summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/57772-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '57772-0.txt')
-rw-r--r--57772-0.txt3874
1 files changed, 3874 insertions, 0 deletions
diff --git a/57772-0.txt b/57772-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..fde8e02
--- /dev/null
+++ b/57772-0.txt
@@ -0,0 +1,3874 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57772 ***
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ RABINDRANATH TAGORE
+
+ DE HOOVENIER
+
+ DOOR
+ FREDERIK VAN EEDEN
+
+
+ ZEVENDE TOT TIENDE DUIZEND
+
+
+ UITSLUITEND
+ GEAUTORISEERDE
+ VERTALING
+
+ AMSTERDAM--1921--W. VERSLUYS
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+ DIENAAR.
+
+Ontferm u oover uw dienstknecht, mijn
+kooningin!
+
+ KOONINGIN.
+
+De raad is uiteengegaan en mijn bedienden
+zijn allen vertrokken. Waarom komt
+gij zoo laat?
+
+ DIENAAR.
+
+Als gij gedaan hebt met de anderen dan is
+het mijn tijd.
+
+Ik kom vragen wat er voor uwen laatsten
+dienstknecht te doen is.
+
+ KOONINGIN.
+
+Wat kunt gij verwachten, als het te laat
+is?
+
+ DIENAAR.
+
+Maak mij hoovenier in uwen bloemhof.
+
+ KOONINGIN.
+
+Wat beteekent die dwaasheid?
+
+ DIENAAR.
+
+Ik zal mijn ander werk opgeeven. Ik zal
+mijn zwaarden en lansen in het stof werpen.
+Zend mij niet naar verre hooven; vraag mij
+niet op nieuwe verooveringen uit te gaan.
+Maar maak mij hoovenier in uwen bloemhof.
+
+ KOONINGIN.
+
+En wat zal dan uw werk zijn?
+
+ DIENAAR.
+
+De dienst van uwen leedigen tijd.
+
+Ik zal het grazige pad frisch houden waar
+gij des morgens wandelt, waar uw voeten
+loovend gegroet zullen worden bij iederen
+tred, door de bloemen, die verlangen te
+sterven.
+
+Ik zal u wiegen in een schommel tusschen
+de takken van den saptaparna-boom, waar
+de vroege avondmaan uw kleed zal trachten
+te kussen door het loover.
+
+Ik zal de lamp, die brandt naast uw bed,
+met geurige olie vullen, en uw voetbank versieren
+met sandel- en safraandeeg in wonderbare
+teekening.
+
+ KOONINGIN.
+
+En wat verlangt ge voor uw loon?
+
+ DIENAAR.
+
+Verlof om uw kleine vuisten te omvatten
+als teere lotos-knoppen en bloemenkeetenen
+om uw polsen te slaan; om de zoolen van
+uw voetjes met het roode sap van asjoka
+bloembladen te kleuren, en het plekje stof
+dat daar nog mocht gebleeven zijn, weg te
+moogen kussen.
+
+ KOONINGIN.
+
+Uw beede is verhoord, mijn dienaar, gij
+zult de hoovenier zijn in mijn bloemhof.
+
+
+
+
+
+
+II.
+
+
+O, dichter, de avond valt, uw haar vergraauwt.
+
+Hoort gij, in uw eenzaam gepeins, bericht
+van het génerzijds?
+
+
+
+"Het is avond" zei de dichter "en ik luister
+of iemand mocht roepen uit het dorp, al is
+het ook laat.
+
+Ik geef acht, of jonge zwervende harten
+elkander soms ontmoeten, of twee paar greetige
+oogen soms muziek verlangen om hun
+zwijgen te breeken, en om voor hen te
+spreeken.
+
+Wie zou hun hartstochtelijke zangen
+vlechten, als ik aan den rand des leevens zat,
+in beschouwing van den dood en het
+génerzijds?
+
+
+
+De vroege avondster verdwijnt.
+
+De gloed van een dooden-brandstapel
+sterft langsaam weg bij de stille rivier.
+
+Het koor van jakhalzen schreeuwt van uit
+den hof van het verlaten huis, in het licht
+der kwijnende maan.
+
+Als nu een zwerver, na 't verlaten van zijn
+huis, hier kwam om acht te geeven op den
+nacht, en met geboogen hoofd te luisteren
+naar het murmelen der duisternis, wie zou
+hem dan de geheimen van het Leeven in 't
+oor fluisteren, als ik mijn deuren sloot en
+mijzelven trachtte te bevrijden uit sterfelijke
+banden?
+
+
+
+Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid.
+
+Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als
+de jongste en de oudste van dit dorp.
+
+Sommigen hebben lachjes, lief en eenvoudig,
+sommigen een schalke tinteling in hun
+oogen.
+
+Sommigen hebben tranen die in het daglicht
+opwellen, anderen hebben tranen die
+in 't duister verborgen blijven.
+
+Zij hebben mij allen noodig, en ik heb geen
+tijd om oover het hiernamaals te peinzen.
+
+Ik ben van elk een tijdgenoot. Wat maakt
+het uit dat mijn haar vergraauwt?"
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+
+Des morgens wierp ik mijn net uit in de
+zee.
+
+Uit de donkere diepte haalde ik dingen
+op van wonderlijk aanzien en vreemde
+schoonheid. Sommigen glansden als een
+glimlach, sommigen blonken als tranen, en
+anderen bloosden als de wangen eener
+bruid.
+
+Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche
+vracht, zat mijn lief in den hof en
+trok ijdelijk de bladen uit een bloem.
+
+Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan
+haar voeten alles wat ik opgehaald had, en
+wachtte zwijgend.
+
+Zij oogde er naar, en zeide:
+
+"Wat voor zonderlinge dingen zijn dat?
+Ik weet niet waarvoor zij dienen."
+
+Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht:
+"ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze
+niet op de markt, dat zijn geen waardige
+geschenken voor haar."
+
+En den heelen nacht dóór wierp ik hen
+één voor één op straat.
+
+Des morgens kwamen reizigers; zij raapten
+hen op en droegen hen naar verre landen.
+
+
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Helaas, waarom bouwden ze mijn huis aan
+den weg die naar de marktplaats voert?
+
+Zij meeren hun volle booten digt bij mijn
+boomen.
+
+Zij koomen en gaan en dwalen naar 't hun
+lust.
+
+Ik zijt en let op hen; mijn tijd verstrijkt.
+
+Ik kan hen niet wegjagen. En zoo gaan
+mijn dagen om.
+
+
+
+Nacht en dag klinken hun schreeden bij
+mijn deur.
+
+Te vergeefs roep ik: "Ik ken u niet."
+
+Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn
+neusgaten kennen anderen, het bloed in mijn
+aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen
+kennen sommigen.
+
+Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en
+zeg: "Kom in mijn huis wie lust heeft. Komt
+vrij!"
+
+
+
+Des morgens luidt de klok in den tempel.
+
+Zij koomen met hun manden in de hand.
+
+Hun voeten zijn roozerood. Het vroege
+licht van de dageraad is op hun gelaat.
+
+Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en
+zeg: "Komt in mijn tuin om bloemen te plukken.
+Komt gerust."
+
+
+
+In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.
+
+Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten
+en treuzelen bij mijn heg.
+
+De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt;
+de toonen kwijnen in hun fluiten.
+
+Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en
+zeg: "Onder mijn boomen is de schaduw koel.
+Komt vrienden!"
+
+
+
+Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.
+
+Wie komt er langsaam tot mijn deur en
+klopt zachtkens?
+
+Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt
+gesprooken, ooveral-om is de stilte van den
+heemel.
+
+Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik
+zie naar het gelaat in 't duister en uuren van
+droomen gaan voorbij.
+
+
+
+
+
+
+V.
+
+
+Ik ben rusteloos. Mij dorst naar verre
+dingen.
+
+Mijn ziel gaat uit in verlangen om het kleed
+aan te raken van de scheemerige verte.
+
+O groot Génerzijds! O dringende roep van
+uw pijpen.
+
+Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik
+geen vleugels heb, dat ik voor eeuwig aan
+deeze plek gebonden ben.
+
+
+
+Ik ben greetig en waaksaam, een vreemdeling
+in een vreemd land.
+
+Uw Adem bereikt mij en fluistert een onmoogelijke
+verwachting.
+
+Uw spraak wordt door mijn hart gekend
+als zijn eigene.
+
+O Gij die verre te zoeken zijt, o de dringende
+roep van uw pijpen.
+
+Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik
+den weg niet ken, dat ik het gevleugelde
+paard niet heb.
+
+Ik ben lusteloos, ik ben een zwerver van
+harte.
+
+In den zonnigen neevel van de kwijnende
+uuren, welk van uw machtige vizioenen
+neemt vorm aan in het blaauw des heemels?
+
+O verst verwijderd Eind, o dringende roep
+van uw pijpen.
+
+Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat
+de poorten ooveral geslooten zijn, in het huis
+waar ik eenzaam woon.
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+
+De tamme voogel was in een kooi, de vrije
+voogel was in 't woud.
+
+Zij ontmoetten elkaar te gezetter tijd, zoo
+wilde het 't noodlot.
+
+De vrije voogel roept: "O geliefde, laat ons
+vluchten naar 't woud".
+
+De gevangen voogel fluistert: "Kom hier,
+laat ons samen woonen in de kooi".
+
+Zegt de vrije voogel: "Waar is ruimte tusschen
+de tralies om de wieken uit te slaan?"
+
+"Helaas!" roept de gekooide voogel: "Ik
+weet niet waar ik zou kunnen neerzitten in
+den vrijen heemel."
+
+
+
+De vrije voogel roept: "Mijn lieveling, zing
+het lied der woudstreeken."
+
+De kooi-voogel zegt: "Zit bij mij neer, ik
+zal u de taal der wijzen leeren!"
+
+De woudvoogel roept: "O neen! neen!
+zangen kunnen nooit geleerd worden."
+
+De kooi-voogel zegt: "Wee mij! ik ken de
+zangen der woudstreeken niet."
+
+Hun liefde is heftig van verlangen, maar
+zij kunnen nooit vliegen wiek aan wiek.
+
+Zij zien door de tralies van de kooi, en te
+vergeefs is hun wensch om elkander te
+kennen.
+
+Zij fladderen met hun vleugels in verlangen
+en zingen: "Kom digterbij, mijn geliefde!"
+
+De vrije voogel roept: "Het gaat niet, ik
+ben bang voor de geslooten deurtjes van de
+kooi."
+
+De kooi-voogel fluistert: "Helaas, mijn wieken
+zijn machteloos en dood."
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+
+O moeder, de jonge Prins zal onze deur
+voorbij koomen--hoe kan ik dan aan mijn
+werk blijven van ochtend?
+
+Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten;
+zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.
+
+Waarom zie je zoo verwonderd naar mij,
+moeder?
+
+Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar
+mijn vensters; ik weet dat hij in een oogwenk
+uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervende
+zang van de fluit zal klagend tot mij
+koomen van verre.
+
+Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij
+koomen en ik zal mij voor dat oogenblik op
+mijn best kleeden.
+
+
+
+O moeder, de jonge Prins is onze deur
+voorbij gekoomen en de morgenzon flikkerde
+van zijn wagen.
+
+Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg,
+ik reet het robijn-snoer van mijn hals en
+wierp het op zijn pad.
+
+Waarom zie je zoo verwonderd naar mij,
+moeder?
+
+Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam;
+ik weet dat het verbrijzeld werd onder zijn
+wielen en een roode vlek liet op het stof, en
+niemand weet wat mijn gave was, noch voor
+wien.
+
+Maar de jonge Prins is onze deur voorbij
+gekoomen en ik wierp de juweelen van mijn
+borst op zijn weg.
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed,
+ontwaakte ik met de vroege voogels.
+
+Ik zat voor mijn oopen venster, met een
+versche krans op mijn los haar.
+
+De jonge reiziger kwam den weg af in de
+roze morgenneevel.
+
+Een paerelsnoer was om zijn hals en de
+zonnestralen vielen op zijn kruin.
+
+Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij
+met een greetigen uitroep: "Waar is zij?"
+
+Van louter schaamte kon ik niet zeggen:
+"Zij is Ik, jonge reiziger, Zij is Ik."
+
+
+
+Het scheemerde en de lamp brandde niet.
+
+Lusteloos vlechtte ik mijn haren.
