summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/32834-8.txt5710
-rw-r--r--old/32834-8.zipbin0 -> 121699 bytes
2 files changed, 5710 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/32834-8.txt b/old/32834-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5481a9f
--- /dev/null
+++ b/old/32834-8.txt
@@ -0,0 +1,5710 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 7: De Pluviervogels
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: June 16, 2010 [EBook #32834]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE ORDE.
+
+DE PLUVIERVOGELS (Charadriornithes).
+
+
+Tien familiën, die in vroegere stelsels over verschillende
+orden verdeeld waren, heeft Fürbringer op grond van anatomische
+onderzoekingen samengevoegd tot de orde der Pluviervogels of
+Speurvogels (Charadriornithes) met slechts één (gelijknamige)
+onderorde (Charadriiformes), die drie groepen van familiën omvat:
+de Oevervogels (Laro-limicolae), de Parravogels (Parrae) en de
+Trapvogels (Otides). Als vierde groep moeten hierbij misschien nog
+gevoegd worden de uitgestorven Vischvogels (Ichthyornithes), die in
+de Krijt-periode leefden en goed ontwikkelde vleugels hadden, maar
+zich van alle thans levende Vogels onderscheidden door den biconcaven
+vorm der wervellichamen en het bezit van een groot aantal echte, met
+wortels in tandkassen van beide kaken bevestigde tanden. Zij hadden
+de grootte van een Duif.
+
+
+
+De eerste van de 7 familiën der Oevervogels is die der Pluvierachtigen
+(Charadriidae), die, volgens Fürbringer, 2 onderfamiliën omvat:
+de Snipvogels (Scolopacinae) en de echte Pluvieren (Charadriinae).
+
+De Snipvogels (Scolopacinae) zijn kleine of middelmatig groote,
+sierlijk gebouwde moerasvogels; de van boven afgeronde kop heeft
+een plat voorhoofd, dat naar voren smaller wordt tot de plaats,
+waar het zonder scherpe afscheiding overgaat in den steeds langen,
+dikwijls zelfs buitengewoon langen snavel; deze is slank en zwak en
+heeft stompe, ongetande zijranden; hij is steeds aan den wortel met
+een zachte huid bekleed, die zich dikwijls zelfs tot bij de spits
+uitstrekt. Van de fijne, spleetvormige neusgaten aan den snavelwortel
+tot de spits neemt de snavel weinig in breedte en hoogte af; hij
+is òf recht, òf een weinig naar beneden, òf naar boven gekromd,
+niet zelden buigzaam. De zwakke, slanke voet heeft gewoonlijk een
+langen loop; de drie voorteenen zijn middelmatig lang; de zelden
+ontbrekende achterteen is kort en hooger ingeplant; bij sommige
+soorten zijn de voorteenen vrij, bij andere door vliezen vereenigd,
+die zich bij eenige aan één der teenen tot aan den nagel uitstrekken,
+bij enkele zijn de teenen met een huidzoom voorzien langs de zijden. De
+vleugels zijn middelmatig lang en spits, aan den achterrand meer
+of minder sikkelvormig uitgesneden; zij reiken tot, of voorbij de
+spits van den korten, uit 12 à 26 pennen samengestelden staart. Het
+vederenkleed is bij mannetjes en wijfjes meestal nagenoeg gelijk, bij
+jongen en ouden in den regel zeer verschillend van kleur.--Zij bewonen
+vochtige en moerassige oorden, waterkanten en de zeekust, leven in den
+zomer bij paren, welke dikwijls bovendien tot grootere gezelschappen
+vereenigd zijn; 's winters vormen zij groote en gemengde troepen;
+zij zijn elkander, naar het schijnt, genegen, verkeeren althans
+gaarne onderling. Hun voedsel bestaat uit Insecten en hunne larven,
+Wormen en Schaaldieren, sommige eten ook wel zaden. Bij nagenoeg
+alle soorten wordt het zeer verschillende, doch meestal op den grond
+rustende nest door het mannetje en het wijfje gezamenlijk gebouwd;
+beurtelings bebroeden zij de vier peervormige, aardkleurige eieren;
+de jongen, die met dons bekleed uit den dop komen en het nest zeer
+spoedig verlaten, worden, totdat zij in staat zijn om zelfstandig
+voedsel te zoeken, door beide ouders gehoed. Alle bij ons broedende
+soorten zijn trekvogels, die, welke op lagere breedten leven,
+zwerfvogels. Zij trekken meestal 's nachts, sommige afzonderlijk,
+de meeste tot zwermen vereenigd. Zij bewonen de geheele aarde.
+
+Om een gemakkelijker overzicht te geven van de talrijke, voor ons
+gewichtige vormen, die tot deze onderfamilie behooren, splitsen
+wij haar in vijf afdeelingen: Snippen, Strandloopers, Waterloopers,
+Franjepooten en Kluiten.
+
+
+
+Bij de Snippen is de kop zijdelings samengedrukt, het voorhoofd
+lang en hoog, de snavel recht, langer dan het onbevederde deel van
+den poot, twee- of driemaal zoolang als de kop, nagenoeg geheel met
+een zachte huid bekleed, alleen langs den rand van de eenigszins
+verdikte bovensnavelspits hoornachtig; deze spits omsluit die van
+den ondersnavel, daar zij niet slechts langer dan deze, maar ook een
+weinig benedenwaarts gebogen is. Beide spitsen vormen te zamen een
+zeer fijngevoelig tastorgaan: de in beenkanaaltjes gelegen zenuwvezels,
+die in de huid van den snavel eindigen, zijn aan de spits buitengewoon
+talrijk. Bij alle Vogels moet op het oogenblik, dat de onderkaak
+naar beneden wordt bewogen, de bovenkaak in tegengestelde richting
+draaien. (Dit geschiedt door de werking van het vierkantsbeen,
+dat niet alleen met de onderkaak en den schedel, maar ook door
+bemiddeling van andere beenderen met de bovenkaak beweeglijk
+verbonden is.) Deze beweging is zeer duidelijk bij de Snippen,
+waar het draaipunt van de bovenkaak ver naar voren ligt. Dit staat
+in verband met het eigenaardige maaksel van den schedel, die als
+'t ware een verschuiving naar onderen en naar voren heeft ondergaan,
+zoodat het achterhoofdsgat niet, zooals gewoonlijk, naar achteren,
+maar naar onderen is gericht, terwijl de gehooropeningen, in plaats
+van achter, onder de (hier grootere en verder naar boven en naar
+achteren gelegen) oogen voorkomen. Dat de geschiktheid van den
+snavel om als tast- en grijporgaan te dienen door zijn vermeerderde
+beweeglijkheid belangrijk is toegenomen, ligt voor de hand. De vleugels
+zijn middelmatig lang, doch breed, de pooten kort; het onderbeen is
+tot dicht bij het spronggewricht bevederd; de voorteenen zijn niet
+met elkander vereenigd, de middelste voorteen is bijzonder lang,
+de achterteen kort en hoog ingeplant. De kleur van het vederenkleed,
+hoewel bont gevlekt, loopt zeer weinig in 't oog, steekt zoo weinig
+af bij die van de verblijfplaats der Vogels, dat deze, als zij zich
+tegen den bodem drukken, zeer moeilijk te vinden zijn. In verband met
+de ligging van het achterhoofdsgat, houden zij den snavel zoowel bij
+'t loopen als bij 't vliegen sterk naar beneden gericht. Zij zijn meer
+in de schemering (of zelfs 's nachts) werkzaam dan over dag, bewonen
+in de noordelijke en gematigde gewesten moerassen, broeklanden,
+veengronden en ook bosschen en voeden zich met Wormen, Insecten
+en hunne larven, die zij met haar grijp- en tastorgaan gemakkelijk
+in den weeken bodem opsporen en van een vrij groote diepte aan de
+oppervlakte brengen kunnen. Daar de spits van den bovensnavel die
+van den ondersnavel omsluit, kan de geheele spits gemakkelijker in
+den grond gestoken worden. Men ontmoet ze bijna altijd afzonderlijk;
+tot troepen of talrijke zwermen vereenigen zij zich nooit; zelfs op den
+trek reizen zij alleen. In den paartijd hoort men dikwijls haar stem en
+de mannetjes vertoonen dan dikwijls opmerkelijke vliegkunstjes.--Ons
+vaderland wordt bewoond of althans bezocht door vier algemeen bekende
+soorten van Snippen: één van het geslacht der Houtsnippen, drie van
+het geslacht der Watersnippen.
+
+
+
+Bij de Houtsnippen (Scolopax) zijn alle eigenaardigheden van de Snippen
+het duidelijkst waarneembaar. Het lichaam is plomp, de snavelspits
+afgerond; de pooten zijn betrekkelijk zeer kort, hun bevedering strekt
+zich van voren, doch niet van achteren, tot het spronggewricht uit;
+de schaften van de 12 stuurpennen zijn naar binnen gekromd; de nagel
+van den achterteen is stomp kegelvormig en steekt niet voorbij den teen
+uit. Deze vogels bewonen uitsluitend de bosschen en wel op vochtige
+plaatsen. Tot dit geslacht behooren één Europeesche en drie Noord-
+en Middel-Aziatische soorten.
+
+
+
+De Houtsnip, in Gelderland Woudsnep genoemd (Scolopax rusticola),
+is voor op den kop grijs; de boven- en achterkop en de nek zijn met
+vier bruine en vier roestgele dwarsstrepen geteekend; overigens
+is de bovenzijde roestkleurig, roestgrijs, roestgeel, grijsbruin
+en zwart gevlekt, op de keel witachtig, op de overige onderdeelen
+met geelachtig grijze en bruine golflijnen; de slagpennen zijn op
+bruinen, de stuurpennen op zwarten grond met roestkleurige vlekken
+geteekend. Het zeer groote oog is bruin, de snavel, zoowel als de voet,
+hoornkleurig grijs. Totale lengte 32, staartlengte 9, snavellengte
+7,5 cM.
+
+"De jagers noemen de groote, lichtgekleurde voorwerpen met
+vleeschkleurige pooten, die men bij oostenwind soms reeds in het begin
+van October vindt, Uilenkoppen; de kleinere met donkerder vederen en
+leikleurige pooten, die men veel later, vooral in November, bij ruw,
+stormachtig weder en noordwestenwind, aantreft, Blauwpootjes. Sommigen
+zijn van meening, dat eerstgenoemde wijfjes, laatstgenoemde mannetjes
+zijn, en in Duitschland heeft men opgemerkt, dat in het voorjaar,
+wanneer deze Vogels aan paren vliegen, de voorste altijd tot de
+grootere, de achterste tot de kleinere behoort." (Albarda.)
+
+Met uitzondering van eenige eilanden van het noorden heeft men
+de Houtsnip in alle landen van Europa en ook in geheel Noord- en
+Middel-Azië, voorts op Madeira, de Kanarische eilanden en de Azoren
+aangetroffen; zelden dwaalt zij naar IJsland af, eenmaal heeft men
+haar op Newfoundland ontmoet. In Nederland, Duitschland, Engeland,
+Schotland en Ierland broeden betrekkelijk weinige Houtsnippen. In
+bosschen, op moerassige plaatsen heeft men bij ons in Gelderland,
+Zuid-Holland (Lisse), Friesland (Kuikhorne, Makkinga, Dantumawoude)
+en de meeste andere provinciën enkele paren broedend aangetroffen. In
+Duitschland werd het broeden van deze soort het meest waargenomen
+in de middelgebergten en in het noorden. In Noord-Europa vindt men
+gedurende den zomer in alle groote wouden Houtsnippen. Hoewel sommige
+in zachte winters gedurende het geheele jaar op haar broedplaats
+blijven, reizen de meeste iederen herfst naar het zuiden om in het
+zuidwesten van Azië, in Zuid-Europa en in het noordwesten van Afrika
+den winter door te brengen. In Griekenland komen enkele exemplaren
+reeds in het midden van September aan.
+
+Al naar de weersgesteldheid in het noorden komen de Houtsnippen hier te
+lande vroeger of later. In den regel zijn zij in October en November
+het menigvuldigst. In kleiner aantal bezoeken zij ons land in het
+voorjaar. Gemiddeld begint men in het midden van Maart op doortrekkende
+Houtsnippen te rekenen. Iets bepaalds kan hierover echter niet gezegd
+worden, omdat juist deze Vogel den jager, die hem zoo nauwkeurig
+mogelijk nagaat, ieder jaar nieuwe raadsels opgeeft. Ook de weg,
+dien zij volgen, verschilt zeer; op een plaats, die aan alle eischen
+schijnt te voldoen, en waar men in 't eene jaar zeer vele Houtsnippen
+aantreft, ziet men dit wild in een ander jaar nagenoeg in 't geheel
+niet. Wanneer het na een strengen winter te rechter tijd begint te
+dooien en het weer daarna zacht blijft, heeft de voorjaarstrek op de
+regelmatigste wijze plaats. Bovendien moet men in 't oog houden, dat
+de Snippen, evenals andere Vogels, niet gaarne voor den wind trekken,
+bij voorkeur dus bij een niet te krachtigen tegenwind reizen. Zeer
+donkere of stormachtige nachten verhinderen den trek; ook worden de
+Vogels vaak door de verwachting van slecht weer, van late sneeuwvlagen
+b.v., op hun verblijfplaats teruggehouden. In groote, samenhangende
+wouden vindt men ze meer dan in kleine bosschen, hoogst waarschijnlijk,
+omdat de groote wouden hun meer beschutting verschaffen dan de kleine,
+die zij later gaarne bezoeken. In gewesten met weinig houtgewas
+strijken zij niet neer, zelden zelfs in tuinen met vele boomen
+of in alleenstaande kreupelboschjes.--"Zij trekt bij nachttijd,"
+schrijft Schlegel, "ligt over dag verscholen in het hout en vliegt,
+indien zij opgejaagd wordt, den bek benedenwaarts gericht, op niet
+zeer aanzienlijke afstanden, om weder in het hout in te vallen. De
+trek begint in October en er komen er dikwijls nog in December
+aan. Zij vertoeft onder weg op gunstige plaatsen, dikwijls totdat
+er strenge vorst invalt; hierdoor worden vele een prooi der jagers,
+die op dit wild, hetzij omdat het een uitstekend gerecht levert,
+hetzij omdat het een op andermans grond grootgebrachte vreemdeling
+is, zeer gretig zijn. In het voorjaar, veelal reeds in Maart, keert
+zij meer rechtstreeks en spoedig naar hare broedplaatsen terug en
+wordt alsdan in ons land weinig aangetroffen."--"In het najaar,"
+bericht Mr. H. Albarda ten aanzien van Friesland, "menigvuldig op
+den doortrek, het meest in de woudstreken, doch ook hier en daar op
+de klei, vooral aan de kust. Somtijds zelfs in het vlakke veld, ver
+van alle boomen verwijderd, alsook in rietvelden. Komt, vooral bij
+noordelijken wind, het meest voor in Gaasterland, waar uitgestrekt
+bosch onmiddellijk aan zee is gelegen, en wordt aldaar met laatvlouwen
+gevangen. Onder gunstige omstandigheden vangt men soms op één dag,
+met 50 vlouwen, 200 stuks, welk getal aanzienlijk is te noemen,
+indien men in aanmerking neemt, dat deze vangst slechts gedurende
+een half uur vóór zonsopgang en gedurende even zoo langen tijd na
+zonsondergang kan plaats hebben. In sommige vochtige bosschen blijft
+een klein getal den winter over, zoo deze niet al te streng is."
+
+Naar het schijnt, geeft de Houtsnip aan geen enkele boomsoort de
+voorkeur: men vindt haar in naaldboomwouden even dikwijls als in
+bosschen met breedbladige boomen. Een hoofdvoorwaarde voor haar
+bestaan is een vochtige, weeke boschgrond, waarin zij haar snavel
+kan steken. De ontzaglijke wouden van het noorden, die voor 't
+meerendeel uit sparren bestaan, bevredigen hare eischen volkomen;
+armoedige dennebosschen van zandstreken lokken haar daarentegen
+volstrekt niet aan.
+
+Haar dagelijksch of huiselijk leven is niet gemakkelijk na te gaan,
+omdat zij zeer vreesachtig, wantrouwig en schuw is. Over dag vertoont
+zij zich nooit in 't open veld; wanneer zij een enkele maal genoodzaakt
+is, hier neer te strijken, drukt zij zich plat op den grond: haar
+vederenkleed is dan, evenmin als dat van de Patrijs, van den bodem
+te onderscheiden. Als het in 't woud zeer stil is, loopt zij soms
+ook over dag rond; zij kiest dan echter altijd plaatsen uit, waar
+zij zoo goed mogelijk verborgen en tegen het voor haar waarschijnlijk
+hinderlijke, schelle licht beschut is. Eerst in de schemering begint
+zij met opgewektheid rond te loopen. Als zij op haar gemak is,
+trekt zij den hals in, houdt den romp waterpas, den snavel met de
+spits naar den grond gericht. Zij loopt in gebogen houding, sluipend,
+trippelend, niet zeer snel en niet lang achtereen; zij vliegt echter
+in alle opzichten uitmuntend. Zij kan zich door de dichte twijgen
+heenwringen, zonder ergens tegen aan te stooten, de snelheid van
+'t vliegen over 't algemeen geheel naar de omstandigheden wijzigen,
+haar nu eens bespoedigen dan weer vertragen; zij maakt behendig
+wendingen in iedere richting, rijst of daalt naar verkiezing, verheft
+zich echter, over dag althans, nooit in hooge luchtlagen en vliegt,
+zoolang zij dit vermijden kan, nooit over een open terrein. Als zij
+verschrikt werd gemaakt, hoort men bij 't opvliegen een dof geklepper,
+waaraan de jager haar steeds herkent, ook als hij haar niet te zien
+krijgt. Als zij over dag vervolgd wordt en vreesachtig geworden is,
+stijgt zij gewoonlijk 's avonds in bijna loodrechte richting omhoog
+en trekt zoo schielijk mogelijk verder. Geheel anders is haar wijze
+van vliegen, wanneer zij, om een wijfje te behagen, haar bekwaamheid
+toont. Zij zet dan hare veeren op, zoodat zij veel grooter schijnt
+dan zij werkelijk is, komt zeer langzaam aanvliegen, beweegt hare
+vleugels met doffe slagen en gelijkt meer op een Uil dan op eenigen
+Moerasvogel of Steltlooper.
+
+Bij oppervlakkige kennismaking met een levende Houtsnip komt men
+er licht toe, haar voor een zeer dommen Vogel te houden; bij nader
+onderzoek leert men haar niet slechts als een scherpzinnigen, maar
+ook, en in veel hoogere mate dan men verwacht zou hebben, als een
+schranderen of althans zeer listigen Vogel kennen; zij weet zeer goed,
+hoe uitmuntend haar aard- of schorskleurig kleed haar beveiligt en
+heeft er meesterlijk slag van om bij het "drukken" steeds een plaats
+uit te kiezen, waar zij niet opgemerkt wordt. Een Snip, die zonder
+zich te bewegen tusschen droge bladen, brokjes hout, naast een op den
+grond gevallen stuk schors of een boven de oppervlakte uitstekenden
+wortel ligt, wordt zelfs door het scherpzichtige oog van den geoefenden
+en ervaren jager over 't hoofd gezien, in 't gunstigste geval alleen
+aan de groote oogen herkend. Deze houding blijft onveranderd, zoolang
+haar dit raadzaam voorkomt; vooral als zij vervolgd wordt, laat zij den
+jager dikwijls tot op een afstand van weinige schreden naderen, voordat
+zij plotseling opvliegt. Daarna vliegt zij, nooit anders dan aan de
+tegenovergestelde zijde van het boschje, naar buiten, altijd zorgend,
+dat zij door struikgewas en boomen tegen den jager beveiligd is. Bij
+'t neervallen beschrijft zij dikwijls een grooten boog, maar strijkt,
+wanneer zij reeds het dichte geboomte bereikt heeft, nog ver daarin
+voort, "slaat" ook wel "een haak" en leidt op deze wijze haar vijand
+niet zelden volkomen om den tuin; zeer te recht rekent zij er dus op,
+dat men haar zal zoeken op de plaats, waar men haar in 't bosch heeft
+zien doordringen. Het pleit voor haar verstandelijke ontwikkeling,
+dat zij haar wantrouwen jegens den mensch langzamerhand aflegt,
+wanneer zij meer intiem met hem verkeert. Men kan haar temmen; een
+Snip, die van jongs af met den mensch heeft omgegaan, wordt zeer
+gemeenzaam. Haar stem mist alle welluidendheid; de geluiden, die
+zij maakt, klinken heesch en dof als "katsj" of "dak" en "eetsj",
+maar ondergaan eenige wijzigingen in den paartijd of door angst: in
+'t eerstgenoemde geval hoort men een kort afgebroken gefluit, dat als
+"pssiep" klinkt en dikwijls het voorspel is van een dof, schijnbaar
+diep uit de borst oprijzend "joerrk"; in 't laatstgenoemde geval
+wordt haar geluid kwiekend en klinkt als "sjeetsj".
+
+Als de avondschemering invalt, vliegt de Houtsnip naar breede
+boschwegen, weiden en moerassige plaatsen in of in de nabijheid van
+het woud, om voedsel te zoeken. Een zorgvuldig verborgen waarnemer,
+wiens aanwezigheid zij niet vermoedt, kan zien, hoe zij haar langen
+snavel onder de oude, afgevallen bladen steekt en deze bij hoopen
+tegelijk omkeert, om de hieronder verborgen larven, Kevers en Wormen te
+voorschijn te brengen, of hoe zij dit werktuig in den vochtigen, lossen
+grond boort, het eene gat dicht bij het andere maakt, zoo diep als dit
+met den zachten, buigzamen snavel kan geschieden. Op een dergelijke
+wijze doorzoekt zij den verschen rundermest, die zeer spoedig vol
+insectenlarven zit. Gewoonlijk blijft zij niet lang op dezelfde
+plaats, maar vliegt van de eene naar de andere. Larven van de meest
+verschillende Insecten en deze dieren zelf, kleine naakte Slakken,
+vooral echter Regenwormen maken haar voedsel uit. In de gevangenschap
+geraakt zij, wanneer men haar aanvankelijk rijkelijk met Regenwormen
+voorziet, langzamerhand ook aan 't eten van wittebrood en mierenpoppen
+gewoon; ook leert zij spoedig het boren in de zachte zoden, zelfs als
+zij zoo jong uit het nest genomen werd, dat zij niet in de gelegenheid
+is geweest om deze wijze van kostwinnen van hare ouders af te zien.
+
+In eenzame, stille wouden kiest de Houtsnip om te nestelen plaatsen
+uit, waar dicht onderhout met vrije, open plekken afwisselt. Nadat het
+paartje tot overeenstemming is gekomen, het mannetje met zijne buren
+weken lang gekrakeeld heeft, zoekt het wijfje een geschikt plaatsje op
+achter een kleinen struik of een ouden boomstomp, tusschen wortels, mos
+en grassen; zij gebruikt hier een reeds aanwezig kuiltje in den grond
+als nestplaats of graaft er zelf een, en bekleedt dit op gebrekkige
+en kunstelooze wijze met een kleine hoeveelheid droge grassen, mos
+en andere stoffen; zij legt hierop 4 tamelijk groote, kortbuikige,
+gladschalige, glanslooze eieren, die op bleek roestgelen grond met
+roodachtig grijze ondervlekken en donker roodachtige of geelbruine
+bovenvlekken nu eens dichter dan weer minder dicht geteekend zijn, doch
+welker grootte en kleur overigens veel verscheidenheid aanbiedt. Zij
+broedt met den grootsten ijver 17 of 18 dagen lang, laat een mensch,
+die eieren zoekt of toevallig in de nabijheid komt, tot op een
+afstand van weinige schreden naderen, voordat zij opvliegt, laat zich
+zelfs aanraken, vliegt gewoonlijk niet ver weg en keert zoo schielijk
+mogelijk naar het nest terug; ook blijft zij broeden, wanneer men haar
+een ei ontnomen heeft. Het mannetje bekommert zich, naar het schijnt,
+weinig om zijn gade, komt echter weer bij haar, wanneer de jongen
+de eischaal verlaten en uit het nest geloopen zijn. De beide ouders
+zijn vol zorg voor hun kroost, vliegen bij het naderen van een vijand
+angstig op en bewegen zich uit list op een schommelende en slingerende
+wijze; onder het angstig geroep van "dak-dak" beschrijven zij slechts
+kleine kringen in de lucht en vallen in de nabijheid weder op den
+grond. Intusschen verbergen de jongen zich zoo uitmuntend tusschen
+mos en grassen, dat men ze zonder Hond zelden vindt. Vele jagers
+(waarbij zeer nauwgezette waarnemers waren) hebben gezien, dat oude
+Houtsnippen hunne jongen bij groot gevaar in veiligheid brachten,
+door ze met de klauwen aan te vatten, of met den hals en den snavel
+tegen de borst te drukken, of in den snavel te nemen, of tusschen de
+bovenschenkels te klemmen en vervolgens weg te vliegen. In de derde
+week van hun leven beginnen de jongen te fladderen; nog voordat zij
+behoorlijk hebben leeren vliegen, zorgen zij voor zichzelf.
+
+Vroeger meende men, dat de Houtsnip slechts eens in 't jaar broedt
+en hoogstens wanneer haar het eerste broedsel ontnomen werd, voor
+een tweede begint te zorgen; uit latere berichten schijnt echter
+te blijken, dat in gunstige jaren alle of althans de meeste paren
+Houtsnippen tweemaal broeden.
+
+Van Boschkatten en Huiskatten, Marters, Haviken en Sperwers,
+Edelvalken, Vlaamsche Gaaien en Eksters hebben de Houtsnip en haar
+kroost veel te lijden. Door den jager wordt zij alleen gedurende
+den trek vervolgd, door de bewoners van zuidelijke landen ook in
+hare winterkwartieren, hoewel haar vleesch dan dikwijls hard en
+taai is. De snippenjacht is voor den liefhebber een bron van groot
+genoegen, zoowel het jagen op den "aanstand" in den morgen of den
+avond, terwijl de Vogels rondzwerven, als de drijfjacht.
+
+
+
+De Watersnippen, de Bécassines der Franschen en Duitschers
+(Gallinago), onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht
+door het afgeplat zijn van de snavelspits; het onderbeen is boven
+het spronggewricht zoowel van voren als van achteren onbevederd; de
+nagel van den achterteen is gekromd en steekt voorbij den teen uit;
+de staart bevat 12 à 26 pennen met rechte schaft. Haar levenswijze
+komt met die van de Houtsnippen overeen; zij vermijden echter het
+woud en in 't algemeen ieder samenhangend gewelf van planten boven
+zich; opene, moerassige, veenachtige laaglanden verschaffen haar een
+woonplaats. Van de 24 ver verbreide soorten, die dit geslacht vormen,
+zijn er 3 inheemsch.
+
+
+
+De grootste van deze is de Poelsnip of Dubbele Snip, in Noordbrabant
+Poelsnep, in Gelderland Grasvogel of Grassnep genoemd (Gallinago
+major). De bovenkop is bruinachtig zwart met een smalle,
+roestgeelachtige streep in het midden en een boven ieder oog;
+de overige bovendeelen zijn zwartbruin met roestgele vlekken, de
+vleugeldekveeren met witte, ook over de schaft zich uitstrekkende
+topvlek, de eerste handpen bruin met lichte schaft en witten
+buitenzoom; van de 16 stuurpennen hebben de drie buitenste een witte
+eindhelft; de onderzijde is roestgeel met zwarte vlekken. Totale
+lengte 28, staartlengte 6 cM.
+
+Zij broedt in de toendra van de Oude Wereld, waar zij de eenige
+vertegenwoordiger is van haar geslacht. Reeds in Skandinavië
+nestelt zij betrekkelijk zelden, nog zeldzamer in de verder
+zuidwaarts gelegen gematigde gewesten van Europa; enkele paren
+zijn bij ons broedende gevonden in moerassige streken van Limburg
+en Noordbrabant, zeer enkele ook in andere provinciën (bij Suawoude
+in Friesland en in Groningen). Zij heeft hare winterkwartieren in
+Afrika en Zuidwest-Azië. Daar haar broedgebied eerst laat bevrijd is
+van sneeuw en de winter er vroeg begint, begeeft zij zich in 't najaar
+vroegtijdig op reis en keert laat in 't voorjaar terug. Ons land wordt
+door haar op den trek slechts weinig bezocht, in 't najaar ontmoet
+men haar hier veelal slechts van het laatst van Juli tot September,
+in het voorjaar in April en Mei.
+
+
+
+Beter bekend is hier te lande en in geheel Europa de Watersnip
+(Gallinago gallinago of Gallinago caelestis). De bovenzijde is op
+bruinzwarten grond geteekend met een breede, roestgele streep, die
+over het midden van den kop loopt en vier lange, roestgele strepen,
+die zich over den rug en de schouders uitstrekken, bovendien met
+roestkleurige vlekken en dwarsbanden op alle veeren; de onderzijde is
+wit, de voorhals grijs en, evenals de bovenborst en de zijden, bruin
+gevlekt. De staart bestaat uit 14 stuurpennen. Het oog is donkerbruin,
+de snavel zwart, de voet vuil vleeschkleurig met groenblauwachtige
+tint. Totale lengte 29, snavellengte ruim 7, staartlengte 6 cM.
+
+Het noorden van Europa en Azië is het vaderland van de Watersnip; zij
+broedt overal, waar groote moerassen zijn, waarschijnlijk nog in het
+zuiden van Europa en misschien zelfs in Noord-Afrika. In Nederland
+broedt zij algemeen op lage veenachtige gronden, hier en daar ook
+op de klei. Voorts broedt zij in Noord-Duitschland, Denemarken,
+Skandinavië, Lijfland, Finland en Zuid-Siberië; in al deze landen is
+zij op geschikte plaatsen buitengewoon veelvuldig. Op den trek bezoekt
+zij alle groote en kleine moerassen, broeklanden en veengronden, die
+tusschen haar zomer- en haar winterverblijf gelegen zijn. Het laatste
+is misschien nog uitgestrekter dan het eerste, daar het van Zuid-China
+tot aan den Senegal (tusschen 45 en 10° N.B.) reikt. Gedurende den
+trek is zij in ons geheele land op lage, vochtige plaatsen zeer
+menigvuldig. De najaarstrek heeft plaats van September totdat de
+vorst invalt, de voorjaarstrek in Maart en April. In zachte winters
+blijven enkele voorwerpen bij ons over op plaatsen waar stroomend
+water is. In Duitschland vindt men ze bij de zoogenaamde warme bronnen
+zelfs in sneeuwrijke winters. Droge streken trekt zij zoo schielijk
+mogelijk door. Men ontmoet haar uitsluitend in vochtige laaglanden,
+sompen, moerassen, drasse weiden, kortom op plaatsen, die in meerdere
+of mindere mate op het eigenlijke moeras gelijken. Zij verlangt op
+haar verblijfplaats een bodem begroeid met grassen, zeggen, riet en
+andere moerasplanten, die geen hinderpalen oplevert bij 't boren
+met den snavel. In zulke oorden, die wij kortweg moerassen zullen
+noemen, leeft zij, behalve in den broedtijd zoo stil, dat men van
+haar aanwezigheid niets bespeurt. Ook zij arbeidt bij voorkeur in de
+schemering, maar is toch veel meer dagvogel dan de Houtsnip.
+
+Haar buitengewoon snelle vlucht kenmerkt zich door den uit verscheidene
+zigzaglijnen bestaanden weg, dien zij kort na het opstijgen volgt
+en die eerst daarna recht wordt. Bijna iedere Watersnip verheft
+zich plotseling in de lucht, ijlt met snelle vleugelslagen ver weg,
+beschrijft een grooten boog, komt nagenoeg op de plaats van uitgang
+terug, vouwt eensklaps de vleugels op en stort zich in schuinsche
+richting weer in het moeras. Dat zij uitmuntend kan zwemmen en deze
+kunst ook beoefent, zonder er door den nood toe gedwongen te zijn,
+werd dikwijls waargenomen. In tijd van gevaar, vooral als zij door
+een Roofvogel vervolgd wordt, tracht zij zich te redden door onder
+te duiken.
+
+Het geluid, dat zij gewoonlijk bij het opvliegen laat hooren, is
+een heesch "ketsj", dat soms verscheidene malen herhaald wordt. In
+den trektijd hoort men van haar het heesche geluid "grek, gek gè"
+en ook somtijds den hoogen toon "tsiep".
+
+In vele opzichten verschilt haar aard van dien der beide reeds genoemde
+Snippen. Wel is ook zij zeer schuw en vreesachtig, maar tevens veel
+beter geschikt en meer geneigd om zich te bewegen; zij vliegt dikwijls
+uitsluitend voor haar genoegen rond, zonder eenige andere merkbare
+bedoeling; alleen als zij zeer vet geworden is, maakt zij eenigszins
+den indruk van traag te zijn. Het mannetje en het wijfje zijn zeer
+aan elkander gehecht en houden veel van hun kroost.
+
+Haar voedsel bestaat uit Insecten, Wormen, kleine naakte Slakken en
+Weekdieren met dunne schelp. Deze vangt zij in de schemering en den
+nacht; men ziet haar n.l. alleen in dezen tijd van de eene plaats
+naar de andere zwerven en plaatsen bezoeken, waar zij zich over
+dag niet vertoont. Als zij rijkelijk voedsel kan vinden, wordt zij
+buitengewoon vet.
+
+Reeds lang voor het leggen beginnen de zeer merkwaardige
+minnespelen. "Het mannetje," schrijft Naumann, "vliegt meestal
+bliksemsnel van zijn zitplaats op, eerst in scheeve richting naar
+boven, daarna met groote schroefvormige wendingen loodrecht omhoog,
+bij helder weder zoo ver, dat slechts een geoefend oog hem nog
+als een Vogel herkent. Op deze hoogte vliegt hij met fladderende
+vleugelbeweging in een kring rond en schiet vervolgens met geheel
+uitgebreide, onbewogen wieken langs een vertikalen boog beurtelings
+naar boven en naar beneden; dit geschiedt met zooveel kracht, dat de
+snelle trillingen van de toppen der groote slagpennen een gonzenden,
+knorrenden of brommenden toon doen ontstaan, die zeer veel op het
+blaten van een Geit gelijkt, en aanleiding heeft gegeven tot de in
+Duitschland gebruikelijke namen "Hemelgeit, Haverbok," enz. Later
+is men tot de overtuiging gekomen, dat niet de slagpennen, maar de
+staartveeren het geluid veroorzaken.
+
+De Watersnip is wegens haar verblijfplaats en haar groote bekwaamheid
+in 't vliegen aan minder gevaren blootgesteld dan de Houtsnip. De
+Europeaan vervolgt haar wegens haar smakelijk vleesch, dat stellig de
+voorkeur verdient boven dat van de Houtsnip; deze jacht wordt echter
+niet overal met grooten ijver beoefend, omdat het rondwaden in het
+moeras en het treffen van een Vogel in de vlucht niet ieders zaak
+is. Zeer veel werk maken de Hongaren en de Europeanen in Egypte en
+Indië van deze jacht; nergens levert zij trouwens betere uitkomsten
+op dan in de door hen bewoonde landen.
+
+Men kan ook Watersnippen in de kooi houden; het kost echter veel
+moeite om haar aan de veranderde omstandigheden te doen gewennen.
+
+
+
+De kleinste soort van Snip is het Bokje, in Zeeland Lapper, in
+Noordbrabant Dooverik, Halfke en Pink, in Limburg Doover en Kleine
+Watersnep genoemd (Gallinago gallinula of Limnocryptes gallinula):
+zij is slechts 16 cM. lang (staartlengte 4 cM.). De teugel en een
+streep onder de wang, die achter de oorstreek langs weer naar het
+oog gericht is, zijn bruin, twee strepen boven en onder het oog
+roodgeelachtig, de mantelveeren zwartblauw met groenen en purperen
+weerschijn en met vier roestgele, overlangsche strepen, de gorgel,
+de krop en de zijden grijs met bruinachtige golflijnen en vlekken,
+de onderdeelen overigens wit, de slagpennen en staartveeren dofzwart,
+deze met roestgelen zoom. De staart bestaat uit 12 pennen, waarvan
+de beide middelste langer en spitser zijn.
+
+Men ontmoet haar gedurende den herfst- en den voorjaarstrek op dezelfde
+plaatsen als de Watersnip, doch iets later dan deze en nooit in zoo
+grooten getale. Het is niet onmogelijk, dat deze soort hier enkele
+malen broedt, zooals ook in Duitschland hier en daar geschiedt;
+haar eigenlijk vaderland is echter Rusland en West-Siberië.
+
+Haar houding komt met die van de overige Snippen overeen; zij
+loopt ongeveer als deze over den grond, maar vliegt minder goed,
+n.l. minder vast, hoewel zij behoorlijk snel voortschiet en de meest
+verschillende zwenkingen kan uitvoeren; zij verheft zich niet gaarne
+hoog in de lucht, maar fladdert soms letterlijk over het moeras heen,
+zoodat zij aan een Vleermuis herinnert. Haar voedsel is in hoofdzaak
+gelijk aan dat van de overige Watersnippen, vaker dan bij de andere
+soorten heeft men echter in haar maag fijne zaden gevonden.
+
+
+
+De Bastaardsnippen (Rhynchaea) naderen tot de Watersnippen in
+levenswijze, maar haar snavel is korter en harder en eenigszins
+gekromd. De 3 of 4 soorten van dit geslacht worden gevonden
+in de tropische gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld en van
+Australië. Een van deze--de Goudsnip (Rhynchaea capensis)--bewoont
+als broedvogel een groot deel van Afrika en Zuid-Azië (Japan,
+China, Indië en de Soenda-eilanden) en begeeft zich op den trek naar
+Zuid-Australië. In grootte komt zij met de Watersnip overeen. Zij
+houdt zich op in moerassen, broeklanden en waterrijke velden, doch
+ook tusschen struiken en in het riet; zij loopt zeer snel, doch
+vliegt slecht. Des nachts of in de schemering zoekt zij haar voedsel;
+zooveel mogelijk vermijdt zij het open veld. In 't voorjaar leeft zij
+paarsgewijs, later in kleine vluchten van 5 à 6 stuks. De wijfjes zijn
+grooter en fraaier gekleurd dan de mannetjes. Bij beide zijn de slag-
+en stuurpennen met goudgele vlekken versierd.
+
+
+
+Onder den naam Strandloopers (Tringa) vat men een 25-tal soorten van
+kleine Moerasvogels samen, waarvan slechts enkele de grootte van een
+Lijster bereiken. Gewoonlijk worden zij in een 6-tal ondergeslachten
+gesplitst, waaraan men ook wel den rang van geslachten toekent. Hun
+voorkomen herinnert in zoover aan dat der Snippen, dat hals en pooten
+ongeveer dezelfde betrekkelijke lengte hebben. De kop en de oogen zijn
+echter kleiner, de gehooropeningen verder naar achteren geplaatst. De
+snavel is korter, hoewel nog steeds iets langer dan de kop, recht
+of aan de spits flauw benedenwaarts gebogen, slank, zwak, zacht,
+doch aan de eenigszins breedere spits harder; hij dient eveneens
+als tastorgaan, maar is voor dit doel minder geschikt dan de snavel
+der Snippen. De vleugels zijn middelmatig lang en spitser dan bij de
+Snippen; de lange schouderveeren vormen een tweede vleugelspits. De
+voeten zijn middelmatig lang; het onderbeen is verder onbevederd
+dan bij de Snippen; de teenen zijn korter; de achterteen is klein,
+hooger ingeplant en reikt niet tot op den grond. De veeren worden in
+den herfst gewisseld; het winterkleed, dat dan voor den dag komt, is
+van boven aschgrauw of blauwachtig aschkleurig en zonder teekening; de
+onderdeelen zijn wit of witachtig. In de lente doemt op de rugveeren,
+in de nabijheid van de schaft, een donkere vlek van onbepaalden vorm
+allengs op; dit is de aanvang van de in korten tijd plaats hebbende
+verkleuring, waarna deze Vogels door hun donker roodbruine en zwarte
+teekening een geheel ander uitzicht vertoonen dan gedurende den winter.
+
+Zij bewonen de noordelijke gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld
+tot op zeer hooge breedten. Hier broeden zij; de meeste vereenigen
+zich vervolgens tot talrijke zwermen en reizen van het eene strand
+naar het andere in zuidelijke richting. Tegen het einde van Augustus
+of in September komen zij aan de kusten van de Oostzee en Noordzee,
+vormen hier scharen van duizenden stuks en trekken daarna steeds bij
+de kusten langs naar de Middellandsche Zee of zelfs naar de Kaap
+de Goede Hoop. Zij reizen het meest in de schemering, en zoeken
+over dag hun voedsel. Kort nadat zij het zuidelijkste punt van hun
+tocht bereikt hebben, begeven zij zich weer op den terugweg. Vele
+komen echter in 't geheel niet in hun noordelijk vaderland terug,
+maar zwerven ver van daar in hun fraai bruiloftskleed rond, zonder
+zich voort te planten. Er is (behalve Juni) ter nauwernood een maand,
+waarin men geen doortrekkende Strandloopers aan onze Noordzeekusten
+waarneemt. Nadat in Mei de laatste exemplaren naar 't noorden zijn
+vertrokken, ziet men reeds in Juli weer eenige terugkeeren; dit aantal
+neemt in Augustus sterk toe, terwijl in September alle kusten er mede
+bevolkt zijn. Hun leven schijnt uit een aaneenschakeling van reizen te
+bestaan. Zij vliegen meestal laag, eenige vormen kleine gezelschappen,
+andere op wolken gelijkende zwermen. Op den bodem loopen zij meestal
+trippelend rond; wanneer een gevaar hen bedreigt, "drukken" zij zich
+niet neder, zooals de Snippen, maar maken dadelijk gebruik van hunne
+uitmuntende vliegorganen. Hun stem bestaat meestal uit de eenigszins
+trillende klanken "ti-i-i-i" of "triet-triet". Zij voeden zich met
+kleine Insecten, hunne larven, Wormen, Schaaldieren en Weekdieren. De
+larven van Muggen, die in het hooge noorden in ontzaglijke hoeveelheid
+voorkomen, verschaffen hun een overvloed van voedsel; dit maakt de
+snelle ontwikkeling van de jongen mogelijk. Hunne eieren zijn groot
+en gelijken op die van de Snippen.
+
+Op de bovenstaande, grootendeels aan Altum ontleende schets, laten
+wij een korte beschrijving van de 9 hier te lande waargenomen soorten
+volgen.
+
+
+
+Als een overgangsvorm tusschen de Snippen en de eigenlijke
+Strandloopers beschouwt men den Breedbekkigen Strandlooper [Tringa
+(Limicola) platyrhyncha], die in ons land tweemaal (in 1862 en 1870)
+telkens in Augustus en aan den Hoek van Holland, werd waargenomen
+(Albarda). Hij heeft ongeveer de grootte van een Musch en kenmerkt
+zich door het ontbreken van den achterteen en door den snavel; deze
+is aan de spits verbreed, duidelijk benedenwaarts gebogen en iets
+langer dan de kop. De hoofdkleur is roestbruin met zwarte vlekken.
+
+
+
+Eveneens drieteenig is de Zandlooper [Tringa (Calidris) arenaria],
+wiens rechte snavel den kop in lengte evenaart; hij is ongeveer zoo
+groot als een Kuifleeuwerik. De hoofdkleur van zijn zomerkleed is
+witachtig, op de bovenzijde in de jeugd met zwartachtige, op lateren
+leeftijd met zwartachtige en roestbruine teekeningen; het winterkleed
+is eenvoudig blauwachtig aschkleurig. Op den trek bezoekt hij, naar het
+schijnt, alle werelddeelen; men heeft hem zoowel op Java, als in Chili
+en Zuid-Afrika gevonden. Reeds in September komen deze Vogels in kleine
+vluchten langs ons zeestrand, waar zij zich dikwijls aan de monden
+der rivieren en op de Wadden in tallooze menigte verzamelen. Deze
+wintergasten blijven bij ons tot April, soms tot in het begin van Mei.
+
+
+
+Alle overige soorten zijn vierteenig. De grootste van deze is de
+Kanoet-Strandlooper [Tringa (Tringa) canutus], in Friesland Mients
+of Knot genoemd. (Van den laatsten, ook in Engeland gebruikelijken
+naam zijn de beide eerstgemelde aanduidingen afgeleid). Hij evenaart
+in afmetingen onze Groote Lijster. Zijn snavel is recht, langer dan
+de kop en dan de loop, breeder en dikker wordend aan de spits. De
+loop is langer dan de middelste voorteen met den nagel. De staart is
+flauw afgerond. Het zomerkleed is aan de onderzijde donker bruinrood,
+aan de bovenzijde zwart met groote, roestroode kantvlekken, witachtige
+vederspitsen en roestgele zoomen. In het winterkleed is de onderzijde
+witachtig, aan den krop met kleine, zwarte, overlangsche, op de zijden
+van den romp met dwarse, grijsbruine vlekken; de bovendeelen zijn dan
+bruingrijs. Van het laatst van Augustus of het begin van September af
+hoort men gedurende een groot deel van den winter en van het voorjaar
+de zeer schelle stem van deze Vogels langs ons strand, vooral aan de
+steenen hoofden, op de Wadden, soms ook aan de oevers der rivieren
+en meren en in de lage hooilanden. Zij worden hier vrij veelvuldig
+gevangen. Behalve in Europa brengen zij den winter door in geheel
+Azië, een groot deel van Amerika en Afrika; zelfs heeft men ze op
+Nieuw-Zeeland aangetroffen. Op deze reizen verlaten zij slechts bij
+uitzondering de zeekust om nabij gelegen binnenwateren te bezoeken,
+verder binnenslands behooren zij steeds tot de zeldzaamheden. Op het
+zeestrand vormen zij talrijke troepen, die gemeenschappelijk leven
+en werken.
