summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--28963-8.txt7889
-rw-r--r--28963-8.zipbin0 -> 177206 bytes
-rw-r--r--28963-h.zipbin0 -> 2558163 bytes
-rw-r--r--28963-h/28963-h.htm9837
-rw-r--r--28963-h/images/einde.gifbin0 -> 3168 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/front.jpgbin0 -> 48292 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/ornament1.gifbin0 -> 1923 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/ornament2.gifbin0 -> 2384 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p004.jpgbin0 -> 95044 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p047.jpgbin0 -> 113354 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p059.jpgbin0 -> 88657 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p071.jpgbin0 -> 101548 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p085.jpgbin0 -> 115682 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p093.jpgbin0 -> 110697 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p105.jpgbin0 -> 107908 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p111.jpgbin0 -> 99988 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p129.jpgbin0 -> 54658 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p139.jpgbin0 -> 124449 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p165.jpgbin0 -> 104462 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p173.jpgbin0 -> 100951 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p179.jpgbin0 -> 94109 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p185.jpgbin0 -> 127820 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p191.jpgbin0 -> 97137 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p207.jpgbin0 -> 79701 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p217.jpgbin0 -> 103045 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p233.jpgbin0 -> 111159 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p251.jpgbin0 -> 103451 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p267.jpgbin0 -> 96437 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/p277.jpgbin0 -> 127255 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/titlepage1.gifbin0 -> 75507 bytes
-rw-r--r--28963-h/images/titlepage2.gifbin0 -> 73523 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
34 files changed, 17742 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/28963-8.txt b/28963-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..772f451
--- /dev/null
+++ b/28963-8.txt
@@ -0,0 +1,7889 @@
+Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het verhaal van de honingbij
+
+Author: Tickner Edwardes
+
+Translator: M. van Vloten
+
+Release Date: May 25, 2009 [EBook #28963]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+ Wereld Bibliotheek
+
+ Onder leiding van L. Simons.
+
+
+ Boeken zijn de universiteit onzer dagen.
+
+ Uitgegeven door:
+ De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur
+ Amsterdam
+
+
+
+
+
+
+ Tickner Edwardes
+
+ Het verhaal van de honingbij
+
+ Vertaald door
+ M. van Vloten
+
+ Met een aanhangsel
+
+ De bij en haar wapenen
+
+ Naar het Engelsch van
+
+ DR. Percy E. Spielmann
+
+ Geïllustreerd
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD
+
+
+De Schrijver van dit werk: The Lore of the Honeybee, dat thans den
+lezers onzer bibliotheek in de geautoriseerde vertaling naar den
+3en Engelschen druk wordt aangeboden, is een ijmker in Arundel, bij
+het Nieuwe Bosch in Zuid-Engeland, en naar hij ons met voldoening
+berichtte, van Nederlandsche herkomst: het eerste deel van zijn naam
+duidde hij aan als een verengelsching van ons: Teekenaar. Bij het lezen
+van zijn boek zal men den man van de praktijk, den wetenschappelijken
+onderzoeker en den dichterlijk-gevoeligen natuurliefhebber vereenigd
+vinden met den bespiegelaar over de toekomst van ons menschenras. Men
+zal mogen meenen dat hij, in bewondering verzonken voor het vernuft
+en de beginselvastheid der bij, wat al te zeer geneigd is haar met
+den mensch te vergelijken en te vergeten dat diens beheersching der
+natuurkrachten en de ruimte van zijn denken hem in staat stelt zijn
+problemen geheel anders op te lossen dan het fijn en doortastend
+gemeenschappelijk bijenvernuft dat vermocht. Doch men zal moeilijk
+kunnen nalaten naar hem te luisteren zonder bekoord en geboeid te
+worden door het verhaal dat hij ons doet omtrent het bijenleven:
+zooals de mensch zich dat vroeger dacht, en zooals hij het thans
+heeft leeren waarnemen.
+
+Dr. Percy E. Spielmann--chemicus te Londen--aan wiens vriendelijke
+belangstelling in onze bibliotheek wij zelf de kennismaking met dit
+boek danken, heeft van die belangstelling nog verder willen doen
+blijken door ons een Bericht toe te zenden omtrent het Bijenvergif
+en zijn werking, welk bericht wij als Bijlage achteraan opnemen.
+
+
+
+De lezer, die, even onkundig als wij zelf op dit stuk, gewend is
+geweest den mannetjesbij als hommel aan te duiden, zal allicht vreemd
+ervan opzien, dezen naam niet in onze vertaling aan te treffen,
+doch wel den zeer weinig gekenden naam: dar. Doch onze vertaalster
+heeft hier het gezag op haar hand van ons Nedl. Woordenboek, dat
+o. m. van den heer Snellen van Vollenhoven uit zijn Gelede Dieren
+deze nadrukkelijke uitspraak aanhaalt: "De mannetjes worden door
+de bijenboeren darren of darries en door velen "verkeerdelijk"
+hommels genoemd."
+
+De hommels behooren niet tot de honingbijen! maar zijn de diklijvige,
+ruige, wilde bijen van het geslacht Bombus, waarvan in ons vaderland,
+volgens diezelfde autoriteit, een twaalftal soorten te vinden zijn.
+
+Waarmee we alweer van een dwaling genezen worden.
+
+
+Red. W. B.
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING
+
+HET OUDSTE BEDRIJF ONDER DE ZON.
+
+
+Een van de oudste en mooiste fabels uit de Grieksche mythologie,
+is die betreffende den oorsprong van de honingbij. Hoe de jonge god
+Jupiter door zijn moeder Ops, bij de schoone dochters van den koning
+van Kreta, Melissa en Amalthea, gebracht werd toen zijn vader Saturnus,
+die de gewoonte had zijn kroost bij hun geboorte te verslinden, hem,
+zijn laatstgeborene, zou gaan gebruiken voor zijn dagelijksch maal.
+
+Dit verhaal komt bij de oude schrijvers in verschillende lezingen
+voor. Sommige zeggen, dat de bijen al bestonden, en noemen Amalthea
+een gewone geit, met wier melk de kleine god gevoed werd; terwijl
+Melissa de honing verkreeg van de wilde bijen, in de grot, waar Jupiter
+verborgen werd gehouden. Een ander verhaal wil, dat de bijen zelf
+naar de grot werden aangetrokken door het geraas, dat de voedsters
+maakten, slaande zonder ophouden op koperen vaten om de ooren van den
+verslindenden vader te verdooven voor het kinderlijk gekrijsch. Van
+toen af brachten de bijen hem dagelijks zijn rantsoen honing, tot hij,
+opgegroeid, zijn plaats kon houden op den Olympus. In beide verhalen
+toont Jupiter, in waarheid als een god, zijn dankbaarheid aan zijn
+redders. Bij de vroegste schrijvers vindt men al als een oud geloof,
+dat in het bijzondere geval van de honingbij is afgeweken van het
+algemeen beginsel: mannelijk en vrouwelijk, en dat de voortplanting van
+die soort op bovenzienelijke wijze geschiedt. Dit wordt nu verklaard
+als een bijzondere gift van Jupiter, in zijn erkentelijkheid voor den
+onschatbaren dienst hem bewezen. Men vindt het in ééne lezing van
+de hierboven genoemde fabel, en ook in de woorden van een beroemd
+ijmker, die in 1657 schreef: "voor zulk een buitengewone weldaad
+heeft Jupiter zijn voedsters beloond met de eigenschap: jongen voort
+te brengen en hun geslacht voort te planten, buiten de verterende
+geslachtsdrift om." In den anderen, en waarschijnlijk veel ouderen
+vorm van de legende, werd Melissa, de schoone dochter van den koning
+van Kreta, zelf door den god in een bij veranderd, eveneens met
+onbevlekte voortplanting, en voortaan waren het hare nakomelingen,
+op wie de taak zou rusten: honing te verzamelen tot voedsel voor de
+menschen; die honing waarvan men lang gemeend heeft--tot maar weinig
+eeuwen vóór onzen tijd--dat zij een wonderbaarlijke afscheiding was,
+die van den hemel tot ons kwam.
+
+Maar zelfs wanneer men die schemerige oude verhalen der mythologie
+wegdenkt, die eene romantische verklaring geven voor allen
+levensoorsprong op aarde, moet men toch bij iedere poging om de
+bijenteelt tot haar allereerste begin terug te brengen, weer opnieuw
+den indruk krijgen, dat dit wel het oudste bedrijf onder de zon
+is. Duizenden van jaren vóórdat de Groote Pyramide gebouwd werd,
+moet het ijmken al een van ouder tot ouder gevestigde bezigheid van
+den mensch zijn geweest. Men moet algemeen geweten hebben--en deze
+wetenschap is gestempeld door het gezag der eeuwen--dat een bijenkorf,
+behalve de massa van zijn werksters, één enkele groote, heerschende
+bij inhield, voorbeeld van het door God begenadigde koningschap;
+hoe anders zou in Egypte de bij verkoren zijn geworden om in de
+hieroglyphische symbolen het koningschap te verbeelden?
+
+Maar niet alléén binnen de grenzen der historische tijden, het zij dan
+ook in een nóg zoo ver verleden, vindt men de bewijzen besloten van
+het bestaan der bijenteelt, of tenminste van het gebruik van honing
+en was door den mensch in zijn dagelijksch leven. Men kan teruggaan
+tot zelfs het Bronstijdperk toe, om de zekere bewijzen te vinden,
+dat was werd gebruikt bij het vervaardigen van wapenen en sieraden.
+
+Men maakte een model van het voorwerp in een brandbare stof; dit
+legde men in een bed van klei waaruit men dan het model wegbrandde,
+en eindelijk vulde men den dus verkregen vorm met het gesmolten
+metaal. Zonder twijfel werden in veel gevallen deze vormen in hout
+gesneden; maar het is eveneens zeker dat ook een smijige stof dikwijls
+gebruikt werd. Er zijn bronzen sieraden gevonden met de indrukken van
+duimen er nog op, blijkbaar toevallige indrukken in het oorspronkelijke
+model, nauwkeurig overgebracht op het metaal. En de grondstof, voor
+deze modellen gebruikt, kon nauwelijks iets anders zijn geweest
+dan bijenwas.
+
+Maar onze vermoedens omtrent den waarschijnlijken ouderdom van de
+bijenteelt behoeven hier nog niet te eindigen. De betrouwbaarste
+deskundigen beweren, dat men het levenstijdperk van den mensch op aarde
+wel op 100.000 jaar kan schatten. De oudste sporen van den mensch, ver
+in den schemer der fossiele tijden, toonen hem ons, als een vechtend en
+jagend dier, waarin nog geen neiging ontwikkeld was tot landontginnen
+of het temmen van de dieren uit zijne omgeving voor eigen en huiselijk
+nut. Het blijkt, dat hij later in het Steentijdperk--eene periode
+die toch nog oneindig ver achter ons ligt--verschillende dieren,
+als os, schaap, en geit, tam maakte en in afgeperkte terreinen hield
+om ze te slachten tot zijn voedsel, in plaats van steeds zwervend
+te jagen op wild gedierte. In dezen zelfden tijd vindt men ook,
+dat hij koren zaaide en zelfs een soort van brood bakte. Men moet
+bedenken, dat, wanneer men honderd duizend jaar stelt als de grens
+van het menschelijk leven op aarde, de ontwikkeling van andere
+levende wezens en ook de meeste plantenvormen, onmetelijke tijden
+vroeger was begonnen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de wereld van
+boomen en bloeiende planten, waarin de oorspronkelijke mensch zich
+bewoog, niet bijzonder sterk afweek van de groene wereld, die het
+menschelijk leven in onzen tijd omgeeft. Het is zeker, dat de appel,
+de peer, framboos, braam en pruim gewone vruchten waren in de latere
+steenperiode; want van die alle zijn er zaden gevonden in verband met
+neolithische overblijfselen. Bewijzen voor het bestaan van beuk en
+iep--de laatste een geweldige stuifmeelverspreider--zijn al in een
+veel vroeger tijdperk gevonden. Alle voorwaarden ten gunste van een
+insektenwereld moeten al bestaan hebben lang voordat de mensch zich
+vertoonde; en zonder twijfel had toen het insektenleven al een hooge
+ontwikkeling bereikt. Het zou dus even weinig zin hebben te beweren,
+dat de honingbij niet op aarde aanwezig was met haar voorraad zoete
+spijs voor den mensch, als dat de mensch niet spoedig dien voorraad
+ontdekt had, en er zijn dagelijksch werk van was gaan maken dien op
+te zoeken; juist zooals hij er dag aan dag op uitging om te jagen en
+viervoetig wild te schieten.
+
+Natuurlijk is er een groot verschil tusschen het ergens vinden van
+een wilde-bijennest als verwachte mogelijkheid bij het opsporen
+van het dagelijksch voedsel, en het gevestigd "houden" van bijen
+als voedingsbron.
+
+Terwijl er reden is om aan te nemen, dat de eerste menschen de honing
+gebruikten als deel van hun dagelijksch dieet, kan men rekenen, dat
+deze menschen een zwervend ras waren, zich nooit lang in dezelfde
+streek ophielden, en dus geen bijenhouders konden zijn in den gewonen
+zin. Zij hingen af van de hoeveelheid wilde honing, die zij tijdelijk
+in hun omgeving vonden.
+
+Maar het eerste teeken van beschaving moet zijn geweest, het gradueel
+verminderen van dat nomadisch instinkt. Er zullen stammen zijn gekomen,
+die stukken land, rijk aan wild, aan ooft, aan eetbare wortels etc. in
+duurzaam bezit namen. En terzelfder tijd zullen de woonplaatsen van
+wilde bijen gevonden zijn; hun vijanden werden verjaagd of geweerd,
+de plaatsen waar de zwermen zich jaarlijks vestigden geregeld
+opgemerkt en onthouden, en dus zou de eerste ijmkerij gevestigd zijn,
+waarschijnlijk lang vóórdat er sprake was van grondontginning of het
+temmen van wilde dieren tot huisdieren.
+
+Gewoonlijk wordt door de biologen als oudste menschelijk bedrijf de
+jacht aangenomen; maar hun bekende deduktieve methode toepassend
+zal men er mogelijk eerder toekomen, de bijenteelt als zoodanig
+te beschouwen. Voor de eerste jagers moet het neerleggen van het
+wild een groot bezwaar geweest zijn, en nog grooter weer schijnt de
+moeilijkheid het te vatten, wanneer het gewond was, en toch nog in
+staat te ontkomen. Voor dit doel was, in dien vóórtijd, een dier,
+vlugger en slimmer dan zijn meester, nog noodiger dan later na de
+uitvinding der vuurwapenen. Er is van geen elementaire beschaving in
+de geschiedenis van den mensch gebleken zonder een zekere aanduiding,
+dat hij toen al eenig soort van hond had tam gemaakt en afgericht
+om hem bij het opsporen van zijn dagelijksch voedsel behulpzaam te
+zijn. Maar de mensch moet al heel lang bestaan hebben, zonder dat
+beschaving nog in eeuwen voor hem bereikbaar was. En in die tijden zal
+hij, omringd van tegenstanders als hij was, zijn hut wel, als een nest,
+in een hoogen, moeilijk aan te randen boom gemaakt hebben, buiten het
+bereik van in den nacht aansluipende vijanden; en het is niet denkbaar,
+dat in die omstandigheden de hond zijn metgezel was. Waarschijnlijk
+dat hij toen in hoofdzaak van vruchten en honing leefde, en van de
+kleinere dieren die hij in staat was met zijn handen te vangen. Dus zou
+de eerste jager een bijenjager geweest kunnen zijn. De neolithische
+mensch had denkelijk zijn eigen omgeving van rotsen of groepen van
+holle boomen, waar de wilde bijen huisden; en met den komenden zomer
+volgde hij wel zijn zwermen in de lichtingen der oerwouden, even
+ijverig als de ijmker van deze tijden de gangen van zijn volken nagaat.
+
+Dergelijke beschouwingen zijn uitteraard fantastisch en vèr gezocht,
+en in het geval van een klein en onaanzienlijk schepsel als de bij,
+kunnen zij maar half ernstig zijn. Toch, uit een bijzonder en vrij
+ongewoon gezichtspunt gezien, zijn zij belangrijk.
+
+Er is geen aantrekkelijker studie dan die van de oudste beschavingen:
+van Egypte 10.000 jaar geleden, van Babylon waarschijnlijk nog
+vroeger, en China, dat al eeuwen vóór Abraham's tijd schijnt te zijn
+staan gebleven in absolute volmaaktheid wat onbelangrijke dingen
+betreft. Toch is dit alles nog paddestoelengroei, vergeleken bij den
+ouderdom en de ontwikkeling der bijenmaatschappij. Het is maar een
+verhaal uit Liliput, de geschiedenis van een mikroskopisch volkje,
+levend en handelend op een eigen tooneeltje. En toch, misschien
+tienduizenden van jaren vóór dat de mensch voor het eerst vuur
+gemaakt had, of van een stuk steen een bijl had gehakt, was bij
+deze gevleugelde volken al een volmaakt levensstelsel ontwikkeld,
+en waren daar maatschappelijke vraagstukken opgelost, die nu in de
+twintigste eeuw pas beginnen den horizon van het menschelijk bestaan
+te omnevelen. Maar zij, met hun samengestelde gemeenschappelijke
+staatsinrichting zijn niet vervallen en vergaan, zooals het lot was
+van de groote menschenvolkeren der oudheid, en, wie weet, misschien
+zal wezen van die van heden.
+
+Zal de tijd komen, dat wij geen andere keus hebben, dan te leeren
+van de honingbij, of te vergaan? Wij hebben misschien nog een paar
+duizend jaren om daarover na te denken en ons voor te bereiden;
+maar wanneer niet de wereld aan een eind komt, of de vermeerdering
+van het menschengeslacht ophoudt, zal zeker ééne aarde ons
+niet meer allen te zamen kunnen bevatten. Zoo men het leven der
+bijen en hunne instellingen van uit dit standpunt bestudeert,
+dan krijgen deze een geheel nieuw en belangrijk aanzien. Gesteld,
+dat de staathuishoudkunde van den bijenkorf het voorland is van de
+menschenmaatschappij, dan valt het niet te ontkennen, dat dit een
+inzicht geeft in een hoogst verontrustenden toestand, ten minste
+van het mannelijk gezichtspunt. Wij zien hier de triomf van het
+matriarchaat [1]. Het vrouwelijk element heeft de opperste leiding in
+de staatsaangelegenheden, en neemt niet alleen het initiatief tot alle
+voorschriften betreffende het publieke leven; maar alle publieke werken
+worden ook door haar ontworpen en uitgevoerd. Het mannelijk element
+wordt teruggebracht tot den éénen noodzakelijken sexueelen plicht, en
+dit nog maar voor één enkelen keer en toegestaan aan slechts weinigen
+uit de duizend. Om nu het groot en blijvend leger werkers samen te
+stellen, dat zulk een staat zou eischen, en dit uit enkel vrouwelijke
+exemplaren te rekruteeren, was het noodig alle levenswetten van den
+grond af te hervormen. En een krachtig besluit tot onthouding moet er
+van de bijen, zoowel mannelijke als vrouwelijke, zijn uitgegaan, toen
+de geheele plicht der voortplanting van hun soort werd toegewezen aan
+slechts één enkel paar--één paar op ongeveer dertig duizend--zóódat
+de rest zich uitsluitend en onafgebroken kon wijden aan den door geen
+sexualisme gestoorden arbeid.
+
+Dit kan gevolgd zijn op een zéér bijzondere ontdekking, een ontdekking
+die diep ingrijpende veranderingen bracht in het bijenleven en
+zijn toekomst--de ondervinding namelijk, dat de jonge larve van
+de vrouwelijke bij, door bijzondere voeding en verpleging, tot
+een sekselooze, òverintelligente werkster kon vervormd worden,
+of anders tot een wezen gemaakt, dat bij een volslagen gemis aan
+ondernemingsgeest of intellektueele eigenschappen een lichaam zou
+bezitten, dat haar tot moeder kon verheffen van een geheel volk. Dit
+is wel de socialistische economie tot in haar uiterst strenge
+konsekwentiën doorgevoerd. Alles opgeofferd aan het welzijn van
+den staat. Het individu is niets, het ras is alles. "Wat ge doet,
+doe het goed" is het motto van de honingbij, en zij brengt elke
+theorie in praktijk tot de uiterste grens. De menschen noemen zich
+gaarne bijen-meesters; maar de besten hunner kunnen niet meer doen,
+dan de gangen der bijen na te gaan, te leeren in welke richting
+hun bewegen is, en dan voor hen den weg te effenen. De massa der
+werkbijen, kollektief genomen, zijn de hersenen in de onderneming,
+en de bijenhouder is evenzeer de slaaf van de voorwaarden en wetten,
+door haar ingesteld, als zijzelven het zijn; terwijl de koningin de
+gewilligste, en op gezette tijden, de werkzaamste slavin is van allen.
+
+Het is nutteloos te ontkennen, dat de inrichting van den bijenstaat
+met haar strenge sluitrekening van vernuft, haar meedoogenloos
+vasthouden aan de eischen van een systeem dat door eeuwen en eeuwen
+heen tot zulk een volmaking gebracht is, hare onaangename en zelfs
+stuitende kanten heeft. De natuur is altijd vol wonderen maar niet
+altijd bewonderenswaard, en een nauwlettende studie van het leven
+in den bijenkorf brengt die waarheid misschien duidelijker aan het
+licht, dan die van eenigen anderen levensvorm, den menschelijken
+niet uitgesloten. Streng doorgevoerd communisme sluit dikwijls
+wreedheid in: alleen onder een systeem van onderlinge overeenkomst, van
+vriendschappelijk geven en nemen, kunnen recht en barmhartigheid samen
+gaan. In de bijenmaatschappij heeft alléén recht van bestaan, wat het
+geheel dient, en het algemeen welzijn niet schaden kan. Ieder individu
+in den korf schijnt met dit algemeen beginsel in te stemmen--òf bij
+keuze òf door dwang--van de moederbij tot den laatsten luien dar,
+geboren in de korte weelde van den vollen zomertijd. Op 't hoogst
+van het zomerseizoen vraagt de Staat een tot den nok gevulde
+voorraadschuur; en alle bijen werken daaraan mee, onafgebroken
+zonder rust, tot de dood door overwerk haar soms overvalt, zoodat
+de laatste vracht den korf niet meer bereikt. Als de koningin oud
+wordt, of als zij vóór den tijd haar vruchtbaarheid verliest, wordt
+zij meedoogenloos geslacht, en haar plaats wordt ingenomen door eene
+andere, die bij haar leven en onder haar oogen door de werksters wordt
+opgevoed, met het doel om in zulk een geval te kunnen dienen. De darren
+worden overvloedig gevoederd, voorzien van wat de korf het lekkerste
+en fijnste oplevert; het wordt hun toegestaan ongehinderd door hun
+dagen van onverzadelijken honger te luieren en te genieten, opdat geen
+jonge koningin ongepaard haar bruidsvlucht zal volbrengen. Maar als de
+laatste prinses haar maat gevonden heeft en weer veilig en warm in de
+haar wachtende cel is opgeborgen, dan worden alle darren hardvochtig
+ter dood gebracht of buiten den korf gedreven om te sterven. Als
+slechte tijden dreigen, of de voorraadtoevoer vermindert, dan worden
+de oude en zwakke werksters uitgeroeid, het telen houdt op, en het
+ongeboren broed wordt uit de wieg-cellen gerukt en vernietigd, zoodat
+er zoo weinig mogelijk monden te vullen zullen zijn in de komende
+magere dagen. De teekenen van ophanden zijnden nood en voorspoed worden
+bespied, en de vermeerdering of vermindering van de werkende bevolking
+van den korf wordt geregeld naar toekomstige waarschijnlijkheden.
+
+Maar het meest verbijsterende en griezeligste in die bijenrepubliek is
+het feit, dat hier met goed gevolg het vraagstuk van het evenwicht der
+geslachten is opgelost. Terwijl alle andere wezens op aarde, hun soort,
+mannelijk en vrouwelijk, voorttelen, als het ware op goed geluk af,
+weten deze geheimzinnige korfbewoners hun koningin zoons of dochters
+te doen baren, al naar de gemeenschap ze noodig heeft. Zij voeren
+haar naar cellen voor de darren, en aanstonds legt ze eieren, die
+onfeilbaar niets dan darren opleveren; en in de raten, bijzonderlijk
+bestemd om er de verworden vrouwtjes, de werkbijen, in te kweeken,
+wordt de koningin gedwongen eieren te leggen, die even zeker niets
+te voorschijn brengen dan werkbijen.
+
+Deze merkwaardige republiek van het bijenvolk vertegenwoordigt
+de oudste beschaving op aarde, en het kan zijn nut hebben, die te
+beschouwen in het licht van denkbeelden, die nu nog maar hier en daar
+onzeker opflikkeren op het vèrliggende pad der toekomst; maar mogelijk
+ééns zullen uitbreken in lichte laaie. Men kan zich voorstellen, dat er
+een tijd was, dat de verhoudingen in het bijenleven zéér verschillend
+waren van wat wij nu opmerken. De bijen hebben zich saâmgetrokken
+in uitgebreide gemeenschappen, juist zooals de menschen langzaam
+maar zeker zich bijeentrekken in de steden. Er zou een tijd kunnen
+komen waarin het leven buiten de stad voor menschen even onmogelijk
+wordt als het nu voor afgezonderde bijenfamilies buiten den korf is;
+en dan kan er een zuiver mannelijk dilemma ontstaan. Het is mogelijk,
+dat de schitterende dar ééns een belangrijke plaats in de huishouding
+innam. Het leven der bijen was er toen misschien een van talrijke
+kleine gezinnen, waarvan elk zijn gewichtigen, sonoor gonzenden vader
+had en zijn vruchtbare moeder, en waar een talrijk kroost opgroeide,
+dat later een eigen thuis ging vestigen. Er is geen reden waarom ieder
+van de dertig of veertig duizend ingeknepen maagden, in een korf,
+niet een volkomen ontwikkelde vruchtbare koningin zou zijn geworden,
+als haar maar het juiste voedsel in voldoende hoeveelheid gegeven
+was in haar larfperiode. Maar de nood steeg in de gemeenschap; toen
+werd het stelsel van de ééne nationale moeder ingevoerd en daarmede
+de akte van onthouding geteekend, wat er ook van komen mocht. En voor
+het mannelijk element begon nu de ellende.
+
+Men moet wel begrijpen, dat strikt genomen de honingbij geen angel
+heeft of had. Wat bij haar de angel genoemd wordt is in werkelijkheid
+de legboor, en als zoodanig wordt hij bijna uitsluitend gebruikt door
+de hedendaagsche bijenkoningin in iederen korf. Maar toen door middel
+van de hongerkuur de eerste horden van werkbijen werden gekweekt,
+en inéén gekrompen tot niet veel anders dan geslachtlooze zenuwen
+en hersenen, schijnen zij een vreeselijke wraak te hebben genomen op
+hun voorvaderen.
+
+De nuttelooze legboor verkeerde in een geducht wapen, waartegen
+de prachtige wapenrusting van den dar, zijn woede en vervaarlijk
+gonzen, niets konden uitrichten. Het matriarchaat werd ingesteld
+bij middel van de punt van het zwaard. Meedoogenlooze logica werd
+tot àlheerscheres. En nu werd het zonnig daglicht verduisterd,
+door het afsluiten van al de blijde bijkanten van het leven: wijn,
+dans, lichte scherts en het lustig dolen op zijpaden, zoo geliefd
+bij alle darren, bijen of menschen. Daar tegenover niet anders dan:
+meer honing, een grooter voorraadschuur boordevol met het zoet, dat
+nooit geproefd zal worden. En dat alles tot welk een prijs!--terwijl
+de oude provisiekast voldoende zou zijn geweest voor alle werkelijke
+behoeften. Het leven was dan blij en gemakkelijk gebleven!
+
+Dit is maar een fabel, ver gezocht als eenige die den kalif verteld
+werd in den "1001 Nacht." Maar dáár had ook de vrouw haar zin als
+vroeger de bijenvrouw; en mogelijk komt de dag dat zij nòg meer
+verovert en op grooter schaal. Hoe dan met het zwaard dat ééns
+naainaald was?!
+
+
+
+
+
+
+HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ
+
+
+ "Sommigen zeggen, dat het hun Instinkt is, en daar leggen zij
+ zich bij neer en laten verder het vraagstuk rusten.
+
+ "Maar ik geloof, dat God meer van ons verlangt, dan dat wij voor
+ de dingen namen bedenken en ze dan verder met rust laten"--
+
+ A. I. Root.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+DE HONINGBIJ EN DE OUDE SCHRIJVERS.
+
+
+ "Terwijl de groote Cesar gelijk een bliksem,
+ omhoog aan den Eufraat
+ oorloogde ............
+ te dien tijde voedde het aangename
+ Parthenope mij, Vergilius, die
+ in d'oefeninge van een onvermaarde
+ ledigheid groeide ........
+
+ (Vergilius--Vondel, Georgica IV)
+
+
+In Napels--het Parthenope van de Ouden--werd "het beste boek door den
+besten dichter" geschreven, bijna tweeduizend jaar geleden. Want daar
+verkoos Vergilius, de hoofsche, de uiterst verfijnde, maar tevens vóór
+alles, de apostel van het "Eenvoudige Leven," een vredig buitenbestaan
+te leiden tusschen zijn citroenbosschen en met zijn bijenkorven. Zoo
+wilde hij het, terwijl hij toch had kunnen verkeeren in het brandpunt
+van glorie en eer, in de hoofdstad der Romeinen; want daar hield
+zijn vriend en begunstiger Maecenas, eerste minister van Octavianus,
+open hof voor al wat groot was in letteren en kunst.
+
+Door de moderne bijenhouders, tuk op Amerikanisatie, wordt tegenwoordig
+weinig acht geslagen op de geschriften van den man door Bacon genoemd:
+"de meest zuivere en de meest prinselijke van alle dichters, die
+sedert menschenheugenis geleefd hebben."
+
+En toch, wanneer er gevraagd zou worden: "welk boek geeft men best
+het eerst den leerling-ijmker in handen?" dan kan men geen beter
+keuze doen dan juist dat vierde boek van de Georgica.
+
+Want Vergilius treft onmiddellijk het hart van de zaak, dat nu nog
+hetzelfde is als tweeduizend jaar geleden: de bijenhouder moet in de
+eerste plaats voor bijen voelen, of hij zal nooit slagen.
+
+En Vergilius' liefde voor zijn bijen doorglanst het geheele boek van
+het begin tot het eind. Het is natuurlijk dat bij een schrijver, die
+nog zoo doortrokken is van Grieksche invloeden, men verwachten moet in
+zijn werk een getrouwe weergave te vinden van de meeste dwalingen, die
+ongeveer driehonderd jaar te voren door Aristoteles onsterfelijk waren
+gemaakt. Maar juist dáárdoor komt de groote waarde van het boek weer
+naar voren. In die rijke zetting van dichterlijke verbeelding, in die
+bekoorlijke mythologische omlijsting, voelen wij toch onfeilbaar het
+beeld van den bijenvriend, die uit de schatten put van eigen ervaring,
+en zijn kennis uit de eerste hand vergaarde bij zijn eigen bijen.
+
+Vergilius wist alles wat oogen en ooren hem van het leven der
+bijen konden vertellen, en hij berichtte er van met liefde. Alléén
+in de laatste tweehonderd jaar is er nu en dan nog eenig nieuw
+feit toegevoegd aan wat Vergilius verzameld had. Al de schrijvers
+over bijenteelt van de eerste tijden af tot in de achttiende eeuw,
+hebben weinig anders gedaan dan de fantastische dwalingen der oude
+"bijenvaders" van hand tot hand overreiken, behalve dat zij er nog van
+hun eigen fantasterijen bijvoegden. En tot op den tijd, dat Schirach
+zijn kleine schaar van geduldige onderzoekers van de bijenwereld bijeen
+had gebracht, ongeveer honderd jaar geleden, was Vergilius' vierde
+boek van de Georgica--als practische gids voor bijenkweekers--nog
+haast even goed ingelicht en op de hoogte als éénig andere.
+
+Toch is het niet in hoofdzaak om zijn technische waarde, dat het
+boek zoo warm is aan te bevelen aan de hedendaagsche leerlingen in 't
+bijenvak. Dat alles is al hopeloos ouderwetsch sedert het uitsterven
+van den ouden strookorf bij de vorige generatie. De innerlijke waarde
+van Vergilius' werk ligt in de poëtische en romantische sfeer die, nu
+als vroeger, niet af te scheiden is van een bedrijf, dat waarschijnlijk
+het oudste in de wereld is. Van alle landelijke werkzaamheden in onze
+dagen kan alleen de bijenkultuur zijn bekoorlijk oud aroma behouden en
+toch produktief blijven. En als de moderne richting, die op weg is ook
+van de bijenteelt een nuchter transatlantisch bedrijf te maken, ergens
+door gestuit kan worden, dan zal zeker het inprenten van Vergilius'
+mooie wijsgeerigheid daar meer dan iets anders toe bijdragen.
+
+Wanneer wij ons verdiepen in dit boeiend gedicht, dit aantrekkelijk
+mengsel van met zorg geboekte feiten, rijke verbeelding en aardige,
+bijeengeraapte verhalen, toen bekend, nu geheel verloren in den chaos
+der eeuwen, dan kunnen wij in onzen geest het beeld terugroepen van
+Vergilius' landgoed bij het "liefelijk Parthenope," waar hij zich
+verpoosde en peinsde, en de vlekkelooze hexameters van de Georgica
+wrocht, met zooveel zorg en moeite, dat hij voor het werk zeven jaar
+noodig had--nog niet ééns één regel per dag.
+
+Vergilius' huis stond waarschijnlijk op de houtrijke helling boven de
+stad Napels, midden tusschen sinaasappelbosschen en citroenplantages,
+met het volle gezicht naar het Noorden op de Apenijnen en hun
+sneeuwtoppen, en naar het Zuiden op den blauwen golf. De Vesuvius met
+zijn eeuwig dreigement van grijze rookwolken stond donker uit in de
+morgenzon, weinige mijlen ver; en de ten ondergang gedoemde steden
+Herculanum en Pompeïi aan zijn voet, hadden nog een honderd jaar van
+bezig leven voor zich.
+
+De bijenkorven in Vergilius' tijd--wij kunnen dat opmerken op
+sommige nog bestaande oud-Romeinsche bas-reliefs,--waren van een
+koepel-vormig model dat in een punt uitliep, en zij waren gemaakt
+van aaneengenaaide boomschors of gevlochten van wilgenrijs,
+zooals hij zelf vertelt. Sommige van zijn aanwijzingen, wat hun
+plaatsing en omgeving betreft, zijn nog gulden regelen voor ieder
+bijenhouder. "Het bijenpark," zegt hij, "moet beschut zijn voor den
+wind en ontoegankelijk voor schapen of stootende geiten, die de
+bloemen zouden vertrappen. Er moeten boomen in de nabijheid zijn
+om hun koele schaduw, en ook om als rustplaats te strekken als de
+nieuw gekroonde Koningen hun éérste zwermen uitleiden in het lieve
+voorjaar." Hij zegt ons, de korven dicht bij water te plaatsen,
+"of waar een vlug beekje zich door het gras spoedt;" en in het water
+moeten wij "groote kiezelsteenen" leggen en "wilgentakken kruiswijs,
+dat de bijen, wanneer zij drinken, bruggen hebben om op te staan,
+en hun vleugeltjes kunnen uitspreiden in de zomerzon."
+
+Vergilius' methode voor het opvangen van een zwerm is nagenoeg nog
+dezelfde als de hedendaagsche, door ouderwetsche bijenhouders in
+praktijk gebracht. "De korf wordt ingewreven met fijn gemaakte
+blaadjes van Melissa en wasbloempjes, en ge moet een getinkel
+maken en de cymbalen van de Moeder"--dat is de Godin Cybele--"tegen
+elkaar slaan. Dan zullen de bijen dadelijk opkomen," zegt hij, "en
+de gereedstaande woning betrekken. Wanneer ge den honing-oogst in
+bezit gaat nemen, moet ge eerst uw kleeren besprenkelen en uw adem
+reinigen met zuiver water, en daarna pas de korven naderen, in uw
+hand de opjagende rook houdende." En de ouderwetsche bijenhouder in
+dezen tijd neemt nog, zooals zijn ritus het wil, zijn potje bier en
+gaat zich wasschen vóórdat hij de korven aanraakt.
+
+Maar misschien ligt toch de sterke bekoring van het vierde boek van
+de Georgica niet juist daarin, dat het zoo van nabij de waarheid van
+het bijenleven raakt; maar eerder nog in de mooie oude mythen, die
+er doorheen gevlochten zijn, en de haast niet minder aantrekkelijke
+dwalingen van vervlogen tijden, die de middeneeuwsche schrijvers zoo
+getrouw naverteld hebben. Maar de aspirant-ijmker van dezen tijd zal
+er niet licht meer van hooren, tenzij hij die oude boeken opslaat.
+
+Vergilius begint zijn gedicht met te spreken van de honing, "hemelsche
+gave, uit den aether ontvangen" daarmee zinspelende op het oude geloof,
+dat de nektar in de bloemen niet door de plant zelf werd afgescheiden,
+maar als manna uit de lucht viel. Hij waarschuwt zijn lezers ernstig
+voor de slechte gevolgen van een echo op de bewoners der korven en
+voor de gevaarlijke eigenschappen van verbrande kreeftenschalen;
+en hij vertelt ons, dat bij winderig weêr de bijen kleine steentjes
+meedragen als tegenwicht, "zooals de wankele scheepjes zand-ballast
+innemen op de schokkende golven."
+
+Hij had een vast geloof in den goddelijken oorsprong der bijen. Want
+voor alle volkeren der oudheid was de bij een eeuwig wonder;
+het teeken van een almachtigen Wil, in de bloemenvelden gewekt,
+zooals voor de moderne vromen de regenboog als teeken van dien
+goddelijken wil in den hemel gezet is. Terwijl alle wezens op aarde
+hun soort voortplantten door vereeniging der geslachten, schenen
+deze geheimzinnige gevleugelde volken van die algemeene wet te zijn
+ontheven. En Vergilius, copieerende van veel oudere schrijvers, zegt:
+"zij kennen niet de vreugde van lichamelijke vereeniging, noch kennen
+zij het versmachten in liefde, of brengen zij in lijden hun jongen
+ter wereld; maar zij roepen met hun mond hun kinderen op bladeren en
+zoetriekende kruiden, en maken zoo hun getal van jeugdige burgers vol."
+
+Even wonderlijk--tenminste voor moderne insektenkenners--schijnt het
+onder de ouden wijdverbreide geloof, dat bijenzwermen willekeurig
+kunnen gekweekt worden uit het rottend karkas van een os. Vergilius
+beweert dit vermeld te hebben gevonden in een oude Egyptische legende,
+en hij geeft zorgvuldige wenken aan bijenhouders, hoe zij deze, voor
+hem ontwijfelbaar zekere, methode om een bijenvolk te verkrijgen
+hebben toe te passen, die ik hier laat volgen: [2]
+
+
+ "Men kiest eerst luttel erfs, om 't werrek te voltrekken
+ En past dit met wat daks van pannen t'overdekken;
+ Met eenen nauwen wand te sluiten dit gesticht,
+ Waarin vier vensters naar vier winden haar gezicht
+ De zon toekeeren, die hier heet komt innestralen.
+ Dan past men eenen stier, twee jaren oud, te halen
+ Wiens horens krommen. Dan de neuslucht met geweld
+ Gestopt, den muil de lucht benomen, hem geveld
+ Met stokken, dat hij sterf, die nog een weinig lilde.
+ 't Gepletterde ingewand dan over d' ongevilde
+ En rauwe huid gespreid van dezen dooden stier,
+ Dan versche kassiegeur geslingerd onder 't dier
+ En thijm, en telg bij telg, gebroken van die heggen.
+ Zoo laten ze in die plaats den stier besloten leggen.
+ Dit wordt beschikt, wanneer de westenwind eerst speelt,
+ En met zijn adem in 't begin het water streelt,
+ Eer nog de beemd beginn' te bloeien, versch bewaterd,
+ De zwaluw 't broeinest welve' en onder 't rietdak snatert.
+ Terwijl 't gekneusd gebeent en warme bloed geraakt
+ Aan 't broeien, schijnt het of een vreemd gediert genaakt
+ En grimmelt ondereen: Men ziet eerst groote beenen,
+ Hoort veders snorren en zich mengen, en met éénen
+ Besteigeren ze allengs de hoogten in de lucht,
+ Totdat zij endelijk, gelijk een zomervlucht
+ En vlaag uit eene wolke uitspatten voor elks oogen,
+ Of als een lichte pijl uit Persiaansche bogen
+ Omhoog vliegt als de Parth nu toestreeft met den schicht."
+
+
+Voor een studie over het hardnekkig vasthouden aan dwalingen is dit
+dankbaar materiaal. In de eerste plaats is het ontstaan van bijen uit
+rottende stoffen een onmogelijkheid en moet dit altijd geweest zijn. Er
+is niets wat bijen zoozéér verafschuwen als alle soort van aas. Ja,
+zelfs de lucht van rottende stoffen zal heel dikwijls een bijenstand
+dwingen hun korven voor goed te verlaten, en het is dus uitgesloten,
+dat zij zich ooit in de buurt zouden wagen van Vergilius' onwelriekend
+proefmateriaal en daardoor den indruk maken er ontstaan te zijn. Maar
+niet alleen, dat deze methode erkend en gevolgd werd, in Vergilius'
+tijd; tot zelfs aan het eind der middeleeuwen werd er vast in geloofd;
+ja zelfs tot wèl in de 17e eeuw. Er wordt zelfs vermeld, dat de proef
+met volmaakt goed gevolg was genomen door een zekeren heer Carew van
+Anthony in Cornwallis, in een nog veel later tijd.
+
+En deze praktijk was van een nog veel ouder datum, dan zelfs Vergilius
+veronderstelde. Hij zegt, waarschijnlijk terecht, dat zij uit Egypte
+stamt, en daarmee telt men dus al duizenden jaren terug. In Egypte
+had men op de proef een merkwaardige variant. De os werd in den
+grond gegraven, zóó, dat juist de horens er boven uitstaken. Als dan
+het geboorteproces was verondersteld te zijn afgeloopen, werden de
+punten van de horens afgezaagd en dan beweerde men, dat de bijen er uit
+kwamen dringen als uit twee schoorsteenen. Bijna al de oude schrijvers,
+met uitzondering van Aristoteles, maken in een of anderen vorm gewag
+van deze methode. Varro, die een halve eeuw voor Vergilius schreef,
+zegt: "uit rottende ossen worden de bijen, de moeders van den honing,
+geboren." Ovidius geeft de geschiedenis van den Egyptischen herder
+Aristueus, die naar hij zegt door Vergilius was uitgewerkt, en hij
+voegt er een paar beschouwingen van zichzelf bij. Hij veronderstelt,
+dat de ziel van den os is overgegaan in ontelbare bijenzielen, als
+een straf voor den os, die zijn leven lang zoo jammerlijk onder de
+bloemen en kruiden huishield, terwijl de bij een wezen is, dat de
+kruiden niet schaden kan, en ze integendeel enkel goed doet.
+
+Nu is het duidelijk, dat waar een opvatting zoo algemeen verbreid is
+en van zooveel onafhankelijke zijden bevestigd wordt, er een verklaring
+moet bestaan, die de waarheid geeft en tegelijk de dwaling begrijpelijk
+maakt. Een nauwkeurig onderzoek van de verschillende verhalen
+betreffende bijenzwermen, op rottende dierlijke bestanddeelen ontstaan,
+brengt al één algemeen verzuim aan het licht. Al de schrijvers zijn het
+er over eens, dat dichte wolken van bij-achtige insekten uit die rotte
+lichamen voortkwamen en zich in de lucht verspreidden, als gingen zij
+onmiddellijk op honing uit. Maar geen enkele van die schrijvers noemt
+het feit, dat er werkelijk honing door de insekten verzameld is, noch
+ook wordt ergens gemeld, dat men ze er toe heeft kunnen bewegen een
+korf in bezit te nemen, zooals gewone bijenzwermen heel gemakkelijk
+doen. Zij worden meer genoemd als een verrijking van het aantal bijen
+in hun omgeving dan als aanwinst voor eenigen bijenhouder.
+
+En hierin ligt wel zeker de verklaring van het wonder. Indien het niet
+de honing-bij was--de Apis mellifica van de moderne naturalisten--die
+geteeld werd uit het begraven lichaam van Vergilius' rampzalig
+stierkalf, welk ander insekt, zóó sterk op een bij gelijkende, kon
+dan wel in die omstandigheden worden voortgebracht? Het antwoord is
+gemakkelijk gegeven door verscheidene natuurkenners van onzen tijd.
+
+Er bestaat een vlieg, de "rotjesvlieg" of "blinde bij," die geheel
+aan deze moeilijkheid tegemoet komt. Hij gelijkt zoozeer op de gewone
+honingbij, dat hij eens, en niet heel lang geleden nog, voor de
+honingbij zelve gehouden werd, door iemand, die zich bijenexpert
+noemde, en voorzien was van een diploma, dat hem officieel tot
+dien titel bevoegd verklaarde. Deze rotjesvlieg zou zich in alle
+opzichten juist zoo gedragen hebben, als Vergilius' uit het kalf
+geboren honingbijen heeten zich gedragen te hebben, en geheel in
+overeenstemming met de verschillende beschrijvingen van het geval,
+door andere schrijvers vóór en nà Vergilius. Zij zouden onmiddellijk
+bij het openen van hun gevangenisdeuren in een dichte wolk naar buiten
+zijn gedrongen, en zich vroolijk in het open veld verspreid hebben
+evenals een zwerm bijen zou doen; en nog eens weer zou Vergilius'
+beschrijving van bijenproductie oogenschijnlijk waar gemaakt zijn.
+
+Maar nu wij zóó ver gekomen zijn met de "blinde bijen," is het
+moeilijk niet iets verder te gaan. Wij kunnen hen zoo niet laten
+in hun verwerpelijke betrekking tot ossen, in staat van ontbinding;
+maar moeten hun ook de eer toekennen waarop zij aanspraak hebben van
+eene konnektie van hooger orde: "Spijze ging uit van den Eter; en
+zoetigheid ging uit van den Sterke." Toen Samson naar Timnath ging
+op zijn noodlottige vrijage en onderweg het karkas zag onder een
+wolk van insekten, was hij zonder twijfel in het oprechte geloof,
+dat het honingbijen waren; en geheel te goeder trouw gaf hij zijn
+raadsel op, waarvan de vorm zeer goed kon aangenomen worden als
+een betamelijke en veroorloofde dichterlijke vrijheid. Maar dat de
+diertjes, die hij om den dooden leeuw zag zwermen, werkelijk bijen
+waren, en dat Samson inderdaad honing kreeg uit het karkas, dat kon
+men niet aannemen, dan met een geloof, dat niet te onderscheiden is
+van lichtgeloovigheid. Er zijn verscheiden pogingen gedaan om het
+vraagstuk langs natuurwetenschappelijken weg op te lossen; maar met
+geen enkel overtuigend resultaat. En nu is men er toe gekomen dat
+gedeelte van het verhaal, dat betrekking heeft op den honing, voor
+een handige opsiering te houden van een lateren kroniekschrijver;
+en de insekten, die bij den dooden leeuw huisden, te beschouwen als
+in werkelijkheid "blinde bijen," op dezelfde wijze ontstaan als die
+uit den os van Vergilius.
+
+Misschien kan men nergens zoo goed een algemeenen indruk krijgen van
+de bijenkennis in de oudheid als uit de geschriften van Plinius,
+d. O., die geboren werd in het jaar 23 v. C. Ook hij behandelt de
+bijengeboorte uit ossen. Maar de lezer zal het meest geboeid worden
+door Plinius' ernstige en nauwgezette beschrijving van het leven en de
+eigenschappen van de honingbij zooals dat toen ter tijd algemeen werd
+aangenomen. Zeker hebben maar heel weinige van zijn schilderachtige
+détails eenigen grond van waarheid. Zooals alle klassieke schrijvers
+b.v. had hij even weinig juiste kennis van het leven in de bijenkorven
+als wij het leven kennen op den bodem van den Grooten Oceaan. Maar
+hij verhielp dit gebrek, zooals al zijn tijdgenooten het deden, door
+een ruim gebruik te maken van de schatten uit eigen verbeelding en
+uit de verbeelding van anderen geput.
+
+Zijn verhaal van het ontstaan en den aard van den honing heeft
+een eigenaardige bekoring. "Honing," zegt hij, "wordt geboren in
+den ether, veelal bij het opgaan der gesternten en bij voorkeur als
+Sirius schijnt; maar nooit vóór het opgaan der Plejaden, en dan altijd
+even voor het aanbreken van den dag.... Deze vloeistof kan het zweet
+zijn van de hemelen, of een speeksel, uitvloeiende van de sterren,
+of een afscheiding van den ether die zich zuivert. Ware hij nog maar,
+als hij tot ons komt, zoo zuiver helder en onberoerd als toen hij
+het eerst zijn nederdaling begon. Maar die val, van zulk een hoogte,
+brengt bederf; de uitwasemingen der aarde, die hij ontmoet, tasten
+hem aan; hij wordt opgezogen van de boomen en de kruiden der velden,
+en verzameld in de magen der bijen; want die geven hem weer terug door
+den mond; ook verontreinigd door de sappen der bloemen wordt hij dan in
+de korven gebracht en aan zooveel veranderingen onderworpen--en toch
+ten spijt van dit alles, geeft hij ons door zijn geurigen smaak een
+uitgezochte vreugde, zonder twijfel het gevolg van zijn etherischen
+aard en oorsprong."
+
+Moderne bijenhouders schrijven het verschil in kwaliteit van de
+honing tegenwoordig toe aan het overheerschen van goede of slechte
+nektarhoudende oogsten, of aan een vermenging met dat venijn voor
+de ijmkers: de honingdauw. Maar voor Plinius hangt het geheel af
+van den invloed der sterren. Bij het rijzen van sommige gesternten
+aan den hemel was de honing slecht, omdat hunne afscheidingen
+minderwaardig waren. Honing, die verzameld werd na den opgang van
+Sirius, den beroemden honingstèr van alle schrijvers der oudheid,
+was onvermijdelijk van goede hoedanigheid. Maar wanneer Sirius in de
+hemelen heerschte samen met Venus, Jupiter of Mercurius, was honing
+geen honing meer; maar een soort van hemelsch nostrum of medicament,
+dat niet alleen kracht had, ziekten van de oogen en ingewanden
+te genezen en zweren te heelen, maar zelfs uit den dood het leven
+kon terugbrengen. Diezelfde deugd vond men in honing, die na het
+verschijnen van een regenboog werd ingezameld, ten minste--zooals
+Plinius er zorgzaam bijvoegt, "als er geen regen valt tusschen het
+verschijnen van den regenboog en den tijd dat de bijen inzamelen."
+
+Over het leven van de bijen wijdt Plinius omstandig uit. Hij vertelt
+ons van een volk van nijvere wezentjes, geregeerd door een koning
+die een witte vlek als een diadeem op zijn voorhoofd draagt. Van
+deze Koning-bijen waren er drie soorten--rood, zwart en gespikkeld;
+maar de roode stonden het hoogst.
+
+Hij schijnt, hoewel met eenige terughouding, de oude legende aan
+te nemen, dat geslachtsverkeer tusschen de bijen, door goddelijke
+tusschenkomst, had opgehouden te bestaan, en veranderd was in een
+voortplantingsysteem, dat uit de bloemen zijn oorsprong nam. Hij
+spreekt ook van een gangbaar geloof--dat in zijnen tijd wel als
+de stoutste ketterij moet hebben geklonken--dat de koning-bij het
+eenige mannelijke exemplaar is, en al de rest wijfjes zijn. En met
+het bestaan van de darren weet hij ook handig weg:
+
+"Men zou zeggen: een soort van onvolkomen bij, die het allerlaatst
+gevormd wordt; een zwakke poging van uitgeputten ouderdom, een laat
+nakroost."
+
+Strenge tucht heerschte er volgens Plinius in de bijenkorven. Vroeg
+in den morgen blies een bij de klaroen om de geheele bevolking
+te wekken. Met militaire striktheid werd het dagwerk ingedeeld en
+uitgevoerd, en 's avonds vertoonde zich weer 's Konings hoornblazer en
+fladderde rond den korf, terzelfder tijd toeterend, even schril als
+bij het wekken. Dan was de dagtaak verricht en het werd plotseling
+stil in den korf.
+
+Zijn boek is vol merkwaardige bijzonderheden betreffende het
+korfleven. Als inzamelende bijen door den nacht worden overvallen,
+dan leggen zij zich op hun rug om hun vleugels te beschutten voor
+den dauw, en blijven zoo liggen wachten tot het eerste teeken van
+den dageraad; dan vliegen zij weer naar de kolonie terug. Als de
+zwermtijd gekomen is, vliegt de Koning-bij niet weg uit den korf,
+maar wordt er uit gedragen door zijn gevolg. Plinius waarschuwt de
+beginnende ijmkers, dat zij hun korven niet in het klankbereik van
+een echo moeten plaatsen, daar dit voor bijen zéér schadelijk is;
+maar hij voegt er bij, dat handgeklap en het getintel van metaal hun
+een bijzonder genoegen geeft. Hij schrijft hun een langdurig leven
+toe; sommigen leven wel zeven jaar. Maar de korven moeten buiten
+het bereik van kikvorschen geplaatst worden, die de hebbelijkheid
+bezitten van in de korven te ademen, wat een groote sterfte onder de
+bewoners veroorzaakt. Als bijen kunstmatig voedsel noodig hebben,
+geeft men ze rozijnen of gedroogde vijgen, tot moes gestampt,
+gekoorde wol in wijn gedrenkt, de honingdrank hydromels, of rauw
+hoendervleesch. "Was," zegt Plinius, "reinigt men het best, door ze
+eerst in zeewater te koken en dan in den maneschijn te drogen om ze
+goed wit te krijgen." Boosdoeners worden gewaarschuwd tegen het naderen
+van bijenkorven of bijen, ten allen tijd. "Want," verzekert hij ons,
+"bijen hebben een bijzonderen afkeer van dieven."
+
+Voor den praktischen ijmker van later tijden lijken al deze
+bijzonderheden, door de klassieke schrijvers vermeld, niet anders
+dan nutteloos en verwarrend gebazel; en men verwondert zich, hoe de
+bijen het rooiden, dat zij nog bleven bestaan onder zulk een verfijnd
+gekompliceerde, slechte behandeling: een mengsel van onwetenheid en
+nauwelijks een enkel vastgesteld feit. Toch staat het vast, dat de
+bijenteelt, twee duizend jaar geleden, in waarheid een zeer uitgebreid
+en belangrijk bedrijf was. Varro vermeldt een bijenstand, die jaarlijks
+vijfduizend pond honing opbracht, terwijl de jaarlijksche inkomsten
+van een anderen de som van zesduizend sestercen bedroeg. De grootste
+honingopbrengst, volgens Plinius, gaven Kreta, Cyprus en de kust van
+Noord-Afrika. Sicilië was beroemd om de kwaliteit van zijn bijenwas;
+maar Corsica leverde die toch in de grootste hoeveelheid. Toen het
+eiland door de Romeinen werd onderworpen was de jaarlijksche schatting,
+die het opbracht, naar men zegt, tweehonderd duizend pond was. Maar
+dit is zulk een fabelachtig cijfer dat men het slechts aarzelend
+kan aannemen.
+
+Blijkbaar deden de bijen in de oude tijden hun zaken goed, ondanks de
+onwetendheid van hunne meesters, of tenminste van de oude schrijvers
+de Re Rustica. [3] Men moet echter steeds bedenken, dat zij, die
+over landbouw en dergelijke onderwerpen schreven, zelden menschen
+van de praktijk waren. Met misschien de enkele uitzonderingen
+van Vergilius' Georgica, zijn deze geschriften klaarblijkelijk
+voor het grootste gedeelte compilaties uit nog oudere schrijvers,
+en verder een samenraapsel van praatjes en verhalen, in dien tijd
+in omloop. En het is zeker, dat degenen, die in waarheid hun werk
+maakten van bijenteelt, en er het meest van wisten, er in 't geheel
+niet over schreven. Waarschijnlijk hielden zij zich met mythen en
+fabels betreffende hun vak niet op, en hadden hun voorspoed te danken
+aan de strenge dagelijksche praktijk en ondervinding, zeker ook nu
+nog de betrouwbaarste, en eigenlijk éénige gids.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+HET HONING-EILAND
+
+
+Als wij alles aannemen, wat de Romeinen tot hun eigen glorie verkondigd
+hebben, dan moeten wij gelooven dat hunne zegevierende legioenen
+barbaarschheid vonden waar zij kwamen, en daarvoor het zaad der
+hoogste beschaving achterlieten--hooge beschaving, volgens den zin,
+die dat woord had in die sombere en veelbewogen tijden.
+
+Maar het is de vraag of het land der Britten, dat Caesar vond, zoo
+barbaarsch was als het wordt geschilderd. Wij zijn gewoon Caesar's
+schets, van zijn eersten blik op Albion = Eilanban, het Witte Eiland,
+zooals de Britten het zelf noemden, te beschouwen als ònzen eersten
+blik in de geschiedenis van ons eigen land. Maar dit is in 't geheel
+niet waar. De geschiedenis van Brittanje begint met het verhaal
+van de eerste reis die de Feniciërs er heen maakten, toen ze, zich
+verder wagende dan één van hun onversaagd ras, een landing deden op
+de Scilly-Eilanden en de naburige kust van Cornwallis, en vandaar
+hun eerste lading tin meenamen.
+
+En hoe lang dit geleden is? Wie kan het zeggen. De plaats, waar het
+fenicische Barat Anac, het Tinland, lag, bleef eeuwen lang een geheim,
+naijverig bewaard door deze oude zeevaarders, de eerste zeelieden,
+die de wereld kende. Zij waren ervaren stuurlieden, die zich oneindig
+ver op zee waagden, zelfs al in Koning Salomon's tijd, en dat was één
+duizend jaar vóór de komst van Caesar. Het is zeer waarschijnlijk,
+dat zij veelvuldig met de Britten verkeerd hadden, eeuwen vóór dat
+de Grieken uitgingen om dit wonderbare tindragende land te zoeken,
+en nog langer vóórdat de naam Barat-Anac verbasterd was in het
+Brittannia van de Romeinen. En het is nauwelijks te veronderstellen,
+dat een volk van zulk een oude beschaving en met zulk een grooten
+roep wat kunst en levensverfijning betreft als de Feniciërs--een volk
+waarvan zelfs de oude Grieken het letterschrift en de schrijfkunst
+geleerd hadden--eeuwen lang in kontakt kon blijven met een volk als
+de Britten, van zoo hoogen zin en geestelijke begaafdheid, zonder
+van grooten invloed op hun ontwikkeling en beschaving te zijn.
+
+Want hoog van zin en knap waren de Britten zelfs in die schemerig verre
+tijden. Caesar's verhaal, tusschen de regels in gelezen, komt in niets
+overeen met de gewone opvatting, dat de Britten niets anders waren dan
+een bende wilden, die als zwijnen samenhokten in rieten schuren, en
+hun naakte lichamen blauw verfden, om den even barbaarschen gemoederen
+van hun vijandige medeëilanders schrik aan te jagen. Wij krijgen een
+indruk van een volk op veel hooger trap van ontwikkeling in de kunsten
+van oorlog en vrede. Hoogstwaarschijnlijk hulden zij zich in gewone
+tijden schilderachtig in de huiden der wilde dieren, die in overvloed
+op hun eiland leefden, en alléén in oorlogstijd waren zij naakt
+en beschilderd. Uit oude afbeeldingen zijn wij gemeenzaam geworden
+met het uiterlijk der matrozen van Drake en Nelson, op dergelijke
+wijze ontkleed; en tusschen de blauwe beschildering uit de tijden
+der Druïden, en het roode laken en schitterend metaal der bewapening
+van onze 19e eeuwsche krijgers ligt dus niet zulk een gapende kloof,
+als de afstand der eeuwen zou doen denken. In de kunst der bewapening
+deden de Britten niet zoo oneindig ver onder voor de Romeinen, en
+wij vernemen dat zij schijnen te hebben uitgemunt in ten minste één
+lastig handwerk: het vlechten van velerlei soort van mandenwerk.
+
+Maar er is een ander getuigenis, behalve dat van Caesar, ten gunste van
+de opvatting, dat zij bij lange na geen barbaarsch volk waren. Diodorus
+Siculus, een tijdgenoot van Caesar, roemt hun karaktereerlijkheid als
+die van de Romeinen zelfs overtreffend, en Tacitus, die een eeuw later
+schreef, spreekt van hun bijzonder vlug begrip en hoogen geestelijken
+aanleg. Door de zee beschermd als zij waren, nam waarschijnlijk de
+oorlog geen groote plaats in hun leven in, en in hoofdzaak waren
+zij een landbouwend volk. Het is wel zeker, dat de beschaafde en
+ondernemende Feniciërs de kust veel verder oostwaarts bezochten dan
+ons bericht wordt, en dus de beschaving bij de Britten aanmerkelijk
+verhaast zullen hebben, tenminste wat de stammen in het zuiden betreft.
+
+Het wordt gezegd--op welke gronden is moeilijk te bepalen--dat de
+Romeinen, behalven dat zij de Britten alle andere handwerken en den
+landbouw bijbrachten, ook de bijenteelt invoerden in de veroverde
+eilanden. Maar Plinius, als hij verhaalt van de reizen van Pytheas,
+die verondersteld worden drie honderd jaar gebeurd te zijn vóórdat
+Caesar hier een voet gezet had, spreekt er van hoe de aardrijkskundige,
+van Marseille in Brittanje landend, het volk daar een drank zag brouwen
+uit tarwe en honing. Er is echter een andere bewijsbron op dit punt,
+oneindig veel ouder nog dan de hierboven genoemde: Lang voordat de
+fenicische zeevaarders hun Tin-eiland ontdekten, waren er barden in
+Eilanban--het witte Eiland--die de heldendaden van hunne Veltische
+helden bezongen, en de legendarische handelingen van hun ras. Deze
+oude, wilde zangen gingen over van bard op bard door de eeuwen heen,
+en vele van die oud-Welsche gedichten die nog zijn bewaard gebleven,
+moeten van een onnaspeurlijken ouderdom zijn. Zij willen den toestand
+van Brittanje beschrijven, beginnend met het allereerste menschelijk
+leven dáár.
+
+In sommige van die zangen nu, die blijkbaar tot de oudsten behooren,
+wordt Brittanje het "Honing-eiland" genoemd, om den overvloed van
+wilde bijen in de oerwouden. Het zou nutteloos, en bovendien vrij
+dwaas zijn, als wij aan deze oude overleveringen grooter beteekenis
+hechtten dan hun toekomt. Maar de naam geeft te denken, en wij kunnen
+veilig veronderstellen, dat als Brittanje bij de oude Druïdenbarden
+bekend was als het "Honing-eiland," de natuurlijke omstandigheden,
+die de aanleiding tot dien naam waren, nog wel aanwezig zouden zijn en
+terug te vinden in het leven van het volk, dat Caesar zag samenscholen
+op de witte rotsen boven zich, een krachtig, rosharig, en krijgshaftig
+ras. Hij verhaalt, dat zij hunne kudden van tam vee bezaten en hunne
+akkers bebouwden, en men kan met reden veronderstellen, dat de korven
+van gevlochten wilgenrijs, waarover Vergilius een eeuw later schreef,
+hun tegenhangers hadden in de mandenkorven van den Britschen dorper
+uit dien tijd.
+
+Ongetwijfeld hebben de Romeinen bij hun tweede en blijvende bezetting,
+eerst honderd jaar later, den Britten hun eigen methode van bijenteelt
+geleerd en verschillende verbeteringen gebracht in de praktijk van
+het handwerk, die bij de Britten zeker nog maar hoogst primitief
+was. Maar eerst na het vertrek der Romeinen, toen de Angel-Saksische
+heerschappij in het eiland gevestigd was, schijnt de bijenkultuur een
+erkend nationaal bedrijf te zijn geworden. Van het maatschappelijk
+leven uit dien tijd zijn er slechts spaarzame berichten; maar zeker
+is het, dat de honing met zijn produkten een belangrijke plaats in
+het dieet innam bij alle klassen, hoog en laag.
+
+Het is voor ons in dezen tijd, nu wij riet- en beetwortelsuiker hebben,
+en zelfs chemische verzoetende middelen in voortdurend en algemeen
+gebruik zijn, moeilijk te realiseeren, dat van de oudste tijden af tot
+de vijftiende en zestiende eeuw, er feitelijk geen andere zoetigheid
+was in de heele wereld dan honing; en ons dus voor te stellen wat
+een voorname plaats het bijenbedrijf moet hebben ingenomen bij alle
+volken. Voor alle mogelijke doeleinden was er enkel maar honing, en
+men ziet ze aanhoudend genoemd in de oude kloosterkronieken, en in
+de aardige kookboeken, die nog uit de Middeleeuwen zijn overgebleven.
+
+Wel is waar kan men, wat het suikerriet betreft, teruggaan tot
+de eerste eeuw v. C..--Strabo, die juist vóor het begin van de
+Christelijke jaartelling schreef, verhaalt hoe Nearchus, vlootvoogd
+van Alexander den Groote, een belangrijke ontdekkingsreis maakte
+in den Indischen oceaan, en berichten meebracht over een wonderbaar
+"honingdragend riet," dat hij bij de inboorlingen had gevonden. Er
+wordt ook vermeld, dat de Spanjaarden het suikerriet uit het Oosten
+meebrachten en het plantten op Madeira, in het begin van de 15e eeuw;
+en van daar breidde zich in deze en de volgende eeuw de kultuur uit
+naar West-Indië en Zuid-Amerika. Gedurende de Middeleeuwen was het in
+zeer beperkt gebruik bij de rijkste en edelste familiën van Europa;
+het had toen Venetië als handels-centrum. Maar suikerriet was alleen
+een kostbare luxe in het dieet, of een medicinaal bestanddeel,
+zelfs bij de hoogsten in den lande, tot ver in de zeventiende
+eeuw; toen begon het langzamerhand den honing uit de volksgunst te
+verdringen. Doch het is zeer wel mogelijk dat de middel- en laagste
+klassen in Engeland geen ander verzoetingsmiddel dan honing bezaten
+en konden betalen, voor welk doel ook, tot ongeveer drie honderd jaar
+geleden. Onder de Angel-Saksen voorzagen de bijenkorven het geheele
+volk, van den Koning af tot den minsten daglooner, en niet alleen van
+voedsel, maar tegelijk ook van drank en licht. Wij lezen hoe op de
+Koninklijke feestmalen de Mede werd rondgediend, en hoe die drank in
+ieder klooster algemeen werd gebruikt. Zelfs in die oude tijden waren
+er herbergen aan de groote wegen, waar men drank kon krijgen, en in
+hoofdzaak Meê, hoewel er ook een soort van bier werd gebrouwen. Geen
+priester was het echter vergund deze taveernen te bezoeken, maar een
+groote opoffering was dat zeker niet, daar hun dagelijksch rantsoen
+aan Mede hen rijkelijk voorzag. Ethelwold stond ieder half dozijn
+van zijn monniken aan het middagmaal een "sentarium" Mede toe, wat
+in onze moderne maat waarschijnlijk gelijk staat met verscheidene
+gallons. (1 gallon = 4.5 liter!)
+
+In de Angel-Saksische tijden werden er drie verschillende dranken
+uit honing gebrouwen. De gewoonste, de eigenlijke "Mede," die men
+kan beschouwen als den algemeenen drank van de groote menigte,
+werd gemaakt van het stukgewreven overschot van de raten, nadat de
+honing er uit was gedrukt; dit werd in water gedrenkt en naderhand
+gezeefd en in aarden vaten weggezet, tot het ging gisten en tot Mede
+werd. En hoe langer het bewaard werd des te sterker werd de drank. Een
+tweede soort, uit honing, water en moerbeiensap, werd Morat genoemd;
+en dit was waarschijnlijk de drank van de gezeten burgers. Een derde
+brouwsel, bekend als Pigment, werd uit de zuiverste honing gestookt,
+met verschillende kruiden vermengd en dan door bijvoeging van een
+zekere wijnsoort versterkt. En dit was waarschijnlijk de Mede, die
+aan de koninklijke tafel geschonken werd. De bediening van 's Konings
+Schenker in die dagen kan geen sinecure geweest zijn; want het was bij
+de Angelsaksische koningen het gebruik, hun gasten op vier feestmalen
+per dag te onthalen, en de hoeveelheden drank, die volgens oude
+berichten dan geschonken werden, schijnen ongeloofelijk, zelfs in de
+annalen van zulk een stevig drinkend ras. En de nationale matigheid
+werd, als een der voordeelen van de Normandische overheersching,
+niet weinig gebaat, door de nieuwe regeling van William I, die deze
+gastmalen beperkte tot slechts één per dag.
+
+Als wij aannemen, dat gedurende de regeering van Harald de populariteit
+van ons goed oud Engelsch brouwsel haar hoogtepunt bereikt had, is
+het eveneens zeker, dat met de komst van de Noormannen een langzame
+daling kwam in zijn waardeering door het volk. In den nasleep van
+Hertog William's ongeordend leger, volgden de verkoopers van de
+buitenlandsche dranken uit druivensap; en al spoedig zal wijn de
+plaats hebben ingenomen van de Saksische Mede, eerst bij de vreemde
+edelen en later bij de eigen "Thanes." Van dien tijd af ging de roem
+van de Mede gaandeweg achteruit, en heden ten dage is het bereiden
+van Mede een verloren gegane kunst, nog maar heel zeldzaam te vinden
+bij enkele ouderwetsche luiden, in afgelegen plaatsjes.
+
+Maar toch is ze te verkrijgen; en degenen van ons, die het geluk
+hadden die goede oude Mede te drinken, wel belegen in het vat, hebben
+zeker spijt gevoeld, dat er geen stevige poging gedaan wordt om ze
+haar ouden nationalen roem terug te geven. Mij dunkt, dat er geen
+gezonder drank in de wereld is, en zeker geen, die minder technische
+bekwaamheid vereischt. Alle oude boeken over bijenteelt geven er
+recepten voor, die alleen verschillen in de opgave van het aantal
+vreemde bijvoegsels, die den smaak moeten verhoogen, maar hem, naar
+ons inzicht, verknoeien. Want de edelste Mede kan gebrouwen worden
+van enkel honing en water; en alle bijvoeging van kruiden of wat
+ook, kan alleen het unieke aroma bederven. Eenige van de zestiende-
+en zeventiende eeuwsche ijmkers waren in hun tijd beroemd voor het
+brouwen van meê; en een van de allerbekwaamsten eischt voor zijn
+drank speciale erkenning, daar de meest competente rechters hem in
+niets te onderscheiden vonden van ouden Canarischen wijn. Hij geeft
+zorgvuldige aanwijzingen voor de bereiding van zijn Mede, en deze
+kunnen worden opgevolgd, en zijn dit ook in den laatsten tijd, met
+volmaakt succes. Als deze Mede een aantal jaren goed bewaard blijft,
+schuimt zij in het glas als champagne, maar zakt dadelijk weer neer;
+en de binnenwand van het glas blijft dan bedekt met sprankelende
+luchtbellen. De drank heeft de kleur van bleek goud als oude cider;
+maar de smaak is niet te vergelijken met dien van eenigen anderen
+drank uit dezen tijd. Het is van belang, dat wij van zijn bereider de
+verzekering hebben, dat hij zoo sterk gelijkt op den Canarischen wijn,
+omdat dit ons een juist begrip geeft van de innerlijke hoedanigheid
+van een wijnsoort, die al sedert zoo langen tijd is verloren gegaan.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+IJMKERS IN DE MIDDELEEUWEN.
+
+
+Zij, die de oude boeken over de honingbij bestudeeren, worden
+gewoonlijk getroffen door twee zeer opmerkelijke bijzonderheden: de
+oud-klassieke en romantische geur in al die boeken, en hoe daarin
+een groote hoeveelheid ontwijfelbare fabels behendig doorvlochten
+zijn met een minimum van blijvende feiten.
+
+Vóórdat men zich heel diep in deze merkwaardige oude berichten heeft
+ingewerkt, is het moeilijk zich er rekenschap van te geven, hoe door
+en door verzadigd zij zijn met de bekoorlijke, maar grootendeels
+onware ideeën van de oude klassieke bijenvaders. De schrijvers waren
+bijna zonder uitzondering ernstige praktische menschen, voor wie de
+studie en de uitoefening van hun bedrijf de uitsluitende levenstaak
+was. Maar zij schenen van den eerste tot den laatste bezeten te zijn
+door den drang om alles wat ooit door de oude Grieksche en Romeinsche
+litteratoren over bijen geschreven was, als waarheid hoog te houden, en
+door de gedachte, dat het de ergerlijkste ketterij zou zijn er éénige
+nieuwe waarheid uit hun eigen ondervinding en waarneming aan toe te
+voegen, tenzij zij die ampel ondersteunen konden met getuigenissen
+uit diezelfde onfeilbare bronnen.
+
+Zij schenen de werken van Aristoteles, Vergilius, Plinius en de rest te
+beschouwen als zoovele goddelijke openbaringen betreffende het mysterie
+van het bijenleven, als een volmaakt afgesloten geheel; en zij lieten
+nooit na ze aan te halen in ondersteuning van eigen beweringen of ter
+weerlegging van die van anderen. Ongeveer zooals godsdienstleeraren
+gewoon zijn twijfelaars naar bijbelplaatsen te verwijzen.
+
+Maar in de middeleeuwen waren het niet alleen de ijmkers, die van
+dit bijzonder gezichtspunt uitgingen. Het scheen toen ter tijd het
+heerschende standpunt te zijn bij alle klassen. En het zou haast een
+gerechtvaardigde gevolgtrekking zijn wanneer men daaruit opmaakte,
+dat bij die oude vasthoudende classici hun natuurstudie geen ander
+doel had, dan te bevestigen wat door hunne eerbiedig vereerde orakels
+reeds geboekt was. Het was genoeg, dat in de literaire jonkheid der
+wereld iets in het Grieksch of Latijn geschreven was; het werd als
+een vlekkelooze waarheid vereerd, als het eerste en het laatste woord
+over die zaak; en als hun persoonlijke waarnemingen niet overeen
+schenen te komen met eenige bewering van de oude schrijvers, dan
+was de tegenstelling alleen maar schijnbaar en zou zonder twijfel
+gemakkelijk kunnen uitgewischt worden door een grondiger onderlegd
+kenner van die oude bijenlitteratuur.
+
+Het is bij een eerste beschouwing zeker verwonderlijk, dat menschen
+een geheel leven in dit bedrijf konden werken en tegelijk zich
+aan een onwrikbaar geloof konden houden, dat zooveel zwakke punten
+blootgaf. Maar men moet bedenken, dat eenige juiste waarneming van
+het innerlijke leven der honingbijen in die tijden nog bijzonder
+bezwaarlijk was. Het was nagenoeg onmogelijk, iets te zien van wat
+er gebeurde binnen de korven, zooals men die toen gebruikte. Plinius
+spreekt van een bijenkorf, vervaardigd van wat hij spiegelsteen noemt;
+dit was waarschijnlijk talk; en men kon door de doorzichtige zijden
+ervan de bijen zien werken. Maar door de Engelsche ijmkers schijnt
+iets van dien aard niet vóór de 17e eeuw beproefd te zijn. Buitendien,
+al ware ook de korf geheel van helder glas gemaakt, zou de waarnemer
+nog niet veel wijzer zijn geworden. Hij zou niet meer dan de
+buitenkanten van de twee uiterste raten te zien hebben gekregen,
+en hij zou veel heen en weer loopen bij de bijen hebben opgemerkt en
+nu en dan even een verschijning van de koningin hebben gehad. Maar
+al die verwonderlijke aktiviteit, ten koste van zooveel inspanning
+opgemerkt door de waarnemers van onzen tijd, die zoovele vernuftig
+uitgedachte hulpmiddelen tot hun dienst hadden, gebeurt uitsluitend in
+het allerbinnenste van de korven; en iedere poging het leven der bijen
+te bestudeeren met de hulpmiddelen der Middeleeuwen zou volslagen
+nutteloos geweest zijn. Het was eerst nadat Huber's bladerkast was
+in gebruik genomen--waarin het eenigermate mogelijk was de raten
+tijdelijk van elkaar te verwijderen, zonder de bijen al te veel te
+verstoren--dat er een merkelijke vooruitgang kwam in de kennis van het
+bijenleven. Een nog grooter verbetering was de nieuwste observatiekorf,
+waarin de bijen gedwongen worden hun raten tusschen glazen afdeelingen
+op te bouwen, de een boven de ander, inplaats van naast elkaar; want
+deze uitvinding veroorloofde de studie van het geheele leven binnen in
+den korf. Maar hierop is aan te merken, dat bij zulk eene inrichting
+de bijen onder te kunstmatige omstandigheden moeten werken. In een
+natuurlijk bijennest worden de raten ruw naast elkaâr aangebracht,
+en het broed wordt opgekweekt in het middengedeelte van iedere raat;
+terwijl de oppervlakte, door de broedcellen ingenomen, in iedere
+richting naar buiten toe, vermindert. Zoo neemt het broednest een
+kogelachtigen vorm aan, met den honingvoorraad er boven en omheen,
+en deze natuurlijke schikking wordt onvermijdelijk verstoord in een
+korf, waar de raten boven- en niet naast elkaâr liggen.
+
+Daar het nu den ouden ijmkers onmogelijk was iets omtrent de bijen,
+in hun strooien korven, te leeren, beperkten zij zich tot het herhalen
+van wat de oude schrijvers geloofden, en doorvlochten dat handig met
+eigen beschouwingen; en omdat niemand in staat was die te weerleggen,
+werden zij met des temeer zekerheid geuit.
+
+In hoofdzaak schijnen zij het er over eens te zijn geweest, dat het
+algemeene principe van voortplanting, geldig voor de geheele schepping,
+wonderbaarlijk was opgeheven voor de honingbij alléén. Mozes Rusden,
+ijmker van Koning Karel II, die in het jaar 1679 nog zijn "Verdere
+ontdekkingen in het Bijenleven" uitgaf, geloofde, dat de werkbijen
+niet alléén de levenskiemen, maar de feitelijke lichamelijke substantie
+van de jonge bijen van de bloemen gaarden.
+
+Hij wees triomfantelijk op de kleine bolvormige klompjes van
+veelkleurig stuifmeel, die de bijen zoo nijver in de korven
+thuisbrengen gedurende het broedseizoen, en hij verzekerde, dat dit het
+materiaal was, waaruit de jonge bijen zich ontwikkelden. Hij beweerde
+ook, dat iedere korf onder de heerschappij van een koning stond;
+maar dáárin trachtte Rusden blijkbaar twee heeren te dienen. Hij was
+zonder twijfel een hartgrondig koningsgezinde, en had de diepste
+verachting voor alles wat afweek van het dogma betreffende het
+"goddelijk recht der koningen." Van Vergilius had hij getrouw het
+gedeelte nageschreven dat handelt over het garen der levenskiemen op
+de bloemen; maar hij voelde dat het als 's Koning's ijmker zijn plicht
+was, waar het in zijn macht stond, een goed woord te spreken voor
+het herstelde koningschap. Er leefden er nog velen in het koninkrijk,
+die sterk tegen de Restauratie waren en waarschijnlijk nog veel meer
+weifelaars. En Rusden stelde zich wel voor, dat wanneer hij wijzen kon
+op een parallel voorbeeld in de natuur, waar het stelsel der monarchie
+van een goddelijke wet uitging, hij zijn patroon een prachtig argument
+aan de hand deed ten gunste van zijn koningschap, en tegelijker tijd
+een bijzonderen indruk zou maken op de onontwikkelde en bijgeloovige
+massa. Maar terwijl hij dit standpunt innam was Rusden toch ook de
+echo van een eeuwenoud geloof, ingeworteld bij al de bijenvaders in
+het verleden.
+
+De enkele groote bij, waarvan het bestaan in alle korven aan ieder
+bekend was, werd algemeen gehouden voor den absoluten heerscher in
+de gemeenschap. De 16e en 17e eeuwsche schrijvers noemen haar bij
+afwisseling koning of koningin; maar alleen in den zin van bestuurder;
+en men koos het woord in hoofdzaak al naar het geslacht van hem of
+haar, die op dat oogenblik den engelschen troon innam. Zoo verwierp
+Rusden wijselijk het idée eener koningin, toen hij rekening had
+te houden met Karel II. Butler, misschien de geleerdste van al de
+vroegere schrijvers over de honingbij, vermijdt even halsstarrig
+het woord koning te noemen, want zijn boek verscheen toen koningin
+Anna regeerde. Hij noemt het "De vrouwelijke Monarchie," maar hij
+schijnt toch evenmin als een van zijne voorgangers het geringste
+vermoeden gehad te hebben, dat de groote bij in waarheid de moeder
+van de heele kolonie is. Echter staat hij haast alleen in zijn tijd
+in het verwerpen van de bloemen-theorie der bijenvoortplanting,
+en hij verzekert, dat de werkbijen en de darren respektievelijk de
+vrouwelijke en mannelijke elementen zijn. "Maar," zegt hij, "zij
+planten niet voort als andere levende wezens; hunne darren dulden
+zij slechts één getij, door wier mannelijke kracht zij wonderdadig
+ontvangen en voortbrengen, en aldus hun liefdelijke soort behouden."
+
+Over de moeilijkheid, dat er gedurende negen maanden geen darren in
+de korven zijn, en toch het eierleggen voortgaat, zet hij zich heen
+met de bewering, dat de werkbijen onbevlekt ontvangen van de darren
+gedurende het seizoen, en dat die zomerbevruchting voldoende is, tot
+de darren het volgende jaar in Mei terug komen. En zoo was hij, zonder
+het te vermoeden, heel dicht bij de ontdekking van een van de meest
+verwonderlijke feiten in de natuur--dat de koningin-bij in een korf,
+na één enkele gemeenschap met een der darren, voortgaat bevruchte
+eieren te leggen in haar geheele verdere leven, dat misschien nog
+wel drie of zelfs vier jaren duurt.
+
+Butler's boek is rijk aan aardige bijzonderheden uit de bijenlegenden
+van zijn tijd. Hij vertelt ons, dat de koningin-bij "ondergeschikte
+goeverneurs en leiders" onder zich heeft. Zij onderscheiden zich van
+de anderen door een soort donkergeel of bruin pluimpje of kwastje,
+soms vóór afhangend als een struisveer, of ook wel rechtop staand
+als bij de reigers. In minder dan een kwartier, zult ge er soms
+drie of vier uit een goeden korf zien komen; maar nog in den tijd,
+dat de zon in de Tweelingen staat, vóórdat zij bij het aanhoudend
+werken die versierselen hebben afgesleten. En op iederen warmen
+lente- of zomermorgen kan het u gebeuren, dat ge hetzelfde ziet:
+In enkele bloemen, vooral in de avond-sleutelbloem, hangen soms de
+stuifmeel-deeltjes in draden aanéén en zoo blijven zij soms vastzitten
+aan de sprieten van de verzamelende bijen, en geven dan den indruk
+van een pluimpje of kwastje, zooals Butler het in zijn dagen zag.
+
+Hij geeft ook wenken hoe een goed ijmker zich heeft te gedragen, die
+wel waard zijn aangehaald te worden: "Als gij de gunst van uw bijen
+wilt houden, dat zij u niet steken, dan moet gij de dingen vermijden,
+die hen kunnen beleedigen: gij moet niet onkuisch noch onrein zijn;
+want zelf uiterst kuisch en zuiver, verafschuwen zij alle vuilheid
+en liederlijkheid. Gij moet niet tot hen komen met de reuk van zweet
+aan u, of met een stinkenden adem, na het eten van prij of uien of
+knoflook en dergelijke, of uit eenige andere oorzaak; het onaangename
+daarvan neemt men weg met een kroes bier; en daarom is het niet goed
+bij hen te gaan vóórdat gij gedronken hebt; gij moet niet overgegeven
+zijn aan onmatigheid en drank. Gij moet niet hijgende en blazende
+tot hen komen, noch, waar zij zijn, drukke bewegingen maken; noch
+ook wanneer zij u schijnen te willen steken, hen heftig afweren;
+maar voorzichtig uw hand bewegende moet gij ze zachtjes neerzetten;
+en ten laatste moet gij hun niet vreemd zijn. In één woord: gij
+moet kuisch, zindelijk, rustig, sober, zacht en gemeenzaam zijn;
+dan zullen zij u liefhebben en uit alle anderen kennen." Zoo is dus
+volgens Butler de goede ijmker een samenstelling van alle deugden, en
+tot bevordering van het duizendjarig rijk schijnt niet anders noodig,
+dan alle menschen te bewegen, ijmkers te worden.
+
+De middeleeuwsche schrijvers over de honingbij wedijveren in hun
+getuigenissen betreffende de buitengewone kracht van intelligentie bij
+de inwoners hunner korven. Maar één verhaal van Butler overtreft ze wel
+alle. Hij leidt het in met de bewering: "bijen zijn zóó wijs en kundig,
+dat ze niet alléén hun kleinen God-almachtig hebben uitgeroepen,
+hoewel Hij tot hen kwam in de gedaante van een ouwel; maar zóózeer
+zelfs, dat zij Hem een kunstige kapel gebouwd hebben," en verder
+vertelt hij dan, dat "een zekere eenvoudige vrouw, bezittende eenige
+korven met bijen, die haar niet het gewenschte voordeel gaven, maar
+kwijnden en stierven aan de pest, zich beklaagde bij een andere vrouw
+nog eenvoudiger dan zijzelve, die haar den raad gaf, een gewijde hostie
+in een van haar korven te zetten. En dien raad opvolgende ging zij
+tot een priester en verkreeg de hostie, die zij in haar mond bewaarde;
+toen zij thuis kwam nam zij de hostie uit haar mond en legde haar in
+een van de korven. Daarna hield de pest op en er kwam overvloedig
+honing. En toen nu de tijd dáár was en de vrouw den korf oplichtte
+om den honing er uit te nemen, zag zij--en het was wonderbaarlijk
+om te zien--een kapel, gebouwd door de bijen, met een altaar er in,
+en de muren van een verwonderlijken kunstigen bouw en versiering,
+en met vensters op hun juiste plaats, ook een deur en een toren met
+klokken. En de hostie op het altaar gelegd zijnde, vlogen de bijen
+er met een zacht zoemen omheen."
+
+Dit verhaal heeft zijn weerga alleen in een ander, even oud, waarin
+verteld wordt, hoe dieven in een kerk inbraken en het zilveren doosje
+stalen, waarin de heilige ouwels bewaard werden. Zij vonden één ouwel
+in het doosje en legden dien onder een bijenkorf, om daarna met het
+kostbaarste gedeelte van hun buit zich uit de voeten te maken. En
+in den nacht daarop, zoo schijnt het, werd de eigenaar van den korf
+gewekt door een verrukkelijke muziek, die in strofen met gelijke
+tusschenpoozen uit de richting van zijn bijentuin scheen te komen. Hij
+nam een lantaarn om de oorzaak na te gaan, en ontdekte, dat de muziek
+uit een der korven kwam. Ontsteld over dit wonder, ging hij tot den
+bisschop en wekte hem om hem dit buitengewone voorval te openbaren;
+en de bisschop met zijn gevolg verschijnende, lichtte de korf op
+en bevond, dat de bijen den gewijden ouwel in bezit hadden genomen
+en hem in het bovenste gedeelte van den korf gebracht, nadat zij
+er eerst een doos voor hadden gemaakt van de zuiverste witte was,
+een nauwkeurige navolging van dengene, die gestolen was. En rond
+de doos zongen de bijen in koren, en zij hielden de wacht er bij,
+zooals monniken het doen in een kapel.
+
+"Een geschiedenis," voegt de verhaler er profetisch bij, "die zeker
+bij vele ongeloovigen verzet zal ontmoeten."
+
+In hunne aanwijzingen hoe een zwerm opgevangen moest worden, waren de
+middeleeuwsche ijmkers altijd zonderling precies. Het voorbereiden van
+den korf, die den zwerm moest opnemen, was een hoogst bewerkelijke
+maatregel. Als de korf nieuw was, bevalen zij aan, hem eerst uit te
+schuren met een handvol welriekende kruiden als thijm, marjolein of
+hysop; en daarna kwam er een tweede behandeling met een mengsel van
+honing en water, of melk en zout. Maar het klaarmaken van een ouden
+korf moet een vrij onsmakelijk werk geweest zijn. Men moest twee handen
+vol mout of erwten of ander graan in den korf leggen, en "laat er dan
+een zwijn van eten. Intusschen draait ge de korf op zóódanige wijze,
+dat het schuim, door het zwijn al etende gemaakt, den geheelen korf
+rondgaat. Dan veegt ge den korf losjes uit met een linnen doek,
+en de bijen zullen dezen korf liever hebben dan een nieuwe."
+
+Terwijl de bijen zwermden en "bezig waren met hun dans," moest men
+hun "een vroolijk deuntje" voorspelen op een kom of pan of ketel,
+om hen vlug te maken. We worden verzekerd, dat de zwerm vlugger of
+zwaarder vliegt al naar het soort gedruisch, dat ze hooren. Als het
+"vroolijke deuntje" in een vlugge maat werd gespeeld vlogen de bijen
+snel en hoog; maar bij zachte slepende muziek ging het langzamer en
+daalden zij spoedig. Dit eigenaardig gebruik van muziek maken voor
+de bijen is ongetwijfeld van Romeinschen oorsprong; maar of het door
+Caesar's opvolgers is ingevoerd of door die van Claudius in de eerste
+eeuw, of dat misschien de engelsche ijmkers het uit de klassieke
+schrijvers hebben afgeleid is moeilijk uit te maken. Men hoort het
+nog op verschillende afgelegen plaatsen, en de aanhangers er van
+schijnen het vaste geloof in de deugdelijkheid behouden te hebben,
+dat hun voorvaders hadden. Waarschijnlijk had in vroeger tijden, toen
+bijenparken veelvuldiger voorkwamen, het gebruik één onweersprekelijk
+nut; het was voor de verschillende omwonende bijenhouders het bewijs,
+dat er een zwerm was afgegaan en dat zijn rechtmatige eigenaar dat
+wist. En op deze wijze werden zeker de onrechtmatige aanspraken op
+den zwerm voorkomen, of ten minste ontmoedigd.
+
+De vraag of het gedruisch, dat men bij de bijen maakt, eenigen
+werkelijken invloed op de zwermen heeft, is nog niet afdoende
+beantwoord. Behalve een paar oude korvenbezitters, die in sommige
+uithoeken nog wel te vinden zijn, hebben de moderne bijenkweekers
+dat gebruik sinds lang afgeschaft als het uitvloeisel van grof
+bijgeloof. Maar toch is in den laatsten tijd de vraag opgeworpen
+of de geluiden, die door ouderwetsche bijenhouders gemaakt worden,
+als er een zwerm is uitgetrokken, toch niet hun nut hebben. Men heeft
+verondersteld, dat de bijenwolk--in het begin niet anders dan een chaos
+van flakkerende vleugels, daar het geheele volk doelloos rondzwiert
+en dwarrelt over een groote uitgestrektheid--in werkelijkheid op zoek
+is naar de koningin. Nu is er geopperd, dat zij haar op het gehoor
+af volgen; want men vermeent, dat zij een bijzonder fluitend geluid
+maakt terwijl zij vliegt. Het getinkel van sleutels en pannen zou dan
+de bijen verhinderen, dat geluid te hooren, en haar op haar eerste
+omdolingen te volgen, zoodat er dan kans op is, dat de zwerm ergens
+dichter bij huis neerstrijkt. Het is een interessante theorie, maar
+eigenlijk niet houdbaar. Die oude volksmeeningen berusten gewoonlijk
+niet op eenige feitelijke basis, en het is veel waarschijnlijker,
+dat het gedruisch niet den minsten invloed op de bijen heeft.
+
+Wat betreft het recht van den ijmker, om zijn zwerm in een aangrenzend
+land te volgen, is het aardig de verzekering te hooren van een van deze
+oude schrijvers: "als gij ze niet tot neerstrijken kunt brengen, en
+zij al voortvliegende buiten de grenzen van uw land gaan, dan vergunt
+u de oude wet van het Christendom hen, waarheen ook, te volgen, opdat
+gij uw eigendom terug krijgt." "Maar," voegt de schrijver er bij:
+"als uw zwerm zich zóó snel en vèr verwijdert, dat gij ze uit uw
+gehoor en gezicht verliest, dan verliest ge tegelijk ook alle recht
+op hun bezit. In dat geval hebt gij wettelijk geen andere keus dan
+uwe bijen over te laten aan hem die ze het eerst vindt." Met het oog
+op verschillende hedendaagsche geschillen over deze zaak, waarbij
+de uitspraak der wet willekeurig en vaag scheen, is het van belang
+te wijzen op zulk een oude autoriteit betreffende de rechten van
+den ijmker.
+
+Bijna geen détail van de kultuur, waaraan in de middeleeuwen geen
+bijgeloovigheid of curieus gebruik verbonden was. Allen zonder
+onderscheid schijnen te gelooven in de oude bewering, zooals zij ook
+bij Vergilius voorkomt, dat de bijen kleine steentjes bij zich dragen,
+om als het hevig waait hun vlucht te balanceeren, en er waren er
+zelfs die dachten, dat zij bloemen aldus gebruikten. Rood gekleurde
+stoffen werden als zeer hinderlijk voor de bijen beschouwd, en men
+wordt gewaarschuwd niet in die kleeren gekleed in het bijenpark
+te verschijnen. Men meende ook, dat de jonge en de oude bijen in
+de korven van elkaar gescheiden waren. Wat dit betreft is het een
+bewezen feit, dat op het hoogst van het honingseizoen de bijen in
+het bovenste gedeelte der korven bijna uitsluitend jonge bijen zijn,
+die nog niet gevlogen hebben.
+
+Men vertelt ons ook, dat wanneer er bijen zijn, die 's avonds nog
+niet in den korf terugkwamen, de koningin uitgaat om ze op te sporen
+en hun den weg terug te wijzen. En niemand behoeft bang te zijn, de
+heerscheres van den korf over het hoofd te zien, omdat zij herkenbaar
+is aan haar "fieren gang en haar gelaat, dat majesteit uitdrukt;
+en op haar voorhoofd is een witte vlek die schittert als een diadeem."
+
+Een der oude schrijvers geeft den raad, recht door alle korven een gat
+te boren, tegen spinnewebben. Hij gelooft ook, dat de bijen zwermen
+ten gevolge van de tyrannie van de koningin, en als zij ze volgt,
+dooden zij haar. Ook vertelt hij, dat de darren honingbijen zijn,
+die hun angels hebben verloren en dikker geworden zijn. Dit was al een
+oud geloof, en de sceptische Butler behandelt het op de volgende wijze:
+
+"Het algemeene oordeel betreffende de darren luidt: dat zij geworden
+zijn uit honingbijen, die hun angels verloren, wat even waarschijnlijk
+is als dat een dwerg, dien men zijn ingewanden ontneemt, een reus zou
+worden." Maar de oude ijmkers waren altijd onverdraagzaam tegenover
+de vergissingen van anderen, terwijl zij met de sterkste beweringen en
+een groot vertoon van geleerdheid hun eigen, even vage bijgeloovigheden
+verkondigden.
+
+Een boekje in 1656 uitgegeven en geheeten: "The Country Housewife's
+Garden" is aardig, omdat het blijkbaar geschreven is voor eenvoudige
+buitenmenschen, door iemand in dezelfde omstandigheden verkeerende;
+terwijl in het algemeen de bijenboeken in de zestiende en zeventiende
+eeuw in hoofdzaak het werk waren van menschen, maatschappelijk
+aanmerkelijk hooger geplaatst.
+
+Dit boek is in zóóver eenig in zijn soort, dat het geen mooie
+theoriën geeft inzake bijenkultuur; maar zich houdt aan de
+overgeleverde methoden. De schrijver, die blijkbaar geen zwak heeft
+voor beschouwingen inzake den oorsprong der bijen, maar zich in
+zijn opmerkingen bepaalt tot de praktische honingproduktie, neemt
+het volgende gezonde standpunt in: "er is veel geschrijf over
+de Meester-bijen en hun rangen, staatsinrichting en regeering;
+maar wat daarover gezegd wordt, berust meer op verbeelding dan op
+bewezen feiten. Er zijn nu en dan gissingen gemaakt b.v. wij zien
+in de raten verscheiden huizen grooter dan de anderen, en gewoonlijk
+hooren wij des nachts vóórdat zij uitvliegen van twee of meer bijen
+een geluid dat anders en luider is dan dat der anderen; ook bemerken
+wij soms bijen met grooter lichaam dan de gewone soort; maar wat zou
+dat alles? Ik houd niet van gissingen, maar schrijf alléén graag
+neer wat ik weet de waarheid te zijn, en de rest laat ik over aan
+de menschen die houden van raadsels oplossen." De "grootere huizen"
+die hier genoemd worden, waren ongetwijfeld de groote cellen waarin
+de koninginnen worden uitgebroed. Even vóór den zwermtijd worden er
+soms wel negen of tien in één korf gevonden.
+
+Dezelfde schrijver spreekt het onvermijdelijk kwaad van de
+darren. "Deze," zegt hij, "zijn naar alle waarschijnlijkheid een
+lui en spilziek soort van bijen, die hun angels verloren hebben en,
+aldus als het ware ontsekst, lui en groot geworden zijn. Zij haten
+de bijen en maken, dat zij eerder gaan zwermen."
+
+Geen schepsel had ooit een slechter naam en onverdiender dan de
+rampzalige dar bij die oude scribenten. Een ander van hen spreekt
+van den dar als van "een groote korfbij zonder angel, die altijd
+als luie doodeter te boek heeft gestaan, en wie gulzig in 't eten
+en lui in 't werken is, wordt daarom met dien naam genoemd--want hoe
+groot hij ook doet met zijn rond fluweelen kopje, zijn dikken buik en
+zijn luide stem, hij is toch maar een luie kompaan, die zich te goed
+doet waar anderen zweeten. Want werken doet hij in 't geheel niet,
+noch binnenshuis noch daar buiten, en hij verbruikt toch zooveel als
+twee arbeiders; nooit zult ge hem aantreffen zonder een droppel van
+de zuiverste nektar in zijn maag. In de zomerhitte vliegt hij buiten
+rond en met niet weinig gedruisch, als iemand die een groot werk
+gaat doen; maar het is enkel voor zijn pleizier en om zijn vraatlust
+te vergrooten; en als hij genoeg gevlogen heeft moet hij weer aan
+het eten."
+
+Maar de eigenaardigste opvattingen vindt men bij de oude
+bijen-meesters, die een hang hebben naar het kwakzalversberoep. Zij
+vertellen ons, dat "honing wanneer men er 's morgens en 's avonds goed
+het hoofd mee inwrijft," een uitstekend middel is tegen kaalheid,
+en dat de uitwerking nog doeltreffender zou zijn wanneer men den
+honing mengde met een paar doode bijen en een stukje oude was,
+goed fijn gewreven. Doode bijen, gedroogd en tot poeder gewreven,
+vormen het hoofdbestanddeel van allerlei soort medicamenten uit dien
+tijd. Een dronk iederen morgen van dit poeder, met water vermengd,
+wordt aanbevolen als een onfeilbaar zuiveringsmiddel. En wanneer men
+een groot aantal bijenkoppen verzamelt, verbrandt en dan de asch met
+wat honing mengt, krijgt men een voortreffelijk middel tegen alle
+soorten van oogziekten.
+
+Er was ook een beroemd preparatief Oxymel geheeten, dat in de
+middeleeuwen in groote gunst stond. Het schijnt niets anders te zijn
+geweest dan een mengsel van honing, water en azijn, maar men schreef
+het eene buitengewone kracht toe. Het was onfeilbaar tegen ischias,
+jicht en dergelijke kwalen, en één schrijver beweert, dat het zeer
+aan te bevelen is als spoeling bij een keelontsteking.
+
+Maar honing en doode bijen waren niet de éénige produkten der
+bijenkorven, die tot den dienst der Geneeskunst geprest werden. Ook
+aan de was werd bijzondere geneeskracht toegekend voor alle soorten
+van menschelijke kwalen. Zij had de eigenschap zweren te genezen en
+"als een hoeveelheid was, ter grootte van een erwt, wordt ingeslikt
+door zoogende vrouwen, lost ze de gestolde melk in de tepels op." Zij
+werd ook gebruikt om stijve ledematen en pijnlijke spieren mee in
+te wrijven. De veronderstelde geneeskracht van bijenwas in zijn
+natuurstaat was echter nog niet in vergelijking met haar waarde
+wanneer zij gedistilleerd was.
+
+Dit medicament, bekend als was-olie, en in dien tijd over de geheele
+wereld beroemd, schijnt nader aan het ideaal van een panacee gekomen te
+zijn, dan iets anders daarvóór of daarna. Het bereiden van was-olie
+schijnt een zeer ingewikkelde zaak te zijn geweest. Eerst moest
+de was gesmolten worden, in zoeten wijn gegoten en met de handen
+uitgedrukt. Dit gebeurde zeven maal, en iederen keer werd er nieuwe
+wijn aan toegevoegd. Dan werd de was in een retort gedaan met een
+hoeveelheid poeder van rooden steen en zorgvuldig gedistilleerd. Er
+kwam dan een gele olie over, die ten tweede male gedistilleerd werd en
+daarna was het "hemelsch en goddelijk geneesmiddel" bereid. Miraculeuze
+voorteekenen schenen deze bereiding te vergezellen; want er wordt ons
+verteld, dat bij "het ontstaan van deze olie in den ontvanger de vier
+elementen verschijnen: het vuur, de lucht, het water en de aarde,
+zeer verwonderlijk te zien."
+
+De kracht, onmiddellijk het uitvallen der haren te doen ophouden,
+de zwaarste wonden in weinig dagen te heelen en tandpijn en pijn
+in den rug te genezen, is nog maar een der mindere deugden van
+dit middel. Op veel grootscher eigenschappen maakte de was-olie
+aanspraak--want niet alléén "doodt zij de wormen en geneest zij
+verlammingen en de zwartgallige luimen; maar zij brengt ook het doode
+of levende kind te voorschijn." Van dien zelfden ouden schrijver
+nog een laatste aanhaling;--zij heeft betrekking op het ontstaan der
+bijen en brengt ons op de uiterste grens van het wonderbaarlijke. Na
+een geleerde verhandeling over de methode van het kweeken van bijen
+uit een dooden os--"kunnen we ons echter," zegt hij, "een dooden
+leeuw voor dit proces aanschaffen, dan is dat nog beter, omdat het
+den bijen ook leeuwenmoed zal bijbrengen"--gaat de schrijver voort
+met aan te toonen hoe bijen nog op andere wijze kunnen voortgebracht
+worden. Wij moeten daartoe alle doode bijen bewaren, ze verbranden en
+de asch met wijn besprenkelen, en ze daarna op een warme plaats aan
+de zon blootstellen. "Na een poosje," zegt hij, "zullen al de zoo
+behandelde bijen weer levend worden; en wij hebben een nieuw volk
+klaar voor den korf."
+
+Als wij ons verdiepen in deze verweerde oude schrifturen, met hun
+vervaagde geel geworden letters en verouderde zinswendingen, dan
+begint het ons pas duidelijk te worden, welk een luttel beetje die
+oude bijenmeesters eigenlijk begrepen van de eigenlijke levenswijs
+der honingbijen, en dat zij inderdaad niets wisten van bijenteelt. En
+toch moet de honing- en wasproductie van grooten omvang en beteekenis
+zijn geweest in die dagen. In spijt van hun verouderde theoriën en hun
+noodeloos ingrijpen in het leven der korven, moeten deze menschen, hoe
+dan ook, een markt hebben voorzien, van een uitgebreidheid waarvan wij
+ons tegenwoordig nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen. De washandel
+alléén moet al heel belangrijk zijn geweest; want behalve bij de
+allerarmsten, was de was de éénige grondstof die in aanmerking kwam
+als kunstmatige lichtbron. En voor de honing was de vraag veel meer
+algemeen dan tegenwoordig, omdat rietsuiker nog onmogelijk ernstig
+kon mededingen als verzoetingsmiddel voor de massa, in een tijd dat
+hij misschien twee shillings het pond kostte.
+
+Maar bij beschouwingen als deze moeten wij in het oog houden, dat wel
+de menschen, die over bijen schreven, een schilderachtige onwetenheid
+aan den dag legden betreffende hun onderwerp; maar dat zij de kleinste
+minderheid uitmaakten van de ijmkers in 't geheel. Waarschijnlijk
+kwam het grootste contingent van de honing- en wasproductie van
+bijenparken, waarvan de eigenaars niets wisten van boeken en er zich
+ook niet om bekommerden; maar zich uitsluitend bezig hielden met de
+praktische zijde van het werk. En hun kennis--die zij in hoofdzaak
+van hun vader geërfd hadden--was ruim voldoende voor het aandeel dat
+zij in de honingproduktie hadden.
+
+Het is bovendien ook eerst in dezen tijd van wetenschappelijke
+bijenteelt, dat het werk van den ijmker zelf van meer gewicht is. Nu,
+bij het licht der twintigste-eeuwsche kennis, kan het den dubbelen en
+zelfs driedubbelen honingoogst produceeren van wat de oude methoden
+opleverden. Maar de oude korvenbezitters konden niet veel anders doen
+dan bij het werk van hun bijen toekijken, en hier en daar een-weinig
+helpende-hand aanleggen. Bijna al de verdienste van wat men toen
+verkreeg, moet worden toegeschreven aan de bijen zelve, die ontelbare
+eeuwen te voren hun merkwaardige organisatie en politiek systeem
+tot volmaking hadden gebracht. Waarschijnlijk lieten de ijmkers,
+de praktische mannen, die bijen hielden in den ouden tijd, wel met
+hetzelfde doorzicht de bijen hun gang gaan als de korvenbezitters van
+de vorige generatie. En in veel opzichten deden zij, wáár zij ingrepen,
+verkeerd b.v. in de oogenschijnlijk dwaze praktijk van het vernietigen
+van bijen om de honing te verkrijgen. Maar zelfs dit was niet zóó'n
+dwaas gebruik, als het heden ten dage schijnt. Het was eenvoudig,
+naar de kennis van dien tijd, een zaken-kwestie. Hun methode was:
+de lichtsten en de zwaarsten van hun stand tot den zwavelkuil te
+veroordeelen. De ervaring had hun geleerd, dat de zwakke kolonies
+weinig kans hadden door den winter te komen, tenzij zij kunstmatig
+gevoed werden; terwijl, als de bijen uit de groote kolonies bleven
+bestaan nadat hun voorraad hun ontnomen was, zij dezelfde verzorging
+zouden noodig hebben. Het was maar een rekensom. Kunstmatige
+voeding was toen een veel kostbaarder zaak dan tegenwoordig, en een
+berekening toonde dat vernietiging het voordeeligst was. Van een
+modern wetenschappelijk standpunt beschouwd is de slechtste kant van
+deze behandeling, dat bij het oude stelsel van vernietiging alleen die
+bijenvolken bleven bestaan, die ingewortelde zwermers waren; terwijl
+de rustige en werkzame thuisblijvers, die de grootste honingprovisie
+verzamelden, onveranderlijk werden uitgeroeid. En wanneer wij bedenken,
+dat de moderne bijenwetenschap er naar streeft het zwermen geheel
+te onderdrukken, is dit een noodlottige erfenis, die zij ons hebben
+nagelaten. De gewoonte van zwermen staat het verkrijgen van een ruimen
+honingoogst heel erg in den weg, en er zal altijd een element van
+onzekerheid in de honingproductie zijn, zoolang de moderne ijmkers
+niet een ras van niet-zwermende bijen hebben verkregen.
+
+De bijenmannen van den nieuweren tijd stemmen dus in met het koor van
+hen, die de oude dwaze gewoonte van het bijen-verbranden afkeuren,
+meer omdat dit hun de taak heeft opgelegd het werk van eeuwen ongedaan
+te maken, vóór er eenig teeken van vooruitgang kan zijn, dan uit het
+algemeen aangenomen beginsel van menschelijkheid.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+VOOR DE STADSPOORTEN.
+
+
+In het zuiden van Sussex, in een dorp dicht aan den groenen rand der
+"Downs" [4] wonen twee ijmkers, die in hun sterk uiteenloopende
+methoden en hun verschil van uitgangspunt, de uitersten
+vertegenwoordigen der bijenkultuur, zooals zij in dezen tijd nog
+gelijktijdig bestaan.
+
+De éen woont in een antiek, met riet bedekt huisje, dat midden in
+een ouderwetschen Engelschen tuin staat, en de stolpvormige strooien
+bijenkorven zijn hier en daar neergezet tusschen een wilden groei
+van al de ouderwetsche Engelsche bloemen.
+
+De ander bewoont een zelfgebouwde keurige villa op een helling, onder
+bedekking van het dennebosch, dat den heuvel kroont; en hij heeft er
+een groot modern bijenpark ingericht, dat in alle opzichten aan alle
+eischen voldoet van de moderne apiarische wetenschap der twee werelden.
+
+Wanneer men op een mooien Meimorgen de dorpsstraat laat liggen en
+in het open land bij een van deze twee inrichtingen komt, krijgt
+men den indruk, dat al de romantiek en de legendarische sfeer
+van de bijenwereld onvermijdelijk moeten gevonden worden in den
+ouderwetschen bijentuin, waar de zacht gonzende muziek der korven uit
+het dichtst der bloeiende seringen schijnt te komen en uit den rooden
+meidoorn en de blauwe eereprijs; want de korven zelf ontdekt men het
+allerlaatst in deze schitterende bloemenmengeling. Iets poëtisch te
+verwachten in de andere inrichting--waar op een uitgestrekt terrein,
+met sintels geplaveid, de moderne bijenkasten, in verschillende
+kleuren geschilderd, op rijen staan; waar het woonhuis zooals het
+daar is, uit een der Londensche voorsteden kon zijn overgebracht,
+evenals de bijgebouwen met hun druk zakelijk bewegen, hun kuchenden
+petroleummotor en het dreunen van hamer en zaag--zou zijn iets
+verlangen, dat bespottelijk uit den tijd moest schijnen en zelfs
+absoluut onmogelijk. Men kon even goed naar kunst in een Ghetto zoeken,
+als naar eerbied voor oude bijengewoonten in een handelsinrichting
+als deze, die alleen is opgericht om de honingmarkt te voorzien,
+zooals een Manchester fabriek zijn stoffen aflevert.
+
+Veel liefhebbers van het buitenleven, in hoofdzaak voetreizende
+kunstenaars en toevallige wandelaars, zijn met deze vooropgestelde
+meening naar het dorp getogen, en als zij den ouden bijentuin bezocht
+hadden en al de oude mooie dingen daar in grooten overvloed vonden,
+gingen zij niet verder en werden niet wijzer. Zij slenterden langs de
+netjes afgezette slingerpaadjes van den tuin met zijn ouderwetschen
+eigenaar; zij bukten zich onder priëelen van levend goud en purper;
+waadden door zeeën van scharlaken papavers en blauwe vergeet-mij-niet
+en taankleurige resida; zij ontdekten oude bijenkorven in allerlei
+onverwachte schaduwrijke hoekjes, en doken onder in middeneeuwschheid
+tot aan hun ooren. Zelfs het gonzen der bijen scheen hun iets te
+vertellen uit vervlogen tijden. Neen, alléén een hopelooze Vandaal zou
+zijn bijen in een van die leelijke vierkante kasten kunnen stoppen,
+en dan van hen verwachten, dat zij honing zouden zoeken op de oude,
+harmonieuse, gelukkige manier, door de eeuwen gesanctionneerd. En
+zoo waagden zij zich nooit den heuvel op naar het groote bijenpark,
+maar bleven in het tuintje beneden, en luisterden uren achtereen naar
+het aardige praten van den grijzen eigenaar in zijn gesmokte kiel, of
+zij stonden heldhaftig onder aan den ladder als hij er opklom om een
+zwerm los te maken van een ouden bemosten appelboom, en zij hielpen
+hem de nieuwe strooien korven uit te wrijven met handenvol munt en
+lavendel, en maakten grillige kunstelooze muziek met den huissleutel
+op een ouden ijzeren pan, als de zwerm te hoog in de lucht was.
+
+Zeker er viel veel te leeren op rustige dagen, in den ouden bijentuin,
+vooral in de Meimaand. Vóór de eerste zwermen op het punt waren de
+korven te verlaten.
+
+Het eerste waar men zich op had toe te leggen, was zich tusschen
+de bijen te bewegen en tusschen de korven te blijven staan, zonder
+zich te laten verontrusten door hun onophoudelijke en dikwijls
+beangstigende nadering. Want hoeveel vertrouwen men ook moge stellen
+in des ijmkers verzekeringen, dat zijn bijen nooit steken, het getuigt
+toch van onversaagdheid als men zijn volkomen gelijkmoedigheid kan
+behouden, terwijl de bijen zich onophoudelijk op handen en gezicht en
+overal neerzetten, en een geheel vliegend regiment steeds vijandig
+om onze ooren bromt. Zij zullen geen kwaad doen, dat weten wij,
+als men zich maar stil blijft houden. Maar de neiging zich om te
+draaien en te vluchten, of tenminste die gewiekte atomen af te weren
+met woest zwaaiende armbewegingen, wordt voor den nieuweling bijna
+onweerstaanbaar. Men verzekert hem, dat zij op die wijze alléén hun
+nieuwsgierigheid uitdrukken en trachten te bevredigen; en dat zij
+daarna in alle onschuld naar den korf terugvliegen om daar bij de
+heerschende machten een goed getuigenis van hem af te leggen. Maar hij
+weet wel, dat die getuigenis volstrekt niet altijd bevredigend is. Er
+zijn tenminste eenige rampzalige individuen op de wereld, die zich geen
+twaalf meter bij den korf durven wagen zonder meedogenloos bestookt
+te worden, en opgejaagd tot op minstens een kwart mijl afstands,
+door een nijdig vendel van deze gestrenge maagden. Bovendien komt
+het menigmaal voor bij een zekere weersgesteldheid--als er onweer
+dreigt en de lucht zwaar en stil is--dat de bijen hun dolken steken
+in iedere menschelijke huid, zelfs in die van hun eigenaar, die een
+heel seizoen onaangerand in hun midden verkeerde. Er is dus voor
+ieder die te dicht bij bijenkorven komt een noodlottige kwade kans;
+hij heeft een gewaarwording alsof hij onder het vuur van den vijand
+staat--zeker een heel nuttige oefening in zelfbeheersching, maar die
+voor de vreesachtigen moeilijk kan gerekend worden onder de lichtere
+genoegens des levens.
+
+Doch is de beschouwer deze eerste verschrikkingen gelukkig te boven
+gekomen, dan zal hij vroeger of later zich gevangen voelen door de
+zuivere bekoring van het geval, en zonder angst, en haast ademloos,
+toekijken, naar wat eigenlijk niets anders is dan een leerrijke
+verbeelding van het leven.
+
+Hij staat hier als een vreemdeling bij de poorten eener stad, bewoond
+door een zeer belangwekkend, en in sommige opzichten allergeavanceerdst
+volk. Van wat er binnen in de stad omgaat bemerkt hij niets, behalve
+het diepe, bezige gonzen, dat tot hem doordringt, en hij zal er ook
+nooit iets van te weten komen, tot hij zijn sentimenteelen trots heeft
+afgeschud en een pelgrimstocht gemaakt heeft naar het groote bijenpark
+op den heuvel. Maar intusschen vindt hij hier toch voedsel genoeg,
+om den scherpsten honger naar het wonderbare te bevredigen. Komende
+en gaande, in en uit de open poort, die in de stad leidt, bewegen
+zich in de heete Meizon duizenden en duizenden van bezige wezens. De
+breede drempel van den korf is geheel verborgen onder de tegengestelde
+stroomingen, de eene zich spoedend in de richting van de geurige
+velden en hagen, de ander tuimelend en dringend naar binnen, terwijl
+haast iedere bij een geheimzinnigen schat meedraagt.
+
+Op twee verschillende wijzen willen de uitgaande bijen hun reis
+beginnen. Sommigen rijzen onmiddellijk op hun vleugels recht in
+den zonneschijn; en dit zijn proviandeerenden, die al verscheidene
+reizen achter zich hebben, sedert de zon rossig en heet uitbrak
+boven den oostelijken heuvel. Maar anderen, pas aan de eerste
+excursie van dien dag, komen uit het murmereerend duister van
+den korf gekropen en met een heftig aanloopje bereiken zij daarna
+het eind van de vliegplank. Hier houden zij een oogenblik stil,
+bewegen hun vleugels op en neer en wrijven uit hun groote oogen
+den schemer van daar binnen. Daarna heffen zij zich in de lucht,
+blijven een oogenblik zweven met de kopjes naar hun woning gekeerd,
+om zich zorgvuldig te oriënteeren, en dan zwenken zij in het blauwe,
+en vliegen met de rest naar den verren heuvelkant, met zijn witten
+bruidstooi van klaverbloesem.
+
+De thuiskomende bijen gedragen zich veel stemmiger. Zij komen aanzeilen
+als bronzen koopvaarders tot aan den waterrand geladen. Zij, die de
+zakken gevuld met klavernektar dragen voor de honingbereiding, hebben
+er zelden een aan den buitenkant gehouden stuifmeellading bij. Het
+is hun al werks genoeg, hun uitgezette lichamen veilig te ankeren op
+de vliegplank, en zij vallen recht den korf binnen, vervuld met maar
+één enkele gedachte: hun vergaarde schatten over te dragen aan de
+eerste huisbij, die in hun weg komt, en dan zich onmiddellijk heen te
+spoeden om een nieuwe lading. Den stuifmeeldragers bezielt dezelfde
+witgloeiende energie; maar hun ladingen zijn oneindig onhandiger,
+en verlangen een rustiger bewegen. Sommigen, hun korfjes opgehoopt
+met een diep-oranje gekleurde stof, moeten een oogenblik rust nemen
+op den drempel; en daar dan weer krachten verzamelen om hun glanzenden
+last door de poort te sleepen.
+
+Anderen begeeft de kracht juist vóór dat zij de haven zullen binnen
+vallen en zij zinken neer op het gras vóór den korf, om het oogenblik
+af te wachten dat versche kracht hen veilig in de volkrijke haven zal
+brengen. Maar heel veel zijn er ook, die niet trachten, in eens door,
+den haven te bereiken, en die, als zij veilig in de kalme wateren
+van den tuin zijn aangeland, een oogenblik rust nemen op een bloem
+of blad, en daar trillend en hijgend wachten, tot zij in staat zijn
+koers te nemen naar hun woonplaats.
+
+Er is een oneindige verscheidenheid in de ladingen van deze
+stuifmeeldragende bijen. Niet één van de kleuren van den regenboog
+of zelfs van hunne schakeeringen, die niet ieder oogenblik in de
+dringende menigte voorbij gaat. Iedere bij draagt een half bolletje
+van deze zelfstandigheid, keurig gevormd en afgerond, aan ieder van
+hare twee achterpootjes. Men zou door het juist observeeren van de
+kleuren van haar last met zekerheid kunnen zeggen welke bloem zij
+op ieder van haar uitstapjes geplunderd heeft. Het heldere oranje,
+waarmee altijd de grootste en zwaarste bolletjes gekleurd zijn in den
+stroom der ladingen, komt van de paardebloemen. Van den gaspeldoorn
+komen haast even groote ladingen van een diep goudbruin. De herik, die
+haar onnutte schoonheid aan al onze korenoogsten opdringt, verschaft
+de bij een oneindigheid van goud. Witte en roode klaver laden de
+kleine korf-koelies op met verscheidenheid van rossige tinten. Van
+de appelboomgaarden komen overvolle korfjes van bleekgeel; de braam
+levert stuifmeel van een fijn groenachtig wit. En als de zomer gekomen
+is, en de klaprozen hun scharlaken toon geven in het koren, dan komt
+de groote stroom van deze gevleugelde koopvrouwen met een rouwzwarte
+lading naar huis.
+
+Maar indien ge de wacht houdt bij de korven op een helderen lente-
+of zomermorgen, dan zult ge van tijd tot tijd afzonderlijke bijen
+zien terugkomen met een lading, waarvan men geen oorsprong herkent. De
+droge, glinsterende, taankleurige stof, die geregeld tusschen de bezige
+menigte weg wordt gedragen is hars van pijnboom of populier; daarmeê
+wordt de strooien korf ingewreven tot aan den vloerplank toe, en
+tochtige spleten worden er mee dicht gestopt en onnutte hoeken er mee
+aangevuld; en vloeibaar gemaakt, dient ze om de raten te bestrijken;
+mèt een laag vernis die tegen zuur bestand is en bederf voorkomt. Doch
+nu en dan komt er een bij met een lading, waarvan de kleur opvlamt
+als een noodsignaal in het duister, schitterend scharlaken of zacht
+rozig rood, of bleek lavendelblauw, of glinsterend wit--wie kan zeggen
+in welken vergeten hoek haar avontuurlijke zin zich gewaagd heeft, of
+welke zeldzame bloesem zij in de wildernis heeft opgespoord, en toen,
+haar begeerig van haar maagdelijken schat beroovend, de schoonheid
+verdubbeld heeft, die de reden was voor haar bestaan?
+
+Het grootste wonder in dit stuifmeel-vergaren evenwel is het feit,
+dat iedere afzonderlijke lading in zijn geheel van één enkele
+bloemsoort genomen wordt. De halve bolletjes worden zonder keuze in
+de stuifmeelcelletjes gepakt, oranje op bruin, bleek geel met groen,
+of roze of grijs dooreen gemengd. Maar ieder paar korfjes, dat de
+vrucht is van één enkele reis, houdt ook maar het stuifmeel in van één
+enkele bloemsoort. Wanneer men op een landweg of weiland op de bijen
+let terwijl zij aan het werk zijn, dan schijnt het eerst, dat zij van
+bloem tot bloem gaan met geen ander doel, dan op te laden van alles wat
+bloeit op hun weg. Maar nauwkeuriger waarneming openbaart, dat er wel
+degelijk een merkwaardig plan en orde in dit alles is, zooals in alle
+dingen, die de bij onderneemt. Als men de gangen van een zelfde bij
+langs de bloemrijke graskanten nagaat, dan blijkt het heel spoedig,
+dat zij maar één soort van bloem bezoekt. Begint zij met meidoorn,
+dan blijft het meidoorn van het begin tot het eind. Als haar lading
+van wilgenroosjes-stuifmeel of nektar nog niet vol is, dan zal zij
+alle ganzerikken en spiraea's, hoe aptijtelijk ook en ruim voorzien,
+laten staan voor een schraal plekje paarsch, een heel eind verder.
+
+En waarom zij nu zooveel moeite doet om het stuifmeel afgezonderd te
+houden bij het vergaâren, terwijl het in de voorraadschuren thuis
+met alle andere soorten kris en kras doorééngemengd wordt, is een
+vraagstuk, dat alleen maar door een bij kan worden opgelost. Echter,
+het hoe en het waarom zijn in het leven van de honingbij zoo
+eigenaardig saamgeweven uit koel verstand en sentiment, dat wij mogen
+veronderstellen, dat noodzaak en gevoel gelijk deel hebben aan hare
+leiding in dezen, zooals aan alles wat zij doet van de broedcel tot
+aan het graf. Niet heelemaal in scherts mogen wij ook de mogelijkheid
+laten doorschemeren, dat zij eenige bijzondere kleurschakeering
+verkiest, omdat die als vliegkostuum bijzonder voldoet en haar goed
+staat; dit is een minstens even waarschijnlijke grond, als dat zij
+haar stuifmeellast zuiver op kleur houdt, omdat zij daarmee aan een
+dringende voorwaarde van staats-economie voldoet. De faktor van het
+geslacht is bij nauwkeurige studie van het leven in de bijenkorven
+evenmin te verwaarloozen als bij de kritische waarneming van den
+bewoner van een ander soort van korf, den mensch.
+
+Dit gestadig gaan en komen van de bezige proviandgaarders, is heel
+aantrekkelijk voor den beschouwer; maar er zijn bewijzen van allerlei
+werkzaamheden, die niet minder belangstelling verdienen. Het nektar-
+en stuifmeel-vergaâren is maar een gedeelte der plichten van dit
+zichzelf verminkend maagden-ras. Hier en daar tusschen deze driftige,
+haastende menigte zijn bijen, die niet meê bewegen in den stroom,
+maar daarin veilig geankerd liggen met hun kopjes omlaag en naar
+den korf gericht; zij waaien onafgebroken met hun vleugels, en zoo
+snel is die beweging, dat men den indruk krijgt, alsof zij in een
+mist van grijzen nevel staan. Let ge beter op, dan bemerkt ge, dat
+deze bijen in ten naastebij regelmatige rijen staan, de een achter
+de ander, en zooveel plaats laten dat de botsende stroomingen der
+proviandgaarders ongehinderd voorbij kunnen trekken. Als de toeschouwer
+den moed heeft zijn oor op de hoogte van de vliegplank te brengen,
+dan zal hij getroffen worden door een gestadig sissend geluid, dat
+duidelijk uitkomt boven het geroes, door de gaande en komende reizigers
+gemaakt. Deze rijen van waaiers strekken zich uit in rechte lijn, van
+het vlieggat tot aan den rand van de vliegplank, maar aan ééne zijde
+slechts; en bij een nog nauwlettender waarneming zal men bemerken,
+dat zij aan een geregeld systeem van aflossing gehoorzamen. Terwijl het
+totaal volume van het geluid geen oogenblik ook maar iets vermindert,
+ziet men bij geregelde tusschenpoozen van eenige minuten, de een
+of ander van de stilstaande bijen weggaan en de plaats onmiddellijk
+door een ander innemen, die zich dan weer in de rij schikt tot het
+vervullen van haar taak. De reden voor dit alles is heel duidelijk:
+de waaiers moeten in de korven luchtverversching aanbrengen; een
+stroom van bedorven lucht wordt door het vlieggat aan één kant er
+uitgetrokken en parallel daarmee, zonder er meê in botsing te komen,
+wordt de zuivere luchtstroom aan den anderen kant naar binnen gezogen.
+
+Gedurende de warme lente- en zomerdagen is deze afdeeling van waaiers
+onafgebroken aan het werk; en zij blijven er voortwuiven, ook als de
+duisternis intreedt. In kille nachten dunnen de gelederen tot soms maar
+een paar enkele bijen, en bij een intermezzo van koud weer blijft er
+zelfs geen enkele. Maar in de hondsdagen, of zooals de ouden zeiden:
+"als Sirius, de honingster, straalt," dan verheft zich de diepe sistoon
+van deze waaiers, in een rijk bevolkte korf, haast tot de geluidsterkte
+van een windvlaag. Wie dan naar buiten komt onder de sterren in den
+zomernacht, en in de dichte aromatische duisternis blijft luisteren
+naar dien machtigen toon, krijgt een indruk van het bijenleven zooals
+hij hem op geen anderen tijd voelen zal. Overdag wordt dit geluid
+gemengd met het koor der vliegende bijen en daardoor overheerscht. Maar
+nu zijn allen veilig thuis. Iedere korf is volgepakt van vloer tot
+dak met tienduizenden ademende, warmtekweekende wezentjes; de noodzaak
+voor het ventileeren is verveelvoudigd en nabij en ver in den bijentuin
+zijn de waaierlegers met hart en ziel bij hun werk.
+
+De nieuweling in dezen bekorenden tak van natuurstudie, die in den
+stillen nacht naar buiten genomen wordt om deze gargantua muziek te
+hooren, wordt er steeds verwonderlijk door getroffen; sommige naturen
+zelfs tot in het ongeloofelijke. In de geheele groote, vredige ruimte
+van het heuvelland om hem, in den oneindigen blauwen koepel boven hem
+met het levend zilver der stralende sterren, verneemt hij geen enkel
+geluid, als soms den triller van een nachtegaal, of het blaffen van
+een herder's hond op een verren heuvel, en nu en dan het gonzen van
+een kever, die ongezien voorbij vliegt. De geheele aarde schijnt te
+rusten, behalve dat geheimzinnige volk in de korven, en bij hen is
+het gedruisch van den arbeid zelfs verdubbeld. Buigt men zich in de
+duisternis over tot den naasten korf, dan komt het tot het oor als een
+toornig dreunen van de zee. Weet men behoedzaam met een lantaarntje
+om te gaan, dan ziet men de vliegplank als bedekt met bijen die allen
+werken of 't om hun leven gaat; terwijl andere bijen onophoudelijk
+uit en in het vlieggat trekken. Dit zijn de schildwachten, die dag en
+nacht den korf bewaken, juist zooals in vroeger tijd de schildwachten
+de stadspoorten bewaakten in de steden der menschen. De nieuweling
+in het vak, zelfs de meest nuchtere en bedaarde, verzinkt bij dien
+aanblik in een ernstig en verwonderd zwijgen. Maar als de nacht
+meer dan gewoon heet en drukkend is, en het waaiend leger grooter
+dan ooit, dan voltooit de ijmker, die gevoel heeft voor dramatisch
+effekt, des nieuweling's ontroering gewoonlijk door een bekende truc
+te vertoonen. Hij laat zijn kaars zakken tot de vlam juist achter
+de ventileerende legerafdeeling brandt, en plotseling is alles in
+'t duister; de luchtstroom, uit de korf getrokken, bleek sterk genoeg
+om het licht te dooven.
+
+Ik heb gezegd, dat er schildwacht-bijen zijn, die de korven dag en
+nacht bewaken. Voor het ongeoefend menschelijk oog is de ééne bij
+gelijk aan de andere, en het is voor ons moeilijk te begrijpen, hoe de
+wachters, onder de duizenden die voorbij trekken, steeds onfeilbaar de
+indringers weten te ontdekken om hen daarna met onhoffelijke fikschheid
+te verwijderen. Waarschijnlijk is het niet met het gezicht alléén, dat
+deze indringers worden herkend. Het reukzintuig is bij de honingbijen
+buitengemeen scherp, en zal zeker de schildwachten helpen bij hun
+moeilijke taak. Het is bekend, dat een bijenkoningin een eigen, sterke
+geur moet hebben, daar haar aanwezigheid, zelfs al is zij opgesloten,
+van alle kanten de darren doet opkomen. Waarschijnlijk is een geheele
+kolonie doortrokken van het bijzonder aroma hunner koningin, en zoo
+zijn de wachtbijen in staat hun eigen volk te onderscheiden van een
+vreemden stam.
+
+Wanneer men het buitenleven van een korf in dien ouden tuin
+nauwkeurig blijft toekijken, komt er nog veel meer belangrijks aan het
+licht. Zelfs in een ouderwetschen strooien stolpkorf zijn misschien
+meer dan twintigduizend individuen onder dak: en het spreekt van zelf,
+dat een geregeld reinigingssysteem dan onmisbaar is. Dit werk nu kan
+men regelmatig zien gebeuren tusschen al de andere bedrijvigheden
+door. Ieder oogenblik komen er bijen naar buiten met minder gewenschte
+overblijfsels; zij gooien die over den rand van de vliegplank en
+wringen zich dan onmiddellijk weer door de menigte naar binnen,
+voor een volgenden last. Anderen dragen de lijken van hun kameraden,
+die in den korf gestorven zijn; en nu en dan worstelt er zich een
+door de menigte heen naar buiten, dragend hoog boven zich uit een
+vreemd en griezelig ding, een volkomen duplicaat van haarzelf, maar
+heelemaal wit behalve de zwarte kralenoogen. Dit is de ongeboren bij,
+in de cel bezweken. Kindersterfte is zelfs bij de wijze honingbijen
+nog niet overwonnen, en velen worden er zoo uitgedragen, vooral in
+het vroege voorjaar. Bij het bespieden van die begrafenisbeambten
+in hun griezelige maar noodzakelijke werkzaamheden, zal men iets
+bijzonders opmerken. Terwijl alle andere ongerechtigheden eenvoudig
+over den rand van de vliegplank worden heengeworpen, waar zij zich
+ophoopen op den grond, gebeurt dat nooit met die doode larven. Hun
+dragers vliegen met hen heen in rechte lijn naar de een of andere heg,
+en laten ze dan vallen op een behoorlijken afstand van den korf.
+
+Nog een ander werk is in gang aan de poorten van de bijenstad. Sommige
+van de thuisblijvers schijnen als een soort van opzichters dienst
+te doen. Zij helpen de te zwaar bevrachten de poort te bereiken;
+of als in de drukte soms een klompje stuifmeel losraakt en valt, dan
+rapen deze bijen het op en brengen het in den korf. Soms komt er een
+bij naar beneden zwenken, heelemaal dik onder het stuifmeel, als een
+vergulde molenaar; dan vallen die opzichters onmiddellijk op haar aan
+en ontdoen haar door kammen van dien hinderlijken schat. Andere hebben
+de zorg voor de jonge bijen, die hun eerste vlucht zullen beginnen. Het
+jonge ding zit kant en klaar en steekt zijn tong uit in haar geheele
+lengte; om hem heen verzamelen zich dan een half dozijn bijen, die hem
+van alle kanten gaan likken en bestrijken. Eindelijk is het toilet in
+orde en hij wordt vrijgelaten; hij flakkert even met zijn vleugels
+en schiet ver weg in de blauwe lucht en den zonneschijn, en vliegt
+mee met de andere naar de klaverweide; nog lang nà-glinsterend in
+het volle, blijde middaglicht.
+
+Want gaandeweg zijn de uren verstreken--het is middag geworden--en
+de dichte bedrijvigheid, de diepe sonore zangtoon van den arbeid,
+schijnen hun hoogtepunt bereikt te hebben. Maar nu rijst een sterker
+geluid van overal: een gestadige stroom van bijen, grooter en dikker
+dan de anderen, barst uit alle korven. De darren, de luie broeders
+van deze nijvere vestaalschen, zijn eindelijk wakker geworden en
+komen naar buiten voor hun dagelijksche vlucht. Bij tweeën en drieën,
+in geheele bataljons, komen zij uit het vlieggat dringen, beginnen
+hun middagevoluties rond de korven, en vervullen de lucht van een
+rumoerig, vroolijk gegons. Na een poosje zullen ze allen heen zijn
+naar hun geneuchten en de bijentuin schijnt dan in vergelijking
+wonderrustig. Maar nu is een plotselinge toeneming van levenskracht
+onmiskenbaar. Met het ontwaken der darren schijnt een nieuwe geest daar
+buiten vaardig geworden. De lucht is niet meer overvol met bedrijvige
+proviandzoekers. Want velen daarvan zijn gaan deelnemen aan den
+middagrondedans, en iedere korf is het middelpunt van een gonzende,
+dartelende menigte, door den geest der speelschheid of luiheid bezeten.
+
+Toch is het slechts een korte wijle van verpoozing. De darren
+begeven zich naar hun echtelijke geneuchten daarbuiten. De rumoerige
+middagsymphonie sterft uit, en wordt weer vervangen door den ouden,
+regelmatigen, eentonigen werkzang. En de toeschouwer bij de poorten
+der bijenstad, wendt zich om en gaat op zijn schreden terug door
+den ouderwetschen bloementuin, vol van de wonderen, die hij zag;
+maar niet bevredigd; want hij voelt zijn nieuwsgierigheid duizendmaal
+sterker geprikkeld naar dat, wat hem zoo onverbiddelijk onthouden werd:
+een kijk in de wereld achter die plagende strooien wanden.
+
+Langzaam huiswaarts slenterend, legt hij zichzelf allerlei vragen
+voor. Wat is de reden van al dit ernstig, zoo juist geordend
+werken? wat de uitkomst? Wat gebeurt er met het stuifmeel, dat den
+heelen morgen wordt ingezameld? Waar zulk een ingewikkeld systeem,
+zulke éénsgezindheid blijkt, en zulk eene vernuftige regeling der
+werkzaamheden, moet noodzakelijk een heerschend en leidend intellekt
+bestaan, dat ieder zijn taak in het geheel aanwijst. En dat er een
+koningin zou zijn--een enkele bij, veel grooter dan de anderen,
+die zij allen huldigen, en die haar geheele leven doorbrengt in 't
+schemerig labyrinth der korven, als de paus in het Vatikaan--is dat
+eene waarheid of alleen de verbeelding van het onwetend brein van
+eenvoudige buitenlui? Als deze koningin bestaat, als iedere korf
+inderdaad zijn alleenheerscher(es) heeft, die het geheele complex
+van leven en staatsinrichting bestuurt, op welke hoogte moet die dan
+geplaatst worden op den trap der denkende wezens?
+
+En als hij dan wijs is, dan zal de leerling er eindelijk toe komen
+den schilderachtigen, ouden bijentuin juist te beoordeelen. Oude
+dingen behouden hun schoonheid, en als de eeuwen voorbijgaan winnen
+zij nog aan liefde bij hen, die hen terecht liefhebben. Maar hun
+belangrijkheid, hun waarde, vergaat met de jaren, als het getij der
+menschelijke kennis en beschaving verloopt.
+
+En zoo is het met den bijentuin in zijn Meikleed van groen loof en
+bloesemkleuren. Hij is mooi in zijn blijde heerlijkheid, door de echo
+der nu zwijgende stemmen uit oude tijden, en zijn gewijd aroma van oud
+gebeuren. Maar van wat wij weten willen kon hij niet spreken. Hij kan
+alleen ons voor raadsels stellen, die wij niet raden kunnen. En daarom
+moeten wij alle fantastische vooroordeelen op zij zetten en den rug
+keeren aan die zoete bekoring, om dan zonder omzien een vasten stap
+te richten naar het groote moderne bijenpark op den heuvel.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+DE REPUBLIEK BINNEN DE KORVEN.
