaar, wat misschien is toe +te schrijven aan een verschil in de temperatuur of in de afscheiding +van een late bij in vergelijking tot die van een voorjaarsinsect. Doch +het ergst zijn de gevolgen op een zeer warmen dag, en hier komt ook de +menschelijke factor mee in het spel. Immers al maakt de hitte een bij +prikkelbaar, en al mag die, door invloed van haar zenuwgestel, haar +afscheidingen en werkingen wijzigen gelijk ze dit in andere dieren +eveneens doet, het feit dat de mensch onder invloed van de warmte veel +minder weerstandskrachtig is tegen vergiften spreekt stellig mee. Hij +is gevoeliger in het algemeen, en zijn bloed doorloopt zijn lichaam +sneller en krachtiger en verspreidt het vergif dus deugdelijker.</p> + +<p>De schrijver van dit boek verhaalt van een zijner ervaringen, <span +class="corr" id="xd0e2179" title="Bron: bizonderlijk"> +bijzonderlijk</span> interessant omdat die veel ernstiger was dan +gemeenlijk ondervonden worden, en hij, na zijn herstel, de <span class= +"corr" id="xd0e2182" title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span> +zorgvuldig opschreef. “Er kwamen,” zegt hij, “zeven +bijen op me af uit een korf, die door een onverschillig helper +behandeld werd, en zij zetten zich bijna gelijktijdig op mijn hand en +pols.—’t Was een heel warme, benauwde, stille namiddag; ik +had al een acht tot tien korven nagegaan en bevond me in een toestand +van tamelijke vermoeidheid, met duidelijke transpiratie. Zoo gewend ben +ik er aan, gestoken te worden, dat ik heel weinig op dezen aanval +lette, de bijen eenvoudig verwijderde en hun angel met den nagel van +mijn vinger wegkijlde. Daarop ging ik door met mijn werk, maar bemerkte +na een minuut of zoo een branding op mijn tong, die zich heel spoedig +over mijn ganschen mond en keel verspreidde. Al die lichaamsdeelen +schenen nu op te <span class="pagenum">[<a id="pb288" href= +"#pb288">288</a>]</span>zwellen, en die neiging tot opzwellen +verspreidde zich over het geheele hoofd en in ’t <span class= +"corr" id="xd0e2187" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> tot de +lippen, zoodat het spreken moeilijk ging vallen. Dat gevoel van +branderigheid verbreidde zich nu over mijn geheele lijf; mijn oogen +leken uit te puilen en het gezicht begaf me, zoodat ik zoo goed als +niets meer zien kon. Een aandoening van misselijkheid en zwakheid +overviel me; armen en beenen leken machteloos te worden en in het eind +verloor ik mijn bewustzijn. Dit alles gebeurde binnen het bestek van +hoogstens 8 tot 10 minuten. Naar men me vertelde bleef ik minstens 10 +tot 15 minuten bewusteloos. Nadat ik was bijgekomen duurde de nawerking +nog ongeveer een half uur; toen was alles voorbij en ik kon verder gaan +met mijn werk. Ik moet hier bijvoegen dat die bijen me totaal vreemd +waren, en hun eigenaar hen niet al te goed verzorgd +had.”—</p> + +<p>Uit dit alles volgt dat de veel verbreide meening, alsof het +bijenvergift uit niets dan mierenzuur bestaat, niet geheel juist kan +zijn. Voortgezet onderzoek brengt aan het licht dat dit naar alle +waarschijnlijkheid niet de eenige prikkel is in het geval van een +mierenbijt, en dat het zeker niet voorkomt in brandnetels, gelijk tot +heden is aangenomen. Men heeft toch berekend dat een haar van den netel +niet meer dan 0.00006 miligram van dat zuur kan bevatten, en dat is een +geheel te versmaden kleine hoeveelheid, terwijl ook het andere +bewijsmateriaal tegen zijn aanwezigheid daarin zeer sterk is.</p> + +<p>Een droppel bijenvergift weegt tusschen 2 en 3 tienden miligrammen; +het is glashelder en heeft een bitteren smaak en een eigenaardigen +aromatischen geur. Om het chemisch te kunnen onderzoeken heeft men het +vergift van 12000 tot 25000 bijen moeten bijeenbrengen. Zelfs met deze +hoeveelheid is men <span class="pagenum">[<a id="pb289" href= +"#pb289">289</a>]</span>nog niet erg ver kunnen komen. Ook een anderen +weg, meer biologisch, heeft men gevolgd, door het vergift in te brengen +bij musschen, nadat men het eerst voldoende verhit had om +achtereenvolgens de verschillende elementen, die het vergift +samenstellen, te vernietigen. De uitkomsten van deze twee methoden van +onderzoek, hoewel ze niet volkomen overeenkomen, laten evenwel vrijwel +toe, een gemiddelde slotsom te trekken.</p> + +<p>En deze is, dat het bijenvergift drieledig is, en dat de +“zuur”-klier twee der drie stoffen afscheidt. Die zurigheid +is te wijten aan mierenzuur, dat allereerst de plaatselijke prikkeling +van de wond schijnt te veroorzaken. Het doel van zijn aanwezigheid +schijnt te zijn, het voortbrengsel van de “alkalische” +klier opgelost te houden, nadat het reeds in het lichtelijk alkalisch +bloed is overgegaan. De andere afscheiding van deze +“zuur”-klier is een verdoovend middel, met eenige +overeenkomst van wat we in slangengif vinden. Zij behoort tot de +“toxalbumens,” met even boosaardige eigenschappen als hun +bloedverwant, het ei-albumen, er zegenrijke heeft.