+
+De jonge reiziger kwam op zijn wagen in
+den gloed der ondergaande zon.
+
+De paarden schuimbekten en er was stof
+op zijn gewaad.
+
+Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met
+vermoeide stem: "Waar is zij?"
+
+Van louter schaamte kon ik niet zeggen:
+"Zij is Ik, moede reiziger, Zij is Ik."
+
+
+
+Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in
+mijn kamer.
+
+Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke
+papagaai slaapt in zijn kooi.
+
+Mijn keurs heeft de kleur van een
+paauwehals, mijn mantel is groen als jong
+gras.
+
+Ik zit op den vloer bij 't venster en let op
+de verlaten straat.
+
+Door den donkeren nacht blijf ik neurieën:
+"Zij is Ik, vertwijfelend reiziger, Zij is Ik."
+
+
+
+
+
+
+IX.
+
+
+Als ik des nachts alleen naar de samenkomst
+van minne ga, dan zingen de voogels
+niet, de wind roert zich niet, stom staan de
+huizen ter weerszij van de straat.
+
+Het zijn mijn eigen enkel-ringen, die luidruchtig
+worden bij elken stap, en ik schaam
+mij.
+
+Als ik op mijn balkon zit en naar zijn voetstap
+luister, dan ritselen de bladen niet aan
+de boomen, het water in de rivier is stom
+als het zwaard op de knieën van een ingeslapen
+schildwacht.
+
+Het is mijn eigen hart dat wild slaat--ik
+weet niet hoe ik het zal doen bedaren.
+
+Als mijn geliefde komt en aan mijn zijde
+zit, als mijn lijf beeft en mijn oogleeden
+needergaan, dan wordt de nacht donker, de
+wind blaast de lamp uit, en de wolken trekken
+sluyers oover de starren.
+
+Het is het juweel op mijn eigen borst dat
+glans en licht geeft. Ik weet niet hoe ik het
+moet verbergen.
+
+
+
+
+
+
+X.
+
+
+Laat uw arbeid staan, bruid. Luister, de
+gast is gekoomen.
+
+Hoort ge? hij rammelt zachtkens aan de
+ketting die de deur digt houdt.
+
+Let op dat uw enkelringen geen luid gerucht
+maken, en dat uw stap niet te haastig
+is bij het hem tegemoet gaan.
+
+Laat uw arbeid staan, bruid, in den avond
+is de gast gekoomen.
+
+
+
+Neen! het is niet de spookachtige wind,
+bruid, wees niet verschrikt.
+
+Het is de volle maan in een Aprilnacht;
+de schaduwen zijn bleek in den binnenhof; de
+heemel omhoog is helder.
+
+Trek de sluyer oover uw gelaat als het zijn
+moet, draag uw lamp tot de deur als ge bang
+zijt.
+
+Neen, het is niet de spook-wind, bruid,
+wees niet bevreesd.
+
+Spreek niet tot hem, als ge bedeesd zijt;
+sta terzijde van de deur bij de ontmoeting.
+
+Als hij u vragen vraagt, en ge wenscht het,
+dan kunt ge uw oogen zwijgend neerslaan.
+
+Laat uw armringen niet rinkelen, als ge
+hem binnenleidt, met de lamp in uw hand.
+
+Spreek niet tot hem als ge bedeesd zijt.
+
+
+
+Is uw arbeid nog niet gedaan, bruid?
+Luister, de gast is gekoomen.
+
+Hebt ge de lamp in de koestal niet aangestooken?
+
+Hebt ge het offermandje niet gereed voor
+den avond-dienst?
+
+Hebt ge het roode geluksmerk niet geplaatst
+bij de scheiding van uw haar, en uw
+toilet gemaakt voor den nacht?
+
+O Bruid, hoort ge 't, de gast is gekoomen?
+
+Laat uw arbeid staan.
+
+
+
+
+
+
+XI.
+
+
+Kom zooals je bent; treuzel niet met je
+toilet.
+
+Als je gevlochten haar losgegaan is, als je
+scheiding niet recht is, als de linten van je
+keursje niet vastgestrikt zijn, let er niet op.
+
+Kom zooals je bent, treuzel niet met je
+toilet.
+
+
+
+Kom, met vlugge stappen oover 't gras.
+
+Als het roode kleursel door den daauw is
+afgegaan van je voeten, als de ringen met
+belletjes van je voeten losgaan, als paerelen
+uit je snoer vallen, let er niet op.
+
+Kom, met vlugge stappen oover 't gras.
+
+
+
+Zie je hoe de wolken den heemel omhullen?
+
+Vluchten kraanvoogels vliegen op van de
+ooverkant der rivier, en plotselinge windstooten
+vliegen oover de heide.
+
+Het angstige vee rent naar zijn stalling in
+het dorp.
+
+Zie je de wolken die den heemel omhullen?
+
+Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan.--Zij
+flakkert en dooft uit in den wind.
+
+Wie kan weeten dat je oogleeden niet met
+lamp-zwart zijn bestreeken?
+
+Want je oogen zijn donkerder dan reegenwolken.
+
+Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan--ze
+gaat uit.
+
+
+
+Kom zooals je bent; treuzel niet met je
+toilet.
+
+Al is de krans niet gevlochten, wie geeft er
+om? Is de armband niet geslooten, laat
+haar zoo.
+
+De heemel is met wolken ooverdekt. Het
+is laat.
+
+Kom zooals je bent; treuzel niet met je
+toilet.
+
+
+
+
+
+
+XII.
+
+
+Als ge werk wilt doen en uw waterkruik
+vullen, kom tot mijn Meer, o kom!
+
+Het water zal zich om uw voeten sluiten
+en zijn geheim uitbabbelen.
+
+De schaduw van den koomenden reegen
+is op het zand, en de wolken hangen laag
+op de blaauwe boom-kontoeren, zooals het
+zware haar booven uw wenkbraauwen.
+
+Ik ken het ritme van uw schreeden wel,
+zij kloppen in mijn hart.
+
+Kom tot mijn Meer, o kom, als ge uw kruik
+moet vullen.
+
+
+
+Wilt ge leedig zitten en droomen en uw
+kruik laten drijven op het water, kom tot
+mijn Meer, o kom!
+
+De grazige oeverglooying is groen, en de
+wilde bloemen zijn ontelbaar.
+
+Uw gedachten zullen uit uw donkere
+oogen dwalen als voogels uit hun nest.
+
+Uw sluyer zal aan uw voeten vallen.
+
+Kom tot mijn Meer, o kom! als ge werkeloos
+zitten wilt.
+
+
+
+Wilt ge uw spel laten rusten en duiken in
+'t water, kom tot mijn Meer, o kom.
+
+Laat uw blaauwe mantel aan den oever
+liggen; het blaauwe water zal u kleeden
+en verbergen.
+
+De golfjes zullen op hun teenen gaan
+staan om uw hals te kussen en in uw oor te
+fluisteren.
+
+Kom tot mijn Meer, o kom, als ge in 't
+water wilt duiken.
+
+
+
+Moet gij razend zijn en in uw dood springen,
+kom tot mijn Meer, o kom!
+
+Het is koel en grondeloos diep. Het is donker
+als droomlooze slaap.
+
+In zijn diepten daar is nacht en dag gelijk,
+en zangen zijn er stilte.
+
+Kom tot mijn Meer, o kom! als ge wilt duiken
+naar uw dood.
+
+
+
+
+
+
+XIII.
+
+
+Ik vroeg niets, ik stond alleen aan den
+woudrand achter den boom.
+
+Vaak lag nog op de oogen van den dageraad,
+en de daauw was in de lucht.
+
+De loome geur van het vochtige gras hong
+in de dunne neevel booven de aarde.
+
+Onder den banjan-boom melkte je de koe
+met je handen, die week en frisch zijn als
+booter.
+
+En ik stond stil.
+
+
+
+Ik zeide geen woord. De voogel zong ongezien
+in het struweel.
+
+De mango-boom strooide zijn bloemen op
+den dorpsweg, en zoemend kwamen de bijen,
+één voor één.
+
+Naast den vijver was de poort van Shiwa's
+tempel geöopend en de geloovige had zijn
+zangen begonnen.
+
+Met de emmer op je schoot melkte je
+de koe.
+
+Ik stond met mijn leedige kruik.
+
+Ik kwam niet digt bij je.
+
+Bij de klank van de gong aan den tempel
+ontwaakte de heemel.
+
+Het stof wolkte op door de hoeven van
+het voortgedreeven vee op den weg.
+
+Vrouwen kwamen van de rivier, met de
+klotsende kruiken op hun heup.
+
+Je armbanden rinkelden en het schuim
+stond aan den rand van de emmer.
+
+De morgen verging en ik kwam niet digt
+bij je.
+
+
+
+
+
+
+XIV.
+
+
+Ik wandelde langs den weg, ik weet niet
+waarom, toen de middag voorbij was en
+bamboestengels ritselden in den wind.
+
+De liggende schaduwen omklemden met
+uitgestrekte armen de voeten van het vliedende
+licht.
+
+De "Koëls" waren zingensmoede.
+
+Ik wandelde langs den weg, ik weet niet
+waarom.
+
+
+
+De hut aan de waterkant wordt beschaduwd
+door een ooverhangende boom.
+
+Iemand was er beezig met haar werk, en
+in een hoek maakten haar ringen muziek.
+
+Ik stond voor deeze hut, ik weet niet
+waarom.
+
+
+
+De smalle kronkelweg kruist meenig
+mostertveld en meenig mango-bosch.
+
+Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij
+de markt aan de rivier-kade.
+
+Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet
+waarom.
+
+Jaren geleeden was het een winderige dag
+in Maart, het lente-gerucht was droomerig
+en mango-bloesems vielen op het stof.
+
+Het kabbelend water sprong op en lekte
+de koperen kan die op de landings-treeden
+stond.
+
+Ik denk aan die winderige dag in Maart,
+ik weet niet waarom.
+
+
+
+De schaduwen donkeren en het vee keert
+naar zijn stallen.
+
+Op de eenzame weiden is het licht graauw,
+en de dorpelingen wachten aan den oever
+op de veerboot.
+
+Ik keer langsaam terug op mijn schreeden--ik
+weet niet waarom.
+
+
+
+
+
+
+XV.
+
+
+Ik ren als het muskus-hert rent in de schaduw
+van het woud, dol door zijn eigen geur.
+
+De nacht is midden-Mei-nacht, de wind
+is Zuide-wind.
+
+Ik raak van mijn pad af en ik ga dwalen,
+ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat
+ik niet zoek.
+
+
+
+Het beeld van mijn eigen begeerte komt
+uit mijn hart en danst.
+
+Het stralend vizioen vliedt heen.
+
+Ik tracht het vast te grijpen, het ontwijkt
+me en leidt me van mijn weg af.
+
+Ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg
+wat ik niet zoek.
+
+
+
+
+
+
+XVI.
+
+
+Handen houden handen vast en oogen verwijlen
+aan oogen; zoo begint het verhaal
+onzer harten.
+
+Het is de maanlichte Maart-nacht; de zoete
+geur van henna is in de lucht; mijn fluit ligt
+vergeeten op den grond en de bloemenkrans
+is onvoltooid.
+
+Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig
+als een lied.
+
+
+
+Je saffraankleurige sluyer maakt mijn
+oogen dronken.
+
+De jasmijn-krans, die je voor mij vlocht,
+doet mijn hart tintelen als vleierij.
+
+Het is een spel van geeven en terughouden,
+van oopenbaren en weer verbergen; wat
+glimlachjes, een weinig schuchterheid, en
+enkele zoete, vergeefsche worstelingen.
+
+Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig
+als een lied.
+
+Geen geheimenis verder dan het heeden,
+geen streeven naar het onmoogelijke, geen
+schaduw achter de bekooring, geen reiken in
+de diepten van duisternis.
+
+Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig
+als een lied.
+
+
+
+Wij dwalen niet van uit alle woorden tot
+het eeuwig stille; we strekken onze handen
+niet uit in het leedig, naar dingen verder dan
+alle hoop.
+
+Het volstaat dat wij geeven en krijgen.
+
+We verpletteren de vreugde niet tot het
+uiterste, om er de wijn van smart uit te
+persen.
+
+Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig
+als een lied.
+
+
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+De geele vogel zingt in hun boom en doet
+mijn hart van blijdschap dansen.
+
+Wij woonen in hetzelfde dorp, en dat is
+ons eenig stukje vreugd.