+
+
+Als een Droogstoppel een natuurwaarheid behandelt, weet hij zijn
+onderwerp hopeloos saai en duf te maken; maar wie een dwaling
+aankweekt, omdat die zijn artistiek gevoel bevredigt, doet nog
+erger. Niets is droog en beuzelachtig in de Natuur, tenzij de
+mensen het zoo voorstelt; maar er was ook geen mooie, gefantaiseerde
+onwaarheid, die niet, in het volle daglicht, bleek schuim en klatergoud
+te zijn. Romantiek en poëzy zijn in de laatste jaren wel zeer van
+plaats veranderd. Zij, die tot in het onredelijke aan het strand van
+den Tijd naar oude dingen graven, en oude gedachten en gebruiken,
+hebben al zoolang in hetzelfde welvoorziene hoekje gewurmd, dat zij
+gevaar loopen door den vloed overspoeld te worden; en zij moeten
+haast maken of het zal zwemmen voor hen worden. De menschelijke geest
+begint meer en meer zich te wenden tot hen die levende waarheden
+geven--naar hen die de sterren onderzoeken, die nieuwe krachten halen
+uit ons aller lucht, en hen, die eindelijk de ware lezing vinden
+van de oude vergane teksten der rotsen en beken. Zij zijn de ware
+dichters en romantici; vertellers van wonderverhalen, en zij zullen
+de menigte trekken,--want de massa is nooit ver van de waarheid in
+zijn intuïties--als al de zangers van ziekelijke wijsjes en al de
+harpspelers op gesprongen gouden snaren, in een droevigen optocht,
+naar de plaats zijn teruggegaan waar zij thuis hooren.
+
+Het oude verhaal--dat zoolang een eereplaats heeft ingenomen in
+de schoolboeken, en in de geschriften van hen, die de wonderen
+der Natuur behandelen vanuit hun studeerkamer--het oude verhaal
+van de koningin-bij, die haar dertig- of veertigduizend gehoorzame
+onderdanen regeert en hen onfeilbaar leidt in al hun verwonderlijke
+werken en ondernemingen, die fabel moet den weg op van de rest. Want
+de waarheid--door de moderne onderzoekers vastgesteld--is, dat
+de koningin niet de heerscheres is in den korf; maar een getrouwer
+onderdaan dan al de anderen. Wat er in het bijenleven gebeurt, gebeurt
+door de werkbijen; zij alléén hebben het geheel in handen. De koningin
+heeft part noch deel aan de leiding der staatsbelangen; ook heeft zij
+geenerlei vermogen, geestelijk of lichamelijk, om de publieke werken te
+helpen uitvoeren. Haar éénige plicht is haar moederschap, en zelfs het
+initiatief daarin krijgt zij van de werkbijen. Zij is niet veel anders
+dan een vernuftig mechanisme, en als zóódanig wordt zij verzorgd
+en gekoesterd. Zij heeft zekere neigingen en zekere elementaire
+hartstochten, die zij onfeilbaar op een zekere, vast bepaalde wijze
+uit. Maar als intellekt, als produktieve kracht, telt zij niet mee. De
+geest in den korf is de geest der gemeenschap, buiten de koningin en
+de darren om, een overgeërfde geest, een gemeenschappelijk intellekt,
+dat zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld, de totale som van alle
+bijenervaring sedert de wereld der bijen begon.
+
+Maar als de nieuwere wetenschap ons noodzaakt, om de moederbij te
+ontdoen van al haar koninklijken staat en grootheid, en zoo een van
+de bekoorlijkste fantasieën der oude tijden te niet-doet, dan is dit
+alleen om een waarheid aan het licht te brengen, die nog treffender en
+romantischer is. In het licht van dit nieuwe weten sluiten deze oude
+feiten een verwonderlijk mysterie in, dieper dan het oude. Want had de
+studie van het leven der bijenkorven al zulk eene aantrekkelijkheid
+voor ons, toen wij nog meenden, dat het uitging van een enkel
+gevleugeld atoom met sterke en overheerschende eigenschappen, hoeveel
+grooter moet dan de bekoring zijn nu wij er een zeer gecompliceerd
+stelsel van staatsbeheer in zien, dat is uitgedacht en wordt
+bijeengehouden door de samenwerking van tienduizenden redelijke wezens.
+
+Redelijk, met rede begaafd--het is een groot woord, een tweesnijdend
+zwaard, dat voorzichtig gehanteerd moet worden. Wij zijn zoolang
+gewoon het alleen te gebruiken voor onze eigen prachtige geestelijke
+processen, en het schijnt ons dus belachelijk, het toe te passen
+op zulk een klein partikel in de dierenwereld, als de honingbij
+is. En toch, hoe dieper wij ons inwerken in al wat de bijen en haar
+maatschappij betreft, des te moeilijker vinden wij een woord, dat de
+slotsom van onze bevindingen juister weergeeft. "Instinkt" zegt het
+niet. Instinkt bedoelt een doode volmaaktheid der motieven, die uit
+alwetendheid voorkomt en in redelooze onveranderlijke organismen
+werkt, tot het bereiken van een even volmaakt einddoel. Maar
+van de bij kan men niet zeggen, dat zij in plan of uitvoering
+onveranderlijk het volmaakte bereikt of zelfs bedoelt. Men zal
+verderop zien, dat hare uitgangspunten, haar methoden, en wat zij
+volbrengt heel dikwijls onmiskenbare dwalingen en feilen zijn. Zij
+zal iets heel deugdelijks ondernemen en het daarna opgeven als zij
+onvoorziene hindernissen ontmoet. Zij zal blindelings volhouden
+in een allerdwaast beginnen en haar fout niet ontdekken tot lust
+en kracht zijn uitgeput. Plotselinge omstandigheden kunnen soms
+haar dringen tot de uiterste inspanning van haar vernuft, of ook
+wel neerploffen in lustelooze mismoedigheid. Moed, werkzaamheid,
+spaarzaamheid, wijs doorzicht, of nog wijzer nabetrachting zijn
+algemeen in haar voorkomende eigenschappen. Maar zij kunnen evengoed
+luiheid ontwikkelen, slofheid en slordigheid en zelfs oneerlijkheid,
+als toeval of omstandigheden haar dien kant uitdrijven.
+
+En wat anders zijn al deze fouten dan de gebreken of eigenschappen
+van de Rede? Als men wil aannemen, dat bijen en menschen beide
+in goddelijken oorsprong wortelen en ook in dezelfde dwalingen en
+ongerijmdheden vervallen, waarom zal men dan een scheiding tusschen
+hen maken, door willekeurig een verschil aan te nemen in natuurlijke
+oorzaken en gevolgen?
+
+Wanneer men voor het eerst de bijen waarneemt door de glazen wanden
+van een observatie-korf, of in den haast even doelmatigen modernen
+korf met lossen bouw, dan rijst deze vraag voortdurend in ons op en er
+schijnt maar één antwoord te zijn. Er is iets merkwaardig menschelijks
+in dat drukke bewegen bij de raten; en de oude vergelijking van een
+bijenkorf met een menschenstad is steeds in onze gedachte. Het eeuwige
+gaan en komen; toevallige ontmoetingen van vrienden ergens op den hoek
+van een straat: geschillen waarbij wij meenen het norsche verwijt en
+het kribbig antwoord te hooren; bezige metselaars, en leidekkers, en
+magazijnbedienden overal aan 't werk; honderd verschillende zaken,
+die omgaan in alle verkeerswegen of zijstraatjes, van den grooten
+hoofdingang af, tot het verste darrenhoekje in den korf.
+
+Ge ziet ook de groote zwaarlijvige koningin zwoegende over de raten,
+van cel naar cel; steeds door haar lijfgarde omgeven. In de hoogste
+verdieping van den korf zijn de honingbereidsters bezig; zij storten
+het pasgegaarde zoet in de vaten, of verzegelen de rijpe honing met
+afsluitingen van was.
+
+Waar de broednesten liggen in het binnenste en warmste gedeelte van den
+korf, ziet men het gestaâge bewegen van de voedsterbijen over de raten;
+zij onderzoeken iedere cel om de ontwikkeling der larven te volgen en
+geven ieder zijn bepaald rantsoen van bijenmelk; of als de tijd daar
+is, sluiten zij de cel met een bedekking, die afzondering verzekert
+en toch vrij de lucht doorlaat. Hier en daar zijn de bijen ontwaakt
+uit hun vervormende verdooving en roeren zich bij de afsluiting
+van hun vóorgeboorte-graven, en bijten zich er manhaftig een weg
+doorheen, of strekken roode, glinsterende, begeerige tongen uit,
+verlangend naar 't eind van hun langen vastentijd. Als deze jonge
+gasten eindelijk zich een weg in het bestaan hebben gebaand, dan kan
+men zien, hoe zij zich poetsen en opdoffen, of in de naastbijzijnde
+raten naar honing zoeken, terwijl de voedsterbijen de cellen reinigen,
+die zoo even verlaten werden, opdat de koningin ze klaar zou vinden,
+op haar volgenden rondgang van eier-leggen.
+
+En al deze werkzaamheden gebeuren gelijktijdig op ongeloofelijk groote
+schaal. Verwonderlijke staaltjes worden daarvan aan den beschouwer
+gegeven, die hij aanhoort, maar op dat oogenblik niet naar waarde kan
+schatten. Men zegt hem, dat de koningin de eenige moederbij in de
+kolonie is, hoe groot die zijn mag; dat zij in den opgang van haar
+moederschap wel 3.000 eieren per dag legt, en dat het in haar macht
+staat, naar verkiezing mannelijke of vrouwelijke eieren te leggen of
+wel heelemaal geen. Men vertelt hem, dat zij, behalve wanneer zij met
+een zwerm uittrekt, maar éénmaal in haar leven den korf verlaat en
+dat op haar huwelijksreis, en hoe zij bij die ééne gelegenheid verkeer
+heeft met den dar, ergens ongeloofelijk hoog in de blauwe lucht en den
+zonneschijn van den zomerdag, en dat onvermijdelijk dadelijke dood
+het eenig deel van haar bruidegom is; dat zij daarna onmiddellijk
+in den korf terugkeert, en na dat ééne oogenblik de rest van haar
+leven, dat nog jaren duren kan, in onbevlekten weduwstaat doorbrengt,
+terwijl zij toch tot het einde toe hare vruchtbaarheid behoudt.
+
+Zij wordt den verbijsterden nieuweling aangewezen, terwijl zij op
+haar eeuwigen rondgang bij de broedraten is, en haar verschillende
+eigenschappen worden hem daarbij uitgelegd. Men wijst hem hoeveel
+grooter zij is dan de werkbijen; hoe haar geheele lichaamsbouw
+op talrijke punten van den hunne afwijkt; hoe haar gewoonten en
+instinkten haast in geen enkel opzicht dezelfde zijn als die der
+gewone werksters. En eindelijk krijgt hij iets te hooren, waarbij
+zelfs de beleefdste goedgeloovigheid twijfelen zou. Hoewel de
+moederbij oogenschijnlijk van een geheel ander ras is, was toch het
+ei, dat haar voortbracht, gelijk aan dat waaruit de kleine werksters
+geboren worden. Haar grootte, de afwijkingen in vorm en getal van
+hare organen, haar geestelijk verschillen, dat alles is enkel het
+gevolg van behandeling en dieet. Had niet de gemeenschapsgeest het
+zoo gewild, zij had dan evengoed een neutrale werkbij kunnen zijn,
+en ieder van de dertig- of veertigduizend werksters had een groote
+koningin-bij kunnen worden, en de eenige moeder van de geheele
+kolonie. En nog verwonderlijker--de broeders, nooit de vaders van
+hun eigen kolonie, zooals men vroeger meende--de darren hebben het
+feit van hun geslacht geheel alleen te danken, aan den wil of gril
+van de korf-autoriteit, die zich uitspreekt in het volgzame gedrag
+der koningin. Tot het oogenblik vóórdat het ei gelegd wordt, is het
+geslacht van de daaruit komende bij nog niet bepaald. Deze groote
+wellusteling, de dar, wiens overmoedige mannelijkheid spreekt uit
+al zijn doen en bewegen; zijn geheel verschillend organisme; zijn
+onbekwaamheid in iets anders dan het vervullen van den éénen plicht
+die van hem geëischt wordt;--want hij kan niet eens zichzelf voldoende
+voeden;--zijn gewoonte zijn leven te verdeelen in een slaperig zich
+vol eten te huis, en een liefdedronken dolende ridderschap buiten--deze
+dar had een kleine, zwoegende werkbij kunnen zijn met een ingekrompen
+en toch fijnbewerktuigd lichaam en verwonderlijk ontwikkeld brein met
+den éénen drang bezield, de grootst mogelijke hoeveelheid werk af te
+doen vóór de dood haar roept, en die gewapend is met een vreeselijken
+vergiftigen angel, dien ook de dar moet missen.
+
+Het zou nutteloos zijn den leerling nu al te zeggen, dat al die
+ingrijpende verschillen--wonderen in waarheid, in den gewonen zin van
+het woord--door de leidende machten in den korf bewerkstelligd worden,
+op zeer gemakkelijk te verklaren wijze. Want op dit oogenblik heeft hij
+allen zin voor de détails verloren, hoe opmerkelijk zij mogen zijn,
+door het nieuwe inzicht, dat hij verkreeg in zulk een veelomvattend
+staatsbeleid. Hier is nu een gemeenschap, die naar het schijnt alle
+problemen heeft opgelost in verband met het welzijn en den vooruitgang
+van een talrijke, hooggeorganiseerde maatschappij. Moeilijkheden,
+die de socialistische filosofen bij de menschen in verwarring brengen,
+of die donker opdoemen in de nabije toekomst--vraagstukken betreffende
+de vermeerdering der individuen in verband met den voedselvoorraad,
+het evenwicht der geslachten, communaal of individueel eigendom,
+geschiktheid voor het ouderschap, de opperheerschappij van Recht
+of Macht--dit alles schijnt al lang geleden te zijn vastgesteld in
+deze verwonderlijke bijenrepubliek. Een bijenkorf in goede condities
+schijnt ons een levend voorbeeld, een volmaakte les van aanschouwelijk
+onderwijs, in zake de beteekenis van het Socialisme, wanneer het
+tot in zijn strengste uiterste konsequenties wordt doorgevoerd,
+zoowel voor menschelijke- als voor bijenstaten. Hier is een aantal
+individuen aanwezig, tusschen tienduizend en vijftig- of zestigduizend,
+al naar mate hun toestand of het jaargetij, dat in een ruimte van
+een paar kubieke voeten gezond en gemakkelijk leeft. Het beginsel:
+de grootst mogelijke welstand voor het grootste aantal, is hier tot
+het hoofdbeginsel geworden waarvoor ieder zich heeft te buigen. De
+fictie van het koningschap wordt gehandhaafd in harmonie met den
+volkomen republikeinschen geest. Het vrouwelijk element heerscht
+in alles, het mannelijke in niets. De groei der bevolking wordt
+aangezet of tegengehouden al naar dat de schatting uitvalt van de
+aanwezige of toekomstige provisie. De verhouding der geslachten
+wordt naar willekeur gewijzigd. De regel, dat wie niet werken kan,
+niet leven zal, wordt met meedoogenlooze gestrengheid toegepast. Al
+het bijeengebrachte staatsbezit behoort de gemeenschap. Wanneer de
+kolonie te talrijk blijkt en de grenzen niet uitgelegd kunnen worden,
+dan is een groot gedeelte der inwoners genoodzaakt uit te trekken,
+en zij mogen niet meer nemen van het staatsbezit dan wat zij kunnen
+meedragen en verliezen alle recht op de rest. Het leidende vrouwelijke
+element schijnt besloten te hebben dat slechts één uit hun getal
+het voorrecht zal worden toegekend het moederschap uit te oefenen;
+en als haar vruchtbaarheid afneemt, wordt zij afgezet en er komt een
+nieuwe moederbij, daartoe opzettelijk gekweekt, in haar plaats.
+
+Al deze feiten betreffende het bijenleven en nog een aantal andere
+verdringen zich in het verbijsterde hoofd van den nieuweling tot hij
+niets meer kan opnemen. Hij begint nu eindelijk in te zien, dat hij
+een veelomvattende stof te vluchtig heeft willen bemachtigen en het
+verkeerd heeft aangepakt; ongeveer zooals een studeerend jongeling,
+die besluitende tot de studie van een nieuwen moeilijken tak van
+wetenschap, aan het eind van een verhandeling begint en zich dan te
+midden van termen en equaties voelt, waarvan hij niets begrijpt. Al
+dit verwarde gekijk door korfvensters, en luisteren naar brokjes
+verbazingwekkende bijzonderheden, is eigenlijk niets anders dan
+het bijenlevensboek openslaan op goed geluk, en dan hier en daar een
+bladzijde te lezen krijgen zonder verband, waardoor men vage, vluchtige
+indrukken ontvangt van zekere in 't oogspringende, kaleidoscopische
+bijzonderheden, maar geen grondige en aaneengeschakelde kennis der
+feiten. En er zit niets anders op--als hij in waarheid het leven der
+honingbijen wil kennen--dan terug te gaan tot de eerste bladzij van het
+boek en vastberaden door te werken tot het einde--als er een eind is.
+
+
+
+Iedereen kent de Engelsche honingbij--de zwarte bij wordt zij
+genoemd, gedeeltelijk om haar te onderscheiden van haar buitenlandsche
+concurrenten en gedeeltelijk, zou men denken, omdat zij in 't geheel
+niet zwart is; maar van een diep donker bruin.--Maar niet iedereen
+kent haar oorsprong. Waarschijnlijk kwam zij uit de tropen tot ons,
+bij korte dagreizen, een latere zwerm weer verder dan de vorige, tot
+de ondernemendste van allen het Kanaal overstak in heel verre tijden,
+toen het Kanaal nog maar een smalle streep water was, of misschien
+wel vóórdat Groot-Brittannië van het vasteland was losgeraakt.
+
+Het was de zwarte bij, en niet de kleurige Italiaansche of eenige
+andere variëteit, die naar Engeland kwam, misschien om dezelfde
+reden als waarom de Kelten kwamen--omdat zij een forsch ras waren,
+dat aan de frissche noordelijke atmosfeer de voorkeur gaf en er ook
+beter tegen bestand was, dan tegen de hitte en zware lucht van het
+zuiden. De moderne engelsche bijenkweekers, die zooveel moeite doen
+om de goudgegordelde of zilvergefransde rassen van andere landen
+te acclimatiseeren, mochten dit wel in het oog houden. Het groote
+twistpunt tusschen de Britsche ijmkers tegenwoordig gaat over de
+betrekkelijke verdiensten van de oorspronkelijke en de ingevoerde
+stammen. Maar hier heeft toch zeker de Natuur niet gedwaald. South-Down
+schapen kunnen in alle graafschappen geteeld worden; maar nergens
+gelukt het zóó als op "Downs" van Sussex. Ditzelfde geldt voor de
+Engelsche bij. De eeuwen hebben uit haar tropischen oorsprong dát
+ontwikkeld wat zij nu is--een sterk, uitsluitend Britsch wezen,
+dat door alle grillen van het klimaat is heengegroeid en er tegen
+bestand is, terwijl haar teêrder zusters van het zuiden een harden
+dobber hebben zich er door te slaan. Zij houdt het tegen hen uit,
+dubbel en dwars. In de zeldzame jaren dat in letterlijken zin het land
+overvloeit van honing, staan de wedijverende honingmakers wel gelijk;
+maar alles saâmgenomen, goed en kwaad, vroeg en laat, verslaat toch
+de Engelsche zwarte bij op den duur al haar mededingsters. Duizenden
+van jaren waren noodig om van haar te maken wat zij is, en mogelijk
+zullen ook duizenden van jaren de geelgerokte Ligurische geschikt
+afleveren voor het werk in Brittanje. Maar werken voor zulk een ver
+nageslacht zou een altruïsme zijn voor engelen, niet voor menschen.
+
+In den verren oertijd bekommerde de bij zich zeker niet om iets als een
+korf, en zij zal haar raten wel hebben gehangen waar in de bosschen een
+tak daartoe geschikt leek, zooals nu nog de bijen in Indië het doen. De
+gewoonte een plaats te zoeken in een hollen boom of rotsspleet, zal
+zij denkelijk verkregen hebben toen zij noordelijker was getrokken,
+en een beschutting voor koude of het slechte jaargetij meer en meer
+noodzaak werd. De tegenwoordige gewoonten van in het wild levende
+dieren geven ons eenig denkbeeld van hunne levenswijze in vroeger
+tijden; maar het is bovenal in hunne afwijkingen van die gewoonten, dat
+wij een juiste aanwijzing krijgen van hun leven in den oorspronkelijken
+natuurstaat. Als verdwaalde bijenzwermen geen betere plek vinden, dan
+bouwen zij dikwijls in de open lucht, en hangen hun wassen huizen aan
+een horizontalen tak, of maken hun nest in het dichtst van een boschje.
+
+De gewoonten van de honingbij zijn vol van zulke afwijkingen;
+misschien dat tusschen hun moderne behoeften dan vage herinneringen
+rijzen aan den oertijd. Het uitgaan der zwerm is mogelijk niets
+anders dan een overgebleven oud proces, noodzakelijk in zijn tijd;
+maar dat in de hedendaagsche beschaafde condities den prikkel dier
+absolute noodzakelijkheid mist. Want het bijenleven, zoo oud als het
+is, is een door evolutie verkregen beschaving, en niet een overgebleven
+oertoestand. Het is begrijpelijk, dat de vossen hun holen, en de vogels
+hun nesten hebben, zooals wij ze hadden, sedert Adam om Eva wierf. Maar
+de honigbij in de twintigste eeuw is niet van dat soort. Zelfs is
+misschien het gemeenschapsleven in een betrekkelijk late periode
+van haar ontwikkeling ingetreden. Het is mogelijk eenig denkbeeld
+te krijgen van wat zij zich in den loop der tijden veroverde, door
+het bestudeeren van de levensgewoonten van andere wezens, die haar
+verwant zijn, maar veel minder ver gekomen dan zij. Er zijn verre
+betrekkingen van haar, eenzame, kleine boschwespjes en anderen,
+die zich nooit met hun soort vereenigen; maar hunne zomerdagen in
+eenzaamheid leven en met het kwijnend jaargetij sterven, terwijl zij
+de voortplanting van hun soort nalaten aan een kroost, dat zij nooit
+zullen zien. De gewone wesp staat in ontwikkeling dichter bij de
+honingbij; maar toch nog heel ver achter. De bevruchte koningin-wesp
+komt uit haar winterschuilplaats; maakt in een gat in den grond een
+paar cellen en legt daarin haar eerste eieren, en zoo sticht zij een
+kolonie, die hoewel zij in het seizoen volkrijk genoeg is, toch bij
+de eerste winterkoude moet bezwijken.
+
+Misschien hebben in den oertijd de bijen in de tropen in afzonderlijke
+families geleefd, ieder met zijn vruchtbare moeder en zijn luien
+lummelenden vader, den Turveydrop [5] van de schepping--en hun
+stortvloed van kroost, waarvan ieder volwassen individu uit zou
+trekken om zich een eigen thuis in te richten. De moderne bijenstad
+met zijn ingewikkelde stelsels en wetten, en zijn immense drommen
+van bewoners, is misschien ontstaan toen verandering van woonplaats
+en klimaat een nieuwe levenswijs gebood. Het leven in gestadige
+warmte, in een land waar bloei na bloei kwam in oneindige opvolging,
+maakte zulk een samenwerking niet noodig. Dat ééne, kleine gezin, in
+zijn met mos gedekt hoekje, kon zijn eigen temperatuur onderhouden,
+en waar een eeuwige nektarbron vloeide was voorzorg dwaasheid, de
+winterprovisie was er van zelf.
+
+Maar naarmate de jonge bijen, die, hun woonplaats verlatende, altijd
+verder naar het noorden vlogen, eerst aan de gematigde zônen kwamen en
+toen binnen het bereik der pool-invloeden, werden de omstandigheden
+geleidelijk anders. De eeuwige honingtuin was achtergebleven, en
+ieder jaar kwam er een tijd--eerst kort maar steeds onherroepelijk
+langer--dat er geen bloemen waren. Toen moet de harde noodzakelijkheid
+de bijen wel geleerd hebben, in het koude jaargetijde zooveel mogelijk
+bijeen te dringen tot het behoud van warmte; en toen de koude perioden
+langer en langer werden, moesten zij voor winterprovisie zorgen, die
+duren kon tot de lentezon weer de aarde zou liefkoozen en zij bloemen
+gaf. En zoo moeten de eerste gemeenschappelijke bijennesten ontstaan
+zijn door den nooddrang van het ras: de eerste gemeenschappelijke
+voorraadschuren moesten ingesteld, voor een menigte van onvoorziene
+moeilijkheden moest een uitweg gezocht, en de geest der vinding moest
+tot de uiterste spanning vaardig zijn. Want nooit heeft Pandora
+haar wonderkist met ernstiger gevolgen op aarde geopend, dan toen
+de Groot-Kunstenaar de honingbij als voorbeeld in het stedenbouwen
+stelde voor de nomadische menschen-wereld.
+
+Van het samenscholen der afzonderlijke bijenfamilies ter wederzijdsche
+bescherming tegen de elementen, tot een algeheele samensmelting
+van levensbelangen, moet, zooals de natuur werkt, maar één stap
+geweest zijn. Maar er zullen tijden van groote beroering zijn
+geweest--sociale oproeren, rampen bij de opvoeding, en vernietigende
+geslachtsoorlogen. De bijenwereld zal op zijn grondvesten hebben
+geschud. Wanneer en hoe de vrouwelijke bij het eerst de opperste
+leiding kreeg, is onnoodig na te sporen. Maar het is zeker dàt zij
+die verkreeg en steeds bleef handhaven. Het vraagstuk der bevolking
+moet het overwegend probleem zijn geweest. Met honderden vruchtbare
+moeders in den korf, die haar eigen kroost opkweekten, en een schaar
+luie, onverantwoordelijke darren, die niet anders konden dan dansen
+in den zonneschijn en uit vrijen gaan; hoe moest in de benoodigde
+dagelijksche consumptie voorzien worden, om nog niet te spreken van
+de provisie voor de komende winterdagen?
+
+Hier ging het om ingrijpende veranderingen of volslagen ondergang,
+en het is begrijpelijk, dat de vrouwelijke bijen, toen het initiatief
+bij de mannen ontbrak, de teugels in handen namen.
+
+Het is een geschiedenis met een profetische leering. Allereerst
+ontdekten zij hun stille macht: de onschuldige legboor openbaarde
+zich als een uitstekend verdedigingswapen. Het leger was dus met de
+opstandelingen, en de rest volgde van zelf. Een grootsch, verstrekkend
+schema werd opgezet. Het moederschap zou het voorrecht zijn van enkelen
+en de daartoe het best geschikten; het werk was voor de massa. Zware
+tijden hadden al een mager, onvruchtbaar slag onder hen gekweekt,
+en het bleek, dat slechte rantsoenen in de kinderkamer op eenvoudige
+wijze een vermeerdering van die natuurlijke ongehuwden ten gevolge
+hadden. En toen werd die kleine sexlooze werkbij aangekweekt, terwijl
+de rijkelijk gevoede moeders langzamerhand tot zeer weinige werden
+teruggebracht en eindelijk tot maar één enkele. Het was de triomf
+van gemeenschappelijke zelfopoffering ten bate van het welzijn en
+het hoogste voortbestaan van het ras.
+
+Al dit mag men veronderstellen te hebben plaats gehad in oneindig
+verre tijden, lang vóórdat het den mensch gelukt was zichzelf van
+de apen te onderscheiden. In de honingbij van dezen tijd en haar
+leven in de moderne korven hebben wij iets als de quintessence
+der eeuwen: een wezen door zeldzame omstandigheden ontwikkeld naar
+geest en lichaam, en deze omstandigheden haar weer dwingend tot dit
+zeldzame levenssysteem. Als Ruskin's Venetiaan moet zij nobel leven, of
+bezwijken. En nog wel meer wordt van haar geëischt dan de rol van huis-
+en staatseconomist. Om een modernen bijenkorf de bestaansmogelijkheid
+te verzekeren, moeten er bouwmeesters, rekenmeesters en scheikundigen
+binnen zijn wanden huizen. De gezondheidsleer moet er grondig
+behandeld worden of de bijenkorf zou binnen weinig tijd in een bijenval
+verkeeren. Er moeten kundige landverkenners zijn, die een onderzoek
+instellen naar nieuwe verblijfplaatsen, juist vóórdat de zwermen rijp
+zijn. Er moeten opzichters zijn en ploegmeesteressen overal, om op
+alles wat er in den korf omgaat toezicht te houden. En boven alles moet
+er een opperste centrale macht heerschen, een vèrziende intelligentie,
+die de onmiddellijke behoeften overziet en de krachten van den staat
+aan het werk zet op den juisten tijd en in de juiste orde, om in die
+behoeften te voorzien. Zoo dit alles niet in den hedendaagschen korf
+kan gevonden worden, dan is toch de noodzakelijkheid er van niet te
+ontkennen, en evenmin te ontkennen zijn de verkregen resultaten.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+HET EERSTE WERK IN DE BIJENSTAD.
+
+
+Met "het keeren der dagen," als de winterzon zijn nadir van zwakte
+voorbij is, en voor het eerst weer een bescheiden stukje van den hemel
+veroverd heeft, begint ook het eigenlijke jaar der honingbij. Dan
+worden er voor het eerst enkele eieren gelegd in het hart van het
+broednest; en de slaperige klomp begint teekenen van leven te geven;
+de waterdragers komen in beweging en zijn in afwachting van een
+helderen warmen morgen om zich aan hun werk te begeven.
+
+Gevaarlijk werk in dit jaargetij; maar hoogst noodzakelijk. Zonder
+water kunnen alléén maar op heel kleine schaal jonge bijen opgekweekt
+worden. Water is er noodig op iederen trap van hun ontwikkeling, en als
+het ontbreekt, is het met den vooruitgang der kolonie gedaan. Zelfs de
+volwassen bijen moeten verhongeren en sterven te midden van overvloed,
+als hun honingprovisie versuikerd is, en geen water voorhanden om het
+onbruikbare zoet op te lossen. Ziet men in een korf honingkristallen
+op den bodem liggen en bij den ingang gestrooid, dan kan men zeker
+zijn, dat de toestand er hopeloos is. Dan rukken de bijen al de
+proviandcellen open en gooien den gestolten honing als onbruikbaar weg
+om de onderste nog vloeibare te kunnen bereiken. Als de koude buiten
+zich niet ontspant of de ijmker niet klaar staat met een surrogaat,
+dan moet de kolonie bezwijken. En daarom wachten de waterdragers op
+den zonneschijn, en zijn eerste warmte brengt hen naar buiten om de
+dichtstbijzijnde dauwdruppels te rooven of het verscholen beekje op te
+zoeken, gelokt door het zoete ruischen. Velen verliezen bij dit werk
+het leven in de eerste maanden van het jaar; zij komen om door de koude
+van hun last op den terugweg, of worden in de vlucht door een vogel
+weggepikt. Maar wat het kosten moge, het toekomstig leven in den korf
+moet verzekerd zijn, al zou van de geheele bevolking ook alléén maar
+de koningin-moeder overblijven om hem in zijn zomervolheid te zien.
+
+Wij zijn gewoon ons een korf met bijen als een eeuwig blijvende
+instelling te denken, waar de Dood zijn oude, bezige, gestadige rol
+speelt, maar het jonge leven hem overvleugelt, juist zooals het in
+den stadskorf der menschen gebeurt. De vergelijking gaat op; alléén
+gebeuren in den bijenkorf de veranderingen oneindig sneller. Het leven
+van een werkbij duurt niet langer dan op zijn hoogst zes maanden; en
+in het drukke seizoen leeft zij, door werken uitgeput, soms niet meer
+dan zes weken. Zij, die het vorig jaar den honingoogst bezorgden,
+waren al dood in den herfst. De laatgeboren bijen, die den winter
+ingingen met glimmend borststuk en gekreukte vleugels, leefden juist
+lang genoeg om hun onmiddellijke opvolgers te voeden; en deze zullen
+alleen leven om het jonge lentebroed tot vollen wasdom te brengen. Geen
+enkele van hen zal ooit meer honing inzamelen. Behalve de langlevende
+koningin en de oude korf met zijn bouw, wordt iedere kolonie jaarlijks
+geheel vernieuwd.
+
+Overwinteren in den eigenlijken zin komt in de bijenkorven niet
+voor. De wesp-koningin en veel andere insekten overwinteren en brengen
+de koude maanden door in een toestand van verdooving tot de inwerkende
+warmte van het volgend jaar hen weer tot een handelend bestaan
+wakker roept. Maar de bijen doen het beter: zij dringen bijeen tot
+een dikken, bijna bewegingloozen klomp in het hart van den korf, met
+hun kostelijke koningin in het midden en hun proviand boven hen. In
+dien tijd is honing hun eenig noodige voedsel, maar een heel klein
+verbruik daarvan houdt de kolonie al op de juiste temperatuur.
+
+Wanneer zij vliegen en aan hun werk zijn of bezig binnen in den korf,
+moet het stikstofhoudend stuifmeel bij hun dagelijksch rantsoen nektar
+gevoegd worden om de verbruikte weefsels weer aan te vullen; maar nu
+is het éénige wat zij behoeven de honing, de geconcentreerde nektar,
+de warmtevoortbrenger. De bijen van den klomp, die het dichtste bij de
+raten zijn, breken de volle cellen open en de honing wordt aangenomen
+en doorgegeven tot iedere bij haar schamel deel heeft ontvangen.
+
+Zuinigheid behoort nu tot de schoone kunsten. Niemand weet wanneer er
+weer nieuwe voorraad te vinden zal zijn, hoewel geen kans ongebruikt
+zal worden gelaten om de provisie aan te vullen bij het eerste teeken
+van terugkeerende warmte. Maar tot zóólang wordt het kleinste minimum
+voedsel verbruikt, en als de naastbijzijnde cellen van hun geheelen
+inhoud ontdaan zijn, rijst de klomp weer wat hooger. Het systeem is
+dus een soort van afgrazen van de raten, tot de dichte bijenkudde
+de uiterste grens van den korf naar boven bereikt heeft; daarna moet
+er naar een nieuwe weide uitgekeken. Maar het bewegen van den klomp
+gaat uiterst langzaam; misschien is er geen langzamer beweging in de
+gansche organische wereld. Allen weten, dat hun bestaan samenhangt
+met het ledigen van de raten tot den allerlaatsten honingdroppel. Het
+is een wetenschappelijk temperen van het levensvuur--een zorgvuldig
+uitgedacht en volmaakt plan tot behoud van het grootst mogelijk aantal
+werkbijen op het kleinst mogelijk rantsoen voedsel, zoodat in de lente
+een maximum aantal broedbijen en honingdraagsters het leger moge vol
+maken, dat het jonge broed, de vertegenwoordigers van de toekomstige
+kolonie, moet opkweeken.
+
+Maar winterslaap is er niet. Het is zelfs niet eens zeker of bijen wel
+ooit slapen, zoowel in hun drukken, bezigen zomertijd, als in de starre
+diepte van den winter; want ten alle tijden is een licht tikje op den
+korf voldoende om onmiddellijk een vreesachtige kreet van binnen op
+te roepen. Een luider kloppen zal heel spoedig de waakbijen aan het
+vlieggat brengen om de oorzaak van die stoornis te doorgronden en
+er hebben al heel wat door die waakzaamheid alleen het leven moeten
+inschieten. Met vriezend weer kan men dikwijls de meezen een taptoe
+zien roffelen op den korf, om dan iedere bij op te pikken die naar
+buiten komt; en ook verschillende andere vogels hebben al uitgevonden,
+dat zij zich aldus een middagmaal kunnen verzekeren.
+
+Het feit, dat wanneer een volk in gezonde conditie is, het binnenste
+van den korf altijd zindelijk blijft, wekt bij den nieuweling
+gewoonlijk groote verbazing. 's Zomers, als de bijen gestadig in en uit
+gaan, lijkt het zoo wonderlijk niet. Maar het is zeker opmerkelijk,
+dat in den winter, wanneer zij weken achtereen in den korf moeten
+blijven, noch de raten noch de vloer ooit met uitwerpselen bezoedeld
+zijn. Deze moeilijkheid heeft het gezondheidsdepartement in den korf
+al lang opgelost. Het moet wel een der allereerste vraagstukken geweest
+zijn, die zich voordeden toen de honingbij op het ontwikkelingsstadium
+van het gemeenschapsleven was gekomen. De ouden geloofden, dat al de
+uitwerpselen door de bijen in bijzondere cellen werden gedeponeerd,
+en van daar bij tusschenpoozen door de reinigingsafdeeling naar
+buiten gebracht. In deze meening, hoe dwaas ook, ligt niets dat
+buiten den kring valt van het bijenintellekt; integendeel; zulk een
+onpraktisch plan zou zeker nooit bij het bijenvolk opkomen; omdat
+het in de verste verte niet voldoende zou zijn. Welk een diepgaand
+probleem het behoud der zindelijkheid in de korven is, kan men alléén
+dan benaderen, wanneer men de zaak in zijn geheelen omvang beschouwt,
+en dan van een menschelijk standpunt gezien. Vraag eens--en ik neem
+de cijfers dan nog onvergeeflijk laag--hoeveel hoop op succes het
+grootste gezondheidskundig genie van de wereld zou kunnen hebben,
+als hij stond voor het probleem, een gebouw volkomen zindelijk en
+volmaakt geventileerd te houden, waar 10.000 menschen opeengehoopt in
+verdiepingen boven elkaar moesten leven; een gebouw, dat van boven tot
+onder hermetisch dicht was, met uitzondering van een kleine opening
+op het laagste plan, de eenige in- en uitgang voor al de bewoners,
+en tegelijk het eenige afvoerkanaal voor de bedorven lucht en toegang
+voor de zuivere lucht? De opgaaf zou al moeilijk genoeg zijn in
+den zomer, als een groot gedeelte van de bevolking een heel stuk
+van den dag buiten ging werken; maar in den winter, als allen weken
+lang thuis moesten blijven, welk systeem zou er dan denkbaar zijn,
+dat het gebouw kon verhinderen te verworden, eerst tot een mesthoop
+en daarna tot een knekelhuis, waarbij vergeleken het "Zwarte Gat"
+van Calcutta een model van hygiënische toevlucht zou zijn?
+
+Toch is het verschil tusschen zulk een gebouw en een bijenkorf er maar
+een van graden. De zelfde condities bestaan er, en hetzelfde kwaad moet
+bestreden. Naar verhouding staan de problemen gelijk. In het geval van
+den bijenkorf heeft de noodzakelijkheid van dit opeengehoopt bestaan,
+zich aan zijn bewoners gaandeweg opgedrongen. Een eeuwenheugend
+gebruik, inwerkend op het individu, kweekte op den langen duur een
+ras, dat zich verwonderlijk heeft aangepast aan zijne bijzondere
+behoeften. Waarschijnlijk gebeurde het terughouden der faeces in den
+korf oorspronkelijk vrijwillig. En deze gewoonte, overgebracht van
+de eene generatie op de volgende, heeft in het organisme bewerkt,
+dat, wat oorspronkelijk een gewoonte was, op den duur tot een tweede
+natuur moest worden, en daarmeê is ten slotte de tegenwoordige toestand
+bereikt. Het is nu een feit geworden, dat de bij niet meer in staat
+is zich van haar uitwerpselen te ontlasten wanneer zij in den korf
+of in rust is. De betrokken spieren kunnen alléén in beweging komen,
+gedurende of onmiddellijk na een flinken vlucht. In den winter, in
+lange perioden van koû, verlaat geen enkele bij den korf, soms weken
+achtereen; maar een enkel uurtje van warmen zonneschijn brengt de
+heele kolonie naar buiten; zij vliegen dan rond den korf en men kan
+gemakkelijk waarnemen hoe dan de natuurdrang bij hen werkt. Deze
+reinigingsvluchten gebeuren op alle daartoe geschikte tijden en
+vervullen dan een dubbel doel; want bij het terugkomen in den korf
+klampen zij zich weer te samen tusschen nog onaangetaste raten,
+en de oude, gestadig-opstijgende, voedingsmarsch vangt weer aan,
+maar op een nieuwe plaats. In heel buitengewone tijden, als de koude
+steeds blijft aanhouden, gebeurt het, dat de bevolking van een korf
+den hongerdood sterft midden tusschen hun overvloed, daar er geen
+gelegenheid was voor zulk een reinigingsvlucht en dus de klomp op zijn
+plaats is gebleven. En hier is nu de bij het slachtoffer van haar
+eigen hoogtepunt van ontwikkeling. Instinkt zou haar nooit op zulk
+een dwaalspoor geleid hebben; maar voor de rede is er mogelijkheid
+te dwalen, en hier dwaalt zij geweldig.
+
+De vergelijking van een modernen bijenkorf met een gebouw, gelijk
+van konstruktie, en even dicht bevolkt met menschelijke wezens, zet
+het geheele vraagstuk in een scherp licht. In zulk een gebouw zou
+alleen dan leven behouden kunnen worden, wanneer men er een gestadigen
+luchtstroom doorheen kon leiden. Maar de bijen hebben de moeilijkheid
+schitterend overwonnen, 't Zij winter of zomer, de lucht in den korf
+blijft even zuiver als de buitenlucht, en de temperatuur kan naar
+willekeur geregeld worden. Voor de gewone bestemming van den korf:
+het honingmaken en het broeden, wordt die gewoonlijk op 80° tot 85°
+Fahr. gehouden. Maar zijn de wasbouwers aan het werk, dan stijgt zij
+plotseling tot 95° ongeveer, terwijl zij in de zwermkoortsperiode
+dikwijls nog hooger gaat. Maar in het heetst van den zomer is het
+binnen in een goed beheerden korf, tenzij de bewoners door een
+emigratiewoede zijn aangegrepen, zelden meer dan 80°. En dit alles
+wordt op hoogst eenvoudige wijze verkregen.
+
+De hygiënische expert van het menschenras zou de oplossing van het
+vraagstuk maar van één kant kunnen benaderen. Hij zou zoeken een
+gestadigen luchtstroom mechanisch of automatisch te verkrijgen en dan
+had hij een verwarmingstoestel noodig in het gebouw, of een er buiten,
+dat de binnenstroomende lucht verwarmde. Maar de bijen werken naar heel
+andere beginselen. Zij moeten niets hebben van het ventilatiesysteem
+met gestadigen luchtstroom. Als de vernuftige ijmker luchtgaten
+maakt in de wanden van den korf, dan zullen de bijen ze in den nacht
+zorgvuldig weer dichtstoppen. In den ouden bijentuin hebben wij gezien
+hoe het waaiersleger de onzuivere lucht uittrok. Deze bijen hadden hun
+kopjes naar het vlieggat gericht. Maar binnen in den korf was een ander
+leger van waaiers, naar den anderen kant gewend, en dus meehelpende
+om diezelfden zijstroom uit te drijven. En op heete dagen vindt men
+door bijna den geheelen korf heen waaiende bijen, die medehelpen om
+de lucht in beweging te houden. Het gevolg is, dat de zuivere lucht,
+die van den eenen kant van het vlieggat naar binnen gezogen wordt,
+binnenin rond den korf blijft stroomen en er aan den anderen kant van
+den ingang weer uittrekt, ongeveer als een touw over een katrol. De
+snelste stroom blijft langs de wanden gaan en boven in den korf,
+terwijl de lucht in het midden trager beweegt. Zoo liggen dus de
+honingraten, die altijd boven in den korf worden geplaatst, in den
+vollen luchtstroom, en het vocht, dat de rijpende honing voortdurend
+afgeeft, wordt snel mee weggedragen. Maar de broedbouw, die in het
+lagere middengedeelte ligt, wordt trager geventileerd en de lucht is
+geheel verwarmd als zij dien bereikt. Hoe grooter het waaileger is,
+des te sneller beweegt zich de luchtstroom, en des te vlugger wordt de
+hitte uit den korf meêgevoerd. Volgens deze methode kunnen de bijen de
+temperatuur binnen den korf regelen naar den eisch van het oogenblik;
+zij zetten eenvoudig meer ploegen aan het werk in 't heetst van het
+seizoen, of zetten het ventileeren stop in de koude winterdagen,
+wanneer de natuurlijke warmteuitstraling van den bijenklomp volstaat
+om de lichte circulatie in gang te houden, die dan voldoende is.
+
+Soms, wanneer de kolonie buitensporig talrijk is, wordt het
+waaiersleger gesplitst in twee afdeelingen, één aan iederen kant van
+het vlieggat; het midden daarvan dient dan voor de instroomende
+lucht. In dit geval schijnt er een dubbelstroom-stelsel van
+luchtverversching te worden aangewend.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+HET ONTSTAAN DER KONINGIN.
+
+
+Straks is al gezegd, dat de honingbij in hare gewoonten en gebruiken
+niet onwankelbaar vast is, en dat zij meer dan ééns afwijkt van hare
+wetten, waarvan er slechts weinige absoluut zijn. De regel b.v. van
+slechts ééne koningin voor iederen korf schijnt vaster te zijn
+dan éénige andere, en toch heeft ook die zijne uitzonderingen. Er
+worden authentieke voorbeelden genoemd van twee koninginnen, die
+vriendschappelijk samen in denzelfden korf hebben geleefd; zij
+legden ieder hun dagelijksche hoeveelheid eieren ongehinderd en
+oogenschijnlijk met volkomen goedkeuring van de korfautoriteiten.
+
+Het is nu ook vastgesteld dat een handig ijmker zijn bijen kan
+gewennen aan de aanwezigheid van meer koninginnen. In Amerika zijn op
+dit punt proeven genomen; maar hoewel volkomen gelukt en overtuigend,
+voor zoover hun bewijskracht gaat, moet hun praktische waarde voor de
+bijencultuur nog door den tijd bewezen worden. Het zou best kunnen
+blijken, dat, voor de harmonie en het welzijn van een kolonie, een
+vermeerdering der huisgodinnen alles behalve een weldaad is. In ieder
+geval is het nu vastgesteld, dat de oude wet: één koningin tegelijk,
+er geen van Meden en Perzen behoeft te zijn; maar of dit vermeerderen
+op den duur houdbaar zou blijken en de honingproduktie ten goede komen,
+kan alleen de tijd leeren.
+
+Eén enkele koningin, als zij jong en krachtig en van een goeden
+stam is, vermag een geheelen korf met broed te vullen zoolang het
+honingseizoen duurt. Het broednest van een moderne lossebouw-kast
+heeft een raatoppervlakte van meer dan 2500 vierk. cm., wat ongeveer
+50.000 cellen geeft voor het uitbroeden van jonge werkbijen. Dit
+getal vertegenwoordigt in de tijden van den grootsten voorspoed een
+zeer vlottende bevolking; maar wanneer er bij voortduring meerdere
+koninginnen in één korf geplaatst kunnen worden, en de korven zóódanig
+vergroot, dat zij alle haar volle productie-vermogen ontwikkelen
+kunnen, dan zullen die cijfers tot in het oneindige uitloopen. Twee
+waarheden zijn aan iederen ijmker van ondervinding bekend,--ten 1e)
+dat ééne groote kolonie meer honing oplegt dan twee kleine, al is
+het getal bijen gelijk, en ten 2e) dat, als de honingoogst op zijn
+voordeeligst is, er zelden bijen genoeg zijn om hem binnen te halen. De
+groote kunst van het hedendaagsch ijmkeren komt dan ook hier op neer,
+dat de bijenhouders er zich voornamelijk op toe leggen de getalsterkte
+van iedere kolonie tot haar maximum te brengen, tegen dat de groote
+honing-overvloed op komst is. Toch kan in een nektarrijke streek,
+waar groote klavervelden tegelijk in vollen bloei staan, en de honing
+in veertien dagen moet ingezameld zijn om niet verloren te gaan, zelfs
+de volkrijkste bijenstand zooveel honingdraagsters niet aanbrengen om
+alles binnen te halen. Waarschijnlijk gaat in bijzonder honingrijke
+jaren de helft van den oogst verloren uit gebrek aan bijen om hem in te
+zamelen. Als dus het nieuwe systeem van meer koninginnen levensvatbaar
+blijkt, dan kunnen wij in de toekomst een omwenteling verwachten
+in alle denkbeelden omtrent de bijenkultuur. Vastgesteld is nu nog
+alléén, dat men zoover is gekomen vijf koninginnen te zamen in rust
+en vrede één korf te laten bewonen; of echter deze wonderbaarlijke
+staat van zaken duurzaam zal kunnen zijn moet nog proefondervindelijk
+bewezen worden.
+
+Een merkwaardig en verrassend gevolg van dit omverwerpen van een oude
+en haast algemeene wet in de bijenwereld, is dat de neiging tot zwermen
+afneemt wanneer tegelijk verscheidene moederbijen in een enkelen
+korf huizen. Korven, die zóó behandeld zijn, hebben, zoover men weet,
+nooit een zwerm uitgezonden. Het is een van de meest teleurstellende
+ervaringen bij het ijmkeren, wanneer men een sterk en talrijk volk
+zich ziet splitsen in verscheidene zwakke afdeelingen, juist vóórdat
+het groote honingseizoen aanvangt, terwijl men weet, dat het ééne
+noodige, getalsterkte is. En als een meervoudig koninginnen-systeem
+dit kwaad kan voorkomen, dan zal het door den tijd geheiligde gebruik
+zeker worden opgegeven.
+
+Wie het bijenleven bestudeert, en den jaarlijkschen arbeid volgt
+van het begin af, en zijn gestadige rustige ontwikkeling gadeslaat,
+zal spoedig begrijpen, hoe het oude geloof van de autocratie van de
+ééne moederbij ontstaan en geworteld is. Het is zuiver bedriegelijke
+schijn. In het hart van den winterklomp ziet men de koningin bezig
+haar eerste eieren te leggen, terwijl de bijen om haar heen langzaam
+ontwaken tot haar plicht. Met het verloopen der weken wordt het
+broednest gestadig vergroot, en het tot nu toe dicht op een gepakte
+kluwen der werksters begint zich uit te breiden over steeds meer raten;
+de waterdraagsters zijn onafgebroken in de weer; de stuifmeeldraagsters
+al bezig tusschen de crocussen in den tuin, waar het eerste goud en
+wit en purper vroolijk fladdert in den zonneschijn. Wij merken ook op,
+dat de gang der werkzaamheden in den warmen korf niet samenhangt met
+den almanak; maar stop gezet wordt bij iedere koude periode, en pas in
+ernst in gang komt als de lente voor goed heeft ingezet. Zelfs tegen
+het eind van Februari, als de katjes van de hazelaars een smaragden
+schijn geven tusschen het kale hout, gaat de kolonie nog spaarzaam om
+met haar provisie, en zij tracht die zoo lang mogelijk te doen strekken
+met een wijze schrielheid, die meer dan gerechtvaardigd zal blijken,
+als de onvermijdelijke koude dagen komen midden in den bloesemenden
+Mei. Het is onmogelijk voorbij te zien, dat hier een wijze leidende
+kracht werkt; en waar zou die wijsheid zetelen zoo niet in het brein
+van die ééne groote bij, omstuwd door die schare, die haar huldigt en
+voedt en koestert zonder ophouden--haar, de moeder van tienduizenden,
+die al zijn opgegroeid, haar, die ook het zaad in zich draagt van
+alle komende geslachten?
+
+Maar de waarheid dient gezegd, dat de bijenkoningin de grootst
+denkbare tegenstelling vormt van een heerscheres, in aard en
+neigingen. Van intellekt heeft zij niet meer dan een zeer geringe
+aanduiding. Zij heeft een prachtig lichaam, de uiterste volgzaamheid,
+eenige onweerhoudbare aanvechtingen en hartstochten, en een echt
+vrouwelijk zich geven en hang naar het juk: maar zij is niet in staat
+tot ééne handeling, die niet uit lichamelijken aandrang ontstaat. Haar
+hersensubstantie is veel geringer dan die van de werkbijen, en zij is
+in heel veel andere opzichten hun mindere. De werkbijen beheerschen
+haar geheel; zij ontwerpen voor haar de dagorde en gebruiken
+haar tot het welzijn van de kolonie, in denzelfden geest als in
+de menschenwereld een fijn en kostbaar méchanisme door een vakman
+gebruikt wordt om eenig waardevol handelsartikel te vervaardigen.
+
+In 't kort, de koningin is de eenig overgebleven vertegenwoordigster
+van de vrouwelijke honingbij, en de werkbijen, die verminkte wezens,
+zijn bijna evenzeer een voortbrengsel der beschaving, als het
+menschenras zelf.
+
+Iedere stap verder van nu af, in de studie van het bijenleven, gaat
+door wonderen. Men ziet hoe de gewone werkbij wordt opgekweekt in een
+cel, die haar een minimum van ruimte geeft voor haar ontwikkeling,
+terwijl het vertrek waar de koningin gekoesterd wordt, minstens dubbel
+zoo groot is als zij behoeft. De werkstercellen zijn zóó aangelegd,
+dat een gegeven ruimte er zoo veel mogelijk kan bevatten, en dat
+hun bouw een minimum van materiaal vereischt. Daarom zijn de cellen
+zeshoeken, de eenige vorm, die den cylinder--den ideaal-vorm--nabij
+komt, en waarvan een hoeveelheid bijeengevoegd kan worden, zonder
+dat er tusschenruimte verloren gaat. Bovendien wordt nog de helft
+van het noodzakelijk bodemmateriaal voor de cellen bespaard, door het
+plaatsen van de raten rug aan rug, zoodat één bodem voor twee cellen
+kan dienen. Maar die strenge spaarzaamheid wordt niet alleen aangewend
+voor de konstruktie der wiegen van de werkbijen. Van het oogenblik af,
+dat het ei is uitgebroed, tot de jonge larf in een pop is veranderd,
+wordt slechts een karig rantsoen voedsel verstrekt, dat juist het
+leven kan bewaren en de noodzakelijke ontwikkeling toelaten.
+
+Maar gaat het om de koninginnelarven, dan wordt van het begin af een
+geheel ander stelsel toegepast. Niet alleen, dat haar kinderkamer haar
+iedere toeneming van groei veroorlooft; maar zij krijgt bovendien
+nacht en dag een buitengewoon voedzamen spijs, en zoo rijkelijk,
+dat zij er haast in zwemt. De werkbijen doen niet anders dan haar
+cel vullen met die glinsterend witte substantie, de geheele vijf
+dagen van haar larftoestand, en de uitwerking van dit ruime dieet
+is van 't begin af zichtbaar in haar veel sneller groei, vergeleken
+met dien van de werkbijen. Een ander voorrecht is, dat bij de jonge
+koningin gedurende haar geheele ontwikkeling de lucht vrijen toegang
+heeft. De werkstercel wordt weinig geventileerd, alléén door de smalle
+bovenopening, terwijl al haar zes zijden en de basis ondoordringbaar
+zijn. Doch de koninginnewieg wordt niet alleen geheel van poreus
+materiaal gemaakt, zij wordt gewoonlijk aan den hoek van een raat
+beplaatst, waar zij aan den vollen luchtstroom is blootgesteld, terwijl
+de lucht niet alleen vrij door de mondopening gaat maar ook door alle
+wanden dringt. De hoofdoorzaak dus van het buitengewone verschil in
+ontwikkeling bij de koningin en de werkbij ligt in de behandeling. De
+eerste krijgt rijkelijk voedzamen spijs, toevoer van zuurstof en
+ruimte om zich te ontwikkelen, de andere leeft op hongerdieet,
+benauwde huisvesting en een minimum van lucht om in adem te halen.
+
+Maar al geven wij toe, dat deze behandeling op den groei der jonge
+larven invloed heeft en die in 't eene geval bevordert, in 't andere
+tegenhoudt, dan zijn wij toch nog niet nader aan de verklaring
+van het mysterie gekomen. Wel zijn wij gedwongen te gelooven, dat
+de substantie van het ei waaruit de werkster geboren wordt gelijk
+is aan dat, waaruit de koningin zich ontwikkelt, omdat een heel
+eenvoudige proefneming allen twijfel daaraan opheft. Wanneer men het
+ei, dat in de koninginnecel gelegd is, wegneemt, en er een ander, uit
+welke ook van de duizenden werkstercellen, voor in de plaats legt,
+dan zal het werksterei altijd een volkomen ontwikkelde en met alle
+hoedanigheden uitgeruste koningin voortbrengen. En handelt men in
+tegenovergestelden zin, legt men dus een ei uit een koninginnewieg
+in een werkstercel, dan zal er onfeilbaar een gewone, onuitgegroeide
+werkbij uit voortkomen. Ongeloofelijk zou dit al klinken, als het
+verschil tusschen een koningin en een werkbij alleen maar op de
+grootte betrekking had. Gesteld, dat de koningin niet anders was dan
+een buitengewoon groote werkbij, waarin enkele organen--onderdrukt bij
+de werksters--tot volle ontwikkeling waren gekomen, dan zou het geval
+toch al onbegrijpelijk genoeg zijn; maar de koningin verschilt niet
+alleen van de werkbij in haar organisme; maar ook in verschillende,
+heel belangrijke punten van lichaamsbouw. En hoe kunnen voedsel en
+lucht alleen veranderingen van bouw teweeg brengen? De werkbij heeft
+vele lichamelijke toestellen, sommige ledematen volmaakt aangepast aan
+het werk, dat er van gevraagd wordt, die bij de koningin ontbreken;
+het lichamelijk organisme van de koningin daarentegen verschilt van
+dat der werksters in belangrijke mate.
+
+Een paar van deze verschillen zullen we opsommen. Het achterlijf van
+de werkster is kort en afgerond, dat van de koningin is grooter en
+langer en loopt in een vrij scherpe punt uit. De kaken van de koningin
+zijn van binnen aan den rand ingesneden; die van de werkster gelijk,
+als het lemmet van een mes. De tong van de werkbijen is spatelvormig
+aan het eind en voorzien van gevoelige haartjes; de tong van de
+koningin is korter, de spatel kleiner en de haartjes zijn langer. De
+werkbij heeft een gecompliceerd systeem van afscheidende schijfjes
+onder de hoornachtige platen van het achterlijf; bij de koningin
+zijn die afwezig en zelfs niet de allerminste aanduiding is er
+van te ontdekken. Ook in het zenuwstelsel is er een onderscheid;
+de koningin bezit niet meer dan vier abdominale gonglieën en de
+werkster heeft er vijf. De angel der koningin is gebogen en langer
+dan die van de werkster, bij wie hij volkomen recht is. Aan hun
+achterpooten hebben de werkbijen een merkwaardig toestel, door de
+ijmkers het stuifmeelkorfje genoemd. Het is een uitholling van de
+dij, met stijve haren omzet; en in die holte wordt het stuifmeel
+gepakt en zoo mee naar huis gedragen. Bij de koningin geen holte
+en geen haren. En dan verschilt zij ook in kleur van de werkbijen,
+vooral haar pooten zijn van een veel roodachtiger bruin.
+
+Ziehier nu een vraagstuk voor onze groote biologen, waartegenover de
+gewone allerdaagsche mensch zich machteloos moet voelen. Want hier
+staan wij voor geheel nieuwe toestanden van het organisch leven,
+feiten, die niet schijnen samen te gaan met de aangenomen begrippen
+van het onvermijdelijk verband tusschen oorzaak en gevolg. Is men tot
+dit punt genaderd, dan heeft men een onverwinbare neiging 't alles
+nog eens over te doen; de proef van de geruilde eieren te herhalen
+en scherp toe te zien of er niet een ingrijpende omstandigheid is
+voorbij gezien. Maar altijd is de uitkomst dezelfde. Ook kan de
+meest nauwgezette microskopische ontleding van de eieren niet het
+geringste verschil aan den dag brengen. Dit mysterie van het verschil
+in struktuur tusschen de koningin en de werkbij dringt ons om één van
+drie alternatieven aan te nemen. Of het ei bevat twee levenskiemen,
+waarvan de eene alléén onder een schraal régime ontwikkelt en de
+andere bij weelderige verpleging. Of wij moeten tot de middeneeuwsche
+zienswijze terugkeeren en gelooven, dat de werkbijen willekeurig een
+levensprincipe van zichzelve geven of onthouden gedurende de verpleging
+van het broed. Of eindelijk moeten wij het geheele vraagstuk laten
+vallen en aannemen, dat de wetten der schepping werken volgens een
+geheel ander plan, dan dat waaraan wij tot nu toe geloofd hebben.
+
+De verwikkeling wordt nog grooter door het feit, dat deze verandering
+pas betrekkelijk laat in het leven der bij gebeurt. Het broeden
+duurt drie dagen. Maar de jonge larve is nog minstens drie dagen
+ouder vóórdat de natuur die onherroepelijke schrede doet naar één der
+beide zijden. Want de proefneming van de plaatsverwisseling kan met
+hetzelfde gevolg worden genomen met jonge bijenlarven van uiterlijk
+drie dagen oud in plaats van met de onuitgebroede eieren. Het is
+zelfs een verrichting die, als het noodig blijkt, door de broedbijen
+zelve gedaan wordt. Als een korf zijn koningin verloren heeft, en
+al de eieren in de werkstercellen al zijn uitgekomen, dan kweeken de
+bijen een andere koningin van een der werksterlarven, die beschikbaar
+is. En gewoonlijk met goed gevolg, als de jonge larve maar niet ouder
+is dan drie dagen. Maar zelfs al zijn de larven ouder, dan zullen
+de bijen het nóg ondernemen, wetende dat een volk zonder koningin
+bezwijken moet. In dit geval echter zal de koningin veel gebreken
+hebben. Waarschijnlijk zal zij niet bevrucht kunnen worden, en is
+ze dus van alle nakomelingschap afgesneden. Als de ijmker den korf
+dan niet van een nieuwe, bevruchte koningin voorziet, zal die zich
+langzamerhand vullen met darren, de oude werkbijen gaan dood en het
+volk moet uitsterven.
+
+Heeft de beschouwer zich eens aan de studie van het innerlijk
+bijenleven gewaagd, dan zal hij al spoedig inzien, dat zijn scheepje
+een bezwaarlijker reis ondernomen heeft, dan hij zelfs in zijn
+stoutmoedigste oogenblikken durfde denken. In den ouden bijentuin
+heerschte zulk een serene kalmte, en een zalige onwetenheid hield den
+toeschouwer in zijn gemoedelijke Zondagsstemming. De zonneschijn, de
+bloemen, het suizen van den wind in de boomtoppen en het droomerige
+gonzen der korven; de stem van den ouden, grijzen bijenman, die het
+oor zoo gemakkelijk volgt, terwijl hij de oude dwalingen in arabesken
+welft; het plotseling juichend uitgonzen van een zwerm, dat de lucht
+vol maakt met muziek en het flakkeren van ontelbare vleugeltjes;
+de stilte in den nacht met den ondertoon van het bijengegons, en
+de halve maan die, in wazigen nevel boven den heuveltop uitkomt; de
+schimmige gebogen gedaante van den ouden ijmker, luisterend aan de
+korfopeningen naar de oorlogskreten der naijverige koninginnen, die
+moeilijkheden voorspellen voor den komenden dag--al deze herinneringen
+dringen zich nu aan den toeschouwer op, en het is hem als verliet hij
+zorgeloos een veilige haven voor de stormberoerde open zee. Want nu,
+met het innerlijk leven van den korf voor hem, stapelt zich wonder op
+wonder, en ieder feit, dat zich hem openbaart, brengt meer verwarring
+in zijn denken, omdat het weêr een nieuw stuk afbreekt van de oude
+geheiligde traditie.
+
+Het volk, dat zijn moeder-bij verloren heeft en niet bijtijds heeft
+gezorgd voor een vruchtbare, volkomen ontwikkelde opvolgster, gaat
+kwijnen in het getal zijner werksters, terwijl de darrenhorden
+schrikbarend toenemen. Maar van waar die darren als de bron van
+alle bijenleven is opgedroogd, door het verlies van eene bevruchte
+koningin? Deze vraag brengt den toeschouwer voor een feit, dat
+misschien het merkwaardigste is uit het geheele groote boek der
+natuurlijke geschiedenis.
+
+Theologische twistpunten zijn hier niet aan de orde, en ik zal ook
+niet den draad van het bijenleven laten slippen om af te wijken naar
+den preekstoel. Maar hier is toch iets waarover het de moeite waard
+is te denken: sedert twee duizend jaar is het dogma van de onbevlekte
+ontvangenis het middelpunt van jammerlijk getwist onder de menschen
+geweest. De voorstanders houden het hoog als een geloofsartikel,
+eeuwig uitgesloten van de weerzinwekkende noodzakelijkheid van bewijs;
+de gematigde tegenstanders zetten het met droevige berusting ter
+zijde als een natuurlijke onmogelijkheid. Aan de ééne zijde luidt
+de aanklacht: ongeloof!, aan de andere: blind geloof! En niemand
+schijnt er aan gedacht te hebben een onderzoek in te stellen op
+andere scheppingsparen dan de menschelijke, of er niet ergens
+een parallel bestond, waarmede beide partijen geholpen waren,
+en die de zwaarden terug zou wenken in de scheeden, daar het een
+gemeenschappelijk mysterie geldt. Van alle gevleugelde schepselen is
+zeker de honingbij een der kleinste; maar hier verschijnt zij groot,
+een machtig symbool. Het is nu vastgesteld als een onweersprekelijk
+feit, dat de maagdelijke bijenkoningin in staat is haar soort voort
+te planten; maar alleen in het mannelijk geslacht. Wanneer zij laat
+in het jaar geboren wordt, als er geen darren meer zijn, en dus
+bevruchting is uitgesloten, of indien iets hapert aan haar vleugels,
+dat haar de paringsvlucht belet, dan zal zij zich ijverig kwijten
+van haar éénige taak, het eierleggen; en uit deze eieren ontwikkelt
+zich niet anders dan mannelijk broed. Hetzelfde gebeurt in het geval
+van den koninginloozen korf; als daar geen werkstereieren of larven,
+niet ouder dan drie dagen, beschikbaar zijn, en de werkbijen toch
+trachten een koningin te kweeken uit een larve van misschien vier
+of vijf dagen oud, dan is de dus geschapen koningin slechts een
+koningin in naam. Zij kan volkomen ontwikkelde eierstokken hebben;
+maar zij mist van nature alle verdere eigenschappen. Zij zal noch de
+neiging noch de kracht hebben den dar te ontvangen, en de eieren,
+die zij des ondanks zoo onverdroten voortgaat af te zetten, zullen
+slechts het getal waardelooze mannen vergrooten, die spoedig de éénige
+vertegenwoordigers van het ten ondergang gedoemde volk zullen zijn.
+
+Volgen wij de ontwikkeling van een bijenkolonie in het klimmen der
+lentedagen, dan zullen wij na iedere afgeloopen week een grooter
+ruimte met de raten zien aangevuld, die het jonge werksterbroed
+bergen, en in het midden van April bezoekt de koningin voor het
+eerst de darrencellen, en legt dan in iedere cel een enkel ei,
+zooals zij ook bij de anderen deed. Men stelt zich gewoonlijk
+voor, dat de koningin steeds omstuwd is door een schare hovelingen,
+waarvan ieder het hoofd eerbiedig naar de soevereine gewend houdt, en
+achterwaarts haar voorgaat als zij voortschrijdt over de raten. Het
+is waar, dat zoo iets gewoonlijk te zien is in den broedtijd, maar
+dan ook alléén: later wordt er op de koningin gewoonlijk weinig acht
+geslagen, en zij beweegt zich in den korf, zonder dat er van haar
+meer werk wordt gemaakt dan van de andere bijen. De middeneeuwsche
+schrijvers wisten van die lijfgarde, en geloofden, dat zij altijd juist
+twaalf in getal waren, het cijfer van de apostelen. Maar een beetje
+waarneming zal al spoedig aanwijzen, dat de bijen, die de koningin op
+haar rondgang omgeven, niet haar getrouwen en hovelingen zijn. Zij
+zijn feitelijk haar leidsters en bewaaksters; en iedere beweging,
+die de koningin te maken heeft beduiden zij haar door haar zonder
+ophouden aan te raken, te stooten of zachtjes te streelen met hunne
+voelsprieten. Zoo staan zij haar vrije beweging over de raten toe;
+maar bij iedere leege cel laten zij haar ophouden, en scharen zich
+direct om haar heen, blijkbaar in de meest spannende belangstelling
+naar wat zij gaat verrichten. Eerst kijkt zij in de cel en inspekteert
+die zorgvuldig. Dan draait zij zich om, terwijl de bijen voor haar
+uitwijken en gaat een paar passen vooruit, zoodat het achterlijf juist
+boven de cel komt; daarna drukt zij het er diep in en blijft zoo een
+oogenblik staan. Dan gaat zij weer verder over de raat en onmiddellijk
+hernemen de wachters haar post en manoeuvreeren haar naar de volgende
+leege cel. Men krijgt nooit den indruk, dat dit werk haastig geschiedt
+en toch moet het in het drukste broedseizoen met geweldige snelheid
+worden verricht; want men heeft berekend, dat een goede koningin
+op deze wijze van twee- tot drieduizend cellen vult op één dag, wat
+ongeveer uitkomt op twee eieren in de minuut; hierbij verondersteld,
+dat zij de geheele vier en twintig uur zonder ophouden doorgaat.
+
+De cellen, voor het werksterbroed bestemd, zijn aan den wand 1/2
+c.m. wijd; de darrencellen zijn grooter, met een diameter van 3/4
+c.m. en zij zijn ook dieper. De koningin vergist zich heel zelden,
+al gaat ze van de eene soort raat op de andere. Uit het ei in de
+werkstercel komt een vrouwelijke bij, uit dat in de grootere een
+mannelijke, een dar. Het blijkt heel duidelijk, dat de koningin
+zelve het leggen der verschillende eieren beheerscht. Men heeft
+ook opgemerkt, dat de moederbij niet alléén met onderscheiding
+hare eieren legt, maar ook het aantal in haar macht heeft. Van het
+oogenblik af, dat het leggen begint, tot zij in den voorzomer haar
+grootste aktiviteit ontwikkelt, wordt de kolonie niet regelmatig
+vermeerderd; maar het gaat met horten en stooten, in verband met
+het weer en den inkomenden voorraad proviand. Als de provisie steeds
+toeneemt, en het stuifmeel overvloedig is, dan gaat het broeden zijn
+geregelden, vluggen gang; maar als perioden van ontijdige koû het
+werk buiten stop zetten, zal dit onmiddellijk invloed hebben op het
+eierleggen. En bij buitengewonen tegenspoed houdt het soms geheel
+op. Dit kan ook gebeuren op het hoogtepunt van het honingseizoen,
+in vollen zonneschijn en overvloed: als n.l. de korf te klein is en
+niet meer bevatten kan. De raten zijn dan alle gevuld met honing en
+broed, en de koningin moet wachten, tot er ruimte voor nieuwe eieren
+kan gemaakt worden. Dat zij tot dat wachten in staat is,--dat haar
+vermogen tot eieren afzetten kan vermeerderd en weêrhouden worden,
+al naar de behoefte der kolonie, en dat de verhouding der geslachten,
+willekeurig kan gewijzigd worden, naar de omstandigheden het eischen--,
+is iets dat alléén dán begrijpelijk wordt, als wij den geheelen omvang
+van haar levensgang in alle détails beschouwd hebben.
+
+Bij het normale, voorspoedige volk dat wij nu op het oog hebben,
+is de koningin nog jong, en onder gewone omstandigheden, zal zij
+aan het hoofd der zaken blijven, tot zij met den eersten zwerm
+uitvliegt, in Mei of Juni. Een bijenkoningin bereikt het hoogtepunt
+harer vruchtbaarheid in haar tweede levensjaar. Daarna neemt haar
+legvermogen regelmatig af, hoewel zij tot vier of zelfs vijf jaar oud
+kan worden. Maar de autoriteiten in den korf vergunnen eene moederbij
+zelden haar plaats te behouden, als zij teekenen begint te geven van
+afnemende vermogens. Er worden dan dadelijk maatregelen getroffen
+voor het opkweeken van een nieuwe koningin.
+
+Een heel oude koningin kan geen werkstereieren meer leggen en teelt
+enkel darren. Maar zóó dommelig zijn de werkbijen nooit, dat zij het
+zoover laten komen, en lang vóor dat zoo iets gebeurt, is gewoonlijk
+het bouwen van koninklijke cellen in den korf al begonnen. Een
+koninginnecel is door verscheidene schrijvers al bij een eikel
+vergeleken, en als ze half klaar is, is de overeenkomst in grootte en
+vorm met een omgekeerd eikeldopje ook bijzonder sterk. Gewoonlijk wordt
+zij met de opening naar beneden tegen den kant of aan den bodem van een
+der middelste broedraten gehangen; maar soms wordt zij ook midden in de
+raat geplaatst, en in dat geval worden de cellen er omheen weggesneden
+dat ze ruimte en lucht krijgt. Of de oude koningin zelve een ei in de
+koninklijke cel legt en op die wijze onwetend haar eigen onttroning
+voorbereidt, of dat de werkbijen een ei of larve uit een gewone cel
+naar die moederwieg overbrengen, is nog niet vastgesteld. Maar daar
+gewoonlijk het gezicht alleen van een moederwieg de koningin tot de
+uiterste woede prikkelt, is het waarschijnlijk, dat zij nooit in de
+buurt van zulk een cel door de werkbijen is gebracht geworden, en het
+ei er dus door deze heengevoerd is. In verreweg de meeste gevallen is
+het waarschijnlijk, dat wanneer er nieuwe koninginnen geteeld moeten
+worden, een reeds bestaande werkbijencel, waarin het ei al gelegd is,
+wordt verwijd en verruimd. Zoover men kan nagaan gebeurt dit altijd
+als men voor dit doel een larve gebruikt in plaats van een ei. Het is
+ook zelfs mogelijk, dat de koningin physiek niet in staat is, een ei
+dat een vrouwelijke bij moet voortbrengen in een moederwieg te leggen;
+maar dit zeer merkwaardig punt zal eerst later besproken worden.
+
+Het bekende beweren van bijentelers, dat bijen nooit onveranderlijk
+hetzelfde doen, wordt zeer zeker toegelicht wanneer men op hun leven
+nader ingaat. Wij hebben er van gesproken hoe een volk, dat zijn
+koningin mist en geen werksterei of larve van minder dan drie dagen oud
+bezit om in de leemte te voorzien, binnen korter of langer tijd moet
+uitsterven. Maar nu is het voorgekomen, dat korven die in dit geval
+verkeerden, onverwacht en op onverklaarbare wijze, weer opleefden. Na
+een periode van depressie, die zich over wel drie weken uitstrekte,
+was er plotseling een vernieuwde bedrijvigheid en levenslust in den
+korf ontstaan. De stuifmeeldraagsters, die tot nu toe haast werkeloos
+waren gebleven, hervatten de werkzaamheden; en als de korf geopend
+wordt, vindt men alle bewijzen, dat er een vruchtbare, eierleggende
+koningin aanwezig was. Nu is waarschijnlijk in de meeste gevallen,
+waarbij een nieuw kontrakt met het leven gesloten werd door een in druk
+verkeerend volk, de schijn bedriegelijk geweest. De werkbijen hebben
+wellicht in hun midden nog een werksterlarve ontdekt, die de grens
+voor de bevordering tot het moederschap nog niet overschreden had, en
+zoo te elfder ure zich nog uitkomst verschaft. Echter is er ten minste
+één geval bekend, dat de mogelijkheid hiervan absoluut weerspreekt:
+een beginnende korf, die maar drie of vier kleine raten bevatte en
+misschien maar een vijfhonderd bijen, was zonder koningin geraakt. Tien
+dagen later waren alle moederwiegen, die in dien tusschentijd in
+de korf gebouwd waren, vernield en er was geen enkel ei of larve
+over. En toch, toen na achttien dagen de korf geopend werd, vond men
+een nieuwe koninginnecel met een ei. En uit dit ei ontwikkelde zich
+een kloeke, goed gebouwde koningin. Nemen wij deze feiten als waar
+aan--en zij schijnen onweersprekelijk--dan is hieruit slechts één
+gevolgtrekking te maken: eene ondernemende bij uit de kolonie moet
+naar een anderen korf gevlogen zijn en er een werksterei gevraagd,
+geleend of gestolen hebben. Wetenschappelijke bijenkenners aarzelen, en
+terecht, na één enkel voorbeeld, hoe de waarheid daarvan ook gestaafd
+zij, de honingbij zulk een verwonderlijk vernuft toe te kennen. Maar
+er worden meer voorbeelden genoemd, die haast even betrouwbaar zijn;
+en daar het een onomstootelijk bewezen feit is, dat werkbijen eieren
+overdragen van de eene raat naar de andere binnen hun eigen korf,
+schijnt het niet zoo ongeloofelijk, dat zij, door zulk een ingrijpenden
+nood tot de uiterste spanning van hun vernuft gedrongen, ook naburige
+korven met dat doel bezoeken. Dit punt is van meer dan éen kant zeer
+belangrijk; want het wijst onmiddellijk op het groote vraagstuk:
+"Rede of Instinkt", dat op het oogenblik de meesten onzer moderne
+natuurkenners bezig houdt.
+
+Op welke wijze nu ook het volk, dat een nieuwe koningin wil kweeken,
+zich een ei voor de moederwieg verschaft, het eerste levensteeken
+blijft altijd hetzelfde: een klein, wit, langachtig spikkeltje,
+vastgekleefd onder aan den bodem, of eigenlijk het dak, van de
+omgekeerde cel. Zoo blijft het ongeveer drie dagen, tot de larve
+zich uit het ei ontwikkeld heeft, wanneer onmiddellijk de speciale
+behandeling, voor de jonge koninginnen ingesteld, begint. Van haar
+eerste levensteeken af wordt zij volgepropt met het kostelijkste
+voedsel, zij zwemt letterlijk in die glimmende, witte, gelei-achtige
+substantie, die de broedbijen onafgebroken uitbraken en in de cel
+storten. Dit voedingsproces wordt ongeveer vijf dagen lang voortgezet,
+dan heeft de larve haar vollen wasdom bereikt en de cel zijn grootste
+afmetingen. De larve houdt nu op met eten en spint zich in een zilveren
+wade, voordat zij tot den poptoestand overgaat, en de bijen verzegelen
+de cel. In zijn volkomen vorm lijkt de moederwieg niet meer op een
+eikel; maar eerder op een pijnappel. Voor de gewone werksters en
+de darren worden de cellen van zuivere was gemaakt, terwijl alleen
+de afsluiting uit was en stuifmeel dooreen gemengd bestaat. Maar de
+koninginnecel wordt uitsluitend uit dit poreus materiaal vervaardigd.
+
+Na vijftien of zestien dagen sedert het ei gelegd werd, is
+de koningin klaar en in de uiterste spanning om haar wieg te
+verlaten. Maar gewoonlijk geven de bijen haar nog eerst, en het
+is wel vroeg zoo in den allereersten aanvang van haar loopbaan,
+een les in gehoorzaamheid. Want dit is een kritiek oogenblik in de
+geschiedenis van de kolonie, en veel was er te handelen en te voorzien
+bij de gecompliceerde dingen, die te gebeuren stonden. In de eerste
+plaats zou het niet praktisch geweest zijn, de geheele toekomst
+van het volk te laten afhangen van één enkel leven. Daarom werd er
+niet ééne, maar verscheidene koninginnen opgekweekt. Wel vijf of zes
+zijn er misschien bezig uit te komen op verschillende punten van het
+broednest; maar geen van allen wordt het toegestaan uit de cel te
+breken vóórdat het vastgestelde uur gekomen is. Nu wordt de wieg voor
+haar een gevangenis. Er wordt een klein gaatje geboord in den celwand,
+waardoor de ongeduldige gevangene gevoerd wordt tot het oogenblik
+van verlossing zal gekomen zijn, en strenge wacht wordt er gehouden
+bij iedere cel, om die te vrijwaren voor de gewelddaden van de oude
+koningin, wier wantrouwen en rusteloosheid van uur tot uur toenemen.
+
+Hier ziet men een treffende bevestiging van de algeheele onderwerping
+der koningin aan de heerschende werkbijenklasse van den korf. Zij is
+een waardig exemplaar van een veelvuldig voorkomende vrouwensoort:
+aantrekkelijk van uiterlijk, ongeschoold van geest, een hardnekkige
+thuisblijfster, een vruchtbare moeder; en nu trilt ook de snaar
+van de ijverzucht. Werd zij vrijgelaten om haar aandrang te volgen,
+dan zou al heel gauw een eind zijn aan al wat in den korf met zooveel
+doorzicht en zorg was voorbereid. Zij zou één voor één de koninklijke
+cellen openrukken; en met één slag van haar wreed, krom zwaard, dat de
+bijenkoniginnen alleen voor haar gelijken in rang gebruiken, zou zij
+meedoogenloos de bewoonsters afmaken en haar eigen opperheerschappij
+dus hernieuwen. Maar een geweldigen slagboom vindt zij op haar weg--den
+gemeenschappelijken wil in den korf. Eens heeft zij het wellustig
+genot van het dooden gekend; dat zal zich nooit herhalen. Nu gaat het
+om haar eigen lot. Het kan de dood zijn; het kan ook zijn: een nieuw
+leven in een nieuw tehuis. 't Hangt alles af van het wèloverwogen
+besluit van hen, die haar gemaakt hebben tot wat zij is, en die haar
+nu gebruiken of verwerpen al naar hun eigen oogmerken dat vragen. Is
+het in de late lente en gedoogt het de toestand van het volk, dan
+besluit licht de korfgeest tot kolonisatie, en er wordt over de oude
+koningin beschikt, dat zij met een zwerm wordt uitgezonden. Maar er
+kan ook anders besloten worden. Het kan te vroeg in den tijd zijn
+of het weder is ongunstig. En dan zal haar het noodlot slaan in den
+vorm van een meedoogenloos toepassen van beginselen; haar eigen wijze
+kinderen zullen haar zonder genade dooden.
+
+Deze staatsexecutie der koningin, bij het afnemen van hare
+vruchtbaarheid, is een treffend en zelfs tragisch moment in het
+bijenleven. De strenge, wrange amazonen in de korven hebben bij al
+wat zij ondernemen hun stelsels en gebruiken, en de onderdrukking
+van de oude koningin zelfs moet onder bepaalde voorwaarden en met
+een zeker ceremoniëel geschieden. Gesteld, dat het tegen het welzijn
+der kolonie was, dat zij het leven behield na het verlies van hare
+heerschappij, dan zou één angelsteek het uitmaken, en aan de wet,
+dat in de bijenrepubliek geen nuttelooze leden geduld worden, zou
+voldaan zijn. Maar de oude traditie wil, dat de koningin geen geweld
+mag lijden door de wapenen van het gemeen. Sterven moet zij; maar door
+andere middelen. En zoo dringen de vleiende beulen om haar heen in
+een dichte omhelzing, dichter en dichter tot zij in die liefkoozing
+verstikt wordt. In liefkoozingen heeft zij haar leven doorgebracht
+en nu zal zij er in sterven, tot het laatst toe gekneld in dien
+vreeselijken, zwijgenden greep.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+DE BRUID-WEDUWE.
+
+
+In den heeten gloed van den lichten Juni-morgen kunt gij haar
+zien opstijgen, de jonge maagdelijke koningin, gereed tot haar
+bruiloftsvlucht.
+
+Al aarzeling is zij in den aanvang en onbesloten; heen en weer
+drentelend tusschen de menigte op den drempel, koketteert zij met
+den zonneschijn; zij ging ongaarne terug in het schemerige zwoele
+murmelende halfduister, dat zij zoo juist verliet; maar hoe waagt
+zij de vlucht in de ruimte op haar onbeproefde vleugels?!
+
+Al drie lange dagen en nachten sedert haar bevrijding uit de
+celgevangenis was zij een wonderlijk eenzame figuur in den bezigen
+korfdrom. In plaats van al de blijde begroetingen, die zij verwachtte,
+ziet zij zich omgeven door onverschillige vreemden. Geen dar wiens
+blik naar haar afdwaalt, en de werksters, vervuld met hun bezigheden,
+gaan haar schijnbaar achteloos voorbij. Zij geven zich niet eens
+de moeite haar te voeden en zij moet zich zelf voorzien zoo goed en
+zoo kwaad het gaat. Het geheele volk schijnt tot onverschilligheid
+te hebben saamgezworen; want dit past bij den diepgaanden toeleg
+tot haar opvoeding--indien zij het slechts wist.--Immers dit gedrag
+is een domper op de vurige en grootsche aspiraties, die haar meer
+en meer vervullen. Toch eindelijk komt de roep, die allen zwijgend
+verwachtten, en zij gehoorzaamt, in onweerstaanbaren aandrang, en
+gaat uit in het licht.
+
+En terwijl zij daar aarzelend staat, overgiet haar de heete Junizon
+met vloeiend goud. Nu trekt haar de blauwe lucht. Die wereld van kleur
+en leven en aroma lokt haar ter bruiloft en zij kan niet anders dan
+gehoorzamen. Zij breekt los uit het gewarrel der menigte; zij flakkert
+even blij met haar vleugels, en dan stijgt zij op in het licht.
+
+Boven talmt zij een oogenblik, en behoedzaam neemt zij een overzicht
+van haar tehuis en zijne omgeving. Dan wiekt zij naar boven in wijder
+en wijder cirkels, en met iedere zwenking krijgt zij ruimer blik op
+de wereld beneden haar. Tot zij eindelijk voortschiet in de blauwe
+lucht, en het menschelijk oog haar niet meer kan volgen. Maar dit is
+slechts een korte vlucht. Ze is al weer terug, bijkans vóór dat men
+haar gemist heeft; en haastig, als verschrikt van haar eigen durf,
+vliegt zij terug, naar den ouden, veiligen schemer van haar korf.
+
+En zoo dartelt zij, op en neer, tusschen zonneschijn en duisternis, en
+iederen nieuwen keer waagt zij zich wat verder in de blauwe speelplaats
+van de bovenlucht--tot eindelijk het feit, het onvermijdelijke,
+gebeurt. Een groote dar--een uit de rumoerige menigte, die den
+bijentuin luid maakt met een schor gegons--ontdekt haar, onmiddellijk
+is hij haar na. Zij ziet hem en wendt zich, en weg schiet zij snel
+als het weerlicht, weg in den zonneschijn. Maar nauwelijks begon
+de eerste dar zijn vlucht, of een ander volgt hem en weer, en weer
+een ander. Nu komen zij op in dichte drommen voor de wedvlucht,
+totdat de vluchtende koningin als een grijze wolk, die haar volgt,
+een geheelen stroom van darren heeft aangelokt. Dit kunt ge nog zien,
+als ge uw oogen sterk inspant om hun spoor te volgen; maar op eens
+zijn jagers en wild verdwenen, als waren zij heengewerveld tot naar
+het uiterste van den ether.
+
+Het geheele leven van de koningin, van hare geboorte af totdat
+het dreigend cordon haar omsluit, kan gevolgd worden van stap tot
+stap. Doch alléén dit ééne oogenblik van haar bruidschap blijft ons
+altoos verborgen, en misschien moet het een verborgenheid blijven voor
+het menschelijk weten, ten eeuwigen dage. Ge kunt u die wilde jacht
+verbeelden in de lichte Junilucht en zonneschijn; in uw verbeelding
+kunt ge ook den prijs geven aan de sterkste en vlugste; maar zéker zijt
+ge alléén hiervan: na een korte poos komt de koningin naar den korf
+terug, bedaard en eenzaam, en met haar mee draagt zij het onfeilbaar
+bewijs van hare bevruchting en den dood van den overwinnaar. Bruid was
+zij één enkel oogenblik; nu is zij haar leven lang weduwe. Voortaan
+leeft zij haar dagen in het schemerig klooster van den korf, en
+zóó zelden vliegt zij uit, dat menig ervaren bijenvader beweert,
+dat zij maar éénmaal 's jaars den korf verlaat, om dan een zwerm te
+geleiden. Nu draagt zij in haar lichaam het zaad waarvan een heel volk
+zal groeien. Vóór haar bruidsvlucht was zij van allen in de kolonie het
+minst in aanzien; nu wordt zij met een openbare en algemeene huldiging
+ontvangen, geprezen, gevoed, gekoesterd; hoog wordt zij verheven,
+het levend symbool van de tienduizenden, die nog geboren moeten worden.
+
+En zooals in oude, ruwe tijden bij vorstelijke feesten menschenoffers
+gebracht werden, zoo moet ook deze opperste dag in het vervolmaakte
+communisme van het bijenvolk, gevierd worden met een slachting. Maar
+de Staatsslachtbanken zullen niet met slavenbloed gedrenkt worden dezen
+keer, en het slachtzwaard zal niet het gewone beulszwaard zijn. Er zijn
+gevangen koninginnen in de vesting--een vorstelijk offer bij de hand,
+een vorstelijk zwaard begeerig zich te ontblooten. Heeft de koningin
+haar eerste proeve van waarachtig moederschap afgelegd, liggen haar
+eerste werkstereieren in de cellen, dan wijken de bewaaksters van
+de koninklijke kerkers en het is haar vergund haar bloeddorst te
+bevredigen. Het is alles heel gruwelijk, op miniatuurschaal; maar
+toch ook heel koninklijk, volgens de oude tradities der menschelijke
+koninginnen. Zij is gaarne bereid haar moederschap voor een oogenblik
+neer te leggen en haast zich ter slachting, rukt de gevangenisdeuren
+open, en moordt meedoogenloos de schreeuwende gevangenen.
+
+Maar afgezien van dit tragische element van zustermoord, in een
+oogenblik voorbij en vergeten bij den algemeenen jubel, is er in den
+aanvang van dit koninginneleven veel romantiek; bruid--vrouw--weduwe,
+alles in één enkel uur. Toch ligt er in de bijzonderheden van
+het dagelijksch leven, die nu volgen op die korte poos van hooge
+spanning, en vooral in den verwonderlijken bouw van haar lichaam
+en zijn functies, nog veel hooger romantiek. Dat zij maar ééns met
+het mannelijk element samentreft, en daarna voor altijd bevrucht en
+vruchtbaar is; dat het haar mogelijk is zonen en dochters voort te
+brengen al naar het wel van den staat dat eischt, en dat zij het
+toenemen der bevolking willekeurig tot stilstand kan brengen, aan
+dit alles kan pas geloof worden gehecht op grond van vaste kennis. En
+om te kunnen begrijpen hoe deze resultaten verkregen worden, is het
+noodig iets te weten zoowel van de anatomie van de moeder-bij als
+van den aard harer bevruchting.
+
+In de eerste plaats: houdt men zich aan het algemeen aangenomen begrip
+van bevruchting van het eene geslacht door het andere, dan wordt de
+bijenkoningin in het geheel niet bevrucht. De levensessence van den
+dar dringt niet door tot den eierstok van de koningin; maar wordt
+onmiddellijk na de paring ontvangen in een speciaal orgaan in haar
+lichaam, waar hij bewaard blijft met behoud van zijn kracht, gedurende
+bijna haar geheele leven. Wij hebben het feit reeds behandeld, dat ook
+de maagdelijke koningin in staat is eieren te leggen, maar dat deze
+alléén darren voortbrengen. De bevruchte koningin nu, kan mannelijke
+en vrouwelijke eieren afzetten, en dit kan zij naar willekeur. Hoe
+verbijsterend dit echter klinkt en hoe vèrstrekkend de gevolgen
+zijn, het is toch hiermede zooals met veel ander verwonderlijks
+in de natuur: de verklaring is hoogst eenvoudig. De klier waarin
+de mannelijke levens-essens wordt uitgestort, kan willekeurig door
+de moederbij geopend en gesloten worden, of beter uitgedrukt, naar
+gelang der omstandigheden, die haar op dat oogenblik, hoewel onbewust,
+onverbiddelijk dwingen. Als zij naar de groote darrecel gebracht wordt,
+blijft de klier gesloten, en het ei ontsnapt zonder met den inhoud in
+aanraking te zijn geweest. Maar bij de nauwe werkstercel opent zich de
+klier, en het ei neemt in het voorbijglijden iets op van de kiemen,
+die het inhoudt. Zoo wordt enkel uit het kontakt der beide ouders de
+werkbij geboren; de dar is het produkt van de moeder alléén.
+
+Van dit eerste feit, de parthenogenesis, of geboorte van het volkomen
+ontwikkeld mannelijk exemplaar uit het maagdelijk vrouwelijk, kan niet
+veel anders gezegd worden, dan dat het een door de wetenschap, ook bij
+sommige andere insekten, gestaafd natuurverschijnsel is. Maar nu wij
+getuige zijn van de plaats, die de bevruchte koningin met haar fijn
+bewerktuigd organisme in den bijenkorf inneemt, is er voor ons nog veel
+meer op te merken; en hier vinden wij den sleutel voor het juist begrip
+van de geheele organisatie der bijenrepubliek. Het zou al heel vreemd
+zijn, indien de hoogste staatsaangelegenheden in handen waren gegeven
+aan die koningin, die met haar zwak intellekt juist de allerlaatste
+zou wezen om ze naar den eisch te behartigen, en wij zien dan ook,
+dat die post van vertrouwen haar niet gegeven is. De werkbijen, die de
+zorg voor haar op zich nemen na haar terugkeer van de paringsvlucht,
+beïnvloeden van dat oogenblik af al haar handelen en gedragingen. Wij
+hebben al gezien hoe zij over de raten geleid wordt van cel tot cel;
+hoe het haar in de vroege lente maar vergund wordt enkele eieren te
+leggen, terwijl zij er in den zomer vele duizenden mag afzetten;
+en hoe het getal in de tusschenperioden naar omstandigheden wordt
+verminderd of vermeerderd. Nu zullen wij nagaan hoe dat alles gebeurt,
+of in ieder geval onze gissingen zoo dicht bij de waarheid trachten
+te brengen als in dit moeielijk vraagstuk mogelijk is.
+
+Gedurende de twee eerste dagen nadat zij als volkomen insect uit
+de cel was gekropen, zagen wij de koningin, geheel aan zich zelve
+overgelaten, zich tusschen de menigte bewegen en zich voeden uit
+den algemeenen voorraad. Maar na hare bevruchting heeft zij een
+stoet van kamervrouwen, wier hoofdbezigheid is haar van voedsel te
+voorzien. Zij voeden haar uit hun eigen mond, en waarschijnlijk krijgt
+zij hetzelfde, kostelijke preparaat, dat haar in haar larvestaat
+in de cel werd toegediend. Dit voedersap bestaat voornamelijk uit
+honing en stuifmeel, vooraf verteerd; maar het is bewezen, dat de
+samenstelling willekeurig gewijzigd kan worden door de werksters,
+die het toedienen. Er kunnen bestanddeelen aan toegevoegd worden,
+afzonderlijk of gemengd in verschillende verhoudingen, uit drie of vier
+verschillende kliertjes, die elk voor zich een vloeistof afscheidt,
+in hoedanigheid van de andere verschillend. Het bijzonder voedsel,
+dat de eierleggende koningin gegeven wordt, dient tot het stimuleeren
+der eierstokken. Hoe meer haar van dit soort spijs wordt toegediend,
+des te overvloediger wordt haar eierafzet. Daartegenover staat, dat
+een vermindering van dat dieet een afneming naar verhouding van haar
+vermogen tot eierenleggen zal tengevolge hebben, terwijl wanneer dit
+voedzaam preparaat haar geheel onthouden wordt, en zij dus gedwongen
+is uit de algemeene honingcellen te nemen, gewoonlijk het eierleggen
+geheel gestuit wordt, en zoo gebeurt het ook in den koudsten tijd van
+het jaar. Zij is dus een instrument door de werkbijen bespeeld, en de
+toon, dien zij voortbrengt, beantwoordt aan hunne bedoelingen. Als de
+dagen lengen, en met de hooger rijzende zon de warmte komt, dan wekken
+zij haar volgzame natuur tot het vervullen van haar opperste taak. En
+in de weken van gloeiende zomerhitte is haar leven één feestmaal;
+komt daarna de herfst met zijn kille nachten en verflauwend zonlicht,
+dan nemen gaandeweg die overvloedige maaltijden af, en haar hofstoet
+slinkt en verspreidt zich, tot zij eindelijk weer de eenzame vergeten
+dolende is, die met de minste werkster uit de gewone dagelijksche
+honingnap moet spijzen.
+
+Hoe de verhouding der geslachten zoo onfeilbaar geregeld kan
+worden door den invloed der werksters op de moederbij, is niet
+zoo gemakkelijk te verklaren; en het kan voor het oogenblik nog
+maar alléén een vernuftige gissing zijn, een herleiden van gevolg
+tot oorzaak. Waarschijnlijk gebeurt het zich openen of sluiten der
+bevruchtende klier, waardoor het geslacht bepaald wordt, automatisch,
+en geschiedt dit ingevolge van de houding der moederbij gedurende het
+leggen. Als zij het achterlijf in de enge werkstercel steekt, wordt
+dit noodzakelijk geknepen en deze drukking gaat over op het kliertje,
+waardoor het ei dan bevrucht wordt. Maar in de wijdere darrencel komt
+die gedrukte houding niet voor, en het is dus waarschijnlijk, dat het
+ei onberoerd door de bevruchtingskiemen voorbij glijdt. Wordt deze
+theorie aangenomen, dan volgt daaruit van zelf, dat óf de moederbij het
+vermogen mist mannelijke eieren te leggen in de cellen, die speciaal
+voor het broeden van koninginnen gebouwd zijn, daar deze de grootste
+zijn van allemaal, óf, dat door eene bijzondere kromming in die cel
+haar lichaam gedrongen wordt, zich te strekken bij het afzetten van
+het eitje, zoodat het daardoor in dezelfde houding komt als in de
+nauwe werkstercellen.
+
+Hoewel deze theorie op het oogenblik de aannemelijkste is, moet het
+toch gezegd, dat zij door waargenomen feiten nog nooit bevestigd
+is geworden. Het schijnt, dat niemand nog ooit de moederbij in een
+koninginnecel heeft zien leggen, noch was ooit iemand getuige van
+het overbrengen van een werksterei daarheen. Wat voor goed al deze
+en dergelijke vragen tot zwijgen zou brengen is het vasthouden aan
+het oude geloof, dat de koningin de opperheerscheres is, en de kracht
+en de vermogens heeft van een alwijze despotische souvereine; dan zou
+het wonderbaarlijkste van haar verwacht kunnen worden. Maar hoe dieper
+men in dit uiterst belangrijke vraagstuk doordringt, hoe onhoudbaarder
+deze oude meening schijnt. Want met ieder uur krijgen wij de bewijzen,
+dat de moederbij een ondergeschikte en niet een heerscheres in den korf
+is; en even zeker blijft ons het alvermogen van de werkbijen. Alles
+wat in den korf gebeurt, geschiedt door haar collektieven wil en
+bemiddeling; en het zou zeker heel vreemd zijn als het levenselement
+der voortplanting niet onderworpen was aan dezelfde oppermacht.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+DE WERKBIJ, SOUVEREINE.
+
+
+Als wij op het hoogtepunt van het drukke seizoen het leven in de
+bijenkorven gadeslaan, dan zijn wij zeker sterk onder den indruk
+van den geest van onvermoeibaren ijver, die de geheele bijenrepubliek
+beheerscht; maar nóg meer treft ons het feit, dat er voor deze behoefte
+aan rusteloos werken zooveel uitwegen zijn: dat er tegelijkertijd
+zooveel verschillend noodzakelijk werk te doen valt.
+
+In den broedbouw zijn de broedbijen bezig de jonge larven te
+voeden, of ze reinigen de ledige cellen en verzegelen die, waarin de
+volkomen ontwikkelde nymfen zijn, om hun de rust voor de geboorte te
+verzekeren. In hare onmiddellijke omgeving zijn de zaaisters bezig
+aan het werk des levens; ze drijven hun zaad-kruiwagen, de koningin,
+voor zich uit over de raten. Ergens anders hangen de wasbijen in
+een zwijgenden kompakten klomp. Boven zien wij steeds het aantal
+honingraten toenemen; de metselaars trekken de celmuren op; de
+ingenieurs maken hun berekeningen, ondersteunen hier, stutten dáár,
+of brengen luchtbogen van de ééne raat naar de andere; ook breken zij
+in plaats van de oude straten nieuwe doorgangen uit, waar te groote
+ophoopingen in het verkeer ontstonden.
+
+Tusschen alles door gaan de zuiveraars onophoudelijk af en aan en
+nemen de kleinste portiekeltjes vuil meê en ruimen het op.
+
+Gevleugelde begrafenisdienaren dringen door de menigte met de
+lijken van hun kameraden, oud en jong, dragen ze naar den ingang
+en vliegen er mee weg in het zonlicht van den jongen lentedag. Dan
+is er het ventilatieleger buiten de poort, vernuftig in ploegen
+verdeeld, zóódat dag en nacht een bestendige luchtstroom in beweging
+is. De poortwachters houden een waakzaam oog op al de komenden en
+gaanden. En dan eindelijk nog het "Comité voor Algemeen Hulpbetoon",
+dat zich buiten de poort ophoudt, om waar 't noodig is bijstand
+te verleenen. Zij ondersteunen de te zwaar beladenen, reinigen de
+bezoedelden, rapen gevallen schatten van den grond op, en het schijnt
+wel of zij bovendien nauwlettend de weersgesteldheid opnemen voor hun
+volgend officieel rapport. Gedurende de uren van zonneschijn vliegen
+in ontelbare duizendtallen de honing- en stuifmeeldraagsters af en aan,
+sommigen met nektar, anderen tot bezwijkens toe geladen met stuifmeel,
+en weer anderen met volle waterzakken, en nog meer die dat merkwaardig
+cement, de voorwas, meebrengen, dat door de Ouden Propolis genoemd
+werd en dat voor zoo veel verschillende doeleinden wordt gebruikt
+bij het dagelijksch werk in de korven.
+
+En dit alles gebeurt met de regelmaat van een goed georganiseerde
+menschelijke kolonie. Er is veelvuldigheid, maar geen verwarring; er
+is spoed, maar geen haast. Iedere bezige ploeg heeft oogenschijnlijk
+een bepaalde juist omschreven taak te volbrengen, haar aangewezen
+door de centrale korf-autoriteit; en blijkbaar zijn in alles wat de
+belangen der republiek betreft, coöperatie en vooruitgang één met
+oorzaak en gevolg.
+
+Bij een nauwgezette studie van het bijenleven en met behulp van
+de nieuwe observatiekorven, komt men er heel gemakkelijk, ja
+zelfs onvermijdelijk toe, het oude begrip van absolute monarchie
+onder een koning of koningin over boord te gooien; maar niet zoo
+gemakkelijk komt men tot het begrip, hoe dan in werkelijkheid
+de kolonie beheerd wordt. Wij zien den geheelen dag door hoe aan
+alle kanten beraadslagingen gehouden worden over kleinere belangen;
+maar van een algemeene samenkomst valt niets te bespeuren. Hoe moet
+er dan beslist worden over de groote nationale gebeurtenissen: het
+uitzenden van een zwerm of het afzetten van een oude koningin? Hoe
+moet er voorzien worden in de verschillende staatscrises? De éénig
+aannemelijke gevolgtrekking uit alles wat men ziet, schijnt te zijn,
+dat iedere werkbij op zich zelf de tot absolute volmaking ontwikkelde
+vertegenwoordigster is van het republikeinsch principe, in wier
+innerlijk alle in het gemeenschapsleven voorkomende moeielijkheden en
+vraagstukken zijn opgelost, eene oplossing door de eeuwen beproefd
+en als de juiste bewezen, en die zij dus natuurlijk en onfeilbaar
+moet aanwenden. Zoo wordt er dus eene gemeenschappelijke behoefte
+gevoeld, waarin onmiddellijk voorzien wordt door een gemeenschappelijk
+erkenden maatregel. Het inzicht van één is noodzakelijk het inzicht
+van allen. En ieder voorkomend probleem in het dagelijksch leven
+vindt die ééne oplossing, die tot de uiterste volmaking werd gebracht
+door de ervaring van ontelbare geslachten en zij wordt individueel
+aangegrepen om in den gemeenschappelijken nood te voorzien; zooals de
+algemeen bestaande nooddrang "honger" door ieder individu afzonderlijk
+bevredigd wordt door: eten.
+
+Zulk een toestand zou zelfs in een gemeenschap van menschelijke wezens
+een zeldzaam hoogen staat van geestelijke, zoo al niet moreele,
+ontwikkeling in het individu te kennen geven. Want dit beteekent:
+de uiterste zelfverloochening in het belang van het geheel. En
+zelfs wanneer men er de sterk ingrijpende macht der erfelijkheid
+bij in aanmerking neemt, zou er toch nog voor de jeugd een strikt
+ascetische opvoeding moeten zijn en voor de volwassenen in geval van
+overtreding een onmiddellijke onverbiddelijke en zware boetedoening,
+wilde men den uitersten droom van het kommunisme werkelijkheid zien;
+dat is, het afschaffen van alle wetten en alle straf, en inplaats
+daarvan de natuurlijke heerschappij van wijsheid en recht. In de
+bijenrepubliek schijnt inderdaad een soortgelijke toestand te bestaan,
+de individueele werkbij lijkt wel gevormd te zijn door een dergelijk
+systeem, doorgevoerd gedurende een onafzienbaar lang tijdsverloop. Er
+is steeds volmaakte orde; de openbare werken worden geleidelijk en met
+ijver voltooid; de klok van den nationalen vooruitgang blijft geregeld
+tot op de seconde, en dit alles niet omdat er een centrale wijsheid
+heerscht, die plannen maakt, die beheert, en die de onwilligen in toom
+houdt; maar omdat iedere werkbij in zichzelf een miniatuurstaat is;
+omdat alle neigingen, vreemd aan den zuiveren gemeenschapsgeest,
+sedert oneindige jaarkringen bij haar zijn uitgedreven door de
+dwingende noodzakelijkheid.
+
+Doch de werkbij, zooals wij haar nu in de korven bezig zien, is
+evenzeer een vormsel van kunst als van de natuur, al zijn ook eeuwen
+van evolutie noodig geweest om haar tegenwoordige geesteskracht en
+lichamelijke geaardheid te bepalen.
+
+Wij hebben gezien hoe het ei, dat de vrouwelijke kiem draagt,
+wanneer het alle ruimte tot ontwikkeling gegeven wordt, het volkomen
+oorspronkelijke type voortbrengt van de vrouwelijke bij, dat in wel
+een dozijn opzichten van de werkbij verschilt. En ook de koningin
+is, in één harer eigenschappen ten minste--haar verbijsterende
+vruchtbaarheid--stellig een schepping van het korvenvolk, daar haar
+overproduktie door overvoeding wordt veroorzaakt, zoodat zij onder
+kunstmatige omstandigheden aan haar bestemming kan beantwoorden. Aan
+zichzelve overgelaten, in haren oorspronkelijken natuurtoestand, zou
+haar eierproduktie zeker op veel bescheidener schaal gebeuren. Maar de
+werkbijen hebben haar merkwaardigen bouw en geestelijke gesteldheid
+bijna uitsluitend aan de tusschenkomst der broedbijen te danken,
+van het oogenblik af, dat het eitje is uitgebroed. Een zorgvuldig
+onderzoek heeft bewezen, dat de koninginlarve en de werksterlarve
+volkomen gelijk zijn tot op de derden dag van hun bestaan in de cel,
+behalve dat de koningin sneller groeit, dank zij het ruimer en zwaarder
+voedsel. Na den derden dag beginnen de voortplantingsorganen zich te
+ontwikkelen bij alle larven, wanneer er met dit rijk stikstofhoudend
+dieet wordt voortgegaan. In het geval van de koningin wordt de larve
+van deze vooraf-verteerde voedingsstof, bijenmelk genoemd, rijkelijk
+voorzien tot het laatste oogenblik van haar larvenstaat, en het is
+haar uitsluitend voedsel.
+
+Bij de werkbij daarentegen wordt het rantsoen bijenmelk niet alléén
+ingekrompen zoowel in hoedanigheid als in hoeveelheid; maar nu,
+juist vóór het oogenblik, dat de ontwikkeling van de eierstokken
+zal beginnen, wordt er nog een belangrijke wijziging in de voeding
+gebracht: het rantsoen bijenmelk slinkt tot een minimum en er wordt
+gewone honing bij gegeven, echter in een even schrale hoeveelheid en
+tot aan het einde van het vijfdaagsche larvenbestaan.
+
+Welke andere invloeden er nog op de jonge bij komen inwerken
+op dit zéér gewichtig tijdstip van haar bestaan, is onmogelijk
+te zeggen. In ieder geval is de voedingswijziging een bewezen
+feit, en de gevolgen--òf hiervan alleen, òf in verband met andere
+behandelingswijzen--zijn zeker verwonderlijk. Niet alléén wordt de
+ontwikkeling der voortplantingsorganen in die mate tegengewerkt, dat
+er in de volwassen werkbij nagenoeg geen spoor meer van te vinden is;
+maar ook schijnt van dat oogenblik af de larve een totaal verschillend
+wezen te worden, dat steeds meer eigenschappen van de voedsters
+vertoont, en steeds meer gaat afwijken van de koningin. En wanneer
+de larve in den poptoestand overgaat, ontwikkelen zich organen,
+waarvan de koningin zelfs den geringsten aanleg niet heeft. Zoo
+krijgt zij haar bijzondere uitrusting voor buitenwerk in een paar
+stuifmeelkorfjes. Haar tong verlengt zich, zòo, dat hij den nektar
+bereiken kan in het diepst van de klaverbloemen. Zij zal een bouwbij
+worden en wordt daarom voorzien van een half dozijn smeltkroezen voor
+de wasbereiding. Haar noodelooze legboor wordt in een wapen verkeerd;
+hij wordt rechter en korter, en de haartjes waarmee hij bezet is
+worden grooter in aantal en harder; een kliertje, dat zich er aan
+bevindt, en dat bij de koningin een haast onschadelijk vocht bevat,
+vult zich hier met een scherp vergif. En bovenal ontwikkelt zij een
+intellekt, dat heel verre dat van de normale vrouwelijke bij, haar
+moeder, overtreft. Ten slotte wordt zij voorzien van een geheel nieuw
+systeem van aandriften en begeerten.
+
+Terwijl het natuurlijk element van de koningin het schemerduister
+van den korf is en het zou schijnen of zij den zonneschijn moest
+vreezen en haten, zoo is de werkbij aangewezen op de buitenlucht:
+licht en lucht zijn haar levensfeer. En als de koningin, hoewel
+haar bestemming nalevende, die haar overvruchtbaar deed zijn, toch
+niet de geringste vreugde in haar moederschap toont, noch éénige
+belangstelling in haar kinderen, werpt zich de werkbij op--hoewel
+tot eeuwige jonkvrouwelijkheid gedoemd--als de waarachtige moeder en
+verzorgster en opvoedster van al het broed in den korf. En de prijs
+geëischt voor de macht en het gezag, die zij zich verworven heeft,
+of die voor haar verworven werd door dat verre voorgeslacht, dat het
+eerst de geslachtslooze honingbij uitvond, die prijs wordt met hard
+geld betaald: met het leven zelf. Inplaats van het aantal jaren, dat in
+het begin de Natuur aan haar soort toestond, leeft zij nu nauwelijks
+zooveel maanden. Het noodlot en haar onbegrensde ijver maken haar rol
+in het leven te zwaar. Haar verminkt en tegelijk te fijn bewerktuigd
+lichaam, en haar overontwikkeld brein kunnen het niet lang uithouden
+tegen de sloopende kracht van het leven, dat zij te leven heeft. Enkele
+maanden, en dan bezwijkt zij onder het werk, of zij bereikt nog met
+de uiterste inspanning van haar versleten en uitgerafelde vleugeltjes
+het traditioneele kerkhof van den korf; of zij eindigt onder den
+doodslag van de staatsbeulen. Want het ouderdomsvraagstuk is sedert
+lang afdoend opgelost in de bijenrepubliek. Eene gerechtigheid, die nog
+onderhevig is aan medelijden, draagt onverbiddelijk het merk van eigen
+zwakte. Wanneer het beginsel: Ieder voor het welzijn van Allen, tot
+zijn uiterste logische spanning wordt gehandhaafd, dan staat medelijden
+met het individu gelijk met Jantje iets afnemen om het Pietje te
+geven. In de bijengemeenschap is het eenige levensrecht bruikbaarheid;
+dus moeten de oude, versleten, nuttelooze werksters gaan.
+
+Het is een merkwaardige studie, de ontwikkeling van het eitje van
+den werkbij door zijn verschillende stadia van groei te volgen
+tot het volkomen ontwikkeld insekt zijn cel verlaat. Het eitje op
+zich zelf is al heel merkwaardig; want het is van buiten zeshoekig
+beteekend. De groote samengestelde oogen van de volwassen bij
+hebben dienzelfden vorm. Ieder oog bestaat uit ongeveer vierduizend
+afzonderlijke lenzen, en iedere lens is een regelmatige zeshoek. Men
+heeft zich dikwijls verwonderd over het vernuft van de bouwbijen,
+die de cellen zeszijdig maken, waardoor dus een gegeven ruimte meer
+vertrekken bevatten kan, dan zij er zou kunnen opnemen, wanneer zij
+van een zelfde hoeveelheid materiaal in anderen vorm, welken ook,
+opgebouwd waren. De oude schrijvers verklaarden deze voorkeur voor
+de zeshoekige cel door de veronderstelling, dat de zes pootjes van
+de bij tegelijk werkzaam waren bij den celbouw, en ieder pootje zijn
+eigen deel van de cel construeerde. Maar een moderner verklaring is,
+dat de bijzondere vorm der cellen toevallig ontstond, of liever,
+dat de omstandigheden hier tot noodzaak werden: de gezamenlijke
+wederzijdsche drukking zou de cellen in den zeshoekigen vorm wringen.
+
+Nu is het zeker waar, dat erwten, in een flesch geweekt, bij het
+opzwellen dien vorm aannemen, maar men kan deze theorie niet aanwenden
+bij de honingraten. Want in het werk van de bijen bestaat zulk een
+drukken of samenwringen niet. Iedere cel wordt afzonderlijk gebouwd en
+vereenigd met de bovengelegenen, en de raat strekt zich naar beneden
+en terzijde vrij uit in de open ruimte, tot de gewenschte grens
+bereikt is. Een veel aannemelijker verklaring is, dat de zeshoekige
+vorm der cel door ervaring werd verkregen. De eerste raten kunnen
+uit ronde cellen gevormd zijn geweest en de tusschenruimte met was
+gevuld. Maar de bij, die in alles wat spaarzaamheid betreft ter dege
+is uitgeslapen, zal al heel gauw het ondoelmatige van die ronde cellen
+hebben ingezien. En zoo zou zij met den zeshoek, een vertrouwd motief
+trouwens in den korf, getuige het eitje en het samengestelde oog,
+al spoedig een beteren en meer wetenschappelijken weg zijn ingeslagen.
+
+Maar er is nog een anderen reden voor de zeshoekige cel, en minstens
+even belangrijk: de deugdelijkheid van dien vorm bij het broeden en
+het honing opleggen. Men moet begrijpen, dat het bestaand systeem
+van vertikale wanden, parallel en dicht opeen, gevormd uit tallooze
+kleine horizontale kamertjes rug aan rug, geen ideale inrichting is
+voor het kweeken van jongen en het opleggen van voedsel. Maar het is
+de beste oplossing in de omstandigheden waarin de bijen verkeeren,
+genoodzaakt als zij zijn in groote menigte, dicht op-één gedrongen,
+communistisch te leven. Lucht is een hoofdvereischte bij alles
+wat in den korf omgaat; maar vooral moet er lucht zijn voor de
+ontwikkeling der jonge bijen. Wanneer er een koningin moet gekweekt,
+dan krijgt zij rijkelijk versche lucht; doch met opoffering van veel
+kostbare ruimte. Maar voor de gewone soort, waarvan er soms tien- of
+vijftienduizend tegelijk in het broednest rijpen, kan natuurlijk geen
+dergelijke concessie gedaan worden. De jonge werksters of darren moeten
+zooveel lucht tot zich nemen als zij kans zien door de nauwe celopening
+te krijgen. Nu ademt de bij, in alle levensstadiën niet door den mond,
+maar door middel van luchtgaten (trocheeën) aan beide zijden van het
+achterlijf. Ware de cel rond, dan zou de larve, als zij uitgegroeid
+was, de geheele ruimte vullen, en de lucht zou moeielijk de trocheeën
+kunnen bereiken. Nu echter, hoe groot de jonge larve ook is, kan zij
+nooit de hoeken van den zeshoek geheel opvullen en die omringen dus het
+insekt met een half dozijn toegangen voor de versche lucht, tot aan den
+bodem van de cel toe; en zoo heeft de larve den vollen toevoer van de
+beschikbare lucht, al kan dat nooit meer dan een schrale voorraad zijn.
+
+Bij de honingcellen bewijzen de zes hoeken aan de cel een even grooten
+dienst. De ideaal honingcel zou er een moeten zijn met den ingang
+naar boven, zoodat zij op de gewone rationeele manier gevuld zou
+kunnen worden. Maar bij de wetten van strikte spaarzaamheid, die in
+de republiek van kracht zijn, is zulk eene inrichting ondoenlijk. De
+honingraten liggen in horizontale richting op elkander, en moeten
+dus aan den benedenkant gevuld kunnen worden. Nu zijn alle cellen
+in een raat een klein weinigje opgericht, maar niet voldoende om
+den vloeibaren inhoud binnen te houden indien de cel rond was. De
+hoeken van het zeskant nu versterken juist dat inhoudensvermogen en de
+ervaring heeft de bijen geleerd, hoe die eigenschap van hun zeshoekige
+cellen te ondersteunen, door ze even op te zetten; daardoor wordt
+dan het wegvloeien van den nektar onmogelijk.
+
+De werkbij ligt in den larvetoestand opgerold op den bodem van de
+cel; maar naarmate zij groeit, neemt zij een houding in de lengte
+aan met het hoofd voor de celopening. Deze houding is echter niet
+onveranderlijk; want zij schijnt bij tusschenpoozen een reeks wendingen
+of buitelingen te maken, waarschijnlijk om het afwerpen van de huid te
+vergemakkelijken; dit geschiedt verscheidene malen gedurende de vijf
+dagen van haar larveleven. Als die periode is afgeloopen, houden de
+voedsters op met het voedingsproces en verzegelen de cellen. Nu gaat
+de larve aan het werk; eerst spint zij zich een zijden kleedje, voordat
+zij haar langen slaap als pop begint, en dan werpt zij voor het laatst
+haar huid af. Bij de werkbij omsluit dat fijn bewerkt gewaad haar heele
+lichaam als een gesloten cocon. Maar de koninginlarve weeft zich maar
+een schamel jakje, dat alleen haar hoofd en borststuk bedekt, en het
+geheele ondergedeelte vrij laat. De gewone theorie om dit te verklaren
+is, dat wanneer de overtollige koninginnen in hun cellen vermoord
+worden door de aangenomen moederbij na hare bevruchting, de slachting
+gemakkelijker van de hand gaat door het ontbreken van het taaie spinsel
+der cocons om het lichaamsdeel, waarop de aanval gewoonlijk gericht
+is. Want het schijnt uitgemaakt, dat in een koninginnengevecht de
+angels niet op goed geluk worden gebruikt zooals bij de werkbijen;
+maar iedere koningin beproeft haar wapen aan te brengen in een van de
+trocheeën van hare vijandinnen, waarvan ieder er veertien bezit, zeven
+aan iederen kant. Zulk een steek schijnt altijd doodelijk te zijn.
+
+Maar waarschijnlijk moet de ware reden, waarom de koningin in
+een kort manteltje slaapt van taaie ruwe stof, opgespoord worden
+ergens terug in de oergeschiedenis van de honingbij. Ik geloof,
+dat wij veilig de gesloten werkstercocon kunnen beschouwen als
+een betrekkelijk nieuwe instelling, die zich ontwikkeld heeft ten
+gevolge van eenigen nooddrang, ontstaan sedert de bijen een beschaafde
+natie zijn geworden. Wat echter het oorspronkelijk begin er van was,
+ligt buiten het bereik van éénige gissing. Een merkwaardig feit is,
+dat deze cocons nooit uit de cellen verwijderd worden. Zij blijven
+vastgekleefd aan de celwanden, en hoewel de cel grondig gereinigd
+wordt nadat de jonge bij haar verlaten heeft, wordt er aan de cocon
+niet geraakt; die blijft er in als een eeuwige voering. En dit
+gaat zoo door alle opvolgende generaties heen, iedere bij laat haar
+bakerkleêren achter, tot er zulk eene opeenhooping van komt, dat de cel
+te klein wordt om iets anders voort te brengen, dan een minderwaardig,
+onvolgroeid geslacht. Bij in het wild levende bijen, als het nest
+in een hollen boom ligt en er gewoonlijk ruimte in overvloed is,
+kunnen de broedraten zoo noodig verlaten worden en, verder op, nieuwe
+gebouwd; en zoo wisselt het volk van jaar tot jaar zijn plaats. Deze
+natuurlijke bijennesten blijven soms heel lang in gebruik. Het is
+b.v. wel gebeurd dat er zwermen terecht kwamen in een huis onder de
+daksparren: zij bleven dan door veel geslachten heen ongemoeid. Eens
+werd er ook van een bijenkolonie verteld, dat zij vijf-en-veertig
+jaar aan één stuk op een vliering in een boerderij had gehuisd, en
+de legende ging, dat zij er verscheiden raten honing hadden opgepot;
+maar toen het nest werd uitgezwaveld, bleek er niet veel anders te
+zijn dan een opeengehoopte massa van raten, oude en jongere; van een
+paar weken oud tot een ongisbaar aantal jaren. Het grootste gedeelte
+was geheel zwart, en de cellen stikvol met poppencocons.
+
+Het feit, dat in die met cocons opgevulde cellen, al is de ruimte
+ook nog zoo ver ingekrompen, het eierleggen doorgaat als er geen
+leege beschikbaar zijn, weêrspreekt de theorie, dat van de grootte
+van de cel het al of niet bevrucht worden van het eitje zou afhangen
+als het door de koningin wordt afgezet. Men vindt soms heel oude
+darrenraten in gebruik voor broed, waar de cellen ingekrompen zijn
+tot de grootte van een normale werkstercel, en toch gaat de koningin
+voort met daarin onbevruchte eieren te leggen. Dit vraagstuk schuilt
+dus nog diep onder de raadsels.
+
+Na ongeveer drie weken, bij het begin te rekenen, kruipt de jonge
+bij uit de pophuid, en bijt zich een weg door de celsluiting. Het
+stuifmeel, dat voor deze dekseltjes met de was vermengd is, vervult
+een dubbele bestemming. Het maakt de was poreus, zoodat de lucht
+toegang heeft, en het dekseltje wordt er eetbaar door, zoo wordt
+dus het jeugdig insekt door honger naar de vrijheid gedrongen. De
+jonggeboren werkster, hoewel geheel volwassen, is een zwak, grauw
+getint, slap wezentje en blijft zoo nog een poosje nadat zij haar wieg
+verlaten heeft. Haar eerste aanvechting schijnt te zijn, zichzelf te
+adoniseeren, en daarna een inspektiereis te gaan maken in haar nog enge
+wereld van duister, rumoer en bedrijvigheid. Gedurende de twee eerste
+dagen doet zij niet veel anders dan onopgemerkt rondscharrelen tusschen
+de bezige menigte, steeds toenemende in kracht en stevigheid. De
+tweeden dag ziet men haar uit de open honing- en stuifmeel vaten
+nippen, waarvan er altijd enkele hier en daar tusschen de broedcellen
+zijn aangebracht. Daarna schijnt zij eindelijk te ontwaken tot het
+besef van haar plicht en verantwoordelijkheid; haar plaats is nu
+tusschen de werksters, en zij begeeft zich aan die verbijsterende taak:
+het voeden van de larven.
+
+In den gewonen loop van zaken verlaat de jonge werkbij den korf
+niet voor ongeveer veertien dagen nadat zij de cel uit gekropen
+is. Maar gedurende dat tijdsverloop heeft zij heel wat levenskennis
+op te doen en verscheidene vakken te leeren. Het schijnt dat al het
+binnenwerk in den korf door de jonge bijen verricht wordt in die
+eerste weken van hun bestaan. Op háár rust de geheele zorg voor het
+jonge broed. Zij bereiden de was en bouwen de raten; zij behartigen
+orde en zindelijkheid in den korf; zij zijn de honingbrouwsters en de
+pakhuisbewaarsters; zij voeden de koningin bij haar eeuwigen rondgang,
+en geven de darren hun dagelijks rantsoen bijenmelk; want het is
+uitgemaakt, dat de mannelijke bijen in hoofdzaak van de werksters
+afhankelijk zijn voor hun voedsel, en maar een klein gedeelte van
+hun dieet van de algemeene provisie betrekken. De oude bijen bezorgen
+het proviandeeren; maar het schijnt, wel, dat de jongen hen bij hun
+thuiskomst tegemoet komen en dat die den nektarlast, nadat dezen hem
+hebben uitgebraakt, in hun zakjes van hen overnemen, om ze dan weer
+in de provisieraten te ontlasten, in de hooger gelegen afdeelingen
+van den korf. Wanneer men ten minste op het drukst van den dag de
+voorraadkamer in een der korven opent, dan blijken er in het gedrang
+der diertjes, die zoo ijverig bezig zijn de cellen met deze versche
+lekkernij te vullen, zich haast geen oude bijen te bevinden.
+
+Niet vóór het begin van hun tweede levensweek leggen de jonge bijen
+hun eerste vliegproef af, en dan is het nog maar voor een paar
+minuten en op het heetst van den dag. Den ijmker is deze plotselinge
+middagbeweging in het late voorjaar en in den zomer heel goed bekend;
+in het begin nemen ook de darren in grooten getale deel aan het koor,
+maar na een poosje vliegen zij weg en wat er dan overblijft in de
+gonzende wolk, die men om alle korven ziet hangen en bewegen, zijn
+uitsluitend huisbijen, die van hun dagelijksch kwantum beweging en
+lucht genieten.
+
+Men heeft geconstateerd, dat de kliertjes voor de produktie van
+broedvoeder en ook de organen, die de was afscheiden, in 't bijzonder
+ontwikkeld zijn bij bijen van slechts een paar weken oud, terwijl na
+het verloop van de eerste maand deze organen sterk zijn ingekrompen. De
+bij begint gewoonlijk haar werkzaamheden als proviand-zoekster, zoodra
+zij veertien dagen oud geworden is; maar vóórdat zij het ernstige werk
+van het nektarzamelen onderneemt, moeten er waarschijnlijk nog wel een
+paar weken bijkomen. Bijna al de stuifmeeldraagsters zijn bijen in hun
+eerste volle kracht, en daarom bijzonder geschikt om zwaarder lasten te
+dragen. Maar nauwelijks is de werkbij toegekomen aan die opperste taak,
+het honingzamelen, of zij laat het stuifmeel met rust. Zoo is dus in
+een normale kolonie het leven van de honingbij, zoo kort als het is,
+zorgvuldig ingedeeld; in ieder levenstijdperk is er een vaste taak te
+vervullen, waartoe het individu juist dan het best geschikt is. Toch
+staat ook deze wet weer niet vaster dan eenige andere regel in de
+korven. Komen er in de gemeenschap krachten te kort en zijn er niet
+genoeg bijen van rijpen leeftijd om in te dragen, dan zullen de jonge
+bijen op een vervroegden datum aan het inzamelen gezet worden. Zoo
+ook wanneer de korf een tijd lang zonder koningin is geweest, en
+er daarom als de jonge koningin zich eindelijk gevestigd heeft maar
+weinig jonge bijen voor de verzorging van het broed beschikbaar zijn;
+dan zullen vele van de oude werksters thuis blijven, en zich met het
+broedwerk bezig houden, waaraan zij in gewone omstandigheden al lang
+ontgroeid zouden zijn.
+
+Er zijn vele zulke voorbeelden van vernuftige inschikking of aanpassing
+in het leven der honingbij. Dit schepseltje weet uitkomst in alle
+voorkomende gevallen; maar bij het werken met uiterste middelen in
+uiterste moeielijkheden toont zij zich toch in haar grootste kracht. De
+ergste ramp in een bijenstaat is het verlies van de koningin, op een
+oogenblik dat het onmogelijk is een plaatsvervangster aan te wijzen. De
+standaard van intelligentie zoowel als van karakter verschilt bij de
+bijen evenzeer als bij de menschen. Sommige volken werken harder en
+meer uren dan de rest. Anderen zullen met werken ophouden, wanneer
+zij meenen een voldoende provisie honing te hebben opgelegd, en dan
+schijnt er een geest van luiheid over zulk een volk te komen. En in
+enkele gevallen is er iets als een moreele kronkel in het nationale
+karakter; en dan gaan de bijen proviand rooven bij hun buren in plaats
+van hun eigen voorraad bijeen te brengen.
+
+Voortdurende ontstentenis van een koningin is een ramp, die bij
+verschillende volken verschillend werkt. Bij sommige is een hopelooze
+mismoedigheid het gevolg; alles staat stil, de lusteloosheid is
+algemeen. Er wordt niet meer gewerkt; de wacht trekt zich van de
+poort terug. De gemeenschap schijnt als één man het bijltje er bij
+neer te leggen en den ondergang af te wachten, met de volslagen
+hopeloosheid van gevonnisde misdadigers. Maar er zijn ook volken
+bij wie de algemeene ramp een prikkel wordt tot het scherpen van
+het vernuft en het vereenigen van alle geestkracht, een aangrijpen
+van alles wat tot uitkomst kan dienen. Bij bijen van een dergelijk
+temperament moeten wij gebeurtenissen verwachten als het kapen van
+eieren om de koninginnecellen mee te voorzien, wat wij hierboven al
+bespraken. Maar als uiting van tot de spits gedreven schranderheid,
+ook al is het het meest hopelooze van alle hopelooze bedenksels, is er
+niets te vergelijken bij het volgende probeersel: Het gebeurt soms als
+men een korf van binnen bekijkt, die niet alléén geen koningin heeft,
+maar ook niet de minste kans er een te kunnen kweeken, dat men dan
+onverwacht eenige mysterieuse eieren ontdekt. Ze zijn blijkbaar pas
+afgezet; maar niet op de oude rechtzinnige manier. Een normale koningin
+gaat van cel tot cel over een vrij regelmatige raatoppervlakte, en zet
+in iedere cel een eitje af; maar de eieren in dezen koninginloozen korf
+zijn op een zonderlinge onregelmatige manier verspreid, als gestrooid
+over de raten. Op de eene plaats zijn een stuk of drie cellen voorzien
+en ergens anders weer een paar, zonder eenigen schijn van orde of
+methode. Bovendien zijn er enkele cellen, waarin men twee of drie
+eieren vindt, terwijl de rest er ieder één bevat. Het schijnt of een
+geestelijk gekrenkte moederbij uit een anderen korf hier de wachten
+in den dut heeft gevonden en nu een clandestien uitstapje gemaakt bij
+het koninginlooze volk. Maar hoe men zoekt en speurt, een koningin
+is niet te ontdekken. De verklaring van deze abnormaliteit is, dat
+een van de werkbijen op de een of andere buitengewone manier haar
+verstorven voortplantingsorganen heeft weten op te wekken en nu in
+staat is geweest eieren te leggen. Maar hierdoor wordt het noodlot
+niet van den korf afgewend, integendeel zelfs verhaast. Want deze
+eieren zullen slechts darren voortbrengen, en er komen dus nog maar
+meer nuttelooze monden die gespijsd moeten worden. Eén authentiek
+gestaafd geval is bekend, dat de bijen in een korf zonder koningin een
+koninginnewieg gebouwd hebben en daarin feitelijk een van die eitjes
+brachten, die door een eierleggende werkbij waren afgezet. Men vond
+naderhand in die koninginnecel een dooden dar.
+
+Hoe onder den prikkel van zulk een nationale krisis zulk een
+eierleggende werkster verkregen wordt, is nog een punt van onderzoek;
+waarschijnlijk wordt de jongste bij uit de kolonie voorzien van het
+speciale koninginne voeder, en op die wijze worden dan misschien haar
+voortplantingsorganen, ten minste ten deele, ontwikkeld.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+EEN ANATOMISCHE ROMANCE.
+
+
+De moderne ijmker, die in de eerste plaats handelsman is--de man,
+die zijn bijen in kasten houdt naar de nieuwste eischen ingericht,
+alle gelijk in vorm en kleur, en op regelmatige rijen geplaatst--die
+man is geneigd zich alléén met de praktische zijde van zijn werk
+in te laten, en voelt een soort van kwalijk bedekte geringschatting
+voor alles wat niet onmiddellijk in verband staat tot wat voor hem
+de hoofdzaak bij de bijenkultuur is; de honingproduktie.
+
+Maar de bijenhouder, die tegelijk van bijen houdt, neigt juist
+den gansch anderen kant uit. Is de geest eenmaal ondergedoken in
+wonderen, zooals noodzakelijk gebeurt wanneer men in de studie van
+'t bijenleven onder de oppervlakte gedrongen is, dan wordt men in den
+wedren naar stoffelijk voordeel de man, die een manke knol zadelt. In
+een bijentuin overmeestert ons de hebbelijkheid van peinzen als de
+voortschrijdende paralyse, ongemerkt, maar onverbiddelijk. Het is
+één ding, op een mooien Junimorgen naar buiten te slenteren, pijpje
+in den mond, het kruiwagentje voor zich uit rollend, met het plan
+op een langen werkdag tusschen de korven; maar een tweede is het,
+dien langen werkdag ijverig vol te houden uren aanéén, terwijl de
+zon u in zijn loomen gouden greep heeft, en het aanhoudend droomerig
+gegons van de bijen op hart en geest blijft inwerken.
+
+Onder zulke verlokkende omstandigheden zakken de goede voornemens wel
+eens stilletjes weg, en dat is heel natuurlijk. De kruiwagen is een
+prettig zitje, en men kan hem in het dichtst van de lindenschaduw
+trekken. En dan wordt door het blauwe rookwolkje uit de pijp, dat
+langzaam naar boven drijft, juist die lust tot peinzen gewekt, dien
+wij noodig hebben te midden van zulk een rustelooze, onverbiddelijk
+slovende omgeving; en wat hindert ook één droomer op de honderdduizend
+werkers? Zoo komt het, dat het heel vaak piepende wiel tot rust komt
+onder de linden; de honing blijft voor de honingmakers; de gedachten
+volgen de bijen in den korf; of ook wel richten zij zich naar ver over
+de zee, waar de groote aanplantingen zijn, en het droge kruid dat
+nu het pijpje vult, ééns een frisch blad was in een zee van groen,
+geplekt met de kleur der bloemen; daarboven gonzen de bijen, wier
+voorgeslacht misschien van die zelfde plek voor Oud-Engeland over
+gekomen was, waar nu dit blad opgaat in rook, en rustig peinzen kweekt.
+
+Maar vooral op regenachtige dagen, wanneer er veel te doen valt
+binnenshuis, als de sektie-raampjes in orde moeten gemaakt, en de
+volle honingraten geleegd, dat zij naar de korven terug kunnen om den
+volgenden dag weer gevuld te worden, en nog zooveel andere bezigheden
+van die soort--dan is er een nog sterker bondgenoot voor de neiging
+om de gewone routine van ijmkerplichten in den steek te laten.
+
+Heeft echter de bijenman een mikroskoop, dan steekt hij zijn geweten
+in zevenmijls-laarzen; en gedurende zijn ganschen levensmarsch
+heeft hij dan niet veel kans meer het in te halen. Is het
+dagelijksch werk in den korf met het bloote oog al een zóó boeiende
+bezigheid, dat zij nalatigheid in plichten kweekt, de mikroskopische
+kennismaking met de korfarbeidsters zelf, en de bijzonderheden van
+hun verwonderlijke uitrusting, openen een heele nieuwe wereld van
+feiten en gedachten. Alleen onder een zéér sterke vergrooting kan
+men een denkbeeld krijgen van de juiste plaats der honingbij in de
+schepping. Wat zij werkt is duidelijk, zelfs voor een minder scherp
+waarnemer; maar de werkster zelf is ons niet anders haast dan het
+vaag visioen van een kristalvleugelig, sobergekleurd atoom, in een
+eeuwig bewegen in zon en wind; of van een haast niet te onderscheiden
+vlekje tusschen een krioelende menigte in ziedenden werkijver.
+
+Maar hier in de wereld van de mikroskoop openbaart zich de honingbij
+als een geheel nieuw wezen, en van lieverlede ontvouwt zich een
+geschiedenis, die in zijn soort het volmaakte Levensbeeld is. Niemand
+kan lang de verwikkelingen van het korfleven bestudeerd hebben zonder
+in te zien, dat een schepseltje, tot zulk een verscheidenheid van
+gecompliceerde werkzaamheden geroepen, noodzakelijk zelf een hooge
+ontwikkeling van geest en lichaam moet bereikt hebben. Maar komt het
+tot mikroskopisch onderzoek van de gewone werkbij, dan is zelfs bij
+den groensten nieuweling nog zelden de verwachting ook maar eenigszins
+de werkelijkheid nabijgekomen.
