diff options
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/32834-8.txt | 5710 | ||||
| -rw-r--r-- | old/32834-8.zip | bin | 0 -> 121699 bytes |
2 files changed, 5710 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/32834-8.txt b/old/32834-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5481a9f --- /dev/null +++ b/old/32834-8.txt @@ -0,0 +1,5710 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 7: De Pluviervogels + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: June 16, 2010 [EBook #32834] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + +ZEVENDE ORDE. + +DE PLUVIERVOGELS (Charadriornithes). + + +Tien familiën, die in vroegere stelsels over verschillende +orden verdeeld waren, heeft Fürbringer op grond van anatomische +onderzoekingen samengevoegd tot de orde der Pluviervogels of +Speurvogels (Charadriornithes) met slechts één (gelijknamige) +onderorde (Charadriiformes), die drie groepen van familiën omvat: +de Oevervogels (Laro-limicolae), de Parravogels (Parrae) en de +Trapvogels (Otides). Als vierde groep moeten hierbij misschien nog +gevoegd worden de uitgestorven Vischvogels (Ichthyornithes), die in +de Krijt-periode leefden en goed ontwikkelde vleugels hadden, maar +zich van alle thans levende Vogels onderscheidden door den biconcaven +vorm der wervellichamen en het bezit van een groot aantal echte, met +wortels in tandkassen van beide kaken bevestigde tanden. Zij hadden +de grootte van een Duif. + + + +De eerste van de 7 familiën der Oevervogels is die der Pluvierachtigen +(Charadriidae), die, volgens Fürbringer, 2 onderfamiliën omvat: +de Snipvogels (Scolopacinae) en de echte Pluvieren (Charadriinae). + +De Snipvogels (Scolopacinae) zijn kleine of middelmatig groote, +sierlijk gebouwde moerasvogels; de van boven afgeronde kop heeft +een plat voorhoofd, dat naar voren smaller wordt tot de plaats, +waar het zonder scherpe afscheiding overgaat in den steeds langen, +dikwijls zelfs buitengewoon langen snavel; deze is slank en zwak en +heeft stompe, ongetande zijranden; hij is steeds aan den wortel met +een zachte huid bekleed, die zich dikwijls zelfs tot bij de spits +uitstrekt. Van de fijne, spleetvormige neusgaten aan den snavelwortel +tot de spits neemt de snavel weinig in breedte en hoogte af; hij +is òf recht, òf een weinig naar beneden, òf naar boven gekromd, +niet zelden buigzaam. De zwakke, slanke voet heeft gewoonlijk een +langen loop; de drie voorteenen zijn middelmatig lang; de zelden +ontbrekende achterteen is kort en hooger ingeplant; bij sommige +soorten zijn de voorteenen vrij, bij andere door vliezen vereenigd, +die zich bij eenige aan één der teenen tot aan den nagel uitstrekken, +bij enkele zijn de teenen met een huidzoom voorzien langs de zijden. De +vleugels zijn middelmatig lang en spits, aan den achterrand meer +of minder sikkelvormig uitgesneden; zij reiken tot, of voorbij de +spits van den korten, uit 12 à 26 pennen samengestelden staart. Het +vederenkleed is bij mannetjes en wijfjes meestal nagenoeg gelijk, bij +jongen en ouden in den regel zeer verschillend van kleur.--Zij bewonen +vochtige en moerassige oorden, waterkanten en de zeekust, leven in den +zomer bij paren, welke dikwijls bovendien tot grootere gezelschappen +vereenigd zijn; 's winters vormen zij groote en gemengde troepen; +zij zijn elkander, naar het schijnt, genegen, verkeeren althans +gaarne onderling. Hun voedsel bestaat uit Insecten en hunne larven, +Wormen en Schaaldieren, sommige eten ook wel zaden. Bij nagenoeg +alle soorten wordt het zeer verschillende, doch meestal op den grond +rustende nest door het mannetje en het wijfje gezamenlijk gebouwd; +beurtelings bebroeden zij de vier peervormige, aardkleurige eieren; +de jongen, die met dons bekleed uit den dop komen en het nest zeer +spoedig verlaten, worden, totdat zij in staat zijn om zelfstandig +voedsel te zoeken, door beide ouders gehoed. Alle bij ons broedende +soorten zijn trekvogels, die, welke op lagere breedten leven, +zwerfvogels. Zij trekken meestal 's nachts, sommige afzonderlijk, +de meeste tot zwermen vereenigd. Zij bewonen de geheele aarde. + +Om een gemakkelijker overzicht te geven van de talrijke, voor ons +gewichtige vormen, die tot deze onderfamilie behooren, splitsen +wij haar in vijf afdeelingen: Snippen, Strandloopers, Waterloopers, +Franjepooten en Kluiten. + + + +Bij de Snippen is de kop zijdelings samengedrukt, het voorhoofd +lang en hoog, de snavel recht, langer dan het onbevederde deel van +den poot, twee- of driemaal zoolang als de kop, nagenoeg geheel met +een zachte huid bekleed, alleen langs den rand van de eenigszins +verdikte bovensnavelspits hoornachtig; deze spits omsluit die van +den ondersnavel, daar zij niet slechts langer dan deze, maar ook een +weinig benedenwaarts gebogen is. Beide spitsen vormen te zamen een +zeer fijngevoelig tastorgaan: de in beenkanaaltjes gelegen zenuwvezels, +die in de huid van den snavel eindigen, zijn aan de spits buitengewoon +talrijk. Bij alle Vogels moet op het oogenblik, dat de onderkaak +naar beneden wordt bewogen, de bovenkaak in tegengestelde richting +draaien. (Dit geschiedt door de werking van het vierkantsbeen, +dat niet alleen met de onderkaak en den schedel, maar ook door +bemiddeling van andere beenderen met de bovenkaak beweeglijk +verbonden is.) Deze beweging is zeer duidelijk bij de Snippen, +waar het draaipunt van de bovenkaak ver naar voren ligt. Dit staat +in verband met het eigenaardige maaksel van den schedel, die als +'t ware een verschuiving naar onderen en naar voren heeft ondergaan, +zoodat het achterhoofdsgat niet, zooals gewoonlijk, naar achteren, +maar naar onderen is gericht, terwijl de gehooropeningen, in plaats +van achter, onder de (hier grootere en verder naar boven en naar +achteren gelegen) oogen voorkomen. Dat de geschiktheid van den +snavel om als tast- en grijporgaan te dienen door zijn vermeerderde +beweeglijkheid belangrijk is toegenomen, ligt voor de hand. De vleugels +zijn middelmatig lang, doch breed, de pooten kort; het onderbeen is +tot dicht bij het spronggewricht bevederd; de voorteenen zijn niet +met elkander vereenigd, de middelste voorteen is bijzonder lang, +de achterteen kort en hoog ingeplant. De kleur van het vederenkleed, +hoewel bont gevlekt, loopt zeer weinig in 't oog, steekt zoo weinig +af bij die van de verblijfplaats der Vogels, dat deze, als zij zich +tegen den bodem drukken, zeer moeilijk te vinden zijn. In verband met +de ligging van het achterhoofdsgat, houden zij den snavel zoowel bij +'t loopen als bij 't vliegen sterk naar beneden gericht. Zij zijn meer +in de schemering (of zelfs 's nachts) werkzaam dan over dag, bewonen +in de noordelijke en gematigde gewesten moerassen, broeklanden, +veengronden en ook bosschen en voeden zich met Wormen, Insecten +en hunne larven, die zij met haar grijp- en tastorgaan gemakkelijk +in den weeken bodem opsporen en van een vrij groote diepte aan de +oppervlakte brengen kunnen. Daar de spits van den bovensnavel die +van den ondersnavel omsluit, kan de geheele spits gemakkelijker in +den grond gestoken worden. Men ontmoet ze bijna altijd afzonderlijk; +tot troepen of talrijke zwermen vereenigen zij zich nooit; zelfs op den +trek reizen zij alleen. In den paartijd hoort men dikwijls haar stem en +de mannetjes vertoonen dan dikwijls opmerkelijke vliegkunstjes.--Ons +vaderland wordt bewoond of althans bezocht door vier algemeen bekende +soorten van Snippen: één van het geslacht der Houtsnippen, drie van +het geslacht der Watersnippen. + + + +Bij de Houtsnippen (Scolopax) zijn alle eigenaardigheden van de Snippen +het duidelijkst waarneembaar. Het lichaam is plomp, de snavelspits +afgerond; de pooten zijn betrekkelijk zeer kort, hun bevedering strekt +zich van voren, doch niet van achteren, tot het spronggewricht uit; +de schaften van de 12 stuurpennen zijn naar binnen gekromd; de nagel +van den achterteen is stomp kegelvormig en steekt niet voorbij den teen +uit. Deze vogels bewonen uitsluitend de bosschen en wel op vochtige +plaatsen. Tot dit geslacht behooren één Europeesche en drie Noord- +en Middel-Aziatische soorten. + + + +De Houtsnip, in Gelderland Woudsnep genoemd (Scolopax rusticola), +is voor op den kop grijs; de boven- en achterkop en de nek zijn met +vier bruine en vier roestgele dwarsstrepen geteekend; overigens +is de bovenzijde roestkleurig, roestgrijs, roestgeel, grijsbruin +en zwart gevlekt, op de keel witachtig, op de overige onderdeelen +met geelachtig grijze en bruine golflijnen; de slagpennen zijn op +bruinen, de stuurpennen op zwarten grond met roestkleurige vlekken +geteekend. Het zeer groote oog is bruin, de snavel, zoowel als de voet, +hoornkleurig grijs. Totale lengte 32, staartlengte 9, snavellengte +7,5 cM. + +"De jagers noemen de groote, lichtgekleurde voorwerpen met +vleeschkleurige pooten, die men bij oostenwind soms reeds in het begin +van October vindt, Uilenkoppen; de kleinere met donkerder vederen en +leikleurige pooten, die men veel later, vooral in November, bij ruw, +stormachtig weder en noordwestenwind, aantreft, Blauwpootjes. Sommigen +zijn van meening, dat eerstgenoemde wijfjes, laatstgenoemde mannetjes +zijn, en in Duitschland heeft men opgemerkt, dat in het voorjaar, +wanneer deze Vogels aan paren vliegen, de voorste altijd tot de +grootere, de achterste tot de kleinere behoort." (Albarda.) + +Met uitzondering van eenige eilanden van het noorden heeft men +de Houtsnip in alle landen van Europa en ook in geheel Noord- en +Middel-Azië, voorts op Madeira, de Kanarische eilanden en de Azoren +aangetroffen; zelden dwaalt zij naar IJsland af, eenmaal heeft men +haar op Newfoundland ontmoet. In Nederland, Duitschland, Engeland, +Schotland en Ierland broeden betrekkelijk weinige Houtsnippen. In +bosschen, op moerassige plaatsen heeft men bij ons in Gelderland, +Zuid-Holland (Lisse), Friesland (Kuikhorne, Makkinga, Dantumawoude) +en de meeste andere provinciën enkele paren broedend aangetroffen. In +Duitschland werd het broeden van deze soort het meest waargenomen +in de middelgebergten en in het noorden. In Noord-Europa vindt men +gedurende den zomer in alle groote wouden Houtsnippen. Hoewel sommige +in zachte winters gedurende het geheele jaar op haar broedplaats +blijven, reizen de meeste iederen herfst naar het zuiden om in het +zuidwesten van Azië, in Zuid-Europa en in het noordwesten van Afrika +den winter door te brengen. In Griekenland komen enkele exemplaren +reeds in het midden van September aan. + +Al naar de weersgesteldheid in het noorden komen de Houtsnippen hier te +lande vroeger of later. In den regel zijn zij in October en November +het menigvuldigst. In kleiner aantal bezoeken zij ons land in het +voorjaar. Gemiddeld begint men in het midden van Maart op doortrekkende +Houtsnippen te rekenen. Iets bepaalds kan hierover echter niet gezegd +worden, omdat juist deze Vogel den jager, die hem zoo nauwkeurig +mogelijk nagaat, ieder jaar nieuwe raadsels opgeeft. Ook de weg, +dien zij volgen, verschilt zeer; op een plaats, die aan alle eischen +schijnt te voldoen, en waar men in 't eene jaar zeer vele Houtsnippen +aantreft, ziet men dit wild in een ander jaar nagenoeg in 't geheel +niet. Wanneer het na een strengen winter te rechter tijd begint te +dooien en het weer daarna zacht blijft, heeft de voorjaarstrek op de +regelmatigste wijze plaats. Bovendien moet men in 't oog houden, dat +de Snippen, evenals andere Vogels, niet gaarne voor den wind trekken, +bij voorkeur dus bij een niet te krachtigen tegenwind reizen. Zeer +donkere of stormachtige nachten verhinderen den trek; ook worden de +Vogels vaak door de verwachting van slecht weer, van late sneeuwvlagen +b.v., op hun verblijfplaats teruggehouden. In groote, samenhangende +wouden vindt men ze meer dan in kleine bosschen, hoogst waarschijnlijk, +omdat de groote wouden hun meer beschutting verschaffen dan de kleine, +die zij later gaarne bezoeken. In gewesten met weinig houtgewas +strijken zij niet neer, zelden zelfs in tuinen met vele boomen +of in alleenstaande kreupelboschjes.--"Zij trekt bij nachttijd," +schrijft Schlegel, "ligt over dag verscholen in het hout en vliegt, +indien zij opgejaagd wordt, den bek benedenwaarts gericht, op niet +zeer aanzienlijke afstanden, om weder in het hout in te vallen. De +trek begint in October en er komen er dikwijls nog in December +aan. Zij vertoeft onder weg op gunstige plaatsen, dikwijls totdat +er strenge vorst invalt; hierdoor worden vele een prooi der jagers, +die op dit wild, hetzij omdat het een uitstekend gerecht levert, +hetzij omdat het een op andermans grond grootgebrachte vreemdeling +is, zeer gretig zijn. In het voorjaar, veelal reeds in Maart, keert +zij meer rechtstreeks en spoedig naar hare broedplaatsen terug en +wordt alsdan in ons land weinig aangetroffen."--"In het najaar," +bericht Mr. H. Albarda ten aanzien van Friesland, "menigvuldig op +den doortrek, het meest in de woudstreken, doch ook hier en daar op +de klei, vooral aan de kust. Somtijds zelfs in het vlakke veld, ver +van alle boomen verwijderd, alsook in rietvelden. Komt, vooral bij +noordelijken wind, het meest voor in Gaasterland, waar uitgestrekt +bosch onmiddellijk aan zee is gelegen, en wordt aldaar met laatvlouwen +gevangen. Onder gunstige omstandigheden vangt men soms op één dag, +met 50 vlouwen, 200 stuks, welk getal aanzienlijk is te noemen, +indien men in aanmerking neemt, dat deze vangst slechts gedurende +een half uur vóór zonsopgang en gedurende even zoo langen tijd na +zonsondergang kan plaats hebben. In sommige vochtige bosschen blijft +een klein getal den winter over, zoo deze niet al te streng is." + +Naar het schijnt, geeft de Houtsnip aan geen enkele boomsoort de +voorkeur: men vindt haar in naaldboomwouden even dikwijls als in +bosschen met breedbladige boomen. Een hoofdvoorwaarde voor haar +bestaan is een vochtige, weeke boschgrond, waarin zij haar snavel +kan steken. De ontzaglijke wouden van het noorden, die voor 't +meerendeel uit sparren bestaan, bevredigen hare eischen volkomen; +armoedige dennebosschen van zandstreken lokken haar daarentegen +volstrekt niet aan. + +Haar dagelijksch of huiselijk leven is niet gemakkelijk na te gaan, +omdat zij zeer vreesachtig, wantrouwig en schuw is. Over dag vertoont +zij zich nooit in 't open veld; wanneer zij een enkele maal genoodzaakt +is, hier neer te strijken, drukt zij zich plat op den grond: haar +vederenkleed is dan, evenmin als dat van de Patrijs, van den bodem +te onderscheiden. Als het in 't woud zeer stil is, loopt zij soms +ook over dag rond; zij kiest dan echter altijd plaatsen uit, waar +zij zoo goed mogelijk verborgen en tegen het voor haar waarschijnlijk +hinderlijke, schelle licht beschut is. Eerst in de schemering begint +zij met opgewektheid rond te loopen. Als zij op haar gemak is, +trekt zij den hals in, houdt den romp waterpas, den snavel met de +spits naar den grond gericht. Zij loopt in gebogen houding, sluipend, +trippelend, niet zeer snel en niet lang achtereen; zij vliegt echter +in alle opzichten uitmuntend. Zij kan zich door de dichte twijgen +heenwringen, zonder ergens tegen aan te stooten, de snelheid van +'t vliegen over 't algemeen geheel naar de omstandigheden wijzigen, +haar nu eens bespoedigen dan weer vertragen; zij maakt behendig +wendingen in iedere richting, rijst of daalt naar verkiezing, verheft +zich echter, over dag althans, nooit in hooge luchtlagen en vliegt, +zoolang zij dit vermijden kan, nooit over een open terrein. Als zij +verschrikt werd gemaakt, hoort men bij 't opvliegen een dof geklepper, +waaraan de jager haar steeds herkent, ook als hij haar niet te zien +krijgt. Als zij over dag vervolgd wordt en vreesachtig geworden is, +stijgt zij gewoonlijk 's avonds in bijna loodrechte richting omhoog +en trekt zoo schielijk mogelijk verder. Geheel anders is haar wijze +van vliegen, wanneer zij, om een wijfje te behagen, haar bekwaamheid +toont. Zij zet dan hare veeren op, zoodat zij veel grooter schijnt +dan zij werkelijk is, komt zeer langzaam aanvliegen, beweegt hare +vleugels met doffe slagen en gelijkt meer op een Uil dan op eenigen +Moerasvogel of Steltlooper. + +Bij oppervlakkige kennismaking met een levende Houtsnip komt men +er licht toe, haar voor een zeer dommen Vogel te houden; bij nader +onderzoek leert men haar niet slechts als een scherpzinnigen, maar +ook, en in veel hoogere mate dan men verwacht zou hebben, als een +schranderen of althans zeer listigen Vogel kennen; zij weet zeer goed, +hoe uitmuntend haar aard- of schorskleurig kleed haar beveiligt en +heeft er meesterlijk slag van om bij het "drukken" steeds een plaats +uit te kiezen, waar zij niet opgemerkt wordt. Een Snip, die zonder +zich te bewegen tusschen droge bladen, brokjes hout, naast een op den +grond gevallen stuk schors of een boven de oppervlakte uitstekenden +wortel ligt, wordt zelfs door het scherpzichtige oog van den geoefenden +en ervaren jager over 't hoofd gezien, in 't gunstigste geval alleen +aan de groote oogen herkend. Deze houding blijft onveranderd, zoolang +haar dit raadzaam voorkomt; vooral als zij vervolgd wordt, laat zij den +jager dikwijls tot op een afstand van weinige schreden naderen, voordat +zij plotseling opvliegt. Daarna vliegt zij, nooit anders dan aan de +tegenovergestelde zijde van het boschje, naar buiten, altijd zorgend, +dat zij door struikgewas en boomen tegen den jager beveiligd is. Bij +'t neervallen beschrijft zij dikwijls een grooten boog, maar strijkt, +wanneer zij reeds het dichte geboomte bereikt heeft, nog ver daarin +voort, "slaat" ook wel "een haak" en leidt op deze wijze haar vijand +niet zelden volkomen om den tuin; zeer te recht rekent zij er dus op, +dat men haar zal zoeken op de plaats, waar men haar in 't bosch heeft +zien doordringen. Het pleit voor haar verstandelijke ontwikkeling, +dat zij haar wantrouwen jegens den mensch langzamerhand aflegt, +wanneer zij meer intiem met hem verkeert. Men kan haar temmen; een +Snip, die van jongs af met den mensch heeft omgegaan, wordt zeer +gemeenzaam. Haar stem mist alle welluidendheid; de geluiden, die +zij maakt, klinken heesch en dof als "katsj" of "dak" en "eetsj", +maar ondergaan eenige wijzigingen in den paartijd of door angst: in +'t eerstgenoemde geval hoort men een kort afgebroken gefluit, dat als +"pssiep" klinkt en dikwijls het voorspel is van een dof, schijnbaar +diep uit de borst oprijzend "joerrk"; in 't laatstgenoemde geval +wordt haar geluid kwiekend en klinkt als "sjeetsj". + +Als de avondschemering invalt, vliegt de Houtsnip naar breede +boschwegen, weiden en moerassige plaatsen in of in de nabijheid van +het woud, om voedsel te zoeken. Een zorgvuldig verborgen waarnemer, +wiens aanwezigheid zij niet vermoedt, kan zien, hoe zij haar langen +snavel onder de oude, afgevallen bladen steekt en deze bij hoopen +tegelijk omkeert, om de hieronder verborgen larven, Kevers en Wormen te +voorschijn te brengen, of hoe zij dit werktuig in den vochtigen, lossen +grond boort, het eene gat dicht bij het andere maakt, zoo diep als dit +met den zachten, buigzamen snavel kan geschieden. Op een dergelijke +wijze doorzoekt zij den verschen rundermest, die zeer spoedig vol +insectenlarven zit. Gewoonlijk blijft zij niet lang op dezelfde +plaats, maar vliegt van de eene naar de andere. Larven van de meest +verschillende Insecten en deze dieren zelf, kleine naakte Slakken, +vooral echter Regenwormen maken haar voedsel uit. In de gevangenschap +geraakt zij, wanneer men haar aanvankelijk rijkelijk met Regenwormen +voorziet, langzamerhand ook aan 't eten van wittebrood en mierenpoppen +gewoon; ook leert zij spoedig het boren in de zachte zoden, zelfs als +zij zoo jong uit het nest genomen werd, dat zij niet in de gelegenheid +is geweest om deze wijze van kostwinnen van hare ouders af te zien. + +In eenzame, stille wouden kiest de Houtsnip om te nestelen plaatsen +uit, waar dicht onderhout met vrije, open plekken afwisselt. Nadat het +paartje tot overeenstemming is gekomen, het mannetje met zijne buren +weken lang gekrakeeld heeft, zoekt het wijfje een geschikt plaatsje op +achter een kleinen struik of een ouden boomstomp, tusschen wortels, mos +en grassen; zij gebruikt hier een reeds aanwezig kuiltje in den grond +als nestplaats of graaft er zelf een, en bekleedt dit op gebrekkige +en kunstelooze wijze met een kleine hoeveelheid droge grassen, mos +en andere stoffen; zij legt hierop 4 tamelijk groote, kortbuikige, +gladschalige, glanslooze eieren, die op bleek roestgelen grond met +roodachtig grijze ondervlekken en donker roodachtige of geelbruine +bovenvlekken nu eens dichter dan weer minder dicht geteekend zijn, doch +welker grootte en kleur overigens veel verscheidenheid aanbiedt. Zij +broedt met den grootsten ijver 17 of 18 dagen lang, laat een mensch, +die eieren zoekt of toevallig in de nabijheid komt, tot op een +afstand van weinige schreden naderen, voordat zij opvliegt, laat zich +zelfs aanraken, vliegt gewoonlijk niet ver weg en keert zoo schielijk +mogelijk naar het nest terug; ook blijft zij broeden, wanneer men haar +een ei ontnomen heeft. Het mannetje bekommert zich, naar het schijnt, +weinig om zijn gade, komt echter weer bij haar, wanneer de jongen +de eischaal verlaten en uit het nest geloopen zijn. De beide ouders +zijn vol zorg voor hun kroost, vliegen bij het naderen van een vijand +angstig op en bewegen zich uit list op een schommelende en slingerende +wijze; onder het angstig geroep van "dak-dak" beschrijven zij slechts +kleine kringen in de lucht en vallen in de nabijheid weder op den +grond. Intusschen verbergen de jongen zich zoo uitmuntend tusschen +mos en grassen, dat men ze zonder Hond zelden vindt. Vele jagers +(waarbij zeer nauwgezette waarnemers waren) hebben gezien, dat oude +Houtsnippen hunne jongen bij groot gevaar in veiligheid brachten, +door ze met de klauwen aan te vatten, of met den hals en den snavel +tegen de borst te drukken, of in den snavel te nemen, of tusschen de +bovenschenkels te klemmen en vervolgens weg te vliegen. In de derde +week van hun leven beginnen de jongen te fladderen; nog voordat zij +behoorlijk hebben leeren vliegen, zorgen zij voor zichzelf. + +Vroeger meende men, dat de Houtsnip slechts eens in 't jaar broedt +en hoogstens wanneer haar het eerste broedsel ontnomen werd, voor +een tweede begint te zorgen; uit latere berichten schijnt echter +te blijken, dat in gunstige jaren alle of althans de meeste paren +Houtsnippen tweemaal broeden. + +Van Boschkatten en Huiskatten, Marters, Haviken en Sperwers, +Edelvalken, Vlaamsche Gaaien en Eksters hebben de Houtsnip en haar +kroost veel te lijden. Door den jager wordt zij alleen gedurende +den trek vervolgd, door de bewoners van zuidelijke landen ook in +hare winterkwartieren, hoewel haar vleesch dan dikwijls hard en +taai is. De snippenjacht is voor den liefhebber een bron van groot +genoegen, zoowel het jagen op den "aanstand" in den morgen of den +avond, terwijl de Vogels rondzwerven, als de drijfjacht. + + + +De Watersnippen, de Bécassines der Franschen en Duitschers +(Gallinago), onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht +door het afgeplat zijn van de snavelspits; het onderbeen is boven +het spronggewricht zoowel van voren als van achteren onbevederd; de +nagel van den achterteen is gekromd en steekt voorbij den teen uit; +de staart bevat 12 à 26 pennen met rechte schaft. Haar levenswijze +komt met die van de Houtsnippen overeen; zij vermijden echter het +woud en in 't algemeen ieder samenhangend gewelf van planten boven +zich; opene, moerassige, veenachtige laaglanden verschaffen haar een +woonplaats. Van de 24 ver verbreide soorten, die dit geslacht vormen, +zijn er 3 inheemsch. + + + +De grootste van deze is de Poelsnip of Dubbele Snip, in Noordbrabant +Poelsnep, in Gelderland Grasvogel of Grassnep genoemd (Gallinago +major). De bovenkop is bruinachtig zwart met een smalle, +roestgeelachtige streep in het midden en een boven ieder oog; +de overige bovendeelen zijn zwartbruin met roestgele vlekken, de +vleugeldekveeren met witte, ook over de schaft zich uitstrekkende +topvlek, de eerste handpen bruin met lichte schaft en witten +buitenzoom; van de 16 stuurpennen hebben de drie buitenste een witte +eindhelft; de onderzijde is roestgeel met zwarte vlekken. Totale +lengte 28, staartlengte 6 cM. + +Zij broedt in de toendra van de Oude Wereld, waar zij de eenige +vertegenwoordiger is van haar geslacht. Reeds in Skandinavië +nestelt zij betrekkelijk zelden, nog zeldzamer in de verder +zuidwaarts gelegen gematigde gewesten van Europa; enkele paren +zijn bij ons broedende gevonden in moerassige streken van Limburg +en Noordbrabant, zeer enkele ook in andere provinciën (bij Suawoude +in Friesland en in Groningen). Zij heeft hare winterkwartieren in +Afrika en Zuidwest-Azië. Daar haar broedgebied eerst laat bevrijd is +van sneeuw en de winter er vroeg begint, begeeft zij zich in 't najaar +vroegtijdig op reis en keert laat in 't voorjaar terug. Ons land wordt +door haar op den trek slechts weinig bezocht, in 't najaar ontmoet +men haar hier veelal slechts van het laatst van Juli tot September, +in het voorjaar in April en Mei. + + + +Beter bekend is hier te lande en in geheel Europa de Watersnip +(Gallinago gallinago of Gallinago caelestis). De bovenzijde is op +bruinzwarten grond geteekend met een breede, roestgele streep, die +over het midden van den kop loopt en vier lange, roestgele strepen, +die zich over den rug en de schouders uitstrekken, bovendien met +roestkleurige vlekken en dwarsbanden op alle veeren; de onderzijde is +wit, de voorhals grijs en, evenals de bovenborst en de zijden, bruin +gevlekt. De staart bestaat uit 14 stuurpennen. Het oog is donkerbruin, +de snavel zwart, de voet vuil vleeschkleurig met groenblauwachtige +tint. Totale lengte 29, snavellengte ruim 7, staartlengte 6 cM. + +Het noorden van Europa en Azië is het vaderland van de Watersnip; zij +broedt overal, waar groote moerassen zijn, waarschijnlijk nog in het +zuiden van Europa en misschien zelfs in Noord-Afrika. In Nederland +broedt zij algemeen op lage veenachtige gronden, hier en daar ook +op de klei. Voorts broedt zij in Noord-Duitschland, Denemarken, +Skandinavië, Lijfland, Finland en Zuid-Siberië; in al deze landen is +zij op geschikte plaatsen buitengewoon veelvuldig. Op den trek bezoekt +zij alle groote en kleine moerassen, broeklanden en veengronden, die +tusschen haar zomer- en haar winterverblijf gelegen zijn. Het laatste +is misschien nog uitgestrekter dan het eerste, daar het van Zuid-China +tot aan den Senegal (tusschen 45 en 10° N.B.) reikt. Gedurende den +trek is zij in ons geheele land op lage, vochtige plaatsen zeer +menigvuldig. De najaarstrek heeft plaats van September totdat de +vorst invalt, de voorjaarstrek in Maart en April. In zachte winters +blijven enkele voorwerpen bij ons over op plaatsen waar stroomend +water is. In Duitschland vindt men ze bij de zoogenaamde warme bronnen +zelfs in sneeuwrijke winters. Droge streken trekt zij zoo schielijk +mogelijk door. Men ontmoet haar uitsluitend in vochtige laaglanden, +sompen, moerassen, drasse weiden, kortom op plaatsen, die in meerdere +of mindere mate op het eigenlijke moeras gelijken. Zij verlangt op +haar verblijfplaats een bodem begroeid met grassen, zeggen, riet en +andere moerasplanten, die geen hinderpalen oplevert bij 't boren +met den snavel. In zulke oorden, die wij kortweg moerassen zullen +noemen, leeft zij, behalve in den broedtijd zoo stil, dat men van +haar aanwezigheid niets bespeurt. Ook zij arbeidt bij voorkeur in de +schemering, maar is toch veel meer dagvogel dan de Houtsnip. + +Haar buitengewoon snelle vlucht kenmerkt zich door den uit verscheidene +zigzaglijnen bestaanden weg, dien zij kort na het opstijgen volgt +en die eerst daarna recht wordt. Bijna iedere Watersnip verheft +zich plotseling in de lucht, ijlt met snelle vleugelslagen ver weg, +beschrijft een grooten boog, komt nagenoeg op de plaats van uitgang +terug, vouwt eensklaps de vleugels op en stort zich in schuinsche +richting weer in het moeras. Dat zij uitmuntend kan zwemmen en deze +kunst ook beoefent, zonder er door den nood toe gedwongen te zijn, +werd dikwijls waargenomen. In tijd van gevaar, vooral als zij door +een Roofvogel vervolgd wordt, tracht zij zich te redden door onder +te duiken. + +Het geluid, dat zij gewoonlijk bij het opvliegen laat hooren, is +een heesch "ketsj", dat soms verscheidene malen herhaald wordt. In +den trektijd hoort men van haar het heesche geluid "grek, gek gè" +en ook somtijds den hoogen toon "tsiep". + +In vele opzichten verschilt haar aard van dien der beide reeds genoemde +Snippen. Wel is ook zij zeer schuw en vreesachtig, maar tevens veel +beter geschikt en meer geneigd om zich te bewegen; zij vliegt dikwijls +uitsluitend voor haar genoegen rond, zonder eenige andere merkbare +bedoeling; alleen als zij zeer vet geworden is, maakt zij eenigszins +den indruk van traag te zijn. Het mannetje en het wijfje zijn zeer +aan elkander gehecht en houden veel van hun kroost. + +Haar voedsel bestaat uit Insecten, Wormen, kleine naakte Slakken en +Weekdieren met dunne schelp. Deze vangt zij in de schemering en den +nacht; men ziet haar n.l. alleen in dezen tijd van de eene plaats +naar de andere zwerven en plaatsen bezoeken, waar zij zich over +dag niet vertoont. Als zij rijkelijk voedsel kan vinden, wordt zij +buitengewoon vet. + +Reeds lang voor het leggen beginnen de zeer merkwaardige +minnespelen. "Het mannetje," schrijft Naumann, "vliegt meestal +bliksemsnel van zijn zitplaats op, eerst in scheeve richting naar +boven, daarna met groote schroefvormige wendingen loodrecht omhoog, +bij helder weder zoo ver, dat slechts een geoefend oog hem nog +als een Vogel herkent. Op deze hoogte vliegt hij met fladderende +vleugelbeweging in een kring rond en schiet vervolgens met geheel +uitgebreide, onbewogen wieken langs een vertikalen boog beurtelings +naar boven en naar beneden; dit geschiedt met zooveel kracht, dat de +snelle trillingen van de toppen der groote slagpennen een gonzenden, +knorrenden of brommenden toon doen ontstaan, die zeer veel op het +blaten van een Geit gelijkt, en aanleiding heeft gegeven tot de in +Duitschland gebruikelijke namen "Hemelgeit, Haverbok," enz. Later +is men tot de overtuiging gekomen, dat niet de slagpennen, maar de +staartveeren het geluid veroorzaken. + +De Watersnip is wegens haar verblijfplaats en haar groote bekwaamheid +in 't vliegen aan minder gevaren blootgesteld dan de Houtsnip. De +Europeaan vervolgt haar wegens haar smakelijk vleesch, dat stellig de +voorkeur verdient boven dat van de Houtsnip; deze jacht wordt echter +niet overal met grooten ijver beoefend, omdat het rondwaden in het +moeras en het treffen van een Vogel in de vlucht niet ieders zaak +is. Zeer veel werk maken de Hongaren en de Europeanen in Egypte en +Indië van deze jacht; nergens levert zij trouwens betere uitkomsten +op dan in de door hen bewoonde landen. + +Men kan ook Watersnippen in de kooi houden; het kost echter veel +moeite om haar aan de veranderde omstandigheden te doen gewennen. + + + +De kleinste soort van Snip is het Bokje, in Zeeland Lapper, in +Noordbrabant Dooverik, Halfke en Pink, in Limburg Doover en Kleine +Watersnep genoemd (Gallinago gallinula of Limnocryptes gallinula): +zij is slechts 16 cM. lang (staartlengte 4 cM.). De teugel en een +streep onder de wang, die achter de oorstreek langs weer naar het +oog gericht is, zijn bruin, twee strepen boven en onder het oog +roodgeelachtig, de mantelveeren zwartblauw met groenen en purperen +weerschijn en met vier roestgele, overlangsche strepen, de gorgel, +de krop en de zijden grijs met bruinachtige golflijnen en vlekken, +de onderdeelen overigens wit, de slagpennen en staartveeren dofzwart, +deze met roestgelen zoom. De staart bestaat uit 12 pennen, waarvan +de beide middelste langer en spitser zijn. + +Men ontmoet haar gedurende den herfst- en den voorjaarstrek op dezelfde +plaatsen als de Watersnip, doch iets later dan deze en nooit in zoo +grooten getale. Het is niet onmogelijk, dat deze soort hier enkele +malen broedt, zooals ook in Duitschland hier en daar geschiedt; +haar eigenlijk vaderland is echter Rusland en West-Siberië. + +Haar houding komt met die van de overige Snippen overeen; zij +loopt ongeveer als deze over den grond, maar vliegt minder goed, +n.l. minder vast, hoewel zij behoorlijk snel voortschiet en de meest +verschillende zwenkingen kan uitvoeren; zij verheft zich niet gaarne +hoog in de lucht, maar fladdert soms letterlijk over het moeras heen, +zoodat zij aan een Vleermuis herinnert. Haar voedsel is in hoofdzaak +gelijk aan dat van de overige Watersnippen, vaker dan bij de andere +soorten heeft men echter in haar maag fijne zaden gevonden. + + + +De Bastaardsnippen (Rhynchaea) naderen tot de Watersnippen in +levenswijze, maar haar snavel is korter en harder en eenigszins +gekromd. De 3 of 4 soorten van dit geslacht worden gevonden +in de tropische gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld en van +Australië. Een van deze--de Goudsnip (Rhynchaea capensis)--bewoont +als broedvogel een groot deel van Afrika en Zuid-Azië (Japan, +China, Indië en de Soenda-eilanden) en begeeft zich op den trek naar +Zuid-Australië. In grootte komt zij met de Watersnip overeen. Zij +houdt zich op in moerassen, broeklanden en waterrijke velden, doch +ook tusschen struiken en in het riet; zij loopt zeer snel, doch +vliegt slecht. Des nachts of in de schemering zoekt zij haar voedsel; +zooveel mogelijk vermijdt zij het open veld. In 't voorjaar leeft zij +paarsgewijs, later in kleine vluchten van 5 à 6 stuks. De wijfjes zijn +grooter en fraaier gekleurd dan de mannetjes. Bij beide zijn de slag- +en stuurpennen met goudgele vlekken versierd. + + + +Onder den naam Strandloopers (Tringa) vat men een 25-tal soorten van +kleine Moerasvogels samen, waarvan slechts enkele de grootte van een +Lijster bereiken. Gewoonlijk worden zij in een 6-tal ondergeslachten +gesplitst, waaraan men ook wel den rang van geslachten toekent. Hun +voorkomen herinnert in zoover aan dat der Snippen, dat hals en pooten +ongeveer dezelfde betrekkelijke lengte hebben. De kop en de oogen zijn +echter kleiner, de gehooropeningen verder naar achteren geplaatst. De +snavel is korter, hoewel nog steeds iets langer dan de kop, recht +of aan de spits flauw benedenwaarts gebogen, slank, zwak, zacht, +doch aan de eenigszins breedere spits harder; hij dient eveneens +als tastorgaan, maar is voor dit doel minder geschikt dan de snavel +der Snippen. De vleugels zijn middelmatig lang en spitser dan bij de +Snippen; de lange schouderveeren vormen een tweede vleugelspits. De +voeten zijn middelmatig lang; het onderbeen is verder onbevederd +dan bij de Snippen; de teenen zijn korter; de achterteen is klein, +hooger ingeplant en reikt niet tot op den grond. De veeren worden in +den herfst gewisseld; het winterkleed, dat dan voor den dag komt, is +van boven aschgrauw of blauwachtig aschkleurig en zonder teekening; de +onderdeelen zijn wit of witachtig. In de lente doemt op de rugveeren, +in de nabijheid van de schaft, een donkere vlek van onbepaalden vorm +allengs op; dit is de aanvang van de in korten tijd plaats hebbende +verkleuring, waarna deze Vogels door hun donker roodbruine en zwarte +teekening een geheel ander uitzicht vertoonen dan gedurende den winter. + +Zij bewonen de noordelijke gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld +tot op zeer hooge breedten. Hier broeden zij; de meeste vereenigen +zich vervolgens tot talrijke zwermen en reizen van het eene strand +naar het andere in zuidelijke richting. Tegen het einde van Augustus +of in September komen zij aan de kusten van de Oostzee en Noordzee, +vormen hier scharen van duizenden stuks en trekken daarna steeds bij +de kusten langs naar de Middellandsche Zee of zelfs naar de Kaap +de Goede Hoop. Zij reizen het meest in de schemering, en zoeken +over dag hun voedsel. Kort nadat zij het zuidelijkste punt van hun +tocht bereikt hebben, begeven zij zich weer op den terugweg. Vele +komen echter in 't geheel niet in hun noordelijk vaderland terug, +maar zwerven ver van daar in hun fraai bruiloftskleed rond, zonder +zich voort te planten. Er is (behalve Juni) ter nauwernood een maand, +waarin men geen doortrekkende Strandloopers aan onze Noordzeekusten +waarneemt. Nadat in Mei de laatste exemplaren naar 't noorden zijn +vertrokken, ziet men reeds in Juli weer eenige terugkeeren; dit aantal +neemt in Augustus sterk toe, terwijl in September alle kusten er mede +bevolkt zijn. Hun leven schijnt uit een aaneenschakeling van reizen te +bestaan. Zij vliegen meestal laag, eenige vormen kleine gezelschappen, +andere op wolken gelijkende zwermen. Op den bodem loopen zij meestal +trippelend rond; wanneer een gevaar hen bedreigt, "drukken" zij zich +niet neder, zooals de Snippen, maar maken dadelijk gebruik van hunne +uitmuntende vliegorganen. Hun stem bestaat meestal uit de eenigszins +trillende klanken "ti-i-i-i" of "triet-triet". Zij voeden zich met +kleine Insecten, hunne larven, Wormen, Schaaldieren en Weekdieren. De +larven van Muggen, die in het hooge noorden in ontzaglijke hoeveelheid +voorkomen, verschaffen hun een overvloed van voedsel; dit maakt de +snelle ontwikkeling van de jongen mogelijk. Hunne eieren zijn groot +en gelijken op die van de Snippen. + +Op de bovenstaande, grootendeels aan Altum ontleende schets, laten +wij een korte beschrijving van de 9 hier te lande waargenomen soorten +volgen. + + + +Als een overgangsvorm tusschen de Snippen en de eigenlijke +Strandloopers beschouwt men den Breedbekkigen Strandlooper [Tringa +(Limicola) platyrhyncha], die in ons land tweemaal (in 1862 en 1870) +telkens in Augustus en aan den Hoek van Holland, werd waargenomen +(Albarda). Hij heeft ongeveer de grootte van een Musch en kenmerkt +zich door het ontbreken van den achterteen en door den snavel; deze +is aan de spits verbreed, duidelijk benedenwaarts gebogen en iets +langer dan de kop. De hoofdkleur is roestbruin met zwarte vlekken. + + + +Eveneens drieteenig is de Zandlooper [Tringa (Calidris) arenaria], +wiens rechte snavel den kop in lengte evenaart; hij is ongeveer zoo +groot als een Kuifleeuwerik. De hoofdkleur van zijn zomerkleed is +witachtig, op de bovenzijde in de jeugd met zwartachtige, op lateren +leeftijd met zwartachtige en roestbruine teekeningen; het winterkleed +is eenvoudig blauwachtig aschkleurig. Op den trek bezoekt hij, naar het +schijnt, alle werelddeelen; men heeft hem zoowel op Java, als in Chili +en Zuid-Afrika gevonden. Reeds in September komen deze Vogels in kleine +vluchten langs ons zeestrand, waar zij zich dikwijls aan de monden +der rivieren en op de Wadden in tallooze menigte verzamelen. Deze +wintergasten blijven bij ons tot April, soms tot in het begin van Mei. + + + +Alle overige soorten zijn vierteenig. De grootste van deze is de +Kanoet-Strandlooper [Tringa (Tringa) canutus], in Friesland Mients +of Knot genoemd. (Van den laatsten, ook in Engeland gebruikelijken +naam zijn de beide eerstgemelde aanduidingen afgeleid). Hij evenaart +in afmetingen onze Groote Lijster. Zijn snavel is recht, langer dan +de kop en dan de loop, breeder en dikker wordend aan de spits. De +loop is langer dan de middelste voorteen met den nagel. De staart is +flauw afgerond. Het zomerkleed is aan de onderzijde donker bruinrood, +aan de bovenzijde zwart met groote, roestroode kantvlekken, witachtige +vederspitsen en roestgele zoomen. In het winterkleed is de onderzijde +witachtig, aan den krop met kleine, zwarte, overlangsche, op de zijden +van den romp met dwarse, grijsbruine vlekken; de bovendeelen zijn dan +bruingrijs. Van het laatst van Augustus of het begin van September af +hoort men gedurende een groot deel van den winter en van het voorjaar +de zeer schelle stem van deze Vogels langs ons strand, vooral aan de +steenen hoofden, op de Wadden, soms ook aan de oevers der rivieren +en meren en in de lage hooilanden. Zij worden hier vrij veelvuldig +gevangen. Behalve in Europa brengen zij den winter door in geheel +Azië, een groot deel van Amerika en Afrika; zelfs heeft men ze op +Nieuw-Zeeland aangetroffen. Op deze reizen verlaten zij slechts bij +uitzondering de zeekust om nabij gelegen binnenwateren te bezoeken, +verder binnenslands behooren zij steeds tot de zeldzaamheden. Op het +zeestrand vormen zij talrijke troepen, die gemeenschappelijk leven +en werken. + + + +De Kleine Strandlooper, in Friesland Gril of Griltje genoemd [Tringa +(Limonites) minuta], is zoo groot als een Musch en onderscheidt zich +bovendien van de vorige soort, doordat de eveneens rechte snavel zoo +lang is als de kop; de staart is dubbel uitgesneden; de snavel en de +voeten zijn zwart, de buitenste staartpen is zuiver wit, de 2e en de +3e zijn grootendeels wit. Het zomerkleed is aan de onderzijde wit, aan +de bovenzijde zwart, iedere veer met roestroode kanten. De onderdeelen +zijn ook in het winterkleed wit, de bovendeelen echter aschgrauw.