</p> + +<p>De alkalische afscheiding, een basis of alkaloid, is een der vele +dierlijke producten, overeenkomend met de sterk vergiftige +plantaardige, die in de geneeskunst zulk een rol spelen. Het is van een +bitter “beginsel” en is op zich zelf in staat +stuiptrekkingen bij het slachtoffer te verwekken.</p> + +<p>Deze onderzoekingen laten, van wetenschappelijk standpunt, de onder +ijmkers wijdverspreide meening onbeslist, dat bijensteken een +geneesmiddel zouden zijn tegen <span class="corr" id="xd0e2202" title= +"Bron: rhumatiek">rheumatiek</span>. De ervaring schijnt dit inzicht te +bevestigen, ofschoon niet absoluut. Als het juist bleek zou het geen op +zichzelf staand verschijnsel zijn; want het is bekend dat steken van de +kwallen spit genezen. <span class="pagenum">[<a id="pb290" href= +"#pb290">290</a>]</span></p> + +<p>Ten slotte een woord over het onvatbaar-maken. Na langen tijd wordt +een persoon tegen bijensteken gehard, zij hebben weinig effect meer op +hem. Blijkbaar berust dit op den prikkel die het menschelijk systeem +ondergaat tot het voortbrengen van een tegengift om het ingespoten +vergift te bestrijden. Hierin ligt niets nieuws. Het is een van de +grondslagen van elke serum-behandeling tegen bacterien, en van de +inenting van personen, die nog onaangetast bleven; en werd allereerst +door Pasteur op een breeden wetenschappelijken grondslag gevest. Doch +wat wel opmerkelijk is, is dat men bijenvergift kan aanwenden als +tegengift tegen dat van slangen; door een voorafgaande inspuiting van +het eerste verzwakt men zeer sterk de werking van het laatste. +Bijenvergift werkt eenigermate als dat van slangen, en dat het nu dit +laatste kan tegengaan wijst op een nog nauwer onderling verband. Aldus +blijken de gift-voortbrengsels van bijen, bacteria, slangen, en de nog +minder bekende vergiften van scorpioenen en spinnen, onderling +verbonden in een van die geheimzinnige verknoopingen, daar de natuur +zich bijzonder in schijnt te verlustigen. Wezenlijk is het echter geen +“verknooping”; de wetten en voortbrengselen der natuur zijn +volstrekt niet verward; het is onze beperkte kennis die ze ons voor +verward doet aanzien. De wezenlijke paradox is dat de natuur +tegelijkertijd buitengewoon samengesteld èn dood-eenvoudig is; +al de duizenden feiten en ervaringen die we verzameld hebben en die een +doorvlechting lijken van eindelooze <span class="corr" id="xd0e2208" +title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span>, brengen tegelijk +meer en meer duidelijk aan het licht naar welk een allereenvoudigst +stelsel de natuur is opgebouwd. Uit dat velerlei der <span class="corr" +id="xd0e2211" title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span> volgen +ten slotte de algemeene wetten, die de afgescheiden verschijnselen +onderling verbonden toonen. Aldus ook in dit geval. Als het voortgezet +<span class="pagenum">[<a id="pb291" href= +"#pb291">291</a>]</span>onderzoek de bij, met haar wonderlijke +geheimenissen, in verband zal hebben gebracht met andere, even duistere +en moeilijke vraagstukken, zullen in het mozaiek van het heelal nieuwe +steentjes hun plaats gevonden hebben, en het stelsel der natuur zal ons +nòg meer verduidelijkt zijn.</p> + +<div class="figure"><img border="0" src="images/einde.gif" alt="Einde" +width="279" height="91"> +<p class="figureHead">Einde</p> +</div> +</div> +</div> + +<div class="back"><span class="pagenum">[<a id="pb293" href= +"#pb293">293</a>]</span> +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Erratum.</h2> + +<p>Op pag. <a href="#err.1" class="pageref">VII</a>, Voorwoord +Redactie, <i>staat</i>: <i>Koningsbij</i>. Lees: <i>Honingbij</i>. +<span class="pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295">295</a>]</span></p> +</div> + +<div id="toc" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Inhoud</h2> + +<ol class="lsoff"> +<li> <span class="tocPagenum">Blz.</span></li> + +<li><a href="#pre"><span class="letterspaced">Voorwoord der +Redactie</span></a> <span class="tocPagenum">V</span></li> + +<li><a href="#intro"><span class="letterspaced">Inleiding</span>: Het +oudste bedrijf onder de Zon</a> <span class="tocPagenum">IX</span></li> + +<li><a id="xd0e2268"></a>I. <a href="#ch1">De Honingbij en de oude +Schrijvers</a> <span class="tocPagenum">5</span></li> + +<li>II <a href="#ch2">Het Honing-eiland</a> <span class="tocPagenum"> +19</span></li> + +<li>III <a href="#ch3"><span class="corr" id="xd0e2287" title="Bron: +Ymkers">IJmkers</span> in de Middeleeuwen</a> <span class="tocPagenum"> +27</span></li> + +<li>IV <a href="#ch4">Voor de Stadspoorten</a> <span class= +"tocPagenum">46</span></li> + +<li>V <a href="#ch5">De Republiek binnen de korven</a> <span class= +"tocPagenum">65</span></li> + +<li>VI <a href="#ch6">Het eerste werk in de Bijenstad</a> <span class= +"tocPagenum">82</span></li> + +<li>VII <a href="#ch7">Het Ontstaan der Koningin</a> <span class= +"tocPagenum">92</span></li> + +<li>VIII <a href="#ch8">De Bruid-Weduwe</a> <span class="tocPagenum"> +117</span></li> + +<li>IX <a