+
+
+
+De Kleine Strandlooper, in Friesland Gril of Griltje genoemd [Tringa
+(Limonites) minuta], is zoo groot als een Musch en onderscheidt zich
+bovendien van de vorige soort, doordat de eveneens rechte snavel zoo
+lang is als de kop; de staart is dubbel uitgesneden; de snavel en de
+voeten zijn zwart, de buitenste staartpen is zuiver wit, de 2e en de
+3e zijn grootendeels wit. Het zomerkleed is aan de onderzijde wit, aan
+de bovenzijde zwart, iedere veer met roestroode kanten. De onderdeelen
+zijn ook in het winterkleed wit, de bovendeelen echter aschgrauw.--De
+broedplaatsen van deze Vogels liggen binnen den poolcirkel. Hun
+winterreis strekt zich tot Zuid-Afrika en de Molukken uit. Op den
+trek bezoeken zij in grooten getale ons land; in het voorjaar, in
+Mei en Juni, en in het najaar, van Augustus tot October, zijn zij
+menigvuldig bij meren, poelen en plassen. Soms worden zij in menigte
+onder het wilsternet gevangen, waarbij echter vele door de mazen
+gaan (Albarda). Hun stem klinkt zacht en aangenaam als "duurrr" of
+"duurruï," soms ook als "dierriet", zoo ook die van de volgende soort.
+
+
+
+De Kleinste Strandlooper, in Friesland Kleine Gril genoemd [Tringa
+(Limonites) Temminckii], die in grootte een Roodborstje evenaart,
+heeft den snavel even lang als de kop, zeer weinig gebogen, den staart
+wigvormig verlengd, den snavel en de voeten zwart, de eerste groote
+handpen met witte schaft, de buitenste staartveeren effen grijs. Des
+zomers zijn de onderdeelen wit met uitzondering van de bruingrijze
+onderhals en krop, de bovendeelen bruinachtig grijs met zwarte en
+roestkleurige vlekken. Van het winterkleed is de onderzijde wit, op den
+krop echter bruinachtig grijs met donkerder overslagsche streepjes,
+de bovenzijde bijna effen bruinachtig aschgrauw. Deze soort wordt op
+dezelfde plaatsen en in denzelfden tijd als de Kleine Strandlooper,
+doch in zeer kleinen getale op den trek bij ons waargenomen.
+
+
+
+De drie overige inheemsche soorten onderscheiden zich door een
+flauw benedenwaarts gekromden snavel. Zoo de Paarse of Violette
+Strandlooper [Tringa (Arquatella) maritima], die de grootte heeft van
+een Spreeuw. Zijn snavel is langer dan de kop; de loop evenaart in
+lengte de middelste voorteen zonder den nagel; het onderbeen is boven
+het spronggewricht slechts zeer weinig naakt; de loop en het achterste
+deel van den snavel zijn geel; de staart is wigvormig. De bovenzijde
+is bruin- of grauwzwart met witachtige vederkanten, de onderzijde
+heeft dezelfde kleur met uitzondering van kin en buik, die wit zijn;
+de staart is aschgrauw; de bovendekveeren van den staart zijn zwart met
+witten top, de onderdekveeren wit met lange, donkere schaftvlekken. Het
+zomerkleed is bruinachtiger.--Deze Vogel, die ook nog kenbaar is aan
+zijn helder fluitend stemgeluid, bezoekt op den trek, die zich tot
+Middel-Afrika en Australië uitstrekt in kleinen getale ook ons land;
+men ontmoet hem in het voor- en najaar (soms nog in December) op de
+steenglooiingen, hoofden en andere zeeweringen langs de kust.
+
+
+
+De Krombekstrandlooper [Tringa (Ancylochilus) subarquata] is een weinig
+kleiner dan de vorige soort, hoewel hij een iets langeren staart
+heeft. Zijn snavel is veel langer dan de kop en in 't oogvallend
+naar beneden gebogen. De loop is langer dan de middelste voorteen
+met den nagel. De snavel en de loop zijn zwart, de staartwortel
+en de bovendekveeren van den staart wit; de staart is dubbel
+uitgesneden, de middelste veeren rondachtig toegespitst; de borst
+en de krop zijn ongevlekt of zeer weinig gevlekt. Zijn kleur heeft
+overigens veel overeenkomst met die van den Kanoetstrandlooper. De
+Krombekstrandloopers, die op den trek Zuid-Azië en Zuid-Afrika
+bezoeken, vertoonen zich in den nazomer en herfst, aan onze kust,
+op de eilanden en op de lage weilanden in de nabijheid van de kust,
+soms in koppels, maar gewoonlijk in kleinen getale. Op den trek volgen
+zij niet slechts de kust, maar (in Afrika althans) ook den loop der
+groote rivieren; men heeft ze in den winter aan den Witten en den
+Blauwen Nijl ontmoet.
+
+
+
+Eveneens bezoekers (en zelfs bewoners) van het binnenland zijn de beide
+volgende vormen, die gewoonlijk als verscheidenheden van één soort
+worden aangemerkt. De Bonte Strandlooper of het Strandbokje [Tringa
+(Pelidna) alpina], die zoo groot is als een Veldleeuwerik, komt in
+nagenoeg alle opzichten overeen met zijn merkbaar kleineren verwant,
+de Kleine Bonte Strandlooper of het Kleine Strandbokje, bij Oirschot
+Fluitsnipje genoemd [Tringa (Pelidna) alpina Schinzii]. Merkwaardig is
+het, dat het broedgebied van deze beide vormen zich verder zuidwaarts
+uitstrekt, dan dat der overige Strandloopers. De eerstgenoemde broedt
+in ons werelddeel nog in Skandinavië, de andere ook in verschillende
+gewesten van Duitschland; zelfs werd hij broedend waargenomen
+aan den Hoek van Holland; ook werd dit een paar malen in Friesland
+(Boornbergum, Oudega, Suawoude) en te Vlijmen in Noordbrabant opgemerkt
+(Albarda). De snavel is langer dan de kop en flauw benedenwaarts
+gebogen, de loop langer dan de middelteen met den nagel; de snavel
+en de loop zijn zwart, de staartwortel en de bovendekveeren van
+den staart zwart of donkerbruin; de staart is dubbel uitgesneden en
+heeft de beide middelste veeren lang toegespitst; de borst en de krop
+zijn sterk bezet met donkere schaftvlekken. In 't zomerkleed zijn
+de onderdeelen wit met scherpe, zwarte schaftstrepen en een groot,
+zwart schild op de onderborst en den buik; de bovendeelen hebben
+een roestroode kleur met zwarte schaftvlekken. In het winterkleed
+is de onderzijde witachtig, de bovenzijde aschgrauw met zeer fijne,
+donkere schaftstrepen. In het voor- en najaar komen groote vluchten
+Strandbokjes op onze kusten en ook in het binnenland bij poelen en
+plassen in moerassige en veenachtige streken voor.
+
+Hun trillend stemgeluid klinkt als "tititititi" of "tututututu".
+
+
+
+Als een hoogpootige Strandlooper kan men den Kemphaan (Machetes of
+Pavoncella pugnax) beschouwen, den eenigen vertegenwoordiger van zijn
+geslacht. In Groningen heet hij Kappertje, in Friesland Haantje, in
+'t Friesch Hoantsje en Hintsje, op Terschelling Kraagman, op Texel
+Kragenmaker. De snavel is zoo lang als de kop (doch korter dan de
+loop), recht, aan de spits een weinig verlaagd en niet verbreed, over
+zijn geheele lengte zacht, de voet is hoog en slank, het onderbeen
+tot ver boven het spronggewricht naakt; van de drie voorteenen is de
+middelste met de buitenste door een spanvlies verbonden; de korte,
+hoog aangehechte achterteen raakt den grond niet; de vleugels
+zijn middelmatig lang en spits; de staart is kort, uit 12 pennen
+samengesteld, aan de spits flauw afgerond. Het bruiloftskleed van het
+mannetje is getooid met een zeer groote, schildvormige halskraag,
+die zich tot aan de zijden van den achterkop uitstrekt en hier in
+twee oorvormige bundels van verlengde veeren overgaat. Bovendien
+zijn de mannetjes aanmerkelijk grooter dan de wijfjes en hebben in 't
+voorjaar aan 't gelaat naakte, geelachtige wratjes; deze verdwijnen
+in den herfst, evenals de kraag. Een algemeen geldige beschrijving
+van de kleur van 't vederenkleed is niet mogelijk. De bovenvleugel
+is donker bruingrijs; de zes middelste veeren van den zwartgrijzen
+staart zijn zwart gevlekt; de buik is wit; de overige veeren zijn
+echter zeer verschillend van kleur en teekening. Dit laatste geldt
+vooral voor de stijve, ongeveer 5 cM. lange veeren van den kraag. Deze
+is op zwartblauwen, zwarten, zwartgroenen, donker roestbruinen,
+roodbruinen, roestgelen, witten of anders gekleurden grond lichter
+of donkerder gevlekt, gestreept of op een andere wijze geteekend,
+zoo verschillend, dat men bijna geen twee mannetjes kan vinden, die
+aan elkander gelijk zijn. De ervaring heeft geleerd, dat dezelfde
+kleuren en teekening zich in 't volgende jaar opnieuw bij den Vogel
+vertoonen. De veeren van borst en rug zijn soms op dezelfde wijze
+geteekend als de kraag, soms anders van kleur. Het oog is bruin, de
+snavel groenachtig of groenachtig geel; ook deze kleur verschilt min
+of meer in verband met die van de veeren; de voet is in den regel
+roodachtig geel. Totale lengte van het mannetje 29 à 32 (van het
+wijfje 24 à 26), staartlengte 8 cM.
+
+Het noorden van de Oude Wereld is het vaderland van den Kemphaan;
+enkele malen heeft men echter in Noord-Amerika afgedwaalde exemplaren
+van deze soort waargenomen. Op den trek bezoeken deze Vogels niet
+slechts alle landen van Europa en Azië, maar ook geheel Afrika;
+men heeft ze in het Kaapland zoowel als aan den Senegal en aan den
+Boven-Nijl geschoten. De groote, moerassige vlakten, die door de
+Kieviten als woonplaats worden gekozen, herbergen in den regel ook
+Kemphanen; deze zijn echter niet zoo ver verbreid als gene. Zelfs in
+ons land, waar deze Vogels algemeen bekend zijn, broeden zij veel
+minder algemeen dan de Kieviten, Grutto's en Tureluurs; in de lage
+hooilanden zijn zij echter zeer gewone verschijningen. Zuid-Duitschland
+bezoeken zij slechts op den trek; in Noord-Duitschland broeden zij
+veelvuldig in de boomlooze, vochtige, met gras begroeide kuststreken
+van de Noordzee; hoewel men hen dikwijls in de nabijheid van de zee
+ziet, zijn zij geen strandvogels in den eigenlijken zin van 't woord.
+
+In Maart of April komen de Kemphanen in vluchten op hunne
+broedplaatsen hier te lande terug, om in Augustus of September weer
+te vertrekken. Evenals hunne verwanten reizen zij 's nachts; altijd
+vormen zij troepen; deze vliegen in den regel in ∧-vormige
+orde, de mannetjes gescheiden van de wijfjes en de jongen; ook in de
+winterkwartieren bestaat ieder gezelschap uit leden van één sekse.
+
+Evenals de Strandlooper kiest de Kemphaan steeds vlakten uit, die
+een vrij uitzicht in alle richtingen toelaten. Hooge moerasplanten en
+vooral houtgewas vermijdt hij angstvallig. Hij loopt op een bevallige
+wijze, meer stappend dan trippelend en met een fiere houding, die
+van zelfvertrouwen getuigt. Hij vliegt zeer snel, drijft dikwijls
+op zijne wieken en maakt vlugge en sierlijke zwenkingen. Wegens de
+grootere lengte van zijne pooten gelijkt zijn beweging op den grond
+meer, op die van de Ruiters dan op die van de trippelende en snel
+rennende Strandloopers; in allerlei opzichten vormt hij als 't ware
+een overgang tusschen deze beide geslachten.
+
+Eigenaardig zijn de gevechten, waaraan de Kemphanen hun naam te
+danken hebben. Tot aan den broedtijd kunnen zij het zeer goed
+met elkander vinden, toonen een gezelligen aard en blijven trouw
+bijeen. Evenals hunne verwanten, zijn zij reeds vóór het krieken van
+den dag wakker en bedrijvig, en blijven dit tot laat in den nacht,
+bij lichte maan zelfs gedurende den geheelen nacht; voor het slapen
+of rusten zijn hoogstens alleen de middaguren bestemd. Des morgens
+en des avonds zijn zij ijverig bezig met het zoeken van hun voedsel,
+dat uit zeer verschillende waterdieren, maar ook uit Insecten, die
+op het land leven, Wormen en velerlei zaden bestaat. Geheel anders
+wordt hun gedrag, zoodra de paartijd aanvangt. De mannetjes vechten
+dan aanhoudend, zonder dat voor hunne twisten voldoende redenen te
+vinden zijn. Misschien is het niet eens om de wijfjes, dat de strijd
+ontbrandt, maar om een Vlieg, een Kever, een Worm, een zitplaats, in
+'t kort, om alles en om niets; zij vechten, zoowel wanneer er wijfjes
+in de nabijheid zijn, als wanneer zij deze niet kunnen zien, om 't
+even of zij zich in de vrije natuur of in gevangenschap bevinden,
+of zij eerst voor weinige uren hun vrijheid verloren of reeds jaren
+lang in de kooi geleefd hebben; zij vechten op ieder uur van den dag,
+kortom in alle omstandigheden. In 't open veld komen zij bijeen op
+bepaalde kampplaatsen (in Friesland "rid" of "haantjerid" genoemd), die
+in streken, waar de Vogels veelvuldig voorkomen, 500 à 600 schreden van
+elkander afliggen; zij worden ieder jaar weer opgezocht en gebruikt;
+waarschijnlijk onderscheiden zij zich van de omgeving in geen ander
+opzicht dan door het gebruik dat er van gemaakt wordt. De kampplaats is
+een iets hooger gelegen, maar toch vochtige, met kort gras begroeide
+plek van 1.5 à 2 M. middellijn, die iederen dag door een zeker aantal
+mannetjes herhaaldelijk bezocht wordt. Op dit toernooiveld, waar
+iedere kampioen zijn tegenstander opwacht om met hem te strijden,
+verschijnt de Kemphaan nooit, voordat de veeren van den kraag zich
+ontwikkeld hebben; zoodra zijn bruiloftskleed gereed is, komt hij er
+geregeld en toont van nu af een merkwaardige gehechtheid aan deze plek.
+
+"Het mannetje, dat het eerst op het terrein aanwezig is," zegt Naumann,
+"kijkt verlangend uit naar een tweeden bezoeker; als deze toevallig
+geen lust in 't vechten heeft, wordt de komst van een derden, vierden
+enz. afgewacht; weldra vangt dan de ruzie aan. Zoodra twee Vogels twist
+gekregen hebben, schieten zij op elkander toe, vechten een poosje en
+gaan dan uitgeput terug naar hun oorspronkelijke standplaats aan den
+rand van het terrein, waar zij rusten om nieuwe krachten te verzamelen
+voor het hervatten van den strijd. Op deze wijze voortgaande krijgen
+zij eindelijk hun bekomst; dan verlaten zij de kampplaats, maar
+keeren gewoonlijk na korten tijd terug. Hun gekibbel loopt altijd uit
+op een tweegevecht, nooit heeft het een algemeenen strijd tusschen
+verscheidene Kemphanen ten gevolge. Dikwijls komt het echter voor,
+dat twee of drie paren te gelijk duelleeren en dat hunne vechtbanen
+elkander kruisen; in dit geval levert het heen en weer rennen en tegen
+elkander opspringen van de Vogels zulk een zonderlinge vertooning op,
+dat de op eenigen afstand staande toeschouwer ze allicht voor dol en
+bezeten zal houden. Als twee mannetjes in strijd geraken, ziet men
+hen trillen en met den kop knikken, terwijl zij nog rechtop staan;
+daarna buigen zij de borst zoo ver omlaag, dat het achterste deel van
+het lichaam hooger komt te liggen, richten den snavel op elkander,
+zetten tevens de groote borst- en rugveeren op, breiden den nekkraag
+bovenwaarts uit en geven aan den halskraag den vorm van een schild. Zoo
+uitgerust rennen en springen zij op elkander toe en gebruiken den
+snavel als degen; de met wratten gepantserde kophuid dient als
+helm, de dichte halskraag als een schild, dat de stooten opvangt;
+alle bewegingen hebben zeer haastig plaats. De kampioenen zijn zoo
+opgewonden, dat zij van woede beven, zooals duidelijk zichtbaar is in
+de korte pauzen tusschen de telkens weer herhaalde, snel opeenvolgende
+aanvallen. Het hangt van de meer of minder groote vechtlust van de
+beide strijders af, hoeveel schermutselingen er op één gang komen;
+deze wordt door een langere pauze gevolgd.
+
+"Zij hebben geen ander wapen dan hun zachten, aan het einde
+kolfvormigen, doch stomprandigen snavel, een zeer zwak werktuig,
+waarmede zij elkander nooit kunnen kwetsen of zoo bijten, dat er bloed
+vloeit; slechts zelden verliezen zij bij deze vechtpartijen eenige
+veeren; het grootste ongeluk, dat een van de strijders overkomen kan,
+is, dat zijn tegenpartij hem bij de tong pakt en een poos hierbij
+heen en weer sleurt. Dat hun snavel bij zeer hevige stooten soms
+te sterk gebogen wordt, is niet onwaarschijnlijk; het kan wel zijn,
+dat hierdoor op de min of meer geknikte plaatsen de knobbelvormige
+opzwellingen of uitwassen ontstaan, welke vooral bij oude Vogels, die
+de woedendste vechtersbazen zijn, dikwijls aan den snavel voorkomen."
+
+Als de tijd van 't eieren leggen nadert, ziet men één mannetje in
+gezelschap van twee wijfjes, of omgekeerd een wijfje vergezeld door
+verscheidene mannetjes soms ver van het strijdperk, in de nabijheid
+van de plaats waar later het nest gevonden wordt. Deze is zelden
+ver van het water verwijderd, dikwijls een iets hoogere plek in het
+moeras. Het nest zelf bestaat uit een ondiep kuiltje, dat met een
+gering aantal dorre halmpjes en grasstoppels bekleed is. Het bevat
+gedurende den broedtijd 4, zeldzamer 3 eieren van aanzienlijke grootte,
+die op olijfbruinachtigen of groenachtigen grond roodachtig bruine
+of zwartachtige vlekken hebben, op het dikkere einde gewoonlijk meer
+dan aan het spitsere. Het wijfje broedt alleen, 17 à 19 dagen lang,
+houdt veel van haar kroost en gedraagt zich bij haar nest geheel op
+de wijze van de andere Snipvogels; van de levenswijze der jongen valt
+hetzelfde op te merken.
+
+Geen der Snipvogels kan gemakkelijker gevangen worden, geen geraakt
+spoediger aan de gevangenschap gewoon dan de Kemphaan. Zonder moeite
+maakt men zich van de mannetjes meester door op de kampplaats strikken
+te zetten; ook in het watersnippennet vangt men ze dikwijls in grooten
+getale. Uit Friesland worden er vele naar Engeland verzonden.--Zij
+schikken zich zeer goed in het leven in de kooi en eten dadelijk,
+wat hun hier voorgezet wordt. Twee mannetjes zullen echter, zelfs
+wanneer zij in een doek of net uren ver gedragen zijn, zoodra zij in
+een hok geplaatst worden, nog eerder aan 't vechten gaan dan aan 't
+eten. In een groote volière maken zij een allerliefste vertooning en
+verschaffen den toeschouwer voortdurend tijdverdrijf, althans zoolang
+de broedtijd duurt; iedere broodkruimel, die hun toegeworpen wordt,
+brengt het geheele gezelschap in opschudding. Na den paartijd leven
+zij in vrede met elkander, hoewel soms de eene of de andere zich laat
+verleiden tot het aannemen van een dreigende houding.
+
+De eieren van de Kemphanen worden, evenals die van de Kievieten,
+ingezameld en gegeten. Het vleesch van deze Vogels smaakt goed.
+
+
+
+De Waterloopers (Oeverloopers en Ruiters) zijn in den regel slanker
+dan de Strandloopers, hebben een kleineren kop, een langeren snavel
+en staan hooger op de pooten. De snavel is zoo lang als de kop of
+iets langer, van den wortel tot bij het midden zacht, aan de spits
+hoornachtig; de voet is verschillend van maaksel, soms hoog en dun,
+soms kort en krachtig, bij de meeste vier-, bij enkele drieteenig; de
+buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden;
+de vleugels zijn lang en smal, hun spits wordt door de eerste handpen
+gevormd; de uit 12 pennen samengestelde staart is kort, afgerond,
+trapvormig of wigvormig. De kleine veeren liggen glad tegen het
+lichaam aan, hebben zeer bescheidene kleuren en worden tweemaal 's
+jaars gewisseld. Tusschen de mannetjes en wijfjes bestaat een gering
+verschil in grootte, weinig of geen verschil van kleur. Kenmerkend
+voor deze groep is het ontbreken van het tastorgaan aan de snavelspits.
+
+Evenals de vroeger genoemde Vogels, behooren ook de Waterloopers
+hoofdzakelijk in 't noorden thuis; alle soorten trekken echter
+geregeld en bezoeken dan de meest afgelegen landen. Zij houden zich
+op aan de oevers van stroomend en stilstaand water, in moerassen
+en broeklanden, minder vaak aan de zeekust. In de winterkwartieren
+vereenigen zij zich met vele andere Vogels, die dikwijls tot zeer
+verschillende soorten behooren, maar vormen zelden zulke groote
+zwermen als de Strandloopers. Hun voorkomen is bevallig, hun gang
+sierlijk, behendig en stappend; zij vliegen buitengewoon snel en
+zonder merkbare inspanning; hun stem bestaat uit aangename, hooge,
+fluitende, ver hoorbare tonen, die zooveel op elkander gelijken, dat de
+eene soort niet zelden de roepstem van de andere volgt. Het nest rust
+meestal op den grond, soms echter op boomen, en bevat, evenals bij de
+vorige groep, vier betrekkelijk groote, peer- of tolvormige eieren,
+die op olijfgroenen grond met bruingrijze vlekken geteekend zijn en
+door het wijfje uitgebroed worden. De jongen loopen de ouden reeds
+op den eersten levensdag na, verbergen zich, evenals hunne verwanten,
+bij naderend gevaar zeer behendig op den bodem of in het gras, leeren
+spoedig fladderen en gaan hun eigen weg, zoodra zij vliegen kunnen.
+
+Alle Waterloopers zijn voorzichtig en schuw van aard; de groote soorten
+nemen daarom overal, waar zij met andere strandvogels samenleven,
+het leiderschap op zich. Zij zijn niet gemakkelijk te jagen; de vangst
+biedt eveneens bezwaren aan. Spoedig geraken zij gewoon aan 't leven
+in de kooi, nemen eenvoudigen kost voor lief en kunnen bij behoorlijke
+verzorging jaren lang als gevangenen in 't leven gehouden worden.
+
+
+
+Als een overgangsvorm tusschen de Strand- en de Waterloopers kan men de
+Oeverloopers (Actitis) beschouwen, gekenmerkt door een rechten snavel,
+die den loop in lengte evenaart en een afgeronde staart, die achter de
+vleugelspitsen uitsteekt. De eenige soort van dit geslacht, die Europa
+en ook ons vaderland bewoont--de Oeverlooper of Steenvink (Actitis
+of Tringoides hypoleucos)--is aan de bovenzijde olijfbruinachtig met
+groenachtigen of purperkleurigen weerschijn, met zwarte, overlangsche
+en dwarse vlekken geteekend, aan de onderzijde wit; de veeren van
+de zijden van den kop vormen een witte streep boven en een witte
+plek onder het oog, doch zijn overigens bruinachtig met donkerder
+schaften en overlangsche vlekken; de slagpennen zijn bruinzwart; de
+armpennen hebben een witte wortelhelft en spits, die met de witte
+vlekken der handpennen op den uitgespreiden vleugel breede banden
+vormen; de middelste stuurpennen zijn grijsbruin met zwarte schaft
+en roestgele kanten en vlekken, de overige meer of minder wit met
+smalle, zwarte dwarsbanden. Het oog is bruin, de snavel grauwzwart,
+aan den wortel lichter, de voet loodkleurig grijs. Totale lengte 21,
+staartlengte 6 cM.
+
+Met uitzondering van het noordelijke deel van de Vereenigde Staten,
+van Middel- en Zuid-Amerika en van Polynesië bewoont of bezoekt
+deze Vogel de geheele aarde en nestelt ook bijna overal waar hij
+voorkomt. Hij verlaat ons in October en komt in April terug; gedurende
+den zomer treft men hem op de met zand of steentjes bedekte oevers van
+rivieren en meren aan, vooral op plaatsen, die aan de landzijde door
+een hoogen walkant beschut zijn; hij voedt zich met wormpjes, larven
+en gevleugelde Insecten, vooral met Net- en Tweevleugeligen. Deze
+worden van den grond opgepikt of in de vlucht gevangen, soms ook
+van de bladen weggenomen. Om de zittende Vliegen, Muggen, Haften
+en Waterspinnen te vangen, sluipt hij met ingetrokken kop en hals
+onhoorbaar en voorzichtig naar hen toe; door 't plotseling strekken van
+den hals wordt de snavel uitgestoken en deze mist zelden zijn doel. Hij
+loopt schielijk, zwemt en duikt als het zijn moet, vliegt uitmuntend
+en laat vooral bij het opvliegen zijn stem hooren. Deze bestaat
+uit een fijn, helder, hoog en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer
+als "iediedied" klinkt en in den paartijd een zacht beginnenden en
+eindigenden triller vormt, die zeer dikwijls herhaald wordt, doch geen
+onaangenamen indruk maakt. Men ziet de mannetjes dan onrustig zeer
+dicht langs den waterspiegel heen en weer vliegen. Het napvormige,
+met hooi belegde nest, dat voor een Snipachtigen Vogel zeer goed
+gebouwd mag heeten, rust op den grond tusschen de struiken op een
+plekje van den oever, dat bij hoog water droog blijft. De 4 eieren,
+welke in grootte met die van Patrijzen overeenkomen, hebben een somber
+roestgele grondkleur met groenachtigen weerschijn; zij zijn grauw,
+paars en roodbruin gevlekt en gestippeld.
+
+
+
+Bij de Ruiters (Totanus) reiken de vleugelspitsen tot voorbij den
+staart. Zij zijn in ons vaderland door vijf soorten vertegenwoordigd.
+
+De Groenpootige Ruiter of Groenpootstrandsnip (Totanus glottis), die
+soms als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der
+Strandruiters (Glottis) wordt beschouwd (en dan Glottis littoreus
+heet), onderscheidt zich van zijne verwanten door den vorm van den
+snavel, die lang en smal, aan den wortel veel hooger dan breed en van
+het midden af flauw bovenwaarts gekromd is. De bovenzijde is bruinzwart
+met witte randen om de veeren; de onderrug en de staartwortel zijn
+zuiver wit; de onderdeelen zijn wit met uitzondering van de borst,
+die met zwarte, overlangsche vlekken en strepen geteekend is; de
+handpennen zijn bruinzwart, hare schaften zwart met uitzondering van
+de eerste, die wit is, de armpennen dofbruin, op de binnenvlag met
+witachtige wolkjes, de middelste staartpennen grijs, de zijdelingsche
+wit en zwart gevlekt. In het herfstkleed zijn de kop, de achterhals en
+de zijden van den hals grauwzwart en wit gestreept, de mantelveeren
+donker aschgrauw met zwarte schaften, zwarte vlekken en witachtige
+kanten, de zijden van den onderhals en den krop met zwarte schaften en
+overlangsche strepen. Het oog is bruin, de snavel groenachtig zwart,
+de voet grijsachtig groen. Totale lengte 34, staartlengte 8 cM.
+
+Deze Vogel werd in alle werelddeelen aangetroffen; zijn eigenlijk
+vaderland is echter het noorden van de Oude Wereld. Ons vaderland
+bezoekt hij op den trek in de lente en in den herfst (sommige komen
+in Augustus en blijven tot Mei); broedend heeft men hem hier nog niet
+waargenomen. Evenals zijne verwanten geeft hij aan zoetwatermeren
+en moerassen duidelijk de voorkeur boven de zeekust. Wel ontmoet men
+hem ook hier soms, maar dan in den regel op aanslibbingen en slechts
+gedurende korten tijd; zoo vindt men hem "in den nazomer bij Ameland
+en Schiermonnikoog en ook op de slibgronden in de Lauwerzee, soms
+in groote vluchten" (Albarda). De wintermaanden brengt hij door op
+verscheidene eilanden van den Griekschen Archipel of in Noord-Afrika;
+zijne omzwervingen strekken zich echter nog veel verder uit; hij
+bezoekt de landen tusschen de keerkringen en ook de gematigde gewesten
+van het zuider halfrond, b.v. Zuid-Australië, Tasmanië, Zuid-Afrika
+en de La-Plata-Staten. In zijne winterkwartieren vestigt hij zich bij
+strandmeren, bij rivieren, die buiten hare oevers treden, bij voorkeur
+echter in rijstvelden. Gewoonlijk ziet men hem hier alleen, hoewel
+bijna altijd omringd door verscheidene soorten van Strandloopers,
+Steltkluiten, Grutto's en zelfs Zwemvogels, vooral Eenden; naar
+het schijnt, treedt hij bereidwillig als leider van deze Vogels op;
+zij volgen hem althans blindelings.
+
+De opgewektheid, behendigheid en beweeglijkheid, die aan alle Ruiters
+eigen zijn, bezit hij in hooge mate; zijn houding is flink en kan zelfs
+fier heeten; hij stapt met waterpas gerichten romp vlug en luchtig over
+den vasten bodem, loopt graag in het water, trekt zwemmend over een
+vrij breeden plas en doet dit zelfs zonder noodzaak, duikt uitmuntend
+in tijd van gevaar, roeit onder water met de vleugels verder, vliegt
+met rassche en krachtige wiekslagen snel en behendig meestal recht op
+het doel af, zwenkt echter ook prachtig en schiet vóór het neerstrijken
+in suizende vaart omlaag tot dicht bij den grond om eerst hier door
+doelmatige vleugelbeweging zijn snelheid te verminderen. Zijn stem is
+een hoog, helder en ver hoorbaar gefluit, dat ongeveer als "tsjiea"
+klinkt en een zeer aangenamen indruk maakt; hij lokt met een zacht
+"diek diek", toont angst door een krijschend "kruu kruu", en laat in
+den paartijd, doch uitsluitend gedurende het vliegen, een op fluitspel
+gelijkend minnelied hooren, waarvan de vele malen herhaalde klanken
+"dahudl dahudl dahudl" een voorstelling kunnen geven. Boven al zijne
+verwanten uitstekend door schranderheid, voorzichtigheid en schuwheid,
+is hij het best voor leider geschikt. Zijn loktoon wordt door al
+zijne verwanten en ook door de Strandloopers als een onfeilbaar teeken
+beschouwd, dat het oord niet veilig is; zijn handelwijze dient allen
+ten richtsnoer.
+
+Zijn voedsel komt in hoofdzaak overeen met dat van de andere
+Waterloopers; het bestaat uit zeer verschillende waterdieren,
+waarschijnlijk vooral uit Insecten en hunne larven, waarvan de Haften
+en de Waterjuffers het eerst vermelding verdienen, voorts uit Wormen,
+Schaaldieren en Weekdieren, meer bepaaldelijk die, welke de zee
+bewonen, ook wel uit kikkerlarven en kleine Kikkers en eindelijk uit
+jonge Visschen van allerlei soorten. Naumann zag hen ijverig bezig met
+de vangst van Draaikevertjes, die zij van den waterspiegel afzochten,
+en ook ver in het water naliepen.
+
+Hoewel de Groenpootige Ruiter reeds op Rugen en op de Deensche en
+Zweedsche eilanden broedt, doet hij dit bij voorkeur in noordelijker
+landen, het liefst in boomlooze gedeelten van de toendra, vooral in
+de nabijheid van de zee en in open plekken van wouden, zooals door
+mij aan den benedenloop van den Ob werd opgemerkt. Het nest wordt
+kunsteloos van halmen gebouwd op een met gras begroeide verhevenheid,
+meestal onder een struik.
+
+De voorzichtigheid en de schuwheid van dezen Vogel maken zijn vangst
+moeielijk. Door het nabootsen van zijn stem tracht men, dikwijls te
+vergeefs, hem in het net te lokken. Men geeft zich deze moeite, omdat
+hij gewoonlijk gevolgd wordt door de verwante strandvogels. Jaren
+lang kan men hem in de kooi met het gewone voedsel der strandvogels
+in 't leven houden: hij wordt spoedig tam en verschaft vooral in een
+door verschillende Vogels bewoonde volière veel genoegen.
+
+
+
+De meest bekende van alle Ruiters is de Tureluur, in Noord-Holland
+Tuut, op Terschelling Tjuud, op Texel Tjerkje, in Groningen
+Tuutling, in Friesland Tjerk (in 't Friesch Tjirk), in Zeeland
+Daak en Daakje, bij Oirschot Witstaart, in Limburg Roodpootige Ruiter
+genoemd [Totanus (Totanus) calidris]. Bij dezen is de snavel recht;
+de bovendeelen zijn grijsachtig bruin, de kop en de hals met kleine
+langwerpige, de rug en de mantel met groote, ronde, zwarte vlekken
+geteekend, de onderrug en de staartwortel wit, deze met zwarte
+dwarsbanden; de zijden van den hals en de krop zijn geelachtig
+grijs en, evenals de zijden van den romp, met zwarte, bruin gezoomde
+vlekken bezet; de overige onderdeelen zijn wit, de handpennen bruin,
+de eerste met witte schaft; wit zijn ook het wortelgedeelte van de
+binnenvlag en op de laatste pennen de spits; de armpennen, die,
+met uitzondering van de laatste, op de binnenvlag dwarsbanden hebben,
+zijn overigens bijna geheel wit, waardoor een breede spiegel wordt
+gevormd; de schouderveeren zijn donkerbruin met scherpe, roestroode
+dwarsvlekken, de stuurpennen wit met donkerbruine, grijs uitvloeiende
+dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel aan den wortel rood,
+aan de spits zwartbruin, de voet vermiljoenrood. Totale lengte 27,
+staartlengte 7 cM. In den winter is de bovenzijde donkergrijs met
+zwarte schaftvlekken, de onderzijde sterker gevlekt dan 's zomers.
+
+Deze Vogel broedt bij ons in groote getale in de moerassen en lage
+landen der kuststreken en is op onze weilanden met den Kievit de
+meest algemeene soort van moerasvogels; buitengewoon talrijk is hij
+op de eilanden. In het begin van den herfst verdwijnt hij uit het
+binnenland; aan de kust wordt hij bijna den geheelen winter door
+waargenomen. Een aantal exemplaren verlaten ons land in Augustus en
+September en komen in April terug. Zij reizen 's nachts; in den herfst
+volgen zij langzaam en op hun gemak den loop der rivieren of de kust,
+dikwijls dagen lang rustend in streken, waar een overvloed van voedsel
+te vinden is; in de lente trachten zij schielijker het doel van hun
+reis te bereiken. Deze Vogel is evenmin zeldzaam in Noord-Duitschland,
+waar hij op alle voor hem geschikte plaatsen broedt; nergens echter
+komt hij zoo veelvuldig voor als in Skandinavië, Rusland, het zuiden
+van Siberië en Toerkestan. Zijn broedgebied omvat geheel Europa
+(misschien met uitzondering van IJsland en de Fär-öer), voorts Klein-,
+Noord- en Middel-Azië. Zijn winterreis strekt zich uit tot de Kaap
+de Goede Hoop en Indië met inbegrip van de naburige eilanden. In de
+Nieuwe Wereld werd hij nog niet waargenomen.
+
+Zijn welluidende lokstem bestaat uit twee tonen, die men ongeveer
+voorstellen kan door "dzjaü" of "dzjnü"; zijn waarschuwend geschreeuw
+gelijkt op het vorige geluid, maar is meer gerekt; teedere aandoeningen
+geeft hij, evenals alle Waterloopers, te kennen door de klanken
+"duuk duuk"; schrik ontlokt hem een onaangenaam gekrijsch; de
+paringsroep, die altijd gedurende het vliegen weerklinkt, is een
+echt jubelgezang, dat men door de teekens "dliedl, dliedl, dliedl"
+ongeveer kan nabootsen. Hij is niet zeer gezellig van aard, maar komt
+toch schreeuwend aanvliegen, als zijne soortgenooten in gevaar en nood
+verkeeren, alsof hij hen helpen, raadgeven, waarschuwen wil; ook hij
+treedt als leider van andere strandvogels op. Hij is even schuw als
+de Groenpootige Ruiter, maar minder schrander en voorzichtig. Hoewel
+onderscheid makend tusschen een jager en een herder, een man en een
+kind, zal hij zich toch licht laten verschalken en bij zijn broedplaats
+vermetel het leven in de waagschaal stellen.
+
+Zijn voedsel, dat in hoofdzaak wel gelijk zal zijn aan dat van den
+Groenpootigen Ruiter, zoekt hij aan den waterkant of in het moeras;
+hij waadt door het water, zoover zijne pooten zulks toelaten, duikt ook
+dikwijls met het voorste deel van het lichaam om een dieper verborgen
+buit te bereiken, maar houdt zich bovendien op akkers en droge weiden
+met de insectenjacht bezig.
+
+De Tureluurs komen meestal gepaard bij ons terug en beginnen
+onmiddellijk te nestelen. Hun nest is een met weinige halmen
+bekleede uitholling, die in den regel niet ver van den waterkant,
+zoo mogelijk midden in het moeras tusschen biezen, zeggen en grassen
+ligt. Gewoonlijk bevat het reeds in het midden van Mei het noodige
+aantal eieren. Deze zijn tolvormig en iets kleiner dan die van den
+Kievit; de gladde, fijnkorrelige, glanslooze schaal is op bleek
+bruinachtigen of soms okergelen grond met talrijke, meer of minder
+dicht bijeengeplaatste, grijsachtige, donkerbruine en purperbruine
+stippen, vlekken en puntjes van verschillende grootte geteekend. Het
+wijfje broedt alleen; de jongen komen na 14 of 15 dagen uit den dop
+en worden dan door de moeder gebracht naar plaatsen, waar voedsel te
+vinden is; zij bewaakt, leidt en onderricht hare kinderen, waagt haar
+leven om het hunne tegen gevaar te beveiligen, tracht op de gewone
+wijze den vijand te misleiden en geeft haar bezorgdheid te kennen
+door een angstig geschreeuw; ook het mannetje schreeuwt dan luid,
+maar verliest niet zoo vaak de zorg voor eigen veiligheid uit het
+oog. Ongeveer vier weken na het verlaten van het ei zijn de jongen
+in staat om te vliegen en kort daarna ook geschikt om zich zelf te
+redden; na dien tijd wordt de innige band tusschen hen en hunne ouders
+spoedig losser.
+
+De eieren van de Tureluurs zijn zeer smakelijk en worden, evenals die
+van de Kieviten, Gruttos, Kemphanen en Wulpen, veelvuldig opgezocht
+en in den handel gebracht. Ook op den Vogel zelf wordt jacht gemaakt,
+hoewel hij geen uitmuntend wildbraad oplevert. In de gevangenschap
+wordt hij even spoedig tam als zijne verwanten en gedraagt zich op
+dezelfde wijze.
+
+
+
+Zeer na verwant aan de zooeven beschreven soort is de Zwarte Ruiter
+[Totanus (Totanus) fuscus], die 30 cM. lang wordt (staartlengte 7-1/2
+cM.); hij heeft donkerbruine pooten en een aan den wortel roodachtigen,
+overigens bruinen bek. Behalve door zijn meerdere grootte onderscheidt
+hij zich door zijn donkerder, in den zomer grootendeels leizwart
+vederenkleed. Hij vervangt de Tureluur of vergezelt hem in het hooge
+noorden van de Oude Wereld en bewoont ook IJsland en de Fär-öer. Ons
+vaderland en de overige landen van Middel- en Zuid-Europa bezoekt hij
+op den trek in het voor- en najaar; men treft hem dan en gedurende den
+winter, van Augustus tot Mei, vooral op de schorren en buitengronden
+aan. Zijn voedsel bestaat uit allerlei waterdiertjes, vooral Wormen,
+Insecten en kikkerlarven, die hij veelal zwemmend en met den kop
+onder water vangt. Zijn stem is een helder en luid gefluit. Des nachts
+wordt hij niet zelden in steekgarens gevangen.
+
+
+
+Het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd [Totanus
+(Heliodromas) ochropus], heeft den kop en den mantel donkerbruin
+met bronsgroenen weerschijn en met kleine, witachtige vlekken,
+den hals, de keel en den krop wit met gelijkmatige, donkerder,
+overlangsche strepen, die ook op den bruinachtigen nek voorkomen,
+den vleugelrand effen donkerbruin, den staartwortel, evenals de kin
+en de overige onderdeelen, zuiver wit; de slagpennen zijn bruinzwart,
+de okselveeren donker bruingrijs met witte dwarsbanden, de overigens
+zwarte staartpennen aan de wortelhelft wit, aan de tophelft met drie of
+vier smalle, witte dwarsbanden geteekend. Het oog is donkerbruin, de
+snavel groenachtig bruin, aan de spits donkerder, de voet groenachtig
+loodgrijs. In het herfstkleed zijn de witte vlekken zeer klein en de
+zijden van den krop donkerder. Totale lengte 26, staartlengte 4 cM.
+
+De Boschruiter [Totanus (Rhyacophilus) glareola], die in Friesland
+ook wel eens "Witgatje", in Noord-Holland Liewietje wordt genoemd,
+is kleiner dan de vorige soort (totale lengte 22, staartlengte 5
+cM.), van welke hij zich onderscheidt door de meerdere grootte van de
+lichte vlekken der bovendeelen, door de witte schaft van de eerste
+groote handpen, door de zwarte en witte dwarsbanden van den staart,
+die niet alleen smaller en veel talrijker zijn, maar bovendien reeds
+aan den wortel aanvangen, en eindelijk door de groenachtig gele kleur
+van den voet.
+
+
+
+Middel- en Noord-Europa benevens Middel- en Noord-Azië bevatten
+de broedplaatsen der beide laatstgenoemde soorten van Ruiters; hun
+verbreidingsgebied omvat nagenoeg geheel Europa, Azië en Afrika. Op
+IJsland en de Fär-öer komen zij, naar 't schijnt, niet voor; in alle
+overige landen van Europa heeft men ze waargenomen. De Poolsche Snip
+broedt in ons land niet, maar komt hier op den najaarstrek, die van
+Augustus tot October (soms tot December) duurt en houdt zich dan
+meestal op aan slootkanten in moerassige, hier en daar met struiken
+begroeide, zandige landstreken. In April en Mei trekt hij hier opnieuw
+door. De Boschruiter daarentegen vertoeft hier van April tot Augustus
+en broedt op veengronden; zijn in het noorden broedende soortgenooten,
+die hier in Augustus komen en soms veelvuldig aan poelen en slooten
+waargenomen worden, trekken in October verder zuidwaarts. Ten deele
+overwinteren beide soorten reeds in Zuid-Europa (enkele Poolsche
+Snippen zelfs in Duitschland) andere exemplaren strekken hun reis tot
+aan de Kaap de Goede Hoop en de Soenda-eilanden uit. Zij leiden een
+verborgen leven: de Poolsche Snip geeft de voorkeur aan de oevers van
+kleine waterstroomen, welker oevers met struikgewas begroeid zijn; de
+Boschruiter houdt zich het liefst op in het eenzame, stille, duistere
+woud; in Skandinavië en Siberië vond ik hem slechts bij uitzondering
+op andere terreinen en heb ik hem dikwijls op de twijgen van hooge
+boomen zien zitten, zelfs in den top. Afwijkingen van dezen regel
+werden echter niet zelden waargenomen in streken, waar de gewenschte
+terreinen ontbreken en andere omstandigheden heerschen.
+
+Hun stem is buitengewoon hoog en luid, maar zoo zuiver en klankvol,
+dat enkele tonen die van de beste Zangers bijna evenaren. In Augustus
+hoort men hier te lande dikwijls kort na zonsondergang de trillers
+van den Boschruiter.
+
+De Poolsche Snip nestelt zoowel op den grond als op oude boomen
+in daar reeds aanwezige nesten van Eekhoorns, Duiven, Gaaien en
+Lijsters, zelfs in 10 M. boven den grond gelegen holten van stammen,
+in dit geval echter steeds in de onmiddellijke nabijheid van het
+water. Voor den Boschruiter, die volgens mijne ervaringen nog meer
+boomvogel is dan zijn naaste verwant, geldt misschien hetzelfde;
+voor zoover mij bekend is, zijn van deze soort echter nog geen nesten
+op boomen gevonden. Bij ons maakt hij zijn nest nog steeds op den
+grond en legt daarin vier bleek olijfgroene, met groote, olijfbruine
+vlekken en paarsachtige stipjes bedekte, tolvormige eieren. Die van
+de Poolsche Snip hebben op licht olijfgroenen grond kleine vlekken,
+vegen en stippen, welker kleur van bruinachtig aschgrauw tot donker
+groenbruin afwisselt. Na een bebroeding van ongeveer 15 dagen komen de
+jongen uit, die het nest verlaten, zoodra zij droog geworden zijn en,
+als zij op een boom het eerste levenslicht aanschouwden, zonder zich
+te beschadigen naar beneden springen in het gras. Onder de trouwe,
+zelfverloochenende leiding hunner ouders groeien zij schielijk en
+worden even spoedig zelfstandig als de andere leden van hun geslacht.