--De +broedplaatsen van deze Vogels liggen binnen den poolcirkel. Hun +winterreis strekt zich tot Zuid-Afrika en de Molukken uit. Op den +trek bezoeken zij in grooten getale ons land; in het voorjaar, in +Mei en Juni, en in het najaar, van Augustus tot October, zijn zij +menigvuldig bij meren, poelen en plassen. Soms worden zij in menigte +onder het wilsternet gevangen, waarbij echter vele door de mazen +gaan (Albarda). Hun stem klinkt zacht en aangenaam als "duurrr" of +"duurruï," soms ook als "dierriet", zoo ook die van de volgende soort. + + + +De Kleinste Strandlooper, in Friesland Kleine Gril genoemd [Tringa +(Limonites) Temminckii], die in grootte een Roodborstje evenaart, +heeft den snavel even lang als de kop, zeer weinig gebogen, den staart +wigvormig verlengd, den snavel en de voeten zwart, de eerste groote +handpen met witte schaft, de buitenste staartveeren effen grijs. Des +zomers zijn de onderdeelen wit met uitzondering van de bruingrijze +onderhals en krop, de bovendeelen bruinachtig grijs met zwarte en +roestkleurige vlekken. Van het winterkleed is de onderzijde wit, op den +krop echter bruinachtig grijs met donkerder overslagsche streepjes, +de bovenzijde bijna effen bruinachtig aschgrauw. Deze soort wordt op +dezelfde plaatsen en in denzelfden tijd als de Kleine Strandlooper, +doch in zeer kleinen getale op den trek bij ons waargenomen. + + + +De drie overige inheemsche soorten onderscheiden zich door een +flauw benedenwaarts gekromden snavel. Zoo de Paarse of Violette +Strandlooper [Tringa (Arquatella) maritima], die de grootte heeft van +een Spreeuw. Zijn snavel is langer dan de kop; de loop evenaart in +lengte de middelste voorteen zonder den nagel; het onderbeen is boven +het spronggewricht slechts zeer weinig naakt; de loop en het achterste +deel van den snavel zijn geel; de staart is wigvormig. De bovenzijde +is bruin- of grauwzwart met witachtige vederkanten, de onderzijde +heeft dezelfde kleur met uitzondering van kin en buik, die wit zijn; +de staart is aschgrauw; de bovendekveeren van den staart zijn zwart met +witten top, de onderdekveeren wit met lange, donkere schaftvlekken. Het +zomerkleed is bruinachtiger.--Deze Vogel, die ook nog kenbaar is aan +zijn helder fluitend stemgeluid, bezoekt op den trek, die zich tot +Middel-Afrika en Australië uitstrekt in kleinen getale ook ons land; +men ontmoet hem in het voor- en najaar (soms nog in December) op de +steenglooiingen, hoofden en andere zeeweringen langs de kust. + + + +De Krombekstrandlooper [Tringa (Ancylochilus) subarquata] is een weinig +kleiner dan de vorige soort, hoewel hij een iets langeren staart +heeft. Zijn snavel is veel langer dan de kop en in 't oogvallend +naar beneden gebogen. De loop is langer dan de middelste voorteen +met den nagel. De snavel en de loop zijn zwart, de staartwortel +en de bovendekveeren van den staart wit; de staart is dubbel +uitgesneden, de middelste veeren rondachtig toegespitst; de borst +en de krop zijn ongevlekt of zeer weinig gevlekt. Zijn kleur heeft +overigens veel overeenkomst met die van den Kanoetstrandlooper. De +Krombekstrandloopers, die op den trek Zuid-Azië en Zuid-Afrika +bezoeken, vertoonen zich in den nazomer en herfst, aan onze kust, +op de eilanden en op de lage weilanden in de nabijheid van de kust, +soms in koppels, maar gewoonlijk in kleinen getale. Op den trek volgen +zij niet slechts de kust, maar (in Afrika althans) ook den loop der +groote rivieren; men heeft ze in den winter aan den Witten en den +Blauwen Nijl ontmoet. + + + +Eveneens bezoekers (en zelfs bewoners) van het binnenland zijn de beide +volgende vormen, die gewoonlijk als verscheidenheden van één soort +worden aangemerkt. De Bonte Strandlooper of het Strandbokje [Tringa +(Pelidna) alpina], die zoo groot is als een Veldleeuwerik, komt in +nagenoeg alle opzichten overeen met zijn merkbaar kleineren verwant, +de Kleine Bonte Strandlooper of het Kleine Strandbokje, bij Oirschot +Fluitsnipje genoemd [Tringa (Pelidna) alpina Schinzii]. Merkwaardig is +het, dat het broedgebied van deze beide vormen zich verder zuidwaarts +uitstrekt, dan dat der overige Strandloopers. De eerstgenoemde broedt +in ons werelddeel nog in Skandinavië, de andere ook in verschillende +gewesten van Duitschland; zelfs werd hij broedend waargenomen +aan den Hoek van Holland; ook werd dit een paar malen in Friesland +(Boornbergum, Oudega, Suawoude) en te Vlijmen in Noordbrabant opgemerkt +(Albarda). De snavel is langer dan de kop en flauw benedenwaarts +gebogen, de loop langer dan de middelteen met den nagel; de snavel +en de loop zijn zwart, de staartwortel en de bovendekveeren van +den staart zwart of donkerbruin; de staart is dubbel uitgesneden en +heeft de beide middelste veeren lang toegespitst; de borst en de krop +zijn sterk bezet met donkere schaftvlekken. In 't zomerkleed zijn +de onderdeelen wit met scherpe, zwarte schaftstrepen en een groot, +zwart schild op de onderborst en den buik; de bovendeelen hebben +een roestroode kleur met zwarte schaftvlekken. In het winterkleed +is de onderzijde witachtig, de bovenzijde aschgrauw met zeer fijne, +donkere schaftstrepen. In het voor- en najaar komen groote vluchten +Strandbokjes op onze kusten en ook in het binnenland bij poelen en +plassen in moerassige en veenachtige streken voor. + +Hun trillend stemgeluid klinkt als "tititititi" of "tututututu". + + + +Als een hoogpootige Strandlooper kan men den Kemphaan (Machetes of +Pavoncella pugnax) beschouwen, den eenigen vertegenwoordiger van zijn +geslacht. In Groningen heet hij Kappertje, in Friesland Haantje, in +'t Friesch Hoantsje en Hintsje, op Terschelling Kraagman, op Texel +Kragenmaker. De snavel is zoo lang als de kop (doch korter dan de +loop), recht, aan de spits een weinig verlaagd en niet verbreed, over +zijn geheele lengte zacht, de voet is hoog en slank, het onderbeen +tot ver boven het spronggewricht naakt; van de drie voorteenen is de +middelste met de buitenste door een spanvlies verbonden; de korte, +hoog aangehechte achterteen raakt den grond niet; de vleugels +zijn middelmatig lang en spits; de staart is kort, uit 12 pennen +samengesteld, aan de spits flauw afgerond. Het bruiloftskleed van het +mannetje is getooid met een zeer groote, schildvormige halskraag, +die zich tot aan de zijden van den achterkop uitstrekt en hier in +twee oorvormige bundels van verlengde veeren overgaat. Bovendien +zijn de mannetjes aanmerkelijk grooter dan de wijfjes en hebben in 't +voorjaar aan 't gelaat naakte, geelachtige wratjes; deze verdwijnen +in den herfst, evenals de kraag. Een algemeen geldige beschrijving +van de kleur van 't vederenkleed is niet mogelijk. De bovenvleugel +is donker bruingrijs; de zes middelste veeren van den zwartgrijzen +staart zijn zwart gevlekt; de buik is wit; de overige veeren zijn +echter zeer verschillend van kleur en teekening. Dit laatste geldt +vooral voor de stijve, ongeveer 5 cM. lange veeren van den kraag. Deze +is op zwartblauwen, zwarten, zwartgroenen, donker roestbruinen, +roodbruinen, roestgelen, witten of anders gekleurden grond lichter +of donkerder gevlekt, gestreept of op een andere wijze geteekend, +zoo verschillend, dat men bijna geen twee mannetjes kan vinden, die +aan elkander gelijk zijn. De ervaring heeft geleerd, dat dezelfde +kleuren en teekening zich in 't volgende jaar opnieuw bij den Vogel +vertoonen. De veeren van borst en rug zijn soms op dezelfde wijze +geteekend als de kraag, soms anders van kleur. Het oog is bruin, de +snavel groenachtig of groenachtig geel; ook deze kleur verschilt min +of meer in verband met die van de veeren; de voet is in den regel +roodachtig geel. Totale lengte van het mannetje 29 à 32 (van het +wijfje 24 à 26), staartlengte 8 cM. + +Het noorden van de Oude Wereld is het vaderland van den Kemphaan; +enkele malen heeft men echter in Noord-Amerika afgedwaalde exemplaren +van deze soort waargenomen. Op den trek bezoeken deze Vogels niet +slechts alle landen van Europa en Azië, maar ook geheel Afrika; +men heeft ze in het Kaapland zoowel als aan den Senegal en aan den +Boven-Nijl geschoten. De groote, moerassige vlakten, die door de +Kieviten als woonplaats worden gekozen, herbergen in den regel ook +Kemphanen; deze zijn echter niet zoo ver verbreid als gene. Zelfs in +ons land, waar deze Vogels algemeen bekend zijn, broeden zij veel +minder algemeen dan de Kieviten, Grutto's en Tureluurs; in de lage +hooilanden zijn zij echter zeer gewone verschijningen. Zuid-Duitschland +bezoeken zij slechts op den trek; in Noord-Duitschland broeden zij +veelvuldig in de boomlooze, vochtige, met gras begroeide kuststreken +van de Noordzee; hoewel men hen dikwijls in de nabijheid van de zee +ziet, zijn zij geen strandvogels in den eigenlijken zin van 't woord. + +In Maart of April komen de Kemphanen in vluchten op hunne +broedplaatsen hier te lande terug, om in Augustus of September weer +te vertrekken. Evenals hunne verwanten reizen zij 's nachts; altijd +vormen zij troepen; deze vliegen in den regel in ∧-vormige +orde, de mannetjes gescheiden van de wijfjes en de jongen; ook in de +winterkwartieren bestaat ieder gezelschap uit leden van één sekse. + +Evenals de Strandlooper kiest de Kemphaan steeds vlakten uit, die +een vrij uitzicht in alle richtingen toelaten. Hooge moerasplanten en +vooral houtgewas vermijdt hij angstvallig. Hij loopt op een bevallige +wijze, meer stappend dan trippelend en met een fiere houding, die +van zelfvertrouwen getuigt. Hij vliegt zeer snel, drijft dikwijls +op zijne wieken en maakt vlugge en sierlijke zwenkingen. Wegens de +grootere lengte van zijne pooten gelijkt zijn beweging op den grond +meer, op die van de Ruiters dan op die van de trippelende en snel +rennende Strandloopers; in allerlei opzichten vormt hij als 't ware +een overgang tusschen deze beide geslachten. + +Eigenaardig zijn de gevechten, waaraan de Kemphanen hun naam te +danken hebben. Tot aan den broedtijd kunnen zij het zeer goed +met elkander vinden, toonen een gezelligen aard en blijven trouw +bijeen. Evenals hunne verwanten, zijn zij reeds vóór het krieken van +den dag wakker en bedrijvig, en blijven dit tot laat in den nacht, +bij lichte maan zelfs gedurende den geheelen nacht; voor het slapen +of rusten zijn hoogstens alleen de middaguren bestemd. Des morgens +en des avonds zijn zij ijverig bezig met het zoeken van hun voedsel, +dat uit zeer verschillende waterdieren, maar ook uit Insecten, die +op het land leven, Wormen en velerlei zaden bestaat. Geheel anders +wordt hun gedrag, zoodra de paartijd aanvangt. De mannetjes vechten +dan aanhoudend, zonder dat voor hunne twisten voldoende redenen te +vinden zijn. Misschien is het niet eens om de wijfjes, dat de strijd +ontbrandt, maar om een Vlieg, een Kever, een Worm, een zitplaats, in +'t kort, om alles en om niets; zij vechten, zoowel wanneer er wijfjes +in de nabijheid zijn, als wanneer zij deze niet kunnen zien, om 't +even of zij zich in de vrije natuur of in gevangenschap bevinden, +of zij eerst voor weinige uren hun vrijheid verloren of reeds jaren +lang in de kooi geleefd hebben; zij vechten op ieder uur van den dag, +kortom in alle omstandigheden. In 't open veld komen zij bijeen op +bepaalde kampplaatsen (in Friesland "rid" of "haantjerid" genoemd), die +in streken, waar de Vogels veelvuldig voorkomen, 500 à 600 schreden van +elkander afliggen; zij worden ieder jaar weer opgezocht en gebruikt; +waarschijnlijk onderscheiden zij zich van de omgeving in geen ander +opzicht dan door het gebruik dat er van gemaakt wordt. De kampplaats is +een iets hooger gelegen, maar toch vochtige, met kort gras begroeide +plek van 1.5 à 2 M. middellijn, die iederen dag door een zeker aantal +mannetjes herhaaldelijk bezocht wordt. Op dit toernooiveld, waar +iedere kampioen zijn tegenstander opwacht om met hem te strijden, +verschijnt de Kemphaan nooit, voordat de veeren van den kraag zich +ontwikkeld hebben; zoodra zijn bruiloftskleed gereed is, komt hij er +geregeld en toont van nu af een merkwaardige gehechtheid aan deze plek. + +"Het mannetje, dat het eerst op het terrein aanwezig is," zegt Naumann, +"kijkt verlangend uit naar een tweeden bezoeker; als deze toevallig +geen lust in 't vechten heeft, wordt de komst van een derden, vierden +enz. afgewacht; weldra vangt dan de ruzie aan. Zoodra twee Vogels twist +gekregen hebben, schieten zij op elkander toe, vechten een poosje en +gaan dan uitgeput terug naar hun oorspronkelijke standplaats aan den +rand van het terrein, waar zij rusten om nieuwe krachten te verzamelen +voor het hervatten van den strijd. Op deze wijze voortgaande krijgen +zij eindelijk hun bekomst; dan verlaten zij de kampplaats, maar +keeren gewoonlijk na korten tijd terug. Hun gekibbel loopt altijd uit +op een tweegevecht, nooit heeft het een algemeenen strijd tusschen +verscheidene Kemphanen ten gevolge. Dikwijls komt het echter voor, +dat twee of drie paren te gelijk duelleeren en dat hunne vechtbanen +elkander kruisen; in dit geval levert het heen en weer rennen en tegen +elkander opspringen van de Vogels zulk een zonderlinge vertooning op, +dat de op eenigen afstand staande toeschouwer ze allicht voor dol en +bezeten zal houden. Als twee mannetjes in strijd geraken, ziet men +hen trillen en met den kop knikken, terwijl zij nog rechtop staan; +daarna buigen zij de borst zoo ver omlaag, dat het achterste deel van +het lichaam hooger komt te liggen, richten den snavel op elkander, +zetten tevens de groote borst- en rugveeren op, breiden den nekkraag +bovenwaarts uit en geven aan den halskraag den vorm van een schild. Zoo +uitgerust rennen en springen zij op elkander toe en gebruiken den +snavel als degen; de met wratten gepantserde kophuid dient als +helm, de dichte halskraag als een schild, dat de stooten opvangt; +alle bewegingen hebben zeer haastig plaats. De kampioenen zijn zoo +opgewonden, dat zij van woede beven, zooals duidelijk zichtbaar is in +de korte pauzen tusschen de telkens weer herhaalde, snel opeenvolgende +aanvallen. Het hangt van de meer of minder groote vechtlust van de +beide strijders af, hoeveel schermutselingen er op één gang komen; +deze wordt door een langere pauze gevolgd. + +"Zij hebben geen ander wapen dan hun zachten, aan het einde +kolfvormigen, doch stomprandigen snavel, een zeer zwak werktuig, +waarmede zij elkander nooit kunnen kwetsen of zoo bijten, dat er bloed +vloeit; slechts zelden verliezen zij bij deze vechtpartijen eenige +veeren; het grootste ongeluk, dat een van de strijders overkomen kan, +is, dat zijn tegenpartij hem bij de tong pakt en een poos hierbij +heen en weer sleurt. Dat hun snavel bij zeer hevige stooten soms +te sterk gebogen wordt, is niet onwaarschijnlijk; het kan wel zijn, +dat hierdoor op de min of meer geknikte plaatsen de knobbelvormige +opzwellingen of uitwassen ontstaan, welke vooral bij oude Vogels, die +de woedendste vechtersbazen zijn, dikwijls aan den snavel voorkomen." + +Als de tijd van 't eieren leggen nadert, ziet men één mannetje in +gezelschap van twee wijfjes, of omgekeerd een wijfje vergezeld door +verscheidene mannetjes soms ver van het strijdperk, in de nabijheid +van de plaats waar later het nest gevonden wordt. Deze is zelden +ver van het water verwijderd, dikwijls een iets hoogere plek in het +moeras. Het nest zelf bestaat uit een ondiep kuiltje, dat met een +gering aantal dorre halmpjes en grasstoppels bekleed is. Het bevat +gedurende den broedtijd 4, zeldzamer 3 eieren van aanzienlijke grootte, +die op olijfbruinachtigen of groenachtigen grond roodachtig bruine +of zwartachtige vlekken hebben, op het dikkere einde gewoonlijk meer +dan aan het spitsere. Het wijfje broedt alleen, 17 à 19 dagen lang, +houdt veel van haar kroost en gedraagt zich bij haar nest geheel op +de wijze van de andere Snipvogels; van de levenswijze der jongen valt +hetzelfde op te merken. + +Geen der Snipvogels kan gemakkelijker gevangen worden, geen geraakt +spoediger aan de gevangenschap gewoon dan de Kemphaan. Zonder moeite +maakt men zich van de mannetjes meester door op de kampplaats strikken +te zetten; ook in het watersnippennet vangt men ze dikwijls in grooten +getale. Uit Friesland worden er vele naar Engeland verzonden.--Zij +schikken zich zeer goed in het leven in de kooi en eten dadelijk, +wat hun hier voorgezet wordt. Twee mannetjes zullen echter, zelfs +wanneer zij in een doek of net uren ver gedragen zijn, zoodra zij in +een hok geplaatst worden, nog eerder aan 't vechten gaan dan aan 't +eten. In een groote volière maken zij een allerliefste vertooning en +verschaffen den toeschouwer voortdurend tijdverdrijf, althans zoolang +de broedtijd duurt; iedere broodkruimel, die hun toegeworpen wordt, +brengt het geheele gezelschap in opschudding. Na den paartijd leven +zij in vrede met elkander, hoewel soms de eene of de andere zich laat +verleiden tot het aannemen van een dreigende houding. + +De eieren van de Kemphanen worden, evenals die van de Kievieten, +ingezameld en gegeten. Het vleesch van deze Vogels smaakt goed. + + + +De Waterloopers (Oeverloopers en Ruiters) zijn in den regel slanker +dan de Strandloopers, hebben een kleineren kop, een langeren snavel +en staan hooger op de pooten. De snavel is zoo lang als de kop of +iets langer, van den wortel tot bij het midden zacht, aan de spits +hoornachtig; de voet is verschillend van maaksel, soms hoog en dun, +soms kort en krachtig, bij de meeste vier-, bij enkele drieteenig; de +buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden; +de vleugels zijn lang en smal, hun spits wordt door de eerste handpen +gevormd; de uit 12 pennen samengestelde staart is kort, afgerond, +trapvormig of wigvormig. De kleine veeren liggen glad tegen het +lichaam aan, hebben zeer bescheidene kleuren en worden tweemaal 's +jaars gewisseld. Tusschen de mannetjes en wijfjes bestaat een gering +verschil in grootte, weinig of geen verschil van kleur. Kenmerkend +voor deze groep is het ontbreken van het tastorgaan aan de snavelspits. + +Evenals de vroeger genoemde Vogels, behooren ook de Waterloopers +hoofdzakelijk in 't noorden thuis; alle soorten trekken echter +geregeld en bezoeken dan de meest afgelegen landen. Zij houden zich +op aan de oevers van stroomend en stilstaand water, in moerassen +en broeklanden, minder vaak aan de zeekust. In de winterkwartieren +vereenigen zij zich met vele andere Vogels, die dikwijls tot zeer +verschillende soorten behooren, maar vormen zelden zulke groote +zwermen als de Strandloopers. Hun voorkomen is bevallig, hun gang +sierlijk, behendig en stappend; zij vliegen buitengewoon snel en +zonder merkbare inspanning; hun stem bestaat uit aangename, hooge, +fluitende, ver hoorbare tonen, die zooveel op elkander gelijken, dat de +eene soort niet zelden de roepstem van de andere volgt. Het nest rust +meestal op den grond, soms echter op boomen, en bevat, evenals bij de +vorige groep, vier betrekkelijk groote, peer- of tolvormige eieren, +die op olijfgroenen grond met bruingrijze vlekken geteekend zijn en +door het wijfje uitgebroed worden. De jongen loopen de ouden reeds +op den eersten levensdag na, verbergen zich, evenals hunne verwanten, +bij naderend gevaar zeer behendig op den bodem of in het gras, leeren +spoedig fladderen en gaan hun eigen weg, zoodra zij vliegen kunnen. + +Alle Waterloopers zijn voorzichtig en schuw van aard; de groote soorten +nemen daarom overal, waar zij met andere strandvogels samenleven, +het leiderschap op zich. Zij zijn niet gemakkelijk te jagen; de vangst +biedt eveneens bezwaren aan. Spoedig geraken zij gewoon aan 't leven +in de kooi, nemen eenvoudigen kost voor lief en kunnen bij behoorlijke +verzorging jaren lang als gevangenen in 't leven gehouden worden. + + + +Als een overgangsvorm tusschen de Strand- en de Waterloopers kan men de +Oeverloopers (Actitis) beschouwen, gekenmerkt door een rechten snavel, +die den loop in lengte evenaart en een afgeronde staart, die achter de +vleugelspitsen uitsteekt. De eenige soort van dit geslacht, die Europa +en ook ons vaderland bewoont--de Oeverlooper of Steenvink (Actitis +of Tringoides hypoleucos)--is aan de bovenzijde olijfbruinachtig met +groenachtigen of purperkleurigen weerschijn, met zwarte, overlangsche +en dwarse vlekken geteekend, aan de onderzijde wit; de veeren van +de zijden van den kop vormen een witte streep boven en een witte +plek onder het oog, doch zijn overigens bruinachtig met donkerder +schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn bruinzwart; de +armpennen hebben een witte wortelhelft en spits, die met de witte +vlekken der handpennen op den uitgespreiden vleugel breede banden +vormen; de middelste stuurpennen zijn grijsbruin met zwarte schaft +en roestgele kanten en vlekken, de overige meer of minder wit met +smalle, zwarte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel grauwzwart, +aan den wortel lichter, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 21, +staartlengte 6 cM. + +Met uitzondering van het noordelijke deel van de Vereenigde Staten, +van Middel- en Zuid-Amerika en van Polynesië bewoont of bezoekt +deze Vogel de geheele aarde en nestelt ook bijna overal waar hij +voorkomt. Hij verlaat ons in October en komt in April terug; gedurende +den zomer treft men hem op de met zand of steentjes bedekte oevers van +rivieren en meren aan, vooral op plaatsen, die aan de landzijde door +een hoogen walkant beschut zijn; hij voedt zich met wormpjes, larven +en gevleugelde Insecten, vooral met Net- en Tweevleugeligen. Deze +worden van den grond opgepikt of in de vlucht gevangen, soms ook +van de bladen weggenomen. Om de zittende Vliegen, Muggen, Haften +en Waterspinnen te vangen, sluipt hij met ingetrokken kop en hals +onhoorbaar en voorzichtig naar hen toe; door 't plotseling strekken van +den hals wordt de snavel uitgestoken en deze mist zelden zijn doel. Hij +loopt schielijk, zwemt en duikt als het zijn moet, vliegt uitmuntend +en laat vooral bij het opvliegen zijn stem hooren. Deze bestaat +uit een fijn, helder, hoog en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer +als "iediedied" klinkt en in den paartijd een zacht beginnenden en +eindigenden triller vormt, die zeer dikwijls herhaald wordt, doch geen +onaangenamen indruk maakt. Men ziet de mannetjes dan onrustig zeer +dicht langs den waterspiegel heen en weer vliegen. Het napvormige, +met hooi belegde nest, dat voor een Snipachtigen Vogel zeer goed +gebouwd mag heeten, rust op den grond tusschen de struiken op een +plekje van den oever, dat bij hoog water droog blijft. De 4 eieren, +welke in grootte met die van Patrijzen overeenkomen, hebben een somber +roestgele grondkleur met groenachtigen weerschijn; zij zijn grauw, +paars en roodbruin gevlekt en gestippeld. + + + +Bij de Ruiters (Totanus) reiken de vleugelspitsen tot voorbij den +staart. Zij zijn in ons vaderland door vijf soorten vertegenwoordigd. + +De Groenpootige Ruiter of Groenpootstrandsnip (Totanus glottis), die +soms als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der +Strandruiters (Glottis) wordt beschouwd (en dan Glottis littoreus +heet), onderscheidt zich van zijne verwanten door den vorm van den +snavel, die lang en smal, aan den wortel veel hooger dan breed en van +het midden af flauw bovenwaarts gekromd is. De bovenzijde is bruinzwart +met witte randen om de veeren; de onderrug en de staartwortel zijn +zuiver wit; de onderdeelen zijn wit met uitzondering van de borst, +die met zwarte, overlangsche vlekken en strepen geteekend is; de +handpennen zijn bruinzwart, hare schaften zwart met uitzondering van +de eerste, die wit is, de armpennen dofbruin, op de binnenvlag met +witachtige wolkjes, de middelste staartpennen grijs, de zijdelingsche +wit en zwart gevlekt. In het herfstkleed zijn de kop, de achterhals en +de zijden van den hals grauwzwart en wit gestreept, de mantelveeren +donker aschgrauw met zwarte schaften, zwarte vlekken en witachtige +kanten, de zijden van den onderhals en den krop met zwarte schaften en +overlangsche strepen. Het oog is bruin, de snavel groenachtig zwart, +de voet grijsachtig groen. Totale lengte 34, staartlengte 8 cM. + +Deze Vogel werd in alle werelddeelen aangetroffen; zijn eigenlijk +vaderland is echter het noorden van de Oude Wereld. Ons vaderland +bezoekt hij op den trek in de lente en in den herfst (sommige komen +in Augustus en blijven tot Mei); broedend heeft men hem hier nog niet +waargenomen. Evenals zijne verwanten geeft hij aan zoetwatermeren +en moerassen duidelijk de voorkeur boven de zeekust. Wel ontmoet men +hem ook hier soms, maar dan in den regel op aanslibbingen en slechts +gedurende korten tijd; zoo vindt men hem "in den nazomer bij Ameland +en Schiermonnikoog en ook op de slibgronden in de Lauwerzee, soms +in groote vluchten" (Albarda). De wintermaanden brengt hij door op +verscheidene eilanden van den Griekschen Archipel of in Noord-Afrika; +zijne omzwervingen strekken zich echter nog veel verder uit; hij +bezoekt de landen tusschen de keerkringen en ook de gematigde gewesten +van het zuider halfrond, b.v. Zuid-Australië, Tasmanië, Zuid-Afrika +en de La-Plata-Staten. In zijne winterkwartieren vestigt hij zich bij +strandmeren, bij rivieren, die buiten hare oevers treden, bij voorkeur +echter in rijstvelden. Gewoonlijk ziet men hem hier alleen, hoewel +bijna altijd omringd door verscheidene soorten van Strandloopers, +Steltkluiten, Grutto's en zelfs Zwemvogels, vooral Eenden; naar +het schijnt, treedt hij bereidwillig als leider van deze Vogels op; +zij volgen hem althans blindelings. + +De opgewektheid, behendigheid en beweeglijkheid, die aan alle Ruiters +eigen zijn, bezit hij in hooge mate; zijn houding is flink en kan zelfs +fier heeten; hij stapt met waterpas gerichten romp vlug en luchtig over +den vasten bodem, loopt graag in het water, trekt zwemmend over een +vrij breeden plas en doet dit zelfs zonder noodzaak, duikt uitmuntend +in tijd van gevaar, roeit onder water met de vleugels verder, vliegt +met rassche en krachtige wiekslagen snel en behendig meestal recht op +het doel af, zwenkt echter ook prachtig en schiet vóór het neerstrijken +in suizende vaart omlaag tot dicht bij den grond om eerst hier door +doelmatige vleugelbeweging zijn snelheid te verminderen. Zijn stem is +een hoog, helder en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als "tsjiea" +klinkt en een zeer aangenamen indruk maakt; hij lokt met een zacht +"diek diek", toont angst door een krijschend "kruu kruu", en laat in +den paartijd, doch uitsluitend gedurende het vliegen, een op fluitspel +gelijkend minnelied hooren, waarvan de vele malen herhaalde klanken +"dahudl dahudl dahudl" een voorstelling kunnen geven. Boven al zijne +verwanten uitstekend door schranderheid, voorzichtigheid en schuwheid, +is hij het best voor leider geschikt. Zijn loktoon wordt door al +zijne verwanten en ook door de Strandloopers als een onfeilbaar teeken +beschouwd, dat het oord niet veilig is; zijn handelwijze dient allen +ten richtsnoer. + +Zijn voedsel komt in hoofdzaak overeen met dat van de andere +Waterloopers; het bestaat uit zeer verschillende waterdieren, +waarschijnlijk vooral uit Insecten en hunne larven, waarvan de Haften +en de Waterjuffers het eerst vermelding verdienen, voorts uit Wormen, +Schaaldieren en Weekdieren, meer bepaaldelijk die, welke de zee +bewonen, ook wel uit kikkerlarven en kleine Kikkers en eindelijk uit +jonge Visschen van allerlei soorten. Naumann zag hen ijverig bezig met +de vangst van Draaikevertjes, die zij van den waterspiegel afzochten, +en ook ver in het water naliepen. + +Hoewel de Groenpootige Ruiter reeds op Rugen en op de Deensche en +Zweedsche eilanden broedt, doet hij dit bij voorkeur in noordelijker +landen, het liefst in boomlooze gedeelten van de toendra, vooral in +de nabijheid van de zee en in open plekken van wouden, zooals door +mij aan den benedenloop van den Ob werd opgemerkt. Het nest wordt +kunsteloos van halmen gebouwd op een met gras begroeide verhevenheid, +meestal onder een struik. + +De voorzichtigheid en de schuwheid van dezen Vogel maken zijn vangst +moeielijk. Door het nabootsen van zijn stem tracht men, dikwijls te +vergeefs, hem in het net te lokken. Men geeft zich deze moeite, omdat +hij gewoonlijk gevolgd wordt door de verwante strandvogels. Jaren +lang kan men hem in de kooi met het gewone voedsel der strandvogels +in 't leven houden: hij wordt spoedig tam en verschaft vooral in een +door verschillende Vogels bewoonde volière veel genoegen. + + + +De meest bekende van alle Ruiters is de Tureluur, in Noord-Holland +Tuut, op Terschelling Tjuud, op Texel Tjerkje, in Groningen +Tuutling, in Friesland Tjerk (in 't Friesch Tjirk), in Zeeland +Daak en Daakje, bij Oirschot Witstaart, in Limburg Roodpootige Ruiter +genoemd [Totanus (Totanus) calidris]. Bij dezen is de snavel recht; +de bovendeelen zijn grijsachtig bruin, de kop en de hals met kleine +langwerpige, de rug en de mantel met groote, ronde, zwarte vlekken +geteekend, de onderrug en de staartwortel wit, deze met zwarte +dwarsbanden; de zijden van den hals en de krop zijn geelachtig +grijs en, evenals de zijden van den romp, met zwarte, bruin gezoomde +vlekken bezet; de overige onderdeelen zijn wit, de handpennen bruin, +de eerste met witte schaft; wit zijn ook het wortelgedeelte van de +binnenvlag en op de laatste pennen de spits; de armpennen, die, +met uitzondering van de laatste, op de binnenvlag dwarsbanden hebben, +zijn overigens bijna geheel wit, waardoor een breede spiegel wordt +gevormd; de schouderveeren zijn donkerbruin met scherpe, roestroode +dwarsvlekken, de stuurpennen wit met donkerbruine, grijs uitvloeiende +dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel aan den wortel rood, +aan de spits zwartbruin, de voet vermiljoenrood. Totale lengte 27, +staartlengte 7 cM. In den winter is de bovenzijde donkergrijs met +zwarte schaftvlekken, de onderzijde sterker gevlekt dan 's zomers. + +Deze Vogel broedt bij ons in groote getale in de moerassen en lage +landen der kuststreken en is op onze weilanden met den Kievit de +meest algemeene soort van moerasvogels; buitengewoon talrijk is hij +op de eilanden. In het begin van den herfst verdwijnt hij uit het +binnenland; aan de kust wordt hij bijna den geheelen winter door +waargenomen. Een aantal exemplaren verlaten ons land in Augustus en +September en komen in April terug. Zij reizen 's nachts; in den herfst +volgen zij langzaam en op hun gemak den loop der rivieren of de kust, +dikwijls dagen lang rustend in streken, waar een overvloed van voedsel +te vinden is; in de lente trachten zij schielijker het doel van hun +reis te bereiken. Deze Vogel is evenmin zeldzaam in Noord-Duitschland, +waar hij op alle voor hem geschikte plaatsen broedt; nergens echter +komt hij zoo veelvuldig voor als in Skandinavië, Rusland, het zuiden +van Siberië en Toerkestan. Zijn broedgebied omvat geheel Europa +(misschien met uitzondering van IJsland en de Fär-öer), voorts Klein-, +Noord- en Middel-Azië. Zijn winterreis strekt zich uit tot de Kaap +de Goede Hoop en Indië met inbegrip van de naburige eilanden. In de +Nieuwe Wereld werd hij nog niet waargenomen. + +Zijn welluidende lokstem bestaat uit twee tonen, die men ongeveer +voorstellen kan door "dzjaü" of "dzjnü"; zijn waarschuwend geschreeuw +gelijkt op het vorige geluid, maar is meer gerekt; teedere aandoeningen +geeft hij, evenals alle Waterloopers, te kennen door de klanken +"duuk duuk"; schrik ontlokt hem een onaangenaam gekrijsch; de +paringsroep, die altijd gedurende het vliegen weerklinkt, is een +echt jubelgezang, dat men door de teekens "dliedl, dliedl, dliedl" +ongeveer kan nabootsen. Hij is niet zeer gezellig van aard, maar komt +toch schreeuwend aanvliegen, als zijne soortgenooten in gevaar en nood +verkeeren, alsof hij hen helpen, raadgeven, waarschuwen wil; ook hij +treedt als leider van andere strandvogels op. Hij is even schuw als +de Groenpootige Ruiter, maar minder schrander en voorzichtig. Hoewel +onderscheid makend tusschen een jager en een herder, een man en een +kind, zal hij zich toch licht laten verschalken en bij zijn broedplaats +vermetel het leven in de waagschaal stellen. + +Zijn voedsel, dat in hoofdzaak wel gelijk zal zijn aan dat van den +Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras; +hij waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook +dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen +buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden +met de insectenjacht bezig. + +De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen +onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen +bekleede uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant, +zoo mogelijk midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen +ligt. Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige +aantal eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den +Kievit; de gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek +bruinachtigen of soms okergelen grond met talrijke, meer of minder +dicht bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine +stippen, vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het +wijfje broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop +en worden dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te +vinden is; zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar +leven om het hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone +wijze den vijand te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen +door een angstig geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid, +maar verliest niet zoo vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het +oog. Ongeveer vier weken na het verlaten van het ei zijn de jongen +in staat om te vliegen en kort daarna ook geschikt om zich zelf te +redden; na dien tijd wordt de innige band tusschen hen en hunne ouders +spoedig losser. + +De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals die +van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht +en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt, +hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap +wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op +dezelfde wijze. + + + +Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de Zwarte Ruiter +[Totanus (Totanus) fuscus], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7-1/2 +cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen, +overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt +hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart +vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge +noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de Fär-öer. Ons +vaderland en de overige landen van Middel- en Zuid-Europa bezoekt hij +op den trek in het voor- en najaar; men treft hem dan en gedurende den +winter, van Augustus tot Mei, vooral op de schorren en buitengronden +aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterdiertjes, vooral Wormen, +Insecten en kikkerlarven, die hij veelal zwemmend en met den kop +onder water vangt. Zijn stem is een helder en luid gefluit. Des nachts +wordt hij niet zelden in steekgarens gevangen. + + + +Het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd [Totanus +(Heliodromas) ochropus], heeft den kop en den mantel donkerbruin +met bronsgroenen weerschijn en met kleine, witachtige vlekken, +den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, donkerder, +overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek voorkomen, +den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals de kin +en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn bruinzwart, +de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de overigens +zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft met drie of +vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is donkerbruin, de +snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de voet groenachtig +loodgrijs. In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer klein en de +zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, staartlengte 4 cM. + +De Boschruiter [Totanus (Rhyacophilus) glareola], die in Friesland +ook wel eens "Witgatje", in Noord-Holland Liewietje wordt genoemd, +is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 22, staartlengte 5 +cM.), van welke hij zich onderscheidt door de meerdere grootte van de +lichte vlekken der bovendeelen, door de witte schaft van de eerste +groote handpen, door de zwarte en witte dwarsbanden van den staart, +die niet alleen smaller en veel talrijker zijn, maar bovendien reeds +aan den wortel aanvangen, en eindelijk door de groenachtig gele kleur +van den voet. + + + +Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten +de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun +verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. Op +IJsland en de Fär-öer komen zij, naar 't schijnt, niet voor; in alle +overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. De Poolsche Snip +broedt in ons land niet, maar komt hier op den najaarstrek, die van +Augustus tot October (soms tot December) duurt en houdt zich dan +meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar met struiken +begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij hier opnieuw +door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April tot Augustus +en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende soortgenooten, +die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen en slooten +waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. Ten deele +overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele Poolsche +Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun reis tot +aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij leiden een +verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de oevers van +kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid zijn; de +Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, duistere +woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts bij uitzondering +op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de twijgen van hooge +boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van dezen regel +werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de gewenschte +terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen. + +Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol, +dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus +hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers +van den Boschruiter. + +De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen +in daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en +Lijsters, zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen, +in dit geval echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het +water. Voor den Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer +boomvogel is dan zijn naaste verwant, geldt misschien hetzelfde; +voor zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten +op boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den +grond en legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine +vlekken en paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van +de Poolsche Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken, +vegen en stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker +groenbruin afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de +jongen uit, die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en, +als zij op een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich +te beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe, +zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en +worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun geslacht. + + + +De Grutto's (Limosa) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel +het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken +en aan den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze +onderscheiden zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten +en vooral van het naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij +minder groote oogen, zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en +dragen een grijs winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer +verschilt. Hun grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is +langer dan de loop, twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde +spits lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels +zijn meer dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De +buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden +(bij een enkele soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen +is klein en niet zeer hoog aangehecht. De staart is kort. + +De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond, +maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en +Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten, +vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier, +bedaard stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine +dieren bestaat, richten zich bij 't naderen van een gevaar op, blijven, +evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te "drukken", +gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, terwijl hun vijand nog +ver af is. + + + +De Grutto, in Noord-Holland ook Marel, op Terschelling Griet, in +Limburg Oeversnip, in Friesland Schries, Schrier of Grieto genoemd +(Limosa aegocephala), is de grootste van de beide inheemsche +soorten. Het wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en +9 op den staart komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4 +cM. minder. De pooten zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is +vuil roodgeel, bij de jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits +zwartbruin. De slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit; +de staart is zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter +zijn alle bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik, +de stuit en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den +zomer heeft het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders, +den rug en de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug +en de vleugels hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden. + +De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen +van het gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in +Azië en Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in +Noord-Afrika. Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar +is toch in de moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den +zomer. Bij ons behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en +in moerassige streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt +hij in het hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen +behoorlijk geoefend zijn in 't vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen +tijd op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra +(in September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn +zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend, +dat hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den +paartijd, als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in +het zeer eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur, +met donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij +grooter dan kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij, +evenals deze, ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht. + + + +De Rosse Grutto, op Terschelling Rosse Griet, in Limburg Rosse +Oeversnip, in Friesland Roode Schrier en Hooiwulp genoemd (Limosa +lapponica), is op de kruin en in den nek licht roestrood met +bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met +roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den +hals en de onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van +de borst en de onderdekveeren van den staart hebben zwarte, +overlangsche vlekken, de slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd, +de stuurpennen hebben grijze en witte dwarsbanden. Het oog +is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits grauwzwart, de voet +zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM. + +Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den trek +bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel Zuid-Europa en +Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis bezoekt hij in grooten +getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. In zachte winters +blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst overwinteren hier +slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en aan den Hoek van +Holland) heeft men deze soort broedend in ons land aangetroffen. Op +hun reis verwijderen de Rosse Grutto's zich niet gaarne van de zee, +zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende zandbanken en wadden, +keeren bij intredenden vloed naar het vaste land terug, zenden, als +de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze hun de gewenschte +tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier naar den waterkant +en volgen de terugwijkende golven. + +Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren, +kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto's; een +grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk, +zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik +te maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten +wij in 't midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig +is bij hen niet aanwezig. + +In de gevangenschap gedragen de Grutto's zich als de andere +Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de +veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger +onderscheiden en blijven jaren lang gezond. + + + +De Wulpen (Numenius) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, zwak +benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren langzamerhand +dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de hoornachtige +spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets langer dan de +onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten zijn slank en +hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle drie voorteenen +zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de groote, +spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig lange, +uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. Het +harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur aan +dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes onderling +en in de verschillende jaargetijden overeen. + +De Wulp of Groote Wulp, in Noord-Holland Drupen, in Noordbrabant +Heidetuter, in Gelderland Tuter en Zandtuter, Regenfluiter en +Bergfluiter, in Limburg Kliet, in Groningen Wilp en Groote Wilp, in 't +Friesch Wylp en Wettergulp genoemd (Numenius arquatus), is de grootste +der drie in Europa en ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte +bedraagt 70 à 75 cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De +veeren van de bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de +benedenrug is wit met bruine schaften en overlangsche vlekken; de +slagpennen zijn zwart met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan +de binnenvlag wit gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken, +de stuurpennen op witten grond met zwartbruine banden. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart, aan den wortel van den ondersnavel +olijfkleurig grijs, de voet loodkleurig grijs. + +Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd, +want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl +hij trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van +Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even +geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en blijft +er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen zeldzame +verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September en +broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage +moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief, +wat de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht +hij geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren, +vlakten zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij +soms naar de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier +weer naar het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen +verraden steeds een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard, +zelfvertrouwen zoowel als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere +Snipvogels, maakt hij gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens +zijn waakzaamheid verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere +strandvogels om hem heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis +niet meer, dan hem goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle, +klankrijke tonen, die men door de lettergrepen "taü taü" en "tlaüied +tlaüied" kan nabootsen, volgens anderen beter door "u lu lu, u lu lu", +"keloeje keloeje" en "hoepe hoepe". Hoewel hij ook in sommige gewesten +van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke landen, en +van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk broedgebied +beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op den grond +tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en worteltjes van +planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn groot, olijfgroen +en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij worden voor een groote +lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de Wulpen het binnenland +en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- of zandgronden aan de +monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen blijven aan de kust in +grooten getale den winter over en worden dan veelvuldig in zoogenaamde +"stalnetten", een soort van warflouwen, gevangen. Van beide soorten +hoort men in de tweede helft van Maart bij donker, regenachtig weer de +fluitende lokstem dikwijls den geheelen nacht door: vandaar hun naam. + +Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden, +Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook kleine Visschen en Amphibiën, +voorts velerlei plantaardige stoffen, vooral bessen, vormen het voedsel +van de volwassen Wulpen; de jongen eten niet anders dan Insecten en in +het hooge noorden uitsluitend Muggen en hunne larven. Zij verdragen de +gevangenschap goed, geraken spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel +en aan hun verzorger, worden zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen +van goede geestvermogens. + +De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is +daarbij de beste helper van den jager. De vangst levert aan de +broedplaatsen de zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het +watersnippennet. In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel +belangstelling als de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt +deze Vogel geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen. + + + +De Regenwulp, Kleine Wulp of Regenfluiter, in Groningen Kleine Wilp +en Regenwilp, in 't Friesch Reinwylp, Wetterwylp, Litse Wylp geheeten +(Numenius phaeopus), is veel kleiner dan de vorige soort (totale +lengte 52, staart 11, snavel 11 cM.); zijn naar verhouding kortere +snavel is sterker gekromd; zijn kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk, +is somberder; de veeren van den kop zijn donkerbruin, ongevlekt, met +een witachtige, overlangsche streep over de kruin; de flanken zijn +wit met zwartbruine pijlvlekken en dwarsstrepen, de staartveeren +witachtig grijs, aan den wortel aschgrauw, met 7 of 8 donkere, +aan den rand uitvloeiende banden versierd. Het oog is donkerbruin, +de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. + +Deze Vogels broeden uitsluitend in 't hooge noorden, dringen ver in +de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden van +Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de Fär-öer en Siberië +tot zomerverblijf en begeven zich op den trek even ver zuidwaarts als +hunne grootere verwanten. In den nazomer en het najaar vindt men ze +bij ons in vluchten in de hooilanden, in de herfst- en wintermaanden +aan de kust, in het voorjaar vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en +meer stuks langen tijd op onze weilanden, waar zij soms van Maart +tot December blijven rondzwerven, zonder dat hier ooit eieren van +hen gevonden zijn. Gedurende het vliegen brengen zij een opmerkelijk +trillenden loktoon ("hüüüüüüh") voort. + + + +De Dunbekwulp (Numenius tenuirostris), die in de kustlanden van de +Middellandsche Zee, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op Sicilië, +broedt en wiens reizen zich over een groot deel van Azië en Afrika +uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar 't noorden af; tot dusver +werden 4 exemplaren van deze soort in ons vaderland (Friesland, +Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte komt hij met den +Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral onderscheidt door zijn +aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere kleur van zijn kleed. + + + +De Franjepooten (Phalaropus of Crymophilus) zijn kleine, +Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige leden +hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor +het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan +den rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten +ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft +zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig +benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels, +welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12 +pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een +buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden +van de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij +op lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar +zuidelijker landen, maar naar de open zee. + +Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende +Vogels. Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als +in 't water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het +zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon +bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine +vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf +houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele +mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats; +aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen +groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele +opzichten duister en raadselachtig voor. + + + +De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland, +broedt, is de Aschgrauwe Franjepoot, de Odinshen van de IJslanders +(Phalaropus hyperboreus). De veeren van de bovendeelen zijn zwartgrijs, +die van den onderrug en de schouders zwart met roestgele randen; de +zijden van het achterste deel van den hals zijn roestrood, de keel +en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van den romp grijs. In +den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. Totale lengte +van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte 5 cM. + +In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland, +Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische +toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft +hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer +en den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja +zelfs in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte, +door met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag +van gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op +Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk +met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt. + + + +Op nog hoogere breedten en verder westwaarts wordt de genoemde soort +vervangen door den iets grooteren Rossen Franjepoot (Phalaropus +rufus). Bij dezen zijn de veeren van bovenkop, rug en schouders zwart +met roestgele randen, die van den achterhals en den staartwortel +roestrood; de benedenrug, de bovenste dekveeren van den vleugel +en de zijden van den staart zijn aschgrauw, de onderdeelen fraai +roestrood. De handpennen zijn zwartachtig grijs met witte schaften, +aan den binnenrand en aan den wortel wit, de armpennen donkergrijs met +witte randen, de laatste bijna geheel wit, de middelste stuurpennen +zwartachtig, de volgende donker leikleurig grijs, de beide buitenste +aan de spits donker bruinrood. Het oog is bruin, de snavel groenachtig +geel, aan de spits bruin, de voet grijsbruin. In het herfstkleed zijn +de bovenkop en de nek aschgrauw en geteekend met twee grijszwarte +strepen, die langs de zijden van den achterkop zich uitstrekken; +de rug- en de schouderveeren zijn blauwgrijs met donkerder schaften, +de veeren van de onderzijde wit, in de flanken grijs. + +Deze Vogel werd 's winters eenige malen aan onze kust en ook enkele +malen aan de oevers van binnenwateren waargenomen. + + + +De Steltkluiten (Himantopus), zoo genoemd wegens hunne zeer hooge +pooten, die ver boven het spronggewricht onbevederd zijn en waarvan de +buitengewoon lange loop slechts met schilden bekleed is, hebben een +langen, dunnen, alleen aan den wortel zachten, als balein buigbaren, +rechten, aan de spits afgeplatten snavel, zeer lange, smalle en spitse +vleugels, die voorbij den korten staart uitsteken; de buitenste en de +middelste voorteen zijn door een spanvlies vereenigd, de achterteen +ontbreekt. + + + +De Gewone Steltkluit (Himantopus candidus) bewoont alle landen om +de Middellandsche Zee; en is vooral in Noord-Afrika veelvuldig. Tot +zijn broedgebied behooren bovendien Zuid-Rusland, geheel Middel-Azië, +bezuiden de Siberische grens en Indië. In vrij grooten getale broedt +hij ook in Hongarije, enkele exemplaren ook in Duitschland. In +Indië, Perzië, Egypte en Noordwest-Afrika, zelfs op Sardinië is hij +standvogel; in de noordelijker gedeelten van zijn broedgebied komt hij +in Mei en blijft er hoogstens tot September. Op den trek doorkruist +hij geheel Afrika en Azië tot het eiland Luçon. Jaren geleden +(Augustus 1852) zijn twee exemplaren van deze soort in Noordbrabant +(bij Middelbeers) geschoten. + +In het lentekleed zijn de achterkop, een smalle streep op den +achterhals en de mantel zwart, de laatstgenoemde met groenachtigen +glans; de vleugels zijn zwart; de staart is aschgrauw; alle overige +deelen zijn wit, op de voorzijde met een teere, rozeroode tint. Het +oog is prachtig karmijnrood, de snavel zwart, de voet bleek karmijn- +of rozerood. Totale lengte 38, staartlengte 8 cM. + +De Steltkluiten houden zich gaarne op bij zout- en brakwater meren, +zonder zich tot deze te bepalen. Zeevogels kan men hen niet noemen. Wel +komen zij soms ook aan de zeekust voor in gezelschap van Kluiten +en Ruiters; gewoonlijk echter ontmoet men ze in kleine vijvers of +plassen gedurende den broedtijd in groote moerassen, waarvan het water +zoet of hoogstens brak is. Naar het schijnt, zijn zij gezelliger van +aard dan hunne naaste verwanten; bij paren ziet men ze niet anders +dan gedurende den voortplantingstijd; in andere tijden van het jaar +steeds bij troepen van 6 à 12 stuks en 's winters in talrijke zwermen. + +Voor zoover men weet, eten zij niets anders dan Insecten. Voortdurend +houden zij zich met de vangst van deze dieren bezig, die zij van den +waterspiegel afzoeken, uit de slib van den bodem wegpikken of in de +lucht ophappen. + + + +Nevens de Steltkluiten verdienen de Kluiten (Recurvirostra) een +plaats. Deze zeer eigenaardige, hoogpootige Snipvogels hebben een +forsch gebouwden romp en een langen, zwakken, smallen snavel, welks +breedte de hoogte zeer overtreft, en die naar de spits aanmerkelijk +dunner wordt; hij is eenvoudig naar boven gekromd of onmiddellijk voor +het einde weder naar beneden gebogen, over zijn geheele lengte glad +en hard. De pooten hebben een buitengewoon langen loop en zijn tot ver +boven het spronggewricht onbevederd. De drie voorteenen zijn verbonden +door "halve" zwemvliezen, deze strekken zich tot aan den nagel uit, +maar zijn diep uitgesneden; de achterteen is klein, hooger ingeplant +en reikt niet tot op den bodem. Tusschen het mannetje en wijfje en +ook tusschen zomerkleed en winterkleed bestaat zeer weinig verschil. + +De Gewone Kluit of Kluut, vroeger ook Sluijf genoemd (Recurvirostra +avocetta), is op eenvoudige, maar zeer bevallige wijze geteekend. De +bovenkop, de nek en de achterhals, de schouders en het grootste +gedeelte van de vleugels zijn zwart, twee groote velden op de vleugels +en het geheele overige vederenkleed zijn wit. Het oog is roodachtig +bruin, de snavel zwart, de voet donker blauwgrijs. Totale lengte 43, +staartlengte 7 cM. + +Van Middel-Europa af is de Kluit bijna over de geheele Oude Wereld +verbreid. Hij bewoont de kusten van de Noordzee en de Oostzee zoowel +als de zoute meren van Hongarije; hij trekt van hier door Zuid-Europa +en Afrika tot aan het Kaapland; van Middel-Azië naar Zuid-China en +Indië. Daar waar men hem aantreft, komt hij meestal in grooten getale +voor. Hij verlaat ons vaderland in Augustus of September en komt in +het laatst van Maart of in het begin van April terug. In Nederland +werd hij vooral op Texel, bij Calantsoog (in Noord-Holland) en aan +den Hoek van Holland, doch ook op de andere eilanden, bij Vogelenzang +en in Zeeland broedend gevonden. + +De Kluit is een echte zeevogel: hij verlaat de zeekust zelden; wanneer +hij dit al eens vrijwillig doet, geschiedt zulks met het doel om een +zout- of althans brakwatermeer op te zoeken. In het binnenland behoort +hij tot de zeldzaamheden. Hij is een van die zeevogels, welke ieders +aandacht trekken, omdat zij een sieraad zijn van het strand. Zooals +zijne zeer goed ontwikkelde zwemvliezen reeds doen vermoeden, beweegt +hij zich ook op plaatsen waar het water diep is; hij zwemt met gemak +en behendig en doet dit dikwijls zonder bepaalde noodzakelijkheid. Zijn +fluitend stemgeluid heeft een eenigszins droefgeestigen, maar volstrekt +niet onaangenamen klank: zijn loktoon klinkt ongeveer als "kwie" of +"duut", zijn paringswijsje is een klagend "klioe", dat zoo dikwijls +en zoo schielijk achtereen herhaald wordt, dat het aan "jodelen" +doet denken. Aan dit geluid heeft hij zijn naam te danken. + +Gewoonlijk ziet men den Kluit in 't water staan of langzaam rondstappen +en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van den kop +voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van 't water onderzoeken, +waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den kop staat. Hij +gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel andere wijze dan +de overige moerasvogels; hij "sabelt", gelijk Naumann zegt, "maakt +tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en +naar rechts en grijpt intusschen het in 't water zwevende voedsel, +dat door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt +teruggehouden." Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden van +deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men, +dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend +of zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven, +of opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn. + +Korten tijd na hun terugkomst in 't vaderland splitsen de zwermen zich +in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op een met kort +gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling van den grond +en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er worden in den +regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in gelegd; deze +hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht roestgeelachtigen +of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of minder groot aantal +grauwzwarte en violette vlekken en stippels geteekend is. Het mannetje +en het wijfje broeden om beurten, zijn vol zorg voor hun broedsel, +vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, die in de nabijheid +van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze droog geworden +zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen vinden, later +naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels beginnen te +gebruiken, naar de open zee. + +De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun voedsel +moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij kunnen +dan jaren lang in de kooi in 't leven gehouden worden. + + + +De echte Pluvieren (Charadriinae) zijn forsch gebouwde, korthalzige, +grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal +kort, zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven; +aan den wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde +huid bekleed; de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het +einde van het achterste derde gedeelte (of van de achterste helft) +van den snavel, welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is, +doch nader bij de spits zich weer verheft; zulk een snavel heet +"kolfvormig" gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in +'t spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De +vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de +eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een +zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange, +uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het +dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen +en ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het +winterkleed bestaat. + +De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De +meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den +morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in +de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten +duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere 's nachts +het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak en +snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. Zij +zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook hiervoor +geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, fluitende stem +en brengen gedurende den paartijd tot trillers vereenigde tonen voort, +die eenige aanspraak kunnen maken op den naam van gezang. Hun nest is +eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden wordt het met eenige halmen +bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 peer- of tolvormige, bont +gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, die altijd zoo gerangschikt +zijn, dat de spitsen elkander in 't midden aanraken. De beide ouders +broeden om beurten; door hen begeleid, verlaten de jongen het nest, +onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen en droog geworden zijn; +in den eersten tijd zoeken zij nu en dan beschutting onder de vleugels +van de moeder. + +Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine +waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel +vervolging te verduren. + + + +De Kievit, in Overijsel Kiefte, in 't Friesch Ljiep genoemd (Vanellus +cristatus), vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, dat kenbaar is +aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan de vierteenige voeten, +aan de stompe vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde +handpen en aan de kuif, waarmede de kop versierd is. De bovenkop, +de voorhals, de bovenborst en de achterste helft van den staart +zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den mantel donkergroen met +blauwen of purperen weerschijn, de zijden van den hals, de onderborst, +de buik en de wortelhelft van de staartveeren wit, eenige boven- en +alle onderdekveeren van den staart donker roestgeel; de kuif bestaat +uit lange, smalle veeren, die een dubbele spits vormen. Het oog is +bruin, de snavel zwart, de voet vuil donkerrood. Totale lengte 34, +staartlengte 10 cM. + +Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft men den +Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. Hij +is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in +Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de tusschen +Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel naar de +Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van alle Europeesche +landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan Kieviten: zij zijn voor +ons land even karakteristiek als de kanalen, de zwartbonte koeien, +de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde buitenplaatsen +en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet zeldzaam. + +De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de +Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in 't vaderland, als de winter +er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan van +andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het hoofdleger +voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze worden dikwijls bitter +teleurgesteld door een weersverandering. Late sneeuwvlagen maken, dat +zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk worden zij door de hoop op +een gunstigen keer van zaken weerhouden om terug te keeren; zij dwalen +van het eene veld naar het andere, wachten en hopen, verkwijnen meer +en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 tot 1888 wisselde de tijd +van aankomst der Kieviten in ons vaderland af tusschen 10 Februari +en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin zij vertrokken of +voor de laatste maal gezien werden, van 18 September tot 6 December +(gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in 't oog worden gehouden, +dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed hebben en geboren +zijn, andere, uit noordelijker streken komende exemplaren doortrekken; +dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele maal is het gebeurd, +dat Kieviten hier den winter overbleven. + +Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne +gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De +Kievit houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel +mogelijk diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage, +moerassige kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats +moet voldoen, is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam +geschiedt, de Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er +te nestelen, kan men er vrij stellig op rekenen, dat de gewone +nestplaatsen in den loop van den zomer overstroomd zullen worden. Op +deze nestplaatsen nu ziet of hoort men den Kievit op iederen tijd +van den dag [1]. Bijna voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk +is de oorzaak hiervan gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder +ander schepsel, misschien met uitzondering van Runderen en Schapen, +voor gevaarlijk houdt. Daar hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur +van zijne vleugels gebruik maakt bij het toonen van liefde zoowel als +van misnoegen en voor vele spelen, welker reden ons niet volkomen +duidelijk is, kan het niet missen, dat men hem opmerkt. Het drukst +beweegt hij zich, zoolang er eieren in zijn nest liggen, of zijne +jongen nog niet geschikt zijn om aan een naderend gevaar vliegend te +ontkomen. In dezen tijd vliegen zij onder luid geschreeuw, dat als +"kiewiet" klinkt, om iederen mensch heen, die in de nabijheid van +hun broedplaats komt. Zij doen dit met een driestheid, die te recht +verbazing wekt. De voor zijn kroost beduchte Vogel schiet dikwijls +zoo dicht bij het hoofd van den mensch langs, dat deze de door 't +snelle vliegen veroorzaakte luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij +vliegt voortreffelijk en siert zijn vluchtlijn als 't ware op door +velerlei zwenkingen. Alleen als de weg van den Kievit dicht over +den waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen; +zoodra hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten +te maken, alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging +uitdrukken wil. Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt, +maakt hij de koenste wendingen, stort zich naar beneden tot dicht +bij den grond, rijst echter dadelijk weer in steile richting omhoog, +slaat nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op +den bodem af, trippelt hier even rond, verheft zich opnieuw in de +lucht en hervat het vorige spel. Geen der andere inheemsche Vogels +vliegt zooals hij, geen hunner is in staat om op dezelfde wijze alle +denkbare bewegingen met de vleugels uit te voeren. Karakteristiek +voor deze wijze van vliegen is het eigenaardige gesuis en gewapper, +dat door de snelle vleugelslagen ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan +Kieviten, die door de lucht voorbijtrekken, in een duisteren nacht +van alle andere Vogels onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en +behendig; de snelheid van 't loopen kan aanmerkelijk vermeerderd +worden. Bovendien speelt deze in 't oogloopende Vogel zoowel onder +'t vliegen als onder 't gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in 't +eene oogenblik horizontaal neerlegt, in 't andere hoog opricht. Van +zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik; +de weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te +verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde "kiewiet", is nu eens meer, +dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties hebben ieder een +bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven door "chrèiët", de +paringsroep bestaat uit een reeks van nauw aaneenverbonden klanken, +die men door de lettergrepen "chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet +kioeïeht" ongeveer kan aanduiden. + +Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men +overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager +vaak teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename +ervaring vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het +oord, waar een zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met +den felsten haat bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij +grooten moed, zelfs ware doodsverachting. Woedend schiet hij neer +op den snuffelenden Hond, dikwijls zoo dicht langs den kop van den +verontwaardigden viervoeter, dat deze zich genoopt ziet naar den +aanvaller te happen. Reintje wordt even ijverig bestookt, maar niet +altijd overwonnen en verdreven; integendeel deze grijpt niet zelden +een van zijne vermetelste tegenstanders en vermoordt hem voor de +oogen van zijne kameraads, die vol ontzetting in alle richtingen +uiteenstuiven en ver van de kampplaats gaan weeklagen over den +verongelukten makker. Stoutmoedig valt de Kievit Meeuwen, Reigers +en Ooievaars aan, kortom alle roofvogels, die minder goed vliegen +dan hij; de gevederde roovers, die hem in bekwaamheid overtreffen, +gaat hij echter voorzichtig uit den weg. De strandvogels zijn +gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit doet en ontkomen door zijn +voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom draagt hij bij de Grieken +den zeer eigenaardigen naam van "Goede Moeder." + +Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van +den Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van +zijn maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken +enz. genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat +hij drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte. + +Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte +grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van +het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe +holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes +sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons +omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen +van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk +groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde +schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met +donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer +verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest zóó, dat +hunne spitsen elkander in het midden aanraken en worden door het wijfje +altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het wijfje broedt de eieren +in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens naar plaatsen, waar zij +zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, dat zich bij naderend +gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo zeer met die van +den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou kunnen aanzien. + +Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat +zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is +men een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even +ijverig vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande +ijverig gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral +uit Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In +het laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht, +zeer aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland, +de prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan +15 cents per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer +hooge prijzen betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland +het eerste ei gemiddeld op 23 Maart gevonden (Albarda). Daar de +Kievieten, welker eieren men herhaaldelijk wegneemt, in het geheel +niet meer zouden broeden, het getal dezer Vogels derhalve van jaar +tot jaar verminderen zou, is bij de wet bepaald, wanneer het rapen +van kievitseieren moet ophouden. Hier te lande is het na den 30en +April verboden; het vervoeren en verkoopen van de eieren mag nog tot +den 5en Mei plaats hebben. + +De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer +jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde +levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger, +eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs +vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan +over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk +stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het +voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan +men ze jaren lang in 't leven houden; zij moeten echter tegen koude +beschut worden, zoodra de winter aanvangt. + + + +In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den Spoorkievit, wegens +zijn geschreeuw ook Sieksak genoemd (Vanellus spinosus). Deze kenmerkt +zich door een echten Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een +scherpe, aan de vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse +vleugels en een stompe kuif op den achterkop. + +Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt +hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk +maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van +het water. Hij stelt zijne eischen echter niet hoog, maar is tevreden +met een veld, dat nu en dan onder water wordt gezet. Hij schijnt de +zeekust te vermijden, maar komt voor aan de oevers der strandmeren, +die deels brak, deels zout water bevatten. + +In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten overeen, +hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren +leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren +komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit +van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij +en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld +kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er +kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is. + +Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van +zijn inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting +omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in +het midden van April, vele nog in Mei. + + + +De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen, +kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk +hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het +spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen +de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de +meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen +het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt +de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten, +soms als geslachten worden beschouwd. + + + +De Goudkievit, in Friesland Zeewilster, Blanke Wilster of Zilverpluvier +genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van +het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt +door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens +in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en +weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte +of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit +met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de +ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren +zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den +winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale +lengte 30, staartlengte 9 cM. + +Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze +echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen +het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland, +Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van +hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna +de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste +landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer +bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral +in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale, +waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen. + + + +De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd +(Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte +Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals, +den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en +topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden +van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep +vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den +staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met +goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de +vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit, +de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De +onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere +vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet +grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM. + +De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij +behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers +tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het +geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden +het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die +men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren, +kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het +eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels +tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond +onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen +zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij +slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland, +Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen +zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren, +die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder +jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het +einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven +sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich +echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de +kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van +Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar +het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis +wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk +gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer +hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige +rangorde, evenals de Kranen. + +In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar +geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel, +die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt +of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch +even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af, +wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van +het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en +vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als "tluïe" +klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons +eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot +een triller ("taluudl-taluudl-taluudl-taluudl") verlengd. Hare +zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont +zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost +en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de +hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna +uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek +Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt +zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om +te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen. + +De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland +levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms +belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze +Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen, +dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde. + +Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier +nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en +in 't noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar +Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus) +is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en +de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich +voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere +dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs. + + + +De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een +kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een +steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig, +door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze +kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel +van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het +midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede, +lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte +22, staartlengte 7 cM. + +De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de +hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar +broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van +Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste +deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië +(op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De +Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek, +van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij +Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de +reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de +hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf +heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije +en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten. + +De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer +familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig, +bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien +dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een +zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door +de klankteekens "duurr" of "duuru" ongeveer weergeven kan. Zij is +lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken +bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat +meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen, +om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te +zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders +van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de +gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door +de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden +ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen +den grond aangedrukt hadden, geheel over 't hoofd. Vlak voor mij +lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder +gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes +geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht +bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe +langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel +terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij +mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte +zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich +gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In +'t zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij, +zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren +op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn +gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op +den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk, +toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door +het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de +kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en +bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening +verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging +van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een +groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor +hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te +handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover +anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in +de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte, +bijna uitgeroeid is. + +Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren, +die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende +gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar +verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid +van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste +Snippen, de voorkeur. + + + +De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd +(Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot +het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door +de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange, +spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan +de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten, +ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen +op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten +in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand- +en grindbanken in stroomen enz.--De Bontbekpluvier is kleiner dan +de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar +aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van +den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het +voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende, +breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over +den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde +dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en +een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige +halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De +kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig +bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met +breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen) +met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin +met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden, +witten eindrand het donkerst. + +De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in +Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee +en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche +en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige +oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt, +ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden +op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele +malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot +aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het +voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele +reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden +zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda). + + + +Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere Strandpluvier, +op Texel Zandlooper en Froukie, op Terschelling Gultje, op Ameland +Kreuteltje genoemd [Charadrius (Aegialites) cantianus]. Totale lengte +18, staartlengte 5-1/2 cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort, +een zwarten dwarsband over den krop, wel aan weerszijden daarvan een +zwarte vlek; voorts zijn bij haar de snavel en de voet zwart en het +voorhoofd zuiver wit; wit zijn ook de schaften van de 4 à 6 eerste +pennen. Haar verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde, +uitgezonderd het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt +aan de zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de +Roode Zee. Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September +op en broedt in grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan +den Hoek van Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer +1 dM. middellijn in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze, +waarop deze en andere Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of +4 geheel gave, bijeen gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast +in den bodem te drukken; ook om het nest liggen dergelijke groepjes +[2]. Reeds in Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker +gewesten te verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan +ook in zeer menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand. + + + +De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks +grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op +iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste +deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar +achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit; +het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede, +witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt; +de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk +breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5-1/2 cM. + +Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook +in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna +uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in +hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur, +doch komt ook nu en dan aan 't zeestrand voor. Bij ons is zij niet +zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het +strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland +bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend +gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda). + +Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook +in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen. + + + +De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een +middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten, +aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen +loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke +nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht, +glad vederenkleed. + + + +De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af +en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in +'t oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van +23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen. + +Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en +West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen +het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen, +die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren +kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die +eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels +daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en +eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid +ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer +15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang +de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten; +deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging +geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen +pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt +voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil, +om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen +gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet +eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen +ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten +afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te +houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden: +zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet +te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de +Kanarische Eilanden "Kinderbedrieger", omdat onervaren knapen meenen, +dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te +maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling +ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even +snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts +de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor +dit doel geschikt. + +Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. "Een +groote, diepe schotel," zegt Bolle, "of een andere steenen pot wordt +in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van +verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is +vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt +hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt, +valt de pan hem over den kop en is hij gevangen."-- + +"Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt," verhaalt +Plinius in navolging van Herodotus, "komt de Vogel Trochilus aanvliegen +en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt +dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog +verder, opdat de "Trochilus", als hij er uit wil, zich niet zal +kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt +zich in de nabijheid van 't water op en waarschuwt den Krokodil voor +den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door +geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken." Dit verhaal, dat +men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond; +wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil +en zijn "Wachter", gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen. + + + +De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den +overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader +verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep, +welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek, +een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug +zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en +aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel, +de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de +borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en +de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen +zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee +breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden +vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig +kleiner dan het mannetje. + +De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen +dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank +u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af +stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van +den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats +uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom +hem verdrijft. + +Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige +en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij +met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen, +maar vallen nog meer in 't oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart +gestreepte vleugels uitbreiden en over 't water vliegen. Zij doen +dit zeer snel, zooals men reeds bij 't zien van de spitse vleugels +zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich +in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den +anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van 't water +langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem +hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als +"tsjiep tsjiep hoit". Maar ook gedurende het zitten en rondloopen +schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders +in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen +mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een +luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de "Wachter" niet +alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol, +die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een +merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig +geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en +hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in +vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen +is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de +boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van +de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert, +heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden +rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er +de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil +belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen +vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de +tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan +het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw +van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of +gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt +dezen zich naar de veilige diepte te begeven. + +Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan +enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan +het dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen, +Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de +bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere +Gewervelde Dieren. + +Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze +met zand, wanneer zij bij 't broeden gestoord wordt. Slechts toevallig +komt men dus op het spoor van de broedplaats. + + + +De Steenloopers (Arenaria) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke +vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve +door hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze +verschillen. Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid +gevonden, aan de kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan +die van Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel +als in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in +China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de strengste +beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het veelvuldigst +aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan steeds in +zeer kleinen getale, bij binnenwateren. + +De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke +en tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop +betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo +lang als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een +weinig naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug +afgeplat, geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan +den snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste +handpen de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is +uit 12 pennen samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de +achterteen is klein en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed +voorzien, maar glad aanliggend en onderscheidt zich door levendige +kleuren; de schouderveeren zijn sterk verlengd. + + + +Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de +andere de Oude Wereld. Bij deze--bij den Gewonen Steenlooper (Arenaria +interpres)--zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer het +voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de +keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep, +die op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals +naar beneden loopt, is zwart, evenals de onderhals met het +voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den mantel +zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart overlangs +gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte vlekken; +over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de slagpennen zijn +zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de spits wit, vóór +de spits met een breeden, zwarten band geteekend. Het oog is bruin, de +snavel zwart, de voet oranjegeel. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM. + +De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in Europa +niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op Madeira +en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men mag aannemen, +dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo zelden in het +binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in Skandinavië, +op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen van April tot in +het midden van Mei; reeds vóór het einde van Augustus vertrekken +zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet talrijk, op onze kust +verschijnen en ook aan de noordelijke en zuidelijke oevers van de +Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons land begeven, blijven +meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de steenen hoofden +langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De Steenlooper houdt +evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de middaguren eenige +minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is hij aanhoudend +in beweging, van 's morgens tot na zonsondergang, dikwijls zelfs +'s nachts. Hij gaat trippelend en bij 't zoeken van voedsel tamelijk +langzaam; maar kan zich ook rennend en buitengewoon snel over groote +afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon is om, na als een pijl uit +den boog een zekeren weg doorloopen te hebben, op de een of andere +verhevenheid een tijdlang stil te staan en daarna opnieuw vooruit te +schieten. In 't vliegen is hij even ervaren als zijne verwanten. + +Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor 't voedsel hem +bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere +Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in 't zand te +boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn +naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk +ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de +kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen +behooren. + + + +Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis +maken met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men +wegens zijn eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal +zien. De Scholekster, aan den Dollard Slijkaakster, op Texel Lieuw, +op Terschelling Bonte Piet, in Friesland Strandkievit, Bonte Lieuw of +Oostindische Kievit, in 't Friesch Stranljiep, in Vlaanderen Zeeekster +genoemd (Haematopus ostralegus), valt ook door haar gestalte in 't oog +en heeft behalve de leden van haar geslacht geen verwanten, die veel op +haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen lichaamsbouw, een groote +kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, naar voren zeer sterk +samengedrukten, wigvormigen, harden snavel eindigt, middelmatig hooge, +krachtige voeten met drie korte en breede teenen, waarvan de buitenste +en de middelste door een groot spanvlies vereenigd zijn, middelmatige +lange, doch spitse vleugels en een uit 12 pennen samengestelden, +tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de bovendeelen, den +voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig iriseerend, +op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de borst +en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit, +overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel +een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig, +een naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de +jongen roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker +vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM. + +Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft men +de Scholekster aan alle Europeesche kusten waargenomen, veelvuldig +vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. Eveneens ontmoet men +haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten van de Noordpoolzee, +opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van Noord-Azië, +volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen benedenloop van +den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij 's winters, hoewel volstrekt niet +in grooten getale; haar wijze van trekken is in vele opzichten +eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den winter geregeld het strand van +de Oostzee, terwijl zij op IJsland eenvoudig van de noordkust naar de +zuidkust trekt. De verklaring hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar +waar de Golfstroom de kust bespoelt, blijft deze Vogel gedurende +het geheele jaar; op plaatsen waar de zee 's winters dichtvriest, +is hij tot trekken gedwongen. + +Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. Zij +broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de +weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een +groot aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij +hier voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in +steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij +zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk +is, kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien +van den Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of +trippelend, maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen; +hare breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste +slib te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet +toe genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht; +meestal vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en +zwenkingen; meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op +hare wieken. Haar stem, een als "hie iep" klinkend gefluit, laat zij +bij iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt "kwierrr" als +inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, zoodat het geluid als +"kwiek kwiek kewiek kewiek" klinkt. De lang aanhoudende trillers, +die zij in den paartijd voortbrengt, zijn zeer welluidend en vol +afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt de Scholekster +onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, onrustig, +moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed geluimd. +Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij +dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien +en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven +kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist, +daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar +Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als +'t ware, het leven van alle strandbewoners naar hare inzichten. + +"Haar voedsel," schrijft Schlegel, "bestaat uit vischbroedsel, jonge +Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen, +gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere +op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar +hierom den naam Oestervisscher gegeven." Dat de Scholekster nooit +Oesters vischt, ligt voor de hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren, +of vreet een groot Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd +gespoeld; zij is echter niet in staat om een levend Schelpdier te +openen. Waarschijnlijk zijn Strandpieren een hoofdbestanddeel van +haar maal. Dat zij intusschen een klein Schaaldier, een vischje en +andere zeedieren niet versmaadt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd +te worden en evenmin, dat zij op Insecten jacht maakt in de nabijheid +van het vee, dat aan de kust graast. + +De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, beginnen +omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest te +bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten in +de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van de +wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het nest +is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft uitgekrabd; +het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar 2) zeer groote, +spitse of zuiver eivormige eieren, welker stevige, glanslooze schaal +op licht bruinachtig roestgelen grond een zeer varieerende teekening +vertoont, die uit licht paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte +vlekken en stippels, strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden +duurt ongeveer 3 weken. De jongen verlaten onmiddellijk het nest en +worden geleid door de beide ouders, die in dezen tijd voorzichtiger +en stoutmoediger zijn dan ooit te voren. + +Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op +te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar +zeer voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke +voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer +flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze jacht. + +De Zwaluwpluvieren (Glareolidae) vereenigen als 't ware de kenmerken +van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden +tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke, +boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange, +smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste +en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De +overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige +in lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven +tot den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of +gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is +dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes +en bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk +veel verschil aan bij ouden en bij jongen. + + + +In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven, +voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in +de steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de Vorkstaartpluvier +(Glareola pratincola). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart +komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders +en de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de +onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door +een bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, +aan den mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin. + +De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. Zij +loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar +wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich +door groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen, +kortom, zij biedt velerlei afwisseling aan. + +Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke +Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten, +Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij +zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk +snel verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een +buit, het als 't ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek +het lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun +geheel verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. Von der Mühle +vond in het spijskanaal van Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht +gedood had, zeldzame Kevers geheel onbeschadigd, volkomen geschikt +voor een insectenverzameling. Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de +Vorkstaartpluvieren soms nog laat in den avond; zij zijn over 't geheel +genomen eer schemeringvogels dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen +of rusten gedurende de middaguren; in den voortplantingstijd doen zij +dit in de nabijheid van haar nest, in den trektijd ziet men ze op een +eindelooze reeks, aan den oever van een rivier of van een meer zitten. + +Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar +noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij 't +meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in Juli 1892) +één gevangen, in gezelschap van Kieviten, Kemphanen enz. (Albarda). + +In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier +veelvuldig ingezameld; in Griekenland wordt jacht gemaakt op den +volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat vooral in den +herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden gevangen. + + + +Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de +Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt +Fürbringer tot de groep der Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine +familiën van. Deze zijn de Kluitsterns (Dromadidae), de IJshoenderen +(Chionidae) en de Kwartelsnippen (Thinocoridae). + +De familie van de Kluitsterns bevat slechts één geslacht met één soort +(Dromas Ardeola). Deze komt in grootte met een Duif overeen, maar +heeft pooten, welke door lengte en bevedering en door de aanwezigheid +van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan die van de Kluiten +herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen snavel met eironde +neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in het jeugdkleed) +aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode Zee en op +het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens Von Heuglin, +in de duinen een diep, schuins naar boven gericht hol graaft, dat +als broedplaats dient. In het najaar trekt zij langs de oostkust van +Afrika zuidwaarts tot Madagaskar. + + + +De familie der IJshoenderen (Chionidae) omvat twee soorten, die +rotsachtige eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond +bewonen en op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide +zijn wit bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam +van Zuidpoolduif bekend (Chionis minor), komt op Kerguelen-eiland +voor; de andere--de Zuidpoolkip (Chionis alba)--, die de grootte +van een Patrijs heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland), +de Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht +wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels, +een korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een +tamelijk korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein, +de voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun +snavel, welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar +de neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande, +van boven gegroefde hoornplaat. + + + +De familie van de Kwartelsnippen (Thinocoridae) omvat eenige tot +de gematigde en koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten, +welker grootte afwisselt tusschen die van een Duif en die van een +Leeuwerik. Zij hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met +hoog ingeplanten achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel +en gelijken op de IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide +vlies, dat hare neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust, +maar in het binnenland voor; sommige (Attagis) zijn kortstaartig, +bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren door haar +levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (Thinocorus) hebben een +langen staart, houden zich in droge, met gras begroeide streken op +en gelijken door hare gewoonten op Kwartels en Patrijzen. Zij voeden +zich met Insecten en plantaardige stoffen. + + + + +Alle zeeën en de meeste binnenwateren der aarde herbergen leden van +de familie der Meeuwvogels (Laridae), waarvan ongeveer 150 soorten +beschreven zijn. Zij gelijken op elkander door den eerder gedrongen, +dan slanken romp, den korten hals en den middelmatig grooten kop; hun +snavel is middelmatig lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de +zijranden en de spits zijn scherp, de beide kaken recht of de bovenste +gekromd, de onderste met duidelijken kinhoek; bij uitzondering is de +eene langer dan de andere; de neusgaten zijn spleetvormig, de drie +voorteenen door zwemvliezen verbonden, de vleugels lang en spits; +de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of gaffelvormig, bij +uitzondering ook wel wigvormig; het vederenkleed is dicht en zacht +en vertoont weinig verscheidenheid van kleur. Hoewel de Meeuwen voor +'t meerendeel zeevogels zijn, behooren zij toch volstrekt niet in +de open zee, maar integendeel op de kusten thuis, sommigen leven +tijdelijk of voortdurend bij binnenwateren; op den trek volgen zij +dikwijls de rivieren. Om uit te rusten zetten zij zich gaarne op +banken, kusten en oevers, minder dikwijls op het water neer. Zij +toonen een sterke neiging tot gezelligheid en broeden meestal in +koloniën, die soms uit vele duizenden stuks bestaan; groepsgewijs +vermengen zij zich ook gaarne met andere soorten van zwemvogels, +zoodat b.v. op een beperkt terrein dicht bij elkander troepen van +Zeezwaluwen, Meeuwen, Scholeksters, Bergeenden enz. voorkomen. Een +merkwaardig voorbeeld van zulk een broedterrein levert het eilandje +Rottum, waarop slechts één menschengezin woont, n. l. dat van den +voogd. Door een boogvormige reeks van hooge duinen wordt het eiland +aan de westzijde tegen de golven beschut. Op het open strand aan de +noordwestzijde staande, ziet men in de verte boven de toppen der duinen +als 't ware sneeuwvlokken dwarrelen, terwijl men hoog boven zich in +de blauwe lucht witte gestalten rustig ziet zweven. Nader komend, +merkt men op, dat de hoofdmassa van den zwerm uit Zilvermeeuwen en +Groote Zeezwaluwen bestaat. Als de wagen, waarmede de voogd ons van +'t strand afgehaald heeft, dicht bij een nestplaats langs rijdt, +ziet men alle Vogels, die op deze ongewone wijze gestoord worden, +opvliegen, men kan dan zonder overdrijving wegens de Vogels den hemel +niet zien. De prachtige Zilvermeeuwen, waarvan ongeveer 5000 paren +hier broeden, houden de hoefijzervormige duinenreeks bezet: De Groote +Zeezwaluwen, ten getale van minstens 6000 paren, broeden op slechts +drie hooge duinen, maar hier zoo dicht bijeen, dat op sommige plaatsen +het eene nest het andere raakt en men bijna geen voet verzetten +kan, zonder gevaar te loopen eieren of jongen te vertreden. Geen +enkel paar van deze soort broedt elders. Het kleinere Vischdiefje +daarentegen is meer over de geheele oppervlakte verspreid en is +vooral in de nabijheid van het huis buitengewoon talrijk. Men schat +het aantal paren van deze soort op minstens 8000. Minder veelvuldig +zijn de Bergeenden en de Scholeksters hoewel deze door hun kleur, +gene door hun geschreeuw en levenswijze zeer de aandacht trekken; +van ieder dezer soorten broeden hier ongeveer 400 paren. Wanneer bij +de reeds genoemde Vogels nog gevoegd worden de in geringer aantal +hier broedende Wilde Eenden, Tureluurs en Kemphanen, komt men tot +een totaal van omstreeks 20000 paren strand- en watervogels, die +op dit kleine eilandje broeden. Zoodra de jongen vliegen kunnen, +is het gewemel van de Vogels onbeschrijfelijk. Men kan zich hier +een goede voorstelling vormen van de wijze, waarop de guano-lagen +ontstaan. De uitwerpselen, de schelpen van de doorgeslikte zeedieren, +die door de Zilvermeeuwen als ballen weer uitgeworpen worden en zelfs +de lijken van tallooze jongen (eens zag ik n.l. door een hevigen +en lang aanhoudenden plasregen het geheele broedsel van de Groote +Zeezwaluwen vernietigd), alles hoopt zich op zulke gemeenschappelijke +nestplaatsen opeen. Hier in het duinzand worden deze meststoffen +schielijk door den vocht doorlatenden bodem opgenomen, ginds op +rotsen en klippen voegt de eene laag zich bij de andere. Hoewel +ook op de andere, naburige Noordzee-eilanden broedplaatsen van de +meeste der genoemde Vogelsoorten voorkomen, is toch Rottum als de +geboorteplaats te beschouwen vooral van de Zilvermeeuwen en Groote +Zeezwaluwen, die buiten den broedtijd de naburige kusten, zoowel van +'t vasteland als van de eilanden, verlevendigen (Altum). + + + +Door een buitengewone bekwaamheid in 't vliegen en duiken onderscheiden +zich de Sterns of Sterntjes (Sterninae). Zij zijn sterk gebouwd en +middelmatig groot of klein; de spitse, harde snavel is zoo lang als +de kop of nog iets langer en recht of nagenoeg recht; de korte pooten +hebben vier teenen, die met tamelijk scherpe, gekromde klauwen gewapend +zijn; de achterteen is meestal zeer kort; de zwemvliezen zijn meestal +kort en dikwijls diep uitgesneden; de vleugels zijn zeer lang, smal +en spits; hun eerste slagpen is langer dan de overige; de staart +is middelmatig lang, meer of minder diep gevorkt en uit 12 pennen +samengesteld; het vederenkleed is dicht, zacht, glad aanliggend en +grootendeels licht loodkleurig grijs, zwart en wit; het verschilt +weinig of niet bij 't mannetje en bij 't wijfje; duidelijk merkbaar +is echter het onderscheid tusschen het herfst- en het lentekleed, +niet minder dat tusschen de jongen en de volwassen Vogels. + +De Sterns bewonen alle aardgordels, leven in de nabijheid van de zee +of van het binnenwater en volgen bij het trekken de kust of den loop +der rivieren. Eenige soorten houden van het vlakke, kale zeestrand, +andere van water, dat rijk is aan planten; enkele houden zich bij +voorkeur op in de kustwouden der tropische gewesten. Alle leden +van deze onderfamilie zijn zeer onrustig van aard, houden veel van +beweging en zijn van 't opgaan tot aan 't ondergaan van de zon bijna +voortdurend werkzaam. Den nacht brengen zij aan den oever liggend, +den dag bijna uitsluitend vliegend door. + +Haar voedsel bestaat uit Visschen en Insecten; de grootste soorten +verslinden echter ook kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren +en Amphibiën, de zwakste soorten verschillende Wormen en allerlei +kleine zeedieren. Om haar buit te overmeesteren, vliegen zij op +geringe hoogte boven den waterspiegel, waarop zij voortdurend hare +scherpe blikken gevestigd houden, blijven, als zij een slachtoffer +ontdekken, met snelle vleugelbeweging eenige oogenblikken daarboven +zweven, om het goed in 't oog te vatten, storten zich dan schielijk +naar beneden en trachten het met den snavel te grijpen. + +Reeds eenige weken vóór het eierleggen verzamelen de Zeezwaluwen +zich op de broedplaats, ieder jaar zooveel mogelijk op dezelfde. Die +welke de zee bewonen, kiezen voor dit doel zandige landtongen, +kale eilanden, koraalbanken of mangle- en andere kustwouden; de +meer binnenlands levende soorten nestelen op soortgelijke, maar +minder kale plaatsen bij of in meren en moerassen. Alle viervoetige +roofdieren, die de broedplaatsen der Zeezwaluwen kunnen naderen, +azen, evenals de Raven en de groote Meeuwen, op de eieren en jongen, +de vlugste Roofvogels ook op de volwassen Sterns. Ook de mensch +treedt vijandig tegen haar op door het rooven van hare eieren, die +zeer smakelijk zijn. Overigens worden deze Vogels niet vervolgd, +omdat men zoomin hun vleesch als hunne veeren gebruiken en hen zelf +slechts gedurende korten tijd in de kooi in 't leven houden kan. + + + +Het soortenrijkste geslacht van de onderfamilie is dat der Zeezwaluwen +(Sterna). Deze hebben een rechten snavel met zwak gebogen rug en +rechte, niet haakvormige spits; het voorhoofd is tot aan de neusgaten +bevederd. De zwemvliezen zijn uitgesneden, d.w.z. hun voorrand vormt +een binnenwaarts gebogen lijn; de buik is wit. + + + +De grootste van alle soorten is de Reuzenstern (Sterna caspia). Zij +onderscheidt zich van hare verwanten door den snavel, die even lang +als de kop en betrekkelijk dik is, door de kortheid van den staart +en zijne 4 cM. lange gaffelspitsen, waarachter de vleugelspitsen ver +uitsteken. De bovenkop is in den zomer zwart, des winters zwart en +wit gevlekt, de mantel licht blauwachtig grijs, de zijden van den +hals, de onderdeelen en de bovenrug zijn schitterend wit; de toppen +van de slagpennen zijn donkerder, de staartpennen lichter van kleur +dan de overige veeren van de bovenzijde. Het oog is bruin, de snavel +koraalrood, de voet zwart. In het jeugdkleed hebben de veeren van +den rug bruine dwarsvlekken. Totale lengte 52, staartlengte 15 cM. + +De Reuzenstern behoort in Middel-Azië en in 't zuiden van Europa +thuis; kleine broedkoloniën van deze soort komen echter voor op de +Pommersche kust, op het eiland Sylt en op de Fransche kust. In ons land +is zij zeldzaam: kleine troepen van 3 à 4 stuks werden herhaaldelijk, +zelfs reeds in de tweede helft van Juni, bij Texel, aan den Maasmond +en zelfs langs de Zijl bij Leiden aangetroffen. + +Gewoonlijk ziet men haar op een hoogte van ongeveer 15 M. boven den +waterspiegel vliegen; zij houdt den kop met den van verre zichtbaren, +glanzig rooden snavel loodrecht naar onderen gericht, beweegt langzaam +de groote vleugels en ploft van tijd tot tijd op het water neer om +een prooi te grijpen. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit visch; +zij kan exemplaren van aanzienlijke grootte vangen en verzwelgen. Van +tijd tot tijd vallen haar echter ook strand- en watervogels ten buit, +vooral zwemmende exemplaren; het doorslikken van deze prooi kost aan +de Reuzenstern even weinig moeite als het verzwelgen van Insecten aan +kleinere Sterns. Schilling was de eerste, die haar verdacht, de eieren +van de aan 't strand broedende Vogels op te zoeken, omdat de Meeuwen +en de Zeezwaluwen uit de buurt bij haar nadering onder vreeselijk +geschreeuw opvlogen, woedend op haar neerschoten en haar trachtten +te verdrijven; andere waarnemingen hebben zijn vermoeden bevestigd. + +Naumann beschrijft de broedkolonie op Sylt, die zich op het +noordelijkste gedeelte van dit eiland bevindt, doch tegenwoordig +slechts zeer zwak bevolkt is. De eieren liggen op het kale zand in +een kleine uitholling, die door de Vogels zelf wordt uitgekrabd, +op een niet grooten afstand van 't water. Op plaatsen waar vele +nesten gevonden worden, zijn zij nauwelijks 60 cM. van elkander +verwijderd. Ieder nest bevat 2, zelden 3 eieren, nooit meer. Deze +komen in grootte en vorm nagenoeg overeen met die van Tamme Eenden. Zij +zijn geel- of bruinachtig wit met grauwe en zwartbruine vlekken en +stippen. Men neemt verscheidene malen eieren uit het nest en laat den +Vogel eerst 8 à 14 dagen vóór St. Jan broeden. Het broedende wijfje +wordt door het mannetje dikwijls met voedsel voorzien; de jongen +verlaten het nest korten tijd nadat zij uit den dop zijn gekomen en +worden door hunne ouders met vischjes groot gebracht. + +Voor de gevangenschap is deze Zeezwaluw niet geschikt, omdat zij +begint te kwijnen, zoodra haar de gelegenheid om te vliegen ontnomen +is en omdat zij niet graag doode visch eet. + + + +De Groote of Zwartbekkige Zeezwaluw of Kaugek, op Texel Groote Star, +in Groningen Groote Ikstern en Kliefstern, op Rottum Krijtstern, op +Ameland Klikstans genoemd (Sterna cantiaca), heeft een zeer slanken, +merkbaar gebogen snavel, die iets langer is dan de kop, kleine +voeten met sterk uitgesneden zwemvliezen, zeer lange vleugels, welker +spitsen echter slechts weinig verder reiken dan die van den 5 cM. diep +gevorkten, langen staart. De bovenkop en de nek zijn fluweelachtig +zwart, alle bovendeelen helder zilvergrijs, de hals en de onderdeelen +zijdeachtig wit met een flauw rozerood waas, de vleugelspitsen donker +aschgrauw, de laatste armpennen en de stuurpennen grijsachtig wit. In +het winterkleed is de kop wit tot aan het achterhoofd, en vertoont +dit zwarte vlekken; de onderdeelen zijn dan zuiver wit. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwart met gele spits, de voet zwart. Totale +lengte 40, staartlengte 17 cM. + +De Groote Zeezwaluw, is een echte zeevogel; zij verlaat de kust +nagenoeg niet en bezoekt hoogstens bovendien de strandmeren, zeer +zelden echter binnenzeeën. Haar verbreidingsgebied strekt zich uit over +Middel- en Zuid-Europa, Afrika en Amerika, in zuidelijke richting tot +aan de Kaap de Goede Hoop en tot Brazilië. Aan onze Noordzeekusten +verschijnt zij op zijn vroegst tegen het einde van April; reeds in +Augustus, op zijn laatst in September trekt zij weder zuidwaarts, +om in de Middellandsche en Roode Zee, in den Indischen of in het +zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan te overwinteren. Zij +broedt in talrijke koloniën op eenzame, rustige plaatsen langs onze +duinen, b.v. in Zeeland, aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog +en op de Noordzee-eilanden. Ieder nest bevat 2, hoogstens 3 eieren, +die op witten, roestgeelachtigen of groenachtig witten grond met +bleekviolette onder-, bruine middel- en donkerbruine bovenvlekken +van zeer verschillenden vorm geteekend zijn; het broeden duurt drie +weken; de jongen verlaten schielijk het nest. + +Naumann verhaalt, dat het eiland Norderoog, waar hij het broeden +der Groote Zeezwaluwen heeft nagegaan, op eenigen afstand beschouwd, +er uitzag, alsof het met sneeuw bedekt was, wegens het groot aantal +Vogels op het strand, en als een lange, witte streep scherp afstak +bij de donkere golven der zee. Door een man, die zich met eierenzoeken +bezig hield, opgeschrikt, vloog de geheele, ontelbare zwerm plotseling +op en vormde een onafzienbare wolk, welker bestanddeelen zich vlug +heen en weer bewogen en op vreemdsoortige wijze door elkander heen +wriemelden. Als men zich op de broedplaatsen begeeft, vliegen +de Vogels laag bij den grond langs om de rustverstoorders heen; +tallooze exemplaren verduisteren de lucht, men geraakt verbijsterd +door hunne doordringende, krijschende stemmen. Terwijl men langzaam +en voorzichtig met ter aarde gerichte blikken tusschen de dicht bij +elkander gelegen nesten doorgaat, en zich moeite geeft om op geen der +eieren te trappen, worden de Vogels zoo driest en fladderen zoo dicht +bij den onderzoeker langs, dat zijn hoed of hoofd niet zelden met hunne +vleugels in aanraking komt. Intusschen vallen hunne uitwerpselen zoo +dicht bij hem neer, dat zijne kleeren er later uitzien, alsof zij +met kalk bespat werden. De Vogels vliegen zoo dicht naast en boven +elkander, dat de vleugels van den eenen met hoorbaar geklepper tegen +die van de andere stuiten. + +Meer dan de andere inheemsche Zeezwaluwen gelijkt deze door aard en +levenswijze op de Reuzenstern, met dit onderscheid, dat zij alleen +op Visschen en niet op Vogels jacht maakt en ook hunne nesten niet +uitplundert. + + + +Het Vischdiefje, ook wel Splitstaart en Starre, op Texel Middelstar, in +Groningen Ikstern en Sterentje, in Friesland Stins, op Ameland Stans, +op Terschelling Kobus en Jacobus, bij Oirschot Groote Venkraai genoemd +(Sterna hirundo), heeft een dunnen, eenigszins gekromden, in dwarse +richting tamelijk afgeronden snavel, die niet langer is dan de kop, +zeer korte pooten met korte teenen en een 8 cM. diep gevorkten staart, +waarachter de vleugelspitsen uitsteken. De bovenkop en de nek zijn +zwart, de mantel en de schouders blauwachtig aschgrauw, de zijden van +den kop, de hals, de staartwortel en alle onderdeelen wit, de slag- +en stuurpennen op de buitenvlag blauwgrijs, op de binnenvlag wit. De +oogen zijn donkerbruin, de pooten en de snavel koraalrood, de rug +en de spits van den snavel zwartachtig of bruin. Totale lengte 40, +staartlengte 17 cM. + +Het vaderland van het Vischdiefje omvat Europa tot aan den poolcirkel +met een groot deel van Azië en van Noord-Amerika; zijne reizen strekken +zich tot in Zuid-Afrika uit; meer dan andere soorten bewoont deze +rivieren en zoetwatermeren. In ons land komt het Vischdiefje gemiddeld +20 April en vertrekt in September; het broedt koloniesgewijs in duinen, +lage moerassen, hooilanden en op de weilanden; men ziet het overal +langs de binnenwateren vliegen, zelfs boven de grachten der steden. + +In aard en levenswijze komt het Vischdiefje overigens met de andere +Zeezwaluwen overeen. Haar gewone geluid is het bekende "krieè"; +een zacht "kek" of "krek" geeft angst te kennen; deze klank wordt +dikwijls herhaald bij toenemend, en in "kreiïk" veranderd, bij afnemend +gevaar. Bij toorn roept het zoo dikwijls en haastig "krek", dat men de +afzonderlijke geluiden bijna niet meer onderscheiden kan. Als het bij +zijn nest verrast wordt, klinkt zijn geschreeuw als "snirrit snirrit". + +Het wijfje legt in het begin van Juni in een eenvoudige uitholling +van den grond 2 of 3 vuil rosachtig witte eieren, die met paarsachtig +grijze en rood- of zwartbruine vlekken en stippen geteekend zijn. Des +nachts worden zij door het wijfje, over dag tijdelijk ook door +het mannetje bebroed, in de middaguren echter aan de zonnestralen +blootgesteld. De jongen komen binnen 16 of 17 dagen uit den dop, +loopen spoedig uit het nest weg en verbergen zich bij gevaar tusschen +de grootste steenen van den grindgrond of andere oneffenheden; +alleen als de moeder door een schot gedood werd, verraden zij hun +aanwezigheid door een klagend gepiep; na twee weken kunnen zij reeds +fladderen en in de derde week hunne ouders vliegend volgen; eerst +later echter doen zij dit met de behendigheid van de volwassene Vogels. + + + +Enkele malen worden aan onze kust exemplaren gevangen van twee soorten, +die nauw aan het Vischdiefje verwant zijn: De Kustzeezwaluw (Sterna +paradisea Brünnich) komt in grootte nagenoeg geheel met de algemeen +bekende soort overeen, maar heeft een korteren loop (1.5 cM. in plaats +van 2 cM.), roode pooten en een geheel rooden bek. Zij broedt aan +de kusten van de Oostzee en op de Noordzee-eilanden, westwaarts tot +Borkum en bezoekt nimmer de binnenwateren; op hare jaarlijksche reizen +naar de Middellandsche zee en de westkust van Afrika, trekt zij langs +onze kusten, waarop zij bij hevigen noordwestenwind soms aanlandt. + +Dougall's Zeezwaluw (Sterna Dougalli), heeft een langeren, dieper +gevorkten staart. (Totale lengte 45, staartlengte 23 cM.). Zij heeft +gele of roodgele pooten; haar bek is zwart met een weinig kersrood +aan den wortel. Zij broedt aan de oostkust van Engeland, in Norfolk +en op de Farne-eilanden in Northumberland. Eénmaal (in October) zijn +eenige exemplaren van deze soort bij ruw weder aan de Friesche kust +in staltnetten gevangen (Albarda). + + + +Bij de Dwergzeezwaluw, op Texel Kleinstartje, Blauwwaterstartje of +Stare-Klikkie genoemd (Sterna minuta), zijn het voorhoofd tot aan +de oogen, de onderdeelen en de stuurpennen wit, de bovenkop en de +nek zwart, de mantel- en vleugelveeren aschgrauw. Het oog is bruin, +de snavel oranje met zwarte spits, de poot oranje. De vleugelspitsen +steken voorbij den staart uit en deze is 3 cM. diep gevorkt. Zij is de +kleinste soort van de geheele familie. Totale lengte 22, staartlengte +8 cM. + +Haar verbreidingskring strekt zich uit over vier werelddeelen: Azië, +Europa, Afrika en Amerika; noordwaarts tot ongeveer 58, zuidwaarts tot +ongeveer 24 N.B. Zij nestelt in Nederland aan den Hoek van Holland, +bij Calantsoog, op Texel, Ameland en andere eilanden, op groote, buiten +de duinen gelegen, droge zandbanken. Als zij in dezen tijd gestoord +wordt, klinkt haar geschreeuw als "retsj"; hare gewone geluiden komen +veel met die van het Vischdiefje overeen. In Augustus en September, na +den broedtijd, zwerft zij rond en bezoekt dan de binnenwateren, vooral +groote rivieren, zonder echter de zeekust geheel te vermijden. Haar +vertrek en haar aankomst hebben ongeveer ter zelfder tijd plaats als +die van het Vischdiefje. + + + +De Lachzeezwaluw (Gelochelidon anglica, Sterna nilotica), die een +gelijknamig geslacht vertegenwoordigt, vormt in sommige opzichten +een overgang van de Sterns tot de Meeuwen. Haar snavel is merkbaar +gebogen, even lang als de loop, korter dan de kop; de kleine, met +sterk uitgesneden zwemvliezen voorziene poot is slank en hoog, de +staart kort en betrekkelijk ondiep gevorkt. De bovenkop en de nek zijn +donker glanzig zwart, de mantel en de vleugeldekveeren licht aschgrauw, +de zijden van den hals en alle onderdeelen wit; de handpennen hebben +witte schaften, zijn op de buitenvlag licht, op de binnenvlag donker +aschgrauw, met breede witte randen; de armpennen, die van de eerste +tot de laatste lichter van kleur worden, zijn blauwachtig witgrijs, +aan de spits wit gezoomd; de staartveeren hebben dezelfde kleur; +de buitenste is op de buitenvlag bijna zuiver wit. Het oog is bruin, +de snavel en de pooten zijn zwart. In het winterkleed hebben kop en +nek een grijswitte kleur. Totale lengte 40, staartlengte 13 cM. + +De Lachzeezwaluw, hoewel alle werelddeelen bewonend, ontbreekt in +'t noorden geheel; hare broedplaatsen zijn uitsluitend in het midden +en het zuiden van de beide noordelijke faunistische Rijken gelegen; +in geringer aantal komt zij voor op kleine eilanden van de Oostzee +en sommige meren van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, veelvuldig +echter in Zuid-Europa, Middel-Azië, Noord-Afrika, het zuiden van de +Vereenigde Staten en Middel-Amerika. De reizen, die zij ieder jaar +onderneemt, voeren haar naar het binnenland van Afrika, Zuid-Azië, +Australië en de zuidspits van Amerika. Meer dan eenige andere Zeezwaluw +is zij een landvogel, die ook wel van groote stroomen en zeekusten als +heerwegen gebruik maakt, maar toch zeer dikwijls het water verlaat en +ver in het binnenland rondzwerft. Op den trek bezoekt zij de steppen +en zelfs de woestijnen, evenals bij ons de velden en weiden. Tweemaal +(Aug. 1838 en Mei 1896) werd in Nederland een exemplaar van deze soort +gevangen (bij het Brazemermeer in Zuid Holland en te Kloosterburen +in Groningen). In vele opzichten herinnert haar levenswijze aan die +der Meeuwen en meer bepaaldelijk van de Kapmeeuw. Evenals deze kiest +zij tot broedplaats en winterverblijf de oevers van meren, moerassen +en dergelijke binnenwateren en gaat van hier op roof uit. Terwijl +zij afwisselend boven het water en boven het land zweeft, worden de +hals en de kop recht naar voren gestrekt en is de snavel dus niet +naar beneden gericht. Hoewel zij nu en dan een vischje buit maakt, +zijn toch Insecten, vooral Sprinkhanen, Libellen, Vlinders, groote +Kevers, de zittende zoowel als de vliegende, het hoofddoel van haar +jacht; zij volgt den ploegenden landman om engerlingen uit de voren +op te pikken; verschijnt met Valken, Wouwen, Berghanen (Helotarsus +ecaudatus), Bijenvreters, Vorkstaartpluvieren en Ooievaars vóór de +vuurlijn van den steppenbrand en stort zich hier, gelijk Heuglin heeft +opgemerkt, even behendig als vermetel door de dichtste rookwolken +heen op haar prooi; ook bezoekt zij de broedplaatsen der Strandvogels, +zelfs die van hare verwanten, en ontrooft hun, gelijk Schilling heeft +aangetoond, de eieren en de jongen. Dergelijke handelingen zou men +eerder van Meeuwen dan van Zeezwaluwen verwachten. Zelfs haar stem, +een lachend geschreeuw, dat als "hè, hè, hè" of "ef, ef, ef" klinkt, +herinnert aan die der Meeuwen. + + + +De Moeraszeezwaluwen (Hydrochelidon) zijn forsch gebouwd, maar +fraai van gestalte; zij hebben een zwakken snavel; lange teenen, +welker zwemvliezen diep uitgesneden zijn, zeer lange vleugels, +een betrekkelijk korten, ondiep gevorkten staart en een dicht, +zacht vederenkleed, dat al naar het jaargetijde en den leeftijd niet +onbelangrijk verschilt, maar waarin gedurende den broedtijd donker +fluweelachtig zwart de overhand heeft. + + + +De Zwarte Zeezwaluw of Rietzwaluw, in Groningen Zwarte Ikstern, +Bruinsteren en Zwartsteren, op Texel Zwarte star of Blauwstar, +in Friesland Blauwe Stins of Schierstins, in Zuid-Holland Zwarte +Vischdief, bij Oirschot Venkraai geheeten (Hydrochelidon nigra), +heeft den kop en den nek, de borst en het midden van den buik +fluweelachtig zwart, den mantel blauwgrijs. Het oog is bruin, de snavel +aan den wortel rood, overigens grauwzwart, de voet bruinrood. In het +winterkleed zijn alleen de achterkop en de nek zwart, het voorhoofd en +de overige onderdeelen echter wit; in het jeugdkleed hebben de veeren +van den mantel en de vleugeldekveeren roestgele zoomen. Totale lengte +26, staartlengte 8 cM. + + + +De Witvleugelige Moeraszeezwaluw (Hydrochelidon leucoptera) is +bijna even groot. De veeren van den romp zijn donker fluweelachtig +zwart, de vleugels van boven blauwgrijs (de schouder en de toppen +der armpennen echter grijswit), van onderen wit, de staartwortel +en de stuurpennen wit. De snavel is kersrood, aan de spits zwart, +de voet rood. Totale lengte 27, staartlengte 8 cM. + + + +De Witbaard-moeraszeezwaluw (Hydrochelidon hybrida) is de grootste +soort van haar geslacht (totale lengte 28, staartlengte 8 cM.). De +donkerzwarte bovenkop en nek zijn door een breede, witachtige +teugelstreep gescheiden van den donkergrijsblauwen onderhals; de +borst is zwart, de mantel lichtgrijs, de buik grijswit. + +Het broedgebied van al deze soorten is gelegen in de gematigde gewesten +van de beide noordelijke faunistische Rijken. De eerstgenoemde +broedt ook in ons land, terwijl de beide overige hier niet en in +Duitschland zelden voorkomen. De Rietzwaluw komt met de Zeezwaluwen +bij ons aan en trekt ongeveer terzelfder tijd naar 't zuiden; zij +vestigt zich echter niet aan de zeekust of aan rivieren en stroomen, +maar in uitgestrekte broeklanden en moerassen, dus uitsluitend bij +stilstaand water. Gedurende de reis vormt zij vluchten van 20 à 1000 +stuks, die de stroomen volgen; in hun nabijheid houdt zij zich geruimen +tijd op bij plaatsen, waar het water buiten de oevers getreden is en +het omliggende land in een moeras veranderd heeft; voor 't overige +vermijdt zij de zee en de rivieren. + +Van de andere Sterns onderscheiden de Moeraszeezwaluwen zich niet +alleen door haar woonplaats, maar ook door de wijze waarop zij +zich bewegen, voeden en voortplanten. Zij loopen even zelden en +even slecht als de overige, zwemmen zelden en niet beter dan zij, +vliegen minder onstuimig en niet zoo zwaaiend, maar zachter en losser, +daarom bevalliger en met meer afwisseling, zoodat zij een aangenaam +schouwspel opleveren. Hevige wind of storm maken haar het vliegen bijna +onmogelijk, omdat hare vleugels nog meer dan die van hare verwanten +buiten alle verhouding tot het kleine lichaam en de zwakke krachten +schijnen te staan. Hun voedsel bestaat uit allerlei water-insecten +en Spinnen. + +De Moeraszeezwaluwen nestelen te midden van het moeras; doch doen +dit steeds op een geheel andere wijze dan de overige Sternvogels. Zij +bouwen haar nest op zeer kunstlooze wijze van bladen, halmen, pluimen, +worteltjes enz. tusschen waterplanten, zoodat het veelal direct op +het water rust. In Juni legt de inheemsche soort hare drie eieren; +deze zijn op geel of groenachtig olijfkleurigen grond, bruingrijs, +rood en zwartbruin gevlekt. + +In Italië wordt ook op deze Vogels jacht gemaakt. + + + +Van de uitheemsche Sterns, die zich door haar levenswijze +onderscheiden, verdient de Feeënzeezwaluw (Gygis alba) vermelding, +de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht. Zij is slank gebouwd, +haar zilverwit kleed is als zijde zoo zacht, hare oogen zijn zwart, +de pooten saffraangeel; de snavel is aan den wortel donkerblauw, +aan de spits zwart. Totale lengte ongeveer 30, staartlengte 9 cM. + +Deze door schoonheid uitmuntende Vogel bewoont de tusschen de +tropen gelegen eilanden van Polynesië en van den Indischen Oceaan, +maar dwaalt soms af naar den Atlantischen Oceaan; ook hier echter +overschrijdt hij in den regel de keerkringen niet. Op de kusten +van alle eilanden binnen den genoemden aardgordel komt hij in +grooten getale voor. Aan de zuiver witte kleur van zijn kleed en +aan zijn bevallige wijze van vliegen dankt hij zijn naam. Ook zijn +levenswijze is merkwaardig. Tot rustplaats kiest hij bij voorkeur +dichte, schaduwrijke wouden, waar hij zich op boomen neerzet. Prachtig +steekt zijn wit gevederte af bij het donkergroene loover, wanneer hij +behendig tusschen de boomen rondvliegt, o.a. bij het vervolgen van +een indringer in zijn heiligdom. Het wijfje legt slechts één ei op +een horizontalen tak en wel op een plaats, die juist vlak genoeg is +om te voorkomen, dat de storm het legsel naar beneden werpt. Het jong +blijft op deze gevaarlijke plaats, totdat het heeft leeren fladderen, +voor zoover het ontkomt aan het niet zelden dreigend gevaar van, naar +beneden tuimelend, den dood te vinden. De jongen worden grootgebracht +met vischjes, misschien ook wel met Insecten en Spinnen, die in de +boomkroon gezocht zijn. + + + +In soortgelijke betrekking als de Uilen tot de Scharrelaars, staan de +Schaarbekken (Rhynchopsinae) tot de Sterns: zij zijn nachtvogels. Hun +snavel, welks onderkaak ver voorbij de bovenkaak uitsteekt, is reeds +bij den wortel zoo buitengewoon smal, dat de beide kaken met de beide +bladen van een schaar vergeleken kunnen worden. De betrekkelijk lange, +vettige veeren liggen dicht tegen het lichaam aan. + +Aan den middelloop en den bovenloop van den Nijl ontmoet men een soort, +die wij kortweg Schaarbek zullen noemen (Rhynchops flavirostris). Bij +dezen zijn het voorhoofd, het aangezicht, de staart en de onderdeelen +benevens de spitsen van de groote vleugeldekveeren wit, de bovenkop, de +achterhals, de nek en de mantel zwartbruin. Het oog is donkerbruin, de +snavel geel, de voet koraalrood. Totale lengte 45, staartlengte 7 cM. + +[Een andere soort (met gelen bek en witten halsband: Rhynchops +albicollis) bewoont Indië, de derde (met rooden, aan de spits zwarten +snavel: Rhynchops nigra) Amerika.] + +De Schaarbek vliegt over dag even goed als 's nachts, maar doet dit +alleen, wanneer hij opgeschrikt wordt. Gewoonlijk ligt hij bewegingloos +op een zandbank; meestal plat op den buik, zeldzamer op de kleine, +zwakke pootjes rustend. Tegen zonsondergang, bij donker weer ook +reeds in de late namiddaguren, wordt hij wakker, beweegt zich en rekt +zich uit, heft de vleugels op en begint heen en weer te trippelen +en te schreeuwen; als de nacht is aangevangen, vliegt hij uit om +voedsel te zoeken. Pechuel-Loesche zag hem trouwens in Neder-Guinea +hiermede ook over dag bezig. Met langzame vleugelslagen glijdt hij, +zonder gedruisch te maken, op korten afstand boven