+
+Het ongewapend oog ziet een schijnbaar hoogst eenvoudig gevormd
+diertje--een bruin, tenger lichaampje, twee paar vleugeltjes,
+6 pooten zooals bij alle insekten, en een paar gebogen hoorntjes,
+als kleine dorschvlegeltjes, die aanhoudend in beweging zijn. Onder
+het glas echter verdwijnt al dat eenvoudige. Van het uiterste puntje
+van haar sprieten tot het behaarde uiteinde van haar angel, heeft de
+honingbij niets, dat niet duidt op een verbijsterend samengesteld plan.
+
+Als men op een drukken zomerdag zich bij een korf geposteerd heeft,
+dan wordt het eerst de aandacht getrokken door de stuifmeeldraagsters,
+die bij duizenden tegelijk komen aanzwoegen, met een groote, ovale,
+bontkleurige massa aan hun achterpootjes gekleefd; en zoo komt men
+er toe het eerst het stuifmeeldragend organisme onder den mikroskoop
+te bezien. Het blijkt nu, dat de zes pooten, die voor het bloote
+oog ongeveer alle hetzelfde waren, in drie paren verdeeld zijn,
+waarvan elk paar in konstruktie aanmerkelijk van de twee andere
+verschilt. Zóó ver is het er van af, dat zij eenvoudige pootjes
+zouden zijn, dat ieder uit niet minder dan negen deelen bestaat,
+en bijna ieder deeltje draagt een bijzonder mechanisme, noodig en
+onontbeerlijk in het dagelijksch leven van de bij. Men zou heele
+verhandelingen kunnen schrijven over de funkties van de menschelijke
+hand, en toch is de hand een heel eenvoudig samenstel vergeleken met
+de pootjes van de honingbij. De inrichting voor het bergen van het
+stuifmeel is aan de scheen van de achterpooten, die verbreed is en
+eenigszins uitgehold; rond die langwerpige holte is een franje van
+naar binnen gebogen borsteltjes, die er uit zien of zij alles vast
+konden houden. Maar vóórdat het stuifmeel in die korfjes gaan kan
+moet het verzameld en tot een bolletje gekneed worden. Eigenlijk
+zou men kunnen zeggen, dat het geheele lichaam van de bij bij het
+stuifmeelzamelen te pas komt. Onder zwakke vergrooting ziet men,
+dat haast geen deel van het lichaam niet dicht met haren is bezet;
+maar met het sterke objektief gezien, zijn die haren geen haren meer,
+maar het blijken in werkelijkheid veertjes te zijn, fijne werktuigjes
+in graatvorm, die het stuifmeel bij elkaar vegen, terwijl de bij in
+de bloem duikt naar den nektar, die op den bodem ligt.
+
+Bijna ieder lid van ieder pootje is voorzien van een kam van
+stijve haren, waarmee het stuifmeel wordt afgeschrapt en in het
+draagkorfje gebracht, nadat het met de tong bevochtigd werd, terwijl
+de achterpooten ieder een komplete roskam dragen. De poot is hier
+verbreed en plat, en aan één kant bezet met negen of tien rijen korte,
+sterke stekels, waarmee de bij haar lichaam afkamt, juist zooals
+een rijknecht een paard kamt. In gewone tijden zal zij zorgvuldig
+haar vrachtje stuifmeel opladen in de daartoe bestemde inrichting,
+vóórdat zij naar den korf terug vliegt, zoodat het onmiddellijk in de
+cel kan worden overgebracht. Bij de celopening aangeland, duwt zij
+ieder klompje er af met haar andere pootjes, maar het vastdrukken
+in de cel laat zij aan de proviandverzorgsters over. Er wordt hier
+niet geschift; stuifmeel van alle kleuren gaat in één en dezelfde
+cel en als die vol is wordt er een dun laagje honing over gesmeerd om
+het inwerken van de lucht te verhinderen. Maar dringt soms de tijd,
+dan blijft zij niet wachten om haar vracht samen te drukken; maar
+draagt die mee naar huis zooals ze is, en als zij dan aankomt is zij
+van top tot teen met goud poeder overdekt. Dan komen de huisbijen om
+haar heen en borstelen haar af, waarna zij onmiddellijk weer op een
+nieuwe vracht uitgaat.
+
+Het feit, dat insekten oogenschijnlijk met hetzelfde gemak onder
+tegen iets aan kunnen loopen als er boven op, is, omdat wij nu éénmaal
+gewoon zijn het dagelijks te zien, daarom niet minder opmerkelijk. Want
+de vlieg, die tegen een ruit oploopt, of onder tegen 't plafond aan,
+dankt haar vermogen van boven- en onderbeweging aan een zeer vernuftige
+inrichting. Men kan dit aantoonen aan het pootje van een bij. Het
+heeft een paar korte, stevige dubbele klauwtjes, waarmee zij zich
+vast grijpen op ieder vlak, behalve op de allergladste; het is ook
+door middel van die klauwtjes, dat de bijen zich in de korf tot die
+dichte trossen op klompen of kettingen kunnen vormen; zij hangen als
+het ware hand in hand in alle richtingen. Maar als de klauwtjes geen
+vat kunnen krijgen, dan komt de beurt aan een ander lid. Dit is een
+zacht, elastisch kussentje, altijd bedekt met een dikke olieachtige
+afscheiding. Bij het loopen zet de bij drie pooten tegelijk neer, en
+de kussentjes zuigen dan oogenblikkelijk vast als zij in kontakt met
+het gladde oppervlak komen; bij de volgende beweging komen de drie
+andere kussentjes aan de beurt, en de drie eerste trekken zich weer
+los. Maar ieder pootje kan zich ook vrij van de andere neerzetten en
+losmaken. Dit laatste gebeurt door het neerdrukken van de klauwtjes
+van datzelfde pootje.
+
+Ook aan ieder van de voorpooten heeft de bij een inrichting, die een
+heel belangrijke rol speelt. Het is een half cirkelvormig keepje,
+afgezet met een franje van stijve haartjes; wanneer het pootje nu
+omgebogen wordt, dan grijpt dit keepje met een merkwaardige projektie
+in het daarboven gelegen lid, en vormt daarmee een soort van oogje van
+ruwe ronding. Met dit fijn en doelmatig instrumentje reinigt zij haar
+sprieten, en doet dat heel regelmatig gedurende den geheelen bezigen
+tijd van haar leven, ongeveer zooals wij menschen onze oogen schoon
+houden door knippen met de oogleden. Met ditzelfde werktuigje maakt
+zij ook haar tong vrij van de aanklevende korreltjes stuifmeel.
+
+De vraag: hoe neemt de honingbij de sappen tot zich, waarvan zij
+honing krijgt, wordt door sommige populaire schrijvers over de natuur
+beantwoord met de verzekering dat zij ze opzuigt door een buisje. Maar
+deze zeer gemakkelijke generalisatie komt heel dicht bij een stellige
+onwaarheid. Een bijentong is geen buisje, tenminste zooals men dat
+woord gewoonlijk begrijpt. En zij likt den nektar zeker even dikwijls
+op, als zij ze opzuigt. Dat hangt geheel af van de hoeveelheid waarmee
+zij te doen heeft. Een nauwkeurige ontleding van de monddeelen van
+de bij, met behulp van den mikroskoop en een paar fijne naalden,
+maken spoedig de heele zaak duidelijk.
+
+Een schoonheid is zij niet--de honingbij--zoo van dichtbij
+beschouwd. Eindelooze arbeid, de natuur onderdrukt, het organisme
+mismaakt, dat alles werkt niet gunstig op uiterlijk schoon, bij
+geen van haar geslacht. Maar die sterke en bijna afschrikwekkende
+leelijkheid, die aldus dichtbij haast afzichtelijk wordt, vergeet men
+onmiddellijk, wanneer men haar verwonderlijken rijkdom leert kennen
+aan die andere schoonheid: die der praktische nuttigheid.
+
+Voor het bloote oog is de tong een helder bruin, glimmend dingetje,
+dat buiten haar mond uitsteekt, en dan naar beneden hangt, zoo ongeveer
+als de snuit van een olifant. Onder den mikroskoop blijkt het echter
+geen tong te zijn, in den gewonen zin; maar een voortzetting van de
+onderlip. Het bestaat uit zes of zeven verschillende stukjes die in
+de lengte kunnen worden bijeen gevoegd. Het middelste stuk is langer
+dan de andere en steekt uit met een harig spateltje; wanneer nu de
+overige deelen daaromheen sluiten, dan wordt het geheel feitelijk een
+buisje in een buisje. Het spateltje wordt ingeval van heel geringe
+hoeveelheden vloeistof voor het oplikken gebruikt, en de vloeistof
+gaat dan den mond binnen minder door eigenlijk zuigen dan wel door
+capillaire aantrekking; is er echter een boordevollen nektarbeker te
+ledigen, dan wordt het geheele tongmechaniek in gang gebracht. De
+strookjes voegen zich om het middengedeelte samen, en de vloeistof
+wordt door de tongspieren uit den bloemkroon getrokken, ongeveer
+zooals water door den zuiger van een pomp.
+
+Nu wij het kopje van de bij onder nauwkeurige observatie hebben,
+kunnen wij ons van allerlei bijzondere dingen overtuigen. De sterke,
+gebogen kaken, die zijdelings werken, zijn dubbel merkwaardig als
+hoofdfaktoren bij de wasbereiding, en als belangrijk hulpwerktuig bij
+het bouwen der raten. Maar het eerst wordt onze aandacht getrokken
+door de oogen en de lange sprieten, die op dorschvlegels lijken. De
+bij mag dan op haar leven zijn ingericht, of het leven heeft--door
+onverbiddelijke omstandigheden--háár gemaakt tot wat zij nu is,
+dit staat vast, dat haar organisme prachtig is aangepast aan haar
+levenssfeer. De groote samengestelde oogen met hun duizenden facetten,
+die ieder lichtelijk in richting afwijken, zijn zonder twijfel op
+vèr en verwijderd uitkijken ingericht. Door juist deze oogen kan de
+bij haar weg heen en terug vinden over afstanden van mijlen ver. Bij
+de werkbijen nemen de oogen het geheele zijgedeelte van den kop in;
+maar bij den dar zijn zij veel grooter en komen boven den kop geheel
+samen. Zoo neemt hij, terwijl hij dartelt in den zonneschijn, tegelijk
+den geheelen hemelboog in zijn gezichtsveld op, ieder oogenblik bereid
+een jonge koningin te achtervolgen met zijn liefdedrang.
+
+Maar deze groote veelvoudige oogen hebben weinig doel voor de bij,
+waar het kleine afstanden geldt of in het diepe schemer van de
+korven. Voor binnenshuis en dichtbij zien heeft zij drie andere oogen,
+ieder met één enkele lens, die in haar voorhoofd liggen, juist boven
+de antennae(sprieten). Het volksgeloof, dat de honingbij haar drukke
+en ingewikkelde werkzaamheden in absolute duisternis zou verrichten,
+is een dwaalbegrip. Waarschijnlijk is er altijd wel éénig licht, zelfs
+in de uiterste hoeken van den korf, genoeg ten minste altijd voor
+de oogen van de bij, al is het niet voldoende voor onze menschelijke
+gezichtsorganen.
+
+Maar de bij hangt ook niet van het gezicht alléén af bij het vervullen
+van hare verschillende opgaven. Het is wel zeker, dat bij haar
+ook de vier andere zintuigen een buitengewone ontwikkeling bereikt
+hebben. Tong en lippen zijn voorzien van uiterst fijn bewerkte organen,
+die wel niet anders dan smaakorganen kunnen zijn, en zelfs wie de meest
+oppervlakkige kennis van het bijenleven heeft moet het duidelijk zijn,
+dat de bij zeker de zintuigen voor reuk en gehoor bezit en zelfs zeer
+fijn. Waar de zetel dier organen ligt is nog niet uitgemaakt, en ook de
+verrichtingen der antennae kan men nog niet anders dan gissen. Maar wat
+deze laatste betreft is het toch zeker, dat zij een krachtig aandeel
+hebben in alles wat de bij verricht of onderneemt. Het is duidelijk,
+dat de antennae zeer fijne gevoelsorganen zijn; maar het is even
+duidelijk, dat zij nog veel meer beteekenen. Men heeft bevonden,
+dat zij niet minder dan zes verschillende werktuigjes dragen, die
+toch ieder hun bijzonder doel moeten hebben.
+
+De gangen der honingbij zijn al duizenden jaren nagegaan, en over
+de bij zijn meer boeken geschreven dan over alle andere schepselen
+samen. En toch kunnen wij veilig aannemen, dat onze kennis van hare
+vermogens en organisatie nog in de kindsheid is. De microskopisten
+hebben die voelsprieten ontleed en al hun verschillende deeltjes
+afzonderlijk bestudeerd; maar wat hun eigenlijke funkties zijn
+heeft men nog niet kunnen uitmaken of ten minste maar in heel geringe
+mate. Er zijn zekere haartjes over hun geheele oppervlakte gelijdelijk
+verspreid, die waarschijnlijk bij het voelen dienst doen. Maar er zijn
+nog andere haartjes of fijne kegeltjes, die hol zijn en een uiterst
+fijne zenuwdraad omsluiten; ook haartjes, die los staan in een holte;
+gekromde en geringde haartjes, en van verschillende lengte. Dan zijn
+er ook geheimzinnige putjes en verdiepinkjes, sommige open, andere
+bedekt met ongelooflijk dunne vliezen, die dan weer zenuwuiteinden
+bevatten, alléén met het sterkste objektief zichtbaar. En dat alles
+houdt verband met een zóó ingewikkeld zenuwstelsel, dat het den
+geduldigste en handigste onderzoeker van de wijs brengt. Is dan
+eindelijk alles onderzocht en beschreven, dan weet men per slot nog
+niets meer dan vóór het onderzoek.
+
+De antennae zijn zeker gevoelsorganen, en bovendien is het niet
+onwaarschijnlijk, dat door hen de bij ook hoort en ruikt. Dit zijn
+echter nog maar twee mogelijkheden uit vele. Want zeer zeker moeten
+wij aannemen, dat de honingbij meer zintuigen heeft, dan de vijf
+waarvan wij weten; en--het is maar raden--eenige van die geheimzinnige
+organen op de antennae, zouden gedachte-overbrengers kunnen zijn
+of ontvangers van draadlooze berichten. Want het verwonderlijk
+éénstemmig handelen der bijen kan een bewijs zijn van draadloos
+telegrafeeren--een overbrenging van gedachten door middel van de
+lucht--zooals tegenwoordig de menschen dit nu eindelijk ook kunnen. En
+misschien is dat, wat bij de menschen altijd hoog gehouden werd als
+een kenteeken van hun verheven standpunt boven het dier, het vermogen
+tot spreken, juist geheel verouderd en onbeschaafd, vergeleken met
+de geestestaal van de honingbij.
+
+Men zou zich nog een andere verrichting van de sprieten kunnen
+denken--een zich onmiddellijk en onfeilbaar vergewissen van kleine
+afstanden. Zij zouden heel gevoelige maatinstrumentjes kunnen zijn,
+niet mechanisch gebruikt als een meter of duimstok, maar door een
+inherente eigenschap, zooals bijv. ons gehoor de intensiteit van
+een toon zal schatten. Als dit zoo was zou er veel verklaard kunnen
+worden o. a. hoe de honingraten worden gebouwd, hoe de afmetingen
+van de cellen alle precies gelijk kunnen zijn, in vorm en grootte;
+hoewel er toch honderden metselbijen aan meewerken, en niet alleen
+gelijktijdig maar ook elkaar opvolgend, gaand en komend in 't duister
+en 't bezig gewriemel in den korf; en ieder begint van zelve en
+zonder aarzelen precies dáár waar haar voorgangster het heeft laten
+liggen. Terwijl dan de centrale divisie van de raat aangroeide,
+zich naar beneden uitstrekkend in alle richtingen en tegelijk de
+cellen horizontaal werden uitgebouwd, zou iedere bij door haar zin
+voor afmetingen kunnen weten, wanneer de grens van ieder kantje van
+de zeshoekige celbasis bereikt was, en hoe groot de hoek moest zijn
+waarmede zij af moest wijken naar de volgende bodemlijn.
+
+Iedereen, die een bij in haar vlucht volgt moet wel bijzonder getroffen
+worden door haar snelheid niet alleen, maar ook vooral door het
+zeldzame gemak en de losheid waarmede zij zich voortbeweegt. Behalve
+dat zij zich als een buitengewoon bedreven luchtschipper doet kennen
+is het ook duidelijk, dat zij zich met heel weinig inspanning in
+de lucht ophoudt en voortbeweegt. Haar vliegapparaat moet dus wel
+heel praktisch en volmaakt zijn; en toch, op het eerste gezicht,
+is het ons niet duidelijk hoe zij het er zoo goed afbrengt. Wie het
+vliegvraagstuk bestudeert en daarbij als punt van uitgang het vliegen
+van vogels neemt, op welk hoofdbegrip hij dan zijn systeem grondt en
+opbouwt, is gewoon vast te houden aan twee onmisbare hoofdfactoren
+in het vliegproces; 1e) een paar vleugels of een combinatie van
+aeroplanen en propellers die hem in staat stellen het toestel op
+te houden in de lucht en tegelijk het voort te bewegen, en 2e) een
+soort van stuurapparaat als de staart van een vogel. Maar voor zoover
+wij uit een eerste algemeen onderzoek begrijpen, schijnt er bij de
+bij geen stuur Mechanisme te bestaan en hangt zij dus bij al hare
+bewegingen in de lucht van haar vleugels af. Nu hebben de vleugels van
+een vogel afwisselende bewegingen. Zij kunnen tegelijk of afzonderlijk
+gebruikt worden en hebben hetzelfde vermogen tot excentrische stelling,
+zoowel in zichzelf als in betrekking tot elkaar, als de armen van een
+mensch. Maar de vleugels van een bij hebben die eigenschappen niet. Zij
+kunnen alleen die ééne beweging op en neer maken; ook werken zij
+symmetrisch; het correspondeerende paar beweegt zich tegelijk. Toch
+weet de bij zich in ontelbare van elkaar verschillende zwenkingen
+volmaakt goed te sturen, en bereikt hetzelfde wat de vogel met zijn
+veel meer samengestelde inrichting tot stand brengt. Dit probleem nu
+hangt samen met een ander, en die twee, zoo moeilijk ieder op zichzelf
+te verklaren zijn, saamgevat, heel gemakkelijk op te lossen. Insekten
+(ingesneden) worden zoo genoemd, omdat hun lichaam uit twee deelen
+bestaat, geheel los van elkander op een uiterst dun verbindingslid
+na. Wij zijn zoo gewoon dit als iets heel natuurlijks aan te nemen,
+dat maar heel weinigen er bij blijven staan, om over de beteekenis na
+te denken. Oogenschijnlijk is dit een zeer bezwaarlijke inrichting
+voor ieder levend schepsel. Maar bij de honingbij wordt het tot wat
+wij een ideaal ongemak zouden kunnen noemen; want haar honingblaasje,
+en al de samengestelde organen voor het bijenbrood en de voedermelk
+liggen in haar achterlijf, en er is geen weg daarheen dan door dit
+uiterst fijne lid. Dat moet een praktische oorzaak hebben, die alle
+bedenkingen te niet doet, of het zou zoo niet zijn; en wanneer wij
+deze zaak nu bestudeeren in verband met het bijzonder vliegsysteem
+van de bij, dan komen wij spoedig tot de juiste oplossing.
+
+Het is gezegd, dat de vleugels van de bij een volkomen symmetrische
+beweging hebben, en deze maar in één enkele vaste richting: n.l. op
+en neer in een rechten hoek met de lijn van het borststuk. Onder
+den mikroskoop gezien is ieder van de vleugels een doorschijnend,
+ondoordringbaar vlies, doorsneden met fijne adertjes. Nu loopt door de
+geheele lengte van de voorvleugels aan de bovenzijde een veel dikker
+en steviger ader en hierop, op dezen hoofdader, concentreert zich
+bijna de geheele kracht van de vliegspieren. Als ge nu verder kijkt,
+zult ge bemerken, dat de ondervleugels ieder een rij fijne haakjes
+langs den bovenkant hebben, terwijl de benedenkant van de voorvleugels
+teruggevouwen is. Bij het vliegen grijpen de haakjes van den eenen
+vleugel in het omgevouwen gedeelte van den anderen, en zoo worden de
+twee vleugels aan iederen kant van het lichaam automatisch verbonden
+en vormen daardoor één enkel oppervlak, dat weerstand biedt aan de
+lucht. Deze gecombineerde vleugel is over 't geheel zeer buigzaam,
+behalve aan den bovenkant waar de hoofdader hem stijft. En daar nu
+bij het vliegen de kracht zich alleen op dien gespannen bovenkant
+richt, die weerstand biedt aan de lucht, terwijl de rest van de
+vleugel buigzaam blijft, volgt daaruit, dat de geheele vleugel een
+bewegelijk, gebogen vlak wordt, waarvan de kromming, voorwaarts bij
+den neergaanden slag, ook voorwaarts blijft bij den opgaande, omdat
+de vlakkromming zich automatisch omwendt.
+
+Hieruit zal men begrijpen, hoe de buigzame vleugels van de bij gebruikt
+worden bij een vlucht rechtuit; maar nu is het nog niet duidelijk hoe
+zij zichzelve stuurt, bij het rijzen of dalen of zwenken, al naar het
+haar invalt; de vleugels toch zijn niet ingericht op onafhankelijke
+of onregelmatige beweging. En hier nu komt aan het licht waartoe haar
+lichaam dien bijzonderen bouw heeft. Het fijne verbindingslid tusschen
+het achterlijf en het borststuk is feitelijk een hoofdverbinding en
+wordt door een reeks van krachtige kruisspieren in beweging gebracht;
+de bij stuurt nu zichzelf in de lucht, door haar achterlijf als
+tegenwicht te gebruiken. Haar zwaar abdomen vóór en achteruit zwaaiend,
+of naar rechts of links, verlegt zij haar zwaartepunt en de krachtlijn
+van haar aeroplanen terzelfder tijd. Feitelijk houdt haar lichaam,
+dat het zwaarste deel is, zijn verticale stelling, en het lichtere,
+de vleugels dragende, borststuk wordt afgebogen. Maar de uitwerking is
+dezelfde; zij kan haar vlucht wijzigen in vele richtingen en op alle
+manieren, en het schijnt wel, dat deze vlucht op een veel eenvoudiger
+principe berust dan die der vogels.
+
+Een zeer moeilijk vraagstuk in het leven der bijen is ook hoe het
+mogelijk is, dat zij de temperatuur in den korf willekeurig kunnen
+wijzigen. Het stelsel van mechanische luchtverversching verklaart
+natuurlijk hoe het inwendige van den korf in de drukkendste zomerhitte
+koel kan blijven, maar het verklaart niet, hoe de temperatuur
+er van tijd tot tijd zoo plotseling verhoogd wordt. Dit gebeurt
+voornamelijk met de wasbereiding. Onder de platen van haar bronzen
+harnas heeft de werkbij zes ondiepe, maar breede holten, waaronder
+de waskliertjes liggen. Om die kliertjes tot werken te prikkelen
+schijnt er volmaakte rust en een zeer hooge temperatuur noodig te
+zijn, en gedurende het proces verbruiken de wasmaaksters een groote
+hoeveelheid zoetigheid. Men neemt gewoonlijk aan, dat de bijen zich zoo
+sterk mogelijk voeden met de rijpe honing uit den voorraad, vóórdat
+zij zich in hun guirlanden bijeenvoegen tot een tros; maar het is
+waarschijnlijker, dat het voedsel, dat gedurende de wasbereiding
+verbruikt wordt in hoofdzaak nektar is, zooals ze onmiddellijk
+uit de bloemen wordt ingezameld. Deze uitspraak wordt bevestigd
+door enkele proeven, die genomen zijn om de hoeveelheid voedsel te
+bepalen, gebruikt gedurende de produktie van een bepaald gewicht aan
+was. Toen de bijen bij honing alléén werden toegelaten, gebruikten zij
+er vijf of zes pond van gedurende den tijd, dat er één pond was werd
+afgescheiden. Maar kregen zij in dien tijd zuivere rietsuikerstroop
+dan werd er veel meer was gemaakt. De chemische samenstelling nu
+van verschen nektar en rietsuiker is ongeveer gelijk; maar gerijpte
+honing bevat feitelijk zoo goed als geen rietsuiker. En het is zeker
+te betwijfelen of de nijvere bij haar, met zooveel zwoegen verkregen,
+honingvoorraad zou opgebruiken, als zij haar doel zooveel goedkooper
+kon bereiken. Ook moet men wel in het oog houden, dat de natuurlijke
+tijd voor den ratenbouw samenvalt met den rijkelijksten nektaroogst.
+
+Deze plotselinge temperatuurwijzigingen schijnen zeer gemakkelijk te
+weeg gebracht te worden door een algemeene versnelling der ademhaling;
+en er is niets, dat zoo zeer de verwondering van den bijenstudent
+gaande maakt, als het ademhalingsapparaat van de bij, zooals het zich
+onder den mikroskoop vertoont. Door middel van hare vele tracheeën is
+zij feitelijk in staat haar geheele fysisch systeem onmiddellijk van
+lucht te voorzien. Voor zoover de mannen der wetenschap hebben kunnen
+vaststellen, is er geen vezel of zenuw in haar geheele lichaam, die
+niet bereikt wordt door die fijne vertakkingen van de luchtkanalen,
+welke in direkte verbinding staan met de hoofdluchtvaten in het
+onderlijf. Het ademhalen schijnt voor de bij een willekeurige beweging
+te zijn. Zij doet het alléén maar wanneer het noodig is, en wacht
+dan soms weer drie, vier minuten lang. Maar is het in den tijd van
+de wasafscheiding of het zwermen, dan is door den geheelen bijenklomp
+heen de sneltrillende beweging van het ademhalen duidelijk zichtbaar,
+en de temperatuur van den korf klimt dan soms tot een dozijn graden
+boven het normale cijfer.
+
+Het ademhalingssysteem der honingbij is ook nauw verbonden met de
+geluidorganen. Ieder, wien men zou vragen het geluid, dat de bij
+maakt, te beschrijven, zou waarschijnlijk zeggen, dat zij gonst
+of bromt, of zoemt, en daarmee uit. Maar voor den bijenvader is
+dat jammerlijke vaagheid. Het geluid, dat de bij maakt, is niet één
+stem; maar een geheel koor; en zij beschikt over een omvang van wel 1
+1/2 oktaaf. Ieder van haar veertien tracheeën en ook ieder van haar
+vleugels kan een toon voortbrengen, en deze tonen kunnen eindeloos
+wisselen in hoedanigheid, intensiteit en hoogte. Men overdrijft niet
+als men zegt, dat de bij een even goed musicus is als welke vogel ook;
+maar in den korf gaat de stem van het individu op in de symphonie van
+het geheel, en men krijgt moeilijk een indruk van haar bekwaamheden
+als soliste.
+
+Het geluid-toestel in de tracheeën is wel het meest ingewikkelde
+van de geheele anatomie der honingbij. Het is zeer samengesteld, en
+ingericht op een groote verscheidenheid van tonen. Ook de vleugels
+kunnen toonreeksen voortbrengen naar boven en naar beneden, in verband
+met de snelheid hunner trillingen; en zij maken ook dat eigenaardig
+sissend geluid, dat men "gonzen" noemt. Wànneer men ook naar de muziek
+in den korf luistert, voelt men zich steeds gedrongen te gelooven,
+dat de bijen niet alleen een individueel verkeer onderhouden met die
+groote verscheidenheid van toon en geluid; maar dat bovendien die
+algemeene zang, die uit allen tegelijk schijnt te komen, bepaald den
+oogenblikkelijken stand van zaken in den korf moet uitdrukken. Een
+voorspoedig volk geeft aan zijn bevredigend bezig-zijn een uiting,
+die niet te miskennen is. Het is een diepe, sonore, blijde toon,
+als het gelijkmatig loopen van een goedgesmeerde machine, waarvan
+ieder wiel zijn snorrende melodie tot de harmonie van het geheel
+bijdraagt. Zwakke of hongerige kolonies geven een weifelend afgebroken
+geluid, een klaagstem vol zorg over de toekomst. Heeft een korf zijn
+koningin verloren, dan moet het den geoefenden ijmker, als hij aan het
+vlieggat luistert, niet moeilijk vallen den ramp te raden. Bij een
+volk zonder koningin heerscht rumoer en gewar van oneenige stemmen
+en van raadgevingen door elkaar; het gewone volle geluid van het
+bevredigend werken zwijgt, en er gaat een alarmkreet door den korf als
+bij een paniek. Wanneer men stilletjes een korf opent en met geringe
+stoornis de koningin wegneemt, dan kan het soms een poosje duren,
+voordat de bijen hun verlies gewaar worden. Maar eenige volken,
+waarmede die proef genomen werd, gaven zich onmiddellijk rekenschap
+van hun gemis en plotseling brak het moordgeschreeuw los. Een van
+de opmerkelijkste dingen in het bijenleven is het onderscheid in
+intelligentie en wakkerheid bij de verschillende volken. Een bedaard
+en saai volk ontdekt het verlies van zijn koningin soms eerst na
+vrij langen tijd. De gewone werktoon gaat onveranderd voort, tot zij
+eindelijk besef krijgen van het gebeurde. En dan volgt het eigenaardige
+schrille geluid, dat al het andere overstemt, tot de kolonie weer
+tot rede komt en overgaat tot het kweeken van een nieuwe koningin.
+
+De stem van den dar is dieper en schorder dan die van de werkbij,
+tengevolge van zijn grover lichaamsbouw en zijn luider gonzen wordt
+verklaard door het grootere oppervlak van zijn vleugels.
+
+De koningin heeft, terwijl zij vliegt, ook een diepere en meer
+schorre stem; maar daarbij heeft zij nog een eigen geluid, aan alle
+bijenkenners de geheele wereld over zeer vertrouwd. Men hoort het
+gewoonlijk juist even vóór het uittrekken van den zwerm. Er zijn oude
+ijmkers, die zeggen, dat zij den datum waarop het zwermen zal beginnen
+vooruit kunnen bepalen, door te letten op de bijzondere kreten van
+de koningin. Men hoort ze veel in stille nachten kort vóór het begin
+van den zwermtijd; als men met het oor aan het vlieggat luistert,
+kan men ze boven alles uit herkennen. Het is een schril gepiep, altijd
+weer herhaald, en dikwijls beantwoord door andere zwakkere tonen. Hoe
+het wordt voortgebracht is nog niet vastgesteld; maar waarschijnlijk
+gebeurt het, doordat vleugels of pooten sterk tegen elkaar gewreven
+worden, ongeveer zooals bij de sprinkhanen en krekels. Het schrille,
+sterke geluid komt van de oude koningin, en wat zij er mee meent
+is duidelijk. IJverzucht en strijdlust zijn over haar gekomen, en
+gaan uit naar de jonge prinsessen, die nog in de cellen gevangen
+zitten. Het klinkt als een uiting van verstikte woede terwijl zij
+door celwachten tegengehouden wordt; en het zwakker antwoord komt van
+de gevangen tegenpartij, die even hard naar den strijd verlangt als
+zij. Die oude ijmkers zijn nooit ver mis met hun berekening. Als het
+zoover gekomen is, is de krisis op handen en met den komenden dag zal
+zeker de emigranten-stroom uitvliegen om een nieuw tehuis te zoeken,
+de oude koningin onweerstaanbaar met zich medevoerend.
+
+Wij hebben gezegd, dat de broedbijen, wier taak de geheele verzorging
+van het jonge broed is, de larven uit hun mond voeden met een dikke,
+witte vloeistof, zeer toepasselijk bijenmelk genoemd. Gedurende al den
+tijd, dat de voedsters met dit werk bezig zijn, eten zij zelve flink
+honing en stuifmeel; zoodat het lijkt of de bij de macht heeft hare
+spijsvertering onmiddellijk te doen werken; zoo te verstaan, dat zij
+het eene oogenblik zichzelve voedt en onmiddellijk daarop het voedsel
+verteerd weer kan uitbraken om er de larven mee te verzorgen. Er is nog
+een andere bijzonderheid aan de bijenmelk. Bij nauwkeurig onderzoek
+is gebleken, dat zij zeer verschillend is van samenstelling. De dar,
+de werkster en de koningin worden alle in hun larvetoestand er mee
+gevoed; maar de zelfstandigheid is niet dezelfde; en niet alleen
+verschilt die bij ieder soort van larve; maar ook wordt zij gewijzigd
+voor den leeftijd. De bij moet dus haar spijsverteringsorganen geheel
+en willekeurig kunnen beheerschen. En hoe zij deze netelige zaak tot
+stand brengt, kan alleen een goede mikroskoop ons leeren.
+
+Misschien is er in de geheele anatomie van de bij niets
+verwonderlijkers dan haar spijsverteringstoestel, met zijn
+bijbehoorende verzameling van klieren, die alle hun bijzondere en
+belangrijke bestemming hebben. Als zij den nektar uit de bloemen
+tot zich neemt, gaat die onmiddellijk in de eerste van haar twee
+magen, die niet anders is dan een reservoir. Hierin kan de bij hem
+naar willekeur bewaren; zij kan hem weer opgeven en in de raatcellen
+ontlasten voor de honingbereiding, of zij kan hem door een klapvliesje
+in den bodem van het reservoir naar de lager gelegen maag laten gaan,
+waar de spijsvertering plaats heeft en honing en stuifmeel in melksap
+omgezet worden. Maar door een der vernuftigste inrichtingen van de
+natuur kan die tweede maag ook haar inhoud aan den mond teruggeven
+en het melksap wordt daar tot bijenmelk voor het voeden der larven.
+
+De werkbij heeft in het geheel vier verschillende klieren, die
+ieder een vloeistof afscheiden, verschillend in samenstelling van de
+andere. Deze klieren liggen alle in den mond. Twee ervan hebben een
+gemeenschappelijke opening aan den bovenkant van den tongwortel;
+en terwijl de bij den nektar tot zich neemt, mengen zich hun
+afscheidingen automatisch met het bloemensap. Dit is de eerste stap
+van nektar naar honing. Het derde kliertje ligt boven in den mond en
+de afscheiding hieruit is het, die op het teruggegeven melksap werkt
+en het verandert in bijenmelk. Het vierde kliertje, eindelijk, is
+dubbel; en deze dubbele klier heeft zijn opening onder aan de kaken,
+zoodat het kauwen noodig is om de afscheiding op te wekken.
+
+Het klapvliesje tusschen de boven- of honingmaag en de beneden-
+of melksapmaag, is rekbaar, en de bij kan naar willekeur dit
+teleskoop-achtige voorwerpje binnen door de honingmaag heen uitstrekken
+tot aan de keelopening, zoodat de inhoud van de lager gelegen maag
+zich in den mond kan uitstorten zonder in aanraking te komen met
+de zoetigheid, die in het reservoir bewaard wordt; en dit vooraf
+verteerd voedsel is ten allen tijde verkrijgbaar voor de larven,
+en tot voeding voor de darren en de koningin.
+
+Wij hebben gehoord, dat het voedsterwerk uitsluitend door de
+jonge bijen wordt verricht gedurende hunne twee eerste levensweken
+ongeveer. Daarna gaan ze voor het eerst op fourageeren uit, beginnen
+met het stuifmeel en laten dat weer in den steek, als zij hun vollen
+wasdom bereikt hebben, voor het nektar-gaâren. De volwassen werksters
+nemen geen deel aan de larven-verzorging, behalve in heel zeldzame
+gevallen. In verband hiermee is het opmerkelijk, dat het kliertje
+boven in den mond die het melksap in bijenmelk helpt omzetten, alléén
+in zijn volkomen ontwikkeling is gedurende de eerste levensweken
+van de werkbij. Heel spoedig daarop vermindert zijn werkzaamheid,
+en bij de oude werksters sterft het bijna geheel af.
+
+Het klierensysteem voor de spijsvertering van de honingbij is door de
+wetenschappelijke naturalisten vrij nauwkeurig onderzocht; maar er is
+toch nog veel onverklaarbaars in, vooral wat de kliertjes betreft,
+die aan de kaken verbonden zijn. Het vocht, dat door die kliertjes
+wordt afgescheiden--blijkbaar een zeer sterk zuur--wordt in hoofdzaak
+gebruikt om de ruwe was, die hard en stroef is, tot het zachte,
+taaie materiaal te vormen waarvan de raten gemaakt zijn. Tot een
+zekere hoogte dient het ook bij de bereiding van het broedvoeder in
+vereeniging met de afscheiding uit het kliertje boven in den mond. Het
+wordt ook met het stuifmeel vermengd, wanneer dit gekauwd wordt,
+en doet zeker nog in veel meer gevallen dienst; maar niemand heeft
+nog kunnen ontdekken, waarom die twee kliertjes zoo geweldig sterk
+ontwikkeld zijn bij de koningin, die toch noch aan de verzorging van
+het broed noch aan den ratenbouw deelneemt. Voor den gewonen lezer
+is dit alles van betrekkelijk weinig belang; maar voor den bijenman
+met een mikroskoop behoort het tot de gewichtige onderwerpen van
+discussie. Als het verschil tusschen koningin en werkster--en het
+is evenzeer een verschil in bouw als in ontwikkeling--inderdaad
+wordt veroorzaakt door verschil in de hoeveelheid en de hoedanigheid
+van het voeder aan de larven verstrekt, dan kan het belang van de
+werking dezer kliertjes niet overschat worden en men kan ze niet
+nauwkeurig genoeg bestudeeren; want dan zijn zij niet anders dan
+de levensbron zelve. Maar staat het wel vast, dat de invloed door
+de voedsters op de jonge larven uitgeoefend, beperkt blijft tot
+het voedsel alleen? De werkbij heeft, behalve de reeds gemelde,
+op verschillende plaatsen in haar lichaam nog verscheidene andere
+eigenaardige organen en klierstelsels, waarvan de beteekenis en
+het gebruik nog niet is opgehelderd. Hoe meer wij haar merkwaardige
+uitrusting bestudeeren, hoe minder het ons gerechtvaardigd schijnt
+dogmatisch hare verrichtingen te begrenzen, of ze te bepalen tot
+eenig speciaal orgaan in die geheele samengestelde inrichting. Het
+oude beweren, dat er niets onveranderlijk vaststaat in het bestaan der
+honingbij slaat zoowel op haar lichaamsbouw als op hare levenswijze;
+en het is niet onwaarschijnlijk, dat wat wij morgen zullen weten,
+veel van het zorgvuldig verzameld weten van heden te niet zal doen.
+
+De anatomie van de honingbij, die wij zien als de afschaduwing
+van een groot plan, brengt ons met haar verrassende organen, haar
+avontuurlijke kleur in een sfeer van romantiek; en die kleur behoudt
+zij wanneer wij ten slotte de bij nog gaan zien als een gewapende, die
+een zóódanig moordwerktuig verbergt, als in den menschelijken geest
+niet is opgekomen er een uit te denken. Het lange, kromme zwaard van
+de koningin, dat zij zoo zorgvuldig bewaart, en dat niets ter wereld
+haar ooit bewegen zou te gebruiken tegen een anderen vijand dan een
+van koninklijken rang, is verder eigenlijk niet veel anders dan een
+huiselijk meubel. Maar de angel van de moedige werkbij is, onder den
+mikroskoop gezien, een vreeselijk vernielingswerktuig. De populaire
+wetenschap beschrijft hem gewoonlijk als een van weerhaken voorziene
+giftige dolk in een scheede, en daarbij wordt dan de afgezaagde
+vergelijking gebruikt, dat, bij dien dolk vergeleken, de allerfijnste
+naainaald een grove ijzeren bout lijkt. Maar die scheede is fantasie,
+wat men met een beetje moeite spoedig ontdekt.
+
+De angel van de bij bestaat uit drie afzonderlijke lancetten, elk
+uitgetand als zaagjes, en die onafhankelijk van elkaar uitgestooten
+kunnen worden. Het middelste en breedste van de drie is aan de éene
+zijde uitgehold met aan weerszijden een opstaande kant, die over
+de geheele lengte doorloopt en aan de zijde van de beide anderen
+bevindt zich in de lengte een groef, waarin de opstaande kanten van
+het derde sluiten. Zoo gelijkt dus die angel op een drievoudig zwaard,
+dat één geheel is maar waarvan de drie deelen in elkaar glijden. De
+zaagdolkjes dringen achtereenvolgens in de wond, steeds dieper als
+met voorbedachten rade, nadat de eerste stoot gegeven is. En dit is
+dus een verfijnd oorlogshulpmiddel, waarbij de springende granaten
+maar een plompe brutaliteit lijken. Toch is dit nog niet alles. Om den
+doodsteek nog dubbel zeker te maken moet deze karaktersterke amazone
+het gevest van haar drievoudig zwaard vullen met een subtiel vergif
+en haar glijdend mekaniek zóó besturen, dat dezelfde beweging, die
+de punten achtereenvolgens naar voren drijft, ook het geheele wapen
+drenkt in het venijnige vocht.
+
+De neiging, pijnlijk wetenschappelijk te worden, en deze dingen met
+de zuivere belangstelling van den onderzoeker, buiten alle fantasie
+om te handelen, ontvangt hier voor goed haar doodsteek. Want wie
+zich eenmaal rekenschap heeft gegeven van de doodende kracht van
+den angel der honingbij, kan dat niet meer logisch aannemen als een
+opmerkelijke voorziening der natuur, en er God gemoedelijk voor
+prijzen. Hij moet er een beteekenis in voelen, die oneindig veel
+verder strekt. Dit vernuftig samengestelde wapen van de verminkte
+en in haar geslachtsontwikkeling gestuite werkbij, dankt zijn
+bestaan evenzeer aan weloverwogen kunst als aan de natuur; of zij,
+die het werken van de Almacht in de korven gadeslaan, moeten wel
+verwonderlijk verdoold zijn in hun begrippen. Aan de koningin-moeder,
+van wie wij kunnen zeggen dat haar fysiek organisme vergelijkenderwijs
+bijna niet afwijkt van het oorspronkelijke type, zien wij bij het
+lichaamsdeel, dat met den angel der werkbij overeenkomt, een absoluut
+verschillende inrichting. De legboor van de koningin is langer; zij
+is gekromd; de weerhaken zijn klein en onbeduidend; de vloeistof in de
+afscheidingsklier is in 't geheel geen vergif; maar een dikke, troebele
+zelfstandigheid, vermoedelijk bestemd om de eieren vast te kleven op
+den celbodem. Hij is ook voorzien van een paar stompe werktuigjes,
+met gevoelige haren bezet, die met den legboor samen dienen om
+het eitje veilig op zijn plaats te brengen. De werkbij heeft die
+voelers ook aan weerszijden van haar angel; maar verkeerde ze tot een
+wreeder bestemming: het opzoeken van de verwondbare plekken bij haar
+vijanden. En wat een geduchte verandering heeft haar wil, of die van
+hare voedster-moeders, bewerkt in haar geheele wezen! Zij ruilde het
+voorrecht van het moederschap en meerdere levensjaren tegen een bestaan
+van maar enkele maanden en een deel in het beheer der gemeenschap. En
+zij moet bereid zijn het welzijn van den staat te bevorderen door de
+werken van den oorlog zoowel als die van den vrede. Daarom is het,
+dat zij positief heeft medegeholpen de ploegschaar te verkeeren in
+een kanon. Een kleine verandering in haar voeder in haar prille jeugd,
+een onzichtbaar druppeltje uit een klier, die men niet anders dan met
+de sterkste vergrooting van het sterkste glas kan waarnemen--en met
+de andere veelvoudige veranderingen in haar bouw en karakter komt
+ook dit wonder onmerkbaar tot stand. De buis, die de eieren afzet,
+wordt kort en recht; de onbeduidende insnijdingen worden geduchte
+zaagtanden, bestemd zoowel om vast te grijpen als te dooden. De
+onschadelijke kleefstof, die de eieren vastlegt, wordt verscherpt
+tot een venijnig gif. En dan is het moordtuig gereed tot den dienst
+tegen alle honingvrienden, de erfvijanden van de korven. [6]
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI
+
+HET MYSTERIE VAN DEN ZWERM.
+
+
+De bekende "Meizwerm", het ideaal van den ouden ijmker, is hard
+op weg zijn roem te overleven. Met de moderne korven en de moderne
+methoden, al brachten zij nog niet het einddoel: het afschaffen van
+alle natuurlijk zwermen, is toch dit bereikt, dat het den ijmker nu
+mogelijk is die geweldige levensopbruisching in de korven van jaar
+op jaar tot een veel later datum te verschuiven. Want verre van dat,
+zooals vroeger, een tijdige zwerm een voordeel geacht zou worden,
+is het den wetenschappelijken bijenteler nu gebleken, dat het zeer
+zeker een nadeel is en zelfs een schande voor zijn kunnen. Maar de
+bijen, hoe gemakkelijk zij ook te ontmoedigen zijn, zijn moeilijke
+scholieren. Trots ruime korven en een zorgzamen ijmker, die steeds
+bereid is een opvolgende reeks van jonge, vruchtbare koninginnen te
+verschaffen, en ten allen tijde hun huis geheel nieuw te meubeleeren,
+gaan de bijen toch voort met dit dolle spel van schierlookeren in
+het groot. En nog altijd staat daar dan de bijenvader, een beeld
+der wanhoop, midden tusschen zijn kostelijke inrichtingen; terwijl
+zijn eigendom om zijn ooren gonst of hoog opwiekt in de lucht, even
+onherroepelijk verloren, als het water dat een jaar geleden het
+molenrad deed draaien.
+
+De ijmker noemt het zwermkoorts; en een koorts is het zeker. De
+oorzaken zijn lang geleden nauwkeurig omschreven in preciese en
+algemeen aangenomen zinnen. Overbevolking; het verlangen der bijen een
+oude kwijnende koningin kwijt te raken; de opwinding van de koningin
+zelve als mededingsters dreigen; het natuurlijk instinkt der kolonies
+zich te vergrooten en te vermeerderen, alles en nog wat--behalve de
+eenig duidelijke en afdoende reden dat de bijen zwermen onder een
+plotselingen, hevigen aandrang, omdat zij "het niet laten" kunnen.
+
+De geschiedenis van den Sioux-Indiaan, die als kind al gewonnen
+was voor de beschaving; die, òverontwikkeld, òververfijnd, met een
+hoogen graad aan de universiteit, het sieraad werd van een beroemden
+leerstoel, en die ineens de brui er van gaf, zijn kleêren afgooide,
+zich beschilderde en met zijn stam wegstormde het oorlogspad op--die
+geschiedenis doet ons een parallel aan de hand voor het gedrag der
+bijen in den zwermtijd. Het instinkt kan geen deel hebben aan zulk
+een inkonsekwentie, zulk een dollen levensovermoed en teugellooze
+uitbundigheid. Maar juist aan de rede is het eigen, bij tijd en
+wijle zoo schitterend onredelijk te zijn; en hier toont zich de
+honingbij het echte kind van haar afkomst. Zij, de koude, strenge,
+die het lot dwingt uit eigen keuze en aandrang, die zich verhard
+heeft om te kunnen dringen naar de frontlinie van het leven, in een
+onwrikbaar heenspringen over de hindernissen, over hart en haard--zij
+wordt plotseling weer tot de oorspronkelijke bijenvrouw, gedachteloos,
+zorgeloos en tuk op joligheid, die in één dol moment het goed vergooit,
+in zooveel nijvere dagen bijeengegaard.
+
+Want men kan onmogelijk het zwermen beschouwen als een schakel te meer
+in de ketting van nuchter berekenende bijenwijsheid. Het is duidelijk
+een terugval, een loslaten van de alwijze gemeenschapskunde. Gedurende
+één enkel uur in haar slovend, vreugdeloos, volmaakt leven, gooit zij
+al haar deugden over boord en stormt weg--als de Sioux-Indiaan--om te
+zwelgen in den stroom van verboden geneuchten, zonder met de kosten
+te rekenen. Juist als de gemeenschappelijke onthouding hare eerste
+vruchten opbrengt aan voorspoed, en de korf overvol is van burgers
+en bezittingen, dan komt die koorts over hen en breidt zich uit als
+een prairiebrand. En toch is het op dit tijdstip, dat de wetten der
+voorzichtigheid ieder kind van de moedergemeenschap zouden gebieden
+pal te staan aan haar zijde, om haar te houden op de hooge plaats,
+die zij verkreeg door onverpoosden, harden en strengen arbeid,
+en met opoffering van tallooze levens. Maar de herinnering aan den
+voortijd is ontwaakt en die roep is niet te weerstaan. In het begin
+der tijden maakte de Natuur de honingbij tot bewoonster der tropen,
+waar geen noodzaak bestond voor gesloten huizen om de koude te weren,
+en geen reden om een voorraad op te leggen voor de magere dagen; want
+het land was overvloeiend van honing. Het bijenleven in die verre
+eeuwen is niet anders dan dansen in den zonneschijn, en de eenige
+arbeid voor de bijenvrouw was naar de naaste rijkelijk voorziene
+bloemkroon te vliegen, als haar broed voedsel behoefde. Maar eene
+afkoelende aarde, de toenemende noordwaartsche koers van het ras,
+en ten slotte de dwaasheid van haar eigen wijsheid--het intellekt,
+dat zich tegen zich zelf keerde--, alles werkte samen om haar oud,
+weelderig paradijs en haar zorgeloos leven voor haar verloren te doen
+gaan. De dar echter, omgekeerd redeneerende met de wijsheid van zijn
+eigen dwaasheid, maakte eene andere schikking met de Natuur. Hij hield
+vast--en tot elken prijs--aan zijn leven van weelde en gemakkelijke
+genoegens, en liet zijn maat ongestoord haar eigen gang gaan, zijn
+oogen sluitend voor eene nieuwe noodzakelijkheid. Het werken en de
+verantwoordelijkheid verzuurden en verharden hààr en scherpten meer
+en meer haar vernuft; en hij, met zijne afhankelijkheid van het
+vrouwendom, werd gaandeweg veranderd in een schepsel, overgegeven
+aan luiheid en het leven der zinnen. En toen hij er eindelijk toe
+kwam zich rekenschap te geven van de gevolgen, was het te laat. Het
+matriarchale gemeenebest was gegrondvest, omheind door een wal van
+giftdolken. Zijn hartewensch was geweest een dar te zijn, en nu was
+het darrendom--de loutere teeltkracht--hem voor goed toegewezen. Zoo
+zou het misschien ook voor de menschen een gerechte straf zijn, als zij
+in een volgend leven datgene voor eeuwig toegezegd verkregen, waarvoor
+zij vruchteloos hun geheele leven lang hun gebed hadden opgezonden;
+zóó weinig is mensch en dar in staat de dingen te onderscheiden,
+die duurzaam zijn in leven en dood.
+
+Maar dìt lot moet wel het ondragelijkst zijn: de eigen eeuwigheid met
+wijsheid te hebben gewild en schoon te hebben gevormd en dan, daar
+wij slechts menschelijk, of tenminste redelijk, zijn, te bevinden,
+dat haar goedheid werkelijk geleidelijk gaat, vast van kleur, overal
+ondoordringbaar, zonder dat er ergens een enkele blijde verbreking
+of scheur is, om de eentonigheid af te wisselen. Het is niet te
+verwonderen, dat de honingbij "zwermt" en holderdebolder breekt uit
+haar gevangenisleven van regelmaat, fatsoenlijken arbeid en kille
+maagdelijke deugdzaamheid, en in dolheid uitgaat, om een uur te hebben
+van uitzinnige pret en jool, zooals haar zusters uit den oertijd het
+van dag tot dag beleefden, toen er nog geen korven waren, en toen het
+moederschap nog geen voorrecht was van één op de dertigduizend, en
+toen de zon nog hoog en blij in den hemel brandde het gansche, lange
+tropische jaar. Het is gemakkelijk wijs en matig wetenschappelijk te
+zijn in het verklaren van dien koortsigen aandrang der bijen als een
+juisten en overwogen stap in den algemeenen ontwikkelingsgang. Maar
+is het niet vóór alles de Natuur, de verkwijnde geslachtsgeest, die
+ontwaakt, of tenminste even woelt, in haar eeuwenlangen slaap? In
+de zwoele Augustusavonden dringen de jonge koninginnen van de
+mierenhoopen in ontelbare duizenden naar buiten om de mannetjes te
+ontmoeten en het roodachtig zonlicht is vol van het glinsterend leven
+van hun vleugels. Dit is "zwermen" in den waren zin. Het vleugellooze,
+arbeidzame, ondergrondsche bestaan volgt: maar de liefde-vlucht van
+de mieren, zoolang als zij duurt, is daarom niet minder een echte
+en hevige vreugde. En zonder twijfel is de zwermkoorts, die op zoo
+vreemde wijze en zoo ongelegen het korfleven aangrijpt, er één mee,
+naar natuur en geest, ofschoon de oorspronkelijke bedoeling en waarde
+al reeds lang geleden in de tijden zijn verloren gegaan.
+
+De éénige in de geheele menigte, die voor zichzelve alléén het
+volle recht van haar geslacht erft, schijnt dikwijls de aanzetster
+tot de revolutie. Zeer zeker is zij soms degene, die het eerst dat
+verlangen, die koortsige onrust ontwikkelt, en ze langzaam aan op de
+geheele kolonie overbrengt. Hier komt het verschil in den bijenaard
+scherp in het licht. Sommige korven vertoonen dezen rusteloozen
+geest gedurende vele dagen vóórdat de zwerm uitgaat; terwijl bij
+de anderen de groote opstand, voor zooverre hij het meerendeel
+der bijen bevangt, een plotselinge, ònoverdachte daad schijnt te
+zijn, gebeurend in ééns te midden van de algemeene tevredenheid
+en werkijver. De voorzorgsmaatregelen voor het kweeken van nieuwe
+koninginnen worden altijd bij tijds getroffen; maar dit is waarlijk
+het werk van de voorzienige, bedachtzame oude bijen in den korf
+voor wie het kommunisme sedert lang een vaste en aangenomen ramp
+is geworden. Men mag veronderstellen, dat de bijen, die eindelijk
+den zwerm zullen vormen, hun geheime begeerte gevoed hebben van het
+oogenblik af, waarop de koningin het eerst teekenen van wispelturigheid
+begon te vertoonen: zij veronachtzamen dan al hun oude plichten,
+eerst innerlijk, dan inderdaad, en ten laatste, als de stemming van de
+koningin het hoogtepunt bereikt heeft en haar werk in den korf zoo goed
+als verlaten is, dan gooien zij potlood, troffel en kalkbak neer en
+stroomen naar buiten in een wilde, opgewonden bende, gedreven door een
+verlangen, dat zij evenmin in staat zijn te weerstaan als te begrijpen.
+
+In de studie van het bijenleven komt men voor vele vragen te staan,
+maar zelden vindt men antwoorden voor alle. Indien de bevruchting van
+de koningin slechts éénmaal in haar leven gebeurt, en de natuur dit als
+voldoende bedoelt voor het geheele tijdperk van haar vruchtbaarheid,
+dan is het niet gemakkelijk in te zien, waarom zij met den zwerm uit
+zou gaan. Het is bewezen, dat zij niet in zulk een strenge afzondering
+leeft als algemeen geloofd wordt, en men weet, dat zij nu en dan korte
+uitvluchten maakt gedurende haar legtijd. Daarom kan de begeerte
+om na een lange gevangenschap het licht weer te zien, niet worden
+aangevoerd als reden voor haar met den zwerm mee te vliegen. En het is
+aannemelijker te veronderstellen, dat de geslachtelijke drang opnieuw
+in de koningin wordt opgewekt, juist zooals het dan voor den eersten
+maal bij de werkbij schijnt te gebeuren, en dat bij allen de tocht
+wordt ondernomen als een paringsvlucht, een zwak overblijfsel van
+een rasgewoonte, die lang verdween, en die het meest gelijkt op het
+paringszwermen van de mieren. Men moet in gedachte houden, dat ofschoon
+de koningin door een enkele bevruchting ongetwijfeld in staat wordt
+gesteld beide geslachten van haar soort voort te brengen gedurende
+verscheidene jaren, men niet onherroepelijk kan bewijzen dat zij den
+dar nooit meer onder éenige omstandigheid zou ontmoeten. Er is niets
+in haar lichamelijk samenstel, dat een tweede bevruchting uitsluit,
+hoewel dit voor denzelfden dar onmogelijk is; om meer redenen dan
+die ééne afdoende--dat hij sterft in het huwelijksuur.
+
+Prettig is het, in de oude bijentuinen, waar de "zwerm in Mei" nog een
+feit en een levend gebeuren is, in de rozige schaduw der bloesemende
+appelboomen op het zwermen te wachten en dan over bijen te praten. Geen
+bezigheid die zoo de zenuwen stilt en de ziel verfrischt. Er is nog
+nooit een bijenhouder geweest, ouderwetsch of modern, die het dáár te
+druk voor had, wel te verstaan natuurlijk, als ge hem maar te gemoet
+kwaamt met begrijpen, en even prikkelbaar waart als hij op het punt
+van afdwalen van het allerbelangrijkste onderwerp. Men krijgt er heel
+gauw genoeg van, de wonderen van het bijenleven te openbaren aan een
+onkundigen en min of meer angstigen bezoeker, en er is zeker niemand,
+die daar zoo slecht tegen kan als de ijmker van de oude school. Zelfs
+in het allerrustigste bijentuintje, waar niet anders geteeld wordt
+dan het zuiver Engelsche ras, zijn er altijd een paar stekelige
+individuen, die u zullen uitvinden in uw schaduwhoekje onder den
+appelboom, en er zijn evenveel kansen vóór als tegen, dat ze u bij de
+geringste aanleiding een dolksteek zullen geven. Zijt ge een bijenman,
+dan blijft ge onverschillig onder al die vijandelijke naderingen;
+ge blijft rustig luisteren naar het gebabbel van den ouden man,
+terwijl ze tegen uw oogleden gonzen en in en uit uw oor kruipen. In
+dat geval zal het saaie spelletje ze gauw vervelen, en ze wieken
+weer weg zonder kwaad te stichten; de draad van 's ijmkers verhaal
+blijft dan onverbroken. Maar de onervaren bezoeker is een lastpost
+in die tweeledige eenzaamheden. Hij maakt schutterige bewegingen,
+trekt herhaaldelijk zijn hoofd terug, slaat wild met zijn handen
+om zich heen, of, als hij van harder metaal gesmeed is, gaat hij
+steil rechtop zitten, waar hij los en rustig moest blijven leunen
+en luistert met een allerpijnlijkste beleefdheid en een half oor,
+zoodat de stroom van welsprekendheid onmiddellijk opdroogt, en hij
+zich even welkom gaat voelen als Banquo's geest op Macbeth's gastmaal.
+
+Wie ééns gewoon is tusschen de korven te leven, kan hun muziek niet
+goed meer missen. Op warme dagen, zoo 's winters als 's zomers, is
+altijd het zachte dreunen van dien droomerigen zang in de lucht;
+en even drukkend als een dans zonder begeleidenden vedelaar, is
+voor een bijenman het slenteren in een tuin met enkel zwijgende
+bloemen en groenten. Terwijl ge nu in dat appelbloesempriëel naar
+de zwermen zit uit te kijken, komt die volle toon, dat bekorend
+geluid, tot u, als de serene stem der bevrediging. Hij doordringt
+het zonnelicht; tempert het ruischen van den zwakken wind, die door
+de boomtoppen gaat; rijst en daalt als het verre geluid van de zee in
+een zomernacht. Dit is de werkzang; de zwermzang heeft een heel ander
+geluid. Het geoefende oor voelt den val, die plotseling intreedt,
+zoo sterk als een pistoolschot, hoewel de onkundige misschien geen
+verschil zou hooren. De oude bijenman breekt plotseling zijn verhaal
+van beroemde honingjaren, een half menschenleven geleden, af, grijpt
+pan en sleutel en spoedt zich door den tuin. En terwijl ge hem op
+de hielen volgt vertelt hij, dat het weer de oude groene kast is,
+die altijd den eersten Meizwerm gaf al zooveel jaren lang. En dan
+beginnen sleutel en pan het tinkelende deuntje.
+
+De ouderwetsche bijenkultuur is niet altijd op enkel strooien korven
+aangewezen; bijenkasten, zonder natuurlijk de moderne inrichting, zijn
+haast even oud als de strookorf; en de korven in dezen tuin hebben
+alle dien ouden kastvorm. De oude groene kast blijft trouw aan haar
+roep. Zij is al het middelpunt van een wervelende bijenmassa en ge
+ziet een dichten zwarten stroom uit het vlieggat dringen, in zóó'n
+wilde haast, dat ge nauwelijks kunt onderscheiden wat ge ziet. En de
+oude wilde trekzang wordt steeds sterker en dieper van toon; een vol
+vibreerend ondergeluid, dat op geen anderen natuurklank gelijkt. En
+wat het zeggen wil voelt ge duidelijk genoeg, terwijl ge daar staat
+in het door een wolk van ontelbare vleugeltjes verduisterd zonlicht,
+medegesleept in de algemeene opwinding, met een gevoel of ge opwerkt
+tegen een stormenden zuidwester. Want ieder individu van die twintig
+of dertigduizend bijen, die daar als uitzinnig rondwervelen boven
+uw hoofd, ieder van hen zingt zijn stoutsten en luidsten zang. En
+dit Gargantuakoor heeft maar één beteekenis: het is zuiver jubelen;
+maar geharmoniseerd. Een blijde, wilde vrijheidshymne, alsof nog nooit
+een enkele van al die bijen de weelde van een Engelschen mei-dag met
+zijn zonneschijn heeft gevoeld.
+
+De groote huissleutel, een wichtig, ouderwetsch stuk metaal, slaat met
+zwaar getinkel tegen de pan en de zwerm rijst hooger en hooger in het
+blauw. Dan trekt zich gaandeweg de blauwe bijennevel bijeen, tot een
+klein zwart wolkje, als afgedreven van een vergeten donderbui. En nu
+zeilen zij langzaam noordwaarts, en de wiekende vleugeltjes vangen
+oplichtend de zonnestralen als in een net van zilver. Dan zwenken
+zij weer om, recht de zon in het oog en vervormen zich tot een zwart
+warrelend lijnenspel: snorrende wieltjes in wielend insectenleven,
+draaiende wieltjes, die de draden spinnen van een weefsel, dat een
+geheel volk zal bekleeden, en zij snorren als nooit eenig ander
+spinnewiel.
+
+Maar het begin van het einde is nabij; de tijd van zingen is haast
+gedaan. De oude bijenman staakt zijn bovenaardsch geklingklang, gooit
+sleutel en pan weg, en wijst naar den hoogsten tak van een jongen
+appelboom. Ge ziet hoe er een zwart kluwentje bijen, niet grooter dan
+een duivenei, aan vastkleeft. Een oogenblikje later is het dubbel
+zoo groot als een vuist, en onmiddellijk daarna weer tweemaal zoo
+groot, terwijl van alle richtingen de bijen toestroomen. Nu is het
+zoo groot als een litermaat, en de tak buigt zich langzaam onder het
+gewicht. In ongelooflijk korten tijd heeft zich de geheele zwerm in een
+klomp bijeengetrokken; zij hangen aan elkaar als een lange, bruine,
+glinsterende sigaarvormige tros, die haast tot aan den grond reikt,
+en met het wilde, blijde gezang is het nu voor goed gedaan.
+
+Er is haast iets spookachtigs in zulk een zwerm, zooals zij daar
+hangt, zachtjes heen en weer zwaaiend in de zon, een dood onbewegelijk
+ding, waar alleen maar een paar enkele bijen omheen gonzen. Zoo kort
+geleden was nog het heele tuintje één roezemoezig bewegen, nu is er
+een vreemde stilte over dat alles gekomen, en men ontkomt niet aan den
+indruk van een terugval, een drukkende reactie, als een ontgoocheling;
+alsof het geheele geval maar een doldwaze escapade geweest ware,
+waarover de bijen zich nu hartelijk schamen. Als wij het zwermen
+mogen beschouwen als het doorbreken van een oeroude herinnering en
+een plotselingen onweerstaanbaren aandrang om een ingewortelde, maar
+sedert lang verloren gegane gewoonte te doen herleven, dan valt het
+ons ook niet moeilijk, die zeer duidelijke verandering van stemming te
+verklaren, die nu over de uitgewekenen gekomen is. Want toen zij nog
+in den korf opeengepakt waren, een gistende, koortsig beroerde massa,
+toen scheen alles mogelijk wat nu in 't klare daglicht de grootste
+dwaasheid blijkt.
+
+
+ "Hevige vreugden hebben hevige einden
+ En sterven in hun zege."
+
+
+En nu is daar de komende dag met zijn zorgen en bezwaren: de
+wisselingen van weer en wind, waarin het leven moet mogelijk gemaakt;
+een woning is noodig, en beschutting voor de koningin--voor haar,
+die nu het eenig bezit is van dit ééns zoo rijke volk. Er staat zware
+arbeid voor de deur, zwaar genoeg om de overmoedigsten onder hen tot
+bezinning te brengen. De opgewondenheid ging zooals zij kwam; zoo ooit
+is het nu zaak voor de honingbij zich een redelijk wezen te toonen.
+
+De meeste bijenhouders zijn van meening, dat de bijen hun toekomstige
+woonplaats al te voren hebben uitgekozen, soms al verscheidene dagen
+vóór de zwerm uittrekt. En het is onder hen een bekende handigheid om
+dan leege korven in de tuintjes te zetten, die ook heel dikwijls de
+zwervende bijen aantrekken. Men ziet er enkele losse bijen om heen
+vliegen als op verkenning en de korven aan een grondig onderzoek
+onderwerpen. Deze verkenners verdwijnen weer en na een onbepaald
+tijdsverloop, van een paar minuten tot een paar uren en zelfs dagen,
+daalt plotseling een heel leger bijen uit de lucht neer en neemt
+bezit van de nieuwe woning. Als kort na de komst der verkennende
+bijen de hoofdmacht verschijnt, dan zijn de spionnen waarschijnlijk
+uitgezonden door een zwerm, die zich al ergens tot een tros gevormd
+heeft; maar ligt er een lange tijdsruimte tusschen, dan moeten zij al
+uitgezonden zijn op zoek naar een nieuw verblijf, vóórdat de zwerm
+was uitgetrokken. Hoewel nu de groote massa van den zwerm enkel met
+dien overmoedigen geest behept is, en er voor hen niets anders schijnt
+te bestaan, dan de drang om naar buiten te komen en pret te maken, is
+het toch waarschijnlijk, dat er verscheidene van de oudere en wijzere
+bijen zijn, die op een soort van zakelijke manier, met bedaardheid en
+ernst, het geheele geval behandelen, zooals zij iedere andere dagtaak
+zouden verrichten. En dus mag die oude opvatting, dat er in een korf
+"ondergeschikte luitenants, kapiteins en goeverneurs" zijn, niet zoo
+ver bezijden de waarheid blijken. Dat die verkenners zeer zeker worden
+uitgezonden om een geschikte plaats voor de nieuwe kolonie te vinden
+òf vóórdat de zwerm uitgaat òf als zij zich buiten al samengetrokken
+heeft, is een feit, en er zijn dus in ieder geval eenige bijen,
+die in de chaötische verwarring hun zinnen bij elkaar houden.
+
+En tot die wijze maagden moet ook de koningin gerekend worden, ondanks
+het feit, dat zij in de algemeene onrust en opwinding deelt. Al eenige
+dagen vóor den grooten uittocht heeft zij het eierenleggen gestaakt, en
+die beheersching maakt haar zoo omvangrijk en zwaar, dat zij dikwijls
+nauwelijks kan opvliegen. Het doel daarvan is, dat zij des te meer tot
+leggen bereid zal zijn, wanneer het nieuwe tehuis is ingericht. Men
+heeft opgemerkt, dat alle zwermende bijen welgevulde honingzakjes
+meêdragen; en dat het inladen voor de reis juist plaats heeft vóór dat
+het signaal tot vertrekken gegeven wordt. Er is heel veel verschil in
+de houding van verschillende bijenstanden gedurende den zwermtijd,
+en nauwgezette waarnemers hebben niet altijd zekere teekenen kunnen
+ontdekken, dat een bepaalde korf op het punt was te gaan zwermen. Maar
+dit schijnt wel vast te staan, dat op het oogenblik vóór het zwermen
+ongeveer al de bijen van dien korf thuis blijven, zelfs terwijl al de
+andere kolonies in de volle beweging van het inzamelen zijn. Uit zulk
+een korf komt een eigenaardig stootend geluid, dat doet denken aan een
+zware locomotief, die tot stilstand gebracht is met vollen stoom op,
+en begeerig om weer in gang te komen. Juist vóór het uittrekken van
+den zwerm komt er dan een plotselinge rust in dat machtige, opgekropte
+geluid, en waarschijnlijk is dit het oogenblik waarin de reizigers hun
+proviand opladen. Onmiddellijk daarna--en het is dan moeilijk niet te
+gelooven aan een bepaald autoritair signaal tot den uittocht--ontstaat
+er een rumoer en beweging in het midden van den dichtbevolkten korf,
+dat te vergelijken is met wat er gebeurt als een zware steen in het
+water valt. Deze beweging breidt zich van het midden uit naar alle
+zijden, tot zij de bijen aan den ingang bereikt, en dan begint het
+uitstroomen naar buiten.
+
+Als een korf zwaar overbevolkt is, dan is er al een heele dot bijen,
+dikwijls duizenden, samengepakt op de vliegplank, en soms bedekken zij
+de heele buitenzijde van den korf. Maar die massa lost zich dadelijk
+op als de beweging begint; en de wachtende bijen vliegen bijna gelijk
+weg met de anderen.
+
+Vroeger geloofde men, dat de koningin den zwerm aanvoerde; maar
+deze meening kan geen stand houden tegen de moderne waarneming. Heel
+dikwijls is de helft van de bijen al uitgevlogen vóórdat de koningin
+verschijnt, en soms komt zij pas met de allerlaatste; ook gebeurt
+het wel, dat zij op het laatste oogenblik besluit heelemaal niet
+te vertrekken. In dat geval vormen de bijen zich niet tot een tros;
+maar blijven enkel een wilde tarantella dansen in den zonneschijn en
+keeren na een paar minuten weêr in den korf terug.
+
+Als de zwerm vertrokken is, keert in den ouden korf de rust terug
+en de gewone dagelijksche bezigheden gaan weêr hun gang of er niets
+bijzonders was voorgevallen; behalve dat de toestand van overbevolking
+heeft opgehouden, bleef alles bij het oude. De achtergebleven bijen
+zijn meest jonge werksters, die nog niet met inzamelen begonnen zijn;
+maar er is toch altijd nog een redelijk overschot van oude werksters
+en darren. Gewoonlijk is op dat oogenblik de korf zonder koningin;
+want de jonge koningin is dan nog niet uit haar cel gekropen. Er zijn
+allicht vier of vijf koninginnewiegen in verschillende stadiën van
+ontwikkeling en in zeldzame gevallen komt het wel tot twaalf. Soms
+echter is de eerste van de jonge koninginnen al uitgekomen en beweegt
+zich over de raten; zij ontmoet dan de gewone onverschilligheid
+bij allen, die haar weg kruisen. Er zijn echter korven bekend, die
+een zwerm uitzonden als de toebereidselen voor het kweeken van een
+nieuwe koningin nog nauwelijks begonnen waren. Zoo onberekenbaar is
+de honingbij in veel harer handelingen.
+
+Als nu het zwermen alleen ten doel had, de overbevolking te verlichten
+en van moederbij te wisselen, dan zou alles hiermee uit zijn. Maar
+de zwermdrang wortelt dieper dan in zuivere noodzakelijkheid. Bij
+sommige generaties van bijen schijnt de zwermkoorts, als die ééne
+aanval voorbij is, na te laten, en het volk houdt zich dan verder
+rustig bij zijn werkzaamheden. Maar het is niet zeldzaam, dat als
+zij den eersten smaak van het avontuurlijke beet hebben, de nationale
+eetlust verscherpt wordt en het verlangen naar meer ontstaat. Ongeveer
+negen dagen nadat de eerste zwerm den korf verlaten heeft, volgt er
+dikwijls een tweede, en na een paar dagen soms nog een derde en vierde,
+waarbij dan dikwijls het eind is, dat het volk geheel is uitgeput;
+dit noemt men, het "zich doodzwermen van den moederstok". Het is
+moeielijk te begrijpen, hoe in een gemeenschap waar het belang van
+den éénling zoo meedoogenloos wordt opgeofferd aan het staatsbelang,
+deze vernietigende politiek kan geduld worden. Maar gaat men uit van
+het standpunt, dat het zwermen in hoofdzaak een vage en onvolmaakte
+weeropleving is van een lang verouderde gewoonte, dan doet zich
+onmiddellijk een aannemelijke theorie voor. In de omstandigheden van
+den oertijd kan het voortbestaan van de moederkolonie onnoodig zijn
+geweest. Waarschijnlijk had die volkomen haar bestemming vervuld, als
+een voldoend aantal jonge koninginnen en darren gekweekt was, en het
+geheel was uitgezwermd, om zich respektievelijk van een nieuw tehuis te
+voorzien. Men moet bedenken dat de bijenkorf, in zijn voortbestaan van
+jaar tot jaar, eigenlijk een moderne inrichting is, en eerst praktisch
+nuttig werd met de uitvinding van den lossen bouw, die den ijmker
+in staat stelt de raten te vernieuwen. Wij hebben er van gesproken,
+hoe de broedraten zich langzamerhand heelemaal opvullen met de leege
+cocons, die er door de uitkomende bijen worden achtergelaten. Deze
+dingetjes zijn zóó ragfijn, dat zelfs een dozijn er van geen merkbare
+verkleining van ruimte in de cel tengevolge heeft, en men weet van
+broedraten die wel twintig jaar gediend hebben. Maar het eind is toch,
+dat zij onbruikbaar worden en dan,--want bijen willen of kunnen geen
+oude raten voor nieuwe verwisselen--moet de gemeenschap uittrekken
+voor een nieuw tehuis of van lieverlede uitsterven. Zoo had dus de
+gebruikstijd van de oude korven zijn grenzen.
+
+De moderne bijenteelt heeft nog meer veranderingen in het leven
+van de honingbij gebracht, behalve het scheppen van een blijvende
+korfstad. Het aantal bijen van een enkel sterk volk, dat een
+lossen-bouwkast bewoont, is waarschijnlijk driemaal zoo groot als
+dat van een wilde kolonie. Het werk van den ijmker grijpt in alle
+verrichtingen der bijen in en brengt hun geheele levensplan op
+grooter schaal en ruimer basis. Het gevolg hiervan is niet alleen
+duidelijk in de toenemende volkssterkten en uitgebreider werken;
+maar ook in eene verandering van hun levenssystemen zelve. Een plan,
+dat op een kleinen grondslag goed werkt, slaagt niet altijd op een
+grooteren. Gezondheidsproblemen in een dorp moeten noodzakelijk
+verschillen van die in een stad, zoowel in beginselen als in
+verhoudingen. En het is dus zeer waarschijnlijk, dat de mensch de
+hand heeft in veel wat ons in het doen der bijen vernuftig gevonden
+schijnt; met dien verstande, dat de nieuwe levensvoorwaarden, door
+den ijmker ingevoerd, den bijen een prikkel zijn om hun vermogens
+tot het uiterste in te spannen.
+
+Het gedrag van deze "nazwermen" vormt een opmerkelijke tegenstelling
+tot dat van den hoofdzwerm. Als het mogelijk was in het bijenleven op
+ééne vaste en onveranderlijke wet te wijzen, zou het die zijn, dat een
+hoofdzwerm nooit anders den korf verlaat dan op een mooien, warmen dag,
+en dan altijd omtrent het middaguur. Maar de nazwermen schijnen met
+weer noch wind rekening te houden; zij trekken uit op ieder uur, dat
+'t hun wordt ingegeven, 't zij vroeg of laat, en zonder in 't minst
+de omstandigheden buiten in aanmerking te nemen. Men weet zelfs van
+een nazwerm, die uittrok te middernacht bij volle maan en heldere,
+warme lucht.
+
+Er schijnt over 't algemeen veel meer methode in de verdwaasdheid te
+zijn, die een volk bij zijn eerste zwermen aangrijpt; en als na afloop
+daarvan het korfleven weer in de oude banen voortglijdt, dan herstelt
+zich ook spoedig het nationaal karakter van bezadigdheid en vlijt. Maar
+juist de sterkte van deze algemeene neiging tot orde en werkzaamheid
+verschilt aanmerkelijk bij verschillende volken. Als men zorgvuldig
+bij den korf, die juist zijn eersten zwerm heeft uitgezonden, de wacht
+houdt, kan men al spoedig vaststellen hoe de zaken zullen loopen. Er
+zijn altijd verscheidene wiegen van koninginnen, enkele al verzegeld
+en op het punt van open te gaan en andere in verschillende stadiën van
+hunne ontwikkeling. Al deze cellen worden onafgebroken en nauwlettend
+bewaakt door de werkbijen; want op hetzelfde oogenblik, dat een
+koningin uitkomt, is zij klaar om door zustermoord een onmiddellijk
+eind te maken aan alle toekomstige mededingsters. Brandend van begeerte
+naar een gevecht komt zij blijkbaar uit haar cel, doortrokken van dien
+ingekankerden haat tegen haar genooten, die de heerschende hartstocht
+is in haar bestaan.
+
+Dat werkbijen en koninginnebijen in oorsprong gelijk zijn, en het de
+natuur van de eene is in volmaakte harmonie te leven, terwijl de aard
+van de andere haar noodzaakt door een voortdurend vijandig gevoel
+beheerscht te worden, is een van die mysteries in het bijenleven
+waarvan wij wel nooit de verklaring te weten zullen komen. Als de
+hedendaagsche bijenkoningin inderdaad kan gelden voor ten naaste bij
+het type van de oorspronkelijke vrouwelijke bij, dan is het niet
+moeilijk te begrijpen, dat met die voortplanting op groote schaal
+het gemeenschapsleven in den moederstok een onmogelijkheid moet zijn,
+en dat met de paringsvlucht zijn natuurlijk bestaan tot een eind was
+gekomen, ongeveer zooals het in het leven der wespen gaat.
+
+Het eigenaardig schrille geluid van de koningin wordt het meest
+gehoord in stille nachten nadat er een zwerm is uitgetrokken. Zij uit
+aanhoudend dat schelle piepen, terwijl zij worstelt met de waaksters,
+die de nog gesloten cellen van de jonge koninginnen omgeven, en
+tegelijk hoort men dan ook de gesmoorde kreten van de gevangenen, die
+even hard naar den strijd verlangen als zij. Is de zwermkoorts nog
+niet tot rust gekomen in den korf, dan hoort men die oorlogskreten
+gedurig heen en weer gaan en de algemeene gisting wordt sterker,
+tot eindelijk, als de toestand onhoudbaar is geworden, de jonge
+koningin wegstormt door het vlieggat, gevolgd door het grootste
+gedeelte van de bijen. In het geval van nazwermen leidt alles tot
+de waarschijnlijkheid, dat de koningin wezenlijk den zwerm aanvoert;
+echter ook hiervoor heeft men nog geen vasten regel kunnen opmerken.
+
+Maar de mogelijkheid bestaat, dat het volk ziek is van al die
+onrust en roezigheid, waardoor het zoo lang werd beheerscht en dat
+de algemeene zin neigt naar het status quo. Onder die omstandigheden
+hebben de kreten, die uit den korf komen, een geheel ander geluid en
+beteekenis. De koningin uit nog steeds haar oorlogskreet; maar die
+wordt nu oogenblikkelijk gevolgd door een eigenaardig sissen van de
+werksters. Het is juist, alsof zij haar, met haar te overschreeuwen,
+tot zwijgen willen brengen; en als de oorlogskreet van de eerstgeboren
+koningin beantwoord wordt met zulk een afkeurend koor, dan gebeurt
+het zelden, dat er nog een nazwerm komt. De koningin gaat dan na een
+paar dagen er op uit voor haar paringsvlucht en bij haar terugkomst
+wordt het haar vergund naar hartelust haar verlangen naar zustermoord
+te bevredigen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII
+
+DE RAATBOUW.
+
+
+In de vorige hoofdstukken hebben wij gepoogd aan te toonen, dat de
+wereld waarin de honingbij leeft en werkt, er eene is, die door iets
+beters wordt gedreven dan door ruw instinkt, in de gewone beteekenis
+van dat woord. Voor den modernen bioloog, niet den kamergeleerde,
+maar voor hem, die het leven overal en in al zijne openbaringen
+bestudeert--voor hem moet deze bewering zoo overtollig lijken als
+b.v. het vergulden van goud; het schijnt in waarheid toch nog maar
+alleen de vraag te zijn welke de juiste plaats is, die op den schaal
+der rede aan de honingbij moet worden toegekend.
+
+Alle bijenliefhebbers hebben zich schuldig te bekennen aan ingeroeste
+partijdigheid, en schrijver dezes doet dat dan ook gulweg. Lauwheid
+is niet bekend in dit vak, en over de geheele wereld is het gezegde
+van kracht, dat dáár waar maar een paar bijenkorven bij elkaar zijn,
+een gloeiend enthousiast niet ver af is. In Engeland is het woord
+"vrijmetselarij" synoniem geworden met "broederschap"; maar even echt,
+even duurzaam is de verbroedering onder de bijenhouders. Zeker, onder
+elkaar zijn zij maar al te zeer geneigd tot het overdrijven van de
+deugden en verrichtingen van hun pleegkinderen; zij zijn te gul met
+gevolgtrekkingen uit schaarsche gegevens van feiten; en de bewezen
+stelling, dat ieder, die met bijen te doen heeft, zeer zeker vroeger
+of later zal meêgesleept worden door een vloedgolf van enthousiasme,
+maakt het tot een moeielijke en kiesche taak de balans te bewaren
+tusschen den geestdriftigen bijenliefhebber en den belangstellenden
+maar bezadigden lezer. Ieder schrijver over de honingbij is te
+beschouwen als een ultra-specialist in deze specialisten-eeuw; en
+het is moeilijk de verhoudingen klaar te blijven zien, voor één,
+die spreekt uit de gelederen van het ijmkersgild zelf, waar allen
+zich mee schuldig maken aan overmoed en geen oor heeft voor eenige
+waardeering onder hoogwater pijl.
+
+Maar de overgeestdriftige schrijver, die zich aan de geschiedenis
+van het raatbouwen zet, heeft hier de gewone valstrikken niet te
+vreezen. Die geschiedenis is in de eenvoudigste feiten en de minst
+belangrijke bijzonderheden al zoo verwonderlijk, dat de bloemrijkste
+taal hier evenmin zou kunnen overdrijven als een karig toegemeten
+woord de innerlijke beteekenis verkleinen. Als de regeling van de
+bijenrepubliek, hunne samengestelde hygiënische stelsels, de verdeeling
+van arbeid, behandeling van de koninginne- en werksterlarve, ons in
+verbazing brengen en ons onfeilbaar schijnen te wijzen op hoogere
+vermogens, dan moeten wij de werkbijen wel een intelligentie van nog
+hooger orde toekennen, als wij haar gaan beschouwen als ontwerpster
+en vervaardigster van de honingraat.
+
+Hier ziet men haar in haar grootste kracht en beteekenis. De
+samengestelde bouwsels, waarmee zij de bijenstad vult, vragen niet
+enkel onvermoeiden arbeid; zij zouden niet kunnen tot stand gekomen
+zijn als niet de gezamenlijke bekwaamheden van den ingenieur, den
+architekt en den wiskunstenaar er aan hadden meegeholpen. Ook zijn het
+niet enkel konstruktieve en wiskunstige vraagstukken, waar de bij zich
+tegenover ziet gesteld, en evenmin zijn zij, hoewel moeielijk, altijd
+dezelfde, zoodat een instinktive oplossing niet denkbaar is. Bijna bij
+iedere raat vinden wij eenige bijzondere en noodwendig onvoorziene
+moeilijkheid op schitterende wijze overwonnen. In den bouw van de
+zeskantige cel, waarvan de basis uit drie ruiten is samengesteld,
+gebruikt de bij een vorm, door de grootste wiskunstigen als de alléén
+doelmatige vastgesteld, en de bijen houden zich altijd aan dien vorm
+wanneer het maar eenigszins doenlijk is. Doch het gebeurt aanhoudend
+bij den ratenbouw, dat plaatselijke verhoudingen haar plannen in
+den weg staan, en dan maakt zij vijfkantige cellen of vierkantige
+of driekantige of van welken vorm ook, naar de omstandigheden haar
+dwingen. Het is gemakkelijk en eenvoudig, en men is in ééns klaar,
+wanneer men dit alles op rekening schrijft van dat geheimzinnig
+iets, het instinkt, de goddelijke gave waarmee het organisme van
+de bij geladen is, zooals men electriciteit laadt in een Leidsche
+flesch. Maar instinkt was het niet, dat Wren noopte den stalen kabel
+om den koepel van St. Paul's te leggen en het was ook geen instinct
+dat den sluitsteen op de Groote Pyramiden bracht. Dit zijn alle werken
+van hooger begaafde wezens en toch staan zij wat kunst van vinding
+betreft op één plan met de honingraat, die gevormd is uit een broze
+stof, licht als de lucht, doch op zóódanig kunstige wijze door de
+honingbij bewerkt, dat zij in staat is een gewicht, dertig maal zoo
+groot als het hare, niet alleen te dragen, maar op te houden.
+
+Het feit, dat de bij haar bouwmateriaal niet bijeenzoekt maar het
+uit eigen lichaam bereidt, is pas in de laatste honderdvijftig jaar
+ongeveer aan het licht gekomen; echter vindt men in de geschriften
+van de middeneeuwsche ijmkers nu en dan al schrandere gissingen
+daaromtrent. De wesp, die in vernuftige vinding veel met de honingbij
+gemeen heeft, doch gedoemd is ze op oneindig bescheidener schaal aan
+te wenden, maakt zeshoekige cellen; maar haar materiaal haalt zij
+van buiten, en het kan voor geen samengesteld doel gebruikt worden,
+omdat het geen spanning verdraagt. En juist de bijenwas is de eenige
+bestaande stof, die aan iederen eisch voldoet. Zij kan verwerkt
+worden tot plaatjes, die niet dikker zijn dan 1/70 c.M. ongeveer,
+wat de gebruikelijke dikte is van den celwand. Zij is onaantastbaar
+voor alle elementen behalve hitte. Zij kan zacht en kneedbaar gemaakt
+worden en toch ook verharden met behoud van soepelheid en leven. Zij
+is een slechte warmtegeleider en daarom houdt zij de warmte van den
+korf vast. Zij trekt geen ongedierte aan, en tot nu toe is er maar één
+dier bekend, dat er van eet, n.l. de larve van een zekere motsoort;
+maar een sterke kolonie houdt het daar altijd tegen uit. En daar het
+ruwe materiaal voor hare bereiding bestaat uit afscheidingen uit het
+eigen lichaam der bij, kan de voortbrenging gebeuren, als duisternis
+of ongunstig weder het buitenwerk verhinderen.
+
+Het eerste werk, dat een zwerm na het betrekken van zijn nieuwe
+woning onderneemt, is de ratenbouw. De tijdelijke inzinking die na de
+opwinding van het zwermen volgt, is spoedig voorbij en het geheele
+gezelschap concentreert zich op het inrichten en proviandeeren van
+den nieuwen korf. De oudere bijen gaan op voedselverzamelen uit,
+en één voor één blijven zij bij het wegvliegen in de lucht even
+met het hoofd naar den korf om zich standplaats en omgeving eigen
+te maken. Verreweg het grootste gedeelte echter vereenigt zich
+thuis in een dichten klomp voor de wasbereiding. In deze eerste
+verrichtingen van de nieuwe kolonie is tijd alles. De koningin, die
+waarschijnlijk een dag of langer het eierleggen geschorst heeft,
+is overbezwaard van vruchtbaarheid en zij moet zonder verwijl van
+duizenden broedcellen voorzien worden. De provianddraagsters zullen
+zwaar van nektar en stuifmeel naar huis keeren en er moeten dus
+onmiddellijk voorraadschuren in gereedheid worden gebracht. Daarom
+is er haast met de wasvorming, en de jonge bijen dringen op één,
+met hunne koningin knus en warm in haar midden.
+
+Zonder twijfel is een van de voornaamste redenen waarom zwermende bijen
+zich onmiddellijk in dien dichten tros vereenigen, het verhaasten
+van het proces der wasvorming. Het is bewezen, dat de was zich het
+gemakkelijkst afscheidt onder den invloed van groote hitte, en hitte
+ontstaat er in dien dichten drom. Wanneer de verkenners een nieuwe
+woonplaats gevonden hebben en dus de bijen weer verder moeten,
+hebben al vele van hen de wastaschjes gevuld, en zijn dus klaar
+om het raatbouwen te beginnen. Wanneer een zwerm wordt opgevangen,
+zelfs reeds een korte poos na het uittrekken, kan men de kleine witte
+wasschubjes tusschen de ringen van hun achterlijf zien uitkomen,
+en dikwijls gebeurt het dat zij in de algemeene verwarring afvallen
+en verloren gaan.
+
+Wat bij het opmerken van de bijen wel het allermoeielijkst is na
+te gaan, is juist het bouwen van de raten. De wasbijen zijn zóó
+dicht op elkaar en zoo aanhoudend in beweging, dat het wel schijnt
+of de raat uit zichzelf aangroeit, inplaats van door die krioelende
+menigte vervaardigd te worden; zij blijft haast voortdurend verborgen
+voor het oog van den waarnemer, die maar te hooi en te gras een
+verschijning krijgt van die witte, broze zelfstandigheid en haar fijne
+teekening. Deze eerste pogingen van de raatbouwsters, gewoonlijk onder
+gedwongen omstandigheden verricht, vallen wel eens verkeerd uit, alsof
+zij met te groote haast in elkaar gezet waren. Somtijds zijn de eerste
+celgroepen, door een zwerm gemaakt, geel en vochtig en sponsachtig
+van uiterlijk, met dikke onregelmatige wanden, en het lijkt wel of
+zij bedoeld zijn als niet anders dan een tijdelijke bergplaats voor
+den komenden nektar, tot er tijd is om de eigenlijke honingcellen
+klaar te krijgen. Deze hulpraat is in 't bijzonder merkwaardig omdat
+zij weer een bewijs te meer is voor de handigheid van de bij, waar
+het geldt in moeilijkheden te voorzien. In gewone tijden blijft de
+metselbij rustig in den klomp hangen, tot de wasafscheidingsorganen
+hun werk hebben verricht, en de zes langwerpige schubjes van de broze
+stof gereed zijn voor het gebruik. Zij komen te voorschijn van onder
+de harde platen, die het abdomen bedekken, drie aan iederen kant,
+als briefjes, die half buiten de brievenbus steken. Aan een van de
+kniegewrichten van haar achterpootjes heeft de werkbij een bijzonder
+werktuigje, waarvan bij de koningin geen spoor te bekennen is. Het
+ziet er uit als een soort van tangetje; maar inplaats van twee tot
+elkaar neigende punten, is het aan den eenen kant voorzien van een rij
+scherpe, stijve haren en om den anderen van een ondiep lepeltje. Met
+dit bijzonder instrumentje grijpt de metselbij het wasschubbetje,
+en trekt het uit zijn zakje. Het wordt dan overgebracht tusschen haar
+kaken en zij haast zich ermee naar de raten. Bij een onvoltooide cel
+gekomen, begint zij eerst de ruwe was tot een deeg te kouwen, terwijl
+zij het met haar speeksel vermengt, en zoo vergroot zij tegelijk het
+volumen. Dit zachte taaie materiaal wordt nu bij het werk aangewend
+en gevormd. En op deze wijze wordt door de honderden van werksters,
+in een onafgebroken komen en gaan, het lichte, fijne samenstel van
+broed- en honingraten met zeldzame vlugheid opgebouwd.
+
+Hoe de ruwe, sponsige raten ontstaan, die de zwermen soms aanmaken,
+kan niet met zekerheid worden meegedeeld. Zij hebben allen schijn
+van ruwe was gemaakt te zijn, die haastig gekauwd en met honing
+doorgewerkt is en waarschijnlijk zal het wel zoo zijn. Het afscheiden
+uit de speekselklier gaat uitteraard langzaam, en als de tijd dringt
+en honderden van ongeduldige voorraadbrengsters om hun ooren gonzen,
+die haast hebben om af te laden en terug willen naar de klaver,
+heeft de schrandere metselbij er op uitgevonden den inhoud van haar
+honingzakje als surrogaat te gebruiken. Maar honing en ruwe was kunnen
+zich alleen mechanisch bijeenvoegen, niet innig gemengd worden. De
+was lost zich alleen op onder de inwerking van het speeksel der bij,
+dat scherpe zuurdeelen bevat.
+
+Om goed te beseffen wat er al door de bijen verricht is, als een nieuwe
+korf geheel met wasraten is gevuld, is het noodig de werkzaamheden
+van den zwerm gedurende de eerste weken van zijn afzonderlijk bestaan
+nauwkeurig te volgen. Het stichten van een geheel nieuwe bijenstad is
+geen geringe onderneming; voor vele en verwikkelde vraagstukken zien
+de bouwers zich gesteld. In de eerste plaats streeft de bij naar het
+volmaakte, of zij het bereikt of niet. Erfelijke ondervinding heeft
+haar bekend gemaakt met alle vereischten van het te huis der kolonie,
+en zij zet zich er toe, die alle zoo volmaakt mogelijk te verkrijgen.
+
+Er is een stad te bouwen, die twintig- tot dertigduizend individuen
+moet huisvesten. Er moet een uitgebreide kinderwoning zijn; want
+het kan gebeuren dat er tien of twaalfduizend jeugdige schepseltjes
+tegelijk moeten ondergebracht. Gedurende zes maanden van het jaar
+is er buiten geen voedsel te verkrijgen, zoodat de stad groote
+proviandschuren moet bevatten, die een voorraad inhouden voor meer
+dan een half jaar. Daar in den winter de temperatuur alleen maar op de
+benoodigde hoogte kan worden gehouden door de lichamelijke warmte der
+inwoners zelve, moet het leven in de stad binnen de kleinst mogelijke
+ruimte saamgevat worden. Het materiaal waaruit zij wordt opgebouwd
+moet warmtehoudend zijn, terwijl toch de konstruktie ten allen tijd
+volmaakt geventileerd moet kunnen worden; en in den zomer moet de
+lucht vrij kunnen rondgaan zoodat de overtollige hitte kan worden
+afgevoerd. De stad moet tegelijk een tehuis en een vesting zijn en
+aan alle kanten dicht gesloten, beschut tegen de vele vijanden en
+ook tegen de ruwheid van het klimaat.
+
+En dan is er nog een andere voorwaarde van een even ingrijpend belang
+bij den bouw der raten--de noodzakelijkheid van strikte spaarzaamheid
+met het materiaal. Als er eenige natuurlijke zelfstandigheid
+bestond, die taai, licht, kneedbaar en sterk was, en voor de bijen
+verkrijgbaar inplaats van was, dan zouden zij die zeker voor hun
+ratenbouw gebruiken en niet zooveel uren van hun kostelijken tijd en
+zulke groote hoeveelheden van hun zuur verkregen proviand opofferen,
+om hun eigen was te vervaardigen. Maar er schijnt in de natuur niets
+te zijn, dat gelijktijdig al die hoedanigheden bezit. Wel verzamelen
+de bijen een harsachtige zelfstandigheid in hoofdzaak van de knoppen
+der populieren, en gebruiken die om reten te stoppen; ook weten zij
+er een soort van vernis van te maken, waarmede zij de afgewerkte raten
+bestrijken, en soms zelfs vermengen zij het met was tot een soort van
+ruwe vulling; maar voor celbouw schijnt het onbruikbaar. De geheele
+stad moet noodzakelijk van was, en van was alléén gebouwd worden,
+en de bijen gaan zoó zorgzaam om met dit kostbaar materiaal als een
+vrek met zijn goud.
+
+Deze opgaaf in het oog houdende: de kolonie een voldoende behuizing
+te verzekeren met zoo min mogelijk verlies van grondstof, tijd en
+arbeid, begint de bij het probleem af te wikkelen met eene, aan 't
+ongeloofelijke grenzende schranderheid. Bij het centrale punt der
+moeielijkheid beginnende, schijnt zij van daar uit naar buiten te
+werken, en tegelijk de bijkomende vraagstukken, die zij op haar weg
+ontmoet, op te lossen; en aldus gaat dan wel haar redeneering: "Om de
+jongen op te kweeken en den honing te bergen is een celvat noodig. De
+jonge larven zijn cylindrisch; dus lijkt een cylindrisch gevormde cel
+aangewezen; zoo eene kan ook gebruikt worden voor de honingraten. Er
+zijn er echter niet maar een paar noodig; maar een heel groot getal,
+vele duizenden; zij moeten daarom dicht bij elkaar geplaatst, zoowel
+voor besparing van ruimte als voor het behoud van de natuurlijke
+warmte. De cellen zouden met de opening naar boven en in horizontale
+vlakken in verdiepingen boven elkaar geplaatst kunnen worden. Maar
+zulk een bouwwijze zou onpractisch zijn. Om het wegzakken, in de
+hitte van den korf, te verhinderen en ook om bestand te zijn tegen
+den zwaren druk van het gewicht, dat zij te dragen krijgen, zouden de
+celbodems gezamenlijk aangedikt moeten worden tot een stevigen vloer,
+die van tijd tot tijd nog gestut zou moeten worden, zooals bij de
+wespen. Maar hiervoor zou veel kostelijke grondstof aan haar eigenlijk
+doel onttrokken worden. Zeker zou het een beter plan zijn de cellen
+op hun zijde te leggen en ze tot een verticalen wand op te hoogen; en
+even zeker is het, dat als twee wanden van deze op elkaar geplaatste
+cellen rug aan rug werden gezet, zoodat één centrale wasplaat dienen
+zou om den bodem van alle cellen tegelijk rechts en links af te
+sluiten, de helft van het bodemmateriaal bespaard zou worden.
+
+Maar dit is nog enkel slechts een ruwe eerste schets van een plan. De
+rechtopstaande raat uit een dubbelen stapel ronde cellen gevormd,
+rug aan rug met een vlakke basis er tusschen, is, hoewel een groote
+verbetering op de enkele laag van horizontale cellen, mechanisch en
+economisch fout. De ronde cellen laten nuttelooze tusschenruimten open,
+die met opvullen veel was zouden vragen, en de vlakke bodems komen niet
+overeen met den vorm der larven, zoodat daarom nog meer ruimte verloren
+gaat. Het is duidelijk, dat er alleen verbetering kan komen door een
+veranderden celvorm. En hier schijnt de bij met zichzelve te rade zijn
+gegaan, en heeft zegevierend een zéér gecompliceerd vraagstuk opgelost.
+
+Zij kende de afmetingen van de binnencelruimte, die eene larve voor
+hare ontwikkeling noodig heeft, en nu was dit de opgaaf: een cel te
+bouwen: waarvan de vorm zoo dicht mogelijk tot den cylinder naderde;
+die de juiste afmetingen zou hebben; zoo sterk mogelijk zou zijn; zoo
+min mogelijk plaats innemen; een minimum van grondstof zou vragen,
+en waarvan een groot getal in een dubbel vertikaal vlak zou kunnen
+worden opgebouwd, zóó dat er tusschen de cellen of vlakken geen
+tusschenruimte open bleef.
+
+Dit vraagstuk heeft maar ééne oplossing en de honingbij heeft die
+gevonden--hoe ontelbaar veel eeuwen geleden al?--in de zeshoekige cel,
+met haar basis van drie ruiten.
+
+Hoe verbijsterend vernuftig deze vinding is kan alleen dan gerealiseerd
+worden wanneer men een pas gevormd maagdelijk stuk raat, bijna geheel
+afgewerkt, grondig bestudeert. Men zal dan onmiddellijk zien, dat de
+zeshoekige cellen volstrekt geometrisch samenvallen over de geheele
+oppervlakte der raat en dat de zeskantige vorm voor alle gebruik aan
+het doel beantwoordt. Wanneer men aan de ééne zijde van de raat in de
+cellen kijkt, dan merkt men op, dat de grondvlakken den vorm hebben
+van holle pyramiden, die ieder zijn samengesteld uit drie ruitvormige
+plaatjes, en draait men de raat om, dan ziet men aan de andere zijde
+ook pyramidale celbodems. Neemt men de diepte van de cel aan de ééne
+zijde der raat en voegt die bij de diepte van de tegenoverliggende cel,
+terwijl men daarna de geheele dikte van de raat meet, dan vindt men,
+dat de diepte van die twee cellen, opgeteld, een aanmerkelijk grooter
+cijfer geeft dan men krijgt als men de dikte van de raat meet. Op
+het eerste gezicht lijkt dat een geval waarbij het kleine het groote
+insluit, dus een zichtbare onmogelijkheid. Maar houdt men de raat
+tegen het licht dan doet men eene ontdekking, die de oogenschijnlijke
+onmogelijkheid opheldert. De grondvlakken van de cellen zijn zóó dun,
+dat zij haast doorschijnend worden en daardoor komt het uit dat zij
+niet in een rechte lijn, bodem tegen bodem gebouwd zijn; maar dat
+iedere celbasis aan de ééne zijde van de raat, een gedeelte dekt
+van drie verschillende grondvlakken aan de andere. Als men die drie
+ruitjes, die te samen de driehoekige basis van een enkele cel vormen,
+met een naald doorprikt, dan blijkt bij het omdraaien der raat ieder
+prikje uit te komen in een andere cel. Zoo wordt dus de besparing
+op de dikte van de geheele raat veroorzaakt doordat de pyramidale
+grondvlakken aan iedere zijde om en om in elkaar grijpen als de
+tanden van een val; inplaats van elkaar rechtstreeks te ontmoeten,
+schieten zij over elkaar heen, en de vlakken van de pyramide zijn
+zoo ingericht, dat ieder er van twee cellen dekt.
+
+In deze inrichting wordt nog een ander voordeel duidelijk: de top
+en drie ribben van iedere pyramidale basis vormen de grondlijnen
+voor de celwanden aan de andere zijde der raat; dit beduidt, dat niet
+alleen alle celwanden op een boog rusten; maar ook dat iedere celbasis
+versterkt wordt door een drievoudigen gordel. Het gevolg daarvan is,
+dat de benoodigde hoeveelheid was overal tot een volstrekt minimum kan
+worden teruggebracht. Het is maar alleen de vraag, hoe dik de was moet
+zijn om den honing te kunnen inhouden; en de ervaring heeft geleerd,
+dat dit niet meer behoeft te zijn dan 1/70e ongeveer van een c.M. Men
+kan in waarheid dit alles aannemen als een schitterend voorbeeld van
+den zege van den geest over de stof.
+
+De meetkundige beginselen, toegepast bij den bouw der honigraten,
+zijn een geliefkoosd onderwerp van studie voor de wiskunstenaars
+van alle eeuwen geweest, en vooral het gebruik van de ruit voor de
+celbodems. De ruit wordt het best omschreven als een plat vlak met
+vier gelijke zijden, zooals die van een vierkant, maar waarvan de
+hoeken niet recht zijn. Bij zulk een figuur zijn er noodzakelijk twee
+grootere- en twee kleinere hoeken, die paarsgewijs tegenover elkander
+staan. De drie ruiten, die het grondvlak van de honingcel vormen,
+grenzen aan elkaar in den vorm van een vlakke pyramide en als men alle
+hoeken als te verwaarloozen grootheden beschouwt, blijkt de vlakheid
+van de pyramide zeer juist in een passende verhouding te staan tot
+den vorm van de volwassen larve. Maar dit is niet de eenige reden,
+waarom de bijen die bijzondere helling geven aan de ruiten, die van
+iedere cel de basis vormen. Ook hier, als elders in haar ondernemen,
+heerscht de wet der spaarzaamheid, en de waarheid dat zij het eenig
+mogelijke grondvlak genomen heeft, dat bij zijn bouw een minimum van
+grondstof vereischt, wordt treffend bevestigd.
+
+Het is een oud en beroemd verhaal: maar het verdient herhaald
+te worden. Een groot naturalist gaf zich eens oneindige moeite
+om de hoeken te meten, die de ruiten vormden in een groot aantal
+raatcelbases, en hij vond, dat zij merkwaardig weinig verschilden. Het
+zal ieder duidelijk zijn, dat de holle pyramide in den celbodem
+dieper of ondieper zal zijn naar den vorm van de drie ruiten waaruit
+zij is samengesteld. De top van de pyramide wordt gevormd door het
+samenkomen van de drie gelijke hoeken, van ieder ruitje één, en het
+spreekt van zelf, dat die top spits òf vlak zal zijn, naarmate de
+samenkomende hoeken scherp of stomp zijn. Het was natuurlijk onmogelijk
+de afmetingen van die hoeken met absoluut mikroskopische juistheid te
+bepalen; maar de naturalist kon toch met behulp van de best afgewerkte
+raat vaststellen, dat de twee grootste hoeken in een ruitje ongeveer
+110° en de kleinste 70° bedroegen. Hij vond ook, dat de hoeken,
+gevormd door het samenkomen van de celwanden met de grondvlakken,
+dezelfde afmetingen hadden als die van de ruitjes. Aannemende daarom,
+dat mathematisch de hoeken van de ruiten en de celwanden gelijk
+moesten zijn, was hij in staat nauwkeurig de hoeken te berekenen die
+de bijen blijkbaar trachten te verkrijgen in de konstruktie van de
+ruiten--109°,28' en 70°,32'.
+
+Een andere wetenschappelijke bijenliefhebber, die over deze cijfers
+zat na te denken, was er zeer door getroffen en besloot uit te
+vinden waarom de bij steeds die vaste keus deed voor dien bijzonderen
+ruitvorm. Hij kreeg toen den inval het bijeninzicht in de oplossing
+van dit celbasis-vraagstuk te onderwerpen aan een onafhankelijke
+autoriteit. Zonder dus zijn voornemen te kennen te geven legde hij
+het volgende vraagstuk vóor aan een van de beroemdste mathematici
+dier dagen:
+
+"Veronderstel eens," zei hij, "dat men u had opgegeven een zeskantig
+vat af te sluiten met drie ruitvormige platen, welke hoeken zou men
+dan moeten nemen, zoodat de grootst mogelijke ruimte zou gedekt worden
+met de kleinst mogelijke hoeveelheid materiaal?"
+
+Het was een moeilijke opgaaf; maar de mathematicus kreeg haar toch
+klaar en het antwoord was: 109° 26' en 70° 34'.
+
+Het verschil tusschen de berekening van de bij en die van den man was
+dus maar heel gering; en niemand dacht er aan een fout te zoeken in de
+oplossing van den man, die in zijn cijferwereld boven ieder uitstak. Er
+werd daarom aangenomen, dat de bij een miniem vergissinkje begaan had,
+zóó miniem, dat het bij den raatbouw geen bezwaar oplevert. Haar goede
+naam bleef onaangetast en de honingcel bleef het volmaakte voorbeeld
+van de grootste ruimte met het minste materiaal verkregen.
+
+Maar een andere mathematicus--een Schot dezen keer--ging de heele
+zaak nog eens na, en hij bewees nadrukkelijk, dat de bij gelijk had
+en de geleerde ongelijk. Hij toonde aan, dat het juiste antwoord op
+het vraagstuk betreffende de hoeken, luiden moest: 109° 28' en 70°
+32'--precies de cijfers verkregen bij het opmeten van de honigraat.
+
+
+
+In de voorafgaande bladzijden zijn wij wat dieper ingegaan op de
+beginselen, bij den raatbouw toegepast, omdat juist dit het punt
+is waar de gedachtelijnen van de oude en nieuwe naturalisten op
+eigenaardige wijze van elkaar gaan afwijken. Beide scholen komen in
+hoofdzaak in dit ééne punt overeen, dat uit ééne almachtige bron alle
+levensvormen zijn voortgevloeid; en het doet weinig tot de zaak af of
+zij de tijdruimten gedurende welke de schepping van alle dingen werd
+volbracht, bij eeuwen rekenen of volgens de oude bijbelsche metafoor,
+bij dagen. Maar terwijl de oude school zich houdt aan verschillende
+hoedanigheden van leven: de onsterfelijke ziel in den mensch, en
+een mystiek onderbewustzijn, een sterfelijk iets, instinkt genoemd,
+in het dier--kan de nieuwe school geen ander verschil dan een van
+graden ontdekken tusschen de geestelijk uitrusting van den mensch
+en die van de dierlijke schepping. Tusschen de honingbij en haar
+meester opent zich zeker een immense kloof; maar zij is merkbaar te
+overbruggen. En tenzij wij besloten zijn met verkrachting van alle
+logica een geliefkoosd stel vierkante meeningen te dwingen in de
+ronde openingen van waargenomen feiten, is het moeilijk te gelooven,
+dat de oude stelling houdbaar zal blijven.
+
+Wat dit bijzondere vraagstuk van den raatbouw betreft, wordt er nog
+steeds een poging gedaan om aan te toonen, dat die niet anders zijn
+kan dan het gevolg van sommige natuurwetten, en geheel onafhankelijk
+van eenig intellekt of wil, die van de bijen zou uitgaan. Men zegt
+ons dan, dat het begin van de cellen altijd cirkelvormig is; maar dat
+zij naderhand geheel mechanisch tot den zeshoekigen vorm overgaan,
+tengevolge van de wetten van wederzijdschen druk. En als bewijs hiervan
+wordt er op gewezen, dat de buitenste cellen van een raat, die niet aan
+de wetten onderworpen zijn, gewoonlijk min of meer ronden vorm hebben.
+
+Deze druktheorie is eigenlijk geen ernstige beschouwing waard; want
+het is duidelijk, dat de groei der raten vrij en ongehinderd in zijn
+werk gaat in alle opzichten. Als de bij haar cellen met zes zijden
+en een pyramidale basis gedachteloos vormt, en onder het juk van een
+katagorisch moeten, dan is dat zeker niet omdat de cellen elkaar dien
+vorm opdringen zooals Buffon's erwten in een flesch.
+
+En als wij gelooven, dat de bij geblinddoekt werkt onder de wet
+van wederzijdschen druk, dan moet ieder nauwkeurig onderzoek van
+haar werk ons wel overtuigen, dat wij hier het eene wonder op zij
+zetten voor een ander, dat nog grooter wonder is. Want dan zien wij
+een natuurwet een heel onnatuurlijke eigenschap aannemen, n.l. die
+van vernuftige aanpassing aan de omstandigheden. De raten voor
+het gebruik in den broedbouw bedoeld, worden in twee verschillende
+grootten vervaardigd. Degenen, die het werksterbroed moeten bergen,
+hebben cellen van 0,5 m.M. middellijn en zijn iets minder dan 1.25
+m.M. diep; terwijl de darrencellen 0.625 m.M. middellijn hebben en
+ongeveer 1,50 m.M. diep zijn. Deze zoo van elkaar verschillende cellen
+liggen niet door elkaar heen over de geheele raat; maar in groote
+groepen bijeen. Sommige raten bestaan bijna geheel uit werkstercellen,
+waarvan het grootste aantal vereischt wordt, en andere weer uit
+groepen van beide soorten.
+
+De bijen beginnen een raat met een klein kluitje was aan het dak
+van den korf vast te kleven. Aan iederen kant van dat kluitje maken
+zij daarna een kleine holte, die de grondvlakken van de eerste
+cellen moeten vormen. Dan gaan zij aan het uitbreiden op zijde,
+en naar beneden, terwijl de celbases in alle richtingen zoo snel
+mogelijk vermenigvuldigd worden, zoodat er al een heel groot getal
+aangelegde cellen bestaat, lang vóór dat de wanden van de eerste zijn
+afgewerkt. Voor deze methode van werken bestaat een zeer grondige
+reden. Wanneer een huis gebouwd wordt, legt men eerst zooveel mogelijk
+van de fundamenten zoodat er daarna een groot getal metselaars tegelijk
+aan het werk kunnen gaan bij het optrekken der muren; de bijen gaan
+van hetzelfde beginsel uit als zij die groote uitbreiding aan hare
+celgrondlagen geven.
+
+Als ongeveer de helft van de broedraten voor werksterbroed gebouwd
+is, wordt er waarschijnlijk vastgesteld, dat de darren-celbouw kan
+beginnen. Daar de grondvlakken van de darrencellen grooter zijn dan
+die van de werksters, begrijpt men, dat er eene verandering moet
+komen in het grondplan van de raat. De bijen bereiden dezen overgang
+heel handig voor, blijkbaar trachten zij er naar, de regelmaat van
+de raat zoo min mogelijk te verbreken. Somtijds bereiken zij die
+verandering zonder nagenoeg eenig ruimteverlies; maar het komt meer
+voor, dat er eerst eenige wanschapen cellen noodig zijn, voordat de
+raat weer haar gewonen systematischen voortgang kan hebben. Dit hangt
+heel veel af van de overgeërfde handigheid der bijen, die bij ieder
+volk verschillend is, zooals alle ervaren ijmkers weten.
+
+Als nu de bijen hun raten bouwen onder den blinden drang der wet
+van wederzijdschen druk, welke andere wet, vragen wij dan, heft dan
+deze weer op wanneer de overgang van de kleinere tot de grootere cel
+gemaakt moet worden? Als dat alles een soort van kristallisatie is,
+die werkt geheel onafhankelijk van wil of verlangen der bijen, dan
+is het wel meer dan verwonderlijk, dat de molen grof en fijn maalt,
+al naar de vereischten van den korf.
+
+Maar de geheele veronderstelling is eigenlijk niets anders dan
+een treffend voorbeeld hoe verkeerd het is gevolgtrekkingen te
+maken uit een vergelijking. Geweekte erwten in een flesch zwellen
+op tot zeshoeken of liever twaalfhoeken, tengevolge der wet van
+wederzijdschen druk. Zeepbellen doen hetzelfde zonder andere
+drukking dan die van hun eigen gewicht. Maar erwten en zeepbellen
+waren op zichzelf bestaande dingen voordat zij te samen gebracht
+werden. Als de bijen een groot aantal losse ronde cellen maakten
+en ze dan alle gelijk te samen voegden, zouden zeker alle cellen,
+behalve de buitenste, den vorm van zeskanten krijgen. Maar juist de
+essence van de kunst en het vernuft der bijen ligt in het feit, dat
+zoo iets als een afzonderlijke cel niet bestaat. Iedere afdeeling in
+de raat heeft zijn deelen gemeenschappelijk met niet minder dan negen
+andere afdeelingen. En te praten van wederzijdschen druk wanneer er
+geen zelfstandig bestaan is, noem ik het zeestrand ploegen.
+
+Er zijn nog andere omstandigheden in verband met den bouw der raten,
+die heel veel bijdragen tot bevestiging van de stelling, dat de bijen
+door verstand geleid worden, en door een verstand van de hoogste
+orde. Wij hebben al gezegd, dat het inwendige van een korf overdag
+niet geheel donker is. Waarschijnlijk hebben de bijen gedurende hunne
+bezigste uren altijd genoeg licht om hun weg te vinden met behulp
+van hun verwonderlijke binnenhuis-oogen, die, onder den mikroskoop
+gezien, al de plechtige wijsheid in zich hebben van uilenoogen. Maar
+het is een feit, dat het bouwen der raten in den nacht verricht wordt,
+als al de andere bezigheden tijdelijk zijn geschorst. Waarschijnlijk
+is wat voor onze menschenoogen de zwaarste duisternis schijnt, in
+'t geheel geen duisternis voor bijen; in ieder geval, voor ons is
+het of de honingraat in het duister gemaakt wordt.
+
+Intusschen worden zij naast elkaar gebouwd en dikwijls
+tegelijkertijd. Zij groeien tegelijk in benedenwaartsche richting, en
+behouden toch altijd hun juisten afstand van elkaar; zoodat, als zij
+voltooid zijn, er een doorgang blijft tusschen de verzegelde cellen,
+van ongeveer een 0.6 centimeter, juist genoeg voor de gaande en komende
+bijenstroomen om elkaar rug aan rug te kunnen voorbijgaan. Hoe worden
+nu die afstanden gelijk gehouden, daar de bijen aan het werk zijn
+aan den bovenrand van iedere raat, en van elkaar gescheiden door een
+leege donkere ruimte van 3 tot 4 c.M. ongeveer?
+
+Een eenvoudige proef zal dit onmiddellijk ophelderen. Als een korf,
+waarin een zwerm ongeveer de halve diepte van den raatbouw voltooid
+heeft, even schuin wordt gezet, zoodat de raat uit de loodlijn komt,
+en men dan den korf zoo eenige dagen laat staan, dan zal men daarna
+bemerken, dat van het oogenblik van de stoornis af, bij den verderen
+bouw de nieuwe vertikale lijn gevolgd is; de raten zullen alle een
+lichte helling naar één kant vertoonen. Dit beduidt, dat de bijen
+òf een natuurlijken zin voor de loodrechte richting hebben, òf,
+dat zij met de loodlijn werken zooals de mensch gedwongen is te
+doen. En het schijnt werkelijk een feit, dat de recht naar beneden
+hangende waswerkstertros den dienst doet van een levend paslood,
+en de richting aangeeft voor den groei der raat naar beneden.
+
+Maar hangen de bijen wel altijd hun raten op? Bouwen zij nooit
+hun wassen voorraadschuren zóó, dat zij laag op laag optrekken van
+den vloer af, naar de manier van dat meer intelligente schepsel,
+den Mensch?
+
+Wat hier het eerst van te zeggen valt, is, dat zulk een afwijken van
+hun vaste methode geen vooruitgang, maar een stap terug zou zijn. Deze
+lange raatmuren van de bijen doen zeer sterk denken aan de nieuwe
+Amerikaansche "wolkenkrabbers". De moeielijkheid bij het oprichten
+van dergelijke gebouwen is een basis te verkrijgen voldoende voor
+de hoogte. Als de Amerikaansche ingenieurs over materiaal konden
+beschikken, dat een voldoende spanningskracht bezat, en er bovendien in
+de natuur iets was om de skyscrapers aan op te hangen, dan zou het,
+wetenschappelijk gesproken, zeker praktischer zijn deze gebouwen
+te laten ophangen, dan ze op te richten, omdat zij dan volgens
+natuurlijke strekking hun vertikale richting zouden behouden en het
+grondslag-vraagstuk was dan van de baan. En daar de bijen grondstof
+van ideale spanning bij de hand hebben en een geschikte hangbalk,
+laten zij om dezelfde reden wijselijk hun zwaargeladen raten van het
+dak afhangen, in plaats van ze op te zetten zooals sommige mieren
+doen bij hun bouw.
+
+Maar ongetwijfeld worden zij hier geleid door een ervaring
+van eeuwen hèr van het ras en worden zij niet verhinderd door
+gebrek aan bekwaamheid om de door den mensch bevonden methode te
+volgen. Zelden--slechts zóó zelden, dat de schrijver, gedurende het
+lange tijdsverloop dat hij onder bijen verkeerde, er niet meer dan
+éen voorbeeld van heeft gezien, bouwen de bijen hun raten opwaarts,
+als de omstandigheden geen andere mogelijkheid toelaten. En dit is zoo
+goed als een laatsten nagel slaan in de doodkist van die ongelukkige
+instinkt-theorie, en tegelijk er een grafschrift bij maken.
+
+In het vermelde geval was een doos met glazen bodem omgekeerd over
+het voedingsgat van een gewonen korf gezet en was daar vergeten. In
+den loop van het seizoen geraakte de korf vol met bijen en honing,
+en het werd dringend noodig in de doos boven op den korf nieuwe
+proviandraat te bouwen. Maar het gladde glas bood geen vasten voet aan
+de metselbijen. Keer op keer moeten zij wel opnieuw gepoogd hebben om
+er den bouw te beginnen, met hun wastaschjes vol, en nooit mocht het
+gelukken; het was niet mogelijk hier op de gewone wijze te bouwen. Toen
+zijn de korfingenieurs, door de moeilijkheid geprikkeld, iets anders
+begonnen. Op den planken vloer beneden legden zij het plan uit voor
+een voorraadschuur niet volgens de gewone methode van parallelraten;
+maar een regelmatig, langwerpig huis met cellulaire provisiekamers en
+daartusschen verbindingsgangen. Hierop bouwden zij laag op laag van
+horizontale cellen, tot het glazen dak bijna bereikt was. Toen zij op
+dit punt gekomen waren, was waarschijnlijk de groote honingoogst buiten
+gedaan; want de cellen van het proviandhuis werden nooit verzegeld,
+hoewel zij bijna geheel vol met honing waren; later in den tijd werd
+dit honinghuisje gevonden en meegenomen door den ijmker, die het nog
+bewaart als een bijzondere kuriositeit. Hij draagt een welbekenden
+naam: Dr. Herbert Mac Donald Phillpotts, van Kingswear, Devon, en
+zijn getuigenis betreffende het vervaardigen van dit merkwaardige
+honinghuisje is boven allen twijfel verheven; maar bovendien draagt
+het zijn eigen onfeilbaren stempel van echtheid. Alle honingcellen,
+door bijen gemaakt, hebben een lichte opwaartsche buiging, waardoor,
+zooals reeds verklaard werd, het uitvloeien van den inhoud wordt belet,
+tot zij kunnen verzegeld worden. En iedere cel in dit proviandhuisje
+vertoonde duidelijk het opstaande kantje.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII
+
+WAAR "HET BIEKEN HONING PUURT".
+
+
+Het is een eigenaardig feit, dat zij, die van bijen onkundig zijn,
+zich dikwijls angstig toonen waar geen gevaar dreigt, en met de
+stoutmoedigheid, uit onwetenheid geboren, zich dáár wagen, waar juist
+de oude, ervaren bijenkenners niet graag een voet zouden zetten.
+
+Bij dit onberekenbaarste van alle schepselen is het humeur nog
+onberekenbaarder dan al het andere. Er zijn tijden, b. v. als er een
+onweer dreigt en de lucht geladen is met elektriciteit, dat men zich in
+een wis gevaar begeeft als men onder bijen gaat; en dan weer, b.v. in
+het seizoen van den vollen nektaroogst, kan men zich letterlijk alle
+vrijheden met hen veroorloven, zonder dat er eenige wraak te duchten
+is. Toch is dit ook weer geen regel. Er hangt hier heel veel af van
+hun afkomst en de zuiverheid van het ras, en ook van de methode van
+den ijmker. Bijen zijn, als andere huisdieren, zeer gevoelig voor
+een wijze en tegemoetkomende behandeling. Als men doortastend, rustig
+en gelijkmatig met ze weet om te gaan, is men bij de kwaadaardigste
+kolonie dikwijls volkomen veilig; terwijl de zachtaardigste bijen tot
+eene onmiddellijke oorlogsverklaring overgaan bij eene schutterige,
+onhandige aanraking.
+
+Sedert de Italiaansche bij, ongeveer een halve eeuw geleden, naar
+Engeland is overgebracht, is er zeker een aanmerkelijke wijziging
+gekomen in het Engelsche ras. Zelfs twijfelen eenige autoriteiten
+er aan of er in werkelijkheid nog wel volkomen raszuivere Engelsche
+bijen over zijn. Men ziet de gouden gordels van de Italiaansche
+op de onmogelijkste plaatsen opduiken; het vreemde bloed schijnt
+overal in het ras te zijn doorgedrongen, behalve in de allerverste
+uithoeken. Het is zeker te betreuren, hoewel dit berouw nu te laat
+komt, dat men ooit die ongewenschte vreemdelingen op onze terreinen
+toeliet. Wat in eenig land gedijt en er blijft voortbestaan, moet voor
+dat bijzondere land wel het best geschikt zijn, en deze zuidelijke
+bijenrassen schijnen, en zeer in het nadeel van onzen Engelschen
+stam, aan het ras eigenaardigheden te hebben teruggegeven, die bij
+de inheemsche bij door lange kultuur geheel verdwenen waren. Veel
+van de prikkelbaarheid en vatbaarheid voor verschillende ziekten,
+die wij bij de hedendaagsche honingbijen opmerken, zijn min of meer
+terug te brengen tot de inmenging van het vreemde bloed, en het
+groote en bijzondere voordeel van de Italiaansche bij, de beroemde
+en wijd en zijd uitgeklonken lange tong--is gebleken een fabel te
+zijn. Ontelbare opmetingen gedaan door onze grootste wetenschappelijke
+bijenkenners hebben aangetoond, dat de tong van de Italiaansche bij
+niet langer is dan die van eenige andere; echter kennen de meesten
+haar zeer gereedelijk een bijzonder langen en tot steken bereiden
+angel toe. Maar hier zijn wij onrechtvaardig: de Italiaansche werkbij
+van zuiver ras is even goed of slecht gehumeurd als iedere andere
+van haar soort. Het zijn de eerste kruisingen met de inheemsche bij,
+die zich zoo uitdagend en wraakzuchtig aanstelden, en daaraan heeft
+het geheele ras zijn slechten naam te danken.
+
+In den rijksten oogsttijd--die in Zuid-Engeland al in Mei aanvangt,
+vroeg of laat, al naar het jaargetij uitvalt, en die dikwijls zes
+weken duurt--, komt het heel veel voor, dat men de angstige wandelaars
+ziet rennen langs de voetpaden tusschen de klavervelden, verschrikt
+door de geweldige roezigheid van de inzamelende bijen. Wanneer die
+velden zeer uitgestrekt zijn en het een bijzondere heldere dag is,
+krijgt dat geluid een omvang, dat men het haast niet meer houden
+kan voor een zang van werk en rust. Het lijkt meer op het dreunen
+van een algemeenen bijenoorlog, en het is niet te verwonderen, dat
+de onkundigen wat zeden en gewoonten der korven betreft, zich niet
+wagen in wat hun zeker een tooneel van moord en doodslag lijkt.
+
+En toch is er in het heele jaar geen seizoen, waarin de bij minder
+geneigd is haar menschelijke medeschepselen te lijf te gaan. Zoo lang
+het honing-weder blijft aanhouden--de warme nachten waarin de nektar
+wordt afgescheiden, en de regenlooze dagen als hij kan ingezameld
+worden--is zij haast niet tot een aanval te prikkelen, al wordt haar
+huis ook binnenste buiten gekeerd, zoodat het zonlicht plotseling
+het duister door en door zeeft.
+
+Tot voor betrekkelijk korten tijd was algemeen aangenomen, dat honing
+een zuivere, onaangeroerde afscheiding der planten was, en dat behalve
+het inzamelen en opleggen, de bijen geen deel aan zijn voortbrenging
+hadden. Dit is echter een ernstige vergissing. Honing moet vervaardigd
+worden, en verschilt bijna in alle opzichten van de zuivere sappen,
+die in de verschillende bloemen worden afgescheiden. De bloemennektar
+schijnt, vóórdat de bij hem heeft ingezameld, geen enkele van de
+elementen te bezitten, die den rijpen honing samenstellen. Drie
+vierde van het volume bestaat uit zuiver water, waarin ongeveer 20°
+rietsuiker is opgelost, terwijl de rest bestaat uit vluchtige olieën
+en gommen, die er den bijzonderen smaak aan geven. Maar rijpe honing
+bevat heel weinig water, nooit meer dan een zesde van zijn volume. En
+de suiker in honing is bijna geheel druivensuiker. Honing is ook zeer
+bepaald zuur, terwijl nektar positief neutraal is. En de olieën en
+aromatische essencen van de bloemsappen zijn gerijpt en overgegaan
+in den welbekenden honinggeur, die op niets anders ter wereld gelijkt.
+
+Het staat vast, dat het verwerken van den nektar tot honing
+onmiddellijk begint als de bij het zoete sap uit de bloem tot zich
+neemt. Als het vocht in den honingzak komt, is het al vermengd met de
+zure afscheiding van de klier aan den tongwortel. Komt de bij in den
+korf terug dan brengt ze niet dadelijk den honing in de cellen; maar
+geeft dien over aan een van de huisbijen, die hem naar de honingraten
+overbrengt. Het is zelfs waarschijnlijk, dat hij nog een tweeden keer
+wordt overgegeven vóór hij in de cel komt, maar dat punt is nog niet
+vastgesteld. Het gevolg van het overgeven aan een ander is, dat er
+meer zure eigenschappen aan het oorspronkelijke sap worden toegevoegd.
+
+De honing schijnt in den korf een geregeld brouwproces te
+ondergaan. Hij wordt gehouden op een temperatuur van 80° of 85°
+Fahr. en daarbij gaat het overtollige water in damp over. Op die
+wijze verliest de ruwe nektar minstens 2/3 van zijn natuurlijk
+volume, voordat hij definitief tot honing wordt omgewerkt. Men zegt
+dat op het laatste oogenblik, juist vóordat iedere cel verzegeld
+wordt met een ondoordringbaar wasdekseltje, de bij zich ronddraait
+en een droppel van het vergif uit haar angel in den honing spuit;
+maar hiervan schijnt niet het geringste bewijs aanwezig. Het is waar,
+dat de inhoud van het gifzakje voornamelijk uit mierenzuur bestaat,
+dat zéér bederfwerend is; en het is ook een feit, dat er sporen
+van mierenzuur in allen honing te vinden zijn. Maar het is toch ook
+stellig bewezen, dat dit zuur zijn weg tot den honing vindt uit het
+klierensysteem van de bij en niet door den angel.
+
+De ijver, door de bij aan den dag gelegd bij het nektarzamelen, is
+altijd een punt van verbazing geweest en algemeen werd verondersteld,
+dat zij met het volle instinkt voor haar taak geboren wordt. Maar gaat
+men aan het waarnemen, dan ligt die theorie al heel gauw omver. Dit
+werk moet stap voor stap geleerd worden, zooals alle bijenwerk, dat een
+zekere bedrevenheid vereischt. De jonge bij gaat met den besten wil van
+de wereld op haar eerste vlucht uit, en haar nabootsingsvermogen is in
+hoogen mate ontwikkeld; maar met verdere gaven voor dezen specialen
+arbeid schijnt zij niet te zijn toegerust. Haar eerste pogingen zijn
+een opéénvolging van vergissingen. Zij schijnt niet zeker te weten
+waar dat begeerde zoet eigenlijk te vinden is, en men ziet haar soms
+op de onaannemelijkste plaatsen met een ernstig onderzoek in de weer,
+bij spleten in een muur, toefjes gras of de bladen van een plant,
+inplaats van bij de bloemen. Het feit, dat de nektar onder in de
+bloem verborgen is, voorbij het stuifmeeldragend mechanisme, schijnt
+pas voor haar te dagen na heel wat nadenken en vergeefsche moeite.
+
+Het is bewezen, dat bijen soms tot twee en drie mijlen ver gaan op haar
+inzamelvluchten. De afstand schijnt in verband te staan met den aard
+van de streek. De bijen uit een heuvelland wagen zich maar op kleine
+afstanden van huis, terwijl in een vlakker streek de reizen veel verder
+worden uitgestrekt. De bijen-lijn is spreekwoordelijk geworden voor
+den rechten koers; maar het is te betwijfelen of de bij ooit volmaakt
+rechtuit vliegt van punt tot punt. De waarheid schijnt te wezen,
+dat er vaste lucht-wegen uit en thuis voor iederen bijentuin zijn,
+en dat die altijd door een dichten stroom gaande en komende bijen
+bezet zijn, gedurende de dagelijksche werkuren. Deze verkeerswegen
+liggen hoog boven de hoogste hindernissen, zóó hoog zelfs, dat het
+scherpste gezicht ze niet ontdekken zal. Alleen de bezige zang van de
+reizigers is te hooren, als was er een zingende rivier hoog boven ons.
+
+In de South Down streek, waar de afgelegen boerderijen ieder omgeven
+zijn door hun kompakt akkersysteem met bloeiend schapenvoêr,
+en waartusschen niets te zien is dan mijlen en mijlen van kaal
+kortgrasland, kunnen die bijen-wegen in de lucht gemakkelijk gevonden
+en bestudeerd worden. Terwijl ge over het veêrend, golvend gras loopt
+in den kalmen vrede van een zomermorgen, dringt plotseling een verre
+vage toon tot u door, alsof hoog in het blauw een enkele harpsnaar werd
+aangeslagen. Ge doet een paar stappen en hebt hem weer verloren; gaat
+ge terug dan hoort ge hem weer. Zien doet ge niets, hoe ge uw oogen
+ook moogt inspannen; maar de oorzaak van het geluid is duidelijk,
+en met een beetje moeite kunt ge heel gauw de hoofdrichting van de
+vlucht uitmaken, en ge ziet dan verderop in de laagte het complex
+van de daken eener boerensteê met zijn geplekte akkers er omheen,
+wit van klaver of rozerood van Espareette, in vollen bloei.
+
+Er is misschien op de geheele wereld nergens zulke kostelijke honing
+te vinden als in deze afgelegen Downlandsche boerderijen. Bij den
+gewonen verbruiker is honing eenvoudig honing en daarmee uit. Maar
+de bijenman weet, dat de honing evenzoo veel kwaliteiten kent als de
+wijn. Bij een eerste proefje kan hij onmiddellijk zeggen uit welke
+bloemen hij gemaakt is, of hij uit één of meerdere bronnen bijeen
+is gezameld, of hij enkel bloemessence is, of bezoedeld is geworden
+door dien afschuwelijken honingdauw, die in 't geheel geen honing
+is. Beneden in het laagland is het, behalve in de zeldzame seizoenen,
+als er maar één soort van oogst is, bijna volslagen onmogelijk honing
+te krijgen van slechts één enkele bron. Maar hier op de heuvelen
+worden de bijen niet aangelokt door kleurige tuinen, met hun zwakke,
+waterige zoetigheid, noch worden zij er verleid door den groven
+liguster, of de paardenkastanje of zonnebloem. Neen, er is maar één
+gerecht op tafel: maar dit is dan ook onuitputtelijk, onbegrensd. Zij
+hebben niet anders te doen dan heen en weer te vliegen uit en thuis,
+tusschen hun korf en één enkelen akker.
+
+Het is heel moeielijk met het schatten van de hoeveelheid honing,
+die één oogst van bloemen oplevert, de waarheid ook maar eenigszins
+te benaderen. Maar gesteld, dat alle omstandigheden meewerken, dan
+komt er op ieder roede Hollandsche klaver ongeveer vijf pond zuivere
+honing per dag, zoolang het veld in vollen bloei staat. De nektar wordt
+klaarblijkelijk door de bloem afgescheiden als aantrekking voor de
+bijen, die, met hun stuifmeel beklodderd lichaam er op neer vallend,
+onbewust de bevruchting bewerken. Onmiddellijk nadat dit doel bereikt
+is, schijnt het nektarvloeien in iedere bloem afzonderlijk op te
+houden en de honingdraagster gaat haar voorbij.
+
+Als men de oude boeken over bijenkultuur bestudeert, verbaast men zich,
+dat er de honingdauw zoo geprezen wordt, terwijl er in de moderne
+bijentuinen niet genoeg kwaad van kan gezegd worden. Men hoort daar,
+dat onmiddellijk wanneer de bijen honingdauw beginnen te zamelen,
+de honingsecties uit de korven worden genomen, of de goede honing zou
+bedorven zijn, wat kleur en smaak betreft. Men toont ons een leelijk
+donker waterig goedje, dat zorgvuldig door de bijen verzegeld is en
+men vertelt, dat dat haast enkel honingdauw is. Maar dan vraagt men
+zichzelf af: "kan dit dezelfde stof zijn, die door de oude meesters
+zoo vurig geprezen wordt?" De waarheid is, dat wanneer de oude en
+middeleeuwsche schrijvers van honingdauw spraken, zij dat woord in 't
+algemeen gebruikten voor alles wat de bijen inzamelden. Voor hen was
+alle honing een dauw, een goddelijk goed uit den hemel geregend; en het
+is volkomen in overeenstemming met het algemeen gebrek aan bijenkennis
+tot ongeveer het begin van de negentiende eeuw toe, dat zóó weinigen
+hebben gegist, dat bloemen iets met de zaak te maken hadden. Vergilius
+en de andere klassieken gaven uitsluitend den toon aan voor allen, die
+maar op eenige beschaving aanspraak maakten, en zelfs de naturalisten
+schijnen de wilde natuur alléén maar bestudeerd te hebben om de feiten
+aan te passen aan oude dichterlijke fantasieën. De oude schrijvers
+verklaarden het verschil in de hoedanigheid van den honing als
+veroorzaakt door den invloed van de sterren, die op het tijdstip
+der inzameling aan den hemel rezen, en de honing was goed of slecht
+naarmate die invloed gunstig of ongunstig was.
+
+De hoedanigheid en samenstelling van den honing kan oneindig
+verschillen, afhankelijk als zij zijn van de verschillende
+nektarbronnen; maar ongetwijfeld verdient de honingdauw ten volle
+zijn slechten naam bij de moderne bijenhouders. Er worden door de
+Engelsche natuurkundigen misschien driehonderd soorten van bladluizen
+(aphides) onderscheiden, en al deze scheiden het zoete vocht af, dat
+onder sommige omstandigheden door de bijen wordt ingezameld. De smaak
+van dezen honingdauw verschilt naar de soorten van bronnen, waarop
+het sap gevonden wordt. Waarschijnlijk zijn de meeste soorten niet
+anders dan een zoet, eenigszins wee smakend vocht, dat in zuiveren
+staat den echten honing niet veel in smaak doet afwijken, tenminste
+voor een ongeoefend smaakorgaan. Maar, helaas voor de ijmkers, is
+de eik door die parasieten het meest gezocht; niet minder dan zes
+variëteiten houden zich òp op die ééne boomsoort. En de honingdauw
+van den eik is een walging. Vrij algemeen wordt verondersteld, dat de
+eerste koude nachten, die het begin van het honingseizoen kenmerken,
+de productie van honingdauw prikkelen; want na zulke kille nachten
+ziet men gewoonlijk de bijen aan het werk op de boomen waar de
+bladluizen huizen. Het is echter een aannemelijker theorie, dat de
+koude de afscheiding van den honingdauw niet versnelt; maar eerder de
+rechtmatige honingbronnen voor de bijen afsnijdt, juist wanneer zij
+nog in den vollen werktijd zijn; en zoo zijn dus de immense legers van
+proviandzoekers tijdelijk werkeloos en moeten een nieuw veld vinden
+om hun dringenden ijver te uiten. De afscheiding van den echten
+nektar geschiedt in hoofdzaak 's nachts, en vraagt een temperatuur
+van ongeveer 70° Fahr. Iedere lagere temperatuur beduidt schraalte
+voor den volgenden dag, hoe mooi en warm het weer dan ook zijn moge.