+
+
+
+De Grutto's (Limosa) zijn het naast verwant aan de Ruiters, hoewel
+het niet te ontkennen valt, dat zij ook op de Wulpen gelijken
+en aan den anderen kant ook aan de Snippen herinneren. Van deze
+onderscheiden zij zich echter door de grootere lengte hunner pooten
+en vooral van het naakte gedeelte der schenkels; voorts hebben zij
+minder groote oogen, zijn nachtvogels in plaats van dagvogels en
+dragen een grijs winterkleed, dat van het rosse zomerkleed zeer
+verschilt. Hun grootendeels met een zachte huid bekleede snavel is
+langer dan de loop, twee- à driemaal zoo lang als de kop, aan de harde
+spits lepelvormig verbreed en zwak naar boven gebogen. De vleugels
+zijn meer dan middelmatig lang, de eerste slagpen is de langste. De
+buitenste en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden
+(bij een enkele soort ook de binnenste en de middelste); de achterteen
+is klein en niet zeer hoog aangehecht. De staart is kort.
+
+De zes soorten van dit geslacht broeden in het noordelijk halfrond,
+maar strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en
+Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten,
+vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden, loopen hier,
+bedaard stappend, rond, om hun voedsel te zoeken, dat uit kleine
+dieren bestaat, richten zich bij 't naderen van een gevaar op, blijven,
+evenals de Ruiters, stokstijf staan, in plaats van zich te "drukken",
+gelijk de Snippen, en vliegen plotseling op, terwijl hun vijand nog
+ver af is.
+
+
+
+De Grutto, in Noord-Holland ook Marel, op Terschelling Griet, in
+Limburg Oeversnip, in Friesland Schries, Schrier of Grieto genoemd
+(Limosa aegocephala), is de grootste van de beide inheemsche
+soorten. Het wijfje is 43 cM. lang, waarvan er 12 op den bek en
+9 op den staart komen. De lengte van het mannetje bedraagt 3 of 4
+cM. minder. De pooten zijn zwart, bij de jongen donkergrauw. De bek is
+vuil roodgeel, bij de jongen vleeschkleurig, maar steeds bij de spits
+zwartbruin. De slagpennen zijn zwartbruin, bij den wortel echter wit;
+de staart is zwart, maar aan de kleinste wortelhelft wit. In den winter
+zijn alle bovendeelen, de hals en de kop grijsbruin, de borst, de buik,
+de stuit en een streep aan weerszijden van het voorhoofd wit. In den
+zomer heeft het voorste gedeelte van het lichaam tot over de schouders,
+den rug en de zijden van den romp een roestroode grondkleur; de rug
+en de vleugels hebben dan zwarte, dwarse vlekken en banden.
+
+De Grutto broedt op lage, vochtige of moerassige plaatsen
+van het gematigde en warme Europa, op gelijke breedte ook in
+Azië en Noord-Amerika; in het gure seizoen verhuist hij tot in
+Noord-Afrika. Hij houdt zich het meest in de kustlanden op, maar
+is toch in de moerassen van Hongarije zeer algemeen gedurende den
+zomer. Bij ons behoort hij in vele oorden, op vochtige weilanden en
+in moerassige streken, tot de zeer gewone Vogels; bij voorkeur nestelt
+hij in het hooiland. Hij verlaat zijne broedplaatsen, zoodra de jongen
+behoorlijk geoefend zijn in 't vliegen, vertoeft gezellig nog eenigen
+tijd op de banken aan de monden der rivieren, verlaat ook deze weldra
+(in September) om zuidwaarts te trekken en keert in Maart naar zijn
+zomerverblijf terug. Onze naam Grutto is aan het geluid ontleend,
+dat hij vooral gedurende het vliegen laat hooren, zoowel in den
+paartijd, als wanneer men zijn nest nadert. De vier eieren, die in
+het zeer eenvoudige nest gevonden worden, zijn olijfgroen van kleur,
+met donkerbruine en grijze vlekken en stippen bedekt. Daar zij
+grooter dan kievietseieren en zeer smakelijk zijn, worden zij,
+evenals deze, ijverig gezocht en voor hooge prijzen verkocht.
+
+
+
+De Rosse Grutto, op Terschelling Rosse Griet, in Limburg Rosse
+Oeversnip, in Friesland Roode Schrier en Hooiwulp genoemd (Limosa
+lapponica), is op de kruin en in den nek licht roestrood met
+bruine, overlangsche strepen, op den rug en de schouders zwart met
+roestkleurige vlekken en randen; de keel, de zijden van den
+hals en de onderdeelen zijn fraai donker roestrood, de zijden van
+de borst en de onderdekveeren van den staart hebben zwarte,
+overlangsche vlekken, de slagpennen zijn zwart, wit gemarmerd,
+de stuurpennen hebben grijze en witte dwarsbanden. Het oog
+is bruin, de snavel roodachtig, aan de spits grauwzwart, de voet
+zwart. Totale lengte 41, staartlengte 7 cM.
+
+Deze Vogel broedt in het noorden van Europa en van Azië; op den trek
+bezoekt hij het grootste deel van Zuid-Azië, geheel Zuid-Europa en
+Afrika tot Zuid-Nubië en de Gambia. Op deze reis bezoekt hij in grooten
+getale de Duitsche en de Nederlandsche kusten. In zachte winters
+blijven vele van Augustus tot Mei. Bij strenge vorst overwinteren hier
+slechts enkele exemplaren. Tweemaal (bij Vlijmen en aan den Hoek van
+Holland) heeft men deze soort broedend in ons land aangetroffen. Op
+hun reis verwijderen de Rosse Grutto's zich niet gaarne van de zee,
+zoeken hun voedsel op de bij eb droogliggende zandbanken en wadden,
+keeren bij intredenden vloed naar het vaste land terug, zenden, als
+de eb aanvangt, boodschappers uit, vliegen, als deze hun de gewenschte
+tijding gebracht hebben, onder oorverdoovend getier naar den waterkant
+en volgen de terugwijkende golven.
+
+Wormen, insectenlarven, volkomen Insecten, kleine Schelpdieren,
+kleine Schaaldieren en Vischjes zijn het voedsel van de Grutto's; een
+grooteren buit kunnen zij niet verzwelgen. Of hun snavel werkelijk,
+zooals gezegd wordt, zoo fijngevoelig is, dat zij, zonder gebruik
+te maken van hun gezichtsorgaan, hun voedsel kunnen opsporen, moeten
+wij in 't midden laten. Het bij de Snippen voorkomende tastwerktuig
+is bij hen niet aanwezig.
+
+In de gevangenschap gedragen de Grutto's zich als de andere
+Waterloopers; zij eten, wat hun voorgezet wordt, geraken aan de
+veranderde levensomstandigheden spoedig gewend, leeren hun verzorger
+onderscheiden en blijven jaren lang gezond.
+
+
+
+De Wulpen (Numenius) zijn slank gebouwde Vogels met zeer langen, zwak
+benedenwaarts gebogen, aan den wortel hoogen, naar voren langzamerhand
+dunner wordende snavel; deze is, met uitzondering van de hoornachtige
+spits met een zachte huid bekleed; de bovenkaak is iets langer dan de
+onderkaak en een weinig er over heen gebogen. De pooten zijn slank en
+hoog, tot ver boven het spronggewricht onbevederd; alle drie voorteenen
+zijn door duidelijke spanvliezen aaneenverbonden. In de groote,
+spitse vleugels is de eerste slagpen de langste; de middelmatig lange,
+uit twaalf pennen samengestelde staart is aan de spits afgerond. Het
+harde, dicht aansluitende vederenkleed herinnert door zijn kleur aan
+dat van den Leeuwerik en stemt bij de mannetjes en wijfjes onderling
+en in de verschillende jaargetijden overeen.
+
+De Wulp of Groote Wulp, in Noord-Holland Drupen, in Noordbrabant
+Heidetuter, in Gelderland Tuter en Zandtuter, Regenfluiter en
+Bergfluiter, in Limburg Kliet, in Groningen Wilp en Groote Wilp, in 't
+Friesch Wylp en Wettergulp genoemd (Numenius arquatus), is de grootste
+der drie in Europa en ook bij ons inheemsche soorten. Zijn lengte
+bedraagt 70 à 75 cM., waarvan 18 à 20 cM. op den staart komen. De
+veeren van de bovenzijde zijn bruin met licht roestgele randen; de
+benedenrug is wit met bruine schaften en overlangsche vlekken; de
+slagpennen zijn zwart met witte kanten en vlekken, de drie eerste aan
+de binnenvlag wit gezoomd, de overige met spitse, lichtere vlekken,
+de stuurpennen op witten grond met zwartbruine banden. Het oog is
+donkerbruin, de snavel zwart, aan den wortel van den ondersnavel
+olijfkleurig grijs, de voet loodkleurig grijs.
+
+Er is geen land in Europa, waar de Wulp nog niet waargenomen werd,
+want hij broedt in het noorden en vertoeft in het zuiden, terwijl
+hij trekt. Op dezelfde wijze treft men hem in het grootste deel van
+Azië aan. Gedurende het winterhalfjaar doorreist hij Afrika even
+geregeld, als hij Indië bezoekt: hij komt er in September en blijft
+er tot Maart. Ook in het noordwesten van Amerika is hij geen zeldzame
+verschijning. In ons land vertoeft hij van Maart tot September en
+broedt in kleinen getale op de eilanden, op heidevelden en in lage
+moerassige streken. Van alle Snipvogels is hij het minst exclusief,
+wat de keuze van een verblijfplaats betreft. Elke landstreek acht
+hij geschikt, de zeekust zoowel als de verschillende binnenwateren,
+vlakten zoowel als heuvelachtige gewesten. Van het water vliegt hij
+soms naar de dorste oorden, van deze naar velden en weiden, van hier
+weer naar het water terug, geheel willekeurig. Zijne handelingen
+verraden steeds een schuwen, voorzichtigen en wantrouwenden aard,
+zelfvertrouwen zoowel als vreesachtigheid. Gezelliger dan vele andere
+Snipvogels, maakt hij gaarne deel uit van kleine gezelschappen; wegens
+zijn waakzaamheid verzamelen zich steeds een aantal minder schrandere
+strandvogels om hem heen; hij bemoeit zich echter met dit gespuis
+niet meer, dan hem goeddunkt. Zijn stem bestaat uit afgeronde, volle,
+klankrijke tonen, die men door de lettergrepen "taü taü" en "tlaüied
+tlaüied" kan nabootsen, volgens anderen beter door "u lu lu, u lu lu",
+"keloeje keloeje" en "hoepe hoepe". Hoewel hij ook in sommige gewesten
+van Middel-Europa nestelt, moet men toch de noordelijke landen, en
+van deze hoofdzakelijk de toendra, als zijn eigenlijk broedgebied
+beschouwen. Men vindt het nest van dezen Vogel bij ons op den grond
+tusschen hoog gras of heidekruid. Het is uit gras en worteltjes van
+planten vervaardigd. De eieren, vier in getal, zijn groot, olijfgroen
+en van groote, zwartbruine vlekken voorzien; zij worden voor een groote
+lekkernij gehouden. Na den broedtijd verlaten de Wulpen het binnenland
+en begeven zich naar moerassige plaatsen, slib- of zandgronden aan de
+monden onzer rivieren. Zij en ook de Regenwulpen blijven aan de kust in
+grooten getale den winter over en worden dan veelvuldig in zoogenaamde
+"stalnetten", een soort van warflouwen, gevangen. Van beide soorten
+hoort men in de tweede helft van Maart bij donker, regenachtig weer de
+fluitende lokstem dikwijls den geheelen nacht door: vandaar hun naam.
+
+Insecten van allerlei soort en in alle ontwikkelingstoestanden,
+Wormen, Schelp- en Schaaldieren, ook kleine Visschen en Amphibiën,
+voorts velerlei plantaardige stoffen, vooral bessen, vormen het voedsel
+van de volwassen Wulpen; de jongen eten niet anders dan Insecten en in
+het hooge noorden uitsluitend Muggen en hunne larven. Zij verdragen de
+gevangenschap goed, geraken spoedig gewend aan het gewone kooivoedsel
+en aan hun verzorger, worden zeer tam en geven ook hierdoor bewijzen
+van goede geestvermogens.
+
+De jacht op deze Vogels is niet gemakkelijk; het toeval is
+daarbij de beste helper van den jager. De vangst levert aan de
+broedplaatsen de zekerste uitkomsten op en gelukt ook dikwijls met het
+watersnippennet. In den ijverigen vogelvanger wekt de Wulp evenveel
+belangstelling als de Auerhaan of het Hert in den jager. Als wild wordt
+deze Vogel geschat, hoewel hij ver achterstaat bij de echte Snippen.
+
+
+
+De Regenwulp, Kleine Wulp of Regenfluiter, in Groningen Kleine Wilp
+en Regenwilp, in 't Friesch Reinwylp, Wetterwylp, Litse Wylp geheeten
+(Numenius phaeopus), is veel kleiner dan de vorige soort (totale
+lengte 52, staart 11, snavel 11 cM.); zijn naar verhouding kortere
+snavel is sterker gekromd; zijn kleur, hoewel in hoofdzaak gelijk,
+is somberder; de veeren van den kop zijn donkerbruin, ongevlekt, met
+een witachtige, overlangsche streep over de kruin; de flanken zijn
+wit met zwartbruine pijlvlekken en dwarsstrepen, de staartveeren
+witachtig grijs, aan den wortel aschgrauw, met 7 of 8 donkere,
+aan den rand uitvloeiende banden versierd. Het oog is donkerbruin,
+de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs.
+
+Deze Vogels broeden uitsluitend in 't hooge noorden, dringen ver in
+de poolgewesten door, hebben den toendra en de hooge heidevelden van
+Groenland, IJsland, het noorden van Skandinavië, de Fär-öer en Siberië
+tot zomerverblijf en begeven zich op den trek even ver zuidwaarts als
+hunne grootere verwanten. In den nazomer en het najaar vindt men ze
+bij ons in vluchten in de hooilanden, in de herfst- en wintermaanden
+aan de kust, in het voorjaar vertoeven zij in vluchten van 20, 30 en
+meer stuks langen tijd op onze weilanden, waar zij soms van Maart
+tot December blijven rondzwerven, zonder dat hier ooit eieren van
+hen gevonden zijn. Gedurende het vliegen brengen zij een opmerkelijk
+trillenden loktoon ("hüüüüüüh") voort.
+
+
+
+De Dunbekwulp (Numenius tenuirostris), die in de kustlanden van de
+Middellandsche Zee, vooral in Noord-Afrika (Egypte) en op Sicilië,
+broedt en wiens reizen zich over een groot deel van Azië en Afrika
+uitstrekken, dwaalt eene enkele maal naar 't noorden af; tot dusver
+werden 4 exemplaren van deze soort in ons vaderland (Friesland,
+Noord-Holland, Zeeland) geschoten. In grootte komt hij met den
+Regenwulp overeen, van wien hij zich vooral onderscheidt door zijn
+aanmerkelijk dunneren snavel en de lichtere kleur van zijn kleed.
+
+
+
+De Franjepooten (Phalaropus of Crymophilus) zijn kleine,
+Strandlooper-achtige Snipvogels, die zich van alle overige leden
+hunner orde onderscheiden door een buitengewone geschiktheid voor
+het zwemmen. Hunne voorteenen hebben, behalve een spanvlies een aan
+den rand fijn getanden huidzoom, die dikwijls bij de teengewrichten
+ingesneden is. Hun snavel is zoo lang als de kop, aan de wortelhelft
+zacht, overigens hard, recht, zeer zwak, aan de spits een weinig
+benedenwaarts gebogen of afgeplat. Zij hebben lange, spitse vleugels,
+welker eerste slagpen de langste is, een korten, afgeronden, uit 12
+pennen samengestelden staart, sterk verlengde staartdekveeren en een
+buitengewoon rijk vederenkleed. Hun vaderland is het hooge noorden
+van de Oude en de Nieuwe Wereld; slechts bij uitzondering komen zij
+op lagere breedten; want, als zij trekken, begeven zij zich niet naar
+zuidelijker landen, maar naar de open zee.
+
+Door hun levenswijze onderscheiden zij zich van alle bekende
+Vogels. Zij zijn allerliefste schepsels, op het land even behendig als
+in 't water. Hun gang komt overeen met die van de Strandloopers; het
+zwemmen geschiedt zonder merkbare inspanning en op een buitengewoon
+bevallige wijze, niet slechts op het effene watervlak der kleine
+vijvers, aan welker oevers zij broeden en gedurende den zomer verblijf
+houden, maar zelfs in de onstuimigste zee, bij hevige stormen, vele
+mijlen van het land verwijderd. De zee is hun eigenlijke woonplaats;
+aan het land komen zij slechts om eieren te leggen en hunne jongen
+groot te brengen. Juist daarom komt hun levenswijze ons nog in vele
+opzichten duister en raadselachtig voor.
+
+
+
+De eenige soort van dit geslacht, die in Europa, n.l. in Lapland,
+broedt, is de Aschgrauwe Franjepoot, de Odinshen van de IJslanders
+(Phalaropus hyperboreus). De veeren van de bovendeelen zijn zwartgrijs,
+die van den onderrug en de schouders zwart met roestgele randen; de
+zijden van het achterste deel van den hals zijn roestrood, de keel
+en de onderdeelen wit, de krop en de zijden van den romp grijs. In
+den winter is de rug lichtgrijs met zwarte vlekken. Totale lengte
+van het mannetje 18, van het wijfje 20 cM., staartlengte 5 cM.
+
+In den zomer bewoont deze Vogel de kusten van Finmarken, IJsland,
+Zuid-Groenland en waarschijnlijk ook den noordrand van de Aziatische
+toendra; soms vliegt hij van hier naar zuidelijker gewesten: men heeft
+hem herhaaldelijk in Amerika, Duitschland, Nederland (in den nazomer
+en den herfst op de Hollandsche en Friesche kust) en Frankrijk, ja
+zelfs in Spanje geschoten, ook wel op binnenwateren, die hij bereikte,
+door met de Strandloopers langs de stroomen te trekken. In de maag
+van gedoode exemplaren vond men larven van verschillende Insecten. Op
+Spitsbergen voedt de Odinshen zich gedurende den zomer hoofdzakelijk
+met een kleine Alge, die daar in de moerassen veelvuldig voorkomt.
+
+
+
+Op nog hoogere breedten en verder westwaarts wordt de genoemde soort
+vervangen door den iets grooteren Rossen Franjepoot (Phalaropus
+rufus). Bij dezen zijn de veeren van bovenkop, rug en schouders zwart
+met roestgele randen, die van den achterhals en den staartwortel
+roestrood; de benedenrug, de bovenste dekveeren van den vleugel
+en de zijden van den staart zijn aschgrauw, de onderdeelen fraai
+roestrood. De handpennen zijn zwartachtig grijs met witte schaften,
+aan den binnenrand en aan den wortel wit, de armpennen donkergrijs met
+witte randen, de laatste bijna geheel wit, de middelste stuurpennen
+zwartachtig, de volgende donker leikleurig grijs, de beide buitenste
+aan de spits donker bruinrood. Het oog is bruin, de snavel groenachtig
+geel, aan de spits bruin, de voet grijsbruin. In het herfstkleed zijn
+de bovenkop en de nek aschgrauw en geteekend met twee grijszwarte
+strepen, die langs de zijden van den achterkop zich uitstrekken;
+de rug- en de schouderveeren zijn blauwgrijs met donkerder schaften,
+de veeren van de onderzijde wit, in de flanken grijs.
+
+Deze Vogel werd 's winters eenige malen aan onze kust en ook enkele
+malen aan de oevers van binnenwateren waargenomen.
+
+
+
+De Steltkluiten (Himantopus), zoo genoemd wegens hunne zeer hooge
+pooten, die ver boven het spronggewricht onbevederd zijn en waarvan de
+buitengewoon lange loop slechts met schilden bekleed is, hebben een
+langen, dunnen, alleen aan den wortel zachten, als balein buigbaren,
+rechten, aan de spits afgeplatten snavel, zeer lange, smalle en spitse
+vleugels, die voorbij den korten staart uitsteken; de buitenste en de
+middelste voorteen zijn door een spanvlies vereenigd, de achterteen
+ontbreekt.
+
+
+
+De Gewone Steltkluit (Himantopus candidus) bewoont alle landen om
+de Middellandsche Zee; en is vooral in Noord-Afrika veelvuldig. Tot
+zijn broedgebied behooren bovendien Zuid-Rusland, geheel Middel-Azië,
+bezuiden de Siberische grens en Indië. In vrij grooten getale broedt
+hij ook in Hongarije, enkele exemplaren ook in Duitschland. In
+Indië, Perzië, Egypte en Noordwest-Afrika, zelfs op Sardinië is hij
+standvogel; in de noordelijker gedeelten van zijn broedgebied komt hij
+in Mei en blijft er hoogstens tot September. Op den trek doorkruist
+hij geheel Afrika en Azië tot het eiland Luçon. Jaren geleden
+(Augustus 1852) zijn twee exemplaren van deze soort in Noordbrabant
+(bij Middelbeers) geschoten.
+
+In het lentekleed zijn de achterkop, een smalle streep op den
+achterhals en de mantel zwart, de laatstgenoemde met groenachtigen
+glans; de vleugels zijn zwart; de staart is aschgrauw; alle overige
+deelen zijn wit, op de voorzijde met een teere, rozeroode tint. Het
+oog is prachtig karmijnrood, de snavel zwart, de voet bleek karmijn-
+of rozerood. Totale lengte 38, staartlengte 8 cM.
+
+De Steltkluiten houden zich gaarne op bij zout- en brakwater meren,
+zonder zich tot deze te bepalen. Zeevogels kan men hen niet noemen. Wel
+komen zij soms ook aan de zeekust voor in gezelschap van Kluiten
+en Ruiters; gewoonlijk echter ontmoet men ze in kleine vijvers of
+plassen gedurende den broedtijd in groote moerassen, waarvan het water
+zoet of hoogstens brak is. Naar het schijnt, zijn zij gezelliger van
+aard dan hunne naaste verwanten; bij paren ziet men ze niet anders
+dan gedurende den voortplantingstijd; in andere tijden van het jaar
+steeds bij troepen van 6 à 12 stuks en 's winters in talrijke zwermen.
+
+Voor zoover men weet, eten zij niets anders dan Insecten. Voortdurend
+houden zij zich met de vangst van deze dieren bezig, die zij van den
+waterspiegel afzoeken, uit de slib van den bodem wegpikken of in de
+lucht ophappen.
+
+
+
+Nevens de Steltkluiten verdienen de Kluiten (Recurvirostra) een
+plaats. Deze zeer eigenaardige, hoogpootige Snipvogels hebben een
+forsch gebouwden romp en een langen, zwakken, smallen snavel, welks
+breedte de hoogte zeer overtreft, en die naar de spits aanmerkelijk
+dunner wordt; hij is eenvoudig naar boven gekromd of onmiddellijk voor
+het einde weder naar beneden gebogen, over zijn geheele lengte glad
+en hard. De pooten hebben een buitengewoon langen loop en zijn tot ver
+boven het spronggewricht onbevederd. De drie voorteenen zijn verbonden
+door "halve" zwemvliezen, deze strekken zich tot aan den nagel uit,
+maar zijn diep uitgesneden; de achterteen is klein, hooger ingeplant
+en reikt niet tot op den bodem. Tusschen het mannetje en wijfje en
+ook tusschen zomerkleed en winterkleed bestaat zeer weinig verschil.
+
+De Gewone Kluit of Kluut, vroeger ook Sluijf genoemd (Recurvirostra
+avocetta), is op eenvoudige, maar zeer bevallige wijze geteekend. De
+bovenkop, de nek en de achterhals, de schouders en het grootste
+gedeelte van de vleugels zijn zwart, twee groote velden op de vleugels
+en het geheele overige vederenkleed zijn wit. Het oog is roodachtig
+bruin, de snavel zwart, de voet donker blauwgrijs. Totale lengte 43,
+staartlengte 7 cM.
+
+Van Middel-Europa af is de Kluit bijna over de geheele Oude Wereld
+verbreid. Hij bewoont de kusten van de Noordzee en de Oostzee zoowel
+als de zoute meren van Hongarije; hij trekt van hier door Zuid-Europa
+en Afrika tot aan het Kaapland; van Middel-Azië naar Zuid-China en
+Indië. Daar waar men hem aantreft, komt hij meestal in grooten getale
+voor. Hij verlaat ons vaderland in Augustus of September en komt in
+het laatst van Maart of in het begin van April terug. In Nederland
+werd hij vooral op Texel, bij Calantsoog (in Noord-Holland) en aan
+den Hoek van Holland, doch ook op de andere eilanden, bij Vogelenzang
+en in Zeeland broedend gevonden.
+
+De Kluit is een echte zeevogel: hij verlaat de zeekust zelden; wanneer
+hij dit al eens vrijwillig doet, geschiedt zulks met het doel om een
+zout- of althans brakwatermeer op te zoeken. In het binnenland behoort
+hij tot de zeldzaamheden. Hij is een van die zeevogels, welke ieders
+aandacht trekken, omdat zij een sieraad zijn van het strand. Zooals
+zijne zeer goed ontwikkelde zwemvliezen reeds doen vermoeden, beweegt
+hij zich ook op plaatsen waar het water diep is; hij zwemt met gemak
+en behendig en doet dit dikwijls zonder bepaalde noodzakelijkheid. Zijn
+fluitend stemgeluid heeft een eenigszins droefgeestigen, maar volstrekt
+niet onaangenamen klank: zijn loktoon klinkt ongeveer als "kwie" of
+"duut", zijn paringswijsje is een klagend "klioe", dat zoo dikwijls
+en zoo schielijk achtereen herhaald wordt, dat het aan "jodelen"
+doet denken. Aan dit geluid heeft hij zijn naam te danken.
+
+Gewoonlijk ziet men den Kluit in 't water staan of langzaam rondstappen
+en met voortdurende, knikkende en zijwaartsche beweging van den kop
+voedsel opnemen, niet zelden ook den bodem van 't water onderzoeken,
+waarbij hij op de manier van een Eend min of meer op den kop staat. Hij
+gebruikt zijn vreemdsoortigen snavel op een geheel andere wijze dan
+de overige moerasvogels; hij "sabelt", gelijk Naumann zegt, "maakt
+tamelijk snel opeenvolgende, gymnastische bewegingen naar links en
+naar rechts en grijpt intusschen het in 't water zwevende voedsel,
+dat door de lijsten aan de binnenste oppervlakte van den snavel wordt
+teruggehouden." Als men dicht bij een plaats komt, waar honderden van
+deze Vogels ijverig bezig zijn voedsel op te sporen, bemerkt men,
+dat alle bij het eerste waarschuwende sein onrustig worden, wadend
+of zwemmend zich naar de diepere gedeelten van het water begeven,
+of opvliegen en niet eerder rusten, voordat zij buiten schot zijn.
+
+Korten tijd na hun terugkomst in 't vaderland splitsen de zwermen zich
+in paren, die geschikte nestplaatsen opzoeken, liefst op een met kort
+gras bedekte vlakte. Het nest is een ondiepe uitholling van den grond
+en met eenige droge halmpjes of worteltjes bekleed; er worden in den
+regel 4, soms slechts 2 peer- of tolvormige eieren in gelegd; deze
+hebben een fijne, glanslooze schaal, die op licht roestgeelachtigen
+of geelachtig olijfkleurigen grond met een meer of minder groot aantal
+grauwzwarte en violette vlekken en stippels geteekend is. Het mannetje
+en het wijfje broeden om beurten, zijn vol zorg voor hun broedsel,
+vliegen onder klagend geschreeuw om den mensch, die in de nabijheid
+van hun nest komt en brengen de jongen, zoodra deze droog geworden
+zijn, naar een terrein, waar zij schuilplaatsen kunnen vinden, later
+naar groote poelen en eindelijk, als zij hunne vleugels beginnen te
+gebruiken, naar de open zee.
+
+De gevangen Kluiten vereischen een zorgvuldige verpleging; hun voedsel
+moet flink gekruid zijn met insectenlarven of mierenpoppen; zij kunnen
+dan jaren lang in de kooi in 't leven gehouden worden.
+
+
+
+De echte Pluvieren (Charadriinae) zijn forsch gebouwde, korthalzige,
+grootkoppige Vogels van geringe grootte. Hun snavel is meestal
+kort, zijn lengte gaat zelden die van den overigen kop te boven;
+aan den wortel is hij met een zachte, aan de spits met een harde
+huid bekleed; de neusgaten zijn ovaal en bevinden zich aan het
+einde van het achterste derde gedeelte (of van de achterste helft)
+van den snavel, welks rug op deze plaats benedenwaarts gekromd is,
+doch nader bij de spits zich weer verheft; zulk een snavel heet
+"kolfvormig" gezwollen. De pooten zijn middelmatig hoog, slank, in
+'t spronggewricht een weinig verdikt, de voeten meestal drieteenig. De
+vleugels zijn tamelijk groot, smal en spits; hun spits wordt door de
+eerste of de tweede slagpen gevormd; de bovenarmpennen zijn tot een
+zoogenaamden schoudervleugel verlengd. De korte of middelmatig lange,
+uit 12 pennen samengestelde staart is aan den top flauw afgerond. Het
+dichte en zachte, glad aanliggende vederenkleed biedt bij jongen
+en ouden minder verschil aan, dan er tusschen het zomer- en het
+winterkleed bestaat.
+
+De echte Pluvieren zijn de bedrijvigste van alle moerasvogels. De
+meeste maken weinig verschil tusschen den dag en den nacht; van den
+morgen tot den avond, van den avond tot den morgen zijn zij ijverig in
+de weer, een vasten slaaptijd, die misschien slechts eenige minuten
+duurt, hebben zij niet; toch zijn sommige over dag, andere 's nachts
+het meest werkzaam. Zij loopen uitmuntend en vliegen met gemak en
+snel, zonder door een dezer bewegingen spoedig vermoeid te worden. Zij
+zwemmen niet gaarne, maar toonen zich in geval van nood ook hiervoor
+geschikt. Bijna alle soorten hebben een luid klinkende, fluitende stem
+en brengen gedurende den paartijd tot trillers vereenigde tonen voort,
+die eenige aanspraak kunnen maken op den naam van gezang. Hun nest is
+eenvoudig een kuiltje in den grond; zelden wordt het met eenige halmen
+bekleed. Het dient tot berging van 3 of 4 peer- of tolvormige, bont
+gevlekte eieren, nooit meer, nooit minder, die altijd zoo gerangschikt
+zijn, dat de spitsen elkander in 't midden aanraken. De beide ouders
+broeden om beurten; door hen begeleid, verlaten de jongen het nest,
+onmiddellijk nadat zij uit den dop gekomen en droog geworden zijn;
+in den eersten tijd zoeken zij nu en dan beschutting onder de vleugels
+van de moeder.
+
+Deze Vogels voeden zich met Insecten en Weekdieren, Wormen en kleine
+waterdieren; zij worden als wild hooggeschat en hebben daarom veel
+vervolging te verduren.
+
+
+
+De Kievit, in Overijsel Kiefte, in 't Friesch Ljiep genoemd (Vanellus
+cristatus), vertegenwoordigt een gelijknamig geslacht, dat kenbaar is
+aan den zwak kolfvormig gezwollen snavel, aan de vierteenige voeten,
+aan de stompe vleugels, welker spits gevormd wordt door de derde
+handpen en aan de kuif, waarmede de kop versierd is. De bovenkop,
+de voorhals, de bovenborst en de achterste helft van den staart
+zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den mantel donkergroen met
+blauwen of purperen weerschijn, de zijden van den hals, de onderborst,
+de buik en de wortelhelft van de staartveeren wit, eenige boven- en
+alle onderdekveeren van den staart donker roestgeel; de kuif bestaat
+uit lange, smalle veeren, die een dubbele spits vormen. Het oog is
+bruin, de snavel zwart, de voet vuil donkerrood. Totale lengte 34,
+staartlengte 10 cM.
+
+Van den 81en graad N.B. tot Voor-Indië en Noord-Afrika heeft men den
+Kievit in alle bekende landen van de Oude Wereld waargenomen. Hij
+is op de voor hem geschikte plaatsen in China even algemeen als in
+Groot-Britannië; tegen den winter trekt hij zuidwaarts naar de tusschen
+Marokko en Noord-Indië gelegen landen, ook dwaalt hij wel naar de
+Fär-öer en IJsland en zelfs naar Groenland af. Van alle Europeesche
+landen is Nederland ongetwijfeld het rijkst aan Kieviten: zij zijn voor
+ons land even karakteristiek als de kanalen, de zwartbonte koeien,
+de windmolens en de door hooge boomen overschaduwde buitenplaatsen
+en boerderijen. Ook in Duitschland zijn zij niet zeldzaam.
+
+De Kievit is een van de eerste lenteboden; evenals de Spreeuw en de
+Leeuwerik verschijnt hij soms reeds in 't vaderland, als de winter
+er nog zijn schepter zwaait en hem gebrek doet lijden. Meer dan van
+andere Vogels heeft men van den Kievit waargenomen, dat het hoofdleger
+voorafgegaan wordt door enkele éclaireurs. Deze worden dikwijls bitter
+teleurgesteld door een weersverandering. Late sneeuwvlagen maken, dat
+zij geen voedsel kunnen vinden; vermoedelijk worden zij door de hoop op
+een gunstigen keer van zaken weerhouden om terug te keeren; zij dwalen
+van het eene veld naar het andere, wachten en hopen, verkwijnen meer
+en meer en bezwijken. In het tijdperk 1879 tot 1888 wisselde de tijd
+van aankomst der Kieviten in ons vaderland af tusschen 10 Februari
+en 14 Maart (gemiddeld 2 Maart), de tijd, waarin zij vertrokken of
+voor de laatste maal gezien werden, van 18 September tot 6 December
+(gemiddeld 30 October). Hierbij moet echter in 't oog worden gehouden,
+dat na het vertrek van de Vogels, die hier gebroed hebben en geboren
+zijn, andere, uit noordelijker streken komende exemplaren doortrekken;
+dit duurt, totdat de vorst invalt; een enkele maal is het gebeurd,
+dat Kieviten hier den winter overbleven.
+
+Zoodra de Kieviten in hun vaderland teruggekomen zijn en hunne
+gewone standplaatsen hebben opgezocht, begint hun zomerleven. De
+Kievit houdt niet van de nabijheid van den mensch en vermijdt zooveel
+mogelijk diens woonplaats, misschien met uitzondering van de lage,
+moerassige kuststreken. Een voorwaarde, waaraan iedere broedplaats
+moet voldoen, is de nabijheid van water. Wanneer, hetgeen zeldzaam
+geschiedt, de Kieviten hoog gelegen bergvlakten opzoeken om er
+te nestelen, kan men er vrij stellig op rekenen, dat de gewone
+nestplaatsen in den loop van den zomer overstroomd zullen worden. Op
+deze nestplaatsen nu ziet of hoort men den Kievit op iederen tijd
+van den dag [1]. Bijna voortdurend is hij in beweging. Gedeeltelijk
+is de oorzaak hiervan gelegen in zijn waakzaamheid, daar hij ieder
+ander schepsel, misschien met uitzondering van Runderen en Schapen,
+voor gevaarlijk houdt. Daar hij liever vliegt dan loopt, bij voorkeur
+van zijne vleugels gebruik maakt bij het toonen van liefde zoowel als
+van misnoegen en voor vele spelen, welker reden ons niet volkomen
+duidelijk is, kan het niet missen, dat men hem opmerkt. Het drukst
+beweegt hij zich, zoolang er eieren in zijn nest liggen, of zijne
+jongen nog niet geschikt zijn om aan een naderend gevaar vliegend te
+ontkomen. In dezen tijd vliegen zij onder luid geschreeuw, dat als
+"kiewiet" klinkt, om iederen mensch heen, die in de nabijheid van
+hun broedplaats komt. Zij doen dit met een driestheid, die te recht
+verbazing wekt. De voor zijn kroost beduchte Vogel schiet dikwijls
+zoo dicht bij het hoofd van den mensch langs, dat deze de door 't
+snelle vliegen veroorzaakte luchtstrooming duidelijk voelen kan. Hij
+vliegt voortreffelijk en siert zijn vluchtlijn als 't ware op door
+velerlei zwenkingen. Alleen als de weg van den Kievit dicht over
+den waterspiegel heen leidt, vliegt hij met langzame vleugelslagen;
+zoodra hij tot hoogere luchtlagen is opgestegen, begint hij kunsten
+te maken, alsof hij iedere aandoening door een bepaalde beweging
+uitdrukken wil. Wanneer een gevaar hem of zijne jongen bedreigt,
+maakt hij de koenste wendingen, stort zich naar beneden tot dicht
+bij den grond, rijst echter dadelijk weer in steile richting omhoog,
+slaat nu eens naar deze, dan weer naar gene zijde over, daalt op
+den bodem af, trippelt hier even rond, verheft zich opnieuw in de
+lucht en hervat het vorige spel. Geen der andere inheemsche Vogels
+vliegt zooals hij, geen hunner is in staat om op dezelfde wijze alle
+denkbare bewegingen met de vleugels uit te voeren. Karakteristiek
+voor deze wijze van vliegen is het eigenaardige gesuis en gewapper,
+dat door de snelle vleugelslagen ontstaat, zoo zelfs, dat men hieraan
+Kieviten, die door de lucht voorbijtrekken, in een duisteren nacht
+van alle andere Vogels onderscheiden kan. Zijn gang is sierlijk en
+behendig; de snelheid van 't loopen kan aanmerkelijk vermeerderd
+worden. Bovendien speelt deze in 't oogloopende Vogel zoowel onder
+'t vliegen als onder 't gaan voortdurend met zijn kuif, die hij in 't
+eene oogenblik horizontaal neerlegt, in 't andere hoog opricht. Van
+zijn niet bijzonder buigzame stem maakt hij zeer dikwijls gebruik;
+de weinige tonen, waaruit zij bestaat, weet hij op velerlei wijzen te
+verbinden. Zijn loktoon, het reeds genoemde "kiewiet", is nu eens meer,
+dan weer minder gerekt; de verschillende intonaties hebben ieder een
+bepaalde beteekenis; angst wordt te kennen gegeven door "chrèiët", de
+paringsroep bestaat uit een reeks van nauw aaneenverbonden klanken,
+die men door de lettergrepen "chèh kwerkhoiët kiewietkiewietkiewiet
+kioeïeht" ongeveer kan aanduiden.
+
+Hoe beter men den Kievit leert kennen, des te meer wordt men
+overtuigd van zijn schranderheid. Zijn waakzaamheid, die den jager
+vaak teleurstelling bereidt, strekt hem tot eer. Een onaangename
+ervaring vergeet hij nooit, nog jaren lang herinnert hij zich het
+oord, waar een zijner soortgenooten een ongeluk is overkomen. Met
+den felsten haat bejegent hij alle roofdieren en toont daarbij
+grooten moed, zelfs ware doodsverachting. Woedend schiet hij neer
+op den snuffelenden Hond, dikwijls zoo dicht langs den kop van den
+verontwaardigden viervoeter, dat deze zich genoopt ziet naar den
+aanvaller te happen. Reintje wordt even ijverig bestookt, maar niet
+altijd overwonnen en verdreven; integendeel deze grijpt niet zelden
+een van zijne vermetelste tegenstanders en vermoordt hem voor de
+oogen van zijne kameraads, die vol ontzetting in alle richtingen
+uiteenstuiven en ver van de kampplaats gaan weeklagen over den
+verongelukten makker. Stoutmoedig valt de Kievit Meeuwen, Reigers
+en Ooievaars aan, kortom alle roofvogels, die minder goed vliegen
+dan hij; de gevederde roovers, die hem in bekwaamheid overtreffen,
+gaat hij echter voorzichtig uit den weg. De strandvogels zijn
+gewoon acht te geven op hetgeen de Kievit doet en ontkomen door zijn
+voorzichtigheid aan vele gevaren. Daarom draagt hij bij de Grieken
+den zeer eigenaardigen naam van "Goede Moeder."
+
+Naar het schijnt, maken Regenwormen het voornaamste voedsel van
+den Kievit uit; bovendien moeten als belangrijke bestanddeelen van
+zijn maal allerlei Insectenlarven, Waterslakken, kleine Landslakken
+enz. genoemd worden. Verscheidene malen in den loop van den dag gaat
+hij drinken. Het baden is voor hem een levensbehoefte.
+
+Het nest van den Kievit vindt men het veelvuldigst op uitgestrekte
+grasvelden en vochtige akkers, zelden in de onmiddellijke nabijheid van
+het water, nooit in het eigenlijke moeras. Het bestaat uit een ondiepe
+holte, die soms met eenige dunne grashalmpjes en fijne worteltjes
+sierlijk bekleed is. In gunstige jaren begint het leggen bij ons
+omstreeks het midden van Maart, soms echter eerst in de laatste dagen
+van deze maand of in de eerste dagen van April. De 4 betrekkelijk
+groote eieren zijn peervormig en hebben een fijnkorrelige, gladde
+schaal, die op dof olijfgroenachtigen of bruinachtigen grond met
+donkerder, dikwijls zwarte stippels, vlekken en streepjes op zeer
+verschillende wijzen geteekend is; zij liggen in het nest zóó, dat
+hunne spitsen elkander in het midden aanraken en worden door het wijfje
+altijd weder op deze wijze gerangschikt. Het wijfje broedt de eieren
+in 16 dagen uit en brengt de jongen vervolgens naar plaatsen, waar zij
+zich verbergen kunnen. De kleur van het jong, dat zich bij naderend
+gevaar plotseling tegen den grond drukt, komt zoo zeer met die van
+den grond overeen, dat men het voor een aardkluit zou kunnen aanzien.
+
+Bij ons en in Duitschland maakt men geen jacht op den Kievit, omdat
+zijn vleesch te recht onsmakelijk wordt geacht. In Zuid-Europa is
+men een andere meening toegedaan; hier worden de wintergasten even
+ijverig vervolgd, als waren het Snippen. De eieren worden hier te lande
+ijverig gezocht; er wordt een belangrijke handel in gedreven; vooral
+uit Friesland worden groote hoeveelheden naar Engeland gezonden. In
+het laatst van April is de hoeveelheid, die ter markt wordt gebracht,
+zeer aanzienlijk. Toch is, tengevolge van den uitvoer naar Engeland,
+de prijs, althans in de steden van Friesland, zelden lager dan
+15 cents per stuk. Voor de eerste eieren worden gewoonlijk zeer
+hooge prijzen betaald. Over 20 jaren berekend, wordt in Friesland
+het eerste ei gemiddeld op 23 Maart gevonden (Albarda). Daar de
+Kievieten, welker eieren men herhaaldelijk wegneemt, in het geheel
+niet meer zouden broeden, het getal dezer Vogels derhalve van jaar
+tot jaar verminderen zou, is bij de wet bepaald, wanneer het rapen
+van kievitseieren moet ophouden. Hier te lande is het na den 30en
+April verboden; het vervoeren en verkoopen van de eieren mag nog tot
+den 5en Mei plaats hebben.
+
+De gevangen Kieviten zijn zeer gezellige Vogels; vooral als zij zeer
+jong in de kooi komen, schikken zij zich spoedig in de veranderde
+levensomstandigheden; zij worden tam en gemeenzaam met hun verzorger,
+eten uit zijn hand, volgen hem ook wel een eind weegs, sluiten zelfs
+vriendschap met Honden en Katten en matigen zich het oppergezag aan
+over andere in de kooi levende strandvogels. Als men hun aanvankelijk
+stuk gesneden Regenwormen voorwerpt, geraken zij licht gewoon aan het
+voedsel, dat men hun gewoonlijk geeft, n.l. wittebrood; hiermede kan
+men ze jaren lang in 't leven houden; zij moeten echter tegen koude
+beschut worden, zoodra de winter aanvangt.
+
+
+
+In Egypte wordt onze Kievit vervangen door den Spoorkievit, wegens
+zijn geschreeuw ook Sieksak genoemd (Vanellus spinosus). Deze kenmerkt
+zich door een echten Kievitsnavel, slanke pooten met 3 teenen, een
+scherpe, aan de vleugelbocht voorkomende spoor, betrekkelijk spitse
+vleugels en een stompe kuif op den achterkop.
+
+Van alle Egyptische Pluviervogels is deze de algemeenste. Men vindt
+hem overal, waar de aanwezigheid van zoet water zijn verblijf mogelijk
+maakt, want zelden of nooit begeeft hij zich op grooten afstand van
+het water. Hij stelt zijne eischen echter niet hoog, maar is tevreden
+met een veld, dat nu en dan onder water wordt gezet. Hij schijnt de
+zeekust te vermijden, maar komt voor aan de oevers der strandmeren,
+die deels brak, deels zout water bevatten.