+
+Haar lievelings-lammer-paar komt grazen
+in de schaduw van de boomen in onzen tuin.
+
+Als zij op onzen gerst-akker afdwalen,
+neem ik hen in mijn armen.
+
+De naam van ons dorp is Khanjaná, en
+Anjaná noemt men onzen stroom.
+
+Mijn naam weet ieder in 't dorp, en zij heet
+Ranjaná.
+
+
+
+Maar één akker ligt er tusschen ons.
+
+Bijen die nestelen in ons boschje, gaan
+hoonig zoeken in het hare.
+
+Bloemen aan haar landing-treeden te water
+gelaten, drijven met den stroom voorbij,
+waar wij baden.
+
+Mandjes gedroogde Koesm-bloemen koomen
+van hun velden op onze markt.
+
+De naam van ons dorp is Khanjaná, en
+Anjaná noemt men onzen stroom.
+
+Mijn naam weet ieder in het dorp en zij
+heet Ranjaná.
+
+
+
+Het wegje dat kronkelt tot hun huis, geurt
+in 't voorjaar van mangobloemen.
+
+Als hun vlas rijp is voor den oogst dan
+bloeit de hennip op onzen akker.
+
+De sterren, die hun huisje toelachen, zenden
+ons denzelfden fonkel-blik.
+
+De reegen die hun vijver doet volstroomen,
+verheugt ons kadam-bosch.
+
+De naam van ons dorp is Khanjaná, en
+Anjaná noemt men onzen stroom.
+
+Mijn naam weet ieder in het dorp en zij
+heet Ranjaná.
+
+
+
+
+
+
+XVIII.
+
+
+Als de twee zusters water gaan halen, dan
+glimlachen ze, als ze op deeze plek koomen.
+
+Ze moeten 't bespeuren, dat iemand achter
+de boomen staat, als ze gaan om water te
+halen.
+
+
+
+De twee zusters fluisteren tot elkaar, als
+ze deeze plek voorbij gaan.
+
+Ze moeten het geheim geraden hebben,
+van dien iemand, die achter de boomen staat
+als zij water gaan halen.
+
+
+
+Haar kruiken wankelen op eens en morsen
+water als ze op deeze plaats koomen.
+
+Ze moeten 't gemerkt hebben, dat iemands
+hart klopt, die achter de boomen staat, als
+zij water gaan halen.
+
+
+
+De twee zusters oogen naar elkaar, als zij
+op deeze plek koomen, en zij glimlachen.
+
+Er is een lach in hun snel-stappende voeten,
+die verwarring brengt in de ziel van
+iemand, die achter de boomen staat, altijd
+als ze water gaan halen.
+
+
+
+
+
+
+XIX.
+
+
+Je liep langs het pad aan den rivier-oever,
+met de volle kruik op de heup.
+
+Waarom keerde je snel je gelaat, en zag
+naar mij door je wuivende sluyer?
+
+Die stralende blik uit het donker trof mij
+als de bries, die een huivering zendt oover
+het rimpelend water en wegvlucht naar den
+scheemerigen oever.
+
+Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die
+haastig door een lamplooze kamer vliegt,
+van 't eene oopen venster tot het andere, om
+te verdwijnen in den nacht.
+
+Je bent verborgen als een ster achter de
+heuvelen, en ik ben een voorbijganger op
+den weg.
+
+Maar waarom hield je een oogenblik stil
+en oogde naar mijn gelaat door je sluyer,
+toen je langs het oeverpad liep met de volle
+kruik op de heup?
+
+
+
+
+
+
+XX.
+
+
+Dag aan dag komt hij, en gaat weer heen.
+
+Ga, mijn vriend, en geef hem een bloem
+uit mijn haar.
+
+Als hij vraagt wie haar zond, zeg hem dan
+mijn naam niet, bid ik je--want hij komt
+maar, en gaat weer heen.
+
+
+
+Hij zit op het stof onder den boom.
+
+Spreid hem daar een zitplaats met bloemen
+en bladen, mijn vriend.
+
+Zijn oogen zijn droef, en zij brengen droefheid
+in mijn hart.
+
+Hij zegt niet wat er in hem omgaat; hij
+komt maar, en gaat weer heen.
+
+
+
+
+
+
+XXI.
+
+
+Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen,
+de zwervende jongeling, bij het aanbreeken
+van den dag?
+
+Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik
+hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door
+zijn gelaat.
+
+Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of
+zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur
+te koomen?
+
+
+
+Donker zijn de bewolkte nachten in Juli;
+zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de
+lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.
+
+En telkenmale weeft hij zijn liederen met
+nieuwe wijzen.
+
+Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen
+vullen zich met den neevel. Waarom verkoos
+hij aan mijn deur te koomen?
+
+
+
+
+
+
+XXII.
+
+
+Toen zij mij met vlugge stappen voorbij
+ging, raakte mij de zoom van haar kleed.
+
+Van het onbekende eiland eens harten
+kwam een plotselinge warme lente-adem.
+
+Het wapperen van een vluchtige beroering
+bestreek mij, en verdween oogenblikkelijk,
+als een losgerukt bloembad in den wind.
+
+Het raakte mijn hart als een zucht van
+haar lichaam en een fluistering van haar hart.
+
+
+
+
+
+
+XXIII.
+
+
+Waarom zit je hier en rinkelt met je armbanden
+uit louter tijdverdrijf?
+
+Vul je kruik. Het is tijd om huiswaarts
+te gaan.
+
+
+
+Waarom roer je in 't water met je handen
+en zie je af-en-toe uit oover den weg, naar
+iemand, uit louter tijdverdrijf?
+
+Vul je kruik en keer huiswaarts.
+
+
+
+De morgenuuren gaan voorbij--het donkere
+water vliet voort.
+
+De golven lachen en fluisteren tot elkaar
+uit louter tijdverdrijf.
+
+De zwervende wolken hebben zich verzameld
+aan des heemels rand op gindsche
+hoogten.
+
+
+
+Zij dralen en zien u in 't gelaat uit louter
+tijdverdrijf.
+
+Vul je kruik en keer huiswaarts.
+
+
+
+
+
+
+XXIV.
+
+
+Mijn vriend, houd het geheim uws harten
+niet voor u.
+
+Zeg het mij, mij alleen, heimelijk.
+
+Gij, die zoo minnelijk glimlacht, fluister
+het zachtjens, mijn hart zal het hooren, mijn
+ooren niet.
+
+
+
+De nacht is diep, het is stil, de voogelnesten
+zijn door slaap omfloersd.
+
+Spreek tot mij, door beschroomde tranen,
+door weifelende glimlachjes, door zoete
+schaamte en smart, zeg het geheim uws
+harten.
+
+
+
+
+
+
+XXV.
+
+
+"Kom bij ons, jongeling, zeg ons naar
+waarheid waarom er razernij is in uw
+oogen?"
+
+"Ik weet niet welken wijn van wilde papaver
+ik dronk, dat er razernij is in mijn oogen."
+
+"O, foei!"
+
+"Wel, er zijn wijzen en er zijn dwazen, er
+zijn voorzichtigen en er zijn zorgeloozen. Er
+zijn oogen die glimlachen en oogen die
+weenen--en in mijn oogen is razernij."
+
+
+
+"Jongeling, waarom staat gij zoo stil in den
+schaduw van den boom?"
+
+"Mijn voeten zijn loom door de last mijns
+harten, en ik sta in den schaduw."
+
+"O foei!"
+
+"Wel, er zijn er die voortstappen op hun
+weg en er zijn er die treuzelen, sommigen
+zijn vrij, anderen geboeid--en mijn voeten
+zijn loom door de last mijns harten."
+
+
+
+
+
+
+XXVI.
+
+
+"Al wat van uw milde handen komt, neem
+ik aan. Ik vraag om niets méér."
+
+"Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar,
+je vraagt alles wat men heeft."
+
+
+
+"Als er een verlooren bloemke voor mij
+is, dan zal ik het in mijn hart dragen."
+
+"En als het doornen heeft!"
+
+"Ik zal ze dulden."
+
+"Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar,
+je vraagt alles wat men heeft."
+
+
+
+"Als je maar ééns je minnende oogen wou
+opheffen tot mijn gelaat, dan zou dat mijn
+leeven zalig maken tot génerzijds des
+doods."
+
+"En als er enkel wreede blikken zijn?"
+
+"Ik zal ze houden om mijn hart te doorbooren."
+
+"Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar,
+je vraagt alles wat men heeft."
+
+
+
+
+
+
+XXVII.
+
+
+"Vertrouw op Liefde, ook als ze smarten
+brengt. Sluit uw hart niet toe."
+
+"Ach, maar uw woorden zijn duister, mijn
+vriend, ik kan ze niet verstaan."
+
+
+
+"Het hart is er alleen om weg te schenken
+met een traan en een lied, mijn liefste!"
+
+"Ach maar uw woorden zijn duister, mijn
+vriend, ik kan ze niet verstaan."
+
+
+
+"Vermaak is vluchtig als een daauwdrop,
+het sterft als het lacht. Maar smart is sterk
+en blijvend. Laat smartelijke liefde blijven
+waken in uw oogen."
+
+"Ach maar uw woorden zijn duister, mijn
+vriend, ik kan ze niet verstaan."
+
+
+
+"De lotos bloeit oopen voor den blik der
+Zon, en verliest al wat ze heeft. Ze wilde
+niet in knop blijven in den eeuwigen winterneevel."
+
+"Ach maar uw woorden zijn duister, mijn
+vriend, ik kan ze niet verstaan."
+
+
+
+
+
+
+XXVIII.
+
+
+Uw vragende oogen zijn droef. Zij zoeken
+mijn gedachte te kennen, zooals de maan de
+zee zou peilen.
+
+Ik heb mijn leeven blootgelegd voor uw
+oogen van eind tot eind, en niets verborgen
+of teruggehouden. Daarom kent gij mij niet?
+
+Was het maar een juweel, dan kon ik het
+in honderd stukken breeken en aan een
+snoer rijgen voor uw hals.
+
+Was het maar een bloemeke, klein en rond
+en lief, dan kon ik het van zijn stengel plukken
+voor uw haar.
+
+Maar het is een hart, mijn geliefde. Waar
+zijn zijn kusten, waar is zijn boodem?
+
+De grenzen van dit rijk kent gij niet, en
+toch zijt ge er kooningin.
+
+Was het maar een kort vermaak, dan kon
+het ontbloeyen in een ligte glimlach, en ge
+zoudt het in een oogwenk kunnen zien en
+verstaan.
+
+Was het maar enkel een verdriet, dan kon
+het smelten in klare tranen, en zijn innigst
+geheim doen weerglanzen zonder een woord.
+
+Maar het is Liefde, mijn Liefste.
+
+Haar vermaak en verdriet zijn grenzeloos,
+en eindeloos haar nooden en weelden.
+
+Zij is u zoo na als uw leeven, en toch kunt
+ge haar nooit geheel kennen.
+
+
+
+
+
+
+XXIX.
+
+
+Spreek tot mij, Liefste! Zeg mij in woorden
+wat je zong.
+
+De nacht is donker. De sterren zijn in
+wolken verlooren. De wind zucht door de
+bladeren.
+
+Ik zal mijn haar los maken. Mijn blaauwe
+kleed zal mij omwikkelen als de nacht. Ik
+zal je hoofd aan mijn boezem klemmen, en
+dan in het zoete alleen-zijn murmelen tot je
+hart. Ik zal mijn oogen sluiten en luisteren.
+Ik zal je niet in 't gelaat zien.
+
+Als je woorden ten einde zijn, zullen wij
+stil en zwijgend zitten. De boomen alleen
+zullen fluisteren in 't donker.
+
+De nacht zal verbleeken. De dag zal aanbreeken.
+We zullen in elkaars oogen zien
+en dan verschillende weegen gaan.
+
+Spreek tot mij Liefste! Zeg mij in woorden
+wat je zong.
+
+
+
+
+
+
+XXX.
+
+
+Gij zijt de avondwolk, die aan den heemel
+mijner droomen drijft.
+
+Ik kleur u en bootseer u altijd-door met
+mijn liefde-verlangen.
+
+Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster
+van mijn eindelooze droomen.
+
+
+
+Uw voeten zijn roozerood door den gloed
+van mijn hartsbegeeren, Sprokkelaarster van
+mijn zangen van zonsondergang.