href="#ch9">De Werkbij, Souvereine</a> <span class= +"tocPagenum">125</span></li> + +<li>X <a href="#ch10">Een Anatomische romance</a> <span class= +"tocPagenum">146</span></li> + +<li>XI <a href="#ch11">Het mysterie van den Zwerm</a> <span class= +"tocPagenum">172</span></li> + +<li>XII <a href="#ch12">De Raatbouw</a> <span class="tocPagenum"> +198</span></li> + +<li>XIII <a href="#ch13">Waar “het Bieken honing puurt”</a> +<span class="tocPagenum">223</span></li> + +<li>XIV <a href="#ch14">De Dar en zijn Geschiedenis</a> <span class= +"tocPagenum">238</span></li> + +<li>XV <a href="#ch15">Na het Banket</a> <span class="tocPagenum"> +253</span></li> + +<li>XVI <a href="#ch16">Het Moderne Bijenpark</a> <span class= +"tocPagenum">261</span></li> + +<li>XVII <a href="#ch17">Bijenhouden en Eenvoudig leven</a> <span +class="tocPagenum">272</span></li> + +<li><span class="letterspaced">Aanhangsel</span>: <a href="#appendix"> +De Bij en haar Wapenen</a>, door Percy E. Spielmann <span class= +"tocPagenum">283</span></li> +</ol> + +<span class="pagenum">[<a id="pb296" href= +"#pb296">296</a>]</span></div> + +<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> + +<h2 class="normal">Illustraties</h2> + +<ol class="lsoff"> +<li> <span class="tocPagenum">Blz.</span></li> + +<li><a href="#p004">De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende +bijen</a> <span class="tocPagenum">4</span></li> + +<li><a href="#p047">Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke +ligging der raten toont</a> <span class="tocPagenum">47</span></li> + +<li><a href="#p059">Ouderwetsche bijenwoning in Sussex</a> <span class= +"tocPagenum">59</span></li> + +<li><a href="#p071">Raat uit <span class="corr" id="xd0e2449" title= +"Bron: Moderne(n)">Moderne</span> Korf, met Koningin</a> <span class= +"tocPagenum">71</span></li> + +<li><a href="#p085">Winter in den Bijentuin</a> <span class= +"tocPagenum">85</span></li> + +<li><a href="#p093">Darren- en Werkbijenbroed</a> <span class= +"tocPagenum">93</span></li> + +<li><a href="#p105">De Koningin in broed-tijd</a> <span class= +"tocPagenum">105</span></li> + +<li><a href="#p111">Broedcel voor Koningin</a> <span class= +"tocPagenum">111</span></li> + +<li><a href="#p129">De Honingbij vergroot</a> <span class="tocPagenum"> +129</span></li> + +<li><a href="#p139">Raat met Broedcellen</a> <span class="tocPagenum"> +139</span></li> + +<li><a href="#p165">Bijen-Kinderkamer</a> <span class="tocPagenum"> +165</span></li> + +<li><a href="#p173">Een bijenzwerm in Mei</a> <span class="tocPagenum"> +173</span></li> + +<li><a href="#p179">Een Reuzen-zwerm</a> <span class="tocPagenum"> +179</span></li> + +<li><a href="#p185">Het opvangen van een zwerm</a> <span class= +"tocPagenum">185</span></li> + +<li><a href="#p191">De zwerm in den korf</a> <span class="tocPagenum"> +191</span></li> + +<li><a href="#p207">Honingraat onder verlichting</a> <span class= +"tocPagenum">207</span></li> + +<li><a href="#p217">Raat, naar boven toe opgebouwd</a> <span class= +"tocPagenum">217</span></li> + +<li><a href="#p233">De Voorraadschuur</a> <span class="tocPagenum"> +233</span></li> + +<li><a href="#p251">Koningin buiten het broedseizoen</a> <span class= +"tocPagenum">251</span></li> + +<li><a href="#p267"><span class="corr" id="xd0e2563" title="Bron: +Ymkerij">IJmkerij</span> zonder verstand</a> <span class="tocPagenum"> +267</span></li> + +<li><a href="#p277">Een <span class="corr" id="xd0e2573" title="Bron: +Ymkerij">IJmkerij</span> in het bosch</a> <span class="tocPagenum"> +277</span></li> +</ol> +</div> + +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> + +<h3>Beschikbaarheid</h3> + +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met +vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href= +"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> + +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> + +<h3>Codering</h3> + +<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan +de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel +zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn +gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het +corr-element.</p> + +<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen +gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste +dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele +aanhalingstekens.</p> + +<h3>Documentgeschiedenis</h3> + +<ol class="lsoff"> +<li>2009-05-22 Begonnen.</li> +</ol> + +<h3>Externe Referenties</h3> + +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> + +<h3>Verbeteringen</h3> + +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> + +<table width="75%"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e136">n.v.t.