+
+In levenswijze komen de Spoorkieviten veel met onze Kieviten overeen,
+hoewel zij minder gezellig schijnen te zijn en meer bij paren
+leven. Het eene paar woont echter dicht bij het andere en de buren
+komen gaarne voor korten tijd bijeen. Tegen Vogels maakt de Spoorkievit
+van zijn wapen gebruik; hij stort zich plotseling op zijn tegenpartij
+en tracht hem door een slag met den vleugel te kwetsen. Ongetwijfeld
+kan hij met de spoor gevoelige wonden toebrengen; de Vogels, die er
+kennis mede maken, toonen duidelijk hoe onaangenaam hun dit is.
+
+Het voedsel van den Spoorkievit is ongeveer gelijk aan dat van
+zijn inheemschen verwant. In Noord-Egypte begint zijn voortplanting
+omstreeks het midden van Maart; de meeste nesten vindt men echter in
+het midden van April, vele nog in Mei.
+
+
+
+De Pluvieren i. e. z. (Charadrius) hebben een middelmatig langen,
+kolfvormig gezwollen snavel van meerdere of mindere dikte, tamelijk
+hooge, gewoonlijk drieteenige pooten, welker bevedering kort boven het
+spronggewricht aanvangt, spitse vleugels, waarin de eerste handpen
+de langste is en een middelmatig langen, afgeronden staart; bij de
+meeste soorten is een aanmerkelijk verschil op te merken tusschen
+het (bonte) zomer- en het (eenvoudiger) winterkleed. Men verdeelt
+de Pluvieren in een aantal groepen, die soms als ondergeslachten,
+soms als geslachten worden beschouwd.
+
+
+
+De Goudkievit, in Friesland Zeewilster, Blanke Wilster of Zilverpluvier
+genoemd (Charadrius squatarola) is de eenige vertegenwoordiger van
+het ondergeslacht der Zilverpluvieren (Squatarola), dat zich kenmerkt
+door het bezit van een zeer kleinen achterteen. Zij gelijkt overigens
+in gestalte, kleur, aard en levenswijze veel op de Goudpluvier en
+weinig op den Kievit. De bovendeelen zijn bruinzwart met witte
+of bruinachtige vlekken; de staartwortel is wit, de staart wit
+met 6 à 7 zwarte dwarsbanden; de onderstaartdekveeren zijn wit, de
+ondervleugeldekveeren wit, verder achterwaarts grijs, de okselveeren
+zwart, de voorhoofdsrand, de teugel en de onderdeelen zwart; in den
+winter zijn de onderdeelen witachtig met donkere schaftvlekken. Totale
+lengte 30, staartlengte 9 cM.
+
+Evenals de Goudpluvier, bewoont de Goudkievit de toendra, van deze
+echter slechts de noordelijkste gedeelten en, naar het schijnt, alleen
+het kustgebied van de Poolzee, misschien met uitzondering van IJsland,
+Spitsbergen en Nowaja Semlja, waar hij nog niet gevonden werd. Van
+hier begeeft hij zich in den herfst zuidwaarts en doorreist bijna
+de geheele aarde; slechts op Nieuw-Zeeland en in de zuidelijkste
+landen van Amerika heeft men hem nog niet ontmoet. Ons land en meer
+bepaaldelijk het zeestrand bezoekt hij van October tot April; vooral
+in den trektijd wordt hij hier, hoewel nooit in grooten getale,
+waargenomen en met de andere Pluvieren gevangen.
+
+
+
+De Goudpluvier, bij Oirschot Tuter en in Friesland Wilster genoemd
+(Charadrius pluvialis), van het ondergeslacht der Echte
+Pluvieren (Charadrius), heeft de kruin, den nek, den achterhals,
+den mantel en den rug zwart, alle veeren met goudgroene randen en
+topvlekken. Wit zijn het voorhoofd, de wenkbrauwen en de zijden
+van hals, borst en buik, die met elkander een onafgebroken streep
+vormen; dezelfde kleur hebben de stuit en de onderdekveeren van den
+staart. De handpennen zijn dofbruin, de armpennen op zwarten grond met
+goudgroene dwarsstrepen, de onderdekveeren van den vleugel wit, bij de
+vleugelbocht met bruinachtige teekening, de okselveeren zuiver wit,
+de staartveeren op bruinzwarten grond met 7 à 9 lichtere banden. De
+onderdeelen zijn in den zomer zwart, in den winter wit met donkere
+vlekken op den buik. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet
+grauwzwart. Totale lengte 26, staartlengte 8 cM.
+
+De Goudpluvieren zijn kenmerkende Vogels voor de toendra: zij
+behooren tot dit gebied zooals de Renvogels en de Woestijnloopers
+tot de woestijn. Als men de moerassen doorkruist, die zich over het
+geheele noorden van de aarde uitstrekken, hoort men van alle zijden
+het droefgeestige, bijna klagende geschreeuw van deze Vogels, die
+men, al naar de zomer meer of minder ver gevorderd is, tot paren,
+kleine troepen, familiën of talrijke vluchten vereenigd ziet. Het
+eene paar woont hier dicht bij het andere; de jager, die deze Vogels
+tot buit kiest, kan van den vroegen morgen tot den laten avond
+onafgebroken bezig blijven. Omstreeks den 57en graad N.B. beginnen
+zij zeldzamer te worden. In Nederland en Duitschland broeden zij
+slechts in kleinen getale, bij ons op heidevelden van Gelderland,
+Noord-brabant en Friesland en op Ameland. Op deze broedplaatsen komen
+zij in April, om in September weer te vertrekken. De exemplaren,
+die in noordelijker gewesten broeden, bezoeken ons vaderland ieder
+jaar in groote menigte tweemaal op den trek; deze begint tegen het
+einde van September en eindigt in Maart. In zachte winters blijven
+sommige in Middel-Duitschland achter; het hoofdleger begeeft zich
+echter verder zuidwaarts: van Lapland en Finland trekt het naar de
+kustlanden van de Middellandsche Zee en naar Noordwest-Afrika, van
+Noord-Azië naar Indië en China, van het hooge noorden van Amerika naar
+het zuiden van de Vereenigde Staten en zelfs naar Brazilië. De reis
+wordt gewoonlijk in gezelschap aangevangen en heeft hoofdzakelijk
+gedurende den nacht plaats. De trekkende Goudpluvieren vliegen zeer
+hoog, soms in ongeregelde zwermen, meestal echter in wigvormige
+rangorde, evenals de Kranen.
+
+In aard verschilt de Goudpluvier weinig van de andere leden van haar
+geslacht en van haar familie. Zij is een wakkere, schuwe Vogel,
+die voortreffelijk loopt, d. w. z. op bevallige wijze voortstapt
+of buitengewoon snel voortrent en slechts na een langen marsch
+even stilstaat. Zij vliegt snel en behendig, recht op het doel af,
+wanneer zij een langen weg heeft af te leggen; in de nabijheid van
+het nest vermeit zij zich echter in allerlei fraaie wendingen en
+vliegkunsten. Haar welluidend, helder gefluit, dat als "tluïe"
+klinkt, maakt een aangenamen indruk, hoewel de intonatie ons
+eenigszins zwaarmoedig voorkomt; in den paartijd wordt het tot
+een triller ("taluudl-taluudl-taluudl-taluudl") verlengd. Hare
+zintuigen en geestvermogens zijn goed ontwikkeld. Bovendien toont
+zij een gezelligen, vreedzamen aard, liefde voor gade en kroost
+en andere goede eigenschappen. Wormen en insectenlarven vormen de
+hoofdbestanddeelen van haar voedsel; in den zomer eet zij bijna
+uitsluitend Muggen in allerlei ontwikkelingstoestanden, op den trek
+Kevers, Slakken, Regenwormen en dergelijke kleine dieren; ook slikt
+zij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door. Water om
+te drinken en om zich te baden kan zij volstrekt niet ontberen.
+
+De Goudpluvieren zijn bekend als smakelijk wild. Vooral in Friesland
+levert wilstervangst (waarvoor groote enkele slagnetten dienen) soms
+belangrijke voordeelen op. Meer dan eens bedroeg de marktprijs van deze
+Vogels te Londen een shilling per stuk. Het is wel eens voorgekomen,
+dat een vogelvanger op één dag er 400 stuks bemachtigde.
+
+Eén enkele maal werd in Nederland (Friesland) een aan de Goudpluvier
+nauw verwante soort waargenomen, die in het oosten van Azië en
+in 't noorden van Amerika broedt en soms naar Europa, o. a. naar
+Helgoland, afdwaalt. De Aziatische Goudpluvier (Charadrius fulvus)
+is iets kleiner dan de vorige soort, hare vleugels zijn korter en
+de schenkels minder ver bevederd, de vleugelspitsen strekken zich
+voorbij den staart uit, de staartveeren hebben slechts 5 of 6 heldere
+dwarsbanden en de okselveeren zijn bruinachtig grijs.
+
+
+
+De Morinelpluvier [Charadrius (Eudromias) morinellus], draagt een
+kleed, dat voortreffelijk past bij de kleur van den bodem op een
+steenachtige glooiing in het gebergte. De bovendeelen zijn zwartachtig,
+door de roestroode randen der veeren lichter geteekend; de grijze
+kleur van den kop is door een smallen, zwarten en een witten gordel
+van de borst gescheiden; deze is roestrood, de onderborst in het
+midden zwart, de buik wit; boven ieder oog bevindt zich een breede,
+lichte streep; deze beide strepen komen in den nek samen. Het oog is
+donkerbruin, de snavel zwart, de voet groenachtig geel. Totale lengte
+22, staartlengte 7 cM.
+
+De Morinelpluvier behoort thuis in hooge bergstreken en in de
+hooge toendra. Hier houdt zij zich op van April tot Augustus. Haar
+broedgebied strekt zich uit van Finmarken tot in het Taimirland en van
+Spitsbergen of Nowaja Semlja tot Middel-Duitschland (op het hoogste
+deel van het Reuzengebergte), de Schotsche Hooglanden en Zuid-Siberië
+(op bergvlakten, die 2000 à 3000 M. boven den zeespiegel liggen). De
+Nederlandsche duinen en heidevelden bezoekt zij geregeld op den trek,
+van Augustus tot October en van April tot Mei. Evenzoo bezoekt zij
+Duitschland, Frankrijk, Hongarije en Noord-Italië. Zelden wordt de
+reis verder voortgezet dan tot de landen om de Middellandsche Zee en de
+hiermede overeenkomende gewesten van Middel-Azië; haar winterverblijf
+heeft zij dus reeds in Spanje, Griekenland en Turkije of in Tartarije
+en Perzië bereikt. Waarschijnlijk bewoont zij ook hier de gebergten.
+
+De Morinelpluvier is een van de aantrekkelijkste leden harer
+familie. Haar houding is zeer bevallig, haar gang gracieus en behendig,
+bovendien licht en snel. Zij vliegt uitmuntend, pijlsnel en, indien
+dit noodig is, met bewonderenswaardige wendingen. Haar stem is een
+zachte, op gefluit gelijkende, hoogst aangename toon, dien men door
+de klankteekens "duurr" of "duuru" ongeveer weergeven kan. Zij is
+lieftallig, vreedzaam en gezellig van aard en, daar zij eenzame streken
+bewoont, weinig schuw. De voor haar kroost bezorgde moeder, verstaat
+meesterlijk de kunst om, als zij menschen ziet, gebreken te veinzen,
+om hierdoor hare jongen de gelegenheid te geven een schuilplaats te
+zoeken. Zij loopt, hinkt, fladdert, waggelt dicht voor de verstoorders
+van haar rust langs. Eens, toen ik gedurende een rendierenjacht in de
+gebergten van Noorwegen getuige was van dit komediespel, werd het door
+de Lappen, die mij vergezelden, voor ernst opgenomen; zij vervolgden
+ijverig de oude en zagen de kleine, lieve kuikentjes, die zich tegen
+den grond aangedrukt hadden, geheel over 't hoofd. Vlak voor mij
+lagen zij alle drie, den hals languit op den bodem gestrekt, ieder
+gedeeltelijk achter een steentje verborgen, de kleine, heldere oogjes
+geopend, onbeweeglijk, zonder eenig teeken van leven. Ik stond dicht
+bij hen; zij verroerden zich niet. De moeder leidde hare vervolgers hoe
+langer hoe verder van den weg af en vloog daarna plotseling pijlsnel
+terug naar de plaats waar de jongen zich verborgen hadden; toen zij
+mij daar zag staan en geen van hare kinderen bespeurde, hervatte
+zij onmiddellijk haar listig bedrijf. Ik nam de kuikentjes, die zich
+gewillig lieten grijpen, in de handen en toonde ze aan de moeder. In
+'t zelfde oogenblik staakte zij haar komediespel, kwam dicht bij mij,
+zoo dicht, dat ik haar werkelijk had kunnen grijpen, zette de veeren
+op, bewoog trillend hare vleugels en maakte allerlei gebaren om mijn
+gemoed te verteederen. De kleintjes liepen uit mijne handen weg op
+den grond: een onbeschrijfelijke juichkreet van de moeder weerklonk,
+toen zij haar kroost weer bij zich had. Overstelpt van vreugde door
+het herkrijgen van hare kinderen, ging zij voor mij zitten, bedekte de
+kleintjes, die vlug onder hare veeren waren gekropen, als een hen en
+bleef verscheidene minuten op dezelfde plaats, misschien in de meening
+verkeerend, dat zij een nieuw middel had gevonden tot beveiliging
+van hare geliefden. Hoewel ik mijn vader en andere vogelkenners een
+groot genoegen zou hebben bereid door de jongen in het donskleed voor
+hen mede te nemen, kon ik het niet van mij verkrijgen als jager te
+handelen. Ongelukkig denken sommige verzamelaars van eieren hierover
+anders: vooral aan hen is het te wijten, dat de Morinelpluvier in
+de Noordduitsche Alpen, op de hooge toppen van het Reuzengebergte,
+bijna uitgeroeid is.
+
+Gedurende haar reis is de Morinelpluvier blootgesteld aan alle gevaren,
+die de Goudpluvier bedreigen; wegens haar niets kwaads vermoedende
+gemeenzaamheid wordt zij waarschijnlijk nog vaker gedood dan haar
+verwant. Als wild verdient zij, wegens de malschheid en smakelijkheid
+van haar vleesch, boven alle andere Vogels, zelfs boven de beste
+Snippen, de voorkeur.
+
+
+
+De Bontbekpluvier, die in Friesland Bonte Wilster wordt genoemd
+(Charadrius hiaticula), behoort met de beide volgende soorten tot
+het ondergeslacht der Zandpluvieren (Aegialites), gekenmerkt door
+de betrekkelijk geringe grootte, den zwakken snavel, de lange,
+spitse vleugels en het zeer overeenstemmende vederenkleed, dat aan
+de bovenzijde zandkleurig, aan de onderzijde wit en met een witten,
+ringvormigen halsband versierd is. Zij houden zich niet in moerassen
+op, maar bewonen de zeekust en de met grind of zand bedekte vlakten
+in de nabijheid van zuiver helder water, zooals rivieroevers, zand-
+en grindbanken in stroomen enz.--De Bontbekpluvier is kleiner dan
+de vorige soort (totale lengte 19, staartlengte 6 cM.) en kenbaar
+aan de oranjeroode kleur van de pooten en van de wortelhelft van
+den snavel. Een smalle zoom aan den wortel van den bovensnavel, het
+voorste deel van de kruin en een met beide plekken samenhangende,
+breede teugel- en oorstreep, benevens een zeer breede dwarsband over
+den krop zijn zwart. Een smalle, door de zwarte plekken begrensde
+dwarsband over het voorhoofd, de slaapstreek, de kin en de keel en
+een van hier uitgaande, naar achteren smaller wordende, ringvormige
+halsband, benevens alle nog niet genoemde onderdeelen zijn wit. De
+kruin en de geheele bovenzijde zijn zandkleurig of licht olijfkleurig
+bruin, de slagpennen bruinzwart, op de binnenvlag aan den wortel met
+breeden, witten rand, op de buitenvlag (bij de vijfde pen te beginnen)
+met een witte vlek versierd, de bovendekveeren van de armpennen bruin
+met witten eindzoom, de staartpennen bruinzwart en vóór den breeden,
+witten eindrand het donkerst.
+
+De Bontbekpluvier bewoont het noorden van de Oude Wereld: zij broedt in
+Siberië en in het noorden van Europa, ook nog langs de kust der Oostzee
+en zelfs in het Oldenburgsche en op de eilanden langs de Duitsche
+en Nederlandsche kust, hetzij aan het strand, hetzij aan de zandige
+oevers van rivieren en meren, of, indien zijn nest verstoord wordt,
+ook op plaatsen, die met kort gras begroeid zijn. Enkele paren broeden
+op onze Noordzee-eilanden; ook op Rozenburg bij Brielle zijn enkele
+malen jonge Vogels waargenomen. Zij strekken haar winterreis uit tot
+aan de zuidspits van Afrika, over geheel Azië en Australië. In het
+voor- en najaar zijn zij talrijk aan ons zeestrand, komen ten deele
+reeds in Augustus en blijven tot laat in het voorjaar; soms worden
+zij ook wel binnenslands onder het wilsternet gevangen (Albarda).
+
+
+
+Nevens de vorige soort ontmoet men de iets kleinere Strandpluvier,
+op Texel Zandlooper en Froukie, op Terschelling Gultje, op Ameland
+Kreuteltje genoemd [Charadrius (Aegialites) cantianus]. Totale lengte
+18, staartlengte 5-1/2 cM. Zij heeft niet, zooals de vorige soort,
+een zwarten dwarsband over den krop, wel aan weerszijden daarvan een
+zwarte vlek; voorts zijn bij haar de snavel en de voet zwart en het
+voorhoofd zuiver wit; wit zijn ook de schaften van de 4 à 6 eerste
+pennen. Haar verbreidingsgebied omvat het grootste deel van de aarde,
+uitgezonderd het hooge noorden, Australië en Amerika. Zij broedt
+aan de zeekust, zelfs nog aan de oevers van de Middellandsche en de
+Roode Zee. Bij ons houdt zij zich van Maart of April tot September
+op en broedt in grooten getale in de duinen van onze eilanden en aan
+den Hoek van Holland. Haar nest is een ondiep kommetje van ongeveer
+1 dM. middellijn in het harde zeezand. Eigenaardig is de wijze,
+waarop deze en andere Pluvieren haar nest verfraaien, n.l. door 3 of
+4 geheel gave, bijeen gegroepeerde, helder gekleurde schelpjes vast
+in den bodem te drukken; ook om het nest liggen dergelijke groepjes
+[2]. Reeds in Augustus begint zij hare broedplaatsen in noordelijker
+gewesten te verlaten en keert derwaarts terug in Mei. Zij trekt dan
+ook in zeer menigvuldige, kleine troepjes langs ons zeestrand.
+
+
+
+De Kleine Pluvier [Charadrius (Aegialites) curonicus] is nauwelijks
+grooter dan een Leeuwerik, heeft roodachtig grijze pooten en een op
+iederen leeftijd zwarten snavel. De wangen, de kruin en het bovenste
+deel van den romp zijn aardkleurig grijs, de krop en een van hier naar
+achteren gerichte band donkerzwart, de onderdeelen overigens wit;
+het voorhoofd draagt een smallen, zwarten band, waarop een breede,
+witte volgt, die van achteren weer door een zwarten begrensd wordt;
+de teugels zijn zwartachtig. Het donkerbruine oog is door een tamelijk
+breeden, gelen ring omgeven. Totale lengte 17, staartlengte 5-1/2 cM.
+
+Deze soort werd in geheel Europa, bijna geheel Afrika en ook
+in bijna geheel Azië gevonden. In het Noorden houdt zij zich bijna
+uitsluitend aan de oevers van binnenwateren, ver van de zee op; in
+hare winterkwartieren geeft zij aan dergelijke plaatsen de voorkeur,
+doch komt ook nu en dan aan 't zeestrand voor. Bij ons is zij niet
+zeer menigvuldig op den doortrek (Augustus en September): op het
+strand van Terschelling, in Friesland bij Suawoude, in Noord-Holland
+bij Diemen heeft men haar opgemerkt. Herhaaldelijk werd zij broedend
+gevonden in de putten onder Cromvoirt (Noord-brabant) (Albarda).
+
+Op reis zijn de Kleine Pluvieren tot groote zwermen vereenigd en ook
+in den vreemde vormen zij steeds tamelijk groote gezelschappen.
+
+
+
+De Renvogels (Cursorius) zijn slank van gestalte, hebben een
+middelmatig langen, zwak gekromden snavel, welke diep gespleten,
+aan den wortel zacht, aan de spits hoornachtig is, pooten met hoogen
+loop en drie korte, volledig gescheiden teenen, die met kleine, slanke
+nagels gewapend zijn, spitse vleugels, een korten staart en een zacht,
+glad vederenkleed.
+
+
+
+De Gewone Renvogel (Cursorius gallicus) dwaalt somtijds naar Europa af
+en is een enkele maal ook in ons vaderland waargenomen. Hij valt in
+'t oog door zijn isabelkleurig vederenkleed en heeft een lengte van
+23 cM., waarvan 7 cM. op den staart komen.
+
+Noord-Afrika, van de Roode Zee tot aan de Kanarische Eilanden, en
+West-Azië, van Palestina tot aan het noordwesten van Indië, vormen
+het vaderland van den Renvogel; hij houdt zich op in de woestijnen,
+die binnen de genoemde grenzen gelegen zijn. Andere woestijndieren
+kiezen in het gebied waar zij thuis behooren, plaatsen uit, die
+eenigszins minder schraal begroeid zijn dan de overige; de Renvogels
+daarentegen geven de voorkeur aan streken, die door hun dorheid en
+eenzaamheid ons onbewoonbaar voorkomen. Met onvergelijkelijke snelheid
+ziet men deze Vogels paarsgewijs over de vlakte rennen op ongeveer
+15 schreden afstand van elkander (zelden meer of minder). Zoolang
+de Vogel loopt, ziet men alleen zijn romp, niet zijne pooten;
+deze ontgaan door hun voortdurend heen- en weerslingerende beweging
+geheel aan onze waarneming; men zou kunnen meenen, dat de Vogel geen
+pooten heeft en door een onverklaarbare kracht over den bodem wordt
+voortgedreven. Plotseling houdt de beweging op; de renner staat stil,
+om door rond te kijken zich te overtuigen, dat zijn veiligheid geen
+gevaar loopt, of misschien om een Insect op te pikken, en schiet
+eensklaps opnieuw vooruit. Op plaatsen waar hij geen vervolgingen
+ondervonden heeft, laat hij den onderzoeker tot op tamelijk korten
+afstand naderen; altijd echter weet hij de tusschenruimte zoo groot te
+houden, dat hij met een gewoon jachtgeweer niet getroffen kan worden:
+zoo kan men hem lang volgen, zonder dat hij zich genoodzaakt ziet
+te vliegen. Wegens deze geveinsde argeloosheid noemt men hem op de
+Kanarische Eilanden "Kinderbedrieger", omdat onervaren knapen meenen,
+dat zij den Vogel, die van zijne vleugels geen gebruik schijnt te
+maken, met de handen kunnen grijpen, maar tot hun teleurstelling
+ondervinden, dat het dier met zijne betrekkelijk korte pooten zich even
+snel kan bewegen als de mensch met zijne langere beenen. Niet slechts
+de pooten, maar ook de vleugels van den Renvogel zijn uitmuntend voor
+dit doel geschikt.
+
+Op de Kanarische Eilanden vangt men hem op zeer eenvoudige wijze. "Een
+groote, diepe schotel," zegt Bolle, "of een andere steenen pot wordt
+in een schuinschen stand gehouden door een als lokaas dienende, van
+verre zichtbare, gele maïskolf, waaraan soms bovendien een Worm is
+vastgeprikt. Hoewel de Renvogel hoogst zelden zaden eet, onderzoekt
+hij toch de maïs om er larven uit te halen. Zoodra hij in de kolf pikt,
+valt de pan hem over den kop en is hij gevangen."--
+
+"Terwijl de Krokodil met geopende bek op het land ligt," verhaalt
+Plinius in navolging van Herodotus, "komt de Vogel Trochilus aanvliegen
+en sluipt hem in den muil om dezen te reinigen. De Krokodil vindt
+dit aangenaam en laat daarom den Vogel begaan, opent den bek nog
+verder, opdat de "Trochilus", als hij er uit wil, zich niet zal
+kwetsen. Deze Vogel is klein, niet grooter dan een Lijster, houdt
+zich in de nabijheid van 't water op en waarschuwt den Krokodil voor
+den Ichneumon, door naar zijn vriend te vliegen en dezen, zoowel door
+geschreeuw als door pikken in den snuit, te wekken." Dit verhaal, dat
+men geneigd zou zijn voor een fabel te houden, is op een feit gegrond;
+wel degelijk bestaat er een vriendschapsbond tusschen den Krokodil
+en zijn "Wachter", gelijk de Arabieren den bedoelden Vogel noemen.
+
+
+
+De Krokodilwachter (Cursorius aegyptius) vormt in zekeren zin den
+overgang van de Renvogels tot de Pluvieren, hoewel hij veel nader
+verwant is aan gene dan aan deze. De bovenkop, een breede teugelstreep,
+welke zich in den nek met die van de andere zijde vereenigt, de nek,
+een breede borstband en de smalle, verlengde veeren van den rug
+zijn zwart; een wenkbrauwstreep, die boven de neusgaten begint en
+aan den achterkop ineenvloeit met die van de andere zijde, de keel,
+de gorgel en alle overige onderdeelen zijn wit, de flanken en de
+borst echter licht roodbruin, de bovendekveeren van den vleugel en
+de schouderveeren licht leikleurig blauw of aschgrauw, de slagpennen
+zwart, aan den wortel en vóór de spits echter wit, waardoor twee
+breede banden ontstaan, die een groot sieraad zijn van den geopenden
+vleugel. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM. Het wijfje is een weinig
+kleiner dan het mannetje.
+
+De Krokodilwachter, wiens beeld op de Oud-Egyptische gedenkteekenen
+dikwijls voorkomt, daar het in het hieroglyphische alphabet de klank
+u voorstelt, is in het geheele Nijlgebied veelvuldig. Van Kaïro af
+stroomopwaarts ontbreekt hij op geen voor hem geschikte plek van
+den Nijloever. Bij voorkeur kiest hij een zandbank als standplaats
+uit met het doel om er te blijven, totdat het wassen van den stroom
+hem verdrijft.
+
+Iedere reiziger langs den Nijl merkt deze aardige, levendige, behendige
+en schreeuwlustige Vogels op. Zij trekken de aandacht, wanneer zij
+met de haast, die aan de leden van hun familie eigen is, voortrennen,
+maar vallen nog meer in 't oog, wanneer zij hunne fraaie, wit en zwart
+gestreepte vleugels uitbreiden en over 't water vliegen. Zij doen
+dit zeer snel, zooals men reeds bij 't zien van de spitse vleugels
+zou verwachten, en zonder merkbare inspanning; toch begeven zij zich
+in één vlucht zelden ver, hoogstens van den eenen zandbank naar den
+anderen; steeds scheren zij dicht bij de oppervlakte van 't water
+langs. Onder het vliegen laten zij geregeld hun luide, fluitende stem
+hooren, deze bestaat uit een reeks van tonen en klinkt ongeveer als
+"tsjiep tsjiep hoit". Maar ook gedurende het zitten en rondloopen
+schreeuwen zij dikwijls. Zij doen dit telkens, als er iets bijzonders
+in hun omgeving voorvalt: de nadering van ieder schip, van iederen
+mensch, van ieder Zoogdier, van iederen grooten Vogel wordt door een
+luid geschreeuw aangekondigd. Op deze wijze vervult de "Wachter" niet
+alleen bij den Krokodil, maar bij ieder dier, dat op hem let, de rol,
+die door zijn naam wordt aangeduid. Hij onderscheidt zich door een
+merkwaardige sluwheid, een scherp oordeel en een bewonderenswaardig
+geheugen: het is, alsof hij geen gevaren vreest, omdat hij ze kent en
+hun omvang weet te schatten. Met den Krokodil leeft hij werkelijk in
+vriendschap, evenwel niet, omdat het vraatzuchtige Reptiel hem genegen
+is, maar, omdat de Vogel door zijn schranderheid en behendigheid aan de
+boosaardige aanslagen van het monster weet te ontkomen. Als bewoner van
+de zandbanken, waarop de Krokodil slaapt en zich in de zon koestert,
+heeft hij van jongs af met dit ondier verkeerd. Op diens gepantserden
+rug loopt hij even onbeschroomd rond als op een weiland en zoekt er
+de Insecten en Bloedzuigers af, die op het bloed van den Krokodil
+belust zijn; zelfs ontziet hij zich niet het gebit van zijn kolossalen
+vriend schoon te maken, d. w. z. de stukken voedsel, die tusschen de
+tanden overgebleven zijn, of de dieren, die zich aan de kaken en aan
+het tandvleesch vastgehecht hebben, weg te pikken. Het geschreeuw
+van den Vogel bij het zien van een wezen, dat hem vreemdsoortig of
+gevaarlijk voorkomt, doet den slapenden Krokodil ontwaken en noopt
+dezen zich naar de veilige diepte te begeven.
+
+Mogelijk is het, dat de Krokodilwachter met zijn spijs nu en dan
+enkele zaden doorslikt; zijn gewone voedsel ontleent hij echter aan
+het dierenrijk. Hij eet allerlei Insecten, vooral Zandkevers, Vliegen,
+Waterspinnen, Wormen, kleine Schelpdieren, Visschen en, naar uit de
+bovenstaande mededeelingen blijkt, ook stukjes vleesch van grootere
+Gewervelde Dieren.
+
+Het wijfje legt hare eieren in een kuiltje in den grond en bedekt ze
+met zand, wanneer zij bij 't broeden gestoord wordt. Slechts toevallig
+komt men dus op het spoor van de broedplaats.
+
+
+
+De Steenloopers (Arenaria) zijn fraai geteekende, zeer beweeglijke
+vogeltjes, die van de overige bevederde strandbewoners, behalve
+door hun gestalte, ook in vele opzichten door hun levenswijze
+verschillen. Men heeft ze nagenoeg over de geheele wereld verspreid
+gevonden, aan de kusten van IJsland en Skandinavië, zoowel als aan
+die van Griekenland, Zuid-Italië en Spanje, in Australië zoowel
+als in Middel-Amerika en Brazilië, in Egypte en in het Kaapland, in
+China zoowel als in Indië. Zij zijn dus wereldburgers in de strengste
+beteekenis van het woord. Men ontmoet ze overal echter het veelvuldigst
+aan de zeekust, slechts gedurende den trektijd, en ook dan steeds in
+zeer kleinen getale, bij binnenwateren.
+
+De Steenloopers zou men kunnen beschouwen als Pluvieren met dikke
+en tamelijk korte pooten. Hun lichaam is forsch gebouwd, de kop
+betrekkelijk groot, het voorhoofd hoog, de snavel recht, bijna zoo
+lang als de kop, korter dan de loop, kegelvormig, aan de spits een
+weinig naar boven gebogen en stomp, maar niet verdikt, op den rug
+afgeplat, geheel met een harde huid bedekt; de neusgaten zijn aan
+den snavelwortel gelegen; in de lange, spitse vleugels is de eerste
+handpen de langste; de ternauwernood middelmatig lange staart is
+uit 12 pennen samengesteld; de voorteenen zijn niet verbonden, de
+achterteen is klein en hoog aangehecht; het vederenkleed is goed
+voorzien, maar glad aanliggend en onderscheidt zich door levendige
+kleuren; de schouderveeren zijn sterk verlengd.
+
+
+
+Van de beide soorten van dit geslacht bewoont de eene de Nieuwe, de
+andere de Oude Wereld. Bij deze--bij den Gewonen Steenlooper (Arenaria
+interpres)--zijn in volwassen toestand en gedurende den zomer het
+voorhoofd, de wangen, een breede band in den nek, de onderrug, de
+keel en de onderdekveeren van den vleugel zuiver wit; een streep,
+die op het voorhoofd begint, voor het oog langs en over den hals
+naar beneden loopt, is zwart, evenals de onderhals met het
+voorste deel en de zijden van de borst; de veeren van den mantel
+zijn zwart en rood gevlekt, die van de kruin wit en zwart overlangs
+gestreept, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood met zwarte vlekken;
+over den staartwortel loopt een breede, bruine band; de slagpennen zijn
+zwartachtig, de stuurpennen aan den wortel en aan de spits wit, vóór
+de spits met een breeden, zwarten band geteekend. Het oog is bruin, de
+snavel zwart, de voet oranjegeel. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM.
+
+De Steenlooper broedt in de koude streken van de Oude Wereld, in Europa
+niet zuidelijker dan Jutland. Gedurende den winter werd hij op Madeira
+en in Noord-Afrika, in Azië tot op Java waargenomen. Men mag aannemen,
+dat hij vooral langs de zeekust trekt en daarom zoo zelden in het
+binnenland gezien wordt. De komst van de Steenloopers in Skandinavië,
+op IJsland en Groenland duurt van de laatste dagen van April tot in
+het midden van Mei; reeds vóór het einde van Augustus vertrekken
+zij. In deze maand ziet men ze, hoewel niet talrijk, op onze kust
+verschijnen en ook aan de noordelijke en zuidelijke oevers van de
+Middellandsche Zee. Die, welke zich naar ons land begeven, blijven
+meestal den winter over en kiezen bij voorkeur de steenen hoofden
+langs de kust tot rust- en verblijfplaatsen. De Steenlooper houdt
+evenwel niet van rust; hoogstens verdroomt hij in de middaguren eenige
+minuten. Gedurende den overigen tijd van den dag is hij aanhoudend
+in beweging, van 's morgens tot na zonsondergang, dikwijls zelfs
+'s nachts. Hij gaat trippelend en bij 't zoeken van voedsel tamelijk
+langzaam; maar kan zich ook rennend en buitengewoon snel over groote
+afstanden verplaatsen, hoewel hij gewoon is om, na als een pijl uit
+den boog een zekeren weg doorloopen te hebben, op de een of andere
+verhevenheid een tijdlang stil te staan en daarna opnieuw vooruit te
+schieten. In 't vliegen is hij even ervaren als zijne verwanten.
+
+Zoolang hij in beweging is, houdt de zorg voor 't voedsel hem
+bezig. Hij eet allerlei kleine zeedieren, vooral Wormen en teere
+Schelpdieren, maakt deze buit door met den snavel in 't zand te
+boren of door het omwentelen van steenen, en ontleent hieraan zijn
+naam. De Insecten, die binnen de hoogwaterlijn komen, worden natuurlijk
+ook opgepikt, voornamelijk is zijn proviand echter afkomstig uit de
+kuststrook, die bij eb droog valt, waar Insecten tot de uitzonderingen
+behooren.
+
+
+
+Iedere bezoeker van de Noordzeekust zal er zeer zeker kennis
+maken met een hier bijna overal voorkomenden Strandvogel, die men
+wegens zijn eigenaardige levenswijze niet licht over het hoofd zal
+zien. De Scholekster, aan den Dollard Slijkaakster, op Texel Lieuw,
+op Terschelling Bonte Piet, in Friesland Strandkievit, Bonte Lieuw of
+Oostindische Kievit, in 't Friesch Stranljiep, in Vlaanderen Zeeekster
+genoemd (Haematopus ostralegus), valt ook door haar gestalte in 't oog
+en heeft behalve de leden van haar geslacht geen verwanten, die veel op
+haar gelijken. Haar kenmerken een gedrongen lichaamsbouw, een groote
+kop, die in een dubbel zoo langen, rechten, naar voren zeer sterk
+samengedrukten, wigvormigen, harden snavel eindigt, middelmatig hooge,
+krachtige voeten met drie korte en breede teenen, waarvan de buitenste
+en de middelste door een groot spanvlies vereenigd zijn, middelmatige
+lange, doch spitse vleugels en een uit 12 pennen samengestelden,
+tamelijk korten, recht afgesneden staart. Op de bovendeelen, den
+voorhals en den krop zijn de veeren zwart, een weinig iriseerend,
+op den onderrug en den staartwortel, onder het oog, op de borst
+en den buik wit; de hand- en stuurpennen zijn aan den wortel wit,
+overigens zwart; de grootste vleugeldekveeren vormen over den vleugel
+een witten band. Het oog is bloedrood, aan den rand oranjekleurig,
+een naakte ring er omheen menierood. De bek is oranjerood, bij de
+jongen roodachtig bruin, maar aan de spits geel. De pooten zijn donker
+vleeschkleurig. Totale lengte 42, staartlengte 11 cM.
+
+Van de Noordkaap of van de Finsche Golf tot aan Kaap Tarifa heeft men
+de Scholekster aan alle Europeesche kusten waargenomen, veelvuldig
+vooral op plaatsen waar de kust rotsachtig is. Eveneens ontmoet men
+haar op de Noordzee-eilanden en aan alle kusten van de Noordpoolzee,
+opmerkelijkerwijze ook bij de groote stroomen van Noord-Azië,
+volgens onze waarnemingen o. a. aan den geheelen benedenloop van
+den Ob. Zuid-Europa bezoekt zij 's winters, hoewel volstrekt niet
+in grooten getale; haar wijze van trekken is in vele opzichten
+eigenaardig. Zoo verlaat zij vóór den winter geregeld het strand van
+de Oostzee, terwijl zij op IJsland eenvoudig van de noordkust naar de
+zuidkust trekt. De verklaring hiervoor is niet moeielijk te geven. Daar
+waar de Golfstroom de kust bespoelt, blijft deze Vogel gedurende
+het geheele jaar; op plaatsen waar de zee 's winters dichtvriest,
+is hij tot trekken gedwongen.
+
+Bij ons komen de Scholeksters in April en vertrekken in September. Zij
+broeden overal in de duinen, maar ook uren ver van deze, in de
+weilanden. Na den broedtijd trekken zij naar de kust, waar een
+groot aantal overwinteren en steeds andere doortrekken, zoodat zij
+hier voortdurend te vinden zijn en bijna den geheelen winter door in
+steekgarens gevangen worden. Vooral op de Noordzee-eilanden zijn zij
+zeer menigvuldig. Hoewel de Scholekster plomp en log van uiterlijk
+is, kan zij zich toch uitstekend bewegen. Haar gang gelijkt op dien
+van den Steenlooper; zij loopt bij rukken, gewoonlijk stappend of
+trippelend, maar kan in geval van nood ook buitengewoon snel rennen;
+hare breedzoolige voeten stellen haar in staat om zelfs op de weekste
+slib te loopen. Zij zwemt voortreffelijk, ook wanneer zij er niet
+toe genoodzaakt is en heeft een zeer krachtige en snelle vlucht;
+meestal vliegt zij rechtuit, dikwijls echter ook in koene bogen en
+zwenkingen; meer dan de meeste overige strandvogels drijft zij op
+hare wieken. Haar stem, een als "hie iep" klinkend gefluit, laat zij
+bij iedere gelegenheid hooren, soms met een lang gerekt "kwierrr" als
+inleiding, dikwijls ook kort samengetrokken, zoodat het geluid als
+"kwiek kwiek kewiek kewiek" klinkt. De lang aanhoudende trillers,
+die zij in den paartijd voortbrengt, zijn zeer welluidend en vol
+afwisseling. Vooral door haar levenswijze trekt de Scholekster
+onze aandacht. Geen andere strandvogel is zoo bedrijvig, onrustig,
+moedig, plaag- en strijdlustig en toch voortdurend zoo goed geluimd.
+Als zij zich verzadigd en een weinig gerust heeft, begint zij
+dadelijk met andere Vogels, althans met hare soortgenooten, te stoeien
+en hen na te jagen; lang stil zitten, rustig op dezelfde plaats blijven
+kan zij niet. Op dit gestoei volgt soms een ernstig gemeende twist,
+daar zij iedere beleediging onmiddellijk tracht te wreken. Overal waar
+Scholeksters zijn, spelen zij de eerste viool, regelen, plooien als
+'t ware, het leven van alle strandbewoners naar hare inzichten.
+
+"Haar voedsel," schrijft Schlegel, "bestaat uit vischbroedsel, jonge
+Garnalen en Wormen. Om het te zoeken boort zij, evenals de Snippen,
+gaten in het zand of keert met haar bek de hoorns, schelpen en andere
+op het strand liggende voorwerpen om; waarschijnlijk heeft men haar
+hierom den naam Oestervisscher gegeven." Dat de Scholekster nooit
+Oesters vischt, ligt voor de hand. Wel eet zij graag kleine Weekdieren,
+of vreet een groot Schelpdier leeg, dat dood aan het strand werd
+gespoeld; zij is echter niet in staat om een levend Schelpdier te
+openen. Waarschijnlijk zijn Strandpieren een hoofdbestanddeel van
+haar maal. Dat zij intusschen een klein Schaaldier, een vischje en
+andere zeedieren niet versmaadt, behoeft niet uitdrukkelijk gezegd
+te worden en evenmin, dat zij op Insecten jacht maakt in de nabijheid
+van het vee, dat aan de kust graast.
+
+De Scholeksters, die als standvogels beschouwd kunnen worden, beginnen
+omstreeks half April, die welke trekken, iets later haar nest te
+bouwen. Het liefste doen zij dit op met kort gras begroeide vlakten in
+de nabijheid van de zee; waar deze ontbreken, maken zij gebruik van de
+wieren, die door hooge vloeden aan het strand worden geworpen. Het nest
+is een ondiep kuiltje, dat het wijfje in den grond heeft uitgekrabd;
+het bevat, als het broeden aanvangt, 3 (soms ook maar 2) zeer groote,
+spitse of zuiver eivormige eieren, welker stevige, glanslooze schaal
+op licht bruinachtig roestgelen grond een zeer varieerende teekening
+vertoont, die uit licht paarse of donker grijsbruine en grauwzwarte
+vlekken en stippels, strepen, krullen enz. bestaat. Het broeden
+duurt ongeveer 3 weken. De jongen verlaten onmiddellijk het nest en
+worden geleid door de beide ouders, die in dezen tijd voorzichtiger
+en stoutmoediger zijn dan ooit te voren.
+
+Het gemakkelijkst kan men de Scholekster verschalken, door haar op
+te zoeken, terwijl zij haar middagslaapje houdt; dan moet men haar
+zeer voorzichtig naderen, daar hare scherpe zintuigen zelfs zwakke
+voetstappen van den mensch hooren of althans opmerken. Dat zij een zeer
+flink schot kan verdragen, vergroot de moeielijkheid van deze jacht.
+
+De Zwaluwpluvieren (Glareolidae) vereenigen als 't ware de kenmerken
+van verscheidene orden in zich. Haar snavel houdt ongeveer het midden
+tusschen dien van een Hoen en dien van een Nachtzwaluw. De slanke,
+boven het springgewricht naakte pooten hebben vier middelmatig lange,
+smalle teenen met slanke, spitse, bijna rechte nagels; de buitenste
+en de middelste voorteen zijn door een spanvlies verbonden. De
+overeenkomst van hare lange vleugels, welker eerste pen alle overige
+in lengte overtreft, met die van de Zwaluwen heeft aanleiding gegeven
+tot den naam van de familie. De tamelijk lange, recht afgesneden of
+gaffelvormige staart is uit 14 pennen samengesteld. Het vederenkleed is
+dicht en zacht, zeer overeenstemmend bij alle soorten, bij mannetjes
+en bij wijfjes, in den herfst en in den zomer; maar biedt tamelijk
+veel verschil aan bij ouden en bij jongen.
+
+
+
+In alle landen, die de Middellandsche en de Zwarte Zee omgeven,
+voorts in de laagvlakten van den Donau en van den Wolga alsook in
+de steppen van Rusland en Siberië ontmoet men de Vorkstaartpluvier
+(Glareola pratincola). Zij is 26 cM. lang, waarvan 10 cM. op den staart
+komen. De veeren van de bovendeelen zijn olijfbruin, op de schouders
+en de dekveeren met metaalachtigen weerschijn; de staartwortel, de
+onderborst en de buik zijn wit; de roodachtig gele keel wordt door
+een bruine ring omlijst. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart,
+aan den mondhoek koraalrood, de voet zwartbruin.
+
+De Vorkstaartpluvier kan uitmuntend loopen, maar nog beter vliegen. Zij
+loopt in korte rukken, op soortgelijke wijze als de Pluvier. Haar
+wijze van vliegen gelijkt op die van de Zeezwaluw en kenmerkt zich
+door groote snelheid, fraaie zwenkingen, plotselinge wendingen,
+kortom, zij biedt velerlei afwisseling aan.
+
+Gedurende den broedtijd ziet men deze sierlijke en onschadelijke
+Vogels paarsgewijs, loopend of vliegend jacht maken op Insecten,
+Kevers, Motten, Haften, Libellen en Sprinkhanen. Tijdelijk voeden zij
+zich bijna uitsluitend met Sprinkhanen, die zij zoo wonderbaarlijk
+snel verteren, dat reeds 10 minuten na het doorslikken van zulk een
+buit, het als 't ware uitgeperste, uitwendige skelet met den drek
+het lichaam verlaat. Alle Insecten, die zij vangen, worden in hun
+geheel verzwolgen, gelijk ook de Geitenmelker doet. Von der Mühle
+vond in het spijskanaal van Vorkstaartpluvieren, die hij op de jacht
+gedood had, zeldzame Kevers geheel onbeschadigd, volkomen geschikt
+voor een insectenverzameling. Evenals de Nachtzwaluwen, jagen de
+Vorkstaartpluvieren soms nog laat in den avond; zij zijn over 't geheel
+genomen eer schemeringvogels dan dagvogels; dit blijkt uit hun slapen
+of rusten gedurende de middaguren; in den voortplantingstijd doen zij
+dit in de nabijheid van haar nest, in den trektijd ziet men ze op een
+eindelooze reeks, aan den oever van een rivier of van een meer zitten.