+
+Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak
+van mijn smarten-wijn.
+
+Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster
+van mijne eenzame droomen.
+
+
+
+Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe
+oogen verdonkerd, Bezitster van de diepte
+van mijn blik!
+
+Ik heb u gevangen, mijn liefste, en u gewikkeld
+in het net mijner muziek.
+
+Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster
+van mijn onsterfelijke droomen.
+
+
+
+
+
+
+XXXI.
+
+
+De voogd van de wildernis, mijn hart,
+heeft zijn heemel gevonden in uw oogen.
+
+Zij zijn de wieg van den morgen, zij zijn
+het kooninkrijk van de sterren.
+
+Mijn liederen zijn verlooren in hun
+diepten.
+
+Laat mij opgaan in dien heemel, in zijn
+eenzame ontzaglijkheid.
+
+Laat mij zijn wolken klieven, en de vleugels
+spreiden in zijn zonneschijn.
+
+
+
+
+
+
+XXXII.
+
+
+Zeg mij toch of dit alles wáár is, mijn
+Liefste, zeg mij of het wáár is.
+
+Als deeze oogen hun bliksems flitsen, dan
+geeven de wolken in uw borst het stormend
+antwoord.
+
+Is het wáár dat mijn lippen liefelijk zijn,
+als de ontplooyende knop van de eerste aandachtige
+liefde?
+
+Dralen de herinneringen van vervloogen
+meimaanden in mijn leeden?
+
+Huivert de aarde van zangen, als een harp,
+bij de aanraking van mijn voeten?
+
+Is het wáár, dat de oogen van den nacht
+daauwdroppen storten als ik gezien word, en
+dat het morgenlicht blijde is als het mijn
+lichaam omvademt?
+
+Is het wáár, is het wáár, dat uw liefde eenzaam
+reisde door eeuwen en waerelden, om
+mij te zoeken?
+
+En dat, toen gij mij eindelijk vondt, uw
+eeuwen-oude begeerten volkoomen vreede
+vonden in mijn vriendelijke stem en mijn
+oogen en lippen en golvend haar?
+
+Is het dan waarlijk wáár, dat het geheimenis
+van den Oneindige op dit mijn voorhoofdje
+geschreeven is?
+
+Zeg mij toch, mijn Geliefde, of dit alles
+wáár is.
+
+
+
+
+
+
+XXXIII.
+
+
+Ik heb u lief, Geliefde. Vergeef mij mijn
+liefde.
+
+Als een doolende voogel ben ik gevangen.
+
+Toen mijn hart geschokt werd, verloor het
+zijn sluyer en was naakt. Bedek het met
+erbarmen, Geliefde, en vergeef mij mijn
+liefde.
+
+
+
+Als gij mij niet minnen kunt, Geliefde, vergeef
+mij mijn leed.
+
+Zie mij niet zijlings aan van uit de verte.
+
+Ik zal terugsluipen naar mijn hoekje en in
+'t donker zitten.
+
+Met twee handen zal ik mijn naakte
+schaamte bedekken.
+
+Wend uw gelaat van mij weg, Geliefde, en
+vergeef mij mijn leed.
+
+
+
+Als gij mij liefhebt, Geliefde, vergeef mij
+mijn vreugde.
+
+Als mijn hart wordt weggesleurd op den
+vloed van geluk, glimlach dan niet om mijn
+hachelijke veroovering.
+
+Als ik op mijn troon zit en u beheersch
+met mijn liefde-tirannie, als ik u mijn gunsten
+gedoog als een godin, heb dan geduld met
+mijn trots, Geliefde, en vergeef mij mijn
+vreugde.
+
+
+
+
+
+
+XXXIV.
+
+
+Ga niet heen, liefste, zonder mijn afscheid.
+
+Ik heb den ganschen nacht gewaakt en
+nu zijn mijn oogen zwaar van slaap.
+
+Ik ben bang u te verliezen terwijl ik slaap.
+
+Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.
+
+
+
+Ik schrik op en strek mijn handen uit om
+u aan te raken. Ik vraag mij af: is het een
+droom?
+
+Kon ik uw voeten maar omstrikken met
+mijn hart en vasthouden aan mijn borst!
+
+Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.
+
+
+
+
+
+
+XXXV.
+
+
+Je speelt met me, opdat ik je niet te gemakkelijk
+zou kennen.
+
+Je verblindt me met flikkering van gelach,
+om je tranen te verbergen.
+
+Ik ken je, ik ken je kunst.--
+
+Het woord dat je zou willen zeggen, dat
+zeg je niet.
+
+
+
+Je ontwijkt me op duizenderlei wijzen,
+opdat ik je op prijs zou stellen.
+
+Je gaat terzijde staan, opdat ik je niet
+onder de meenigte zou reekenen.
+
+Ik ken je, ik ken je kunst.--
+
+Het pad dat je zou willen gaan, dat ga je
+niet.
+
+
+
+Je eischt meer dan anderen, daarom
+zwijg je.
+
+Met speelsche onachtsaamheid vermijd je
+mijn gaven.
+
+Ik ken je, ik ken je kunst.--
+
+Wat je zou willen neemen, dat neem je
+niet.
+
+
+
+
+
+
+XXXVI.
+
+
+Hij fluisterde: "Liefste, hef je oogen op."
+
+Ik vermaande hem scherpelijk en zei: "Ga
+heen!" maar hij verroerde niet.
+
+Hij stond voor me en hield mijn beide handen.
+Ik zei "Verlaat me!" maar hij ging niet.
+
+
+
+Hij bracht zijn gelaat digt bij mijn oor. Ik
+oogde naar hem en zei "Schaam je!" maar
+hij bewoog niet.
+
+Zijn lippen raakten mijn wang aan. Ik
+beefde en zei "Je durft te veel!" maar hij
+had geen schaamte.
+
+
+
+Hij stak een bloem in mijn haar. Ik zei
+"Het geeft niet!" maar hij stond onverschrokken.
+
+Hij nam de krans van mijn hals en ging
+heen. Ik ween en vraag mijn hart:
+"Waarom komt hij niet terug?"
+
+
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+
+Woudt gij uw krans van frissche bloemen
+om mijn hals doen, mijn schoone?
+
+Maar gij moet weeten, dat de eenige krans
+die ik gevlochten heb, voor de veelen is, voor
+hen, die maar in oogenblikken gezien worden,
+die in ondoorzochte landen woonen,
+die in dichterzangen leeven.
+
+
+
+Het is te laat om mijn hart te vragen, in
+ruil voor het uwe.
+
+Er was een tijd dat mijn leeven was als
+een knop, al zijn geur was verborgen in zijn
+kern.
+
+Nu is het ver en wijd verstrooid.
+
+Wie kent den toover om het weer te vergaderen
+en op te sluiten?
+
+Mijn hart is niet het mijne, dat ik aan een
+enkele kan geeven, het behoort den veelen.
+
+
+
+
+
+
+XXXVIII.
+
+
+Mijn Lief, op zeekeren tijd liet uw dichter
+een groot epos in zijn geest van stapel.
+
+Helaas, ik was niet omzichtig genoeg, het
+raakte uw rinkelende enkel-ringen en ging
+stuk.
+
+Het brak in kleine liedjes en lag vergruisd
+aan uw voeten.
+
+Mijn heele lading van vertelsels van oude
+oorloogen werd geslingerd door de lachende
+golven, gedrenkt in tranen en zonk.
+
+Dit verlies moet gij mij goed-maken, mijn
+Lief.
+
+Als mijn aanspraken op onsterfelijke roem
+na mijn dood zijn vernietigd, maak mij dan
+onsterfelijk in mijn leeven.
+
+En ik zal mijn verlies niet betreuren en u
+geen verwijt doen.
+
+
+
+
+
+
+XXXIX.
+
+
+Den ganschen morgen beproef ik een krans
+te vlechten, maar de bloemen glissen en
+vallen uit.
+
+Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit
+de hoeken van je spiedende oogen.
+
+Vraag die oogen, die donker op ondeugd
+zinnen, wiens schuld het was.
+
+
+
+Ik tracht een lied te zingen, maar te
+vergeefs.
+
+Een verborgen glimlach trilt op je lippen;
+vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.
+
+Laat je glimlachende lippen onder eede
+zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren
+ging als een dronken bij in de lotos.
+
+
+
+Het is avond, het is tijd voor de bloemen
+hun kelken te sluiten.
+
+Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en
+vraag mijn lippen het werk te doen, dat in
+stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig
+licht van de sterren.
+
+
+
+
+
+
+XL.
+
+
+Een ongeloovig lachje speelt in je oogen,
+als ik bij je kom, om afscheid te neemen.
+
+Ik deed het zoo vaak, dat je denkt dat ik
+gaauw terug kom.
+
+En oprecht gesprooken: ik denk het óók.
+
+Want de lentedagen koomen keer op keer
+weerom; de volle maan neemt afscheid en
+herhaalt haar bezoek, de bloemen keeren
+weer en bloozen jaar op jaar aan hun
+twijgen.--ik denk wel, dat ik alleen
+afscheid neem, om bij je terug te koomen.
+
+Maar bewaar de illuzie; wijs haar niet af
+met onvriendelijke haast.
+
+Als ik zeg, dat ik je voor altijd verlaat,
+neem het aan voor wáár, en laat een tranenfloers
+voor een oogenblijk de donkere rand
+van je oogen dieper maken.
+
+En glimlach dan zoo schalks als je wilt,
+wanneer ik terug kom.
+
+
+
+
+
+
+XLI.
+
+
+Ik verlang de diepste woorden uit te spreeken,
+die ik je te zeggen heb; maar ik durf
+niet, uit vrees dat je zoudt lachen.
+
+Daarom belach ik mijzelven en strooi mijn
+geheim uit in scherts.
+
+Ik neem mijn smart luchthartig, uit vrees
+dat jij het doen zoudt.
+
+
+
+Ik verlang de waarachtige woorden te
+spreeken, die ik je te zeggen heb; maar ik
+durf niet, uit vrees dat je ze niet gelooven
+zoudt.
+
+Daarom vermom ik ze in leugen, en zeg
+het teegengestelde van wat ik meen.
+
+Ik laat mijn smart belachelijk schijnen, uit
+vrees dat jij het doen zoudt.
+
+
+
+Ik verlang de kostelijkste woorden te gebruiken,
+die ik voor je heb; maar ik durf niet,
+uit vrees, niet met gelijke munt betaald te
+worden.
+
+Daarom geef ik je harde namen en snoef
+op mijn vereelte kracht.
+
+Ik pijnig je, uit vrees dat je nooit pijn zoudt
+kennen.
+
+
+
+Ik verlang stil bij je te zitten; maar ik durf
+niet, uit vrees dat mijn hart mij op de tong
+komt.
+
+Daarom praat en babbel ik luchtigjes, en
+verberg mijn hart achter woorden.
+
+Ik ga ruuwelijk om met mijn pijn, uit vrees
+dat jij het zoudt doen.
+
+
+
+Ik verlang weg te gaan van je zij; maar ik
+durf niet, uit vrees dat je mijn lafhartigheid
+zoudt bemerken.
+
+Daarom draag ik mijn hoofd hoog en kom
+achteloos in je nabijheid. Herhaalde dolksteeken
+van je oogen houden mijn smarten
+versch.
+
+
+
+
+
+
+XLII.
+
+
+O wild, heerlijk dronken!
+
+Als gij uw deuren oopentrapt en den dolle
+speelt in 't oopenbaar,
+
+Als ge uw buidel in éénen nacht leedigt en
+omzichtigheid voor den neus knipt,
+
+Als ge op zeldzame paden gaat en speelt
+met nuttelooze dingen,
+
+Maat noch reede telt,
+
+Als ge met volle zeilen in den storm het
+roer in tweeën breekt,
+
+dan doe ik mee, kameraad, en wil dronken
+zijn en naar de haayen gaan.
+
+Ik heb mijn dagen en nachten verspild in
+gezelschap van wijze, deegelijke buuren.
+
+Veel kennis heeft mijn haren vergraauwd,
+en veel opletten maakte mijn blik troebel.
+
+Jaren lang heb ik stukjes en beetjes van
+dingen verzameld en opgehoopt.
+
+Sla ze stuk en dans erop, en verstrooi ze
+in den wind.