+
+De donkere kleur van de bladluisstroop--en het kleinste beetje er
+van bederft al de markt voor den prachtigsten honing--schijnt zoowel
+veroorzaakt te worden door vreemde stoffen als door zijn eigen slechte
+hoedanigheid. Er leeft een eigenaardige fungus op de schors van vele
+boomen, waarop bladluizen huizen, de roetfungus. Deze wordt met den
+honingdauw samen tot een donkere troebele massa--en zeer zeker zou
+zelfs het geringste spoor er van genoeg zijn om den kostelijksten
+honing te bederven. Er schijnt voor de ijmkers niets anders over te
+schieten, dan tegen het eind van het honingseizoen acht te geven op
+de eerste kille nachten, en dan heel vroeg in den ochtend er bij
+te zijn om de reserve honingraten uit te korven te nemen, vóór de
+bijen gelegenheid hebben gehad ze te bederven. Maar de bij is geen
+heldin in het vroeg opstaan, al staat zij nog zoo hoog aangeschreven
+in 't boek der moraal. Gewoonlijk wacht zij tot de morgenzon den
+nachtdauw heeft opgedroogd en de bloemkelken verwarmd, en dan gaat
+zij pas in ernst aan den arbeid. De eerste vroege bijen, die men
+in het eerste zomermorgenlicht ziet uitvliegen, zijn waarschijnlijk
+waterdraagsters. In den broedtijd is voor iederen korf het water-dragen
+de eerste en de laatste zorg van den dag. Ieder bijenpark schijnt zijn
+eigen vaste waterreservoir te hebben, gewoonlijk de moerassige rand
+van een naburigen vijver; en hier kan men heele bijenbataillons zien
+drinken, in den vroegen morgen en tegen den laten namiddag, terwijl
+zij midden op den dag bijna geheel verlaten zijn. Het is aardig,
+dat deze tijden van het water-innemen samenvallen met die waarin
+het minst nektar te verkrijgen is, of wanneer de voorraad van dien
+dag is uitgeput; en hier valt weer een zijlicht op de economische
+eigenschappen van het bijenvolk.
+
+De bijen op hun honingoogsten te volgen, staat gelijk met een
+overzicht te nemen van den geheelen natuurlijken groei en leven,
+het jaar rond. In Zuid-Engeland wordt de eerste nektar van de wilgen
+verkregen, die laat in Maart in bloei komen, maar hun zoet terughouden
+tot het eerste mooie warme weer volgt op de kille noordewinden. Er
+kan weinig of veel wilgenhoning zijn, al naar de nacht-temperatuur
+geweest is. Gewoonlijk gaat dat met horten en stooten. Soms zijn
+een paar dagen lang hier en daar de wilgen overstroomd met bijen,
+en soms gedurende weken heelemaal verlaten. Het is waar, dat altijd
+wanneer de zon schijnt, die boomen, die als gouden toortsen opstaan
+in het nevelig purper van de knoppende bosschen, vol zijn van een
+zoemende menigte; maar dat zijn enkel stuifmeeldraagsters. De wilgen,
+die den nektar inhouden, hebben een bescheidener aanzien. Hun katjes
+zijn klein: dichte, groene kwastjes; en als een warme nacht hun
+voordeel heeft gebracht, lokken zij de drukke zangers van mijlen
+uit de rondte. De ijmkers laten gewoonlijk de wilgen als honingbron
+buiten hunne berekeningen; maar in waterrijke distrikten en in gunstige
+seizoenen behooren zij toch niet voorbij gezien te worden. Het gebeurt
+soms, dat April inzet met een opeenvolging van zachte zonnige dagen
+en warme nachten, en dan zijn de korven plotseling boordende vol
+van wilgenhoning. Als de gele katjes uit het gezicht verdwijnen,
+verdwijnen licht ook de wilgen uit het geheugen, en het schijnt niet
+algemeen bekend, dat de vrouwelijke katjes voortgaan met rijkelijk
+nektar af te scheiden tot soms het eind van Mei toe.
+
+Goede honingjaren zijn zeldzaam onder de veranderlijke Engelsche
+luchten; maar de natuur geeft toch blijkbaar aan de bijen een
+onafgebroken reeks van honingafscheidende planten, gedurende de
+geheele lengte van het lente- en zomerseizoen; en stuifmeel is er,
+wanneer maar een zonnige dag hen naar buiten lokt. De witte klaver
+is zelden in bloei vóór de eerste week van Juni; maar van de eerste
+wilgen in Maart af, tot de laatste van de bloemenoogsten in het eind
+van Juli, is er voorraad te over, als de wispelturige zon maar haar
+plicht wil doen. Als gevolg van de tegenwoordige wijze van het land
+te bebouwen is de klaver de hoofdbron voor den honing, tenminste voor
+Zuid-Engeland; maar de kenners zijn het er nog niet over ééns, welke
+plant eigenlijk den volstrekt volmaakten honing levert. De Schotten
+zijn o--wonder!--in dit enkel geval roerend éénstemmig en willen
+op dit punt van niets anders hooren dan van hei; zij onderscheiden
+daarbij nauwkeurig de dopheide, die goed, en de struikheide die nog
+onvergelijkelijk veel beter is. Maar er is toch een honingsoort,
+of liever een honingkombinatie, die ze alle overtreft, die echter
+even zeldzaam en kostbaar is als de eens beroemde druivenoogst in
+een komeetjaar. Men verkrijgt ze alléén dan, als de appelbloesem en
+meidoorn met hun vollen bloei tegelijk komen, en dat kan alleen wanneer
+een koude April den appel heeft teruggehouden, en een zomerachtige
+Mei den bloei van den meidoorn heeft verhaast. Want dan voegt zich
+bij den zachten fijnen appelbloesem-nektar, de pittige amandelgeur
+van de mei, en zoo wordt de honing, uit die twee samengesteld, de
+allerfijnst denkbare lekkernij.
+
+Men heeft zich er dikwijls over verwonderd dat een van de meest
+algemeen gekweekte planten, de roode klaver, zoo zelden door de
+honingbij bezocht wordt, terwijl die velden den heelen dag vol
+zijn van het sonoor trombone-geluid der hommels. Het is wel waar,
+dat de tong van de honingbij niet in staat is den bodem van de
+lange bloemkelk van de roode klaver te bereiken; maar dat zou haar
+zeker niet terughouden als de nektar de moeite van het garen waard
+was. Zij zou de bloem aan de basis doorbijten, zooals zij het bij
+veel andere bloemen doet en zoo haar beter toegerusten mededinger een
+vlieg afvangen. Maar roode klavernektar is schraal van samenstelling
+en grof van smaak. In den vollen bloeitijd zou zij een onbeperkte
+hoeveelheid honing leveren; maar juist op dien tijd kan de bij veel
+voordeeliger werkzaam zijn. Nadat de eerste oogst van roode klaver
+gesneden is, komt er gewoonlijk een nabloei met minder ontwikkelde
+bloembuizen, die dus korter zijn dan de vorigen en nu beginnen ook
+de betere nektarbronnen hard te verminderen. En de bij, voor wie in
+tijden van voorspoed het beste maar juist goed genoeg is, moet haar
+smaak wijzigen naar de omstandigheden. Daarom is zij in dezen tijd
+ook zeer in de weer in de roode klaver. En hoort men haar helderder
+zachter toon tusschen de meer schorre contra-ält van de hommels,
+dan kan men rekenen, dat de hoogtijd van het jaar voorbij is, en de
+gevulde sekties moeten zonder verwijl uit de korven genomen worden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV
+
+DE DAR EN ZIJN GESCHIEDENIS.
+
+
+Een feit is het dat alle bijenhouders enthousiasten zijn; en het is ook
+een feit, dat een omgang van jaren met de korven onvermijdelijk een
+vertrouwd kameraadschap kweekt, een voortreffelijke verstandhouding
+tusschen den ijmker en zijne legioenen. Maar even waar is het ook
+dat hoe meer men den aard der honingbij bestudeert, hoe minder men
+behagen gaat scheppen in sommige harer gedragingen.
+
+Als de jaren verloopen besluipt de ziel van den ouden bijenman een
+gevoel voor de honingbij als een soort van heilig ontzag. Zij is
+zoo duidelijk een kracht in haar kleine wereld, zulk een heerschende
+macht; zij is zoo moedig, zoo vernuftig, heeft zooveel hersens. Alle
+zwakheden en concessies en haast alle vreugden zijn al lang uit haar
+leven verdreven, oogenschijnlijk door eigen wil en doorzetting; maar
+hiermede heeft zij dan ook de kunst van het burgerschap geraffineerd
+tot op de zuivere elementen. Haar volstrekte onzelfzuchtigheid,
+haar volkomen overgave van zichzelve aan het wel van den staat,
+staan onweersprekelijk vast en zijn onveranderlijk. Het openbare
+leven der bijen is, als geheel genomen, zóó zeer onze bewondering
+waard, en in eene vergelijking met sommige menschelijke pogingen in
+die richting, komt hare voortreffelijkheid zóó duidelijk naar voren,
+dat men wezenlijk geneigd wordt al hare hoedanigheden tot deugden
+te verheffen; en men komt dan allicht tot de slotsom, dat het niet
+anders dan een vèrziende en alwijze goedheid kan geweest zijn, die
+den bijenstaat tot zijn volkomenheid bracht, en niet de koude strenge
+logica, die hem in werkelijkheid gevormd heeft.
+
+Dit onverbiddelijk omsmelten van het leven in de vaste vormen van
+"beginsel zonder barmhartigheid of feil" krijgt op den duur zulk een
+macht over den geest van den beschouwer, dat hij vroeger of later,
+al heeft hij sedert lang alle vrees voor den angel verloren, een
+ander soort van vrees voor de honingbij in zich voelt ontwikkelen,
+die het meest gelijkt op een vaag ontzag.
+
+En juist zooals Mozes Rusden, 's konings ijmker, in de wereld der
+honingbij het bewijs van een goddelijken wil zag, toepasselijk op het
+aardsche koningschap, zoo komt de man, die in dezen tijd de honingbij
+bestudeert, er toe zich de vraag te stellen, of de bijenrepubliek
+niet op een autoritaire moraal duidt in een andere richting. Hier
+is nu een Staat--een op heel kleine schaal, zeker, maar toch een
+die meetelt--waar verscheidene van de brandende vraagstukken in
+het moderne menschenleven sinds lang een aangenomen en vervolmaakte
+oplossing vonden, en deze in haar volledig resultaat zijn waar te
+nemen. Iedere poging om man en vrouw ernstig te vergelijken met dar en
+werkbij, zou den schrijver blootstellen aan het verwijt van dwazelijke
+oppervlakkigheid. Maar toch is het niet alleen onze verbeelding, die
+overeenkomst ziet tusschen de beginselen waarop iedere beschaving
+gegrond moet zijn, zij het dan in de menschenwereld of in die der
+insekten. Wij kunnen niet meer ontkennen, dat het gemeenschapsleven van
+de bij op een plan staat van hooge beschaving; dat het zich zoo gevormd
+heeft in den loop der eeuwen, door den drang der noodzakelijkheden;
+dat het ééne geslacht het andere volstrekt onderworpen heeft en
+streng beheerscht, en dat voor het voorrecht van die oppermacht het
+heerschende geslacht een vervaarlijken prijs heeft betaald.
+
+De werkbij van heden is een òververgeestelijkt, neurotisch,
+ziekelijk-plichtmatig schepsel, terwijl men van den dar niet anders
+getuigen kan, dan dat hij een domme, gelukkige en sensueele lummel
+is. Als dit uiterste verschil in de twee geslachten bij de bijen
+van den oorsprong af zoo bestaan had, dan zouden de betrekkingen
+tusschen dar en werkbij, zooals wij ze nu zien, ons natuurlijk,
+behoorlijk en redelijk genoeg voorkomen; maar er schijnen voldoende
+bewijzen, dat ver terug in het leven van de honingbij het vrouwelijk
+exemplaar volstrekt niet zoo hopeloos hoog verheven was boven het
+mannelijke. Naar alle waarschijnlijkheid is de koningin-van-nu ongeveer
+het type van de moederbij van toen, vóórdat de afkoelende aardkorst
+een beschutte woning noodzakelijk maakte--tegelijk het eerste begin
+van het op-elkaar-dringen tot behoud der wederzijdsche warmte, waaruit
+gaandeweg het hedendaagsch verwikkelde gemeenschapsleven groeide. Maar
+wij kunnen toch niet alles wat wij zien op rekening der évolutie
+schrijven; ook révolutie moet deel hebben gehad in de vorming van
+de moderne ontsekste werkbij. Wij hebben gezien, dat physiologisch
+iedere werkbij in den korf evengoed een moederbij had kunnen worden,
+een vruchtbare moeder van duizenden. De werkbijen zijn niet in den
+loop der tijden door den drang der noodzakelijkheid gaandeweg tot
+een verminkt en gespecialiseerd ras geworden, dat eigen lichamelijke
+onvolkomenheid blijft voortplanten; maar iedere werkster wordt met
+overleg gemaakt naar een vast model, door de autoriteiten aangegeven,
+ingevolge de eischen der gemeenschap. En wanneer zouden wel de bijen
+het eerst begonnen zijn met dat ingrijpen in den natuurlijken loop
+der dingen, met dat vervolmaken van de schepping? Wanneer deden zij
+de eerste schrede, zonder welke nooit de bijenrepubliek zooals zij
+nu is had kunnen bestaan? Men denkt aan een genialen zet, aan een
+prachtige strategische beweging van den hoofdleider in den grooten
+oerkrijg der geslachten, die met één slag den zege bracht, en waaruit
+de verdere afwikkeling van het veroveringsschema logisch volgde.
+
+Het geheele vraagstuk van de kunstmatige vorming der werkbij is vol
+van moeilijkheden, en in verband met het peil van onze kennis is er
+nog niet veel anders mogelijk, dan de feiten te konstateeren en het
+daarbij te laten blijven. De opperheerschappij in de korven van het
+vrouwelijk element schijnt te dagteekenen van den tijd dat de groote
+meerderheid zichzelf beroofde, of werd beroofd door hun onmiddellijke
+voorgangers, van haar deel in de voortplanting; toen ook de legboor
+zich openbaarde als een offensief en defensief wapen. Voordat de
+werkbijen een gewapende macht vertegenwoordigden is er geen reden te
+veronderstellen, dat de vrouwelijke bij fysieke overmacht had over
+den dar. De neiging van de koningin om haar legboor in de tracheeën
+van hare mededingsters te priemen, en zich zóó met één slag van haar
+te ontdoen; en ook haar ingekankerde haat tegen hare genooten, kunnen
+tot een latere ontwikkeling behooren, het gevolg van het kunstmatig
+en afgezonderd leven, dat zij te lijden kreeg. Terwijl de werkbij
+altijd met haar angel klaar staat, gebruikt de koningin den hare zóó
+zelden, dat vele oude en ervaren ijmkers van tegenwoordig haar zelfs
+het vermogen van te kunnen steken ontzeggen. Zij heeft veeleer een
+natuurlijke neiging om te bijten; en als het komt tot het gebruik van
+de scherpe, sterke, zijdelingsche kaken dan heeft de dar daarin een
+veel vervaarlijker uitrusting, hoewel het schijnt of hij den lust en
+den zin om er gebruik van te maken verloren heeft.
+
+Wat ook de dar vroeger moge geweest zijn, de werkbijen hebben hem nu
+stevig vast in de ijzeren greep van matriarchale noodzakelijkheid;
+en zij waken er voor, dat hij maar alléén en uitsluitend geschikt
+is voor zijn éénen onvermijdelijken plicht, al leggen zij al haar
+schranderheid eraan ten koste, hem op dit stuk te volmaken tot wat
+hij zijn moet. Het is duidelijk, dat zij, als het mogelijk was,
+het zonder hem zouden doen. Nu zijn er negen maanden lang geen
+darren; en daarna worden er in iederen korf maar een paar honderd
+gekweekt--dit is een minimum, dat een vruchtbaar huwelijk verzekert
+aan de jonge koninginnen, als de zomerzonneschijn haar ter bruiloft
+lokt. Men zou kunnen veronderstellen, dat wanneer er betrekkelijk
+zoo weinig koninginnen te bevruchten zijn--op zijn meest twee of drie
+in iederen korf en dan nog maar eenmaal in haar leven--, het aantal
+darren, dat nog geduld wordt, toch het benoodigde getal verre moet
+te boven gaan. Maar een hoofdbeginsel in het bijenleven is, dat
+de jonge koninginnen hun maat moeten kiezen uit een anderen stam,
+opdat er zoodoende gestadig nieuw bloed aan een volk toevloeie. Dit
+kan alleen maar buiten gebeuren en zoo ver mogelijk van den eigen
+korf. En de sterkste drang in de maagdelijke koningin, wanneer zij ter
+paringsvlucht uitgaat, is zoo spoedig mogelijk uit hare eigen omgeving
+weg te komen. Zij verdwijnt met vervaarlijken spoed en in een rechte
+lijn, en heeft dus alle kans onbemerkt in een nieuw land te komen, en
+op de verkenningsterreinen van vreemde darren. Een andere reden voor
+hare verre en snelle vlucht is, dat alleen de sterkste en vlugste dar
+uit den geheelen drom harer vervolgers haar zal kunnen achterhalen;
+wat ook weer meewerkt tot de verbetering van het ras. In de geheele
+natuur bestaat misschien geen tweede voorbeeld van een zoo zorgvuldige
+uitlezing der meest geschikte individuen tot voortplanting der soort
+en zeker tengevolge hiervan heeft de honingbij haar hoogen rang
+in de reeks der schepselen verkregen. Toch sluit dit plan groote
+gevaren in voor de jonge koningin. Overal loert dit gevaar op haar
+weg. Zij is een kostelijk hapje voor ieder van de tallooze vogels,
+die in den Junimorgen rondvliegen. Haar onbeproefde vleugels kunnen
+haar begeven. En komt zij veilig in het bijenpark terug, dan kan
+zij nog een verkeerden korf binnenvliegen om daar een wissen dood
+te vinden. Toch moet zij het wagen; en het eenige middel om haar
+afwezigheid van huis zooveel mogelijk te bekorten en haar bevruchting
+tot zekerheid te maken, is een zóó talrijke bevolking van de zwervende
+darren, dat zij er vindt op welken vliegafstand ook.
+
+Van het allereerste begin af verschilt de verzorging van een dar van
+die der werkbij. Het ei wordt in een grooter en dieper cel gelegd, en
+gedurende de eerste drie levensdagen wordt de darlarve met bijenmelk
+gevoed, die bovendien waarschijnlijk van een bijzonder soort is en
+in ruime hoeveelheid wordt toegediend.
+
+Er zijn ongeveer vierentwintig of vijfentwintig dagen noodig om den
+volkomen dar te vormen, terwijl men eenentwintig dagen rekent voor
+een werkbij. De koningin, zooals wij gezien hebben, ontwikkelt zich
+in veel minder tijd; er liggen niet veel meer dan veertien dagen
+tusschen het oogenblik, dat het ei wordt gelegd en het moment dat
+zij klaar is zich een weg uit haar cel te bijten.
+
+Nadat de dar zijn volkomen ontwikkeling bereikt heeft, duurt het
+nog ongeveer twee weken, vóórdat hij zich het eerst in de open
+lucht waagt. Gedurende al dien tijd heeft hij het vrije gebruik
+van de provisiekamers, en hij is constant bezig zich met honing vol
+te stoppen, als hij niet de gevolgen van zijn vratigheid ligt uit
+te slapen in een gezellig uithoekje van den korf. Maar honing is
+niet zijn éénig--noch zijn hoofdvoedsel. Gedurende zijn heele leven
+wordt hij geregeld door de huisbijen voorzien van de voedzame melk,
+waarmede hij ook als larve gespijsd wordt, en het is bewezen, dat
+wanneer die hem ook maar drie dagen wordt onthouden, hij van honger
+sterft, zelfs te midden van een overvloed van honing. Zoo hebben de
+werkbijen hem geheel in haar macht.
+
+De eerste vlucht der darren is een gebeurtenis van gewicht in den
+bijentuin. Het gewone gonzen gaat eigenlijk het geheele jaar door;
+op iederen zonnigen middag, wanneer de temperatuur tot 45° of 50°
+stijgt, zijn de korven het middelpunt van een kleine groep zangers;
+het is alleen het volume van het geluid dat met de lengende of kortende
+dagen versterkt of verzwakt. Maar als de darren buiten komen, verandert
+plotseling de geheele symphonie van het bijenpark. Zij verlaten nooit
+hun genoegelijke binnenkwartieren vóórdat de morgen is overgegaan in
+den middag, en dan nog maar alléén bij het allermooiste weer. Dan
+komen ze met veel misbaar uit het vlieggat, en dringen aanmatigend
+tusschen de bezige provianddraagsters heen; zij rijzen zwaar op hun
+vleugels, en onmiddellijk daarop wordt het gewone geluid van den tuin
+overstemd door het nieuwe lawaai. Zij schijnen haast gelijktijdig
+uit alle korven tegelijk te komen. Gedurende een paar minuten blijft
+de lucht vervuld van de zware schorre melodie, dan sterft dat geluid
+even plotseling weer weg, en de rumoerige doenieten verdwijnen over
+heuvelen en dalen, en ieder zoekt zijn uitverkoren jachtterrein.
+
+Er heerscht veel meeningsverschil ten opzichte van de vlucht der
+darren wat den afstand betreft; maar waarschijnlijk vliegt hij
+sneller en verder dan men tot dusverre heeft aangenomen. De kracht
+en wijdte van zijn vleugels stempelen hem tot vlieger. Hij is enkel
+lichaamskracht en vitaliteit; en het zou wel vreemd zijn als hij,
+die maar één enkele opgaaf in zijn leven heeft--n.l. het uitgaan op
+een liefdesavontuur--voor die taak niet in alle opzichten berekend
+was. Als een korf met bijen op het hoogst van het seizoen op eenigen
+afstand verplaatst wordt, dan kan men er zeker van zijn, dat er
+een klein aantal zoowel werksters als darren op de oude plaats
+terugkomt. Dit is geregeld gebeurd wanneer men met de korven niet
+verder ging dan drie kilometer. Maar in één geval, toen de afstand
+meer dan tweemaal zoover werd genomen, zag men geen werksters meer om
+den ouden plek heen; maar alléén een gezelschap darren bewoog zich
+doelloos boven den korfloozen standaard; en er kon weinig twijfel
+bestaan of deze hadden tot de verplaatste kolonie behoord. Er wordt
+niet beweerd, dat zij van hun doel bewust al die kilometers hadden
+afgevlogen. Waarschijnlijk kwamen zij op hun dagelijksche vlucht
+zoo ver van de nieuwe standplaats, dat zij in de streek van de oude
+omgeving geraakten, en zoo van zelf den ouden bekenden weg volgden.
+
+De dar was sedert onheugelijke tijden het staande voorbeeld van den
+luiaard en doeniet in de elementaire schoolboeken. Doch wat ook zijne
+oorspronkelijke uitrusting voor nuttigen arbeid moge geweest zijn,
+het is zeker, dat hij nu niet werken kan, al zou hij nog zoo graag
+willen. Lichamelijk--behalve wat de spieren betreft--en geestelijk
+is hij in alle opzichten de mindere geworden van de werkbij. Bij hem
+zijn al die bijzondere inrichtingen afwezig, waarmede de werkster zoo
+ruim is toegerust. Hij heeft geen stuifmeelkorfjes, noch éénige van
+die vernuftige borstels en kammetjes, waarmede zij het stuifmeel bij
+zich zelve en andere afkrabt. Hij heeft noch was-afscheidingsorganen
+noch tangetjes, om die was te hanteeren. Zijn tong is te kort om den
+nektar te bereiken; zijn hersenen zijn nog geringer van omvang dan
+die van de zwakgeestige koningin. De gekompliceerde kliersystemen,
+die zulk een belangrijke rol spelen bij den dagelijkschen arbeid
+van de werkbij, zijn bij hem of geheel afgestorven, of bestaan
+in elementairen vorm. Terwijl de Wil der Gemeenschap verlangde,
+dat de werkbij ongehoorde voortreffelijkheden van geest en lichaam
+zou ontwikkelen, is diezelfde macht steeds werkzaam geweest, om het
+mannelijk exemplaar terug te brengen tot een volstrekt afhankelijk
+wezen met verlies van alle initiatief en gedachte, behalve in ééne
+richting. Het is met dar en werkster evenals met de koningin en de
+werkbij; zij schijnen nauwelijks tot hetzelfde ras te behooren.
+
+En toch, zoo royaal onbekrabbeld en nuchter als hij is, heeft de dar
+in vergelijking met zijn wrange, koude, plichtaanbiddende zuster, iets
+verfrisschends; hij is zijn leven lang een onverbeterlijk optimist. Hij
+fluit zijn wijsje al brandt de stad; of hij al zou klagen en jammeren,
+geen vonkje zou er door gebluscht worden; en daarom is het bij hem:
+"eten, drinken en vroolijk zijn" echter met de intuitie van alle
+darren dat hem morgen de Nemesis wacht met iets onaangenaams. Het
+is onmogelijk, langen tijd de gangen der darren na te gaan zonder te
+worden getroffen door den geest van ruwen jool, dolle jongensachtige
+dartelheid, die hen bezielt bij al hun doen. Zij komen met veel drukte
+hals over kop den korf uitstommelen, bonzen onbesuisd tegen alles aan
+wat op hun weg komt, en heffen hun rumoerigen en bombastischen zang
+aan als een soort van protest tegen al dien pijnlijken ijver om hen
+heen. Eenmaal buiten de omgeving van de korven blijven zij onafgebroken
+rondvliegen, tot de honger hen weer naar huis dringt. Want niemand
+heeft ooit een dar gezien tusschen de insekten, die rond de bloemen
+vliegen, noch ook ooit hem zien zitten om zich te zonnen op een warm
+plekje, een muur of boomstronk, wat toch de gewoonte is van haast
+ieder ander gevleugeld insect.
+
+Hij komt naar den korf terug met dezelfde lawaaiïge, zorgelooze
+fanfaronnade, en wordt door de werksters ontvangen met dezelfde
+norsche onverschilligheid. Zij helpen hem tot oververzadigings toe
+aan bijenmelk, tong aan tong, terwijl hij opzit als een vette vratige
+baby, die altijd maar om meer eten drenst. Zij laten hem ongehinderd
+toe aan de honingvaten te zwelgen; maar het is duidelijk, dat zij
+hem verachten. Hij is een vervaarlijke schadepost voor den Staat;
+doch onontbeerlijk. Zwijgend gaan zij aan hun taak hem te voederen,
+zwijgend maar met onheilspellende lankmoedigheid. Zij misgunnen hem
+iederen drop en tegelijk dwingen zij hem tot onmatigheid. Het is niet
+voor lang. De dag der afrekening is nabij. De klaproozen beginnen al
+met hun vurig scharlaken te gloeien tegen de heuvelen--de klaproozen,
+die de kentering van den zomer aanzeggen; na hen komt de groote daling,
+en het zonlicht gaat kwijnen; iedere dag een schaarscher bloemenoogst,
+tot het pad weer verloopt in de dorre ééntonigheid, het doffe bruin
+en grijs van den winterdood.
+
+En nu gaat de werkbij een groezelige vlek op haar karakter vertoonen,
+die kwalijk past bij de fijne schakeeringen en de groote hoedanigheden
+van haar geest, die haar zoo terecht beroemd maakten. En dat zij
+niet absoluut volmaakt, niet in alle opzichten te bewonderen is, dat
+heeft haar juist die groote liefde bezorgd, welke de harten van hen
+bevangt, die haar door en door kennen. De darrenmoord heeft zijn weergâ
+niet in onverbiddelijke wreedheid--in hartstochtelijk toegeven aan
+wraakzucht, lang teruggehouden, terwille van de noodzakelijkheid. Nu
+komen de eerste kille nachten van midden Juli en de nektarvloed wordt
+plotseling onderbroken. Klaver en Espareette zijn al onder den sikkel
+gevallen. Alleen de grootste hitte en de weelderigste overvloed van
+den zomer zouden de myriaden honingmaaksters kunnen helpen in haar
+vraag; en een paar uren van afkoeling dammen plotseling den reeds
+langzaam vloeienden nektarvloed af. De tijden van voorspoed zijn
+geweest. De honingovervloed komt niet meer. Nu moet het genie der
+korfzuinigheid beslissen hoeveel van den voorraad er bespaard kan
+worden voor latere behoeften.
+
+Het eerste voorteeken van de débâcle is het verwijderen uit de korven
+van zekere bleeke, griezelige dingen--de lichamen der onrijpe darren,
+niet door een natuurlijk toeval gestorven; maar meedoogenloos uit hun
+cellen gerukt. Dit duurt soms eenige dagen achtereen, en hoewel dit
+wreede werk onder hun oogen gebeurt, zien de levende darren er geen
+waarschuwing in. Zij blijven voortgaan met hun vroolijken rondedans;
+het eeuwige feestgetier gaat zijn gang; nog dagelijks vult zich de
+bijentuin met hun zorgeloos overmoedig gegons. Maar dan eindelijk
+wordt het teeken tot den moord gegeven. Vreemde, stootende kreten
+stijgen uit iederen korf--kreten die enkel door den doodsangst worden
+uitgedrongen. De darren liggen niet meer onbekommerd tusschen de raten
+gerijd, rustig de eene roes uitslapend en droomend van de volgende. Zij
+zijn nu allen goed wakker, en vluchten radeloos om hun leven, door
+de nauwe straten van de bijenstad, woest gejaagd door de werksters.
+
+Steeds intenser worden de diepe, vibreerende angstkreten. Als de beulen
+hun slachtoffers achterhalen, grijpen zij ze bij de aanhechting der
+vleugels, en geholpen door de andere furiën, trekken en sleepen zij
+ze door het gedrang, tot zij buiten zijn, en rollen dan met hen op den
+grond; de darren steeds worstelend en zich verwerend en nog altijd die
+waanzinnige angstkreten uitstootend, de werkster onafgebroken knagend
+aan den vleugel tot hij machteloos is, en het slachtoffer nooit meer
+naar den korf kan terugkeeren. Vele van de sterkste darren ontkomen
+tijdelijk aan hun vervolgsters en vliegen onverlet weg. Doch dat rekt
+hun leven maar een enkel uur. De honger zal hen weer naar den korf
+terugdrijven, waar de wachten hen overvallen en hen verminken of nog
+eens verdrijven. Het is zeer opmerkelijk, dat de bijen bij die groote
+jaarlijksche slachting nooit de darren steken; díe methode is er in
+hun waanzin; want bij dat ruwe worstelen zouden de angels met den
+wortel worden uitgerukt en vele kostbare levens gingen dan tegelijk
+met de minderwaardige verloren. De eenige toeleg schijnt te zijn,
+het verblijf in de korven aan alle darren voor goed onmogelijk te
+maken, en het verlammen van één vleugel schijnt daarvoor voldoende;
+naar dit doel wordt door de behendige moordenares enkel gestreefd.
+
+Bij sommige bijenrassen is de darrenmoord in ongelooflijk korten
+tijd afgeloopen; maar andere rekken den gruwel dagen lang. De
+rampzalige heeren der korven staan tusschen twee vuren, en er is geen
+ontkomen. Vliegen zij weg naar buiten, dan doodt hen de honger of
+de koude nachten, gaan ze naar den korf terug, dan achterhaalt het
+noodlot hen nog eerder. In dezen tijd zijn nacht en dag de wachters
+aan de poort verdubbeld, en zelfs de listigste dar zal hen niet kunnen
+ontgaan. Toch kiest hij gewoonlijk die kans: vroeger of later komt
+hij den korf binnenvallen, en valt dan recht in het zwaard.
+
+Dit is de gewone gang van zaken in de bijenrepubliek, als het seizoen
+normaal verloopt en de kolonie een moederbij bezit, die jong en sterk
+en beproefd vruchtbaar is. Maar er komen tijden voor, dat de darren,
+hoe bezwarend ook voor den staat, geduld worden tot laat in den herfst,
+en zelfs soms ongehinderd mogen leven gedurende den winter en het
+volgende voorjaar. Als de ijmker darren om een korf ziet vliegen,
+terwijl de andere kolonies al lang met de hunnen hebben afgerekend,
+dan weet hij wel wat aan dat volk mankeert. De koningin is oud
+en kwijnend, en deze scherpzinnige amazonen hebben hun manvolk
+respijt gegeven tot een nieuwe moederbij kan zijn opgekweekt en
+passend uitgehuwelijkt. Het is een geval van begenadiging voor de
+darren, met juist zooveel recht voor haarzelve vereenigd, dat het de
+oorspronkelijke deugd weer uitwischt.
+
+En blijven in een korf de darren den winter over, dan is dat een
+teeken, dat er niet alleen geen koningin is, maar dat dit volk er
+nooit een zal krijgen van het eigen ras. Het in leven blijven der
+darren waarborgt tenminste één onmisbaar element voor het behoud van
+het volk en--wie kan het tegenspreken van een soevereinen geest als
+de werkbij?--misschien vertrouwen zij van den ijmker, dat die haar
+nood zal kennen en er in voorzien, door haar een andere koningin te
+verschaffen, nog bijtijds genoeg om zijn bezitting van den ondergang
+te redden.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV
+
+NA HET BANKET.
+
+
+Zooals in den bijentuin het jaar opgaat, zoo daalt het ook weer, haast
+onmerkbaar, stap voor stap. Als in Zuid-Engeland het zaadhooi gesneden
+is, hebben de bijen niet veel anders meer te doen, dan de korven in
+orde te maken voor den komenden winter. De koningin wordt door een
+gradueele verandering in het voedsel gespeend van haar neiging tot
+eierleggen. Iederen dag krijgt zij wat minder van de geheimzinnige
+bijenmelk, die haar aanzette en bezielde, van dag tot dag voelt zij
+zich sterker gedrongen haar honger te stillen aan de toegankelijke
+honingcellen, te zamen met het gewone volk. Van dag tot dag worden er
+minder kinderen geboren, en van dag tot dag ook verdwijnen er meer
+van de oude werksters, op hun onverklaarbare wijze; zij gebruiken
+misschien hun laatste vleugelkracht om zich terug te trekken op
+het traditioneele kerkhof van hun soort. Wat van haar wordt, weet
+de wijste bijenvader niet te zeggen; maar dat is zeker, zooals zij
+leefden in het kommunistisch principe, zoo sterven zij ook, en haar
+laatste handeling is eene kollektivistische--zij verwijderen haar eigen
+lichamen daàrheen, waar zij onschadelijk zijn voor den dierbaren Staat.
+
+Als de dagen afnemen, vermindert ook zichtbaar de bevolking der
+korven; en met het dunnen van de gelederen komt er een even merkbare
+verandering in het humeur der bijen. De oude ijmkers weten bij
+ervaring, dat in den herfst waakzaamheid pas geeft. Alles wat leeft,
+ondergaat in den herfst eene beproeving van het karakter en dit is in
+'t bijzonder waar voor de honingbij. Iedere stam heeft zijn goede of
+kwade neigingen die in dit jaargetijde geregeld voor den dag komen. En
+eerder nog zullen zich de kwade neigingen vertoonen, nu de drang om
+te werken tot stilstand kwam, en de werkkracht haar weg moet gaan
+vinden op een steeds enger wordend pad.
+
+Het vinden van krasse oneerlijkheid in zulk een atoom, als de bij is
+in de schepping, maakt op ouderwetsche geesten een diepgaanden indruk;
+maar dat verhelpt niet, dat ontegenzeggelijk sommige bijenvolken de
+hebbelijkheid hebben, zich te ontwikkelen tot inbrekers en roovers
+van het eigendom hunner geburen, meestal vroeg in den herfst, of
+ook, maar zeldzamer, als in het vroege voorjaar de eerste schrale
+nektaroogst begint.
+
+Vergilius en haast alle oude schrijvers geven treffende beschrijvingen
+van in hun tijd veelvuldig voorkomende bijenveldslagen. Zij vertellen
+ons van hevige schermutselingen hoog in de lucht, en hoe de koningen
+hun krijgerhorden dan aanvoeren--het gedruisch der slachting,
+en een regen van gewonden en dooden, die neerkomt uit de blauwe
+zomerlucht. Deze beschrijvingen zijn altijd een groot raadsel geweest
+voor moderne bijenkenners, omdat in onze dagen niets van dien aard
+ooit schijnt te gebeuren. Tegenwoordig houdt voor het oog iedere korf
+zich aan zijn eigen zaken, volkomen onverschillig voor het bestaan
+van andere korven. Noch in de omgeving der korven, noch daar buiten,
+wordt ooit iets als oneenigheid tusschen bijen waargenomen, niet
+tusschen enkele individuen en ook niet groepsgewijze. De honingbij
+is een uiterst vreedzaam schepsel, behalve wanneer men baldadig haar
+huis belaagt.
+
+Maar in den herfst vallen er meer dan eens dadelijkheden voor tusschen
+roofbijen en de bewoners der korven, die door hen worden aangevallen;
+en men komt er toe te gelooven, dat het deze gevallen zijn, waarop
+Vergilius doelt.
+
+Misschien is het wel zoo, dat wanneer een volk éénmaal heeft ontdekt,
+hoeveel gemakkelijker en vlugger men honing krijgt met stelen
+dan door de omslachtige verzamelmethode, deze bijen nooit meer
+voor een eerlijke levenswijs terug te winnen zijn. En niet alleen,
+dat de moederstok aan het eind van ieder seizoen op die wijze zal
+losbreken; maar al de zwermen uit dien korf zullen dezelfde neiging
+vertoonen. Die stam zal dan een aanhoudende zorg blijven voor den
+ijmker, en als hij een wijs man is zal hij korte metten maken, door
+dat volk een andere koningin te geven en zoo den oorspronkelijken
+stam te laten uitsterven. Is het in zijn eigen tuin, dan is de zaak
+niet moeilijk op te lossen; maar dikwijls zijn de roovers wilde bijen,
+vrijbuiters, die ergens in een hollen boom huizen, in een bosch in de
+buurt, en vandaar uit strooptochten ondernemen bij hun wettiglevende
+buren in de omliggende dorpen; zooals alle bandieten dat doen over
+de geheele wereld. Die vreemdelingen hebben dikwijls een eigenaardig
+uiterlijk, waardoor men ze onmiddellijk kan onderscheiden van de
+wettige bijentuin-bewoners. Zij zijn glimmender, en donkerder van
+kleur, en bewegen zich tegelijk driest en gluiperig, waardoor zij
+zich dadelijk als stroopers doen kennen.
+
+Wie op een mooien Septembermorgen tusschen de korven drentelt,
+zal opmerken hoe verscheidene van die sinistere figuren om het
+vlieggat van een korf zwermen, of er ongemerkt in trachten binnen
+te dringen. Ze worden echter aanstonds ontdekt en er ontstaat een
+plotseling opstootje als de korfwachters de insluipers aanvallen en
+ze verjagen. Hun bedoeling is duidelijk. Het zijn verkenners van het
+rooverkamp en zij zijn er op uit om de zwakke volken te ontdekken,
+die een gemakkelijke prooi zijn voor een sterkere roovermacht. Sterke
+volken behoeven geen roovers te vreezen; zij houden het altijd wel uit
+tegen een aanval, en daarom worden zij gewoonlijk ongemoeid gelaten.
+
+Die verkenners verdwijnen na een poosje, en de korf keert weer tot
+de gewone bezige kalmte terug. Maar het duurt niet lang of er wordt
+een klein wolkje bijen boven den heg zichtbaar, die recht op den
+uitverkoren korf af vliegen. Nu is het geen listig verkennen meer;
+het is royaal oorlog. De roovers vallen neer op hun prooi; en een
+hevige schermutseling begint, een wanhopig gevecht, man tegen man,
+tusschen belegeraars en belegerden. Wordt de zwakke korf aan zichzelven
+overgelaten, dan is de uitslag al te voren beslist en hij is in
+korten tijd overwonnen. Dan gebeurt er gewoonlijk iets merkwaardigs:
+de bijen van den korf, die den slag overleefd hebben, loopen over
+naar den vijand, en zij helpen zelf mee om hun rechtmatige schatten
+over te brengen in het hol van de bandieten. Gelukkig heeft de ijmker
+een bijna onfeilbaar voorbehoedmiddel in zijn macht om dit gevaar af
+te wenden. Hij kan veilig al de in getal sterke volken aan zich zelf
+overlaten; en van hen die weinig in aantal zijn kan hij er twee of drie
+bij elkaar voegen, waardoor zij weer sterke kolonies worden, in staat
+zichzelf te beveiligen. De moderne losse-bouw korf is een macht in
+de handen van den bekwamen ijmker; want de raampjes van verschillende
+korven kunnen te zamen in één korf geplaatst worden, en in dit seizoen
+blijven de bijen wel eendrachtig te zamen, vooral wanneer men ze met
+meel bestuift of ze met eenzelfde reukmiddel besprenkelt, zoodat ze in
+uiterlijk en lucht gelijk zijn. Waarschijnlijk heeft iedere korf zijn
+eigen lucht, die ook alle burgers van dien staat gemeen hebben; en dit
+is zeker het hulpmiddel waardoor de wachters aan het vlieggat hun eigen
+medeburgers herkennen, en alle indringers onmiddellijk overvallen.
+
+De toebereidselen in den korf voor de winterperiode worden door de
+bijen even grondig behartigd, als alles wat zij ondernemen. Naar mate
+de oppervlakte van haar broednest inkrimpt, worden de leege cellen
+met honing gevuld, die wordt overgebracht uit de verst afgelegen
+proviandcellen. De honingdraagsters blijven geregeld aan het werk
+wanneer maar het weer gunstig is, zij gaâren de resten van het banket
+bijeen en vullen er thuis de proviandkamers mee aan. Op plaatsen waar
+veel klimop is kan men op mooie Oktoberdagen de bijen zoo ijverig
+bezig zien, als ooit in de heerlijkste Junizon; alleen is het aantal
+duidelijk minder. De echte sonore levenszang komt later op den dag
+en duurt alléén in de helderste uren: en dat wonderbaar nachtgeluid,
+het diep ondergrondsch dreunen van de waaiende bijen is weg uit den
+tuin; zooals ook de geur van den klaver-nektar, die dampt en gist in
+de korven, niet langer uit het duister doordringt, en het huis van
+den ijmker vult met een geurigheid, die hem liever is dan wat ook
+anders ter wereld.
+
+De oude bijen, rafelig en verfomfaaid van vleugels, die den harden
+arbeid van het groote werkseizoen hadden doorstaan, zijn nu bijna
+alle verdwenen. De korven zijn vol met bijen van eenzelfde geslacht,
+doortrokken met dezelfde tradities; maar zij staan aan het begin
+van het leven, ongeoefende rekruten van het lot, een troep, die moet
+dienen om de gaten te stoppen. Zij dragen geen herinnering om van de
+tijden toen het werken een koorts was, een stormachtige wedkamp met
+de zon, waarbij de vlugsten nog moesten achterblijven. Zij hebben
+nooit de overzware vrachten gekend, de barstende honingzakjes, en de
+stuifmeelkorfjes zóó zwaar geladen, dat zij ze nauwelijks den korf
+konden binnen sleepen, en zij zullen dat alles nooit kennen. Over deze
+bijen, laat in den tijd geboren, beschikte het lot, dat de troebele
+poel van het door den vloed achtergelaten water hun wereldje moet
+zijn. Hun leven is niet meer dan een rekken van dagen, zoodat zij het
+uit kunnen houden tot het eerste lentebroed in het leven gewarmd moet
+worden. De enkele dagen van hitte, die in Engeland onvermijdelijk
+terugkomen tusschen de Maartsche sneeuw--zij schijnen oneindig,
+onbereikbaar ver af nog--zullen allèen hun de macht van het zonlicht
+leeren kennen; maar de zomerzon zullen zij nooit voelen. Winterbijen
+worden in de gevangenis geboren, in en voor de gevangenis leven en
+sterven zij.
+
+Een werkbij leeft op zijn hoogst maar zes maanden; en op zijn minst--en
+dit is het lot van velen--weerstaat zij het onafgebroken slaven
+en zwoegen van haar moeilijk bestaan niet langer dan zes of als 't
+meeloopt, acht weken. Zoo is dus de bevolking van een korf, al is die
+steeds volgepakt met burgers, steeds veranderlijk. Ge kunt zesmaal in
+het jaar naar uw bijentuin gaan en dit twintig jaar lang doen, en bij
+iederen gang zult ge u tusschen tienduizenden bewegen voor wie gij een
+volslagen vreemdeling zijt, en die ge zelf nooit te voren gezien hebt;
+en toch is in al zijn gebruiken, in zijn neigingen, in zijn traditie
+het leven der bijen een voorbeeld van het Blijvende. Ge maakt een
+reis om de wereld en blijft tien jaar weg, en komt ge terug in het
+oude lommerrijke hoekje, dan staat daar nog altijd de groene kast
+onder de sering, en nog altijd is zij het middelpunt van schijnbaar
+dezelfde menigte gewiekte koopvrouwen, die onder kleurige vlaggen naar
+huis zeilen, zij zingen dezelfde blijde wijsjes, bouwen nog dezelfde
+verwonderlijke inrichtingen in het duister, en veranderen nog altijd
+dezelfde geurige essencen in een gouden elixir. En wat is dit mysterie,
+dat Bijenrepubliek geheeten wordt en dat alléén onsterfelijk is,
+terwijl zij die haar samenstellen, alles wat tot haar behoort, en
+haar in stand houdt, tijdelijk is en te niet gaat?
+
+Hier moet gij de bijenkoningin niet vergeten. Herinnert u, dat
+zij alléén van jaar tot jaar blijft voortleven, terwijl de steeds
+elkaâr opvolgende geslachten van hare kinderen om haar heen worden
+en vergaan--honderdduizend wel misschien in een jaar, duizenden
+tusschen een enkelen zomermorgenstond en de schemering van den
+westelijken hemel. Methusalem moet op bescheidener menschelijke schaal
+iets dergelijks ervaren hebben--hij moet het breedere levensplan
+hebben afgeleid uit de onderbroken, wisselende reeks van kansen en
+veranderingen, die aan zijn geest voorbij trokken. Alleen den ouden van
+dagen is het gegeven het algemeene te symboliseeren; en hij uit alle
+menschen had geleerd te peilen en te schatten en uit het glinsterend
+veelkleurig kaf des levens het simpele dofgetinte graankorreltje
+te ziften. Altijd en altijd weer moet hij met een enkel wijs woord
+de waarheid waar gehouden hebben, of met één enkelen zwaai van den
+spiegel der eeuwen den schijn hebben verblind en vernietigd. Hij
+was een levend geschiedverhaal, waarin ieder den gang en uitgang van
+het leven leeren kon. En zoo staat nu wel de bijenkoningin voor het
+geschiedverhaal der bijenwereld, een levend archief van haar plan,
+haar gedachte, haar ideaal--zij, die in vergelijking met het komen
+en gaan der duizenden, een eeuwenoud, onvergankelijk wezen lijkt.
+
+En zoo moogt gij u haar denken in de korte December schemerdagen,
+of in de eindelooze nachtduisternis, als de winterwinden gieren,
+hoe zij dan haar kinderen om zich heen verzamelt en hun verhalen
+vertelt van de heldenfeiten van het voorgeslacht, hoe zij hun de oude
+bijenzangen leert met altijd datzelfde refrein van werken en winnen;
+en daarbij nooit haar eigen geschiedenisje vergeet--dat korte uur
+van haar huwelijksvlucht, en dat huwelijk gekocht en betaald met een
+levenslang weduwschap.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI
+
+HET MODERNE BIJENPARK.
+
+
+Het is goed en wel het bijenleven van den wetenschappelijken kant
+te zien, omdat die zoo bijzonder belangwekkend is, en dan aan die
+studie den lof te geven, dat men zich in zijn vrije uren met geen
+boeiender werk kan bezig houden; maar de honingbij is toch ook nog
+iets anders, dan een wonderding of een voorwendsel om in moraal te
+liefhebberen. Goed behandeld en juist begrepen, kan zij van groot
+nut zijn in de wereld.
+
+Er zijn twee dingen in ons Engeland, welke ieder verbazen die
+een juiste voorstelling heeft van de mogelijkheden door haar
+aangeboden. Ge kunt het land in alle richtingen doorkruisen, en dan
+zal het allerlaatste wat ge aantreft een bijenpark zijn; zelfs niet
+een paar korven in den tuin van een landhuis; en toch heeft ieder
+stukje van den weg zijn hoekje bloemen, en op afstanden van niet meer
+dan een meter vindt ge bloemrijk weiland, waar zonder overdrijving
+ieder jaar vaten honing te loor gaan. Dit zou alles kunnen ingezameld
+en met weinig moeite en groote winst den volke verkocht worden; als
+de ondernemingsgeest maar uit zijn eiland-slaap woû wakker worden en
+de handen uit den mouw steken. Maar jaar aan jaar gaat vruchteloos
+voorbij en niets gebeurt. Hier en daar een enkele wakkere landbouwer,
+die een aardige buurschap van korven bijeen heeft, al de honing in
+zijn omgeving afzet, en dientengevolge zijn zakken kan voeren met
+goud en zilver. Maar dit is niet meer dan een druppel in de zee,
+en de Brit moet naar het buitenland om honing, wat hem komt op het
+belangrijke sommetje van meer dan fl 360.000 's jaars.
+
+Tot nu toe--wanneer wij terugrekenen van gevolg naar oorzaak--schijnt
+het wel, dat het boerenbedrijf alléén winstgevend kan zijn, wanneer het
+op groote schaal gebeurt; maar zij die de teekenen des tijds opmerken,
+zeggen, dat de eeuw, die nu in de landelijke wereld juist begint
+te dagen, de eeuw zal zijn van den kleinen man. En dit beduidt dan
+wel, dat de erfelijke aristokratie onder de kultuurplanten--tarwe,
+haver, gerst--langzaam plaats zal gaan maken voor het klein
+bedrijf; in kort, dat men den grond niet meer dingen zal vragen,
+die de traditie en onze landbouwersfamilietrots hebben gemaakt tot
+het begin en het eind van den landbouw; maar de kleinere, nederige
+levensbenoodigdheden, die iedere stad en ieder dorp in den rijken
+zwarten grond in de onmiddellijke nabijheid behoorde te vinden,
+maar er nu steeds te vergeefs zoekt. Dan zullen de dames van de
+landbouwers niet langer in hun salon zitten en in hun landauers
+rijden, en dat zal een verandering ten goede zijn, eenvoudiger en
+meer naar verhouding. De stedelingen weten dit alles zoo niet; maar
+wie buiten woont heeft heel goed gemerkt, hoe veel gecompliceerder
+en weelderiger het leven in de oude Engelsche hoeven geworden is,
+al roept men over dure tijden; en hoe de boerin niet meer in de melk-
+en kaaskelder gaat, en ook niet meer die heerlijke eigen dingen maakt
+zooals dat vroeger in de boerderijen het geval was, en waaraan het
+oud-Engelsche buitenleven van ouds zijn roep te danken had; en hij
+weet ook hoe de groote heeren-boeren nu de hoofdafnemers zijn van de
+groote Londensche "Stores" terwijl de kleine plaatselijke winkeliers
+niet anders zien dan den daglooner van zeven of tien gulden in de week.
+
+Voor het klein bedrijf, dat zich weldra over het geheele land
+vermenigvuldigen zal, is er nu iets te ondernemen, dat tot nog toe
+nauwelijks is aangepakt. Voor den handwerksman was altijd een staande
+ergernis de kapitalist, die zoo lui leeft als hij wil en den arbeider
+voor zich laat tobben. Maar als de kleine man nu bijen gaat houden,
+dan kan hij ook luieren, en toekijken hoe zijn duizenden gevleugelde
+arbeiders zijn voorraadkamers vullen met een van de nuttigste
+en verkoopbaarste artikelen van de wereld. Het is een axioma in
+den handel, dat een goed aanbod even zeker een vraag schept als de
+algemeene behoefte aan iets de produktie ervan prikkelt. En Engeland
+behoeft op het oogenblik een ruimen voorraad goeden en goedkoopen
+honing; wordt die eenmaal aangeboden, dan is het ook zeker, dat de
+vraag steeds grooter zal worden.
+
+Er zijn verschillende redenen waarom de menschen honing behooren te
+kiezen voor hun hoofdvoeding, inplaats van de beetwortelsuiker die
+nu zoo algemeen wordt gebruikt. In de eerste plaats is honing een
+zuiver, natuurlijk, onvervalscht zoet, terwijl bij het bereiden
+van gewone suiker het vermengen met meer of minder schadelijke
+chemikaliën onvermijdelijk schijnt te zijn. Als een bijenkolonie
+kunstmatig gevoed moet worden, en voor dat doel gewone kruideniers'
+suiker gebruikt wordt dan heeft dat gewoonlijk de vergiftiging van
+het halve volk ten gevolge, door de chemische stoffen waarmee de
+suiker in de raffineerderij behandeld is geworden. En als ze zóó
+werkt op de bijen dan ligt het voor de hand, dat ze niet heelemaal
+onschadelijk kan zijn voor menschen. Maar de zuiverheid alleen is
+niet de reden waarom honing het algemeene verzoetingsmiddel voor de
+menschen behoorde te zijn. Honing is de suiker, die mee den nektar
+vormt; maar dan geconcentreerd en verwerkt tot wat in de scheikunde
+bekend is als druivensuiker; en zoo is dus in rijpen honing het eerste
+en belangrijkste deel van de spijsvertering reeds gebeurd, vóór dat zij
+uit de raat genomen wordt. Dit verklaart waarom zooveel zwakke menschen
+en vooral kinderen zoo gemakkelijk voedsel met honing verzoet kunnen
+verteren, terwijl zij alle andere vormen van zoet niet verdragen.
+
+De geneesheeren vinden steeds nieuwe deugden in honing. Zijn
+gelijkmatig regelende werking op de ingewanden is sinds lang bekend,
+en het is door bevoegden gestaafd, dat er feitelijk in het menschelijk
+lichaam geen enkel orgaan is, dat niet eenigen invloed ten goede
+ondervindt bij het regelmatig gebruik van honing. Bij alle uitterende
+ziekten en zeker het schitterendst bij tuberculose, is het gebleken,
+dat honing het lichaam kan opbouwen, waar andere middelen faalden. Het
+is zeker, dat verschillende gevallen van tering volslagen genezen
+zijn door een ruim honingdieet, en het is ook opvallend dat honing
+het hoofdbestanddeel is van bijna alle gebruikelijke geneesmiddelen
+voor ziekten van borst en keel. Gewoonlijk worden therapeutische
+wenken van leeken door de faculteit met een scheel oog aangezien,
+tenminste bij de meer ouderwetsche leden; doch in de hoop, dat deze
+bladzij door een meer onbevangen geest gelezen moge worden, waag ik
+het er op. Er zijn er velen, die, en met reden, in honing gelooven
+als een speciaal middel bij uitterende ziekten. Het is niet anders
+dan het eens zoo beroemde "Athol brose", dat, zooals alle Schotsche
+ijmkers weten, bestaat uit gelijke deelen goede, dikke honing,
+liefst van de heide (Calluna-), room en belegen Schotsche whisky
+van de potstokerij. "Dikwijls en met kleine hoeveelheden," luidt de
+gebruiksaanwijzing; maar in tegenstelling met andere huismiddeltjes
+heeft het geloof niets te maken met de wonderwerking. Het gedijt even
+goed in sceptischen bodem als in iederen anderen.
+
+De industrieel, die besloten heeft van het ijmkeren zijn broodwinning
+te maken, moet al vóór den aanvang weten op welke schaal hij zich zal
+inrichten. Er zijn twee kanten aan de zaak, de een aantrekkelijker
+dan de andere, al naar het temperament en het standpunt. Er is het
+"Eenvoudige leven" en de bijentuin--een rustig bestaan in het lommer
+van een Engelsch dorp, binnen het bereik van een marktplaats, waar
+de opbrengst der korven kan worden afgezet. En er is de onderneming
+in het groot, het inrichten van een bijenpark op uitgebreide schaal
+en op erkend wetenschappelijken grondslag, met het doel de groote
+centraalmarkten te voorzien; minder met het oog op onmiddellijke
+lokale behoeften.
+
+Bij het inrichten van een bijenpark, moet de eerste zorg de keuze zijn
+van een geschikte streek. En de natuur van het omringende land moet in
+hoofdzaak aangeven hoe de inrichting het voordeeligst werken kan. De
+eerste regel voor hem, die met voordeel bijen wil houden, is te zorgen,
+dat alle korven opgepropt vol met werkbijen zijn als de tijd van de
+groote honingdracht daar is. Maar die tijd hangt af van de streek. Waar
+in hoofdzaak vruchtboomen zijn, hebben wij de werksters vroeg noodig;
+op de heide is het laat. In het Zuid-Westen van Engeland, waar het
+land uit de helft ooftboomen en de helft heidevelden bestaat, moeten
+zoowel vroeg als laat sterke volken zijn. Maar waar de ijmker met den
+schapeboer samengaat--en er is geen beter gids voor honing dan een
+schaap--is het wijsheid voor hem zijn kolonie tot de grootste sterkte
+op te werken tegen den tijd, dat de grootste oogsten van schapevoeder
+in bloei komen, wat zelden is vóór midden Mei. En al deze beschouwingen
+doen ons belanden bij een veel betwiste vraag in de moderne bijenteelt:
+moeten bijen al of niet kunstmatig gevoed, en zoo ja, hoe en wanneer?
+
+Wanneer alleen de zuiverste rietsuiker wordt gebruikt en de stroop
+goed gekookt wordt en nooit verbrand is, is er tegen die praktijk
+niets te zeggen, wat betreft nadeel aan de volken. Als er vroege bijen
+verlangd worden is het volstrekt noodzakelijk, hen geregeld van een
+vasten voorraad suikerstroop te voorzien, van het oogenblik af, dat
+het broeden in de korven begint. Chemisch is het zoete bestanddeel in
+den nektar nagenoeg identiek met dat uit rietsuiker, en suikerstroop
+heeft dàt voor op het voeren met honing, dat het beter de natuurlijke
+afscheiding aanzet. De bijen, die de verantwoording hebben over het
+broedwerk in de korven, zijn jonge werksters, die nog nooit gevlogen
+hebben. Zij kunnen dus alleen maar oordeelen over het voortschrijden
+van het jaargetijde naar de hoeveelheid nektar en stuifmeel, die den
+korf binnen komt. Waar die hoeveelheid van dag tot dag stijgt--en het
+is het werk van den ijmker te trachten den indruk van het regelmatig
+voortgaan van het seizoen bij de kunstmatige voeding op de bijen over
+te brengen--dan krijgen zij vertrouwen, en het broedkweeken gaat met
+kracht voort.
+
+Maar suikerstroop en erwtemeel is geen natuurlijk bijenvoedsel, en
+het is niet te betwijfelen, dat een te lange voortzetting van een
+dergelijk dieet een daling van het weerstandsvermogen van het ras
+tengevolge zou hebben, en dus den weg openen voor het intreden van
+ziekten. De gulden regel schijnt in dit geval wel te zijn, dat men
+alleen tot kunstmatige voeding moet overgaan, waar de sterkte van
+het volk den oogst moet verzekeren, of waar hongerdood dreigt. In
+zuivere hei-distrikten waar men zijn sterke volken vroeg genoeg
+bij de hand heeft aan het eind van Juni, mag alleen het feitelijk
+gevaar van hongerdood den ijmker er toe noopen tot kunstmatige, dus
+minderwaardige voeding zijn toevlucht te nemen. Dezelfde regel geldt
+voor schapendistrikten. Men kan van een sterk volk, in 't bezit van
+een jonge levenskrachtige koningin, verwachten, dat het, behalve in
+buitengewoon ongunstige jaren, zichzelf in uitstekende conditie kan
+houden totdat de tijd van de groote honingdracht daar is. In zulke
+gevallen heeft de ijmker alleen maar te zorgen, dat geen zijner korven
+volslagen gebrek heeft aan het noodige levensonderhoud.
+
+Maar in het warme, zoo begunstigde zuid-westen, de streken van hei
+en appelbloesem, waar zoowel een vroege als een late oogst is in te
+zamelen, moet een geheel verschillend systeem gevolgd. En hier zijn wij
+genaderd aan het tweede voorschrift voor hen, die met goeden uitslag
+bijen willen houden--de noodzakelijkheid in alle korven niet anders
+dan de allervruchtbaarste moederbijen te hebben. Wil men inderdaad
+voordeelige honingoogsten krijgen, dan moet zelden een koningin langer
+dan twee jaar in den korf blijven. Daarna is zij niet veel meer waard
+en moet afgezet worden, of door den ijmker of door de bijen. Maar
+wanneer een koningin in het voorjaar door sterke voeding overprikkeld
+is geworden tot het voortbrengen van een buitengemeen groote bevolking,
+dan is zij gewoonlijk niet in staat tot een dergelijke overspanning
+in den herfst. Het is daarom verstandig, daar waar een belangrijke
+honingdracht is, de oude koninginnen nadat het vroege werk gedaan is,
+op te ruimen en ze te vervangen door koninginnen in hun krachtigste
+periode, doch aan het begin daarvan, niet aan het einde. Op deze
+wijze is er spoedig een tweede krachtig arbeidsleger voorhanden,
+en de dubbele oogst is verzekerd.
+
+Het is moeilijk in bijzonderheden te treden over de vraag, wat
+wel de beste korven zijn voor handelsbijenteelt op groote of kleine
+schaal. Generaliseeren is hier gemakkelijker. Iedere ijmker heeft zijn
+eigen inzichten betreffende de détails; maar allen zijn het gelukkig
+eens over de beginselen van de hoofdstruktuur. Ondervinding heeft zoo
+goed als uitgewezen, dat een flinke koningin, onder het hedendaagsche
+stelsel van intensieve kultuur, voor haar broed een raatoppervlakte
+vereischt van ongeveer 11.500 vierk. centimeter. Een broedbouw
+van geringer inhoud zou haar noodzaken haar werk te schorsen op het
+hoogtepunt van haar vruchtbaarheid, en alles wat die maat te boven gaat
+beduidt zooveel meer honing verloren voor de bovenkamers, die alléén in
+aanmerking komen voor den ijmker. Honing opgezameld in het broednest,
+behalve buiten de seizoenen, is verlies inplaats van winst. De beste
+korf daarom, zal precies zooveel broedraten bevatten in losse raampjes,
+als den vereischten inhoud verzekeren; en alle raampjes in het geheele
+bijenpark moeten gelijk van afmetingen zijn, om in de verschillende
+korven verwisseld te kunnen worden. Dit is een kardinaal punt voor een
+winstgevende bijenkultuur; want het stelt den ijmker in staat, niet
+alleen de sterkte van zijn volken gelijk te houden, door raten met
+uitkomend broed van den eenen korf naar den anderen over te brengen;
+maar hij kan ook den schraal geproviandeerden kolonies raampjes met
+verzegelde honingcellen geven uit de overdaad van hunne buren. Ook
+kan hij de zwakke kolonies samenvoegen en ze daardoor versterken.
+
+Overigens moeten de korven zóó gemaakt zijn, dat in het koude
+seizoen de hitte geheel binnen gehouden wordt, en even radikaal wordt
+uitgesloten in het heete jaargetij. Dubbele wanden om den broedbouw
+zijn een vereischte in het veranderlijk Britsch klimaat, waar men in
+minstens tien maanden van de twaalf altijd kille dagen verwachten kan.
+
+De bijenhouder zal evenveel voordeel trekken van de wasproduktie als
+van den honing. Zoo goed als leder stof is, die door niets vervangen
+kan worden, zoo houdt ook bijenwas zijn plaats op de markt, ten
+spijt van alle parafine substituten. Maar het was verliest veel
+van zijn waarde doordat het algemeen wordt vervalscht; en de fout
+ligt bij de ijmkers, die nooit ernstig getracht hebben in de vraag
+te voorzien. Wasproduktie op groote schaal is heel wel mogelijk, en
+het is zeker, dat het eene belangrijke industrie zou kunnen worden,
+zooals het in de middeleeuwen er eene placht te zijn. Maar wij leven
+in tijden van hervorming; en het is mogelijk, dat de honingbij tot
+hare oude nationale roeping zal terugkeeren: licht te brengen in onze
+duisternis, en goed en zuiver voedsel aan onze lichamen.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII
+
+BIJENHOUDEN EN EENVOUDIG LEVEN.
+
+
+De Engelsche zonneschijn is wispelturig zoodat niemand ooit zeker
+is van het blijvend gezelschap van zijn schaduw. Maar als de zon
+schijnt in Engeland, dan lijkt het een eeuwig blijvende kracht, en het
+grauwe gisteren, het tikkelend wijsje van den regen tegen de ruiten,
+worden er tot een droom. Ge hadt geslapen onder het zware blauw van
+den zomernacht, en die druipende vale luchten waren een visioen,
+dat ging met de blijheid, die de morgen bracht. En morgen, als de
+wilde jacht van de stormluchten misschien terugkomt, en aan alle
+kanten van het huis de stroomende dakgoten kletteren, dan zal dat
+ook weer een droom zijn; zeker zult ge dat dan tegen u zelf zeggen,
+als de zon door die wolken breekt en de wind zijn kracht mindert,
+en uit het stukje blauwe lucht een broek te snijden valt; en wanneer
+ge dan buiten komt in het glinsteren van dien vochtigen grond en
+in dat hernieuwde leven; zoo blij met dat alles als de vinken en de
+vlinders, die vóór u uit fladderen op het grasveld. De zon schijnt:
+de zon heeft altijd geschenen onveranderlijk als de Tijd.
+
+Met dit vertrouwen--ongegrond en daarom onweersprekelijk,--ging ik uit
+in den gloed van een heerlijken Junimorgen, langs bloeiende klaver,
+veld na veld, tot ik aan het hek stond van den bijentuin tegen den
+heuvel. Met den naam was ik al lang vertrouwd; want in het lokale
+blaadje was geregeld de kleine vijfregelige advertentie te vinden,
+die in zijn eigenaardigen stijl honing te koop annonceerde. Maar ik
+was er nooit geweest, had ook nooit een voet gezet in dit gedeelte van
+het goede land van Sussex. En zoo kwam ik er toe op dezen overstelpend
+heerlijken Junimorgen, voor ééns den teugel te vieren aan mijne luimen,
+en ik trad naar buiten in die vredige glinstering en de blijde rust
+van den dag; en eindelijk kwam ik aan mijn bestemming--den bijentuin,
+die gemetseld is tegen de groene Downlandsche heuvelen.
+
+Hij was ingesloten door een hooge haag van witte mei als in sneeuw van
+bloesems, even roze getint, het merk van hun aanstaand verkwijnen. Over
+de haag heen zag ik de takken der appelboomen zich uitstrekken,
+groen, met wijd uitbloeiende bloesemtuiltjes, die vol waren met het
+driftig gonzen van ontelbare nijvere bijen. Een blauw rookwolkje uit
+een schoorsteen dreef langzaam weg in de lucht, alles wat te zien was
+van het gezellige met rietbedekte landhuisje, dat binnen lag; en ik
+hoorde stemmen: een rustigen baryton en een plotselingen hoogen lach,
+blijkbaar een vrouwenstem, en soms een paar regels uit een oud liedje,
+afgebroken en gedachteloos gezongen.
+
+Toen de zang een oogenblik staakte--lichtte ik de klink van het hek op;
+en op het klikkend geluid verrees aan het eind van den tuin in haar
+volle lengte een magere mannenfiguur. Hij had daar gebogen gestaan
+tusschen een wildernis van korven. En toen de man naar mij toekwam
+zonder jas, in zijn opgestroopte hemdsmouwen, met zijn stevige,
+bruine armen in de volle Junizon, nam ik het geheele vreedzame,
+bezige tafereel in mij op. Het kronkelend pad, afgezet met roode
+pannen, een zee van ouderwetsche tuinbloemen ter weerszijden; golven
+van seringen en roode mei en gouden regen, schaduwige blauwe diepten
+van vergeet-mij-nieten, scharlaken tulpen als vuurtorens er tusschen,
+en ondiepten van amberkleurige reseda; vlak bij een net huisje met
+schitterend heldere ruiten als diamantfacetten, en vroolijk flakkerend
+waschgoed aan een lijn; een oude hond, die lag te dommelen op het
+stroo in een ton; een kat naast een melkkan op den helder geschrobden
+drempel. En overal bijenkorven ieder in een andere harmonieerende
+kleurschakeering, niet in plechtige rijen gerangschikt; maar hier
+en daar verspreid bij twee en drie tegelijk, in de ordelooze orde,
+geliefd bij bijen en buitenmenschen.
+
+De ijmker had scherpe, diepliggende grijze oogen, in een eerlijk door
+de zon verbrand gezicht, en hij had de radde tong van alle bijenmannen
+over de heele wereld. Hij stond klaar om alles te vertellen van
+zijn werk en wie hij was, en wat hij gedaan had; en hij begon zijn
+verhaal, terwijl wij langzaam door zijn domein slenterden. Hij was
+een Londener, tenminste, twaalf jaar geleden was hij dat geweest,
+een City klerk wit als de bladen van het grootboek, die dag aan
+dag van negen tot zes door zijn vingers gleden. En thuis in een
+lugubre woesternij van huizen, die Nunhead heette--waarheen nooit
+een wreed noodlot mij moge drijven--daar naaiden zijn zusters voor
+haar levensonderhoud, bleek als hijzelf. Maar eens op een dag kreeg
+hij in een tweedehands-boekwinkeltje een boekje in handen--een schat
+voor drie stuivers, handelend over bijenteelt. Hij las er in terwijl
+de trein voortkrabbelde naar zijn woonplaats, op een verstijvenden,
+mistigen, kouden winteravond; en toen en dáár, in dat vuile beestenhok
+van een derdeklaswagen, werd in zijn verbeelding de bijentuin ingewijd,
+die zich in die jaren ontwikkeld had tot alles wat ik nu om mij heen
+zag op dien heerlijken morgen in Juni.
+
+Het had een heelen tijd geduurd, vertelde hij mij, terwijl wij tusschen
+het bezig gedoe van de korven drentelden, een lange, moeilijke en
+schraperige tijd. Er moest geld overgelegd worden, het kapitaal voor de
+onderneming; en dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan uit een totaal
+familie-inkomen van 24 gulden in de week. Maar eindelijk was het geld
+er toch, en het was er ruim. En de dag kwam, dat de heele familie het
+stof van Nunhead afschudde, en het vervallen huisje in bezit nam met
+het stukje, nauwelijks twintig are verwaarloosden grond. Het was een
+moeielijke tijd geweest, zei hij--en het gezicht waarmee hij het zei,
+paste niet bij de woorden--maar "kijk nu eens hoe alles veranderd
+is"! en hij wuifde om zich heen met het zegevierend gebaar van een
+bezitter. Het huis was in goeden doen en goed gemeubeld. De drie of
+vier korven waarmee hij begonnen was, waren nu uitgedijd tot zestig of
+zeventig, allemaal eigen gemaakt. Waar hij zijn bijen vandaan had? Wel,
+dat geheim had hij uit het driestuivers boekje, het geheim van het
+"afkloppen". Bijna al de bijenhouders tot mijlen ver in den omtrek,
+hadden de gewoonte hun bijen dood te zwavelen om bij den honing
+te kunnen komen. Toen was hij een eersten herfst, en alle herfsten
+daarna, naar zijn buren gegaan en had hun aangeboden, de bijen voor
+hen uit de korven te nemen en hun nog een goeden fooi toe te geven,
+als hij dan voor zijn moeite de bijen mocht houden. Daartoe bleken
+zij meer dan bereid; en zoo had hij langzamerhand zijn vorstendommetje
+van korven opgebouwd.
+
+En het voordeel? Ja, dat was nu niet om buitengewoon op te roemen. Hij
+verkocht al zijn honing en was; verzond ze voor het grootste gedeelte
+met de post, en breidde zijn kring van afnemers ieder jaar iets
+verder uit. De goede en slechte jaren samen genomen, maakte hij door
+elkaar voor iederen korf f 24 netto;--in overvloedige jaren was het
+altijd veel meer--het was zeker geen rijkdom, maar zij waren met
+niet meer dan drie, en hadden niet veel behoeften. Wat zij het meest
+begeerden--frissche lucht, vrede, een rustig bestaan, en het gezonde
+buitenleven--dat had men voor niets. En wat kleêren betreft--wel,
+als men eenmaal heeft opgegeven een "stand op te houden", dan wordt
+men pas gewaar hoe weinig die uiterlijke schijn eigenlijk telt in de
+wereld. In ieder geval was voor hen het succes volkomen. Er woonden in
+die streek menschen, die halve provincies bebouwden en nog mopperden;
+hij niet, hij had rust en at zijn genoegen van zijn twintig are "en
+de meisjes? wel, die lachten en zongen van den ochtend tot den avond."
+
+Zoo slenterden en babbelden wij; en ik, mij van den domme houdende
+in bijendingen--want hij mocht niet denken, dat ik uit louter
+menschenliefde uilen naar Athene droeg--ik kocht honing en vroeg
+naar allerlei; en van stukje tot beetje kwam ik er heelemaal achter,
+wat er door die bevrijde slaven uit het City-klerkendom al zoo gedaan
+was. De ijmker schoof zijn hoed van zijn schrander voorhoofd af naar
+achteren, en stak een allergenoegelijkst pijpje op. Blijkbaar had hij
+het heele vraagstuk al sedert lang grondig uitgedacht en het gegrepen
+in zijn innerlijkste wezen.
+
+"Wat wij hier doen", zei hij, "kan door honderd anderen gedaan worden,
+die nog in Londen leven in denzelfden toestand waaruit wij ons hebben
+losgemaakt. Groote bijenparken zijn goed en wel; maar dat is toch nog
+meer iets voor de toekomst--iets, dat zich nog moet loswerken uit de
+behoeften der eeuw. Maar voor den bijentuin is overal plaats, in alle
+distrikten met een voldoend dichte bevolking. De gewoonte van honing
+te gebruiken is er uitgegaan bij de menschen, omdat ze zoo zelden in
+de winkels te koop is; maar als ze er geregeld aan herinnerd worden,
+dan zullen zij ze weer gaan eten, en zij zullen op het laatst niet
+meer begrijpen hoe zij het er zoo lang zonder deden. Doch het moet
+hun smakelijk gemaakt worden. Lekhoning moet zuiver en helder zien,
+in aardige fleschjes verpakt en met een net etiket. En de raathoning,
+die verkocht wordt, moet in onberispelijk schoone, witte sekties
+zijn. In dat oude boekje, dat mij aan de bijen gebracht heeft, staat,
+dat alleen de engelsche bij behoort geteeld te worden, omdat zij een
+beter honingdraagster is. Maar van een koopman's standpunt is er nog
+een veel gewichtiger reden om alle uitheemsche bijen af te schaffen. De
+engelsche bij laat een kleine tusschenruimte over tusschen den honing
+en het celdekseltje, en tengevolge daarvan zijn de raten altijd
+vlekkeloos wit. Maar bijna alle vreemde bijenrassen vullen hun cellen
+tot den rand, en dit brengt mee, dat de mooiste raten er donker en vuil
+uit zullen zien, en dus heel weinig aanlokkelijk voor den kooper. Aan
+zoo iets denkt een zakenman het eerst, en de oude Londensche jaren
+zijn daarom niet heelemaal nutteloos voor ons geweest."
+
+Het zingen, dat ik vaag uit de verte gehoord had, toen ik nog buiten
+het hek stond, werd helderder naarmate wij voortliepen; wij gingen
+nu den hoek van het huis om, en kwamen bij nog meer korven, en midden
+daartusschen bewoog zich een meisjesfiguur; er was daar ook een klein
+waschschuurtje, waar ik een verschijning zag van bruine armen, diep
+in een waschtobbe, en tegelijk kreeg ik het laatste couplet van het
+vaag gehoorde liedje.
+
+"Dit is Hetty", lichtte de ijmker toe, "die helpt in den tuin
+en--helpen, zei ik? ze is veel handiger er mee dan ik! Er is zooveel
+werk bij de bijen, waarvoor een lichte vrouwenhand noodig is. En Debora
+is onze huishoudster. Wist u, dat het woord Debora het Hebreeuwsch
+is voor honingbij? Maar kom nu mee, dan zal ik u laten zien, waar
+ik bij winterdag de korven maak, en waar wij den honing slingeren,
+en waar wij de sekties in de raampjes zetten en al zoo meer."
+
+Hij vertoonde mij toen de werkkamer en een schuurtje met gazen
+vensters, waar een eigen gemaakte slingermachine stond--een
+snedig, centrifugaal ding, waarin de raten konden gelegd worden
+en onbeschadigd aan de bijen teruggegeven en daarna geregeld weêr
+gevuld en uitgeslingerd. En er was een provisiekamer, waar lange rijen
+honingpotten stonden, en stapels sekties, en blokken licht gele was
+lagen te wachten op de koopers en er was ook een pakschuur, waar de
+kartonnen postdoozen in orde werden gemaakt. En eindelijk werd mij
+in een uithoek van den tuin een ezel gewezen, ruig en goed doorvoed,
+die vreedzaam stond te smangelen, en onder een afdak daarbij een
+karretje, dat een bijzonderheid in zijn soort was. De houten kap
+had den vorm van een grooten bijenkorf, en daarop was de naam van
+den tuin geschilderd en een lijst van de produkten, die het karretje
+inhield. De ijmker legde met een bewonderend gebaar er zijn hand op.
+
+"Dit is heelemaal een bedenksel van Hetty," zei hij. "Voor zoo iets
+moet je de Londensche meisjes hebben. In het seizoen rijdt zij er
+iedere veertien dagen mee naar stad; propvol gaat het weg, en geloof
+maar, dat ze geen honing weer mee terug brengt. Ik weet het niet,
+maar die meisjes hoorden van naam te veranderen."
+
+
+
+Terugwandelend naar het station in den eeuwigen Engelschen zonneschijn,
+en langs den keten van bloeiende velden, luisterde ik naar den
+bijenzang om mij heen; en hoe was het, dat ik in dezen zang, waarmeê
+ik een geheel lang leven vertrouwd was geweest, vandaag iets hoorde,
+dat ik er nooit in gehoord had? De diepe tonen rezen en daalden en
+stierven uit toen het pad door de vlekkelooze roode klaver leidde;
+toen verhief het zich weer als de rozige velden met espareette kwamen,
+en werd tot een luide blijde symphonie waar een plek mosterdzaad zijn
+veracht en onbegeerd geel mengde tusschen het zaaisel van den boer; het
+scheen of het rijzend en dalend refrein mij dit toezong: "Ge dacht, dat
+ge onze gangen en wegen kendet van A tot Z! Ge hebt ons dag en nacht
+gespionneerd in en buiten het seizoen. Ge hebt ons gechloroformeerd,
+gevivisekteerd, onze doode zusters lid voor lid van elkaar getrokken,
+om de wreed glinsterende oogen van je tweeoog te verzadigen. Ge waart
+er eindelijk toegekomen te denken, dat er niets meer aan ons was,
+van buiten en van binnen en rondom, waar ge niet alles van wist. En
+daar komt nu een gewone City-klerk, die zijn erfelijken plicht den rug
+heeft gekeerd, en die vertelt u in niet meer dan een uurtje een heel
+kwantum dingen, waar jij, dwarskijker, met je levenslang gespionneer
+geen schijntje van vermoed hadt. Weg met jou! Je verdient je heele
+verdere leven met niet anders dan hommels om te gaan!"
+
+Want hoe meer ik nadacht, dat bijentuinen, als die ik juist bezocht
+had, over het geheele land verspreid zouden kunnen zijn, des te
+duidelijker werd het mij, dat dit een zending voor de honingbij was,
+die mij volslagen was ontgaan; en het denkbeeld werd hoe langer
+hoe aantrekkelijker. Met ijmkeren op groote schaal is er altijd
+het bezwaar, dat het bijenpark te groot zou kunnen worden voor zijn
+honingbronnen in het omliggende land, hoewel het zéér zeker waar is,
+dat speciaal voor bijen gezaaide bloemenvelden hun kosten kunnen
+opbrengen. Maar een kleine bijentuin zou nooit het land kunnen
+uitputten binnen zijn noodzakelijken kring van drie mijlen, en al de
+nektar, die de bijen indroegen, zou gratis verkregen zijn. "Hoera voor
+Nunhead!" dacht ik, terwijl ik mijn rustigen gang tusschen de klaver
+vervolgde. En waarom niet alle andere Nunheads en evengoed alle andere
+grootere steden? Er zullen er altijd genoeg overblijven, die het stof
+en stadsrumoer verkiezen, dus dat kleine groepje bijenmannen zal niet
+gemist worden.
+
+En ik dacht ook nog over iets anders, terwijl ik voortschreed in den
+engelschen zonneschijn, die eeuwig is; en ik zwaaide mijn overscharige
+maar veel geprezen pot met honing er lustig bij in mijn hand.
+
+Het liedje en het vroolijk lachen--het was nog altijd in mijn ooren,
+en het mengde zich in den werkzang van de bijen langs mijn weg. Kijk,
+geen twaalf kilometer verderop over de heuvelen in de blauwnevelige
+Sussex vallei, daar wist ik van juist zulk een bijentuin, waar
+twee broers--maar deze geen Londeners, een paar echte Downlandsche
+jongens--zich hadden gevestigd; zij hadden het goed, maar allebei
+waren ze ongetrouwd. En geen week geleden, hadden ze zich over dat
+feit bij mij beklaagd, en--Neen stil! Huwelijksmakelarij is geen werk
+voor den schrijver van het Verhaal van de Honingbij!
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Aanhangsel
+
+ De Bij en haar Wapenen
+
+ Door Percy E. Spielmann
+
+ Ph. D., B.Sc. (London), F. I. C-, A. R. C. Sc.
+
+ Vertaald door L. S.
+
+
+
+
+
+
+DE BIJ EN HAAR WAPENEN
+
+
+Maeterlinck, dichter en ijmker tegelijk, heeft ons een zeer
+aantrekkelijk verslag gedaan van de monarchale republiek der bijen,
+en thans biedt Tickner Edwardes, ijmker en dichter naar geest en
+ziel, ons een nieuwe aanlokkelijke beschrijving van het bijenleven,
+die ons nog dichter bij de natuur brengt. Beide schrijvers hebben,
+evenals de bijen zelf, gepuurd uit natuursvoorraadschuur, en ons hun
+oogst aangeboden in de meest smakelijken en lichtst verteerbaren vorm.
+
+Het diepe geheimenis, dat den korf en haar verborgenheden omringt,
+is doorbroken door flitsen van onderzoek, schitterend en toch niet
+sterk genoeg om meer te doen dan den weg tot verder onderzoek te
+verlichten, en de bekoring van het onderwerp te versterken door ons
+de onthullingen te laten voorgevoelen van wat het warme duister van
+den korf voor wonderen voor ons verbergt. De groote moeilijkheden,
+die zich den wetenschappelijken onderzoeker vóordoen, ontsteken en
+dempen tegelijk zijn ijver. Men kan de evolutie van de bij volgen
+door vergelijking met haar vele, minder ontwikkelde verwanten onder
+de hymenoptera, doch hoe zij tot haar eind-ontwikkeling gekomen is,
+is voor den onderzoeker nog steeds een aanleiding tot verbazing. We
+kennen de wijze waarop de honing voortgebracht wordt en ook haar
+samenstelling; maar het biologisch verband tusschen het voedsel der
+bijen en de afscheiding van was, ligt tot heden letterlijk buiten
+onzen gis.
+
+En de moeilijkheden worden niet minder door de geringheid van de
+hoeveelheden voor het onderzoek beschikbaar, zoodra we het vergif
+in de bijensteek en het broedvoedsel chemisch willen ontleden. Beide
+substanties zijn aan onderzoek onderworpen, en al kan niet veel met
+zekerheid worden verklaard, de richting, die de verkregen uitkomst
+heeft aangewezen, is van beteekenis. Meest weten we van het vergif
+in de bijensteek, en daar wil ik het thans kortelijk over hebben.
+
+Het bijenvergif blijkt, bij anatomisch onderzoek, geleverd te worden
+door twee verschillende kliertjes. Ieder geeft een eigen vloeistof af:
+de èene zurig, de andere alkalisch. Het vergif komt zelfs vóor in de
+eieren van de bijen, en als beide stoffen tegelijk in een wond worden
+ingespoten,--zooals in de natuur onveranderlijk gebeurt--is de werking
+op het hevigst. Proefnemingen hebben bewezen dat een indruppelen van
+een van beide afzonderlijk veel minder werkzaam is dan wanneer beide
+tegelijk of aanstonds na elkaar in een wondje worden gebracht. Bij
+de sluipwesp--een verre verwante van de bij, die haar slachtoffer
+slechts zòo steekt dat het verlamd wordt en aldus tot een maal kan
+dienen voor het broed tijdens den broedtijd--kunnen we het kliertje,
+dat de alkalische stof afscheidt, nauwelijks meer ontdekken.
+
+Hoe hooger de hymenoptera in ontwikkeling en bezit stijgt, des te
+sterker wordt de werking van haar vergif, zelfs zóo dat het voor
+den mensch levensgevaarlijk wordt. En zelfs hangt dit weer af van
+omstandigheden, die zorgvuldig moeten onderscheiden worden. Hoe meer
+een bij vertoornd is, des te feller is haar steek, waarschijnlijk omdat
+zij dan haar vergif sterker uitspuit en mogelijk omdat de afscheiding
+uit het alkalisch kliertje grooter is. In den herfst is de werking
+van een steek erger dan in het voorjaar, wat misschien is toe te
+schrijven aan een verschil in de temperatuur of in de afscheiding van
+een late bij in vergelijking tot die van een voorjaarsinsect. Doch
+het ergst zijn de gevolgen op een zeer warmen dag, en hier komt ook
+de menschelijke factor mee in het spel. Immers al maakt de hitte een
+bij prikkelbaar, en al mag die, door invloed van haar zenuwgestel,
+haar afscheidingen en werkingen wijzigen gelijk ze dit in andere dieren
+eveneens doet, het feit dat de mensch onder invloed van de warmte veel
+minder weerstandskrachtig is tegen vergiften spreekt stellig mee. Hij
+is gevoeliger in het algemeen, en zijn bloed doorloopt zijn lichaam
+sneller en krachtiger en verspreidt het vergif dus deugdelijker.
+
+De schrijver van dit boek verhaalt van een zijner ervaringen,
+bijzonderlijk interessant omdat die veel ernstiger was dan gemeenlijk
+ondervonden worden, en hij, na zijn herstel, de bijzonderheden
+zorgvuldig opschreef. "Er kwamen," zegt hij, "zeven bijen op me
+af uit een korf, die door een onverschillig helper behandeld werd,
+en zij zetten zich bijna gelijktijdig op mijn hand en pols.--'t Was
+een heel warme, benauwde, stille namiddag; ik had al een acht tot
+tien korven nagegaan en bevond me in een toestand van tamelijke
+vermoeidheid, met duidelijke transpiratie. Zoo gewend ben ik er
+aan, gestoken te worden, dat ik heel weinig op dezen aanval lette,
+de bijen eenvoudig verwijderde en hun angel met den nagel van mijn
+vinger wegkijlde. Daarop ging ik door met mijn werk, maar bemerkte na
+een minuut of zoo een branding op mijn tong, die zich heel spoedig
+over mijn ganschen mond en keel verspreidde. Al die lichaamsdeelen
+schenen nu op te zwellen, en die neiging tot opzwellen verspreidde
+zich over het geheele hoofd en in 't bijzonder tot de lippen, zoodat
+het spreken moeilijk ging vallen. Dat gevoel van branderigheid
+verbreidde zich nu over mijn geheele lijf; mijn oogen leken uit te
+puilen en het gezicht begaf me, zoodat ik zoo goed als niets meer
+zien kon. Een aandoening van misselijkheid en zwakheid overviel me;
+armen en beenen leken machteloos te worden en in het eind verloor ik
+mijn bewustzijn. Dit alles gebeurde binnen het bestek van hoogstens
+8 tot 10 minuten. Naar men me vertelde bleef ik minstens 10 tot 15
+minuten bewusteloos. Nadat ik was bijgekomen duurde de nawerking nog
+ongeveer een half uur; toen was alles voorbij en ik kon verder gaan
+met mijn werk. Ik moet hier bijvoegen dat die bijen me totaal vreemd
+waren, en hun eigenaar hen niet al te goed verzorgd had."--
+
+Uit dit alles volgt dat de veel verbreide meening, alsof het
+bijenvergift uit niets dan mierenzuur bestaat, niet geheel juist kan
+zijn. Voortgezet onderzoek brengt aan het licht dat dit naar alle
+waarschijnlijkheid niet de eenige prikkel is in het geval van een
+mierenbijt, en dat het zeker niet voorkomt in brandnetels, gelijk
+tot heden is aangenomen. Men heeft toch berekend dat een haar van
+den netel niet meer dan 0.00006 miligram van dat zuur kan bevatten,
+en dat is een geheel te versmaden kleine hoeveelheid, terwijl ook het
+andere bewijsmateriaal tegen zijn aanwezigheid daarin zeer sterk is.
+
+Een droppel bijenvergift weegt tusschen 2 en 3 tienden miligrammen;
+het is glashelder en heeft een bitteren smaak en een eigenaardigen
+aromatischen geur. Om het chemisch te kunnen onderzoeken heeft men
+het vergift van 12000 tot 25000 bijen moeten bijeenbrengen. Zelfs
+met deze hoeveelheid is men nog niet erg ver kunnen komen. Ook een
+anderen weg, meer biologisch, heeft men gevolgd, door het vergift
+in te brengen bij musschen, nadat men het eerst voldoende verhit
+had om achtereenvolgens de verschillende elementen, die het vergift
+samenstellen, te vernietigen. De uitkomsten van deze twee methoden
+van onderzoek, hoewel ze niet volkomen overeenkomen, laten evenwel
+vrijwel toe, een gemiddelde slotsom te trekken.
+
+En deze is, dat het bijenvergift drieledig is, en dat de "zuur"-klier
+twee der drie stoffen afscheidt. Die zurigheid is te wijten aan
+mierenzuur, dat allereerst de plaatselijke prikkeling van de wond
+schijnt te veroorzaken. Het doel van zijn aanwezigheid schijnt te
+zijn, het voortbrengsel van de "alkalische" klier opgelost te houden,
+nadat het reeds in het lichtelijk alkalisch bloed is overgegaan. De
+andere afscheiding van deze "zuur"-klier is een verdoovend middel,
+met eenige overeenkomst van wat we in slangengif vinden. Zij behoort
+tot de "toxalbumens," met even boosaardige eigenschappen als hun
+bloedverwant, het ei-albumen, er zegenrijke heeft.
+
+De alkalische afscheiding, een basis of alkaloid, is een der
+vele dierlijke producten, overeenkomend met de sterk vergiftige
+plantaardige, die in de geneeskunst zulk een rol spelen. Het is van
+een bitter "beginsel" en is op zich zelf in staat stuiptrekkingen
+bij het slachtoffer te verwekken.
+
+Deze onderzoekingen laten, van wetenschappelijk standpunt, de
+onder ijmkers wijdverspreide meening onbeslist, dat bijensteken een
+geneesmiddel zouden zijn tegen rheumatiek. De ervaring schijnt dit
+inzicht te bevestigen, ofschoon niet absoluut. Als het juist bleek
+zou het geen op zichzelf staand verschijnsel zijn; want het is bekend
+dat steken van de kwallen spit genezen.
+
+Ten slotte een woord over het onvatbaar-maken. Na langen tijd wordt
+een persoon tegen bijensteken gehard, zij hebben weinig effect meer
+op hem. Blijkbaar berust dit op den prikkel die het menschelijk
+systeem ondergaat tot het voortbrengen van een tegengift om het
+ingespoten vergift te bestrijden. Hierin ligt niets nieuws. Het is
+een van de grondslagen van elke serum-behandeling tegen bacterien,
+en van de inenting van personen, die nog onaangetast bleven; en werd
+allereerst door Pasteur op een breeden wetenschappelijken grondslag
+gevest. Doch wat wel opmerkelijk is, is dat men bijenvergift kan
+aanwenden als tegengift tegen dat van slangen; door een voorafgaande
+inspuiting van het eerste verzwakt men zeer sterk de werking van het
+laatste. Bijenvergift werkt eenigermate als dat van slangen, en dat
+het nu dit laatste kan tegengaan wijst op een nog nauwer onderling
+verband. Aldus blijken de gift-voortbrengsels van bijen, bacteria,
+slangen, en de nog minder bekende vergiften van scorpioenen en spinnen,
+onderling verbonden in een van die geheimzinnige verknoopingen,
+daar de natuur zich bijzonder in schijnt te verlustigen. Wezenlijk
+is het echter geen "verknooping"; de wetten en voortbrengselen der
+natuur zijn volstrekt niet verward; het is onze beperkte kennis die
+ze ons voor verward doet aanzien. De wezenlijke paradox is dat de
+natuur tegelijkertijd buitengewoon samengesteld èn dood-eenvoudig
+is; al de duizenden feiten en ervaringen die we verzameld hebben
+en die een doorvlechting lijken van eindelooze bijzonderheden,
+brengen tegelijk meer en meer duidelijk aan het licht naar welk een
+allereenvoudigst stelsel de natuur is opgebouwd. Uit dat velerlei
+der bijzonderheden volgen ten slotte de algemeene wetten, die de
+afgescheiden verschijnselen onderling verbonden toonen. Aldus ook in
+dit geval. Als het voortgezet onderzoek de bij, met haar wonderlijke
+geheimenissen, in verband zal hebben gebracht met andere, even duistere
+en moeilijke vraagstukken, zullen in het mozaiek van het heelal nieuwe
+steentjes hun plaats gevonden hebben, en het stelsel der natuur zal
+ons nòg meer verduidelijkt zijn.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+
+   Blz.
+ Voorwoord der Redactie V
+
+ Inleiding: Het oudste bedrijf onder de Zon IX
+
+ I De Honingbij en de oude Schrijvers 5
+ II Het Honing-eiland 19
+ III IJmkers in de Middeleeuwen 27
+ IV Voor de Stadspoorten 46
+ V De Republiek binnen de korven 65
+ VI Het eerste werk in de Bijenstad 82
+ VII Het Ontstaan der Koningin 92
+ VIII De Bruid-Weduwe 117
+ IX De Werkbij, Souvereine 125
+ X Een Anatomische romance 146
+ XI Het mysterie van den Zwerm 172
+ XII De Raatbouw 198
+ XIII Waar "het Bieken honing puurt" 223
+ XIV De Dar en zijn Geschiedenis 238
+ XV Na het Banket 253
+ XVI Het Moderne Bijenpark 261
+ XVII Bijenhouden en Eenvoudig leven 272
+
+ Aanhangsel: De Bij en haar Wapenen,
+ door Percy E. Spielmann 283
+
+
+
+
+
+
+ILLUSTRATIES
+
+
+   Blz.
+ De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende bijen 4
+ Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke ligging
+ der raten toont 47
+ Ouderwetsche bijenwoning in Sussex 59
+ Raat uit Moderne Korf, met Koningin 71
+ Winter in den Bijentuin 85
+ Darren- en Werkbijenbroed 93
+ De Koningin in broed-tijd 105
+ Broedcel voor Koningin 111
+ De Honingbij vergroot 129
+ Raat met Broedcellen 139
+ Bijen-Kinderkamer 165
+ Een bijenzwerm in Mei 173
+ Een Reuzen-zwerm 179
+ Het opvangen van een zwerm 185
+ De zwerm in den korf 191
+ Honingraat onder verlichting 207
+ Raat, naar boven toe opgebouwd 217
+ De Voorraadschuur 233
+ Koningin buiten het broedseizoen 251
+ IJmkerij zonder verstand 267
+ Een IJmkerij in het bosch 277
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Matriarchaat: Zie hierover Eisler's Sociologie (W.B.), pag. 171,
+173, 202.
+
+[2] Ik geef hier inplaats van de Engelsche vertaling van Vergilius,
+die door den schrijver wordt aangehaald, de hollandsche van Vondel.
+
+(De Vert.)
+
+[3] Over het Landleven.
+
+[4] Downs: heuvelen.
+
+[5] Bekende figuur uit Dickens roman Het verlaten Huis.
+
+[6] Zie over het vergif in den angel van de werkbij het aanhangsel
+in ons boekje: "de Bij en haar Wapenen", van dr. P. E. Spielmann.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ ***
+
+***** This file should be named 28963-8.txt or 28963-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/8/9/6/28963/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/28963-8.zip b/28963-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..309fa21
--- /dev/null
+++ b/28963-8.zip
Binary files differ
diff --git a/28963-h.zip b/28963-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..9bb2648
--- /dev/null
+++ b/28963-h.zip
Binary files differ
diff --git a/28963-h/28963-h.htm b/28963-h/28963-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..e1018bb
--- /dev/null
+++ b/28963-h/28963-h.htm
@@ -0,0 +1,9837 @@
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content="HTML Tidy, see www.w3.org">
+<meta http-equiv="Content-Type" content=
+"text/html; charset=ISO-8859-1">
+<title>Het verhaal van de honingbij</title>
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="Tickner Edwardes (1865&ndash;1944)">
+<meta name="DC.Creator" content="Tickner Edwardes (1865&ndash;1944)">
+<meta name="DC.Title" content="Het verhaal van de honingbij">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<style type="text/css">
+ /* Standard CSS stylesheet */
+body
+{
+ font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+ margin: 1.58em 16%;
+ text-align: left;
+}
+.titlePage
+{
+ border: #DDDDDD 2px solid;
+ margin: 3em 0% 7em 0%;
+ padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+h1.docTitle
+{
+ font-size:1.6em;
+ line-height:2em;
+}
+h2.byline
+{
+ font-size:1.1em;
+ font-weight:normal;
+ line-height:1.44em;
+}
+span.docAuthor
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:bold;
+}
+h2.docImprint
+{
+ font-size:1.2em;
+ font-weight:normal;
+}
+.transcribernote
+{
+ background-color:#DDE;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ font-family:sans-serif;
+ font-size:80%;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+ background-color:#FFFEE0;
+ border:black 1px dotted;
+ color:#000;
+ margin:2em 5%;
+ padding:1em;
+}
+.div0
+{
+ padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+ padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+ padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+ padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+ padding: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+ clear: both;
+ font-style: normal;
+ text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+ font-size:1em;
+ line-height:1.2em;
+}
+h4.lghead
+{
+ margin-left:10%;
+ margin-right:10%;
+}
+.alignleft
+{
+ text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+ text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+ text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+ margin-top: 1.6em;
+ margin-bottom: 1.6em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ text-align: center;
+}
+p.poetry
+{
+ margin:0 10% 1.58em;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+ color: white;
+}
+p.line
+{
+ margin:0 10%;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+ margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocChapter
+{
+ margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+ margin:0.7em 5%;
+}
+div.epigraph
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ width: 60%;
+ margin-left: auto;
+}
+.epigraph .bibl
+{
+ text-align: right;
+}
+.epigraph .poem
+{
+ margin-left: 0;
+}
+.epigraph .line
+{
+ margin-left: 0;
+ text-indent: 0;
+}
+.trailer
+{
+ clear: both;
+ padding-top: 2.4em;
+ padding-bottom: 1.6em;
+}
+.floatLeft
+{
+ float:left;
+ margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+ float:right;
+ margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+ font-size:100%;
+ text-align:center;
+}
+.figure p
+{
+ font-size:80%;
+ margin-top:0;
+ text-align:center;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+ color:#666666;
+ font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+ font-weight: bold;
+}
+.leftnote
+{
+ font-size:0.8em;
+ height:0;
+ left:1%;
+ line-height:1.2em;
+ position:absolute;
+ text-indent:0;
+ width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+ display:inline;
+ font-size:70%;
+ font-style:normal;
+ margin:0;
+ padding:0;
+ position:absolute;
+ right:1%;
+ text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+ font-size: 80%;
+ text-decoration: none;
+ vertical-align: 0.25em;
+}
+.red
+{
+ color: red;
+}
+.displayfootnote
+{
+ display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+ margin-top: 1em;
+ padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+ margin-left: 0;
+ margin-right: 0;
+ text-align: left;
+ width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+ font-size: 80%;
+ margin-bottom: 0.5em;
+ margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+ float: left;
+ text-align:left;
+ width:2em;
+}
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+ font-size: 80%;
+}
+.centertable
+{
+ /* center the table */
+ margin: 0px auto;
+}
+.poem
+{
+ margin-left:5%;
+ position:relative;
+ text-align:left;
+ width:90%;
+}
+.poem h4
+{
+ font-weight:normal;
+ margin-left:5em;
+}
+.poem .linenum
+{
+ color:#777;
+ font-size:90%;
+ left:-2.5em;
+ margin:0;
+ position:absolute;
+ text-align:center;
+ text-indent:0;
+ top:auto;
+ width:1.75em;
+}
+.versenum
+{
+ font-weight:bold;
+}
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+ position: absolute;
+ right: 16%;
+ top: auto;
+}
+.footnotes .line
+{
+ font-size:80%;
+ margin:0 5%;
+}
+.poem .i0
+{
+ display:block;
+ margin-left:2em;
+}
+.poem .i1
+{
+ display:block;
+ margin-left:3em;
+}
+.poem .i2
+{
+ display:block;
+ margin-left:4em;
+}
+.poem .i3
+{
+ display:block;
+ margin-left:5em;
+}
+.poem .i4
+{
+ display:block;
+ margin-left:6em;
+}
+.poem .i5
+{
+ display:block;
+ margin-left:7em;
+}
+.poem .i6
+{
+ display:block;
+ margin-left:8em;
+}
+.poem .i7
+{
+ display:block;
+ margin-left:9em;
+}
+.poem .i8
+{
+ display:block;
+ margin-left:10em;
+}
+.poem .i9
+{
+ display:block;
+ margin-left:11em;
+}
+span.corr
+{
+ border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+ border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+ border-bottom:1px dotted green;
+}
+.letterspaced
+{
+ letter-spacing:0.2em;
+}
+.smallcaps
+{
+ font-variant:small-caps;
+}
+.caps
+{
+ text-transform:uppercase;
+}
+.fraktur
+{
+ font-family: 'Walbaum-Fraktur';
+}
+.rm
+{
+ font-style: normal;
+}
+hr
+{
+ clear:both;
+ height:1px;
+ margin-left:auto;
+ margin-right:auto;
+ margin-top:1em;
+ text-align:center;
+ width:45%;
+}
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+ text-align:center;
+}
+h1,h2
+{
+ font-size:1.44em;
+ line-height:1.5em;
+}
+h1.label,h2.label
+{
+ font-size:1.2em;
+ line-height:1.2em;
+ margin-bottom:0;
+}
+h5,h6
+{
+ font-size:1em;
+ font-style:italic;
+ line-height:1em;
+}
+p,p.initial
+{
+ text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+ text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ float: left;
+ clear: left;
+ margin: 0em 0.05em 0 0;
+ padding: 0px;
+ line-height: 0.8em;
+ font-size: 420%;
+ vertical-align:super;
+}
+.poem
+{
+ padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+ font-size:0.9em;
+ line-height:1.2em;
+ margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+ text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: disc; }
+ol { list-style-type: decimal; }
+ol.AL { list-style-type: lower-alpha; }
+ol.AU { list-style-type: upper-alpha; }
+ol.RU { list-style-type: upper-roman; }
+ol.RL { list-style-type: lower-roman; }
+.lsdisc { list-style-type: disc; }
+.lsoff { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+ /* Supplement CSS stylesheet "style/arctic.css.xml
+ " */
+body
+{
+ background: #FFFFFF;
+ font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+ color: black;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+ color: #001FA4;
+ font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+ font-style: italic;
+ margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, span.leftnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+ color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+ color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+ color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+ color: #001FA4;
+ font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+ line-height: 0;
+}
+ /* Standard Aural CSS stylesheet */
+.pagenum, .linenum
+{
+ speak: none;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het verhaal van de honingbij
+
+Author: Tickner Edwardes
+
+Translator: M. van Vloten
+
+Release Date: May 25, 2009 [EBook #28963]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/front.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="452" height="720"></div>
+</div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<p class="aligncenter">Het verhaal van de honingbij</p>
+</div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/titlepage1.gif" alt=
+"Oorspronkelijke titelpagina." width="472" height="720"></div>
+</div>
+
+<div class="titlePage">
+<h1 class="docTitle">Wereld Bibliotheek</h1>
+
+<h2 class="byline">Onder leiding van L. Simons.</h2>
+
+<h2 class="docImprint">Boeken zijn de universiteit onzer dagen.<br>
+ Uitgegeven door:<br>
+ De Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur &middot;
+Amsterdam</h2>
+</div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/titlepage2.gif" alt=
+"Oorspronkelijke titelpagina." width="480" height="720"></div>
+</div>
+
+<div class="titlePage">
+<h2 class="byline"><span class="docAuthor">Tickner Edwardes</span></h2>
+
+<h1 class="docTitle">Het verhaal van de honingbij</h1>
+
+<h2 class="byline">Vertaald door<br>
+ <span class="docAuthor">M. van Vloten</span><br>
+ Met een aanhangsel</h2>
+
+<h1 class="docTitle">De bij en haar wapenen</h1>
+
+<h2 class="byline">Naar het Engelsch van<br>
+ <span class="docAuthor">DR. Percy E. Spielmann</span><br>
+ <span class="corr" id="xd0e136" title="Bron: Geillustreerd">
+Ge&iuml;llustreerd</span></h2>
+</div>
+
+<span class="pagenum">[<a id="xd0e138" href="#xd0e138">V</a>]</span>
+<div id="pre" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Voorwoord</h2>
+
+<p>De Schrijver van dit werk: <i lang="en">The Lore of the
+Honeybee</i>, dat thans den lezers onzer bibliotheek in de
+geautoriseerde vertaling naar den 3<sup>en</sup> Engelschen druk wordt
+aangeboden, is een ijmker in Arundel, bij het Nieuwe Bosch in
+Zuid-Engeland, en naar hij ons met voldoening berichtte, van
+Nederlandsche herkomst: het eerste deel van zijn naam duidde hij aan
+als een verengelsching van ons: <span class="letterspaced">
+Teekenaar</span>. Bij het lezen van zijn boek zal men den man van de
+praktijk, den wetenschappelijken onderzoeker en den
+dichterlijk-gevoeligen natuurliefhebber vereenigd vinden met den
+bespiegelaar over de toekomst van ons menschenras. Men zal mogen meenen
+dat hij, in bewondering verzonken voor het vernuft en de
+beginselvastheid der bij, wat al te zeer geneigd is haar met den mensch
+te vergelijken en te vergeten dat diens beheersching der natuurkrachten
+en de ruimte van zijn denken hem in staat stelt zijn problemen geheel
+anders <span class="pagenum">[<a id="xd0e153" href=
+"#xd0e153">VI</a>]</span>op te lossen dan het fijn en doortastend
+gemeenschappelijk bijenvernuft dat vermocht. Doch men zal moeilijk
+kunnen nalaten naar hem te luisteren zonder bekoord en geboeid te
+worden door het verhaal dat hij ons doet omtrent het bijenleven: zooals
+de mensch zich dat vroeger dacht, en zooals hij het thans heeft leeren
+waarnemen.</p>
+
+<p>Dr. Percy E. Spielmann&mdash;chemicus te Londen&mdash;aan wiens
+vriendelijke belangstelling in onze bibliotheek wij zelf de
+kennismaking met dit boek danken, heeft van die belangstelling nog
+verder willen doen blijken door ons een Bericht toe te zenden omtrent
+het Bijenvergif en zijn werking, welk bericht wij als Bijlage achteraan
+opnemen.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>De lezer, die, even onkundig als wij zelf op dit stuk, gewend is
+geweest den mannetjesbij als <i>hommel</i> aan te duiden, zal allicht
+vreemd ervan opzien, dezen naam niet in onze vertaling aan te treffen,
+doch wel den zeer weinig gekenden naam: <span class="letterspaced">
+dar</span>. Doch onze vertaalster heeft hier het gezag op haar hand van
+ons Nedl. Woordenboek, dat o. m. van den heer Snellen van Vollenhoven
+uit zijn <i>Gelede Dieren</i> deze nadrukkelijke uitspraak aanhaalt:
+&ldquo;De mannetjes <span class="pagenum">[<a id="xd0e170" href=
+"#xd0e170">VII</a>]</span>worden door de bijenboeren <span class=
+"letterspaced">darren</span> of <span class="letterspaced">
+darries</span> en door velen &ldquo;verkeerdelijk&rdquo; <span class=
+"letterspaced">hommels</span> genoemd.&rdquo;</p>
+
+<p>De <i>hommels</i> behooren niet tot de <span class="corr" id="err.1"
+title="Bron: koningsbijen">honingbijen</span>! maar zijn de diklijvige,
+ruige, wilde bijen van het geslacht <i>Bombus</i>, waarvan in ons
+vaderland, volgens diezelfde autoriteit, een twaalftal soorten te
+vinden zijn.</p>
+
+<p>Waarmee we alweer van een dwaling genezen worden.</p>
+
+<p style="text-indent: 2em; ">Red. W. B. <span class="pagenum">[<a id=
+"xd0e196" href="#xd0e196">IX</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="intro" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Inleiding</h2>
+
+<h2 class="normal">Het oudste bedrijf onder de zon.</h2>
+
+<p>Een van de oudste en mooiste fabels uit de Grieksche mythologie, is
+die betreffende den oorsprong van de honingbij. Hoe de jonge god
+Jupiter door zijn moeder Ops, bij de schoone dochters van den koning
+van Kreta, Melissa en Amalthea, gebracht werd toen zijn vader Saturnus,
+die de gewoonte had zijn kroost bij hun geboorte te verslinden, hem,
+zijn laatstgeborene, zou gaan gebruiken voor zijn dagelijksch maal.</p>
+
+<p>Dit verhaal komt bij de oude schrijvers in verschillende lezingen
+voor. Sommige zeggen, dat de bijen al bestonden, en noemen Amalthea een
+gewone geit, met wier melk de kleine god gevoed werd; terwijl Melissa
+de honing verkreeg van de wilde bijen, in de grot, waar Jupiter
+verborgen werd gehouden. Een ander verhaal wil, dat de bijen zelf naar
+de grot werden aangetrokken door het geraas, dat de voedsters maakten,
+slaande zonder ophouden op koperen vaten om de ooren van den
+verslindenden vader te verdooven voor het kinderlijk gekrijsch. Van
+toen af brachten de bijen hem dagelijks zijn rantsoen honing, tot hij,
+opgegroeid, zijn plaats kon houden op den Olympus. In beide verhalen
+toont Jupiter, in waarheid als een god, zijn dankbaarheid aan zijn
+redders. Bij de vroegste schrijvers vindt men al als een oud geloof,
+dat in het <span class="corr" id="xd0e206" title="Bron: bizondere">
+bijzondere</span> <span class="pagenum">[<a id="xd0e209" href=
+"#xd0e209">X</a>]</span>geval van de honingbij is afgeweken van het
+algemeen beginsel: mannelijk en vrouwelijk, en dat de voortplanting van
+die soort op bovenzienelijke wijze geschiedt. Dit wordt nu verklaard
+als een bijzondere gift van Jupiter, in zijn erkentelijkheid voor den
+onschatbaren dienst hem bewezen. Men vindt het in &eacute;&eacute;ne
+lezing van de hierboven genoemde fabel, en ook in de woorden van een
+beroemd <span class="corr" id="xd0e211" title="Bron: ymker">
+ijmker</span>, die in 1657 schreef: &ldquo;voor zulk een buitengewone
+weldaad heeft Jupiter zijn voedsters beloond met de eigenschap: jongen
+voort te brengen en hun geslacht voort te planten, buiten de verterende
+geslachtsdrift om.&rdquo; In den anderen, en waarschijnlijk veel
+ouderen vorm van de legende, werd Melissa, de schoone dochter van den
+koning van Kreta, zelf door den god in een bij veranderd, eveneens met
+onbevlekte voortplanting, en voortaan waren het hare nakomelingen, op
+wie de taak zou rusten: honing te verzamelen tot voedsel voor de
+menschen; die honing waarvan men lang gemeend heeft&mdash;tot maar
+weinig eeuwen v&oacute;&oacute;r onzen tijd&mdash;dat zij een
+wonderbaarlijke afscheiding was, die van den hemel tot ons kwam.</p>
+
+<p>Maar zelfs wanneer men die schemerige oude verhalen der mythologie
+wegdenkt, die eene romantische verklaring geven voor allen
+levensoorsprong op aarde, moet men toch bij iedere poging om de
+bijenteelt tot haar allereerste begin terug te brengen, weer opnieuw
+den indruk krijgen, dat dit wel het oudste bedrijf onder de zon is.
+Duizenden van jaren v&oacute;&oacute;rdat de Groote Pyramide gebouwd
+werd, moet het ijmken al een van ouder tot ouder gevestigde bezigheid
+van den mensch zijn geweest. Men moet algemeen geweten hebben&mdash;en
+deze wetenschap is gestempeld door het gezag der eeuwen&mdash;dat een
+bijenkorf, behalve de massa van zijn werksters, &eacute;&eacute;n
+enkele groote, heerschende bij inhield, voorbeeld van het door God
+begenadigde koningschap; hoe <span class="pagenum">[<a id="xd0e216"
+href="#xd0e216">XI</a>]</span>anders zou in Egypte de bij verkoren zijn
+geworden om in de hieroglyphische symbolen het koningschap te
+verbeelden?</p>
+
+<p>Maar niet all&eacute;&eacute;n binnen de grenzen der historische
+tijden, het zij dan ook in een n&oacute;g zoo ver verleden, vindt men
+de bewijzen besloten van het bestaan der bijenteelt, of tenminste van
+het gebruik van honing en was door den mensch in zijn dagelijksch
+leven. Men kan teruggaan tot zelfs het Bronstijdperk toe, om de zekere
+bewijzen te vinden, dat was werd gebruikt bij het vervaardigen van
+wapenen en sieraden.</p>
+
+<p>Men maakte een model van het voorwerp in een brandbare stof; dit
+legde men in een bed van klei waaruit men dan het model wegbrandde, en
+eindelijk vulde men den dus verkregen vorm met het gesmolten metaal.
+Zonder twijfel werden in veel gevallen deze vormen in hout gesneden;
+maar het is eveneens zeker dat ook een smijige stof dikwijls gebruikt
+werd. Er zijn bronzen sieraden gevonden met de indrukken van duimen er
+nog op, blijkbaar toevallige indrukken in het oorspronkelijke model,
+nauwkeurig overgebracht op het metaal. En de grondstof, voor deze
+modellen gebruikt, kon nauwelijks iets anders zijn geweest dan
+bijenwas.</p>
+
+<p>Maar onze vermoedens omtrent den waarschijnlijken ouderdom van de
+bijenteelt behoeven hier nog niet te eindigen. De betrouwbaarste
+deskundigen beweren, dat men het levenstijdperk van den mensch op aarde
+wel op 100.000 jaar kan schatten. De oudste sporen van den mensch, ver
+in den schemer der fossiele tijden, toonen hem ons, als een vechtend en
+jagend dier, waarin nog geen neiging ontwikkeld was tot landontginnen
+of het temmen van de dieren uit zijne omgeving voor eigen en huiselijk
+nut. Het blijkt, dat hij later in het Steentijdperk&mdash;eene periode
+die toch nog oneindig <span class="pagenum">[<a id="xd0e224" href=
+"#xd0e224">XII</a>]</span>ver achter ons ligt&mdash;verschillende
+dieren, als os, schaap, en geit, tam maakte en in afgeperkte terreinen
+hield om ze te slachten tot zijn voedsel, in plaats van steeds zwervend
+te jagen op wild gedierte. In dezen zelfden tijd vindt men ook, dat hij
+koren zaaide en zelfs een soort van brood bakte. Men moet bedenken,
+dat, wanneer men honderd duizend jaar stelt als de grens van het
+menschelijk leven op aarde, de ontwikkeling van andere levende wezens
+en ook de meeste plantenvormen, onmetelijke tijden vroeger was
+begonnen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de wereld van boomen en
+bloeiende planten, waarin de oorspronkelijke mensch zich bewoog, niet
+bijzonder sterk afweek van de groene wereld, die het menschelijk leven
+in onzen tijd omgeeft. Het is zeker, dat de appel, de peer, framboos,
+braam en pruim gewone vruchten waren in de latere steenperiode; want
+van die alle zijn er zaden gevonden in verband met neolithische
+overblijfselen. Bewijzen voor het bestaan van beuk en iep&mdash;de
+laatste een geweldige stuifmeelverspreider&mdash;zijn al in een veel
+vroeger tijdperk gevonden. Alle voorwaarden ten gunste van een
+insektenwereld moeten al bestaan hebben lang voordat de mensch zich
+vertoonde; en zonder twijfel had toen het insektenleven al een hooge
+ontwikkeling bereikt. Het zou dus even weinig zin hebben te beweren,
+dat de honingbij niet op aarde aanwezig was met haar voorraad zoete
+spijs voor den mensch, als dat de mensch niet spoedig dien voorraad
+ontdekt had, en er zijn dagelijksch werk van was gaan maken dien op te
+zoeken; juist zooals hij er dag aan dag op uitging om te jagen en
+viervoetig wild te schieten.</p>
+
+<p>Natuurlijk is er een groot verschil tusschen het ergens vinden van
+een wilde-bijennest als verwachte mogelijkheid bij het opsporen van het
+dagelijksch voedsel, en het gevestigd &ldquo;houden&rdquo; van bijen
+als voedingsbron. <span class="pagenum">[<a id="xd0e228" href=
+"#xd0e228">XIII</a>]</span></p>
+
+<p>Terwijl er reden is om aan te nemen, dat de eerste menschen de
+honing gebruikten als deel van hun dagelijksch dieet, kan men rekenen,
+dat deze menschen een zwervend ras waren, zich nooit lang in dezelfde
+streek ophielden, en dus geen bijenhouders konden zijn in den gewonen
+zin. Zij hingen af van de hoeveelheid wilde honing, die zij tijdelijk
+in hun omgeving vonden.</p>
+
+<p>Maar het eerste teeken van beschaving moet zijn geweest, het
+gradueel verminderen van dat nomadisch instinkt. Er zullen stammen zijn
+gekomen, die stukken land, rijk aan wild, aan ooft, aan eetbare wortels
+etc. in duurzaam bezit namen. En terzelfder tijd zullen de woonplaatsen
+van wilde bijen gevonden zijn; hun vijanden werden verjaagd of geweerd,
+de plaatsen waar de zwermen zich jaarlijks vestigden geregeld opgemerkt
+en onthouden, en dus zou de eerste ijmkerij gevestigd zijn,
+waarschijnlijk lang v&oacute;&oacute;rdat er sprake was van
+grondontginning of het temmen van wilde dieren tot huisdieren.</p>
+
+<p>Gewoonlijk wordt door de biologen als oudste menschelijk bedrijf de
+jacht aangenomen; maar hun bekende deduktieve methode toepassend zal
+men er mogelijk eerder toekomen, de bijenteelt als zoodanig te
+beschouwen. Voor de eerste jagers moet het neerleggen van het wild een
+groot bezwaar geweest zijn, en nog grooter weer schijnt de moeilijkheid
+het te vatten, wanneer het gewond was, en toch nog in staat te
+ontkomen. Voor dit doel was, in dien v&oacute;&oacute;rtijd, een dier,
+vlugger en slimmer dan zijn meester, nog noodiger dan later na de
+uitvinding der vuurwapenen. Er is van geen elementaire beschaving in de
+geschiedenis van den mensch gebleken zonder een zekere aanduiding, dat
+hij toen al eenig soort van hond had tam gemaakt en afgericht om hem
+bij het opsporen van zijn dagelijksch voedsel behulpzaam te zijn. Maar
+de mensch moet al heel lang <span class="pagenum">[<a id="xd0e235"
+href="#xd0e235">XIV</a>]</span>bestaan hebben, zonder dat beschaving
+nog in eeuwen voor hem bereikbaar was. En in die tijden zal hij,
+omringd van tegenstanders als hij was, zijn hut wel, als een nest, in
+een hoogen, moeilijk aan te randen boom gemaakt hebben, buiten het
+bereik van in den nacht aansluipende vijanden; en het is niet denkbaar,
+dat in die omstandigheden de hond zijn metgezel was. Waarschijnlijk dat
+hij toen in hoofdzaak van vruchten en honing leefde, en van de kleinere
+dieren die hij in staat was met zijn handen te vangen. Dus zou de
+eerste jager een bijenjager geweest kunnen zijn. De <span class="corr"
+id="xd0e237" title="Bron: eolithische">neolithische</span> mensch had
+denkelijk zijn eigen omgeving van rotsen of groepen van holle boomen,
+waar de wilde bijen huisden; en met den komenden zomer volgde hij wel
+zijn zwermen in de lichtingen der oerwouden, even ijverig als de ijmker
+van deze tijden de gangen van zijn volken nagaat.</p>
+
+<p>Dergelijke beschouwingen zijn uitteraard fantastisch en v&egrave;r
+gezocht, en in het geval van een klein en onaanzienlijk schepsel als de
+bij, kunnen zij maar half ernstig zijn. Toch, uit een bijzonder en vrij
+ongewoon gezichtspunt gezien, zijn zij belangrijk.</p>
+
+<p>Er is geen aantrekkelijker studie dan die van de oudste
+beschavingen: van Egypte 10.000 jaar geleden, van Babylon
+waarschijnlijk nog vroeger, en China, dat al eeuwen v&oacute;&oacute;r
+Abraham&rsquo;s tijd schijnt te zijn staan gebleven in absolute
+volmaaktheid wat onbelangrijke dingen betreft. Toch is dit alles nog
+paddestoelengroei, vergeleken bij den ouderdom en de ontwikkeling der
+bijenmaatschappij. Het is maar een verhaal uit Liliput, de geschiedenis
+van een mikroskopisch volkje, levend en handelend op een eigen
+tooneeltje. En toch, misschien tienduizenden van jaren
+v&oacute;&oacute;r dat de mensch voor het eerst vuur gemaakt had, of
+van een stuk steen een bijl had gehakt, was bij deze gevleugelde volken
+al <span class="pagenum">[<a id="xd0e244" href=
+"#xd0e244">XV</a>]</span>een volmaakt levensstelsel ontwikkeld, en
+waren daar maatschappelijke vraagstukken opgelost, die nu in de
+twintigste eeuw pas beginnen den horizon van het menschelijk bestaan te
+omnevelen. Maar zij, met hun samengestelde gemeenschappelijke
+staatsinrichting zijn niet vervallen en vergaan, zooals het lot was van
+de groote menschenvolkeren der oudheid, en, wie weet, misschien zal
+wezen van die van heden.</p>
+
+<p>Zal de tijd komen, dat wij geen andere keus hebben, dan te leeren
+van de honingbij, of te vergaan? Wij hebben misschien nog een paar
+duizend jaren om daarover na te denken en ons voor te bereiden; maar
+wanneer niet de wereld aan een eind komt, of de vermeerdering van het
+menschengeslacht ophoudt, zal zeker &eacute;&eacute;ne aarde ons niet
+meer allen te zamen kunnen bevatten. Zoo men het leven der bijen en
+hunne instellingen van uit dit standpunt bestudeert, dan krijgen deze
+een geheel nieuw en belangrijk aanzien. Gesteld, dat de
+staathuishoudkunde van den bijenkorf het voorland is van de
+menschenmaatschappij, dan valt het niet te ontkennen, dat dit een
+inzicht geeft in een hoogst verontrustenden toestand, ten minste van
+het mannelijk gezichtspunt. Wij zien hier de triomf van het
+matriarchaat<a class="noteref" id="xd0e248src" href="#xd0e248">1</a>.
+Het vrouwelijk element heeft de opperste leiding in de
+staatsaangelegenheden, en neemt niet alleen het initiatief tot alle
+voorschriften betreffende het publieke leven; maar alle publieke werken
+worden ook door haar ontworpen en uitgevoerd. Het mannelijk element
+wordt teruggebracht tot den &eacute;&eacute;nen noodzakelijken
+sexueelen plicht, en dit nog maar voor &eacute;&eacute;n enkelen keer
+en toegestaan aan slechts weinigen uit de duizend. Om nu het groot en
+blijvend leger werkers samen te stellen, dat zulk een staat zou
+eischen, en dit uit enkel vrouwelijke exemplaren <span class="pagenum">
+[<a id="xd0e253" href="#xd0e253">XVI</a>]</span>te rekruteeren, was het
+noodig alle levenswetten van den grond af te hervormen. En een krachtig
+besluit tot onthouding moet er van de bijen, zoowel mannelijke als
+vrouwelijke, zijn uitgegaan, toen de geheele plicht der voortplanting
+van hun soort werd toegewezen aan slechts &eacute;&eacute;n enkel
+paar&mdash;&eacute;&eacute;n paar op ongeveer dertig
+duizend&mdash;z&oacute;&oacute;dat de rest zich uitsluitend en
+onafgebroken kon wijden aan den door geen sexualisme gestoorden
+arbeid.</p>
+
+<p>Dit kan gevolgd zijn op een z&eacute;&eacute;r bijzondere
+ontdekking, een ontdekking die diep ingrijpende veranderingen bracht in
+het bijenleven en zijn toekomst&mdash;de ondervinding namelijk, dat de
+jonge larve van de vrouwelijke bij, door bijzondere voeding en
+verpleging, tot een sekselooze, &ograve;verintelligente werkster kon
+vervormd worden, of anders tot een wezen gemaakt, dat bij een volslagen
+gemis aan ondernemingsgeest of intellektueele eigenschappen een lichaam
+zou bezitten, dat haar tot moeder kon verheffen van een geheel volk.
+Dit is wel de socialistische economie tot in haar uiterst strenge
+konsekwenti&euml;n doorgevoerd. Alles opgeofferd aan het welzijn van
+den staat. Het individu is niets, het ras is alles. &ldquo;Wat ge doet,
+doe het goed&rdquo; is het motto van de honingbij, en zij brengt elke
+theorie in praktijk tot de uiterste grens. De menschen noemen zich
+gaarne bijen-meesters; maar de besten hunner kunnen niet meer doen, dan
+de gangen der bijen na te gaan, te leeren in welke richting hun bewegen
+is, en dan voor hen den weg te effenen. De massa der werkbijen,
+kollektief genomen, zijn de hersenen in de onderneming, en de
+bijenhouder is evenzeer de slaaf van de voorwaarden en wetten, door
+haar ingesteld, als zijzelven het zijn; terwijl de koningin de
+gewilligste, en op gezette tijden, de werkzaamste slavin is van
+allen.</p>
+
+<p>Het is nutteloos te ontkennen, dat de inrichting van <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e259" href="#xd0e259">XVII</a>]</span>den
+bijenstaat met haar strenge sluitrekening van vernuft, haar
+meedoogenloos vasthouden aan de eischen van een systeem dat door eeuwen
+en eeuwen heen tot zulk een volmaking gebracht is, hare onaangename en
+zelfs stuitende kanten heeft. De natuur is altijd vol wonderen maar
+niet altijd bewonderenswaard, en een nauwlettende studie van het leven
+in den bijenkorf brengt die waarheid misschien duidelijker aan het
+licht, dan die van eenigen anderen levensvorm, den menschelijken niet
+uitgesloten. Streng doorgevoerd communisme sluit dikwijls wreedheid in:
+alleen onder een systeem van onderlinge overeenkomst, van
+vriendschappelijk geven en nemen, kunnen recht en barmhartigheid samen
+gaan. In de bijenmaatschappij heeft all&eacute;&eacute;n recht van
+bestaan, wat het geheel dient, en het algemeen welzijn niet schaden
+kan. Ieder individu in den korf schijnt met dit algemeen beginsel in te
+stemmen&mdash;&ograve;f bij keuze &ograve;f door dwang&mdash;van de
+moederbij tot den laatsten luien dar, geboren in de korte weelde van
+den vollen zomertijd. Op &rsquo;t hoogst van het zomerseizoen vraagt de
+Staat een tot den nok gevulde voorraadschuur; en alle bijen werken
+daaraan mee, onafgebroken zonder rust, tot de dood door overwerk haar
+soms overvalt, zoodat de laatste vracht den korf niet meer bereikt. Als
+de koningin oud wordt, of als zij v&oacute;&oacute;r den tijd haar
+vruchtbaarheid verliest, wordt zij meedoogenloos geslacht, en haar
+plaats wordt ingenomen door eene andere, die bij haar leven en onder
+haar oogen door de werksters wordt opgevoed, met het doel om in zulk
+een geval te kunnen dienen. De darren worden overvloedig gevoederd,
+voorzien van wat de korf het lekkerste en fijnste oplevert; het wordt
+hun toegestaan ongehinderd door hun dagen van onverzadelijken honger te
+luieren en te genieten, opdat geen jonge koningin ongepaard haar
+bruidsvlucht zal volbrengen. <span class="pagenum">[<a id="xd0e261"
+href="#xd0e261">XVIII</a>]</span>Maar als de laatste prinses haar maat
+gevonden heeft en weer veilig en warm in de haar wachtende cel is
+opgeborgen, dan worden alle darren hardvochtig ter dood gebracht of
+buiten den korf gedreven om te sterven. Als slechte tijden dreigen, of
+de voorraadtoevoer vermindert, dan worden de oude en zwakke werksters
+uitgeroeid, het telen houdt op, en het ongeboren broed wordt uit de
+wieg-cellen gerukt en vernietigd, zoodat er zoo weinig mogelijk monden
+te vullen zullen zijn in de komende magere dagen. De teekenen van
+ophanden zijnden nood en voorspoed worden bespied, en de vermeerdering
+of vermindering van de werkende bevolking van den korf wordt geregeld
+naar toekomstige waarschijnlijkheden.</p>
+
+<p>Maar het meest verbijsterende en griezeligste in die bijenrepubliek
+is het feit, dat hier met goed gevolg het vraagstuk van het evenwicht
+der geslachten is opgelost. Terwijl alle andere wezens op aarde, hun
+soort, mannelijk en vrouwelijk, voorttelen, als het ware op goed geluk
+af, weten deze geheimzinnige korfbewoners hun koningin zoons of
+dochters te doen baren, al naar de gemeenschap ze noodig heeft. Zij
+voeren haar naar cellen voor de darren, en aanstonds legt ze eieren,
+die onfeilbaar niets dan darren opleveren; en in de raten,
+bijzonderlijk bestemd om er de verworden vrouwtjes, de werkbijen, in te
+kweeken, wordt de koningin gedwongen eieren te leggen, die even zeker
+niets te voorschijn brengen dan werkbijen.</p>
+
+<p>Deze merkwaardige republiek van het bijenvolk vertegenwoordigt de
+oudste beschaving op aarde, en het kan zijn nut hebben, die te
+beschouwen in het licht van denkbeelden, die nu nog maar hier en daar
+onzeker opflikkeren op het v&egrave;rliggende pad der toekomst; maar
+mogelijk &eacute;&eacute;ns zullen uitbreken in lichte laaie. Men kan
+zich voorstellen, dat er een tijd was, dat de <span class="pagenum">[<a
+id="xd0e267" href="#xd0e267">XIX</a>]</span>verhoudingen in het
+bijenleven z&eacute;&eacute;r verschillend waren van wat wij nu
+opmerken. De bijen hebben zich sa&acirc;mgetrokken in uitgebreide
+gemeenschappen, juist zooals de menschen langzaam maar zeker zich
+bijeentrekken in de steden. Er zou een tijd kunnen komen waarin het
+leven buiten de stad voor menschen even onmogelijk wordt als het nu
+voor afgezonderde bijenfamilies buiten den korf is; en dan kan er een
+zuiver mannelijk dilemma ontstaan. Het is mogelijk, dat de schitterende
+dar &eacute;&eacute;ns een belangrijke plaats in de huishouding innam.
+Het leven der bijen was er toen misschien een van talrijke kleine
+gezinnen, waarvan elk zijn gewichtigen, sonoor gonzenden vader had en
+zijn vruchtbare moeder, en waar een talrijk kroost opgroeide, dat later
+een eigen thuis ging vestigen. Er is geen reden waarom ieder van de
+dertig of veertig duizend ingeknepen maagden, in een korf, niet een
+volkomen ontwikkelde vruchtbare koningin zou zijn geworden, als haar
+maar het juiste voedsel in voldoende hoeveelheid gegeven was in haar
+larfperiode. Maar de nood steeg in de gemeenschap; toen werd het
+stelsel van de &eacute;&eacute;ne nationale moeder ingevoerd en
+daarmede de akte van onthouding geteekend, wat er ook van komen mocht.
+En voor het mannelijk element begon nu de ellende.</p>
+
+<p>Men moet wel begrijpen, dat strikt genomen de honingbij geen angel
+heeft of had. Wat bij haar de angel genoemd wordt is in werkelijkheid
+de legboor, en als zoodanig wordt hij bijna uitsluitend gebruikt door
+de hedendaagsche bijenkoningin in iederen korf. Maar toen door middel
+van de hongerkuur de eerste horden van werkbijen werden gekweekt, en
+in&eacute;&eacute;n gekrompen tot niet veel anders dan geslachtlooze
+zenuwen en hersenen, schijnen zij een vreeselijke wraak te hebben
+genomen op hun voorvaderen.</p>
+
+<p>De nuttelooze legboor verkeerde in een geducht <span class=
+"pagenum">[<a id="xd0e273" href="#xd0e273">XX</a>]</span>wapen,
+waartegen de prachtige wapenrusting van den dar, zijn woede en
+vervaarlijk gonzen, niets konden uitrichten. Het matriarchaat werd
+ingesteld bij middel van de punt van het zwaard. Meedoogenlooze logica
+werd tot &agrave;lheerscheres. En nu werd het zonnig daglicht
+verduisterd, door het afsluiten van al de blijde bijkanten van het
+leven: wijn, dans, lichte scherts en het lustig dolen op zijpaden, zoo
+geliefd bij alle darren, bijen of menschen. Daar tegenover niet anders
+dan: meer honing, een grooter voorraadschuur boordevol met het zoet,
+dat nooit geproefd zal worden. En dat alles tot welk een
+prijs!&mdash;terwijl de oude provisiekast voldoende zou zijn geweest
+voor alle werkelijke behoeften. Het leven was dan blij en gemakkelijk
+gebleven!</p>
+
+<p>Dit is maar een fabel, ver gezocht als eenige die den kalif verteld
+werd in den &ldquo;1001 Nacht.&rdquo; Maar d&aacute;&aacute;r had ook
+de vrouw haar zin als vroeger de bijenvrouw; en mogelijk komt de dag
+dat zij n&ograve;g meer verovert en op grooter schaal. Hoe dan met het
+zwaard dat &eacute;&eacute;ns naainaald was?!</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e248src" id="xd0e248">1</a></span> <i>Matriarchaat</i>: Zie
+hierover Eisler&rsquo;s Sociologie (W.B.), pag. 171, 173, 202.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<div class="body"><span class="pagenum">[<a id="pb1" href=
+"#pb1">1</a>]</span>
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="super">Het Verhaal van de Honingbij</h2>
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb2" href="#pb2">2</a>]</span>
+<div class="epigraph">
+<p>&ldquo;Sommigen zeggen, dat het hun Instinkt is, en daar leggen zij
+zich bij neer en laten verder het vraagstuk rusten.</p>
+
+<p>&ldquo;Maar ik geloof, dat God meer van ons verlangt, dan dat wij
+voor de dingen namen bedenken en ze dan verder met rust
+laten&rdquo;&mdash;</p>
+
+<p class="alignright"><span class="smallcaps">A. I. Root.</span></p>
+</div>
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb4" href="#pb4">4</a>]</span>
+<div id="p004" class="figure"><img border="0" src="images/p004.jpg"
+alt="De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende bijen" width="515"
+height="695">
+<p class="figureHead">De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende
+bijen</p>
+</div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch1" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk I</h2>
+
+<h2 class="normal">De Honingbij en de oude Schrijvers.</h2>
+
+<div class="epigraph">
+<div class="poem">
+<p class="line">&ldquo;Terwijl de groote Cesar gelijk een bliksem,</p>
+
+<p class="line">omhoog aan den Eufraat</p>
+
+<p class="line">oorloogde ............</p>
+
+<p class="line">te dien tijde voedde het aangename</p>
+
+<p class="line">Parthenope mij, Vergilius, die</p>
+
+<p class="line">in d&rsquo;oefeninge van een onvermaarde</p>
+
+<p class="line">ledigheid groeide ........</p>
+</div>
+
+<p>(Vergilius&mdash;Vondel, Georgica IV)</p>
+</div>
+
+<p>In Napels&mdash;het Parthenope van de Ouden&mdash;werd &ldquo;het
+beste boek door den besten dichter&rdquo; geschreven, bijna tweeduizend
+jaar geleden. Want daar verkoos Vergilius, de hoofsche, de uiterst
+verfijnde, maar tevens v&oacute;&oacute;r alles, de apostel van het
+&ldquo;Eenvoudige Leven,&rdquo; een vredig buitenbestaan te leiden
+tusschen zijn citroenbosschen en met zijn bijenkorven. Zoo wilde hij
+het, terwijl hij toch had kunnen verkeeren in het brandpunt van glorie
+en eer, in de hoofdstad der Romeinen; want daar hield zijn vriend en
+begunstiger Maecenas, eerste minister van Octavianus, open hof voor al
+wat groot was in letteren en kunst.</p>
+
+<p>Door de moderne bijenhouders, tuk op Amerikanisatie, wordt
+tegenwoordig weinig acht geslagen op de geschriften van den man door
+Bacon genoemd: &ldquo;de meest zuivere en de meest prinselijke van alle
+dichters, die sedert menschenheugenis geleefd hebben.&rdquo; <span
+class="pagenum">[<a id="pb6" href="#pb6">6</a>]</span></p>
+
+<p>En toch, wanneer er gevraagd zou worden: &ldquo;welk boek geeft men
+best het eerst den leerling-ijmker in handen?&rdquo; dan kan men geen
+beter keuze doen dan juist dat vierde boek van de Georgica.</p>
+
+<p>Want Vergilius treft onmiddellijk het hart van de zaak, dat nu nog
+hetzelfde is als tweeduizend jaar geleden: de bijenhouder moet in de
+eerste plaats voor bijen voelen, of hij zal nooit slagen.</p>
+
+<p>En Vergilius&rsquo; liefde voor zijn bijen doorglanst het geheele
+boek van het begin tot het eind. Het is natuurlijk dat bij een
+schrijver, die nog zoo doortrokken is van Grieksche invloeden, men
+verwachten moet in zijn werk een getrouwe weergave te vinden van de
+meeste dwalingen, die ongeveer driehonderd jaar te voren door
+Aristoteles onsterfelijk waren gemaakt. Maar juist
+d&aacute;&aacute;rdoor komt de groote waarde van het boek weer naar
+voren. In die rijke zetting van dichterlijke verbeelding, in die
+bekoorlijke mythologische omlijsting, voelen wij toch onfeilbaar het
+beeld van den bijenvriend, die uit de schatten put van eigen ervaring,
+en zijn kennis uit de eerste hand vergaarde bij zijn eigen bijen.</p>
+
+<p>Vergilius wist alles wat oogen en ooren hem van het leven der bijen
+konden vertellen, en hij berichtte er van met liefde.