</a></td> +<td width="40%">Geillustreerd</td> +<td width="40%">Geïllustreerd</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#err.1">VII</a></td> +<td width="40%">koningsbijen</td> +<td width="40%">honingbijen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e206">IX</a></td> +<td width="40%">bizondere</td> +<td width="40%">bijzondere</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e211">X</a></td> +<td width="40%">ymker</td> +<td width="40%">ijmker</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e237">XIV</a></td> +<td width="40%">eolithische</td> +<td width="40%">neolithische</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e444">13</a></td> +<td width="40%">officiëel</td> +<td width="40%">officieel</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e504">20</a></td> +<td width="40%">éen</td> +<td width="40%">één</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e507">20</a></td> +<td width="40%">vóor</td> +<td width="40%">vóór</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e577">31</a></td> +<td width="40%">paralel</td> +<td width="40%">parallel</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e580">31</a></td> +<td width="40%">bizonderen</td> +<td width="40%">bijzonderen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e602">35</a></td> +<td width="40%">monnikken</td> +<td width="40%">monniken</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e707">50</a></td> +<td width="40%">Vóor</td> +<td width="40%">Vóór</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e722">52</a></td> +<td width="40%">orienteeren</td> +<td width="40%">oriënteeren</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e741">55</a></td> +<td width="40%">éen</td> +<td width="40%">één</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e752">57</a></td> +<td width="40%">paralel</td> +<td width="40%">parallel</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e757">57</a></td> +<td width="40%">Over dag</td> +<td width="40%">Overdag</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e771">58</a></td> +<td width="40%">éene</td> +<td width="40%">ééne</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e778">61</a></td> +<td width="40%">onmiddelijk</td> +<td width="40%">onmiddellijk</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e825">67</a></td> +<td width="40%">alwetenheid</td> +<td width="40%">alwetendheid</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e861">75</a></td> +<td width="40%">bizonderheden</td> +<td width="40%">bijzonderheden</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e868">75</a></td> +<td width="40%">Groot-Britannië</td> +<td width="40%">Groot-Brittannië</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e953">88</a></td> +<td width="40%">-</td> +<td width="40%">lucht</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e960">89</a></td> +<td width="40%">voedigsmarsch</td> +<td width="40%">voedingsmarsch</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e967">90</a></td> +<td width="40%">zwermkoorstperiode</td> +<td width="40%">zwermkoortsperiode</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1000">95</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">ten</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1003">95</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">ten</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1029">100</a></td> +<td width="40%">koninigin</td> +<td width="40%">koningin</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1036">101</a></td> +<td width="40%">koninigin</td> +<td width="40%">koningin</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1055">104</a></td> +<td width="40%">paralel</td> +<td width="40%">parallel</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1084">110</a></td> +<td width="40%">koniginnen</td> +<td width="40%">koninginnen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1100">114</a></td> +<td width="40%">geleïachtige</td> +<td width="40%">gelei-achtige</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1109">115</a></td> +<td width="40%">konnklijke</td> +<td width="40%">koninklijke</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1155">121</a></td> +<td width="40%">geöpend</td> +<td width="40%">geopend</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1247">138</a></td> +<td width="40%">door gaat</td> +<td width="40%">doorgaat</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1252">138</a></td> +<td width="40%">volwasen</td> +<td width="40%">volwassen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1255">138</a></td> +<td width="40%">wezenttje</td> +<td width="40%">wezentje</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1310">147</a></td> +<td width="40%">miskroskoop</td> +<td width="40%">mikroskoop</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1322">149</a></td> +<td width="40%">mikroscoop</td> +<td width="40%">mikroskoop</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1333">151</a></td> +<td width="40%">kontrakt</td> +<td width="40%">kontakt</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1342">152</a></td> +<td width="40%">mikroscoop</td> +<td width="40%">mikroskoop</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1363">155</a></td> +<td width="40%">ontennae</td> +<td