+
+Enkele voorwerpen, gewoonlijk jonge, verdwalen in den zomer naar
+noordelijker streken; ook in Nederland, en wel in Noordbrabant (bij 't
+meertje tusschen Vlijmen en Engelen), heeft men er eens (in Juli 1892)
+één gevangen, in gezelschap van Kieviten, Kemphanen enz. (Albarda).
+
+In Hongarije en Rusland worden de eieren van de Vorkstaartpluvier
+veelvuldig ingezameld; in Griekenland wordt jacht gemaakt op den
+volwassen Vogel wegens zijn smakelijk vleesch, dat vooral in den
+herfst zeer vet is. Voor de kooi wordt hij zelden gevangen.
+
+
+
+Eenige afwijkende uitheemsche Vogels, die vroeger nu eens bij de
+Hoenderachtigen, dan weer tot de Moerasvogels gerekend werden, brengt
+Fürbringer tot de groep der Meeuwpluviervogels en vormt er drie kleine
+familiën van. Deze zijn de Kluitsterns (Dromadidae), de IJshoenderen
+(Chionidae) en de Kwartelsnippen (Thinocoridae).
+
+De familie van de Kluitsterns bevat slechts één geslacht met één soort
+(Dromas Ardeola). Deze komt in grootte met een Duif overeen, maar
+heeft pooten, welke door lengte en bevedering en door de aanwezigheid
+van halve zwemvliezen tusschen de voorteenen aan die van de Kluiten
+herinneren. Zij heeft een stevigen, lancetvormigen snavel met eironde
+neusgaten. Door hare kleuren herinnert zij (zelfs in het jeugdkleed)
+aan de Zeezwaluwen. Zij wordt aan de kust van de Roode Zee en op
+het vasteland van Indië gevonden, waar zij, volgens Von Heuglin,
+in de duinen een diep, schuins naar boven gericht hol graaft, dat
+als broedplaats dient. In het najaar trekt zij langs de oostkust van
+Afrika zuidwaarts tot Madagaskar.
+
+
+
+De familie der IJshoenderen (Chionidae) omvat twee soorten, die
+rotsachtige eilanden in de koude zeeën van het zuidelijk halfrond
+bewonen en op de wijze der Scholeksters hun voedsel verkrijgen. Beide
+zijn wit bevederd. De kleinste bij de zeelieden onder den naam
+van Zuidpoolduif bekend (Chionis minor), komt op Kerguelen-eiland
+voor; de andere--de Zuidpoolkip (Chionis alba)--, die de grootte
+van een Patrijs heeft, wordt gevonden op Statenland (bij Vuurland),
+de Falklandsarchipel en andere naburige eilanden. Beide zijn gezocht
+wegens hun smakelijk vleesch. Zij hebben tamelijk spitse vleugels,
+een korten staart, pooten met onbevederd spronggewricht, een
+tamelijk korten, dikken loop en vier teenen: de achterteen is klein,
+de voorteenen zijn door spanvliezen verbonden. Merkwaardig is hun
+snavel, welke op dien van een Hoen gelijkt, doch aan den wortel, waar
+de neusgaten voorkomen, overwelfd wordt door een van voren getande,
+van boven gegroefde hoornplaat.
+
+
+
+De familie van de Kwartelsnippen (Thinocoridae) omvat eenige tot
+de gematigde en koude gewesten van Zuid-Amerika beperkte soorten,
+welker grootte afwisselt tusschen die van een Duif en die van een
+Leeuwerik. Zij hebben spitse vleugels, korte, vierteenige pooten met
+hoog ingeplanten achterteen, een korten, nagenoeg kegelvormigen snavel
+en gelijken op de IJshoenderen o.a. door het met veertjes begroeide
+vlies, dat hare neusgaten overdekt. Zij komen niet aan de zeekust,
+maar in het binnenland voor; sommige (Attagis) zijn kortstaartig,
+bewonen de bosschen der hooge gebergten en herinneren door haar
+levenswijze aan de Sneeuwhoenderen; andere (Thinocorus) hebben een
+langen staart, houden zich in droge, met gras begroeide streken op
+en gelijken door hare gewoonten op Kwartels en Patrijzen. Zij voeden
+zich met Insecten en plantaardige stoffen.
+
+
+
+
+Alle zeeën en de meeste binnenwateren der aarde herbergen leden van
+de familie der Meeuwvogels (Laridae), waarvan ongeveer 150 soorten
+beschreven zijn. Zij gelijken op elkander door den eerder gedrongen,
+dan slanken romp, den korten hals en den middelmatig grooten kop; hun
+snavel is middelmatig lang en zijdelings min of meer samengedrukt, de
+zijranden en de spits zijn scherp, de beide kaken recht of de bovenste
+gekromd, de onderste met duidelijken kinhoek; bij uitzondering is de
+eene langer dan de andere; de neusgaten zijn spleetvormig, de drie
+voorteenen door zwemvliezen verbonden, de vleugels lang en spits;
+de staart is middelmatig lang, recht afgesneden of gaffelvormig, bij
+uitzondering ook wel wigvormig; het vederenkleed is dicht en zacht
+en vertoont weinig verscheidenheid van kleur. Hoewel de Meeuwen voor
+'t meerendeel zeevogels zijn, behooren zij toch volstrekt niet in
+de open zee, maar integendeel op de kusten thuis, sommigen leven
+tijdelijk of voortdurend bij binnenwateren; op den trek volgen zij
+dikwijls de rivieren. Om uit te rusten zetten zij zich gaarne op
+banken, kusten en oevers, minder dikwijls op het water neer. Zij
+toonen een sterke neiging tot gezelligheid en broeden meestal in
+koloniën, die soms uit vele duizenden stuks bestaan; groepsgewijs
+vermengen zij zich ook gaarne met andere soorten van zwemvogels,
+zoodat b.v. op een beperkt terrein dicht bij elkander troepen van
+Zeezwaluwen, Meeuwen, Scholeksters, Bergeenden enz. voorkomen. Een
+merkwaardig voorbeeld van zulk een broedterrein levert het eilandje
+Rottum, waarop slechts één menschengezin woont, n. l. dat van den
+voogd. Door een boogvormige reeks van hooge duinen wordt het eiland
+aan de westzijde tegen de golven beschut. Op het open strand aan de
+noordwestzijde staande, ziet men in de verte boven de toppen der duinen
+als 't ware sneeuwvlokken dwarrelen, terwijl men hoog boven zich in
+de blauwe lucht witte gestalten rustig ziet zweven. Nader komend,
+merkt men op, dat de hoofdmassa van den zwerm uit Zilvermeeuwen en
+Groote Zeezwaluwen bestaat. Als de wagen, waarmede de voogd ons van
+'t strand afgehaald heeft, dicht bij een nestplaats langs rijdt,
+ziet men alle Vogels, die op deze ongewone wijze gestoord worden,
+opvliegen, men kan dan zonder overdrijving wegens de Vogels den hemel
+niet zien. De prachtige Zilvermeeuwen, waarvan ongeveer 5000 paren
+hier broeden, houden de hoefijzervormige duinenreeks bezet: De Groote
+Zeezwaluwen, ten getale van minstens 6000 paren, broeden op slechts
+drie hooge duinen, maar hier zoo dicht bijeen, dat op sommige plaatsen
+het eene nest het andere raakt en men bijna geen voet verzetten
+kan, zonder gevaar te loopen eieren of jongen te vertreden. Geen
+enkel paar van deze soort broedt elders. Het kleinere Vischdiefje
+daarentegen is meer over de geheele oppervlakte verspreid en is
+vooral in de nabijheid van het huis buitengewoon talrijk. Men schat
+het aantal paren van deze soort op minstens 8000. Minder veelvuldig
+zijn de Bergeenden en de Scholeksters hoewel deze door hun kleur,
+gene door hun geschreeuw en levenswijze zeer de aandacht trekken;
+van ieder dezer soorten broeden hier ongeveer 400 paren. Wanneer bij
+de reeds genoemde Vogels nog gevoegd worden de in geringer aantal
+hier broedende Wilde Eenden, Tureluurs en Kemphanen, komt men tot
+een totaal van omstreeks 20000 paren strand- en watervogels, die
+op dit kleine eilandje broeden. Zoodra de jongen vliegen kunnen,
+is het gewemel van de Vogels onbeschrijfelijk. Men kan zich hier
+een goede voorstelling vormen van de wijze, waarop de guano-lagen
+ontstaan. De uitwerpselen, de schelpen van de doorgeslikte zeedieren,
+die door de Zilvermeeuwen als ballen weer uitgeworpen worden en zelfs
+de lijken van tallooze jongen (eens zag ik n.l. door een hevigen
+en lang aanhoudenden plasregen het geheele broedsel van de Groote
+Zeezwaluwen vernietigd), alles hoopt zich op zulke gemeenschappelijke
+nestplaatsen opeen. Hier in het duinzand worden deze meststoffen
+schielijk door den vocht doorlatenden bodem opgenomen, ginds op
+rotsen en klippen voegt de eene laag zich bij de andere. Hoewel
+ook op de andere, naburige Noordzee-eilanden broedplaatsen van de
+meeste der genoemde Vogelsoorten voorkomen, is toch Rottum als de
+geboorteplaats te beschouwen vooral van de Zilvermeeuwen en Groote
+Zeezwaluwen, die buiten den broedtijd de naburige kusten, zoowel van
+'t vasteland als van de eilanden, verlevendigen (Altum).
+
+
+
+Door een buitengewone bekwaamheid in 't vliegen en duiken onderscheiden
+zich de Sterns of Sterntjes (Sterninae). Zij zijn sterk gebouwd en
+middelmatig groot of klein; de spitse, harde snavel is zoo lang als
+de kop of nog iets langer en recht of nagenoeg recht; de korte pooten
+hebben vier teenen, die met tamelijk scherpe, gekromde klauwen gewapend
+zijn; de achterteen is meestal zeer kort; de zwemvliezen zijn meestal
+kort en dikwijls diep uitgesneden; de vleugels zijn zeer lang, smal
+en spits; hun eerste slagpen is langer dan de overige; de staart
+is middelmatig lang, meer of minder diep gevorkt en uit 12 pennen
+samengesteld; het vederenkleed is dicht, zacht, glad aanliggend en
+grootendeels licht loodkleurig grijs, zwart en wit; het verschilt
+weinig of niet bij 't mannetje en bij 't wijfje; duidelijk merkbaar
+is echter het onderscheid tusschen het herfst- en het lentekleed,
+niet minder dat tusschen de jongen en de volwassen Vogels.
+
+De Sterns bewonen alle aardgordels, leven in de nabijheid van de zee
+of van het binnenwater en volgen bij het trekken de kust of den loop
+der rivieren. Eenige soorten houden van het vlakke, kale zeestrand,
+andere van water, dat rijk is aan planten; enkele houden zich bij
+voorkeur op in de kustwouden der tropische gewesten. Alle leden
+van deze onderfamilie zijn zeer onrustig van aard, houden veel van
+beweging en zijn van 't opgaan tot aan 't ondergaan van de zon bijna
+voortdurend werkzaam. Den nacht brengen zij aan den oever liggend,
+den dag bijna uitsluitend vliegend door.
+
+Haar voedsel bestaat uit Visschen en Insecten; de grootste soorten
+verslinden echter ook kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren
+en Amphibiën, de zwakste soorten verschillende Wormen en allerlei
+kleine zeedieren. Om haar buit te overmeesteren, vliegen zij op
+geringe hoogte boven den waterspiegel, waarop zij voortdurend hare
+scherpe blikken gevestigd houden, blijven, als zij een slachtoffer
+ontdekken, met snelle vleugelbeweging eenige oogenblikken daarboven
+zweven, om het goed in 't oog te vatten, storten zich dan schielijk
+naar beneden en trachten het met den snavel te grijpen.
+
+Reeds eenige weken vóór het eierleggen verzamelen de Zeezwaluwen
+zich op de broedplaats, ieder jaar zooveel mogelijk op dezelfde. Die
+welke de zee bewonen, kiezen voor dit doel zandige landtongen,
+kale eilanden, koraalbanken of mangle- en andere kustwouden; de
+meer binnenlands levende soorten nestelen op soortgelijke, maar
+minder kale plaatsen bij of in meren en moerassen. Alle viervoetige
+roofdieren, die de broedplaatsen der Zeezwaluwen kunnen naderen,
+azen, evenals de Raven en de groote Meeuwen, op de eieren en jongen,
+de vlugste Roofvogels ook op de volwassen Sterns. Ook de mensch
+treedt vijandig tegen haar op door het rooven van hare eieren, die
+zeer smakelijk zijn. Overigens worden deze Vogels niet vervolgd,
+omdat men zoomin hun vleesch als hunne veeren gebruiken en hen zelf
+slechts gedurende korten tijd in de kooi in 't leven houden kan.
+
+
+
+Het soortenrijkste geslacht van de onderfamilie is dat der Zeezwaluwen
+(Sterna). Deze hebben een rechten snavel met zwak gebogen rug en
+rechte, niet haakvormige spits; het voorhoofd is tot aan de neusgaten
+bevederd. De zwemvliezen zijn uitgesneden, d.w.z. hun voorrand vormt
+een binnenwaarts gebogen lijn; de buik is wit.
+
+
+
+De grootste van alle soorten is de Reuzenstern (Sterna caspia). Zij
+onderscheidt zich van hare verwanten door den snavel, die even lang
+als de kop en betrekkelijk dik is, door de kortheid van den staart
+en zijne 4 cM. lange gaffelspitsen, waarachter de vleugelspitsen ver
+uitsteken. De bovenkop is in den zomer zwart, des winters zwart en
+wit gevlekt, de mantel licht blauwachtig grijs, de zijden van den
+hals, de onderdeelen en de bovenrug zijn schitterend wit; de toppen
+van de slagpennen zijn donkerder, de staartpennen lichter van kleur
+dan de overige veeren van de bovenzijde. Het oog is bruin, de snavel
+koraalrood, de voet zwart. In het jeugdkleed hebben de veeren van
+den rug bruine dwarsvlekken. Totale lengte 52, staartlengte 15 cM.
+
+De Reuzenstern behoort in Middel-Azië en in 't zuiden van Europa
+thuis; kleine broedkoloniën van deze soort komen echter voor op de
+Pommersche kust, op het eiland Sylt en op de Fransche kust. In ons land
+is zij zeldzaam: kleine troepen van 3 à 4 stuks werden herhaaldelijk,
+zelfs reeds in de tweede helft van Juni, bij Texel, aan den Maasmond
+en zelfs langs de Zijl bij Leiden aangetroffen.
+
+Gewoonlijk ziet men haar op een hoogte van ongeveer 15 M. boven den
+waterspiegel vliegen; zij houdt den kop met den van verre zichtbaren,
+glanzig rooden snavel loodrecht naar onderen gericht, beweegt langzaam
+de groote vleugels en ploft van tijd tot tijd op het water neer om
+een prooi te grijpen. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit visch;
+zij kan exemplaren van aanzienlijke grootte vangen en verzwelgen. Van
+tijd tot tijd vallen haar echter ook strand- en watervogels ten buit,
+vooral zwemmende exemplaren; het doorslikken van deze prooi kost aan
+de Reuzenstern even weinig moeite als het verzwelgen van Insecten aan
+kleinere Sterns. Schilling was de eerste, die haar verdacht, de eieren
+van de aan 't strand broedende Vogels op te zoeken, omdat de Meeuwen
+en de Zeezwaluwen uit de buurt bij haar nadering onder vreeselijk
+geschreeuw opvlogen, woedend op haar neerschoten en haar trachtten
+te verdrijven; andere waarnemingen hebben zijn vermoeden bevestigd.
+
+Naumann beschrijft de broedkolonie op Sylt, die zich op het
+noordelijkste gedeelte van dit eiland bevindt, doch tegenwoordig
+slechts zeer zwak bevolkt is. De eieren liggen op het kale zand in
+een kleine uitholling, die door de Vogels zelf wordt uitgekrabd,
+op een niet grooten afstand van 't water. Op plaatsen waar vele
+nesten gevonden worden, zijn zij nauwelijks 60 cM. van elkander
+verwijderd. Ieder nest bevat 2, zelden 3 eieren, nooit meer. Deze
+komen in grootte en vorm nagenoeg overeen met die van Tamme Eenden. Zij
+zijn geel- of bruinachtig wit met grauwe en zwartbruine vlekken en
+stippen. Men neemt verscheidene malen eieren uit het nest en laat den
+Vogel eerst 8 à 14 dagen vóór St. Jan broeden. Het broedende wijfje
+wordt door het mannetje dikwijls met voedsel voorzien; de jongen
+verlaten het nest korten tijd nadat zij uit den dop zijn gekomen en
+worden door hunne ouders met vischjes groot gebracht.
+
+Voor de gevangenschap is deze Zeezwaluw niet geschikt, omdat zij
+begint te kwijnen, zoodra haar de gelegenheid om te vliegen ontnomen
+is en omdat zij niet graag doode visch eet.
+
+
+
+De Groote of Zwartbekkige Zeezwaluw of Kaugek, op Texel Groote Star,
+in Groningen Groote Ikstern en Kliefstern, op Rottum Krijtstern, op
+Ameland Klikstans genoemd (Sterna cantiaca), heeft een zeer slanken,
+merkbaar gebogen snavel, die iets langer is dan de kop, kleine
+voeten met sterk uitgesneden zwemvliezen, zeer lange vleugels, welker
+spitsen echter slechts weinig verder reiken dan die van den 5 cM. diep
+gevorkten, langen staart. De bovenkop en de nek zijn fluweelachtig
+zwart, alle bovendeelen helder zilvergrijs, de hals en de onderdeelen
+zijdeachtig wit met een flauw rozerood waas, de vleugelspitsen donker
+aschgrauw, de laatste armpennen en de stuurpennen grijsachtig wit. In
+het winterkleed is de kop wit tot aan het achterhoofd, en vertoont
+dit zwarte vlekken; de onderdeelen zijn dan zuiver wit. Het oog is
+donkerbruin, de snavel zwart met gele spits, de voet zwart. Totale
+lengte 40, staartlengte 17 cM.
+
+De Groote Zeezwaluw, is een echte zeevogel; zij verlaat de kust
+nagenoeg niet en bezoekt hoogstens bovendien de strandmeren, zeer
+zelden echter binnenzeeën. Haar verbreidingsgebied strekt zich uit over
+Middel- en Zuid-Europa, Afrika en Amerika, in zuidelijke richting tot
+aan de Kaap de Goede Hoop en tot Brazilië. Aan onze Noordzeekusten
+verschijnt zij op zijn vroegst tegen het einde van April; reeds in
+Augustus, op zijn laatst in September trekt zij weder zuidwaarts,
+om in de Middellandsche en Roode Zee, in den Indischen of in het
+zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan te overwinteren. Zij
+broedt in talrijke koloniën op eenzame, rustige plaatsen langs onze
+duinen, b.v. in Zeeland, aan den Hoek van Holland, bij Calantsoog
+en op de Noordzee-eilanden. Ieder nest bevat 2, hoogstens 3 eieren,
+die op witten, roestgeelachtigen of groenachtig witten grond met
+bleekviolette onder-, bruine middel- en donkerbruine bovenvlekken
+van zeer verschillenden vorm geteekend zijn; het broeden duurt drie
+weken; de jongen verlaten schielijk het nest.
+
+Naumann verhaalt, dat het eiland Norderoog, waar hij het broeden
+der Groote Zeezwaluwen heeft nagegaan, op eenigen afstand beschouwd,
+er uitzag, alsof het met sneeuw bedekt was, wegens het groot aantal
+Vogels op het strand, en als een lange, witte streep scherp afstak
+bij de donkere golven der zee. Door een man, die zich met eierenzoeken
+bezig hield, opgeschrikt, vloog de geheele, ontelbare zwerm plotseling
+op en vormde een onafzienbare wolk, welker bestanddeelen zich vlug
+heen en weer bewogen en op vreemdsoortige wijze door elkander heen
+wriemelden. Als men zich op de broedplaatsen begeeft, vliegen
+de Vogels laag bij den grond langs om de rustverstoorders heen;
+tallooze exemplaren verduisteren de lucht, men geraakt verbijsterd
+door hunne doordringende, krijschende stemmen. Terwijl men langzaam
+en voorzichtig met ter aarde gerichte blikken tusschen de dicht bij
+elkander gelegen nesten doorgaat, en zich moeite geeft om op geen der
+eieren te trappen, worden de Vogels zoo driest en fladderen zoo dicht
+bij den onderzoeker langs, dat zijn hoed of hoofd niet zelden met hunne
+vleugels in aanraking komt. Intusschen vallen hunne uitwerpselen zoo
+dicht bij hem neer, dat zijne kleeren er later uitzien, alsof zij
+met kalk bespat werden. De Vogels vliegen zoo dicht naast en boven
+elkander, dat de vleugels van den eenen met hoorbaar geklepper tegen
+die van de andere stuiten.
+
+Meer dan de andere inheemsche Zeezwaluwen gelijkt deze door aard en
+levenswijze op de Reuzenstern, met dit onderscheid, dat zij alleen
+op Visschen en niet op Vogels jacht maakt en ook hunne nesten niet
+uitplundert.
+
+
+
+Het Vischdiefje, ook wel Splitstaart en Starre, op Texel Middelstar, in
+Groningen Ikstern en Sterentje, in Friesland Stins, op Ameland Stans,
+op Terschelling Kobus en Jacobus, bij Oirschot Groote Venkraai genoemd
+(Sterna hirundo), heeft een dunnen, eenigszins gekromden, in dwarse
+richting tamelijk afgeronden snavel, die niet langer is dan de kop,
+zeer korte pooten met korte teenen en een 8 cM. diep gevorkten staart,
+waarachter de vleugelspitsen uitsteken. De bovenkop en de nek zijn
+zwart, de mantel en de schouders blauwachtig aschgrauw, de zijden van
+den kop, de hals, de staartwortel en alle onderdeelen wit, de slag-
+en stuurpennen op de buitenvlag blauwgrijs, op de binnenvlag wit. De
+oogen zijn donkerbruin, de pooten en de snavel koraalrood, de rug
+en de spits van den snavel zwartachtig of bruin. Totale lengte 40,
+staartlengte 17 cM.
+
+Het vaderland van het Vischdiefje omvat Europa tot aan den poolcirkel
+met een groot deel van Azië en van Noord-Amerika; zijne reizen strekken
+zich tot in Zuid-Afrika uit; meer dan andere soorten bewoont deze
+rivieren en zoetwatermeren. In ons land komt het Vischdiefje gemiddeld
+20 April en vertrekt in September; het broedt koloniesgewijs in duinen,
+lage moerassen, hooilanden en op de weilanden; men ziet het overal
+langs de binnenwateren vliegen, zelfs boven de grachten der steden.
+
+In aard en levenswijze komt het Vischdiefje overigens met de andere
+Zeezwaluwen overeen. Haar gewone geluid is het bekende "krieè";
+een zacht "kek" of "krek" geeft angst te kennen; deze klank wordt
+dikwijls herhaald bij toenemend, en in "kreiïk" veranderd, bij afnemend
+gevaar. Bij toorn roept het zoo dikwijls en haastig "krek", dat men de
+afzonderlijke geluiden bijna niet meer onderscheiden kan. Als het bij
+zijn nest verrast wordt, klinkt zijn geschreeuw als "snirrit snirrit".
+
+Het wijfje legt in het begin van Juni in een eenvoudige uitholling
+van den grond 2 of 3 vuil rosachtig witte eieren, die met paarsachtig
+grijze en rood- of zwartbruine vlekken en stippen geteekend zijn. Des
+nachts worden zij door het wijfje, over dag tijdelijk ook door
+het mannetje bebroed, in de middaguren echter aan de zonnestralen
+blootgesteld. De jongen komen binnen 16 of 17 dagen uit den dop,
+loopen spoedig uit het nest weg en verbergen zich bij gevaar tusschen
+de grootste steenen van den grindgrond of andere oneffenheden;
+alleen als de moeder door een schot gedood werd, verraden zij hun
+aanwezigheid door een klagend gepiep; na twee weken kunnen zij reeds
+fladderen en in de derde week hunne ouders vliegend volgen; eerst
+later echter doen zij dit met de behendigheid van de volwassene Vogels.
+
+
+
+Enkele malen worden aan onze kust exemplaren gevangen van twee soorten,
+die nauw aan het Vischdiefje verwant zijn: De Kustzeezwaluw (Sterna
+paradisea Brünnich) komt in grootte nagenoeg geheel met de algemeen
+bekende soort overeen, maar heeft een korteren loop (1.5 cM. in plaats
+van 2 cM.), roode pooten en een geheel rooden bek. Zij broedt aan
+de kusten van de Oostzee en op de Noordzee-eilanden, westwaarts tot
+Borkum en bezoekt nimmer de binnenwateren; op hare jaarlijksche reizen
+naar de Middellandsche zee en de westkust van Afrika, trekt zij langs
+onze kusten, waarop zij bij hevigen noordwestenwind soms aanlandt.
+
+Dougall's Zeezwaluw (Sterna Dougalli), heeft een langeren, dieper
+gevorkten staart. (Totale lengte 45, staartlengte 23 cM.). Zij heeft
+gele of roodgele pooten; haar bek is zwart met een weinig kersrood
+aan den wortel. Zij broedt aan de oostkust van Engeland, in Norfolk
+en op de Farne-eilanden in Northumberland. Eénmaal (in October) zijn
+eenige exemplaren van deze soort bij ruw weder aan de Friesche kust
+in staltnetten gevangen (Albarda).
+
+
+
+Bij de Dwergzeezwaluw, op Texel Kleinstartje, Blauwwaterstartje of
+Stare-Klikkie genoemd (Sterna minuta), zijn het voorhoofd tot aan
+de oogen, de onderdeelen en de stuurpennen wit, de bovenkop en de
+nek zwart, de mantel- en vleugelveeren aschgrauw. Het oog is bruin,
+de snavel oranje met zwarte spits, de poot oranje. De vleugelspitsen
+steken voorbij den staart uit en deze is 3 cM. diep gevorkt. Zij is de
+kleinste soort van de geheele familie. Totale lengte 22, staartlengte
+8 cM.
+
+Haar verbreidingskring strekt zich uit over vier werelddeelen: Azië,
+Europa, Afrika en Amerika; noordwaarts tot ongeveer 58, zuidwaarts tot
+ongeveer 24 N.B. Zij nestelt in Nederland aan den Hoek van Holland,
+bij Calantsoog, op Texel, Ameland en andere eilanden, op groote, buiten
+de duinen gelegen, droge zandbanken. Als zij in dezen tijd gestoord
+wordt, klinkt haar geschreeuw als "retsj"; hare gewone geluiden komen
+veel met die van het Vischdiefje overeen. In Augustus en September, na
+den broedtijd, zwerft zij rond en bezoekt dan de binnenwateren, vooral
+groote rivieren, zonder echter de zeekust geheel te vermijden. Haar
+vertrek en haar aankomst hebben ongeveer ter zelfder tijd plaats als
+die van het Vischdiefje.
+
+
+
+De Lachzeezwaluw (Gelochelidon anglica, Sterna nilotica), die een
+gelijknamig geslacht vertegenwoordigt, vormt in sommige opzichten
+een overgang van de Sterns tot de Meeuwen. Haar snavel is merkbaar
+gebogen, even lang als de loop, korter dan de kop; de kleine, met
+sterk uitgesneden zwemvliezen voorziene poot is slank en hoog, de
+staart kort en betrekkelijk ondiep gevorkt. De bovenkop en de nek zijn
+donker glanzig zwart, de mantel en de vleugeldekveeren licht aschgrauw,
+de zijden van den hals en alle onderdeelen wit; de handpennen hebben
+witte schaften, zijn op de buitenvlag licht, op de binnenvlag donker
+aschgrauw, met breede witte randen; de armpennen, die van de eerste
+tot de laatste lichter van kleur worden, zijn blauwachtig witgrijs,
+aan de spits wit gezoomd; de staartveeren hebben dezelfde kleur;
+de buitenste is op de buitenvlag bijna zuiver wit. Het oog is bruin,
+de snavel en de pooten zijn zwart. In het winterkleed hebben kop en
+nek een grijswitte kleur. Totale lengte 40, staartlengte 13 cM.
+
+De Lachzeezwaluw, hoewel alle werelddeelen bewonend, ontbreekt in
+'t noorden geheel; hare broedplaatsen zijn uitsluitend in het midden
+en het zuiden van de beide noordelijke faunistische Rijken gelegen;
+in geringer aantal komt zij voor op kleine eilanden van de Oostzee
+en sommige meren van Duitschland en Oostenrijk-Hongarije, veelvuldig
+echter in Zuid-Europa, Middel-Azië, Noord-Afrika, het zuiden van de
+Vereenigde Staten en Middel-Amerika. De reizen, die zij ieder jaar
+onderneemt, voeren haar naar het binnenland van Afrika, Zuid-Azië,
+Australië en de zuidspits van Amerika. Meer dan eenige andere Zeezwaluw
+is zij een landvogel, die ook wel van groote stroomen en zeekusten als
+heerwegen gebruik maakt, maar toch zeer dikwijls het water verlaat en
+ver in het binnenland rondzwerft. Op den trek bezoekt zij de steppen
+en zelfs de woestijnen, evenals bij ons de velden en weiden. Tweemaal
+(Aug. 1838 en Mei 1896) werd in Nederland een exemplaar van deze soort
+gevangen (bij het Brazemermeer in Zuid Holland en te Kloosterburen
+in Groningen). In vele opzichten herinnert haar levenswijze aan die
+der Meeuwen en meer bepaaldelijk van de Kapmeeuw. Evenals deze kiest
+zij tot broedplaats en winterverblijf de oevers van meren, moerassen
+en dergelijke binnenwateren en gaat van hier op roof uit. Terwijl
+zij afwisselend boven het water en boven het land zweeft, worden de
+hals en de kop recht naar voren gestrekt en is de snavel dus niet
+naar beneden gericht. Hoewel zij nu en dan een vischje buit maakt,
+zijn toch Insecten, vooral Sprinkhanen, Libellen, Vlinders, groote
+Kevers, de zittende zoowel als de vliegende, het hoofddoel van haar
+jacht; zij volgt den ploegenden landman om engerlingen uit de voren
+op te pikken; verschijnt met Valken, Wouwen, Berghanen (Helotarsus
+ecaudatus), Bijenvreters, Vorkstaartpluvieren en Ooievaars vóór de
+vuurlijn van den steppenbrand en stort zich hier, gelijk Heuglin heeft
+opgemerkt, even behendig als vermetel door de dichtste rookwolken
+heen op haar prooi; ook bezoekt zij de broedplaatsen der Strandvogels,
+zelfs die van hare verwanten, en ontrooft hun, gelijk Schilling heeft
+aangetoond, de eieren en de jongen. Dergelijke handelingen zou men
+eerder van Meeuwen dan van Zeezwaluwen verwachten. Zelfs haar stem,
+een lachend geschreeuw, dat als "hè, hè, hè" of "ef, ef, ef" klinkt,
+herinnert aan die der Meeuwen.
+
+
+
+De Moeraszeezwaluwen (Hydrochelidon) zijn forsch gebouwd, maar
+fraai van gestalte; zij hebben een zwakken snavel; lange teenen,
+welker zwemvliezen diep uitgesneden zijn, zeer lange vleugels,
+een betrekkelijk korten, ondiep gevorkten staart en een dicht,
+zacht vederenkleed, dat al naar het jaargetijde en den leeftijd niet
+onbelangrijk verschilt, maar waarin gedurende den broedtijd donker
+fluweelachtig zwart de overhand heeft.
+
+
+
+De Zwarte Zeezwaluw of Rietzwaluw, in Groningen Zwarte Ikstern,
+Bruinsteren en Zwartsteren, op Texel Zwarte star of Blauwstar,
+in Friesland Blauwe Stins of Schierstins, in Zuid-Holland Zwarte
+Vischdief, bij Oirschot Venkraai geheeten (Hydrochelidon nigra),
+heeft den kop en den nek, de borst en het midden van den buik
+fluweelachtig zwart, den mantel blauwgrijs. Het oog is bruin, de snavel
+aan den wortel rood, overigens grauwzwart, de voet bruinrood. In het
+winterkleed zijn alleen de achterkop en de nek zwart, het voorhoofd en
+de overige onderdeelen echter wit; in het jeugdkleed hebben de veeren
+van den mantel en de vleugeldekveeren roestgele zoomen. Totale lengte
+26, staartlengte 8 cM.
+
+
+
+De Witvleugelige Moeraszeezwaluw (Hydrochelidon leucoptera) is
+bijna even groot. De veeren van den romp zijn donker fluweelachtig
+zwart, de vleugels van boven blauwgrijs (de schouder en de toppen
+der armpennen echter grijswit), van onderen wit, de staartwortel
+en de stuurpennen wit. De snavel is kersrood, aan de spits zwart,
+de voet rood. Totale lengte 27, staartlengte 8 cM.
+
+
+
+De Witbaard-moeraszeezwaluw (Hydrochelidon hybrida) is de grootste
+soort van haar geslacht (totale lengte 28, staartlengte 8 cM.). De
+donkerzwarte bovenkop en nek zijn door een breede, witachtige
+teugelstreep gescheiden van den donkergrijsblauwen onderhals; de
+borst is zwart, de mantel lichtgrijs, de buik grijswit.
+
+Het broedgebied van al deze soorten is gelegen in de gematigde gewesten
+van de beide noordelijke faunistische Rijken. De eerstgenoemde
+broedt ook in ons land, terwijl de beide overige hier niet en in
+Duitschland zelden voorkomen. De Rietzwaluw komt met de Zeezwaluwen
+bij ons aan en trekt ongeveer terzelfder tijd naar 't zuiden; zij
+vestigt zich echter niet aan de zeekust of aan rivieren en stroomen,
+maar in uitgestrekte broeklanden en moerassen, dus uitsluitend bij
+stilstaand water. Gedurende de reis vormt zij vluchten van 20 à 1000
+stuks, die de stroomen volgen; in hun nabijheid houdt zij zich geruimen
+tijd op bij plaatsen, waar het water buiten de oevers getreden is en
+het omliggende land in een moeras veranderd heeft; voor 't overige
+vermijdt zij de zee en de rivieren.
+
+Van de andere Sterns onderscheiden de Moeraszeezwaluwen zich niet
+alleen door haar woonplaats, maar ook door de wijze waarop zij
+zich bewegen, voeden en voortplanten. Zij loopen even zelden en
+even slecht als de overige, zwemmen zelden en niet beter dan zij,
+vliegen minder onstuimig en niet zoo zwaaiend, maar zachter en losser,
+daarom bevalliger en met meer afwisseling, zoodat zij een aangenaam
+schouwspel opleveren. Hevige wind of storm maken haar het vliegen bijna
+onmogelijk, omdat hare vleugels nog meer dan die van hare verwanten
+buiten alle verhouding tot het kleine lichaam en de zwakke krachten
+schijnen te staan. Hun voedsel bestaat uit allerlei water-insecten
+en Spinnen.
+
+De Moeraszeezwaluwen nestelen te midden van het moeras; doch doen
+dit steeds op een geheel andere wijze dan de overige Sternvogels. Zij
+bouwen haar nest op zeer kunstlooze wijze van bladen, halmen, pluimen,
+worteltjes enz. tusschen waterplanten, zoodat het veelal direct op
+het water rust. In Juni legt de inheemsche soort hare drie eieren;
+deze zijn op geel of groenachtig olijfkleurigen grond, bruingrijs,
+rood en zwartbruin gevlekt.
+
+In Italië wordt ook op deze Vogels jacht gemaakt.
+
+
+
+Van de uitheemsche Sterns, die zich door haar levenswijze
+onderscheiden, verdient de Feeënzeezwaluw (Gygis alba) vermelding,
+de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht. Zij is slank gebouwd,
+haar zilverwit kleed is als zijde zoo zacht, hare oogen zijn zwart,
+de pooten saffraangeel; de snavel is aan den wortel donkerblauw,
+aan de spits zwart. Totale lengte ongeveer 30, staartlengte 9 cM.
+
+Deze door schoonheid uitmuntende Vogel bewoont de tusschen de
+tropen gelegen eilanden van Polynesië en van den Indischen Oceaan,
+maar dwaalt soms af naar den Atlantischen Oceaan; ook hier echter
+overschrijdt hij in den regel de keerkringen niet. Op de kusten
+van alle eilanden binnen den genoemden aardgordel komt hij in
+grooten getale voor. Aan de zuiver witte kleur van zijn kleed en
+aan zijn bevallige wijze van vliegen dankt hij zijn naam. Ook zijn
+levenswijze is merkwaardig. Tot rustplaats kiest hij bij voorkeur
+dichte, schaduwrijke wouden, waar hij zich op boomen neerzet. Prachtig
+steekt zijn wit gevederte af bij het donkergroene loover, wanneer hij
+behendig tusschen de boomen rondvliegt, o.a. bij het vervolgen van
+een indringer in zijn heiligdom. Het wijfje legt slechts één ei op
+een horizontalen tak en wel op een plaats, die juist vlak genoeg is
+om te voorkomen, dat de storm het legsel naar beneden werpt. Het jong
+blijft op deze gevaarlijke plaats, totdat het heeft leeren fladderen,
+voor zoover het ontkomt aan het niet zelden dreigend gevaar van, naar
+beneden tuimelend, den dood te vinden. De jongen worden grootgebracht
+met vischjes, misschien ook wel met Insecten en Spinnen, die in de
+boomkroon gezocht zijn.
+
+
+
+In soortgelijke betrekking als de Uilen tot de Scharrelaars, staan de
+Schaarbekken (Rhynchopsinae) tot de Sterns: zij zijn nachtvogels. Hun
+snavel, welks onderkaak ver voorbij de bovenkaak uitsteekt, is reeds
+bij den wortel zoo buitengewoon smal, dat de beide kaken met de beide
+bladen van een schaar vergeleken kunnen worden. De betrekkelijk lange,
+vettige veeren liggen dicht tegen het lichaam aan.
+
+Aan den middelloop en den bovenloop van den Nijl ontmoet men een soort,
+die wij kortweg Schaarbek zullen noemen (Rhynchops flavirostris). Bij
+dezen zijn het voorhoofd, het aangezicht, de staart en de onderdeelen
+benevens de spitsen van de groote vleugeldekveeren wit, de bovenkop, de
+achterhals, de nek en de mantel zwartbruin. Het oog is donkerbruin, de
+snavel geel, de voet koraalrood. Totale lengte 45, staartlengte 7 cM.
+
+[Een andere soort (met gelen bek en witten halsband: Rhynchops
+albicollis) bewoont Indië, de derde (met rooden, aan de spits zwarten
+snavel: Rhynchops nigra) Amerika.]
+
+De Schaarbek vliegt over dag even goed als 's nachts, maar doet dit
+alleen, wanneer hij opgeschrikt wordt. Gewoonlijk ligt hij bewegingloos
+op een zandbank; meestal plat op den buik, zeldzamer op de kleine,
+zwakke pootjes rustend. Tegen zonsondergang, bij donker weer ook
+reeds in de late namiddaguren, wordt hij wakker, beweegt zich en rekt
+zich uit, heft de vleugels op en begint heen en weer te trippelen
+en te schreeuwen; als de nacht is aangevangen, vliegt hij uit om
+voedsel te zoeken. Pechuel-Loesche zag hem trouwens in Neder-Guinea
+hiermede ook over dag bezig. Met langzame vleugelslagen glijdt hij,
+zonder gedruisch te maken, op korten afstand boven den waterspiegel,
+van tijd tot tijd den ondersnavel verscheidene minuten achtereen in
+'t water houdend en dit op deze wijze doorploegend; intusschen vangt
+hij de Insecten, die aan de oppervlakte zwemmen; deze maken, althans
+in de Nijllanden, zijn voornaamste voedsel uit.
+
+
+
+De Meeuwen (Larinae) zijn goed gebouwde krachtige Vogels van zeer
+verschillende grootte, daar de kleinste soort nauwelijks een Kauw
+in omvang overtreft, terwijl de grootste in dit opzicht een Arend
+evenaart. Haar romp is forsch ontwikkeld, de snavel middelmatig lang,
+zijdelings sterk samengedrukt, tot aan het midden van den rug recht,
+van hier af flauw haakvormig naar beneden gebogen; de middelmatig hooge
+voet heeft een slanken loop en zwemvliezen tusschen de voorteenen;
+de vleugel is groot, lang en breed, hoewel smal toegespitst; de
+middelmatig lange, breede staart bestaat uit 12 pennen en is aan
+den top recht, zeldzamer ondiep uitgesneden; het zeer dichte,
+maar zachte vederenkleed heeft op de onderdeelen het voorkomen
+van een vacht; het vertoont teere en bevallige, over 't algemeen
+overeenstemmende kleuren, die in den zomer en in den winter, bij
+jongen en bij volwassenen meestal verschillen.
+
+Men onderscheidt ongeveer 85 soorten van Meeuwen, die over alle
+deelen der aarde verbreid zijn, en alle zeeën verlevendigen. Weinige
+soorten verwijderen zich ver van het land; zij die het doen, keeren
+altijd spoedig weer terug; eigenlijk moet men ze dus als kustvogels
+aanmerken. Voor den schipper zijn zij de betrouwbaarste voorboden
+van het land: als zij om een vaartuig heenvliegen, is het land niet
+meer veraf. Liever dan naar de open zee vliegen zij tot diep in
+het binnenland, waarbij zij den loop van groote stroomen volgen,
+of zich van het eene water naar het andere begeven. Enkele soorten
+geven trouwens de voorkeur aan binnenwateren en kiezen deze tot
+verblijfplaats, althans gedurende den voortplantingstijd. Vele
+soorten behooren tot de trekvogels, verschijnen in hun noordelijk
+gelegen vaderland, als de lente gekomen is, broeden en begeven zich
+in 't najaar weer op de terugreis, andere zwerven meer of minder
+geregeld rond. Deze veranderingen van verblijfplaats hangen ten nauwste
+samen met de voeding. Voor alle Meeuwen zijn Visschen een zeer gewild
+voedsel; vele van hen behooren echter tot de ijverigste insectenjagers;
+juist deze zijn gedwongen om geregeld te trekken, terwijl de overige
+op plaatsen, waar de zee niet met ijs bedekt wordt, ook 's winters
+nog een welvoorzienen disch vinden. Behalve op deze beide voornaamste
+voedingsmiddelen maken zij jacht op alle kleine dieren, die de zee
+bewonen en zoeken allerlei andere dierlijke stoffen op. Zij eten
+aas als de Gieren, vervolgen een levenden buit als de Roofvogels en
+zoeken het op 't strand liggende voedsel bijeen als de Duiven of de
+Hoenderen, kortom zij zijn even veelzijdig als de Raven, maar gretiger
+en vraatzuchtiger dan deze; ook zij worden, naar 't schijnt, door
+een voortdurenden honger gekweld en zijn letterlijk niet te verzadigen.
+
+Bevallig zijn haar gestalte en haar kleur, lieftallig hare bewegingen,
+ook de werkzaamheid der Meeuwen is aantrekkelijk. Haar houding op den
+vasten grond noemen wij edel, omdat zij een zekere fierheid verraadt;
+zij gaan goed en betrekkelijk snel. Haar bekwaamheid in 't zwemmen
+overtreft die van de meeste overige leden harer orde: licht als ballen
+schuim rusten zij op de golven, met welker sombere tinten hare heldere
+kleuren zulk een levendige tegenstelling vormen, dat de indruk,
+dien het zeegezicht wekt, er niet weinig door verhoogd wordt. Zij
+vliegen met langzame vleugelslagen, maar wisselen deze beweging
+dikwijls af met een langdurig drijven op hare wieken; zij doen dit
+zonder merkbare inspanning, als 't ware spelenderwijs, en herinneren
+dan door lichtheid en schoonheid van houding aan de breedvleugelige
+Valken. Minder goed dan de Zeezwaluwen verstaan zij de kunst om,
+boven het water zwevend, den gewenschten buit op te sporen en, uit
+de lucht er op neerschietend, hem te vangen. Wanluidend is haar stem,
+welker krijschende en krassende tonen in verschillende toestanden met
+meer of minder kracht uitgestooten en bij hevige gemoedsbewegingen
+eindeloos vaak herhaald worden. Onder hare zintuigen zijn die van
+het gezicht en van het gehoor het hoogst ontwikkeld.
+
+Alle Meeuwen zijn schrandere, verstandige Vogels, die de omstandigheden
+goed weten te beoordeelen en hare handelingen hiervan laten afhangen;
+alle zijn moedig bij ontmoetingen met andere dieren; zij toonen
+zelfvertrouwen, eenige neiging tot heerschen, en een trouwe liefde
+voor gade en kroost; zij zijn op het gezelschap hunner soortgenooten
+gesteld, maar nijdig, afgunstig en wantrouwig jegens andere Vogels;
+zonder aarzeling wordt de schijnbaar aanwezige vriendschap verbroken,
+wanneer deze in strijd geraakt met de vraatzucht. Den mensch wantrouwen
+zij allerwege en in alle omstandigheden; toch verschijnen zij telkens
+weer in zijn nabijheid, bezoeken iedere haven, ieder dorp aan de
+kust, vliegen om ieder schip, dat in zee gaat of het land nadert, en
+wagen zich zoo ver, als in 't gegeven geval raadzaam schijnt, omdat
+zij door ervaring geleerd hebben, dat het afval uit de huishouding
+van den mensch voor hen nog veel bruikbaars bevat. Na veelvuldig
+herhaalde bezoeken aan bewoonde oorden leeren zij niet slechts deze,
+maar ook enkele daar levende personen onderscheiden. Zij toonen daarom
+op plaatsen, waar zij dikwijls en ongestoord iets buit hebben gemaakt,
+een zeer groote gemeenzaamheid of liever driestheid; daarentegen worden
+die, waar zij een onaangename bejegening ondervonden, vermeden of met
+groote omzichtigheid bezocht. Een Meeuw, die op een of andere wijze
+benadeeld werd, is gewoon van zijn ervaring mededeeling te doen aan
+al zijne metgezellen. Over 't algemeen heerscht onder hen de beste
+verstandhouding, wanneer het er op aankomt zich te verzetten tegen
+een gevaar, dat allen bedreigt: Roofvogels, Roofmeeuwen en Raven
+of Kraaien worden door alle Meeuwen uit de buurt te gelijker tijd
+aangevallen en gewoonlijk op de vlucht geslagen.