den waterspiegel, +van tijd tot tijd den ondersnavel verscheidene minuten achtereen in +'t water houdend en dit op deze wijze doorploegend; intusschen vangt +hij de Insecten, die aan de oppervlakte zwemmen; deze maken, althans +in de Nijllanden, zijn voornaamste voedsel uit. + + + +De Meeuwen (Larinae) zijn goed gebouwde krachtige Vogels van zeer +verschillende grootte, daar de kleinste soort nauwelijks een Kauw +in omvang overtreft, terwijl de grootste in dit opzicht een Arend +evenaart. Haar romp is forsch ontwikkeld, de snavel middelmatig lang, +zijdelings sterk samengedrukt, tot aan het midden van den rug recht, +van hier af flauw haakvormig naar beneden gebogen; de middelmatig hooge +voet heeft een slanken loop en zwemvliezen tusschen de voorteenen; +de vleugel is groot, lang en breed, hoewel smal toegespitst; de +middelmatig lange, breede staart bestaat uit 12 pennen en is aan +den top recht, zeldzamer ondiep uitgesneden; het zeer dichte, +maar zachte vederenkleed heeft op de onderdeelen het voorkomen +van een vacht; het vertoont teere en bevallige, over 't algemeen +overeenstemmende kleuren, die in den zomer en in den winter, bij +jongen en bij volwassenen meestal verschillen. + +Men onderscheidt ongeveer 85 soorten van Meeuwen, die over alle +deelen der aarde verbreid zijn, en alle zeeën verlevendigen. Weinige +soorten verwijderen zich ver van het land; zij die het doen, keeren +altijd spoedig weer terug; eigenlijk moet men ze dus als kustvogels +aanmerken. Voor den schipper zijn zij de betrouwbaarste voorboden +van het land: als zij om een vaartuig heenvliegen, is het land niet +meer veraf. Liever dan naar de open zee vliegen zij tot diep in +het binnenland, waarbij zij den loop van groote stroomen volgen, +of zich van het eene water naar het andere begeven. Enkele soorten +geven trouwens de voorkeur aan binnenwateren en kiezen deze tot +verblijfplaats, althans gedurende den voortplantingstijd. Vele +soorten behooren tot de trekvogels, verschijnen in hun noordelijk +gelegen vaderland, als de lente gekomen is, broeden en begeven zich +in 't najaar weer op de terugreis, andere zwerven meer of minder +geregeld rond. Deze veranderingen van verblijfplaats hangen ten nauwste +samen met de voeding. Voor alle Meeuwen zijn Visschen een zeer gewild +voedsel; vele van hen behooren echter tot de ijverigste insectenjagers; +juist deze zijn gedwongen om geregeld te trekken, terwijl de overige +op plaatsen, waar de zee niet met ijs bedekt wordt, ook 's winters +nog een welvoorzienen disch vinden. Behalve op deze beide voornaamste +voedingsmiddelen maken zij jacht op alle kleine dieren, die de zee +bewonen en zoeken allerlei andere dierlijke stoffen op. Zij eten +aas als de Gieren, vervolgen een levenden buit als de Roofvogels en +zoeken het op 't strand liggende voedsel bijeen als de Duiven of de +Hoenderen, kortom zij zijn even veelzijdig als de Raven, maar gretiger +en vraatzuchtiger dan deze; ook zij worden, naar 't schijnt, door +een voortdurenden honger gekweld en zijn letterlijk niet te verzadigen. + +Bevallig zijn haar gestalte en haar kleur, lieftallig hare bewegingen, +ook de werkzaamheid der Meeuwen is aantrekkelijk. Haar houding op den +vasten grond noemen wij edel, omdat zij een zekere fierheid verraadt; +zij gaan goed en betrekkelijk snel. Haar bekwaamheid in 't zwemmen +overtreft die van de meeste overige leden harer orde: licht als ballen +schuim rusten zij op de golven, met welker sombere tinten hare heldere +kleuren zulk een levendige tegenstelling vormen, dat de indruk, +dien het zeegezicht wekt, er niet weinig door verhoogd wordt. Zij +vliegen met langzame vleugelslagen, maar wisselen deze beweging +dikwijls af met een langdurig drijven op hare wieken; zij doen dit +zonder merkbare inspanning, als 't ware spelenderwijs, en herinneren +dan door lichtheid en schoonheid van houding aan de breedvleugelige +Valken. Minder goed dan de Zeezwaluwen verstaan zij de kunst om, +boven het water zwevend, den gewenschten buit op te sporen en, uit +de lucht er op neerschietend, hem te vangen. Wanluidend is haar stem, +welker krijschende en krassende tonen in verschillende toestanden met +meer of minder kracht uitgestooten en bij hevige gemoedsbewegingen +eindeloos vaak herhaald worden. Onder hare zintuigen zijn die van +het gezicht en van het gehoor het hoogst ontwikkeld. + +Alle Meeuwen zijn schrandere, verstandige Vogels, die de omstandigheden +goed weten te beoordeelen en hare handelingen hiervan laten afhangen; +alle zijn moedig bij ontmoetingen met andere dieren; zij toonen +zelfvertrouwen, eenige neiging tot heerschen, en een trouwe liefde +voor gade en kroost; zij zijn op het gezelschap hunner soortgenooten +gesteld, maar nijdig, afgunstig en wantrouwig jegens andere Vogels; +zonder aarzeling wordt de schijnbaar aanwezige vriendschap verbroken, +wanneer deze in strijd geraakt met de vraatzucht. Den mensch wantrouwen +zij allerwege en in alle omstandigheden; toch verschijnen zij telkens +weer in zijn nabijheid, bezoeken iedere haven, ieder dorp aan de +kust, vliegen om ieder schip, dat in zee gaat of het land nadert, en +wagen zich zoo ver, als in 't gegeven geval raadzaam schijnt, omdat +zij door ervaring geleerd hebben, dat het afval uit de huishouding +van den mensch voor hen nog veel bruikbaars bevat. Na veelvuldig +herhaalde bezoeken aan bewoonde oorden leeren zij niet slechts deze, +maar ook enkele daar levende personen onderscheiden. Zij toonen daarom +op plaatsen, waar zij dikwijls en ongestoord iets buit hebben gemaakt, +een zeer groote gemeenzaamheid of liever driestheid; daarentegen worden +die, waar zij een onaangename bejegening ondervonden, vermeden of met +groote omzichtigheid bezocht. Een Meeuw, die op een of andere wijze +benadeeld werd, is gewoon van zijn ervaring mededeeling te doen aan +al zijne metgezellen. Over 't algemeen heerscht onder hen de beste +verstandhouding, wanneer het er op aankomt zich te verzetten tegen +een gevaar, dat allen bedreigt: Roofvogels, Roofmeeuwen en Raven +of Kraaien worden door alle Meeuwen uit de buurt te gelijker tijd +aangevallen en gewoonlijk op de vlucht geslagen. + +Buiten den broedtijd kan het voorkomen, dat men oude Meeuwen +alleen ziet, gedurende den broedtijd echter vereenigen de leden +van iedere soort zich tot troepen, die niet zelden tot ontelbare +zwermen aangroeien. Reeds in Nederland en Noord-Duitschland vindt +men "meeuwenbergen", die door verscheidene honderden paren bewoond +worden; in noordelijker gewesten komen koloniën voor, waarvan het +aantal bewoners zelfs niet bij benadering te bepalen is. Ook hier +blijven de leden van groote soorten minder nauw aaneengesloten dan de +kleinere vertegenwoordigers van de familie; deze echter bedekken in +den letterlijken zin van 't woord geheele rotswanden of bergen, maken +gebruik van iedere hier aanwezige ruimte en plaatsen het eene nest +dicht bij het andere, zoodat de broedende ouders dicht opeengedrongen +zitten. De voorbereidende werkzaamheden verschillen in verband met de +plaatselijke gesteldheid; daar, waar geen gebrek is aan bouwstoffen, +wordt aan het nest eenige moeite besteed; het is dan van water- en +strandplanten los en kunsteloos samengevoegd; daar, waar zulke stoffen +ontbreken, is de inrichting zoo eenvoudig mogelijk. Het nest bevat, als +'t broeden begint, 2 à 4 groote eieren van gewonen vorm; hun dikke, +grofkorrelige schaal is op vuil-groenachtigen, bruingroenachtigen +of groenachtig bruinen grond aschgrauw en zwartbruin gevlekt. Het +mannetje en het wijfje broeden beurtelings gedurende 3 of 4 weken, +bij slecht weer ijveriger dan bij zonneschijn. Beide ouders toonen +een buitengewone gehechtheid aan hun kroost; zoodra het gevaar loopt, +vergeten zij de zorg voor eigen veiligheid. De jongen komen in een +dicht, gevlekt, donzig kleed uit de eischaal; op plaatsen, waar zulks +mogelijk is, verlaten zij reeds in de eerste levensdagen het nest en +houden zich verder op het strand op, waar zij zich ingeval van nood +tusschen de oneffenheden van den bodem verbergen, of in het water hun +toevlucht zoeken; zij, die op uitstekende punten van steile rotsen het +eerste levenslicht aanschouwden, moeten echter hier blijven, totdat +hunne slagpennen zich ontwikkeld hebben. Aanvankelijk krijgen de jongen +half verteerd voedsel, dat de ouders voor hen uitbraken; later worden +zij met versch gevangene of opgegaarde dierlijke stoffen gevoed. Na +het uitvliegen blijven zij nog eenigen tijd bij hunne ouders, verlaten +de broedplaatsen en verstrooien zich in alle richtingen. + +In het hooge noorden rekent men de Meeuwen niet slechts tot de +schoonste, maar ook tot de nuttigste Vogels der aarde. Voor eenige +grondeigenaars van Noorwegen bestaat een belangrijk deel van de +opbrengst hunner bezitting uit meeuweneieren; deze worden overal +heen verzonden en betrekkelijk duur betaald. Meeuwenveeren vervangen +bij de arme Nordlanders het eiderdons en de ganzeveeren, die door +de rijkere bewoners als vulsel van bedden worden gebruikt. Van het +vleesch der oude Meeuwen maken slechts eenige van de noordelijkste +volken gebruik. Jonge Meeuwen echter worden op Helgoland, IJsland +enz. gaarne gegeten en leveren na een behoorlijke toebereiding ook +werkelijk een smakelijk gerecht; overal echter wordt meer prijs gesteld +op de eieren en de veeren dan op het vleesch dezer Vogels. In eenige +streken worden ieder jaar groote meeuwenjachten gehouden, meer uit +moordlust, dan om het voordeel, dat deze dieren kunnen opleveren; +in de noordelijkere gewesten vervolgt men ze evenwel niet. Een omhoog +geworpen witte zakdoek is voldoende om een Meeuw aan te lokken. Als +men er eerst één heeft gedood, komen spoedig vele andere aanvliegen, +daar iedere Meeuw, die een wit voorwerp boven uit de lucht naar beneden +in 't water ziet storten, meent, dat op deze plek een goede vangst +te maken is; zij begeeft zich uit jaloezie naar hier om er een deel +van te verkrijgen. De vangst heeft op verschillende wijzen plaats: +men zet strikken op de zandbanken, voorziet netten met Visschen als +lokaas, werpt hoeklijnen uit, waaraan een stuk spijs bevestigd is en +bereikt op deze of op gene wijze het beoogde doel. De levend gevangen +Vogels kan men gemakkelijk in 't leven houden; zij zijn echter dure +kostgangers, daar men hen met Visschen of vleesch moet voeden om +hunne behoeften te bevredigen. Indien dit geschiedt, schikken zij zich +spoedig in hun lot, geraken gewoon aan de kooi en aan hun verzorger, +weten hem zeer goed te onderscheiden van andere menschen, begroeten +hem met vroolijk geschreeuw, zoodra hij zich vertoont, antwoorden, +wanneer hij hen roept, kortom, worden bijna even tam als een Raaf; +ook planten zij zich in de gevangenschap voort, wanneer men hun een +groote kooi tot woonplaats geeft. + + + +Het soortenrijkste geslacht van de geheele onderfamilie is dat der +Meeuwen i.e.z. (Larus). Deze hebben een forschen snavel zonder washuid +en met haakvormige spits, langwerpige, spleetvormige neusgaten in +'t midden van den bovensnavel; de eerste handpen is de langste, de +staart recht afgesneden, de loop bijna zoo lang als de middelste teen; +de achterteen is aanwezig.--Verreweg de meeste en tevens de grootste +en krachtigst ontwikkelde van de 60 leden van dit geslacht behooren +tot de groep der Zeemeeuwen. Bij deze is het verschil tusschen het +zomerkleed en het winterkleed gering; hun kop is zoowel 's zomers +als 's winters wit. De jongen zijn meestal bruinachtig van kleur, +de ouden wit met grijze of blauwachtig zwarte vleugels en rug. Zij +houden zich meer uitsluitend aan de zeekust op en verrichten hier met +de Stormvogels en de Albatrossen hetzelfde werk als de Gieren op het +land: zij verslinden n.l. allerlei dierlijke overblijfselen. + + + +Een der grootste soorten is de Burgemeester (Larus glaucus), die in +'t hooge noorden broedt, doch in December en Januari niet zeldzaam +is aan onze kust (voor 't meerendeel zijn dit Vogels in 't eerste +levensjaar). De mantel en de rug zijn teer blauwgrijs, de groote +slagpennen licht blauwachtig grijs, alle overige deelen wit. De +vleugels reiken bijna niet voorbij den staart. Het oog is stroogeel, +de snavel citroengeel, de hoek van de onderkaak met een roode, +overlangsche vlek versierd, de voet lichtgeel. Totale lengte 75, +staartlengte 22 cM. Het winterkleed is aan den hals flauw bruinachtig +gevlekt. + + + +De Kleine Burgemeester (Larus leucopterus), die 's winters zeer zelden +op onze kust voorkomt, verschilt van de vorige soort door geringere +grootte en langere vleugels (5 cM. voorbij den staart uitstekend), +voorts door de zuiver witte handpennen en de roodachtige voeten. Totale +lengte 65, staartlengte 19 cM. + + + +Van de beide vorige soorten verschilt de Zilvermeeuw, in Groningen +ook Kaap en Kobbe genoemd (Larus argentatus), door den iets donkerder +gekleurden, blauwachtig grijzen mantel; dezelfde kleur hebben de +vleugels. De schouderveeren en groote bovenvleugeldekveeren zijn echter +aan 't einde wit gezoomd, de beide eerste handpennen nagenoeg geheel +zwart en op de witte spits met een zwarten band geteekend, de volgende +grootendeels en in toenemende mate grijs, doch vóór de witte spits +zwart. De snavel is geel, de voet geelachtig vleeschkleurig. Totale +lengte 65, staartlengte 18 cM. In den winter zijn de kop en de hals +grijsbruin gevlekt. + +Het broedgebied van deze soort omvat bezuiden den evenaar de Poolzee +en in 't noorder halfrond deelen van de Oude en van de Nieuwe Wereld, +het reikt in Amerika van Labrador tot Cuba, in Europa van 71° N. B. tot +de Middellandsche Zee; talrijk broedt zij in Europa aan de kusten van +de Noordzee. Aan onze kust gedurende het geheele jaar zeer gemeen, +nestelt zij in de duinen, vooral van de Noordzee-eilanden en wel +het meest op Rottum; een dergelijke broedkolonie komt voor op het +eiland Sylt. Op haar winterreis bezoekt zij alle Europeesche kusten, +ook die van de Middellandsche en Zwarte Zee en dringt dikwijls ver in +'t binnenland door. In Noord-Amerika nestelen soms geheele koloniën op +boomen, soms wel 12 M. boven den grond. Hare eieren zijn olijfgroen, +met grijze en bruine vlekken. + + + +De Kleine Zeemeeuw, Stormmeeuw, Wintermeeuw of Zeekob (Larus canus) +broedt in 't Noorden van de Oude Wereld en is van October tot +April zeer talrijk op onze kust. Zij begeeft zich dan ook langs +de binnenwateren, zelfs ziet men haar langs de grachten der groote +steden vliegen. Bij stormachtig weer komt zij in groote vluchten diep +landwaarts, waar zij soms op boomen zittend wordt aangetroffen. Zij +volgt ook gaarne den ploeg, en verslindt zeer vele, zoowel levende als +doode Muizen in de weilanden. Te Amsterdam overwintert zij gewoonlijk +in grooten getale. Ook in het zomerhalfjaar is zij hier vrij gemeen, +zonder er echter te broeden. Vroeger broedde een kleine kolonie +op Texel, doch thans niet meer (Albarda). + +Zij heeft ongeveer dezelfde kleuren als de vorige soort, maar verschilt +er o.a. van door de verdeeling van het wit en het zwart over de eerste +handpennen (van de 1e en de 2e is de spits zwart). Totale lengte 45, +staartlengte 14 cM. Hare eieren zijn okergeel met grijze en bruine +vlekken. + + + +Van de Meeuwen met donkere bovendeelen is de Mantelmeeuw, in Groningen +Zeekaag, op Texel Kokmeeuw genoemd (Larus marinus), de grootste. De +kop, de hals en de nek, de geheele onderzijde, de onderrug en de +staart zijn schitterend wit, de bovenrug en de vleugels leikleurig +blauwzwart, de spitsen van de slagpennen wit. Het oog is zilvergrijs, +de oogring vermiljoenrood, de snavel geel met een hoogroode vlek aan +de onderkaak vóór de spits, de voet licht grijsgeel. Totale lengte 73, +staartlengte 20 cM. + +Het noorden van de aarde tusschen 60 en 70° N.B. is het vaderland van +deze Meeuw. Bij ons broedt zij niet. Gedurende den winter bezoekt zij +geregeld de kusten van de Noord- en Oostzee, zwerft langs de kust ook +naar Zuid-Europa en nog verder zuidwaarts. Van September tot Mei is +zij zeer algemeen aan onze kust; jonge Vogels vindt men hier reeds +gedurende den zomer, soms ook oude (waarschijnlijk zulke, welker in +noordelijker streken gelegen nest verstoord werd); zij broedt hier +echter niet. Onder hare verwanten is zij, in overeenstemming met +haar grootte, een van de ernstigste en bedaardste; toch kan men haar +zoomin naar het lichaam als naar den geest traag noemen; integendeel +zij houdt van beweging en bedrijvigheid. Haar stem klinkt diep en +heesch als "ach-ach-ach", in opgewonden toestand als "kjau", welk +geluid op zeer verschillende wijzen geïntoneerd kan worden. Visschen +van verschillende grootte maken haar voornaamste voedsel uit; lijken +van Zoogdieren zijn voor haar een zeer gewilde spijs; ook vangt zij +Lemmingen, jonge en zieke Vogels, rooft de eieren van de zwakkere +zeevogels en zoekt aan 't strand allerlei Wormen en andere kleine +dieren op. Als de schaal of schelp van haar buit te hard is, vliegt +zij er mede omhoog en laat hem van een aanzienlijke hoogte op de rotsen +te pletter vallen. In de gevangenschap geraakt zij spoedig gewoon aan +'t eten van brood en beschouwt dit ten slotte als een lekkernij. + + + +De Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus) gelijkt nagenoeg volkomen op de +vorige soort behalve wat de grootte betreft; de vleugels steken bij +haar iets verder voorbij den staart uit, de witte banden aan de spits +van de slagpennen zijn smaller, de pooten zijn geel. Totale lengte 60, +staartlengte 15 cM. + +Zij broedt in het noorden van Europa en zelfs in Groot-Britannië, +maar niet aan onze kusten, waar zij echter soms in menigte en reeds +in September aankomt om verder te trekken of hier te overwinteren. Ook +in de Zuiderzee komt zij voor en vergezelt er de haringscholen. + + + +Kapmeeuwen (Chroicocephalus) noemt men die soorten, welke in het +zomerkleed den kop en den bovenhals min of meer donker gekleurd +hebben. Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van binnenwateren +op en maken dikwijls haar nest tusschen waterplanten. + +De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is +de Kokmeeuw, Kapmeeuw of Lachmeeuw, in Friesland Kob genaamd [Larus +(Chroicocephalus) ridibundus]. De bovenkop en de voorhals zijn +roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot +dicht bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen +van de slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood, +de snavel en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de +kap. Totale lengte 42, staartlengte 13 cM. + +Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt +zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in koloniën +op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in Zeeland aan de +binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den broedtijd, +in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in grooten +getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine Zeemeeuw +talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (Albarda). + + + +De Kleine Kokmeeuw [Larus (Chroicocephalus) capistratus], misschien +slechts een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner +en zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu +en dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over; +des zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland. + +Een bekoorlijke Vogel is de Dwergmeeuw [Larus (Chroicocephalus) +minutus], de kleinste van alle bekende Meeuwen. Haar kop is donker +roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek wit, de onderzijde +wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht blauwgrijze +slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed is de kap +slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog is bruin, +de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte 28, +staartlengte 9 cM. + +Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië +aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië, +Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van +deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren, +vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te +vertoeven. "Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek +van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het +waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk +later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog +of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat +ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels +behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa, +dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen." (Albarda). + + + +De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld +kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen, +wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen +aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans: +de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit +vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In +Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen; +ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug +te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter +doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt +het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust +broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers +omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die +in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat +de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen +zijn. In Friesland worden in deze koloniën, "kobbevlechten" genaamd, +de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één +ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda). + +De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de +binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats, +die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door +open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen, +rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het +moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke +plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje +gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze +met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden +4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met +bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin +van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; 's nachts +zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de +zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop +komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het +nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen +niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten, +maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een +week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede +week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich +tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd +voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere +Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger +brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw +vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met +de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om +hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer; +in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware +vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst +geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren. + +De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en +zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen, +volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en +akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar +niet bepaald snel en vliegt zacht, als 't ware op haar gemak. Hoewel +voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne +in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek +naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle +buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen +zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd +oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad +zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend +als "krie"; "kek" en "sjerr" zijn de geluiden voor het gezellig +verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend "kerrekkektek," +of een heesch "gier," dat gewoonlijk door "krie" wordt gevolgd. + +Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het +voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en +ook van een kreng wordt partij getrokken. + +In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen +de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog +tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze +nuttelooze slachting, die onder den naam van "meeuwenschieten" als +een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid +van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te +verontschuldigen. + +Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke +jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch +gevoederd worden, maar geraken ook aan 't eten van brood gewoon, +zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel +met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger +als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en +volgen hem later vliegend over 't erf, in den tuin en ook wel naar +buiten in 't veld. + + + +"Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien +heeft," zegt Holböll, "kan zich zoomin van de schoonheid als van +het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk +een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige +duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg +Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer +of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit +tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte +puntjes vertoonen."--Korter en schilderachtiger drukt Faber zich +uit. "Op Grimsö's vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale, +dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten, +de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven +en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide +rotsen in wit veranderen."--Toen ik gereed was om een reis naar +Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen, +een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op +den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het +voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst, +nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot, +die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen +op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond +als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei, +onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal +van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden +levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten +achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt, +zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen, +die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige +minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van +de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd +bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger. + + + +De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een +gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen +is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet +genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop, +de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit, +de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig +grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin, +de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek +bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM. + +Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat +echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of +kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de +onze (het meest vroeg in 't voorjaar). Vooral bij stormweer en op +den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend, +soms ver naar het binnenland af, waar zij zich 's winters vaker en +in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard +en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien +alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust. + +Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen +rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte +aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de +Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien +heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke +IJszee als 't ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de +Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen, +de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later +wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel +te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering +over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk +rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch +voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald, +het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls +dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt +deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de +zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert. + +Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen +terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen +en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet +van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken; +ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na +hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje +en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als +Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men +hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels, +die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest +zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der +jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende, +dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De +jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen +volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen +nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf +spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende +geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is. + + + +Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den +Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw +(Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika +de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude +Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts +te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het +eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de +Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë) +af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep) +gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug +en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met +witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren +in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten +halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM. + + + +De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae) +geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie +te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op +de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel +betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings +samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid +bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden +gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig +hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen +aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels +gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang, +smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange +staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel +voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht, +op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur +vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls +lichtere plekken. + +De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel; +meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den +voortplantingstijd echter in de toendra's der kusten en eilanden. Zij +loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de +Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale +richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan +of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels, +maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke +zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen +met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is +een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn +niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben +ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren +aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze +groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven +buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan +zij de kunst om een in 't water waargenomen buit te vangen door er +van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen +vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar +roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet +slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren +en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen +jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel +open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor +hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien +loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent +en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft, +schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot +hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten +zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel +bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij +ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in +hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen +zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden, +of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig +op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen +haar aan, de meer beschroomde vluchten. + +Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het +zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren, +die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening +bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen +vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met +halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen. + +De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar +weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te +recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste +staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de +Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden +en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren. + + + +De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische +soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze +soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede +vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan +'t einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met +inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de +onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche +streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte +vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig +grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte +57, staartlengte 17 cM. + +Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel +tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den +zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer, +de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in +kleinen getale zwerft hij 's winters langs de Engelsche, Duitsche, +Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige +stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar +van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de +Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland +heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea's blijven +echter ook gedurende het koude jaargetijde in 't noorden, en zoeken +hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft. + +De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een +Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de +overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en +zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer +dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte +en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn +donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit, +de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige +dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op +de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en +zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den +wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet +zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM. + +Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen, +maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde, +zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de +kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de +zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in 't binnenland +af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen. + + + +Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens +levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de +menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt +snel, zwemt flink en maakt bij 't vliegen bewonderenswaardig koene +en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn +stem is een diepe, als "ach ach" klinkende toon of een heesch "iïa"; +bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon +"hoo". Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner +klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle +Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken +indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het +best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels, +die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig +ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken +honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere +vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om +hen in 't oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen, +schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid, +moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld +wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven +verworven buit uitspuwt. + +Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba +zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte; +anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde, +verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee +drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot, +door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen +plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels, +neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. "Uit +duizend kelen," schrijft Naumann, "weerklinkt het angstgeschreeuw, +wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch +durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen +zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt +er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die, +luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind +omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra +hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den +waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar +zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit." + + + +Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius +parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden +aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten +en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam +zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn +totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen +(welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige +uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek +op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin, +of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op +de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met +dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart, +de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart. + +Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst +verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke +streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn +broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland, +de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op +Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij +veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste +kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar 't binnenland +af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet +altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar +het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd. + +De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die, +volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen +Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die +van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht +roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en +af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren +valk "wiekelt" of "bidt"; het is op eenigen afstand vaak moeielijk +hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij +zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen, +langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een +kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen, +nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar +boven terug te keeren. In 't eene oogenblik schijnt hij afgemat en +verslapt, in 't volgende is hij als "door den duivel bezeten"; nu +eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend, +alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende +bewegingsvormen.--Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen, +maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de +Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen +echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in +elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald +gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets +anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij +niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen, +om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer +dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op +deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig +niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even +vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de +toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook +Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar +zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden. + + + +De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige +soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel +en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15 +cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55, +staartlengte 30 cM. + +Ook deze Jager broedt in 't hooge noorden van 't oostelijk zoowel als +van 't westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker +zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen +zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië +voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen. + + + +Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën +verbreide, in 't duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken +door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een +middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig +hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn, +korte, smalle (bij uitzondering voor 't vliegen ongeschikte) vleugels, +een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed. + +Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede +samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den +poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek +geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen +van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts +gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor 't overige echter +op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het +zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel, +op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend +rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele +Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om +het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen +moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote +vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne, +maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan +glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk +voor 't zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het +duiken in 't water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij +hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt +niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het +oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich +op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die +voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar +eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig +en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote +zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren +bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer +bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast +de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene +koloniën in 't zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan, +indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde. + + + +Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai +(Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote, +korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden +snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is +aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk +samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen +huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren +met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar +met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk +lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels +in 't oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde, +korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het +vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op +de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld, +alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en +een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw, +de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is +donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood; +het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek +onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood, +aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte +31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere +hoogte en ontbreekt de halskraag. + +De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den +Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan +de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten +voor; in 't noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een +verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze +kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge +voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden +eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger: +in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor; +bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den +zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht +uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar +'t zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den +voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van +verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle +terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt +naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere +in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden, +eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver- +en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche "Vogelbergen", +waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland +als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd, +maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van +Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de +donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen +gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten +zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun +strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele +individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een +afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende +rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar +de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij +om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels +uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert +hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd +moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te +verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel +en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg +op de volgende wijze: "In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door +onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten +wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal +zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken +zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken +ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om +in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten +(Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun +kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet +begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige +Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood +werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te +voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw +te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar +aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval +van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde; +eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en +door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in +zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die, +welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust, +maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De +lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar +hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade +overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou +kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men +ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke +domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die +een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte +Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en +angstig uitzien naar eenige Skoea's (Groote Jagers) boven hen. Dan +volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het +andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele +breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in +bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels; +de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig +hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken +en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de +witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan, +zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor +de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor +zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost +de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van +genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel, +beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van +deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt +er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen +borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij +heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen +eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen +de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden, +behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht +zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman +niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige +Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige +"orr" van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden "rrrrrr" +der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir +had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif +prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot +op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te +recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te +hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte +Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof; +waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze +oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten +en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te +voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en +lieten langzaam hun "orr" hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor +'t meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten +zich, door schrik bevangen, in zee."--In dezen tijd halen de bewoners +van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en +eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen +er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels, +laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of +beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den +rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden +om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door +lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht. + +De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich 's winters +dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en +verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen. + +Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer +merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven, +alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er +slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als +de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de +andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij +slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de +gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen, +en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast, +maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de +golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die +van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel +verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet +dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds +achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen +der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk +op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel +af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder +eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan, +naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat +hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten; +vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen +en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij +'t zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart, +of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij +onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij +iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn +stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner +verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep +en gerekt als "orr orr," volgens Faber soms ook als het geluid, dat +een slaperig mensch bij 't geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard +met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje. + +Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze +voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men +zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad. + +In 't midden van April of in 't begin van Mei, al naar de sneeuw +vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en +zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde, +weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de +Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet +alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij +voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in +het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan 't werk. De +nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort, +dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien +zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje +aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor 't graven zijn de snavel +en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven +of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer +onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het +wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer +70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver +wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig, +later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer +5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige, +koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk +gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem, +maar leert het ratelende "orr" van den volwassen Vogel eerst na het +uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij +soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich +zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid +van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het, +zoo noodig, door woedende beten met den snavel. + +De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in +den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch +bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de +ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven, +voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten, +of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de +Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is +hun het noodige voedsel te verschaffen. + + + +De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers +door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en +hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden +kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd, +de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is +haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De +vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits; +de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen. + + + +Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt, +herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de +bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den +snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van +den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin, +de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet +eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM. + +Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den +Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen +geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit +nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel +van de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle +fjorden van Noorwegen, waar men hem 's zomers niet ziet, verschijnt +(in Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche +en Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de +vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den +regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier +te gelijker tijd aankomen. Boje zag een dicht opeengedrongen zwerm, +welks breedte hij op 1000 schreden schatte en die zoo lang was, dat +onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn boot vlogen, tienmaal +zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde zee heb ik herhaaldelijk +dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe diep een Alk duiken en +hoe lang hij onder water blijven kan, bond men hem een zeer langen, +dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot in zee. De Vogel +verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 M. lange koord +geheel af; na verloop van 2-3/4 minuut ongeveer verscheen hij weder +aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij opnieuw onderdook. + +De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den +Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als "örr" +of "ar", soms ook miauwend als "arr err kwer kweör". + +Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook +treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen +aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke groote (80 +mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart donskleed met +wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen toestand, +na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en druk +gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in zee +of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in 't water aankomt; +de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren het duiken en +zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich zelf te zorgen, +begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te voederen. + + + +Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge +noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den +mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien +het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog +leeft, kan men er, zegt Newton, staat op maken, dat hij kort na +zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger voorzagen de bewoners +van IJsland en Groenland zich door het dooden van dezen Vogel met +wintervoorraad; tegenwoordig zou het vel van den Reuzenalk tegen goud +opgewogen worden. + + + +De Reuzenalk of Pingoeïn-alk [Plautus (Alca) impennis] wordt te recht +beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht. Hem +kenmerken, behalve de aanzienlijke grootte, vooral de rudimentaire +vleugels, die voor 't vliegen geheel ongeschikt zijn, hoewel alle +soorten van vleugelveeren, zij het dan ook in onvolkomen toestand, +aan de voorste ledematen voorkomen. De snavel is langwerpig, de +snavelrug maakt van den wortel tot aan de spits een flauwe bocht; +de ondersnavel is ondiep binnenwaarts uitgehold; de geheele snavel +zeer hoog, maar buitengewoon smal; de zijrand van den ondersnavel is +nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek tot vóór het neusgat, verderop +een weinig naar boven gekromd en aan de spits weer benedenwaarts +gericht; de zijden van 't voorste deel van den snavel zijn boven +met 6 à 7, onder met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in +maaksel met die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde +eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk +heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer +90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. De veeren +van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel zwartbruin; de +onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de snavel en de +pooten zwart. + +Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het noordelijkste +deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit Wolley's onderzoekingen +blijkt het tegendeel; Steenstrup's ontdekkingen bewijzen, dat de +Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd in grooten getale aan de +Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn geen bewijsstukken +gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen bezocht heeft, +evenmin werd hij in 't hooge noorden van Amerika gevonden. Holböll +bericht, dat op de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar +1815 de laatste Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen +bevestigen de stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten +van de IJszee bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in +het noorden van den Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden +werd. Dat hij vroeger tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde, +schijnt vast te staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over +zijne bezoeken aan de Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar +buit gemaakt in de haven van Kiel; in 1830 spoelde, volgens Naumann, +een doode Reuzenalk op de kust van Normandië aan. Het veelvuldigst +is hij waarschijnlijk ten allen tijde op IJsland en Newfoundland +geweest; het was echter niet op IJsland zelf, maar op de omliggende, +bijna voortdurend door een woedende branding omringde klippen en +kleine rotsachtige eilanden, dat deze Vogel veilige broedplaatsen en +tot in den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar +toevluchtsoord vond. + +Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige +eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin +van de laatste helft van de vorige eeuw vonden Newton en Wolley een +beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt +van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen, +met de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo +veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen +ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens +zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet +bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige +beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is +er een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen, +welke zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. Olafsen, die +in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, vernam, dat men in vroegeren +tijd booten vol eieren van de bedoelde klip weghaalde en dus geregeld +jachttochten daarheen ondernam. Naar het schijnt, is men hiermede +voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in Faber's tijd echter, +in het jaar 1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts +toevallig bezoeken aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813 +een schip, dat van de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen +te halen, langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het +weer gunstig was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene +Reuzenalken, waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men +bericht, hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de +Vogels aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken, +zonder te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. Faber bericht, dat +in het jaar 1814 een boer op een kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van +1814 tot 1830 hebben stellig nog verscheidene exemplaren, maar geen +groote troepen, hetzelfde lot ondergaan. + +In het jaar 1830 ging een zekere Goudmundsson tweemaal ter jacht +naar Eldey of de "Meelzak"-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12 +of 16, de andere keer 8 Reuzenalken, die voor 't meerendeel voor +verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in +het volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van +deze werden levend medegenomen en een tijdlang in 't leven gehouden, +alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien, +in 1834 negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide, +de laatste exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien +de laatste vertegenwoordigers van hun geslacht. + +Uit talrijke door Steenstrup verzamelde mededeelingen van zeelieden +uit vroegeren tijd en uit latere onderzoekingen is gebleken, +dat de Reuzenalken of "Pingoeïns" (zooals zij aan de westkust van +den Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en +eenige naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren +dit o. a. nog in de 16e eeuw. Hakluyt verhaalt in een brief van 18 +November 1578, dat men deze vogels over de loopplank in de boot +dreef, totdat het vaartuig vol was. "Wij kregen," schrijft hij, +"een eiland in 't zicht, dat Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar +een Vogel, die daar in ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn +kan niet vliegen, zijne vleugels kunnen het lichaam niet opheffen; +hij is zeer groot, niet kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De +Franschen vangen dezen Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten +hem in." De Noorsche onderzoeker Stuvitz vond bij een bezoek, dat +hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, die voor den +ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van muren, +uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen van +perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers gedreven +en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, die bij +nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In het jaar +1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde van deze +rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. Bij het +opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele beenderen, +op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur gevormde mummiën +van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen en ijs voor bederf +bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland gezonden en stelden +Owen in de gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling +over het beenderenstelsel van den Reuzenalk. + +Volgens een in 1883 door Blasius opgemaakte lijst bevatten de +Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 opgestopte exemplaren van +den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in Groot-Britannië, 20 in +Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het Rijksmuseum te Leiden en +in het museum van Natura artis magistra te Amsterdam). Een dergelijk +exemplaar vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In +'t geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen +aanwezig. In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum +van "Artis" is zulk een ei aanwezig. + +Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in +de zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen +bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen +zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken +steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij +rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of +liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal +gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van +een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een gedruisch +werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met de oogen +waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. Nooit +heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer zij +zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te bijten. + +Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende +grootte. Fabricius bericht, dat hij bovendien in de maag van een jong +overblijfselen van planten vond. + +Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in +Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van +andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig +gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is +120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. De mannetjes +en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken blijkt, om beurten +gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het ei verlieten, +weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had bij de geboorte +een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het water gebracht. + + + +De Zeekoeten (Uria) verschillen van de Alken door den vorm van +den snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt, +eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van +den kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel +is op den rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar +beneden gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken, +de kinhoek is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst, +de vleugels smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en +afgerond, uit 12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den +romp bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen +overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer +en in den winter merkbaar verschillend. + + + +Bij de Kleine Zeekoet (Uria grylle) is het bruiloftskleed fluweelachtig +zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt een wit veld +voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet koraalrood. In den +winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. Totale lengte 34, +staartlengte 5 cM. + +De Kleine Zeekoet behoort in 't hooge noorden thuis en broedt tusschen +80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel men +haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk +aantreft. In 't begin van den eigenlijken winter trekt zij meer of +minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter +zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen. + +Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een +rotsblok ziet zitten, of hem bij 't zwemmen en duiken, of vliegen +bespiedt. Bij 't zitten is hij gewoon den geheelen loop op den grond +te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven +en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer +te bewegen. In 't zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne +verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein +deel van den romp ingedompeld is. Bij 't roeien worden de fraaie, +roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten +met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop, +breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk +met de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer +boven om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite +te kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als 't ware gonzend, +bewegen moet. Om van 't water op te vliegen, neemt hij een korten +aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel +sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt +hij een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots, +waar zijn nest zich bevindt. Naar 't water terugkeerend, breidt +hij eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De +Kleine Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam +karakter. Op de broedplaatsen verschijnen zij in 't begin van Maart, op +een grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige +zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd +te midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch +de broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand +van slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De +broedende Vogel zit dikwijls zoo "vast", dat men hem met de hand kan +grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine Zeekoeten, zooveel +zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. Haar vleesch +smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het eetbaar is; +in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten voorgediend, +die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert beschouwen. De +veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest worden de +eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, vindt ze +lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls eerst in +Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn gemiddeld 6 +cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden afwisselend +24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het nest met +Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij geschikt +zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van Visschen en +Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel zwemmen, +maar niet duiken. + + + +Bij de Gewone Zeekoet (Uria troïle of Uria lomvia) zijn de kop, de +voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de spitsen van de +schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte band ontstaat; +de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, overlangsche +strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een deel van de +achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig +grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, staartlengte +6 cM. + +De Bastaard-zeekoet (Uria hringvia), die, evenals de volgende vorm, +soms als een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd, +heeft in haar bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een +witte, tot aan den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens +stemt zij nagenoeg geheel met de Gewone Zeekoet overeen. + +De Groote Zeekoet (Uria Brünnichii) onderscheidt zich van de Gewone +door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs +de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat; +ook is zij ongeveer 3 cM. langer. + + + +Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide werelden; +enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. Gedurende +den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker zeeën en +komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest vindt men +hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den zomer), +het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche kust +'s winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven brengen zij +in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in dezelfde +streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan +land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de +grens tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed +ingedompeld is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder +water met de vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort +en kunnen verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij +vliegen snel, met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver +in één tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich +naar haar nest begeven, anders meestal dicht bij 't water langs. Van +verre gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op +groote Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den +vogelberg, vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen +omzwermden korf te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne +broedplaatsen op den vogelberg in het water storten, glijden zij +nagenoeg zonder vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar de op- +en neervliegende Vogels dezelfde richting volgen, schijnt de berg +door een dak omgeven te zijn. Buiten den broedtijd ziet men ze nooit +op deze wijze vliegen; zij bepalen zich dan tot zwemmen en duiken, +of verheffen zich hoogstens voor een korte poos in de lucht, om +spoedig naar 't water terug te keeren. Gewoonlijk hebben zij een +glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de geheele zool over den +grond; soms echter loopen zij, als 't ware dansend, op de teenen, maar +moeten dan van de vleugels gebruik maken om het evenwicht te bewaren, +zoodat deze wijze van beweging eerder gebrekkig vliegen dan loopen +kan heeten. Hun stem bestaat uit een langgerekt gesnater of geratel, +dat echter zeer verschillend geïntoneerd kan zijn en daarom soms als +"örr", soms als "err" schijnt te klinken; ook hoort men van hen wel +eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten. + +Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg zich +er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk +toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen, +vooral wanneer zij zich te land bevinden: in 't water laten zij +een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men, +zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 schreden +naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of schrijven +bezig houden, zonder dat zij wegvliegen. + +Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen +bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of +bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die +rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid +zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde +van Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder +groote zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel +van een eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend +door een wolk van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden +zitten schijnbaar op rijen geplaatst met de witte borst naar de +zee gekeerd op alle uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen, +kortom overal waar gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden +vliegen intusschen van boven naar beneden of van beneden naar boven, +terwijl een niet minder groot aantal zich in de zee aan den voet van +den berg met visschen en duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg, +de meest uitgestrekte rotswand wordt overstelpt met bewoners, die +echter ieder met een kleine ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit +strijd ziet ontstaan over de standplaatsen der nesten. Het mannetje +en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht; zij zitten, als de +eieren nog niet gelegd zijn, voortdurend naast elkander, vliegen +gelijktijdig naar zee, visschen gemeenschappelijk en keeren te zamen +naar het nest terug, waar zij later de zorg voor het broeden deelen. + +Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft +een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken +geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan, +dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal +kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje +legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te +bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te +krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij +deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs +treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan, +die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet +zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van +30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt +meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit +schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een +vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten +de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven, +"welke verhuizing," zegt Naumann, "niet geheel vrij is van gevaar, +zooals duidelijk blijkt uit het in 't oogvallend, angstig heen en +weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van +deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één +sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het +water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden, +dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt +het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als +'t ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen; +het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement +getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te +duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de +gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich +met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met +zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen +gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet +men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor 't meerendeel +slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge +Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee +begeeft en valt zich op de steenen te pletter." + +De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren, +al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een +meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde +worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en +voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een +afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en +den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er +ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af, +of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens, +hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt +te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij +zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een +Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In +Groenland schiet men 's winters duizenden Zeekoeten met het geweer; +ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De +Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt +is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht +begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen, +om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door +plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er +niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is +storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op +het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd +door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door +roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt +hun aantal niet af. + +De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den +24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend, +in 't eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van +het eiland. + + + +De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten, +van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger +van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar +eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten +en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de +eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren +zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed +is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de +overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de +armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is +donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het +winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale +lengte 25, staartlengte 3 cM. + +De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk "IJsvogel", omdat men +gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa's, wanneer +zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de +bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat +zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de +steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid +in 't zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie +buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel +en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de +zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de +schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij +welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig +verheffen. Van 't water, evenals van 't land, vliegt zij vlug en zonder +merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan +aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet +bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine, +dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt +men overblijfselen van Visschen in haar maag. + +De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd +ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen +hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands +van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als 's nachts, van de +berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als +"trr, trr, tet, tet, tet" of als "gief" klinkend geschreeuw. Volgens +Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de +noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt +diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te +nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden +zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra +de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van +verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de +zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen +hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan +de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze +dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van +Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands +in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen +richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan +dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze +zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij +duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot. + + + +De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten, +vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam +stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied +aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra's heeten en een +afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat +(Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel +als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten, +die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering, +vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden. + +In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch +volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt, +laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst +op 't laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen +en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze +Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk +een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen, +hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige +meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen +anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger; +dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin +zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich +onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen, +zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door +het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of +in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen, +van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een +vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet +slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een +waarschuwing tegen gevaar. + +Zij voeden zich gedurende een deel van 't jaar bijna uitsluitend met +de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien +ook met allerlei kleine dieren. + +Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en +hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte +door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar +de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot +vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot, +drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang, +smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld; +bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden +gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het +vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den +regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste +soorten voorkomt, is bij sommige--o. a. bij de Haantjesparra (Parra +cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort--verlengd +tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe +"doorn", waarmede het handgewricht gewapend is. + + + +Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in +Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt +genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst +en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de +slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen +donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de +spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan +den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig +grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is +(met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop; +de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen. + +Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand +water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt +is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar +rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid +van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich +bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden, +in de nabijheid van de kust, zoowel als in 't binnenland of te midden +van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van +de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw +worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide, +groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar +voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit +zaden bestaat. + +Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van +waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen +hun moeder schielijk na. + + + +De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der +Trapvogels (Otides). + +De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige +Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten +kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten, +overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig +gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig +lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede +slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht +uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat +uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den +kop en den hals dikwijls verlengd ("baard") en steeds met levendige +kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en +gewoonlijk ook fraaier gekleurd. + +Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen, +vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele +opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de +Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven +zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun +voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags "gullen" zij +(baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond +zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige +plaats uit, om er 's nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als +bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf, +laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool +met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden; +later beschouwen zij het als een lekkernij. + +Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de +lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in +monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt +de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt +er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt +zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins +plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor +de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen. + +De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd, +omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen +van zijn meerderheid. + + + +De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen +genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar +lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan +tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den +bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met +zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde +vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin, +aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften +geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai +roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de +buitenste bijna geheel wit. De "baard" bestaat uit ongeveer 30 lange, +teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is +donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig. + +Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel +Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel +en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij +reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in +eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije, +in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel +Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig +aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven +dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke, +maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en +Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal +dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst +in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn "Vlugchtbedrijf" +bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter +strekken enkele exemplaren hun tocht naar 't westen zoo ver en zelfs +tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van +eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge +koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December +1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in +genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks; +10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in +denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in +Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem +geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250 +à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid +van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal +Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat +men op niet minder dan 800 stuks (Albarda). + +In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden +bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote +Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier +standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt; +zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en +Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in +het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere +gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan +ook in beperkte mate. + +De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in +iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland +bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op +in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in +akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij, +zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het +hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts +rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend +of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar +het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het +geheele gezelschap moeten waken. + +De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar +voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij +echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan +inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen +bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel, +maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen +in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij +zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen +een geoefend oog en een vaste hand moet hebben. + +Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht +gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel +duidelijk kan waarnemen. + +De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van +de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De +reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen +scherp hooren. + +De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met +groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd +bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar +gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet +zij naar 't schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van +kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in +geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter +voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den +zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige +Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij +ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door, +tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de +dauwdroppels, die 's morgens aan het gras hangen. + +Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid; +zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven +staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige +zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo +dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats, +tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten +voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven. + +Bij 't kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote +voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger +dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat +het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep +kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels, +stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie, +niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke, +grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen +of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij +nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen, +laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt, +den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den +bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden, +door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt +zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in 't koren neder en loopt +dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige, +bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn +met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer +het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder +langs en neemt allerlei listen te baat om hem van 't spoor te brengen; +wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die +zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in +de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een +voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers, +Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit +den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden, +maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen; +hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun +voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten. + +Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene +het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren +vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn +en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn +niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten 's zomers en +'s winters in de vrije natuur gelaten worden. + +De Trap wordt tot de "groote" jacht gerekend en overal ijverig +vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht +de zoogenaamde "karbuks", een echte helsche machine, die uit +vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar +zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren +jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en +dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als +een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen +een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij +berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild +verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met +Windhonden "gehitst", in Azië "beit" men ze met Edelvalken of getemde +Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend +weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in +dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt +en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken, +die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst. + + + +In 't zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort, +de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende +kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren +van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij +het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar +den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden, +witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht +geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond +in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven- +en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn +wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin, +de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij +de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel, +de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale +lengte 50, staartlengte 13 cM. + +Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint, +waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte +verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk; +van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en +Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral +Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde +over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische +steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied +beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn, +terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt, +maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt +vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare +zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa, +o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot +Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870 +verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente +als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich +vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa +te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale, +heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de +steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen +is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort +de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de +groote zeldzaamheden. + +In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap, +zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral +met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het +plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden, +maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar +als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den +naam "Fazant" opgedischt. + + + +De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar +grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten, +is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist +geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde +exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar +kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan +den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan +weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen +op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels. + +De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward +werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte +kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder, +meer bruinachtig zijn. + + + +De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende +gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van +Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige +vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische +landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië. + +De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche +Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in +Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs +veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het +Nijlgebied. + +Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige, +schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst +de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke +liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad +oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde +Valken. + + + +Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige +woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn +niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels +naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin +begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun +vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp +na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag +ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen +in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten +zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij +gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte +inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot +had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een +Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap, +gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om +den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een +zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle +landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht. + +De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk +aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke +kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de +spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel, +hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten, +middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is, +een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen +samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks +kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen, +bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg +gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot +het oostelijk halfrond. + + + +Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus +crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger +van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart +dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van +een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het +midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog, +benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een +streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig +wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de +spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart, +de voet stroogeel. + +Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de +landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte +woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle +landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië +enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en +Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in +Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij +ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd +broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op +de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op +de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne +heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen. + +De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet +om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens +af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan +toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert, +veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte +effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij +zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn +aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt, +wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk +fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich +spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke +hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die +men van hem niet verwacht zou hebben. + +Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en +andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild, +waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest +nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem +begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend +zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw +buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan, +stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken +en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook +de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van +de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels. + +In het einde van April vindt men in een kuiltje in 't zand, 3 of 4 +eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin +groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en +schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het +nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den +volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun +moeder voedsel zoeken. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een zeer lezenswaardig opstel van den Heer B. Boon, waarin "de +Kievit" in den voortplantingstijd op duidelijke wijze beschreven wordt, +komt voor in het tijdschrift "De Natuur in!", 1e Jaargang, pp. 49 enz. + +[2] "In de levende Natuur", II: 43. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 32834-8.txt or 32834-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/2/8/3/32834/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/32834-8.zip b/old/32834-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9efb314 --- /dev/null +++ b/old/32834-8.zip |