+
+Want ik weet het is hoogste wijsheid, dronken
+te zijn en naar de haayen te gaan.
+
+
+
+Laat alle kronkelige bedenkingen varen,
+laat mij hoopeloos verdwalen.
+
+Laat een vlaag van volle duizeling koomen
+en mij van mijn ankers slaan.
+
+De waereld is bevolkt met deftigen, en
+met werkers, nuttig en knap.
+
+Er zijn menschen die gemakkelijk vooraan
+gaan, en menschen die netjes achteraan
+koomen.
+
+Laat hen gelukkig en voorspoedig zijn, en
+laat mij een dwaas zijn, die niet meetelt.
+
+Want ik weet, het is 't eind van alle werk,
+dronken te zijn en naar de haayen te gaan.
+
+
+
+Ik zweer alle aanspraak op den rang van
+de fatsoenlijken, in dit oogenblik te verzaken.
+
+Ik laat mijn geleerden-trots varen en mijn
+oordeel van goed of kwaad.
+
+Ik vergruizel het vat der herinnering, en
+verspil den laatsten traandrop.
+
+Met het schuim van de bes-roode wijn zal
+ik mijn lachen baden en klaren.
+
+Voor deeze enkele maal scheur ik aan flarden
+het ordeteeken der bezadigden en
+welleevenden.
+
+En ik leg de heilige gelofte af, nietswaardig
+te zijn, en dronken, en naar de haayen te
+gaan.
+
+
+
+
+
+
+XLIII.
+
+
+Neen, mijn vrienden, een askeet word ik
+nooit, wat gij ook moogt zeggen.
+
+Als zij niet met mij samen de gelofte aflegt,
+word ik geen askeet.
+
+Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden,
+tenzij ik een schaduwig hoekje vind en
+gezelschap bij mijn boetedoening.
+
+
+
+Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn
+haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken
+in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke
+lach echoot in haar schaduw, en er niet
+de tip van een safraan-geele mantel fladdert
+in den wind; als haar stilte niet verdiept
+wordt door zacht gefluister.
+
+Ik word nooit een askeet.
+
+
+
+
+
+
+XLIV.
+
+
+Eerwaarde Heer, vergeef dit paar zondaren.
+Lente-winden waayen vandaag in
+wilde vlagen, ze drijven stof en doode bladen
+voort, en al uw lessen gaan daarbij verlooren.
+
+Zeg niet, vader, dat leeven ijdelheid is.
+
+Want we hebben voor éénmaal een verdrag
+met den dood geslooten, en alleen voor
+een paar zoetgeurige uuren zijn wij onsterfelijk
+gemaakt.
+
+
+
+Zelfs als het leeger des koonings kwam,
+en ons fel ooverviel, zouden wij droevig het
+hoofd schudden en zeggen: Broeders gij
+stoort ons. Als ge dit lawaayig spel wilt
+speelen, gaat dan elders met uw wapengekletter.
+Daar wij toch maar voor een paar
+vluchtige uuren onsterfelijk zijn gemaakt.
+
+
+
+Als vriendelijke menschen kwamen en om
+ons samendrongen, zouden we met bescheiden
+buiging tot hen zeggen: Dit bizondere
+voorrecht maakt ons verleegen. Er is weinig
+ruimte in de oneindige heemel waar wij
+woonen. Want in de lente koomen er drommen
+bloemen, en de drukke bijen-wiekjes
+verdringen elkaar. Ons heemeltje, waar
+enkel wij twee onsterfelijken woonen, is zoo
+belachelijk naauw.
+
+
+
+
+
+
+XLV.
+
+
+Wensch den vertrekkenden gasten wel
+thuis, en wisch de spooren van hun schreeden
+weg.
+
+Neem tot uw hart, met een glimlach, wat
+ligt is en eenvoudig en nabij.
+
+Vandaag is het feest der schimmen, die niet
+weeten wanneer zij sterven.
+
+Laat uw lach een wufte blijheid zijn als
+lichtgetwinkel op golfjes.
+
+Laat uw leeven luchtig dansen op de kant
+van den Tijd, als daauw op de punt van een
+blad.
+
+Sla in akkoorden van uw harp, grillige,
+vliedende ritmen.
+
+
+
+
+
+
+XLVI.
+
+
+Gij verliet mij en ging uws weegs.
+
+Ik dacht, dat ik om u treuren zou, en uw
+eenzaam beeld in mijn hart zetten, gevat in
+een gouden lied.
+
+Maar ach, mijn slecht gesternte, de tijd is
+kort.
+
+
+
+De jeugd gaat voorbij jaar op jaar; de lentedagen
+zijn vluchtig; de brooze bloemen sterven
+voor niets, en de wijze man waarschuwt
+mij, dat leeven niet is dan een daauwdrop op
+een lotosblad.
+
+Zou ik dit alles verwaarloozen, om eene
+na te staren, die mij de rug gekeerd heeft?
+
+Dat zou lomp zijn en dwaas, want de tijd
+is kort.
+
+
+
+Kom dan! mijn reegen-nachten met kletterende
+voetjes; glimlach dan, gouden herfst!
+zorgelooze April! die onderweg uw kussen
+rondstrooit.
+
+Kom gij, en gij, en gij ook!
+
+Geliefden, gij weet dat wij sterfelijk zijn.
+Is het verstandig ons hart te breeken voor
+die eene, die ons haar hart onttrok? Want
+de tijd is kort.
+
+
+
+Het is zoet in een hoekje te zitten, en te
+peinzen en in rijmen te schrijven, dat gij mijn
+gansche waereld zijt.
+
+Het is heldhaftig zijn smart te koesteren,
+en vastbeslooten ontroostbaar te zijn.
+
+Maar een nieuw gelaat kijkt door mijn
+deur en heft de oogen tot de mijnen.
+
+Ik moet wel mijn tranen weg wisschen en
+een ander wijsje zingen.
+
+Want de tijd is kort.
+
+
+
+
+
+
+XLVII.
+
+
+Als je het wilt, zal ik ophouden te zingen.
+
+Als het je hart verontrust, zal ik mijn blikken
+wegwenden van je gezicht.
+
+Als je er van opschrikt op je wandeling, zal
+ik op zij gaan en een anderen weg kiezen.
+
+Als het je stoort in het bloemen vlechten,
+zal ik je eenzamen hof vermijden.
+
+Als het 't water woest maakt en wild, zal
+ik mijn boot niet langs je oever roeyen.
+
+
+
+
+
+
+XLVIII.
+
+
+Bevrijd mij van de banden uwer lieftalligheid,
+mijn Lief! Nu niet meer van deezen wijn
+van kussen.
+
+Deeze wolk van zware wierook benaauwt
+mijn hart.
+
+Oopen de deuren, laat het morgenlicht
+binnen.
+
+Ik ben in u verlooren, verwikkeld in de
+plooyen uwer liefkoozingen.
+
+Bevrijd mij van uw ban, en geef mij de
+mannelijkheid weer, om u mijn vrij hart te
+bieden.
+
+
+
+
+
+
+XLIX.
+
+
+Ik houd haar handen omvat en druk haar
+aan mijn borst.
+
+Ik tracht mijn armen met haar bekoorlijkheid
+te vullen, haar lieve lach met kussen te
+rooven, haar donkere blikken met mijn oogen
+te drinken.
+
+Maar ach! waar is het? Wie kan het
+blaauw van den heemel afrukken?
+
+Ik tracht de schoonheid te grijpen; maar ze
+ontsnapt me, en laat enkel het lijf in mijn
+handen.
+
+Moede en ontmoedigd kom ik terug.
+
+Hoe kan het lijf de bloem bereiken, die de
+geest alleen zou kunnen aanraken?
+
+
+
+
+
+
+L.
+
+
+Lief, mijn hart verlangt dag en nacht naar
+de ontmoeting met u--naar de ontmoeting,
+die is als de al-verteerende dood.
+
+Vaag mij weg als een storm, neem alles
+wat ik heb, breek mijn slaap oopen en plunder
+mijn droomen. Beroof mij van mijn
+waereld.
+
+In die verwoesting, in de uiterste naaktheid
+van den geest, laat ons dan één worden
+in schoonheid.
+
+Ach ijdele wensch! waar is deeze hoop op
+vereeniging, tenzij in U, o mijn God!
+
+
+
+
+
+
+LI.
+
+
+Voleindig het laatste lied en laat ons heengaan.
+
+Vergeet deeze nacht, als er geen nacht
+meer is.
+
+Wie tracht ik in mijn armen te klemmen?
+Droomen kan men niet vangen.
+
+Mijn greetige handen drukken ijdelheid
+aan mijn hart en ze kwetst mijn borst.
+
+
+
+
+
+
+LII.
+
+
+Waarom doofde de lamp?
+
+Ik hield er mijn mantel vóór, om haar voor
+de wind te beschutten. Daarom doofde de
+lamp.
+
+
+
+Waarom welkte de bloem?
+
+Ik drukte haar aan mijn hart in angstige
+liefde. Daarom welkte de bloem.
+
+
+
+Waarom verdroogde de stroom?
+
+Ik legde er een dam door, om hem nuttig
+voor mijn gebruik te maken, daarom droogde
+de stroom.
+
+
+
+Waarom brak de harp-snaar?
+
+Ik trachtte haar een toon te ontwringen,
+die booven haar macht was, daarom is de
+harp-snaar gebrooken.
+
+
+
+
+
+
+LIII.
+
+
+Waarom hoondet gij mij met een blik?
+
+Ik kwam niet als een beedelaar.
+
+Een uurtje maar stond ik aan het einde
+van uwen hof, buiten de heg.
+
+Waarom hoondet gij mij met een blik?
+
+
+
+Geen roos nam ik uit uwen tuin, geen
+vrucht heb ik geplukt.
+
+Ik schuilde neederig in de schaduw aan
+den weg, waar elke vreemde reiziger mag
+staan.
+
+Geen roos heb ik geplukt.
+
+
+
+Ja, mijn voeten waren moe, en de reegenbui
+kwam neer.
+
+De wind gierde tusschen de zwaayende
+bamboe-twijgen.
+
+De wolken snelden langs den heemel als
+verslagen vluchtelingen.
+
+Mijn voeten waren moede.
+
+
+
+Ik weet niet wat gij van mij dacht, noch
+op wien gij wachtet aan uw deur.
+
+Bliksemflitsen verblindden uw waakzame
+oogen.
+
+Hoe wist ik dat gij mij zien kondet, waar
+ik stond in 't donker?
+
+Ik weet niet wat gij van mij dacht.
+
+
+
+De dag is ten einde, de reegen heeft éven
+opgehouden.
+
+Ik verlaat de schaduw van den boom aan
+het eind van uwen hof, en de zitplaats op
+het gras.
+
+Het is donker geworden, sluit uw deur, ik
+ga mijns weegs.
+
+De dag is ten einde.
+
+
+
+
+
+
+LIV.
+
+
+Waarheen zoo haastig met uw mand op
+den laten avond, nu de markt geslooten is?
+
+Allen zijn nu thuis met hun vrachten; de
+maan kijkt booven de boomen van het dorp.
+
+De echoos van de stemmen, die roepen
+naar den ooverhaal, vlieden oover het donkere
+water naar het verre moeras waar de
+wilde eenden slapen.
+
+Waarheen zoo haastig met uw mand, nu
+de markt is geslooten?
+
+
+
+Slaap legde haar vingers op de oogen van
+den nacht.
+
+De nesten van de kraayen zijn stil geworden,
+en de fluisteringen van de bamboebladen
+zwijgen.
+
+De arbeiders, die thuis kwamen van den
+akker, spreiden hun matten in den binnenhof.
+
+Waarheen zoo haastig met uw mand, nu
+de markt geslooten is?
+
+
+
+
+
+
+LV.
+
+
+Het was middag toen je wegging.
+
+Fel stond de zon aan den heemel.
+
+Ik had mijn werk gedaan en zat alleen op
+mijn balkon toen je wegging.
+
+
+
+Grillige windstooten voeren ziftend door
+de geuren van veele verre landerijen.
+
+De duiven koerden onophoudelijk in de
+schaduw, en een bij verdwaalde in mijn
+kamer, en zoemde het nieuws van veele
+verre landerijen.
+
+
+
+Het dorp sliep in de middaghette. De weg
+lag verlaten.
+
+In plotselinge vlagen rees en verstierf het
+geruis der bladen.