+
+Buiten den broedtijd kan het voorkomen, dat men oude Meeuwen
+alleen ziet, gedurende den broedtijd echter vereenigen de leden
+van iedere soort zich tot troepen, die niet zelden tot ontelbare
+zwermen aangroeien. Reeds in Nederland en Noord-Duitschland vindt
+men "meeuwenbergen", die door verscheidene honderden paren bewoond
+worden; in noordelijker gewesten komen koloniën voor, waarvan het
+aantal bewoners zelfs niet bij benadering te bepalen is. Ook hier
+blijven de leden van groote soorten minder nauw aaneengesloten dan de
+kleinere vertegenwoordigers van de familie; deze echter bedekken in
+den letterlijken zin van 't woord geheele rotswanden of bergen, maken
+gebruik van iedere hier aanwezige ruimte en plaatsen het eene nest
+dicht bij het andere, zoodat de broedende ouders dicht opeengedrongen
+zitten. De voorbereidende werkzaamheden verschillen in verband met de
+plaatselijke gesteldheid; daar, waar geen gebrek is aan bouwstoffen,
+wordt aan het nest eenige moeite besteed; het is dan van water- en
+strandplanten los en kunsteloos samengevoegd; daar, waar zulke stoffen
+ontbreken, is de inrichting zoo eenvoudig mogelijk. Het nest bevat, als
+'t broeden begint, 2 à 4 groote eieren van gewonen vorm; hun dikke,
+grofkorrelige schaal is op vuil-groenachtigen, bruingroenachtigen
+of groenachtig bruinen grond aschgrauw en zwartbruin gevlekt. Het
+mannetje en het wijfje broeden beurtelings gedurende 3 of 4 weken,
+bij slecht weer ijveriger dan bij zonneschijn. Beide ouders toonen
+een buitengewone gehechtheid aan hun kroost; zoodra het gevaar loopt,
+vergeten zij de zorg voor eigen veiligheid. De jongen komen in een
+dicht, gevlekt, donzig kleed uit de eischaal; op plaatsen, waar zulks
+mogelijk is, verlaten zij reeds in de eerste levensdagen het nest en
+houden zich verder op het strand op, waar zij zich ingeval van nood
+tusschen de oneffenheden van den bodem verbergen, of in het water hun
+toevlucht zoeken; zij, die op uitstekende punten van steile rotsen het
+eerste levenslicht aanschouwden, moeten echter hier blijven, totdat
+hunne slagpennen zich ontwikkeld hebben. Aanvankelijk krijgen de jongen
+half verteerd voedsel, dat de ouders voor hen uitbraken; later worden
+zij met versch gevangene of opgegaarde dierlijke stoffen gevoed. Na
+het uitvliegen blijven zij nog eenigen tijd bij hunne ouders, verlaten
+de broedplaatsen en verstrooien zich in alle richtingen.
+
+In het hooge noorden rekent men de Meeuwen niet slechts tot de
+schoonste, maar ook tot de nuttigste Vogels der aarde. Voor eenige
+grondeigenaars van Noorwegen bestaat een belangrijk deel van de
+opbrengst hunner bezitting uit meeuweneieren; deze worden overal
+heen verzonden en betrekkelijk duur betaald. Meeuwenveeren vervangen
+bij de arme Nordlanders het eiderdons en de ganzeveeren, die door
+de rijkere bewoners als vulsel van bedden worden gebruikt. Van het
+vleesch der oude Meeuwen maken slechts eenige van de noordelijkste
+volken gebruik. Jonge Meeuwen echter worden op Helgoland, IJsland
+enz. gaarne gegeten en leveren na een behoorlijke toebereiding ook
+werkelijk een smakelijk gerecht; overal echter wordt meer prijs gesteld
+op de eieren en de veeren dan op het vleesch dezer Vogels. In eenige
+streken worden ieder jaar groote meeuwenjachten gehouden, meer uit
+moordlust, dan om het voordeel, dat deze dieren kunnen opleveren;
+in de noordelijkere gewesten vervolgt men ze evenwel niet. Een omhoog
+geworpen witte zakdoek is voldoende om een Meeuw aan te lokken. Als
+men er eerst één heeft gedood, komen spoedig vele andere aanvliegen,
+daar iedere Meeuw, die een wit voorwerp boven uit de lucht naar beneden
+in 't water ziet storten, meent, dat op deze plek een goede vangst
+te maken is; zij begeeft zich uit jaloezie naar hier om er een deel
+van te verkrijgen. De vangst heeft op verschillende wijzen plaats:
+men zet strikken op de zandbanken, voorziet netten met Visschen als
+lokaas, werpt hoeklijnen uit, waaraan een stuk spijs bevestigd is en
+bereikt op deze of op gene wijze het beoogde doel. De levend gevangen
+Vogels kan men gemakkelijk in 't leven houden; zij zijn echter dure
+kostgangers, daar men hen met Visschen of vleesch moet voeden om
+hunne behoeften te bevredigen. Indien dit geschiedt, schikken zij zich
+spoedig in hun lot, geraken gewoon aan de kooi en aan hun verzorger,
+weten hem zeer goed te onderscheiden van andere menschen, begroeten
+hem met vroolijk geschreeuw, zoodra hij zich vertoont, antwoorden,
+wanneer hij hen roept, kortom, worden bijna even tam als een Raaf;
+ook planten zij zich in de gevangenschap voort, wanneer men hun een
+groote kooi tot woonplaats geeft.
+
+
+
+Het soortenrijkste geslacht van de geheele onderfamilie is dat der
+Meeuwen i.e.z. (Larus). Deze hebben een forschen snavel zonder washuid
+en met haakvormige spits, langwerpige, spleetvormige neusgaten in
+'t midden van den bovensnavel; de eerste handpen is de langste, de
+staart recht afgesneden, de loop bijna zoo lang als de middelste teen;
+de achterteen is aanwezig.--Verreweg de meeste en tevens de grootste
+en krachtigst ontwikkelde van de 60 leden van dit geslacht behooren
+tot de groep der Zeemeeuwen. Bij deze is het verschil tusschen het
+zomerkleed en het winterkleed gering; hun kop is zoowel 's zomers
+als 's winters wit. De jongen zijn meestal bruinachtig van kleur,
+de ouden wit met grijze of blauwachtig zwarte vleugels en rug. Zij
+houden zich meer uitsluitend aan de zeekust op en verrichten hier met
+de Stormvogels en de Albatrossen hetzelfde werk als de Gieren op het
+land: zij verslinden n.l. allerlei dierlijke overblijfselen.
+
+
+
+Een der grootste soorten is de Burgemeester (Larus glaucus), die in
+'t hooge noorden broedt, doch in December en Januari niet zeldzaam
+is aan onze kust (voor 't meerendeel zijn dit Vogels in 't eerste
+levensjaar). De mantel en de rug zijn teer blauwgrijs, de groote
+slagpennen licht blauwachtig grijs, alle overige deelen wit. De
+vleugels reiken bijna niet voorbij den staart. Het oog is stroogeel,
+de snavel citroengeel, de hoek van de onderkaak met een roode,
+overlangsche vlek versierd, de voet lichtgeel. Totale lengte 75,
+staartlengte 22 cM. Het winterkleed is aan den hals flauw bruinachtig
+gevlekt.
+
+
+
+De Kleine Burgemeester (Larus leucopterus), die 's winters zeer zelden
+op onze kust voorkomt, verschilt van de vorige soort door geringere
+grootte en langere vleugels (5 cM. voorbij den staart uitstekend),
+voorts door de zuiver witte handpennen en de roodachtige voeten. Totale
+lengte 65, staartlengte 19 cM.
+
+
+
+Van de beide vorige soorten verschilt de Zilvermeeuw, in Groningen
+ook Kaap en Kobbe genoemd (Larus argentatus), door den iets donkerder
+gekleurden, blauwachtig grijzen mantel; dezelfde kleur hebben de
+vleugels. De schouderveeren en groote bovenvleugeldekveeren zijn echter
+aan 't einde wit gezoomd, de beide eerste handpennen nagenoeg geheel
+zwart en op de witte spits met een zwarten band geteekend, de volgende
+grootendeels en in toenemende mate grijs, doch vóór de witte spits
+zwart. De snavel is geel, de voet geelachtig vleeschkleurig. Totale
+lengte 65, staartlengte 18 cM. In den winter zijn de kop en de hals
+grijsbruin gevlekt.
+
+Het broedgebied van deze soort omvat bezuiden den evenaar de Poolzee
+en in 't noorder halfrond deelen van de Oude en van de Nieuwe Wereld,
+het reikt in Amerika van Labrador tot Cuba, in Europa van 71° N. B. tot
+de Middellandsche Zee; talrijk broedt zij in Europa aan de kusten van
+de Noordzee. Aan onze kust gedurende het geheele jaar zeer gemeen,
+nestelt zij in de duinen, vooral van de Noordzee-eilanden en wel
+het meest op Rottum; een dergelijke broedkolonie komt voor op het
+eiland Sylt. Op haar winterreis bezoekt zij alle Europeesche kusten,
+ook die van de Middellandsche en Zwarte Zee en dringt dikwijls ver in
+'t binnenland door. In Noord-Amerika nestelen soms geheele koloniën op
+boomen, soms wel 12 M. boven den grond. Hare eieren zijn olijfgroen,
+met grijze en bruine vlekken.
+
+
+
+De Kleine Zeemeeuw, Stormmeeuw, Wintermeeuw of Zeekob (Larus canus)
+broedt in 't Noorden van de Oude Wereld en is van October tot
+April zeer talrijk op onze kust. Zij begeeft zich dan ook langs
+de binnenwateren, zelfs ziet men haar langs de grachten der groote
+steden vliegen. Bij stormachtig weer komt zij in groote vluchten diep
+landwaarts, waar zij soms op boomen zittend wordt aangetroffen. Zij
+volgt ook gaarne den ploeg, en verslindt zeer vele, zoowel levende als
+doode Muizen in de weilanden. Te Amsterdam overwintert zij gewoonlijk
+in grooten getale. Ook in het zomerhalfjaar is zij hier vrij gemeen,
+zonder er echter te broeden. Vroeger broedde een kleine kolonie
+op Texel, doch thans niet meer (Albarda).
+
+Zij heeft ongeveer dezelfde kleuren als de vorige soort, maar verschilt
+er o.a. van door de verdeeling van het wit en het zwart over de eerste
+handpennen (van de 1e en de 2e is de spits zwart). Totale lengte 45,
+staartlengte 14 cM. Hare eieren zijn okergeel met grijze en bruine
+vlekken.
+
+
+
+Van de Meeuwen met donkere bovendeelen is de Mantelmeeuw, in Groningen
+Zeekaag, op Texel Kokmeeuw genoemd (Larus marinus), de grootste. De
+kop, de hals en de nek, de geheele onderzijde, de onderrug en de
+staart zijn schitterend wit, de bovenrug en de vleugels leikleurig
+blauwzwart, de spitsen van de slagpennen wit. Het oog is zilvergrijs,
+de oogring vermiljoenrood, de snavel geel met een hoogroode vlek aan
+de onderkaak vóór de spits, de voet licht grijsgeel. Totale lengte 73,
+staartlengte 20 cM.
+
+Het noorden van de aarde tusschen 60 en 70° N.B. is het vaderland van
+deze Meeuw. Bij ons broedt zij niet. Gedurende den winter bezoekt zij
+geregeld de kusten van de Noord- en Oostzee, zwerft langs de kust ook
+naar Zuid-Europa en nog verder zuidwaarts. Van September tot Mei is
+zij zeer algemeen aan onze kust; jonge Vogels vindt men hier reeds
+gedurende den zomer, soms ook oude (waarschijnlijk zulke, welker in
+noordelijker streken gelegen nest verstoord werd); zij broedt hier
+echter niet. Onder hare verwanten is zij, in overeenstemming met
+haar grootte, een van de ernstigste en bedaardste; toch kan men haar
+zoomin naar het lichaam als naar den geest traag noemen; integendeel
+zij houdt van beweging en bedrijvigheid. Haar stem klinkt diep en
+heesch als "ach-ach-ach", in opgewonden toestand als "kjau", welk
+geluid op zeer verschillende wijzen geïntoneerd kan worden. Visschen
+van verschillende grootte maken haar voornaamste voedsel uit; lijken
+van Zoogdieren zijn voor haar een zeer gewilde spijs; ook vangt zij
+Lemmingen, jonge en zieke Vogels, rooft de eieren van de zwakkere
+zeevogels en zoekt aan 't strand allerlei Wormen en andere kleine
+dieren op. Als de schaal of schelp van haar buit te hard is, vliegt
+zij er mede omhoog en laat hem van een aanzienlijke hoogte op de rotsen
+te pletter vallen. In de gevangenschap geraakt zij spoedig gewoon aan
+'t eten van brood en beschouwt dit ten slotte als een lekkernij.
+
+
+
+De Kleine Mantelmeeuw (Larus fuscus) gelijkt nagenoeg volkomen op de
+vorige soort behalve wat de grootte betreft; de vleugels steken bij
+haar iets verder voorbij den staart uit, de witte banden aan de spits
+van de slagpennen zijn smaller, de pooten zijn geel. Totale lengte 60,
+staartlengte 15 cM.
+
+Zij broedt in het noorden van Europa en zelfs in Groot-Britannië,
+maar niet aan onze kusten, waar zij echter soms in menigte en reeds
+in September aankomt om verder te trekken of hier te overwinteren. Ook
+in de Zuiderzee komt zij voor en vergezelt er de haringscholen.
+
+
+
+Kapmeeuwen (Chroicocephalus) noemt men die soorten, welke in het
+zomerkleed den kop en den bovenhals min of meer donker gekleurd
+hebben. Zij houden zich bij voorkeur in de nabijheid van binnenwateren
+op en maken dikwijls haar nest tusschen waterplanten.
+
+De verst verbreide en meest algemeen bekende soort van deze groep is
+de Kokmeeuw, Kapmeeuw of Lachmeeuw, in Friesland Kob genaamd [Larus
+(Chroicocephalus) ridibundus]. De bovenkop en de voorhals zijn
+roetbruin, de nek, de onderdeelen, de staart en de slagpennen tot
+dicht bij de spits wit, de mantelveeren licht blauwgrijs, de spitsen
+van de slagpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de ooglidrand rood,
+de snavel en de voet karmijnrood. In het winterkleed ontbreekt de
+kap. Totale lengte 42, staartlengte 13 cM.
+
+Zij bewoont een groot deel van Europa, Azië en Afrika en houdt
+zich hier te lande op van Maart tot October. Zij broedt in koloniën
+op moerassige plaatsen, nabij meren en plassen, in Zeeland aan de
+binnenzijde der duinen, alsmede op de eilanden. Na den broedtijd,
+in September, verlaat zij het binnenland, overwintert in grooten
+getale aan de kust en is in dit jaargetijde met de Kleine Zeemeeuw
+talrijk boven de binnengrachten van Amsterdam (Albarda).
+
+
+
+De Kleine Kokmeeuw [Larus (Chroicocephalus) capistratus], misschien
+slechts een verscheidenheid van de vorige soort, is een weinig kleiner
+en zwakker dan deze, ook zijn de bek en de pooten donkerder rood. Nu
+en dan komt zij op den voorjaarstrek in kleine vluchten tot ons over;
+des zomers speelt zij de rol van onze Kokmeeuw in Schotland en Ierland.
+
+Een bekoorlijke Vogel is de Dwergmeeuw [Larus (Chroicocephalus)
+minutus], de kleinste van alle bekende Meeuwen. Haar kop is donker
+roetzwart, de mantel teer licht blauwgrijs, de nek wit, de onderzijde
+wit met een rozerood waas, de staart wit; de licht blauwgrijze
+slagpennen hebben breede, witte spitsen. In het winterkleed is de kap
+slechts flauw te onderscheiden en de onderzijde wit. Het oog is bruin,
+de snavel zwartachtig rood, de voet koraalrood. Totale lengte 28,
+staartlengte 9 cM.
+
+Als brandpunt van haar broedgebied moet men Oost-Europa en West-Siberië
+aanmerken; van hier uit bezoekt zij in den winter Zuid-Azië,
+Zuid-Europa en Noord-Afrika. Zeldzaam komen enkele exemplaren van
+deze soort in de wintermaanden aan onze kusten voor; in enkele jaren,
+vooral bij stormweder, verschijnt zij er in troepen, zonder er te
+vertoeven. "Naar het schijnt, heeft deze soort vroeger aan den Hoek
+van Holland gebroed. Daar zij dit echter nooit aan zee doet, zal het
+waarschijnlijk zijn geweest aan een toen daar bestaand meertje, hetwelk
+later is verdwenen. Al mijne pogingen om van daar, van Calantsoog
+of van de eilanden eieren te verkrijgen, waren vruchteloos, zoodat
+ik van meening ben, dat deze soort niet meer tot onze broedvogels
+behoort. Zij heeft trouwens geen bekende broedplaatsen meer in Europa,
+dan westelijk van de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen." (Albarda).
+
+
+
+De Kokmeeuw, wiens levensgeschiedenis een tamelijk zuiver beeld
+kan geven van den aard en de gewoonten der inheemsche Kapmeeuwen,
+wordt in Midden-Europa aan plassen, meren, rivieren of moerassen
+aangetroffen. Vroeger was zij meer algemeen verbreid dan thans:
+de toenemende bebouwing van den bodem heeft haar verdrongen uit
+vele gewesten, die zij thans nog geregeld op den trek bezoekt. In
+Zuid-Europa blijft zij het geheele jaar door bij hare broedplaatsen;
+ons vaderland verlaat zij reeds in September om in Maart terug
+te keeren uit het Middellandsche-zee-gebied, waar zij den winter
+doorbrengt. De zee bezoekt zij slechts in dit jaargetijde. Zelfs komt
+het zelden voor, dat de Kokmeeuwen op een eiland dicht bij de kust
+broeden. Het liefst vestigen zij zich bij zoet water, dat door akkers
+omgeven is. Steeds broeden zij gezellig, broedkoloniën vormend, die
+in den regel uit honderden en zelfs duizenden paren bestaan, zoodat
+de nesten in een kleine ruimte zoo dicht mogelijk opeengedrongen
+zijn. In Friesland worden in deze koloniën, "kobbevlechten" genaamd,
+de eieren ijverig geraapt; men laat echter ieder van de Vogels één
+ei uitbroeden, uit vrees dat zij anders de plaats verlaten (Albarda).
+
+De Kokmeeuw broedt ook in menigte op de Zeeuwsche eilanden langs de
+binnenzijde der duinen. Na veel getwist en geschreeuw over de plaats,
+die ieder paar zal innemen, worden de nesten gebouwd op kleine, door
+open water of door moerassig land omgeven pollen riet of biezen,
+rietstoppels of hoopen afgesneden riethalmen, soms ook in het
+moeras tusschen het gras, steeds echter op moeielijk toegankelijke
+plaatsen. Nadat door het neerdrukken van het riet of gras een kuiltje
+gevormd is, worden hierin moerasplanten, stroo enz. opgehoopt en deze
+met zachtere stoffen bekleed. In ieder nest worden 2 of 3, zelden
+4, eieren gelegd. Deze zijn geel- of grijsachtig olijfgroen en met
+bruine vlekken bedekt. Het broeden neemt een aanvang in het begin
+van Mei. Het mannetje en het wijfje doen dit om beurten; 's nachts
+zitten zij voortdurend op de eieren, gedurende de middaguren wordt de
+zonnewarmte voldoende geacht. De jongen, die na 18 dagen uit den dop
+komen, zijn drie à vier weken later in staat om te vliegen. Indien het
+nest door water omgeven is, verlaten zij het in de eerste levensdagen
+niet; op kleine eilandjes echter loopen zij al spoedig naar buiten,
+maar blijven aanvankelijk op den vasten grond. De jongen, die een
+week oud zijn, begeven zich reeds nu en dan te water; in de tweede
+week beginnen zij te fladderen, reeds in de derde kunnen zij zich
+tamelijk goed zelf redden. De ouders zijn in de hoogste mate bezorgd
+voor de veiligheid van hun kroost en duchten voortdurend gevaar. Iedere
+Roofvogel, die in de verte zichtbaar is, iedere Kraai, iedere Reiger
+brengt hen in een toestand van opgewondenheid; onder luid geschreeuw
+vliegen alle op, zelfs de broedende Vogels verlaten de nesten om met
+de overige den vijand aan te vallen en alle middelen aan te wenden om
+hem te verjagen. Met woede schieten zij op een Hond of een Vos neer;
+in enge kringen vliegen zij om een naderend mensch heen. Met ware
+vreugde vervolgen zij hun belager, als deze zich terugtrekt. Eerst
+geruimen tijd later komen de opgewonden Vogels tot bedaren.
+
+De Kokmeeuw beweegt zich op een zeer bevallige en behendige wijze en
+zonder merkbare inspanning. Zij loopt snel en geruimen tijd achtereen,
+volgt soms uren lang den ploegenden landman of houdt zich op weiden en
+akkers met de vangst van Insecten bezig; zij zwemt zeer sierlijk, maar
+niet bepaald snel en vliegt zacht, als 't ware op haar gemak. Hoewel
+voorzichtig en eenigszins wantrouwig van aard, vestigt zij zich gaarne
+in de onmiddellijke nabijheid van woningen van menschen, doet onderzoek
+naar hun gezindheid en richt hiernaar hare handelingen in. In alle
+buurtschappen, die dicht bij hare broedplaatsen of bij de zee gelegen
+zijn, gedraagt zij zich half en half als een huisvogel: onbezorgd
+oefent zij hier haar bedrijf uit, wel bewust, dat niemand haar kwaad
+zal doen. Haar stem is zeer wanluidend: de loktoon klinkt krijschend
+als "krie"; "kek" en "sjerr" zijn de geluiden voor het gezellig
+verkeer; woede wordt uitgedrukt door een krijschend "kerrekkektek,"
+of een heesch "gier," dat gewoonlijk door "krie" wordt gevolgd.
+
+Insecten en kleine vischjes zullen wel de hoofdbestanddeelen van het
+voedsel van de Kokmeeuw zijn; een Muis wordt echter niet versmaad en
+ook van een kreng wordt partij getrokken.
+
+In Noord-Duitschland bestaat de gewoonte om op een bepaalden dag tegen
+de onschuldige Kokmeeuwen te velde te trekken en een verdelgingsoorlog
+tegen haar te voeren, die aan honderden Vogels het leven kost. Deze
+nuttelooze slachting, die onder den naam van "meeuwenschieten" als
+een soort van volksfeest wordt beschouwd, herinnert aan de ruwheid
+van zeden der bewoners van Zuid-Europa en is op geenerlei wijze te
+verontschuldigen.
+
+Gevangen Kokmeeuwen zijn allerliefste huisgenooten, vooral die, welke
+jong uit het nest genomen worden. Zij moeten met vleesch en visch
+gevoederd worden, maar geraken ook aan 't eten van brood gewoon,
+zoodat haar onderhoud eigenlijk niet veel kost. Als men zich veel
+met haar bemoeit, worden zij weldra zeer tam, loopen haar verzorger
+als een Hond na, begroeten hem vol vreugde, als hij zich vertoont en
+volgen hem later vliegend over 't erf, in den tuin en ook wel naar
+buiten in 't veld.
+
+
+
+"Wie nog nooit een met Drieteenige Meeuwen bezetten vogelberg gezien
+heeft," zegt Holböll, "kan zich zoomin van de schoonheid als van
+het aantal dezer Vogels een goed denkbeeld vormen. Men zou zulk
+een meeuwenberg misschien kunnen vergelijken met een reusachtige
+duiventil, bewoond door millioenen Duiven van gelijke kleur. De berg
+Inoejoeatock is een kwart mijl lang en over zijn geheele lengte meer
+of minder sterk bezet met verschillende soorten van Meeuwen en dit
+tot op zulk een hoogte, dat de bovenste Vogels zich slechts als witte
+puntjes vertoonen."--Korter en schilderachtiger drukt Faber zich
+uit. "Op Grimsö's vogelbergen nestelen zij in zoo grooten getale,
+dat zij bij hun opvliegen de zon verduisteren, als zij zitten,
+de rotsterrassen bedekken, door hun geschreeuw de ooren verdooven
+en in den broedtijd de groene kleur van de met lepelblad begroeide
+rotsen in wit veranderen."--Toen ik gereed was om een reis naar
+Lapland te doen, had ik natuurlijk beide beschrijvingen gelezen,
+een juiste voorstelling van een meeuwenberg kreeg ik echter eerst op
+den voor mij onvergetelijken 22en Juli, bij het voorbijvaren van het
+voorgebergte Suärholm niet ver van den Noordkaap; ik kreeg haar eerst,
+nadat mijn waarde vriend, de gezagvoerder van den poststoomboot,
+die mij overvoerde, een kanon had laten afschieten om de Meeuwen
+op te jagen. Een kolossale rotswand had zich aan mijn oog vertoond
+als een reusachtige, met millioenen witte stippeltjes bedekte lei,
+onmiddellijk na de losbranding van het geschut scheidden een aantal
+van deze stipjes zich af van den donkeren achtergrond en werden
+levend; het waren Vogels, schitterend witte Meeuwen; eenige minuten
+achtereen daalden zij naar beneden in de zee, zoo dicht opeengepakt,
+zoo aanhoudend, alsof er onverwachts een sneeuwstorm was opgekomen,
+die reusachtige vlokken uit de lucht naar beneden deed warrelen. Eenige
+minuten achtereen sneeuwde het Vogels, die een onafzienbaar deel van
+de oppervlakte der zee bedekten; toch scheen daarna de wand nog altijd
+bijna even dicht met stippen bedekt als vroeger.
+
+
+
+De Drieteenige Meeuw (Rissa tridactyla) vertegenwoordigt een
+gelijknamig geslacht, welks belangrijkste kenmerk hierin gelegen
+is, dat de achterteen ontbreekt of zich als een kort, al of niet
+genageld stompje vertoont. Bij de volwassen Vogels zijn de kop,
+de hals, de onderrug, de staart en de onderdeelen schitterend wit,
+de mantel is licht grijsachtig blauw; de slagpennen zijn witachtig
+grijs, de spitsen van de eerste handpennen zwart. Het oog is bruin,
+de ooglidrand koraalrood, de snavel citroengeel, aan den mondhoek
+bloedrood, de voet zwart. Totale lengte 43, staartlengte 13 cM.
+
+Ook de Drieteenige Meeuw broedt in het hooge noorden; zij verlaat
+echter in den winter de Poolzee en verschijnt dan in grootere of
+kleinere vluchten aan de kusten der Noord- en Oostzee, ook aan de
+onze (het meest vroeg in 't voorjaar). Vooral bij stormweer en op
+den doortrek dwaalt zij, den loop der stroomen en rivieren volgend,
+soms ver naar het binnenland af, waar zij zich 's winters vaker en
+in grootere troepen vertoont dan de eigenlijke Zeemeeuwen. In aard
+en gewoonten verschilt zij van hare even groote verwanten misschien
+alleen door haar grootere gezelligheid en schreeuwlust.
+
+Ook hij, die een voorstelling meent te hebben van den oneindigen
+rijkdom der zee, verbaast zich er over, dat een zoo kleine oppervlakte
+aan millioenen Vogels voedsel kan verschaffen. Men weet, dat de
+Drieteenige Meeuw bijna niets anders dan Visschen eet, bovendien
+heeft Holböll opgemerkt, dat gedurende haar broedtijd de Noordelijke
+IJszee als 't ware gevuld is met Lodden (Mallotus villosus), dat de
+Zeehonden, door deze Zalmachtige Visschen van onderen af te vervolgen,
+de vischvangst voor de Meeuw zeer gemakkelijk maken en dat deze later
+wel tien en meer zeemijlen ver moet vliegen om het noodige voedsel
+te verkrijgen. Dit alles geeft echter nog geen voldoende opheldering
+over de spijziging van zoovele vraatzuchtige wezens. Hoe ontzaglijk
+rijk de zee is, hoe vrijgevig zij ook van deze Meeuw den disch
+voorziet, bemerkt men, als zij, uit de koers gebracht en afgedwaald,
+het binnenste van het vasteland bezoekt. Hier vindt men haar dikwijls
+dood aan den waterkant liggen; bij het onderzoeken van de maag blijkt
+deze volkomen ledig te zijn: zij, die door de vrijgevigheid van de
+zee verwend werd, lijdt op het land gebrek en verhongert.
+
+Alle meeuwenbergen bestaan uit verscheidene boven elkander gelegen
+terrassen en zijn rijk aan holen en uitstekende punten; in de holen
+en op de terrassen liggen de nesten tegen elkaar aan, van den voet
+van den berg tot zijn top; van elk plekje is partij getrokken;
+ieder terras dient tot broedplaats aan duizenden paren. Kort na
+hun aankomst ziet men de paren naast elkander zitten, het mannetje
+en het wijfje elkander in de bevalligste houdingen liefkoozend, als
+Duiven trekkebekkend en elkander in de veeren pluizend, en hoort men
+hun gekir. De berg is voortdurend omhuld door een wolk van Vogels,
+die zonder ophouden door elkander heen wemelen en krioelen. Het nest
+zelf bestaat hoofdzakelijk uit zeewieren, maar wordt in den loop der
+jaren door den vogeldrek met hooge randen voorzien; het is voldoende,
+dat het in den aanvang van den broedtijd een weinig hersteld wordt. De
+jongen blijven tot het midden van Augustus in het nest, zijn intusschen
+volkomen geschikt geworden voor het bedrijf hunner ouders en zwermen
+nu naar buiten boven de open zee, nadat zij vooraf, gelijk van zelf
+spreekt, naar vermogen hebben bijgedragen tot het oorverdoovende
+geschreeuw, waaraan een vogelberg reeds op een afstand kenbaar is.
+
+
+
+Een enkele maal (Oct. 1892) werd aan onze kust (en wel aan den
+Hoek van Holland) een exemplaar gevangen van de Vorkstaartmeeuw
+(Xema Sabinei), een soort, die in Azië, Oost-Siberië en in Amerika
+de kusten en eilanden van de Noordelijke IJszee bewoont. De oude
+Vogels schijnen in het koudere jaargetijde slechts weinig zuidwaarts
+te trekken (tot Spitsbergen en Zuid-Groenland); van de jongen in het
+eerste of tweede levensjaar echter dwalen enkele naar de kusten van de
+Noordzee (tot Rouaan) en zelfs naar het binnenland (tot in Hongarijë)
+af. Van de overige Meeuwen onderscheidt zich deze door den (ondiep)
+gegaffelden staart en de buitengewoon lange vleugels. De bovenrug
+en de schouders zijn aschgrauw, de 5 eerste slagpennen zwart met
+witte spits, de overige aschgrauw met witte spits, de overige veeren
+in den winter wit, in den zomer aan den kop grauwzwart met zwarten
+halsring. Totale lengte 35, vleugellengte 28, staartlengte 12 cM.
+
+
+
+De gestalte en de kleur van de Roofmeeuwen of Jagers (Stereorariinae)
+geven ons het recht om deze Vogels als een afzonderlijke onderfamilie
+te beschouwen. De 7 soorten waaruit zij bestaat, gelijken op
+de Meeuwen. Haar romp is forsch gebouwd, de kop klein, de snavel
+betrekkelijk kort, maar stevig en dik, slechts van voren zijdelings
+samengedrukt, de bovensnavel aan den wortelhelft met een washuid
+bekleed, aan de spits sterk gewelfd en haakvormig naar beneden
+gekromd, de onderkaak hoekig uitgebogen. De voet is middelmatig
+hoog; de betrekkelijk korte voorteenen zijn door echte zwemvliezen
+aaneenverbonden en met sterk gekromde, spitse, scherprandige nagels
+gewapend; de achterteen is kort. De vleugels zijn groot, lang,
+smal en spits; de eerste handpen is de langste. De middelmatig lange
+staart bestaat uit 12 pennen, waarvan de beide middelste in den regel
+voorbij de overige uitsteken. Het vederenkleed is rijk en dicht,
+op de onderdeelen op een vacht gelijkend; zijn dofbruine hoofdkleur
+vertoont bij de volwassene Vogels zelden, bij de jongen dikwijls
+lichtere plekken.
+
+De Roofmeeuwen bewonen vooral den noordelijken kouden aardgordel;
+meestal houden zij zich boven de open zee op, gedurende den
+voortplantingstijd echter in de toendra's der kusten en eilanden. Zij
+loopen vlug en goed, enkele soorten bijna even behendig als de
+Steltloopers en geven intusschen aan den romp een horizontale
+richting. Zij zwemmen goed, maar vliegen meer dan zij zwemmen, gaan
+of staan; zij doen dit op een andere wijze dan de overige zeevogels,
+maken koene, op velerlei wijzen afwisselende, dikwijls wonderlijke
+zwenkingen, bewegen zich echter ook glijdend door de lucht en kunnen
+met snellen vleugelslag op één plaats blijven zweven. Haar stem is
+een onaangenaam gekras, die van de jongen een zacht gepiep. Zij zijn
+niet slechts moediger en vermeteler dan hare verwanten, maar hebben
+ook volkomener zintuigen. Als echte Roofvogels vallen zij alle dieren
+aan, die zij overweldigen kunnen; evenals de tafelschuimers in deze
+groep kwellen zij andere Vogels zoolang, tot deze den pas verworven
+buit aan haar overlaten. Minder goed dan de overige Meeuwen verstaan
+zij de kunst om een in 't water waargenomen buit te vangen door er
+van uit de lucht op neer te schieten. Zij kunnen alleen dan Visschen
+vangen, als deze dicht onder den waterspiegel langs zwemmen. Haar
+roofzucht is echter niet minder groot dan die van de Zeemeeuwen. Niet
+slechts op Visschen zijn zij belust, maar ook op Vogels, vogel-eieren
+en kleine Zoogdieren, zelfs op ongewervelde zeedieren; zij vallen
+jonge lammeren aan, pikken hun de oogen uit, hakken hun den schedel
+open om er de hersenen uit te halen, kortom verslinden al wat voor
+hen eetbaar is, zoowel van levende als van doode dieren. Bovendien
+loeren zij op jagende Meeuwen en Zeezwaluwen, op den Jan-van-Gent
+en dergelijke zeevogels; zoodra een van deze iets gevangen heeft,
+schieten zij op den gelukkigen jager toe en plagen hem zoolang, tot
+hij uit angst den reeds verzwolgen buit uitbraakt; zonder fout weten
+zij het vallende voedsel te grijpen, nog voor het den waterspiegel
+bereikt heeft. Wegens deze onbeschaamde wijze van bedelen worden zij
+ten zeerste gehaat, wegens haar voor niets terugdeinzende roofzucht in
+hooge mate gevreesd door allen, die er de slachtoffers van zijn. Geen
+zeevogel waagt het in de nabijheid van een Roofmeeuw te broeden,
+of vertoeft op het binnenwater, waar zij uitrust; ieder let angstig
+op hare bewegingen, wanneer zij de ronde doet; de moedigste vallen
+haar aan, de meer beschroomde vluchten.
+
+Als de broedtijd nadert, maakt het wijfje een rondachtig kuiltje in het
+zand of het mos der toendra, legt in dit eenvoudige nest 2 of 3 eieren,
+die door haar en het mannetje beurtelings met groote zelfverloochening
+bebroed worden. De ouders verdedigen hunne jongen moedig tegen iederen
+vijand en voederen hen gedurende verscheidene dagen in het nest met
+halfverteerde, dierlijke stoffen, later met vastere vleeschspijzen.
+
+De Noordlanders rapen en eten ook de eieren van de Roofmeeuwen, maar
+weten overigens geen partij te trekken van deze Vogels, die zij te
+recht als schadelijke dieren beschouwen en met alle hun ten dienste
+staande middelen vervolgen. Deze jacht is niet moeielijk, daar de
+Roofmeeuwen in iedere val of door ieder lokaas gelokt kunnen worden
+en voor den mensch even weinig vrees toonen als voor andere dieren.
+
+
+
+De Groote Jager of Skoea (Stercorarius catarrhactes), de meest typische
+soort van de onderfamilie, is bijna zoo groot als een Raaf. Bij deze
+soort hebben de middelste stuurpennen een nagenoeg gelijkmatig breede
+vlag en steken zoo weinig voorbij de overige uit, dat de staart aan
+'t einde afgerond is; de loop is iets korter dan de middelste teen met
+inbegrip van den nagel. Het vederenkleed heeft op grijsbruinen, aan de
+onderzijde lichteren grond roodachtige en lichtgrijze, overlangsche
+streepjes; aan den wortel van de donkere slagpennen komt een witte
+vlek voor. Het oog is roodbruin, de snavel aan den wortel loodkleurig
+grijs, aan de spits zwart, de voet zwartachtig grijs. Totale lengte
+57, staartlengte 17 cM.
+
+Als het vaderland van den Grooten Jager beschouwt men den gordel
+tusschen 60 en 70° N.B.; men heeft hem echter ook in de zeeën van den
+zuidelijken gematigden gordel ontmoet. In Europa bewoont hij Fär-öer,
+de Orkney- en de Shetlandsche Eilanden, de Hebriden en IJsland; in
+kleinen getale zwerft hij 's winters langs de Engelsche, Duitsche,
+Nederlandsche en Fransche kust; enkele exemplaren komen bij hevige
+stormen soms binnenslands. In Nederland werd tweemaal een exemplaar
+van deze vogelsoort geschoten, n.l. op Schollevaars-eiland (in de
+Zevenhuizensche plassen) en bij Zandvoort; bij Hallum op Ameland
+heeft men er één in een staltnet gevangen. De meeste Skoea's blijven
+echter ook gedurende het koude jaargetijde in 't noorden, en zoeken
+hun voedsel op plaatsen waar de zee open blijft.
+
+De Middelste Jager (Stercorarius pomarinus) heeft de grootte van een
+Kraai; zijne beide middelste staartpennen steken 8 cM. ver voorbij de
+overige uit, behouden tot aan het einde ongeveer dezelfde breedte en
+zijn dakvormig ten opzichte van elkander geplaatst. De loop is langer
+dan de middelste teen met inbegrip van den nagel. De bovenvlakte
+en de zijden van den kop, de mantel, de vleugels en de staart zijn
+donker zwartbruin, de kin en de keel, benevens de onderdeelen wit,
+de zijden van den hals wit met duidelijk leemgeel waas; bruinachtige
+dwarsstrepen vormen in de kropstreek een halsband en komen ook op
+de zijden van den romp voor; de handpennen hebben witte schaften en
+zijn ook aan den wortel wit. Het oog is bruin, de snavel aan den
+wortel blauwgrijs, aan de spits zwartachtig hoornkleurig, de voet
+zwart. Totale lengte 55, staartlengte 23 cM.
+
+Deze soort broedt in de toendra van de drie noordelijke werelddeelen,
+maar bezoekt, na den broedtijd rondzwervend, alle zeeën der aarde,
+zelfs de kusten van Afrika en Australië. Menigvuldig is zij aan de
+kusten van Groot-Britannië en komt, vooral bij stormen ook aan de
+zuidkust der Noord- en Oostzee voor, of dwaalt tot ver in 't binnenland
+af. Aan onze kust werd zij herhaaldelijk waargenomen.
+
+
+
+Van de groote Meeuwen onderscheidt zich de Groote Jager, wiens
+levensbeschrijving ook voor de Middelste kan gelden, door de
+menigvuldigheid, behendigheid en vlugheid zijner bewegingen. Hij loopt
+snel, zwemt flink en maakt bij 't vliegen bewonderenswaardig koene
+en onverwachte wendingen, welke aan die der Valken herinneren. Zijn
+stem is een diepe, als "ach ach" klinkende toon of een heesch "iïa";
+bij het aanvallen van een vijand hoort men van hem den diepen toon
+"hoo". Van alle Zeevogels is hij de meest gevreesde; met geen zijner
+klassegenooten leeft hij in vriendschappelijke verhouding; alle
+Vogels haten hem; slechts de moedigste durven hem aanvallen. Welken
+indruk zijn vermetelheid op de overige Vogels maakt, blijkt het
+best uit het feit, dat zelfs de grootste en sterkste zeevogels,
+die hem aan kracht verre schijnen te overtreffen, hem angstvallig
+ontwijken. Zijn bedrijvigheid vloeit voort uit een onverzadelijken
+honger; zoolang hij vliegt, houdt hij zich met de jacht bezig. Andere
+vleeschetende zeevogels in de verte ontwarend, komt hij nader om
+hen in 't oog te houden; zoodra één van hen een buit heeft gevangen,
+schiet hij toe, toont zich bij den aanval door kracht, behendigheid,
+moed en vermetelheid de evenknie van de Roofvogels die op gevleugeld
+wild stooten, en kwelt zijn slachtoffer zoolang, tot het den zooeven
+verworven buit uitspuwt.
+
+Niet zelden maakt de Skoea zich van den Vogel zelf meester: Graba
+zag, dat hij met één houw een Papegaaiduiker den schedel stuk hakte;
+anderen hebben opgemerkt, dat hij Meeuwen en Zeekoeten doodde,
+verscheurde en verslond. Doode of gekwetste Vogels, die op de zee
+drijven, worden steeds door hem gegrepen; gave Vogels ontgaan dit lot,
+door onder te duiken, zoodra de Jager zich vertoont. Zonder mededoogen
+plundert hij op de vogelbergen de nesten der daar broedende Vogels,
+neemt de eieren en jongen weg en brengt ze naar zijn kroost. "Uit
+duizend kelen," schrijft Naumann, "weerklinkt het angstgeschreeuw,
+wanneer de vermetele roover zulk een broedplaats nadert; toch
+durft geen der beangste bewoners zich krachtdadig verzetten tegen
+zijne booze plannen. Hij pakt het eerste het beste jong en vliegt
+er mede heen, zonder zich te storen aan de ongelukkige moeder, die,
+luid schreeuwend, den Skoea, wiens snavel haar van pijn krimpend kind
+omknelt, nog een eindweegs navliegt, maar geen hulp kan bieden. Zoodra
+hij geen stoornis meer behoeft te duchten, strijkt hij neer op den
+waterspiegel, doodt den buit en verslindt hem, vliegt vervolgens naar
+zijne jongen en braakt de prooi weer voor hen uit."
+
+
+
+Beter dan alle overige soorten kent men den Kleinen Jager (Stercorarius
+parasiticus), die in den nazomer en den herfst op de Wadden niet zelden
+aangetroffen wordt. Hij is slanker gebouwd dan de beide vorige soorten
+en aanmerkelijk kleiner dan de Skoea; door de lengte van het lichaam
+zonder den staart evenaart hij echter den Middelsten Jager. Zijn
+totale lengte is n.l. 60 cM., waarvan 28 cM. op den staart komen
+(welks spits toeloopende middelste pennen 10 cM. voorbij de overige
+uitsteken). Met uitzondering van een witte of geelachtig witte vlek
+op het voorhoofd en de eveneens witte keel is hij effen roetbruin,
+of op de bovendeelen roetbruin, op de keel geelachtig grijs, op
+de onderdeelen witachtig grijs; ouderdom of sekse hebben niets met
+dit verschil in kleur te maken. Het oog is bruin, de snavel zwart,
+de washuid donker loodkleurig grijs, de voet blauwzwart.
+
+Zoover onze waarnemingen reiken, is de Kleine Jager de algemeenst
+verbreide soort van zijn geslacht. Ook hij bewoont de noordelijke
+streken van beide werelden; van Spitsbergen en Groenland strekt zijn
+broedgebied zich uit tot aan het midden van Noorwegen; op IJsland,
+de Fär-öer en de andere eilanden ten noorden van Schotland, voorts op
+Labrador, Newfoundland, in de zeeën van Behring en van Ochotsk is hij
+veelvuldig. In den winter zwerft hij geregeld naar de zuidelijkste
+kusten van de Noordzee en dwaalt soms ook naar 't binnenland
+af. Behalve in den broedtijd leeft hij steeds op zee, volstrekt niet
+altijd in de nabijheid van eilanden en klippen, maar ook, en naar
+het schijnt weken achtereen, ver van het vaste land verwijderd.