width="40%">antennae</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1386">160</a></td> +<td width="40%">honnigvoorraad</td> +<td width="40%">honingvoorraad</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1405">163</a></td> +<td width="40%">princessen</td> +<td width="40%">prinsessen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1480">178</a></td> +<td width="40%">oorsponkelijke</td> +<td width="40%">oorspronkelijke</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1502">183</a></td> +<td width="40%">honigjaren</td> +<td width="40%">honingjaren</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1542">190</a></td> +<td width="40%">konigin</td> +<td width="40%">koningin</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1554">193</a></td> +<td width="40%">koniniginnewiegen</td> +<td width="40%">koninginnewiegen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1561">194</a></td> +<td width="40%">zuimte</td> +<td width="40%">ruimte</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1615">201</a></td> +<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1694">214</a></td> +<td width="40%">bizondere</td> +<td width="40%">bijzondere</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1734">221</a></td> +<td width="40%">te te</td> +<td width="40%">te</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1741">221</a></td> +<td width="40%">paralelraten</td> +<td width="40%">parallelraten</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1746">222</a></td> +<td width="40%">byzondere</td> +<td width="40%">bijzondere</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1764">223</a></td> +<td width="40%">ymker</td> +<td width="40%">ijmker</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1774">225</a></td> +<td width="40%">Zuid-Engelan</td> +<td width="40%">Zuid-Engeland</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1864">239</a></td> +<td width="40%">dwaselijke</td> +<td width="40%">dwazelijke</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1873">241</a></td> +<td width="40%">bijenrepubiiek</td> +<td width="40%">bijenrepubliek</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1903">246</a></td> +<td width="40%">bij</td> +<td width="40%">hij</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1908">247</a></td> +<td width="40%">is,</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1936">251</a></td> +<td width="40%">bizonder</td> +<td width="40%">bijzonder</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1963">255</a></td> +<td width="40%">balddadig</td> +<td width="40%">baldadig</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1990">259</a></td> +<td width="40%">vegeten</td> +<td width="40%">vergeten</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2026">264</a></td> +<td width="40%">lngewanden</td> +<td width="40%">ingewanden</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2127">281</a></td> +<td width="40%">kunen</td> +<td width="40%">kunnen</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2159">285</a></td> +<td width="40%">ymker</td> +<td width="40%">ijmker</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2162">285</a></td> +<td width="40%">ymker</td> +<td width="40%">ijmker</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2179">287</a></td> +<td width="40%">bizonderlijk</td> +<td width="40%">bijzonderlijk</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2182">287</a></td> +<td width="40%">bizonderheden</td> +<td width="40%">bijzonderheden</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2187">288</a></td> +<td width="40%">bizonder</td> +<td width="40%">bijzonder</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2202">289</a></td> +<td width="40%">rhumatiek</td> +<td width="40%">rheumatiek</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2208">290</a></td> +<td width="40%">bizonderheden</td> +<td width="40%">bijzonderheden</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2211">290</a></td> +<td width="40%">bizonderheden</td> +<td width="40%">bijzonderheden</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2268">295</a></td> +<td width="40%">Hoofdst.</td> +<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2287">295</a></td> +<td width="40%">Ymkers</td> +<td width="40%">IJmkers</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2449">296</a></td> +<td width="40%">Moderne(n)</td> +<td width="40%">Moderne</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2563">296</a></td> +<td width="40%">Ymkerij</td> +<td width="40%">IJmkerij</td> +</tr> + +<tr> +<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2573">296</a></td> +<td width="40%">Ymkerij</td> +<td width="40%">IJmkerij</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ *** + +***** This file should be named 28963-h.htm or 28963-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/8/9/6/28963/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/28963-h/images/einde.gif b/28963-h/images/einde.