+
+Ik zag op naar den heemel, en weefde in
+het blaauw de letters van een bekende naam,
+terwijl het dorp sliep in de middaghette.
+
+
+
+Ik had vergeeten mijn haar te vlechten.
+De kwijnende koelte speelde er mee op mijn
+wang.
+
+De rivier lag rimpeloos onder de
+schaduw-oever.
+
+De luye witte wolkjes bewoogen niet.
+
+Ik had vergeeten mijn haar te vlechten.
+
+
+
+Het was middag toen je wegging.
+
+Het stof van den weg was heet en de
+akkers lagen te hijgen.
+
+De duiven koerden in het digte gebladerte.
+
+Ik was alleen op mijn balkon, toen je weg
+ging.
+
+
+
+
+
+
+LVI.
+
+
+Ik was ééne van veele vrouwen, beezig
+met de obscure dagelijksche huishoudplichten.
+
+Waarom hebt gij mij uitverkooren en weggebracht
+uit de koele beschutting van ons
+dagelijksch leeven?
+
+
+
+Ongebiechte liefde is heilig. Zij schijnt als
+juweelen in het duister van het verborgen
+hart. In het licht van den nieuwsgierigen
+dag ziet ze erbarmelijk dof.
+
+O, gij, die in de schuilplaats van mijn hart
+doordrongt en mijn sidderende liefde in 't
+oopenbaar sleurdet, voor altijd het schaduwhoekje
+vernielend waar haar nest verborgen
+was!
+
+
+
+De andere vrouwen zijn dezelfde gebleeven.
+
+Geen enkele keek in haar eigen binnenste,
+en zij weeten haar eigen geheim niet.
+
+Ze glimlachen luchtigjes, en weenen,
+babbelen en werken. Dagelijks gaan ze naar
+den tempel, steeken hun lamp aan en halen
+water uit de rivier.
+
+
+
+Ik hoopte dat de rillende schaamte der
+dakloozen aan mijne liefde bespaard zou
+blijven, maar gij wendt uw gelaat af.
+
+Ja, uw weg ligt voor u oopen, maar gij
+hebt mijn terugkeer afgesneeden, en mij
+naakt voor de lidlooze, dag en nacht starende
+oogen der waereld gelaten.
+
+
+
+
+
+
+LVII.
+
+
+Ik plukte uw bloem, o waereld!
+
+Ik drukte haar aan mijn hart en de doorn
+stak.
+
+Toen de dag kwijnde en het donker werd,
+bespeurde ik dat de bloem verwelkt was,
+maar de pijn gebleeven.
+
+
+
+Meer bloemen zullen tot u koomen, o
+waereld, met geur en trots.
+
+Maar mijn tijd van bloemen plukken is
+voorbij en heel den donkeren nacht is mijn
+roos weg, maar de pijn gebleeven.
+
+
+
+
+
+
+LVIII.
+
+
+Op een morgen, in den bloemhof, kwam
+een blind meisje mij een bloemenketen aanbieden,
+geborgen in een lotos-blad.
+
+Ik deed hem om mijn hals en tranen
+kwamen in mijn oogen.
+
+Ik kuste haar en zeide: "Je bent blind
+zooals de bloemen zelf."
+
+"Je weet zelf niet hoe schoon je geschenk
+is."
+
+
+
+
+
+
+LIX.
+
+
+O vrouw, gij zijt niet enkel het maaksel
+van God, maar ook van menschen; zij kleeden
+u voortduurend met schoonheid van hun
+harten.
+
+Dichters weeven voor u een webbe met
+draden van gouden verbeelding; schilders
+geeven steeds nieuwe onsterfelijkheid aan
+uw vorm.
+
+De zee geeft zijn paerlen, de mijnen hun
+goud, de zoomertuinen hun bloemen, om u
+te bekleeden, te bedekken, en kostelijker
+te maken.
+
+De begeerte der menschenharten heeft zijn
+glans oover uwe jeugd gespreid.
+
+Gij zijt half vrouw, half droom.
+
+
+
+
+
+
+LX.
+
+
+O, in steen gehouwen Schoonheid, te midden
+van het gedrang en rumoer der waereld
+staat gij stom en stil, alleen en ongenaakbaar.
+
+De groote Tijd zit bekoord aan uw voeten
+en preevelt: "Spreek, spreek tot mij, geliefde,
+spreek, mijn bruid!"
+
+Maar uw spraak is in steen verslooten,
+Onbeweegbare Schoonheid!"
+
+
+
+
+
+
+LXI.
+
+
+Vreede, mijn hart, laat het afscheid een
+vriendelijk oogenblijk zijn.
+
+Laat het niet zijn dood, maar voltooying.
+
+Laat liefde versmelten in heugenis en
+smart in liederen.
+
+Laat de heemelvlucht eindigen in vleugelen-vouwen
+booven het nest.
+
+Laat de laatste aanraking uwer handen
+zacht zijn, als de bloem van den nacht.
+
+Sta stil, o Heerlijk Einde, voor een oogenblik,
+en zeg uw laatste woorden in stilte.
+
+Ik buig voor u en houd mijn lamp omhoog
+om u vóór te lichten op uw pad.
+
+
+
+
+
+
+LXII.
+
+
+Ik ging op het donkere droomenpad om de
+Geliefde te zoeken, die de mijne was in een
+vroeger leeven.
+
+Haar huis stond aan het eind van een verlaten
+straat.
+
+Haar lievelings-paauw zat in de avondkoelte
+dommelend op zijn kruk, en de
+duiven waren stil in hun hoekje.
+
+Zij zette haar lamp neer bij den voorhal en
+stond vóór mij.
+
+Zij hief haar groote oogen op naar mijn
+gelaat en vroeg sprakeloos: "Gaat het u goed,
+mijn vriend?"
+
+Ik poogde te antwoorden, maar onze taal
+was verlooren en vergeeten.
+
+Ik peinsde en peinsde; maar onze namen
+kon ik niet herinneren.
+
+Tranen blonken in haar oogen. Ze hield
+haar rechterhand tot mij op. Ik nam die en
+stond zwijgend.
+
+Onze lamp had geflakkerd in de avondkoelte--en
+doofde.
+
+
+
+
+
+
+LXIII.
+
+
+Reiziger, moet gij vertrekken?
+
+De nacht is stil en de duisternis zijgt op
+het woud.
+
+Op ons balkon zijn de lampen helder, de
+bloemen allen frisch en de jeugdige oogen
+nog wakker.
+
+Is de tijd voor het afscheid gekoomen?
+
+Reiziger, moet gij vertrekken?
+
+
+
+We hebben uw voeten niet met onze
+smeekende armen gebonden.
+
+De deuren zijn voor u oopen. Uw paard
+staat gezadeld aan de poort.
+
+Alleen met onze gezangen hebben wij
+getracht uw heengaan te verhinderen.
+
+Als wij getracht hebben u terug te houden,
+was het alleen met onze oogen.
+
+Reiziger, wij zijn onmachtig u te houden.
+Wij hebben niet dan onze tranen.
+
+Welk ondoofbaar vuur gloeit in uw oogen?
+
+Welke rustelooze koorts woelt in uw
+bloed?
+
+Welke roep uit het duister dwingt u?
+
+Welke vreesselijke bezweering hebt gij in
+de sterren geleezen, dat de nacht uw hart
+binnendrong met geheime verzeegelde boodschap,
+zwijgend en vreemd.
+
+Als ge niet van vroolijk gezelschap houdt,
+als ge vreede verlangt, moe hart, dan zullen
+we onze lampen dooven en onze harpen
+doen verstommen.
+
+We zullen stil in 't donker zitten bij het
+geruisch der bladeren, en de vermoeide maan
+zal bleeke stralen op uw venster werpen.
+
+O reiziger, welke sluimerlooze geest uit het
+hart van den middernacht heeft u aangeraakt?
+
+
+
+
+
+
+LXIV.
+
+
+Ik verbracht mijn dag op het blakend
+heete stof van den weg.
+
+Nu, in de avondkoelte, klop ik aan de deur
+van de herberg. Ze is verlaten en in puin
+gevallen.
+
+Een grimmige asjat boom spreidt zijn
+hongerig grijpende wortels door de gapende
+muurspleeten.
+
+
+
+Er waren dagen dat voetgangers hier hun
+moede voeten kwamen wasschen.
+
+Zij spreidden hun matten in den voorhof,
+bij het matte licht van de vroege maan, en
+zaten en praatten oover vreemde landen.
+
+Zij ontwaakten verkwikt in den morgen,
+als voogels hen verblijdden en vriendelijke
+bloemen met hun hoofdjes hun toeknikten
+aan den kant van den weg.
+
+Maar toen ik hier kwam wachtte mij geen
+brandende lamp.
+
+Zwarte roetvlekken, achtergelaten door
+veele vergeeten avondlampen, staren van
+den muur, als blinde oogen.
+
+Vuur-vliegen zweeven in het struweel bij
+den verdroogden vijver, en bamboe-twijgen
+werpen hun schaduw op het begraasde pad.
+
+Ik ben niemands gast aan het einde van
+mijn dag.
+
+Vóór mij is de lange nacht en ik ben moede.
+
+
+
+
+
+
+LXV.
+
+
+Is dat uw roep weederom?
+
+De avond is gekoomen. Vermoeidheid
+omvangt me als de armen van smeekende
+liefde.
+
+Roept gij mij?
+
+
+
+Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede
+meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht
+rooven?
+
+Ergends is een einde aan alles, en de
+eenzaamheid van het duister is ons eigendom.
+
+Moet uw stem daar doorhéén booren en
+mij slaan?
+
+
+
+Heeft de avond aan uwe poort geen
+sluimermuziek?
+
+Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer
+den heemel booven uw genadelooze tooren.
+
+Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op
+het stof, in zacht sterven.
+
+
+
+Moet gij mij roepen, Rustelooze?
+
+Dan moogen de droeve oogen der liefde te
+vergeefs wachten en weenen.
+
+De lamp mooge branden in het eenzame
+huis.
+
+De veerboot brenge de moede arbeiders
+huiswaarts.
+
+Ik laat mijn droomen achter en kom haastig
+op uw roep.
+
+
+
+
+
+
+LXVI.
+
+
+Een zwervende dwaas zocht den steen der
+wijzen. Zijn haren waren sliertig, tanig en
+vol stof, zijn lijf was tot een schim vermagerd,
+zijn lippen waren digt-gekneepen als de geslooten
+deuren van zijn hart, zijn oogen
+gloeiden als het licht van een glimworm die
+zijn wijfje zoekt.
+
+
+
+Vóór hem bulderde de grenzelooze oceaan.
+
+De rumoerige golven spraken gestadig van
+verborgen schatten, de onweetendheid bespottend,
+die hun beteekenis niet kende.
+
+Misschien had hij alle hoop opgegeeven,
+toch wou hij niet rusten, want het zoeken
+was zijn leeven geworden,--
+
+Eeven als de oceaan altijd dóór zijn armen
+tot den heemel opheft naar het onbereikbare.--
+
+Eeven als de sterren in kringen beweegen,
+en toch een einddoel zoeken dat nooit bereikt
+kan worden.--
+
+Zoo dwaalde de dwaas met zijn tanige,
+stoffige haren aan het eenzame strand en
+zocht den steen der wijzen.
+
+
+
+Op zeekeren dag kwam een dorps-jongen
+tot hem en vroeg: "Zeg, hoe kom je aan die
+gouden ketting om je middel?"
+
+De dwaas schrok op--de ketting, die eens
+van ijzer was, was waarlijk van goud; het
+was geen droom, maar hij wist niet wanneer
+zij veranderd was.
+
+Woest sloeg hij zich op 't voorhoofd--wáár,
+o wáár toch had hij dit succes bereikt
+zonder het te weeten?
+
+Het was hem een gewoonte geworden
+steenen op te rapen en de ketting er mee
+aan te raken, en ze dan weg te werpen zonder
+te zien of de verandering gelukt was; zoo
+had de dwaas den steen gevonden en weer
+verlooren.
+
+De zon zonk laag in 't westen, de heemel
+was als goud.
+
+De dwaas keerde terug op zijn schreeden
+om opnieuw de verlooren schat te vinden,
+zijn kracht uitgeput, zijn lijf geboogen, zijn
+hart in 't stof--als een ontwortelde boom.
+
+
+
+
+
+
+LXVII.