+
+De Kleine Jager is kenbaar aan zijn wijze van vliegen, die,
+volgens Naumann, meer afwisseling aanbiedt dan bij eenigen anderen
+Vogel. Dikwijls gelijkt zijn vlucht gedurende geruimen tijd op die
+van een Valk, daar hij nu eens met langzame wiekslagen door de lucht
+roeit, dan weer over een grooten afstand op zijne vleugels drijft en
+af en toe met tamelijk steil naar boven gericht lichaam als een Toren
+valk "wiekelt" of "bidt"; het is op eenigen afstand vaak moeielijk
+hem van een Kuikendief te onderscheiden. Plotseling echter laat hij
+zich, na eenige zeer haastige, trillende of wapperende vleugelslagen,
+langs een booglijn naar beneden ploffen om dadelijk weer langs een
+kronkelenden, uit kleine en groote bogen bestaanden weg op te stijgen,
+nogmaals met razende snelheid omlaag te schieten en langzaam naar
+boven terug te keeren. In 't eene oogenblik schijnt hij afgemat en
+verslapt, in 't volgende is hij als "door den duivel bezeten"; nu
+eens vlug zich wendend en keerend, dan weer spartelend en fladderend,
+alsof hij hulp behoeft, vertoont hij achtereenvolgens verschillende
+bewegingsvormen.--Vele karaktertrekken heeft hij met den Skoea gemeen,
+maar hij is gezelliger dan deze: buiten den broedtijd ziet men de
+Kleine Jagers vaak tot kleine vluchten vereenigd; op de broedplaatsen
+echter leven zij bij paren, die niet, zooals hunne verwanten, in
+elkanders onmiddellijke nabijheid nestelen, maar ieder een bepaald
+gebied als hun eigendom beschouwen. In hun maag vond ik nooit iets
+anders dan Visschen en Lemmingen. Dat zij nesten plunderen, is mij
+niet gebleken; wel zag ik hen aanhoudend Kleine Zeemeeuwen vervolgen,
+om deze te dwingen tot het afstaan van haar pas gevangen buit. Nog meer
+dan de Meeuwen worden, naar men zegt, de Zeezwaluwen en de Zeekoeten op
+deze wijze gekweld. Toch vormt het hierdoor verkregen voedsel stellig
+niet een hoofdbestanddeel van het maal der Kleine Jagers; want, even
+vaak als men hen andere Zeevogels ziet vervolgen, merkt men hen in de
+toendra op, waar zij zich bezig houden met de jacht op Lemmingen en ook
+Ongewervelde dieren en zelfs bessen zoeken, of aan het zeestrand, waar
+zij dieren verslinden, die door de golven op de kust geworpen werden.
+
+
+
+De Kleinste Jager (Stercorarius cephus) stemt in kleur met de vorige
+soort overeen, maar heeft een geringere lengte, een korteren snavel
+en veel langere middelste staartpennen; deze steken ongeveer 15
+cM. voorbij de overige uit en eindigen spits. Totale lengte 55,
+staartlengte 30 cM.
+
+Ook deze Jager broedt in 't hooge noorden van 't oostelijk zoowel als
+van 't westelijk halfrond. Enkele exemplaren dwalen naar zuidelijker
+zeeën af; men heeft ze tot bij St. Helena waargenomen. Zelden komen
+zij aan onze kusten voor, nog zeldzamer meer binnenslands. In Siberië
+voeden zij zich met Insecten, vogeleieren, Muizen, doch ook met bessen.
+
+
+
+Alkvogels (Alcinae) noemt men een 30-tal over de noordelijke zeeën
+verbreide, in 't duiken zeer ervaren zeevogels, die zich kenmerken
+door een forsch gebouwden romp, een korten hals, een dikken kop, een
+middelmatig langen, zeer verschillend ingerichten snavel, middelmatig
+hooge, drieteenige voeten, die met groote zwemvliezen voorzien zijn,
+korte, smalle (bij uitzondering voor 't vliegen ongeschikte) vleugels,
+een korten staart en een zacht, meestal tweekleurig vederenkleed.
+
+Alle Alkvogels behooren in de Noordelijke IJszee en in de hiermede
+samenhangende zeeboezems en straten thuis; ten zuiden van den
+poolcirkel, die door de meeste soorten des winters op den trek
+geregeld overschreden wordt, komen slechts hier en daar broedplaatsen
+van Alkvogels voor. Zij zijn echte zeevogels, die eigenlijk slechts
+gedurende den broedtijd aan land verkeeren, voor 't overige echter
+op en in het water hun bedrijf uitoefenen. Zij zijn meesters in het
+zwemmen en duiken; zwemmend en duikend verkrijgen zij hun voedsel,
+op dezelfde wijze trekken zij (althans de meeste soorten); zwemmend
+rusten zij, brengen hunne veeren in orde, vermaken zich en slapen. Vele
+Alken vliegen tamelijk goed, hoewel hare vleugels te kort schijnen om
+het gewicht van het lichaam te dragen en men zich er over verbazen
+moet, dat de snelle beweging van deze organen zonder al te groote
+vermoeienis zoo lang voortgezet kan worden. Zij loopen niet gaarne,
+maar doen dit tamelijk snel, liever stappend op de zool der teenen dan
+glijdend op den loop; bij alle echter dienen de pooten hoofdzakelijk
+voor 't zwemmen en door vele worden ook de vleugels meer voor het
+duiken in 't water dan voor de beweging in de lucht gebruikt. Zij
+hebben scherpe zinnen; hunne overige geestvermogens zijn volstrekt
+niet zoo gering, als men gewoonlijk meent: men moet niet uit het
+oog verliezen, dat deze Vogels niet in de gelegenheid zijn om zich
+op veelzijdige wijze te ontwikkelen. Visschen en Schaaldieren, die
+voor een deel op zeer groote diepten buitgemaakt worden, maken haar
+eenig voedsel uit. Alle Alkvogels leven en visschen gaarne gezellig
+en vereenigen zich gedurende den broedtijd tot meer of minder groote
+zwermen, die bij sommige soorten stellig wel uit honderdduizenden paren
+bestaan. Voor de bewoners van het noorden zijn de Alkvogels, en meer
+bepaaldelijk de Zeekoeten en Alken, een ware zegen. Een soort is naast
+de Zeehond het voornaamste voedsel van de bevolking van verscheidene
+koloniën in 't zuiden van Groenland; hier zou hongersnood ontstaan,
+indien deze Vogel zich minder talrijk vertoonde.
+
+
+
+Een der merkwaardigste zeevogels is de Papegaaiduiker of Zeepapegaai
+(Fratercula arctica of Mormon articus), een middelmatig groote,
+korthalzige en dikkoppige Vogel met hoogst eigenaardig gevormden
+snavel. Deze heeft van ter zijde gezien een driehoekige gedaante, is
+aan den wortel even hoog als de kop, zijdelings buitengewoon sterk
+samengedrukt, van achteren begrensd door een lijstvormig gezwollen
+huid, die zich ook over den mondhoek voortzet, verder naar voren
+met verscheidene dwarse groeven voorzien, niet bijzonder spits, maar
+met zeer scherpe zijranden. Aan den drieteenigen voet, die tamelijk
+lange zwemvliezen heeft, vallen de dikke, zijwaarts gekromde nagels
+in 't oog. De vleugels zijn klein, smal, van achteren met afgeronde,
+korte spitsen; de staart bestaat uit 16 pennen en is zeer kort; het
+vederenkleed is op de bovendeelen dicht, hard en glad aanliggend, op
+de onderdeelen vachtvormig en uit iets langere veeren samengesteld,
+alle bekleedingsveeren zijn losbaardig. De bovenkop, de rug en
+een band om den hals zijn zwart, de wangen en de keel aschgrauw,
+de onderdeelen wit, langs de zijden grauw of witachtig. Het oog is
+donkerbruin, de ring gevormd door de randen der oogleden koraalrood;
+het hoornachtige huidlapje boven, en de langwerpige, naakte plek
+onder het oog zijn aschgrauw; de snavel is van voren bleek koraalrood,
+aan den wortel blauwgrijs, aan den mondhoek oranjegeel. Totale lengte
+31, staartlengte 6 cM. Bij de jongen heeft de bek een veel geringere
+hoogte en ontbreekt de halskraag.
+
+De Papegaaiduiker bewoont de Noordzee, het noordelijke deel van den
+Atlantischen Oceaan en de IJszee tot 80° N.B., komt derhalve aan
+de Europeesche zoowel als aan de Aziatische en Amerikaansche kusten
+voor; in 't noorden van de Stille Zuidzee wordt hij echter door een
+verwante soort vervangen. Nu en dan worden doode exemplaren op onze
+kusten gevonden; enkele malen werden er ook levende, oude en jonge
+voorwerpen waargenomen, geschoten of gevangen. Op Helgoland broeden
+eenige paren; verder noordwaarts zijn de broedplaatsen veelvuldiger:
+in de IJszee komen de Papegaaiduikers in ontelbare menigte voor;
+bij honderdduizenden en millioenen bevolken zij gedurende den
+zomer alle geschikte broedplaatsen. Deze zijn gelegen op loodrecht
+uit de zee opstijgende rotsen en hooge klippen; vooral de naar
+'t zuiden en zuidwesten gerichte rotswanden zijn gedurende den
+voortplantingstijd, van den waterspiegel tot op een hoogte van
+verscheidene honderden meters, dicht bezet met nesten. Op alle
+terrassen, lijsten, uitsteeksels staan zij op reeksen gerangschikt
+naast en boven elkander, de eene soort van Alken laag, de andere
+in de middelste streek, de derde boven aan. Tusschen deze broeden,
+eveneens gordelsgewijs, Drieteenige Meeuwen, Aalscholvers, Zilver-
+en Mantelmeeuwen. Dit zijn de beroemde noordsche "Vogelbergen",
+waarvan de (thans nagenoeg geheel ontvolkte) rotsen van Helgoland
+als zuidelijkste, zeer zwakke voorposten moeten worden beschouwd,
+maar die reeds op de Fär-öer, op IJsland, op de kusten en klippen van
+Noorwegen en elders een zeer indrukwekkenden omvang hebben. Tegen de
+donkere rotsen teekenen de rechtopstaande, als soldaten in gelederen
+gerangschikte, met de witte buikzijde naar de zee gekeerde gestalten
+zich duidelijk af. Het eeuwig knikken en buigen dezer Vogels, hun
+strijd om de niet te ruime plaatsen, het komen en gaan van enkele
+individuen is natuurlijk slechts van nabij zichtbaar, maar reeds op een
+afstand gezien schijnen deze met witte, horizontale lijnen geteekende
+rotsen als door bijenzwermen bevolkt. Duizenden vliegen af en aan. Daar
+de Alken zich niet van den vlakken bodem kunnen opheffen, moeten zij
+om weg te vliegen zich laten vallen en gedurende den val de vleugels
+uitspreiden; aanvankelijk dalen zij dus snel, langzamerhand vermindert
+hun snelheid, en zacht komen zij op den waterspiegel neer. Omgekeerd
+moeten zij op een afstand van de kust beginnen zich langzamerhand te
+verheffen, hetwelk hen in staat stelt in de nabijheid van de rots snel
+en met kracht omhoog te stijgen. Graba beschrijft de Färö-vogelberg
+op de volgende wijze: "In een diepe, huiveringwekkende kloof, die door
+onbestijgbare rotswanden van 1000 voet hoogte begrensd wordt, maakten
+wij halt. Hier was de vogelberg. Welken kant men ook uitkeek, overal
+zag men Vogels en niets dan Vogels. Duizenden van Zeekoeten en Alken
+zwommen in gezelschappen van verschillende grootte om onze boot, keken
+ons nieuwsgierig aan en verdwenen plotseling onder den waterspiegel om
+in de onmiddellijke nabijheid weer boven te komen. Kleine Zeekoeten
+(Uria grylle) kon men met de roeiriemen raken; Zeehonden staken hun
+kop hoog boven het water uit, de schending van deze vrijplaats niet
+begrijpend; Groote Jagers schoten neer op Zeekoeten en Drieteenige
+Meeuwen, die onder het vliegen in den kop getroffen en gedood
+werden. Hier zocht een ongelukkige Drieteenige Meeuw, die kort te
+voren het geluk had een Visch te vangen, met jammerlijk geschreeuw
+te midden van een troep soortgenooten bescherming tegen een haar
+aan alle zijden bestokenden Skoea; steeds heviger werd de aanval
+van den vervolger, steeds angstiger het geschreeuw van de vervolgde;
+eindelijk werkte de angst als braakmiddel, de Visch werd uitgebraakt en
+door den roover in de lucht gegrepen, nog voordat hij tijd had om in
+zee te vallen. De Vogels, die op de naburige rotsen stonden, en die,
+welke op het water dreven, verraadden bij dit tooneel eenige onrust,
+maar waagden het niet den gevreesden vijand het hoofd te bieden. De
+lucht wordt doorkruist door af- en aanvliegende Alken, die naar
+hunne eieren terugkeeren, of ze tijdelijk aan de zorg van hun gade
+overlaten; sommige zijn zoo hoog gestegen, dat men ze voor Bijen zou
+kunnen houden, die langs de rots vliegen, andere zoo laag, dat men
+ze met een stok zou kunnen treffen. Maar, laat ons het eigenlijke
+domicilie van deze volkplanting in oogenschouw nemen. Op rotsen, die
+een weinig boven den zeespiegel uitsteken, zitten glinsterend zwarte
+Aalscholvers, die hunne lange halzen naar alle richtingen wenden en
+angstig uitzien naar eenige Skoea's (Groote Jagers) boven hen. Dan
+volgt de lijn der Drieteenige Meeuwen. Het eene nest grenst aan het
+andere; samen vormen zij een lange reeks, die zich over de geheele
+breedte van de rots uitstrekt. Het eene nest volgt ook op het andere in
+bovenwaartsche richting; overal ziet men koppen van broedende Vogels;
+de lager gelegen rotsen zijn wit van hunne uitwerpselen. Een weinig
+hooger, op kleine vooruitstekende punten van de rots, staan Alken
+en Zeekoeten dooreengemengd in parade opgesteld; alle hebben de
+witte borst naar de zee gekeerd; de eene staat tegen de andere aan,
+zoodat er geen hagelkorrel tusschen door kan, aanhoudend neigend voor
+de ongewenschte bezoekers. Enkele paren, die een kleine rotspunt voor
+zich alleen hebben ingenomen, wuiven met de vleugels; de eene liefkoost
+de andere, die, beschaamd rondtrippelend, het ontvangen teeken van
+genegenheid op dezelfde wijze, n.l. door aanraking met den snavel,
+beantwoordt. Zwermen Vogels vliegen af en aan; toch weet ieder van
+deze duizenden zijn plaats spoedig zonder fout te bereiken. Wel komt
+er soms eenige verwarring. Hier staan er een twintigtal borst tegen
+borst; plotseling komt een Alk aangevlogen, die zich door de rij
+heendringt, totdat hij zijn plaats heeft ingenomen en intusschen
+eenige van zijne buren naar beneden stoot. De hoogste plaats nemen
+de Papegaaiduikers in; zij zijn minder goed te onderscheiden,
+behalve wanneer zij af en aan vliegen. Bij een vogelberg heerscht
+zulk een oorverdoovend geraas, dat men de woorden van zijn buurman
+niet kan verstaan. Het afschuwelijk stemgeluid van de Drieteenige
+Meeuw klinkt over alles heen, daartusschen hoort men het eentonige
+"orr" van den Alk en het met allerlei klinkers verbonden "rrrrrr"
+der Zeekoeten. Nadat ik lang genoeg de bewegingen van het vogelenheir
+had nagegaan, werd het verlangen naar het bezit van een met een kuif
+prijkenden Aalscholver, die op 60 schreden afstands van onze boot
+op een klip zat, mij te machtig. Ik vuurde. Waar de Aalscholver te
+recht gekomen is, weet ik niet: de werking van mijn schot was te
+hevig. De lucht werd verduisterd door de uit hun nest opgeschrikte
+Vogels. Vele duizenden vluchtten onder ontzettend geraas uit de kloof;
+waaiervormig breidde de zwerm zich over de zee uit. Waarheen wij onze
+oogen wendden, zagen wij niets anders dan vliegende Alken, Zeekoeten
+en Meeuwen. Verwonderd kwamen de Papegaaiduikers uit hunne holen te
+voorschijn, keken met komische gebaren naar de algemeene verwarring en
+lieten langzaam hun "orr" hooren. De Drieteenige Meeuwen bleven voor
+'t meerendeel rustig op hunne nesten zitten. Alle Aalscholvers stortten
+zich, door schrik bevangen, in zee."--In dezen tijd halen de bewoners
+van de noordelijke gewesten het voornaamste deel van hun vleesch- en
+eieren-proviand voor het geheele jaar van de vogelbergen. Zij varen
+er met een schuit heen, dooden of vangen de laagstgezeten Vogels,
+laten zich aan stevige touwen van den top naar beneden zakken, of
+beklimmen met groot levensgevaar van onderen of van de zijden uit den
+rotswand; in den regel zijn dan twee personen door een touw verbonden
+om elkander te steunen. De buit wordt naar beneden geworpen en door
+lieden, die in de schuit zijn gebleven, opgezocht.
+
+De Papegaaiduikers zijn geen trekvogels, hoewel zij zich 's winters
+dikwijls in zuidelijker gewesten vertoonen en soms, al verder en
+verder zwervend, in de Middellandsche Zee verdwalen.
+
+Het eerste wat bij dezen Vogel de aandacht trekt, is zijn zeer
+merkwaardige wijze van vliegen op korten afstand van de golven,
+alsof hij niet voornemens is zich er boven te verheffen, doch er
+slechts over voortglijden wil. Hierbij doen zoowel de vleugels als
+de pooten dienst: de Vogel schuifelt snel van de eene golf naar de
+andere, ongeveer als een half vliegende, half zwemmenden Visch; hij
+slaat met de vleugels en de pooten aanhoudend op het water, volgt de
+gebogen vlakken der golven, beschrijft den eenen boog na den anderen,
+en verplaatst zich op deze wijze, oogenschijnlijk met groote haast,
+maar met nog grooter inspanning. De snavel snijdt intusschen door de
+golven heen, zoodat deze wijze van vliegen levendig herinnert aan die
+van den Schaarbek. Zoodra de Papegaaiduiker zich boven den waterspiegel
+verheven heeft, vliegt hij rechtuit met gonzenden vleugelslag en doet
+dit zoo snel, dat de hieraan niet gewende jager aanvankelijk steeds
+achter den Vogel schiet. In het zwemmen behoeft hij stellig voor geen
+der overige leden van zijn familie onder te doen. Hij ligt gemakkelijk
+op de golven, of daalt, zoodra hij dit wenscht, onder den zeespiegel
+af, zonder dat dit hem eenige moeite schijnt te kosten en zonder
+eenig gedruisch, blijft soms wel 3 minuten lang onder water en kan,
+naar men zegt, een diepte van 60 M. bereiken. Op den vasten grond gaat
+hij trippelend en waggelend, maar toch beter dan men zou verwachten;
+vliegend kan hij van zijn zitplaats onmiddellijk naar boven stijgen
+en na het vliegen zonder bezwaar op den vasten bodem neerstrijken; bij
+'t zitten rust hij gewoonlijk op de zolen zijner voeten en den staart,
+of gaat plat op den buik liggen. Evenals zijne verwanten beweegt hij
+onophoudelijk den kop en den hals, zelfs als hij rustig zit, alsof hij
+iets moet zoeken, of verschillende zaken zorgvuldig nagaan moet. Zijn
+stem onderscheidt zich slechts door haar diepte van het geratel zijner
+verwanten en gelijkt nog het meest op die van de Alk; zij klinkt diep
+en gerekt als "orr orr," volgens Faber soms ook als het geluid, dat
+een slaperig mensch bij 't geeuwen voortbrengt; toorn gaat gepaard
+met een knorrend geluid, ongeveer als dat van een kwaadaardig hondje.
+
+Zijn voedsel bestaat uit kleine Schaaldieren en vischjes; met deze
+voedert hij zijne jongen groot. Op de vogelbergen eet hij, naar men
+zegt, soms groene plantendeelen, b.v. de bladen van het Lepelblad.
+
+In 't midden van April of in 't begin van Mei, al naar de sneeuw
+vroeger of later smelt, begeeft hij zich naar de vogelbergen en
+zoekt nu zoo schielijk mogelijk het hol, waarin hij vroeger broedde,
+weder op, of graaft een nieuw gat. In dit opzicht verschilt hij van de
+Zeekoeten en Alken: nooit legt hij zijn ei op den naakten grond. Niet
+alle paren graven zelf het hol, waarin zij nestelen; zij maken bij
+voorkeur gebruik van de een of andere spleet of van een donker gat in
+het gesteente, en gaan slechts in geval van nood zelf aan 't werk. De
+nestgaten gelijken op konijnenholen, maar zijn meestal zoo kort,
+dat men den broedenden Vogel door den ingang er achterin kan zien
+zitten. Naar het schijnt, neemt zoowel het mannetje als het wijfje
+aan dezen arbeid deel; de werktuigen voor 't graven zijn de snavel
+en de pooten. Terwijl de Vogels bezig zijn, is hun kleed zoo bestoven
+of liever besmeerd met veengrond, dat men de kleuren bijna niet meer
+onderscheiden kan; vóór het broeden maken zij zich terdege schoon. Het
+wijfje legt niet meer dan één ei; dit is echter zeer groot, ongeveer
+70 mM. lang. De grofkorrelige en oneffen schaal is aanvankelijk zuiver
+wit van kleur, maar wordt door den veengrond zeer spoedig geelachtig,
+later zelfs bruinachtig. Beide ouders broeden, naar men zegt, ongeveer
+5 weken lang. Het jong komt met een dicht kleed van langbaardige,
+koolzwarte en lichtgrijze donsveeren ter wereld, piept jammerlijk
+gedurende zijne eerste levensdagen, krijgt later een krachtiger stem,
+maar leert het ratelende "orr" van den volwassen Vogel eerst na het
+uitvliegen. De beide ouders brengen hunne lievelingen voedsel, dat zij
+soms van een afstand van vele mijlen moeten aanvoeren en stellen zich
+zonder schroom aan gevaren bloot, wanneer zij hierdoor de veiligheid
+van hun kind meenen te kunnen bevorderen; ook verdedigen zij het,
+zoo noodig, door woedende beten met den snavel.
+
+De eigenaars van de vogelbergen ontnemen den Papegaaiduiker in
+den regel het eerste ei, als het nest zich op een voor den mensch
+bereikbare plaats bevindt, maar laten gewoonlijk het tweede door de
+ouders uitbroeden en zijn dan wreed genoeg om het jong te rooven,
+voordat het vliegen kan, om het in verschen toestand op te eten,
+of ingezouten voor den winter te bewaren. In gevangenschap worden de
+Papegaaiduikers niet gehouden, omdat men niet in de gelegenheid is
+hun het noodige voedsel te verschaffen.
+
+
+
+De Alken (Alca) vertoonen eenige overeenkomst met de Papegaaiduikers
+door den bouw van den snavel. Deze is middelmatig lang, zeer smal en
+hoog, heeft den rug boogvormig omhoog gekromd, en een uitstekenden
+kinhoek aan de onderkaak; de zijden van den bovensnavel zijn gegroefd,
+de gebogen zijranden zeer scherp; de spits van den bovensnavel is
+haakvormig, die van den ondersnavel eveneens benedenwaarts gekromd. De
+vleugels zijn slank, eenigszins sabelvormig en hebben een lange spits;
+de korte staart bestaat uit 12 smalle pennen.
+
+
+
+Alle gewesten en zeegedeelten, waarin de Papegaaiduiker voorkomt,
+herbergen ook de Alk (Alca torda). Het bruiloftskleed is aan de
+bovenzijde en aan den voorhals zwart; een smalle strook, die van den
+snavel tot het oog reikt, een zoom aan den top van de slagpennen van
+den tweeden rang, de borst en de buik zijn wit. Het oog is donkerbruin,
+de snavel, met uitzondering van een witten dwarsband, zwart, de voet
+eveneens zwart. Totale lengte 42, staartlengte 9 cM.
+
+Door levenswijze, gewoonten en aard gelijkt de Alk zoozeer op den
+Papegaaiduiker, dat bijna al wat van dezen gezegd is, ook van genen
+geldt. Hij is in dezelfde mate zeevogel en bewoont jaar in jaar uit
+nagenoeg hetzelfde oord; hij zwerft echter gaarne van het eene deel
+van de zee naar het andere, bezoekt b.v. in den winter vaak alle
+fjorden van Noorwegen, waar men hem 's zomers niet ziet, verschijnt
+(in Augustus) ook tamelijk geregeld aan de Duitsche, Nederlandsche
+en Fransche kusten, en keert in Maart naar het noorden terug. Op de
+vogelbergen, waar de Alken in Mei komen om te broeden, zijn zij in den
+regel even veelvuldig als de Papegaaiduikers en de Zeekoeten, die hier
+te gelijker tijd aankomen. Boje zag een dicht opeengedrongen zwerm,
+welks breedte hij op 1000 schreden schatte en die zoo lang was, dat
+onze berichtgever, terwijl de Vogels over zijn boot vlogen, tienmaal
+zijn geweer laden en schieten kon. In dezelfde zee heb ik herhaaldelijk
+dergelijke vluchten gezien. Om na te gaan hoe diep een Alk duiken en
+hoe lang hij onder water blijven kan, bond men hem een zeer langen,
+dunnen draad aan den poot en wierp hem uit de boot in zee. De Vogel
+verdween oogenblikkelijk onder water en rolde het 60 M. lange koord
+geheel af; na verloop van 2-3/4 minuut ongeveer verscheen hij weder
+aan de oppervlakte om lucht te scheppen, waarna hij opnieuw onderdook.
+
+De klank van zijn stem is vergelijkbaar met dien van den
+Papegaaiduiker, maar iets zwaarder en heescher, ongeveer als "örr"
+of "ar", soms ook miauwend als "arr err kwer kweör".
+
+Op de vogelbergen nestelt de Alk bij voorkeur in rotsspleten; ook
+treft men wel eens enkele nesten onder steenen, dus eigenlijk in holen
+aan. Het wijfje legt slechts één ei van zeer aanzienlijke groote (80
+mM. bij 50). Het jong komt ter wereld in een bruinzwart donskleed met
+wit aangezicht; het springt in nauwelijks half volwassen toestand,
+na lange aarzeling, aangespoord door het luid geschreeuw en druk
+gebarenspel van de ouders van boven van de rotsen onmiddellijk in zee
+of laat zich van den bergwand afrollen, totdat het in 't water aankomt;
+de ouders volgen het na, zwemmen aan zijn zijde, leeren het duiken en
+zijn voedsel zoeken; nadat het geleerd heeft voor zich zelf te zorgen,
+begeleiden zij het nog eenigen tijd, zonder het te voederen.
+
+
+
+Een merkwaardige Vogel, die nog in het begin van deze eeuw het hooge
+noorden bewoonde, is ten gevolge van de vervolgingen, die hij van den
+mensch te verduren had, thans waarschijnlijk geheel uitgeroeid. Indien
+het mocht blijken, dat deze Vogel op een ons onbekende plaats nog
+leeft, kan men er, zegt Newton, staat op maken, dat hij kort na
+zijn ontdekking verdwenen zal zijn. Vroeger voorzagen de bewoners
+van IJsland en Groenland zich door het dooden van dezen Vogel met
+wintervoorraad; tegenwoordig zou het vel van den Reuzenalk tegen goud
+opgewogen worden.
+
+
+
+De Reuzenalk of Pingoeïn-alk [Plautus (Alca) impennis] wordt te recht
+beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht. Hem
+kenmerken, behalve de aanzienlijke grootte, vooral de rudimentaire
+vleugels, die voor 't vliegen geheel ongeschikt zijn, hoewel alle
+soorten van vleugelveeren, zij het dan ook in onvolkomen toestand,
+aan de voorste ledematen voorkomen. De snavel is langwerpig, de
+snavelrug maakt van den wortel tot aan de spits een flauwe bocht;
+de ondersnavel is ondiep binnenwaarts uitgehold; de geheele snavel
+zeer hoog, maar buitengewoon smal; de zijrand van den ondersnavel is
+nagenoeg rechtlijnig van den mondhoek tot vóór het neusgat, verderop
+een weinig naar boven gekromd en aan de spits weer benedenwaarts
+gericht; de zijden van 't voorste deel van den snavel zijn boven
+met 6 à 7, onder met 9 à 10 groeven voorzien. De pooten stemmen in
+maaksel met die van de Alken overeen; het vederenkleed heeft dezelfde
+eigenschappen; de staart bevat hetzelfde aantal pennen. De Reuzenalk
+heeft ongeveer de grootte van een Gans; zijn lengte bedraagt ongeveer
+90 cM.; de vleugel is 17 à 20, de staart 8 à 9 cM. lang. De veeren
+van de bovendeelen zijn glanzig zwart, aan de keel zwartbruin; de
+onderdeelen en de spitsen van de armpennen zijn wit, de snavel en de
+pooten zwart.
+
+Lang heeft men gemeend, dat deze Vogel de zeeën van het noordelijkste
+deel der aarde bewoonde of nog bewoont; uit Wolley's onderzoekingen
+blijkt het tegendeel; Steenstrup's ontdekkingen bewijzen, dat de
+Reuzenalk in den vóórhistorischen tijd in grooten getale aan de
+Deensche kusten geleefd moet hebben. Er zijn geen bewijsstukken
+gevonden voor de meening, dat hij ooit Spitsbergen bezocht heeft,
+evenmin werd hij in 't hooge noorden van Amerika gevonden. Holböll
+bericht, dat op de Groenlandsche kust bij Fiskernaes in het jaar
+1815 de laatste Reuzenalk gevangen werd. Alle overige mededeelingen
+bevestigen de stelling, dat deze Vogel eertijds zuidelijker gedeelten
+van de IJszee bewoonde en waarschijnlijk in nog grooter aantal in
+het noorden van den Atlantischen Oceaan of van de Noordzee gevonden
+werd. Dat hij vroeger tot aan de Fär-öer als broedvogel afdaalde,
+schijnt vast te staan, evenmin kan men in twijfel verkeeren over
+zijne bezoeken aan de Hebriden. In het jaar 1790 werd een exemplaar
+buit gemaakt in de haven van Kiel; in 1830 spoelde, volgens Naumann,
+een doode Reuzenalk op de kust van Normandië aan. Het veelvuldigst
+is hij waarschijnlijk ten allen tijde op IJsland en Newfoundland
+geweest; het was echter niet op IJsland zelf, maar op de omliggende,
+bijna voortdurend door een woedende branding omringde klippen en
+kleine rotsachtige eilanden, dat deze Vogel veilige broedplaatsen en
+tot in den laatsten tijd van zijn bestaan een nagenoeg ongenaakbaar
+toevluchtsoord vond.
+
+Werkelijk veelvuldig schijnt de Reuzenalk hier reeds in de vorige
+eeuw niet meer geweest te zijn. In een oud handschrift uit het begin
+van de laatste helft van de vorige eeuw vonden Newton en Wolley een
+beschrijving van de Alkklip van Reykjanes, waarin melding wordt gemaakt
+van het wonderbaarlijk aantal Vogels op de daar aanwezige rotsen,
+met de toevoeging echter, dat de Reuzenalk daar volstrekt niet zoo
+veelvuldig voorkomt, als gezegd werd; de door hem in beslag genomen
+ruimte werd op niet meer dan het 1/16e deel van de klip geschat; wegens
+zijn ongeschiktheid tot vliegen kon hij de hooger gelegen rotsen niet
+bereiken. Een deel van het handschrift is gewijd aan een nauwkeurige
+beschrijving van den Reuzenalk en zijne eieren; ten overvloede is
+er een teekening bijgevoegd, die de klip voorstelt met twee mannen,
+welke zich met de vangst van Reuzenalken bezighouden. Olafsen, die
+in het jaar 1458 op IJsland vertoefde, vernam, dat men in vroegeren
+tijd booten vol eieren van de bedoelde klip weghaalde en dus geregeld
+jachttochten daarheen ondernam. Naar het schijnt, is men hiermede
+voortgegaan tot in het begin van deze eeuw; in Faber's tijd echter,
+in het jaar 1822 dus, geschiedde dit niet meer en werden slechts
+toevallig bezoeken aan de klip gebracht. Zoo kwam in den zomer van 1813
+een schip, dat van de Fär-öer naar IJsland zeilde om levensmiddelen
+te halen, langs de klip, die toen met Vogels bedekt was; omdat het
+weer gunstig was ging de bemanning aan land en doodde verscheidene
+Reuzenalken, waarvan er eenige naar Reykiavik werden gebracht. Naar men
+bericht, hebben deze zeelieden toen een geweldige slachting onder de
+Vogels aangericht; hun buit bestond uit niet minder dan 24 Reuzenalken,
+zonder te rekenen die, welke reeds ingezouten waren. Faber bericht, dat
+in het jaar 1814 een boer op een kleine klip 7 Reuzenalken doodde. Van
+1814 tot 1830 hebben stellig nog verscheidene exemplaren, maar geen
+groote troepen, hetzelfde lot ondergaan.
+
+In het jaar 1830 ging een zekere Goudmundsson tweemaal ter jacht
+naar Eldey of de "Meelzak"-klip; hij bemachtigde de eerste maal 12
+of 16, de andere keer 8 Reuzenalken, die voor 't meerendeel voor
+verzamelingen behouden zijn gebleven. Bij een dergelijken tocht in
+het volgende jaar werden 24 Reuzenalken buit gemaakt; sommige van
+deze werden levend medegenomen en een tijdlang in 't leven gehouden,
+alle werden ten slotte opgestopt. In 1833 ving men er dertien,
+in 1834 negen, in 1840 of 1841 drie, in 1844 nog twee; deze beide,
+de laatste exemplaren waarvan men berichten heeft, waren misschien
+de laatste vertegenwoordigers van hun geslacht.
+
+Uit talrijke door Steenstrup verzamelde mededeelingen van zeelieden
+uit vroegeren tijd en uit latere onderzoekingen is gebleken,
+dat de Reuzenalken of "Pingoeïns" (zooals zij aan de westkust van
+den Atlantischen Oceaan steeds genoemd worden) op Newfoundland en
+eenige naburige klippen eveneens veelvuldig zijn geweest; zij waren
+dit o. a. nog in de 16e eeuw. Hakluyt verhaalt in een brief van 18
+November 1578, dat men deze vogels over de loopplank in de boot
+dreef, totdat het vaartuig vol was. "Wij kregen," schrijft hij,
+"een eiland in 't zicht, dat Pingoeïn-eiland wordt genoemd, naar
+een Vogel, die daar in ongelooflijke menigte broedt; de Pingoeïn
+kan niet vliegen, zijne vleugels kunnen het lichaam niet opheffen;
+hij is zeer groot, niet kleiner dan een Gans en buitengewoon vet. De
+Franschen vangen dezen Vogel op genoemd eiland zonder moeite en zouten
+hem in." De Noorsche onderzoeker Stuvitz vond bij een bezoek, dat
+hij in 1841 bracht aan een groep van kleine klippen, die voor den
+ingang van de Bonavista-baai liggen, de overblijfselen van muren,
+uit opeengestapelde rotsklompen samengesteld, tot het begrenzen van
+perken, waarin eertijds de Reuzenalken door hunne vervolgers gedreven
+en afgemaakt werden. Ook vond hij hier hoopen van beenderen, die bij
+nader onderzoek van den Reuzenalk afkomstig bleken te zijn. In het jaar
+1863 kreeg een Amerikaan van de regeering verlof om de aarde van deze
+rotsen weg te voeren en als mestspecie naar Boston te zenden. Bij het
+opruimen van den half bevrozen grond werden, behalve vele beenderen,
+op een zekere diepte ook verscheidene door de natuur gevormde mummiën
+van den Reuzenalk gevonden. Twee van deze in veen en ijs voor bederf
+bewaard gebleven exemplaren werden naar Engeland gezonden en stelden
+Owen in de gelegenheid tot het schrijven van zijn beroemde verhandeling
+over het beenderenstelsel van den Reuzenalk.
+
+Volgens een in 1883 door Blasius opgemaakte lijst bevatten de
+Amerikaansche musea 3, de Europeesche 71 opgestopte exemplaren van
+den Reuzenalk; van deze vindt men er 21 in Groot-Britannië, 20 in
+Duitschland en 2 in Nederland (n.l. in het Rijksmuseum te Leiden en
+in het museum van Natura artis magistra te Amsterdam). Een dergelijk
+exemplaar vertegenwoordigt een waarde van 2000 à 2500 gulden. In
+'t geheel zijn 65 eieren van deze vogelsoort in de verzamelingen
+aanwezig. In 1888 werd zulk een ei verkocht voor f 2640. In het museum
+van "Artis" is zulk een ei aanwezig.
+
+Eertijds kregen de IJslandsche visschers gedurende den zomer in
+de zee zoo geregeld Reuzenalken te zien, dat aan deze Vogels geen
+bijzondere aandacht werd geschonken. Volgens alle waarnemers zwommen
+zij gewoonlijk met hoog opgeheven kop, maar ingetrokken nek en doken
+steeds onder, als zij verontrust werden. Op de rotsen zaten zij
+rechtop, in steiler houding dan de Zeekoeten en Alken. Zij gingen of
+liepen met kleine, korte pasjes en hielden daarbij den romp verticaal
+gelijk de mensch; als een gevaar hen bedreigde, stortten zij zich van
+een hoogte van 4 à 5 M. naar beneden in de zee. Door een gedruisch
+werden zij meer verschrikt dan door een verschijnsel, dat met de oogen
+waargenomen wordt. Soms hoorde men van hen een zwak gekras. Nooit
+heeft men opgemerkt, dat zij hunne eieren verdedigden; wanneer zij
+zelf aangevallen werden, verweerden zij zich door hevig te bijten.
+
+Hun voedsel schijnt bestaan te hebben uit Visschen van verschillende
+grootte. Fabricius bericht, dat hij bovendien in de maag van een jong
+overblijfselen van planten vond.
+
+Het eenige ei, dat in ieder voortplantingsseizoen ontstond, werd in
+Juni gelegd; het heeft dezelfde tolvormige gedaante als de eieren van
+andere Alken, maar is veel grooter dan deze; het is grooter dan eenig
+gevlekt ei, dat van een Europeeschen Vogel afkomstig is. De lengte is
+120 à 130, de middellijn Op de dikste plaats 75 à 80 mM. De mannetjes
+en de wijfjes hebben, zooals uit hunne broedplekken blijkt, om beurten
+gebroed; hoe lang het duurde, voordat de jongen het ei verlieten,
+weet men niet, misschien 6 à 7 weken. Het jong had bij de geboorte
+een donkergrijs donskleed en werd zeer spoedig naar het water gebracht.
+
+
+
+De Zeekoeten (Uria) verschillen van de Alken door den vorm van
+den snavel; deze is slank, recht, zijdelings weinig samengedrukt,
+eenigszins priemvormig, ongeveer even lang als het overige deel van
+den kop, tot op de langwerpige neusgaten bevederd; de bovensnavel
+is op den rug flauw afgerond, alleen aan de spits een weinig naar
+beneden gebogen, de scherpe zijranden zijn eenigszins ingetrokken,
+de kinhoek is onduidelijk. De pooten zijn ver achterwaarts geplaatst,
+de vleugels smal en spits met dikke slagpennen; de staart is kort en
+afgerond, uit 12 à 14 pennen samengesteld; het vederenkleed van den
+romp bestaat uit korte, losbaardige veeren, heeft op de onderdeelen
+overeenkomst met een vacht en is bij ouden en jongen, in den zomer
+en in den winter merkbaar verschillend.
+
+
+
+Bij de Kleine Zeekoet (Uria grylle) is het bruiloftskleed fluweelachtig
+zwart met groenachtigen weerschijn; op de vleugels komt een wit veld
+voor, het oog is bruin, de snavel zwart, de voet koraalrood. In den
+winter zijn de onderdeelen wit en zwart gevlekt. Totale lengte 34,
+staartlengte 5 cM.
+
+De Kleine Zeekoet behoort in 't hooge noorden thuis en broedt tusschen
+80 en 58° N.B. Binnen deze grenzen is zij algemeen, hoewel men
+haar zelden in zwermen, meestal slechts paarsgewijs en afzonderlijk
+aantreft. In 't begin van den eigenlijken winter trekt zij meer of
+minder geregeld zuidwaarts. Op de Duitsche kusten komt zij echter
+zelden voor; bij ons werd zij nog niet waargenomen.
+
+Deze Vogel maakt steeds een aangenamen indruk, hetzij men hem op een
+rotsblok ziet zitten, of hem bij 't zwemmen en duiken, of vliegen
+bespiedt. Bij 't zitten is hij gewoon den geheelen loop op den grond
+te laten rusten, den romp een nagenoeg verticalen stand te geven
+en met bevallige kronkelingen van den hals den kop heen en weer
+te bewegen. In 't zwemmen is hij zeer bedreven: lichter dan zijne
+verwanten rust hij op het water, daar gewoonlijk slechts een klein
+deel van den romp ingedompeld is. Bij 't roeien worden de fraaie,
+roode voeten dikwijls zichtbaar. Om te duiken strekt hij beide pooten
+met kracht achterwaarts, buitelt tevens zonder gedruisch over den kop,
+breidt onder water dadelijk de vleugels uit en gebruikt ze tegelijk
+met de voeten als roeiriemen. Na hoogstens twee minuten komt hij weer
+boven om te ademen. Het vliegen schijnt hem betrekkelijk weinig moeite
+te kosten, hoewel hij de vleugels zeer snel, als 't ware gonzend,
+bewegen moet. Om van 't water op te vliegen, neemt hij een korten
+aanloop; op een zekere hoogte gekomen, is zijn vlucht echter veel
+sneller dan men aanvankelijk vermoed zou hebben; schielijk bereikt
+hij een aanzienlijke hoogte, b.v. het hooge gedeelte van de rots,
+waar zijn nest zich bevindt. Naar 't water terugkeerend, breidt
+hij eenvoudig de vleugels uit, zonder ze eigenlijk te bewegen. De
+Kleine Zeekoeten toonen een zachtzinnig, goedaardig, verdraagzaam
+karakter. Op de broedplaatsen verschijnen zij in 't begin van Maart, op
+een grooten vogelberg hoogstens een dertigtal, die zich om de overige
+zeevogels niet schijnen te bekommeren, ieder paar steeds afgezonderd
+te midden van millioenen Zeekoeten van andere soorten. Als een mensch
+de broedplaats nadert, zal het paartje wachten, tot hij op een afstand
+van slechts 15 à 10 schreden gekomen is en dan de vlucht nemen. De
+broedende Vogel zit dikwijls zoo "vast", dat men hem met de hand kan
+grijpen. De Groenlanders en IJslanders vangen Kleine Zeekoeten, zooveel
+zij kunnen; de Noren ontnemen haar alleen de eieren. Haar vleesch
+smaakt tranig, maar kan zoo toebereid worden, dat het eetbaar is;
+in Lapland worden den reiziger dikwijls jonge Zeekoeten voorgediend,
+die hij mettertijd als een smakelijk gerecht leert beschouwen. De
+veeren worden gebruikt tot vulling van bedden. Het meest worden de
+eieren geschat; wie gewend is aan hun eigenaardigen smaak, vindt ze
+lekker. Zij worden (zelden voor het midden van April, dikwijls eerst in
+Mei) ten getale van twee in een rotsspleet gelegd en zijn gemiddeld 6
+cM. lang en 4 cM. dik. Het mannetje en het wijfje broeden afwisselend
+24 dagen lang en voederen hunne jongen aanvankelijk in het nest met
+Zandpieren, Slijkvisschen, kleine Zandalen, enz., totdat zij geschikt
+zijn om, evenals de volwassen Vogels, allerlei soorten van Visschen en
+Schaaldieren te eten. De jongen in het donskleed kunnen wel zwemmen,
+maar niet duiken.
+
+
+
+Bij de Gewone Zeekoet (Uria troïle of Uria lomvia) zijn de kop, de
+voorhals en de bovendeelen fluweelachtig bruin, de spitsen van de
+schouderveeren wit, waardoor op den vleugel een lichte band ontstaat;
+de onderdeelen zijn wit, aan de zijden met bruine, overlangsche
+strepen. In het winterkleed zijn ook de voorhals en een deel van de
+achterwang wit. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig
+grijs, aan de buitenzijde donkerder. Totale lengte 46, staartlengte
+6 cM.
+
+De Bastaard-zeekoet (Uria hringvia), die, evenals de volgende vorm,
+soms als een verscheidenheid van de vorige soort wordt beschouwd,
+heeft in haar bruiloftskleed een witten ring om het oog, die in een
+witte, tot aan den achterkop reikende streep uitloopt. Overigens
+stemt zij nagenoeg geheel met de Gewone Zeekoet overeen.
+
+De Groote Zeekoet (Uria Brünnichii) onderscheidt zich van de Gewone
+door den korteren, dikkeren snavel en de geelachtig witte streep langs
+de bovenrand van de mondspleet, van den mondhoek tot aan het neusgat;
+ook is zij ongeveer 3 cM. langer.