+All&eacute;&eacute;n in de laatste tweehonderd jaar is er nu en dan nog
+eenig nieuw feit toegevoegd aan wat Vergilius verzameld had. Al de
+schrijvers over bijenteelt van de eerste tijden af tot in de achttiende
+eeuw, hebben weinig anders gedaan dan de fantastische dwalingen der
+oude &ldquo;bijenvaders&rdquo; van hand tot hand overreiken, behalve
+dat zij er nog van hun eigen fantasterijen bijvoegden. En tot op den
+tijd, dat Schirach zijn kleine schaar van geduldige onderzoekers van de
+bijenwereld bijeen had gebracht, ongeveer honderd jaar geleden, was
+Vergilius&rsquo; vierde boek van de Georgica&mdash;als practische gids
+voor bijenkweekers&mdash;nog haast <span class="pagenum">[<a id="pb7"
+href="#pb7">7</a>]</span>even goed ingelicht en op de hoogte als
+&eacute;&eacute;nig andere.</p>
+
+<p>Toch is het niet in hoofdzaak om zijn technische waarde, dat het
+boek zoo warm is aan te bevelen aan de hedendaagsche leerlingen in
+&rsquo;t bijenvak. Dat alles is al hopeloos ouderwetsch sedert het
+uitsterven van den ouden strookorf bij de vorige generatie. De
+innerlijke waarde van Vergilius&rsquo; werk ligt in de po&euml;tische
+en romantische sfeer die, nu als vroeger, niet af te scheiden is van
+een bedrijf, dat waarschijnlijk het oudste in de wereld is. Van alle
+landelijke werkzaamheden in onze dagen kan alleen de bijenkultuur zijn
+bekoorlijk oud aroma behouden en toch produktief blijven. En als de
+moderne richting, die op weg is ook van de bijenteelt een nuchter
+transatlantisch bedrijf te maken, ergens door gestuit kan worden, dan
+zal zeker het inprenten van Vergilius&rsquo; mooie wijsgeerigheid daar
+meer dan iets anders toe bijdragen.</p>
+
+<p>Wanneer wij ons verdiepen in dit boeiend gedicht, dit aantrekkelijk
+mengsel van met zorg geboekte feiten, rijke verbeelding en aardige,
+bijeengeraapte verhalen, toen bekend, nu geheel verloren in den chaos
+der eeuwen, dan kunnen wij in onzen geest het beeld terugroepen van
+Vergilius&rsquo; landgoed bij het &ldquo;liefelijk Parthenope,&rdquo;
+waar hij zich verpoosde en peinsde, en de vlekkelooze hexameters van de
+Georgica wrocht, met zooveel zorg en moeite, dat hij voor het werk
+zeven jaar noodig had&mdash;nog niet &eacute;&eacute;ns
+&eacute;&eacute;n regel per dag.</p>
+
+<p>Vergilius&rsquo; huis stond waarschijnlijk op de houtrijke helling
+boven de stad Napels, midden tusschen sinaasappelbosschen en
+citroenplantages, met het volle gezicht naar het Noorden op de
+Apenijnen en hun sneeuwtoppen, en naar het Zuiden op den blauwen golf.
+De Vesuvius met zijn eeuwig dreigement van grijze rookwolken stond
+donker uit in de morgenzon, weinige mijlen ver; en de ten ondergang
+gedoemde <span class="pagenum">[<a id="pb8" href=
+"#pb8">8</a>]</span>steden Herculanum en Pompe&iuml;i aan zijn voet,
+hadden nog een honderd jaar van bezig leven voor zich.</p>
+
+<p>De bijenkorven in Vergilius&rsquo; tijd&mdash;wij kunnen dat
+opmerken op sommige nog bestaande oud-Romeinsche
+bas-reliefs,&mdash;waren van een koepel-vormig model dat in een punt
+uitliep, en zij waren gemaakt van aaneengenaaide boomschors of
+gevlochten van wilgenrijs, zooals hij zelf vertelt. Sommige van zijn
+aanwijzingen, wat hun plaatsing en omgeving betreft, zijn nog gulden
+regelen voor ieder bijenhouder. &ldquo;Het bijenpark,&rdquo; zegt hij,
+&ldquo;moet beschut zijn voor den wind en ontoegankelijk voor schapen
+of stootende geiten, die de bloemen zouden vertrappen. Er moeten boomen
+in de nabijheid zijn om hun koele schaduw, en ook om als rustplaats te
+strekken als de nieuw gekroonde Koningen hun &eacute;&eacute;rste
+zwermen uitleiden in het lieve voorjaar.&rdquo; Hij zegt ons, de korven
+dicht bij water te plaatsen, &ldquo;of waar een vlug beekje zich door
+het gras spoedt;&rdquo; en in het water moeten wij &ldquo;groote
+kiezelsteenen&rdquo; leggen en &ldquo;wilgentakken kruiswijs, dat de
+bijen, wanneer zij drinken, bruggen hebben om op te staan, en hun
+vleugeltjes kunnen uitspreiden in de zomerzon.&rdquo;</p>
+
+<p>Vergilius&rsquo; methode voor het opvangen van een zwerm is nagenoeg
+nog dezelfde als de hedendaagsche, door ouderwetsche bijenhouders in
+praktijk gebracht. &ldquo;De korf wordt ingewreven met fijn gemaakte
+blaadjes van Melissa en wasbloempjes, en ge moet een getinkel maken en
+de cymbalen van de Moeder&rdquo;&mdash;dat is de Godin
+Cybele&mdash;&ldquo;tegen elkaar slaan. Dan zullen de bijen dadelijk
+opkomen,&rdquo; zegt hij, &ldquo;en de gereedstaande woning betrekken.
+Wanneer ge den honing-oogst in bezit gaat nemen, moet ge eerst uw
+kleeren besprenkelen en uw adem reinigen met zuiver water, en daarna
+pas de korven naderen, in uw hand de opjagende rook houdende.&rdquo; En
+de ouderwetsche bijenhouder in dezen <span class="pagenum">[<a id="pb9"
+href="#pb9">9</a>]</span>tijd neemt nog, zooals zijn ritus het wil,
+zijn potje bier en gaat zich wasschen v&oacute;&oacute;rdat hij de
+korven aanraakt.</p>
+
+<p>Maar misschien ligt toch de sterke bekoring van het vierde boek van
+de Georgica niet juist daarin, dat het zoo van nabij de waarheid van
+het bijenleven raakt; maar eerder nog in de mooie oude mythen, die er
+doorheen gevlochten zijn, en de haast niet minder aantrekkelijke
+dwalingen van vervlogen tijden, die de middeneeuwsche schrijvers zoo
+getrouw naverteld hebben. Maar de aspirant-ijmker van dezen tijd zal er
+niet licht meer van hooren, tenzij hij die oude boeken opslaat.</p>
+
+<p>Vergilius begint zijn gedicht met te spreken van de honing,
+&ldquo;hemelsche gave, uit den aether ontvangen&rdquo; daarmee
+zinspelende op het oude geloof, dat de nektar in de bloemen niet door
+de plant zelf werd afgescheiden, maar als manna uit de lucht viel. Hij
+waarschuwt zijn lezers ernstig voor de slechte gevolgen van een echo op
+de bewoners der korven en voor de gevaarlijke eigenschappen van
+verbrande kreeftenschalen; en hij vertelt ons, dat bij winderig
+we&ecirc;r de bijen kleine steentjes meedragen als tegenwicht,
+&ldquo;zooals de wankele scheepjes zand-ballast innemen op de
+schokkende golven.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij had een vast geloof in den goddelijken oorsprong der bijen. Want
+voor alle volkeren der oudheid was de bij een eeuwig wonder; het teeken
+van een almachtigen Wil, in de bloemenvelden gewekt, zooals voor de
+moderne vromen de regenboog als teeken van dien goddelijken wil in den
+hemel gezet is. Terwijl alle wezens op aarde hun soort voortplantten
+door vereeniging der geslachten, schenen deze geheimzinnige gevleugelde
+volken van die algemeene wet te zijn ontheven. En Vergilius,
+copieerende van veel oudere schrijvers, zegt: &ldquo;zij kennen niet de
+vreugde van lichamelijke vereeniging, noch <span class="pagenum">[<a
+id="pb10" href="#pb10">10</a>]</span>kennen zij het versmachten in
+liefde, of brengen zij in lijden hun jongen ter wereld; maar zij roepen
+met hun mond hun kinderen op bladeren en zoetriekende kruiden, en maken
+zoo hun getal van jeugdige burgers vol.&rdquo;</p>
+
+<p>Even wonderlijk&mdash;tenminste voor moderne
+insektenkenners&mdash;schijnt het onder de ouden wijdverbreide geloof,
+dat bijenzwermen willekeurig kunnen gekweekt worden uit het rottend
+karkas van een os. Vergilius beweert dit vermeld te hebben gevonden in
+een oude Egyptische legende, en hij geeft zorgvuldige wenken aan
+bijenhouders, hoe zij deze, voor hem ontwijfelbaar zekere, methode om
+een bijenvolk te verkrijgen hebben toe te passen, die ik hier laat
+volgen:<a class="noteref" id="xd0e365src" href="#xd0e365">1</a></p>
+
+<div class="poem">
+<p class="line"><span class="linenum">385</span>&ldquo;Men kiest eerst
+luttel erfs, om &rsquo;t werrek te voltrekken</p>
+
+<p class="line">En past dit met wat daks van pannen
+t&rsquo;overdekken;</p>
+
+<p class="line">Met eenen nauwen wand te sluiten dit gesticht,</p>
+
+<p class="line">Waarin vier vensters naar vier winden haar gezicht</p>
+
+<p class="line">De zon toekeeren, die hier heet komt innestralen.</p>
+
+<p class="line"><span class="linenum">390</span>Dan past men eenen
+stier, twee jaren oud, te halen</p>
+
+<p class="line">Wiens horens krommen. Dan de neuslucht met geweld</p>
+
+<p class="line">Gestopt, den muil de lucht benomen, hem geveld</p>
+
+<p class="line">Met stokken, dat hij sterf, die nog een weinig
+lilde.</p>
+
+<p class="line">&rsquo;t Gepletterde ingewand dan over d&rsquo;
+ongevilde</p>
+
+<p class="line"><span class="linenum">395</span>En rauwe huid gespreid
+van dezen dooden stier,</p>
+
+<p class="line">Dan versche kassiegeur geslingerd onder &rsquo;t
+dier</p>
+
+<p class="line">En thijm, en telg bij telg, gebroken van die
+heggen.</p>
+
+<p class="line">Zoo laten ze in die plaats den stier besloten
+leggen.</p>
+
+<p class="line">Dit wordt beschikt, wanneer de westenwind eerst
+speelt,</p>
+
+<p class="line"><span class="linenum">400</span>En met zijn adem in
+&rsquo;t begin het water streelt,</p>
+
+<p class="line">Eer nog de beemd beginn&rsquo; te bloeien, versch
+bewaterd,</p>
+
+<p class="line">De zwaluw &rsquo;t broeinest welve&rsquo; en onder
+&rsquo;t rietdak snatert.</p>
+
+<p class="line">Terwijl &rsquo;t gekneusd gebeent en warme bloed
+geraakt</p>
+
+<p class="line">Aan &rsquo;t broeien, schijnt het of een vreemd gediert
+genaakt</p>
+
+<p class="line"><span class="linenum">405</span>En grimmelt ondereen:
+Men ziet eerst groote beenen,</p>
+
+<p class="line">Hoort veders snorren en zich mengen, en met
+&eacute;&eacute;nen</p>
+
+<p class="line">Besteigeren ze allengs de hoogten in de lucht, <span
+class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11">11</a>]</span></p>
+
+<p class="line">Totdat zij endelijk, gelijk een zomervlucht</p>
+
+<p class="line">En vlaag uit eene wolke uitspatten voor elks oogen,</p>
+
+<p class="line"><span class="linenum">410</span>Of als een lichte pijl
+uit Persiaansche bogen</p>
+
+<p class="line">Omhoog vliegt als de Parth nu toestreeft met den
+schicht.&rdquo;</p>
+</div>
+
+<p>Voor een studie over het hardnekkig vasthouden aan dwalingen is dit
+dankbaar materiaal. In de eerste plaats is het ontstaan van bijen uit
+rottende stoffen een onmogelijkheid en moet dit altijd geweest zijn. Er
+is niets wat bijen zooz&eacute;&eacute;r verafschuwen als alle soort
+van aas. Ja, zelfs de lucht van rottende stoffen zal heel dikwijls een
+bijenstand dwingen hun korven voor goed te verlaten, en het is dus
+uitgesloten, dat zij zich ooit in de buurt zouden wagen van
+Vergilius&rsquo; onwelriekend proefmateriaal en daardoor den indruk
+maken er ontstaan te zijn. Maar niet alleen, dat deze methode erkend en
+gevolgd werd, in Vergilius&rsquo; tijd; tot zelfs aan het eind der
+middeleeuwen werd er vast in geloofd; ja zelfs tot w&egrave;l in de 17e
+eeuw. Er wordt zelfs vermeld, dat de proef met volmaakt goed gevolg was
+genomen door een zekeren heer Carew van Anthony in Cornwallis, in een
+nog veel later tijd.</p>
+
+<p>En deze praktijk was van een nog veel ouder datum, dan zelfs
+Vergilius veronderstelde. Hij zegt, waarschijnlijk terecht, dat zij uit
+Egypte stamt, en daarmee telt men dus al duizenden jaren terug. In
+Egypte had men op de proef een merkwaardige variant. De os werd in den
+grond gegraven, z&oacute;&oacute;, dat juist de horens er boven
+uitstaken. Als dan het geboorteproces was verondersteld te zijn
+afgeloopen, werden de punten van de horens afgezaagd en dan beweerde
+men, dat de bijen er uit kwamen dringen als uit twee schoorsteenen.
+Bijna al de oude schrijvers, met uitzondering van Aristoteles, maken in
+een of anderen vorm gewag van deze methode. Varro, die een halve eeuw
+voor Vergilius schreef, zegt: &ldquo;uit rottende ossen worden de
+bijen, de moeders van <span class="pagenum">[<a id="pb12" href=
+"#pb12">12</a>]</span>den honing, geboren.&rdquo; Ovidius geeft de
+geschiedenis van den Egyptischen herder Aristueus, die naar hij zegt
+door Vergilius was uitgewerkt, en hij voegt er een paar beschouwingen
+van zichzelf bij. Hij veronderstelt, dat de ziel van den os is
+overgegaan in ontelbare bijenzielen, als een straf voor den os, die
+zijn leven lang zoo jammerlijk onder de bloemen en kruiden huishield,
+terwijl de bij een wezen is, dat de kruiden niet schaden kan, en ze
+integendeel enkel goed doet.</p>
+
+<p>Nu is het duidelijk, dat waar een opvatting zoo algemeen verbreid is
+en van zooveel onafhankelijke zijden bevestigd wordt, er een verklaring
+moet bestaan, die de waarheid geeft en tegelijk de dwaling begrijpelijk
+maakt. Een nauwkeurig onderzoek van de verschillende verhalen
+betreffende bijenzwermen, op rottende dierlijke bestanddeelen ontstaan,
+brengt al &eacute;&eacute;n algemeen verzuim aan het licht. Al de
+schrijvers zijn het er over eens, dat dichte wolken van bij-achtige
+insekten uit die rotte lichamen voortkwamen en zich in de lucht
+verspreidden, als gingen zij onmiddellijk op honing uit. Maar geen
+enkele van die schrijvers noemt het feit, dat er werkelijk honing door
+de insekten verzameld is, noch ook wordt ergens gemeld, dat men ze er
+toe heeft kunnen bewegen een korf in bezit te nemen, zooals gewone
+bijenzwermen heel gemakkelijk doen. Zij worden meer genoemd als een
+verrijking van het aantal bijen in hun omgeving dan als aanwinst voor
+eenigen bijenhouder.</p>
+
+<p>En hierin ligt wel zeker de verklaring van het wonder. Indien het
+niet de honing-bij was&mdash;de <i>Apis mellifica</i> van de moderne
+naturalisten&mdash;die geteeld werd uit het begraven lichaam van
+Vergilius&rsquo; rampzalig stierkalf, welk ander insekt,
+z&oacute;&oacute; sterk op een bij gelijkende, kon dan wel in die
+omstandigheden worden voortgebracht? Het antwoord is gemakkelijk
+gegeven <span class="pagenum">[<a id="pb13" href=
+"#pb13">13</a>]</span>door verscheidene natuurkenners van onzen
+tijd.</p>
+
+<p>Er bestaat een vlieg, de &ldquo;rotjesvlieg&rdquo; of &ldquo;blinde
+bij,&rdquo; die geheel aan deze moeilijkheid tegemoet komt. Hij gelijkt
+zoozeer op de gewone honingbij, dat hij eens, en niet heel lang geleden
+nog, voor de honingbij zelve gehouden werd, door iemand, die zich
+bijenexpert noemde, en voorzien was van een diploma, dat hem <span
+class="corr" id="xd0e444" title="Bron: offici&euml;el">officieel</span>
+tot dien titel bevoegd verklaarde. Deze rotjesvlieg zou zich in alle
+opzichten juist zoo gedragen hebben, als Vergilius&rsquo; uit het kalf
+geboren honingbijen heeten zich gedragen te hebben, en geheel in
+overeenstemming met de verschillende beschrijvingen van het geval, door
+andere schrijvers v&oacute;&oacute;r en n&agrave; Vergilius. Zij zouden
+onmiddellijk bij het openen van hun gevangenisdeuren in een dichte wolk
+naar buiten zijn gedrongen, en zich vroolijk in het open veld verspreid
+hebben evenals een zwerm bijen zou doen; en nog eens weer zou
+Vergilius&rsquo; beschrijving van bijenproductie oogenschijnlijk waar
+gemaakt zijn.</p>
+
+<p>Maar nu wij z&oacute;&oacute; ver gekomen zijn met de &ldquo;blinde
+bijen,&rdquo; is het moeilijk niet iets verder te gaan. Wij kunnen hen
+zoo niet laten in hun verwerpelijke betrekking tot ossen, in staat van
+ontbinding; maar moeten hun ook de eer toekennen waarop zij aanspraak
+hebben van eene konnektie van hooger orde: &ldquo;Spijze ging uit van
+den Eter; en zoetigheid ging uit van den Sterke.&rdquo; Toen Samson
+naar Timnath ging op zijn noodlottige vrijage en onderweg het karkas
+zag onder een wolk van insekten, was hij zonder twijfel in het oprechte
+geloof, dat het honingbijen waren; en geheel te goeder trouw gaf hij
+zijn raadsel op, waarvan de vorm zeer goed kon aangenomen worden als
+een betamelijke en veroorloofde dichterlijke vrijheid. Maar dat de
+diertjes, die hij om den dooden leeuw zag zwermen, werkelijk bijen
+waren, en dat Samson inderdaad <span class="pagenum">[<a id="pb14"
+href="#pb14">14</a>]</span>honing kreeg uit het karkas, dat kon men
+niet aannemen, dan met een geloof, dat niet te onderscheiden is van
+lichtgeloovigheid. Er zijn verscheiden pogingen gedaan om het vraagstuk
+langs natuurwetenschappelijken weg op te lossen; maar met geen enkel
+overtuigend resultaat. En nu is men er toe gekomen dat gedeelte van het
+verhaal, dat betrekking heeft op den honing, voor een handige opsiering
+te houden van een lateren kroniekschrijver; en de insekten, die bij den
+dooden leeuw huisden, te beschouwen als in werkelijkheid &ldquo;blinde
+bijen,&rdquo; op dezelfde wijze ontstaan als die uit den os van
+Vergilius.</p>
+
+<p>Misschien kan men nergens zoo goed een algemeenen indruk krijgen van
+de bijenkennis in de oudheid als uit de geschriften van Plinius, d. O.,
+die geboren werd in het jaar 23 v. C. Ook hij behandelt de
+bijengeboorte uit ossen. Maar de lezer zal het meest geboeid worden
+door Plinius&rsquo; ernstige en nauwgezette beschrijving van het leven
+en de eigenschappen van de honingbij zooals dat toen ter tijd algemeen
+werd aangenomen. Zeker hebben maar heel weinige van zijn
+schilderachtige d&eacute;tails eenigen grond van waarheid. Zooals alle
+klassieke schrijvers b.v. had hij even weinig juiste kennis van het
+leven in de bijenkorven als wij het leven kennen op den bodem van den
+Grooten Oceaan. Maar hij verhielp dit gebrek, zooals al zijn
+tijdgenooten het deden, door een ruim gebruik te maken van de schatten
+uit eigen verbeelding en uit de verbeelding van anderen geput.</p>
+
+<p>Zijn verhaal van het ontstaan en den aard van den honing heeft een
+eigenaardige bekoring. &ldquo;Honing,&rdquo; zegt hij, &ldquo;wordt
+geboren in den ether, veelal bij het opgaan der gesternten en bij
+voorkeur als Sirius schijnt; maar nooit v&oacute;&oacute;r het opgaan
+der Plejaden, en dan altijd even voor het aanbreken van den dag....
+Deze vloeistof <span class="pagenum">[<a id="pb15" href=
+"#pb15">15</a>]</span>kan het zweet zijn van de hemelen, of een
+speeksel, uitvloeiende van de sterren, of een afscheiding van den ether
+die zich zuivert. Ware hij nog maar, als hij tot ons komt, zoo zuiver
+helder en onberoerd als toen hij het eerst zijn nederdaling begon. Maar
+die val, van zulk een hoogte, brengt bederf; de uitwasemingen der
+aarde, die hij ontmoet, tasten hem aan; hij wordt opgezogen van de
+boomen en de kruiden der velden, en verzameld in de magen der bijen;
+want die geven hem weer terug door den mond; ook verontreinigd door de
+sappen der bloemen wordt hij dan in de korven gebracht en aan zooveel
+veranderingen onderworpen&mdash;en toch ten spijt van dit alles, geeft
+hij ons door zijn geurigen smaak een uitgezochte vreugde, zonder
+twijfel het gevolg van zijn etherischen aard en oorsprong.&rdquo;</p>
+
+<p>Moderne bijenhouders schrijven het verschil in kwaliteit van de
+honing tegenwoordig toe aan het overheerschen van goede of slechte
+nektarhoudende oogsten, of aan een vermenging met dat venijn voor de
+ijmkers: de honingdauw. Maar voor Plinius hangt het geheel af van den
+invloed der sterren. Bij het rijzen van sommige gesternten aan den
+hemel was de honing slecht, omdat hunne afscheidingen minderwaardig
+waren. Honing, die verzameld werd na den opgang van Sirius, den
+beroemden honingst&egrave;r van alle schrijvers der oudheid, was
+onvermijdelijk van goede hoedanigheid. Maar wanneer Sirius in de
+hemelen heerschte samen met Venus, Jupiter of Mercurius, was honing
+geen honing meer; maar een soort van hemelsch nostrum of medicament,
+dat niet alleen kracht had, ziekten van de oogen en ingewanden te
+genezen en zweren te heelen, maar zelfs uit den dood het leven kon
+terugbrengen. Diezelfde deugd vond men in honing, die na het
+verschijnen van een regenboog werd ingezameld, <span class="pagenum">
+[<a id="pb16" href="#pb16">16</a>]</span>ten minste&mdash;zooals
+Plinius er zorgzaam bijvoegt, &ldquo;als er geen regen valt tusschen
+het verschijnen van den regenboog en den tijd dat de bijen
+inzamelen.&rdquo;</p>
+
+<p>Over het leven van de bijen wijdt Plinius omstandig uit. Hij vertelt
+ons van een volk van nijvere wezentjes, geregeerd door een koning die
+een witte vlek als een diadeem op zijn voorhoofd draagt. Van deze
+Koning-bijen waren er drie soorten&mdash;rood, zwart en gespikkeld;
+maar de roode stonden het hoogst.</p>
+
+<p>Hij schijnt, hoewel met eenige terughouding, de oude legende aan te
+nemen, dat geslachtsverkeer tusschen de bijen, door goddelijke
+tusschenkomst, had opgehouden te bestaan, en veranderd was in een
+voortplantingsysteem, dat uit de bloemen zijn oorsprong nam. Hij
+spreekt ook van een gangbaar geloof&mdash;dat in zijnen tijd wel als de
+stoutste ketterij moet hebben geklonken&mdash;dat de koning-bij het
+eenige mannelijke exemplaar is, en al de rest wijfjes zijn. En met het
+bestaan van de darren weet hij ook handig weg:</p>
+
+<p>&ldquo;Men zou zeggen: een soort van onvolkomen bij, die het
+allerlaatst gevormd wordt; een zwakke poging van uitgeputten ouderdom,
+een laat nakroost.&rdquo;</p>
+
+<p>Strenge tucht heerschte er volgens Plinius in de bijenkorven. Vroeg
+in den morgen blies een bij de klaroen om de geheele bevolking te
+wekken. Met militaire striktheid werd het dagwerk ingedeeld en
+uitgevoerd, en &rsquo;s avonds vertoonde zich weer &rsquo;s Konings
+hoornblazer en fladderde rond den korf, terzelfder tijd toeterend, even
+schril als bij het wekken. Dan was de dagtaak verricht en het werd
+plotseling stil in den korf.</p>
+
+<p>Zijn boek is vol merkwaardige bijzonderheden betreffende het
+korfleven. Als inzamelende bijen door den nacht worden overvallen, dan
+leggen zij zich op hun rug om hun vleugels te beschutten voor den dauw,
+<span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17">17</a>]</span>en
+blijven zoo liggen wachten tot het eerste teeken van den dageraad; dan
+vliegen zij weer naar de kolonie terug. Als de zwermtijd gekomen is,
+vliegt de Koning-bij niet weg uit den korf, maar wordt er uit gedragen
+door zijn gevolg. Plinius waarschuwt de beginnende ijmkers, dat zij hun
+korven niet in het klankbereik van een echo moeten plaatsen, daar dit
+voor bijen z&eacute;&eacute;r schadelijk is; maar hij voegt er bij, dat
+handgeklap en het getintel van metaal hun een bijzonder genoegen geeft.
+Hij schrijft hun een langdurig leven toe; sommigen leven wel zeven
+jaar. Maar de korven moeten buiten het bereik van kikvorschen geplaatst
+worden, die de hebbelijkheid bezitten van in de korven te ademen, wat
+een groote sterfte onder de bewoners veroorzaakt. Als bijen kunstmatig
+voedsel noodig hebben, geeft men ze rozijnen of gedroogde vijgen, tot
+moes gestampt, gekoorde wol in wijn gedrenkt, de honingdrank hydromels,
+of rauw hoendervleesch. &ldquo;Was,&rdquo; zegt Plinius, &ldquo;reinigt
+men het best, door ze eerst in zeewater te koken en dan in den
+maneschijn te drogen om ze goed wit te krijgen.&rdquo; Boosdoeners
+worden gewaarschuwd tegen het naderen van bijenkorven of bijen, ten
+allen tijd. &ldquo;Want,&rdquo; verzekert hij ons, &ldquo;bijen hebben
+een bijzonderen afkeer van dieven.&rdquo;</p>
+
+<p>Voor den praktischen ijmker van later tijden lijken al deze
+bijzonderheden, door de klassieke schrijvers vermeld, niet anders dan
+nutteloos en verwarrend gebazel; en men verwondert zich, hoe de bijen
+het rooiden, dat zij nog bleven bestaan onder zulk een verfijnd
+gekompliceerde, slechte behandeling: een mengsel van onwetenheid en
+nauwelijks een enkel vastgesteld feit. Toch staat het vast, dat de
+bijenteelt, twee duizend jaar geleden, in waarheid een zeer uitgebreid
+en belangrijk bedrijf was. Varro vermeldt een bijenstand, die jaarlijks
+vijfduizend pond honing opbracht, terwijl <span class="pagenum">[<a id=
+"pb18" href="#pb18">18</a>]</span>de jaarlijksche inkomsten van een
+anderen de som van zesduizend sestercen bedroeg. De grootste
+honingopbrengst, volgens Plinius, gaven Kreta, Cyprus en de kust van
+Noord-Afrika. Sicili&euml; was beroemd om de kwaliteit van zijn
+bijenwas; maar Corsica leverde die toch in de grootste hoeveelheid.
+Toen het eiland door de Romeinen werd onderworpen was de jaarlijksche
+schatting, die het opbracht, naar men zegt, tweehonderd duizend pond
+was. Maar dit is zulk een fabelachtig cijfer dat men het slechts
+aarzelend kan aannemen.</p>
+
+<p>Blijkbaar deden de bijen in de oude tijden hun zaken goed, ondanks
+de onwetendheid van hunne meesters, of tenminste van de oude schrijvers
+<i lang="la">de Re Rustica</i>.<a class="noteref" id="xd0e482src" href=
+"#xd0e482">2</a> Men moet echter steeds bedenken, dat zij, die over
+landbouw en dergelijke onderwerpen schreven, zelden menschen van de
+praktijk waren. Met misschien de enkele uitzonderingen van
+Vergilius&rsquo; Georgica, zijn deze geschriften klaarblijkelijk voor
+het grootste gedeelte compilaties uit nog oudere schrijvers, en verder
+een samenraapsel van praatjes en verhalen, in dien tijd in omloop. En
+het is zeker, dat degenen, die in waarheid hun werk maakten van
+bijenteelt, en er het meest van wisten, er in &rsquo;t geheel niet over
+schreven. Waarschijnlijk hielden zij zich met mythen en fabels
+betreffende hun vak niet op, en hadden hun voorspoed te danken aan de
+strenge dagelijksche praktijk en ondervinding, zeker ook nu nog de
+betrouwbaarste, en eigenlijk &eacute;&eacute;nige gids.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19">19</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e365src" id="xd0e365">1</a></span> Ik geef hier inplaats van de
+Engelsche vertaling van Vergilius, die door den schrijver wordt
+aangehaald, de hollandsche van Vondel.</p>
+
+<p class="footnote">(De Vert.)</p>
+
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e482src" id="xd0e482">2</a></span> Over het Landleven.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="ch2" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk II</h2>
+
+<h2 class="normal">Het Honing-eiland</h2>
+
+<p>Als wij alles aannemen, wat de Romeinen tot hun eigen glorie
+verkondigd hebben, dan moeten wij gelooven dat hunne zegevierende
+legioenen barbaarschheid vonden waar zij kwamen, en daarvoor het zaad
+der hoogste beschaving achterlieten&mdash;hooge beschaving, volgens den
+zin, die dat woord had in die sombere en veelbewogen tijden.</p>
+
+<p>Maar het is de vraag of het land der Britten, dat Caesar vond, zoo
+barbaarsch was als het wordt geschilderd. Wij zijn gewoon
+Caesar&rsquo;s schets, van zijn eersten blik op Albion = Eilanban, het
+Witte Eiland, zooals de Britten het zelf noemden, te beschouwen als
+&ograve;nzen eersten blik in de geschiedenis van ons eigen land. Maar
+dit is in &rsquo;t geheel niet waar. De geschiedenis van Brittanje
+begint met het verhaal van de eerste reis die de Fenici&euml;rs er heen
+maakten, toen ze, zich verder wagende dan &eacute;&eacute;n van hun
+onversaagd ras, een landing deden op de Scilly-Eilanden en de naburige
+kust van Cornwallis, en vandaar hun eerste lading tin meenamen.</p>
+
+<p>En hoe lang dit geleden is? Wie kan het zeggen. De plaats, waar het
+fenicische Barat Anac, het Tinland, lag, bleef eeuwen lang een geheim,
+naijverig bewaard door deze oude zeevaarders, de eerste zeelieden, die
+de wereld kende. Zij waren ervaren stuurlieden, die zich oneindig <span
+class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20">20</a>]</span>ver op zee
+waagden, zelfs al in Koning Salomon&rsquo;s tijd, en dat was <span
+class="corr" id="xd0e504" title="Bron: &eacute;en">
+&eacute;&eacute;n</span> duizend jaar v&oacute;&oacute;r de komst van
+Caesar. Het is zeer waarschijnlijk, dat zij veelvuldig met de Britten
+verkeerd hadden, eeuwen <span class="corr" id="xd0e507" title="Bron:
+v&oacute;or">v&oacute;&oacute;r</span> dat de Grieken uitgingen om dit
+wonderbare tindragende land te zoeken, en nog langer
+v&oacute;&oacute;rdat de naam Barat-Anac verbasterd was in het
+Brittannia van de Romeinen. En het is nauwelijks te veronderstellen,
+dat een volk van zulk een oude beschaving en met zulk een grooten roep
+wat kunst en levensverfijning betreft als de Fenici&euml;rs&mdash;een
+volk waarvan zelfs de oude Grieken het letterschrift en de schrijfkunst
+geleerd hadden&mdash;eeuwen lang in kontakt kon blijven met een volk
+als de Britten, van zoo hoogen zin en geestelijke begaafdheid, zonder
+van grooten invloed op hun ontwikkeling en beschaving te zijn.</p>
+
+<p>Want hoog van zin en knap waren de Britten zelfs in die schemerig
+verre tijden. Caesar&rsquo;s verhaal, tusschen de regels in gelezen,
+komt in niets overeen met de gewone opvatting, dat de Britten niets
+anders waren dan een bende wilden, die als zwijnen samenhokten in
+rieten schuren, en hun naakte lichamen blauw verfden, om den even
+barbaarschen gemoederen van hun vijandige mede&euml;ilanders schrik aan
+te jagen. Wij krijgen een indruk van een volk op veel hooger trap van
+ontwikkeling in de kunsten van oorlog en vrede. Hoogstwaarschijnlijk
+hulden zij zich in gewone tijden schilderachtig in de huiden der wilde
+dieren, die in overvloed op hun eiland leefden, en all&eacute;&eacute;n
+in oorlogstijd waren zij naakt en beschilderd. Uit oude afbeeldingen
+zijn wij gemeenzaam geworden met het uiterlijk der matrozen van Drake
+en Nelson, op dergelijke wijze ontkleed; en tusschen de blauwe
+beschildering uit de tijden der Dru&iuml;den, en het roode laken en
+schitterend metaal der bewapening van onze 19e eeuwsche krijgers <span
+class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21">21</a>]</span>ligt dus niet
+zulk een gapende kloof, als de afstand der eeuwen zou doen denken. In
+de kunst der bewapening deden de Britten niet zoo oneindig ver onder
+voor de Romeinen, en wij vernemen dat zij schijnen te hebben uitgemunt
+in ten minste &eacute;&eacute;n lastig handwerk: het vlechten van
+velerlei soort van mandenwerk.</p>
+
+<p>Maar er is een ander getuigenis, behalve dat van Caesar, ten gunste
+van de opvatting, dat zij bij lange na geen barbaarsch volk waren.
+Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Caesar, roemt hun
+karaktereerlijkheid als die van de Romeinen zelfs overtreffend, en
+Tacitus, die een eeuw later schreef, spreekt van hun bijzonder vlug
+begrip en hoogen geestelijken aanleg. Door de zee beschermd als zij
+waren, nam waarschijnlijk de oorlog geen groote plaats in hun leven in,
+en in hoofdzaak waren zij een landbouwend volk. Het is wel zeker, dat
+de beschaafde en ondernemende Fenici&euml;rs de kust veel verder
+oostwaarts bezochten dan ons bericht wordt, en dus de beschaving bij de
+Britten aanmerkelijk verhaast zullen hebben, tenminste wat de stammen
+in het zuiden betreft.</p>
+
+<p>Het wordt gezegd&mdash;op welke gronden is moeilijk te
+bepalen&mdash;dat de Romeinen, behalven dat zij de Britten alle andere
+handwerken en den landbouw bijbrachten, ook de bijenteelt invoerden in
+de veroverde eilanden. Maar Plinius, als hij verhaalt van de reizen van
+Pytheas, die verondersteld worden drie honderd jaar gebeurd te zijn
+v&oacute;&oacute;rdat Caesar hier een voet gezet had, spreekt er van
+hoe de aardrijkskundige, van Marseille in Brittanje landend, het volk
+daar een drank zag brouwen uit tarwe en honing. Er is echter een andere
+bewijsbron op dit punt, oneindig veel ouder nog dan de hierboven
+genoemde: Lang voordat de fenicische zeevaarders hun Tin-eiland
+ontdekten, waren er barden in Eilanban&mdash;het witte Eiland&mdash;die
+de heldendaden <span class="pagenum">[<a id="pb22" href=
+"#pb22">22</a>]</span>van hunne Veltische helden bezongen, en de
+legendarische handelingen van hun ras. Deze oude, wilde zangen gingen
+over van bard op bard door de eeuwen heen, en vele van die oud-Welsche
+gedichten die nog zijn bewaard gebleven, moeten van een onnaspeurlijken
+ouderdom zijn. Zij willen den toestand van Brittanje beschrijven,
+beginnend met het allereerste menschelijk leven d&aacute;&aacute;r.</p>
+
+<p>In sommige van die zangen nu, die blijkbaar tot de oudsten behooren,
+wordt Brittanje het &ldquo;Honing-eiland&rdquo; genoemd, om den
+overvloed van wilde bijen in de oerwouden. Het zou nutteloos, en
+bovendien vrij dwaas zijn, als wij aan deze oude overleveringen grooter
+beteekenis hechtten dan hun toekomt. Maar de naam geeft te denken, en
+wij kunnen veilig veronderstellen, dat als Brittanje bij de oude
+Dru&iuml;denbarden bekend was als het &ldquo;Honing-eiland,&rdquo; de
+natuurlijke omstandigheden, die de aanleiding tot dien naam waren, nog
+wel aanwezig zouden zijn en terug te vinden in het leven van het volk,
+dat Caesar zag samenscholen op de witte rotsen boven zich, een
+krachtig, rosharig, en krijgshaftig ras. Hij verhaalt, dat zij hunne
+kudden van tam vee bezaten en hunne akkers bebouwden, en men kan met
+reden veronderstellen, dat de korven van gevlochten wilgenrijs,
+waarover Vergilius een eeuw later schreef, hun tegenhangers hadden in
+de mandenkorven van den Britschen dorper uit dien tijd.</p>
+
+<p>Ongetwijfeld hebben de Romeinen bij hun tweede en blijvende
+bezetting, eerst honderd jaar later, den Britten hun eigen methode van
+bijenteelt geleerd en verschillende verbeteringen gebracht in de
+praktijk van het handwerk, die bij de Britten zeker nog maar hoogst
+primitief was. Maar eerst na het vertrek der Romeinen, toen de
+Angel-Saksische heerschappij in het eiland gevestigd was, schijnt de
+bijenkultuur een <span class="pagenum">[<a id="pb23" href=
+"#pb23">23</a>]</span>erkend nationaal bedrijf te zijn geworden. Van
+het maatschappelijk leven uit dien tijd zijn er slechts spaarzame
+berichten; maar zeker is het, dat de honing met zijn produkten een
+belangrijke plaats in het dieet innam bij alle klassen, hoog en
+laag.</p>
+
+<p>Het is voor ons in dezen tijd, nu wij riet- en beetwortelsuiker
+hebben, en zelfs chemische verzoetende middelen in voortdurend en
+algemeen gebruik zijn, moeilijk te realiseeren, dat van de oudste
+tijden af tot de vijftiende en zestiende eeuw, er feitelijk geen andere
+zoetigheid was in de heele wereld dan honing; en ons dus voor te
+stellen wat een voorname plaats het bijenbedrijf moet hebben ingenomen
+bij alle volken. Voor alle mogelijke doeleinden was er enkel maar
+honing, en men ziet ze aanhoudend genoemd in de oude kloosterkronieken,
+en in de aardige kookboeken, die nog uit de Middeleeuwen zijn
+overgebleven.</p>
+
+<p>Wel is waar kan men, wat het suikerriet betreft, teruggaan tot de
+eerste eeuw v. C..&mdash;Strabo, die juist v&oacute;or het begin van de
+Christelijke jaartelling schreef, verhaalt hoe Nearchus, vlootvoogd van
+Alexander den Groote, een belangrijke ontdekkingsreis maakte in den
+Indischen oceaan, en berichten meebracht over een wonderbaar
+&ldquo;honingdragend riet,&rdquo; dat hij bij de inboorlingen had
+gevonden. Er wordt ook vermeld, dat de Spanjaarden het suikerriet uit
+het Oosten meebrachten en het plantten op Madeira, in het begin van de
+15e eeuw; en van daar breidde zich in deze en de volgende eeuw de
+kultuur uit naar West-Indi&euml; en Zuid-Amerika. Gedurende de
+Middeleeuwen was het in zeer beperkt gebruik bij de rijkste en edelste
+famili&euml;n van Europa; het had toen Veneti&euml; als
+handels-centrum. Maar suikerriet was alleen een kostbare luxe in het
+dieet, of een medicinaal bestanddeel, zelfs bij de hoogsten in den
+lande, tot ver in de zeventiende eeuw; toen begon <span class=
+"pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24">24</a>]</span>het langzamerhand
+den honing uit de volksgunst te verdringen. Doch het is zeer wel
+mogelijk dat de middel- en laagste klassen in Engeland geen ander
+verzoetingsmiddel dan honing bezaten en konden betalen, voor welk doel
+ook, tot ongeveer drie honderd jaar geleden. Onder de Angel-Saksen
+voorzagen de bijenkorven het geheele volk, van den Koning af tot den
+minsten daglooner, en niet alleen van voedsel, maar tegelijk ook van
+drank en licht. Wij lezen hoe op de Koninklijke feestmalen de Mede werd
+rondgediend, en hoe die drank in ieder klooster algemeen werd gebruikt.
+Zelfs in die oude tijden waren er herbergen aan de groote wegen, waar
+men drank kon krijgen, en in hoofdzaak Me&ecirc;, hoewel er ook een
+soort van bier werd gebrouwen. Geen priester was het echter vergund
+deze taveernen te bezoeken, maar een groote opoffering was dat zeker
+niet, daar hun dagelijksch rantsoen aan Mede hen rijkelijk voorzag.
+Ethelwold stond ieder half dozijn van zijn monniken aan het middagmaal
+een &ldquo;sentarium&rdquo; Mede toe, wat in onze moderne maat
+waarschijnlijk gelijk staat met verscheidene gallons. (1 gallon = 4.5
+liter!)</p>
+
+<p>In de Angel-Saksische tijden werden er drie verschillende dranken
+uit honing gebrouwen. De gewoonste, de eigenlijke &ldquo;Mede,&rdquo;
+die men kan beschouwen als den algemeenen drank van de groote menigte,
+werd gemaakt van het stukgewreven overschot van de raten, nadat de
+honing er uit was gedrukt; dit werd in water gedrenkt en naderhand
+gezeefd en in aarden vaten weggezet, tot het ging gisten en tot Mede
+werd. En hoe langer het bewaard werd des te sterker werd de drank. Een
+tweede soort, uit honing, water en moerbeiensap, werd Morat genoemd; en
+dit was waarschijnlijk de drank van de gezeten burgers. Een derde
+brouwsel, bekend als Pigment, werd uit de zuiverste honing <span class=
+"pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25">25</a>]</span>gestookt, met
+verschillende kruiden vermengd en dan door bijvoeging van een zekere
+wijnsoort versterkt. En dit was waarschijnlijk de Mede, die aan de
+koninklijke tafel geschonken werd. De bediening van &rsquo;s Konings
+Schenker in die dagen kan geen sinecure geweest zijn; want het was bij
+de Angelsaksische koningen het gebruik, hun gasten op vier feestmalen
+per dag te onthalen, en de hoeveelheden drank, die volgens oude
+berichten dan geschonken werden, schijnen ongeloofelijk, zelfs in de
+annalen van zulk een stevig drinkend ras. En de nationale matigheid
+werd, als een der voordeelen van de Normandische overheersching, niet
+weinig gebaat, door de nieuwe regeling van William I, die deze
+gastmalen beperkte tot slechts &eacute;&eacute;n per dag.</p>
+
+<p>Als wij aannemen, dat gedurende de regeering van Harald de
+populariteit van ons goed oud Engelsch brouwsel haar hoogtepunt bereikt
+had, is het eveneens zeker, dat met de komst van de Noormannen een
+langzame daling kwam in zijn waardeering door het volk. In den nasleep
+van Hertog William&rsquo;s ongeordend leger, volgden de verkoopers van
+de buitenlandsche dranken uit druivensap; en al spoedig zal wijn de
+plaats hebben ingenomen van de Saksische Mede, eerst bij de vreemde
+edelen en later bij de eigen &ldquo;Thanes.&rdquo; Van dien tijd af
+ging de roem van de Mede gaandeweg achteruit, en heden ten dage is het
+bereiden van Mede een verloren gegane kunst, nog maar heel zeldzaam te
+vinden bij enkele ouderwetsche luiden, in afgelegen plaatsjes.</p>
+
+<p>Maar toch is ze te verkrijgen; en degenen van ons, die het geluk
+hadden die goede oude Mede te drinken, wel belegen in het vat, hebben
+zeker spijt gevoeld, dat er geen stevige poging gedaan wordt om ze haar
+ouden nationalen roem terug te geven. Mij dunkt, dat er <span class=
+"pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26">26</a>]</span>geen gezonder drank
+in de wereld is, en zeker geen, die minder technische bekwaamheid
+vereischt. Alle oude boeken over bijenteelt geven er recepten voor, die
+alleen verschillen in de opgave van het aantal vreemde bijvoegsels, die
+den smaak moeten verhoogen, maar hem, naar ons inzicht, verknoeien.
+Want de edelste Mede kan gebrouwen worden van enkel honing en water; en
+alle bijvoeging van kruiden of wat ook, kan alleen het unieke aroma
+bederven. Eenige van de zestiende- en zeventiende eeuwsche ijmkers
+waren in hun tijd beroemd voor het brouwen van me&ecirc;; en een van de
+allerbekwaamsten eischt voor zijn drank speciale erkenning, daar de
+meest competente rechters hem in niets te onderscheiden vonden van
+ouden Canarischen wijn. Hij geeft zorgvuldige aanwijzingen voor de
+bereiding van zijn Mede, en deze kunnen worden opgevolgd, en zijn dit
+ook in den laatsten tijd, met volmaakt succes. Als deze Mede een aantal
+jaren goed bewaard blijft, schuimt zij in het glas als champagne, maar
+zakt dadelijk weer neer; en de binnenwand van het glas blijft dan
+bedekt met sprankelende luchtbellen. De drank heeft de kleur van bleek
+goud als oude cider; maar de smaak is niet te vergelijken met dien van
+eenigen anderen drank uit dezen tijd. Het is van belang, dat wij van
+zijn bereider de verzekering hebben, dat hij zoo sterk gelijkt op den
+Canarischen wijn, omdat dit ons een juist begrip geeft van de
+innerlijke hoedanigheid van een wijnsoort, die al sedert zoo langen
+tijd is verloren gegaan.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27">27</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch3" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk III</h2>
+
+<h2 class="normal">IJmkers in de Middeleeuwen.</h2>
+
+<p>Zij, die de oude boeken over de honingbij bestudeeren, worden
+gewoonlijk getroffen door twee zeer opmerkelijke bijzonderheden: de
+oud-klassieke en romantische geur in al die boeken, en hoe daarin een
+groote hoeveelheid ontwijfelbare fabels behendig doorvlochten zijn met
+een minimum van blijvende feiten.</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;rdat men zich heel diep in deze merkwaardige oude
+berichten heeft ingewerkt, is het moeilijk zich er rekenschap van te
+geven, hoe door en door verzadigd zij zijn met de bekoorlijke, maar
+grootendeels onware idee&euml;n van de oude klassieke bijenvaders. De
+schrijvers waren bijna zonder uitzondering ernstige praktische
+menschen, voor wie de studie en de uitoefening van hun bedrijf de
+uitsluitende levenstaak was. Maar zij schenen van den eerste tot den
+laatste bezeten te zijn door den drang om alles wat ooit door de oude
+Grieksche en Romeinsche litteratoren over bijen geschreven was, als
+waarheid hoog te houden, en door de gedachte, dat het de ergerlijkste
+ketterij zou zijn er &eacute;&eacute;nige nieuwe waarheid uit hun eigen
+ondervinding en waarneming aan toe te voegen, tenzij zij die ampel
+ondersteunen konden met getuigenissen uit diezelfde onfeilbare
+bronnen.</p>
+
+<p>Zij schenen de werken van Aristoteles, Vergilius, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28">28</a>]</span>Plinius en de rest
+te beschouwen als zoovele goddelijke openbaringen betreffende het
+mysterie van het bijenleven, als een volmaakt afgesloten geheel; en zij
+lieten nooit na ze aan te halen in ondersteuning van eigen beweringen
+of ter weerlegging van die van anderen. Ongeveer zooals
+godsdienstleeraren gewoon zijn twijfelaars naar bijbelplaatsen te
+verwijzen.</p>
+
+<p>Maar in de middeleeuwen waren het niet alleen de ijmkers, die van
+dit bijzonder gezichtspunt uitgingen. Het scheen toen ter tijd het
+heerschende standpunt te zijn bij alle klassen. En het zou haast een
+gerechtvaardigde gevolgtrekking zijn wanneer men daaruit opmaakte, dat
+bij die oude vasthoudende classici hun natuurstudie geen ander doel
+had, dan te bevestigen wat door hunne eerbiedig vereerde orakels reeds
+geboekt was. Het was genoeg, dat in de literaire jonkheid der wereld
+iets in het Grieksch of Latijn geschreven was; het werd als een
+vlekkelooze waarheid vereerd, als het eerste en het laatste woord over
+die zaak; en als hun persoonlijke waarnemingen niet overeen schenen te
+komen met eenige bewering van de oude schrijvers, dan was de
+tegenstelling alleen maar schijnbaar en zou zonder twijfel gemakkelijk
+kunnen uitgewischt worden door een grondiger onderlegd kenner van die
+oude bijenlitteratuur.</p>
+
+<p>Het is bij een eerste beschouwing zeker verwonderlijk, dat menschen
+een geheel leven in dit bedrijf konden werken en tegelijk zich aan een
+onwrikbaar geloof konden houden, dat zooveel zwakke punten blootgaf.
+Maar men moet bedenken, dat eenige juiste waarneming van het innerlijke
+leven der honingbijen in die tijden nog bijzonder bezwaarlijk was. Het
+was nagenoeg onmogelijk, iets te zien van wat er gebeurde binnen de
+korven, zooals men die toen gebruikte. Plinius spreekt van een
+bijenkorf, vervaardigd van wat <span class="pagenum">[<a id="pb29"
+href="#pb29">29</a>]</span>hij spiegelsteen noemt; dit was
+waarschijnlijk talk; en men kon door de doorzichtige zijden ervan de
+bijen zien werken. Maar door de Engelsche ijmkers schijnt iets van dien
+aard niet v&oacute;&oacute;r de 17e eeuw beproefd te zijn. Buitendien,
+al ware ook de korf geheel van helder glas gemaakt, zou de waarnemer
+nog niet veel wijzer zijn geworden. Hij zou niet meer dan de
+buitenkanten van de twee uiterste raten te zien hebben gekregen, en hij
+zou veel heen en weer loopen bij de bijen hebben opgemerkt en nu en dan
+even een verschijning van de koningin hebben gehad. Maar al die
+verwonderlijke aktiviteit, ten koste van zooveel inspanning opgemerkt
+door de waarnemers van onzen tijd, die zoovele vernuftig uitgedachte
+hulpmiddelen tot hun dienst hadden, gebeurt uitsluitend in het
+allerbinnenste van de korven; en iedere poging het leven der bijen te
+bestudeeren met de hulpmiddelen der Middeleeuwen zou volslagen
+nutteloos geweest zijn. Het was eerst nadat Huber&rsquo;s bladerkast
+was in gebruik genomen&mdash;waarin het eenigermate mogelijk was de
+raten tijdelijk van elkaar te verwijderen, zonder de bijen al te veel
+te verstoren&mdash;dat er een merkelijke vooruitgang kwam in de kennis
+van het bijenleven. Een nog grooter verbetering was de nieuwste
+observatiekorf, waarin de bijen gedwongen worden hun raten tusschen
+glazen afdeelingen op te bouwen, de een boven de ander, inplaats van
+naast elkaar; want deze uitvinding veroorloofde de studie van het
+geheele leven binnen in den korf. Maar hierop is aan te merken, dat bij
+zulk eene inrichting de bijen onder te kunstmatige omstandigheden
+moeten werken. In een natuurlijk bijennest worden de raten ruw naast
+elka&acirc;r aangebracht, en het broed wordt opgekweekt in het
+middengedeelte van iedere raat; terwijl de oppervlakte, door de
+broedcellen ingenomen, in iedere richting naar buiten toe, vermindert.
+Zoo neemt het broednest <span class="pagenum">[<a id="pb30" href=
+"#pb30">30</a>]</span>een kogelachtigen vorm aan, met den
+honingvoorraad er boven en omheen, en deze natuurlijke schikking wordt
+onvermijdelijk verstoord in een korf, waar de raten boven- en niet
+naast elka&acirc;r liggen.</p>
+
+<p>Daar het nu den ouden ijmkers onmogelijk was iets omtrent de bijen,
+in hun strooien korven, te leeren, beperkten zij zich tot het herhalen
+van wat de oude schrijvers geloofden, en doorvlochten dat handig met
+eigen beschouwingen; en omdat niemand in staat was die te weerleggen,
+werden zij met des temeer zekerheid geuit.</p>
+
+<p>In hoofdzaak schijnen zij het er over eens te zijn geweest, dat het
+algemeene principe van voortplanting, geldig voor de geheele schepping,
+wonderbaarlijk was opgeheven voor de honingbij all&eacute;&eacute;n.
+Mozes Rusden, ijmker van Koning Karel II, die in het jaar 1679 nog zijn
+&ldquo;Verdere ontdekkingen in het Bijenleven&rdquo; uitgaf, geloofde,
+dat de werkbijen niet all&eacute;&eacute;n de levenskiemen, maar de
+feitelijke lichamelijke substantie van de jonge bijen van de bloemen
+gaarden.</p>
+
+<p>Hij wees triomfantelijk op de kleine bolvormige klompjes van
+veelkleurig stuifmeel, die de bijen zoo nijver in de korven
+thuisbrengen gedurende het broedseizoen, en hij verzekerde, dat dit het
+materiaal was, waaruit de jonge bijen zich ontwikkelden. Hij beweerde
+ook, dat iedere korf onder de heerschappij van een koning stond; maar
+d&aacute;&aacute;rin trachtte Rusden blijkbaar twee heeren te dienen.
+Hij was zonder twijfel een hartgrondig koningsgezinde, en had de
+diepste verachting voor alles wat afweek van het dogma betreffende het
+&ldquo;goddelijk recht der koningen.&rdquo; Van Vergilius had hij
+getrouw het gedeelte nageschreven dat handelt over het garen der
+levenskiemen op de bloemen; maar hij voelde dat het als &rsquo;s
+Koning&rsquo;s ijmker zijn plicht was, waar het in zijn macht stond,
+een goed woord te spreken voor <span class="pagenum">[<a id="pb31"
+href="#pb31">31</a>]</span>het herstelde koningschap. Er leefden er nog
+velen in het koninkrijk, die sterk tegen de Restauratie waren en
+waarschijnlijk nog veel meer weifelaars. En Rusden stelde zich wel
+voor, dat wanneer hij wijzen kon op een <span class="corr" id="xd0e577"
+title="Bron: paralel">parallel</span> voorbeeld in de natuur, waar het
+stelsel der monarchie van een goddelijke wet uitging, hij zijn patroon
+een prachtig argument aan de hand deed ten gunste van zijn koningschap,
+en tegelijker tijd een <span class="corr" id="xd0e580" title="Bron:
+bizonderen">bijzonderen</span> indruk zou maken op de onontwikkelde en
+bijgeloovige massa. Maar terwijl hij dit standpunt innam was Rusden
+toch ook de echo van een eeuwenoud geloof, ingeworteld bij al de
+bijenvaders in het verleden.</p>
+
+<p>De enkele groote bij, waarvan het bestaan in alle korven aan ieder
+bekend was, werd algemeen gehouden voor den absoluten heerscher in de
+gemeenschap. De 16e en 17e eeuwsche schrijvers noemen haar bij
+afwisseling koning of koningin; maar alleen in den zin van bestuurder;
+en men koos het woord in hoofdzaak al naar het geslacht van hem of
+haar, die op dat oogenblik den engelschen troon innam. Zoo verwierp
+Rusden wijselijk het id&eacute;e eener koningin, toen hij rekening had
+te houden met Karel II. Butler, misschien de geleerdste van al de
+vroegere schrijvers over de honingbij, vermijdt even halsstarrig het
+woord koning te noemen, want zijn boek verscheen toen koningin Anna
+regeerde. Hij noemt het &ldquo;De vrouwelijke Monarchie,&rdquo; maar
+hij schijnt toch evenmin als een van zijne voorgangers het geringste
+vermoeden gehad te hebben, dat de groote bij in waarheid de moeder van
+de heele kolonie is. Echter staat hij haast alleen in zijn tijd in het
+verwerpen van de bloemen-theorie der bijenvoortplanting, en hij
+verzekert, dat de werkbijen en de darren respektievelijk de vrouwelijke
+en mannelijke elementen zijn. &ldquo;Maar,&rdquo; zegt hij, &ldquo;zij
+planten niet voort als andere <span class="pagenum">[<a id="pb32" href=
+"#pb32">32</a>]</span>levende wezens; hunne darren dulden zij slechts
+&eacute;&eacute;n getij, door wier mannelijke kracht zij wonderdadig
+ontvangen en voortbrengen, en aldus hun liefdelijke soort
+behouden.&rdquo;</p>
+
+<p>Over de moeilijkheid, dat er gedurende negen maanden geen darren in
+de korven zijn, en toch het eierleggen voortgaat, zet hij zich heen met
+de bewering, dat de werkbijen onbevlekt ontvangen van de darren
+gedurende het seizoen, en dat die zomerbevruchting voldoende is, tot de
+darren het volgende jaar in Mei terug komen. En zoo was hij, zonder het
+te vermoeden, heel dicht bij de ontdekking van een van de meest
+verwonderlijke feiten in de natuur&mdash;dat de koningin-bij in een
+korf, na &eacute;&eacute;n enkele gemeenschap met een der darren,
+voortgaat bevruchte eieren te leggen in haar geheele verdere leven, dat
+misschien nog wel drie of zelfs vier jaren duurt.</p>
+
+<p>Butler&rsquo;s boek is rijk aan aardige bijzonderheden uit de
+bijenlegenden van zijn tijd. Hij vertelt ons, dat de koningin-bij
+&ldquo;ondergeschikte goeverneurs en leiders&rdquo; onder zich heeft.
+Zij onderscheiden zich van de anderen door een soort donkergeel of
+bruin pluimpje of kwastje, soms v&oacute;&oacute;r afhangend als een
+struisveer, of ook wel rechtop staand als bij de reigers. In minder dan
+een kwartier, zult ge er soms drie of vier uit een goeden korf zien
+komen; maar nog in den tijd, dat de zon in de Tweelingen staat,
+v&oacute;&oacute;rdat zij bij het aanhoudend werken die versierselen
+hebben afgesleten. En op iederen warmen lente- of zomermorgen kan het u
+gebeuren, dat ge hetzelfde ziet: In enkele bloemen, vooral in de
+avond-sleutelbloem, hangen soms de stuifmeel-deeltjes in draden
+aan&eacute;&eacute;n en zoo blijven zij soms vastzitten aan de sprieten
+van de verzamelende bijen, en geven dan den indruk van een pluimpje of
+kwastje, zooals Butler het in zijn dagen zag. <span class="pagenum">[<a
+id="pb33" href="#pb33">33</a>]</span></p>
+
+<p>Hij geeft ook wenken hoe een goed ijmker zich heeft te gedragen, die
+wel waard zijn aangehaald te worden: &ldquo;Als gij de gunst van uw
+bijen wilt houden, dat zij u niet steken, dan moet gij de dingen
+vermijden, die hen kunnen beleedigen: gij moet niet onkuisch noch
+onrein zijn; want zelf uiterst kuisch en zuiver, verafschuwen zij alle
+vuilheid en liederlijkheid. Gij moet niet tot hen komen met de reuk van
+zweet aan u, of met een stinkenden adem, na het eten van prij of uien
+of knoflook en dergelijke, of uit eenige andere oorzaak; het
+onaangename daarvan neemt men weg met een kroes bier; en daarom is het
+niet goed bij hen te gaan v&oacute;&oacute;rdat gij gedronken hebt; gij
+moet niet overgegeven zijn aan onmatigheid en drank. Gij moet niet
+hijgende en blazende tot hen komen, noch, waar zij zijn, drukke
+bewegingen maken; noch ook wanneer zij u schijnen te willen steken, hen
+heftig afweren; maar voorzichtig uw hand bewegende moet gij ze zachtjes
+neerzetten; en ten laatste moet gij hun niet vreemd zijn. In
+&eacute;&eacute;n woord: gij moet kuisch, zindelijk, rustig, sober,
+zacht en gemeenzaam zijn; dan zullen zij u liefhebben en uit alle
+anderen kennen.&rdquo; Zoo is dus volgens Butler de goede ijmker een
+samenstelling van alle deugden, en tot bevordering van het duizendjarig
+rijk schijnt niet anders noodig, dan alle menschen te bewegen, ijmkers
+te worden.</p>
+
+<p>De middeleeuwsche schrijvers over de honingbij wedijveren in hun
+getuigenissen betreffende de buitengewone kracht van intelligentie bij
+de inwoners hunner korven. Maar &eacute;&eacute;n verhaal van Butler
+overtreft ze wel alle. Hij leidt het in met de bewering: &ldquo;bijen
+zijn z&oacute;&oacute; wijs en kundig, dat ze niet all&eacute;&eacute;n
+hun kleinen God-almachtig hebben uitgeroepen, hoewel Hij tot hen kwam
+in de gedaante van een ouwel; maar z&oacute;&oacute;zeer zelfs, dat zij
+Hem een kunstige kapel gebouwd hebben,&rdquo; <span class="pagenum">[<a
+id="pb34" href="#pb34">34</a>]</span>en verder vertelt hij dan, dat
+&ldquo;een zekere eenvoudige vrouw, bezittende eenige korven met bijen,
+die haar niet het gewenschte voordeel gaven, maar kwijnden en stierven
+aan de pest, zich beklaagde bij een andere vrouw nog eenvoudiger dan
+zijzelve, die haar den raad gaf, een gewijde hostie in een van haar
+korven te zetten. En dien raad opvolgende ging zij tot een priester en
+verkreeg de hostie, die zij in haar mond bewaarde; toen zij thuis kwam
+nam zij de hostie uit haar mond en legde haar in een van de korven.
+Daarna hield de pest op en er kwam overvloedig honing. En toen nu de
+tijd d&aacute;&aacute;r was en de vrouw den korf oplichtte om den
+honing er uit te nemen, zag zij&mdash;en het was wonderbaarlijk om te
+zien&mdash;een kapel, gebouwd door de bijen, met een altaar er in, en
+de muren van een verwonderlijken kunstigen bouw en versiering, en met
+vensters op hun juiste plaats, ook een deur en een toren met klokken.
+En de hostie op het altaar gelegd zijnde, vlogen de bijen er met een
+zacht zoemen omheen.&rdquo;</p>
+
+<p>Dit verhaal heeft zijn weerga alleen in een ander, even oud, waarin
+verteld wordt, hoe dieven in een kerk inbraken en het zilveren doosje
+stalen, waarin de heilige ouwels bewaard werden. Zij vonden
+&eacute;&eacute;n ouwel in het doosje en legden dien onder een
+bijenkorf, om daarna met het kostbaarste gedeelte van hun buit zich uit
+de voeten te maken. En in den nacht daarop, zoo schijnt het, werd de
+eigenaar van den korf gewekt door een verrukkelijke muziek, die in
+strofen met gelijke tusschenpoozen uit de richting van zijn bijentuin
+scheen te komen. Hij nam een lantaarn om de oorzaak na te gaan, en
+ontdekte, dat de muziek uit een der korven kwam. Ontsteld over dit
+wonder, ging hij tot den bisschop en wekte hem om hem dit buitengewone
+voorval te openbaren; en de bisschop met zijn gevolg verschijnende,
+lichtte de korf op en bevond, dat de bijen <span class="pagenum">[<a
+id="pb35" href="#pb35">35</a>]</span>den gewijden ouwel in bezit hadden
+genomen en hem in het bovenste gedeelte van den korf gebracht, nadat
+zij er eerst een doos voor hadden gemaakt van de zuiverste witte was,
+een nauwkeurige navolging van dengene, die gestolen was. En rond de
+doos zongen de bijen in koren, en zij hielden de wacht er bij, zooals
+<span class="corr" id="xd0e602" title="Bron: monnikken">monniken</span>
+het doen in een kapel.</p>
+
+<p>&ldquo;Een geschiedenis,&rdquo; voegt de verhaler er profetisch bij,
+&ldquo;die zeker bij vele ongeloovigen verzet zal ontmoeten.&rdquo;</p>
+
+<p>In hunne aanwijzingen hoe een zwerm opgevangen moest worden, waren
+de middeleeuwsche ijmkers altijd zonderling precies. Het voorbereiden
+van den korf, die den zwerm moest opnemen, was een hoogst bewerkelijke
+maatregel. Als de korf nieuw was, bevalen zij aan, hem eerst uit te
+schuren met een handvol welriekende kruiden als thijm, marjolein of
+hysop; en daarna kwam er een tweede behandeling met een mengsel van
+honing en water, of melk en zout. Maar het klaarmaken van een ouden
+korf moet een vrij onsmakelijk werk geweest zijn. Men moest twee handen
+vol mout of erwten of ander graan in den korf leggen, en &ldquo;laat er
+dan een zwijn van eten. Intusschen draait ge de korf op
+z&oacute;&oacute;danige wijze, dat het schuim, door het zwijn al etende
+gemaakt, den geheelen korf rondgaat. Dan veegt ge den korf losjes uit
+met een linnen doek, en de bijen zullen dezen korf liever hebben dan
+een nieuwe.&rdquo;</p>
+
+<p>Terwijl de bijen zwermden en &ldquo;bezig waren met hun dans,&rdquo;
+moest men hun &ldquo;een vroolijk deuntje&rdquo; voorspelen op een kom
+of pan of ketel, om hen vlug te maken. We worden verzekerd, dat de
+zwerm vlugger of zwaarder vliegt al naar het soort gedruisch, dat ze
+hooren. Als het &ldquo;vroolijke deuntje&rdquo; in een vlugge maat werd
+gespeeld vlogen de bijen snel en hoog; maar bij zachte slepende muziek
+ging het langzamer en daalden <span class="pagenum">[<a id="pb36" href=
+"#pb36">36</a>]</span>zij spoedig. Dit eigenaardig gebruik van muziek
+maken voor de bijen is ongetwijfeld van Romeinschen oorsprong; maar of
+het door Caesar&rsquo;s opvolgers is ingevoerd of door die van Claudius
+in de eerste eeuw, of dat misschien de engelsche ijmkers het uit de
+klassieke schrijvers hebben afgeleid is moeilijk uit te maken. Men
+hoort het nog op verschillende afgelegen plaatsen, en de aanhangers er
+van schijnen het vaste geloof in de deugdelijkheid behouden te hebben,
+dat hun voorvaders hadden. Waarschijnlijk had in vroeger tijden, toen
+bijenparken veelvuldiger voorkwamen, het gebruik &eacute;&eacute;n
+onweersprekelijk nut; het was voor de verschillende omwonende
+bijenhouders het bewijs, dat er een zwerm was afgegaan en dat zijn
+rechtmatige eigenaar dat wist. En op deze wijze werden zeker de
+onrechtmatige aanspraken op den zwerm voorkomen, of ten minste
+ontmoedigd.</p>
+
+<p>De vraag of het gedruisch, dat men bij de bijen maakt, eenigen
+werkelijken invloed op de zwermen heeft, is nog niet afdoende
+beantwoord. Behalve een paar oude korvenbezitters, die in sommige
+uithoeken nog wel te vinden zijn, hebben de moderne bijenkweekers dat
+gebruik sinds lang afgeschaft als het uitvloeisel van grof bijgeloof.
+Maar toch is in den laatsten tijd de vraag opgeworpen of de geluiden,
+die door ouderwetsche bijenhouders gemaakt worden, als er een zwerm is
+uitgetrokken, toch niet hun nut hebben. Men heeft verondersteld, dat de
+bijenwolk&mdash;in het begin niet anders dan een chaos van flakkerende
+vleugels, daar het geheele volk doelloos rondzwiert en dwarrelt over
+een groote uitgestrektheid&mdash;in werkelijkheid op zoek is naar de
+koningin. Nu is er geopperd, dat zij haar op het gehoor af volgen; want
+men vermeent, dat zij een bijzonder fluitend geluid maakt terwijl zij
+vliegt. Het getinkel van sleutels en <span class="pagenum">[<a id=
+"pb37" href="#pb37">37</a>]</span>pannen zou dan de bijen verhinderen,
+dat geluid te hooren, en haar op haar eerste omdolingen te volgen,
+zoodat er dan kans op is, dat de zwerm ergens dichter bij huis
+neerstrijkt. Het is een interessante theorie, maar eigenlijk niet
+houdbaar. Die oude volksmeeningen berusten gewoonlijk niet op eenige
+feitelijke basis, en het is veel waarschijnlijker, dat het gedruisch
+niet den minsten invloed op de bijen heeft.</p>
+
+<p>Wat betreft het recht van den ijmker, om zijn zwerm in een
+aangrenzend land te volgen, is het aardig de verzekering te hooren van
+een van deze oude schrijvers: &ldquo;als gij ze niet tot neerstrijken
+kunt brengen, en zij al voortvliegende buiten de grenzen van uw land
+gaan, dan vergunt u de oude wet van het Christendom hen, waarheen ook,
+te volgen, opdat gij uw eigendom terug krijgt.&rdquo;
+&ldquo;Maar,&rdquo; voegt de schrijver er bij: &ldquo;als uw zwerm zich
+z&oacute;&oacute; snel en v&egrave;r verwijdert, dat gij ze uit uw
+gehoor en gezicht verliest, dan verliest ge tegelijk ook alle recht op
+hun bezit. In dat geval hebt gij wettelijk geen andere keus dan uwe
+bijen over te laten aan hem die ze het eerst vindt.&rdquo; Met het oog
+op verschillende hedendaagsche geschillen over deze zaak, waarbij de
+uitspraak der wet willekeurig en vaag scheen, is het van belang te
+wijzen op zulk een oude autoriteit betreffende de rechten van den
+ijmker.</p>
+
+<p>Bijna geen d&eacute;tail van de kultuur, waaraan in de middeleeuwen
+geen bijgeloovigheid of curieus gebruik verbonden was. Allen zonder
+onderscheid schijnen te gelooven in de oude bewering, zooals zij ook
+bij Vergilius voorkomt, dat de bijen kleine steentjes bij zich dragen,
+om als het hevig waait hun vlucht te balanceeren, en er waren er zelfs
+die dachten, dat zij bloemen aldus gebruikten. Rood gekleurde stoffen
+werden als zeer hinderlijk voor de bijen beschouwd, en men wordt
+gewaarschuwd niet in die kleeren gekleed in het bijenpark <span class=
+"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38">38</a>]</span>te verschijnen. Men
+meende ook, dat de jonge en de oude bijen in de korven van elkaar
+gescheiden waren. Wat dit betreft is het een bewezen feit, dat op het
+hoogst van het honingseizoen de bijen in het bovenste gedeelte der
+korven bijna uitsluitend jonge bijen zijn, die nog niet gevlogen
+hebben.</p>
+
+<p>Men vertelt ons ook, dat wanneer er bijen zijn, die &rsquo;s avonds
+nog niet in den korf terugkwamen, de koningin uitgaat om ze op te
+sporen en hun den weg terug te wijzen. En niemand behoeft bang te zijn,
+de heerscheres van den korf over het hoofd te zien, omdat zij
+herkenbaar is aan haar &ldquo;fieren gang en haar gelaat, dat majesteit
+uitdrukt; en op haar voorhoofd is een witte vlek die schittert als een
+diadeem.&rdquo;</p>
+
+<p>Een der oude schrijvers geeft den raad, recht door alle korven een
+gat te boren, tegen spinnewebben. Hij gelooft ook, dat de bijen zwermen
+ten gevolge van de tyrannie van de koningin, en als zij ze volgt,
+dooden zij haar. Ook vertelt hij, dat de darren honingbijen zijn, die
+hun angels hebben verloren en dikker geworden zijn. Dit was al een oud
+geloof, en de sceptische Butler behandelt het op de volgende wijze:</p>
+
+<p>&ldquo;Het algemeene oordeel betreffende de darren luidt: dat zij
+geworden zijn uit honingbijen, die hun angels verloren, wat even
+waarschijnlijk is als dat een dwerg, dien men zijn ingewanden ontneemt,
+een reus zou worden.&rdquo; Maar de oude ijmkers waren altijd
+onverdraagzaam tegenover de vergissingen van anderen, terwijl zij met
+de sterkste beweringen en een groot vertoon van geleerdheid hun eigen,
+even vage bijgeloovigheden verkondigden.</p>
+
+<p>Een boekje in 1656 uitgegeven en geheeten: &ldquo;<span lang=
+"en">The Country Housewife&rsquo;s Garden</span>&rdquo; is aardig,
+omdat het blijkbaar geschreven is voor eenvoudige buitenmenschen, door
+iemand in dezelfde omstandigheden verkeerende; <span class="pagenum">
+[<a id="pb39" href="#pb39">39</a>]</span>terwijl in het algemeen de
+bijenboeken in de zestiende en zeventiende eeuw in hoofdzaak het werk
+waren van menschen, maatschappelijk aanmerkelijk hooger geplaatst.</p>
+
+<p>Dit boek is in z&oacute;&oacute;ver eenig in zijn soort, dat het
+geen mooie theori&euml;n geeft inzake bijenkultuur; maar zich houdt aan
+de overgeleverde methoden. De schrijver, die blijkbaar geen zwak heeft
+voor beschouwingen inzake den oorsprong der bijen, maar zich in zijn
+opmerkingen bepaalt tot de praktische honingproduktie, neemt het
+volgende gezonde standpunt in: &ldquo;er is veel geschrijf over de
+Meester-bijen en hun rangen, staatsinrichting en regeering; maar wat
+daarover gezegd wordt, berust meer op verbeelding dan op bewezen
+feiten. Er zijn nu en dan gissingen gemaakt b.v. wij zien in de raten
+verscheiden huizen grooter dan de anderen, en gewoonlijk hooren wij des
+nachts v&oacute;&oacute;rdat zij uitvliegen van twee of meer bijen een
+geluid dat anders en luider is dan dat der anderen; ook bemerken wij
+soms bijen met grooter lichaam dan de gewone soort; maar wat zou dat
+alles? Ik houd niet van gissingen, maar schrijf all&eacute;&eacute;n
+graag neer wat ik weet de waarheid te zijn, en de rest laat ik over aan
+de menschen die houden van raadsels oplossen.&rdquo; De &ldquo;grootere
+huizen&rdquo; die hier genoemd worden, waren ongetwijfeld de groote
+cellen waarin de koninginnen worden uitgebroed. Even v&oacute;&oacute;r
+den zwermtijd worden er soms wel negen of tien in &eacute;&eacute;n
+korf gevonden.</p>
+
+<p>Dezelfde schrijver spreekt het onvermijdelijk kwaad van de darren.
+&ldquo;Deze,&rdquo; zegt hij, &ldquo;zijn naar alle waarschijnlijkheid
+een lui en spilziek soort van bijen, die hun angels verloren hebben en,
+aldus als het ware ontsekst, lui en groot geworden zijn. Zij haten de
+bijen en maken, dat zij eerder gaan zwermen.&rdquo;</p>
+
+<p>Geen schepsel had ooit een slechter naam en onverdiender <span
+class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40">40</a>]</span>dan de
+rampzalige dar bij die oude scribenten. Een ander van hen spreekt van
+den dar als van &ldquo;een groote korfbij zonder angel, die altijd als
+luie doodeter te boek heeft gestaan, en wie gulzig in &rsquo;t eten en
+lui in &rsquo;t werken is, wordt daarom met dien naam
+genoemd&mdash;want hoe groot hij ook doet met zijn rond fluweelen
+kopje, zijn dikken buik en zijn luide stem, hij is toch maar een luie
+kompaan, die zich te goed doet waar anderen zweeten. Want werken doet
+hij in &rsquo;t geheel niet, noch binnenshuis noch daar buiten, en hij
+verbruikt toch zooveel als twee arbeiders; nooit zult ge hem aantreffen
+zonder een droppel van de zuiverste nektar in zijn maag. In de
+zomerhitte vliegt hij buiten rond en met niet weinig gedruisch, als
+iemand die een groot werk gaat doen; maar het is enkel voor zijn
+pleizier en om zijn vraatlust te vergrooten; en als hij genoeg gevlogen
+heeft moet hij weer aan het eten.&rdquo;</p>
+
+<p>Maar de eigenaardigste opvattingen vindt men bij de oude
+bijen-meesters, die een hang hebben naar het kwakzalversberoep. Zij
+vertellen ons, dat &ldquo;honing wanneer men er &rsquo;s morgens en
+&rsquo;s avonds goed het hoofd mee inwrijft,&rdquo; een uitstekend
+middel is tegen kaalheid, en dat de uitwerking nog doeltreffender zou
+zijn wanneer men den honing mengde met een paar doode bijen en een
+stukje oude was, goed fijn gewreven. Doode bijen, gedroogd en tot
+poeder gewreven, vormen het hoofdbestanddeel van allerlei soort
+medicamenten uit dien tijd. Een dronk iederen morgen van dit poeder,
+met water vermengd, wordt aanbevolen als een onfeilbaar
+zuiveringsmiddel. En wanneer men een groot aantal bijenkoppen
+verzamelt, verbrandt en dan de asch met wat honing mengt, krijgt men
+een voortreffelijk middel tegen alle soorten van oogziekten.</p>
+
+<p>Er was ook een beroemd preparatief Oxymel geheeten, dat in de
+middeleeuwen in groote gunst stond. <span class="pagenum">[<a id="pb41"
+href="#pb41">41</a>]</span>Het schijnt niets anders te zijn geweest dan
+een mengsel van honing, water en azijn, maar men schreef het eene
+buitengewone kracht toe. Het was onfeilbaar tegen ischias, jicht en
+dergelijke kwalen, en &eacute;&eacute;n schrijver beweert, dat het zeer
+aan te bevelen is als spoeling bij een keelontsteking.</p>
+
+<p>Maar honing en doode bijen waren niet de &eacute;&eacute;nige
+produkten der bijenkorven, die tot den dienst der Geneeskunst geprest
+werden. Ook aan de was werd bijzondere geneeskracht toegekend voor alle
+soorten van menschelijke kwalen. Zij had de eigenschap zweren te
+genezen en &ldquo;als een hoeveelheid was, ter grootte van een erwt,
+wordt ingeslikt door zoogende vrouwen, lost ze de gestolde melk in de
+tepels op.&rdquo; Zij werd ook gebruikt om stijve ledematen en
+pijnlijke spieren mee in te wrijven. De veronderstelde geneeskracht van
+bijenwas in zijn natuurstaat was echter nog niet in vergelijking met
+haar waarde wanneer zij gedistilleerd was.</p>
+
+<p>Dit medicament, bekend als was-olie, en in dien tijd over de geheele
+wereld beroemd, schijnt nader aan het ideaal van een panacee gekomen te
+zijn, dan iets anders daarv&oacute;&oacute;r of daarna. Het bereiden
+van was-olie schijnt een zeer ingewikkelde zaak te zijn geweest. Eerst
+moest de was gesmolten worden, in zoeten wijn gegoten en met de handen
+uitgedrukt. Dit gebeurde zeven maal, en iederen keer werd er nieuwe
+wijn aan toegevoegd. Dan werd de was in een retort gedaan met een
+hoeveelheid poeder van rooden steen en zorgvuldig gedistilleerd. Er
+kwam dan een gele olie over, die ten tweede male gedistilleerd werd en
+daarna was het &ldquo;hemelsch en goddelijk geneesmiddel&rdquo; bereid.
+Miraculeuze voorteekenen schenen deze bereiding te vergezellen; want er
+wordt ons verteld, dat bij &ldquo;het ontstaan van deze olie in den
+ontvanger de vier elementen verschijnen: het <span class="pagenum">[<a
+id="pb42" href="#pb42">42</a>]</span>vuur, de lucht, het water en de
+aarde, zeer verwonderlijk te zien.&rdquo;</p>
+
+<p>De kracht, onmiddellijk het uitvallen der haren te doen ophouden, de
+zwaarste wonden in weinig dagen te heelen en tandpijn en pijn in den
+rug te genezen, is nog maar een der mindere deugden van dit middel. Op
+veel grootscher eigenschappen maakte de was-olie aanspraak&mdash;want
+niet all&eacute;&eacute;n &ldquo;doodt zij de wormen en geneest zij
+verlammingen en de zwartgallige luimen; maar zij brengt ook het doode
+of levende kind te voorschijn.&rdquo; Van dien zelfden ouden schrijver
+nog een laatste aanhaling;&mdash;zij heeft betrekking op het ontstaan
+der bijen en brengt ons op de uiterste grens van het wonderbaarlijke.
+Na een geleerde verhandeling over de methode van het kweeken van bijen
+uit een dooden os&mdash;&ldquo;kunnen we ons echter,&rdquo; zegt hij,
+&ldquo;een dooden leeuw voor dit proces aanschaffen, dan is dat nog
+beter, omdat het den bijen ook leeuwenmoed zal
+bijbrengen&rdquo;&mdash;gaat de schrijver voort met aan te toonen hoe
+bijen nog op andere wijze kunnen voortgebracht worden. Wij moeten
+daartoe alle doode bijen bewaren, ze verbranden en de asch met wijn
+besprenkelen, en ze daarna op een warme plaats aan de zon blootstellen.
+&ldquo;Na een poosje,&rdquo; zegt hij, &ldquo;zullen al de zoo
+behandelde bijen weer levend worden; en wij hebben een nieuw volk klaar
+voor den korf.&rdquo;</p>
+
+<p>Als wij ons verdiepen in deze verweerde oude schrifturen, met hun
+vervaagde geel geworden letters en verouderde zinswendingen, dan begint
+het ons pas duidelijk te worden, welk een luttel beetje die oude
+bijenmeesters eigenlijk begrepen van de eigenlijke levenswijs der
+honingbijen, en dat zij inderdaad niets wisten van bijenteelt. En toch
+moet de honing- en wasproductie van grooten omvang en beteekenis zijn
+geweest in die dagen. In spijt van hun verouderde theori&euml;n en hun
+<span class="pagenum">[<a id="pb43" href=
+"#pb43">43</a>]</span>noodeloos ingrijpen in het leven der korven,
+moeten deze menschen, hoe dan ook, een markt hebben voorzien, van een
+uitgebreidheid waarvan wij ons tegenwoordig nauwelijks een denkbeeld
+kunnen vormen. De washandel all&eacute;&eacute;n moet al heel
+belangrijk zijn geweest; want behalve bij de allerarmsten, was de was
+de &eacute;&eacute;nige grondstof die in aanmerking kwam als
+kunstmatige lichtbron. En voor de honing was de vraag veel meer
+algemeen dan tegenwoordig, omdat rietsuiker nog onmogelijk ernstig kon
+mededingen als verzoetingsmiddel voor de massa, in een tijd dat hij
+misschien twee shillings het pond kostte.</p>
+
+<p>Maar bij beschouwingen als deze moeten wij in het oog houden, dat
+wel de menschen, die over bijen schreven, een schilderachtige
+onwetenheid aan den dag legden betreffende hun onderwerp; maar dat zij
+de kleinste minderheid uitmaakten van de ijmkers in &rsquo;t geheel.
+Waarschijnlijk kwam het grootste contingent van de honing- en
+wasproductie van bijenparken, waarvan de eigenaars niets wisten van
+boeken en er zich ook niet om bekommerden; maar zich uitsluitend bezig
+hielden met de praktische zijde van het werk. En hun kennis&mdash;die
+zij in hoofdzaak van hun vader ge&euml;rfd hadden&mdash;was ruim
+voldoende voor het aandeel dat zij in de honingproduktie hadden.</p>
+
+<p>Het is bovendien ook eerst in dezen tijd van wetenschappelijke
+bijenteelt, dat het werk van den ijmker zelf van meer gewicht is. Nu,
+bij het licht der twintigste-eeuwsche kennis, kan het den dubbelen en
+zelfs driedubbelen honingoogst produceeren van wat de oude methoden
+opleverden. Maar de oude korvenbezitters konden niet veel anders doen
+dan bij het werk van hun bijen toekijken, en hier en daar een-weinig
+helpende-hand aanleggen. Bijna al de verdienste van wat men toen
+verkreeg, moet worden toegeschreven aan de <span class="pagenum">[<a
+id="pb44" href="#pb44">44</a>]</span>bijen zelve, die ontelbare eeuwen
+te voren hun merkwaardige organisatie en politiek systeem tot volmaking
+hadden gebracht. Waarschijnlijk lieten de ijmkers, de praktische
+mannen, die bijen hielden in den ouden tijd, wel met hetzelfde
+doorzicht de bijen hun gang gaan als de korvenbezitters van de vorige
+generatie. En in veel opzichten deden zij, w&aacute;&aacute;r zij
+ingrepen, verkeerd b.v. in de oogenschijnlijk dwaze praktijk van het
+vernietigen van bijen om de honing te verkrijgen. Maar zelfs dit was
+niet z&oacute;&oacute;&rsquo;n dwaas gebruik, als het heden ten dage
+schijnt. Het was eenvoudig, naar de kennis van dien tijd, een
+zaken-kwestie. Hun methode was: de lichtsten en de zwaarsten van hun
+stand tot den zwavelkuil te veroordeelen. De ervaring had hun geleerd,
+dat de zwakke kolonies weinig kans hadden door den winter te komen,
+tenzij zij kunstmatig gevoed werden; terwijl, als de bijen uit de
+groote kolonies bleven bestaan nadat hun voorraad hun ontnomen was, zij
+dezelfde verzorging zouden noodig hebben. Het was maar een rekensom.
+Kunstmatige voeding was toen een veel kostbaarder zaak dan
+tegenwoordig, en een berekening toonde dat vernietiging het
+voordeeligst was. Van een modern wetenschappelijk standpunt beschouwd
+is de slechtste kant van deze behandeling, dat bij het oude stelsel van
+vernietiging alleen die bijenvolken bleven bestaan, die ingewortelde
+zwermers waren; terwijl de rustige en werkzame thuisblijvers, die de
+grootste honingprovisie verzamelden, onveranderlijk werden uitgeroeid.
+En wanneer wij bedenken, dat de moderne bijenwetenschap er naar streeft
+het zwermen geheel te onderdrukken, is dit een noodlottige erfenis, die
+zij ons hebben nagelaten. De gewoonte van zwermen staat het verkrijgen
+van een ruimen honingoogst heel erg in den weg, en er zal altijd een
+element van onzekerheid in de honingproductie zijn, zoolang de moderne
+<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45">45</a>]</span>ijmkers
+niet een ras van niet-zwermende bijen hebben verkregen.</p>
+
+<p>De bijenmannen van den nieuweren tijd stemmen dus in met het koor
+van hen, die de oude dwaze gewoonte van het bijen-verbranden afkeuren,
+meer omdat dit hun de taak heeft opgelegd het werk van eeuwen ongedaan
+te maken, v&oacute;&oacute;r er eenig teeken van vooruitgang kan zijn,
+dan uit het algemeen aangenomen beginsel van menschelijkheid.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46">46</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch4" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk IV</h2>
+
+<h2 class="normal">Voor de Stadspoorten.</h2>
+
+<p>In het zuiden van Sussex, in een dorp dicht aan den groenen rand der
+&ldquo;Downs&rdquo;<a class="noteref" id="xd0e685src" href=
+"#xd0e685">1</a> wonen twee ijmkers, die in hun sterk uiteenloopende
+methoden en hun verschil van uitgangspunt, de uitersten
+vertegenwoordigen der bijenkultuur, zooals zij in dezen tijd nog
+gelijktijdig bestaan.</p>
+
+<p>De &eacute;en woont in een antiek, met riet bedekt huisje, dat
+midden in een ouderwetschen Engelschen tuin staat, en de stolpvormige
+strooien bijenkorven zijn hier en daar neergezet tusschen een wilden
+groei van al de ouderwetsche Engelsche bloemen.</p>
+
+<p>De ander bewoont een zelfgebouwde keurige villa op een helling,
+onder bedekking van het dennebosch, dat den heuvel kroont; en hij heeft
+er een groot modern bijenpark ingericht, dat in alle opzichten aan alle
+eischen voldoet van de moderne apiarische wetenschap der twee
+werelden.</p>
+
+<div id="p047" class="figure"><img border="0" src="images/p047.jpg"
+alt=
+"Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke ligging der raten toont"
+width="514" height="720">
+<p class="figureHead">Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke
+ligging der raten toont</p>
+</div>
+
+<p>Wanneer men op een mooien Meimorgen de dorpsstraat laat liggen en in
+het open land bij een van deze twee inrichtingen komt, krijgt men den
+indruk, dat al de romantiek en de legendarische sfeer van de
+bijenwereld onvermijdelijk moeten gevonden worden <span class=
+"pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49">49</a>]</span>in den ouderwetschen
+bijentuin, waar de zacht gonzende muziek der korven uit het dichtst der
+bloeiende seringen schijnt te komen en uit den rooden meidoorn en de
+blauwe eereprijs; want de korven zelf ontdekt men het allerlaatst in
+deze schitterende bloemenmengeling. Iets po&euml;tisch te verwachten in
+de andere inrichting&mdash;waar op een uitgestrekt terrein, met sintels
+geplaveid, de moderne bijenkasten, in verschillende kleuren
+geschilderd, op rijen staan; waar het woonhuis zooals het daar is, uit
+een der Londensche voorsteden kon zijn overgebracht, evenals de
+bijgebouwen met hun druk zakelijk bewegen, hun kuchenden petroleummotor
+en het dreunen van hamer en zaag&mdash;zou zijn iets verlangen, dat
+bespottelijk uit den tijd moest schijnen en zelfs absoluut onmogelijk.
+Men kon even goed naar kunst in een Ghetto zoeken, als naar eerbied
+voor oude bijengewoonten in een handelsinrichting als deze, die alleen
+is opgericht om de honingmarkt te voorzien, zooals een Manchester
+fabriek zijn stoffen aflevert.</p>
+
+<p>Veel liefhebbers van het buitenleven, in hoofdzaak voetreizende
+kunstenaars en toevallige wandelaars, zijn met deze vooropgestelde
+meening naar het dorp getogen, en als zij den ouden bijentuin bezocht
+hadden en al de oude mooie dingen daar in grooten overvloed vonden,
+gingen zij niet verder en werden niet wijzer. Zij slenterden langs de
+netjes afgezette slingerpaadjes van den tuin met zijn ouderwetschen
+eigenaar; zij bukten zich onder pri&euml;elen van levend goud en
+purper; waadden door zee&euml;n van scharlaken papavers en blauwe
+vergeet-mij-niet en taankleurige resida; zij ontdekten oude bijenkorven
+in allerlei onverwachte schaduwrijke hoekjes, en doken onder in
+middeneeuwschheid tot aan hun ooren. Zelfs het gonzen der bijen scheen
+hun iets te vertellen uit vervlogen tijden. Neen, all&eacute;&eacute;n
+een <span class="pagenum">[<a id="pb50" href=
+"#pb50">50</a>]</span>hopelooze Vandaal zou zijn bijen in een van die
+leelijke vierkante kasten kunnen stoppen, en dan van hen verwachten,
+dat zij honing zouden zoeken op de oude, harmonieuse, gelukkige manier,
+door de eeuwen gesanctionneerd. En zoo waagden zij zich nooit den
+heuvel op naar het groote bijenpark, maar bleven in het tuintje
+beneden, en luisterden uren achtereen naar het aardige praten van den
+grijzen eigenaar in zijn gesmokte kiel, of zij stonden heldhaftig onder
+aan den ladder als hij er opklom om een zwerm los te maken van een
+ouden bemosten appelboom, en zij hielpen hem de nieuwe strooien korven
+uit te wrijven met handenvol munt en lavendel, en maakten grillige
+kunstelooze muziek met den huissleutel op een ouden ijzeren pan, als de
+zwerm te hoog in de lucht was.</p>
+
+<p>Zeker er viel veel te leeren op rustige dagen, in den ouden
+bijentuin, vooral in de Meimaand. <span class="corr" id="xd0e707"
+title="Bron: V&oacute;or">V&oacute;&oacute;r</span> de eerste zwermen
+op het punt waren de korven te verlaten.</p>
+
+<p>Het eerste waar men zich op had toe te leggen, was zich tusschen de
+bijen te bewegen en tusschen de korven te blijven staan, zonder zich te
+laten verontrusten door hun onophoudelijke en dikwijls beangstigende
+nadering. Want hoeveel vertrouwen men ook moge stellen in des ijmkers
+verzekeringen, dat zijn bijen nooit steken, het getuigt toch van
+onversaagdheid als men zijn volkomen gelijkmoedigheid kan behouden,
+terwijl de bijen zich onophoudelijk op handen en gezicht en overal
+neerzetten, en een geheel vliegend regiment steeds vijandig om onze
+ooren bromt. Zij zullen geen kwaad doen, dat weten wij, als men zich
+maar stil blijft houden. Maar de neiging zich om te draaien en te
+vluchten, of tenminste die gewiekte atomen af te weren met woest
+zwaaiende armbewegingen, wordt voor den nieuweling bijna
+onweerstaanbaar. Men verzekert hem, dat zij op die wijze
+all&eacute;&eacute;n <span class="pagenum">[<a id="pb51" href=
+"#pb51">51</a>]</span>hun nieuwsgierigheid uitdrukken en trachten te
+bevredigen; en dat zij daarna in alle onschuld naar den korf
+terugvliegen om daar bij de heerschende machten een goed getuigenis van
+hem af te leggen. Maar hij weet wel, dat die getuigenis volstrekt niet
+altijd bevredigend is. Er zijn tenminste eenige rampzalige individuen
+op de wereld, die zich geen twaalf meter bij den korf durven wagen
+zonder meedogenloos bestookt te worden, en opgejaagd tot op minstens
+een kwart mijl afstands, door een nijdig vendel van deze gestrenge
+maagden. Bovendien komt het menigmaal voor bij een zekere
+weersgesteldheid&mdash;als er onweer dreigt en de lucht zwaar en stil
+is&mdash;dat de bijen hun dolken steken in iedere menschelijke huid,
+zelfs in die van hun eigenaar, die een heel seizoen onaangerand in hun
+midden verkeerde. Er is dus voor ieder die te dicht bij bijenkorven
+komt een noodlottige kwade kans; hij heeft een gewaarwording alsof hij
+onder het vuur van den vijand staat&mdash;zeker een heel nuttige
+oefening in zelfbeheersching, maar die voor de vreesachtigen moeilijk
+kan gerekend worden onder de lichtere genoegens des levens.</p>
+
+<p>Doch is de beschouwer deze eerste verschrikkingen gelukkig te boven
+gekomen, dan zal hij vroeger of later zich gevangen voelen door de
+zuivere bekoring van het geval, en zonder angst, en haast ademloos,
+toekijken, naar wat eigenlijk niets anders is dan een leerrijke
+verbeelding van het leven.</p>
+
+<p>Hij staat hier als een vreemdeling bij de poorten eener stad,
+bewoond door een zeer belangwekkend, en in sommige opzichten
+allergeavanceerdst volk. Van wat er binnen in de stad omgaat bemerkt
+hij niets, behalve het diepe, bezige gonzen, dat tot hem doordringt, en
+hij zal er ook nooit iets van te weten komen, tot hij zijn
+sentimenteelen trots heeft afgeschud en een pelgrimstocht gemaakt heeft
+naar het groote bijenpark <span class="pagenum">[<a id="pb52" href=
+"#pb52">52</a>]</span>op den heuvel. Maar intusschen vindt hij hier
+toch voedsel genoeg, om den scherpsten honger naar het wonderbare te
+bevredigen. Komende en gaande, in en uit de open poort, die in de stad
+leidt, bewegen zich in de heete Meizon duizenden en duizenden van
+bezige wezens. De breede drempel van den korf is geheel verborgen onder
+de tegengestelde stroomingen, de eene zich spoedend in de richting van
+de geurige velden en hagen, de ander tuimelend en dringend naar binnen,
+terwijl haast iedere bij een geheimzinnigen schat meedraagt.</p>
+
+<p>Op twee verschillende wijzen willen de uitgaande bijen hun reis
+beginnen. Sommigen rijzen onmiddellijk op hun vleugels recht in den
+zonneschijn; en dit zijn proviandeerenden, die al verscheidene reizen
+achter zich hebben, sedert de zon rossig en heet uitbrak boven den
+oostelijken heuvel. Maar anderen, pas aan de eerste excursie van dien
+dag, komen uit het murmereerend duister van den korf gekropen en met
+een heftig aanloopje bereiken zij daarna het eind van de vliegplank.
+Hier houden zij een oogenblik stil, bewegen hun vleugels op en neer en
+wrijven uit hun groote oogen den schemer van daar binnen. Daarna heffen
+zij zich in de lucht, blijven een oogenblik zweven met de kopjes naar
+hun woning gekeerd, om zich zorgvuldig te <span class="corr" id=
+"xd0e722" title="Bron: orienteeren">ori&euml;nteeren</span>, en dan
+zwenken zij in het blauwe, en vliegen met de rest naar den verren
+heuvelkant, met zijn witten bruidstooi van klaverbloesem.</p>
+
+<p>De thuiskomende bijen gedragen zich veel stemmiger. Zij komen
+aanzeilen als bronzen koopvaarders tot aan den waterrand geladen. Zij,
+die de zakken gevuld met klavernektar dragen voor de honingbereiding,
+hebben er zelden een aan den buitenkant gehouden stuifmeellading bij.
+Het is hun al werks genoeg, hun uitgezette lichamen veilig te ankeren
+op de vliegplank, en zij <span class="pagenum">[<a id="pb53" href=
+"#pb53">53</a>]</span>vallen recht den korf binnen, vervuld met maar
+&eacute;&eacute;n enkele gedachte: hun vergaarde schatten over te
+dragen aan de eerste huisbij, die in hun weg komt, en dan zich
+onmiddellijk heen te spoeden om een nieuwe lading. Den stuifmeeldragers
+bezielt dezelfde witgloeiende energie; maar hun ladingen zijn oneindig
+onhandiger, en verlangen een rustiger bewegen. Sommigen, hun korfjes
+opgehoopt met een diep-oranje gekleurde stof, moeten een oogenblik rust
+nemen op den drempel; en daar dan weer krachten verzamelen om hun
+glanzenden last door de poort te sleepen.</p>
+
+<p>Anderen begeeft de kracht juist v&oacute;&oacute;r dat zij de haven
+zullen binnen vallen en zij zinken neer op het gras v&oacute;&oacute;r
+den korf, om het oogenblik af te wachten dat versche kracht hen veilig
+in de volkrijke haven zal brengen. Maar heel veel zijn er ook, die niet
+trachten, in eens door, den haven te bereiken, en die, als zij veilig
+in de kalme wateren van den tuin zijn aangeland, een oogenblik rust
+nemen op een bloem of blad, en daar trillend en hijgend wachten, tot
+zij in staat zijn koers te nemen naar hun woonplaats.</p>
+
+<p>Er is een oneindige verscheidenheid in de ladingen van deze
+stuifmeeldragende bijen. Niet &eacute;&eacute;n van de kleuren van den
+regenboog of zelfs van hunne schakeeringen, die niet ieder oogenblik in
+de dringende menigte voorbij gaat. Iedere bij draagt een half bolletje
+van deze zelfstandigheid, keurig gevormd en afgerond, aan ieder van
+hare twee achterpootjes. Men zou door het juist observeeren van de
+kleuren van haar last met zekerheid kunnen zeggen welke bloem zij op
+ieder van haar uitstapjes geplunderd heeft. Het heldere oranje, waarmee
+altijd de grootste en zwaarste bolletjes gekleurd zijn in den stroom
+der ladingen, komt van de paardebloemen. Van den gaspeldoorn komen
+haast even groote ladingen van een diep goudbruin. De herik, <span
+class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54">54</a>]</span>die haar
+onnutte schoonheid aan al onze korenoogsten opdringt, verschaft de bij
+een oneindigheid van goud. Witte en roode klaver laden de kleine
+korf-koelies op met verscheidenheid van rossige tinten. Van de
+appelboomgaarden komen overvolle korfjes van bleekgeel; de braam levert
+stuifmeel van een fijn groenachtig wit. En als de zomer gekomen is, en
+de klaprozen hun scharlaken toon geven in het koren, dan komt de groote
+stroom van deze gevleugelde koopvrouwen met een rouwzwarte lading naar
+huis.</p>
+
+<p>Maar indien ge de wacht houdt bij de korven op een helderen lente-
+of zomermorgen, dan zult ge van tijd tot tijd afzonderlijke bijen zien
+terugkomen met een lading, waarvan men geen oorsprong herkent. De
+droge, glinsterende, taankleurige stof, die geregeld tusschen de bezige
+menigte weg wordt gedragen is hars van pijnboom of populier;
+daarme&ecirc; wordt de strooien korf ingewreven tot aan den vloerplank
+toe, en tochtige spleten worden er mee dicht gestopt en onnutte hoeken
+er mee aangevuld; en vloeibaar gemaakt, dient ze om de raten te
+bestrijken; m&egrave;t een laag vernis die tegen zuur bestand is en
+bederf voorkomt. Doch nu en dan komt er een bij met een lading, waarvan
+de kleur opvlamt als een noodsignaal in het duister, schitterend
+scharlaken of zacht rozig rood, of bleek lavendelblauw, of glinsterend
+wit&mdash;wie kan zeggen in welken vergeten hoek haar avontuurlijke zin
+zich gewaagd heeft, of welke zeldzame bloesem zij in de wildernis heeft
+opgespoord, en toen, haar begeerig van haar maagdelijken schat
+beroovend, de schoonheid verdubbeld heeft, die de reden was voor haar
+bestaan?</p>
+
+<p>Het grootste wonder in dit stuifmeel-vergaren evenwel is het feit,
+dat iedere afzonderlijke lading in zijn geheel van &eacute;&eacute;n
+enkele bloemsoort genomen wordt. De halve bolletjes worden zonder keuze
+in de stuifmeelcelletjes <span class="pagenum">[<a id="pb55" href=
+"#pb55">55</a>]</span>gepakt, oranje op bruin, bleek geel met groen, of
+roze of grijs dooreen gemengd. Maar ieder paar korfjes, dat de vrucht
+is van <span class="corr" id="xd0e741" title="Bron: &eacute;en">
+&eacute;&eacute;n</span> enkele reis, houdt ook maar het stuifmeel in
+van &eacute;&eacute;n enkele bloemsoort. Wanneer men op een landweg of
+weiland op de bijen let terwijl zij aan het werk zijn, dan schijnt het
+eerst, dat zij van bloem tot bloem gaan met geen ander doel, dan op te
+laden van alles wat bloeit op hun weg. Maar nauwkeuriger waarneming
+openbaart, dat er wel degelijk een merkwaardig plan en orde in dit
+alles is, zooals in alle dingen, die de bij onderneemt. Als men de
+gangen van een zelfde bij langs de bloemrijke graskanten nagaat, dan
+blijkt het heel spoedig, dat zij maar &eacute;&eacute;n soort van bloem
+bezoekt. Begint zij met meidoorn, dan blijft het meidoorn van het begin
+tot het eind. Als haar lading van wilgenroosjes-stuifmeel of nektar nog
+niet vol is, dan zal zij alle ganzerikken en spiraea&rsquo;s, hoe
+aptijtelijk ook en ruim voorzien, laten staan voor een schraal plekje
+paarsch, een heel eind verder.</p>
+
+<p>En waarom zij nu zooveel moeite doet om het stuifmeel afgezonderd te
+houden bij het verga&acirc;ren, terwijl het in de voorraadschuren thuis
+met alle andere soorten kris en kras door&eacute;&eacute;ngemengd
+wordt, is een vraagstuk, dat alleen maar door een bij kan worden
+opgelost. Echter, het hoe en het waarom zijn in het leven van de
+honingbij zoo eigenaardig saamgeweven uit koel verstand en sentiment,
+dat wij mogen veronderstellen, dat noodzaak en gevoel gelijk deel
+hebben aan hare leiding in dezen, zooals aan alles wat zij doet van de
+broedcel tot aan het graf. Niet heelemaal in scherts mogen wij ook de
+mogelijkheid laten doorschemeren, dat zij eenige bijzondere
+kleurschakeering verkiest, omdat die als vliegkostuum bijzonder voldoet
+en haar goed staat; dit is een minstens <span class="pagenum">[<a id=
+"pb56" href="#pb56">56</a>]</span>even waarschijnlijke grond, als dat
+zij haar stuifmeellast zuiver op kleur houdt, omdat zij daarmee aan een
+dringende voorwaarde van staats-economie voldoet. De faktor van het
+geslacht is bij nauwkeurige studie van het leven in de bijenkorven
+evenmin te verwaarloozen als bij de kritische waarneming van den
+bewoner van een ander soort van korf, den mensch.</p>
+
+<p>Dit gestadig gaan en komen van de bezige proviandgaarders, is heel
+aantrekkelijk voor den beschouwer; maar er zijn bewijzen van allerlei
+werkzaamheden, die niet minder belangstelling verdienen. Het nektar- en
+stuifmeel-verga&acirc;ren is maar een gedeelte der plichten van dit
+zichzelf verminkend maagden-ras. Hier en daar tusschen deze driftige,
+haastende menigte zijn bijen, die niet me&ecirc; bewegen in den stroom,
+maar daarin veilig geankerd liggen met hun kopjes omlaag en naar den
+korf gericht; zij waaien onafgebroken met hun vleugels, en zoo snel is
+die beweging, dat men den indruk krijgt, alsof zij in een mist van
+grijzen nevel staan. Let ge beter op, dan bemerkt ge, dat deze bijen in
+ten naastebij regelmatige rijen staan, de een achter de ander, en
+zooveel plaats laten dat de botsende stroomingen der proviandgaarders
+ongehinderd voorbij kunnen trekken. Als de toeschouwer den moed heeft
+zijn oor op de hoogte van de vliegplank te brengen, dan zal hij
+getroffen worden door een gestadig sissend geluid, dat duidelijk
+uitkomt boven het geroes, door de gaande en komende reizigers gemaakt.
+Deze rijen van waaiers strekken zich uit in rechte lijn, van het
+vlieggat tot aan den rand van de vliegplank, maar aan
+&eacute;&eacute;ne zijde slechts; en bij een nog nauwlettender
+waarneming zal men bemerken, dat zij aan een geregeld systeem van
+aflossing gehoorzamen. Terwijl het totaal volume van het geluid geen
+oogenblik ook maar iets vermindert, ziet men bij geregelde
+tusschenpoozen van eenige <span class="pagenum">[<a id="pb57" href=
+"#pb57">57</a>]</span>minuten, de een of ander van de stilstaande bijen
+weggaan en de plaats onmiddellijk door een ander innemen, die zich dan
+weer in de rij schikt tot het vervullen van haar taak. De reden voor
+dit alles is heel duidelijk: de waaiers moeten in de korven
+luchtverversching aanbrengen; een stroom van bedorven lucht wordt door
+het vlieggat aan &eacute;&eacute;n kant er uitgetrokken en <span class=
+"corr" id="xd0e752" title="Bron: paralel">parallel</span> daarmee,
+zonder er me&ecirc; in botsing te komen, wordt de zuivere luchtstroom
+aan den anderen kant naar binnen gezogen.</p>
+
+<p>Gedurende de warme lente- en zomerdagen is deze afdeeling van
+waaiers onafgebroken aan het werk; en zij blijven er voortwuiven, ook
+als de duisternis intreedt. In kille nachten dunnen de gelederen tot
+soms maar een paar enkele bijen, en bij een intermezzo van koud weer
+blijft er zelfs geen enkele. Maar in de hondsdagen, of zooals de ouden
+zeiden: &ldquo;als Sirius, de honingster, straalt,&rdquo; dan verheft
+zich de diepe sistoon van deze waaiers, in een rijk bevolkte korf,
+haast tot de geluidsterkte van een windvlaag. Wie dan naar buiten komt
+onder de sterren in den zomernacht, en in de dichte aromatische
+duisternis blijft luisteren naar dien machtigen toon, krijgt een indruk
+van het bijenleven zooals hij hem op geen anderen tijd voelen zal.
+<span class="corr" id="xd0e757" title="Bron: Over dag">Overdag</span>
+wordt dit geluid gemengd met het koor der vliegende bijen en daardoor
+overheerscht. Maar nu zijn allen veilig thuis. Iedere korf is volgepakt
+van vloer tot dak met tienduizenden ademende, warmtekweekende
+wezentjes; de noodzaak voor het ventileeren is verveelvoudigd en nabij
+en ver in den bijentuin zijn de waaierlegers met hart en ziel bij hun
+werk.</p>
+
+<p>De nieuweling in dezen bekorenden tak van natuurstudie, die in den
+stillen nacht naar buiten genomen wordt om deze gargantua muziek te
+hooren, wordt er steeds verwonderlijk door getroffen; sommige naturen
+zelfs <span class="pagenum">[<a id="pb58" href=
+"#pb58">58</a>]</span>tot in het ongeloofelijke. In de geheele groote,
+vredige ruimte van het heuvelland om hem, in den oneindigen blauwen
+koepel boven hem met het levend zilver der stralende sterren, verneemt
+hij geen enkel geluid, als soms den triller van een nachtegaal, of het
+blaffen van een herder&rsquo;s hond op een verren heuvel, en nu en dan
+het gonzen van een kever, die ongezien voorbij vliegt. De geheele aarde
+schijnt te rusten, behalve dat geheimzinnige volk in de korven, en bij
+hen is het gedruisch van den arbeid zelfs verdubbeld. Buigt men zich in
+de duisternis over tot den naasten korf, dan komt het tot het oor als
+een toornig dreunen van de zee. Weet men behoedzaam met een lantaarntje
+om te gaan, dan ziet men de vliegplank als bedekt met bijen die allen
+werken of &rsquo;t om hun leven gaat; terwijl andere bijen
+onophoudelijk uit en in het vlieggat trekken. Dit zijn de
+schildwachten, die dag en nacht den korf bewaken, juist zooals in
+vroeger tijd de schildwachten de stadspoorten bewaakten in de steden
+der menschen. De nieuweling in het vak, zelfs de meest nuchtere en
+bedaarde, verzinkt bij dien aanblik in een ernstig en verwonderd
+zwijgen. Maar als de nacht meer dan gewoon heet en drukkend is, en het
+waaiend leger grooter dan ooit, dan voltooit de ijmker, die gevoel
+heeft voor dramatisch effekt, des nieuweling&rsquo;s ontroering
+gewoonlijk door een bekende truc te vertoonen. Hij laat zijn kaars
+zakken tot de vlam juist achter de ventileerende legerafdeeling brandt,
+en plotseling is alles in &rsquo;t duister; de luchtstroom, uit de korf
+getrokken, bleek sterk genoeg om het licht te dooven.</p>
+
+<div id="p059" class="figure"><img border="0" src="images/p059.jpg"
+alt="Ouderwetsche bijenwoning in Sussex" width="574" height="433">
+<p class="figureHead">Ouderwetsche bijenwoning in Sussex</p>
+</div>
+
+<p>Ik heb gezegd, dat er schildwacht-bijen zijn, die de korven dag en
+nacht bewaken. Voor het ongeoefend menschelijk oog is de <span class=
+"corr" id="xd0e771" title="Bron: &eacute;ene">&eacute;&eacute;ne</span>
+bij gelijk aan de andere, en het is voor ons moeilijk te begrijpen, hoe
+de wachters, onder de duizenden die voorbij trekken, steeds onfeilbaar
+<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61">61</a>]</span>de
+indringers weten te ontdekken om hen daarna met onhoffelijke fikschheid
+te verwijderen. Waarschijnlijk is het niet met het gezicht
+all&eacute;&eacute;n, dat deze indringers worden herkend. Het
+reukzintuig is bij de honingbijen buitengemeen scherp, en zal zeker de
+schildwachten helpen bij hun moeilijke taak. Het is bekend, dat een
+bijenkoningin een eigen, sterke geur moet hebben, daar haar
+aanwezigheid, zelfs al is zij opgesloten, van alle kanten de darren
+doet opkomen. Waarschijnlijk is een geheele kolonie doortrokken van het
+bijzonder aroma hunner koningin, en zoo zijn de wachtbijen in staat hun
+eigen volk te onderscheiden van een vreemden stam.</p>
+
+<p>Wanneer men het buitenleven van een korf in dien ouden tuin
+nauwkeurig blijft toekijken, komt er nog veel meer belangrijks aan het
+licht. Zelfs in een ouderwetschen strooien stolpkorf zijn misschien
+meer dan twintigduizend individuen onder dak: en het spreekt van zelf,
+dat een geregeld reinigingssysteem dan onmisbaar is. Dit werk nu kan
+men regelmatig zien gebeuren tusschen al de andere bedrijvigheden door.
+Ieder oogenblik komen er bijen naar buiten met minder gewenschte
+overblijfsels; zij gooien die over den rand van de vliegplank en
+wringen zich dan <span class="corr" id="xd0e778" title="Bron:
+onmiddelijk">onmiddellijk</span> weer door de menigte naar binnen, voor
+een volgenden last. Anderen dragen de lijken van hun kameraden, die in
+den korf gestorven zijn; en nu en dan worstelt er zich een door de
+menigte heen naar buiten, dragend hoog boven zich uit een vreemd en
+griezelig ding, een volkomen duplicaat van haarzelf, maar heelemaal wit
+behalve de zwarte kralenoogen. Dit is de ongeboren bij, in de cel
+bezweken. Kindersterfte is zelfs bij de wijze honingbijen nog niet
+overwonnen, en velen worden er zoo uitgedragen, vooral in het vroege
+voorjaar. Bij het bespieden van die begrafenisbeambten in hun
+griezelige maar noodzakelijke <span class="pagenum">[<a id="pb62" href=
+"#pb62">62</a>]</span>werkzaamheden, zal men iets bijzonders opmerken.
+Terwijl alle andere ongerechtigheden eenvoudig over den rand van de
+vliegplank worden heengeworpen, waar zij zich ophoopen op den grond,
+gebeurt dat nooit met die doode larven. Hun dragers vliegen met hen
+heen in rechte lijn naar de een of andere heg, en laten ze dan vallen
+op een behoorlijken afstand van den korf.</p>
+
+<p>Nog een ander werk is in gang aan de poorten van de bijenstad.
+Sommige van de thuisblijvers schijnen als een soort van opzichters
+dienst te doen. Zij helpen de te zwaar bevrachten de poort te bereiken;
+of als in de drukte soms een klompje stuifmeel losraakt en valt, dan
+rapen deze bijen het op en brengen het in den korf. Soms komt er een
+bij naar beneden zwenken, heelemaal dik onder het stuifmeel, als een
+vergulde molenaar; dan vallen die opzichters onmiddellijk op haar aan
+en ontdoen haar door kammen van dien hinderlijken schat. Andere hebben
+de zorg voor de jonge bijen, die hun eerste vlucht zullen beginnen. Het
+jonge ding zit kant en klaar en steekt zijn tong uit in haar geheele
+lengte; om hem heen verzamelen zich dan een half dozijn bijen, die hem
+van alle kanten gaan likken en bestrijken. Eindelijk is het toilet in
+orde en hij wordt vrijgelaten; hij flakkert even met zijn vleugels en
+schiet ver weg in de blauwe lucht en den zonneschijn, en vliegt mee met
+de andere naar de klaverweide; nog lang n&agrave;-glinsterend in het
+volle, blijde middaglicht.</p>
+
+<p>Want gaandeweg zijn de uren verstreken&mdash;het is middag
+geworden&mdash;en de dichte bedrijvigheid, de diepe sonore zangtoon van
+den arbeid, schijnen hun hoogtepunt bereikt te hebben. Maar nu rijst
+een sterker geluid van overal: een gestadige stroom van bijen, grooter
+en dikker dan de anderen, barst uit alle korven. De darren, de luie
+broeders van deze nijvere vestaalschen, zijn eindelijk wakker geworden
+en komen naar buiten <span class="pagenum">[<a id="pb63" href=
+"#pb63">63</a>]</span>voor hun dagelijksche vlucht. Bij twee&euml;n en
+drie&euml;n, in geheele bataljons, komen zij uit het vlieggat dringen,
+beginnen hun middagevoluties rond de korven, en vervullen de lucht van
+een rumoerig, vroolijk gegons. Na een poosje zullen ze allen heen zijn
+naar hun geneuchten en de bijentuin schijnt dan in vergelijking
+wonderrustig. Maar nu is een plotselinge toeneming van levenskracht
+onmiskenbaar. Met het ontwaken der darren schijnt een nieuwe geest daar
+buiten vaardig geworden. De lucht is niet meer overvol met bedrijvige
+proviandzoekers. Want velen daarvan zijn gaan deelnemen aan den
+middagrondedans, en iedere korf is het middelpunt van een gonzende,
+dartelende menigte, door den geest der speelschheid of luiheid
+bezeten.</p>
+
+<p>Toch is het slechts een korte wijle van verpoozing. De darren
+begeven zich naar hun echtelijke geneuchten daarbuiten. De rumoerige
+middagsymphonie sterft uit, en wordt weer vervangen door den ouden,
+regelmatigen, eentonigen werkzang. En de toeschouwer bij de poorten der
+bijenstad, wendt zich om en gaat op zijn schreden terug door den
+ouderwetschen bloementuin, vol van de wonderen, die hij zag; maar niet
+bevredigd; want hij voelt zijn nieuwsgierigheid duizendmaal sterker
+geprikkeld naar dat, wat hem zoo onverbiddelijk onthouden werd: een
+kijk in de wereld achter die plagende strooien wanden.</p>
+
+<p>Langzaam huiswaarts slenterend, legt hij zichzelf allerlei vragen
+voor. Wat is de reden van al dit ernstig, zoo juist geordend werken?
+wat de uitkomst? Wat gebeurt er met het stuifmeel, dat den heelen
+morgen wordt ingezameld? Waar zulk een ingewikkeld systeem, zulke
+&eacute;&eacute;nsgezindheid blijkt, en zulk eene vernuftige regeling
+der werkzaamheden, moet noodzakelijk een heerschend en leidend
+intellekt bestaan, dat ieder zijn taak in het geheel aanwijst. En dat
+er een koningin <span class="pagenum">[<a id="pb64" href=
+"#pb64">64</a>]</span>zou zijn&mdash;een enkele bij, veel grooter dan
+de anderen, die zij allen huldigen, en die haar geheele leven
+doorbrengt in &rsquo;t schemerig labyrinth der korven, als de paus in
+het Vatikaan&mdash;is dat eene waarheid of alleen de verbeelding van
+het onwetend brein van eenvoudige buitenlui? Als deze koningin bestaat,
+als iedere korf inderdaad zijn alleenheerscher(es) heeft, die het
+geheele complex van leven en staatsinrichting bestuurt, op welke hoogte
+moet die dan geplaatst worden op den trap der denkende wezens?</p>
+
+<p>En als hij dan wijs is, dan zal de leerling er eindelijk toe komen
+den schilderachtigen, ouden bijentuin juist te beoordeelen. Oude dingen
+behouden hun schoonheid, en als de eeuwen voorbijgaan winnen zij nog
+aan liefde bij hen, die hen <i>terecht</i> liefhebben. Maar hun
+belangrijkheid, hun waarde, vergaat met de jaren, als het getij der
+menschelijke kennis en beschaving verloopt.</p>
+
+<p>En zoo is het met den bijentuin in zijn Meikleed van groen loof en
+bloesemkleuren. Hij is mooi in zijn blijde heerlijkheid, door de echo
+der nu zwijgende stemmen uit oude tijden, en zijn gewijd aroma van oud
+gebeuren. Maar van wat wij weten willen kon hij niet spreken. Hij kan
+alleen ons voor raadsels stellen, die wij niet raden kunnen. En daarom
+moeten wij alle fantastische vooroordeelen op zij zetten en den rug
+keeren aan die zoete bekoring, om dan zonder omzien een vasten stap te
+richten naar het groote moderne bijenpark op den heuvel.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65">65</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e685src" id="xd0e685">1</a></span> Downs: heuvelen.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="ch5" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk V</h2>
+
+<h2 class="normal">De Republiek binnen de korven.</h2>
+
+<p>Als een Droogstoppel een natuurwaarheid behandelt, weet hij zijn
+onderwerp hopeloos saai en duf te maken; maar wie een dwaling
+aankweekt, omdat die zijn artistiek gevoel bevredigt, doet nog erger.
+Niets is droog en beuzelachtig in de Natuur, tenzij de mensen het zoo
+voorstelt; maar er was ook geen mooie, gefantaiseerde onwaarheid, die
+niet, in het volle daglicht, bleek schuim en klatergoud te zijn.
+Romantiek en po&euml;zy zijn in de laatste jaren wel zeer van plaats
+veranderd. Zij, die tot in het onredelijke aan het strand van den Tijd
+naar oude dingen graven, en oude gedachten en gebruiken, hebben al
+zoolang in hetzelfde welvoorziene hoekje gewurmd, dat zij gevaar loopen
+door den vloed overspoeld te worden; en zij moeten haast maken of het
+zal zwemmen voor hen worden. De menschelijke geest begint meer en meer
+zich te wenden tot hen die levende waarheden geven&mdash;naar hen die
+de sterren onderzoeken, die nieuwe krachten halen uit ons aller lucht,
+en hen, die eindelijk de ware lezing vinden van de oude vergane teksten
+der rotsen en beken. Zij zijn de ware dichters en romantici; vertellers
+van wonderverhalen, en zij zullen de menigte trekken,&mdash;want de
+massa is nooit ver van de waarheid in zijn intu&iuml;ties&mdash;als al
+de zangers van ziekelijke wijsjes en al de harpspelers <span class=
+"pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66">66</a>]</span>op gesprongen gouden
+snaren, in een droevigen optocht, naar de plaats zijn teruggegaan waar
+zij thuis hooren.</p>
+
+<p>Het oude verhaal&mdash;dat zoolang een eereplaats heeft ingenomen in
+de schoolboeken, en in de geschriften van hen, die de wonderen der
+Natuur behandelen vanuit hun studeerkamer&mdash;het oude verhaal van de
+koningin-bij, die haar dertig- of veertigduizend gehoorzame onderdanen
+regeert en hen onfeilbaar leidt in al hun verwonderlijke werken en
+ondernemingen, die fabel moet den weg op van de rest. Want de
+waarheid&mdash;door de moderne onderzoekers vastgesteld&mdash;is, dat
+de koningin niet de heerscheres is in den korf; maar een getrouwer
+onderdaan dan al de anderen. Wat er in het bijenleven gebeurt, gebeurt
+door de werkbijen; zij all&eacute;&eacute;n hebben het geheel in
+handen. De koningin heeft part noch deel aan de leiding der
+staatsbelangen; ook heeft zij geenerlei vermogen, geestelijk of
+lichamelijk, om de publieke werken te helpen uitvoeren. Haar
+&eacute;&eacute;nige plicht is haar moederschap, en zelfs het
+initiatief daarin krijgt zij van de werkbijen. Zij is niet veel anders
+dan een vernuftig mechanisme, en als z&oacute;&oacute;danig wordt zij
+verzorgd en gekoesterd. Zij heeft zekere neigingen en zekere
+elementaire hartstochten, die zij onfeilbaar op een zekere, vast
+bepaalde wijze uit. Maar als intellekt, als produktieve kracht, telt
+zij niet mee. De geest in den korf is de geest der gemeenschap, buiten
+de koningin en de darren om, een overge&euml;rfde geest, een
+gemeenschappelijk intellekt, dat zich door de eeuwen heen heeft
+ontwikkeld, de totale som van alle bijenervaring sedert de wereld der
+bijen begon.</p>
+
+<p>Maar als de nieuwere wetenschap ons noodzaakt, om de moederbij te
+ontdoen van al haar koninklijken staat en grootheid, en zoo een van de
+bekoorlijkste fantasie&euml;n der oude tijden te niet-doet, dan is dit
+alleen <span class="pagenum">[<a id="pb67" href=
+"#pb67">67</a>]</span>om een waarheid aan het licht te brengen, die nog
+treffender en romantischer is. In het licht van dit nieuwe weten
+sluiten deze oude feiten een verwonderlijk mysterie in, dieper dan het
+oude. Want had de studie van het leven der bijenkorven al zulk eene
+aantrekkelijkheid voor ons, toen wij nog meenden, dat het uitging van
+een enkel gevleugeld atoom met sterke en overheerschende eigenschappen,
+hoeveel grooter moet dan de bekoring zijn nu wij er een zeer
+gecompliceerd stelsel van staatsbeheer in zien, dat is uitgedacht en
+wordt bijeengehouden door de samenwerking van tienduizenden redelijke
+wezens.</p>
+
+<p>Redelijk, met rede begaafd&mdash;het is een groot woord, een
+tweesnijdend zwaard, dat voorzichtig gehanteerd moet worden. Wij zijn
+zoolang gewoon het alleen te gebruiken voor onze eigen prachtige
+geestelijke processen, en het schijnt ons dus belachelijk, het toe te
+passen op zulk een klein partikel in de dierenwereld, als de honingbij
+is. En toch, hoe dieper wij ons inwerken in al wat de bijen en haar
+maatschappij betreft, des te moeilijker vinden wij een woord, dat de
+slotsom van onze bevindingen juister weergeeft. &ldquo;Instinkt&rdquo;
+zegt het niet. Instinkt bedoelt een doode volmaaktheid der motieven,
+die uit <span class="corr" id="xd0e825" title="Bron: alwetenheid">
+alwetendheid</span> voorkomt en in redelooze onveranderlijke organismen
+werkt, tot het bereiken van een even volmaakt einddoel. Maar van de bij
+kan men niet zeggen, dat zij in plan of uitvoering onveranderlijk het
+volmaakte bereikt of zelfs bedoelt. Men zal verderop zien, dat hare
+uitgangspunten, haar methoden, en wat zij volbrengt heel dikwijls
+onmiskenbare dwalingen en feilen zijn. Zij zal iets heel deugdelijks
+ondernemen en het daarna opgeven als zij onvoorziene hindernissen
+ontmoet. Zij zal blindelings volhouden in een allerdwaast beginnen en
+haar fout niet ontdekken tot lust en kracht zijn uitgeput. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68">68</a>]</span>Plotselinge
+omstandigheden kunnen soms haar dringen tot de uiterste inspanning van
+haar vernuft, of ook wel neerploffen in lustelooze mismoedigheid. Moed,
+werkzaamheid, spaarzaamheid, wijs doorzicht, of nog wijzer
+nabetrachting zijn algemeen in haar voorkomende eigenschappen. Maar zij
+kunnen evengoed luiheid ontwikkelen, slofheid en slordigheid en zelfs
+oneerlijkheid, als toeval of omstandigheden haar dien kant
+uitdrijven.</p>
+
+<p>En wat anders zijn al deze fouten dan de gebreken of eigenschappen
+van de Rede? Als men wil aannemen, dat bijen en menschen beide in
+goddelijken oorsprong wortelen en ook in dezelfde dwalingen en
+ongerijmdheden vervallen, waarom zal men dan een scheiding tusschen hen
+maken, door willekeurig een verschil aan te nemen in natuurlijke
+oorzaken en gevolgen?</p>
+
+<p>Wanneer men voor het eerst de bijen waarneemt door de glazen wanden
+van een observatie-korf, of in den haast even doelmatigen modernen korf
+met lossen bouw, dan rijst deze vraag voortdurend in ons op en er
+schijnt maar &eacute;&eacute;n antwoord te zijn. Er is iets merkwaardig
+menschelijks in dat drukke bewegen bij de raten; en de oude
+vergelijking van een bijenkorf met een menschenstad is steeds in onze
+gedachte. Het eeuwige gaan en komen; toevallige ontmoetingen van
+vrienden ergens op den hoek van een straat: geschillen waarbij wij
+meenen het norsche verwijt en het kribbig antwoord te hooren; bezige
+metselaars, en leidekkers, en magazijnbedienden overal aan &rsquo;t
+werk; honderd verschillende zaken, die omgaan in alle verkeerswegen of
+zijstraatjes, van den grooten hoofdingang af, tot het verste
+darrenhoekje in den korf.</p>
+
+<p>Ge ziet ook de groote zwaarlijvige koningin zwoegende over de raten,
+van cel naar cel; steeds door haar lijfgarde omgeven. In de hoogste
+verdieping van den <span class="pagenum">[<a id="pb69" href=
+"#pb69">69</a>]</span>korf zijn de honingbereidsters bezig; zij storten
+het pasgegaarde zoet in de vaten, of verzegelen de rijpe honing met
+afsluitingen van was.</p>
+
+<p>Waar de broednesten liggen in het binnenste en warmste gedeelte van
+den korf, ziet men het gesta&acirc;ge bewegen van de voedsterbijen over
+de raten; zij onderzoeken iedere cel om de ontwikkeling der larven te
+volgen en geven ieder zijn bepaald rantsoen van bijenmelk; of als de
+tijd daar is, sluiten zij de cel met een bedekking, die afzondering
+verzekert en toch vrij de lucht doorlaat. Hier en daar zijn de bijen
+ontwaakt uit hun vervormende verdooving en roeren zich bij de
+afsluiting van hun v&oacute;orgeboorte-graven, en bijten zich er
+manhaftig een weg doorheen, of strekken roode, glinsterende, begeerige
+tongen uit, verlangend naar &rsquo;t eind van hun langen vastentijd.
+Als deze jonge gasten eindelijk zich een weg in het bestaan hebben
+gebaand, dan kan men zien, hoe zij zich poetsen en opdoffen, of in de
+naastbijzijnde raten naar honing zoeken, terwijl de voedsterbijen de
+cellen reinigen, die zoo even verlaten werden, opdat de koningin ze
+klaar zou vinden, op haar volgenden rondgang van eier-leggen.</p>
+
+<p>En al deze werkzaamheden gebeuren gelijktijdig op ongeloofelijk
+groote schaal. Verwonderlijke staaltjes worden daarvan aan den
+beschouwer gegeven, die hij aanhoort, maar op dat oogenblik niet naar
+waarde kan schatten. Men zegt hem, dat de koningin de eenige moederbij
+in de kolonie is, hoe groot die zijn mag; dat zij in den opgang van
+haar moederschap wel 3.000 eieren per dag legt, en dat het in haar
+macht staat, naar verkiezing mannelijke of vrouwelijke eieren te leggen
+of wel heelemaal geen. Men vertelt hem, dat zij, behalve wanneer zij
+met een zwerm uittrekt, maar &eacute;&eacute;nmaal in haar leven den
+korf verlaat en dat op haar huwelijksreis, en hoe zij bij die
+&eacute;&eacute;ne gelegenheid verkeer heeft <span class="pagenum">[<a
+id="pb70" href="#pb70">70</a>]</span>met den dar, ergens ongeloofelijk
+hoog in de blauwe lucht en den zonneschijn van den zomerdag, en dat
+onvermijdelijk dadelijke dood het eenig deel van haar bruidegom is; dat
+zij daarna onmiddellijk in den korf terugkeert, en na dat
+&eacute;&eacute;ne oogenblik de rest van haar leven, dat nog jaren
+duren kan, in onbevlekten weduwstaat doorbrengt, terwijl zij toch tot
+het einde toe hare vruchtbaarheid behoudt.</p>
+
+<p>Zij wordt den verbijsterden nieuweling aangewezen, terwijl zij op
+haar eeuwigen rondgang bij de broedraten is, en haar verschillende
+eigenschappen worden hem daarbij uitgelegd. Men wijst hem hoeveel
+grooter zij is dan de werkbijen; hoe haar geheele lichaamsbouw op
+talrijke punten van den hunne afwijkt; hoe haar gewoonten en instinkten
+haast in geen enkel opzicht dezelfde zijn als die der gewone werksters.
+En eindelijk krijgt hij iets te hooren, waarbij zelfs de beleefdste
+goedgeloovigheid twijfelen zou. Hoewel de moederbij oogenschijnlijk van
+een geheel ander ras is, was toch het ei, dat haar voortbracht, gelijk
+aan dat waaruit de kleine werksters geboren worden. Haar grootte, de
+afwijkingen in vorm en getal van hare organen, haar geestelijk
+verschillen, dat alles is enkel het gevolg van behandeling en dieet.
+Had niet de gemeenschapsgeest het zoo gewild, zij had dan evengoed een
+neutrale werkbij kunnen zijn, en ieder van de dertig- of veertigduizend
+werksters had een groote koningin-bij kunnen worden, en de eenige
+moeder van de geheele kolonie. En nog verwonderlijker&mdash;de
+broeders, nooit de vaders van hun eigen kolonie, zooals men vroeger
+meende&mdash;de darren hebben het feit van hun geslacht geheel alleen
+te danken, aan den wil of gril van de korf-autoriteit, die zich
+uitspreekt in het volgzame gedrag der koningin. Tot het oogenblik
+v&oacute;&oacute;rdat het ei gelegd wordt, is het geslacht van de
+daaruit komende bij nog niet bepaald. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb73" href="#pb73">73</a>]</span>Deze groote wellusteling, de dar,
+wiens overmoedige mannelijkheid spreekt uit al zijn doen en bewegen;
+zijn geheel verschillend organisme; zijn onbekwaamheid in iets anders
+dan het vervullen van den &eacute;&eacute;nen plicht die van hem
+ge&euml;ischt wordt;&mdash;want hij kan niet eens zichzelf voldoende
+voeden;&mdash;zijn gewoonte zijn leven te verdeelen in een slaperig
+zich vol eten te huis, en een liefdedronken dolende ridderschap
+buiten&mdash;deze dar had een kleine, zwoegende werkbij kunnen zijn met
+een ingekrompen en toch fijnbewerktuigd lichaam en verwonderlijk
+ontwikkeld brein met den &eacute;&eacute;nen drang bezield, de grootst
+mogelijke hoeveelheid werk af te doen v&oacute;&oacute;r de dood haar
+roept, en die gewapend is met een vreeselijken vergiftigen angel, dien
+ook de dar moet missen.</p>
+
+<div id="p071" class="figure"><img border="0" src="images/p071.jpg"
+alt="Raat uit Moderne Korf, met Koningin" width="463" height="720">
+<p class="figureHead">Raat uit Moderne Korf, met Koningin</p>
+</div>
+
+<p>Het zou nutteloos zijn den leerling nu al te zeggen, dat al die
+ingrijpende verschillen&mdash;wonderen in waarheid, in den gewonen zin
+van het woord&mdash;door de leidende machten in den korf bewerkstelligd
+worden, op zeer gemakkelijk te verklaren wijze. Want op dit oogenblik
+heeft hij allen zin voor de d&eacute;tails verloren, hoe opmerkelijk
+zij mogen zijn, door het nieuwe inzicht, dat hij verkreeg in zulk een
+veelomvattend staatsbeleid. Hier is nu een gemeenschap, die naar het
+schijnt alle problemen heeft opgelost in verband met het welzijn en den
+vooruitgang van een talrijke, hooggeorganiseerde maatschappij.