+
+
+Al komt de avond met trage schreeden en
+wenkt dat alle gezangen zullen staken;
+
+al zijn uw gezellen ter rust gegaan en zijt
+gij zelve moede;
+
+al loert vrees in het donker en al is het
+gelaat des heemels omsluyerd;
+
+toch, voogel! o mijn voogel, luister naar
+me, vouw uw vleugelen niet digt.
+
+
+
+Dat donkere is niet het woud-gebladert,
+het is de zee, zwellend als een donkere
+zwarte slang.
+
+Dat is niet de dans van jasmijn-bloesem,
+het is opblinkend schuim.
+
+Ach, waar is de groene zonnige kust, waar
+is uw nest?
+
+Voogel, mijn voogel, luister naar mij, vouw
+uw vleugelen niet digt.
+
+
+
+Langs uwen weg ligt de eenzame nacht,
+de dageraad slaapt achter de schaduwige
+heuvelen.
+
+De sterren tellen de uuren met ingehouden
+adem, de zwakke maan drijft door de
+scheemerige nacht.
+
+Voogel! o mijn voogel, luister naar me,
+vouw uw vleugelen niet digt.
+
+
+
+Voor u is er noch hoop, noch vrees.
+
+Er is geen woord, geen fluistering, geen
+roep.
+
+Geen thuis, geen rustplaats.
+
+Niets als uw eigen vleugelpaar en de
+weegenlooze heemel.
+
+Voogel, o mijn voogel, luister naar mij,
+vouw uw vleugelen niet digt.
+
+
+
+
+
+
+LXVIII.
+
+
+Niemand leeft eeuwig, broeder, en niets is
+duurzaam. Denk daarom en verheug u.
+
+Ons leeven is niet altijd dezelfde oude last,
+onze weg is niet altijd dezelfde lange reis.
+
+Een enkele dichter behoeft niet altijd dezelfde
+oude zang te zingen.
+
+De bloem welkt en sterft; maar hij, die de
+bloem draagt, behoeft er niet eeuwen oover
+te rouwen.
+
+Broeder, denk daarom en verheug u.
+
+
+
+Er moet een volkoomen rustpooze zijn, om
+volmaaktheid te weeven in muziek.
+
+Het leeven neigt naar zijn zonsondergang,
+om te verdrinken in de gouden schaduwen.
+
+Liefde moet weggeworpen worden van
+haar spel, om smart te drinken en tot den
+tranenheemel opgevoerd te worden.
+
+Broeder, denk daarom en verheug u.
+
+
+
+We spoeden ons om onze bloemen te verzamelen,
+eer ze geroofd worden door de
+voorbijgaande wind.
+
+Het doet ons bloed sneller gaan, en onze
+oogen helderder blinken, als wij kussen steelen,
+die zouden verlooren gaan door ons
+talmen.
+
+Ons leeven is greetig, onze begeerten zijn
+fel, want Tijd luidt de afscheidsklok.
+
+Broeder, denk daarom en verheug u.
+
+
+
+Wij hebben den tijd niet om iets te omklemmen,
+te vermorzelen en dan weg te werpen
+in 't stof.
+
+De uuren trippelen schielijk weg, hun droomen
+verbergend in hun kleed.
+
+Ons leeven is kort, het gunt ons maar
+enkele dagen voor liefde.
+
+Voor werken en zwoegen zou het eindeloos
+lang zijn.
+
+Broeder, denk daarom en verheug u.
+
+
+
+Schoonheid is lieflijk voor ons, omdat zij
+danst op dezelfde vliedende deun als ons
+leeven.
+
+Kennis is kostbaar voor ons, omdat wij
+nooit tijd zullen hebben haar te volmaken.
+
+In den eeuwigen Heemel is alles af en
+voltooid.
+
+Maar de aardsche illuzie-bloemen worden
+eeuwig frisch gehouden door den dood.
+
+Broeder, denk daarom en verheug u.
+
+
+
+
+
+
+LXIX.
+
+
+Ik jaag het gouden hert.
+
+Lacht vrij, mijn vrienden, maar ik volg het
+vizioen dat mij ontwijkt.
+
+Ik doorkruis heuvelen en dalen, ik zwerf
+door landen zonder naam, omdat ik het gouden
+hert jaag.
+
+Gij komt ter markt en koopt, en keert
+huiswaarts beladen met waren,--maar de
+winden zonder te-huis hebben mij geraakt
+met hun toover, ik weet niet waar, noch
+wanneer.
+
+Ik draag geen zorg in mijn hart; al het
+mijne liet ik verre achter mij.
+
+Ik doorkruis heuvelen en dalen, ik zwerf
+door landen zonder naam--want ik jaag
+het gouden hert.
+
+
+
+
+
+
+LXX.
+
+
+Ik herinner mij een dag uit mijn kindertijd,
+waarop ik een papieren schuitje liet varen in
+een greppel.
+
+Het was een reegen-dag in Juli; ik was
+alleen en gelukkig in mijn spelletje.
+
+Ik liet mijn papieren schuitje varen in de
+greppel.
+
+
+
+Plotseling werden de onweerswolken dikker,
+de wind kwam in vlagen, en de reegen
+viel bij stroomen.
+
+Beekjes modderig water bruisten aan, deeden
+de stroom zwellen en mijn schuitje
+zinken.
+
+Ik dacht met bitterheid, dat de storm
+opzettelijk was gekoomen om mijn plezier te
+bederven; al zijn boosaardigheid gold mij.
+
+
+
+De wolkdonkere Juli-dag is heeden lang,
+en ik heb gepeinsd oover al die spelletjes in
+'t leeven, waarin ik verloor.
+
+Ik verweet mijn lot de veele streeken die
+het mij speelde,--toen dacht ik opeens aan
+mijn papieren schuitje, dat zonk in de
+greppel.
+
+
+
+
+
+
+LXXI.
+
+
+De dag is nog niet voorbij, het marktfeest
+is nog niet ten einde, het marktfeest aan den
+stroom-oever.
+
+Ik vreesde dat mijn tijd vermorst was en
+mijn laatste penning verlooren.
+
+Maar neen, mijn broeder, ik heb nog iets
+oover. Het lot heeft mij niet alles ontfutseld.
+
+
+
+Het koopen en verkoopen is gedaan.
+
+De schulden aan weerszijden zijn geïnd, en
+het is tijd voor mij naar huis te gaan.
+
+Tolwachter, eisch je je tolgeld?
+
+Vrees niet, ik heb nog iets oover. Het lot
+heeft me niet alles ontfutseld.
+
+
+
+Het luuwen van den wind dreigt met storm,
+en de in het westen dalende wolken voorspellen
+geen goeds.
+
+Het verstomde water wacht op den wind.
+
+Ik spoed mij om den stroom oover te steeken
+vóór den nacht.
+
+O veerman, verlang je je veergeld?
+
+Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn
+lot heeft me niet alles ontfutseld.
+
+
+
+Aan den wegkant, onder den boom, zit de
+beedelaar. Helaas, hij ziet mij in 't gelaat
+met schuchtere hoop!
+
+Hij denkt dat ik rijk ben door de winst
+van den dag.
+
+Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn
+lot heeft me niet alles ontfutseld.
+
+
+
+De nacht wordt donker en eenzaam de
+weg. Glimwormen glanzen tusschen de
+bladeren.
+
+Wie zij gij, die mij volgt met sluipend stille
+schreeden?
+
+O, ik weet, gij wilt mij berooven van al
+mijn winsten. Ik zal u niet teleurstellen.
+
+Want ik heb nog iets oover, mijn lot heeft
+mij niet alles ontfutseld.
+
+
+
+Te middernacht kom ik thuis. Mijn handen
+zijn leeg.
+
+Gij wacht met angstige oogen aan mijn
+deur, zwijgend en slapeloos.
+
+Als een vreesachtige voogel vliegt ge aan
+mijn borst met greetige liefde.
+
+Ja, ja, mijn God, er is nog veel oover.
+
+Mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.
+
+
+
+
+
+
+LXXII.
+
+
+Ik bouwde eenen tempel met dagen van
+harden arbeid. Hij had deuren noch vensters,
+zijn muuren waren dik gemetseld van massieven
+steen.
+
+Ik vergat al het andere, ik vermeed de
+waereld, ik staarde in verrukte aanschouwing
+naar het beeld, dat ik op het altaar had
+gezet.
+
+Binnen was het altijd nacht, verlicht door
+lampen met geurige olie.
+
+De gestadige walm van wierook wond mijn
+hart in zijn zware kronkels.
+
+Slapeloos grifte ik op de muuren fantastische
+figuuren in verbijsterend verwikkelde
+lijnen--gevleugelde paarden, bloemen met
+menschengelaat,--vrouwen met slangeleeden.
+
+Geen doorgang was ergens gelaten, waardoor
+voogelgezang, blad-geruisch, of druk
+dorpsgerucht zou kunnen dringen.
+
+De eenige klank, die echoode in den donkeren
+dom, was mijn psalm-gezang.
+
+Mijn geest werd scherp en stil als een
+puntige vlam, mijn zinnen zwijmden in
+ekstaze.
+
+Ik weet niet hoe de tijd verging, totdat de
+donderkeil in den tempel sloeg, en een pijn
+mij door het hart stak.
+
+
+
+De lamp zag bleek en beschaamd; de griftsels
+op de muuren zagen, als gekeetende
+droomen, weezenloos in het licht, alsof ze
+zich wel wilden verschuilen.
+
+Ik keek naar het beeld op het altaar. Ik
+zag dat het glimlachte, leevend door de
+leevendige aanraking Gods. De nacht, dien
+ik gekerkerd had, spreidde zijn vleugelen en
+verzwond.
+
+
+
+
+
+
+LXXIII.
+
+
+Uw rijkdom is niet oneindig, mijn geduldige
+en donkere moeder aarde!
+
+Gij zwoegt om de monden uwer kinderen
+te vullen, maar voedsel is schaars.
+
+De gave der blijdschap, die gij voor ons
+hebt, is nooit volkoomen.
+
+Het speelgoed, dat ge voor uw kinderen
+maakt, is broos.
+
+Gij kunt al onze hongerige verwachtingen
+niet voldoen, maar zou ik u daarom verlaten?
+
+Uw door smart beschaduwde glimlach is
+liefelijk voor mijn oogen.
+
+Uw liefde, die geen voleindiging kent, is
+mijn hart dierbaar.
+
+Gij hebt ons uit uw borst gevoed met leeven,
+niet met onsterfelijkheid, daarom zijn
+uw oogen altijd waaksaam.
+
+Aeonen lang werkt gij met kleur en zang,
+toch is uw heemel niet gebouwd, alleen zijn
+droeve aanduiding.
+
+Oover uwe schoonheids-scheppingen ligt
+de tranen-neevel.
+
+Ik zal mijn zangen storten in uw zwijgend
+hart, en mijn liefde in uwe liefde.
+
+Ik zal u eeren door arbeid.
+
+Ik heb uw zacht gelaat gezien en ik min
+uw rouw-vol stof, moeder aarde.
+
+
+
+
+
+
+LXXIV.
+
+
+In de gehoorzaal der waereld zit de simpele
+grashalm op hetzelfde tapijt met de
+zonnestraal en de middernacht-sterren.
+
+Zoo deelen mijn zangen hun zeetels, in het
+hart der waereld, met de muziek van wolken
+en wouden.
+
+Maar uw weelde, gij rijkaard, heeft geen
+deel in de soobere grootheid van het blijde
+zonnegoud, of van het weeke blinken der
+peinzende maan.
+
+De zeegen van den al-omvangenden
+heemel wordt er niet oover uitgestort.
+
+En als de dood komt, verbleekt ze, en
+verschrompelt en verkruimelt tot stof.
+
+
+
+
+
+
+LXXV.
+
+
+Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:
+
+"Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken
+en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier
+zoo lang in verblinding gehouden?"
+
+God fluisterde: "Ik", maar de ooren van
+den man waren verstopt.
+
+Met haar zuigeling slapend aan haar
+boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap
+aan een kant van het bed.
+
+De man zeide: "Wie zijt gij, die mij zoolang
+bedot hebt?"
+
+De stem zeide weer: "Zij zijn God", maar
+hij hoorde niet.
+
+De zuigeling riep in zijn droom en nestelde
+zich digt aan de moeder.