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ca516b2 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/einde.gif diff --git a/28963-h/images/front.jpg b/28963-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..126ae1b --- /dev/null +++ b/28963-h/images/front.jpg diff --git a/28963-h/images/ornament1.gif b/28963-h/images/ornament1.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d45b225 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/ornament1.gif diff --git a/28963-h/images/ornament2.gif b/28963-h/images/ornament2.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d6e654a --- /dev/null +++ b/28963-h/images/ornament2.gif diff --git a/28963-h/images/p004.jpg b/28963-h/images/p004.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..60be643 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p004.jpg diff --git a/28963-h/images/p047.jpg b/28963-h/images/p047.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..270518a --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p047.jpg diff --git a/28963-h/images/p059.jpg b/28963-h/images/p059.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4ef2d22 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p059.jpg diff --git a/28963-h/images/p071.jpg b/28963-h/images/p071.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..87b06ad --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p071.jpg diff --git a/28963-h/images/p085.jpg b/28963-h/images/p085.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..55b07b8 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p085.jpg diff --git a/28963-h/images/p093.jpg b/28963-h/images/p093.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b154f6c --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p093.jpg diff --git a/28963-h/images/p105.jpg b/28963-h/images/p105.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..13f5b6e --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p105.jpg diff --git a/28963-h/images/p111.jpg b/28963-h/images/p111.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..af033f3 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p111.jpg diff --git a/28963-h/images/p129.jpg b/28963-h/images/p129.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1744562 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p129.jpg diff --git a/28963-h/images/p139.jpg b/28963-h/images/p139.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8c37613 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p139.jpg diff --git a/28963-h/images/p165.jpg b/28963-h/images/p165.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2752d02 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p165.jpg diff --git a/28963-h/images/p173.jpg b/28963-h/images/p173.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c627ede --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p173.jpg diff --git a/28963-h/images/p179.jpg b/28963-h/images/p179.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..94fea58 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p179.jpg diff --git a/28963-h/images/p185.jpg b/28963-h/images/p185.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..780dd99 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p185.jpg diff --git a/28963-h/images/p191.jpg b/28963-h/images/p191.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3c9854f --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p191.jpg diff --git a/28963-h/images/p207.jpg b/28963-h/images/p207.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3e80a6c --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p207.jpg diff --git a/28963-h/images/p217.jpg b/28963-h/images/p217.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f7d910d --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p217.jpg diff --git a/28963-h/images/p233.jpg b/28963-h/images/p233.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d521350 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p233.jpg diff --git a/28963-h/images/p251.jpg b/28963-h/images/p251.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..402ed9d --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p251.jpg diff --git a/28963-h/images/p267.jpg b/28963-h/images/p267.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fcccca1 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p267.jpg diff --git a/28963-h/images/p277.jpg b/28963-h/images/p277.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f346a03 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/p277.jpg diff --git a/28963-h/images/titlepage1.gif b/28963-h/images/titlepage1.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..205e693 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/titlepage1.gif diff --git a/28963-h/images/titlepage2.gif b/28963-h/images/titlepage2.gif Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4a8e416 --- /dev/null +++ b/28963-h/images/titlepage2.gif diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..4c9eaa4 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #28963 (https://www.gutenberg.org/ebooks/28963) |