+Moeilijkheden, die de socialistische filosofen bij de menschen in
+verwarring brengen, of die donker opdoemen in de nabije
+toekomst&mdash;vraagstukken betreffende de vermeerdering der individuen
+in verband met den voedselvoorraad, het evenwicht der geslachten,
+communaal of individueel eigendom, geschiktheid voor het ouderschap, de
+opperheerschappij van Recht of Macht&mdash;dit alles schijnt al lang
+geleden te zijn vastgesteld in deze verwonderlijke <span class=
+"pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74">74</a>]</span>bijenrepubliek. Een
+bijenkorf in goede condities schijnt ons een levend voorbeeld, een
+volmaakte les van aanschouwelijk onderwijs, in zake de beteekenis van
+het Socialisme, wanneer het tot in zijn strengste uiterste
+konsequenties wordt doorgevoerd, zoowel voor menschelijke- als voor
+bijenstaten. Hier is een aantal individuen aanwezig, tusschen
+tienduizend en vijftig- of zestigduizend, al naar mate hun toestand of
+het jaargetij, dat in een ruimte van een paar kubieke voeten gezond en
+gemakkelijk leeft. Het beginsel: de grootst mogelijke welstand voor het
+grootste aantal, is hier tot het hoofdbeginsel geworden waarvoor ieder
+zich heeft te buigen. De fictie van het koningschap wordt gehandhaafd
+in harmonie met den volkomen republikeinschen geest. Het vrouwelijk
+element heerscht in alles, het mannelijke in niets. De groei der
+bevolking wordt aangezet of tegengehouden al naar dat de schatting
+uitvalt van de aanwezige of toekomstige provisie. De verhouding der
+geslachten wordt naar willekeur gewijzigd. De regel, dat wie niet
+werken kan, niet leven zal, wordt met meedoogenlooze gestrengheid
+toegepast. Al het bijeengebrachte staatsbezit behoort de gemeenschap.
+Wanneer de kolonie te talrijk blijkt en de grenzen niet uitgelegd
+kunnen worden, dan is een groot gedeelte der inwoners genoodzaakt uit
+te trekken, en zij mogen niet meer nemen van het staatsbezit dan wat
+zij kunnen meedragen en verliezen alle recht op de rest. Het leidende
+vrouwelijke element schijnt besloten te hebben dat slechts
+&eacute;&eacute;n uit hun getal het voorrecht zal worden toegekend het
+moederschap uit te oefenen; en als haar vruchtbaarheid afneemt, wordt
+zij afgezet en er komt een nieuwe moederbij, daartoe opzettelijk
+gekweekt, in haar plaats.</p>
+
+<p>Al deze feiten betreffende het bijenleven en nog een aantal andere
+verdringen zich in het verbijsterde hoofd <span class="pagenum">[<a id=
+"pb75" href="#pb75">75</a>]</span>van den nieuweling tot hij niets meer
+kan opnemen. Hij begint nu eindelijk in te zien, dat hij een
+veelomvattende stof te vluchtig heeft willen bemachtigen en het
+verkeerd heeft aangepakt; ongeveer zooals een studeerend jongeling, die
+besluitende tot de studie van een nieuwen moeilijken tak van
+wetenschap, aan het eind van een verhandeling begint en zich dan te
+midden van termen en equaties voelt, waarvan hij niets begrijpt. Al dit
+verwarde gekijk door korfvensters, en luisteren naar brokjes
+verbazingwekkende bijzonderheden, is eigenlijk niets anders dan het
+bijenlevensboek openslaan op goed geluk, en dan hier en daar een
+bladzijde te lezen krijgen zonder verband, waardoor men vage, vluchtige
+indrukken ontvangt van zekere in &rsquo;t oogspringende,
+kaleidoscopische <span class="corr" id="xd0e861" title="Bron:
+bizonderheden">bijzonderheden</span>, maar geen grondige en
+aaneengeschakelde kennis der feiten. En er zit niets anders
+op&mdash;als hij in waarheid het leven der honingbijen wil
+kennen&mdash;dan terug te gaan tot de eerste bladzij van het boek en
+vastberaden door te werken tot het einde&mdash;als er een eind is.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Iedereen kent de Engelsche honingbij&mdash;de zwarte bij wordt zij
+genoemd, gedeeltelijk om haar te onderscheiden van haar buitenlandsche
+concurrenten en gedeeltelijk, zou men denken, omdat zij in &rsquo;t
+geheel niet zwart is; maar van een diep donker bruin.&mdash;Maar niet
+iedereen kent haar oorsprong. Waarschijnlijk kwam zij uit de tropen tot
+ons, bij korte dagreizen, een latere zwerm weer verder dan de vorige,
+tot de ondernemendste van allen het Kanaal overstak in heel verre
+tijden, toen het Kanaal nog maar een smalle streep water was, of
+misschien wel v&oacute;&oacute;rdat <span class="corr" id="xd0e868"
+title="Bron: Groot-Britanni&euml;">Groot-Brittanni&euml;</span> van het
+vasteland was losgeraakt.</p>
+
+<p>Het was de zwarte bij, en niet de kleurige Italiaansche <span class=
+"pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76">76</a>]</span>of eenige andere
+vari&euml;teit, die naar Engeland kwam, misschien om dezelfde reden als
+waarom de Kelten kwamen&mdash;omdat zij een forsch ras waren, dat aan
+de frissche noordelijke atmosfeer de voorkeur gaf en er ook beter tegen
+bestand was, dan tegen de hitte en zware lucht van het zuiden. De
+moderne engelsche bijenkweekers, die zooveel moeite doen om de
+goudgegordelde of zilvergefransde rassen van andere landen te
+acclimatiseeren, mochten dit wel in het oog houden. Het groote
+twistpunt tusschen de Britsche ijmkers tegenwoordig gaat over de
+betrekkelijke verdiensten van de oorspronkelijke en de ingevoerde
+stammen. Maar hier heeft toch zeker de Natuur niet gedwaald. South-Down
+schapen kunnen in alle graafschappen geteeld worden; maar nergens
+gelukt het z&oacute;&oacute; als op &ldquo;Downs&rdquo; van Sussex.
+Ditzelfde geldt voor de Engelsche bij. De eeuwen hebben uit haar
+tropischen oorsprong d&aacute;t ontwikkeld wat zij nu is&mdash;een
+sterk, uitsluitend Britsch wezen, dat door alle grillen van het klimaat
+is heengegroeid en er tegen bestand is, terwijl haar te&ecirc;rder
+zusters van het zuiden een harden dobber hebben zich er door te slaan.
+Zij houdt het tegen hen uit, dubbel en dwars. In de zeldzame jaren dat
+in letterlijken zin het land overvloeit van honing, staan de
+wedijverende honingmakers wel gelijk; maar alles sa&acirc;mgenomen,
+goed en kwaad, vroeg en laat, verslaat toch de Engelsche zwarte bij op
+den duur al haar mededingsters. Duizenden van jaren waren noodig om van
+haar te maken wat zij is, en mogelijk zullen ook duizenden van jaren de
+geelgerokte Ligurische geschikt afleveren voor het werk in Brittanje.
+Maar werken voor zulk een ver nageslacht zou een altru&iuml;sme zijn
+voor engelen, niet voor menschen.</p>
+
+<p>In den verren oertijd bekommerde de bij zich zeker niet om iets als
+een korf, en zij zal haar raten wel <span class="pagenum">[<a id="pb77"
+href="#pb77">77</a>]</span>hebben gehangen waar in de bosschen een tak
+daartoe geschikt leek, zooals nu nog de bijen in Indi&euml; het doen.
+De gewoonte een plaats te zoeken in een hollen boom of rotsspleet, zal
+zij denkelijk verkregen hebben toen zij noordelijker was getrokken, en
+een beschutting voor koude of het slechte jaargetij meer en meer
+noodzaak werd. De tegenwoordige gewoonten van in het wild levende
+dieren geven ons eenig denkbeeld van hunne levenswijze in vroeger
+tijden; maar het is bovenal in hunne afwijkingen van die gewoonten, dat
+wij een juiste aanwijzing krijgen van hun leven in den oorspronkelijken
+natuurstaat. Als verdwaalde bijenzwermen geen betere plek vinden, dan
+bouwen zij dikwijls in de open lucht, en hangen hun wassen huizen aan
+een horizontalen tak, of maken hun nest in het dichtst van een
+boschje.</p>
+
+<p>De gewoonten van de honingbij zijn vol van zulke afwijkingen;
+misschien dat tusschen hun moderne behoeften dan vage herinneringen
+rijzen aan den oertijd. Het uitgaan der zwerm is mogelijk niets anders
+dan een overgebleven oud proces, noodzakelijk in zijn tijd; maar dat in
+de hedendaagsche beschaafde condities den prikkel dier absolute
+noodzakelijkheid mist. Want het bijenleven, zoo oud als het is, is een
+door evolutie verkregen beschaving, en niet een overgebleven
+oertoestand. Het is begrijpelijk, dat de vossen hun holen, en de vogels
+hun nesten hebben, zooals wij ze hadden, sedert Adam om Eva wierf. Maar
+de honigbij in de twintigste eeuw is niet van dat soort. Zelfs is
+misschien het gemeenschapsleven in een betrekkelijk late periode van
+haar ontwikkeling ingetreden. Het is mogelijk eenig denkbeeld te
+krijgen van wat zij zich in den loop der tijden veroverde, door het
+bestudeeren van de levensgewoonten van andere wezens, die haar verwant
+zijn, maar veel minder ver gekomen dan zij. Er zijn verre <span class=
+"pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78">78</a>]</span>betrekkingen van
+haar, eenzame, kleine boschwespjes en anderen, die zich nooit met hun
+soort vereenigen; maar hunne zomerdagen in eenzaamheid leven en met het
+kwijnend jaargetij sterven, terwijl zij de voortplanting van hun soort
+nalaten aan een kroost, dat zij nooit zullen zien. De gewone wesp staat
+in ontwikkeling dichter bij de honingbij; maar toch nog heel ver
+achter. De bevruchte koningin-wesp komt uit haar winterschuilplaats;
+maakt in een gat in den grond een paar cellen en legt daarin haar
+eerste eieren, en zoo sticht zij een kolonie, die hoewel zij in het
+seizoen volkrijk genoeg is, toch bij de eerste winterkoude moet
+bezwijken.</p>
+
+<p>Misschien hebben in den oertijd de bijen in de tropen in
+afzonderlijke families geleefd, ieder met zijn vruchtbare moeder en
+zijn luien lummelenden vader, den Turveydrop<a class="noteref" id=
+"xd0e885src" href="#xd0e885">1</a> van de schepping&mdash;en hun
+stortvloed van kroost, waarvan ieder volwassen individu uit zou trekken
+om zich een eigen thuis in te richten. De moderne bijenstad met zijn
+ingewikkelde stelsels en wetten, en zijn immense drommen van bewoners,
+is misschien ontstaan toen verandering van woonplaats en klimaat een
+nieuwe levenswijs gebood. Het leven in gestadige warmte, in een land
+waar bloei na bloei kwam in oneindige opvolging, maakte zulk een
+samenwerking niet noodig. Dat &eacute;&eacute;ne, kleine gezin, in zijn
+met mos gedekt hoekje, kon zijn eigen temperatuur onderhouden, en waar
+een eeuwige nektarbron vloeide was voorzorg dwaasheid, de
+winterprovisie was er van zelf.</p>
+
+<p>Maar naarmate de jonge bijen, die, hun woonplaats verlatende, altijd
+verder naar het noorden vlogen, eerst aan de gematigde z&ocirc;nen
+kwamen en toen binnen het bereik der pool-invloeden, werden de
+omstandigheden <span class="pagenum">[<a id="pb79" href=
+"#pb79">79</a>]</span>geleidelijk anders. De eeuwige honingtuin was
+achtergebleven, en ieder jaar kwam er een tijd&mdash;eerst kort maar
+steeds onherroepelijk langer&mdash;dat er geen bloemen waren. Toen moet
+de harde noodzakelijkheid de bijen wel geleerd hebben, in het koude
+jaargetijde zooveel mogelijk bijeen te dringen tot het behoud van
+warmte; en toen de koude perioden langer en langer werden, moesten zij
+voor winterprovisie zorgen, die duren kon tot de lentezon weer de aarde
+zou liefkoozen en zij bloemen gaf. En zoo moeten de eerste
+gemeenschappelijke bijennesten ontstaan zijn door den nooddrang van het
+ras: de eerste gemeenschappelijke voorraadschuren moesten ingesteld,
+voor een menigte van onvoorziene moeilijkheden moest een uitweg
+gezocht, en de geest der vinding moest tot de uiterste spanning vaardig
+zijn. Want nooit heeft Pandora haar wonderkist met ernstiger gevolgen
+op aarde geopend, dan toen de Groot-Kunstenaar de honingbij als
+voorbeeld in het stedenbouwen stelde voor de nomadische
+menschen-wereld.</p>
+
+<p>Van het samenscholen der afzonderlijke bijenfamilies ter
+wederzijdsche bescherming tegen de elementen, tot een algeheele
+samensmelting van levensbelangen, moet, zooals de natuur werkt, maar
+&eacute;&eacute;n stap geweest zijn. Maar er zullen tijden van groote
+beroering zijn geweest&mdash;sociale oproeren, rampen bij de opvoeding,
+en vernietigende geslachtsoorlogen. De bijenwereld zal op zijn
+grondvesten hebben geschud. Wanneer en hoe de vrouwelijke bij het eerst
+de opperste leiding kreeg, is onnoodig na te sporen. Maar het is zeker
+d&agrave;t zij die verkreeg en steeds bleef handhaven. Het vraagstuk
+der bevolking moet het overwegend probleem zijn geweest. Met honderden
+vruchtbare moeders in den korf, die haar eigen kroost opkweekten, en
+een schaar luie, onverantwoordelijke darren, die niet anders <span
+class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80">80</a>]</span>konden dan
+dansen in den zonneschijn en uit vrijen gaan; hoe moest in de
+benoodigde dagelijksche consumptie voorzien worden, om nog niet te
+spreken van de provisie voor de komende winterdagen?</p>
+
+<p>Hier ging het om ingrijpende veranderingen of volslagen ondergang,
+en het is begrijpelijk, dat de vrouwelijke bijen, toen het initiatief
+bij de mannen ontbrak, de teugels in handen namen.</p>
+
+<p>Het is een geschiedenis met een profetische leering. Allereerst
+ontdekten zij hun stille macht: de onschuldige legboor openbaarde zich
+als een uitstekend verdedigingswapen. Het leger was dus met de
+opstandelingen, en de rest volgde van zelf. Een grootsch, verstrekkend
+schema werd opgezet. Het moederschap zou het voorrecht zijn van enkelen
+en de daartoe het best geschikten; het werk was voor de massa. Zware
+tijden hadden al een mager, onvruchtbaar slag onder hen gekweekt, en
+het bleek, dat slechte rantsoenen in de kinderkamer op eenvoudige wijze
+een vermeerdering van die natuurlijke ongehuwden ten gevolge hadden. En
+toen werd die kleine sexlooze werkbij aangekweekt, terwijl de rijkelijk
+gevoede moeders langzamerhand tot zeer weinige werden teruggebracht en
+eindelijk tot maar &eacute;&eacute;n enkele. Het was de triomf van
+gemeenschappelijke zelfopoffering ten bate van het welzijn en het
+hoogste voortbestaan van het ras.</p>
+
+<p>Al dit mag men veronderstellen te hebben plaats gehad in oneindig
+verre tijden, lang v&oacute;&oacute;rdat het den mensch gelukt was
+zichzelf van de apen te onderscheiden. In de honingbij van dezen tijd
+en haar leven in de moderne korven hebben wij iets als de quintessence
+der eeuwen: een wezen door zeldzame omstandigheden ontwikkeld naar
+geest en lichaam, en deze omstandigheden haar weer dwingend tot dit
+zeldzame levenssysteem. Als Ruskin&rsquo;s Venetiaan moet zij nobel
+leven, of <span class="pagenum">[<a id="pb81" href=
+"#pb81">81</a>]</span>bezwijken. En nog wel meer wordt van haar
+ge&euml;ischt dan de rol van huis- en staatseconomist. Om een modernen
+bijenkorf de bestaansmogelijkheid te verzekeren, moeten er
+bouwmeesters, rekenmeesters en scheikundigen binnen zijn wanden huizen.
+De gezondheidsleer moet er grondig behandeld worden of de bijenkorf zou
+binnen weinig tijd in een bijenval verkeeren. Er moeten kundige
+landverkenners zijn, die een onderzoek instellen naar nieuwe
+verblijfplaatsen, juist v&oacute;&oacute;rdat de zwermen rijp zijn. Er
+moeten opzichters zijn en ploegmeesteressen overal, om op alles wat er
+in den korf omgaat toezicht te houden. En boven alles moet er een
+opperste centrale macht heerschen, een v&egrave;rziende intelligentie,
+die de onmiddellijke behoeften overziet en de krachten van den staat
+aan het werk zet op den juisten tijd en in de juiste orde, om in die
+behoeften te voorzien. Zoo dit alles niet in den hedendaagschen korf
+kan <i>gevonden</i> worden, dan is toch de noodzakelijkheid er van niet
+te ontkennen, en evenmin te ontkennen zijn de verkregen resultaten.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82">82</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e885src" id="xd0e885">1</a></span> Bekende figuur uit <span class=
+"letterspaced">Dickens</span> roman <i>Het verlaten Huis</i>.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="ch6" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk VI</h2>
+
+<h2 class="normal">Het eerste werk in de Bijenstad.</h2>
+
+<p>Met &ldquo;het keeren der dagen,&rdquo; als de winterzon zijn nadir
+van zwakte voorbij is, en voor het eerst weer een bescheiden stukje van
+den hemel veroverd heeft, begint ook het eigenlijke jaar der honingbij.
+Dan worden er voor het eerst enkele eieren gelegd in het hart van het
+broednest; en de slaperige klomp begint teekenen van leven te geven; de
+waterdragers komen in beweging en zijn in afwachting van een helderen
+warmen morgen om zich aan hun werk te begeven.</p>
+
+<p>Gevaarlijk werk in dit jaargetij; maar hoogst noodzakelijk. Zonder
+water kunnen all&eacute;&eacute;n maar op heel kleine schaal jonge
+bijen opgekweekt worden. Water is er noodig op iederen trap van hun
+ontwikkeling, en als het ontbreekt, is het met den vooruitgang der
+kolonie gedaan. Zelfs de volwassen bijen moeten verhongeren en sterven
+te midden van overvloed, als hun honingprovisie versuikerd is, en geen
+water voorhanden om het onbruikbare zoet op te lossen. Ziet men in een
+korf honingkristallen op den bodem liggen en bij den ingang gestrooid,
+dan kan men zeker zijn, dat de toestand er hopeloos is. Dan rukken de
+bijen al de proviandcellen open en gooien den gestolten honing als
+onbruikbaar weg om de onderste nog vloeibare te kunnen bereiken. Als de
+koude buiten <span class="pagenum">[<a id="pb83" href=
+"#pb83">83</a>]</span>zich niet ontspant of de ijmker niet klaar staat
+met een surrogaat, dan moet de kolonie bezwijken. En daarom wachten de
+waterdragers op den zonneschijn, en zijn eerste warmte brengt hen naar
+buiten om de dichtstbijzijnde dauwdruppels te rooven of het verscholen
+beekje op te zoeken, gelokt door het zoete ruischen. Velen verliezen
+bij dit werk het leven in de eerste maanden van het jaar; zij komen om
+door de koude van hun last op den terugweg, of worden in de vlucht door
+een vogel weggepikt. Maar wat het kosten moge, het toekomstig leven in
+den korf moet verzekerd zijn, al zou van de geheele bevolking ook
+all&eacute;&eacute;n maar de koningin-moeder overblijven om hem in zijn
+zomervolheid te zien.</p>
+
+<p>Wij zijn gewoon ons een korf met bijen als een eeuwig blijvende
+instelling te denken, waar de Dood zijn oude, bezige, gestadige rol
+speelt, maar het jonge leven hem overvleugelt, juist zooals het in den
+stadskorf der menschen gebeurt. De vergelijking gaat op;
+all&eacute;&eacute;n gebeuren in den bijenkorf de veranderingen
+oneindig sneller. Het leven van een werkbij duurt niet langer dan op
+zijn hoogst zes maanden; en in het drukke seizoen leeft zij, door
+werken uitgeput, soms niet meer dan zes weken. Zij, die het vorig jaar
+den honingoogst bezorgden, waren al dood in den herfst. De laatgeboren
+bijen, die den winter ingingen met glimmend borststuk en gekreukte
+vleugels, leefden juist lang genoeg om hun onmiddellijke opvolgers te
+voeden; en deze zullen alleen leven om het jonge lentebroed tot vollen
+wasdom te brengen. Geen enkele van hen zal ooit meer honing inzamelen.
+Behalve de langlevende koningin en de oude korf met zijn bouw, wordt
+iedere kolonie jaarlijks geheel vernieuwd.</p>
+
+<p>Overwinteren in den eigenlijken zin komt in de bijenkorven niet
+voor. De wesp-koningin en veel <span class="pagenum">[<a id="pb84"
+href="#pb84">84</a>]</span>andere insekten overwinteren en brengen de
+koude maanden door in een toestand van verdooving tot de inwerkende
+warmte van het volgend jaar hen weer tot een handelend bestaan wakker
+roept. Maar de bijen doen het beter: zij dringen bijeen tot een dikken,
+bijna bewegingloozen klomp in het hart van den korf, met hun kostelijke
+koningin in het midden en hun proviand boven hen. In dien tijd is
+honing hun eenig noodige voedsel, maar een heel klein verbruik daarvan
+houdt de kolonie al op de juiste temperatuur.</p>
+
+<p>Wanneer zij vliegen en aan hun werk zijn of bezig binnen in den
+korf, moet het stikstofhoudend stuifmeel bij hun dagelijksch rantsoen
+nektar gevoegd worden om de verbruikte weefsels weer aan te vullen;
+maar nu is het &eacute;&eacute;nige wat zij behoeven de honing, de
+geconcentreerde nektar, de warmtevoortbrenger. De bijen van den klomp,
+die het dichtste bij de raten zijn, breken de volle cellen open en de
+honing wordt aangenomen en doorgegeven tot iedere bij haar schamel deel
+heeft ontvangen.</p>
+
+<div id="p085" class="figure"><img border="0" src="images/p085.jpg"
+alt="Winter in den Bijentuin" width="712" height="506">
+<p class="figureHead">Winter in den Bijentuin</p>
+</div>
+
+<p>Zuinigheid behoort nu tot de schoone kunsten. Niemand weet wanneer
+er weer nieuwe voorraad te vinden zal zijn, hoewel geen kans ongebruikt
+zal worden gelaten om de provisie aan te vullen bij het eerste teeken
+van terugkeerende warmte. Maar tot z&oacute;&oacute;lang wordt het
+kleinste minimum voedsel verbruikt, en als de naastbijzijnde cellen van
+hun geheelen inhoud ontdaan zijn, rijst de klomp weer wat hooger. Het
+systeem is dus een soort van afgrazen van de raten, tot de dichte
+bijenkudde de uiterste grens van den korf naar boven bereikt heeft;
+daarna moet er naar een nieuwe weide uitgekeken. Maar het bewegen van
+den klomp gaat uiterst langzaam; misschien is er geen langzamer
+beweging in de gansche organische wereld. Allen weten, dat hun bestaan
+samenhangt met het ledigen van de <span class="pagenum">[<a id="pb87"
+href="#pb87">87</a>]</span>raten tot den allerlaatsten honingdroppel.
+Het is een wetenschappelijk temperen van het levensvuur&mdash;een
+zorgvuldig uitgedacht en volmaakt plan tot behoud van het grootst
+mogelijk aantal werkbijen op het kleinst mogelijk rantsoen voedsel,
+zoodat in de lente een maximum aantal broedbijen en honingdraagsters
+het leger moge vol maken, dat het jonge broed, de vertegenwoordigers
+van de toekomstige kolonie, moet opkweeken.</p>
+
+<p>Maar winterslaap is er niet. Het is zelfs niet eens zeker of bijen
+wel ooit slapen, zoowel in hun drukken, bezigen zomertijd, als in de
+starre diepte van den winter; want ten alle tijden is een licht tikje
+op den korf voldoende om onmiddellijk een vreesachtige kreet van binnen
+op te roepen. Een luider kloppen zal heel spoedig de waakbijen aan het
+vlieggat brengen om de oorzaak van die stoornis te doorgronden en er
+hebben al heel wat door die waakzaamheid alleen het leven moeten
+inschieten. Met vriezend weer kan men dikwijls de meezen een taptoe
+zien roffelen op den korf, om dan iedere bij op te pikken die naar
+buiten komt; en ook verschillende andere vogels hebben al uitgevonden,
+dat zij zich aldus een middagmaal kunnen verzekeren.</p>
+
+<p>Het feit, dat wanneer een volk in gezonde conditie is, het binnenste
+van den korf altijd zindelijk blijft, wekt bij den nieuweling
+gewoonlijk groote verbazing. &rsquo;s Zomers, als de bijen gestadig in
+en uit gaan, lijkt het zoo wonderlijk niet. Maar het is zeker
+opmerkelijk, dat in den winter, wanneer zij weken achtereen in den korf
+moeten blijven, noch de raten noch de vloer ooit met uitwerpselen
+bezoedeld zijn. Deze moeilijkheid heeft het gezondheidsdepartement in
+den korf al lang opgelost. Het moet wel een der allereerste
+vraagstukken geweest zijn, die zich voordeden toen de honingbij op het
+ontwikkelingsstadium van het gemeenschapsleven <span class="pagenum">
+[<a id="pb88" href="#pb88">88</a>]</span>was gekomen. De ouden
+geloofden, dat al de uitwerpselen door de bijen in bijzondere cellen
+werden gedeponeerd, en van daar bij tusschenpoozen door de
+reinigingsafdeeling naar buiten gebracht. In deze meening, hoe dwaas
+ook, ligt niets dat buiten den kring valt van het bijenintellekt;
+integendeel; zulk een onpraktisch plan zou zeker nooit bij het
+bijenvolk opkomen; omdat het in de verste verte niet voldoende zou
+zijn. Welk een diepgaand probleem het behoud der zindelijkheid in de
+korven is, kan men all&eacute;&eacute;n dan benaderen, wanneer men de
+zaak in zijn geheelen omvang beschouwt, en dan van een menschelijk
+standpunt gezien. Vraag eens&mdash;en ik neem de cijfers dan nog
+onvergeeflijk laag&mdash;hoeveel hoop op succes het grootste
+gezondheidskundig genie van de wereld zou kunnen hebben, als hij stond
+voor het probleem, een gebouw volkomen zindelijk en volmaakt
+geventileerd te houden, waar 10.000 menschen opeengehoopt in
+verdiepingen boven elkaar moesten leven; een gebouw, dat van boven tot
+onder hermetisch dicht was, met uitzondering van een kleine opening op
+het laagste plan, de eenige in- en uitgang voor al de bewoners, en
+tegelijk het eenige afvoerkanaal voor de bedorven<span class="corr" id=
+"xd0e953" title="Bron: -"> lucht</span> en toegang voor de zuivere
+lucht? De opgaaf zou al moeilijk genoeg zijn in den zomer, als een
+groot gedeelte van de bevolking een heel stuk van den dag buiten ging
+werken; maar in den winter, als allen weken lang thuis moesten blijven,
+welk systeem zou er dan denkbaar zijn, dat het gebouw kon verhinderen
+te verworden, eerst tot een mesthoop en daarna tot een knekelhuis,
+waarbij vergeleken het &ldquo;Zwarte Gat&rdquo; van Calcutta een model
+van hygi&euml;nische toevlucht zou zijn?</p>
+
+<p>Toch is het verschil tusschen zulk een gebouw en een bijenkorf er
+maar een van graden. De zelfde condities bestaan er, en hetzelfde kwaad
+moet bestreden. Naar <span class="pagenum">[<a id="pb89" href=
+"#pb89">89</a>]</span>verhouding staan de problemen gelijk. In het
+geval van den bijenkorf heeft de noodzakelijkheid van dit opeengehoopt
+bestaan, zich aan zijn bewoners gaandeweg opgedrongen. Een
+eeuwenheugend gebruik, inwerkend op het individu, kweekte op den langen
+duur een ras, dat zich verwonderlijk heeft aangepast aan zijne
+bijzondere behoeften. Waarschijnlijk gebeurde het terughouden der
+faeces in den korf oorspronkelijk vrijwillig. En deze gewoonte,
+overgebracht van de eene generatie op de volgende, heeft in het
+organisme bewerkt, dat, wat oorspronkelijk een gewoonte was, op den
+duur tot een tweede natuur moest worden, en daarme&ecirc; is ten slotte
+de tegenwoordige toestand bereikt. Het is nu een feit geworden, dat de
+bij niet meer in staat is zich van haar uitwerpselen te ontlasten
+wanneer zij in den korf of in rust is. De betrokken spieren kunnen
+all&eacute;&eacute;n in beweging komen, gedurende of onmiddellijk na
+een flinken vlucht. In den winter, in lange perioden van ko&ucirc;,
+verlaat geen enkele bij den korf, soms weken achtereen; maar een enkel
+uurtje van warmen zonneschijn brengt de heele kolonie naar buiten; zij
+vliegen dan rond den korf en men kan gemakkelijk waarnemen hoe dan de
+natuurdrang bij hen werkt. Deze reinigingsvluchten gebeuren op alle
+daartoe geschikte tijden en vervullen dan een dubbel doel; want bij het
+terugkomen in den korf klampen zij zich weer te samen tusschen nog
+onaangetaste raten, en de oude, gestadig-opstijgende, <span class=
+"corr" id="xd0e960" title="Bron: voedigsmarsch">voedingsmarsch</span>
+vangt weer aan, maar op een nieuwe plaats. In heel buitengewone tijden,
+als de koude steeds blijft aanhouden, gebeurt het, dat de bevolking van
+een korf den hongerdood sterft midden tusschen hun overvloed, daar er
+geen gelegenheid was voor zulk een reinigingsvlucht en dus de klomp op
+zijn plaats is gebleven. En hier is nu de bij het slachtoffer van haar
+eigen hoogtepunt van ontwikkeling. <span class="pagenum">[<a id="pb90"
+href="#pb90">90</a>]</span>Instinkt zou haar nooit op zulk een
+dwaalspoor geleid hebben; maar voor de rede is er mogelijkheid te
+dwalen, en hier dwaalt zij geweldig.</p>
+
+<p>De vergelijking van een modernen bijenkorf met een gebouw, gelijk
+van konstruktie, en even dicht bevolkt met menschelijke wezens, zet het
+geheele vraagstuk in een scherp licht. In zulk een gebouw zou alleen
+dan leven behouden kunnen worden, wanneer men er een gestadigen
+luchtstroom doorheen kon leiden. Maar de bijen hebben de moeilijkheid
+schitterend overwonnen, &rsquo;t Zij winter of zomer, de lucht in den
+korf blijft even zuiver als de buitenlucht, en de temperatuur kan naar
+willekeur geregeld worden. Voor de gewone bestemming van den korf: het
+honingmaken en het broeden, wordt die gewoonlijk op 80&deg; tot 85&deg;
+Fahr. gehouden. Maar zijn de wasbouwers aan het werk, dan stijgt zij
+plotseling tot 95&deg; ongeveer, terwijl zij in de <span class="corr"
+id="xd0e967" title="Bron: zwermkoorstperiode">zwermkoortsperiode</span>
+dikwijls nog hooger gaat. Maar in het heetst van den zomer is het
+binnen in een goed beheerden korf, tenzij de bewoners door een
+emigratiewoede zijn aangegrepen, zelden meer dan 80&deg;. En dit alles
+wordt op hoogst eenvoudige wijze verkregen.</p>
+
+<p>De hygi&euml;nische expert van het menschenras zou de oplossing van
+het vraagstuk maar van &eacute;&eacute;n kant kunnen benaderen. Hij zou
+zoeken een gestadigen luchtstroom mechanisch of automatisch te
+verkrijgen en dan had hij een verwarmingstoestel noodig in het gebouw,
+of een er buiten, dat de binnenstroomende lucht verwarmde. Maar de
+bijen werken naar heel andere beginselen. Zij moeten niets hebben van
+het ventilatiesysteem met gestadigen luchtstroom. Als de vernuftige
+ijmker luchtgaten maakt in de wanden van den korf, dan zullen de bijen
+ze in den nacht zorgvuldig weer dichtstoppen. In den ouden bijentuin
+hebben wij gezien hoe het waaiersleger de onzuivere lucht uittrok. Deze
+bijen <span class="pagenum">[<a id="pb91" href=
+"#pb91">91</a>]</span>hadden hun kopjes naar het vlieggat gericht. Maar
+binnen in den korf was een ander leger van waaiers, naar den anderen
+kant gewend, en dus meehelpende om diezelfden zijstroom uit te drijven.
+En op heete dagen vindt men door bijna den geheelen korf heen waaiende
+bijen, die medehelpen om de lucht in beweging te houden. Het gevolg is,
+dat de zuivere lucht, die van den eenen kant van het vlieggat naar
+binnen gezogen wordt, binnenin rond den korf blijft stroomen en er aan
+den anderen kant van den ingang weer uittrekt, ongeveer als een touw
+over een katrol. De snelste stroom blijft langs de wanden gaan en boven
+in den korf, terwijl de lucht in het midden trager beweegt. Zoo liggen
+dus de honingraten, die altijd boven in den korf worden geplaatst, in
+den vollen luchtstroom, en het vocht, dat de rijpende honing
+voortdurend afgeeft, wordt snel mee weggedragen. Maar de broedbouw, die
+in het lagere middengedeelte ligt, wordt trager geventileerd en de
+lucht is geheel verwarmd als zij dien bereikt. Hoe grooter het
+waaileger is, des te sneller beweegt zich de luchtstroom, en des te
+vlugger wordt de hitte uit den korf me&ecirc;gevoerd. Volgens deze
+methode kunnen de bijen de temperatuur binnen den korf regelen naar den
+eisch van het oogenblik; zij zetten eenvoudig meer ploegen aan het werk
+in &rsquo;t heetst van het seizoen, of zetten het ventileeren stop in
+de koude winterdagen, wanneer de natuurlijke warmteuitstraling van den
+bijenklomp volstaat om de lichte circulatie in gang te houden, die dan
+voldoende is.</p>
+
+<p>Soms, wanneer de kolonie buitensporig talrijk is, wordt het
+waaiersleger gesplitst in twee afdeelingen, &eacute;&eacute;n aan
+iederen kant van het vlieggat; het midden daarvan dient dan voor de
+instroomende lucht. In dit geval schijnt er een dubbelstroom-stelsel
+van luchtverversching te worden aangewend.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92">92</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch7" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk VII</h2>
+
+<h2 class="normal">Het Ontstaan der Koningin.</h2>
+
+<p>Straks is al gezegd, dat de honingbij in hare gewoonten en gebruiken
+niet onwankelbaar vast is, en dat zij meer dan &eacute;&eacute;ns
+afwijkt van hare wetten, waarvan er slechts weinige absoluut zijn. De
+regel b.v. van slechts &eacute;&eacute;ne koningin voor iederen korf
+schijnt vaster te zijn dan &eacute;&eacute;nige andere, en toch heeft
+ook die zijne uitzonderingen. Er worden authentieke voorbeelden genoemd
+van twee koninginnen, die vriendschappelijk samen in denzelfden korf
+hebben geleefd; zij legden ieder hun dagelijksche hoeveelheid eieren
+ongehinderd en oogenschijnlijk met volkomen goedkeuring van de
+korfautoriteiten.</p>
+
+<p>Het is nu ook vastgesteld dat een handig ijmker zijn bijen kan
+gewennen aan de aanwezigheid van meer koninginnen. In Amerika zijn op
+dit punt proeven genomen; maar hoewel volkomen gelukt en overtuigend,
+voor zoover hun bewijskracht gaat, moet hun praktische waarde voor de
+bijencultuur nog door den tijd bewezen worden. Het zou best kunnen
+blijken, dat, voor de harmonie en het welzijn van een kolonie, een
+vermeerdering der huisgodinnen alles behalve een weldaad is. In ieder
+geval is het nu vastgesteld, dat de oude wet: &eacute;&eacute;n
+koningin tegelijk, er geen van Meden en Perzen behoeft te zijn; maar of
+dit vermeerderen op <span class="pagenum">[<a id="pb95" href=
+"#pb95">95</a>]</span>den duur houdbaar zou blijken en de
+honingproduktie ten goede komen, kan alleen de tijd leeren.</p>
+
+<div id="p093" class="figure"><img border="0" src="images/p093.jpg"
+alt="Darren- en Werkbijen-broed" width="519" height="720">
+<p class="figureHead">Darren- en Werkbijen-broed</p>
+</div>
+
+<p>E&eacute;n enkele koningin, als zij jong en krachtig en van een
+goeden stam is, vermag een geheelen korf met broed te vullen zoolang
+het honingseizoen duurt. Het broednest van een moderne lossebouw-kast
+heeft een raatoppervlakte van meer dan 2500 vierk. cm., wat ongeveer
+50.000 cellen geeft voor het uitbroeden van jonge werkbijen. Dit getal
+vertegenwoordigt in de tijden van den grootsten voorspoed een zeer
+vlottende bevolking; maar wanneer er bij voortduring meerdere
+koninginnen in &eacute;&eacute;n korf geplaatst kunnen worden, en de
+korven z&oacute;&oacute;danig vergroot, dat zij alle haar volle
+productie-vermogen ontwikkelen kunnen, dan zullen die cijfers tot in
+het oneindige uitloopen. Twee waarheden zijn aan iederen ijmker van
+ondervinding bekend,&mdash;<span class="corr" id="xd0e1000" title="Niet
+in bron">ten</span> 1e) dat &eacute;&eacute;ne groote kolonie meer
+honing oplegt dan twee kleine, al is het getal bijen gelijk, en <span
+class="corr" id="xd0e1003" title="Niet in bron">ten</span> 2e) dat, als
+de honingoogst op zijn voordeeligst is, er zelden bijen genoeg zijn om
+hem binnen te halen. De groote kunst van het hedendaagsch ijmkeren komt
+dan ook hier op neer, dat de bijenhouders er zich voornamelijk op toe
+leggen de getalsterkte van iedere kolonie tot haar maximum te brengen,
+tegen dat de groote honing-overvloed op komst is. Toch kan in een
+nektarrijke streek, waar groote klavervelden tegelijk in vollen bloei
+staan, en de honing in veertien dagen moet ingezameld zijn om niet
+verloren te gaan, zelfs de volkrijkste bijenstand zooveel
+honingdraagsters niet aanbrengen om alles binnen te halen.
+Waarschijnlijk gaat in bijzonder honingrijke jaren de helft van den
+oogst verloren uit gebrek aan bijen om hem in te zamelen. Als dus het
+nieuwe systeem van meer koninginnen levensvatbaar blijkt, dan kunnen
+wij in de toekomst een omwenteling verwachten in alle denkbeelden
+omtrent de bijenkultuur. <span class="pagenum">[<a id="pb96" href=
+"#pb96">96</a>]</span>Vastgesteld is nu nog all&eacute;&eacute;n, dat
+men zoover is gekomen vijf koninginnen te zamen in rust en vrede
+&eacute;&eacute;n korf te laten bewonen; of echter deze wonderbaarlijke
+staat van zaken duurzaam zal kunnen zijn moet nog proefondervindelijk
+bewezen worden.</p>
+
+<p>Een merkwaardig en verrassend gevolg van dit omverwerpen van een
+oude en haast algemeene wet in de bijenwereld, is dat de neiging tot
+zwermen afneemt wanneer tegelijk verscheidene moederbijen in een
+enkelen korf huizen. Korven, die z&oacute;&oacute; behandeld zijn,
+hebben, zoover men weet, nooit een zwerm uitgezonden. Het is een van de
+meest teleurstellende ervaringen bij het ijmkeren, wanneer men een
+sterk en talrijk volk zich ziet splitsen in verscheidene zwakke
+afdeelingen, juist v&oacute;&oacute;rdat het groote honingseizoen
+aanvangt, terwijl men weet, dat het &eacute;&eacute;ne noodige,
+getalsterkte is. En als een meervoudig koninginnen-systeem dit kwaad
+kan voorkomen, dan zal het door den tijd geheiligde gebruik zeker
+worden opgegeven.</p>
+
+<p>Wie het bijenleven bestudeert, en den jaarlijkschen arbeid volgt van
+het begin af, en zijn gestadige rustige ontwikkeling gadeslaat, zal
+spoedig begrijpen, hoe het oude geloof van de autocratie van de
+&eacute;&eacute;ne moederbij ontstaan en geworteld is. Het is zuiver
+bedriegelijke schijn. In het hart van den winterklomp ziet men de
+koningin bezig haar eerste eieren te leggen, terwijl de bijen om haar
+heen langzaam ontwaken tot haar plicht. Met het verloopen der weken
+wordt het broednest gestadig vergroot, en het tot nu toe dicht op een
+gepakte kluwen der werksters begint zich uit te breiden over steeds
+meer raten; de waterdraagsters zijn onafgebroken in de weer; de
+stuifmeeldraagsters al bezig tusschen de crocussen in den tuin, waar
+het eerste goud en wit en purper vroolijk fladdert in den zonneschijn.
+Wij merken ook op, dat de gang der werkzaamheden <span class="pagenum">
+[<a id="pb97" href="#pb97">97</a>]</span>in den warmen korf niet
+samenhangt met den almanak; maar stop gezet wordt bij iedere koude
+periode, en pas in ernst in gang komt als de lente voor goed heeft
+ingezet. Zelfs tegen het eind van Februari, als de katjes van de
+hazelaars een smaragden schijn geven tusschen het kale hout, gaat de
+kolonie nog spaarzaam om met haar provisie, en zij tracht die zoo lang
+mogelijk te doen strekken met een wijze schrielheid, die meer dan
+gerechtvaardigd zal blijken, als de onvermijdelijke koude dagen komen
+midden in den bloesemenden Mei. Het is onmogelijk voorbij te zien, dat
+hier een wijze leidende kracht werkt; en waar zou die wijsheid zetelen
+zoo niet in het brein van die &eacute;&eacute;ne groote bij, omstuwd
+door die schare, die haar huldigt en voedt en koestert zonder
+ophouden&mdash;haar, de moeder van tienduizenden, die al zijn
+opgegroeid, haar, die ook het zaad in zich draagt van alle komende
+geslachten?</p>
+
+<p>Maar de waarheid dient gezegd, dat de bijenkoningin de grootst
+denkbare tegenstelling vormt van een heerscheres, in aard en neigingen.
+Van intellekt heeft zij niet meer dan een zeer geringe aanduiding. Zij
+heeft een prachtig lichaam, de uiterste volgzaamheid, eenige
+onweerhoudbare aanvechtingen en hartstochten, en een echt vrouwelijk
+zich geven en hang naar het juk: maar zij is niet in staat tot
+&eacute;&eacute;ne handeling, die niet uit lichamelijken aandrang
+ontstaat. Haar hersensubstantie is veel geringer dan die van de
+werkbijen, en zij is in heel veel andere opzichten hun mindere. De
+werkbijen beheerschen haar geheel; zij ontwerpen voor haar de dagorde
+en gebruiken haar tot het welzijn van de kolonie, in denzelfden geest
+als in de menschenwereld een fijn en kostbaar m&eacute;chanisme door
+een vakman gebruikt wordt om eenig waardevol handelsartikel te
+vervaardigen. <span class="pagenum">[<a id="pb98" href=
+"#pb98">98</a>]</span></p>
+
+<p>In &rsquo;t kort, de koningin is de eenig overgebleven
+vertegenwoordigster van de vrouwelijke honingbij, en de werkbijen, die
+verminkte wezens, zijn bijna evenzeer een voortbrengsel der beschaving,
+als het menschenras zelf.</p>
+
+<p>Iedere stap verder van nu af, in de studie van het bijenleven, gaat
+door wonderen. Men ziet hoe de gewone werkbij wordt opgekweekt in een
+cel, die haar een minimum van ruimte geeft voor haar ontwikkeling,
+terwijl het vertrek waar de koningin gekoesterd wordt, minstens dubbel
+zoo groot is als zij behoeft. De werkstercellen zijn z&oacute;&oacute;
+aangelegd, dat een gegeven ruimte er zoo veel mogelijk kan bevatten, en
+dat hun bouw een minimum van materiaal vereischt. Daarom zijn de cellen
+zeshoeken, de eenige vorm, die den cylinder&mdash;den
+ideaal-vorm&mdash;nabij komt, en waarvan een hoeveelheid bijeengevoegd
+kan worden, zonder dat er tusschenruimte verloren gaat. Bovendien wordt
+nog de helft van het noodzakelijk bodemmateriaal voor de cellen
+bespaard, door het plaatsen van de raten rug aan rug, zoodat
+&eacute;&eacute;n bodem voor twee cellen kan dienen. Maar die strenge
+spaarzaamheid wordt niet alleen aangewend voor de konstruktie der
+wiegen van de werkbijen. Van het oogenblik af, dat het ei is
+uitgebroed, tot de jonge larf in een pop is veranderd, wordt slechts
+een karig rantsoen voedsel verstrekt, dat juist het leven kan bewaren
+en de noodzakelijke ontwikkeling toelaten.</p>
+
+<p>Maar gaat het om de koninginnelarven, dan wordt van het begin af een
+geheel ander stelsel toegepast. Niet alleen, dat haar kinderkamer haar
+iedere toeneming van groei veroorlooft; maar zij krijgt bovendien nacht
+en dag een buitengewoon voedzamen spijs, en zoo rijkelijk, dat zij er
+haast in zwemt. De werkbijen doen niet anders dan haar cel vullen met
+die glinsterend witte substantie, de geheele vijf dagen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99">99</a>]</span>van haar
+larftoestand, en de uitwerking van dit ruime dieet is van &rsquo;t
+begin af zichtbaar in haar veel sneller groei, vergeleken met dien van
+de werkbijen. Een ander voorrecht is, dat bij de jonge koningin
+gedurende haar geheele ontwikkeling de lucht vrijen toegang heeft. De
+werkstercel wordt weinig geventileerd, all&eacute;&eacute;n door de
+smalle bovenopening, terwijl al haar zes zijden en de basis
+ondoordringbaar zijn. Doch de koninginnewieg wordt niet alleen geheel
+van poreus materiaal gemaakt, zij wordt gewoonlijk aan den hoek van een
+raat beplaatst, waar zij aan den vollen luchtstroom is blootgesteld,
+terwijl de lucht niet alleen vrij door de mondopening gaat maar ook
+door alle wanden dringt. De hoofdoorzaak dus van het buitengewone
+verschil in ontwikkeling bij de koningin en de werkbij ligt in de
+behandeling. De eerste krijgt rijkelijk voedzamen spijs, toevoer van
+zuurstof en ruimte om zich te ontwikkelen, de andere leeft op
+hongerdieet, benauwde huisvesting en een minimum van lucht om in adem
+te halen.</p>
+
+<p>Maar al geven wij toe, dat deze behandeling op den groei der jonge
+larven invloed heeft en die in &rsquo;t eene geval bevordert, in
+&rsquo;t andere tegenhoudt, dan zijn wij toch nog niet nader aan de
+verklaring van het mysterie gekomen. Wel zijn wij gedwongen te
+gelooven, dat de substantie van het ei waaruit de werkster geboren
+wordt gelijk is aan dat, waaruit de koningin zich ontwikkelt, omdat een
+heel eenvoudige proefneming allen twijfel daaraan opheft. Wanneer men
+het ei, dat in de koninginnecel gelegd is, wegneemt, en er een ander,
+uit welke ook van de duizenden werkstercellen, voor in de plaats legt,
+dan zal het werksterei altijd een volkomen ontwikkelde en met alle
+hoedanigheden uitgeruste koningin voortbrengen. En handelt men in
+tegenovergestelden zin, legt men dus een ei uit een koninginnewieg
+<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100">100</a>]</span>in
+een werkstercel, dan zal er onfeilbaar een gewone, onuitgegroeide
+werkbij uit voortkomen. Ongeloofelijk zou dit al klinken, als het
+verschil tusschen een koningin en een werkbij alleen maar op de grootte
+betrekking had. Gesteld, dat de koningin niet anders was dan een
+buitengewoon groote werkbij, waarin enkele organen&mdash;onderdrukt bij
+de werksters&mdash;tot volle ontwikkeling waren gekomen, dan zou het
+geval toch al onbegrijpelijk genoeg zijn; maar de <span class="corr"
+id="xd0e1029" title="Bron: koninigin">koningin</span> verschilt niet
+alleen van de werkbij in haar organisme; maar ook in verschillende,
+heel belangrijke punten van lichaamsbouw. En hoe kunnen voedsel en
+lucht alleen veranderingen van bouw teweeg brengen? De werkbij heeft
+vele lichamelijke toestellen, sommige ledematen volmaakt aangepast aan
+het werk, dat er van gevraagd wordt, die bij de koningin ontbreken; het
+lichamelijk organisme van de koningin daarentegen verschilt van dat der
+werksters in belangrijke mate.</p>
+
+<p>Een paar van deze verschillen zullen we opsommen. Het achterlijf van
+de werkster is kort en afgerond, dat van de koningin is grooter en
+langer en loopt in een vrij scherpe punt uit. De kaken van de koningin
+zijn van binnen aan den rand ingesneden; die van de werkster gelijk,
+als het lemmet van een mes. De tong van de werkbijen is spatelvormig
+aan het eind en voorzien van gevoelige haartjes; de tong van de
+koningin is korter, de spatel kleiner en de haartjes zijn langer. De
+werkbij heeft een gecompliceerd systeem van afscheidende schijfjes
+onder de hoornachtige platen van het achterlijf; bij de koningin zijn
+die afwezig en zelfs niet de allerminste aanduiding is er van te
+ontdekken. Ook in het zenuwstelsel is er een onderscheid; de koningin
+bezit niet meer dan vier abdominale gonglie&euml;n en de werkster heeft
+er vijf. De angel der koningin is gebogen en langer dan die van de
+werkster, bij wie hij volkomen <span class="pagenum">[<a id="pb101"
+href="#pb101">101</a>]</span>recht is. Aan hun achterpooten hebben de
+werkbijen een merkwaardig toestel, door de ijmkers het stuifmeelkorfje
+genoemd. Het is een uitholling van de dij, met stijve haren omzet; en
+in die holte wordt het stuifmeel gepakt en zoo mee naar huis gedragen.
+Bij de <span class="corr" id="xd0e1036" title="Bron: koninigin">
+koningin</span> geen holte en geen haren. En dan verschilt zij ook in
+kleur van de werkbijen, vooral haar pooten zijn van een veel
+roodachtiger bruin.</p>
+
+<p>Ziehier nu een vraagstuk voor onze groote biologen, waartegenover de
+gewone allerdaagsche mensch zich machteloos moet voelen. Want hier
+staan wij voor geheel nieuwe toestanden van het organisch leven,
+feiten, die niet schijnen samen te gaan met de aangenomen begrippen van
+het onvermijdelijk verband tusschen oorzaak en gevolg. Is men tot dit
+punt genaderd, dan heeft men een onverwinbare neiging &rsquo;t alles
+nog eens over te doen; de proef van de geruilde eieren te herhalen en
+scherp toe te zien of er niet een ingrijpende omstandigheid is voorbij
+gezien. Maar altijd is de uitkomst dezelfde. Ook kan de meest
+nauwgezette microskopische ontleding van de eieren niet het geringste
+verschil aan den dag brengen. Dit mysterie van het verschil in
+struktuur tusschen de koningin en de werkbij dringt ons om
+&eacute;&eacute;n van drie alternatieven aan te nemen. Of het ei bevat
+twee levenskiemen, waarvan de eene all&eacute;&eacute;n onder een
+schraal r&eacute;gime ontwikkelt en de andere bij weelderige
+verpleging. Of wij moeten tot de middeneeuwsche zienswijze terugkeeren
+en gelooven, dat de werkbijen willekeurig een levensprincipe van
+zichzelve geven of onthouden gedurende de verpleging van het broed. Of
+eindelijk moeten wij het geheele vraagstuk laten vallen en aannemen,
+dat de wetten der schepping werken volgens een geheel ander plan, dan
+dat waaraan wij tot nu toe geloofd hebben.</p>
+
+<p>De verwikkeling wordt nog grooter door het feit, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102">102</a>]</span>dat deze
+verandering pas betrekkelijk laat in het leven der bij gebeurt. Het
+broeden duurt drie dagen. Maar de jonge larve is nog minstens drie
+dagen ouder v&oacute;&oacute;rdat de natuur die onherroepelijke schrede
+doet naar &eacute;&eacute;n der beide zijden. Want de proefneming van
+de plaatsverwisseling kan met hetzelfde gevolg worden genomen met jonge
+bijenlarven van uiterlijk drie dagen oud in plaats van met de
+onuitgebroede eieren. Het is zelfs een verrichting die, als het noodig
+blijkt, door de broedbijen zelve gedaan wordt. Als een korf zijn
+koningin verloren heeft, en al de eieren in de werkstercellen al zijn
+uitgekomen, dan kweeken de bijen een andere koningin van een der
+werksterlarven, die beschikbaar is. En gewoonlijk met goed gevolg, als
+de jonge larve maar niet ouder is dan drie dagen. Maar zelfs al zijn de
+larven ouder, dan zullen de bijen het n&oacute;g ondernemen, wetende
+dat een volk zonder koningin bezwijken moet. In dit geval echter zal de
+koningin veel gebreken hebben. Waarschijnlijk zal zij niet bevrucht
+kunnen worden, en is ze dus van alle nakomelingschap afgesneden. Als de
+ijmker den korf dan niet van een nieuwe, bevruchte koningin voorziet,
+zal die zich langzamerhand vullen met darren, de oude werkbijen gaan
+dood en het volk moet uitsterven.</p>
+
+<p>Heeft de beschouwer zich eens aan de studie van het innerlijk
+bijenleven gewaagd, dan zal hij al spoedig inzien, dat zijn scheepje
+een bezwaarlijker reis ondernomen heeft, dan hij zelfs in zijn
+stoutmoedigste oogenblikken durfde denken. In den ouden bijentuin
+heerschte zulk een serene kalmte, en een zalige onwetenheid hield den
+toeschouwer in zijn gemoedelijke Zondagsstemming. De zonneschijn, de
+bloemen, het suizen van den wind in de boomtoppen en het droomerige
+gonzen der korven; de stem van den ouden, grijzen bijenman, die het oor
+zoo gemakkelijk volgt, terwijl <span class="pagenum">[<a id="pb103"
+href="#pb103">103</a>]</span>hij de oude dwalingen in arabesken welft;
+het plotseling juichend uitgonzen van een zwerm, dat de lucht vol maakt
+met muziek en het flakkeren van ontelbare vleugeltjes; de stilte in den
+nacht met den ondertoon van het bijengegons, en de halve maan die, in
+wazigen nevel boven den heuveltop uitkomt; de schimmige gebogen
+gedaante van den ouden ijmker, luisterend aan de korfopeningen naar de
+oorlogskreten der naijverige koninginnen, die moeilijkheden voorspellen
+voor den komenden dag&mdash;al deze herinneringen dringen zich nu aan
+den toeschouwer op, en het is hem als verliet hij zorgeloos een veilige
+haven voor de stormberoerde open zee. Want nu, met het innerlijk leven
+van den korf voor hem, stapelt zich wonder op wonder, en ieder feit,
+dat zich hem openbaart, brengt meer verwarring in zijn denken, omdat
+het we&ecirc;r een nieuw stuk afbreekt van de oude geheiligde
+traditie.</p>
+
+<p>Het volk, dat zijn moeder-bij verloren heeft en niet bijtijds heeft
+gezorgd voor een vruchtbare, volkomen ontwikkelde opvolgster, gaat
+kwijnen in het getal zijner werksters, terwijl de darrenhorden
+schrikbarend toenemen. Maar van waar die darren als de bron van alle
+bijenleven is opgedroogd, door het verlies van eene bevruchte koningin?
+Deze vraag brengt den toeschouwer voor een feit, dat misschien het
+merkwaardigste is uit het geheele groote boek der natuurlijke
+geschiedenis.</p>
+
+<p>Theologische twistpunten zijn hier niet aan de orde, en ik zal ook
+niet den draad van het bijenleven laten slippen om af te wijken naar
+den preekstoel. Maar hier is toch iets waarover het de moeite waard is
+te denken: sedert twee duizend jaar is het dogma van de onbevlekte
+ontvangenis het middelpunt van jammerlijk getwist onder de menschen
+geweest. De voorstanders houden het hoog als een geloofsartikel, eeuwig
+uitgesloten van <span class="pagenum">[<a id="pb104" href=
+"#pb104">104</a>]</span>de weerzinwekkende noodzakelijkheid van bewijs;
+de gematigde tegenstanders zetten het met droevige berusting ter zijde
+als een natuurlijke onmogelijkheid. Aan de &eacute;&eacute;ne zijde
+luidt de aanklacht: ongeloof!, aan de andere: blind geloof! En niemand
+schijnt er aan gedacht te hebben een onderzoek in te stellen op andere
+scheppingsparen dan de menschelijke, of er niet ergens een <span class=
+"corr" id="xd0e1055" title="Bron: paralel">parallel</span> bestond,
+waarmede beide partijen geholpen waren, en die de zwaarden terug zou
+wenken in de scheeden, daar het een gemeenschappelijk mysterie geldt.
+Van alle gevleugelde schepselen is zeker de honingbij een der kleinste;
+maar hier verschijnt zij groot, een machtig symbool. Het is nu
+vastgesteld als een onweersprekelijk feit, dat de <i>maagdelijke</i>
+bijenkoningin in staat is haar soort voort te planten; maar alleen in
+het mannelijk geslacht. Wanneer zij laat in het jaar geboren wordt, als
+er geen darren meer zijn, en dus bevruchting is uitgesloten, of indien
+iets hapert aan haar vleugels, dat haar de paringsvlucht belet, dan zal
+zij zich ijverig kwijten van haar &eacute;&eacute;nige taak, het
+eierleggen; en uit deze eieren ontwikkelt zich niet anders dan
+mannelijk broed. Hetzelfde gebeurt in het geval van den koninginloozen
+korf; als daar geen werkstereieren of larven, niet ouder dan drie
+dagen, beschikbaar zijn, en de werkbijen toch trachten een koningin te
+kweeken uit een larve van misschien vier of vijf dagen oud, dan is de
+dus geschapen koningin slechts een koningin in naam. Zij kan volkomen
+ontwikkelde eierstokken hebben; maar zij mist van nature alle verdere
+eigenschappen. Zij zal noch de neiging noch de kracht hebben den dar te
+ontvangen, en de eieren, die zij des ondanks zoo onverdroten voortgaat
+af te zetten, zullen slechts het getal waardelooze mannen vergrooten,
+die spoedig de &eacute;&eacute;nige vertegenwoordigers van het ten
+ondergang gedoemde volk zullen zijn. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb105" href="#pb105">105</a>]</span></p>
+
+<div id="p105" class="figure"><img border="0" src="images/p105.jpg"
+alt="De Koningin in broed-tijd" width="521" height="720">
+<p class="figureHead">De Koningin in broed-tijd</p>
+
+<p>(Men ziet haar bezig met eieren-leggen, haar garde om haar heen)</p>
+</div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb107" href=
+"#pb107">107</a>]</span></p>
+
+<p>Volgen wij de ontwikkeling van een bijenkolonie in het klimmen der
+lentedagen, dan zullen wij na iedere afgeloopen week een grooter ruimte
+met de raten zien aangevuld, die het jonge werksterbroed bergen, en in
+het midden van April bezoekt de koningin voor het eerst de
+darrencellen, en legt dan in iedere cel een enkel ei, zooals zij ook
+bij de anderen deed. Men stelt zich gewoonlijk voor, dat de koningin
+steeds omstuwd is door een schare hovelingen, waarvan ieder het hoofd
+eerbiedig naar de soevereine gewend houdt, en achterwaarts haar
+voorgaat als zij voortschrijdt over de raten. Het is waar, dat zoo iets
+gewoonlijk te zien is in den broedtijd, maar dan ook
+all&eacute;&eacute;n: later wordt er op de koningin gewoonlijk weinig
+acht geslagen, en zij beweegt zich in den korf, zonder dat er van haar
+meer werk wordt gemaakt dan van de andere bijen. De middeneeuwsche
+schrijvers wisten van die lijfgarde, en geloofden, dat zij altijd juist
+twaalf in getal waren, het cijfer van de apostelen. Maar een beetje
+waarneming zal al spoedig aanwijzen, dat de bijen, die de koningin op
+haar rondgang omgeven, niet haar getrouwen en hovelingen zijn. Zij zijn
+feitelijk haar leidsters en bewaaksters; en iedere beweging, die de
+koningin te maken heeft beduiden zij haar door haar zonder ophouden aan
+te raken, te stooten of zachtjes te streelen met hunne voelsprieten.
+Zoo staan zij haar vrije beweging over de raten toe; maar bij iedere
+leege cel laten zij haar ophouden, en scharen zich direct om haar heen,
+blijkbaar in de meest spannende belangstelling naar wat zij gaat
+verrichten. Eerst kijkt zij in de cel en inspekteert die zorgvuldig.
+Dan draait zij zich om, terwijl de bijen voor haar uitwijken en gaat
+een paar passen vooruit, zoodat het achterlijf juist boven de cel komt;
+daarna drukt zij het er diep in en blijft zoo een oogenblik staan. Dan
+gaat zij weer verder over de <span class="pagenum">[<a id="pb108" href=
+"#pb108">108</a>]</span>raat en onmiddellijk hernemen de wachters haar
+post en manoeuvreeren haar naar de volgende leege cel. Men krijgt nooit
+den indruk, dat dit werk haastig geschiedt en toch moet het in het
+drukste broedseizoen met geweldige snelheid worden verricht; want men
+heeft berekend, dat een goede koningin op deze wijze van twee- tot
+drieduizend cellen vult op &eacute;&eacute;n dag, wat ongeveer uitkomt
+op twee eieren in de minuut; hierbij verondersteld, dat zij de geheele
+vier en twintig uur zonder ophouden doorgaat.</p>
+
+<p>De cellen, voor het werksterbroed bestemd, zijn aan den wand
+&frac12; c.m. wijd; de darrencellen zijn grooter, met een diameter van
+&frac34; c.m. en zij zijn ook dieper. De koningin vergist zich heel
+zelden, al gaat ze van de eene soort raat op de andere. Uit het ei in
+de werkstercel komt een vrouwelijke bij, uit dat in de grootere een
+mannelijke, een dar. Het blijkt heel duidelijk, dat de koningin zelve
+het leggen der verschillende eieren beheerscht. Men heeft ook
+opgemerkt, dat de moederbij niet all&eacute;&eacute;n met
+onderscheiding hare eieren legt, maar ook het aantal in haar macht
+heeft. Van het oogenblik af, dat het leggen begint, tot zij in den
+voorzomer haar grootste aktiviteit ontwikkelt, wordt de kolonie niet
+regelmatig vermeerderd; maar het gaat met horten en stooten, in verband
+met het weer en den inkomenden voorraad proviand. Als de provisie
+steeds toeneemt, en het stuifmeel overvloedig is, dan gaat het broeden
+zijn geregelden, vluggen gang; maar als perioden van ontijdige
+ko&ucirc; het werk buiten stop zetten, zal dit onmiddellijk invloed
+hebben op het eierleggen. En bij buitengewonen tegenspoed houdt het
+soms geheel op. Dit kan ook gebeuren op het hoogtepunt van het
+honingseizoen, in vollen zonneschijn en overvloed: als n.l. de korf te
+klein is en niet meer bevatten kan. De raten zijn dan alle gevuld met
+honing en broed, en de koningin <span class="pagenum">[<a id="pb109"
+href="#pb109">109</a>]</span>moet wachten, tot er ruimte voor nieuwe
+eieren kan gemaakt worden. Dat zij tot dat wachten in staat
+is,&mdash;dat haar vermogen tot eieren afzetten kan vermeerderd en
+we&ecirc;rhouden worden, al naar de behoefte der kolonie, en dat de
+verhouding der geslachten, willekeurig kan gewijzigd worden, naar de
+omstandigheden het eischen&mdash;, is iets dat all&eacute;&eacute;n
+d&aacute;n begrijpelijk wordt, als wij den geheelen omvang van haar
+levensgang in alle d&eacute;tails beschouwd hebben.</p>
+
+<p>Bij het normale, voorspoedige volk dat wij nu op het oog hebben, is
+de koningin nog jong, en onder gewone omstandigheden, zal zij aan het
+hoofd der zaken blijven, tot zij met den eersten zwerm uitvliegt, in
+Mei of Juni. Een bijenkoningin bereikt het hoogtepunt harer
+vruchtbaarheid in haar tweede levensjaar. Daarna neemt haar legvermogen
+regelmatig af, hoewel zij tot vier of zelfs vijf jaar oud kan worden.
+Maar de autoriteiten in den korf vergunnen eene moederbij zelden haar
+plaats te behouden, als zij teekenen begint te geven van afnemende
+vermogens. Er worden dan dadelijk maatregelen getroffen voor het
+opkweeken van een nieuwe koningin.</p>
+
+<p>Een heel oude koningin kan geen werkstereieren meer leggen en teelt
+enkel darren. Maar z&oacute;&oacute; dommelig zijn de werkbijen nooit,
+dat zij het zoover laten komen, en lang v&oacute;or dat zoo iets
+gebeurt, is gewoonlijk het bouwen van koninklijke cellen in den korf al
+begonnen. Een koninginnecel is door verscheidene schrijvers al bij een
+eikel vergeleken, en als ze half klaar is, is de overeenkomst in
+grootte en vorm met een omgekeerd eikeldopje ook bijzonder sterk.
+Gewoonlijk wordt zij met de opening naar beneden tegen den kant of aan
+den bodem van een der middelste broedraten gehangen; maar soms wordt
+zij ook midden in de raat geplaatst, en in dat geval worden de cellen
+er omheen weggesneden <span class="pagenum">[<a id="pb110" href=
+"#pb110">110</a>]</span>dat ze ruimte en lucht krijgt. Of de oude
+koningin zelve een ei in de koninklijke cel legt en op die wijze
+onwetend haar eigen onttroning voorbereidt, of dat de werkbijen een ei
+of larve uit een gewone cel naar die moederwieg overbrengen, is nog
+niet vastgesteld. Maar daar gewoonlijk het gezicht alleen van een
+moederwieg de koningin tot de uiterste woede prikkelt, is het
+waarschijnlijk, dat zij nooit in de buurt van zulk een cel door de
+werkbijen is gebracht geworden, en het ei er dus door deze heengevoerd
+is. In verreweg de meeste gevallen is het waarschijnlijk, dat wanneer
+er nieuwe <span class="corr" id="xd0e1084" title="Bron: koniginnen">
+koninginnen</span> geteeld moeten worden, een reeds bestaande
+werkbijencel, waarin het ei al gelegd is, wordt verwijd en verruimd.
+Zoover men kan nagaan gebeurt dit altijd als men voor dit doel een
+larve gebruikt in plaats van een ei. Het is ook zelfs mogelijk, dat de
+koningin physiek niet in staat is, een ei dat een vrouwelijke bij moet
+voortbrengen in een moederwieg te leggen; maar dit zeer merkwaardig
+punt zal eerst later besproken worden.</p>
+
+<div id="p111" class="figure"><img border="0" src="images/p111.jpg"
+alt="Broedcel voor Koningin" width="511" height="692">
+<p class="figureHead">Broedcel voor Koningin</p>
+</div>
+
+<p>Het bekende beweren van bijentelers, dat bijen nooit onveranderlijk
+hetzelfde doen, wordt zeer zeker toegelicht wanneer men op hun leven
+nader ingaat. Wij hebben er van gesproken hoe een volk, dat zijn
+koningin mist en geen werksterei of larve van minder dan drie dagen oud
+bezit om in de leemte te voorzien, binnen korter of langer tijd moet
+uitsterven. Maar nu is het voorgekomen, dat korven die in dit geval
+verkeerden, onverwacht en op onverklaarbare wijze, weer opleefden. Na
+een periode van depressie, die zich over wel drie weken uitstrekte, was
+er plotseling een vernieuwde bedrijvigheid en levenslust in den korf
+ontstaan. De stuifmeeldraagsters, die tot nu toe haast werkeloos waren
+gebleven, hervatten de werkzaamheden; en als de korf geopend wordt,
+vindt men alle bewijzen, <span class="pagenum">[<a id="pb113" href=
+"#pb113">113</a>]</span>dat er een vruchtbare, eierleggende koningin
+aanwezig was. Nu is waarschijnlijk in de meeste gevallen, waarbij een
+nieuw kontrakt met het leven gesloten werd door een in druk verkeerend
+volk, de schijn bedriegelijk geweest. De werkbijen hebben wellicht in
+hun midden nog een werksterlarve ontdekt, die de grens voor de
+bevordering tot het moederschap nog niet overschreden had, en zoo te
+elfder ure zich nog uitkomst verschaft. Echter is er ten minste
+&eacute;&eacute;n geval bekend, dat de mogelijkheid hiervan absoluut
+weerspreekt: een beginnende korf, die maar drie of vier kleine raten
+bevatte en misschien maar een vijfhonderd bijen, was zonder koningin
+geraakt. Tien dagen later waren alle moederwiegen, die in dien
+tusschentijd in de korf gebouwd waren, vernield en er was geen enkel ei
+of larve over. En toch, toen na achttien dagen de korf geopend werd,
+vond men een nieuwe koninginnecel met een ei. En uit dit ei ontwikkelde
+zich een kloeke, goed gebouwde koningin. Nemen wij deze feiten als waar
+aan&mdash;en zij schijnen onweersprekelijk&mdash;dan is hieruit slechts
+&eacute;&eacute;n gevolgtrekking te maken: eene ondernemende bij uit de
+kolonie moet naar een anderen korf gevlogen zijn en er een werksterei
+gevraagd, geleend of gestolen hebben. Wetenschappelijke bijenkenners
+aarzelen, en terecht, na &eacute;&eacute;n enkel voorbeeld, hoe de
+waarheid daarvan ook gestaafd zij, de honingbij zulk een verwonderlijk
+vernuft toe te kennen. Maar er worden meer voorbeelden genoemd, die
+haast even betrouwbaar zijn; en daar het een onomstootelijk bewezen
+feit is, dat werkbijen eieren overdragen van de eene raat naar de
+andere binnen hun eigen korf, schijnt het niet zoo ongeloofelijk, dat
+zij, door zulk een ingrijpenden nood tot de uiterste spanning van hun
+vernuft gedrongen, ook naburige korven met dat doel bezoeken. Dit punt
+is van meer dan &eacute;en kant zeer <span class="pagenum">[<a id=
+"pb114" href="#pb114">114</a>]</span>belangrijk; want het wijst
+onmiddellijk op het groote vraagstuk: &ldquo;Rede of Instinkt&rdquo;,
+dat op het oogenblik de meesten onzer moderne natuurkenners bezig
+houdt.</p>
+
+<p>Op welke wijze nu ook het volk, dat een nieuwe koningin wil kweeken,
+zich een ei voor de moederwieg verschaft, het eerste levensteeken
+blijft altijd hetzelfde: een klein, wit, langachtig spikkeltje,
+vastgekleefd onder aan den bodem, of eigenlijk het dak, van de
+omgekeerde cel. Zoo blijft het ongeveer drie dagen, tot de larve zich
+uit het ei ontwikkeld heeft, wanneer onmiddellijk de speciale
+behandeling, voor de jonge koninginnen ingesteld, begint. Van haar
+eerste levensteeken af wordt zij volgepropt met het kostelijkste
+voedsel, zij zwemt letterlijk in die glimmende, witte, <span class=
+"corr" id="xd0e1100" title="Bron: gele&iuml;achtige">
+gelei-achtige</span> substantie, die de broedbijen onafgebroken
+uitbraken en in de cel storten. Dit voedingsproces wordt ongeveer vijf
+dagen lang voortgezet, dan heeft de larve haar vollen wasdom bereikt en
+de cel zijn grootste afmetingen. De larve houdt nu op met eten en spint
+zich in een zilveren wade, voordat zij tot den poptoestand overgaat, en
+de bijen verzegelen de cel. In zijn volkomen vorm lijkt de moederwieg
+niet meer op een eikel; maar eerder op een pijnappel. Voor de gewone
+werksters en de darren worden de cellen van zuivere was gemaakt,
+terwijl alleen de afsluiting uit was en stuifmeel dooreen gemengd
+bestaat. Maar de koninginnecel wordt uitsluitend uit dit poreus
+materiaal vervaardigd.</p>
+
+<p>Na vijftien of zestien dagen sedert het ei gelegd werd, is de
+koningin klaar en in de uiterste spanning om haar wieg te verlaten.
+Maar gewoonlijk geven de bijen haar nog eerst, en het is wel vroeg zoo
+in den allereersten aanvang van haar loopbaan, een les in
+gehoorzaamheid. Want dit is een kritiek oogenblik in de geschiedenis
+van de kolonie, en veel was er te handelen en te voorzien <span class=
+"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115">115</a>]</span>bij de
+gecompliceerde dingen, die te gebeuren stonden. In de eerste plaats zou
+het niet praktisch geweest zijn, de geheele toekomst van het volk te
+laten afhangen van &eacute;&eacute;n enkel leven. Daarom werd er niet
+&eacute;&eacute;ne, maar verscheidene koninginnen opgekweekt. Wel vijf
+of zes zijn er misschien bezig uit te komen op verschillende punten van
+het broednest; maar geen van allen wordt het toegestaan uit de cel te
+breken v&oacute;&oacute;rdat het vastgestelde uur gekomen is. Nu wordt
+de wieg voor haar een gevangenis. Er wordt een klein gaatje geboord in
+den celwand, waardoor de ongeduldige gevangene gevoerd wordt tot het
+oogenblik van verlossing zal gekomen zijn, en strenge wacht wordt er
+gehouden bij iedere cel, om die te vrijwaren voor de gewelddaden van de
+oude koningin, wier wantrouwen en rusteloosheid van uur tot uur
+toenemen.</p>
+
+<p>Hier ziet men een treffende bevestiging van de algeheele
+onderwerping der koningin aan de heerschende werkbijenklasse van den
+korf. Zij is een waardig exemplaar van een veelvuldig voorkomende
+vrouwensoort: aantrekkelijk van uiterlijk, ongeschoold van geest, een
+hardnekkige thuisblijfster, een vruchtbare moeder; en nu trilt ook de
+snaar van de ijverzucht. Werd zij vrijgelaten om haar aandrang te
+volgen, dan zou al heel gauw een eind zijn aan al wat in den korf met
+zooveel doorzicht en zorg was voorbereid. Zij zou &eacute;&eacute;n
+voor &eacute;&eacute;n de <span class="corr" id="xd0e1109" title="Bron:
+konnklijke">koninklijke</span> cellen openrukken; en met
+&eacute;&eacute;n slag van haar wreed, krom zwaard, dat de
+bijenkoniginnen alleen voor haar gelijken in rang gebruiken, zou zij
+meedoogenloos de bewoonsters afmaken en haar eigen opperheerschappij
+dus hernieuwen. Maar een geweldigen slagboom vindt zij op haar
+weg&mdash;den gemeenschappelijken wil in den korf. Eens heeft zij het
+wellustig genot van het dooden gekend; dat zal zich nooit herhalen. Nu
+gaat het om haar eigen lot. Het kan de <span class="pagenum">[<a id=
+"pb116" href="#pb116">116</a>]</span>dood zijn; het kan ook zijn: een
+nieuw leven in een nieuw tehuis. &rsquo;t Hangt alles af van het
+w&egrave;loverwogen besluit van hen, die haar gemaakt hebben tot wat
+zij is, en die haar nu gebruiken of verwerpen al naar hun eigen
+oogmerken dat vragen. Is het in de late lente en gedoogt het de
+toestand van het volk, dan besluit licht de korfgeest tot kolonisatie,
+en er wordt over de oude koningin beschikt, dat zij met een zwerm wordt
+uitgezonden. Maar er kan ook anders besloten worden. Het kan te vroeg
+in den tijd zijn of het weder is ongunstig. En dan zal haar het noodlot
+slaan in den vorm van een meedoogenloos toepassen van beginselen; haar
+eigen wijze kinderen zullen haar zonder genade dooden.</p>
+
+<p>Deze staatsexecutie der koningin, bij het afnemen van hare
+vruchtbaarheid, is een treffend en zelfs tragisch moment in het
+bijenleven. De strenge, wrange amazonen in de korven hebben bij al wat
+zij ondernemen hun stelsels en gebruiken, en de onderdrukking van de
+oude koningin zelfs moet onder bepaalde voorwaarden en met een zeker
+ceremoni&euml;el geschieden. Gesteld, dat het tegen het welzijn der
+kolonie was, dat zij het leven behield na het verlies van hare
+heerschappij, dan zou &eacute;&eacute;n angelsteek het uitmaken, en aan
+de wet, dat in de bijenrepubliek geen nuttelooze leden geduld worden,
+zou voldaan zijn. Maar de oude traditie wil, dat de koningin geen
+geweld mag lijden door de wapenen van het gemeen. Sterven moet zij;
+maar door andere middelen. En zoo dringen de vleiende beulen om haar
+heen in een dichte omhelzing, dichter en dichter tot zij in die
+liefkoozing verstikt wordt. In liefkoozingen heeft zij haar leven
+doorgebracht en nu zal zij er in sterven, tot het laatst toe gekneld in
+dien vreeselijken, zwijgenden greep.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb117" href=
+"#pb117">117</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch8" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk VIII.</h2>
+
+<h2 class="normal">De Bruid-Weduwe.</h2>
+
+<p>In den heeten gloed van den lichten Juni-morgen kunt gij haar zien
+opstijgen, de jonge maagdelijke koningin, gereed tot haar
+bruiloftsvlucht.</p>
+
+<p>Al aarzeling is zij in den aanvang en onbesloten; heen en weer
+drentelend tusschen de menigte op den drempel, koketteert zij met den
+zonneschijn; zij ging ongaarne terug in het schemerige zwoele
+murmelende halfduister, dat zij zoo juist verliet; maar hoe waagt zij
+de vlucht in de ruimte op haar onbeproefde vleugels?!</p>
+
+<p>Al drie lange dagen en nachten sedert haar bevrijding uit de
+celgevangenis was zij een wonderlijk eenzame figuur in den bezigen
+korfdrom. In plaats van al de blijde begroetingen, die zij verwachtte,
+ziet zij zich omgeven door onverschillige vreemden. Geen dar wiens blik
+naar haar afdwaalt, en de werksters, vervuld met hun bezigheden, gaan
+haar schijnbaar achteloos voorbij. Zij geven zich niet eens de moeite
+haar te voeden en zij moet zich zelf voorzien zoo goed en zoo kwaad het
+gaat. Het geheele volk schijnt tot onverschilligheid te hebben
+saamgezworen; want dit past bij den diepgaanden toeleg tot haar
+opvoeding&mdash;indien zij het slechts wist.&mdash;Immers dit gedrag is
+een domper op de vurige en grootsche aspiraties, die haar meer en meer
+vervullen. Toch eindelijk komt de roep, die allen zwijgend verwachtten,
+<span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118">118</a>]</span>en
+zij gehoorzaamt, in onweerstaanbaren aandrang, en gaat uit in het
+licht.</p>
+
+<p>En terwijl zij daar aarzelend staat, overgiet haar de heete Junizon
+met vloeiend goud. Nu trekt haar de blauwe lucht. Die wereld van kleur
+en leven en aroma lokt haar ter bruiloft en zij kan niet anders dan
+gehoorzamen. Zij breekt los uit het gewarrel der menigte; zij flakkert
+even blij met haar vleugels, en dan stijgt zij op in het licht.</p>
+
+<p>Boven talmt zij een oogenblik, en behoedzaam neemt zij een overzicht
+van haar tehuis en zijne omgeving. Dan wiekt zij naar boven in wijder
+en wijder cirkels, en met iedere zwenking krijgt zij ruimer blik op de
+wereld beneden haar. Tot zij eindelijk voortschiet in de blauwe lucht,
+en het menschelijk oog haar niet meer kan volgen. Maar dit is slechts
+een korte vlucht. Ze is al weer terug, bijkans v&oacute;&oacute;r dat
+men haar gemist heeft; en haastig, als verschrikt van haar eigen durf,
+vliegt zij terug, naar den ouden, veiligen schemer van haar korf.</p>
+
+<p>En zoo dartelt zij, op en neer, tusschen zonneschijn en duisternis,
+en iederen nieuwen keer waagt zij zich wat verder in de blauwe
+speelplaats van de bovenlucht&mdash;tot eindelijk het feit, het
+onvermijdelijke, gebeurt. Een groote dar&mdash;een uit de rumoerige
+menigte, die den bijentuin luid maakt met een schor
+gegons&mdash;ontdekt haar, onmiddellijk is hij haar na. Zij ziet hem en
+wendt zich, en weg schiet zij snel als het weerlicht, weg in den
+zonneschijn. Maar nauwelijks begon de eerste dar zijn vlucht, of een
+ander volgt hem en weer, en weer een ander. Nu komen zij op in dichte
+drommen voor de wedvlucht, totdat de vluchtende koningin als een grijze
+wolk, die haar volgt, een geheelen stroom van darren heeft aangelokt.
+Dit kunt ge nog zien, als ge uw oogen sterk inspant om hun spoor te
+volgen; maar <span class="pagenum">[<a id="pb119" href=
+"#pb119">119</a>]</span>op eens zijn jagers en wild verdwenen, als
+waren zij heengewerveld tot naar het uiterste van den ether.</p>
+
+<p>Het geheele leven van de koningin, van hare geboorte af totdat het
+dreigend cordon haar omsluit, kan gevolgd worden van stap tot stap.
+Doch all&eacute;&eacute;n dit &eacute;&eacute;ne oogenblik van haar
+bruidschap blijft ons altoos verborgen, en misschien moet het een
+verborgenheid blijven voor het menschelijk weten, ten eeuwigen dage. Ge
+kunt u die wilde jacht verbeelden in de lichte Junilucht en
+zonneschijn; in uw verbeelding kunt ge ook den prijs geven aan de
+sterkste en vlugste; maar z&eacute;ker zijt ge all&eacute;&eacute;n
+hiervan: na een korte poos komt de koningin naar den korf terug,
+bedaard en eenzaam, en met haar mee draagt zij het onfeilbaar bewijs
+van hare bevruchting en den dood van den overwinnaar. Bruid was zij
+&eacute;&eacute;n enkel oogenblik; nu is zij haar leven lang weduwe.
+Voortaan leeft zij haar dagen in het schemerig klooster van den korf,
+en z&oacute;&oacute; zelden vliegt zij uit, dat menig ervaren
+bijenvader beweert, dat zij maar &eacute;&eacute;nmaal &rsquo;s jaars
+den korf verlaat, om dan een zwerm te geleiden. Nu draagt zij in haar
+lichaam het zaad waarvan een heel volk zal groeien. V&oacute;&oacute;r
+haar bruidsvlucht was zij van allen in de kolonie het minst in aanzien;
+nu wordt zij met een openbare en algemeene huldiging ontvangen,
+geprezen, gevoed, gekoesterd; hoog wordt zij verheven, het levend
+symbool van de tienduizenden, die nog geboren moeten worden.</p>
+
+<p>En zooals in oude, ruwe tijden bij vorstelijke feesten
+menschenoffers gebracht werden, zoo moet ook deze opperste dag in het
+vervolmaakte communisme van het bijenvolk, gevierd worden met een
+slachting. Maar de Staatsslachtbanken zullen niet met slavenbloed
+gedrenkt worden dezen keer, en het slachtzwaard zal niet het gewone
+beulszwaard zijn. Er zijn gevangen koninginnen in de vesting&mdash;een
+vorstelijk offer bij de hand, <span class="pagenum">[<a id="pb120"
+href="#pb120">120</a>]</span>een vorstelijk zwaard begeerig zich te
+ontblooten. Heeft de koningin haar eerste proeve van waarachtig
+moederschap afgelegd, liggen haar eerste werkstereieren in de cellen,
+dan wijken de bewaaksters van de koninklijke kerkers en het is haar
+vergund haar bloeddorst te bevredigen. Het is alles heel gruwelijk, op
+miniatuurschaal; maar toch ook heel koninklijk, volgens de oude
+tradities der menschelijke koninginnen. Zij is gaarne bereid haar
+moederschap voor een oogenblik neer te leggen en haast zich ter
+slachting, rukt de gevangenisdeuren open, en moordt meedoogenloos de
+schreeuwende gevangenen.</p>
+
+<p>Maar afgezien van dit tragische element van zustermoord, in een
+oogenblik voorbij en vergeten bij den algemeenen jubel, is er in den
+aanvang van dit koninginneleven veel romantiek;
+bruid&mdash;vrouw&mdash;weduwe, alles in &eacute;&eacute;n enkel uur.
+Toch ligt er in de bijzonderheden van het dagelijksch leven, die nu
+volgen op die korte poos van hooge spanning, en vooral in den
+verwonderlijken bouw van haar lichaam en zijn functies, nog veel hooger
+romantiek. Dat zij maar &eacute;&eacute;ns met het mannelijk element
+samentreft, en daarna voor altijd bevrucht en vruchtbaar is; dat het
+haar mogelijk is zonen en dochters voort te brengen al naar het wel van
+den staat dat eischt, en dat zij het toenemen der bevolking willekeurig
+tot stilstand kan brengen, aan dit alles kan pas geloof worden gehecht
+op grond van vaste kennis. En om te kunnen begrijpen hoe deze
+resultaten verkregen worden, is het noodig iets te weten zoowel van de
+anatomie van de moeder-bij als van den aard harer bevruchting.</p>
+
+<p>In de eerste plaats: houdt men zich aan het algemeen aangenomen
+begrip van bevruchting van het eene geslacht door het andere, dan wordt
+de bijenkoningin in het geheel niet bevrucht. De levensessence van den
+dar <span class="pagenum">[<a id="pb121" href=
+"#pb121">121</a>]</span>dringt niet door tot den eierstok van de
+koningin; maar wordt onmiddellijk na de paring ontvangen in een
+speciaal orgaan in haar lichaam, waar hij bewaard blijft met behoud van
+zijn kracht, gedurende bijna haar geheele leven. Wij hebben het feit
+reeds behandeld, dat ook de maagdelijke koningin in staat is eieren te
+leggen, maar dat deze all&eacute;&eacute;n darren voortbrengen. De
+bevruchte koningin nu, kan mannelijke en vrouwelijke eieren afzetten,
+en dit kan zij naar willekeur. Hoe verbijsterend dit echter klinkt en
+hoe v&egrave;rstrekkend de gevolgen zijn, het is toch hiermede zooals
+met veel ander verwonderlijks in de natuur: de verklaring is hoogst
+eenvoudig. De klier waarin de mannelijke levens-essens wordt
+uitgestort, kan willekeurig door de moederbij <span class="corr" id=
+"xd0e1155" title="Bron: ge&ouml;pend">geopend</span> en gesloten
+worden, of beter uitgedrukt, naar gelang der omstandigheden, die haar
+op dat oogenblik, hoewel onbewust, onverbiddelijk dwingen. Als zij naar
+de groote darrecel gebracht wordt, blijft de klier gesloten, en het ei
+ontsnapt zonder met den inhoud in aanraking te zijn geweest. Maar bij
+de nauwe werkstercel opent zich de klier, en het ei neemt in het
+voorbijglijden iets op van de kiemen, die het inhoudt. Zoo wordt enkel
+uit het kontakt der beide ouders de werkbij geboren; de dar is het
+produkt van de moeder all&eacute;&eacute;n.</p>
+
+<p>Van dit eerste feit, de parthenogenesis, of geboorte van het
+volkomen ontwikkeld mannelijk exemplaar uit het maagdelijk vrouwelijk,
+kan niet veel anders gezegd worden, dan dat het een door de wetenschap,
+ook bij sommige andere insekten, gestaafd natuurverschijnsel is. Maar
+nu wij getuige zijn van de plaats, die de bevruchte koningin met haar
+fijn bewerktuigd organisme in den bijenkorf inneemt, is er voor ons nog
+veel meer op te merken; en hier vinden wij den sleutel voor het juist
+begrip van de geheele organisatie der bijenrepubliek. Het zou al heel
+vreemd zijn, indien de <span class="pagenum">[<a id="pb122" href=
+"#pb122">122</a>]</span>hoogste staatsaangelegenheden in handen waren
+gegeven aan die koningin, die met haar zwak intellekt juist de
+allerlaatste zou wezen om ze naar den eisch te behartigen, en wij zien
+dan ook, dat die post van vertrouwen haar niet gegeven is. De
+werkbijen, die de zorg voor haar op zich nemen na haar terugkeer van de
+paringsvlucht, be&iuml;nvloeden van dat oogenblik af al haar handelen
+en gedragingen. Wij hebben al gezien hoe zij over de raten geleid wordt
+van cel tot cel; hoe het haar in de vroege lente maar vergund wordt
+enkele eieren te leggen, terwijl zij er in den zomer vele duizenden mag
+afzetten; en hoe het getal in de tusschenperioden naar omstandigheden
+wordt verminderd of vermeerderd. Nu zullen wij nagaan hoe dat alles
+gebeurt, of in ieder geval onze gissingen zoo dicht bij de waarheid
+trachten te brengen als in dit moeielijk vraagstuk mogelijk is.</p>
+
+<p>Gedurende de twee eerste dagen nadat zij als volkomen insect uit de
+cel was gekropen, zagen wij de koningin, geheel aan zich zelve
+overgelaten, zich tusschen de menigte bewegen en zich voeden uit den
+algemeenen voorraad. Maar na hare bevruchting heeft zij een stoet van
+kamervrouwen, wier hoofdbezigheid is haar van voedsel te voorzien. Zij
+voeden haar uit hun eigen mond, en waarschijnlijk krijgt zij hetzelfde,
+kostelijke preparaat, dat haar in haar larvestaat in de cel werd
+toegediend. Dit voedersap bestaat voornamelijk uit honing en stuifmeel,
+vooraf verteerd; maar het is bewezen, dat de samenstelling willekeurig
+gewijzigd kan worden door de werksters, die het toedienen. Er kunnen
+bestanddeelen aan toegevoegd worden, afzonderlijk of gemengd in
+verschillende verhoudingen, uit drie of vier verschillende kliertjes,
+die elk voor zich een vloeistof afscheidt, in hoedanigheid van de
+andere verschillend. Het bijzonder voedsel, dat de eierleggende
+koningin gegeven wordt, dient tot het stimuleeren der eierstokken.
+<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123">123</a>]</span>Hoe
+meer haar van dit soort spijs wordt toegediend, des te overvloediger
+wordt haar eierafzet. Daartegenover staat, dat een vermindering van dat
+dieet een afneming naar verhouding van haar vermogen tot eierenleggen
+zal tengevolge hebben, terwijl wanneer dit voedzaam preparaat haar
+geheel onthouden wordt, en zij dus gedwongen is uit de algemeene
+honingcellen te nemen, gewoonlijk het eierleggen geheel gestuit wordt,
+en zoo gebeurt het ook in den koudsten tijd van het jaar. Zij is dus
+een instrument door de werkbijen bespeeld, en de toon, dien zij
+voortbrengt, beantwoordt aan hunne bedoelingen. Als de dagen lengen, en
+met de hooger rijzende zon de warmte komt, dan wekken zij haar volgzame
+natuur tot het vervullen van haar opperste taak. En in de weken van
+gloeiende zomerhitte is haar leven &eacute;&eacute;n feestmaal; komt
+daarna de herfst met zijn kille nachten en verflauwend zonlicht, dan
+nemen gaandeweg die overvloedige maaltijden af, en haar hofstoet slinkt
+en verspreidt zich, tot zij eindelijk weer de eenzame vergeten dolende
+is, die met de minste werkster uit de gewone dagelijksche honingnap
+moet spijzen.</p>
+
+<p>Hoe de verhouding der geslachten zoo onfeilbaar geregeld kan worden
+door den invloed der werksters op de moederbij, is niet zoo gemakkelijk
+te verklaren; en het kan voor het oogenblik nog maar
+all&eacute;&eacute;n een vernuftige gissing zijn, een herleiden van
+gevolg tot oorzaak. Waarschijnlijk gebeurt het zich openen of sluiten
+der bevruchtende klier, waardoor het geslacht bepaald wordt,
+automatisch, en geschiedt dit ingevolge van de houding der moederbij
+gedurende het leggen. Als zij het achterlijf in de enge werkstercel
+steekt, wordt dit noodzakelijk geknepen en deze drukking gaat over op
+het kliertje, waardoor het ei dan bevrucht wordt. Maar in de wijdere
+darrencel komt die gedrukte houding <span class="pagenum">[<a id=
+"pb124" href="#pb124">124</a>]</span>niet voor, en het is dus
+waarschijnlijk, dat het ei onberoerd door de bevruchtingskiemen voorbij
+glijdt. Wordt deze theorie aangenomen, dan volgt daaruit van zelf, dat
+&oacute;f de moederbij het vermogen mist mannelijke eieren te leggen in
+de cellen, die speciaal voor het broeden van koninginnen gebouwd zijn,
+daar deze de grootste zijn van allemaal, &oacute;f, dat door eene
+bijzondere kromming in die cel haar lichaam gedrongen wordt, zich te
+strekken bij het afzetten van het eitje, zoodat het daardoor in
+dezelfde houding komt als in de nauwe werkstercellen.</p>
+
+<p>Hoewel deze theorie op het oogenblik de aannemelijkste is, moet het
+toch gezegd, dat zij door waargenomen feiten nog nooit bevestigd is
+geworden. Het schijnt, dat niemand nog ooit de moederbij in een
+koninginnecel heeft zien leggen, noch was ooit iemand getuige van het
+overbrengen van een werksterei daarheen. Wat voor goed al deze en
+dergelijke vragen tot zwijgen zou brengen is het vasthouden aan het
+oude geloof, dat de koningin de opperheerscheres is, en de kracht en de
+vermogens heeft van een alwijze despotische souvereine; dan zou het
+wonderbaarlijkste van haar verwacht kunnen worden. Maar hoe dieper men
+in dit uiterst belangrijke vraagstuk doordringt, hoe onhoudbaarder deze
+oude meening schijnt. Want met ieder uur krijgen wij de bewijzen, dat
+de moederbij een ondergeschikte en niet een heerscheres in den korf is;
+en even zeker blijft ons het alvermogen van de werkbijen. Alles wat in
+den korf gebeurt, geschiedt door haar collektieven wil en bemiddeling;
+en het zou zeker heel vreemd zijn als het levenselement der
+voortplanting niet onderworpen was aan dezelfde oppermacht.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb125" href=
+"#pb125">125</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch9" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk IX.</h2>
+
+<h2 class="normal">De Werkbij, Souvereine.</h2>
+
+<p>Als wij op het hoogtepunt van het drukke seizoen het leven in de
+bijenkorven gadeslaan, dan zijn wij zeker sterk onder den indruk van
+den geest van onvermoeibaren ijver, die de geheele bijenrepubliek
+beheerscht; maar n&oacute;g meer treft ons het feit, dat er voor deze
+behoefte aan rusteloos werken zooveel uitwegen zijn: dat er
+tegelijkertijd zooveel verschillend noodzakelijk werk te doen valt.</p>
+
+<p>In den broedbouw zijn de broedbijen bezig de jonge larven te voeden,
+of ze reinigen de ledige cellen en verzegelen die, waarin de volkomen
+ontwikkelde nymfen zijn, om hun de rust voor de geboorte te verzekeren.
+In hare onmiddellijke omgeving zijn de zaaisters bezig aan het werk des
+levens; ze drijven hun zaad-kruiwagen, de koningin, voor zich uit over
+de raten. Ergens anders hangen de wasbijen in een zwijgenden kompakten
+klomp. Boven zien wij steeds het aantal honingraten toenemen; de
+metselaars trekken de celmuren op; de ingenieurs maken hun
+berekeningen, ondersteunen hier, stutten d&aacute;&aacute;r, of brengen
+luchtbogen van de &eacute;&eacute;ne raat naar de andere; ook breken
+zij in plaats van de oude straten nieuwe doorgangen uit, waar te groote
+ophoopingen in het verkeer ontstonden.</p>
+
+<p>Tusschen alles door gaan de zuiveraars onophoudelijk <span class=
+"pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126">126</a>]</span>af en aan en
+nemen de kleinste portiekeltjes vuil me&ecirc; en ruimen het op.</p>
+
+<p>Gevleugelde begrafenisdienaren dringen door de menigte met de lijken
+van hun kameraden, oud en jong, dragen ze naar den ingang en vliegen er
+mee weg in het zonlicht van den jongen lentedag. Dan is er het
+ventilatieleger buiten de poort, vernuftig in ploegen verdeeld,
+z&oacute;&oacute;dat dag en nacht een bestendige luchtstroom in
+beweging is. De poortwachters houden een waakzaam oog op al de komenden
+en gaanden. En dan eindelijk nog het &ldquo;Comit&eacute; voor Algemeen
+Hulpbetoon&rdquo;, dat zich buiten de poort ophoudt, om waar &rsquo;t
+noodig is bijstand te verleenen. Zij ondersteunen de te zwaar
+beladenen, reinigen de bezoedelden, rapen gevallen schatten van den
+grond op, en het schijnt wel of zij bovendien nauwlettend de
+weersgesteldheid opnemen voor hun volgend officieel rapport. Gedurende
+de uren van zonneschijn vliegen in ontelbare duizendtallen de honing-
+en stuifmeeldraagsters af en aan, sommigen met nektar, anderen tot
+bezwijkens toe geladen met stuifmeel, en weer anderen met volle
+waterzakken, en nog meer die dat merkwaardig cement, de voorwas,
+meebrengen, dat door de Ouden Propolis genoemd werd en dat voor zoo
+veel verschillende doeleinden wordt gebruikt bij het dagelijksch werk
+in de korven.</p>
+
+<p>En dit alles gebeurt met de regelmaat van een goed georganiseerde
+menschelijke kolonie. Er is veelvuldigheid, maar geen verwarring; er is
+spoed, maar geen haast. Iedere bezige ploeg heeft oogenschijnlijk een
+bepaalde juist omschreven taak te volbrengen, haar aangewezen door de
+centrale korf-autoriteit; en blijkbaar zijn in alles wat de belangen
+der republiek betreft, co&ouml;peratie en vooruitgang &eacute;&eacute;n
+met oorzaak en gevolg.</p>
+
+<p>Bij een nauwgezette studie van het bijenleven en met behulp van de
+nieuwe observatiekorven, komt men <span class="pagenum">[<a id="pb127"
+href="#pb127">127</a>]</span>er heel gemakkelijk, ja zelfs
+onvermijdelijk toe, het oude begrip van absolute monarchie onder een
+koning of koningin over boord te gooien; maar niet zoo gemakkelijk komt
+men tot het begrip, hoe dan in werkelijkheid de kolonie beheerd wordt.
+Wij zien den geheelen dag door hoe aan alle kanten beraadslagingen
+gehouden worden over kleinere belangen; maar van een algemeene
+samenkomst valt niets te bespeuren. Hoe moet er dan beslist worden over
+de groote nationale gebeurtenissen: het uitzenden van een zwerm of het
+afzetten van een oude koningin? Hoe moet er voorzien worden in de
+verschillende staatscrises? De &eacute;&eacute;nig aannemelijke
+gevolgtrekking uit alles wat men ziet, schijnt te zijn, dat iedere
+werkbij op zich zelf de tot absolute volmaking ontwikkelde
+vertegenwoordigster is van het republikeinsch principe, in wier
+innerlijk alle in het gemeenschapsleven voorkomende moeielijkheden en
+vraagstukken zijn opgelost, eene oplossing door de eeuwen beproefd en
+als de juiste bewezen, en die zij dus natuurlijk en onfeilbaar moet
+aanwenden. Zoo wordt er dus eene gemeenschappelijke behoefte gevoeld,
+waarin onmiddellijk voorzien wordt door een gemeenschappelijk erkenden
+maatregel. Het inzicht van &eacute;&eacute;n is noodzakelijk het
+inzicht van allen. En ieder voorkomend probleem in het dagelijksch
+leven vindt die &eacute;&eacute;ne oplossing, die tot de uiterste
+volmaking werd gebracht door de ervaring van ontelbare geslachten en
+zij wordt individueel aangegrepen om in den gemeenschappelijken nood te
+voorzien; zooals de algemeen bestaande nooddrang &ldquo;honger&rdquo;
+door ieder individu afzonderlijk bevredigd wordt door: eten.</p>
+
+<p>Zulk een toestand zou zelfs in een gemeenschap van menschelijke
+wezens een zeldzaam hoogen staat van geestelijke, zoo al niet moreele,
+ontwikkeling in het individu te kennen geven. Want dit beteekent: de
+uiterste <span class="pagenum">[<a id="pb128" href=
+"#pb128">128</a>]</span>zelfverloochening in het belang van het geheel.
+En zelfs wanneer men er de sterk ingrijpende macht der erfelijkheid bij
+in aanmerking neemt, zou er toch nog voor de jeugd een strikt
+ascetische opvoeding moeten zijn en voor de volwassenen in geval van
+overtreding een onmiddellijke onverbiddelijke en zware boetedoening,
+wilde men den uitersten droom van het kommunisme werkelijkheid zien;
+dat is, het afschaffen van alle wetten en alle straf, en inplaats
+daarvan de natuurlijke heerschappij van wijsheid en recht. In de
+bijenrepubliek schijnt inderdaad een soortgelijke toestand te bestaan,
+de individueele werkbij lijkt wel gevormd te zijn door een dergelijk
+systeem, doorgevoerd gedurende een onafzienbaar lang tijdsverloop. Er
+is steeds volmaakte orde; de openbare werken worden geleidelijk en met
+ijver voltooid; de klok van den nationalen vooruitgang blijft geregeld
+tot op de seconde, en dit alles niet omdat er een centrale wijsheid
+heerscht, die plannen maakt, die beheert, en die de onwilligen in toom
+houdt; maar omdat iedere werkbij in zichzelf een miniatuurstaat is;
+omdat alle neigingen, vreemd aan den zuiveren gemeenschapsgeest, sedert
+oneindige jaarkringen bij haar zijn uitgedreven door de dwingende
+noodzakelijkheid.</p>
+
+<p>Doch de werkbij, zooals wij haar nu in de korven bezig zien, is
+evenzeer een vormsel van kunst als van de natuur, al zijn ook eeuwen
+van evolutie noodig geweest om haar tegenwoordige geesteskracht en
+lichamelijke geaardheid te bepalen.</p>
+
+<div id="p129" class="figure"><img border="0" src="images/p129.jpg"
+alt=
+"In het midden: de honigbij (vergroot); er om heen: hoe oude natuuronderzoekers haar hebben uitgeteekend"
+ width="503" height="674">
+<p class="figureHead">In het midden: de honigbij (vergroot); er om
+heen: hoe oude natuuronderzoekers haar hebben uitgeteekend</p>
+</div>
+
+<p>Wij hebben gezien hoe het ei, dat de vrouwelijke kiem draagt,
+wanneer het alle ruimte tot ontwikkeling gegeven wordt, het volkomen
+oorspronkelijke type voortbrengt van de vrouwelijke bij, dat in wel een
+dozijn opzichten van de werkbij verschilt. En ook de koningin is, in
+&eacute;&eacute;n harer eigenschappen ten minste<span class=
+"pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131">131</a>]</span>&mdash;haar
+verbijsterende vruchtbaarheid&mdash;stellig een schepping van het
+korvenvolk, daar haar overproduktie door overvoeding wordt veroorzaakt,
+zoodat zij onder kunstmatige omstandigheden aan haar bestemming kan
+beantwoorden. Aan zichzelve overgelaten, in haren oorspronkelijken
+natuurtoestand, zou haar eierproduktie zeker op veel bescheidener
+schaal gebeuren. Maar de werkbijen hebben haar merkwaardigen bouw en
+geestelijke gesteldheid bijna uitsluitend aan de tusschenkomst der
+broedbijen te danken, van het oogenblik af, dat het eitje is
+uitgebroed. Een zorgvuldig onderzoek heeft bewezen, dat de
+koninginlarve en de werksterlarve volkomen gelijk zijn tot op de derden
+dag van hun bestaan in de cel, behalve dat de koningin sneller groeit,
+dank zij het ruimer en zwaarder voedsel. Na den derden dag beginnen de
+voortplantingsorganen zich te ontwikkelen bij alle larven, wanneer er
+met dit rijk stikstofhoudend dieet wordt voortgegaan. In het geval van
+de koningin wordt de larve van deze vooraf-verteerde voedingsstof,
+bijenmelk genoemd, rijkelijk voorzien tot het laatste oogenblik van
+haar larvenstaat, en het is haar uitsluitend voedsel.</p>
+
+<p>Bij de werkbij daarentegen wordt het rantsoen bijenmelk niet
+all&eacute;&eacute;n ingekrompen zoowel in hoedanigheid als in
+hoeveelheid; maar nu, juist v&oacute;&oacute;r het oogenblik, dat de
+ontwikkeling van de eierstokken zal beginnen, wordt er nog een
+belangrijke wijziging in de voeding gebracht: het rantsoen bijenmelk
+slinkt tot een minimum en er wordt gewone honing bij gegeven, echter in
+een even schrale hoeveelheid en tot aan het einde van het vijfdaagsche
+larvenbestaan.</p>
+
+<p>Welke andere invloeden er nog op de jonge bij komen inwerken op dit
+z&eacute;&eacute;r gewichtig tijdstip van haar bestaan, is onmogelijk
+te zeggen. In ieder geval is de voedingswijziging een bewezen feit, en
+de gevolgen&mdash;&ograve;f <span class="pagenum">[<a id="pb132" href=
+"#pb132">132</a>]</span>hiervan alleen, &ograve;f in verband met andere
+behandelingswijzen&mdash;zijn zeker verwonderlijk. Niet
+all&eacute;&eacute;n wordt de ontwikkeling der voortplantingsorganen in
+die mate tegengewerkt, dat er in de volwassen werkbij nagenoeg geen
+spoor meer van te vinden is; maar ook schijnt van dat oogenblik af de
+larve een totaal verschillend wezen te worden, dat steeds meer
+eigenschappen van de voedsters vertoont, en steeds meer gaat afwijken
+van de koningin. En wanneer de larve in den poptoestand overgaat,
+ontwikkelen zich organen, waarvan de koningin zelfs den geringsten
+aanleg niet heeft. Zoo krijgt zij haar bijzondere uitrusting voor
+buitenwerk in een paar stuifmeelkorfjes. Haar tong verlengt zich,
+z&ograve;o, dat hij den nektar bereiken kan in het diepst van de
+klaverbloemen. Zij zal een bouwbij worden en wordt daarom voorzien van
+een half dozijn smeltkroezen voor de wasbereiding. Haar noodelooze
+legboor wordt in een wapen verkeerd; hij wordt rechter en korter, en de
+haartjes waarmee hij bezet is worden grooter in aantal en harder; een
+kliertje, dat zich er aan bevindt, en dat bij de koningin een haast
+onschadelijk vocht bevat, vult zich hier met een scherp vergif. En
+bovenal ontwikkelt zij een intellekt, dat heel verre dat van de normale
+vrouwelijke bij, haar moeder, overtreft. Ten slotte wordt zij voorzien
+van een geheel nieuw systeem van aandriften en begeerten.</p>
+
+<p>Terwijl het natuurlijk element van de koningin het schemerduister
+van den korf is en het zou schijnen of zij den zonneschijn moest
+vreezen en haten, zoo is de werkbij aangewezen op de buitenlucht: licht
+en lucht zijn haar levensfeer. En als de koningin, hoewel haar
+bestemming nalevende, die haar overvruchtbaar deed zijn, toch niet de
+geringste vreugde in haar moederschap toont, noch &eacute;&eacute;nige
+belangstelling in haar kinderen, werpt zich de werkbij op&mdash;hoewel
+tot eeuwige jonkvrouwelijkheid <span class="pagenum">[<a id="pb133"
+href="#pb133">133</a>]</span>gedoemd&mdash;als de waarachtige moeder en
+verzorgster en opvoedster van al het broed in den korf. En de prijs
+ge&euml;ischt voor de macht en het gezag, die zij zich verworven heeft,
+of die voor haar verworven werd door dat verre voorgeslacht, dat het
+eerst de geslachtslooze honingbij uitvond, die prijs wordt met hard
+geld betaald: met het leven zelf. Inplaats van het aantal jaren, dat in
+het begin de Natuur aan haar soort toestond, leeft zij nu nauwelijks
+zooveel maanden. Het noodlot en haar onbegrensde ijver maken haar rol
+in het leven te zwaar. Haar verminkt en tegelijk te fijn bewerktuigd
+lichaam, en haar overontwikkeld brein kunnen het niet lang uithouden
+tegen de sloopende kracht van het leven, dat zij te leven heeft. Enkele
+maanden, en dan bezwijkt zij onder het werk, of zij bereikt nog met de
+uiterste inspanning van haar versleten en uitgerafelde vleugeltjes het
+traditioneele kerkhof van den korf; of zij eindigt onder den doodslag
+van de staatsbeulen. Want het ouderdomsvraagstuk is sedert lang afdoend
+opgelost in de bijenrepubliek. Eene gerechtigheid, die nog onderhevig
+is aan medelijden, draagt onverbiddelijk het merk van eigen zwakte.
+Wanneer het beginsel: Ieder voor het welzijn van Allen, tot zijn
+uiterste logische spanning wordt gehandhaafd, dan staat medelijden met
+het individu gelijk met Jantje iets afnemen om het Pietje te geven. In
+de bijengemeenschap is het eenige levensrecht bruikbaarheid; dus moeten
+de oude, versleten, nuttelooze werksters gaan.</p>
+
+<p>Het is een merkwaardige studie, de ontwikkeling van het eitje van
+den werkbij door zijn verschillende stadia van groei te volgen tot het
+volkomen ontwikkeld insekt zijn cel verlaat. Het eitje op zich zelf is
+al heel merkwaardig; want het is van buiten zeshoekig beteekend. De
+groote samengestelde oogen van de volwassen <span class="pagenum">[<a
+id="pb134" href="#pb134">134</a>]</span>bij hebben dienzelfden vorm.
+Ieder oog bestaat uit ongeveer vierduizend afzonderlijke lenzen, en
+iedere lens is een regelmatige zeshoek. Men heeft zich dikwijls
+verwonderd over het vernuft van de bouwbijen, die de cellen zeszijdig
+maken, waardoor dus een gegeven ruimte meer vertrekken bevatten kan,
+dan zij er zou kunnen opnemen, wanneer zij van een zelfde hoeveelheid
+materiaal in anderen vorm, welken ook, opgebouwd waren. De oude
+schrijvers verklaarden deze voorkeur voor de zeshoekige cel door de
+veronderstelling, dat de zes pootjes van de bij tegelijk werkzaam waren
+bij den celbouw, en ieder pootje zijn eigen deel van de cel
+construeerde. Maar een moderner verklaring is, dat de bijzondere vorm
+der cellen toevallig ontstond, of liever, dat de omstandigheden hier
+tot noodzaak werden: de gezamenlijke wederzijdsche drukking zou de
+cellen in den zeshoekigen vorm wringen.</p>
+
+<p>Nu is het zeker waar, dat erwten, in een flesch geweekt, bij het
+opzwellen dien vorm aannemen, maar men kan deze theorie niet aanwenden
+bij de honingraten. Want in het werk van de bijen bestaat zulk een
+drukken of samenwringen niet. Iedere cel wordt afzonderlijk gebouwd en
+vereenigd met de bovengelegenen, en de raat strekt zich naar beneden en
+terzijde vrij uit in de open ruimte, tot de gewenschte grens bereikt
+is. Een veel aannemelijker verklaring is, dat de zeshoekige vorm der
+cel door ervaring werd verkregen. De eerste raten kunnen uit ronde
+cellen gevormd zijn geweest en de tusschenruimte met was gevuld. Maar
+de bij, die in alles wat spaarzaamheid betreft ter dege is uitgeslapen,
+zal al heel gauw het ondoelmatige van die ronde cellen hebben ingezien.
+En zoo zou zij met den zeshoek, een vertrouwd motief trouwens in den
+korf, getuige het eitje en het samengestelde oog, al spoedig een
+beteren en meer wetenschappelijken weg zijn ingeslagen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135">135</a>]</span></p>
+
+<p>Maar er is nog een anderen reden voor de zeshoekige cel, en minstens
+even belangrijk: de deugdelijkheid van dien vorm bij het broeden en het
+honing opleggen. Men moet begrijpen, dat het bestaand systeem van
+vertikale wanden, parallel en dicht opeen, gevormd uit tallooze kleine
+horizontale kamertjes rug aan rug, geen ideale inrichting is voor het
+kweeken van jongen en het opleggen van voedsel. Maar het is de beste
+oplossing in de omstandigheden waarin de bijen verkeeren, genoodzaakt
+als zij zijn in groote menigte, dicht op-&eacute;&eacute;n gedrongen,
+communistisch te leven. Lucht is een hoofdvereischte bij alles wat in
+den korf omgaat; maar vooral moet er lucht zijn voor de ontwikkeling
+der jonge bijen. Wanneer er een koningin moet gekweekt, dan krijgt zij
+rijkelijk versche lucht; doch met opoffering van veel kostbare ruimte.
+Maar voor de gewone soort, waarvan er soms tien- of vijftienduizend
+tegelijk in het broednest rijpen, kan natuurlijk geen dergelijke
+concessie gedaan worden. De jonge werksters of darren moeten zooveel
+lucht tot zich nemen als zij kans zien door de nauwe celopening te
+krijgen. Nu ademt de bij, in alle levensstadi&euml;n niet door den
+mond, maar door middel van luchtgaten (trochee&euml;n) aan beide zijden
+van het achterlijf. Ware de cel rond, dan zou de larve, als zij
+uitgegroeid was, de geheele ruimte vullen, en de lucht zou moeielijk de
+trochee&euml;n kunnen bereiken. Nu echter, hoe groot de jonge larve ook
+is, kan zij nooit de hoeken van den zeshoek geheel opvullen en die
+omringen dus het insekt met een half dozijn toegangen voor de versche
+lucht, tot aan den bodem van de cel toe; en zoo heeft de larve den
+vollen toevoer van de beschikbare lucht, al kan dat nooit meer dan een
+schrale voorraad zijn.</p>
+
+<p>Bij de honingcellen bewijzen de zes hoeken aan de cel een even
+grooten dienst. De ideaal honingcel zou er <span class="pagenum">[<a
+id="pb136" href="#pb136">136</a>]</span>een moeten zijn met den ingang
+naar boven, zoodat zij op de gewone rationeele manier gevuld zou kunnen
+worden. Maar bij de wetten van strikte spaarzaamheid, die in de
+republiek van kracht zijn, is zulk eene inrichting ondoenlijk. De
+honingraten liggen in horizontale richting op elkander, en moeten dus
+aan den benedenkant gevuld kunnen worden. Nu zijn alle cellen in een
+raat een klein weinigje opgericht, maar niet voldoende om den
+vloeibaren inhoud binnen te houden indien de cel rond was. De hoeken
+van het zeskant nu versterken juist dat inhoudensvermogen en de
+ervaring heeft de bijen geleerd, hoe die eigenschap van hun zeshoekige
+cellen te ondersteunen, door ze even op te zetten; daardoor wordt dan
+het wegvloeien van den nektar onmogelijk.</p>
+
+<p>De werkbij ligt in den larvetoestand opgerold op den bodem van de
+cel; maar naarmate zij groeit, neemt zij een houding in de lengte aan
+met het hoofd voor de celopening. Deze houding is echter niet
+onveranderlijk; want zij schijnt bij tusschenpoozen een reeks wendingen
+of buitelingen te maken, waarschijnlijk om het afwerpen van de huid te
+vergemakkelijken; dit geschiedt verscheidene malen gedurende de vijf
+dagen van haar larveleven. Als die periode is afgeloopen, houden de
+voedsters op met het voedingsproces en verzegelen de cellen. Nu gaat de
+larve aan het werk; eerst spint zij zich een zijden kleedje, voordat
+zij haar langen slaap als pop begint, en dan werpt zij voor het laatst
+haar huid af. Bij de werkbij omsluit dat fijn bewerkt gewaad haar heele
+lichaam als een gesloten cocon. Maar de koninginlarve weeft zich maar
+een schamel jakje, dat alleen haar hoofd en borststuk bedekt, en het
+geheele ondergedeelte vrij laat. De gewone theorie om dit te verklaren
+is, dat wanneer de overtollige koninginnen in hun cellen vermoord
+worden door de aangenomen moederbij <span class="pagenum">[<a id=
+"pb137" href="#pb137">137</a>]</span>na hare bevruchting, de slachting
+gemakkelijker van de hand gaat door het ontbreken van het taaie spinsel
+der cocons om het lichaamsdeel, waarop de aanval gewoonlijk gericht is.
+Want het schijnt uitgemaakt, dat in een koninginnengevecht de angels
+niet op goed geluk worden gebruikt zooals bij de werkbijen; maar iedere
+koningin beproeft haar wapen aan te brengen in een van de
+trochee&euml;n van hare vijandinnen, waarvan ieder er veertien bezit,
+zeven aan iederen kant. Zulk een steek schijnt altijd doodelijk te
+zijn.</p>
+
+<p>Maar waarschijnlijk moet de ware reden, waarom de koningin in een
+kort manteltje slaapt van taaie ruwe stof, opgespoord worden ergens
+terug in de oergeschiedenis van de honingbij. Ik geloof, dat wij veilig
+de gesloten werkstercocon kunnen beschouwen als een betrekkelijk nieuwe
+instelling, die zich ontwikkeld heeft ten gevolge van eenigen
+nooddrang, ontstaan sedert de bijen een beschaafde natie zijn geworden.
+Wat echter het oorspronkelijk begin er van was, ligt buiten het bereik
+van &eacute;&eacute;nige gissing. Een merkwaardig feit is, dat deze
+cocons nooit uit de cellen verwijderd worden. Zij blijven vastgekleefd
+aan de celwanden, en hoewel de cel grondig gereinigd wordt nadat de
+jonge bij haar verlaten heeft, wordt er aan de cocon niet geraakt; die
+blijft er in als een eeuwige voering. En dit gaat zoo door alle
+opvolgende generaties heen, iedere bij laat haar bakerkle&ecirc;ren
+achter, tot er zulk eene opeenhooping van komt, dat de cel te klein
+wordt om iets anders voort te brengen, dan een minderwaardig,
+onvolgroeid geslacht. Bij in het wild levende bijen, als het nest in
+een hollen boom ligt en er gewoonlijk ruimte in overvloed is, kunnen de
+broedraten zoo noodig verlaten worden en, verder op, nieuwe gebouwd; en
+zoo wisselt het volk van jaar tot jaar zijn plaats. Deze natuurlijke
+bijennesten blijven soms heel lang in gebruik. Het is <span class=
+"pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138">138</a>]</span>b.v. wel gebeurd
+dat er zwermen terecht kwamen in een huis onder de daksparren: zij
+bleven dan door veel geslachten heen ongemoeid. Eens werd er ook van
+een bijenkolonie verteld, dat zij vijf-en-veertig jaar aan
+&eacute;&eacute;n stuk op een vliering in een boerderij had gehuisd, en
+de legende ging, dat zij er verscheiden raten honing hadden opgepot;
+maar toen het nest werd uitgezwaveld, bleek er niet veel anders te zijn
+dan een opeengehoopte massa van raten, oude en jongere; van een paar
+weken oud tot een ongisbaar aantal jaren. Het grootste gedeelte was
+geheel zwart, en de cellen stikvol met poppencocons.</p>
+
+<p>Het feit, dat in die met cocons opgevulde cellen, al is de ruimte
+ook nog zoo ver ingekrompen, het eierleggen <span class="corr" id=
+"xd0e1247" title="Bron: door gaat">doorgaat</span> als er geen leege
+beschikbaar zijn, we&ecirc;rspreekt de theorie, dat van de grootte van
+de cel het al of niet bevrucht worden van het eitje zou afhangen als
+het door de koningin wordt afgezet. Men vindt soms heel oude
+darrenraten in gebruik voor broed, waar de cellen ingekrompen zijn tot
+de grootte van een normale werkstercel, en toch gaat de koningin voort
+met daarin onbevruchte eieren te leggen. Dit vraagstuk schuilt dus nog
+diep onder de raadsels.</p>
+
+<p>Na ongeveer drie weken, bij het begin te rekenen, kruipt de jonge
+bij uit de pophuid, en bijt zich een weg door de celsluiting. Het
+stuifmeel, dat voor deze dekseltjes met de was vermengd is, vervult een
+dubbele bestemming. Het maakt de was poreus, zoodat de lucht toegang
+heeft, en het dekseltje wordt er eetbaar door, zoo wordt dus het
+jeugdig insekt door honger naar de vrijheid gedrongen. De jonggeboren
+werkster, hoewel geheel <span class="corr" id="xd0e1252" title="Bron:
+volwasen">volwassen</span>, is een zwak, grauw getint, slap <span
+class="corr" id="xd0e1255" title="Bron: wezenttje">wezentje</span> en
+blijft zoo nog een poosje nadat zij haar wieg verlaten heeft. Haar
+eerste aanvechting schijnt te zijn, zichzelf te adoniseeren, en daarna
+een inspektiereis <span class="pagenum">[<a id="pb141" href=
+"#pb141">141</a>]</span>te gaan maken in haar nog enge wereld van
+duister, rumoer en bedrijvigheid. Gedurende de twee eerste dagen doet
+zij niet veel anders dan onopgemerkt rondscharrelen tusschen de bezige
+menigte, steeds toenemende in kracht en stevigheid. De tweeden dag ziet
+men haar uit de open honing- en stuifmeel vaten nippen, waarvan er
+altijd enkele hier en daar tusschen de broedcellen zijn aangebracht.
+Daarna schijnt zij eindelijk te ontwaken tot het besef van haar plicht
+en verantwoordelijkheid; haar plaats is nu tusschen de werksters, en
+zij begeeft zich aan die verbijsterende taak: het voeden van de
+larven.</p>
+
+<div id="p139" class="figure"><img border="0" src="images/p139.jpg"
+alt="Raat met Broedcellen" width="518" height="713">
+<p class="figureHead">Raat met Broedcellen</p>
+
+<p>(Men ziet er in: eieren; larven in verschillende staten van hun
+groei; verzegelde cellen, en jonge bijen aan het werk om zich zelf te
+verlossen)</p>
+</div>
+
+<p>In den gewonen loop van zaken verlaat de jonge werkbij den korf niet
+voor ongeveer veertien dagen nadat zij de cel uit gekropen is. Maar
+gedurende dat tijdsverloop heeft zij heel wat levenskennis op te doen
+en verscheidene vakken te leeren. Het schijnt dat al het binnenwerk in
+den korf door de jonge bijen verricht wordt in die eerste weken van hun
+bestaan. Op h&aacute;&aacute;r rust de geheele zorg voor het jonge
+broed. Zij bereiden de was en bouwen de raten; zij behartigen orde en
+zindelijkheid in den korf; zij zijn de honingbrouwsters en de
+pakhuisbewaarsters; zij voeden de koningin bij haar eeuwigen rondgang,
+en geven de darren hun dagelijks rantsoen bijenmelk; want het is
+uitgemaakt, dat de mannelijke bijen in hoofdzaak van de werksters
+afhankelijk zijn voor hun voedsel, en maar een klein gedeelte van hun
+dieet van de algemeene provisie betrekken. De oude bijen bezorgen het
+proviandeeren; maar het schijnt, wel, dat de jongen hen bij hun
+thuiskomst tegemoet komen en dat die den nektarlast, nadat dezen hem
+hebben uitgebraakt, in hun zakjes van hen overnemen, om ze dan weer in
+de provisieraten te ontlasten, in de hooger gelegen afdeelingen van den
+korf. Wanneer men ten minste op het drukst van <span class="pagenum">
+[<a id="pb142" href="#pb142">142</a>]</span>den dag de voorraadkamer in
+een der korven opent, dan blijken er in het gedrang der diertjes, die
+zoo ijverig bezig zijn de cellen met deze versche lekkernij te vullen,
+zich haast geen oude bijen te bevinden.</p>
+
+<p>Niet v&oacute;&oacute;r het begin van hun tweede levensweek leggen
+de jonge bijen hun eerste vliegproef af, en dan is het nog maar voor
+een paar minuten en op het heetst van den dag. Den ijmker is deze
+plotselinge middagbeweging in het late voorjaar en in den zomer heel
+goed bekend; in het begin nemen ook de darren in grooten getale deel
+aan het koor, maar na een poosje vliegen zij weg en wat er dan
+overblijft in de gonzende wolk, die men om alle korven ziet hangen en
+bewegen, zijn uitsluitend huisbijen, die van hun dagelijksch kwantum
+beweging en lucht genieten.</p>
+
+<p>Men heeft geconstateerd, dat de kliertjes voor de produktie van
+broedvoeder en ook de organen, die de was afscheiden, in &rsquo;t
+bijzonder ontwikkeld zijn bij bijen van slechts een paar weken oud,
+terwijl na het verloop van de eerste maand deze organen sterk zijn
+ingekrompen. De bij begint gewoonlijk haar werkzaamheden als
+proviand-zoekster, zoodra zij veertien dagen oud geworden is; maar
+v&oacute;&oacute;rdat zij het ernstige werk van het nektarzamelen
+onderneemt, moeten er waarschijnlijk nog wel een paar weken bijkomen.
+Bijna al de stuifmeeldraagsters zijn bijen in hun eerste volle kracht,
+en daarom bijzonder geschikt om zwaarder lasten te dragen. Maar
+nauwelijks is de werkbij toegekomen aan die opperste taak, het
+honingzamelen, of zij laat het stuifmeel met rust. Zoo is dus in een
+normale kolonie het leven van de honingbij, zoo kort als het is,
+zorgvuldig ingedeeld; in ieder levenstijdperk is er een vaste taak te
+vervullen, waartoe het individu juist dan het best geschikt is. Toch
+staat ook deze wet weer niet vaster dan eenige andere regel in de
+korven. <span class="pagenum">[<a id="pb143" href=
+"#pb143">143</a>]</span>Komen er in de gemeenschap krachten te kort en
+zijn er niet genoeg bijen van rijpen leeftijd om in te dragen, dan
+zullen de jonge bijen op een vervroegden datum aan het inzamelen gezet
+worden. Zoo ook wanneer de korf een tijd lang zonder koningin is
+geweest, en er daarom als de jonge koningin zich eindelijk gevestigd
+heeft maar weinig jonge bijen voor de verzorging van het broed
+beschikbaar zijn; dan zullen vele van de oude werksters thuis blijven,
+en zich met het broedwerk bezig houden, waaraan zij in gewone
+omstandigheden al lang ontgroeid zouden zijn.</p>
+
+<p>Er zijn vele zulke voorbeelden van vernuftige inschikking of
+aanpassing in het leven der honingbij. Dit schepseltje weet uitkomst in
+alle voorkomende gevallen; maar bij het werken met uiterste middelen in
+uiterste moeielijkheden toont zij zich toch in haar grootste kracht. De
+ergste ramp in een bijenstaat is het verlies van de koningin, op een
+oogenblik dat het onmogelijk is een plaatsvervangster aan te wijzen. De
+standaard van intelligentie zoowel als van karakter verschilt bij de
+bijen evenzeer als bij de menschen. Sommige volken werken harder en
+meer uren dan de rest. Anderen zullen met werken ophouden, wanneer zij
+meenen een voldoende provisie honing te hebben opgelegd, en dan schijnt
+er een geest van luiheid over zulk een volk te komen. En in enkele
+gevallen is er iets als een moreele kronkel in het nationale karakter;
+en dan gaan de bijen proviand rooven bij hun buren in plaats van hun
+eigen voorraad bijeen te brengen.</p>
+
+<p>Voortdurende ontstentenis van een koningin is een ramp, die bij
+verschillende volken verschillend werkt. Bij sommige is een hopelooze
+mismoedigheid het gevolg; alles staat stil, de lusteloosheid is
+algemeen. Er wordt niet meer gewerkt; de wacht trekt zich van de poort
+terug. De gemeenschap schijnt als &eacute;&eacute;n man het <span
+class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144">144</a>]</span>bijltje er
+bij neer te leggen en den ondergang af te wachten, met de volslagen
+hopeloosheid van gevonnisde misdadigers. Maar er zijn ook volken bij
+wie de algemeene ramp een prikkel wordt tot het scherpen van het
+vernuft en het vereenigen van alle geestkracht, een aangrijpen van
+alles wat tot uitkomst kan dienen. Bij bijen van een dergelijk
+temperament moeten wij gebeurtenissen verwachten als het kapen van
+eieren om de koninginnecellen mee te voorzien, wat wij hierboven al
+bespraken. Maar als uiting van tot de spits gedreven schranderheid, ook
+al is het het meest hopelooze van alle hopelooze bedenksels, is er
+niets te vergelijken bij het volgende probeersel: Het gebeurt soms als
+men een korf van binnen bekijkt, die niet all&eacute;&eacute;n geen
+koningin heeft, maar ook niet de minste kans er een te kunnen kweeken,
+dat men dan onverwacht eenige mysterieuse eieren ontdekt. Ze zijn
+blijkbaar pas afgezet; maar niet op de oude rechtzinnige manier. Een
+normale koningin gaat van cel tot cel over een vrij regelmatige
+raatoppervlakte, en zet in iedere cel een eitje af; maar de eieren in
+dezen koninginloozen korf zijn op een zonderlinge onregelmatige manier
+verspreid, als gestrooid over de raten. Op de eene plaats zijn een stuk
+of drie cellen voorzien en ergens anders weer een paar, zonder eenigen
+schijn van orde of methode. Bovendien zijn er enkele cellen, waarin men
+twee of drie eieren vindt, terwijl de rest er ieder &eacute;&eacute;n
+bevat. Het schijnt of een geestelijk gekrenkte moederbij uit een
+anderen korf hier de wachten in den dut heeft gevonden en nu een
+clandestien uitstapje gemaakt bij het koninginlooze volk. Maar hoe men
+zoekt en speurt, een koningin is niet te ontdekken. De verklaring van
+deze abnormaliteit is, dat een van de werkbijen op de een of andere
+buitengewone manier haar verstorven voortplantingsorganen heeft weten
+op te wekken en nu in <span class="pagenum">[<a id="pb145" href=
+"#pb145">145</a>]</span>staat is geweest eieren te leggen. Maar
+hierdoor wordt het noodlot niet van den korf afgewend, integendeel
+zelfs verhaast. Want deze eieren zullen slechts darren voortbrengen, en
+er komen dus nog maar meer nuttelooze monden die gespijsd moeten
+worden. E&eacute;n authentiek gestaafd geval is bekend, dat de bijen in
+een korf zonder koningin een koninginnewieg gebouwd hebben en daarin
+feitelijk een van die eitjes brachten, die door een eierleggende
+werkbij waren afgezet. Men vond naderhand in die koninginnecel een
+dooden dar.</p>
+
+<p>Hoe onder den prikkel van zulk een nationale krisis zulk een
+eierleggende werkster verkregen wordt, is nog een punt van onderzoek;
+waarschijnlijk wordt de jongste bij uit de kolonie voorzien van het
+speciale koninginne voeder, en op die wijze worden dan misschien haar
+voortplantingsorganen, ten minste ten deele, ontwikkeld.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb146" href=
+"#pb146">146</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch10" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk X.</h2>
+
+<h2 class="normal">Een Anatomische Romance.</h2>
+
+<p>De moderne ijmker, die in de eerste plaats handelsman is&mdash;de
+man, die zijn bijen in kasten houdt naar de nieuwste eischen ingericht,
+alle gelijk in vorm en kleur, en op regelmatige rijen
+geplaatst&mdash;die man is geneigd zich all&eacute;&eacute;n met de
+praktische zijde van zijn werk in te laten, en voelt een soort van
+kwalijk bedekte geringschatting voor alles wat niet onmiddellijk in
+verband staat tot wat voor hem de hoofdzaak bij de bijenkultuur is; de
+honingproduktie.</p>
+
+<p>Maar de bijenhouder, die tegelijk van bijen houdt, neigt juist den
+gansch anderen kant uit. Is de geest eenmaal ondergedoken in wonderen,
+zooals noodzakelijk gebeurt wanneer men in de studie van &rsquo;t
+bijenleven onder de oppervlakte gedrongen is, dan wordt men in den
+wedren naar stoffelijk voordeel de man, die een manke knol zadelt. In
+een bijentuin overmeestert ons de hebbelijkheid van peinzen als de
+voortschrijdende paralyse, ongemerkt, maar onverbiddelijk. Het is
+&eacute;&eacute;n ding, op een mooien Junimorgen naar buiten te
+slenteren, pijpje in den mond, het kruiwagentje voor zich uit rollend,
+met het plan op een langen werkdag tusschen de korven; maar een tweede
+is het, dien langen werkdag ijverig vol te houden uren
+aan&eacute;&eacute;n, terwijl de zon u in zijn loomen gouden greep
+heeft, en het <span class="pagenum">[<a id="pb147" href=
+"#pb147">147</a>]</span>aanhoudend droomerig gegons van de bijen op
+hart en geest blijft inwerken.</p>
+
+<p>Onder zulke verlokkende omstandigheden zakken de goede voornemens
+wel eens stilletjes weg, en dat is heel natuurlijk. De kruiwagen is een
+prettig zitje, en men kan hem in het dichtst van de lindenschaduw
+trekken. En dan wordt door het blauwe rookwolkje uit de pijp, dat
+langzaam naar boven drijft, juist die lust tot peinzen gewekt, dien wij
+noodig hebben te midden van zulk een rustelooze, onverbiddelijk
+slovende omgeving; en wat hindert ook &eacute;&eacute;n droomer op de
+honderdduizend werkers? Zoo komt het, dat het heel vaak piepende wiel
+tot rust komt onder de linden; de honing blijft voor de honingmakers;
+de gedachten volgen de bijen in den korf; of ook wel richten zij zich
+naar ver over de zee, waar de groote aanplantingen zijn, en het droge
+kruid dat nu het pijpje vult, &eacute;&eacute;ns een frisch blad was in
+een zee van groen, geplekt met de kleur der bloemen; daarboven gonzen
+de bijen, wier voorgeslacht misschien van die zelfde plek voor
+Oud-Engeland over gekomen was, waar nu dit blad opgaat in rook, en
+rustig peinzen kweekt.</p>
+
+<p>Maar vooral op regenachtige dagen, wanneer er veel te doen valt
+binnenshuis, als de sektie-raampjes in orde moeten gemaakt, en de volle
+honingraten geleegd, dat zij naar de korven terug kunnen om den
+volgenden dag weer gevuld te worden, en nog zooveel andere bezigheden
+van die soort&mdash;dan is er een nog sterker bondgenoot voor de
+neiging om de gewone routine van ijmkerplichten in den steek te
+laten.</p>
+
+<p>Heeft echter de bijenman een <span class="corr" id="xd0e1310" title=
+"Bron: miskroskoop">mikroskoop</span>, dan steekt hij zijn geweten in
+zevenmijls-laarzen; en gedurende zijn ganschen levensmarsch heeft hij
+dan niet veel kans meer het in te halen. Is het dagelijksch werk in den
+korf met het bloote oog al een z&oacute;&oacute; boeiende bezigheid,
+<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148">148</a>]</span>dat
+zij nalatigheid in plichten kweekt, de mikroskopische kennismaking met
+de korfarbeidsters zelf, en de bijzonderheden van hun verwonderlijke
+uitrusting, openen een heele nieuwe wereld van feiten en gedachten.
+Alleen onder een z&eacute;&eacute;r sterke vergrooting kan men een
+denkbeeld krijgen van de juiste plaats der honingbij in de schepping.
+Wat zij werkt is duidelijk, zelfs voor een minder scherp waarnemer;
+maar de werkster zelf is ons niet anders haast dan het vaag visioen van
+een kristalvleugelig, sobergekleurd atoom, in een eeuwig bewegen in zon
+en wind; of van een haast niet te onderscheiden vlekje tusschen een
+krioelende menigte in ziedenden werkijver.</p>
+
+<p>Maar hier in de wereld van de mikroskoop openbaart zich de honingbij
+als een geheel nieuw wezen, en van lieverlede ontvouwt zich een
+geschiedenis, die in zijn soort het volmaakte Levensbeeld is. Niemand
+kan lang de verwikkelingen van het korfleven bestudeerd hebben zonder
+in te zien, dat een schepseltje, tot zulk een verscheidenheid van
+gecompliceerde werkzaamheden geroepen, noodzakelijk zelf een hooge
+ontwikkeling van geest en lichaam moet bereikt hebben. Maar komt het
+tot mikroskopisch onderzoek van de gewone werkbij, dan is zelfs bij den
+groensten nieuweling nog zelden de verwachting ook maar eenigszins de
+werkelijkheid nabijgekomen.</p>
+
+<p>Het ongewapend oog ziet een schijnbaar hoogst eenvoudig gevormd
+diertje&mdash;een bruin, tenger lichaampje, twee paar vleugeltjes, 6
+pooten zooals bij alle insekten, en een paar gebogen hoorntjes, als
+kleine dorschvlegeltjes, die aanhoudend in beweging zijn. Onder het
+glas echter verdwijnt al dat eenvoudige. Van het uiterste puntje van
+haar sprieten tot het behaarde uiteinde van haar angel, heeft de
+honingbij niets, dat niet duidt op een verbijsterend samengesteld plan.