+
+God gebood: "Houd in, dwaas, verlaat uw
+thuis niet" maar nog hoorde hij niet.
+
+God zuchtte en klaagde: "Waarom gaat
+mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken,
+terwijl hij mij verzaakt?"
+
+
+
+
+
+
+LXXVI.
+
+
+Vóór den tempel was het marktfeest in
+vollen gang. Het had gereegend van den
+vroegen morgen, en de dag neigde ten einde.
+
+Blijder dan al de pret der meenigte was de
+blijde glimlach van een meisje, dat voor een
+penning een fluitje van palmblad had gekocht.
+
+De schrille vreugd van dat fluitje steeg uit
+booven al het gelach en rumoer.
+
+Een eindelooze meenigte volks kwam en
+verdrong elkaar. De weg was modderig, de
+rivier gezwollen, het veld stond onder water
+door gestadigen reegen.
+
+Bitterder dan alle nooden der meenigte
+was de nood van een kleinen jongen--hij
+had geen penning om een gekleurde stok te
+koopen.
+
+De heele menschen-bijeenkomst werd erbarmelijk
+door zijn weemoedig verlangende
+oogen, die naar den winkel staarden.
+
+
+
+
+
+
+LXXVII.
+
+
+De arbeider en zijn vrouw, uit het westelijk
+land, zijn beezig met graven, om steenen
+te maken voor den ooven.
+
+Hun dochtertje gaat naar de aanleg-plaats
+bij de rivier; daar gaat ze potten en pannen
+schuuren en schrobben zonder end.
+
+Haar broertje, met geschooren hoofdje en
+bruine, naakte, bemodderde leeden, gaat
+haar na en wacht, naar haar aanwijzing, geduldig
+op den hoogen oever.
+
+Ze keert huiswaarts, met de volle kruik in
+eevenwicht op haar hoofd, het blinkende
+koopervat in haar linkerhand, het kind vasthoudend
+met haar rechter--als het
+dienaresje van haar moeder, ernstig door 't
+gewigt van huisselijke beslommering.
+
+Eens zag ik den naakten jongen met uitgestrekte
+beenen neerzitten.
+
+Zijn zuster zat in het water en schuurde
+met een handvol aarde een drinkvat, dat ze
+om en om draaide.
+
+Een zachtharig lammetje stond digtbij op
+den oever te grazen.
+
+Hij naderde de plaats, waar de jongen zat
+en blaatte op eenmaal luid, het kind verschrok
+en schreeuwde.
+
+Zijn zuster staakte het reinigen van haar
+vaatwerk en liep toe.
+
+Zij nam broertje in één arm en lammetje
+in den anderen, en haar liefkoozingen tusschen
+beiden verdeelend, verbond ze in één
+liefdeband het kroost van dier en mensch.
+
+
+
+
+
+
+LXXVIII.
+
+
+Het was in Mei. De drukkende middag
+scheen eindeloos. De drooge aarde gaapte
+van dorst in de hitte.
+
+Toen hoorde ik van den stroom-oever
+een stem, roepend: "Kom dan, lievert!"
+
+Ik sloot mijn boek en oopende mijn venster
+om naar buiten te zien.
+
+Ik zag een groote buffel met modder-bevlekte
+huid bij de rivier staan, met goedige,
+geduldige oogen; en een jongeling, tot de knie
+in 't water wadend, riep hem naar zijn bad.
+
+Ik had plezier en glimlachte en voelde iets
+liefelijks in mijn hart.
+
+
+
+
+
+
+LXXIX.
+
+
+Dikwijls vraag ik verwonderd, waar de
+grenzen van herkenning verborgen liggen
+tusschen den mensch en het beest, wiens hart
+geen gesprooken taal kent.
+
+Door welk oer-paradijs in de verre scheppingsmorgen
+liep het eenvoudige pad,
+waarop hun harten elkaar bezochten?
+
+Deeze spooren van hun gestadigen tred
+zijn niet uitgewischt, al is hun verwantschap
+lang vergeeten.
+
+En plotseling in een of andere woordelooze
+muziek ontwaakt de scheemerige herinnering--en
+het dier staart den mensch in 't
+gelaat met teeder vertrouwen, en de mensch
+ziet het dier in de oogen met glimlachende
+geneegenheid.
+
+Het is dan als ontmoetten de twee vrienden
+elkaar gemaskerd, en herkennen weifelend
+elkander in de vermomming.
+
+
+
+
+
+
+LXXX.
+
+
+Met één blik van uw oogen zoudt ge den
+ganschen liederen-rijkdom van de harpen
+der dichters kunnen rooven, schoone vrouw.
+
+Maar gij hebt geen ooren voor hun lof,
+daarom kom ik u prijzen.
+
+De hoogmoedigste hoofden ter waereld
+zoudt ge aan uw voeten kunnen verneederen.
+
+Maar gij verkiest uw geliefden te eeren,
+die de faam niet kent, daarom eer ik u.
+
+De volmaakte schoonheid van uw armen
+zou de gloorie van kooninklijke pracht
+verhoogen door hun aanraking.
+
+Maar ge beezigt hen om het stof te veegen,
+en uw neederig huis rein te houden, daarom
+ben ik met ontzag vervuld.
+
+
+
+
+
+
+LXXXI.
+
+
+Waarom fluistert gij zoo zwakjes aan mijn
+oor, O Dood, mijn Dood?
+
+Als de bloemen zich neigen in den avondstond,
+en het vee terugkeert tot zijn stallen,
+dan komt gij ter sluiks aan mijn zijde en
+fluistert woorden die ik niet versta.
+
+Moet gij mij aldus werven en winnen met
+het heulsap van droomerig gemurmel en
+koude kussen, O Dood, mijn Dood?
+
+
+
+Zal er geen pralende plechtigheid zijn bij
+onze bruiloft?
+
+Zult gij uw verkronkelde, tanige haren niet
+opbinden met een krans?
+
+Zal niemand uw banier voor u uitdragen,
+en zal de nacht niet in gloed staan door uw
+roode toorts-vlammen, O Dood, mijn Dood?
+
+
+
+Kom met klinkende kinkhoorns, kom in
+den slapeloozen nacht.
+
+Kleed mij in een karmozijn-mantel, grijp
+mijn hand en neem mij.
+
+Laat uw wagen klaar staan voor mijn deur,
+met ongeduldig hinnikende paarden.
+
+Ligt mijn sluyer op en zie mij fier in 't
+gelaat, O Dood, mijn Dood.
+
+
+
+
+
+
+LXXXII.
+
+
+Wij gaan vannacht het spel van den dood
+speelen, mijn bruid en ik.
+
+De nacht is zwart, de wolken aan den heemel
+zijn grillig, en op zee razen de golven.
+
+We hebben het bed onzer droomen verlaten,
+de deur oopengeworpen en zijn naar
+buiten gegaan, mijn bruid en ik.
+
+Wij zitten op een schommel en de stormwinden
+geeven ons van achtern een wilde
+duuw.
+
+Mijn bruid schrikt op van vrees en
+vreugde, siddert en klemt zich aan mijn borst.
+
+Lang heb ik haar teederlijk gediend.
+
+Ik maakte voor haar een bed van bloemen,
+en ik sloot de deuren om het felle licht van
+haar oogen te weeren.
+
+Ik kuste haar ligtelijk op de lippen, en
+fluisterde zachtkens in haar oor, tot zij half
+zwijmde in oovergave.
+
+Zij was verlooren in de eindelooze neevel
+van vage zoetheid.
+
+Ze beantwoordde mijn aanraking niet, mijn
+zangen konden haar niet wekken.
+
+Vannacht is de roep tot ons gekoomen van
+den storm der wildernis,
+
+Mijn bruid huiverde en stond op, ze greep
+mijn hand en ging naar buiten.
+
+Heur haar fladdert in den wind, haar sluyer
+wappert, haar bloemen-snoer ritselt op haar
+boezem.
+
+De duuw des Doods heeft haar in 't leeven
+geslingerd.
+
+Wij zijn aangezicht aan aangezicht en hart
+aan hart, mijn bruid en ik.
+
+
+
+
+
+
+LXXXIII.
+
+
+Zij woonde op de heuvel-helling aan den
+rand van een maïsveld, digtbij de beek, die
+in lachende rimpels door de plechtige schaduw
+van oude boomen stroomt. Daar
+kwamen de vrouwen om hun kruiken te vullen,
+en voetgangers zaten er te rusten en te
+praten. Zij werkte en droomde er dagelijks,
+bij den deun van het kabbelende water.
+
+Op een avond kwam de vreemdeling van
+de in-wolken-verborgen top afdalen; zijn lokken
+waren ineengekronkeld als slaperige
+slangen. Wij vroegen verwonderd: "Wie zijt
+gij?" Hij antwoordde niet, maar zat neer
+bij de praatzieke stroom en staarde zwijgend
+naar de hut waar zij woonde. Onze harten
+trilden van vrees en wij kwamen thuis toen
+het nacht was.
+
+Den volgenden morgen, toen de vrouwen
+kwamen om water te halen uit de bron bij
+de deodar boomen, vonden zij de deuren in
+haar hut oopen, maar haar stem was weg en
+waar was haar lachend gelaat?
+
+De leege kruik lag op den vloer en haar
+lamp was vanzelf uitgebrand in den hoek.
+Niemand wist waarheen zij gevlucht was, totdat
+de morgen kwam--en de vreemdeling
+verdweenen was.
+
+In de maand Mei werd de zon krachtig en
+de sneeuw smolt, en wij zaten bij de bron en
+weenden. We vroegen ons af: "zou er een
+bron zijn in 't land waarheen ze is gegaan,
+waar ze haar kruik kan vullen in deeze heete
+dorstige dagen?" En wij vroegen elkander
+neerslachtig: "Is er land aan géne kant van
+onze heuvelen?"
+
+Het was een zoomernacht; het briesje
+kwam van 't zuiden; en ik zat in haar verlaten
+kamer, waarin de lamp nog altijd onaangestooken
+stond. Toen plotseling de
+heuvelen voor mijn oogen verdweenen als
+weggeschooven gordijnen. "Ach, zij is het
+die aankomt. Hoe gaat het, mijn kind? Ben
+je gelukkig? Maar waar kun je schuilen
+onder deezen vrijen heemel? En helaas! onze
+beek is er niet, om je dorst te stillen."
+
+"Hier is dezelfde heemel," zeide zij "maar
+vrij van de beschuttende heuvels--dit is dezelfde
+stroom, gezwollen tot een rivier--dezelfde
+aarde, verwijd tot een vlakte".
+"Alles is hier" zuchtte ik "alleen wijzelven
+zijn er niet". Zij glimlachte droeviglijk en
+zeide: "Je bent in mijn hart". Ik ontwaakte
+en hoorde het kabbelen van den stroom en
+het nachtelijk ruischen der deodars.
+
+
+
+
+
+
+LXXXIV.
+
+
+Oover de groen-en-geele rijstvelden slieren
+de schaduwen van de herfstwolken, gevolgd
+door de snel-jagende zonneschijn.
+
+De bijen vergeeten hun hoonig te nippen;
+verdwaasd zweeven en zoemen ze, dronken
+van licht.
+
+De eenden, op de eilanden in de rivier,
+tieren van plezier om louter niets.
+
+Laat niemand naar huis teruggaan deezen
+morgen, broeders, laat niemand aan 't werk
+gaan.
+
+Laat ons den blaauwen heemel stormender
+hand neemen, en de ruimte plunderen
+bij 't loopen.
+
+Lachen drijft in de lucht, als schuim op den
+vloed.
+
+Broeders, laat ons onzen morgen verspillen
+in nuttelooze liederen.
+
+
+
+
+
+
+LXXXV.
+
+
+Wie zijt gij, leezer, die mijn gedichten leest
+oover honderd jaar?
+
+Ik kan u geen enkele bloem zenden van
+deeze lente-weelde, geen enkele gouden
+stréép van gindsche wolken.
+
+Oopen uw deuren en zie naar buiten.
+
+Verzamel uit uw bloeyende hof geurige
+herinneringen, van de verdweenen bloemen
+van voor honderd jaar.
+
+Moogt gij in de vreugde uws harten de
+leevende vreugde voelen, die op een lentemorgen
+zong, en haar blijde stem heen zond
+oover honderd jaren.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Hoovenier, by Rabindranath Tagore
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 57772 ***