+
+
+
+Al deze soorten bewonen de noordelijke zeeën van beide werelden;
+enkele exemplaren broeden echter in den gematigden gordel. Gedurende
+den winter begeven zij zich geregeld naar zuidelijker zeeën en
+komen dan ook in de nabijheid van onze kust; het meest vindt men
+hier de eerstgenoemde soort (enkele exemplaren zelfs in den zomer),
+het zeldzaamst de laatstgenoemde, hoewel deze op de Deensche kust
+'s winters talrijk is. Het grootste deel van hun leven brengen zij
+in de open zee door; de meeste blijven voortdurend in dezelfde
+streek; slechts gedurende den voortplantingstijd komen zij aan
+land. Zij zwemmen uitmuntend, waarbij de romp nagenoeg tot aan de
+grens tusschen het witte en het zwarte deel van het vederenkleed
+ingedompeld is; zij zijn meesters in het duiken, roeien zich onder
+water met de vleugels en de pooten zeer snel en behendig voort
+en kunnen verscheidene minuten achtereen onder water blijven. Zij
+vliegen snel, met gonzende vleugelslagen, hoewel niet gaarne ver
+in één tocht, op aanzienlijke hoogte alleen dan, wanneer zij zich
+naar haar nest begeven, anders meestal dicht bij 't water langs. Van
+verre gezien gelijken zij wegens de snelle beweging der vleugels op
+groote Insecten; in den broedtijd komt men er onwillekeurig toe den
+vogelberg, vooral wanneer deze kegelvormig is, met een door Bijen
+omzwermden korf te vergelijken. Alleen wanneer zij zich van hunne
+broedplaatsen op den vogelberg in het water storten, glijden zij
+nagenoeg zonder vleugelslagen lijnrecht naar beneden. Daar de op-
+en neervliegende Vogels dezelfde richting volgen, schijnt de berg
+door een dak omgeven te zijn. Buiten den broedtijd ziet men ze nooit
+op deze wijze vliegen; zij bepalen zich dan tot zwemmen en duiken,
+of verheffen zich hoogstens voor een korte poos in de lucht, om
+spoedig naar 't water terug te keeren. Gewoonlijk hebben zij een
+glijdenden gang, plomp schuifelen zij met de geheele zool over den
+grond; soms echter loopen zij, als 't ware dansend, op de teenen, maar
+moeten dan van de vleugels gebruik maken om het evenwicht te bewaren,
+zoodat deze wijze van beweging eerder gebrekkig vliegen dan loopen
+kan heeten. Hun stem bestaat uit een langgerekt gesnater of geratel,
+dat echter zeer verschillend geïntoneerd kan zijn en daarom soms als
+"örr", soms als "err" schijnt te klinken; ook hoort men van hen wel
+eens een huilenden of mauwenden toon. De jongen fluiten.
+
+Niemand zal na een bezoek aan een met Zeekoeten bedekten vogelberg zich
+er over verwonderen, dat deze Vogels dom worden genoemd. Werkelijk
+toonen zij zich buitengewoon onergdenkend en vol goed vertrouwen,
+vooral wanneer zij zich te land bevinden: in 't water laten zij
+een boot dikwijls dicht bij hen komen; hunne broedplaatsen kan men,
+zonder hun argwaan te wekken, tot op een afstand van 6 à 4 schreden
+naderen en hier gaan zitten kijken of zich met teekenen of schrijven
+bezig houden, zonder dat zij wegvliegen.
+
+Wie hen wil leeren liefhebben, moet hen op hunne broedplaatsen
+bezoeken. Hiertoe kiezen zij steil uit zee oprijzende klippen of
+bepaalde rotswanden uit, welker voet door het water bespoeld wordt, die
+rijk zijn aan terrassen, uitsteeksels en spleten en in welker nabijheid
+zij met het best mogelijke gevolg kunnen visschen. Tegen het einde
+van Maart of het begin van April verschijnen zij in meer of minder
+groote zwermen op de vogelbergen. Dan worden deze weldra het tooneel
+van een eigenaardig leven en gewemel. De vogelberg is voortdurend
+door een wolk van Vogels omgeven; duizenden en honderdduizenden
+zitten schijnbaar op rijen geplaatst met de witte borst naar de
+zee gekeerd op alle uitsteeksels, hoekpunten, spitsen, terrassen,
+kortom overal waar gelegenheid is om te zitten; honderdduizenden
+vliegen intusschen van boven naar beneden of van beneden naar boven,
+terwijl een niet minder groot aantal zich in de zee aan den voet van
+den berg met visschen en duiken bezig houdt. Zelfs de grootste berg,
+de meest uitgestrekte rotswand wordt overstelpt met bewoners, die
+echter ieder met een kleine ruimte tevreden zijn, zoodat men nooit
+strijd ziet ontstaan over de standplaatsen der nesten. Het mannetje
+en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht; zij zitten, als de
+eieren nog niet gelegd zijn, voortdurend naast elkander, vliegen
+gelijktijdig naar zee, visschen gemeenschappelijk en keeren te zamen
+naar het nest terug, waar zij later de zorg voor het broeden deelen.
+
+Het wijfje legt slechts één zeer groot, tolvormig ei; het heeft
+een dikke, grofkorrelige, op lichten grond met donkerder vlekken
+geteekende schaal; de teekening biedt echter zooveel afwisseling aan,
+dat men onder de 100 eieren er moeielijk twee volkomen gelijke zal
+kunnen vinden. Van een eigenlijk nest is geen sprake; het wijfje
+legt hare eieren op het naakte gesteente, zonder dit ergens mede te
+bedekken, zelfs zonder er van te voren de grove kiezelsteenen af te
+krabben. Zoodra het ei gelegd is, neemt het broeden een aanvang; bij
+deze werkzaamheid lossen de beide echtgenooten elkander af; zelfs
+treft men op alle vogelbergen goedhartige, ongepaarde Vogels aan,
+die zich met ware vreugde neervleien op ieder ei, dat zij onbezet
+zien, om het spoedig een weinig te bebroeden. Na een broedtijd van
+30 à 35 dagen komt uit den dop het jong te voorschijn; dit gelijkt
+meer op een grauwzwarte prop wol, dan op een Vogel; het groeit
+schielijk, legt het donskleed spoedig af en heeft dit reeds door een
+vederenkleed vervangen, voordat het één maand oud is. Nu verlaten
+de jongen hun zitplaats op de rots om zich naar de zee te begeven,
+"welke verhuizing," zegt Naumann, "niet geheel vrij is van gevaar,
+zooals duidelijk blijkt uit het in 't oogvallend, angstig heen en
+weer trippelen en het geschreeuw van het gezin bij het naderen van
+deze gebeurtenis. Gevolgd door de ouders, werpt het jong zich met één
+sprong van den kant van de rots in zee; voor de eerste maal met het
+water in aanraking komend, duikt het, wederom gevolgd door de ouden,
+dadelijk in de diepte; als allen weer boven gekomen zijn, dringt
+het jong zich onder luid gefluit angstig tegen de ouders aan, als
+'t ware om bij hen bescherming te zoeken en op hun rug te klimmen;
+het moet zich echter een nadere kennismaking met het natte élement
+getroosten, waarmede het door herhaaldelijk met de ouden onder te
+duiken weldra meer vertrouwd wordt. Al dadelijk is het dus in de
+gelegenheid om zelf zijn voedsel te zoeken; het wordt gedrongen zich
+met ijver hierop toe te leggen, daar zijne ouders zich niet meer met
+zijn voedering bemoeien; deze blijven echter bij hun kind om het tegen
+gevaar te beschermen en begeleiden het naar de opene zee; hier ziet
+men gewoonlijk tal van gezinnen bijeen, die met voor 't meerendeel
+slechts halfvolwassen jongen weer en wind trotseeren. Menige jonge
+Zeekoet verongelukt, terwijl hij zich van de rotsen naar de zee
+begeeft en valt zich op de steenen te pletter."
+
+De vogelbergen worden door de menschen geregeld afgezocht en leveren,
+al naar hun uitgestrektheid en het aantal Vogels, dat er broedt een
+meer of minder rijken oogst van eieren en jongen. De eerstgenoemde
+worden in het noorden tamelijk ver verzonden, de jongen gezouten en
+voor den winter bewaard. Op de Fär-öer vormen de vogelvangers een
+afzonderlijke kaste; van deze menschen, die geen gevaar schuwen en
+den dood in allerlei gedaanten moedig onder de oogen zien, sterft er
+ternauwernood één in zijn bed. Zij beklimmen de rotsen van onderen af,
+of laten zich aan lange touwen naar beneden zakken, om vervolgens,
+hieraan slingerend, een met broedende Vogels bedekte rotspunt
+te bereiken, van welke zij soms wel 15 M. ver verwijderd zijn: zij
+zetten den voet op terrassen, waar nauwelijks plaats genoeg is voor een
+Vogel, kortom, verrichten werkzaamheden, die ongelooflijk schijnen. In
+Groenland schiet men 's winters duizenden Zeekoeten met het geweer;
+ook krijgt men ze op de volgende zeer eigenaardige wijze in handen: De
+Vogels zoeken hunne broedplaatsen op, voordat het kustijs losgeraakt
+is en brengen hier den korten nacht slapend door. In dezen nacht
+begeven de Groenlanders zich zoo stil mogelijk naar de vogelbergen,
+om, zoodra zij hier gekomen zijn, de Vogels schrik aan te jagen door
+plotseling te schreeuwen en te schieten. De arme Zeekoeten denken er
+niet om, dat de zee aan den voet van de rots nog met ijs bedekt is
+storten zich hals over kop naar beneden en vallen zich te pletter op
+het ijs. Behalve door den mensch worden zij onophoudelijk vervolgd
+door Roofvogels, Raven en Jagers; onder water loopen zij gevaar door
+roofvisschen verslonden te worden. Ondanks deze vervolgingen neemt
+hun aantal niet af.
+
+De Zeekoeten op Helgoland mogen niet lastig gevallen worden voor den
+24en Juli; op dezen dag wordt de jacht op genoemde Vogels geopend,
+in 't eerst alleen voor de badgasten, later ook voor de bewoners van
+het eiland.
+
+
+
+De onderzoekers, die de levenswijze van de kleinste van alle Zeekoeten,
+van de Kleine Alk (Mergulus alle), den eenigen vertegenwoordiger
+van het geslacht der Krabbenduikers, hebben nagegaan, noemen haar
+eenstemmig een van de bevalligste kinderen der zee. Door den korten
+en dikken, van boven gewelfden snavel, die bij oude Vogels vóór de
+eironde neusgaten nog flauwe groeven vertoont, houdt zij in zekeren
+zin het midden tusschen de Alken en de Zeekoeten. Het vederenkleed
+is op de bovendeelen donkerzwart, op den onderhals dofzwart, op de
+overige onderdeelen wit; de handpennen en stuurpennen zijn zwart; de
+armpennen hebben aan de spits een breeden, witten zoom. Het oog is
+donkerbruin, de snavel dofzwart, de voet blauwachtig zwart. In het
+winterkleed is ook de keel witachtig en de hals donkergrijs. Totale
+lengte 25, staartlengte 3 cM.
+
+De Groenlandvaarders noemen de Kleine Alk "IJsvogel", omdat men
+gewoonlijk rekenen kan op de nabijheid van groote ijsmassa's, wanneer
+zij zich in grooten getale vertoont. Van alle Alkvogels is zij de
+bewegelijkste, wakkerste en behendigste. Betrekkelijk snel en vlug gaat
+zij met kleine trippelpasjes op de teenen, sluipt behendig tusschen de
+steenen rond, of kruipt als een Muis in rotsspleten. Haar bekwaamheid
+in 't zwemmen en duiken is zelfs voor een lid van haar familie
+buitengewoon; zij blijft 2 minuten of langer onder den waterspiegel
+en kan gedurende geruimen tijd zeer slecht weer verdragen. In de
+zee gevoelt zij zich steeds volkomen thuis; slapend, met onder de
+schouderveeren verborgen snavel, zoowel als wakend drijft of zwemt zij
+welgemoed op de golven, hetzij deze hoog gaan, of zich slechts weinig
+verheffen. Van 't water, evenals van 't land, vliegt zij vlug en zonder
+merkbare inspanning op. Meer nog dan hare verwanten herinnert zij dan
+aan een vliegend Insect, daar zij hare kleine vleugels zeer snel moet
+bewegen. Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk te bestaan uit kleine,
+dicht bij den zeespiegel levende Schaaldieren; slechts zelden vindt
+men overblijfselen van Visschen in haar maag.
+
+De eilanden van het hooge noorden herbergen gedurende den broedtijd
+ontelbare zwermen van deze vogeltjes. Op de kusten van Spitsbergen
+hoort men, volgens Mallingren, nog op een halve mijl afstands
+van de kust onophoudelijk, over dag zoowel als 's nachts, van de
+berghellingen, die zij tot woonplaats hebben uitgekozen, hun als
+"trr, trr, tet, tet, tet" of als "gief" klinkend geschreeuw. Volgens
+Faber broeden zij op IJsland slechts op één plaats, n.l. op de
+noordelijkste spits van het eilandje Grimsö. Ieder paartje zoekt
+diep onder de neergestorte steenklompen een geschikte plaats om te
+nestelen; men vindt in dit hol één wit, blauwachtig getint, zelden
+zwak roodachtig gevlekt ei van 50 mM. lengte en 35 mM. dikte. Zoodra
+de jongen zelfstandig geworden zijn, vereenigen de Kleine Alken van
+verschillende broedplaatsen zich tot de ontzaglijke scharen, die de
+zeevaarders in het noorden tot op de hoogste breedten waargenomen
+hebben. In den winter, vooral bij storm en ijsgang, komen zij ook aan
+de kusten van de Oost- en Noordzee voor; aan onze kust ontmoet men ze
+dan dikwijls in menigte, enkele exemplaren soms reeds in het einde van
+Augustus. Bij ijsgang in zee treft men ze niet zelden binnenslands
+in slooten en vaarten aan. De van roof levende Vogels en Visschen
+richten misschien onder de Kleine Alken geen grooter slachting aan
+dan de mensch. Naast het vleesch van het Rendier is dat van deze
+zeevogels een van de grootste lekkernijen van het hooge noorden. Bij
+duizenden worden zij gedood, soms meer dan 30 in één schot.
+
+
+
+De groote, drijvende bladen van verschillende waterplanten,
+vooral van plompen, die de oppervlakte van stilstaande of langzaam
+stroomende wateren bedekken, dienen in warme landen tot jachtgebied
+aan eenige hoogst sierlijk gebouwde Vogels, die Parra's heeten en een
+afzonderlijke groep uitmaken (Parrae), die slechts één familie bevat
+(Parridae). Men ontmoet ze in de keerkringslanden van de Oude zoowel
+als van de Nieuwe Wereld. Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten,
+die evenwel alle in levenswijze overeenkomen. Slechts bij uitzondering,
+vooral in den broedtijd, verlaten zij hunne drijvende eilanden.
+
+In tegenstelling met andere moerasvogels, zijn zij jegens den mensch
+volstrekt niet schuw, maar vertoonen zich integendeel steeds ongedekt,
+laten toe, dat een boot dicht bij hen langs vaart, vliegen eerst
+op 't laatste oogenblik weg, fladderen even over het water heen
+en strijken spoedig weer neer. Het zijn zeer bevallige, argelooze
+Vogels, die nevens de waterleliën en andere fraaie waterplanten zulk
+een bekoorlijken indruk maken, dat zij iedereen voor zich innemen,
+hoewel hun aard niet in alle opzichten beantwoordt aan de gunstige
+meening, die hun aanblik wekt. Door het loopen op bladen, die geen
+anderen Vogel van deze grootte kunnen dragen, bekoren zij den reiziger;
+dit feit heeft aanleiding gegeven tot de bijgeloovige verhalen, waarin
+zij een rol spelen. Overal elders dan op hunne bladen toonen zij zich
+onbeholpen. Wel zijn zij ook geschikt om over weeke modder te loopen,
+zonder er in te verzinken; ternauwernood echter kunnen zij zich door
+het hooge gras bewegen; evenmin zijn zij ervaren in het zwemmen of
+in het vliegen. Eenige soorten heeft men nog nooit zien zwemmen,
+van andere is het bekend, dat zij goed kunnen duiken. Zij hebben een
+vreemdsoortige stem, die bij sommige als lachen klinkt. Zij is niet
+slechts voor hunne soortgenooten maar ook voor andere Vogels een
+waarschuwing tegen gevaar.
+
+Zij voeden zich gedurende een deel van 't jaar bijna uitsluitend met
+de zaden van de planten, waarop zij zich ophouden, maar bovendien
+ook met allerlei kleine dieren.
+
+Zij hebben een slanke gedaante, een dunnen, langwerpigen snavel en
+hooge pooten met buitengewoon lange en dunne teenen, welker lengte
+door die der slanke, rechte nagels soms verdubbeld wordt. Daar
+de gezamenlijke teenen, wanneer zij uitgespreid zijn, een groot
+vlak beslaan en de romp zeer licht is, vindt de Vogel op een groot,
+drijvend blad een voldoenden steun. De vleugels zijn tamelijk lang,
+smal en spits; de staart is kort en uit smalle pennen samengesteld;
+bij één soort echter (bij Parra sinensis, die ook op de Soenda-eilanden
+gevonden wordt) zijn de middelste stuurpennen draadvormig verlengd. Het
+vederenkleed is eenigszins schraal voorzien, maar stijf en in den
+regel fraai van kleur. De naakte voorhoofdsplaat, die bij de meeste
+soorten voorkomt, is bij sommige--o. a. bij de Haantjesparra (Parra
+cristata), die op Celebes en Noord-Australië thuis behoort--verlengd
+tot een huidlel. Opmerkelijk is de stevige, meestal spitse, soms stompe
+"doorn", waarmede het handgewricht gewapend is.
+
+
+
+Een van de algemeenste moerasvogels van Zuid-Amerika is die, welke in
+Brazilië Jassana, in Cayenne Chirurgien, in Suriname Kemphaan wordt
+genoemd (Parra jaçana). Bij den volwassen Vogel zijn de kop, de borst
+en de buik zwart, de rug, de vleugels en de flanken roodbruin, de
+slagpennen geelachtig groen, aan de spits echter zwart, de stuurpennen
+donker roodachtig bruin. Het oog is lichtgeel, de snavel rood, aan de
+spits geelachtig, de naakte voorhoofdsplaat, zoowel als de lel aan
+den mondhoek, bloedrood, het naakte deel van den poot loodkleurig
+grijs, de doorn geel. Totale lengte 55 cM.; de middelste teen is
+(met zijn 24 mM. langen nagel) 55 mM. lang en even lang als de loop;
+de achterteen is 64 mM. lang, waarvan 40 mM. op den nagel komen.
+
+Van Guyana tot Paraguay ontbreekt de Jassana in geen enkel stilstaand
+water, wanneer dit voor een deel met groote, drijvende bladen bedekt
+is. Wegens hare fraaie kleuren ziet men haar gaarne en laat haar
+rustig begaan; zij vestigt zich daarom in de onmiddellijke nabijheid
+van woningen, vooral in de afwateringskanalen van plantages; houdt zich
+bovendien op in alle moerassige streken, op natte, moerassige weiden,
+in de nabijheid van de kust, zoowel als in 't binnenland of te midden
+van de oerwouden. Een prachtig schouwspel levert zij op te midden van
+de prachtige waterleliën, welker kleuren door de hare in de schaduw
+worden gesteld, pijlsnel loopend over de dicht dooreengegroeide,
+groote, groene bladen, voortdurend bezig met het zoeken van haar
+voedsel, dat vooral uit waterinsecten en hunne larven, doch ook uit
+zaden bestaat.
+
+Het wijfje legt hare 4 à 6 eieren aan den waterkant op bladen van
+waterplanten, doch ook wel op den naakten grond. De jongen volgen
+hun moeder schielijk na.
+
+
+
+De Trappen en Grielen vereenigt Fürbringer in één groep, die der
+Trapvogels (Otides).
+
+De Trappen (Otididae) zijn groote of middelmatig groote, zwaarlijvige
+Vogels met een middelmatig langen, dikken hals, een tamelijk grooten
+kop, een dikken, aan den wortel van boven naar beneden samengedrukten,
+overigens kegelvormigen, vóór de spits van de bovenkaak een weinig
+gewelfden snavel, die ongeveer zoolang is als de kop. De middelmatig
+lange, zeer dikke loop draagt drie teenen; van de stevige, breede
+slagpennen der groote, goed ontwikkelde, aan de onderzijde zacht
+uitgeholde vleugels is de derde de langste; de korte staart bestaat
+uit 20 breede pennen; het glad aanliggend vederenkleed is aan den
+kop en den hals dikwijls verlengd ("baard") en steeds met levendige
+kleuren versierd. Het mannetje is altijd grooter dan het wijfje en
+gewoonlijk ook fraaier gekleurd.
+
+Met uitzondering van Amerika bewonen de Trappen alle werelddeelen,
+vooral echter Afrika en Azië. Haar levenswijze herinnert in vele
+opzichten aan die van de Hoendervogels, maar evenzeer aan die van de
+Pluvieren en hare verwanten. Als zij niet gestoord worden, blijven
+zij den geheelen dag op den bodem; in de middaguren zoeken zij hun
+voedsel, schreeuwen of vechten met elkander; des middags "gullen" zij
+(baden zich, op hun gemak uitgestrekt, in het zand), tegen den avond
+zoeken zij op nieuw voedsel en kiezen ten slotte de meest veilige
+plaats uit, om er 's nachts te rusten. Zij eten even graag zaden als
+bladen, knoppen en knollen, plukken echter bij voorkeur de bladen zelf,
+laten b.v. gesneden kool onaangeroerd, terwijl zij een geheele kool
+met smaak verorberen. Aan brood kunnen zij gemakkelijk gewend worden;
+later beschouwen zij het als een lekkernij.
+
+Hun voortplantingsperiode valt samen met het laatste gedeelte van de
+lente in hun vaderland. Volgens de meeste onderzoekers leven zij in
+monogamie. In een korenveld of tusschen het hooge steppengras krabt
+de hen een ondiep kuiltje, bekleedt het op gebrekkige wijze, en legt
+er een gering aantal eieren in; zonder hulp van haar gemaal bebroedt
+zij ze en hoedt de met een sierlijk donskleed bedekte, maar eenigszins
+plompe jongen; later komt het mannetje bij zijn gezin terug om voor
+de veiligheid van vrouw en kinderen te zorgen.
+
+De Trappen worden in alle landen met hartstochtelijken ijver gejaagd,
+omdat haar groote voorzichtigheid den jager prikkelt tot het toonen
+van zijn meerderheid.
+
+
+
+De Groote Trap of Trapgans, in Noord-brabant en Zeeland Wilde Kalkoen
+genaamd (Otis tarda), is de grootste Europeesche landvogel. Haar
+lengte bedraagt 1 M. of meer (staartlengte 28 cM.), haar gewicht kan
+tot 14 à 16 KG. toenemen. De kop, de bovenborst en een deel van den
+bovenvleugel zijn licht aschgrauw; de rug is op roestgelen grond met
+zwarte dwarsbanden geteekend, de nek roestkleurig, de onderzijde
+vuilwit of geelachtig wit; de slagpennen zijn donker grijsbruin,
+aan de smalle buitenvlag en aan de spits zwartbruin, hare schaften
+geelachtig wit, de laatste bijna zuiver wit, de stuurpennen fraai
+roestrood, vóór de witte spits met een zwarten band versierd, de
+buitenste bijna geheel wit. De "baard" bestaat uit ongeveer 30 lange,
+teere, smalle, losbaardige, grijsachtig witte veeren. Het oog is
+donkerbruin, de snavel zwartachtig, de voet grijsachtig.
+
+Van Zuid-Zweden en Middel-Rusland af vindt men de Trap in geheel
+Europa en Middel-Azië; in Noordwest-Afrika komt zij slechts enkel
+en uitsluitend gedurende den winter voor. In Groot-Britannië is zij
+reeds uitgeroeid, in Frankrijk zeer zeldzaam, in Spanje slechts in
+eenige gewesten te vinden; in Hongarije, Moldavië en Wallachije,
+in Roemelië en Thessalië, in de Zuid-Russische steppe en in geheel
+Middel-Azië daarentegen treft men haar buitengewoon veelvuldig
+aan. Gedurende hare zwerftochten (men kan bij haar eerder van zwerven
+dan van trekken spreken) bezoekt zij niet slechts de zuidelijke,
+maar ook de meer westwaarts gelegen landen, b.v. Nederland en
+Zwitserland. In vroegere eeuwen geschiedde dit op grooter schaal
+dan thans en verschenen deze Vogels bij ons jaarlijks in den herfst
+in zoo groote menigte, dat (gelijk Merula in zijn "Vlugchtbedrijf"
+bericht) geheele velden er mede bedekt waren. Ook thans echter
+strekken enkele exemplaren hun tocht naar 't westen zoo ver en zelfs
+tot in Groot-Britannië uit. Hun aantal is evenwel alleen dan van
+eenige beteekenis, wanneer in Oost- en Middel-Europa een strenge
+koude heerscht en veel sneeuw valt, gelijk het geval was in December
+1890 en Januari 1891. In de meeste provinciën van Nederland zijn in
+genoemden winter Trappen waargenomen, soms vluchten van 18 stuks;
+10 exemplaren werden geschoten. In Groot-Britannië heeft men er in
+denzelfden tijd 7 bemachtigd. Veel grooter slachting werd destijds in
+Roemenië onder de Trappen aangericht; op den met ijs bedekten bodem
+geen voedsel vindend, kwamen deze Vogels, die in den regel op 250
+à 400 passen met de buks moeten worden geschoten, in de nabijheid
+van boerenwoningen en werden in grooten getale gedood. Het aantal
+Trappen, dat destijds te Boekarest op de markt werd gebracht, schat
+men op niet minder dan 800 stuks (Albarda).
+
+In de Noordduitsche vlakte en in de uitgestrekte, niet met wouden
+bedekte velden van Middel- en Zuid-Duitschland bewoont de Groote
+Trap ook thans nog alle voor haar geschikte plaatsen. Zij is hier
+standvogel; het gebied, waarin zij zich beweegt, is zeer uitgestrekt;
+zij verlaat het slechts in zeer strenge winters. In Rusland en
+Middel-Azië echter verschijnt zij in de lente, blijft tot Augustus in
+het oord, waar zij zich voortplant en begeeft zich dan naar andere
+gewesten. Zij zwerft dus op geregelde tijden, of trekt, zij het dan
+ook in beperkte mate.
+
+De Groote Trap vermijdt steeds boschrijke gewesten, omdat zij in
+iederen struik een hinderlaag ducht. Evenmin nadert zij in Duitschland
+bewoonde gebouwen. In den winter houdt zij zich bij voorkeur op
+in velden, die haar voedsel kunnen verschaffen, het meest dus in
+akkers met koolzaad of winterkoren. Gedurende dit jaargetijde is zij,
+zoo mogelijk, nog voorzichtiger dan in den zomer, die haar in het
+hoog opgeschoten graan een goede schuilplaats verschaft. Des nachts
+rust zij steeds op de meest afgelegen velden, meestal braakliggend
+of stoppelland, die zij eerst in de schemering opzoekt en waar, naar
+het schijnt, wachten uitgezet worden, die voor de veiligheid van het
+geheele gezelschap moeten waken.
+
+De Groote Trap gaat met langzame en afgemeten passen, hetgeen aan haar
+voorkomen een zekere waardigheid verschaft; als het noodig is, kan zij
+echter zoo schielijk rennen, dat een Hond haar slechts met moeite kan
+inhalen. Om op te vliegen, doet zij een korten, uit 2 of 3 sprongen
+bestaanden aanloop en verheft zich daarna, wel niet bijzonder snel,
+maar toch zonder buitengewone inspanning met langzame vleugelslagen
+in de lucht; als zij eerst een zekere hoogte bereikt heeft, rept zij
+zich zoo schielijk voort, dat de jager om haar met de buks te treffen
+een geoefend oog en een vaste hand moet hebben.
+
+Het gewone geluid van de Groote Trap is een vreemdsoortig, zacht
+gesnater, dat men alleen in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel
+duidelijk kan waarnemen.
+
+De ervaring leert, dat het oog het meest ontwikkelde zintuig is van
+de Groote Trap. Niet licht ontgaat iets aan haar scherpen blik. De
+reuk schijnt zeer zwak te zijn; zeker is het evenwel, dat de Trappen
+scherp hooren.
+
+De Groote Trap voedt zich in volwassen toestand bij voorkeur met
+groene plantendeelen, graanvruchten en zaden, in haar prille jeugd
+bijna uitsluitend met Insecten. Al onze landbouwplanten zijn van haar
+gading, aardappels laat zij echter gewoonlijk liggen; het liefst eet
+zij naar 't schijnt, jonge erwtenplanten en verschillende soorten van
+kool; zij gebruikt echter ook krodde- en mosterdplanten en graast in
+geval van nood de topspruitjes van het gewone gras af. In den winter
+voedt zij zich hoofdzakelijk met koolzaad- en graanplantjes; in den
+zomer gebruikt zij, behalve plantaardig voedsel, ook altijd eenige
+Insecten, zonder eigenlijk jacht op hen te maken; ook vervolgt zij
+ijverig Veldmuizen. Geregeld slikt zij ook kleine kwartskorrels door,
+tot bevordering van de spijsvertering. Haar dorst stilt zij met de
+dauwdroppels, die 's morgens aan het gras hangen.
+
+Als de paartijd nadert, toonen de hanen een groote opgewondenheid;
+zij stappen met waaiervormig uitgespreiden, een weinig opgeheven
+staart, fier als Kalkoenen rond; intusschen is vooral een vliezige
+zak aan de keel zoo sterk opgeblazen, dat de hals meer dan eens zoo
+dik schijnt dan gewoonlijk. Er hebben dan hevige gevechten plaats,
+tot de zwakste hanen het veld ruimen. Alle bekende feiten pleiten
+voor de meening, dat de Trappen in monogamie leven.
+
+Bij 't kiezen van de broedplaats geven zij steeds blijken van groote
+voorzichtigheid; door oude paren geschiedt dit echter zorgvuldiger
+dan door jonge. Als het koren reeds zoo hoog is opgeschoten, dat
+het broedende wijfje zich er in verbergen kan, krabt zij een ondiep
+kuiltje in den bodem, bekleedt dit soms met eenige droge stoppels,
+stengels en halmen en legt hierin twee, bij uitzondering ook wel drie,
+niet bijzonder groote, kort eivormige eieren; deze hebben een dikke,
+grofkorrelige glanslooze schaal, die op licht olijfkleurig groenen
+of dof grijsgroenen grond, donkerder gevlekt en gesprenkeld is. Zij
+nadert het nest steeds uiterst behoedzaam, sluipt er letterlijk heen,
+laat zich zoo weinig mogelijk zien en legt, zoodra zij iemand bespeurt,
+den hals, dien zij gedurende het broeden rechtop houdt, plat op den
+bodem. Als een vijand nadert, sluipt zij, zonder gezien te worden,
+door het koren weg; als een gevaar haar plotseling overvalt, vliegt
+zij omhoog, maar strijkt spoedig weer in 't koren neder en loopt
+dan verder. Na een bebroeding van 28 à 30 dagen komen de wollige,
+bruinachtige, zwart gevlekte jongen uit, die zoodra zij droog zijn
+met de moeder meegaan. Deze is zeer gehecht aan haar kroost; wanneer
+het gevaar loopt, fladdert zij angstig dichtbij den rustverstoorder
+langs en neemt allerlei listen te baat om hem van 't spoor te brengen;
+wanneer haar dit gelukt is, keert zij naar hare kinderen terug, die
+zich op een doelmatig gekozen plaats op den grond hebben gedrukt en in
+de overeenkomst van de kleur van hun kleed met die van den bodem een
+voortreffelijk middel tot beschutting hebben gevonden. Kleine Kevers,
+Sprinkhanen, larven van Insecten, die voor een deel door de moeder uit
+den grond gekrabd of gevangen en voor de kuikentjes neergelegd worden,
+maken hun eerste voedsel uit. In den beginne zijn zij zeer onbeholpen;
+hun gang is gebrekkig en waggelend; zij leeren eerst laat zelf hun
+voedsel op te pikken, maar beginnen dan spoedig groen voer te eten.
+
+Om Trappen te temmen, moet men ze jong gevangen hebben, daar volwassene
+het verlies van haar vrijheid moeielijk te boven komen. Zeer ervaren
+vogelfokkers koopen ook wel eieren op, die door herders gevonden zijn
+en laten deze door Hoenderen of Kalkoenen uitbroeden. De Trappen zijn
+niet bestand tegen het leven in een stal, maar moeten 's zomers en
+'s winters in de vrije natuur gelaten worden.
+
+De Trap wordt tot de "groote" jacht gerekend en overal ijverig
+vervolgd. In vroegere tijden gebruikte men voor de trappenjacht
+de zoogenaamde "karbuks", een echte helsche machine, die uit
+vele onderling vereenigde geweerloopen bestond, maar wegens haar
+zwaarte niet anders dan van een kar gehanteerd kon worden. Ervaren
+jagers besluipen in den baldertijd de fier rondstappende hanen en
+dooden hen met den kogel; dikwijls verkleeden zij zich vooraf als
+een boerenarbeider en nemen een draagkorf op den rug, of duwen
+een kruiwagen voort, of hebben een ploegpaard bij zich, dat zij
+berijden, of waarachter zij zich gedurende het besluipen van het wild
+verbergen. In de Russische steppen worden de Trappen niet zelden met
+Windhonden "gehitst", in Azië "beit" men ze met Edelvalken of getemde
+Steenarenden. Ook wacht men in de steppen soms nevelachtig, vriezend
+weer af en jaagt dan op flinke Paarden gezeten de Trappen achterna; in
+dit weder zijn n.l. de vleugels van het wild met een ijskorst bedekt
+en hierdoor minder geschikt voor het gebruik. De vallen en strikken,
+die soms aanbevolen worden, leiden zelden tot de gewenschte uitkomst.
+
+
+
+In 't zuiden van Europa vindt men, nevens de zooeven genoemde soort,
+de Kleine Trap (Otis tetrax). Haar geringere grootte en afwijkende
+kleur onderscheidden haar van de Groote Trap; bovendien zijn de veeren
+van bovenhals en achterkop naar de zijden eenigszins verlengd. Bij
+het mannetje is de zwarte hals geteekend met een van de ooren naar
+den gorgel afdalenden, witten ringband en heeft de krop een breeden,
+witten dwarsband; het aangezicht is donkergrijs, de bovenkop licht
+geelachtig met bruine vlekken, de mantel op licht roodachtigen grond
+in dwarse richting zwart gevlekt en gegolfd; de vleugelrand, de boven-
+en onderdekveeren van den staart en de veeren van de onderzijde zijn
+wit, de handpennen aan den wortel wit, aan de spits donkerbruin,
+de bovendekveeren van den vleugel en de staartveeren wit, dichtbij
+de spits met twee banden versierd. Het oog is licht- of bruingeel,
+de snavel hoorngrijs, aan de spits zwart, de voet stroogeel. Totale
+lengte 50, staartlengte 13 cM.
+
+Ook de Kleine Trap is een steppenvogel; haar eigenlijk gebied begint,
+waar de steppe of een hiermede overeenkomend terrein haar geschikte
+verblijfplaatsen verschaft, n.l. in Zuid-Hongarije en Zuid-Frankrijk;
+van hier strekt het zich aan de eene zijde uit over Turkije en
+Griekenland, Zuid-Rusland, geheel Middel- en West-Azië (vooral
+Toerkestan, Indië, Perzië, Klein-Azië en Syrië), naar de andere zijde
+over Italië, Spanje en Noordwest-Afrika. De Russische en Siberische
+steppen moet men als het brandpunt van haar verbreidingsgebied
+beschouwen. Ook op Sardinië schijnt zij zeer veelvuldig te zijn,
+terwijl zij in Spanje wel is waar niet in grooten getale voorkomt,
+maar toch nergens ontbreekt. Na den broedtijd zwerft zij rond en trekt
+vervolgens uit sommige landen naar zuidelijker streken. Gedurende hare
+zwerftochten verdwaalt zij ook naar koudere gedeelten van Europa,
+o. a. naar Nederland; herhaaldelijk zijn hier (van September tot
+Januari) enkele exemplaren van deze vogelsoort geschoten. Vóór 1870
+verscheen zij op deze wijze ook in Duitschland, zoowel in de lente
+als in den herfst, bleef er altijd echter slechts korten tijd om zich
+vervolgens hetzij naar het zuidwesten of naar het oosten van Europa
+te begeven. Sedert het genoemde jaar heeft zij zich in het kale,
+heuvelachtige, maar vruchtbare gewest van Thuringen, dat tusschen de
+steden Weissense, Kölleda, Erfurt, Langensalza en Greuszen gelegen
+is, en later ook in Silezië als broedvogel gevestigd. Toch behoort
+de Kleine Trap in Duitschland, gelijk bij ons, nog altijd tot de
+groote zeldzaamheden.
+
+In tegenstelling met haar grootere verwant voedt de Kleine Trap,
+zelfs als zij volwassen is, zich grootendeels met Insecten, vooral
+met Sprinkhanen, Kevers en verschillende larven, zonder echter het
+plantaardige voedsel geheel te versmaden. Niet slechts om deze reden,
+maar ook omdat zij een uitstekend wildbraad oplevert, moet men haar
+als een nuttige Vogel beschouwen. In Spanje wordt dit wild onder den
+naam "Fazant" opgedischt.
+
+
+
+De Aziatische Kraagtrap [Otis (Houbara) Macqueenii], die door haar
+grootte het midden houdt tusschen de beide reeds genoemde soorten,
+is in ons land geen volslagen vreemdeling, daar zij éénmaal bij Zeist
+geschoten werd. Ook in Duitschland, België, Frankrijk zijn afgedwaalde
+exemplaren waargenomen. De Kraagtrap is gemakkelijk kenbaar aan haar
+kuif, die uit smalle, gekromde, zwarte en witte veeren bestaat, aan
+den zeer langen en grooten, deels zwarten, deels witten vederkraag aan
+weerszijden van den hals en aan de zeer fijne, golvende dwarslijnen
+op de bleek grijsachtig rosbruine bovendeelen en vleugels.
+
+De Hoebara [Otis (Houbara) undulata], die vaak met de Kraagtrap verward
+werd en veel op haar gelijkt, is iets grooter en heeft zuiver witte
+kuifveeren, terwijl de veeren van den rug en van de vleugels donkerder,
+meer bruinachtig zijn.
+
+
+
+De Kraagtrap bewoont de vlakten van Pandsjab en de daaraan grenzende
+gedeelten van Sindh, dwaalt echter ook wel naar andere gewesten van
+Indië af, wordt veelvuldig aangetroffen in de droge steenachtige
+vlakten van Afghanistan en komt bovendien voor in andere Aziatische
+landen, vooral in Toerkestan, Zuidwest-Siberië, Perzië en Mesopotamië.
+
+De Hoebara vervangt haar in de landen ten zuiden van de Middellandsche
+Zee, van de Kanarische eilanden tot Arabië, is niet zeldzaam in
+Marokko, Algerië, Tunis en Tripolis, aan de Libysche kust zelfs
+veelvuldig, maar vertoont zich slechts bij uitzondering in het
+Nijlgebied.
+
+Beide geven de voorkeur aan heete, dorre, zandige en steenachtige,
+schaars met struiken begroeide vlakten en bewonen dus het liefst
+de echte woestijn. De Arabieren en Indiërs zijn hartstochtelijke
+liefhebbers van de Trappenjacht, die een voortreffelijk wildbraad
+oplevert; zij maken hierbij hoofdzakelijk gebruik van gedresseerde
+Valken.
+
+
+
+Op een der eerste avonden, die ik in een min of meer bouwvallige
+woning in een der voorsteden van Kaïro doorbracht, zag ik tot mijn
+niet geringe verrassing van de platte daken der huizen groote Vogels
+naar beneden vliegen, die zich naar het struikgewas in den tuin
+begaven en hier verdwenen. Ik dacht eerst aan Uilen, hoewel hun
+vlucht niet strookte met deze onderstelling, die ik geheel verwierp
+na het hooren van het luide geschreeuw van een der Vogels. Deze zag
+ik bij het licht der volle maan hoe langer hoe drukker zich bewegen
+in den tuin, naarmate het later werd. Als spookgestalten glipten
+zij uit de oranjeboomboschjes en verdwenen even plotseling, als zij
+gekomen waren. Een goed gemikt schot verschafte mij de gewenschte
+inlichting. Ik repte mij naar buiten en bemerkte, dat ik een landgenoot
+had geschoten, een Vogel, die ik dikwijls opgezet had gezien, een
+Griel, den middelvorm tusschen de Trap en de Pluvier, de Nachttrap,
+gelijk men hem zou kunnen noemen. Later had ik gelegenheid genoeg om
+den vreemdsoortigen klant na te gaan, want ik ontmoette hem of een
+zijner verwanten, die geheel dezelfde levenswijze hebben, in alle
+landen van Zuid-Europa en van Noordoost-Afrika, die ik bezocht.
+
+De kenmerken van de Grielvogels (Oedicnemidae) zijn: een betrekkelijk
+aanzienlijke grootte, een middelmatig lange, dunne hals, een dikke
+kop met groote oogen, een rechte, vóór het voorhoofd verhoogde, aan de
+spits kolfvormige, aan den wortel zachte, aan de spits harde snavel,
+hooge, aan het spronggewricht verdikte pooten, drieteenige voeten,
+middelmatig lange vleugels, waarin de tweede slagpen de langste is,
+een middelmatig lange, bijna wigvormige, uit 12 à 14 stuurpennen
+samengestelde staart en een tamelijk dicht vederenkleed, welks
+kleuren aan die van den Leeuwerik herinneren en bij ouden en jongen,
+bij mannetjes en wijfjes, in den zomer en in den winter nagenoeg
+gelijk zijn. De 9 soorten van deze familie behooren uitsluitend tot
+het oostelijk halfrond.
+
+
+
+Onze Griel, Doornsluiper, Scharluip of Scharlupen (Oedicnemus
+crepitans), het kleinste lid en de eenige Europeesche vertegenwoordiger
+van zijn familie, is ongeveer 45 cM. lang (staart 13 cM.); hij evenaart
+dus in grootte een Woudduif. De geheele bovenzijde is als die van
+een Leeuwerik gekleurd; de veeren zijn roestkleurig grijs en in het
+midden zwartbruin gestreept; het voorhoofd, een plek vóór het oog,
+benevens een streep er boven en een er onder zijn wit, zoo ook een
+streep op den bovenvleugel; de veeren van de onderzijde zijn geelachtig
+wit, de slagpennen zwart, de stuurpennen zwart, zijdelings en aan de
+spits wit. Het oog is goudgeel, de snavel geel, aan de spits zwart,
+de voet stroogeel.
+
+Als het eigenlijke vaderland van den Griel moet men beschouwen de
+landen van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Middel-Azië, waarin echte
+woestenijen of althans steppe-achtige gewesten voorkomen. In alle
+landen om de Middellandsche Zee, in Syrië, Perzië, Arabië, Indië
+enz. komt hij in grooten getale voor. In Hongarije, Oostenrijk en
+Duitschland ontbreekt hij evenmin, bovendien ontmoet men hem in
+Nederland, Groot-Britannië, Denemarken en het zuiden van Zweden. Bij
+ons komt hij van Mei tot October tamelijk zelden voor; hij werd
+broedend gevonden in de duinen van Noord- en Zuid-Holland en op
+de duinachtige heidevelden bij Oirschot in Noordbrabant; ook op
+de eilanden werd hij waargenomen. Op den trek bezoekt hij gaarne
+heidegronden. In Zuid-Europa vindt hij bijna overal woonplaatsen.
+
+De Griel houdt van de eenzaamheid, bekommert zich nagenoeg niet
+om zijne soortgenooten en geeft zich nog minder met andere wezens
+af. Over dag merkt men hem slechts zelden op, meestal niet anders dan
+toevallig, want hij heeft den mensch, die zijn standplaats nadert,
+veel eerder gezien dan deze hem. Als hij zich op een uitgestrekte
+effene vlakte zonder beschuttend struikgewas bevindt, drukt hij
+zich plat op den bodem neer en maakt zich daardoor, dank zij zijn
+aardkleurig vederenkleed, bijna onzichtbaar. Als de nacht aanbreekt,
+wordt hij roerig, rent en vliegt onrustig heen en weer, laat zijn sterk
+fluitende, op grooten afstand hoorbare stem weerklinken, verheft zich
+spelenderwijs zonder inspanning tot op een betrekkelijk aanzienlijke
+hoogte en vertoont sterke toeren op het gebied der vliegkunst, die
+men van hem niet verwacht zou hebben.
+
+Wormen, Insecten in allerlei ontwikkelingstoestanden, Slakken en
+andere Weekdieren, Kikvorschen, Hagedissen en Muizen zijn het wild,
+waarop de Griel jacht maakt; eieren en jonge vogeltjes, die het nest
+nog niet kunnen verlaten, worden waarschijnlijk eveneens door hem
+begeerd. De Veldmuizen, die hij als een Kat beloert, weet hij loopend
+zeer geschikt te vangen; na den buit door een krachtigen snavelhouw
+buiten gevecht gesteld te hebben, grijpt hij hem met den snavel aan,
+stoot hem herhaaldelijk tegen den grond, waardoor alle beenderen breken
+en verzwelgt vervolgens het letterlijk verpletterde slachtoffer. Ook
+de Insecten worden vóór het doorslikken gedood. Tot bevordering van
+de spijsvertering dienen de tevens ingeslikte, grove zandkorrels.
+
+In het einde van April vindt men in een kuiltje in 't zand, 3 of 4
+eieren; deze zijn ongeveer zoo groot als hoendereieren en op bruin
+groenachtig-gelen grond met grijze stippen en olijfbruine vlekjes en
+schrapjes geteekend. Het wijfje broedt, het mannetje houdt bij het
+nest de wacht. Na ongeveer 16 dagen komen de jongen uit; reeds den
+volgenden dag verlaten zij het nest en gaan onder toezicht van hun
+moeder voedsel zoeken.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een zeer lezenswaardig opstel van den Heer B. Boon, waarin "de
+Kievit" in den voortplantingstijd op duidelijke wijze beschreven wordt,
+komt voor in het tijdschrift "De Natuur in!", 1e Jaargang, pp. 49 enz.
+
+[2] "In de levende Natuur", II: 43.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 32834-8.txt or 32834-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/2/8/3/32834/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/32834-8.zip b/old/32834-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..9efb314
--- /dev/null
+++ b/old/32834-8.zip
Binary files differ