+<span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149">149</a>]</span></p>
+
+<p>Als men op een drukken zomerdag zich bij een korf geposteerd heeft,
+dan wordt het eerst de aandacht getrokken door de stuifmeeldraagsters,
+die bij duizenden tegelijk komen aanzwoegen, met een groote, ovale,
+bontkleurige massa aan hun achterpootjes gekleefd; en zoo komt men er
+toe het eerst het stuifmeeldragend organisme onder den <span class=
+"corr" id="xd0e1322" title="Bron: mikroscoop">mikroskoop</span> te
+bezien. Het blijkt nu, dat de zes pooten, die voor het bloote oog
+ongeveer alle hetzelfde waren, in drie paren verdeeld zijn, waarvan elk
+paar in konstruktie aanmerkelijk van de twee andere verschilt.
+Z&oacute;&oacute; ver is het er van af, dat zij eenvoudige pootjes
+zouden zijn, dat ieder uit niet minder dan negen deelen bestaat, en
+bijna ieder deeltje draagt een bijzonder mechanisme, noodig en
+onontbeerlijk in het dagelijksch leven van de bij. Men zou heele
+verhandelingen kunnen schrijven over de funkties van de menschelijke
+hand, en toch is de hand een heel eenvoudig samenstel vergeleken met de
+pootjes van de honingbij. De inrichting voor het bergen van het
+stuifmeel is aan de scheen van de achterpooten, die verbreed is en
+eenigszins uitgehold; rond die langwerpige holte is een franje van naar
+binnen gebogen borsteltjes, die er uit zien of zij alles vast konden
+houden. Maar v&oacute;&oacute;rdat het stuifmeel in die korfjes gaan
+kan moet het verzameld en tot een bolletje gekneed worden. Eigenlijk
+zou men kunnen zeggen, dat het geheele lichaam van de bij bij het
+stuifmeelzamelen te pas komt. Onder zwakke vergrooting ziet men, dat
+haast geen deel van het lichaam niet dicht met haren is bezet; maar met
+het sterke objektief gezien, zijn die haren geen haren meer, maar het
+blijken in werkelijkheid veertjes te zijn, fijne werktuigjes in
+graatvorm, die het stuifmeel bij elkaar vegen, terwijl de bij in de
+bloem duikt naar den nektar, die op den bodem ligt.</p>
+
+<p>Bijna ieder lid van ieder pootje is voorzien van een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150">150</a>]</span>kam van stijve
+haren, waarmee het stuifmeel wordt afgeschrapt en in het draagkorfje
+gebracht, nadat het met de tong bevochtigd werd, terwijl de
+achterpooten ieder een komplete roskam dragen. De poot is hier verbreed
+en plat, en aan &eacute;&eacute;n kant bezet met negen of tien rijen
+korte, sterke stekels, waarmee de bij haar lichaam afkamt, juist zooals
+een rijknecht een paard kamt. In gewone tijden zal zij zorgvuldig haar
+vrachtje stuifmeel opladen in de daartoe bestemde inrichting,
+v&oacute;&oacute;rdat zij naar den korf terug vliegt, zoodat het
+onmiddellijk in de cel kan worden overgebracht. Bij de celopening
+aangeland, duwt zij ieder klompje er af met haar andere pootjes, maar
+het vastdrukken in de cel laat zij aan de proviandverzorgsters over. Er
+wordt hier niet geschift; stuifmeel van alle kleuren gaat in
+&eacute;&eacute;n en dezelfde cel en als die vol is wordt er een dun
+laagje honing over gesmeerd om het inwerken van de lucht te
+verhinderen. Maar dringt soms de tijd, dan blijft zij niet wachten om
+haar vracht samen te drukken; maar draagt die mee naar huis zooals ze
+is, en als zij dan aankomt is zij van top tot teen met goud poeder
+overdekt. Dan komen de huisbijen om haar heen en borstelen haar af,
+waarna zij onmiddellijk weer op een nieuwe vracht uitgaat.</p>
+
+<p>Het feit, dat insekten oogenschijnlijk met hetzelfde gemak onder
+tegen iets aan kunnen loopen als er boven op, is, omdat wij nu
+&eacute;&eacute;nmaal gewoon zijn het dagelijks te zien, daarom niet
+minder opmerkelijk. Want de vlieg, die tegen een ruit oploopt, of onder
+tegen &rsquo;t plafond aan, dankt haar vermogen van boven- en
+onderbeweging aan een zeer vernuftige inrichting. Men kan dit aantoonen
+aan het pootje van een bij. Het heeft een paar korte, stevige dubbele
+klauwtjes, waarmee zij zich vast grijpen op ieder vlak, behalve op de
+allergladste; het is ook door middel van die <span class="pagenum">[<a
+id="pb151" href="#pb151">151</a>]</span>klauwtjes, dat de bijen zich in
+de korf tot die dichte trossen op klompen of kettingen kunnen vormen;
+zij hangen als het ware hand in hand in alle richtingen. Maar als de
+klauwtjes geen vat kunnen krijgen, dan komt de beurt aan een ander lid.
+Dit is een zacht, elastisch kussentje, altijd bedekt met een dikke
+olieachtige afscheiding. Bij het loopen zet de bij drie pooten tegelijk
+neer, en de kussentjes zuigen dan oogenblikkelijk vast als zij in <span
+class="corr" id="xd0e1333" title="Bron: kontrakt">kontakt</span> met
+het gladde oppervlak komen; bij de volgende beweging komen de drie
+andere kussentjes aan de beurt, en de drie eerste trekken zich weer
+los. Maar ieder pootje kan zich ook vrij van de andere neerzetten en
+losmaken. Dit laatste gebeurt door het neerdrukken van de klauwtjes van
+datzelfde pootje.</p>
+
+<p>Ook aan ieder van de voorpooten heeft de bij een inrichting, die een
+heel belangrijke rol speelt. Het is een half cirkelvormig keepje,
+afgezet met een franje van stijve haartjes; wanneer het pootje nu
+omgebogen wordt, dan grijpt dit keepje met een merkwaardige projektie
+in het daarboven gelegen lid, en vormt daarmee een soort van oogje van
+ruwe ronding. Met dit fijn en doelmatig instrumentje reinigt zij haar
+sprieten, en doet dat heel regelmatig gedurende den geheelen bezigen
+tijd van haar leven, ongeveer zooals wij menschen onze oogen schoon
+houden door knippen met de oogleden. Met ditzelfde werktuigje maakt zij
+ook haar tong vrij van de aanklevende korreltjes stuifmeel.</p>
+
+<p>De vraag: hoe neemt de honingbij de sappen tot zich, waarvan zij
+honing krijgt, wordt door sommige populaire schrijvers over de natuur
+beantwoord met de verzekering dat zij ze opzuigt door een buisje. Maar
+deze zeer gemakkelijke generalisatie komt heel dicht bij een stellige
+onwaarheid. Een bijentong is geen buisje, tenminste zooals men dat
+woord gewoonlijk <span class="pagenum">[<a id="pb152" href=
+"#pb152">152</a>]</span>begrijpt. En zij likt den nektar zeker even
+dikwijls op, als zij ze opzuigt. Dat hangt geheel af van de hoeveelheid
+waarmee zij te doen heeft. Een nauwkeurige ontleding van de monddeelen
+van de bij, met behulp van den <span class="corr" id="xd0e1342" title=
+"Bron: mikroscoop">mikroskoop</span> en een paar fijne naalden, maken
+spoedig de heele zaak duidelijk.</p>
+
+<p>Een schoonheid is zij niet&mdash;de honingbij&mdash;zoo van dichtbij
+beschouwd. Eindelooze arbeid, de natuur onderdrukt, het organisme
+mismaakt, dat alles werkt niet gunstig op uiterlijk schoon, bij geen
+van haar geslacht. Maar die sterke en bijna afschrikwekkende
+leelijkheid, die aldus dichtbij haast afzichtelijk wordt, vergeet men
+onmiddellijk, wanneer men haar verwonderlijken rijkdom leert kennen aan
+die andere schoonheid: die der praktische nuttigheid.</p>
+
+<p>Voor het bloote oog is de tong een helder bruin, glimmend dingetje,
+dat buiten haar mond uitsteekt, en dan naar beneden hangt, zoo ongeveer
+als de snuit van een olifant. Onder den mikroskoop blijkt het echter
+geen tong te zijn, in den gewonen zin; maar een voortzetting van de
+onderlip. Het bestaat uit zes of zeven verschillende stukjes die in de
+lengte kunnen worden bijeen gevoegd. Het middelste stuk is langer dan
+de andere en steekt uit met een harig spateltje; wanneer nu de overige
+deelen daaromheen sluiten, dan wordt het geheel feitelijk een buisje in
+een buisje. Het spateltje wordt ingeval van heel geringe hoeveelheden
+vloeistof voor het oplikken gebruikt, en de vloeistof gaat dan den mond
+binnen minder door eigenlijk zuigen dan wel door capillaire
+aantrekking; is er echter een boordevollen nektarbeker te ledigen, dan
+wordt het geheele tongmechaniek in gang gebracht. De strookjes voegen
+zich om het middengedeelte samen, en de vloeistof wordt door de
+tongspieren uit den bloemkroon getrokken, ongeveer zooals water door
+den zuiger van een pomp. <span class="pagenum">[<a id="pb153" href=
+"#pb153">153</a>]</span></p>
+
+<p>Nu wij het kopje van de bij onder nauwkeurige observatie hebben,
+kunnen wij ons van allerlei bijzondere dingen overtuigen. De sterke,
+gebogen kaken, die zijdelings werken, zijn dubbel merkwaardig als
+hoofdfaktoren bij de wasbereiding, en als belangrijk hulpwerktuig bij
+het bouwen der raten. Maar het eerst wordt onze aandacht getrokken door
+de oogen en de lange sprieten, die op dorschvlegels lijken. De bij mag
+dan op haar leven zijn ingericht, of het leven heeft&mdash;door
+onverbiddelijke omstandigheden&mdash;h&aacute;&aacute;r gemaakt tot wat
+zij nu is, dit staat vast, dat haar organisme prachtig is aangepast aan
+haar levenssfeer. De groote samengestelde oogen met hun duizenden
+facetten, die ieder lichtelijk in richting afwijken, zijn zonder
+twijfel op v&egrave;r en verwijderd uitkijken ingericht. Door juist
+deze oogen kan de bij haar weg heen en terug vinden over afstanden van
+mijlen ver. Bij de werkbijen nemen de oogen het geheele zijgedeelte van
+den kop in; maar bij den dar zijn zij veel grooter en komen boven den
+kop geheel samen. Zoo neemt hij, terwijl hij dartelt in den
+zonneschijn, tegelijk den geheelen hemelboog in zijn gezichtsveld op,
+ieder oogenblik bereid een jonge koningin te achtervolgen met zijn
+liefdedrang.</p>
+
+<p>Maar deze groote veelvoudige oogen hebben weinig doel voor de bij,
+waar het kleine afstanden geldt of in het diepe schemer van de korven.
+Voor binnenshuis en dichtbij zien heeft zij drie andere oogen, ieder
+met &eacute;&eacute;n enkele lens, die in haar voorhoofd liggen, juist
+boven de antennae(sprieten). Het volksgeloof, dat de honingbij haar
+drukke en ingewikkelde werkzaamheden in absolute duisternis zou
+verrichten, is een dwaalbegrip. Waarschijnlijk is er altijd wel
+&eacute;&eacute;nig licht, zelfs in de uiterste hoeken van den korf,
+genoeg ten minste altijd voor de oogen van de bij, al is het niet
+voldoende voor onze menschelijke gezichtsorganen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154">154</a>]</span></p>
+
+<p>Maar de bij hangt ook niet van het gezicht all&eacute;&eacute;n af
+bij het vervullen van hare verschillende opgaven. Het is wel zeker, dat
+bij haar ook de vier andere zintuigen een buitengewone ontwikkeling
+bereikt hebben. Tong en lippen zijn voorzien van uiterst fijn bewerkte
+organen, die wel niet anders dan smaakorganen kunnen zijn, en zelfs wie
+de meest oppervlakkige kennis van het bijenleven heeft moet het
+duidelijk zijn, dat de bij zeker de zintuigen voor reuk en gehoor bezit
+en zelfs zeer fijn. Waar de zetel dier organen ligt is nog niet
+uitgemaakt, en ook de verrichtingen der antennae kan men nog niet
+anders dan gissen. Maar wat deze laatste betreft is het toch zeker, dat
+zij een krachtig aandeel hebben in alles wat de bij verricht of
+onderneemt. Het is duidelijk, dat de antennae zeer fijne gevoelsorganen
+zijn; maar het is even duidelijk, dat zij nog veel meer beteekenen. Men
+heeft bevonden, dat zij niet minder dan zes verschillende werktuigjes
+dragen, die toch ieder hun bijzonder doel moeten hebben.</p>
+
+<p>De gangen der honingbij zijn al duizenden jaren nagegaan, en over de
+bij zijn meer boeken geschreven dan over alle andere schepselen samen.
+En toch kunnen wij veilig aannemen, dat onze kennis van hare vermogens
+en organisatie nog in de kindsheid is. De microskopisten hebben die
+voelsprieten ontleed en al hun verschillende deeltjes afzonderlijk
+bestudeerd; maar wat hun eigenlijke funkties zijn heeft men nog niet
+kunnen uitmaken of ten minste maar in heel geringe mate. Er zijn zekere
+haartjes over hun geheele oppervlakte gelijdelijk verspreid, die
+waarschijnlijk bij het voelen dienst doen. Maar er zijn nog andere
+haartjes of fijne kegeltjes, die hol zijn en een uiterst fijne
+zenuwdraad omsluiten; ook haartjes, die los staan in een holte;
+gekromde en geringde haartjes, en van verschillende lengte. Dan zijn er
+ook geheimzinnige putjes <span class="pagenum">[<a id="pb155" href=
+"#pb155">155</a>]</span>en verdiepinkjes, sommige open, andere bedekt
+met ongelooflijk dunne vliezen, die dan weer zenuwuiteinden bevatten,
+all&eacute;&eacute;n met het sterkste objektief zichtbaar. En dat alles
+houdt verband met een z&oacute;&oacute; ingewikkeld zenuwstelsel, dat
+het den geduldigste en handigste onderzoeker van de wijs brengt. Is dan
+eindelijk alles onderzocht en beschreven, dan weet men per slot nog
+niets meer dan v&oacute;&oacute;r het onderzoek.</p>
+
+<p>De antennae zijn zeker gevoelsorganen, en bovendien is het niet
+onwaarschijnlijk, dat door hen de bij ook hoort en ruikt. Dit zijn
+echter nog maar twee mogelijkheden uit vele. Want zeer zeker moeten wij
+aannemen, dat de honingbij meer zintuigen heeft, dan de vijf waarvan
+wij weten; en&mdash;het is maar raden&mdash;eenige van die
+geheimzinnige organen op de <span class="corr" id="xd0e1363" title=
+"Bron: ontennae">antennae</span>, zouden gedachte-overbrengers kunnen
+zijn of ontvangers van draadlooze berichten. Want het verwonderlijk
+&eacute;&eacute;nstemmig handelen der bijen kan een bewijs zijn van
+draadloos telegrafeeren&mdash;een overbrenging van gedachten door
+middel van de lucht&mdash;zooals tegenwoordig de menschen dit nu
+eindelijk ook kunnen. En misschien is dat, wat bij de menschen altijd
+hoog gehouden werd als een kenteeken van hun verheven standpunt boven
+het dier, het vermogen tot spreken, juist geheel verouderd en
+onbeschaafd, vergeleken met de geestestaal van de honingbij.</p>
+
+<p>Men zou zich nog een andere verrichting van de sprieten kunnen
+denken&mdash;een zich onmiddellijk en onfeilbaar vergewissen van kleine
+afstanden. Zij zouden heel gevoelige maatinstrumentjes kunnen zijn,
+niet mechanisch gebruikt als een meter of duimstok, maar door een
+inherente eigenschap, zooals bijv. ons gehoor de intensiteit van een
+toon zal schatten. Als dit zoo was zou er veel verklaard kunnen worden
+o. a. hoe de honingraten worden gebouwd, hoe de afmetingen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156">156</a>]</span>van de cellen
+alle precies gelijk kunnen zijn, in vorm en grootte; hoewel er toch
+honderden metselbijen aan meewerken, en niet alleen gelijktijdig maar
+ook elkaar opvolgend, gaand en komend in &rsquo;t duister en &rsquo;t
+bezig gewriemel in den korf; en ieder begint van zelve en zonder
+aarzelen precies d&aacute;&aacute;r waar haar voorgangster het heeft
+laten liggen. Terwijl dan de centrale divisie van de raat aangroeide,
+zich naar beneden uitstrekkend in alle richtingen en tegelijk de cellen
+horizontaal werden uitgebouwd, zou iedere bij door haar zin voor
+afmetingen kunnen weten, wanneer de grens van ieder kantje van de
+zeshoekige celbasis bereikt was, en hoe groot de hoek moest zijn
+waarmede zij af moest wijken naar de volgende bodemlijn.</p>
+
+<p>Iedereen, die een bij in haar vlucht volgt moet wel bijzonder
+getroffen worden door haar snelheid niet alleen, maar ook vooral door
+het zeldzame gemak en de losheid waarmede zij zich voortbeweegt.
+Behalve dat zij zich als een buitengewoon bedreven luchtschipper doet
+kennen is het ook duidelijk, dat zij zich met heel weinig inspanning in
+de lucht ophoudt en voortbeweegt. Haar vliegapparaat moet dus wel heel
+praktisch en volmaakt zijn; en toch, op het eerste gezicht, is het ons
+niet duidelijk hoe zij het er zoo goed afbrengt. Wie het vliegvraagstuk
+bestudeert en daarbij als punt van uitgang het vliegen van vogels
+neemt, op welk hoofdbegrip hij dan zijn systeem grondt en opbouwt, is
+gewoon vast te houden aan twee onmisbare hoofdfactoren in het
+vliegproces; 1e) een paar vleugels of een combinatie van aeroplanen en
+propellers die hem in staat stellen het toestel op te houden in de
+lucht en tegelijk het voort te bewegen, en 2e) een soort van
+stuurapparaat als de staart van een vogel. Maar voor zoover wij uit een
+eerste algemeen onderzoek begrijpen, schijnt er bij de bij geen stuur
+Mechanisme te bestaan en hangt zij dus <span class="pagenum">[<a id=
+"pb157" href="#pb157">157</a>]</span>bij al hare bewegingen in de lucht
+van haar vleugels af. Nu hebben de vleugels van een vogel afwisselende
+bewegingen. Zij kunnen tegelijk of afzonderlijk gebruikt worden en
+hebben hetzelfde vermogen tot excentrische stelling, zoowel in zichzelf
+als in betrekking tot elkaar, als de armen van een mensch. Maar de
+vleugels van een bij hebben die eigenschappen niet. Zij kunnen alleen
+die &eacute;&eacute;ne beweging op en neer maken; ook werken zij
+symmetrisch; het correspondeerende paar beweegt zich tegelijk. Toch
+weet de bij zich in ontelbare van elkaar verschillende zwenkingen
+volmaakt goed te sturen, en bereikt hetzelfde wat de vogel met zijn
+veel meer samengestelde inrichting tot stand brengt. Dit probleem nu
+hangt samen met een ander, en die twee, zoo moeilijk ieder op zichzelf
+te verklaren zijn, saamgevat, heel gemakkelijk op te lossen. Insekten
+(ingesneden) worden zoo genoemd, omdat hun lichaam uit twee deelen
+bestaat, geheel los van elkander op een uiterst dun verbindingslid na.
+Wij zijn zoo gewoon dit als iets heel natuurlijks aan te nemen, dat
+maar heel weinigen er bij blijven staan, om over de beteekenis na te
+denken. Oogenschijnlijk is dit een zeer bezwaarlijke inrichting voor
+ieder levend schepsel. Maar bij de honingbij wordt het tot wat wij een
+ideaal ongemak zouden kunnen noemen; want haar honingblaasje, en al de
+samengestelde organen voor het bijenbrood en de voedermelk liggen in
+haar achterlijf, en er is geen weg daarheen dan door dit uiterst fijne
+lid. Dat moet een praktische oorzaak hebben, die alle bedenkingen te
+niet doet, of het zou zoo niet zijn; en wanneer wij deze zaak nu
+bestudeeren in verband met het bijzonder vliegsysteem van de bij, dan
+komen wij spoedig tot de juiste oplossing.</p>
+
+<p>Het is gezegd, dat de vleugels van de bij een volkomen symmetrische
+beweging hebben, en deze maar in &eacute;&eacute;n <span class=
+"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158">158</a>]</span>enkele vaste
+richting: n.l. op en neer in een rechten hoek met de lijn van het
+borststuk. Onder den mikroskoop gezien is ieder van de vleugels een
+doorschijnend, ondoordringbaar vlies, doorsneden met fijne adertjes. Nu
+loopt door de geheele lengte van de voorvleugels aan de bovenzijde een
+veel dikker en steviger ader en hierop, op dezen hoofdader,
+concentreert zich bijna de geheele kracht van de vliegspieren. Als ge
+nu verder kijkt, zult ge bemerken, dat de ondervleugels ieder een rij
+fijne haakjes langs den bovenkant hebben, terwijl de benedenkant van de
+voorvleugels teruggevouwen is. Bij het vliegen grijpen de haakjes van
+den eenen vleugel in het omgevouwen gedeelte van den anderen, en zoo
+worden de twee vleugels aan iederen kant van het lichaam automatisch
+verbonden en vormen daardoor &eacute;&eacute;n enkel oppervlak, dat
+weerstand biedt aan de lucht. Deze gecombineerde vleugel is over
+&rsquo;t geheel zeer buigzaam, behalve aan den bovenkant waar de
+hoofdader hem stijft. En daar nu bij het vliegen de kracht zich alleen
+op dien gespannen bovenkant richt, die weerstand biedt aan de lucht,
+terwijl de rest van de vleugel buigzaam blijft, volgt daaruit, dat de
+geheele vleugel een bewegelijk, gebogen vlak wordt, waarvan de
+kromming, voorwaarts bij den neergaanden slag, ook voorwaarts blijft
+bij den opgaande, omdat de vlakkromming zich automatisch omwendt.</p>
+
+<p>Hieruit zal men begrijpen, hoe de buigzame vleugels van de bij
+gebruikt worden bij een vlucht rechtuit; maar nu is het nog niet
+duidelijk hoe zij zichzelve stuurt, bij het rijzen of dalen of zwenken,
+al naar het haar invalt; de vleugels toch zijn niet ingericht op
+onafhankelijke of onregelmatige beweging. En hier nu komt aan het licht
+waartoe haar lichaam dien bijzonderen bouw heeft. Het fijne
+verbindingslid tusschen het achterlijf en het borststuk is feitelijk
+een hoofdverbinding <span class="pagenum">[<a id="pb159" href=
+"#pb159">159</a>]</span>en wordt door een reeks van krachtige
+kruisspieren in beweging gebracht; de bij stuurt nu zichzelf in de
+lucht, door haar achterlijf als tegenwicht te gebruiken. Haar zwaar
+abdomen v&oacute;&oacute;r en achteruit zwaaiend, of naar rechts of
+links, verlegt zij haar zwaartepunt en de krachtlijn van haar
+aeroplanen terzelfder tijd. Feitelijk houdt haar lichaam, dat het
+zwaarste deel is, zijn verticale stelling, en het lichtere, de vleugels
+dragende, borststuk wordt afgebogen. Maar de uitwerking is dezelfde;
+zij kan haar vlucht wijzigen in vele richtingen en op alle manieren, en
+het schijnt wel, dat deze vlucht op een veel eenvoudiger principe
+berust dan die der vogels.</p>
+
+<p>Een zeer moeilijk vraagstuk in het leven der bijen is ook hoe het
+mogelijk is, dat zij de temperatuur in den korf willekeurig kunnen
+wijzigen. Het stelsel van mechanische luchtverversching verklaart
+natuurlijk hoe het inwendige van den korf in de drukkendste zomerhitte
+koel kan blijven, maar het verklaart niet, hoe de temperatuur er van
+tijd tot tijd zoo plotseling verhoogd wordt. Dit gebeurt voornamelijk
+met de wasbereiding. Onder de platen van haar bronzen harnas heeft de
+werkbij zes ondiepe, maar breede holten, waaronder de waskliertjes
+liggen. Om die kliertjes tot werken te prikkelen schijnt er volmaakte
+rust en een zeer hooge temperatuur noodig te zijn, en gedurende het
+proces verbruiken de wasmaaksters een groote hoeveelheid zoetigheid.
+Men neemt gewoonlijk aan, dat de bijen zich zoo sterk mogelijk voeden
+met de rijpe honing uit den voorraad, v&oacute;&oacute;rdat zij zich in
+hun guirlanden bijeenvoegen tot een tros; maar het is waarschijnlijker,
+dat het voedsel, dat gedurende de wasbereiding verbruikt wordt in
+hoofdzaak nektar is, zooals ze onmiddellijk uit de bloemen wordt
+ingezameld. Deze uitspraak wordt bevestigd door enkele proeven, die
+<span class="pagenum">[<a id="pb160" href=
+"#pb160">160</a>]</span>genomen zijn om de hoeveelheid voedsel te
+bepalen, gebruikt gedurende de produktie van een bepaald gewicht aan
+was. Toen de bijen bij honing all&eacute;&eacute;n werden toegelaten,
+gebruikten zij er vijf of zes pond van gedurende den tijd, dat er
+&eacute;&eacute;n pond was werd afgescheiden. Maar kregen zij in dien
+tijd zuivere rietsuikerstroop dan werd er veel meer was gemaakt. De
+chemische samenstelling nu van verschen nektar en rietsuiker is
+ongeveer gelijk; maar gerijpte honing bevat feitelijk zoo goed als geen
+rietsuiker. En het is zeker te betwijfelen of de nijvere bij haar, met
+zooveel zwoegen verkregen, <span class="corr" id="xd0e1386" title=
+"Bron: honnigvoorraad">honingvoorraad</span> zou opgebruiken, als zij
+haar doel zooveel goedkooper kon bereiken. Ook moet men wel in het oog
+houden, dat de natuurlijke tijd voor den ratenbouw samenvalt met den
+rijkelijksten nektaroogst.</p>
+
+<p>Deze plotselinge temperatuurwijzigingen schijnen zeer gemakkelijk te
+weeg gebracht te worden door een algemeene versnelling der ademhaling;
+en er is niets, dat zoo zeer de verwondering van den bijenstudent
+gaande maakt, als het ademhalingsapparaat van de bij, zooals het zich
+onder den mikroskoop vertoont. Door middel van hare vele trachee&euml;n
+is zij feitelijk in staat haar geheele fysisch systeem onmiddellijk van
+lucht te voorzien. Voor zoover de mannen der wetenschap hebben kunnen
+vaststellen, is er geen vezel of zenuw in haar geheele lichaam, die
+niet bereikt wordt door die fijne vertakkingen van de luchtkanalen,
+welke in direkte verbinding staan met de hoofdluchtvaten in het
+onderlijf. Het ademhalen schijnt voor de bij een willekeurige beweging
+te zijn. Zij doet het all&eacute;&eacute;n maar wanneer het noodig is,
+en wacht dan soms weer drie, vier minuten lang. Maar is het in den tijd
+van de wasafscheiding of het zwermen, dan is door den geheelen
+bijenklomp heen de sneltrillende beweging van het <span class=
+"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161">161</a>]</span>ademhalen
+duidelijk zichtbaar, en de temperatuur van den korf klimt dan soms tot
+een dozijn graden boven het normale cijfer.</p>
+
+<p>Het ademhalingssysteem der honingbij is ook nauw verbonden met de
+geluidorganen. Ieder, wien men zou vragen het geluid, dat de bij maakt,
+te beschrijven, zou waarschijnlijk zeggen, dat zij gonst of bromt, of
+zoemt, en daarmee uit. Maar voor den bijenvader is dat jammerlijke
+vaagheid. Het geluid, dat de bij maakt, is niet &eacute;&eacute;n stem;
+maar een geheel koor; en zij beschikt over een omvang van wel 1&frac12;
+oktaaf. Ieder van haar veertien trachee&euml;n en ook ieder van haar
+vleugels kan een toon voortbrengen, en deze tonen kunnen eindeloos
+wisselen in hoedanigheid, intensiteit en hoogte. Men overdrijft niet
+als men zegt, dat de bij een even goed musicus is als welke vogel ook;
+maar in den korf gaat de stem van het individu op in de symphonie van
+het geheel, en men krijgt moeilijk een indruk van haar bekwaamheden als
+soliste.</p>
+
+<p>Het geluid-toestel in de trachee&euml;n is wel het meest
+ingewikkelde van de geheele anatomie der honingbij. Het is zeer
+samengesteld, en ingericht op een groote verscheidenheid van tonen. Ook
+de vleugels kunnen toonreeksen voortbrengen naar boven en naar beneden,
+in verband met de snelheid hunner trillingen; en zij maken ook dat
+eigenaardig sissend geluid, dat men &ldquo;gonzen&rdquo; noemt.
+W&agrave;nneer men ook naar de muziek in den korf luistert, voelt men
+zich steeds gedrongen te gelooven, dat de bijen niet alleen een
+individueel verkeer onderhouden met die groote verscheidenheid van toon
+en geluid; maar dat bovendien die algemeene zang, die uit allen
+tegelijk schijnt te komen, bepaald den oogenblikkelijken stand van
+zaken in den korf moet uitdrukken. Een voorspoedig volk geeft aan zijn
+bevredigend bezig-zijn een uiting, die niet te miskennen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162">162</a>]</span>is. Het is een
+diepe, sonore, blijde toon, als het gelijkmatig loopen van een
+goedgesmeerde machine, waarvan ieder wiel zijn snorrende melodie tot de
+harmonie van het geheel bijdraagt. Zwakke of hongerige kolonies geven
+een weifelend afgebroken geluid, een klaagstem vol zorg over de
+toekomst. Heeft een korf zijn koningin verloren, dan moet het den
+geoefenden ijmker, als hij aan het vlieggat luistert, niet moeilijk
+vallen den ramp te raden. Bij een volk zonder koningin heerscht rumoer
+en gewar van oneenige stemmen en van raadgevingen door elkaar; het
+gewone volle geluid van het bevredigend werken zwijgt, en er gaat een
+alarmkreet door den korf als bij een paniek. Wanneer men stilletjes een
+korf opent en met geringe stoornis de koningin wegneemt, dan kan het
+soms een poosje duren, voordat de bijen hun verlies gewaar worden. Maar
+eenige volken, waarmede die proef genomen werd, gaven zich onmiddellijk
+rekenschap van hun gemis en plotseling brak het moordgeschreeuw los.
+Een van de opmerkelijkste dingen in het bijenleven is het onderscheid
+in intelligentie en wakkerheid bij de verschillende volken. Een bedaard
+en saai volk ontdekt het verlies van zijn koningin soms eerst na vrij
+langen tijd. De gewone werktoon gaat onveranderd voort, tot zij
+eindelijk besef krijgen van het gebeurde. En dan volgt het eigenaardige
+schrille geluid, dat al het andere overstemt, tot de kolonie weer tot
+rede komt en overgaat tot het kweeken van een nieuwe koningin.</p>
+
+<p>De stem van den dar is dieper en schorder dan die van de werkbij,
+tengevolge van zijn grover lichaamsbouw en zijn luider gonzen wordt
+verklaard door het grootere oppervlak van zijn vleugels.</p>
+
+<p>De koningin heeft, terwijl zij vliegt, ook een diepere en meer
+schorre stem; maar daarbij heeft zij nog een eigen geluid, aan alle
+bijenkenners de geheele wereld <span class="pagenum">[<a id="pb163"
+href="#pb163">163</a>]</span>over zeer vertrouwd. Men hoort het
+gewoonlijk juist even v&oacute;&oacute;r het uittrekken van den zwerm.
+Er zijn oude ijmkers, die zeggen, dat zij den datum waarop het zwermen
+zal beginnen vooruit kunnen bepalen, door te letten op de bijzondere
+kreten van de koningin. Men hoort ze veel in stille nachten kort
+v&oacute;&oacute;r het begin van den zwermtijd; als men met het oor aan
+het vlieggat luistert, kan men ze boven alles uit herkennen. Het is een
+schril gepiep, altijd weer herhaald, en dikwijls beantwoord door andere
+zwakkere tonen. Hoe het wordt voortgebracht is nog niet vastgesteld;
+maar waarschijnlijk gebeurt het, doordat vleugels of pooten sterk tegen
+elkaar gewreven worden, ongeveer zooals bij de sprinkhanen en krekels.
+Het schrille, sterke geluid komt van de oude koningin, en wat zij er
+mee meent is duidelijk. IJverzucht en strijdlust zijn over haar
+gekomen, en gaan uit naar de jonge <span class="corr" id="xd0e1405"
+title="Bron: princessen">prinsessen</span>, die nog in de cellen
+gevangen zitten. Het klinkt als een uiting van verstikte woede terwijl
+zij door celwachten tegengehouden wordt; en het zwakker antwoord komt
+van de gevangen tegenpartij, die even hard naar den strijd verlangt als
+zij. Die oude ijmkers zijn nooit ver mis met hun berekening. Als het
+zoover gekomen is, is de krisis op handen en met den komenden dag zal
+zeker de emigranten-stroom uitvliegen om een nieuw tehuis te zoeken, de
+oude koningin onweerstaanbaar met zich medevoerend.</p>
+
+<p>Wij hebben gezegd, dat de broedbijen, wier taak de geheele
+verzorging van het jonge broed is, de larven uit hun mond voeden met
+een dikke, witte vloeistof, zeer toepasselijk bijenmelk genoemd.
+Gedurende al den tijd, dat de voedsters met dit werk bezig zijn, eten
+zij zelve flink honing en stuifmeel; zoodat het lijkt of de bij de
+macht heeft hare spijsvertering onmiddellijk te doen werken; zoo te
+verstaan, dat zij het eene oogenblik <span class="pagenum">[<a id=
+"pb164" href="#pb164">164</a>]</span>zichzelve voedt en onmiddellijk
+daarop het voedsel verteerd weer kan uitbraken om er de larven mee te
+verzorgen. Er is nog een andere bijzonderheid aan de bijenmelk. Bij
+nauwkeurig onderzoek is gebleken, dat zij zeer verschillend is van
+samenstelling. De dar, de werkster en de koningin worden alle in hun
+larvetoestand er mee gevoed; maar de zelfstandigheid is niet dezelfde;
+en niet alleen verschilt die bij ieder soort van larve; maar ook wordt
+zij gewijzigd voor den leeftijd. De bij moet dus haar
+spijsverteringsorganen geheel en willekeurig kunnen beheerschen. En hoe
+zij deze netelige zaak tot stand brengt, kan alleen een goede
+mikroskoop ons leeren.</p>
+
+<p>Misschien is er in de geheele anatomie van de bij niets
+verwonderlijkers dan haar spijsverteringstoestel, met zijn
+bijbehoorende verzameling van klieren, die alle hun bijzondere en
+belangrijke bestemming hebben. Als zij den nektar uit de bloemen tot
+zich neemt, gaat die onmiddellijk in de eerste van haar twee magen, die
+niet anders is dan een reservoir. Hierin kan de bij hem naar willekeur
+bewaren; zij kan hem weer opgeven en in de raatcellen ontlasten voor de
+honingbereiding, of zij kan hem door een klapvliesje in den bodem van
+het reservoir naar de lager gelegen maag laten gaan, waar de
+spijsvertering plaats heeft en honing en stuifmeel in melksap omgezet
+worden. Maar door een der vernuftigste inrichtingen van de natuur kan
+die tweede maag ook haar inhoud aan den mond teruggeven en het melksap
+wordt daar tot bijenmelk voor het voeden der larven.</p>
+
+<div id="p165" class="figure"><img border="0" src="images/p165.jpg"
+alt="Bijen-Kinderkamer: (verzorging van het jonge broed)." width="519"
+height="720">
+<p class="figureHead">Bijen-Kinderkamer: (verzorging van het jonge
+broed).</p>
+</div>
+
+<p>De werkbij heeft in het geheel vier verschillende klieren, die ieder
+een vloeistof afscheiden, verschillend in samenstelling van de andere.
+Deze klieren liggen alle in den mond. Twee ervan hebben een
+gemeenschappelijke opening aan den bovenkant van den tongwortel; <span
+class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167">167</a>]</span>en terwijl
+de bij den nektar tot zich neemt, mengen zich hun afscheidingen
+automatisch met het bloemensap. Dit is de eerste stap van nektar naar
+honing. Het derde kliertje ligt boven in den mond en de afscheiding
+hieruit is het, die op het teruggegeven melksap werkt en het verandert
+in bijenmelk. Het vierde kliertje, eindelijk, is dubbel; en deze
+dubbele klier heeft zijn opening onder aan de kaken, zoodat het kauwen
+noodig is om de afscheiding op te wekken.</p>
+
+<p>Het klapvliesje tusschen de boven- of honingmaag en de beneden- of
+melksapmaag, is rekbaar, en de bij kan naar willekeur dit
+teleskoop-achtige voorwerpje binnen door de honingmaag heen uitstrekken
+tot aan de keelopening, zoodat de inhoud van de lager gelegen maag zich
+in den mond kan uitstorten zonder in aanraking te komen met de
+zoetigheid, die in het reservoir bewaard wordt; en dit vooraf verteerd
+voedsel is ten allen tijde verkrijgbaar voor de larven, en tot voeding
+voor de darren en de koningin.</p>
+
+<p>Wij hebben gehoord, dat het voedsterwerk uitsluitend door de jonge
+bijen wordt verricht gedurende hunne twee eerste levensweken ongeveer.
+Daarna gaan ze voor het eerst op fourageeren uit, beginnen met het
+stuifmeel en laten dat weer in den steek, als zij hun vollen wasdom
+bereikt hebben, voor het nektar-ga&acirc;ren. De volwassen werksters
+nemen geen deel aan de larven-verzorging, behalve in heel zeldzame
+gevallen. In verband hiermee is het opmerkelijk, dat het kliertje boven
+in den mond die het melksap in bijenmelk helpt omzetten,
+all&eacute;&eacute;n in zijn volkomen ontwikkeling is gedurende de
+eerste levensweken van de werkbij. Heel spoedig daarop vermindert zijn
+werkzaamheid, en bij de oude werksters sterft het bijna geheel af.</p>
+
+<p>Het klierensysteem voor de spijsvertering van de honingbij is door
+de wetenschappelijke naturalisten <span class="pagenum">[<a id="pb168"
+href="#pb168">168</a>]</span>vrij nauwkeurig onderzocht; maar er is
+toch nog veel onverklaarbaars in, vooral wat de kliertjes betreft, die
+aan de kaken verbonden zijn. Het vocht, dat door die kliertjes wordt
+afgescheiden&mdash;blijkbaar een zeer sterk zuur&mdash;wordt in
+hoofdzaak gebruikt om de ruwe was, die hard en stroef is, tot het
+zachte, taaie materiaal te vormen waarvan de raten gemaakt zijn. Tot
+een zekere hoogte dient het ook bij de bereiding van het broedvoeder in
+vereeniging met de afscheiding uit het kliertje boven in den mond. Het
+wordt ook met het stuifmeel vermengd, wanneer dit gekauwd wordt, en
+doet zeker nog in veel meer gevallen dienst; maar niemand heeft nog
+kunnen ontdekken, waarom die twee kliertjes zoo geweldig sterk
+ontwikkeld zijn bij de koningin, die toch noch aan de verzorging van
+het broed noch aan den ratenbouw deelneemt. Voor den gewonen lezer is
+dit alles van betrekkelijk weinig belang; maar voor den bijenman met
+een mikroskoop behoort het tot de gewichtige onderwerpen van discussie.
+Als het verschil tusschen koningin en werkster&mdash;en het is evenzeer
+een verschil in bouw als in ontwikkeling&mdash;inderdaad wordt
+veroorzaakt door verschil in de hoeveelheid en de hoedanigheid van het
+voeder aan de larven verstrekt, dan kan het belang van de werking dezer
+kliertjes niet overschat worden en men kan ze niet nauwkeurig genoeg
+bestudeeren; want dan zijn zij niet anders dan de levensbron zelve.
+Maar staat het wel vast, dat de invloed door de voedsters op de jonge
+larven uitgeoefend, beperkt blijft tot het voedsel alleen? De werkbij
+heeft, behalve de reeds gemelde, op verschillende plaatsen in haar
+lichaam nog verscheidene andere eigenaardige organen en klierstelsels,
+waarvan de beteekenis en het gebruik nog niet is opgehelderd. Hoe meer
+wij haar merkwaardige uitrusting bestudeeren, hoe minder het ons
+gerechtvaardigd schijnt <span class="pagenum">[<a id="pb169" href=
+"#pb169">169</a>]</span>dogmatisch hare verrichtingen te begrenzen, of
+ze te bepalen tot eenig speciaal orgaan in die geheele samengestelde
+inrichting. Het oude beweren, dat er niets onveranderlijk vaststaat in
+het bestaan der honingbij slaat zoowel op haar lichaamsbouw als op hare
+levenswijze; en het is niet onwaarschijnlijk, dat wat wij morgen zullen
+weten, veel van het zorgvuldig verzameld weten van heden te niet zal
+doen.</p>
+
+<p>De anatomie van de honingbij, die wij zien als de afschaduwing van
+een groot plan, brengt ons met haar verrassende organen, haar
+avontuurlijke kleur in een sfeer van romantiek; en die kleur behoudt
+zij wanneer wij ten slotte de bij nog gaan zien als een gewapende, die
+een z&oacute;&oacute;danig moordwerktuig verbergt, als in den
+menschelijken geest niet is opgekomen er een uit te denken. Het lange,
+kromme zwaard van de koningin, dat zij zoo zorgvuldig bewaart, en dat
+niets ter wereld haar ooit bewegen zou te gebruiken tegen een anderen
+vijand dan een van koninklijken rang, is verder eigenlijk niet veel
+anders dan een huiselijk meubel. Maar de angel van de moedige werkbij
+is, onder den mikroskoop gezien, een vreeselijk vernielingswerktuig. De
+populaire wetenschap beschrijft hem gewoonlijk als een van weerhaken
+voorziene giftige dolk in een scheede, en daarbij wordt dan de
+afgezaagde vergelijking gebruikt, dat, bij dien dolk vergeleken, de
+allerfijnste naainaald een grove ijzeren bout lijkt. Maar die scheede
+is fantasie, wat men met een beetje moeite spoedig ontdekt.</p>
+
+<p>De angel van de bij bestaat uit drie afzonderlijke lancetten, elk
+uitgetand als zaagjes, en die onafhankelijk van elkaar uitgestooten
+kunnen worden. Het middelste en breedste van de drie is aan de
+&eacute;ene zijde uitgehold met aan weerszijden een opstaande kant, die
+over de geheele lengte doorloopt en aan de zijde van de beide anderen
+bevindt zich in de lengte een groef, waarin <span class="pagenum">[<a
+id="pb170" href="#pb170">170</a>]</span>de opstaande kanten van het
+derde sluiten. Zoo gelijkt dus die angel op een drievoudig zwaard, dat
+&eacute;&eacute;n geheel is maar waarvan de drie deelen in elkaar
+glijden. De zaagdolkjes dringen achtereenvolgens in de wond, steeds
+dieper als met voorbedachten rade, nadat de eerste stoot gegeven is. En
+dit is dus een verfijnd oorlogshulpmiddel, waarbij de springende
+granaten maar een plompe brutaliteit lijken. Toch is dit nog niet
+alles. Om den doodsteek nog dubbel zeker te maken moet deze
+karaktersterke amazone het gevest van haar drievoudig zwaard vullen met
+een subtiel vergif en haar glijdend mekaniek z&oacute;&oacute;
+besturen, dat dezelfde beweging, die de punten achtereenvolgens naar
+voren drijft, ook het geheele wapen drenkt in het venijnige vocht.</p>
+
+<p>De neiging, pijnlijk wetenschappelijk te worden, en deze dingen met
+de zuivere belangstelling van den onderzoeker, buiten alle fantasie om
+te handelen, ontvangt hier voor goed haar doodsteek. Want wie zich
+eenmaal rekenschap heeft gegeven van de doodende kracht van den angel
+der honingbij, kan dat niet meer logisch aannemen als een opmerkelijke
+voorziening der natuur, en er God gemoedelijk voor prijzen. Hij moet er
+een beteekenis in voelen, die oneindig veel verder strekt. Dit
+vernuftig samengestelde wapen van de verminkte en in haar
+geslachtsontwikkeling gestuite werkbij, dankt zijn bestaan evenzeer aan
+weloverwogen kunst als aan de natuur; of zij, die het werken van de
+Almacht in de korven gadeslaan, moeten wel verwonderlijk verdoold zijn
+in hun begrippen. Aan de koningin-moeder, van wie wij kunnen zeggen dat
+haar fysiek organisme vergelijkenderwijs bijna niet afwijkt van het
+oorspronkelijke type, zien wij bij het lichaamsdeel, dat met den angel
+der werkbij overeenkomt, een absoluut verschillende inrichting. De
+legboor van de koningin is langer; zij is gekromd; de weerhaken <span
+class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171">171</a>]</span>zijn klein
+en onbeduidend; de vloeistof in de afscheidingsklier is in &rsquo;t
+geheel geen vergif; maar een dikke, troebele zelfstandigheid,
+vermoedelijk bestemd om de eieren vast te kleven op den celbodem. Hij
+is ook voorzien van een paar stompe werktuigjes, met gevoelige haren
+bezet, die met den legboor samen dienen om het eitje veilig op zijn
+plaats te brengen. De werkbij heeft die voelers ook aan weerszijden van
+haar angel; maar verkeerde ze tot een wreeder bestemming: het opzoeken
+van de verwondbare plekken bij haar vijanden. En wat een geduchte
+verandering heeft haar wil, of die van hare voedster-moeders, bewerkt
+in haar geheele wezen! Zij ruilde het voorrecht van het moederschap en
+meerdere levensjaren tegen een bestaan van maar enkele maanden en een
+deel in het beheer der gemeenschap. En zij moet bereid zijn het welzijn
+van den staat te bevorderen door de werken van den oorlog zoowel als
+die van den vrede. Daarom is het, dat zij positief heeft medegeholpen
+de ploegschaar te verkeeren in een kanon. Een kleine verandering in
+haar voeder in haar prille jeugd, een onzichtbaar druppeltje uit een
+klier, die men niet anders dan met de sterkste vergrooting van het
+sterkste glas kan waarnemen&mdash;en met de andere veelvoudige
+veranderingen in haar bouw en karakter komt ook dit wonder onmerkbaar
+tot stand. De buis, die de eieren afzet, wordt kort en recht; de
+onbeduidende insnijdingen worden geduchte zaagtanden, bestemd zoowel om
+vast te grijpen als te dooden. De onschadelijke kleefstof, die de
+eieren vastlegt, wordt verscherpt tot een venijnig gif. En dan is het
+moordtuig gereed tot den dienst tegen alle honingvrienden, de
+erfvijanden van de korven.<a class="noteref" id="xd0e1443src" href=
+"#xd0e1443">1</a></p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb172" href=
+"#pb172">172</a>]</span></p>
+
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" href=
+"#xd0e1443src" id="xd0e1443">1</a></span> Zie over het vergif in den
+angel van de werkbij het aanhangsel in ons boekje: &ldquo;de Bij en
+haar Wapenen&rdquo;, van dr. P. E. Spielmann.</p>
+</div>
+</div>
+
+<div id="ch11" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk XI</h2>
+
+<h2 class="normal">Het mysterie van den Zwerm.</h2>
+
+<p>De bekende &ldquo;Meizwerm&rdquo;, het ideaal van den ouden ijmker,
+is hard op weg zijn roem te overleven. Met de moderne korven en de
+moderne methoden, al brachten zij nog niet het einddoel: het afschaffen
+van alle natuurlijk zwermen, is toch dit bereikt, dat het den ijmker nu
+mogelijk is die geweldige levensopbruisching in de korven van jaar op
+jaar tot een veel later datum te verschuiven. Want verre van dat,
+zooals vroeger, een tijdige zwerm een voordeel geacht zou worden, is
+het den wetenschappelijken bijenteler nu gebleken, dat het zeer zeker
+een nadeel is en zelfs een schande voor zijn kunnen. Maar de bijen, hoe
+gemakkelijk zij ook te ontmoedigen zijn, zijn moeilijke scholieren.
+Trots ruime korven en een zorgzamen ijmker, die steeds bereid is een
+opvolgende reeks van jonge, vruchtbare koninginnen te verschaffen, en
+ten allen tijde hun huis geheel nieuw te meubeleeren, gaan de bijen
+toch voort met dit dolle spel van schierlookeren in het groot. En nog
+altijd staat daar dan de bijenvader, een beeld der wanhoop, midden
+tusschen zijn kostelijke inrichtingen; terwijl zijn eigendom om zijn
+ooren gonst of hoog opwiekt in de lucht, even onherroepelijk verloren,
+als het water dat een jaar geleden het molenrad deed draaien.</p>
+
+<div id="p173" class="figure"><img border="0" src="images/p173.jpg"
+alt="Een bijenzwerm in Mei." width="493" height="720">
+<p class="figureHead">Een bijenzwerm in Mei.</p>
+</div>
+
+<p>De ijmker noemt het zwermkoorts; en een koorts <span class=
+"pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175">175</a>]</span>is het zeker. De
+oorzaken zijn lang geleden nauwkeurig omschreven in preciese en
+algemeen aangenomen zinnen. Overbevolking; het verlangen der bijen een
+oude kwijnende koningin kwijt te raken; de opwinding van de koningin
+zelve als mededingsters dreigen; het natuurlijk instinkt der kolonies
+zich te vergrooten en te vermeerderen, alles en nog wat&mdash;behalve
+de eenig duidelijke en afdoende reden dat de bijen zwermen onder een
+plotselingen, hevigen aandrang, omdat zij &ldquo;het niet laten&rdquo;
+kunnen.</p>
+
+<p>De geschiedenis van den Sioux-Indiaan, die als kind al gewonnen was
+voor de beschaving; die, &ograve;verontwikkeld, &ograve;ververfijnd,
+met een hoogen graad aan de universiteit, het sieraad werd van een
+beroemden leerstoel, en die ineens de brui er van gaf, zijn
+kle&ecirc;ren afgooide, zich beschilderde en met zijn stam wegstormde
+het oorlogspad op&mdash;die geschiedenis doet ons een parallel aan de
+hand voor het gedrag der bijen in den zwermtijd. Het instinkt kan geen
+deel hebben aan zulk een inkonsekwentie, zulk een dollen levensovermoed
+en teugellooze uitbundigheid. Maar juist aan de rede is het eigen, bij
+tijd en wijle zoo schitterend onredelijk te zijn; en hier toont zich de
+honingbij het echte kind van haar afkomst. Zij, de koude, strenge, die
+het lot dwingt uit eigen keuze en aandrang, die zich verhard heeft om
+te kunnen dringen naar de frontlinie van het leven, in een onwrikbaar
+heenspringen over de hindernissen, over hart en haard&mdash;zij wordt
+plotseling weer tot de oorspronkelijke bijenvrouw, gedachteloos,
+zorgeloos en tuk op joligheid, die in &eacute;&eacute;n dol moment het
+goed vergooit, in zooveel nijvere dagen bijeengegaard.</p>
+
+<p>Want men kan onmogelijk het zwermen beschouwen als een schakel te
+meer in de ketting van nuchter berekenende bijenwijsheid. Het is
+duidelijk een terugval, een loslaten van de alwijze gemeenschapskunde.
+<span class="pagenum">[<a id="pb176" href=
+"#pb176">176</a>]</span>Gedurende &eacute;&eacute;n enkel uur in haar
+slovend, vreugdeloos, volmaakt leven, gooit zij al haar deugden over
+boord en stormt weg&mdash;als de Sioux-Indiaan&mdash;om te zwelgen in
+den stroom van verboden geneuchten, zonder met de kosten te rekenen.
+Juist als de gemeenschappelijke onthouding hare eerste vruchten
+opbrengt aan voorspoed, en de korf overvol is van burgers en
+bezittingen, dan komt die koorts over hen en breidt zich uit als een
+prairiebrand. En toch is het op dit tijdstip, dat de wetten der
+voorzichtigheid ieder kind van de moedergemeenschap zouden gebieden pal
+te staan aan haar zijde, om haar te houden op de hooge plaats, die zij
+verkreeg door onverpoosden, harden en strengen arbeid, en met
+opoffering van tallooze levens. Maar de herinnering aan den voortijd is
+ontwaakt en die roep is niet te weerstaan. In het begin der tijden
+maakte de Natuur de honingbij tot bewoonster der tropen, waar geen
+noodzaak bestond voor gesloten huizen om de koude te weren, en geen
+reden om een voorraad op te leggen voor de magere dagen; want het land
+was overvloeiend van honing. Het bijenleven in die verre eeuwen is niet
+anders dan dansen in den zonneschijn, en de eenige arbeid voor de
+bijenvrouw was naar de naaste rijkelijk voorziene bloemkroon te
+vliegen, als haar broed voedsel behoefde. Maar eene afkoelende aarde,
+de toenemende noordwaartsche koers van het ras, en ten slotte de
+dwaasheid van haar eigen wijsheid&mdash;het intellekt, dat zich tegen
+zich zelf keerde&mdash;, alles werkte samen om haar oud, weelderig
+paradijs en haar zorgeloos leven voor haar verloren te doen gaan. De
+dar echter, omgekeerd redeneerende met de wijsheid van zijn eigen
+dwaasheid, maakte eene andere schikking met de Natuur. Hij hield
+vast&mdash;en tot elken prijs&mdash;aan zijn leven van weelde en
+gemakkelijke genoegens, en liet zijn maat ongestoord haar eigen gang
+gaan, <span class="pagenum">[<a id="pb177" href=
+"#pb177">177</a>]</span>zijn oogen sluitend voor eene nieuwe
+noodzakelijkheid. Het werken en de verantwoordelijkheid verzuurden en
+verharden h&agrave;&agrave;r en scherpten meer en meer haar vernuft; en
+hij, met zijne afhankelijkheid van het vrouwendom, werd gaandeweg
+veranderd in een schepsel, overgegeven aan luiheid en het leven der
+zinnen. En toen hij er eindelijk toe kwam zich rekenschap te geven van
+de gevolgen, was het te laat. Het matriarchale gemeenebest was
+gegrondvest, omheind door een wal van giftdolken. Zijn hartewensch was
+geweest een dar te zijn, en nu was het darrendom&mdash;de loutere
+teeltkracht&mdash;hem voor goed toegewezen. Zoo zou het misschien ook
+voor de menschen een gerechte straf zijn, als zij in een volgend leven
+datgene voor eeuwig toegezegd verkregen, waarvoor zij vruchteloos hun
+geheele leven lang hun gebed hadden opgezonden; z&oacute;&oacute;
+weinig is mensch en dar in staat de dingen te onderscheiden, die
+duurzaam zijn in leven en dood.</p>
+
+<p>Maar d&igrave;t lot moet wel het ondragelijkst zijn: de eigen
+eeuwigheid met wijsheid te hebben gewild en schoon te hebben gevormd en
+dan, daar wij slechts menschelijk, of tenminste redelijk, zijn, te
+bevinden, dat haar goedheid werkelijk geleidelijk gaat, vast van kleur,
+overal ondoordringbaar, zonder dat er ergens een enkele blijde
+verbreking of scheur is, om de eentonigheid af te wisselen. Het is niet
+te verwonderen, dat de honingbij &ldquo;zwermt&rdquo; en holderdebolder
+breekt uit haar gevangenisleven van regelmaat, fatsoenlijken arbeid en
+kille maagdelijke deugdzaamheid, en in dolheid uitgaat, om een uur te
+hebben van uitzinnige pret en jool, zooals haar zusters uit den oertijd
+het van dag tot dag beleefden, toen er nog geen korven waren, en toen
+het moederschap nog geen voorrecht was van &eacute;&eacute;n op de
+dertigduizend, en toen de zon nog hoog en blij in den hemel brandde het
+gansche, lange <span class="pagenum">[<a id="pb178" href=
+"#pb178">178</a>]</span>tropische jaar. Het is gemakkelijk wijs en
+matig wetenschappelijk te zijn in het verklaren van dien koortsigen
+aandrang der bijen als een juisten en overwogen stap in den algemeenen
+ontwikkelingsgang. Maar is het niet v&oacute;&oacute;r alles de Natuur,
+de verkwijnde geslachtsgeest, die ontwaakt, of tenminste even woelt, in
+haar eeuwenlangen slaap? In de zwoele Augustusavonden dringen de jonge
+koninginnen van de mierenhoopen in ontelbare duizenden naar buiten om
+de mannetjes te ontmoeten en het roodachtig zonlicht is vol van het
+glinsterend leven van hun vleugels. Dit is &ldquo;zwermen&rdquo; in den
+waren zin. Het vleugellooze, arbeidzame, ondergrondsche bestaan volgt:
+maar de liefde-vlucht van de mieren, zoolang als zij duurt, is daarom
+niet minder een echte en hevige vreugde. En zonder twijfel is de
+zwermkoorts, die op zoo vreemde wijze en zoo ongelegen het korfleven
+aangrijpt, er &eacute;&eacute;n mee, naar natuur en geest, ofschoon de
+<span class="corr" id="xd0e1480" title="Bron: oorsponkelijke">
+oorspronkelijke</span> bedoeling en waarde al reeds lang geleden in de
+tijden zijn verloren gegaan.</p>
+
+<p>De &eacute;&eacute;nige in de geheele menigte, die voor zichzelve
+all&eacute;&eacute;n het volle recht van haar geslacht erft, schijnt
+dikwijls de aanzetster tot de revolutie. Zeer zeker is zij soms degene,
+die het eerst dat verlangen, die koortsige onrust ontwikkelt, en ze
+langzaam aan op de geheele kolonie overbrengt. Hier komt het verschil
+in den bijenaard scherp in het licht. Sommige korven vertoonen dezen
+rusteloozen geest gedurende vele dagen v&oacute;&oacute;rdat de zwerm
+uitgaat; terwijl bij de anderen de groote opstand, voor zooverre hij
+het meerendeel der bijen bevangt, een plotselinge, &ograve;noverdachte
+daad schijnt te zijn, gebeurend in &eacute;&eacute;ns te midden van de
+algemeene tevredenheid en werkijver. De voorzorgsmaatregelen voor het
+kweeken van nieuwe koninginnen worden altijd bij tijds getroffen; maar
+dit is waarlijk het werk van de voorzienige, bedachtzame oude bijen in
+den korf voor wie <span class="pagenum">[<a id="pb181" href=
+"#pb181">181</a>]</span>het kommunisme sedert lang een vaste en
+aangenomen ramp is geworden. Men mag veronderstellen, dat de bijen, die
+eindelijk den zwerm zullen vormen, hun geheime begeerte gevoed hebben
+van het oogenblik af, waarop de koningin het eerst teekenen van
+wispelturigheid begon te vertoonen: zij veronachtzamen dan al hun oude
+plichten, eerst innerlijk, dan inderdaad, en ten laatste, als de
+stemming van de koningin het hoogtepunt bereikt heeft en haar werk in
+den korf zoo goed als verlaten is, dan gooien zij potlood, troffel en
+kalkbak neer en stroomen naar buiten in een wilde, opgewonden bende,
+gedreven door een verlangen, dat zij evenmin in staat zijn te weerstaan
+als te begrijpen.</p>
+
+<div id="p179" class="figure"><img border="0" src="images/p179.jpg"
+alt="Een Reuzen-zwerm." width="720" height="450">
+<p class="figureHead">Een Reuzen-zwerm.</p>
+</div>
+
+<p>In de studie van het bijenleven komt men voor vele vragen te staan,
+maar zelden vindt men antwoorden voor alle. Indien de bevruchting van
+de koningin slechts &eacute;&eacute;nmaal in haar leven gebeurt, en de
+natuur dit als voldoende bedoelt voor het geheele tijdperk van haar
+vruchtbaarheid, dan is het niet gemakkelijk in te zien, waarom zij met
+den zwerm uit zou gaan. Het is bewezen, dat zij niet in zulk een
+strenge afzondering leeft als algemeen geloofd wordt, en men weet, dat
+zij nu en dan korte uitvluchten maakt gedurende haar legtijd. Daarom
+kan de begeerte om na een lange gevangenschap het licht weer te zien,
+niet worden aangevoerd als reden voor haar met den zwerm mee te
+vliegen. En het is aannemelijker te veronderstellen, dat de
+geslachtelijke drang opnieuw in de koningin wordt opgewekt, juist
+zooals het dan voor den eersten maal bij de werkbij schijnt te
+gebeuren, en dat bij allen de tocht wordt ondernomen als een
+paringsvlucht, een zwak overblijfsel van een rasgewoonte, die lang
+verdween, en die het meest gelijkt op het paringszwermen van de mieren.
+Men moet in gedachte houden, dat ofschoon de koningin door een enkele
+bevruchting <span class="pagenum">[<a id="pb182" href=
+"#pb182">182</a>]</span>ongetwijfeld in staat wordt gesteld beide
+geslachten van haar soort voort te brengen gedurende verscheidene
+jaren, men niet onherroepelijk kan bewijzen dat zij den dar nooit meer
+onder &eacute;enige omstandigheid zou ontmoeten. Er is niets in haar
+lichamelijk samenstel, dat een tweede bevruchting uitsluit, hoewel dit
+voor denzelfden dar onmogelijk is; om meer redenen dan die
+&eacute;&eacute;ne afdoende&mdash;dat hij sterft in het
+huwelijksuur.</p>
+
+<p>Prettig is het, in de oude bijentuinen, waar de &ldquo;zwerm in
+Mei&rdquo; nog een feit en een levend gebeuren is, in de rozige schaduw
+der bloesemende appelboomen op het zwermen te wachten en dan over bijen
+te praten. Geen bezigheid die zoo de zenuwen stilt en de ziel
+verfrischt. Er is nog nooit een bijenhouder geweest, ouderwetsch of
+modern, die het d&aacute;&aacute;r te druk voor had, wel te verstaan
+natuurlijk, als ge hem maar te gemoet kwaamt met begrijpen, en even
+prikkelbaar waart als hij op het punt van afdwalen van het
+allerbelangrijkste onderwerp. Men krijgt er heel gauw genoeg van, de
+wonderen van het bijenleven te openbaren aan een onkundigen en min of
+meer angstigen bezoeker, en er is zeker niemand, die daar zoo slecht
+tegen kan als de ijmker van de oude school. Zelfs in het allerrustigste
+bijentuintje, waar niet anders geteeld wordt dan het zuiver Engelsche
+ras, zijn er altijd een paar stekelige individuen, die u zullen
+uitvinden in uw schaduwhoekje onder den appelboom, en er zijn evenveel
+kansen v&oacute;&oacute;r als tegen, dat ze u bij de geringste
+aanleiding een dolksteek zullen geven. Zijt ge een bijenman, dan blijft
+ge onverschillig onder al die vijandelijke naderingen; ge blijft rustig
+luisteren naar het gebabbel van den ouden man, terwijl ze tegen uw
+oogleden gonzen en in en uit uw oor kruipen. In dat geval zal het saaie
+spelletje ze gauw vervelen, <span class="pagenum">[<a id="pb183" href=
+"#pb183">183</a>]</span>en ze wieken weer weg zonder kwaad te stichten;
+de draad van &rsquo;s ijmkers verhaal blijft dan onverbroken. Maar de
+onervaren bezoeker is een lastpost in die tweeledige eenzaamheden. Hij
+maakt schutterige bewegingen, trekt herhaaldelijk zijn hoofd terug,
+slaat wild met zijn handen om zich heen, of, als hij van harder metaal
+gesmeed is, gaat hij steil rechtop zitten, waar hij los en rustig moest
+blijven leunen en luistert met een allerpijnlijkste beleefdheid en een
+half oor, zoodat de stroom van welsprekendheid onmiddellijk opdroogt,
+en hij zich even welkom gaat voelen als Banquo&rsquo;s geest op
+Macbeth&rsquo;s gastmaal.</p>
+
+<p>Wie &eacute;&eacute;ns gewoon is tusschen de korven te leven, kan
+hun muziek niet goed meer missen. Op warme dagen, zoo &rsquo;s winters
+als &rsquo;s zomers, is altijd het zachte dreunen van dien droomerigen
+zang in de lucht; en even drukkend als een dans zonder begeleidenden
+vedelaar, is voor een bijenman het slenteren in een tuin met enkel
+zwijgende bloemen en groenten. Terwijl ge nu in dat
+appelbloesempri&euml;el naar de zwermen zit uit te kijken, komt die
+volle toon, dat bekorend geluid, tot u, als de serene stem der
+bevrediging. Hij doordringt het zonnelicht; tempert het ruischen van
+den zwakken wind, die door de boomtoppen gaat; rijst en daalt als het
+verre geluid van de zee in een zomernacht. Dit is de werkzang; de
+zwermzang heeft een heel ander geluid. Het geoefende oor voelt den val,
+die plotseling intreedt, zoo sterk als een pistoolschot, hoewel de
+onkundige misschien geen verschil zou hooren. De oude bijenman breekt
+plotseling zijn verhaal van beroemde <span class="corr" id="xd0e1502"
+title="Bron: honigjaren">honingjaren</span>, een half menschenleven
+geleden, af, grijpt pan en sleutel en spoedt zich door den tuin. En
+terwijl ge hem op de hielen volgt vertelt hij, dat het weer de oude
+groene kast is, die altijd den eersten Meizwerm gaf al zooveel jaren
+lang. En dan beginnen sleutel en pan het tinkelende deuntje. <span
+class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184">184</a>]</span></p>
+
+<p>De ouderwetsche bijenkultuur is niet altijd op enkel strooien korven
+aangewezen; bijenkasten, zonder natuurlijk de moderne inrichting, zijn
+haast even oud als de strookorf; en de korven in dezen tuin hebben alle
+dien ouden kastvorm. De oude groene kast blijft trouw aan haar roep.
+Zij is al het middelpunt van een wervelende bijenmassa en ge ziet een
+dichten zwarten stroom uit het vlieggat dringen, in
+z&oacute;&oacute;&rsquo;n wilde haast, dat ge nauwelijks kunt
+onderscheiden wat ge ziet. En de oude wilde trekzang wordt steeds
+sterker en dieper van toon; een vol vibreerend ondergeluid, dat op geen
+anderen natuurklank gelijkt. En wat het zeggen wil voelt ge duidelijk
+genoeg, terwijl ge daar staat in het door een wolk van ontelbare
+vleugeltjes verduisterd zonlicht, medegesleept in de algemeene
+opwinding, met een gevoel of ge opwerkt tegen een stormenden
+zuidwester. Want ieder individu van die twintig of dertigduizend bijen,
+die daar als uitzinnig rondwervelen boven uw hoofd, ieder van hen zingt
+zijn stoutsten en luidsten zang. En dit Gargantuakoor heeft maar
+&eacute;&eacute;n beteekenis: het is zuiver jubelen; maar
+geharmoniseerd. Een blijde, wilde vrijheidshymne, alsof nog nooit een
+enkele van al die bijen de weelde van een Engelschen mei-dag met zijn
+zonneschijn heeft gevoeld.</p>
+
+<p>De groote huissleutel, een wichtig, ouderwetsch stuk metaal, slaat
+met zwaar getinkel tegen de pan en de zwerm rijst hooger en hooger in
+het blauw. Dan trekt zich gaandeweg de blauwe bijennevel bijeen, tot
+een klein zwart wolkje, als afgedreven van een vergeten donderbui. En
+nu zeilen zij langzaam noordwaarts, en de wiekende vleugeltjes vangen
+oplichtend de zonnestralen als in een net van zilver. Dan zwenken zij
+weer om, recht de zon in het oog en vervormen zich tot een zwart
+warrelend lijnenspel: snorrende wieltjes in wielend insectenleven,
+draaiende wieltjes, <span class="pagenum">[<a id="pb187" href=
+"#pb187">187</a>]</span>die de draden spinnen van een weefsel, dat een
+geheel volk zal bekleeden, en zij snorren als nooit eenig ander
+spinnewiel.</p>
+
+<div id="p185" class="figure"><img border="0" src="images/p185.jpg"
+alt="Het opvangen van een zwerm." width="519" height="720">
+<p class="figureHead">Het opvangen van een zwerm.</p>
+</div>
+
+<p>Maar het begin van het einde is nabij; de tijd van zingen is haast
+gedaan. De oude bijenman staakt zijn bovenaardsch geklingklang, gooit
+sleutel en pan weg, en wijst naar den hoogsten tak van een jongen
+appelboom. Ge ziet hoe er een zwart kluwentje bijen, niet grooter dan
+een duivenei, aan vastkleeft. Een oogenblikje later is het dubbel zoo
+groot als een vuist, en onmiddellijk daarna weer tweemaal zoo groot,
+terwijl van alle richtingen de bijen toestroomen. Nu is het zoo groot
+als een litermaat, en de tak buigt zich langzaam onder het gewicht. In
+ongelooflijk korten tijd heeft zich de geheele zwerm in een klomp
+bijeengetrokken; zij hangen aan elkaar als een lange, bruine,
+glinsterende sigaarvormige tros, die haast tot aan den grond reikt, en
+met het wilde, blijde gezang is het nu voor goed gedaan.</p>
+
+<p>Er is haast iets spookachtigs in zulk een zwerm, zooals zij daar
+hangt, zachtjes heen en weer zwaaiend in de zon, een dood onbewegelijk
+ding, waar alleen maar een paar enkele bijen omheen gonzen. Zoo kort
+geleden was nog het heele tuintje &eacute;&eacute;n roezemoezig
+bewegen, nu is er een vreemde stilte over dat alles gekomen, en men
+ontkomt niet aan den indruk van een terugval, een drukkende reactie,
+als een ontgoocheling; alsof het geheele geval maar een doldwaze
+escapade geweest ware, waarover de bijen zich nu hartelijk schamen. Als
+wij het zwermen mogen beschouwen als het doorbreken van een oeroude
+herinnering en een plotselingen onweerstaanbaren aandrang om een
+ingewortelde, maar sedert lang verloren gegane gewoonte te doen
+herleven, dan valt het ons ook niet moeilijk, die zeer duidelijke
+verandering van stemming te verklaren, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb188" href="#pb188">188</a>]</span>die nu over de uitgewekenen
+gekomen is. Want toen zij nog in den korf opeengepakt waren, een
+gistende, koortsig beroerde massa, toen scheen alles mogelijk wat nu in
+&rsquo;t klare daglicht de grootste dwaasheid blijkt.</p>
+
+<div class="poem">
+<p class="line">&ldquo;Hevige vreugden hebben hevige einden</p>
+
+<p class="line">En sterven in hun zege.&rdquo;</p>
+</div>
+
+<p>En nu is daar de komende dag met zijn zorgen en bezwaren: de
+wisselingen van weer en wind, waarin het leven moet mogelijk gemaakt;
+een woning is noodig, en beschutting voor de koningin&mdash;voor haar,
+die nu het eenig bezit is van dit &eacute;&eacute;ns zoo rijke volk. Er
+staat zware arbeid voor de deur, zwaar genoeg om de overmoedigsten
+onder hen tot bezinning te brengen. De opgewondenheid ging zooals zij
+kwam; zoo ooit is het nu zaak voor de honingbij zich een redelijk wezen
+te toonen.</p>
+
+<p>De meeste bijenhouders zijn van meening, dat de bijen hun
+toekomstige woonplaats al te voren hebben uitgekozen, soms al
+verscheidene dagen v&oacute;&oacute;r de zwerm uittrekt. En het is
+onder hen een bekende handigheid om dan leege korven in de tuintjes te
+zetten, die ook heel dikwijls de zwervende bijen aantrekken. Men ziet
+er enkele losse bijen om heen vliegen als op verkenning en de korven
+aan een grondig onderzoek onderwerpen. Deze verkenners verdwijnen weer
+en na een onbepaald tijdsverloop, van een paar minuten tot een paar
+uren en zelfs dagen, daalt plotseling een heel leger bijen uit de lucht
+neer en neemt bezit van de nieuwe woning. Als kort na de komst der
+verkennende bijen de hoofdmacht verschijnt, dan zijn de spionnen
+waarschijnlijk uitgezonden door een zwerm, die zich al ergens tot een
+tros gevormd heeft; maar ligt er een lange tijdsruimte tusschen, dan
+moeten zij al uitgezonden zijn op zoek naar een nieuw verblijf,
+v&oacute;&oacute;rdat de zwerm <span class="pagenum">[<a id="pb189"
+href="#pb189">189</a>]</span>was uitgetrokken. Hoewel nu de groote
+massa van den zwerm enkel met dien overmoedigen geest behept is, en er
+voor hen niets anders schijnt te bestaan, dan de drang om naar buiten
+te komen en pret te maken, is het toch waarschijnlijk, dat er
+verscheidene van de oudere en wijzere bijen zijn, die op een soort van
+zakelijke manier, met bedaardheid en ernst, het geheele geval
+behandelen, zooals zij iedere andere dagtaak zouden verrichten. En dus
+mag die oude opvatting, dat er in een korf &ldquo;ondergeschikte
+luitenants, kapiteins en goeverneurs&rdquo; zijn, niet zoo ver bezijden
+de waarheid blijken. Dat die verkenners zeer zeker worden uitgezonden
+om een geschikte plaats voor de nieuwe kolonie te vinden &ograve;f
+v&oacute;&oacute;rdat de zwerm uitgaat &ograve;f als zij zich buiten al
+samengetrokken heeft, is een feit, en er zijn dus in ieder geval eenige
+bijen, die in de cha&ouml;tische verwarring hun zinnen bij elkaar
+houden.</p>
+
+<p>En tot die wijze maagden moet ook de koningin gerekend worden,
+ondanks het feit, dat zij in de algemeene onrust en opwinding deelt. Al
+eenige dagen v&oacute;or den grooten uittocht heeft zij het
+eierenleggen gestaakt, en die beheersching maakt haar zoo omvangrijk en
+zwaar, dat zij dikwijls nauwelijks kan opvliegen. Het doel daarvan is,
+dat zij des te meer tot leggen bereid zal zijn, wanneer het nieuwe
+tehuis is ingericht. Men heeft opgemerkt, dat alle zwermende bijen
+welgevulde honingzakjes me&ecirc;dragen; en dat het inladen voor de
+reis juist plaats heeft v&oacute;&oacute;r dat het signaal tot
+vertrekken gegeven wordt. Er is heel veel verschil in de houding van
+verschillende bijenstanden gedurende den zwermtijd, en nauwgezette
+waarnemers hebben niet altijd zekere teekenen kunnen ontdekken, dat een
+bepaalde korf op het punt was te gaan zwermen. Maar dit schijnt wel
+vast te staan, dat op het oogenblik v&oacute;&oacute;r het zwermen
+ongeveer al de bijen van dien korf thuis blijven, zelfs <span class=
+"pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190">190</a>]</span>terwijl al de
+andere kolonies in de volle beweging van het inzamelen zijn. Uit zulk
+een korf komt een eigenaardig stootend geluid, dat doet denken aan een
+zware locomotief, die tot stilstand gebracht is met vollen stoom op, en
+begeerig om weer in gang te komen. Juist v&oacute;&oacute;r het
+uittrekken van den zwerm komt er dan een plotselinge rust in dat
+machtige, opgekropte geluid, en waarschijnlijk is dit het oogenblik
+waarin de reizigers hun proviand opladen. Onmiddellijk daarna&mdash;en
+het is dan moeilijk niet te gelooven aan een bepaald autoritair signaal
+tot den uittocht&mdash;ontstaat er een rumoer en beweging in het midden
+van den dichtbevolkten korf, dat te vergelijken is met wat er gebeurt
+als een zware steen in het water valt. Deze beweging breidt zich van
+het midden uit naar alle zijden, tot zij de bijen aan den ingang
+bereikt, en dan begint het uitstroomen naar buiten.</p>
+
+<p>Als een korf zwaar overbevolkt is, dan is er al een heele dot bijen,
+dikwijls duizenden, samengepakt op de vliegplank, en soms bedekken zij
+de heele buitenzijde van den korf. Maar die massa lost zich dadelijk op
+als de beweging begint; en de wachtende bijen vliegen bijna gelijk weg
+met de anderen.</p>
+
+<p>Vroeger geloofde men, dat de koningin den zwerm aanvoerde; maar deze
+meening kan geen stand houden tegen de moderne waarneming. Heel
+dikwijls is de helft van de bijen al uitgevlogen v&oacute;&oacute;rdat
+de <span class="corr" id="xd0e1542" title="Bron: konigin">
+koningin</span> verschijnt, en soms komt zij pas met de allerlaatste;
+ook gebeurt het wel, dat zij op het laatste oogenblik besluit heelemaal
+niet te vertrekken. In dat geval vormen de bijen zich niet tot een
+tros; maar blijven enkel een wilde tarantella dansen in den zonneschijn
+en keeren na een paar minuten we&ecirc;r in den korf terug.</p>
+
+<div id="p191" class="figure"><img border="0" src="images/p191.jpg"
+alt="De zwerm in den korf" width="512" height="660">
+<p class="figureHead">De zwerm in den korf</p>
+</div>
+
+<p>Als de zwerm vertrokken is, keert in den ouden korf de rust terug en
+de gewone dagelijksche bezigheden <span class="pagenum">[<a id="pb193"
+href="#pb193">193</a>]</span>gaan we&ecirc;r hun gang of er niets
+bijzonders was voorgevallen; behalve dat de toestand van overbevolking
+heeft opgehouden, bleef alles bij het oude. De achtergebleven bijen
+zijn meest jonge werksters, die nog niet met inzamelen begonnen zijn;
+maar er is toch altijd nog een redelijk overschot van oude werksters en
+darren. Gewoonlijk is op dat oogenblik de korf zonder koningin; want de
+jonge koningin is dan nog niet uit haar cel gekropen. Er zijn allicht
+vier of vijf <span class="corr" id="xd0e1554" title="Bron:
+koniniginnewiegen">koninginnewiegen</span> in verschillende
+stadi&euml;n van ontwikkeling en in zeldzame gevallen komt het wel tot
+twaalf. Soms echter is de eerste van de jonge koninginnen al uitgekomen
+en beweegt zich over de raten; zij ontmoet dan de gewone
+onverschilligheid bij allen, die haar weg kruisen. Er zijn echter
+korven bekend, die een zwerm uitzonden als de toebereidselen voor het
+kweeken van een nieuwe koningin nog nauwelijks begonnen waren. Zoo
+onberekenbaar is de honingbij in veel harer handelingen.</p>
+
+<p>Als nu het zwermen alleen ten doel had, de overbevolking te
+verlichten en van moederbij te wisselen, dan zou alles hiermee uit
+zijn. Maar de zwermdrang wortelt dieper dan in zuivere
+noodzakelijkheid. Bij sommige generaties van bijen schijnt de
+zwermkoorts, als die &eacute;&eacute;ne aanval voorbij is, na te laten,
+en het volk houdt zich dan verder rustig bij zijn werkzaamheden. Maar
+het is niet zeldzaam, dat als zij den eersten smaak van het
+avontuurlijke beet hebben, de nationale eetlust verscherpt wordt en het
+verlangen naar meer ontstaat. Ongeveer negen dagen nadat de eerste
+zwerm den korf verlaten heeft, volgt er dikwijls een tweede, en na een
+paar dagen soms nog een derde en vierde, waarbij dan dikwijls het eind
+is, dat het volk geheel is uitgeput; dit noemt men, het &ldquo;zich
+doodzwermen van den moederstok&rdquo;. Het is moeielijk te begrijpen,
+hoe in een gemeenschap waar het belang van den &eacute;&eacute;nling
+<span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194">194</a>]</span>zoo
+meedoogenloos wordt opgeofferd aan het staatsbelang, deze vernietigende
+politiek kan geduld worden. Maar gaat men uit van het standpunt, dat
+het zwermen in hoofdzaak een vage en onvolmaakte weeropleving is van
+een lang verouderde gewoonte, dan doet zich onmiddellijk een
+aannemelijke theorie voor. In de omstandigheden van den oertijd kan het
+voortbestaan van de moederkolonie onnoodig zijn geweest. Waarschijnlijk
+had die volkomen haar bestemming vervuld, als een voldoend aantal jonge
+koninginnen en darren gekweekt was, en het geheel was uitgezwermd, om
+zich respektievelijk van een nieuw tehuis te voorzien. Men moet
+bedenken dat de bijenkorf, in zijn voortbestaan van jaar tot jaar,
+eigenlijk een moderne inrichting is, en eerst praktisch nuttig werd met
+de uitvinding van den lossen bouw, die den ijmker in staat stelt de
+raten te vernieuwen. Wij hebben er van gesproken, hoe de broedraten
+zich langzamerhand heelemaal opvullen met de leege cocons, die er door
+de uitkomende bijen worden achtergelaten. Deze dingetjes zijn
+z&oacute;&oacute; ragfijn, dat zelfs een dozijn er van geen merkbare
+verkleining van <span class="corr" id="xd0e1561" title="Bron: zuimte">
+ruimte</span> in de cel tengevolge heeft, en men weet van broedraten
+die wel twintig jaar gediend hebben. Maar het eind is toch, dat zij
+onbruikbaar worden en dan,&mdash;want bijen willen of kunnen geen oude
+raten voor nieuwe verwisselen&mdash;moet de gemeenschap uittrekken voor
+een nieuw tehuis of van lieverlede uitsterven. Zoo had dus de
+gebruikstijd van de oude korven zijn grenzen.</p>
+
+<p>De moderne bijenteelt heeft nog meer veranderingen in het leven van
+de honingbij gebracht, behalve het scheppen van een blijvende korfstad.
+Het aantal bijen van een enkel sterk volk, dat een lossen-bouwkast
+bewoont, is waarschijnlijk driemaal zoo groot als dat van een wilde
+kolonie. Het werk van den ijmker grijpt in alle verrichtingen der bijen
+in en brengt hun geheele <span class="pagenum">[<a id="pb195" href=
+"#pb195">195</a>]</span>levensplan op grooter schaal en ruimer basis.
+Het gevolg hiervan is niet alleen duidelijk in de toenemende
+volkssterkten en uitgebreider werken; maar ook in eene verandering van
+hun levenssystemen zelve. Een plan, dat op een kleinen grondslag goed
+werkt, slaagt niet altijd op een grooteren. Gezondheidsproblemen in een
+dorp moeten noodzakelijk verschillen van die in een stad, zoowel in
+beginselen als in verhoudingen. En het is dus zeer waarschijnlijk, dat
+de mensch de hand heeft in veel wat ons in het doen der bijen vernuftig
+gevonden schijnt; met dien verstande, dat de nieuwe levensvoorwaarden,
+door den ijmker ingevoerd, den bijen een prikkel zijn om hun vermogens
+tot het uiterste in te spannen.</p>
+
+<p>Het gedrag van deze &ldquo;nazwermen&rdquo; vormt een opmerkelijke
+tegenstelling tot dat van den hoofdzwerm. Als het mogelijk was in het
+bijenleven op &eacute;&eacute;ne vaste en onveranderlijke wet te
+wijzen, zou het die zijn, dat een hoofdzwerm nooit anders den korf
+verlaat dan op een mooien, warmen dag, en dan altijd omtrent het
+middaguur. Maar de nazwermen schijnen met weer noch wind rekening te
+houden; zij trekken uit op ieder uur, dat &rsquo;t hun wordt ingegeven,
+&rsquo;t zij vroeg of laat, en zonder in &rsquo;t minst de
+omstandigheden buiten in aanmerking te nemen. Men weet zelfs van een
+nazwerm, die uittrok te middernacht bij volle maan en heldere, warme
+lucht.</p>
+
+<p>Er schijnt over &rsquo;t algemeen veel meer methode in de
+verdwaasdheid te zijn, die een volk bij zijn eerste zwermen aangrijpt;
+en als na afloop daarvan het korfleven weer in de oude banen
+voortglijdt, dan herstelt zich ook spoedig het nationaal karakter van
+bezadigdheid en vlijt. Maar juist de sterkte van deze algemeene neiging
+tot orde en werkzaamheid verschilt aanmerkelijk bij verschillende
+volken. Als men zorgvuldig bij <span class="pagenum">[<a id="pb196"
+href="#pb196">196</a>]</span>den korf, die juist zijn eersten zwerm
+heeft uitgezonden, de wacht houdt, kan men al spoedig vaststellen hoe
+de zaken zullen loopen. Er zijn altijd verscheidene wiegen van
+koninginnen, enkele al verzegeld en op het punt van open te gaan en
+andere in verschillende stadi&euml;n van hunne ontwikkeling. Al deze
+cellen worden onafgebroken en nauwlettend bewaakt door de werkbijen;
+want op hetzelfde oogenblik, dat een koningin uitkomt, is zij klaar om
+door zustermoord een onmiddellijk eind te maken aan alle toekomstige
+mededingsters. Brandend van begeerte naar een gevecht komt zij
+blijkbaar uit haar cel, doortrokken van dien ingekankerden haat tegen
+haar genooten, die de heerschende hartstocht is in haar bestaan.</p>
+
+<p>Dat werkbijen en koninginnebijen in oorsprong gelijk zijn, en het de
+natuur van de eene is in volmaakte harmonie te leven, terwijl de aard
+van de andere haar noodzaakt door een voortdurend vijandig gevoel
+beheerscht te worden, is een van die mysteries in het bijenleven
+waarvan wij wel nooit de verklaring te weten zullen komen. Als de
+hedendaagsche bijenkoningin inderdaad kan gelden voor ten naaste bij
+het type van de oorspronkelijke vrouwelijke bij, dan is het niet
+moeilijk te begrijpen, dat met die voortplanting op groote schaal het
+gemeenschapsleven in den moederstok een onmogelijkheid moet zijn, en
+dat met de paringsvlucht zijn natuurlijk bestaan tot een eind was
+gekomen, ongeveer zooals het in het leven der wespen gaat.</p>
+
+<p>Het eigenaardig schrille geluid van de koningin wordt het meest
+gehoord in stille nachten nadat er een zwerm is uitgetrokken. Zij uit
+aanhoudend dat schelle piepen, terwijl zij worstelt met de waaksters,
+die de nog gesloten cellen van de jonge koninginnen omgeven, en
+tegelijk hoort men dan ook de gesmoorde kreten van de gevangenen, die
+even hard naar den strijd <span class="pagenum">[<a id="pb197" href=
+"#pb197">197</a>]</span>verlangen als zij. Is de zwermkoorts nog niet
+tot rust gekomen in den korf, dan hoort men die oorlogskreten gedurig
+heen en weer gaan en de algemeene gisting wordt sterker, tot eindelijk,
+als de toestand onhoudbaar is geworden, de jonge koningin wegstormt
+door het vlieggat, gevolgd door het grootste gedeelte van de bijen. In
+het geval van nazwermen leidt alles tot de waarschijnlijkheid, dat de
+koningin wezenlijk den zwerm aanvoert; echter ook hiervoor heeft men
+nog geen vasten regel kunnen opmerken.</p>
+
+<p>Maar de mogelijkheid bestaat, dat het volk ziek is van al die onrust
+en roezigheid, waardoor het zoo lang werd beheerscht en dat de
+algemeene zin neigt naar het status quo. Onder die omstandigheden
+hebben de kreten, die uit den korf komen, een geheel ander geluid en
+beteekenis. De koningin uit nog steeds haar oorlogskreet; maar die
+wordt nu oogenblikkelijk gevolgd door een eigenaardig sissen van de
+werksters. Het is juist, alsof zij haar, met haar te overschreeuwen,
+tot zwijgen willen brengen; en als de oorlogskreet van de eerstgeboren
+koningin beantwoord wordt met zulk een afkeurend koor, dan gebeurt het
+zelden, dat er nog een nazwerm komt. De koningin gaat dan na een paar
+dagen er op uit voor haar paringsvlucht en bij haar terugkomst wordt
+het haar vergund naar hartelust haar verlangen naar zustermoord te
+bevredigen.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb198" href=
+"#pb198">198</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch12" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk XII</h2>
+
+<h2 class="normal">De Raatbouw.</h2>
+
+<p>In de vorige hoofdstukken hebben wij gepoogd aan te toonen, dat de
+wereld waarin de honingbij leeft en werkt, er eene is, die door iets
+beters wordt gedreven dan door ruw instinkt, in de gewone beteekenis
+van dat woord. Voor den modernen bioloog, niet den kamergeleerde, maar
+voor hem, die het leven overal en in al zijne openbaringen
+bestudeert&mdash;voor hem moet deze bewering zoo overtollig lijken als
+b.v. het vergulden van goud; het schijnt in waarheid toch nog maar
+alleen de vraag te zijn welke de juiste plaats is, die op den schaal
+der rede aan de honingbij moet worden toegekend.</p>
+
+<p>Alle bijenliefhebbers hebben zich schuldig te bekennen aan
+ingeroeste partijdigheid, en schrijver dezes doet dat dan ook gulweg.
+Lauwheid is niet bekend in dit vak, en over de geheele wereld is het
+gezegde van kracht, dat d&aacute;&aacute;r waar maar een paar
+bijenkorven bij elkaar zijn, een gloeiend enthousiast niet ver af is.
+In Engeland is het woord &ldquo;vrijmetselarij&rdquo; synoniem geworden
+met &ldquo;broederschap&rdquo;; maar even echt, even duurzaam is de
+verbroedering onder de bijenhouders. Zeker, onder elkaar zijn zij maar
+al te zeer geneigd tot het overdrijven van de deugden en verrichtingen
+van hun pleegkinderen; zij zijn te gul met <span class="pagenum">[<a
+id="pb199" href="#pb199">199</a>]</span>gevolgtrekkingen uit schaarsche
+gegevens van feiten; en de bewezen stelling, dat ieder, die met bijen
+te doen heeft, zeer zeker vroeger of later zal me&ecirc;gesleept worden
+door een vloedgolf van enthousiasme, maakt het tot een moeielijke en
+kiesche taak de balans te bewaren tusschen den geestdriftigen
+bijenliefhebber en den belangstellenden maar bezadigden lezer. Ieder
+schrijver over de honingbij is te beschouwen als een ultra-specialist
+in deze specialisten-eeuw; en het is moeilijk de verhoudingen klaar te
+blijven zien, voor &eacute;&eacute;n, die spreekt uit de gelederen van
+het ijmkersgild zelf, waar allen zich mee schuldig maken aan overmoed
+en geen oor heeft voor eenige waardeering <i>onder</i> hoogwater
+pijl.</p>
+
+<p>Maar de overgeestdriftige schrijver, die zich aan de geschiedenis
+van het raatbouwen zet, heeft hier de gewone valstrikken niet te
+vreezen. Die geschiedenis is in de eenvoudigste feiten en de minst
+belangrijke bijzonderheden al zoo verwonderlijk, dat de bloemrijkste
+taal hier evenmin zou kunnen overdrijven als een karig toegemeten woord
+de innerlijke beteekenis verkleinen. Als de regeling van de
+bijenrepubliek, hunne samengestelde hygi&euml;nische stelsels, de
+verdeeling van arbeid, behandeling van de koninginne- en werksterlarve,
+ons in verbazing brengen en ons onfeilbaar schijnen te wijzen op
+hoogere vermogens, dan moeten wij de werkbijen wel een intelligentie
+van nog hooger orde toekennen, als wij haar gaan beschouwen als
+ontwerpster en vervaardigster van de honingraat.</p>
+
+<p>Hier ziet men haar in haar grootste kracht en beteekenis. De
+samengestelde bouwsels, waarmee zij de bijenstad vult, vragen niet
+enkel onvermoeiden arbeid; zij zouden niet kunnen tot stand gekomen
+zijn als niet de gezamenlijke bekwaamheden van den ingenieur, den
+architekt en den wiskunstenaar er aan <span class="pagenum">[<a id=
+"pb200" href="#pb200">200</a>]</span>hadden meegeholpen. Ook zijn het
+niet enkel konstruktieve en wiskunstige vraagstukken, waar de bij zich
+tegenover ziet gesteld, en evenmin zijn zij, hoewel moeielijk, altijd
+dezelfde, zoodat een instinktive oplossing niet denkbaar is. Bijna bij
+iedere raat vinden wij eenige bijzondere en noodwendig onvoorziene
+moeilijkheid op schitterende wijze overwonnen. In den bouw van de
+zeskantige cel, waarvan de basis uit drie ruiten is samengesteld,
+gebruikt de bij een vorm, door de grootste wiskunstigen als de
+all&eacute;&eacute;n doelmatige vastgesteld, en de bijen houden zich
+altijd aan dien vorm wanneer het maar eenigszins doenlijk is. Doch het
+gebeurt aanhoudend bij den ratenbouw, dat plaatselijke verhoudingen
+haar plannen in den weg staan, en dan maakt zij vijfkantige cellen of
+vierkantige of driekantige of van welken vorm ook, naar de
+omstandigheden haar dwingen. Het is gemakkelijk en eenvoudig, en men is
+in &eacute;&eacute;ns klaar, wanneer men dit alles op rekening schrijft
+van dat geheimzinnig iets, het instinkt, de goddelijke gave waarmee het
+organisme van de bij geladen is, zooals men electriciteit laadt in een
+Leidsche flesch. Maar instinkt was het niet, dat Wren noopte den stalen
+kabel om den koepel van St. Paul&rsquo;s te leggen en het was ook geen
+instinct dat den sluitsteen op de Groote Pyramiden bracht. Dit zijn
+alle werken van hooger begaafde wezens en toch staan zij wat kunst van
+vinding betreft op &eacute;&eacute;n plan met de honingraat, die
+gevormd is uit een broze stof, licht als de lucht, doch op
+z&oacute;&oacute;danig kunstige wijze door de honingbij bewerkt, dat
+zij in staat is een gewicht, dertig maal zoo groot als het hare, niet
+alleen te dragen, maar <i>op te houden</i>.</p>
+
+<p>Het feit, dat de bij haar bouwmateriaal niet bijeenzoekt maar het
+uit eigen lichaam bereidt, is pas in de laatste honderdvijftig jaar
+ongeveer aan het licht gekomen; echter vindt men in de geschriften van
+de <span class="pagenum">[<a id="pb201" href=
+"#pb201">201</a>]</span>middeneeuwsche ijmkers nu en dan al schrandere
+gissingen daaromtrent. De wesp, die in vernuftige vinding veel met de
+honingbij gemeen heeft, doch gedoemd is ze op oneindig bescheidener
+schaal aan te wenden, maakt zeshoekige cellen; maar haar materiaal
+haalt zij van buiten, en het kan voor geen samengesteld doel gebruikt
+worden, omdat het geen spanning verdraagt. En juist de bijenwas is de
+eenige bestaande stof, die aan iederen eisch voldoet. Zij kan verwerkt
+worden tot plaatjes, die niet dikker zijn dan 1/70 c.M<span class=
+"corr" id="xd0e1615" title="Niet in bron">.</span> ongeveer, wat de
+gebruikelijke dikte is van den celwand. Zij is onaantastbaar voor alle
+elementen behalve hitte. Zij kan zacht en kneedbaar gemaakt worden en
+toch ook verharden met behoud van soepelheid en leven. Zij is een
+slechte warmtegeleider en daarom houdt zij de warmte van den korf vast.
+Zij trekt geen ongedierte aan, en tot nu toe is er maar
+&eacute;&eacute;n dier bekend, dat er van eet, n.l. de larve van een
+zekere motsoort; maar een sterke kolonie houdt het daar altijd tegen
+uit. En daar het ruwe materiaal voor hare bereiding bestaat uit
+afscheidingen uit het eigen lichaam der bij, kan de voortbrenging
+gebeuren, als duisternis of ongunstig weder het buitenwerk
+verhinderen.</p>
+
+<p>Het eerste werk, dat een zwerm na het betrekken van zijn nieuwe
+woning onderneemt, is de ratenbouw. De tijdelijke inzinking die na de
+opwinding van het zwermen volgt, is spoedig voorbij en het geheele
+gezelschap concentreert zich op het inrichten en proviandeeren van den
+nieuwen korf. De oudere bijen gaan op voedselverzamelen uit, en
+&eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n blijven zij bij het wegvliegen
+in de lucht even met het hoofd naar den korf om zich standplaats en
+omgeving eigen te maken. Verreweg het grootste gedeelte echter
+vereenigt zich thuis in een dichten klomp voor de wasbereiding. In deze
+eerste verrichtingen van de nieuwe kolonie is <span class="pagenum">[<a
+id="pb202" href="#pb202">202</a>]</span>tijd alles. De koningin, die
+waarschijnlijk een dag of langer het eierleggen geschorst heeft, is
+overbezwaard van vruchtbaarheid en zij moet zonder verwijl van
+duizenden broedcellen voorzien worden. De provianddraagsters zullen
+zwaar van nektar en stuifmeel naar huis keeren en er moeten dus
+onmiddellijk voorraadschuren in gereedheid worden gebracht. Daarom is
+er haast met de wasvorming, en de jonge bijen dringen op
+&eacute;&eacute;n, met hunne koningin knus en warm in haar midden.</p>
+
+<p>Zonder twijfel is een van de voornaamste redenen waarom zwermende
+bijen zich onmiddellijk in dien dichten tros vereenigen, het verhaasten
+van het proces der wasvorming. Het is bewezen, dat de was zich het
+gemakkelijkst afscheidt onder den invloed van groote hitte, en hitte
+ontstaat er in dien dichten drom. Wanneer de verkenners een nieuwe
+woonplaats gevonden hebben en dus de bijen weer verder moeten, hebben
+al vele van hen de wastaschjes gevuld, en zijn dus klaar om het
+raatbouwen te beginnen. Wanneer een zwerm wordt opgevangen, zelfs reeds
+een korte poos na het uittrekken, kan men de kleine witte wasschubjes
+tusschen de ringen van hun achterlijf zien uitkomen, en dikwijls
+gebeurt het dat zij in de algemeene verwarring afvallen en verloren
+gaan.</p>
+
+<p>Wat bij het opmerken van de bijen wel het allermoeielijkst is na te
+gaan, is juist het bouwen van de raten. De wasbijen zijn
+z&oacute;&oacute; dicht op elkaar en zoo aanhoudend in beweging, dat
+het wel schijnt of de raat uit zichzelf aangroeit, inplaats van door
+die krioelende menigte vervaardigd te worden; zij blijft haast
+voortdurend verborgen voor het oog van den waarnemer, die maar te hooi
+en te gras een verschijning krijgt van die witte, broze zelfstandigheid
+en haar fijne teekening. Deze eerste pogingen van de raatbouwsters,
+gewoonlijk onder <span class="pagenum">[<a id="pb203" href=
+"#pb203">203</a>]</span>gedwongen omstandigheden verricht, vallen wel
+eens verkeerd uit, alsof zij met te groote haast in elkaar gezet waren.
+Somtijds zijn de eerste celgroepen, door een zwerm gemaakt, geel en
+vochtig en sponsachtig van uiterlijk, met dikke onregelmatige wanden,
+en het lijkt wel of zij bedoeld zijn als niet anders dan een tijdelijke
+bergplaats voor den komenden nektar, tot er tijd is om de eigenlijke
+honingcellen klaar te krijgen. Deze hulpraat is in &rsquo;t bijzonder
+merkwaardig omdat zij weer een bewijs te meer is voor de handigheid van
+de bij, waar het geldt in moeilijkheden te voorzien. In gewone tijden
+blijft de metselbij rustig in den klomp hangen, tot de
+wasafscheidingsorganen hun werk hebben verricht, en de zes langwerpige
+schubjes van de broze stof gereed zijn voor het gebruik. Zij komen te
+voorschijn van onder de harde platen, die het abdomen bedekken, drie
+aan iederen kant, als briefjes, die half buiten de brievenbus steken.
+Aan een van de kniegewrichten van haar achterpootjes heeft de werkbij
+een bijzonder werktuigje, waarvan bij de koningin geen spoor te
+bekennen is. Het ziet er uit als een soort van tangetje; maar inplaats
+van twee tot elkaar neigende punten, is het aan den eenen kant voorzien
+van een rij scherpe, stijve haren en om den anderen van een ondiep
+lepeltje. Met dit bijzonder instrumentje grijpt de metselbij het
+wasschubbetje, en trekt het uit zijn zakje. Het wordt dan overgebracht
+tusschen haar kaken en zij haast zich ermee naar de raten. Bij een
+onvoltooide cel gekomen, begint zij eerst de ruwe was tot een deeg te
+kouwen, terwijl zij het met haar speeksel vermengt, en zoo vergroot zij
+tegelijk het volumen. Dit zachte taaie materiaal wordt nu bij het werk
+aangewend en gevormd. En op deze wijze wordt door de honderden van
+werksters, in een onafgebroken komen en gaan, het lichte, fijne
+samenstel van broed- en honingraten met zeldzame vlugheid opgebouwd.
+<span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204">204</a>]</span></p>
+
+<p>Hoe de ruwe, sponsige raten ontstaan, die de zwermen soms aanmaken,
+kan niet met zekerheid worden meegedeeld. Zij hebben allen schijn van
+ruwe was gemaakt te zijn, die haastig gekauwd en met honing doorgewerkt
+is en waarschijnlijk zal het wel zoo zijn. Het afscheiden uit de
+speekselklier gaat uitteraard langzaam, en als de tijd dringt en
+honderden van ongeduldige voorraadbrengsters om hun ooren gonzen, die
+haast hebben om af te laden en terug willen naar de klaver, heeft de
+schrandere metselbij er op uitgevonden den inhoud van haar honingzakje
+als surrogaat te gebruiken. Maar honing en ruwe was kunnen zich alleen
+mechanisch bijeenvoegen, niet innig gemengd worden. De was lost zich
+alleen op onder de inwerking van het speeksel der bij, dat scherpe
+zuurdeelen bevat.</p>
+
+<p>Om goed te beseffen wat er al door de bijen verricht is, als een
+nieuwe korf geheel met wasraten is gevuld, is het noodig de
+werkzaamheden van den zwerm gedurende de eerste weken van zijn
+afzonderlijk bestaan nauwkeurig te volgen. Het stichten van een geheel
+nieuwe bijenstad is geen geringe onderneming; voor vele en verwikkelde
+vraagstukken zien de bouwers zich gesteld. In de eerste plaats streeft
+de bij naar het volmaakte, of zij het bereikt of niet. Erfelijke
+ondervinding heeft haar bekend gemaakt met alle vereischten van het te
+huis der kolonie, en zij zet zich er toe, die alle zoo volmaakt
+mogelijk te verkrijgen.</p>
+
+<p>Er is een stad te bouwen, die twintig- tot dertigduizend individuen
+moet huisvesten. Er moet een uitgebreide kinderwoning zijn; want het
+kan gebeuren dat er tien of twaalfduizend jeugdige schepseltjes
+tegelijk moeten ondergebracht. Gedurende zes maanden van het jaar is er
+buiten geen voedsel te verkrijgen, zoodat de stad groote
+proviandschuren moet bevatten, die een voorraad inhouden voor meer dan
+een half jaar. Daar <span class="pagenum">[<a id="pb205" href=
+"#pb205">205</a>]</span>in den winter de temperatuur alleen maar op de
+benoodigde hoogte kan worden gehouden door de lichamelijke warmte der
+inwoners zelve, moet het leven in de stad binnen de kleinst mogelijke
+ruimte saamgevat worden. Het materiaal waaruit zij wordt opgebouwd moet
+warmtehoudend zijn, terwijl toch de konstruktie ten allen tijd volmaakt
+geventileerd moet kunnen worden; en in den zomer moet de lucht vrij
+kunnen rondgaan zoodat de overtollige hitte kan worden afgevoerd. De
+stad moet tegelijk een tehuis en een vesting zijn en aan alle kanten
+dicht gesloten, beschut tegen de vele vijanden en ook tegen de ruwheid
+van het klimaat.</p>
+
+<p>En dan is er nog een andere voorwaarde van een even ingrijpend
+belang bij den bouw der raten&mdash;de noodzakelijkheid van strikte
+spaarzaamheid met het materiaal. Als er eenige natuurlijke
+zelfstandigheid bestond, die taai, licht, kneedbaar en sterk was, en
+voor de bijen verkrijgbaar inplaats van was, dan zouden zij die zeker
+voor hun ratenbouw gebruiken en niet zooveel uren van hun kostelijken
+tijd en zulke groote hoeveelheden van hun zuur verkregen proviand
+opofferen, om hun eigen was te vervaardigen. Maar er schijnt in de
+natuur niets te zijn, dat gelijktijdig al die hoedanigheden bezit. Wel
+verzamelen de bijen een harsachtige zelfstandigheid in hoofdzaak van de
+knoppen der populieren, en gebruiken die om reten te stoppen; ook weten
+zij er een soort van vernis van te maken, waarmede zij de afgewerkte
+raten bestrijken, en soms zelfs vermengen zij het met was tot een soort
+van ruwe vulling; maar voor celbouw schijnt het onbruikbaar. De geheele
+stad moet noodzakelijk van was, en van was all&eacute;&eacute;n gebouwd
+worden, en de bijen gaan zo&oacute; zorgzaam om met dit kostbaar
+materiaal als een vrek met zijn goud.</p>
+
+<p>Deze opgaaf in het oog houdende: de kolonie een voldoende behuizing
+te verzekeren met zoo min mogelijk <span class="pagenum">[<a id="pb206"
+href="#pb206">206</a>]</span>verlies van grondstof, tijd en arbeid,
+begint de bij het probleem af te wikkelen met eene, aan &rsquo;t
+ongeloofelijke grenzende schranderheid. Bij het centrale punt der
+moeielijkheid beginnende, schijnt zij van daar uit naar buiten te
+werken, en tegelijk de bijkomende vraagstukken, die zij op haar weg
+ontmoet, op te lossen; en aldus gaat dan wel haar redeneering:
+&ldquo;Om de jongen op te kweeken en den honing te bergen is een celvat
+noodig. De jonge larven zijn cylindrisch; dus lijkt een cylindrisch
+gevormde cel aangewezen; zoo eene kan ook gebruikt worden voor de
+honingraten. Er zijn er echter niet maar een paar noodig; maar een heel
+groot getal, vele duizenden; zij moeten daarom dicht bij elkaar
+geplaatst, zoowel voor besparing van ruimte als voor het behoud van de
+natuurlijke warmte. De cellen zouden met de opening naar boven en in
+horizontale vlakken in verdiepingen boven elkaar geplaatst kunnen
+worden. Maar zulk een bouwwijze zou onpractisch zijn. Om het wegzakken,
+in de hitte van den korf, te verhinderen en ook om bestand te zijn
+tegen den zwaren druk van het gewicht, dat zij te dragen krijgen,
+zouden de celbodems gezamenlijk aangedikt moeten worden tot een
+stevigen vloer, die van tijd tot tijd nog gestut zou moeten worden,
+zooals bij de wespen. Maar hiervoor zou veel kostelijke grondstof aan
+haar eigenlijk doel onttrokken worden. Zeker zou het een beter plan
+zijn de cellen op hun zijde te leggen en ze tot een verticalen wand op
+te hoogen; en even zeker is het, dat als twee wanden van deze op elkaar
+geplaatste cellen rug aan rug werden gezet, zoodat &eacute;&eacute;n
+centrale wasplaat dienen zou om den bodem van alle cellen tegelijk
+rechts en links af te sluiten, de helft van het bodemmateriaal bespaard
+zou worden.</p>
+
+<div id="p207" class="figure"><img border="0" src="images/p207.jpg"
+alt="Honingraat onder verlichting" width="538" height="561">
+<p class="figureHead">Honingraat onder verlichting</p>
+
+<p>(Men ziet de cellen-ordening aan beide zijden)</p>
+</div>
+
+<p>Maar dit is nog enkel slechts een ruwe eerste schets van een plan.
+De rechtopstaande raat uit een dubbelen <span class="pagenum">[<a id=
+"pb209" href="#pb209">209</a>]</span>stapel ronde cellen gevormd, rug
+aan rug met een vlakke basis er tusschen, is, hoewel een groote
+verbetering op de enkele laag van horizontale cellen, mechanisch en
+economisch fout. De ronde cellen laten nuttelooze tusschenruimten open,
+die met opvullen veel was zouden vragen, en de vlakke bodems komen niet
+overeen met den vorm der larven, zoodat daarom nog meer ruimte verloren
+gaat. Het is duidelijk, dat er alleen verbetering kan komen door een
+veranderden celvorm. En hier schijnt de bij met zichzelve te rade zijn
+gegaan, en heeft zegevierend een z&eacute;&eacute;r gecompliceerd
+vraagstuk opgelost.</p>
+
+<p>Zij kende de afmetingen van de binnencelruimte, die eene larve voor
+hare ontwikkeling noodig heeft, en nu was dit de opgaaf: een cel te
+bouwen: waarvan de vorm zoo dicht mogelijk tot den cylinder naderde;
+die de juiste afmetingen zou hebben; zoo sterk mogelijk zou zijn; zoo
+min mogelijk plaats innemen; een minimum van grondstof zou vragen, en
+waarvan een groot getal in een dubbel vertikaal vlak zou kunnen worden
+opgebouwd, z&oacute;&oacute; dat er tusschen de cellen of vlakken geen
+tusschenruimte open bleef.</p>
+
+<p>Dit vraagstuk heeft maar &eacute;&eacute;ne oplossing en de
+honingbij heeft die gevonden&mdash;hoe ontelbaar veel eeuwen geleden
+al?&mdash;in de zeshoekige cel, met haar basis van drie ruiten.</p>
+
+<p>Hoe verbijsterend vernuftig deze vinding is kan alleen dan
+gerealiseerd worden wanneer men een pas gevormd maagdelijk stuk raat,
+bijna geheel afgewerkt, grondig bestudeert. Men zal dan onmiddellijk
+zien, dat de zeshoekige cellen volstrekt geometrisch samenvallen over
+de geheele oppervlakte der raat en dat de zeskantige vorm voor alle
+gebruik aan het doel beantwoordt. Wanneer men aan de &eacute;&eacute;ne
+zijde van de raat in de cellen kijkt, dan merkt men op, dat de
+grondvlakken <span class="pagenum">[<a id="pb210" href=
+"#pb210">210</a>]</span>den vorm hebben van holle pyramiden, die ieder
+zijn samengesteld uit drie ruitvormige plaatjes, en draait men de raat
+om, dan ziet men aan de andere zijde ook pyramidale celbodems. Neemt
+men de diepte van de cel aan de &eacute;&eacute;ne zijde der raat en
+voegt die bij de diepte van de tegenoverliggende cel, terwijl men
+daarna de geheele dikte van de raat meet, dan vindt men, dat de diepte
+van die twee cellen, opgeteld, een aanmerkelijk grooter cijfer geeft
+dan men krijgt als men de dikte van de raat meet. Op het eerste gezicht
+lijkt dat een geval waarbij het kleine het groote insluit, dus een
+zichtbare onmogelijkheid. Maar houdt men de raat tegen het licht dan
+doet men eene ontdekking, die de oogenschijnlijke onmogelijkheid
+opheldert. De grondvlakken van de cellen zijn z&oacute;&oacute; dun,
+dat zij haast doorschijnend worden en daardoor komt het uit dat zij
+niet in een rechte lijn, bodem tegen bodem gebouwd zijn; maar dat
+iedere celbasis aan de &eacute;&eacute;ne zijde van de raat, een
+gedeelte dekt van drie verschillende grondvlakken aan de andere. Als
+men die drie ruitjes, die te samen de driehoekige basis van een enkele
+cel vormen, met een naald doorprikt, dan blijkt bij het omdraaien der
+raat ieder prikje uit te komen in een andere cel. Zoo wordt dus de
+besparing op de dikte van de geheele raat veroorzaakt doordat de
+pyramidale grondvlakken aan iedere zijde om en om in elkaar grijpen als
+de tanden van een val; inplaats van elkaar rechtstreeks te ontmoeten,
+schieten zij over elkaar heen, en de vlakken van de pyramide zijn zoo
+ingericht, dat ieder er van twee cellen dekt.</p>
+
+<p>In deze inrichting wordt nog een ander voordeel duidelijk: de top en
+drie ribben van iedere pyramidale basis vormen de grondlijnen voor de
+celwanden aan de andere zijde der raat; dit beduidt, dat niet alleen
+alle celwanden op een boog rusten; maar ook dat iedere <span class=
+"pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211">211</a>]</span>celbasis
+versterkt wordt door een drievoudigen gordel. Het gevolg daarvan is,
+dat de benoodigde hoeveelheid was overal tot een volstrekt minimum kan
+worden teruggebracht. Het is maar alleen de vraag, hoe dik de was moet
+zijn om den honing te kunnen inhouden; en de ervaring heeft geleerd,
+dat dit niet meer behoeft te zijn dan 1/70<sup>e</sup> ongeveer van een
+c.M. Men kan in waarheid dit alles aannemen als een schitterend
+voorbeeld van den zege van den geest over de stof.</p>
+
+<p>De meetkundige beginselen, toegepast bij den bouw der honigraten,
+zijn een geliefkoosd onderwerp van studie voor de wiskunstenaars van
+alle eeuwen geweest, en vooral het gebruik van de ruit voor de
+celbodems. De ruit wordt het best omschreven als een plat vlak met vier
+gelijke zijden, zooals die van een vierkant, maar waarvan de hoeken
+niet recht zijn. Bij zulk een figuur zijn er noodzakelijk twee
+grootere- en twee kleinere hoeken, die paarsgewijs tegenover elkander
+staan. De drie ruiten, die het grondvlak van de honingcel vormen,
+grenzen aan elkaar in den vorm van een vlakke pyramide en als men alle
+hoeken als te verwaarloozen grootheden beschouwt, blijkt de vlakheid
+van de pyramide zeer juist in een passende verhouding te staan tot den
+vorm van de volwassen larve. Maar dit is niet de eenige reden, waarom
+de bijen die bijzondere helling geven aan de ruiten, die van iedere cel
+de basis vormen. Ook hier, als elders in haar ondernemen, heerscht de
+wet der spaarzaamheid, en de waarheid dat zij het eenig mogelijke
+grondvlak genomen heeft, dat bij zijn bouw een minimum van grondstof
+vereischt, wordt treffend bevestigd.</p>
+
+<p>Het is een oud en beroemd verhaal: maar het verdient herhaald te
+worden. Een groot naturalist gaf zich eens oneindige moeite om de
+hoeken te meten, die de ruiten vormden in een groot aantal
+raatcelbases, en hij <span class="pagenum">[<a id="pb212" href=
+"#pb212">212</a>]</span>vond, dat zij merkwaardig weinig verschilden.
+Het zal ieder duidelijk zijn, dat de holle pyramide in den celbodem
+dieper of ondieper zal zijn naar den vorm van de drie ruiten waaruit
+zij is samengesteld. De top van de pyramide wordt gevormd door het
+samenkomen van de drie gelijke hoeken, van ieder ruitje
+&eacute;&eacute;n, en het spreekt van zelf, dat die top spits &ograve;f
+vlak zal zijn, naarmate de samenkomende hoeken scherp of stomp zijn.
+Het was natuurlijk onmogelijk de afmetingen van die hoeken met absoluut
+mikroskopische juistheid te bepalen; maar de naturalist kon toch met
+behulp van de best afgewerkte raat vaststellen, dat de twee grootste
+hoeken in een ruitje ongeveer 110&deg; en de kleinste 70&deg;
+bedroegen. Hij vond ook, dat de hoeken, gevormd door het samenkomen van
+de celwanden met de grondvlakken, dezelfde afmetingen hadden als die
+van de ruitjes. Aannemende daarom, dat mathematisch de hoeken van de
+ruiten en de celwanden gelijk moesten zijn, was hij in staat nauwkeurig
+de hoeken te berekenen die de bijen blijkbaar trachten te verkrijgen in
+de konstruktie van de ruiten&mdash;109&deg;,28&prime; en
+70&deg;,32&prime;.</p>
+
+<p>Een andere wetenschappelijke bijenliefhebber, die over deze cijfers
+zat na te denken, was er zeer door getroffen en besloot uit te vinden
+waarom de bij steeds die vaste keus deed voor dien bijzonderen
+ruitvorm. Hij kreeg toen den inval het bijeninzicht in de oplossing van
+dit celbasis-vraagstuk te onderwerpen aan een onafhankelijke
+autoriteit. Zonder dus zijn voornemen te kennen te geven legde hij het
+volgende vraagstuk v&oacute;or aan een van de beroemdste mathematici
+dier dagen:</p>
+
+<p>&ldquo;Veronderstel eens,&rdquo; zei hij, &ldquo;dat men u had
+opgegeven een zeskantig vat af te sluiten met drie ruitvormige platen,
+welke hoeken zou men dan moeten nemen, zoodat de grootst mogelijke
+ruimte zou gedekt worden met de kleinst mogelijke hoeveelheid
+materiaal?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb213" href=
+"#pb213">213</a>]</span></p>
+
+<p>Het was een moeilijke opgaaf; maar de mathematicus kreeg haar toch
+klaar en het antwoord was: 109&deg; 26&prime; en 70&deg; 34&prime;.</p>
+
+<p>Het verschil tusschen de berekening van de bij en die van den man
+was dus maar heel gering; en niemand dacht er aan een fout te zoeken in
+de oplossing van den man, die in zijn cijferwereld boven ieder uitstak.
+Er werd daarom aangenomen, dat de bij een miniem vergissinkje begaan
+had, z&oacute;&oacute; miniem, dat het bij den raatbouw geen bezwaar
+oplevert. Haar goede naam bleef onaangetast en de honingcel bleef het
+volmaakte voorbeeld van de grootste ruimte met het minste materiaal
+verkregen.</p>
+
+<p>Maar een andere mathematicus&mdash;een Schot dezen keer&mdash;ging
+de heele zaak nog eens na, en hij bewees nadrukkelijk, dat de bij
+gelijk had en de geleerde ongelijk. Hij toonde aan, dat het juiste
+antwoord op het vraagstuk betreffende de hoeken, luiden moest: 109&deg;
+28&prime; en 70&deg; 32&prime;&mdash;precies de cijfers verkregen bij
+het opmeten van de honigraat.</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>In de voorafgaande bladzijden zijn wij wat dieper ingegaan op de
+beginselen, bij den raatbouw toegepast, omdat juist dit het punt is
+waar de gedachtelijnen van de oude en nieuwe naturalisten op
+eigenaardige wijze van elkaar gaan afwijken. Beide scholen komen in
+hoofdzaak in dit &eacute;&eacute;ne punt overeen, dat uit
+&eacute;&eacute;ne almachtige bron alle levensvormen zijn
+voortgevloeid; en het doet weinig tot de zaak af of zij de tijdruimten
+gedurende welke de schepping van alle dingen werd volbracht, bij eeuwen
+rekenen of volgens de oude bijbelsche metafoor, bij dagen. Maar terwijl
+de oude school zich houdt aan verschillende hoedanigheden van leven: de
+onsterfelijke ziel in den mensch, en een mystiek onderbewustzijn, een
+sterfelijk iets, instinkt <span class="pagenum">[<a id="pb214" href=
+"#pb214">214</a>]</span>genoemd, in het dier&mdash;kan de nieuwe school
+geen ander verschil dan een van graden ontdekken tusschen de geestelijk
+uitrusting van den mensch en die van de dierlijke schepping. Tusschen
+de honingbij en haar meester opent zich zeker een immense kloof; maar
+zij is merkbaar te overbruggen. En tenzij wij besloten zijn met
+verkrachting van alle logica een geliefkoosd stel vierkante meeningen
+te dwingen in de ronde openingen van waargenomen feiten, is het
+moeilijk te gelooven, dat de oude stelling houdbaar zal blijven.</p>
+
+<p>Wat dit <span class="corr" id="xd0e1694" title="Bron: bizondere">
+bijzondere</span> vraagstuk van den raatbouw betreft, wordt er nog
+steeds een poging gedaan om aan te toonen, dat die niet anders zijn kan
+dan het gevolg van sommige natuurwetten, en geheel onafhankelijk van
+eenig intellekt of wil, die van de bijen zou uitgaan. Men zegt ons dan,
+dat het begin van de cellen altijd cirkelvormig is; maar dat zij
+naderhand geheel mechanisch tot den zeshoekigen vorm overgaan,
+tengevolge van de wetten van wederzijdschen druk. En als bewijs hiervan
+wordt er op gewezen, dat de buitenste cellen van een raat, die niet aan
+de wetten onderworpen zijn, gewoonlijk min of meer ronden vorm
+hebben.</p>
+
+<p>Deze druktheorie is eigenlijk geen ernstige beschouwing waard; want
+het is duidelijk, dat de groei der raten vrij en ongehinderd in zijn
+werk gaat in alle opzichten. Als de bij haar cellen met zes zijden en
+een pyramidale basis gedachteloos vormt, en onder het juk van een
+katagorisch moeten, dan is dat zeker niet omdat de cellen elkaar dien
+vorm opdringen zooals Buffon&rsquo;s erwten in een flesch.</p>
+
+<p>En als wij gelooven, dat de bij geblinddoekt werkt onder de wet van
+wederzijdschen druk, dan moet ieder nauwkeurig onderzoek van haar werk
+ons wel overtuigen, dat wij hier het eene wonder op zij zetten voor een
+ander, dat nog grooter wonder is. <span class="pagenum">[<a id="pb215"
+href="#pb215">215</a>]</span>Want dan zien wij een natuurwet een heel
+onnatuurlijke eigenschap aannemen, n.l. die van vernuftige aanpassing
+aan de omstandigheden. De raten voor het gebruik in den broedbouw
+bedoeld, worden in twee verschillende grootten vervaardigd. Degenen,
+die het werksterbroed moeten bergen, hebben cellen van 0,5 m.M.
+middellijn en zijn iets minder dan 1.25 m.M. diep; terwijl de
+darrencellen 0.625 m.M. middellijn hebben en ongeveer 1,50 m.M. diep
+zijn. Deze zoo van elkaar verschillende cellen liggen niet door elkaar
+heen over de geheele raat; maar in groote groepen bijeen. Sommige raten
+bestaan bijna geheel uit werkstercellen, waarvan het grootste aantal
+vereischt wordt, en andere weer uit groepen van beide soorten.</p>
+
+<p>De bijen beginnen een raat met een klein kluitje was aan het dak van
+den korf vast te kleven. Aan iederen kant van dat kluitje maken zij
+daarna een kleine holte, die de grondvlakken van de eerste cellen
+moeten vormen. Dan gaan zij aan het uitbreiden op zijde, en naar
+beneden, terwijl de celbases in alle richtingen zoo snel mogelijk
+vermenigvuldigd worden, zoodat er al een heel groot getal aangelegde
+cellen bestaat, lang v&oacute;&oacute;r dat de wanden van de eerste
+zijn afgewerkt. Voor deze methode van werken bestaat een zeer grondige
+reden. Wanneer een huis gebouwd wordt, legt men eerst zooveel mogelijk
+van de fundamenten zoodat er daarna een groot getal metselaars tegelijk
+aan het werk kunnen gaan bij het optrekken der muren; de bijen gaan van
+hetzelfde beginsel uit als zij die groote uitbreiding aan hare
+celgrondlagen geven.</p>
+
+<p>Als ongeveer de helft van de broedraten voor werksterbroed gebouwd
+is, wordt er waarschijnlijk vastgesteld, dat de darren-celbouw kan
+beginnen. Daar de grondvlakken van de darrencellen grooter zijn dan die
+van de werksters, begrijpt men, dat er eene verandering <span class=
+"pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216">216</a>]</span>moet komen in het
+grondplan van de raat. De bijen bereiden dezen overgang heel handig
+voor, blijkbaar trachten zij er naar, de regelmaat van de raat zoo min
+mogelijk te verbreken. Somtijds bereiken zij die verandering zonder
+nagenoeg eenig ruimteverlies; maar het komt meer voor, dat er eerst
+eenige wanschapen cellen noodig zijn, voordat de raat weer haar gewonen
+systematischen voortgang kan hebben. Dit hangt heel veel af van de
+overge&euml;rfde handigheid der bijen, die bij ieder volk verschillend
+is, zooals alle ervaren ijmkers weten.</p>
+
+<p>Als nu de bijen hun raten bouwen onder den blinden drang der wet van
+wederzijdschen druk, welke andere wet, vragen wij dan, heft dan deze
+weer op wanneer de overgang van de kleinere tot de grootere cel gemaakt
+moet worden? Als dat alles een soort van kristallisatie is, die werkt
+geheel onafhankelijk van wil of verlangen der bijen, dan is het wel
+meer dan verwonderlijk, dat de molen grof en fijn maalt, al naar de
+vereischten van den korf.</p>
+
+<p>Maar de geheele veronderstelling is eigenlijk niets anders dan een
+treffend voorbeeld hoe verkeerd het is gevolgtrekkingen te maken uit
+een vergelijking. Geweekte erwten in een flesch zwellen op tot
+zeshoeken of liever twaalfhoeken, tengevolge der wet van wederzijdschen
+druk. Zeepbellen doen hetzelfde zonder andere drukking dan die van hun
+eigen gewicht. Maar erwten en zeepbellen waren op zichzelf bestaande
+dingen voordat zij te samen gebracht werden. Als de bijen een groot
+aantal losse ronde cellen maakten en ze dan alle gelijk te samen
+voegden, zouden zeker alle cellen, behalve de buitenste, den vorm van
+zeskanten krijgen. Maar juist de essence van de kunst en het vernuft
+der bijen ligt in het feit, dat zoo iets als een afzonderlijke cel niet
+bestaat. Iedere afdeeling in de raat heeft zijn <span class="pagenum">
+[<a id="pb219" href="#pb219">219</a>]</span>deelen gemeenschappelijk
+met niet minder dan negen andere afdeelingen. En te praten van
+wederzijdschen druk wanneer er geen zelfstandig bestaan is, noem ik het
+zeestrand ploegen.</p>
+
+<div id="p217" class="figure"><img border="0" src="images/p217.jpg"
+alt="Raat, naar boven toe opgebouwd" width="494" height="720">
+<p class="figureHead">Raat, naar boven toe opgebouwd</p>
+</div>
+
+<p>Er zijn nog andere omstandigheden in verband met den bouw der raten,
+die heel veel bijdragen tot bevestiging van de stelling, dat de bijen
+door verstand geleid worden, en door een verstand van de hoogste orde.
+Wij hebben al gezegd, dat het inwendige van een korf overdag niet
+geheel donker is. Waarschijnlijk hebben de bijen gedurende hunne
+bezigste uren altijd genoeg licht om hun weg te vinden met behulp van
+hun verwonderlijke binnenhuis-oogen, die, onder den mikroskoop gezien,
+al de plechtige wijsheid in zich hebben van uilenoogen. Maar het is een
+feit, dat het bouwen der raten in den nacht verricht wordt, als al de
+andere bezigheden tijdelijk zijn geschorst. Waarschijnlijk is wat voor
+onze menschenoogen de zwaarste duisternis schijnt, in &rsquo;t geheel
+geen duisternis voor bijen; in ieder geval, voor ons is het of de
+honingraat in het duister gemaakt wordt.</p>
+
+<p>Intusschen worden zij naast elkaar gebouwd en dikwijls
+tegelijkertijd. Zij groeien tegelijk in benedenwaartsche richting, en
+behouden toch altijd hun juisten afstand van elkaar; zoodat, als zij
+voltooid zijn, er een doorgang blijft tusschen de verzegelde cellen,
+van ongeveer een 0.6 centimeter, juist genoeg voor de gaande en komende
+bijenstroomen om elkaar rug aan rug te kunnen voorbijgaan. Hoe worden
+nu die afstanden gelijk gehouden, daar de bijen aan het werk zijn aan
+den bovenrand van iedere raat, en van elkaar gescheiden door een leege
+donkere ruimte van 3 tot 4 c.M. ongeveer?</p>
+
+<p>Een eenvoudige proef zal dit onmiddellijk ophelderen. Als een korf,
+waarin een zwerm ongeveer de halve <span class="pagenum">[<a id="pb220"
+href="#pb220">220</a>]</span>diepte van den raatbouw voltooid heeft,
+even schuin wordt gezet, zoodat de raat uit de loodlijn komt, en men
+dan den korf zoo eenige dagen laat staan, dan zal men daarna bemerken,
+dat van het oogenblik van de stoornis af, bij den verderen bouw de
+nieuwe vertikale lijn gevolgd is; de raten zullen alle een lichte
+helling naar &eacute;&eacute;n kant vertoonen. Dit beduidt, dat de
+bijen &ograve;f een natuurlijken zin voor de loodrechte richting
+hebben, &ograve;f, dat zij met de loodlijn werken zooals de mensch
+gedwongen is te doen. En het schijnt werkelijk een feit, dat de recht
+naar beneden hangende waswerkstertros den dienst doet van een levend
+paslood, en de richting aangeeft voor den groei der raat naar
+beneden.</p>
+
+<p>Maar hangen de bijen wel altijd hun raten op? Bouwen zij nooit hun
+wassen voorraadschuren z&oacute;&oacute;, dat zij laag op laag
+optrekken van den vloer af, naar de manier van dat meer intelligente
+schepsel, den Mensch?</p>
+
+<p>Wat hier het eerst van te zeggen valt, is, dat zulk een afwijken van
+hun vaste methode geen vooruitgang, maar een stap terug zou zijn. Deze
+lange raatmuren van de bijen doen zeer sterk denken aan de nieuwe
+Amerikaansche &ldquo;wolkenkrabbers&rdquo;. De moeielijkheid bij het
+oprichten van dergelijke gebouwen is een basis te verkrijgen voldoende
+voor de hoogte. Als de Amerikaansche ingenieurs over materiaal konden
+beschikken, dat een voldoende spanningskracht bezat, en er bovendien in
+de natuur iets was om de skyscrapers aan op te hangen, dan zou het,
+wetenschappelijk gesproken, zeker praktischer zijn deze gebouwen te
+laten ophangen, dan ze op te richten, omdat zij dan volgens natuurlijke
+strekking hun vertikale richting zouden behouden en het
+grondslag-vraagstuk was dan van de baan. En daar de bijen grondstof van
+ideale spanning <span class="pagenum">[<a id="pb221" href=
+"#pb221">221</a>]</span>bij de hand hebben en een geschikte hangbalk,
+laten zij om dezelfde reden wijselijk hun zwaargeladen raten van het
+dak afhangen, in plaats van ze op <span class="corr" id="xd0e1734"
+title="Bron: te te">te</span> zetten zooals sommige mieren doen bij hun
+bouw.</p>
+
+<p>Maar ongetwijfeld worden zij hier geleid door een ervaring van
+eeuwen h&egrave;r van het ras en worden zij niet verhinderd door gebrek
+aan bekwaamheid om de door den mensch bevonden methode te volgen.
+Zelden&mdash;slechts z&oacute;&oacute; zelden, dat de schrijver,
+gedurende het lange tijdsverloop dat hij onder bijen verkeerde, er niet
+meer dan &eacute;en voorbeeld van heeft gezien, bouwen de bijen hun
+raten opwaarts, als de omstandigheden geen andere mogelijkheid
+toelaten. En dit is zoo goed als een laatsten nagel slaan in de
+doodkist van die ongelukkige instinkt-theorie, en tegelijk er een
+grafschrift bij maken.</p>
+
+<p>In het vermelde geval was een doos met glazen bodem omgekeerd over
+het voedingsgat van een gewonen korf gezet en was daar vergeten. In den
+loop van het seizoen geraakte de korf vol met bijen en honing, en het
+werd dringend noodig in de doos boven op den korf nieuwe proviandraat
+te bouwen. Maar het gladde glas bood geen vasten voet aan de
+metselbijen. Keer op keer moeten zij wel opnieuw gepoogd hebben om er
+den bouw te beginnen, met hun wastaschjes vol, en nooit mocht het
+gelukken; het was niet mogelijk hier op de gewone wijze te bouwen. Toen
+zijn de korfingenieurs, door de moeilijkheid geprikkeld, iets anders
+begonnen. Op den planken vloer beneden legden zij het plan uit voor een
+voorraadschuur niet volgens de gewone methode van <span class="corr"
+id="xd0e1741" title="Bron: paralelraten">parallelraten</span>; maar een
+regelmatig, langwerpig huis met cellulaire provisiekamers en
+daartusschen verbindingsgangen. Hierop bouwden zij laag op laag van
+horizontale cellen, tot het glazen dak bijna bereikt was. Toen zij op
+dit punt gekomen <span class="pagenum">[<a id="pb222" href=
+"#pb222">222</a>]</span>waren, was waarschijnlijk de groote honingoogst
+buiten gedaan; want de cellen van het proviandhuis werden nooit
+verzegeld, hoewel zij bijna geheel vol met honing waren; later in den
+tijd werd dit honinghuisje gevonden en meegenomen door den ijmker, die
+het nog bewaart als een <span class="corr" id="xd0e1746" title="Bron:
+byzondere">bijzondere</span> kuriositeit. Hij draagt een welbekenden
+naam: Dr. Herbert Mac Donald Phillpotts, van Kingswear, Devon, en zijn
+getuigenis betreffende het vervaardigen van dit merkwaardige
+honinghuisje is boven allen twijfel verheven; maar bovendien draagt het
+zijn eigen onfeilbaren stempel van echtheid. Alle honingcellen, door
+bijen gemaakt, hebben een lichte opwaartsche buiging, waardoor, zooals
+reeds verklaard werd, het uitvloeien van den inhoud wordt belet, tot
+zij kunnen verzegeld worden. En iedere cel in dit proviandhuisje
+vertoonde duidelijk het opstaande kantje.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb223" href=
+"#pb223">223</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch13" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk XIII</h2>
+
+<h2 class="normal">Waar &ldquo;het Bieken honing puurt&rdquo;.</h2>
+
+<p>Het is een eigenaardig feit, dat zij, die van bijen onkundig zijn,
+zich dikwijls angstig toonen waar geen gevaar dreigt, en met de
+stoutmoedigheid, uit onwetenheid geboren, zich d&aacute;&aacute;r
+wagen, waar juist de oude, ervaren bijenkenners niet graag een voet
+zouden zetten.</p>
+
+<p>Bij dit onberekenbaarste van alle schepselen is het humeur nog
+onberekenbaarder dan al het andere. Er zijn tijden, b. v. als er een
+onweer dreigt en de lucht geladen is met elektriciteit, dat men zich in
+een wis gevaar begeeft als men onder bijen gaat; en dan weer, b.v. in
+het seizoen van den vollen nektaroogst, kan men zich letterlijk alle
+vrijheden met hen veroorloven, zonder dat er eenige wraak te duchten
+is. Toch is dit ook weer geen regel. Er hangt hier heel veel af van hun
+afkomst en de zuiverheid van het ras, en ook van de methode van den
+<span class="corr" id="xd0e1764" title="Bron: ymker">ijmker</span>.
+Bijen zijn, als andere huisdieren, zeer gevoelig voor een wijze en
+tegemoetkomende behandeling. Als men doortastend, rustig en gelijkmatig
+met ze weet om te gaan, is men bij de kwaadaardigste kolonie dikwijls
+volkomen veilig; terwijl de zachtaardigste bijen tot eene onmiddellijke
+oorlogsverklaring overgaan bij eene schutterige, onhandige
+aanraking.</p>
+
+<p>Sedert de Italiaansche bij, ongeveer een halve eeuw <span class=
+"pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224">224</a>]</span>geleden, naar
+Engeland is overgebracht, is er zeker een aanmerkelijke wijziging
+gekomen in het Engelsche ras. Zelfs twijfelen eenige autoriteiten er
+aan of er in werkelijkheid nog wel volkomen raszuivere Engelsche bijen
+over zijn. Men ziet de gouden gordels van de Italiaansche op de
+onmogelijkste plaatsen opduiken; het vreemde bloed schijnt overal in
+het ras te zijn doorgedrongen, behalve in de allerverste uithoeken. Het
+is zeker te betreuren, hoewel dit berouw nu te laat komt, dat men ooit
+die ongewenschte vreemdelingen op onze terreinen toeliet. Wat in eenig
+land gedijt en er blijft voortbestaan, moet voor dat bijzondere land
+wel het best geschikt zijn, en deze zuidelijke bijenrassen schijnen, en
+zeer in het nadeel van onzen Engelschen stam, aan het ras
+eigenaardigheden te hebben teruggegeven, die bij de inheemsche bij door
+lange kultuur geheel verdwenen waren. Veel van de prikkelbaarheid en
+vatbaarheid voor verschillende ziekten, die wij bij de hedendaagsche
+honingbijen opmerken, zijn min of meer terug te brengen tot de
+inmenging van het vreemde bloed, en het groote en bijzondere voordeel
+van de Italiaansche bij, de beroemde en wijd en zijd uitgeklonken lange
+tong&mdash;is gebleken een fabel te zijn. Ontelbare opmetingen gedaan
+door onze grootste wetenschappelijke bijenkenners hebben aangetoond,
+dat de tong van de Italiaansche bij niet langer is dan die van eenige
+andere; echter kennen de meesten haar zeer gereedelijk een bijzonder
+langen en tot steken bereiden angel toe. Maar hier zijn wij
+onrechtvaardig: de Italiaansche werkbij van zuiver ras is even goed of
+slecht gehumeurd als iedere andere van haar soort. Het zijn de eerste
+kruisingen met de inheemsche bij, die zich zoo uitdagend en
+wraakzuchtig aanstelden, en daaraan heeft het geheele ras zijn slechten
+naam te danken. <span class="pagenum">[<a id="pb225" href=
+"#pb225">225</a>]</span></p>
+
+<p>In den rijksten oogsttijd&mdash;die in <span class="corr" id=
+"xd0e1774" title="Bron: Zuid-Engelan">Zuid-Engeland</span> al in Mei
+aanvangt, vroeg of laat, al naar het jaargetij uitvalt, en die dikwijls
+zes weken duurt&mdash;, komt het heel veel voor, dat men de angstige
+wandelaars ziet rennen langs de voetpaden tusschen de klavervelden,
+verschrikt door de geweldige roezigheid van de inzamelende bijen.
+Wanneer die velden zeer uitgestrekt zijn en het een bijzondere heldere
+dag is, krijgt dat geluid een omvang, dat men het haast niet meer
+houden kan voor een zang van werk en rust. Het lijkt meer op het
+dreunen van een algemeenen bijenoorlog, en het is niet te verwonderen,
+dat de onkundigen wat zeden en gewoonten der korven betreft, zich niet
+wagen in wat hun zeker een tooneel van moord en doodslag lijkt.</p>
+
+<p>En toch is er in het heele jaar geen seizoen, waarin de bij minder
+geneigd is haar menschelijke medeschepselen te lijf te gaan. Zoo lang
+het honing-weder blijft aanhouden&mdash;de warme nachten waarin de
+nektar wordt afgescheiden, en de regenlooze dagen als hij kan
+ingezameld worden&mdash;is zij haast niet tot een aanval te prikkelen,
+al wordt haar huis ook binnenste buiten gekeerd, zoodat het zonlicht
+plotseling het duister door en door zeeft.</p>
+
+<p>Tot voor betrekkelijk korten tijd was algemeen aangenomen, dat
+honing een zuivere, onaangeroerde afscheiding der planten was, en dat
+behalve het inzamelen en opleggen, de bijen geen deel aan zijn
+voortbrenging hadden. Dit is echter een ernstige vergissing. Honing
+moet vervaardigd worden, en verschilt bijna in alle opzichten van de
+zuivere sappen, die in de verschillende bloemen worden afgescheiden. De
+bloemennektar schijnt, v&oacute;&oacute;rdat de bij hem heeft
+ingezameld, geen enkele van de elementen te bezitten, die den rijpen
+honing samenstellen. Drie vierde van het volume bestaat uit zuiver
+water, waarin ongeveer 20&deg; rietsuiker is opgelost, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226">226</a>]</span>terwijl de rest
+bestaat uit vluchtige olie&euml;n en gommen, die er den bijzonderen
+smaak aan geven. Maar rijpe honing bevat heel weinig water, nooit meer
+dan een zesde van zijn volume. En de suiker in honing is bijna geheel
+druivensuiker. Honing is ook zeer bepaald zuur, terwijl nektar positief
+neutraal is. En de olie&euml;n en aromatische essencen van de
+bloemsappen zijn gerijpt en overgegaan in den welbekenden honinggeur,
+die op niets anders ter wereld gelijkt.</p>
+
+<p>Het staat vast, dat het verwerken van den nektar tot honing
+onmiddellijk begint als de bij het zoete sap uit de bloem tot zich
+neemt. Als het vocht in den honingzak komt, is het al vermengd met de
+zure afscheiding van de klier aan den tongwortel. Komt de bij in den
+korf terug dan brengt ze niet dadelijk den honing in de cellen; maar
+geeft dien over aan een van de huisbijen, die hem naar de honingraten
+overbrengt. Het is zelfs waarschijnlijk, dat hij nog een tweeden keer
+wordt overgegeven v&oacute;&oacute;r hij in de cel komt, maar dat punt
+is nog niet vastgesteld. Het gevolg van het overgeven aan een ander is,
+dat er meer zure eigenschappen aan het oorspronkelijke sap worden
+toegevoegd.</p>
+
+<p>De honing schijnt in den korf een geregeld brouwproces te ondergaan.
+Hij wordt gehouden op een temperatuur van <span class="measure" title=
+"26.7&deg;">80&deg;</span> of <span class="measure" title="29.4&deg;
+Celcius">85&deg; Fahr.</span> en daarbij gaat het overtollige water in
+damp over. Op die wijze verliest de ruwe nektar minstens &#8532; van
+zijn natuurlijk volume, voordat hij definitief tot honing wordt
+omgewerkt. Men zegt dat op het laatste oogenblik, juist v&oacute;ordat
+iedere cel verzegeld wordt met een ondoordringbaar wasdekseltje, de bij
+zich ronddraait en een droppel van het vergif uit haar angel in den
+honing spuit; maar hiervan schijnt niet het geringste bewijs aanwezig.
+Het is waar, dat de inhoud van het gifzakje voornamelijk uit mierenzuur
+bestaat, dat z&eacute;&eacute;r bederfwerend is; <span class="pagenum">
+[<a id="pb227" href="#pb227">227</a>]</span>en het is ook een feit, dat
+er sporen van mierenzuur in allen honing te vinden zijn. Maar het is
+toch ook stellig bewezen, dat dit zuur zijn weg tot den honing vindt
+uit het klierensysteem van de bij en niet door den angel.</p>
+
+<p>De ijver, door de bij aan den dag gelegd bij het nektarzamelen, is
+altijd een punt van verbazing geweest en algemeen werd verondersteld,
+dat zij met het volle instinkt voor haar taak geboren wordt. Maar gaat
+men aan het waarnemen, dan ligt die theorie al heel gauw omver. Dit
+werk moet stap voor stap geleerd worden, zooals alle bijenwerk, dat een
+zekere bedrevenheid vereischt. De jonge bij gaat met den besten wil van
+de wereld op haar eerste vlucht uit, en haar nabootsingsvermogen is in
+hoogen mate ontwikkeld; maar met verdere gaven voor dezen specialen
+arbeid schijnt zij niet te zijn toegerust. Haar eerste pogingen zijn
+een op&eacute;&eacute;nvolging van vergissingen. Zij schijnt niet zeker
+te weten waar dat begeerde zoet eigenlijk te vinden is, en men ziet
+haar soms op de onaannemelijkste plaatsen met een ernstig onderzoek in
+de weer, bij spleten in een muur, toefjes gras of de bladen van een
+plant, inplaats van bij de bloemen. Het feit, dat de nektar onder in de
+bloem verborgen is, voorbij het stuifmeeldragend mechanisme, schijnt
+pas voor haar te dagen na heel wat nadenken en vergeefsche moeite.</p>
+
+<p>Het is bewezen, dat bijen soms tot twee en drie mijlen ver gaan op
+haar inzamelvluchten. De afstand schijnt in verband te staan met den
+aard van de streek. De bijen uit een heuvelland wagen zich maar op
+kleine afstanden van huis, terwijl in een vlakker streek de reizen veel
+verder worden uitgestrekt. De bijen-lijn is spreekwoordelijk geworden
+voor den rechten koers; maar het is te betwijfelen of de bij ooit
+volmaakt rechtuit vliegt van punt tot punt. De waarheid schijnt te
+wezen, dat er vaste <i>lucht</i>-wegen uit en thuis voor iederen
+bijentuin <span class="pagenum">[<a id="pb228" href=
+"#pb228">228</a>]</span>zijn, en dat die altijd door een dichten stroom
+gaande en komende bijen bezet zijn, gedurende de dagelijksche werkuren.
+Deze verkeerswegen liggen hoog boven de hoogste hindernissen,
+z&oacute;&oacute; hoog zelfs, dat het scherpste gezicht ze niet
+ontdekken zal. Alleen de bezige zang van de reizigers is te hooren, als
+was er een zingende rivier hoog boven ons.</p>
+
+<p>In de South Down streek, waar de afgelegen boerderijen ieder omgeven
+zijn door hun kompakt akkersysteem met bloeiend schapenvo&ecirc;r, en
+waartusschen niets te zien is dan mijlen en mijlen van kaal
+kortgrasland, kunnen die bijen-wegen in de lucht gemakkelijk gevonden
+en bestudeerd worden. Terwijl ge over het ve&ecirc;rend, golvend gras
+loopt in den kalmen vrede van een zomermorgen, dringt plotseling een
+verre vage toon tot u door, alsof hoog in het blauw een enkele
+harpsnaar werd aangeslagen. Ge doet een paar stappen en hebt hem weer
+verloren; gaat ge terug dan hoort ge hem weer. Zien doet ge niets, hoe
+ge uw oogen ook moogt inspannen; maar de oorzaak van het geluid is
+duidelijk, en met een beetje moeite kunt ge heel gauw de hoofdrichting
+van de vlucht uitmaken, en ge ziet dan verderop in de laagte het
+complex van de daken eener boerenste&ecirc; met zijn geplekte akkers er
+omheen, wit van klaver of rozerood van Espareette, in vollen bloei.</p>
+
+<p>Er is misschien op de geheele wereld nergens zulke kostelijke honing
+te vinden als in deze afgelegen Downlandsche boerderijen. Bij den
+gewonen verbruiker is honing eenvoudig honing en daarmee uit. Maar de
+bijenman weet, dat de honing evenzoo veel kwaliteiten kent als de wijn.
+Bij een eerste proefje kan hij onmiddellijk zeggen uit welke bloemen
+hij gemaakt is, of hij uit &eacute;&eacute;n of meerdere bronnen bijeen
+is gezameld, of hij enkel bloemessence is, of bezoedeld is geworden
+door dien <span class="pagenum">[<a id="pb229" href=
+"#pb229">229</a>]</span>afschuwelijken honingdauw, die in &rsquo;t
+geheel geen honing is. Beneden in het laagland is het, behalve in de
+zeldzame seizoenen, als er maar &eacute;&eacute;n soort van oogst is,
+bijna volslagen onmogelijk honing te krijgen van slechts
+&eacute;&eacute;n enkele bron. Maar hier op de heuvelen worden de bijen
+niet aangelokt door kleurige tuinen, met hun zwakke, waterige
+zoetigheid, noch worden zij er verleid door den groven liguster, of de
+paardenkastanje of zonnebloem. Neen, er is maar &eacute;&eacute;n
+gerecht op tafel: maar dit is dan ook onuitputtelijk, onbegrensd. Zij
+hebben niet anders te doen dan heen en weer te vliegen uit en thuis,
+tusschen hun korf en &eacute;&eacute;n enkelen akker.</p>
+
+<p>Het is heel moeielijk met het schatten van de hoeveelheid honing,
+die &eacute;&eacute;n oogst van bloemen oplevert, de waarheid ook maar
+eenigszins te benaderen. Maar gesteld, dat alle omstandigheden
+meewerken, dan komt er op ieder roede Hollandsche klaver ongeveer vijf
+pond zuivere honing per dag, zoolang het veld in vollen bloei staat. De
+nektar wordt klaarblijkelijk door de bloem afgescheiden als aantrekking
+voor de bijen, die, met hun stuifmeel beklodderd lichaam er op neer
+vallend, onbewust de bevruchting bewerken. Onmiddellijk nadat dit doel
+bereikt is, schijnt het nektarvloeien in iedere bloem afzonderlijk op
+te houden en de honingdraagster gaat haar voorbij.</p>
+
+<p>Als men de oude boeken over bijenkultuur bestudeert, verbaast men
+zich, dat er de honingdauw zoo geprezen wordt, terwijl er in de moderne
+bijentuinen niet genoeg kwaad van kan gezegd worden. Men hoort daar,
+dat onmiddellijk wanneer de bijen honingdauw beginnen te zamelen, de
+honingsecties uit de korven worden genomen, of de goede honing zou
+bedorven zijn, wat kleur en smaak betreft. Men toont ons een leelijk
+donker waterig goedje, dat zorgvuldig door de bijen verzegeld is en men
+vertelt, dat dat haast enkel honingdauw <span class="pagenum">[<a id=
+"pb230" href="#pb230">230</a>]</span>is. Maar dan vraagt men zichzelf
+af: &ldquo;kan dit dezelfde stof zijn, die door de oude meesters zoo
+vurig geprezen wordt?&rdquo; De waarheid is, dat wanneer de oude en
+middeleeuwsche schrijvers van honingdauw spraken, zij dat woord in
+&rsquo;t algemeen gebruikten voor alles wat de bijen inzamelden. Voor
+hen was alle honing een dauw, een goddelijk goed uit den hemel
+geregend; en het is volkomen in overeenstemming met het algemeen gebrek
+aan bijenkennis tot ongeveer het begin van de negentiende eeuw toe, dat
+z&oacute;&oacute; weinigen hebben gegist, dat bloemen iets met de zaak
+te maken hadden. Vergilius en de andere klassieken gaven uitsluitend
+den toon aan voor allen, die maar op eenige beschaving aanspraak
+maakten, en zelfs de naturalisten schijnen de wilde natuur
+all&eacute;&eacute;n maar bestudeerd te hebben om de feiten aan te
+passen aan oude dichterlijke fantasie&euml;n. De oude schrijvers
+verklaarden het verschil in de hoedanigheid van den honing als
+veroorzaakt door den invloed van de sterren, die op het tijdstip der
+inzameling aan den hemel rezen, en de honing was goed of slecht
+naarmate die invloed gunstig of ongunstig was.</p>
+
+<p>De hoedanigheid en samenstelling van den honing kan oneindig
+verschillen, afhankelijk als zij zijn van de verschillende
+nektarbronnen; maar ongetwijfeld verdient de honingdauw ten volle zijn
+slechten naam bij de moderne bijenhouders. Er worden door de Engelsche
+natuurkundigen misschien driehonderd soorten van bladluizen (aphides)
+onderscheiden, en al deze scheiden het zoete vocht af, dat onder
+sommige omstandigheden door de bijen wordt ingezameld. De smaak van
+dezen honingdauw verschilt naar de soorten van bronnen, waarop het sap
+gevonden wordt. Waarschijnlijk zijn de meeste soorten niet anders dan
+een zoet, eenigszins wee smakend vocht, dat in zuiveren staat den
+echten honing niet veel in smaak doet afwijken, <span class="pagenum">
+[<a id="pb231" href="#pb231">231</a>]</span>tenminste voor een
+ongeoefend smaakorgaan. Maar, helaas voor de ijmkers, is de eik door
+die parasieten het meest gezocht; niet minder dan zes vari&euml;teiten
+houden zich &ograve;p op die &eacute;&eacute;ne boomsoort. En de
+honingdauw van den eik is een walging. Vrij algemeen wordt
+verondersteld, dat de eerste koude nachten, die het begin van het
+honingseizoen kenmerken, de productie van honingdauw prikkelen; want na
+zulke kille nachten ziet men gewoonlijk de bijen aan het werk op de
+boomen waar de bladluizen huizen. Het is echter een aannemelijker
+theorie, dat de koude de afscheiding van den honingdauw niet versnelt;
+maar eerder de rechtmatige honingbronnen voor de bijen afsnijdt, juist
+wanneer zij nog in den vollen werktijd zijn; en zoo zijn dus de immense
+legers van proviandzoekers tijdelijk werkeloos en moeten een nieuw veld
+vinden om hun dringenden ijver te uiten. De afscheiding van den echten
+nektar geschiedt in hoofdzaak &rsquo;s nachts, en vraagt een
+temperatuur van ongeveer 70&deg; Fahr. Iedere lagere temperatuur
+beduidt schraalte voor den volgenden dag, hoe mooi en warm het weer dan
+ook zijn moge.</p>
+
+<p>De donkere kleur van de bladluisstroop&mdash;en het kleinste beetje
+er van bederft al de markt voor den prachtigsten honing&mdash;schijnt
+zoowel veroorzaakt te worden door vreemde stoffen als door zijn eigen
+slechte hoedanigheid. Er leeft een eigenaardige fungus op de schors van
+vele boomen, waarop bladluizen huizen, de roetfungus. Deze wordt met
+den honingdauw samen tot een donkere troebele massa&mdash;en zeer zeker
+zou zelfs het geringste spoor er van genoeg zijn om den kostelijksten
+honing te bederven. Er schijnt voor de ijmkers niets anders over te
+schieten, dan tegen het eind van het honingseizoen acht te geven op de
+eerste kille nachten, en dan heel vroeg in den ochtend er bij te zijn
+om de reserve honingraten uit te korven te nemen, v&oacute;&oacute;r de
+<span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232">232</a>]</span>bijen
+gelegenheid hebben gehad ze te bederven. Maar de bij is geen heldin in
+het vroeg opstaan, al staat zij nog zoo hoog aangeschreven in &rsquo;t
+boek der moraal. Gewoonlijk wacht zij tot de morgenzon den nachtdauw
+heeft opgedroogd en de bloemkelken verwarmd, en dan gaat zij pas in
+ernst aan den arbeid. De eerste vroege bijen, die men in het eerste
+zomermorgenlicht ziet uitvliegen, zijn waarschijnlijk waterdraagsters.
+In den broedtijd is voor iederen korf het water-dragen de eerste en de
+laatste zorg van den dag. Ieder bijenpark schijnt zijn eigen vaste
+waterreservoir te hebben, gewoonlijk de moerassige rand van een
+naburigen vijver; en hier kan men heele bijenbataillons zien drinken,
+in den vroegen morgen en tegen den laten namiddag, terwijl zij midden
+op den dag bijna geheel verlaten zijn. Het is aardig, dat deze tijden
+van het water-innemen samenvallen met die waarin het minst nektar te
+verkrijgen is, of wanneer de voorraad van dien dag is uitgeput; en hier
+valt weer een zijlicht op de economische eigenschappen van het
+bijenvolk.</p>
+
+<div id="p233" class="figure"><img border="0" src="images/p233.jpg"
+alt="De Voorraadschuur" width="521" height="720">
+<p class="figureHead">De Voorraadschuur</p>
+
+<p>(Het verzegelen van den jongen honing)</p>
+</div>
+
+<p>De bijen op hun honingoogsten te volgen, staat gelijk met een
+overzicht te nemen van den geheelen natuurlijken groei en leven, het
+jaar rond. In Zuid-Engeland wordt de eerste nektar van de wilgen
+verkregen, die laat in Maart in bloei komen, maar hun zoet terughouden
+tot het eerste mooie warme weer volgt op de kille noordewinden. Er kan
+weinig of veel wilgenhoning zijn, al naar de nacht-temperatuur geweest
+is. Gewoonlijk gaat dat met horten en stooten. Soms zijn een paar dagen
+lang hier en daar de wilgen overstroomd met bijen, en soms gedurende
+weken heelemaal verlaten. Het is waar, dat altijd wanneer de zon
+schijnt, die boomen, die als gouden toortsen opstaan in het nevelig
+purper van de knoppende bosschen, vol zijn van een zoemende menigte;
+maar dat <span class="pagenum">[<a id="pb235" href=
+"#pb235">235</a>]</span>zijn enkel stuifmeeldraagsters. De wilgen, die
+den nektar inhouden, hebben een bescheidener aanzien. Hun katjes zijn
+klein: dichte, groene kwastjes; en als een warme nacht hun voordeel
+heeft gebracht, lokken zij de drukke zangers van mijlen uit de rondte.
+De ijmkers laten gewoonlijk de wilgen als honingbron buiten hunne
+berekeningen; maar in waterrijke distrikten en in gunstige seizoenen
+behooren zij toch niet voorbij gezien te worden. Het gebeurt soms, dat
+April inzet met een opeenvolging van zachte zonnige dagen en warme
+nachten, en dan zijn de korven plotseling boordende vol van
+wilgenhoning. Als de gele katjes uit het gezicht verdwijnen, verdwijnen
+licht ook de wilgen uit het geheugen, en het schijnt niet algemeen
+bekend, dat de vrouwelijke katjes voortgaan met rijkelijk nektar af te
+scheiden tot soms het eind van Mei toe.</p>
+
+<p>Goede honingjaren zijn zeldzaam onder de veranderlijke Engelsche
+luchten; maar de natuur geeft toch blijkbaar aan de bijen een
+onafgebroken reeks van honingafscheidende planten, gedurende de geheele
+lengte van het lente- en zomerseizoen; en stuifmeel is er, wanneer maar
+een zonnige dag hen naar buiten lokt. De witte klaver is zelden in
+bloei v&oacute;&oacute;r de eerste week van Juni; maar van de eerste
+wilgen in Maart af, tot de laatste van de bloemenoogsten in het eind
+van Juli, is er voorraad te over, als de wispelturige zon maar haar
+plicht wil doen. Als gevolg van de tegenwoordige wijze van het land te
+bebouwen is de klaver de hoofdbron voor den honing, tenminste voor
+Zuid-Engeland; maar de kenners zijn het er nog niet over
+&eacute;&eacute;ns, welke plant eigenlijk den volstrekt volmaakten
+honing levert. De Schotten zijn o&mdash;wonder!&mdash;in dit enkel
+geval roerend &eacute;&eacute;nstemmig en willen op dit punt van niets
+anders hooren dan van hei; zij onderscheiden daarbij nauwkeurig de
+dopheide, die goed, en de struikheide <span class="pagenum">[<a id=
+"pb236" href="#pb236">236</a>]</span>die nog onvergelijkelijk veel
+beter is. Maar er is toch een honingsoort, of liever een
+honingkombinatie, die ze alle overtreft, die echter even zeldzaam en
+kostbaar is als de eens beroemde druivenoogst in een komeetjaar. Men
+verkrijgt ze all&eacute;&eacute;n dan, als de appelbloesem en meidoorn
+met hun vollen bloei tegelijk komen, en dat kan alleen wanneer een
+koude April den appel heeft teruggehouden, en een zomerachtige Mei den
+bloei van den meidoorn heeft verhaast. Want dan voegt zich bij den
+zachten fijnen appelbloesem-nektar, de pittige amandelgeur van de mei,
+en zoo wordt de honing, uit die twee samengesteld, de allerfijnst
+denkbare lekkernij.</p>
+
+<p>Men heeft zich er dikwijls over verwonderd dat een van de meest
+algemeen gekweekte planten, de roode klaver, zoo zelden door de
+honingbij bezocht wordt, terwijl die velden den heelen dag vol zijn van
+het sonoor trombone-geluid der hommels. Het is wel waar, dat de tong
+van de honingbij niet in staat is den bodem van de lange bloemkelk van
+de roode klaver te bereiken; maar dat zou haar zeker niet terughouden
+als de nektar de moeite van het garen waard was. Zij zou de bloem aan
+de basis doorbijten, zooals zij het bij veel andere bloemen doet en zoo
+haar beter toegerusten mededinger een vlieg afvangen. Maar roode
+klavernektar is schraal van samenstelling en grof van smaak. In den
+vollen bloeitijd zou zij een onbeperkte hoeveelheid honing leveren;
+maar juist op dien tijd kan de bij veel voordeeliger werkzaam zijn.
+Nadat de eerste oogst van roode klaver gesneden is, komt er gewoonlijk
+een nabloei met minder ontwikkelde bloembuizen, die dus korter zijn dan
+de vorigen en nu beginnen ook de betere nektarbronnen hard te
+verminderen. En de bij, voor wie in tijden van voorspoed het beste maar
+juist goed genoeg is, moet haar smaak wijzigen naar de omstandigheden.
+Daarom is zij in dezen tijd ook zeer in de weer in de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237">237</a>]</span>roode klaver. En
+hoort men haar helderder zachter toon tusschen de meer schorre
+contra-&auml;lt van de hommels, dan kan men rekenen, dat de hoogtijd
+van het jaar voorbij is, en de gevulde sekties moeten zonder verwijl
+uit de korven genomen worden.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb238" href=
+"#pb238">238</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch14" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk XIV</h2>
+
+<h2 class="normal">De Dar en zijn Geschiedenis.</h2>
+
+<p>Een feit is het dat alle bijenhouders enthousiasten zijn; en het is
+ook een feit, dat een omgang van jaren met de korven onvermijdelijk een
+vertrouwd kameraadschap kweekt, een voortreffelijke verstandhouding
+tusschen den ijmker en zijne legioenen. Maar even waar is het ook dat
+hoe meer men den aard der honingbij bestudeert, hoe minder men behagen
+gaat scheppen in sommige harer gedragingen.</p>
+
+<p>Als de jaren verloopen besluipt de ziel van den ouden bijenman een
+gevoel voor de honingbij als een soort van heilig ontzag. Zij is zoo
+duidelijk een kracht in haar kleine wereld, zulk een heerschende macht;
+zij is zoo moedig, zoo vernuftig, heeft zooveel hersens. Alle zwakheden
+en concessies en haast alle vreugden zijn al lang uit haar leven
+verdreven, oogenschijnlijk door eigen wil en doorzetting; maar hiermede
+heeft zij dan ook de kunst van het burgerschap geraffineerd tot op de
+zuivere elementen. Haar volstrekte onzelfzuchtigheid, haar volkomen
+overgave van zichzelve aan het wel van den staat, staan
+onweersprekelijk vast en zijn onveranderlijk. Het openbare leven der
+bijen is, als geheel genomen, z&oacute;&oacute; zeer onze bewondering
+waard, en in eene vergelijking met sommige menschelijke pogingen in die
+richting, komt hare voortreffelijkheid <span class="pagenum">[<a id=
+"pb239" href="#pb239">239</a>]</span>z&oacute;&oacute; duidelijk naar
+voren, dat men wezenlijk geneigd wordt al hare hoedanigheden tot
+deugden te verheffen; en men komt dan allicht tot de slotsom, dat het
+niet anders dan een v&egrave;rziende en alwijze goedheid kan geweest
+zijn, die den bijenstaat tot zijn volkomenheid bracht, en niet de koude
+strenge logica, die hem in werkelijkheid gevormd heeft.</p>
+
+<p>Dit onverbiddelijk omsmelten van het leven in de vaste vormen van
+&ldquo;beginsel zonder barmhartigheid of feil&rdquo; krijgt op den duur
+zulk een macht over den geest van den beschouwer, dat hij vroeger of
+later, al heeft hij sedert lang alle vrees voor den angel verloren, een
+ander soort van vrees voor de honingbij in zich voelt ontwikkelen, die
+het meest gelijkt op een vaag ontzag.</p>
+
+<p>En juist zooals Mozes Rusden, &rsquo;s konings ijmker, in de wereld
+der honingbij het bewijs van een goddelijken wil zag, toepasselijk op
+het aardsche koningschap, zoo komt de man, die in dezen tijd de
+honingbij bestudeert, er toe zich de vraag te stellen, of de
+bijenrepubliek niet op een autoritaire moraal duidt in een andere
+richting. Hier is nu een Staat&mdash;een op heel kleine schaal, zeker,
+maar toch een die meetelt&mdash;waar verscheidene van de brandende
+vraagstukken in het moderne menschenleven sinds lang een aangenomen en
+vervolmaakte oplossing vonden, en deze in haar volledig resultaat zijn
+waar te nemen. Iedere poging om man en vrouw ernstig te vergelijken met
+dar en werkbij, zou den schrijver blootstellen aan het verwijt van
+<span class="corr" id="xd0e1864" title="Bron: dwaselijke">
+dwazelijke</span> oppervlakkigheid. Maar toch is het niet alleen onze
+verbeelding, die overeenkomst ziet tusschen de beginselen waarop iedere
+beschaving gegrond moet zijn, zij het dan in de menschenwereld of in
+die der insekten. Wij kunnen niet meer ontkennen, dat het
+gemeenschapsleven van de bij op een plan staat van hooge beschaving;
+dat het zich zoo gevormd <span class="pagenum">[<a id="pb240" href=
+"#pb240">240</a>]</span>heeft in den loop der eeuwen, door den drang
+der noodzakelijkheden; dat het &eacute;&eacute;ne geslacht het andere
+volstrekt onderworpen heeft en streng beheerscht, en dat voor het
+voorrecht van die oppermacht het heerschende geslacht een vervaarlijken
+prijs heeft betaald.</p>
+
+<p>De werkbij van heden is een &ograve;ververgeestelijkt, neurotisch,
+ziekelijk-plichtmatig schepsel, terwijl men van den dar niet anders
+getuigen kan, dan dat hij een domme, gelukkige en sensueele lummel is.
+Als dit uiterste verschil in de twee geslachten bij de bijen van den
+oorsprong af zoo bestaan had, dan zouden de betrekkingen tusschen dar
+en werkbij, zooals wij ze nu zien, ons natuurlijk, behoorlijk en
+redelijk genoeg voorkomen; maar er schijnen voldoende bewijzen, dat ver
+terug in het leven van de honingbij het vrouwelijk exemplaar volstrekt
+niet zoo hopeloos hoog verheven was boven het mannelijke. Naar alle
+waarschijnlijkheid is de koningin-van-nu ongeveer het type van de
+moederbij van toen, v&oacute;&oacute;rdat de afkoelende aardkorst een
+beschutte woning noodzakelijk maakte&mdash;tegelijk het eerste begin
+van het op-elkaar-dringen tot behoud der wederzijdsche warmte, waaruit
+gaandeweg het hedendaagsch verwikkelde gemeenschapsleven groeide. Maar
+wij kunnen toch niet alles wat wij zien op rekening der &eacute;volutie
+schrijven; ook r&eacute;volutie moet deel hebben gehad in de vorming
+van de moderne ontsekste werkbij. Wij hebben gezien, dat physiologisch
+iedere werkbij in den korf evengoed een moederbij had kunnen worden,
+een vruchtbare moeder van duizenden. De werkbijen zijn niet in den loop
+der tijden door den drang der noodzakelijkheid gaandeweg tot een
+verminkt en gespecialiseerd ras geworden, dat eigen lichamelijke
+onvolkomenheid blijft voortplanten; maar iedere werkster wordt met
+overleg gemaakt naar een vast model, door de autoriteiten aangegeven,
+ingevolge <span class="pagenum">[<a id="pb241" href=
+"#pb241">241</a>]</span>de eischen der gemeenschap. En wanneer zouden
+wel de bijen het eerst begonnen zijn met dat ingrijpen in den
+natuurlijken loop der dingen, met dat vervolmaken van de schepping?
+Wanneer deden zij de eerste schrede, zonder welke nooit de <span class=
+"corr" id="xd0e1873" title="Bron: bijenrepubiiek">bijenrepubliek</span>
+zooals zij nu is had kunnen bestaan? Men denkt aan een genialen zet,
+aan een prachtige strategische beweging van den hoofdleider in den
+grooten oerkrijg der geslachten, die met &eacute;&eacute;n slag den
+zege bracht, en waaruit de verdere afwikkeling van het
+veroveringsschema logisch volgde.</p>
+
+<p>Het geheele vraagstuk van de kunstmatige vorming der werkbij is vol
+van moeilijkheden, en in verband met het peil van onze kennis is er nog
+niet veel anders mogelijk, dan de feiten te konstateeren en het daarbij
+te laten blijven. De opperheerschappij in de korven van het vrouwelijk
+element schijnt te dagteekenen van den tijd dat de groote meerderheid
+zichzelf beroofde, of werd beroofd door hun onmiddellijke voorgangers,
+van haar deel in de voortplanting; toen ook de legboor zich openbaarde
+als een offensief en defensief wapen. Voordat de werkbijen een
+gewapende macht vertegenwoordigden is er geen reden te veronderstellen,
+dat de vrouwelijke bij fysieke overmacht had over den dar. De neiging
+van de koningin om haar legboor in de trachee&euml;n van hare
+mededingsters te priemen, en zich z&oacute;&oacute; met
+&eacute;&eacute;n slag van haar te ontdoen; en ook haar ingekankerde
+haat tegen hare genooten, kunnen tot een latere ontwikkeling behooren,
+het gevolg van het kunstmatig en afgezonderd leven, dat zij te lijden
+kreeg. Terwijl de werkbij altijd met haar angel klaar staat, gebruikt
+de koningin den hare z&oacute;&oacute; zelden, dat vele oude en ervaren
+ijmkers van tegenwoordig haar zelfs het vermogen van te kunnen steken
+ontzeggen. Zij heeft veeleer een natuurlijke neiging om te bijten; en
+als het komt tot het gebruik van de scherpe, sterke, zijdelingsche
+<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242">242</a>]</span>kaken
+dan heeft de dar daarin een veel vervaarlijker uitrusting, hoewel het
+schijnt of hij den lust en den zin om er gebruik van te maken verloren
+heeft.</p>
+
+<p>Wat ook de dar vroeger moge geweest zijn, de werkbijen hebben hem nu
+stevig vast in de ijzeren greep van matriarchale noodzakelijkheid; en
+zij waken er voor, dat hij maar all&eacute;&eacute;n en uitsluitend
+geschikt is voor zijn &eacute;&eacute;nen onvermijdelijken plicht, al
+leggen zij al haar schranderheid eraan ten koste, hem op dit stuk te
+volmaken tot wat hij zijn moet. Het is duidelijk, dat zij, als het
+mogelijk was, het zonder hem zouden doen. Nu zijn er negen maanden lang
+geen darren; en daarna worden er in iederen korf maar een paar honderd
+gekweekt&mdash;dit is een minimum, dat een vruchtbaar huwelijk
+verzekert aan de jonge koninginnen, als de zomerzonneschijn haar ter
+bruiloft lokt. Men zou kunnen veronderstellen, dat wanneer er
+betrekkelijk zoo weinig koninginnen te bevruchten zijn&mdash;op zijn
+meest twee of drie in iederen korf en dan nog maar eenmaal in haar
+leven&mdash;, het aantal darren, dat nog geduld wordt, toch het
+benoodigde getal verre moet te boven gaan. Maar een hoofdbeginsel in
+het bijenleven is, dat de jonge koninginnen hun maat moeten kiezen uit
+een anderen stam, opdat er zoodoende gestadig nieuw bloed aan een volk
+toevloeie. Dit kan alleen maar buiten gebeuren en zoo ver mogelijk van
+den eigen korf. En de sterkste drang in de maagdelijke koningin,
+wanneer zij ter paringsvlucht uitgaat, is zoo spoedig mogelijk uit hare
+eigen omgeving weg te komen. Zij verdwijnt met vervaarlijken spoed en
+in een rechte lijn, en heeft dus alle kans onbemerkt in een nieuw land
+te komen, en op de verkenningsterreinen van vreemde darren. Een andere
+reden voor hare verre en snelle vlucht is, dat alleen de sterkste en
+vlugste dar uit den geheelen drom harer vervolgers <span class=
+"pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243">243</a>]</span>haar zal kunnen
+achterhalen; wat ook weer meewerkt tot de verbetering van het ras. In
+de geheele natuur bestaat misschien geen tweede voorbeeld van een zoo
+zorgvuldige uitlezing der meest geschikte individuen tot voortplanting
+der soort en zeker tengevolge hiervan heeft de honingbij haar hoogen
+rang in de reeks der schepselen verkregen. Toch sluit dit plan groote
+gevaren in voor de jonge koningin. Overal loert dit gevaar op haar weg.
+Zij is een kostelijk hapje voor ieder van de tallooze vogels, die in
+den Junimorgen rondvliegen. Haar onbeproefde vleugels kunnen haar
+begeven. En komt zij veilig in het bijenpark terug, dan kan zij nog een
+verkeerden korf binnenvliegen om daar een wissen dood te vinden. Toch
+moet zij het wagen; en het eenige middel om haar afwezigheid van huis
+zooveel mogelijk te bekorten en haar bevruchting tot zekerheid te
+maken, is een z&oacute;&oacute; talrijke bevolking van de zwervende
+darren, dat zij er vindt op welken vliegafstand ook.</p>
+
+<p>Van het allereerste begin af verschilt de verzorging van een dar van
+die der werkbij. Het ei wordt in een grooter en dieper cel gelegd, en
+gedurende de eerste drie levensdagen wordt de darlarve met bijenmelk
+gevoed, die bovendien waarschijnlijk van een bijzonder soort is en in
+ruime hoeveelheid wordt toegediend.</p>
+
+<p>Er zijn ongeveer vierentwintig of vijfentwintig dagen noodig om den
+volkomen dar te vormen, terwijl men eenentwintig dagen rekent voor een
+werkbij. De koningin, zooals wij gezien hebben, ontwikkelt zich in veel
+minder tijd; er liggen niet veel meer dan veertien dagen tusschen het
+oogenblik, dat het ei wordt gelegd en het moment dat zij klaar is zich
+een weg uit haar cel te bijten.</p>
+
+<p>Nadat de dar zijn volkomen ontwikkeling bereikt heeft, duurt het nog
+ongeveer twee weken, v&oacute;&oacute;rdat hij zich het eerst in de
+open lucht waagt. Gedurende <span class="pagenum">[<a id="pb244" href=
+"#pb244">244</a>]</span>al dien tijd heeft hij het vrije gebruik van de
+provisiekamers, en hij is constant bezig zich met honing vol te
+stoppen, als hij niet de gevolgen van zijn vratigheid ligt uit te
+slapen in een gezellig uithoekje van den korf. Maar honing is niet zijn
+&eacute;&eacute;nig&mdash;noch zijn hoofdvoedsel. Gedurende zijn heele
+leven wordt hij geregeld door de huisbijen voorzien van de voedzame
+melk, waarmede hij ook als larve gespijsd wordt, en het is bewezen, dat
+wanneer die hem ook maar drie dagen wordt onthouden, hij van honger
+sterft, zelfs te midden van een overvloed van honing. Zoo hebben de
+werkbijen hem geheel in haar macht.</p>
+
+<p>De eerste vlucht der darren is een gebeurtenis van gewicht in den
+bijentuin. Het gewone gonzen gaat eigenlijk het geheele jaar door; op
+iederen zonnigen middag, wanneer de temperatuur tot 45&deg; of 50&deg;
+stijgt, zijn de korven het middelpunt van een kleine groep zangers; het
+is alleen het volume van het geluid dat met de lengende of kortende
+dagen versterkt of verzwakt. Maar als de darren buiten komen, verandert
+plotseling de geheele symphonie van het bijenpark. Zij verlaten nooit
+hun genoegelijke binnenkwartieren v&oacute;&oacute;rdat de morgen is
+overgegaan in den middag, en dan nog maar all&eacute;&eacute;n bij het
+allermooiste weer. Dan komen ze met veel misbaar uit het vlieggat, en
+dringen aanmatigend tusschen de bezige provianddraagsters heen; zij
+rijzen zwaar op hun vleugels, en onmiddellijk daarop wordt het gewone
+geluid van den tuin overstemd door het nieuwe lawaai. Zij schijnen
+haast gelijktijdig uit alle korven tegelijk te komen. Gedurende een
+paar minuten blijft de lucht vervuld van de zware schorre melodie, dan
+sterft dat geluid even plotseling weer weg, en de rumoerige doenieten
+verdwijnen over heuvelen en dalen, en ieder zoekt zijn uitverkoren
+jachtterrein. <span class="pagenum">[<a id="pb245" href=
+"#pb245">245</a>]</span></p>
+
+<p>Er heerscht veel meeningsverschil ten opzichte van de vlucht der
+darren wat den afstand betreft; maar waarschijnlijk vliegt hij sneller
+en verder dan men tot dusverre heeft aangenomen. De kracht en wijdte
+van zijn vleugels stempelen hem tot vlieger. Hij is enkel
+lichaamskracht en vitaliteit; en het zou wel vreemd zijn als hij, die
+maar &eacute;&eacute;n enkele opgaaf in zijn leven heeft&mdash;n.l. het
+uitgaan op een liefdesavontuur&mdash;voor die taak niet in alle
+opzichten berekend was. Als een korf met bijen op het hoogst van het
+seizoen op eenigen afstand verplaatst wordt, dan kan men er zeker van
+zijn, dat er een klein aantal zoowel werksters als darren op de oude
+plaats terugkomt. Dit is geregeld gebeurd wanneer men met de korven
+niet verder ging dan drie kilometer. Maar in &eacute;&eacute;n geval,
+toen de afstand meer dan tweemaal zoover werd genomen, zag men geen
+werksters meer om den ouden plek heen; maar all&eacute;&eacute;n een
+gezelschap darren bewoog zich doelloos boven den korfloozen standaard;
+en er kon weinig twijfel bestaan of deze hadden tot de verplaatste
+kolonie behoord. Er wordt niet beweerd, dat zij van hun doel bewust al
+die kilometers hadden afgevlogen. Waarschijnlijk kwamen zij op hun
+dagelijksche vlucht zoo ver van de nieuwe standplaats, dat zij in de
+streek van de oude omgeving geraakten, en zoo van zelf den ouden
+bekenden weg volgden.</p>
+
+<p>De dar was sedert onheugelijke tijden het staande voorbeeld van den
+luiaard en doeniet in de elementaire schoolboeken. Doch wat ook zijne
+oorspronkelijke uitrusting voor nuttigen arbeid moge geweest zijn, het
+is zeker, dat hij nu niet werken kan, al zou hij nog zoo graag willen.
+Lichamelijk&mdash;behalve wat de spieren betreft&mdash;en geestelijk is
+hij in alle opzichten de mindere geworden van de werkbij. Bij hem zijn
+al die bijzondere inrichtingen afwezig, waarmede de werkster zoo <span
+class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246">246</a>]</span>ruim is
+toegerust. Hij heeft geen stuifmeelkorfjes, noch &eacute;&eacute;nige
+van die vernuftige borstels en kammetjes, waarmede zij het stuifmeel
+bij zich zelve en andere afkrabt. Hij heeft noch
+was-afscheidingsorganen noch tangetjes, om die was te hanteeren. Zijn
+tong is te kort om den nektar te bereiken; zijn hersenen zijn nog
+geringer van omvang dan die van de zwakgeestige koningin. De
+gekompliceerde kliersystemen, die zulk een belangrijke rol spelen bij
+den dagelijkschen arbeid van de werkbij, zijn bij hem of geheel
+afgestorven, of bestaan in elementairen vorm. Terwijl de Wil der
+Gemeenschap verlangde, dat de werkbij ongehoorde voortreffelijkheden
+van geest en lichaam zou ontwikkelen, is diezelfde macht steeds
+werkzaam geweest, om het mannelijk exemplaar terug te brengen tot een
+volstrekt afhankelijk wezen met verlies van alle initiatief en
+gedachte, behalve in &eacute;&eacute;ne richting. Het is met dar en
+werkster evenals met de koningin en de werkbij; zij schijnen nauwelijks
+tot hetzelfde ras te behooren.</p>
+
+<p>En toch, zoo royaal onbekrabbeld en nuchter als <span class="corr"
+id="xd0e1903" title="Bron: bij">hij</span> is, heeft de dar in
+vergelijking met zijn wrange, koude, plichtaanbiddende zuster, iets
+verfrisschends; hij is zijn leven lang een onverbeterlijk optimist. Hij
+fluit zijn wijsje al brandt de stad; of hij al zou klagen en jammeren,
+geen vonkje zou er door gebluscht worden; en daarom is het bij hem:
+&ldquo;eten, drinken en vroolijk zijn&rdquo; echter met de intuitie van
+alle darren dat hem morgen de Nemesis wacht met iets onaangenaams. Het
+is onmogelijk, langen tijd de gangen der darren na te gaan zonder te
+worden getroffen door den geest van ruwen jool, dolle jongensachtige
+dartelheid, die hen bezielt bij al hun doen. Zij komen met veel drukte
+hals over kop den korf uitstommelen, bonzen onbesuisd tegen alles aan
+wat op hun weg komt, en heffen hun rumoerigen en bombastischen zang aan
+als een soort <span class="pagenum">[<a id="pb247" href=
+"#pb247">247</a>]</span>van protest tegen al dien pijnlijken ijver om
+hen heen. Eenmaal buiten de omgeving van de korven<a id="xd0e1908"></a>
+blijven zij onafgebroken rondvliegen, tot de honger hen weer naar huis
+dringt. Want niemand heeft ooit een dar gezien tusschen de insekten,
+die rond de bloemen vliegen, noch ook ooit hem zien zitten om zich te
+zonnen op een warm plekje, een muur of boomstronk, wat toch de gewoonte
+is van haast ieder ander gevleugeld insect.</p>
+
+<p>Hij komt naar den korf terug met dezelfde lawaai&iuml;ge, zorgelooze
+fanfaronnade, en wordt door de werksters ontvangen met dezelfde norsche
+onverschilligheid. Zij helpen hem tot oververzadigings toe aan
+bijenmelk, tong aan tong, terwijl hij opzit als een vette vratige baby,
+die altijd maar om meer eten drenst. Zij laten hem ongehinderd toe aan
+de honingvaten te zwelgen; maar het is duidelijk, dat zij hem
+verachten. Hij is een vervaarlijke schadepost voor den Staat; doch
+onontbeerlijk. Zwijgend gaan zij aan hun taak hem te voederen, zwijgend
+maar met onheilspellende lankmoedigheid. Zij misgunnen hem iederen drop
+en tegelijk dwingen zij hem tot onmatigheid. Het is niet voor lang. De
+dag der afrekening is nabij. De klaproozen beginnen al met hun vurig
+scharlaken te gloeien tegen de heuvelen&mdash;de klaproozen, die de
+kentering van den zomer aanzeggen; na hen komt de groote daling, en het
+zonlicht gaat kwijnen; iedere dag een schaarscher bloemenoogst, tot het
+pad weer verloopt in de dorre &eacute;&eacute;ntonigheid, het doffe
+bruin en grijs van den winterdood.</p>
+
+<p>En nu gaat de werkbij een groezelige vlek op haar karakter
+vertoonen, die kwalijk past bij de fijne schakeeringen en de groote
+hoedanigheden van haar geest, die haar zoo terecht beroemd maakten. En
+dat zij niet absoluut volmaakt, niet in alle opzichten te bewonderen
+is, dat heeft haar juist die groote liefde <span class="pagenum">[<a
+id="pb248" href="#pb248">248</a>]</span>bezorgd, welke de harten van
+hen bevangt, die haar door en door kennen. De darrenmoord heeft zijn
+weerg&acirc; niet in onverbiddelijke wreedheid&mdash;in hartstochtelijk
+toegeven aan wraakzucht, lang teruggehouden, terwille van de
+noodzakelijkheid. Nu komen de eerste kille nachten van midden Juli en
+de nektarvloed wordt plotseling onderbroken. Klaver en Espareette zijn
+al onder den sikkel gevallen. Alleen de grootste hitte en de
+weelderigste overvloed van den zomer zouden de myriaden honingmaaksters
+kunnen helpen in haar vraag; en een paar uren van afkoeling dammen
+plotseling den reeds langzaam vloeienden nektarvloed af. De tijden van
+voorspoed zijn geweest. De honingovervloed komt niet meer. Nu moet het
+genie der korfzuinigheid beslissen hoeveel van den voorraad er bespaard
+kan worden voor latere behoeften.</p>
+
+<p>Het eerste voorteeken van de d&eacute;b&acirc;cle is het verwijderen
+uit de korven van zekere bleeke, griezelige dingen&mdash;de lichamen
+der onrijpe darren, niet door een natuurlijk toeval gestorven; maar
+meedoogenloos uit hun cellen gerukt. Dit duurt soms eenige dagen
+achtereen, en hoewel dit wreede werk onder hun oogen gebeurt, zien de
+levende darren er geen waarschuwing in. Zij blijven voortgaan met hun
+vroolijken rondedans; het eeuwige feestgetier gaat zijn gang; nog
+dagelijks vult zich de bijentuin met hun zorgeloos overmoedig gegons.
+Maar dan eindelijk wordt het teeken tot den moord gegeven. Vreemde,
+stootende kreten stijgen uit iederen korf&mdash;kreten die enkel door
+den doodsangst worden uitgedrongen. De darren liggen niet meer
+onbekommerd tusschen de raten gerijd, rustig de eene roes uitslapend en
+droomend van de volgende. Zij zijn nu allen goed wakker, en vluchten
+radeloos om hun leven, door de nauwe straten van de bijenstad, woest
+gejaagd door de werksters. <span class="pagenum">[<a id="pb249" href=
+"#pb249">249</a>]</span></p>
+
+<p>Steeds intenser worden de diepe, vibreerende angstkreten. Als de
+beulen hun slachtoffers achterhalen, grijpen zij ze bij de aanhechting
+der vleugels, en geholpen door de andere furi&euml;n, trekken en
+sleepen zij ze door het gedrang, tot zij buiten zijn, en rollen dan met
+hen op den grond; de darren steeds worstelend en zich verwerend en nog
+altijd die waanzinnige angstkreten uitstootend, de werkster
+onafgebroken knagend aan den vleugel tot hij machteloos is, en het
+slachtoffer nooit meer naar den korf kan terugkeeren. Vele van de
+sterkste darren ontkomen tijdelijk aan hun vervolgsters en vliegen
+onverlet weg. Doch dat rekt hun leven maar een enkel uur. De honger zal
+hen weer naar den korf terugdrijven, waar de wachten hen overvallen en
+hen verminken of nog eens verdrijven. Het is zeer opmerkelijk, dat de
+bijen bij die groote jaarlijksche slachting nooit de darren steken;
+d&iacute;e methode is er in hun waanzin; want bij dat ruwe worstelen
+zouden de angels met den wortel worden uitgerukt en vele kostbare
+levens gingen dan tegelijk met de minderwaardige verloren. De eenige
+toeleg schijnt te zijn, het verblijf in de korven aan alle darren voor
+goed onmogelijk te maken, en het verlammen van &eacute;&eacute;n
+vleugel schijnt daarvoor voldoende; naar dit doel wordt door de
+behendige moordenares enkel gestreefd.</p>
+
+<p>Bij sommige bijenrassen is de darrenmoord in ongelooflijk korten
+tijd afgeloopen; maar andere rekken den gruwel dagen lang. De
+rampzalige heeren der korven staan tusschen twee vuren, en er is geen
+ontkomen. Vliegen zij weg naar buiten, dan doodt hen de honger of de
+koude nachten, gaan ze naar den korf terug, dan achterhaalt het noodlot
+hen nog eerder. In dezen tijd zijn nacht en dag de wachters aan de
+poort verdubbeld, en zelfs de listigste dar zal hen niet kunnen
+ontgaan. Toch kiest hij gewoonlijk die kans: <span class="pagenum">[<a
+id="pb250" href="#pb250">250</a>]</span>vroeger of later komt hij den
+korf binnenvallen, en valt dan recht in het zwaard.</p>
+
+<p>Dit is de gewone gang van zaken in de bijenrepubliek, als het
+seizoen normaal verloopt en de kolonie een moederbij bezit, die jong en
+sterk en beproefd vruchtbaar is. Maar er komen tijden voor, dat de
+darren, hoe bezwarend ook voor den staat, geduld worden tot laat in den
+herfst, en zelfs soms ongehinderd mogen leven gedurende den winter en
+het volgende voorjaar. Als de ijmker darren om een korf ziet vliegen,
+terwijl de andere kolonies al lang met de hunnen hebben afgerekend, dan
+weet hij wel wat aan dat volk mankeert. De koningin is oud en kwijnend,
+en deze scherpzinnige amazonen hebben hun manvolk respijt gegeven tot
+een nieuwe moederbij kan zijn opgekweekt en passend uitgehuwelijkt. Het
+is een geval van begenadiging voor de darren, met juist zooveel recht
+voor haarzelve vereenigd, dat het de oorspronkelijke deugd weer
+uitwischt.</p>
+
+<p>En blijven in een korf de darren den winter over, dan is dat een
+teeken, dat er niet alleen geen koningin is, maar dat dit volk er nooit
+een zal krijgen van het eigen ras. Het in leven blijven der darren
+waarborgt tenminste &eacute;&eacute;n onmisbaar element voor het behoud
+van het volk en&mdash;wie kan het tegenspreken van een soevereinen
+geest als de werkbij?&mdash;misschien vertrouwen zij van den ijmker,
+dat die haar nood zal kennen en er in voorzien, door haar een andere
+koningin te verschaffen, nog bijtijds genoeg om zijn bezitting van den
+ondergang te redden. <span class="pagenum">[<a id="pb251" href=
+"#pb251">251</a>]</span></p>
+
+<div id="p251" class="figure"><img border="0" src="images/p251.jpg"
+alt="Koningin buiten het broedseizoen" width="465" height="720">
+<p class="figureHead">Koningin buiten het broedseizoen</p>
+
+<p>(Men ziet dat de werksters zich niet <span class="corr" id=
+"xd0e1936" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> om haar
+bekommeren)</p>
+</div>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb253" href=
+"#pb253">253</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch15" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk XV</h2>
+
+<h2 class="normal">Na het Banket.</h2>
+
+<p>Zooals in den bijentuin het jaar opgaat, zoo daalt het ook weer,
+haast onmerkbaar, stap voor stap. Als in Zuid-Engeland het zaadhooi
+gesneden is, hebben de bijen niet veel anders meer te doen, dan de
+korven in orde te maken voor den komenden winter. De koningin wordt
+door een gradueele verandering in het voedsel gespeend van haar neiging
+tot eierleggen. Iederen dag krijgt zij wat minder van de geheimzinnige
+bijenmelk, die haar aanzette en bezielde, van dag tot dag voelt zij
+zich sterker gedrongen haar honger te stillen aan de toegankelijke
+honingcellen, te zamen met het gewone volk. Van dag tot dag worden er
+minder kinderen geboren, en van dag tot dag ook verdwijnen er meer van
+de oude werksters, op hun onverklaarbare wijze; zij gebruiken misschien
+hun laatste vleugelkracht om zich terug te trekken op het traditioneele
+kerkhof van hun soort. Wat van haar wordt, weet de wijste bijenvader
+niet te zeggen; maar dat is zeker, zooals zij leefden in het
+kommunistisch principe, zoo sterven zij ook, en haar laatste handeling
+is eene kollektivistische&mdash;zij verwijderen haar eigen lichamen
+da&agrave;rheen, waar zij onschadelijk zijn voor den dierbaren
+Staat.</p>
+
+<p>Als de dagen afnemen, vermindert ook zichtbaar <span class=
+"pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254">254</a>]</span>de bevolking der
+korven; en met het dunnen van de gelederen komt er een even merkbare
+verandering in het humeur der bijen. De oude ijmkers weten bij
+ervaring, dat in den herfst waakzaamheid pas geeft. Alles wat leeft,
+ondergaat in den herfst eene beproeving van het karakter en dit is in
+&rsquo;t bijzonder waar voor de honingbij. Iedere stam heeft zijn goede
+of kwade neigingen die in dit jaargetijde geregeld voor den dag komen.
+En eerder nog zullen zich de kwade neigingen vertoonen, nu de drang om
+te werken tot stilstand kwam, en de werkkracht haar weg moet gaan
+vinden op een steeds enger wordend pad.</p>
+
+<p>Het vinden van krasse oneerlijkheid in zulk een atoom, als de bij is
+in de schepping, maakt op ouderwetsche geesten een diepgaanden indruk;
+maar dat verhelpt niet, dat ontegenzeggelijk sommige bijenvolken de
+hebbelijkheid hebben, zich te ontwikkelen tot inbrekers en roovers van
+het eigendom hunner geburen, meestal vroeg in den herfst, of ook, maar
+zeldzamer, als in het vroege voorjaar de eerste schrale nektaroogst
+begint.</p>
+
+<p>Vergilius en haast alle oude schrijvers geven treffende
+beschrijvingen van in hun tijd veelvuldig voorkomende bijenveldslagen.
+Zij vertellen ons van hevige schermutselingen hoog in de lucht, en hoe
+de koningen hun krijgerhorden dan aanvoeren&mdash;het gedruisch der
+slachting, en een regen van gewonden en dooden, die neerkomt uit de
+blauwe zomerlucht. Deze beschrijvingen zijn altijd een groot raadsel
+geweest voor moderne bijenkenners, omdat in onze dagen niets van dien
+aard ooit schijnt te gebeuren. Tegenwoordig houdt voor het oog iedere
+korf zich aan zijn eigen zaken, volkomen onverschillig voor het bestaan
+van andere korven. Noch in de omgeving der korven, noch daar buiten,
+wordt ooit iets als oneenigheid tusschen <span class="pagenum">[<a id=
+"pb255" href="#pb255">255</a>]</span>bijen waargenomen, niet tusschen
+enkele individuen en ook niet groepsgewijze. De honingbij is een
+uiterst vreedzaam schepsel, behalve wanneer men <span class="corr" id=
+"xd0e1963" title="Bron: balddadig">baldadig</span> haar huis
+belaagt.</p>
+
+<p>Maar in den herfst vallen er meer dan eens dadelijkheden voor
+tusschen roofbijen en de bewoners der korven, die door hen worden
+aangevallen; en men komt er toe te gelooven, dat het deze gevallen
+zijn, waarop Vergilius doelt.</p>
+
+<p>Misschien is het wel zoo, dat wanneer een volk &eacute;&eacute;nmaal
+heeft ontdekt, hoeveel gemakkelijker en vlugger men honing krijgt met
+stelen dan door de omslachtige verzamelmethode, deze bijen nooit meer
+voor een eerlijke levenswijs terug te winnen zijn. En niet alleen, dat
+de moederstok aan het eind van ieder seizoen op die wijze zal
+losbreken; maar al de zwermen uit dien korf zullen dezelfde neiging
+vertoonen. Die stam zal dan een aanhoudende zorg blijven voor den
+ijmker, en als hij een wijs man is zal hij korte metten maken, door dat
+volk een andere koningin te geven en zoo den oorspronkelijken stam te
+laten uitsterven. Is het in zijn eigen tuin, dan is de zaak niet
+moeilijk op te lossen; maar dikwijls zijn de roovers wilde bijen,
+vrijbuiters, die ergens in een hollen boom huizen, in een bosch in de
+buurt, en vandaar uit strooptochten ondernemen bij hun wettiglevende
+buren in de omliggende dorpen; zooals alle bandieten dat doen over de
+geheele wereld. Die vreemdelingen hebben dikwijls een eigenaardig
+uiterlijk, waardoor men ze onmiddellijk kan onderscheiden van de
+wettige bijentuin-bewoners. Zij zijn glimmender, en donkerder van
+kleur, en bewegen zich tegelijk driest en gluiperig, waardoor zij zich
+dadelijk als stroopers doen kennen.</p>
+
+<p>Wie op een mooien Septembermorgen tusschen de korven drentelt, zal
+opmerken hoe verscheidene van <span class="pagenum">[<a id="pb256"
+href="#pb256">256</a>]</span>die sinistere figuren om het vlieggat van
+een korf zwermen, of er ongemerkt in trachten binnen te dringen. Ze
+worden echter aanstonds ontdekt en er ontstaat een plotseling opstootje
+als de korfwachters de insluipers aanvallen en ze verjagen. Hun
+bedoeling is duidelijk. Het zijn verkenners van het rooverkamp en zij
+zijn er op uit om de zwakke volken te ontdekken, die een gemakkelijke
+prooi zijn voor een sterkere roovermacht. Sterke volken behoeven geen
+roovers te vreezen; zij houden het altijd wel uit tegen een aanval, en
+daarom worden zij gewoonlijk ongemoeid gelaten.</p>
+
+<p>Die verkenners verdwijnen na een poosje, en de korf keert weer tot
+de gewone bezige kalmte terug. Maar het duurt niet lang of er wordt een
+klein wolkje bijen boven den heg zichtbaar, die recht op den
+uitverkoren korf af vliegen. Nu is het geen listig verkennen meer; het
+is royaal oorlog. De roovers vallen neer op hun prooi; en een hevige
+schermutseling begint, een wanhopig gevecht, man tegen man, tusschen
+belegeraars en belegerden. Wordt de zwakke korf aan zichzelven
+overgelaten, dan is de uitslag al te voren beslist en hij is in korten
+tijd overwonnen. Dan gebeurt er gewoonlijk iets merkwaardigs: de bijen
+van den korf, die den slag overleefd hebben, loopen over naar den
+vijand, en zij helpen zelf mee om hun rechtmatige schatten over te
+brengen in het hol van de bandieten. Gelukkig heeft de ijmker een bijna
+onfeilbaar voorbehoedmiddel in zijn macht om dit gevaar af te wenden.
+Hij kan veilig al de in getal sterke volken aan zich zelf overlaten; en
+van hen die weinig in aantal zijn kan hij er twee of drie bij elkaar
+voegen, waardoor zij weer sterke kolonies worden, in staat zichzelf te
+beveiligen. De moderne losse-bouw korf is een macht in de handen van
+den bekwamen ijmker; want de raampjes van verschillende korven kunnen
+te zamen in &eacute;&eacute;n korf geplaatst worden, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257">257</a>]</span>en in dit seizoen
+blijven de bijen wel eendrachtig te zamen, vooral wanneer men ze met
+meel bestuift of ze met eenzelfde reukmiddel besprenkelt, zoodat ze in
+uiterlijk en lucht gelijk zijn. Waarschijnlijk heeft iedere korf zijn
+eigen lucht, die ook alle burgers van dien staat gemeen hebben; en dit
+is zeker het hulpmiddel waardoor de wachters aan het vlieggat hun eigen
+medeburgers herkennen, en alle indringers onmiddellijk overvallen.</p>
+
+<p>De toebereidselen in den korf voor de winterperiode worden door de
+bijen even grondig behartigd, als alles wat zij ondernemen. Naar mate
+de oppervlakte van haar broednest inkrimpt, worden de leege cellen met
+honing gevuld, die wordt overgebracht uit de verst afgelegen
+proviandcellen. De honingdraagsters blijven geregeld aan het werk
+wanneer maar het weer gunstig is, zij ga&acirc;ren de resten van het
+banket bijeen en vullen er thuis de proviandkamers mee aan. Op plaatsen
+waar veel klimop is kan men op mooie Oktoberdagen de bijen zoo ijverig
+bezig zien, als ooit in de heerlijkste Junizon; alleen is het aantal
+duidelijk minder. De echte sonore levenszang komt later op den dag en
+duurt all&eacute;&eacute;n in de helderste uren: en dat wonderbaar
+nachtgeluid, het diep ondergrondsch dreunen van de waaiende bijen is
+weg uit den tuin; zooals ook de geur van den klaver-nektar, die dampt
+en gist in de korven, niet langer uit het duister doordringt, en het
+huis van den ijmker vult met een geurigheid, die hem liever is dan wat
+ook anders ter wereld.</p>
+
+<p>De oude bijen, rafelig en verfomfaaid van vleugels, die den harden
+arbeid van het groote werkseizoen hadden doorstaan, zijn nu bijna alle
+verdwenen. De korven zijn vol met bijen van eenzelfde geslacht,
+doortrokken met dezelfde tradities; maar zij staan aan het begin van
+het leven, ongeoefende rekruten van het lot, <span class="pagenum">[<a
+id="pb258" href="#pb258">258</a>]</span>een troep, die moet dienen om
+de gaten te stoppen. Zij dragen geen herinnering om van de tijden toen
+het werken een koorts was, een stormachtige wedkamp met de zon, waarbij
+de vlugsten nog moesten achterblijven. Zij hebben nooit de overzware
+vrachten gekend, de barstende honingzakjes, en de stuifmeelkorfjes
+z&oacute;&oacute; zwaar geladen, dat zij ze nauwelijks den korf konden
+binnen sleepen, en zij zullen dat alles nooit kennen. Over deze bijen,
+laat in den tijd geboren, beschikte het lot, dat de troebele poel van
+het door den vloed achtergelaten water hun wereldje moet zijn. Hun
+leven is niet meer dan een rekken van dagen, zoodat zij het uit kunnen
+houden tot het eerste lentebroed in het leven gewarmd moet worden. De
+enkele dagen van hitte, die in Engeland onvermijdelijk terugkomen
+tusschen de Maartsche sneeuw&mdash;zij schijnen oneindig, onbereikbaar
+ver af nog&mdash;zullen all&egrave;en hun de macht van het zonlicht
+leeren kennen; maar de zomerzon zullen zij nooit voelen. Winterbijen
+worden in de gevangenis geboren, in en voor de gevangenis leven en
+sterven zij.</p>
+
+<p>Een werkbij leeft op zijn hoogst maar zes maanden; en op zijn
+minst&mdash;en dit is het lot van velen&mdash;weerstaat zij het
+onafgebroken slaven en zwoegen van haar moeilijk bestaan niet langer
+dan zes of als &rsquo;t meeloopt, acht weken. Zoo is dus de bevolking
+van een korf, al is die steeds volgepakt met burgers, steeds
+veranderlijk. Ge kunt zesmaal in het jaar naar uw bijentuin gaan en dit
+twintig jaar lang doen, en bij iederen gang zult ge u tusschen
+tienduizenden bewegen voor wie gij een volslagen vreemdeling zijt, en
+die ge zelf nooit te voren gezien hebt; en toch is in al zijn
+gebruiken, in zijn neigingen, in zijn traditie het leven der bijen een
+voorbeeld van het Blijvende. Ge maakt een reis om de wereld en blijft
+tien jaar weg, en komt ge terug in het oude <span class="pagenum">[<a
+id="pb259" href="#pb259">259</a>]</span>lommerrijke hoekje, dan staat
+daar nog altijd de groene kast onder de sering, en nog altijd is zij
+het middelpunt van schijnbaar dezelfde menigte gewiekte koopvrouwen,
+die onder kleurige vlaggen naar huis zeilen, zij zingen dezelfde blijde
+wijsjes, bouwen nog dezelfde verwonderlijke inrichtingen in het
+duister, en veranderen nog altijd dezelfde geurige essencen in een
+gouden elixir. En wat is dit mysterie, dat Bijenrepubliek geheeten
+wordt en dat all&eacute;&eacute;n onsterfelijk is, terwijl zij die haar
+samenstellen, alles wat tot haar behoort, en haar in stand houdt,
+tijdelijk is en te niet gaat?</p>
+
+<p>Hier moet gij de bijenkoningin niet <span class="corr" id="xd0e1990"
+title="Bron: vegeten">vergeten</span>. Herinnert u, dat zij
+all&eacute;&eacute;n van jaar tot jaar blijft voortleven, terwijl de
+steeds elka&acirc;r opvolgende geslachten van hare kinderen om haar
+heen worden en vergaan&mdash;honderdduizend wel misschien in een jaar,
+duizenden tusschen een enkelen zomermorgenstond en de schemering van
+den westelijken hemel. Methusalem moet op bescheidener menschelijke
+schaal iets dergelijks ervaren hebben&mdash;hij moet het breedere
+levensplan hebben afgeleid uit de onderbroken, wisselende reeks van
+kansen en veranderingen, die aan zijn geest voorbij trokken. Alleen den
+ouden van dagen is het gegeven het algemeene te symboliseeren; en hij
+uit alle menschen had geleerd te peilen en te schatten en uit het
+glinsterend veelkleurig kaf des levens het simpele dofgetinte
+graankorreltje te ziften. Altijd en altijd weer moet hij met een enkel
+wijs woord de waarheid waar gehouden hebben, of met &eacute;&eacute;n
+enkelen zwaai van den spiegel der eeuwen den schijn hebben verblind en
+vernietigd. Hij was een levend geschiedverhaal, waarin ieder den gang
+en uitgang van het leven leeren kon. En zoo staat nu wel de
+bijenkoningin voor het geschiedverhaal der bijenwereld, een levend
+archief van haar plan, haar gedachte, haar ideaal&mdash;zij, die in
+vergelijking met het <span class="pagenum">[<a id="pb260" href=
+"#pb260">260</a>]</span>komen en gaan der duizenden, een eeuwenoud,
+onvergankelijk wezen lijkt.</p>
+
+<p>En zoo moogt gij u haar denken in de korte December schemerdagen, of
+in de eindelooze nachtduisternis, als de winterwinden gieren, hoe zij
+dan haar kinderen om zich heen verzamelt en hun verhalen vertelt van de
+heldenfeiten van het voorgeslacht, hoe zij hun de oude bijenzangen
+leert met altijd datzelfde refrein van werken en winnen; en daarbij
+nooit haar eigen geschiedenisje vergeet&mdash;dat korte uur van haar
+huwelijksvlucht, en dat huwelijk gekocht en betaald met een levenslang
+weduwschap.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb261" href=
+"#pb261">261</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch16" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk XVI</h2>
+
+<h2 class="normal">Het Moderne Bijenpark.</h2>
+
+<p>Het is goed en wel het bijenleven van den wetenschappelijken kant te
+zien, omdat die zoo bijzonder belangwekkend is, en dan aan die studie
+den lof te geven, dat men zich in zijn vrije uren met geen boeiender
+werk kan bezig houden; maar de honingbij is toch ook nog iets anders,
+dan een wonderding of een voorwendsel om in moraal te liefhebberen.
+Goed behandeld en juist begrepen, kan zij van groot nut zijn in de
+wereld.</p>
+
+<p>Er zijn twee dingen in ons Engeland, welke ieder verbazen die een
+juiste voorstelling heeft van de mogelijkheden door haar aangeboden. Ge
+kunt het land in alle richtingen doorkruisen, en dan zal het
+allerlaatste wat ge aantreft een bijenpark zijn; zelfs niet een paar
+korven in den tuin van een landhuis; en toch heeft ieder stukje van den
+weg zijn hoekje bloemen, en op afstanden van niet meer dan een meter
+vindt ge bloemrijk weiland, waar zonder overdrijving ieder jaar vaten
+honing te loor gaan. Dit zou alles kunnen ingezameld en met weinig
+moeite en groote winst den volke verkocht worden; als de
+ondernemingsgeest maar uit zijn eiland-slaap wo&ucirc; wakker worden en
+de handen uit den mouw steken. Maar jaar aan jaar gaat vruchteloos
+voorbij en niets gebeurt. Hier en daar <span class="pagenum">[<a id=
+"pb262" href="#pb262">262</a>]</span>een enkele wakkere landbouwer, die
+een aardige buurschap van korven bijeen heeft, al de honing in zijn
+omgeving afzet, en dientengevolge zijn zakken kan voeren met goud en
+zilver. Maar dit is niet meer dan een druppel in de zee, en de Brit
+moet naar het buitenland om honing, wat hem komt op het belangrijke
+sommetje van meer dan fl 360.000 &rsquo;s jaars.</p>
+
+<p>Tot nu toe&mdash;wanneer wij terugrekenen van gevolg naar
+oorzaak&mdash;schijnt het wel, dat het boerenbedrijf
+all&eacute;&eacute;n winstgevend kan zijn, wanneer het op groote schaal
+gebeurt; maar zij die de teekenen des tijds opmerken, zeggen, dat de
+eeuw, die nu in de landelijke wereld juist begint te dagen, de eeuw zal
+zijn van den kleinen man. En dit beduidt dan wel, dat de erfelijke
+aristokratie onder de kultuurplanten&mdash;tarwe, haver,
+gerst&mdash;langzaam plaats zal gaan maken voor het klein bedrijf; in
+kort, dat men den grond niet meer dingen zal vragen, die de traditie en
+onze landbouwersfamilietrots hebben gemaakt tot het begin en het eind
+van den landbouw; maar de kleinere, nederige levensbenoodigdheden, die
+iedere stad en ieder dorp in den rijken zwarten grond in de
+onmiddellijke nabijheid behoorde te vinden, maar er nu steeds te
+vergeefs zoekt. Dan zullen de dames van de landbouwers niet langer in
+hun salon zitten en in hun landauers rijden, en dat zal een verandering
+ten goede zijn, eenvoudiger en meer naar verhouding. De stedelingen
+weten dit alles zoo niet; maar wie buiten woont heeft heel goed
+gemerkt, hoe veel gecompliceerder en weelderiger het leven in de oude
+Engelsche hoeven geworden is, al roept men over dure tijden; en hoe de
+boerin niet meer in de melk- en kaaskelder gaat, en ook niet meer die
+heerlijke eigen dingen maakt zooals dat vroeger in de boerderijen het
+geval was, en waaraan het oud-Engelsche buitenleven van ouds zijn roep
+te danken <span class="pagenum">[<a id="pb263" href=
+"#pb263">263</a>]</span>had; en hij weet ook hoe de groote
+heeren-boeren nu de hoofdafnemers zijn van de groote Londensche
+&ldquo;Stores&rdquo; terwijl de kleine plaatselijke winkeliers niet
+anders zien dan den daglooner van zeven of tien gulden in de week.</p>
+
+<p>Voor het klein bedrijf, dat zich weldra over het geheele land
+vermenigvuldigen zal, is er nu iets te ondernemen, dat tot nog toe
+nauwelijks is aangepakt. Voor den handwerksman was altijd een staande
+ergernis de kapitalist, die zoo lui leeft als hij wil en den arbeider
+voor zich laat tobben. Maar als de kleine man nu bijen gaat houden, dan
+kan hij ook luieren, en toekijken hoe zijn duizenden gevleugelde
+arbeiders zijn voorraadkamers vullen met een van de nuttigste en
+verkoopbaarste artikelen van de wereld. Het is een axioma in den
+handel, dat een goed aanbod even zeker een vraag schept als de
+algemeene behoefte aan iets de produktie ervan prikkelt. En Engeland
+behoeft op het oogenblik een ruimen voorraad goeden en goedkoopen
+honing; wordt die eenmaal aangeboden, dan is het ook zeker, dat de
+vraag steeds grooter zal worden.</p>
+
+<p>Er zijn verschillende redenen waarom de menschen honing behooren te
+kiezen voor hun hoofdvoeding, inplaats van de beetwortelsuiker die nu
+zoo algemeen wordt gebruikt. In de eerste plaats is honing een zuiver,
+natuurlijk, onvervalscht zoet, terwijl bij het bereiden van gewone
+suiker het vermengen met meer of minder schadelijke chemikali&euml;n
+onvermijdelijk schijnt te zijn. Als een bijenkolonie kunstmatig gevoed
+moet worden, en voor dat doel gewone kruideniers&rsquo; suiker gebruikt
+wordt dan heeft dat gewoonlijk de vergiftiging van het halve volk ten
+gevolge, door de chemische stoffen waarmee de suiker in de
+raffineerderij behandeld is geworden. En als ze z&oacute;&oacute; werkt
+op de bijen dan ligt het voor de hand, dat ze niet heelemaal
+onschadelijk <span class="pagenum">[<a id="pb264" href=
+"#pb264">264</a>]</span>kan zijn voor menschen. Maar de zuiverheid
+alleen is niet de reden waarom honing het algemeene verzoetingsmiddel
+voor de menschen behoorde te zijn. Honing is de suiker, die mee den
+nektar vormt; maar dan geconcentreerd en verwerkt tot wat in de
+scheikunde bekend is als druivensuiker; en zoo is dus in rijpen honing
+het eerste en belangrijkste deel van de spijsvertering reeds gebeurd,
+v&oacute;&oacute;r dat zij uit de raat genomen wordt. Dit verklaart
+waarom zooveel zwakke menschen en vooral kinderen zoo gemakkelijk
+voedsel met honing verzoet kunnen verteren, terwijl zij alle andere
+vormen van zoet niet verdragen.</p>
+
+<p>De geneesheeren vinden steeds nieuwe deugden in honing. Zijn
+gelijkmatig regelende werking op de <span class="corr" id="xd0e2026"
+title="Bron: lngewanden">ingewanden</span> is sinds lang bekend, en het
+is door bevoegden gestaafd, dat er feitelijk in het menschelijk lichaam
+geen enkel orgaan is, dat niet eenigen invloed ten goede ondervindt bij
+het regelmatig gebruik van honing. Bij alle uitterende ziekten en zeker
+het schitterendst bij tuberculose, is het gebleken, dat honing het
+lichaam kan opbouwen, waar andere middelen faalden. Het is zeker, dat
+verschillende gevallen van tering volslagen genezen zijn door een ruim
+honingdieet, en het is ook opvallend dat honing het hoofdbestanddeel is
+van bijna alle gebruikelijke geneesmiddelen voor ziekten van borst en
+keel. Gewoonlijk worden therapeutische wenken van leeken door de
+faculteit met een scheel oog aangezien, tenminste bij de meer
+ouderwetsche leden; doch in de hoop, dat deze bladzij door een meer
+onbevangen geest gelezen moge worden, waag ik het er op. Er zijn er
+velen, die, en met reden, in honing gelooven als een speciaal middel
+bij uitterende ziekten. Het is niet anders dan het eens zoo beroemde
+&ldquo;Athol brose&rdquo;, dat, zooals alle Schotsche ijmkers weten,
+bestaat uit gelijke deelen goede, dikke <span class="pagenum">[<a id=
+"pb265" href="#pb265">265</a>]</span>honing, liefst van de heide
+(Calluna-), room en belegen Schotsche whisky van de potstokerij.
+&ldquo;Dikwijls en met kleine hoeveelheden,&rdquo; luidt de
+gebruiksaanwijzing; maar in tegenstelling met andere huismiddeltjes
+heeft het geloof niets te maken met de wonderwerking. Het gedijt even
+goed in sceptischen bodem als in iederen anderen.</p>
+
+<p>De industrieel, die besloten heeft van het ijmkeren zijn
+broodwinning te maken, moet al v&oacute;&oacute;r den aanvang weten op
+welke schaal hij zich zal inrichten. Er zijn twee kanten aan de zaak,
+de een aantrekkelijker dan de andere, al naar het temperament en het
+standpunt. Er is het &ldquo;Eenvoudige leven&rdquo; en de
+bijentuin&mdash;een rustig bestaan in het lommer van een Engelsch dorp,
+binnen het bereik van een marktplaats, waar de opbrengst der korven kan
+worden afgezet. En er is de onderneming in het groot, het inrichten van
+een bijenpark op uitgebreide schaal en op erkend wetenschappelijken
+grondslag, met het doel de groote centraalmarkten te voorzien; minder
+met het oog op onmiddellijke lokale behoeften.</p>
+
+<p>Bij het inrichten van een bijenpark, moet de eerste zorg de keuze
+zijn van een geschikte streek. En de natuur van het omringende land
+moet in hoofdzaak aangeven hoe de inrichting het voordeeligst werken
+kan. De eerste regel voor hem, die met voordeel bijen wil houden, is te
+zorgen, dat alle korven opgepropt vol met werkbijen zijn als de tijd
+van de groote honingdracht daar is. Maar die tijd hangt af van de
+streek. Waar in hoofdzaak vruchtboomen zijn, hebben wij de werksters
+vroeg noodig; op de heide is het laat. In het Zuid-Westen van Engeland,
+waar het land uit de helft ooftboomen en de helft heidevelden bestaat,
+moeten zoowel vroeg als laat sterke volken zijn. Maar waar de ijmker
+met den schapeboer samengaat&mdash;en er is geen <span class="pagenum">
+[<a id="pb266" href="#pb266">266</a>]</span>beter gids voor honing dan
+een schaap&mdash;is het wijsheid voor hem zijn kolonie tot de grootste
+sterkte op te werken tegen den tijd, dat de grootste oogsten van
+schapevoeder in bloei komen, wat zelden is v&oacute;&oacute;r midden
+Mei. En al deze beschouwingen doen ons belanden bij een veel betwiste
+vraag in de moderne bijenteelt: moeten bijen al of niet kunstmatig
+gevoed, en zoo ja, hoe en wanneer?</p>
+
+<p>Wanneer alleen de zuiverste rietsuiker wordt gebruikt en de stroop
+goed gekookt wordt en nooit verbrand is, is er tegen die praktijk niets
+te zeggen, wat betreft nadeel aan de volken. Als er vroege bijen
+verlangd worden is het volstrekt noodzakelijk, hen geregeld van een
+vasten voorraad suikerstroop te voorzien, van het oogenblik af, dat het
+broeden in de korven begint. Chemisch is het zoete bestanddeel in den
+nektar nagenoeg identiek met dat uit rietsuiker, en suikerstroop heeft
+d&agrave;t voor op het voeren met honing, dat het beter de natuurlijke
+afscheiding aanzet. De bijen, die de verantwoording hebben over het
+broedwerk in de korven, zijn jonge werksters, die nog nooit gevlogen
+hebben. Zij kunnen dus alleen maar oordeelen over het voortschrijden
+van het jaargetijde naar de hoeveelheid nektar en stuifmeel, die den
+korf binnen komt. Waar die hoeveelheid van dag tot dag stijgt&mdash;en
+het is het werk van den ijmker te trachten den indruk van het
+regelmatig voortgaan van het seizoen bij de kunstmatige voeding op de
+bijen over te brengen&mdash;dan krijgen zij vertrouwen, en het
+broedkweeken gaat met kracht voort.</p>
+
+<div id="p267" class="figure"><img border="0" src="images/p267.jpg"
+alt="IJmkerij zonder verstand" width="617" height="535">
+<p class="figureHead">IJmkerij zonder verstand</p>
+
+<p>(De bijen van een te grooten zwerm moeten buiten den korf
+blijven)</p>
+</div>
+
+<p>Maar suikerstroop en erwtemeel is geen natuurlijk bijenvoedsel, en
+het is niet te betwijfelen, dat een te lange voortzetting van een
+dergelijk dieet een daling van het weerstandsvermogen van het ras
+tengevolge zou hebben, en dus den weg openen voor het intreden <span
+class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269">269</a>]</span>van
+ziekten. De gulden regel schijnt in dit geval wel te zijn, dat men
+alleen tot kunstmatige voeding moet overgaan, waar de sterkte van het
+volk den oogst moet verzekeren, of waar hongerdood dreigt. In zuivere
+hei-distrikten waar men zijn sterke volken vroeg genoeg bij de hand
+heeft aan het eind van Juni, mag alleen het feitelijk gevaar van
+hongerdood den ijmker er toe noopen tot kunstmatige, dus minderwaardige
+voeding zijn toevlucht te nemen. Dezelfde regel geldt voor
+schapendistrikten. Men kan van een sterk volk, in &rsquo;t bezit van
+een jonge levenskrachtige koningin, verwachten, dat het, behalve in
+buitengewoon ongunstige jaren, zichzelf in uitstekende conditie kan
+houden totdat de tijd van de groote honingdracht daar is. In zulke
+gevallen heeft de ijmker alleen maar te zorgen, dat geen zijner korven
+volslagen gebrek heeft aan het noodige levensonderhoud.</p>
+
+<p>Maar in het warme, zoo begunstigde zuid-westen, de streken van hei
+en appelbloesem, waar zoowel een vroege als een late oogst is in te
+zamelen, moet een geheel verschillend systeem gevolgd. En hier zijn wij
+genaderd aan het tweede voorschrift voor hen, die met goeden uitslag
+bijen willen houden&mdash;de noodzakelijkheid in alle korven niet
+anders dan de allervruchtbaarste moederbijen te hebben. Wil men
+inderdaad voordeelige honingoogsten krijgen, dan moet zelden een
+koningin langer dan twee jaar in den korf blijven. Daarna is zij niet
+veel meer waard en moet afgezet worden, of door den ijmker of door de
+bijen. Maar wanneer een koningin in het voorjaar door sterke voeding
+overprikkeld is geworden tot het voortbrengen van een buitengemeen
+groote bevolking, dan is zij gewoonlijk niet in staat tot een
+dergelijke overspanning in den herfst. Het is daarom verstandig, daar
+waar een belangrijke honingdracht is, de oude koninginnen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270">270</a>]</span>nadat het vroege
+werk gedaan is, op te ruimen en ze te vervangen door koninginnen in hun
+krachtigste periode, doch aan het begin daarvan, niet aan het einde. Op
+deze wijze is er spoedig een tweede krachtig arbeidsleger voorhanden,
+en de dubbele oogst is verzekerd.</p>
+
+<p>Het is moeilijk in bijzonderheden te treden over de vraag, wat wel
+de beste korven zijn voor handelsbijenteelt op groote of kleine schaal.
+Generaliseeren is hier gemakkelijker. Iedere ijmker heeft zijn eigen
+inzichten betreffende de d&eacute;tails; maar allen zijn het gelukkig
+eens over de beginselen van de hoofdstruktuur. Ondervinding heeft zoo
+goed als uitgewezen, dat een flinke koningin, onder het hedendaagsche
+stelsel van intensieve kultuur, voor haar broed een raatoppervlakte
+vereischt van ongeveer 11.500 vierk. centimeter. Een broedbouw van
+geringer inhoud zou haar noodzaken haar werk te schorsen op het
+hoogtepunt van haar vruchtbaarheid, en alles wat die maat te boven gaat
+beduidt zooveel meer honing verloren voor de bovenkamers, die
+all&eacute;&eacute;n in aanmerking komen voor den ijmker. Honing
+opgezameld in het broednest, behalve buiten de seizoenen, is verlies
+inplaats van winst. De beste korf daarom, zal precies zooveel
+broedraten bevatten in losse raampjes, als den vereischten inhoud
+verzekeren; en alle raampjes in het geheele bijenpark moeten gelijk van
+afmetingen zijn, om in de verschillende korven verwisseld te kunnen
+worden. Dit is een kardinaal punt voor een winstgevende bijenkultuur;
+want het stelt den ijmker in staat, niet alleen de sterkte van zijn
+volken gelijk te houden, door raten met uitkomend broed van den eenen
+korf naar den anderen over te brengen; maar hij kan ook den schraal
+geproviandeerden kolonies raampjes met verzegelde honingcellen geven
+uit de overdaad van hunne buren. Ook <span class="pagenum">[<a id=
+"pb271" href="#pb271">271</a>]</span>kan hij de zwakke kolonies
+samenvoegen en ze daardoor versterken.</p>
+
+<p>Overigens moeten de korven z&oacute;&oacute; gemaakt zijn, dat in
+het koude seizoen de hitte geheel binnen gehouden wordt, en even
+radikaal wordt uitgesloten in het heete jaargetij. Dubbele wanden om
+den broedbouw zijn een vereischte in het veranderlijk Britsch klimaat,
+waar men in minstens tien maanden van de twaalf altijd kille dagen
+verwachten kan.</p>
+
+<p>De bijenhouder zal evenveel voordeel trekken van de wasproduktie als
+van den honing. Zoo goed als leder stof is, die door niets vervangen
+kan worden, zoo houdt ook bijenwas zijn plaats op de markt, ten spijt
+van alle parafine substituten. Maar het was verliest veel van zijn
+waarde doordat het algemeen wordt vervalscht; en de fout ligt bij de
+ijmkers, die nooit ernstig getracht hebben in de vraag te voorzien.
+Wasproduktie op groote schaal is heel wel mogelijk, en het is zeker,
+dat het eene belangrijke industrie zou kunnen worden, zooals het in de
+middeleeuwen er eene placht te zijn. Maar wij leven in tijden van
+hervorming; en het is mogelijk, dat de honingbij tot hare oude
+nationale roeping zal terugkeeren: licht te brengen in onze duisternis,
+en goed en zuiver voedsel aan onze lichamen.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament2.gif" alt=
+"Ornament." width="239" height="82"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb272" href=
+"#pb272">272</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="ch17" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Hoofdstuk XVII</h2>
+
+<h2 class="normal">Bijenhouden en Eenvoudig Leven.</h2>
+
+<p>De Engelsche zonneschijn is wispelturig zoodat niemand ooit zeker is
+van het blijvend gezelschap van zijn schaduw. Maar <i>als</i> de zon
+schijnt in Engeland, dan lijkt het een eeuwig blijvende kracht, en het
+grauwe gisteren, het tikkelend wijsje van den regen tegen de ruiten,
+worden er tot een droom. Ge hadt geslapen onder het zware blauw van den
+zomernacht, en die druipende vale luchten waren een visioen, dat ging
+met de blijheid, die de morgen bracht. En morgen, als de wilde jacht
+van de stormluchten misschien terugkomt, en aan alle kanten van het
+huis de stroomende dakgoten kletteren, dan zal dat ook weer een droom
+zijn; zeker zult ge dat dan tegen u zelf zeggen, als de zon door die
+wolken breekt en de wind zijn kracht mindert, en uit het stukje blauwe
+lucht een broek te snijden valt; en wanneer ge dan buiten komt in het
+glinsteren van dien vochtigen grond en in dat hernieuwde leven; zoo
+blij met dat alles als de vinken en de vlinders, die v&oacute;&oacute;r
+u uit fladderen op het grasveld. De zon schijnt: de zon heeft altijd
+geschenen onveranderlijk als de Tijd.</p>
+
+<p>Met dit vertrouwen&mdash;ongegrond en daarom
+onweersprekelijk,&mdash;ging ik uit in den gloed van een heerlijken
+Junimorgen, langs bloeiende klaver, veld na veld, tot ik aan het hek
+stond van den bijentuin tegen den <span class="pagenum">[<a id="pb273"
+href="#pb273">273</a>]</span>heuvel. Met den naam was ik al lang
+vertrouwd; want in het lokale blaadje was geregeld de kleine
+vijfregelige advertentie te vinden, die in zijn eigenaardigen stijl
+honing te koop annonceerde. Maar ik was er nooit geweest, had ook nooit
+een voet gezet in dit gedeelte van het goede land van Sussex. En zoo
+kwam ik er toe op dezen overstelpend heerlijken Junimorgen, voor
+&eacute;&eacute;ns den teugel te vieren aan mijne luimen, en ik trad
+naar buiten in die vredige glinstering en de blijde rust van den dag;
+en eindelijk kwam ik aan mijn bestemming&mdash;den bijentuin, die
+gemetseld is tegen de groene Downlandsche heuvelen.</p>
+
+<p>Hij was ingesloten door een hooge haag van witte mei als in sneeuw
+van bloesems, even roze getint, het merk van hun aanstaand verkwijnen.
+Over de haag heen zag ik de takken der appelboomen zich uitstrekken,
+groen, met wijd uitbloeiende bloesemtuiltjes, die vol waren met het
+driftig gonzen van ontelbare nijvere bijen. Een blauw rookwolkje uit
+een schoorsteen dreef langzaam weg in de lucht, alles wat te zien was
+van het gezellige met rietbedekte landhuisje, dat binnen lag; en ik
+hoorde stemmen: een rustigen baryton en een plotselingen hoogen lach,
+blijkbaar een vrouwenstem, en soms een paar regels uit een oud liedje,
+afgebroken en gedachteloos gezongen.</p>
+
+<p>Toen de zang een oogenblik staakte&mdash;lichtte ik de klink van het
+hek op; en op het klikkend geluid verrees aan het eind van den tuin in
+haar volle lengte een magere mannenfiguur. Hij had daar gebogen gestaan
+tusschen een wildernis van korven. En toen de man naar mij toekwam
+zonder jas, in zijn opgestroopte hemdsmouwen, met zijn stevige, bruine
+armen in de volle Junizon, nam ik het geheele vreedzame, bezige
+tafereel in mij op. Het kronkelend pad, afgezet met roode pannen, een
+zee van ouderwetsche tuinbloemen <span class="pagenum">[<a id="pb274"
+href="#pb274">274</a>]</span>ter weerszijden; golven van seringen en
+roode mei en gouden regen, schaduwige blauwe diepten van
+vergeet-mij-nieten, scharlaken tulpen als vuurtorens er tusschen, en
+ondiepten van amberkleurige reseda; vlak bij een net huisje met
+schitterend heldere ruiten als diamantfacetten, en vroolijk flakkerend
+waschgoed aan een lijn; een oude hond, die lag te dommelen op het stroo
+in een ton; een kat naast een melkkan op den helder geschrobden
+drempel. En overal bijenkorven ieder in een andere harmonieerende
+kleurschakeering, niet in plechtige rijen gerangschikt; maar hier en
+daar verspreid bij twee en drie tegelijk, in de ordelooze orde, geliefd
+bij bijen en buitenmenschen.</p>
+
+<p>De ijmker had scherpe, diepliggende grijze oogen, in een eerlijk
+door de zon verbrand gezicht, en hij had de radde tong van alle
+bijenmannen over de heele wereld. Hij stond klaar om alles te vertellen
+van zijn werk en wie hij was, en wat hij gedaan had; en hij begon zijn
+verhaal, terwijl wij langzaam door zijn domein slenterden. Hij was een
+Londener, tenminste, twaalf jaar geleden was hij dat geweest, een City
+klerk wit als de bladen van het grootboek, die dag aan dag van negen
+tot zes door zijn vingers gleden. En thuis in een lugubre woesternij
+van huizen, die Nunhead heette&mdash;waarheen nooit een wreed noodlot
+mij moge drijven&mdash;daar naaiden zijn zusters voor haar
+levensonderhoud, bleek als hijzelf. Maar eens op een dag kreeg hij in
+een tweedehands-boekwinkeltje een boekje in handen&mdash;een schat voor
+drie stuivers, handelend over bijenteelt. Hij las er in terwijl de
+trein voortkrabbelde naar zijn woonplaats, op een verstijvenden,
+mistigen, kouden winteravond; en toen en d&aacute;&aacute;r, in dat
+vuile beestenhok van een derdeklaswagen, werd in zijn verbeelding de
+bijentuin ingewijd, die zich in die jaren ontwikkeld had <span class=
+"pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275">275</a>]</span>tot alles wat ik
+nu om mij heen zag op dien heerlijken morgen in Juni.</p>
+
+<p>Het had een heelen tijd geduurd, vertelde hij mij, terwijl wij
+tusschen het bezig gedoe van de korven drentelden, een lange, moeilijke
+en schraperige tijd. Er moest geld overgelegd worden, het kapitaal voor
+de onderneming; en dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan uit een
+totaal familie-inkomen van 24 gulden in de week. Maar eindelijk was het
+geld er toch, en het was er ruim. En de dag kwam, dat de heele familie
+het stof van Nunhead afschudde, en het vervallen huisje in bezit nam
+met het stukje, nauwelijks twintig are verwaarloosden grond. Het was
+een moeielijke tijd geweest, zei hij&mdash;en het gezicht waarmee hij
+het zei, paste niet bij de woorden&mdash;maar &ldquo;kijk nu eens hoe
+alles veranderd is&rdquo;! en hij wuifde om zich heen met het
+zegevierend gebaar van een bezitter. Het huis was in goeden doen en
+goed gemeubeld. De drie of vier korven waarmee hij begonnen was, waren
+nu uitgedijd tot zestig of zeventig, allemaal eigen gemaakt. Waar hij
+zijn bijen vandaan had? Wel, dat geheim had hij uit het driestuivers
+boekje, het geheim van het &ldquo;afkloppen&rdquo;. Bijna al de
+bijenhouders tot mijlen ver in den omtrek, hadden de gewoonte hun bijen
+dood te zwavelen om bij den honing te kunnen komen. Toen was hij een
+eersten herfst, en alle herfsten daarna, naar zijn buren gegaan en had
+hun aangeboden, de bijen voor hen uit de korven te nemen en hun nog een
+goeden fooi toe te geven, als hij dan voor zijn moeite de bijen mocht
+houden. Daartoe bleken zij meer dan bereid; en zoo had hij
+langzamerhand zijn vorstendommetje van korven opgebouwd.</p>
+
+<p>En het voordeel? Ja, dat was nu niet om buitengewoon op te roemen.
+Hij verkocht al zijn honing en was; verzond ze voor het grootste
+gedeelte met de post, en <span class="pagenum">[<a id="pb276" href=
+"#pb276">276</a>]</span>breidde zijn kring van afnemers ieder jaar iets
+verder uit. De goede en slechte jaren samen genomen, maakte hij door
+elkaar voor iederen korf f&nbsp;24 netto;&mdash;in overvloedige jaren
+was het altijd veel meer&mdash;het was zeker geen rijkdom, maar zij
+waren met niet meer dan drie, en hadden niet veel behoeften. Wat zij
+het meest begeerden&mdash;frissche lucht, vrede, een rustig bestaan, en
+het gezonde buitenleven&mdash;dat had men voor niets. En wat
+kle&ecirc;ren betreft&mdash;wel, als men eenmaal heeft opgegeven een
+&ldquo;stand op te houden&rdquo;, dan wordt men pas gewaar hoe weinig
+die uiterlijke schijn eigenlijk telt in de wereld. In ieder geval was
+voor hen het succes volkomen. Er woonden in die streek menschen, die
+halve provincies bebouwden en nog mopperden; hij niet, hij had rust en
+at zijn genoegen van zijn twintig are &ldquo;en de meisjes? wel, die
+lachten en zongen van den ochtend tot den avond.&rdquo;</p>
+
+<p>Zoo slenterden en babbelden wij; en ik, mij van den domme houdende
+in bijendingen&mdash;want hij mocht niet denken, dat ik uit louter
+menschenliefde uilen naar Athene droeg&mdash;ik kocht honing en vroeg
+naar allerlei; en van stukje tot beetje kwam ik er heelemaal achter,
+wat er door die bevrijde slaven uit het City-klerkendom al zoo gedaan
+was. De ijmker schoof zijn hoed van zijn schrander voorhoofd af naar
+achteren, en stak een allergenoegelijkst pijpje op. Blijkbaar had hij
+het heele vraagstuk al sedert lang grondig uitgedacht en het gegrepen
+in zijn innerlijkste wezen.</p>
+
+<div id="p277" class="figure"><img border="0" src="images/p277.jpg"
+alt="Een IJmkerij in het bosch" width="720" height="479">
+<p class="figureHead">Een IJmkerij in het bosch</p>
+</div>
+
+<p>&ldquo;Wat wij hier doen&rdquo;, zei hij, &ldquo;kan door honderd
+anderen gedaan worden, die nog in Londen leven in denzelfden toestand
+waaruit wij ons hebben losgemaakt. Groote bijenparken zijn goed en wel;
+maar dat is toch nog meer iets voor de toekomst&mdash;iets, dat zich
+nog moet loswerken uit de behoeften der eeuw. Maar voor den bijentuin
+is overal plaats, in alle distrikten <span class="pagenum">[<a id=
+"pb279" href="#pb279">279</a>]</span>met een voldoend dichte bevolking.
+De gewoonte van honing te gebruiken is er uitgegaan bij de menschen,
+omdat ze zoo zelden in de winkels te koop is; maar als ze er geregeld
+aan herinnerd worden, dan zullen zij ze weer gaan eten, en zij zullen
+op het laatst niet meer begrijpen hoe zij het er zoo lang zonder deden.
+Doch het moet hun smakelijk gemaakt worden. Lekhoning moet zuiver en
+helder zien, in aardige fleschjes verpakt en met een net etiket. En de
+raathoning, die verkocht wordt, moet in onberispelijk schoone, witte
+sekties zijn. In dat oude boekje, dat mij aan de bijen gebracht heeft,
+staat, dat alleen de engelsche bij behoort geteeld te worden, omdat zij
+een beter honingdraagster is. Maar van een koopman&rsquo;s standpunt is
+er nog een veel gewichtiger reden om alle uitheemsche bijen af te
+schaffen. De engelsche bij laat een kleine tusschenruimte over tusschen
+den honing en het celdekseltje, en tengevolge daarvan zijn de raten
+altijd vlekkeloos wit. Maar bijna alle vreemde bijenrassen vullen hun
+cellen tot den rand, en dit brengt mee, dat de mooiste raten er donker
+en vuil uit zullen zien, en dus heel weinig aanlokkelijk voor den
+kooper. Aan zoo iets denkt een zakenman het eerst, en de oude
+Londensche jaren zijn daarom niet heelemaal nutteloos voor ons
+geweest.&rdquo;</p>
+
+<p>Het zingen, dat ik vaag uit de verte gehoord had, toen ik nog buiten
+het hek stond, werd helderder naarmate wij voortliepen; wij gingen nu
+den hoek van het huis om, en kwamen bij nog meer korven, en midden
+daartusschen bewoog zich een meisjesfiguur; er was daar ook een klein
+waschschuurtje, waar ik een verschijning zag van bruine armen, diep in
+een waschtobbe, en tegelijk kreeg ik het laatste couplet van het vaag
+gehoorde liedje.</p>
+
+<p>&ldquo;Dit is Hetty&rdquo;, lichtte de ijmker toe, &ldquo;die helpt
+<span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280">280</a>]</span>in
+den tuin en&mdash;helpen, zei ik? ze is veel handiger er mee dan ik! Er
+is zooveel werk bij de bijen, waarvoor een lichte vrouwenhand noodig
+is. En Debora is onze huishoudster. Wist u, dat het woord Debora het
+Hebreeuwsch is voor honingbij? Maar kom nu mee, dan zal ik u laten
+zien, waar ik bij winterdag de korven maak, en waar wij den honing
+slingeren, en waar wij de sekties in de raampjes zetten en al zoo
+meer.&rdquo;</p>
+
+<p>Hij vertoonde mij toen de werkkamer en een schuurtje met gazen
+vensters, waar een eigen gemaakte slingermachine stond&mdash;een
+snedig, centrifugaal ding, waarin de raten konden gelegd worden en
+onbeschadigd aan de bijen teruggegeven en daarna geregeld we&ecirc;r
+gevuld en uitgeslingerd. En er was een provisiekamer, waar lange rijen
+honingpotten stonden, en stapels sekties, en blokken licht gele was
+lagen te wachten op de koopers en er was ook een pakschuur, waar de
+kartonnen postdoozen in orde werden gemaakt. En eindelijk werd mij in
+een uithoek van den tuin een ezel gewezen, ruig en goed doorvoed, die
+vreedzaam stond te smangelen, en onder een afdak daarbij een karretje,
+dat een bijzonderheid in zijn soort was. De houten kap had den vorm van
+een grooten bijenkorf, en daarop was de naam van den tuin geschilderd
+en een lijst van de produkten, die het karretje inhield. De ijmker
+legde met een bewonderend gebaar er zijn hand op.</p>
+
+<p>&ldquo;Dit is heelemaal een bedenksel van Hetty,&rdquo; zei hij.
+&ldquo;Voor zoo iets moet je de Londensche meisjes hebben. In het
+seizoen rijdt zij er iedere veertien dagen mee naar stad; propvol gaat
+het weg, en geloof maar, dat ze geen honing weer mee terug brengt. Ik
+weet het niet, maar die meisjes hoorden van naam te
+veranderen.&rdquo;</p>
+
+<hr class="tb">
+<p>Terugwandelend naar het station in den eeuwigen Engelschen
+zonneschijn, en langs den keten van <span class="pagenum">[<a id=
+"pb281" href="#pb281">281</a>]</span>bloeiende velden, luisterde ik
+naar den bijenzang om mij heen; en hoe was het, dat ik in dezen zang,
+waarme&ecirc; ik een geheel lang leven vertrouwd was geweest, vandaag
+iets hoorde, dat ik er nooit in gehoord had? De diepe tonen rezen en
+daalden en stierven uit toen het pad door de vlekkelooze roode klaver
+leidde; toen verhief het zich weer als de rozige velden met espareette
+kwamen, en werd tot een luide blijde symphonie waar een plek
+mosterdzaad zijn veracht en onbegeerd geel mengde tusschen het zaaisel
+van den boer; het scheen of het rijzend en dalend refrein mij dit
+toezong: &ldquo;Ge dacht, dat ge onze gangen en wegen kendet van A tot
+Z! Ge hebt ons dag en nacht gespionneerd in en buiten het seizoen. Ge
+hebt ons gechloroformeerd, gevivisekteerd, onze doode zusters lid voor
+lid van elkaar getrokken, om de wreed glinsterende oogen van je tweeoog
+te verzadigen. Ge waart er eindelijk toegekomen te denken, dat er niets
+meer aan ons was, van buiten en van binnen en rondom, waar ge niet
+alles van wist. En daar komt nu een gewone City-klerk, die zijn
+erfelijken plicht den rug heeft gekeerd, en die vertelt u in niet meer
+dan een uurtje een heel kwantum dingen, waar jij, dwarskijker, met je
+levenslang gespionneer geen schijntje van vermoed hadt. Weg met jou! Je
+verdient je heele verdere leven met niet anders dan hommels om te
+gaan!&rdquo;</p>
+
+<p>Want hoe meer ik nadacht, dat bijentuinen, als die ik juist bezocht
+had, over het geheele land verspreid zouden <span class="corr" id=
+"xd0e2127" title="Bron: kunen">kunnen</span> zijn, des te duidelijker
+werd het mij, dat dit een zending voor de honingbij was, die mij
+volslagen was ontgaan; en het denkbeeld werd hoe langer hoe
+aantrekkelijker. Met ijmkeren op groote schaal is er altijd het
+bezwaar, dat het bijenpark te groot zou kunnen worden voor zijn
+honingbronnen in het omliggende land, hoewel het z&eacute;&eacute;r
+zeker waar is, <span class="pagenum">[<a id="pb282" href=
+"#pb282">282</a>]</span>dat speciaal voor bijen gezaaide bloemenvelden
+hun kosten kunnen opbrengen. Maar een kleine bijentuin zou nooit het
+land kunnen uitputten binnen zijn noodzakelijken kring van drie mijlen,
+en al de nektar, die de bijen indroegen, zou gratis verkregen zijn.
+&ldquo;Hoera voor Nunhead!&rdquo; dacht ik, terwijl ik mijn rustigen
+gang tusschen de klaver vervolgde. En waarom niet alle andere Nunheads
+en evengoed alle andere grootere steden? Er zullen er altijd genoeg
+overblijven, die het stof en stadsrumoer verkiezen, dus dat kleine
+groepje bijenmannen zal niet gemist worden.</p>
+
+<p>En ik dacht ook nog over iets anders, terwijl ik voortschreed in den
+engelschen zonneschijn, die eeuwig is; en ik zwaaide mijn overscharige
+maar veel geprezen pot met honing er lustig bij in mijn hand.</p>
+
+<p>Het liedje en het vroolijk lachen&mdash;het was nog altijd in mijn
+ooren, en het mengde zich in den werkzang van de bijen langs mijn weg.
+Kijk, geen twaalf kilometer verderop over de heuvelen in de
+blauwnevelige Sussex vallei, daar wist ik van juist zulk een bijentuin,
+waar twee broers&mdash;maar deze geen Londeners, een paar echte
+Downlandsche jongens&mdash;zich hadden gevestigd; zij hadden het goed,
+maar allebei waren ze ongetrouwd. En geen week geleden, hadden ze zich
+over dat feit bij mij beklaagd, en&mdash;Neen stil! Huwelijksmakelarij
+is geen werk voor den schrijver van het Verhaal van de Honingbij!</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/ornament1.gif" alt=
+"Ornament." width="154" height="81"></div>
+
+<p> <span class="pagenum">[<a id="pb283" href=
+"#pb283">283</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="appendix" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="label">Aanhangsel</h2>
+
+<h2 class="normal">De Bij en haar Wapenen</h2>
+
+<p class="byline
+ ">Door Percy E. Spielmann</p>
+
+<p>Ph. D., B.Sc. (London), F. I. C-, A. R. C. Sc.</p>
+
+<p>Vertaald door L. S. <span class="pagenum">[<a id="pb285" href=
+"#pb285">285</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">De Bij en haar Wapenen</h2>
+
+<p>Maeterlinck, dichter en <span class="corr" id="xd0e2159" title=
+"Bron: ymker">ijmker</span> tegelijk, heeft ons een zeer aantrekkelijk
+verslag gedaan van de monarchale republiek der bijen, en thans biedt
+Tickner Edwardes, <span class="corr" id="xd0e2162" title="Bron: ymker">
+ijmker</span> en dichter naar geest en ziel, ons een nieuwe
+aanlokkelijke beschrijving van het bijenleven, die ons nog dichter bij
+de natuur brengt. Beide schrijvers hebben, evenals de bijen zelf,
+gepuurd uit natuursvoorraadschuur, en ons hun oogst aangeboden in de
+meest smakelijken en lichtst verteerbaren vorm.</p>
+
+<p>Het diepe geheimenis, dat den korf en haar verborgenheden omringt,
+is doorbroken door flitsen van onderzoek, schitterend en toch niet
+sterk genoeg om meer te doen dan den weg tot verder onderzoek te
+verlichten, en de bekoring van het onderwerp te versterken door ons de
+onthullingen te laten voorgevoelen van wat het warme duister van den
+korf voor wonderen voor ons verbergt. De groote moeilijkheden, die zich
+den wetenschappelijken onderzoeker v&oacute;ordoen, ontsteken en dempen
+tegelijk zijn ijver. Men kan de evolutie van de bij volgen door
+vergelijking met haar vele, minder ontwikkelde verwanten onder de
+hymenoptera, doch hoe zij tot haar eind-ontwikkeling gekomen is, is
+voor den onderzoeker nog steeds een aanleiding tot verbazing. We kennen
+de wijze waarop de honing voortgebracht wordt en ook haar
+samenstelling; maar het <span class="pagenum">[<a id="pb286" href=
+"#pb286">286</a>]</span>biologisch verband tusschen het voedsel der
+bijen en de afscheiding van was, ligt tot heden letterlijk buiten onzen
+gis.</p>
+
+<p>En de moeilijkheden worden niet minder door de geringheid van de
+hoeveelheden voor het onderzoek beschikbaar, zoodra we het vergif in de
+bijensteek en het broedvoedsel chemisch willen ontleden. Beide
+substanties zijn aan onderzoek onderworpen, en al kan niet veel met
+zekerheid worden verklaard, de richting, die de verkregen uitkomst
+heeft aangewezen, is van beteekenis. Meest weten we van het vergif in
+de bijensteek, en daar wil ik het thans kortelijk over hebben.</p>
+
+<p>Het bijenvergif blijkt, bij anatomisch onderzoek, geleverd te worden
+door twee verschillende kliertjes. Ieder geeft een eigen vloeistof af:
+de &egrave;ene zurig, de andere alkalisch. Het vergif komt zelfs
+v&oacute;or in de eieren van de bijen, en als beide stoffen tegelijk in
+een wond worden ingespoten,&mdash;zooals in de natuur onveranderlijk
+gebeurt&mdash;is de werking op het hevigst. Proefnemingen hebben
+bewezen dat een indruppelen van een van beide afzonderlijk veel minder
+werkzaam is dan wanneer beide tegelijk of aanstonds na elkaar in een
+wondje worden gebracht. Bij de sluipwesp&mdash;een verre verwante van
+de bij, die haar slachtoffer slechts z&ograve;o steekt dat het verlamd
+wordt en aldus tot een maal kan dienen voor het broed tijdens den
+broedtijd&mdash;kunnen we het kliertje, dat de alkalische stof
+afscheidt, nauwelijks meer ontdekken.</p>
+
+<p>Hoe hooger de hymenoptera in ontwikkeling en bezit stijgt, des te
+sterker wordt de werking van haar vergif, zelfs z&oacute;o dat het voor
+den mensch levensgevaarlijk wordt. En zelfs hangt dit weer af van
+omstandigheden, die zorgvuldig moeten onderscheiden worden. Hoe meer
+een bij vertoornd is, des te feller is haar steek, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287">287</a>]</span>waarschijnlijk
+omdat zij dan haar vergif sterker uitspuit en mogelijk omdat de
+afscheiding uit het alkalisch kliertje grooter is. In den herfst is de
+werking van een steek erger dan in het voorjaar, wat misschien is toe
+te schrijven aan een verschil in de temperatuur of in de afscheiding
+van een late bij in vergelijking tot die van een voorjaarsinsect. Doch
+het ergst zijn de gevolgen op een zeer warmen dag, en hier komt ook de
+menschelijke factor mee in het spel. Immers al maakt de hitte een bij
+prikkelbaar, en al mag die, door invloed van haar zenuwgestel, haar
+afscheidingen en werkingen wijzigen gelijk ze dit in andere dieren
+eveneens doet, het feit dat de mensch onder invloed van de warmte veel
+minder weerstandskrachtig is tegen vergiften spreekt stellig mee. Hij
+is gevoeliger in het algemeen, en zijn bloed doorloopt zijn lichaam
+sneller en krachtiger en verspreidt het vergif dus deugdelijker.</p>
+
+<p>De schrijver van dit boek verhaalt van een zijner ervaringen, <span
+class="corr" id="xd0e2179" title="Bron: bizonderlijk">
+bijzonderlijk</span> interessant omdat die veel ernstiger was dan
+gemeenlijk ondervonden worden, en hij, na zijn herstel, de <span class=
+"corr" id="xd0e2182" title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span>
+zorgvuldig opschreef. &ldquo;Er kwamen,&rdquo; zegt hij, &ldquo;zeven
+bijen op me af uit een korf, die door een onverschillig helper
+behandeld werd, en zij zetten zich bijna gelijktijdig op mijn hand en
+pols.&mdash;&rsquo;t Was een heel warme, benauwde, stille namiddag; ik
+had al een acht tot tien korven nagegaan en bevond me in een toestand
+van tamelijke vermoeidheid, met duidelijke transpiratie. Zoo gewend ben
+ik er aan, gestoken te worden, dat ik heel weinig op dezen aanval
+lette, de bijen eenvoudig verwijderde en hun angel met den nagel van
+mijn vinger wegkijlde. Daarop ging ik door met mijn werk, maar bemerkte
+na een minuut of zoo een branding op mijn tong, die zich heel spoedig
+over mijn ganschen mond en keel verspreidde. Al die lichaamsdeelen
+schenen nu op te <span class="pagenum">[<a id="pb288" href=
+"#pb288">288</a>]</span>zwellen, en die neiging tot opzwellen
+verspreidde zich over het geheele hoofd en in &rsquo;t <span class=
+"corr" id="xd0e2187" title="Bron: bizonder">bijzonder</span> tot de
+lippen, zoodat het spreken moeilijk ging vallen. Dat gevoel van
+branderigheid verbreidde zich nu over mijn geheele lijf; mijn oogen
+leken uit te puilen en het gezicht begaf me, zoodat ik zoo goed als
+niets meer zien kon. Een aandoening van misselijkheid en zwakheid
+overviel me; armen en beenen leken machteloos te worden en in het eind
+verloor ik mijn bewustzijn. Dit alles gebeurde binnen het bestek van
+hoogstens 8 tot 10 minuten. Naar men me vertelde bleef ik minstens 10
+tot 15 minuten bewusteloos. Nadat ik was bijgekomen duurde de nawerking
+nog ongeveer een half uur; toen was alles voorbij en ik kon verder gaan
+met mijn werk. Ik moet hier bijvoegen dat die bijen me totaal vreemd
+waren, en hun eigenaar hen niet al te goed verzorgd
+had.&rdquo;&mdash;</p>
+
+<p>Uit dit alles volgt dat de veel verbreide meening, alsof het
+bijenvergift uit niets dan mierenzuur bestaat, niet geheel juist kan
+zijn. Voortgezet onderzoek brengt aan het licht dat dit naar alle
+waarschijnlijkheid niet de eenige prikkel is in het geval van een
+mierenbijt, en dat het zeker niet voorkomt in brandnetels, gelijk tot
+heden is aangenomen. Men heeft toch berekend dat een haar van den netel
+niet meer dan 0.00006 miligram van dat zuur kan bevatten, en dat is een
+geheel te versmaden kleine hoeveelheid, terwijl ook het andere
+bewijsmateriaal tegen zijn aanwezigheid daarin zeer sterk is.</p>
+
+<p>Een droppel bijenvergift weegt tusschen 2 en 3 tienden miligrammen;
+het is glashelder en heeft een bitteren smaak en een eigenaardigen
+aromatischen geur. Om het chemisch te kunnen onderzoeken heeft men het
+vergift van 12000 tot 25000 bijen moeten bijeenbrengen. Zelfs met deze
+hoeveelheid is men <span class="pagenum">[<a id="pb289" href=
+"#pb289">289</a>]</span>nog niet erg ver kunnen komen. Ook een anderen
+weg, meer biologisch, heeft men gevolgd, door het vergift in te brengen
+bij musschen, nadat men het eerst voldoende verhit had om
+achtereenvolgens de verschillende elementen, die het vergift
+samenstellen, te vernietigen. De uitkomsten van deze twee methoden van
+onderzoek, hoewel ze niet volkomen overeenkomen, laten evenwel vrijwel
+toe, een gemiddelde slotsom te trekken.</p>
+
+<p>En deze is, dat het bijenvergift drieledig is, en dat de
+&ldquo;zuur&rdquo;-klier twee der drie stoffen afscheidt. Die zurigheid
+is te wijten aan mierenzuur, dat allereerst de plaatselijke prikkeling
+van de wond schijnt te veroorzaken. Het doel van zijn aanwezigheid
+schijnt te zijn, het voortbrengsel van de &ldquo;alkalische&rdquo;
+klier opgelost te houden, nadat het reeds in het lichtelijk alkalisch
+bloed is overgegaan. De andere afscheiding van deze
+&ldquo;zuur&rdquo;-klier is een verdoovend middel, met eenige
+overeenkomst van wat we in slangengif vinden. Zij behoort tot de
+&ldquo;toxalbumens,&rdquo; met even boosaardige eigenschappen als hun
+bloedverwant, het ei-albumen, er zegenrijke heeft.</p>
+
+<p>De alkalische afscheiding, een basis of alkaloid, is een der vele
+dierlijke producten, overeenkomend met de sterk vergiftige
+plantaardige, die in de geneeskunst zulk een rol spelen. Het is van een
+bitter &ldquo;beginsel&rdquo; en is op zich zelf in staat
+stuiptrekkingen bij het slachtoffer te verwekken.</p>
+
+<p>Deze onderzoekingen laten, van wetenschappelijk standpunt, de onder
+ijmkers wijdverspreide meening onbeslist, dat bijensteken een
+geneesmiddel zouden zijn tegen <span class="corr" id="xd0e2202" title=
+"Bron: rhumatiek">rheumatiek</span>. De ervaring schijnt dit inzicht te
+bevestigen, ofschoon niet absoluut. Als het juist bleek zou het geen op
+zichzelf staand verschijnsel zijn; want het is bekend dat steken van de
+kwallen spit genezen. <span class="pagenum">[<a id="pb290" href=
+"#pb290">290</a>]</span></p>
+
+<p>Ten slotte een woord over het onvatbaar-maken. Na langen tijd wordt
+een persoon tegen bijensteken gehard, zij hebben weinig effect meer op
+hem. Blijkbaar berust dit op den prikkel die het menschelijk systeem
+ondergaat tot het voortbrengen van een tegengift om het ingespoten
+vergift te bestrijden. Hierin ligt niets nieuws. Het is een van de
+grondslagen van elke serum-behandeling tegen bacterien, en van de
+inenting van personen, die nog onaangetast bleven; en werd allereerst
+door Pasteur op een breeden wetenschappelijken grondslag gevest. Doch
+wat wel opmerkelijk is, is dat men bijenvergift kan aanwenden als
+tegengift tegen dat van slangen; door een voorafgaande inspuiting van
+het eerste verzwakt men zeer sterk de werking van het laatste.
+Bijenvergift werkt eenigermate als dat van slangen, en dat het nu dit
+laatste kan tegengaan wijst op een nog nauwer onderling verband. Aldus
+blijken de gift-voortbrengsels van bijen, bacteria, slangen, en de nog
+minder bekende vergiften van scorpioenen en spinnen, onderling
+verbonden in een van die geheimzinnige verknoopingen, daar de natuur
+zich bijzonder in schijnt te verlustigen. Wezenlijk is het echter geen
+&ldquo;verknooping&rdquo;; de wetten en voortbrengselen der natuur zijn
+volstrekt niet verward; het is onze beperkte kennis die ze ons voor
+verward doet aanzien. De wezenlijke paradox is dat de natuur
+tegelijkertijd buitengewoon samengesteld &egrave;n dood-eenvoudig is;
+al de duizenden feiten en ervaringen die we verzameld hebben en die een
+doorvlechting lijken van eindelooze <span class="corr" id="xd0e2208"
+title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span>, brengen tegelijk
+meer en meer duidelijk aan het licht naar welk een allereenvoudigst
+stelsel de natuur is opgebouwd. Uit dat velerlei der <span class="corr"
+id="xd0e2211" title="Bron: bizonderheden">bijzonderheden</span> volgen
+ten slotte de algemeene wetten, die de afgescheiden verschijnselen
+onderling verbonden toonen. Aldus ook in dit geval. Als het voortgezet
+<span class="pagenum">[<a id="pb291" href=
+"#pb291">291</a>]</span>onderzoek de bij, met haar wonderlijke
+geheimenissen, in verband zal hebben gebracht met andere, even duistere
+en moeilijke vraagstukken, zullen in het mozaiek van het heelal nieuwe
+steentjes hun plaats gevonden hebben, en het stelsel der natuur zal ons
+n&ograve;g meer verduidelijkt zijn.</p>
+
+<div class="figure"><img border="0" src="images/einde.gif" alt="Einde"
+width="279" height="91">
+<p class="figureHead">Einde</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+<div class="back"><span class="pagenum">[<a id="pb293" href=
+"#pb293">293</a>]</span>
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Erratum.</h2>
+
+<p>Op pag. <a href="#err.1" class="pageref">VII</a>, Voorwoord
+Redactie, <i>staat</i>: <i>Koningsbij</i>. Lees: <i>Honingbij</i>.
+<span class="pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295">295</a>]</span></p>
+</div>
+
+<div id="toc" class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Inhoud</h2>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>&nbsp; <span class="tocPagenum">Blz.</span></li>
+
+<li><a href="#pre"><span class="letterspaced">Voorwoord der
+Redactie</span></a> <span class="tocPagenum">V</span></li>
+
+<li><a href="#intro"><span class="letterspaced">Inleiding</span>: Het
+oudste bedrijf onder de Zon</a> <span class="tocPagenum">IX</span></li>
+
+<li><a id="xd0e2268"></a>I. <a href="#ch1">De Honingbij en de oude
+Schrijvers</a> <span class="tocPagenum">5</span></li>
+
+<li>II <a href="#ch2">Het Honing-eiland</a> <span class="tocPagenum">
+19</span></li>
+
+<li>III <a href="#ch3"><span class="corr" id="xd0e2287" title="Bron:
+Ymkers">IJmkers</span> in de Middeleeuwen</a> <span class="tocPagenum">
+27</span></li>
+
+<li>IV <a href="#ch4">Voor de Stadspoorten</a> <span class=
+"tocPagenum">46</span></li>
+
+<li>V <a href="#ch5">De Republiek binnen de korven</a> <span class=
+"tocPagenum">65</span></li>
+
+<li>VI <a href="#ch6">Het eerste werk in de Bijenstad</a> <span class=
+"tocPagenum">82</span></li>
+
+<li>VII <a href="#ch7">Het Ontstaan der Koningin</a> <span class=
+"tocPagenum">92</span></li>
+
+<li>VIII <a href="#ch8">De Bruid-Weduwe</a> <span class="tocPagenum">
+117</span></li>
+
+<li>IX <a href="#ch9">De Werkbij, Souvereine</a> <span class=
+"tocPagenum">125</span></li>
+
+<li>X <a href="#ch10">Een Anatomische romance</a> <span class=
+"tocPagenum">146</span></li>
+
+<li>XI <a href="#ch11">Het mysterie van den Zwerm</a> <span class=
+"tocPagenum">172</span></li>
+
+<li>XII <a href="#ch12">De Raatbouw</a> <span class="tocPagenum">
+198</span></li>
+
+<li>XIII <a href="#ch13">Waar &ldquo;het Bieken honing puurt&rdquo;</a>
+<span class="tocPagenum">223</span></li>
+
+<li>XIV <a href="#ch14">De Dar en zijn Geschiedenis</a> <span class=
+"tocPagenum">238</span></li>
+
+<li>XV <a href="#ch15">Na het Banket</a> <span class="tocPagenum">
+253</span></li>
+
+<li>XVI <a href="#ch16">Het Moderne Bijenpark</a> <span class=
+"tocPagenum">261</span></li>
+
+<li>XVII <a href="#ch17">Bijenhouden en Eenvoudig leven</a> <span
+class="tocPagenum">272</span></li>
+
+<li><span class="letterspaced">Aanhangsel</span>: <a href="#appendix">
+De Bij en haar Wapenen</a>, door Percy E. Spielmann <span class=
+"tocPagenum">283</span></li>
+</ol>
+
+<span class="pagenum">[<a id="pb296" href=
+"#pb296">296</a>]</span></div>
+
+<div class="div1"><span class="pagenum"> [<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+
+<h2 class="normal">Illustraties</h2>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>&nbsp; <span class="tocPagenum">Blz.</span></li>
+
+<li><a href="#p004">De Ratenbouwers, met keten van wasproduceerende
+bijen</a> <span class="tocPagenum">4</span></li>
+
+<li><a href="#p047">Omgekeerde korf van stroo, die de natuurlijke
+ligging der raten toont</a> <span class="tocPagenum">47</span></li>
+
+<li><a href="#p059">Ouderwetsche bijenwoning in Sussex</a> <span class=
+"tocPagenum">59</span></li>
+
+<li><a href="#p071">Raat uit <span class="corr" id="xd0e2449" title=
+"Bron: Moderne(n)">Moderne</span> Korf, met Koningin</a> <span class=
+"tocPagenum">71</span></li>
+
+<li><a href="#p085">Winter in den Bijentuin</a> <span class=
+"tocPagenum">85</span></li>
+
+<li><a href="#p093">Darren- en Werkbijenbroed</a> <span class=
+"tocPagenum">93</span></li>
+
+<li><a href="#p105">De Koningin in broed-tijd</a> <span class=
+"tocPagenum">105</span></li>
+
+<li><a href="#p111">Broedcel voor Koningin</a> <span class=
+"tocPagenum">111</span></li>
+
+<li><a href="#p129">De Honingbij vergroot</a> <span class="tocPagenum">
+129</span></li>
+
+<li><a href="#p139">Raat met Broedcellen</a> <span class="tocPagenum">
+139</span></li>
+
+<li><a href="#p165">Bijen-Kinderkamer</a> <span class="tocPagenum">
+165</span></li>
+
+<li><a href="#p173">Een bijenzwerm in Mei</a> <span class="tocPagenum">
+173</span></li>
+
+<li><a href="#p179">Een Reuzen-zwerm</a> <span class="tocPagenum">
+179</span></li>
+
+<li><a href="#p185">Het opvangen van een zwerm</a> <span class=
+"tocPagenum">185</span></li>
+
+<li><a href="#p191">De zwerm in den korf</a> <span class="tocPagenum">
+191</span></li>
+
+<li><a href="#p207">Honingraat onder verlichting</a> <span class=
+"tocPagenum">207</span></li>
+
+<li><a href="#p217">Raat, naar boven toe opgebouwd</a> <span class=
+"tocPagenum">217</span></li>
+
+<li><a href="#p233">De Voorraadschuur</a> <span class="tocPagenum">
+233</span></li>
+
+<li><a href="#p251">Koningin buiten het broedseizoen</a> <span class=
+"tocPagenum">251</span></li>
+
+<li><a href="#p267"><span class="corr" id="xd0e2563" title="Bron:
+Ymkerij">IJmkerij</span> zonder verstand</a> <span class="tocPagenum">
+267</span></li>
+
+<li><a href="#p277">Een <span class="corr" id="xd0e2573" title="Bron:
+Ymkerij">IJmkerij</span> in het bosch</a> <span class="tocPagenum">
+277</span></li>
+</ol>
+</div>
+
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met
+vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href=
+"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie
+team op <a href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+
+<h3>Codering</h3>
+
+<p>Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan
+de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel
+zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn
+gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het
+corr-element.</p>
+
+<p>Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen
+gebruikt, zijn deze in dit bestand gecodeerd met &ldquo;. Geneste
+dubbele aanhalingstekens zijn stilzwijgend veranderd in enkele
+aanhalingstekens.</p>
+
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+
+<ol class="lsoff">
+<li>2009-05-22 Begonnen.</li>
+</ol>
+
+<h3>Externe Referenties</h3>
+
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+
+<h3>Verbeteringen</h3>
+
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e136">n.v.t.</a></td>
+<td width="40%">Geillustreerd</td>
+<td width="40%">Ge&iuml;llustreerd</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#err.1">VII</a></td>
+<td width="40%">koningsbijen</td>
+<td width="40%">honingbijen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e206">IX</a></td>
+<td width="40%">bizondere</td>
+<td width="40%">bijzondere</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e211">X</a></td>
+<td width="40%">ymker</td>
+<td width="40%">ijmker</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e237">XIV</a></td>
+<td width="40%">eolithische</td>
+<td width="40%">neolithische</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e444">13</a></td>
+<td width="40%">offici&euml;el</td>
+<td width="40%">officieel</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e504">20</a></td>
+<td width="40%">&eacute;en</td>
+<td width="40%">&eacute;&eacute;n</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e507">20</a></td>
+<td width="40%">v&oacute;or</td>
+<td width="40%">v&oacute;&oacute;r</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e577">31</a></td>
+<td width="40%">paralel</td>
+<td width="40%">parallel</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e580">31</a></td>
+<td width="40%">bizonderen</td>
+<td width="40%">bijzonderen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e602">35</a></td>
+<td width="40%">monnikken</td>
+<td width="40%">monniken</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e707">50</a></td>
+<td width="40%">V&oacute;or</td>
+<td width="40%">V&oacute;&oacute;r</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e722">52</a></td>
+<td width="40%">orienteeren</td>
+<td width="40%">ori&euml;nteeren</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e741">55</a></td>
+<td width="40%">&eacute;en</td>
+<td width="40%">&eacute;&eacute;n</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e752">57</a></td>
+<td width="40%">paralel</td>
+<td width="40%">parallel</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e757">57</a></td>
+<td width="40%">Over dag</td>
+<td width="40%">Overdag</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e771">58</a></td>
+<td width="40%">&eacute;ene</td>
+<td width="40%">&eacute;&eacute;ne</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e778">61</a></td>
+<td width="40%">onmiddelijk</td>
+<td width="40%">onmiddellijk</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e825">67</a></td>
+<td width="40%">alwetenheid</td>
+<td width="40%">alwetendheid</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e861">75</a></td>
+<td width="40%">bizonderheden</td>
+<td width="40%">bijzonderheden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e868">75</a></td>
+<td width="40%">Groot-Britanni&euml;</td>
+<td width="40%">Groot-Brittanni&euml;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e953">88</a></td>
+<td width="40%">-</td>
+<td width="40%">lucht</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e960">89</a></td>
+<td width="40%">voedigsmarsch</td>
+<td width="40%">voedingsmarsch</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e967">90</a></td>
+<td width="40%">zwermkoorstperiode</td>
+<td width="40%">zwermkoortsperiode</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1000">95</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">ten</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1003">95</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">ten</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1029">100</a></td>
+<td width="40%">koninigin</td>
+<td width="40%">koningin</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1036">101</a></td>
+<td width="40%">koninigin</td>
+<td width="40%">koningin</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1055">104</a></td>
+<td width="40%">paralel</td>
+<td width="40%">parallel</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1084">110</a></td>
+<td width="40%">koniginnen</td>
+<td width="40%">koninginnen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1100">114</a></td>
+<td width="40%">gele&iuml;achtige</td>
+<td width="40%">gelei-achtige</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1109">115</a></td>
+<td width="40%">konnklijke</td>
+<td width="40%">koninklijke</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1155">121</a></td>
+<td width="40%">ge&ouml;pend</td>
+<td width="40%">geopend</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1247">138</a></td>
+<td width="40%">door gaat</td>
+<td width="40%">doorgaat</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1252">138</a></td>
+<td width="40%">volwasen</td>
+<td width="40%">volwassen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1255">138</a></td>
+<td width="40%">wezenttje</td>
+<td width="40%">wezentje</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1310">147</a></td>
+<td width="40%">miskroskoop</td>
+<td width="40%">mikroskoop</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1322">149</a></td>
+<td width="40%">mikroscoop</td>
+<td width="40%">mikroskoop</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1333">151</a></td>
+<td width="40%">kontrakt</td>
+<td width="40%">kontakt</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1342">152</a></td>
+<td width="40%">mikroscoop</td>
+<td width="40%">mikroskoop</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1363">155</a></td>
+<td width="40%">ontennae</td>
+<td width="40%">antennae</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1386">160</a></td>
+<td width="40%">honnigvoorraad</td>
+<td width="40%">honingvoorraad</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1405">163</a></td>
+<td width="40%">princessen</td>
+<td width="40%">prinsessen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1480">178</a></td>
+<td width="40%">oorsponkelijke</td>
+<td width="40%">oorspronkelijke</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1502">183</a></td>
+<td width="40%">honigjaren</td>
+<td width="40%">honingjaren</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1542">190</a></td>
+<td width="40%">konigin</td>
+<td width="40%">koningin</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1554">193</a></td>
+<td width="40%">koniniginnewiegen</td>
+<td width="40%">koninginnewiegen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1561">194</a></td>
+<td width="40%">zuimte</td>
+<td width="40%">ruimte</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1615">201</a></td>
+<td width="40%">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1694">214</a></td>
+<td width="40%">bizondere</td>
+<td width="40%">bijzondere</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1734">221</a></td>
+<td width="40%">te te</td>
+<td width="40%">te</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1741">221</a></td>
+<td width="40%">paralelraten</td>
+<td width="40%">parallelraten</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1746">222</a></td>
+<td width="40%">byzondere</td>
+<td width="40%">bijzondere</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1764">223</a></td>
+<td width="40%">ymker</td>
+<td width="40%">ijmker</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1774">225</a></td>
+<td width="40%">Zuid-Engelan</td>
+<td width="40%">Zuid-Engeland</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1864">239</a></td>
+<td width="40%">dwaselijke</td>
+<td width="40%">dwazelijke</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1873">241</a></td>
+<td width="40%">bijenrepubiiek</td>
+<td width="40%">bijenrepubliek</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1903">246</a></td>
+<td width="40%">bij</td>
+<td width="40%">hij</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1908">247</a></td>
+<td width="40%">is,</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1936">251</a></td>
+<td width="40%">bizonder</td>
+<td width="40%">bijzonder</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1963">255</a></td>
+<td width="40%">balddadig</td>
+<td width="40%">baldadig</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e1990">259</a></td>
+<td width="40%">vegeten</td>
+<td width="40%">vergeten</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2026">264</a></td>
+<td width="40%">lngewanden</td>
+<td width="40%">ingewanden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2127">281</a></td>
+<td width="40%">kunen</td>
+<td width="40%">kunnen</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2159">285</a></td>
+<td width="40%">ymker</td>
+<td width="40%">ijmker</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2162">285</a></td>
+<td width="40%">ymker</td>
+<td width="40%">ijmker</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2179">287</a></td>
+<td width="40%">bizonderlijk</td>
+<td width="40%">bijzonderlijk</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2182">287</a></td>
+<td width="40%">bizonderheden</td>
+<td width="40%">bijzonderheden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2187">288</a></td>
+<td width="40%">bizonder</td>
+<td width="40%">bijzonder</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2202">289</a></td>
+<td width="40%">rhumatiek</td>
+<td width="40%">rheumatiek</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2208">290</a></td>
+<td width="40%">bizonderheden</td>
+<td width="40%">bijzonderheden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2211">290</a></td>
+<td width="40%">bizonderheden</td>
+<td width="40%">bijzonderheden</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2268">295</a></td>
+<td width="40%">Hoofdst.</td>
+<td width="40%">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2287">295</a></td>
+<td width="40%">Ymkers</td>
+<td width="40%">IJmkers</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2449">296</a></td>
+<td width="40%">Moderne(n)</td>
+<td width="40%">Moderne</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2563">296</a></td>
+<td width="40%">Ymkerij</td>
+<td width="40%">IJmkerij</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td width="20%"><a class="pageref" href="#xd0e2573">296</a></td>
+<td width="40%">Ymkerij</td>
+<td width="40%">IJmkerij</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Het verhaal van de honingbij, by Tickner Edwardes
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET VERHAAL VAN DE HONINGBIJ ***
+
+***** This file should be named 28963-h.htm or 28963-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/8/9/6/28963/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
diff --git a/28963-h/images/einde.gif b/28963-h/images/einde.gif
new file mode 100644
index 0000000..ca516b2
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/einde.gif
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/front.jpg b/28963-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..126ae1b
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/ornament1.gif b/28963-h/images/ornament1.gif
new file mode 100644
index 0000000..d45b225
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/ornament1.gif
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/ornament2.gif b/28963-h/images/ornament2.gif
new file mode 100644
index 0000000..d6e654a
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/ornament2.gif
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p004.jpg b/28963-h/images/p004.jpg
new file mode 100644
index 0000000..60be643
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p004.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p047.jpg b/28963-h/images/p047.jpg
new file mode 100644
index 0000000..270518a
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p047.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p059.jpg b/28963-h/images/p059.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4ef2d22
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p059.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p071.jpg b/28963-h/images/p071.jpg
new file mode 100644
index 0000000..87b06ad
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p071.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p085.jpg b/28963-h/images/p085.jpg
new file mode 100644
index 0000000..55b07b8
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p085.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p093.jpg b/28963-h/images/p093.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b154f6c
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p093.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p105.jpg b/28963-h/images/p105.jpg
new file mode 100644
index 0000000..13f5b6e
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p105.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p111.jpg b/28963-h/images/p111.jpg
new file mode 100644
index 0000000..af033f3
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p111.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p129.jpg b/28963-h/images/p129.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1744562
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p129.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p139.jpg b/28963-h/images/p139.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8c37613
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p139.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p165.jpg b/28963-h/images/p165.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2752d02
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p165.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p173.jpg b/28963-h/images/p173.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c627ede
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p173.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p179.jpg b/28963-h/images/p179.jpg
new file mode 100644
index 0000000..94fea58
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p179.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p185.jpg b/28963-h/images/p185.jpg
new file mode 100644
index 0000000..780dd99
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p185.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p191.jpg b/28963-h/images/p191.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3c9854f
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p191.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p207.jpg b/28963-h/images/p207.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3e80a6c
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p207.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p217.jpg b/28963-h/images/p217.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f7d910d
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p217.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p233.jpg b/28963-h/images/p233.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d521350
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p233.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p251.jpg b/28963-h/images/p251.jpg
new file mode 100644
index 0000000..402ed9d
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p251.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p267.jpg b/28963-h/images/p267.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fcccca1
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p267.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/p277.jpg b/28963-h/images/p277.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f346a03
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/p277.jpg
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/titlepage1.gif b/28963-h/images/titlepage1.gif
new file mode 100644
index 0000000..205e693
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/titlepage1.gif
Binary files differ
diff --git a/28963-h/images/titlepage2.gif b/28963-h/images/titlepage2.gif
new file mode 100644
index 0000000..4a8e416
--- /dev/null
+++ b/28963-h/images/titlepage2.gif
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..4c9eaa4
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #28963 (https://www.gutenberg.org/ebooks/28963)